summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--15163-8.txt5867
-rw-r--r--15163-8.zipbin0 -> 112878 bytes
-rw-r--r--15163-h.zipbin0 -> 1173027 bytes
-rw-r--r--15163-h/15163-h.htm4810
-rw-r--r--15163-h/img/cover.jpgbin0 -> 69017 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p000.jpgbin0 -> 54281 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p032.jpgbin0 -> 51782 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p048.jpgbin0 -> 54936 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p064.jpgbin0 -> 52923 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p080.jpgbin0 -> 54266 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p096.jpgbin0 -> 60234 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p112.jpgbin0 -> 48828 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p128.jpgbin0 -> 57181 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p144.jpgbin0 -> 62927 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p160.jpgbin0 -> 56358 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p176.jpgbin0 -> 48898 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p192.jpgbin0 -> 60353 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p208.jpgbin0 -> 47295 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p224.jpgbin0 -> 54109 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p232.jpgbin0 -> 61576 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p240.jpgbin0 -> 59708 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p248.jpgbin0 -> 52034 bytes
-rw-r--r--15163-h/img/p256.jpgbin0 -> 40139 bytes
-rw-r--r--15163-h/style/amazonia.css26
-rw-r--r--15163-h/style/arctic.css33
-rw-r--r--15163-h/style/borneo.css26
-rw-r--r--15163-h/style/gutenberg.css387
-rw-r--r--15163-h/style/print.css36
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
31 files changed, 11201 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/15163-8.txt b/15163-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..1b053ce
--- /dev/null
+++ b/15163-8.txt
@@ -0,0 +1,5867 @@
+The Project Gutenberg EBook of Sagen van den Rijn, by Wilhelm Ruland
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Sagen van den Rijn
+
+Author: Wilhelm Ruland
+
+Release Date: February 24, 2005 [EBook #15163]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SAGEN VAN DEN RIJN ***
+
+
+
+
+Produced by Joris Van Dael, Jeroen Hellingman and the Online
+Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+ Sagen van den Rijn
+
+ door
+
+ Wilhelm Ruland
+
+ Geautoriseerde vertaling uit het Duitsch
+
+ door
+
+ W. B. Meyen-Barends
+
+
+
+ 1922
+
+
+
+
+
+
+
+
+Voorrede bij den derden druk
+
+Toen de intusschen overleden boekhandelaar Friedrich Heijn te Keulen
+mij ongeveer tien jaren geleden verzocht, de meest bekende Rijnsagen
+te schrijven, moest ik mij zelf en den uitgever eerlijk bekennen,
+dat daarmede nauwelijks een leemte aangevuld zou zijn. Toch gaf ik
+niet oongaarne gevolg aan dat verzoek, nadat ik de belangrijkste
+sagen van den Rijn, die ik in mijne verzameling had, doorbladerd had.
+
+Den indruk, dien ik kreeg van deze bekoorlijke verhalen uit den ouden
+tijd, schreef ik neder en deze uren verschaften mij veel genot.
+
+Een vriendelijk criticus zeide in zijne beoordeeling over mijn boekje
+in de "Kölnische Zeitung", dat de vorm altijd naar evenredigheid van de
+stof was: nu eens liefelijk en teeder, bloemrijk en schilderachtig,
+dan weer kernachtig en beknopt. Het zal mij verheugen, als ook
+anderen vinden, dat het doel, waarnaar ik streefde, bereikt is. In
+elk geval zal niemand, daar ben ik zeker van, in de verzameling die
+warmte missen, die men van een schrijver als zoon van het Rijnland
+verwachten kan.
+
+Al kan dus dit boekje met Rijnsagen, in weerwil van de nieuwe
+vermeerderde uitgave, geen aanspraak maken op volledigheid, toch hoopt
+het in geringe mate te kunnen medewerken aan de bevordering van de
+schoonheid van het vaderland, welks ouden roem men in den laatsten
+tijd steeds meer tracht te doen opleven.
+
+Honnef a. d. R. Mei 1905.
+
+Dr. Wilhelm Ruland.
+
+
+
+Inhoud
+
+
+ Burcht Niedeck. Het reuzenspeelgoed
+ Straatsburg. De Munsterklok
+ Frankfort. De negen in den windwijzer
+ Wiesbaden. De duivelskuur aan de warme bron
+ Worms. De Nibelungen
+ Mainz. Heinrich Frauenlob
+ Bisschop Willigis
+ Johannisberg. De Johannisberger
+ lngelheim. Eginhard en Emma
+ Rüdesheim. De Brömserburg
+ Bingen. De Muizentoren
+ Aszmannshausen. De Klemenskapel
+ Rheinstein. Het huwelijksaanzoek
+ Falkenburg. De Waldburg
+ Sooneck. Die blinde schutter
+ Lorch. De vrouw van den Wispermolenaar
+ Ruïne Fürstenberg. De geest der moeder
+ Bacharach. Burcht Stahleck
+ Burcht Gutenfels
+ De Palts
+ Oberwesel. De zeven jonkvrouwen
+ Rheinfels. De Georgslinde
+ St. Goar. De Lorelei
+ Liebenstein en
+ Sterrenberg. De vijandige broeders
+ Boppard. Klooster Marienburg
+ Rhense. Keizer Wenzel
+ Burcht Lahneck. De tempelier van Lahneck
+ Stolzenfels. Het dochtertje van den kamerheer
+ Koblenz. Riza
+ Andernach. Genoveva
+ Hammerstein. De met dochters gezegende ridder
+ Rheineck. De wijnkeuring
+ Rolandseck. Ridder Roland
+ Zevengebergte. Het Nachtegaalboschje bij Honnef
+ De Drachenfels
+ De monnik van Heisterbach
+ Godesberg. Het Hochkreuz
+ Bonn. De Jonker van Klochterhof
+ Keulen. Richmodis von Aducht
+ De bouwmeester van den Keulschen Dom
+ Aken. De bouw der Munsterkerk
+
+
+
+
+
+Burcht Hiedeck
+
+
+Het reuzenspeelgoed
+
+In den ouden tijd was er eens een reuzengeslacht in den Elsasz. Burcht
+Niedeck in 't Breuschtal welks puinhoopen reeds lang vergaan zijn,
+was de woonplaats van deze Hunnen, waarvan heden in den Elsasz nog bij
+overlevering verteld wordt, dat ze zeer vrede- en menschlievend waren.
+
+Eens wandelde de dochter van den burchtheer door het naburige
+woud. Toen zij aan de velden en weiden in het dal kwam, zag ze een
+boer, die ploegde. De jonge reuzin keek met vroolijke verbazing
+naar het kereltje, dat bedrijvig achter het spannetje liep en met
+den kleinen ploeg den grond omwoelde. Nooit had zij tevoren zoo
+iets aanschouwd. Dat leek haar aardig speelgoed en zij klapte met
+kinderlijke vreugde in de handen, zoodat het ver door de bergen
+weerklonk, toen pakte zij den boer, 't paard en den ploeg in haar
+schort en ijlde juichend naar den vaderlijken burcht. Lachend toonde
+zij haren vader het aardige levende speelgoed.
+
+Deze echter schudde ernstig zijn reusachtig hoofd en sprak eenigszins
+misnoegd:
+
+"Weet je wel, mijn kind, wie dit schreeuwende menschenkind is met
+dat aardige trappelende dier, dat je uitgezocht hebt om mede te
+spelen? Van alle dwergen is hij het meest nuttig. Hij tobt zich af
+bij zonneschijn, wind en regen, opdat de velden ons een goeden oogst
+zullen opleveren. Wie den spot met hem drijft of hem onderdrukt,
+zal door den hemel bestraft worden. Neem daarom het boertje op en
+breng hem weder naar zijn erf terug!"
+
+Beschaamd en blozend keek de jonge reuzin voor zich, en droeg het
+aardige speelgoed gehoorzaam in haar schort naar het dal terug.
+
+
+
+Straatsburg
+
+
+De Munsterklok
+
+De dom was voltooid en de overheid besloot op den hoogen toren een
+kunstige klok te doen plaatsen. Na lang zoeken werd een kunstenaar
+gevonden, die aanbood een kunststuk te maken, zooals er nergens een
+gevonden werd. De wijze raadsheeren waren daarover zeer voldaan en
+de kunstenaar begon met het werk.
+
+Maanden verstreken daarmede, maar toen het voltooid was, was iedereen
+vol bewondering, die dan ook wel verdiend was, want de klok was een
+kunststuk, zooals men er nog nooit een in het land gezien had. Behalve
+de uren wees zij niet alleen de dagen en maanden aan, naar zij bezat
+ook nog een aardbol, waaraan men den op en ondergang van de zon kon
+zien en waarop de zons en maansverduisteringen zichtbaar werden op het
+oogenblik, dat ze in de natuur plaats vonden. Elke verandering wees
+Mercurius met zijn staf aan, en elk sterrenbeeld trad, zoodra zijn
+loopbaan begon, te voorschijn. Even, voordat de klok sloeg, verscheen
+de dood, en sloeg de volle uren aan, terwijl bij de kwartieren en
+halve uren de gestalte van den verlosser te voorschijn trad, die hem
+terug wees. Ten overvloede bevatte het kunstwerk nog een prachtig
+klokkenspel, dat stichtelijke koraalliederen deed hooren.
+
+Aldus was de heerlijke klok in de Munsterkerk te Straatsburg
+vervaardigd. Nu echter wordt de overheid van Straatsburg, volgens de
+overlevering van de volgende schandelijke vermetelheid aangeklaagd:
+waren zij er aan den eenen kant trotsch op, de eenige stad te zijn,
+die zulk een kunstwerk bezat, aan den anderen kant vreesden zij, dat de
+kunstenaar ook een dergelijk werk in een andere stad kon uitvoeren. De
+hardvochtige raadsheeren maakten daarom met vreugde gebruik van de
+praatjes, die onder het volk in omloop waren, als zou zulk een werk
+alleen door duivelsche kunsten gewrocht kunnen worden. Zij betichtten
+den klokkenmaker, dat hij met den duivel in verbinding stond, lieten
+hem gevangennemen en veroordeelden hem met onmenschelijke wreedheid
+tot de berooving van het licht zijner oogen. Zonder klagen verdroeg
+de ongelukkige kunstenaar zijn vreeselijk lot.
+
+Voordat zij echter het vonnis voltrokken verzocht hij nog eenmaal bij
+de klok toegelaten te worden, opdat hij haar nog regelen kon, hetgeen
+later geen andere hand zou kunnen volbrengen. De wijze overheid,
+die veel ophad met de onovertreffelijke klok, liet den kunstenaar
+boven komen. Deze vijlde, zaagde, verstelde en regelde het een en
+ander en werd toen weer in den toren gebracht, waar hij terstond van
+het licht zijner oogen beroofd werd.
+
+Nauwelijks echter was het vonnis voltrokken, of men bemerkte, dat het
+werk van de Munsterklok stil stond. De kunstenaar had zelf het werk
+vernietigd en zijn voorspelling, die hij in woede gedaan had, dat het
+klokkenspel voor eeuwig stil zou staan, is tot nu toe uitgekomen. Tot
+op heden vermocht niemand leven in het doode raderwerk te brengen,
+en al versiert heden een even prachtig uurwerk de Domkerk, zoo toch
+is het geen kunstenaar gelukt het raderwerk van de eerste Munsterklok,
+dat nog steeds bewaard wordt, weer in werking te brengen.
+
+
+
+Frankfort
+
+
+De negen in den windwijzer
+
+De inwoners van Frankfort hadden al lang jacht op een slimmen
+vogel gemaakt. Eindelijk werd hij gearresteerd en zou nu opgehangen
+worden. Hij heette Hans Winkelmann en was een strooper, die in het
+jachtgebied der stad erger huishield, dan tien van zijns gelijken. De
+overheid had hem medegedeeld, dat hij aan de galg zou sterven, omdat
+hij een van de gerechtsdienaren, die hem vervolgden, doodgeschoten
+had, en de beul wachtte reeds naast de cel van den armen zondaar,
+die in den toren zijn laatste uurtje mismoedig tegemoet zag. Bij het
+aanbreken van den dag trad een vrome pater bij den gevangene binnen
+en hield een gemoedelijke toespraak. Hans, die volstrekt geen berouw
+had, ontving hem zeer norsch, daar hij zich als vrijschutter van geen
+kwaad bewust was, en er toch niets aan doen kon, dat zijn kogels het
+hart getroffen hadden, waar hij alleen van plan was, zijn vervolger
+door een onschuldig schot in het been, onschadelijk te maken.
+
+De Capucijner pater wees hem op zijn onchristelijke verstoktheid
+en bracht hem onder het oog, dat iedereen, tot zelfs het kleinste
+kind in Frankfort wist, dat Hans Winkelmann een goddelooze strooper
+was, dat is iemand, die zijn ziel aan den duivel beloofd heeft,
+die hem in ruil daarvoor verzekerd heeft, dat al zijn kogels
+doodelijk treffen zouden. Heftig kwam de eerlijke strooper tegen
+zulk een veronderstelling op, hij had het aan zich zelf te danken,
+dat hij steeds trof, maar volstrekt niet aan den Satan. Ook voor de
+rechters bood hij aan, elke gewenschte proef van zijn schutterskunst
+af te leggen.
+
+Eerst hoorde de pater hem met twijfel, maar later met overtuiging, aan.
+
+"Welnu, geef mij als laatste gunstbewijs, mijn geweer en vergun mij,
+drie maal drie keer op den knarsenden windwijzer boven op dezen toren
+te schieten, en indien gij dan de negen daarin niet even kunstig
+gemaakt ziet, alsof dit door de hand van den smid gebeurd was, dan
+laat ik mij gewillig hangen."
+
+Zoo sprak de strooper, en de Capucijner pater berichtte den waardigen
+raadslieden hetgeen hij gehoord had. Daar werd het minzaam aangehoord
+en besloten, teneinde den burgers een grap te bezorgen: dat als
+Hans Winkelmann volbracht, hetgeen hij zich vermat te kunnen doen,
+het vonnis niet voltrokken zou worden.
+
+Door de menigte aangegaapt, die gekomen was om het laatste kwartiertje
+van den beruchten strooper bij te wonen, stond Hans Winkelmann terzijde
+van het schavot en legde aan op den windwijzer van den toren, die in
+den herfstwind knarsend draaide.
+
+Het eerste schot knalde en werd onder doodsche stilte des volks door
+de andere gevolgd.
+
+Als uit één mond weerklonk de zegenroep na de drukkende stilte, boven
+in den windwijzer zag men de negen even kunstig gemaakt, alsof dit
+door de hand van een smid had plaats gehad.
+
+Gelaten overhandigde de strooper den scherprechter de geliefde buks, en
+plechtig verkondigde de raad het opgewonden volk, dat de veroordeelde
+in vrijheid gesteld zou worden. Hem zelf werd, tegelijkertijd met
+zijn bevrijding de betrekking van schutterhoofdman over de vrije stad
+Frankfort aangeboden.
+
+Toen schudde Hans Winkelmann zijn verwilderd hoofd en dankte voor
+zooveel eer. Zooals het zich betaamt, heeft hij zijn erkentelijkkeid
+betuigd voor den ontvangen bijval, en is toen, door de menigte
+heen het bosch in gegaan, dat hem tot zijn liefste verblijfplaats
+geworden was. Bij zich zelf legde hij de belofte af, dat de inwoners
+van Frankfort hem nooit weer betrappen zouden. En dat was ook zoo. De
+negen in den windwijzer kunt gij heden nog in den toren van de
+stadsvesting te Frankfort zien.
+
+
+
+Wiesbaden
+
+
+De duivelskuur aan de warme bron
+
+Dat de oude Romeinen reeds de heilzame bronnen van Wiesbaden kenden,
+en hun geschiedschrijver Plinius ze reeds geroemd heeft, is door
+de geschiedenis bekend. In een vroolijk sprookje wordt verteld,
+dat de duivel in eigen persoon de kracht der bronnen bij zich zelf
+geprobeerd heeft. Nadat meester Urian, zoekende naar zielen, door de
+Papensteeg in het heilige Romeinsche rijk geslenterd had, rustte hij
+vermoeid van het loopen, in een herberg voor de poorten van Mainz
+uit. Hij voelde volstrekt geen genegenheid voor deze vrome stad,
+omdat in het register van de onderwereld geschreven stond, dat uit
+Mainz sedert jaar en dag geen ziel meer beneden aangekomen was. Het
+verdroot hem nog meer, dat eenigen van de drinkebroers zoo vermetel
+waren in overmoedige scherts den dommen duivel te bespotten, wiens
+zaken in de buurt van Mainz volstrekt niet bloeiden.
+
+Terloops vroeg hij den waard, terwijl hij zijn puntbaardje opstreek,
+hoe het toch kwam, dat de menschen in en bij Mainz volstrekt niet
+aan sterven dachten. Een fijn glimlachje kwam op het gelaat van den
+waard, die den reiziger in den sjofelen tabberd mededeelde, dat de
+drinkebroers om de vurige kracht van het druivensap tegen te gaan
+en velerlei ziekten af te wenden een bijzonderen witten gloeiwijn
+dronken, die hen allemaal weer gezond en frisch maakte, zoodat magere
+Hein met de zeis, de neef van den duivel, op de vlucht gejaagd werd.
+
+Toen spitste de gast de helsche ooren en wist tegelijkertijd, dat
+deze genezende wonderdrank uit den grond te Wiesbaden ontsprong en in
+groote hoeveelheid aan de warme bron verkrijgbaar was. Daar vervoegde
+zich den anderen morgen een vreemdeling in een sjofelen tabberd,
+die op klagenden toon vertelde, dat alle ziekten der menschheid
+zich in zijn ellendige beenderen genesteld hadden, slechts de bron
+te Wiesbaden zou hem kunnen behoeden voor dood en duivel, aldus had
+zijn gastheer in Mainz hem verzekerd. "God geve, dat dit wonderwater
+zegen voor u aan zal brengen, arme stakker," zeide de waard aan de
+warme bron medelijdend, en bemerkte tot zijn groote ontsteltenis,
+dat het gezicht met de puntbaard zich bij zijne woorden tot een
+duivelschen grijnslach vertrok.
+
+Van oudsher bezaten de waarden heldere hoofden en waren op hun welzijn
+bedacht. De kastelein aan de warme bron te Wiesbaden maakte hierop
+geen uitzondering. Hij zag den wonderlijken kurgast lang zwijgend aan,
+klopte hem toen rustig op den schouder en zeide slechts: "Beste vriend,
+gij zijt de werkelijke duivel in eigen persoon."
+
+En terwijl deze hem verbaasd aanstaarde, vervolgde hij meesmuilend:
+"Komaan, waar zoo velen zich gezond drinken, kan ook de duivel zijn
+portie krijgen. Als gij u verplicht zeven dagen achter elkaar tusschen
+twaalf en een uur vijftig glazen uit de Wiesbadensche bron te drinken,
+dan verzeker ik u, dat gij daarna van al uwe kwalen genezen zult
+worden. Onderbreekt gij echter de kuur, dan mag mijn ziel eens in het
+hemelrijk komen, terwijl gij dan alle rechten daarop verloren hebt."
+
+Deze overeenkomst behaagde den duivel zeer, die dadelijk daarop inging
+en onmiddellijk den wonderbaarlijken witten wijn, die borrelend uit
+de aarde opsteeg, begon te proeven. Hij vond, dat de vijftig glazen
+wel wat te veel van het goede waren, maar hij overwon zijn tegenzin
+bij de gedachte aan de arme ziel, die de waard aan de warme bron hem
+zoo lichtvaardig beloofd had.
+
+De duivel bracht geen rustigen nacht door en dronk den tweeden middag
+met nog meer tegenzin de bepaalde hoeveelheid Wiesbadener water,
+dat de waard van de bron hem met welbehagen aanbood. Nog onrustiger
+bracht hij den volgenden nacht door, verwenschte herhaaldelijk dezen
+boosaardigen drank en verzocht den waard den derden dag dringend om een
+rustdag. Deze echter wees hem droog op de afgeslotene overeenkomst en
+bood hem dienstvaardig met vele vrome wenschen het derde halve honderd
+glazen van den kristalhelderen wijn aan. De duivel sloop geknakt weg
+en dacht met een rilling aan den volgenden nacht. Toen hij den vierden
+middag gelijk een schaduw aan de bron kwam, scheen hij werkelijk door
+alle ziekten der menschheid aangetast te zijn. Maar de waard bleef
+onverbiddelijk en wilde van een overeenkomst niets weten. Boetende voor
+alle begane zonden dronk Belsebub de overeengekomene hoeveelheid op.
