diff options
Diffstat (limited to '15163-8.txt')
| -rw-r--r-- | 15163-8.txt | 5867 |
1 files changed, 5867 insertions, 0 deletions
diff --git a/15163-8.txt b/15163-8.txt new file mode 100644 index 0000000..1b053ce --- /dev/null +++ b/15163-8.txt @@ -0,0 +1,5867 @@ +The Project Gutenberg EBook of Sagen van den Rijn, by Wilhelm Ruland + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Sagen van den Rijn + +Author: Wilhelm Ruland + +Release Date: February 24, 2005 [EBook #15163] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SAGEN VAN DEN RIJN *** + + + + +Produced by Joris Van Dael, Jeroen Hellingman and the Online +Distributed Proofreading Team. + + + + + + + Sagen van den Rijn + + door + + Wilhelm Ruland + + Geautoriseerde vertaling uit het Duitsch + + door + + W. B. Meyen-Barends + + + + 1922 + + + + + + + + +Voorrede bij den derden druk + +Toen de intusschen overleden boekhandelaar Friedrich Heijn te Keulen +mij ongeveer tien jaren geleden verzocht, de meest bekende Rijnsagen +te schrijven, moest ik mij zelf en den uitgever eerlijk bekennen, +dat daarmede nauwelijks een leemte aangevuld zou zijn. Toch gaf ik +niet oongaarne gevolg aan dat verzoek, nadat ik de belangrijkste +sagen van den Rijn, die ik in mijne verzameling had, doorbladerd had. + +Den indruk, dien ik kreeg van deze bekoorlijke verhalen uit den ouden +tijd, schreef ik neder en deze uren verschaften mij veel genot. + +Een vriendelijk criticus zeide in zijne beoordeeling over mijn boekje +in de "Kölnische Zeitung", dat de vorm altijd naar evenredigheid van de +stof was: nu eens liefelijk en teeder, bloemrijk en schilderachtig, +dan weer kernachtig en beknopt. Het zal mij verheugen, als ook +anderen vinden, dat het doel, waarnaar ik streefde, bereikt is. In +elk geval zal niemand, daar ben ik zeker van, in de verzameling die +warmte missen, die men van een schrijver als zoon van het Rijnland +verwachten kan. + +Al kan dus dit boekje met Rijnsagen, in weerwil van de nieuwe +vermeerderde uitgave, geen aanspraak maken op volledigheid, toch hoopt +het in geringe mate te kunnen medewerken aan de bevordering van de +schoonheid van het vaderland, welks ouden roem men in den laatsten +tijd steeds meer tracht te doen opleven. + +Honnef a. d. R. Mei 1905. + +Dr. Wilhelm Ruland. + + + +Inhoud + + + Burcht Niedeck. Het reuzenspeelgoed + Straatsburg. De Munsterklok + Frankfort. De negen in den windwijzer + Wiesbaden. De duivelskuur aan de warme bron + Worms. De Nibelungen + Mainz. Heinrich Frauenlob + Bisschop Willigis + Johannisberg. De Johannisberger + lngelheim. Eginhard en Emma + Rüdesheim. De Brömserburg + Bingen. De Muizentoren + Aszmannshausen. De Klemenskapel + Rheinstein. Het huwelijksaanzoek + Falkenburg. De Waldburg + Sooneck. Die blinde schutter + Lorch. De vrouw van den Wispermolenaar + Ruïne Fürstenberg. De geest der moeder + Bacharach. Burcht Stahleck + Burcht Gutenfels + De Palts + Oberwesel. De zeven jonkvrouwen + Rheinfels. De Georgslinde + St. Goar. De Lorelei + Liebenstein en + Sterrenberg. De vijandige broeders + Boppard. Klooster Marienburg + Rhense. Keizer Wenzel + Burcht Lahneck. De tempelier van Lahneck + Stolzenfels. Het dochtertje van den kamerheer + Koblenz. Riza + Andernach. Genoveva + Hammerstein. De met dochters gezegende ridder + Rheineck. De wijnkeuring + Rolandseck. Ridder Roland + Zevengebergte. Het Nachtegaalboschje bij Honnef + De Drachenfels + De monnik van Heisterbach + Godesberg. Het Hochkreuz + Bonn. De Jonker van Klochterhof + Keulen. Richmodis von Aducht + De bouwmeester van den Keulschen Dom + Aken. De bouw der Munsterkerk + + + + + +Burcht Hiedeck + + +Het reuzenspeelgoed + +In den ouden tijd was er eens een reuzengeslacht in den Elsasz. Burcht +Niedeck in 't Breuschtal welks puinhoopen reeds lang vergaan zijn, +was de woonplaats van deze Hunnen, waarvan heden in den Elsasz nog bij +overlevering verteld wordt, dat ze zeer vrede- en menschlievend waren. + +Eens wandelde de dochter van den burchtheer door het naburige +woud. Toen zij aan de velden en weiden in het dal kwam, zag ze een +boer, die ploegde. De jonge reuzin keek met vroolijke verbazing +naar het kereltje, dat bedrijvig achter het spannetje liep en met +den kleinen ploeg den grond omwoelde. Nooit had zij tevoren zoo +iets aanschouwd. Dat leek haar aardig speelgoed en zij klapte met +kinderlijke vreugde in de handen, zoodat het ver door de bergen +weerklonk, toen pakte zij den boer, 't paard en den ploeg in haar +schort en ijlde juichend naar den vaderlijken burcht. Lachend toonde +zij haren vader het aardige levende speelgoed. + +Deze echter schudde ernstig zijn reusachtig hoofd en sprak eenigszins +misnoegd: + +"Weet je wel, mijn kind, wie dit schreeuwende menschenkind is met +dat aardige trappelende dier, dat je uitgezocht hebt om mede te +spelen? Van alle dwergen is hij het meest nuttig. Hij tobt zich af +bij zonneschijn, wind en regen, opdat de velden ons een goeden oogst +zullen opleveren. Wie den spot met hem drijft of hem onderdrukt, +zal door den hemel bestraft worden. Neem daarom het boertje op en +breng hem weder naar zijn erf terug!" + +Beschaamd en blozend keek de jonge reuzin voor zich, en droeg het +aardige speelgoed gehoorzaam in haar schort naar het dal terug. + + + +Straatsburg + + +De Munsterklok + +De dom was voltooid en de overheid besloot op den hoogen toren een +kunstige klok te doen plaatsen. Na lang zoeken werd een kunstenaar +gevonden, die aanbood een kunststuk te maken, zooals er nergens een +gevonden werd. De wijze raadsheeren waren daarover zeer voldaan en +de kunstenaar begon met het werk. + +Maanden verstreken daarmede, maar toen het voltooid was, was iedereen +vol bewondering, die dan ook wel verdiend was, want de klok was een +kunststuk, zooals men er nog nooit een in het land gezien had. Behalve +de uren wees zij niet alleen de dagen en maanden aan, naar zij bezat +ook nog een aardbol, waaraan men den op en ondergang van de zon kon +zien en waarop de zons en maansverduisteringen zichtbaar werden op het +oogenblik, dat ze in de natuur plaats vonden. Elke verandering wees +Mercurius met zijn staf aan, en elk sterrenbeeld trad, zoodra zijn +loopbaan begon, te voorschijn. Even, voordat de klok sloeg, verscheen +de dood, en sloeg de volle uren aan, terwijl bij de kwartieren en +halve uren de gestalte van den verlosser te voorschijn trad, die hem +terug wees. Ten overvloede bevatte het kunstwerk nog een prachtig +klokkenspel, dat stichtelijke koraalliederen deed hooren. + +Aldus was de heerlijke klok in de Munsterkerk te Straatsburg +vervaardigd. Nu echter wordt de overheid van Straatsburg, volgens de +overlevering van de volgende schandelijke vermetelheid aangeklaagd: +waren zij er aan den eenen kant trotsch op, de eenige stad te zijn, +die zulk een kunstwerk bezat, aan den anderen kant vreesden zij, dat de +kunstenaar ook een dergelijk werk in een andere stad kon uitvoeren. De +hardvochtige raadsheeren maakten daarom met vreugde gebruik van de +praatjes, die onder het volk in omloop waren, als zou zulk een werk +alleen door duivelsche kunsten gewrocht kunnen worden. Zij betichtten +den klokkenmaker, dat hij met den duivel in verbinding stond, lieten +hem gevangennemen en veroordeelden hem met onmenschelijke wreedheid +tot de berooving van het licht zijner oogen. Zonder klagen verdroeg +de ongelukkige kunstenaar zijn vreeselijk lot. + +Voordat zij echter het vonnis voltrokken verzocht hij nog eenmaal bij +de klok toegelaten te worden, opdat hij haar nog regelen kon, hetgeen +later geen andere hand zou kunnen volbrengen. De wijze overheid, +die veel ophad met de onovertreffelijke klok, liet den kunstenaar +boven komen. Deze vijlde, zaagde, verstelde en regelde het een en +ander en werd toen weer in den toren gebracht, waar hij terstond van +het licht zijner oogen beroofd werd. + +Nauwelijks echter was het vonnis voltrokken, of men bemerkte, dat het +werk van de Munsterklok stil stond. De kunstenaar had zelf het werk +vernietigd en zijn voorspelling, die hij in woede gedaan had, dat het +klokkenspel voor eeuwig stil zou staan, is tot nu toe uitgekomen. Tot +op heden vermocht niemand leven in het doode raderwerk te brengen, +en al versiert heden een even prachtig uurwerk de Domkerk, zoo toch +is het geen kunstenaar gelukt het raderwerk van de eerste Munsterklok, +dat nog steeds bewaard wordt, weer in werking te brengen. + + + +Frankfort + + +De negen in den windwijzer + +De inwoners van Frankfort hadden al lang jacht op een slimmen +vogel gemaakt. Eindelijk werd hij gearresteerd en zou nu opgehangen +worden. Hij heette Hans Winkelmann en was een strooper, die in het +jachtgebied der stad erger huishield, dan tien van zijns gelijken. De +overheid had hem medegedeeld, dat hij aan de galg zou sterven, omdat +hij een van de gerechtsdienaren, die hem vervolgden, doodgeschoten +had, en de beul wachtte reeds naast de cel van den armen zondaar, +die in den toren zijn laatste uurtje mismoedig tegemoet zag. Bij het +aanbreken van den dag trad een vrome pater bij den gevangene binnen +en hield een gemoedelijke toespraak. Hans, die volstrekt geen berouw +had, ontving hem zeer norsch, daar hij zich als vrijschutter van geen +kwaad bewust was, en er toch niets aan doen kon, dat zijn kogels het +hart getroffen hadden, waar hij alleen van plan was, zijn vervolger +door een onschuldig schot in het been, onschadelijk te maken. + +De Capucijner pater wees hem op zijn onchristelijke verstoktheid +en bracht hem onder het oog, dat iedereen, tot zelfs het kleinste +kind in Frankfort wist, dat Hans Winkelmann een goddelooze strooper +was, dat is iemand, die zijn ziel aan den duivel beloofd heeft, +die hem in ruil daarvoor verzekerd heeft, dat al zijn kogels +doodelijk treffen zouden. Heftig kwam de eerlijke strooper tegen +zulk een veronderstelling op, hij had het aan zich zelf te danken, +dat hij steeds trof, maar volstrekt niet aan den Satan. Ook voor de +rechters bood hij aan, elke gewenschte proef van zijn schutterskunst +af te leggen. + +Eerst hoorde de pater hem met twijfel, maar later met overtuiging, aan. + +"Welnu, geef mij als laatste gunstbewijs, mijn geweer en vergun mij, +drie maal drie keer op den knarsenden windwijzer boven op dezen toren +te schieten, en indien gij dan de negen daarin niet even kunstig +gemaakt ziet, alsof dit door de hand van den smid gebeurd was, dan +laat ik mij gewillig hangen." + +Zoo sprak de strooper, en de Capucijner pater berichtte den waardigen +raadslieden hetgeen hij gehoord had. Daar werd het minzaam aangehoord +en besloten, teneinde den burgers een grap te bezorgen: dat als +Hans Winkelmann volbracht, hetgeen hij zich vermat te kunnen doen, +het vonnis niet voltrokken zou worden. + +Door de menigte aangegaapt, die gekomen was om het laatste kwartiertje +van den beruchten strooper bij te wonen, stond Hans Winkelmann terzijde +van het schavot en legde aan op den windwijzer van den toren, die in +den herfstwind knarsend draaide. + +Het eerste schot knalde en werd onder doodsche stilte des volks door +de andere gevolgd. + +Als uit één mond weerklonk de zegenroep na de drukkende stilte, boven +in den windwijzer zag men de negen even kunstig gemaakt, alsof dit +door de hand van een smid had plaats gehad. + +Gelaten overhandigde de strooper den scherprechter de geliefde buks, en +plechtig verkondigde de raad het opgewonden volk, dat de veroordeelde +in vrijheid gesteld zou worden. Hem zelf werd, tegelijkertijd met +zijn bevrijding de betrekking van schutterhoofdman over de vrije stad +Frankfort aangeboden. + +Toen schudde Hans Winkelmann zijn verwilderd hoofd en dankte voor +zooveel eer. Zooals het zich betaamt, heeft hij zijn erkentelijkkeid +betuigd voor den ontvangen bijval, en is toen, door de menigte +heen het bosch in gegaan, dat hem tot zijn liefste verblijfplaats +geworden was. Bij zich zelf legde hij de belofte af, dat de inwoners +van Frankfort hem nooit weer betrappen zouden. En dat was ook zoo. De +negen in den windwijzer kunt gij heden nog in den toren van de +stadsvesting te Frankfort zien. + + + +Wiesbaden + + +De duivelskuur aan de warme bron + +Dat de oude Romeinen reeds de heilzame bronnen van Wiesbaden kenden, +en hun geschiedschrijver Plinius ze reeds geroemd heeft, is door +de geschiedenis bekend. In een vroolijk sprookje wordt verteld, +dat de duivel in eigen persoon de kracht der bronnen bij zich zelf +geprobeerd heeft. Nadat meester Urian, zoekende naar zielen, door de +Papensteeg in het heilige Romeinsche rijk geslenterd had, rustte hij +vermoeid van het loopen, in een herberg voor de poorten van Mainz +uit. Hij voelde volstrekt geen genegenheid voor deze vrome stad, +omdat in het register van de onderwereld geschreven stond, dat uit +Mainz sedert jaar en dag geen ziel meer beneden aangekomen was. Het +verdroot hem nog meer, dat eenigen van de drinkebroers zoo vermetel +waren in overmoedige scherts den dommen duivel te bespotten, wiens +zaken in de buurt van Mainz volstrekt niet bloeiden. + +Terloops vroeg hij den waard, terwijl hij zijn puntbaardje opstreek, +hoe het toch kwam, dat de menschen in en bij Mainz volstrekt niet +aan sterven dachten. Een fijn glimlachje kwam op het gelaat van den +waard, die den reiziger in den sjofelen tabberd mededeelde, dat de +drinkebroers om de vurige kracht van het druivensap tegen te gaan +en velerlei ziekten af te wenden een bijzonderen witten gloeiwijn +dronken, die hen allemaal weer gezond en frisch maakte, zoodat magere +Hein met de zeis, de neef van den duivel, op de vlucht gejaagd werd. + +Toen spitste de gast de helsche ooren en wist tegelijkertijd, dat +deze genezende wonderdrank uit den grond te Wiesbaden ontsprong en in +groote hoeveelheid aan de warme bron verkrijgbaar was. Daar vervoegde +zich den anderen morgen een vreemdeling in een sjofelen tabberd, +die op klagenden toon vertelde, dat alle ziekten der menschheid +zich in zijn ellendige beenderen genesteld hadden, slechts de bron +te Wiesbaden zou hem kunnen behoeden voor dood en duivel, aldus had +zijn gastheer in Mainz hem verzekerd. "God geve, dat dit wonderwater +zegen voor u aan zal brengen, arme stakker," zeide de waard aan de +warme bron medelijdend, en bemerkte tot zijn groote ontsteltenis, +dat het gezicht met de puntbaard zich bij zijne woorden tot een +duivelschen grijnslach vertrok. + +Van oudsher bezaten de waarden heldere hoofden en waren op hun welzijn +bedacht. De kastelein aan de warme bron te Wiesbaden maakte hierop +geen uitzondering. Hij zag den wonderlijken kurgast lang zwijgend aan, +klopte hem toen rustig op den schouder en zeide slechts: "Beste vriend, +gij zijt de werkelijke duivel in eigen persoon." + +En terwijl deze hem verbaasd aanstaarde, vervolgde hij meesmuilend: +"Komaan, waar zoo velen zich gezond drinken, kan ook de duivel zijn +portie krijgen. Als gij u verplicht zeven dagen achter elkaar tusschen +twaalf en een uur vijftig glazen uit de Wiesbadensche bron te drinken, +dan verzeker ik u, dat gij daarna van al uwe kwalen genezen zult +worden. Onderbreekt gij echter de kuur, dan mag mijn ziel eens in het +hemelrijk komen, terwijl gij dan alle rechten daarop verloren hebt." + +Deze overeenkomst behaagde den duivel zeer, die dadelijk daarop inging +en onmiddellijk den wonderbaarlijken witten wijn, die borrelend uit +de aarde opsteeg, begon te proeven. Hij vond, dat de vijftig glazen +wel wat te veel van het goede waren, maar hij overwon zijn tegenzin +bij de gedachte aan de arme ziel, die de waard aan de warme bron hem +zoo lichtvaardig beloofd had. + +De duivel bracht geen rustigen nacht door en dronk den tweeden middag +met nog meer tegenzin de bepaalde hoeveelheid Wiesbadener water, +dat de waard van de bron hem met welbehagen aanbood. Nog onrustiger +bracht hij den volgenden nacht door, verwenschte herhaaldelijk dezen +boosaardigen drank en verzocht den waard den derden dag dringend om een +rustdag. Deze echter wees hem droog op de afgeslotene overeenkomst en +bood hem dienstvaardig met vele vrome wenschen het derde halve honderd +glazen van den kristalhelderen wijn aan. De duivel sloop geknakt weg +en dacht met een rilling aan den volgenden nacht. Toen hij den vierden +middag gelijk een schaduw aan de bron kwam, scheen hij werkelijk door +alle ziekten der menschheid aangetast te zijn. Maar de waard bleef +onverbiddelijk en wilde van een overeenkomst niets weten. Boetende voor +alle begane zonden dronk Belsebub de overeengekomene hoeveelheid op. + +Den volgenden nacht gebeurde het, dat de verschillende mannetjes +en vrouwtjes, die in Wiesbaden de drinkkuur deden, door een helsch +lawaai in hun rustigen slaap gestoord werden. Met een zondigen vloek +vloog iemand op en nam dan, met een gruwelijke verwensching over den +vervloekten helschen Wiesbadener drank, de vlucht. + +"In Wiesbaden kom ik nooit weer terug!" waren zijn laatste hoorbare +woorden. + +Den volgenden morgen mompelden de badgasten onder elkaar, dat de +nachtelijke rustverstoorder niemand anders dan de duivel in eigen +persoon geweest was, en zij vroegen den waard aan de warme bron, die +van alles op de hoogte was, naar dezen wonderlijken gast. Deze echter +haalde slechts de schouders op over de groote domheid van den duivel. + + + +Worms. + + +De Nibelungen. + +De oudste der steden aan den Rijn in Voorromeinschen tijd gebouwd, +mag met rechttrotsch zijn op haar Domkerk, die een der merkwaardigste +Romeinsche bouwwerken van Duitschland is en dikwijls door Frankische en +Duitsche vorsten tot residentie verkozen werd. Daar Worms, gedurende de +groote volksverhuizing de verblijfplaats van den oppersten krijgsheer +der Bourgondiërs was, hebben de schoonste heldensagen, welke er +bestaan, al daar het licht gezien. + +Roemrijk hebben de koningen van dezen Oost-Germaanschen volksstam, +komende van de Weichsel, aan de oevers van den midden-Rijn geregeerd, +totdat de oorlogzucht der Hunnen en de begeerigheid der Romeinen het op +"komende rijk weder te gronde gericht hebben" + +Koning Gundikar was met een groot deel van zijn strijders op het +slagveld gevallen. De rest van de overwonnenen werd door de Romeinen +een woonplaats aangewezen in Zuid-Gallië. terwijl de Franken zich +op de thans door de Bourgondiërs verlaten plaatsen aan den Rijn +verstigden. Hoewel de Bourgondische koningen nauwelijks anderhalve +eeuw aan de Main en midden-Rijn geregeerd hebben, zoo toch heeft +de herinnering aan hen in de harten der Rijnfrankische volkeren zoo +voortgeleefd, dat hun tragisch uiteinde in de wereldliteratuur als +de meest merkwaardige sagen-poëzie is blijven bestaan. + +In dien tusschentijd zijn andere, ook op de bodem van Worms ontsproten, +sagen in de herinnering van het volk levendig gebleven, die edele +deugden van mannen en vrouwen met onomkoopbare trouw schilderden. Een +dergelijk verhaal is het duizendjaar oude Waltharilied, bezingende den +onverschrokken Heer Walter van Aquitanie, die met Hildegonde van koning +Attila's hof terugkeert en onderweg in't Wasgenwald door den koning +der Franken Gunthari en zijn strijders overvallen wordt, die hij na +een heeten strijd terugslaat, waarna hij met roem overladen, als held +in zijn geboorteland terugkeert. Tot de meest populaire sagen behooren +die, waarin die heldenfiguur van Siegfried gevlochten is. Was deze +Siegfried, de Sigurd van de oude bewoners van het Noorden (van wiens +jeugdige heldendaden dit sagenboek reeds op een andere plaats spreekt) +een mythische figuur--een lichtende held aller wereldgodsdiensten, +die door de machten der duisternis overwonnen werd--of slechts een +blonde sprookjesheid of wel een geschiedkundige persoonlijkheid? Laten +wij deze vraag den geleerden ter beantwoording. Voor ons is en blijft +hij de lievelingsfiguur van de Duitsche heldensage. + +Bij elke gelegenheid, dat de ridders van den Rijn genoodzaakt waren +naar de wapens te grijpen en zich te verdedigen tegen de mannen van +het Oosten, was Siegfried hun aanvoerder Zoo zien we zijn roem vermeld +in het oude verhaal van den ridder Dietleib, waarvan de sage zegt, +dat hij heenging om zijn vader Biterolf te zoeken. Eveneens wordt +hij verheerlijkt in het lied van den Wormser Rozentuin, ofschoon de +Opperduitsche auteur door ijverzucht gedreven, den strijders van den +Rijn in hun twaalf gevechten van man tegen man met de Gotisch-Hunsche +helden, den overwinnaars roem wilde betwisten. + +In verschillende overleveringen en vervormingen heeft de geschiedenis +van de Bourgondische koningen Gunther, Gernod en Giselher, die tevens +de laatste lotgevallen van Siegfried in zich sluit, door rondtrekkende +zangers den weg gevonden tot de Neder- en Opperduitsche stammen, zelfs +tot in 't Donaudal, waarbij hun oorspronkelijk heidensch karakter +geleidelijk verdwenen is. + +Doordat een onbekende liederzanger, wiens naam men wel nooit zal +te weten komen, aan het einde van het 12e jaarhonderd de sage +uitvoerig in een lied omzette, is zij als een kostbaar overblijfsel van +Germaansche epiek bewaard gebleven. Een rilling gaat ons thans nog, +evenals vroeger onze voorvaderen door de leden, als zij ons vertelt +van de hevige teugellooze hartstocht van haar mannen en vrouwen en +de schokkende aaneenschakeling van zonde en berouw. + + + + + +Een vreeselijk lied van schuld en straf! Geheel overeenstemmend met de +toenmalige geest van het volk, beginnende als een liefelijke idylle +en eindigende als een gruwelijk treurspel. Aan het hof van koning +Gunther van Bourgondië te Worms verschijnt, aangetrokken door de +lieftalligheid van Kriemhilde, zuster des konings, een jonge held, +Siegfried genaamd. Hij is ook een koningszoon. Zijn vader Siegmund +regeert in Xanten "nieden by dem Rine" + +Koning Gunther neemt den blonden held als leenman in zijn dienst. Als +getrouw vazal verovert hij in den strijd, zonder medeweten des +konings de trotsche koningin van het eiland Ysland als gemalin +voor den vorst. Ter belooning daarvoor ontvangt hij Kriemhilde's +hand. Grootmoedig schenkt hij Kriemhilde als bruidsgeschenk den +Nibelungenschat, dien hij in jonge jaren in een overwinning op de zonen +van den koning der Nibelungen en den bewaker van den schat Alberich +als prijs behaald had. Louter vreugde heerscht aan het hof te Worms; +echter niet bij allen. Behalve door Kriemhilde wordt Siegfried nog +door een ander in 't geheim bemind. Dit is Brünhilde. Het geluk der +bruid Kriemhilde doet de afgunst in haar binnenste ontwaken en zij +heeft voor deze geen vriendelijk woord meer over. Aldus vervreemden de +beide vrouwen van elkaar. Op zekeren dag uit zich Brünhildes jaloezie +in scherpe bewoordingen. Toen weet Kriemhilde haar tong niet meer in +bedwang te houden. In een heftige rede werpt zij haar schoonzuster voor +de voeten, dat niet Brünhilde's echtgenoot Gunther, maar Siegfried +destijds met haar den eersten huwelijksnacht doorgebracht heeft. Tot +bewijs toont zij haar ring en gordel, die Siegfried in dien nacht de +sterke Brünhilde ontnomen en Kriemhilde geschonken heeft. Opvliegend +werpt zij Brünhilde een leelijken scheldnaam naar het hoofd en betwist +haar het recht het eerst de kerk binnen te treden. + +Weenend deelt Brünhilde den koning den haar aangedanen smaad mede. De +beleedigde koning wordt vertoornd en diens vazal Hagen peinst er over +hoe hij Siegfried in 't verderf kan storten. Voor 't oog doet hij of +hij zijn meesteres wil wreken, doch de ware reden is het verkrijgen +van den Nibelungenschat. + +Bij een jachtpartij in het Odenwald werd Siegfried, toen hij +zich bukte, om uit een bron te drinken door Hagen verraderlijk +doorstoken. Men besloot, dat er rondgestrooid zou worden dat Siegfried +alleen was gaan jagen en roovers hem overvallen hadden. Den volgenden +dag reden de koningen met hun gevolg over den Rijn naar Worms terug. + +Voor Kriemhilde's kamer liet Hagen 's nachts den doode neerleggen, 's +Morgens vroeg, toen Kriemhilde zich gereedmaakte met haar vrouwen naar +de mis te gaan, ontwaarde zij den dierbaren afgestorvene. Van veler +lippen klonken jammerklachten. Kriemhilde wierp zich weenend op +haar vermoorden echtgenoot "Wee mij", riep ze, "Je schild is niet +door zwaarden doorstoken, gij werd door sluipmoordenaars gedood. +Wist ik wie de dader was, ik bracht hem om." + +Vol praal liet zij den koninklijken held op een baar leggen en beval, +dat men een Gods gericht bij het lijk zou houden. Want er bestaat een +groot wonder, dat ook thans nog geschiedt, n.l. dat de wonden van +het slachtoffer opnieuw beginnen te bloeden, als de moordenaar het +nadert. Alle vorsten en Bourgondische edelen passeerden dus Siegfrieds +lijk, dat door de beeltenis van den gekruisigden Verlosser beschaduwd +werd en zie: als de sombere Hagen zijn slachtoffer nadert, beginnen +diens wonden opnieuw te bloeden. Ten aanschouwe der onthutste mannen +en vrouwen beschuldigt Kriemhilde nu Hagen den sluipmoord op haar +gemaal gepleegd te hebben. + +Treurig was de boete, die op deze groote schuld volgde: de +Nibelungenschat, die de voornaamste aanleiding tot de schandelijke +daad geweest was, moest in den Rijn geworpen worden, ten einde in 't +vervolg hebzucht en twist uit de harten der krijgers te verbannen. Maar +Kriemhilde's oneindig groot verdriet was hiermede niet verdwenen, +evenmin als haar drang naar wraak. + +Na de begrafenis van den held noodigde koning Siegmund Kriemhilde uit +naar den koningsburcht te Xanten te komen, doch te vergeefs. Gedurende +dertien jaren bleef zij te Worms in de nabijheid van den innig +geliefden doode, toen vertrok zij naar de abdij Lorch, die door haar +moeder, de hertogin Ute gesticht was. Daarheen nam ze Siegfrieds +lijk mede. + +Toen daarop Etzel, het opperhoofd der Hunnen haar een huwelijksaanzoek +deed, gaf zij den heiden haar jawoord. Niet uit liefde, doch door +andere beweegredenen geleid. Zij trok met hem naar Hongarije. Daar +liet zij Siegfrieds moordenaar door vele harer dienaren op listige +wijze bij zich noodigen, ten einde hem in 't verderf te storten op een +manier, die ons met afschuw vervult. Ook de medeplichtige koningen van +Bourgondië, sedert de schat tot hen gekomen was, Nibelungen genaamd, +hebben in de Etzelburg onder de aanvallen der Hunnen hun ontrouw met +den dood bekocht. + +Zonder mededoogen liet Etzels gemalin haar geheele familie +onthoofden. Den boosaardigen Hagen sloeg ze eigenhandig met Siegfrieds +zwaard het hoofd af. Daarop werd de razende vrouw door den vertoornden +Hildebrand gedood. + +Hier eindigt de sage. De treurmare van de Nibelungen is in den +volksmond het meest populaire heldenlied geworden. + +Door deze sage wordt de historische ondergang der laatste Bourgondische +koningen van Worms door alle eeuwen heen op dichterlijke wijze +verheerlijkt. + + + +Mainz + + +Heinrich Frauenlob + +Hij was een waardig domheer in het oude Mainz, daarbij een zanger bij +de genade Gods, die tallooze vrome hijmnen dichtte en toonzette, +ter eere van de reinste aller vrouwen, doch tevens ook menige +welluidene harptoon aan de wereldlijke liefde gewijd heeft. En daar +hij in tegenstelling met vele dichters van zijn tijd in teedere +vereering den naam "Frau" d.i. meesteres hooger schatte dan "Weib" +wat slechts echtgenoote beteekent, heeft de nakomelingschap hem den +naam "Frauenlob" geschonken en onder dezen is hij meer bekend, dan +onder zijn werkelijken naam Heinrich von Weiszen. + +Groot was de vereering, die de vrouwen van het gouden Mainz voor +den zanger koesterden. Dit bleek gedurende zijn léven, maar meer +nog bij zijn dood. Niet te beschrijven was de droefheid van het +dankbare, zwakke geslacht, toen het bericht kwam, dat de lier van +den geliefden minnezanger voor altijd verstomd was. Er werd besloten +den doode een eer te bewijzen zooals nog nooit een dichter te beurt +gevallen was. Onafzienbaar was de stoet, talrijk vooral de schaar +van vrouwen, die in rouwkleeren het lijk begeleidden en voor zijn +zieleheil baden. Acht van de schoonste vrouwen droegen zijn kist, +die bedolven was onder welriekende bloemen. Uit teedere vrouwenmonden +klonken aan het graf van den minnezanger de grafliederen en zachte +vrouwenhanden goten op zijn rustplaats heerlijken Rijnwijn, die +hem zoo dikwijls zijn prachtige liederen ingegeven had. Deze stille +liefdegave moet zoo rijkelijk gevloeid hebben, dat de gangen der kerk +er van overstroomden. Meer waarde echter dan deze gaven hadden de +tranen, die op dien dag door vele schoone oogen om den dooden zanger +vergoten werden. + +Nog heden kan de reiziger in den ouden Mainzer Dom het gedenkteeken +voor den grooten Dichter en Zanger zien. Een prachtige vrouwenfiguur +van sneeuwwit warmer legt een krans neer op de kist van den zanger, +die den lof der vrouw in onvergetelijke liederen bezongen heeft. + + + +Bisschop Willigis + +In het jaar Duizend ongeveer hadden de inwoners van Mainz een vromen +kerkvoogd, Bisschop Willigis. Hij was de zoon van een wagenmaker, +en alleen door ijzeren wilskracht en groote bekwaamheid was hij tot +de waardigheid van eersten bisschop gestegen. De brave burgers van +Mainz beminden en vereerden den edelen dienaar Gods zeer, de trotsche +kanunniken en stijve patriciërs daarentegen was het hoogst onaangenaam +zich te buigen, voor iemand, die in de armoedige hut van een wagenmaker +geboren was. + +Ernstig, doch met zachtheid verweet de bisschop eenigen van hen, +dat ze zich te veel op hun voorouders lieten voorstaan. Dat verdroot +de hooghartige heeren, en eens op een nacht haalden zij een grap uit +bij de vertrekken van hun geestelijken heer en teekenden met krijt +op alle deuren reusachtige raderen. + +Toen de bisschop 's morgens vroeg naar de mis in de Domkerk ging, zag +hij het baldadige werk van de spotvogels. Zwijgend keek hij naar de +raderen, doch zijn kapelaan, die naast hem stond, wachtte in angstige +spanning te vergeefs op het losbreken van den toorn van de beleedigden +kerkvorst. Integendeel op het gelaat van den bisschop vertoonde zich +een vroolijke glimlach. Vervolgens gebood hij een schilder te toepen, +en toen deze gekomen was, beval hij hem overal, waar de spotvogels de +raderen geteekend hadden in een vuurrood veld, zichtbaar voor iedereen, +witte raderen te schilderen en daaronden het spreukje: + + + "Willigis, Willigis! + Denk, hoe laag je afkomst is!" + + +En zelfs nog verder is hij gegaan; de wagenmaker heeft hem een ploegrad +moeten maken en dit heeft hij boven zijn legerstede laten ophangen; +om steeds aan zijn afkomst herinnerd te worden. + +Sedert dien dag hielden de spotters zich stil. De inwoners van Mainz +echter hechtten zich met nog grootere liefde aan hun bisschop, die, +niettegenstaande het hooge ambt, dat hij bekleedde, toch zoo eenvoudig +bleef. En van dien tijd af voeren alle bisschoppen van Mainz de witte +raderen in een rood veld in hun wapen. + + + + +Johannisberg + + +De Johannisberger + +In 't heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem, +en onder de beste merken wordt hij geteld, als de koning aller +Rijnwijnen. Alle vrienden van het Rijnsche druivensap kennen hem, +maar weinigen genieten hem in zijn vorstelijke echtheid. Vorstelijk +is hij, niet omdat een vorstenhand den sleutel van den Johannisberg +bezit, maar omdat een vorstenhand hem in de gezegende "Rheingau" +geplant heeft. En deze gekroonde schenker was niemand anders dan de +groote Karel, de machtige beheerscher van het Frankenrijk. + +Eens stond hij--'t was voorjaar--op het platform van zijn slot +te Ingelheim en liet zijn blikken weiden over het wonderschoone +landschap aan zijn voeten. Er was 's nachts sneeuw gevallen en een +wit kleed bedekte de Rüdesheimer heuvels. Terwijl het oog van den +keizer nadenkend op het witte landschap rustte, bemerkte hij, dat +op de rug van den Johannisberg de sneeuw gauwer door de zonnestralen +smolt dan op de heuvels in het rond. De groote Karolus, die als een +echt Duitsch keizer ook een diepdenker was, meende, dat daar, waar +zulk een gezegende zonnegloed viel, ook meer dan gras gedijen kon. + +Dadelijk liet hij den grijzen Koenraad zijn wapendrager bij zich komen +en gebood hem bij het aanbreken van den volgenden dag zijn paard te +zadelen en naar Orleans, de stad van den edelen wijn, te rijden, met +de boodschap aan de brave burgers, dat de keizer hun voortreffelijken +wijn nog steeds genadig in herinnering had en dat hij gaarne zulk +een edel gewas aan den Rijn zou bezitten, waarom hij den getrouwen +burgers van Orleans verzocht een pootrank naar de "Rheingau" te zenden. + +Aldus ging de schrandere koningsbode op weg en nog voordat de maan +haar cirkelkring geëindigd had, was hij weer in het keizerlijke slot +te Ingelheim terug. Alom heerschte daarover groote vreugde. Karolus +zelf, de groote keizer voer naar Rüdesheim en plantte eigenhandig de +Fransche wijnrank in de aarde van het Rijnland. + +Het werk van den keizer was geen voorbijgaande gril geweest. Zorgvuldig +liet hij zich over den stand der druiven in Rüdesheim en op helling +van den Johannisberg op de hoogte houden en toen de derde herfst in +het land gekomen was, kwam tegelijk met hem Keizer Karel uit zijn +lievelingsstad Aken in de "Rheingau". En het juichen van de oogsters +weerklonk in de wijngaarden van Rüdesheim en Johannisberg. + +Plechtig werd het eerste geurige product der wijnpers den keizer +aangeboden; een gouden vocht in een gouden bokaal. Een koninklijke +wijn! Een flinke teug heeft de groote Karel genomen en opgetogen den +kostelijken drank geprezen. De vurige, zachte Johannisberger is zijn +lievelingsdrank geworden, die hem op hoogen leeftijd den last der +jaren deed vergeten. En wat Karel de Groote ondervond, dat bemerkt +nog heden een ieder wien dit druivenbloed in den beker parelt. In het +heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem, en onder +de beste merken wordt hij geteld als de koning aller Rijnwijnen, +de Johannisberger. + + + + + +Zeer schoon wordt de sage vervolgd van keizer Karel, die zijn druiven +zegent. Door den mond van den dichter is hij in een lied herschapen, +dat men dikwijls hoort zingen aan de oevers van den Rijn, waar de +druiven groeien. + +Elk voorjaar, als op de heuvels en in de dalen aan den vloed de druiven +bloeien en de welriekende geur van de druivenbloesems de lucht vervult, +wandelt 's nachts een hooge schaduw door de wijngaarden. Koninklijk +is zijn gestalte, de purperen mantel golft om zijn schouders en +op zijn hoofd schittert de keizerkroon. Het is Karel de Groote, +keizer der Franken, die voor ongeveer duizend jaar den wijnstok +naar Rüdesheim en aan den rand van den Johannisberg overplantte. De +heerlijke geur van de druiven heeft hem uit zijn graf te Aken gewekt +en hij is gekomen om de druiven, die hij geplant heeft, te zegenen. Het +zachte schijnsel der volle maan verlicht den weg van den keizer en bij +Rüdesheim bouwt zij een gouden brug over den stroom. Daarover schrijdt +de keizer voort en verder trekt hij langs de heuvels, alom zijn zegen +over de druiven uitstortende. Bij het eerste hanengekraai keert hij +in zijn graf te Aken terug en hervat zijn eeuwenlangen slaap, totdat +hij het volgende jaar opnieuw door den geur der druiven gewekt wordt, +om zijn zegenrijken tocht door de "Rheingau" te volbrengen. + + + + + +En nu, waarde lezer, zal