diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:46:54 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:46:54 -0700 |
| commit | 71e8bce7fa5f0244c01434914704359e1ed865c5 (patch) | |
| tree | 7b01d70c0f341d9d45de37cf86167fc4c0077653 /15497-h | |
Diffstat (limited to '15497-h')
| -rw-r--r-- | 15497-h/15497-h.htm | 17272 | ||||
| -rw-r--r-- | 15497-h/images/koorden.png | bin | 0 -> 966 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 15497-h/images/spinoza1.jpeg | bin | 0 -> 88728 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 15497-h/images/spinoza2.jpeg | bin | 0 -> 101313 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 15497-h/images/titelpagina.jpeg | bin | 0 -> 161435 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 15497-h/images/voorkant.jpeg | bin | 0 -> 96441 bytes |
6 files changed, 17272 insertions, 0 deletions
diff --git a/15497-h/15497-h.htm b/15497-h/15497-h.htm new file mode 100644 index 0000000..9ede63b --- /dev/null +++ b/15497-h/15497-h.htm @@ -0,0 +1,17272 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl"> +<head> +<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii" /> +<title>Ethica</title> +<style type="text/css"> +/*<![CDATA[*/ +<!-- + body + { + font-family: Georgia, serif; + margin-right: 10%; + margin-left: 10%; + } + p + { + text-align: justify; + } + h1 + { + text-align: center; + } + h2, h3, h4, h5, h6 + { + margin-top: 2em; + text-align: center; + } + h3.lined + { + margin-top: 1em; + margin-bottom: 1em; + } + pre + { + font-family: Courier, monospace; + font-size: 0.8em; + } + sup + { + font-size: 0.7em; + } + hr + { + width: 50%; + } + hr.full + { + width: 100%; + } + hr.short + { + width: 25%; + } + .clearoff + { + clear: both; + } + .toctitle + { + padding-top: 2em; + font-size: 110%; + font-weight: bold; + } + .tocunder + { + padding-top: 2em; + font-size: 110%; + font-weight: bold; + text-decoration: underline; + } + .returntoc + { + text-align: right; + font-size: 0.7em; + } + .floatl + { + float: left; + } + .floatr + { + float: right; + } + .figleft + { + padding: 1em; + margin-left: -10%; + float: left; + text-align: left; + font-size: 0.8em; + } + .figcenter + { + padding: 1em; + margin: 0; + text-align: center; + font-size: 0.8em; + } + .figcenter img + { + border: medium none; + } + .figcenter p + { + margin-top: 1em; + margin-right: 10%; + margin-bottom: -1em; + margin-left: 10%; + text-align: center; + } + .figcenter + { + margin: auto; + } + .stelling + { + margin-top: 2em; + } + .bewijs + { + } + .hoofd + { + margin-top: 2em; + } + .define + { + margin-top: 2em; + } + .axioma + { + } + .lemma + { + margin-top: 2em; + } + .postulaat + { + margin-top: 2em; + } + .anders + { + } + .opmerk + { + text-align: justify; + text-indent: 0; + margin-right: 10%; + margin-left: 10%; + } + .toelicht + { + text-align: justify; + text-indent: 0; + margin-right: 10%; + margin-left: 10%; + } + .gewijs + { + text-align: justify; + text-indent: 0; + margin-right: 10%; + margin-left: 10%; + } + .gevolg + { + text-align: justify; + text-indent: 0; + margin-right: 10%; + margin-left: 10%; + } + .quote + { + text-align: justify; + text-indent: 0; + margin-right: 10%; + margin-left: 10%; + } + div.nootbloc + { + margin-top: -1.5em; + } + .voetitem + { + margin-right: 10%; + margin-left: 10%; + font-size: 0.9em; + } + .nootitem + { + margin-right: 10%; + margin-left: 10%; + } + div.sidenote + { + position: relative; + top: -0.5em; + right: 12%; + left: 92%; + font-size: 0.6em; + text-align: left; + text-indent: 0; + } + div.centered + { + text-align: center; + } + div.centered table + { + margin-left: auto; + margin-right: auto; + text-align: center; + } + a:link + { + color: blue; + text-decoration: none; + } + a:visited + { + color: blue; + text-decoration: none; + } + a:hover + { + color: red; + } +--> +/*]]>*/ +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Ethica, by Benedictus de Spinoza + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Ethica + In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht + door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen + + +Author: Benedictus de Spinoza + +Release Date: March 29, 2005 [EBook #15497] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ETHICA *** + + + + +Produced by Miranda van de Heijning, Tony Browne and the Online +Distributed Proofreading Team. + + + + + + +</pre> + + + + + +<hr class="full" /> +<div class="centered"><table cellpadding="2" cellspacing="0" summary="Tafel van Inhouden"> +<tr><th align="center">*** INHOUD ***</th></tr> +<tr><td align="center"><a href="#begin">Begin</a></td></tr> +<tr><td align="center"><a href="#voorwoord">Voorwoord</a></td></tr> +<tr><td align="center"><a href="#handel">Verbetering des Verstands</a></td></tr> +<tr><td align="center"><a href="#index">Ethica + Index</a></td></tr> +<tr><td align="center"><a href="#aanteek">Aanteekening</a></td></tr> +</table></div> +<hr class="short" /> + + + + +<div class="centered"><table cellpadding="2" cellspacing="0" summary="Lijst van Portretten"> +<tr><th align="center">*** PORTRETTEN ***</th></tr> +<tr><td align="center"><a href="#spinoza1">Spinoza op 33- of 34-jarigen leeftijd</a></td></tr> +<tr><td align="center"><a href="#spinoza2">Spinoza op 39-jarigen leeftijd</a></td></tr> +</table></div> +<hr class="full" id="begin" /> + + + + +<h2>BENEDICTUS DE SPINOZA</h2> + +<h1>ETHICA</h1> + +<h4>VERTAALD, INGELEID EN TOEGELICHT DOOR</h4> + +<h3>JHR. DR. NICO VAN SUCHTELEN</h3> + +<h4>MET 2 PORTRETTEN</h4> + + + +<div class="figcenter"> +<img src="images/voorkant.jpeg" alt="VoorKant" +title="VoorKant" /> +</div> +<hr class="full" /> + + + + +<h1>ETHICA</h1> +<hr /> + + + +<h3>WERELDBIBLIOTHEEK</h3> + +<h4>ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.</h4> + +<h5>UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR. +<br />AMSTERDAM</h5> + + + + +<div class="figcenter"> +<img src="images/titelpagina.jpeg" alt="TitelPagina" +title="TitelPagina" /> +</div> + + + + +<h2>BENEDICTUS DE SPINOZA</h2> + +<h1>ETHICA</h1> + +<h4>IN MEETKUNDIGEN TRANT UITEENGEZET</h4> + +<h3>VERTAALD, INGELEID EN TOEGELICHT DOOR Jhr. Dr. NICO VAN SUCHTELEN</h3> + +<h4>MET 2 PORTRETTEN</h4> +<hr /> + + + + +<h3>GEDRUKT TER DRUKKERIJ "DE DEGEL," AMSTERDAM</h3> +<hr class="full" /> + + + +<div class="figcenter" id="spinoza1"> +<img src="images/spinoza1.jpeg" alt="SPINOZA op 33- of 34-jarigen leeftijd" +title="SPINOZA op 33- of 34-jarigen leeftijd" /> +<p> +SPINOZA op 33- of 34-jarigen leeftijd +<br /> +(Schilder onbekend) +</p> +</div> + + + +<hr id="voorwoord" /> + +<h3 class="lined">VOORWOORD</h3> + +<hr /> + + +<p>Baruch, later genaamd Benedictus de Spinoza (de Espinoza) werd +den 24sten November 1632 te Amsterdam geboren. Zijn ouders +behoorden beiden tot een naar Holland uitgeweken geslacht van +Portugeesche Joden. Van zijn zevende jaar af werd hij opgevoed op +de Talmoed-Thora-school, waar hij onderwezen werd in de +Hebreeuwsche taal, schriftgeleerdheid en filosofie, alsook in het +Spaansch; de laatste jaren onder leiding van den bekenden rabbijn +Morteira. Zijn buitengewone scherpzinnigheid trok reeds vroeg de +aandacht zijner leermeesters en deed hen groote verwachtingen +omtrent hem koesteren, maar al spoedig bracht zij hem in botsing +met het dogmatisch wetsgeloof. Het conflict werd steeds scherper, +en ofschoon men den jongen geleerde herhaaldelijk, zoowel door +bedreiging als door beloften (een jaargeld van duizend gulden dat +hem werd aangeboden op voorwaarde dat hij zich althans uiterlijk +aan de kerk zou onderwerpen, werd door hem van de hand gewezen) +voor het Jodendom trachtte te behouden, verwekten zijn kritiek en +verzet tenslotte zulk een ergernis dat hij den 27sten Juli 1656 +plechtiglijk door den banvloek uit de Joodsche gemeenschap werd +gestooten. Een tijd lang was de uitgebannen Jood nu huisgenoot en +leerling van den katholieken medicus Dr. Franciscus van den +Enden, een hoogst bekwaam man doch berucht vrijgeest, die een +gunstig bekende en druk bezochte Latijnsche school bestuurde. +Spinoza, die tot dusver slechts de Joodsche wetenschappen +beoefend had, werd door hem in het Latijn onderwezen en tevens +grondig ingewijd in de filosofie van Descartes en de +verschillende natuurwetenschappen. Bij van den Enden, en ook +onder de Collegianten (Doopsgezinden) wier vergaderingen hij +herhaaldelijk bezocht, ontmoette hij zijn eerste vrienden en +aanhangers; voor welken kleinen kring hij tusschen 1658 en 1660 +de "Korte Verhandeling van God, de Mensch en deszelfs welstand" +schreef, een werk dat als het eerste ontwerp der Ethica is te +beschouwen. Het werd door de vrienden als handschrift voorgelezen +en besproken (evenals later de brieven van den wijsgeer onder hen +circuleerden) en verscheen eerst na zijn dood in druk. In den +laatsten tijd van zijn verblijf bij van den Enden, toen hij zijn +leermeester bij diens onderwijs behulpzaam was, schreef hij +waarschijnlijk ook het onvoltooid gebleven "Tractatus de +Intellectus Emendatione" (<a href="#handel">Verhandeling over de verbetering des +Verstands</a>) waarin de schoone inleiding over de redenen die hem +noopten zijn leven aan de wijsbegeerte te gaan wijden<a href="#voetnoot1"><sup>1</sup></a>. Het +schijnt dat het gestook der teleurgestelde en verbitterde +rabbijnen Spinoza aanleiding gaf Amsterdam te verlaten; misschien +ook dreef hem behoefte aan minder drukke omgeving: in 1661 +althans vestigde hij zich in Rijnsburg. Hier schreef en +publiceerde hij (1663) een ten behoeve van een leerling +geschreven verhandeling over de beginselen der filosofie van +Descartes (Principia philosophiae cartesianae) met een aanhangsel +"Cogitata metaphysica" (Metaphysische overdenkingen). In 1663 +verhuisde hij naar Voorburg, vandaar trok hij in 1669 naar Den +Haag, waar hij tot zijn dood, den 21sten Februari 1677 bleef.</p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot1">[Voetnoot 1: De vertaling dier inleidende beschouwing doe ik aan +de Ethica voorafgaan.]</p> + +<p>Ofschoon Spinoza's leven niet zóó eenzaam en teruggetrokken was +als men vroeger meende--hij onderhield omgang, soms zeer drukken +omgang, met tal van personen, waaronder verscheidene geleerde en +aanzienlijke lieden, die het gezelschap van den diepzinnigen, +maar bescheiden en beminnelijken denker gaarne zochten--bleef hij +toch zeldzaam onafhankelijk van menschen en omstandigheden. Al +was zijn leer volstrekt niet asketisch, in de praktijk stelde hij +zich met uiterst weinig tevreden. Zijn karig levensonderhoud +verdiende hij met het slijpen van brilleglazen en lenzen, in welk +ambacht hij, naar het oordeel van mannen als Christiaan Huygens, +een groote bedrevenheid bezat. Een jaargeld, hem door een +bewonderaar aangeboden, weigerde hij en eerst toen het hem als +legaat werd vermaakt, aanvaardde hij er een klein gedeelte van. +Ook een Fransch jaargeld wilde hij niet aannemen. Het +professoraat te Heidelberg, hem in 1673 door den keurvorst Karl +Ludwig van de Palts aangeboden, sloeg hij af. Alle hebzucht, +ijdelheid en eerzucht waren hem vreemd. Maar ook alle valsche +bescheidenheid. Als hij zijn vrienden verzocht toch vooral zijn +leer niet aan de groote klok te hangen en er in 1675, na een +verwoede agitatie der geestelijkheid en der Cartesianen, van +afzag de Ethica nog tijdens zijn leven te publiceeren, zoo was +het geen bescheidenheid en nog minder vrees die hem daartoe +bewogen. Door de publicatie in 1670 van zijn "Tractatus +theologico-politicus" (Godgeleerd-staatkundig vertoog), een werk +waarvan ieder wist, hoewel het anoniem verscheen, dat hìj de +schrijver was en welks onvervaarde bijbelkritiek heel de +godgeleerde wereld deed ontstellen en tegen hem in het harnas +joeg, had hij getoond waar het noodig was de benepen +laatdunkendheid der theologanten van dien tijd te durven tarten +en met fijnste ironie te kunnen hoonen. Maar liever dan strijd +wilde hij rust. Hij was een dier zeer schaarschen onder de groote +geesten, die in kalme zelfbewustheid, in het stil-trotsche besef +van te arbeiden voor de eeuwigheid, terwille van zijn werkkracht +afstand kon doen van elk door nuttelooze ijdelheid ingeblazen +getwist. Zijn hoog-voorname gezindheid schuwde al het heftige, +opzichtige en buitensporige. En zoo ging zijn leven, na dien +eersten stormachtigen tijd zijner uitbanning (die intusschen zijn +eigen gemoedsrust minder verstoorde dan die zijner vijanden) +effen en kalm voorbij in rustigen arbeid. En even rustig, +onverward en onvervaard wachtte hij den dood, waarmede de tering +hem jarenlang bedreigde.</p> + +<p>Dadelijk na zijn dood had zijn huisheer, volgens Spinoza's eigen +opdracht, den lessenaar die het handschrift der Ethica en der +overige onuitgegeven werken bevatte, aan de vrienden in Amsterdam +gezonden en reeds in het einde van hetzelfde jaar verschenen zij +in het licht.<a href="#voetnoot2"><sup>2</sup></a></p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot2">[Voetnoot 2: De uitvoerigste levensbeschrijving van Spinoza is te +vinden in het voortreffelijke werk van K.O. Meinsma: Spinoza en +zijn Kring.]</p> + +<p>De kern van Spinoza's leer is in het kort aldus te formuleeren: +Er is één "iets" dat op-zichzelf, uit eigen kracht, als +"zijns-zelfs-oorzaak" bestaat. Dit is de Substantie, het +zelfstandige, God. Deze substantie is eeuwig, en oneindig vele +zijn haar attributen (kenmerken), ofschoon wij menschen daarvan +slechts twee, het Denken en de Uitgebreidheid (Geest en Materie) +kennen. Alle bijzondere dingen, heel de verschijningswereld +waarin wij leven, zijn "wijzigingen" (modi), dat wil zeggen +eindige, tijdelijke en vergankelijke openbaringen van de eeuwige, +oneindige godheid, waarin alles bestaat, op- en ondergaat. Zoo is +onze geest een straal van Gods geest, ons lichaam een deel van +Gods lichaam, en uit het redelijk bewustzijn, het klare en +duidelijke begrip dezer eenheid, ontbloeit de geestelijke liefde +tot God, die niets anders is dan de bewustwording van Godzelf in +onzen eigen geest; en hierin ligt onze verlossing en +gelukzaligheid.</p> + +<p>Dit is de leer van den klaren denker en vromen mysticus die als +godslasteraar uit de Joodsche kerkgemeenschap gebannen en door +christelijke dominees als "grouwelijck atheist" werd aangeblaft.</p> + +<p>Of Spinoza deze eenheid van God en Wereld werkelijk "overtuigend +bewezen" heeft en of zijn zedeleer van zachtzinnige kracht en +kalme berusting, van "wèl doen en blij zijn", werkelijk alléén +uit zìjn systeem kan voortvloeien? Spinoza zelf leefde in het +ongeschokt vertrouwen dat hìj in het bezit was der "ware +wijsbegeerte"<a href="#voetnoot3"><sup>3</sup></a>; +maar al konden wìj in zijn werk misschien niet +anders zien dan een eerlijke, of zelfs de eerlijkste poging om de +waarheid te benaderen, dit behoeft toch onze bewondering en +liefde niet te verkleinen. Bij ons nog zóó ontoereikend denken is +voorloopig nog niet wàt, maar hòe men denkt hoofdzaak. Men moet +het werk van een wijsgeer beschouwen en genieten als het werk van +een groot schilder; de "leer" bij den een is evenmin +onverschillig als de "voorstelling" bij den ander; maar zij is +evenmin hoofdzaak. De ontroering, het wezenlijke waardoor wij ons +één voelen met den wil, de innerlijke bedoeling van den schepper, +ontspruit uit het hòe, uit het meevoelen, het meeleven met die +bewogenheid die in de scheppingsdaad zelf zich openbaart. De ware +wijsheid die een wijsgeer ons meedeelt is niet de positieve +formule, het vaste systeem dat wij als een lesje kunnen napraten, +maar geheel zijn wijze van denken en zijn, waarin zijn bijzondere +virtuositeit van uiting ons dwingt onszelf te verplaatsen. Het +kan zijn dat men deze wijze van denken en zijn volkomen +"begrijpt", in zich opneemt, en toch tot gedeeltelijk of geheel +andere formeele gevolgtrekkingen komt als de wijsgeer zelf. Het +verstandelijk, kritisch oordeel over de "waarde" eener leer raakt +daarom tot op zekere hoogte volstrekt niet aan de beteekenis van +de in haar tot uiting gekomen "wijsheid".</p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot3">[Voetnoot 3: Brief aan Albert Burgh (LXXVI): "Ik onderstel niet +dat ik de beste filosofie heb uitgevonden, maar ik weet dat ik de +ware begrijp."]</p> + +<p>Ook bij Spinoza is dit het geval. Ik wil in geenen deele de +groote beteekenis van zijn leer als logisch systeem, van haar +scherp formuleerbare bewijzen of zelfs beweringen, ontkennen. +Maar het zijn niet deze dingen op zichzelf, het is niet de +verloochening van het dualisme, de onttroning van God als +schepper en willekeurig bestuurder eener buiten hem staande +wereld; niet de bevrijding uit de antropocentrische<a href="#voetnoot4"><sup>4</sup></a> +wereldbeschouwing en het anthropomorphe<a href="#voetnoot5"><sup>5</sup></a> +godsbegrip; niet zijn +nog voor de hedendaagsche denkbeelden voorbeeldige theorie +omtrent het parallelisme van geest en materie; niet die scherpe +en objectieve behandeling der gemoedsaandoeningen, welke door de +moderne psychologie misschien wat is uitgebreid, maar in den +grond der zaak niet werd verbeterd; het is niet deze positieve en +radikale voortzetting en ontwikkeling van de denkbeelden van +Descartes, de Occasionalisten of wie ook; al dit duidelijk +formuleerbare en historisch waardeerbare is het niet wat ons het +meest in Spinoza's werk ontroert. Het is zeker geen gering +intellektueel genot telkens in Spinoza's geschriften bronnen te +ontdekken van zoovele ons thans vertrouwde denkbeelden en +theorieën, maar het is tenslotte niet dáárom dat wie ééns zijn +troost bij hem vond, ook later, en steeds met denzelfden eerbied +en dezelfde liefde naar hem blijft luisteren. Neen, het is het +diep besef dat de moed, de eerlijkheid en de kracht van zijn +denken nog steeds ongeëvenaarde voorbeelden zijn en nog lang +zullen blijven voor alle wijsgeerige gelukzoekers, die niet tot +het volle bewustzijn hunner eigen goddelijkheid konden stijgen; +het is de veilige zekerheid dat hij, een mensch, de rust en de +kracht en de liefde kende en dat dus ook wij kunnen veroveren wat +nu, meer dan twee eeuwen na zijn dood, zelfs voor een +"verlichter" menschdom een nog te verheven leuze en daardoor +veelal een ijdele frase is: harmonie met het eeuwige en oneindige +leven.</p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot4">[Voetnoot 4: Waarbij de mensch (anthropos) als middelpunt, als +hoofdzaak, beschouwd wordt.]</p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot5">[Voetnoot 5: Menschvormig.]</p> + +<p>Omstreeks twintig jaar geleden, toen ik studeerde voor het +staatsexamen, besloot ik ter oefening en afwisseling ook eens +iets anders te lezen dan alleen klassieken. Mijn keus viel toen +voor het Grieksch op het Nieuwe Testament, voor het Latijn op +Spinoza's Ethica, twee werken, mij voordien nagenoeg onbekend. +Van beiden heb ik méér geleerd dan een beetje Grieksch en Latijn; +ik heb ze bewonderd als twee van de meest grootsche geestelijke +scheppingen die de menschheid bezit. Maar ontroerde mij het +eerste alleen als een schoon, maar onmiskenbaar verzonnen verhaal +met een onreëele tendens: de navolging van het onbereikbare; het +tweede stond vóór mij als een geweldige wereld van werkelijkheden +die voor alle zoekend verlangen overal stevig houvast scheen te +bieden. En in Spinoza zag ik den mensch die werkelijk +voorbeeldig, wijl werkelijk navolgbaar, was. En terwijl ik +thans,--nu niet in een tijd van èigen Sturm und Drang, maar te +midden van het onbeschaafde strijdrumoer van heel een verdwaasde +en verwilderde wereld,--mij voor deze vertaling opnieuw in het +rustig voorname werk moest verdiepen, kwam telkens de herinnering +aan die eerste verrassing en blijden vrede weer in mij op. Met +schroom was ik begonnen; zou ik ook van déze wijsheid vervreemd +blijken? Zoovele "reëele" stand- en steunpunten en stevige +houvasten waren niets dan verraderlijke klippen gebleken, waarop +het argeloos denken strandde. Maar ofschoon ik al die eens +zorgvuldig nageplozen stellingen wel met gansch andere oogen +herzag, nog leeft onverzwakt diezelfde dankbare bewondering voor +den geest, die iederen zin van zijn werk vervult, dien trotschen, +vrijen, onverbiddelijk eerlijken wil tot begrijpen der dingen, +die het wezenlijke van Spinoza's denken is en die zijn filosofie +gemaakt heeft tot den hoeksteen der geheele moderne wijsbegeerte +en zielkunde.</p> + +<p>Ik deel deze persoonlijke ervaring mede omdat zij de herinnering +is van tallooze jonge geesten die zich eens ontworstelden aan de +knechtschap van oude vooroordeelen, omdat zij welhaast de +herinnering zijn zal van heel de denkende menschheid. Zij is +dezelfde ervaring die Goethe opdeed, toen hij eens na langen +tusschentijd Spinoza's werken weder ter hand nam: "Dezelfde +atmosfeer van vrede woei mij weer aan. Ik gaf mij geheel aan de +lectuur over en dacht, terwijl ik in mijn eigen binnenste keek, +nooit zóó duidelijk de wereld te hebben +gezien."<a href="#voetnoot6"><sup>6</sup></a></p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot6">[Voetnoot 6: Wahrheit und Dichtung aus meinem Leben, Buch XVI.]</p> + +<p>"Hen kai pan, (één en al) iets anders ken ik niet meer" zeide +Lessing in een gesprek met Jacobi (1780) "Er is geen andere +filosofie dan die van Spinoza."</p> + +<p>En Hegel: "Het is deze morgenlandsche opvatting, die door Spinoza +het eerst in het avondland werd uitgesproken. Het denken moet +zich op het standpunt van het Spinozisme geplaatst hebben, dit is +het wezenlijke begin van alle filosofeeren. Als men begint te +filosofeeren, moet men allereerst Spinozist zijn. De ziel moet +zich baden in dezen aether der ééne substantie, waarin al wat men +eens voor waar hield is ten onder gegaan. Het is deze negatie van +alle bijzonderheid, waartoe elk wijsgeer eens moet zijn gekomen; +het is de <i>bevrijding</i> van den geest en zijn absolute +grondslag."<a href="#voetnoot7"><sup>7</sup></a></p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot7">[Voetnoot 7: Geschichte der Philosophie. Werke Band XV. Ed. +1836.]</p> + +<p>En Schelling: "Niemand mag hopen tot waarheid en volmaaktheid in +de filosofie te zullen voortschrijden, zoo hij niet althans ééns +in zijn leven zich in den afgrond van het Spinozisme heeft laten +verzinken."<a href="#voetnoot8"><sup>8</sup></a></p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot8">[Voetnoot 8: Werke. Erste Abt. Band X.]</p> + +<p>Ja, de voorganger van alle groote denkers en dichters van den +nieuwen tijd, de verlosser voor tallooze geestelijk benauwden en +gekerkerden was hij: "Spinoza, de blijde boodschapper der mondige +menschheid."<a href="#voetnoot9"><sup>9</sup></a></p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot9">[Voetnoot 9: Van Vloten.]</p> + + +<p>Men heeft het "betreurd" dat Spinoza zijn leer uiteen zette +volgens "meetkundige methode", dat hij zijn levenswerk dien +"overbodigen", sommigen zeggen "ongenietbaren" vorm gaf. Het +lijkt alles zeer scherpzinnig en het zal wel zeer verheven zijn, +zeggen deze lieden; maar het klinkt zoo nuchter, zoo koel, zoo +erg klaar bewust.</p> + +<p>"Zijn systeem" zegt Windelband, "is misschien wel het meest +indrukwekkende begrips-poëem (Begriffs<i>dichtung</i>) dat ooit een +menschelijk brein ontsprong; het strikt logische van zijn denken +en de klare zuiverheid van zijn overtuiging verzekeren hem de +bewondering van het nageslacht. Maar steeds zal ook de +onoplosbare tegenstrijdigheid tusschen den gloed zijner +godsliefde en de snijdende kilheid zijner wereldbeschouwing de +rust afbreuk doen waarin men den geweldigen samenhang zijner +gedachten zou wenschen te genieten."<a href="#voetnoot10"><sup>10</sup></a></p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot10">[Voetnoot 10: Geschichte der neueren Philosophie, 1.]</p> + +<div class="figcenter" id="spinoza2"> +<img src="images/spinoza2.jpeg" alt="Spinoza op 39-jarigen leeftijd" +title="Spinoza op 39-jarigen leeftijd" /> +<p> +Spinoza op 39-jarigen leeftijd +<br /> +Naar een schilderij van Hendrik van der Spyck +</p> +</div> + +<p>Zelfs Heinrich Heine noemt de mathematische bewijsvoering een +"groot gebrek". "De wiskundige vorm geeft Spinoza een stug +uiterlijk". Maar Heine, de dichter, die toch naar de meening der +hierboven bedoelde spijtige bewonderaars een sterker afkeer +behoorde te hebben van alle zoogenaamd koud en dor +intellektualisme dan de geleerde filosofie-historicus, Heine +vervolgde: "Maar dit is als de ruwe schil der amandel, de kern is +des te verblijdender. Bij de lectuur van Spinoza grijpt ons een +gevoel aan als bij den aanblik der natuur in haar diepst-levende +rust. Een woud van hemelhooge gedachten, wier bloeiende toppen in +wuivende beweging zijn terwijl de onwrikbare stammen wortelen in +de eeuwige aarde. Er is in de geschriften van Spinoza een zekere +atmosfeer die onverklaarbaar is. Het is alsof de luwten der +toekomst ons er uit tegenwaaien."<a href="#voetnoot11"><sup>11</sup></a></p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot11">[Voetnoot 11: Geschichte der Religion und Philosophie in +Deutschland.]</p> + +<p>Inderdaad, Spinoza's gedachten zìjn nuchter, koel en klaar. Wat +mogen wij anders verwachten van den man voor wien "klaar en +duidelijk begrijpen" het hoogste was? Maar zij zijn nuchter, koel +en klaar als een ijle dageraad in vroege lente, wanneer heel de +natuur is als een stille glimlach van rustig-zekere verwachting, +zij zijn van een schoonheid even verheven, een blijheid even +zuiver en een innigheid even wonderbaar teer. Eer dan zich te +bedroeven over zijn strengen betoogtrant, moest men zich er over +verheugen dat nochtans zulk een warme gloed van liefde heel zijn +werk overstraalt.</p> + +<p>Spinoza's "koel verstand" heeft nooit zijn "warm gemoed" verlamd +of onderdrukt, maar het integendeel geleid uit de onzekere +verwarring van zijn jeugdige hartstochten naar de veilige +hoogheid eener dankbaar geëerbiedigde redelijkheid. Zijn +intellectualisme berust niet op gemis, maar op loutering van +gevoel; nooit heeft zich een dwaas verlangend hart, na zwaren +strijd, rustiger, blijder en dankbaarder "onderworpen" aan de +Rede dan het zijne. Die onderwerping was in waarheid bevrijding.</p> + +<p>En is men wel zoo zeker dat diezelfde gemoedswarmte ons koesteren +zou als Spinoza een ànderen vorm gekozen had? Is het niet +eigenlijk een pedanterie te beweren dat Spinoza zijn gedachten op +andere wijze beter had kunnen uiten? Maar Spinoza kóós immers +dien vorm en hij was er de man niet naar om iets onbezonnen te +doen, zonder zich rekenschap te geven van zijn bedoeling er mede, +allerminst zooiets als het schrijven van zijn levenswerk. En wie +Spinoza's leven en denkwijze, en leven en denkwijze zijner +omgeving eenigszins kent, voelt ook al spoedig dat die +veelgesmade wiskundige bewijstrant voor hèm, den opvolger van +Descartes, den vriend van Jan de Wit, Christiaan Huygens en van +zooveel andere vermaarde wiskunstenaars, de eenige doelmatige +moest schijnen om in dien gistenden, troebelen tijd zijn klare +waarheden te betoogen. Men moge achteraf beweren, en mijns +inziens volkomen terecht, dat de wiskundige bewijsvoering voor +wijsgeerige stellingen, welke toch ten slotte steeds slechts min +of meer aannemelijke <i>beweringen</i> zijn, alle <i>bewijs</i> kracht +mist; de eigenlijke beteekenis der methode is ook een geheel +andere. Zij is een grootsche propagandistische betooging tegen de +kinderachtige en nuttelooze dweperij van allerlei warhoofden, die +liever over God, Wereld en Mensch grondeloos fantaseeren naar het +hen wordt ingegeven door hun zoogenaamde gevoel (waaronder zij +dan al hun verwarde, verdoezelde voorstellingen verstaan) dan met +hun verstand, het hoogste vermogen dat God hen gaf, er werkelijk +over te dènken. Weest in uw denken over de hoogste +levensvraagstukken zoo nuchter, dat wil zeggen zoo +onbevooroordeeld, zoo koel, dat wil zeggen zoo onbevreesd voor +den uitslag, zoo absoluut eerlijk, als de wiskundige is bij het +denken over cirkels en driehoeken. Eerst wanneer ge u tot die +geestelijke hoogheid hebt opgewerkt, wil Spinoza zeggen, is u de +weg geopend tot klaar en duidelijk begrip, tot liefde en tot +zaligheid.</p> + +<p><span class="floatl"><i>October 1915.</i></span> <span class="floatr">N. v. SUCHTELEN.</span></p> +<div class="clearoff"></div> +<hr class="full" id="handel" /> + + + + +<h2>BENEDICTUS DE SPINOZA</h2> + +<h4>VERHANDELING OVER DE VERBETERING DES VERSTANDS</h4> + +<h4>(Inleidende beschouwing)</h4> + + + + +<hr /> + +<h3 class="lined">VERHANDELING OVER DE VERBETERING DES VERSTANDS</h3> + +<hr /> + +<h4>(INLEIDENDE BESCHOUWING)</h4> + + +<p>Nadat de ervaring mij geleerd had, dat al wat zoo in het gewone +leven voorkomt ijdel en nietig is, en ik inzag dat alles waarvoor +en wat ik vreesde niets goeds noch kwaads bevatte, tenzij alleen +voor zoover mijn gemoed er door bewogen werd, besloot ik +eindelijk te onderzoeken of er ook iets bestond dat een +waarachtig goed was, dat men deelachtig zou kunnen worden en +waardoor alleen, met verwerping van al het overige, de ziel kon +worden vervuld; kortom, of er iets bestond waardoor ik, wanneer +ik het gevonden en bereikt had, een gestadige en hoogste blijheid +eeuwiglijk zou genieten. Ik zeg dat ik hiertoe "eindelijk +besloot"; op het eerste gezicht immers scheen het ongeraden +terwille van een vooralsnog onzekere zaak iets zekers te laten +varen: zag ik toch de gemakken welke door eer en rijkdom +verkregen worden en dat ik genoodzaakt zou zijn van het streven +daarnaar af te zien, indien ik ernstig werk wilde maken van iets +nieuws. Zoo misschien het hoogste geluk in hèn lag, dan zou ik +dit--ik zag dat duidelijk in--moeten missen. Lag het evenwel nìet +in hen, zoo zou ik, indien ik toch naar deze zaken streefde, ook +dàn het hoogste geluk moeten ontberen. Ik overwoog daarom in mijn +gemoed of het wellicht mogelijk zou zijn tot een nieuwe +levensinrichting, of althans tot de zekerheid daaromtrent te +geraken, zonder den gewonen gang en inrichting van mijn leven te +wijzigen; wat ik dikwijls te vergeefs beproefd heb. Want de +dingen die zich het meest doen gelden in het leven, en door de +menschen, gelijk men uit hun daden kan opmaken, voor het hoogste +goed worden gehouden, kunnen tot drie worden terug gebracht, te +weten: rijkdom, eer en zingenot. Door deze drie wordt de geest +dermate in beslag genomen, dat hij nagenoeg niet meer aan eenig +ander goed kan denken. Wat het zingenot betreft, hierin blijft de +ziel evenzeer bevangen als hadde zij in iets goeds bevrediging +gevonden; waardoor zij grootelijks belemmerd wordt aan iets +anders te denken. Na het genot volgt echter de diepste droefenis, +welke, ook al houdt zij den geest niet langer gevangen, hem toch +verwart en verlamt. Door eer en rijkdom na te jagen wordt de +geest niet minder afgeleid, vooral waar deze slechts om hun zelfs +wil gezocht worden, wijl dan voorondersteld wordt dat zijzelf +hoogste goed zijn. Wel het meest echter wordt de geest uit zijn +koers gebracht door de eerzucht; immers eer wordt steeds als op +zichzelf goed beschouwd, als een einddoel, waarnaar alles zich +richten moet. Voorts bestaat er voor deze beiden niet, gelijk +voor het zingenot, een naberouw, doch hoe meer men van beiden +bezit, hoe meer de vreugde over hen toeneemt; en bijgevolg worden +wij ook telkens meer er toe geprikkeld beide nog te vermeerderen. +Wordt echter onze verwachting in een of ander geval bedrogen, zoo +ontspringt hieruit alweer de diepste verslagenheid. Ten slotte is +de eerzucht ook dáárdoor een groote belemmering, wijl wij, om in +eere te komen, noodzakelijk ons leven naar de begrippen der +menschen moeten inrichten, namelijk door te mijden of na te +streven wat de menschen gemeenlijk mijden of nastreven.</p> + +<p>Toen ik dus zag hoe dit alles mij in den weg stond wanneer ik +werk wilde maken van een nieuwe levenswijze; ja, dat het er +zoozeer mede in strijd was dat ik òf van het een òf van het ander +noodzakelijk afstand zou moeten doen, voelde ik mij genoopt te +onderzoeken wat voor mij het nuttigst zou zijn; immers, zooals ik +reeds zeide, het scheen of ik een zéker goed voor een ònzeker +wilde loslaten. Nadat ik evenwel een poos hierover had gepeinsd, +meende ik allereerst dat ik, wanneer ik dit alles los liet en mij +tot het nieuwe doel aangordde, een goed dat van nature onzeker is +(gelijk uit het hierboven gezegde duidelijk blijkt) zou laten +varen voor een weliswaar óók onzeker, doch niet van nature +(immers ik zocht juist een bestèndig goed), maar slechts wat zijn +bereikbaarheid betrof. Bij voortgezette overweging echter kwam ik +tot het inzicht dat ik, indien ik slechts tot op den grond der +zaak zou kunnen doordenken, een zeker kwáád voor een zeker goed +vaarwel zei. Ik begreep namelijk dat ik in het hoogste gevaar +verkeerde en dwong mijzelf met alle macht het geneesmiddel, hoe +onzeker ook, te zoeken; evenals een kranke, aan een doodelijke +ziekte lijdend, den dood voorziende wanneer hij geen middel +aanwendt, wel genoodzaakt is dit, hoewel het onzeker is, met +uiterste krachten aan te grijpen, wijl immers heel zijn hoop er +in gelegen is. Al die zaken echter, welke de groote menigte +najaagt, zijn niet alleen geenerlei hulpmiddel tot handhaving van +ons bestaan, maar integendeel beletselen daartoe en herhaaldelijk +zijn zij zelfs oorzaak van den ondergang diergenen die ze +bezitten, en steeds van den ondergang diergenen die door hen +bezeten worden. Talrijk toch zijn de voorbeelden van hen die +vervolging tot den dood toe moesten ondervinden terwille van hun +rijkdommen, en eveneens van hen die, om schatten te verwerven, +zich aan zoovele gevaren blootstelden dat zij tenslotte hun +dwaasheid met het leven boetten. Niet minder talrijk zijn de +voorbeelden van hen die de diepste ellende moesten verduren om +hun roem te verkrijgen of te handhaven. Talloos ten slotte zijn +de voorbeelden diergenen die door al te groote genotzucht hun +eigen dood hebben verhaast.</p> + +<p>Het kwam mij vervolgens voor dat deze euvelen hun oorsprong +vonden in het feit dat heel ons geluk of ongeluk ligt uitsluitend +in de geaardheid van het voorwerp dat wij in liefde aanhangen. +Want om wat wij niet liefhebben zal nooit twist ontstaan; het +veroorzaakt geen droefheid zoo het te gronde gaat, geen nijd zoo +een ander het bezit, geen vrees, geen haat, in één woord, +geenerlei gemoedsbeweging. Al deze aandoeningen komen slechts van +pas bij de liefde tot dingen welke vergankelijk zijn, zooals +alles waarover wij zooeven spraken. De liefde tot iets eeuwigs en +oneindigs echter weidt de ziel in loutere blijheid en alle +droefheid is haar vreemd, wat ten zeerste begeerenswaard is en +met alle kracht behoort te worden nagestreefd. Niet zonder reden +evenwel bezigde ik de woorden: "indien ik slechts ernstig zou +kunnen doordenken"<a href="#voetnoot12"><sup>12</sup></a> want ofschoon ik dit in mijn geest zoo +duidelijk had ingezien, kon ik daarom toch nog niet alle +hebzucht, genotzucht en eerzucht afleggen.</p> + +<p class="voetitem" id="voetnoot12">[Voetnoot 12: In het Latijn +staat op de plaats zelf: <i>penitus</i>, +grondig, door en door, ten einde toe; wat met de bedoeling: +denken, tot het einddoel bereikt is, strookt. In de aanhaling +staat <i>serio</i>, ernstig.]</p> + +<p>Dit eene bemerkte ik, dat mijn geest, zoolang hij zich met deze +overpeinzingen bezig hield, zich van die verwerpelijke zaken +afwendde en ernstig over zijn nieuwe levensdoel nadacht; wat mij +tot grooten troost strekte. Immers ik zag daaruit dat al dit +kwade niet van dien aard was dat het voor geen geneesmiddelen +wilde wijken. En ofschoon in het begin deze oogenblikken zeldzaam +waren en slechts uiterst kort duurden, werden zij toch, naarmate +ik al meer en meer het ware goed leerde kennen, talrijker en +langduriger; vooral nadat ik had ingezien dat de verwerving van +geld, of genot en roem, slechts hinderlijk zijn zoolang zij om +hunszelfs wil en niet als middel tot iets anders worden +nagestreefd. Wanneer zij slechts als middel gezocht worden, zal +men ook maat in hen houden en zullen zij allerminst in den weg +staan, maar integendeel in hooge mate het doel, terwille waarvan +men ze zoekt, bevorderen, gelijk wij te zijner plaatse zullen +aantoonen.</p> + +<p>Hier wil ik slechts nog in het kort zeggen wat ik onder een +waarachtig goed versta en tevens wat het hoogste goed is. Om dit +juist te kunnen begrijpen moet men in het oog houden dat de +begrippen goed en kwaad niet anders dan in betrekkelijken zin +kunnen worden gebezigd, zoodat één en dezelfde zaak uit +verschillende gezichtspunten beschouwd goed of kwaad kan zijn; +hetzelfde geldt voor de begrippen volmaakt of onvolmaakt. Immers +niets kan op zichzelf, in zijn eigen aard beschouwd, volmaakt of +onvolmaakt genoemd worden; vooral sinds wij weten dat al wat +geschiedt, plaats grijpt volgens een eeuwige orde en vaste +natuurwetten. Waar echter menschelijk vermogen die orde niet in +gedachten omvatten kan en de mensch zich nochtans een +voorstelling kan vormen van een menschelijken aard veel machtiger +dan de eigene, terwijl hij geenerlei beletsel ziet voor het +verkrijgen van een dusdanigen aard, wordt hij er toe gedreven +naar middelen te zoeken welke hem tot zulk een volmaaktheid +zouden kunnen leiden.</p> + +<p>Alles nu wat middel zijn kan tot bereiking van dit doel heet een +waarachtig goed. Het hoogste goed echter is, zoover te komen dat +men, zoo mogelijk, met andere enkelingen samen zulk een aard +verkrijgt. Hoedanig evenwel deze aard is, zullen wij te zijner +plaatse uiteen zetten, waar dan blijken zal dat hij bestaat in +<i>het bewustzijn der eenheid van Geest en Natuur</i>.</p> + +<p>Dit is dus het doel waarnaar ik streef, namelijk zulk een aard te +verkrijgen en tevens te maken dat nog velen met mij hem +verkrijgen. Met andere woorden: tot mijn eigen geluk behoort het +mij moeite te geven dat zooveel mogelijk anderen tot hetzelfde +inzicht komen als ikzelf, dat hun verstand en begeerte geheel en +al met mìjn verstand en begeerte overeenstemmen. Hiertoe is het +noodig zooveel van de Natuur te begrijpen als volstaat om zulk +een aard te verkrijgen en vervolgens om een zoodanige gemeenschap +te vormen als wenschelijk is opdat zoovelen mogelijk zoo +gemakkelijk en zoo zeker mogelijk hetzelfde bereiken. Voorts +legge men zich toe op de Zedeleer, alsmede de Opvoedkunde. En, +wijl gezondheid geen gering hulpmiddel is om het genoemde doel te +bereiken, bestudeere men grondig de Geneeskunde, terwijl ook de +Mechanica in geenen deele verwaarloosd mag worden, daar door +kunstvaardigheid veel moeilijks licht gemaakt wordt en wij door +haar veel tijd en moeite in het leven kunnen uitsparen. Maar vóór +alles is het noodig een middel te bedenken om het verstand te +verbeteren en het, voorzoover dit aanvankelijk gaat, te zuiveren, +opdat het de dingen zonder dwaling en zoo goed mogelijk begrijpe.</p> + +<p>Een ieder kan hieruit reeds zien dat ik alle wetenschappen op één +doeleinde wil richten, te weten om, zooals ik reeds zeide, de +hoogste menschelijke volmaaktheid te bereiken. En zoo zal in de +wetenschappen al wat ons niets naders brengt tot dit doel als +nutteloos verworpen moeten worden; of, om het in één woord te +zeggen; al onze daden en gedachten behooren op dit doel gericht +te zijn.</p> + +<p>Daar wij evenwel, terwijl wij dit doel nastreven en trachten het +verstand in het rechte spoor te brengen, toch noodzakelijk moeten +leven, zijn wij genoodzaakt vóór alles enkele levensregelen, +welke wij voorloopig voor goed houden, aan te nemen, en wel deze:</p> + +<p>I. Spreek naar het bevattingsvermogen der menigte en doe verder +al wat de bereiking van ons doel niet blijkbaar in den weg staat. +Want het levert een niet gering voordeel op wanneer wij ons +zooveel mogelijk bij haar bevattingsvermogen aanpassen. Waarbij +nog komt dat men zich daardoor een welwillend gehoor voor de +waarheid verschaft.</p> + +<p>II. Maak van genietingen slechts gebruik voorzoover zij voor het +behoud der gezondheid volstaan.</p> + +<p>III. Tracht eindelijk slechts zooveel geld of andere zaken te +verwerven als volstaan om het leven en de gezondheid te +onderhouden en 's lands zeden, voorzoover zij niet in strijd zijn +met ons doel, te gehoorzamen.</p> +<hr id="index" /> + + + +<h2>ETHICA</h2> + +<h3>IN MEETKUNDIGEN TRANT UITEENGEZET EN VERDEELD IN VIJF DEELEN +WAARIN WORDT GEHANDELD:</h3> + + +<div class="centered"><table cellpadding="2" cellspacing="0" summary="Tafel van Inhouden"> +<tr><td align="right">I.</td><td align="left"><a href="#deel1">Over God.</a></td></tr> + +<tr><td align="right">II.</td><td align="left"><a href="#deel2">Over aard en oorsprong van den geest.</a></td></tr> + +<tr><td align="right">III.</td><td align="left"><a href="#deel3">Over oorsprong en aard der aandoeningen.</a></td></tr> + +<tr><td align="right">IV.</td><td align="left"><a href="#deel4">Over de menschelijke knechtschap of de macht der +aandoeningen.</a></td></tr> + +<tr><td align="right">V.</td><td align="left"><a href="#deel5">Over de macht van het verstand of de menschelijke +vrijheid.</a></td></tr> +</table> +</div> + + +<hr /> + +<p>Tusschen ( ) geplaatste woorden of zinnen zijn van Spinoza, +verduidelijkingen tusschen [ ] van den vertaler.</p> + +<p>De cijfers tusschen den tekst,<a id="aanteken0" href="#aanteken0">[A0]</a> +etc. verwijzen naar de +aanteekeningen achterin in het werk.</p> + +<hr /> + + + + +<hr id="deel1" /> + +<h3 class="lined">I. OVER GOD</h3> + +<hr /> + + +<h4>DEFINITIES</h4> + + +<div class="define" id="d1d1"> +<p>I. Onder "<i>zijns zelfs oorzaak</i>" versta ik datgene, welks +wezen<a id="aantag1" href="#aanteken1">[A1]</a> +het bestaan insluit, ofwel datgene, welks aard niet +anders gedacht kan worden dan als bestaande.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d1d2"> +<p>II. Datgene noem ik "<i>eindig in zijn soort</i>", wat door iets +anders van denzelfden aard kan worden beperkt. Zoo noemen wij +bijvoorbeeld een lichaam eindig, omdat wij ons steeds een grooter +kunnen denken. Zoo wordt een gedachte door een andere beperkt. +Doch een lichaam wordt niet beperkt door een gedachte, noch een +gedachte door een lichaam.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d1d3"> +<p>III. Onder "<i>substantie"</i><a id="aantag2" href="#aanteken2">[A2]</a> +versta ik datgene, wat op-zich-zelf +bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen; dat wil zeggen +datgene, welks begrip niet het begrip van iets anders, waaruit +het zou moeten worden afgeleid, vooronderstelt.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d1d4"> +<p>IV. Onder "<i>attribuut"</i><a id="aantag3" href="#aanteken3">[A3]</a> +versta ik datgene, wat het verstand +opvat als uitmakende het wezen eener substantie.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d1d5"> +<p>V. Onder "<i>bestaanswijzen"</i><a id="aantag4" href="#aanteken4">[A4]</a> +versta ik de openbaringen<a id="aantag5" href="#aanteken5">[A5]</a> +eener substantie, ofwel datgene wat in iets anders bestaat, door +bemiddeling waarvan het ook wordt begrepen.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d1d6"> +<p>VI. Onder "<i>God"</i> versta ik het volstrekt oneindige wezen, dat +wil zeggen een substantie<a id="aantag6" href="#aanteken6">[A6]</a>, +uit een oneindig aantal<a id="aantag7" href="#aanteken7">[A7]</a> +attributen bestaande, van welke ieder voor zich een eeuwig en +oneindig wezen uitdrukt.</p> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg + "volstrekt"<a href="#aanteken22">[a22]</a> oneindig, niet + echter "in zijn soort"; immers aan datgene wat slechts + oneindig is in zijn soort kunnen wij nog oneindig veel + attributen ontzeggen; tot het wezen evenwel van wat + volstrekt oneindig is behoort al wat wezen uitdrukt en + dit sluit iedere ontkenning buiten.</p> + </div> +</div> + + +<div class="define" id="d1d7"> +<p>VII. Datgene zal "<i>vrij</i>" heeten, wat alleen krachtens de +noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat en alleenlijk uit +zichzelf tot werken wordt genoopt; "<i>noodwendig</i>" echter, of +veeleer "<i>afhankelijk</i>", zal heeten wat door iets anders tot +bestaan en tot een vaste en bepaalde wijze van werken wordt +genoodzaakt.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d1d8"> +<p>VIII. Onder "<i>eeuwigheid</i>" versta ik het bestaan zelf, voorzoover +het wordt begrepen als noodwendiglijk volgende uit de definitie +alleen reeds van iets eeuwigs.</p> + + <div class="toelicht" id="d1d8t"> + <p><i>Toelichting:</i> Immers een zoodanig bestaan wordt, als + zijnde een eeuwige waarheid, opgevat als tot het wezen + der zaak behoorend; en derhalve kan het niet door duur of + tijd worden verklaard, ook al werd die duur verstaan als + hebbende begin noch einde.</p> + </div> +</div> + + + +<h4>GRONDWAARHEDEN (AXIOMA'S)</h4> + + +<div class="axioma" id="d1a1"> +<p>I. Al wat is, is in zichzelf of in iets anders.</p> +</div> + + +<div class="axioma"> +<p>II. Datgene, wat niet door bemiddeling van iets anders kan worden +begrepen, moet uit zichzelf begrijpbaar zijn.</p> +</div> + + +<div class="axioma" id="d1a3"> +<p>III. Uit een gegeven oorzaak volgt noodzakelijk een bepaalde +uitwerking, en omgekeerd: wanneer geen bepaalde oorzaak gegeven +is, is het onmogelijk dat een uitwerking optreedt.</p> +</div> + + +<div class="axioma" id="d1a4"> +<p>IV. De kennis eener uitwerking hangt af van de kennis der oorzaak +en sluit deze in zich.</p> +</div> + + +<div class="axioma" id="d1a5"> +<p>V. Dingen, welke niets met elkaar gemeen hebben, kunnen ook niet +uit elkaar worden verklaard, ofwel: het begrip van het eene sluit +het begrip van het andere niet in zich.</p> +</div> + + +<div class="axioma" id="d1a6"> +<p>VI. Een ware voorstelling moet met het door haar voorgestelde +overeenkomen.</p> +</div> + + +<div class="axioma" id="d1a7"> +<p>VII. Van al wat als niet-bestaande gedacht kan worden, sluit het +wezen ook geen bestaan in zich.</p> +</div> + + + +<h4>STELLINGEN</h4> + + +<div class="stelling" id="d1s1"> +<p><i>Stelling I.</i></p> + +<p>Een substantie gaat van nature vóór hare +openbaringen.<a id="aantag8" href="#aanteken8">[A8]</a></p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt uit de Definities III en V.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s2"> +<p><i>Stelling II.</i></p> + +<p>Twee substanties, met verschillende attributen, hebben niets met +elkaar gemeen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt eveneens uit Definitie III. Elk van beide immers moet +op-zichzelf bestaan en uit zichzelf worden begrepen, ofwel: het +begrip van de eene sluit het begrip van de andere niet in zich.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s3"> +<p><i>Stelling III.</i></p> + +<p>Van dingen die niets met elkaar gemeen hebben, kan het eene niet +de oorzaak zijn van het andere.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wanneer zij niets met elkaar gemeen hebben, kunnen zij (<i>volgens +<a href="#d1a5">Ax. V</a></i>) evenmin uit elkaar verklaard worden en kan dus (<i>volgens +<a href="#d1a4">Ax. IV</a></i>) het eene niet de oorzaak zijn van het andere. Hetgeen +te bewijzen was.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s4"> +<p><i>Stelling IV.</i></p> + +<p>Twee of meer verschillende dingen zijn van elkaar onderscheiden +òf door een verschil in attributen van substanties òf door een +verschil in openbaringen dier substanties.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Al wat is, is in zichzelf of in iets anders (<i><a href="#d1a1">Ax. I</a></i>); dat wil +zeggen (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. III</a> en +<a href="#d1d5">V</a></i>): buiten ons verstand is er niets +gegeven behalve substanties en hunne openbaringen. Derhalve is er +ook buiten het verstand niets gegeven waardoor verschillende +dingen onderling kunnen verschillen, behalve substanties, of, wat +hetzelfde is (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. IV</a></i>), behalve hunne attributen en hunne +bestaanswijzen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s5"> +<p><i>Stelling V.</i></p> + +<p>In de wereld der dingen<a id="aantag9" href="#aanteken9">[A9]</a> +kunnen niet twee of meer substanties +van denzelfden aard of met eenzelfde attribuut bestaan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Indien er meerdere, verschillende bestonden, zouden zij van +elkaar onderscheiden moeten zijn òf door een verschil in +attributen òf door een verschil van bestaanswijzen (<i>vlg. <a href="#d1s4">de +voorgaande Stelling</a></i>). Indien zij zich slechts onderscheidden +door een verschil in attributen, ware hiermede reeds toegegeven +dat er slechts één substantie met éénzelfde attribuut bestaan +kan. Maar indien zij zich onderscheidden door een verschil in +bestaanswijzen, zou géén substantie--aangezien toch (<i>vlg. <a href="#d1s1">St. +I</a></i>) een substantie van nature gaat vóór hare +bestaanswijzen,--afgezien van hare bestaanswijzen en op zich zelf +beschouwd, dat wil zeggen (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. III</a> +en <a href="#d1a4">Ax. VI</a></i>) naar +waarheid beschouwd, gedacht kunnen worden als onderscheiden van +een andere, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s4">de voorgaande St.</a></i>): er zouden niet +meerdere kunnen bestaan doch slechts één enkele. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s6"> +<p><i>Stelling VI.</i></p> + +<p>Een substantie kan niet door een andere substantie worden +voortgebracht.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>In de wereld der dingen kunnen (<i>vlg. <a href="#d1s5">de voorgaande St.</a></i>) geen +twee substanties bestaan met eenzelfde attribuut, d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d1s2">St. II</a></i>) welke iets met elkaar gemeen hebben. En derhalve kan +(<i>vlg. <a href="#d1s3">St. III</a></i>) de eene niet de oorzaak zijn van de andere, +ofwel kan de eene niet door de andere worden voortgebracht. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d1s6g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat een substantie niet door iets + anders kan worden voortgebracht. Want in de wereld der + dingen is niets gegeven als substanties en hunne + bestaanswijzen, gelijk blijkt uit Ax. I en Def. III en V. + Door een substantie echter kan zij (<i>vlg. <a href="#d1s5">de voorgaande + St.</a></i>) ook niet worden voortgebracht. Derhalve kan een + substantie ook met geen mogelijkheid door iets anders + worden voortgebracht. H.t.b.w.</p> + </div> + +<div class="anders"> +<p><i>Anders.</i></p> + +<p>Gemakkelijker nog valt dit te bewijzen uit de ongerijmdheid van +het tegendeel. Want indien een substantie wèl door iets anders +kon worden voortgebracht, zou haar begrip (<i>vlg. <a href="#d1a4">Ax. IV</a></i>) van het +begrip harer oorzaak afhangen en zou zij derhalve (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. +III</a></i>) ook geen substantie zijn.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s7"> +<p><i>Stelling VII.</i></p> + +<p>Tot het wezen eener substantie behoort het bestaan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een substantie kan niet door iets anders worden voortgebracht +(<i><a href="#d1s6">Gevolg van de voorgaande St.</a></i>) zij moet dus haarszelfs-oorzaak +zijn, dat wil zeggen (<i>volgens <a href="#d1d1">Def. I</a></i>): haar wezen sluit met +noodwendigheid het bestaan in zich, ofwel het bestaan behoort tot +haar wezen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s8"> +<p><i>Stelling VIII.</i></p> + +<p>Elke substantie is noodwendig oneindig.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een substantie met een bepaald attribuut is éénig +(<i>vlg. <a href="#d1s5">St. V</a></i>) +en het bestaan behoort tot haar wezen (<i>vlg. <a href="#d1s7">St. VII</a></i>). Het moet +dus tot haar wezen behooren òf eindig òf oneindig te bestaan. +Echter niet eindig. Want zij zou dan (<i>vlg. <a href="#d1d2">Def. II</a></i>) beperkt +worden door iets van denzelfden aard, dat eveneens (<i>vlg. <a href="#d1s7">St. +VII</a></i>) met noodwendigheid zou moeten bestaan en derhalve zouden er +twéé substanties met éénzelfde attribuut zijn, hetgeen ongerijmd +is (<i>vlg. <a href="#d1s5">St. V</a></i>). Zij bestaat dus oneindig. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking I:</i> Aangezien "eindig zijn" in zekeren zin + eigenlijk een ontkenning is en "oneindig zijn" een + volstrekte bevestiging van het bestaan van eenig wezen, + volgt ook alleen reeds uit Stelling VII dat elke + substantie oneindig moet zijn.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d1s8o2"> + <p><i>Opmerking II:</i> Ik twijfel er niet aan of allen die + verward, over de dingen oordeelen, noch gewend zijn tot + hunne eerste oorzaken door te dringen, zal het moeilijk + vallen het bewijs van Stelling VII te begrijpen; en wel + omdat zij niet onderscheiden tusschen de bestaanswijzen + van substanties en substanties zelf en al evenmin weten + hoe de dingen worden voortgebracht. Vandaar dat zij ook + aan substanties een begin toedichten, gelijk zij dit bij + de natuurlijke dingen zien. Immers wie de ware oorzaken + der dingen niet kennen, verwarren alles en stellen zich + zonder eenig verzet des verstands vóór, dat boomen + evenals menschen spreken of dat menschen evengoed uit + steenen als uit zaad ontspruiten en verbeelden zich dat + alle mogelijke vormen in alle mogelijke andere kunnen + veranderen. Evenzoo kennen diegenen, die de goddelijke + natuur met de menschelijke verwarren, lichtelijk aan God + menschelijke gemoedsaandoeningen toe, vooral zoolang zij + nog niet weten hoe de aandoeningen in het gemoed + ontstaan. Indien de menschen evenwel op het wezen der + substantie wilden letten, zouden zij allerminst aan de + waarheid der zevende Stelling twijfelen; integendeel, + deze stelling zou voor allen een grondwaarheid zijn en + tot de algemeen bekende zaken gerekend worden. Want onder + substantie zouden zij dan verstaan datgene wat op + zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen moet worden, + dat wil zeggen datgene, welks begrip de kennis van iets + anders niet van noode heeft. Onder wijzigingen evenwel + datgene, wat in iets anders is en welks begrip gevormd + wordt uit het begrip van datgene waarin het is: zoodat + wij ware voorstellingen kunnen hebben van niet-bestaande + wijzigingen, aangezien, ofschoon zij niet feitelijk + buiten het verstand bestaan, toch hun wezen aldus in iets + anders is vervat, dat zij daaruit begrepen kunnen worden. + De waarheid van substanties echter bestaat buiten het + verstand niet anders dan in henzelf, daar zij slechts uit + zichzelf begrepen worden. Indien derhalve iemand zeide + dat hij een heldere en duidelijke, dat wil zeggen ware + voorstelling eener substantie had, maar nochtans + twijfelde of een zoodanige substantie wel bestond, zou + dit voorzeker hetzelfde zijn alsof hij beweerde een ware + voorstelling te hebben, maar nochtans te twijfelen of zij + niet valsch zou zijn (hetgeen den genoegzaam oplettenden + lezer duidelijk zal zijn). Evenzoo zou iemand die + verkondigde dat een substantie geschapen was, daarmee + tevens beweren dat een valsche voorstelling waar geworden + was, dwazer dan hetwelk men zich niets kan denken; <span id="d1s8o2_1">zoodat + men noodzakelijk moet erkennen dat het bestaan eener + substantie, evengoed als haar wezen, een eeuwige waarheid + is</span>. En hieruit kunnen wij op nog een andere wijze de + gevolgtrekking maken dat er slechts ééne enkele + substantie van denzelfden aard bestaat, hetgeen ik der + moeite waard acht hier nader aan te toonen.</p> + + <p>Opdat ik dit evenwel naar behooren zal kunnen doen, moet + ik ten eerste opmerken dat de juiste definitie van een of + andere zaak niets anders insluit of uitdrukt dan den aard + dier te bepalen zaak. <a id="d1s8o2o2">Waaruit volgt dit tweede</a>: te weten + dat geen enkele definitie een bepaald aantal enkeldingen + insluit of uitdrukt, aangezien zij niets anders uitdrukt + dan den áárd der bepaalde zaak. Zoo drukt bijvoorbeeld de + definitie van een driehoek niets anders uit dan eenvoudig + den aard van den driehoek, maar geenszins een zeker + aantal driehoeken. <a id="d1s8o2o3">Ten derde</a> moet worden opgemerkt dat er + noodzakelijk voor ieder bestaand ding een bepaalde + oorzaak moet zijn waardóór het bestaat. <a id="d1s8o2o4">Eindelijk bedenke + men ten vierde</a> dat deze oorzaak waardoor iets bestaat òf + gelegen moet zijn in den aard en de definitie zelf der + bestaande zaak (voorzoover althans het bestaan tot dien + aard behoort) òf buiten haar gegeven moet zijn. Dit + vastgesteld hebbende, maken wij de gevolgtrekking dat, + wanneer er in de natuur een bepaald aantal enkeldingen + bestaat, er ook noodwendig een oorzaak moet zijn waarom + juist dìe enkeldingen bestaan en waarom niet meer of + minder. Wanneer er bijvoorbeeld in de natuur twintig + menschen bestaan (waarbij ik duidelijkheidshalve aanneem + dat zij gelijktijdig bestaan en dat er vóór hen geen + andere in de natuur bestonden), zal het niet voldoende + zijn (als wij namelijk willen verklaren waarom er twintig + menschen bestaan) de oorzaak van de menschelijke natuur + in het algemeen aan te wijzen, maar zal het bovendien + noodzakelijk zijn een oorzaak aan te wijzen waarom er + niet meer, noch minder, dan twintig bestaan; aangezien er + (<i>vlg. <a href="#d1s8o2o3">de derde opmerking</a></i>) voor elk afzonderlijk + noodzakelijk een oorzaak moet zijn waardoor hij bestaat. + Maar deze oorzaak kan (<i>volgens <a href="#d1s8o2o2">de tweede</a> + en <a href="#d1s8o2o3">derde + opmerking</a></i>) niet gelegen zijn in den menschelijken aard + zelf, aangezien de juiste definitie van den mensch het + getal twintig niet insluit; en dus moet (<i>vlg. <a href="#d1s8o2o4">de vierde + opmerking</a></i>) de oorzaak waarom deze twintig menschen + bestaan en bijgevolg waarom elk van hen bestaat, + noodzakelijk buiten elk van hen gelegen zijn. Men moet + derhalve met volkomen zekerheid tot het besluit komen dat + datgene, van welks soort meerdere enkeldingen bestaan + kunnen, ook noodzakelijk een uitwendige oorzaak moet + hebben voor dit bestaan.</p> + + <p>Waar nu reeds tot het wezen eener substantie (gelijk in + <a href="#d1s8o2_1">deze Opmerking</a> werd aangetoond) het bestaan behoort, moet + ook hare definitie het noodwendig bestaan in zich sluiten + en moet men dus bijgevolg uit hare definitie alleen reeds + tot haar bestaan besluiten. Uit hare definitie kan + evenwel niet (gelijk wij in de tweede en derde opmerking + aantoonden) het bestaan van meerdere substanties volgen; + volgt derhalve noodzakelijk dat er slechts één substantie + van denzelfden aard bestaat, hetgeen wij ons voorstelden + te bewijzen.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling IX.</i></p> + +<p>Hoe meer werkelijkheid of zijn een of ander ding heeft, des te +meer attributen komen er aan toe.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt uit Def. IV.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s10"> +<p><i>Stelling X.</i></p> + +<p>Elk attribuut eener zelfde substantie moet uit zichzelf begrepen +kunnen worden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een attribuut immers is datgene, wat het verstand beschouwt als +uitmakende het wezen eener substantie (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. IV</a></i>); +dientengevolge moet het (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. III</a></i>) uit zichzelf +begrijpbaar zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Hieruit blijkt dat, ofschoon twee attributen + inderdaad als verschillend worden begrepen, dat wil + zeggen zonder elkaars hulp, wij toch niet de + gevolgtrekking mogen maken dat zijzelf twee Zijnden of + twee verschillende substanties zouden zijn; immers het + behoort tot den aard eener substantie dat elk harer + attributen uit zichzelf begrepen worde; aangezien alle + attributen welke zij bezit gelijktijdig en eeuwig in haar + aanwezig waren en niet door elkaar kunnen zijn + voortgebracht, maar elk van hen de werkelijkheid of het + zijn dier substantie uitdrukt. Het is er dus verre van + vandaan dat het ongerijmd ware aan ééne substantie + meerdere attributen toe te kennen; ja, niets ter wereld + is duidelijker dan dat elk Zijnde + onder<a id="aantag10" href="#aanteken10">[A10]</a> een of ander + attribuut moeten worden begrepen en dat, hoe meer + werkelijkheid of zijn het heeft, des te meer attributen, + welke zoowel noodwendigheid of eeuwigheid als + oneindigheid uitdrukken, het ook moet bezitten; en + bijgevolg is ook niets duidelijker, dan dat het volstrekt + oneindige Wezen noodzakelijk moet worden omschreven + (<i>gelijk wij reeds deden in <a href="#d1d6">Def. VI</a></i>) als een Zijnde dat + bestaat uit een oneindig aantal attributen, van welke + ieder een bepaald en oneindig wezen uitdrukt. Indien nu + echter iemand mocht vragen, aan welke kenteekenen wij dan + wel het verschil van substanties kunnen onderscheiden, + zoo leze hij de volgende stellingen, welke aantoonen dat + er in het Heelal slechts ééne enkele substantie bestaat, + welke substantie volstrekt oneindig is, zoodat men naar + zulk een kenteeken te vergeefs zou zoeken.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s11"> +<p><i>Stelling XI.</i></p> + +<p>God, of de substantie, bestaande uit een oneindig aantal +attributen, van welke elk een eeuwig en oneindig wezen uitdrukt, +bestaat noodwendig.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wie dit ontkent, stelle zich voor, zoo hij kan, dat God niet +bestond. In dit geval zou (<i>vlg. <a href="#d1a7">Ax. VII</a></i>) zijn wezen het bestaan +niet in zich sluiten. Doch dit is (<i>vlg. <a href="#d1s7">St. VII</a></i>) ongerijmd. +Derhalve bestaat God noodwendig. H.t.b.w.</p> +</div> + +<div class="anders"> +<p><i>Anders.</i></p> + +<p>Van elk ding, wat ook, moet een oorzaak of reden kunnen worden +aangewezen zoowel waarom het bestaat als waarom het niet bestaat. +Bij voorbeeld, indien er een driehoek bestaat, moet er een reden +of oorzaak zijn, waarom hij bestaat; indien hij echter niet +bestaat, moet er eveneens een reden of oorzaak zijn, welke belet +dat hij bestaat ofwel welke zijn bestaan opheft. Deze reden of +oorzaak nu moet òf in den aard van het ding gelegen zijn, òf +daarbuiten. De reden bijvoorbeeld waarom er geen vierkante cirkel +bestaat, wordt door den aard zelf van den cirkel aangewezen: te +weten omdat dit een tegenstrijdigheid in zich sluit. Waarom +daarentegen de substantie wel bestaat, volgt eveneens uit haren +aard alleen reeds, welke namelijk het bestaan in zich sluit (<i>zie +<a href="#d1s7">St. VII</a></i>). Doch de reden waarom een cirkel of driehoek bestaat of +niet bestaat, volgt niet uit hunnen aard, maar uit de orde der +geheele lichamelijke Natuur; uit deze immers moet het +voortvloeien of een bepaalde driehoek noodwendig moet bestaan, +danwel of zijn bestaan op dit oogenblik onmogelijk is. Dit alles +is uit zichzelf duidelijk. Hieruit volgt dat datgene noodzakelijk +moet bestaan, waarvan geen reden of oorzaak gegeven is, welke dit +bestaan zou beletten. Indien er dus geen enkele reden of oorzaak +zijn kan welke belet dat God bestaat of welke zijn bestaan zou +opheffen, moet men onvermijdelijk tot het besluit komen dat hij +met noodwendigheid bestaat. Want indien er wel zulk een reden of +oorzaak was, moest deze òf in Gods aard zelf gelegen zijn òf +buiten dezen, dat wil zeggen in een andere substantie van anderen +aard. Want als zij van denzelfden aard was, ware hierdoor reeds +toegegeven dat God bestond. Maar een substantie die van anderen +aard ware, zou (<i>vlg. <a href="#d1s2">St. II</a></i>) niets met God gemeen kunnen hebben +en derhalve diens bestaan noch veroorzaken noch opheffen kunnen. +Daar dus een reden of oorzaak, welke het goddelijk bestaan kon +opheffen, niet bùiten den goddelijken aard gelegen kan zijn, zou +zij noodzakelijk (ook indien God niet bestond) in zijnen aard +gegeven moeten zijn, welke derhalve een tegenstrijdigheid in zich +zou sluiten. Maar dit te beweren van het volstrekt oneindige en +hoogst volmaakte wezen, is ongerijmd; derhalve is er noch ìn God +noch buiten God eenige oorzaak of reden, welke zijn bestaan zou +kunnen opheffen, zoodat God noodwendig bestaat. H.t.b.w.</p> +</div> + +<div class="anders"> +<p><i>Anders.</i></p> + +<p>Niet kunnen bestaan is een teeken van onmacht, wel kunnen bestaan +daarentegen is een teeken van macht (gelijk vanzelf spreekt). +Waar nu de dingen welke thans reeds met noodwendigheid bestaan, +niets anders dan eindige wezens zijn, zouden dus eindige wezens +machtiger zijn dan het volstrekt oneindige wezen: en dit is +(<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) ongerijmd; derhalve: òf er bestaat +niets, òf er bestaat ook met noodwendigheid een volstrekt +oneindig wezen. Maar wijzelf althans bestaan, hetzij in onszelf, +hetzij in iets anders dat noodwendig bestaat +(<i>zie <a href="#d1a1">Ax. I</a> en <a href="#d1s7">St. +VII</a></i>). Derhalve bestaat het volstrekt oneindige wezen, d.w.z. God +(<i>vlg. <a href="#d1s6">Def. VI</a></i>) ook noodwendig. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> In deze laatste bewijsvoering heb ik Gods + bestaan a posteriori<a id="aantag11" href="#aanteken11">[A11]</a> + willen aantoonen, opdat het + bewijs gemakkelijker kon worden begrepen; niet echter + daarom wijl Gods bestaan niet ook a + priori<a id="aantag12" href="#aanteken12">[A12]</a> uit + hetzelfde beginsel ware af te leiden. Want, aangezien + bestaan kunnen een teeken van macht is, volgt hieruit dat + hoemeer werkelijkheid aan een of andere zaak toekomt, des + te meer vermogen zij in zichzelf heeft om te kunnen + bestaan. Derhalve moet ook het volstrekt oneindige wezen, + ofwel God, in zichzelf een volstrekt oneindig vermogen + hebben om te bestaan en moet hij dus ook onvermijdelijk + bestaan. Misschien echter zullen velen niet licht de + klaarblijkelijkheid van dit bewijs kunnen inzien, omdat + zij gewoon zijn slechts die dingen te beschouwen welke + uit uiterlijke oorzaken voortvloeien; van deze dingen nu + zien zij diegene welke snel gevormd worden, dat wil + zeggen welke gemakkelijk ontstaan, ook weer gemakkelijk + te niet gaan; terwijl zij daarentegen die dingen, van + welke zij zien dat er meer bij te pas komt, moeilijker te + maken oordeelen, dat wil zeggen niet zoo gemakkelijk tot + bestaan te brengen. Maar werkelijk, om hen van deze + vooroordeelen te bevrijden, behoef ik hier niet aan te + toonen in hoeverre het spreekwoord: "wat ras ontstaat, + ras vergaat" waar is en evenmin of niet soms, indien men + de geheele Natuur beschouwt, alles even gemakkelijk of + moeilijk ontstaat. Het is voldoende alleen dit op te + merken, dat ik hier niet spreek over dingen welke uit + uitwendige oorzaken voortvloeien, doch uitsluitend over + substanties, welke (<i>vlg. <a href="#d1s6">St. VI</a></i>) door geen enkele + uitwendige oorzaak kunnen worden voortgebracht. Dingen + immers, welke uit uitwendige oorzaken voortkomen, hebben, + onverschillig of zij uit vele, danwel uit weinige deelen + bestaan, al wat zij aan volmaaktheid of werkelijkheid + bezitten, te danken aan de werking dier uitwendige + oorzaak, zoodat hun bestaan alleen uit de volmaaktheid + dier uitwendige oorzaak, niet echter uit hunne eigene + ontspringt. Daarentegen is de substantie, wat zij van + volmaaktheid bezit, aan geen enkele uitwendige oorzaak + verschuldigd, zoodat ook haar bestaan uit eigen aard + alleen moet volgen en dus niets anders is als haar wezen + zelf. Volmaaktheid heft dus het bestaan van een ding niet + op, maar integendeel, zij vooronderstelt het; + onvolmaaktheid daarentegen kan het opheffen; en derhalve + kunnen wij van het bestaan van géén ding zekerder zijn + dan van het bestaan van het volstrekt oneindige of + volmaakte wezen, dat is God. Want aangezien diens wezen + alle onvolmaaktheid uitsluit, maar de volstrekte + volmaaktheid insluit, heft het daardoor alle aanleiding + tot twijfel omtrent zijn bestaan op en geeft het + hieromtrent de grootst mogelijke zekerheid; hetgeen naar + ik geloof, voor elk die maar even oplet, duidelijk zal + zijn.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s12"> +<p><i>Stelling XII.</i></p> + +<p>Geen attribuut eener substantie kan naar waarheid zoodanig worden +beschouwd, dat de deelbaarheid dier substantie hieruit zou kunnen +worden afgeleid.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers de deelen in welke een aldus gedachte substantie verdeeld +zou kunnen worden, zullen òf den aard dier substantie behouden òf +niet. In het eerste geval zou (<i>vlg. <a href="#d1s8">St. VIII</a></i>) elk dier deelen +oneindig moeten zijn en (<i>vlg. <a href="#d1s6">St. VI</a></i>) zijns zelfs oorzaak, +terwijl zij (<i>vlg. <a href="#d1s6">St. V</a></i>) elk uit een ander attribuut zouden +moeten bestaan; derhalve zouden er uit één substantie meerdere +gevormd kunnen worden, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s6">St. VI</a></i>) ongerijmd is. Voeg +hierbij dat deze deelen (<i>vlg. <a href="#d1s2">St. II</a></i>) niets gemeen zouden +hebben met hun geheel en het geheel (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. IV</a> +en <a href="#d1s10">St. X</a></i>) +zonder zijn deelen zoowel zou kunnen bestaan als begrepen worden, +dan zal niemand kunnen twijfelen aan de ongerijmdheid hiervan. +<a id="d1s12b_2">Stellen wij echter het tweede geval</a>, namelijk dat de deelen den +aard dier substantie nìet behielden, zoo zou de substantie, +wanneer zij in gelijke deelen verdeeld werd, haren aard verliezen +en ophouden te bestaan, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s7">St. VII</a></i>) ongerijmd is.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s13"> +<p><i>Stelling XIII.</i></p> + +<p>De volstrekt oneindige substantie is ondeelbaar.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers indien zij deelbaar ware, zouden de deelen waarin zij +verdeeld kon worden òf den aard der volstrekt oneindige +substantie behouden òf niet. In het eerste geval zouden er dus +meerdere substanties van denzelfden aard bestaan, hetgeen (<i>vlg. +<a href="#d1s5">St. V</a></i>) ongerijmd is. Indien het tweede ondersteld werd, zou het +mogelijk worden (<i>zie <a href="#d1s12b_2">hierboven</a></i>) dat de volstrekt oneindige +substantie ophield te bestaan, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) eveneens +ongerijmd is.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d1s13g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat geen enkele substantie en + bijgevolg geen enkele lichamelijke substantie, deelbaar + is voorzoover zij een substantie is.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Dat een substantie ondeelbaar is, kan op nog + eenvoudiger wijze worden ingezien alleen reeds hieruit, + dat de aard eener substantie niet anders dan als oneindig + gedacht kan worden en dat men zich een deel eener + substantie niet anders kan denken dan als een eindige + substantie, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s8">St. VIII</a></i>) een + klaarblijkelijke tegenstrijdigheid in zich sluit.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s14"> +<p><i>Stelling XIV.</i></p> + +<p>Buiten God kan geen andere substantie bestaan noch gedacht +worden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p id="d1s14b_0">Daar God (<i>vlg. +<a href="#d1d6">Def. VI</a></i>) het volstrekt oneindige wezen is, aan +wien geen enkel attribuut dat het wezen eener substantie uitdrukt +kan worden ontzegd, en daar hij (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) noodwendig +bestaat, zou, indien er eenige andere substantie buiten God +bestond, deze uit een of ander attribuut Gods verklaard moeten +worden, zoodat er twee substanties met hetzelfde attribuut zouden +bestaan, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s5">St. V</a></i>) ongerijmd is; derhalve kan er +geen enkele substantie buiten God bestaan, bijgevolg evenmin +gedacht worden. Want als zij denkbaar was, moest zij noodzakelijk +gedacht worden als bestaande en dit is (<i>volgens <a href="#d1s14b_0">het eerste +gedeelte van dit bewijs</a></i>) ongerijmd. Dus kan er buiten God geen +andere substantie bestaan noch gedacht worden. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d1s14g1"> + <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt eerstens ten duidelijkste dat + God eenig is, dat wil zeggen (<i>vlg. <a href="#d1d6">Def. VI</a></i>) dat er in + de wereld der dingen niet anders dan één substantie + bestaan kan en dat deze volstrekt oneindig is, gelijk wij + in de Opmerking bij Stelling X reeds aanduidden.</p> + </div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg II:</i> Ten tweede volgt er uit dat het Uitgebreide + en het Denkende òf attributen van God zijn, òf (<i>vlg. <a href="#d1a1">Ax. + I</a></i>) openbaringen van Gods attributen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s15"> +<p><i>Stelling XV.</i></p> + +<p>Al wat is, is in God en niets is zonder God bestaanbaar noch +denkbaar.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Buiten God kan (<i>vlg. <a href="#d1s14">St. XIV</a></i>) geen substantie bestaan noch +gedacht worden; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. III</a></i>) geen ding dat op +zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen kan worden. +Bestaanswijzen evenwel kunnen (<i>vlg. <a href="#d1d5">Def. V</a></i>) zonder een +substantie noch bestaan noch gedacht worden, zoodat deze +uitsluitend hieruit begrepen kunnen worden. Maar buiten +substantie en bestaanswijzen is er niets (<i>vlg. <a href="#d1a1">Ax. I</a></i>). Derhalve +is niets zonder God bestaanbaar noch denkbaar. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d1s15o"> + <p><i>Opmerking:</i> Er zijn lieden, die zich verbeelden dat God, + evenals een mensch, uit een lichaam en een ziel bestaat + en onderhevig is aan + hartstochten<a id="aantag13" href="#aanteken13">[A13]</a>; hoeverre deze + evenwel van de ware kennisse Gods afdwalen blijkt + voldoende uit het reeds betoogde. Doch hen ga ik voorbij: + immers allen die op eenigerlei wijze over het wezen der + godheid hebben nagedacht, ontkennen dat God lichamelijk + is. Hetwelk zij zelfs zeer goed bewijzen hieruit, dat wij + onder een lichaam verstaan een of andere grootheid, met + lengte, breedte en diepte en door een bepaalden vorm + begrensd; ongerijmder dan hetwelk niets van God, te weten + het volstrekt oneindige wezen, gezegd zou kunnen worden. + Maar niettemin laten zij anderzijds uit andere gronden, + waarop zij hetzelfde trachten te bewijzen, ten + duidelijkste blijken dat zij een lichamelijke of + uitgebreide substantie geheel vreemd aan Gods wezen + achten, maar deze als door hem geschapen beschouwen. + Waarùit evenwel het goddelijk vermogen haar zou hebben + kunnen scheppen, weten zij wederom niet te zeggen; + waaruit duidelijk blijkt dat zij datgene, wat zijzelf + beweren niet begrijpen. Ik heb tenminste, naar mij dunkt, + duidelijk genoeg bewezen (<i>zie <a href="#d1s6g">Gevolg St. VI</a> + en <a href="#d1s8o2">Opmerking + II bij St. VIII</a></i>) dat géén substantie door iets anders + kan worden voortgebracht of geschapen. Wijders hebben wij + in Stelling XIV aangetoond dat er buiten God geen + substantie bestaanbaar noch denkbaar is en daaruit + maakten wij de gevolgtrekking dat de Uitgebreidheid één + der oneindig vele attributen Gods is. Nochtans zal ik, + tot vollediger verduidelijking, de gronden mijner + tegenstanders weerleggen. Zij komen alle hierop neer:</p> + + <p><i>Ten eerste:</i> dat de lichamelijke substantie, voor zoover + zij substantie is, naar hunne meening uit deelen bestaat, + en daarom ontkennen zij dat deze oneindig zijn en + dientengevolge tot Gods wezen behooren kan. En dit + lichten zij toe met vele voorbeelden, van welke ik er + enkele zal aanhalen. Indien de lichamelijke substantie, + zoo zeggen zij, oneindig is, stelle men zich haar eens + voor verdeeld in twee deelen; elk dier deelen zal dan òf + eindig òf oneindig zijn. In het eene geval zou dus het + oneindige uit twee deelen bestaan, hetgeen ongerijmd is. + In het andere zou er iets oneindigs bestaan, twee maal + zoo groot als iets anders dat óók oneindig was; hetgeen + eveneens ongerijmd is.</p> + + <p><i>Vervolgens:</i> indien men een oneindige + grootheid<a id="aantag14" href="#aanteken14">[A14]</a> + uitmeet in deelen van een voet, zal zij uit een oneindig + aantal van dergelijke deelen moeten bestaan; hetzelfde + zal echter ook het geval zijn indien men haar verdeelt in + stukken van een duim; derhalve zou het eene oneindige + aantal twaalf maal zoo groot zijn als het andere + oneindige aantal.</p> + + <p><i>Tenslotte:</i> Indien men zich voorstelt dat uit een punt A + van een of andere oneindige grootheid twee lijnen, AB en + AC, waarbij B en C aanvankelijk op meetbaren afstand van + elkaar liggen, tot in het oneindige verlengd worden, zoo + is het zeker dat de afstand tusschen B en C steeds zal + toenemen en eindelijk van bepaald onmeetbaar zal worden. + Daar nu, naar zij meenen, deze ongerijmdheden het gevolg + zijn van de onderstelling eener oneindige grootheid, + maken zij hieruit de gevolgtrekking dat de lichamelijke + substantie eindig moet zijn en dientengevolge niet tot + Gods wezen kan behooren.</p> + + <p>Een tweede bewijsvoering gaat eveneens uit van Gods + opperste volmaaktheid. Immers God, zoo zeggen zij, het + meest volmaakte wezen, kan niet lijden: evenwel kan de + lichamelijke substantie, daar zij deelbaar is, wèl + lijden; waaruit dus volgt dat zij niet tot Gods wezen + behoort.</p> + + <p>Deze zijn de bewijsvoeringen welke ik bij verschillende + schrijvers vind en door welke zij trachten aan te toonen + dat de lichamelijke substantie het goddelijk wezen + onwaardig is en daartoe niet kan behooren. Maar + inderdaad, wie goed heeft opgelet, zal inzien dat ik + hierop eigenlijk reeds heb geantwoord; aangezien deze + bewijzen slechts hierop berusten dàt zij vooronderstellen + dat de lichamelijke substantie uit deelen bestaat, + waarvan ik de ongerijmdheid reeds heb aangetoond. (<i>Zie + <a href="#d1s12">St. XII</a> en + <a href="#d1s13g">Gevolg St. XIII</a></i>). Wie vervolgens de zaak + behoorlijk overweegt, zal bevinden dat al die + ongerijmdheden (indien zij overigens alle ongerijmd zijn, + waarover ik hier niet wil twisten), waaruit zij bewijzen + willen dat de uitgebreide substantie eindig is, + allerminst dááruit volgen dat men een oneindige grootheid + onderstelt: maar dat zij een <i>meetbare</i> en uit eindige + deelen bestaande oneindige grootheid onderstellen. Daarom + ook mogen zij uit de ongerijmdheden die hieruit volgen, + niets anders besluiten dan dat een oneindige grootheid + <i>niet</i> meetbaar is en dat zij niet uit eindige deelen kan + bestaan. Maar dit is hetzelfde als wat wij hierboven + reeds hebben uiteen gezet (<i>zie <a href="#d1s13">St. XIII</a> enz.</i>). Zoodat + zij met het wapen dat zij op ons richten, zichzelf + treffen. Indien zij dus uit deze hunne ongerijmdheid + nochtans willen afleiden dat de uitgebreide substantie + eindig moet zijn, gedragen zij zich waarlijk niet anders + dan iemand die, omdat hij zich verbeeldt dat een cirkel + de eigenschappen van een vierkant heeft, de + gevolgtrekking maakt dat een cirkel geen middelpunt + bezit, vanwaar uit alle lijnen naar den omtrek getrokken + even lang zijn. Want de lichamelijke substantie, welke + niet dan oneindig, niet dan eenig en niet dan ondeelbaar + gedacht kan worden (<i>Zie <a href="#d1s7">St. VIII</a>, + <a href="#d1s5">V</a> en <a href="#d1s12">XII</a></i>), stellen + zij zich, terwille van hun gevolgtrekkingen, voor als + eindig, uit eindige deelen bestaande, veelvoudig en + deelbaar. Zoo zijn er anderen die, nadat zij zich eenmaal + hebben verbeeld dat een lijn is samengesteld uit punten, + tal van bewijzen weten aan te voeren om aan te toonen dat + een lijn niet tot in het oneindige kan worden verdeeld. + Maar inderdaad is het niet ongerijmder te + vooronderstellen dat de lichamelijke substantie uit + lichamen of deelen is samengesteld, dan dat een lichaam + uit vlakken, een vlak uit lijnen en tenslotte een lijn + uit punten is opgebouwd. Dit zullen allen die weten dat + een heldere redeneering onbedriegelijk is, moeten + toegeven en allereerst zij die erkennen dat er geen ledig + bestaat. Want indien de lichamelijke substantie aldus + verdeeld kon worden en hare deelen in werkelijkheid van + elkaar gescheiden waren, waarom zou dan niet één deel + vernietigd kunnen worden en de overige toch, evenals + daarvoor, met elkaar verbonden blijven? En waarom zouden + zij zich alle zoodanig aan elkaar voegen dat er geen + ledig ontstond? Het is duidelijk dat van dingen, die + werkelijk van elkaar afgescheiden zijn, het eene zonder + het andere kan bestaan en in zijn bestaan volharden. Waar + nu evenwel in de Natuur geen ledig bestaan kan (waarover + elders), waar alle deelen zoodanig moeten samenwerken dat + er geen ledig gevormd worde, volgt hieruit ook dat deze + deelen niet werkelijk kunnen worden gescheiden, dat wil + zeggen dat de lichamelijke substantie, voorzoover zij + substantie is, niet verdeeld kan worden. Indien nu toch + iemand vroeg, waarom wij dan van nature zoo geneigd zijn + een grootheid te verdeelen, zoo zou ik hem antwoorden dat + een grootheid door ons op twee wijzen wordt opgevat, te + weten abstract<a id="aantag15" href="#aanteken15">[A15]</a> + en oppervlakkig, zooals wij ons haar + nl. voorstellen<a id="aantag16" href="#aanteken16">[A16]</a>, + òf als een substantie, hetgeen + uitsluitend door de Rede geschiedt. Indien wij dus letten + op een grootheid zooals zij zich voordoet in onze + voorstelling, hetgeen dikwijls en het gemakkelijkst door + ons gedaan wordt, zal zij eindig, deelbaar en uit deelen + samengesteld bevonden worden; indien wij haar echter + beschouwen zooals zij in ons verstand is en haar opvatten + als een substantie, wat zeer moeilijk is, dan zal + zij--gelijk wij reeds voldoende aantoonden--oneindig, + eenig en ondeelbaar bevonden worden. Hetgeen allen die + weten te onderscheiden tusschen voorstelling en verstand, + duidelijk genoeg zal zijn, vooral indien men er ook op + let dat de stof overal dezelfde is en dat er geen deelen + in haar te onderscheiden vallen, tenzij voorzoover wij + ons de stof op verschillende wijzen gewijzigd denken, en + welk geval wij die deelen slechts als bestaansvormen + onderscheiden maar niet wezenlijk. Zoo beschouwen wij + bijvoorbeeld water, voor zoover het water is, als + deelbaar en zijn deelen als van elkaar afzonderbaar; niet + echter voorzoover het lichamelijke substantie is, als + zoodanig immers kan het noch gescheiden, noch verdeeld + worden. Voorts kan water, voorzoover het water is + ontstaan en vergaan, terwijl het als substantie noch + ontstaat noch vergaat. En hiermede geloof ik ook op het + tweede bewijs geantwoord te hebben; aangezien ook dit + gegrond was op de onderstelling dat de stof, als + substantie, deelbaar en uit deelen samengesteld zou zijn.</p> + + <p>Doch al ware dit alles ook niet zooals ik zeg, dan + begrijp ik nog niet waarom de lichamelijke substantie het + goddelijk wezen onwaardig zou zijn: aangezien er toch + (<i>vlg. <a href="#d1s14">St. XIV</a></i>) buiten God geen substantie bestaan kan + aan welke hij onderworpen zou kunnen zijn. Alles, zeg ik, + is in God en al wat geschiedt, geschiedt uitsluitend + krachtens de wetten van Gods oneindige wezen en vloeit + uit de noodwendigheid daarvan voort (hetgeen ik straks + zal aantoonen); zoodat er geen enkele reden bestaat om te + zeggen dat God aan iets anders onderworpen zou zijn of + dat de uitgebreide substantie den goddelijken aard + onwaardig ware, zelfs al werd zij verondersteld deelbaar + te zijn, zoolang men haar slechts als eeuwig en oneindig + beschouwt. Doch hierover voor het oogenblik genoeg.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s16"> +<p><i>Stelling XVI.</i></p> + +<p>Uit de noodwendigheid van den goddelijken aard moeten oneindig +veel dingen op oneindig vele wijzen voortvloeien, dat is al wat +een oneindig verstand kan omvatten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze stelling moet een ieder duidelijk zijn zoo hij er slechts op +let dat het verstand uit de gegeven definitie van eene of andere +zaak verschillende eigenschappen afleidt welke ook in +werkelijkheid uit haar (dat wil zeggen uit het wezen zelf dier +zaak) met noodwendigheid voortvloeien en wel des te meer naarmate +de definitie dier zaak meer werkelijkheid uitdrukt, dat wil +zeggen hoemeer werkelijkheid het wezen der omschreven zaak +insluit. Daar nu de goddelijke aard een volstrekt oneindig aantal +attributen heeft (<i>vlg. <a href="#d1d6">Def. VI</a></i>), van welke elk een in zijn +soort oneindig wezen uitdrukt, moeten ook uit Gods noodwendigheid +oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen (dat is al wat een +oneindig verstand kan omvatten) noodzakelijk voortvloeien. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d1s16g1"> + <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt dat God van alle dingen welke + een oneindig verstand kan omvatten, de bewerkende + oorzaak<a id="aantag17" href="#aanteken17">[A17]</a> is.</p> + </div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg II:</i> Er volgt ten tweede uit dat God oorzaak is + uit-zich-zelf en niet slechts toevallig<a id="aantag18" href="#aanteken18">[A18]</a>.</p> + </div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg III:</i> Er volgt ten derde uit dat God de volstrekt + eerste oorzaak is.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XVII.</i></p> + +<p>God handelt uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen aard +en door niets genoodzaakt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dat uit de noodwendigheid van den goddelijken aard alleen, of +(wat hetzelfde is) uitsluitend uit de wetten van dien aard, +onvermijdelijk een oneindig aantal dingen volgt, hebben wij +zooeven in Stelling XVI aangetoond, terwijl wij in Stelling XV +bewezen dat niets zonder God bestaan noch gedacht worden kan, +maar dat alles in God is; zoodat er niets buiten hem zijn kan +waardoor hij tot handelen genoopt of gedwongen kon worden; en zoo +handelt dus God uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen +aard en door niets genoodzaakt. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d1s17g1"> + <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt ten eerste dat er geen enkele + oorzaak, behalve de volmaaktheid van zijn eigen aard, + zijn kan, welke God van buiten af of van binnen uit tot + handelen zou aandrijven.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d1s17g2"> + <p><i>Gevolg II:</i> Er volgt ten tweede uit dat alleen God een + vrije oorzaak is. God immers is het eenige dat krachtens + de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. + XI</a> en <a href="#d1s14g1">Gevolg I van St. XIV</a></i>) en dat uitsluitend krachtens + de noodwendigheid van zijnen aard handelt (<i>vlg. + <a href="#d1s16">voorgaande St.</a></i>) en derhalve + (<i>vlg. <a href="#d1d7">Def. VII</a></i>) is alleen + hij een vrije oorzaak. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d1s17o"> + <p><i>Opmerking:</i> Sommigen meenen dat God een vrije oorzaak + is, omdat hij, naar zij gelooven, zou kunnen bewerken dat + datgene, hetwelk naar wij zeiden uit zijn aard volgt, + d.w.z. datgene wat in zijn vermogen ligt, <i>niet</i> + geschiedde, ofwel <i>niet</i> door hem werd voortgebracht. + Doch dit is hetzelfde alsof zij zeiden dat God kan + bewerken dat uit den aard eens driehoeks niet zou volgen + dat de som zijner driehoeken gelijk is aan twee rechten + of dat uit een gegeven oorzaak geen uitwerking zou + voortvloeien; hetgeen ongerijmd is. Verderop zal ik + zonder behulp van deze stelling aanloonen, dat noch + verstand, noch wil tot Gods aard behooren. Ik weet wel + dat er velen zijn die gelooven te kunnen bewijzen, dat + tot Gods aard het hoogste verstand en een vrije wil + behooren: immers zij kennen niets volmaakters, zoo zeggen + zij bij zichzelf, dat zij aan God zouden kunnen + toeschrijven, dan datgene wat in onszelf het meest + volmaakte is. Maar niettegenstaande zij God opvatten als + werkelijk het hoogste verstand, gelooven zij toch niet + dat hij al wat hij denkt, inderdaad tot bestaan kan + brengen, want zij meenen op deze wijze Gods macht te + verkleinen. Indien hij alles, zoo zeggen zij, wat zijn + verstand bevat, ook werkelijk had geschapen, zou er niets + meer te scheppen zijn, hetgeen zij in strijd achten met + Gods almacht; en daarom nemen zij liever aan dat God ten + opzichte van alle dingen onverschillig is en niets anders + schept dan datgene wat hij in beperkte wil[lekeur] + besluit te scheppen. Ik meen evenwel duidelijk genoeg te + hebben aangetoond (<i>Zie <a href="#d1s16">St. XVI</a></i>) dat uit Gods alvermogen + of uit zijn oneindigen aard, oneindig veel dingen op + oneindig veel wijzen, dat wil zeggen alles, met + noodwendigheid voortvloeien of steeds met dezelfde + noodwendigheid volgen; op dezelfde wijze als uit den aard + van den driehoek van eeuwigheid tot eeuwigheid volgt dat + de som zijner drie hoeken gelijk is aan twee rechten. + Daarom is Gods almacht ook werkzaam geweest van alle + eeuwigheid af en zal zij tot in eeuwigheid even werkzaam + blijven. En op deze wijze wordt, ten minste mijns + inziens, Gods almacht veel volmaakter voorgesteld. + Jazelfs schijnen mijn tegenstanders Gods almacht (om het + maar eerlijk te zeggen) te loochenen. Immers zij zijn + gedwongen te erkennen dat God een oneindig aantal + mogelijke schepselen denkt, welke hij nochtans nooit zal + kunnen scheppen. Want anders, namelijk wanneer hij al wat + hij dacht ook schiep, zou hij, volgens henzelf, zijn + eigen macht uitputten en zichzelf onvolmaakt maken. Om + dus te bewijzen dat God volmaakt is, komen zij er toe + tegelijkertijd te betoogen dat hij niet alles kan + uitvoeren waarover zijn vermogen zich uitstrekt; + ongerijmder, of meer in strijd met Gods almacht, dan + hetwelk mij niets te verzinnen lijkt.</p> + + <p>Om hier voorts nog iets te zeggen over het verstand en + den wil, welke wij gewoonlijk aan God toekennen: indien + verstand en wil tot Gods eeuwige wezen behooren, moet + onder beide eigenschappen zeker heel iets anders worden + verstaan dan de menschen gewoonlijk doen. Want een + verstand en een wil welke Gods wezen uitmaakten zouden + hemelsbreed van òns verstand en ònzen wil moeten + verschillen; ja, zij zouden in geen enkel opzicht, + behalve in den naam, er mede kunnen overeenkomen, niet + anders bijvoorbeeld dan het sterrebeeld de Hond + overeenkomt met het blaffende dier van dien naam. Wat ik + aldus zal bewijzen: Indien het verstand tot den + goddelijken aard behoort, zal het niet van nature, zooals + òns verstand, later dan (gelijk de meesten meenen) of + gelijktijdig met de erdoor voorgestelde zaken bestaan, + aangezien God krachtens zijne oorzakelijkheid aan alle + dingen voorafgaat (<i>vlg. <a href="#d1s16g1">Gevolg I van St. XVI</a></i>). Maar + integendeel zijn de waarheid en het werkelijke + wezen<a id="aantag19" href="#aanteken19">[A19]</a> + der dingen zoo als zij zijn, omdat zij zóó in Gods + verstand objectief<a id="aantag20" href="#aanteken20">[A20]</a> + bestonden. Daarom is ook + integendeel Gods verstand, voorzoover het wordt opgevat + als behoorende tot Gods wezen, de oorzaak der dingen, + zoowel van hun wezen als van hun bestaan; hetgeen ook + schijnt te zijn opgemerkt door hen die verzekerden dat + Gods verstand, wil en macht één en hetzelfde zijn.</p> + + <p>Indien nu Gods verstand de eenige oorzaak der dingen is + en wel (gelijk wij aantoonden) zoowel van hun wezen als + van hun bestaan, moet het zelf noodzakelijk van deze + dingen verschillen, zoowel ten opzichte van zijn wezen + als ten opzichte van zijn bestaan. Want het veroorzaakte + verschilt van zijn oorzaak juist in datgene wat het van + zijn oorzaak ontvangen heeft. Zoo is bijvoorbeeld een + mensch de oorzaak van het bestaan, niet echter van het + wezen van een anderen mensch; dit immers is een eeuwige + waarheid: en derhalve kunnen zij in hun wezen geheel + overeenkomen, terwijl zij in hun bestaan moeten + verschillen; vandaar dat wanneer het bestaan van den een + te niet gaat, niet tevens dat van den ander te niet zal + gaan; terwijl wanneer het wezen van den een vernietigd + kon worden en valsch kon blijken, ook tevens het wezen + van den ander vernietigd zou zijn. Daarom moet een ding + dat oorzaak is zoowel van het wezen als van het bestaan + van een of andere uitwerking, van een zoodanige + uitwerking verschillen zoowel ten opzichte van zijn wezen + als ten opzichte van zijn bestaan. Maar Gods verstand is + de oorzaak zoowel van het wezen als van het bestaan van + òns verstand: en dus verschilt Gods verstand, voor zoover + het wordt opgevat als behoorende tot het goddelijk wezen, + van òns verstand zoowel ten opzichte van zijn wezen als + ten opzichte van zijn bestaan en kan het in geen enkel + opzicht, behalve in naam er mede overeenkomen; gelijk wij + wilden aantoonen. Wat den wil aangaat kan men denzelfden + bewijstrant volgen, zooals een ieder gemakkelijk zal + inzien.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XVIII.</i></p> + +<p>God is de inwonende, niet echter een buitenstaande oorzaak aller +dingen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Al wat is, is in God en moet uit God begrepen worden (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. +XV</a></i>). Derhalve is God +(<i>vlg. <a href="#d1s16g1">Gevolg I St. XVI</a></i>) de oorzaak van de +dingen die in hem zijn. Dit wat het eerste aangaat. Verder kan er +buiten God geen enkele substantie bestaan (<i>vlg. <a href="#d1s14">St. XIV</a></i>), +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. III</a></i>) iets dat buiten God op zichzelf zou +bestaan. Dit wat het tweede betreft. God is dus de inwonende, +niet echter een buitenstaande oorzaak aller dingen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s19"> +<p><i>Stelling XIX.</i></p> + +<p>God, of al Gods attributen, zijn eeuwig.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>God immers is (<i>vlg. <a href="#d1d6">Def. VI</a></i>) +een substantie, welke (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. +XI</a></i>) noodwendig bestaat, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s7">St. VII</a></i>) tot wier aard +het behoort te bestaan, of (wat hetzelfde is) uit wier definitie +haar bestaan zelf volgt, en derhalve is God (<i>vlg. <a href="#d1d8">Def. VIII</a></i>) +eeuwig. Vervolgens moet onder Gods attributen verstaan worden +datgene wat (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. IV</a></i>) het wezen der goddelijke substantie +uitdrukt, d.w.z. datgene wat tot de substantie behoort; dit +alles, zeg ik, behooren deze attributen in te sluiten. Maar tot +den aard der substantie behoort (<i>gelijk ik reeds in <a href="#d1s7">St. VII</a> heb +aangetoond</i>) de eeuwigheid; derhalve moet elk dier attributen +eeuwigheid insluiten en dus zijn zij allen eeuwig. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze stelling is ook zeer duidelijk af te + leiden volgens de wijze waarop ik (<i><a href="#d1s11">St. XI</a></i>) Gods bestaan + bewezen heb; uit dit bewijs, zeg ik, is gebleken dat Gods + bestaan, evenals zijn wezen een eeuwige waarheid is. + Voorts heb ik (<i>St. XIX Deel I der Beginselen van + Cartesius</i>)<a id="aantag21" href="#aanteken21">[A21]</a> + nog op andere wijze Gods eeuwigheid + bewezen, welk bewijs ik hier niet behoef te herhalen.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XX.</i></p> + +<p>Gods bestaan en Gods wezen zijn één en hetzelfde.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>God en al zijn attributen zijn eeuwig (<i>vlg. <a href="#d1s19">de voorgaande St.</a></i>) +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d8">Def. VIII</a></i>) elk zijner attributen drukt bestaan +uit. Dezelfde attributen Gods dus, welke (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. IV</a></i>) Gods +eeuwig wezen openbaren, ontvouwen tevens zijn eeuwig bestaan, +d.w.z.: datgene zelf dat het wezen Gods uitmaakt, maakt tevens +zijn bestaan uit, zoodat dus dit en zijn wezen één en hetzelfde +zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt ten eerste dat Gods bestaan, + evenals zijn wezen, een eeuwige waarheid is.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d1s20g2"> + <p><i>Gevolg II:</i> Ten tweede volgt er uit dat God of al Gods + attributen onveranderlijk zijn. Want als zij wat betreft + hun bestaan verandering konden ondergaan, zouden zij + tevens (<i>vlg. <a href="#d1s19">de voorgaande St.</a></i>) ten opzichte van hun + wezen veranderd worden, d.w.z. (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) + van waar valsch worden, hetgeen ongerijmd is.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s21"> +<p><i>Stelling XXI.