+
+Den volgenden nacht gebeurde het, dat de verschillende mannetjes
+en vrouwtjes, die in Wiesbaden de drinkkuur deden, door een helsch
+lawaai in hun rustigen slaap gestoord werden. Met een zondigen vloek
+vloog iemand op en nam dan, met een gruwelijke verwensching over den
+vervloekten helschen Wiesbadener drank, de vlucht.
+
+"In Wiesbaden kom ik nooit weer terug!" waren zijn laatste hoorbare
+woorden.
+
+Den volgenden morgen mompelden de badgasten onder elkaar, dat de
+nachtelijke rustverstoorder niemand anders dan de duivel in eigen
+persoon geweest was, en zij vroegen den waard aan de warme bron, die
+van alles op de hoogte was, naar dezen wonderlijken gast. Deze echter
+haalde slechts de schouders op over de groote domheid van den duivel.
+
+
+
+Worms.
+
+
+De Nibelungen.
+
+De oudste der steden aan den Rijn in Voorromeinschen tijd gebouwd,
+mag met rechttrotsch zijn op haar Domkerk, die een der merkwaardigste
+Romeinsche bouwwerken van Duitschland is en dikwijls door Frankische en
+Duitsche vorsten tot residentie verkozen werd. Daar Worms, gedurende de
+groote volksverhuizing de verblijfplaats van den oppersten krijgsheer
+der Bourgondiërs was, hebben de schoonste heldensagen, welke er
+bestaan, al daar het licht gezien.
+
+Roemrijk hebben de koningen van dezen Oost-Germaanschen volksstam,
+komende van de Weichsel, aan de oevers van den midden-Rijn geregeerd,
+totdat de oorlogzucht der Hunnen en de begeerigheid der Romeinen het op
+"komende rijk weder te gronde gericht hebben"
+
+Koning Gundikar was met een groot deel van zijn strijders op het
+slagveld gevallen. De rest van de overwonnenen werd door de Romeinen
+een woonplaats aangewezen in Zuid-Gallië. terwijl de Franken zich
+op de thans door de Bourgondiërs verlaten plaatsen aan den Rijn
+verstigden. Hoewel de Bourgondische koningen nauwelijks anderhalve
+eeuw aan de Main en midden-Rijn geregeerd hebben, zoo toch heeft
+de herinnering aan hen in de harten der Rijnfrankische volkeren zoo
+voortgeleefd, dat hun tragisch uiteinde in de wereldliteratuur als
+de meest merkwaardige sagen-poëzie is blijven bestaan.
+
+In dien tusschentijd zijn andere, ook op de bodem van Worms ontsproten,
+sagen in de herinnering van het volk levendig gebleven, die edele
+deugden van mannen en vrouwen met onomkoopbare trouw schilderden. Een
+dergelijk verhaal is het duizendjaar oude Waltharilied, bezingende den
+onverschrokken Heer Walter van Aquitanie, die met Hildegonde van koning
+Attila's hof terugkeert en onderweg in't Wasgenwald door den koning
+der Franken Gunthari en zijn strijders overvallen wordt, die hij na
+een heeten strijd terugslaat, waarna hij met roem overladen, als held
+in zijn geboorteland terugkeert. Tot de meest populaire sagen behooren
+die, waarin die heldenfiguur van Siegfried gevlochten is. Was deze
+Siegfried, de Sigurd van de oude bewoners van het Noorden (van wiens
+jeugdige heldendaden dit sagenboek reeds op een andere plaats spreekt)
+een mythische figuur--een lichtende held aller wereldgodsdiensten,
+die door de machten der duisternis overwonnen werd--of slechts een
+blonde sprookjesheid of wel een geschiedkundige persoonlijkheid? Laten
+wij deze vraag den geleerden ter beantwoording. Voor ons is en blijft
+hij de lievelingsfiguur van de Duitsche heldensage.
+
+Bij elke gelegenheid, dat de ridders van den Rijn genoodzaakt waren
+naar de wapens te grijpen en zich te verdedigen tegen de mannen van
+het Oosten, was Siegfried hun aanvoerder Zoo zien we zijn roem vermeld
+in het oude verhaal van den ridder Dietleib, waarvan de sage zegt,
+dat hij heenging om zijn vader Biterolf te zoeken. Eveneens wordt
+hij verheerlijkt in het lied van den Wormser Rozentuin, ofschoon de
+Opperduitsche auteur door ijverzucht gedreven, den strijders van den
+Rijn in hun twaalf gevechten van man tegen man met de Gotisch-Hunsche
+helden, den overwinnaars roem wilde betwisten.
+
+In verschillende overleveringen en vervormingen heeft de geschiedenis
+van de Bourgondische koningen Gunther, Gernod en Giselher, die tevens
+de laatste lotgevallen van Siegfried in zich sluit, door rondtrekkende
+zangers den weg gevonden tot de Neder- en Opperduitsche stammen, zelfs
+tot in 't Donaudal, waarbij hun oorspronkelijk heidensch karakter
+geleidelijk verdwenen is.
+
+Doordat een onbekende liederzanger, wiens naam men wel nooit zal
+te weten komen, aan het einde van het 12e jaarhonderd de sage
+uitvoerig in een lied omzette, is zij als een kostbaar overblijfsel van
+Germaansche epiek bewaard gebleven. Een rilling gaat ons thans nog,
+evenals vroeger onze voorvaderen door de leden, als zij ons vertelt
+van de hevige teugellooze hartstocht van haar mannen en vrouwen en
+de schokkende aaneenschakeling van zonde en berouw.
+
+
+
+
+
+Een vreeselijk lied van schuld en straf! Geheel overeenstemmend met de
+toenmalige geest van het volk, beginnende als een liefelijke idylle
+en eindigende als een gruwelijk treurspel. Aan het hof van koning
+Gunther van Bourgondië te Worms verschijnt, aangetrokken door de
+lieftalligheid van Kriemhilde, zuster des konings, een jonge held,
+Siegfried genaamd. Hij is ook een koningszoon. Zijn vader Siegmund
+regeert in Xanten "nieden by dem Rine"
+
+Koning Gunther neemt den blonden held als leenman in zijn dienst. Als
+getrouw vazal verovert hij in den strijd, zonder medeweten des
+konings de trotsche koningin van het eiland Ysland als gemalin
+voor den vorst. Ter belooning daarvoor ontvangt hij Kriemhilde's
+hand. Grootmoedig schenkt hij Kriemhilde als bruidsgeschenk den
+Nibelungenschat, dien hij in jonge jaren in een overwinning op de zonen
+van den koning der Nibelungen en den bewaker van den schat Alberich
+als prijs behaald had. Louter vreugde heerscht aan het hof te Worms;
+echter niet bij allen. Behalve door Kriemhilde wordt Siegfried nog
+door een ander in 't geheim bemind. Dit is Brünhilde. Het geluk der
+bruid Kriemhilde doet de afgunst in haar binnenste ontwaken en zij
+heeft voor deze geen vriendelijk woord meer over. Aldus vervreemden de
+beide vrouwen van elkaar. Op zekeren dag uit zich Brünhildes jaloezie
+in scherpe bewoordingen. Toen weet Kriemhilde haar tong niet meer in
+bedwang te houden. In een heftige rede werpt zij haar schoonzuster voor
+de voeten, dat niet Brünhilde's echtgenoot Gunther, maar Siegfried
+destijds met haar den eersten huwelijksnacht doorgebracht heeft. Tot
+bewijs toont zij haar ring en gordel, die Siegfried in dien nacht de
+sterke Brünhilde ontnomen en Kriemhilde geschonken heeft. Opvliegend
+werpt zij Brünhilde een leelijken scheldnaam naar het hoofd en betwist
+haar het recht het eerst de kerk binnen te treden.
+
+Weenend deelt Brünhilde den koning den haar aangedanen smaad mede. De
+beleedigde koning wordt vertoornd en diens vazal Hagen peinst er over
+hoe hij Siegfried in 't verderf kan storten. Voor 't oog doet hij of
+hij zijn meesteres wil wreken, doch de ware reden is het verkrijgen
+van den Nibelungenschat.
+
+Bij een jachtpartij in het Odenwald werd Siegfried, toen hij
+zich bukte, om uit een bron te drinken door Hagen verraderlijk
+doorstoken. Men besloot, dat er rondgestrooid zou worden dat Siegfried
+alleen was gaan jagen en roovers hem overvallen hadden. Den volgenden
+dag reden de koningen met hun gevolg over den Rijn naar Worms terug.
+
+Voor Kriemhilde's kamer liet Hagen 's nachts den doode neerleggen, 's
+Morgens vroeg, toen Kriemhilde zich gereedmaakte met haar vrouwen naar
+de mis te gaan, ontwaarde zij den dierbaren afgestorvene. Van veler
+lippen klonken jammerklachten. Kriemhilde wierp zich weenend op
+haar vermoorden echtgenoot "Wee mij", riep ze, "Je schild is niet
+door zwaarden doorstoken, gij werd door sluipmoordenaars gedood.
+Wist ik wie de dader was, ik bracht hem om."
+
+Vol praal liet zij den koninklijken held op een baar leggen en beval,
+dat men een Gods gericht bij het lijk zou houden. Want er bestaat een
+groot wonder, dat ook thans nog geschiedt, n.l. dat de wonden van
+het slachtoffer opnieuw beginnen te bloeden, als de moordenaar het
+nadert. Alle vorsten en Bourgondische edelen passeerden dus Siegfrieds
+lijk, dat door de beeltenis van den gekruisigden Verlosser beschaduwd
+werd en zie: als de sombere Hagen zijn slachtoffer nadert, beginnen
+diens wonden opnieuw te bloeden. Ten aanschouwe der onthutste mannen
+en vrouwen beschuldigt Kriemhilde nu Hagen den sluipmoord op haar
+gemaal gepleegd te hebben.
+
+Treurig was de boete, die op deze groote schuld volgde: de
+Nibelungenschat, die de voornaamste aanleiding tot de schandelijke
+daad geweest was, moest in den Rijn geworpen worden, ten einde in 't
+vervolg hebzucht en twist uit de harten der krijgers te verbannen. Maar
+Kriemhilde's oneindig groot verdriet was hiermede niet verdwenen,
+evenmin als haar drang naar wraak.
+
+Na de begrafenis van den held noodigde koning Siegmund Kriemhilde uit
+naar den koningsburcht te Xanten te komen, doch te vergeefs. Gedurende
+dertien jaren bleef zij te Worms in de nabijheid van den innig
+geliefden doode, toen vertrok zij naar de abdij Lorch, die door haar
+moeder, de hertogin Ute gesticht was. Daarheen nam ze Siegfrieds
+lijk mede.
+
+Toen daarop Etzel, het opperhoofd der Hunnen haar een huwelijksaanzoek
+deed, gaf zij den heiden haar jawoord. Niet uit liefde, doch door
+andere beweegredenen geleid. Zij trok met hem naar Hongarije. Daar
+liet zij Siegfrieds moordenaar door vele harer dienaren op listige
+wijze bij zich noodigen, ten einde hem in 't verderf te storten op een
+manier, die ons met afschuw vervult. Ook de medeplichtige koningen van
+Bourgondië, sedert de schat tot hen gekomen was, Nibelungen genaamd,
+hebben in de Etzelburg onder de aanvallen der Hunnen hun ontrouw met
+den dood bekocht.
+
+Zonder mededoogen liet Etzels gemalin haar geheele familie
+onthoofden. Den boosaardigen Hagen sloeg ze eigenhandig met Siegfrieds
+zwaard het hoofd af. Daarop werd de razende vrouw door den vertoornden
+Hildebrand gedood.
+
+Hier eindigt de sage. De treurmare van de Nibelungen is in den
+volksmond het meest populaire heldenlied geworden.
+
+Door deze sage wordt de historische ondergang der laatste Bourgondische
+koningen van Worms door alle eeuwen heen op dichterlijke wijze
+verheerlijkt.
+
+
+
+Mainz
+
+
+Heinrich Frauenlob
+
+Hij was een waardig domheer in het oude Mainz, daarbij een zanger bij
+de genade Gods, die tallooze vrome hijmnen dichtte en toonzette,
+ter eere van de reinste aller vrouwen, doch tevens ook menige
+welluidene harptoon aan de wereldlijke liefde gewijd heeft. En daar
+hij in tegenstelling met vele dichters van zijn tijd in teedere
+vereering den naam "Frau" d.i. meesteres hooger schatte dan "Weib"
+wat slechts echtgenoote beteekent, heeft de nakomelingschap hem den
+naam "Frauenlob" geschonken en onder dezen is hij meer bekend, dan
+onder zijn werkelijken naam Heinrich von Weiszen.
+
+Groot was de vereering, die de vrouwen van het gouden Mainz voor
+den zanger koesterden. Dit bleek gedurende zijn léven, maar meer
+nog bij zijn dood. Niet te beschrijven was de droefheid van het
+dankbare, zwakke geslacht, toen het bericht kwam, dat de lier van
+den geliefden minnezanger voor altijd verstomd was. Er werd besloten
+den doode een eer te bewijzen zooals nog nooit een dichter te beurt
+gevallen was. Onafzienbaar was de stoet, talrijk vooral de schaar
+van vrouwen, die in rouwkleeren het lijk begeleidden en voor zijn
+zieleheil baden. Acht van de schoonste vrouwen droegen zijn kist,
+die bedolven was onder welriekende bloemen. Uit teedere vrouwenmonden
+klonken aan het graf van den minnezanger de grafliederen en zachte
+vrouwenhanden goten op zijn rustplaats heerlijken Rijnwijn, die
+hem zoo dikwijls zijn prachtige liederen ingegeven had. Deze stille
+liefdegave moet zoo rijkelijk gevloeid hebben, dat de gangen der kerk
+er van overstroomden. Meer waarde echter dan deze gaven hadden de
+tranen, die op dien dag door vele schoone oogen om den dooden zanger
+vergoten werden.
+
+Nog heden kan de reiziger in den ouden Mainzer Dom het gedenkteeken
+voor den grooten Dichter en Zanger zien. Een prachtige vrouwenfiguur
+van sneeuwwit warmer legt een krans neer op de kist van den zanger,
+die den lof der vrouw in onvergetelijke liederen bezongen heeft.
+
+
+
+Bisschop Willigis
+
+In het jaar Duizend ongeveer hadden de inwoners van Mainz een vromen
+kerkvoogd, Bisschop Willigis. Hij was de zoon van een wagenmaker,
+en alleen door ijzeren wilskracht en groote bekwaamheid was hij tot
+de waardigheid van eersten bisschop gestegen. De brave burgers van
+Mainz beminden en vereerden den edelen dienaar Gods zeer, de trotsche
+kanunniken en stijve patriciërs daarentegen was het hoogst onaangenaam
+zich te buigen, voor iemand, die in de armoedige hut van een wagenmaker
+geboren was.
+
+Ernstig, doch met zachtheid verweet de bisschop eenigen van hen,
+dat ze zich te veel op hun voorouders lieten voorstaan. Dat verdroot
+de hooghartige heeren, en eens op een nacht haalden zij een grap uit
+bij de vertrekken van hun geestelijken heer en teekenden met krijt
+op alle deuren reusachtige raderen.
+
+Toen de bisschop 's morgens vroeg naar de mis in de Domkerk ging, zag
+hij het baldadige werk van de spotvogels. Zwijgend keek hij naar de
+raderen, doch zijn kapelaan, die naast hem stond, wachtte in angstige
+spanning te vergeefs op het losbreken van den toorn van de beleedigden
+kerkvorst. Integendeel op het gelaat van den bisschop vertoonde zich
+een vroolijke glimlach. Vervolgens gebood hij een schilder te toepen,
+en toen deze gekomen was, beval hij hem overal, waar de spotvogels de
+raderen geteekend hadden in een vuurrood veld, zichtbaar voor iedereen,
+witte raderen te schilderen en daaronden het spreukje:
+
+
+ "Willigis, Willigis!
+ Denk, hoe laag je afkomst is!"
+
+
+En zelfs nog verder is hij gegaan; de wagenmaker heeft hem een ploegrad
+moeten maken en dit heeft hij boven zijn legerstede laten ophangen;
+om steeds aan zijn afkomst herinnerd te worden.
+
+Sedert dien dag hielden de spotters zich stil. De inwoners van Mainz
+echter hechtten zich met nog grootere liefde aan hun bisschop, die,
+niettegenstaande het hooge ambt, dat hij bekleedde, toch zoo eenvoudig
+bleef. En van dien tijd af voeren alle bisschoppen van Mainz de witte
+raderen in een rood veld in hun wapen.
+
+
+
+
+Johannisberg
+
+
+De Johannisberger
+
+In 't heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem,
+en onder de beste merken wordt hij geteld, als de koning aller
+Rijnwijnen. Alle vrienden van het Rijnsche druivensap kennen hem,
+maar weinigen genieten hem in zijn vorstelijke echtheid. Vorstelijk
+is hij, niet omdat een vorstenhand den sleutel van den Johannisberg
+bezit, maar omdat een vorstenhand hem in de gezegende "Rheingau"
+geplant heeft. En deze gekroonde schenker was niemand anders dan de
+groote Karel, de machtige beheerscher van het Frankenrijk.
+
+Eens stond hij--'t was voorjaar--op het platform van zijn slot
+te Ingelheim en liet zijn blikken weiden over het wonderschoone
+landschap aan zijn voeten. Er was 's nachts sneeuw gevallen en een
+wit kleed bedekte de Rüdesheimer heuvels. Terwijl het oog van den
+keizer nadenkend op het witte landschap rustte, bemerkte hij, dat
+op de rug van den Johannisberg de sneeuw gauwer door de zonnestralen
+smolt dan op de heuvels in het rond. De groote Karolus, die als een
+echt Duitsch keizer ook een diepdenker was, meende, dat daar, waar
+zulk een gezegende zonnegloed viel, ook meer dan gras gedijen kon.
+
+Dadelijk liet hij den grijzen Koenraad zijn wapendrager bij zich komen
+en gebood hem bij het aanbreken van den volgenden dag zijn paard te
+zadelen en naar Orleans, de stad van den edelen wijn, te rijden, met
+de boodschap aan de brave burgers, dat de keizer hun voortreffelijken
+wijn nog steeds genadig in herinnering had en dat hij gaarne zulk
+een edel gewas aan den Rijn zou bezitten, waarom hij den getrouwen
+burgers van Orleans verzocht een pootrank naar de "Rheingau" te zenden.
+
+Aldus ging de schrandere koningsbode op weg en nog voordat de maan
+haar cirkelkring geëindigd had, was hij weer in het keizerlijke slot
+te Ingelheim terug. Alom heerschte daarover groote vreugde. Karolus
+zelf, de groote keizer voer naar Rüdesheim en plantte eigenhandig de
+Fransche wijnrank in de aarde van het Rijnland.
+
+Het werk van den keizer was geen voorbijgaande gril geweest. Zorgvuldig
+liet hij zich over den stand der druiven in Rüdesheim en op helling
+van den Johannisberg op de hoogte houden en toen de derde herfst in
+het land gekomen was, kwam tegelijk met hem Keizer Karel uit zijn
+lievelingsstad Aken in de "Rheingau". En het juichen van de oogsters
+weerklonk in de wijngaarden van Rüdesheim en Johannisberg.
+
+Plechtig werd het eerste geurige product der wijnpers den keizer
+aangeboden; een gouden vocht in een gouden bokaal. Een koninklijke
+wijn! Een flinke teug heeft de groote Karel genomen en opgetogen den
+kostelijken drank geprezen. De vurige, zachte Johannisberger is zijn
+lievelingsdrank geworden, die hem op hoogen leeftijd den last der
+jaren deed vergeten. En wat Karel de Groote ondervond, dat bemerkt
+nog heden een ieder wien dit druivenbloed in den beker parelt. In het
+heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem, en onder
+de beste merken wordt hij geteld als de koning aller Rijnwijnen,
+de Johannisberger.
+
+
+
+
+
+Zeer schoon wordt de sage vervolgd van keizer Karel, die zijn druiven
+zegent. Door den mond van den dichter is hij in een lied herschapen,
+dat men dikwijls hoort zingen aan de oevers van den Rijn, waar de
+druiven groeien.