ik U als derde verhaal nog een vroolijke +geschiedenis van de Johannisberger monniken meedeelen. Eens, kwam +onverwachts de hooge abt het klooster op den Johannisberg bezoeken, +juist toen de rijpe druiven aan de stokken hingen. De eerwaarde abt +vroeg met belangstelling naar alles, betoonde zijn ingenomenheid +met de levenswijze der brave monniken, en noodigde eindelijk, als +blijk van zijn welwillendheid, het geheele convent uit met hem een +avonddrank te gebruiken. + +"De wijn vroolijkt het hart der menschen op!" + +Met deze spreuk van den vromen koning David begon de abt zijn rede +en vervolgde: "Gods milde hand zal uwe wijnstokken ook den volgenden +herfst zegenen. Laat ons daarom, waarde Broeders, eenige flesschen uit +het groote vat met matigheid op waardige wijze ledigen. Doch neemt, +voordat we ons aan Gods edele gaven laven uw getijdenboek en laat +ons met een kort gebed beginnen.'" + +"Getijdenboek?" gaat het fluisterend door den kring en de oogjes in +de welgedane, waardige gezichten flikkeren van hulpelooze verlegenheid. + +"Ja, het getijdenboek!" Het door strenge lijnen doorploegde gelaat +van den verstandigen abt beschouwt zwijgend de broeders. Zij zoeken, +zoeken steeds voort. + +Gelijdelijk verdwijnen de rimpels van het aangezicht van den abt en +speelt daar zelfs niet een onmerkbaar lachje op het vervallen gelaat? + +"Houdt nu op met zoeken en laat ons drinken! Gemoedelijk ontneemt +hij den broeder, bottelier de bestoven flesch. Bij God, ik had den +kurketrekker hier aan den Rijn wel mogen meebrengen. Schertsend zegt +de vriendelijke heer dit, nadat hij zijn zakken doorzocht heeft. + +"Een kurketrekker?" In een oogwenk voelt ieder in zijn zakken en voor +de oogen van den waardigen abt verschijnen evenveel kurketrekkers +als broeders om hem heen staan. + +Toen kwam er een glans van vergenoegen op het waardige gelaat van den +abt: "Bravo vrome Heeren. Welk een rijke zegen aan kurketrekkers. Doch +laat het u niet verlegen maken en den dag van heden bederven. Morgen +echter ---- maar laten wij denken evenals koning David." + + + +Ingelheim + + +Eginhard en Emma. + +I. + +Het is een oude treffende geschiedenis, die ik U zal vertellen, waarde +lezer, die bij de andere voorheeft, dat ze een greintje historische +waarheid bevat. + +In Ingelheim, een mooi stadje in den met druivengezegenden "Rheingau" +verhief zich eens een trotsch marmeren paleis, de lievelings +verblijfplaats van Karel, den Grooten. In deze heerlijke eenzaamheid, +ver van de wereld, trok de groote keizer der Franken zich dikwijls +terug. Slechts zijn trouwe dienaren en familieleden vergezelden +hem. Onder de uitverkorenen ontbrak nooit Eginhard, secretaris +des keizers. Hoewel hij nog jong was, zoo toch stond hij door zijn +omvangrijke kennis in hoog aanzien bij Karel en verheugde zich in +de bijzondere gunst van zijn gebieder. De vlijtige geleerde, wiens +ernstig, zacht jongelingsgezicht dubbel afstak bij de schaar stoere +krijgslieden, behaagde de vrouwen aan het keizerlijke hof niet minder. + +Karel had den geheimschrijver in zijn familie ingeleid en hem +opgedragen zijn lievelingsdochter Emma, die toen bekend stond als +de schoonste dame van haar tijd, te onderwijzen. Zij was de dochter +van Chismonda. Uit haar oogen, die donker als de vleugels van de +raaf waren, sprak het bloed van haar Italiaansche moeder. Spoedig +ontvlamde het hart van den jongen leeraar door de gloedvolle blikken +van de zuidelijke schoone en de schrijf, en leeslessen veranderden +in vertrouwelijke minne uurtjes. + +II. + +Elk van hen beminde en werd wederbemind. + +Het was hun eerste liefde. + +Had Karel de Groote zulk een afloop slechts kunnen gissen, toen hij +het dochtertje met de gloedvolle fluweelen oogen aan de zorg van den +jongen geleerde met het meisjesachtige gezicht toevertrouwde. Had +hij zulks kunnen gissen. + +In het doodstil nachtelijk uur als iedereen sliep, sloop Eginhard in +het vertrek van zijn geliefde. Dan luisterde de dochter van Karel den +Grooten naar de zoete vleierijen van den dichterlijken geleerde. Zij +voer onder de betoovering der liefde met hem op een zee van zalige +verwachting, welks klippen haar jeugdige onbezonnenheid niet zag. + +Eginhard bezat een vurig hart, maar toch was de vlam zijner liefde +voor de dochter van zijn heer rein, als het licht der sterren; geen +toomelooze lage hartstocht verduisterde haar kuischen glans. + +Maar het lot was niet met hen. + +Op een herfstnacht bevond Eginhard zich weder bij zijn geliefde. Het +groote paleis was in duister gehuld. Geen ster was er aan den hemel, +die het geluk der minnenden kon verraden. De uren der liefde gaan snel +voorbij. Op het oogenblik, dat Eginhard het vertrek verlaten wilde, +bemerkte hij, dat een sneeuwkleed beneden de plaats overdekt had. + +Het was onmogelijk haar te overschrijden zonder voetstappen achter +te laten. En toch moest hij zijn kamer aan de overzijde bereiken. Wat +nu te doen? + +De liefde is vindingrijk. + +Na kort nadenken kwamen beiden tot het besluit, dat later tallooze +dichters bezongen hebben. (Was ik dichter, dan zou ik het ook +doen.) Het teedere meisje nam de geliefde op den rug en ging met hem, +de witte plaats over. In de schitterende sneeuw teekenden zich de +sporen van twee allerliefste voetjes af. + +Karel de Groote was op dit uur nog wakker. Drukkende zorgen over zijn +reusachtig rijk verdreven hem den slaap. Hij leunde aan het venster en +keek, ernstig voor zich uit in den duisteren nacht. Daar zag hij een +schaduw over de plaats glijden. Hij boog zich voorover en zag Emma, +zijn meest geliefde dochter, die op den rug--Karel opende wijder de +oogen--een man droeg, en deze man--een zachte kreet kwam over Karels +lippen--was Eginhard, zijn gunsteling. In het gemoed des keizers +streden smart en woede met elkaar. Hij wilde naar beneden snellen om de +ongelukkigen te dooden, maar hij bedwong zich, want de schande zou te +groot geweest zijn, indien de dochter des keizers op haar liefdetocht +met den schrijver door den gebieder over milioenen overvallen werd. + +Een diepe zucht steeg uit zijn breede borst op. Hij trad achteruit +in zijn kamer en de kleine vlokken, die om de ruiten dwarrelden, +zagen nog lang zijn door smart verwrongen gelaat. + +III. + +Den volgenden morgen riep Karel de Groote de wijze raadsleden +bijeen. De oude getrouwen ontstelden bij zijn aanblik. Rimpels +doorploegden zijn voorhoofd en verdriet lag op zijn afgematte trekken +te lezen. Vooral Eginhard, die een voorgevoel had van wat er komen +zou, beschouwde zijn gebieder met schuwe blikken. Karel verhief zich +en sprak: "Wat verdient een koninklijke princes, die 's nachts een +man in haar vertrekken ontvangt?" + +De raadsheeren keken elkaar sprakeloos aan. Eginhards gelaat werd +bleek als van een doode. De aanhangers des keizers zochten niet lang +naar den naam van deze vorstendochter. + +Verlegen beraadslaagden zij een tijdlang, toen nam een van hen +het woord: + +"Majesteit, voor misdrijven door de liefde begaan wordt de zwakke +vrouw nooit gestraft." + +"En wat verdient een gunsteling des keizers, die 's nachts in de +vertrekken van een koninklijke princes sluipt?" + +Met fonkelende oogen wendde de ijzeren Karel zich tot zijn +secretaris. Eginhard beefde eenigszins en zijn meisjesachtig gezicht +werd nog bleeker. Verloren! mompelde hij. Toen zeide hij, terwijl +hij zich fier oprichtte: + +"Den dood, mijn Heer en Keizer!" + +Karel de Groote beschouwde den jongeling met bewondering. Bij deze +zelfaanklacht en innig berouw smolt de toorn in zijn binnenste en +maakte plaats voor zachtere gevoelens. Eenige oogenblikken later gaf de +keizer den raadsleden hun afscheid. Eginhard wenkte hij, hem te volgen. + +Zwijgend ging Karel hem voor in zijn studeerkamer, daar werd de tweede +deur geopend en Emma, door haar vader geroepen, trad binnen. Zij +begreep dadelijk alles en met een doordringenden smartkreet viel zij +voor haar vader op de knieën. + +"Genade, genade, vader! Wij beminden elkaar zoo innig!" En de groote +omfloersde oogen keken smeekend omhoog. + +"Genade!" mompelde ook Eginhard en boog de knie. + +De keizer bleef eerst zwijgen. Toen begon hij te spreken, eerst streng +en ernstig, doch geleidelijk, door het snikken van zijn innig geliefd +kind, werden zijn woorden zachter. + +"Daar gij elkaar bemint--hij legde bijzonder den klemtoon op dit +woord--wil ik u niet scheiden. Een priester zal u vereenigen en +voordat de volgende morgen aanbreekt, zijt gij van hier vertrokken." + +De deur sloot zich achter hem. + +Door smart overweldigd, den inhoud van het gesprek slechts half +begrijpende, knielde het schoone meisje terneder. Een zachte stem +deed haar opschrikken. Teeder trok Eginhard haar aan zijn borst. + +"Ween niet, geliefde," fluisterde hij, "door dat je vader, mijn +gebieder je van zich stiet, heeft hij ons voor eeuwig vereenigd." + +Heviger vloeiden haar tranen. + +"Kom," ging hij bewogen voort, "de liefde zal ons geleiden." + +Den volgenden morgen verlieten twee jeugdige pelgrims het slot te +Ingelheim en begaven zich in de richting van Mainz. + +IV. + +Jaren zijn verstreken. + +Karel de Groote heeft in Saksen overwinningen behaald en ook de +Romeinsche kroon verworven, zoodat zijn roem wijd en zijd verkondigd +werd, maar niettegenstaande dat is zijn haar vergrijsd en zijn gelaat +verouderd. Een aandoenlijk schoon beeld leefde sedert jaren in zijn +gedachten, en hij was niet bij machte dit te verbannen. + +'s Avonds wanneer de ondergaande zon in de marmeren zuilen van het +koninklijk slot weerspiegelden en haar laatste stralen hun gouden +schijnsel in het hooge vertrek van den beheerscher der Franken wierpen, +dan zagen zij hem dikwijls onbeweeglijk op zijn rijk gebeeldhouwden +stoel zitten, het diepdenkende hoofd in de handen verborgen. + +De keizer was in treurig gepeins verzonken. Hij dacht aan +vervlogen dagen. In zijn verbeelding zag hij een jongen man, wiens +zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar +stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke +heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de +keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het +grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had, +dan was er dikwijls een meisje met donkere oogen tegenwoordig geweest, +de lievelingsdochter van Karel den Grooten. + +Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem +van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan +van ontroering. + +V. + +Jachtfanfares klonken door de eenzaamheid van het Odenwoud. Karel de +Groote en zijn getrouwen beoefenen het edele jachtvermaak. De oude +keizer, die overal vergetelheid zoekt heeft de speer ter hand genomen +om de herten van het woud te treffen. + +Hij heeft zich van zijn begeleiders afgezonderd en vervolgt juist een +trotsch hert met zestienpuntig gewei. De zon staat reeds hoog aan +den hemel als het vervolgde dier de richting van den Main uitsnelt +welks water door de takken glinstert. Hij ontdekt den vloed, staat een +oogenblik onthutst stil, maar stort zich dan, door de nabijheid van +den vervolger opgejaagd, in de rivier, welks overkant hij zwemmende +bereikt. De keizer verschijnt en staat uitgeput aan den oever. Nu +eerst bemerkt hij, dat de avond hem onmerkbaar overvallen, en de +streek, waarin hij zich bevindt, hem geheel onbekend is. + +Voor zich heeft hij den vloed, achter zich het woud. De eerste sterren +schitteren reeds aan den hemel. Tevergeefs zoekt Karel den rechten +weg langs de rivier te vinden. Het woud, dat hij zooeven doorsneden +heeft, schijnt nu ondoordringbaar. Volslagen duisternis omgeeft hem. + +Daar schittert onverwachts een licht in de verte. De keizer ziet +het en richt met blijde verrassing zijn schreden daarheen. Vlak bij +den oever ontdekt hij een hutje. Door het verlichte venster ziet de +koninklijke bespieder een armoedig vertrek. + +Wellicht is dit de kluis van een vroom man, denkt hij en klopt aan +de deur. Een man met blonden baard verschijnt. De keizer deelt, +zonder zich bekend te maken, mede in welk een verlegenheid hij zich +bevindt en vraagt huisvesting voor den nacht. Bij den klank zijner +stem ontroert de man hevig. Hij laat den keizer binnentreden. Een +jonge vrouw zit op een laag stoeltje en wiegt een kind op haar +knieën. Als zij den keizer ziet, glinstert haar donker oog en wordt +haar gelaat wit als marmer. Snel begeeft ze zich in de aangrenzende +ruimte om haar snikken te verbergen. Karel neemt plaats en steunt, +terwijl hij iedere verfrissching, die zijn gastheer hem aanbiedt, +weigert, het moede hoofd in de handen. + +Minuten verstrijken. + +Slaapt hij? + +Neen, hij is in treurig gepeins verzonken. + +Hij denkt aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding ziet hij een jongen +man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij +de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de +heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, +die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit +het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven +had, dan was er dikwijls een jong meisje met donkere oogen tegenwoordig +geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten. Tegen vaders +knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer +en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering. + +De keizer slaakte een diepen zucht. + +Een zilveren kinderstem deed hem uit zijn overpeinzingen +opschrikken. Een meisje van ongeveer vijf jaar, meer op een engel +dan op een aardsch wezen gelijkend, naderde hem bedeesd en bracht +den vreemden gast den nachtgroet van haar moeder. Getroffen keek de +keizer op het kindje neer, dat hem het witte handje toestak. Dubbel +bekoorlijk kwam de onschuldige schoonheid in de schramele omgeving uit: +een pastelteekening in een donkere lijst. + +"Hoe heet je, kleine?" vroeg de keizer. + +"Emma," antwoordde het kind. + +"Emma!" herhaalde Karel en een traan gleed over zijn wangen. Hij +trok het engelachtige kind naar zich toe en drukte een kus op haar +rein voorhoofd. + +Toen hoorde men gedruisch. Aan de voeten van den keizer lagen de +man met den blonden baard en de jonge vrouw en smeekten snikkend +om vergeving. + +"Emma, Eginhard!" roept Karel met trillende stem en omarmt hen +weenend. "Gezegend zij de plaats, waar ik u weergevonden heb!" Boven +de eenzame hut zweeft de engel des vredes. + +VI. + +Emma en Eginhard keeren met veel praal aan het hof van den keizer +terug. Karel schonk hun het prachtige slot te Ingelheim, en gevoelde +zich door het bijzijn zijner kinderen veel jeugdiger. Op de plaats, +waar hij hen wedergevonden had, liet hij een klooster oprichten en +later ontstond daar een stad, tot op heden Seligenstadt (d.i. stad +der zaligen) genaamd. + +In de kerk te Seligenstadt bevindt zich het graf van Eginhard en +Emma. Volgens hun wensch werd hun stoffelijk overschot in dezelfde +sarcophaag bijgezet. + + + +Rüdesheim + + +De Brömserburg + +In den hoogen Dom te Speyer stonden duizenden mannen in ridderlijke +wapenrusting te luisteren. Aan het altaar zat Koenraad de Staufe in +den koningsstoel, de handen op het gevest van zijn zwaard gevouwen, +luisterende naar de geestdriftige redevoering van Bernard van +Clairvaux over de gruwelijke verwoesting van de heilige plaatsen van +het beloofde land. Toen de heilige monnik zijn rede eindigde met op +indrukwekkende wijze een beroep te doen op den moed der belijders +van den christelijken godsdienst, weerklonk door de gewelven van +den Dom uit duizenden monden tegelijk als ware het één kreet: "Op, +naar Jerusalem!" + +Ontelbare ridders boden den vromen keizer in den kruistocht tegen de +heidenen hun diensten aan. En onder hen bevond zich ook Hans Brömser, +heer van de Niederburg bij Rüdesheim, de laatste afstammeling van +zijn geslacht. Niets weerhield hem; zijn gemalin rustte onder de +aarde, en de eenige telg uit hun huwelijk Mechtilde zou den vader +onder de hoede van de naburige familie Falkenstein evenmin missen, +als hij dit het aankomende meisje in het Syrische land zou doen. + +Zoo trokken de vrome strijders naar de moeilijke wegen van dat land, +waar onze Heer geleefd en geleden heeft. De oogen van vele edellieden +zijn daar in den strijd tegen de Saracenen voor eeuwig gesloten; +velen trof een nog treuriger lot, zij waren levend dood, daar zij vol +smaad in de gevangenissen der ongeloovigen versmachtten. Ook ridder +Brömser viel, na een verloren slag, in handen der Turken en zat in +een afschuwelijken onderaardschen kerker gevangen. Gelijk een dier +liet de pacha den ridderlijken vijand een molensteen in beweging +houden. Dag op dag verging, en met steeds heviger smart verdroeg de +ridder den smaad zijner vijanden. Toen legde hij in een uur van de +bitterste wanhoop voor den Heer de volgende plechtige belofte af: +"Schenk mij de vrijheid weer en ik beloof u, dat mijn eenig kind +Mechtilde den sluier aan zal nemen." + +En hij herhaalde den heiligen eed nog eens en ten derde male. + +Toen gebeurde, wat geen der wapendragers ooit had durven hopen: De +dappere kruisvaarders bestormden het Turksche slot in de zandwoestijn +te Syrië en bevrijdden hun geloofsgenooten uit de vernederende +gevangenschap. Uit dankbaarheid jegens God leende Hans Brömser zich op +nieuw voor de heilige zaak. Toen keerde hij terug naar het vaderland +aan den Rijn. + +Op het met mos begroeide slotplein omhelsde Mechtilde hem lang en +zwijgend. Naast de zeventienjarige stond de jonker van Falkenstein, die +zich diep voor den teruggekomen heer boog en hem zacht begroette met +de woorden: "Welkom, vader!" Toen kwam er plotseling een herinnering +bij den ridder op, die de vreugde van het weerzien vergalde. + +In de rijk versierde staatsiezaal vierde Hans Brömser, omringd +door zijn getrouwen, zijn gelukkigen terugkeer. Luide loftuitingen +weerklonken in den kring der kruisvaarders; iedereen luisterde, toen +de gevaren, die de helden doorleefd hadden, verhaald werden. Hoe hij +voor het geloof gestreden en in gevangenschap der heidenen geleden had, +vertelde de ridder met geestdrift aan de luisterende schaar. + +Daarop liet hij zijn stem dalen, en met plechtige woorden deelde Hans +Brömser de verzamelde menigte zijn belofte mede, die hij in het heilige +land in de grootste wanhoop afgelegd had. Toen weerklonk een gil door +het ruime vertrek en het dochtertje van den ridder, nog witter dan +het tafellaken, zonk bewusteloos ter aarde. De jonker van Falkenstein +verhief zich met vlammende oogen en roode wangen, en sprak met vaste +stem: "Mechtilde behoort mij, ze heeft in een plechtig uur beloofd, +mij voor eeuwig te zullen toebehooren!" + +Met gefronst voorhoofd legde de burchtheer de fluisterende gasten het +zwijgen op: "Mechtilde behoort den hemel toe en niet jou, knaap. Dezen +eed deed de laatste Brömser en hij zal hem ook houden!" Met ingehouden +toorn riep de ridder dit uit en in bedrukte stemming gingen de +gasten uiteen. + +Mechtilde lag in woeste smart in haar kamer. Flikkerend wierp de +kleine lamp aan het crucifix haar schijnsel op de liggende, die de +voortkruipende uren van den nacht in liefdesmart doorbracht. De met +tapijten behangen muren, van het in schemerlicht gehulde vertrek, +leken het jonge meisje drukkende kerkermuren. + +Zij ijlde, met het lichtje in de bevende hand, den hoogen wenteltrap +op naar den zolder en vertrouwde het harde leed van haar jonge ziel +den kalmeerenden nacht toe. + +Geleund tegen een der schietgaten in den muur, staarde zij naar de +tegenovergelegen Felsenburg waar de welgemoede minnaar, aan wien ze +zich voor eeuwig verbonden had, vertoefde. + +"Geliefde!" klonk het snikkend in den nacht. Aan den hemel waren +geen sterren: een ruwe herfststorm begeleidde den hartestorm van de +jonkvrouw en blies plotseling met een hevigen rukwind om de vesting. + +Toen weerklonk er een gil, kort en schel. Was het de loeiende wind of +een menschelijke kreet? In de stilte van den nacht stierf hij weg. Van +het hoogste punt van de Brömserburg stortte het lichaam eener vrouw +in de af grijselijke diepte en werd door het stroomende water van +den Rijn verzwolgen. + +Een prachtige herfstmorgen volgde op den stormachtigen +nacht. Tevergeefs zocht men boven in de Brömserburg naar Mechtilde, +het dochtertje van den burchtheer. Beneden echter hebben ze in alle +vroegte een meisje uit het water gevischt, waarvan de oogen reeds +gebroken waren. Een sombere stoet bewoog zich toen naar den burcht, +waar de smartkreten van velen weerklonken over de vroeg geknakte bloem, +de laatste spruit van den Brömserstam. Hans Brömser heeft zich op het +lijk geworpen en zijn gebaard gezicht lang en zwijgend in de plooien +van het sneeuwwitte gewaad verborgen. Geen traan hing aan zijn wimpers. + +Voor de zielsrust van de dochter, die den sluier niet wilde aannemen, +legde hij in de grootste treurigheid opnieuw een belofde af; hij zou +een kerkje laten bouwen op den heuvel tegenover zijn vesting. Toen +heeft hij zich in zijn vertrek opgesloten en in droevig gepeins de +verdere dagen doorgebracht, totdat frisch groen op het graf van zijn +onzalig kind ontlook. + +Sedert dien tijd zijn er maanden verstreken, maar nog is er niet aan de +beloofde boetkapel begonnen. Verbitterd heeft Hans Brömser zich steeds +meer van de wereld afgezonderd en zich in de treurige eenzaamheid +teruggetrokken. Toen is er eens een knecht met de beeltenis van de +moeder Gods bij hem gekomen. + +Een stier had dit bij het ploegen op den heuvel tegenover den +burcht opgeworpen, en de knecht heeft driemaal "Not Gottes!" hooren +roepen. Toen heeft Hans Brömser zich zijn belofte herinnerd en +terstond het kerkje, dat hij den Heer beloofd had, laten bouwen voor +de zielsrust van Mechtilde. "Not Gottes" heeft hij het genoemd en +zoo heet het nog heden. + + + +Bingen + + +De Muizentoren + +Onder Bingen ligt midden in den vloed op een eenzaam eiland een vesting +in den vorm van een toren, de Muizentoren genaamd. Sedert eeuwen is +hieraan de naam van een aartsbisschop uit Mainz op sornbere wijze +verbonden. In de sage wordt deze slechte Hatto van een vreeselijke +misdaad aangeklaagd, waardoor hij in de heele Rijnstreek en nog veel +verder veroordeeld is geworden. + +Een eerzuchtig, harte- en trouweloos mensch moet hij geweest zijn, +een wreed heer voor zijn onderhoorigen. Hooge belastingen perste hij +hun af, liet hen tol betalen en verzon tallooze belastingen om aan zijn +heersch- en pronkzucht te voldoen. Tusschen Bingen en Rüdesheim liet +hij in den Rijn den stevigen toren bouwen en hief van alle schepen, +die stroomaf voeren, tol. + +Spoedig daarop was de oogst in het land van den Main mislukt. + +Droogte en hagel vernielden het toch reeds schaarsche graan en de +duurte van levensmiddelen werd nog vermeerderd, daar de aartsbisschop +Hatto groote hoeveelheden graan opgedaan en op zijn zolder afgesloten +had. De hongersnood was spoedig verschrikkelijk; maar de ongelukkigen +smeekten den wreeden heer tevergeefs, den prijs van het graan, dat hij +op zijn zolders had, te laten dalen. Wel drongen zijn raadslieden er +op aan, dat hij medelijden met de ongelukkigen zou hebben, maar Hatto +bleef ongeroerd, en toen de stijgende ellende en de hardvochtigheid +van den gebieder verbittering te weeg brachten en oproerige stemmen +zich onder het volk, dat zoo zwaar beproefd was, deden hooren, zette +Hatto de kroon op zijn wreedaardige handelwijze. + +Eens drong een bedelende menigte jammerend in het aartsbisschoppelijk +paleis en smeekte den aartsbisschop, die juist aan zijn overdadigen +maaltijd zat, om voedsel. + +Hij had juist tot zijn dischgenooten op knorrigen toon gezegd, dat het +beter zou zijn als dat ellendige volk op de een of andere manier van +de wereld verdween; dan zou het van alle zorgen verlost zijn en ook +hij zou dan niet meer door hen lastig gevallen worden. Toen nu de in +lompen gehulde menigte, mannen, vrouwen en kinderen met holle oogen +en bleeke gezichten voor hem neervielen en om brood schreeuwden, +kwam er plotseling een flikkering in zijn oogen. Hij wenkte hen +met gehuichelde welwillendheid, beloofde hun koren en liet hen in +een schuur voor de stad brengen, alwaar ze zooveel graan zouden +krijgen als ze noodig hadden. Vol blijdschap en van dank vervuld, +ijlden de ongelukkigen weg; toen zij echter allen in de schuur waren, +liet Hatto de deur sluiten en de schuur aansteken. + +Vreeselijk was het gekerm van de ongelukkigen. Tot aan het paleis van +den bisschop moet het geschreeuw doorgedrongen zijn. De wreede Hatto +riep echter spottend tot zijn getrouwen: "Hoort hoe de korenmuizen +piepen? Nu is het gebedel uit. De muisjes zullen mij bijten, als het +niet waar is." + +Verschrikkelijk echter trof hem de straf des hemels. Uit de brandende +schuur slopen duizenden muizen naar het paleis, vulden alle vertrekken +en vielen zelfs den aartsbisschop aan. In ontelbare scharen sprongen +zij door zijn kamers, en hoewel zijn bedienden tallooze gulzige +knagers verdelgden, zoo toch werd hun aantal steeds grooter en hun +vraatzucht steeds heviger. Afgrijzen vervulde den aartsbisschop, +en daar hij een voorgevoel van Gods oordeel had, ontvluchtte hij per +schip de stad om zich aan de woedende beten van zijn vervolgers te +onttrekken. Maar de onverdelgbare schaar zwom hem in legioenen na, +en toen hij vol vertwijfeling den toltoren bereikte, meenende in de, +door water omgeven, vesting veilig te zijn, vervolgde het grijze +muizenleger hem ook hierheen, knaagde met de scherpe tanden een +toegang tot den toren en bereikte spoedig hem, dien het vervolgde. + +Hij heeft ook het onderspit gedolven, de afschuwelijke. Eindelijk +moet hij vol wanhoop zijn ziel aan den duivel beloofd hebben indien +deze zijn lichaam verloste, en de duivel moet in het helsche vuur +tusschenbeide gekomen zijn, het schokkende lichaam bevrijd hebben en +de ziel op den derden dag voor zich genomen hebben. + + + + + +Dit deelt de sage mede. Maar zachter oordeelt haar zuster, de +geschiedenis, over Hatto, den strengen aartsbisschop van Mainz. Zij +laakt slechts een ding in hem: zijn heerschzucht. Hierdoor verkreeg +de Mainzer zetel die wereldlijke macht, waardoor hij later de +eerste bisschopsplaats van het rijk werd. Al vonden de burgers van +Mainz dit niet onaangenaam, zoo toch was de trotsche, despotische +geest van hem, die haar verworven had, zeer gehaat, en daar hij +bovendien den slottoren in de rivier had laten bouwen, van waar +uit hij alle voorbijvarende schepen voor de belasting onderzoeken +liet--doorsnuffelen, "müsen" zeiden de Duitsche voorvaderen en zegt +de "Rhein-lander" nog heden--zoo mag deze Muizentoren, waarbij ook +nog de haat van een onderdrukt volk kwam, deze vreeselijke sage in +omloop gebracht hebben. + + + +Aszmannshausen + + +De Klemenskapel + +Een treurige geschiedenis is er aan de stichting van de Klemenskerk +verbonden, die meer stroomafwaarts dan de burcht Rheinstein aan den +oever van den Rijn ligt. Eerst in den lateren tijd is zij door de +milde hand van de burchtvrouw van Rheinstein op nieuw verrezen. + +Het was ongeveer in den tijd waarop door de flinke regeering van +Rudolf van Habsburg een einde gemaakt werd aan de buitensporigheden +der roofridders, die vooral in den keizerloozen tijd aan den Rijn +zeer huisgehouden hadden. De roofridders beantwoordden met openlijken +hoon de ernstige waarschuwingen des keizers, en meer dan ooit voerden +ze op den smallen straatweg, die zich aan den Bovenrijn tusschen de +rotsen en de rivier uitstrekt, hun roofachtig bedrijf uit. + +Daar verscheen de vertoornde keizer zelf met een sterke macht en hield +een vreeselijk strafgericht onder de adellijke roovers. Als schurftige +honden wilde hij hen en hun geheelen aanhang uitroeien. Hiermede had +hij de bespotters van den heiligen landvrede gedreigd, en hij voerde +zijn bedreiging uit. Brandende burchten waren zijn wegwijzers aan den +Bovenrijn. De bewoners van het dal zagen met ontzetting de vlammen +uit de vestingen van de Reichensteiners, Sooneckers, Heimburgers en +andere gevreesde roofridders opstijgen, en talrijke leden van adellijke +geslachten werden door den strop van den beul ter dood gebracht. Toen +hoorde men menigen schoonen mond jammeren en weeklagen over de strenge +rechtvaardigheid van den keizer. Door de vreedzame kooplieden echter +werd zij vol dankbaarheid geprezen. + +Voor de overblijvenden waren de lichamen van huns gelijken, die +stuiptrekkende aan de boomen langs de rivier hingen een vreeselijke +waarschuwing. + +Schuwe gestalten zijn toen, beschermd door de duisternis van den +nacht, naar de gerechtsplaats geslopen; vol droefheid hebben de +betrekkingen van de ter dood veroordeelden de lijken afgenomen, +om ze voor smadelijke vernietiging te bewaren. Heimelijk werden +de ongelukkigen in gewijde aarde begraven. Maar de gedachte aan +een vergelding hiernamaals liet de achterblijvenden geen rust; want +menigeen, die zulk een smadelijken dood gestorven was, had zijn wapen +met het bloed zijns naasten bevlekt. + +Men heeft dus op raad van een verstandig, vroom dienaar Gods het hout +van de boomen genomen, waaraan zij gehangen hadden, en een boetkapel +gebouwd op de eenzame gerechtsplaats aan den Rijn. Ook van de rookende +puinhoopen der afgebrande burchten heeft men steenen genomen voor het +boetehuis bij Aszmannshausen evenals voor de hut van den beschermer, +den kluizenaar. + +Toen de dag aanbrak, waarop zich voor de eerste maal het woord van den +priester aan het altaar zou doen hooren, zijn er booten met dooden +en treurenden stroomop en afwaarts gevaren--in het schip der kerk +hebben zij de lijkkisten neergezet--en met plechtige woorden heeft +de aartsbisschop van Mainz de dooden van hun zonden ontheven en de +armezondaarskerk haar bestemming doen bereiken. Daarop heeft men de +nu gezegende lijken ten tweede male in het gemeenschappelijke graf +ter aarde besteld. Vele tranen moeten er toen in de nieuw gewijde +kerk gestort zijn. + +Dit had plaats in het einde der dertiende eeuw. Eeuwen achtereen hebben +de geloovigen en de priesters in dit kerkje bij Aszmannshausen voor +de arme zielen der veroordeelden gebeden. + +Boven in de burchten zijn ondertusschen vele geslachten uitgestorven, +de trotsche burchten zijn vervallen en beneden zijn veelbewogen tijden +voorbijgegaan. En de tand des tijds, die boven aan de burchten knaagde, +is ook beneden aan het kerkje zijn verwoestingswerk begonnen, heeft +het dak vernietigd en de muren afgebrokkeld. + +In lateren tijd is er weer een kerkje in de plaats der ruïne ontstaan, +en evenals voor zeshonderd jaar klinkt het woord van den priester +weer aan het altaar van de Klemenskerk. + + + +Rheinstein + + +Het huwelijksaanzoek + +Op Rheinstein heeft een ridder gewoond, die buitengewoon strijdlustig +was. Hij heette Diethelm. Van een rooftocht had hij eens als buit +een mooi meisje, Jutta genaamd, mede naar huis gebracht. Evenals +teedere klimop zich om den knoestigen eik slingert en zijn ruwen bast +in glanzend fluweel verandert, zoo ook heeft deze jonkvrouw met haar +vrouwelijk karakter uit den ruwen krijgsman na jaar en dag een braaf +ridder gemaakt, die afstand deed van rooftochten en feestgelagen en +de schoone Jutta, als belooning voor haar deugd en lieftalligheid, +de hand reikte. + +De eerste vrucht der jonge liefde kostte de teedere moeder het leven; +maar Gerda, het evenbeeld der afgestorvene, groeide op tot een +volmaakte schoonheid, zoodat vroegtijdig de minnaars van heinde en +ver kwamen, en het aankomende meisje tot echtgenoote begeerden. Maar +de ridder van Rheinstein was zeer lastig in zijn keus omtrent een +pretendent en menigeen trok bedroefd, met een weigerend antwoord af. + +Een was er echter, dien het meisje en ook de oude heer gaarne +mochten lijden. Hij heette Helmbrecht en was de oudste afstammeling +op Sternburg. Het was den jongeling gelukt het hart der jonkvrouw +te veroveren, en eens, toen hij voor de tournooispelen op Rheinstein +vertoefde, en Gerda met de met ringen versierde rechterhand de ridders +op het burchtplein aanmoedigend den dank der vrouwen toezwaaide, +deelde Helmbrecht haar zijn liefde mede. Eenige dagen daarna droeg +hij, zooals de ridderlijke etiquette voorschreef, zijn oom Gunzelin +von Reichenstein op zijn aanzoek over te brengen. Maar Gunzelin was +niettegenstaande zijn rijperen leeftijd arglistig en valsch. In plaats +van voor zijn neef, deed hij voor zich zelf aanzoek bij Gerda's vader, +en deze aarzelde niet den ridder uit een oud geslacht met aanzienlijke +goederen zijn jawoord te geven. + +Tot beider verbazing wilde de dochter van den rijken minnaar niets +weten. Haar hart behoorde den neef, niet den oom. De toorn in het +binnenste van graaf Diethelm groeide steeds aan, en door de hevige +woede der laatste dagen, zwoer hij, dat de met goederen gezegende +makker uit zijn jeugd zijn dochter zou bezitten, en dat de arme +stakker von Sternburg haar nooit naar het altaar zou voeren. + +In haar stille kamer weende het troostelooze meisje hartverscheurend, +maar haar tranen vermochten de ijskorst om het hart van den vader +niet te doen smelten. Tevergeefs smeekte de in't geheim beminde +bij den ouden heer toegelaten te worden, deze echter beriep zich op +zijn ridderlijk woord, dat hij den heer von Reichenstein op handslag +gegeven had. + +En zoo brak de dag aan, waarop Gunzelin met het meesmuilend welbehagen +van een ouden wellusteling, wien in den herfst de liefelijke lente +toelacht, de schoonste jonkvrouw van den Rijn in zijn trotschen burcht +zou binnenleiden. Gerda, die het zachte karakter van haar overleden +moeder bezat, had zich in het onvermijdelijke geschikt. + +Op een mooien zomermorgen begaf de bruidsstoet zich van de slotpoort +van Rheinstein naar den nabij gelegen heuvel, waarop de Klemenskapel +stond. Fanfares schetterden, bazuinen schalden. Op een sneeuwwitten +telganger zit, het schoone hoofd treurig gebogen, de doodsbleeke +bruid. Zij denkt aan den geliefde, die ver van haar is en even als +zij door smart verteerd wordt. Daar vliegt opeens een zwerm gonzende +paardenvliegen uit de struiken. Een daarvan steekt in den buik van +het paard, dat de liefelijke vrouwenlast draagt, zoodat het dier, +steigerend uit den bruidsstoet springt. De bruigom, op zijn prachtig +opgetuigden hengst gezeten, springt moedig het schichtige paard na, +maar daar de weg zoo smal is, doet hij een missprong en stort met zijn +ros in de diepte. Stervend werd hij door de ontstelde bruiloftsgasten +in den burcht gedragen. + +De oude Diethelm was bij de poging, om het paard zijner dochter tot +staan te brengen, even ongelukkig geweest; het woedende dier had +hem het scheenbeen gebroken en dienstvaardige bedienden droegen den +steunenden grijsaard voorzichtig naar het slot terug. + +De heelmeester had de volgende weken, toen hij de gevolgen van een +hevigen trap van het paard behandelde, geen gemakkelijke taak, bij +den vloekenden burchtheer. Bij de eerst volgende kromming van den weg +had zich echter een man voor het hollende paard geworpen, die het +trillende dier tot staan gebracht en de bewustelooze bruid in zijn +armen opgevangen had. Treurig gestemd, wilde hij, verborgen door de +struiken, den bruidsstoet volgen en was zoodoende de redder geworden +van haar, die alleen hem beminde. De heer van Rheinstein is, toen hij +dezen afloop vernam, tot nadenken gekomen en heeft den geliefden zijn +zegen gegeven. Hun stoffelijk overschot rust onder den steen voor het +altaar van de Klemenskapel tegenover Aszmannshausen; burcht Rheinstein +is hersteld en prijkt even schoon als weleer op de steile rotshelling. + + + +Falkenburg + + +De Waldburg + +De steeds opgeruimde slotheer van Falkenburg was in den heiligen oorlog +tegen de Turken in de heete steppen van Phrygië voor de heilige zaak +gevallen. Zijn vrome weduwe bewoonde met haar eenig kind Dietlinde den +vaderlijken burcht. Deze jonge dame was bijzonder lieftallig en had +een aantrekkelijk karakter, zoodat er vele edellieden waren, die de +allerliefste jonkvrouw van Falkenburg, die het prachtige vaderlijke +slot mede ten huwelijk zou brengen, tot echtgenoote begeerden. + +Onder hen, die om de hand van het meisje dongen, was ook Guntram, een +ridder uit een oud adellijk geslacht gesproten. Hij was de gelukkige +veroveraar van Dietlindes hart. + +Daar hij ook de moeder goed beviel, stond niets de vereeniging der +beide geliefden in den weg. Onverwachts echter, toen alles reeds voor +de bruiloft gereed was, kreeg Guntram een oproeping van den Paltsgraaf +om in zijn residentie te komen. Daar kreeg de jonge ridder van zijn +leenheer de eervolle opdracht zich met een gezantschap naar den hertog +van Bourgondië te begeven. + +Met een beklemd hart onderwierp Guntram zich aan dit bevel, man dapper +afscheid van de weenende bruid en aanvaardde zonder oponthoud de reis. + +Zoo snel, als ging hij op vleugelen, ving hij na verscheidene +weken den terugtocht aan. Daar trof hem het ongeluk, dat hij op een +onbegaanbare plaats in het bosch, van zijn gezelschap gescheiden werd +en verdwaalde. Totdat de zon onderging zocht hij naar zijn geleiders +zonder hun spoor weer te vinden. Na vele uren tevergeefs gezocht +te hebben, ontdekte hij in de nachtelijke duisternis een licht, dat +hem naar een eenzamen burcht in het woud leidde. Een grijsaard met +zilveren haren heette hem welkom. Zacht waren zijn trekken, en de +klank zijner stem evenals de uitdrukking zijner oogen waren treurig +en vermoeid. Een rijkelijk maal sterkte den verdwaalden ridder, en +een gemakkelijke rustplaats bood hem verkwikking voor het overige +gedeelte van den nacht aan. + +Toen Guntram met een vroom Ave Maria en met de gedachten vol trouw aan +zijn verre bruid de oogen sluiten wilde, klonk uit een aangrenzende +kamer een zacht, welluidend, en tevens verlokkend gezang. + +Luisterende, hoorde de gast, dat een vrouwenmond een vurig minnelied +zong. En de nieuwsgierigheid dreef hem, het wezen, te zien, dat +aan den stillen nacht haar meisjesklachten toevertrouwde. Hij vond +in de aangrenzende kamer een jonkvrouw, een zeldzaam bekoorlijk +schepsel. Getroffen door zulk een vreemdsoortige vrouwelijke schoonheid +sprak Guntram haar aan, die bij zijn binnentreden plotseling met +zingen opgehouden had. + +Hij ontving geen antwoord op zijn woorden en toen hij zijn toespraak +herhaalde, ontmoette hij den zwijgenden blik van twee vurige oogen. + +Toen hij naderbij komend voor de derde maal begon en teedere +woorden van bewondering fluisterde, werd er plotseling, omgeven door +verblindend licht, een marmeren plaat aan den muur zichtbaar, waarop +in schitterend vlammenschrift de woorden stonden: + + + Musz dauernd schweigen; + Darf nicht mich zeigen. + Der Liebe Wesen + Kann mich erlösen. + + +Met de hand wees de jonkvrouw daarop. En de booze betoovering der +liefde, droeg Guntram als op vleugelen in het land der bedwelming. Hij +vatte onstuimig de sneeuwwitte hand en drukte zijn lippen op den mond +der minzaam glimlachende sirene. Op zijn knie gezeten, zong zij zacht +met liefelijke stem smachtende liederen aan de liefde gewijd. + +Toen het twaalf uur sloeg, ontrukte zij zich uit zijn omarming en +verdween. Een ring had zij in zijn hand achtergelaten. In zijn +kamer teruggekeerd, las hij de daarop gegraveerde woorden: "Gij +zijt de mijne." Opeens stond het luid kloppende hart van den ridder +seconden lang stil, toen hij tot besef van zijn trouwelooze handelwijze +kwam. De rest van den nacht bracht hij, geheel ontnuchterd in wakenden +toestand door. Met een haastige, doch hartelijke dankbetuiging aan +den ouden gastheer, verliet hij tegen het aanbreken van den morgen +den eenzamen burcht. Geen blik wierp hij achter zich. Een vriendelijk +herder geleidde hem naar den straatweg. Uit diens mond vernam Guntram, +terwijl hij doodsbleek werd, het geheim van deze afgelegen Waldburg: + +De bejaarde ridder, die hem gastvrij ontvangen had, was eens de vader +van een dochter, Gerlinde genaamd. Zij was zoo schoon als een engel, +doch niet zoo braaf als een engel. Zij had van de vele minnaars, +die om haar hart dongen, in zondige vermetelheid de meest ongehoorde +daden geëischt, die hun allemaal het leven gekost hadden. Toen is er +eens een troostelooze moeder van een van deze onzalige jongelingen +voor het goddelooze meisje getreden en heeft de vloek des hemels over +haar zondig hoofd afgesmeekt. En voordat het weer volle maan werd, +haalde de dood 's nachts de jonkvrouw uit de Waldburg. Sedert dien +tijd dwaalde haar geest in het slot rond, teneinde elken mannelijken +gast door haar vroegere bekoring te betooveren. Slechts de man, die +aan haar verzoeking weerstand kon bieden, kon haar verlossen. Wie +zich daarentegen door haar verlokken liet, stierf binnen driemaal +negen dagen. Toen Guntram, bleek van schrik, deze boodschap uit den +mond van den herder vernomen had, reed hij ontsteld weg. Op Falkenburg +verwachtte zijn kuische bruid hem vol verlangen. Op dringend verzoek +van den bruigom werd de bruiloft op den volgenden dag bepaald. In de +feestelijk versierde burchtkapel stond Guntram met de allerliefste +dochter van den ridder van Falkenburg voor het altaar. Toen echter +de priester beider handen in elkaar wilde leggen, trad, slechts +zichtbaar voor den bruigom, de spookachtige jonkvrouw van de Waldburg +tusschenbeide en legde haar ijskoude hand in de zijne. En Guntram zonk, +van zijn zinnen beroofd, op den steenen vloer neer. + +Met teedere toewijding verzorgde de bekommerde bruid den geliefden +man. Toen hij de oogen weer opsloeg, bekende hij haar berouwvol zijn +wederwaardigheden op de Waldburg. Dietlinde's liefde was zoo groot, +dat zij den berouwvollen geliefde alles vergaf. De priester werd +nogmaals geroepen en verbond hen in den echt. En, nadat ze driemaal +negen dagen van zalig geluk doorgebracht hadden, ging graaf Guntram +liggen en ontsliep vol berusting in de armen van zijn trouwe gade. + +Dietlinde treurde aan de zijde harer moeder zeer om den verloren +echtgenoot en bad veel voor de eeuwige rust van zijn ziel. Zij schonk +het leven aan een zoon dien zij ook Guntram noemde. Zij voedde hem +op in liefde voor zijn vader, dien hij nooit gekend had. + + + +Sooneck + + +De blinde schutter + +Op het rotsnest Sooneck, viert Siebold, de vermetelste der roofachtige +arenden van den Rijn een losbandig feest. Op de rustbanken in +de staatsiezaal liggen lichtzinnige vrouwen met gekrulde haren en +geblankette wangen in de armen van dronken feestgenooten. En terwijl de +muzikanten speelden en gevulde wijnkannen het kostbare maal bespoelden, +sprak de burchtheer met een door den drank verhit gelaat en glimmende +dronkemansoogen aldus: + +"Veeledele vrouwen (hier bulkten de wellustige drinkebroers het uit) +en veelvrouwige edelen! (brutaal gichelden de hetaeren.) Na spijs en +drank genoten te hebben, zou de gastheer u gaarne zooveel mogelijk +verstrooiing bezorgen. Ik zal u dus een gevreesd dier uit mijn kerker +doen aanschouwen." + +Terwijl de vrouwen angstig in hun kussens wegdoken en de mannen +vol verwachting den spreker aanzagen, gingen de deuren der zaal +open. Door twee knechten geleid, schreed een man met verwaarloosde +haren en baard in een harig gevangenisgewaad over den drempel. Een +angstig gefluister deed zich onder de dischgenooten hooren, en aller +blikken vestigden zich op het gerimpeld gelaat, waarin men achter de +moe neergeslagen oogleden de ledige oogkassen ontwaardde. Weder begon +de burchtheer op overmoedigen toon: "Aanminnige vrouwen en ridderlijke +mannen! Eens was Hans Veit von Fürsteneck de beste schutter van den +geheelen Rijn. Met hem vocht ik in een hevigen strijd op leven en +dood. Hij dolf het onderspit." + +"Zonder helm, met gespleten schild en gebroken zwaard lag ik, uit +dertien wonden bloedende, voor je en wachtte moedig den laatsten +lanssteek af," mompelde de gevangene met een stem, die uit een graf +scheen te komen. En angstig zwegen alle aanwezigen. + +"Ik had te veel medelijden met hem om hem dood te steken," riep Siebold +von Sooneck lichtzinnig uit, "en daarom liet ik hem slechts de beide +oogen uitsteken en plaatste de beste schutter van den Rijn bij mijn +andere rariteiten." + +"Mijn uitgestoken oogen zien je spotternij," sprak de gevangene streng. + +"En toch heerscht er nog een ridderlijke geest op Sooneck," verklaarde +de burchtheer. + +"Zoo hoor dan: mijn knechten hedden mij meegedeeld, dat gij, zelfs +blind zijnde, in staat zijt een uw opgegeven mikpunt met den pijl +te treffen. Indien gij hiervan het bewijs kunt leveren, dan is de +vrijheid uw loon." Donderende bijvalsbetuigingen der gasten begeleidden +deze woorden. + +"De dood zou mij aangenamer zijn dan het leven," mompelde de +blinde. Toen verlangde hij, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat +eensklaps veranderde, pijl en boog. In een hoek, tegen elkaar aan +gedrukt, sloegen de gasten zijn bewegingen gade. + +De heer van Sooneck had een beker ter hand genomen en gelastte +den gevangene op het geluid af op dat voorwerp te schieten. Met +een zilveren klank valt in het volgend oogenblik een beker op den +grond. "Schiet op nu," klinkt Siebolds stem--en een pijl treft hem +doodelijk in den mond. Rochelend als een slachtdier zonk, de aan den +dood overgeleverde, ter aarde. Zwijgend en stil met de oogholten +gapend geopend, stond de blindgemaakte man daar, het verwilderde +hoofd op de onstuimig ademende borst gebogen. Als een zwerm opgejaagde +kraaien stoven de heeren en de bevallige vrouwen uit elkaar, en bij +het verstijfde lijk van Siebold van Sooneck prevelden de knechten en +edelknapen een stil gebed. + + + +Lorch + + +De vrouw van den Wispermolenaar + +In den ouden tijd heeft in het woeste dal achter Lorch, dat +de Wisperbeek doorstroomt, een molen gestaan. Eens, toen de +molenaarsvrouw, een opgewonden jonge vrouw aan het werk was, moet +haar een stem toegefluisterd hebben, dat ze naar den Kammerberg +moest opstijgen en den schat halen, die in den toren verborgen lag; +de sleutel bevond zich in de kist. De molenaarsvrouw keek verschrikt +om, maar toen ze niemand zag, kwam ze tot de overtuiging, dat de een +of andere onzichtbare grappenmaker haar voor den gek gehouden had. Den +volgenden dag echter, toen zij aan de beek de wasch spoelde, fluisterde +haar wederom een zachte stem in het oor: "Ga naar den Kammerberger +toren en haal den schat. De sleutel ligt in de zwarte kist." + +Toen heeft de vrouw de wasch laten liggen, en haar man het +tooversprookje, zooals zij het vernomen had, medegedeeld. Deze echter +heeft haar voor een domme vrouw uitgemaakt en schertsend gezegd, dat +in zijn meelkast een vertrouwbaarder schat lag, dan in de zwarte kist. + +De molenaarsvrouw kon de woorden, die haar ingefluisterd waren maar +niet vergeten, en steeds heviger maande de verlokkende stem van het +spreukje, totdat zij haar geheel in haar macht had. + +Den volgenden morgen, toen de molenaar uitgereden was om een lading +meel naar Lorch te brengen, heeft zijn vrouw den molen verlaten, +en is met haar jongste kind op den arm den weg naar den Kammerberg +opgegaan. Toen zij boven aan de ruïne kwam, is het haar wel angstig +te moede geworden, en was zij gaarne omgekeerd, maar wederom klonk de +fluisterende stem aan haar oor, die haar mededeelde, dat haar niets +deren zou, slechts spreken mocht ze geen syllabe. Wanneer ze zich +hieraan hield, dan zou de schat haar eigendom zijn. + +Moedig is de vrouw toen het donkere torengewelf binnengetreden, +heeft haar knaapje buiten voor den ingang neergezet en de zwarte +kist opgezocht. Zij heeft haar ook gevonden, evenals den sleutel, die +daarin lag. Hiermede heeft ze de grootere kist geopend, die achter in +het gewelf stond en toen ze het zware eikenhouten deksel oplichtte, +straalde haar een hoop schitterende goudstukken tegen. + +Met begeerige handen tastte de vrouw toe, opeens echter begon het +knaapje angstig kermend: "Moeder, Moeder!" te roepen, want een slang +ritselde naast hem in het met bloemen versierde gras. De vrouw wendde +zich om en riep wrevelig uit: "Wat is er, jongen?" Op hetzelfde +oogenblik ratelde een donderslag, die de gehurkt zittende vrouw op +den grond wierp en vreeselijk weergalmde het nu door het gewelf: +"Wee mij, dat gij gesproken hebt! Wederom moet ik honderd jaren +onbevrijd blijven! Wee mij en u!" + + + + + +Tegen den middag is de molenaar teruggekomen en heeft de molen leeg +gevonden. Zijn knecht heeft hem medegedeeld, dat de molenaarsvrouw +'s morgens den Kammerberg opgegaan was, met haar jongste kind op den +arm. Een droevig voorgevoel is bij den molenaar opgekomen en als ging +hij op vleugelen is hij den Kammerberg opgesneld. Rustig was het in +den ouden burcht. In het gras zat zijn knaapje te spelen en strekte +juichend de armen naar den vader uit. Toen hij op het kind toesnelde, +hoorde hij zacht kermen in de gewelven van den toren en toen hij ontzet +naar binnen vloog, vond hij zijn vrouw op den grond uitgestrekt liggen. + + + + + +Een bleeke man is in den molen van Wisperbach weergekeerd. Drie +dagen daarna heeft het molenrad stil gestaan. Op het Lorcher +kerkhof heeft men toen de vrouw van den Wispermolenaar aan de aarde +toevertrouwd. Sedert dien tijd heeft niemand het gewaagd, den schat +te verkrijgen. + + + +Ruine Fürstenberg + + +De geest der moeder + +Hoewel de burchtheer Lambert von Fürstenberg een levenslustig en +genotzuchtig ridder was, zoo toch was hij zijn zachtzinnige gemalin +Wiltrud, die van het geslacht der Florsheimers afstamde, zeer genegen, +vooral nadat deze hem een zoontje geschonken had. Op een dag echter +heeft het ongeluk zijn intrede in het kasteel gedaan in de gedaante +van een jonkvrouw, Luckharde genaamd. Zij was de eenige, plotseling +wees geworden, dochter uit een geslacht, waarmee de Fürstenbergers +sedert oudsher bevriend geweest waren, een ontluikende vrouwelijke +schoonheid, die niettegenstaande haar achttien lentes reeds een statig +meisje en een verleidelijke schoonheid voor de mannen was. + +De zachtzinnige burchtvrouw meende argeloos, dat Luckharde, die zij +vol liefde in haar kring opgenomen had, haar, die sedert de geboorte +van haar knaapje ziekelijk was, bij de huiselijke bezigheden gaarne +behulpzaam zou zijn en zusterlijke liefde met wederliefde vergelden +zou. Maar Luckharde's geest hield zich meer bezig met beuzelarijen +en vermaak, dan met huiselijkheid en vrouwelijke bezigheden. Hoe +meer de maanden verstreken en haar verderfelijke schoonheid zich +gelijk een donkere roos ontwikkelde, des te meer gelukte het haar, +het hartstochtelijke hart van den burchtheer voor zich te winnen. + +Onmerkbaar, doch geleidelijk kwam de ridder steeds meer onder de +betoovering van de schoone vrouw, totdat de dag aanbrak, waarop vrouw +Venus hen geheel in haar macht had. + +Wiltruds oogen waren niet blind voor de goddelooze handelingen van den +trouweloozen echtgenoot; maar door haar langdurige ziekte vond zij niet +de kracht, de zonde met vlammend zwaard te bestrijden. Intusschen kwam +door de heerschzucht en het verterende vuur der liefde het duivelsche +plan in Luckharde's hoofd tot rijpheid, om de gemalin van den heer +Lambert uit den weg te ruimen. Op een nacht sloop de zondige vrouw in +de kamer der burchtvrouw, naderde gelijk een kat de legerstede der +sluimerende en verstikte de benijde Wiltrud, die te laat en zonder +resultaat zwijgend weerstand bood, koelbloedig met haar kussen. + +De droefheid over de meesteres, die volgens iedereen aan een gebroken +hart gestorven was, was vooral onder het dienstpersoneel van den +graaf zeer groot, doch bij hem zelf uiterst gering. In de armen van +de zwartgelokte minnares vergat de heer Lambert spoedig zijn gemalin, +en reeds na eenige weken nam Luckharde de plaats van de overleden +burchtgravin in. Het knaapje, dat Wiltrud den ontrouwen echtgenoot +nagelaten had, was de tweede vrouw tot ergernis. Zij wees den door +genot willoos geworden Fürstenberg op de kinderen, die zij hem hoopte +te schenken en zette het door, dat de eerstgeboren, natuurlijke zoon +van den ridder in een afgelegen kamertje van den burcht aan de zorg +van een brommige oude vrouw toevertrouwd werd. + +Op een nacht, toen de oude plotseling ontwaakte, zag ze, dat zich +een vrouwengedaante in een wit golvend kleed over het bedje van +het knaapje, dat naast haar sliep, vol zorg boog en hem zegende. De +oude heeft toen een kruis gemaakt en tot de veertien beschermheiligen +gebeden. In alle vroegte, met de kenteekenen van den doorgestanen angst +op haar gelaat, is zij naar de burchtvrouw gesneld, en heeft haar met +bevende lippen de gebeurtenis verhaald, lachend heeft de lichtzinnige +Luckharde het ongeloofelijke sprookje aangehoord, maar is toen op eens +nadenkend en ernstig geworden. Zij heeft de oude vrouw bevolen zich +den eerstkomenden nacht een legerstede bij het andere dienstpersoneel +te bereiden, het kind echter in de torenkamer te laten. In haar met +schuld bevlekte ziel was de veronderstelling opgekomen, die daarop +als lood drukte, dat deze nachtelijke geest wellicht Wiltrud in eigen +persoon kon zijn, die men bij vergissing voor dood gehouden had. + +Zonder angst of gewetenswroeging bereidde ze zich tegen het aanbreken +der duisternis een legerstede in de torenkamer. Een moorddadigen +dolk hield haar rechterhand omklemd, en vastberaden zag de zondares +den nacht tegemoet. En wederom vertoonde zich tegen middernacht de +vrouwengestalte in het witte golvende gewaad, die de legerstede van +den sluimerenden jongen naderde, hem verzorgde, kuste en zegende. + +Terwijl Luckharde met starende oogen, bewegingloos bleef liggen, werd +de nachtelijke verschijning steeds grooter, tot in het oneindige. Al +dichter boog ze zich tot de liggende over, en het doodsbleeke gelaat +van Wiltrud staarde met levenlooze verwijtende oogen de zondige +vrouw aan. Het scheen deze, alsof een overhangende rots op haar +hijgende borst nederstortte om haar te verstikken. Met een laatste +krachtsinspanning gaf zij de verschijning een steek met haar dolk; +maar het was, alsof het wapen een nevelachtig omhulsel doorboorde, en +Luckharde bespeurde met steeds toenemend afgrijzen, dat de wezenlooze +gedaante de geest van de vermoorde burchtvrouw was. + +Geheel verpletterd door het besef van haar begane schuld, hoorde zij +een stem, die uit een andere wereld scheen te komen, haar toeroepen: +"Doe boete, doe boete!" + +Den volgenden morgen wachtte de heer Lambert tevergeefs op zijn +gemalin. In plaats van haar, vond hij een reep perkamentpapier, +waarop Luckharde hem in berouwvolle woorden beleed, hoe zij zich in +toomeloozen hartstocht aan zijn eerste vrouw vergrepen had, en hoe +haar de geest van de overledene dezen nacht verschenen was, om haar +aan den omvang van haar zonde te herinneren. De rest harer dagen wilde +zij haar schuld in een klooster boeten. Zij verzocht haar vroegeren +minnaar hetzelfde te doen. + +De heer Lambert von Fürstenberg werd door deze mededeeling diep +getroffen. Ook hij kwam tot inkeer, vertrouwde het slot en kind aan +de zorg van den jongeren broeder toe en trok zich, tot aan het einde +van zijn dagen, als kluizenaar in de eenzaanheid terug. + + + +Bacharach + + +Burcht Stahleck + +Het oude Bacharach heeft ook eenmaal schoone tijden gekend. Reeds +lang voordat de vurige Bacharacher wereldberoemd werd--het was in +het tijdperk, toen de grootvader de grootmoeder nam--werd hij door +buitenlandsche wijnkenners in Romeinsche en Etrurische bokalen met +liters tegelijk gedronken. Destijds hebben de dankbare drinkebroers +ter eere van hun Wijngod op een rotsblok, dat zich tusschen een eiland +en den rechteroever uit den vloed verheft, een altaar opgericht, +en de Romeinen hebben ter eere van Bacchus, den lieftalligen knaap, +de stad den naam gegeven, dien hij nu nog draagt. Al zijn ook de +opschriften sedert langen tijd onleesbaar geworden, zoo weten de +inwoners van Bacharach thans de oorspronkelijke beteekenis van den +"Elterstein" (altaarsteen) nog zeer goed, en nog altijd verkleeden de +schippers in overmoedige scherts een stroopop als Bacchus--evenals +de boeren van Mecklenburg in den oogsttijd hun Wodan--plaatsen hem +op den Elterstein en varen al zingende om hem heen. + +Iets hooger dan Bacharach ligt de ruïne van de vesting Stableck. Ten +tijde van Koenraad, den eersten keizer der Staufen, woonde daar +een jong, eerzuchtig ridder, Paltsgraaf Herman. Hij was de neef des +keizers en trotsch op deze hooge verwantschap, streefde de onbezonnen +strijder naar uitbreiding van zijn paltsgraafschap. Hij begeerde +niets minder, dan zich de bezittingen van de beide aartsbisschoppen +van Mainz en Trier, die aan zijn gebied grensden, gedeeltelijk toe +te eigenen. Hij beriep zich hierbij op rechten, die hij meende te +bezitten. De naijver, die destijds onder de geestelijke en wereldlijke +machthebbenden bestond, maakte, dat zich vele naburige ridders als +bondgenooten aan hem opdrongen, en vermetel begon de paltsgraaf +zijn strijd met de bestorming van de Moezelvesting Trier, die bij de +Triersche parochie behoorde. + +Adalbert von Monstereil, een moedig man, voerde destijds de +heerschappij over de bisdommen Trier en Metz. Hij verzamelde dadelijk +al zijn mannen, om den vermetelen roover van den wederrechtelijk +veroverden burcht te verdrijven. De stoutheid van den paltsgraaf +had hem overbluft, en de overmacht van zijn tegenstander stemde hem +tot nadenken. Maar de aartsbisschop Adalbert was een verstandig man; +op den morgen, dat de zijnen den burcht wilden bestormen, hield hij +met het kruis in de hand een geestdriftige rede tot de ruiters. Hij +deelde hun mede, dat de aartsengel Michaël hem in den afgeloopen +nacht verschenen was, hem dit kruis overhandigd had en een zekere +overwinning toegezegd had, indien elk strijder, in het vaste vertrouwen +op de onzichtbare hulp van boven den vijand aantastte. + +De redevoering van den aartshertog bracht zijn krijgslieden in +geestdrift en wekte hen op tot woeste dapperheid. Geleid door hun +veldheer, die met het kruis in de hand allen voorging, bestormden zij +den burcht en versloegen het leger van den paltsgraaf. In hulpelooze +vlucht stoven zijn troepen uit elkaar, en diep vernederd moest de +eerzuchtige Stableck van de voortzetting van den strijd met den +Trierer aartsbisschop afzien. + + + + + +Zeer krenkte hem de smadelijke nederlaag, die hij geleden had. Met nog +grooteren haat dacht hij aan zijn geestelijken buurman. Uit verbleekte +documenten meende hij op te maken, dat hij werkelijk recht had op een +gedeelte van het welvarende land, dat de bisschop van Mainz bezat, +en hij liet niet na bij den bisschopsstoel te Mainz zijn aanklacht +in te dienen. Met kouden spot werd zijn verzoek door den ernstigen +Amold von Solnhofen opgenomen. + +"Ik zal met dat paltsgraafje even gauw klaar zijn als met de +stijfhoofdige inwoners van Mainz, waarvan velen het berouwen, dat ze +zich tegen hun bisschop en kerkvoogd verzet hebben." + +Dreigend moet Arnold deze woorden uitgeroepen hebben, terwijl hij +het verzoekschrift van den paltsgraaf verscheurde. Stableck werd +deze uitspraak medegedeeld en weenend smeekte zijn jonge vrouw hem, +niet ten tweede male de hand tegen den gezalfde des Heeren op te +heffen. Hij echter keerde zich boos van haar af en zwoer zich op hem, +die zoo schandelijk vermetel was zijn bezwaarschrift te verscheuren, +te wreken. Het was hem bekend, dat von Solnhofen zich bij de inwoners +van Mainz door zijn machtig regiment zeer gehaat gemaakt had, en +hiermede wilde hij rekenschap houden, om den somberen tegenstander +van land en kroon te berooven. + +Wederom rustte Stableck, vereenigd met verscheidene moedige ridders +zich uit tot den strijd tegen een kerkedienaar. In Mainz gistte het +onder de burgers, en daarbuiten rukte de paltsgraaf met zijn mannen +aan. De aartsbisschop was buiten zich zelf van woede, en in zijn +duistere ziel smeedde hij een vreeselijk plan. Door twee gehuurde +landsknechten werd de paltsgraaf verraderlijk vermoord. Groot was de +droefheid van zijn ongelukkige gade. + + + + + +De oproerige inwoners van Mainz hebben den wreeden landvoogd +spoedig daarna afgezet, nadat ze zijn paleis stormenderhand genomen +hadden. Met gloeiende wraak in het hart is hij teruggekeerd. Te +vergeefs waarschuwden zijn vrienden hem, tevergeefs schreef Hildegard, +de beroemde profeten hem uit het klooster Rupertusburg bij Bingen: +"Keer terug tot den Heer, dien gij verlaten hebt: uw uur is +geslagen." Hij wilde daar niet naar hooren en zoo werd hij in de +abdij bij den Jakobsberg voor de stad, waar hij toen verblijf hield, +door de oproerlingen vermoord. + + + +Burcht Gutenfels + +Op een rots bij Kaub stond in de middeleeuwen de burcht van den heer +van Falkenburg. Omstreeks het midden der dertiende eeuw werd hij door +graaf Philip met zijn zuster Guta bewoond. De jonge gravin Guta was +een buitengewoon lieftallige verschijning en vele ridders dongen om +haar hand. Maar geen een had succes gehad; de jonkvrouw had volstrekt +geen verlangen, het gezellige samenwonen met haar geliefden broeder, +voor dat met een anderen man te ruilen. + +Eens werd in Keulen een prachtig tournooi gehouden. Uit alle +plaatsen van het rijk, zelfs uit Italië en Engeland waren ridders +overgekomen. Ontelbaar was de menigte toeschouwers, groot het aantal +van hen, die hier om den prijs, welken zij uit een schoone hand +ontvangen zouden, met de wapenen streden. Onder hen bevond zich +ook een ridder uit Engeland, die vooral door zijn flinke houding en +prachtige wapenrusting opviel. Hij streed met gesloten vizier en werd +door de commissie van het tournooi als de leeuwenridder afgeroepen, +want een gouden leeuw versierde zijn schild. + +Spoedig ook baarde de Brit door zijn meesterlijke wijze van strijden +opzien, en toen het hem gelukte zijn tegenstander, een der meest +gevreesde duellisten, met den lans uit den zadel te lichten, ging er +een luid gejuich op. Onder de toeschouwers bevond zich ook de ridder +van Falkenstein met zijn zuster. Ook Guta had met groote belangstelling +den vreemden ridder gedurende het tournooi gadegeslagen, en het speet +haar zeer, den gemaskerde niet in het aangezicht te kunnen zien. + +Deze gelegenheid deed zich echter spoedig voor, toen de Brit als +overwinnaar uit het strijdperk getreden was. Een zeldzaam gevoel, +zooals ze vroeger nooit gekend had, kwam over de jonkvrouw, toen ze +het mannelijk schoon gelaat van den Engelschman, nu onbedekt, voor +zich zag. Haar verwarring steeg nog meer, toen men haar verzocht, +den overwinnaar den prijs, een gouden lauwerkrans te overhandigen. + +Of de ridder op het gelaat der bekoorlijke jonkvrouw las, wat deze +te vergeefs trachtte te verbergen? Of er op het oogenblik, waarop +hij voor het bevallige meisje neerknielde en zij met bevende hand den +krans op zijn hoofd legde, een vonk van de vlam, die plotseling haar +binnenste verteerde, flikkerend in zijn ziel gevallen was? + +Wie weet het? Hierover zwijgt de sage. + +Toen zij echter later tegenover elkaar stonden en verlegen met elkaar +spraken, hij haar verstolen bewonderend, en zij haar gevoelens +nauwelijks meester, kwam de liefde zacht aangeslopen. En toen 's +avonds de dansmuziek in de feestzaal weerklonk en de schoone Brit +niet van Guta's zijde week, kwam de liefde schroomvallig aangeslopen, +eerst verlegen, totdat zij zich eindelijk met gloeiende woorden over +de bevende lippen drong, en deze elkaar bekenden, wat de oogen reeds +lang verraden hadden. + +De trotsche vreemdeling had Guta om haar wederliefde gesmeekt en haar +bezworen, hem trouw te blijven. Binnen drie maanden zou hij uit het +vaderland, waarheen dringende plicht hem riep, wederkeeren. Eerst dan +zou hij openlijk op den burcht haars broeders om haar hand dingen en +zijn naam noemen, want een tevoren afgelegde belofte verbood hem dien +thans mede te deelen. + +Liefde brengt gaarne elk offer; ook Guta nam gewillig de woorden +van den geliefden man aan, en onder beloften van wederkeerige trouw +scheidden de gelukkigen. + +Vijf maanden waren sedert dien tijd verstreken. Over het onbeheerde +Duitsche rijk was het keizerlooze, verschrikkelijke tijdperk +gekomen. In het Zuiden, in Italië stierf Koenraad, de laatste +regeerende vorst uit het huis der Staufen en in het Noorden, in +Friesland versloegen oproerige boeren zijn tegenkoning Willem van +Holland. Weer weerklonk bij de daarop volgende verkiezing van een +keizer de kreet: Hier Welf! Hier Waiblinger! En terwijl aan dezen +kant Alfons van Castilie tot koning uitgeroepen werd, kozen ze aan +gene zijde Richard van Cornwallis, den ridderlijken broeder van den +koning van Engeland. Eerstgenoemde Spanjaard is steeds een vorst +van het Schimmenrijk gebleven en heeft nooit het land opgezocht, +waar men hem een troontje bereid had. Daardoor kreeg Richard nog +meer aanhangers, en in Aken werd hij plechtig gekroond. Vanuit de +oude keizerstad maakte hij een reis door het Rijnland om de plaatsen, +waaraan hij voornamelijk zijn verkiezing te danken had, te begroeten. + +De lente had haar intrede in het Rijndal gedaan, en de vloed, de bergen +en burchten werden door de heldere zon beschenen. Alleen op het gelaat +der lieftallige jonkvrouw, die treurig in haar kamer in de vesting van +Falkenstein zat, wilde geen zonnestraal verschijnen. Stil verdriet +had daarop zijn stempel gedrukt, en sedert twee maanden werden de +wangen van de jonkvrouw al bleeker en bleeker. Gedurende dien tijd +had het verdriet, haar trouwe metgezel haar zeer dikwijls het beeld +van den geliefden man in de meest verschillende gedaanten voor oogen +getooverd. Nu eens zag ze hem in een bloedigen veldslag stervende met +haar naam op de lippen, dan weer verscheen hij in haar verbeelding +schertsend en lachend, met een meisje van het eiland aan den arm, +op luchtigen toon spottend over zijn liefje aan den Rijn. + +En steeds vervolgden haar deze gedachten, en steeds sterker kwam zij +tot de overtuiging, dat de eerste, dien zij haar jonkvrouwelijke +liefde geschonken had, haar vreeselijk bedrogen had. Steeds meer +stond het verdriet op haar smal gezichtje te lezen, en te vergeefs +trachtte Falkenstein zijn zuster op te vroolijken en te verstrooien. + +Van den straatweg klonk trompetgeschal, en een groot aantal ridders +hield stil voor den burcht. Guta bemerkte den stoet en trad van +het venster terug, waar ze met beschreid gelaat gezeten had. Met +ridderlijke gastvrijheid ontving de graaf de gasten en geleidde hen +in de staatsiezaal. + +Groot was zijn verbazing, toen hij in een heer van het schitterend +gevolg den statigen Brit herkende, den overwinnaar van het tournooi te +Keulen--plotseling schoot Falkenstein het bloed naar de wangen--den +ontrouwen, in het geheim verloofde van zijn geliefde zuster Guta. De +vriendelijkheid, die op zijn trekken lag, maakte plaats voor sombere +ontstemdheid. De andere scheen dit te bemerken; hartelijk drukte hij +de hand van den burchtheer en zeide tot hem: + +"Ik ben Richard van Cornwallis, tot Duitsche keizer gekozen en +hierheen gekomen, om u de hand te vragen van uw zuster Guta, die +zich vijf maanden geleden te Keulen met mij verloofd heeft. Ik kom +mijn belofte wel laat, maar met dezelfde trouw, na. Ik verzoek u, +haar mijn aankomst te melden, zonder mijn naam te verraden." + +Diep boog de graaf van Falkenstein zich voor den doorluchtigen gast, en +eerbiedig ver wijderde het gevolg zich uit het vertrek. Met onrustigen +tred liep de bezoeker op en neer. Daar gingen de vleugeldeuren open en +een bekoorlijke gestalte verscheen op den drempel, het fijne gelaat +door opwindmg hoog gekleurd. Met een zachten kreet wierp Guta zich +in de armen van den geliefden man. Minuten van stil geluk verstreken. + +Onbemerkt was Falkenstein binnengetreden, die zijn zuster nu +mededeelde, wien zij als toekomstigen echtgenoot omarmd hield. Toen +kleurden de wangen van de lieftallige jonkvrouw zich door verlegenheid +nog donkerder en bedeesd en aarzelend vlogen haar blikken naar den +geliefde. Deze echter sloeg de armen om haar heen en verzekerde haar, +dat zij alles, dus ook den troon met hem deelen moest. + + + + + +Eenige weken later werd de bruiloft van koning Richard met keizerlijke +pracht op den burcht aan den Rijn gevierd, dien de overgelukkige +Falkenstein, ter eere van zijn geliefde zuster Guta, den naam van +Gutenfels gegeven had. + + + +De Palts + +Onder Kaub ligt op een rotsachtig eiland in den Rijn een mooie vesting, +sedert eeuwen bekend onder den naam van de Palts. + +Eenmaal had de liefde, die uit een koninklijk paleis verdreven was, +in de donkere kamertjes van deze prachtige, met torens versierde +vesting op het eiland een geheime samenkomst. Dat is echter reeds +lang geleden. Het was ten tijde van Roodbaard. Destijds leefden als +bannelingen op het door water omringde kasteel paltsgraaf Koenraads +eigen vrouw en wettig kind, zijn aanvallig dochtertje Agnes. + +En dit was aldus gekomen. De hemel had den paltsgraaf geen +zoon geschonken, en dus moest de dochter erfgenaam der goederen +worden. Machtige vorsten van het rijk hadden reeds om de hand van de +sierlijke dochter van den paltsgraaf gedongen, en onder hen waren zelfs +een hertog van Beieren en de koning van Frankrijk. Maar het meisje +had reeds een keuze gedaan. De gelukkige was de jonge ridderlijke +held van Brunswijk. Agnes had hem haar geheele hart geschonken en was +zoo gelukkig, dat haar moeder dit verbond goedkeurde. Den paltsgraaf +kon dit niet verborgen blijven, en deze ontdekking ontstemde hem +zeer. Hertog Hendrik was een Welf en dus een rechtstreeksche vijand +van zijn broer, den beheerscher der Staufen. De verwantschap met +Brunswijk was daardoor onmogelijk, te meer, omdat de keizer reeds +lang het plan koesterde, de dochter van den paltsgraaf aan een lid +van zijn huis uit te huwelijken, opdat het paltsgraafschap voor de +Waiblingers behouden bleef. + +Met oprechte bezorgdheid herinnerde de paltsgraaf zich, dat de hertog +van Brunswijk niet alleen een der schoonste mannen, maar ook een der +moedigste strijders van de Duitsche ridderschap was. En zoo liet hij +op een dag, nadat hij tot laat in den nacht over de netelige zaak +nagedacht had, de Palts geheel opknappen, de donkere vertrekken, +meer op hokken dan op kamers gelijkend, reinigen en in, orde brengen +en verklaarde toen aan zijn gemalin en dochter Agnes, die hij