</i></p> + +<p>Al wat uit den aard op zichzelf<a id="aantag22" href="#aanteken22">[A22]</a> +van een of ander attribuut +Gods voortvloeit, moet altijd en oneindig hebben bestaan, met +andere woorden: krachtens dit attribuut zelf is het eeuwig en +oneindig.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Neem eens aan, indien ge dit kunt (als ge dit namelijk ontkent) +dat er iets in een of ander attribuut Gods uit den aard +opzichzelf van ditzelfde attribuut kon voortvloeien dat eindig +ware en een beperkt bestaan of duur had, bijvoorbeeld de +voorstelling van God in het +Denken<a id="aantag23" href="#aanteken23">[A23]</a>. Het Denken nu bestaat, +aangezien het voorondersteld wordt een attribuut Gods te zijn, +noodwendig (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) krachtens zijn oneindigen aard. +Evenwel wordt het hier, voor zoover het de voorstelling Gods +omvat, als eindig gesteld. Maar als eindig kan het (<i>vlg. <a href="#d1d2">Def. +II</a></i>) niet worden begrepen tenzij het door het Denken zelf beperkt +worde. Niet echter door het Denken zelf voorzoover dit de +voorstelling Gods vormt, als zoodanig immers wordt het juist +voorondersteld eindig te zijn; derhalve door het Denken +voorzoover het <i>niet</i> de voorstelling Gods vormt, welk Denken +evenwel toch (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) met noodwendigheid moet bestaan; er +zou dus een Denken bestaan dat de voorstelling Gods niet insloot +en derhalve zou uit zijnen aard, voor zoover dit niets dan Denken +is, niet noodzakelijk de voorstelling Gods voortvloeien. (Immers +er werd één Denken aangenomen dat de voorstelling Gods wèl en een +ander dat haar nìet omvatte). Dit strijdt tegen het onderstelde. +Zoodat, wanneer de voorstelling Gods in het Denken, of (want +tenslotte is het hetzelfde wat men neemt, aangezien de +bewijsvoering algemeen geldig is) iets anders in eenig ander +attribuut Gods, uit de noodwendigheid van den aard op-zich-zelf +van dit attribuut voortvloeit, dit [gevolg] ook noodzakelijk +oneindig moet zijn. Dit wat het eerste punt betreft.</p> + +<p>Voorts kan datgene wat uit de noodwendigheid van den aard eens +attribuuts aldus voortvloeit, geen beperkten duur hebben. Indien +ge dit ontkent, stel dan een ding dat uit de noodwendigheid van +eenig attribuut voortvloeit en bestaat in een of ander attribuut +Gods, bijvoorbeeld de voorstelling Gods in het Denken en +onderstel dat het ééns nìet heeft bestaan of niet bestaan zal. +Daar nu ondersteld wordt dat het Denken een attribuut Gods is, +moet het zoowel noodwendig als onveranderlijk bestaan (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. +XI</a> en <a href="#d1s20g2">Gevolg II St. XX</a></i>). Dus zal er buiten de grenzen van den +duur der voorstelling Gods (immers er werd aangenomen dat deze +eens niet bestond of niet zal bestaan) een Denken zonder +voorstelling Gods moeten bestaan. Dit echter is tegen het +onderstelde; immers er werd ondersteld dat uit het gegeven Denken +noodwendig de voorstelling Gods voortvloeide. Derhalve kan de +voorstelling Gods in het Denken, of iets anders dat met +noodwendigheid uit den aard op-zichzelf van een of ander +attribuut Gods voortvloeit, geen beperkten duur hebben, maar moet +het, krachtens dit attribuut zelf, eeuwig zijn. Dit wat het +tweede punt betreft.</p> + +<p>Men merke op dat ditzelfde geldt voor elk ander ding dat in een +of ander attribuut Gods uit den aard Gods op-zichzelf met +noodwendigheid voortvloeit.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s22"> +<p><i>Stelling XXII.</i></p> + +<p>Al wat voortvloeit uit eenig attribuut Gods, voorzoover het zich +openbaart in een zoodanige bestaanswijze [wijziging], welke +krachtens dit attribuut noodwendig en oneindig bestaat, moet zelf +eveneens noodwendig en oneindig bestaan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het bewijs dezer stelling wordt op dezelfde wijze geleverd als +dat der voorgaande.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s23"> +<p><i>Stelling XXIII.</i></p> + +<p>Elke bestaanswijze, welke noodwendig en oneindig bestaat, moet +noodzakelijk voortvloeien òf uit den aard op zichzelf van eenig +attribuut Gods òf uit eenig attribuut, zich openbarend in een +vorm welke noodwendig en oneindig +bestaat<a id="aantag24" href="#aanteken24">[A24]</a>.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een bestaanswijze immers bestaat in iets anders, waaruit het +begrepen kan worden (<i>vlg. <a href="#d1d5">Def. V</a></i>), +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV</a></i>) zij +bestaat uitsluitend in God en kan uit God alleen begrepen worden. +Indien men dus een bestaanswijze aanneemt welke noodwendig +bestaat en oneindig is, moet elk van deze beide eigenschappen +noodzakelijk worden opgemaakt of +begrepen<a id="aantag25" href="#aanteken25">[A25]</a> uit een of ander +attribuut Gods voor zoover dit wordt opgevat als uitdrukkende de +oneindigheid en noodwendigheid van zijn bestaan, of wel (<i>wat +vlg. <a href="#d1d3">Def. VIII</a> hetzelfde is</i>) +de eeuwigheid; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d6">Def. +VI</a> en <a href="#d1s19">St. XIX</a></i>) voor zoover het als uitsluitend op zichzelf +beschouwd wordt. Een bestaanswijze dus welke noodwendig en +oneindig bestaat, moet uit den aard op-zichzelf van eenig +attribuut Gods voortvloeien; en dat wel òf onmiddellijk +(<i>waarover in <a href="#d1s21">St. XXI</a></i>) òf door bemiddeling van een of anderen +verschijningsvorm [wijziging] welke uit deszelfs aard op-zichzelf +voortvloeit, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s22">de voorgaande St.</a></i>) welke eveneens +noodwendig en oneindig bestaat. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXIV.</i></p> + +<p>Het wezen van de door God voortgebrachte dingen, sluit geen +bestaan in zich.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt uit <i>Def. I.</i> Datgene immers, welks aard (namelijk op +zichzelf beschouwd) het bestaan in zich sluit, is zijns zelfs +oorzaak en bestaat alleen krachtens de noodwendigheid van zijnen +aard zelf.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d1s24g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat God niet slechts de oorzaak + ervan is, dat de dingen beginnen te bestaan; maar ook dat + zij in hun bestaan volharden, ofwel (om een scholastieke + uitdrukking te gebruiken) dat God de oorzaak is van het + "Zijn" [Aanzijn] der dingen. Want, of de dingen bestaan + danwel niet bestaan: zoo dikwijls wij op hun wezen + letten, zien wij dat dit noch bestaan noch duur in zich + sluit; derhalve kan hun wezen ook noch van hun bestaan, + noch van hun duur de oorzaak zijn; doch uitsluitend God, + daar slechts tot dìens aard het bestaan behoort. (<i>Vlg. + <a href="#d1s14g1">Gevolg I St. XIV</a></i>).</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s25"> +<p><i>Stelling XXV.</i></p> + +<p>God is niet alleen de bewerkende oorzaak van het bestaan der +dingen, maar ook van hun wezen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Indien ge dit ontkent zou God dus niet de oorzaak zijn van het +wezen der dingen; derhalve zou (<i>vlg. <a href="#d1a4">Ax. IV</a></i>) het wezen der +dingen zonder God begrepen kunnen worden; hetgeen evenwel (<i>vlg. +<a href="#d1s15">St. XV</a></i>) ongerijmd is. +Dus is God óók de oorzaak van het wezen +der dingen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> De waarheid dezer stelling volgt nog + duidelijker uit Stelling XVI. Uit deze immers volgt dat + uit den gegeven goddelijken aard zoowel het wezen als het + bestaan der dingen noodzakelijk moet worden afgeleid; en, + om het in één woord te zeggen: in dienzelfden zin waarin + men zegt dat God zijns zelfs oorzaak is, moet hij ook de + oorzaak van alle dingen genoemd worden, hetgeen nog + duidelijker zal blijken uit het onderstaande gevolg.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d1s25g"> + <p><i>Gevolg:</i> De bijzondere dingen zijn niets anders dan + openbaringen van Gods attributen, of wel bestaanswijzen + in welke Gods attributen op een vaste en bepaalde wijze + worden uitgedrukt. Het bewijs blijkt uit <i><a href="#d1s15">Stelling XV</a></i> en + <i><a href="#d1d5">Definitie V</a></i>.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s26"> +<p><i>Stelling XXVI.</i></p> + +<p>Een ding dat tot een of andere werking genoopt is, wordt hiertoe +noodzakelijk door God gedreven; evenzoo: wat niet door God +genoodzaakt wordt, kan uit zichzelf niet werken.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Datgene, waarvan men kan zeggen dat het de dingen tot werken +noopt, moet noodzakelijk iets positiefs zijn (gelijk vanzelf +spreekt); derhalve moet God zoowel van het wezen als van het +bestaan hiervan de bewerkende oorzaak zijn +(<i>vlg. <a href="#d1s25">St. XXV</a> en <a href="#d1s16">St. +XVI</a></i>). Dit wat het eerste betreft. Waaruit eveneens ten +duidelijkste volgt, wat in de tweede plaats gesteld werd. Want +indien een ding, dat niet door God gedreven werd, zichzelf kon +richten, zou het eerste deel dezer stelling valsch zijn, hetgeen, +gelijk wij aantoonden ongerijmd is.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s27"> +<p><i>Stelling XXVII.</i></p> + +<p>Een ding dat door God tot eenigerlei werking genoodzaakt is, kan +zichzelf niet aan die noodzaak onttrekken.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De waarheid dezer stelling blijkt uit <a href="#d1a3">het derde Axioma</a>.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s28"> +<p><i>Stelling XXVIII.</i></p> + +<p>Elk bijzonder ding, of elk ding dat eindig is en een beperkt +[afhankelijk] bestaan heeft, kan niet bestaan, noch tot werking +genoodzaakt worden, tenzij het tot bestaan en werking genoodzaakt +worde door een ander ding, hetwelk eveneens eindig is en een +afhankelijk bestaan heeft: en deze oorzaak op haar beurt kan niet +bestaan, noch tot werking genoodzaakt worden tenzij zij wederom +door een ander ding, hetwelk eveneens eindig is en een +afhankelijk bestaan heeft, tot bestaan en werking worde +genoodzaakt, en zoo tot in het oneindige.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Al wat tot bestaan en werking genoodzaakt is, werd daartoe +genoodzaakt door God (<i>vlg. <a href="#d1s26">St. XXVI</a> +en <a href="#d1s24g">Gevolg St. XXIV</a></i>). Maar +datgene wat eindig is en een afhankelijk bestaan heeft, kon niet +uit den aard op-zichzelf van eenig attribuut Gods voortvloeien; +immers al wat uit den absoluten aard van eenig attribuut Gods +voortvloeit, is oneindig en eeuwig (<i>vlg. <a href="#d1s21">St. XXI</a></i>). Dus zal het +moeten voortvloeien uit God, of wel uit een zijner attributen, +voorzoover dit beschouwd wordt als zich openbarende in een of +andere bestaanswijze; immers buiten de substantie en hare +bestaanswijzen is er niets (<i>vlg. <a href="#d1a1">Ax. I</a> en +<a href="#d1d3">Def. III</a> en <a href="#d1d5">V</a></i>); en de +bestaanswijzen zijn (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV</a></i>) niets anders dan +openbaringen van Gods attributen. Maar uit God, of uit een of +ander zijner attributen, voorzoover het zich openbaart in een +vorm welke eeuwig en oneindig is, kan het ook niet voortvloeien +(<i>vlg. <a href="#d1s22">St. XXII</a></i>). Het zal dus moeten voortvloeien, of tot +bestaan en werking genoodzaakt worden, door God of een zijner +attributen, voorzoover dit zich openbaart in een vorm welke +eindig is en een afhankelijk bestaan heeft. Dit wat eerste +betreft.</p> + +<p>Voorts moet deze oorzaak of deze bestaanswijze op haar beurt (<i>om +dezelfde reden als ik in <a href="#d1s28">het eerste gedeelte dezer stelling</a> reeds +uiteen zette</i>) eveneens bepaald worden door een andere, welke +eveneens eindig is en een afhankelijk bestaan heeft, en deze +laatste wederom (<i>om dezelfde reden</i>) door een andere en zoo (<i>om +dezelfde reden</i>) voort tot in het oneindige. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Daar sommige dingen door God onmiddellijk + moeten zijn voortgebracht, en wel die dingen welke + noodwendig uit zijn absoluten aard voortvloeien; en door + tusschenkomst van deze eerste dingen de andere, welke + nochtans zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn; + volgt hieruit ten eerste: dat God de absoluut naaste + oorzaak is der dingen welke onmiddellijk door hem zijn + voortgebracht, hoewel niet, zooals men zegt, der dingen + in hun soort. Want de werkingen Gods kunnen niet zonder + hun oorzaak bestaan noch gedacht worden. (<i>Vlg. <a href="#d1s15">St. XV</a> en + <a href="#d1s24g">Gevolg St. XXIV</a></i>).</p> + + <p>Er volgt ten tweede uit dat God niet in eigenlijken zin + de verwijderde oorzaak der bijzondere dingen genoemd kan + worden, tenzij wellicht om deze te onderscheiden van + diegene welke hij onmiddellijk voortbracht, of liever + welke uit zijn absoluten aard voortvloeien. Want onder + een verwijderde oorzaak verstaan wij een zoodanige, welke + met hare uitwerking op geenerlei wijze verbonden is. Maar + al wat is, is in God en hangt op zoodanige wijze van hem + af dat het zonder hem noch bestaanbaar noch denkbaar is.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s29"> +<p><i>Stelling XXIX.</i></p> + +<p>In de wereld der dingen bestaat niets toevalligs, maar alles +wordt krachtens de noodwendigheid van den goddelijken aard +genoodzaakt op bepaalde wijze te bestaan en te werken.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Al wat is, is in God (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV</a></i>): God echter kan niet iets +toevalligs genoemd worden. Want hij bestaat (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) +noodwendig, niet echter toevallig. De bestaanswijzen van den +goddelijken aard zijn dus uit dezen eveneens noodwendig en niet +slechts toevallig voortgekomen (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI</a></i>) en dat wel +voorzoover de goddelijke aard òf op-zichzelf +(<i>vlg. <a href="#d1s21">St. XXI</a></i>) òf +als op een bepaalde wijze tot werken genoopt beschouwd wordt +(<i>vlg. <a href="#d1s27">St. XXVII</a></i>). Voorts is God niet slechts de oorzaak dezer +bestaanswijzen voorzoover zij gewoon maar bestaan (<i>vlg. <a href="#d1s24g">Gevolg +St. XXIV</a></i>), maar ook (<i>vlg. <a href="#d1s26">St. XXVI</a></i>) voorzoover zij beschouwd +worden als genoodzaakt iets te doen. Want indien zij (<i>vlg. +<a href="#d1s26">dezelfde St.</a></i>) niet door God daartoe genoodzaakt werden, is het +onmogelijk, en geenszins gebeurlijk, dat zij zichzelf daartoe +noodzaakten; en omgekeerd +(<i>vlg. <a href="#d1s27">St. XXVII</a></i>): indien zij wèl door +God daartoe genoodzaakt werden, is het onmogelijk, en geenszins +gebeurlijk, dat zij zich aan die noodzaak onttrokken. Zoodat +alles krachtens de noodwendigheid van den goddelijken aard +genoodzaakt is niet slechts om te bestaan, maar ook om op +bepaalde wijze te bestaan en te werken en er dus niets toevalligs +bestaat. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d1s29o"> + <p><i>Opmerking:</i> Alvorens ik verder ga, wil ik hier uiteen + zetten of liever in herinnering brengen wat wij moeten + verstaan onder de "Naturende Natuur" en de "Genatuurde + Natuur"<a id="aantag26" href="#aanteken26">[A26]</a>. + Want uit het voorgaande is het dunkt mij + toch zeker wel duidelijk geworden dat wij onder + "Naturende Natuur" moeten verstaan datgene wat op + zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen kan worden, + ofwel zoodanige attributen der substantie, welke een + eeuwig en oneindig wezen uitdrukken, dat wil zeggen + (<i>vlg. <a href="#d1s14g1">Gevolg I St. XIV</a> en + <a href="#d1s17g2">Gevolg II v. St. XVII</a></i>) God, + voorzoover hij als vrije oorzaak beschouwd wordt. Onder + "Genatuurde Natuur" daarentegen versta ik al datgene wat + uit de noodwendigheid van Gods aard of van eenig + attribuut Gods voortvloeit, dat wil zeggen alle + bestaanswijzen der attributen Gods voorzoover zij + beschouwd worden als dingen die in God bestaan en zonder + God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s30"> +<p><i>Stelling XXX.</i></p> + +<p>Het verstand, hetzij eindig of oneindig in zijn werking, kan +slechts de attributen Gods en de bestaanswijzen Gods bevatten en +niets anders.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een ware voorstelling moet overeenkomen met het door haar +voorgestelde (<i>vlg. <a href="#d1a6">Ax. VI</a></i>) d.w.z. (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) +datgene wat objectief<a href="#aanteken20">[a20]</a> +in het verstand aanwezig is moet ook +noodzakelijk in de natuur bestaan. In de natuur evenwel bestaat +(<i>vlg. <a href="#d1s14g1">Gevolg I St. XIV</a></i>) +niets dan één enkele substantie, +namelijk God, noch (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV</a></i>) eenigerlei andere +bestaanswijzen dan die welke in God zijn en welke (<i>vlg. <a href="#d1s15">dezelfde +St.</a></i>) zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn; derhalve +kan het verstand, hetzij eindig of oneindig in zijn werking, +slechts de attributen Gods en de bestaanswijzen Gods bevatten en +niets anders. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXXI.</i></p> + +<p>Een werkend verstand, hetzij eindig of oneindig, moet evenals +wil, begeerte, liefde enz. behooren tot de genatuurde natuur en +niet tot de naturende.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Onder verstand immers verstaan wij (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) +niet het absolute Denken, maar slechts een bepaalden vorm van +denken, welke vorm verschilt van andere denkvormen als begeerte, +liefde enz. en dus (<i>vlg. <a href="#d1d5">Def. V</a></i>) uit het absolute Denken +begrepen moet worden; immers het moet (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV</a> +en <a href="#d1d6">Def. VI</a></i>) +uit een attribuut Gods dat het eeuwige en oneindige wezen des +Denkens uitdrukt, aldus worden begrepen dat het zonder dit noch +bestaanbaar noch denkbaar is; en derhalve moet het (<i>vlg. +<a href="#d1s29o">Opmerking St. XXIX</a></i>) behooren tot de genatuurde natuur, niet +echter tot de naturende, en evenzoo de overige vormen van denken. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> De reden waarom ik hier sprak van een + <i>werkend</i> verstand, is niet dat ik toegeef dat er eenig + verstand-als-vermogen<a id="aantag27" href="#aanteken27">[A27]</a> + zou bestaan; maar, wijl ik + alle verwarring wensch te vermijden, heb ik slechts + willen spreken over een zaak welke ons zoo duidelijk + mogelijk is, nl. over het begrijpen zelf, klaarder dan + hetwelk wij niets kennen. Immers al wat wij leeren kennen + leidt wederom tot nog volmaakter kennis van het + begrijpen.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXXII.</i></p> + +<p>Men kan den wil geen vrije oorzaak heeten, doch alleen een +noodzakelijke.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De wil is een bepaalde vorm van denken, evenals het verstand; en +derhalve (<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII</a></i>) kan een of andere +willing<a href="#aanteken42">[a42]</a> niet +bestaan, noch tot werking genoodzaakt worden, tenzij door een +andere oorzaak, en deze op haar beurt weer door een andere, en +zoo voort tot in het oneindige. Want al werd ondersteld dat de +wil oneindig was, dan moest hij toch ook door God tot bestaan en +werken genoodzaakt worden, niet voorzoover God de absoluut +oneindige substantie is, maar voorzoover hij een attribuut heeft +dat het oneindige en eeuwige wezen des Denkens uitdrukt (<i>vlg. +<a href="#d1s23">St. XXIII</a></i>). Op welke wijze hij dus ook wordt opgevat, hetzij +eindig of oneindig, steeds eischt hij eene oorzaak waardoor hij +tot bestaan en werken genoodzaakt wordt en derhalve kan hij +(<i>vlg. <a href="#d1d7">Def. VII</a></i>) geen vrije oorzaak genoemd worden, maar alleen +een noodzakelijke of afhankelijke.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d1s32g1"> + <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt ten eerste, dat God niet werkt + krachtens vrijheid van wil.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d1s32g2"> + <p><i>Gevolg II:</i> Er volgt ten tweede uit, dat wil en verstand + in dezelfde verhouding staan tot Gods aard als beweging + en rust en volkomen als alle andere natuurlijke dingen, + welke (<i>vlg. <a href="#d1s29">St. XXIX</a></i>) door God op bepaalde wijze tot + bestaan en werken genoodzaakt moeten worden. Want de wil + heeft, evengoed als alle andere dingen, een oorzaak + noodig door welke hij op bepaalde wijze tot bestaan en + werken wordt genoodzaakt. En ofschoon uit wil en + verstand, eenmaal gegeven, oneindig veel voortvloeit, kan + men daarom toch evenmin zeggen dat God handelt uit + vrijheid van wil, als dat men wegens al wat uit beweging + en rust voortkomt (en dat is immers eveneens oneindig + veel) zou kunnen zeggen dat hij handelt uit vrijheid van + beweging of rust. Derhalve behoort de wil niet éér tot + den aard Gods dan de overige natuurlijke dingen, maar + staat hij tot dezen in dezelfde verhouding als beweging + en rust en al het overige waarvan wij aantoonden dat het + uit de noodwendigheid van den goddelijken aard + voortvloeit en door dezen op bepaalde wijze tot bestaan + en werken wordt genoodzaakt.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXXIII.</i></p> + +<p>De dingen hadden door God op geen andere wijze, noch in andere +orde, voortgebracht kunnen worden, dan zij inderdaad +voortgebracht zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Alle dingen immers zijn (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI</a></i>) met noodwendigheid uit +den gegeven aard Gods voortgevloeid en worden door de +noodwendigheid van Gods aard tot een bepaalde wijze van bestaan +en werken genoodzaakt (<i>vlg. <a href="#d1s29">St. XXIX</a></i>). Indien dus de dingen van +anderen aard konden zijn, of op andere wijze tot werking +genoodzaakt konden worden, zoodat de orde der natuur een andere +ware, dan zou ook Gods aard een andere kunnen zijn dan hij is; +maar deze andere aard zou dan (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) eveneens moeten +bestaan en bijgevolg zouden er twee of meer godheden kunnen +bestaan, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s14g1">Gevolg I St. XIV</a></i>) ongerijmd is. +Derhalve hadden de dingen door God op geen andere wijze, noch in +andere orde, enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d1s33o1"> + <p><i>Opmerking I:</i> Ofschoon ik hiermede meer dan zonneklaar + heb aangetoond dat er volstrekt niets in de dingen is, + weswegen zij toevallig genoemd konden worden, wil ik toch + nog met enkele woorden verklaren wat wij onder het + <i>Toeval</i> hebben te verstaan; eerst echter wat onder het + <i>Noodwendige</i> en <i>Onmogelijke</i>. Een ding wordt noodwendig + genoemd òf ten opzichte van zijn wezen, òf ten opzichte + van zijn oorzaak. Immers het bestaan van een of ander + ding vloeit noodzakelijk voort òf uit zijn wezen en + definitie, òf uit een gegeven bewerkende oorzaak. Voorts + kan een ding om deze zelfde redenen ook onmogelijk + genoemd worden, te weten òf omdat zijn wezen of definitie + een tegenstrijdigheid insluit, òf omdat er geen enkele + uitwendige oorzaak bestaat welke genoodzaakt is zulk een + ding voort te brengen. Een of ander ding nu wordt op geen + anderen grond toevallig genoemd, dan met het oog op de + gebrekkigheid onzer kennis. Een ding immers waarvan wij + niet weten of zijn wezen een tegenstrijdigheid insluit, + of waarvan wij zeker weten dat het géén tegenstrijdigheid + insluit, maar omtrent welks bestaan wij niettemin niets + stelligs kunnen zeggen, omdat de reeks zijner oorzaken + ons verborgen is; zulk een ding kan door ons nooit als + noodwendig, noch als onmogelijk worden beschouwd, zoodat + wij het òf toevallig, [gebeurlijk] òf mogelijk noemen.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d1s33o2"> + <p><i>Opmerking II:</i> Uit het voorgaande volgt duidelijk dat de + dingen door God in hoogste volmaaktheid zijn + voortgebracht, aangezien zij met noodwendigheid uit een + gegeven allervolmaaktsten aard zijn voortgevloeid, en + hierdoor wordt God allerminst van eenigerlei + onvolmaaktheid beticht; immers zijn volmaaktheid zelf + dwingt ons juist dit te erkennen. Ja, uit het tegendeel + hiervan zou juist volgen (<i>gelijk ik zooeven heb + <a href="#d1s33o2">aangetoond</a></i>) dat God nìet allervolmaaktst was, daar + immers, indien de dingen op andere wijze waren + voortgebracht, aan God een andere aard moest worden + toegekend, verschillend van dien, welken wij op grond der + beschouwing van het allervolmaaktste wezen gedwongen zijn + hem toe te schrijven. Ik twijfel er wel niet aan of velen + zullen deze uitspraak als ongerijmd verwerpen en haar + niet in overweging willen nemen, en dat om geen andere + reden dan wijl zij gewoon zijn aan God een andere soort + van vrijheid toe te kennen, grootelijks verschillend van + die welke door ons (<i>in <a href="#d1d7">Def. VII</a></i>) werd omschreven, + namelijk een volslagen willekeur. Maar ik twijfel er + evenmin aan of zij zullen, indien zij de zaak slechts + willen overdenken en de reeks van onze bewijsvoeringen + behoorlijk overwegen, nochtans deze vrijheid welke zij + God toedichten, niet slechts als kinderachtig, maar zelfs + als een groote belemmering voor de wetenschap gansch en + al verwerpen. Het is niet noodig dat ik datgene, wat ik + in <a href="#d1s17o">de Opmerking bij Stelling XVII</a> gezegd heb, hier + herhaal. Maar ik wil niettemin ten hunnen gevalle nog + bewijzen dat, al werd toegegeven dat "wil" tot Gods wezen + behoorde, uit zijn volmaaktheid nochtans zou voortvloeien + dat de dingen op geen enkele andere wijze, noch in andere + orde, door God geschapen hadden kunnen worden, hetgeen + gemakkelijk zal zijn aan te toonen indien wij in de + eerste plaats overwegen wat deze lieden zelf toegeven, + namelijk dat het alleen van Gods besluit en wil afhangt + dat eenig ding is wat het is. Immers anders zou God nìet + de oorzaak van alle dingen zijn. Voorts dat al Gods + besluiten van eeuwigheid af door God zelf zijn + bekrachtigd. Immers anders kon hij van onvolmaaktheid en + onstandvastigheid beticht worden. Maar aangezien er in de + eeuwigheid geen wanneer, geen vroeger of later bestaat, + volgt hieruit, d.w.z. uit Gods volmaaktheid zelf, dat God + nooit iets anders kan besluiten, noch zulks ooit gekund + heeft, ofwel dat God niet bestond vóór zijn besluiten, + noch zonder hen kan bestaan.</p> + + <p>Maar, zoo zeggen zij, al werd ondersteld dat God de + wereld der dingen anders gemaakt had of dat hij van + eeuwigheid af anders omtrent de Natuur en hare orde + besloten had, dan nog zoude hieruit geenerlei + onvolmaaktheid van God volgen. Indien zij dit evenwel + zeggen, geven zij tevens toe dat God zijn besluiten kan + veranderen. Want indien God omtrent de Natuur en hare + orde anders besloten had dan hij besloot; dat wil zeggen, + indien hij omtrent de Natuur iets anders gewild en + gedacht had, zou hij noodzakelijk een ander verstand en + een anderen wil gehad hebben dan hij heeft. En indien men + aan God een ander verstand en een anderen wil mag + toeschrijven zonder eenige wijziging van zijn wezen en + volmaaktheid, wat reden zou er dan zijn, waarom hij niet + zijn besluiten omtrent de geschapen dingen zou kunnen + wijzigen en nochtans even volmaakt blijven? Immers ten + opzichte van Gods wezen en volmaaktheid is het hetzelfde + op welke wijze ook men zijn verstand en wil in hun + verband met de geschapen dingen en hunne orde opvat.</p> + + <p>Wijders geven alle wijsgeeren die ik ken toe, dat er in + God geen verstand-als-vermogen bestaat, doch alleen een + werkend; daar evenwel zijn verstand en wil niet van zijn + wezen te onderscheiden zijn, gelijk zij allen eveneens + toegeven, volgt hieruit ook dat, indien God een ander + werkend verstand en een anderen wil hadde gehad, ook zijn + wezen noodzakelijk een ander had moeten zijn; en derhalve + zou (<i>gelijk mijn gevolgtrekking van aanvang af luidde</i>) + indien de dingen anders dan zij zijn door God waren + voortgebracht, Gods verstand en wil, d.w.z. (<i>gelijk + wordt toegegeven</i>) zijn wezen, een ander geweest moeten + zijn, hetgeen ongerijmd is.</p> + + <p>Waar nu de dingen op geen andere wijze, noch in andere + orde door God konden worden voortgebracht--en dat zulks + waar is volgt uit Gods hoogste volmaaktheid--is er + waarlijk geene enkele reden welke ons kan doen gelooven + dat God niet ook al wat in zijn verstand is met diezelfde + volmaaktheid, waarmede hij het denkt, heeft willen + scheppen.</p> + + <p>Nu kan men zeggen dat er in de dingen noch volmaaktheid + noch onvolmaaktheid te vinden is, doch dat datgene, wat + in hen is en waardoor zij volmaakt of onvolmaakt zijn en + goed of slecht genoemd worden, slechts van Gods wil + afhangt; en dat dus God, indien hij gewild had, had + kunnen bewerken dat datgene wat nu volmaaktheid heet, in + de hoogste mate onvolmaakt werd en omgekeerd. Maar wat + anders zou dit zijn dan openlijk te beweren dat God, die + datgene wat hij wil, noodzakelijk begrijpt, door zijnen + wil kon bewerken dat hij de dingen op andere wijze + begreep dan hij ze begrijpt; hetgeen, (<i>gelijk ik zooeven + aangetoond heb</i>) hoogst ongerijmd is. Daarom kan ik hunne + bewijsvoering tegen henzelve keeren en wel aldus: Alles + hangt van Gods macht af. Opdat dus de dingen anders + zullen zijn, moet noodzakelijk ook Gods wil anders zijn. + Gods wil evenwel kan niet anders zijn (<i>gelijk wij zoo + even ten duidelijkste op grond van Gods volmaaktheid + hebben aangetoond</i>). Derhalve kunnen de dingen evenmin + anders zijn. Ik erken dat deze meening, welke alles + onderwerpt aan een onverschilligen wil Gods en beweert + dat alles van zijn welbehagen afhangt, minder van de + waarheid afwijkt dan de meening diergenen, die beweren + dat God alles doet uit het gezichtspunt van het Goede. + Want deze laatsten schijnen iets buiten God te + onderstellen, wat niet afhankelijk van God is, waarop God + bij zijn werken, als op een voorbeeld, acht geeft of + waarnaar hij, als naar een bepaald doel, streeft. Hetgeen + voorwaar niets anders is dan God aan het noodlot + onderwerpen, ongerijmder dan hetwelk wel niets van God + beweerd kan worden, van wien wij toch aantoonden dat hij + zoowel van het wezen aller dingen als van hun bestaan de + eerste en eenige vrije oorzaak is. Daarom is het ook niet + noodig dat ik nog meer tijd verspil met het weerleggen + van deze ongerijmdheid.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d1s34"> +<p><i>Stelling XXXIV.</i></p> + +<p>Gods macht is zijn wezen zelf.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Uit de noodwendigheid van Gods wezen alleen reeds volgt dat God +zijns zelfs-oorzaak is (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) +en tevens (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI</a> +en <a href="#d1s16g1">Gevolg</a></i>) de oorzaak van alle dingen. Derhalve is Gods macht, +krachtens welke hij in alles bestaat en werkt, zijn wezen zelf. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d1s35"> +<p><i>Stelling XXXV.</i></p> + +<p>Al wat wij als in Gods macht liggend beschouwen, moet +noodzakelijk bestaan.</p> +</div> + +<p>Immers al wat in Gods macht ligt, moet zoodanig in zijn wezen +vervat zijn (<i>vlg. <a href="#d1s34">voorgaande St.</a></i>) dat het er met noodwendigheid +uit voortvloeit en derhalve moet het noodzakelijk bestaan. +H.t.b.w.</p> + + +<div class="stelling" id="d1s36"> +<p><i>Stelling XXXVI.</i></p> + +<p>Er bestaat niets uit welks aard niet een of andere werking +voortvloeit.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Al wat bestaat drukt Gods aard of wezen op een vaste en bepaalde +wijze uit (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV</a></i>); +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s34">St. XXXIV</a></i>): al +wat bestaat openbaart Gods macht, welke de oorzaak is van alle +dingen, op vaste en bepaalde wijze, en derhalve (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI</a></i>) +moet er ook een of andere werking uit voortvloeien. H.t.b.w.</p> +</div> + + + +<h4 id="d1n">AANHANGSEL</h4> + + +<p>Hiermede heb ik Gods aard en eigenschappen ontvouwd, namelijk dat +hij noodwendig bestaat; dat hij eenig is; dat hij uitsluitend +krachtens de noodwendigheid van zijnen aard bestaat en handelt; +dat hij aller dingen vrije oorzaak is en op welke wijze; dat +alles in God is en zoodanig van hem afhangt, dat het zonder hem +noch bestaanbaar noch denkbaar is; en ten slotte dat alles door +God is voorbeschikt, weliswaar niet uit vrijen wil of onbeperkte +willekeur, maar krachtens zijn volstrekten aard ofwel zijn +oneindige macht. Wijders heb ik overal waar de gelegenheid zich +daartoe aanbood, mij beijverd alle vooroordeelen, welke het +juiste begrip mijner bewijsvoeringen zouden kunnen belemmeren, +uit den weg te ruimen; maar wijl er nochtans niet weinig +vooroordeelen overblijven, welke eveneens, en zelfs in de hoogste +mate, kon den en kunnen verhinderen dat men het verband der +dingen aanvaardt zóó als ik het heb uiteengezet, heb ik het der +moeite waard geacht ook deze vooroordeelen hier voor de rede ter +verantwoording te roepen.</p> + +<p>En aangezien alle vooroordeelen, welke ik mij voorstel hier aan +te wijzen, afhangen van dit ééne: dat men namelijk gemeenlijk +onderstelt dat alle dingen in de Natuur, evenals de menschen +zelf, met een bedoeling handelen; jazelfs met beslistheid beweert +dat God zelf alles bestiert met het oog op één bepaald doel (men +zegt immers dat God alles terwille van den mensch geschapen +heeft, den mensch zelf echter opdat deze hem vereere), zal ik dìt +vooroordeel het eerst beschouwen en daartoe in de eerste plaats +naar de oorzaak zoeken waarom zoovelen er zich bij neerleggen en +allen van nature zoozeer geneigd zijn het te aanvaarden. +Vervolgens zal ik de onwaarheid ervan aantoonen en eindelijk op +welke wijze hieruit zijn ontsproten de vooroordeelen omtrent +<i>goed</i> en <i>kwaad</i>, <i>verdienste</i> en <i>zonde</i>, <i>lof</i> en <i>blaam</i>, +<i>orde</i> en <i>verwarring</i>, <i>schoonheid</i> en <i>leelijkheid</i> +[wanstaltigheid] en andere soortgelijke zaken. Wel is het hier de +plaats niet dit alles af te leiden uit den aard van den +menschelijken geest. Het zal hier voldoende zijn wanneer ik tot +grondslag neem wat door iedereen erkend zal worden, namelijk dat +alle menschen onwetend omtrent de oorzaak der dingen worden +geboren en dat allen neiging hebben hun eigen voordeel te zoeken +en zich daarvan bewust zijn. Immers hieruit volgt ten eerste: dat +de menschen wanen vrij te zijn omdat zij zich wel bewust zijn van +hun willingen en begeerten, maar zelfs niet in den droom denken +aan de oorzaken, door welke zij tot begeeren en willen genoopt +worden, wijl zij deze oorzaken niet kennen. Ten tweede volgt er +uit: dat de menschen alles doen met een bedoeling, namelijk +terwille van het voordeel waarnaar zij streven; met dit gevolg +dat zij steeds slechts de <i>doel</i>-oorzaken der gebeurtenissen +wenschen te kennen en gerustgesteld zijn wanneer zij deze +vernomen hebben; en wel omdat zij alsdan geen reden meer hebben +om zich verder bezorgd te maken. Indien zij evenwel deze +doel-oorzaken niet van een ander kunnen vernemen, blijft hen niet +anders over dan tot zichzelf in te keeren en na te denken over de +doeleinden door welke zijzelf tot dergelijke dingen gedreven +worden, en zoodoende beoordeelen zij noodzakelijk eens anders +karakter naar hun eigen karakter. Daar zij voorts in en buiten +zichzelf tal van hulpmiddelen aantreffen welke niet weinig er toe +bijdragen dat zij datgene, wat nuttig voor hen is, ook +bereiken,--zooals bijvoorbeeld oogen om te zien, tanden om te +kauwen, planten en dieren om zich mede te voeden, een zon om +licht te geven, een zee om visschen voor hen te kweeken enz.--; +is het gevolg hiervan dat zij alle dingen in de Natuur beschouwen +als middel om te bereiken wat nuttig voor hen is. En omdat zij +wel weten dat deze hulpmiddelen door hen slechts gevonden, niet +echter gemaakt zijn, hebben zij hierin reden gezien om te +gelooven dat er iemand anders is die ze voor hun gebruik heeft +ingericht. Want daar zij de dingen eenmaal als hulpmiddelen +hadden opgevat, konden zij niet gelooven dat deze zichzelf +geschapen hadden, maar moesten zij wel uit het feit dat ook +zijzelf gewoon zijn sommige hulpmiddelen te bereiden, de +gevolgtrekking maken dat er een of meerdere bestierders der +Natuur zijn, die, begiftigd met menschelijke [wils] vrijheid in +alles voor hen zorgen en alles te hunnen bate hebben ingericht. +Aangezien zij echter nooit iets van het karakter dier wezens +hoorden, moesten zij dit wel naar het hunne beoordeelen en kwamen +zij er zoodoende toe te beweren dat goden alles ten bate van den +mensch hadden ingericht om de menschen aan zich te verbinden en +zoo hoog mogelijk door hen te worden vereerd; met het gevolg dat +elk, naar zijn eigen karakter, een verschillende wijze heeft +verzonnen om God te dienen, opdat God hèm boven de anderen zou +beminnen en de geheele Natuur moge inrichten ten gerieve van zijn +begeerten en onverzadelijke hebzucht. En aldus is dit vooroordeel +tot bijgeloof geworden en heeft het diep wortel geschoten in de +geesten; zoodat het oorzaak ervan werd dat een ieder zich ten +zeerste beijvert om de doeloorzaken van alle dingen te weten te +komen en te verklaren. Maar terwijl zij trachten aan te toonen +dat de Natuur niets te vergeefs doet (d.w.z. niets dat den mensch +niet van nut is) hebben zij, naar het mij wil toeschijnen, niets +anders aangetoond dan dat de Natuur, de goden en de menschen +gelijkelijk van zinnen zijn. Gaat eens na, zoo vraag ik u, waarop +dit ten laatste is uitgeloopen! Naast vele gemakken die de Natuur +aanbiedt, moesten zij ook niet weinige ongemakken ontdekken, te +weten stormen, aardbevingen, ziekten enz. en zij beweerden nu dat +deze zaken plaats grepen omdat de goden vertoornd waren wegens +beleedigingen, hen door de menschen aangedaan, of wegens +verzuimen bij hunnen eeredienst begaan; en ofschoon de ervaring +dit dagelijks logenstrafte en hen in ontelbare voorbeelden voor +oogen hield, dat zoowel gemakken als ongemakken den goeden en den +slechten zonder onderscheid gelijkelijk ten deel vallen, hebben +zij toch hun ingeroest vooroordeel geenszins laten varen; immers +het viel hun veel gemakkelijker deze ervaring te plaatsen bij de +andere onbekende zaken, waarvan zij het nut niet begrepen en +zoodoende in hun bestaanden en ingeboren staat van onwetendheid +te volharden, dan heel hun geknutsel omver te werpen en iets +nieuws te bedenken. Daarom stelden zij voor vast en zeker dat de +beschikkingen der goden het menschelijk begrip verre te boven +gaan; hetgeen inderdaad een voldoende reden ervoor geweest zou +zijn dat de waarheid het menschelijk geslacht voor eeuwig +verborgen moest blijven, indien niet de wiskunde, welke niet over +doeleinden, maar slechts over wezen en eigenschappen van figuren +handelt, den menschen een anderen richtsnoer van waarheid had +getoond. En behalve de wiskunde zijn er ook nog andere oorzaken +aan te wijzen (welke het overbodig is hier op te sommen), welke +aanleiding gegeven hebben dat men deze zeer verbreide +vooroordeelen eens terdege overwoog en tot het ware inzicht in de +dingen kwam.</p> + +<p>Hiermede heb ik voldoende toegelicht wat ik in de eerste plaats +beloofde. Het zal mij nu niet moeilijk vallen verder nog aan te +toonen dat de Natuur geen enkel vooropgezet doel heeft en dat +alle doel-oorzaken niets anders zijn dan menschelijke +verzinselen. Ik geloof toch dat het reeds voldoende gebleken is, +zoowel uit de gronden en oorzaken uit welke, naar ik heb +aangetoond, dit vooroordeel ontsproten is, als uit <a href="#d1s16">Stelling XVI</a> +en <a href="#d1s32g1">de Gevolgen van Stelling XXXII</a>, en bovendien uit al die +stellingen, waarin ik heb bewezen dat alles in de Natuur +voortkomt uit een eeuwige noodwendigheid en in de hoogste +volmaaktheid. Dit echter wil ik hieraan nog toevoegen: namelijk +dat deze leer der doeloorzaken de Natuur geheel en al +onderstboven keert. Want datgene wat inderdaad oorzaak is, +beschouwt men als uitwerking en omgekeerd. Wat voorts van nature +voorafgaat, plaatst zij achteraan. En tenslotte maakt zij +datgene, wat het allerhoogste en allervolmaaktste is, tot het +meest onvolmaakte. Want (de beide eerste beweringen laat ik +terzijde, omdat zij uit zichzelf duidelijk zijn), zooals uit <a href="#d1s21">de +stellingen XXI</a>, <a href="#d1s22">XXII</a> en +<a href="#d1s23">XXIII</a> bleek, is die uitwerking het +volmaaktst welke onmiddellijk door God wordt teweeggebracht, en +hoe meer bemiddelende oorzaken iets behoeft om te worden +voortgebracht, des te onvolmaakter is het. Maar indien de dingen, +welke onmiddellijk door God zijn geschapen, gemaakt waren opdat +God daardoor zijn doel zou kunnen bereiken, dan zouden +noodzakelijk de laatste, terwille waarvan de eerste geschapen +werden, van allen de voortreffelijkste zijn.</p> + +<p>Maar bovendien heft deze leer Gods volmaaktheid op. Want indien +God terwille van een doel handelt, moet hij noodzakelijk iets +begeeren dat hem ontbreekt. En hoewel godgeleerden en wijsgeeren +onderscheiden tusschen doelstelling uit behoefte en de bedoeling +zich met iets te vereenigen, erkennen zij toch dat God alles +terwille van zichzelf en niet terwille van de dingen welke hij +scheppen wilde gedaan heeft; aangezien zij vóór de schepping +niets buiten God weten aan te geven, terwille waarvan God +gehandeld zou kunnen hebben. Derhalve zijn zij noodzakelijk +gedwongen te erkennen dat God al datgene, terwille waarvan hij +hulpmiddelen schiep, ontbeerde en verlangde, gelijk vanzelf +spreekt.</p> + +<p>Er mag hier ook niet onopgemerkt blijven dat de aanhangers dezer +leer, die hun vernuft willen ten toon spreiden in het aanwijzen +van de doeleinden der dingen, een nieuwen vorm van bewijsvoering +hebben toegepast om hun leer te bevestigen, namelijk door een +beroep te doen, niet op het onmogelijke, maar op de onwetendheid; +waaruit wel blijkt dat er voor deze leer geen enkel ander +bewijsmiddel te vinden was. Indien bijvoorbeeld van een of andere +hoogte een steen op iemands hoofd gevallen is en hem gedood +heeft, zullen zij op de volgende manier bewijzen dat die steen +gevallen is om dien man te dooden. Ware hij niet gevallen (zoo +zeggen zij) volgens Gods wil en met die bedoeling, hoe zouden dan +wel zoovele omstandigheden (dikwijls toch komen er vele tegelijk +samen) toevallig kunnen samenwerken? Ge zult misschien +antwoorden, dat dit ongeluk geschied is doordat het sterk woei en +de weg van dien man langs die bepaalde plaats leidde. Zij zullen +evenwel blijven aandringen wáárom de wind juist op dat oogenblik +woei en waarom de weg van dien man juist op dat oogenblik +daarlangs leidde? En wanneer ge dan wederom antwoordt, dat de +wind opstak omdat de zee den vorigen dag, toen het weder nog kalm +was, begon te woelen; en dat die man door een vriend was +uitgenoodigd; zoo zullen zij opnieuw aandringen,--aangezien er +aan vragen geen eind komt--waarom dan de zee zoo woelig werd en +waarom die man op dien tijd werd uitgenoodigd? En zoo zullen zij +niet ophouden steeds maar naar de oorzaken dier oorzaken te +vragen, totdat ge eindelijk maar hulp zoekt bij den wil Gods, dat +wil zeggen de toevlucht der onwetendheid.</p> + +<p>Zoo verbazen zij zich ook geweldig bij de beschouwing van het +kunstig samenstel des menschelijken lichaams en uit het feit dat +zij de oorzaken van zoodanig een kunstwerk niet kennen, maken zij +de gevolgtrekking dat het niet volgens de wetten der +werktuigkunde, maar door een goddelijke of bovennatuurlijke +kunstvaardigheid gemaakt is en zoodanig ingericht dat het eene +deel het andere niet hindert. En hierdoor komt het dat degene, +die de ware oorzaken der wonderen naspeurt en de +natuurverschijnselen als een denkend wezen wil begrijpen inplaats +van ze als een dwaas aan te gapen, overal voor een ketter en een +goddelooze wordt gehouden en uitgemaakt door hen die het grauw +vereert als de tolken der Natuur en der goden. Want zij weten wel +dat, wanneer de onwetendheid eenmaal is opgeheven, ook de +verbazing, hun eenig middel om te overtuigen en hun eigen gezag +te handhaven, ophoudt. Doch ik stap hiervan af en ga over tot wat +ik mij voorstelde in de derde plaats hier te behandelen.</p> + +<p>Nadat de menschen zich eenmaal hadden wijs gemaakt, dat al wat +geschiedt om hunnentwil geschiedt, moesten zij wel in alle dingen +datgene het belangrijkst vinden wat voor hen het nuttigst was en +al datgene voor het voortreffelijkste houden, waardoor zij het +aangenaamst werden aangedaan. Vandaar dat zij ter verklaring van +den aard der dingen al die begrippen moesten vormen, als daar +zijn het <i>goede</i>, het <i>kwade</i>, <i>orde</i>, <i>verwarring</i>, <i>warmte</i>, +<i>koude</i>, <i>schoonheid</i>, <i>wanstaltigheid</i>. En wijl zij zichzelf +voor vrij hielden, ontsprongen hieruit wederom de begrippen +<i>lof</i>, <i>blaam</i>, <i>zonde</i> en <i>verdienste</i>. Deze laatste evenwel zal +ik later, wanneer ik over den menschelijken aard spreek, +behandelen, terwijl ik gene reeds hier kortelijks wil toelichten. +Al datgene dan, wat tot welzijn en godsdienst leidt, hebben zij +<i>goed</i> genoemd, wat evenwel daaraan tegengesteld is <i>slecht</i>. En +aangezien zij, die den aard der dingen niet begrijpen, niets +omtrent die dingen zelf zeggen, doch zich ze slechts inbeelden en +die inbeelding voor begrip houden, gelooven zij, onwetend omtrent +de dingen en hun eigen aard, vast en zeker dat er <i>orde</i> heerscht +in de Natuur. Want wanneer de dingen zoo zijn ingericht dat wij +ze ons, zoodra de zintuigen ze aan ons voorstellen, gemakkelijk +kunnen verbeelden<a href="#aanteken16">[a16]</a> +en dat wij ze ons bijgevolg gemakkelijk +kunnen herinneren, dan noemen wij ze goed geordend; in het +tegenovergestelde geval echter slecht geordend of verward. En +aangezien datgene wat wij ons gemakkelijk voorstellen kunnen ons +aangenamer is dan iets anders, verkiezen de menschen orde boven +verwarring (alsof er eenige orde in de Natuur bestond behalve dan +met betrekking tot onze voorstelling) en zeggen zij dat God alles +in een bepaalde orde geschapen heeft, waarmede zij, zonder het +zelf te weten, aan God verbeelding toeschrijven; tenware zij +wellicht liever willen dat God, uit voorzorg voor de menschelijke +verbeelding, alles zoodanig heeft ingericht dat zij het zich het +gemakkelijkst zouden kunnen voorstellen; want het zal voor hen +wel geen bezwaar zijn dat er tallooze zaken zijn, welke onze +verbeelding verre te boven gaan, en zeer vele welke haar wegens +hare gebrekkigheid, verbijsteren. Doch hierover genoeg.</p> + +<p>De overige begrippen eindelijk zijn eveneens niet anders dan een +soort van voorstelling waardoor de verbeelding op verschillende +wijze wordt aangedaan, en toch worden zij door de onwetenden als +de voornaamste eigenschappen der dingen beschouwd, omdat zij +zooals wij reeds zeiden, gelooven dat alle dingen om hunnentwil +gemaakt zijn, en zoo noemen zij den aard van een of ander ding +goed of slecht, gezond of rot en bedorven, al naarmate zij er +door worden aangedaan. Wanneer bijvoorbeeld de beweging, welke de +zenuwen ontvangen van de voorwerpen, door onze oogen afgebeeld, +hun aangenaam aandoet, noemen zij de voorwerpen door welke dit +wordt teweeggebracht <i>schoon</i>, diegene echter welke de +tegenovergestelde beweging opwekken <i>leelijk</i> [wanstaltig]. Wat +door middel van de neus het gevoel aandoet noemen zij welriekend +of stinkend, wat door middel van de tong, zoet of bitter, +smakelijk of onsmakelijk enz. Wat wederom door den tastzin op hen +inwerkt, noemen zij hard of zacht, ruw of glad enz. Van wat +tenslotte de ooren aandoet zeggen zij dat het gedruisch, klank of +een welluidenden toon geeft, welke laatste meening de menschen +zoo zinneloos gemaakt heeft te gelooven dat ook God zelf zich +over welluidendheid verheugt. Zelfs ontbreekt het niet aan +wijsgeeren die zich in het hoofd gezet hebben dat de beweging der +hemelen een harmonisch geluid voortbrengt. Hetgeen alles +voldoende aantoont dat ieder naar gelang van de gesteldheid +zijner hersenen over de dingen oordeelt of liever de aandoeningen +zijner verbeelding voor de dingen zelf aanziet. Zoodat het niet +te verwonderen valt (om ook dit nog in het voorbijgaan op te +merken) dat er onder de menschen zooveel verschil van meening +ontstaan is als wij waarnemen en hieruit tenslotte het +scepticisme. Want ofschoon de menschelijke lichamen in vele +opzichten overeenkomen, verschillen zij toch ook in zeer vele +andere en zoo schijnt den een goed wat den ander slecht lijkt; is +wat den een geordend voorkomt, voor den ander verward; is den een +aangenaam wat den ander onaangenaam is; en zoo in alle overige +dingen, welke ik hier voorbij ga, zoowel omdat het hier de plaats +niet is om daarover meer uitvoerig te spreken, alswel omdat een +ieder op dit punt voldoende ervaring heeft. Immers allen liggen +de spreekwoorden in den mond: "Zooveel hoofden zooveel zinnen", +"Elk heeft genoeg aan zijn eigen meening", "Er is niet minder +verschil van meening dan van smaak"; al welke spreekwoorden +genoegzaam aantoonen dat de menschen naar gelang van de +gesteldheid hunner hersenen over de dingen oordeelen en zich de +dingen liever verbeelden dan ze te begrijpen. Want indien zij de +dingen begrepen, zouden zij allen hen, getuige de wiskunde, zooal +niet aanlokken, dan toch tenminste +overtuigen<a id="aantag28" href="#aanteken28">[A28]</a>.</p> + +<p>Wij zien dus dat alle voorstellingen waarmede de ongeleerde massa +de Natuur pleegt te verklaren, slechts vormen van verbeelding +zijn, welke niet den aard van eenig ding, doch slechts den +toestand der verbeelding doen kennen; en aangezien deze vormen +namen hebben als waren zij buiten de verbeelding bestaande +wezens, noem ik ze schepselen der verbeelding en niet der rede, +zoodat alle bewijzen, welke op grond van dergelijke begrippen +tegen ons worden aangevoerd, gemakkelijk te ontwapenen zijn. +Velen toch plegen te redeneeren als volgt: Indien alles uit de +noodwendigheid van den allerhoogsten aard Gods is voortgevloeid, +vanwaar dan zoovele onvolmaaktheden in de Natuur? Vanwaar dit +bederf, tot rotting toe, die wanstaltigheid welke afkeer wekt; +vanwaar verwarring, kwaad, zonde enz.? Maar zooals ik zooeven +reeds gezegd heb is dit gemakkelijk te weerleggen. Want de +volmaaktheid der dingen moet uitsluitend naar hun eigen aard en +vermogen beoordeeld worden en dus zijn de dingen niet meer of +minder volmaakt omdat zij 's menschen zinnen streelen of +beleedigen, omdat zij bij den menschelijken aard passen of er +mede in strijd zijn. Hun echter, die vragen waarom God alle +menschen niet zoo geschapen heeft dat zij uitsluitend beheerscht +worden door het beleid der Rede, antwoord ik niets anders dan: +wijl het hem niet aan stof ontbrak om alles van den hoogsten tot +den laagsten graad van volmaaktheid te scheppen; of, om nog +duidelijker te spreken: wijl de wetten van zijn eigen aard zoo +ruim zijn, dat zij bij machte zijn om alles wat door een oneindig +verstand omvat kan worden, voort te brengen, gelijk ik in +<a href="#d1s16">Stelling XVI</a> heb bewezen.</p> + +<p>Dit zijn de vooroordeelen welke ik hier wilde behandelen. Indien +er nog meer van dit slag mochten overschieten, zullen deze +gemakkelijk door een ieder bij eenig nadenken kunnen worden +rechtgezet.</p> + + +<h4><i>Einde van het eerste deel.</i></h4> + + + + +<hr id="deel2" /> + +<h3 class="lined">II. OVER AARD EN OORSPRONG VAN DEN GEEST</h3> + +<hr /> + + +<p>Ik ga er thans toe over uiteen te zetten wat uit het wezen van +God of van het eeuwig en oneindig Zijnde, noodzakelijk moet +voortvloeien. Weliswaar niet alles;--immers in <a href="#d1s16"><i>Stelling XVI</i> van +het Eerste Deel</a> hebben wij aangetoond dat er oneindig veel dingen +op oneindig vele wijzen uit moeten voortvloeien--, maar slechts +datgene wat ons als een handleiding kan zijn tot de kennis van +den menschelijken Geest en diens hoogste gelukzaligheid.</p> + + + +<h4>DEFINITIES</h4> + + +<div class="define" id="d2d1"> +<p>I. Onder <i>lichaam</i> [voorwerp]<a id="aantag29" href="#aanteken29">[A29]</a> +versta ik een bestaanswijze, +welke Gods wezen, voor zoover hij als Uitgebreidheid beschouwd +wordt, op zekere bepaalde wijze uitdrukt, (<i>zie <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV +Deel I</a></i>).</p> +</div> + + +<div class="define" id="d2d2"> +<p>II. Tot het <i>wezen</i> van een of andere zaak behoort datgene, +waarmede deze zaak staat of valt; ofwel datgene, zonder hetwelk +die zaak, en omgekeerd, wat zonder die zaak, noch bestaanbaar +noch denkbaar is.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d2d3"> +<p>III. Onder <i>voorstelling</i> versta ik een waarneming [conceptie] +van den Geest, welke de Geest vormt doordat hij een denkend iets +is.</p> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg liever <i>waarneming</i> [conceptie] dan + <i>gewaarwording</i> [perceptie]<a id="aantag30" href="#aanteken30">[A30]</a>, + omdat het woord + "gewaarwording" schijnt aan te duiden dat de Geest iets + door een voorwerp ondergaat, terwijl het woord + "waarneming" een eigen handeling van den Geest schijnt + uit te drukken.</p> + </div> +</div> + + +<div class="define" id="d2d4"> +<p>IV. Onder <i>adaequate<a id="aantag31" href="#aanteken31">[A31]</a> +voorstelling</i> versta ik een +voorstelling, welke, voorzoover zij op zichzelf, zonder +betrekking tot haar voorwerp beschouwd wordt, alle eigenschappen +of innerlijke kenmerken eener ware voorstelling heeft.</p> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg "innerlijke" om datgene uit te + sluiten dat uiterlijk is, namelijk de overeenstemming der + voorstelling met het door haar voorgestelde.</p> + </div> +</div> + + +<div class="define"> +<p>V. <i>Duur</i> is onbegrensde voortzetting van bestaan.</p> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg "onbegrensde", omdat die + voortzetting geenszins door den aard van het bestaande + ding zelf begrensd kan worden, en evenmin door zijn + bewerkende oorzaak, welke immers zijn bestaan wel + noodzakelijk stelt, doch niet opheft.</p> + </div> +</div> + + +<div class="define" id="d2d6"> +<p>VI. Onder <i>werkelijkheid</i> en +<i>volmaaktheid</i><a id="aantag32" href="#aanteken32">[A32]</a> versta ik het +zelfde.</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>VII. Onder <i>bijzondere dingen</i> versta ik dingen welke eindig zijn +en een beperkt bestaan hebben. Wanneer meerdere enkeldingen +zoodanig samenwerken dat zij allen tezamen oorzaak zijn van een +uitwerking, zal ik ze allen in zooverre als één afzonderlijk ding +beschouwen.</p> +</div> + + + +<h4>GRONDWAARHEDEN (AXIOMA'S)</h4> + + +<div class="axioma" id="d2a1"> +<p>I. Het wezen van den mensch sluit geen noodwendig bestaan in +zich; dat wil zeggen: krachtens de orde der Natuur kan het even +goed gebeuren dat deze of gene mensch bestaat, als dat hij niet +bestaat.</p> +</div> + + +<div class="axioma" id="d2a2"> +<p>II. De mensch denkt.</p> +</div> + + +<div class="axioma" id="d2a3"> +<p>III. Vormen [wijzen, soorten] van denken, zooals liefde, +begeerte, of met welken anderen naam de zielsaandoeningen ook +worden aangeduid, kunnen niet bestaan tenzij in denzelfden +enkeling een voorstelling bestaat van de zaak welke wordt bemind, +begeerd enz. Een voorstelling evenwel kan bestaan zonder dat zulk +een andere vorm van denken gegeven is.</p> +</div> + + +<div class="axioma" id="d2a4"> +<p>IV. Wij worden gewaar dat een voorwerp op velerlei wijzen +inwerking kan ondergaan<a id="aantag33" href="#aanteken33">[A33]</a>.</p> +</div> + + +<div class="axioma" id="d2a5"> +<p>V. Wij kunnen geenerlei bijzondere dingen waarnemen noch +gewaarworden, dan lichamen [voorwerpen] en vormen van denken.</p> +</div> + + +<h5>(<i>Zie <a href="#d2v">de noodzakelijke vereischten</a> [postulaten] waarvan hier +wordt uitgegaan, achter Stelling XIII</i>).</h5> + + + +<h4>STELLINGEN</h4> + + +<div class="stelling" id="d2s1"> +<p><i>Stelling I.</i></p> + +<p>Het Denken is een attribuut Gods, ofwel God is iets denkends.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Bijzondere gedachten, dat wil zeggen deze of gene gedachte, zijn +bestaanswijzen, welke Gods wezen op zekere bepaalde wijze +uitdrukken (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV Deel I</a></i>). God moet dus wel +(<i>vlg. <a href="#d1d5">Def. V. Deel I</a></i>) een attribuut bezitten, welks begrip in +alle afzonderlijke gedachten ligt opgesloten en door bemiddeling +waarvan zijzelf kunnen worden begrepen. Derhalve is het Denken +een van de oneindig vele attributen Gods en openbaart het Gods +eeuwige en oneindige wezen (<i>zie <a href="#d1d6">Def. VI Deel I</a></i>) ofwel God is +iets denkends. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> De waarheid dezer stelling blijkt ook + hieruit, dat wij ons inderdaad een denkend oneindig wezen + kunnen voorstellen. Want hoemeer een denkend iets denken + kan, hoe meer werkelijkheid of volmaaktheid het naar ons + begrip moet bezitten. Derhalve moet een wezen, dat + oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen kan denken, + noodzakelijk ook in denkvermogen oneindig zijn. Waar wij + dus, ons uitsluitend bepalende tot het Denken, tot de + opvatting van een oneindig wezen komen, moet (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. + IV</a> en <a href="#d1d6">VI Deel I</a></i>) het Denken een van de oneindig vele + attributen Gods zijn, hetgeen wij wilden bewijzen.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling II.</i></p> + +<p>De Uitgebreidheid is een attribuut Gods, ofwel God is iets +uitgebreids.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit bewijs wordt op dezelfde wijze geleverd als het bewijs der +voorgaande Stelling.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s3"> +<p><i>Stelling III.</i></p> + +<p>Er bestaat in God noodzakelijk een voorstelling, zoowel van zijn +eigen wezen, als van alles wat met noodwendigheid uit dit wezen +voortvloeit.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>God immers kan (<i>vlg. <a href="#d2s1">St. I van dit Deel</a></i>) oneindig vele dingen +op oneindig vele wijzen denken, ofwel (<i>wat vlg. <a href="#d1s16">St. XVI Deel I</a> +hetzelfde is</i>) hij kan een voorstelling vormen van zijn eigen +wezen en van alles wat met noodwendigheid daaruit voortvloeit. +Maar al datgene, wat in Gods vermogen ligt, moet (<i>vlg. <a href="#d1s35">St. XXXV +Deel I</a></i>) ook noodwendig bestaan, en derhalve bestaat ook +noodzakelijk de bedoelde voorstelling en dat wel (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV +Deel I</a></i>) uitsluitend in God. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> De groote massa verstaat onder Gods macht + Gods vrijen wil en beschikking ten opzichte van al wat + bestaat, zoodat daarom ook gemeenlijk alles als toevallig + beschouwd wordt. Immers God heeft, zoo meent men, de + macht om alles te verwoesten en tot niets te doen + verkeeren. Daarom ook wordt Gods macht maar al te + dikwijls bij de macht der koningen vergeleken. In <a href="#d1s32g1">Gevolg + I</a> en <a href="#d1s32g2">II van Stelling XXXII Deel I</a> evenwel, hebben wij + deze meening afgewezen en in <a href="#d1s16">Stelling XVI Deel I</a> hebben + wij aangetoond dat God handelt met diezelfde + noodwendigheid, waarmede hij zichzelf begrijpt. Dat wil + zeggen: evenals uit de noodwendigheid van Gods wezen + volgt (gelijk allen volmondig erkennen) dat God zichzelf + begrijpt, volgt uit diezelfde noodwendigheid dat God + oneindig vele dingen op oneindig vele wijze doet. Voorts + hebben wij in <a href="#d1s34">Stelling XXXIV Deel I</a> aangetoond, dat Gods + macht niets anders is dan Gods werkdadig wezen, en daarom + is het ons even onmogelijk te denken dat God niet zou + handelen als dat God niet zou bestaan. Indien ik hierop + dieper wilde ingaan, zou ik hier nader kunnen aantoonen + dat die macht, welke de groote massa aan God toedicht, + niet alleen een menschelijk karakter heeft (hetgeen doet + zien dat zij zich God voorstelt als een mensch of naar + gelijkenis van den mensch) maar zelfs onmacht medebrengt. + Doch ik wil niet zooveel woorden aan eenzelfde zaak + verliezen. Ik wil den lezer slechts nog eens bij + herhaling verzoeken om wat hierover in het Eerste Deel, + van <a href="#d1s16">Stelling XVI</a> af tot aan het einde, gezegd is, nog + eens en nog eens te overwegen. Want niemand kan datgene, + wat ik zeggen wil, juist begrijpen indien hij zich niet + met de grootste zorg er voor hoedt Gods macht met + menschelijke macht of met het menschelijk gezag der + koningen te verwarren.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling IV.</i></p> + +<p>Gods voorstelling, uit welke oneindig veel op oneindig vele +wijzen voortvloeit, kan slechts eenig zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het oneindig verstand omvat (<i>vlg. <a href="#d1s30">St. XXX Deel I</a></i>) niets anders +dan Gods attributen en bestaanswijzen. Maar God is (<i>vlg. <a href="#d1s14g1">Gevolg +I St. XIV Deel I</a></i>) eenig. Derhalve kan ook Gods voorstelling, +waaruit oneindig veel op oneindig vele wijzen voortvloeit, niet +anders dan eenig zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s5"> +<p><i>Stelling V.</i></p> + +<p>Het werkelijke zijn<a href="#aanteken19">[a19]</a> +der voorstellingen heeft God tot oorzaak +alleen voorzoover hij als denkend iets beschouwd wordt, en niet +voorzoover hij zich in eenig ander attribuut openbaart. Dat wil +dus zeggen: de voorstellingen van Gods attributen, zoowel als die +van de bijzondere dingen, hebben niet het voorgestelde of de +waargenomen dingen tot werkende oorzaak, maar God zelf voorzoover +hij een denkend iets is.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers dit blijkt uit Stelling III van dit Deel. Daar toch kwamen +wij tot de slotsom dat God een voorstelling van zijn eigen wezen +en van alles wat daaruit met noodwendigheid voortvloeit kan +vormen, uitsluitend doordat hij een denkend iets is en niet omdat +hijzelf het voorwerp zijner voorstelling is. Zoodat het +werkelijke zijn der voorstellingen God tot oorzaak heeft +voorzoover hij een denkend iets is. Doch ook op andere wijze kan +dit worden aangetoond. Het werkelijke zijn der voorstellingen is +een bestaanswijze van het Denken (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV Deel I</a></i>) een bestaanswijze, welke +Gods wezen, voor zoover hij een denkend iets is, openbaart. +Derhalve vooronderstelt het (<i>vlg. <a href="#d1s10">St. X Deel I</a></i>) ook niet het +begrip van eenig ander attribuut Gods en bijgevolg is het ook +(<i>vlg. <a href="#d1a4">Ax. IV Deel I</a></i>) geen uitvloeisel van eenig ander attribuut +dan uitsluitend van het Denken. Derhalve heeft het werkelijke +zijn der voorstellingen God tot oorzaak uitsluitend voor zoover +hij als denkend iets beschouwd wordt enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s6"> +<p><i>Stelling VI.</i></p> + +<p>De bestaanswijzen van elk attribuut hebben God tot oorzaak alleen +voorzoover hij beschouwd wordt als zich openbarende in dàt +attribuut welks bestaanswijzen zij zijn en niet voorzoover hij +als zich openbarende in eenig ander attribuut beschouwd kan +worden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers elk attribuut wordt (<i>vlg. <a href="#d1s10">St. X Deel I</a></i>) op zichzelf en +zonder behulp van een ander begrepen. Zoodat de bestaanswijzen +van elk attribuut het begrip van hun eigen attribuut +vooronderstellen, niet echter dat van een ander. Derhalve hebben +zij (<i>vlg. <a href="#d1a4">Ax. 4 Deel I</a></i>) God tot oorzaak alleen voorzoover hij +beschouwd wordt onder dàt attribuut welks bestaanswijze zij zijn +en niet voorzoover hij onder eenig ander attribuut beschouwd kan +worden.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s6g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat het werkelijk bestaan van die + dingen welke géén bestaanswijzen van het Denken zijn, + niet voortvloeit uit den goddelijken aard omdat deze ze + zich eerst zou hebben voorgesteld, maar dat voorstelbare + dingen volgen en worden afgeleid uit hun eigen attribuut + op dezelfde wijze en met dezelfde noodwendigheid als naar + wij aantoonden de voorstellingen volgden uit het + attribuut van het Denken.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s7"> +<p><i>Stelling VII.</i></p> + +<p>De orde en het verband der voorstellingen zijn dezelfde als de +orde en het verband der dingen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt uit <i>Ax. IV Deel I</i>. Want de voorstelling van elk +veroorzaakt ding hangt af van de kennis der oorzaak waarvan het +een uitvloeisel is.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s7g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat Gods vermogen tot Denken + gelijk is aan zijn vermogen om feitelijk te handelen. Dat + wil zeggen: al wat formeel [in werkelijkheid] uit den + oneindigen aard Gods voortvloeit, dit alles volgt in God + ook objectief<a href="#aanteken20">[a20]</a> + uit Gods voorstelling in dezelfde orde + en in hetzelfde verband.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d2s7o"> + <p><i>Opmerking:</i> Alvorens verder te gaan moeten wij ons hier + in herinnering roepen wat wij hierboven aantoonden, nl. + dat al wat door een oneindig verstand kan worden begrepen + als uitmakende het wezen eener substantie, slechts + behoort tot één enkele substantie en dat bijgevolg de + denkende substantie en de uitgebreide substantie één en + dezelfde substantie zijn, welke nu eens als zich + openbarende in dit, dan weder als zich openbarende in het + andere attribuut beschouwd wordt. Zoo zijn ook een + bestaanswijze der Uitgebreidheid en de voorstelling dier + bestaanswijze één en hetzelfde, slechts op twee manieren + uitgedrukt; hetgeen reeds sommigen Hebraeën als in een + nevel schijnt te hebben voorgezweefd, waar zij namelijk + beweren dat God, Gods verstand en de door hem begrepen + dingen één en hetzelfde zijn. Een in werkelijkheid + bestaande cirkel bijvoorbeeld en de voorstelling van dien + bestaanden cirkel, welke eveneens in God is, zijn één en + dezelfde zaak, welke zich in twee verschillende + attributen openbaart. Derhalve, of wij de Natuur onder + het attribuut der Uitgebreidheid, onder dat van het + Denken, dan wel onder eenig ander attribuut beschouwen, + steeds zullen wij één en dezelfde orde, één en hetzelfde + oorzakelijk verband vinden d.w.z. dezelfde zaken op + elkaar zien volgen. Om geen andere reden ook heb ik + gezegd dat God de oorzaak is der voorstelling van + bijvoorbeeld een cirkel, alleen voorzoover hij een + denkend iets is, van den cirkel zelf echter voorzoover + hij een uitgebreid iets is, dan wijl het werkelijke zijn + der voorstelling van den cirkel slechts met behulp van + een andere denkwijziging als naaste oorzaak, en deze + wederom door behulp van een andere en zoo tot in het + oneindige, kan worden begrepen. Zoodat, zoolang wij de + dingen als denkwijzigingen beschouwen, wij ook de orde + der geheele Natuur, ofwel de aaneenschakeling der + oorzaken, alleen door het attribuut van het Denken moeten + verklaren; terwijl voorzoover zij als bestaanswijzen der + Uitgebreidheid beschouwd worden, ook de orde der geheele + Natuur uitsluitend met behulp van het attribuut der + Uitgebreidheid verklaard moet worden. Hetzelfde geldt van + de overige attributen. Daarom is God van de dingen, + zooals zij op zichzelf zijn, eigenlijk alleen de oorzaak + voorzoover hij uit oneindig vele attributen bestaat. Voor + het oogenblik kan ik dit echter niet duidelijker uiteen + zetten.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s8"> +<p><i>Stelling VIII.</i></p> + +<p>De voorstellingen van afzonderlijke dingen of (anders gezegd) +bestaanswijzen, welke niet feitelijk bestaan, moeten in de +oneindige voorstelling Gods evenzoo begrepen zijn als het +werkelijke wezen dier afzonderlijke dingen of bestaanswijzen +besloten ligt in Gods attributen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De waarheid dezer stelling blijkt uit de voorgaande, maar zal nog +beter begrepen kunnen worden uit de voorgaande Opmerking.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s8g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat zoolang de afzonderlijke + dingen niet bestaan dan voorzoover zij in Gods attributen + liggen besloten, ook hun "objectief" bestaan, of wel hun + voorstelling<a href="#aanteken20">[a20]</a>, niet bestaat dan voorzoover de + oneindige voorstelling Gods bestaat; terwijl waar + afzonderlijke dingen bestaande genoemd worden niet alleen + voorzoover zij in Gods attributen liggen besloten, maar + ook voorzoover zij een duur hebben, tevens hunne + voorstellingen een bestaan, krachtens hetwelk zij een + duur hebben, insluiten.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d2s8go"> + <p><i>Opmerking:</i> Indien men nu een voorbeeld verlangde ter + nadere verduidelijking hiervan, zou ik er helaas geen + weten te geven dat de kwestie waarover hier gesproken + wordt, en die geheel eenig in haar soort is, op volkomen + juiste wijze toelicht. Toch wil ik trachten haar, zoo + goed het gaat, te verduidelijken.</p> + + <p> + <img src="images/koorden.png" class="figleft" alt="Cirkel met Koorden" + title="Cirkel met Koorden" /> + Het ligt in den aard van den cirkel dat de rechthoeken, + gevormd door de stukken van alle elkaar [in hetzelfde + punt] snijdende koorden aan elkaar gelijk zijn, zoodat + een cirkel een oneindig aantal onderling gelijke + rechthoeken bevat. Toch kan men van geen van hen zeggen + dat hij bestaat, tenzij alleen voorzoover die cirkel + bestaat. Evenmin kan men zeggen dat de voorstelling van + een dier rechthoeken bestaat, tenzij voorzoover zij in de + voorstelling van dien cirkel ligt opgesloten. Laten wij + nu eens aannemen dat van dit oneindig aantal rechthoeken + er twee, AB × BC en DB × BE werkelijk bestaan. Dan zouden + dus hun voorstellingen niet slechts bestaan voorzoover + zij in de voorstelling van den cirkel liggen besloten, + maar ook voorzoover zij het bestaan dier rechthoeken + insluiten: zoodat zij zich daardoor van de voorstellingen + der overige [niet feitelijk bestaande] rechthoeken + onderscheidden.</p> + <div class="clearoff"></div> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s9"> +<p><i>Stelling IX.</i></p> + +<p>De voorstelling van een bijzonder, feitelijk bestaand ding, heeft +God tot oorzaak nìet voorzoover hij oneindig is, maar voorzoover +hij beschouwd wordt als hebbende een voorstelling van een ander +feitelijk bestaand ding, van hetwelk God eveneens oorzaak is +voorzoover hij een voorstelling heeft van een derde ding, en zoo +tot in het oneindige.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De voorstelling van een bijzonder, feitelijk bestaand ding is +(<i>vlg. <a href="#d2s8g">Gevolg</a> en +<a href="#d2s8g">Opmerking St. VIII van dit Deel</a></i>) een +bijzondere, van de overige onderscheiden bestaanswijze van het +Denken en heeft derhalve (<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI v.d. Deel</a></i>) God tot +oorzaak alleen voorzoover hij een denkend iets is. Niet echter +(<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII Deel I</a></i>) voorzoover hij het absolute Denken is, +maar voorzoover hij beschouwd wordt als zich openbarende in een +bepaalde denkwijziging; en van deze is God eveneens de oorzaak +voorzoover hij zich in wederom een andere denkwijziging openbaart +en zoo tot in het oneindige. Maar orde en verband der +voorstellingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d. Deel</a></i>) dezelfde als de +orde en het verband der oorzaken; derhalve is de oorzaak van elke +bijzondere voorstelling een andere voorstelling, ofwel God +voorzoover hij zich in een andere voorstelling openbaart, en van +deze wederom voorzoover hij zich in weer een andere openbaart en +zoo tot in het oneindige. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s9g"> + <p><i>Gevolg:</i> Van al wat in het bijzondere voorwerp van een + of andere voorstelling geschiedt, draagt God kennis + alléén voorzoover hij de voorstelling van juist dit + voorwerp heeft.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Van al wat in het bijzondere voorwerp van een of andere + voorstelling geschiedt, bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s3">St. III v.d. + Deel</a></i>) eene voorstelling in God, niet voorzoover hij + oneindig is, maar (<i>vlg. <a href="#d2s8">voorgaande St.</a></i>) voorzoover hij + beschouwd wordt zich te openbaren in de voorstelling van + een ander bijzonder ding. Maar (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d. + Deel</a></i>): orde en verband der voorstellingen zijn dezelfde + als de orde en het verband der dingen; er moet dus in God + een kennis zijn van datgene wat in een of ander bijzonder + voorwerp geschiedt, alléén voorzoover hij de voorstelling + van juist dit voorwerp heeft. H.t.b.w.</p> + </div> + + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling X.</i></p> + +<p>Het zijn eener substantie behoort niet tot het wezen van den +Mensch, ofwel de substantie maakt niet den aard van den Mensch +uit.<a id="aantag34" href="#aanteken34">[A34]</a></p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het zijn eener substantie immers sluit een noodwendig bestaan in +zich. (<i>Vlg. <a href="#d1s7">St. VII Deel I</a></i>). Indien dus het zijn eener +substantie tot het menschelijk wezen behoorde, zou, gegeven de +substantie, ook noodzakelijk de Mensch moeten bestaan (<i>vlg. <a href="#d2d2">Def. +II van dit Deel</a></i>) en zou derhalve de Mensch noodwendig bestaan, +hetgeen (<i>vlg. <a href="#d2a1">Ax. I van dit Deel</a></i>) ongerijmd is. Derhalve enz. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze stelling kan ook worden afgeleid uit + <i><a href="#d1s5">Stelling V. Deel I</a></i>, waar bewezen wordt dat er geen + substanties van denzelfden aard kunnen bestaan. Immers + aangezien er vele menschen bestaan kunnen, kan datgene + wat het wezen van den mensch uitmaakt, ook niet het zijn + eener substantie zijn. De juistheid dezer stelling blijkt + bovendien nog uit de overige eigenschappen der + substantie, te weten dat zij van nature oneindig, + onveranderlijk ondeelbaar enz. is, gelijk een ieder + gemakkelijk zal inzien.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d2s10g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat het wezen van den Mensch + gevormd wordt door bepaalde wijzigingen van Gods + attributen. Want het zijn der substantie behoort nìet tot + het wezen van den Mensch (<i>vlg. <a href="#d2s9">voorgaande St.</a></i>). Hij is + dus (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV Deel I</a></i>) iets dat in God is en dat + zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar is, ofwel + (<i>vlg. <a href="#d1s25">Gevolg St. XXV Deel I</a></i>) een openbaring of + bestaanswijze welke den aard Gods op zekere bepaalde + wijze uitdrukt.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Ieder zal toch zeker moeten toegeven dat + zonder God nìets bestaanbaar noch denkbaar is. Immers + ieder erkent dat God de eenige oorzaak aller dingen is, + zoowel wat hun wezen als wat hun bestaan betreft, d.w.z. + dat God niet alleen de oorzaak der dingen is voorzoover + hun "wording" (gelijk men zegt), maar ook voorzoover hun + werkelijk zijn<a id="aantag35" href="#aanteken35">[A35]</a> + aangaat. Nochtans beweren de meesten + dat tot het wezen van iets datgene behoort zonder hetwelk + het noch bestaanbaar noch denkbaar is: ofwel, wat + waarschijnlijk is: zij zijn het niet met zichzelf eens. + De reden hiervan is, naar ik geloof, dat zij zich bij het + filosofeeren niet houden aan de juiste volgorde. Immers + zij hebben gemeend dat de goddelijke aard, welken zij + vóór alles hadden moeten beschouwen, omdat hij zoowel + naar begrip als van nature vóórgaat, in de volgorde + hunner gedachten het laatst, de dingen daarentegen welke + men zintuigelijk waarneembaar noemt, het eerst van al + kwamen. Zoodat zij, wanneer zij de natuurverschijnselen + beschouwden, over niets minder dachten dan over den + goddelijken aard en, wanneer zij daarna hun geest er toe + gingen zetten om over den goddelijken aard te peinzen, + over niets minder konden denken dan over de eerste + onderstellingen waarop zij hun kennis der Natuur hadden + opgebouwd, aangezien deze hen van geen nut konden zijn + bij het begrijpen van den goddelijken aard. Het behoeft + dus niet te verwonderen wanneer zij zichzelf telkens + tegenspreken. Doch genoeg hierover. Het was hier toch + slechts mijn bedoeling de reden aan te duiden waarom ik + niet heb gezegd dat tot het wezen van iets datgene zou + behooren zonder hetwelk het noch bestaanbaar noch + denkbaar is, te weten: wijl de afzonderlijke dingen + zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn, terwijl + nochtans God niet tot hun wezen behoort. Wel echter heb + ik gezegd dat tot het wezen van een zaak noodzakelijk + datgene behoort, waarmede zij staat <i>of valt</i>, ofwel + datgene zonder hetwelk de zaak, en <i>omgekeerd, hetwelk + zonder die zaak noch bestaanbaar noch denkbaar is</i>.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s11"> +<p><i>Stelling XI.</i></p> + +<p>De eerste openbaring van het werkelijk bestaan van den +menschelijken Geest is niets anders dan de voorstelling van een +werkelijk bestaand bijzonder iets.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het wezen van den mensch bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s10g">Gevolg der voorg. St.</a></i>) +uit bepaalde openbaringen van Gods attributen, nl. (<i>vlg. <a href="#d2a2">Ax. II +van dit Deel</a></i>) uit bestaanswijzen van het +Denken<a id="aantag36" href="#aanteken36">[A36]</a>, van welke +(<i>vlg. <a href="#d2a3">Ax. III v.d. D.</a></i>) de voorstelling van nature de eerste is; +terwijl, wanneer de voorstelling eenmaal gegeven is, ook de +overige denkvormen (die namelijk waaraan de voorstelling van +nature voorafgaat) in hetzelfde individu aanwezig moeten zijn +(<i>vlg. <a href="#d2a3">hetzelfde Ax.</a></i>) Vandaar dat de voorstelling de eerste +openbaring is van den menschelijken Geest. Niet echter de +voorstelling van iets dat nìet bestaat. Immers dan zou (<i>vlg. +<a href="#d2s8g">Gevolg St. VIII v.d. D.</a></i>) die voorstelling zelf niet een +"bestaande" genoemd kunnen worden. Zij zal derhalve de +voorstelling moeten zijn van een werkelijk bestaand iets. Doch +alweer niet van iets oneindigs. Immers iets oneindigs moet (<i>vlg. +<a href="#d1s21">St. XXI</a> en <a href="#d1s22">XXII v. D. I</a></i>) +steeds met noodwendigheid bestaan. Dit +echter is [bij den menschelijken geest] (<i>vlg. <a href="#d2a1">Ax. I v.d. D.</a></i>) +ongerijmd. Derhalve is de eerste openbaring van het werkelijk +bestaan van den menschelijken Geest de voorstelling van een +werkelijk bestaand, bijzonder iets. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s11g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de menschelijke Geest een + deel is van het oneindige Verstand Gods, en daarom zeggen + wij, wanneer wij beweren dat de menschelijke Geest dit of + dat begrijpt, eigenlijk niets anders dan dat God, niet + voorzoover hij oneindig is, maar voor zoover hij zich in + den aard van den menschelijken Geest openbaart, ofwel + voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest + uitmaakt, deze of gene voorstelling heeft. Wanneer wij + echter zeggen dat God deze of gene voorstelling heeft, + niet alleen voorzoover hij den aard van den menschelijken + Geest uitmaakt, maar ook voorzoover hij tegelijk met den + menschelijken Geest de voorstelling van iets anders + heeft, dan zeggen wij dat de menschelijke Geest die zaak + tendeele of inadaequaat begrijpt.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Hier zal de lezer zonder twijfel ophouden en + zich velerlei te binnen brengen wat hem bedenkelijk + voorkomt. Ik verzoek hem daarom om langzaam aan met mij + voort te schrijden en geen oordeel hieromtrent uit te + spreken alvorens hij alles ten einde toe gelezen heeft.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s12"> +<p><i>Stelling XII.</i></p> + +<p>Al wat in het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken +Geest uitmaakt geschiedt, moet door den menschelijken Geest +worden waargenomen, ofwel van dit alles bestaat in den Geest +noodzakelijk een voorstelling. Met andere woorden: wanneer het +voorwerp der voorstelling welke den menschelijken Geest uitmaakt, +het Lichaam is, zal er niets in dit Lichaam kunnen gebeuren, wat +niet door den Geest wordt waargenomen.</p> +</div> + +<div class="bewijs" id="d2s12b"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers van al wat er in het voorwerp van een of andere +voorstelling geschiedt, bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s9g">Gevolg v. St. IX v.d. D.</a></i>) +kennis in God, voorzoover hij beschouwd wordt zich te openbaren +als voorstelling van juist dit voorwerp, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI +v.d. D.</a></i>) voorzoover hij den Geest van dit voorwerp uitmaakt. Van +al wat in het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken +Geest uitmaakt geschiedt, bestaat dus ook kennis in God, +voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest vormt; +m.a.w. (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg v. St. XI v.d. D.</a></i>) deze kennis zal +noodzakelijk in den Geest aanwezig zijn, ofwel de Geest zal dit +alles waarnemen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> De waarheid <a href="#d2s12">dezer Stelling</a> blijkt ook en + wordt nog duidelijker begrepen uit <a href="#d2s7o">de Opmerking bij <i>St. + VII v.d. D.</i></a>, waarheen ik verwijs.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s13"> +<p><i>Stelling XIII.</i></p> + +<p>Het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken Geest +uitmaakt is het Lichaam, ofwel een zekere werkelijk bestaande +vorm der Uitgebreidheid, en niets anders.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers indien het Lichaam niet het voorwerp van den menschelijken +Geest was, zouden de voorstellingen der inwerkingen op het +Lichaam (<i>vlg. <a href="#d2s9g">Gevolg St. IX v.d. D.</a></i>) niet in God bestaan +voorzoover hij ònzen Geest, maar voorzoover hij den geest van +iets anders uitmaakte, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI v.d. D.</a></i>) wil +zeggen dat de voorstellingen der inwerkingen op het lichaam nìet +in onzen Geest zouden voorkomen. Wij hebben echter (<i>vlg. <a href="#d2a4">Axioma +IV v.d. D.</a></i>) wel degelijk voorstellingen van de inwerkingen op +ons Lichaam. Derhalve is ook het voorwerp der voorstelling welke +den menschelijken Geest uitmaakt het Lichaam, en dat wel (<i>vlg. +<a href="#d2s11">St. XI v.d. D.</a></i>) het werkelijk bestaande. Voorts zou er, indien +er behalve het Lichaam nog een ander voorwerp van den Geest +bestond--aangezien er (<i>vlg. <a href="#d1s36">St. XXXVI D. I</a></i>) niets bestaat dat +niet de een of andere uitwerking heeft--(<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI v.d. D.</a></i>) +noodzakelijk een voorstelling van zulk een uitwerking in onzen +Geest aanwezig moeten zijn. Maar (<i>vlg. <a href="#d2a5">Ax. V v.d. D.</a></i>) zulk een +voorstelling bestaat er nìet. Derhalve is ook het voorwerp van +onzen Geest het bestaande Lichaam en niets anders. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s13g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de mensch uit Geest en + Lichaam bestaat en dat het menschelijk Lichaam bestaat + zóó als wij het waarnemen.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d2s13o"> + <p><i>Opmerking:</i> Het is ons hierdoor niet alleen duidelijk + geworden dat de menschelijke Geest verbonden is met het + Lichaam, maar ook wat wij onder dit verband van Geest en + Lichaam hebben te verstaan. Geheel adaequaat ofwel + duidelijk echter zal niemand dit kunnen begrijpen wanneer + hij niet eerst den aard van ons Lichaam adaequaat heeft + leeren kennen. Want wat wij tot dusver hebben uiteengezet + was van zeer algemeenen aard en betrof den mensch niet + méér dan de overige enkeldingen, die immers allen, hoewel + in verschillenden graad, bezield zijn. Van ieder ding + toch bestaat noodzakelijk bij God een voorstelling, van + welke God de oorzaak is op dezelfde wijze als hij oorzaak + is van de voorstelling des menschelijken Lichaams, zoodat + al wat wij gezegd hebben over de voorstelling van het + menschelijk Lichaam, noodzakelijk eveneens moet gelden + voor de voorstelling van elk ander ding. Wij kunnen + echter geenszins ontkennen dat de voorstellingen, evenals + de voorwerpen zelf, van elkaar verschillen en dat de eene + voortreffelijker is en meer werkelijkheid heeft dan de + andere, naar gelang het voorwerp van de eene + voortreffelijker is en meer werkelijkheid heeft dan het + voorwerp der andere. Daarom is het, ten einde vast te + stellen in welk opzicht de menschelijke Geest van andere + voorstellingen verschilt en in welk opzicht hij ze + overtreft, noodig om, zooals wij zeiden, den aard van + zijn voorwerp, d.w.z. van het menschelijk Lichaam, te + leeren kennen. Dezen aard kan ik hier evenwel niet + beschrijven en dit is ook niet noodig voor hetgeen ik + wensch te bewijzen. Wel merk ik in het algemeen nog op + dat, naarmate eenig Lichaam geschikter dan andere is om + velerlei tegelijk te doen of te ondergaan, ook zijn Geest + geschikter dan andere zijn zal om velerlei tegelijk in + zich op te nemen; en dat hoemeer de verrichtingen van + eenig lichaam van dit lichaam alleen afhangen en hoe + minder andere lichamen tot zijn verrichtingen medewerken, + hoe beter ook zijn geest in staat zal zijn helder te + begrijpen. Hieraan kunnen wij de voortreffelijkheid van + den eenen geest boven den andere onderkennen, terwijl wij + hierin tevens de reden mogen zien waarom wij van ons + eigen Lichaam slechts een uiterst verwarde kennis + bezitten. En nog meer dingen zal ik in de volgende + stellingen hieruit afleiden. Ik heb het daarom der moeite + waard geacht een en ander nog ietwat nauwkeuriger na te + gaan en te bewijzen; waartoe het noodig is enkele + beschouwingen over den aard der + lichamen<a href="#aanteken29">[a29]</a> te laten + voorafgaan.</p> + </div> + + +<div class="axioma"> +<p><i>Grondwaarheid (Axioma) I.</i></p> + +<p>Alle lichamen bewegen zich of zijn in rust.</p> +</div> + + +<div class="axioma"> +<p><i>Grondwaarheid (Axioma) II.</i></p> + +<p>Een lichaam beweegt zich nu eens langzamer dan weer sneller.</p> +</div> + + +<div class="lemma" id="d2h1"> +<p><i>Hulpstelling (Lemma) I.</i></p> + +<p>De lichamen verschillen van elkaar ten opzichte van rust en +beweging, snelheid en traagheid; niet echter in substantie.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het eerste deel dezer stelling acht ik vanzelf duidelijk. En dat +lichamen niet in substantie van elkaar verschillen, blijkt zoowel +uit <i><a href="#d1s5">St. V</a></i> als uit +<i><a href="#d1s8">St. VIII v. D. I</a></i>. Nog duidelijker evenwel +uit hetgeen in <a href="#d1s15o">de Opmerking bij <i>St. XV. D. I</i></a> betoogd werd.</p> +</div> + + +<div class="lemma" id="d2h2"> +<p><i>Hulpstelling (Lemma) II.</i></p> + +<p>Alle lichamen komen in sommige opzichten overeen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers hierin komen alle lichamen overeen, dat zij het begrip van +één en hetzelfde attribuut in zich sluiten (<i>vlg. <a href="#d2d1">Definitie I +v.d. D.</a></i>). Vervolgens daarin dat zij nu eens langzamer, dan weer +sneller bewegen en in het algemeen dat zij in beweging of rust +kunnen zijn.</p> +</div> + + +<div class="lemma"> +<p><i>Hulpstelling (Lemma) III.</i></p> + +<p>Een lichaam dat in beweging of rust is, moet in beweging of tot +rust gebracht zijn door een ander lichaam, dat eveneens tot +beweging of rust genoodzaakt werd door een ander, en dit wederom +door een ander, en zoo tot in het oneindige.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De lichamen zijn (<i>vlg. <a href="#d2d1">Definitie I v.d. D.</a></i>) bijzondere dingen, +welke (<i>vlg. <a href="#d2h1">Hulpstelling I</a></i>) zich ten opzichte van hun beweging +of rust van elkaar onderscheiden. Derhalve moet (<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII +D. I</a></i>) elk van hen noodzakelijk in beweging of tot rust gebracht +worden door een ander bijzonder ding, en wel (<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI v.d. +D.</a></i>) door een ander lichaam, dat (<i>vlg. <a href="#d2a1">Axioma I</a></i>) eveneens +hetzij beweegt hetzij in rust is. Maar dit lichaam kan (<i>om +dezelfde reden</i>) niet bewegen of in rust zijn, wanneer het niet +door een ander tot bewegen of rusten werd genoodzaakt, en dit +wederom (<i>om dezelfde reden</i>) door een ander, en zoo tot in het +oneindige. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat een in beweging verkeerend + lichaam zoolang bewegen blijft, tot het door een ander + lichaam tot rust wordt gebracht en dat een zich in rust + bevindend lichaam zoolang in rust blijft tot het door een + ander in beweging wordt gebracht. Hetgeen ook vanzelf + spreekt. Immers indien ik onderstel dat bijvoorbeeld een + lichaam A in rust is en ik houd daarbij geen rekening met + andere, in beweging verkeerende + lichamen<a id="aantag37" href="#aanteken37">[A37]</a>, dan zal ik + van dit lichaam A niets anders kunnen zeggen dan dat het + rust. Wanneer ik nu daarna zie dat dit lichaam A beweegt, + kan dit toch zeker niet het gevolg dáárvan zijn dat het + in rust was; daaruit toch zou nooit iets anders kunnen + volgen dan dat A in rust bleef. Wordt daarentegen + ondersteld dat A in beweging is, dan zullen wij, indien + wij alleen het oog houden op A, niets anders kunnen + beweren dan dat A in beweging is. En wanneer dan later + het geval zich voordoet dat A in rust is, dan zal dit + alweer evenmin het gevolg kunnen zijn van de beweging die + het eerst had; uit die beweging toch zou niets anders + kunnen volgen dan dat A in beweging bleef. Het moet dus + bewerkt zijn door iets dat niet in A was, door een + uitwendige oorzaak dus, waardoor A gedwongen werd tot + rust te komen.</p> + </div> + + +<div class="axioma" id="d2h3a1"> +<p><i>Grondwaarheid (Axioma) I.</i></p> + +<p>Alle bestaanswijzen [toestanden], waarin eenig lichaam door een +ander lichaam wordt gebracht, zijn het gevolg zoowel van den aard +van het gewijzigde als van het wijzigende lichaam, zoodat één en +hetzelfde lichaam op verschillende wijze kan worden bewogen al +naar gelang van den verschillenden aard der er op in werkende +lichamen, en omgekeerd verschillende lichamen door één en +hetzelfde lichaam op verschillende wijze in beweging worden +gebracht.</p> +</div> + + +<div class="axioma" id="d2h3a2"> +<p><i>Grondwaarheid (Axioma) II.</i></p> + +<p>Wanneer een bewegend lichaam botst tegen een ander, hetwelk in +rust is en hetwelk het niet kan verplaatsen, wordt het +teruggekaatst en zet het zijn beweging voort, waarbij de hoek, +welke de richting der teruggekaatste beweging maakt met het +oppervlak van het rustend lichaam waartegen het stuit, gelijk is +aan den hoek welke de richting der invallende beweging maakt met +ditzelfde vlak.</p> +</div> + +<p>Zooveel over de meest eenvoudige lichamen, nl. die, welke zich +uitsluitend ten opzichte van beweging en rust, snelheid en +traagheid van elkaar onderscheiden. Wij willen thans tot de +samengestelde overgaan.</p> + + +<h4 id="d2d0"><i>Definitie.</i></h4> + + +<div class="define"> +<p>Wanneer een aantal lichamen van dezelfde of van verschillende +grootte, door andere zoodanig worden tezamen gehouden dat zij +dicht aaneensluiten, of wanneer zij met dezelfde of met +verschillende snelheden zoodanig bewegen, dat zij hunne +bewegingen volgens een of andere bepaalde wijze aan elkaar +meedeelen, dan zullen wij deze lichamen onderling "vereenigd" +noemen en zeggen dat zij allen tezamen één lichaam ofwel +enkelding [individu] vormen, dat door dit verband van andere +lichamen onderscheiden is.</p> +</div> + + +<div class="axioma"> +<p><i>Grondwaarheid (Axioma) III.</i></p> + +<p>Hoe grooter of hoe kleiner de oppervlakten zijn, waarmede de +deelen van een individu of samengesteld lichaam elkaar raken, hoe +moeilijker of hoe gemakkelijker kunnen zij er toe gedwongen +worden van plaats te veranderen en hoe moeilijker of hoe +gemakkelijker zal het bijgevolg vallen dit individu een andere +gedaante te doen aannemen. Vandaar dat ik lichamen, wier deelen +elkaar over groote oppervlakten raken "hard", zulke, wier deelen +elkaar over kleine oppervlakten raken, "week" en zulke tenslotte, +wier deelen onderling bewegelijk zijn, "vloeibaar" noem.</p> +</div> + + +<div class="lemma" id="d2h4"> +<p><i>Hulpstelling (Lemma) IV.</i></p> + +<p>Indien van een individu of lichaam dat uit meerdere lichamen is +samengesteld, zich sommige dier samenstellende lichamen +afscheiden en tegelijkertijd even zooveel andere van denzelfden +aard hun plaats innemen, zal dit individu zijn aard als te voren +behouden en geenerlei verandering van +karakter<a id="aantag38" href="#aanteken38">[A38]</a> ondergaan.</p> +</div> + +<div class="bewijs" id="d2h4b"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De lichamen toch verschillen (<i>vlg. <a href="#d2h1">Hulpst. I</a></i>) niet in +substantie. Datgene echter wat het eigenaardige van een individu +uitmaakt, wordt (<i>vlg. <a href="#d2d0">de voorgaande Definitie</a></i>) bepaald door het +<i>verband</i> der samenstellende lichamen. Dit verband echter blijft +(<i>vlg. het onderstelde</i>) behouden en derhalve behoudt ook het +individu, zoowel in substantie als in zijn wijze van bestaan, +zijn aard als tevoren. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="lemma" id="d2h5"> +<p><i>Hulpstelling (Lemma) V.</i></p> + +<p>Indien de deelen welke een individu samenstellen, grooter of +kleiner worden, op zulk een wijze evenwel dat allen ten opzichte +van elkaar in dezelfde verhouding van rust en beweging blijven +als te voren, zal dit individu ook zijnen aard als tevoren +behouden en geenerlei verandering van karakter ondergaan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het bewijs hiervan wordt op dezelfde wijze geleverd als dat der +voorgaande Hulpstelling.</p> +</div> + + +<div class="lemma" id="d2h6"> +<p><i>Hulpstelling (Lemma) VI.</i></p> + +<p>Indien zekere lichamen, welke een individu vormen gedwongen +worden om de bepaalde richting hunner beweging te veranderen, +evenwel zoodanig dat zij hun bewegingen kunnen voortzetten en +onderling op dezelfde wijze als te voren aan elkaar kunnen +meedeelen, zal dit individu zijn aard behouden en geenerlei +verandering van karakter ondergaan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt vanzelf. Immers er wordt ondersteld dat het alles +behoudt waardoor volgens de Definitie zijn karakter bepaald +wordt.</p> +</div> + + +<div class="lemma" id="d2h7"> +<p><i>Hulpstelling (Lemma) VII.</i></p> + +<p>Een aldus samengesteld individu behoudt bovendien zijn aard +hetzij het in zijn geheel beweegt of in rust is, hetzij het zich +in deze of gene richting beweegt, zoolang slechts ieder deel zijn +beweging behoudt en haar, zooals tevoren, aan de andere deelen +mededeelt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt uit <a href="#d2d0">de definitie van "Individu"</a>, welke men vinden kan +vóór Hulpstelling IV.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Hieruit zien wij dus hoe een samengesteld + enkelding op velerlei wijzen inwerkingen kan ondergaan + terwijl niettemin zijn aard behouden blijft. Tot dusver + nu hebben wij ons slechts een enkelding voorgesteld uit + niets anders bestaande dan uit lichamen welke uitsluitend + ten opzichte van beweging of rust, snelheid of traagheid + verschillen, dat wil dus zeggen uit de meest eenvoudige + lichamen. Stellen wij ons nu echter een lichaam voor, + samengesteld uit meerdere individuen van verschillenden + aard, dan zullen wij bevinden dat dit op nog veel meer + wijzen inwerkingen ondergaan kan, terwijl niettemin zijn + aard behouden blijft. Aangezien toch elk zijner deelen + uit verscheidene lichamen is samengesteld, zal (<i>vlg. <a href="#d2h6">de + voorgaande Hulpst.</a></i>) elk der deelen, zonder eenige + wijziging van zijn aard, nu eens trager, dan weer sneller + bewegen en bijgevolg zijn bewegingen trager of sneller + aan de andere meedeelen. Stellen wij ons bovendien nog + een derde soort van enkeldingen voor, uit enkeldingen van + deze tweede soort samengesteld, dan zullen wij bevinden + dat deze op nog meer andere wijzen inwerkingen ondergaan + kunnen, zonder dat daarbij hun karakter verandert. En + wanneer wij aldus voortgaan tot in het oneindige, zullen + wij gemakkelijk inzien dat de geheele Natuur één enkel + individu is, welks deelen, d.w.z. alle lichamen, op + oneindig vele wijzen wisselen, zonder dat evenwel dit + individu in zijn geheel ook maar in het minst verandert.