+
+Elk voorjaar, als op de heuvels en in de dalen aan den vloed de druiven
+bloeien en de welriekende geur van de druivenbloesems de lucht vervult,
+wandelt 's nachts een hooge schaduw door de wijngaarden. Koninklijk
+is zijn gestalte, de purperen mantel golft om zijn schouders en
+op zijn hoofd schittert de keizerkroon. Het is Karel de Groote,
+keizer der Franken, die voor ongeveer duizend jaar den wijnstok
+naar Rüdesheim en aan den rand van den Johannisberg overplantte. De
+heerlijke geur van de druiven heeft hem uit zijn graf te Aken gewekt
+en hij is gekomen om de druiven, die hij geplant heeft, te zegenen. Het
+zachte schijnsel der volle maan verlicht den weg van den keizer en bij
+Rüdesheim bouwt zij een gouden brug over den stroom. Daarover schrijdt
+de keizer voort en verder trekt hij langs de heuvels, alom zijn zegen
+over de druiven uitstortende. Bij het eerste hanengekraai keert hij
+in zijn graf te Aken terug en hervat zijn eeuwenlangen slaap, totdat
+hij het volgende jaar opnieuw door den geur der druiven gewekt wordt,
+om zijn zegenrijken tocht door de "Rheingau" te volbrengen.
+
+
+
+
+
+En nu, waarde lezer, zal ik U als derde verhaal nog een vroolijke
+geschiedenis van de Johannisberger monniken meedeelen. Eens, kwam
+onverwachts de hooge abt het klooster op den Johannisberg bezoeken,
+juist toen de rijpe druiven aan de stokken hingen. De eerwaarde abt
+vroeg met belangstelling naar alles, betoonde zijn ingenomenheid
+met de levenswijze der brave monniken, en noodigde eindelijk, als
+blijk van zijn welwillendheid, het geheele convent uit met hem een
+avonddrank te gebruiken.
+
+"De wijn vroolijkt het hart der menschen op!"
+
+Met deze spreuk van den vromen koning David begon de abt zijn rede
+en vervolgde: "Gods milde hand zal uwe wijnstokken ook den volgenden
+herfst zegenen. Laat ons daarom, waarde Broeders, eenige flesschen uit
+het groote vat met matigheid op waardige wijze ledigen. Doch neemt,
+voordat we ons aan Gods edele gaven laven uw getijdenboek en laat
+ons met een kort gebed beginnen.'"
+
+"Getijdenboek?" gaat het fluisterend door den kring en de oogjes in
+de welgedane, waardige gezichten flikkeren van hulpelooze verlegenheid.
+
+"Ja, het getijdenboek!" Het door strenge lijnen doorploegde gelaat
+van den verstandigen abt beschouwt zwijgend de broeders. Zij zoeken,
+zoeken steeds voort.
+
+Gelijdelijk verdwijnen de rimpels van het aangezicht van den abt en
+speelt daar zelfs niet een onmerkbaar lachje op het vervallen gelaat?
+
+"Houdt nu op met zoeken en laat ons drinken! Gemoedelijk ontneemt
+hij den broeder, bottelier de bestoven flesch. Bij God, ik had den
+kurketrekker hier aan den Rijn wel mogen meebrengen. Schertsend zegt
+de vriendelijke heer dit, nadat hij zijn zakken doorzocht heeft.
+
+"Een kurketrekker?" In een oogwenk voelt ieder in zijn zakken en voor
+de oogen van den waardigen abt verschijnen evenveel kurketrekkers
+als broeders om hem heen staan.
+
+Toen kwam er een glans van vergenoegen op het waardige gelaat van den
+abt: "Bravo vrome Heeren. Welk een rijke zegen aan kurketrekkers. Doch
+laat het u niet verlegen maken en den dag van heden bederven. Morgen
+echter ---- maar laten wij denken evenals koning David."
+
+
+
+Ingelheim
+
+
+Eginhard en Emma.
+
+I.
+
+Het is een oude treffende geschiedenis, die ik U zal vertellen, waarde
+lezer, die bij de andere voorheeft, dat ze een greintje historische
+waarheid bevat.
+
+In Ingelheim, een mooi stadje in den met druivengezegenden "Rheingau"
+verhief zich eens een trotsch marmeren paleis, de lievelings
+verblijfplaats van Karel, den Grooten. In deze heerlijke eenzaamheid,
+ver van de wereld, trok de groote keizer der Franken zich dikwijls
+terug. Slechts zijn trouwe dienaren en familieleden vergezelden
+hem. Onder de uitverkorenen ontbrak nooit Eginhard, secretaris
+des keizers. Hoewel hij nog jong was, zoo toch stond hij door zijn
+omvangrijke kennis in hoog aanzien bij Karel en verheugde zich in
+de bijzondere gunst van zijn gebieder. De vlijtige geleerde, wiens
+ernstig, zacht jongelingsgezicht dubbel afstak bij de schaar stoere
+krijgslieden, behaagde de vrouwen aan het keizerlijke hof niet minder.
+
+Karel had den geheimschrijver in zijn familie ingeleid en hem
+opgedragen zijn lievelingsdochter Emma, die toen bekend stond als
+de schoonste dame van haar tijd, te onderwijzen. Zij was de dochter
+van Chismonda. Uit haar oogen, die donker als de vleugels van de
+raaf waren, sprak het bloed van haar Italiaansche moeder. Spoedig
+ontvlamde het hart van den jongen leeraar door de gloedvolle blikken
+van de zuidelijke schoone en de schrijf, en leeslessen veranderden
+in vertrouwelijke minne uurtjes.
+
+II.
+
+Elk van hen beminde en werd wederbemind.
+
+Het was hun eerste liefde.
+
+Had Karel de Groote zulk een afloop slechts kunnen gissen, toen hij
+het dochtertje met de gloedvolle fluweelen oogen aan de zorg van den
+jongen geleerde met het meisjesachtige gezicht toevertrouwde. Had
+hij zulks kunnen gissen.
+
+In het doodstil nachtelijk uur als iedereen sliep, sloop Eginhard in
+het vertrek van zijn geliefde. Dan luisterde de dochter van Karel den
+Grooten naar de zoete vleierijen van den dichterlijken geleerde. Zij
+voer onder de betoovering der liefde met hem op een zee van zalige
+verwachting, welks klippen haar jeugdige onbezonnenheid niet zag.
+
+Eginhard bezat een vurig hart, maar toch was de vlam zijner liefde
+voor de dochter van zijn heer rein, als het licht der sterren; geen
+toomelooze lage hartstocht verduisterde haar kuischen glans.
+
+Maar het lot was niet met hen.
+
+Op een herfstnacht bevond Eginhard zich weder bij zijn geliefde. Het
+groote paleis was in duister gehuld. Geen ster was er aan den hemel,
+die het geluk der minnenden kon verraden. De uren der liefde gaan snel
+voorbij. Op het oogenblik, dat Eginhard het vertrek verlaten wilde,
+bemerkte hij, dat een sneeuwkleed beneden de plaats overdekt had.
+
+Het was onmogelijk haar te overschrijden zonder voetstappen achter
+te laten. En toch moest hij zijn kamer aan de overzijde bereiken. Wat
+nu te doen?
+
+De liefde is vindingrijk.
+
+Na kort nadenken kwamen beiden tot het besluit, dat later tallooze
+dichters bezongen hebben. (Was ik dichter, dan zou ik het ook
+doen.) Het teedere meisje nam de geliefde op den rug en ging met hem,
+de witte plaats over. In de schitterende sneeuw teekenden zich de
+sporen van twee allerliefste voetjes af.
+
+Karel de Groote was op dit uur nog wakker. Drukkende zorgen over zijn
+reusachtig rijk verdreven hem den slaap. Hij leunde aan het venster en
+keek, ernstig voor zich uit in den duisteren nacht. Daar zag hij een
+schaduw over de plaats glijden. Hij boog zich voorover en zag Emma,
+zijn meest geliefde dochter, die op den rug--Karel opende wijder de
+oogen--een man droeg, en deze man--een zachte kreet kwam over Karels
+lippen--was Eginhard, zijn gunsteling. In het gemoed des keizers
+streden smart en woede met elkaar. Hij wilde naar beneden snellen om de
+ongelukkigen te dooden, maar hij bedwong zich, want de schande zou te
+groot geweest zijn, indien de dochter des keizers op haar liefdetocht
+met den schrijver door den gebieder over milioenen overvallen werd.
+
+Een diepe zucht steeg uit zijn breede borst op. Hij trad achteruit
+in zijn kamer en de kleine vlokken, die om de ruiten dwarrelden,
+zagen nog lang zijn door smart verwrongen gelaat.
+
+III.
+
+Den volgenden morgen riep Karel de Groote de wijze raadsleden
+bijeen. De oude getrouwen ontstelden bij zijn aanblik. Rimpels
+doorploegden zijn voorhoofd en verdriet lag op zijn afgematte trekken
+te lezen. Vooral Eginhard, die een voorgevoel had van wat er komen
+zou, beschouwde zijn gebieder met schuwe blikken. Karel verhief zich
+en sprak: "Wat verdient een koninklijke princes, die 's nachts een
+man in haar vertrekken ontvangt?"
+
+De raadsheeren keken elkaar sprakeloos aan. Eginhards gelaat werd
+bleek als van een doode. De aanhangers des keizers zochten niet lang
+naar den naam van deze vorstendochter.
+
+Verlegen beraadslaagden zij een tijdlang, toen nam een van hen
+het woord:
+
+"Majesteit, voor misdrijven door de liefde begaan wordt de zwakke
+vrouw nooit gestraft."
+
+"En wat verdient een gunsteling des keizers, die 's nachts in de
+vertrekken van een koninklijke princes sluipt?"
+
+Met fonkelende oogen wendde de ijzeren Karel zich tot zijn
+secretaris. Eginhard beefde eenigszins en zijn meisjesachtig gezicht
+werd nog bleeker. Verloren! mompelde hij. Toen zeide hij, terwijl
+hij zich fier oprichtte:
+
+"Den dood, mijn Heer en Keizer!"
+
+Karel de Groote beschouwde den jongeling met bewondering. Bij deze
+zelfaanklacht en innig berouw smolt de toorn in zijn binnenste en
+maakte plaats voor zachtere gevoelens. Eenige oogenblikken later gaf de
+keizer den raadsleden hun afscheid. Eginhard wenkte hij, hem te volgen.
+
+Zwijgend ging Karel hem voor in zijn studeerkamer, daar werd de tweede
+deur geopend en Emma, door haar vader geroepen, trad binnen. Zij
+begreep dadelijk alles en met een doordringenden smartkreet viel zij
+voor haar vader op de knieën.
+
+"Genade, genade, vader! Wij beminden elkaar zoo innig!" En de groote
+omfloersde oogen keken smeekend omhoog.
+
+"Genade!" mompelde ook Eginhard en boog de knie.
+
+De keizer bleef eerst zwijgen. Toen begon hij te spreken, eerst streng
+en ernstig, doch geleidelijk, door het snikken van zijn innig geliefd
+kind, werden zijn woorden zachter.
+
+"Daar gij elkaar bemint--hij legde bijzonder den klemtoon op dit
+woord--wil ik u niet scheiden. Een priester zal u vereenigen en
+voordat de volgende morgen aanbreekt, zijt gij van hier vertrokken."
+
+De deur sloot zich achter hem.
+
+Door smart overweldigd, den inhoud van het gesprek slechts half
+begrijpende, knielde het schoone meisje terneder. Een zachte stem
+deed haar opschrikken. Teeder trok Eginhard haar aan zijn borst.
+
+"Ween niet, geliefde," fluisterde hij, "door dat je vader, mijn
+gebieder je van zich stiet, heeft hij ons voor eeuwig vereenigd."
+
+Heviger vloeiden haar tranen.
+
+"Kom," ging hij bewogen voort, "de liefde zal ons geleiden."
+
+Den volgenden morgen verlieten twee jeugdige pelgrims het slot te
+Ingelheim en begaven zich in de richting van Mainz.
+
+IV.
+
+Jaren zijn verstreken.
+
+Karel de Groote heeft in Saksen overwinningen behaald en ook de
+Romeinsche kroon verworven, zoodat zijn roem wijd en zijd verkondigd
+werd, maar niettegenstaande dat is zijn haar vergrijsd en zijn gelaat
+verouderd. Een aandoenlijk schoon beeld leefde sedert jaren in zijn
+gedachten, en hij was niet bij machte dit te verbannen.
+
+'s Avonds wanneer de ondergaande zon in de marmeren zuilen van het
+koninklijk slot weerspiegelden en haar laatste stralen hun gouden
+schijnsel in het hooge vertrek van den beheerscher der Franken wierpen,
+dan zagen zij hem dikwijls onbeweeglijk op zijn rijk gebeeldhouwden
+stoel zitten, het diepdenkende hoofd in de handen verborgen.
+
+De keizer was in treurig gepeins verzonken. Hij dacht aan
+vervlogen dagen. In zijn verbeelding zag hij een jongen man, wiens
+zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar
+stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke
+heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de
+keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het
+grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had,
+dan was er dikwijls een meisje met donkere oogen tegenwoordig geweest,
+de lievelingsdochter van Karel den Grooten.
+
+Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem
+van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan
+van ontroering.
+
+V.
+
+Jachtfanfares klonken door de eenzaamheid van het Odenwoud. Karel de
+Groote en zijn getrouwen beoefenen het edele jachtvermaak. De oude
+keizer, die overal vergetelheid zoekt heeft de speer ter hand genomen
+om de herten van het woud te treffen.
+
+Hij heeft zich van zijn begeleiders afgezonderd en vervolgt juist een
+trotsch hert met zestienpuntig gewei. De zon staat reeds hoog aan
+den hemel als het vervolgde dier de richting van den Main uitsnelt
+welks water door de takken glinstert. Hij ontdekt den vloed, staat een
+oogenblik onthutst stil, maar stort zich dan, door de nabijheid van
+den vervolger opgejaagd, in de rivier, welks overkant hij zwemmende
+bereikt. De keizer verschijnt en staat uitgeput aan den oever. Nu
+eerst bemerkt hij, dat de avond hem onmerkbaar overvallen, en de
+streek, waarin hij zich bevindt, hem geheel onbekend is.
+
+Voor zich heeft hij den vloed, achter zich het woud. De eerste sterren
+schitteren reeds aan den hemel. Tevergeefs zoekt Karel den rechten
+weg langs de rivier te vinden. Het woud, dat hij zooeven doorsneden
+heeft, schijnt nu ondoordringbaar. Volslagen duisternis omgeeft hem.
+
+Daar schittert onverwachts een licht in de verte. De keizer ziet
+het en richt met blijde verrassing zijn schreden daarheen. Vlak bij
+den oever ontdekt hij een hutje. Door het verlichte venster ziet de
+koninklijke bespieder een armoedig vertrek.
+
+Wellicht is dit de kluis van een vroom man, denkt hij en klopt aan
+de deur. Een man met blonden baard verschijnt. De keizer deelt,
+zonder zich bekend te maken, mede in welk een verlegenheid hij zich
+bevindt en vraagt huisvesting voor den nacht. Bij den klank zijner
+stem ontroert de man hevig. Hij laat den keizer binnentreden. Een
+jonge vrouw zit op een laag stoeltje en wiegt een kind op haar
+knieën. Als zij den keizer ziet, glinstert haar donker oog en wordt
+haar gelaat wit als marmer. Snel begeeft ze zich in de aangrenzende
+ruimte om haar snikken te verbergen. Karel neemt plaats en steunt,
+terwijl hij iedere verfrissching, die zijn gastheer hem aanbiedt,
+weigert, het moede hoofd in de handen.
+
+Minuten verstrijken.
+
+Slaapt hij?
+
+Neen, hij is in treurig gepeins verzonken.
+
+Hij denkt aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding ziet hij een jongen
+man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij
+de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de
+heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen,
+die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit
+het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven
+had, dan was er dikwijls een jong meisje met donkere oogen tegenwoordig
+geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten. Tegen vaders
+knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer
+en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.
+
+De keizer slaakte een diepen zucht.
+
+Een zilveren kinderstem deed hem uit zijn overpeinzingen
+opschrikken. Een meisje van ongeveer vijf jaar, meer op een engel
+dan op een aardsch wezen gelijkend, naderde hem bedeesd en bracht
+den vreemden gast den nachtgroet van haar moeder. Getroffen keek de
+keizer op het kindje neer, dat hem het witte handje toestak. Dubbel
+bekoorlijk kwam de onschuldige schoonheid in de schramele omgeving uit:
+een pastelteekening in een donkere lijst.
+
+"Hoe heet je, kleine?" vroeg de keizer.
+
+"Emma," antwoordde het kind.
+
+"Emma!" herhaalde Karel en een traan gleed over zijn wangen. Hij
+trok het engelachtige kind naar zich toe en drukte een kus op haar
+rein voorhoofd.
+
+Toen hoorde men gedruisch. Aan de voeten van den keizer lagen de
+man met den blonden baard en de jonge vrouw en smeekten snikkend
+om vergeving.
+
+"Emma, Eginhard!" roept Karel met trillende stem en omarmt hen
+weenend. "Gezegend zij de plaats, waar ik u weergevonden heb!" Boven
+de eenzame hut zweeft de engel des vredes.
+
+VI.
+
+Emma en Eginhard keeren met veel praal aan het hof van den keizer
+terug. Karel schonk hun het prachtige slot te Ingelheim, en gevoelde
+zich door het bijzijn zijner kinderen veel jeugdiger. Op de plaats,
+waar hij hen wedergevonden had, liet hij een klooster oprichten en
+later ontstond daar een stad, tot op heden Seligenstadt (d.i. stad
+der zaligen) genaamd.
+
+In de kerk te Seligenstadt bevindt zich het graf van Eginhard en
+Emma. Volgens hun wensch werd hun stoffelijk overschot in dezelfde
+sarcophaag bijgezet.
+
+
+
+Rüdesheim
+
+
+De Brömserburg
+
+In den hoogen Dom te Speyer stonden duizenden mannen in ridderlijke
+wapenrusting te luisteren. Aan het altaar zat Koenraad de Staufe in
+den koningsstoel, de handen op het gevest van zijn zwaard gevouwen,
+luisterende naar de geestdriftige redevoering van Bernard van
+Clairvaux over de gruwelijke verwoesting van de heilige plaatsen van
+het beloofde land. Toen de heilige monnik zijn rede eindigde met op
+indrukwekkende wijze een beroep te doen op den moed der belijders
+van den christelijken godsdienst, weerklonk door de gewelven van
+den Dom uit duizenden monden tegelijk als ware het één kreet: "Op,
+naar Jerusalem!"
+
+Ontelbare ridders boden den vromen keizer in den kruistocht tegen de
+heidenen hun diensten aan. En onder hen bevond zich ook Hans Brömser,
+heer van de Niederburg bij Rüdesheim, de laatste afstammeling van
+zijn geslacht. Niets weerhield hem; zijn gemalin rustte onder de
+aarde, en de eenige telg uit hun huwelijk Mechtilde zou den vader
+onder de hoede van de naburige familie Falkenstein evenmin missen,
+als hij dit het aankomende meisje in het Syrische land zou doen.
+
+Zoo trokken de vrome strijders naar de moeilijke wegen van dat land,
+waar onze Heer geleefd en geleden heeft. De oogen van vele edellieden
+zijn daar in den strijd tegen de Saracenen voor eeuwig gesloten;
+velen trof een nog treuriger lot, zij waren levend dood, daar zij vol
+smaad in de gevangenissen der ongeloovigen versmachtten. Ook ridder
+Brömser viel, na een verloren slag, in handen der Turken en zat in
+een afschuwelijken onderaardschen kerker gevangen. Gelijk een dier
+liet de pacha den ridderlijken vijand een molensteen in beweging
+houden. Dag op dag verging, en met steeds heviger smart verdroeg de
+ridder den smaad zijner vijanden. Toen legde hij in een uur van de
+bitterste wanhoop voor den Heer de volgende plechtige belofte af:
+"Schenk mij de vrijheid weer en ik beloof u, dat mijn eenig kind
+Mechtilde den sluier aan zal nemen."
+
+En hij herhaalde den heiligen eed nog eens en ten derde male.
+
+Toen gebeurde, wat geen der wapendragers ooit had durven hopen: De
+dappere kruisvaarders bestormden het Turksche slot in de zandwoestijn
+te Syrië en bevrijdden hun geloofsgenooten uit de vernederende
+gevangenschap. Uit dankbaarheid jegens God leende Hans Brömser zich op
+nieuw voor de heilige zaak. Toen keerde hij terug naar het vaderland
+aan den Rijn.