beiden +tot een tocht naar het eiland overgehaald had, dat hier nu voor +onbepaalden tijd hun woonplaats zou zijn. + +De waardige paltsgravin beklaagde zich zeer over de onrechtvaardige +strengheid van haar heer gemaal en de schoone Agnes vergoot bittere +tranen. Op verstandige wijze deelde Koenraad hun waarschuwend mede, dat +zoolang zijn dochtertje niet van den Welf afzag, hij zijn noodzakelijk +voornemen niet veranderen kon. Toen is hij zeer voldaan vertrokken, +meenende een buitengewoon schrander plan uitgevoerd te hebben. De +zalige jeugd lag echter reeds te ver achter hem, want anders had hij +zich moeten herinneren, dat de liefde der jeugd--om een volstrekt niet +dichterlijke vergelijking te gebruiken--evenals de spijker in den muur +is: hoe meer men hem slaat, des te vaster houdt hij! Hij had zich ook +te binnen moeten brengen, wat Salomo reeds in zijn Hooglied gezegd +heeft: "De gloed der liefde is een vlam, die noch door stortbuien, +noch door stormen uitgedoofd kan worden." + +En evenals de wind de vlammen aanwakkert en slechts de vonken uitdooft, +zoo ging het ook hier met de scheiding der liefde; wat haar een +hinderpaal moest zijn, dat werd haar juist ten voordeel. Beschut door +de duisternis van den nacht bezocht de vermetele hertog der Welfen +verkleed de vesting op het eiland. Agnes weigerde den geliefden man +den toegang niet. Met vurige smeekbeden bestormden zij de moeder, +opdat deze hun liefdesgeluk niet in den weg zou staan. De paltsgravin +kon hieraan geen weerstand bieden. + +Den volgenden dag, tegen het vallen van den avond, kwam er onbemerkt +een priester op het eiland, die de hand van den Welf in die van de +Staufin legde. In het lage vertrek van den burcht werd bij het bleeke +schijnsel der kaarsen het huwelijk voltrokken. In het eenzame kamertje +van de Palts hield de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend haar +intocht. + + + + + +Maanden van ongestoord, stil geluk waren Verstreken. Dagen waren echter +in aantocht, die de paltsgravin, nog meer dan de jonge vrouw met zorg +tegemoet zag. Het was hu dringend noodzakelijk den paltsgraaf hetgeen +gebeurd was, mede te deelen. Op een dag, toen hij voor het eerst na +langen tijd op het kasteel verscheen, viel zijn dochter hem te voet +en onthulde hem een dubbel geheim. Eerst moet de waardige paltsgraaf +als een steenen beeld gestaan hebben, maar toen in alle hem bekende +talen geraasd en getierd hebben, totdat zijn zachtzinnige gemalin +hem met zachte, vleiende woorden smeekte zijn dochter te ontzien, die +wel bijzondere zorg noodig had. Toen is de vreeselijke toorn bedaard, +en daar zijn trouwe echtgenoote hem nu zeide, dat hij zelf onbewust +medegewerkt had, om een bitteren geslachtshaat door zijn geliefd kind +te doen eindigen, toen ontspanden zijn harde trekken zich. Geleidelijk +werden ze zacht en zachter, en eindelijk heeft de paltsgraaf zich +tot zijn dochter overgebogen, haar zeer teeder bij den naam genoemd, +en op de door water omringde vesting op het eiland is zacht de engel +der verzoening nedergedaald. + + + + + +Paltsgraaf Koenraad is aan het hof van keizer Roodbaard te Speyer +verschenen en heeft zijn keizerlijken broeder met een zuurzoet +gezicht het voorgevallene meegedeeld. De oude Roodbaard heeft daarbij +geglimlacht en den edelen heer Koenraad gedankt, dat hij een middel +gevonden had om de Welfen en Staufen nader tot elkaar te brengen. Ook +bood hij aan, peet te worden over het kindje, dat verwacht werd. + +Vervolgens is in de Palts een prachtig feest gevierd, en eenigen +tijd daarna, heeft in het eenvoudige kamertje van den burcht, waar +eenige maanden geleden de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend +haar intocht had gehouden, de eerste kreet van een kind de gelukkigste +moeder in verrukking gebracht. Dit alles geschiedde volgens den wensch +van den paltsgraaf. + +Nog altijd toont men den bezoekers dit kamertje van de Palts als +herinnering aan deze gebeurtenissen. + + + +Oberwesel + + +De zeven jonkvrouwen + +Op een hoogte bij Oberwesel liggen de puinhoopen van een +ridderburcht. Hij heette Schönburg en moet dezen naam te danken +hebben aan zeven jonkvrouwen, die daar eenmaal gewoond hebben, en +wier schoonheid ver door het Rijnland beroemd was. Zij waren zich +hun bekoorlijkheid wel bewust, en toen het slot en bosch na den dood +van den vader hun eigendom werden--door verdriet moet hij vroegtijdig +gestorven zijn, daar de hemel hem geen zoon geschonken had--kwamen er +vele vereerders opdagen, om naar de hand van een der zeven schoonheiden +te dingen. + +Maar de inborst der al te vroeg wees geworden zusters was zeer slecht, +en de zwakke tucht van een oude tante vermocht hun overmoedigen, +onvrouwelijken aard slechts ten deele te beheerschen. Toen nu ook +dit familielid stierf, die bij hen de plaats der moeder bekleed had, +brak de verderfelijke zucht naar vrijheid bij de levenslustige meisjes +nog meer los. + +Van de trotsche, schoone zusters van den burcht Schönburg bij +Oberwesel deden vele vreemde verhalen de ronde, hoe ze uitreden +en woeste jachtpartijen, ja zelfs de valkenjacht meemaakten, hoe +ze menig knap ridder, die van een der jonkvrouwen de hand vroeg, +eerst voor den gek hielden en hem door hun schandelijke behaagzucht +in verrukking brachten, om den verliefden aanbidder ten slotte met +spot en hoon af te wijzen. + +Vervuld van schaamte en toorn heeft menig ridder den burcht bij +Oberwesel verlaten en met verontwaardiging en verachting de namen +der sirenen uit zijn gedachte verbannen, die eerst aan het oprecht +gemeende aanzoek met gehuichelde bedeesdheid gehoor gaven, om dan +den overgelukkigen minnaar met spottenden lach te verklaren, dat +zij de vrijheid veel te lief hadden, dan dat ze die voor een man +opofferen wilden. + +Ongelukkigerwijs waren er toch altijd dwaze lieden, die deze praatjes +niet geloofden en op den naam en manieren afgingen en hun geluk bij de +zusters beproefden. Bij allen eindigde deze proefneming treurig. Geen +aanbidder was het tot nu toe gelukt het hart van een dezer preutsche +schoonen voor een dieperen indruk vatbaar te maken. Sedert eenige +jaren hadden zij reeds hun laag spel gespeeld. + +Eens heerschte er wederom luidruchtige vroolijkheid in de staatsiezaal +van het slot. Een schaar ridderlijke figuren waren om de schitterende +tafel gezeten, en onder hen waren ook in het volle bewustzijn van +hun zegevierende schoonheid de zeven jonkvrouwen, die elkaar nog +overtroffen in overmoedige scherts. + +Een onaangenaam voorval bedierf voor een oogenblik de feeststemming; +twee ridders hadden om een der zusters twist gekregen, en de +hevige ijverzucht wond de jeugdige gemoederen steeds meer op. In +hevige spanning volgden de anderen den woordenstrijd van de twee +medeminnaars. In den beginne scheen men behagen te scheppen in den +ridderlijken strijd, maar later, toen ze reeds van de zwaarden gebruik +wilden maken, trok men de jongelingen van elkaar. + +Een gelukkig woord vond een der dischgenooten om de opgewonden +menigte te kalmeeren. Men zou, om de herhaling van een dergelijken +twist te voorkomen, er op aandringen, dat de jonkvrouwen eindelijk +een beslissing namen, opdat elk der pretendenten--want ze bekenden +allen dit te zijn--eindelijk zou weten, waaraan hij zich te houden +had. Deze voorslag werd zeer toegejuicht, alleen de burchtfreules +waren ontstemd en keurden dezen aanmatigenden wensch zeer af. + +Met alle behaagzieke kunsten bestormden zij de minnaars, zoodat +ieder van hen dacht, dat hij de uitverkorene was, en eindelijk werd +een der zusters wankelmoedig. Haar volgde een tweede, en eindelijk, +nadat ze lang zacht met elkaar gefluisterd hadden, verklaarden ze +allen met lachenden mond en veelbelovende gelaatsuitdrukking, dat ze +den volgenden morgen over het lot van hun aanbidders beslissen zouden. + + + + + +Het afgesproken uur brak aan, en in de staatsiezaal van het slot +verzamelden de ridders zich in afwachting. Aller oogen hingen vol +spanning aan de deur, waardoor de schoone meesteressen verschijnen +zouden. De vleugeldeuren openden zich en een dienstbode meldde den +ridders, dat de jonkvrouwen beneden in den tuin aan den oever van +den vloed wachtten. + +Snel begaven ze zich daarheen. Ontzettende verbazing teekende zich +op hun gezichten af, toen zij beneden gekomen, de zusters in een boot +aantroffen, die zacht aan den oever van den Rijn schommelde. Met een +vreemdsoortig glimlachje wenkten zij de aankomenden; toen hief de +oudste zich in de boot op en riep ver verstaanbaar: + +"Geeft uw hoop op; want geen van ons zou het ooit invallen u te +beminnen en te huwen. Wij hebben de vrijheid veel te lief, dan dat +we die voor een man willen opofferen. Op een familiegoed in de buurt +van Keulen denken we nog vele verliefde minnaars te ontnuchteren, +evenals wij u gedaan hebben, edele heeren. De boot brengt ons +daarheen. Vaarwel!" + +Een spottend lachen besloot deze schimprede, en, terwijl het +scheepje zich in beweging zette, weerklonk zevenmaal een spottende +afscheidsgroet. Sprakeloos van schaamte en toorn stonden de bedrogen +ridders daar. Op eens verhief zich een geweldige storm op de rivier. De +boot wankelde en het lachen der zeven jonkvrouwen veranderde in gillend +angstgeschreeuw. Het werd overstemd door het loeien der golven, die +zich van de boot meester maakten en haar met haar inzittenden in de +draaikolk begroeven. + + + +Op de plaats, waar deze jonkvrouwen, wier harten zoo hard als rotsen +waren, in de diepte verdwenen, verhieven zich zeven rotspunten uit +het water. Nog heden steken deze zeven steenen, de zeven preutsche +jonkvrouwen van die streek, waarschuwend uit den vloed omhoog. + + + + +Rheinfels + + +De Georgslinde + +Boven het liefelijke stadje St. Goar ligt Rheinfels, een der meest +grootsche ruïnen van den Rijn. In het midden der dertiende eeuw werd +deze buitengewoon versterkte vesting door graaf Dietherr, die tot +het beroemde geslacht der Katzenelnbogen behoorde, gebouwd. Reeds +na verloop van een tiental jaren heeft zij bloedige gevechten voor +haar onneembare muren gezien; toen zes en twintig steden aan den Rijn +haar gedurende vijftien maanden, te vergeefs belegerden en duizenden +strijders voor haar wallen den dood vonden. + +Vervolgens heeft sedert eeuwen de vlag van den Hessischen landgraaf +van haar tinnen gewapperd. Ten tijde der Fransche revolutie, die op +de mogendheden, welke hun tusschenkomst wilden verleenen, haar woeste +troepen afzond, werd zij door Gallische krijgswoede in puin geschoten. + +Even weemoedig als de geschiedenis van dezen meest indrukwekkenden +Rijnburcht is de sage, die uit den tijd, dat nog ridders en +schildknapen de vertrekken vulden, aan dezen burcht verbonden +is. De graaf van Rheinfels bezat een allerliefst dochtertje. Onder +de vele pretendenten, die de jonkvrouw ten huwelijk vroegen, bevond +zich ook Georg Brömser uit Rüdesheim, en aan hem had ze haar hart +geschonken. Niemand was daarover meer vertoornd, dan de ridder van +Berge. Hij behoorde weliswaar tot een geslacht, waaruit eenmaal +een Keulsch aartsbisschop gesproten was, maar hem ontbrak, behalve +aardsche goederen ook in hooge mate een ridderlijk gemoed. + +Daarom had de burchtheer van Rheinfels zich wel gewacht, zijn +lieftallige dochter met haar aanzienlijken bruidschat aan van Berge +toe te vertrouwen. Dit was de jonkvrouw volstrekt niet onaangenaam, +want zij gevoelde voor den onstuimigen minnaar met zijn ruwe manieren +niet de minste toeneiging. Daarentegen hing haar hart met innige +liefde aan den ridder van Brömser. + +Zoo werd, nadat de gebruikelijke engagementstijd verstreken was, +de bruiloftsdag bepaald. Op een morgen echter, bij het aanbreken van +den dageraad is de heer van Brömser op Rheinfels aangekomen, nadat +hij den ganschen nacht op zijn dampend paard gezeten had. Hij bracht +slecht nieuws. Zijn keizerlijk gebieder, Albrecht genaamd, had de +ridderschap, die hem toegedaan was, ten strijde tegen de eedgenooten +opgeroepen, die hun trouweed geschonden, de keizerlijke beheerders +verjaagd en hun leenheer den oorlog verklaard hadden. De edelen van +den Rijn hadden van den keizer een dringende oproeping gekregen ter +bestrijding van dezen hooggaanden opstand. Als trouw vazal had de +heer van Brömser geen minuut over de beslissing geaarzeld. + +Hij troostte de verdrietige bruid met liefdevolle woorden. In het +vertrouwen op God berustte het meisje in haar treurig lot, en de graaf +van Rheinfels prees de vastberadenheid van den schoonzoon. Voordat +deze wegreed, nam hij een lindeboompje, dat hij buiten in een boschje +ontworteld had, woelde met zijn zwaard den grond om en plantte het +twijgje daarin. + +Toen sprak hij tot zijn bruid: + +"Verzorg de ontspruitende linde, die ik hier ter eere van mijn +beschermheilige plant. Zoolang zij groen is, moet gij mij trouw +blijven. Indien zij eens verdort--Sint Georg moge het genadiglijk +verhoeden--dan moogt ge mij vergeten; want dan ben ik dood." + +Weenend wierp de bruid zich in de armen van den ridder. Met de +rechterhand hield hij haar teeder omvat, met de linker hief hij zijn +zwaard op en verzocht haar, het sprookje, dat daarin gegraveerd was, +dagelijks op te zeggen. Het luidde: + + + hilf got, du ewigs wort, + den leib hy, der fele dort, + hilf ritter sant georg. + + +Vervolgens begaf hij zich in den ochtendnevel langs den boschweg naar +het keizerlijke leger, terwijl vele vurige wenschen en niet minder +bittere tranen hem op zijn weg vergezelden. + +De eene maand na de andere verstreek. In Duitschland vernam men +met zorg, dat de strijd van den keizer tegen de Zwitsersche boeren +een ongunstigen keer nam. Toen kwam het bericht van een vreeselijke +nederlaag van het trotsche keizerlijke leger. Deze had bij Moorgarten +plaats: een eenvoudig held, Arnold van Winkelried genaamd, heeft toen +met opoffering van zijn eigen leven, voor zijn landgenooten den weg +der vrijheid gebaand. Het stoffelijk overschot van vele graven en +baronnen werd in die dagen aan de Zwitsersche aarde toevertrouwd, +en in vele Duitsche burchten werden treurige tijdingen ontvangen. + +Op Rheinfels bevond zich een liefhebbende jonkvrouw, die in angst +en zorg over den beminden man verkeerde van wien geen boodschapper +bericht bracht. + +De treurige krijstocht tegen de oerkantons aan het Vierwoudstedenmeer +was reeds lang geëindigd, en de hoop van de bruid van Rheinfels om +haar bruigom ooit terug te zien, vervloog steeds meer. + +Op een dag liet zich een vereerder van vroeger, Dietrich van Berge, de +geldzuchtige bandiet bij haar aandienen. Hij was gekomen, om wederom de +hand der begeerenswaardige dame te vragen, daar de heer Georg Brömser +algemeen voor dood gehouden werd. Met treurige woorden antwoordde het +meisje den hebzuchtigen aanbidder, dat zij haar verloofde altijd trouw +zou blijven, zooals ze hem bij de linde voor de burchtpoort beloofd +had. Slechts wanneer het aan Sint Georg gewijde boompje verdorde, +was zij van haar belofte ontheven. + +Knorrig nam van Berge afscheid. Op hetzelfde oogenblik begaf hij zich +naar het bosch en zocht daar een verdorden lindeboom, die bijzonder +op de groene linde aan de burchtpoort geleek. Den volgenden nacht +sloop hij heimelijk naar den burcht, trok het lindeboompje uit de +aarde en wierp het met een ruwen vloek in het stille water van den +Rijn. Op dezelfde plaats plantte hij het verdorde stammetje. + +Den volgenden morgen overschreed de dochter van den slotheer den +drempel van den burcht en begaf zich in Gods heerlijke natuur, waar +de lente in aantocht was. Daar ontdekte ze den verdorden lindeboom en +een zachte smartkreet ontglipte haar. De volgende dagen en nachten +heeft ze vele tranen vergoten. En na eenigen tijd kwam wederom, +vervuld van leedvermaak, de ridder van Berge op Rheinfels en dong +met begeerige blikken naar de hand van de dame, die thans vrij en van +haar trouweed verlost was. Vol medegevoel, maar vastberaden wees deze +wederom den zich opdringenden pretendent af, omdat zij haar bruigom, +zelfs in den dood, trouw wilde blijven. + +Toen vervoerde de toorn den afgewezene tot een schandelijke daad: +Vervuld van haat trok hij zijn zwaard en stiet het de standvastige +jonkvrouw in de borst. + +Toen snelde hij, te laat tot bezinning gekomen, vol afschuw over de +begane misdaad weg. Evenals vroeger de onzalige discipel des Heeren, +beging hij zich in het donkere dennen boschje een ongeluk. + +Op Rheinfels treurde men algemeen om haar die als onschuldig offer +van haar trouw gevallen was. Midden in al deze ellende werd er een +bezoeker aangediend. Hij kwam uit Zwitserland. Op het slagveld bij +Moorgarten had een braaf landman den ridder tusschen een hoop dooden +gevonden en hem, die uit vele wonden bloedde en vreeselijke pijn aan +een beenbreuk leed, naar zijn boerenhutje medegenomen. Daar heeft de +heer Georg Brömser vele maanden ziek gelegen, langzamerhand genas hij +echter, maar moest nog lang veel pijn aan zijn been lijden. Eindelijk +was hij, na veel uitgestaan te hebben, als een der laatsten naar den +Rijn teruggekeerd, met den naam der bruid op de lippen, haar beeld +in het hart. + +Zwijgend wees de burchtheer van Rheinfels op het graf van zijn +kind. Voor den verschen aardhoop hielden de oude en de jonge man elkaar +innig omarmd. Vervolgens heeft de laatste den verdorden lindeboom van +de burchtpoort in den Rijn geslingerd en het graf zijner overleden +bruid met witte lelies beplant. Georg Brömser heeft voor den tweeden +keer niet meer bemind, maar is de doode trouw gebleven tot aan het +einde van zijn leven. In den omgang met ridderlijke zangers zocht +hij vergetelheid voor het leed, dat hem getroffen had. Later heeft +hij menig schoon lied gemaakt. Een daarvan is sedert eeuwen bewaard +gebleven en is eerst in onzen tijd met de zangwijze in een oud +manuscript gevonden; het is een even eenvoudig als roerend lied. Aan +den Rijn kunt ge het nog dikwijls hooren zingen. Het luidt aldus: + + + Es steht eine Linde in jenem Tal: + O Gott, was tut sie da? + Sie will mir helfen klagen, + Dass ich mein Lieb verloren hab! + + + + +St. Goar + + +De Lorelei + +I. + +Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven +begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots. Als +de boot van den schipper bij het vallen van den avond over het water +glijdt, ziet hij met angst en eerbied naar den onmetelijk hoogen +rotsachtigen top op. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de +nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe, terwijl de +sage den grijzen top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van +een schoone, valsche nimf, die eens daar boven op den berg gezeten +en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een treurig +voorval voor altijd verdreven werd. + +Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen? + +Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante +heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar +zilveren brug van schitterende arabesken over den groenachtig gouden +vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk vrouwengezang en +een vrouw van goddelijke schoonheid verscheen op den top. Evenals een +koningsmantel golfde haar goudblond haar over haar volle schouders +en viel in fraaie lokken op het sneeuwwit prachtgewaad, dat haar +trotsche gestalte in een lichte wolk scheen te hullen. + +Wee den schipper, die op dit uur--waarop moegewerkte oogen zich sluiten +en levenslustige harten zich openen--de rots passeerde. Evenals eens de +dwalende held der Grieken, werd ook hij door het gezang betooverd. In +zalige verrukking vergat hij alles om zich heen, zoodat zijn oog, +even verblind als zijn ziel, geen acht op draaikolken en klippen +sloeg. Maar de teedere vrouwelijke bloem, wier bekoorlijkheid hem +boeide, bloeide op een graf. Terwijl hij, beroofd van zijn zinnen, op +haar af stuurde, reeds droomende van haar bezit, maakten de afgunstige +golven zich van zijn schip meester en slingerden het op het laatste +oogenblik verraderlijk tegen de rots, die het, evenals de Magneetberg +in het Noorden meedoogenloos aan haar harde borst verpletterde. + +De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van +den Rijn. Nooit zag men den ongelukkige weer. + +De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging +elken avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat de nacht +door de kus van den aanbrekenden morgen verdreven werd, en de stralende +dageraad den grijzen morgennevel uit de dalen verdreef. + +II. + +Ronald was een fier jongeling en een der vermetelste strijders aan het +hof van zijn vader, den paltsgraaf van den Rijn. Ook hij hoorde van het +goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te zien. Nog +voordat hij de jonkvrouw aanschouwd had, vereerde hij haar reeds. + +Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid +bracht hem een oud, ervaren schipper naar de rots. In het Rijndal +brak de schemering reeds aan, toen de boot den reusachtigen berg +naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de bergen. + +Daar verschijnt op eens een flikkering aan het blauwe uitspansel: +de avondster. Heeft de beschermengel van den droomende jongeling deze +zooeven aan den hemel geplaatst om den verblinde te waarschuwen? + +Hij ziet omhoog, voor een oogenblik afgeleid. + +Een zachte kreet van den ouden man aan zijn zijde. + +"De Lorelei!" fluistert hij angstig, "ziet haar, de toovenaarster?" + +Ronald antwoordt niet. Reeds zag hij haar. Ook hem ontglipte een +zachte kreet. Met wijd opengesperde oogen keek hij omhoog. Daar stond +de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een donkere +omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit een ruïne gesproten. Dat +was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend gewaad. + +Aan den rand van den afgrond zit zij en brengt haar goudblond +golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd en +laat, niettegenstaande de duisternis en den verren afstand, haar +bekoorlijkheid zien. Heimelijke begeerte straalt uit twee vochtige, +groote oogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betooverende +blos, en twee zwellende purperen lippen, rood gelijk een kers, openen +zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de stilte, +zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag +in den stillen zomernacht. + +Dan zwijgt zij. + +In nadenken verzonken zit zij daar en tuurt mijmerend in het blauwe +verschiet. Dan ziet ze naar den vloed onder haar en een schitterend +oogenpaar rust lang in den starren blik van den jongeling. Haar oogen +gelijken een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat. + +Een lichte rilling gaat door het lichaam van den jongeling. Nog +steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw, en geheel +bedwelmd leest hij daarop het teedere sprookje van de liefde. Rots, +vloed, alles smelt met den grootschen hemel samen, zijn oog ziet +slechts haar aan den rotswand; slechts de blankheid van haar golvenden +boezem, de saffieren van haar schitterende oogen. Te langzaam kruipt +de bark door den vloed. Hij houdt het niet meer uit in de boot. Hij +meent haar stem te hooren, onuitsprekelijk zacht en verleidelijk. De +smeulende vlam wordt een verterend vuur. + +Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in den vloed.--De +oever wenkt. + +"Lore!" + +Een doodelijke gil weerklinkt en overstemt den kreet der liefde. + +Klagend weerkaatste de echo het geluid door de rotsen. + +De golven zuchtten en lekten liefkoozend het ongelukkige +slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een +kruis. Op dit oogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen, +en doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden +zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, dezen keer treurig +en gelijk een zucht wegstervend, het spookachtig gezang der Lorelei. + +III. + +De paltsgraaf ontving spoedig de treurige tijding. Zijn vaderhart was +vervuld van smart en toorn. Hij beval de valsche toovenaarster dood of +levend bij hem te brengen. Op den namiddag van den volgenden dag zeilde +een goed bemande boot den Rijn af. Vier schippers roeiden, stoere, +door de zon gebruinde mannen. Somber ziet het oog van den stuurman +onder de borstelige wenkbrauwen naar de rots, die ernstig en zwijgend +wenkt. Smart en toorn staan op het gelaat van den breedgeschouderden +man te lezen. Hij had verlof gevraagd de duivelsche verleidster, +van den top der rots naar beneden in de golven te mogen werpen, waar +haar een wisse dood wachtte--want haar tooverkunsten konden wellicht +de gevangenen van hun boeien en kerker bevrijden. De paltsgraaf had +het wraakplan goedgekeurd. + +IV + +De eerste schaduwen der schemering gleden schuchter over de slapende +aarde. Rondom de rots stonden gewapende mannen. Met moeite beklom een +der aanvoerders met drie flinke strijders de hoogte. Een licht gouden +wolk omhulde den top van den berg. De mannen dachten, dat dit het +avondrood was. Het was echter het magische licht, dat de jonkvrouw +omgaf, die juist aan den rand van de rots verscheen. Droomerig keek +zij voor zich uit en maakte met een gouden kam haar lokken in orde. Nu +nam zij het parelensnoer van haar boezem en met welbehagen bevestigde +de smalle witte hand dit boven haar voorhoofd in haar kapsel. Daar +bemerkt zij de vertoornde mannen. Een wolk van misnoegen zweeft over +haar trekken. + +"Wat zoeken de zwakke zonen der aarde op deze hoogte?" Verachtelijk +plooiden zich haar volle lippen. + +"U, toovenaarster!" schreeuwde de aanvoerder toornig en met een +spottenden lach voegde hij er bij: "U! Om U op den bodem van deze +rivier te zien neerstorten." + +Een welluidend lachen weerklonk door de bergen. + +"O, de Rijn zal zelf komen, om mij te halen!" riep de jonkvrouw +uit. Ver over den afgrond, die onder haar gaapt, buigt zich haar +lichaam. Haar hand rukt het lint, dat zij om het voorhoofd draagt, +af en slingert het triomfantelijk in den vloed. Dan klinkt zegevierend +van haar lippend het gezang: + + + "Vader, gezwind, gezwind! + Stuur de witte paarden aan uw kind! + Zij wil rijden op golven en wind!" + + +Daar verhief zich de storm, de Rijn begon bruisend te koken, en +sneeuwwit schuim bedekte den oever. En twee golven met schuimende +koppen, gelijkende op twee sneeuwwitte paarden, stegen uit de diepte +tot aan de hoogte van de rots op en trokken de nimf in de bodemlooze +diepte. Over haar heen brandden zij schuimend voort. + +V. + +Doodelijk verschrikt keerden de Bedienden van den paltsgraaf terug +en deelden ontsteld het vreemde verhaal mede. + +Ronald werd zeer betreurd. Bij zijn lijk, dat door een golf aan den +oever gespoeld was, weerklonken de smartkreten van tallooze menschen. + +Vanaf dien dag zag men de Lorelei nooit weer. Maar wanneer de nacht +in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels nederdaalt, +en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar zilveren brug van +schitterende arabesken over den groenachtig gouden vloed spant, dan +klinkt er een wonderlijk vrouwengezang, zacht en klagend, verleidelijk +evenals de heerlijke nachtegaalslag in een stillen warmen zomernacht. + + + + + +Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef. + +Gij kunt haar aanschouwen, toerist, in de schitterende oogen, op de +zachte wangen en op de rozenlippen van de meisjes van het Rijnland. + +Gij zult haar daar aan den Rijn bespeuren, stralend van vreugde +en geluk. + +Wapen uw hart, bedwing uw gevoelens enl sluit uw oogen! + +Hoe was toch de waarschuwing van den wijzen dichter van den Rijn? + +"Mijn zoon, mijn zoon! Ga niet naar den Rijn..." + +Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef. + + + +Liebenstein en Sterrenberg + + +De vijandige broeders + +In de middeleeuwen was slot Sterrenberg boven Boppard gelegen, een +der schoonste burchten aan de oevers van den Rijn. In den tijd waarop +onze geschiedenis speelt, werd hij bewoond door een oud paladijn van +Koenraad, den Staufenkeizer, tengevolge van de verkiezing op de vlakte +van Oppenheim bij Mainz. Twee zonen stonden den bejaarden krijgsheld +ter zijde. Zijn vrouw sluimerde reeds lang onder de aarde. Sedert +dien tijd klonk er zelden vroolijk gelach door de hooge gewelven. + +Eens kwam er een lieftallige gast op het eenzame slot. Met haar kwam +er een zonnestraaltje in de donkere vertrekken. Een verre neef uit het +geslacht der Brömsers van Rüdesheim was gestorven en op zijn sterfbed +vertrouwde hij zijn eenig kind, een bloeiend meisje, aan de zorg van +zijn bloedverwant, den heer van Sterrenberg--Brömser toe. + +De blonde Angela--zij verdiende dezen naam--werd spoedig aller +lieveling op het slot. Zij vereerde den grijsaard als haar vader en +beloonde de welwillende vriendelijkheid van de beide jongelingen met +zusterlijke genegenheid. Wat eeuwen geleden gebeurde en nog altijd +gebeurt, had ook hier plaats; de vriendschap der jeugdige ridders +veranderde spoedig in liefde. Beide broeders dongen naar de gunst +der jonkvrouw. + +De bejaarde burchtheer bemerkte het, en een treurig voorgevoel maakte +zich van hem meester. Hoewel hij voor beide zonen dezelfde liefde +koesterde, zoo toch beviel hem het zachtzinnige, van zijn moeder +geërfde karakter van zijn eerstgeboren kind beter, dan de vurige +geest van Koenraad, den jongsten zoon. + +Reeds vanaf het eerste oogenblik, dat de jonge wees op zijn familieslot +gekomen was, had hij den wensch gekoesterd, dat de sierlijke jonkvrouw +in het huwelijk zou treden met zijn lievelingszoon Hendrik, die den +naam zijns vaders droeg en eenmaal den familieburcht bezitten zou. + +In stilte beminde Hendrik Angela steeds vuriger. Zijn broeder echter +maakte geen geheim van de hartstochtelijke liefde, die hij voor de +jonkvrouw gevoelde en spoedig bemerkte de grijsaard met droefheid, +dat het jonge meisje de genegenheid van dezen ridder beantwoordde. Ook +den broeder bleef het geluk der beide jongelieden niet verborgen, en +diepbedroefd begroef hij zijn liefde, een schuw kind, dat wellicht +tot sterven veroordeeld was, omdat de spraak hem niet vroegtijdig +gegeven was. En Angela? Wel ontging haar de zwaarmoedigheid niet, die +op de trekken van den oudsten broeder te lezen stond. Zij ontroerde, +toen ze eens bemerkte, dat zijn stem beefde als hij haar naam noemde; +maar de zonneschijn van haar jonge liefde verblindde haar zoozeer, +dat ze de wolken niet bemerkte, die een schaduw over de trekken +van den ridder wierpen. Terzelfder tijd kwam Bernard van Clairvaux +uit Frankrijk aan den Rijn en predikte over een nieuwen kruistocht +tegen de ongeloovigen. Duizenden werden in geestdrift gebracht +door de bezielende rede van den heiligen monnik. Ook op de vesting +Sterrenberg werd zijn oproeping vernomen. Hendrik besloot aan den +kruistocht deel te nemen. Hij kon niet langer op den burcht blijven, +waar zij vertoefde, die hij hopeloos beminde. Maar ook de naar roem +dorstende geest van den jongsten ridder werd zeer opgewonden door de +onbekende bekoorlijkheid, die een kruistocht in het sprookjesachtige +Morgenland aanbood. Zijn jeugdige kracht, die jarenlang op een +afgelegen vesting in toom gehouden was, dorstte naar avonturen, die +de vermetele kruisvaarders ver weg onder de Oostersche palmen in de +woeste Levant wachtten. Nutteloos waren de smeekbeden en tranen van +de liefhebbende jonkvrouw, nutteloos de smart zijns vaders, die hem +smeekte, hem niet te verlaten. + +Wanhopig was de grijsaard over het onwrikbare besluit van zijn zoons. + +"Wie blijft op den burcht mijner voorouders, als gij hem verlaat om +daar nooit terug te keeren?" riep hij smartelijk uit. "Ik smeek u, +mijn oudste zoon, evenbeeld uwer moeder, heb erbarmen met het witte +haar van uw vader! En u, Koenraad smeek ik, heb medelijden met de +tranen van uw verloofde." + +Zwijgend stonden de broeders daar. Toen vatte de oudste de hand van +den grijsaard. "Ik zal u niet verlaten, vader," sprak hij aangedaan. + +"En gij, Angela?" vroeg de jongste op trotschen toon aan de +weenende jonkvrouw, gij zult het offer der scheiding brengen en +een laurierboompje planten om mij daarvan een krans te maken als +ik weerkom. + +II. + +Den volgenden dag verliet de jonge ridder den vaderlijken burcht. + +Het jonge meisje scheen in het eerst ontroostbaar van smart. Zij +schreide om den afwezigen geliefde en sliep toen in als een moegeweend +kind. En toen ze ontwakend om zich heen keek, kwam de toorn, die den +verloofde zacht beschuldigde en het beeld van hem, die zich om ijdelen +roem van haar gescheiden had, eenigszins uit haar herinnering verdreef. + +Meer dan vroeger bleven haar blikken op den fieren jongeling rusten, +die een meisjesachtig gelaat op mannelijke schouders droeg, en die +gedwongen was, onder een dak met zijn verloren geliefde te wonen. Zij +bewonderde hem, die door ontelbare bewijzen van reine vriendschap +haar leed trachtte te verzachten. Veel, wat haar vroeger ontgaan was; +zijn groote moedigheid op de jacht, zijn bedrevenheid in het hanteeren +der wapenen, vond zij thans bewonderenswaardig. + +Het scheen, dat hij haar ontvluchtte, als vreesde hij de geesten der +doode liefde te wekken, die in zijn ziel sluimerden. Angela echter +voelde zich steeds meer tot den ridder aangetrokken. Zij trachtte hem +duidelijk te maken, dat haar liefde voor den jongsten broer niets +geweest was, dan een voorbijgaande jeugdige hartstocht, die gelijk +met den persoon zelf verdween. Zij gevoelde zich ongelukkig, toen zij +bemerkte, dat hij, dien zij verkelijk lief kreeg, voor haar slechts +broederlijke genegenheid scheen te koesteren. En toch zou ze hem voor +een woordje van liefde haar rijk, gevoelvol hart hebben gegeven. + +De verandering van haar gevoelens was den ridder niet verborgen +gebleven, maar trotsch en mannelijk verstikte hij elk opkomend gevoel +voor de verloofde van zijn broer. + +De grijsaard was hoogst bevredigd, toen Angela hem eens haar hart +uitstortte. Hij bad God, de twee geliefde menschen bij elkaar te +brengen, die volgens zijn inzicht een paar in den geest des Heeren +zouden worden. In zijn droomen zag hij Angela reeds met een knaapje op +den schoot, met blauwe oogen en blonde haren, evenals zijn overleden +vrouw en zijn eerstgeboren zoon. Dan dacht hij plotseling aan den +opvliegenden jongeling, die als kruisvaarder in het Heilige Land +vertoefde en snel brak hij zijn droomen af. + +Tegenover zijn familieburcht liet hij een indrukwekkende vesting +bouwen. Hij gaf haar den naam van Liebenstein en bestemde haar voor +zijn tweeden zoon, als hij van den kruistocht terugkeerde. Nauwelijks +was de burcht voltooid, toen de grijsaard stierf. + +Eenigen tijd later was de kruistocht afgeloopen. De heeren van +den Rijn, die terugkeerden, brachten de vreemde tijding mede, dat +graaf Koenraad een schoone voorname Grieksche vrouw mee zou brengen, +waarmede hij in het Morgenland getrouwd was. + +Toen de broeder dit vernam, fonkelden zijn oogen. De mededeeling leek +hem onmogelijk. Hij berichtte de jonkvrouw de spoedige aankomst van +haar verloofde. Haar lippen bewogen zich, maar zij was niet in staat +een woord uit te brengen. Dikwijls ging zij naar den