</p> + + <p>Ik zou dit, indien het mijn bedoeling was de lichamen + grondig te behandelen, uitvoeriger behooren uiteen te + zetten en te bewijzen. Doch ik heb reeds gezegd dat ik + iets anders beoog en dat ik dit slechts daarom te berde + breng, wijl ik datgene, wat ik mij voornam te bewijzen, + er gemakkelijk uit kan afleiden.</p> + </div> + + + +<h4 id="d2v">VEREISCHTEN (Postulaten)</h4> + + +<div class="postulaat" id="d2p1"> +<p>I. Het menschelijk lichaam bestaat uit tal van enkeldingen (van +verschillenden aard), elk waarvan op zijn beurt uiterst +samengesteld is.</p> +</div> + + +<div class="postulaat"> +<p>II. Van de enkeldingen, uit welke het menschelijk Lichaam is +samengesteld, zijn sommige vloeibaar, andere week en weer andere +tenslotte hard.</p> +</div> + + +<div class="postulaat" id="d2p3"> +<p>III. De enkeldingen die het menschelijk Lichaam samenstellen en +bijgevolg het menschelijk Lichaam zelf, ondervinden op tal van +wijzen inwerking van voorwerpen er buiten.</p> +</div> + + +<div class="postulaat" id="d2p4"> +<p>IV. Het menschelijk Lichaam heeft, om te blijven bestaan, tal van +andere voorwerpen noodig, waardoor het als het ware voortdurend +herboren wordt.</p> +</div> + + +<div class="postulaat" id="d2p5"> +<p>V. Wanneer een vloeibaar deel van het menschelijk Lichaam door +een uitwendig voorwerp genoodzaakt wordt, herhaaldelijk met een +ander, week gedeelte in aanraking te komen, wijzigt het het +oppervlak van dit laatste en drukt het er als het ware zekere +sporen van het uitwendige, er tegen aanbotsende voorwerp in af.</p> +</div> + + +<div class="postulaat" id="d2p6"> +<p>VI. Het menschelijk Lichaam kan uitwendige voorwerpen op tal van +wijzen in beweging brengen en op tal van wijzen op hen inwerken.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s14"> +<p><i>Stelling XIV.</i></p> + +<p>De menschelijke Geest is in staat om zeer veel in zich op te +nemen, en hij is daartoe des te geschikter, naarmate zijn Lichaam +op meer wijzen inwerkingen ondergaan kan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het menschelijk Lichaam toch ondergaat (<i>vlg. <a href="#d2p3">Postulaat III</a> en +<a href="#d2p6">VI</a></i>) op tal van wijzen inwerkingen van uitwendige voorwerpen en +is zelf genoodzaakt op tal van wijzen op uitwendige voorwerpen in +te werken.</p> + +<p>Maar de menschelijke Geest moet (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII v.d. D.</a></i>) al wat +in het menschelijk Lichaam plaats grijpt gewaarworden. Derhalve +is de menschelijke Geest in staat om zeer veel in zich op te +nemen en is hij daartoe des te geschikter enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s15"> +<p><i>Stelling XV.</i></p> + +<p>De voorstelling welke het werkelijke zijn van den menschelijken +Geest uitmaakt, is niet eenvoudig, maar uit tal van +voorstellingen samengesteld.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De voorstelling welke het werkelijke zijn van den menschelijken +Geest uitmaakt is (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) de voorstelling van +het Lichaam, dat (<i>vlg. <a href="#d2p1">Postulaat I</a></i>) uit zeer vele uiterst +samengestelde individuen gevormd wordt. Van elk dier individuen +echter, welke het Lichaam samenstellen bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s8g">Gevolg St. +VIII v.d. D.</a></i>) noodzakelijk een voorstelling in God. Derhalve is +(<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d. D.</a></i>) ook de voorstelling van het menschelijk +Lichaam uit deze zeer vele voorstellingen der samenstellende +deelen samengesteld. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s16"> +<p><i>Stelling XVI.</i></p> + +<p>De voorstelling van iedere wijze waarop het menschelijk Lichaam +inwerking van uitwendige voorwerpen ondergaat, moet den aard van +het menschelijk Lichaam zelf en tevens den aard van het +uitwendige voorwerp in zich sluiten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Alle wijzen immers waarop een of ander lichaam inwerkingen kan +ondergaan, vloeien voort uit den aard van dit lichaam zelf en +tevens uit den aard van het inwerkende voorwerp (<i>vlg. <a href="#d2h3a1">Axioma I +na Hulpst. III</a></i>). Vandaar dat (<i>vlg. <a href="#d1a4">Axioma IV D. I</a></i>) hun +voorstelling ook noodzakelijk den aard van beide lichamen moet +insluiten. Derhalve moet de voorstelling van iedere wijze, waarop +het menschelijk Lichaam inwerking van uitwendige voorwerpen +ondergaat, zoowel den aard van het menschelijk Lichaam zelf als +dien van het er op inwerkende uitwendige voorwerp in zich +sluiten. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s16g1"> + <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt ten eerste dat de menschelijke + Geest tegelijk met den aard van zijn eigen Lichaam, ook + dien van zeer vele andere voorwerpen waarneemt.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d2s16g2"> + <p><i>Gevolg II:</i> Ten tweede volgt er uit dat de + voorstellingen welke wij van uitwendige voorwerpen + hebben, meer den toestand van ons eigen Lichaam dan den + aard dien uitwendige voorwerpen weergeven, hetgeen ik in + <a href="#d1n">het Aanhangsel van Deel I</a> reeds met vele voorbeelden heb + toegelicht.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s17"> +<p><i>Stelling XVII.</i></p> + +<p>Indien het menschelijk Lichaam inwerking ondervindt op een wijze +welke den aard van eenig uitwendig voorwerp in zich sluit, +beschouwt de menschelijke Geest dìtzelfde uitwendige voorwerp als +werkelijk bestaande, ofwel als aanwezig, totdat het Lichaam een +indruk ontvangt welke het bestaan of de aanwezigheid van het +bedoelde voorwerp uitsluit.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit spreekt vanzelf. Immers zoolang het menschelijk Lichaam een +dergelijke inwerking ondergaat, zal (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII v.d. D.</a></i>) de +menschelijke Geest dezen lichaamsindruk waarnemen, d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d2s16">de voorgaande St.</a></i>): zoolang zal hij een voorstelling hebben van +een werkelijk bestaande inwerking welke den aard van het +uitwendige voorwerp in zich sluit, dat is dus een voorstelling, +welke het bestaan of de aanwezigheid van den aard van het +uitwendige voorwerp niet uitsluit maar juist onderstelt. Derhalve +zal de Geest (<i>vlg. <a href="#d2s16g1">Gevolg I der voorgaande St.</a></i>) dit uitwendige +voorwerp als werkelijk bestaande of als aanwezig beschouwen, +totdat hij enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s17g"> + <p><i>Gevolg:</i> De Geest kan uitwendige voorwerpen, waarvan het + menschelijk Lichaam eens de inwerking onderging, ofschoon + zij niet langer aanwezig zijn noch bestaan, toch als + aanwezig beschouwen.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Wanneer uitwendige voorwerpen de vloeibare deelen van het + menschelijk Lichaam noodzaken herhaaldelijk met andere, + weeke, in aanraking te komen, veranderen zij (<i>vlg. + <a href="#d2p5">Postulaat V</a></i>) het oppervlak daarvan. Het gevolg hiervan + is (<i>zie <a href="#d2h3a2">Axioma II na Gevolg v. Hulpst. III</a></i>) dat zij + vandaar op een andere wijze worden teruggekaatst dan zij + vroeger plachten en dat zij ook later, wanneer zij uit + eigen beweging tegen die nieuwe oppervlakken stooten, op + dezelfde wijze worden teruggekaatst als toen zij door die + uitwendige voorwerpen tegen die oppervlakken werden + aangedreven, en dat zij bijgevolg op het menschelijk + Lichaam, doordat zij aldus teruggekaatst hun beweging + voortzetten, op dezelfde wijze inwerken. Hierover zal nu + de geest (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII v.d. D.</a></i>) wederom nadenken, + d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII v.d. D.</a></i>): de Geest zal wederom + het uitwendige voorwerp als aanwezig beschouwen en dat + wel even dikwijls als de vloeibare deelen van het + menschelijk Lichaam uit eigen beweging tegen die + oppervlakken aandringen. Vandaar dat de Geest, + niettegenstaande de uitwendige voorwerpen, waarvan het + menschelijk Lichaam eens de inwerking onderging, niet + langer bestaan, ze toch even dikwijls als aanwezig + beschouwt als deze werking des Lichaams zich herhaalt. + H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d2s17o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij zien hieruit hoe het mogelijk is dat wij + dingen die niet bestaan toch als aanwezig kunnen + beschouwen, gelijk dikwijls geschiedt. Het kan nu wel + zijn dat dit ook nog andere oorzaken heeft, maar het is + mij genoeg er ééne te hebben aangetoond, waardoor ik deze + zaak even goed kon verklaren als wanneer ik haar + volledige<a id="aantag39" href="#aanteken39">[A39]</a> + oorzaak had blootgelegd.</p> + + <p>Overigens geloof ik dat ik niet ver van de waarheid af + ben, aangezien alle postulaten die ik aannam haast niets + bevatten wat niet krachtens ervaring vaststaat, aan welke + ervaring wij niet meer kunnen twijfelen sinds wij bewezen + hebben dat het menschelijk Lichaam zóó als wij er ons van + bewust zijn, werkelijk bestaat (<i>zie <a href="#d2s13g">Gevolg v. St. XIII + v.d. D.</a></i>). Bovendien begrijpen wij thans duidelijk (<i>vlg. + <a href="#d2s17g">Gevolg d. voorg. St.</a> en + <a href="#d2s16g2">Gevolg II v. St. XVI v.d. D.</a></i>) + wat het verschil is tusschen de voorstelling van + bijvoorbeeld Petrus, welke het wezen van Petrus' eigen + geest uitmaakt en tusschen de voorstelling van + dienzelfden Petrus welke bij een ander mensch, zeg + Paulus, bestaat. De eerste toch openbaart onmiddellijk + het wezen van het lichaam van Petrus zelf en sluit + slechts zoolang als Petrus zelf bestaat, het bestaan in + zich; terwijl de laatste meer den toestand van Paulus' + lichaam danwel Petrus' aard doet kennen, zoodat dan ook + Paulus' geest, zoolang die toestand van zijn lichaam + voortduurt, Petrus als aanwezig kan beschouwen, ook al + bestaat deze niet meer.</p> + + <p id="d2s17o_3">Wij zullen voortaan, om ons aan het spraakgebruik te + houden, die indrukken van het menschelijk Lichaam, welker + voorstellingen ons uitwendige voorwerpen als aanwezig + doen zien, "<i>beelden</i>"<a href="#aanteken16">[a16]</a> + der dingen noemen, hoewel zij + eigenlijk nìet de gedaante der dingen zelf weergeven. En + wanneer de Geest de voorwerpen op deze wijze beschouwt + zullen wij zeggen dat hij ze zich verbeeldt. Ik zou nu + hier, om alvast aan te duiden wat dwaling is, willen doen + opmerken dat de verbeeldingen van den Geest op zichzelf + beschouwd geenerlei dwaling bevatten, ofwel dat de Geest + nìet dwaalt omdat hij zich iets verbeeldt, doch alleen + voorzoover hem daarbij de voorstelling ontbreekt welke + het bestaan der dingen, welke hij zich als aanwezig + denkt, uitsluit. Immers indien de geest, terwijl hij zich + nietbestaande dingen als aanwezig verbeeldt, + tegelijkertijd wist dat deze dingen niet werkelijk + bestonden, zoo zou hij zulk een verbeeldingskracht + terecht als een deugd en niet als een gebrek beschouwen, + vooral indien deze verbeeldingskracht alleen van zijn + eigen aard afhing, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d7">Definitie VII D. I</a></i>) + indien deze verbeeldingskracht van den Geest een vrij + vermogen was.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s18"> +<p><i>Stelling XVIII.</i></p> + +<p>Indien het menschelijk Lichaam eenmaal van twee of meer +voorwerpen tegelijk inwerking onderging, zal de Geest, wanneer +hij zich later een dier voorwerpen verbeeldt, zich ook terstond +de andere herinneren.</p> +</div> + +<div class="bewijs" id="d2s18b"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De Geest verbeeldt zich (<i>vlg. <a href="#d2s17g">Gevolg d. voorg. St.</a></i>) een of +ander voorwerp doordat het menschelijk Lichaam van de sporen van +een uitwendig voorwerp dezelfde inwerking ondervindt als toen +enkele zijner deelen met dit uitwendig voorwerp zelf in aanraking +kwamen. Maar de toestand van het Lichaam was toen (<i>vlg. het +onderstelde</i>) zoodanig dat de Geest zich toen twee voorwerpen +tegelijk verbeeldde [voorstelde]<a href="#aanteken16">[a16]</a> +en daarom zal hij zich ook +nu twee voorwerpen tegelijk verbeelden en zal de Geest zich, waar +hij zich één van beide verbeeldt, terstond ook het andere +herinneren. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d2s18o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij begrijpen nu duidelijk wat <i>Herinnering</i> + is. Zij is namelijk niets anders dan een zekere + aaneenschakeling van voorstellingen welke den aard van + dingen die buiten het menschelijk Lichaam bestaan in zich + sluiten, welke aaneenschakeling in den Geest beantwoordt + aan de orde en aaneenschakeling der inwerkingen op het + menschelijk Lichaam. Ik zeg <i>ten eerste</i>, dat zij slechts + een aaneenschakeling is van voorstellingen welke den aard + van dingen die buiten het menschelijk Lichaam bestaan in + zich sluiten; niet echter van voorstellingen welke den + aard dier dingen verklarend doen kennen. Immers zij zijn + in werkelijkheid (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI v.d. D.</a></i>) slechts + voorstellingen van inwerkingen op het menschelijk + Lichaam, welke zoowel den aard van dit als dien der + uitwendige voorwerpen in zich sluiten. Ik zeg <i>ten + tweede</i> dat deze aaneenschakeling beantwoordt aan de orde + en aaneenschakeling der inwerkingen op het menschelijk + Lichaam, om haar te onderscheiden van die + aaneenschakeling van voorstellingen welke beantwoordt aan + de orde des verstands [de regelen van het denken] + waardoor de Geest de dingen in hun eerste oorzaken + begrijpt en welke bij alle menschen dezelfde is. Voorts + kunnen wij nu duidelijk begrijpen waardoor de Geest van + de gedachte aan een of andere zaak onmiddellijk op die + eener andere zaak, welke geenerlei gelijkenis met de + eerste heeft, kan overgaan. Zoo komt bijvoorbeeld een + Romein door de gedachte aan den klank "pomus" [appel] + dadelijk op die van een vrucht, welke geenerlei + gelijkenis heeft met dien geartikuleerden klank en er + niets anders mede gemeen heeft dan dat het lichaam van + dien man herhaaldelijk van beide inwerking onderging. + D.w.z. dat die man dikwijls het woord appel hoorde + terwijl hij de vrucht zelf voor zich zag. En zoo komt elk + van de eene gedachte op de andere, al naar gelang eens + ieders gewoonte de beelden der dingen in zijn lichaam + heeft gerangschikt.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s19"> +<p><i>Stelling XIX.</i></p> + +<p>De menschelijke Geest kent het eigen menschelijk Lichaam niet en +weet niet anders van zijn bestaan, dan alleen door de +voorstellingen der inwerking welke het Lichaam ondergaat.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De menschelijke Geest immers is (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) zelf +een voorstelling of kennis van het menschelijk Lichaam, welke +(<i>vlg. <a href="#d2s9">St. IX v.d. D.</a></i>) in God bestaat, schoon alleen voorzoover +hij [God] beschouwd wordt als tevens vervuld van de voorstelling +van andere bijzondere dingen. Ofwel, aangezien (<i>vlg. <a href="#d2p4">Postulaat +IV</a></i>) het menschelijk Lichaam tal van andere voorwerpen behoeft +waaruit het voortdurend als het ware wordt herboren; en aangezien +de orde en aaneenschakeling der voorstellingen (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII +v.d. D.</a></i>) dezelfde is als de orde en aaneenschakeling der +oorzaken, zal deze voorstelling in God bestaan voorzoover hij +beschouwd wordt als vervuld van de voorstellingen van tal van +bijzondere dingen. God heeft dus een voorstelling van het +menschelijk Lichaam, voorzoover hij vervuld is van tal van andere +voorstellingen en niet voorzoover hij het wezen van den +menschelijken Geest uitmaakt. D.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg v. St. XI v.d. +D.</a></i>) de menschelijke Geest kent het eigen menschelijk Lichaam +niet. Maar de voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk +Lichaam bestaan wel in God voorzoover hij het wezen van den +menschelijken Geest uitmaakt, ofwel de Geest neemt deze +inwerkingen waar (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII v.d. D.</a></i>) +en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. +XVI v.d. D.</a></i>) neemt hij het menschelijk Lichaam waar, en dat wel +(<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII v.d. D.</a></i>) +zóó als het werkelijk bestaat en +slechts in zoover dus neemt de menschelijke Geest het eigen +menschelijke Lichaam waar. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s20"> +<p><i>Stelling XX.</i></p> + +<p>Ook van den menschelijken Geest bestaat in God een voorstelling +of wel kennis, welke op dezelfde wijze uit God voortvloeit en met +hem in verband staat als de voorstelling of kennis van het +menschelijke Lichaam.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het Denken is (<i>vlg. <a href="#d2s1">St. I v.d. D.</a></i>) een attribuut Gods en +derhalve moet er (<i>vlg. <a href="#d2s3">St. III v.d. D.</a></i>) zoowel van dit +attribuut als van al zijn openbaringen, en bijgevolg ook (<i>vlg. +<a href="#d2s11">St. XI v.d. D.</a></i>) van den menschelijken Geest, noodzakelijk in God +een voorstelling bestaan. Voorts volgt hieruit nìet dat deze +voorstelling of kennis van den Geest in God bestaat voorzoover +hij oneindig is, maar slechts voorzoover hij vervuld is van +andere voorstellingen van bijzondere dingen (<i>vlg. <a href="#d2s9">St. IX v.d. +D.</a></i>). Maar de orde en aaneenschakeling der voorstellingen zijn +(<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d. D.</a></i>) dezelfde als de orde en aaneenschakeling +der oorzaken. Derhalve vloeit deze voorstelling of kennis van den +menschelijken Geest in God op dezelfde wijze uit hem voort en +staat zij op dezelfde wijze met hem in verband als de +voorstelling of kennis van het menschelijk Lichaam. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s21"> +<p><i>Stelling XXI.</i></p> + +<p>Deze voorstelling omtrent den Geest [in God] is op dezelfde wijze +met den Geest vereenigd als de Geest zelf vereenigd is met het +Lichaam.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dat de Geest met het Lichaam vereenigd is hebben wij bewezen uit +het feit dat het Lichaam het voorwerp is van den Geest (<i>zie <a href="#d2s12">St. +XII</a> en <a href="#d2s18">XIII v.d. D.</a></i>). Om dezelfde reden moet derhalve de +voorstelling omtrent den Geest [in God] met háár voorwerp, d.w.z. +met den Geest zelf, vereenigd zijn en wel op dezelfde wijze als +de Geest zelf vereenigd is met het Lichaam. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d2s21o"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze stelling zal men nog veel duidelijker + begrijpen uit hetgeen in de Opmerking bij Stelling VII + van dit Deel gezegd werd. Daar immers hebben wij + aangetoond dat de voorstelling van het Lichaam en het + Lichaam zelf, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) de Geest + en het Lichaam, één en hetzelfde enkelding zijn, dat nu + eens wordt beschouwd als openbaring van het attribuut des + Denkens, dan weer als openbaring van dat der + Uitgebreidheid. Daarom is ook de voorstelling omtrent den + Geest [in God] en de Geest zelf één en dezelfde zaak, nu + beschouwd onder hetzelfde attribuut, namelijk het Denken. + De voorstelling omtrent den Geest en de Geest zelf, + moeten dus, beweer ik, beide met dezelfde noodwendigheid + en krachtens hetzelfde vermogen tot denken, in God + bestaan. Inderdaad toch is de voorstelling omtrent den + Geest, d.w.z. de voorstelling eener voorstelling, niets + anders dan een vorm van voorstelling, voorzoover zij als + openbaring van Denken zonder eenige betrekking tot een + voorwerp wordt opgevat. Zoodra iemand iets weet, weet hij + door dit feit zelf dàt hij het weet en weet hij tevens + dat hij weet dat hij het weet, en zoo tot in het + oneindige. Doch hierover later.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s22"> +<p><i>Stelling XXII.</i></p> + +<p>De menschelijke Geest neemt niet alleen de inwerkingen op het +Lichaam, maar ook de voorstellingen dier inwerkingen waar.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De voorstellingen omtrent de voorstellingen der inwerkingen [op +het Lichaam] volgen in God op dezelfde wijze en staan tot hem in +dezelfde betrekking als de voorstellingen zelf dier inwerkingen; +hetgeen op dezelfde wijze bewezen wordt als Stelling XX van dit +Deel. Maar de voorstellingen der inwerkingen op het Lichaam +bestaan in den menschelijken Geest (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII v.d. D.</a></i>) +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI v.d. D.</a></i>) zij bestaan in God +voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt. +Derhalve zullen de voorstellingen omtrent deze voorstelling in +God bestaan voorzoover hij een voorstelling of kennis van den +menschelijken Geest heeft, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s21">St. XXI v.d. D.</a></i>) in den +menschelijken Geest zelf, welke dus niet alleen de inwerkingen op +het Lichaam, maar ook de voorstellingen daarvan waarneemt. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s23"> +<p><i>Stelling XXIII.</i></p> + +<p>De Geest kent zichzelf niet dan voorzoover hij de voorstellingen +der inwerkingen op het Lichaam waarneemt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De voorstelling of kennis omtrent den Geest volgt in God (<i>vlg. +<a href="#d2s20">St. XX v.d. D.</a></i>) op dezelfde wijze en staat tot hem in dezelfde +betrekking als de voorstelling of kennis omtrent het Lichaam. +Maar aangezien (<i>vlg. <a href="#d2s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) de menschelijke Geest het +eigen menschelijk Lichaam niet kent; d.w.z. aangezien (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. +XI v.d. D.</a></i>) de kennis van het menschelijk Lichaam God niet eigen +is voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt, +is ook de kennis omtrent den Geest God niet eigen voorzoover hij +het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt en kent derhalve +(<i>vlg. <a href="#d2s11g">hetzelfde Gevolg v. St. XI v.d. D.</a></i>) de menschelijke Geest +ook in zoover zichzelf niet. Voorts sluiten (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI v.d. +D.</a></i>) de voorstellingen der inwerkingen welke het menschelijk +Lichaam ondergaat den aard van dit menschelijk Lichaam zelf in +zich; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) zij komen overeen met den +aard van den Geest; weshalve de kennis dier voorstellingen +noodzakelijk de kennis omtrent den Geest in zich sluit. Doch +(<i>vlg. <a href="#d2s22">de voorg. St.</a></i>) de kennis omtrent deze voorstellingen +bestaat in den Geest zelf; derhalve kent ook de menschelijke +Geest zichzelf slechts in zoover. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s24"> +<p><i>Stelling XXIV.</i></p> + +<p>De menschelijke Geest bezit geen adaequate kennis van de deelen +welke het menschelijk Lichaam samenstellen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De deelen welke het menschelijk Lichaam samenstellen behooren +niet tot het wezen van het Lichaam zelf, dan alleen voorzoover +zij hun bewegingen op een of ander bepaalde wijze aan elkaar +meedeelen (<i>zie <a href="#d2d0">de Definitie na Gevolg v. Hulpst. III</a></i>) en niet +voorzoover zij beschouwd kunnen worden als enkeldingen zonder +verband met het menschelijk Lichaam. Immers de deelen van het +menschelijk Lichaam zijn (<i>vlg. <a href="#d2p1">Postulaat I</a></i>) zelf uiterst +samengestelde enkeldingen, wier eigen onderdeelen (<i>vlg. <a href="#d2h4">Hulpst. +IV</a></i>) van het menschelijk Lichaam kunnen worden afgescheiden, met +volkomen behoud van deszelfs aard en +karakter<a href="#aanteken38">[a38]</a>, en welke hun +bewegingen (<i>zie <a href="#d2h3a1">Axioma I na Hulpst. III</a></i>) aan andere voorwerpen +op weer andere wijze kunnen meedeelen. Derhalve zal er in God +(<i>vlg. <a href="#d2s3">St. III v.d. D.</a></i>) van elk dier deelen een voorstelling of +kennis bestaan, en dat wel (<i>vlg. <a href="#d2s9">St. IX v.d. D.</a></i>) voor zoover +hij beschouwd wordt als hebbende een voorstelling van weer een +ander bijzonder ding dat in de orde der Natuur aan dit deel zelf +voorafgaat (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d. D.</a></i>). Hetzelfde kan bovendien +gezegd worden van elk onderdeel van dit enkelding dat deel +uitmaakt van het menschelijk Lichaam; zoodat er van elk deel van +het menschelijk Lichaam kennis in God bestaat voorzoover hij tal +van voorstellingen van dingen heeft en niet voorzoover hij +slechts de voorstelling van het menschelijk Lichaam [als +zoodanig] heeft, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) die +voorstelling, welke het wezen van den menschelijken Geest +uitmaakt. Derhalve bezit de menschelijke Geest geen adaequate +kennis van de deelen welke het menschelijk Lichaam samenstellen. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s25"> +<p><i>Stelling XXV.</i></p> + +<p>De voorstelling van welke inwerking op het menschelijk Lichaam +ook, sluit geen adaequate kennis van het inwerkende voorwerp in +zich.</p> +</div> + +<div class="bewijs" id="d2s25b"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wij hebben aangetoond (<i>zie <a href="#d2s16">St. XVI v.d. D.</a></i>) dat de voorstelling +eener inwerking op het menschelijk Lichaam in zoover het wezen +van het inwerkende voorwerp in zich sluit, als dit uitwendig +voorwerp op een bepaalde wijze op het menschelijk Lichaam zelf +inwerkt. Maar voorzoover dit uitwendig voorwerp een enkelding is +dat overigens met het menschelijk Lichaam in geenerlei verband +staat, bestaat de voorstelling of kennis daaromtrent in God +(<i>vlg. <a href="#d2s9">St. IX v.d. D.</a></i>) voorzoover God beschouwd wordt als +hebbende een voorstelling van een ander ding, dat (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII +v.d. D.</a></i>) van nature aan dat uitwendige voorwerp voorafgaat. +Zoodat er in God geen adaequate kennis bestaat van een uitwendig +voorwerp voorzoover hij de voorstelling eener inwerking op het +menschelijk Lichaam heeft. Ofwel de voorstelling van een +inwerking op het menschelijk Lichaam sluit geen adaequate kennis +van het inwerkende voorwerp in zich. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s26"> +<p><i>Stelling XXVI.</i></p> + +<p>De menschelijke Geest neemt geen uitwendig voorwerp als werkelijk +bestaande waar, dan alleen door bemiddeling van de voorstellingen +der inwerkingen op het eigen Lichaam.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wanneer het menschelijk Lichaam op geenerlei wijze inwerking van +eenig uitwendig voorwerp ondergaat, zal ook (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d. +D.</a></i>) de voorstelling van het menschelijk Lichaam, d.w. dus z. +(<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) de menschelijke Geest, op geenerlei +wijze door de voorstelling van het bestaan van dit uitwendig +voorwerp worden aangedaan; ofwel de menschelijke Geest zal het +bestaan van dit uitwendige voorwerp op geenerlei wijze waarnemen. +Voor zoover echter het menschelijk Lichaam wèl op eenigerlei +wijze inwerking van een uitwendig voorwerp ondergaat, zal de +Geest (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI</a> en +<a href="#d2s16g2">Gevolg II v.d. D.</a></i>) dit uitwendig +voorwerp waarnemen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Voorzoover de menschelijke Geest zich een + uitwendig voorwerp verbeeldt [voorstelt] heeft hij + daarvan geen adaequate kennis.</p> + </div> + + <div class="gewijs" id="d2s26gb"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Wanneer de menschelijke Geest uitwendige voorwerpen + beschouwt door bemiddeling van de voorstellingen der + inwerkingen op zijn Lichaam, zeggen wij dat hij zich die + voorwerpen verbeeldt [voorstelt] (<i>zie <a href="#d2s17o">Opmerking bij St. + XVII v.d. D.</a></i>). Maar de Geest kan zich (<i>vlg. <a href="#d2s26">de voorg. + St.</a></i>) op geen andere wijze dingen als werkelijk bestaande + voorstellen. Derhalve heeft (<i>vlg. <a href="#d2s25">St. XXV v.d. D.</a></i>) de + Geest, voorzoover hij zich uitwendige voorwerpen + voorstelt, daarvan geen adaequate kennis. H.t.b.w.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s27"> +<p><i>Stelling XXVII.</i></p> + +<p>De voorstelling van welke inwerking op het menschelijk Lichaam +ook, sluit geen adaequate kennis van het menschelijk Lichaam zelf +in zich.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Elke voorstelling van een of andere inwerking op het menschelijk +Lichaam sluit in zoover het wezen van het menschelijk Lichaam in +zich als dit menschelijk Lichaam zelf beschouwd wordt die +bepaalde inwerking te ondergaan (<i>zie <a href="#d2s16">St. XVI v.d. D.</a></i>). Maar +voorzoover het menschelijk Lichaam een enkelding is dat op vele +andere wijzen inwerkingen ondergaan kan, bestaat zijn +voorstelling of kennis enz. (<i>zie <a href="#d2s25b">Bewijs v. St. XXV v.d. D.</a></i>).</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s28"> +<p><i>Stelling XXVIII.</i></p> + +<p>De voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk Lichaam +zijn, voorzoover zij slechts bestaan in den menschelijken Geest, +niet helder en duidelijk, maar verward.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers de voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk +Lichaam sluiten (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI v.d. D.</a></i>) zoowel den aard der +uitwendige voorwerpen als dien van het menschelijk Lichaam zelf +in zich. Bovendien moeten zij niet alleen den aard van het +menschelijk Lichaam, maar ook dien van al zijn onderdeelen in +zich sluiten, want die inwerkingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2p3">Postulaat III</a></i>) +wijzigingen, waarvan de deelen van het menschelijk Lichaam en +bijgevolg het geheele Lichaam, invloed ondervinden. Maar (<i>vlg. +<a href="#d2s24">XXIV</a> en <a href="#d2s25">XXV v.d. D.</a></i>) +een adaequate kennis der uitwendige +voorwerpen, en evenmin der deelen welke het menschelijk Lichaam +samenstellen, bestaat in God niet, voorzoover hij beschouwd wordt +zich als menschelijke Geest, doch voorzoover hij beschouwd wordt +zich als die andere voorstellingen te openbaren. Derhalve zijn de +voorstellingen dezer inwerkingen, voorzoover zij slechts in den +menschelijken Geest bestaan, te vergelijken bij gevolgtrekkingen +zonder voorwaarden [praemissen], d.w.z. (<i>gelijk van zelf +spreekt</i>): zij zijn verward. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d2s28o"> + <p><i>Opmerking:</i> Op dezelfde wijze kan worden bewezen dat de + voorstelling welke het wezen van den menschelijken Geest + uitmaakt, op zichzelf beschouwd, evenmin helder en + duidelijk is, evenmin als de voorstelling omtrent den + menschelijken Geest en de voorstelling der voorstellingen + der inwerkingen op het menschelijk Lichaam, voorzoover + deze in den Geest alleen bestaan. Hetgeen een ieder + gemakkelijk zal inzien.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s29"> +<p><i>Stelling XXIX.</i></p> + +<p>De voorstelling eener voorstelling van welke inwerking op het +menschelijk Lichaam ook, sluit geen adaequate kennis van den +menschelijken Geest in zich.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers de voorstelling eener inwerking op het menschelijk Lichaam +sluit (<i>vlg. <a href="#d2s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) geen adaequate kennis van dit +Lichaam zelf in zich, ofwel drukt zijn wezen niet op adaequate +wijze uit. D.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) zij stemt niet +adaequaat met den aard des Geestes overeen. Derhalve drukt ook +(<i>vlg. <a href="#d1a6">Axioma VI D. I</a></i>) de voorstelling dier voorstelling niet +het wezen van den menschelijken Geest uit, ofwel sluit zij diens +adaequate kennis niet in zich. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s29g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de menschelijke Geest, zoo + dikwijls hij de dingen waarneemt, gelijk zij zich in de + algemeene orde der Natuur voordoen, noch van zichzelf, + noch van zijn Lichaam, noch van de uitwendige voorwerpen, + een adaequate kennis bezit, doch slechts een verwarde en + gebrekkige. De Geest toch kent zichzelf niet dan + voorzoover hij voorstellingen omtrent de inwerkingen op + het menschelijk Lichaam waarneemt (<i>vlg. <a href="#d2s23">St. XXIII v.d. + D.</a></i>). Zijn eigen Lichaam echter kan hij (<i>vlg. <a href="#d2s19">St. XIX + v.d. D.</a></i>) niet anders waarnemen dan door middel van + diezelfde voorstellingen van inwerkingen, waardoor hij + ook (en uitsluitend) uitwendige voorwerpen waarneemt + (<i>vlg. <a href="#d2s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>). Derhalve bezit hij, voorzoover + hij deze voorstellingen heeft, noch van zichzelf (<i>vlg. + <a href="#d2s29">St. XXIX v.d. D.</a></i>), + noch van zijn Lichaam (<i>vlg. <a href="#d2s27">St. + XXVII v.d. D.</a></i>), noch van de uitwendige voorwerpen (<i>vlg. + <a href="#d2s25">St. XXV v.d. D.</a></i>) een adaequate kennis, doch slechts + (<i>vlg. <a href="#d2s28">St. XXVIII</a> en + <a href="#d2s28o">Opmerking v.d. D.</a></i>) een gebrekkige + en verwarde. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Ik zeg opzettelijk dat de Geest noch van + zichzelf, noch van zijn Lichaam, noch van de uitwendige + voorwerpen een adaequate voorstelling heeft, doch slechts + een verwarde, zoo dikwijls hij de dingen waarneemt gelijk + ze zich in de algemeene orde der Natuur voordoen, d.w.z. + zoo dikwijls hij van buiten af, krachtens den toevalligen + samenloop der omstandigheden genoodzaakt wordt het een of + ander waar te nemen; en niet zoo dikwijls hij van binnen + uit, d.w.z. door het feit dat hij meerdere dingen + tegelijk beschouwt, genoopt wordt hun overeenkomst, + verschillen en tegenstrijdigheden te begrijpen. Want zoo + dikwijls hij op deze of eenige andere wijze innerlijk + ertoe gedreven wordt, beschouwt hij de dingen helder en + duidelijk, gelijk ik hieronder zal aantoonen.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXX.</i></p> + +<p>Wij kunnen omtrent den duur van ons Lichaam geen andere dan +slechts uiterst inadaequate kennis bezitten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De duur van ons Lichaam hangt (<i>vlg. <a href="#d2a1">Axioma I v.d. D.</a></i>) niet af +van zijn wezen en evenmin (<i>vlg. <a href="#d1s21">St. XXI v. D. I</a></i>) van den +absoluten aard Gods. Maar het wordt (<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII D. I</a></i>) tot +bestaan en werken genoodzaakt door oorzaken welke zelf ook door +andere oorzaken tot een bepaalde wijze van bestaan en werken +genoodzaakt worden en deze wederom door andere en zoo tot in het +oneindige. De duur van ons Lichaam hangt dus af van de algemeene +orde der Natuur en den toestand der dingen. Omtrent dien toestand +der dingen evenwel bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s9g">Gevolg v. St. IX v.d. D.</a></i>) +kennis in God voorzoover hij een voorstelling heeft van hen allen +en niet voorzoover hij slechts de voorstelling heeft van het +menschelijk Lichaam alleen. Derhalve is de kennis van den duur +van het menschelijk Lichaam in God uiterst inadaequaat, +voorzoover hij slechts beschouwd wordt als uitmakende het wezen +van den menschelijken Geest, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg v. St. XI v.d. +D.</a></i>): deze kennis is in onzen Geest uiterst inadaequaat. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s31"> +<p><i>Stelling XXXI.</i></p> + +<p>Wij kunnen omtrent den duur der bijzondere dingen welke buiten +ons bestaan, geen andere dan slechts uiterst inadaequate kennis +bezitten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers elk bijzonder ding moet, evenals het menschelijk Lichaam +(<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII D. I</a></i>) door een ander bijzonder ding +genoodzaakt worden tot een bepaalde wijze van bestaan en werken, +en dit wederom door een ander ding en zoo tot in het oneindige. +Aangezien wij echter uit deze algemeene eigenschap der bijzondere +dingen in de voorgaande stelling hebben bewezen, dat wij omtrent +den duur van ons eigen Lichaam slechts een zeer inadaequate +kennis bezitten, moeten wij dus wel tot dezelfde gevolgtrekking +komen wat den duur der bijzondere dingen betreft, nl. dat wij +hieromtrent geen andere dan slechts uiterst inadaequate kennis +bezitten kunnen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s31g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt, dat alle bijzondere zaken + toevallig [gebeurlijk] en vergankelijk zijn. Immers wij + kunnen (<i>vlg. <a href="#d2s31">de voorg. St.</a></i>) geenerlei adaequate kennis + omtrent hun duur bezitten en dat juist is het wat wij + onder toevalligheid [gebeurlijkheid] en vergankelijkheid + [mogelijkheid van verval] der dingen hebben te verstaan + (<i>zie <a href="#d1s33o1">Opmerking I bij St. XXXIII D. I</a></i>). Want behalve in + dezen zin bestaat er nergens iets toevalligs.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s32"> +<p><i>Stelling XXXII.</i></p> + +<p>Alle voorstellingen zijn waar voorzoover zij tot God worden +teruggebracht.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers alle voorstellingen welke in God bestaan, komen (<i>vlg. +<a href="#d2s6g">Gevolg v. St. VII v.d. D.</a></i>) geheel en al overeen met het door hen +voorgestelde en derhalve zijn zij (<i>vlg. <a href="#d1a6">Axioma VI v. D. I</a></i>) ook +allen waar. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s33"> +<p><i>Stelling XXXIII.</i></p> + +<p>Er is in voorstellingen niets positiefs, waarom zij valsch +genoemd konden worden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wie dit ontkent, stelle zich eens, zoo dit mogelijk is, een +positieven denkvorm voor, welke het wezen van dwaling of +valschheid uitmaakt. Deze denkvorm kan (<i>vlg. <a href="#d2s32">de voorg. St.</a></i>) +niet bestaan in God; buiten God evenwel is hij (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. +I</a></i>) evenmin bestaanbaar noch denkbaar. Derhalve kan er in +voorstellingen niets positiefs voorkomen, waarom zij valsch +genoemd konden worden. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s34"> +<p><i>Stelling XXXIV.</i></p> + +<p>Elke voorstelling welke in ons +absoluut<a href="#aanteken22">[a22]</a>, ofwel adaequaat en +volmaakt is, is waar.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wanneer wij zeggen dat er in ons een adaequate en volmaakte +voorstelling bestaat, zeggen wij (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg v. St. XI v.d. +D.</a></i>) niets anders dan dat er in God, voorzoover hij het wezen van +onzen Geest uitmaakt, een adaequate en volmaakte voorstelling +bestaat. Bijgevolg zeggen wij dan (<i>vlg. <a href="#d2s32">St. XXXII v.d. D.</a></i>) +niets anders dan dat zulk een voorstelling waar is. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s35"> +<p><i>Stelling XXXV.</i></p> + +<p>Valschheid bestaat in een gemis aan kennis dat inadaequate, ofwel +gebrekkige en verwarde voorstellingen kenmerkt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Er is (<i>vlg. <a href="#d2s33">St. XXXIII v.d. D.</a></i>) in voorstellingen niets +positiefs dat het wezen der valschheid in zich sluit. Maar toch +kan valschheid niet bestaan in een volstrekte ontstentenis. +(Immers, zooals men zegt: de Geest, niet het Lichaam dwaalt en +bedriegt zich). Evenmin in een volstrekte onwetendheid: immers +niet-weten en dwalen zijn verschillende zaken. Derhalve bestaat +zij in dit gemis aan kennis dat een inadaequate kennis der +dingen, ofwel inadaequate en verwarde voorstellingen kenmerkt. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d2s35o"> + <p><i>Opmerking:</i> In de Opmerking bij Stelling XVII van dit + Deel heb ik uiteengezet, hoe dwaling in gemis aan kennis + bestaat; tot meerdere verduidelijking hiervan zal ik + evenwel thans een voorbeeld geven. De menschen dan + bedriegen zich indien zij wanen vrij te zijn. Deze + meening berust alleen hierop dat zij zich wel bewust zijn + van hun handelingen, doch onwetend omtrent de oorzaken + door welke deze bepaald worden. Hun voorstelling van + vrijheid is dus deze: dat zij geen oorzaak voor hun + handelingen kennen. Immers wanneer zij zeggen dat de + menschelijke handelingen van den wil afhangen, spreken + zij woorden waarbij zij geenerlei voorstelling hebben. + Niemand toch weet wat die wil is en op welke wijze hij + het Lichaam in beweging zou brengen, terwijl wie anders + denken en zetels en woonplaatsen voor de ziel verzinnen, + slechts spot of afschuw plegen te verwekken. Zoo + verbeelden wij ons, wanneer wij naar de zon kijken, dat + zij omstreeks 200 voet van ons verwijderd is. Deze + dwaling nu bestaat niet uitsluitend in deze verbeelding, + maar in het feit dat, terwijl wij ons dit verbeelden, + haar ware afstand en de oorzaak dier verbeelding ons + onbekend zijn. Want al erkennen wij later dat zij meer + dan 600 aardmiddellijnen van ons verwijderd is, wij + blijven ons niettemin steeds + verbeelden<a href="#aanteken16">[a16]</a> dat zij + dichtbij is. Immers wij stellen ons de zon niet zoo + dichtbij voor omdat wij haar waren afstand niet kennen, + maar omdat haar inwerking op ons Lichaam het wezen der + zon slechts in zich sluit voorzoover dit Lichaam zelf die + inwerking ondergaat.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXVI.</i></p> + +<p>Inadaequate en verwarde voorstellingen volgen elkaar met dezelfde +noodzakelijkheid als adaequate, ofwel heldere en duidelijke +voorstellingen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Alle voorstellingen zijn (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a></i>) in God, en +voorzoover zij als goddelijk worden beschouwd zijn zij ook (<i>vlg. +<a href="#d2s32">St. XXXII v.d. D.</a></i>) waar en +(<i>vlg. <a href="#d2s7g">Gevolg v. St. VII v.d. D.</a></i>) +adaequaat. Er bestaan daarom ook geen inadaequate of verwarde +voorstellingen dan alleen voorzoover zij op den bijzonderen geest +van dezen of genen betrekking hebben (<i>zie hierover <a href="#d2s24">St. XXIV</a> en +<a href="#d2s28">XXVIII v.d. D.</a></i>). Derhalve volgen ook alle, zoowel adaequate als +inadaequate voorstellingen (<i>vlg. <a href="#d2s6g">Gevolg v. St. VI v.d. D.</a></i>) op +elkaar met dezelfde noodzakelijkheid. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s37"> +<p><i>Stelling XXXVII.</i></p> + +<p>Datgene wat aan alles gemeen is (<i>zie hierover boven, <a href="#d2h2">Hulpst. +II</a></i>) en wat evenzeer in een deel als in het geheel voorkomt, +maakt van geen enkel bijzonder ding het wezen uit.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wie dit ontkent stelle zich, zoo dit mogelijk is, voor, dat +zooiets wèl het wezen van eenig bijzonder ding kon uitmaken, +bijvoorbeeld het wezen van B. Dan zou het dus (<i>vlg. <a href="#d2d2">Definitie II +v.d. D.</a></i>) zonder B noch bestaanbaar noch denkbaar zijn. Maar dit +is in strijd met het onderstelde. Derhalve kan het niet tot het +wezen van B behooren, noch tot het wezen van eenig ander +bijzonder ding. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s38"> +<p><i>Stelling XXXVIII.</i></p> + +<p>Datgene wat aan alles gemeen is en wat evenzeer in een deel als +in het geheel voorkomt, kan niet anders dan adaequaat worden +gekend.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Laat A iets zijn dat aan alle voorwerpen gemeen is en evenzeer in +een deel van een of ander voorwerp voorkomt als in het geheel. Ik +beweer dan dat A niet anders dan adaequaat kan worden gekend. De +voorstelling ervan toch zal (<i>vlg. <a href="#d2s7g">Gevolg St. VII v.d. D.</a></i>) in +God noodzakelijk adaequaat zijn, zoowel voorzoover hij een +voorstelling van het menschelijk Lichaam, alsook voorzoover hij +voorstellingen van de inwerkingen daarop heeft, welke inwerkingen +(<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI</a>, <a href="#d2s25">XXV</a> +en <a href="#d2s27">XXVII v.d. D.</a></i>) gedeeltelijk zoowel van +den aard van het menschelijk Lichaam als van dien der uitwendige +voorwerpen afhangen. D.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII</a> +en <a href="#d2s13">XIII v.d. D.</a></i>) deze +voorstelling zal in God noodzakelijk adaequaat zijn, voorzoover +hij den menschelijken Geest uitmaakt, ofwel voorzoover hij +voorstellingen heeft welke in den menschelijken Geest voorkomen. +De Geest neemt dus (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI v.d. D.</a></i>) A noodzakelijk +adaequaat waar en datwel zoowel voorzoover hij zichzelf, als +voorzoover hij zijn eigen Lichaam, of welk ander uitwendig +voorwerp ook, waarneemt, en op geen andere wijze kan A gedacht +worden. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d2s38g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat er enkele voorstellingen of + begrippen bestaan, welke aan alle menschen gemeen zijn. + Immers alle voorwerpen komen (<i>vlg. <a href="#d2h2">Hulpst. II</a></i>) in + sommige punten overeen, welke dan door iedereen + adaequaat, ofwel helder en duidelijk, kunnen worden + gekend.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s39"> +<p><i>Stelling XXXIX.</i></p> + +<p>Ook van datgene wat eigen en gemeen is aan het menschelijk +Lichaam en aan zekere uitwendige voorwerpen, die op het +menschelijk Lichaam plegen in te werken, en wat evenzeer in hun +deelen als in het geheel voorkomt, zal de voorstelling in den +Geest adaequaat zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Laat A datgene zijn wat aan het menschelijk Lichaam en aan zekere +uitwendige voorwerpen eigen en gemeen is; wat evenzeer in het +menschelijk Lichaam als in die uitwendige voorwerpen en +vervolgens evenzeer in elk deel dier uitwendige voorwerpen als in +het geheel voorkomt. Er zal dan van A (<i>vlg. <a href="#d2s7g">Gevolg v. St. VII +v.d. D.</a></i>) in God een adaequate voorstelling bestaan, zoowel +voorzoover hij de voorstelling van het menschelijk Lichaam, als +voorzoover hij voorstellingen heeft van die onderstelde +uitwendige voorwerpen. Gesteld nu dat zulk een uitwendig voorwerp +op het menschelijk Lichaam inwerkt met datgene wat het er mede +gemeen heeft, dat is dus met A, dan zal de voorstelling dier +inwerking (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI v.d. D.</a></i>) de eigenschap A in zich +sluiten. De voorstelling dier inwerking zal dus (<i>vlg. <a href="#d2s7g">hetzelfde +Gevolg St. VII v.d. D.</a></i>) voorzoover zij de eigenschap A in zich +sluit, in God adaequaat zijn, voorzoover God beschouwd wordt als +hebbende de voorstelling van het menschelijk Lichaam, d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) voorzoover hij het wezen van den +menschelijken Geest uitmaakt. Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg v. St. XI +v.d. D.</a></i>) deze voorstelling in den menschelijken Geest ook +adaequaat. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de Geest des te beter in + staat is om vele dingen adaequaat waar te nemen, naarmate + zijn Lichaam meer met andere voorwerpen gemeen heeft.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s40"> +<p><i>Stelling XL.</i></p> + +<p>Alle voorstellingen welke in den Geest volgen uit voorstellingen +welke in dien Geest adaequaat zijn, zijn eveneens adaequaat.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit is duidelijk. Immers wanneer wij zeggen dat in den +menschelijken Geest een voorstelling volgt uit voorstellingen +welke in dien geest adaequaat zijn, zeggen wij (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. +XI v.d. D.</a></i>) niets anders dan dat er in het goddelijk verstand +zelf een voorstelling bestaat van welke God oorzaak is, niet +voorzoover hij oneindig is, noch voorzoover hij voorstellingen +heeft van meerdere bijzondere dingen, maar uitsluitend voorzoover +hij het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d2s40o1"> + <p><i>Opmerking I:</i> Hiermede heb ik den oorsprong dier + begrippen welke men algemeen erkende begrippen noemt en + welke de grondslagen vormen van ons redeneeren, + verklaard. Nochtans zijn er voor sommigen dier + grondwaarheden of begrippen nog wel andere oorzaken en + misschien ware het van pas deze hier volgens onze methode + uiteen te zetten. Daarbij toch zou het blijken welke + begrippen nuttiger zijn dan andere en welke daarentegen + nauwelijks eenige waarde hebben; vervolgens welke + begrippen algemeen erkend worden, welke helder en + duidelijk zijn slechts voor hen die niet aan + vooroordeelen lijden, en tenslotte welke op verkeerden + grondslag berusten. Bovendien zou het blijken hoe die + begrippen, welke men begrippen van den tweeden rang + noemt, en bijgevolg ook de grondwaarheden welke op hen + berusten, ontstaan zijn, en nog meer wat ik hieromtrent + wel eens heb overwogen. Maar aangezien ik deze zaken voor + een andere verhandeling bestemd heb en ik ook vrees door + al te groote uitvoerigheid vervelend te zullen worden, + wil ik ze thans liever overslaan. Om echter niets ervan + weg te laten wat men noodzakelijk moet weten, zal ik nog + in het kort de oorzaken er aan toevoegen waaruit de + zoogenaamde <i>transcendentale</i><a id="aantag40" href="#aanteken40">[A40]</a> + begrippen, zooals + <i>Zijn, Ding, Iets</i>, ontstaan zijn. Deze uitdrukkingen + zijn namelijk het gevolg daarvan dat het menschelijk + Lichaam, omdat het begrensd is, slechts in staat is om + een bepaald aantal denkbeelden (wat een denkbeeld is heb + ik uiteen gezet in de <i><a href="#d2s17o">Opmerking bij St. XVII v.d. D.</a></i>) + gelijktijdig in zich te vormen; wordt dit aantal + overschreden dan beginnen de denkbeelden verward te + worden. En wordt het aantal denkbeelden dat het Lichaam + in staat is gelijktijdig te vormen, en zóó dat het ze + duidelijk onderscheidt, verre overschreden, dan verwarren + zij zich onderling geheel en al. Waar dit zoo is, blijkt + uit <a href="#d2s17g">het Gevolg van St. XVII</a> + en uit <a href="#d2s18">St. XVIII van dit + Deel</a>, dat de menschelijke Geest zich zooveel voorwerpen + gelijktijdig duidelijk kan voorstellen als er in zijn + Lichaam gelijktijdig beelden kunnen worden gevormd. + Wanneer echter de beelden in het menschelijk Lichaam + geheel en al verward raken, zal ook de Geest zich die + voorwerpen verward en zonder duidelijk onderscheid + voorstellen en ze als het ware onder één kenmerk [begrip] + samenvatten, zooals bijv. onder het "Zijn", "Ding" enz. + Men kan dit ook afleiden uit het feit dat beelden + [voorstellingen] niet steeds even krachtig zijn en uit + meer soortgelijke oorzaken, welke ik hier echter niet + behoef uiteen te zetten omdat wij voor het doel dat wij + beoogen er slechts ééne behoeven te overwegen. Alle toch + komen hierop neer dat deze uitdrukkingen voorstellingen + aanduiden welke in de hoogste mate verward zijn.</p> + + <p>Een dergelijken oorsprong hebben die begrippen, welke men + <i>algemeene</i> [universeele] begrippen noemt, zooals Mensch, + Paard, Hond enz. In het menschelijk Lichaam worden + namelijk zooveel beelden van bijvoorbeeld menschen + gelijktijdig gevormd, dat zij het voorstellingsvermogen + wel niet geheel en al, maar toch in zooverre te boven + gaan, dat de Geest zich hun kleine verschillen (zooals + bijvoorbeeld elks kleur, grootte enz.) en hun bepaald + aantal niet kan verbeelden, maar zich slechts datgene + duidelijk voorstelt, waarin allen, voorzoover zij op het + Lichaam inwerken, overeenkomen. Want van dit + overeenkomende [gemeenschappelijke] kreeg de Geest door + elk beeld afzonderlijk reeds den sterksten indruk. Dit + gemeenschappelijke nu drukt men uit door het begrip + "Mensch", en deze benaming geeft men aan het oneindig + aantal individuen, omdat men zich, zooals wij reeds + zeiden, hun bepaald aantal niet kan voorstellen. Hierbij + moet evenwel worden opgemerkt dat deze begrippen niet + door allen op dezelfde wijze worden gevormd, maar dat zij + voor elk verschillen naar gelang van datgene wat het + meest op zijn Lichaam heeft ingewerkt en wat de Geest + zich daarom het gemakkelijkst voorstelt of herinnert. Zoo + zullen bijvoorbeeld lieden, die herhaaldelijk met + bewondering de menschelijke gestalte hebben gade + geslagen, onder het begrip "mensch" verstaan: een dier + van opgerichte houding. Zij daarentegen, die gewoon waren + op iets anders te letten, zullen weer een ander algemeen + beeld van den mensch vormen en bijvoorbeeld zeggen: de + mensch is een dier dat kan lachen, of een tweevoetig dier + zonder veeren, of een redelijk dier. En zoo zal elkeen + zich omtrent alle overige dingen algemeene beelden vormen + naar gelang van den toestand van zijn eigen Lichaam. Het + is daarom ook niet te verwonderen dat er onder de + wijsgeeren die de natuurlijke dingen uitsluitend door hun + beelden [hun zintuigelijke voorstellingen] wilden + verklaren, zooveel verschillen van meening gerezen zijn.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d2s40o2"> + <p><i>Opmerking II:</i> Uit al het hierboven gezegde blijkt + duidelijk, dat wij velerlei waarnemen en dat wij algemeen + begrippen vormen:</p> + + <p>1°. uit bijzondere dingen welke door de zintuigen + gebrekkig, verward en ongeordend aan het verstand worden + voorgesteld. (<i>Zie <a href="#d2s29g">Gevolg v. St. XXIX v.d. D.</a></i>). Ik ben + daarom gewoon dergelijke waarnemingen te noemen: kennis, + berustend op vage ervaring.</p> + + <p>2°. uit teekens; bijvoorbeeld doordat wij ons bij het + hooren of lezen van sommige woorden de dingen herinneren + en ons voorstellingen van hen vormen, gelijkende op die + waarin de dingen zelf verbeeld werden, (<i>zie <a href="#d2s18o">de Opmerking + bij St. XVIII v.d. D.</a></i>). In het vervolg zal ik deze beide + wijzen om de dingen te beschouwen noemen: <i>kennis van de + eerste soort</i>, meening ofwel verbeelding.</p> + + <p id="d2s40o2_3">3°. ten slotte uit het feit dat wij algemeen erkende + begrippen en juiste voorstellingen van de eigenschappen + der dingen bezitten (<i>zie <a href="#d2s38g">Gevolg St. XXXVIII</a>, + <a href="#d2s39">Gevolg St. + XXXIX</a> en <a href="#d2s40">St. XL v.d. D.</a></i>). + Hier zal ik spreken van <i>Rede</i> + en <i>Kennis van de tweede soort</i>.</p> + + <p id="d2s40o2_4">Behalve deze twee soorten van kennis bestaat er, gelijk + ik in het volgende zal aantoonen, nog een derde, welke ik + het "<i>intuïtieve weten</i>"<a id="aantag41" href="#aanteken41">[A41]</a> + zal noemen. Deze soort van + kennis leidt uit de adaequate voorstelling van het + werkelijk wezen van een of ander attribuut Gods de + adaequate kennis van het wezen der dingen af.</p> + + <p>Ik zal dit alles door een voorbeeld verduidelijken.</p> + + <p>Laten er bijvoorbeeld drie getallen gegeven zijn, waarbij + een vierde gezocht moet worden, dat zich verhoudt tot het + derde als het tweede tot het eerste. Kooplieden zullen + niet aarzelen het tweede met het derde te + vermenigvuldigen en het product door het eerste te + deelen, hetzij omdat zij datgene wat zij van hun meester + zonder eenig bewijs geleerd hebben nog niet vergaten, + hetzij omdat zij het zelf bij de eenvoudigste getallen + hebben ondervonden, hetzij op grond van het bewijs aan + Stelling XIX Boek VII van Euclides, d.w.z. op grond van + de algemeene eigenschap der evenredigen. Bij de meest + eenvoudige getallen evenwel is niets van dit alles + noodig. Wanneer bijvoorbeeld de getallen 1, 2 en 3 + gegeven zijn, is er niemand die niet ziet dat de vierde + evenredige het getal 6 is. En dat wel veel helderder, + aangezien wij uit de verhouding zelf waarin, naar wij op + den eersten blik zien--het eerste tot het tweede staat, + onmiddellijk het vierde afleiden.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s41"> +<p><i>Stelling XLI.</i></p> + +<p>De kennis van de eerste soort is de eenige oorzaak van +valschheid, die van de tweede en derde soort is echter +noodzakelijk waar.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>In de voorgaande Opmerking zeiden wij dat al die voorstellingen +welke inadaequaat en verward zijn, tot de kennis van de eerste +soort behooren. Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d2s35">St. XXXV v.d. D.</a></i>) deze kennis +de eenige oorzaak van valschheid. Voorts zeiden wij dat adaequate +voorstellingen tot de kennis van de tweede en derde soort +behooren, en derhalve is deze (<i>vlg. <a href="#d2s34">St. XXXIV v.d. D.</a></i>) ook +noodzakelijk waar. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLII.</i></p> + +<p>Niet de kennis van de eerste, maar die van de tweede en derde +soort leeren ons waarheid van valschheid onderscheiden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze Stelling is vanzelf duidelijk. Immers wie tusschen waarheid +en valschheid weet te onderscheiden, moet een adaequate +voorstelling hebben omtrent wat waar of valsch is, d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL v.d. D.</a></i>) hij moet waarheid en valschheid +kennen met de kennis van de tweede of derde soort.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s43"> +<p><i>Stelling XLIII.</i></p> + +<p>Wie een ware voorstelling heeft, wéét tevens dat hij een ware +voorstelling heeft en kan aan de waarheid ervan niet meer +twijfelen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een ware voorstelling in ons is (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI v.d. D.</a></i>) +een zoodanige, welke in God adaequaat is voorzoover hij zich +openbaart in den aard van den menschelijken Geest. Nemen wij nu +eens aan dat er in God, voorzoover hij zich openbaart in den +menschelijken Geest, een adaequate voorstelling A bestaat. Van +deze voorstelling moet er in God noodzakelijk weer een +voorstelling bestaan welke tot God in dezelfde betrekking staat +als voorstelling A (<i>vlg. <a href="#d2s20">St. XX v.d. D.</a> welker bewijs algemeen +is</i>). Maar voorstelling A heeft, volgens het onderstelde, +betrekking op God voorzoover hij zich openbaart in den +menschelijken Geest; derhalve moet ook de voorstelling van +voorstelling A tot God in dezelfde betrekking staan; d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d2s11g">hetzelfde Gevolg St. XI v.d. D.</a></i>): deze adaequate +voorstelling van voorstelling A zal aanwezig zijn in dienzelfden +Geest die de adaequate voorstelling A heeft. Derhalve zal degeen +die een adaequate voorstelling heeft, of die (<i>vlg. <a href="#d2s34">St. XXXIV +v.d. D.</a></i>) een zaak naar waarheid erkent, tevens een adaequate +voorstelling hebben zijner kennis, ofwel een ware kennis; d.w.z. +(<i>gelijk vanzelf spreekt</i>): hij moet tevens zeker ervan zijn. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d2s43o"> + <p><i>Opmerking:</i> In de Opmerking bij Stelling XXI van dit + Deel heb ik uiteen gezet wat onder de voorstelling eener + voorstelling moet worden verstaan. Ik merk echter op dat + de voorgaande Stelling ook uit zichzelf duidelijk is. + Immers iedereen die een ware voorstelling heeft, weet dat + een ware voorstelling de grootst mogelijke zekerheid in + zich sluit, aangezien een ware voorstelling hebben niets + anders beteekent dan een zaak volmaakt of zoo goed + mogelijk kennen. Hieraan zal toch zeker niemand kunnen + twijfelen, tenzij hij meent dat een voorstelling een stom + ding is<a href="#aanteken16">[a16]</a>, zooals bijvoorbeeld een schilderij op een + paneel en niet een vorm van denken, namelijk het + begrijpen zelf. Ik vraag u: wie kan weten dat hij een of + andere zaak begrijpt, als hij niet eerst die zaak + begrepen heeft? D.w.z.: wie kan wéten dat hij zeker is + omtrent een of andere zaak als hij niet eerst omtrent die + zaak zeker is? En dan: welk helderder en zekerder + kenteeken der waarheid zou er kunnen zijn dan een ware + voorstelling? Voorwaar, evenals het licht zichzelf en de + duisternis openbaart, zoo ook is de waarheid de toets van + zichzelf en van het valsche.</p> + + <p>En hiermede meen ik tevens de volgende vragen te hebben + beantwoord. In de eerste plaats deze: Als een ware + voorstelling van een valsche wordt onderscheiden + uitsluitend voorzoover de ware in overeenstemming met het + door haar voorgestelde genoemd mag worden, zou dus de + ware voorstelling geenerlei werkelijkheid of volmaaktheid + op de valsche vóór hebben (aangezien zij alleen in naam + van elkaar verschillen) en bijgevolg zou een mensch die + ware voorstellingen heeft ook niets vóór hebben bij hem + die slechts valsche heeft. Voorts: hoe komt het dat + menschen valsche voorstellingen hebben? En ten slotte: + hoe kan iemand met zekerheid weten dat hij voorstellingen + heeft welke met het door hen voorgestelde overeenkomen?</p> + + <p>Ik herhaal dat ik meen reeds het antwoord op deze vragen + gegeven te hebben. Wat toch het onderscheid tusschen een + ware en een valsche voorstelling betreft: uit <a href="#d2s35">Stelling + XXXV van dit Deel</a> blijkt dat de eerste zich verhoudt tot + de tweede als iets bestaands tot iets niet-bestaands. De + oorzaken der valschheid echter heb ik van <a href="#d2s19">Stelling XIX</a> af + tot <a href="#d2s35">Stelling XXXV</a> met de Opmerking daarbij ten + duidelijkste blootgelegd. Waaruit tevens blijkt welk + onderscheid er is tusschen een mensch die ware en een die + uitsluitend valsche voorstellingen heeft. Wat eindelijk + het laatste punt betreft: namelijk hoe iemand kan weten + dat hij een voorstelling heeft welke aan het door haar + voorgestelde beantwoordt: ik heb zooeven meer dan + voldoende aangetoond dat dit alleen een gevolg hiervan is + dàt hij een voorstelling heeft welke met het door haar + voorgestelde overeenkomt, ofwel doordat de waarheid toets + is van zichzelf. Voeg hierbij nog dat onze Geest, + voorzoover hij de dingen naar waarheid waarneemt een deel + is van het oneindige verstand Gods (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI + v.d. D.</a></i>) dan zal men moeten inzien dat de heldere en + duidelijke voorstellingen van den Geest noodzakelijk even + waar zijn als de voorstellingen Gods.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s44"> +<p><i>Stelling XLIV.</i></p> + +<p>Het ligt niet in den aard der Rede de dingen als toevallig, wel +echter ze als noodzakelijk te beschouwen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het behoort tot den aard der Rede de dingen naar waarheid waar te +nemen (<i>vlg. <a href="#d2s41">St. XLI v.d. D.</a></i>), namelijk +(<i>vlg. <a href="#d1a6">Axioma VI D. I</a></i>) +zooals zij op zichzelf zijn, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s29">St. XXIX D. I</a></i>) niet +als toevallig, maar als noodwendig. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt dat het uitsluitend van de + verbeelding [voorstelling] afhangt dat wij dingen, zoowel + ten opzichte van het verleden als van de toekomst, als + toevallig beschouwen.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d2s44o"> + <p><i>Opmerking:</i> Op welke wijze nu dit geschiedt, zal ik met + enkele woorden verklaren. Wij hebben hierboven (<i><a href="#d2s17">St. XVII</a> + met <a href="#d2s17g">Gevolg v.d. D.</a></i>) aangetoond dat de Geest zich de + dingen, ook al bestaan zij niet, toch steeds als aanwezig + voorstelt, zoolang er zich geen oorzaken voordoen welke + hunne aanwezigheid buiten sluiten. Voorts hebben wij + (<i><a href="#d2s18">St. XVIII v.d. D.</a></i>) aangetoond, dat indien het + menschelijk Lichaam ééns gelijktijdig van twee uitwendige + voorwerpen inwerking onderging, de Geest, wanneer hij + zich later één dier voorwerpen voorstelt, zich terzelfder + tijd ook het andere herinnert, d.w.z. dat hij beide + voorwerpen als aanwezig beschouwt, tenzij er zich + oorzaken voordoen welke hunne aanwezigheid buiten + sluiten. Bovendien twijfelt niemand er aan dat wij ons + ook den tijd voorstellen kunnen, en wel doordat wij ons + voorstellen dat sommige voorwerpen langzamer of sneller + of even snel bewegen als andere. Onderstellen wij nu eens + een knaap, die gisteren des morgens Petrus, des middags + Paulus en des avonds Simeon, ieder voor het eerst, gezien + heeft en die nu hedenmorgen wederom Petrus zag. Uit + <a href="#d2s18">Stelling XVIII van dit Deel</a> is het duidelijk dat hij, + zoodra hij het morgenlicht waarneemt, zich zal + voorstellen dat de zon hetzelfde gedeelte van den hemel + zal doorloopen als den vorigen dag, m.a.w. dat hij zich + den geheelen dag zal voorstellen en tevens met den morgen + Petrus, met den middag Paulus en met den avond Simeon. + D.w.z. dat hij zich het bestaan van Paulus en Simeon zal + verbeelden in betrekking tot den toekomstigen tijd. + Omgekeerd zal hij, wanneer hij des avonds Simeon ziet, + zich Paulus en Petrus voorstellen in het verleden, + doordat hij zich hen voorstelt gelijktijdig met een reeds + vervlogen tijd. En dit des te regelmatiger naarmate hij + hen vaker in deze zelfde volgorde heeft gezien. Gebeurt + het nu echter eens dat hij op een avond Jacobus ziet + inplaats van Simeon, dan zal hij zich den volgenden + morgen, bij het denken aan den avond, nu eens Simeon, dan + weer Jacobus voorstellen, niet echter beiden tegelijk. + Immers er werd ondersteld dat hij des avonds slechts een + van beiden, niet echter beiden tegelijk gezien had. Zijn + verbeelding zal dus weifelen en zich met den komenden + avond nu dezen dan weer genen voorstellen; d.w.z. hij zal + de komst van geen van beiden als zéker, doch van elk van + hen als "toevallig" [mogelijk] beschouwen. En deze + onzekerheid der verbeelding zal dezelfde zijn als het de + voorstelling van dingen betreft welke wij op dezelfde + wijze in betrekking tot het verleden of het heden + beschouwen. Bijgevolg zullen wij ons de dingen, zoowel + tenopzichte van het heden, als tenopzichte van het + verleden of van de toekomst, als toevallig kunnen + voorstellen.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d2s44g2"> + <p><i>Gevolg II:</i> Het ligt in den aard der Rede, de dingen in + een of ander opzicht te beschouwen uit het gezichtspunt + der eeuwigheid.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Immers het ligt (<i>vlg. <a href="#d2s44">voorgaande St.</a></i>) in den aard der + Rede, de dingen als noodwendig en niet als toevallig te + beschouwen. Deze noodwendigheid der dingen echter vat zij + (<i>vlg. <a href="#d2s41">St. XLI v.d. D.</a></i>) naar waarheid op, d.w.z. (<i>vlg. + <a href="#d1a6">Axioma VI v. D. I</a></i>) zooals zij werkelijk is. Maar deze + noodwendigheid der dingen is (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI D. I.</a></i>) de + noodwendigheid zelve van Gods eeuwigen aard. Derhalve + ligt het in den aard der Rede de dingen in dit opzicht te + beschouwen uit het gezichtspunt der eeuwigheid. Daarbij + komt dat de grondslagen der Rede (<i>vlg. <a href="#d2s38">St. XXXVIII v.d. + D.</a></i>) begrippen zijn, welke uitdrukken wat aan alle dingen + gemeen is, en welke (<i>vlg. <a href="#d2s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>) niet het + wezen van eenig bijzonder ding verklaren; zoodat ook deze + begrippen zonder eenig verband met den tijd, dus uit het + gezichtspunt der eeuwigheid moeten worden opgevat. + H.t.b.w.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s45"> +<p><i>Stelling XLV.</i></p> + +<p>Elke voorstelling van elk voorwerp of bijzonder, werkelijk +bestaand ding, sluit Gods eeuwige en oneindige wezen noodzakelijk +in zich.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De voorstelling van een bijzonder, werkelijk bestaand ding, sluit +(<i>vlg. <a href="#d2s8g">Gevolg St. VIII v.d. D.</a></i>) zoowel het wezen als het bestaan +van dit ding noodzakelijk in zich. Maar de bijzondere dingen zijn +(<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a></i>) zonder God niet denkbaar; en aangezien zij +(<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI v.d. D.</a></i>) God tot oorzaak hebben voorzoover hij +gedacht wordt zich te openbaren in dàt attribuut waarvan die +dingen zelf bestaanswijzen zijn, moeten (<i>vlg. <a href="#d1a4">Axioma IV D. I</a></i>) +hun voorstellingen ook noodzakelijk het begrip van hun attribuut, +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d6">Definitie VI D. I</a></i>) Gods eeuwige en oneindige wezen +in zich sluiten. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Ik versta hier onder "bestaan" niet den + "duur", d.w.z. niet het bestaan in afgetrokken zin, als + een soort van hoegrootheid opgevat. Maar ik spreek van + den eigenlijken aard des bestaans, welke aan de + bijzondere dingen dáárom wordt toegekend wijl uit de + eeuwige noodwendigheid van Gods aard oneindig veel dingen + op oneindig veel wijzen voortvloeien (<i>zie <a href="#d1s16">St. XVI D. + I</a></i>). Ik spreek, zeg ik, van het bestaan der bijzondere + dingen voorzoover zij in God zijn. Want ofschoon elk van + hen door een ander bijzonder ding tot een bepaalde wijze + van bestaan genoodzaakt wordt, vloeit toch de kracht + waardoor elk in zijn bestaan volhardt, uit de eeuwige + noodwendigheid van Gods aard voort. Men zie hierover het + <i><a href="#d1s24g">Gevolg van Stelling XXIV Deel I</a></i>.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s46"> +<p><i>Stelling XLVI.</i></p> + +<p>De kennis van het eeuwige en oneindige wezen Gods, welke in +iedere voorstelling ligt opgesloten, is adaequaat en volmaakt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het bewijs der voorgaande stelling is algemeen. Of een ding als +deel dan wel als geheel beschouwd wordt, zijn voorstelling, +hetzij van dit deel of van dit geheel, sluit (<i>vlg. <a href="#d2s45">voorgaande +St.</a></i>) Gods eeuwige en oneindige wezen in zich. Vandaar dat al wat +ons kennis van het eeuwige en oneindige wezen Gods verschaft, aan +alle dingen gemeen en gelijkelijk in een deel als in het geheel +aanwezig is. Derhalve moet (<i>vlg. <a href="#d2s38">St. XXXVIII v.d. D.</a></i>) deze +kennis adaequaat zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d2s47"> +<p><i>Stelling XLVII.</i></p> + +<p>De menschelijke Geest bezit adaequate kennis omtrent het eeuwige +en oneindige wezen Gods.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De menschelijke Geest heeft (<i>vlg. <a href="#d2s22">St. XXII v.d. D.</a></i>) +voorstellingen, waardoor hij (<i>vlg. <a href="#d2s23">St. XXIII v.d. D.</a></i>) zoowel +zichzelf, als (<i>vlg. <a href="#d2s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) zijn eigen Lichaam, en +(<i>vlg. <a href="#d2s16g1">Gevolg I St. XVI</a> en +<a href="#d2s17">St. XVII v.d. D.</a></i>) de uitwendige +voorwerpen als werkelijk bestaande waarneemt. Derhalve heeft hij +(<i>vlg. <a href="#d2s45">St. XLV</a> en +<a href="#d2s46">XLVI v.d. D.</a></i>) adaequate kennis van het eeuwige +en oneindige wezen Gods. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d2s47o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij zien hieruit dat Gods oneindige wezen en + zijn eeuwigheid aan ieder bekend zijn. Daar nu alles in + God is en uit God moet worden begrepen, volgt daaruit dat + wij uit deze kennis velerlei kunnen afleiden dat wij + adaequaat kennen, en dat wij zoodoende die derde soort + van kennis kunnen vormen waarover ik in <a href="#d2s40o2"><i>Opmerking II</i> + van <i>Stelling XL van dit Deel</i></a> heb gesproken, en over + welker voortreffelijkheid en nut ik in <a href="#deel5">het Vijfde Deel</a> + gelegenheid zal vinden te handelen. Dat de menschen + evenwel niet een even heldere kennis hebben van God als + van algemeen erkende begrippen, is een gevolg daarvan dat + men zich God niet als beeld kan voorstellen gelijk + voorwerpen, maar dat men toch het woord "God" verbindt + aan verbeeldingen omtrent dingen welke men gewoon is te + zien; hetgeen voor menschen, wijl zij voortdurend + inwerkingen van uitwendige voorwerpen ondergaan, wel + nauwelijks te vermijden is.</p> + + <p>Inderdaad, de meeste dwalingen komen slechts daarop neer + dat wij de dingen niet bij den juisten naam noemen. + Immers wanneer iemand zegt dat de lijnen, uit het + middelpunt van een cirkel naar den omtrek getrokken, + ongelijk van lengte zijn, dan verstaat hij, althans op + dit oogenblik, stellig iets anders onder een cirkel dan + de wiskundigen. Zoo hebben zij, die zich bij het rekenen + vergissen, andere getallen in den geest dan op het + papier. Voor zoover men dus hun geest beschouwt, dwalen + zij inderdaad niet; nochtans schijnen zij te dwalen, + omdat wij meenen dat zij in hun geest dezelfde getallen + hebben als op het papier. Ware dit niet zoo dan zouden + wij ook volstrekt niet meenen dat zij zich vergissen; + evenmin als ik meende dat de man dwaalde, dien ik onlangs + hoorde uitroepen dat zijn erf op zijns buurmans kip + gevlogen was, aangezien ik duidelijk genoeg begreep wat + hij bedoelde. Hieruit ontspringen ook de meeste + meeningsverschillen, namelijk doordat de menschen òf hun + eigen gedachten niet juist uitdrukken òf de bedoelingen + van anderen verkeerd uitleggen. Want terwijl zij elkaar + grootelijks tegenspreken, denken zij in werkelijkheid òf + beiden hetzelfde òf elk over iets anders, zoodat de + dwalingen en ongerijmdheden welke zij bij elkaar + veronderstellen, in het geheel niet bestaan.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s48"> +<p><i>Stelling XLVIII.</i></p> + +<p>Er bestaat in den Geest geen +onvoorwaardelijke<a href="#aanteken22">[a22]</a> of vrije wil; +doch de Geest wordt genoopt dit of dat te willen door een oorzaak +welke eveneens door een andere oorzaak bepaald is, en deze +wederom door een andere, en zoo tot in het oneindige.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De Geest is (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI v.d. D.</a></i>) een zekere bepaalde +bestaanswijze van het Denken en kan dus (<i>vlg. <a href="#d1s17g1">Gevolg II St. XVII +D. I</a></i>) niet de vrije oorzaak zijner handelingen zijn ofwel een +absoluut vermogen tot willen of niet-willen bezitten. Om dit of +dat te willen moet hij dus (<i>vlg. <a href="#d1s28">XXVIII D. I</a></i>) genoopt worden +door een oorzaak, welke zelf eveneens door een andere oorzaak +bepaald wordt, deze wederom door een andere en zoo tot in het +oneindige. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d2s48o"> + <p><i>Opmerking:</i> Op dezelfde wijze wordt bewezen dat er in + den Geest geen absoluut vermogen bestaat om te begrijpen, + te begeeren, lief te hebben enz. waaruit volgt dat deze + en soortgelijke vermogens òf geheel en al inbeeldingen + zijn òf wel metaphysische of algemeene wezens [begrippen] + welke wij uit bijzondere verschijnselen plegen te vormen. + Verstand en wil verhouden zich dus tot deze of gene + willing<a id="aantag42" href="#aanteken42">[A42]</a> + op dezelfde wijze als de "steenheid" tot + dezen of genen steen, of als "de mensch" tot Petrus en + Paulus. De reden overigens, waarom de menschen wanen dat + zij vrij zijn, hebben wij reeds in <a href="#d1n">het Aanhangsel van + Deel I</a> uiteen gezet.</p> + + <p>Voor ik evenwel verder ga is het hier de plaats op te + merken, dat ik onder "Wil" versta het vermogen om te + bevestigen of te ontkennen, niet echter de begeerte. Het + vermogen, zeg ik, waardoor de Geest bevestigt of ontkent + wat waar of valsch is, doch niet de begeerte, waardoor de + Geest naar de dingen streeft of zich ervan afwendt. Maar + nu wij hebben aangetoond dat deze vermogens algemeene + begrippen zijn, welke zich niet onderscheiden van de + bijzondere [voorstellingen] waaruit wij ze vormen, hebben + wij thans te onderzoeken of die willingen zelf wel iets + anders zijn dan voorstellingen der dingen zelf. Er zal + dus, zeg ik, moeten worden onderzocht of er in den Geest + nog een andere bevestiging of ontkenning bestaat dan die + welke een voorstelling, voorzoover zij alleen + voorstelling is, reeds in zich sluit. Men zie hierover <a href="#d2s49">de + volgende Stelling</a>, evenals <a href="#d2d3">Definitie III van dit Deel</a>, + opdat men hier niet denke aan afbeeldingen. Immers onder + voorstellingen versta ik niet beelden zooals zij op den + achtergrond van het oog, of zoo men wil, midden in de + hersenen gevormd worden, maar begrippen van het Denken.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d2s49"> +<p><i>Stelling XLIX.</i></p> + +<p>Er bestaat in den Geest geenerlei willing, of bevestiging en +ontkenning, buiten die welke in de voorstelling, voorzoover zij +voorstelling is, ligt opgesloten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Er bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s48">voorgaande St.</a></i>) in den Geest geen op zichzelf +staand vermogen tot willen of niet-willen, maar slechts +bijzondere willingen, namelijk deze of gene bevestiging of deze +of gene ontkenning. Nemen wij nu eens een bijzondere willing, +bijvoorbeeld die wijze van Denken waarbij de Geest bevestigt dat +de drie hoeken van een driehoek gelijk zijn aan twee rechten. +Deze bevestiging sluit het begrip of de voorstelling van den +driehoek in zich, d.w.z. zonder de voorstelling van den driehoek +is zij niet denkbaar. Bovendien is deze bevestiging (<i>vlg. <a href="#d2a3">Axioma +III v.d. D.</a></i>) zonder de voorstelling van den driehoek ook niet +bestaanbaar. Genoemde bevestiging is dus zonder de voorstelling +van den driehoek noch bestaanbaar noch denkbaar. Voorts moet de +voorstelling van den driehoek deze zelfde bevestiging in zich +sluiten, namelijk dat zijn drie hoeken gelijk zijn aan twee +rechten. Zoodat ook omgekeerd de voorstelling van den driehoek +zonder deze bevestiging noch bestaanbaar noch denkbaar is. +Derhalve behoort deze bevestiging (<i>vlg. <a href="#d2d2">Definitie II v.d. D.</a></i>) +tot het wezen der voorstelling van den driehoek, ja, is zij niets +anders dan deze voorstelling zelf. En wat wij van déze willing +gezegd hebben geldt (<i>aangezien wij haar willekeurig kozen</i>) ook +voor iedere andere willing, namelijk dat zij niets anders is dan +de voorstelling zelf. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Wil en Verstand zijn één en hetzelfde.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Wil en Verstand zijn + (<i>vlg. <a href="#d2s48">St. XLVIII</a> en <a href="#d2s48o">Opmerking v.d. + D.</a></i>) niets anders dan bijzondere willingen en + voorstellingen. Maar bijzondere willingen en + voorstellingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2s49">de voorgaande St.</a></i>) + één en + hetzelfde. Derhalve zijn ook Wil en Verstand één en + hetzelfde. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d2s49o"> + <p><i>Opmerking:</i> Hiermede hebben wij opgeheven wat gemeenlijk + voor oorzaak der dwaling wordt gehouden. Vroeger toch + hebben wij aangetoond dat valschheid uitsluitend bestaat + in een gemis dat gebrekkige en verwarde voorstellingen + kenmerkt. Waarom dan ook een valsche voorstelling, + voorzoover zij valsch is, geen zekerheid in zich sluit. + Wanneer wij daarom zeggen dat iemand zich bij een + onwaarheid neerlegt en niet aan de waarheid ervan + twijfelt, zoo zeggen wij daarmede niet dat hij zéker is, + maar alleen dat hij niet twijfelt of dat hij zich bij + onwaarheid neerlegt, omdat er geen oorzaken gegeven zijn + welke zijn voorstellingsvermogen aan het wankelen konden + brengen. (<i>Zie hierover <a href="#d2s44o">de Opmerking bij St. XLIV v.d. + D.</a></i>). Hoezeer wij dan ook aan valsche voorstellingen + mogen vasthouden, toch zullen wij nooit kunnen zeggen dat + wij er zeker van zijn, want onder zekerheid verstaan wij + iets positiefs (<i>zie <a href="#d2s43">St. XLIII</a> + en <a href="#d2s43o">Opmerking v.d. D.</a></i>), + niet echter afwezigheid van twijfel. Onder gemis van + zekerheid echter verstaan wij valschheid.</p> + + <p>Tot nadere verklaring der voorgaande stelling evenwel + rest ons nog een en ander in herinnering te brengen. + Voorts zal ik moeten antwoorden op de tegenwerpingen + welke men tegen deze onze leer zou kunnen inbrengen en + tenslotte acht ik het, om alle bezwaren uit den weg te + ruimen, der moeite waard sommige voordeelen dezer leer in + het licht te stellen. Sommige, zeg ik, want de + belangrijkste zullen beter worden begrepen uit hetgeen + wij in <a href="#deel5">het Vijfde Deel</a> zullen behandelen.</p> + + <p>Ik begin dus met het eerste en verzoek den lezer + nauwlettend te onderscheiden tusschen "voorstelling" of + begrip van den Geest en "beelden" der dingen welke wij + ons verbeelden<a href="#aanteken16">[a16]</a>. + Voorts is het noodig dat men + onderscheide tusschen voorstellingen en de woorden, + waardoor wij de dingen aanduiden. Want aangezien deze + drie, namelijk verbeeldingen, woorden en voorstellingen + door velen òf geheel en al met elkaar verward òf niet + nauwlettend genoeg, òf eindelijk niet voorzichtig genoeg + worden onderscheiden, zijn zij volkomen onkundig omtrent + deze leer van den Wil, welke nochtans zoo hoog noodig is, + zoowel voor bespiegeling als voor een wijze inrichting + des levens. Immers diegenen die meenen dat de + voorstellingen "beelden" zijn, welke door de aanraking + met voorwerpen in ons gevormd worden, maken zich wijs dat + zoodanige voorstellingen van dingen, waarvan zij zich + geen gelijkend beeld kunnen vormen, geen werkelijke + voorstellingen zijn, maar slechts verzinsels, welke wij + krachtens het vrije oordeel van den wil verzinnen. Zij + beschouwen dus de voorstellingen als stomme schilderijen + op een paneel en, geheel vervuld met dit vooroordeel, + zien zij niet in dat een voorstelling, voorzoover zij + voorstelling is, een bevestiging of ontkenning in zich + sluit. Diegenen verder, die woorden met een voorstelling + verwarren of met de bevestiging zelf welke in die + voorstelling besloten ligt, meenen dat zij iets kunnen + willen tegen wat zij gevoelen [waarnemen] in; wanneer zij + namelijk iets met woorden bevestigen of ontkennen tegen + hun gevoelen [waarneming] in. Wie echter op den aard van + het denken let, welke het begrip der Uitgebreidheid in + het minst niet in zich sluit, zal deze vooroordeelen + gemakkelijk kunnen uitroeien en duidelijk inzien dat een + voorstelling (welke immers een openbaring van het Denken + is) noch in een beeld van een of ander ding, noch in een + woord kan bestaan. Het wezen toch van beelden of woorden + bestaat alleen uit lichamelijke bewegingen, welke het + begrip van het Denken in het geheel niet in zich sluiten.</p> + + <p>Deze enkele opmerkingen mogen hieromtrent volstaan, + zoodat ik tot de bovenbedoelde tegenwerpingen overga. De + eerste hiervan is dat men als vaststaand aanneemt dat de + Wil zich verder uitstrekt dan het Verstand en dus daarvan + onderscheiden is. De reden echter waarom men meent dat de + Wil zich verder uitstrekt dan het Verstand is deze dat de + ervaring den menschen, naar zij zeggen, heeft geleerd dat + zij niet een grooter vermogen tot bevestigen of ontkennen + dan zij reeds bezitten noodig hebben, om te kunnen + oordeelen over het oneindig aantal dingen welke wij niet + waarnemen, maar wèl een grooter vermogen tot begrijpen. + De Wil onderscheidt zich dus van het Verstand daarin dat + het laatste eindig, de eerste oneindig is.</p> + + <p>Ten tweede kan ons worden tegengeworpen dat de ervaring + niets duidelijker schijnt te leeren dan dat wij ons + oordeel kunnen opschorten, d.w.z. dat wij de dingen welke + wij waarnemen niet <i>behoeven</i> te beamen. Hetgeen + bevestigd wordt door het feit dat men van niemand zegt + dat hij dwaalt voorzoover hij iets waarneemt, doch alleen + voorzoover hij bevestigt of ontkent. Zoo beweert iemand, + die zich een gevleugeld paard verbeeldt, daardoor nog + niet dat er een gevleugeld paard bestaat; d.w.z. hij + dwaalt niet, tenzij hij tevens aanneemt dat er + gevleugelde paarden zijn. Niets schijnt dus de ervaring + duidelijker te leeren, dan dat de Wil, of het vermogen om + te beamen, vrij is en verschilt van het vermogen om te + begrijpen.</p> + + <p>Ten derde kan men tegen ons inbrengen dat de eene + bevestiging niet méér werkelijkheid schijnt te bevatten + dan de andere, d.w.z. dat wij geen grooter vermogen + [oordeelskracht] schijnen noodig te hebben om te beamen + dat waar is wat waar is, dan om te beamen dat waar is wat + valsch is. Maar wij nemen waar dat de eene voorstelling + meer werkelijkheid of volmaaktheid heeft dan de andere; + immers zooveel voortreffelijker een voorwerp is boven + andere, zooveel volmaakter zal ook zìjn voorstelling zijn + dan die van die andere en ook daardoor schijnt het dat er + werkelijk verschil tusschen Wil en Verstand bestaat.</p> + + <p>Ten vierde kan men tegenwerpen: indien de mensch niet + krachtens zijn wilsvrijheid handelt, wat zal er dan + gebeuren wanneer iemand in evenwicht verkeerd, gelijk de + ezel van Buridan?<a id="aantag43" href="#aanteken43">[A43]</a> + Zal hij van honger en dorst + omkomen? Als ik dit beaam, zal het schijnen of ik eer een + ezel of een standbeeld, dan een mensch op het oog heb. + Ontken ik het echter, dan geef ik tevens toe dat hij dus + zichzelf bepaalt en bijgevolg het vermogen bezit om te + gaan waarheen en te doen wat hij maar wil.</p> + + <p>Wellicht kan behalve dit alles nog meer worden + aangevoerd, maar aangezien ik niet gehouden ben dingen op + te nemen die ieder wel kan + droomen<a id="aantag44" href="#aanteken44">[A44]</a>, zal ik mij + alleen de moeite geven op de bovenstaande bezwaren te + antwoorden, en dat wel zoo kort mogelijk.</p> + + <p>Wat nu het eerste betreft; zoo moet ik toegeven dat de + Wil zich inderdaad verder uitstrekt dan het Verstand, + indien men onder Verstand niets anders verstaat dan + heldere en duidelijke voorstellingen; maar ik ontken dat + de Wil zich verder zou uitstrekken dan de waarneming + [perceptie]<a href="#aanteken24">[a24]</a>, + of het vermogen om de dingen op te + vatten [concipeeren] en evenmin zie ik in waarom het + vermogen om te willen eerder onbegrensd zou zijn dan het + vermogen om waar te nemen. Immers evenals wij met + hetzelfde wilsvermogen oneindig veel dingen kunnen beamen + (hoewel slechts na elkaar, want oneindig veel dingen + tegelijk beamen kunnen wij niet), evenzoo kunnen wij + oneindig vele voorwerpen (mits na elkaar) met hetzelfde + waarnemingsvermogen waarnemen of in ons opnemen. Zegt men + nu dat er oneindig veel dingen zijn welke wij niet kunnen + waarnemen, dan antwoord ik dat men die dingen dan ook + door geen enkele soort van Denken en bijgevolg ook niet + met het wilsvermogen kan benaderen. Nu zegt men wel dat + God, indien hij wilde bewerken dat wij ook dìe dingen + waarnamen, ons slechts een grooter waarnemingsvermogen + zou behoeven te schenken, doch niet een grooter + wilsvermogen dan hij ons reeds gaf. Maar dit is hetzelfde + alsof men zeide dat God, indien hij wilde bewerken dat + wij oneindig vele andere wezens begrepen, ons, om die + oneindig vele wezens te kunnen omvatten, slechts een + grooter Verstand behoefde te geven, doch niet een wijder + voorstelling van het Zijnde dan hij reeds gaf. Wij hebben + immers aangetoond dat de Wil een algemeen begrip is, + ofwel een voorstelling welke alle afzonderlijke + willingen, d.w.z. datgene wat aan hen allen gemeen is, + omvat. En aangezien men nu meent dat dit aan alle + willingen gemeenschappelijke, of wel deze algemeene + voorstelling, een "vermogen" is, valt het allerminst te + verwonderen wanneer men beweert dat dit vermogen zich tot + in het oneindige buiten de grenzen van het Verstand + uitstrekt. Het algemeene toch is zoowel op één ding, als + op meerdere en zelfs oneindig veel enkeldingen + toepasselijk.</p> + + <p>Op de tweede tegenwerping antwoord ik door te ontkennen + dat wij het vrije vermogen hebben om ons oordeel op te + schorten. Immers wanneer wij beweren dat iemand zijn + oordeel opschort, zeggen wij niets anders dan dat hij + inziet dat hij de zaak nog niet adaequaat heeft + waargenomen [begrepen]. De opschorting van zijn oordeel + was dus in werkelijkheid een waarneming en geen vrij + wilsbesluit. Laten wij ons, om dit duidelijk te doen + begrijpen, eens een knaap voorstellen, die zich een paard + verbeeldt en daarbij niets anders waarneemt. Aangezien + deze verbeelding van een paard (<i>vlg. <a href="#d2s17g">Gevolg St. XVII + v.d. D.</a></i>) het bestaan in zich sluit en die knaap niets + waarneemt dat het bestaan van dit paard opheft, zal hij + noodzakelijk dit paard als aanwezig beschouwen en aan het + bestaan ervan niet kunnen twijfelen, ofschoon hij er ook + niet zeker van is. Wij ervaren dit dagelijks in den + droom; ik geloof niet dat er één mensch is die meent dat + hij, terwijl hij droomt, het willekeurig in zijn macht + heeft om zijn oordeel omtrent de dingen welke hij droomt, + op te schorten en te bewerken dat hij datgene wat hij + droomt te zien nìet droomt. Nochtans komt het voor dat + wij ook in den droom ons oordeel opschorten, wanneer wij + namelijk droomen dàt wij + droomen<a id="aantag45" href="#aanteken45">[A45]</a>. Voorts geef ik toe + dat niemand zich vergist voorzoover hij [iets] waarneemt, + d.w.z. ik geef toe dat de verbeeldingen van den Geest op + zichzelf beschouwd geenerlei dwaling in zich sluiten + (<i>zie <a href="#d2s17o">de Opmerking bij St. XVII v.d. D.</a></i>); maar ik ontken + dat de mensch, voorzoover hij waarneemt, niets zou + beamen. Wat toch is het waarnemen van een gevleugeld + paard anders dan beamen dat dit paard vleugels heeft? + Immers indien de Geest behalve het gevleugelde paard + niets anders waarnam, zou hij het als aanwezig beschouwen + en geen enkele reden hebben om aan zijn bestaan te + twijfelen, nog zelfs in staat zijn om iets anders te + denken, voordat die verbeelding van het gevleugelde paard + verbonden werd aan een voorstelling welke het bestaan van + dit paard ophief, of voordat hij waarnam dat de + voorstelling welke hij van het gevleugelde paard had, + inadaequaat was. Eerst dan zal hij òf het bestaan van dit + paard noodzakelijk ontkennen, òf er noodzakelijk aan + twijfelen.</p> + + <p>Ik meen hiermede tevens op de derde tegenwerping te + hebben geantwoord: door nl. te erkennen dat de Wil iets + algemeens is, dat aan alle voorstellingen toekomt, dat + slechts aanduidt wat aan alle voorstellingen gemeen is, + nl. de bevestiging; welker adaequate wezen derhalve, + aldus afgetrokken beschouwd, in elke voorstelling + aanwezig moet zijn en alleen in dit opzicht in allen + hetzelfde is; niet echter voorzoover zij wordt opgevat + als uitmakende het wezen van de voorstelling zelf, want + in dit opzicht verschillen de afzonderlijke bevestigingen + evenveel van elkaar als de voorstellingen. Zoo verschilt + bijv. de bevestiging welke in de voorstelling van een + cirkel ligt besloten evenzeer van die welke in de + voorstelling van een driehoek besloten ligt als de + voorstelling des cirkels van de voorstelling des + driehoeks. Voorts ontken ik ten eenenmale dat wij + eenzelfde denkkracht zouden behoeven om te beamen dat wat + waar is waar is, als om te beamen dat waar is wat valsch + is. Want deze twee bevestigingen staan, voorzoover den + Geest betreft, tot elkaar als een bestaand iets tot een + niet-bestaand. Immers in de voorstellingen is niets + positiefs dat het wezen der valschheid uitmaakt (<i>zie <a href="#d2s35">St. + XXXV</a> en <a href="#d2s35o">Opmerking v.d. D.</a> en + <a href="#d2s47o">Opmerking v. St. XLVII v.d. + D.</a></i>). Waarom hier dan ook in de eerste plaats valt op te + merken hoe licht wij bedrogen uitkomen wanneer wij + algemeene begrippen met bijzondere, of abstracte, slechts + gedachte dingen met werkelijke verwarren.</p> + + <p>Wat eindelijk de vierde tegenwerping aangaat: ik geef + volkomen toe dat een mensch die in een dergelijk + evenwicht geplaatst is (die namelijk niets anders gevoelt + dan dorst en honger en niets anders waarneemt dan een + bepaalde spijs en drank welke evenver van hem verwijderd + zijn), van honger en dorst moet omkomen. En vraagt men + mij of zulk een mensch niet veeleer voor een ezel dan + voor een mensch gehouden moet worden, dan antwoord ik dat + ik dit niet weet, zooals ik óók niet weet hoe hoog ik + iemand moet stellen die zich ophangt of hoe hoog ik + kinderen, idioten, krankzinnigen enz. moet aanslaan.</p> + + <p>Er rest thans nog aan te duiden, hoezeer de kennis van + deze leer van nut is voor het [praktisch] leven, hetgeen + gemakkelijk uit het volgende blijkt:</p> + + <p>Ten eerste leert zij ons namelijk dat wij alleen + krachtens Gods besluit handelen en deel hebben aan den + goddelijken aard en dat wel des te meer, hoe volmaakter + daden wij verrichten en hoe meer en meer wij God + begrijpen. Deze leer heeft dus, behalve dat zij onze ziel + volkomen rustig maakt, nog dit voordeel dat zij ons leert + waarin ons hoogste geluk of onze zaligheid bestaat, + namelijk uitsluitend in de kennis van God, welke ons + alleen tot die handelingen drijft welke liefde en + vroomheid<a id="aantag46" href="#aanteken46">[A46]</a> + van ons verlangen. Hieruit zien wij + duidelijk hoezeer diegenen van de waarachtige waardeering + der deugd afdwalen, die verwachten voor hun deugdzaamheid + en goede daden, als voor de diepste onderdanigheid, door + God met de hoogste belooningen te zullen worden + onderscheiden, alsof de deugdzaamheid en het dienen van + God niet reeds zelf het geluk en de hoogste vrijheid + waren.</p> + + <p>Ten tweede leert zij ons op welke wijze wij ons hebben te + gedragen ten opzichte van de dingen der fortuin, ofwel + van de dingen welke niet in onze macht staan, d.w.z. + welke niet uit onzen eigen aard voortvloeien. Te weten, + dat wij in gelijkmoedigheid beide kansen van het lot + moeten afwachten en dragen, en wel omdat alles uit Gods + eeuwig raadsbesluit voortvloeit met dezelfde + noodwendigheid als uit het wezen van den driehoek volgt + dat zijn drie hoeken gelijk zijn aan twee rechten.</p> + + <p>Ten derde is deze leer van belang voor het + maatschappelijk leven, voorzoover zij leert niemand te + haten, te verachten, te bespotten, te toornen of te + benijden. Voorts voorzoover zij leert dat elk met het + zijne tevreden zij en zijnen naaste tot steun; niet uit + vrouwelijke weekhartigheid, partijdigheid of bijgeloof, + maar uitsluitend op gezag der Rede, naar gelang namelijk + tijd en omstandigheden eischen, gelijk ik in het + Vierde<a id="aantag47" href="#aanteken47">[A47]</a> + Deel zal aantoonen.</p> + + <p>Ten vierde eindelijk is deze leer van niet geringe + beteekenis voor de gemeenschap, voorzoover zij namelijk + leert op welke wijze de burgers geleid en geregeerd + moeten worden, te weten niet als slaven, maar zóó dat zij + vrijwillig doen wat het beste voor hen is.</p> + + <p>En hiermede heb ik dan afgedaan wat ik mij voorstelde in + deze Opmerking te behandelen en maak ik tevens een einde + aan dit Tweede Deel, waarin ik vermeen den aard en de + eigenschappen van den menschelijken Geest breedvoerig + genoeg, en voorzoover de moeilijkheid van het onderwerp + gedoogde, ook duidelijk genoeg te hebben uiteengezet en + dingen te hebben gezegd waaruit vele treffelijke, hoogst + nuttige en voor onze kennis noodzakelijke + gevolgtrekkingen zijn af te leiden, gelijk voor een deel + uit het volgende nog zal blijken.</p> + </div> + + +<h4><i>Einde van het Tweede Deel.