+
+Op het met mos begroeide slotplein omhelsde Mechtilde hem lang en
+zwijgend. Naast de zeventienjarige stond de jonker van Falkenstein, die
+zich diep voor den teruggekomen heer boog en hem zacht begroette met
+de woorden: "Welkom, vader!" Toen kwam er plotseling een herinnering
+bij den ridder op, die de vreugde van het weerzien vergalde.
+
+In de rijk versierde staatsiezaal vierde Hans Brömser, omringd
+door zijn getrouwen, zijn gelukkigen terugkeer. Luide loftuitingen
+weerklonken in den kring der kruisvaarders; iedereen luisterde, toen
+de gevaren, die de helden doorleefd hadden, verhaald werden. Hoe hij
+voor het geloof gestreden en in gevangenschap der heidenen geleden had,
+vertelde de ridder met geestdrift aan de luisterende schaar.
+
+Daarop liet hij zijn stem dalen, en met plechtige woorden deelde Hans
+Brömser de verzamelde menigte zijn belofte mede, die hij in het heilige
+land in de grootste wanhoop afgelegd had. Toen weerklonk een gil door
+het ruime vertrek en het dochtertje van den ridder, nog witter dan
+het tafellaken, zonk bewusteloos ter aarde. De jonker van Falkenstein
+verhief zich met vlammende oogen en roode wangen, en sprak met vaste
+stem: "Mechtilde behoort mij, ze heeft in een plechtig uur beloofd,
+mij voor eeuwig te zullen toebehooren!"
+
+Met gefronst voorhoofd legde de burchtheer de fluisterende gasten het
+zwijgen op: "Mechtilde behoort den hemel toe en niet jou, knaap. Dezen
+eed deed de laatste Brömser en hij zal hem ook houden!" Met ingehouden
+toorn riep de ridder dit uit en in bedrukte stemming gingen de
+gasten uiteen.
+
+Mechtilde lag in woeste smart in haar kamer. Flikkerend wierp de
+kleine lamp aan het crucifix haar schijnsel op de liggende, die de
+voortkruipende uren van den nacht in liefdesmart doorbracht. De met
+tapijten behangen muren, van het in schemerlicht gehulde vertrek,
+leken het jonge meisje drukkende kerkermuren.
+
+Zij ijlde, met het lichtje in de bevende hand, den hoogen wenteltrap
+op naar den zolder en vertrouwde het harde leed van haar jonge ziel
+den kalmeerenden nacht toe.
+
+Geleund tegen een der schietgaten in den muur, staarde zij naar de
+tegenovergelegen Felsenburg waar de welgemoede minnaar, aan wien ze
+zich voor eeuwig verbonden had, vertoefde.
+
+"Geliefde!" klonk het snikkend in den nacht. Aan den hemel waren
+geen sterren: een ruwe herfststorm begeleidde den hartestorm van de
+jonkvrouw en blies plotseling met een hevigen rukwind om de vesting.
+
+Toen weerklonk er een gil, kort en schel. Was het de loeiende wind of
+een menschelijke kreet? In de stilte van den nacht stierf hij weg. Van
+het hoogste punt van de Brömserburg stortte het lichaam eener vrouw
+in de af grijselijke diepte en werd door het stroomende water van
+den Rijn verzwolgen.
+
+Een prachtige herfstmorgen volgde op den stormachtigen
+nacht. Tevergeefs zocht men boven in de Brömserburg naar Mechtilde,
+het dochtertje van den burchtheer. Beneden echter hebben ze in alle
+vroegte een meisje uit het water gevischt, waarvan de oogen reeds
+gebroken waren. Een sombere stoet bewoog zich toen naar den burcht,
+waar de smartkreten van velen weerklonken over de vroeg geknakte bloem,
+de laatste spruit van den Brömserstam. Hans Brömser heeft zich op het
+lijk geworpen en zijn gebaard gezicht lang en zwijgend in de plooien
+van het sneeuwwitte gewaad verborgen. Geen traan hing aan zijn wimpers.
+
+Voor de zielsrust van de dochter, die den sluier niet wilde aannemen,
+legde hij in de grootste treurigheid opnieuw een belofde af; hij zou
+een kerkje laten bouwen op den heuvel tegenover zijn vesting. Toen
+heeft hij zich in zijn vertrek opgesloten en in droevig gepeins de
+verdere dagen doorgebracht, totdat frisch groen op het graf van zijn
+onzalig kind ontlook.
+
+Sedert dien tijd zijn er maanden verstreken, maar nog is er niet aan de
+beloofde boetkapel begonnen. Verbitterd heeft Hans Brömser zich steeds
+meer van de wereld afgezonderd en zich in de treurige eenzaamheid
+teruggetrokken. Toen is er eens een knecht met de beeltenis van de
+moeder Gods bij hem gekomen.
+
+Een stier had dit bij het ploegen op den heuvel tegenover den
+burcht opgeworpen, en de knecht heeft driemaal "Not Gottes!" hooren
+roepen. Toen heeft Hans Brömser zich zijn belofte herinnerd en
+terstond het kerkje, dat hij den Heer beloofd had, laten bouwen voor
+de zielsrust van Mechtilde. "Not Gottes" heeft hij het genoemd en
+zoo heet het nog heden.
+
+
+
+Bingen
+
+
+De Muizentoren
+
+Onder Bingen ligt midden in den vloed op een eenzaam eiland een vesting
+in den vorm van een toren, de Muizentoren genaamd. Sedert eeuwen is
+hieraan de naam van een aartsbisschop uit Mainz op sornbere wijze
+verbonden. In de sage wordt deze slechte Hatto van een vreeselijke
+misdaad aangeklaagd, waardoor hij in de heele Rijnstreek en nog veel
+verder veroordeeld is geworden.
+
+Een eerzuchtig, harte- en trouweloos mensch moet hij geweest zijn,
+een wreed heer voor zijn onderhoorigen. Hooge belastingen perste hij
+hun af, liet hen tol betalen en verzon tallooze belastingen om aan zijn
+heersch- en pronkzucht te voldoen. Tusschen Bingen en Rüdesheim liet
+hij in den Rijn den stevigen toren bouwen en hief van alle schepen,
+die stroomaf voeren, tol.
+
+Spoedig daarop was de oogst in het land van den Main mislukt.
+
+Droogte en hagel vernielden het toch reeds schaarsche graan en de
+duurte van levensmiddelen werd nog vermeerderd, daar de aartsbisschop
+Hatto groote hoeveelheden graan opgedaan en op zijn zolder afgesloten
+had. De hongersnood was spoedig verschrikkelijk; maar de ongelukkigen
+smeekten den wreeden heer tevergeefs, den prijs van het graan, dat hij
+op zijn zolders had, te laten dalen. Wel drongen zijn raadslieden er
+op aan, dat hij medelijden met de ongelukkigen zou hebben, maar Hatto
+bleef ongeroerd, en toen de stijgende ellende en de hardvochtigheid
+van den gebieder verbittering te weeg brachten en oproerige stemmen
+zich onder het volk, dat zoo zwaar beproefd was, deden hooren, zette
+Hatto de kroon op zijn wreedaardige handelwijze.
+
+Eens drong een bedelende menigte jammerend in het aartsbisschoppelijk
+paleis en smeekte den aartsbisschop, die juist aan zijn overdadigen
+maaltijd zat, om voedsel.
+
+Hij had juist tot zijn dischgenooten op knorrigen toon gezegd, dat het
+beter zou zijn als dat ellendige volk op de een of andere manier van
+de wereld verdween; dan zou het van alle zorgen verlost zijn en ook
+hij zou dan niet meer door hen lastig gevallen worden. Toen nu de in
+lompen gehulde menigte, mannen, vrouwen en kinderen met holle oogen
+en bleeke gezichten voor hem neervielen en om brood schreeuwden,
+kwam er plotseling een flikkering in zijn oogen. Hij wenkte hen
+met gehuichelde welwillendheid, beloofde hun koren en liet hen in
+een schuur voor de stad brengen, alwaar ze zooveel graan zouden
+krijgen als ze noodig hadden. Vol blijdschap en van dank vervuld,
+ijlden de ongelukkigen weg; toen zij echter allen in de schuur waren,
+liet Hatto de deur sluiten en de schuur aansteken.
+
+Vreeselijk was het gekerm van de ongelukkigen. Tot aan het paleis van
+den bisschop moet het geschreeuw doorgedrongen zijn. De wreede Hatto
+riep echter spottend tot zijn getrouwen: "Hoort hoe de korenmuizen
+piepen? Nu is het gebedel uit. De muisjes zullen mij bijten, als het
+niet waar is."
+
+Verschrikkelijk echter trof hem de straf des hemels. Uit de brandende
+schuur slopen duizenden muizen naar het paleis, vulden alle vertrekken
+en vielen zelfs den aartsbisschop aan. In ontelbare scharen sprongen
+zij door zijn kamers, en hoewel zijn bedienden tallooze gulzige
+knagers verdelgden, zoo toch werd hun aantal steeds grooter en hun
+vraatzucht steeds heviger. Afgrijzen vervulde den aartsbisschop,
+en daar hij een voorgevoel van Gods oordeel had, ontvluchtte hij per
+schip de stad om zich aan de woedende beten van zijn vervolgers te
+onttrekken. Maar de onverdelgbare schaar zwom hem in legioenen na,
+en toen hij vol vertwijfeling den toltoren bereikte, meenende in de,
+door water omgeven, vesting veilig te zijn, vervolgde het grijze
+muizenleger hem ook hierheen, knaagde met de scherpe tanden een
+toegang tot den toren en bereikte spoedig hem, dien het vervolgde.
+
+Hij heeft ook het onderspit gedolven, de afschuwelijke. Eindelijk
+moet hij vol wanhoop zijn ziel aan den duivel beloofd hebben indien
+deze zijn lichaam verloste, en de duivel moet in het helsche vuur
+tusschenbeide gekomen zijn, het schokkende lichaam bevrijd hebben en
+de ziel op den derden dag voor zich genomen hebben.
+
+
+
+
+
+Dit deelt de sage mede. Maar zachter oordeelt haar zuster, de
+geschiedenis, over Hatto, den strengen aartsbisschop van Mainz. Zij
+laakt slechts een ding in hem: zijn heerschzucht. Hierdoor verkreeg
+de Mainzer zetel die wereldlijke macht, waardoor hij later de
+eerste bisschopsplaats van het rijk werd. Al vonden de burgers van
+Mainz dit niet onaangenaam, zoo toch was de trotsche, despotische
+geest van hem, die haar verworven had, zeer gehaat, en daar hij
+bovendien den slottoren in de rivier had laten bouwen, van waar
+uit hij alle voorbijvarende schepen voor de belasting onderzoeken
+liet--doorsnuffelen, "müsen" zeiden de Duitsche voorvaderen en zegt
+de "Rhein-lander" nog heden--zoo mag deze Muizentoren, waarbij ook
+nog de haat van een onderdrukt volk kwam, deze vreeselijke sage in
+omloop gebracht hebben.
+
+
+
+Aszmannshausen
+
+
+De Klemenskapel
+
+Een treurige geschiedenis is er aan de stichting van de Klemenskerk
+verbonden, die meer stroomafwaarts dan de burcht Rheinstein aan den
+oever van den Rijn ligt. Eerst in den lateren tijd is zij door de
+milde hand van de burchtvrouw van Rheinstein op nieuw verrezen.
+
+Het was ongeveer in den tijd waarop door de flinke regeering van
+Rudolf van Habsburg een einde gemaakt werd aan de buitensporigheden
+der roofridders, die vooral in den keizerloozen tijd aan den Rijn
+zeer huisgehouden hadden. De roofridders beantwoordden met openlijken
+hoon de ernstige waarschuwingen des keizers, en meer dan ooit voerden
+ze op den smallen straatweg, die zich aan den Bovenrijn tusschen de
+rotsen en de rivier uitstrekt, hun roofachtig bedrijf uit.
+
+Daar verscheen de vertoornde keizer zelf met een sterke macht en hield
+een vreeselijk strafgericht onder de adellijke roovers. Als schurftige
+honden wilde hij hen en hun geheelen aanhang uitroeien. Hiermede had
+hij de bespotters van den heiligen landvrede gedreigd, en hij voerde
+zijn bedreiging uit. Brandende burchten waren zijn wegwijzers aan den
+Bovenrijn. De bewoners van het dal zagen met ontzetting de vlammen
+uit de vestingen van de Reichensteiners, Sooneckers, Heimburgers en
+andere gevreesde roofridders opstijgen, en talrijke leden van adellijke
+geslachten werden door den strop van den beul ter dood gebracht. Toen
+hoorde men menigen schoonen mond jammeren en weeklagen over de strenge
+rechtvaardigheid van den keizer. Door de vreedzame kooplieden echter
+werd zij vol dankbaarheid geprezen.
+
+Voor de overblijvenden waren de lichamen van huns gelijken, die
+stuiptrekkende aan de boomen langs de rivier hingen een vreeselijke
+waarschuwing.
+
+Schuwe gestalten zijn toen, beschermd door de duisternis van den
+nacht, naar de gerechtsplaats geslopen; vol droefheid hebben de
+betrekkingen van de ter dood veroordeelden de lijken afgenomen,
+om ze voor smadelijke vernietiging te bewaren. Heimelijk werden
+de ongelukkigen in gewijde aarde begraven. Maar de gedachte aan
+een vergelding hiernamaals liet de achterblijvenden geen rust; want
+menigeen, die zulk een smadelijken dood gestorven was, had zijn wapen
+met het bloed zijns naasten bevlekt.
+
+Men heeft dus op raad van een verstandig, vroom dienaar Gods het hout
+van de boomen genomen, waaraan zij gehangen hadden, en een boetkapel
+gebouwd op de eenzame gerechtsplaats aan den Rijn. Ook van de rookende
+puinhoopen der afgebrande burchten heeft men steenen genomen voor het
+boetehuis bij Aszmannshausen evenals voor de hut van den beschermer,
+den kluizenaar.
+
+Toen de dag aanbrak, waarop zich voor de eerste maal het woord van den
+priester aan het altaar zou doen hooren, zijn er booten met dooden
+en treurenden stroomop en afwaarts gevaren--in het schip der kerk
+hebben zij de lijkkisten neergezet--en met plechtige woorden heeft
+de aartsbisschop van Mainz de dooden van hun zonden ontheven en de
+armezondaarskerk haar bestemming doen bereiken. Daarop heeft men de
+nu gezegende lijken ten tweede male in het gemeenschappelijke graf
+ter aarde besteld. Vele tranen moeten er toen in de nieuw gewijde
+kerk gestort zijn.
+
+Dit had plaats in het einde der dertiende eeuw. Eeuwen achtereen hebben
+de geloovigen en de priesters in dit kerkje bij Aszmannshausen voor
+de arme zielen der veroordeelden gebeden.
+
+Boven in de burchten zijn ondertusschen vele geslachten uitgestorven,
+de trotsche burchten zijn vervallen en beneden zijn veelbewogen tijden
+voorbijgegaan. En de tand des tijds, die boven aan de burchten knaagde,
+is ook beneden aan het kerkje zijn verwoestingswerk begonnen, heeft
+het dak vernietigd en de muren afgebrokkeld.
+
+In lateren tijd is er weer een kerkje in de plaats der ruïne ontstaan,
+en evenals voor zeshonderd jaar klinkt het woord van den priester
+weer aan het altaar van de Klemenskerk.
+
+
+
+Rheinstein
+
+
+Het huwelijksaanzoek
+
+Op Rheinstein heeft een ridder gewoond, die buitengewoon strijdlustig
+was. Hij heette Diethelm. Van een rooftocht had hij eens als buit
+een mooi meisje, Jutta genaamd, mede naar huis gebracht. Evenals
+teedere klimop zich om den knoestigen eik slingert en zijn ruwen bast
+in glanzend fluweel verandert, zoo ook heeft deze jonkvrouw met haar
+vrouwelijk karakter uit den ruwen krijgsman na jaar en dag een braaf
+ridder gemaakt, die afstand deed van rooftochten en feestgelagen en
+de schoone Jutta, als belooning voor haar deugd en lieftalligheid,
+de hand reikte.
+
+De eerste vrucht der jonge liefde kostte de teedere moeder het leven;
+maar Gerda, het evenbeeld der afgestorvene, groeide op tot een
+volmaakte schoonheid, zoodat vroegtijdig de minnaars van heinde en
+ver kwamen, en het aankomende meisje tot echtgenoote begeerden. Maar
+de ridder van Rheinstein was zeer lastig in zijn keus omtrent een
+pretendent en menigeen trok bedroefd, met een weigerend antwoord af.
+
+Een was er echter, dien het meisje en ook de oude heer gaarne
+mochten lijden. Hij heette Helmbrecht en was de oudste afstammeling
+op Sternburg. Het was den jongeling gelukt het hart der jonkvrouw
+te veroveren, en eens, toen hij voor de tournooispelen op Rheinstein
+vertoefde, en Gerda met de met ringen versierde rechterhand de ridders
+op het burchtplein aanmoedigend den dank der vrouwen toezwaaide,
+deelde Helmbrecht haar zijn liefde mede. Eenige dagen daarna droeg
+hij, zooals de ridderlijke etiquette voorschreef, zijn oom Gunzelin
+von Reichenstein op zijn aanzoek over te brengen. Maar Gunzelin was
+niettegenstaande zijn rijperen leeftijd arglistig en valsch. In plaats
+van voor zijn neef, deed hij voor zich zelf aanzoek bij Gerda's vader,
+en deze aarzelde niet den ridder uit een oud geslacht met aanzienlijke
+goederen zijn jawoord te geven.
+
+Tot beider verbazing wilde de dochter van den rijken minnaar niets
+weten. Haar hart behoorde den neef, niet den oom. De toorn in het
+binnenste van graaf Diethelm groeide steeds aan, en door de hevige
+woede der laatste dagen, zwoer hij, dat de met goederen gezegende
+makker uit zijn jeugd zijn dochter zou bezitten, en dat de arme
+stakker von Sternburg haar nooit naar het altaar zou voeren.
+
+In haar stille kamer weende het troostelooze meisje hartverscheurend,
+maar haar tranen vermochten de ijskorst om het hart van den vader
+niet te doen smelten. Tevergeefs smeekte de in't geheim beminde
+bij den ouden heer toegelaten te worden, deze echter beriep zich op
+zijn ridderlijk woord, dat hij den heer von Reichenstein op handslag
+gegeven had.
+
+En zoo brak de dag aan, waarop Gunzelin met het meesmuilend welbehagen
+van een ouden wellusteling, wien in den herfst de liefelijke lente
+toelacht, de schoonste jonkvrouw van den Rijn in zijn trotschen burcht
+zou binnenleiden. Gerda, die het zachte karakter van haar overleden
+moeder bezat, had zich in het onvermijdelijke geschikt.
+
+Op een mooien zomermorgen begaf de bruidsstoet zich van de slotpoort
+van Rheinstein naar den nabij gelegen heuvel, waarop de Klemenskapel
+stond. Fanfares schetterden, bazuinen schalden. Op een sneeuwwitten
+telganger zit, het schoone hoofd treurig gebogen, de doodsbleeke
+bruid. Zij denkt aan den geliefde, die ver van haar is en even als
+zij door smart verteerd wordt. Daar vliegt opeens een zwerm gonzende
+paardenvliegen uit de struiken. Een daarvan steekt in den buik van
+het paard, dat de liefelijke vrouwenlast draagt, zoodat het dier,
+steigerend uit den bruidsstoet springt. De bruigom, op zijn prachtig
+opgetuigden hengst gezeten, springt moedig het schichtige paard na,
+maar daar de weg zoo smal is, doet hij een missprong en stort met zijn
+ros in de diepte. Stervend werd hij door de ontstelde bruiloftsgasten
+in den burcht gedragen.
+
+De oude Diethelm was bij de poging, om het paard zijner dochter tot
+staan te brengen, even ongelukkig geweest; het woedende dier had
+hem het scheenbeen gebroken en dienstvaardige bedienden droegen den
+steunenden grijsaard voorzichtig naar het slot terug.
+
+De heelmeester had de volgende weken, toen hij de gevolgen van een
+hevigen trap van het paard behandelde, geen gemakkelijke taak, bij
+den vloekenden burchtheer. Bij de eerst volgende kromming van den weg
+had zich echter een man voor het hollende paard geworpen, die het
+trillende dier tot staan gebracht en de bewustelooze bruid in zijn
+armen opgevangen had. Treurig gestemd, wilde hij, verborgen door de
+struiken, den bruidsstoet volgen en was zoodoende de redder geworden
+van haar, die alleen hem beminde. De heer van Rheinstein is, toen hij
+dezen afloop vernam, tot nadenken gekomen en heeft den geliefden zijn
+zegen gegeven. Hun stoffelijk overschot rust onder den steen voor het
+altaar van de Klemenskapel tegenover Aszmannshausen; burcht Rheinstein
+is hersteld en prijkt even schoon als weleer op de steile rotshelling.