toren en richtte +haar blikken naar het Zuiden. + +III. + +Eens, op een namiddag vertoonde zich een groot schip op den +Rijn. Vreemde vlaggen woeien van de masten. Angela zag het vanaf de +platform en riep den broeder. Het schip kwam naderbij; men hoorde +het roepen van de stuurlieden en kon de gezichten van de bemanning +onderscheiden. + +Plotseling stiet de jonkvrouw een vreeselijken kreet uit en wierp +zich weenend in de armen van den ontstelden ridder. Deze kromp +ineen. Somber staarde hij naar het schip. De ridder, die daar in +schitterende wapenrusting aan boord stond, was zijn broer. Een schoone +vrouw vlijde zich tegen hem aan. + +Het schip legt aan. + +Het eerste springt Koenraad aan wal. + +De twee personen op de platform waren verdwenen. Een schildknaap +naderde den ridder en berichtte hem, dat het nieuwe slot, hem door +zijn vader vermaakt, zijn eigendom was. + +Denzelfden dag kondigde hij zijn bezoek op Sterrenberg aan. Toen +hij voor de opgehaalde brug wachtte, liet zijn broeder hem zeggen, +dat hij den trouwelooze, die zijn verloofde verlaten had, slechts +met het zwaard in de hand ontmoeten wilde. + +De beide burchten werden in schemering gehuld. Op den smallen weg, +die de vestingen scheidt, stonden twee broeders in een strijd op +leven en dood. + +Dat was een verschrikkelijke broederstrijd. + +Rechtvaardige toorn en gekrenkte trots deden de blanke wapenen +kruisen. De beide tegenstanders, wier hoofden, uit de pantserhemden +gloeiden, hadden dezelfde kracht, denzelfden moed. Rood druppelde +het bloed uit de armplaat van den oudsten. + +Daar gingen de struiken uiteen. Een wit-gesluierde jonkvrouw, met +doodsangst op het gelaat, wierp zich tusschen de strijders. Het was +Angela. Wanhopig klonk haar smeeken: + +"In naam des Heeren, die u ziet, houdt op! In naam van uw zaligen +vader, stuit den broedermoord. Degene, waarvoor gij de zwaarden trekt, +gaat op dit uur nog in het klooster en zal God voortdurend bidden, u, +ridder Koenraad uw trouwbreuk te vergeven en u te zegenen, evenals +uw broeder." De beide broeders lieten de wapenen zakken, Koenraad +boog het hoofd diep en hield de hand voor de oogen. Hij waagde het +niet de vrouw te aanschouwen, die hem zwijgend aanklaagde en in haar +volle waardigheid voor hem stond. Hendrik vatte de hand der weenende +jonkvrouw. + +"Dank, zuster," fluisterde hij. "Kom, de trouwelooze verdient je +tranen niet." + +Door de schaduwen der boomen werden zij onzichtbaar. Zwijgend tuurde +de ridder in de richting, waarheen zij gegaan waren. Een ongekend +gevoel kwam over hem. Hij bedekte het hoofd en weende. + +IV. + +Op een afstand van een uur gaans ligt in het dal het klooster +Marienburg. Achter zijn muren vond Angela rust. Tusschen Sterrenberg +en Liebenstein verhief zich na verloop van eenige maanden een dikke +muur, als stil bewijs van de vijandschap der beide broeders. + +In het nieuwe slot volgde het eene feest op het andere. De mooie +Grieksche vrouw vierde daar, te midden der ridders van den Rijn, +de triomfen harer schoonheid. + +Op burcht Sterrenberg heerschte diepe droefheid. Het was den ridder +niet gelukt het besluit der jonkvrouw te veranderen. Sedert haar +verdwijnen verminderden zijn krachten. Aan den voet van den berg liet +hij een klooster bouwen en trok de monnikspij aan. Weinige maanden +daarna ontsliep hij. Op denzelfden dag, zoo beschikte het lot, dat hen +gescheiden had, luidden, de doodsklokken van het klooster Marienburg +en verkondigden den dood van de verloren geliefde. + +De heer van Liebenstein mocht zich niet lang in een duurzaam geluk aan +de zijde van de verleidelijke vrouw verheugen. De hartstochtelijke +Grieksche vrouw schond de echtelijke trouw en vluchtte met haar +geliefde, een bevriend ridder, die gastvrijheid op Liebenstein genoten +had. Overstelpt van smart en schaamte, stortte de burchtheer zich +van de tinnen van zijn vesting in de diepte. + +De burchten vervielen aan den ridder Brömser van Rüdesheim. Kerk en +klooster staan nog altijd in het dal en worden jaarlijks door duizenden +pelgrims bezocht. De beide vestingen zijn reeds lang vervallen. Terwijl +beneden in het klooster Bornhofen dagelijks de klokken luiden en de +plechtige gezangen van de bedevaartgangers weerklinken, heerscht boven +tusschen de verlaten ruïnes, nog heden in de volkstaal "de Broeders" +genaamd, treurige rust. Slechts dan, zoo heeft de Lorelei ons verraden, +wanneer de volle maan in den zomernacht haar bleeke stralen werpt, +hoort men op den smallen weg, die de vestingen scheidt, de zwaarden +van de vijandige broeders kletteren. + + + +Boppard + + +Klooster Marienburg + +Op zijn burcht te Boppard woonde graaf Koenraad Bayer, die tot +een hoogadellijk Rijnsch geslacht behoorde. Hij was nog jong, +vol levenslust en dikwijls beheerscht door jeugdige onstuimigheid +en gevaarlijke dartelheid, maar niet ontaard. Ongelukkigerwijs +verkeerde hij in zeer slecht gezelschap, en de verderfelijke invloed, +die deze lieden, waarmede hij drinkgelagen hield en ter jacht ging, +op den jongen ridder hadden, verstikte menige goede kern, die in zijn +ziel sluimerde. + +Op een dag had hij de jonkvrouw van een naburigen burcht leeren kennen, +en de betooverende lieftalligheid van de jonkvrouw had hem het besluit +doen nemen om haar hand te dingen. + +Hun vaders waren zeer bevriend geweest en gaarne ontving men den +ridderlijken jongeling op het slot. Ook Marie de burchtjonkvrouw +leerde hem achten en hoewel de buitengewoon krachtige mannelijkheid +van den ridder het zachtzinnige meisje niet aangenaam aandeed, zoo +toch koesterde zij een innige genegenheid voor den vermetelen jager +en ridderlijken aanbidder. + +Toen hij dus haar hand vroeg, gaf ze hem gaarne haar jawoord en +verheugde zich er in zijn verloofde te zijn. Gelijk met de nieuwe +maan zou de bruiloft plaats hebben en vol hoop op de toekomst bracht +het lieftallige meisje de volgende weken van haar verlovingstijd door. + +Minder vroolijk was de zielstoestand van haar bruigom. Op spottenden +toon hadden zijn drinken jachtgenooten hem gelukgewenscht. Zij vonden +het allen onaangenaam, dat het dolle jonggezellenleven in den burcht +van den gastvrijen vriend zoo niet eindigen, dan toch zeer beperkt +worden zou. En terwijl de een hem voorspiegelde van welk een heerlijke +vrijheid hij lichtzinnig voor altijd afstand deed, trachtten anderen +hem schertsend en spottend te overtuigen welke drukkende ketenen hij +zich in den bloei zijner jaren vrijwillig op den hals wilde halen. In +den beginne hoorde de ridder hen rustig glimlachend aan. Het beeld +zijner verloofde verdrong de treurige tafereelen, die de welbespraakte +heeren hem voor oogen stelden, doch toen zij steeds voortgingen met +hem over te halen, werd hij besluiteloos. Trots en jeugdige overmoed +kookten sterker dan ooit in zijn binnenste en verdrongen alle edele +gevoelens. + +Eens, toen de jonkvrouw den ridder verwachtte, kwam hij niet. In +zijn plaats kwam er een brief, en bij het lezen daarvan viel ze in +zwijm. Hij bevatte de verklaring van graaf Koenraad Bayer, dat hij +zich nog niet rijp voelde, om het huwelijksjuk te dragen, en dat hij +haar haar woord teruggaf. + +II. + +Weken waren verstreken. + +Graaf Koenraad reed door het woud, dat tot zijn bezitting behoorde. In +gedachten verzonken--hij was niettegenstaande de verhoogde vroolijkheid +der drinkgelagen steeds treurig gestemd--had hij niet bemerkt, dat +een ridder met gesloten vizier hem tegemoet draafde. Verrast hield +hij hem aan en vroeg zijn naam en wat hij wenschte. + +"Mijn wapenschild antwoordt u," zeide de ridder met een bijzondere +stem. "Maria's wreker ben ik, die u van laffe trouwbreuk beticht en +Gods oordeel over u en mij zal laten beslissen. Maak u gereed tot +den strijd." Deze trotsche uitdaging prikkelde den toorn van den +ridder zeer. De klank van de gedempte stem had hem zeer opgewonden, +het wapen van het schild behoorde tot het geslacht van zijn vroegere +verloofde. Het moest haar broeder zijn, die in het Morgenland +vertoefde, overlegde hij bij zich zelf, en gaarne had hij het +tweegevecht vermeden. + +Maar reeds reed de tegenstander voor. Het was een korte strijd. De +zwakke arm van den vreemdeling was ongeoefend, door een forschen +stoot van ridder Bayer, die zich door zijn pantser heenboorde, zonk +hij zonder geluid te geven ter aarde. De overwinnaar snelde toe, om +den helm los te maken. Een kreet van ontzetting kwam over zijn lippen. + +In de handen hield hij het hoofd zijner verlaten bruid, uit een +gapende wond vloeide bloed. + +"Door uw hand zocht ik den dood, sedert uw trouw voor mij gestorven +is." Zij fluisterde dit met brekende stem, terwijl de wanhopige ridder +zich over de stervende heen boog. + + + + + +Sedert dien dag was in het slot te Boppard de feestvreugde voor +altijd verstomd; stil werd het ook in het woud, waar vroeger dikwijls +jachthoorns en hondengeblaf weerklonken hadden. Op deze plaats in +het bosch heeft men een klooster gebouwd, Marienberg genaamd (nog +steeds draagt het dezen naam), en daaraan heeft ridder Koenraad Bayer, +de stichter, al zijn goederen vermaakt om zijn schuld te boeten. Hij +zelf is naar het Heilige Land gegaan, waar de vrome kruisvaarders met +de ongeloovigen vochten over het bezit van de Heilige plaatsen. Zonder +pantser heeft hij gevochten--men zegt, dat hij steeds opzettelijk het +strijdgewoel opzocht--en wonderen van dapperheid heeft hij in het +leger der kruisvaarders verricht. Daar trof hem, bij de bestorming +van Ptolomeus een vijandelijke lanssteek. + +Hij stierf in het vertrouwen op God en met den naam van zijn +ongelukkige verloofde op de verbleekte lippen. + + + +Rhense + + +Keizer Wenzel + +In de omstreken van Koblenz, niet ver van den oever van den Rijn, +staat op een bloemenrijke weide de historische Koningsstoel. Hier +op Rhenser grond, waar het gebied van de drie groote bisschoppen van +Keulen, Mainz en Trier aan elkander grenst, verzamelde het vorstelijke +zevental zich, om den nieuwen gebieder van het heilige Romeinsche rijk +te kiezen. Hier werd als eerste bij de vrije vorstenverkiezing Karel de +Vierde, de vader van Bohemen en de stiefvader van Duitschland gekozen; +hier koos ook het zevental Wenzeslaus, den zoon van den Luxemburger +tot Duitschen keizer. Bij zijn leven had de keizer reeds veel moeite +gedaan, dat zijn oudste zoon verkozen werd, en was in hoogst eigen +persoon met hem naar Rhense aan den Rijn getrokken, alwaar in den +beroemden Koningsstoel de kanselier van het rijk, de aartsbisschop +van Mainz dikwijls gewichtige conferenties hield met de bisschoppen +van Trier, Keulen en den paltsgraaf. + +Destijds was Wenzeslaus van Bohemen verrukt over den Rijn en zijn +heerlijken wijn, en toen hij later werkelijk, minder door eigen +verdienste, dan door de bemoeiingen van zijn vader en de genade van +den keurvorst, keizer van Duitschland werd, terwijl zijn broeder +Sigismund het onvruchtbare Brandenburg erfde, heeft hij den Rijnwijn +meer eer aangedaan dan eenig drinkebroer. Het goud der druif trok +hem meer aan dan dat der kroon, en daar een lekker glas wijn nergens +zoo goed smaakt als aan de bron zelf, zocht hij zeer dikwijls den +braven paltsgraaf van den Rijn op, die in den gezegenden "Rheingau" +woonde en meer fusten in zijn kelder had dan er heiligen in het jaar +zijn. Den hoogedelen Ruprecht van de Palts was dit bewijs van 's +keizers vertrouwen volstrekt niet onaangenaam, en door buitengewone +gastvrijheid trachtte hij zijn keizerlijken gast steeds genadiger +voor zich te stemmen. + +De slimme Ruprecht zou niet ongaarne het paltsgrafelijke kroontje +voor de keizerskroon verruild hebben, en als zijn vorstelijke gast, +door den wijn in een vroolijke stemming gebracht, hem mededeelde hoe +lastig de keizerlijke praal voor den drager daarvan was, dan gaf de +paltsgraaf hem uit den grond van zijn hart gelijk. Hij liet ook niet +na zijn gebieder mede te deelen, hoe weinig de wijze keurvorsten over +het nalatig bestuur van het rijk gesticht waren, en hoe verheugd ze +over zijn mogelijk aftreden zouden zijn. Keizer Wenzel hoorde dit, +zittende achter zijn volle bokaal met ijzige kalmte aan en dronk +onderwijl het eene glas na het andere uit. + +Eens zat de keizer weder met zijn mededrinkers bij den Rhenser +Koningsstoel en algemeen heerschte er een vroolijke geest, want +de paltsgraaf schonk vurigen Aszmannshäuser in groote bokalen. Met +welbehagen proefde Wenzel den edelen drank en de overige drinkers +hadden geen woorden genoeg, om het edele vocht te prijzen. + +En terwijl de bekers rondgingen en vroolijke melodiën in de koningshal +weerklonken, verhief de keizer zich plotseling van zijn zetel, en +door den wijn overmoedig gestemd, zeide hij tot den paltsgraaf: + +"De kroon, die men mij op het hoofd gezet heeft, zou u niet lastig +zijn. Welnu, ik bied haar u aan, indien gij mij en den anderen gasten +een wijn schenkt, die nog beter smaakt, dan deze Aszmannshäuser." + +Toen knipte de paltsgraaf zeer vroolijk met de oogen, wenkte daarop +zijn schildknaap en na een poosje sleepten de knechts een bestoven +vat naar binnen, waaruit dadelijk de bekers gevuld werden. En de +paltsgraaf verhief zich en bood de eerste bokaal den keizer aan. + +"Dit is mijn Bacharacher, edele Heeren! Proeft hem; ik onderwerp mij +zonder vrees aan uw oordeel." + +En men hoorde een welbehaaglijk slurpen en zag vele voldane +gezichten. De vurige Bacharacher vond algemeenen bijval, en +keizer Wenzel verhief zich en gaf hem luid de voorkeur boven den +Aszmannshäuser. Hij kon het edele druivensap niet genoeg prijzen +en proeven. + +"De wijn is meer dan kronen waard," sprak hij na elke ferme teug. + +Hij heeft ook woord gehouden. De heer Ruprecht van de Palts kreeg +de koningskroon en schonk keizer Wenzei uit dankbaarheid zes groote +vaten Bacharacher wijn. + + + +Burcht Lahneck + + +De tempelier van Lahneck + +Tegenover Koblenz boven Lahnstein verheft zich op den vijfhoekigen +Bergfried, Lahneck, een der weinige burchten, die uit ruïnen +tot goed bewoonbare kasteelen herschapen zijn. Aan Lahneck, dat +in hetzelfde jaar als het Heidelberger slot door de horden van +Lodewijk den Dertienden neergeschoten werd, is een treurige sage +verbonden. Door de tempeliers, wier ordehuis in Jerusalem stond, +moeten deze vestingen gebouwd zijn, waarvan de wachttoren dertig +meter boven de kamers uitstak. + +De rijkdom der tempeliers bracht hun ongeluk te weeg. De lage +koning der Franschen Philipp, die den bijnaam van den Schoone had, +bewerkte bij den paus, op grond van gefungeerde zware beschuldigingen, +dat de veel gesmade orde opgeheven werd, en haar grootmeester met +vijftig volgelingen op den brandstapel gebracht werden. Overal +werden de veroordeelde ridders op gruwelijke wijze uitgeroeid, +waarbij verbeurdverklaring hunner aanzienlijke goederen meer dan de +geloofsijver tegen de vermeende ketters en zondaars de drijfveer was. + +Op het trotsche Lahneck, dat twaalf tempeliers met dienstpersoneel +herbergde, richtten zich de begeerige blikken van Peter van Aspelt, +den aartsbisschop van Mainz. Tegen zijn bevel, dat hij op grond van +hun zoogenaamde afkeurenswaardige levenswijze uitvaardigde, om den +burcht te ontruimen en den witten wapenmantel met het roode kruis voor +de boetende monnikspij te verruilen, verzette het twaalftal zich als +ridders zonder vrees of blaam. + +Dit hitste de hebzucht en toorn van den bisschop nog meer aan. Van +den Hoogepriester, dien hij, toen deze te Avignon zwaar ziek lag, met +goed gevolg verpleegd had, verkreeg Peter van Aspelt een bijzonderen +vrijbrief, die hem de macht over de bezittingen en het leven der +bannelingen te Lahneck gaf. Hij trok dus met vele vazallen en soldaten +den Rijn af en gaf den tempeliers het pauselijk geschrift over, met +bevel zich te onderwerpen. Indien zij weigerden te gehoorzamen, zou de +burcht stormenderhand genomen worden, en de bewoners als onboetvaardige +zondaars door de handen van den beul een smadelijken dood sterven. + +De oudste der twaalf ridders, een grijsaard met zilveren haren, legde +in naam van zijn broeders de verklaring af, dat ze vast besloten +waren tot den laatsten druppel bloed te strijden; eveneens waren ze +bereid, evenals hun broeders in Frankrijk folterkwelling en ketterdood +te verdragen. + +Zoo begon de strijd van de overmacht tegen de minderheid. Met bebloede +hoofden werden zij, die tot de partij van den keurvorst behoorden, +door de ridders en hun getrouwe schildknapen teruggedreven; maar steeds +zond de vertoornde aartsbisschop andere mannen in het strijdperk. Het +aantal der verdedigers slonk met den dag. Onder hen blonken in dezen +strijd van man tegen man de heldenfiguren der twaalf tempeliers in den +witten mantel met het bloedroode kruis uit. Daar zonk een der twaalf +ridders met brekende oogen naast de met leeuwenmoed verdedigde muur +onder het verbrijzelde schild neder; de tweede volgde hem en toen de +derde. De anderen, die uit vele wonden bloedden, verdubbelden met de +weinig overgeblevene burchtlieden hun dapperheid; maar onbarmhartig +maaide de dood in hun midden. + +Toen op den avond na de hevigste bestorming de belegeraars de +overwinning behaald hadden en hun vlag op de veroverde tinnen +plaatsten, stond de grijsaard met het zilveren haar, die voorheen het +woord gevoerd had, als laatstovergeblevene met zijn met bloedbevlekt +zwaard tusschen de lijken van zijn gevallen broeders. + +De bisschop, getroffen door zooveel heldenmoed, beval hem zich over +te geven. + +Hij echter vervloekte den hebzuchtigen kerkvoogd en ging met hoog +opgeheven zwaard op zijn vijanden af. Hun slagen deden ook den laatst +overgeblevene van het twaalftal vallen, en over het lijk van dezen +held drongen de Mainzers in den thans onbeheerden burcht. + +Peter van Aspelt maakte Lahneck tot verblijfplaats van den baljuw van +het Keurvorstendom Mainz en benoemde tot eersten hoofdschout Hartwin +van Winningen. Zoo behoorde de burcht ruim driehonderd jaar tot het +Keurvorstendom Mainz; maar de treurige geschiedenis van de twaalf +tempeliers op Lahneck is steeds in die omstreken bewaard gebleven. + + + +Stolzenfels + + +Het dochtertje van den kamerheer + +De heer Koenraad van Isenburg, keurvorst van Trier, was een zeer +hebzuchtig man. Toen de bisschop van Mainz, niettegenstaande het +machtwoord van den keizer, dat hij niet bevoegd was, den vrijen +doortocht op den Rijn te belemmeren en belasting van de reizigers te +heffen, de Rijnbelasting invoerde, deed hij hetzelfde. Bij den burcht +Stolzenfels, dien hij op een boschachtigen bergtop gebouwd had, liet +hij een sterk tolhuis bouwen. Het beheer hiervan gaf hij in handen +van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg. + +Deze slotvoogd was nog hebzuchtiger dan zijn heer. De drukkende +tolgelden, die hij op Stolzenfels hief, waren haast ondragelijk, +zoo gebruikte hij b.v. speciaal daarvoor afgerichte honden, die de +rondtrekkende joden moesten opspeuren en wanneer die hun smokkelarij +ontdekt hadden, moesten ze dubbel tol betalen. + +De beheerder Frundsberg beging hierbij het groote schelmstuk het +aartsbisdom voor een gedeelte van de belastinginkomsten te berooven, +en door zijn steeds grooter wordende rijkdom werd zijn hebzucht +nog meer aangewakkerd. Een rondtrekkend Italiaan, Lionarde genaamd, +die door zijn geheimzinnige kennis van de planeten bij ridders en +geestelijken voordeel zocht te behalen, hoorde van de schraapzucht +van den Stolzenfelser slotvoogd. Hij verzocht den heer Frundsberg +om een vertrouwelijk onderhoud en beroemde zich er toen op, dat hij +in de raadselachtige kunst der alchimie het onmogelijke tot stand +kon brengen. Volgens zijn zeggen was hij een adept, dat is iemand, +die de wonderbaarlijke kunst verstaat met de beide geheime middelen, +zooals de steen der wijzen en elixir alle onedele metalen in zilver +en goud te veranderen, ook kon hij met den eersten, Grootelixir of +Panacée des Levens genaamd maken, dat verdund als vloeibaar goud alle +gebreken genas, den ouderdom verjeugdigde en het leven verlengde. + +Met lichaam en ziel gaf de hebzuchtige administrateur zich aan den +Italiaanschen adept over. Hem ontging in zijn eerzuchtige verblindheid, +dat het den valschen man alleen om zijn vermogen te doen was, en in +afwachting van de hem Voorgespiegelde schatten, liet hij zich meer +dan ooit tot lage verduistering van hetgeen aan het Keurvorstendom +behoorde, verleiden. Handenwringend smeekte Gertraud, zijn lieftallig +dochtertje, hem, zich niet in het verderf te storten. Maar haar +smeeken vond bij den verstokten vader geen gehoor. + +Daar verscheen op een dag de heer Koenraad van Isenburg op Stolzenfels, +om van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg rekening en verantwoording +omtrent de Rijnbelasting te ontvangen. En met angst zag de ontrouwe +rentmeester het uur van de afrekening tegemoet. + +In haar doodsangst smeekte Gertraud den alchimist om redding in den +nood. En terwijl zijn oogen begeerig schitterden, deelde Lionardo haar +mede, dat alleen de zelfopoffering van een jonkvrouw in staat zou zijn +den vader te redden. Door zulk een offer zou hij ontelbare koninklijke +schatten en eer verwerven, later een gelukkigen ouderdom, kortom al het +aardsche geluk zou hem beschoren zijn. Zwijgend hoorde het meisje deze +woorden aan en verklaarde zich toen bereid, haar jong leven terwille +van den innig geliefden vader te geven, hetgeen, volgens zeggen van den +Italiaanschen toovenaar de geheimzinnige machten der alchimie eischten. + +Tegen het aanbreken van den volgenden nacht begaf zij zich naar de +afgelegen torenkamer, die Lionardo als meest afgezonderd vertrek +voor zijn goudmakerskunsten gebruikte. Over een groote tafel in het +midden van de kamer was een purperen kleed gespreid; een schaal stond +daarop, en daarnaast lag een dolk. Op een drievoet, die daarbij stond, +kronkelden blauwachtige vlammetjes omhoog en hulden het lage vertrek +in een benauwend schemerlicht. + +De goudmaker reikte het doodsbleeke meisje een blinkend wit linnen +laken over en beval haar vervolgens haar kleeren af te leggen, zich op +het purperen kleed op de tafel uit te strekken en haar jonkvrouwelijk +lichaam met het laken te bedekken. + +Terwijl het opofferende meisje in droefgeestige stemming aan haar +onzaligen vader dacht en deed wat haar bevolen was, boog Lionardo zich +over de offervlam, verbrandde daarin een stukje hout, afkomstig van +het gebergte Libanon, en mompelde in zijn puntbaart onverstaanbare +woorden. Vervolgens trok hij, terwijl de jonkvrouw de oogen van +schaamte gesloten hield en haar reine ziel den Heer aanbeval, snel +het omhulsel van haar af en zwaaide, terwijl hij met fonkelende oogen +zijn tooverformulier ten einde prevelde, den dolk in de opgeheven +rechterhand in de richting van het hart van het meisje. + +Op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend. Met een ijzeren greep +omklemde een hand den opgeheven arm, en een slag deed den toovenaar +als een slachtdier ter aarde storten. Over Gertraud, die blozend +het laken om haar kuische leden hulde, boog jonkheer Reinhard van +Westerburg, de jeugdige hoofdman van de keurvorstelijke bezetting +op Stolzenfels zich met gepasten eerbied. Het opofferende meisje +beleed hem alles, wat er gebeurd was. Hij echter deelde haar mede, +hoe hij, door haar zonderling gedrag van dien avond verschrikt, +angstige voorgevoelens had gekregen en het sedert langen tijd in +stilte beminde meisje totaan het uur, waarop zij den drempel van deze +kamer overschreed, gade geslagen had. Hoe dan een hoogere macht hem op +het laatste oogenblik ingegeven had, hier binnen te dringen, en een +gruwelijke euveldaad te verhinderen, waarvoor hij den Italiaanschen +goochelaar morgen aan den beul van den keurvorst zou overleveren. Bij +deze laatste woorden sprong de goudmaker, die op den grond lag, alsof +hij dood was, als een sissende slang overeind, stiet een gruwelijken +vloek uit en ontvluchtte. + +Den volgenden morgen is jonkheer Reinhard van Westerburg tot den heer +van Frundsberg gegaan en heeft dezen verzocht hem zijn lieftallige +dochter Gertraud tot gemalin te geven. Toen de kamerheer van den +keurvorst den hooghartigen ridder verward meedeelde, dat zijn +dochtertje, hoewel rijk aan lieftalligheid en deugden, zulk een +met goederen gezegenden heer onwaardig was, verklaarde de heer van +Westerburg, dat hij aan zijn aanzoek slechts een voorwaarde verbond: +De vader van zijn bruid moest van hem zonder dralen de som aannemen, +welke de vreemde bedrieger, die dezen nacht door den duivel gepakt was, +hem afgeperst had. + +Terwijl de heer Gerhard Frundsberg bij het hooren van deze +dubbelzinnige woorden verbleekte, kwam er een stalknecht naar binnen +gestormd, die mededeelde, dat ze beneden bij een uitstekende rots den +Italiaanschen toovenaar met gespleten schedel gevonden hadden; hij had +waarschijnlijk bij nacht en nevel den weg gemist en een doodelijken +val gedaan. Toen heeft de slotvoogd een kruis gemaakt. Jonkheer van +Westerburg hield steeds de handen van den sidderenden oude in de +zijne en drong er nogmaals op aan hun schatten met elkaar te ruilen. + +Tegen den middag kwamen de Trierers in gala op Stolzenfels aan. De +heer Koenraad van Isenburg heeft nauwkeurig afgerekend en alles in +de beste orde bevonden. Na verloop van eenige dagen heeft hij het +deugdzame dochtertje van zijn trouwen kamerheer aan den hoofdman van +zijn Stolzenfelsche bezetting toevertrouwd, en de hoogeerwaarde heer +verheugde zich zeer, zijn vesting Stolzenfels nu in dubbel goede +handen te weten. + + + + +Koblenz + + +Riza + +Toen in het begin der negende eeuw Lodewijk, de Vrome, zoon van Karel +den Groote, aan de oevers van den Rijn met zijn verdorven zoons om de +keizerskroon streed, werd in Koblenz, ter eere van den godsvruchtigen +Kastor, die in het land van de Moezel het christendom verbreid had, +een godshuis gebouwd. Aan een vertakking van den Rijn werd het van +vier torens voorziene gebedenhuis gebouwd. + +Destijds verhief zich op het hoogste zuidwestelijke punt van Koblenz +het Frankische Koningshof, een voormalig Romeinsch kasteel, en +daarnaast een, aan den heiligen Kastor gewijd nonnenklooster. Hierin +heeft Riza, een dochter van Lodewijk den Vrome, die reeds vroegtijdig +afstand van de wereld deed, haar vroom leven gesleten. Elken dag ging +de koningsdochter aan de andere zijde van de rivier in de Kastorkerk +naar de mis. De Heer schiep zulk een groot welbehagen in Riza, dat +zij, evenals voorheen zijn discipel over het meer van Genezareth, +met droge voeten over den Rijn wandelde, om deel te nemen aan de +heilige offerande in de St. Kastorkerk. + +Eens, zoo deelt de vrome sage verder mee, was de vloed door den +storm zeer woest. Voor het eerst was de jonkvrouw angstig, toen haar +voet de golven betreden zou. Uit voorzorg trok ze een stok uit een +nabijzijnden wijnberg en nam hem als staf mede op haar wandeling +over de waterstraat; maar evenals voorheen Petrus, zonk ook zij, +na eenige angstige schreden gedaan te hebben, in het water. + +In haar doodsangst werd zij zich vol berouw haar gebrek aan vertrouwen +op God bewust. Zij slingerde den stok ver weg, hief de armen ten +hemel en vertrouwde zich aan de bescherming van den Allerhoogste +toe. Daar dook ze weer op uit de golven, en evenals vroeger bereikte +ze met droge voeten den tegenover gelegen oever. Sedert dien tijd +beijverde Riza, de heilige dochter van den vromen Lodewijk, zich meer +dan ooit in werken, die God welgevallig waren. Zij stierf tusschen +de kloostermuren en haar stoffelijk overschot werd naast dat van den +heiligen Kastor in zijn kerk bijgezet. Het marmeren monument van Riza, +die door het volk heilig verklaard is, kan men nog in de noordelijke +zijvleugel van de Kastorkerk te Koblenz zien. + + + +Andernach + + +Genoveva + +I. + +In de omstreken van den Rijn wordt de naam van de deugdzame gemalin +van paltsgraat Siegfried met vereering genoemd. Zij, die eens het +grootste kleinood van het hart, niettegenstaande gruwelijke beproeving +en nameloos verdriet standvastig en ongeschonden bewaarde, werd +door het volk de heilige Genoveva genoemd. In den tijd, dat Karel, de +naamgenoot van zijn voorvader, den grooten keizer der Franken, het land +der West-Franken regeerde, stond in den "Mayenfelder Gau" ten westen +van de oude stad Andernach, het slot van den paltsgraaf. Zeer gelukkig +en eendrachtig leefde de jonge paltsgraaf met zijn liefelijke gemalin. + +Doch het eerste wolkje kwam aan den horizon van hun huwelijksgeluk. De +gevreesde Arabieren waren uit Spanje gekomen en in Gallië +binnengedrongen en baanden zich moordende en alles verbrandende +een weg naar het Noorden. Een hevige schrik verspreidde zich door +het christelijke Frankenland. De vijand van het christendom moest +uitgeroeid worden, wilde het Westen niet hetzelfde lot van het door +de halve maan beschaduwde Afrika ondergaan. Ook in den burcht van +den paltsgraaf drong de oproeping van den gebieder tot deelneming +aan den strijd door. Toen trok de heer Siegfried de wapenrusting +aan, kuste zijn weenende vrouw en nam afscheid van den burcht zijner +voorvaderen. Zwaar viel hem het scheiden van de heerlijke "Mayenfelder +Au", waar hij det hoogste geluk zijns levens gesmaakt had, maar nog +zwaarder viel hem het afscheid van de bedroefde gade. Zijn slotvoogd +Golo droeg hij op, goed voor zijn beminde vrouw te zorgen, en haar +verzocht hij, dezen haar volle vertrouwen te schenken. + +De dagen der scheiding van haar geliefden echtgenoot waren voor de +paltsgravin zeer smartelijk. Hevig drukte haar de eenzaamheid in den +grooten burcht, en zeer miste ze Siegfrieds nabijheid, den klank zijner +stem en de veiligheid van zijn tegenwoordigheid. Tot den man, die door +hem als haar beschermer aangesteld was, kon ze niet spreken als tot een +vriend. Haar rein vrouwenoog schrok van den hartstochtelijken gloed, +die uit de sombere blikken van Golo straalde. Het scheen haar, dat deze +blikken heimelijk haar bewegingen bespiedden en met een uitdrukking, +die haar kinderlijk gemoed niet begreep, op haar rusten bleven. + +Dubbel miste zij dan den afwezigen gemaal. Dikwijls trad ze naar buiten +en gaf zich in het tuintje onder den vlierboom aan aangename droomen +over. Terwijl haar oogen verlangend in het schemerachtige, blauwe +verschiet staarden, dacht Genoveva aan het zalige oogenblik, waarop ze +den heer Siegfried terug zou zien; hoe zij, het hoofd aan zijn borst +geleund, hem het zoete geheim mede zou deelen, dat de aanstaande moeder +reeds bij voorbaat zoo gelukkig maakte. Misschien zou de oorlog tegen +de heidenen lang duren, en zou zij den terugkeerenden echtgenoot het +pand hunner liefde hier op de burchtplaats toereiken. Dan klaarde +het lieve gelaat der paltsgravin op, en een glans van geluk kwam +over haar trekken. Dikwijls steeg zij dan op naar de platform en +droomde van toekomstig geluk, terwijl haar oogen verlangend in het +schemerachtige verschiet staarden. + +De heimelijke vrees, die de paltsgravin voor den slotvoogd koesterde, +was niet ongegrond. De engelachtige schoonheid van Genoveva had +in het jeugdig gemoed van Golo een verboden vuur doen ontgloeien, +dat hij niet in staat was te verstikken; integendeel werd door +het vele samenzijn met de lieftallige paltsgravin, die tegen hem, +evenals tegen alle ondergeschikten vriendelijk was, het vuur van +den verderfelijken hartstocht nog meer aangewakkerd, totdat hij op +een dag zich zelf niet meer meester was en zich aan de voeten van de +begeerlijke, teeder beminde vrouw wierp. In zondige hartstochtelijke +taal smeekte Golo de vrouw van zijn meester om haar wederliefde. + +Genoveva was zeer ontsteld door deze schandelijke bekentenis. Met +verontwaardiging en verachting wees zij den vermetele af. Zij verbood +hem, die zijn plicht zoo grenzenloos verzaakt had, ooit weer voor haar +aangezicht te verschijnen en dreigde hem, dat zij hem bij haar man +zou aanklagen. Toen kwam er een sombere flikkering in Golo's oogen, +en een blik van doodelijken haat trof de schoone vrouw, die hem zoo +streng terecht wees. Vergeving was niet te hopen van de verontwaardigde +meesteres; zijn vernederde trots verlangde die ook niet, maar dorstte +naar wraak. Nu moest er verder gegaan worden op den eenmaal ingeslagen +weg, teneinde Siegfrieds toorn, waarmede hij gedreigd was, te ontgaan. + +De haat en wraak deed een vreeselijk plan in Golo's, binnenste +rijpen. Hij ontsloeg de onderhoorigen en stelde nieuwe bedienden in den +burcht aan. Toen trad hij op een dag, ten aanschouwe van het geheele +dienstpersoneel, op de ontstelde paltsgravin toe en beschuldigde haar +met fonkelende oogen, dat zij zich tegenover haar afwezigen echtgenoot +op schandelijke wijze aan trouwbreuk schuldig gemaakt had, door met een +gewonen knecht, die haar merrie zadelde in ongeoorloofde verhouding +te staan, waarvan zij de vrucht onder het hart droeg. Schaamte en +verontwaardiging beroofden Genoveva van haar zinnen. Golo deelde +den ontstelden bedienden, die zwijgend toehoorden, mede, dat hij +den paltsgraaf reeds van de schuld van zijn trouwelooze gade en +haar ontvluchten dienaar Drago onderricht had en als tegenwoordig +burchtbeheerder beval, de trouwelooze in een kerker te brengen. + +In een vochtige onderaardsche gevangenis van den burcht ontwaakte de +ongelukkige paltsgravin uit haar bezwijming. Diep bedroefd verborg +zij het hoofd in de handen en smeekte Hem, die haar deze vreeselijke +beproeving opgelegd had, haar in het tegenwoordige leed en in de +aanstaande gebeurtenis bij te staan. Smartelijke uren stonden Genoveva +te wachten. Zij bracht een knaapje ter wereld. Zij doopte hem met haar +tranen en gaf hem den naam Tristan, dat beteekent: rijk aan smarten. + +II. + +Acht maanden was paltsgraaf Siegfried reeds afwezig. Als een held +had hij in menig hevig gevecht gestreden. Met woesten geestdrift +vochten de dweepzieke Mahomedanen, die de Pyreneeën overgestoken +waren, om ook het overige Westen met vuur en zwaard aan de leer van +hun profeet te onderwerpen. In vele gevechten hadden de Franken voor +hun overmacht moeten zwichten. Reeds stonden de teugellooze Horden +in het midden van Gallië en drenkten hun paarden met het water van +de Loire. Daar verscheen Karel, de eerste paladijn van den zwakken +koning der Franken, en mat zich in een bloedig gevecht bij Tours met +de Arabieren. Vanaf het aanbreken van den dag tot aan het vallen +van den avond streden hier het kruis en de halve maan om Europa's +lot. Nooit genoeg heeft men dezen strijd tegen de Mooren tusschen +Tours en Poitiers gewaardeerd, toen Karel Martel als met een hamer de +ongeloovigen op het hoofd sloeg, evenals voorheen Judas deed, dien +ze Maccabeeus, dat beteekent: "de hameraar", genoemd hebben. Aan de +zijde van den legeraanvoerder streed Siegfried, de paltsgraaf. Hij +vocht als een leeuw, en God beschermde hem tot aan het einde van den +strijd. Dienzelfden avond echter werd de dappere paltsgraaf door de +lans van een vervolgden Saraceen getroffen. Het was geen doodelijke +steek geweest, maar gedurende maanden was hij tot werkeloosheid +gedoemd. Mistroostig lag graaf Siegfried op zijn