</i></h4> + + + + +<hr id="deel3" /> + +<h3 class="lined">III. OVER OORSPRONG EN AARD DER AANDOENINGEN</h3> + +<hr /> + + +<p>De meesten die over de aandoeningen en de levenswijze der +menschen geschreven hebben, schijnen niet over natuurlijke +dingen, welke de gewone wetten der Natuur volgen, doch over +dingen, welke buiten de Natuur staan te handelen. Ja, zij +schijnen den mensch in de Natuur te beschouwen als een +zelfstandigen staat binnen een anderen staat. Immers zij nemen +aan dat de mensch de orde der Natuur eer verstoort dan volgt, dat +hij volstrekte macht heeft over zijn handelingen en dat hij door +niets anders dan door zichzelf wordt bepaald. Voorts schrijven +zij de oorzaak der menschelijke moedeloosheid en +onstandvastigheid niet toe aan de gewone macht der Natuur, maar +aan ik weet niet welk gebrek in den menschelijken aard, dat zij +daarom bejammeren, bespotten, minachten, of, wat het meest +voorkomt, verdoemen. Wie het welsprekendst en het scherpst de +machteloosheid van den menschelijken Geest weet te hekelen, wordt +voor een soort van godheid gehouden. Nu heeft het wel niet +ontbroken aan zeer voortreffelijke mannen (aan wier arbeid en +ijver wij erkennen veel verschuldigd te zijn), die vele +uitmuntende dingen geschreven hebben over de juiste manier van +leven en die den stervelingen vele wijze raadgevingen hebben +voorgehouden, maar niemand heeft nog, voorzoover ik weet, den +aard en de macht der aandoeningen en wat de Geest vermag tot hun +tempering, onderzocht en vastgesteld. Ik weet wel dat de zoo +beroemde Cartesius [Descartes], al meende hij dan ook dat de +Geest een volstrekte macht over zijn handelingen bezit, toch +getracht heeft de menschelijke aandoeningen uit hun eerste +oorzaken te verklaren en tevens den weg aan te wijzen waarop de +Geest een volstrekte heerschappij over die aandoeningen zou +kunnen verkrijgen; maar volgens mìjn gevoelen althans, heeft hij +hiermede niets anders bewezen dan de scherpte van zijn eigen +groot vernuft, gelijk ik te zijner plaatse zal aantoonen. Voor +het oogenblik toch wil ik terugkeeren tot hen die de aandoeningen +en handelingen der menschen liever verfoeien en bespotten dan +begrijpen. Het zal dezen lieden zonder twijfel verwonderlijk +toeschijnen dat ik het onderneem de gebreken en dwaasheden der +menschen volgens meetkundige methode te behandelen en dat ik in +strenge redeneering dingen wil bewijzen, welke, naar zij luide +beweren, met de Rede in strijd, ongerijmd en afschuwelijk zijn. +Doch de reden, welke ik hiervoor heb is deze: Niets geschiedt er +in de Natuur dat aan een gebrek van haarzelf zou kunnen worden +toegeschreven. De Natuur toch is steeds dezelfde en overal ook +zijn haar kracht en macht dezelfde, d.w.z. de wetten en regelen +der Natuur, volgens welke alles geschiedt en van den eenen vorm +in den andere overgaat, zijn altijd en overal dezelfde. Derhalve +moet ook de aard van alle dingen, welke ook, uit éénzelfde +beginsel worden verklaard, namelijk uit de algemeen geldige +wetten en regelen der Natuur. Aandoeningen als haat, toorn, nijd +enz. moeten dus, op zichzelf beschouwd, uit dezelfde +noodwendigheid en dezelfde macht der Natuur voortvloeien, als de +overige bijzondere dingen; zij moeten dus bepaalde oorzaken +hebben waaruit zij verklaard kunnen worden en bepaalde +eigenschappen, welke evenzeer onze kennisneming waard zijn als de +eigenschappen van welk ander ding ook, welks beschouwing ons op +zichzelf reeds genot schenkt. Ik zal dus over den aard en de +werking der aandoeningen en de heerschappij van den Geest over +hen volgens dezelfde methode spreken als ik dit in de +voorafgaande Deelen deed over God en den Geest, en de +menschelijke handelingen en begeerten op dezelfde wijze +beschouwen alsof er sprake was van lijnen, vlakken of lichamen.</p> + + + +<h4>DEFINITIES</h4> + + +<div class="define" id="d3d1"> +<p>I. Ik noem een oorzaak <i>adaequaat</i><a href="#aanteken31">[a31]</a>, +wanneer hare uitwerking +helder en duidelijk uit haarzelf kan worden verklaard; +<i>inadaequaat</i> of gedeeltelijk daarentegen noem ik een oorzaak, +welker uitwerking niet uitsluitend uit haarzelf verklaard kan +worden.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d3d2"> +<p>II. Ik zeg dat wij <i>handelen</i>, wanneer er iets in of buiten ons +gebeurt, waarvan wijzelf de adaequate oorzaak zijn, d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d3d1">de voorgaande Definitie</a></i>) wanneer er iets in of buiten ons uit +onzen aard voortvloeit, dat uitsluitend uit dien aard helder en +duidelijk kan worden verklaard. Daarentegen zeg ik dat wij +<i>lijden</i>, wanneer er iets in ons gebeurt of wanneer er iets uit +onzen aard voortvloeit, waarvan wijzelf slechts voor een deel +oorzaak zijn.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d3d3"> +<p>III. Onder <i>Aandoeningen</i><a href="#aanteken33">[a33]</a> +versta ik de inwerkingen op het +Lichaam, waardoor zijn vermogen tot handelen wordt vermeerderd of +verminderd, bevorderd of belemmerd. Tevens versta ik daaronder de +voorstellingen dier inwerkingen.</p> + +<p>Wanneer wij dus zelf van een of andere aandoening de adaequate +oorzaak kunnen zijn, noem ik die aandoening een <i>handeling</i>, in +het andere geval een <i>lijding</i>.</p> +</div> + + + +<h4>VEREISCHTEN (Postulaten)</h4> + + +<div class="postulaat" id="d3p1"> +<p>I. Het menschelijk Lichaam kan op tal van wijzen inwerkingen +ondergaan, waardoor zijn vermogen tot handelen wordt vermeerderd +of verminderd, en evenzeer op tal van wijzen welke zijn vermogen +tot handelen noch grooter noch kleiner maken. (<i>Dit postulaat of +axioma steunt op <a href="#d2p1">postulaat I</a> en +<a href="#d2h5">de Hulpstellingen V</a> en <a href="#d2h7">VII</a>; zie +achter St. XIII D. II</i>).</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s1"> +<p><i>Stelling I.</i></p> + +<p>Bij sommige dingen handelt onze Geest, andere echter ondergaat +hij: voorzoover hij namelijk adaequate voorstellingen heeft, +handelt hij noodzakelijk, voorzoover hij daarentegen inadaequate +voorstellingen heeft, lijdt hij noodzakelijk.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De voorstellingen van iederen menschelijken Geest zijn (<i>vlg. +<a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL D. II</a></i>) voor een deel adaequaat, voor een +deel gebrekkig en verward. Voorstellingen echter welke adaequaat +zijn in een of anderen geest, zijn óók adaequaat in God, +voorzoover hij het wezen van dien geest uitmaakt (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg +St. XI D. II</a></i>). Voorstellingen verder, welke inadaequaat zijn in +den Geest, zijn (<i>vlg. <a href="#d2s11g">datzelfde Gevolg</a></i>) +tòch adaequaat in God, +niet voorzoover hij slechts het wezen van juist dien bepaalden +geest uitmaakt, maar voorzoover hij tevens de geesten van andere +dingen omvat. Voorts moet (<i>vlg. <a href="#d1s36">St. XXXVI D. I</a></i>), uit een of +andere gegeven voorstelling noodzakelijk een uitwerking +voortvloeien, van welke uitwerking God de adaequate oorzaak is +(<i>zie <a href="#d3d1">Definitie I v.d. D.</a></i>) niet voorzoover hij oneindig is, maar +voorzoover hij wordt beschouwd als zich openbarende in die +gegeven voorstelling. (<i>Zie <a href="#d2s9">St. IX D. II</a></i>). Van deze uitwerking +evenwel, welker oorzaak God is, voorzoover hij zich openbaart in +een voorstelling welke adaequaat is in een of anderen Geest, is +diezelfde geest ook de adaequate oorzaak (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI D. +II</a></i>). Derhalve (<i>vlg. +<a href="#d3d2">Definitie II v.d. D.</a></i>) <i>handelt</i> onze Geest +noodzakelijk voorzoover hij adaequate voorstellingen heeft. Dit +wat het eerste betreft. Voorts is van al wat noodzakelijk +voortvloeit uit een voorstelling welke adaequaat is in God--niet +voorzoover hij slechts den Geest van een enkel mensch uitmaakt, +maar voorzoover hij tegelijk met dien eenen geest ook de geesten +van anderen omvat--, de Geest van dien éénen mensch (<i>vlg. +<a href="#d2s11g">hetzelfde Gevolg St. XI D. II</a></i>) niet de adaequate, maar de +gedeeltelijke oorzaak. Derhalve <i>lijdt</i> (<i>vlg. <a href="#d3d2">Definitie II v.d. +D.</a></i>) de Geest noodzakelijk in eenig opzicht voorzoover hij +inadaequate voorstellingen heeft. Dit wat het tweede aangaat. +Derhalve: Bij sommige dingen handelt onze Geest, enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de Geest aan des te meer + lijdingen onderworpen is, naarmate hij meer inadaequate + voorstellingen heeft, en omgekeerd dat hij des te meer + handelt, naarmate hij meer adaequate voorstellingen + heeft.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s2"> +<p><i>Stelling II.</i></p> + +<p>Het Lichaam kan den Geest niet tot denken noodzaken, noch de +Geest het Lichaam tot bewegen of tot rust of tot iets anders +(indien er nog iets anders is).</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Alle bestaanswijzen van het Denken hebben (<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI D. II</a></i>) +God tot oorzaak voorzoover hij een denkend iets is en niet +voorzoover hij zich in eenig ander attribuut openbaart. Datgene +dus wat den Geest tot denken dringt is een bestaanswijze van het +Denken en niet van de Uitgebreidheid, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2d1">Definitie I +D. II</a></i>) niet het Lichaam. Dit wat het eerste betreft. Verder +moeten beweging en rust van een lichaam hun oorsprong vinden in +een ander lichaam dat eveneens door weer een ander tot beweging +of rust genoodzaakt werd, en zonder uitzondering heeft (<i>vlg. +<a href="#d2s6">dezelfde St. VI D. II</a></i>) al wat in een lichaam geschiedt, +noodzakelijk zijn oorsprong moeten vinden in God, voorzoover hij +beschouwd wordt als zich openbarende in een of anderen vorm der +Uitgebreidheid en niet van het Denken. Dat wil dus zeggen dat het +niet uit den Geest, die (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI D. II</a></i>) een bestaansvorm +van het Denken is, kan voortkomen. Dit wat het tweede aangaat. +Derhalve kan het Lichaam den Geest enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Dit is nog duidelijker te begrijpen uit wat + in <a href="#d2s7o">de Opmerking bij Stelling VII van Deel II</a> gezegd werd, + dat namelijk Geest en Lichaam één en dezelfde zaak zijn + welke nu eens als openbaring van het attribuut des + Denkens, dan weer als openbaring van dat der + Uitgebreidheid beschouwd wordt. Vandaar dat de orde of + aaneenschakeling der dingen dezelfde is, onverschillig of + de Natuur onder het eene dan wel of zij onder het andere + attribuut beschouwd wordt en vandaar dat bijgevolg de + reeks van handelingen of lijdingen van ons Lichaam van + nature gelijktijdig verloopt met de reeks van handelingen + of lijdingen van den Geest. Hetgeen ook reeds blijkt uit + <a href="#d2s12b">de bewijsvoering van Stelling XII Deel II</a>. Toch geloof + ik, niettegenstaande dat dit zoo is en er geen enkele + reden overblijft om er aan te twijfelen, de menschen + bezwaarlijk er toe te zullen kunnen brengen dit met een + rustig gemoed te overwegen, wanneer ik het niet ook uit + de ervaring bewijs; zóó vast toch zijn zij er van + overtuigd dat het menschelijk Lichaam alleen op bevel van + den Geest nu eens beweegt, dan weer rust en tal van + dingen doet welke uitsluitend van den wil en het vooraf + bedenken van den Geest afhangen. Niemand immers heeft tot + dusver uitgemaakt wat het Lichaam wel vermag, d.w.z. tot + dusver heeft de ervaring nog niemand geleerd, wat het + Lichaam uitsluitend krachtens de wetten der Natuur, + voorzoover deze alleen als lichamelijk beschouwd wordt, + zou kunnen verrichten en wat het nìet zou kunnen doen + indien het niet door den Geest er toe genoodzaakt werd. + Niemand immers heeft tot dusver de inrichting van ons + Lichaam zóó nauwkeurig leeren kennen dat hij alle + verrichtingen ervan zou kunnen verklaren; om nog ervan te + zwijgen dat bij redelooze dieren tal van dingen zijn waar + te nemen, welke de menschelijke scherpzinnigheid verre + overtreffen en dat slaapwandelaars in hun slaap tal van + dingen doen, welke zij wakend niet zouden durven; waaruit + voldoende blijkt dat het menschelijk Lichaam krachtens de + wetten van zijn aard alleen reeds veel vermag waarover de + Geest zelf zich verbaast. Voorts weet niemand te zeggen + op welke wijze en door welke middelen de Geest het + Lichaam in beweging zou brengen, noch welke soorten van + beweging hij aan het Lichaam zou kunnen meedeelen of met + welke snelheid hij het zou kunnen voortbewegen. Waaruit + volgt dat diegenen, die beweren dat deze of gene + handeling des Lichaams voortspruit uit den Geest, die + heerschappij over het Lichaam zou hebben, niet weten wat + zij zeggen en niets anders doen dan met schoonschijnende + woorden toegeven dat zij de ware oorzaak dier handeling + niet kennen, zonder zich daarover te verwonderen. Maar, + zullen zij zeggen, hetzij wij weten of niet-weten door + welke middelen de Geest het Lichaam in beweging brengt; + wij ervaren in elk geval dat het Lichaam werkeloos zou + zijn wanneer de menschelijke Geest niet tot denken in + staat was. Voorts dat de ervaring leert dat de Geest het + in zijn macht heeft zoowel te spreken als te zwijgen, en + zoo nog veel meer, dat daarom, naar men waant, van de + willekeur des Geestes afhangt. Wat echter het eerste + betreft, zoo zou ik hen willen vragen of dan de ervaring + niet eveneens leert dat omgekeerd, wanneer het Lichaam + werkeloos is, de Geest ongeschikt is om te denken? Immers + wanneer het Lichaam rust in den slaap, is met het Lichaam + tevens ook de Geest bedwelmd en bezit hij niet meer de + macht om, zooals wanneer hij waakt, te denken. Ik geloof + verder dat zeker wel ieder de ervaring heeft opgedaan dat + de Geest niet altijd even geschikt is om te denken over + hetzelfde onderwerp, maar dat naar mate het Lichaam + geschikter is om door het beeld van 't een of ander + voorwerp te worden geprikkeld, ook de Geest beter in + staat is om dit voorwerp te beschouwen. Nu zegt men wel + dat het toch niet mogelijk is het ontstaan van gebouwen, + schilderijen en dergelijke dingen, welke slechts door + menschelijke kunstvaardigheid worden gemaakt, alleen uit + de wetten der Natuur, voorzoover zij als slechts + lichamelijk beschouwd wordt, af te leiden; daar toch + immers het menschelijk Lichaam niet in staat zou zijn een + tempel te bouwen, wanneer het daarbij niet door den Geest + werd gedreven en geleid. Maar ik heb toch reeds + aangetoond dat wie aldus spreken niet weten wat het + Lichaam vermag en wat uitsluitend uit de beschouwing van + zijn aard kan worden afgeleid, en dat zij zelf hebben + ondervonden dat tal van dingen uitsluitend volgens de + wetten der Natuur gebeuren, terwijl zij toch waanden dat + die nooit gebeuren konden tenzij krachtens de leiding van + den Geest, zooals bijvoorbeeld de handelingen van + slaapwandelaars in hun slaap, waarover zijzelf bij hun + ontwaken zich verbazen<a id="aantag48" href="#aanteken48">[A48]</a>. + Ik wijs hier bovendien nog + op de inrichting van het menschelijk Lichaam zelf, welke + in kunstvaardigheid verre alles overtreft wat door + menschelijke kunst gemaakt werd; om nog ervan te zwijgen + dat, gelijk ik hierboven reeds aantoonde, uit de Natuur, + onder welk attribuut ook beschouwd, oneindig veel moet + voortvloeien.</p> + + <p>Wat voorts het tweede punt betreft: zeer zeker zou de + menschheid veel gelukkiger zijn als zwijgen of spreken in + 's menschen macht lagen. Maar de ervaring leert duidelijk + genoeg dat de mensch niets minder in zijn macht heeft dan + zijn tong en niets hem moeilijker valt dan zijn lusten te + matigen. Daarom gelooven dan ook de meesten dat wij + slechts datgene wat wij <i>lichtelijk</i> begeeren uit vrijen + wil doen, omdat de begeerte tot die zaken gemakkelijk + door de herinnering aan iets anders, dat wij ons vaak te + binnen brengen, kan worden bedwongen; dat wij daarentegen + allerminst vrij handelen wanneer wij iets met grooten + hartstocht begeeren, welke niet door de herinnering aan + iets anders kan worden verdreven. Waarlijk, als zij niet + ervaren hadden, dat wij tal van dingen doen welke ons + later berouwen en dat wij dikwijls--wanneer wij namelijk + door tegenstrijdige aandoeningen worden aangegrepen--"het + betere zien, maar het slechtere + volgen"<a id="aantag49" href="#aanteken49">[A49]</a> zou niets + hen verhinderen om aan te nemen dat wij <i>alles</i> uit + vrijen wil doen. Zoo gelooft een kind dat het uit vrijen + wil naar melk verlangt, een vertoornde knaap dat hij uit + vrijen wil zoekt wraak te nemen en een bloodaard dat hij + uit vrijen wil vlucht. Zoo waant de dronkaard dat hij + krachtens vrij besluit van zijn Geest al die dingen + gezegd heeft welke hij later, ontnuchterd, liever zou + hebben verzwegen, en evenzoo gelooven krankzinnigen, + babbelaarsters, kinderen en meer lieden van dit slag, dat + zij krachtens vrij besluit van den geest spreken, + ofschoon zij alleen maar den aandrang tot spreken dien + zij gevoelen, niet kunnen onderdrukken. De ervaring zelf + leert dus niet minder duidelijk dan de Rede dat de + menschen slechts daarom alleen zich vrij wanen, wijl zij + zich bewust zijn van hun handelingen, doch de oorzaken + waardoor die bepaald worden niet kennen; en voorts ook + dat de besluiten van den Geest niets anders zijn dan de + begeerten zelf, welke derhalve verschillen al naar gelang + de ontvankelijkheid van het Lichaam verschilt. Want ieder + zoekt alles naar eigen zin in te richten en wie bovendien + nog door tegenstrijdige aandoeningen bestormd worden, + weten in het geheel niet wat zij willen, terwijl zij die + [op een gegeven oogenblik] aan geen enkele aandoening + onderworpen zijn, door een zachten drang her- of + derwaarts gedreven worden. Al welke dingen, dunkt mij, + klaar bewijzen, dat zoowel een besluit van den Geest, als + de begeerte en de ontvankelijkheid van het Lichaam, van + nature gelijktijdig zijn, of liever dat zij één en + dezelfde zaak zijn welke wij, wanneer zij onder het + attribuut des Denkens beschouwd en daaruit verklaard + wordt, "besluit" noemen, maar welke wij, wanneer zij + wordt beschouwd onder het attribuut der Uitgebreidheid en + wordt afgeleid uit de wetten van beweging en rust + "noodwendige bepaaldheid" [gedetermineerdheid] heeten; + hetgeen nog duidelijker zal blijken uit wat straks volgen + zal. Want er is nog iets anders dat ik hier het + allereerst wilde doen opmerken; namelijk dat wij niets + krachtens besluit van onzen Geest kunnen doen, zonder het + ons eerst te herinneren. Zoo kunnen wij bijvoorbeeld geen + woord spreken als wij het ons niet eerst herinneren. + Voorts ligt het niet in de vrije macht van den Geest zich + eenig ding te herinneren ofwel het te vergeten. Zoodat + men aanneemt dat het slechts in de macht van den Geest + ligt naar willekeur te zwijgen of te spreken over iets + dat hij zich herinnert. Maar als wij droomen dat wij + spreken, gelooven wij krachtens vrij besluit van den + Geest te spreken, terwijl wij in werkelijkheid nìet + spreken, of, àls wij spreken, dit slechts door + onwillekeurige bewegingen van het Lichaam geschiedt. + Verder droomen wij dat wij iets voor de menschen + verbergen, en wel krachtens hetzelfde besluit van den + Geest waardoor wij in wakenden toestand, datgene wat wij + weten te verzwijgen. Tenslotte droomen wij dat wij, + krachtens besluit van onzen Geest, dingen doen welke wij + wakend niet zouden durven. Ik zou daarom wel gaarne + willen weten of er soms in den Geest twee soorten van + besluiten bestaan: gefantaseerde en vrije? Wil men echter + de dwaasheid niet zoover drijven dan zal men noodzakelijk + moeten toegeven dat dit besluit van den Geest dat men + voor vrij houdt, zich niet onderscheidt van de + verbeelding of herinnering en niets anders is dan die + beaming welke in elke voorstelling als zoodanig ligt + opgesloten. (<i>Zie <a href="#d2s49">St. XLIX D. II</a></i>). Derhalve ontspringen + deze besluiten van den Geest even noodzakelijk in den + Geest als de voorstellingen van de werkelijk bestaande + dingen. Zij dus, die wanen dat zij krachtens vrij besluit + van den Geest spreken, zwijgen of wat dan ook doen, + droomen met open oogen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s3"> +<p><i>Stelling III.</i></p> + +<p>De handelingen van den Geest ontspringen uitsluitend uit +adaequate voorstellingen; de lijdingen daarentegen hangen +uitsluitend van inadaequate voorstellingen af.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wat in de eerste plaats het wezen van den Geest uitmaakt, is +(<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI</a> en +<a href="#d2s13">XIII D. II</a></i>) niets anders dan de voorstelling +van het werkelijk bestaande Lichaam, welke voorstelling (<i>vlg. +<a href="#d2s15">St. XV D. II</a></i>) uit vele andere is samengesteld, waarvan sommige +(<i>vlg. <a href="#d2s38g">Gevolg St. XXXVIII D. II</a></i>) adaequaat, andere daarentegen +(<i>vlg. <a href="#d2s29g">Gevolg St. XXIX D. II</a></i>) inadaequaat zijn. Al wat dus uit +den aard van den Geest voortvloeit en waarvan de Geest de naaste +oorzaak is, waaruit het ook moet worden verklaard, moet dus +noodzakelijk voortvloeien uit een adaequate of uit een +inadaequate voorstelling. Maar voorzoover de Geest inadaequate +voorstellingen heeft, lijdt hij noodzakelijk (<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I v.d. +D.</a></i>). Derhalve moeten de handelingen van den Geest uitsluitend +uit adaequate voorstellingen voortvloeien en lijdt de Geest +slechts daarom, wijl hij inadaequate voorstellingen heeft. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s3o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij zien dus dat lijdingen slechts in + betrekking staan tot den Geest voorzoover er iets in hem + is waarin ontkenning ligt opgesloten, ofwel voorzoover + hij beschouwd wordt als een deel der Natuur dat op + zichzelf en zonder behulp van iets anders niet klaar en + duidelijk kan worden begrepen. Evenzoo zou ik kunnen + aantoonen dat lijdingen op dezelfde wijze als tot den + Geest in betrekking staan tot de andere bijzondere dingen + en niet anders kunnen worden opgevat. Doch het was alleen + mijn voornemen over den menschelijken Geest te spreken.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s4"> +<p><i>Stelling IV.</i></p> + +<p>Geen ding kan vernietigd worden, tenzij door een uitwendige +oorzaak.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze stelling is vanzelf duidelijk. Immers de definitie van elk +ding be-aamt het wezen ervan, doch ontkent het niet. Ofwel zij +<i>stelt</i> het wezen van het ding, doch heft het niet op. Zoolang +wij dus letten uitsluitend op een ding zelf en niet op uitwendige +oorzaken, zullen wij er niets in kunnen vinden, dat het zou +kunnen vernietigen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s5"> +<p><i>Stelling V.</i></p> + +<p>Voorzoover dingen elkaar kunnen vernietigen, zijn zij +tegenstrijdig van aard, d.w.z. kunnen zij niet in éénzelfde zaak +bestaan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers indien zij elkaar dulden of tegelijk in dezelfde zaak +bestaan konden, zou er in deze zaak iets zijn dat haar kon +vernietigen, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s4">de voorgaande St.</a></i>) ongerijmd is. +Derhalve enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s6"> +<p><i>Stelling VI.</i></p> + +<p>Elk ding tracht, voorzoover het op zichzelf bestaat, in zijn +bestaan te volharden.</p> +</div> + +<p>De bijzondere dingen immers zijn (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV D. I</a></i>) +bestaanswijzen, welke Gods attributen op een zekere bepaalde +wijze openbaren, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s34">St. XXXIV D. I</a></i>) dingen welke Gods +macht, krachtens welke God bestaat en handelt, op zekere bepaalde +wijze uitdrukken. Voorts heeft (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV v.d. D.</a></i>) geen enkel +ding iets in zich waardoor het vernietigd zou kunnen worden of +dat zijn bestaan zou kunnen opheffen, maar verzet het zich (<i>vlg. +<a href="#d3s5">de voorgaande St.</a></i>) juist tegen al wat dit zou kunnen doen. +Derhalve tracht het zooveel het vermag en voorzoover het op +zichzelf bestaat, in zijn bestaan te volharden. H.t.b.w.</p> + + +<div class="stelling" id="d3s7"> +<p><i>Stelling VII.</i></p> + +<p>Het streven waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te volharden +is niets anders dan het werkelijke wezen van dit ding zelf.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Uit het gegeven wezen van elk ding volgen +(<i>vlg. <a href="#d1s36">St. XXXVI D. I</a></i>) +noodzakelijk meer dingen; ook vermogen de dingen (<i>vlg. <a href="#d1s29">St. XXIX +D. I</a></i>) niet anders dan wat noodzakelijk uit hun vastbepaalden +aard voortvloeit. Zoodat het vermogen of het streven van ieder +ding, waardoor het, hetzij alleen of met andere dingen, iets doet +of poogt te doen, d.w.z. het vermogen of het streven waarmede het +in zijn bestaan tracht te volharden, niets anders is dan het +gegeven of werkelijke wezen van dit ding zelf. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s8"> +<p><i>Stelling VIII.</i></p> + +<p>Het streven waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te +volharden, sluit geen bepaalden, doch een onbepaalden tijd in +zich.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers indien het een beperkten tijd in zich sloot, welke den +duur van het ding bepaalde, zou alleen reeds uit dezelfde macht +waardoor het ding bestaat, volgen dat het na dien beperkten tijd +niet langer bestaan kon, maar te niet moest gaan. Dit echter is +(<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV v.d. D.</a></i>) ongerijmd. Derhalve sluit het streven +waardoor een ding bestaat, geen bepaalden tijd in zich, maar +integendeel: aangezien (<i>vlg. <a href="#d3s4">dezelfde St. IV v.d. D.</a></i>) een ding +krachtens dezelfde macht, waardoor het bestaat, steeds voortgaat +te bestaan, indien het niet door een uitwendige oorzaak +vernietigd wordt, sluit dit streven ook een onbepaalden tijd in +zich. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s9"> +<p><i>Stelling IX.</i></p> + +<p>De Geest tracht zoowel voorzoover hij heldere en duidelijke, als +voorzoover hij verwarde voorstellingen heeft, voor onbepaalden +duur in zijn bestaan te volharden en is zich van dit zijn streven +bewust.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het wezen van den Geest bestaat (<i>gelijk wij in <a href="#d3s3">St. III v.d. D.</a> +bewezen hebben</i>) uit adaequate en inadaequate voorstellingen, en +dus tracht hij (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII v.d. D.</a></i>) zoowel voorzoover hij +deze als voorzoover hij gene heeft, in zijn bestaan te volharden, +en dat wel (<i>vlg. <a href="#d3s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) voor onbepaalden duur. Daar +evenwel de Geest (<i>vlg. <a href="#d2s23">St. XXIII D. II</a></i>) door de voorstellingen +van de inwerkingen op het Lichaam zich noodzakelijk van zichzelf +bewust is, is hij zich (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII v.d. D.</a></i>) ook bewust van +dit zijn streven. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s9o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wanneer dit streven uitsluitend op den Geest + betrekking heeft, wordt het "<i>Wil</i>" genoemd; <span id="d3s9o_2">heeft het + echter betrekking op Geest en Lichaam beide, zoo noemt + men het <i>Drang</i><a id="aantag50" href="#aanteken50">[A50]</a> + welke dus niets anders is dan het + wezen zelf van den mensch, uit welks aard al wat tot zijn + eigen behoud strekt, noodzakelijk voortvloeit, zoodat dus + de mensch genoodzaakt is dit alles ook te doen.</span> Verder + bestaat er tusschen drang en begeerte geen ander verschil + dan dat men meestal van begeerte spreekt voorzoover de + menschen zich van hun drang bewust zijn, zoodat daarom + Begeerte kan worden omschreven als Drang verbonden met + het bewustzijn daarvan. Uit dit alles blijkt dus wel + duidelijk dat wij niets nastreven, willen, verlangen noch + begeeren wijl wij oordeelen dat het goed is, maar + integendeel, dat wij iets goed noemen wijl wij er naar + streven, het willen, verlangen en begeeren.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s10"> +<p><i>Stelling X.</i></p> + +<p>Een voorstelling welke het bestaan van ons Lichaam uitsluit, kan +niet in onzen Geest bestaan, doch is daarmede in strijd.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Al wat ons Lichaam in staat is te vernietigen, kan er (<i>vlg. <a href="#d3s5">St. +V v.d. D.</a></i>) niet in bestaan en dus kan ook de voorstelling ervan +(<i>vlg. <a href="#d2s9g">Gevolg St. IX D. II</a></i>) niet in God bestaan voorzoover hij +de voorstelling van ons Lichaam heeft; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI</a> en +<a href="#d2s13">XIII D. II</a></i>): de voorstelling ervan kan niet bestaan in onzen +Geest. Integendeel, aangezien (<i>vlg. +<a href="#d2s11">St. XI</a> en <a href="#d2s13">XIII D. II</a></i>) +datgene wat in de eerste plaats het wezen van den Geest uitmaakt +de voorstelling is van het werkelijk bestaande Lichaam, is ook +het eerste en voornaamste streven van onzen Geest (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII +v.d. D.</a></i>) het bestaan van ons Lichaam te bevestigen. Derhalve is +een voorstelling, welke het bestaan van ons Lichaam ontkent, in +strijd met onzen Geest enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s11"> +<p><i>Stelling XI.</i></p> + +<p>De voorstelling van al wat het vermogen tot +handelen<a id="aantag51" href="#aanteken51">[A51]</a> van ons +Lichaam vermeerdert of vermindert, bevordert of belemmert, moet +ook het vermogen tot denken van onzen Geest vermeerderen of +verminderen, bevorderen of belemmeren.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze stelling wordt duidelijk uit <a href="#d2s7">Stelling VII Deel II</a> en +eveneens uit <a href="#d2s14">Stelling XIV Deel II</a>.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s11o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij hebben dus gezien dat de Geest vele + veranderingen kan ondergaan en daarbij nu eens in een + toestand van grootere, dan weer in een van geringere + volmaaktheid overgaat, al wel welke lijdingen ons de + aandoeningen van Blijheid en Droefheid verklaren. <span id="d3s11o_1">Onder + <i>Blijheid</i> zal ik daarom in het vervolg verstaan <i>een + lijding, waardoor de Geest tot grootere volmaaktheid + overgaat</i>;</span> <span id="d3s11o_2">onder <i>Droefheid</i> daarentegen <i>een lijding, + waardoor hij tot geringere volmaaktheid overgaat</i>.</span> <span id="d3s11o_3">Voorts + noem ik de aandoening van blijheid als zij tegelijkertijd + op Geest en Lichaam betrekking heeft "<i>prikkeling</i>" + [kitteling] of "<i>opgewektheid</i>",</span> die van droefheid + daartegen "<i>pijn</i>" of "<i>gedruktheid</i>" + [loomheid]<a id="aantag52" href="#aanteken52">[A52]</a>. + Hierbij moet evenwel worden opgemerkt dat men bij den + mensch spreekt van prikkeling of pijn wanneer één zijner + deelen méér dan de overige wordt aangedaan, van + opgewektheid of gedruktheid daarentegen wanneer alle + deelen gelijkelijk aangedaan zijn. Wat voorts <i>Begeerte</i> + is heb ik reeds in <a href="#d3s9o">de Opmerking bij Stelling IX van dit + Deel</a> uiteen gezet en behalve deze drie erken ik geen + enkele andere oorspronkelijke (primaire) aandoeningen; + dat de overige uit deze drie voortkomen zal ik in het + volgende aantoonen. Doch eer ik verder ga wil ik hier + eerst Stelling X van dit Deel nog iets breeder + toelichten, opdat men duidelijker begrijpe hoe een + voorstelling met een andere voorstelling in strijd kan + zijn.</p> + + <p>In <a href="#d2s17o">de Opmerking bij Stelling XVII Deel II</a> hebben wij + aangetoond dat de voorstelling welke het wezen van den + Geest uitmaakt, het bestaan van het Lichaam zoolang in + zich sluit als het Lichaam zelf bestaat. Verder volgt uit + datgene wat wij in <a href="#d2s8g">het Gevolg van Stelling VIII Deel II</a> + en in <a href="#d2s8go">de Opmerking daarbij</a> aantoonden, dat het + tegenwoordig bestaan van den Geest alleen daarvan afhangt + dat de Geest het werkelijk bestaan des Lichaams in zich + sluit. Waaruit volgt dat het tegenwoordig bestaan van den + Geest en zijn vermogen tot verbeelden [voorstellen] wordt + opgeheven zoodra de Geest ophoudt het tegenwoordig + bestaan des Lichaams te bevestigen. De oorzaak echter, + waardoor de Geest zou ophouden dit tegenwoordig bestaan + des Lichaams te bevestigen kan (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV v.d. D.</a></i>) + niet in den Geest zelf gelegen zijn en evenmin in het + feit dat het Lichaam ophoudt te bestaan. Immers de + oorzaak waardoor de Geest het bestaan van het Lichaam + bevestigt is (<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI D. II</a></i>) niet het feit dat het + Lichaam begon te bestaan, zoodat hij om dezelfde reden + ook niet ophoudt het bestaan des Lichaams te bevestigen + doordat het Lichaam ophoudt te bestaan. Maar het is + (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII</a> of + <a href="#d2s8">St. VIII D. II</a></i>) een gevolg van een + andere voorstelling, welke het tegenwoordig bestaan van + ons Lichaam en bijgevolg van den Geest, uitsluit en welke + dus in strijd is met de voorstelling welke het wezen van + den Geest uitmaakt.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s12"> +<p><i>Stelling XII.</i></p> + +<p>De Geest tracht zich zooveel mogelijk voor te stellen wat het +vermogen tot handelen des Lichaams vermeerdert of bevordert.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Zoolang het menschelijk Lichaam een inwerking ondergaat welke den +aard van eenig uitwendig voorwerp in zich sluit, zoolang zal +(<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>) de menschelijke Geest ditzelfde voorwerp +als aanwezig beschouwen, en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII D. II</a></i>): +zoolang de menschelijke Geest eenig uitwendig voorwerp als +aanwezig beschouwt, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s7">dezelfde St. XVII</a> en +<a href="#d2s7o">Opmerking</a></i>) zoolang hij het zich voorstelt, zoolang ook ondergaat +het menschelijk Lichaam een inwerking welke den aard van juist +dit uitwendige voorwerp in zich sluit. Derhalve: zoolang de Geest +zich datgene voorstelt wat het vermogen tot handelen van ons +Lichaam vermeerdert of bevordert, zoolang ondergaat het Lichaam +inwerkingen welke zijn vermogen tot handelen vermeerderen of +bevorderen (<i>zie <a href="#d3p1">Postulaat I v.d. D.</a></i>) en bijgevolg zal dan ook +zóólang (<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI v.d. D.</a></i>) +het vermogen tot denken van den +Geest worden vermeerderd of bevorderd. Daarom tracht de Geest +zich (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI</a> of +<a href="#d3s9">IX v.d. D.</a></i>) zooveel mogelijk dergelijke +dingen voor te stellen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s13"> +<p><i>Stelling XIII.</i></p> + +<p>Wanneer de Geest zich dingen voorstelt, welke het vermogen tot +handelen des Lichaams verminderen of belemmeren, tracht hij +zooveel mogelijk zich andere dingen te herinneren welke het +bestaan van deze eerste uitsluiten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Zoolang de Geest zich iets dergelijks voorstelt worden de +vermogens, zoowel van den Geest als van het Lichaam verminderd of +belemmerd (<i>gelijk wij in <a href="#d3s12">de voorgaande stelling</a> hebben +aangetoond</i>). Niettemin zal hij zich (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>) +zooiets zoolang voorstellen tot hij zich iets anders voorstelt +dat het tegenwoordig bestaan van het eerste uitsluit, d.w.z. +(<i>gelijk wij daareven aantoonden</i>): de vermogens van Geest en +Lichaam worden zóólang verminderd of belemmerd totdat de Geest +zich iets anders voorstelt dat het bestaan ervan [dier +belemmering] uitsluit, zoodat (<i>vlg. <a href="#d3s9">St. IX v.d. D.</a></i>) de Geest +zooveel mogelijk zal trachten zich dit andere voor te stellen of +te herinneren. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d3s13g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de Geest afkeerig is zich + dingen voor te stellen welke zijn eigen vermogen [kracht] + of dat van het Lichaam verminderen of belemmeren.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d3s13o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij kunnen thans helder inzien wat <i>Liefde</i> + is en wat <i>Haat</i>. <span id="d3s13o_1"><i>Liefde</i> namelijk is niets anders dan + <i>Blijheid, vergezeld door de voorstelling eener + uitwendige oorzaak</i></span>, terwijl <i>Haat</i> niets anders is dan + <i>Droefheid vergezeld door de voorstelling eener + uitwendige oorzaak</i>. Verder begrijpen wij dat wie + liefheeft noodzakelijk er naar streeft datgene wat hij + liefheeft te bezitten en te behouden, terwijl daarentegen + wie haat datgene wat hij haat tracht te verwijderen en te + vernietigen. Doch over dit alles later breedvoeriger.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s14"> +<p><i>Stelling XIV.</i></p> + +<p>Indien de Geest ééns twee aandoeningen tegelijk heeft +ondervonden, zal hij later, wanneer hij opnieuw ééne daarvan +ondergaat, tevens de tweede gevoelen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Indien het menschelijk Lichaam ééns tegelijkertijd inwerking van +twee voorwerpen ondervond, zal de Geest, wanneer hij zich later +één dier beiden voorstelt, +zich (<i>vlg. <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) +terzelfdertijd het andere herinneren. De verbeeldingen van den +Geest echter geven (<i>vlg. <a href="#d2s16g2">Gevolg II St. XVI D. II</a></i>) meer de +inwerkingen op ons Lichaam dan den aard der uitwendige voorwerpen +weer. Derhalve: indien het Lichaam, en bijgevolg ook de Geest +(<i>zie <a href="#d3d3">Definitie III v.d. D.</a></i>) +ééns twee inwerkingen tegelijk +onderging, zal de Geest later, wanneer hij opnieuw een dier +aandoeningen ondergaat, ook de tweede weer gevoelen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s15"> +<p><i>Stelling XV.</i></p> + +<p>Elk willekeurig ding kan bij gelegenheid oorzaak van Blijheid, +Droefheid of Begeerte zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Stel dat de Geest twee inwerkingen tegelijkertijd ondergaat, +waarvan de eene zijn vermogen tot handelen noch vermeerdert noch +vermindert en de tweede dit wèl vermeerdert of vermindert (<i>zie +<a href="#d3p1">Postulaat I v.d. D.</a></i>). Uit de vorige Stelling blijkt, dat wanneer +de Geest later wederom die eerste inwerking door haar eigen +oorzaak (welke volgens het onderstelde op zichzelf zijn vermogen +tot denken noch vermeerdert noch vermindert) ondergaat, dadelijk +ook de tweede, welke zijn vermogen tot denken wèl vermeerdert of +vermindert, zal ondergaan, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. +D.</a></i>) Blijheid of Droefheid zal gevoelen. Derhalve zal deze eerste +inwerking niet uit zichzelf, maar door toevallige omstandigheden +oorzaak van Blijheid of Droefheid zijn. En op dezelfde wijze kan +gemakkelijk worden aangetoond dat zij ook bij gelegenheid oorzaak +kan zijn van Begeerte. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d3s15g"> + <p><i>Gevolg:</i> Alleen reeds op grond daarvan dat wij een of + andere zaak beschouwd hebben met een aandoening van + Blijheid of Droefheid, ofschoon zij zelf niet de + bewerkende oorzaak daarvan was, kunnen wij die zaak + liefhebben of haten.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Want alleen daardoor komt het dat (<i>vlg. <a href="#d3s14">St. XIV v.d. + D.</a></i>) de Geest, zich die zaak later voorstellende, wederom + een aandoening van Blijheid of Droefheid ondergaat, + d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) dat de + levenskracht van Geest en Lichaam wordt vermeerderd of + verminderd enz. En bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) dat + hij verlangt zich die zaak voor te stellen ofwel (<i>vlg. + <a href="#d3s13g">Gevolg St. XIII v.d. D.</a></i>) daarvan afkeerig is, d.w.z. + (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) dat hij die zaak + liefheeft of haat. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d3s15o"> + <p><i>Opmerking:</i> Hierdoor kunnen wij begrijpen hoe het komt + dat wij sommige zaken liefhebben of haten zonder eenige + ons bekende reden, maar alleen uit (zooals men dat noemt) + sympathie of antipathie. En dit geldt ook voor die + voorwerpen welke Blijheid of Droefheid in ons teweeg + brengen, alleen omdat zij eenigerlei gelijkenis vertoonen + met voorwerpen welke die aandoeningen in ons plegen op te + wekken, gelijk ik in de volgende stelling zal aantoonen. + Weliswaar weet ik dat de schrijvers die de woorden + sympathie en antipathie het eerst hebben ingevoerd, + daarmede zekere verborgen eigenschappen der dingen hebben + willen aanduiden, maar ik meen niettemin dat het ons + vrijstaat er ook bekende en voor de hand liggende + eigenschappen onder te verstaan.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s16"> +<p><i>Stelling XVI.</i></p> + +<p>Alleen om het feit dat wij ons voorstellen dat een of ander ding +in eenig opzicht gelijkt op een voorwerp dat in den Geest +Blijheid of Droefheid pleegt teweeg te brengen, zullen wij dit +ding liefhebben of haten, hoewel datgene, waarin het op dit +voorwerp gelijkt, niet de bewerkende [directe] oorzaak dier +aandoeningen is.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Datgene, wat op het voorwerp gelijkt, werd (<i>volgens het +onderstelde</i>) in dit voorwerp zelf door ons met een aandoening +van Blijheid of Droefheid beschouwd. Daarom zal ook (<i>vlg. <a href="#d3s14">St. +XIV v.d. D.</a></i>) telkens wanneer het beeld daarvan op den Geest +inwerkt, deze dadelijk de eerste of de tweede aandoening +ondergaan, en bijgevolg zal (<i>vlg. <a href="#d3s15">St. XV v.d. D.</a></i>) het ding +waarin wij hetzelfde waarnemen, door deze toevallige +omstandigheid oorzaak van Blijheid of Droefheid zijn. Derhalve +zullen wij (<i>vlg. <a href="#d3s15g">voorgaande Gevolg</a></i>) dit ding liefhebben of +haten, hoewel datgene waarin het op het voorwerp gelijkt, niet de +bewerkende [directe] oorzaak dier aandoeningen is. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XVII.</i></p> + +<p>Wanneer wij ons voorstellen dat een zaak, welke Droefheid in ons +pleegt teweeg te brengen, in eenig opzicht gelijkt op iets anders +dat ons evengroote Blijheid pleegt te schenken, zullen wij deze +zaak tegelijkertijd haten en liefhebben.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers deze zaak is (<i>vlg. het onderstelde</i>) op zichzelf oorzaak +van Droefheid en dus zullen wij haar (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII +v.d. D.</a></i>) haten, voorzoover wij ons haar voorstellen onder +invloed van deze aandoening. Maar voorzoover wij ons voorstellen +dat zij bovendien nog in eenig opzicht gelijkt op iets anders dat +ons evengroote Blijheid pleegt te schenken, zullen wij haar +(<i>vlg. <a href="#d3s16">voorgaande St.</a></i>) met een evengroot verlangen naar Blijheid +liefhebben; zoodat wij die zaak tegelijkertijd zullen haten en +liefhebben. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s17o"> + <p><i>Opmerking:</i> <i>Deze geestesgesteldheid, welke dus uit twee + tegenovergestelde aandoeningen ontspringt</i>, noemt men + <i>weifelmoedigheid</i>, [tweestrijd], welke dus onder de + zielsaandoeningen hetzelfde is als twijfel bij het + voorstellen (<i>zie <a href="#d2s44o">Opmerking St. XLIV D. II</a></i>). Weifeling + en twijfel verschillen dan ook alleen maar naar den + graad. Ik doe echter opmerken dat ik in de vorige + Stelling deze weifeling des gemoeds heb afgeleid uit + oorzaken, waarvan de eene op zichzelf oorzaak is van de + eerste aandoening, de andere door toevallige + omstandigheden van de tweede. Ik deed dit wijl ik ze + aldus gemakkelijker uit het voorgaande kon afleiden, doch + niet wijl ik zou willen loochenen dat zulk een + zielestrijd meestal ontspringt uit één voorwerp dat van + bèide aandoeningen de bewerkende oorzaak is. Het Lichaam + toch is (<i>vlg. <a href="#d2p1">Postulaat I D. II</a></i>) uit tal van + enkeldingen van verschillenden aard samengesteld en kan + dus (<i>vlg. <a href="#d2h3a1">Axioma I achter Hulpst. III</a>, zie achter St. + XIII D. II</i>) van één en hetzelfde voorwerp op de meest + verschillende wijzen inwerking ondervinden. Omgekeerd, + wijl één en hetzelfde ding op tal van verschillende + wijzen inwerking ondergaan kan, zal het ook op tal van + verschillende wijzen op éénzelfde deel van het Lichaam + kunnen inwerken. Waaruit wij gemakkelijk kunnen begrijpen + dat één en hetzelfde voorwerp oorzaak van vele en + tegenstrijdige aandoeningen kan zijn.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s18"> +<p><i>Stelling XVIII.</i></p> + +<p>De mensch ondergaat bij het beeld [voorstelling] van een verleden +of toekomstige zaak dezelfde aandoening van Blijheid of Droefheid +als bij het beeld [voorstelling] eener aanwezige.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Zoolang het beeld van eenig ding op den mensch inwerkt, zal hij +(<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII</a> en +<a href="#d2s17g">Gevolg D. II</a></i>) dit ding als aanwezig +beschouwen, ook al bestaat het niet en het zich noch als verleden +noch als toekomstig denken, tenzij zijn beeld verbonden is met de +voorstelling van den verleden of toekomstigen tijd (<i>zie +<a href="#d2s44o">Opmerking St. XLIV D. II</a></i>). Vandaar dat het beeld van een ding, +op zichzelf beschouwd, hetzelfde is, onverschillig of het met de +toekomst, het verleden, danwel met het heden in verband gebracht +wordt. D.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s16g1">Gevolg II St. XVI D. II</a></i>): de toestand of +aandoening van ons Lichaam, is dezelfde, onverschillig of het +beeld er een is van een verleden, van een toekomstig, danwel van +een tegenwoordig ding. En derhalve is ook de aandoening van +Blijheid of Droefheid dezelfde, onverschillig of het beeld er een +is van een verleden, van een toekomstig, danwel van een +tegenwoordig ding. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s18o1"> + <p><i>Opmerking I:</i> Ik noem een ding in zoover verleden of + toekomstig als het op ons heeft ingewerkt of zal + inwerken, bijvoorbeeld voorzoover wij het gezien hebben + of zullen zien, voorzoover het ons verkwikt heeft of zal + verkwikken, geschaad heeft of zal schaden enz. Immers in + zoover als wij het ons aldus voorstellen, beamen wij zijn + bestaan; d.w.z. ons Lichaam ondervindt geenerlei + inwerking welke het bestaan van het ding uitsluit en zal + derhalve (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>) van het beeld ervan + dezelfde inwerking ondergaan alsof het ding zelf aanwezig + ware. Wijl echter inderdaad lieden met veel ervaring + meestal weifelen, zoolang zij iets als toekomstig of + verleden beschouwen en omtrent den afloop ervan meestal + twijfelen. (<i>Zie <a href="#d2s44o">Opmerking St. XLIV D. II</a></i>) is het gevolg + daarvan dat aandoeningen welke uit dergelijke + voorstellingen der dingen ontstaan, niet zeer standvastig + zijn, maar dat zij meestal door beelden van andere dingen + worden verward, totdat men omtrent dien afloop zekerder + is.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d3s18o2"> + <p><i>Opmerking II:</i> Na het zooeven gezegde kunnen wij + begrijpen wat <i>Hoop, Vrees, Gerustheid, Wanhoop, + Verheuging</i> en <i>Spijt</i> + [Hartzeer]<a id="aantag53" href="#aanteken53">[A53]</a> is. <span id="d3s18o2_1"><i>Hoop</i> + namelijk is niets anders dan <i>onbestendige Blijheid, + opgewekt door het beeld van een toekomstige of verleden + zaak, omtrent welker verloop wij twijfelen</i>.</span> <span id="d3s18o2_2"><i>Vrees</i> + daarentegen is een <i>onbestendige Droefheid, eveneens door + het beeld eener twijfelachtige zaak opgewekt</i>.</span> Indien + verder de twijfel in deze aandoeningen wordt opgeheven, + worden Hoop tot <i>Gerustheid</i>, Vrees tot <i>Wanhoop</i>; tot + een <i>Blijheid of Droefheid</i> namelijk, <i>te weeg gebracht + door het beeld der zaak welke wij vreesden of hoopten</i>. + <i>Verheuging</i> vervolgens is <i>Blijheid, opgewekt door het + beeld eener verleden zaak, omtrent welker afloop wij + twijfelden</i>. <i>Spijt</i> eindelijk is een <i>Droefheid, + tegenovergesteld aan Verheuging</i>.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s19"> +<p><i>Stelling XIX.</i></p> + +<p>Wie zich voorstelt dat iets wat hij liefheeft, te niet gaat, zal +zich bedroeven; daarentegen zal hij zich verheugen bij de +gedachte dat het behouden blijft.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De Geest tracht zich (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) zooveel mogelijk +datgene voor te stellen wat het vermogen tot handelen des +Lichaams vermeerdert of bevordert, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. +XIII v.d. D.</a></i>) dingen welke hij liefheeft. De verbeeldingskracht +evenwel wordt (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>) geholpen door wat het +bestaan van iets [onder]stelt, belemmerd daarentegen door wat het +bestaan van iets uitsluit. Derhalve helpen beelden van dingen, +welke het bestaan der geliefde zaak [onder]stellen, den Geest bij +zijn streven om zich die geliefde zaak voor te stellen; d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) zij brengen Blijheid in den +Geest te weeg. En omgekeerd: beelden van dingen welke het bestaan +der geliefde zaak uitsluiten belemmeren den Geest bij dit +streven; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">dezelfde Opmerking</a></i>) zij brengen Droefheid +in hem te weeg. Wie zich dus voorstelt dat iets wat hij lief +heeft, te niet gaat, zal zich bedroeven enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s20"> +<p><i>Stelling XX.</i></p> + +<p>Wie zich voorstelt dat iets wat hij haat te niet gaat, zal zich +verblijden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De Geest tracht zich (<i>vlg. <a href="#d3s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) datgene voor te +stellen wat het bestaan van zaken, waardoor het vermogen tot +handelen des Lichaams verminderd of belemmerd wordt, uitsluit; +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking bij dezelfde St.</a></i>) hij tracht zich +datgene voor te stellen wat het bestaan van zaken welke hij haat +uitsluit. Derhalve steunt het beeld eener zaak, welke het bestaan +van wat de Geest haat uitsluit, dit streven van den Geest; d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) het verwekt Blijheid in hem. +Wie zich dus voorstelt dat iets wat hij haat te niet gaat, zal +zich verblijden. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s21"> +<p><i>Stelling XXI.</i></p> + +<p>Wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft Blijheid of Droefheid +ondervindt, zal zelf Blijheid of Droefheid gevoelen en elk dezer +aandoeningen zal sterker of zwakker zijn in den liefhebbende +naarmate zij sterker of zwakker is in het geliefde ding [wezen] +<a id="aantag54" href="#aanteken54">[A54]</a>.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De beelden van dingen, welke het bestaan eener geliefde zaak +onderstellen, steunen (<i>gelijk wij in <a href="#d3s19">St. XIX v.d. D.</a> hebben +bewezen</i>) het streven van den Geest om zich die geliefde zaak +voor te stellen. Maar Blijheid onderstelt het bestaan van iets +dat blijde is en dat wel te meer naarmate de aandoening van +Blijheid sterker is. Immers zij is (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. +D.</a></i>) een overgang tot grooter volmaaktheid. Derhalve steunt de +gedachte aan de Blijheid van het geliefde wezen het streven van +den Geest des liefhebbenden zelf; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI +v.d. D.</a></i>) zij wekt in den liefhebbende Blijheid op en wel des te +meer hoe sterker deze aandoening in het geliefde wezen was. Dit +wat het eerste betreft. Voorzoover voorts eenig wezen Droefheid +gevoelt, gaat het te niet [wordt er iets van zijn bestaanskracht +vernietigd] en wel des te meer (<i>vlg. <a href="#d3s11o">dezelfde Opmerking bij St. +XI v.d. D.</a></i>) hoe heviger die Droefheid is. Derhalve zal (<i>vlg. +<a href="#d3s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft +Droefheid ondervindt, zelf ook Droefheid gevoelen en dat wel des +te meer, hoe sterker deze aandoening was in het geliefde wezen. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s22"> +<p><i>Stelling XXII.</i></p> + +<p>Indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij +liefhebben Blijheid te weeg brengt, zal hij ook ons Blijheid +schenken. Stellen wij ons daarentegen voor dat hij dit wezen +Droefheid brengt, zoo zullen ook wij Haat jegens hem gevoelen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wie in een wezen dat wij liefhebben Blijheid of Droefheid te weeg +brengt, schenkt ook onszelf Blijheid of Droefheid, wanneer wij +ons wel te verstaan (<i>vlg. <a href="#d3s21">voorgaande St.</a></i>) het geliefde wezen +als door Blijheid of Droefheid aangedaan voorstellen. Er wordt +evenwel ondersteld dat deze Blijheid of Droefheid vergezeld gaat +van de voorstelling eener uitwendige oorzaak. Derhalve zullen wij +(<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) indien wij ons voorstellen +dat iemand in een wezen dat wij liefhebben Blijheid of Droefheid +te weeg brengt, Liefde of Haat jegens hem gevoelen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s22o"> + <p><i>Opmerking:</i> <a href="#d3s21">Stelling XXI</a> verklaart ons wat <i>Medelijden</i> + is; wij kunnen het omschrijven als <i>Droefheid om eens + anders leed</i>. Welken naam ik nu evenwel moet geven aan + die Blijheid, welke uit eens anders welzijn voortkomt, + weet ik niet. Voorts zullen wij <i>Liefde jegens hem die + een ander wèl-deed</i>, <i>Ingenomenheid</i> en daarentegen <i>Haat + jegens hem die een ander kwaad deed</i> <i>Verontwaardiging</i> + noemen. Tenslotte doe ik opmerken dat wij niet slechts + medelijden hebben met wezens die wij hebben liefgehad + (<i>gelijk wij in St. XXI aantoonden</i>) maar ook met wezens, + voor welke wij voordien niets [bepaalds] gevoelden, mits + wij slechts oordeelen (<i>gelijk ik hierna zal aantoonen</i>) + dat zij op ons gelijken. Derhalve zullen wij ingenomen + zijn met wie onzen gelijke weldeed, daarentegen ons + verontwaardigen over wie onzen gelijke schade berokkende.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s23"> +<p><i>Stelling XXIII.</i></p> + +<p>Wie zich voorstelt dat een wezen dat hij haat, door Droefheid +wordt aangedaan, zal zich verheugen; bedroeven zal hij zich +echter indien hij zich voorstelt dat het door Blijheid wordt +aangedaan; en elk dezer aandoeningen zal sterker of zwakker zijn +naarmate de haar tegengestelde sterker of zwakker is in het wezen +dat hij haat.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Voorzoover het gehate wezen door Droefheid wordt aangedaan, +voorzóóver gaat het te niet [wordt zijn levenskracht verminderd] +en wel des te meer (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) hoe heviger +die Droefheid is. Wie zich dus voorstelt dat een wezen dat hij +haat Droefheid ondervindt, zal zich (<i>vlg. <a href="#d3s20">St. XX v.d. D.</a></i>) +verheugen, en wel des te meer, hoe heviger hij zich die Droefheid +van het gehate wezen voorstelt. Dit wat het eerste betreft. +Voorts onderstelt Blijheid (<i>vlg. dezelfde <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. +D.</a></i>) het bestaan van een wezen dat blijde is en dit wel te meer +hoe sterker die Blijheid gedacht wordt. Indien dus iemand zich +een ander, dien hij haat, voorstelt als door Blijheid aangedaan, +zal deze voorstelling (<i>vlg. <a href="#d3s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) zijn streven +belemmeren; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>): hij die +haat zal Droefheid gevoelen indien enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze Blijheid kan bezwaarlijk duurzaam zijn + of zonder tweestrijd in ons gemoed bestaan. Want (<i>gelijk + ik straks in <a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a> zal aantoonen</i>) voorzoover + men zich zijns gelijke voorstelt als door Droefheid + aangedaan, voorzóóver moet men zich ook zelf bedroeven, + en omgekeerd, indien men zich voorstelt dat hij door + Blijheid wordt aangedaan. Hier echter hebben wij alleen + het oog op den haat.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s24"> +<p><i>Stelling XXIV.</i></p> + +<p>Indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij haten +Blijheid te weeg brengt, zullen wij ook jegens hem Haat gevoelen. +Stellen wij ons daarentegen voor dat hij in datzelfde wezen +Droefheid te weeg brengt, zoo zullen wij Liefde jegens hem +gevoelen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze stelling wordt op dezelfde wijze bewezen als Stelling XXII +van dit Deel; zie dus deze.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s24o"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze en soortgelijke aandoeningen van Haat + behooren onder het begrip "<i>Nijd</i>", welke dus niets + anders is dan <i>Haat zelf, voorzoover hij den mensch + brengt in zoodanigen toestand dat hij zich verheugt over + het ongeluk van een ander</i> [Leedvermaak] <i>en omgekeerd + zich bedroeft over zijn geluk</i>. [Afgunst].</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s25"> +<p><i>Stelling XXV.</i></p> + +<p>Al wat naar onze voorstelling onszelf of een geliefd wezen +Blijheid brengt, trachten wij van onszelf of van het geliefde +wezen te bevestigen, en omgekeerd trachten wij al wat naar onze +voorstelling onszelf of het geliefde wezen bedroeft, te +ontkennen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Datgene, waarvan wij ons voorstellen dat het in het geliefde +wezen Blijheid of Droefheid te weeg brengt, schenkt (<i>vlg. <a href="#d3s21">St. +XXI v.d. D.</a></i>) ook onszelf Blijheid of Droefheid. Maar de Geest +tracht (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) zich zooveel mogelijk datgene wat +ons Blijheid schenkt voor te stellen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s17o">St. XVII</a> en +<a href="#d2s17g">Gevolg D. II</a></i>) als aanwezig te beschouwen. En omgekeerd tracht +hij (<i>vlg. <a href="#d3s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) het bestaan van wat ons droef maakt +uit te sluiten. Derhalve trachten wij al wat naar onze +voorstelling onszelf of een geliefd wezen blij maakt, van onszelf +of van het geliefde wezen te bevestigen, en omgekeerd. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s26"> +<p><i>Stelling XXVI.</i></p> + +<p>Van een wezen dat wij haten trachten wij alles te bevestigen wat +het naar onze voorstelling bedroeft en omgekeerd trachten wij er +van te ontkennen al wat het naar onze voorstelling verblijdt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze stelling volgt uit Stelling XXIII, gelijk de voorgaande uit +Stelling XXI van dit Deel.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s26o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij zien hieruit, dat het licht kan gebeuren + dat de mensch over zichzelf of een geliefd wezen beter + dan gerechtvaardigd, en omgekeerd dat hij over een gehaat + wezen slechter dan billijk is oordeelt, welke + verbeelding, indien zij dien mensch zelf betreft die + beter over zichzelf oordeelt dan gerechtvaardigd is, + <i>Hoogmoed</i> [verwaandheid] genoemd wordt en een vorm is + van waanzin, aangezien zulk een persoon met open oogen + droomt dat hij allerlei dingen kan welke hij alleen in + zijn verbeelding bereikt; welke hij dus als + werkelijkheden beschouwt en waarop hij zich verheft, + zoolang hij niet bij machte is zich iets voor te stellen + dat hun bestaan uitsluit en zijn eigen vermogen tot + handelen beperkt.</p> + + <p><i>Hoogmoed</i> [verwaandheid] is dus <i>een aandoening van + Blijheid, ontstaan doordat iemand beter van zichzelf + denkt dan gerechtvaardigd is</i>. Verder wordt de <i>Blijheid, + ontstaan doordat iemand beter van een ander denkt dan + gerechtvaardigd is</i>, <i>Overschatting</i> genoemd, en + <i>Geringschatting</i> tenslotte die, welke <i>ontstaat doordat + men van een ander slechter denkt dan billijk is</i>.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s27"> +<p><i>Stelling XXVII.</i></p> + +<p>Door het feit dat wij ons voorstellen dat een wezen, hetwelk ons +gelijkt en waarvoor wij niets [bepaalds] gevoelen, een of andere +aandoening ondergaat, wordt ook in onszelf een dergelijke +aandoening opgewekt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De beelden der dingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2s17o">Opmerking St. XVII D. II</a></i>) +inwerkingen op het menschelijk Lichaam, welker voorstellingen ons +de uitwendige voorwerpen als aanwezig voorstellen; d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d2s16">St. XVI D. II</a></i>) welker voorstellingen den aard van ons Lichaam en +tegelijk den aanwezigen aard van het uitwendig voorwerp in zich +sluiten. Indien dus de aard van een uitwendig voorwerp gelijkt op +den aard van ons Lichaam, zal de voorstelling van dit uitwendig +voorwerp dat wij ons verbeelden, een inwerking op ons Lichaam in +zich sluiten, welke gelijkt op den toestand van het uitwendig +voorwerp. Bijgevolg zal, indien wij ons voorstellen dat een wezen +dat ons gelijkt een of andere aandoening ondergaat, deze +voorstelling een toestand van ons Lichaam weergeven welke op deze +aandoening gelijkt [aan deze aandoening beantwoordt]. Derhalve: +door het feit dat wij ons voorstellen dat een wezen hetwelk ons +gelijkt een of andere aandoening ondergaat, wordt ook in onszelf +een dergelijke aandoening opgewekt. Wanneer wij echter een wezen +dat ons gelijkt haten, zullen wij een tegenovergestelde +aandoening dan dit wezen ondergaan en niet een dergelijke. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s27o1"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze nabootsing van aandoeningen heet, + voorzoover zij onder Droefheid thuis behooren, + <i>Medelijden</i> (<i>waarover men zie <a href="#d3s22o">Opmerking St. XXII v.d. + D.</a></i>); behooren zij evenwel tot de Begeerte, zoo noemt men + haar <i>wedijver</i>, welke dus niets anders is dan een + <i>Begeerte tot een of ander ding, welke in ons ontstaat + door ons voor te stellen dat anderen, die ons gelijken, + dezelfde begeerte hebben</i>.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d3s27g1"> + <p><i>Gevolg I:</i> Wanneer wij ons voorstellen dat iemand, die + geenerlei aandoening in ons te weeg brengen, een ons + gelijkend wezen verblijdt, zullen wij Liefde jegens hem + gevoelen. Stellen wij ons daarentegen voor dat hij dit + wezen bedroeft, zoo zullen wij hem haten.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Dit wordt op dezelfde wijze uit <a href="#d3s27">de voorgaande stelling</a> + bewezen als <a href="#d3s22">Stelling XXII van dit Deel</a> + uit <a href="#d3s21">Stelling XXI</a>.</p> + </div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg II:</i> Een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen, + kunnen wij niet haten op grond daarvan dat zijn ongeluk + ons bedroeft.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Immers indien wij het om die reden konden haten, zouden + wij ons (<i>vlg. <a href="#d3s23">St. XXIII v.d. D.</a></i>) over zijn droefheid + verblijden, hetgeen in strijd is met het onderstelde.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d3s27g3"> + <p><i>Gevolg III:</i> Een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen, + trachten wij zooveel mogelijk van zijn ongeluk te + bevrijden.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Datgene wat het wezen waarvoor wij medelijden gevoelen + bedroeft, brengt ook in ons (<i>vlg. <a href="#d3s27">de voorgaande St.</a></i>) + een dergelijke Droefheid teweeg en wij zullen dus (<i>vlg. + <a href="#d3s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) alles trachten te verzinnen wat het + bestaan dier aanleiding tot Droefheid opheft ofwel wat + haar vernietigt; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX v.d. D.</a></i>) + wij zullen verlangen of er toe gedreven worden haar te + vernietigen. Derhalve zullen wij een wezen waarvoor wij + medelijden gevoelen van zijn ongeluk trachten te + bevrijden. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d3s27o2"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze wil of dit verlangen om wèl te doen, + welke daaruit voortspruit dat wij voor het wezen waaraan + wij een weldaad willen bewijzen, medelijden gevoelen, + wordt <i>Welwillendheid</i> genoemd, welke dus niets anders is + dan <i>Begeerte, ontstaan uit medelijden</i>. Zie overigens + over Liefde en Haat jegens dengene die een wezen dat wij + als ons gelijkend beschouwen goed of kwaad deed, <a href="#d3s22o">de + Opmerking bij Stelling XXII van dit Deel</a>.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s28"> +<p><i>Stelling XXVIII.</i></p> + +<p>Al wat naar onze voorstelling tot Blijheid leidt trachten wij tot +stand te brengen; wat daarentegen naar onze voorstelling daarmede +in strijd is, ofwel wat tot Droefheid leidt, trachten wij uit den +weg te ruimen of te vernietigen.</p> +</div> + +<div class="bewijs" id="d3s28b"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wat naar onze voorstelling tot Blijheid leidt, trachten wij ons +(<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) zooveel mogelijk voor te stellen; d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>) wij zullen trachten het zooveel mogelijk +als aanwezig ofwel werkelijk bestaande te beschouwen. Maar het +streven of denkvermogen van den Geest is van nature gelijk aan en +gelijktijdig met het streven of het vermogen tot handelen van het +Lichaam (<i>gelijk duidelijk volgt uit <a href="#d2s7g">Gevolg St. VII</a> +en <a href="#d2s11g">Gevolg St. +XI D. II</a></i>). Derhalve streven wij onvoorwaardelijk naar zijn +bestaan, of (<i>wat vlg. <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX v.d. D.</a> hetzelfde is</i>) +wij verlangen er naar en stellen het ons ten doel. Dit wat het +eerste betreft. Voorts zullen wij ons (<i>vlg. <a href="#d3s20">St. XX v.d. D.</a></i>) +verblijden wanneer wij ons voorstellen dat iets, dat naar onze +meening oorzaak van Droefheid is, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. +XIII v.d. D.</a></i>) iets dat wij hatende niet gaat. Derhalve zullen +wij (<i>vlg. <a href="#d3s28b">het eerste gedeelte van dit bewijs</a></i>) dit trachten te +vernietigen of (<i>vlg. <a href="#d3s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) van ons te verwijderen, +opdat wij het niet langer als aanwezig beschouwen. Dit wat het +tweede betreft. Derhalve zullen wij al wat naar onze voorstelling +tot Blijheid leidt enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s29"> +<p><i>Stelling XXIX.</i></p> + +<p>Evenzoo zullen wij trachten alles te doen wat naar onze +voorstelling de menschen<a href="#voetnoot13"><sup>13</sup></a> met vreugde zien en omgekeerd +zullen wij afkeerig zijn datgene te doen waarvan naar onze +voorstelling de menschen afkeerig zijn.</p> +</div> + +<p class="voetitem" id="voetnoot13">[Voetnoot 13: Hier en in het vervolg bedoel ik menschen die +overigens geenerlei aandoening in ons opwekken.]</p> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Op grond daarvan dat wij ons voorstellen dat menschen iets +liefhebben of haten zullen (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) ook wij het +liefhebben of haten; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) +door dit feit zelf zullen wij ons over de aanwezigheid ervan +verblijden of bedroeven. Derhalve zullen wij (<i>vlg. <a href="#d3s28">voorgaande +St.</a></i>) trachten alles te doen wat naar onze voorstelling de +menschen met vreugde zien enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s29o"> + <p><i>Opmerking:</i> Dit streven om iets te doen, of ook wel iets + te laten alleen om den menschen te behagen, wordt + <i>Eerzucht</i> genoemd, vooral wanneer wij zoo hevig de + menigte zoeken te behagen dat wij iets doen of laten tot + ons eigen of anderer nadeel, anders pleegt men het + <i>Menschenmin</i> [Vriendelijkheid] te noemen. Voorts noem ik + de Blijheid over een handeling waardoor een ander ons + heeft willen verheugen <i>Goedkeuring</i>, de Droefheid + daarentegen waarmede wij ons van eens anders handelingen + afwenden, <i>Afkeuring</i>.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s30"> +<p><i>Stelling XXX.</i></p> + +<p>Wanneer iemand iets gedaan heeft dat naar zijn voorstelling +anderen verblijdt, zal hij Blijheid, vergezeld van de gedachte +aan zichzelf als oorzaak daarvan gevoelen; ofwel hij zal zichzelf +met Blijheid beschouwen. Wanneer hij daarentegen iets gedaan +heeft dat naar zijn voorstelling anderen bedroeft, zal hij +zichzelf met Droefheid beschouwen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wie zich voorstelt dat hij anderen verblijdt of bedroeft, zal +(<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) +reeds dáárdoor zelf Blijheid of +Droefheid gevoelen. Aangezien evenwel de mensch (<i>vlg. <a href="#d2s19">St. XIX</a> en +<a href="#d2s23">XXIII D. II</a></i>) zich [van zichzelf] bewust is door de aandoeningen +waardoor hij tot handelen wordt genoopt, zal iemand die iets +gedaan heeft wat naar zijn meening anderen verblijdt, zelf +Blijheid gevoelen, met het bewustzijn dat hijzelf daarvan de +oorzaak is, ofwel hij zal zichzelf met Blijheid beschouwen, en +omgekeerd. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s30o"> + <p><i>Opmerking:</i> Aangezien (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. + D.</a></i>) Liefde is: Blijheid, vergezeld door de voorstelling + eener uitwendige oorzaak, en Haat Droefheid, eveneens + vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak, + zijn dus deze Blijheid en Droefheid eigenlijk soorten van + Liefde en Haat. Maar wijl Liefde en Haat betrekking + hebben op uitwendige voorwerpen, zullen wij de thans + bedoelde aandoeningen met andere namen aanduiden, en wel + zullen wij déze Blijheid, vergezeld door de voorstelling + eener uitwendige<a id="aantag55" href="#aanteken55">[A55]</a> + oorzaak <i>Zelfverheerlijking</i> en de + aan haar tegenovergestelde Droefheid <i>Schaamte</i> noemen. + Wel te verstaan: wanneer namelijk die Blijheid of + Droefheid daaruit voortkomt dat iemand in de meening + verkeert geprezen of berispt te worden; anders zal ik die + Blijheid, vergezeld door de gedachte aan een uitwendige + oorzaak <i>Tevredenheid met zichzelf</i> en de + tegenovergestelde Droefheid <i>Berouw</i> noemen. Wijl het + vervolgens (<i>vlg. <a href="#d2s17g">Gevolg St. XVII D. II</a></i>) kan voorkomen + dat de Blijheid welke iemand meent anderen te schenken, + slechts denkbeeldig is en (<i>vlg. <a href="#d3s25">St. XXV v.d. D.</a></i>) ieder + van zichzelf tracht te denken wat hem naar zijn meening + zal verblijden, is het dus licht mogelijk dat een + roemzuchtige trotsch [verwaand] wordt en zich inbeeldt + iedereen welgevallig te zijn, terwijl hij in + werkelijkheid iedereen tot last is.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s31"> +<p><i>Stelling XXXI.</i></p> + +<p>Indien wij ons voorstellen dat iemand liefheeft of begeert, of +haat wat wijzelf liefhebben, begeeren of haten, zullen wij +dáárdoor reeds deze zaak des te standvastiger liefhebben enz. +Indien wij ons echter voorstellen dat hij afkeerig is van wat wij +liefhebben, of omgekeerd [liefheeft wat wij haten] zal ons gemoed +in tweestrijd geraken.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Alleen reeds door het feit dat wij ons voorstellen dat iemand +iets liefheeft, zullen wijzelf (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) deze +zaak ook liefhebben. Wij onderstellen evenwel dat wij die zaak +reeds zonder dat liefhebben. Bij deze Liefde komt dus een nieuwe +reden, waardoor zij wordt aangewakkerd en derhalve zullen wij wat +wij reeds liefhebben, om deze reden des te standvastiger +liefhebben. Voorts wenden wij ons (<i>vlg. <a href="#d3s27">dezelfde St.</a></i>) af van +datgene waarvan wij ons voorstellen, dat iemand anders afkeerig +is. Veronderstellen wij echter dat wij deze zelfde zaak +terzelfder tijd liefhebben, dan zullen wij haar dus terzelfder +tijd liefhebben en er een afkeer van hebben, ofwel (<i>zie +<a href="#d3s17o">Opmerking St. XVII v.d. D.</a></i>) ons gemoed zal in tweestrijd +geraken. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d3s31g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit, alsmede uit Stelling XXVIII van dit + Deel, volgt dat ieder zooveel mogelijk er naar streeft + dat ieder ander zal liefhebben wat hijzelf liefheeft en + zal haten wat hijzelf haat. Vandaar het woord des + dichters:</p> + + <p class="quote"><i>Allen gevoelen we eenzelfde hoop en vrees zoo wij minnen;</i> + <br /><i>Hij heeft een hart van staal, die mint wat een ander haat.</i> + <br /><span class="floatr">(Ovidius, Amor. II. 19)</span></p> + </div> + <div class="clearoff"><br /></div> + + <div class="opmerk" id="d3s31o"> + <p><i>Opmerking:</i> Dit streven om te bewerken dat ieder + instemme, wanneer men zelf lief heeft of haat, is + welbeschouwd <i>eerzucht</i> (<i>zie <a href="#d3s29o">Opmerking St. XXIX v.d. + D.</a></i>) Wij zien dus dat ieder van nature er naar streeft, + dat anderen naar zijn zin leven, met het gevolg dat, waar + allen dit gelijkelijk beoogen, zij elkaar gelijkelijk tot + last zijn en waar allen door iedereen geprezen en bemind + willen worden, allen elkaar haten.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s32"> +<p><i>Stelling XXXII.</i></p> + +<p>Indien wij ons voorstellen dat iemand zich verheugt over een +zaak, welke slechts één mensch bezitten kan, zullen wij trachten +te bewerken dat hij deze zaak niet in zijn bezit krijgt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Om het feit alleen dat wij ons voorstellen dat iemand zich over +iets verheugt, zullen wij (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII</a> +en <a href="#d3s27g1">Gevolg I v.d. D.</a></i>) +die zaak liefhebben en begeeren en ons er over verheugen. Maar +wij stellen ons (<i>vlg. het onderstelde</i>) juist voor dat het feit, +dat deze persoon zich in het bezit dier zaak zou verheugen, deze +Blijheid in den weg staat. Derhalve zullen wij (<i>vlg. <a href="#d3s28">St. XXVIII +v.d. D.</a></i>) er naar streven dat hij haar niet bemachtigt. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s32o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij zien dus hoe het met den menschelijken + aard meestal zoo gesteld is, dat men medelijden heeft met + hen wien het slecht gaat en benijdt wien het goed gaat, + en wel dit laatste (<i>vlg. <a href="#d3s31">voorgaande St.</a></i>) met een des te + grooteren haat, naarmate men de zaak, welke men zich in + het bezit van een ander voorstelt, meer liefheeft. Wij + zien voorts hoe uit dezelfde eigenschap van den + menschelijken aard, waaruit volgt dat de menschen + medelijdend zijn, ook volgt dat zij afgunstig en + eerzuchtig zijn. En indien wij tenslotte de ervaring + zelve willen raadplegen, zullen wij bevinden dat ook zij + dit alles leert; in het bijzonder wanneer wij letten op + de eerste jaren van ons leven. Wij zien toch immers dat + kinderen, omdat hun lichaam als het ware in voortdurend + [wankelbaar] evenwicht is, plegen te lachen of te + schreien alléén reeds, doordat zij anderen zien lachen of + schreien; dat zij bovendien alles wat zij anderen zien + doen, dadelijk begeeren na te bootsen; dat zij tenslotte + alles voor zichzelf begeeren waarover anderen zich naar + hun voorstelling verheugen. Geen wonder, daar toch de + beelden der dingen, zooals wij reeds zeiden, inwerkingen + zijn op het menschelijk Lichaam zelf, ofwel wijzen waarop + het menschelijk Lichaam inwerking ondergaat van + uitwendige voorwerpen en genoodzaakt wordt zus of zoo te + handelen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s33"> +<p><i>Stelling XXXIII.</i></p> + +<p>Wanneer wij een ons gelijkend wezen liefhebben, trachten wij +zooveel mogelijk te bewerken dat het ons wederkeerig liefheeft.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een ding dat wij liefhebben, trachten wij ons (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. +D.</a></i>) zooveel mogelijk boven andere dingen voor te stellen. Als +dus dit ding een ons gelijkend wezen is, zullen wij (<i>vlg. <a href="#d3s29">St. +XXIX v.d. D.</a></i>) het boven alle andere trachten te verblijden, +ofwel wij zullen zooveel mogelijk trachten te bewerken, dat dit +geliefde wezen bewogen worde door een Blijheid, vergezeld door de +gedachte aan onszelf; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) +dat het ons wederkeerig liefheeft. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s34"> +<p><i>Stelling XXXIV.</i></p> + +<p>Hoe grooter wij ons de genegenheid voorstellen welke een geliefd +wezen voor ons gevoelt, hoe meer wij ons daarop zullen verheffen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wij trachten (<i>vlg. <a href="#d3s33">voorgaande St.</a></i>) zooveel mogelijk te bewerken +dat een geliefde wezen ons wedermint, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. +XIII v.d. D.</a></i>) dat het geliefde wezen een Blijheid ondervinde, +vergezeld door de gedachte aan ons zelf. Hoe grooter dus de +Blijheid is, welke naar onze voorstelling het geliefde wezen door +ons toedoen ondervindt, hoe meer dit streven wordt bevorderd; +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI</a> en +<a href="#d3s11o">Opmerking v.d. D.</a></i>) hoe grooter Blijheid +ook wij gevoelen. Wanneer wij ons evenwel verblijden, omdat wij +een ander, ons gelijkend wezen, Blijheid schonken, dan zullen wij +(<i>vlg. <a href="#d3s30">St. XXX v.d. D.</a></i>) ook onszelf met Blijheid beschouwen. +Derhalve: hoe grooter wij ons de genegenheid voorstellen, welke +een geliefd wezen voor ons gevoelt, met hoe grooter Blijheid wij +onszelf zullen beschouwen, ofwel (<i>vlg. <a href="#d3s30o">Opmerking St. XXX v.d. +D.</a></i>) hoemeer wij ons daarop zullen verheffen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXXV.</i></p> + +<p>Wie zich voorstelt dat een geliefd wezen met een nauwen of nog +nauweren band van vriendschap zich aan een ander bindt, dan +waarmede het aan ons-zelf verbonden was, zal jegens dit geliefde +wezen haat gevoelen en dien ander benijden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Hoe grooter iemand zich de liefde voorstelt, welke een geliefd +wezen voor hem gevoelt, hoe meer hij (<i>vlg. <a href="#d3s34">voorg. St.</a></i>) zich +daarop zal verheffen; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s30o">Opm. St. XXX v.d. D.</a></i>) hoe +meer hij zich zal verblijden en dus (<i>vlg. <a href="#d3s38">St. XXVIII v.d. D.</a></i>) +zooveel mogelijk zal trachten zich voor te stellen dat het +geliefde wezen ten nauwste met hem verbonden is; welk streven of +welke begeerte (<i>vlg. <a href="#d3s31">St. XXXI v.d. D.</a></i>) nog wordt aangewakkerd +door de voorstelling, dat ook een ander ditzelfde voor zich +begeert. Er wordt hier echter verondersteld dat dit streven of +deze begeerte belemmerd wordt door het beeld van het geliefde +wezen zelf, vergezeld door het beeld van dien ander, aan wien het +zich verbonden heeft. Derhalve zal hij (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI +v.d. D.</a></i>) dan ook een Droefheid gevoelen, vergezeld door de +voorstelling van het geliefde wezen als oorzaak daarvan en tevens +door het beeld van dien ander; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII +v.d. D.</a></i>) hij zal haat gevoelen jegens het geliefde wezen en +tegelijkertijd (<i>vlg. <a href="#d3s15g">Gevolg St. XV v.d. D.</a></i>) jegens dien ander, +dien hij (<i>vlg. <a href="#d3s23">St. XXIII v.d. D.</a></i>) +dáárom, wijl hij zich in het +bezit van het geliefde wezen verblijdt, zal benijden. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze Haat, jegens het geliefde wezen, + verbonden met Nijd, wordt <i>IJverzucht</i> [jaloerschheid] + geheeten, welke dus niets anders is dan een tweestrijd + des gemoeds, uit gelijktijdige Liefde en Haat + ontsprongen, vergezeld door de gedachte aan een ander, + dien men benijdt. Bovendien zal deze haat jegens het + geliefde wezen sterker zijn naarmate van de Blijheid, + welke de jaloersche door de wederliefde van het geliefde + wezen placht te ondervinden en eveneens naarmate van de + gevoelens, welke hij koesterde jegens hem, aan wien zich + naar zijn voorstelling het geliefde wezen verbonden + heeft. Immers als hij hem haatte, zal hij (<i>vlg. <a href="#d3s24">St. XXIV + v.d. D.</a></i>) ook hierdoor reeds het geliefde wezen haten, + aangezien hij zich dan moet voorstellen dat het Blijheid + schenkt aan wien hijzelf haat, en ook (<i>vlg. <a href="#d3s15g">Gevolg St. + XV v.d. D.</a></i>) wijl hij gedwongen is het beeld van het + geliefde wezen te verbinden met dat van hem, dien hij + haat. Welk geval zich het meest voordoet bij de Liefde + voor een vrouw. Want wie zich voorstelt, dat de vrouw, + die hij liefheeft, zich aan een ander overgeeft, wordt + niet alleen bedroefd door het feit dat zijn eigen lust + belemmerd wordt, maar heeft ook een afkeer van haar, + omdat hij gedwongen is het beeld van het geliefde wezen + in verband te brengen met de schaamdeelen en + zaadafscheidingen van een ander. Waarbij eindelijk nog + komt, dat de jaloersche door de geliefde niet langer met + hetzelfde gelaat dat zij hem vroeger te vertoonen placht, + wordt ontvangen, hetgeen voor den minnaar een nieuwe + reden tot droefheid is, gelijk ik straks zal aantoonen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s36"> +<p><i>Stelling XXXVI.</i></p> + +<p>Wie zich iets herinnert, waarin hij zich eens verlustigd heeft, +begeert het weder te bezitten onder dezelfde omstandigheden als +toen hij zich voor het eerst er in verheugde.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Al wat iemand gelijktijdig met een zaak, welke hem verlustigde, +gezien heeft, zal (<i>vlg. <a href="#d3s15">St. XV v.d. D.</a></i>) door deze toevallige +omstandigheid oorzaak van Blijheid zijn. Derhalve zal hij (<i>vlg. +<a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) tegelijk met de zaak welke hem verheugde, ook +dit alles begeeren te bezitten, ofwel hij zal deze zaak begeeren +te bezitten onder al dezelfde omstandigheden als toen hij zich +voor het eerst er in verheugde. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Wanneer dus één dier omstandigheden blijkt te + ontbreken, zal de minnaar zich bedroeven.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Immers, voorzoover hij tot de ontdekking komt dat één + dier omstandigheden ontbreekt, stelt hij zich iets voor + dat het bestaan dier zaak uitsluit. Daar hij evenwel + (<i>vlg. <a href="#d3s36">voorgaande St.</a></i>) die zaak of die omstandigheid uit + Liefde begeert, zal hij derhalve (<i>vlg. <a href="#d3s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) + voorzoover hij zich voorstelt dat die laatste ontbreekt, + zich bedroeven. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze Droefheid, voorzoover zij de + afwezigheid van wat wij liefhebben betreft, wordt + <i>Verlangen</i> genoemd.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s37"> +<p><i>Stelling XXXVII.</i></p> + +<p>De Begeerte, welke uit Droefheid of Blijheid, Haat of Liefde +ontspringt, is des te grooter, naarmate die aandoeningen heviger +zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Droefheid vermindert (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) of +belemmert 's menschen vermogen tot handelen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. +VII v.d. D.</a></i>) zijn streven om in zijn bestaan te volharden wordt +er door verzwakt of belemmerd. Zij is derhalve (<i>vlg. <a href="#d3s5">St. V v.d. +D.</a></i>) met dit streven in strijd en een bedroefd mensch doet wat +hij maar kan om zijn droefheid van zich af te zetten. Maar hoe +grooter die Droefheid is, met hoe grooter gedeelte van 's +menschen vermogen tot handelen zij noodzakelijk (<i>vlg. <a href="#d3s11o_2">de +Definitie van Droefheid</a></i>) in strijd moet zijn. Derhalve: hoe +grooter de Droefheid is, met hoe grooter kracht zal de mensch +pogen haar van zich af te zetten, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX +v.d. D.</a></i>) met hoe heviger begeerte of drang zal hij trachten haar +van zich af te zetten. Waar voorts Blijheid (<i>vlg. <a href="#d3s11o">zelfde +Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) 's menschen vermogen tot handelen +vermeerdert of bevordert, kan gemakkelijk langs denzelfden weg +bewezen worden, dat de mensch, die een aandoening van Blijheid +ondervindt, niets liever wenscht dan deze te behouden, en dat wel +met des te sterker Begeerte, naarmate die Blijheid grooter is. En +waar tenslotte Haat en Liefde zelf aandoeningen van Droefheid en +Blijheid zijn, volgt hieruit op dezelfde wijze dat het streven of +de drang, ofwel de Begeerte, welke uit Haat of Liefde ontspringt, +grooter zal zijn naar gelang van dien Haat of van die Liefde. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s38"> +<p><i>Stelling XXXVIII.</i></p> + +<p>Wanneer iemand een geliefd wezen is gaan haten, zóó dat zijn +Liefde geheel verdwenen is, zal hij het, bij overigens gelijke +oorzaak, een grooter Haat toedragen, dan wanneer hij het nooit +had liefgehad en een des te grooteren, naarmate zijn Liefde +vroeger grooter was.</p> +</div> + + +<div class="bewijs" id="d3s38b"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers, wanneer iemand een wezen dat hij liefheeft, gaat haten, +zullen er meer begeerten in hem onderdrukt worden dan wanneer hij +het niet had lief gehad. Liefde toch is (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII +v.d. D.</a></i>) een Blijheid, welke de mensch (<i>vlg. <a href="#d3s28">St. XXVIII v.d. +D.</a></i>) zooveel mogelijk tracht te behouden en dat wel (<i>vlg. +<a href="#d3s13o">dezelfde Opmerking</a></i>) door het geliefde wezen als aanwezig te +beschouwen en het (<i>vlg. <a href="#d3s21">St. XXI v.d. D.</a></i>) zooveel mogelijk +Blijheid te bereiden; welk streven (<i>vlg. <a href="#d3s37">voorgaande St.</a></i>) des te +heviger is, naarmate die Liefde grooter is; evenals het streven +om te bewerken dat het geliefde wezen wederliefde bewijze (<i>zie +<a href="#d3s33">St. XXXIII v.d. D.</a></i>). Dit streven nu wordt +(<i>vlg. <a href="#d3s13">Gevolg St. XIII</a> +en vlg. <a href="#d3s23">St. XXIII v.d. D.</a></i>) door Haat jegens het geliefde wezen +belemmerd; derhalve zal de minnaar (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. +D.</a></i>) ook om deze reden bedroefd worden, en dat wel des te meer, +naarmate zijn Liefde grooter was; d.w.z. behalve de Droefheid +welke oorzaak was van den Haat, ontspringt er nog een nieuwe uit +het feit, dat hij dit wezen heeft lief gehad en bijgevolg zal hij +het geliefde wezen dan ook met nog grootere Droefheid beschouwen, +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) hij zal het een +grooter Haat toedragen dan wanneer hij het nooit had lief gehad +en wel een des te grooteren, naarmate zijn Liefde grooter was. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s39"> +<p><i>Stelling XXXIX.</i></p> + +<p>Wie iemand haat zal hem trachten kwaad te doen, tenzij hij vreest +dat daaruit voor hemzelf een grooter kwaad kan ontspruiten. +Omgekeerd: wie iemand lief heeft zal hem, volgens dezelfde wet, +trachten wel te doen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Iemand haten is (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) iemand +beschouwen als oorzaak van Droefheid. Derhalve zal (<i>vlg. <a href="#d3s28">St. +XXVIII v.d. D.</a></i>) hij die iemand haat, trachten hem te verwijderen +of te vernietigen. Maar indien hij vreest dat hieruit voor +hemzelf iets droevigere, of (wat hetzelfde is) een grooter euvel, +kan voortkomen (dat hij gelooft te kunnen vermijden door hem, +dien hij haat, het kwaad dat hij van zins was, nìet toe te +brengen) zal hij (<i>vlg. <a href="#d3s28">dezelfde St. XXVIII</a></i>) wenschen zich van +dit kwaad te onthouden, en dat wel (<i>vlg. <a href="#d3s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>) +met een sterker aandrang dan welke hem tot kwaad doen dreef, +zoodat de eerste overhand zal hebben, gelijk wij wilden +aantoonen. Het bewijs van het tweede gedeelte wordt op dezelfde +wijze geleverd. Derhalve: wie iemand haat enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s39o"> + <p><i>Opmerking:</i> Onder "goed" versta ik hier iedere soort van + Blijheid en voorts al wat daartoe leidt, in het bijzonder + al wat een verlangen, welk dan ook, bevredigt. Onder + "kwaad" versta ik daarentegen elke soort van Droefheid en + in het bijzonder al wat een verlangen verijdelt. + Hierboven immers (<i>in <a href="#d3s9o">de Opmerking bij St. IX v.d. D.</a></i>) + hebben wij aangetoond dat wij niets begeeren, wijl wij + oordeelen dat het goed is, maar dat wij integendeel + datgene goed noemen wat wij begeeren en bijgevolg alles + waarvan wij afkeerig zijn, kwaad heeten; zoodat een ieder + naar gelang van zijn eigen aandoeningen oordeelt of schat + wat goed, wat kwaad, wat beter, wat slechter, en + tenslotte wat het best of het slechtst is. Zoo houdt de + vrek een overvloed van geld voor het beste, gebrek er aan + daarentegen voor het slechtste. De eergierige wederom + begeert niets zoozeer als roem en siddert voor niets + zoozeer als voor schande. Den nijdigaard is niets + aangenamer dan eens anders ongeluk en niets onaangenamer + dan een vreemd geluk. En zoo noemt een ieder op grond van + eigen aandoening, de dingen goed of kwaad, nuttig of + onnut. Overigens wordt die aandoening, welke in den + mensch bewerkt dat hij niet wil wat hij wil, of wil wat + hij niet wil, <i>Angst</i> genoemd; welke dus niets anders is + dan <i>Vrees</i>, <i>voorzoover de mensch daardoor gedreven + wordt een kwaad dat hij ziet aankomen, door een geringer + kwaad te vermijden</i>. (<i>Zie <a href="#d3s28">St. XXVIII v.d. D.</a></i>). Indien + nu het kwaad dat men vreest beschaming is, wordt deze + angst <i>Schroom</i> genoemd. Tenslotte: indien de Begeerte om + een toekomstig kwaad te vermijden belemmerd wordt door de + Angst voor een ander kwaad, zoodat men niet weet wat men + liever wil, dan wordt die vrees <i>Verbijstering</i> genoemd, + vooral wanneer beide euvelen, welke men vreest, zeer + groot zijn.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s40"> +<p><i>Stelling XL.</i></p> + +<p>Wie zich voorstelt dat hij door een ander gehaat wordt, terwijl +hij meent dat hij hem geenerlei reden tot Haat gegeven heeft, zal +dien ander wederkeerig haten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wie zich voorstelt dat een ander Haat koestert, zal (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. +XXVII v.d. D.</a></i>) reeds door dit feit alleen zelf Haat gevoelen, +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) Droefheid, vergezeld +door de voorstelling eener uitwendige oorzaak. Maar hij stelt +zich (<i>vlg. het onderstelde</i>) geen andere oorzaak dier Droefheid +voor als dengene, die hem haat. Derhalve zal hij, doordat hij +zich voorstelt door een ander gehaat te worden, een Droefheid +gevoelen, vergezeld door de voorstelling van dengeen die hem +haat, ofwel (<i>vlg. <a href="#d3s13o">dezelfde Opmerking</a></i>) hij zal dien ander haten. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s40o"> + <p><i>Opmerking:</i> Stelt hij zich daarentegen voor dat hij een + billijke reden tot Haat gegeven heeft, dan zal hij (<i>vlg. + <a href="#d3s30">St. XXX</a> en + <a href="#d3s30o">Opmerking v.d. D.</a></i>) zich schamen. Doch dit + komt zelden voor (<i>vlg. <a href="#d3s25">St. XXV v.d. D.</a></i>). Bovendien kan + deze wederkeerige Haat ook ontstaan door het feit dat + (<i>vlg. <a href="#d3s39">St. XXXIX v.d. D.</a></i>) Haat gevolgd wordt door de + Begeerte om het gehate wezen kwaad te doen. Wie zich dus + voorstelt dat hij door een ander gehaat wordt, zal zich + dien ander voorstellen als oorzaak van een of ander + kwaad, of wel van Droefheid, en derhalve ook zelf + Droefheid gevoelen, ofwel Vrees, vergezeld door de + voorstelling van dengene, die hem haat, als oorzaak + d.w.z.: hij zal hem wederkeerig, gelijk in bovenstaand + geval, haten.</p> + </div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg I:</i> Wie zich voorstelt dat iemand, dien hij + liefheeft, hem haat, zal door Haat en Liefde gelijktijdig + aangegrepen worden. Want voorzoover hij zich voorstelt + dat die ander hem haat, zal hij (<i>vlg. <a href="#d3s40">voorgaande St.</a></i>) + gedreven worden hem wederkeerig te haten. Maar niettemin + heeft hij hem lief (<i>vlg. het onderstelde</i>). Derhalve zal + hij door Haat en Liefde gelijktijdig worden aangegrepen.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d3s40g2"> + <p><i>Gevolg II:</i> Indien iemand zich voorstelt, dat hem door + een ander, voor wien hij voordien niets [bepaalds] + gevoelde, uit Haat eenig kwaad is toegevoegd, zal hij + dadelijk trachten hem hetzelfde kwaad terug te doen.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Wie zich voorstelt dat een ander Haat jegens hem + koestert, zal (<i>vlg. <a href="#d3s40">voorgaande St.</a></i>) dien ander + wederkeerig haten, alles trachten te verzinnen wat hem + zou kunnen bedroeven (<i>vlg. <a href="#d3s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>) en (<i>vlg. + <a href="#d3s39">St. XXXIX v.d. D.</a></i>) zijn best doen hem dit alles toe te + voegen. Maar het eerste van dien aard dat hij zich kan + voorstellen is (<i>vlg. het onderstelde</i>) het kwaad dat + hemzelf is aangedaan en derhalve zal hij dadelijk + trachten hetzelfde terug te doen. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d3s40g2o"> + <p><i>Opmerking:</i> Het streven om hem, dien wij haten, kwaad te + doen, wordt <i>Toorn</i> genoemd; het streven echter om kwaad + dat ons is aangedaan terug te doen, heet <i>Wraakzucht</i>.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s41"> +<p><i>Stelling XLI.</i></p> + +<p>Wanneer iemand zich voorstelt dat een ander hem liefheeft, +terwijl hij meent daartoe geenerlei aanleiding te hebben gegeven +(<i>hetgeen vlg. <a href="#d3s15g">Gevolg St. XV</a> +en vlg. <a href="#d3s16">St. XVI v.d. D.</a> kan +voorkomen</i>) zal hij dien ander wederkeerig liefhebben.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze stelling wordt langs denzelfden weg bewezen als de vorige. +Men zie ook de Opmerking daarbij.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s41o"> + <p><i>Opmerking:</i> Gelooft men echter wèl een gegronde + aanleiding tot Liefde gegeven te hebben, zoo zal men + (<i>vlg. <a href="#d3s30">St. XXX</a> en + <a href="#d3s30o">Opm. v.d. D.</a></i>) zich daarop verheffen, + hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s25">St. XXV v.d. D.</a></i>) dan ook herhaaldelijk + voorkomt, terwijl het tegenovergestelde, gelijk wij reeds + zeiden, plaats grijpt wanneer iemand zich voorstelt dat + hij door een ander wordt gehaat (<i>zie <a href="#d3s40o">Opmerking + voorgaande St.</a></i>). Deze wederkeerige Liefde nu, en + bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3s39">St. XXXIX v.d. D.</a></i>) het streven om + dengene die ons liefheeft en (<i>vlg. <a href="#d3s39">zelfde St. XXXIX</a></i>) + ons tracht wel te doen, op onze beurt weldaden te + bewijzen, wordt "<i>Dank</i>" of "<i>Dankbaarheid</i>" genoemd. En + zoo blijkt het dat de menschen veeleer bereid zijn om + wraak te nemen, dan om een weldaad te vergelden.</p> + </div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Wie zich voorstelt dat hij bemind wordt door + iemand dien hij haat, zal door Haat en Liefde + gelijktijdig bewogen worden. Hetgeen langs denzelfden weg + als Gevolg I der voorgaande Stelling wordt bewezen.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Indien de Haat overweegt, zal men dengene + door wien men bemind wordt, trachten kwaad te doen, welke + aandoening dan <i>Wreedheid</i><a id="aantag56" href="#aanteken56">[A56]</a> + genoemd wordt, vooral + wanneer het blijkt dat hij, die liefheeft, geenerlei + geldige aanleiding tot Haat gegeven heeft.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s42"> +<p><i>Stelling XLII.</i></p> + +<p>Wie een ander, hetzij uit Liefde, hetzij door hoop op +Zelfverheerlijking bewogen, een weldaad heeft bewezen, zal zich +bedroeven wanneer hij ziet dat deze weldaad met ondankbaar gemoed +wordt aanvaard.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wie een hem gelijkend wezen liefheeft, tracht (<i>vlg. <a href="#d3s33">St. XXXIII +v.d. D.</a></i>) zooveel mogelijk te bewerken dat hij wederkeerig er +door bemind wordt. Wie dus uit Liefde een ander een weldaad +bewijst, doet dit uit zucht om wederbemind te worden; d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d3s34">St. XXXIV v.d. D.</a></i>) uit hoop op Zelfverheerlijking ofwel +(<i>vlg. <a href="#d3s30o">Opmerking St. XXX v.d. D.</a></i>) Blijheid, en hij zal zich +derhalve (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) deze aanleiding tot +Zelfverheerlijking zooveel mogelijk trachten voor te stellen +ofwel als werkelijk bestaande te beschouwen. Hij stelt zich +echter (<i>vlg. het onderstelde</i>) iets anders voor, dat het bestaan +van die aanleiding tot Blijheid juist uitsluit. Derhalve zal hij +(<i>vlg. <a href="#d3s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) zich daarover bedroeven. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s43"> +<p><i>Stelling XLIII.</i></p> + +<p>Haat wordt door wederkeerigen Haat versterkt, kan daarentegen +door Liefde worden vernietigd.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wanneer iemand zich voorstelt dat hij dien hij haat, wederkeerig +haat jegens hemzelf koestert, ontspringt hieruit (<i>vlg. <a href="#d3s40">St. XL +v.d. D.</a></i>) een nieuwe Haat, terwijl (<i>vlg. het onderstelde</i>) de +oude blijft bestaan. Stelt hij zich daarentegen voor dat die +ander Liefde voor hem gevoelt, zoo zal hij (<i>vlg. <a href="#d3s30">St. XXX v.d. +D.