+
+
+
+Falkenburg
+
+
+De Waldburg
+
+De steeds opgeruimde slotheer van Falkenburg was in den heiligen oorlog
+tegen de Turken in de heete steppen van Phrygië voor de heilige zaak
+gevallen. Zijn vrome weduwe bewoonde met haar eenig kind Dietlinde den
+vaderlijken burcht. Deze jonge dame was bijzonder lieftallig en had
+een aantrekkelijk karakter, zoodat er vele edellieden waren, die de
+allerliefste jonkvrouw van Falkenburg, die het prachtige vaderlijke
+slot mede ten huwelijk zou brengen, tot echtgenoote begeerden.
+
+Onder hen, die om de hand van het meisje dongen, was ook Guntram, een
+ridder uit een oud adellijk geslacht gesproten. Hij was de gelukkige
+veroveraar van Dietlindes hart.
+
+Daar hij ook de moeder goed beviel, stond niets de vereeniging der
+beide geliefden in den weg. Onverwachts echter, toen alles reeds voor
+de bruiloft gereed was, kreeg Guntram een oproeping van den Paltsgraaf
+om in zijn residentie te komen. Daar kreeg de jonge ridder van zijn
+leenheer de eervolle opdracht zich met een gezantschap naar den hertog
+van Bourgondië te begeven.
+
+Met een beklemd hart onderwierp Guntram zich aan dit bevel, man dapper
+afscheid van de weenende bruid en aanvaardde zonder oponthoud de reis.
+
+Zoo snel, als ging hij op vleugelen, ving hij na verscheidene
+weken den terugtocht aan. Daar trof hem het ongeluk, dat hij op een
+onbegaanbare plaats in het bosch, van zijn gezelschap gescheiden werd
+en verdwaalde. Totdat de zon onderging zocht hij naar zijn geleiders
+zonder hun spoor weer te vinden. Na vele uren tevergeefs gezocht
+te hebben, ontdekte hij in de nachtelijke duisternis een licht, dat
+hem naar een eenzamen burcht in het woud leidde. Een grijsaard met
+zilveren haren heette hem welkom. Zacht waren zijn trekken, en de
+klank zijner stem evenals de uitdrukking zijner oogen waren treurig
+en vermoeid. Een rijkelijk maal sterkte den verdwaalden ridder, en
+een gemakkelijke rustplaats bood hem verkwikking voor het overige
+gedeelte van den nacht aan.
+
+Toen Guntram met een vroom Ave Maria en met de gedachten vol trouw aan
+zijn verre bruid de oogen sluiten wilde, klonk uit een aangrenzende
+kamer een zacht, welluidend, en tevens verlokkend gezang.
+
+Luisterende, hoorde de gast, dat een vrouwenmond een vurig minnelied
+zong. En de nieuwsgierigheid dreef hem, het wezen, te zien, dat
+aan den stillen nacht haar meisjesklachten toevertrouwde. Hij vond
+in de aangrenzende kamer een jonkvrouw, een zeldzaam bekoorlijk
+schepsel. Getroffen door zulk een vreemdsoortige vrouwelijke schoonheid
+sprak Guntram haar aan, die bij zijn binnentreden plotseling met
+zingen opgehouden had.
+
+Hij ontving geen antwoord op zijn woorden en toen hij zijn toespraak
+herhaalde, ontmoette hij den zwijgenden blik van twee vurige oogen.
+
+Toen hij naderbij komend voor de derde maal begon en teedere
+woorden van bewondering fluisterde, werd er plotseling, omgeven door
+verblindend licht, een marmeren plaat aan den muur zichtbaar, waarop
+in schitterend vlammenschrift de woorden stonden:
+
+
+ Musz dauernd schweigen;
+ Darf nicht mich zeigen.
+ Der Liebe Wesen
+ Kann mich erlösen.
+
+
+Met de hand wees de jonkvrouw daarop. En de booze betoovering der
+liefde, droeg Guntram als op vleugelen in het land der bedwelming. Hij
+vatte onstuimig de sneeuwwitte hand en drukte zijn lippen op den mond
+der minzaam glimlachende sirene. Op zijn knie gezeten, zong zij zacht
+met liefelijke stem smachtende liederen aan de liefde gewijd.
+
+Toen het twaalf uur sloeg, ontrukte zij zich uit zijn omarming en
+verdween. Een ring had zij in zijn hand achtergelaten. In zijn
+kamer teruggekeerd, las hij de daarop gegraveerde woorden: "Gij
+zijt de mijne." Opeens stond het luid kloppende hart van den ridder
+seconden lang stil, toen hij tot besef van zijn trouwelooze handelwijze
+kwam. De rest van den nacht bracht hij, geheel ontnuchterd in wakenden
+toestand door. Met een haastige, doch hartelijke dankbetuiging aan
+den ouden gastheer, verliet hij tegen het aanbreken van den morgen
+den eenzamen burcht. Geen blik wierp hij achter zich. Een vriendelijk
+herder geleidde hem naar den straatweg. Uit diens mond vernam Guntram,
+terwijl hij doodsbleek werd, het geheim van deze afgelegen Waldburg:
+
+De bejaarde ridder, die hem gastvrij ontvangen had, was eens de vader
+van een dochter, Gerlinde genaamd. Zij was zoo schoon als een engel,
+doch niet zoo braaf als een engel. Zij had van de vele minnaars,
+die om haar hart dongen, in zondige vermetelheid de meest ongehoorde
+daden geëischt, die hun allemaal het leven gekost hadden. Toen is er
+eens een troostelooze moeder van een van deze onzalige jongelingen
+voor het goddelooze meisje getreden en heeft de vloek des hemels over
+haar zondig hoofd afgesmeekt. En voordat het weer volle maan werd,
+haalde de dood 's nachts de jonkvrouw uit de Waldburg. Sedert dien
+tijd dwaalde haar geest in het slot rond, teneinde elken mannelijken
+gast door haar vroegere bekoring te betooveren. Slechts de man, die
+aan haar verzoeking weerstand kon bieden, kon haar verlossen. Wie
+zich daarentegen door haar verlokken liet, stierf binnen driemaal
+negen dagen. Toen Guntram, bleek van schrik, deze boodschap uit den
+mond van den herder vernomen had, reed hij ontsteld weg. Op Falkenburg
+verwachtte zijn kuische bruid hem vol verlangen. Op dringend verzoek
+van den bruigom werd de bruiloft op den volgenden dag bepaald. In de
+feestelijk versierde burchtkapel stond Guntram met de allerliefste
+dochter van den ridder van Falkenburg voor het altaar. Toen echter
+de priester beider handen in elkaar wilde leggen, trad, slechts
+zichtbaar voor den bruigom, de spookachtige jonkvrouw van de Waldburg
+tusschenbeide en legde haar ijskoude hand in de zijne. En Guntram zonk,
+van zijn zinnen beroofd, op den steenen vloer neer.
+
+Met teedere toewijding verzorgde de bekommerde bruid den geliefden
+man. Toen hij de oogen weer opsloeg, bekende hij haar berouwvol zijn
+wederwaardigheden op de Waldburg. Dietlinde's liefde was zoo groot,
+dat zij den berouwvollen geliefde alles vergaf. De priester werd
+nogmaals geroepen en verbond hen in den echt. En, nadat ze driemaal
+negen dagen van zalig geluk doorgebracht hadden, ging graaf Guntram
+liggen en ontsliep vol berusting in de armen van zijn trouwe gade.
+
+Dietlinde treurde aan de zijde harer moeder zeer om den verloren
+echtgenoot en bad veel voor de eeuwige rust van zijn ziel. Zij schonk
+het leven aan een zoon dien zij ook Guntram noemde. Zij voedde hem
+op in liefde voor zijn vader, dien hij nooit gekend had.
+
+
+
+Sooneck
+
+
+De blinde schutter
+
+Op het rotsnest Sooneck, viert Siebold, de vermetelste der roofachtige
+arenden van den Rijn een losbandig feest. Op de rustbanken in
+de staatsiezaal liggen lichtzinnige vrouwen met gekrulde haren en
+geblankette wangen in de armen van dronken feestgenooten. En terwijl de
+muzikanten speelden en gevulde wijnkannen het kostbare maal bespoelden,
+sprak de burchtheer met een door den drank verhit gelaat en glimmende
+dronkemansoogen aldus:
+
+"Veeledele vrouwen (hier bulkten de wellustige drinkebroers het uit)
+en veelvrouwige edelen! (brutaal gichelden de hetaeren.) Na spijs en
+drank genoten te hebben, zou de gastheer u gaarne zooveel mogelijk
+verstrooiing bezorgen. Ik zal u dus een gevreesd dier uit mijn kerker
+doen aanschouwen."
+
+Terwijl de vrouwen angstig in hun kussens wegdoken en de mannen
+vol verwachting den spreker aanzagen, gingen de deuren der zaal
+open. Door twee knechten geleid, schreed een man met verwaarloosde
+haren en baard in een harig gevangenisgewaad over den drempel. Een
+angstig gefluister deed zich onder de dischgenooten hooren, en aller
+blikken vestigden zich op het gerimpeld gelaat, waarin men achter de
+moe neergeslagen oogleden de ledige oogkassen ontwaardde. Weder begon
+de burchtheer op overmoedigen toon: "Aanminnige vrouwen en ridderlijke
+mannen! Eens was Hans Veit von Fürsteneck de beste schutter van den
+geheelen Rijn. Met hem vocht ik in een hevigen strijd op leven en
+dood. Hij dolf het onderspit."
+
+"Zonder helm, met gespleten schild en gebroken zwaard lag ik, uit
+dertien wonden bloedende, voor je en wachtte moedig den laatsten
+lanssteek af," mompelde de gevangene met een stem, die uit een graf
+scheen te komen. En angstig zwegen alle aanwezigen.
+
+"Ik had te veel medelijden met hem om hem dood te steken," riep Siebold
+von Sooneck lichtzinnig uit, "en daarom liet ik hem slechts de beide
+oogen uitsteken en plaatste de beste schutter van den Rijn bij mijn
+andere rariteiten."
+
+"Mijn uitgestoken oogen zien je spotternij," sprak de gevangene streng.
+
+"En toch heerscht er nog een ridderlijke geest op Sooneck," verklaarde
+de burchtheer.
+
+"Zoo hoor dan: mijn knechten hedden mij meegedeeld, dat gij, zelfs
+blind zijnde, in staat zijt een uw opgegeven mikpunt met den pijl
+te treffen. Indien gij hiervan het bewijs kunt leveren, dan is de
+vrijheid uw loon." Donderende bijvalsbetuigingen der gasten begeleidden
+deze woorden.
+
+"De dood zou mij aangenamer zijn dan het leven," mompelde de
+blinde. Toen verlangde hij, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat
+eensklaps veranderde, pijl en boog. In een hoek, tegen elkaar aan
+gedrukt, sloegen de gasten zijn bewegingen gade.
+
+De heer van Sooneck had een beker ter hand genomen en gelastte
+den gevangene op het geluid af op dat voorwerp te schieten. Met
+een zilveren klank valt in het volgend oogenblik een beker op den
+grond. "Schiet op nu," klinkt Siebolds stem--en een pijl treft hem
+doodelijk in den mond. Rochelend als een slachtdier zonk, de aan den
+dood overgeleverde, ter aarde. Zwijgend en stil met de oogholten
+gapend geopend, stond de blindgemaakte man daar, het verwilderde
+hoofd op de onstuimig ademende borst gebogen. Als een zwerm opgejaagde
+kraaien stoven de heeren en de bevallige vrouwen uit elkaar, en bij
+het verstijfde lijk van Siebold van Sooneck prevelden de knechten en
+edelknapen een stil gebed.
+
+
+
+Lorch
+
+
+De vrouw van den Wispermolenaar
+
+In den ouden tijd heeft in het woeste dal achter Lorch, dat
+de Wisperbeek doorstroomt, een molen gestaan. Eens, toen de
+molenaarsvrouw, een opgewonden jonge vrouw aan het werk was, moet
+haar een stem toegefluisterd hebben, dat ze naar den Kammerberg
+moest opstijgen en den schat halen, die in den toren verborgen lag;
+de sleutel bevond zich in de kist. De molenaarsvrouw keek verschrikt
+om, maar toen ze niemand zag, kwam ze tot de overtuiging, dat de een
+of andere onzichtbare grappenmaker haar voor den gek gehouden had. Den
+volgenden dag echter, toen zij aan de beek de wasch spoelde, fluisterde
+haar wederom een zachte stem in het oor: "Ga naar den Kammerberger
+toren en haal den schat. De sleutel ligt in de zwarte kist."
+
+Toen heeft de vrouw de wasch laten liggen, en haar man het
+tooversprookje, zooals zij het vernomen had, medegedeeld. Deze echter
+heeft haar voor een domme vrouw uitgemaakt en schertsend gezegd, dat
+in zijn meelkast een vertrouwbaarder schat lag, dan in de zwarte kist.
+
+De molenaarsvrouw kon de woorden, die haar ingefluisterd waren maar
+niet vergeten, en steeds heviger maande de verlokkende stem van het
+spreukje, totdat zij haar geheel in haar macht had.
+
+Den volgenden morgen, toen de molenaar uitgereden was om een lading
+meel naar Lorch te brengen, heeft zijn vrouw den molen verlaten,
+en is met haar jongste kind op den arm den weg naar den Kammerberg
+opgegaan. Toen zij boven aan de ruïne kwam, is het haar wel angstig
+te moede geworden, en was zij gaarne omgekeerd, maar wederom klonk de
+fluisterende stem aan haar oor, die haar mededeelde, dat haar niets
+deren zou, slechts spreken mocht ze geen syllabe. Wanneer ze zich
+hieraan hield, dan zou de schat haar eigendom zijn.
+
+Moedig is de vrouw toen het donkere torengewelf binnengetreden,
+heeft haar knaapje buiten voor den ingang neergezet en de zwarte
+kist opgezocht. Zij heeft haar ook gevonden, evenals den sleutel, die
+daarin lag. Hiermede heeft ze de grootere kist geopend, die achter in
+het gewelf stond en toen ze het zware eikenhouten deksel oplichtte,
+straalde haar een hoop schitterende goudstukken tegen.
+
+Met begeerige handen tastte de vrouw toe, opeens echter begon het
+knaapje angstig kermend: "Moeder, Moeder!" te roepen, want een slang
+ritselde naast hem in het met bloemen versierde gras. De vrouw wendde
+zich om en riep wrevelig uit: "Wat is er, jongen?" Op hetzelfde
+oogenblik ratelde een donderslag, die de gehurkt zittende vrouw op
+den grond wierp en vreeselijk weergalmde het nu door het gewelf:
+"Wee mij, dat gij gesproken hebt! Wederom moet ik honderd jaren
+onbevrijd blijven! Wee mij en u!"
+
+
+
+
+
+Tegen den middag is de molenaar teruggekomen en heeft de molen leeg
+gevonden. Zijn knecht heeft hem medegedeeld, dat de molenaarsvrouw
+'s morgens den Kammerberg opgegaan was, met haar jongste kind op den
+arm. Een droevig voorgevoel is bij den molenaar opgekomen en als ging
+hij op vleugelen is hij den Kammerberg opgesneld. Rustig was het in
+den ouden burcht. In het gras zat zijn knaapje te spelen en strekte
+juichend de armen naar den vader uit. Toen hij op het kind toesnelde,
+hoorde hij zacht kermen in de gewelven van den toren en toen hij ontzet
+naar binnen vloog, vond hij zijn vrouw op den grond uitgestrekt liggen.
+
+
+
+
+
+Een bleeke man is in den molen van Wisperbach weergekeerd. Drie
+dagen daarna heeft het molenrad stil gestaan. Op het Lorcher
+kerkhof heeft men toen de vrouw van den Wispermolenaar aan de aarde
+toevertrouwd. Sedert dien tijd heeft niemand het gewaagd, den schat
+te verkrijgen.
+
+
+
+Ruine Fürstenberg
+
+
+De geest der moeder
+
+Hoewel de burchtheer Lambert von Fürstenberg een levenslustig en
+genotzuchtig ridder was, zoo toch was hij zijn zachtzinnige gemalin
+Wiltrud, die van het geslacht der Florsheimers afstamde, zeer genegen,
+vooral nadat deze hem een zoontje geschonken had. Op een dag echter
+heeft het ongeluk zijn intrede in het kasteel gedaan in de gedaante
+van een jonkvrouw, Luckharde genaamd. Zij was de eenige, plotseling
+wees geworden, dochter uit een geslacht, waarmee de Fürstenbergers
+sedert oudsher bevriend geweest waren, een ontluikende vrouwelijke
+schoonheid, die niettegenstaande haar achttien lentes reeds een statig
+meisje en een verleidelijke schoonheid voor de mannen was.
+
+De zachtzinnige burchtvrouw meende argeloos, dat Luckharde, die zij
+vol liefde in haar kring opgenomen had, haar, die sedert de geboorte
+van haar knaapje ziekelijk was, bij de huiselijke bezigheden gaarne
+behulpzaam zou zijn en zusterlijke liefde met wederliefde vergelden
+zou. Maar Luckharde's geest hield zich meer bezig met beuzelarijen
+en vermaak, dan met huiselijkheid en vrouwelijke bezigheden. Hoe
+meer de maanden verstreken en haar verderfelijke schoonheid zich
+gelijk een donkere roos ontwikkelde, des te meer gelukte het haar,
+het hartstochtelijke hart van den burchtheer voor zich te winnen.
+
+Onmerkbaar, doch geleidelijk kwam de ridder steeds meer onder de
+betoovering van de schoone vrouw, totdat de dag aanbrak, waarop vrouw
+Venus hen geheel in haar macht had.
+
+Wiltruds oogen waren niet blind voor de goddelooze handelingen van den
+trouweloozen echtgenoot; maar door haar langdurige ziekte vond zij niet
+de kracht, de zonde met vlammend zwaard te bestrijden. Intusschen kwam
+door de heerschzucht en het verterende vuur der liefde het duivelsche
+plan in Luckharde's hoofd tot rijpheid, om de gemalin van den heer
+Lambert uit den weg te ruimen. Op een nacht sloop de zondige vrouw in
+de kamer der burchtvrouw, naderde gelijk een kat de legerstede der
+sluimerende en verstikte de benijde Wiltrud, die te laat en zonder
+resultaat zwijgend weerstand bood, koelbloedig met haar kussen.
+
+De droefheid over de meesteres, die volgens iedereen aan een gebroken
+hart gestorven was, was vooral onder het dienstpersoneel van den
+graaf zeer groot, doch bij hem zelf uiterst gering. In de armen van
+de zwartgelokte minnares vergat de heer Lambert spoedig zijn gemalin,
+en reeds na eenige weken nam Luckharde de plaats van de overleden
+burchtgravin in. Het knaapje, dat Wiltrud den ontrouwen echtgenoot
+nagelaten had, was de tweede vrouw tot ergernis. Zij wees den door
+genot willoos geworden Fürstenberg op de kinderen, die zij hem hoopte
+te schenken en zette het door, dat de eerstgeboren, natuurlijke zoon
+van den ridder in een afgelegen kamertje van den burcht aan de zorg
+van een brommige oude vrouw toevertrouwd werd.
+
+Op een nacht, toen de oude plotseling ontwaakte, zag ze, dat zich
+een vrouwengedaante in een wit golvend kleed over het bedje van
+het knaapje, dat naast haar sliep, vol zorg boog en hem zegende. De
+oude heeft toen een kruis gemaakt en tot de veertien beschermheiligen
+gebeden. In alle vroegte, met de kenteekenen van den doorgestanen angst
+op haar gelaat, is zij naar de burchtvrouw gesneld, en heeft haar met
+bevende lippen de gebeurtenis verhaald, lachend heeft de lichtzinnige
+Luckharde het ongeloofelijke sprookje aangehoord, maar is toen op eens
+nadenkend en ernstig geworden. Zij heeft de oude vrouw bevolen zich
+den eerstkomenden nacht een legerstede bij het andere dienstpersoneel
+te bereiden, het kind echter in de torenkamer te laten. In haar met
+schuld bevlekte ziel was de veronderstelling opgekomen, die daarop
+als lood drukte, dat deze nachtelijke geest wellicht Wiltrud in eigen
+persoon kon zijn, die men bij vergissing voor dood gehouden had.