legerstede, en vol +droefheid dacht hij aan de geliefde gade in het mooie Rijndal. + +Toen kwam er op een dag een bode uit den "Mayenfelder Gau", die +den paltsgraaf een perkament bracht, door Golo den slotbewaarder +geschreven. Ontzet heeft graaf Siegfried de krullende, zwarte teekens +aangestaard, als wilde zijn blik ze van het blad uitwisschen; maar +hoonend hebben ze voor zijn oogen gedanst, en in zijn ooren heeft de +ontzettende tijding geklonken: "je vrouw heeft de trouw gebroken met +Drago, den weggeloopen stalknecht." + +Woedend hebben de vingers van den held het geschrift omklemd, een +steunen drong uit den bleeken mond. Op hetzelfde uur heeft hij zich +met eenige wapendragers op weg begeven en is somber en ontstemd de +richting van de Ardennen ingeslagen. Hij heeft niet gerust voor dat +de Paltsburcht voor zijn oogen opdoemde. Op de platform stond een +man, die onderzoekend in de verte tuurde. Toen hij in de nabijheid +stofwolken zag opwaaien en een kleine schaar ruiters ontdekte, kwam +er een zegevierende blik in de donkere oogen. + +Daar rent een statig ridder voor de anderen uit. Donderend dreunt de +met ijzerbeslagen hoef van het strijdros op de ophaalbrug. Voor den +somberen paltsgraaf, die snel van zijn paard afgesprongen is, staat +Golo met gehuichelde ontroering. Opnieuw deelt hij met gekunstelde +smart mede, hetgeen de ridder reeds door den koerier vernomen heeft. + +"Waar is de boosdoener, opdat ik hem, die de eer van mijn huis +bezoedelde, verplettere!" riep de paltsgraaf vol vertwijfeling uit. + +"Heer, ik heb den ellendeling gruwelijk gestraft en hem vervolgens +met zweepslagen uit het slot verdreven," antwoordde Golo met krachtige +stem. + +De paltsgraaf zucht diep. Zwijgend wenkt hij Golo, en een straal van +duivelsche vreugde schittert in het oog van den valschaard. + +Ook in de onderaardsche gevangenis was het geluid van paardengetrappel +en van het toeloopen der bedienden doorgedrongen. Zich hoog oprichtend, +luistert Genoveva in haar kerker. Een dierbare naam en een bede tot +God komt op haar lippen. Nu moest de vreeselijke beproeving een einde +nemen, en haar deugd zegevierend de plaats der smaad verlaten en de +doornenkroon verwisseld worden voor den zegekrans. + +Daar wordt de grendel weggeschoven, harde voetstappen weerklinken. Aan +haar borst trekt zij het sluimerende knaapje. De vleugeldeur wordt +opengeworpen, en den geliefden echtgenoot toont zij het aanvallige +kind, het pand hunner liefde en juichend klinkt de naam van den +dierbaren gemaal van haar lippen. Maar plotseling veranderen haar +woorden in een luiden smartkreet. Hij slingert haar van zich af, +als hamerslagen treffen zijn aanklachten haar onschuldig hoofd, +en kermend valt Genoveva in onmacht. Den volgenden morgen bij het +aanbreken van den dag brachten twee knechten de ongelukkige naar +buiten in het bosch. In koelen bloede moesten zij de vrouw dooden, die +haar gemaal op schandelijke wijze ontrouw geweest was, terwijl deze +zijn leven aan de heilige zaak gewijd had, en met haar moest tevens +het kind der schande sterven. De vertoornde paltsgraaf had bevolen, +hem de tongen te brengen, als bewijs van het uitgevoerde bevel. + +Hardvochtig sleepten de knechten de ongelukkige naar het meest woeste +deel van het woud, waar slechts het schreeuwen van een roofvogel +of de kreet van een dier uit het bosch de stilte verbrak. Reeds +hadden ze de messen getrokken. Daar wierp de paltsgravin zich vol +vertwijfeling aan de voeten van de mannen, hield weenend haar knaapje +in de hoogte en smeekte hun, zoo niet haar, dan toch het onschuldige +kind te sparen. Medelijden maakte zich van de mannen meester en +ontwapende hun hand, die het moordwapen vasthield. Nog dieper in het +woud brachten ze moeder en kind, keerden zich toen snel om en lieten +de slachtoffers aan hun lot over. + +Twee reetongen brachten de mannen den paltsgraaf en deelden hem mede, +dat ze zich getrouw van hun opdracht gekweten hadden. + +III. + +Genoveva's bestaan was hoogst treurig. Geheel opgaande in haar smart, +doolde zij dood vermoeid door het onbekende woud rond. De honger +kwam en deed zijn rechten gelden. Zacht kermde het knaapje op haar +arm, en een innig gebed zond de vertwijfelde moeder ten hemel. Het +drukkende harteleed loste zich op in een vloed van tranen, die haar +eenigszins verlichtten. De knaap was, nadat ook hij lang geschreid +had, ingeslapen. Eensklaps zag Genoveva, als door den hemel, dien ze +aangeroepen had, gezonden, een hol voor zich, dat haar een schuilplaats +en toevluchtsoord aanbood. En, als wilde God haar toonen, dat hij +harer welwillend gedacht, kwam er een witte hinde in het hol, die +zich vertrouwelijk aan de voeten van de verlatene neervlijde. Haar +uiers waren gevuld met melk; zij moest eenige dagen geleden jongen +gekregen hebben. Gewillig liet het zachte dier toe, dat de vrouw +haar kindje laafde. Ook den volgenden morgen kwam de hinde weder, +en Genoveva dankte God uit den grond van haar hart. Zij vond wortels, +bessen en kruiden, waarmede ze zich in het leven kon houden. Het makke +dier kwam elken dag in het hol en bleef eindelijk voortdurend bij haar. + +Zoo verliepen er dagen, weken en maanden. Door de onveranderlijke +vroomheid der zwaar beproefde vrouw was de hevige smart in zachten +weemoed overgegaan. Na verloop van tijd kon zij haar echtgenoot, +die haar onschuldig veroordeeld had, vergeven, evenals hem, die zich +meedoogenloos op haar deugd gewroken had. Wel waren haar liefelijke +wangen smal geworden, maar de gekruide boschlucht veranderde de +bleekheid, die de kerkerlucht daarop verspreid had in een zacht +rood. Meer nog nam de knaap in beterschap toe, daar hem niet zooals +zijn moeder dat verterende leed aan het hart knaagde. Een bloeiende +twijg aan een geknakten stengel. + +IV. + +Sedert deze treurige gebeurtenis was het verdriet een trouw bezoeker op +het slot van den paltsgraaf. De hevige toorn was in knagend hartzeer +overgegaan. Dikwijls, wanneer hij onrustig door de kamers dwaalde, +waaraan zooveel herinneringen verbonden waren en doodsche stilte +hem omringde, waar vroeger de zachte stem van de geliefde vrouw +weerklonken had, dan overweldigde hem de smart. En het berouw kwam +en fluisterde hem met gloeiende woorden in het oor: of de gruwelijke +straf, die hij opgelegd had, niet te zwaar geweest was--of hij niet te +snel het vonnis uitgesproken had en of hij niet had moeten overwegen, +wat tot verzachting der ontmaskerde zonde had kunnen bijdragen. + +Als deze vermanende stemmen hem vervolgden, dan werd het slot en de +eenzaamheid den paltsgraaf te veel, en hij snelde naar buiten met de +keffende honden en het gevolg, om door jachtfanfares en hondengeblaf +de innerlijke aanklagers tot zwijgen te brengen. Maar het gelukte hem +slechts zelden, en ook buiten zag steeds een doodsbleek vrouwengezicht +tot hem op, om dan in een stralenkrans weg te smelten. Golo had wel +bemerkt, hoe het met den zielstoestand van zijn meester gesteld was, +en dubbel drong de sluwe man zich aan den paltsgraaf op, huichelde +steeds grootere onderdanigheid en zorg voor diens welzijn. Een +hongerige neemt zelfs het brood aan, dat een bedelaar hem biedt: +Siegfried meenende, dat de slotvoogd hem in zijn eenzaamheid wilde +troosten, nam deze bewijzen van genegenheid minzaam aan en beloonde ze +met welwillendheid, hoewel hij in zijn binnenste vertoornd was op den +man, die hem den treurigsten dienst zijns levens bewezen had. Eens ging +de paltsgraaf weer op de jacht. Slechts een klein gevolg begeleidde +hem. Ook Golo was onder hen. Dieper dan gewoonlijk was Siegfried het +bosch ingegaan. Een sneeuwwitte hinde was voor hem opgesprongen, en als +een goed jager rende de paltsgraaf over heg en struik, om het zeldzame +dier neer te schieten. Reeds had zijn speer het dier aangeraakt, +toen het plotseling in een hol verdween. En een vrouwelijke gestalte +met een knaapje aan de hand trad plotseling in de opening tusschen de +rotsen. De hinde, die bescherming bij haar zocht, vlijde zich tegen +haar aan. Zij bespeurt den jager en werpt met een blos van schaamte +haar rijke mantel van blond haar over het armoedige gewaad. Maar +een siddering overvalt haar, onbeweeglijk staren de groote vermoeide +oogen den jager aan. Een kreet klinkt van haar lippen, half juichend, +half kermend en zij werpt zich aan de voeten van den paltsgraaf. En +van de lippen, die maandenlang slechts vurige gebeden gepreveld of +het verlaten kind zoete vleierijen toegefluisterd hebben, stroomen nu +betuigingen van onschuld en aanklachten tegen haar vervolgers. Als +vuur dringen haar woorden in de ziel van den paltsgraaf, als vuur, +dat verlicht, loutert en ontvlamt. + +Plotseling tot bezinning gekomen, trekt hij zijn wedergevonden vrouw +aan zijn borst, kust haar traan voor traan van de wangen weg en werpt +zich dan zelf aan haar voeten, terwijl hij berouwvol om vergeving +smeekt. Den knaap drukt hij aan zijn hart en geeft het miskende kind +duizend teedere namen. + +Dan blaast hij op den jachthoorn. Het gevolg nadert; ook Golo. De +paltsgraaf trekt hem uit den kring der ontstelde wapendragers en +sleurt hem vlak voor Genoveva. + +"Kent gij haar?" + +Als door geeselslagen getroffen, kromp de ellendeling ineen, +en omklemde voortdurend de knieën van zijn meester, die hem +verachtelijk van zich stiet. Hij biechtte zijn misdaad en smeekte +om genade. Siegfried schudde treurig het hoofd, liet hem boeien en +wegbrengen. Een smadelijke dood was, niettegenstaande de voorspraak +van de vrome paltsgravin, Golo's loon. + + + + + +De zon van nieuw geluk bestraalde weer paltsgraaf Siegfried en zijn +engelachtige vrouw. Met dubbele teederheid schonk de paltsgraaf zijn +liefde aan de trouwe gemalin en zijn bloeiend knaapje. In het bosch, +waar de hinde hem het spoor naar het hol gewezen had, liet hij, +uit dankbaarheid aan God, een kerk bouwen. Dikwijls ging de vrome +paltsgravin in dit godshuis bidden en prees Gods goedheid, die haar +tranen in vreugde had doen veranderen. + +Op een dag werd haar omhulsel onder groote droefheid weggedragen en in +deze kerk bijgezet. Nog heden staat de oude Vrouwenkerk te Laach in de +"Mayenfelder Au", nog heden laat men den bezoeker het grafteeken, den +toren, waarin zij smachtte, het rotshol, waarin zij leed, zien, en er +is niemand in het Rijnland, die de deugdzame gemalin van paltsgraaf +Siegfried, de heilige Genoveva niet kent. + + + +Hammerstein + + +De met dochters gezegende ridder + +Boven Rheinbrohl staan op den somberen Grauwackenfels de duizendjaar +oude, vervallen ruïnes van de rijksvesting Hammerstein. Een der eerste +bezitters was Wolf van Hammerstein, een trouw onderdaan van keizer +Hendrik den Vierde, wiens kroon door eigen schuld en die van anderen +met doornen omwonden was. Op den onvergetelijken boetetocht naar +Canossa heeft graaf Hammerstein hem vergezeld, doch door de gebreken +van den naderenden ouderdom heeft hij daarna zijn burcht niet gaarne +meer verlaten. Slechts uit de verte drong het trompetgeschal der +wereld tot hem door. + +Zes dochters waren uit het huwelijk van den heer Wolf van +Hammerstein met zijn sedert jaren ontslapen echtgenoote geboren, +liefelijke jonkvrouwen, die voor den bejaarden vader groote vereering +koesterden. Hun kinderliefde viel echter bij den ruwen krijgsman +in verkeerde aarde. Dat hem geen zoon beschoren was, kwelde hem +zeer. Gaarne had hij voor een stamhouder het halve dozijn meisjes +gegeven. Dit bleef de zes jonkvrouwen niet verborgen, en door groote +liefde en toewijding trachtten zij den norschen vader met zijn lot +te verzoenen. + +Op een avond, terwijl buiten de wind als een krassende raaf om den +burcht gierde, zat ridder Wolf, door jicht geplaagd, binnen aan den +warmen haard en was niettegenstaande de rouwelijke opmerkzaamheden in +een slecht humeur. Evenals schuwe duiven keken de sierlijke meisjes +naar den vertoornden ouden heer. + +Daar dient de slotbewaker in het late uur nog twee gasten aan. Zij +zijn in ridderlijke wapenmantels gehuld. Niettegenstaande zijn podagra +verheft de gastvrije burchtheer zich van zijn zetel. In het verwarmde +vertrek treden bibberend van koude twee vermoeide reizigers, die om +een onderkomen voor den nacht smeeken. + +Bij den klank der stem van den eenen vreemdeling heeft de ridder zich +luisterend opgericht, en toen deze het vizier ophief en den mantel +terugsloeg, is Wolf van Hammerstein eerbiedig op de knieën aan zijn +voeten neergevallen, heeft zijn beide handen gegrepen, zijn gebaarde +lippen daarop gedrukt en uitgeroepen: "Hendrik, mijn Heer en Koning!" + +De keizer heeft vervolgens zijn voormaligen strijdmakker met trillende +stem medegedeeld, dat hij vluchtende was voor hem, die hem den +koningsmantel van de schouders en de kroon van het hoofd gerukt had. En +toen de ridder bevende van opwinding vroeg, wie deze eeren goddelooze +booswicht was, fluisterde de keizer met gebogen hoofd op klankloozen +toon: "Mijn zoon!" Hij bedekte het gelaat met de handen. Onbeweeglijk +als een marmeren beeld stond de ridder daar, terwijl hij, als door +een bliksemstraal, die in zijn ziel viel, tot inzicht werd gebracht. + +Teeder voelde hij zich door de armen zijner, dochters omvat, en toen +hij de handen naar hen uitstrekte, als wilde hij door de teederheid +van een oogenblik al het onrecht van vele jaren vergoeden, voelde +hij tranen daarop neerdruppelen. De keizer sprak diep geroerd tot +den ridder: + +"Benijdenswaardige wapenbroeder, de trouwe harten van je dochters +kloppen voor je tot over je graf en geen verdorven zoon, die je +dood niet kan afwachten, jaagt je eens met grijze haren van je +geboortegrond! Wee mij, die morgen met de weinige getrouwen, die mij +gebleven zijn tegen mijn eigen bloed ten strijde moet trekken." + +Terwijl de ongelukkige koning tegen middernacht in de gezellig +ingerichte kamer in een onrustigen slaap viel, overlaadde de +diepbewogen burchtheer zijn dochters met ongekende liefkoozingen. Hij +heeft God vergeving gevraagd voor den wrok, die in vroeger dagen bij +hem opgekomen was, omdat hij geen zoon had. + + + +Rheineck + + +De wijnkeuring + +Onder het stadje Brohl verheft zich op een rotsachtige hoogte, waar +vroeger reeds een Romeinsch slot gestaan heeft, de twintig meter +hooge, vierhoekige wachttoren, als laatste overblijfsel van den burcht +Rheineck. De sage, die aan den eenzamen toren verbonden is, vertelt ons +een vroolijk verhaal van een ridder, een bisschop, een jonkvrouw en +den wijn van Aszmannshausen. De ridder heette Kunz van Schwalbach en +was een vermetele bandiet, die vooral het vuistrecht in de omstreken +van de Ahr met veel ijver en niet minder gevolg uitoefende. Zijn +gemalin, die wellicht een goeden invloed op hem had kunnen uitoefenen, +rustte reeds sedert jaren in de burchtkapel. Een bevallig meisje, een +vroeg wees geworden kind van een broeder van den heer Kunz, Adelgonde +genaamd, bestuurde sedert dien tijd de huishouding op Rheineck. + +Destijds was de vrome, maar ook strenge heer Anselmus bisschop van +Keulen. Daar hij hooge belasting en tollen hief, waren de burgers van +Keulen zeer vertoornd op hem, en toen hij weer een nieuwe belasting +invoerde, was een hevig oproer hiervan het gevolg, zoodat Anselm +gedwongen werd, met eenige getrouwen ijlings zijn residentie te +verlaten. Naar aanleiding van hun bedeesde vraag "waarheen?" herinnerde +de heer Anselm zich den burcht Rheineck, die tot het aartsbisdom +behoorde en die den Schwalbachers voor langen tijd ter leen gegeven +was. Daarheen wilde de aartsbisschop in ballingschap gaan, totdat +zijn verdwaalde schaapjes hem weer terug zouden roepen. + +"Ridder Kunz, de oom van mijn zedige pupil is wel is waar een groote +schelm," meende de vrome heer. "Hij bidt weinig en rooft veel. Daarbij +wordt hij verdacht de brutale bandiet te zijn, die in den herfst van +ons aartsbisdom de lading wijn weggekaapt heeft. Aszmannshäuser was +het," zeide de heer Anselm bij zich zelf, terwijl hij met gefronste +wenkbrauwen naar de kielvoren van zijn scheepje keek. + +Bij den heer Kunz, die zich in stilte te goed deed aan het heerlijke +druivensap van den geurigen Aszmannshäuser, trad jonker Jörg, de +hoofdman zijner lansknechten, binnen en berichtte, dat er beneden een +schip met de Keulsche bisschopsvlag voor anker lag. Vertoornd rees +de ridder van zijn eikenhouten stoel op, en minutenlang kwelde hem +zijn kwaad geweten. Toen echter zegevierde zijn luchthartigheid en +met vroolijke onderwerping beval hij den heer uit het heilige Keulen +naar behooren te ontvangen. Den heer Anselm en zijn gevolg viel dus +een waardige ontvangst ten deel. Door ridderlijke gastvrijheid moest +de hoogeerwaarde leenheer en edele voogd van jonkvrouw Adelgonde +zooveel mogelijk voor het geleden onrecht schadeloos gesteld worden. + +Naarmate het later werd, verbeterde de stemming van den aanzittenden +gast. Nadat de aartsbisschop reeds de noodige hoeveelheid van het +edele vocht, dat zijn gastheer hem bood, met verstand geproefd had, +vroeg hij terloops: "ridder Kunz hebt ge niet tot besluit een beker +Aszmannshäuser, want sedert jaren gebruik ik dit vocht als een goed +bekomende slaapdrank." En ridder Kunz moest toen met oprecht leedwezen +bekennen, terwijl zijn oogen als die van een vroom schaap flikkerden, +dat zijn kelder wel Walporzheimer, Ingelheimer, maar helaas geen +druppel Aszmannshäuser bevatte, aangezien die, zooals iedereen wist, +van het domein van den aartsbisschop was. + +De heer Anselm scheen er zich in geschikt te hebben, dat hij zijn +lievelings- en slaapdrank op Rheineck missen moest. Maar op een +avond ging hij, door een plotseling invallende gedachte gedreven, +langs verschillende afgelegen trappen en gangen naar den kelder van +den burcht. Wat voor waarde had het woord van een Kunz? Geen cent. Wat +eigen overtuiging? Misschien een scheepslading Aszmannshäuser. Aldus +bij zich zelf redeneerend, ging de heer Anselm tastende langs +de muren--en hield op eens een schoon gelokt vrouwenhoofd in de +uitgestrekte handen. + +Daar een onderdrukte angstkreet door de lange gang weerklonk, +fluisterde vader Anselmus geruststellende woorden en drukte een +bemoedigenden kus op twee nabijzijnde vrouwenlippen. Vervolgens trok +hij de beschaamde Adelgonde bij het flikkerende licht aan het einde +van den trap. + +Hoog blozend biechtte de jonkvrouw den voogd, dat ze jonker Jörg +zeer genegen was, en dat ze hier nog zedig een nachtgroet met hem +gewisseld had. + +"De smaak van den jonker is goed," bevestigde de geestelijke +voogd. (Nog heviger bloosde Adelgonde.) "Je Jörg laat zich den +Aszmannshäuser goed smaken! Hm, zeg eens, waar ligt het vat? Je bent +verbaasd over mijn alwetendheid, kind? Je mond heeft je verraden: +toen ik hem zooeven toevallig in donker aanraakte--hierbij hief vader +Anselm de oogen vroom hemelwaarts--bemerkte ik een aroma zoo fijn, +als slechts de Aszmannshäuser bezit en de mond van je ridder heeft +dat op jou overgebracht." + +De jonkrouw was zoo verlegen, dat ze gaarne door den grond had +willen zinken. Bereidwillig toonde ze haar voogd het groote vat, +dat in den uitersten hoek van den kelder verborgen was. Hoe lang +hij daar vertoefd heeft, zullen we maar wijselijk verzwijgen. Den +volgenden morgen had de mis van den heer Anselm niet plaats. Tegen den +middag verschenen afgevaardigden van de burgers van Keulen, die hun +aartsbisschop namens de stad vergeving vroegen voor het plaats gehad +hebbende oproer en opnieuw den trouweed aflegden voor de gezamenlijke +onderdanen. Genadig besloot Anselmus tot onmiddellijker terugkeer. Bij +het afscheid nam hij nogmaals het woord en zei onomwonden met een +strakke gelaatsuitdrukking: + +"Zooals mij juist medegedeeld wordt, beweert elke geestelijke en leek +in Keulen, dat hij, die in den herfst de wijnlading, toebehoorende +aan het stift, op goddelooze wijze gestolen heeft, niemand anders dan +de eigen leenman van het bisdom, Kunz van Schwalbach op Rheineck is!" + +De heer Kunz hield zijn onschuld vol en betuigde zijn onderdanige +trouw, maar de aartsbisschop stond op de voorloopige inbeslagneming en +beval den ridder zich binnenkort met den notaris en getuigen naar het +college te Keulen te begeven en zich te zuiveren van de verdenking +van den kerkroof. Vervolgens liet hij het kolossale vat verzegelen +en vervoeren en keerde toen met zijn onderhoorigen huiswaarts. + +Onderwijl stiet de heer van Schwalbach ontelbare vloeken uit. Jonker +Jörg troostte hem en ridder Kunz beloofde zijn vertrouweling met vele +ridderlijke eeden, dat, zoo hij in Keulen het leven er af bracht, +zijn bevallige nicht de vrouw van den jonker zou worden. In opgewonden +stemming vernam Adelgonde dit van ridder Jörg. + + + + + +In de strafzaal te Keulen zaten twaalf waardige heeren op het +gestoelte. Adelgonde, die er voor zorgde den verschuldigden eerbied +tusschen oom en voogd te verdeelen, bood den heeren volgens den wensch +van den heer Anselm twaalf zilveren bekers van den betwisten wijn +aan. Terwijl hij een beroep deed op hun kennis en onomkoopbaarheid, +gebood de bisschop het twaalftal hun oordeel mede te deelen of het +vat Moselblümchen. Affentaler, of Aszmannshäuser inhield. + +Bedenkelijk brachten de rechters de bekers aan de lippen, namen een +slokje, vertrokken de mondhoeken, proefden nogmaals en schudden +allemaal het hoofd over dezen allerakeligsten drank. Eenparig +verklaarden zij, dat deze zure wijn geen Aszmannshäuser +was. Boetvaardig stond de heer Anselm daar, zegevierend ridder Kunz +en opgetogen jonkvrouw Adelgonde en jonker Jörg. + +Eenige weken daarna werd er op Rheineck een vroolijk bruiloftsfeest +gevierd. Toen ridder Jörg met zijn jonge gemalin op de feestelijk +opgetuigde paarden het slot verlaten had, om Adelgonde in den +vaderlijken burcht binnen te leiden, zat de geestelijke voogd, die +zich verwaardigd had, het paar te trouwen, eendrachtig met den heer +van Rheineck bij de blinkende kan. En in verhoogde feeststemming +drong de bisschop er bij den ridder op aan, hem te bekennen, hoe +hij het klaargespeeld had, den verzegelden Aszmannshäuser in dezen +ellendigen zuren wijn te veranderen. Daarvoor zou hij hem meedeelen, +hoe hij destijds in den kelder van den burcht den Aszmannshäuser +ontdekt had. Lachend wenkte de heer Kunz zijn schenker, deze bracht +fluks een wijnkan, schonk de heeren drinkers hiervan in, en opnieuw +dronk de heer Anselmus zijn lievelings- en slaapdrank. + +Plechtig verklaarde hij: "ridder Kunz, dit is de wijn, welks ligging +Adelgonde haar voogd gehoorzaam verried." + +Toen dreunde de vuist van Kunz op de eikenhouten tafel, zoodat +de kannen rammelden, en hij voer hevig uit tegen de valschheid +van zulk een slang. Maar de bisschop wees hem op zijn goddeloozen +toorn, aangezien het vrome kind slechts gehoor gegeven had aan den +geestelijken aandrang. Hoofdschuddend sloeg de heer Kunz de handen +in elkaar. + +"Een vroom kind, dat uw geleerde rechters de proefbekers met absint +en azijn vulde." + +Een tijdlang zweeg Anselmus, vervolgens schudde hij zijn eerwaardig +hoofd. Dan lachten beiden, de ridder en de bisschop. Maar toen +de ridder den bisschop de helft van het vat als avonddrank, die +bevorderlijk voor den slaap was, aanbood, reikte de heer Anselmus +hem zijn hand als leenheer, waarbij de heer Kunz vrijwillig de +belofte aflegde, in het vervolg alles, behalve den bisschoppelijken +Aszmannshäuser te rooven. + + + +Rolandseck + + +Ridder Roland + +I. + +Keizer Karel de Groote werd door een menigte sterke helden omgeven. De +eerste dezer paladijnen was de neef van den koning der Franken, +Ronald van Angers. Geen naam, die in den slag of bij het tournooi meer +uitblonk, dan de zijne. Hij werd door het zwakkere geslacht vereerd, +door zijn vrienden bewonderd en door zijn vijanden geacht. Zijn +ridderlijke geest verzette zich tegen het weelderige genotvolle +leven. Het voortdurende verblijf aan het keizerlijke hof bevredigde +hem niet, en zoo wendde hij zich tot zijn keizerlijken oom met +verzoek hem toe te staan een reis naar het machtige Frankische rijk +te ondernemen, dat hem tot nu toe onbekend was gebleven. Daar hij +zich zijn jeugdige kracht bewust was, verlangde hij naar ridderlijke +avonturen en gevaren. Karel de Groote zag den dapperen krijgsheld met +weemoed van zijn hof vertrekken; ongaarne voldeed hij aan zijn verzoek. + +En zoo verliet dus de ridderlijke held, slechts vergezeld door eenige +getrouwe schildknapen, bij het aanbreken van den dag het keizerlijk +paleis aan de Seine, en sloeg de richting naar het Oosten in; de +Vogezen waren het eerste doel van zijn tocht. Op den burcht Niedeck +bij Haslach nam hij eerst zijn intrek en vervolgens bij Attich, +hertog in den Elzas. + +Steeds verder trok Roland, en toen hij op een avond de helling van +het Vogezenwoud afreed, begroette hem uit de verte het glinsterende +water van den Rijn. Breed wierpen de ontboeide golven zich links +en rechts over de bedding van den stroom, de vlakte meedoogenloos +bespoelend. Weinig bekoorlijkheid bezat de rivier hier in zijn +grenzenlooze woestheid. Maar de ridder wist, dat het schouwspel spoedig +veranderen zou. Hij trok Rijnafwaarts, waar de groote bergreuzen den +ruischenden stroom omsluiten. Zegevierend staat hun voet in den vloed, +slechts zelden wijken ze eenigszins ter zijde en laten een smalle +strook land vrij, nauwelijks breed genoeg, om reizigers en voertuigen +te laten passeeren. Op hun hoogten prijken trotsche koninklijke +burchten, die den voorbijganger beneden den roem van voorname +geslachten verkondigen. Dit alles zag Roland op zijn vroolijken +Rijntocht. Hij bezocht menige sagenrijke en herinneringsvolle +plaats, de steile Loreleirots, waar 's nachts de waternimf zong, +het vriendelijke plaatsje, waar St. Goar geleefd en gewerkt heeft, +ten tijde van Childeberts den Merowinger (deze wonderlijke heilige +zond kortelings den keizerlijken oom van Roland een dichten nevel +na, omdat keizer Karel de Groote op zijn tocht van Ingelheim naar +Koblenz verzuimd had zijn knie voor de heilige kapel te buigen, +zoodat hij genoodzaakt werd in het vrije veld te overnachten), en ook +de Mayenfelder Au bij Andernach, waar Genoveva de deugdzame gemalin +van paltsgraaf Siegfried geleefd heeft. + +En nu kwam Roland aan de plaats, waar de vloed, aan het einde van +het Rijndal gekomen, omringd wordt door trachietreuzen, waarvan +de toppen met geweldige burchten gekroond zijn, evenals de zeven +gekroonde paladijnen, die in lateren tijd den heiligen persoon van +den Duitschen keizer vol wijding omringden. Een boschrijk eiland +verheft zich hier uit den zacht blauwen vloed. De gouden avondzon +schittert over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, +links de liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, +rechts de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de +sagenrijke rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd heeft, +de muren van een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden +sterrengewaad. Zwijgend stond de ridder stil. Zijn blik rustte +bewonderend op het prachtige landschap. Onrustig stampte de hoef van +het paard op den grond, bezorgd keek de getrouwe schildknaap naar +den steeds donkerder wordenden hemel. Bedeesd herinnerde hij zijn +heer er aan, dat het tijd werd, nachtlogies te zoeken. + +"Daar boven zou ik het gaarne vragen," antwoordde Roland, terwijl +hij voor het eerst zeldzaam week gestemd werd. Hij gebood zijn +schildknaap den schipper, die juist zijn bootje voor de nachtelijke +vangst losmaakte, den naam van het slot te vragen. + +De vesting behoorde aan de Drachenburgers, graaf Heribert woonde +daar op het oogenblik. Zoo luidde het antwoord, en vreugde straalde +uit Rolands oogen. Vele groeten en boodschappen waren hem door +ridderlijke vrienden aan den Bovenrijn en elders aan den ouden graaf +op de Drachenburg opgedragen. Roland talmde niet langer met zijn +besluit. Weldra voer een boot door den donkeren vloed. + +II. + +Middelerwijl was het nacht geworden. De schitterende maan lichtte hen +door den donkeren boschweg. Zeer vriendelijk heette graaf Heribert, +een statig ridder op gevorderden leeftijd, den ridderlijken neef +van zijn keizerlijken heer welkom op zijn burcht. Totdat het twaalf +uur sloeg, voerden ze in het gezellige vertrek van den slotheer een +onderhoudend gesprek. + +Den volgenden morgen stelde graaf Heribert zijn dochtertje Hildegonda +aan den ridder voor. Vol bewondering hing Rolands oog aan de +lieftallige jonkvrouw. Tot nu toe had vrouwelijke lieftalligheid geen +diepen indruk op hem gemaakt. Naar wapenroem en heldenwaagstukken, +naar spel en strijd had zijn ziel steeds gedorst, nu echter had de +tooverstaf der liefde den vermetelen strijder opeens aangeraakt. Hij, +die gevreesde tegenstanders onversaagd in de oogen gezien had, boog het +onvervaarde hoofd in meisjesachtige schuchterheid voor de betoovering +van Hildegonda. Maar ook zij stond, het gelaat met een purperen blos +overtogen, voor den gevierden held, wiens naam een goeden klank aan +den Boven- en Benedenrijn had. + +De oude ridder verbrak onmerkbaar de gedrukte stemming. Met een +schertsend woord sneed hij het gesprek der verlegen jongelieden af +en geleidde den gast door de hooge vertrekken van het slot. + +Roland bleef langer op de gastvrije Drachenburg, dan hij ooit op +eenig ander slot vertoefd had. Met sterke banden werd hij op den +verrukkelijken burcht gehouden. De liefde ontvlamde in zijn hart en +ook in Hildegonda's reine ziel wierp zij haar verterend vuur, en op +een dag--de schemering spon reeds zilveren draden over de met linden +beschaduwde bank--liet zij hand in hand, oog in oog en mond op mond +rusten en omzweefde juichend, als een zegevierende koningin, hen, +die ze verbonden had. + +Gaarne vertrouwde graaf Heribert zijn allerliefst dochtertje aan +den gevierden paladijn toe. In het vooruitzicht van een vroolijke +toekomst maakte hij den verlovingstijd van zijn eenig kind zoo +aangenaam mogelijk. Een burcht zou op de rots tegenover de Drachenburg +verrijzen. Als een trotsche wachttoren zou de toekomstige Rolandsburg +van de steile rots in het prachtige Zevengebergte neerzien. Reeds +stegen haar muren omhoog en dagelijks stonden de verloofden op de +platform van de Drachenburg en keken naar den overkant, waar vlijtige +werklieden timmerden en metselaars hamerden, en de mooie Hildegonda +smeedde schoone plannen voor de toekomstige woning, waar ze den aan +avonturen gewenden ridder en held door trouwe liefde boeien wilde. + +Op een dag echter verscheen er een bode op de Drachenburg, gezeten +op een met schuim overdekt paard. De afgevaardigde kwam van het +keizerlijke Worms en berichtte, dat de oom van den ridder, de keizer, +tot de kruistochten tegen de ongeloovigen achter de Pyreneeën besloten +was. Karel wenschte den beproefden paladijn onder zijn legeraanvoerders +te zien optreden. Zwijgend ontving Roland de boodschap van den hoogen +gebieder. Hij keek naar Hildegonda, die mee doodsbleek gelaat naast hem +stond, en een hevige smart kwam over hem. Maar hij moest zijn plicht +nakomen. Hij zegt den koningsbode in het keizerlijke leger aan te +kondigen, dat hij over drie dagen verschijnen zal. Met somber gelaat +wendt hij zich af. Hildegonda werpt zich snikkend aan zijn borst. + +III. + +Verwoed streden in Iberië het kruis en de halve maan om de +heerschappij. Hevige gevechten werden geleverd, veel bloed werd door +de christenen en de ongeloovigen vergoten. Bloedige overwinningen +behaalden de moedige paladijnen van den koning der Franken, het +dapperste echter streed Roland. Zijn zwaard baande den keizer den +zegetocht, het dekte het leger van den keizer, toen het zegevierend +in het onbekende vijandelijke land trok. Het was in Ronceval, in dat +dal, dat naderhand zoovele dichters in het Duitsche en Waalsche land +bezongen hebben. Gescheiden van het hoofdleger, trekt Rolands dappere +achterhoede, tegen het vallen van den avond, langs den boschweg. Daar +klinkt plotseling woest geschreeuw van de hoogten, verwoed vallen +de laffe Mooren het troepje Franken aan. Met heldenmoed vechten +zij. Gelijk een koningsarend vliegt Rolands strijdros Brilliador +nu hier, dan daar heen, en menige schedel der Saracenen wordt door +zijn machtig zwaard Durando gespleten. Maar de overmacht overwon de +dapperheid. Steeds kleiner wordt de schaar der Franken, en nu wordt ook +Roland door een lanssteek van een reusachtigen Moor getroffen. Over +hem heen woedt de woeste strijd. Toen de nacht treurig zijn donkeren +mantel over het slagveld uitspreidde, hadden de ongeloovigen hun +afschuwelijk werk volbracht. De Franken waren verslagen. Slechts +eenigen waren aan den dood ontkomen. + +Waar is Roland? klonk de angstige vraag. Hij was niet onder de +geredden. Waar is Roland? vroeg Karel de Groote ontsteld aan de +vermoeide boden. Door het geheele rijk weerklonk het antwoord: Roland +de held viel in den strijd tegen de Saracenen. Overal verwekte deze +treurige tijding oprechte droefheid. + +Ook aan den Rijn werd zij vernomen. Op een dag verschenen er +koningsboden op de Drachenburg, die de treurige boodschap overbrachten +en tevens de deelneming van den keizer betuigden. Smartelijk +zuchtte de oude Heribert, terwijl hij de oogen met de hand +bedekte. Hildegonda stiet een vreeselijken gil uit. Hartverscheurend +was haar verdriet. Voor het beeld van de Moeder Gods lag ze snikkend +op de knieën en smeekte om bijstand in haar groote smart. Dagenlang +sloot ze zich in haar kamertje op, en zelfs de woorden van troost, die +de vader haar bood, vermochten het ontzettende leed niet te verzachten. + +Nadat er weken verstreken waren, trad het bleeke meisje, op een +dag het vertrek van den ridder binnen, kalmer dan voorheen. Een +bovenaardsche glans lag over haar ernstige trekken. En toen de vader +de knielende naar zich toe trok, deelde zij hem het besluit mede, +dat in haar zwaarbeproefde ziel gerijpt was. Smartelijk hebben de +oogen van graaf Heribert haar aangezien. Vervolgens heeft hij een +kus op haar rein voorhoofd gedrukt. + +Toen is de dag aangebroken, waarop de klokken beneden op het eiland +Nonnenwerth plechtig luidden. Voor het altaar knielde gesluierd +een nieuwe novice, de lieftallige dochter van graaf Heribert. In de +heilige stilte van het klooster zocht zij den vrede, dien zij in den +vaderlijken burcht niet vond. Met een laatsten snik had ze den naam +van den geliefde uit het hart verbannen, de vlammen van de treurende +liefde uitgedoofd, en nu moest haar ziel vervuld zijn van het heilige +vuur van reine godsvereering. Te vergeefs hoopte de geknakte vader, +dat de ongewone eenzaamheid van het klooster het besluit van de +geliefde dochter aan het wankelen zou brengen en zij aan het einde +van het proefjaar in zijn armen terug zou keeren. Integendeel; de +godsvruchtige jonkvrouw smeekte den bisschop, die aan het geslacht van +den vader verwant was, de goedheid te hebben haar geen proefjaar op te +leggen en haar reeds na korten tijd toe te staan, de onherroepelijke +belofte voor Hem af te leggen, aan wien ze haar leven gewijd had. Haar +vurige wensch werd vervuld. Toen er een maand verstreken was, vielen +de