</a></i>) in zooverre zichzelf met Blijheid beschouwen en (<i>vlg. <a href="#d3s29">St. +XXIX v.d. D.</a></i>) in zooverre dien ander trachten te behagen; d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d3s41">St. XLI v.d. D.</a></i>) trachten hem nìet te haten en op +geenerlei wijze te bedroeven, welk streven (<i>vlg. <a href="#d3s37">St. XXXVII v.d. +D.</a></i>) krachtiger of zwakker zal zijn naar gelang van de +aandoening, waaruit het ontsprong. Derhalve: wanneer deze +aandoening krachtiger is dan die, welke uit den Haat voortkwam en +krachtens welke hij (<i>vlg. <a href="#d3s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>) het wezen dat hij +haat tracht te bedroeven, zal zij overwegen en zal zij den Haat +uit het gemoed verdrijven. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s44"> +<p><i>Stelling XLIV.</i></p> + +<p>Haat, welke door Liefde geheel wordt overwonnen, gaat in Liefde +over en deze Liefde zal grooter zijn dan wanneer geen Haat haar +ware vooraf gegaan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het bewijs wordt op dezelfde wijze gevoerd als dat van <a href="#d3s38b">Stelling +XXXVIII van dit Deel</a>. Immers wie een wezen, dat hij haat of dat +hij met Droefheid placht te beschouwen, lief krijgt, verblijdt +zich reeds door het feit zelf dat hij liefheeft, en bij deze +Blijheid, welke in die Liefde ligt opgesloten (<i>zie <a href="#d3s13o_1">de Definitie +in Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) voegt zich nog die andere, welke +geboren wordt uit het feit dat het streven om de Droefheid, welke +in den Haat ligt opgesloten (<i>gelijk wij in <a href="#d3s37">St. XXXVII v.d. D.</a> +hebben aangetoond</i>) te verwijderen, daardoor op zijn beurt +gesteund wordt; waarbij hij zich tevens dengene dien hij haat als +oorzaak [dier Blijheid] voorstelt.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Ofschoon dit werkelijk aldus is, zal toch + niemand trachten eenig wezen te haten of te bedroeven + alleen om [later] deze grootere Blijheid te genieten. + D.w.z. niemand zal uit hoop op schadevergoeding wenschen + zich schade te zien toegebracht, noch verlangen ziek te + worden uit hoop te genezen. Immers een ieder zal steeds + er naar streven zijn bestaan te handhaven en Droefheid + zooveel mogelijk uit den weg te ruimen. Indien het + daarentegen denkbaar ware dat een mensch kon begeeren een + ander te haten om hem later des te meer te kunnen + liefhebben, dan zou hij steeds moeten blijven verlangen + hem te haten. Want hoe grooter die Haat was, hoe grooter + de [er op volgende] Liefde zou zijn en dus zou hij steeds + moeten verlangen dat zijn Haat grooter en grooter werd. + Om dezelfde reden zou de mensch er dan naar moeten + streven steeds zieker te worden om later des te grooter + Blijheid wegens het herstel zijner gezondheid te + genieten; hij zou dus bij voortduring moeten trachten + ziek te zijn, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI v.d. D.</a></i>) ongerijmd + is.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLV.</i></p> + +<p>Indien iemand zich voorstelt dat een ander, hem gelijkend wezen, +een eveneens hem gelijkend wezen, haat, terwijl hijzelf het lief +heeft, zal hij dien ander haten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers het geliefde wezen zal (<i>vlg. <a href="#d3s40">St. XL v.d. D.</a></i>) dengene +dien het haat, wederkeerig haten en derhalve zal de minnende, die +zich voorstelt dat een ander het geliefde wezen haat, door dit +feit zelf zich tevens voorstellen dat het geliefde wezen Haat +gevoelt, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) Droefheid. +Bijgevolg zal hij zich (<i>vlg. <a href="#d3s21">St. XXI v.d. D.</a></i>) bedroeven en zich +daarbij dengene die het geliefde wezen haat, als oorzaak dier +Droefheid voorstellen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) +hij zal hem haten. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLVI.</i></p> + +<p>Indien iemand door een ander, behoorende tot een van de zijne +verschillende klasse of natie, verblijd of bedroefd werd, terwijl +hij zich dien ander in hoedanigheid van lid dier klasse of natie +als oorzaak zijner aandoening voorstelde, zoo zal hij niet +slechts hem, maar alle leden dier klasse of natie liefhebben of +haten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het bewijs hiervan blijkt uit <a href="#d3s16">Stelling XVI van dit Deel</a>.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLVII.</i></p> + +<p>De Blijheid welke voortspruit uit de voorstelling, dat iets dat +wij haten vernietigd of door eenig kwaad getroffen wordt, is niet +zonder eenige Droefheid.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt uit <a href="#d3s27">Stelling XXVII van dit Deel</a>. Immers voorzoover wij +ons voorstellen dat een wezen, hetwelk ons gelijkt, wordt +bedroefd, in zoover worden ook wij bedroefd.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s47o"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze stelling kan ook worden bewezen uit <a href="#d2s17g">het + Gevolg van Stelling XVII Deel II</a>. Zoo dikwijls wij ons + namelijk een zaak herinneren, ook al bestaat zij niet in + werkelijkheid, beschouwen wij haar toch als aanwezig en + ondergaat ons Lichaam daarbij dezelfde inwerking als + vroeger; zoodat, voorzoover de herinnering aan deze zaak + van kracht is, de mensch genoopt wordt haar met Droefheid + te beschouwen; welke neiging weliswaar, zoolang het beeld + dier zaak ons bijblijft, door de herinnering aan dingen + welke haar bestaan uitsluiten wordt getemperd, doch niet + opgeheven. Daarom verblijdt men zich slechts in zoover + als deze neiging wordt getemperd en vandaar ook dat de + Blijheid, welke uit het ongeluk van een wezen dat wij + haten voortspruit, zich herhaalt zoo dikwijls wij ons die + zaak herinneren. Immers, zooals wij reeds zeiden, telkens + wanneer het beeld dier zaak wordt opgewekt, wordt men, + aangezien dit beeld het bestaan dier zaak in zich sluit, + genoopt die zaak met dezelfde Droefheid te beschouwen, + waarmede men haar placht te beschouwen toen zij zelf + bestond. Omdat men evenwel aan het beeld dier zaak andere + voorstellingen heeft verbonden welke haar bestaan + uitsluiten, wordt deze neiging tot Droefheid onmiddellijk + getemperd en verblijdt men zich opnieuw en dit zoo + dikwijls als deze herhaling plaats grijpt. Dit nu is + eveneens de reden waarom men zich verblijdt zoo dikwijls + men zich een kwaad uit het verleden herinnert en waarom + men er genoegen in schept gevaren, waaraan men ontkomen + is, te verhalen. Want als men zich een of ander gevaar + voorstelt, beschouwt men het als toekomstig en wordt men + genoopt het te vreezen, welke neiging echter getemperd + wordt door de voorstelling der verlossing, welke men aan + de voorstelling van het gevaar verbond, toen men ervan + bevrijd werd en weder veilig was, zoodat men zich opnieuw + verheugt.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s48"> +<p><i>Stelling XLVIII.</i></p> + +<p>Liefde of Haat, jegens Petrus bijvoorbeeld, gaan te niet als de +Droefheid welke, deze en de Blijheid welke gene in zich sluiten, +worden verbonden met de voorstelling van een andere oorzaak en +beide verminderen juist in zooverre als wij ons voorstellen dat +Petrus niet alléén hun oorzaak was.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt alleen reeds uit de Definities van Liefde en Haat, +welke men vindt in <a href="#d3s13o">de Opmerking bij Stelling XIII van dit Deel</a>. +Immers alleen daarom worden die Blijheid Liefde en die Droefheid +Haat jegens Petrus genoemd, wijl Petrus wordt beschouwd als +oorzaak van deze of van gene aandoening. Wanneer dit dus in het +geheel niet meer of slechts ten deele geschiedt, zullen ook die +gevoelens jegens Petrus geheel of ten deele verdwijnen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s49"> +<p><i>Stelling XLIX.</i></p> + +<p>De Liefde of de Haat jegens een wezen dat wij ons als vrij +voorstellen moeten beide, bij overigens gelijke aanleiding, +sterker zijn dan jegens een afhankelijk.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Iets dat wij ons als vrij voorstellen moet (<i>vlg. <a href="#d1d7">Definitie VII +D. I</a></i>) op zichzelf en afgescheiden van andere dingen beschouwd +worden. Indien wij het ons dus voorstellen als oorzaak van +Blijheid of Droefheid, zullen wij het (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII +v.d. D.</a></i>) daardoor alleen reeds liefhebben of haten en dat wel +(<i>vlg. <a href="#d3s48">voorgaande St.</a></i>) met den hoogsten graad van Liefde of Haat +welke uit de gegeven aandoening kan voortspruiten. Indien wij ons +evenwel de zaak welke oorzaak van een dier aandoeningen is, als +"afhankelijk" voorstellen, zullen wij ons (<i>vlg. <a href="#d1d7">dezelfde +Definitie VII D. I</a></i>) haar niet alléén, maar in verband met andere +dingen als oorzaak dier aandoening denken, zoodat (<i>vlg. +<a href="#d3s48">voorgaande St.</a></i>) de Liefde en de Haat jegens haar geringer zullen +zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Hieruit volgt dat de menschen, omdat zij + zich voor vrij houden, grooter Liefde of Haat gevoelen + jegens elkaar dan jegens andere dingen. Daarbij komt nog + het nabootsen der aandoeningen (<i>zie <a href="#d3s27">St. XXVII</a>, + <a href="#d3s36">XXXIV</a>, <a href="#d3s40">XL</a> + en <a href="#d3s43">XLIII v.d. D.</a></i>).</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling L.</i></p> + +<p>Ieder ding, wat ook, kan bij gelegenheid oorzaak van Hoop of +Vrees zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze stelling wordt langs denzelfden weg bewezen als <a href="#d3s15">Stelling XV +van dit Deel</a>. Men zie tegelijk met deze <a href="#d3s18o2">de Opmerking bij Stelling +XVIII van dit Deel</a>.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Dingen welke door toevallige omstandigheden + oorzaak van Hoop of Vrees zijn, noemt men goede of kwade + voorteekenen. Voorzoover nu deze voorteekenen oorzaak + zijn van Hoop of Vrees, zijn zij (<i>vlg. <a href="#d3s18o2_1">Definitie v. Hoop</a> + en <a href="#d3s18o2_2">Vrees</a>, zie Opmerking II St. XVIII v.d. D.</i>) oorzaak + van Blijheid of Droefheid en zullen wij ze bijgevolg + (<i>vlg. <a href="#d3s15g">Gevolg St. XV v.d. D.</a></i>) in zooverre ook liefhebben + of haten en (<i>vlg. <a href="#d3s28">St. XXVIII v.d. D.</a></i>) trachten ze, + hetzij als middelen ter bereiking van wat wij hopen aan + te wenden, hetzij ze als beletselen daartoe of als + oorzaken van Vrees, uit den weg te ruimen. Bovendien + volgt uit <a href="#d3s25">Stelling XXV van dit Deel</a> dat het van nature + zóó met ons gesteld is dat wij datgene wat wij hopen + gemakkelijk, wat wij vreezen daarentegen liever niet + gelooven en aan het eerste meer, aan het tweede minder + beteekenis hechten dan gerechtvaardigd is. Hieruit is al + het bijgeloof ontsproten, waardoor de menschen allerwegen + worden verontrust. Overigens acht ik het niet der moeite + waard hier alle schakeeringen van weifelmoedigheid te + beschrijven welke uit Hoop of Vrees ontspringen; + aangezien uit de Definitie dier aandoeningen alleen reeds + volgt dat er geen Hoop bestaat zonder Vrees, noch Vrees + zonder Hoop (gelijk wij te zijnerplaatse nog + breedvoeriger zullen uiteenzetten), en aangezien wij + bovendien een zaak, voorzoover wij haar hopen of vreezen, + ook liefhebben of haten. Daarom zal een ieder gemakkelijk + al wat wij over Liefde en Haat gezegd hebben op Hoop en + Vrees kunnen toepassen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s51"> +<p><i>Stelling LI.</i></p> + +<p>Verschillende menschen kunnen van één en hetzelfde voorwerp op +verschillende wijze inwerking ondergaan en één en dezelfde mensch +kan van één en hetzelfde voorwerp op verschillende tijdstippen +verschillenden invloed ondervinden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het menschelijk Lichaam ondergaat (<i>vlg. <a href="#d2p3">Postulaat III D. II</a></i>) op +tal van wijzen inwerking van uitwendige voorwerpen. Op hetzelfde +tijdstip kunnen dus twee menschen op verschillende wijze +inwerking ondergaan en kunnen zij dus ook (<i>vlg. <a href="#d2h3a1">Axioma I achter +Hulpstelling III</a>, zie achter St. XIII D. II</i>) verschillende +inwerking ondergaan van één en hetzelfde voorwerp. Voorts kan +(<i>vlg. <a href="#d2p3">hetzelfde Postulaat</a></i>) het menschelijk Lichaam nu eens op +deze, dan weer op gene wijze inwerking ondergaan en bijgevolg kan +het (<i>vlg. <a href="#d2h3a1">hetzelfde Axioma</a></i>) +van één en hetzelfde voorwerp op +verschillende tijdstippen verschillende inwerking ondergaan. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s51o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij zien dus hoe het kan gebeuren dat de een + lief heeft wat de ander haat, de een vreest wat de ander + niet vreest en hoe éénzelfde mensch lief heeft wat hij + vroeger haatte, durft waarvoor hij vroeger bang was enz. + Wijl voorts een ieder naar gelang van zijn eigen + aandoeningen oordeelt wat goed of kwaad en wat beter of + slechter is (<i>zie <a href="#d3s39o">Opmerking St. XXXIX v.d. D.</a></i>) volgt + hieruit dat de menschen zoowel in hun oordeel als in hun + aandoeningen kunnen verschillen<a href="#voetnoot14"><sup>14</sup></a> en vandaar dat + menschen wanneer we ze met elkaar vergelijken, alleen + naar het verschil hunner aandoeningen door ons worden + onderscheiden en dat wij den een onverschrokken, den + ander vreesachtig, een derde weer anders noemen. Zoo zal + ik bijvoorbeeld iemand die een kwaad dat ik pleeg te + vreezen geringschat, onverschrokken noemen, en wanneer ik + bovendien zie dat zijn begeerte om dingen welke hij haat + kwaad te doen en dingen, welke hij lief heeft wèl te + doen, niet wordt getemperd door vrees voor een kwaad + waardoor ìk mij pleeg te laten weerhouden, zal ik dien + man <i>vermetel</i> noemen. Voorts zal, wie een kwaad vreest, + dat ikzelf pleeg te minachten, mij <i>vreesachtig</i> + schijnen, en als ik bovendien zie, dat zijn begeerte + wordt bedwongen door de vrees voor een kwaad dat mijzelf + niet kan weerhouden, zal ik zeggen dat hij <i>lafhartig</i> + is; en op dergelijke wijze zal iedereen oordeelen. Bij 's + menschen dusdanigen aard en onstandvastigheid van + oordeel, en gegeven het feit dat de mensch dikwijls + uitsluitend op grond van zijn aandoeningen over de dingen + oordeelt en dat de dingen welke, naar hij gelooft, tot + zijn Blijheid of Droefheid bijdragen en welke hij daarom + (<i>vlg. <a href="#d3s29">St. XXVIII v.d. D.</a></i>) tracht te bevorderen of te + verwijderen, dikwijls alleen maar denkbeeldig zijn (om + nog te zwijgen van het overige wat wij in Deel II omtrent + de onzekerheid der dingen gezegd hebben) kunnen wij + gemakkelijk inzien dat de mensch dikwijls zelf + mede-oorzaak is dat hij zich bedroeft of verblijdt, ofwel + dat hij zoowel Droefheid als Blijheid kan gevoelen, + vergezeld door de gedachte aan zichzelf als oorzaak + daarvan. En zoo kunnen wij ook gemakkelijk begrijpen wat + <i>Berouw</i> en wat <i>Tevredenheid met zichzelf</i> + (<i>Zelfvoldaanheid</i>) is. <i>Berouw namelijk is Droefheid, + Zelfvoldaanheid is Blijheid, vergezeld door de gedachte + aan zichzelf als oorzaak</i>, en deze aandoeningen zijn + allerhevigst, wijl de menschen wanen dat zij vrij zijn. + (<i>Zie <a href="#d3s49">St. XLIX v.d. D.</a></i>)</p> + + <p class="voetitem" id="voetnoot14">[Voetnoot 14: N.B. Dat dit mogelijk is, + niettegenstaande de menschelijke Geest een deel is van het goddelijk + Verstand, hebben wij aangetoond in <a href="#d2s13o">de opmerking bij Stelling XIII Deel + II</a> [zie ook <a href="#d2s11g">Gevolg Stelling XI D. II</a>].]</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s52"> +<p><i>Stelling LII.</i></p> + +<p>Een voorwerp dat wij reeds vroeger gelijktijdig met andere gezien +hebben of dat naar onze voorstelling uitsluitend eigenschappen +bezit welke het gemeen heeft met vele andere voorwerpen, zullen +wij niet zoolang onze aandacht schenken als een waarvan wij ons +voorstellen dat het iets bijzonders heeft.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Zoodra wij ons dit voorwerp, dat wij met andere tezamen gezien +hebben, voorstellen, herinneren wij ons (<i>vlg. <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a>, +zie ook <a href="#d2s18o">de Opmerking daarbij</a></i>) ook de andere voorwerpen en zoo +worden wij van de beschouwing van het eene onmiddellijk tot +beschouwing van een ander gebracht. Hetzelfde is het geval bij +een voorwerp, dat naar onze voorstelling uitsluitend +eigenschappen bezit welke aan vele andere gemeen zijn. Immers +juist daardoor nemen wij aan dat wij er niets in beschouwen dat +wij niet vroeger samen met andere dingen zagen. Wanneer wij +evenwel aannemen dat wij ons voorstellen dat een of ander ding +iets bijzonders heeft, dat wij vroeger nooit hebben gezien, dan +zeggen wij niets anders dan dat de Geest, terwijl hij dit +voorwerp beschouwt, niets anders bevat tot welks beschouwing hij +door de beschouwing van dit voorwerp gebracht kon worden, zoodat +hij wel genoodzaakt is uitsluitend dit voorwerp zelf te +beschouwen. Derhalve: Een voorwerp dat enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s52o"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze aandoening van den Geest, dat wil + zeggen deze voorstelling van een bijzonder ding, + voorzoover het den Geest uitsluitend in beslag neemt, + noemt men <i>Verbazing</i><a id="aantag57" href="#aanteken57">[A57]</a> + welke, als zij wordt te weeg + gebracht door een voorwerp dat wij vreezen, <i>Ontzetting</i> + wordt geheeten, aangezien de verbazing over eenig kwaad + den mensch zoozeer in de beschouwing ervan bevangen + houdt, dat hij niet bij machte is over iets anders te + denken, waardoor hij dit kwaad zou kunnen vermijden. Maar + als datgene waarover wij ons verbazen eens anders + verstand, vlijt of iets van dien aard is, omdat wij + overwegen dat hij daarin verre boven ons uitsteekt, zoo + heet deze verbazing <i>Vereering</i> [Bewondering]; + daarentegen <i>Afschuw</i> wanneer wij ons verbazen over + iemands toorn, nijd enz. Als wij ons verder verbazen over + het verstand, den vlijt enz. van iemand dien wij lief + hebben, zal (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) daardoor die Liefde + te grooter zijn en deze Liefde, gepaard aan Bewondering + of Vereering, noemen wij <i>Toewijding</i>. En op deze wijze + kunnen wij ons ook Haat, Hoop, Gerustheid en andere + aandoeningen voorstellen als verbonden met Verbazing, + waardoor wij dan veel meer aandoeningen zullen kunnen + afleiden dan gemeenlijk met de geijkte woorden worden + aangeduid. Waaruit blijkt dat de namen der aandoeningen + meer hun bestaan danken aan het algemeen [spraak] gebruik + dan aan een nauwkeurige kennis [dier aandoeningen zelf]. + Tegenover Bewondering staat <i>Verachting</i>, welker oorzaak + echter meestal is dat wij, wanneer wij zien dat iemand + een zekere zaak bewondert, lief heeft, vreest enz., of + dat wij, wanneer (<i>vlg. <a href="#d3s15">St. XV</a> en + <a href="#d3s15g">Gevolg</a> en vlg. <a href="#d3s27">St. + XXVII v.d. D.</a></i>) iets op het eerste gezicht schijnt te + lijken op dingen welke wij bewonderen, liefhebben, + vreezen enz., zelf gedreven worden die zaak eveneens te + bewonderen, lief te hebben, te vreezen enz. Maar wanneer + wij, tengevolge van de aanwezigheid dier zaak of van een + nauwlettender beschouwing, gedwongen zijn haar alles te + ontzeggen wat oorzaak van Bewondering, Liefde, Vrees enz. + zou kunnen zijn, blijft de Geest, juist door de + aanwezigheid dier zaak, meer geneigd om te denken aan + datgene wat dit voorwerp nìet, dan aan datgene wat het + wèl eigen is, terwijl hij toch anders bij aanwezigheid + van een voorwerp voornamelijk pleegt te denken aan wat er + wèl toe behoort. Evenals nu voorts Toewijding uit + Bewondering voor een zaak die wij liefhebben voortspruit, + ontstaat <i>Bespotting</i> uit Verachting van een zaak, welke + wij haten of vreezen en Ergernis uit Verachting van + dwaasheid, evenals Vereering uit Bewondering voor + verstand. Tenslotte kunnen wij ons Liefde, Hoop, + Zelfverheerlijking en andere aandoeningen verbonden + denken met Verachting en op deze wijze nog weer andere + aandoeningen afleiden, welke wij nochtans niet door + afzonderlijke woorden van elkaar plegen te onderscheiden.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s53"> +<p><i>Stelling LIII.</i></p> + +<p>Wanneer de Geest zichzelf en zijn macht tot handelen beschouwt, +verblijdt hij zich en dat des te meer, naarmate hij zich die +macht tot handelen duidelijker voorstelt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De mensch kent zichzelf niet, dan alleen +(<i>vlg. <a href="#d3s29">St. XIX</a> en <a href="#d3s23">XXIII +D. II</a></i>) door de inwerkingen op zijn Lichaam en de voorstellingen +daarvan. Wanneer het geval dus wil dat de Geest zichzelf [en zijn +macht tot handelen] kan beschouwen, wordt hiermede tevens +ondersteld dat hij tot grootere volmaaktheid overgaat, d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) dat hij verblijd wordt en wel +des te meer naarmate hij zich zichzelf en zijn macht tot handelen +duidelijker kan voorstellen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d3s53g"> + <p><i>Gevolg:</i> Deze Blijheid wordt steeds meer aangewakkerd, + hoe meer men zich voorstelt door anderen geprezen te + worden. Immers hoe meer men zich voorstelt door anderen + geprezen te worden, hoe grooter Blijheid men zich + voorstelt zelf dien anderen te bereiden en dat wel (<i>vlg. + <a href="#d3s29o">Opmerking St. XXIX v.d. D.</a></i>) vergezeld door de gedachte + aan zichzelf. Derhalve zal men (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) + ook zelf grooter Blijheid, vergezeld door de gedachte aan + zichzelf, gevoelen. H.t.b.w.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s54"> +<p><i>Stelling LIV.</i></p> + +<p>De Geest tracht zich slechts zulke dingen voor te stellen, die +zijn macht tot handelen onderstellen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het streven of vermogen van den Geest is (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII v.d. D.</a></i>) +het wezen van den Geest zelf. Het wezen van den Geest echter +bevestigt (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) alleen datgene wat de Geest +is en vermag, doch niet datgene wat hij niet is en niet vermag. +Derhalve streeft hij er naar zich slechts datgene voor te stellen +wat zijn macht tot handelen bevestigt of onderstelt. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s55"> +<p><i>Stelling LV.</i></p> + +<p>Wanneer de Geest zich zijn eigen machteloosheid voorstelt, wordt +hij daardoor bedroefd.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het wezen van den Geest bevestigt slechts datgene wat de Geest is +en vermag, ofwel het ligt in den aard van den Geest (<i>vlg. +<a href="#d3s54">voorgaande St.</a></i>) zich slechts zulke dingen voor te stellen, welke +zijn macht tot handelen onderstellen. Wanneer wij dus zeggen dat +de Geest, terwijl hij zichzelf beschouwt, zich zijn eigen +machteloosheid voorstelt, zeggen wij niets anders dan dat, +terwijl de Geest poogt zich iets voor te stellen wat zijn macht +tot handelen onderstelt, juist diezelfde poging wordt belemmerd; +m.a.w. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) dat hij zich bedroeft. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d3s55g"> + <p><i>Gevolg:</i> Deze Droefheid wordt steeds heviger, indien men + zich voorstelt dat men door anderen wordt gelaakt; + hetgeen langs denzelfden weg bewezen wordt als <a href="#d3s53g">het Gevolg + van Stelling LIII van dit Deel</a>.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d3s55o"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze Droefheid, vergezeld door de + voorstelling onzer machteloosheid, wordt + <i>Neerslachtigheid</i> geheeten; de Blijheid daarentegen, + welke uit de beschouwing van onszelf ontspruit heet + <i>Eigenliefde</i> of <i>Tevredenheid met zich zelf</i> + [Zelfvoldaanheid]. En aangezien deze laatste zich even + dikwijls herhaalt als men zijn deugden of zijn vermogen + tot handelen beschouwt, is het gevolg hiervan dat elkeen + brandt van begeerte om van zijn eigen daden te verhalen + en zoowel zijn Lichaamskracht als zijn geestelijk kunnen + ten toon te spreiden, en dat de menschen elkaar om deze + reden dan ook tot last zijn. Waaruit wederom volgt dat de + menschen elkaar van nature benijden (<i>zie <a href="#d3s24o">Opmerking St. + XXIV</a> en <a href="#d3s32o">Opmerking St. XXXII v.d. D.</a></i>), ofwel dat zij zich + verheugen over de machteloosheid en daarentegen bedroeven + over de flinkheid van huns gelijken. Immers zoo dikwijls + zich iemand zijn eigen handelingen voorstelt, zoo + dikwijls zal hij zich (<i>vlg. <a href="#d3s53">St. LIII v.d. D.</a></i>) + verblijden, en dat wel te meer naarmate hij zich die + handelingen duidelijker en als uitdrukking van hooger + volmaaktheid voorstelt; d.w.z. (<i>vlg. wat in <a href="#d2s40o1">Opmerking I + St. XL D. II</a> betoogd werd</i>) hoe meer hij ze kan + beschouwen als bijzondere daden, van andere wèl + onderscheiden. Vandaar dat ieder zich bij de beschouwing + van zichzelf dàn het meest zal verblijden wanneer hij + iets in zichzelf ziet wat hij aan anderen ontzegt. Doch + wanneer hij datgene wat hij van zichzelf bevestigt, tot + de algemeene voorstelling mensch of dier kan terug + brengen, zal hij zich niet in zulk een mate verblijden; + en bedroeven zal hij zich daarentegen, als hij zich + voorstelt dat zijn daden bij die van anderen vergeleken, + onbelangrijker zijn; welke Droefheid hij dan (<i>vlg. <a href="#d3s28">St. + XXVIII v.d. D.</a></i>) zal trachten van zich af te zetten, en + dat wel door de daden van zijnsgelijken verkeerd uit te + leggen en zijn eigene zooveel mogelijk op te sieren. Het + blijkt dus wel dat de menschen van nature tot Haat en + Nijd overhellen, waartoe hun opvoeding nog het hare + bijdraagt. De ouders immers plegen hun kinderen + uitsluitend met den prikkel van eerzucht en naijver tot + deugd aan te sporen. Doch misschien zal men hier + tegenwerpen dat wij toch niet zelden de deugden van + menschen bewonderen en henzelf vereeren. Om deze + bedenking uit den weg te ruimen zal ik het onderstaande + Gevolg hier aan toe voegen.</p> + </div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Niemand benijdt een ander om diens + voortreffelijkheid, dan alleen zijns gelijke.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Nijd is Haat (<i>zie <a href="#d3s24o">Opmerking St. XXIV v.d. D.</a></i>), of + (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) Droefheid, d.w.z. + (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) een aandoening waardoor + 's menschen vermogen of streven om te handelen wordt + belemmerd. Maar de mensch streeft (<i>vlg. <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX + v.d. D.</a></i>) noch begeert iets anders te doen dan wat uit + zijn gegeven aard kan voortvloeien en daarom zal hij niet + begeeren dat hem eenig vermogen tot handelen of (wat + hetzelfde is) eenige deugd, worde toegeschreven, welke + tot eens anders aard behoort, doch hemzelf vreemd is. + Derhalve kan ook zijn eigen begeerte niet belemmerd + worden door, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) kan + hij zich niet bedroeven over het feit dat hij een of + andere deugd bij een ander, die niet zijns gelijke is, + waarneemt, en bijgevolg zal hij dien ander ook niet + kunnen benijden. Wel echter zijns gelijke, van wien + ondersteld wordt dat hij denzelfden aard heeft. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Wanneer wij dus hierboven in <a href="#d3s52o">de Opmerking + bij Stelling LII van dit Deel</a> zeiden, dat wij iemand + vereeren omdat wij zijn verstand, moed enz. bewonderen, + dan komt dit (<i>gelijk uit de stelling zelf blijkt</i>) + doordat wij ons deze deugden als hèm in het bijzonder + eigen en niet als aan onzen aard gemeen voorstellen; + zoodat wij ze hem evenmin benijden als een boom zijn + hoogte, een leeuw zijn kracht enz.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s56"> +<p><i>Stelling LVI.</i></p> + +<p>Er zijn evenveel schakeeringen van Blijheid, Droefheid en +Begeerte, en bijgevolg van alle aandoeningen, welke uit deze zijn +samengesteld, zooals Weifelmoedigheid, of welke uit hen worden +afgeleid, zooals Liefde, Haat, Hoop, Vrees enz. als er soorten +van voorwerpen bestaan welke op ons inwerken.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Blijheid en Droefheid, en bijgevolg de aandoeningen welke daaruit +zijn samengesteld of afgeleid, zijn (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. +D.</a></i>) <i>Lijdingen</i>; wij lijden echter (<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I v.d. D.</a></i>) +noodzakelijk voorzoover wij inadaequate voorstellingen hebben; en +wel (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III v.d. D.</a></i>) <i>uitsluitend</i> voorzoover wij die +hebben lijden wij; d.w.z. (<i>zie <a href="#d2s40o1">Opmerking I St. XL D. II</a></i>) +uitsluitend in zooverre lijden wij noodzakelijk, als wij ons iets +verbeelden [voorstellen], ofwel +(<i>zie <a href="#d2s17">St. XVII</a> en <a href="#d2s17o">Opmerking D. +II</a></i>) voorzoover wij een inwerking ondergaan welke den aard van +ons eigen Lichaam en dien van een uitwendig voorwerp in zich +sluit. De aard van iedere lijding moet dus noodzakelijk aldus +worden verklaard dat ook de aard van het voorwerp dat op ons +inwerkt, er in wordt uitgedrukt. Zoo zal de Blijheid welke uit +bijvoorbeeld een voorwerp A ontspruit, den aard van ditzelfde +voorwerp A en de Blijheid welke door een voorwerp B wordt te weeg +gebracht, den aard van ditzelfde voorwerp B in zich sluiten en +dien ten gevolge zijn deze beide aandoeningen van Blijheid +verschillend van aard, aangezien zij uit oorzaken van +verschillenden aard voortspruiten. Evenzoo is de aandoening van +Droefheid door het eene voorwerp opgewekt, van anderen aard dan +de Droefheid door een andere oorzaak te weeg gebracht; hetgeen +eveneens geldt voor Liefde, Haat, Hoop, Vrees, Weifelmoedigheid +enz. En vandaar dat er noodzakelijk evenveel schakeeringen van +Blijheid, Droefheid, Liefde, Haat enz. bestaan, als soorten van +voorwerpen welke op ons inwerken. Nu is echter de Begeerte het +wezen of de aard zelf van ieder mensch, voorzoover men hem +beschouwd als krachtens een of andere gegeven gesteldheid er toe +gedreven om iets te doen (<i>zie <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX v.d. D.</a></i>) +Derhalve: al naar gelang in iemand door uitwendige oorzaken deze +of gene soort van Blijheid of Droefheid, Liefde, Haat, enz. wordt +opgewekt, d.w.z. al naar gelang iemands aard in dezen of genen +toestand wordt gebracht, zal ook zijn begeerte zus of zoo zijn; +waarbij de aard der eene Begeerte evenzeer van dien der andere +moet verschillen als de aandoeningen, waaruit elk van hen +ontsproot, van elkaar verschillen. Er bestaan dus evenzoovele +soorten van Begeerte als er soorten van Blijheid, Droefheid, +Liefde enz. zijn en bijgevolg (<i>vlg. hetgeen reeds werd bewezen</i>) +als er soorten van voorwerpen zijn welke op ons inwerken. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s56o"> + <p><i>Opmerking:</i> Onder de soorten van aandoeningen, welke + (<i>vlg. <a href="#d3s56">voorgaande St.</a></i>) zeer talrijk moeten zijn, zijn de + voornaamsten: <i>Gulzigheid</i>, <i>Drankzucht</i>, + <i>Wellustigheid</i>, <i>Hebzucht</i> en <i>Eerzucht</i>; al welke + [hartstochten] niets anders zijn dan schakeeringen van + Liefde of Begeerte, welke den aard dezer aandoeningen + openbaren naar gelang der voorwerpen waarop zij + betrekking hebben. Immers onder Gulzigheid, Drankzucht, + Wellustigheid, Hebzucht en Eerzucht verstaan wij niets + anders dan een onmatige liefde of begeerte tot zwelgen, + drinken, bijslaap, rijkdommen en roem. Overigens hebben + deze aandoeningen voorzoover we ze alleen ten opzichte + van het voorwerp waarop zij betrekking hebben, van andere + onderscheiden, geen tegengestelden. Want de <i>Matigheid</i>, + welke wij aan Gulzigheid, de <i>Nuchterheid</i> welke wij aan + Drankzucht en tenslotte de <i>Kuischheid</i> welke wij aan + Wellustigheid tegenover te stellen plegen, zijn geen + gemoedsaandoeningen of lijdingen, maar duiden de + zielskracht aan, welke deze aandoeningen matigt. De + overige soorten van gemoedsaandoeningen kan ik hier + verder niet behandelen (aangezien er evenzoovele bestaan + als soorten van voorwerpen) en het zou bovendien, al kon + ik het, ook niet noodig zijn. Voor datgene toch wat wij + ons ten doel stellen: namelijk de kracht der aandoeningen + en de macht, welke de Geest over hen heeft te bepalen, is + het voor ons voldoende om een <i>algemeene</i> definitie, op + iedere aandoening toepasselijk, te bezitten. Het is voor + ons voldoende, zeg ik, de algemeene eigenschappen der + aandoeningen en van den Geest te begrijpen en te kunnen + vaststellen hoedanig en hoe groot de macht van den Geest + in het temperen en bedwingen der aandoeningen is. + Ofschoon dus het verschil tusschen deze of gene + aandoening van Liefde, Haat of Begeerte groot is, gelijk + bijvoorbeeld tusschen iemands liefde jegens zijn kinderen + en zijn liefde jegens zijn echtgenoote, hebben wij + nochtans niet van noode deze verschillen te kennen en + aard en oorsprong der aandoeningen nog dieper na te + speuren.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LVII.</i></p> + +<p>Elke aandoening van elken enkeling verschilt evenveel van de +[soortgelijke] aandoening van een ander, als het wezen van den +een verschilt van het wezen van den ander.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze stelling blijkt uit <a href="#d2h3a1">Axioma I</a> (<i>zie achter Hulpst. III, +Opmerking St. XIII D. II</i>). Wij zullen haar echter niettemin nog +bewijzen uit de definities der drie oorspronkelijke aandoeningen.</p> + +<p>Alle aandoeningen zijn terug te brengen tot Begeerte, Blijheid of +Droefheid, gelijk blijkt uit de definities, welke wij van deze +gegeven hebben. Maar Begeerte is ieders aard of wezen zelf (<i>zie +haar definitie in <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX v.d. D.</a></i>). Derhalve verschilt +de Begeerte van elken enkeling evenveel van de Begeerte van een +ander als de aard of het wezen van den een verschilt van het +wezen van den ander. Voorts zijn Blijheid en Droefheid lijdingen, +waardoor ieders vermogen of streven om in zijn bestaan te +volharden wordt vermeerderd of verminderd, bevorderd of belemmerd +(<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI</a> en +<a href="#d3s11o">Opmerking v.d. D.</a></i>). Onder dit streven om in +zijn bestaan te volharden, voorzoover het op Geest en Lichaam +beide betrekking heeft, verstaan wij echter Drang en Begeerte +(<i>zie <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX v.d. D.</a></i>). Derhalve zijn Blijheid en +Droefheid, Drang of Begeerte zelf, voorzoover deze door +uitwendige oorzaken worden vermeerderd of verminderd, bevorderd +of belemmerd; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s9o">dezelfde Opmerking</a></i>) zij zijn de aard +zelf van ieder wezen, en daarom verschilt ook een ieders Blijheid +of Droefheid evenveel van de Blijheid of Droefheid van een ander, +als de aard of het wezen van den een verschilt van het wezen van +een ander, en bijgevolg verschilt elke aandoening van elken +enkeling evenveel van de soortgelijke aandoening van een ander +als enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s57o"> + <p><i>Opmerking:</i> Hieruit volgt dat de aandoeningen der + dieren, welke redeloos genoemd worden (want dat de dieren + gevoel hebben kunnen wij, nu wij den oorsprong van den + Geest kennen, onmogelijk langer betwijfelen), evenveel + van de aandoeningen der menschen verschillen als hun aard + van den menschelijken aard verschilt. Weliswaar worden + paard en mensch beide door teeldrift gedreven, gene + echter krachtens den lust welke het paard, deze krachtens + die welke den mensch eigen is. Evenzoo moeten ook de + wellust en begeerten van insekten, visschen en vogels + voor elk van hen weer anders zijn. Hoewel dus elk + individu, tevreden met den aard dien het bezit, leeft en + zich daarin verheugt, zijn toch dit leven, waarmede elk + tevreden is en die vreugde niets anders, dan de + voorstelling of de ziel van ditzelfde individu, en + derhalve moet de vreugde van het eene natuurlijkerwijs + evenzooveel van de vreugde van het andere verschillen als + het wezen van het eene verschilt van het wezen van het + andere. Tenslotte volgt uit de voorgaande stelling dat er + eveneens geen gering verschil bestaat tusschen de vreugde + waardoor bv. de dronkaard geleid wordt en die welke den + wijsgeer bezielt, wat ik hier in het voorbijgaan wilde + opmerken.</p> + + <p>Dit over de aandoeningen, welke betrekking hebben op den + mensch voorzoover hij lijdt. Er rest mij nu nog enkele + woorden toe te voegen over die, welke betrekking op hem + hebben voorzoover hij handelt.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d3s58"> +<p><i>Stelling LVIII.</i></p> + +<p>Behalve de Blijheid en Begeerte, welke lijdingen zijn, bestaan er +nog andere aandoeningen van Blijheid en Begeerte welke betrekking +op ons hebben voorzoover wij handelen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wanneer de Geest zich van zichzelf en zijn macht tot handelen +bewust is, verblijdt hij zich (<i>vlg. <a href="#d3s53">St. LIII v.d. D.</a></i>). De Geest +beschouwt (<i>vlg. <a href="#d2s43">St. XLIII D. II</a></i>) echter zichzelf noodzakelijk +wanneer hij een ware of adaequate voorstelling heeft. Maar de +Geest heeft (<i>vlg. <a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL D. II</a></i>) inderdaad enkele +adaequate voorstellingen. Derhalve zal hij zich ook in zooverre +verblijden als hij [zulke] adaequate voorstellingen heeft; d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I v.d. D.</a></i>) voorzoover hij handelt. Verder streeft de +Geest (<i>vlg. <a href="#d3s9">St. IX v.d. D.</a></i>), zoowel voorzoover hij verwarde als +voorzoover hij heldere en duidelijke voorstellingen heeft, er +naar in zijn bestaan te volharden. Onder dit streven echter +verstaan wij (<i>vlg. <a href="#d3s9o">de Opmerking daarbij</a></i>) De Begeerte. Derhalve +heeft dus de Begeerte ook betrekking op ons voorzoover wij +begrijpen, of (<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I v.d. D.</a></i>) voorzoover wij handelen. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d3s59"> +<p><i>Stelling LIX.</i></p> + +<p>Onder de aandoeningen, welke betrekking hebben op den Geest +voorzoover hij handelt, behooren slechts zulke, welke tot +Blijheid of Begeerte teruggebracht kunnen worden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Alle aandoeningen kunnen teruggebracht worden tot Begeerte, +Blijheid of Droefheid, gelijk uit de definities welke wij daarvan +gaven blijkt. Onder Droefheid evenwel verstaan wij (<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI</a> +en <a href="#d3s11o">Opmerking v.d. D.</a></i>) dat het vermogen van den Geest tot denken +wordt verminderd of belemmerd. Derhalve bedroeft zich de Geest in +zoover als zijn vermogen tot begrijpen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I v.d. +D.</a></i>) tot handelen, wordt verminderd of belemmerd. Wij kunnen +daarom geen enkele aandoening van Droefheid met den Geest in +verband brengen voorzoover hij handelt, doch uitsluitend +aandoeningen van Blijheid en Begeerte, welke (<i>vlg. <a href="#d3s58">voorgaande +St.</a></i>) ook in dit opzicht op den Geest betrekking hebben. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d3s59o"> + <p><i>Opmerking:</i> Alle handelingen welke voortvloeien uit + aandoeningen welke betrekking hebben op den Geest + voorzoover hij begrijpt, rangschik ik onder het begrip + "<i>Flinkheid</i>" [kloekheid], waarin ik dan onderscheid + "<i>Geestkracht</i>" en "<i>Edelmoedigheid</i>". Onder + <i>Geestkracht</i> versta ik namelijk <i>die Begeerte, krachtens + welke ieder, alleen op voorschrift der Rede, er naar + streeft in zijn bestaan te volharden</i>. <span id="d3s59o_2">Onder + <i>Edelmoedigheid</i> echter versta ik <i>die Begeerte krachtens + welke ieder, alleen op voorschrift der Rede, er naar + streeft anderen te helpen en door vriendschap aan zich te + verbinden</i>.</span> Die handelingen dus, welke alleen het nut van + den handelende beoogen, rangschik ik onder Geestkracht en + die welke tevens anderen tot nut strekken, onder + Edelmoedigheid, Matigheid, Nuchterheid, Tegenwoordigheid + van Geest in gevaren, enz., zijn soorten van Geestkracht. + Gematigdheid [Minzaamheid], Goedertierenheid enz. + daarentegen zijn soorten van Edelmoedigheid.</p> + + <p>En hiermede meen ik de voornaamste aandoeningen en + gemoedsbewegingen welke uit de verbinding der drie + oorspronkelijke aandoeningen, namelijk Begeerte, Blijheid + en Droefheid, ontspruiten, toegelicht en in hun eerste + oorzaken blootgelegd te hebben. Er blijkt uit dit alles, + dat wij op tal van wijzen door uitwendige oorzaken worden + bewogen en dat wij als de golven der zee, door + tegengestelde winden voortgezweept, ronddobberen, + onwetend omtrent den afloop en van ons noodlot. Toch + zeide ik dat ik alleen nog maar de voornaamste + aandoeningen beschreven heb en geenszins alle welke + bestaanbaar zijn. Immers voortgaande op denzelfden weg + als hierboven, kunnen wij gemakkelijk aantoonen, dat + Liefde ook verbonden kan zijn met Berouw, + Verontwaardiging, Schaamte enz. Ik meen dan ook dat het, + na hetgeen tot nu werd gezegd, voor ieder wel duidelijk + zal vaststaan, dat de aandoeningen op zóóvele wijzen met + elkaar kunnen worden verbonden en dat er dientengevolge + een zóó groote verscheidenheid ontstaat, dat hun aantal + niet te bepalen is. Voor mijn bedoeling evenwel volstaat + het dat ik slechts de voornaamsten heb opgenoemd, want de + behandeling der overigen, welke ik wegliet, zou meer tot + bevrediging van weetgierigheid strekken dan werkelijk van + nut zijn<a id="aantag58" href="#aanteken58">[A58]</a>. + Nochtans wil ik omtrent de Liefde nog doen + opmerken, dat het zeer dikwijls voorkomt dat ons Lichaam, + terwijl wij een zaak welke wij begeerden genieten, door + dit genot in een nieuwen toestand geraakt, waardoor het + voor iets anders ontvankelijk wordt en de beelden van + andere dingen er in worden opgewekt, terwijl + terzelfdertijd de Geest zich die andere dingen gaat + voorstellen en begeeren. Zoo begeeren wij bijvoorbeeld, + wanneer wij ons iets voorstellen, dat ons door zijn smaak + pleegt te verheugen, dit voorwerp ook te genieten, d.w.z. + op te eten. Maar terwijl wij nu daarvan genieten, wordt + de maag verzadigd en verkrijgt het Lichaam een andere + gesteldheid. Indien nu, terwijl het Lichaam reeds in + anderen toestand is, de voorstelling dier bepaalde spijs, + doordat zijzelf aanwezig is, wordt verlevendigd en + bijgevolg ook het streven of de begeerte om haar op te + eten, zal die nieuwe gesteldheid des Lichaams zich tegen + die begeerte of dit streven verzetten en bijgevolg zal de + aanwezigheid van de spijs, welke wij eerst begeerden, ons + thans onaangenaam zijn. Dit is het wat wij "<i>Tegenzin</i>" + en "<i>Walging</i>" noemen.</p> + + <p>Verder heb ik die uitwendige werkingen des Lichaams, + welke bij de aandoeningen worden opgemerkt, zooals beven, + verbleeken, snikken, lachen enz. verwaarloosd, omdat zij + uitsluitend op het Lichaam betrekking hebben, zonder in + eenig verband te staan met den Geest. Tenslotte wil ik + nog een en ander doen opmerken naar aanleiding van de + definities der aandoeningen, zoodat ik ze hier naar + volgorde herhalen en wat bij elk van hen valt op te + merken, er tusschen voegen zal.</p> + </div> + + + +<h4>DEFINITIES DER AANDOENINGEN</h4> + + +<div class="define" id="d3n1"> +<p>I. <i>Begeerte</i> is 's menschen wezen zelf, opgevat als krachtens +een of andere zijner aandoeningen genoopt om iets te doen.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Wij hebben hierboven, in <a href="#d3s9o">de Opmerking bij + Stelling IX van dit Deel</a>, gezegd dat Begeerte "Drang" is, + gepaard met het bewustzijn daarvan, dat evenwel die Drang + 's menschen wezen zelf is, voorzoover hij daardoor wordt + gedreven om datgene te doen, wat tot zijn eigen behoud + strekt. Doch in diezelfde Opmerking heb ik tevens er op + gewezen dat ik tusschen dien menschelijken Drang en de + Begeerte eigenlijk geen onderscheid erken. Immers of de + mensch zich van zijn Drang bewust is of niet, de Drang + blijft nochtans dezelfde en ik heb daarom, om mij niet + schijnbaar aan tautologie schuldig te maken, de Begeerte + liever niet uit den Drang willen afleiden, maar veeleer + mijn best gedaan haar aldus te omschrijven dat al die + strevingen van den menschelijken aard, welke wij met de + woorden drang, wil, begeerte of + aandrift<a id="aantag59" href="#aanteken59">[A59]</a> aanduiden, + er onder begrepen zijn. Ik had dus ook kunnen zeggen: + Begeerte is 's menschen wezen zelf, opgevat als genoopt + om iets te doen; doch uit deze definitie zou (<i>vlg. <a href="#d2s23">St. + XXIII D. II</a></i>) niet volgen dat de Geest zich van zijn + Begeerte of Drang bewust kan zijn. Om dus ook een oorzaak + voor deze bewustwording in te sluiten, was het (<i>vlg. + <a href="#d2s23">dezelfde St.</a></i>) noodig er aan toe te voegen: "opgevat als + krachtens een of andere zijner aandoeningen genoopt" enz. + Want onder een aandoening van 's menschen wezen verstaan + wij iedere gesteldheid van dit wezen, welke ook, hetzij + zij aangeboren is [dan wel + verworven]<a id="aantag60" href="#aanteken60">[A60]</a>, en hetzij men + haar beschouwe als openbaring van alleen het Denken, dan + wel van alleen de Uitgebreidheid, of wel eindelijk van + beide tegelijk. Ik versta hier dus onder het woord + Begeerte elk streven, elke aandrift, elken drang en elke + willing van den mensch, welke naar gelang van 's menschen + eigen wisselende gesteldheid, telkens verschillen en niet + zelden zoozeer met elkaar in strijd zijn, dat de mensch + op alle manieren her en derwaarts wordt geslingerd en + niet weet waarheen hij zich zal wenden.</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n2"> +<p>II. Blijheid is 's menschen overgang van geringer tot grooter +volmaaktheid.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d3n3"> +<p>III. Droefheid is 's menschen overgang van grooter tot geringer +volmaaktheid.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg "overgang". Want Blijheid is niet + volmaaktheid zelf. Immers indien de mensch met die + volmaaktheid, waartoe hij kan overgaan, geboren werd, zou + hij haar bezitten zonder eenige aandoening van Blijheid, + hetgeen nog duidelijker blijkt bij de Droefheid, welke + het tegenovergestelde van deze aandoening is. Want dat + Droefheid bestaat in overgang tot geringer volmaaktheid, + doch niet in die geringe volmaaktheid zelf, kan niemand + ontkennen, aangezien geen mensch zich bedroeven kan, + voorzoover hij ook maar eenige volmaaktheid deelachtig + is. Evenmin kunnen wij zeggen dat Droefheid bestaat in + gemis van grooter volmaaktheid; want een gemis is niets, + terwijl een aandoening van Droefheid een zielsproces is + en dus niets anders zijn kan dan het proces van overgang + tot geringer volmaaktheid, d.w.z. (<i>zie <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI + v.d. D.</a></i>) een proces waardoor 's menschen vermogen tot + handelen wordt verminderd of belemmerd. Voor het overige + laat ik de definities van Opgewektheid, Prikkeling, + Gedruktheid en Pijn hier weg, wijl zij voornamelijk + betrekking hebben op het Lichaam en niets anders zijn dan + schakeeringen van Blijheid of Droefheid.</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>IV. Verbazing is een zoodanig zich voorstellen eener zaak, dat de +Geest er door geboeid blijft, wijl deze bijzondere voorstelling +geen verband houdt met andere [gelijktijdige] voorstellingen. +(<i>Zie <a href="#d3s52">St. LII</a> en <a href="#d3s52o">Opmerking v.d. D.</a></i>)</p> +</div> + + <div class="toelicht" id="d3n4t"> + <p><i>Toelichting:</i> In <a href="#d2s18o">de Opmerking bij Stelling XVIII Deel II</a> + hebben wij aangetoond welke de oorzaak ervan is, dat de + Geest van de beschouwing van het eene ding dadelijk op de + gedachte aan een ander komt; te weten wijl de beelden + dier dingen aaneengeschakeld en aldus gerangschikt zijn, + dat zij op elkaar volgen. Wat ondenkbaar is, wanneer de + voorstelling eener zaak geheel nieuw is en de Geest dus + bij de beschouwing ervan wordt vastgehouden, totdat hij + door andere oorzaken wordt gedwongen aan iets anders te + denken. Op zichzelf beschouwd is dus de voorstelling van + een nieuw ding van denzelfden aard als andere en om deze + reden reken ik dan ook de Verbazing niet tot de + oorspronkelijke aandoeningen en zie ik ook geen reden + waarom ik dit doen zou, aangezien deze in beslagneming + van den Geest uit geen enkele positieve oorzaak, welke + den Geest van andere dingen zou aftrekken, voortspruit, + doch alleen uit het feit dat een oorzaak, waardoor de + Geest van de beschouwing van het eene ding tot het denken + aan iets anders gedwongen kon worden, ontbreekt. Ik erken + dus slechts (<i>gelijk in <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a> reeds + werd gezegd</i>) drie oorspronkelijke of primaire + aandoeningen, namelijk Blijheid, Droefheid en Begeerte en + ik heb ook om geen andere reden over de Verbazing + gesproken, dan wijl het gewoonte is geworden sommige + aandoeningen, welke uit die drie oorspronkelijke zijn + afgeleid, met een anderen naam aan te duiden wanneer zij + betrekking hebben op voorwerpen waarover wij ons + verbazen. Welke reden mij uit dezelfde overweging er toe + leidt hier ook nog de definitie van Verachting aan toe te + voegen.</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>V. <i>Verachting</i> is de voorstelling eener zaak, welke den Geest +zoo weinig raakt, dat de Geest door haar aanwezigheid er méér toe +gedreven wordt zich voor te stellen wat die zaak nìet, dan wat +zij wèl bezit. (<i>Zie <a href="#d3s52o">Opmerking St. LII v.d. D.</a></i>)</p> +</div> + +<p>De definities van Vereering en Ergernis laat ik hier achterwege, +wijl, voorzoover ik weet, geen andere aandoeningen aan hen hun +naam ontleenen.</p> + + +<div class="define" id="d3n6"> +<p>VI. <i>Liefde</i> is Blijheid, vergezeld door de voorstelling eener +uitwendige oorzaak.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Deze definitie drukt met voldoende + duidelijkheid het wezen der Liefde uit. Die van andere + schrijvers daarentegen, die zeggen dat <i>Liefde</i> is: <i>de + wil van dengene die liefheeft om zich met het geliefde + wezen te vereenigen</i>, drukt niet het wezen, maar een + eigenschap der Liefde uit. Wijl nu het wezen der Liefde + door deze schrijvers niet voldoende werd doorzien, konden + zij ook van die eigenschap geen helder begrip hebben en + vandaar dat dan ook ieder hun definitie uiterst duister + vindt. Men moet nu wèl in het oog houden, dat wanneer ik + zeg dat het een eigenschap is van dengene die liefheeft, + dat hij den wil heeft om zich met het geliefde wezen te + vereenigen, ik hier onder "wil" niet versta toestemming + of overweging of vrij besluit (want in <a href="#d2s48">St. XLVIII D. II</a> + hebben wij aangetoond dat deze zaken slechts inbeeldingen + zijn) en evenmin de begeerte om zich met het geliefde + wezen te vereenigen, wanneer dit niet aanwezig is, of om + in zijn tegenwoordigheid te kunnen blijven wanneer het + wel aanwezig is. Liefde toch is ook zonder een dezer + begeerten denkbaar. Maar onder dien wil versta ik de + Bevrediging [Rust] die dengene, die liefheeft, vervult + tengevolge van de aanwezigheid van het geliefde wezen, + waardoor de Blijheid van den eerste wordt versterkt of + althans aangewakkerd.</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n7"> +<p>VII. Haat is Droefheid, vergezeld door de voorstelling eener +uitwendige oorzaak.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Wat hierover zou zijn op te merken is + gemakkelijk af te leiden uit hetgeen in de Toelichting + der voorgaande Definitie is gezegd. (<i>Zie bovendien + <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>)</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>VIII. <i>Neiging</i> is Blijheid, vergezeld door de voorstelling van +iets dat door toevallige omstandigheden oorzaak van Blijheid is.</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>IX. <i>Afkeer</i> is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van +iets dat door toevallige omstandigheden oorzaak van Droefheid is. +(<i>Zie hierover <a href="#d3s15o">Opmerking St. XV v.d. D.</a></i>)</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>X. <i>Toewijding</i> is Liefde jegens dengene, dien wij bewonderen.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Dat bewondering haar oorsprong vindt in de + nieuwheid eener zaak hebben wij in <a href="#d3s52">Stelling LII van dit + Deel</a> aangetoond. Wanneer het dus voorkomt dat wij ons + iets dat wij bewonderen herhaaldelijk voorstellen, houden + wij op het te bewonderen; en wij zien daardoor dan ook + dat de aandoening van Toewijding gemakkelijk tot gewone + Liefde ontaardt.</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>XI. <i>Bespotting</i> is Blijheid, voortgesproten uit het feit dat wij +ons voorstellen dat iets, hetwelk wij verachten, aanwezig is in +een zaak, welke wij haten.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Voorzoover wij een zaak, welke wij haten, + ook verachten, ontkennen wij haar bestaan [ontzeggen wij + er iets aan] (<i>zie <a href="#d3s52o">Opmerking St. LII v.d. D.</a></i>) en + inzoover zullen wij ons dus (<i>vlg. <a href="#d3s20">St. XX v.d. D.</a></i>) + verblijden. Maar aangezien wij onderstellen, dat iemand + datgene wat hij bespot, toch ook haat, volgt hieruit, dat + deze Blijheid niet duurzaam is. (<i>Zie <a href="#d3s47o">Opmerking St. XLVII + v.d. D.</a></i>)</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>XII. <i>Hoop</i> is een onstandvastige Blijheid, ontsproten uit de +voorstelling van iets toekomstigs of verledens, omtrent welks +verloop wij in eenig opzicht twijfelen.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d3n13"> +<p>XIII. <i>Vrees</i> is een onstandvastige Droefheid, ontsproten uit de +voorstelling van iets toekomstigs of verledens, omtrent welks +verloop wij in eenig opzicht twijfelen. (<i>Zie hierover <a href="#d3s18o2">Opmerking +II St. XVIII v.d. D.</a></i>)</p> +</div> + + <div class="toelicht" id="d3n13t"> + <p><i>Toelichting:</i> Uit deze definitie volgt dat er geen Hoop + bestaat zonder Vrees, noch Vrees zonder Hoop. Immers, wie + in Hoop zweeft en twijfelt omtrent den afloop eener zaak, + wordt verondersteld zich iets voor te stellen dat het + bestaan dier toekomstige zaak uitsluit en dus zich in + zoover ook te bedroeven (<i>vlg. <a href="#d3s19">St. XIX v.d. D.</a></i>), en + bijgevolg, zoolang hij hoopt, tevens te vreezen dat de + zaak misloopt. Wie daarentegen in Vrees verkeert, d.w.z. + wie twijfelt omtrent den afloop van iets dat hij haat, + stelt zich eveneens iets voor dat het bestaan ervan + uitsluit; hij verblijdt zich dus (<i>vlg. <a href="#d3s20">St. XX v.d. D.</a></i>) + en heeft bijgevolg inzoover Hoop dat het niet zal + gebeuren.</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>XIV. <i>Gerustheid</i> is Blijheid, ontsproten uit de voorstelling van +iets toekomstigs of verledens, waaromtrent alle reden tot twijfel +is opgeheven.</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XV. <i>Wanhoop</i> is Droefheid, ontsproten uit de voorstelling van +iets toekomstigs of verledens, waaromtrent alle reden tot twijfel +is opgeheven.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Uit Hoop ontspringt dus Gerustheid, uit + Vrees Wanhoop, wanneer de reden om over den afloop van + iets te twijfelen wordt opgeheven. Wat het gevolg daarvan + is, dat men zich òf een verleden of toekomstig iets als + aanwezig voorstelt en dus als tegenwoordig beschouwt, òf + zich iets anders voorstelt dat het bestaan uitsluit van + al datgene wat ons in twijfel deed verkeeren. Want al + kunnen wij (<i>vlg. <a href="#d2s31g">Gevolg St. XXXI D. II</a></i>) nooit zéker + zijn omtrent den afloop van bijzondere zaken, zoo kan het + toch niettemin voorkomen dat wij omtrent hun afloop niet + twijfelen. Wij hebben immers aangetoond (<i>zie <a href="#d2s49o">Opmerking + St. XLIX D. II</a></i>) dat het nog iets anders is aan iets niet + te twijfelen, of zekerheid omtrent iets te bezitten. En + zoo kan het dus gebeuren dat wij tengevolge van de + voorstelling eener verleden of toekomstige zaak dezelfde + aandoening van Blijheid of Droefheid ondervinden als door + de voorstelling van iets dat werkelijk aanwezig is, + gelijk wij in <a href="#d3s18">Stelling XVIII van dit Deel</a> hebben bewezen. + (<i>Men zie <a href="#d3s18">deze Stelling</a> met + <a href="#d3s18o2">de Opmerking daarbij</a></i>).</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>XVI. <i>Verheuging</i> is Blijheid, vergezeld door de voorstelling van +iets verledens dat buiten verwachting [goed] afliep [uitviel].</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XVII. <i>Spijt</i> [Hartzeer] is Droefheid, vergezeld door de +voorstelling van iets verledens dat buiten verwachting [slecht] +afliep [uitviel].</p> +</div> + + +<div class="define" id="d3n18"> +<p>XVIII. <i>Medelijden</i> is Droefheid, vergezeld door de voorstelling +van een kwaad dat aan een ander, dien wij als onzen gelijke +beschouwen, is overkomen (<i>zie <a href="#d3s22o">Opmerking St. XXII</a> +en <a href="#d3s27o1">Opmerking +St. XXVII v.d. D.</a></i>)</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Tusschen Medelijden en Barmhartigheid + schijnt geen verschil te bestaan, tenzij misschien dit, + dat Medelijden slaat op een bijzondere aandoening, + barmhartigheid daarentegen op haar + gewoonte<a id="aantag61" href="#aanteken61">[A61]</a>.</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n19"> +<p>XIX. <i>Ingenomenheid</i> is Liefde jegens iemand die een ander heeft +welgedaan.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d3n20"> +<p>XX. <i>Verontwaardiging</i> is Haat jegens iemand die een ander heeft +kwaad gedaan.</p> +</div> + + <div class="toelicht" id="d3n20t"> + <p><i>Toelichting:</i> Ik weet dat deze woorden in het + dagelijksch gebruik iets anders beteekenen. Maar het is + niet mijn voornemen de beteekenis van woorden, doch den + aard der dingen te verklaren en deze dingen dan aan te + duiden met woorden, waarvan de beteekenis welke zij + gewoonlijk hebben, met de beteekenis welke ik hen wensch + te geven, niet geheel en al onvereenigbaar is. Het moge + volstaan dit hier eens en vooral te hebben doen opmerken. + Zie overigens over den oorsprong dier aandoeningen + <i><a href="#d3s27g1">Gevolg I Stelling XXVII</a> + en de <a href="#d3s22o">Opmerking bij Stelling + XXII van dit Deel</a></i>.</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n21"> +<p>XXI. <i>Overschatting</i> is uit Liefde beter van iemand denken dan +gerechtvaardigd is.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d3n22"> +<p>XXII. <i>Geringschatting</i> is uit Haat slechter van iemand denken +dan billijk is.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Overschatting is dus een gevolg of + eigenschap van Liefde, evenals Geringschatting van Haat. + Men kan daarom Overschatting ook omschrijven als: Liefde, + voorzoover zij den mensch er toe brengt beter van het + geliefde wezen te denken dan gerechtvaardigd is en + daarentegen Geringschatting als Haat, voorzoover hij den + mensch er toe brengt slechter over het gehate wezen te + oordeelen dan billijk is (<i>zie hierover <a href="#d3s26o">Opmerking St. + XXVI v.d. D.</a></i>).</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n23"> +<p>XXIII. <i>Nijd</i> [Afgunst, Leedvermaak] is Haat voorzoover hij den +mensch er toe brengt zich over eens anders geluk te bedroeven en +omgekeerd zich over diens ongeluk te verblijden.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Gewoonlijk wordt tegenover Nijd + Barmhartigheid gesteld, welke dus, tegen de gewone + beteekenis van het woord, als volgt kan worden + omschreven:</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>XXIV. <i>Barmhartigheid</i> is Liefde, voorzoover zij den mensch er +toe brengt, zich over eens anders geluk te verblijden en +omgekeerd zich over diens ongeluk te bedroeven.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Zie overigens omtrent den Nijd de + <i><a href="#d3s24o">Opmerking bij Stelling XXIV</a> en + de <a href="#d3s32o">Opmerking bij Stelling + XXXII van dit Deel</a></i>. Deze nu zijn de aandoeningen van + Blijheid of Droefheid welke vergezeld gaan van + voorstellingen eener uitwendige oorzaak, hetzij + onmiddellijk of door toevallige omstandigheden. Ik zal nu + tot de andere aandoeningen overgaan, welke vergezeld gaan + van de voorstelling eener inwendige oorzaak.</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n25"> +<p>XXV. <i>Zelfvoldaanheid</i> [Tevredenheid met zichzelf] is Blijheid, +ontstaan door de beschouwing van zichzelf en de eigen macht tot +handelen.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d3n26"> +<p>XXVI. <i>Neerslachtigheid</i> is Droefheid, ontstaan door de +beschouwing van eigen machteloosheid of zwakheid.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Zelfvoldaanheid staat tegenover + Neerslachtigheid, voorzoover wij er onder verstaan de + Blijheid, ontstaan door de beschouwing van onze eigen + macht tot handelen; voorzoover wij er evenwel ook onder + verstaan Blijheid, vergezeld door de voorstelling van een + of andere daad, welke wij krachtens vrij besluit des + Geestes meenen verricht te hebben, staat zij tegenover + Berouw, dat door ons als volgt wordt omschreven:</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n27"> +<p>XXVII. <i>Berouw</i> is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van +een of andere daad, welke wij krachtens vrij besluit des Geestes +meenen verricht te hebben.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> De oorzaken dezer aandoeningen hebben wij + aangewezen in <a href="#d3s51o">de Opmerking bij Stelling LI van dit Deel</a> + en <a href="#d3s53">de Stellingen LIII</a>, <a href="#d3s54">LIV</a> + en <a href="#d3s55">LV</a> met <a href="#d3s55o">de daarbij + behoorende Opmerking</a>. Over het vrije besluit des Geestes + zie evenwel <a href="#d2s35o">de Opmerking bij Stelling XXXV van Deel II</a>. + Doch hier valt bovendien nog op te merken dat het niet te + verwonderen is wanneer algemeen op alle handelingen, + welke men volgens gewoonte "verkeerd" noemt, Droefheid + volgt en op alle die "behoorlijk" heeten Blijheid. Immers + na het hier boven gezegde kunnen wij gemakkelijk inzien + dat dit voornamelijk afhangt van de opvoeding. De ouders + hebben toch, door gene daden af te keuren en hun kinderen + er herhaaldelijk over te berispen, deze daarentegen aan + te raden en te prijzen, gemaakt dat met gene aandoeningen + van Droefheid, met deze echter van Blijheid verbonden + worden. Hetgeen ook door de ervaring zelf wordt + bevestigd. Immers gewoonte en godsdienst zijn niet voor + iedereen dezelfde. Integendeel, wat den een heilig is, is + voor den ander profaan; wat de een eerbaar vindt, is bij + den ander schandelijk. Naar de wijze dus waarop ieder is + opgevoed zal hij een daad berouwen of zich er op + beroemen.</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n28"> +<p>XXVIII. <i>Hoogmoed</i> [Verwaandheid] is uit Liefde beter van +zichzelf denken dan gerechtvaardigd is.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Hoogmoed verschilt dus van overschatting + daarin, dat deze op een uitwendig voorwerp betrekking + heeft, gene echter op den mensch zelf die beter van + zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is. Overigens, evenals + overschatting een gevolg of eigenschap der Liefde is, is + Hoogmoed een gevolg of eigenschap van Eigenliefde, zoodat + zij dus ook omschreven kan worden als Liefde tot zichzelf + of Zelfvoldaanheid, voorzoover zij den mensch er toe + brengt dat hij beter over zichzelf denkt dan + gerechtvaardigd is. (<i>Zie <a href="#d3s26o">Opmerking St. XXVI v.d. D.</a></i>). + Van deze aandoening bestaat geen tegengestelde. Immers + niemand denkt uit Haat jegens zichzelf slechter van zich + dan billijk is. Jazelfs denkt niemand slechter van + zichzelf dan billijk is, wanneer hij zich voorstelt dat + hij dit of dat niet kan. Want als iemand zich voorstelt + dat hij iets niet kan, stelt hij zich daarbij + noodzakelijk die zaak voor en wordt hij door die + voorstelling in een zoodanigen toestand gebracht dat hij + ook inderdaad niet kan wat hij zich voorstelde niet te + kunnen. Zoolang hij zich immers voorstelt dat hij dit of + dat niet kan, zoolang ook wordt hij niet tot handelen + gedreven en bijgevolg is het hem ook zoolang onmogelijk + iets te doen. Indien wij evenwel letten op datgene wat + uitsluitend van "meenen" [inbeelding] afhangt, kunnen wij + tòch zeer goed begrijpen hoe het mogelijk is dat iemand + slechter van zichzelf denkt dan billijk is. Zoo kan het + immers voorkomen dat iemand, terwijl hij in Droefheid + zijn eigen zwakheid beschouwt, zich inbeeldt dat hij door + iedereen veracht wordt, terwijl integendeel anderen aan + niets minder denken dan hem te verachten. Bovendien kan + iemand slechter van zichzelf denken dan billijk is, + wanneer hij op een gegeven oogenblik iets van zichzelf + ontkent in verband met de toekomst, waaromtrent hij in + het onzekere is; zooals bijvoorbeeld wanneer hij + verklaart, dat hij niets zeker zal kunnen begrijpen, of + dat hij niets dan verkeerde of schandelijke dingen kan + begeeren of doen, enz. Verder kunnen wij nog zeggen dat + iemand slechter van zichzelf denkt dan billijk is, + wanneer wij zien dat hij uit al te groote vrees voor + schande niet durft, wat zijns gelijken wel durven. Deze + aandoening kunnen wij dus tegenover den Hoogmoed stellen. + Ik zal haar <i>Zelfverachting</i> [Kleinmoedigheid] noemen, + want evenals uit Zelfvoldaanheid de Hoogmoed, zoo + ontspruit uit Ootmoed de Zelfverachting, welke daarom als + volgt door ons kan worden omschreven:</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n29"> +<p>XXIX. <i>Zelfverachting</i> [Kleinmoedigheid] is uit Droefheid +slechter van zichzelf denken dan billijk is.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Toch plegen wij dikwijls Deemoed tegenover + Hoogmoed te stellen. Wij letten daarbij dan echter meer + op beider uitwerking dan op beider karakter. Wij zijn + namelijk gewoon iemand hoogmoedig te noemen die al te + zeer pocht (<i>zie <a href="#d3s30o">Opmerking St. XXX v.d. D.</a></i>), die van + zichzelf niets dan deugden en van anderen niets dan + fouten weet te vertellen; die boven allen den voorrang + wil hebben en die tenslotte optreedt met een waardigheid + en praalvertoon, welke slechts toekomen aan wie verre + boven hem geplaatst zijn. Daarentegen noemen wij + deemoedig, wie dikwijls bloost, zijn feilen erkent en van + anderer deugden verhaalt, elkeen uit den weg gaat, met + gebogen hoofd voortschrijdt en het versmaadt zich op te + sieren. Overigens zijn deze aandoeningen, ik bedoel + Deemoed en Zelfverachting allerzeldzaamst. Want de + menschelijke aard op zichzelf beschouwd, verzet zich + zooveel mogelijk tegen haar (<i>zie <a href="#d3s13">St. XIII</a> + en <a href="#d3s54">St. LIV + v.d. D.</a></i>). Vandaar dat zij, die zichzelf voor uiterst + deemoedig en nederig houden, in werkelijkheid meestal in + de hoogste mate eerzuchtig en afgunstig zijn.</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n30"> +<p>XXX. <i>Zelfverheerlijking</i> is Blijheid, vergezeld door de +voorstelling van een of andere door onszelf verrichte daad, +waarvan wij meenen dat zij door anderen geprezen wordt.</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XXXI. <i>Schaamte</i> is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van +een of andere door onszelf verrichte daad, waarvan wij meenen dat +zij door anderen gelaakt wordt.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Zie hieromtrent <a href="#d3s30o">de Opmerking bij Stelling + XXX van dit Deel</a>. Er moet hier evenwel gewezen worden op + het onderscheid dat er bestaat tusschen Schaamte en + Schroom. Schaamte toch is Droefheid, welke volgt op het + feit waarover men zich schaamt. Schroom evenwel is Vrees + of Angst voor Schaamte, waardoor iemand ervan wordt terug + gehouden iets schandelijks te begaan. Men pleegt + tegenover Schroom Onbeschaamdheid te stellen, maar deze + is in werkelijkheid geen aandoening, gelijk ik te zijner + plaatse zal aantoonen. Doch de namen der aandoeningen + berusten (gelijk ik reeds heb opgemerkt) meer op het + [spraak] gebruik dan op hun aard.</p> + + <p>En hiermede heb ik de aandoeningen van Blijheid en + Droefheid, welke ik mij had voorgenomen toe te lichten, + afgehandeld. Ik ga dus over tot die, welke ik terugbreng + tot Begeerte.</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>XXXII. <i>Verlangen</i> is Begeerte of Drang om iets te bemachtigen +[te bereiken], welke Begeerte door de herinnering aan de zaak +wordt aangewakkerd en terzelfdertijd door de herinnering aan +andere dingen, welke het bestaan der begeerde zaak uitsluiten, +wordt belemmerd.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Wanneer wij ons een zeker iets herinneren, + zijn wij, gelijk wij reeds herhaaldelijk opmerkten, door + dit feit zelf genoopt om die zaak met dezelfde aandoening + te beschouwen alsof zij werkelijk aanwezig ware. Deze + geneigdheid of dit streven echter wordt, als wij in + wakenden toestand verkeeren, meestal belemmerd door + voorstellingen van dingen, welke het bestaan van datgene + wat wij ons herinneren uitsluiten. Wanneer wij ons dus + iets herinneren, dat een of andere soort van Blijheid in + ons opwekte, zullen wij vanzelf er naar streven om deze + zaak met dezelfde aandoening van Blijheid, als aanwezig + te beschouwen; welk streven dan weer onmiddellijk + belemmerd wordt door de herinnering aan dingen, welke + haar bestaan uitsluiten. Vandaar dat Verlangen inderdaad + Droefheid is, tegenovergesteld aan die Blijheid welke het + gevolg is van de afwezigheid van iets dat wij haten. Men + zie hierover <a href="#d3s47o">de Opmerking bij Stelling XLVII van dit + Deel</a>. Omdat evenwel het woord Verlangen in betrekking + schijnt te staan met Begeerte, reken ik deze aandoening + tot de aandoeningen van Begeerte.</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>XXXIII. <i>Wedijver</i> is een Begeerte tot iets, welke in ons +ontstaat doordat wij ons voorstellen dat anderen dezelfde +Begeerte hebben.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Van iemand die vlucht omdat hij anderen + ziet vluchten, of die vreest omdat hij anderen ziet + vreezen; ja, ook van iemand die, omdat hij ziet dat een + ander zijn hand brandde, zijn eigen hand terugtrekt, en + een gebaar maakt alsof hijzelf zich gebrand had, zeggen + wij dat hij eens anders aandoening nabootst, doch niet + dat hij met dien ander wedijvert. Niet wijl wij voor + wedijver en nabootsing verschillende oorzaken zouden + weten aan te geven, maar wijl het nu eenmaal gebruik + geworden is, dat wij slechts van wedijver spreken bij hem + die iets nabootst wat wij eervol, nuttig of aangenaam + achten. Zie overigens over den oorsprong van den wedijver + <a href="#d3s27">Stelling XXVII van dit Deel</a> + met <a href="#d3s27o1">de Opmerking daarbij</a>. + Omtrent de reden waarom deze aandoening meestal verbonden + is met afgunst, zie <a href="#d3s32">Stelling XXXII van dit Deel</a> + en <a href="#d3s32o">de + Opmerking daarbij</a>.</p> + </div> + + +<div class="define" id="d3n34"> +<p>XXXIV. <i>Dank</i> of <i>Dankbaarheid</i> is Begeerte, of een streven der +Liefde om wèl te doen wie ons uit gelijke Liefde een weldaad +heeft bewezen. (<i>Zie <a href="#d3s39">St. XXXIX</a> +en <a href="#d3s41o">Opmerking St. XLI v.d. D.</a></i>)</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XXXV. <i>Welwillendheid</i> is Begeerte om iemand met wien wij +medelijden hebben wèl te doen +(<i>zie <a href="#d3s27o2">Opmerking St. XXVII v.d. D.</a></i>)</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XXXVI. <i>Toorn</i> is Begeerte, waardoor wij uit Haat er toe worden +gedreven hem, dien wij haten, kwaad te berokkenen (<i>zie <a href="#d3s39">St. XXXIX +v.d. D.</a></i>)</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XXXVII. <i>Wraakzucht</i> is Begeerte, waardoor wij uit wederkeerigen +Haat ertoe worden gedreven, hem, die ons op grond van dezelfde +aandoening benadeelde, kwaad te doen. (<i>Zie <a href="#d3s40g2">Gevolg II St. XL v.d. +D.</a> en <a href="#d3s40g2o">Opmerking</a></i>).</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XXXVIII. <i>Wreedheid</i> of <i>Gruwzaamheid</i> is Begeerte, waardoor wij +worden gedreven iemand, dien wij liefhebben of met wien wij +medelijden gevoelen kwaad te doen.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Tegenover Wreedheid staat + <i>Zachtmoedigheid</i> [Goedertierenheid], welke geen lijding + is, maar de zielskracht door welke de mensch toorn en + wraakzucht tempert.</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>XXXIX. <i>Angst</i> is de Begeerte om een grooter kwaad dat wij +vreezen, door een kleiner kwaad te vermijden. (<i>Zie <a href="#d3s39o">Opmerking St. +XXXIX v.d. D.</a></i>)</p> +</div> + + +<div class="define" id="d3n40"> +<p>XL. <i>Vermetelheid</i> is de Begeerte, waardoor iemand wordt gedreven +iets te doen met een gevaar voor zichzelf, dat zijns gelijken te +loopen vreezen.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d3n41"> +<p>XLI. <i>Lafhartigheid</i> wordt toegeschreven aan hem, wiens Begeerte +wordt in bedwang gehouden door angst voor een gevaar dat zijns +gelijken aandurven.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Lafhartigheid is dus niets anders dan + vrees voor een kwaad dat de meeste menschen niet plegen + te vreezen, zoodat ik haar niet tot de Begeerten reken. + Toch heb ik haar hier moeten toelichten, wijl zij, + voorzoover de Begeerte betreft, inderdaad tegenover de + aandoening der Vermetelheid geplaatst wordt.</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>XLII. <i>Verbijstering</i> wordt toegeschreven aan hem, wiens begeerte +om een kwaad te ontwijken, belemmerd wordt door Verbazing over +het kwaad dat hij vreest.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Verbijstering is dus een soort van + lafhartigheid. Wijl echter verbijstering uit een dubbele + vrees ontspringt, kan zij gemakkelijker worden + gedefinieerd als zijnde die vrees, welke den mensch zóó + verstomd doet staan of in weifeling houdt, dat hij een of + ander kwaad niet kan afwenden. Ik zeg "verstomd doet + staan", voorzoover wij aannemen dat zijn begeerte om het + kwaad af te wenden, wordt belemmerd door verbazing. Maar + "in weifeling houdt" zeg ik voorzoover wij aannemen dat + de begeerte wordt belemmerd door vrees voor een ander + kwaad, dat hem evenzeer kwelt, zoodat hij niet weet welk + van de twee hij zal afwenden. (<i>Zie hierover <a href="#d3s39o">Opmerking + St. XXXIX</a> en <a href="#d3s52o">Opmerking St. LII v.d. D.</a> en overigens over + Lafhartigheid en Vermetelheid <a href="#d3s51o">Opmerking St. LI v.d. D.</a></i>)</p> + </div> + + +<div class="define"> +<p>XLIII. <i>Menschenmin</i> [Vriendelijkheid] of <i>Gematigdheid</i> +[Minzaamheid]<a id="aantag62" href="#aanteken62">[A62]</a> +is de Begeerte om te doen wat den menschen +behaagt en te laten wat hen mishaagt.</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XLIV. <i>Eerzucht</i> is onmatige Begeerte naar roem.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Eerzucht is een Begeerte, door welke + (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII</a> en + <a href="#d3s31">XXXI v.d. D.</a></i>) alle aandoeningen + worden aangewakkerd en versterkt en daarom is deze + aandoening bijna niet te overwinnen. Want zoolang als de + mensch door welke begeerte ook bevangen is, is hij + noodzakelijk tevens bevangen door deze. "De allerbesten" + zeide Cicero<a href="#voetnoot15"><sup>15</sup></a>, "worden in hooge mate door Eerzucht + geleid. Zelfs wijsgeeren, die schrijven over de + verachtelijkheid van den roem, zetten hun naam op hun + boeken, enz."</p> + </div> + +<p class="voetitem" id="voetnoot15">[Voetnoot 15: Pro archia XI.]</p> + + +<div class="define"> +<p>XLV. <i>Gulzigheid</i> is onmatige Begeerte of ook wel Liefde tot +gastmalen.</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XLVI. <i>Drankzucht</i> is onmatige Begeerte en Liefde tot drinken.</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XLVII. <i>Hebzucht</i> is onmatige Begeerte en Liefde tot rijkdommen.</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>XLVIII. <i>Wellustigheid</i> eindelijk is Begeerte en Liefde tot +lichamelijke vermenging.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Deze begeerte tot vermenging pleegt men + steeds wellustigheid te noemen, onverschillig of zij + gematigd is of niet.</p> + + <p>Voorts merk ik op dat deze vijf aandoeningen (<i>gelijk ik + reeds in <a href="#d3s56o">Opmerking St. LVI v.d. D.</a> in herinnering + bracht</i>) geen tegengestelden hebben. Want Gematigdheid is + een soort van eerzucht (<i>zie <a href="#d3s29o">Opmerking St. XXIX v.d. D.</a></i>) + en dat Matigheid, Nuchterheid en Kuischheid zielskrachten + aanduiden, maar geen lijdingen, heb ik ook reeds + opgemerkt. En ofschoon het zeer goed kan voorkomen dat + een hebzuchtig, eerzuchtig of vreesachtig man zich + onthoudt van overmatig gebruik van spijs en drank en + overmatig geslachtsverkeer, zoo zijn toch Hebzucht, + Eerzucht en Vreesachtigheid geenszins tegenstellingen van + Gulzigheid, Drankzucht of Wellustigheid. Immers een + gierigaard is er meestal op belust zich met spijs en + drank van anderen vol te stoppen. En de eerzuchtige zal, + zoo hij slechts mag verwachten dat het geheim blijft, + nergens maat in houden en indien hij onder dronkaards en + wellustelingen verkeert, juist wijl hij eerzuchtig is, + nog meer tot die ondeugden geneigd zijn. De vreesachtige + tenslotte doet dingen, welke hij niet doen wil. Want al + werpt hij, om den dood te ontkomen, zijn rijkdommen in + zee, hij blijft niettemin een vrek, en wanneer een + wellusteling zich bedroeft omdat hij zijn lust niet kan + bevredigen, houdt hij daarom nog niet op een wellusteling + te zijn. In het algemeen hebben deze aandoeningen niet + zoozeer betrekking op de handelingen van eten, drinken + enz., als wel op den lust en de neiging daartoe zelf. + Niets kan dus tegenover deze aandoeningen worden gesteld, + behalve Edelmoedigheid en Zielskracht; waarover in het + volgende.</p> + + <p>De definitie der Jaloerschheid en der overige + Gemoedsweifelingen ga ik stilzwijgend voorbij, zoowel + omdat zij ontstaan door samenstelling der reeds + omschreven aandoeningen, alsook omdat de meesten geen + naam dragen, hetgeen wel bewijst dat het voor het + dagelijksch leven voldoende is ze slechts als soort te + kennen. Overigens blijkt uit de definities der + aandoeningen, welke wij hebben toegelicht, dat zij allen + ontstaan uit Begeerte, Blijheid en Droefheid, of liever, + dat zij niets anders zijn dan deze drie, welke ieder + verschillende namen plegen te dragen naar gelang van de + verschillende uitwendige zaken, waarop zij betrekking + hebben en de benamingen daarvan. Bepalen wij nu eens onze + aandacht tot deze drie oorspronkelijke aandoeningen en + tot wat wij hierboven gezegd hebben over den aard van den + Geest, zoo zullen wij de aandoeningen, voorzoover zij + alleen betrekking hebben op den Geest, aldus kunnen + omschrijven.</p> + </div> + + + +<h4 id="d3n_">ALGEMEENE DEFINITIE DER AANDOENINGEN</h4> + + +<div class="define"> +<p>Die aandoening, welke men +Gemoeds-aandoening<a id="aantag63" href="#aanteken63">[A63]</a> [lijding] +noemt, is een verwarde voorstelling, waarin de Geest tot +erkenning komt van een grootere of geringere bestaanskracht van +zijn Lichaam of van een van deszelfs deelen, dan dit te voren +bezat en door welke de Geest genoopt wordt aan een bepaald iets +eerder te denken dan aan iets anders.</p> +</div> + + <div class="toelicht"> + <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg ten eerste dat een aandoening of + lijding des gemoeds een verwarde voorstelling is. Immers + wij hebben (<i>zie <a href="#d3s3">St. III v.d. D.</a></i>) aangetoond dat de + Geest slechts in zoover lijdt als hij inadaequate of + verwarde voorstellingen heeft. Ik zeg vervolgens "waarin + de Geest tot erkenning komt van een grootere of geringere + bestaanskracht van zijn Lichaam of van een van deszelfs + deelen, dan dit te voren bezat". Immers alle + voorstellingen welke wij van voorwerpen hebben, geven + (<i>vlg. <a href="#d2s16g2">Gevolg II St. XVI D. II</a></i>) meer den werkelijken + toestand van ons Lichaam dan den aard van het uitwendige + voorwerp weer. En die voorstelling, welke het wezen van + een aandoening uitmaakt moet <i>dien</i> toestand van het + Lichaam of van een van deszelfs deelen weergeven of + uitdrukken, waarin dit Lichaam zelf of waarin een van + deszelfs deelen verkeert, doordat zijn vermogen om te + handelen of te bestaan wordt vermeerderd of verminderd, + bevorderd of belemmerd. Doch men merke op dat ik, wanneer + ik zeg: "een grootere of geringere bestaanskracht, dan + het te voren bezat", hiermede niet bedoel dat de Geest + den tegenwoordigen toestand des Lichaams met een verleden + toestand vergelijkt, doch dat de voorstelling, welke het + wezen der aandoening uitmaakt, iets omtrent het Lichaam + erkent [bevestigt] dat meer of minder werkelijkheid in + zich sluit dan een vroegere [voorstelling]. En aangezien + (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI</a> en + <a href="#d2s13">XIII D. II</a></i>) het wezen van den Geest + dáárin bestaat, dat hij het werkelijk bestaan van het + eigen Lichaam bevestigt en wij onder volmaaktheid het + wezen zelf van iets verstaan, volgt hieruit dus dat de + Geest tot grootere of geringere volmaaktheid overgaat, + wanneer hij iets omtrent zijn Lichaam of een van deszelfs + deelen bevestigt, dat meer of minder werkelijkheid in + zich sluit dan tevoren. Toen ik dus hierboven zeide, dat + de denkkracht van den Geest vermeerderde of verminderde, + heb ik niets anders te kennen willen geven, dan dat de + Geest een voorstelling van zijn Lichaam of van een van + deszelfs deelen vormde, welke meer of minder + werkelijkheid uitdrukte, dan wat hij tevoren omtrent zijn + Lichaam had bevestigd. Immers de voortreffelijkheid onzer + voorstellingen en onze werkelijke denkkracht worden + beoordeeld naar de voortreffelijkheid van hun voorwerp. + Ik heb tenslotte nog toegevoegd: "door welker + aanwezigheid de Geest genoopt wordt aan een bepaald iets + eerder te denken dan aan iets anders" om, behalve den + aard van Blijheid en Droefheid, welke in het eerste + gedeelte der definitie liggen besloten, ook nog den aard + der Begeerte uit te drukken.</p> + </div> + + +<h4><i>Einde van het Derde Deel.</i></h4> + + + + +<hr id="deel4" /> + +<h3 class="lined">IV. OVER DE MENSCHELIJKE KNECHTSCHAP OF DE MACHT DER AANDOENINGEN</h3> + +<hr /> + + +<h4 id="d4v">VOORREDE</h4> + + +<p>De menschelijke machteloosheid in het matigen en bedwingen der +aandoeningen, noem ik knechtschap; immers de mensch die aan zijn +aandoeningen onderworpen is, leeft niet naar eigen wil, doch naar +dien der fortuin, in wier macht hij zoozeer is, dat hij dikwijls +gedwongen wordt om, schoon hij het betere ziet, het slechtere te +volgen<a href="#aanteken49">[a49]</a>. +De oorzaak hiervan, en wat er goeds of kwaads in de +aandoeningen ligt, stel ik mij voor in dit Deel uiteen te zetten. +Maar alvorens hiermede te beginnen wensch ik nog een en ander +over volmaaktheid en onvolmaaktheid, goed en kwaad, te doen +voorafgaan.</p> + +<p>Wie zich had voorgenomen iets te doen en dit ook werkelijk gedaan +heeft, zal zeggen dat zijn taak volbracht [voltooid, vol<i>maakt</i>] +is. En niet alleen hijzelf, maar ook ieder die den Geest van den +maker van dit werk, en tevens het gestelde doel, goed kende of +meende te kennen. Zoo zal men bijvoorbeeld, wanneer men een of +ander werk (waarvan ik aanneem dat het nog niet voltooid is) +ziet, en weet dat het de bedoeling van den maker ervan was een +huis te bouwen, dit huis "onvoltooid" noemen; "voltooid" +daarentegen zoodra men ziet dat het werk is doorgezet tot aan het +doel dat zijn maker zich bij zijn arbeid had gesteld. Indien men +evenwel een of ander werk aanschouwt, welks gelijke men nog nooit +gezien heeft en daarbij evenmin den geest van den vervaardiger +kent, zal men natuurlijk niet kunnen weten of dit werk voltooid +[volmaakt] of onvoltooid [onvolmaakt] is.</p> + +<p>Dit schijnt de oorspronkelijke beteekenis dier woorden te zijn +geweest. Doch sinds de mensch begon met algemeen begrippen te +vormen en voorbeelden te bedenken van huizen, gebouwen, torens +enz., en aan het eene voorbeeld de voorkeur te geven boven het +andere, moest ieder wel dàtgene "volmaakt" gaan noemen, wat +overeen kwam met de algemeene voorstelling, welke hìj zich +omtrent die zaak gevormd had, en omgekeerd "onvolmaakt", wat +minder aan het door hemzelf aangenomen voorbeeld beantwoordde, +ook al was het volgens de bedoeling van den vervaardiger geheel +en al voltooid. Geen andere reden ook schijnt er te zijn, waarom +men natuurlijke voortbrengselen--ik bedoel dingen, welke niet +door menschenhand vervaardigd zijn, volmaakt of onvolmaakt noemt. +Men pleegt immers evengoed van natuurlijke als van kunstmatige +dingen algemeene voorstellingen te vormen, welke men als het ware +als voorbeelden dier dingen beschouwt en waarvan men zich +inbeeldt dat ook de Natuur (welke naar men meent niets zonder een +of andere bedoeling doet) ze als zoodanig beschouwt en aan +zichzelf voorhoudt. Wanneer men dus iets in de Natuur waarneemt +dat met de aangenomen voorstelling, welke men omtrent zaken van +dien aard heeft, minder goed overeenstemt, meent men dat de +Natuur zelf gefaald en gezondigd heeft en die bedoelde zaak +onvolmaakt heeft gelaten. Wij zien dus dat men zich meer op grond +van vooroordeel, dan op grond van waarachtige kennis heeft +aangewend, natuurvoortbrengselen volmaakt of onvolmaakt te +noemen. Immers in <a href="#d1n">het Aanhangsel van het Eerste Deel</a> hebben wij +aangetoond dat de Natuur geenszins met bedoeling handelt; dit +eeuwige en oneindige Wezen toch, dat wij God of Natuur noemen, +handelt slechts met diezelfde noodwendigheid, krachtens welke het +bestaat. Want wij hebben aangetoond dat het handelt krachtens +diezelfde wezens-noodwendigheid waardoor het ook <i>beslaat</i> (<i>Zie +<a href="#d1s16">St. XVI D. I</a></i>). De reden of oorzaak dus waardoor God, ofwel de +Natuur, handelt en waardoor hij bestaat, zijn één en dezelfde. +Evenmin als Hij dus terwille van eenig doel bestaat, evenmin +handelt hij terwille van eenig doel; doch evenmin als zijn +bestaan, heeft zijn handelen begin of einde. Wat men evenwel een +doeloorzaak noemt, is niets anders dan menschelijke Begeerte, +voorzoover deze beschouwd wordt als begin of eerste oorzaak van +eenig ding. Wanneer wij bijvoorbeeld zeggen dat "bewoning" de +doeloorzaak is van een of ander huis, verstaan wij hieronder toch +zeker niets anders dan dat iemand, wijl hij zich de gemakken van +het huiselijk leven voorstelde, het verlangen gevoelde om een +huis te bouwen. Zoodat "bewoning", opgevat als doeloorzaak, niets +anders is als deze bijzondere Begeerte zelf, welke inderdaad de +bewerkende oorzaak is, maar alleen als éérste oorzaak wordt +beschouwd, wijl de menschen gemeenlijk de oorzaken hunner +begeerten niet kennen. Immers de menschen zijn, gelijk ik reeds +herhaaldelijk betoogd heb, zich wel bewust van hun daden en +begeerten, maar niet van de oorzaken, waardoor zij gedreven +worden iets te begeeren. De gewone bewering overigens, dat de +Natuur kan falen of zondigen en onvolmaakte dingen voortbrengt, +reken ik tot die verzinsels welke ik in <a href="#d1n">het Aanhangsel van het +Eerste Deel</a> heb behandeld.</p> + +<p>Volmaaktheid en Onvolmaaktheid zijn dus in werkelijkheid slechts +vormen van Denken, Begrippen namelijk welke wij plegen te +verzinnen, doordat wij enkeldingen van dezelfde soort of +hetzelfde geslacht onderling vergelijken; en het is daarom dat ik +hierboven (<i><a href="#d2d6">Definitie VI D. II</a></i>) gezegd heb dat ik onder +werkelijkheid en volmaaktheid hetzelfde versta. Immers, wij zijn +gewoon alle enkeldingen in de Natuur onder één soort [kategorie], +welke wij als de meest algemeene beschouwen, samen te vatten, +namelijk onder het begrip "zijn", dat toepasselijk is op alle +enkeldingen in de Natuur zonder uitzondering. Voorzoover wij dus +de enkeldingen in de Natuur onder dit ééne begrip samenvatten en +met elkaar vergelijken en daarbij bevinden dat het eene méér zijn +of werkelijkheid heeft dan het andere, zeggen wij ook dat het +eene volmaakter is dan het andere. Voorzoover wij daarentegen +dingen aan hen toeschrijven, welke een ontkenning in zich +sluiten, zooals "begrensdheid", "eindigheid", "onvermogen" enz., +noemen wij ze onvolmaakt, wijl zij onzen Geest niet op dezelfde +wijze aandoen als die, welke wij volmaakt noemen, doch geenszins +wijl hun iets, dat hun toekomt, zou ontbreken, of wijl de Natuur +zou hebben gezondigd. Niets toch komt van nature aan iets toe dan +datgene wat uit den noodwendigen aard der bewerkende oorzaak +voortvloeit en datgene, wat uit dien noodwendigen aard der +bewerkende oorzaak voortvloeit, geschiedt ook met noodwendigheid.</p> + +<p id="d4v_5">Wat goed en kwaad betreft, ook deze woorden duiden niets positief +aan in de dingen op zichzelf beschouwd, ook zij zijn niets anders +dan vormen van Denken, of begrippen, welke wij vormen, doordat +wij dingen onderling vergelijken. Want één en dezelfde zaak kan +op hetzelfde tijdstip goed en kwaad, of ook wel onverschillig +zijn. Zoo is bijvoorbeeld muziek goed voor den weemoedige, slecht +voor den treurende, doch voor den doove goed noch kwaad. Evenwel +moeten wij, niettegenstaande dit zoo is, deze woorden toch +blijven gebruiken. Want aangezien wij ons toch een voorstelling +wenschen te vormen van den mensch, welke wij als een voorbeeld +[ideaal] van den geheelen menschelijken aard kunnen beschouwen, +zal het voor ons van nut zijn om die woorden in den door mij +omschreven zin te behouden. Onder "goed" zal ik dus in het +vervolg verstaan datgene, waarvan wij zeker weten dat het een +middel is om meer en meer dit ideaal van den menschelijken aard, +dat wij ons voor oogen stellen, te benaderen. <span id="d4v_2">Onder "kwaad" +daarentegen dat, waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert +aan dit ideaal te beantwoorden.</span> Voorts zullen wij de menschen +volmaakter of onvolmaakter noemen naar gelang zij meer of minder +tot dit ideaal naderen. <span id="d4v_3">Want ik moet in de eerste plaats doen +opmerken dat ik, wanneer ik zeg dat iemand van geringer tot +grooter volmaaktheid overgaat en omgekeerd, hiermede <i>niet</i> +bedoel dat hij van wezen of bestaansvorm zou veranderen (een +paard bijvoorbeeld zou als zoodanig te gronde gaan, wanneer het +in een mensch of insekt veranderd werd), maar dat zijn vermogen +tot handelen, voorzoover dit uit zijn eigen aard kan worden +verklaard, naar onze voorstelling toeneemt of afneemt.</span> Onder +volmaaktheid in het algemeen tenslotte versta ik, gelijk ik reeds +zeide, de werkelijkheid, d.w.z. het wezen van ieder ding, +voorzoover het op bepaalde wijze bestaat en werkt, ongeacht zijn +duur. Want geen enkel bijzonder ding kan volmaakter genoemd +worden, alleen wijl het iets langer in zijn bestaan heeft +volhard. De duur der dingen toch kan niet uit hun wezen worden +afgeleid, aangezien het wezen der dingen geen bepaalden en +vastgestelden tijd van bestaan in zich sluit, maar elk ding, +onverschillig of het meer of minder volmaakt is, door dezelfde +kracht waardoor het begon te bestaan, in dit bestaan zal blijven +volharden; zoodat alle dingen in dit opzicht gelijk zijn.</p> + + + +<h4>DEFINITIES</h4> + + +<div class="define" id="d4d1"> +<p>I. Onder "<i>goed</i>" versta ik datgene, waarvan wij zeker weten dat +het nuttig voor ons is.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d4d2"> +<p>II. Onder "<i>kwaad</i>" [slecht, verkeerd] daarentegen datgene, +waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert iets goeds te +bereiken [verkrijgen].</p> + +<p>(<i>Zie hierover <a href="#d4v_2">de voorgaande Voorrede</a>, aan het slot.</i>)</p> +</div> + + +<div class="define" id="d4d3"> +<p>III. Bijzondere dingen noem ik "<i>toevallig</i>" [gebeurlijk] +voorzoover wij, uitsluitend lettende op hun wezen, niets vinden +dat hun bestaan noodzakelijk stelt, noch het noodzakelijk +uitsluit.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d4d4"> +<p>IV. Diezelfde bijzondere dingen noem ik "<i>mogelijk</i>", voorzoover +wij, lettende op de oorzaken, welke hen te weeg moeten brengen, +niet weten of deze inderdaad gedwongen zijn ze voort te brengen.</p> + +<p>(In <a href="#d1s33o1">Opmerking I Stelling XXXIII Deel I</a> heb ik tusschen "mogelijk" +en "toevallig" geenerlei onderscheid gemaakt, wijl het daar niet +noodig was deze begrippen nauwkeurig te +onderscheiden.)<a id="aantag64" href="#aanteken64">[A64]</a></p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>V. Onder "<i>tegenstrijdige aandoeningen</i>" zal ik in het vervolg +zulke verstaan, welke den mensch naar verschillende kanten +heentrekken, ook al zijn ze van dezelfde soort, zooals +weeldezucht en gierigheid, welke beide soorten van Liefde zijn. +Zij zijn niet van nature, maar door toevallige omstandigheden +tegenstrijdig.</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>VI. Wat ik onder een aandoening in verband met een toekomstige, +tegenwoordige of verleden zaak versta, heb ik uiteen gezet in <a href="#d3s18o1">de +Opmerkingen I</a> en <a href="#d3s18o2">II bij Stelling XVIII Deel III</a>. Zie aldaar.</p> + +<p>(Het is hier de plaats om te doen opmerken, dat wij ons ook +afstanden, zoowel van ruimte als van tijd, slechts tot aan een +bepaalde grens duidelijk kunnen voorstellen. Dat wil zeggen: +evenals wij ons alle voorwerpen, welke meer dan tweehonderd voet +van ons verwijderd zijn, of wier afstand van de plaats waar wij +ons bevinden, den afstand, waarop wij duidelijk kunnen waarnemen, +overschrijdt, als even ver van ons af en volkomen in hetzelfde +vlak gelegen plegen voor te stellen; evenzoo stellen wij ons +voor, dat zaken wier tijdstippen van bestaan ons door een langer +tijdsverloop van het heden gescheiden lijken dan wij gewoonlijk +duidelijk onderscheiden, allen evenlang geleden zijn en brengen +wij ze allen als het ware tot één tijdstip terug.)</p> +</div> + + +<div class="define"> +<p>VII. Onder het "<i>doel</i>", terwille waarvan [de bedoeling waarmee] +wij iets doen, versta ik den drang.</p> +</div> + + +<div class="define" id="d4d8"> +<p>VIII. Onder "<i>deugd</i>" [kracht] en "<i>vermogen</i>" [macht] versta ik +hetzelfde. D.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s8">St. VIII D. III</a></i>) Deugd [kracht] is, +voorzoover zij betrekking heeft op den mensch, 's menschen wezen +of aard zelf, voorzoover dit het vermogen [de macht] bezit dingen +tot stand te brengen, welke uit de wetten van dien aard alleen +reeds verklaarbaar zijn.</p> +</div> + + + +<h4>GRONDWAARHEID (Axioma)</h4> + + +<div class="axioma" id="d4a"> +<p>In de wereld der dingen bestaat er geen enkel bijzonder ding, dat +niet door een ander, dat machtiger en sterker is, kan worden +overtroffen.</p> + +<p>Wat er ook bestaat, altijd is er iets machtigers [denkbaar], +waardoor het kan worden vernietigd.</p> +</div> + + + +<h4>STELLINGEN</h4> + + +<div class="stelling" id="d4s1"> +<p><i>Stelling I.