+
+Zonder angst of gewetenswroeging bereidde ze zich tegen het aanbreken
+der duisternis een legerstede in de torenkamer. Een moorddadigen
+dolk hield haar rechterhand omklemd, en vastberaden zag de zondares
+den nacht tegemoet. En wederom vertoonde zich tegen middernacht de
+vrouwengestalte in het witte golvende gewaad, die de legerstede van
+den sluimerenden jongen naderde, hem verzorgde, kuste en zegende.
+
+Terwijl Luckharde met starende oogen, bewegingloos bleef liggen, werd
+de nachtelijke verschijning steeds grooter, tot in het oneindige. Al
+dichter boog ze zich tot de liggende over, en het doodsbleeke gelaat
+van Wiltrud staarde met levenlooze verwijtende oogen de zondige
+vrouw aan. Het scheen deze, alsof een overhangende rots op haar
+hijgende borst nederstortte om haar te verstikken. Met een laatste
+krachtsinspanning gaf zij de verschijning een steek met haar dolk;
+maar het was, alsof het wapen een nevelachtig omhulsel doorboorde, en
+Luckharde bespeurde met steeds toenemend afgrijzen, dat de wezenlooze
+gedaante de geest van de vermoorde burchtvrouw was.
+
+Geheel verpletterd door het besef van haar begane schuld, hoorde zij
+een stem, die uit een andere wereld scheen te komen, haar toeroepen:
+"Doe boete, doe boete!"
+
+Den volgenden morgen wachtte de heer Lambert tevergeefs op zijn
+gemalin. In plaats van haar, vond hij een reep perkamentpapier,
+waarop Luckharde hem in berouwvolle woorden beleed, hoe zij zich in
+toomeloozen hartstocht aan zijn eerste vrouw vergrepen had, en hoe
+haar de geest van de overledene dezen nacht verschenen was, om haar
+aan den omvang van haar zonde te herinneren. De rest harer dagen wilde
+zij haar schuld in een klooster boeten. Zij verzocht haar vroegeren
+minnaar hetzelfde te doen.
+
+De heer Lambert von Fürstenberg werd door deze mededeeling diep
+getroffen. Ook hij kwam tot inkeer, vertrouwde het slot en kind aan
+de zorg van den jongeren broeder toe en trok zich, tot aan het einde
+van zijn dagen, als kluizenaar in de eenzaanheid terug.
+
+
+
+Bacharach
+
+
+Burcht Stahleck
+
+Het oude Bacharach heeft ook eenmaal schoone tijden gekend. Reeds
+lang voordat de vurige Bacharacher wereldberoemd werd--het was in
+het tijdperk, toen de grootvader de grootmoeder nam--werd hij door
+buitenlandsche wijnkenners in Romeinsche en Etrurische bokalen met
+liters tegelijk gedronken. Destijds hebben de dankbare drinkebroers
+ter eere van hun Wijngod op een rotsblok, dat zich tusschen een eiland
+en den rechteroever uit den vloed verheft, een altaar opgericht,
+en de Romeinen hebben ter eere van Bacchus, den lieftalligen knaap,
+de stad den naam gegeven, dien hij nu nog draagt. Al zijn ook de
+opschriften sedert langen tijd onleesbaar geworden, zoo weten de
+inwoners van Bacharach thans de oorspronkelijke beteekenis van den
+"Elterstein" (altaarsteen) nog zeer goed, en nog altijd verkleeden de
+schippers in overmoedige scherts een stroopop als Bacchus--evenals
+de boeren van Mecklenburg in den oogsttijd hun Wodan--plaatsen hem
+op den Elterstein en varen al zingende om hem heen.
+
+Iets hooger dan Bacharach ligt de ruïne van de vesting Stableck. Ten
+tijde van Koenraad, den eersten keizer der Staufen, woonde daar
+een jong, eerzuchtig ridder, Paltsgraaf Herman. Hij was de neef des
+keizers en trotsch op deze hooge verwantschap, streefde de onbezonnen
+strijder naar uitbreiding van zijn paltsgraafschap. Hij begeerde
+niets minder, dan zich de bezittingen van de beide aartsbisschoppen
+van Mainz en Trier, die aan zijn gebied grensden, gedeeltelijk toe
+te eigenen. Hij beriep zich hierbij op rechten, die hij meende te
+bezitten. De naijver, die destijds onder de geestelijke en wereldlijke
+machthebbenden bestond, maakte, dat zich vele naburige ridders als
+bondgenooten aan hem opdrongen, en vermetel begon de paltsgraaf
+zijn strijd met de bestorming van de Moezelvesting Trier, die bij de
+Triersche parochie behoorde.
+
+Adalbert von Monstereil, een moedig man, voerde destijds de
+heerschappij over de bisdommen Trier en Metz. Hij verzamelde dadelijk
+al zijn mannen, om den vermetelen roover van den wederrechtelijk
+veroverden burcht te verdrijven. De stoutheid van den paltsgraaf
+had hem overbluft, en de overmacht van zijn tegenstander stemde hem
+tot nadenken. Maar de aartsbisschop Adalbert was een verstandig man;
+op den morgen, dat de zijnen den burcht wilden bestormen, hield hij
+met het kruis in de hand een geestdriftige rede tot de ruiters. Hij
+deelde hun mede, dat de aartsengel Michaël hem in den afgeloopen
+nacht verschenen was, hem dit kruis overhandigd had en een zekere
+overwinning toegezegd had, indien elk strijder, in het vaste vertrouwen
+op de onzichtbare hulp van boven den vijand aantastte.
+
+De redevoering van den aartshertog bracht zijn krijgslieden in
+geestdrift en wekte hen op tot woeste dapperheid. Geleid door hun
+veldheer, die met het kruis in de hand allen voorging, bestormden zij
+den burcht en versloegen het leger van den paltsgraaf. In hulpelooze
+vlucht stoven zijn troepen uit elkaar, en diep vernederd moest de
+eerzuchtige Stableck van de voortzetting van den strijd met den
+Trierer aartsbisschop afzien.
+
+
+
+
+
+Zeer krenkte hem de smadelijke nederlaag, die hij geleden had. Met nog
+grooteren haat dacht hij aan zijn geestelijken buurman. Uit verbleekte
+documenten meende hij op te maken, dat hij werkelijk recht had op een
+gedeelte van het welvarende land, dat de bisschop van Mainz bezat,
+en hij liet niet na bij den bisschopsstoel te Mainz zijn aanklacht
+in te dienen. Met kouden spot werd zijn verzoek door den ernstigen
+Amold von Solnhofen opgenomen.
+
+"Ik zal met dat paltsgraafje even gauw klaar zijn als met de
+stijfhoofdige inwoners van Mainz, waarvan velen het berouwen, dat ze
+zich tegen hun bisschop en kerkvoogd verzet hebben."
+
+Dreigend moet Arnold deze woorden uitgeroepen hebben, terwijl hij
+het verzoekschrift van den paltsgraaf verscheurde. Stableck werd
+deze uitspraak medegedeeld en weenend smeekte zijn jonge vrouw hem,
+niet ten tweede male de hand tegen den gezalfde des Heeren op te
+heffen. Hij echter keerde zich boos van haar af en zwoer zich op hem,
+die zoo schandelijk vermetel was zijn bezwaarschrift te verscheuren,
+te wreken. Het was hem bekend, dat von Solnhofen zich bij de inwoners
+van Mainz door zijn machtig regiment zeer gehaat gemaakt had, en
+hiermede wilde hij rekenschap houden, om den somberen tegenstander
+van land en kroon te berooven.
+
+Wederom rustte Stableck, vereenigd met verscheidene moedige ridders
+zich uit tot den strijd tegen een kerkedienaar. In Mainz gistte het
+onder de burgers, en daarbuiten rukte de paltsgraaf met zijn mannen
+aan. De aartsbisschop was buiten zich zelf van woede, en in zijn
+duistere ziel smeedde hij een vreeselijk plan. Door twee gehuurde
+landsknechten werd de paltsgraaf verraderlijk vermoord. Groot was de
+droefheid van zijn ongelukkige gade.
+
+
+
+
+
+De oproerige inwoners van Mainz hebben den wreeden landvoogd
+spoedig daarna afgezet, nadat ze zijn paleis stormenderhand genomen
+hadden. Met gloeiende wraak in het hart is hij teruggekeerd. Te
+vergeefs waarschuwden zijn vrienden hem, tevergeefs schreef Hildegard,
+de beroemde profeten hem uit het klooster Rupertusburg bij Bingen:
+"Keer terug tot den Heer, dien gij verlaten hebt: uw uur is
+geslagen." Hij wilde daar niet naar hooren en zoo werd hij in de
+abdij bij den Jakobsberg voor de stad, waar hij toen verblijf hield,
+door de oproerlingen vermoord.
+
+
+
+Burcht Gutenfels
+
+Op een rots bij Kaub stond in de middeleeuwen de burcht van den heer
+van Falkenburg. Omstreeks het midden der dertiende eeuw werd hij door
+graaf Philip met zijn zuster Guta bewoond. De jonge gravin Guta was
+een buitengewoon lieftallige verschijning en vele ridders dongen om
+haar hand. Maar geen een had succes gehad; de jonkvrouw had volstrekt
+geen verlangen, het gezellige samenwonen met haar geliefden broeder,
+voor dat met een anderen man te ruilen.
+
+Eens werd in Keulen een prachtig tournooi gehouden. Uit alle
+plaatsen van het rijk, zelfs uit Italië en Engeland waren ridders
+overgekomen. Ontelbaar was de menigte toeschouwers, groot het aantal
+van hen, die hier om den prijs, welken zij uit een schoone hand
+ontvangen zouden, met de wapenen streden. Onder hen bevond zich
+ook een ridder uit Engeland, die vooral door zijn flinke houding en
+prachtige wapenrusting opviel. Hij streed met gesloten vizier en werd
+door de commissie van het tournooi als de leeuwenridder afgeroepen,
+want een gouden leeuw versierde zijn schild.
+
+Spoedig ook baarde de Brit door zijn meesterlijke wijze van strijden
+opzien, en toen het hem gelukte zijn tegenstander, een der meest
+gevreesde duellisten, met den lans uit den zadel te lichten, ging er
+een luid gejuich op. Onder de toeschouwers bevond zich ook de ridder
+van Falkenstein met zijn zuster. Ook Guta had met groote belangstelling
+den vreemden ridder gedurende het tournooi gadegeslagen, en het speet
+haar zeer, den gemaskerde niet in het aangezicht te kunnen zien.
+
+Deze gelegenheid deed zich echter spoedig voor, toen de Brit als
+overwinnaar uit het strijdperk getreden was. Een zeldzaam gevoel,
+zooals ze vroeger nooit gekend had, kwam over de jonkvrouw, toen ze
+het mannelijk schoon gelaat van den Engelschman, nu onbedekt, voor
+zich zag. Haar verwarring steeg nog meer, toen men haar verzocht,
+den overwinnaar den prijs, een gouden lauwerkrans te overhandigen.
+
+Of de ridder op het gelaat der bekoorlijke jonkvrouw las, wat deze
+te vergeefs trachtte te verbergen? Of er op het oogenblik, waarop
+hij voor het bevallige meisje neerknielde en zij met bevende hand den
+krans op zijn hoofd legde, een vonk van de vlam, die plotseling haar
+binnenste verteerde, flikkerend in zijn ziel gevallen was?
+
+Wie weet het? Hierover zwijgt de sage.
+
+Toen zij echter later tegenover elkaar stonden en verlegen met elkaar
+spraken, hij haar verstolen bewonderend, en zij haar gevoelens
+nauwelijks meester, kwam de liefde zacht aangeslopen. En toen 's
+avonds de dansmuziek in de feestzaal weerklonk en de schoone Brit
+niet van Guta's zijde week, kwam de liefde schroomvallig aangeslopen,
+eerst verlegen, totdat zij zich eindelijk met gloeiende woorden over
+de bevende lippen drong, en deze elkaar bekenden, wat de oogen reeds
+lang verraden hadden.
+
+De trotsche vreemdeling had Guta om haar wederliefde gesmeekt en haar
+bezworen, hem trouw te blijven. Binnen drie maanden zou hij uit het
+vaderland, waarheen dringende plicht hem riep, wederkeeren. Eerst dan
+zou hij openlijk op den burcht haars broeders om haar hand dingen en
+zijn naam noemen, want een tevoren afgelegde belofte verbood hem dien
+thans mede te deelen.
+
+Liefde brengt gaarne elk offer; ook Guta nam gewillig de woorden
+van den geliefden man aan, en onder beloften van wederkeerige trouw
+scheidden de gelukkigen.
+
+Vijf maanden waren sedert dien tijd verstreken. Over het onbeheerde
+Duitsche rijk was het keizerlooze, verschrikkelijke tijdperk
+gekomen. In het Zuiden, in Italië stierf Koenraad, de laatste
+regeerende vorst uit het huis der Staufen en in het Noorden, in
+Friesland versloegen oproerige boeren zijn tegenkoning Willem van
+Holland. Weer weerklonk bij de daarop volgende verkiezing van een
+keizer de kreet: Hier Welf! Hier Waiblinger! En terwijl aan dezen
+kant Alfons van Castilie tot koning uitgeroepen werd, kozen ze aan
+gene zijde Richard van Cornwallis, den ridderlijken broeder van den
+koning van Engeland. Eerstgenoemde Spanjaard is steeds een vorst
+van het Schimmenrijk gebleven en heeft nooit het land opgezocht,
+waar men hem een troontje bereid had. Daardoor kreeg Richard nog
+meer aanhangers, en in Aken werd hij plechtig gekroond. Vanuit de
+oude keizerstad maakte hij een reis door het Rijnland om de plaatsen,
+waaraan hij voornamelijk zijn verkiezing te danken had, te begroeten.
+
+De lente had haar intrede in het Rijndal gedaan, en de vloed, de bergen
+en burchten werden door de heldere zon beschenen. Alleen op het gelaat
+der lieftallige jonkvrouw, die treurig in haar kamer in de vesting van
+Falkenstein zat, wilde geen zonnestraal verschijnen. Stil verdriet
+had daarop zijn stempel gedrukt, en sedert twee maanden werden de
+wangen van de jonkvrouw al bleeker en bleeker. Gedurende dien tijd
+had het verdriet, haar trouwe metgezel haar zeer dikwijls het beeld
+van den geliefden man in de meest verschillende gedaanten voor oogen
+getooverd. Nu eens zag ze hem in een bloedigen veldslag stervende met
+haar naam op de lippen, dan weer verscheen hij in haar verbeelding
+schertsend en lachend, met een meisje van het eiland aan den arm,
+op luchtigen toon spottend over zijn liefje aan den Rijn.
+
+En steeds vervolgden haar deze gedachten, en steeds sterker kwam zij
+tot de overtuiging, dat de eerste, dien zij haar jonkvrouwelijke
+liefde geschonken had, haar vreeselijk bedrogen had. Steeds meer
+stond het verdriet op haar smal gezichtje te lezen, en te vergeefs
+trachtte Falkenstein zijn zuster op te vroolijken en te verstrooien.
+
+Van den straatweg klonk trompetgeschal, en een groot aantal ridders
+hield stil voor den burcht. Guta bemerkte den stoet en trad van
+het venster terug, waar ze met beschreid gelaat gezeten had. Met
+ridderlijke gastvrijheid ontving de graaf de gasten en geleidde hen
+in de staatsiezaal.
+
+Groot was zijn verbazing, toen hij in een heer van het schitterend
+gevolg den statigen Brit herkende, den overwinnaar van het tournooi te
+Keulen--plotseling schoot Falkenstein het bloed naar de wangen--den
+ontrouwen, in het geheim verloofde van zijn geliefde zuster Guta. De
+vriendelijkheid, die op zijn trekken lag, maakte plaats voor sombere
+ontstemdheid. De andere scheen dit te bemerken; hartelijk drukte hij
+de hand van den burchtheer en zeide tot hem:
+
+"Ik ben Richard van Cornwallis, tot Duitsche keizer gekozen en
+hierheen gekomen, om u de hand te vragen van uw zuster Guta, die
+zich vijf maanden geleden te Keulen met mij verloofd heeft. Ik kom
+mijn belofte wel laat, maar met dezelfde trouw, na. Ik verzoek u,
+haar mijn aankomst te melden, zonder mijn naam te verraden."
+
+Diep boog de graaf van Falkenstein zich voor den doorluchtigen gast, en
+eerbiedig ver wijderde het gevolg zich uit het vertrek. Met onrustigen
+tred liep de bezoeker op en neer. Daar gingen de vleugeldeuren open en
+een bekoorlijke gestalte verscheen op den drempel, het fijne gelaat
+door opwindmg hoog gekleurd. Met een zachten kreet wierp Guta zich
+in de armen van den geliefden man. Minuten van stil geluk verstreken.
+
+Onbemerkt was Falkenstein binnengetreden, die zijn zuster nu
+mededeelde, wien zij als toekomstigen echtgenoot omarmd hield. Toen
+kleurden de wangen van de lieftallige jonkvrouw zich door verlegenheid
+nog donkerder en bedeesd en aarzelend vlogen haar blikken naar den
+geliefde. Deze echter sloeg de armen om haar heen en verzekerde haar,
+dat zij alles, dus ook den troon met hem deelen moest.
+
+
+
+
+
+Eenige weken later werd de bruiloft van koning Richard met keizerlijke
+pracht op den burcht aan den Rijn gevierd, dien de overgelukkige
+Falkenstein, ter eere van zijn geliefde zuster Guta, den naam van
+Gutenfels gegeven had.
+
+
+
+De Palts
+
+Onder Kaub ligt op een rotsachtig eiland in den Rijn een mooie vesting,
+sedert eeuwen bekend onder den naam van de Palts.
+
+Eenmaal had de liefde, die uit een koninklijk paleis verdreven was,
+in de donkere kamertjes van deze prachtige, met torens versierde
+vesting op het eiland een geheime samenkomst. Dat is echter reeds
+lang geleden. Het was ten tijde van Roodbaard. Destijds leefden als
+bannelingen op het door water omringde kasteel paltsgraaf Koenraads
+eigen vrouw en wettig kind, zijn aanvallig dochtertje Agnes.
+
+En dit was aldus gekomen. De hemel had den paltsgraaf geen
+zoon geschonken, en dus moest de dochter erfgenaam der goederen
+worden. Machtige vorsten van het rijk hadden reeds om de hand van de
+sierlijke dochter van den paltsgraaf gedongen, en onder hen waren zelfs
+een hertog van Beieren en de koning van Frankrijk. Maar het meisje
+had reeds een keuze gedaan. De gelukkige was de jonge ridderlijke
+held van Brunswijk. Agnes had hem haar geheele hart geschonken en was
+zoo gelukkig, dat haar moeder dit verbond goedkeurde. Den paltsgraaf
+kon dit niet verborgen blijven, en deze ontdekking ontstemde hem
+zeer. Hertog Hendrik was een Welf en dus een rechtstreeksche vijand
+van zijn broer, den beheerscher der Staufen. De verwantschap met
+Brunswijk was daardoor onmogelijk, te meer, omdat de keizer reeds
+lang het plan koesterde, de dochter van den paltsgraaf aan een lid
+van zijn huis uit te huwelijken, opdat het paltsgraafschap voor de
+Waiblingers behouden bleef.
+
+Met oprechte bezorgdheid herinnerde de paltsgraaf zich, dat de hertog
+van Brunswijk niet alleen een der schoonste mannen, maar ook een der
+moedigste strijders van de Duitsche ridderschap was. En zoo liet hij
+op een dag, nadat hij tot laat in den nacht over de netelige zaak
+nagedacht had, de Palts geheel opknappen, de donkere vertrekken,
+meer op hokken dan op kamers gelijkend, reinigen en in, orde brengen
+en verklaarde toen aan zijn gemalin en dochter Agnes, die hij beiden
+tot een tocht naar het eiland overgehaald had, dat hier nu voor
+onbepaalden tijd hun woonplaats zou zijn.