gouden lokken van Hildegonda's hoofd en door een heilige belofte +verbond de lieftallige dochter van den heer van de Drachenburg zich +voor eeuwig aan den almachtigen God. + +IV. + +Maanden waren er sedert dien tijd verstreken. De lente was voorbij en +de schooven stonden reeds op de velden. Op de plaats, waar de vloed, +aan het einde van het Rijndal gekomen, door zeven trachietreuzen met +door burchten gekroonde hoofden omringd wordt, houdt de ridder met zijn +gevolg stil. Het is nog niet lang geleden, dat hij ver in het Zuiden, +waar de Iberische zon het dal van Ronceval bestraalt, in een armoedige +herdershut ziek gelegen heeft. Daarheen had de trouwe schildknaap +zijn meester, die door een lans van een Moor in de borst getroffen +was, gesleept. Hier had de dappere held en legeraanvoerder weken- +en maandenlang op het ziekbed gelegen en met den dood geworsteld, +totdat zijn krachtige natuur de overwinning behaalde. Roland herstelde +door de liefdevolle verpleging, terwijl hij in het Frankenland als +een doode betreurd werd. Nu was hij teruggesneld naar de plaats, +waarheen hij met geweld getrokken werd. Een boschrijk eiland verheft +zich groetend uit den lichtblauwen vloed. De gouden avondzon schittert +over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, links de +liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, rechts +de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de sagenrijke +rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd had, de muren van +een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden sterrengewaad. + +Zwijgend staat de ridder stil. Zijn blik rust bewonderend op het +prachtige landschap, evenals maanden geleden, wordt hij week gestemd. + +"Hildegonda" fluistert Roland en ziet op naar den met sterren +bezaaiden hemel. + +Evenals destijds vaart wederom een schip door de donkere water. Op +den boschweg, die naar de Drachenburg leidt, schrijdt Roland, door +zijn schildknaap vergezeld. + +Met doodsbleek gelaat staart de oude slotbewaker naar de late +gasten. Hij maakt een kruis en ijlt in het vertrek van zijn heer. Daar +wankelt een manlijke gestalte, door ouderdom en verdriet gebogen. De +ridder snelt hem tegemoet. "Roland" klinkt het als een steunen van de +verbleekte lippen van den burchtheer. Zwijgend houdt de late bezoeker +den snikkenden ouden heer in de armen gesloten. Toen Roland maanden +geleden wegging, vond zijn verdriet geen tranen, nu vloeiden zij +rijkelijk over zijn door smart ingezonken wangen. + +Roland maakt zich uit de omarming van den ridder los. + +"Waar is zij?" (Gillend uit hij deze vraag.) "Dood?" + +Vreeselijk treurig ziet graaf Heribert hem aan. + +"Hildegonda, de bruid van den voor dood gehouden Roland, werd de +bruid des hemels." + +Bij het hooren van deze woorden steunde de held luid en verborg vol +smart het hoofd in de handen. + +Tegen het aanbreken van den dag heeft hij den burcht verlaten, +gelijk een koningseik, die door den bliksem getroffen is. In den +tegenover gelegen burcht op den rotswand, die door de hoopvolle +liefde in de lente opgebouwd werd, heeft hij zijn intrek genomen, +en daar heeft hij de wapenrusting voor altijd afgelegd. Uitgedoofd +waren de sterren in zijn borst, gestorven de begeerte naar roem. Dag +aan dag heeft hij daar boven gezeten en zwijgend naar het groene +eiland in den Rijn gestaard, waar de non Hildegonda elken morgen in +den kloostertuin tusschen de bloemen wandelde. Soms scheen het hem, +alsof ze zich groetend boog en dan werd het bleeke gelaat van den +ridder door het avondrood van het vroeger stralende geluk opgeklaard. + +Daarna werd hem ook dit geluk ontnomen. Op een dag bleef de geliefde +uit, en toen klonk het doodsklokje klagend op het stille eiland. Hij +ziet daar beneden een lijkkist naar het kerkhof dragen en hoort de +treurzangen en gebeden der nonnen. Hij ziet ze allen, slechts eene +ontbreekt. En de held bedekt het gelaat met de handen. Hij weet nu, +wie ze daar grafwaarts dragen. + +De herfst kwam en verdorde bladeren woeien over het graf van de non +Hildegonda. Nog altijd zat Roland daar boven en tuurde elken morgen +naar het kerkhof op het eiland. En zoo werd hij op een dag door zijn +schildknaap levenloos gevonden, het gebroken oog op de plaats gericht, +waar de verlorene geliefde sliep. + +Nog vele eeuwen versierde de trotsche Rolandsvesting den berg, die nog +steeds Rolandseck heet. Dan viel ook zij in puin evenals de grootsche +Drachenburg, waarvan de toren nog steeds omhoog steekt. Een halve +eeuw geleden viel op een stormachtigen winternacht de laatste boog +van de Rolandsvesting in puin, maar door prijzenswaardige piëteit +is zij weer opgebouwd, en evenals voorheen prijkt de Rolandsboog +op de steile rots, op het schoonste punt van het heerlijke Rijndal, +ten einde de tegenwoordige geslachten aan de trouwe liefde uit den +riddertijd te herinneren. + + + +Zevengebergte + + +Het Nachtegaalboschje bij Honnef + +Een verrukkelijk plekje aarde is het liefelijke Honnef, dat zich +als een mooi, schuw kind aan de voeten van den ouden, beschuttenden +Drachenfels aan den Rijnstroom uitstrekt. Alsof het in een schelp ligt, +wordt het door den reusachtigen rug van den berg voor den ijzigen +adem van den Boreas beschut. Daardoor is de wind in dat dal minder +scherp, zoodat het plaatsje den naam van "het Duitsche Nizza" gekregen +heeft. Als de bezoeker van den Drachenfels, door de ondergaande zon +tot terugkeer gedrongen, door het dal van Honnef afdaalt, teneinde +de wachtende boot te bereiken, dan klinkt hem van alle kanten het +schoone gezang der nachtegalen tegen. Talrijker, dan ergens in de +omgeving zijn deze minnezangers hier bijeen; reeds sedert vele jaren +is dit zoo, en de sage deelt ons de oorzaak hiervan mede. + +Zeer lang geleden zongen ze op een andere plaats. Het was in de Eifel, +in het bosch van de abdij Himmerode. Daar klonk, evenals thans in het +dal bij Honnef in den stillen zomernacht hun verrukkelijk gezang. Ook +tot de ernstige monniken, die in de kruisgangen en kloostertuin +in vrome overdenking rondliepen, drong het door. Zelfs de vrome +boetelingen, die zich in hun kerkers kastijdden vernamen het. En in +hun prevelende gebeden vermengde zich verlokkend het verleidelijke +gezang der nachtegalen. Toen zijn in menig monnikshart, dat reeds +lang afstand van het wereldsche genot gedaan had, schuw en beschaamd +herinneringen opgewekt en in menig oor der vrome broeders hebben zij +over heerlijke, zondige dingen gefluisterd. + +Daarop is de heilige Bernhard op een dag in de abdij Himmerode gekomen +en heeft in de harten der broeders gelezen. Groote droefheid overviel +hem, toen hij bemerkte, dat uit menige heilige ziel de goddelijke vrede +verdwenen was. De oorzaak hiervan bleef hem niet verborgen. Vervuld +van heilige geestdrift trad de godsdienaar in het bosch, dat het +klooster omringde en hief met toornig gebaar de hand op tegen de +gevederde zangers van het woud. "Verwijder u van hier! Gij zijt ons +tot ergernis!" + +Dreigend had de heilige man dit uitgeroepen en ziet, in de twijgen +ontstond een hevig rumoer, een groote zwerm nachtegalen vloog uit de +struiken. Nog eenmaal weerklonk het verleidelijke gezang door het woud, +daarna stoven zij schuw klappend met de vleugels weg. + +In het dal bij Honnef hebben ze zich neergelaten en geen banvloek +heeft ze sedert dien tijd daar vandaan verdreven. Zij, die daar in +gepeins verzonken alleen wandelen of met hun beiden babbelend door +het dal van Honnef gaan, zijn niet, evenals St. Bernhard, afkeerig van +de wereldsche vreugde; evenmin als zij, die met glinsterende oogen en +een teringachtigen blos op de wangen door den tuin van het sanatorium +Hohenhonnef wandelen. Deze en gene hoort den verlokkenden klank van +de nachtegalen, nu eens klagend, dan overmoedig. En iedereen legt +hem op zijn manier uit. + + + +De Drachenfels + +I. + +Als de reiziger de schoon gelegen Muzenstad Bonn verlaten heeft en per +stoomboot den Rijn opvaart, aanschouwt hij spoedig aan zijn linkerhand +de schilderachtige toppen van het Zevengebergte. De steile kruin van +den voorsten berg wordt thans nog versierd door den toren en de muren +van een oud ridderslot. Van dezen toren met den griezeligen naam, +waar men in den zomer voortdurend vroolijk gezang en klinken van +bokalen hoort, vertelt het volk een aandoenlijke sage. + +In de eerste eeuwen na de geboorte van den Verlosser namen de Germanen +op den linker Rijnoever gewillig de leer van het kruis aan, zooals de +heilige Maternus, een discipel van den Volksapostel, uit Gallië hun +die mededeelde. Reeds sedert langen tijd hadden de vrome christelijke +zendelingen getracht, de christenleer bij de heidensche stammen van +Midden-Germanië te doen doordringen, doch zonder gevolg. Zij hielden +aan hun heidendom vast en wilden de christelijke priesters uit het +vreemde rijk niet in hun landstreken toelaten. Reeds vroeger had dit +rijk gepantserde legioenen, onder aanvoering van listige bevelhebbers +in de vrije landen gezonden. + +Destijds moet er een vreeselijke draak in een hol (nog thans +"Drachenloch" genaamd) gehuisd hebben, een draak met een afschuwelijke +gestalte, die dagelijks zijn rotshol verliet en in de bosschen van +het dal verschrikkelijk te keer ging, terwijl hij menschen en dieren +op vreeselijke wijze bedreigde. Menschelijke krachten waren onmachtig +tegen dat monster en daar men meende, dat zich een vertoornde godheid +in den slangachtigen salamander verborg, bewees men hem goddelijke +eer en offerde hem bereidwillig misdadigers en gevangenen. + +Een ruwe heidensche stam woonde aan den voet van den berg. Dikwijls +ondernamen de strijdlustige mannen verwoestende rooftochten aan +den linker Rijnoever. Zij staken alles in brand en vermoordden de +christelijke broeders. Op een nacht waren ze wederom naar de andere +zijde getrokken en maakten in een verwoeden strijd met de overvallenen +vele goederen en gevangenen buit. Onder de laatsten bevond zich een +jonkvrouw van buitengewone schoonheid. Twee legeraanvoerders, door +haar bevalligheid bekoord, verlangden haar te bezitten. De oudste +heette Horsrik, hij was een beroemd hoofdman en gevreesd strijder, +krachtig als een beer en woest als een tijger, de jongste, Rinbold +was minder ruw, doch even dapper. + +Huiverend wendde de lieftallige jonkvrouw zich af, toen ze de beide +vorsten met vlammende oogen om haar bezit vechten zag. Mannen, +overmoedig geworden door de behaalde overwinning, omringen hen. Toch +stellen zij nog meer belang in den strijd der aanvoerders, om de +gevangen christin, dan in hun eigen verworven buit. De toornige +woorden der beide tegenstanders vinden een echo in de harten der +omstanders. Als Horsrik, de gevreesde strijder de jonkvrouw voor zich +eischt, wordt hij door de omringende mannen aangemoedigd, maar als +Rinbold, de jeugdige trotsche legeraanvoerder haar begeert, wordt hij +veel meer door de omstanders toegejuicht. Somber staart de andere +voor zich uit, terwijl zijn vuist dreigend de strijdkolf omklemd +houdt. Daar gaat de kring der omringende mannen uiteen. Tusschen +de strijders treedt, met een ernstige uitdrukking op het gelaat, de +opperpriester, een grijsaard met zilveren haren en harde trekken. Luid +weerklinkt de toornige stem van den grijsaard: + +"Vervloekt zij deze twist om het bezit van een andersgeloovige. De +christin zal geen tweedracht zaaien tusschen de edelsten van onzen +stam. De dochter van hen, die wij haten zal u geen van beiden +toebehooren. De stichteres van dezen onzaligen twist zal den draak +geofferd worden. Ter eere van Wodan, dien zij en de haren miskennen, +zal zij bij zonsopgang gewijd worden." De mannen juichten dit plan toe, +vooral Horsrik. Met opgeheven hoofd staat de jonkvrouw daar. Smartelijk +en vol bewondering rust het oog van Rinbold, de trotsche jeugdige +legeraanvoerder op het engelachtige gelaat der jonkvrouw. + +II. + +Den volgenden dag in alle vroegte, nog voordat de godin van den dag +haar stralend hoofd van het purperen kussen in het Oosten ophief, +werd het levendig in het dal. Door het woud, dat nog in schemering +gehuld was, besteeg een opgewonden stoet de hoogte. Vooraan schreed +de priester, in het midden, bleek, maar kalm, de gevangene. Zwijgend +had zij het ter wille van den Heer toegelaten, dat de beenige hand +van den opperpriester den offerband om haar voorhoofd wond en gewijde +bloemen in haar loshangend haar vlocht. Menige medelijdende blik uit +het volk trof heimelijk het standvastige meisje, ook de blauwe oogen +van den jeugdigen, trotschen legeraanvoerder hadden zich smartelijk +vertrokken bij den aanblik van de aan den dood gewijde jonkvrouw. + +Het vooruitspringende gedeelte der rots was bereikt, dat reeds dikwijls +door onschuldig menschenbloed bezoedeld was. Zwijgend wonden de +dweepzieke priesters touwen om haar teeder lichaam en bonden haar aan +den heiligen, aan Wodan gewijden boom, die den rand van den afgrond +beschaduwde. Geen klacht kwam over de bleeke lippen der christin, +geen traan blonk er in haar oogen, die verrukt naar het morgenrood +aan den hemel opzagen. De volksmenigte ging uit elkaar en verspreidde +zich; zwijgend en angstig bleven de heidenen in de verte wachten op +hetgeen komen zou. + +De eerste zonnestralen wierpen hun schijnsel over den berg. Zij +schitterden in de bloemenkroen, die de jonkvrouw in het haar droeg +en speelden op haar verheerlijkt gelaat, dat ze met een stralenkrans +van licht en glans omgaven. De jonge christin verwachtte den dood +evenals een verloofde haar bruigom. Haar lippen bewogen zich zacht +als in een gebed. + +Daar hoorde men in de diepte dof rumoer; de draak kwam snuivend uit +zijn hol en stoof over den landweg. Hij ontdekt het offer op de plaats, +die zijn bloeddorst kent. Hoogop kromt zich zijn met schubben bedekt +lichaam, dat op ver uitgestrekte van scherpe nagels voorziene pooten +rust; gruwelijk slaat hij met zijn slangachtigen staart en laat in +zijn afschuwelijk gapenden muil zijn doodend gebit zien. Blazend +komt het ondier aangekropen, terwijl het begeerig de tong heen en +weer beweegt. Uit de bloederige oogen stralen helsche vlammen. + +Doodsangst overvalt de jonkvrouw bij den aanblik van dezen +afschuwelijken salamander. Sidderend trekt zij een schitterend +gouden kruis, dat zij op de borst draagt, te voorschijn en strekt +dit afwerend naar den draak uit, terwijl een angstige hulpkreet tot +God haar lippen ontsnapt. En, o wonder! Terwijl hij zich hoog, als +door den bliksem getroffen, opricht, treedt de draak terug en stort +achterwaarts over puntige rotssteenen in de diepte. Onder brullend +gehuil en het donderend rumoer van vallende rotsblokken verdween het +ondier in de woeste golven van den vloed. Een algemeene gil klonk van +de lippen der ter zijde wachtende heidenen. Verbazing en schrik stond +op alle gezichten te lezen. Vol berusting, met droomerig gesloten +oogleden stond de jonkvrouw daar en bad zacht tot Hem, die haar gered +had. Daar werd zij van de touwen, die haar vastgebonden hielden, +bevrijd, en twee krachtige armen omvatten haar en droegen haar in +den kring der verbaasde toeschouwers. Zij hief de oogen op en zag den +jongsten der beide legeraanvoerders; zijn ruwe krijgsmanshand vatte +de hare. Als voor een hemelsche verschijning boog de jongeling zijn +knie en raakte met de lippen de witte vingeren aan. Luide zegenkreten +klonken den ridder tegen. + +De bejaarde priester trad naar voren en vol verwachting zweeg het +volk. Hij vroeg de christin plechtig, wie haar van den wissen dood +gered had, en wie de God was, die de zijnen zoo zichtbaar hielp. En +zegevierend glinsterden de van gelukstralende oogen der jonkvrouw. + +"Dit beeld van Christus heeft den draak verpletterd en mij gered," +riep zij zegevierend uit. "In hem rust het heil der wereld en de +welvaart der volkeren!" + +Met schuwen eerbied beschouwde de bejaarde priester het kruis van +Christus. + +"Dat het spoedig uw geest moge verlichten evenals van al deze lieden," +sprak de jonkvrouw ernstig. "Het zal u grootere wonderen openbaren +dan dit, want onze God is groot." + +Men geleidde de jonkvrouw met de overige gevangenen weer naar haar +vaderland. Zij keerde spoedig terug, vergezeld van een christelijken +priester. De stem van het geloof en der onschuld richtte wonderen uit +in de harten der heidenen. Bij duizenden tegelijk begeerden zij den +doop. De oude priester en Rinbold waren de eersten, die hun hoofd +voor de nieuwe leer bogen. Vreugde heerschte er onder den stam, +toen de jonkvrouw den jeugdigen legeraanvoerder de hand voor het +leven reikte. Een christelijke tempel werd in het dal opgericht en +bovenop de rots verrees een trotsche burcht voor de jonggehuwden. Wel +tien eeuwen bloeiden het machtige geslacht der Drachenburgers in de +omstreken van den Rijn. + + + +De monnik van Heisterbach + +In den ouden tijd stond in een liefelijk dal van het Zevengebergte het +klooster Heisterbach. Thans staan nog eenige overblijfselen op het met +boomen omgeven grasveld. Niet door den tand des tijds, maar door de +barbaarschheid van het oorlogzuchtig tijdperk zijn de kloosterhallen +verwoest. Men heeft de monniken verjaagd, de muren afgebroken en de +steenen voor het bouwen van vestingen gebruikt. Sedert dien tijd, zoo +deelen de landlieden van het Zevengebergte mede, wandelen 's nachts +de geesten van de verjaagde monniken tusschen de ruïnes van het koor +en de puinhoopen der zuilen. Zwijgend klagen zij hun vervolgers en de +verwoesters hunner cellen aan. Onder hen bevindt zich ook Gebhard, de +laatste prior van Heisterbach. Hij dwaalt tusschen de monniksgraven, +telt ze en bezoekt ook de graven van de heeren van Löwenburg en +Drachenburg. Een graf ontbreekt: bij de laatste verwoesting hebben +de kloosterschenders dit geopend. + +Zeer beroemd waren de geleerde monniken in de middeleeuwen. Menig +kunstig afschrift van den Bijbel, menig zeer geleerd geschrift, +dat in de wereld verscheen, was afkomstig uit de stille kluis van +het klooster aan den Rijn en gaf blijk van de vlijt en kennis der +vrome monniken. Een was er onder hen, die boven allen in geleerdheid +uitblonk. Hoog stond hij bij allen in aanzien, en zelfs het bejaarde +hoofd van den vader prior boog zich deemoedig voor de door God +begenadigde geleerdheid van den jeugdigen monnik. + +Maar de giftige worm van den twijfel knaagde aan zijn veelomvattende +kennis, en de spiegel van zijn geloof werd beneveld door schadelijk +gepeins. Dikwijls dwaalde zijn oog onrustig over het geel geworden +perkament, waarop het levende woord Gods geschreven stond, en ofschoon +zijn kinderlijk deemoedig hart zich onderwierp en smartelijk uitriep: +"Ik geloof, Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" zoo toch omzweefden +hem dikwijls hoonend de scheppingen van zijn onrustigen geest en de +pijnigende gestalten van den verderfelijken twijfel, die zijn ziel +tot het tooneel van een smartelijke worsteling maakten. + +Eens zat hij bij het aanbreken van den dag weder met gloeiend hoofd +over de perkamentrollen gebogen. Uren verstreken, en de morgenzon +verguldde de hooge zuilengangen met haar gouden glans. Verleidelijk +dansten de stralen op de beschreven rol, die de monnik in de handen +had. Hij echter zag het niet en staarde voortdurend op de regels, +die hem reeds sedert maanden met kwellenden twijfel vervulden: +"Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!" + +Reeds maandenlang martelde hij zijn hersenen met dit raadselachtig +woord van den apostel. Met geweld had hij de onbegrijpelijke plaats +uit zijn gedachten verbannen, en nu dansten haar letters wederom voor +zijn moede oogen. Zij werden grooter, de gekrulde teekens, rekten en +verlengden zich bovennatuurlijk en werden spottende gestalten, die +hem hoonend omzweetden: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!" + +Het liet hem geen rust in de muffe cel en trok hem naar de eenzaamheid +van den frisschen kloostertuin. Met onrustigen tred ging hij, in +kwellend gepeins verzonken, de paden op en neer. Zijn blik vestigde +zich op den grond, zijn geest vertoefde zeer ver van de rustige +omgeving. Zonder het te weten had hij den kloostertuin verlaten en +wandelde op de boschwegen. Vertrouwelijk groetten de vogels in de +groene twijgen hem, met groote oogen zagen de bloemen in het zachte mos +hem aan. Hij echter, de peinzende denker, hoorde en zag niets. Want de +twijfel in zijn ziel zag slechts een plaats, hoorde slechts een klank: +"Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!" Vermoeid was zijn dolende +voet, afgemat zijn overspannen hersenen. Op een steen zonk de monnik +neder en steunde het geplaagde hoofd tegen een boom. Een verzoenende +droom voerde zijn geest weg. In door licht omgeven sferen vond hij +zich zelf terug; aan den troon van den Allerhoogste. Het water van de +eeuwigheid ruischte om hem heen. Alle voortbrengselen der schepping +verschenen en prezen het werk zijner handen, welks heerlijkheid de +hemelen roemen: vanaf den worm in het stof, dien nog geen sterfelijk +wezen heelt kunnen scheppen, tot aan den adelaar, dien Hij vleugels +gegeven heeft en het vermogen om van de hoogte op de diepte neer te +zien; van de zandkorrel in de zee tot aan den reuzenkegel, die op +bevel van den Heer uit den sedert duizenden jaren gesloten vuurmond +spuwt. Zij allen spreken slechts een taal, die voor den hoogmoedige +onverstaanbaar is en den nederige geopenbaard en duidelijk gemaakt +wordt. De taal van Hem, die hen uit het stof te voorschijn riep, zij +het in zes dagen, zij het in zesduizend jaren: "Duizend jaren zijn den +Heer gelijk een dag!" Met een lichte rilling opent de monnik de oogen. + +"Ik geloof Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" mompelt hij, +zich opheffend. Luisterend staat hij stil. Van verre luidt de +kloosterklok. Vesperluiden is het. Het avondrood straalt reeds door +de takken. Snel wendt hij zijn schreden naar het klooster. De kerk is +reeds verlicht. Door de half geopende deur ziet hij de monniken in +hun stoelen. Stil snelt hij naar zijn plaats. Met verbazing bemerkt +hij, dat er een andere monnik voor zijn stoel staat. Hij raakt hem +met den vinger aan, maar tot zijn verbazing ziet hij een vreemde, +dien hij tevoren nooit gezien heeft. Nu heft ook deze en gene zijn +hoofd van het boek op en kijkt vragend naar den binnengekomene. + +Dan komt er een zonderling gevoel over hem. Slechts vreemde gezichten +ontdekt hij. Terwijl hij verbleekt, kijkt hij om zich heen en +wacht het einde van den ernstigen psalm af. Verstomd zijn gezang +en gebed. Door de rijen gaat een fluisterende vraag. De prior, een +eerwaardig grijsaard nadert den binnengetredene. Op zijn hoofd rust +de tachtigjarige sneeuw. + +"Hoe is uw naam, vreemde broeder?" vraagt hij op vriendelijken, +welwillenden toon. + +Afgrijzen maakt zich van den monnik meester. + +"Maurus," mompelt hij toonloos, terwijl zijn stem beeft. "Bernard, de +Heilige, was de abt, die mijn gelofte afnam in het zesde regeeringsjaar +van koning Koenraad, dien men den Frank noemde." + +Ongeloof en verbazing teekenen zich op de ernstige gezichten der +monniken af. En de monnik heft zijn doodsbleek gelaat tot den prior +op en deelt hem met doffe stem mede, hoe hij in het bosch ingeslapen, +en niet ontwaakt is, voordat de vesperklok luidde. De prior wenkt +een broeder. + +"Het is bijna driehonderd jaar geleden, dat St. Bernhard stierf, +evenals Koenraad, dien men den Frank noemde." + +De broeder brengt de oorkonden van het klooster. Zij bladeren ver +terug: driehonderd jaren tot den tijd, toen Bernhard, de Heilige, +leefde. En zoo las de bejaarde prior, wat het perkament verkondigde: +"Maurus, een twijfelaar, verdween op een dag uit het klooster en +niemand heeft sedert dien tijd vernomen, wat er van hem geworden is." + +Een rilling gaat door de leden der monniken. Dat was hij, deze broeder +Maurus, die na driehonderd jaar in het klooster terugkeerde! In +zijn ooren weerklonk het laatste woord, dat de prior gelezen had, +als bazuingeschal van het laatste oordeel: driehonderd jaren! Met +opengesperde oogen ziet hij omhoog, hulpeloos tast hij met de handen +voor zich uit. De broeders ondersteunen hem en beschouwen hem met +heimelijk afgrijzen, want zijn gelaat wordt aschgrauw, als van een +stervende, de smalle haarkrans op zijn hoofd wordt eensklaps sneeuwwit. + +"Mijne broeders," prevelt hij met brekende stem, eert steeds het +onvergankelijke woord des Heeren en zoekt niet door te dringen in +wat Hij opzettelijk voor ons verborgen hield. Voor Hem bestaat +er geen tijd. Dat mijn voorbeeld nooit uit uwe gedachten moge +verdwijnen. Eerst heden drongen deze woorden van den apostel tot +mij door: Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag. Hij, de Heer, +zij mij armen zondaar genadig!" + +Levenloos zonk hij ter aarde en geroerd baden de broeders bij zijn +lijk. + + + +Godesberg + + +Het "Hochkreuz" + +Aan den grooten weg tusschen Bonn en het naburige Godesberg verheft +zich aan den linker kant uit een donker boschje een hooge steenen zuil; +in die streek bekend onder den naam van "Hochkreuz". Vriendelijk komt +de steen uit het schaduwrijke groen te voorschijn, als de toerist daar +op den dag voorbij komt. 's Avonds daarentegen maakt het vervallen, +verweerde gedenkteeken, wanneer dit plotseling op den eenzamen weg +voor de blikken van den voorbijganger opdoemt, een ernstigen, bijna +griezeligen indruk. Deze wordt nog versterkt wanneer men de sage kent, +die sedert oudsher--het "Hochkreuz" staat daar reeds vele eeuwen--het +grijze gedenkteeken omzweeft. + +De sage voert ons terug in den tijd, toen in plaats van de +tegenwoordige ruïne nog een trotsch ridderslot vanaf den Godesberg +op de heerlijke omgeving van Bonn neerzag. Destijds leefde op +den Godesberg een oud strijder, die in het Rijnland zeer geroemd +werd. Zijn vrouw was gestorven; maar haar beeld leefde in twee finke +zonen voort. De oudste was geheel het evenbeeld zijner moeder: hij +bezat een zachtzinnigen aard en het gemoed van een kind. Hierdoor +kwam het, dat de oogen van den vader met meer welgevallen op hem, +dan op den jongeren zoon rustten, die niettegenstaande zijn jeugd +reeds menig dol waagstuk en menig onridderlijk avontuur uitgehaald had. + +Maar toch was de grijsaard hem daardoor niet minder goed gezind. Hij +hoopte, dat hoe onstuimiger de jongeling den genotvollen beker ledigde, +hoe eerder hij op den drabbigen bodem zou komen, hetgeen het gevolg +van elk bovenmatig genot is. Dan zou hij niet meer afkeerig van +ernstigere dingen zijn, en wellicht zou de wensch van de overleden +gemalin vervuld worden, die steeds gehoopt had, dat de Keulsche +bisschopsring van den heiligen Maternus eens haar jongsten lieveling +mocht sieren, terwijl Erich, de oudste, heer van Godesberg zou zijn. + +Dikwijls kwam deze wensch bij den grijsaard op, en menig vroom +gebed voor de verhooring daarvan zond hij ten hemel, wel wetende; +dat zijn overleden vrouw zich daar boven met zijn smeekbeden +vereenigde. Dikwijls ook sprak hij den jongeling toe en slaakte in +stilte een zucht als deze zich aan het onaangename gesprek poogde +te onttrekken. + +Toen verscheen de dood als een droevige gast op den Godesburcht. Hij +nam den bejaarden burchtheer mede en voerde hem in het land der +droomen tot zijn vrouw. In zijn laatste uur had de ridder nog tijd, +datgene te herhalen, wat hij jarenlang als een vurige wensch in zijn +binnenste bewaard had. Hij zegende de zonen en smeekte God den eenen +op den burcht zijner voorvaderen, den anderen voor het altaar van den +Heer Zijn rijken zegen te schenken. Daarop stierf hij, diep betreurd +door de armen en verdrukten. + +II. + +In de hooge zaal van den Godesburcht, keken de portretten der +voorvaderen op de beide broeders neer, die zwijgend den maaltijd +gebruikten. Treurig gestemd zaten de tegenwoordige burchtheer en +zijn jongere broeder tegenover elkaar. Er werd weinig gesproken, +maar de enkele woorden, die de jongste uitte, klonken verbitterd +en ontstemd. Tevergeefs trachtte de oudste het vertoornde gesprek +van den jongeren broeder af te weren. "Ik nam slechts, wat mij als +overoud vaderrecht toekomt," antwoordde hij zacht op de aanklacht van +den anderen. "Ik ben niet heer, maar beheerder van mijn bezitting +en zij, wier beeltenissen op ons neerzien, zouden mij in de andere +wereld vervloeken, als ik mijn erfdeel niet goed beheerde. Voor jou +echter is een hooger erfdeel voor het altaar van den Heer weggelegd, +zelfs een hooge rang zal je bekleeden, zooals je reeds schriftelijk is +toegezegd, wanneer jij, de afstammeling van een doorluchtig geslacht, +een waardig dienaar van den Heer wordt." + +Maar toornig valt de broeder hem in de rede: "Nooit buk ik mij voor +den harden dwang, die den oudsten de wapenrusting, den jongsten de +monnikspij oplegt. En al werd mij de bisschopsring en de kardinaalshoed +aangeboden, dan nog wil ik geen priesterkleed dragen, maar het ijzeren +kleed, dat ik tot nu toe gedragen heb." + +Treurig hoorde de andere hem aan. + +"Dat God uw donker hart moge verlichten. Gaarne zou ik met je deelen, +maar het gebod onzer voorvaderen laat dit niet toe. Daarom onderwerp je +en bedenk, wat hem dreigt, die de heilige gebruiken zijner voorouders +veracht." + +Toen werd het stil in de ridderzaal. + +III. + +Jachtfanfares klonken door het woud, dat zich destijds van den voet +van den Godesberg tot aan de poort van Bonn uitstrekte en zeer veel +edel wild bevatte. Evenals vroeger met hun vader, zoo gingen de beide +broeders ook thans gezamenlijk ter jacht. Gaarne had graaf Erich +de uitnoodiging van zijn broer aangenomen. Hartelijk verheugde hij +er zich over, dat de slechte stemming, die hij sedert verscheidene +dagen bij den broeder waargenomen had, verdwenen was. Het scheen, +alsof deze tot inkeer gekomen was en het besluit genomen had, den +vromen wensch zijner ouders te vervullen. Hij deelde zelfs mede, +dat hij plan had, den aartsbisschop in de heilige stad Keulen te +bezoeken en hem den brief te overhandigen, dien zijn vader hem als +een gewichtig geschrift nagelaten had. + +Dat verheugde graaf Erich zeer. Welgemoed doorkruiste hij het +dichte struikgewas. Hij was zeer gelukkig op de jacht en had reeds +verscheidene groote evers gespietst, ook een groot hert viel hetzelfde +lot ten deel. Daarentegen trof de broeder slecht. Zijn hand was onvast, +zijn bewegingen verrieden onrust, een zeldzaam vuur schitterde in zijn +oogen. Hij was een prachtigen ever op het spoor, en bereidwillig gaf +de broer aan den wensch om het dier gezamenlijk te vervolgen, gehoor. + +Door heg en struik gingen de jagers, vergezeld van de blaffende +honden. Daar ritselt het loover, hijgend baant de ever zich een +weg door het bosch. Suizend snort de jachtspies uit de hand van den +jongsten broer en blijft in de schors van een eik zitten. + +"Je hand is meer geschikt om vrome christenen te zegenen," zegt de +oudste schertsend. + +"En om mij van lastige broeders te ontdoen," bromt de andere en trekt +bliksemsnel den degen van zijn zijde. Sissend dringt het staal in +de borst van den broeder. Een gil klinkt door het woud, in welks +duisternis de broedermoordenaar verdwijnt. Ontzet snellen de beide +schildknapen toe. Een smartkreet klinkt uit beider mond. De graaf +ligt badende in zijn bloed, met de sluier des doods over de oogen. + +De schildknapen buigen zich tot den stervende over. + +"Mijn broeder!" In een zucht sterven deze woorden weg. Ontsteld worden +ze door de schildknapen herhaald, en met leedwezen wordt het bericht, +dat de ongelukkige Godesberger door de broederhand gevallen is, in het +Rijnland vernomen. Innig verdriet heerschte er in den Godesburcht, waar +de jonge slotheer in het graf zijner vaderen bijgezet werd. De burcht +bleef verlaten, de naaste verwanten van het adellijke geslacht wilden +hun woning in de gezegende "Rheingau" dicht bij de Palts niet voor de +onzalige vesting verruilen, en zoo woonde daar slechts de poortwachter. + +Maar ook hij werd verdreven, want op een nacht sloeg de bliksem +in den toren, en voor dat men van beneden hulp kon bieden, had de +flikkerende straal alles vernield, alleen de zwart gerookte muren +zijn overgebleven. Zoo werd de trotsche Godesburcht een treurige ruïne. + +IV. + +Jaren zijn intusschen verstreken. Uit het woud te Godesberg is destijds +een man geijld, radeloos en angstig, bleek en ontsteld. Gisteren +nog koesterde hij het misdadige verlangen naar de erfenis van zijn +broeder, en heden droeg hij het Kaïnsteeken van zijn broedermoord op +het voorhoofd. Bleek en angstig is hij uit het bosch gevlucht. Het +helsche plan om zijn broeder in enkele minuten uit den weg te ruimen, +dat hij in koelen bloede gesmeed had, is te niet gegaan, toen het +slachtoffer met een smartkreet neerzonk. De moordenaar, wiens hand +gesidderd had, werd door booze geesten verdreven. + +Jaren zijn intusschen verstreken. + +Daar klopte op een dag een vreemde pelgrim aan het klooster +Heisterbach, dat de vrome monniken van Bernhard in het dal van het +Zevengebergte hadden laten bouwen. Half pelgrim, half bedelaar. Het +gewaad versleten, het gelaat vaal en vervallen, het lichaam gebroken, +zooals wellicht de ziel. + +Fluisterend smeekte hij den broeder portier medelijden met hem te +hebben. Hij kwam van de heilige plaatsen en zijn voeten wilden hem +niet verder dragen. + +De broeder deelt dit den prior mede, tot wien hij den vreemden +pelgrim geleidt. Zwijgend ziet de prior den man aan, die aan zijn +voeten neerzinkt. Dan komt er plotseling een andere uitdrukking op +zijn oud gelaat. + +"Bij God, zijt gij het, ridder--." + +Verder komt hij niet. Kermend houdt de ridder zijn knieën omklemd en +smeekt hem, zich zijner te erbarmen. + +"Ik ben het, die twintig jaar geleden den broeder in het Godesberger +woud versloeg," klaagt de ongelukkige. "Reeds tweemaal tien jaar boet +ik mijn vervloekte schuld en smeekte als pelgrim aan het heilige +graf, als slaaf in de ketenen der ongeloovigen, Godserbarming over +mij af. Sedert drie maanden vielen de ringen van mijn handen, en met +moeite en zorg ben ik naar mijn vaderland getrokken. Hierheen werd +ik gedreven en u, dienaren Gods, die mij als knaap en als jongeling +gekend hebt, smeek ik om een plaatsje tusschen deze muren, waar ik +de ruïne van Godesberg aan den overkant kan zien, en waar ik boete +kan doen en bidden, totdat de dood mijn arme ziel wegdraagt." + +Toen legde de prior de handen zegenend op het hoofd van den armen +zondaar. + + + + + +Hij heeft boete gedaan en zeer veel gebeden in de eenzame +kloostercel. Vele jaren heeft hij het zondige lichaam gegeeseld en +vol berouw de vloekwaardige daad beweend. Toen is ook tot hem de dood +gekomen, en hebben de monniken van Heisterbach hem onder het zingen +van treurliederen grafwaarts gedragen. + +Daar, waar de broedermoord gepleegd is, heeft de aartsbisschop +van Keulen een kruispyramide doen oprichten, en hoeveel er eeuwen +overheen zijn gegaan, zoo staat het sombere "Hochkreuz" nog steeds +op deze plaats. + + + +Bonn + + +De Jonker van Klochterhof + +Op den Klochterhof te Friesdorf bij Bonn moet eens een edel jonker +gewoond hebben, die in de omstreken