</i></p> + +<p>Niets van wat er positiefs in een valsche voorstelling ligt, +wordt opgeheven door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Valschheid bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s35">St. XXXV D. II</a></i>) alleen in het +ontbreken van kennis, dat inadaequaten voorstellingen aankleeft; +er is in deze voorstellingen (<i>vlg. <a href="#d2s33">St. XXXIII D. II</a></i>) ook niets +positiefs, waarom zij valsch genoemd kunnen worden. Integendeel, +voorzoover ze tot God worden teruggebracht, zijn zij waar (<i>vlg. +<a href="#d2s32">St. XXXII D. II</a></i>). Indien dus datgene wat er positiefs ligt in +een valsche voorstelling werd opgeheven door de aanwezigheid der +waarheid als zoodanig, zou een ware voorstelling door zichzelf +worden opgeheven, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV D. III</a></i>) ongerijmd is. +Derhalve: niets van wat, enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze stelling is nog helderder te begrijpen + uit <a href="#d2s16g2">Gevolg II van Stelling XVI Deel II</a>. Een + "inbeelding"<a id="aantag65" href="#aanteken65">[A65]</a> + toch is een voorstelling welke meer den + oogenblikkelijken toestand van het menschelijk Lichaam, + dat den aard van een uitwendig voorwerp weergeeft en dat + nog wel niet duidelijk, doch verward. Vandaar dat men + zegt dat de Geest dwaalt. Wanneer wij bijvoorbeeld naar + de zon kijken, beelden wij ons in dat zij omstreeks + tweehonderd voet van ons af staat en wij blijven net zoo + lang in deze dwaling, als wij onwetend zijn omtrent haar + waren afstand. Kennen wij echter dien afstand, dan wordt + daardoor weliswaar de dwaling opgeheven, doch niet die + inbeelding, d.w.z. die voorstelling van de zon, welke + haren aard slechts in zoover uitdrukt als het Lichaam er + de inwerking van ondervindt; en wij zullen derhalve, ook + al kennen wij haar waren afstand, haar niettemin als + dichtbij zien. Want gelijk wij reeds in <a href="#d2s35o">de Opmerking bij + Stelling XXXV Deel II</a> zeiden: niet dáárom stellen wij ons + de zon zoo dichtbij voor, wijl wij haar waren afstand + niet kennen, doch wijl de Geest de grootte van de zon + waarneemt op grond van de inwerking, welke het Lichaam + door haar ondergaat. Zoo stellen wij ons voor dat de zon + in het water is, wanneer haar stralen, invallend op een + watervlak, naar onze oogen worden teruggekaatst, ofschoon + wij haar juiste plaats kennen. En zoo is het met alle + andere inbeeldingen, welke den Geest misleiden, hetzij + dat zij een natuurlijken toestand des Lichaams weergeven, + hetzij dat zij vermeerdering of vermindering van zijn + vermogen tot handelen aanduiden; tegenstrijdig aan de + waarheid zijn zij niet en evenmin verdwijnen zij bij haar + aanwezigheid. Wel komt het voor dat, wanneer wij ten + onrechte eenig kwaad vreezen, onze vrees verdwijnt bij + het hooren van de ware tijding, maar omgekeerd komt het + evenzeer voor, dat wanneer wij een kwaad vreezen dat + zéker komen moet, deze vrees verdwijnt bij het hooren van + een valsche tijding. Derhalve verdwijnen inbeeldingen + niet door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig, doch + wijl er zich andere voorstellingen voordoen, welke + sterker zijn en het oogenblikkelijke bestaan dier dingen, + welke wij ons hadden ingebeeld, uitsluiten, gelijk wij in + <a href="#d2s17">Stelling XVII Deel II</a> aantoonden.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling II.</i></p> + +<p>Wij lijden voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op +zichzelf en zonder verband met andere dingen, niet denkbaar is.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wij zeggen dàn dat wij lijden, wanneer er iets met ons geschiedt, +waarvan wij slechts tendeele zelf oorzaak zijn (<i>vlg. <a href="#d3d2">Definitie +II D. III</a></i>), d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3d1">Definitie I D. III</a></i>) iets dat niet uit +de wetten van onzen aard alleen kan worden afgeleid. Derhalve +lijden wij voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op +zichzelf en zonder verband met andere dingen, niet denkbaar is. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s3"> +<p><i>Stelling III.</i></p> + +<p>De kracht, waarmede de mensch in zijn bestaan volhardt, is +beperkt en wordt door de macht van uitwendige oorzaken oneindig +overtroffen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt uit <a href="#d4a">het Axioma van dit Deel</a>. Immers gegeven een +mensch, zoo is er iets anders, zeg A, dat machtiger is; en +gegeven A, zoo is er weer iets anders, zeg B, machtiger dan A, en +zoo tot in het oneindige. Dus is de macht van den mensch door de +macht van iets anders beperkt en wordt zij door die van +uitwendige oorzaken oneindig overtroffen.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s4"> +<p><i>Stelling IV.</i></p> + +<p>Het is onmogelijk dat de mensch niet een deel der Natuur zou zijn +en dat hij niet ook andere wijzigingen zou ondergaan dan +zoodanige, welke uit zijn eigen aard alleen te verklaren zijn en +waarvan hij de adaequate oorzaak is.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p><span id="d4s4b_1">De macht waardoor de bijzondere dingen, en bijgevolg ook de +menschen, hun bestaan handhaven is (<i>vlg. <a href="#d1s24g">Gevolg St. XXIV D. I</a></i>) +de macht van God of van de Natuur zelf, niet voorzoover deze +oneindige is, maar (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) voorzoover zij zich in +het werkelijk [feitelijk bestaand] wezen van den mensch +openbaart.</span> De menschelijke macht, voorzoover zij zich in zijn +eigen werkelijk wezen openbaart, is dus een deel van de oneindige +macht van God of van de Natuur, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s34">St. XXXIV D. I</a></i>) +van hun wezen. Dit wat het eerste betreft. <span id="d4s4b_2">Indien het voorts wèl +mogelijk ware, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan +uitsluitend zoodanige welke uit zijn eigen aard alleen te +verklaren waren, zou hieruit (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV</a> en <a href="#d3s6">VI D. III</a></i>) volgen, +dat hij niet kon te gronde gaan, maar noodzakelijk voortdurend +moest blijven bestaan; en wel zou dit een gevolg moeten zijn van +een oorzaak, wier macht òf eindig òf oneindig was, namelijk òf +van de menschelijke macht zelf, welke dan in staat zou moeten +zijn alle veranderingen van zich af te houden, welke uit +uitwendige oorzaken zouden kunnen voortvloeien, òf van de +oneindige macht der Natuur, waardoor dan alle bijzondere dingen +zóó zouden moeten zijn ingericht, dat de mensch geen +veranderingen kon ondergaan dan slechts zoodanige, welke tot zijn +behoud strekken.</span> Maar het eerste is ongerijmd (<i>vlg. <a href="#d4s3">de +voorgaande Stelling</a>, welker bewijs algemeen geldig is en voor +alle bijzondere dingen kan worden aangewend</i>). Derhalve: indien +het mogelijk ware, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan +dan alleen zoodanige, welke uit den aard van den mensch zelf te +verklaren zijn en dat hij bijgevolg (<i>gelijk <a href="#d4s4b_2">wij reeds +aantoonden</a></i>) noodzakelijk voortdurend zou blijven bestaan, dan +zou dit een gevolg moeten zijn van Gods oneindige macht en +bijgevolg zou (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI D. I</a></i>) uit de noodwendigheid van den +goddelijken aard, beschouwd als zich openbarende in de +voorstelling van een of anderen mensch, de geheele orde der +Natuur, zooals die zich openbaart in de attributen van Denken en +Uitgebreidheid, moeten worden afgeleid; waaruit dus volgen zou +(<i>vlg. <a href="#d1s21">St. XXI D. I</a></i>) dat de mensch oneindig was, hetgeen (<i>vlg. +<a href="#d4s4b_1">het eerste deel van dit bewijs</a></i>) ongerijmd is. Derhalve is het +onmogelijk dat de mensch niet ook andere wijzigingen zou kunnen +ondergaan dan alleen zoodanige, waarvan hijzelf de adaequate +oorzaak is. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d4s4g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de mensch noodzakelijk aan + lijdingen onderworpen is; de algemeene orde der Natuur + volgt en gehoorzaamt en, voorzoover de aard der dingen + dit eischt, zich daarbij aanpast.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s5"> +<p><i>Stelling V.</i></p> + +<p>De kracht en toeneming van een of andere lijding en haar vermogen +om zich te handhaven, worden niet bepaald door de macht, waardoor +wijzelf in ons bestaan trachten te volharden, doch door de macht +van een uitwendige oorzaak in verhouding tot onze +eigene.<a id="aantag66" href="#aanteken66">[A66]</a></p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het wezen eener lijding kan (<i>vlg. +<a href="#d3d1">Definitie I</a> en <a href="#d3d2">II D. III</a></i>) +niet uit ons wezen alléén verklaard worden, +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII +D. III</a></i>) de kracht eener lijding kan niet bepaald worden door het +vermogen, waardoor wij in ons bestaan trachten te volharden, maar +moet (<i>gelijk in <a href="#d2s16">St. XVI D. II</a> werd aangetoond</i>) noodzakelijk +bepaald worden door de macht eener uitwendige oorzaak in +verhouding tot onze eigene. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s6"> +<p><i>Stelling VI.</i></p> + +<p>De kracht van een of andere lijding of aandoening kan alle andere +handelingen [levensuitingen] en vermogens des menschen zoozeer +overtreffen, dat deze aandoening hem voortdurend beheerscht.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De kracht en toeneming van iedere lijding en haar vermogen om +zich te handhaven, worden (<i>vlg. <a href="#d4s5">voorgaande St.</a></i>) bepaald door de +macht eener uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene. Zij +kan dus (<i>vlg. <a href="#d4s3">St. III v.d. D.</a></i>) de macht des menschen +overtreffen enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s7"> +<p><i>Stelling VII.</i></p> + +<p>Een aandoening kan alleen worden bedwongen of opgeheven door een +andere, tegengesteld aan en sterker dan die welke bedwongen moet +worden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een aandoening, voorzoover zij den Geest betreft, is (<i>vlg. <a href="#d3n_">de +Algemeene Definitie der Aandoeningen</a>, te vinden aan het einde van +het Derde Deel</i>) een voorstelling, waarin de Geest tot bewustzijn +van een grootere of geringere bestaanskracht zijns Lichaams komt. +Wanneer dus de Geest door een of andere aandoening wordt bewogen, +ondergaat tevens het Lichaam een inwerking, waardoor zijn +vermogen tot handelen toeneemt of afneemt. Deze +lichaamsaandoening nu ontvangt (<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V v.d. D.</a></i>) haar +vermogen, om in haar bestaan te volharden, van haar oorzaak, welk +vermogen dus (<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI D. II</a></i>) alleen kan worden bedwongen of +opgeheven door een lichamelijke oorzaak, welke (<i>vlg. <a href="#d3s5">St. V D. +III</a></i>) op een tegenovergestelde wijze op het Lichaam inwerkt en +(<i>vlg. <a href="#d4a">Axioma v.d. D.</a></i>) sterker is, +zoodat (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII D. II</a></i>) +de Geest de voorstelling krijgt eener aandoening, sterker dan en +tegengesteld aan de eerste; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Def. der Aand.</a></i>) +zoodat de Geest een aandoening ondergaat, sterker dan en +tegengesteld aan de eerste, welke dan het bestaan dezer eerste +uitsluit of opheft. Derhalve kan een aandoening alleen worden +opgeheven of bedwongen door een tegengestelde en sterkere. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Een aandoening, voorzoover zij den Geest + betreft, kan alleen worden bedwongen of opgeheven door de + voorstelling van een inwerking op het Lichaam, + tegengesteld aan en sterker dan de aandoening welke wij + ondergaan. Immers de aandoening welke wij ondergaan kan + (<i>vlg. <a href="#d4s6">voorgaande St.</a></i>) alleen worden bedwongen of + opgeheven door een andere, tegengesteld en sterker, + d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Def. der Aand.</a></i>) alleen door de + voorstelling eener lichaamsaandoening, welke sterker is + dan en tegengesteld aan de aandoening welke wij + ondergaan.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s8"> +<p><i>Stelling VIII.</i></p> + +<p>De kennis van goed en kwaad is niets anders dan een aandoening +van Blijheid of Droefheid voorzoover wij ons daarvan bewust zijn.</p> +</div> + +<p>Wij noemen (<i>vlg. <a href="#d4d1">Definities I</a> +en <a href="#d4d2">II v.d. D.</a></i>) datgene goed of +kwaad, wat ons bij het handhaven van ons bestaan van nut is of in +den weg staat, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) wat ons vermogen +tot handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of belemmert. +Voorzoover wij dus (<i>vlg. <a href="#d3s11o_1">de Definities van Blijheid</a> en +<a href="#d3s11o_2">Droefheid</a>, zie Opmerking St. XI D. III</i>) waarnemen dat een of +andere zaak ons Blijheid of Droefheid schenkt, noemen wij haar +goed of kwaad, zoodat de kennis van goed of kwaad dus niets +anders is dan die voorstelling van Blijheid of Droefheid, welke +(<i>vlg. <a href="#d2s22">St. XXII D. II</a></i>) noodzakelijk op de aandoening van +Blijheid of Droefheid volgt. Doch deze voorstelling is (<i>vlg. <a href="#d2s21">St. +XXI D. II</a></i>) op dezelfde wijze vereenigd met die aandoening als de +Geest met het Lichaam, d.w.z. (<i>gelijk in <a href="#d2s21o">de Opmerking bij +diezelfde stelling</a> werd aangetoond</i>), deze voorstelling is van +die aandoening zelf, of (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Def. der Aand.</a></i>) van de +voorstelling dier inwerking op het Lichaam, inderdaad niet anders +onderscheiden dan alleen in onze opvatting. Derhalve is deze +kennis van goed en kwaad niets anders dan de aandoening zelf, +voorzoover wij er ons van bewust zijn. H.t.b.w.</p> + + +<div class="stelling" id="d4s9"> +<p><i>Stelling IX.</i></p> + +<p>Een aandoening, waarvan wij ons verbeelden dat haar oorzaak op +het oogenblik aanwezig is, is sterker, dan wanneer wij ons deze +oorzaak niet aanwezig denken.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een verbeelding is een voorstelling waarin de Geest iets als +aanwezig beschouwt (<i>zie <a href="#d2s17o_3">haar Definitie in de Opmerking bij St. +XVII D. II</a></i>) welke echter (<i>vlg. <a href="#d2s16g2">Gevolg II St. XVI D. II</a></i>) meer +de gesteldheid van het menschelijk Lichaam dan den aard van eenig +uitwendig voorwerp aanduidt. Een aandoening is dus (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. +Def. der Aand.</a></i>) een Verbeelding voorzoover zij een toestand des +Lichaams aanduidt. Maar een Verbeelding is te sterker (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. +XVII D. II</a></i>) zoolang wij ons niets voorstellen dat het aanwezige +bestaan der uitwendige oorzaak uitsluit. Derhalve is ook een +aandoening waarvan wij ons verbeelden dat daar oorzaak op het +oogenblik aanwezig is, heviger of sterker dan wanneer wij ons +deze oorzaak niet aanwezig denken. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Toen ik hierboven, in <a href="#d3s18">Stelling XVIII Deel + III</a>, zeide dat wij door de voorstelling van een + toekomstige of verleden zaak dezelfde aandoening + ondergingen als wanneer die zaak, welke wij ons + verbeelden, aanwezig ware, heb ik daarbij uitdrukkelijk + opgemerkt, dat dit slechts waar was voorzoover wij alleen + op de voorstelling van juist deze zaak letten. Immers + deze blijft denzelfden aard behouden, onverschillig of + wij ons haar [als aanwezig] verbeeld hebben of niet. Ik + heb echter niet ontkend, dat zij zwakker wordt, wanneer + wij ook andere zaken als aanwezig beschouwen, welke het + oogenblikkelijk bestaan dier toekomstige [of verleden] + zaak uitsluiten. Ik heb toen nagelaten dit op te merken, + omdat ik mij had voorgenomen eerst in dit Deel over de + kracht der aandoeningen te spreken.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d4s9g"> + <p><i>Gevolg:</i> De voorstelling van een toekomstige of verleden + zaak, welke wij, met uitsluiting van den tegenwoordigen + tijd, alleen in betrekking tot den toekomstigen of + verleden tijd beschouwen, is, onder overigens gelijke + omstandigheden, zwakker dan de voorstelling eener + aanwezige zaak, en bijgevolg zijn ook onze gevoelens + jegens<a id="aantag67" href="#aanteken67">[A67]</a> + een toekomstige of verleden zaak, onder + overigens gelijke omstandigheden, zwakker dan die jegens + een tegenwoordige.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s10"> +<p><i>Stelling X.</i></p> + +<p>Door iets toekomstigs, dat wij spoedig verwachten, worden wij +sterker aangedaan, dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een +verder van het heden gelegen tijd zal bestaan [of plaats +grijpen], en evenzoo doet de herinnering aan iets kort geledens +ons sterker aan, dan wanneer wij ons voorstellen dat het lang +geleden bestond [of gebeurde].</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers als wij ons voorstellen dat iets spoedig zal geschieden, +of kort geleden geschied is, stellen wij ons daarmede vanzelf +iets voor, dat het oogenblikkelijk gebeuren ervan in mindere mate +uitsluit, dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een verder +van het heden gelegen tijd zal plaats grijpen, of dat het lang +geleden plaats greep (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>). Derhalve zullen +wij (<i>vlg. <a href="#d4s9">voorgaande St.</a></i>) er ook sterker door worden aangedaan. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Uit hetgeen wij bij <a href="#d4d4">Definitie VI van dit + Deel</a> hebben opgemerkt, volgt dat wij door voorwerpen of + gebeurtenissen, welke een langer tijdsverloop van het + heden verwijderd zijn dan wij met ons + voorstellingsvermogen kunnen omvatten, even zwak worden + aangedaan, ook al weten wij dat zij onderling door een + grooten tusschenstrijd zijn gescheiden.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s11"> +<p><i>Stelling XI.</i></p> + +<p>De aandoening, teweeg gebracht door iets dat wij als noodwendig +voorstellen, is, onder overigens gelijke omstandigheden, +krachtiger dan die, veroorzaakt door iets mogelijks, toevalligs +of niet-noodwendigs.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Voorzoover wij ons iets als noodwendig voorstellen, bevestigen +wij het bestaan ervan; daarentegen ontkennen wij dat bestaan, +voorzoover wij het ons als niet-noodwendig denken (<i>vlg. +<a href="#d1s33o1">Opmerking I St. XXXIII D. I</a></i>). +Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d4s9">St. IX v.d. +D.</a></i>) de aandoening, opgewekt door iets noodwendigs, onder +overigens gelijke omstandigheden, sterker dan die, teweeg +gebracht door iets niet-noodwendigs. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s12"> +<p><i>Stelling XII.</i></p> + +<p>De aandoening, opgewekt door iets, waarvan wij weten dat het op +het oogenblik niet bestaat, maar dat wij voor mogelijk, houden, +is, onder overigens gelijke omstandigheden sterker dan die, +teweeg gebracht door iets wat wij ons als toevallig [gebeurlijk] +denken.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Voorzoover wij ons iets als toevallig [gebeurlijk] voorstellen +worden wij (<i>vlg. <a href="#d4d3">Definitie III</a></i>) door geenerlei voorstelling van +iets anders aangedaan, welke het bestaan ervan zou onderstellen +[eischen]. Integendeel, wij stellen ons dan (<i>vlg. het +onderstelde</i>) juist dingen voor, welke het oogenblikkelijk +bestaan ervan uitsluiten. Voorzoover wij ons echter iets als in +de toekomst mogelijk denken, stellen wij ons dingen voor, welke +het bestaan ervan onderstellen (<i>vlg. <a href="#d4d4">Definities IV v.d. D.</a></i>), +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s18">St. XVIII D. III</a></i>) dingen, welke Hoop of Vrees +aanwakkeren. Derhalve is de aandoening door iets mogelijks te +weeg gebracht, heviger. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d4s12g"> + <p><i>Gevolg:</i> De aandoening, opgewekt door iets, waarvan wij + weten dat het op het oogenblik niet bestaat en dat wij + ons als gebeurlijk voorstellen, is veel zwakker dan + wanneer wij ons deze zaak aanwezig denken.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>De aandoening, opgewekt door iets dat wij ons als op het + oogenblik bestaande voorstellen, is sterker dan wanneer + wij het ons als toekomstig denken (<i>vlg. <a href="#d4s9g">Gevolg St. IX + v.d. D.</a></i>) en nog veel heviger is zij, als wij ons dien + toekomstigen tijd zeer ver van het heden verwijderd + denken, (<i>vlg. <a href="#d4s10">St. X v.d. D.</a></i>). Derhalve is de + aandoening, opgewekt door iets dat wij ons ver van het + heden verwijderd denken, veel zwakker, dan wanneer wij + ons het in het heden voorstellen, doch (<i>vlg. <a href="#d4s11">voorgaande + St.</a></i>) niettemin toch sterker, dan wanneer wij het ons als + toevallig denken. Derhalve zal de aandoening, opgewekt + door iets dat wij voor gebeurlijk houden zwakker zijn dan + die, teweeg gebracht door iets dat wij ons als in het + heden aanwezig voorstellen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s13"> +<p><i>Stelling XIII.</i></p> + +<p>De aandoening, opgewekt door iets gebeurlijks, waarvan wij weten +dat het op het oogenblik niet bestaat, is, onder overigens +gelijke omstandigheden, zwakker dan die, teweeg gebracht door +iets verledens.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Voorzoover wij ons iets als gebeurlijk voorstellen, wordt er +geenerlei voorstelling van iets anders in ons opgewekt, welke het +bestaan dier zaak onderstelt (<i>vlg. <a href="#d4d3">Definitie III v.d. D.</a></i>). +Integendeel, wij stellen ons dan (<i>vlg. het onderstelde</i>) juist +dingen voor, welke haar oogenblikkelijk bestaan uitsluiten. +Voorzoover wij ons haar echter in verband met den verleden tijd +voorstellen, worden wij verondersteld aan iets te denken, dat +haar in het geheugen terug roept, ofwel dat het beeld dier zaak +opwekt (<i>zie <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) en dat daardoor bewerkt, dat wij +haar beschouwen als ware zij tegenwoordig (<i>vlg. <a href="#d2s17g">Gevolg St. XVII +D. II</a></i>). Derhalve zal (<i>vlg. <a href="#d4s9">St. IX v.d. D.</a></i>) de aandoening, +opgewekt door iets gebeurlijks, waarvan wij weten dat het op het +oogenblik niet bestaat, onder gelijke omstandigheden, zwakker +zijn dan die, teweeg gebracht door iets verledens. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XIV.</i></p> + +<p>De ware kennis van goed en kwaad kan, beschouwd als waarheid, +geen enkele aandoening temperen, doch zij kan dit alleen, +voorzoover zijzelf als aandoening beschouwd wordt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een aandoening is een voorstelling, waarin de Geest een grootere +of geringere bestaanskracht zijns Lichaams, dan dit, tevoren +bezat, bevestigt (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Def. der Aand.</a></i>) en heeft dus (<i>vlg. +<a href="#d4s1">St. I v.d. D.</a></i>) niets positiefs in zich, dat door de +tegenwoordigheid van iets waars zou kunnen worden opgeheven. +Bijgevolg kan de ware kennis van goed en kwaad, beschouwd als +waarheid, geen enkele aandoening temperen. Alleen voorzoover deze +kennis zelf aandoening is (<i>zie <a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) kan zij, +indien zij sterker is dan deze (<i>vlg. <a href="#d4s7">St. VII v.d. D.</a></i>) een +aandoening temperen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s15"> +<p><i>Stelling XV.</i></p> + +<p>De Begeerte, welke uit ware kennis van goed en kwaad voortspruit, +kan door vele andere begeerten, welke ontspruiten uit +aandoeningen, waardoor wij worden aangegrepen, gedoofd of +getemperd worden.</p> +</div> + +<div class="bewijs" id="d4s15b"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Uit de ware kennis van goed en kwaad, voorzoover deze (<i>vlg. <a href="#d4s8">St. +VIII v.d. D.</a></i>) aandoening is, ontspringt noodzakelijk Begeerte +(<i>vlg. <a href="#d3n1">Def. I der Aand.</a></i>), welke te sterker is naarmate de +aandoening, uit welke zij voortkomt, sterker is (<i>vlg. <a href="#d3s37">St. XXXVII +D. III</a></i>). Maar aangezien deze Begeerte (<i>vlg. het onderstelde</i>) +ontspringt uit het feit, dat wij iets waars begrijpen, komt zij +dus uit <i>onszelf</i> voort voorzoover wij <i>handelen</i> +(<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I</a> of +<a href="#d3s3">III D. III</a></i>); moet zij derhalve alleen uit ons eigen wezen worden +verklaard (<i>vlg. <a href="#d3d2">Def. II D. III</a></i>) +en zullen bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. +VII D. III</a></i>) ook haar kracht en toeneming alleen door menschelijk +vermogen bepaald worden. Voorts zijn de Begeerten, welke +ontspringen uit de [overige] aandoeningen, waardoor wij +aangegrepen worden, eveneens sterker naarmate deze aandoeningen +heviger zijn, zoodat hun kracht en toeneming (<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V v.d. +D.</a></i>) bepaald worden door de macht van uitwendige oorzaken, welke +macht, wanneer zij bij de onze wordt vergeleken, deze (<i>vlg. <a href="#d4s3">St. +III v.d. D.</a></i>) onbepaald overtreft. Zoodoende kunnen begeerten, +uit dergelijke aandoeningen ontsproten, heviger zijn dan die, +welke uit de ware kennis van goed en kwaad ontspringt en daardoor +in staat zijn (<i>vlg. <a href="#d4s7">St. VII v.d. D.</a></i>) deze te temperen of te +verdooven. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s16"> +<p><i>Stelling XVI.</i></p> + +<p>Een begeerte, welke ontspruit uit kennis van goed en kwaad, +voorzoover deze kennis de toekomst betreft, kan nog gemakkelijker +[dan de begeerte, bedoeld in <a href="#d4s15">St. XV</a>] getemperd of gedoofd worden +door de Begeerte naar dingen, welke aangenaam zijn voor het +oogenblik.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De aandoening, teweeg gebracht door iets dat wij ons als +toekomstig denken, is flauwer dan die, veroorzaakt door iets +aanwezigs (<i>vlg. <a href="#d4s9g">Gevolg St. IX v.d. D.</a></i>). De Begeerte evenwel, +welke uit ware kennis van goed en kwaad ontspruit, kan, +niettegenstaande deze kennis zaken betreft, welke voor het +oogenblik goed zijn, toch gedoofd of getemperd worden door een of +andere toevallig opkomende<a id="aantag68" href="#aanteken68">[A68]</a> +Begeerte (<i>vlg. <a href="#d4s15">voorgaande St.</a> +<a href="#d4s15b">welker bewijs</a> algemeen geldig is</i>). Derhalve zal de Begeerte, +welke ontspringt uit diezelfde kennis, voorzoover zij de toekomst +betreft, nog gemakkelijker getemperd of gedoofd kunnen worden. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XVII.</i></p> + +<p>De Begeerte, welke ontspruit uit ware kennis van goed en kwaad, +voorzoover deze betrekking heeft op gebeurlijke zaken, kan nog +veel gemakkelijker getemperd worden door begeerte naar dingen die +aanwezig zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze Stelling wordt op dezelfde wijze als de voorgaande Stelling +bewezen uit <a href="#d4s12g">het Gevolg van Stelling XII van dit Deel</a>.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s17o"> + <p><i>Opmerking:</i> Ik meen hiermede de oorzaak te hebben + aangewezen, waarom de menschen meer door meeningen dan + door de waarachtige Rede worden gedreven, alsmede, waarom + de ware kennis van goed en kwaad gemoedsbewegingen opwekt + en dikwijls voor allerlei lusten moet wijken, vanwaar dan + ook het woord des dichters: <i>Wel zie ik het betere en + prijs het; toch jaag ik het slechtere + na.</i><a href="#aanteken49">[a49]</a> Hetgeen + eveneens den Prediker voor den Geest gestaan schijnt te + hebben toen hij zeide: <i>En die wetenschap vermeerdert, + vermeerdert smart</i> [I vers 18]. Ik zeg dit echter + geenszins met de bedoeling hieruit de gevolgtrekking te + maken, dat het beter is onwetend te blijven dan te weten, + of dat er geen verschil is tusschen een dwaas en een + verstandig man, bij het temperen hunner aandoeningen, + maar wijl het noodig is, dat wij zoowel de macht als de + machteloosheid van onzen aard leeren kennen, opdat wij + zullen kunnen vaststellen, wat de Rede ten aanzien van + het temperen der aandoeningen vermag en wat zij niet + vermag. In dit Deel nu heb ik gezegd alleen over de + menschelijke machteloosheid te zullen handelen; over de + macht der Rede ten aanzien van de gemoedsaandoeningen heb + ik mij voorgenomen afzonderlijk te spreken.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s18"> +<p><i>Stelling XVIII.</i></p> + +<p>De Begeerte, welke uit Blijheid voortspruit is, onder overigens +gelijke omstandigheden, sterker dan de Begeerte welke uit +Droefheid voortspruit.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Begeerte is 's menschen wezen zelf (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>) +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) het streven, waardoor de mensch in +zijn bestaan tracht te volharden. Vandaar dat Begeerte, welke uit +Blijheid ontspruit (<i>vlg. <a href="#d3s11o_1">de Definitie van Blijheid</a>, zie +Opmerking St. XI D. III</i>), door die aandoening van Blijheid zelf +wordt aangewakkerd of versterkt, terwijl daarentegen die, welke +uit Droefheid voortkomt (<i>vlg. <a href="#d3s11o">dezelfde Opmerking</a></i>) door die +aandoening van Droefheid zelf wordt verzwakt of belemmerd. +Derhalve moet de kracht der Begeerte, welke uit Blijheid +ontspruit, zoowel door de menschelijke kracht als door die van +een uitwendige oorzaak; de kracht der begeerte daarentegen, welke +uit Droefheid voortkomt, door de menschelijke kracht alléén +bepaald worden; zoodat deze ook sterker zal zijn dan gene. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s18o"> + <p><i>Opmerking:</i> Hiermede heb ik in het kort de oorzaken der + menschelijke machteloosheid en onstandvastigheid en + waarom de menschen niet de voorschriften der Rede dienen, + uiteen gezet. Er rest mij thans nog te doen zien, wàt de + Rede ons dan voorschrijft, welke aandoeningen met de + menschelijke Rede overeenstemmen en welke daarentegen + daarmede in strijd zijn. Doch alvorens te beginnen dit + alles uitvoerig volgens onze meetkundige methode uiteen + te zetten, wil ik eerst deze voorschriften der Rede reeds + nú aanduiden, opdat men datgene wat ik bedoel + gemakkelijker zal kunnen begrijpen. Daar de Rede niets + eischt dat tegen de Natuur is, verlangt zij dus zelf, dat + een ieder zichzelf liefheeft en zijn eigen belang, d.w.z. + datgene wat inderdaad nuttig voor hem is, zoekt; alles + wat den mensch werkelijk tot grooter volmaaktheid leidt + nastreeft, en in het algemeen, dat een ieder zijn + bestaan, zooveel hij kan, tracht in stand te houden. Wat, + dunkt mij, even noodzakelijk waar is, alsdat een geheel + grooter is dan zijn deelen (<i>zie <a href="#d3s4">St. IV D. III</a></i>). + Aangezien voorts Deugd (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. D.</a></i>) + niets anders is dan handelen krachtens de wetten van zijn + eigen aard, en iemand niet anders dan krachtens de wetten + van zijn eigen aard zijn bestaan kan handhaven (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. + VII D. III</a></i>), volgt hieruit <i>ten eerste</i>, dat de + grondslag der Deugd dit streven om zijn bestaan te + handhaven zelf is en dat het geluk daarin bestaat, dat de + mensch zijn bestaan vermag te handhaven. Ten <i>tweede</i> + volgt er uit, dat Deugd om haar zelfswil moet worden + nagestreefd en dat er niets voortreffelijkers, of voor + ons nuttigers bestaat, terwille waarvan zij zou kunnen + nagestreefd worden. Eindelijk volgt er ten <i>derde</i> uit, + dat zij, die zichzelf van het leven berooven, + zwakzinnigen zijn, die zich geheel en al laten + overmeesteren door uitwendige omstandigheden, welke met + hunnen aard in strijd zijn. Verder volgt uit <a href="#d2p4">Postulaat IV + Deel II</a>, dat wij nooit kunnen bereiken, dat wij niets + buiten ons zelf zouden behoeven om ons wezen in stand te + houden en dat wij zoo zouden kunnen leven, dat wij + geenerlei omgang [aanraking] met de dingen buiten ons + hadden; terwijl wat onzen Geest betreft, ons verstand + zeer zeker onvolmaakter zou zijn, indien de Geest alleen + ware en niets anders buiten zichzelf kon begrijpen. Er + bestaan dus tal van dingen buiten ons, welke nuttig voor + ons zijn en welke daarom moeten worden nagestreefd. En + onder deze dingen kan men zich niets voortreffelijkers + denken dan zulke, welke met onzen eigen aard volkomen + overeenstemmen. Immers, wanneer bijvoorbeeld twee + enkeldingen van geheel denzelfden aard zich met elkaar + verbinden, vormen zij tezamen één enkelding, dat tweemaal + machtiger is dan elk alleen was. Voor den mensch is er + daarom niets nuttigers dan de mensch. Niets, zeg ik, + kunnen de menschen, om hun wezen in stand te houden, méér + wenschen, dan dat zij allen zoozeer overeenstemmen, dat + hun aller Geesten en Lichamen als het ware één enkelen + Geest en één enkel Lichaam vormen; dat allen zooveel + mogelijk gezamenlijk hun wezen trachten in stand te + houden en dat allen gezamenlijk streven naar wat voor + allen nuttig is. Waaruit volgt dat menschen, die door de + Rede beheerscht worden, d.w.z. menschen die onder leiding + der Rede hun belang nastreven, niets voor zichzelf + begeeren wat zij niet ook voor de overige menschen + verlangen, en dus dat zij rechtvaardig, trouw en eerlijk + zijn.</p> + + <p>Deze zijn dan die voorschriften der Rede welke ik hier + kortelijks wenschte aan te duiden, alvorens ze op + breedvoeriger wijze te gaan uiteen zetten. Ik deed dit + om, zoo mogelijk, mij te verzekeren van de aandacht + diergenen, die meenen dat dit beginsel: dat namelijk een + ieder zijn eigen belang behoort na te streven, de + grondslag is der goddeloosheid en geenszins van Deugd en + Vroomheid. Nadat ik dus in het kort er op heb gewezen, + dat de zaak juist omgekeerd is, ga ik voort haar op + denzelfden weg, dien wij tot dusver volgden, te bewijzen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s19"> +<p><i>Stelling XIX.</i></p> + +<p>Ieder begeert of verfoeit krachtens de wetten van zijn aard +noodzakelijk datgene, wat hij voor goed of kwaad houdt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De kennis van goed en kwaad is (<i>vlg. <a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) een +aandoening van Blijheid of Droefheid, voorzoover wij ons daarvan +bewust zijn; vandaar dat ieder noodzakelijk begeert wat hij voor +goed en daarentegen verfoeit wat hij voor kwaad houdt. Doch deze +begeerte is niets anders dan 's menschen wezen of aard zelf +(<i>vlg. <a href="#d3s9o">Definitie der Begeerte</a>, zie Opmerking St. IX D. III en +<a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>). Derhalve begeert of verfoeit een ieder +alleen reeds krachtens de wetten van zijn aard noodzakelijk enz. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s20"> +<p><i>Stelling XX.</i></p> + +<p>Hoe meer iemand zijn belang nastreeft, d.w.z. zijn wezen poogt en +vermag in stand te houden, hoe deugdzamer hij is, en omgekeerd, +naarmate iemand zijn belang, d.w.z. de instandhouding van zijn +wezen, verwaarloost, is hij machteloozer.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deugd is de menschelijke macht zelf, waardoor alleen 's menschen +wezen wordt bepaald (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. D.</a></i>) d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) welke alleen door dit streven, waarmede de +mensch in zijn bestaan tracht te volharden, bepaald wordt. Hoe +meer dus iemand poogt en vermag zijn wezen in stand te houden, +hoe deugdzamer hij is en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV</a> +en <a href="#d3s6">VI D. III</a></i>): +naarmate iemand de instandhouding van zijn wezen verwaarloost is +hij machteloozer. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Niemand zal dus, tenzij door uitwendige en + met zijn aard strijdige oorzaken gedwongen, verwaarloozen + zijn belang na te streven of zijn wezen in stand te + houden. Niemand, zeg ik, zal krachtens de noodwendigheid + van zijn eigen aard voedsel versmaden of zichzelf dooden; + wat hij echter door uitwendige oorzaken gedwongen, op + velerlei wijzen doen kan. Zoo kan iemand zichzelf dooden, + gedwongen door een ander, die zijn rechterhand, waarmede + hij toevallig een zwaard gegrepen had, omdraait en hem + zoodoende noodzaakt het op zijn eigen hart te richten; of + doordat hij, gelijk Seneca, op bevel van een tyran + gedwongen wordt zichzelf de slagaderen te openen en + daarmede wenscht een grooter kwaad door een kleiner te + vermijden; of tenslotte, doordat verborgen uitwendige + oorzaken zoodanig op zijn verbeelding en lichaam + inwerken, dat dit laatste een anderen aard, tegengesteld + aan zijn vroegeren, verkrijgt, welks voorstelling in den + Geest niet kan bestaan (<i>vlg. <a href="#d3s10">St. X D. III</a></i>). Dat echter + de mensch krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard + er naar zou streven nìet te bestaan of een anderen + [bestaans] vorm aan te nemen, is even onmogelijk als dat + uit niets iets ontstaat, gelijk een ieder bij eenig + nadenken zal inzien.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s21"> +<p><i>Stelling XXI.</i></p> + +<p>Niemand kan begeeren gelukkig te zijn, goed te handelen en goed +te leven, zonder tevens te begeeren te zijn, te handelen en te +leven, d.w.z. te bestaan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het bewijs dezer stelling, of liever de zaak zelf, is +vanzelfsprekend en blijkt ook uit de Definitie der Begeerte. +Immers de Begeerte om gelukkig of goed te leven, te handelen +enz., is (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>) 's menschen wezen zelf, +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) het streven, krachtens hetwelk +ieder zijn bestaan tracht te handhaven. Derhalve kan niemand +begeeren enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s22"> +<p><i>Stelling XXII.</i></p> + +<p>Er is geen Deugd denkbaar, welke hierbij (namelijk aan het +streven om zichzelf te handhaven) zou +vóórgaan<a id="aantag69" href="#aanteken69">[A69]</a>.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het streven om zichzelf te handhaven is het wezen zelf van ieder +ding (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>). Indien er dus een of andere Deugd +denkbaar ware, welke vóórging bij deze, d.w.z. bij dit streven +[zoodat dit uit die andere deugd zou moeten worden afgeleid], +ware derhalve (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. D.</a></i>) het wezen van iets +als voorafgaande aan zichzelf gedacht, wat (<i>gelijk vanzelf +spreekt</i>) ongerijmd is. Derhalve is er geen Deugd enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d4s22g"> + <p><i>Gevolg:</i> Het streven om zichzelf te handhaven is de + eerste en eenigste grondslag der Deugd. Immers er is + (<i>vlg. <a href="#d4s22">voorgaande St.</a></i>) niets denkbaar, dat aan dit + beginsel kan vooraf gaan en zonder ditzelfde beginsel is + (<i>vlg. <a href="#d4s21">St. XXI v.d. D.</a></i>) evenmin eenige andere Deugd + denkbaar.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s23"> +<p><i>Stelling XXIII.</i></p> + +<p>Voorzoover de mensch tot eenige daad gedreven wordt, doordat hij +inadaequate voorstellingen heeft, lijdt hij (<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I D. III</a></i>) +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3d1">Definities I</a> en +<a href="#d3d2">II D. III</a></i>), doet hij iets dat niet +uit zijn wezen alleen kan worden afgeleid, d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. D.</a></i>), iets dat niet uitsluitend uit zijn +eigen Deugd [kracht, wezen] voortvloeit. Voorzoover hij echter +tot eenige daad gedreven wordt, doordat hij iets werkelijk +begrijpt, <i>handelt</i> hij (<i>vlg. <a href="#d3s1">dezelfde St. I D. III</a></i>), d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d3d2">Def. II D. III</a></i>), doet hij iets dat wèl uit zijn eigen +wezen kan worden verklaard, of dat (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. +D.</a></i>) adaequaat uit zijn eigen Deugd voortvloeit. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s24"> +<p><i>Stelling XXIV.</i></p> + +<p>Geheel krachtens eigen Deugd handelen, is voor ons niets anders +dan onder leiding der Rede handelen, leven, ons bestaan handhaven +(deze drie uitdrukkingen beteekenen hetzelfde), met de bedoeling +ons eigen belang te bevorderen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Geheel krachtens eigen Deugd handelen is (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII +v.d. D.</a></i>) niets anders dan handelen krachtens de wetten van onzen +eigen aard. Wij handelen echter alleen voorzoover wij iets +begrijpen (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>). Derhalve is krachtens eigen +Deugd handelen, voor ons niets anders dan onder leiding der Rede +handelen, leven, ons bestaan handhaven, en dat wel (<i>vlg. <a href="#d4s22g">Gevolg +St. XXII v.d. D.</a></i>) met de bedoeling ons eigen belang te +bevorderen.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s25"> +<p><i>Stelling XXV.</i></p> + +<p>Niemand tracht zijn wezen in stand te houden terwille van iets +anders.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het streven, waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te +volharden, wordt alleen door het wezen der zaak zelf bepaald +(<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) en wanneer dit slechts gegeven is, volgt +(<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI D. III</a></i>) reeds noodzakelijk hieruit, en geenszins +uit het wezen van iets anders, dat elkeen tracht zijn bestaan te +handhaven. Bovendien blijkt deze stelling uit <a href="#d4s22g">het Gevolg van +Stelling XXII van dit Deel</a>. Immers, indien de mensch, terwille +van iets anders, zijn bestaan trachtte te handhaven, zou deze +andere zaak het eerste [fundamenteele] beginsel der Deugd zijn +(<i>gelijk vanzelf spreekt</i>), hetgeen (<i>vlg. <a href="#d4s22g">voornoemd Gevolg</a></i>) +ongerijmd is. Derhalve tracht niemand zijn wezen enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s26"> +<p><i>Stelling XXVI.</i></p> + +<p>Datgene, waarnaar wij krachtens de Rede streven, is niets anders +dan begrip; voorzoover de Geest zich van de Rede bedient, houdt +hij alleen dat voor nuttig, wat tot begrip leidt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p><span id="d4s26b_1">Het streven om zichzelf te handhaven is (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) +niets anders dan het wezen van elk ding, aan hetwelk men, +voorzoover het als zoodanig bestaat, ook de kracht moet toekennen +om in zijn bestaan te volharden (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI D. III</a></i>) en datgene +te doen wat uit zijn gegeven aard noodzakelijk voortvloeit (<i>zie +<a href="#d3s9o_2">Definitie van den Drang</a> in Opmerking St. IX D. III</i>).</span> Doch het +wezen der Rede is niets anders dan onze Geest zelf, voorzoover +hij helder en duidelijk begrijpt (<i>zie <a href="#d2s40o2_3">haar Definitie in +Opmerking II St. XL D. II</a></i>). Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d2s40">St. XL D. II</a></i>) +datgene, naar hetwelk wij krachtens de Rede streven, niets anders +dan begrip. Waar voorts dit streven van den Geest, waardoor hij, +voorzoover hij redeneert [redelijk denkt], tracht zijn wezen te +handhaven, niets anders is dan begrijpen (<i>vlg. <a href="#d4s26b_1">het eerste +gedeelte van dit bewijs</a></i>), is ook dit streven naar begrip (<i>vlg. +<a href="#d4s22g">Gevolg St. XXII v.d. D.</a></i>) de eerste en eenige grondslag der +Deugd. Wij zullen dan ook (<i>vlg. <a href="#d4s25">St. XXV v.d. D.</a></i>) niet terwille +van een of ander doel er naar streven de dingen te begrijpen. +Integendeel, voorzoover hij redelijk denkt, kan de Geest niets +voor goed houden dan alleen wat tot begrip leidt (<i>vlg. <a href="#d4d1">Definitie +I v.d. D.</a></i>). H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s27"> +<p><i>Stelling XXVII.</i></p> + +<p>Van niets weten wij met zekerheid dat het goed of kwaad is, dan +van datgene wat inderdaad tot begrip leidt, of wat ons begrip kan +belemmeren.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Voorzoover hij redelijk denkt, verlangt de Geest niets anders dan +begrijpen en houdt hij niets anders voor nuttig dan datgene, wat +tot begrip leidt (<i>vlg. <a href="#d4s26">voorgaande St.</a></i>). Maar de Geest heeft +(<i>vlg. <a href="#d2s41">St. XLI</a> en <a href="#d2s43">XLIII D. II</a>; +zie ook <a href="#d2s43o">de Opmerking daarbij</a></i>) +geenerlei zekerheid omtrent de dingen, dan voorzoover hij +adaequate voorstellingen heeft, ofwel (<i>wat vlg. <a href="#d2s40o2_3">Opmerking St. XL +D. II</a> hetzelfde is</i>) voorzoover hij redelijk denkt. Derhalve +weten wij van niets met zekerheid dat het goed is, dan van +datgene, wat inderdaad tot begrip leidt, en omgekeerd dat het +kwaad is, dan van datgene wat ons begrip kan belemmeren. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s28"> +<p><i>Stelling XXVIII.</i></p> + +<p>Het hoogste goed voor den Geest is de kennis van God en de +hoogste Deugd des Geestes is God kennen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het hoogste wat de Geest begrijpen kan is God, d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d1d6">Definitie VI D. I</a></i>) het volstrekt oneindige wezen, zonder hetwelk +(<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a></i>) niets bestaanbaar, noch denkbaar is. +Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI</a> en +<a href="#d4s27">XXVII v.d. D.</a></i>) het hoogste +belang, ofwel (<i>vlg. <a href="#d4d1">Definitie I v.d. D</a>.</i>) het hoogste goed voor +den Geest, de kennis van God. Verder handelt de Geest alleen +(<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I</a> en +<a href="#d3s3">III D. III</a></i>) voorzoover hij begrijpt en alleen +inzoover ook kan men (<i>vlg. <a href="#d4s23">St. XXIII v.d. D.</a></i>) onvoorwaardelijk +van hem zeggen, dat hij krachtens eigen Deugd handelt. Begrijpen +is dus de uitsluitende Deugd des Geestes. Het hoogste evenwel wat +de Geest begrijpen kan is God (<i>gelijk wij reeds hebben +aangetoond</i>). Derhalve is het de hoogste Deugd des Geestes Gods +te begrijpen of te kennen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s29"> +<p><i>Stelling XXIX.</i></p> + +<p>Een of ander bijzonder ding, welks aard geheel verschillend is +van de onze, kan ons vermogen tot handelen noch bevorderen noch +belemmeren. Trouwens in het algemeen kan niets goed of kwaad voor +ons zijn als het niet iets met ons gemeen heeft.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Van elk bijzonder ding en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d2s10g">Gevolg St. X D. II</a></i>) +ook van den mensch, wordt het vermogen, waardoor het bestaat en +werkt uitsluitend bepaald door een ander bijzonder ding (<i>vlg. +<a href="#d1s28">St. XXVIII D. I</a></i>) welks aard +(<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI D. II</a></i>) uit hetzelfde +attribuut moet kunnen worden afgeleid als de menschelijke aard. +Ons eigen vermogen tot handelen, hoe ook opgevat, kan dus alleen +bepaald, en bijgevolg bevorderd of belemmerd worden, door de +macht van eenig ander bijzonder ding, dat iets met ons gemeen +heeft, doch niet door de macht van iets, welks aard geheel van de +onze verschilt. Aangezien wij nu (<i>vlg. <a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) +datgene goed of kwaad noemen, wat oorzaak is van Blijheid of +Droefheid, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI D. III</a></i>) wat ons +vermogen tot handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of +belemmert, kan dus een ding, welks aard geheel en al van de onze +verschilt, voor ons ook niet goed of kwaad zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s30"> +<p><i>Stelling XXX.</i></p> + +<p>Geen ding kan, door wat het met onzen aard gemeen heeft, slecht +voor ons zijn. Voorzoover iets slecht voor ons is, is het met +onzen aard in strijd.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Slecht noemen wij datgene, wat oorzaak is van Droefheid (<i>vlg. +<a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>), +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o_2">de Definitie daarvan</a>, welke men +vindt in Opmerking St. XI D. III</i>), wat ons vermogen tot handelen +vermindert of belemmert. Indien dus eenig ding, door wat het met +ons gemeen heeft, slecht voor ons was, zou het dus juist datgene, +wat het met ons gemeen had, kunnen verminderen of belemmeren, +hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV D. III</a></i>) ongerijmd is. Geen ding kan dus +door datgene, wat het met ons gemeen heeft, slecht voor ons zijn; +maar omgekeerd, voorzoover iets slecht is, d.w.z. (<i>gelijk reeds +werd aangetoond</i>) voorzoover het ons vermogen tot handelen kan +verminderen of belemmeren, is het (<i>vlg. <a href="#d3s5">St. V D. III</a></i>) met onzen +aard in strijd. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s31"> +<p><i>Stelling XXXI.</i></p> + +<p>Voorzoover eenig ding met onzen aard overeenkomt, is het +noodzakelijk goed.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers voorzoover eenig ding met onzen aard overeenkomt kan het +(<i>vlg. <a href="#d4s30">voorgaande St.</a></i>) niet slecht zijn. Het zal dus +noodzakelijk òf goed òf onverschillig zijn. Gesteld dit laatste +ware het geval, namelijk dat het noch goed noch kwaad was, dan +zou er dus (<i>vlg. <a href="#d4d1">Definitie I v.d. D.</a></i>) niets uit zijn aard +voortvloeien, dat tot instandhouding van ònzen aard strekte. Dit +echter is (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI D. III</a></i>) ongerijmd; het moet dus, +voorzoover het met onzen aard overeenkomt, noodzakelijk goed +zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d4s31g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat hoe meer eenig ding met onzen + aard overeenkomt, hoe nuttiger of hoe beter het voor ons + is, en omgekeerd, hoe nuttiger iets voor ons is, hoe meer + het met onzen aard overeenkomt. Immers voorzoover het + niet met onzen aard overeenkomt zal het noodzakelijk + ervan verschillen of er mede in strijd zijn. Indien het + ervan verschilt, zal het (<i>vlg. <a href="#d4s29">St. XXIX v.d. D.</a></i>) noch + goed noch kwaad kunnen zijn; is het er echter mede in + strijd, dan zal het dus ook in strijd zijn met datgene + wat met onzen aard overeenkomt, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s31">voorgaande + St.</a></i>) in strijd met wat goed is, en dus zelf slecht. + Niets kan dus goed zijn, dan alleen voorzoover het met + onzen aard overeenkomt, en derhalve, hoe meer eenig ding + met onzen aard overeenkomt, hoe nuttiger het is, en + omgekeerd. H.t.b.w.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXXII.</i></p> + +<p>Voorzoover de menschen aan lijdingen onderworpen zijn kan men +niet van hen zeggen dat zij van nature overeenkomen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wat men van nature overeenkomend noemt, beschouwt men als +overeenkomend in vermogen (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>), niet echter in +onvermogen of iets negatiefs, en bijgevolg (<i>zie <a href="#d3s3o">Opmerking St. +III D. III</a></i>) ook niet in lijding; zoodat men van de menschen, +voorzoover zij aan lijdingen onderworpen zijn, ook niet zeggen +kan, dat zij van nature overeenkomen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Dit is ook vanzelf duidelijk. Immers wie + zegt, dat wit en zwart alleen dáárin overeenkomen, dat + geen van beide rood zijn, bevestigt hiermede volkomen dat + wit en zwart in geen enkel opzicht overeenkomen. En + evenzoo, wie beweert, dat een steen en een mensch alleen + dáárin overeenkomen, dat zij beide begrensd en machteloos + zijn, of dat zij niet krachtens de noodwendigheid van hun + eigen aard bestaan, of eindelijk dat hun vermogen door + dat van uitwendige oorzaken verre wordt overtroffen, die + erkent hiermede volkomen, dat een steen en een mensch in + geen enkel opzicht overeenkomen. Immers zaken, welke + alleen in iets negatiefs of in datgene wat hen nìet eigen + is, overeenkomen, komen in werkelijkheid in geen enkel + opzicht overeen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s33"> +<p><i>Stelling XXXIII.</i></p> + +<p>De menschen kunnen van nature verschillen voorzoover zij door +aandoeningen, welke lijdingen zijn, getroffen worden; in zoover +is zelfs één en dezelfde mensch veranderlijk en onstandvastig.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De aard of het wezen der aandoeningen kan niet uit ons wezen of +onzen aard alleen worden verklaard (<i>vlg. <a href="#d3d1">Definities I</a> en <a href="#d3d2">II D. +III</a></i>) doch moet worden bepaald door de macht, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. +VII D. III</a></i>) door den aard der uitwendige dingen, in verhouding +tot de onze. Vandaar dat er van elke aandoening evenveel soorten +zijn als er soorten van voorwerpen, welke op ons inwerken, +bestaan (<i>zie <a href="#d3s56">St. LVI D. III</a></i>) +en dat de menschen van één en +hetzelfde voorwerp verschillende inwerkingen ondergaan (<i>zie <a href="#d3s51">St. +LI D. III</a></i>) en inzoover van nature verschillen, terwijl tenslotte +(<i>vlg. <a href="#d3s51">dezelfde St. LI D. III</a></i>) +één en dezelfde mensch door +hetzelfde voorwerp op verschillende wijze wordt aangedaan en dus +in zoover veranderlijk is enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s34"> +<p><i>Stelling XXXIV.</i></p> + +<p>Voorzoover de menschen door aandoeningen, welke lijdingen zijn, +getroffen worden, kunnen zij tegenover elkaar staan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een zeker mensch, bijvoorbeeld Petrus, kan oorzaak zijn dat +Paulus zich bedroeft, doordat hij iets heeft, dat gelijkt op iets +wat Petrus haat (<i>vlg. <a href="#d3s16">St. XVI D. III</a></i>) of omdat Petrus alleen in +het bezit is van iets, dat ook Paulus liefheeft (<i>zie <a href="#d3s32">St. XXXII</a> +en <a href="#d3s32o">Opmerking D. III</a></i>), of om andere redenen (<i>waarvan men de +voornaamste kan vinden in <a href="#d3s55o">de Opmerking bij St. LV D. III</a></i>). Het +kan dus voorkomen (<i>vlg. <a href="#d3n7">Definitie VII der Aand.</a></i>) dat Paulus om +één dezer redenen haat koestert jegens Petrus en bijgevolg kan +het ook licht gebeuren (<i>vlg. <a href="#d3s40">St. XL</a> +en <a href="#d3s40o">Opmerking D. III</a></i>), dat +omgekeerd Petrus haat gevoelt jegens Paulus, en dat zij daarom +(<i>vlg. <a href="#d3s39">St. XXXIX D. III</a></i>) zullen trachten elkaar kwaad te +berokkenen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s30">St. XXX v.d. D.</a></i>) dat zij tegenover +elkaar staan. Nu is echter een aandoening van Droefheid steeds +een lijding (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>); derhalve kunnen menschen, +voorzoover zij getroffen worden door aandoeningen welke lijdingen +zijn, tegenover elkaar staan.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Ik heb gezegd, dat Paulus haat koestert + jegens Petrus, omdat hij zich voorstelde, dat deze iets + bezit wat Paulus zelf eveneens liefheeft. Op het eerste + gezicht schijnt hieruit te volgen, dat deze beiden, omdat + zij hetzelfde lief hebben en bijgevolg, omdat zij van + nature overeenkomen, elkaar kwaad berokkenen en dat + dientengevolge als dit waar is, + <a href="#d4s30">de Stellingen XXX</a> en <a href="#d4s31">XXXI + van dit Deel</a> valsch zouden zijn. Maar wanneer wij deze + zaak nauwkeuriger overwegen, zullen wij bevinden dat dit + alles in volkomen overeenstemming is. Want deze beiden + zijn elkaar niet tot last voorzoover zij van nature + overeenkomen, d.w.z. voorzoover zij beiden hetzelfde + liefhebben, maar juist voorzoover zij van elkaar + verschillen. Immers voorzoover beiden hetzelfde + liefhebben, wordt hierdoor beider liefde aangewakkerd + (<i>vlg. <a href="#d3s31">St. XXXI D. III</a></i>) + d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n6">Definitie VI der + Aand.</a></i>) beider Blijheid versterkt, zoodat het er verre + vandaan is, dat zij elkaar tot last zouden zijn + voorzoover zij hetzelfde liefhebben en van nature + overeenkomen. De reden hiervan is integendeel, gelijk ik + reeds zeide, geen andere dan dat zij, naar werd + ondersteld, juist van nature verschillen. Wij nemen toch + immers aan, dat Petrus een voorstelling heeft van een + geliefd voorwerp, dat reeds in zijn bezit is, Paulus + daarentegen van een dat hij mist. Vandaar dat déze + Droefheid, gene daarentegen Blijheid gevoelt en dat zij + in zoover tegenover elkaar staan. Op deze wijze nu kunnen + wij gemakkelijk aantoonen, dat ook de overige + aanleidingen tot haat alleen daarvan afhangen, dat + menschen van nature verschillen en niet van datgene + waarin zij overeenkomen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s35"> +<p><i>Stelling XXXV.</i></p> + +<p>Alleen voorzoover de menschen leven volgens leiding der Rede, +komen zij steeds en noodzakelijk van nature overeen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Voorzoover de menschen door aandoeningen welke lijdingen zijn +getroffen worden, kunnen zij van nature verschillen (<i>vlg. <a href="#d4s33">St. +XXXIII v.d. D.</a></i>) en tegenover elkaar staan (<i>vlg. <a href="#d4s34">voorgaande +St.</a></i>). Maar men kan alleen zeggen, dat de menschen <i>handelen</i> +voorzoover zij leven volgens leiding der Rede (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. +III</a></i>); en daarom moet al wat voortvloeit uit den menschelijken +aard, voorzoover deze door de Rede bepaald wordt, (<i>vlg. +<a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>) uitsluitend uit dien menschelijken aard als +naaste oorzaak worden verklaard. Aangezien evenwel ieder +krachtens de wetten van zijn eigen aard tracht te verkrijgen, wat +hij voor goed en te verwijderen wat hij voor kwaad houdt (<i>vlg. +<a href="#d4s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) en bovendien dat, wat wij op gezag der Rede +voor goed of kwaad houden, ook noodzakelijk goed of kwaad ìs +(<i>vlg. <a href="#d2s41">St. XLI D. II</a></i>) doen dus de menschen, voorzoover zij onder +leiding der Rede leven, noodzakelijk alleen zulke dingen, welke +voor den menschelijken aard, en bijgevolg voor ieder mensch, +noodzakelijk goed zijn, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s31g">Gevolg St. XXXI v.d. D.</a></i>) +welke met den aard van ieder mensch overeenkomen; zoodat de +menschen, voorzoover zij volgens leiding der Rede leven, steeds +noodzakelijk met elkaar in overeenstemming zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d4s35g1"> + <p><i>Gevolg I:</i> Er bestaat in de wereld der dingen geen enkel + bijzonder ding, dat voor den mensch nuttiger is dan een + mensch, die volgens leiding der Rede leeft. Want datgene + is (<i>vlg. <a href="#d4s31g">Gevolg St. XXXI v.d. D.</a></i>) het allernuttigste + voor den mensch, wat het meest met zijn aard overeenkomt, + d.w.z. (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) de mensch. Maar de + mensch handelt geheel en al krachtens de wetten van zijn + aard, wanneer hij volgens leiding der Rede leeft (<i>vlg. + <a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>), en slechts inzoover is hij steeds + en noodzakelijk met den aard van andere menschen in + overeenstemming (<i>vlg. <a href="#d4s35">voorgaande St.</a></i>). Derhalve bestaat + er voor den mensch onder alle bijzondere dingen niets + nuttigers dan de mensch enz. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg II:</i> Wanneer ieder mensch het meest zijn eigen + belang zoekt, zijn de menschen het nuttigst voor elkaar. + Want hoemeer ieder zijn eigen belang zoekt en zichzelf + tracht te handhaven, hoe deugdzamer is hij (<i>vlg. <a href="#d4s20">St. XX + v.d. D.</a></i>), of wat hetzelfde is (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. + D.</a></i>), hoe grooter is zijn vermogen om krachtens de wetten + van zijn aard te handelen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>) + om te leven volgens leiding der Rede. Maar de menschen + stemmen dàn het meest van nature overeen, wanneer zij + volgens leiding der Rede leven (<i>vlg. <a href="#d4s35">voorgaande St.</a></i>). + Derhalve zullen (<i>vlg. <a href="#d4s35g1">voorgaand Gevolg</a></i>) de menschen dàn + het nuttigst voor elkaar zijn, wanneer elk het allermeest + zijn eigen belang zoekt. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d4s35o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wat wij hier aantoonden bevestigt ook de + ervaring zelf dagelijks met zoovele en zoo glasheldere + voorbeelden, dat het haast elkeen in den mond ligt dat: + de mensch des menschen god is. Nochtans komt het zelden + voor dat de menschen volgens leiding der Rede leven, maar + meestal is het zóó met hen gesteld, dat zij elkaar + benijden en onderling hinderen. Niettemin kunnen zij een + eenzaam leven niet goed verdragen, zoodat den meesten de + definitie, volgens welke de mensch een sociaal dier is, + ten zeerste toelacht; en inderdaad is het een feit, dat + uit het gemeenschapsleven der menschen veel meer + vóórdeelen dan nadeelen voortvloeien. Mogen dus de + hekelaars, zooveel het hen behaagt, het menschelijk doen + en laten bespotten, mogen de godgeleerden het verfoeien + en mogen de zwartgalligen, zooveel zij kunnen, + onbeschaafdheid en het boersche leven loven, de menschen + verachten en de beesten bewonderen; zij zullen nochtans + de ervaring opdoen, dat de menschen door onderlinge hulp + zich het gemakkelijkst al wat zij noodig hebben kunnen + verschaffen en niet dan met vereende krachten de gevaren, + welke overal dreigen, kunnen ontwijken; om nog ervan te + zwijgen dat het veel voortreffelijker en onzen weetlust + veel waardiger is, onze aandacht te wijden aan het leven + der menschen dan aan dat der dieren. Doch hierover elders + uitvoeriger.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s36"> +<p><i>Stelling XXXVI.</i></p> + +<p>Het hoogste Goed voor hen die de Deugd volgen, is allen gemeen en +allen kunnen er zich gelijkelijk in verheugen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Uit Deugd handelen is volgens leiding der Rede handelen (<i>vlg. +<a href="#d4s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>) en het eenige, waarnaar wij op bevel der Rede +streven, is begrijpen (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>). Derhalve is +(<i>vlg. <a href="#d4s28">St. XXVIII v.d. D.</a></i>) het hoogste Goed voor hen die de +Deugd volgen: God te kennen, d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d2s47">St. XLVII</a> en <a href="#d2s47o">Opmerking +D. II</a></i>) een goed dat allen menschen gemeen is en dat alle +menschen, voorzoover zij van denzelfden aard zìjn, gelijkelijk +kunnen bezitten.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Indien nu echter de een of ander vraagt, of + misschien het hoogste Goed voor hen, die de Deugd volgen, + ook nìet aan allen gemeen zou kunnen zijn, en of dan niet + daaruit, evenals hierboven (<i>zie <a href="#d4s34">St. XXXIV v.d. D.</a></i>) zou + volgen dat menschen, die volgens leiding der Rede leven, + d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s35">St. XXXV v.d. D.</a></i>) menschen voorzoover zij + van nature overeenkomen, toch tegenover elkaar konden + staan, dan zou ik diegenen ten antwoord geven, dat het + niet toevallig is, maar uit den aard der Rede zelf + voortvloeit, dat het hoogste Goed des menschen allen + gemeen is; wijl het toch immers uit het menschelijke + wezen zelf, voorzoover dit door de Rede bepaald is, wordt + afgeleid en wijl de mensch noch bestaanbaar noch denkbaar + zou zijn als hij niet het vermogen bezat zich in dat + hoogste Goed te verheugen. Immers het behoort (<i>vlg. <a href="#d2s47">St. + XLVII D. II</a></i>) tot het wezen van den menschelijken Geest + een adaequate kennis te hebben van het eeuwige en + oneindige wezen Gods.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s37"> +<p><i>Stelling XXXVII.</i></p> + +<p>Het Goed, dat elk die de Deugd volgt, voor zichzelf begeert, zal +hij ook den overigen menschen toewenschen en dat temeer, naarmate +hij grooter kennis van God heeft.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Voorzoover zij volgens leiding der Rede leven, zijn menschen den +mensch het nuttigst (<i>vlg. <a href="#d4s35g1">Gevolg I St. XXXV v.d. D.</a></i>) en wij +zullen derhalve (<i>vlg. <a href="#d4s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) krachtens dit leiding +der Rede noodzakelijk trachten te bewerken dat ook andere +menschen volgens leiding der Rede leven. Het Goed evenwel, dat +elk, die volgens de voorschriften der Rede leeft, d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d4s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>) die de Deugd volgt, voor zichzelf begeert, is +"begrijpen" (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>). Derhalve wenscht ieder die +de Deugd volgt, het Goed dat hij voor zichzelf begeert, ook +anderen toe. Voorts is de Begeerte, voorzoover zij op den Geest +betrekking heeft, het wezen van den Geest zelf (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I +der Aand.</a></i>). Het wezen van den Geest echter bestaat in kennis +(<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI D. II</a></i>), welke de kennis van God in zich sluit +(<i>vlg. <a href="#d2s47">St. XLVII D. II</a></i>) en +zonder welke hij (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a></i>) +noch bestaanbaar noch denkbaar is. Derhalve: hoe grooter kennis +van God het wezen des Geestes in zich sluit, hoe sterker ook de +Begeerte zal zijn, waarmede hij, die de Deugd volgt, het Goed dat +hij voor zichzelf verlangt, anderen toewenscht. H.t.b.w.</p> +</div> + +<div class="anders" id="d4s37b2"> +<p><i>Anders.</i></p> + +<p>Het Goed, dat een mensch voor zichzelf begeert en liefheeft, zal +hij te standvastiger liefhebben, wanneer hij ziet dat anderen het +eveneens liefhebben (<i>vlg. <a href="#d3s31">St. XXXI D. III</a></i>). Hij zal er dus +(<i>vlg. <a href="#d3s31g">Gevolg zelfde St.</a></i>) naar streven, dat anderen het ook +liefhebben, en wijl dit Goed (<i>vlg. <a href="#d4s36">voorgaande St.</a></i>) allen gemeen +is en allen er zich in kunnen verheugen, zal hij dus (<i>om +dezelfde reden</i>) er naar streven, dat allen er zich inderdaad in +verheugen, en dat wel te meer (<i>vlg. <a href="#d3s37">St. XXXVII D. III</a></i>), +naarmate hijzelf meer van dit Goed geniet. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s37o1"> + <p><i>Opmerking I:</i> Wie alleen op grond van een + gemoedsaandoening [bv. eigenzinnigheid, ijdelheid] er + naar streeft dat anderen liefhebben wat hijzelf liefheeft + en dat anderen naar zìjn zin leven, handelt alleen uit + aandrift en maakt zich daardoor gehaat, vooral bij hen + die behagen scheppen in andere dingen en die zich + dientengevolge beijveren en met denzelfden hartstocht er + naar streven, dat anderen juist naar hùn zin leven + zullen. Aangezien voorts het hoogste goed waarnaar de + menschen uit gemoedsaandrang streven, dikwijls van dien + aard is dat slechts één mensch het bezitten kan, is + hiervan het gevolg dat lieden, die op deze wijze iets + liefhebben, het niet met zichzelf eens zijn en, terwijl + zij blijde den lof zingen van hetgeen zij liefhebben, + nochtans vreezen dat men hen zal gelooven. Wie er evenwel + naar streeft anderen door de Rede te leiden, handelt niet + uit hartstocht, doch humaan en welwillend en is het + volkomen met zichzelf eens. Al wat wij wenschen en doen + en waarvan wij zelf oorzaak zijn voorzoover wij een + voorstelling van God hebben, of voorzoover wij God + kennen, reken ik tot den godsdienst. De Begeerte om wel + te doen daarentegen, welke ontspringt uit het feit dat + wij volgens de Rede leven, noem ik <i>Rechtschapenheid</i> + [vroomheid]. De Begeerte welke den mensch, die volgens + leiding der Rede leeft, er toe drijft zich anderen tot + vriend te maken, noem ik vervolgens <i>Eerbaarheid</i> en + <i>eerbaar</i> datgene wat lieden die volgens leiding der Rede + leven prijzen, <span id="d4s37o1_"><i>schandelijk</i> daarentegen, wat van het + opvatten van vriendschap afschrikt.</span> Wat, behalve deze + zaken, de grondslagen van den staat zijn, heb ik reeds + aangetoond. Wat verder het verschil is tusschen + waarachtige Deugd en machteloosheid, is gemakkelijk uit + het hierboven gezegde op te maken. De ware Deugd is + namelijk niets anders dan leven alleen volgens leiding + der Rede, en machteloosheid bestaat dus alleen hierin dat + de mensch zich door dingen buiten hem laat leiden en door + hen genoopt wordt tot handelingen, welke door de + algemeene uitwendige omstandigheden, niet echter door + zijn eigen aard op zichzelf beschouwd, geëischt worden.</p> + + <p>Dit nu is het wat ik in <a href="#d4s18o">de Opmerking bij Stelling XVIII + van dit Deel</a> beloofde te behandelen. Er blijkt [ook] uit + dat [bijvoorbeeld] het verbod om dieren te slachten meer + op ijdel bijgeloof en vrouwelijke weekhartigheid, dan op + gezond verstand berust. Het beginsel, dat wij ons eigen + belang moeten zoeken, leert ons weliswaar in vriendschap + te leven met menschen, niet echter met dieren of dingen + welker aard van den menschelijken aard verschilt. + Integendeel, hetzelfde recht dat zij tegenover ons + hebben, bezitten wij tegenover hen. Jazelfs, waar elks + recht door elks Deugd of Macht bepaald wordt, hebben de + menschen veel meer recht tegenover de dieren, dan deze + tegenover de menschen. Ik ontken hiermede volstrekt niet + dat de dieren gevoel hebben, maar wel ontken ik, dat het + ons daarom niet zou vrij staan met ons belang te rade te + gaan en hen naar willekeur te gebruiken en te behandelen + zooals het ons het best past, aangezien zij toch van + nature niet met ons overeenkomen, doch hun aandoeningen + van nature verschillen van de menschelijke (<i>zie + <a href="#d3s57o">Opmerking St. LVII D. III</a></i>).</p> + + <p>Er rest mij thans nog uiteen te zetten wat recht, wat + onrecht, wat zonde en tenslotte wat verdienste is. Zie + hierover echter de volgende Opmerking.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d4s37o2"> + <p><i>Opmerking II:</i> In <a href="#d1n">het Aanhangsel van het Eerste Deel</a> + beloofde ik uiteen te zullen zetten wat lof en blaam, + verdienste en zonde, recht en onrecht zijn. Wat nu lof en + blaam betreft: deze heb ik reeds in <a href="#d3s29o">de Opmerking bij + Stelling XXIX Deel III</a> behandeld; voor de overige + begrippen is het hier de plaats om ze te bespreken. + Vooraf echter moet ik enkele opmerkingen maken omtrent + den natuurlijken en den maatschappelijken staat des + menschen.</p> + + <p>Ieder mensch bestaat krachtens hoogste, natuurlijk recht + en bij gevolg doet elkeen krachtens dit hoogste + natuurlijke recht datgene, wat noodwendig uit zijn aard + voortvloeit, zoodat ook elkeen krachtens hoogste + natuurlijk recht uitmaakt wat [voor hem] goed of kwaad + is, volgens eigen inzicht zijn eigen belang behartigt + (<i>zie <a href="#d4s19">St. XIX</a> en + <a href="#d4s20">XX v.d. D.</a></i>), zichzelf wreekt (<i>zie + <a href="#d3s40g2">Gevolg II St. XL D. III</a></i>), dat wat hij liefheeft tracht + in stand te houden en wat hij haat tracht te vernietigen, + (<i>zie <a href="#d3s28">St. XXVIII D. III</a></i>). Indien nu slechts de menschen + volgens leiding der Rede leefden, zou elkeen (<i>vlg. + <a href="#d4s35g1">Gevolg I St. XXXV v.d. D.</a></i>) dit zijn hoogste recht + uitoefenen zonder eenig nadeel voor een ander. Maar + aangezien de menschen aan aandoeningen onderworpen zijn + (<i>vlg. <a href="#d4s4g">Gevolg St. IV v.d. D.</a></i>) + welke (<i>vlg. <a href="#d4s6">St. VI v.d. + D.</a></i>), de menschelijke kracht of Deugd verre te boven + gaan, worden zij naar verschillende kanten getrokken + (<i>vlg. <a href="#d4s33">St. XXXIII v.d. D.</a></i>) en komen zij met elkaar in + strijd (<i>vlg. <a href="#d4s34">St. XXXIV v.d. D.</a></i>), terwijl zij toch + elkaars wederzijdsche hulp behoeven (<i>vlg. <a href="#d4s35o">Opmerking St. + XXXV v.d. D.</a></i>). Opdat dus de menschen eendrachtig kunnen + leven en elkander tot steun zijn, is het noodzakelijk dat + zij van hun natuurlijk recht afstand doen en elkaar + wederkeerig de zekerheid verschaffen, dat zij niets + zullen doen wat tot eens anders nadeel kan strekken. Hoe + dit nu mogelijk is, namelijk dat menschen die (<i>vlg. + <a href="#d4s4g">Gevolg St. IV v.d. D.</a></i>) noodzakelijk aan aandoeningen + onderhevig, en (<i>vlg. <a href="#d4s33">St. XXXIII v.d. D.</a></i>) onstandvastig + en veranderlijk zijn, elkaar toch die zekerheid kunnen + geven en op elkaar kunnen vertrouwen, blijkt uit <a href="#d4s7">Stelling + VII van dit Deel</a> en <a href="#d3s34">Stelling XXXIX van Deel III</a>. Hier + toch werd betoogd dat geen enkele aandoening kan worden + bedwongen dan alleen door een sterkere en + tegenovergestelde en dat ieder van kwaad doen afziet uit + vrees voor een grooter kwaad. Op deze wet nu kan een + gemeenschap worden gegrondvest, indien zij slechts het + recht om zichzelf te wreken en over goed en kwaad te + oordeelen, dat ieder individu afzonderlijk bezat, + zichzelf voorbehoudt en dus het recht heeft een + gemeenschappelijke levenswijze voor te schrijven en + wetten uit te vaardigen, welke zij niet door de Rede, + welke de hartstochten niet kan bedwingen (<i>vlg. <a href="#d4s17o">Opmerking + St. XVII v.d. D.</a></i>), doch door bedreigingen handhaaft. + Zulk een gemeenschap nu, op wet en de macht om zich te + handhaven gegrond, noemt men een <i>Staat</i>, en hen die door + haar recht worden beschermd "staatsburgers", waaruit wij + gemakkelijk kunnen inzien dat er in den natuurtoestand + niets is dat naar aller oordeel goed of kwaad is, + aangezien een ieder die in den natuurtoestand verkeert, + alleen met zijn eigen belang te rade gaat en naar eigen + inzicht en voorzoover het ten opzichte van zijn eigen + belang zin heeft, uitmaakt wat goed of kwaad is en door + geen enkele wet gehouden is iemand anders dan zichzelf + alleen te gehoorzamen. In den natuurtoestand is dus ook + geen zonde denkbaar, wel echter in den burgerlijken + staat, waar door gemeenschappelijk besluit wordt + vastgesteld wat goed en kwaad is en ieder gehouden is den + staat te gehoorzamen. <i>Zonde</i> is dus niets anders dan + ongehoorzaamheid, welke alleen door het recht van den + staat wordt gestraft; gehoorzaamheid daarentegen strekt + den burger tot <i>verdienste</i>, wijl hij daardoor waardig + wordt geacht de voordeelen van den staat te genieten. + Voorts is in den natuurtoestand niemand met algemeene + toestemming "Heer" van iets, evenmin als er in de Natuur + iets bestaat, waarvan men zou kunnen zeggen, dat het + dezen en niet genen mensch toebehoort; maar alles is er + van allen, zoodat er in den natuurtoestand ook geen + verlangen denkbaar is om ieder het zijne te geven of om + een ander te ontrooven wat hem toebehoort. Hetgeen zeggen + wil dat er in den natuurtoestand niets gebeurt, dat recht + of onrecht genoemd kan worden, wel echter in den + burgerlijken staat, waar met algemeene toestemming wordt + uitgemaakt wat van deze en wat van gene is. Waaruit + blijkt, dat recht en onrecht, zonde en verdienste, + begrippen van buiten af zijn, doch geen eigenschappen + welke het wezen van den Geest uitdrukken. Doch hierover + genoeg.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s38"> +<p><i>Stelling XXXVIII.</i></p> + +<p>Datgene, wat het menschelijk Lichaam geschikt maakt om zooveel +mogelijk indrukken te ontvangen, of wat het geschikt maakt om op +uitwendige voorwerpen op velerlei wijzen in te werken, is nuttig +voor den mensch, en wel des te nuttiger, naarmate het Lichaam er +geschikter door wordt om velerlei indrukken te ontvangen en op +andere voorwerpen in te werken. Daarentegen is schadelijk al wat +het Lichaam hiertoe minder geschikt maakt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Hoe geschikter het Lichaam daartoe gemaakt wordt, hoe beter de +Geest in staat is [de dingen] in zich op te nemen (<i>vlg. <a href="#d2s14">St. XIV +D. II</a></i>). Derhalve is datgene wat het Lichaam in dit opzicht +ontvankelijk en geschikt maakt noodzakelijk goed of nuttig (<i>vlg. +<a href="#d4s26">St. XXVI</a> en <a href="#d4s27">XXVII v.d. D.</a></i>) +en des te nuttiger, naarmate het het +Lichaam daartoe geschikter kan maken. Omgekeerd is (<i>vlg. het +omgekeerde van <a href="#d2s14">dezelfde St. XIV D. II</a> en +vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI</a> en <a href="#d4s27">XXVII +v.d. D.</a></i>) schadelijk wat het Lichaam daartoe minder geschikt +maakt. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s39"> +<p><i>Stelling XXXIX.</i></p> + +<p>Al wat maakt dat de verhoudingen van beweging en rust, waarin de +deelen van het menschelijk Lichaam ten opzichte van elkaar +verkeeren, bewaard blijven, is goed; slecht daarentegen is al wat +maakt dat de deelen van het menschelijk Lichaam onderling in een +andere verhouding van beweging en rust komen te staan.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het menschelijk Lichaam heeft (<i>vlg. <a href="#d2p4">Postulaat IV D. II</a></i>) om zich +in stand te houden tal van andere voorwerpen noodig. Datgene +evenwel wat het karakter<a href="#aanteken38">[a38]</a> +van het menschelijk Lichaam +uitmaakt, bestaat hierin dat zijn deelen hun beweging op een +zekere bepaalde wijze aan elkaar meedeelen (<i>vlg. <a href="#d2d0">Definitie vóór +Hulpst. IV</a>, te vinden achter St. XIII D. II</i>). Al wat dus bewerkt +dat de verhoudingen van beweging en rust, waarin de deelen van +het menschelijk Lichaam zich ten opzichte van elkaar bevinden, +bewaard blijven, houdt tevens het karakter van het menschelijk +Lichaam in stand, bewerkt bijgevolg +(<i>vlg. <a href="#d2p3">Postulaten III</a> en <a href="#d2p6">VI +D. II</a></i>) dat het velerlei indrukken ondergaat en zelf op +uitwendige voorwerpen op velerlei wijze kan inwerken, en is dus +goed (<i>vlg. <a href="#d4s38">voorgaande St.</a></i>). Al wat verder bewerkt, dat de +deelen van het menschelijk Lichaam in een andere verhouding van +rust en beweging komen, maakt (<i>vlg. <a href="#d2d0">dezelfde Definitie in D. +II</a></i>), dat het menschelijk Lichaam een ander karakter aanneemt, +d.w.z. (<i>gelijk van zelf spreekt en ook aan <a href="#d4v_3">het eind der Voorrede +van dit Deel</a> in herinnering werd gebracht</i>), dat het menschelijk +Lichaam te niet gaat en bijgevolg geheel en al ongeschikt wordt +gemaakt om velerlei indrukken te ontvangen. Dit alles zal dus +slecht zijn (<i>vlg. <a href="#d4s38">voorgaande St.</a></i>)</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s39o"> + <p><i>Opmerking:</i> In hoever dit den Geest tot nadeel of tot + voordeel strekken kan, zal in <a href="#deel5">het Vijfde Deel</a> worden + uiteengezet. Hier wil ik slechts doen opmerken, dat ik + onder sterven van het Lichaam versta: dat zijn deelen + aldus worden gewijzigd, dat zij onderling een andere + verhouding van beweging en rust verkrijgen. Ik waag + nochtans niet te ontkennen, dat het menschelijk Lichaam, + zelfs bij behoud van den bloedsomloop en andere + eigenaardigheden, waarom men het Lichaam als levend + beschouwt, toch niettemin een anderen aard, geheel en al + verschillend van zijn vroegeren kan aannemen. Geen enkele + reden noopt mij te beweren, dat het Lichaam alleen dàn + sterft wanneer het in een lijk verandert; ja, de ervaring + zelf schijnt anders te leeren. Somwijlen toch komt het + voor, dat iemand zoodanige veranderingen ondergaat, dat + ik niet gaarne zou willen volhouden, dat hij dezelfde + mensch was als voorheen. Zoo hoorde ik vertellen van een + Spaanschen dichter, die door een ziekte was aangetast en + die, ofschoon hij daarvan herstelde, toch zoozeer de + herinnering aan zijn vroeger leven had verloren, dat hij + niet wilde gelooven, dat zijn eigen verhalen en + treurspelen door hemzelf geschreven waren, en dien men + inderdaad voor een volwassen kind had kunnen houden, als + hij slechts ook nog zijn moedertaal vergeten had. En zoo + men dit al ongelooflijk mocht vinden, wat moeten wij dan + wel zeggen van kinderen, wier aard een mensch van + gevorderden leeftijd zoozeer van de zijne verschillend + waant, dat men hem nooit aan het verstand zou kunnen + brengen dat hij er zelf een geweest is, als hij niet door + het voorbeeld van anderen wel op dit vermoeden moest + komen. Om evenwel aan bijgeloovige lieden geen stof te + geven tot nieuwe vragen, wil ik hier liever afbreken.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XL.</i></p> + +<p>Wat het gemeenschapsleven der menschen bevordert, of bewerkt dat +de menschen eendrachtig samenleven, is nuttig; slecht daarentegen +is wat tweedracht in den staat teweeg brengt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers datgene, wat bewerkt dat de menschen eendrachtig +samenleven, bewerkt tevens dat zij volgens leiding der Rede leven +(<i>vlg. <a href="#d4s35">St. XXXV v.d. D.</a></i>) en is dus goed (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI</a> en <a href="#d4s27">XXVII +v.d. D.</a></i>), terwijl daarentegen (<i>om dezelfde reden</i>) slecht is +wat tweedracht verwekt. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s41"> +<p><i>Stelling XLI.</i></p> + +<p>Blijheid op zichzelf is niet slecht, doch goed; Droefheid +daarentegen is reeds op zichzelf slecht.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Blijheid is (<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI</a> en +<a href="#d3s11o">Opmerking D. III</a></i>) een aandoening, +door welke het vermogen tot handelen van het Lichaam wordt +vermeerderd of bevorderd; Droefheid daarentegen is een +aandoening, door welke het vermogen tot handelen van het Lichaam +wordt verminderd of belemmerd. Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d4s38">St. XXXVIII +v.d. D.</a></i>) Blijheid reeds op zichzelf goed enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLII.</i></p> + +<p>Opgewektheid kan nooit bovenmatig zijn, maar is steeds goed. +Neerslachtigheid daarentegen is steeds slecht.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Opgewektheid (<i>zie <a href="#d3s11o_3">haar Definitie</a> in de Opmerking bij St. XI D. +III</i>) is Blijheid, welke, voorzoover zij het Lichaam betreft, +daarin bestaat dat alle deelen des Lichaams gelijkelijk zijn +aangedaan; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI D. III</a></i>) dat het vermogen tot +handelen des Lichaams wordt vermeerderd of bevorderd op zulk een +wijze, dat al zijn deelen in dezelfde onderlinge verhoudingen van +beweging en rust blijven. Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d4s39">St. XXXIX v.d. D.</a></i>) +Opgewektheid steeds goed en kan zij nooit bovenmatig zijn. +Neerslachtigheid echter (<i>zie ook +<a href="#d3n26">háár Definitie</a> in dezelfde Opm. +bij St. XI D. III</i>) is Droefheid, welke, voorzoover zij het +Lichaam betreft, daarin bestaat, dat het vermogen tot handelen +des Lichaams onvoorwaardelijk afneemt of belemmerd wordt; zij is +dus (<i>vlg. <a href="#d4s38">St. XXXVIII v.d. D.</a></i>) steeds slecht.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s43"> +<p><i>Stelling XLIII.</i></p> + +<p>Prikkeling kan bovenmatig en daardoor slecht zijn. Pijn evenwel +kan in zoover goed zijn als de blijheidsaandoening van prikkeling +slecht is.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p><span id="d4s43b_1">Prikkeling is Blijheid, welke, voorzoover zij op het Lichaam +betrekking heeft, hierin bestaat dat één of enkele zijner deelen +meer dan de andere wordt aangedaan (<i>zie <a href="#d3s11o_3">haar Definitie</a> in +Opmerking St. XI D. III</i>).</span> De kracht dezer aandoening kan nu zóó +groot zijn dat zij de overige handelingen van het Lichaam +overheerscht (<i>vlg. <a href="#d4s6">St. VI v.d. D.</a></i>) het hardnekkig vasthoudt en +het daardoor belet velerlei andere indrukken te ontvangen. Zij +kan dus (<i>vlg. <a href="#d4s38">St. XXXVIII v.d. D.</a></i>) slecht zijn. Pijn echter, +welke daarentegen Droefheid is, kan op zichzelf beschouwd nooit +goed zijn (<i>vlg. <a href="#d4s41">St. XLI v.d. D.</a></i>). Omdat evenwel haar hevigheid +en toeneming bepaald worden door de macht van een uitwendige +oorzaak in verhouding tot onze eigen macht (<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V v.d. +D.</a></i>), kunnen wij ons deze aandoening in oneindig vele graden en +soorten van hevigheid denken (<i>vlg. <a href="#d4s3">St. III v.d. D.</a></i>). Wij kunnen +ons dus ook een pijn denken, welke in staat is de prikkeling te +temperen en te verhinderen dat zij bovenmatig [óverprikkeling] +wordt, welke dus (<i>vlg. <a href="#d4s43b_1">het eerste gedeelte van dit bewijs</a></i>) +helpt beletten dat het Lichaam minder geschikt wordt [voor het +ontvangen van indrukken] en welke derhalve ook in zoover goed zal +zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLIV.</i></p> + +<p>Liefde en Begeerte kunnen bovenmatig zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Liefde is (<i>vlg. <a href="#d3n6">Definitie VI der Aand.</a></i>) Blijheid, vergezeld +door de voorstelling eener uitwendige oorzaak. Prikkeling, +vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak, is dus +Liefde (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI D. III</a></i>), +zoodat (<i>vlg. <a href="#d4s43">voorgaande +St.</a></i>) ook Liefde bovenmatig kan zijn. Verder is Begeerte des te +sterker, naarmate de aandoening waaruit zij voortspruit heviger +is (<i>vlg. <a href="#d3s37">St. XXXVII D. III</a></i>). Zoodat, evenals een aandoening +(<i>vlg. <a href="#d4s6">St. VI v.d. D.</a></i>) de overige levensuitingen des menschen +overheerschen kan, evenzoo de Begeerte, welke uit zulk een +aandoening ontspringt, alle overige begeerten kan overheerschen +en dus even bovenmatig kan zijn als overprikkeling (<i>gelijk wij +in <a href="#d4s43">de voorgaande Stelling</a> aantoonen</i>). H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s44o"> + <p><i>Opmerking:</i> Die opgewektheid welke ik goed genoemd heb, + valt gemakkelijker te begrijpen dan in werkelijkheid waar + te nemen. De aandoeningen toch, door welke wij dagelijks + getroffen worden, betreffen meestal een of ander deel des + Lichaams, dat méér inwerking ondervindt dan de overige + deelen. Vandaar dat aandoeningen zeer dikwijls bovenmatig + zijn en den Geest zoozeer in de beschouwing van een + enkele zaak bevangen houden, dat hij over niets anders + denken kan. Ofschoon nu de menschen aan tal van + aandoeningen onderhevig zijn en men zelden lieden + aantreft die voortdurend door éénzelfden hartstocht + gekweld worden, ontbreekt het toch geenszins aan zulken + dien éénzelfde hartstocht hardnekkig aankleeft. Somwijlen + immers zien wij, dat menschen zoozeer van één enkel ding + vervuld zijn, dat zij, ook al is het afwezig, steeds + wanen het bij zich te hebben. Wanneer dit het geval is + bij iemand die niet slaapt, dan zeggen wij dat hij + malende of krankzinnig is. Als even gek beschouwt men + diegenen, die van liefde branden en nacht en dag alleen + van hun geliefde of hun boel droomen en daardoor onzen + lachlust plegen op te wekken. Den vrek daarentegen, die + aan niets anders dan aan winst en geld, en den + eerzuchtige, die aan niets anders dan roem denkt, + beschouwt men niet als krankzinnig, omdat zij meestal + hinderlijk zijn en daardoor onzen haat opwekken. In + werkelijkheid echter zijn Gierigheid, Eerzucht, + Wellustigheid enz. wel degelijk vormen van waanzin + ofschoon zij niet tot de ziekten gerekend worden.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s45"> +<p><i>Stelling XLV.</i></p> + +<p>Haat kan nooit goed zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een mensch dien wij haten trachten wij te vernietigen (<i>volgens +<a href="#d3s39">Stelling XXXIX Deel III</a></i>) d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>) wij +streven dan naar iets dat slecht is. Derhalve enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Ik doe opmerken dat ik hier en in het + vervolg onder Haat alleen versta haat jegens menschen.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d4s45g1"> + <p><i>Gevolg I:</i> Nijd, Spotzucht, Minachting, Toorn, + Wraakzucht en de overige aandoeningen, welke als soorten + van Haat te beschouwen zijn of uit Haat ontspringen, zijn + slecht; hetgeen eveneens blijkt uit <a href="#d3s39">Stelling XXXIX van + Deel III</a> en uit <a href="#d4s37">Stelling XXXVII van dit Deel</a>.</p> + </div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg II:</i> Al wat wij begeeren omdat wij Haat + koesteren, is schandelijk en geldt in den Staat voor + onrechtmatig. Hetgeen eveneens blijkt uit <a href="#d3s39">Stelling XXXIX + van Deel III</a> en uit <a href="#d4s37o1_">de Definities van wat schandelijk en + onrechtmatig</a> is (<i>zie Opmerking St. XXXVII v.d. D.</i>).</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d4s45g2o"> + <p><i>Opmerking:</i> Tusschen Spotzucht (welke ik in <a href="#d4s45g1">Gevolg I</a> + slecht genoemd heb) en Lachlust maak ik groot + onderscheid. Immers lachen, evenals schertsen, is zuiver + Blijheid en is dus (<i>vlg. <a href="#d4s41">St. XLI v.d. D.</a></i>), indien het + slechts niet overdreven wordt, uiteraard goed. Waarlijk, + alleen een norsch en triestig bijgeloof verzet zich tegen + Blijheid. Waarom toch zou het gepaster zijn honger en + dorst te stillen dan neerslachtigheid te verdrijven? Dit + is mìjn opvatting hieromtrent en dienovereenkomstig heb + ik mij ook voorgenomen te + leven<a id="aantag70" href="#aanteken70">[A70]</a>. Geen godheid, of + wat ander wezen ook, kan zoo grimmig zijn zich in mijn + machteloosheid en ongemak te verheugen, of ons tranen, + snikken, angst en dergelijke teekenen van zielszwakheid + als een deugd aan te rekenen. Integendeel, hoe dieper + Blijheid wij gevoelen, tot hoe grooter volmaaktheid gaan + wij over, d.w.z. hoemeer zullen wij deel krijgen aan den + goddelijken aard. Het voegt dus een wijs man de dingen te + gebruiken en er zooveel mogelijk van te genieten, (niet + tot overzadiging toe, want dat is geen genieten meer). + Het voegt, zeg ik, een wijs man, zich matiglijk met + aangename spijs en drank te verkwikken en te laven, + evenals met geuren en lieflijkheid van groenend kruid, + met fraaie kleedij, muziek, kampspelen, + tooneelvoorstellingen en dergelijke zaken, waarvan een + ieder gebruik kan maken zonder een ander te schaden. Het + menschelijk Lichaam toch is uit tal van deelen van + verschillenden aard samengesteld, welke voortdurend nieuw + en verschillend voedsel behoeven, zoo het Lichaam in zijn + geheel tot al wat uit zijn aard kan voortvloeien even + geschikt wil blijven, en bijgevolg zoo de Geest even + geschikt wil blijven om vele zaken tegelijk te begrijpen. + Deze levensregel komt zoowel met onze eigen beginselen + als met de algemeene gewoonte uitnemend overeen. Zoo + ééne, dan is dus deze levenswijze de beste en boven alle + andere aan te bevelen. Het is echter niet noodig dit nog + duidelijker en breedvoeriger te behandelen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s46"> +<p><i>Stelling XLVI.</i></p> + +<p>Wie leeft volgens leiding der Rede, streeft er zooveel mogelijk +naar Haat, Toorn, Minachting enz. welke anderen jegens hem +koesteren, met Liefde, ofwel met Edelmoedigheid te vergelden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Alle aandoeningen van Haat zijn slecht (<i>vlg. <a href="#d4s45g1">Gevolg I der +voorgaande St.</a></i>) en dus zal elk, die volgens leiding der Rede +leeft (<i>vlg. <a href="#d4s19">St. XIX v.d. D.</a></i>), zooveel mogelijk trachten te +bewerken, dat hij niet door aandoeningen van Haat wordt overmand, +en bijgevolg (<i>vlg. S<a href="#d4s37">t. XXXVII v.d. D.</a></i>) ook pogen te voorkomen, +dat anderen dergelijke aandoeningen ondervinden. Haat wordt +echter door wederkeerigen Haat versterkt, terwijl (<i>vlg. <a href="#d3s43">St. +XLIII D. III</a></i>) hij door Liefde gedoofd kan worden, zoo zelfs dat +Haat in Liefde kan overgaan (<i>vlg. <a href="#d3s44">St. XLIV D. III</a></i>). Derhalve +zal, wie volgens leiding der Rede leeft, er naar streven den Haat +enz. van anderen door Liefde weder goed te maken, d.w.z. door +Edelmoedigheid (<i>zie <a href="#d3s59o_2">de Definitie hiervan</a> in Opmerking St. LIX D. +III</i>). H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s46o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wie onrecht met wederkeerigen Haat wil + vergelden, leeft inderdaad ellendig. Wie daarentegen zich + beijvert Haat door Liefde te overwinnen, waarlijk, die + strijdt blijde en vol vertrouwen, weerstaat even + gemakkelijk één mensch als velen en heeft de hulp der + fortuin allerminst van noode. Diegenen die hij overwint, + verblijden zich over hun nederlaag, en wel geenszins uit + zwakheid, maar in verhoogde kracht. Hetgeen alles uit de + Definities van Liefde en Verstand alleen reeds zóó helder + volgt, dat het niet noodig is het nog eens in + afzonderlijke voorbeelden aan te toonen.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLVII.</i></p> + +<p>Aandoeningen van Hoop en Vrees kunnen op zichzelf beschouwd niet +goed zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Aandoeningen van Hoop en Vrees bestaan niet zonder Droefheid. +Immers Vrees is (<i>vlg. <a href="#d3n13">Definitie XIII der Aand.</a></i>) Droefheid, en +Hoop (<i>zie <a href="#d3n13t">Toelichting bij de Definities XII en XIII der +Aandoeningen</a></i>) is niet bestaanbaar zonder Vrees. Vandaar dat +(<i>vlg. <a href="#d3s41">St. XLI v.d. D.</a></i>) deze aandoeningen op zichzelf beschouwd +niet goed kunnen zijn, doch alleen voorzoover zij een bovenmatige +Blijheid kunnen temperen. (<i>Vlg. <a href="#d4s43">St. XLIII v.d. D.</a></i>). H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Hierbij komt dat deze aandoeningen gebrek + aan kennis en een geestelijke machteloosheid aanduiden, + en om deze reden zijn ook Gerustheid, Wanhoop, Verheuging + en Spijt [Hartzeer] teekenen van zielszwakheid. Want + ofschoon Gerustheid en + Verheuging<a id="aantag71" href="#aanteken71">[A71]</a> aandoeningen van + Blijheid zijn, onderstellen zij toch steeds voorafgegane + Droefheid, nl. Hoop en Vrees. Hoemeer wij er daarom naar + streven, volgens leiding der Rede te leven, hoe minder + wij op verwachtingen zullen bouwen en hoe meer wij ook + zullen trachten ons van Vrees te bevrijden, het geluk + zooveel mogelijk te beheerschen en onze handelingen te + richten naar den veiligen raad der Rede.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLVIII.</i></p> + +<p>De aandoeningen van Overschatting en Geringschatting zijn steeds +slecht.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze aandoeningen toch zijn (<i>vlg. <a href="#d3n21">Definities XXI</a> +en <a href="#d3n22">XXII der +Aand.</a></i>) in strijd met de Rede. Zij zijn daarom (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI</a> en +<a href="#d4s27">XXVII v.d. D.</a></i>) slecht. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLIX.</i></p> + +<p>Overschatting maakt den mensch, die overschat wordt, licht +trotsch.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Indien wij zien dat iemand uit Liefde beter van ons denkt dan +gerechtvaardigd is, zullen wij ons licht daarop verheffen (<i>vlg. +<a href="#d3s41o">Opmerking St. XLI D. III</a></i>) ofwel +(<i>vlg. <a href="#d3n30">Definitie XXX der Aand.</a></i>) +Blijheid daarover gevoelen. Ook gelooven wijzelf licht al het +goede dat wij van ons hooren vertellen (<i>vlg. <a href="#d3s25">St. XXV D. III</a></i>). +Wij zullen dus uit eigenliefde beter van onszelf denken dan +gerechtvaardigd is, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n28">Definitie XXVIII der Aand.</a></i>) +licht trotsch worden. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling L.</i></p> + +<p>Medelijden is in den mensch, die volgens leiding der Rede leeft, +op zichzelf beschouwd slecht en nutteloos.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers Medelijden is Droefheid (<i>vlg. <a href="#d3n18">Definitie XVIII der Aand.</a></i>) +en dus (<i>vlg. <a href="#d4s41">St. XLI v.d. D.</a></i>) op zichzelf slecht. Het goede +evenwel dat er uit voortvloeit, namelijk dat wij den persoon, met +wien wij medelijden hebben, uit zijn ellende trachten te +verlossen (<i>vlg. <a href="#d3s27g3">Gevolg III St. XXVII D. III</a></i>), begeeren wij ook +reeds op gezag der Rede te volbrengen (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. +D.</a></i>), gelijk wij niets, waarvan wij met zekerheid weten dat het +goed is, kunnen doen dan alleen op voorschrift der Rede (<i>vlg. +<a href="#d4s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>). Derhalve is Medelijden in den mensch, die +volgens leiding der Rede leeft, op zichzelf beschouwd slecht en +nutteloos. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt, dat wie volgens voorschrift der + Rede leeft, zooveel mogelijk er naar zal streven niet + door Medelijden te worden aangegrepen.