+
+De waardige paltsgravin beklaagde zich zeer over de onrechtvaardige
+strengheid van haar heer gemaal en de schoone Agnes vergoot bittere
+tranen. Op verstandige wijze deelde Koenraad hun waarschuwend mede, dat
+zoolang zijn dochtertje niet van den Welf afzag, hij zijn noodzakelijk
+voornemen niet veranderen kon. Toen is hij zeer voldaan vertrokken,
+meenende een buitengewoon schrander plan uitgevoerd te hebben. De
+zalige jeugd lag echter reeds te ver achter hem, want anders had hij
+zich moeten herinneren, dat de liefde der jeugd--om een volstrekt niet
+dichterlijke vergelijking te gebruiken--evenals de spijker in den muur
+is: hoe meer men hem slaat, des te vaster houdt hij! Hij had zich ook
+te binnen moeten brengen, wat Salomo reeds in zijn Hooglied gezegd
+heeft: "De gloed der liefde is een vlam, die noch door stortbuien,
+noch door stormen uitgedoofd kan worden."
+
+En evenals de wind de vlammen aanwakkert en slechts de vonken uitdooft,
+zoo ging het ook hier met de scheiding der liefde; wat haar een
+hinderpaal moest zijn, dat werd haar juist ten voordeel. Beschut door
+de duisternis van den nacht bezocht de vermetele hertog der Welfen
+verkleed de vesting op het eiland. Agnes weigerde den geliefden man
+den toegang niet. Met vurige smeekbeden bestormden zij de moeder,
+opdat deze hun liefdesgeluk niet in den weg zou staan. De paltsgravin
+kon hieraan geen weerstand bieden.
+
+Den volgenden dag, tegen het vallen van den avond, kwam er onbemerkt
+een priester op het eiland, die de hand van den Welf in die van de
+Staufin legde. In het lage vertrek van den burcht werd bij het bleeke
+schijnsel der kaarsen het huwelijk voltrokken. In het eenzame kamertje
+van de Palts hield de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend haar
+intocht.
+
+
+
+
+
+Maanden van ongestoord, stil geluk waren Verstreken. Dagen waren echter
+in aantocht, die de paltsgravin, nog meer dan de jonge vrouw met zorg
+tegemoet zag. Het was hu dringend noodzakelijk den paltsgraaf hetgeen
+gebeurd was, mede te deelen. Op een dag, toen hij voor het eerst na
+langen tijd op het kasteel verscheen, viel zijn dochter hem te voet
+en onthulde hem een dubbel geheim. Eerst moet de waardige paltsgraaf
+als een steenen beeld gestaan hebben, maar toen in alle hem bekende
+talen geraasd en getierd hebben, totdat zijn zachtzinnige gemalin
+hem met zachte, vleiende woorden smeekte zijn dochter te ontzien, die
+wel bijzondere zorg noodig had. Toen is de vreeselijke toorn bedaard,
+en daar zijn trouwe echtgenoote hem nu zeide, dat hij zelf onbewust
+medegewerkt had, om een bitteren geslachtshaat door zijn geliefd kind
+te doen eindigen, toen ontspanden zijn harde trekken zich. Geleidelijk
+werden ze zacht en zachter, en eindelijk heeft de paltsgraaf zich
+tot zijn dochter overgebogen, haar zeer teeder bij den naam genoemd,
+en op de door water omringde vesting op het eiland is zacht de engel
+der verzoening nedergedaald.
+
+
+
+
+
+Paltsgraaf Koenraad is aan het hof van keizer Roodbaard te Speyer
+verschenen en heeft zijn keizerlijken broeder met een zuurzoet
+gezicht het voorgevallene meegedeeld. De oude Roodbaard heeft daarbij
+geglimlacht en den edelen heer Koenraad gedankt, dat hij een middel
+gevonden had om de Welfen en Staufen nader tot elkaar te brengen. Ook
+bood hij aan, peet te worden over het kindje, dat verwacht werd.
+
+Vervolgens is in de Palts een prachtig feest gevierd, en eenigen
+tijd daarna, heeft in het eenvoudige kamertje van den burcht, waar
+eenige maanden geleden de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend
+haar intocht had gehouden, de eerste kreet van een kind de gelukkigste
+moeder in verrukking gebracht. Dit alles geschiedde volgens den wensch
+van den paltsgraaf.
+
+Nog altijd toont men den bezoekers dit kamertje van de Palts als
+herinnering aan deze gebeurtenissen.
+
+
+
+Oberwesel
+
+
+De zeven jonkvrouwen
+
+Op een hoogte bij Oberwesel liggen de puinhoopen van een
+ridderburcht. Hij heette Schönburg en moet dezen naam te danken
+hebben aan zeven jonkvrouwen, die daar eenmaal gewoond hebben, en
+wier schoonheid ver door het Rijnland beroemd was. Zij waren zich
+hun bekoorlijkheid wel bewust, en toen het slot en bosch na den dood
+van den vader hun eigendom werden--door verdriet moet hij vroegtijdig
+gestorven zijn, daar de hemel hem geen zoon geschonken had--kwamen er
+vele vereerders opdagen, om naar de hand van een der zeven schoonheiden
+te dingen.
+
+Maar de inborst der al te vroeg wees geworden zusters was zeer slecht,
+en de zwakke tucht van een oude tante vermocht hun overmoedigen,
+onvrouwelijken aard slechts ten deele te beheerschen. Toen nu ook
+dit familielid stierf, die bij hen de plaats der moeder bekleed had,
+brak de verderfelijke zucht naar vrijheid bij de levenslustige meisjes
+nog meer los.
+
+Van de trotsche, schoone zusters van den burcht Schönburg bij
+Oberwesel deden vele vreemde verhalen de ronde, hoe ze uitreden
+en woeste jachtpartijen, ja zelfs de valkenjacht meemaakten, hoe
+ze menig knap ridder, die van een der jonkvrouwen de hand vroeg,
+eerst voor den gek hielden en hem door hun schandelijke behaagzucht
+in verrukking brachten, om den verliefden aanbidder ten slotte met
+spot en hoon af te wijzen.
+
+Vervuld van schaamte en toorn heeft menig ridder den burcht bij
+Oberwesel verlaten en met verontwaardiging en verachting de namen
+der sirenen uit zijn gedachte verbannen, die eerst aan het oprecht
+gemeende aanzoek met gehuichelde bedeesdheid gehoor gaven, om dan
+den overgelukkigen minnaar met spottenden lach te verklaren, dat
+zij de vrijheid veel te lief hadden, dan dat ze die voor een man
+opofferen wilden.
+
+Ongelukkigerwijs waren er toch altijd dwaze lieden, die deze praatjes
+niet geloofden en op den naam en manieren afgingen en hun geluk bij de
+zusters beproefden. Bij allen eindigde deze proefneming treurig. Geen
+aanbidder was het tot nu toe gelukt het hart van een dezer preutsche
+schoonen voor een dieperen indruk vatbaar te maken. Sedert eenige
+jaren hadden zij reeds hun laag spel gespeeld.
+
+Eens heerschte er wederom luidruchtige vroolijkheid in de staatsiezaal
+van het slot. Een schaar ridderlijke figuren waren om de schitterende
+tafel gezeten, en onder hen waren ook in het volle bewustzijn van
+hun zegevierende schoonheid de zeven jonkvrouwen, die elkaar nog
+overtroffen in overmoedige scherts.
+
+Een onaangenaam voorval bedierf voor een oogenblik de feeststemming;
+twee ridders hadden om een der zusters twist gekregen, en de
+hevige ijverzucht wond de jeugdige gemoederen steeds meer op. In
+hevige spanning volgden de anderen den woordenstrijd van de twee
+medeminnaars. In den beginne scheen men behagen te scheppen in den
+ridderlijken strijd, maar later, toen ze reeds van de zwaarden gebruik
+wilden maken, trok men de jongelingen van elkaar.
+
+Een gelukkig woord vond een der dischgenooten om de opgewonden
+menigte te kalmeeren. Men zou, om de herhaling van een dergelijken
+twist te voorkomen, er op aandringen, dat de jonkvrouwen eindelijk
+een beslissing namen, opdat elk der pretendenten--want ze bekenden
+allen dit te zijn--eindelijk zou weten, waaraan hij zich te houden
+had. Deze voorslag werd zeer toegejuicht, alleen de burchtfreules
+waren ontstemd en keurden dezen aanmatigenden wensch zeer af.
+
+Met alle behaagzieke kunsten bestormden zij de minnaars, zoodat
+ieder van hen dacht, dat hij de uitverkorene was, en eindelijk werd
+een der zusters wankelmoedig. Haar volgde een tweede, en eindelijk,
+nadat ze lang zacht met elkaar gefluisterd hadden, verklaarden ze
+allen met lachenden mond en veelbelovende gelaatsuitdrukking, dat ze
+den volgenden morgen over het lot van hun aanbidders beslissen zouden.
+
+
+
+
+
+Het afgesproken uur brak aan, en in de staatsiezaal van het slot
+verzamelden de ridders zich in afwachting. Aller oogen hingen vol
+spanning aan de deur, waardoor de schoone meesteressen verschijnen
+zouden. De vleugeldeuren openden zich en een dienstbode meldde den
+ridders, dat de jonkvrouwen beneden in den tuin aan den oever van
+den vloed wachtten.
+
+Snel begaven ze zich daarheen. Ontzettende verbazing teekende zich
+op hun gezichten af, toen zij beneden gekomen, de zusters in een boot
+aantroffen, die zacht aan den oever van den Rijn schommelde. Met een
+vreemdsoortig glimlachje wenkten zij de aankomenden; toen hief de
+oudste zich in de boot op en riep ver verstaanbaar:
+
+"Geeft uw hoop op; want geen van ons zou het ooit invallen u te
+beminnen en te huwen. Wij hebben de vrijheid veel te lief, dan dat
+we die voor een man willen opofferen. Op een familiegoed in de buurt
+van Keulen denken we nog vele verliefde minnaars te ontnuchteren,
+evenals wij u gedaan hebben, edele heeren. De boot brengt ons
+daarheen. Vaarwel!"
+
+Een spottend lachen besloot deze schimprede, en, terwijl het
+scheepje zich in beweging zette, weerklonk zevenmaal een spottende
+afscheidsgroet. Sprakeloos van schaamte en toorn stonden de bedrogen
+ridders daar. Op eens verhief zich een geweldige storm op de rivier. De
+boot wankelde en het lachen der zeven jonkvrouwen veranderde in gillend
+angstgeschreeuw. Het werd overstemd door het loeien der golven, die
+zich van de boot meester maakten en haar met haar inzittenden in de
+draaikolk begroeven.
+
+
+
+Op de plaats, waar deze jonkvrouwen, wier harten zoo hard als rotsen
+waren, in de diepte verdwenen, verhieven zich zeven rotspunten uit
+het water. Nog heden steken deze zeven steenen, de zeven preutsche
+jonkvrouwen van die streek, waarschuwend uit den vloed omhoog.
+
+
+
+
+Rheinfels
+
+
+De Georgslinde
+
+Boven het liefelijke stadje St. Goar ligt Rheinfels, een der meest
+grootsche ruïnen van den Rijn. In het midden der dertiende eeuw werd
+deze buitengewoon versterkte vesting door graaf Dietherr, die tot
+het beroemde geslacht der Katzenelnbogen behoorde, gebouwd. Reeds
+na verloop van een tiental jaren heeft zij bloedige gevechten voor
+haar onneembare muren gezien; toen zes en twintig steden aan den Rijn
+haar gedurende vijftien maanden, te vergeefs belegerden en duizenden
+strijders voor haar wallen den dood vonden.
+
+Vervolgens heeft sedert eeuwen de vlag van den Hessischen landgraaf
+van haar tinnen gewapperd. Ten tijde der Fransche revolutie, die op
+de mogendheden, welke hun tusschenkomst wilden verleenen, haar woeste
+troepen afzond, werd zij door Gallische krijgswoede in puin geschoten.
+
+Even weemoedig als de geschiedenis van dezen meest indrukwekkenden
+Rijnburcht is de sage, die uit den tijd, dat nog ridders en
+schildknapen de vertrekken vulden, aan dezen burcht verbonden
+is. De graaf van Rheinfels bezat een allerliefst dochtertje. Onder
+de vele pretendenten, die de jonkvrouw ten huwelijk vroegen, bevond
+zich ook Georg Brömser uit Rüdesheim, en aan hem had ze haar hart
+geschonken. Niemand was daarover meer vertoornd, dan de ridder van
+Berge. Hij behoorde weliswaar tot een geslacht, waaruit eenmaal
+een Keulsch aartsbisschop gesproten was, maar hem ontbrak, behalve
+aardsche goederen ook in hooge mate een ridderlijk gemoed.
+
+Daarom had de burchtheer van Rheinfels zich wel gewacht, zijn
+lieftallige dochter met haar aanzienlijken bruidschat aan van Berge
+toe te vertrouwen. Dit was de jonkvrouw volstrekt niet onaangenaam,
+want zij gevoelde voor den onstuimigen minnaar met zijn ruwe manieren
+niet de minste toeneiging. Daarentegen hing haar hart met innige
+liefde aan den ridder van Brömser.
+
+Zoo werd, nadat de gebruikelijke engagementstijd verstreken was,
+de bruiloftsdag bepaald. Op een morgen echter, bij het aanbreken van
+den dageraad is de heer van Brömser op Rheinfels aangekomen, nadat
+hij den ganschen nacht op zijn dampend paard gezeten had. Hij bracht
+slecht nieuws. Zijn keizerlijk gebieder, Albrecht genaamd, had de
+ridderschap, die hem toegedaan was, ten strijde tegen de eedgenooten
+opgeroepen, die hun trouweed geschonden, de keizerlijke beheerders
+verjaagd en hun leenheer den oorlog verklaard hadden. De edelen van
+den Rijn hadden van den keizer een dringende oproeping gekregen ter
+bestrijding van dezen hooggaanden opstand. Als trouw vazal had de
+heer van Brömser geen minuut over de beslissing geaarzeld.
+
+Hij troostte de verdrietige bruid met liefdevolle woorden. In het
+vertrouwen op God berustte het meisje in haar treurig lot, en de graaf
+van Rheinfels prees de vastberadenheid van den schoonzoon. Voordat
+deze wegreed, nam hij een lindeboompje, dat hij buiten in een boschje
+ontworteld had, woelde met zijn zwaard den grond om en plantte het
+twijgje daarin.
+
+Toen sprak hij tot zijn bruid:
+
+"Verzorg de ontspruitende linde, die ik hier ter eere van mijn
+beschermheilige plant. Zoolang zij groen is, moet gij mij trouw
+blijven. Indien zij eens verdort--Sint Georg moge het genadiglijk
+verhoeden--dan moogt ge mij vergeten; want dan ben ik dood."
+
+Weenend wierp de bruid zich in de armen van den ridder. Met de
+rechterhand hield hij haar teeder omvat, met de linker hief hij zijn
+zwaard op en verzocht haar, het sprookje, dat daarin gegraveerd was,
+dagelijks op te zeggen. Het luidde:
+
+
+ hilf got, du ewigs wort,
+ den leib hy, der fele dort,
+ hilf ritter sant georg.
+
+
+Vervolgens begaf hij zich in den ochtendnevel langs den boschweg naar
+het keizerlijke leger, terwijl vele vurige wenschen en niet minder
+bittere tranen hem op zijn weg vergezelden.
+
+De eene maand na de andere verstreek. In Duitschland vernam men
+met zorg, dat de strijd van den keizer tegen de Zwitsersche boeren
+een ongunstigen keer nam. Toen kwam het bericht van een vreeselijke
+nederlaag van het trotsche keizerlijke leger. Deze had bij Moorgarten
+plaats: een eenvoudig held, Arnold van Winkelried genaamd, heeft toen
+met opoffering van zijn eigen leven, voor zijn landgenooten den weg
+der vrijheid gebaand. Het stoffelijk overschot van vele graven en
+baronnen werd in die dagen aan de Zwitsersche aarde toevertrouwd,
+en in vele Duitsche burchten werden treurige tijdingen ontvangen.
+
+Op Rheinfels bevond zich een liefhebbende jonkvrouw, die in angst
+en zorg over den beminden man verkeerde van wien geen boodschapper
+bericht bracht.
+
+De treurige krijstocht tegen de oerkantons aan het Vierwoudstedenmeer
+was reeds lang geëindigd, en de hoop van de bruid van Rheinfels om
+haar bruigom ooit terug te zien, vervloog steeds meer.
+
+Op een dag liet zich een vereerder van vroeger, Dietrich van Berge, de
+geldzuchtige bandiet bij haar aandienen. Hij was gekomen, om wederom de
+hand der begeerenswaardige dame te vragen, daar de heer Georg Brömser
+algemeen voor dood gehouden werd. Met treurige woorden antwoordde het
+meisje den hebzuchtigen aanbidder, dat zij haar verloofde altijd trouw
+zou blijven, zooals ze hem bij de linde voor de burchtpoort beloofd
+had. Slechts wanneer het aan Sint Georg gewijde boompje verdorde,
+was zij van haar belofte ontheven.
+
+Knorrig nam van Berge afscheid. Op hetzelfde oogenblik begaf hij zich
+naar het bosch en zocht daar een verdorden lindeboom, die bijzonder
+op de groene linde aan de burchtpoort geleek. Den volgenden nacht
+sloop hij heimelijk naar den burcht, trok het lindeboompje uit de
+aarde en wierp het met een ruwen vloek in het stille water van den
+Rijn. Op dezelfde plaats plantte hij het verdorde stammetje.
+
+Den volgenden morgen overschreed de dochter van den slotheer den
+drempel van den burcht en begaf zich in Gods heerlijke natuur, waar
+de lente in aantocht was. Daar ontdekte ze den verdorden lindeboom en
+een zachte smartkreet ontglipte haar. De volgende dagen en nachten
+heeft ze vele tranen vergoten. En na eenigen tijd kwam wederom,
+vervuld van leedvermaak, de ridder van Berge op Rheinfels en dong
+met begeerige blikken naar de hand van de dame, die thans vrij en van
+haar trouweed verlost was. Vol medegevoel, maar vastberaden wees deze
+wederom den zich opdringenden pretendent af, omdat zij haar bruigom,
+zelfs in den dood, trouw wilde blijven.
+
+Toen vervoerde de toorn den afgewezene tot een schandelijke daad:
+Vervuld van haat trok hij zijn zwaard en stiet het de standvastige
+jonkvrouw in de borst.
+
+Toen snelde hij, te laat tot bezinning gekomen, vol afschuw over de
+begane misdaad weg. Evenals vroeger de onzalige discipel des Heeren,
+beging hij zich in het donkere dennen boschje een ongeluk.
+
+Op Rheinfels treurde men algemeen om haar die als onschuldig offer
+van haar trouw gevallen was. Midden in al deze ellende werd er een
+bezoeker aangediend. Hij kwam uit Zwitserland. Op het slagveld bij
+Moorgarten had een braaf landman den ridder tusschen een hoop dooden
+gevonden en hem, die uit vele wonden bloedde en vreeselijke pijn aan
+een beenbreuk leed, naar zijn boerenhutje medegenomen. Daar heeft de
+heer Georg Brömser vele maanden ziek gelegen, langzamerhand genas hij
+echter, maar moest nog lang veel pijn aan zijn been lijden. Eindelijk
+was hij, na veel uitgestaan te hebben, als een der laatsten naar den
+Rijn teruggekeerd, met den naam der bruid op de lippen, haar beeld
+in het hart.
+
+Zwijgend wees de burchtheer van Rheinfels op het graf van zijn
+kind. Voor den verschen aardhoop hielden de oude en de jonge man elkaar
+innig omarmd. Vervolgens heeft de laatste den verdorden lindeboom van
+de burchtpoort in den Rijn geslingerd en het graf zijner overleden
+bruid met witte lelies beplant. Georg Brömser heeft voor den tweeden
+keer niet meer bemind, maar is de doode trouw gebleven tot aan het
+einde van zijn leven. In den omgang met ridderlijke zangers zocht
+hij vergetelheid voor het leed, dat hem getroffen had. Later heeft
+hij menig schoon lied gemaakt. Een daarvan is sedert eeuwen bewaard
+gebleven en is eerst in onzen tijd met de zangwijze in een oud
+manuscript gevonden; het is een even eenvoudig als roerend lied. Aan
+den Rijn kunt ge het nog dikwijls hooren zingen. Het luidt aldus:
+
+
+ Es steht eine Linde in jenem Tal:
+ O Gott, was tut sie da?
+ Sie will mir helfen klagen,
+ Dass ich mein Lieb verloren hab!
+
+
+
+
+St. Goar
+
+
+De Lorelei
+
+I.
+
+Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven
+begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots. Als
+de boot van den schipper bij het vallen van den avond over het water
+glijdt, ziet hij met angst en eerbied naar den onmetelijk hoogen
+rotsachtigen top op. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de
+nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe, terwijl de
+sage den grijzen top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van
+een schoone, valsche nimf, die eens daar boven op den berg gezeten
+en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een treurig
+voorval voor altijd verdreven werd.