van Bonn algemeen als een groot +drinker bekend stond. Eens was jonker Erich vol ijver in het bosch, +dat den Godesberg omringt, gaan jagen. Het was een warme dag, hij +maakte weinig buit, was zeer vermoeid en had een ontzettenden dorst. De +avondzon weerkaatste in den Rijn, toen de heer Erich mismoedig het +geweer omgespte en met zijn buit, een vet haasje, naar huis draafde. + +Destijds stond er aan den zoom van het Godesberger bosch een herberg +(thans staan er zeer vele), daar trad de jonker van Klochterhof +binnen, gaf de waardin den haas en laafde de dorstige keel met +parelenden landwijn. Toenmaals moet het druivensap, dat de zon op de +Friesdorfer en Godesberger hoogte deed rijpen, veel beter geweest +zijn, dan tegenwoordig. Het sappige wild, door de bekwame hand der +waardin klaar gemaakt, behaagde den jonker zeer, maar nog meer het +edele nat, dat de bedrijvige hand van den waard hem inschonk. Menige +bokaal goot de dorstige jonker door de verdroogde keel en menige +krijtstreep maakte de waard aan den post van de deur. + +De nacht drong den heer Erich tot vertrekken. Aangenaam was het zitten, +en moeilijk viel het opstaan; de waard, die als een ruwe klant bekend +stond, trok een ernstig gezicht: "Twaalf bokalen: Denk ook aan het +betalen, mijnheer de drinker!" + +Toen zong de jonker met dubbelslaande tong een oud lied, dat in den +ouden tijd reeds de groote Pumpus van Perusia gezongen moet hebben. + +"Betalen gaat heden niet, omdat ik het geweer niet met penningen laad." + +De ruwe waard griefde het vroolijke antwoord van den drinkebroer. Hij +trok een boos gezicht. "Als gij geen geld meer hebt, dan houd ik +uw broek tot pand. Kom morgen terug, mijnheer de drinker, en los uw +broek en uw schande weer in." + +Naar den Klochterhof bij Friesdorf wankelde met onvaste schreden een +man, die te veel gedronken had. Hij had het warm en tegelijkertijd +koud. Hij schreed als in den nevel voort, en de dennen van het woud +fluisterden elkaar een vreemde geschiedenis toe. Er waren er, die zeer +lustig suizelden, maar de bejaarde dennen schudden bedenkelijk hun +kruinen, evenals de maagdelijke berken, die blozend den nacht dankten, +dat hij de oogen van de kuische bloempjes in het woud gesloten.... + +Of de jonker van Klochterhof ingelost heeft, wat hij verpandde? De +sage zwijgt daarover. Bekwame kroniekschrijvers ontkennen het. + +Aan den zoom van het Godesberger woud stond langen tijd een herberg +"Zum Junkerhof" genaamd, maar de ondeugende nakomelingen van de vrome +voorvaderen verdoopten haar "zur Junkerhose" en vertellen elkaar bij +den parelenden wijn, dien de zon op de Friesdorfer en Godesberger +hoogte laat rijpen, de geschiedenis van de broek van den heer Erich. + + + +Keulen + + +Richmodis von Aducht + +Het was in het midden der vijftiende eeuw. De schaduwen des doods +spreidden zich over Keulen uit. Een vrouw in een donker gewaad ging +schoorvoetend door de straten: de zwarte pest. Haar giftige adem +drong in stulpen en paleizen en vernietigde het leven van duizenden. + +Op ontelbare huizen schilderden de doodgravers het zwarte kruis, +een teeken, dat het vreeselijke spook daar binnengetreden was. Het +aantal dooden steeg zoo zeer, dat velen geen rechtsstreeksche +begravenis ten deel viel. Men wierp de lichamen der ongelukkigen +in een gemeenschappelijk graf, bedekte het dunnetjes met aarde en +plaatste er een kruis op. Het jammeren en klagen in de oude stad +Keulen was niet om aan te hooren. + +Op de Neumarkt, dicht bij de kerk der Apostelen, woonde in een +prachtig patriciërshuis de rijke raadsheer Mengis von Aducht. Ook +hem trof het verschrikkelijke noodlot; zijn jeugdige gemalin werd +door de pest aangetast en stierf. + +Het verdriet van den heer von Aducht was grenzenloos. Hij bracht den +ganschen nacht bij het omhulsel van de ontslapene, innig geliefde +vrouw door, kleedde haar in haar wit bruidskleed, dat zij eenige jaren +geleden gedragen had, versierde de kist met welriekende bloemen en +liet de doode de schitterende kettingen en kostbare ringen, waarvan +ze zooveel gehouden had, mede in de groeve nemen. + +De nacht lag treurig over het kerkhof naast de Apostelenkerk, waar +Richmodis in haar versch gedolven graf rustte. + +Stilte heerschte op den doodenakker. Daar beweegt zich de grendel der +kerkhofsdeur. Twee schaduwen sluipen op de teenen langs de donkere rij +der graven en richten hun schreden naar een versch gedolven graf, dat +hun welbekend is. Zij hebben het zelf gegraven. De beide doodgravers +van het kerkhof der Heilige Apostelen zijn het, die de bloeiende vrouw +van den raadsheer in den namiddag begraven hebben. Zij sloten het +deksel, en terwijl de ridder zich jammerend over de innig geliefde +gade heenboog, hingen de begeerige blikken der beide mannen aan de +schitterende kettingen en kostbare ringen, die de doode versierden. + +De grafkransen ritselen in de duisternis en hard klinkt het spitten +met de spaden. Geleidelijk wordt het graf leeger, en de aardkluiten +daarnaast hoopen zich steeds meer op. Nu hoort men een dof geluid, +ze zijn tot aan het deksel der doodkist gekomen. Treurig flikkert het +schijnsel eener lantaarn uit het vochtige graf. Zij hebben het deksel +opengebroken, terzijde geschoven en buigen zich nu vol hebzucht over +de gestalte in het witte gewaad. Schel valt het licht der lantaarn, +die de eene man in de hand houdt, op het levenlooze gelaat der vrouw +in de doodkist, terwijl de andere man snel de ringen van haar gevouwen +handen trekt. + +Daar beweegt zich plotseling de gestalte in de lijkkist, de smalle +witte vingeren bewegen zich. Bleek van schrik snellen de roovers weg, +ze laten de kist open en vergeten de gereedschappen. + +Een klagende zucht steeg uit het graf op. Eenige minuten later +richtte de levendbegravene zich met moeite op. Met opengesperde +oogen beschouwde zij haar omgeving en ontzetting maakte zich van +haar meester. Rillend kijkt zij naar de ruimte, die zij verlaten +heeft, en naar de plaats, waar ze zich bevindt. Was het een droom, +die haar kwelde? + +Zij roept met zwakke stem. Niemand antwoordt, slechts het ritselende +herfstloof en de toppen der kerkhofsboomen, die door den wind bewogen +werden. Verder rondom doodsche stilte. + +Plotseling begreep ze haar vreeselijken toestand: terwijl ze schijndood +was, had men haar als ontslapene begraven. Haar hart dreigde stil te +staan van gruwelijke ontzetting. Zij greep de achtergelaten lantaarn +en wankelde tusschen de graven door naar den uitgang, dien de roovers +vergeten hadden te sluiten. + +Verlaten waren de straten. Slechts de sterren zagen de wankelende +gestalte in het sneeuwwitte gewaad, die zich gelijk een schim, +dikwijls minutenlang tegen de huizen der straten leunend, naar de +Neumarkt voortbewoog. + +Zwijgend groette het grijze patriciërshuis de weeropgestane +meesteres. Een venster was nog verlicht. De arme vrouw beneden kromp +ineen. Dat was het vertrek, dat getuige van haar jonge liefde geweest +was, waarin zij tijdens de vreeselijke ziekte geleden had, en waaruit +men haar als doode gedragen had, om in den vochtigen grafkelder te +ontwaken. Wellicht vertoefde haar bedroefde gemaal op het oogenblik in +deze kamer, doorliep haar met rustelooze schreden, om dan eindelijk, +door verdriet overstelpt, zijn hoofd in de onaangeroerde kussens te +begraven, met den naam zijner geliefde Richmodis op de lippen. + +De vrouw in het doodskleed zuchtte. Zij klopte zoo hard aan de deur +als haar zwakke krachten het toelieten. Een oude dienaar stak na een +poosje zijn hoofd achter het luik in de eikenhouten deur en in de +schemering bemerkte hij met ontzetting het spookachtige wezen. + +Richmodis noemde hem bij den naam en beval hem haar te openen. Bij +den klank dezer stem kromp de oude ineen. Bleek van schrik snelde hij +de treden op en het vertrek van zijn heer binnen, terwijl hij stamelde: + +"Heer de dooden staan op! Buiten voor het huis staat onze goede vrouw +en wil binnenkomen." + +Maar de raadsheer schudde verdrietig zijn hoofd. + +"Richmodis, mijn geliefde gade is dood en keert nooit weder. Nooit komt +ze terug," herhaalde hij vol onuitsprekelijk leed, "eer zou ik denken, +dat de schimmels uit de stal naar de torenkamer zouden opstijgen." + +Daar dreunde plotseling donderende hoefslagen op den Innenhof en +spoedig daarna op de steenen trappen. Toen de heer van Aducht de deur +uitsnelde, zag hij zijn beide schimmels de trappen oprennen. + +Een oogenblik later keken twee hinnikende paarden over de raamkozijnen +in den sterrennacht, beneden echter hield een man lachend en huilend +tegelijk zijn geliefde vrouw in de armen gesloten, die het graf hem +weergegeven had. + + + + + +Nog vele jaren leefde mevrouw Richmodis aan de zijde van haar +echtgenoot, terwijl een schaar allerliefste kinderen hun gelukkige +echtvereeniging volmaakte. Innige vroomheid verhelderde het leven +der stille huisvrouw, die sedert dien tijd nooit meer gelachen +heeft. Een kunstig misgewaad heeft zij voor de kerk der Heilige +Apostelen geborduurd, en de heer von Aducht heeft de gebeurtenis op +het kerkhof in de Apostelenkerk in een koornis laten schilderen ter +blijvende gedachtenis. De schilderij is thans verbleekt. + +Als gij nu, lezer, in Keulen komt en zijn Dom en kerken bewondert, ga +dan ook naar de Neumarkt, waar ge twee uit hout gesneden paardenkoppen +uit het dakvenster van een ouderwetsch huis zult zien kijken, als +herinneringsteeken aan deze gedenkwaardige geschiedenis van Richmodis +von Aducht. + + + + +De bouwmeester van den Keulschen Dom + +I. + +Te Keulen vervoegde zich op den avond voor het feest van Jezus +Hemelvaart, een eenvoudig bouwmeester bij den machtigen aartsbisschop +Koenraad von Hochstaden en bood hem het ontwerp voor een kerk aan. Op +trotschen toon beweerde hij, dat zij een der schoonste kerken van +de wereld zou worden. Daar de kerkvorst over de grootschheid van het +ontwerp hoogst verbaasd was, droeg hij den vermetelen, bouwmeester de, +uitvoering daarvan op. + +Spoedig verhieven zich op de ruime, plaats, waar reeds eenmaal +tijdens de regeering van den eersten Frankenkoning een Dom gestaan had +(Hildebold, de aartsbisschop, had dezen laten bouwen, en de woeste +Noormannen hadden hem verwoest), statige hooge muren. Reusachtige +zuilen met prachtige welvingen vereenigden zich tot een trotsch +godshuis. + +Iedereen bewonderde den bouwmeester, wiens scheppende geest binnenkort +duizenden handen in beweging zette, en meester Gerhards naam werd +spoedig in de Duitsche en Waalsche landen met lof genoemd. Het koor +was reeds voltooid. Uit alle omliggende plaatsen, zelfs uit verre +landen kwamen bedevaartgangers naar den Dom te Keulen om het stoffelijk +overschot der drie koningen, die in het koor rustten, te aanbidden. De +lofliederen der vrome christenen weergalmden door de trotsche gewelven. + +Hij, die echter het meeste reden had, om zich te verheugen, deed zulks +niet. In zijn borst, die eerst van vreugde gezwollen had, nestelden +zich nu treurige gedachten. Onophoudelijk fluisterde de grauwe zorg, +de dochter van het voortdurende getob den schepper van het geheel in +het oor, of zijn dagen wel toereikend zouden zijn, om het geheel te +voltooien. Of de dood hem niet eens verhinderen zou, den grootsten +triomf zijns levens te vieren. + +Zijn vrouw sloeg met smart deze verandering gade. Tevergeefs beproefde +zij de rimpels van zijn voorhoofd te doen verdwijnen. + +Hoe meer deze vermoedens in zijn binnenste wortel schoten, des te meer +spoed zette meester Gerhard achter den bouw van den Dom. Men schreef +1252 in den kalender. Reeds verhief zich de noordelijke toren statig +omhoog. Met meer ijver, dan voorheen begaf de bouwmeester zich van +den eenen steiger naar den anderen. + +Juist stond hij op de Domkraan. Reusachtige trachietblokken uit +het inwendige van den Drachenfels gehaald, heschen de metselaars +omhoog. Hoogst vergenoegd ziet de meester toe, de vreugde schittert +in zijn oogen. Daar staat plotseling een vreemdeling aan zijn zijde, +dien hij niet heeft zien aankomen. Een scharlaken mantel omgeeft zijn +rechtopgaande gestalte, een gouden ketting glinstert op zijn borst en +lustig fladdert de hanenveer op zijn fluweelen baret. Hij begon zijn +aanspraak met den groet der metselaars. Zelf was hij een meester in de +bouwkunst, vele jaren geleden had hij een huis gebouwd--terwijl hij dit +zeide fonkelden zijn schitterende oogen vreemdsoortig onder de dunne +wenkbrauwen--waaraan de tand des tijds tevergeefs knaagde, koningen en +keizers, aanzienlijke heeren en prelaten hadden het reeds bezichtigd. + +Zwijgend nam de meester den hoovaardigen spreker op. Maar deze +begon het reusachtige werk van den bouwmeester van den Dom bovenmate +te prijzen. + +"Doch lijkt het u van een arm sterfelijk wezen geen vermetele +handelwijze, om zulk een werk te beginnen?" vroeg hij plotseling op +bijna ruwen toon. "De eerste steen had u moeten zeggen, dat een ander +oogsten zal, wat gij gezaaid; hebt." + +"Wie zou mij beletten te voltooien, wat ik begon?" vroeg de bouwmeester +enigszins angstig het antwoord afwachtend. + +"Het leven--of noem het de dood!" antwoordde de andere op scherpen +toon. Daarop vervolgt hij spottend: "Zelfs een wurm, kunt gij, arme +menschen, niet aan uw wil onderwerpen en reeds vanaf uw eersten +ademtocht bedreigt u uw hevigste vijand en zekerste overwinnaar, +de dood." + +"Ik zal echter volbrengen, wat ik begon!" roept de bouwmeester +eigenzinnig uit. "Ik wil er om wedden, zelfs met den duivel." + +"Hola!" lacht de vreemdeling strijdlustig. "Met iemand, die zoo +vermetel is, ga ik gaarne een weddenschap aan. Eer verstout ik mij +een beekje van Trier naar Keulen te leiden, wel vijftig uur gaans, +waarin eenden zullen zwemmen, dan dat gij uw Dom voltooit." + +"Het zij zoo!" zegt meester Gerhard op somberen toon en slaat verblind +toe, als de vreemdeling zijn rechterhand aanbiedt. Deze was ijskoud +en een huivering overviel hem. + +Toen begon de andere te lachen, spottend en zegevierend. + +"Prijs der weddenschap je ziel!" + +Ontzet krimpt de ontstelde meester ineen. + +Reeds heeft de andere den vuurrooden mantel geopend. + +"Tot weerziens, vermetele!" Een stormwind steekt op en voert hem +huilend weg. + +II. + +Sedert dezen dag worden de wolken op het voorhoofd van den bouwmeester +steeds donkerder. Rusteloos doolt hij op de steigers, rusteloos +verricht hij zijn arbeid. Hoe meer hij haar uitbreiding nagaat, +des te meer overvalt hem de angst, dat hij haar nooit volbrengen +zal. Bij het aanbreken van den dag was hij reeds bij zijn werklieden, +en zelfs 's avonds liep hij rond, de vlijtigen prijzende, de luien +berispende. Dikwijls ook staarde hij in de richting van Trier, of +daar niets ongewoons te zien was. Met hoopvolle verbazing bemerkte +hij, dat zijn tegenpartij volstrekt geen moeite scheen te doen, +om de weddenschap te winnen. Niets deed, vermoeden, dat er groote +werken in het Trierer land ondernomen werden. + +Reeds begon zijn hoop te herleven. Al won hij niet, dan zou hij toch +in geen geval verliezen, aldus troostte meester Gerhard zich. + +Op een dag stond hij op den top van den voltooiden toren. Daar werd een +hand op zijn schouder gelegd. Hij wendde zich verschrikt om. Achter +hem stond de afschuwelijke bouwmeester. Was hij de duivel zelf of +slechts een duivelsche magister van de zwarte kunst? + +"Welnu, meester Gerhard, hoe staat het met uw werk? Ik zie, dat gij +rustig voortgaat. Gelukkigerwijs heb ik mijn arbeid spoedig volbracht, +anders liep ik gevaar mijn weddenschap te verliezen." + +"Ik heb bij me zelf gedacht," zegt de meester op spottenden toon, +"dat gij niet al te veel aarde beweegt, om uw kanaal te graven.'" + +"Zoo weet dan, waarde neef, dat ik alleen meer volbreng, dan honderd +arbeiders te zamen, en zooals ik u reeds gezegd heb, mijn werk is +bijna klaar." Op lichtgeraakten toon zeide de man in den scharlaken +mantel dit. + +"Werkelijk?" Meester Gerhards oogen dwaalden onrustig rond. "Ik zou +wel eens willen weten, met welke helsche kunsten gij dit klaargespeeld +hebt." + +"Zooals ge wilt, Neef! Gij behoeft mij slecht te volgen." Hij vat +den meester bij de hand, beneemt hem de zinnen en voert hem door de +lucht. Na eenige minuten betreden zij de aarde. Huiverend herkent de +meester het Land van Trier. Aan zijn voeten ontspringt een bron en +stroomt in een opening der rotsen. + +"Kom, oude," zegt de Satan, lachend en terwijl hij zich buigt, +verdwijnt hij onder een rots. Ontsteld volgt meester Gerhard hem. Hij +bevindt zich in een grot der rotsen. Het water van de bron stroomt +kabbelend in een kanaal, welks begin hij aanschouwt. + +"Ziet gij, dat ik niet loog en mijn tijd wel besteed heb," zegt de +duivel zegevierend. "Indien gij wilt, volgen de beekjes mij, en kunt +gij zelf oordeelen over datgene, wat ik volbracht heb." + +Nauwelijks had hij dit gezegd, toen een geheimzinnige kracht +den bouwmeester aangreep en hem met huiveringwekkende snelheid +voorwaarts duwde. De Satan voorop. Bleek als de dood aanschouwde +de meester het werk. Geen twijfel was meer mogelijk, hij had de +weddenschap verloren. Doffe wanhoop maakte zich van hem meester. Maar +zeldzaam! Reeds na korten tijd nam zijn vertrokken gelaat weer een +rustige uitdrukking aan, het scheen zelfs of er een onderdrukte +glimlach op zijn gelaat speelde. + +De uitgang was bereikt: door dezelfde magische kracht, die hem +weggedragen had, voelde meester Gerhard zich weer op de aarde +teruggevoerd. + +"Dit is de helft van mijn werk, zeide de Booze, terwijl een grijnzende +lach om zijn lippen speelde. Nu zullen wij de beloofde eenden zien, +lieve Neef!". + +Driemaal klapte hij in de handen en beval Gerhard op te letten. Thans, +bijna vroolijk gestemd, luisterde deze oplettend. Minuten +verstreken. Leeg bleef de uitgang van het beekje. Geen eendengesnater +werd hoorbaar. + +Nogmaals klapje de Satan in de handen, harder dan den eersten +keer. Weder wachtte hij te vergeefs. Spottend glimlachte de +Domarchitect. Een gillenden kreet stiet de andere uit en verdween, +terwijl meester Gerhard mompelde: + +"Nooit zal hij zijn weddenschap winnen. Ik, Gerhard von Ryle ken +alleen de oorzaak." + +III. + +Maar een hevige zwaarmoedigheid was sedert het laatste avontuur over +den Dombouwmeester gekomen. Nog meer dan vroeger zag men hem op de +steigers en ladders. Geheele uren bracht hij in somber gepeins door. Nu +hij zijn tegenpartij, waarmede hij zich vermeten had te strijden, +kende--wie zou het anders kunnen zijn, dan de duivel in persoon--was +hij zich van het gevaar, waarin hij en zijn onsterfelijke ziel zich +bevond, bewust. + +Dikwijls, nadat er eenige minuten van angstig nadenken voorbij gegaan +waren, vloog er een gimlach over zijn trekken. Hij haalde diep adem, +terwijl hij vol moed bij zich zelf zeide: + +"Hij zal zijn weddenschap niet winnen, ik weet waarom." + +De jeugdige gade was zeer neergedrukt door het vreemdsoortige gedrag +van den meester. Zijn geslotenheid behaagde haar geenszins. Tevergeefs +beproefden haar koozende lippen den zwijgenden mond van haar peinzenden +echtgenoot het geheim te ontrukken, dat zijn tong bewaarde. Niet +ongaarne ontvingen de lippen des meesters den rijken schat der +vrouwelijke teederheid, maar op alle smeekbeden en verzekeringen van +de door nieuwsgierigheid geprikkelde vrouw, glimlachten zij slechts +bitter en spraken evenveel over het geheim als de oesters over hun +schalen. Op een dag trad een rondtrekkend magister het huis van den +bouwmeester binnen, toen deze juist bij den Dombouw vertoefde. + +Een scharlaken mantel omhulde de rechtopgaande gestalte en lustig +woei de hanenveer van de zwart fluweelen baret. Zeer minzaam gedroeg +de vreemdeling zich, zijn voorkomen was zeer aangenaam en vriendelijk +waren zijn woorden. Hij wilde den meester bezoeken en daar hij hem +niet thuis trof, voerde hij een onderhoudend gesprek met zijn jonge +vrouw. Spoedig klonken de woorden minder terughoudend van de lippen +der bedeesde vrouw. Veel medegevoel en een warm hart vond zij bij den +vreemdeling. Innige deelneming betoonde hij de veronachtzaamde gade, +en tot dank deelde zij hem onder zuchten en klachten mede, hoe de +achterdocht zich tusschen haar en haar echtgenoot geplaatst had, +sedert hij een geheim verborg, dat hem veel verdriet veroorzaakte. + +Merkbaar trokken de wenkbrauwen zich samen, onmerkbaar spitsten zich +de ooren van den troostbrengenden vreemdeling. + +"Evenals elk bestaan kennis van de elementaire grondstoffen vereischt, +zoo is uw gemaal slechts dan te helpen, wanneer gij zijn geheim kent," +deelde de rondtrekkende man op gewichtigen toon mede. "Beproef, +schoone vrouw, door de spraakzaamheid uwer lippen en de macht +uwer bekoorlijkheden in een aangenaam minneuurtje het hart en het +vertrouwen van den meester te winnen, opdat zijn mond verrade, wat +zijn hart verbergt. Dan kan ik u helpen en zult gij de gelukkigste +vrouw in het heilige Keulen worden." + +De vrouw deed wat haar bevolen was, maar onmachtig kaatsten de pijlen +der verleidster op de halsstarrige stilwijgendheid van den man af. Drie +dagen na zijn eerste bezoek verscheen, de magister opnieuw. + +"Daar gij geen succes gehad hebt, onwaardige Eva's dochter, heb ik +nog een ander middel, doch ik vrees, dat gij het versmaden zult." + +Door hevige nieuwsgierigheid gekweld, verzocht de vrouw den geleerden +magister dringend zich te verklaren. + +"Welnu, dan zal ik spreken," roept deze plechtig uit. "Medelijden +vereischt de vrouw en dubbel medelijden zij haar geschonken. Ik ken +een vreemdsoortig kruidje. Daaruit zal ik uw heer gemaal een drankje +brouwen. Hij zal dan 's nachts droomen; zijn droom zal hem verraden, +en gij kent zijn geheim." + +Vol dank nam zij de gave uit de hand van den vreemden magister +aan. 's Avonds schonk zij het drankje in en reikte het haar +gemaal. Meester Gerhard zonk uit de omarmingen zijner teedere gade +in een vasten slaap. Spoedig werd de slaper onrustig. Zijn mond +deed onverstaanbare woorden hooren. Angstig luisterde zijn wakende +vrouw. Met de scherpzinnigheid, die haar geslacht eigen is, kwam +ze weldra achter de beteekenis der onsamenhangende woorden van den +droomer en wist spoedig van de onzalige weddenschap, die meester +Gerhard met den Satan in eigen persoon gesloten had. + +"Hij zal zijn weddenschap nooit winnen," fluisterde de slaper, +"ik ken zijn geheim." + +"En wat mag dat zijn?" vroeg met kloppend hart iemand van het geslacht, +aan wie de slang destijds den appel bood. + +"Hij kan doen, wat hij wil," ging de meester voort. "Nooit zal een +eend uit het onderaardsche kanaal zwemmen, indien hij daarin niet op +elk kwartier afstands luchtgaten aanbrengt. Maar de duivel zal nooit +op deze gedachte komen." + +Den volgenden morgen verscheen bij het aanbreken van den +dag--nauwelijks had de meester zijn huis verlaten--de rondtrekkende +magister. Getrouw deelde de vrouw hem mede, wat zij gehoord had. Toen +liet de man in den vuurrooden mantel een zegevierenden lach hooren +en verdween. Bleek en angstig bleef de praatzieke vrouw van den +meester achter. + +IV. + +Meester Gerhard stond bovenop de Domkerk. Donkere onweerswolken +kwamen aan den kant van den Rijn opzetten. De bouwmeester spoorde +de werklieden tot spoed aan. De lucht was zwoel. Daar werd een hand +loodzwaar op zijn schouder gelegd. Opgeschrikt uit aangename droomen +over de toekomst wendde hij zich om, en zijn gelaat werd plotseling +doodsbleek. Achter hem stond de duivel in scharlaken gewaad, de zwarte +baret met de wapperende hanenveer versierd. Hij had een zegevierende +uitdrukking op het gelaat. Zwijgend wees hij naar beneden; aan den +voet van den Dom was een beekje zichtbaar, snaterend zwom een eend +in dit water en werd door meerdere gevolgd. + +Toen greep woede en vertwijfeling meester Gerhard aan. Verloren was +de weddenschap en de ziel. Grijnzend keek de duivel toe en opende de +klauwachtige handen. + +"Nooit zult ge mij levend hebben!" roept meester Gerhard gillend uit +en stort zich in de diepte. + +Ratelende donderslagen maken zijn doodskreet onhoorbaar. Vreeselijk +woedt het weer. De verlichte hemel gelijkt een vuurzee. De brandklok +luidt in den toren--de bliksem was in het huis van den bouwmeester +van den Dom geslagen. + +De vlammen vernietigden de ontwerpen van den bekwamen meester, en +eeuwenlang bleef de reusachtige Dom onvoltooid. Het werk treurde over +zijn oprichter, verlaten waren de gewelven, onvoltooid de grootsche +torens. De inwoners van Keulen beweerden, de de geest van meester +Gerhard 's nachts klagend om den Dom zweefde. Toornig verweet hij +den volgenden geslachten, dat hun laksheid het reuzenwerk, dat de +scheppende kracht van vroegere tijden met steenen mond verkondigde, +onvoltooid liet Ongehoord sterft de vertwijfelde klacht van de schim +weg. Andere geslachten komen en verdwijnen weder. En eindelijk werd +werkelijkheid, wat niemand ooit had durven hopen. Voltooid stond de +Dom in zijn vorstelijke pracht daar, als het meest grootsche godshuis +van Duitschland. + +Sedert dien tijd verscheen meester Gerhard nooit weer. Op de plaats, +waar hij onder de verwenschingen van den vorst der hel in de diepte +stortte, is zijn beeltenis in steen ter eeuwige gedachtenis opgericht. + + + +Aken + + +De bouw der Munsterkerk + +I. + +Eens toen Karel de Groote, keizer der Franken zijn paleis te Aken +verliet en een rijtoer maakte, moet zijn paard luid hinnekend zijn +poot snel teruggetrokken hebben uit een bron in het bosch, waarin +het getrapt had. Toen de ruiter nieuwsgierig afsteeg en de hand in +het water stak, moet hij de warme bron ontdekt hebben, die naderhand +duizenden zegen aanbracht. Dankbaar erkende de vrome keizer in deze +heilbron een welwillend geschenk van de Voorzienigheid, en hij nam +het besluit hier ter eere van den Heer een huis te bouwen. Aan den +hoef van het paard zou de rondbouw der kerk herinneren. Met frisschen +moed werd spoedig aan het bouwen van den trotschen tempel begonnen, +en verheugd zag de bejaarde keizer de muren van de Munsterkerk +verrijzen. Haar voltooiing zag hij niet meer. + +Treurig werkte dit op de bouwlieden. Karel de Groote had het machtigste +rijk van het Westen aan een zwakken zoon nagelaten, die tegen zijn +eigen kinderen het zwaard moest trekken, teneinde het recht op den +troon te behouden. + +Toen bleef veel onvoltooid, wat de reuzenhand van Karel den Grooten +begonnen was. Ook de bouw der Munsterkerk werd gestaakt. Eenzaam +lag het bouwterrein daar, onvoltooid staken de muren en torens +omhoog. Tevergeefs beriep de eerzame overheid zich op de liefdadigheid +van de christelijke medemenschen, karig kwamen de gaven in, en nooit +waren zij toereikend om de Munsterkerk te voltooien. + +Zeer dikwijls zaten de raadsleden bij elkaar, en beraadslaagden hoe +den drukkenden geldnood te verhelpen en de voltooiing der Munsterkerk +te volbrengen. Goede raad was even duur als het materiaal waarvan men +kerken bouwt. Toen zij weder eens in het raadhuis bij elkaar zaten, +liet een vreemde heer zich aandienen. Hij had den edelachtbaren raad +gewichtige zaken mee te deelen. Hij werd binnen gebracht en deelde +niets minder mee, dan dat hij den waarden raad van de stad Aken +het geld ter voltooiing van den Dom voor zou schieten. Wantrouwend +zagen de waardige heeren naar den vreemd gekleeden spreker met het +bijzondere gezicht met den puntbaard; deze echter liet zich door +de schuwe blikken niet in de war brengen maar herhaalde vrijmoedig, +doch beleefd zijn aanbod. + +"Ik zou u gaarne uit uw tijdelijke geldverlegenheid helpen, hoogedele +Heeren en begeer niet eens terugbetaling van de duizenden, die ik +U aanbied. (Hier trokken de edelachtbare raadsleden de wenkbrauwen +op en spitsten de ooren.) En, opdat uw trots mijn leening niet af +zou slaan, stel ik slechts een kleinigheid tot voorwaarde: n.l. dat, +wanneer de bouw volbracht is, de eerste, die op den dag der inwijding +de kerk betreedt, mij met lijf en ziel zal toebehooren." + +Toen sprongen de wijze heeren ontsteld van hun zetels op en velen +maakten eerbiedig een kruis; want wie anders, dan de duivel kon zulk +een helschen eisch stellen. + +De edelachtbare burgemeester keek reeds zeer vertoornd "Ga van ons," +mompelde hij, "gij, die slechts ergernis te weeg brengt." + +Rustig en kalm stond de satan daar. + +"Laat mij een vroom woord uit den Bijbel op dezelfde +wijze beantwoorden. Waarom zijt gij zoo vreesachtig, gij +kleingeloovigen? Overweegt of ik vermetel ben, omdat ik één ziel voor +mij bedongen heb, terwijl het krijgszwaard vlamt tusschen vader en +zoons, tusschen broeders en duizenden voor de nuttelooze eerzucht +opgeofferd worden. Daar worden door een mensch duizenden geofferd, +terwijl zich hier voor aller welzijn slechts een enkele behoeft op +te offeren." Zegevierend flikkerde het oog van den vreemd gekleeden +spreker; want op de trekken van de wijze raadsheeren las hij een +goedgunstig antwoord. Het aantal der besluiteloozen werd met de +minuut kleiner, tot eindelijk ook de laatste geen gewetensbezwaar +meer koesterde. De overeenkomst kwam tot stand en de vreemde nam met +een triomfantelijk lachje afscheid, terwijl de waardige heeren met +een beklemd hart op de beloofde som wachtten. Zij kwam nog denzelfden +dag, onvervalscht en goed van gehalte en er heerschte groote vreugde +in den hoogen Raad van de stad Aken. + +II. + +Wederom werkten de metselaars en timmerlieden aan den Dom te +Aken. Vlijtig werd er voortgegaan om het verzuimde in te halen, en +de voltooiing van de Munsterkerk naderde steeds meer en meer. Drie +jaren waren intusschen verstreken en de dag brak aan, waarop de +nieuwe godstempel ingewijd zou worden. Die inwijdingsdag zou een +feestdag worden voor de stad Aken. Tallooze wereldlijke en geestelijke +heeren waren verschenen en menigeen prees het prachtige godshuis, de +milddadigheid van de burgers en de wijsheid van den prijzenswaardigen +raad. Deze echter bevond zich in groote verlegenheid. Zeer wijselijk +had geen der waardige vaders iets van het verdrag, met den Satan +verteld; slechts een van hen had het in een zwak uur aan zijn vrouw +opgebiecht. En sedert dat uur werd het geheim wel aan honderd ooren +ingefluisterd. + +Zoo kwam het, dat op den dag der inwijding zeer vele eerwaarde abten +en prelaten, alsook talrijke ridders en heeren met begrijpelijken +angst het uur tegemoet zagen, waarop de feestelijke stoet zich naar +de Munsterkerk zou begeven. + +Een vreemde optocht was het, de vaandels wapperden, de fanfares +schetterden, maar de menschen in de schitterende wapenrustingen en +veelkleurige prachtige ornaten zagen er zeer onrustig uit. En menig +bezorgd gelaat keek angstig naar den hemel of daar wellicht plotseling +een magere gestalte met een duivelachtig gezicht, paardenvoeten en +vleermuisachtige vleugels zou komen toeschieten. + +Daar kwam op eens beweging onder de menigte. Door de open ruimte in +de processie, kwamen, van hun overwicht bewust, de waardige vaders +der stad. Voor hen uit schreden vier reusachtige landsknechten en +hielden met krachtige hand een bedekte kooi omvat. + +De abt van St. Florian had een listig plan verzonnen om den Booze +te verschalken. + +De stoet had de Munsterkerk bereikt en de eersten, die voor het +Godshuis stonden, waren de vier mannen met de kooi. Nu trekt een van +hen het omhulsel er af en voor het traliewerk laat een huilende wolf +de tanden zien. Terwijl de beide anderen door een fermen stoot met de +hellebaard de vleugeldeuren naar binnen openwerpen, jaagt de vierde met +zijn spies het gevangen dier in de geopende kerk. Daarbinnen weerklinkt +een helsch lawaai; achter den ingang verscholen, had de Booze loerend +zijn prooi afgewacht en was begeerig het dier nageijld. Op hetzelfde +oogenblik stiet hij woedende kreten uit, daar hij zich verschalkt +zag. Snuivend ging hij achter den armen wolf aan, brak hem den nek +en stoof onder het slaken van vele verwenschingen weg. De lucht was +door zwavelachtige dampen verduisterd. + +Beneden echter, in de hallen der kerk, verdrong zich de volksmenigte, +die bij klokkenspel en trompetgeschal de goedheid des Heeren prees. + + + +III. + +Ondertusschen trok de gefopte duivel, terwijl hij gruwelijke +verwenschingen slaakte, door het land van Aken. Dat men hem met een +ellendige ziel van een wolf beetgenomen had, zou de inwoners van Aken +berouwen. Hij was intusschen aan de zee gekomen en toen hij zoo spijtig +en boos van het gele duinstrand naar den grijzen vloed keek, kwam hij +op een helsche gedachte. Hij wilde hen allen begraven, de prelaten, +ridders, mannetjes en vrouwtjes van Aken. + +Met een torsenen ruk trok hij een zandberg van den oever los, laadde +hem op zijn schouders en aanvaardde den terugtocht naar Aken. Maar +de weg was zeer lang, zoodat de duivel het vreeselijk warm kreeg en +den wind vervloekte, die hem voortdurend een stofregen van zand in +de oogen joeg. Hij was reeds aan het Soerserdal gekomen en hield daar +buiten adem stil. Zelfs den duivel kan menige last te zwaar worden. + +Een oud, verschrompeld vrouwtje, dat op den weg voorbij strompelde, +keek wantrouwend naar den lastdrager met zijn vreemden last. Zij +wilde onbemerkt voorbij gaan, maar de andere hield haar aan en vroeg +hoe ver de weg naar Aken nog was. Toen eerst heeft het vrouwtje hem +aandachtiger aangekeken en haar gerimpeld gelaat nam een ernstige +uitdrukking aan, alsof haar opeens een hooger licht opging. Zij had +geen twee en zeventig jaar moeten tellen om in den knorfigen man +niet den werkelijken Satan te kerkennen, en te raden, dat hij tegen +de waardige stad Aken wat slechs in den zin had. Terstond heeft de +oude dan ook een verdrietig gezicht getrokken, en op klagenden toon +geantwoord: + +"Dan zijt gij er slecht aan toe, waarde heer. De weg naar Aken is +zeer lang. Ziet gij hoe mijn schoenen, die ik vanmorgen juist van +den schoenmaker ontvangen heb, door de lange wandeling versleten zijn?" + +De duivel stiet een nijdigen vloek uit, schudde den zandberg van zich +af en trok, onder het slaken van een gruwelijke verwensching tegen de +stad Aken, af. Het oude vrouwtje maakte een kruis en was zeer verheugd +de eerwaarde stad Aken dicht voor de poorten--het was volstrekt niet +ver meer naar Aken--van een groot gevaar bevrijd te hebben. + +Nog altijd ligt deze zandberg daar, waar een oude vrouw den duivel te +listig, volgens de taal van die streek "los" af was, zoodat de berg +tot op heden "Losberg" heet. Ook het aandenken aan het arme wolfje, +dat in de klauwen van den duivel viel, hebben de inwoners van Aken in +de ijzeren deur van hun Dom vereeuwigd. Ook in de vleugeldeuren ziet +men nog de spleet, die daarin ontstaan zou zijn, toen de vertoornde +vorst der hel in machtelooze woede de kerkdeur achter zich dichtsloeg. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Sagen van den Rijn, by Wilhelm Ruland + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SAGEN VAN DEN RIJN *** + +***** This file should be named 15163-8.txt or 15163-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/5/1/6/15163/ + +Produced by Joris Van Dael, Jeroen Hellingman and the Online +Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