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Wie terdeeg beseft, dat alles uit de + noodwendigheid van den goddelijken aard voortvloeit en + plaats grijpt volgens de eeuwige wetten en regelen der + Natuur, zal zeker niets vinden wat Haat, Spijt of + Minachting verdient, noch met wien dan ook Medelijden + hebben, maar, zoover zijn menschelijke kracht reikt, + trachten, zooals men zegt: <i>wel te doen en blij te + zijn</i><a id="aantag72" href="#aanteken72">[A72]</a>. + Daarbij komt, dat wie licht door Medelijden + aangegrepen en door eens anders ellende tot tranen + bewogen wordt, dikwijls iets zal doen wat hem later zelf + berouwt; zoowel wijl wij onder invloed eener aandoening + niets kunnen doen met de zekerheid dat het goed is, als + ook wijl wij gemakkelijk door valsche tranen bedrogen + worden. Ik spreek hier evenwel uitdrukkelijk van + menschen, die volgens leiding der Rede leven. Want wie + noch door de Rede, noch door Medelijden er toe bewogen + wordt om anderen te helpen, wordt terecht onmenschelijk + genoemd, aangezien hij (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII D. III</a></i>) niet op + een mensch blijkt te gelijken.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LI.</i></p> + +<p>Ingenomenheid is niet in strijd met de Rede; kan daarmede zelfs +in overeenstemming zijn en er uit voortkomen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Ingenomenheid toch is Liefde jegens iemand die een ander een +weldaad bewees (<i>vlg. <a href="#d3n19">Definitie XIX der Aand.</a></i>) en kan dus +betrekking hebben op den Geest, voorzoover deze beschouwd wordt +als <i>handelend</i> (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>) d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. +III</a></i>) voorzoover hij begrijpt. Derhalve is zij in overeenstemming +met de Rede enz. H.t.b.w.</p> +</div> + +<div class="anders"> +<p><i>Anders.</i></p> + +<p>Wie volgens leiding der Rede leeft, wenscht het goede, waarnaar +hij streeft, ook anderen toe (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>), zoodat +zijn eigen verlangen om wel te doen, versterkt wordt doordat hij +een ander ziet weldoen. Hij zal zich dus (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI +D. III</a></i>) verblijden, en dat wel (<i>vlg. het onderstelde</i>) daarbij +denkend aan dengene, die dien ander weldeed; derhalve zal hij +(<i>vlg. <a href="#d3n19">Definitie XIX der Aand.</a></i>) met hem zijn ingenomen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Verontwaardiging, gelijk wij haar omschreven + hebben (<i>zie <a href="#d3n20">Definitie XX der Aand.</a></i>) is noodzakelijk + slecht (<i>vlg. <a href="#d4s45">St. XLV v.d. D.</a></i>). Hierbij zij echter + opgemerkt, dat wanneer de hoogste overheid een burger, + die een ander onrecht aandeed, straft met de bedoeling om + de orde te handhaven, zij volgens mij geenszins over dien + burger verontwaardigd is, aangezien zij niet, door Haat + gedreven, dien burger straft om hem in het verderf te + storten, maar uit plichtsbesef.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s52"> +<p><i>Stelling LII.</i></p> + +<p>Tevredenheid met zichzelf [zelfvoldoening] kan haar oorsprong +vinden in de Rede en de hoogst bestaanbare zelfvoldoening is +alleen zulk eene, welke uit de Rede voortvloeit.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Zelfvoldoening is Blijheid, ontstaan doordat men zichzelf en zijn +eigen macht tot handelen beschouwt (<i>vlg. <a href="#d3n25">Definitie XXV der +Aand.</a></i>) 's Menschen vermogen tot handelen ofwel deugd echter is +de Rede zelf (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>), waarvan hij zich helder en +duidelijk bewust is (<i>vlg. <a href="#d2s40">St. XL</a> +en <a href="#d2s43">XLIII D. II</a></i>). Derhalve +vindt zelfvoldoening haar oorsprong in de Rede. Verder begrijpt +de mensch, wanneer hij zichzelf beschouwt, alleen datgene helder +en duidelijk, ofwel adaequaat, wat uit zijn macht tot handelen +voortspruit (<i>vlg. <a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>) +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. +III</a></i>) wat uit zijn vermogen om te begrijpen volgt. Derhalve +ontspringt de hoogst bestaanbare zelfvoldoening alleen uit deze +beschouwing. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s52o"> + <p><i>Opmerking:</i> Inderdaad is zelfvoldoening het hoogste + waarop wij kunnen hopen. Immers, (<i>gelijk wij in <a href="#d4s25">St. XXV + v.d. D.</a> aantoonden</i>) niemand tracht zijn wezen te + handhaven terwille van eenig ander [buiten hemzelf + liggend] doel. Aangezien nu deze zelfvoldoening door lof + steeds meer bevorderd en versterkt wordt (<i>vlg. <a href="#d3s53g">Gevolg + St. LIII D. III</a></i>) en daarentegen door blaam steeds meer + verzwakt (<i>vlg. <a href="#d3s55g">Gevolg St. LV D. III</a></i>) oefent roem zulk + een aantrekking op ons uit, terwijl wij een leven in + schande haast niet kunnen verdragen.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LIII.</i></p> + +<p>Neerslachtigheid [Kleinmoedigheid, Nederigheid] is geen deugd, +ofwel, zij ontspringt niet uit de Rede.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Neerslachtigheid is Droefheid, welke daaruit voortkomt dat men +zijn eigen machteloosheid beschouwt (<i>vlg. <a href="#d3n26">Definitie XXVI der +Aand.</a></i>). Voorzoover men echter zichzelf in waarachtige +redelijkheid kent, begrijpt men, naar verondersteld wordt, zijn +eigen wezen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) zijn eigen macht. +Zoodat indien iemand, wanneer hij zichzelf beschouwt, zich in een +of ander opzicht machteloos gevoelt, dit niet een gevolg daarvan +is, dat hij zichzelf begrijpt, maar (<i>gelijk wij in <a href="#d3s55">St. LV D. III</a> +aantoonden</i>) daarvan, dat zijn vermogen tot handelen belemmerd +wordt. Nemen wij daarentegen aan dat iemand tot het inzicht +zijner machteloosheid komt doordat hij zich iets machtigers +voorstelt en dat hij door middel van deze kennis de grenzen van +zijn eigen vermogen tot handelen bepaalt, dan onderstellen wij +hiermede niets anders, dan dat die persoon zichzelf duidelijk +begrijpt (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>) hetgeen zijn vermogen tot +handelen juist zal bevorderen. Zoodat Neerslachtigheid, ofwel die +Droefheid welke daaruit voortkomt dat iemand zijn eigen +machteloosheid beschouwt, geen uitvloeisel is van waarachtig +nadenken of van de Rede en dus geen deugd, maar een lijding. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LIV.</i></p> + +<p>Berouw is geen deugd, ofwel het komt niet voort uit de Rede. +Integendeel, wie een daad berouwt is dubbel ongelukkig of +machteloos.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het eerste gedeelte dezer stelling wordt evenals de voorgaande +stelling bewezen. Het tweede gedeelte echter blijkt alleen reeds +uit de Definitie dezer aandoening (<i>zie <a href="#d3n27">Definitie XXVII der +Aand.</a></i>). Eerst immers laat men zich door zijn lage begeerte, en +daarna bovendien nog door Droefheid overmeesteren.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Aangezien de menschen zelden naar de + voorschriften der Rede leven, stichten evenwel deze beide + aandoeningen, Nederigheid en Berouw, en daarnaast ook + Hoop en Vrees, meer nut dan schade; zoodat het, wanneer + er dan toch gezondigd moet worden, maar het best is in + dìt opzicht te zondigen. Immers indien de menschen, reeds + zwak van ziel, ook nog allen even trotsch waren, zich + nergens voor schaamden en niets vreesden, hoe zou men hen + dan nog in den band kunnen houden en + beteugelen?<a id="aantag73" href="#aanteken73">[A73]</a> De + menigte is vreeselijk wanneer zij niet zelf vreest, + zoodat het niet valt te verwonderen dat de Profeten, die + niet het heil van enkelen, maar van het algemeen + beoogden, zoo sterk Nederigheid, Berouw en Onderdanigheid + hebben aangeprezen. Inderdaad, wie aan deze aandoeningen + onderworpen zijn, kunnen er tenslotte veel gemakkelijker + dan anderen toe gebracht worden volgens leiding der Rede + te leven, d.w.z. vrij te zijn en een gelukkig leven te + genieten.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s55"> +<p><i>Stelling LV.</i></p> + +<p>Zeer groote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op groot +gemis aan zelfkennis.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt uit <a href="#d3n28">de Definities XXVIII</a> +en <a href="#d3n29">XXIX der Aandoeningen</a>.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LVI.</i></p> + +<p>Zeer groote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op zeer +groote zwakheid van ziel.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het eerste beginsel der deugd is het eigen wezen in stand te +houden (<i>vlg. <a href="#d4s22g">Gevolg St. XXII v.d. D.</a></i>) en datwel onder leiding +der Rede (<i>vlg. <a href="#d4s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>). <span id="d4s56b_">Wie dus zichzelf niet kent, +kent den grondslag aller deugden en bijgevolg die deugden zelf +evenmin. Verder is handelen uit deugd niets anders dan handelen +volgens leiding der Rede (<i>vlg. <a href="#d3s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>). Wie echter +volgens leiding der Rede handelt, moet (<i>vlg. <a href="#d2s43">St. XLIII D. II</a></i>) +noodzakelijk weten dàt hij volgens leiding der Rede handelt.</span> Wie +dus zichzelf, en bijgevolg (<i>gelijk wij <a href="#d4s56b_">reeds aantoonden</a></i>) alle +deugden, grootendeels niet kent, handelt allerminst uit deugd, +d.w.z. (<i>gelijk uit <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. D.</a> blijkt</i>) is uiterst +zwak van ziel. Derhalve duiden (<i>vlg. <a href="#d4s55">voorgaande St.</a></i>) zeer +groote hoogmoed of zelfverachting op zeer groote zwakheid van +ziel. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt ten duidelijkste, dat zoowel + hoogmoedige als kleinmoedige menschen het meest aan hun + aandoeningen onderworpen zijn.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Nochtans is zelfverachting gemakkelijker te + verbeteren<a id="aantag74" href="#aanteken74">[A74]</a> + dan hoogmoed, aangezien deze een + aandoening van Blijheid, gene echter van Droefheid is en + deze dus (<i>vlg. <a href="#d4s18">St. XVIII v.d. D.</a></i>) sterker is.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LVII.</i></p> + +<p>De hoogmoedige houdt van het gezelschap van parasieten en +vleiers, dat van edele menschen daarentegen haat hij.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Hoogmoed is Blijheid, welke ontstaat doordat men beter van +zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is (<i>vlg. <a href="#d3n28">Definities XXVIII</a> en +<a href="#d3n6">VI der Aand.</a></i>), welken dunk de hoogmoedige zooveel mogelijk zal +trachten te versterken, (<i>zie Opmerking St. XIII D. III</i>). +Derhalve zal hij dan ook houden van het gezelschap van parasieten +en vleiers (<i>wier definities ik heb weg gelaten, wijl zij maar al +te bekend zijn</i>) en dat van edele lieden, die van hem denken naar +hij verdient, ontvluchten. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s57o"> + <p><i>Opmerking:</i> Het zou mij te ver voeren hier alle kwade + gevolgen van den Hoogmoed op te sommen, aangezien + hoogmoedigen aan alle aandoeningen onderhevig zijn, + schoon aan geene minder dan die van Liefde en + Barmhartigheid. Nochtans mag hier niet verzwegen worden, + dat men ook diengene hoogmoedig noemt, die van anderen + slechter denkt dan billijk is, zoodat in dezen zin + Hoogmoed kan worden omschreven als Blijheid, ontsproten + uit den waan dat men boven andere menschen verheven is. + Zelfverachting is dan, als tegenstelling van dezen + Hoogmoed, te omschrijven als Droefheid, ontsproten uit + den waan dat men lager staat dan anderen. Bij deze + opvatting is het gemakkelijk in te zien dat de + hoogmoedige noodzakelijkheid afgunstig moet zijn (<i>zie + <a href="#d3s55o">Opmerking St. LV D. III</a></i>), hen die het meest om hun + deugden geprezen worden het meest moet haten, terwijl die + Haat niet licht door hun Liefde of weldaden kan worden + overwonnen (<i>zie <a href="#d3s41o">Opmerking St. XLI D. III</a></i>); dat hij zich + daarentegen alleen verheugt in het gezelschap van hen, + die zijn machtelooze ziel in het gevlei komen en die hem + van dwaas waanzinnig maken.</p> + + <p>Ofschoon zelfverachting het tegendeel is van Hoogmoed, is + niettemin wie zichzelf veracht ten nauwste verwant aan + den Hoogmoedige. Immers, aangezien zijn Droefheid daaruit + voortkomt, dat hij zijn eigen machteloosheid erkent door + vergelijking met de macht of de deugd van anderen, zal + zijn Droefheid verlicht worden, d.w.z. zal hij zich + verblijden, wanneer zijn verbeelding zich bezig houdt met + de beschouwing van anderer fouten. Vandaar het gezegde: + het is een troost voor ongelukkigen dat zij lotgenooten + hebben gehad. Daarentegen zal hij zich te meer bedroeven, + naarmate hij meent dieper onder anderen te staan; en + vandaar dat niemand méér tot afgunst neigt, dan wie + zichzelf veracht; dat hij scherp op de daden van anderen + let, meer om ze te bevitten dan om ze te verbeteren, en + dat hij bovenal de nederigheid prijst en zich op haar + verheft, [dit laatste] op zulk een wijze evenwel, dat hij + toch naar den schijn nederig blijft. Dit alles volgt uit + deze aandoening even noodzakelijk als uit den aard eens + driehoeks volgt, dat de som zijner drie hoeken gelijk is + aan twee rechten; en ik heb dan ook vroeger reeds gezegd + dat ik deze en dergelijke aandoeningen alleen maar slecht + noem voorzoover ik op 's menschen belang let. De wetten + der Natuur echter gelden voor de geheele orde der Natuur, + waarvan de mensch een deel is, hetgeen ik in het + voorbijgaan nog even wilde opmerken, opdat niemand meene + dat ik hier slechts de menschelijke gebreken en + dwaasheden heb willen behandelen, inplaats van aard en + eigenschappen der <i>dingen</i> uiteen te zetten. Want, gelijk + ik in de Voorrede van het Derde Deel gezegd heb: ik + beschouw de menschelijke aandoeningen en hun + eigenschappen geheel en al als de overige dingen in de + Natuur. En inderdaad wijzen de menschelijke aandoeningen + niet minder dan tal van andere dingen, welke wij + bewonderen en in welker beschouwing wij ons verheugen, op + de macht en kunstvaardigheid, zoo niet van den mensch + zelf, dan toch van de Natuur. Ik ga thans echter voort + met op te teekenen wat er in de aandoeningen voor den + mensch nuttig is, of wat hem schade kan berokkenen.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LVIII.</i></p> + +<p>Zelfverheerlijking [glorie] is niet in strijd met de Rede, maar +kan uit haar ontspruiten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt uit <a href="#d3n30">Definitie XXX der Aandoeningen</a> en uit de Definitie +van Eerbaarheid, zie <a href="#d4s37o1">Opmerking I bij Stelling XXXVII van dit +Deel.</a></p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Wat men "ijdelen roem" noemt is [een soort + van] zelfvoldoening, welke alleen gevoed wordt door de + meening der groote massa. Houdt deze geen stand, zoo + ontvalt ons deze zelfvoldoening, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s52o">Opmerking + St. LII v.d. D.</a></i>), datgene wat ieder als het hoogste goed + liefheeft; en vandaar, dat wie zich verheft op de + publieke meening, dagelijks in angst en zorg worstelt en + zoekt en in de weer is om zijn roem op te houden. Immers + het publiek is veranderlijk en onstandvastig, zoodat + roem, welke niet wordt levendig gehouden, spoedig + vergeten raakt. Ja, waar allen evenzeer den bijval der + menigte zoeken te verwerven, verduistert de een licht den + roem van den ander, zoodat, aangezien men strijdt om wat + men voor het hoogste goed houdt, er een geweldige + begeerte ontstaat om elkaar wederzijds op alle manieren + te kleineeren, en degeen, die tenslotte als overwinnaar + te voorschijn komt, zich er meer op verheft, dat hij een + ander geschaad, dan dat hij zichzelf gebaat heeft. Deze + zelfverheerlijking of bevrediging in zichzelf is dus wel + inderdaad ijdel, wijl zij feitelijk géén bevrediging is.</p> + + <p>Wat omtrent de Schaamte te zeggen valt, is gemakkelijk op + te maken uit hetgeen wij over Medelijden en Berouw hebben + opgemerkt. Ik voeg er hier slechts aan toe, dat evenals + Medelijden, zoo ook Schaamte, al is zij geen deugd, toch + goed kan zijn, voorzoover zij er op wijst, dat in dengeen + die zich schaamt, de begeerte aanwezig is om eerbaar te + leven, gelijk ook pijn in zoover goed genoemd werd als + zij een teeken is, dat het gekwetste lichaamsdeel nog + niet verrot is. Daarom is iemand, die zich over een of + andere daad schaamt, niettegenstaande hij werkelijk + bedroefd is, toch volmaakter dan de onbeschaamde, die + niet het verlangen koestert om eerzaam te leven.</p> + + <p>Dit nu is wat ik mij had voorgenomen over de aandoeningen + van Blijheid en Droefheid te zeggen. Wat de Begeerten + betreft, deze zijn natuurlijk goed of slecht voorzoover + zij uit goede of slechte aandoeningen ontspringen. Maar + zeker zijn zij allen blind, voorzoover zij in ons + ontstaan uit aandoeningen, welke lijdingen zijn (<i>gelijk + gemakkelijk valt op te maken uit wat wij in <a href="#d4s44o">de Opmerking + bij Stelling XLIV van dit Deel</a> gezegd hebben</i>) en zij + zouden nergens toe dienen indien de menschen er slechts + wat gemakkelijker toe gebracht konden worden naar de + voorschriften der Rede te leven, zooals ik thans in het + kort zal aantoonen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s59"> +<p><i>Stelling LIX.</i></p> + +<p>Tot alle daden, waartoe wij door een aandoening, welke lijding +is, gedreven worden, kunnen wij ook zonder deze door de Rede +genoopt worden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Krachtens de Rede handelen is niets anders (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III</a> en +<a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>), dan doen wat uit de noodwendigheid van +onzen aard, op zichzelf alleen beschouwd, voortvloeit. Droefheid +nu is in zoover slecht, als zij dit vermogen tot handelen +vermindert of belemmert (<i>vlg. <a href="#d4s41">St. XLI v.d. D.</a></i>) en wij kunnen +daarom door deze aandoening tot geen enkele handeling gedreven +worden, welke wij niet ook zouden kunnen volbrengen als wij door +de Rede geleid werden. Bovendien is Blijheid slechts in zoover +slecht, als zij ons minder geschikt maakt om te handelen (<i>vlg. +<a href="#d4s41">St. XLI</a> en <a href="#d4s43">XLIII v.d. D.</a></i>), +zoodat wij inzoover ook door haar tot +geen enkele handeling gedreven kunnen worden, welke wij niet ook +zouden kunnen volbrengen als wij door de Rede geleid werden. En +tenslotte: voorzoover Blijheid goed is, is zij met de Rede in +overeenstemming (zij bestaat immers juist daarin, dat 's menschen +vermogen tot handelen wordt vermeerderd of bevorderd) en is zij +ook geen lijding, dan alleen voorzoover 's menschen vermogen tot +handelen niet zóózeer toeneemt, dat hij zichzelf en zijn +handelingen adaequaat kan begrijpen (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III</a> +en <a href="#d3s3o">Opmerking +D. III</a></i>). Zoodat de mensch, wanneer hij door Blijheid tot zulk +een volmaaktheid gevoerd werd, dat hij zichzelf en zijn +handelingen adaequaat begreep, zeker geschikt zou zijn, ja nog +geschikter, tot diezelfde handelingen waartoe hij ook reeds door +aandoeningen, welke lijdingen zijn, wordt gedreven. Maar alle +aandoeningen zijn terug te brengen tot Blijheid, Droefheid en +Begeerte (<i>zie <a href="#d3n4t">de Toelichting bij Definitie IV der Aand.</a></i>) en +Begeerte is (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>) niets anders dan +streven naar handelen zelf. Derhalve kunnen wij tot alle +handelingen waartoe wij door een aandoening, welke lijding is, +gedreven worden, ook zonder deze alléén door de Rede genoopt +worden. H.t.b.w.</p> +</div> + +<div class="anders"> +<p><i>Anders.</i></p> + +<p>Een handeling wordt in zoover slecht genoemd, als zij dááruit +voortkomt dat wij Haat koesteren, of eenige andere slechte +aandoening ondergaan (<i>zie <a href="#d4s45g1">Gevolg I St. XLV v.d. D.</a></i>). Doch op +zichzelf beschouwd is geen enkele handeling goed of slecht +(<i>gelijk wij in <a href="#d4v_5">de Voorrede tot dit Deel</a> hebben aangetoond</i>), +maar éénzelfde handeling is nú eens goed, dàn weer slecht. +Derhalve kunnen wij tot een handeling, welke op het oogenblik +slecht is, ofwel, welke uit een of andere slechte aandoening +voortkomt, óók door de Rede genoopt worden. +(<i>Vlg. <a href="#d4s19">St. XIX v.d. +D.</a></i>). H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Duidelijker nog zal dit blijken uit een + voorbeeld. De handeling van "slaan" is, physiek beschouwd + en wanneer wij alleen dáárop letten dat iemand zijn arm + opheft, de vuist balt en den geheelen arm met kracht + omlaag doet komen, een deugd [uiting van kracht] welke + uit de inrichting van het menschelijk Lichaam verklaard + kan worden. Indien dus iemand, door Toorn of Haat + bewogen, gedrongen wordt de vuist te ballen en den arm te + bewegen, dan geschiedt dit, (<i>gelijk wij in <a href="#deel2">het Tweede + Deel</a> aantoonden</i>), wijl één en dezelfde handeling + verbonden kan worden met verschillende voorstellingen, + zoodat wij zoowel door voorstellingen van dingen, welke + wij verward, als door voorstellingen van dingen welke wij + helder en duidelijk begrijpen, tot éénzelfde handeling + gedreven kunnen worden. Het blijkt dus dat elke Begeerte, + ontspringend uit een aandoening; welke lijding is, van + geenerlei nut zou zijn als de menschen door de Rede + geleid werden.</p> + + <p>Laat ons thans onderzoeken waarom de Begeerte, + voortkomend uit een aandoening, welke lijding is, door + ons "blind" genoemd wordt.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LX.</i></p> + +<p>De Begeerte, ontspringend uit Blijheid of Droefheid, welke +betrekking hebben op een of ander deel en niet op alle deelen des +Lichaams, houdt geen rekening met het belang van den mensch in +zijn geheel.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Gesteld bijvoorbeeld, dat een deel A des Lichaams door toedoen +van een of andere uitwendige oorzaak dermate versterkt wordt, dat +het krachtiger is dan de andere deelen (<i>vlg. <a href="#d4s6">St. VI v.d. D.</a></i>). +Dit deel zal dan allerminst er naar streven zijn eigen kracht te +verliezen om de overige deelen des Lichaams hun funktie beter te +laten verrichten; immers daartoe zou het de kracht of het +vermogen moeten bezitten om zijn eigen kracht te verliezen, +hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI D. III</a></i>) ongerijmd is. Dit deel en (<i>vlg. +<a href="#d3s7">St. VII</a> en <a href="#d3s12">XII D. III</a></i>) +bijgevolg ook de Geest, zal er dus naar +streven dien toestand te handhaven, en derhalve zal de Begeerte, +welke uit een zoodanige aandoening van Blijheid ontspruit, geen +rekening houden met het geheel. Wordt daarentegen aangenomen dat +dit deel A belemmerd wordt, zoodat de andere deelen krachtiger +zijn, dan kan op dezelfde wijze worden bewezen dat de Begeerte, +welke uit deze Droefheid voortkomt, evenmin rekening houdt met +het geheel. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s60o"> + <p><i>Opmerking:</i> Waar nu Blijheid meestal (<i>vlg. <a href="#d4s44o">Opmerking + St. XLIV v.d. D.</a></i>) slechts betrekking heeft op één deel + des Lichaams, begeeren wij dus meestal ons wezen in stand + te houden zonder daarbij rekening te houden met onze + gezondheid in het algemeen. Waar nog bijkomt dat de + Begeerten, welke ons het meest vervullen (<i>vlg. <a href="#d4s9g">Gevolg + St. IX v.d. D.</a></i>) slechts rekening houden met het + oogenblik, doch niet met de toekomst.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s61"> +<p><i>Stelling LXI.</i></p> + +<p>Begeerte, welke uit de Rede voortvloeit, kan niet bovenmatig +zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Begeerte is (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>), op zichzelf +beschouwd, 's menschen wezen zelf, voorzoover dit wordt opgevat +als op eenigerlei wijze genoodzaakt om iets te doen. Derhalve is +een Begeerte, welke uit de Rede voortkomt, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III +D. III</a></i>) welke in ons ontstaat voorzoover wij handelen, 's +menschen wezen of aard zelf, opgevat als zijnde genoodzaakt +datgene te doen, wat uit 's menschen wezen alléén reeds adaequaat +kan worden verklaard (<i>vlg. <a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>). Indien dus +deze Begeerte bovenmatig kon zijn, zou dus de menschelijke aard, +op zichzelf beschouwd, zichzelf te buiten kunnen gaan, ofwel méér +vermogen dan hij inderdaad vermag, hetgeen klaarblijkelijk met +elkaar in tegenspraak is. Derhalve kan zulk een Begeerte ook niet +bovenmatig zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d4s62"> +<p><i>Stelling LXII.</i></p> + +<p>Voorzoover de Geest de dingen opvat volgens het voorschrift der +Rede, wordt hij gelijkelijk er door aangedaan, onverschillig of +zijn voorstelling een toekomstige, een verleden of een +tegenwoordige zaak betreft.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wat ook de Geest onder leiding der Rede beschouwt, beschouwt hij +onder éénzelfde gezichtspunt van eeuwigheid of noodwendigheid +(<i>vlg. <a href="#d2s44g2">Gevolg II St. XLIV D. II</a></i>), terwijl hij daarbij dezelfde +zekerheid gevoelt (<i>vlg. <a href="#d2s43">St. XLIII</a> +en <a href="#d2s43o">Opmerking D. II</a></i>). Zoodat +de Geest, onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige, +verleden of tegenwoordige zaak betreft, haar toch met dezelfde +noodwendigheid begrijpt en daarbij dezelfde zekerheid gevoelt. En +deze voorstelling zal, onverschillig of zij een toekomstige, +verleden of tegenwoordige zaak betreft, niettemin altijd even +waar zijn (<i>vlg. <a href="#d2s41">St. XLI D. II</a></i>), +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2d4">Definitie IV D. +II</a></i>) altijd dezelfde kenmerken van een adaequate voorstelling +hebben. Derhalve zal de Geest, voorzoover hij de dingen opvat +volgens voorschrift der Rede, gelijkelijk er door worden +aangedaan, onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige, +een verleden, of een tegenwoordige zaak betreft. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Indien wij van den duur der dingen een + adaequate kennis konden hebben en door de Rede den tijd + van hun bestaan konden bepalen, zouden wij toekomst en + heden met dezelfde aandoening beschouwen en zou de Geest + het goede, dat hij als toekomstig opvat, evenals iets + tegenwoordigs begeeren. Bijgevolg zou hij ook + noodzakelijk een geringer tegenwoordig goed terwille van + een grooter toekomstig opofferen en iets wat op het + oogenblik goed is, doch oorzaak van een of ander + toekomstig kwaad allerminst begeeren; gelijk wij dadelijk + zullen aantoonen. Wij kunnen evenwel omtrent den duur der + dingen (<i>vlg. <a href="#d2s31">St. XXXI D. II</a></i>) slechts een uitermate + inadaequate kennis hebben en bepalen (<i>vlg. <a href="#d2s44o">Opmerking St. + XLIV D. II</a></i>) den tijd van hun bestaan uitsluitend door de + verbeelding, welke geenszins gelijkelijk door de + voorstelling van een tegenwoordige en van een toekomstige + zaak wordt aangedaan. Vandaar dat de ware kennis van goed + en kwaad, welke wij hebben, slechts afgetrokken, of + algemeen is en dat het oordeel, dat wij ons vormen, + omtrent orde en oorzakelijk verband der dingen, ten einde + te kunnen uitmaken wat op een gegeven oogenblik goed of + kwaad voor ons is, meer op verbeelding dan op + werkelijkheid berust. Het is daarom dan ook geen wonder + dat de Begeerte, welke uit de kennis van goed en kwaad + voortspruit voorzoover deze op de toekomst slaat, zeer + licht door de Begeerte naar dingen, welke op het + oogenblik aangenaam zijn, kan worden overwonnen. (<i>Men + zie hierover <a href="#d4s16">St. XVI v.d. D.</a></i>)</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s63"> +<p><i>Stelling LXIII.</i></p> + +<p>Wie door Vrees geleid wordt en het goede doet om kwaad te +vermijden, wordt nìet geleid door de Rede.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Alle aandoeningen, welke betrekking hebben op den Geest +voorzoover hij handelt, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>) op de +Rede, zijn nooit anders dan aandoeningen van Blijheid of Begeerte +(<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>) en +dus kan (<i>vlg. <a href="#d3n13">Definitie XIII der +Aand.</a></i>) wie door Vrees geleid wordt en het goede doet uit angst +voor het kwade, niet door de Rede geleid worden. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> De bijgeloovigen, die beter de kunst + verstaan ondeugden te laken dan tot deugd op te wekken en + die zich beijveren, niet den mensch door de Rede te + leiden, maar hem door vrees zoozeer in bedwang te houden, + dat zij liever het kwaad ontvluchten, inplaats van de + deugd lief te hebben, beoogen niets anders dan anderen + even rampzalig te maken als zijzelf zijn. Geen wonder + daarom dat zij den menschen meestal tot last zijn en door + hen gehaat worden.</p> + </div> + + <div class="gevolg" id="d4s63g"> + <p><i>Gevolg:</i> Krachtens de Begeerte, welke uit de Rede + voortkomt, volgen wij het goede rechtstreeks, terwijl wij + het kwade daardoor vanzelf [indirekt] vermijden.</p> + </div> + + <div class="gewijs"> + <p><i>Bewijs.</i></p> + + <p>Immers de Begeerte, welke uit de Rede voortspruit, kan het + gevolg zijn van een zuivere aandoening van Blijheid, welke + geen lijding is (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>), d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s61">St. + LXI v.d. D.</a></i>) van die Blijheid, welke nooit bovenmatig zijn + kan; niet echter van Droefheid. Vandaar dat deze Begeerte + (<i>vlg. <a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) uit de kennis van het goede, niet + echter uit die van het kwade ontspringt. Derhalve streven wij, + wanneer wij geleid worden door de Rede, rechtstreeks naar + het goede en ontvluchten wij slechts inzoover het kwade. + H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Dit Gevolg kan door het voorbeeld van den + zieken en den gezonden mensch worden verduidelijkt. De + zieke toch eet, uit vrees voor den dood, dingen waarvan + hij een afschuw heeft; de gezonde daarentegen verheugt + zich over zijn spijzen en geniet zoodoende meer van het + leven, dan wanneer hij den dood vreesde en dien + rechtstreeks zocht te ontkomen. Zoo wordt ook de rechter, + die niet uit Haat, Toorn enz., doch alleen uit Liefde + voor het algemeen welzijn een schuldige ter dood + veroordeelt, uitsluitend door de Rede geleid.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LXIV.</i></p> + +<p>De kennis van het kwade is inadaequate kennis.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Kennis van het kwade is (<i>vlg. <a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) Droefheid zelf, +voorzoover wij ons daarvan bewust zijn. Droefheid echter is +overgang tot geringere volmaaktheid (<i>vlg. <a href="#d3n3">Definitie III der +Aand.</a></i>), welke derhalve niet uit het eigenlijke wezen des +menschen kan worden verklaard (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI</a> +en <a href="#d3s7">VII D. III</a></i>). Zij +is dus een lijding(<i>vlg. <a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>), +welke (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. +III D. III</a></i>) afhankelijk is van inadaequate voorstellingen, en +bijgevolg is ook (<i>vlg. <a href="#d2s29">St. XXIX D. II</a></i>) de kennis daarvan, +namelijk van dit kwade, inadaequaat. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d4s64g"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de Geest, wanneer hij slechts + adaequate voorstellingen had, geen begrip zou hebben van + het kwade.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d4s65"> +<p><i>Stelling LXV.</i></p> + +<p>Wanneer wij geleid worden door de Rede, zullen wij van twee goede +zaken de beste en van twee slechte de minst slechte kiezen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het goed, dat ons belet van een grooter goed te genieten, is +eigenlijk een kwaad; goed en kwaad immers noemen wij de dingen +(<i>gelijk wij in <a href="#d4v_5">de Voorrede van dit Deel</a> hebben betoogd</i>), +voorzoover wij ze met elkaar vergelijken. Een geringer kwaad +daarentegen is (<i>om dezelfde reden</i>) eigenlijk goed, zoodat wij +(<i>vlg. <a href="#d4s64g">Gevolg voorgaande St.</a></i>), wanneer wij geleid worden door de +Rede, alleen een grooter goed en een kleiner kwaad zullen +begeeren of kiezen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d4s65g"> + <p><i>Gevolg:</i> Wanneer wij geleid worden door de Rede zullen + wij terwille van een grooter goed een geringer kwaad + verkiezen en een geringer goed, dat oorzaak is van een + grooter kwaad, verwaarloozen. Immers het kwaad dat hier + "geringer" genoemd wordt, is eigenlijk een goed, het goed + daarentegen een kwaad. Zoodat (<i>vlg. <a href="#d4s63g">Gevolg St. LXIII + v.d. D.</a></i>) wij het eerste zullen begeeren en het tweede + opofferen. H.t.b.w.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LXVI.</i></p> + +<p>Wanneer wij geleid worden door de Rede, zullen wij een, grooter +toekomstig goed boven een kleiner tegenwoordig, en een kleiner +tegenwoordig kwaad boven een grooter toekomstig verkiezen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Indien de Geest een adaequate kennis van het toekomstige kon +hebben, zou hij (<i>vlg. <a href="#d4s62">St. LXII v.d. D.</a></i>) naar aanleiding van +iets toekomstigs dezelfde aandoening ondervinden als naar +aanleiding van iets tegenwoordigs. Zoodat, wanneer wij slechts op +de Rede letten, gelijk wij in deze stelling, naar werd +aangenomen, doen, de zaak hetzelfde blijft of wij een grooter +goed of kwaad als toekomstig, danwel als tegenwoordig +onderstellen. Derhalve zullen wij (<i>vlg. <a href="#d4s65">St. LXV v.d. D.</a></i>) een +grooter toekomstig goed boven een kleiner tegenwoordig verkiezen +enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Een kleiner tegenwoordig kwaad, hetwelk oorzaak + is van een grooter toekomstig goed, zullen wij, wanneer + wij geleid worden door de Rede, aanvaarden, en een + kleiner tegenwoordig goed, hetwelk oorzaak is van een + grooter toekomstig kwaad, opofferen. Dit gevolg staat met + de voorgaande stelling in hetzelfde verband als <a href="#d4s65g">Gevolg + St. LXV</a> met <a href="#d4s65">genoemde stelling zelf</a>.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d4s66o"> + <p><i>Opmerking:</i> Indien wij dit alles nu vergelijken met wat + wij in <a href="#deel4">dit Deel</a> tot aan + <a href="#d4s18">Stelling XVIII</a> betoogd hebben + aangaande de macht der aandoeningen, zullen wij + gemakkelijk inzien welk onderscheid er is tusschen den + mensch, die alleen door zijn aandoeningen of meeningen, + en hem die door de Rede geleid wordt. Gene immers doet + willens of onwillens dingen, waarvan hij ten eenen male + niets begrijpt, deze daarentegen gehoorzaamt niemand dan + zichzelf en doet slechts datgene waarvan hij weet dat het + in het leven van het grootste belang is en wat hij daarom + ook het meest begeert. Daarom noem ik gene een slaaf, + deze evenwel een vrij mensch, over wiens karakter en + levenswijze ik thans nog kortelijks een en ander wil + opmerken.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LXVII.</i></p> + +<p>De vrije mensch denkt aan niets minder dan aan den dood; zijn +wijsheid bestaat niet in bepeinzing van den dood, maar van het +leven.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De vrije mensch, d.w.z. de mensch, die leeft alleen volgens +voorschrift der Rede, wordt niet geleid door Vrees voor den dood +(<i>vlg. <a href="#d4s63">St. LXIII v.d. D.</a></i>) doch begeert het goede rechtstreeks +(<i>vlg. <a href="#d4s63g">Gevolg derzelfde St.</a></i>) +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>) +hij begeert te handelen, te leven, zijn wezen te handhaven, met +de bedoeling zijn eigen belang te dienen. Derhalve denkt hij aan +niets minder dan aan den dood, maar bestaat zijn wijsheid in +bepeinzing des levens. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LXVIII.</i></p> + +<p>Indien de menschen vrij geboren werden, zouden zij zich geenerlei +voorstellingen van goed of kwaad maken zoolang ze vrij bleven.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Hem heb ik vrij genoemd, die alleen door de Rede geleid wordt. +Wie dus vrij geboren wordt en vrij blijft, heeft niets dan +adaequate voorstellingen, heeft dus ook geenerlei begrip van het +kwade (<i>vlg. <a href="#d4s64g">Gevolg St. LXIV v.d. D.</a></i>) en bijgevolg (want goed en +kwaad zijn bij elkaar behoorende begrippen) ook niet van het +goede. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Dat het onderstelde dezer stelling valsch is + en alleen denkbaar voorzoover wij alleen op den + menschelijken aard letten, of liever op God, niet + voorzoover hij oneindig, maar slechts voorzoover hij + oorzaak van het bestaan des menschen is, blijkt uit + <a href="#d4s4">Stelling IV van dit Deel</a>. Dit, en nog andere zaken, welke + wij betoogd hebben, schijnt ook door Moses te zijn + aangeduid in het bekende verhaal van den eersten mensch. + Hierin toch is van geen andere macht Gods sprake, dan van + die, welke den mensch schiep, d.w.z. van een macht, welke + alleen met het belang van den mensch rekening houdt. + Daarom wordt dan ook verhaald, dat God den vrijen mensch + verbood van den boom der kennisse van goed en kwaad te + eten en dat de mensch, zoodra hij er toch van gegeten + had, méér den dood vreesde dan begeerde te leven. Voordat + de man, nadat hij de vrouw gevonden had, die geheel en al + met zijn aard overeen kwam, begreep dat er niets in de + Natuur bestond, dat hem van grooter nut kon zijn dan + deze, maar dat hij, wanende dat hij gelijksoortig was met + de dieren, aanstonds hun aandoeningen begon na te bootsen + (<i>zie <a href="#d3s27">St. XXVII D. III</a></i>) en daarmede zijn vrijheid + verloor, welke de Aartsvaders later herwonnen, geleid + door den Geest van Christus, d.w.z. door de voorstelling + Gods, waarvan alleen het afhangt dat de mensch vrij zij + en dat hij het goede, hetwelk hij voor zichzelf begeert, + ook aan de overige menschen toewenscht, gelijk wij + hierboven (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>) hebben aangetoond.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LXIX.</i></p> + +<p>De deugd van den vrijen mensch blijkt evenzeer uit het vermijden +als in het overwinnen van gevaren.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een aandoening kan alleen worden getemperd of opgeheven door een +tegengestelde aandoening, welke sterker is (<i>vlg. <a href="#d4s7">St. VII v.d. +D.</a></i>). Blinde Doldriestheid en Vrees echter zijn aandoeningen +welke men zich even sterk kan denken +(<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V</a> en <a href="#d4s3">III v.d. +D.</a></i>). Derhalve zal er een even groote zielskracht of kloekheid +(<i>welker Definitie men nasla in <a href="#d3s59o">Opmerking St. LIX D. III</a></i>) +vereischt worden om Vermetelheid als om Vrees te temperen, d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d3n40">Definities XL</a> en +<a href="#d3n41">XLI der Aand.</a></i>) de vrije mensch zal +krachtens dezelfde zielskracht gevaren ontwijken als waarmede hij +ze tracht te overwinnen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Vluchten te juister tijd moet den vrijen mensch + als een even groot bewijs van moed worden aangerekend als + strijden, ofwel de vrije mensch kiest met even grooten + moed of tegenwoordigheid van geest den strijd als de + vlucht.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Wat moed is, of wat ik daaronder versta, heb + ik in <a href="#d3s59o">de Opmerking bij Stelling LIX van Deel III</a> uiteen + gezet. Onder gevaar echter versta ik al wat oorzaak van + eenig kwaad kan zijn, zooals Droefheid, Haat, Tweedracht + enz.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LXX.</i></p> + +<p>De vrije mensch, die temidden van +onwetenden<a id="aantag75" href="#aanteken75">[A75]</a> leeft, zal +zooveel mogelijk hun weldaden trachten af te wijzen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Ieder beoordeelt krachtens zijn eigen aard wat goed is (<i>zie +<a href="#d3s39o">Opmerking St. XXXIX D. III</a></i>). De onwetende dus, die een ander een +weldaad bewezen heeft, zal deze naar zijn eigen inzicht +beoordeelen en zich bedroeven als hij ziet dat degeen, wien hij +die weldaad bewees, haar minder waardeert (<i>vlg. <a href="#d3s42">St. XLII D. +III</a></i>). De vrije mensch evenwel tracht de andere menschen door +vriendschap aan zich te verbinden (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>); +hij wenscht geenszins door even groote weldaden den menschen hun +genegenheid te vergelden, maar zich en anderen door het vrije +oordeel der Rede te laten leiden, en begeert slechts dat te doen +wat hijzelf als het belangrijkste erkent. Derhalve zal de vrije +mensch, opdat hij zich niet bij de onwetenden gehaat make en niet +hùn begeerte, doch uitsluitend de Rede gehoorzame, hun weldaden +zooveel mogelijk trachten af te wijzen. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s70o"> + <p><i>Opmerking:</i> Ik zeg "zooveel mogelijk". Want al zijn de + menschen onwetend, zij zijn nochtans menschen, die in + gevallen van nood menschelijke hulp, waar geen andere + bovengaat, kunnen bieden. En zoodoende komt het dikwijls + voor, dat het noodzakelijk is weldaden van hen aan te + nemen, en bijgevolg dat wij hen daartegenover de + dankbaarheid, welke bij hun gezindheid past, hebben te + betoonen. Daarbij komt nog dat men ook bij het afwijzen + van weldaden voorzichtig moet zijn, opdat men niet den + schijn op zich lade zijn weldoeners te minachten, of uit + gierigheid bang te zijn om een vergoeding te moeten geven + en hen zoodoende beleedigt, terwijl men juist hun Haat + wil voorkomen. Daarom moet men bij het afwijzen van + weldaden te rade gaan met wat nuttig en eerzaam is.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LXXI.</i></p> + +<p>Alleen vrije menschen kunnen elkaar waarachtig dankbaar zijn.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Alleen vrije menschen zijn voor elkander van waarachtig nut; zijn +door de nauwste vriendschap met elkaar verbonden (<i>vlg. <a href="#d4s35">St. XXXV</a> +en <a href="#d4s35g1">Gevolg I v.d. D.</a></i>) en trachten, door gelijke Liefde gedreven, +elkaar wel te doen (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>). Derhalve kunnen +(<i>vlg. <a href="#d3n34">Definitie XXXIV der Aand.</a></i>) ook alleen vrije menschen +elkaar waarachtig dankbaar zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s71o"> + <p><i>Opmerking:</i> De dankbaarheid welke lieden, die door + blinde Begeerte geleid worden, voor elkaar gevoelen, is + meestal eer een soort van handel of lokaas, dan + eigenlijke dankbaarheid. Voorts is ondankbaarheid geen + aandoening. Niettemin is ondankbaarheid iets + schandelijks, wijl zij meestal een aanwijzing is dat + iemand met een groote mate van Haat, Toorn, Trots of + Gierigheid behept is. Want wie te dom is om te weten hoe + hij geschenken moet beantwoorden, is niet ondankbaar. Nog + minder wie door de geschenken eener boeleerster niet er + toe gebracht wordt om haar lusten te dienen, of door die + van een dief om zijn diefstal geheim te houden en + dergelijke. Immers hij, die zich door geenerlei + geschenken laat verleiden zichzelf of het algemeen in het + verderf te storten, toont daardoor juist een standvastige + ziel te bezitten.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LXXII.</i></p> + +<p>De vrije mensch handelt nooit te kwader, doch steeds te goeder +trouw.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Indien de vrije mensch, voorzoover hij vrij is, iets te kwader +trouw deed, zou hij dit doen op voorschrift der Rede (immers +alleen inzoover noemen wij hem vrij). Derhalve zou te kwader +trouw handelen een deugd zijn (<i>vlg. <a href="#d4s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>) en zou +het bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d4s24">dezelfde St.</a></i>) een ieder, teneinde zijn +wezen te handhaven, zeer geraden zijn te kwader trouw te +handelen, d.w.z. (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>), het zou den menschen +geraden zijn slechts in woorden het met elkaar eens te zijn, in +daden echter tegenover elkaar te staan; hetgeen (<i>vlg. <a href="#d4s31g">Gevolg St. +XXXI v.d. D.</a></i>) ongerijmd is. Derhalve handelt de vrije mensch +enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Indien men mij nu vraagt of niet, wanneer + iemand zich door trouweloosheid uit een dreigend + doodsgevaar kon redden, het beginsel van het streven naar + zelfbehoud van hem zou eischen inderdaad trouweloos te + zijn, zoo antwoord ik op dezelfde wijze [als hierboven] + dat indien de Rede dit eischte zij het dus van alle + menschen zou eischen; dat dus de Rede van alle menschen + zou eischen alleen te kwader trouw af te spreken om samen + te werken en algemeen geldige rechten te erkennen, d.w.z. + in werkelijkheid géén algemeen geldige rechten te + erkennen; hetgeen ongerijmd is.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling LXXIII.</i></p> + +<p>De mensch, die door de Rede geleid wordt, is in den Staat, waar +hij volgens algemeen besluit leeft, vrijer dan in de eenzaamheid, +waar hij alleen zichzelf gehoorzaamt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De mensch die door de Rede geleid wordt, wordt niet door Vrees +tot gehoorzaamheid gedwongen (<i>vlg. <a href="#d4s63">St. LXIII v.d. D.</a></i>); doch hij +verlangt (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>) rekening te houden met het +algemeene leven en belang en bijgevolg (<i>gelijk wij in <a href="#d4s37o2">Opmerking +II St. XXXVII v.d. D.</a> aantoonden</i>) volgens besluit van den +gemeenschappelijken Staat te leven, alleen voorzoover hij volgens +voorschrift der Rede zijn wezen tracht te handhaven, d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d4s66o">Opmerking St. LXVI v.d. D.</a></i>) voorzoover hij vrij wenscht +te leven. Derhalve begeert de mensch die door de Rede geleid +wordt, juist om vrijer te leven, zich te houden aan het +gemeenschappelijke recht van den Staat. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d4s73o"> + <p><i>Opmerking:</i> Deze en dergelijke dingen, welke wij over 's + menschen waarachtige vrijheid hebben betoogd, hebben + betrekking op de Kloekheid, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s59o">Opmerking St. + LIX D. III</a></i>) op Geestkracht en Edelmoedigheid. Ik acht + het evenwel niet der moeite waard alle kenmerken der + Kloekheid afzonderlijk te behandelen en nog minder er op + te wijzen dat een kloek mensch niemand haat, niemand + toornt, benijdt of geringschat, zich over niemand + verontwaardigt en allerminst zichzelf verheft. Immers + dit, en al wat het waarachtig leven en den godsdienst + betreft, kan gemakkelijk uit <a href="#d4s37">de Stellingen XXXVII</a> en <a href="#d4s46">XLVI + van dit Deel</a> worden afgeleid, waar immers betoogd werd + dat Haat door Tegenliefde moet worden overwonnen en dat + ieder, die door de Rede geleid wordt, een goed dat hij + voor zichzelf begeert ook anderen toewenscht. Hierbij + komt nog wat wij in de Opmerking bij Stelling L van dit + Deel en op andere plaatsen hebben opgemerkt: dat namelijk + een kloek mensch in de allereerste plaats bedenkt dat + alles voortvloeit uit de noodwendigheid van den + goddelijken aard en dat dus al wat hij voor hinderlijk en + slecht houdt en wat hem goddeloos, afschuwelijk, + onrechtvaardig en schandelijk dunkt, dit alles slechts is + wijl hijzelf de dingen wanordelijk, gebrekkig en verward + waarneemt. Om deze reden zal hij dan ook in de eerste + plaats er naar streven de dingen waar te nemen zooals zij + op zichzelf zijn en alle belemmeringen tot een + waarachtige kennis, zooals Haat, Toorn, Nijd, Spot, + Hoogmoed en al dergelijke aandoeningen, welke wij in het + voorgaande hebben opgenoemd, uit den weg te ruimen. Hij + zal er daarom zooveel mogelijk naar streven om, gelijk + wij zeiden: wel te doen en blij te zijn. Tot hoever nu de + gemeenschappelijke kracht bij dit streven reikt en wat + zij vermag, zal ik in het volgend Deel aantoonen.</p> + </div> + + + +<h4>AANHANGSEL</h4> + + +<p>Wat ik in dit Deel over de juiste levenswijze heb gezegd, is niet +zóó gerangschikt dat men het met één blik kan overzien, doch werd +door mij op verschillende plaatsen betoogd al naar gelang ik een +en ander het gemakkelijkst uit iets anders kon afleiden. Ik stel +mij daarom voor dit alles thans samen te vatten en het +belangrijkste in korte Hoofdstukken te herhalen.</p> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk I.</i></p> + +<p>Heel ons streven of al onze Begeerten volgen uit de +noodwendigheid van onzen aard en wel zóó, dat zij òf uit dezen +aard zelf als naaste oorzaak verklaard kunnen worden, òf +voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op zichzelf en +zonder behulp van andere enkeldingen niet adaequaat begrepen kan +worden.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk II.</i></p> + +<p>De Begeerten, welke zoodanig uit onzen aard voortvloeien, dat zij +alleen reeds uit dezen zelf verklaard kunnen worden, zijn die, +welke betrekking hebben op den Geest voorzoover deze wordt +opgevat als bestaande uit adaequate voorstellingen. De overige +Begeerten daarentegen hebben slechts betrekking op den Geest +voorzoover deze de dingen inadaequaat begrijpt, en hun kracht en +groei worden niet bepaald door de menschelijke macht [alleen], +maar [ook] door de macht van dingen buiten ons. Daarom worden de +eersten terecht <i>handelingen</i>, de laatsten <i>lijdingen</i> genoemd; +gene toch wijzen op onze eigen kracht, deze daarentegen op onze +machteloosheid en gebrekkige kennis.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk III.</i></p> + +<p>Onze handelingen, d.w.z. die Begeerten, welke door 's menschen +macht of Rede bepaald worden, zijn altijd goed; de overige +Begeerten kunnen zoowel goed als kwaad zijn.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk IV.</i></p> + +<p>In het leven is het dus in de eerste plaats van belang het +verstand of de Rede zooveel mogelijk te volmaken en in dit ééne +bestaat 's menschen hoogste geluk of zaligheid. Immers zaligheid +is niets anders dan die zielsrust zelve, welke uit de intuïtieve +kennis van God voortspruit, terwijl het verstand volmaken niets +anders zeggen wil dan God, Gods attributen en de handelingen +welke met noodwendigheid uit zijn wezen volgen, begrijpen. Zoodat +het einddoel van den mensch, die door de Rede geleid wordt, +d.w.z. zijn hoogste Begeerte, naar welke hij alle overige tracht +te richten, dìt is: zichzelf en alle dingen, welke onder zijn +bevattingsvermogen kunnen vallen, adaequaat te begrijpen.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk V.</i></p> + +<p>Geen leven dus is redelijk zonder begrip, en de dingen zijn +alleen goed voorzoover zij den mensch helpen een geestesleven te +leiden, dat op begrijpen berust. Daarentegen noemen wij al +datgene kwaad wat den mensch belet zijn Rede te volmaken en een +redelijk leven te kunnen leiden.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk VI.</i></p> + +<p>Wijl evenwel alles, waarvan de mensch [op zichzelf] bewerkende +oorzaak is, noodzakelijk goed is, kan den mensch alleen door +uitwendige oorzaken iets kwaads overkomen, d.w.z. voorzoover hij +een deel is der geheele Natuur, wier wetten de menschelijke aard +gedwongen is te gehoorzamen en bij welke hij zich op bijkans +oneindig vele wijze moet aanpassen.</p> +</div> + + +<div class="hoofd" id="d4h7"> +<p><i>Hoofdstuk VII.</i></p> + +<p>Het is niet denkbaar dat de mensch géén deel der Natuur zou zijn +en haar algemeene orde nìet zou volgen. Indien hij evenwel +verkeert onder individuen, die met zijn eigen menschelijken aard +overeenstemmen, zal zijn vermogen tot handelen daardoor vanzelf +worden gesteund en versterkt. Bevindt hij zich daarentegen onder +wezens, die met zijn eigen aard zeer weinig overeenstemmen, dan +zal hij zich, niet zonder zelf groote veranderingen te ondergaan, +bij hen kunnen aanpassen.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk VIII.</i></p> + +<p>Het staat ons vrij alles wat wij in de wereld der dingen voor +slecht houden of waarvan wij meenen dat het ons zou kunnen +belemmeren in ons bestaan en een redelijk leven te leiden, uit +den weg te ruimen langs den weg die ons het veiligst lijkt; alles +daarentegen wat wij goed of nuttig achten voor ons zelfbehoud en +het leiden van een redelijk leven, mogen wij voor onszelf en op +alle mogelijke wijzen gebruiken, en onvoorwaardelijk mag ieder +krachtens volste natuurlijk recht alles doen wat hij in zijn +eigen belang acht.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk IX.</i></p> + +<p>Niets kan beter met den aard van eenig ding overeenkomen dan de +overige enkeldingen derzelfde soort en derhalve bestaat er (<i>vlg. +<a href="#d4h7">Hoofdstuk VII</a></i>) voor den mensch niets dienstigers voor zijn +zelfbehoud en het leiden van een redelijk leven, dan de mensch +die door de Rede geleid wordt. Wijl wij voorts onder de +bijzondere dingen niets voortreffelijkers kennen dan een mensch, +die door de Rede geleid wordt kan niemand door ìets beter toonen +waartoe zijn kunde en vernuft in staat zijn, dan door de menschen +zóó op te voeden, dat zij tenslotte leven volgens gezag van hun +eigen Rede.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk X.</i></p> + +<p>Voorzoover de menschen Afgunst of eenige andere aandoening van +Haat jegens elkaar koesteren, zijn zij elkaars tegenstanders en +als zoodanig des te meer te vreezen wijl hun macht grooter is dan +die van andere enkeldingen in de Natuur.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XI.</i></p> + +<p>Toch worden harten niet door wapenen, maar door Liefde en +Edelmoedigheid verwonnen.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XII.</i></p> + +<p>Het is voor de menschen van het hoogste belang met elkaar om te +gaan, zich zoodanig bij elkaar aan te sluiten, dat zij meer en +meer tezamen één eenheid vormen en in het algemeen alles te doen +wat strekt tot versterking van vriendschap.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XIII.</i></p> + +<p>Hiertoe zijn evenwel kunde en waakzaamheid noodig. De menschen +immers zijn, hoewel zeer verschillend (zeldzaam toch zijn +diegenen, die volgens de voorschriften der Rede leven), toch +meestal naijverig en meer tot wraak dan tot barmhartigheid +geneigd. Het vereischt daarom een bijzondere zielskracht om ieder +te nemen zooals hij is en zichzelf ervan te onthouden anderer +aandoeningen na te bootsen. Daarentegen zijn zij, die beter +verstaan de menschen te hekelen, liever hun ondeugden te laken +dan hen deugden te leeren, en de gemoederen te verslappen +inplaats van ze te versterken, zichzelf en anderen tot last. +Vandaar dat velen uit al te groote onverdraagzaamheid en uit +valsche godsdienstijver liever verkozen te leven onder dieren dan +onder menschen, evenals knapen of jongelingen, die de berispingen +hunner ouders niet met gelijkmoedigheid verdragen kunnen, hun +toevlucht zoeken in den krijgsdienst en de ongemakken van den +oorlog en een tyranniek gezag verkiezen boven huiselijke gemakken +en vaderlijke vermaningen en zich alle mogelijke lasten opleggen, +alleen om zich op hun ouders te wreken.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XIV.</i></p> + +<p>Ofschoon dus de menschen meestal alles naar hun eigen zin +trachten in te richten, spruiten niettemin uit hun +gemeenschappelijk verband veel meer voordeelen dan nadeelen +voort. Daarom is het 't best hun ongerechtigheden met +gelijkmoedigheid te verduren en zich met ijver toe te leggen op +al wat eendracht en het sluiten van vriendschap bevordert.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XV.</i></p> + +<p>Eendracht is een uitvloeisel van al wat recht, billijk en eerzaam +is. Want behalve onrecht en onbillijkheid, kunnen de menschen ook +niet goed velen wat voor schandelijk gehouden wordt, zooals +bijvoorbeeld het minachten van de eenmaal aangenomen zeden van +den staat. Om tot Liefde te stemmen evenwel wordt in de eerste +plaats vereischt al wat tot godsdienst en vroomheid behoort. +(<i>Men zie hierover <a href="#d4s37o1">de Opmerkingen I</a> +en <a href="#d4s37o2">II bij Stelling XXXVII</a> en +<a href="#d4s46o">de Opmerkingen bij de Stellingen XLVI</a> +en <a href="#d4s73o">LXXIII van dit Deel</a></i>).</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XVI.</i></p> + +<p>Bovendien pleegt eendracht ook dikwijls uit Vrees voort te komen; +dan echter is zij onbetrouwbaar. Men bedenke daarbij dat Vrees +uit Kleinmoedigheid ontspringt en daarom met het gebruik der Rede +niets te maken heeft, evenmin als Medelijden, ofschoon dit den +schijn heeft van Vroomheid.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XVII.</i></p> + +<p>Bovendien kan men de menschen ook door Mildheid voor zich winnen, +vooral hen, die niets bezitten waarmede zij zich datgene, wat +voor hun levensonderhoud benoodigd is, zouden kunnen verschaffen. +Het gaat evenwel de draagkracht en het belang van een partikulier +verre te boven om iederen behoeftige te helpen, de rijkdom van +een partikulier is daartoe op verre na niet toereikend. Ook is de +geestesaanleg van één enkel mensch te beperkt, dan dat hij met +iedereen vriendschap zou kunnen sluiten. Vandaar dat de armenzorg +rust op de geheele maatschappij en uitsluitend een zaak is van +algemeen belang.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XVIII.</i></p> + +<p>Bij het aanvaarden van weldaden en het betoonen van onze +dankbaarheid moet onze zorg een geheel andere zijn. (<i>Men zie +hieromtrent <a href="#d4s70o">de Opmerkingen bij de Stellingen LXX</a> +en <a href="#d4s71o">LXXI van dit +Deel</a></i>).</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XIX.</i></p> + +<p>De zinnelijke Liefde verder, d.w.z. de teeldrift, welke op +lichamelijke schoonheid berust en in het algemeen elke Liefde, +welke een andere oorzaak heeft dan vrijheid van ziel, slaat licht +om in haat; tenzij ze, wat nog erger is, een soort van waanzin +is, in welk geval zij eer tweedracht dan eendracht te weeg +brengt<a id="aantag76" href="#aanteken76">[A76]</a>. +(<i>Zie <a href="#d3s31g">Gevolg St. XXXI D. III</a></i>).</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XX.</i></p> + +<p>Wat het huwelijk betreft: dit is zonder twijfel in +overeenstemming met de Rede, wanneer de Begeerte tot lichamelijke +vermenging niet slechts door schoone vormen, maar ook door het +liefdevol verlangen om kinderen voort te brengen en verstandig op +te voeden, wordt opgewekt, en wanneer bovendien beider Liefde, +van man en vrouw, niet alleen lichamelijke schoonheid, maar +bovenal vrijheid van ziel tot oorzaak heeft.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXI.</i></p> + +<p>Ook Vleierij schept eendracht; doch slechts door verfoeielijke +dienstbaarheid of trouweloosheid. Niemand toch wordt eerder door +vleierij ingenomen dan de hoogmoedige, die de eerste wil zijn, +maar het nochtans niet is.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXII.</i></p> + +<p>In Zelfverachting steekt een soort van valsche vroomheid en +godsdienstigheid. En niettegenstaande Zelfverachting het +tegendeel is van Hoogmoed, is wie zichzelf veracht toch zeer nauw +verwant aan den hoogmoedige. (<i>Zie <a href="#d4s57o">Opmerking St. LVII v.d. D.</a></i>).</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXIII.</i></p> + +<p>Schaamte bevordert eendracht slechts in zulke gevallen welke niet +verborgen kunnen worden. Wijl voorts Schaamte een soort van +Droefheid is, heeft zij met de Rede niets te maken.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXIV.</i></p> + +<p>De overige aandoeningen van Droefheid, welke wij jegens menschen +gevoelen, zijn rechtstreeks in strijd met Rechtvaardigheid, +Billijkheid, Eerzaamheid, Vroomheid en Godsdienstigheid, en +ofschoon Verontwaardiging het masker van Billijkheid schijnt te +dragen, zou men toch zonder wet leven waar het een ieder vrij +stond over de daden van anderen te oordeelen en zijn eigen of +eens anders recht te handhaven.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXV.</i></p> + +<p>Gematigdheid [Minzaamheid], d.w.z. die Begeerte om den menschen +te behagen, welke op de Rede berust, behoort tot de +Rechtschapenheid [Vroomheid] (<i>gelijk wij in <a href="#d4s37o1">Opmerking I St. +XXXVII v.d. D.</a> hebben gezegd</i>). Ontspringt zij echter uit een +aandoening dan is zij Eerzucht, ofwel die Begeerte waardoor onder +het mom van Vroomheid meestal tweedracht en opstand verwekt +worden. Immers wie anderen met raad en daad wil helpen, opdat zij +met hem het hoogste goed deelachtig worden, zal zich in de eerste +plaats beijveren hun Liefde te winnen, niet echter hen in +bewondering te brengen, opdat zijn leer naar hem genoemd worde, +en evenmin zal hij ook maar de minste aanleiding tot afgunst +geven. Voorts zal hij in het dagelijksch gesprek zich er voor +hoeden op de fouten der menschen te wijzen en over de +menschelijke machteloosheid zal hij niet dan spaarzaam spreken. +Daarentegen zal hij breedvoerig uitweiden over de menschelijke +deugd of macht en hoe deze tot volmaking gebracht kan worden, +opdat de menschen er zoodoende naar gaan streven naar het +voorschrift der Rede te leven, niet uit Vrees of Afkeer [voor +straf of van het kwaad] maar alleen door Blijheid bewogen.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXVI.</i></p> + +<p>Buiten den mensch kennen wij geen enkel wezen in de Natuur, in +welks Geest wij ons kunnen verheugen, waarmede wij banden van +vriendschap kunnen sluiten of anderen omgang aanknoopen. Derhalve +eischt ons belang ook niet om wàt ook in de wereld der dingen, +behalve den mensch, te ontzien; integendeel leert dit belang ons +om de dingen, al naar hun verschillend nut, te bewaren, te +vernietigen, of op welke wijze dan ook voor ons gebruik geschikt +te maken.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXVII.</i></p> + +<p>Het nut dat wij trekken van de dingen buiten ons, ligt--behalve +dat wij door ze waar te nemen en van vorm te doen veranderen +ervaring en kennis opdoen--voornamelijk in de instandhouding van +ons Lichaam. Uit dit oogpunt zijn in de eerste plaats die dingen +nuttig, welke het Lichaam zoodanig voeden en onderhouden kunnen +dat al zijn deelen hun taak naar behooren kunnen vervullen. +Immers hoe geschikter het Lichaam is om velerlei indrukken te +ontvangen en op velerlei wijzen op uitwendige voorwerpen in te +werpen, hoe geschikter ook de Geest is tot denken (<i>zie <a href="#d4s38">St. +XXXVIII</a> en <a href="#d4s39">XXXIX v.d. D.</a></i>). Van dergelijke zaken schijnen echter +slechts zeer weinige in de Natuur voor te komen, zoodat het, om +ons Lichaam naar behooren te voeden noodig is tal van +voedingsmiddelen van verschillenden aard te gebruiken. Immers het +menschelijk Lichaam is samengesteld uit zeer veel deelen van +verschillenden aard, welke voortdurend voedsel behoeven, en dat +wel verschillend, opdat het geheele Lichaam even geschikt blijve +tot al wat uit zijn aard kan voortvloeien en bijgevolg ook de +Geest even vatbaar om veel in zich op te nemen.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXVIII.</i></p> + +<p>Om zich dit alles te verschaffen zouden de krachten van elk op +zichzelf bezwaarlijk toereikend zijn, indien de menschen zich +niet tot gezamenlijken arbeid verbonden. Nu is het geld het +ruilmiddel<a id="aantag77" href="#aanteken77">[A77]</a> +voor alle dingen geworden, hetgeen tengevolge had +dat de voorstelling ervan den Geest der menigte in hooge mate +pleegt bezig te houden; immers men kan zich nauwelijks een of +andere soort van genot voorstellen, zonder daarbij te denken aan +het geld als zijn oorzaak.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXIX.</i></p> + +<p>Dit is evenwel slechts een ondeugd bij diegenen, die niet uit +behoefte of voor hun noodzakelijk levensonderhoud geld trachten +te verdienen, doch die zich op de kunst van winstmaken toeleggen +en zich daarop nog hoogelijk laten voorstaan. Weliswaar zorgen +zij uit gewoonte voor hun Lichaam, doch kariglijk, omdat zij +evenveel van hun bezit wanen te verliezen als zij aan de +instandhouding des Lichaams besteden. Wie daarentegen het juiste +gebruik van het geld kennen en de mate van hun bezit alleen +regelen naar hun behoefte, leven tevreden met weinig.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXX.</i></p> + +<p>Daar nu alle zaken goed zijn welke de deelen van het Lichaam +helpen bij het vervullen van hun taak en de Blijheid hierin +bestaat dat 's menschen macht, zoowel naar den Geest als naar het +Lichaam, wordt bevorderd of vermeerderd, is dus alles wat +Blijheid schenkt goed. Aangezien echter aan den anderen kant de +dingen niet op ons inwerken met de bedoeling om ons blijde te +maken en hun werking zich niet richt naar ons belang, en +aangezien tenslotte Blijheid meestal slechts op één deel van het +Lichaam in het bijzonder betrekking heeft, kunnen aandoeningen +van Blijheid (als Rede en Waakzaamheid althans niet bij de hand +zijn) en bijgevolg ook de Begeerten, welke uit hen voortspruiten, +bovenmatig worden. Waarbij nog komt dat wij onder invloed eener +aandoening datgene voor het belangrijkst houden, wat voor het +oogenblik aangenaam is, en toekomstige zaken niet met dezelfde +aandoening kunnen waardeeren. (<i>Zie <a href="#d4s44o">de Opmerkingen bij St. XLIV</a> +en <a href="#d4s60o">LX v.d. D.</a></i>)</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXXI.</i></p> + +<p>Het bijgeloof schijnt daarentegen te leeren dat goed is wat +droevig en slecht wat blijde maakt. Doch, zooals wij reeds zeiden +(<i>zie <a href="#d4s45g2o">Opmerking St. XLV v.d. D.</a></i>): niemand, tenzij een afgunstig +wezen, zal zich in mijn machteloosheid en ongemak verheugen. Want +hoe grooter Blijheid wij gevoelen, tot hoe grooter volmaking gaan +wij over en bijgevolg hoe meer wij aan den goddelijken aard +deelnemen, en nooit kan Blijheid slecht zijn wanneer zij rekening +houdt met ons waarachtig belang. Wie daarentegen door Vrees +geleid wordt en het goede doet om kwaad te vermijden, wordt +geenszins door de Rede geleid.</p> +</div> + + +<div class="hoofd"> +<p><i>Hoofdstuk XXXII.</i></p> + +<p>Doch de menschelijke macht is uitermate beperkt en wordt door de +macht der uitwendige dingen oneindig overtroffen. Derhalve +bezitten wij ook niet een volstrekte macht om de dingen buiten +ons voor ons gebruik geschikt te maken. Niettemin zullen wij +alles wat ons, in strijd met wat ons belang eischt, te beurt +valt, met gelijkmoedigheid dragen indien wij ons slechts ervan +bewust zijn dat wij onzen plicht gedaan hebben; dat de macht +welke wij bezitten zich niet zoover uitstrekte dat wij dien +tegenslag hadden kunnen vermijden, en dat wij een deel zijn der +geheele Natuur, wier orde wij moeten volgen. Indien wij dit +helder en duidelijk inzien, zal dit deel van onszelf dat ons +Verstand genoemd wordt, d.w.z. ons beste deel, volkomen hierin +berusten en in deze berusting trachten te verblijven. Want +voorzoover wij begrijpen, kunnen wij niets begeeren dan wat +noodwendig is en in volstrekt niets anders berusten dan in wat +waar is. Derhalve is, voorzoover wij dit goed begrijpen, ons +beste deel in overeenstemming met de orde der geheele Natuur.</p> +</div> + + +<h4><i>Einde van het Vierde Deel.</i></h4> + + + + +<hr id="deel5" /> + +<h3 class="lined">V. OVER DE MACHT VAN HET VERSTAND OF DE MENSCHELIJKE VRIJHEID</h3> + +<hr /> + + +<h4>VOORREDE</h4> + + +<p>Ik ga dan eindelijk over tot een ander gedeelte der zedeleer, en +wel dat handelt over de wijze of den weg welke tot vrijheid +leidt. In dit Deel zal ik dus spreken over de macht der Rede, +aantoonen wat de Rede tegenover de aandoeningen vermag en verder +waarin de Vrijheid of Gelukzaligheid des Geestes bestaat; waaruit +wij dan zullen zien hoeveel machtiger de wijze is dan de +onwetende. Op welke wijze echter of langs welken weg het verstand +behoort te worden volmaakt en ook welke zorg aan het Lichaam moet +worden besteed opdat het zijn taak naar behooren kan vervullen, +is hier niet op zijn plaats, het laatste immers behoort tot de +geneeskunde, het eerste tot de logica. Hier zal ik dus, zooals ik +gezegd heb, alleen over de macht van den Geest of van de Rede +handelen en vóór alles doen zien hoe groote en hoedanige +heerschappij deze heeft over de aandoeningen wat betreft hun +bedwinging of matiging. Want dat wij geen volstrekte heerschappij +over hen hebben, werd reeds hierboven door ons aangetoond. +Weliswaar hebben de Stoïcijnen gemeend dat zij geheel en al van +onzen eigen wil afhingen en dat wij er volstrekte heerschappij +over konden voeren. Maar toch zijn zij, wel niet op grond hunner +beginselen, maar door een onafwijsbare ervaring, gedwongen +geworden toe te geven, dat er geen geringe oefening en inspanning +voor vereischt wordt om ze te bedwingen of te matigen. Hetgeen +men, als ik mij wel herinner, heeft trachten te verduidelijken +door een proef met twee honden, een huishond en een jachthond, +welke men zóó wist af te richten, dat tenslotte de huishond kon +jagen, terwijl de jachthond had afgeleerd hazen te vervolgen. Ook +Cartesius [Descartes] huldigt deze opvatting in niet geringe +mate. Hij toch beweerde dat de Ziel of de Geest voornamelijk +zetelt in een zeker gedeelte der hersenen, de zoogenaamde +<i>glandula pinealis</i> [pijnappelklier], door welker toedoen de +Geest alle bewegingen welke in het Lichaam worden opgewekt, +alsmede de uitwendige voorwerpen, waarneemt; terwijl de Geest +haar alleen reeds door te willen, op verschillende wijzen in +beweging kan brengen. Hij beweert dat deze klier zoodanig midden +in de hersenen is opgehangen dat zij door de minste beweging der +dierlijke geesten<a id="aantag78" href="#aanteken78">[A78]</a> +zelf in beweging komt. Verder zegt hij dat +deze klier op even zooveel verschillende wijzen in de hersenen +slingert als de dierlijke geesten tegen haar aan kunnen botsen en +dat zij bovendien evenveel verschillende indrukken ontvangt als +er uitwendige voorwerpen zijn welke die dierlijke geesten tegen +haar aan drijven. Vandaar dat, wanneer later de klier door den +wil der ziel die haar her en der beweegt, op de een of andere +wijze in slingering wordt gebracht op dezelfde wijze als eens +vroeger door de geesten, toen deze op een of andere wijze werden +voortgedreven, de klier dan zelf de levensgeesten weer op +dezelfde wijze zal voortdrijven en richten als zij vroeger bij +diezelfde slingering der klier werden afgestooten. Voorts beweert +hij nog dat elke willing van den Geest van nature gebonden is aan +een bepaalde beweging der klier. Wanneer bijvoorbeeld iemand een +verwijderd voorwerp bekijken wil, brengt deze willing teweeg dat +zijn pupil zich verwijdt. Wanneer hij echter alleen maar zou +denken aan het verwijden van zijn pupil zou het hem niets baten +den wil daartoe te hebben, aangezien de Natuur de beweging der +klier, welke dient om de geesten naar de gezichtszenuw te drijven +op een wijze, welke het verwijden of vernauwen der pupil bewerkt, +niet heeft verbonden met den wil om deze te verwijden of te +vernauwen, maar uitsluitend met den wil om naar een verwijderd of +dichtbij zijnd voorwerp te kijken. Tenslotte zegt hij dat, +ofschoon elke beweging dier klier door de Natuur van het begin +van ons leven af verbonden schijnt te zijn met één bepaalde +gedachte, wij toch ook nog door het gebruik andere gedachten er +aan kunnen vastknoopen, hetgeen hij tracht te bewijzen in Art. L +Deel I De Pass. Animae [Over de Gemoedsaandoeningen]. Hieruit +maakt hij dan de gevolgtrekking dat er géén ziel zoo zwak is of +zij kan, mits goed geleid, een volstrekte macht over de +hartstochten verkrijgen. Deze toch zijn volgens zijn definitie: +gewaarwordingen, gevoelens of aandoeningen der ziel, welke +bijzonderlijk tot haarzelf behooren en welke (let wel!) ontstaan, +in stand blijven en versterkt worden door een of andere beweging +der geesten (<i>zie art. XXVII D. I Pass. An.</i>) Aangezien wij nu +aan ieder willing een of andere beweging der klier en bijgevolg +van de geesten kunnen verbinden en de bepaling van onzen wil +alleen van onze eigen macht afhangt, zouden wij dus een +volstrekte heerschappij over onze hartstochten kunnen verkrijgen, +indien wij slechts onzen wil lieten bepalen door die bepaalde en +vaste beginselen naar welke wij onze levensdaden wenschten te +richten en daardoor bewegingen van aandoeningen, welke wij hebben +wilden, met deze beginselen verbonden.</p> + +<p>Dit is de meening van dezen zeer beroemden man (voorzoover ik die +uit zijn eigen woorden kan opmaken), en ik zou nauwelijks kunnen +gelooven dat een dergelijk man haar heeft uitgesproken, ware zij +minder scherpzinnig geweest. Waarlijk, niet genoeg kan ik mij er +over verbazen dat een wijsgeer, die zich zoo vastelijk had +voorgenomen alleen uit vanzelf sprekende beginselen iets af te +leiden en alleen te bevestigen wat hij helder en duidelijk had +begrepen; die nog wel den scholastieken zoo herhaaldelijk verweet +dat zij duistere zaken uit geheimzinnige eigenschappen wilden +verklaren, zelf een onderstelling aanneemt, duisterder dan de +meest geheimzinnige eigenschap. Wat, zoo vraag ik, verstaat hij +onder de eenheid van Geest en Lichaam? Welke heldere en +duidelijke voorstelling heeft hij, zoo vraag ik, van een +gedachte, welke ten nauwste verbonden zou zijn met een klein +deeltje van een of andere kwantitatieve massa [stof]. Wel gaarne +zou ik willen dat hij ons die eenheid eens uit haar naaste +oorzaak verklaarde. Maar integendeel zijn de voorstellingen, +welke hij zich vormde van Geest en Lichaam zoozeer van elkaar +verschillend, dat hij noch van die eenheid, noch van den Geest +zelf ook maar één enkele oorzaak heeft kunnen aanwijzen, maar het +noodig vond zijn toevlucht te nemen tot de oorzaak van het +gansche heelal, d.w.z. tot God. Voorts zou ik gaarne willen weten +hoeveel graden van beweging de Geest aan die pijnappelklier kan +meedeelen en met hoe groote kracht hij haar slingerende houdt. +Want ik weet niet of die klier langzamer of sneller door den +Geest wordt rondgedreven dan door de levensgeesten, en of de +bewegingen der aandoeningen welke wij zoodoende vast aan bepaalde +beginselen verbonden, niet [misschien] door lichamelijke oorzaken +weer van hen kunnen losraken; waaruit dan bijvoorbeeld zou volgen +dat, ofschoon de Geest zich vastelijk had voorgenomen een zeker +gevaar tegemoet te gaan en met dit besluit de bewegingen der +stoutmoedigheid had verbonden, de klier, op het gezicht van het +gevaar niettemin aldus kon gaan slingeren, dat de Geest aan niets +anders dan aan de vlucht kon denken. Werkelijk, er bestaat geen +[oorzakelijk] verband tusschen wil en beweging, daarom is er ook +geen vergelijking mogelijk tusschen de macht of de kracht van +Geest en Lichaam, en bijgevolg kan de kracht van het laatste ook +niet door de kracht van den eerste in bepaalde richting geleid +worden. Daarbij komt dat men deze klier geenszins zóó midden in +de hersenen gelegen vindt, dat zij zoo gemakkelijk op zoovele +wijzen rondgedreven zou kunnen worden en dat ook niet alle +zenuwen zich tot in de hersenholte uitstrekken.</p> + +<p>Eindelijk ga ik alles wat hij over den wil en diens vrijheid +beweert voorbij, aangezien ik al herhaaldelijk genoeg heb +aangetoond dat dit alles onjuist is.</p> + +<p>Wijl dus de macht des Geestes, gelijk ik hierboven heb +aangetoond, alleen door het verstand bepaald wordt, zullen wij +ook de geneesmiddelen tegen onze aandoeningen--van welke ik +geloof dat alle menschen ze weliswaar bij ervaring kennen, doch +alleen maar niet scherp waarnemen en duidelijk +onderscheiden--uitsluitend uit de kennis van den Geest moeten +afleiden, en uit deze kennis ook tevens al wat strekt tot zijn +gelukzaligheid.</p> + + + +<h4>GRONDWAARHEDEN (Axioma's)</h4> + + +<div class="axioma" id="d5a1"> +<p>I. Wanneer in éénzelfde voorwerp twee tegenstrijdige bewegingen +worden opgewekt, moet noodzakelijk òf in beide, òf in een daarvan +een verandering plaats grijpen, totdat zij ophouden tegenstrijdig +te zijn.</p> +</div> + + +<div class="axioma"> +<p>II. De kracht eener uitwerking wordt bepaald door de kracht harer +oorzaak, voorzoover haar wezen door het wezen dier oorzaak +verklaard of bepaald wordt. (<i>Dit Axioma blijkt uit <a href="#d3s7">Stelling VII +Deel III</a></i>).</p> +</div> + + + +<h4>STELLINGEN</h4> + + +<div class="stelling" id="d5s1"> +<p><i>Stelling I.</i></p> + +<p>Op dezelfde wijze als in den Geest de gedachten en voorstellingen +der dingen gerangschikt en aaneengeschakeld zijn, volgen op +elkaar en schakelen zich aaneen de gewaarwordingen des Lichaams, +of de beelden [indrukken] der dingen op het Lichaam.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De orde en het verband der voorstellingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII D. +II</a></i>) dezelfde als orde en verband der dingen en omgekeerd zijn de +orde en het verband der dingen (<i>vlg. <a href="#d2s6g">Gevolg St. VI</a> +en <a href="#d2s7">St. VII D. +II</a></i>) dezelfde als orde en verband der voorstellingen. Derhalve: +evenals orde en verband der voorstellingen in den Geest (<i>vlg. +<a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) de orde en het verband der dingen volgen, +evenzoo is er ook omgekeerd (<i>vlg. <a href="#d3s2">St. II D. III</a></i>) een orde en +verband van lichaamsindrukken, geheel beantwoordende aan de wijze +waarop de gedachten en voorstellingen der dingen gerangschikt en +aaneengeschakeld zijn in den Geest. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s2"> +<p><i>Stelling II.</i></p> + +<p>Indien wij een gemoedsbeweging of aandoening scheiden van de +gedachte aan een uitwendige oorzaak en met andere gedachten +verbinden, gaan Liefde of Haat jegens die uitwendige oorzaak, +evenals alle zielsberoeringen, welke uit deze aandoeningen +ontsprongen, te niet.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Datgene immers wat het wezen van Liefde of Haat uitmaakte, is +Blijheid of Droefheid, vergezeld door de voorstelling eener +uitwendige oorzaak, (<i>vlg. <a href="#d3n6">Definities VI</a> +en <a href="#d3n7">VII der Aand.</a></i>). +Wanneer dus deze is opgeheven, is tevens het wezen van de Liefde +of van den Haat opgeheven. Derhalve gaan deze aandoeningen en die +welke er uit voortvloeien, te niet. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s3"> +<p><i>Stelling III.</i></p> + +<p>Een aandoening, welke lijding is, houdt op een lijding te zijn, +zoodra wij er ons een heldere en duidelijke voorstelling van +vormen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een aandoening welke lijding is, is een verwarde voorstelling +(<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Definitie der Aand.</a></i>). Indien wij dus van dezelfde +aandoening een heldere en duidelijke voorstelling vormen, zal +deze voorstelling zich niet anders dan in redelijk +opzicht<a id="aantag79" href="#aanteken79">[A79]</a> +van die aandoening zelf, voorzoover zij alleen betrekking heeft +op den Geest, onderscheiden (<i>vlg. <a href="#d2s21">St. XXI</a> +en <a href="#d2s21o">Opmerking D. II</a></i>). +Derhalve zal (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>) deze aandoening ophouden een +lijding te zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d5s3g"> + <p><i>Gevolg:</i> Wij hebben een aandoening dus des te meer in + onze macht, en de Geest heeft des te minder door haar te + lijden, naar mate wij haar beter kennen.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s4"> +<p><i>Stelling IV.</i></p> + +<p>Het Lichaam ontvangt geen indruk van welke wij ons niet een of +andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen maken.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wat aan allen gemeen is, kan niet anders dan adaequaat worden +begrepen (<i>vlg. <a href="#d2s38">St. XXXVIII D. II</a></i>). +Derhalve (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII</a> en +<a href="#d2h2">Hulpstelling II</a>, te vinden achter Opmerking St. XIII D. II</i>) +ontvangt het Lichaam geen indruk van welke wij ons niet een of +andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen maken. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat er ook geen aandoening + bestaat, van welke wij ons niet een of andere heldere en + duidelijke voorstelling kunnen vormen. Immers een + aandoening is de voorstelling van een lichaamsindruk + (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Definitie der Aand.</a></i>), welke voorstelling dus + (<i>vlg. voorgaande St.</i>) een of ander helder en duidelijk + begrip moet insluiten.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d5s4o"> + <p><i>Opmerking:</i> Aangezien er (<i>vlg. <a href="#d1s36">St. XXXVI D. I</a></i>) niets + bestaat waaruit niet een of andere uitwerking voortvloeit + en wij al wat volgt uit een voorstelling, welke voor ons + adaequaat is, helder en duidelijk begrijpen (<i>vlg. <a href="#d2s40">St. XL + D. II</a></i>), volgt hieruit, dat ieder de macht heeft zichzelf + en zijn aandoeningen, zoo niet geheel en al, dan toch ten + deele, helder en duidelijk te begrijpen, en bijgevolg er + voor te zorgen dat hij er minder van te lijden heeft. Wij + behooren ons dus vooral dáárop toe te leggen, om elke + aandoening zooveel mogelijk helder en duidelijk te leeren + kennen, ten einde zoodoende den Geest, van die aandoening + zelf uitgaande, te doen denken aan dingen, welke hij + helder en duidelijk begrijpt en waarin hij volkomen + berust; daardoor de aandoening te scheiden van haar + uitwendige oorzaak en met ware gedachten te verbinden. + Het gevolg zal dan zijn dat niet alleen Liefde en Haat te + niet gaan (<i>vlg. <a href="#d5s2">St. II v.d. D.</a></i>) maar ook dat de Drang + of de Begeerten, welke uit zulk een aandoening plachten + voort te komen, niet bovenmatig kunnen worden. (<i>Vlg. <a href="#d4s61">St. + LXI D. IV</a></i>). Men vergete namelijk vooral niet dat het + éénzelfde Drang is waardoor de mensch nu eens handelt, + dan weer lijdt. Zoo hebben wij bijvoorbeeld doen zien dat + het met den menschelijken aard aldus gesteld is, dat + ieder verlangt dat de overige menschen naar zìjn zin + zullen leven (<i>zie <a href="#d3s31o">Opmerking St. XXXI D. III</a></i>). Deze + Drang nu is bij den mensch, die niet door de Rede geleid + wordt, een lijding, welke Eerzucht genoemd wordt en welke + niet veel van Hoogmoed verschilt. Daarentegen is hij bij + den mensch, die naar de voorschriften der Rede leeft, een + handeling of deugd, welke Rechtschapenheid [Vroomheid] + heet (<i>zie <a href="#d4s37o1">Opmerking I St. XXXVII D. IV</a> + en <a href="#d4s37b2">het tweede + bewijs dierzelfde St.</a></i>). Evenzoo zijn alle andere + verlangens of Begeerten slechts in zooverre lijdingen als + zij door inadaequate voorstellingen worden opgewekt of + daaruit voortkomen. Alle Begeerten toch, waardoor wij tot + een of andere handeling gedreven worden, kunnen zoowel + uit adaequate als uit inadaequate voorstellingen + ontspringen. (<i>Zie <a href="#d4s59">St. LIX D. IV</a></i>).</p> + + <p>Er is dus (om tot mijn uitgangspunt terug te keeren) geen + voortreffelijker heelmiddel, en dat tevens in onze macht + staat, tegen de aandoeningen te bedenken dan hun juiste + kennis; aangezien de Geest geen enkel ander vermogen + bezit dan om te denken en adaequate voorstellingen te + vormen, gelijk wij hierboven hebben aangetoond (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. + III D. III</a></i>).</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s5"> +<p><i>Stelling V.</i></p> + +<p>Een aandoening, opgewekt door iets dat wij ons zonder +meer<a id="aantag80" href="#aanteken80">[A80]</a>, +en noch als noodwendig, noch als mogelijk, noch als toevallig +voorstellen, is onder overigens gelijke omstandigheden, sterker +dan alle andere.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De aandoening, opgewekt door iets dat wij voor vrij houden is +sterker dan die, teweeg gebracht door iets noodwendigs (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. +LIX D. III</a></i>) en bijgevolg veel sterker dan die, veroorzaakt door +iets dat wij als mogelijk of als toevallig beschouwen (<i>vlg. <a href="#d4s11">St. +XI D. IV</a></i>). Maar zich iets als vrij voorstellen kan niets anders +beteekenen dan dat wij het ons "zonder meer" voorstellen, zonder +al de oorzaken, waardoor het tot zijn werking gedreven wordt, te +kennen (<i>vlg. hetgeen wij in <a href="#d2s35o">Opmerking St. XXXV D. II</a> hebben +aangetoond</i>). Derhalve zal de aandoening, opgewekt door iets dat +wij ons zonder meer voorstellen, onder overigens gelijke +omstandigheden, sterker zijn dan die, teweeggebracht door iets +noodwendigs, mogelijks of toevalligs, en bijgevolg sterker dan +alle andere. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s6"> +<p><i>Stelling VI.</i></p> + +<p>Naarmate de Geest alle dingen als noodwendig begrijpt, heeft hij +meer macht over zijn aandoeningen, ofwel heeft hij minder van hen +te lijden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De Geest begrijpt [kan inzien] dat alle dingen noodwendig zijn +(<i>vlg. <a href="#d1s29">St. XXIX D. I</a></i>) en dat zij door een oneindig verband van +oorzaken tot bestaan en werking genoopt worden (<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII +D. I</a></i>). Derhalve bewerkt hij (<i>vlg. <a href="#d5s5">voorgaande St.</a></i>) voorzoover +hij dit begrijpt, dat hij van de aandoeningen, welke uit die +dingen voortspruiten, minder te lijden heeft en dat hij (<i>vlg. +<a href="#d3s48">St. XLVIII D. III</a></i>) in geringere mate door hen wordt aangedaan. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Hoe meer deze kennis, namelijk dat de dingen + noodwendig zijn, die bijzondere dingen betreft, welke wij + ons het duidelijkst en levendigst voorstellen, hoe + grooter ook de macht van den Geest over de aandoeningen + zal zijn, hetgeen ook de ervaring zelve bewijst. Wij zien + immers hoe Droefheid over een goed dat verloren ging, + verzacht wordt, zoodra degeen die het verloor, bedenkt + dat hij het op geen enkele wijze had kunnen behouden. Zoo + zien wij ook dat niemand kinderen beklaagt omdat zij niet + kunnen spreken, loopen of [logisch] redeneeren, of ook + omdat zij zooveel jaren als onbewust van zichzelf leven. + Indien echter de meeste menschen volwassen ter wereld + kwamen en slechts een enkele als kind, dan zou ieder zulk + een kind beklagen, wijl men dan het kind-zijn niet als + een natuurlijk, noodwendig iets zou beschouwen, maar als + een fout of zonde van de Natuur. En zoo zouden wij nog + tal van dergelijke voorbeelden kunnen geven.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s7"> +<p><i>Stelling VII.</i></p> + +<p>Aandoeningen, welke uit de Rede ontspruiten of door haar worden +opgewekt, zijn, indien men ook rekening houdt met den tijd [op +den duur] machtiger dan aandoeningen welke op bijzondere dingen +betrekking hebben welke wij als afwezig beschouwen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wij beschouwen iets niet als afwezig op grond van de aandoening +waarmede wij het ons voorstellen, maar doordat ons Lichaam een +anderen indruk ondergaat, welke het oogenblikkelijk bestaan ervan +uitsluit (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>). Daarom is een aandoening, welke +betrekking heeft op een zaak welke wij als afwezig beschouwen, +ook niet van dien aard dat zij 's menschen overige handelingen en +vermogens zou kunnen beheerschen (<i>zie hierover <a href="#d4s6">St. VI D. IV</a></i>), +doch integendeel van zulk een aard dat zij door andere +aandoeningen, welke het bestaan van die uitwendige oorzaak +buitensluiten, op een of andere wijze kan worden belemmerd (<i>vlg. +<a href="#d4s9">St. IX D. IV</a></i>). Een aandoening evenwel welke uit de Rede +voortspruit, heeft noodzakelijk betrekking op algemeene +eigenschappen van dingen (<i>zie. <a href="#d2s40o2_3">de Definitie der Rede in +Opmerking II St. XL D. II</a></i>), welke eigenschappen wij steeds als +aanwezig beschouwen (wijl er immers niets zijn kan dat hun +oogenblikkelijk bestaan uitsluit) en welke wij ons steeds op +dezelfde wijze voorstellen (<i><a href="#d2s38">St. XXXVIII D. II</a></i>). Vandaar dat +zulk een aandoening ook steeds dezelfde blijft, en bijgevolg +zullen (<i>vlg. <a href="#d5a1">Axioma I v.d. D.</a></i>) alle aandoeningen, welke met +haar in strijd zijn en door hun uitwendige oorzaken niet worden +ondersteund, zich meer en meer bij haar moeten aanpassen, totdat +zij tenslotte niet meer met haar in strijd zijn. In zoover is dus +de aandoening, welke uit de Rede voortspruit machtiger. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s8"> +<p><i>Stelling VIII.</i></p> + +<p>Een aandoening is des te sterker naarmate zij door méér +gelijktijdig samenwerkende oorzaken wordt opgewekt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Vele oorzaken tegelijk vermogen meer dan indien het er minder +waren (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>). +Derhalve zal (<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V D. IV</a></i>) +een aandoening des te sterker zijn, naarmate zij door méér +gelijktijdige oorzaken wordt opgewekt. H.t.b.w. Deze stelling +blijkt ook uit Axioma II van dit Deel.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s9"> +<p><i>Stelling IX.</i></p> + +<p>Een aandoening welke door vele en verschillende oorzaken wordt +teweeg gebracht, die de Geest tegelijk met die aandoening +beschouwt, is minder schadelijk en doet ons minder lijden (en elk +dier oorzaken maakt minder indruk op ons), dan een andere even +sterke aandoening, welke slechts één of weinige oorzaken heeft.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een aandoening is alleen in zoover slecht of gevaarlijk als de +Geest er door belemmerd wordt te denken +(<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI</a> en <a href="#d4s27">XXVII +D. IV</a></i>). Derhalve is een aandoening, waardoor de Geest genoopt +wordt aan vele dingen te gelijk te denken, minder schadelijk dan +een even sterke andere, welke den Geest zoozeer in de beschouwing +van één of enkele voorwerpen gevangen houdt, dat hij aan andere +niet meer denken kan. Dit wat het eerste betreft. Wijl voorts het +wezen van den Geest, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) zijn +vermogen, uitsluitend in denken bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI D. II</a></i>), +lijdt de Geest minder door een aandoening, welke hem noopt aan +vele dingen te denken, dan door een even groote, welke zijn +aandacht voor één of enkele voorwerpen in beslag neemt. Dit wat +het tweede punt aangaat. Tenslotte is zulk een aandoening (<i>vlg. +<a href="#d3s48">St. XLVIII D. III</a></i>) voorzoover zij door vele uitwendige oorzaken +wordt teweeg gebracht, ten opzichte van elk dier oorzaken ook +zwakker. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s10"> +<p><i>Stelling X.</i></p> + +<p>Zoolang wij niet door aandoeningen, welke strijdig zijn met onzen +aard, worden aangegrepen, hebben wij de macht om de indrukken van +ons Lichaam te rangschikken en aaneen te schakelen volgens orde +des begrips<a id="aantag81" href="#aanteken81">[A81]</a>.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Aandoeningen welke in strijd zijn met onzen aard, d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d4s30">St. XXX D. IV</a></i>), welke slecht zijn, +zijn slecht inzóóver als zij +den Geest belemmeren in het begrijpen (<i>vlg. <a href="#d4s27">St. XXVII D. IV</a></i>). +Zoolang wij dus niet worden aangegrepen door aandoeningen welke +met onzen aard in strijd zijn, wordt het vermogen van den Geest, +waarmede hij de dingen tracht te begrijpen (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI D. +IV</a></i>) niet belemmerd en bezit de Geest dus de macht om heldere en +duidelijke voorstellingen te vormen en zaken uit elkaar af te +leiden, (<i>zie <a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL</a> +en <a href="#d2s17o">Opmerking St. XLVII D. II</a></i>). +Bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d5s1">St. I v.d. D.</a></i>) hebben wij ook zoolang de macht +om de indrukken des Lichaams te rangschikken en aaneen te +schakelen volgens orde des begrips. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk" id="d5s10o"> + <p><i>Opmerking:</i> Door dit vermogen om de indrukken des + Lichaams juist te rangschikken en aaneen te schakelen, + kunnen wij er voor zorgen dat wij niet licht door slechte + aandoeningen worden aangegrepen. Immers (<i>vlg. <a href="#d5s7">St. VII + v.d. D.</a></i>) er is meer kracht toe noodig om aandoeningen, + welke volgens orde des begrips gerangschikt en verbonden + zijn, dan om onzekere en vage te bedwingen. Het beste dus + wat wij kunnen doen, zoolang wij nog geen volmaakte + kennis onzer aandoeningen bezitten, is een juiste + levenswijze of vaste levensbeginselen aan te nemen, deze + ons in het geheugen te prenten en voortdurend toe te + passen in al die bijzondere gevallen welke in het leven + veelvuldig voorkomen, opdat zoodoende ons + voorstellingsvermogen diep van hen doordrongen worde en + zij ons voortdurend ten dienste staan. Zoo hebben wij + bijvoorbeeld als levensregel aangenomen (<i>zie <a href="#d4s46">St. XLVI</a> en + <a href="#d4s46o">Opmerking D. IV</a></i>) dat Haat door Liefde of Edelmoedigheid + moet worden overwonnen, niet echter met wederkeerigen + Haat vergolden. Om evenwel dit voorschrift der Rede + steeds voor toepassing gereed te hebben, moet men de + dagelijks voorkomende kwade bejegeningen kennen en + dikwijls overpeinzen, ook hoe men ze het best door + Edelmoedigheid afweert. Zoo immers brengen wij de + voorstelling van zulk een kwade bejegening met die van + dien levensregel in verband en zal deze laatste (<i>vlg. + <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) steeds bij de hand zijn wanneer die + bejegening ons [eens werkelijk] te beurt valt. Indien wij + nu tevens doordrongen zijn van ons waarachtig belang en + van het goede dat uit wederzijdsche vriendschap en + maatschappelijken omgang voortspruit, en bovendien + overwegen dat van een juiste levenswijze de hoogste + zielsrust het gevolg is (<i>vlg. <a href="#d4s52">St. LII D. IV</a></i>) en dat de + menschen, evenals alle dingen, krachtens de + noodwendigheid van hunnen aard handelen; dan zullen die + Boosheid en die Haat, welke door kwade bejegening plegen + te worden opgewekt, slechts een gering gedeelte onzer + aandacht in beslag nemen en gemakkelijk overwonnen + worden. En indien al de Toorn, welke het gevolg is van + zeer groot onrecht, niet zoo licht overwonnen wordt, zoo + zal men hem toch, hoewel niet zonder tweestrijd, in veel + korter tijd te boven komen, dan wanneer men dit alles + niet van te voren aldus overwogen had, gelijk blijkt uit + <a href="#d5s6">de stellingen VI</a>, <a href="#d5s7">VII</a> + en <a href="#d5s8">VIII</a> van dit Deel.</p> + + <p>Evenzoo behoort men na te denken over de geestkracht + welke noodig is om Vrees van zich af te zetten. Men + stelle zich namelijk de gewone gevaren, waaraan men in + het leven bloot staat, beurtelings en herhaaldelijk voor + oogen en overwege hoe men ze door tegenwoordigheid van + geest en kloekmoedigheid het beste kan vermijden of te + boven komen. Men bedenke ook dat wij bij het ordenen van + onze gedachten en voorstellingen steeds moeten letten + (<i>vlg. <a href="#d4s63g">Gevolg St. LXIII D. IV</a> + en <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>) op wat + er goeds in ieder ding steekt, opdat wij steeds door een + aandoening van Blijheid tot handelen worden gedreven. Zoo + moet iemand, die bemerkt dat hij àl te zeer streeft naar + roem, over het juiste gebruik daarvan nadenken: met welke + bedoeling hij er naar streeft en met welke middelen hij + hem bereiken zal; niet echter over het misbruik ervan en + over de ijdelheid en onstandvastigheid des menschen en + dergelijke zaken, waarmede alleen lieden die zielsziek + zijn zich bezighouden. Immers juist eerzuchtigen kwellen + zich het meest met dergelijke gedachten, wanneer zij er + aan wanhopen den roem dien zij begeeren, te bereiken; + terwijl zij, ofschoon zij gal spuwen, nochtans voor + wijzen willen doorgaan. Het is dan ook wel zeker dat zij + die het hardst schreeuwen over het misbruik van den roem + en over de ijdelheid der wereld, juist het meest begeerig + ernaar zijn. En dit is niet slechts een kenmerk van + eerzuchtigen, maar van allen wien de fortuin niet gunstig + is en die zwak van ziel zijn. Want ook een arme vrek laat + niet af te smalen over het misbruik van geld en rijkdom, + terwijl hij daarmede alleen maar bereikt dat hij zichzelf + kwelt en aan anderen laat merken, dat niet alleen zijn + eigen armoede, maar ook anderer rijkdom hem met ergernis + vervult. Evenzoo denken lieden, die door hun geliefde + werden afgewezen, over niets anders dan over de + onstandvastigheid en trouweloosheid der vrouwen en al hun + overige afgezaagde gebreken, terwijl zij dit alles + dadelijk vergeten zijn zoodra hun lief hen weer goed + ontvangt. Wie zich dus alleen uit Liefde tot Vrijheid + beijvert zijn aandoeningen en lusten te matigen, zal dus + zooveel mogelijk er naar streven de deugden en hun + oorzaken te leeren kennen en zijn ziel te vervullen met + die vreugde, welke uit hun waarachtige kennis + voortspruit. Allerminst echter zal hij zich bezig houden + met de gebreken der menschen, hen beschimpen en zichzelf + paaien met een valschen schijn van vrijheid. Wie dit + alles naarstig in het oog houdt (en dit is immers zoo + moeilijk niet) en toepast, zal zonder twijfel binnen + korten tijd in staat zijn in de meeste gevallen zijn + daden naar de bevelen der Rede te richten.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s11"> +<p><i>Stelling XI.</i></p> + +<p>Naarmate een beeld [indruk] op meer zaken betrekking heeft, zal +het herhaaldelijker vóórkomen of zich doen gelden en neemt het +den Geest meer in beslag.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers naarmate een beeld of aandoening op meer zaken betrekking +heeft, zijn er ook meer oorzaken waardoor het kan worden opgewekt +of aangewakkerd, al welke oorzaken de Geest (<i>vlg. het +onderstelde</i>) juist tengevolge van die aandoening, tegelijk +beschouwt. Derhalve zal die aandoening even dikwijls [als elk +dier oorzaken] voorkomen of zich doen gelden en den Geest (<i>vlg. +<a href="#d5s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) meer in beslag nemen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s12"> +<p><i>Stelling XII.</i></p> + +<p>De beelden der dingen worden lichter verbonden met beelden, +betrekking hebbend op dingen, welke wij helder en duidelijk +begrijpen, dan met andere.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dingen, welke wij helder en duidelijk begrijpen, zijn òf +algemeene eigenschappen, òf wat daaruit kan worden afgeleid (<i>zie +<a href="#d2s40o2_3">de Definitie der Rede in Opmerking II St. XL D. II</a></i>), en hun +voorstelling zal dus dikwijls in ons worden opgewekt (<i>vlg. +<a href="#d5s11">voorgaande St.</a></i>). Het kan derhalve lichter voorkomen dat wij +andere zaken gelijktijdig met hen dan met weer andere beschouwen, +en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) zullen wij ze ook lichter +met hen in verband brengen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s13"> +<p><i>Stelling XIII.</i></p> + +<p>Naarmate een beeld met meer andere verbonden is, zal het meer in +ons opkomen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers naarmate een beeld met meer andere verbonden is, zullen er +(<i>vlg. <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) ook meer oorzaken zijn waardoor het kan +worden opgewekt. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s14"> +<p><i>Stelling XIV.</i></p> + +<p>De Geest heeft het in zijn macht alle lichaamsindrukken of alle +beelden der dingen, tot de voorstelling Gods terug te brengen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Er is geen lichaamsindruk waarvan de Geest niet een of andere +heldere en duidelijke voorstelling kan vormen (<i>vlg. <a href="#d5s4">St. IV v.d. +D.</a></i>). Derhalve heeft hij het in zijn macht +(<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a></i>) +om ze allen tot de voorstelling Gods terug te brengen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s15"> +<p><i>Stelling XV.</i></p> + +<p>Wie zichzelf en zijn aandoeningen helder en duidelijk begrijpt, +heeft God lief en wel des te meer naarmate hij zichzelf en zijn +aandoeningen beter begrijpt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wie zichzelf en zijn aandoeningen helder en duidelijk begrijpt, +verheugt zich (<i>vlg. <a href="#d3s53">St. LIII D. III</a></i>) en dat wel met de +begeleidende gedachte aan God (<i>vlg. <a href="#d5s14">voorgaande St.</a></i>). Derhalve +heeft hij (<i>vlg. <a href="#d3n6">Definitie VI der Aand.</a></i>) God lief en dat wel +(<i>om dezelfde reden</i>) des te meer, naarmate hij zichzelf en zijn +aandoeningen beter begrijpt. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s16"> +<p><i>Stelling XVI.</i></p> + +<p>Deze Liefde jegens God behoort den Geest het allermeest te +vervullen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers deze Liefde staat in verband met alle lichaamsindrukken +(<i>vlg. <a href="#d5s14">St. XIV v.d. D.</a></i>) door al welke zij wordt bevorderd (<i>vlg. +<a href="#d5s15">St. XV v.d. D.</a></i>). +Derhalve moet zij (<i>vlg. <a href="#d5s11">St. XI v.d. D.</a></i>) den +Geest het allermeest vervullen. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s17"> +<p><i>Stelling XVII.</i></p> + +<p>God kent geen lijdingen en ondergaat ook geenerlei aandoening van +Blijheid en Droefheid.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Alle voorstellingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2s32">St. XXXII D. II</a></i>) waar, +voorzoover zij tot God worden teruggebracht, d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d2d4">Definitie IV D. II</a></i>) adaequaat. +Derhalve (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Definitie +der Aand.</a></i>) kent God geen lijding. Voorts kan God (<i>vlg. <a href="#d1s20g2">Gevolg +II St. XX D. I</a></i>) noch tot grooter, noch tot geringer volmaaktheid +overgaan en kan hij dus (<i>vlg. <a href="#d3n2">Definities II</a> +en <a href="#d3n3">III der Aand.</a></i>) +geenerlei aandoening van Blijheid of Droefheid ondergaan. +H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> In eigenlijken zin kan God niemand liefhebben + of haten. Immers God ondergaat (<i>vlg. <a href="#d5s17">voorgaande St.</a></i>) + geenerlei aandoening van Blijheid of Droefheid en + bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3n6">Definities VI</a> + en <a href="#d3n7">VII der Aand.</a></i>) heeft + hij ook niemand lief of haat hij niemand.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s18"> +<p><i>Stelling XVIII.</i></p> + +<p>Niemand kan God haten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De voorstelling van God, welke in ons is, is adaequaat en +volkomen (<i>vlg. <a href="#d2s46">St. XLVI</a> en +<a href="#d2s47">XLVII D. II</a></i>). Voorzoover wij dus God +beschouwen, <i>handelen</i> wij (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>). Bijgevolg +(<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>) kan er geen Droefheid bestaan, die +vergezeld gaat van de voorstelling Gods, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n7">Definitie +VII der Aand.</a></i>) niemand kan God haten. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> De Liefde jegens God kan niet in Haat + verkeeren.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Men zou kunnen tegenwerpen, dat wij, + aangezien wij God als aller dingen oorzaak erkennen, hem + daardoor tevens als oorzaak der Droefheid beschouwen. + Hierop antwoord ik evenwel dat Droefheid, voorzoover wij + haar oorzaken begrijpen (<i>vlg. <a href="#d5s3">St. III v.d. D.</a></i>) ophoudt + lijding te zijn, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>) ophoudt + Droefheid te zijn, en dat wij ons derhalve verheugen + voorzoover wij inzien dat God oorzaak van Droefheid is.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XIX.</i></p> + +<p>Wie God liefheeft kan er niet naar streven dat God hem wedermint.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Indien iemand hiernaar streefde zou hij dus wenschen (<i>vlg. <a href="#d5s17">St. +XVII v.d. D.</a></i>) dat God, dien hij liefheeft, niet God ware. +Bijgevolg zou hij (<i>vlg. <a href="#d3s19">St. XIX D. III</a></i>) verlangen zich te +bedroeven, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s28">St. XXVIII D. III</a></i>) ongerijmd is. +Derhalve: wie God liefheeft enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XX.</i></p> + +<p>Deze liefde jegens God kan noch door Nijd, noch door IJverzucht +worden ontwijd, maar zij wordt juist des te sterker, hoe méér +menschen wij ons door éénzelfden band van Liefde met God +verbonden denken.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze Liefde tot God is het hoogste goed, hetwelk wij, levend naar +de voorschriften der Rede, kunnen erlangen (<i>vlg. <a href="#d4s28">St. XXVIII D. +IV</a></i>). Het is (<i>vlg. <a href="#d4s46">St. XXXVI D. IV</a></i>) +aan alle menschen gemeen en +wij wenschen (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII D. IV</a></i>) dat elkeen er zich in +verheuge. Derhalve kan zij (<i>vlg. <a href="#d3n23">Definitie XXIII der Aand.</a></i>) +niet door Nijd worden bezoedeld, noch door IJverzucht (<i>vlg. <a href="#d5s18">St. +XVIII v.d. D.</a> en <a href="#d2s35o">de Definitie der IJverzucht</a>, zie Opmerking St. +XXXV D. III</i>), maar zal zij integendeel (<i>vlg. <a href="#d3s31">St. XXXI D. III</a></i>) +des te meer moeten toenemen, naarmate wij ons voorstellen dat +méér menschen zich in haar verblijden. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Op deze zelfde wijze kunnen wij aantoonen + dat er geen aandoening bestaat, welke in directen strijd + is met deze Liefde en door welke die Liefde kon worden + teniet gedaan. Wij kunnen dus de gevolgtrekking maken dat + deze Liefde tot God de meest standvastige van alle + aandoeningen is en voorzoover zij betrekking heeft tot + het Lichaam, niet anders dan met dit Lichaam zelf teniet + kan gaan. Hoedanig zij is voorzoover zij betrekking heeft + op den Geest, zullen wij later zien.</p> + + <p>Hiermede heb ik alle middelen ter verdediging tegen de + aandoeningen of al wat de Geest op zichzelf beschouwd + [voorzoover van hemzelf afhangt] tegen de aandoeningen + vermag, samengevat. Het blijkt hieruit dat de macht van + den Geest over de aandoeningen bestaat:</p> + + <p>I. in de kennis zelf der aandoeningen (<i>zie <a href="#d5s4o">Opmerking St. + IV v.d. D.</a></i>);</p> + + <p>II. daarin dat hij de aandoening scheidt van de gedachte + aan een uitwendige oorzaak, welke wij ons slechts verward + voorstellen (<i>zie <a href="#d5s2">St. II</a> en <a href="#d5s4o">dezelfde Opmerking St. IV + v.d. D.</a></i>);</p> + + <p>III. in den tijdsduur, tengevolge waarvan aandoeningen, + betrekking hebbende op zaken welke wij begrijpen, andere, + welke betrekking hebben op zaken waarvan wij slechts + verwarde en verminkte voorstellingen hebben, overwinnen. + (<i>vlg. St. VII v.d. D.</i>);</p> + + <p>IV. in het groote aantal van oorzaken, waardoor + aandoeningen, welke betrekking hebben op algemeene + eigenschappen of op God, sterker worden dan andere (<i>zie + <a href="#d5s9">St. IX</a> en <a href="#d5s11">XI v.d. D.</a></i>);</p> + + <p>V. tenslotte in de orde waarin de Geest zijn aandoeningen + kan schikken en onderling in verband brengen (<i>zie + <a href="#d5s10o">Opmerking St. X</a> en bovendien <a href="#d5s12">St. XII</a>, + <a href="#d5s13">XIII</a> en <a href="#d5s14">XIV v.d. + D.</a></i>).</p> + + <p>Om nu evenwel deze macht van den Geest over de + Aandoeningen te beter te doen begrijpen, moet in de + eerste plaats worden opgemerkt, dat aandoeningen door ons + sterk genoemd worden, wanneer wij een aandoening bij den + eenen mensch vergelijken met die bij andere en daarbij + zien dat de een daardoor heviger wordt aangegrepen, of + wanneer wij de aandoeningen bij één en denzelfden mensch + met elkaar vergelijken en daarbij bevinden dat hij door + de eene meer dan door andere getroffen of bewogen wordt. + Immers (<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V D. IV</a></i>) de kracht van elke aandoening + wordt bepaald door de macht eener uitwendige oorzaak in + verhouding met de onze. De macht des Geestes nu hangt + alleen af van kennis, terwijl zijn machteloosheid of + lijding alleen beoordeeld wordt naar zijn gebrek aan + kennis, d.w.z. naar datgene, waarom voorstellingen + inadaequaat genoemd worden. Waaruit volgt dat dìe Geest + in de hoogste mate lijdt, die grootendeels vervuld is van + inadaequate voorstellingen, zoodat hij zich meer laat + kennen aan wat hij lijdt dan aan hoe hij handelt; terwijl + daarentegen die Geest het sterkst handelt, die + grootendeels adaequate voorstellingen heeft, zoodat men + hem, ofschoon hij misschien evenveel inadaequate + voorstellingen bevat als de eerste, toch beter kent aan + zulke, welke tot de menschelijke deugden bijdragen, dan + aan zulke, welke een aanklacht zijn tegen de menschelijke + machteloosheid. Voorts valt op te merken dat zielsziekten + en ongelukkigheid voornamelijk voortspruiten uit te + groote Liefde jegens een zaak welke aan vele wisselingen + onderhevig is en welke wij nooit geheel in onze macht + kunnen krijgen. Want niemand maakt zich bezorgd of + angstig over eenige zaak die hij niet liefheeft, en + evenmin ontstaan onrecht, achterdocht, vijandschap enz. + uit iets anders dan uit Liefde tot dingen, welke men niet + volkomen in zijn macht kan krijgen. Na dit alles kunnen + wij dus gemakkelijk inzien wat heldere en duidelijke + kennis, en vooral die derde soort van kennis (<i>zie + <a href="#d2s47o">Opmerking St. XLVII D. II</a></i>), welker grondslag de kennis + van God zelve is, tegen de aandoeningen vermag: indien + zij ze al niet, voorzoover zij lijding zijn, geheel en al + opheft (<i>zie <a href="#d5s3">St. III</a> en + <a href="#d5s4o">Opmerking St. IV v.d. D.</a></i>), zoo + bewerkt zij toch dat zij een zoo klein mogelijk deel van + den Geest innemen (<i>zie <a href="#d5s14">St. XIV v.d. D.</a></i>). Verder baart + zij Liefde jegens het onveranderlijke en eeuwige (<i>zie + <a href="#d5s15">St. XV v.d. D.</a></i>), dat wij inderdaad deelachtig kunnen + worden (<i>zie <a href="#d2s45">St. XLV D. II</a></i>), welke Liefde dus ook nooit + door de gebreken, welke der gewone Liefde eigen zijn, + bezoedeld kan worden, doch steeds sterker en sterker + worden kan (<i>vlg. <a href="#d5s15">St. XV v.d. D.</a></i>), het voornaamste deel + van den Geest kan vervullen (<i>vlg. <a href="#d5s16">St. XVI v.d. D.</a></i>) en + alzijdig op hem kan inwerken.</p> + + <p>En hiermede heb ik alles wat op dit tegenwoordig leven + betrekking heeft afgedaan. Immers dat ik, zooals ik in + het begin dezer Opmerking beloofde, in deze weinige + woorden alle verweermiddelen tegen de aandoeningen heb + samengevat, zal ieder, die gelet heeft op wat ik zeide en + tevens op de Definities welke ik gaf van den Geest en + zijn Aandoeningen, als mede ten slotte op <a href="#d3s1">de Stellingen I</a> + en <a href="#d3s3">III van Deel III</a>, gemakkelijk kunnen inzien. Het is + dus thans tijd om over te gaan tot datgene wat betrekking + heeft op den duur des Geestes zonder verband met het + Lichaam.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s21"> +<p><i>Stelling XXI.</i></p> + +<p>De Geest kan zich niets voorstellen, noch zich verleden zaken +herinneren, dan alleen zoolang het Lichaam bestaat.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De Geest is alleen de uitdrukking van het werkelijk bestaan zijns +Lichaams en vat de indrukken van het Lichaam alleen als werkelijk +op zoolang het Lichaam bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s8g">Gevolg St. VIII D. II</a></i>). +Bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d2s26">St. XXVI D. II</a></i>) vat hij geen enkel voorwerp als +werkelijk bestaande op, dan alleen zoolang als zijn eigen Lichaam +bestaat. Derhalve kan hij zich ook niets verbeelden [voorstellen] +(<i>zie <a href="#d2s17o_3">de Definitie van Verbeelding</a> in Opmerking St. XVII D. II</i>) +noch zich verleden zaken herinneren, dan alleen zoolang als zijn +Lichaam bestaat (<i>zie <a href="#d2s18o">de Definitie der Herinnering</a> in Opmerking +St. XVIII D. II</i>). H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s22"> +<p><i>Stelling XXII.</i></p> + +<p>Niettemin bestaat er in God noodzakelijk een voorstelling, welke +het wezen der verschillende menschelijke Lichamen onder het +gezichtspunt der eeuwigheid uitdrukt.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>God is niet alleen de oorzaak van het bestaan der verschillende +menschelijke lichamen, doch ook van hun wezen (<i>vlg. <a href="#d1s25">St. XXV D. +I</a></i>), hetwelk daarom noodzakelijk uit Gods wezen verklaard moet +kunnen worden (<i>vlg. <a href="#d1a4">Axioma IV D. I</a></i>) en dat wel met een zekere +eeuwige noodwendigheid (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI D. I</a></i>), zoodat dit begrip +noodzakelijk in God bestaan moet (<i>vlg. <a href="#d2s3">St. III D. II</a></i>). H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s23"> +<p><i>Stelling XXIII.</i></p> + +<p>De menschelijke Geest kan niet tegelijk met het Lichaam geheel en +al teniet gaan, doch er blijft iets over dat eeuwig is.</p> +</div> + +<div class="bewijs" id="d5s23b"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>In God bestaat noodzakelijk een begrip of voorstelling welke het +wezen van het menschelijk Lichaam uitdrukt (<i>vlg. <a href="#d5s22">voorgaande +St.</a></i>) en welke daarom noodzakelijk iets is dat ook tot het wezen +van den Geest behoort (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII D. II</a></i>). Wij hebben echter +den menschelijken Geest geenerlei duur, welke door tijd bepaald +zou kunnen worden, toegekend dan alleen voorzoover hij het +werkelijk bestaan des Lichaams, dat door duur verklaard en door +tijd bepaald kan worden, uitdrukt; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s8g">Gevolg St. VIII +D. II</a></i>) wij kennen hemzelf geen duur toe, dan alleen zoolang het +Lichaam bestaat. Daar evenwel datgene, wat met die zekere eeuwige +noodzakelijkheid uit Gods wezen zelf verklaard wordt (<i>vlg. +<a href="#d5s22">voorgaande St.</a></i>) desalniettemin toch ìets zijn moet, zal ook +noodzakelijk dit iets, dat tot 's menschen Geest behoort, eeuwig +zijn. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Zooals wij zeiden, is deze voorstelling, + welke het wezen des Lichaams uitdrukt onder het + gezichtspunt der eeuwigheid, een zekere denkwijziging, + welke tot het wezen des Geestes behoort en noodzakelijk + eeuwig is. Toch is het niet mogelijk dat wij ons + herinneren vóór het Lichaam te hebben bestaan, aangezien + er hiervan [van dit vorig bestaan] geenerlei sporen + kunnen bestaan en eeuwigheid noch door tijd kan worden + bepaald, noch eenig verband met den tijd hebben kan. + Niettemin beseffen en ervaren wij dat wij eeuwig zijn. + Immers de dingen welke de Geest verstandelijk begrijpt, + zijn even goed ervaring als die welke hij zich herinnert + [in beelden kan voorstellen]. Bewijzen [de redeneeringen] + toch zijn de oogen des Geestes, waarmede hij zulke dingen + ziet en waarneemt. Ofschoon wij ons dus niet herinneren + dat wij vóór ons Lichaam bestonden, beseffen wij toch dat + onze Geest, voorzoover hij het wezen des Lichaams als + iets eeuwigs in zich sluit, ook zelf eeuwig is en dat dìt + bestaan niet door tijd bepaald of door duur verklaard kan + worden. Men kan dus slechts in zoover zeggen dat onze + Geest een duur heeft en dat zijn bestaan tot een + bepaalden tijd beperkt is, als hij het werkelijk bestaan + des Lichaams in zich sluit. En ook in zoover slechts + heeft hij het vermogen om het bestaan der dingen door + tijd te bepalen en onder het gezichtspunt van duur op te + vatten<a id="aantag82" href="#aanteken82">[A82]</a>.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s24"> +<p><i>Stelling XXIV.</i></p> + +<p>Hoe beter wij de bijzondere dingen begrijpen, hoe beter begrijpen +wij God.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit blijkt uit het Gevolg van Stelling XXV Deel I.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s25"> +<p><i>Stelling XXV.</i></p> + +<p>Het hoogste streven en de hoogste deugd des Geestes is de dingen +te begrijpen met de derde soort van kennis.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De derde soort van kennis gaat uit van de adaequate voorstelling +van eenig attribuut Gods en komt zoo tot een adaequate kennis van +het wezen der dingen (<i>zie <a href="#d2s40o2_4">haar Definitie in Opmerking II St. XL +D. II</a></i>). Hoe meer wij de dingen op deze wijze begrijpen, hoe meer +wij (<i>vlg. <a href="#d5s24">voorgaande St.</a></i>) God begrijpen. Derhalve is het (<i>vlg. +<a href="#d4s28">St. XXVIII D. IV</a></i>) de hoogste deugd des Geestes, d.w.z. (<i>vlg. +<a href="#d4d8">Definitie VIII D. IV</a></i>) zijn hoogste vermogen of aard, ofwel +(<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) zijn hoogste streven, de dingen te +begrijpen met deze derde soort van kennis. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXVI.</i></p> + +<p>Hoe geschikter de Geest is om de dingen met de derde soort van +kennis te begrijpen, hoe meer hij begeert dit ook te doen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Dit is duidelijk. Immers als wij ons voorstellen dat de Geest +geschikt is om dingen met deze derde soort van kennis te +begrijpen, denken wij hem ons ook van nature genoodzaakt om dit +te doen, en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>): hoe meer de +Geest daartoe geschikt is, hoemeer hij dit ook zal begeeren. +H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s27"> +<p><i>Stelling XXVII.</i></p> + +<p>Uit deze derde soort van kennis ontspruit de hoogst mogelijke +zielsrust.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De hoogste deugd des Geestes is God te kennen (<i>vlg. <a href="#d4s28">St. XXVIII +D. IV</a></i>), ofwel de dingen met de derde soort van kennis te +begrijpen (<i>vlg. <a href="#d5s25">St. XXV v.d. D.</a></i>), welke deugd grooter is, +naarmate de Geest méér dingen op deze wijze begrijpt (<i>vlg. <a href="#d5s24">St. +XXIV v.d. D.</a></i>). Derhalve bereikt hij, die de dingen met deze +soort van kennis kent, de hoogste menschelijke volmaaktheid. +Bijgevolg zal hij (<i>vlg. <a href="#d3n2">Definitie II der Aand.</a></i>) de hoogste +Blijheid gevoelen en dat wel (<i>vlg. <a href="#d2s43">St. XLIII D. II</a></i>) vergezeld +door de gedachte aan zichzelf en aan zijn deugd. Derhalve +ontspruit uit deze derde soort van kennis (<i>vlg. <a href="#d3n25">Definitie XXV +der Aand.</a></i>) ook de grootst mogelijke zielsrust.</p> +</div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXVIII.</i></p> + +<p>Het streven of de begeerte om de dingen met de derde soort van +kennis te kennen, kan niet uit de eerste, maar wel uit de tweede +soort van kennis voortkomen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze stelling spreekt vanzelf. Immers wat wij helder en duidelijk +begrijpen, dat begrijpen wij òf uit zichzelf, òf door iets anders +dat uit zichzelf begrijpelijk is. D.w.z.: voorstellingen welke in +ons helder en duidelijk zijn, of welke tot de derde soort van +kennis behooren (<i>zie <a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL D. II</a></i>), kunnen niet +voortvloeien uit gebrekkige en verwarde voorstellingen, welke +(<i>vlg. <a href="#d2s40o2">dezelfde Opmerking</a></i>) tot de eerste soort van kennis +behooren, doch alleen uit adaequate, of (<i>vlg. <a href="#d2s40o2">dezelfde +Opmerking</a></i>) uit de tweede of derde soort van kennis. Derhalve kan +(<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>) de Begeerte om de dingen met de +derde soort van kennis te kennen, niet voortkomen uit de eerste, +doch wel uit de tweede. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s29"> +<p><i>Stelling XXIX.</i></p> + +<p>Al wat de Geest begrijpt onder het gezichtspunt der eeuwigheid, +begrijpt hij niet wijl hij een voorstelling heeft van het +tegenwoordige, werkelijke bestaan des Lichaams, maar wijl hij het +wezen des Lichaams opvat onder het gezichtspunt der eeuwigheid.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Voorzoover de Geest zich bewust is van het tegenwoordige bestaan +zijns Lichaams, heeft hij begrip van een duur, welke door tijd +bepaald kan worden, en slechts in zoover ook heeft hij het +vermogen om zich de dingen in tijdsverband voor te stellen (<i>vlg. +<a href="#d5s21">St. XXI v.d. D.</a> en +<a href="#d2s24">St. XXVI D. II</a></i>). Eeuwigheid evenwel kan niet +door duur worden verklaard (<i>vlg. <a href="#d1d8">Definitie VIII D. I</a> en <a href="#d1d8t">de +Toelichting daarvan</a></i>). Derhalve heeft de Geest niet dáárom het +vermogen dingen onder het gezichtspunt van eeuwigheid te +beschouwen, doch wijl het tot den aard der Rede behoort de dingen +aldus op te vatten (<i>vlg. <a href="#d2s44g2">Gevolg II St. XLIV D. II</a></i>) en wijl het +tot den aard des Geestes eveneens behoort het wezen des Lichaams +onder het gezichtspunt der eeuwigheid te beschouwen (<i>vlg. <a href="#d5s23">St. +XXIII v.d. D.</a></i>), en wijl buiten deze beide zaken niets anders tot +het wezen des geestes behoort (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII D. II</a></i>). Derhalve +komt het vermogen om de dingen onder het gezichtspunt der +eeuwigheid te beschouwen den Geest slechts toe voorzoover hij het +wezen des Lichaams onder het gezichtspunt der eeuwigheid +beschouwt. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Op tweeërlei wijzen worden de dingen door + ons als werkelijk bestaande opgevat: òf voorzoover wij ze + ons denken als bestaande in verband met een bepaalden + tijd en plaats, òf voorzoover wij ze denken als in God + begrepen en voortvloeiende uit de noodwendigheid van den + goddelijken aard. Wat wij ons nu op deze tweede wijze als + waar of werkelijk denken, beschouwen wij onder het + gezichtspunt der eeuwigheid, en de voorstellingen van + déze dingen sluiten het eeuwige en oneindige wezen Gods + in zich, gelijk wij in <a href="#d2s45">Stelling XLV van Deel II</a> hebben + aangetoond. Men zie ook de Opmerking daarbij.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s30"> +<p><i>Stelling XXX.</i></p> + +<p>Voorzoover onze Geest zichzelf en zijn Lichaam onder het +gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt, heeft hij noodzakelijk +kennis van God en weet hij dat hij in God is en uit God verklaard +kan worden.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Eeuwigheid is het wezen Gods zelf, voorzoover dit een +noodzakelijk bestaan insluit (<i>vlg. <a href="#d1d8">Definitie VIII D. I</a></i>). De +dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwen wil dus +zeggen ze opvatten als werkelijke wezenheden, zooals ze uit Gods +wezen zijn te verklaren of voorzoover ze krachtens Gods wezen +bestaan. Derhalve heeft onze Geest, voorzoover hij zichzelf en +zijn Lichaam onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt, +noodzakelijk kennis van God en weet hij enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s31"> +<p><i>Stelling XXXI.</i></p> + +<p>De derde soort van kennis hangt af van den Geest als haar +werkelijke oorzaak, voorzoover de Geest zelf eeuwig is.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De Geest beschouwt niets onder het gezichtspunt der eeuwigheid +dan voorzoover hij het wezen van zijn eigen Lichaam onder het +gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt (<i>vlg. <a href="#d5s29">St. XXIX v.d. D.</a></i>), +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d5s21">St. XXI</a> en +<a href="#d5s23">XXIII v.d. D.</a></i>) voorzoover hij zelf +eeuwig is. Derhalve heeft hij (<i>vlg. <a href="#d5s30">voorgaande St.</a></i>) voorzoover +hij eeuwig is, kennis van God, welke kennis (<i>vlg. <a href="#d2s45">St. XLVI D. +II</a></i>) noodzakelijk adaequaat is. Dus is de Geest voorzoover hij +eeuwig is, in staat alles te kennen wat uit deze gegeven kennis +van God kan voortvloeien (<i>vlg. <a href="#d2s40">St. XL D. II</a></i>), d.w.z. om de +dingen te kennen met de derde soort van kennis (<i>zie <a href="#d2s40o2_4">de Definitie +hiervan</a> en <a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL D. II</a></i>), van welke kennis daarom +de Geest (<i>vlg. <a href="#d3d1">Definitie I D. III</a></i>) voorzoover hij eeuwig is, de +adaequate of formeele oorzaak is. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Hoe meer men dus in deze soort van kennis + uitblinkt, hoe beter men zich van zichzelf en van God + bewust zal zijn, d.w.z. hoe volmaakter en gelukkiger men + zijn zal; wat nog helderder uit het volgende blijken + moge. Hier moet ik echter doen opmerken dat, ofschoon wij + er thans van overtuigd zijn dat de Geest eeuwig is + voorzoover hij de dingen onder het gezichtspunt der + eeuwigheid beschouwt, wij toch (evenals wij tot dusver + deden)--teneinde wat wij willen aantoonen gemakkelijker + uiteen te zetten en beter te doen begrijpen--zullen doen + alsof hij eerst thans [in zijn tegenwoordig leven] + begonnen was te bestaan en eerst thans begonnen was de + dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid te + beschouwen. Wat wij zonder eenig gevaar voor vergissing + kunnen doen, indien wij er slechts voor zorgen alleen + gevolgtrekkingen te maken uit volkomen duidelijke + gegevens.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s32"> +<p><i>Stelling XXXII.</i></p> + +<p>Over al wat wij met de derde soort van kennis begrijpen, +verheugen wij ons en wel met de vergezellende gedachte aan God +als oorzaak.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Uit deze soort van kennis ontspruit de grootst mogelijke +zielsrust ofwel (<i>vlg. <a href="#d3n25">Definitie XXV der Aand.</a></i>) Blijheid, en dat +wel vergezeld door de gedachte aan zichzelf (<i>vlg. <a href="#d5s27">St. XXVII v.d. +D.</a></i>), en bijgevolg (<i>vlg. St. XXX v.d. D.</i>) ook vergezeld door de +gedachte aan God als oorzaak. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg" id="d5s32g"> + <p><i>Gevolg:</i> Uit de derde soort van kennis ontspringt + noodzakelijk een geestelijke Liefde tot God. Immers uit + deze soort van kennis ontspruit (<i>vlg. <a href="#d5s32">voorgaande St.</a></i>) + Blijheid, vergezeld door de gedachte aan God als oorzaak, + d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n6">Def. VI der Aand.</a></i>) Liefde tot God, niet + voorzoover wij ons Hem als aanwezig voorstellen (<i>vlg. + <a href="#d5s29">St. XXIX v.d. D.</a></i>), maar voorzoover wij begrijpen dat hij + eeuwig is en dat is het ook wat ik geestelijke Liefde tot + God noem.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s33"> +<p><i>Stelling XXXIII.</i></p> + +<p>De geestelijke Liefde tot God, welke uit de derde soort van +kennis voortspruit is eeuwig.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Immers de derde soort van kennis is (<i>vlg. <a href="#d5s31">St. XXXI v.d. D.</a> en +<a href="#d1a3">Axioma III D. I</a></i>) eeuwig en +derhalve is (<i>vlg. <a href="#d1a3">zelfde Axioma D. +I</a></i>) de Liefde welke uit haar ontspruit, noodzakelijk eveneens +eeuwig. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Ofschoon deze Liefde tot God geen begin + gehad heeft (<i>vlg. <a href="#d5s33">voorgaande St.</a></i>) vertoont zij + niettemin alle volmaaktheden der Liefde, evengoed als + wanneer zij wèl een begin genomen had, zooals wij in het + Gevolg der voorgaande Stelling reeds aannamen. Er is geen + verschil dan slechts dit dat de Geest die volmaaktheden, + welke wij daareven als verworven voorstelden, reeds van + eeuwigheid af bezat en dat wel vergezeld van de gedachte + aan God als hun eeuwige oorzaak. Wanneer nu Blijheid + bestaat in den overgang tot grooter volmaaktheid, dan + moet toch zeker de Gelukzaligheid wel daarin bestaan dat + de Geest de volmaaktheid zelve deelachtig is.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXXIV.</i></p> + +<p>De Geest is slechts tijdens het bestaan des Lichaams onderhevig +aan aandoeningen welke tot de lijdingen behooren.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Een verbeelding is een voorstelling, krachtens welke de Geest +iets als aanwezig beschouwt (<i>zie <a href="#d2s17o_3">haar Definitie</a> in Opmerking St. +XVII D. II</i>), welke echter meer den oogenblikkelijken toestand +van het menschelijk Lichaam, als den aard eener uitwendige zaak +weergeeft (<i>vlg. <a href="#d2s16g2">Gevolg II St. XVI D. II</a></i>). Een aandoening is dus +(<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Definitie der Aand.</a></i>) een verbeelding voorzoover zij +ons den oogenblikkelijken toestand des Lichaams doet kennen. +Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d5s21">St. XXI v.d. D</a></i>), de Geest slechts tijdens het +bestaan des Lichaams onderhevig aan aandoeningen welke tot de +lijdingen behooren. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat geen Liefde eeuwig is dan + alleen de geestelijke.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Letten wij op wat de algemeene opvatting + hieromtrent is, dan zullen wij bevinden dat de menschen + zich weliswaar van de eeuwigheid des Geestes bewust zijn, + maar dat zij deze niettemin met een "duur" verwarren, + terwijl zij haar tevens toekennen aan de verbeelding of + het geheugen, waarvan zij gelooven dat het na den dood + blijft bestaan.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s35"> +<p><i>Stelling XXXV.</i></p> + +<p>God heeft zichzelf lief met een oneindige geestelijke Liefde.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>God is volstrekt oneindig (<i>vlg. <a href="#d1d6">Definitie VI D. I</a></i>) d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d2d6">Definitie VI D. II</a></i>), Gods aard verheugt zich in oneindige +volmaaktheid, en dat wel (<i>vlg. <a href="#d2s3">St. III D. II</a></i>) met de gedachte +aan zichzelf, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a> +en <a href="#d1d1">Definitie I D. I</a></i>) met de +gedachte aan zijn eigen oorzaak. En dit is het wat wij in <a href="#d5s32g">het +Gevolg van Stelling XXXII van dit Deel</a> "geestelijke Liefde" +genoemd hebben.</p> +</div> + + +<div class="stelling" id="d5s36"> +<p><i>Stelling XXXVI.</i></p> + +<p>De geestelijke Liefde van den Geest tot God is de Liefde Gods +zelve, waarmede God zichzelf liefheeft, niet voorzoover hij +oneindig is, maar voorzoover hij zich in het wezen van den +menschelijken Geest, beschouwd onder het gezichtspunt der +eeuwigheid, openbaart. D.w.z. de geestelijke Liefde van den Geest +tot God is een deel dier oneindige Liefde waarmede God zichzelf +liefheeft.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze Liefde des Geestes moet gerangschikt worden onder zijn +<i>handelingen</i> (<i>vlg. <a href="#d5s32g">Gevolg St. XXXII v.d. D.</a> +en <a href="#d3s3">St. III D. +III</a></i>); zij is dan een handeling waarbij de Geest zichzelf +beschouwt met de gedachte aan God als zijn oorzaak (<i>vlg. <a href="#d5s32">St. +XXXII</a> en <a href="#d5s32g">Gevolg v.d. D.</a></i>) +d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV D. I</a> en +<a href="#d2s11g">Gevolg St. XI D. II</a></i>) een handeling waarbij God, voorzoover hij +zich in den menschelijken Geest openbaart, zichzelf beschouwt met +de gedachte aan zichzelf. Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d5s35">voorgaande St.</a></i>) +deze Liefde des Geestes een deel dier oneindige Liefde waarmede +God zichzelf liefheeft. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat God, voorzoover hij zichzelf + liefheeft, ook de menschen liefheeft en bijgevolg, dat de + Liefde van God tot de menschen en de geestelijke Liefde + van den Geest tot God één en hetzelfde zijn.</p> + </div> + + <div class="opmerk" id="d5s36o"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij kunnen nu helder inzien, waarin ons + heil, onze gelukzaligheid ofwel onze vrijheid bestaat; te + weten in de standvastige en eeuwige Liefde tot God, of in + de Liefde van God jegens de menschen. Deze Liefde of + Gelukzaligheid wordt in de Heilige Schrift "Roem" + genoemd, en niet ten onrechte. Want onverschillig of deze + Liefde aan God dan wel aan den Geest wordt toegeschreven, + kan zij met recht Zielsrust, welke toch inderdaad niet + van Roem [Zelfverheerlijking] onderscheiden is (<i>vlg. + <a href="#d3n25">Definities XXV</a> en + <a href="#d3n30">XXX der Aand.</a></i>) genoemd worden. Immers + voorzoover zij tot God behoort is zij (<i>vlg. St. XXV v.d. + D.</i>) Blijheid--indien ik dit woord hier nog gebruiken + mag--met de gedachte aan zichzelf; wat evenzeer het geval + is wanneer men haar toeschrijft aan den Geest (<i>vlg. <a href="#d5s27">St. + XXVII v.d. D.</a></i>). Waar voorts het wezen van onzen Geest + alleen in kennis bestaat, welker begin en grondslag God + is (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a> en + <a href="#d2s47o">Opmerking St. XLVII D. II</a></i>), zal + het ons thans duidelijk zijn op welke wijze en in welk + opzicht onze Geest naar wezen en bestaan uit den + goddelijken aard voortvloeit en voortdurend van God + afhangt. Ik heb het der moeite waard geacht dit hier op + te merken, om door dit voorbeeld te kunnen doen zien van + hoeveel belang die kennis der bijzondere dingen is, welke + ik de intuïtieve of kennis van de derde soort genoemd heb + (<i>zie <a href="#d2s40o2_4">Opmerking II St. XL D. II</a></i>), en hoeveel machtiger + zij is dan de algemeene kennis welke ik die van de tweede + soort noemde. Want ofschoon ik in <a href="#deel1">het Eerste Deel</a> in het + algemeen aantoonde dat alles (<i>en bijgevolg ook de + menschelijke Geest</i>) in wezen en bestaan van God afhangt, + maakt toch dit bewijs, hoe geldig en boven allen twijfel + verheven het ook moge zijn, niet zulk een indruk op onzen + Geest, dan wanneer wij hetzelfde bewijzen uit het wezen + van elk bijzonder ding dat wij van God afhankelijk + noemden.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s37"> +<p><i>Stelling XXXVII.</i></p> + +<p>Er bestaat niets in de Natuur, wat met deze geestelijke Liefde in +strijd is of haar zou kunnen opheffen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Deze geestelijke Liefde volgt noodzakelijk uit den aard van den +Geest voorzoover hijzelf, als eeuwige waarheid, beschouwd wordt +als [deel van] den aard Gods (<i>vlg. <a href="#d5s33">St. XXXIII</a> en <a href="#d5s29">XXIX v.d. D.</a></i>) +Indien er dus iets bestond dat met deze Liefde in strijd was, zou +het in strijd zijn met de waarheid en bijgevolg zou datgene, wat +die Liefde kon opheffen, bewerken dat wat waar is valsch werd, +hetgeen (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) ongerijmd is. Derhalve bestaat +er niets in de Natuur enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> De Grondwaarheid van het vierde Deel heeft + betrekking op de bijzondere dingen, voorzoover zij + beschouwd worden in verband met een bepaalden tijd en + plaats; waaromtrent wel niemand in twijfel zal verkeeren.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s38"> +<p><i>Stelling XXXVIII.</i></p> + +<p>Hoemeer dingen de Geest met de tweede of derde soort van kennis +begrijpt, hoe minder hij zelf van slechte aandoeningen te lijden +heeft en hoe minder hij den dood vreest.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Het wezen des Geestes bestaat in kennis (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI D. II</a></i>). +Hoemeer dingen de Geest dus kent met de tweede en derde soort van +kennis, hoe grooter deel er van hem overblijft (<i>vlg. <a href="#d5s29">St. XXIX</a> en +<a href="#d5s23">XXIII v.d. D.</a></i>) en +bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d5s37">voorgaande St.</a></i>) hoe grooter +deel van hem niet wordt getroffen door aandoeningen, welke met +onzen aard in strijd, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s30">St. XXX D. IV</a></i>) welke slecht +zijn. Hoemeer dingen dus de Geest begrijpt met de tweede en derde +soort van kennis, hoe grooter deel van hem ongedeerd blijft en +bijgevolg hoe minder hij van zijn aandoeningen heeft te lijden +enz. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Wij kunnen thans begrijpen wat ik in + <a href="#d4s39o">Opmerking St. XXXIX D. IV</a> reeds aanstipte en wat ik + beloofde in dit Deel nader te zullen uiteen zetten: dat + namelijk de dood te minder schadelijk is, hoe helderder + en duidelijker de kennis is welke de Geest bezit, en + bijgevolg hoemeer de Geest God liefheeft. Wijl verder + (<i>vlg. <a href="#d5s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) uit de derde soort van kennis + de hoogst mogelijke zielsrust voortspruit, volgt hieruit + dat de menschelijke Geest zoodanig kan worden, dat wat + van hem, gelijk wij aantoonden (<i>zie <a href="#d5s21">St. XXI v.d. D.</a></i>) + tegelijk met het Lichaam verdwijnt, van niet de minste + beteekenis is vergeleken bij wat er van hem overblijft. + Doch hierover straks meer.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XXXIX.</i></p> + +<p>Wie een Lichaam heeft dat tot velerlei in staat is, heeft een +Geest welks grootste deel eeuwig is.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Wie een Lichaam heeft dat in staat is velerlei dingen te doen, +zal het minst gekweld worden door slechte aandoeningen (<i>vlg. <a href="#d4s38">St. +XXXVIII D. IV</a></i>) d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d4s30">St. XXX D. IV</a></i>), door aandoeningen +welke met onzen aard in strijd zijn. Hij zal dus de macht hebben +(<i>vlg. <a href="#d5s10">St. X v.d. D.</a></i>) om zijn lichaamsindrukken te rangschikken +en te verbinden naar orde des begrips en bijgevolg om te bewerken +(<i>vlg. <a href="#d5s14">St. XIV v.d. D.</a></i>) dat al zijn lichaamsindrukken in verband +komen met de gedachte aan God. Dientengevolge zal hij (<i>vlg. <a href="#d5s15">St. +XV v.d. D.</a></i>) jegens God een Liefde gevoelen, welke (<i>vlg. <a href="#d5s16">St. XVI +v.d. D.</a></i>) het grootste deel van zijn Geest moet innemen of +uitmaken, zoodat hij dus (<i>vlg. <a href="#d5s33">St. XXXIII v.d. D.</a></i>) een Geest +zal hebben, welks grootste deel eeuwig is. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Wijl de menschelijke lichamen tot velerlei + in staat zijn, lijdt het geen twijfel of het ligt in hun + aard, dat zij behooren kunnen bij Geesten die groote + kennis van zichzelf en van God hebben en wier grootste en + belangrijkste deel eeuwig is, zoodat zij den dood + nauwelijks vreezen. Opdat dit evenwel nog duidelijker + worde, zij er hier op gewezen dat wij leven in een + voortdurende wisseling en nu eens in beter, dan weer in + slechter toestand geraken en dientengevolge gelukkig of + ongelukkig genoemd worden. Immers wie van kind of knaap + in een lijk verandert, wordt ongelukkig genoemd; + daarentegen beschouwt men het als een geluk wanneer men + den geheelen levensstrijd met een gezonden Geest en een + gezond Lichaam kan doorloopen. En inderdaad, wie, zooals + een kind of knaap, een lichaam heeft dat tot zeer weinig + in staat is en in de hoogste mate afhankelijk van + uitwendige invloeden, heeft ook een geest die op zichzelf + beschouwd, zich haast niet bewust is van zichzelf, van + God of van de dingen. Omgekeerd, wie een lichaam bezit, + tot veel bekwaam, heeft ook een Geest, die op zichzelf + beschouwd zich sterk bewust is van zichzelf, van God en + van de dingen. Wij streven er dus in dit leven in de + eerste plaats naar om het kinderlijk lichaam, voorzoover + zijn aard dit gedoogt en voorzoover het nuttig voor hem + is, te veranderen in een dat tot velerlei bekwaam is en + bij een Geest behoort die zich zoo sterk mogelijk bewust + is van zichzelf, van God en van de dingen. En dat wel + zoozeer dat [ten laatste] al wat betrekking heeft op zijn + geheugen of verbeelding, in vergelijking met zijn + verstand van nauwelijks eenige beteekenis wordt, gelijk + ik in de Opmerking der voorgaande Stelling reeds heb + gezegd.</p> + </div> + + +<div class="stelling" id="d5s40"> +<p><i>Stelling XL.</i></p> + +<p>Hoe volmaakter eenig wezen is, hoe meer handelt het en hoe minder +lijdt het. En omgekeerd: hoe meer het handelt, hoe volmaakter is +het.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>Hoe volmaakter een wezen is, hoe meer werkelijkheid bezit het +(<i>vlg. <a href="#d2d6">Definitie VI D. II</a></i>) +en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III</a> en +<a href="#d3s3o">Opmerking D. III</a></i>) hoe meer handelt het en hoe minder lijdt het. +Welk bewijs in omgekeerde volgorde op dezelfde wijze geleverd kan +worden, waaruit volgt dat ook omgekeerd een wezen des te +volmaakter is hoe meer het handelt. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="gevolg"> + <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt, dat het deel van den Geest dat + overblijft, van welken omvang het ook zij, volmaakter is + dan het overige. Immers het eeuwig deel van den Geest is + (<i>vlg. <a href="#d5s23">St. XXIII</a> en + <a href="#d5s29">XXIX v.d. D.</a></i>) het verstand, het + eenige waardoor wij handelen (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>). Dat + deel echter dat, naar wij aantoonden, te gronde gaat, is + de verbeelding [voorstelling] zelf (<i>vlg. <a href="#d5s21">St. XXI v.d. + D.</a></i>), het eenige waardoor wij lijden (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. + III</a> en <a href="#d3n_">de Alg. Definitie der Aand.</a></i>). Derhalve is het + eerste (<i>vlg. <a href="#d5s40">voorgaande St.</a></i>), van welken omvang het ook + zij, volmaakter dan het tweede. H.t.b.w.</p> + </div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Dit is wat ik mij had voorgenomen aan te + toonen omtrent den Geest, beschouwd buiten verband met + het lichamelijk bestaan. Waaruit blijkt, evenals uit + <a href="#d1s21">Stelling XXI Deel I</a> en andere stellingen, dat onze Geest, + voorzoover hij begrijpt, een eeuwige openbaring des + Denkens is, welke door een andere eeuwige denkwijze + bepaald wordt, en deze wederom door een andere en zoo tot + in het oneindige, zoodanig dat al deze openbaringen + tezamen Gods eeuwig en oneindig verstand uitmaken.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLI.</i></p> + +<p>Zelfs al wisten wij niet dat onze Geest eeuwig is, zoo zouden wij +toch vroomheid [rechtschapenheid] godsdienstzin en in het +algemeen alles wat wij in het vierde Deel als behoorende tot +Kloekheid en Edelmoedigheid hebben aangeduid, van het grootste +belang achten.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De eerste en eenige grondslag der Deugd of der juiste levenswijze +is (<i>vlg. <a href="#d4s22g">Gevolg St. XXII</a> en +<a href="#d4s24">St. XXIV D. IV</a></i>) het behartigen van +het eigen belang. Om echter uit te maken wat de Rede als nuttig +beschouwt, hebben wij in het geheel geen rekening gehouden met de +eeuwigheid van den Geest welke wij eerst in <a href="#deel5">dit Vijfde Deel</a> +hebben leeren kennen. Ofschoon wij dus toentertijd nog niet +wisten dat de Geest eeuwig is, hebben wij niettemin al wat, naar +wij aantoonden, met Zielegrootheid en Edelmoedigheid in verband +staat, als van het hoogste belang beschouwd. Derhalve: al wisten +wij dit nu nog niet, zoo zouden wij nochtans die voorschriften +der Rede van het hoogste belang achten. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Het gewone volk schijnt hieromtrent een + andere meening te hebben. De meesten toch schijnen te + gelooven dat zij vrij zijn voorzoover zij hun lusten + kunnen botvieren en dat zij afstand doen van hun recht, + wanneer zij gehouden zijn volgens het voorschrift der + goddelijke wet te leven. Vroomheid en Godsdienstzin, en + in het algemeen alles wat met zielskracht verband houdt, + vinden zij een last, welken zij na den dood hopen af te + werpen, om het loon voor hun slaafschheid--die Vroomheid + en Godsdienstigheid namelijk--te ontvangen. En niet + alleen door deze Hoop, doch ook, en veel meer nog, door + de Vrees dat zij na den dood zwaar zullen worden + gestraft, worden zij er toe gedreven om volgens de + voorschriften der goddelijke wet te leven, voorzoover + tenminste hun zwakheid en machteloosheid van ziel dit + vermag. Indien deze Hoop en Vrees de menschen niet + vervulden en zij integendeel geloofden dat de Geest met + het Lichaam te gronde ging en dat zij, rampzaligen, nadat + de last der rechtschapenheid hen had uitgeput, niet + langer [hiernamaals] behoefden te leven, zouden zij + terugvallen in hun oorspronkelijken aard, alles naar hun + eigen lusten willen inrichten en liever aan het lot dan + aan zichzelf gehoorzamen. Wat mij niet minder ongerijmd + voorkomt dan dat iemand, wijl hij niet gelooft dat hij + zijn Lichaam in alle eeuwigheid met kostelijke spijzen + zal kunnen voeden, zich liever maar verzadigt met + vergiften en doodbrengende zaken; of dat hij, inziende + dat de Geest niet eeuwig of onsterfelijk is, liever + krankzinnig zou willen zijn en zonder Rede leven. Hetgeen + zoo ongerijmd is dat het nauwelijks verdient ter sprake + te worden gebracht.</p> + </div> + + +<div class="stelling"> +<p><i>Stelling XLII.</i></p> + +<p>De Gelukzaligheid is niet het loon der Deugd, maar de Deugd +[Zielskracht] zelf en wij verheugen ons niet in haar omdat wij +onze lusten bedwingen, maar omgekeerd, wijl wij ons in haar +verheugen, zijn wij bij machte onze lusten te beheerschen.</p> +</div> + +<div class="bewijs"> +<p><i>Bewijs.</i></p> + +<p>De Gelukzaligheid bestaat in de Liefde tot God (<i>vlg. <a href="#d5s36">St. XXXVI</a> +en <a href="#d5s36o">Opmerking v.d. D.</a></i>), welke Liefde uit de derde soort van +kennis voortspruit (<i>vlg. <a href="#d5s32g">Gevolg XXXII v.d. D.</a></i>). Derhalve moet +deze Liefde (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX</a> en +<a href="#d3s3">III D. III</a></i>) den Geest eigen zijn +voorzoover hij handelt en is zij dus (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII D. +IV</a></i>) de Deugd zelf. Dit wat het eerste betreft. Hoe meer voorts +de Geest zich in deze goddelijke Liefde of Gelukzaligheid +verheugt, hoe meer begrijpt hij (<i>vlg. <a href="#d5s32">St. XXXII v.d. D.</a></i>) d.w.z. +(<i>vlg. <a href="#d5s3g">Gevolg St. III v.d. D.</a></i>) hoe grooter macht heeft hij +tegenover de aandoeningen en (<i>vlg. <a href="#d5s38">St. XXXVIII v.d. D.</a></i>) hoe +minder heeft hij te lijden onder aandoeningen welke slecht zijn. +Derhalve: doordat de Geest zich in die goddelijke Liefde of +Gelukzaligheid verheugt, heeft hij de macht om zijn lusten te +bedwingen. En wijl de menschelijke macht tot bedwingen der +aandoeningen alleen bestaat in begrijpen, verheugt zich dus +niemand in Gelukzaligheid òmdat hij zijn lusten bedwingt, maar +komt integendeel de macht om zijn lusten te bedwingen voort uit +de Gelukzaligheid zelf. H.t.b.w.</p> +</div> + + <div class="opmerk"> + <p><i>Opmerking:</i> Hiermede heb ik alles afgehandeld wat ik + over de macht van den Geest tegenover de aandoeningen en + over de Vrijheid van den Geest heb willen betoogen. Er + blijkt hieruit, hoeveel de wijze vermag en hoeveel + sterker hij is dan de onwetende die alleen door lust + geleid wordt. Immers behalve dat de onwetende door tal + van uitwendige oorzaken her en der gedreven wordt en + nooit waarachtige zielsrust erlangt, leeft hij bovendien + als onbewust van zichzelf, van God en van de dingen, en + zoodra hij ophoudt te lijden houdt hij tevens op te + bestaan. De wijze daarentegen, voorzoover men hem als + zoodanig beschouwt, wordt nauwelijks van gemoed bewogen + en houdt--met eeuwige noodwendigheid zich bewust van + zichzelf, van God en van de dingen--nooit op te bestaan, + en is steeds de waarachtige zielsrust deelachtig. Indien + al de weg, welke, naar ik aantoonde, daarheen leidt, zeer + bezwaarlijk lijkt te zijn, hij kan nochtans worden + gevonden. En voorzeker, wèl moet het moeilijk zijn, wat + men zóó zelden aantreft. Want indien de redding voor het + grijpen lag en zonder groote inspanning te bereiken was, + hoe ware het dan wel mogelijk dat zij door bijkans + iedereen wordt voorbij gezien? Doch àl voortreffelijks is + even moeizaam als zeldzaam.</p> + </div> + + +<h4>EINDE.</h4> +<hr class="full" /> + + + + +<h3 id="aanteek">AANTEEKENINGEN</h3> + + + +<hr /> + +<h3 class="lined">AANTEEKENINGEN</h3> + +<hr /> + + +<p>Deze aanteekeningen geven geen volledig commentaar, nog minder +kritiek. Zij bedoelen slechts de aandacht te vestigen op woorden +die voor sommige lezers verklaring behoeven, of op plaatsen die +aanleiding tot misverstand zouden kunnen geven. Waar ik +vertalingen van anderen aanhaal (dr. H. Gorter, Dr. W. Meyer en +de Duitsche van J. Stern) geschiedt dit allerminst met kritisch +opzet, doch alleen om den lezer te doordringen van het besef dat +Spinoza's terminologie somtijds voor verschillende uitlegging of +omschrijving vatbaar is en dat men bij hem, zoo ergens, meer op +den geest dan op de woorden moet letten.</p> + + +<div class="nootbloc"> +<br /> +<br /> +</div> +<div class="nootbloc"> +<p class="nootitem" id="aanteken1">[Aanteekening 1: +<i>Essentia.</i> Wezen. De eeuwige, +onveranderlijke aard of natuur van iets. In de "Korte +verhandeling van God, de Mensch en deszelfs welstand" zegt +Spinoza: "De wezentheden van de zaaken zijn van alle Ewigheid +en zullen in alle ewigheid onveranderlijk blijven". Zie ook +<a href="#d2d2">Definitie II Deel II</a>. Over "zijnszelfs oorzaak" zie +aanteekening 8<a href="#aanteken8">[a8]</a>.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag1">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken2">[Aanteekening 2: +<i>Substantie.</i> Ik gebruik niet het door +Spinoza zelf gebezigde woord "Zelfstandigheid", daar het in +den tegenwoordigen tijd een te beperkten, stoffelijken zin +heeft. Ook niet "zelfstandig-bestaan, het zelfstandige of +zelfbestaan" (Meyer), hoewel deze termen minder tot +verwarring aanleiding geven. Het lijkt mij een overdreven +taalzuivering, woorden als substantie en attribuut, die met +Spinoza's leer gemeengoed der geheele wereld zijn geworden, +door Nederlandsche te vervangen. De vreemde termen dwingen +tot nadenken, eerst na tal van herhalingen en omschrijvingen +worden zij volkomen verstaanbaar, maar zijn dan tenslotte ook +duidelijker dan Nederlandsche uitdrukkingen, waaraan men +gemakkelijker nog een andere beteekenis hecht.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag2">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken3">[Aanteekening 3: +<i>Attributen.</i> Meyer vertaalt +"wezens<i>kenmerk</i>". Bedoeld is echter niet zoozeer dat waaraan +men het wezen van iets herkent, maar dat waarin zich het +wezen <i>aan ons</i> openbaart, de <i>vorm</i> waarin het verstand het +wezen opvat. Wezens<i>vorm</i> ware dus juister. Spinoza zelf +spreekt in de Korte Verhandeling over "Eygenschappen" en +"Eygene Eygenschappen", geeft echter toe dat dit onduidelijk +en dubbelzinnig is, daar men met dit woord meestal aanduidt +kenmerkende eigenaardigheden van dingen (Latijn: <i>propria</i>) +die "wel aan een zaak behooren, edog nooit en verklaren wat +de zaak is." Men voelt het verschil wanneer men overweegt dat +Gods (voor ons menschen kenbare) attributen zijn: "Denken en +Uitgebreidheid" (moderner: Geest en Materie). Deze +<i>werkelijkheden</i>, die Godzelf <i>zijn</i>, voorzoover hij zich aan +ons menschelijk verstand openbaart, kan men wel Gods +wezens<i>vormen</i> noemen, maar niet zijn kenmerken, nog minder +zijn eigenschappen. Wel zou men deze laatste woorden kunnen +bezigen voor Gods onveranderlijkheid, eeuwigheid, almacht, +alwijsheid enz. Zij worden, zooals Spinoza het uitdrukt: +"toegepast" aan de "<i>eigene</i> eigenschappen" (attributen), +zooals bijv. "verstaning" (begrip) aan het Denken, "beweging" +aan de Uitgebreidheid.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag3">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken4">[Aanteekening 4: +<i>Bestaanswijzen.</i> (<i>modus</i>, <i>modificatio</i>, +<i>affectio</i>). Spinoza spreekt in de Korte Verhandeling van +"bezondere wijzing" of "toeval". Bedoeld zijn de dingen als +(geestelijke of stoffelijke) verschijningen.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag4">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken5">[Aanteekening 5: +<i>Openbaringen</i> (<i>affectiones</i>). Meyer: +wijzigingen; Gorter: aandoeningen; Stern: Erregungen. Al deze +woorden kunnen tot misverstand aanleiding geven, zij drukken, +zooals trouwens ook het Latijnsche woord "<i>affectio</i>", een +lijden, een ondergaan uit, wat geheel en al in strijd is met +Spinoza's Godsbegrip. Alleen waar het de menschelijke +gemoedsbewegingen betreft heb ik <i>affectio</i> en <i>affectus</i> met +<i>aandoening</i> vertaald; zie aanteekening 33<a href="#aanteken33">[a33]</a>.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag5">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken6">[Aanteekening 6: +<i>Eene substantie.</i> Sommigen vertalen "<i>de</i> +substantie". Spinoza bewijst echter eerst later dat er +slechts ééne substantie bestaan kan.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag6">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken7">[Aanteekening 7: +Letterlijk: "uit oneindige attributen". De +bedoeling is echter blijkens de toelichting: "uit een +oneindig aantal".]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag7">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken8">[Aanteekening 8: +"De zelfstandigheid staat wegens zijn natuur +voor alle zijne Toevallen" (<i>modificationes</i>). (Korte +verhandeling, Aanhangsel. Ax. I). +<br /> +Dit vóórgaan is niet in tijdelijken, maar in logischen zin +bedoeld. Spinoza's causaliteitsbegrip is niet de gewone +"oorzaak en gevolg"-voorstelling, maar die van <i>wiskundige</i> +afhankelijkheid, van <i>logisch</i> in iets anders begrepen zijn. +Vandaar ook dat hij oorzaak (<i>causa</i>) en reden (<i>ratio</i>) als +synoniemen gebruikt. <i>Causa sui</i>, zijns-zelfs oorzaak, wordt +daarom ook <i>niet</i> gedefinieerd als iets dat zichzelf zou +hebben <i>geschapen</i>, maar als datgene wat krachtens (om +<i>reden</i> van) zijn eigen wezen <i>bestaat</i>.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag8">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken9">[Aanteekening 9: +<i>Rerum natura</i>. Eigenlijk "in de natuur der +dingen". Het woord <i>natura</i> wordt echter afwisselend gebruikt +in de beteekenis van "aard, wezen, karakter" en van "Natuur, +Heelal". Ik vertaalde slechts met "natuur" waar dit woord +geheel ondubbelzinnig is.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag9">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken10">[Aanteekening 10: +<i>Onder</i>, als openbaring van.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag10">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken11">[Aanteekening 11: +<i>a posteriori</i>, van achteren beschouwd, +afgeleid uit de ervaring omtrent voorgaande dingen.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag11">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken12">[Aanteekening 12: +<i>a priori</i>, van voren aan, voor of zonder +de ervaring, alleen door redeneering afgeleid.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag12">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken13">[Aanteekening 13: +<i>Passio</i>, heeft hier meer de beteekenis van +"hartstocht". Overigens gebruikt Spinoza het woord meestal in +den letterlijken zin van "lijden", het ondergaan van een +gemoedsbeweging (door hemzelf in de Korte Verhandeling, en +ook voortaan in deze vertaling, weergegeven door "lijding") +in tegenstelling met het begrip "actio", (vrije) handeling. +Zie <a href="#d3d2">de definities van Lijding en Handeling (Def. II Deel III)</a>.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag13">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken14">[Aanteekening 14: +<i>Quantitas</i>, hoeveelheid, hoegrootheid. +Bedoeld is hier echter een lichamelijke, stoffelijke +"uitgebreide" massa (de continue stof) en niet de oneindige +"ruimte".]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag14">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken15">[Aanteekening 15: +<i>Abstract</i>, heeft hier niet de beteekenis +van zelfgewilde, redelijke, logische afzondering, maar van de +onwillekeurige afzondering der dingen die door onze +zintuigelijke waarneming op zichzelf reeds plaats grijpt.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag15">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken16">[Aanteekening 16: +Het begrip "<i>imaginari</i>" (zich verbeelden) +wordt door Spinoza niet steeds in denzelfden zin, of liever +steeds in een zeer ruimen zin, gebruikt. In <a href="#d2s17o">Opmerking St. +XVII D. II</a> definieert hij het als: "zich iets als <i>aanwezig</i> +voorstellen" en de bedoeling schijnt daar blijkens het +zinsverband te zijn: "Iets, <i>dat er in werkelijkheid niet +is</i>". Dit is ons gewone "zich verbeelden" of "zich +inbeelden". Spinoza gebruikt echter meestal het woord in den +ruimen zin van: "zich een beeld vormen", dus "zich iets +voorstellen", onverschillig of het voorwerp dier voorstelling +feitelijk aanwezig is of niet. Zoo bv. in <a href="#d2s18b">Bewijs St. XVIII D. +II</a>, waar de voorstelling van een voorwerp, dat uitdrukkelijk +als in <i>aanraking</i> zijnde met het menschelijk lichaam genoemd +wordt, een "verbeelding" heet. In <a href="#d2s17o">de Opmerking bij St. XVII +D. II</a> heet het dat wij ons de zon dichtbij <i>verbeelden</i> +(zien, waarnemen) ook al weten wij dat zij zeer ver af staat. +Ook in <a href="#d2s26gb">het Bewijs van Gevolg St. XXVI D. II</a> wordt (met een +beroep zelfs op <a href="#d2s17o">de Opmerking bij St. XVII</a>) <i>iedere</i> +zintuigelijke <i>waarneming</i> "verbeelding" genoemd, waarbij dan +tevens betoogd wordt dat deze zintuigelijke waarneming ons de +dingen niet adaequaat doet kennen. In <a href="#d2s49o">de Opmerking bij St. +XLIX D. II</a> wordt gewaarschuwd om "verbeeldingen, woorden en +voorstellingen" met elkaar te verwarren en onze +voorstellingen te beschouwen als "stomme schilderijen op een +paneel". Hier bedoelt Spinoza dan echter met "voorstelling" +meer uitsluitend een zuiver redelijk begrip, zooals hij dit +in <a href="#d2s48o">de Opmerking bij St. XLVIII</a> definieert: "geen beeld zooals +het op den achtergrond van ons oog gevormd wordt, maar +begrippen van het Denken." +<br /> +Meestal vertaalde ik <i>imaginatio</i> met "verbeelding" om den +lezer met Spinoza's terminologie vertrouwder te maken. Waar +verwarring te vreezen was gebruikte ik het woord +"voorstelling."]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag16">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken17">[Aanteekening 17: +<i>Causa efficiens</i>, bewerkende oorzaak; +naast <i>causa finalis</i>, oorzaak voorzoover daarbij tevens aan +het resultaat gedacht wordt, doel-oorzaak, doel-einde, +beweegreden.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag17">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken18">[Aanteekening 18: +<i>Per se</i>, door zichzelf, krachtens eigen +noodwendigheid, en <i>per accidens</i>, door een andere, +bijkomstige, toevallige zaak of omstandigheid veroorzaakt.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag18">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken19">[Aanteekening 19: +<i>Formalis rerum essentia</i>, <i>Ens (of Esse) +formale</i> of <i>reale</i>, door Spinoza zelf vertaald met +"formelijk, dadelijk wezen". Vorm-hebbend, +<i>werkelijk-bestaand</i>, <i>feitelijk</i>, in tegenstelling met <i>ens +rationis</i> (wezen van Reden, Sp.), wezen voor zoover het +slechts in de voorstelling bestaat. +<br /> +<i>Forma</i>, aard, wezen, natuur, bestaansvorm.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag19">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken20">[Aanteekening 20: +<i>Objective</i>, als iets voorwerpelijks, +(d.w.z. als een beeld) bestaande in de voorstelling. Zie ook +in <a href="#d2s8g">Gevolg St. VIII Deel II</a>: "het objectief bestaan der dingen +ofwel hun voorstelling."]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag20">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken21">[Aanteekening 21: +<i>Principia philosophiae Cartesianae</i>. Deel +I Stelling XIX. <i><a href="#d1s19">Stelling XIX</a></i> God is eeuwig. +<br /> +<i>Bewijs.</i> God is het meest volmaakte wezen, waaruit volgt dat +hij noodzakelijk moet bestaan. Indien wij hem echter een +beperkt bestaan toekenden, zouden de grenzen van zijn bestaan +noodzakelijk zoo niet door ons, dan toch door God zelf +begrepen moeten worden, aangezien hij het hoogste verstand +is. Zoodat God zich bewust zou zijn dat hijzelf, te weten het +hoogst volmaakte wezen, buiten die zekere grenzen niet +bestond; hetgeen ongerijmd is. Derhalve heeft God niet een +beperkt, doch een oneindig bestaan, hetwelk wij eeuwigheid +noemen. God is dus eeuwig.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag21">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken22">[Aanteekening 22: +<i>Absoluut</i>, vrij, onafhankelijk, op +zichzelf staand, onvoorwaardelijk, volstrekt. +<br /> +<i>Ex absoluta natura</i>, uit niets dan het wezen, uit het wezen +geheel op zichzelf, afgescheiden van zijn verschijningsvormen +beschouwd.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag22">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken23">[Aanteekening 23: +<i>Cogitatio</i>, in de Korte Verhandeling +vertaald met "Denking". Waar ons begrip "Denken" alle +geestelijke verschijnselen omvat, achtte ik het niet noodig +het ongewone woord "Denking" te aanvaarden.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag23">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken24">[Aanteekening 24: +Het gebruik van het woord <i>modus</i>, +<i>modificatio</i> (bestaanswijze, wijziging) voor iets +noodwendigs en oneindigs, lijkt in strijd met Spinoza's eigen +opvatting en omschrijving der verschijningswereld als een +samenstel van tijdelijke, begrensde en dus eindige dingen. +Wat Spinoza in <a href="#d1s21">deze stellingen XXI</a>, <a href="#d1s22">XXII</a> +en <a href="#d1s23">XXIII</a> bedoelt met +deze <i>oneindige</i> bestaanswijzen, zijn niet "dingen, in de +attributen voortgebracht", maar de onmiddellijke +openbaringswijzen der attributen zelf, datgene wat, zooals +Spinoza elders zegt, moet worden "toegepast aan de eigene +Eigenschappen" (zie aanteekening 3<a href="#aanteken3">[a3]</a>). Dit blijkt ook uit de +opheldering die Spinoza zelf geeft in een brief (LXIV) aan +C.H. Schuller, die hem verzocht had voorbeelden te noemen van +zaken die onmiddellijk door God, en van zaken welke eerst +door bemiddeling van een "oneindige wijziging" zijn +voortgebracht. Spinoza antwoordde hierop: "De voorbeelden +tenslotte, welke gij verlangt van de eerste soort, zijn in +het Denken het absoluut oneindig verstand [nl. Gods verstand +of wil, zie <a href="#d1s32g2">St. XXXII Gevolg II</a>], in de Uitgebreidheid de +Beweging en de Rust; voorbeeld van de tweede soort echter is +het aanzien van het gansche Heelal dat, hoewel het op +oneindig vele wijzen wisselt, toch steeds hetzelfde blijft."]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag24">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken25">[Aanteekening 25: +<i>Concludi sive percipi</i>. Ook het gebruik +dat Spinoza maakt van de woorden <i>percipere</i>, <i>concipere</i>, +<i>sentire</i>, staat niet vast. Hier is <i>percipere</i> gelijkgesteld +met begrijpen, elders met in zich opnemen, opvatten, +waarnemen, gewaarworden, voorstellen, of wordt het als +synoniem beschouwd met <i>sentire</i>, dat weer meestal voelen, +gewaarworden, zich bewustzijn beteekent (Zie <a href="#d2s49o">Opmerking St. +XLIX Deel II</a>: <i>sentire sive percipere</i>, waarnemen of in ons +opnemen). Daarentegen vindt men in <a href="#d2a5">Axioma V Deel II</a> weer: +<i>sentimus nec percipimus</i> (waarnemen noch gewaarworden) +waardoor dus weer een onderscheid tusschen de beide begrippen +gesteld wordt. In <a href="#d2d3">Def. III Deel II</a> tracht Spinoza te +onderscheiden tusschen <i>conceptio</i> en <i>perceptio</i> (waarneming +en gewaarwording, zie ook aanteekening 30<a href="#aanteken30">[a30]</a>) zonder evenwel +verder die onderscheiding streng vol te houden. In <a href="#d2s5">St. V Deel +II</a> bijvoorbeeld spreekt hij alweer van: <i>ideata sive res +perceptas</i> (het voorgestelde <i>of</i> de waargenomen dingen). +<br /> +Ik heb deze begrippen overal vertaald met die schakeering +welke mij voor iedere bepaalde plaats het duidelijkst leek.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag25">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken26">[Aanteekening 26: +<i>Natura naturans</i>, God als absolute, uit +zichzelf werkende, eerste oorzaak, als actief scheppend beginsel. +<br /> +<i>Natura naturata</i>, God als schepping, geschapenheid, als zijn +eigen openbaring, als verschijning van zichzelf, als wereld +der dingen, als Natuur in den gewonen zin.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag26">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken27">[Aanteekening 27: +<i>Actu</i>, actief, werkend, en <i>in potentia</i>: +potentieel, gedacht als een vermogen om te denken, +verstand-in-aanleg.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag27">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken28">[Aanteekening 28: +Bedoeld is: zouden zij allen, ook al +brachten zij in ieder mensch, naar elks gevoel verschillende +aandoeningen teweeg, toch, evenals wiskundige waarheden, door +alle menschen op dezelfde wijze worden begrepen.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag28">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken29">[Aanteekening 29: +<i>Corpus</i>. Om alle verwarring te vermijden +heb ik overal waar <i>corpus</i> niet in wiskundigen zin gebruikt +wordt, of waar niet in het bijzonder het <i>menschelijk</i> +lichaam bedoeld is, het woord "voorwerp" gebezigd.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag29">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken30">[Aanteekening 30: +Andere vertalers (Gorter, Meyer, Stern) +hebben: liever <i>begrip</i> dan <i>waarneming</i>. M.i. is deze +vertaling verwarrend. Immers begrip heeft voor ons juist een +<i>engere</i> beteekenis dan voorstelling zonder <i>meer</i>. Bovendien +ligt in het woord waar<i>neming</i> niets passiefs, zooals in +gewaar<i>wording</i>. (Zie ook aanteekening 25<a href="#aanteken25">[a25]</a>)]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag30">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken31">[Aanteekening 31: +<i>Adaequaat</i>. Letterlijk: evenarend, gelijkend op, +gelijkkomend aan. De vertaling van dit begrip, +zooals het door Spinoza wordt gebruikt, door één woord is +onmogelijk. Dikwijls zou "juist" of "waar" voldoende zijn, +dan weder ware "volledig" of "helder en duidelijk", of +"overeenstemmend met, beantwoordend aan het voorwerp der +voorstelling" beter. +<br /> +<i>Inadaequaat</i>, <i>gedeeltelijk</i> (in <a href="#d3d1">Def. I Deel III</a>) of, als +tegenstelling met "helder en duidelijk": gebrekkig en +verward. +<br /> +Overigens blijkt de beteekenis dezer woorden zoo duidelijk op +tal van plaatsen, dat ik het Latijnsche woord, dat trouwens +evenals substantie en attribuut overal burgerrecht verkreeg, +onvertaald laat.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag31">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken32">[Aanteekening 32: +<i>Perfectio</i>. Hier is het woord "volmaakt" +in zuiver letterlijken zin op te vatten als "geheel-af +gemaakt", zoodat aan alle denkbare voorwaarden van het +bestaan ervan inderdaad voldaan is.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag32">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken33">[Aanteekening 33: +<i>Affici</i>. Spinoza gebruikt <i>afficere</i>, +"aandoen", voor iedere inwerking, zoowel geestelijk als +lichamelijk (<a href="#d3d3">Def. III Deel III</a>). Omdat het moderne +spraakgebruik echter bij het woord aandoening (óók zelfs bij +"lichaams-aandoening") in de eerste plaats aan +<i>gemoeds</i>beweging, (den weerslag der inwerking op onzen +geest) doet denken, heb ik in mijn vertaling overal waar deze +laatste niet bedoeld is, gesproken van "inwerking".]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag33">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken34">[Aanteekening 34: +D.w.z. de mensch heeft niet den aard +(<i>forma</i>, zie aanteekening 19<a href="#aanteken19">[a19]</a>) van een zelfstandig +bestaand wezen.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag34">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken35">[Aanteekening 35: +Feitelijk bestaan, aanzijn, Duitsch: +Dasein.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag35">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken36">[Aanteekening 36: +Bedoeld is: en in dit geval, voorzoover wij +namelijk den mensch, met voorbijzien der andere attributen, +slechts als Geest beschouwen, bestaat zijn wezen uit +bestaanswijzen van het Denken.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag36">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken37">[Aanteekening 37: +Waarop zich bijvoorbeeld A bevindt, zooals +een of ander voorwerp op de aarde.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag37">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken38">[Aanteekening 38: +<i>Forma</i>. De eigenlijke vorm, <i>gedaante</i>, is +in <a href="#d2a3">Ax. III</a> reeds <i>figura</i> genoemd, het schijnt dus dat hier +iets anders bedoeld is. Dit blijkt ook uit <a href="#d2h5">Hulpstelling V</a> +waar, door vergrooting of verkleining der deelen, de gedaante +van het geheel wel degelijk zou veranderen. Het best lijkt +mij de beteekenis weer te geven met: eigenaardigheid, +<i>karakter</i>, wat ook blijkt uit <a href="#d2h4b">het "Bewijs"</a>: de "<i>forma</i>" +hangt af van het verband; het verband blijft bestaan, dus +behoudt het individu zijn "<i>natura</i>". +<br /> +Eigenlijk beteekenen dus wendingen als, "zal het individu +zijn aard (<i>natura</i>) behouden" en "geenerlei verandering van +karakter (<i>forma</i>) ondergaan" hetzelfde en lijkt hun +koppeling overbodig; tenzij men wezen en karakter niet geheel +als identiek beschouwt, maar karakter opvat als "wijze waarop +zich het wezen in de werkelijkheid vertoont" (zie ook de +beteekenis van <i>formalis</i> als "werkelijk bestaand" in +aanteekening 19<a href="#aanteken19">[a19]</a>)]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag38">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken39">[Aanteekening 39: +<i>Vera</i>, ware. Spinoza bedoelt "volledige". +<br /> +Deze botsings- en terugkaatsingstheorie lijkt vrij naïef, +maar verschilt in wezen niets van iedere andere mechanische +of physische verklaring der indrukken van het menschelijk +lichaam. Overigens verlieze men nooit uit het oog dat Spinoza +nooit de geestelijke verschijnselen modern-materialistisch op +mechanische wijze "verklaart", d.w.z. niet leert dat +stoffelijk-mechanische verschijnselen de geestelijke +verschijnselen <i>veroorzaken</i>, maar dat zij die verschijnselen +zelf <i>zijn</i> onder een ander gezichtspunt (als openbaring van +een ander attribuut) beschouwd.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag39">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken40">[Aanteekening 40: +<i>Transcendentale begrippen</i>. Oorspronkelijk +wordt hiermede bedoeld: wat (de zintuigelijke waarneming) te +boven gaat; bovenzinnelijk; niet op ervaring berustend. Hier +heeft het echter de beteekenis van "afgetrokken", waarbij van +alle bijzonderheid is afgezien.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag40">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken41">[Aanteekening 41: +<i>Intuïtief</i>: door onmiddellijke +aanschouwing (doorzien) van het wezenlijke in iets.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag41">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken42">[Aanteekening 42: +<i>Volitio</i>. Ik gebruik het woord "willing" +naar analogie met "lijding" om een bijzondere bestaanswijze +van den "wil" aan te duiden. Het gewone "wilsuiting" toch +slaat eigenlijk meer op het resultaat van dien bijzonderen +wil, of althans op de manier waarop hij zich openbaart.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag42">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken43">[Aanteekening 43: +<i>In evenwicht</i>, d.w.z. wanneer hij geen +keus weet te doen, wijl vóór en tegen elkaar opwegen. +<br /> +<i>Jean Buridan</i>, 1297-1358, rationalistisch wijsgeer. De +vergelijking van den ezel, die tusschen twee evenver +verwijderde bossen hooi staande, van honger omkomt, is in +zijn werken niet te vinden, maar waarschijnlijk verzonnen +door zijn bestrijders om zijn determinisme belachelijk te +maken.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag43">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken44">[Aanteekening 44: +<i>Inculcare non teneor, quid unusquisque +somniare potest.</i> Volgens anderen: maar omdat ik niet +gehouden ben in te gaan op al wat men belieft te droomen.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag44">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken45">[Aanteekening 45: +Ook in het zeldzamer geval dat wij wéten +dat wij droomen, bekijken wij weliswaar kritisch en +oordeel-opschortend onzen eigen droom, maar oefenen toch niet +een willekeurigen invloed uit op zijn beloop.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag45">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken46">[Aanteekening 46: +<i>Pietas</i>. Vroomheid in de ruimste +beteekenis: rechtschapenheid, flinkheid, plichtsbetrachting.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag46">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken47">[Aanteekening 47: +Bij Spinoza staat "derde". Het wordt echter +feitelijk in het vierde Deel betoogd. In den oorspronkelijken +opzet had de Ethica evenwel een andere indeeling, vandaar +Spinoza's vergissing.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag47">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken48">[Aanteekening 48: +De onderstelling van Spinoza dat +handelingen van "redelooze" dieren of van slaapwandelaars +buiten den geest om zouden plaats kunnen grijpen is +natuurlijk geheel willekeurig en in strijd met de +hedendaagsche opvattingen omtrent de onderbewuste werkingen +van den geest.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag48">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken49">[Aanteekening 49: +Toespeling op het later ook aangehaalde +"<i>Video meliora proboque, deteriora sequor</i>". (Wel zie ik het +betere en prijs het; toch jaag ik het slechtere na) Ovidius, +Metam: VII. 20.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag49">(terug)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken50">[Aanteekening 50: +<i>Appetitus</i>. Drang. Bij anderen: lust, +verlangen. Het komt mij echter voor dat hier het woord een +nog algemeener beteekenis heeft.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag50">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken51">[Aanteekening 51: +<i>Potentia agendi</i>. Dit "vermogen tot +handelen" moet niet als geheel gelijkluidend met werkkracht +of energie worden opgevat. Immers lichaam of geest kunnen +zeer werkzaam zijn en daarbij toch "lijden" in +Spinozistischen zin. Wel geeft "levenskracht", opgevat als +kracht om in zijn bestaan te volharden, de beteekenis weer.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag51">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken52">[Aanteekening 52: +De vertaling van Spinoza's terminologie der +gemoedsaandoeningen is bijzonder lastig, daar hij zich--naar +hijzelf erkent (<a href="#d3n20t">Toelichting Def. XX der Aandoeningen D. +III</a>)--geenszins houdt aan de gewone gangbare beteekenis der +woorden. Daardoor geeft hij soms definities die aan een +eenmaal bestaanden term een beperkter of wijder strekking +geven. Onze taal is rijker aan uitdrukkingen voor allerlei +gevoelsschakeeringen dan het Latijn, zoodat men er Spinoza's +bedoeling dikwijls in kan benaderen. +<br /> +In déze zinsnede is m.i. het vertalen van <i>hilaritas</i> door +opgeruimdheid of vroolijkheid en van <i>melancholia</i> door +zwaarmoedigheid minder juist. Immers deze woorden duiden bij +ons zuiver geestelijke toestanden aan, terwijl Spinoza hier +uitdrukkelijk doelt op aandoeningen die met een +lichaamsgevoel gepaard gaan.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag52">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken53">[Aanteekening 53: +<i>conscientiae morsus</i>. Eigenlijk +gewetens-knaging, wroeging. Blijkens de definitie bedoelt +Spinoza echter niets anders dan Spijt. Hartzeer (inderdaad +een "knagende" pijn). Voor ons is gewetenswroeging echter +gelijkluidend met "Berouw", d.i. Spijt met het bewustzijn van +eigen schuld.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag53">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken54">[Aanteekening 54: +Spinoza blijft steeds van <i>res</i>, ding, +spreken; ik heb echter in 't vervolg meestal "wezen" +gebruikt.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag54">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken55">[Aanteekening 55: +<i>Causae externae</i>. Volgens andere uitgaven +<i>internae</i>, inwendige. Wat schijnbaar beter aan de bedoeling +beantwoordt. Men kan echter ook zeer goed voor den geest, +voorzoover hij zichzelf beschouwt, het eigen Zelf als iets +uitwendigs, als een voorwerp, opvatten.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag55">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken56">[Aanteekening 56: +Deze definitie geeft aan het begrip +"Wreedheid" een veel beperkter beteekenis dan het woord in +het spraakgebruik (ook het Latijnsche) heeft. Er bestaat +echter voor deze zucht om een wezen dat ons liefheeft te +kwellen, geen afzonderlijk woord.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag56">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken57">[Aanteekening 57: +<i>Admiratio</i>, letterlijk: aanstaren als een +wonder. Het woord bewonderen, door sommige vertalers +gebruikt, heeft bij ons een te eenzijdige beteekenis; ik +vertaalde daarom waar de zin algemeener was: verbazing.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag57">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken58">[Aanteekening 58: +<i>Plus curiositatis quam utilitatis +haberent</i>. Meyer: zouden meer strekken tot aanvulling dan tot +nut. Gorter: zouden meer zeldzaamheid dan nuttigheid hebben.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag58">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken59">[Aanteekening 59: +<i>Impetus</i>, onstuimige, plotseling opkomende +drang.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag59">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken60">[Aanteekening 60: +<i>Sive ea sit innata, sive quod ipsa per +solum Cogitationis, sive per solum Extensionis attributum +concipiatur.</i> +<br /> +Het komt mij voor dat achter "<i>innata</i>" een tegenstelling is +weggevallen, bv., "dan wel verworven". Spinoza bedoelt +<i>iedere</i> gesteldheid, hoe ook in ons teweeg gebracht en onder +welk attribuut ook beschouwd.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag60">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken61">[Aanteekening 61: +Op haar gewoonte: op een daaraan +beantwoordende duurzame gemoedsgesteldheid.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag61">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken62">[Aanteekening 62: +<i>Modestia.</i> In verband met andere plaatsen +leek mij "gematigdheid, minzaamheid" meer in overeenstemming +met Spinoza's bedoeling dan het gebruikelijke +"bescheidenheid", waarin veelal een ongerechtvaardigde +geringschatting van zichzelf ligt opgesloten.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag62">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken63">[Aanteekening 63: +<i>Animi pathema</i>: <i>gemoeds</i>-lijding, hier +uitdrukkelijk zoo genoemd om haar te onderscheiden van de +aandoening van (inwerking op) het <i>lichaam</i>, welke door +Spinoza eveneens <i>affectus</i> genoemd wordt.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag63">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken64">[Aanteekening 64: +Deze onderscheiding tusschen de begrippen +"toevallig" en "mogelijk" is misschien het best weer te geven +door "theoretisch (logisch) mogelijk" en "praktisch +(feitelijk) mogelijk".]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag64">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken65">[Aanteekening 65: +Hier is met <i>imaginatio</i> (zie aanteekening +16<a href="#aanteken16">[a16]</a>) niet bedoeld ìedere zintuigelijke voorstelling +(verbeelding), maar in het bijzonder de zóó onvolledige en +verwarde, dat wij haar dwaling noemen.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag65">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken66">[Aanteekening 66: +<i>Cum nostra comparata</i>. Niet <i>vergeleken</i> +bij de onze, want het betreft hier de feitelijke verhouding +van den invloed, en niet ons oordeel daaromtrent.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag66">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken67">[Aanteekening 67: +<i>Affectus erga</i>: de aandoening jegens, +d.w.z. de aandoening door iets in ons te weeg gebracht. +Meyer: "stemming tegenover" en op andere plaatsen: +"belangstelling in" (<a href="#d4s11">St. XI</a>, <a href="#d4s12">XII</a> +en <a href="#d4s13">XIII</a>). M.i. heeft echter +<i>affectus</i> hier steeds de beteekenis van aandoening in het +algemeen; immers de stellingen gelden evenzeer voor tal van +gevallen waarbij heel andere aandoeningen in het spel zijn +dan vage "stemming" of zelfs "belangstelling", bv. angst voor +een onafwendbare ramp etc.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag67">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken68">[Aanteekening 68: +<i>Temeraria</i>. Ook "onbezonnen" ware +misschien juist, als tegenstelling tot de "ware" (bezonnen) +kennis van goed en kwaad.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag68">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken69">[Aanteekening 69: +<i>Potest prior hac concipi</i>. M.i. moet ook +deze prioriteit niet worden opgevat als een <i>tijdelijke</i>, +maar als een <i>logische</i>. Het streven om zichzelf te handhaven +is de eerste, fundamenteele deugd, waaruit de andere deugden +moeten worden afgeleid; slechts als zoodanig kan men zeggen +dat het aan alle deugden voorafgaat.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag69">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken70">[Aanteekening 70: +<i>Mea haec est ratio, et sic animum induxi +meum</i>. Anderen beschouwen "<i>et sic</i> enz." als een herhaling +van het voorgaande. Meyer: "wat mij betreft, ik denk hierover +aldus". Stern: "Ich meinerseits denke so und habe folgende +Ansicht gewonnen." M.i. echter is de vertaling van <i>animum +inducere</i> met "zich voornemen" hier niet alleen toelaatbaar, +maar zelfs de eenige die het anders slappe en overbodige +zinsdeel krachtig en zinrijk maakt.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag70">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken71">[Aanteekening 71: +Meyer: overmoed en uitgelatenheid. Het is +m.i. echter niet noodig hier gerustheid en verheuging in hun +overdrijving te beschouwen. Ook de niet overdreven gerustheid +en verheuging zijn reacties op vrees en als zoodanig voor +Spinoza bewijzen van geestelijke machteloosheid; evenals +medelijden, overdreven of niet.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag71">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken72">[Aanteekening 72: +<i>Bene agere en laetari</i>. Wèl doen moet hier +niet worden opgevat als "weldaden bewijzen" in de gewone +beteekenis, maar als "goed, flink, krachtig, redelijk +<i>handelen</i>" in den Spinozistischen zin van het woord.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag72">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken73">[Aanteekening 73: +<i>Nullius rei ipsos puderet, nec ipsi +quicquam metuerent, quo vinculis conjungi constringique +possent?</i> Andere lezing, zonder vraagteeken: "zouden zij zich +nergens voor schamen en niets vreezen, waardoor zij thans nog +in den band worden gehouden en beteugeld". Deze laatste +lezing sluit m.i. minder logisch aan bij den volgenden zin.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag73">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken74">[Aanteekening 74: +Met "verbeteren" is hier bedoeld: temperen, +overwinnen door een andere aandoening.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag74">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken75">[Aanteekening 75: +<i>Ignaros</i>, onwetend, onontwikkeld, nog niet +tot inzicht gekomen. Andere lezing: <i>ignavos</i>: krachteloos, +zwak. Deze laatste opvatting zou hier, in tegenstelling tot +den "vrijen", krachtigen mensch, wel toelaatbaar zijn. Maar +ook verderop wordt telkens het eerste woord gebruikt.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag75">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken76">[Aanteekening 76: +<i>Atque tum magis discordia quam concordia +fovetur.</i> Andere lezing: <i>discordiâ quam concordiâ</i> +(ablativus), waardoor de zin zou worden: "in welk geval zij +(nl. de abnormale, tot waanzin gestegen zinnelijkheid) door +tweedracht méér nog dan door eendracht geprikkeld wordt." Dit +is echter moeilijker in verband te brengen met <a href="#d3s31g">Gevolg St. +XXXI D. III</a> waarnaar juist verwezen wordt.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag76">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken77">[Aanteekening 77: +<i>Compendium</i>. Samenvatting. Meyer: kort +begrip. Stern: Inbegriff. Gorter leest <i>compensatio</i>, +vergoeding. Als "Ruilmiddel" <i>weegt</i> het geld <i>tegen</i> alle +dingen <i>op</i> en <i>vertegenwoordigt</i> het ze tevens.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag77">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken78">[Aanteekening 78: +<i>Spiritus animales</i>, dierlijke geesten. +Bedoeld zijn de verschillende krachten die door Descartes +e.a. als oorzaken der verschillende levensverschijnselen +ondersteld worden.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag78">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken79">[Aanteekening 79: +<i>Non nisi ratione distinguetur</i>. Meyer: +"Geen ander dan een <i>denkbeeldig</i> onderscheid". Stern: "Nur +nach dem <i>Verhältnis</i> verschieden sein." M.i. is de bedoeling +deze: de nieuwe voorstelling is een (adaequate) voorstelling +omtrent een (oorspronkelijk inadaequate) voorstelling, dus +niet <i>feitelijk</i> maar alleen <i>in redelijk opzicht</i> (voor ons +begrip) er van onderscheiden. In werkelijkheid zijn beide +voorstellingen één (zooals lichaam en geest) en dus kunnen +uit de nieuwe voorstelling, omdat zij adaequaat is, slechts +handelingen voortvloeien, m.a.w. de oorspronkelijke +aandoening houdt op lijding te zijn.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag79">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken80">[Aanteekening 80: +<i>Simpliciter</i>; eenvoudig, zoomaar.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag80">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken81">[Aanteekening 81: +<i>Secundum ordinem ad intellectum</i>. Volgens +een orde, welke door het verstand vereischt wordt, of welke +hen geschikt maakt om begrepen te kunnen worden.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag81">(TERUG)</a></div> +<p class="nootitem" id="aanteken82">[Aanteekening 82: +Men verwarre Spinoza's "eeuwigheid van den +Geest" niet met een "persoonlijk voortbestaan". Onze +persoonlijkheid immers is naar Spinoza's opvatting slechts +een tijdelijke, vergankelijke bestaanswijze (<i>modus</i>) die +afhankelijk is van onze lichaamsindrukken, zich met deze +wijzigt en met het lichaam te gronde gaat. Zie <a href="#d4s39o">de Opmerking +bij St. XXXIX Deel IV</a>, waar Spinoza zegt dat een individu +zich onder bepaalde omstandigheden zoozeer kan wijzigen, dat +hij "niet gaarne zou willen volhouden dat hij dezelfde mensch +was als voorheen." Zelfs den volwassene kent Spinoza daar +blijkbaar een andere individualiteit toe als het kind. +<br /> +Dat de stellingen die over de eeuwigheid des Geestes handelen +voor velen zoo duister zijn ligt m.i. in de eerste plaats +hieraan dat men, ofschoon Spinoza zelf er telkens voor +waarschuwt, zijn onsterfelijkheid of eeuwigheid verwart met +een "voortbestaan in den tijd". Maar een tweede aanleiding +tot verwarring is dat Spinoza niet uitdrukkelijk genoeg doet +uitkomen dat eigenlijk het <i>Lichaam even eeuwig en +onsterfelijk is als de Geest</i>. Immers ook het individueele +lichaam gaat met den dood als zoodanig te gronde, ofschoon +het als "stof" (Uitgebreidheid) onvernietigbaar, eeuwig is. +Het lìjkt wel alsof Spinoza in de eenigszins slordige +<a href="#d5s23">Stelling XXIII</a> "De menschelijke Geest kan niet <i>met</i> het +Lichaam <i>geheel en al</i> te niet gaan", leert, dat dus het +Lichaam wèl absoluut vernietigd wordt; maar het is duidelijk +dat dit volkomen in strijd zou zijn niet alleen met de +ervaring, maar met Spinoza's eigen leer. Het wordt bovendien +in <a href="#d5s23b">het Bewijs dier Stelling</a> zelf indirekt ontkent, waar +gesproken wordt over het "<i>tegenwoordig</i> bestaan des +Lichaams", in tegenstelling dus met zijn eeuwig bestaan. +<br /> +Een dualistische opvatting van Geest en Lichaam, als van +<i>twee</i> dingen, die <i>gescheiden</i> zouden kunnen worden, is in +Spinoza's systeem <i>ondenkbaar</i>. Geest en stof, Denken en +Uitgebreidheid, zijn bij Spinoza immers niet in eigenlijken +zin <i>verbonden</i>, maar identiek, <i>één en hetzelfde</i>. Wat wij +dus van den mensch bij zijn dood zien teniet gaan, of liever +zich oplossen, is zijn <i>tijdelijke</i> verschijning +(bestaanswijze) als Geest-Lichaam, dus zijn lichamelijke èn +geestelijke individualiteit. Voorzoover hij echter +stof-op-zichzelf is, d.w.z. God, gedacht als Uitgebreidheid, +is zijn Lichaam eeuwig en in dienzelfden zin is zijn Geest +eeuwig, als keerzijde van dit eeuwige lichaam, als +voorstelling ervan, als God, voorzoover hij Denken is. Ons +lichaam wordt "stof", d.i. Uitgebreidheid zonder bepaalden +vorm, en zoo wordt onze geest "Denken, Verstand", <i>zonder</i> +"verbeelding en herinnering", welke juist aan dien bepaalden +lichaamsvorm gebonden waren. +<br /> +Hoe meer de mensch nu "één is met God", dat wil in den +Spinozistischen gedachtengang zeggen: hoe beter hij God +begrijpt en hoe meer hij hem lief heeft d.w.z. hoe redelijker +hij denkt en leeft; hoe meer hij ook doordrongen zal zijn van +het besef van noodwendigheid en eeuwigheid en hoe minder de +illusie van zijn tijdelijk bestaan en de vrees voor zijn dood +hem zullen hinderen. Spinoza drukt dit, in een m.i. +verwarrende beeldspraak, uit in de woorden: hoe grooter +<i>deel</i> van zijn Geest zal overblijven. Nog iets duidelijker +wordt Spinoza's opvatting van eeuwigheid wanneer men haar in +verband brengt met zijn (mathematisch) causaliteitsbegrip +(zie ook aanteekening 8<a href="#aanteken8">[a8]</a>). <i>Begrijpen</i> is de dingen zien in +hun <i>logische afhankelijkheid</i> in plaats van in hun +<i>tijdelijke opeenvolging</i>, zulk begrip is even tijdloos, even +eeuwig als een of andere mathematische waarheid, die "in God" +bestaat. Voorzoover wij dus begrijpen <i>zijn</i> wij eeuwig, +hebben wij deel aan het oneindige Verstands Gods.]</p> +</div> +<div class="nootbloc"> +<div class="sidenote"><a href="#aantag82">(TERUG)</a></div> +<br /> +</div> + + + + +<hr class="full" /> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Ethica, by Benedictus de Spinoza + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ETHICA *** + +***** This file should be named 15497-h.htm or 15497-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/5/4/9/15497/ + +Produced by Miranda van de Heijning, Tony Browne and the Online +Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/15497-h/images/koorden.png b/15497-h/images/koorden.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9ff70da --- /dev/null +++ b/15497-h/images/koorden.png diff --git a/15497-h/images/spinoza1.jpeg b/15497-h/images/spinoza1.jpeg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8b55c55 --- /dev/null +++ b/15497-h/images/spinoza1.jpeg diff --git a/15497-h/images/spinoza2.jpeg b/15497-h/images/spinoza2.jpeg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0b508a1 --- /dev/null +++ b/15497-h/images/spinoza2.jpeg diff --git a/15497-h/images/titelpagina.jpeg b/15497-h/images/titelpagina.jpeg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..735de37 --- /dev/null +++ b/15497-h/images/titelpagina.jpeg diff --git a/15497-h/images/voorkant.jpeg b/15497-h/images/voorkant.jpeg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d15b76c --- /dev/null +++ b/15497-h/images/voorkant.jpeg |