+
+Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen?
+
+Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante
+heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar
+zilveren brug van schitterende arabesken over den groenachtig gouden
+vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk vrouwengezang en
+een vrouw van goddelijke schoonheid verscheen op den top. Evenals een
+koningsmantel golfde haar goudblond haar over haar volle schouders
+en viel in fraaie lokken op het sneeuwwit prachtgewaad, dat haar
+trotsche gestalte in een lichte wolk scheen te hullen.
+
+Wee den schipper, die op dit uur--waarop moegewerkte oogen zich sluiten
+en levenslustige harten zich openen--de rots passeerde. Evenals eens de
+dwalende held der Grieken, werd ook hij door het gezang betooverd. In
+zalige verrukking vergat hij alles om zich heen, zoodat zijn oog,
+even verblind als zijn ziel, geen acht op draaikolken en klippen
+sloeg. Maar de teedere vrouwelijke bloem, wier bekoorlijkheid hem
+boeide, bloeide op een graf. Terwijl hij, beroofd van zijn zinnen, op
+haar af stuurde, reeds droomende van haar bezit, maakten de afgunstige
+golven zich van zijn schip meester en slingerden het op het laatste
+oogenblik verraderlijk tegen de rots, die het, evenals de Magneetberg
+in het Noorden meedoogenloos aan haar harde borst verpletterde.
+
+De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van
+den Rijn. Nooit zag men den ongelukkige weer.
+
+De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging
+elken avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat de nacht
+door de kus van den aanbrekenden morgen verdreven werd, en de stralende
+dageraad den grijzen morgennevel uit de dalen verdreef.
+
+II.
+
+Ronald was een fier jongeling en een der vermetelste strijders aan het
+hof van zijn vader, den paltsgraaf van den Rijn. Ook hij hoorde van het
+goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te zien. Nog
+voordat hij de jonkvrouw aanschouwd had, vereerde hij haar reeds.
+
+Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid
+bracht hem een oud, ervaren schipper naar de rots. In het Rijndal
+brak de schemering reeds aan, toen de boot den reusachtigen berg
+naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de bergen.
+
+Daar verschijnt op eens een flikkering aan het blauwe uitspansel:
+de avondster. Heeft de beschermengel van den droomende jongeling deze
+zooeven aan den hemel geplaatst om den verblinde te waarschuwen?
+
+Hij ziet omhoog, voor een oogenblik afgeleid.
+
+Een zachte kreet van den ouden man aan zijn zijde.
+
+"De Lorelei!" fluistert hij angstig, "ziet haar, de toovenaarster?"
+
+Ronald antwoordt niet. Reeds zag hij haar. Ook hem ontglipte een
+zachte kreet. Met wijd opengesperde oogen keek hij omhoog. Daar stond
+de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een donkere
+omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit een ruïne gesproten. Dat
+was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend gewaad.
+
+Aan den rand van den afgrond zit zij en brengt haar goudblond
+golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd en
+laat, niettegenstaande de duisternis en den verren afstand, haar
+bekoorlijkheid zien. Heimelijke begeerte straalt uit twee vochtige,
+groote oogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betooverende
+blos, en twee zwellende purperen lippen, rood gelijk een kers, openen
+zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de stilte,
+zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag
+in den stillen zomernacht.
+
+Dan zwijgt zij.
+
+In nadenken verzonken zit zij daar en tuurt mijmerend in het blauwe
+verschiet. Dan ziet ze naar den vloed onder haar en een schitterend
+oogenpaar rust lang in den starren blik van den jongeling. Haar oogen
+gelijken een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat.
+
+Een lichte rilling gaat door het lichaam van den jongeling. Nog
+steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw, en geheel
+bedwelmd leest hij daarop het teedere sprookje van de liefde. Rots,
+vloed, alles smelt met den grootschen hemel samen, zijn oog ziet
+slechts haar aan den rotswand; slechts de blankheid van haar golvenden
+boezem, de saffieren van haar schitterende oogen. Te langzaam kruipt
+de bark door den vloed. Hij houdt het niet meer uit in de boot. Hij
+meent haar stem te hooren, onuitsprekelijk zacht en verleidelijk. De
+smeulende vlam wordt een verterend vuur.
+
+Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in den vloed.--De
+oever wenkt.
+
+"Lore!"
+
+Een doodelijke gil weerklinkt en overstemt den kreet der liefde.
+
+Klagend weerkaatste de echo het geluid door de rotsen.
+
+De golven zuchtten en lekten liefkoozend het ongelukkige
+slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een
+kruis. Op dit oogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen,
+en doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden
+zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, dezen keer treurig
+en gelijk een zucht wegstervend, het spookachtig gezang der Lorelei.
+
+III.
+
+De paltsgraaf ontving spoedig de treurige tijding. Zijn vaderhart was
+vervuld van smart en toorn. Hij beval de valsche toovenaarster dood of
+levend bij hem te brengen. Op den namiddag van den volgenden dag zeilde
+een goed bemande boot den Rijn af. Vier schippers roeiden, stoere,
+door de zon gebruinde mannen. Somber ziet het oog van den stuurman
+onder de borstelige wenkbrauwen naar de rots, die ernstig en zwijgend
+wenkt. Smart en toorn staan op het gelaat van den breedgeschouderden
+man te lezen. Hij had verlof gevraagd de duivelsche verleidster,
+van den top der rots naar beneden in de golven te mogen werpen, waar
+haar een wisse dood wachtte--want haar tooverkunsten konden wellicht
+de gevangenen van hun boeien en kerker bevrijden. De paltsgraaf had
+het wraakplan goedgekeurd.
+
+IV
+
+De eerste schaduwen der schemering gleden schuchter over de slapende
+aarde. Rondom de rots stonden gewapende mannen. Met moeite beklom een
+der aanvoerders met drie flinke strijders de hoogte. Een licht gouden
+wolk omhulde den top van den berg. De mannen dachten, dat dit het
+avondrood was. Het was echter het magische licht, dat de jonkvrouw
+omgaf, die juist aan den rand van de rots verscheen. Droomerig keek
+zij voor zich uit en maakte met een gouden kam haar lokken in orde. Nu
+nam zij het parelensnoer van haar boezem en met welbehagen bevestigde
+de smalle witte hand dit boven haar voorhoofd in haar kapsel. Daar
+bemerkt zij de vertoornde mannen. Een wolk van misnoegen zweeft over
+haar trekken.
+
+"Wat zoeken de zwakke zonen der aarde op deze hoogte?" Verachtelijk
+plooiden zich haar volle lippen.
+
+"U, toovenaarster!" schreeuwde de aanvoerder toornig en met een
+spottenden lach voegde hij er bij: "U! Om U op den bodem van deze
+rivier te zien neerstorten."
+
+Een welluidend lachen weerklonk door de bergen.
+
+"O, de Rijn zal zelf komen, om mij te halen!" riep de jonkvrouw
+uit. Ver over den afgrond, die onder haar gaapt, buigt zich haar
+lichaam. Haar hand rukt het lint, dat zij om het voorhoofd draagt,
+af en slingert het triomfantelijk in den vloed. Dan klinkt zegevierend
+van haar lippend het gezang:
+
+
+ "Vader, gezwind, gezwind!
+ Stuur de witte paarden aan uw kind!
+ Zij wil rijden op golven en wind!"
+
+
+Daar verhief zich de storm, de Rijn begon bruisend te koken, en
+sneeuwwit schuim bedekte den oever. En twee golven met schuimende
+koppen, gelijkende op twee sneeuwwitte paarden, stegen uit de diepte
+tot aan de hoogte van de rots op en trokken de nimf in de bodemlooze
+diepte. Over haar heen brandden zij schuimend voort.
+
+V.
+
+Doodelijk verschrikt keerden de Bedienden van den paltsgraaf terug
+en deelden ontsteld het vreemde verhaal mede.
+
+Ronald werd zeer betreurd. Bij zijn lijk, dat door een golf aan den
+oever gespoeld was, weerklonken de smartkreten van tallooze menschen.
+
+Vanaf dien dag zag men de Lorelei nooit weer. Maar wanneer de nacht
+in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels nederdaalt,
+en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar zilveren brug van
+schitterende arabesken over den groenachtig gouden vloed spant, dan
+klinkt er een wonderlijk vrouwengezang, zacht en klagend, verleidelijk
+evenals de heerlijke nachtegaalslag in een stillen warmen zomernacht.
+
+
+
+
+
+Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef.
+
+Gij kunt haar aanschouwen, toerist, in de schitterende oogen, op de
+zachte wangen en op de rozenlippen van de meisjes van het Rijnland.
+
+Gij zult haar daar aan den Rijn bespeuren, stralend van vreugde
+en geluk.
+
+Wapen uw hart, bedwing uw gevoelens enl sluit uw oogen!
+
+Hoe was toch de waarschuwing van den wijzen dichter van den Rijn?
+
+"Mijn zoon, mijn zoon! Ga niet naar den Rijn..."
+
+Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef.
+
+
+
+Liebenstein en Sterrenberg
+
+
+De vijandige broeders
+
+In de middeleeuwen was slot Sterrenberg boven Boppard gelegen, een
+der schoonste burchten aan de oevers van den Rijn. In den tijd waarop
+onze geschiedenis speelt, werd hij bewoond door een oud paladijn van
+Koenraad, den Staufenkeizer, tengevolge van de verkiezing op de vlakte
+van Oppenheim bij Mainz. Twee zonen stonden den bejaarden krijgsheld
+ter zijde. Zijn vrouw sluimerde reeds lang onder de aarde. Sedert
+dien tijd klonk er zelden vroolijk gelach door de hooge gewelven.
+
+Eens kwam er een lieftallige gast op het eenzame slot. Met haar kwam
+er een zonnestraaltje in de donkere vertrekken. Een verre neef uit het
+geslacht der Brömsers van Rüdesheim was gestorven en op zijn sterfbed
+vertrouwde hij zijn eenig kind, een bloeiend meisje, aan de zorg van
+zijn bloedverwant, den heer van Sterrenberg--Brömser toe.
+
+De blonde Angela--zij verdiende dezen naam--werd spoedig aller
+lieveling op het slot. Zij vereerde den grijsaard als haar vader en
+beloonde de welwillende vriendelijkheid van de beide jongelingen met
+zusterlijke genegenheid. Wat eeuwen geleden gebeurde en nog altijd
+gebeurt, had ook hier plaats; de vriendschap der jeugdige ridders
+veranderde spoedig in liefde. Beide broeders dongen naar de gunst
+der jonkvrouw.
+
+De bejaarde burchtheer bemerkte het, en een treurig voorgevoel maakte
+zich van hem meester. Hoewel hij voor beide zonen dezelfde liefde
+koesterde, zoo toch beviel hem het zachtzinnige, van zijn moeder
+geërfde karakter van zijn eerstgeboren kind beter, dan de vurige
+geest van Koenraad, den jongsten zoon.
+
+Reeds vanaf het eerste oogenblik, dat de jonge wees op zijn familieslot
+gekomen was, had hij den wensch gekoesterd, dat de sierlijke jonkvrouw
+in het huwelijk zou treden met zijn lievelingszoon Hendrik, die den
+naam zijns vaders droeg en eenmaal den familieburcht bezitten zou.
+
+In stilte beminde Hendrik Angela steeds vuriger. Zijn broeder echter
+maakte geen geheim van de hartstochtelijke liefde, die hij voor de
+jonkvrouw gevoelde en spoedig bemerkte de grijsaard met droefheid,
+dat het jonge meisje de genegenheid van dezen ridder beantwoordde. Ook
+den broeder bleef het geluk der beide jongelieden niet verborgen, en
+diepbedroefd begroef hij zijn liefde, een schuw kind, dat wellicht
+tot sterven veroordeeld was, omdat de spraak hem niet vroegtijdig
+gegeven was. En Angela? Wel ontging haar de zwaarmoedigheid niet, die
+op de trekken van den oudsten broeder te lezen stond. Zij ontroerde,
+toen ze eens bemerkte, dat zijn stem beefde als hij haar naam noemde;
+maar de zonneschijn van haar jonge liefde verblindde haar zoozeer,
+dat ze de wolken niet bemerkte, die een schaduw over de trekken
+van den ridder wierpen. Terzelfder tijd kwam Bernard van Clairvaux
+uit Frankrijk aan den Rijn en predikte over een nieuwen kruistocht
+tegen de ongeloovigen. Duizenden werden in geestdrift gebracht
+door de bezielende rede van den heiligen monnik. Ook op de vesting
+Sterrenberg werd zijn oproeping vernomen. Hendrik besloot aan den
+kruistocht deel te nemen. Hij kon niet langer op den burcht blijven,
+waar zij vertoefde, die hij hopeloos beminde. Maar ook de naar roem
+dorstende geest van den jongsten ridder werd zeer opgewonden door de
+onbekende bekoorlijkheid, die een kruistocht in het sprookjesachtige
+Morgenland aanbood. Zijn jeugdige kracht, die jarenlang op een
+afgelegen vesting in toom gehouden was, dorstte naar avonturen, die
+de vermetele kruisvaarders ver weg onder de Oostersche palmen in de
+woeste Levant wachtten. Nutteloos waren de smeekbeden en tranen van
+de liefhebbende jonkvrouw, nutteloos de smart zijns vaders, die hem
+smeekte, hem niet te verlaten.
+
+Wanhopig was de grijsaard over het onwrikbare besluit van zijn zoons.
+
+"Wie blijft op den burcht mijner voorouders, als gij hem verlaat om
+daar nooit terug te keeren?" riep hij smartelijk uit. "Ik smeek u,
+mijn oudste zoon, evenbeeld uwer moeder, heb erbarmen met het witte
+haar van uw vader! En u, Koenraad smeek ik, heb medelijden met de
+tranen van uw verloofde."
+
+Zwijgend stonden de broeders daar. Toen vatte de oudste de hand van
+den grijsaard. "Ik zal u niet verlaten, vader," sprak hij aangedaan.
+
+"En gij, Angela?" vroeg de jongste op trotschen toon aan de
+weenende jonkvrouw, gij zult het offer der scheiding brengen en
+een laurierboompje planten om mij daarvan een krans te maken als
+ik weerkom.
+
+II.
+
+Den volgenden dag verliet de jonge ridder den vaderlijken burcht.
+
+Het jonge meisje scheen in het eerst ontroostbaar van smart. Zij
+schreide om den afwezigen geliefde en sliep toen in als een moegeweend
+kind. En toen ze ontwakend om zich heen keek, kwam de toorn, die den
+verloofde zacht beschuldigde en het beeld van hem, die zich om ijdelen
+roem van haar gescheiden had, eenigszins uit haar herinnering verdreef.
+
+Meer dan vroeger bleven haar blikken op den fieren jongeling rusten,
+die een meisjesachtig gelaat op mannelijke schouders droeg, en die
+gedwongen was, onder een dak met zijn verloren geliefde te wonen. Zij
+bewonderde hem, die door ontelbare bewijzen van reine vriendschap
+haar leed trachtte te verzachten. Veel, wat haar vroeger ontgaan was;
+zijn groote moedigheid op de jacht, zijn bedrevenheid in het hanteeren
+der wapenen, vond zij thans bewonderenswaardig.
+
+Het scheen, dat hij haar ontvluchtte, als vreesde hij de geesten der
+doode liefde te wekken, die in zijn ziel sluimerden. Angela echter
+voelde zich steeds meer tot den ridder aangetrokken. Zij trachtte hem
+duidelijk te maken, dat haar liefde voor den jongsten broer niets
+geweest was, dan een voorbijgaande jeugdige hartstocht, die gelijk
+met den persoon zelf verdween. Zij gevoelde zich ongelukkig, toen zij
+bemerkte, dat hij, dien zij verkelijk lief kreeg, voor haar slechts
+broederlijke genegenheid scheen te koesteren. En toch zou ze hem voor
+een woordje van liefde haar rijk, gevoelvol hart hebben gegeven.
+
+De verandering van haar gevoelens was den ridder niet verborgen
+gebleven, maar trotsch en mannelijk verstikte hij elk opkomend gevoel
+voor de verloofde van zijn broer.
+
+De grijsaard was hoogst bevredigd, toen Angela hem eens haar hart
+uitstortte. Hij bad God, de twee geliefde menschen bij elkaar te
+brengen, die volgens zijn inzicht een paar in den geest des Heeren
+zouden worden. In zijn droomen zag hij Angela reeds met een knaapje op
+den schoot, met blauwe oogen en blonde haren, evenals zijn overleden
+vrouw en zijn eerstgeboren zoon. Dan dacht hij plotseling aan den
+opvliegenden jongeling, die als kruisvaarder in het Heilige Land
+vertoefde en snel brak hij zijn droomen af.
+
+Tegenover zijn familieburcht liet hij een indrukwekkende vesting
+bouwen. Hij gaf haar den naam van Liebenstein en bestemde haar voor
+zijn tweeden zoon, als hij van den kruistocht terugkeerde. Nauwelijks
+was de burcht voltooid, toen de grijsaard stierf.
+
+Eenigen tijd later was de kruistocht afgeloopen. De heeren van
+den Rijn, die terugkeerden, brachten de vreemde tijding mede, dat
+graaf Koenraad een schoone voorname Grieksche vrouw mee zou brengen,
+waarmede hij in het Morgenland getrouwd was.
+
+Toen de broeder dit vernam, fonkelden zijn oogen. De mededeeling leek
+hem onmogelijk. Hij berichtte de jonkvrouw de spoedige aankomst van
+haar verloofde. Haar lippen bewogen zich, maar zij was niet in staat
+een woord uit te brengen. Dikwijls ging zij naar den toren en richtte
+haar blikken naar het Zuiden.
+
+III.
+
+Eens, op een namiddag vertoonde zich een groot schip op den
+Rijn. Vreemde vlaggen woeien van de masten. Angela zag het vanaf de
+platform en riep den broeder. Het schip kwam naderbij; men hoorde
+het roepen van de stuurlieden en kon de gezichten van de bemanning
+onderscheiden.
+
+Plotseling stiet de jonkvrouw een vreeselijken kreet uit en wierp
+zich weenend in de armen van den ontstelden ridder. Deze kromp
+ineen. Somber staarde hij naar het schip. De ridder, die daar in
+schitterende wapenrusting aan boord stond, was zijn broer. Een schoone
+vrouw vlijde zich tegen hem aan.
+
+Het schip legt aan.
+
+Het eerste springt Koenraad aan wal.
+
+De twee personen op de platform waren verdwenen. Een schildknaap
+naderde den ridder en berichtte hem, dat het nieuwe slot, hem door
+zijn vader vermaakt, zijn eigendom was.
+
+Denzelfden dag kondigde hij zijn bezoek op Sterrenberg aan. Toen
+hij voor de opgehaalde brug wachtte, liet zijn broeder hem zeggen,
+dat hij den trouwelooze, die zijn verloofde verlaten had, slechts
+met het zwaard in de hand ontmoeten wilde.
+
+De beide burchten werden in schemering gehuld. Op den smallen weg,
+die de vestingen scheidt, stonden twee broeders in een strijd op
+leven en dood.
+
+Dat was een verschrikkelijke broederstrijd.
+
+Rechtvaardige toorn en gekrenkte trots deden de blanke wapenen
+kruisen. De beide tegenstanders, wier hoofden, uit de pantserhemden
+gloeiden, hadden dezelfde kracht, denzelfden moed. Rood druppelde
+het bloed uit de armplaat van den oudsten.
+
+Daar gingen de struiken uiteen. Een wit-gesluierde jonkvrouw, met
+doodsangst op het gelaat, wierp zich tusschen de strijders. Het was
+Angela. Wanhopig klonk haar smeeken:
+
+"In naam des Heeren, die u ziet, houdt op! In naam van uw zaligen
+vader, stuit den broedermoord. Degene, waarvoor gij de zwaarden trekt,
+gaat op dit uur nog in het klooster en zal God voortdurend bidden, u,
+ridder Koenraad uw trouwbreuk te vergeven en u te zegenen, evenals
+uw broeder." De beide broeders lieten de wapenen zakken, Koenraad
+boog het hoofd diep en hield de hand voor de oogen. Hij waagde het
+niet de vrouw te aanschouwen, die hem zwijgend aanklaagde en in haar
+volle waardigheid voor hem stond. Hendrik vatte de hand der weenende
+jonkvrouw.
+
+"Dank, zuster," fluisterde hij. "Kom, de trouwelooze verdient je
+tranen niet."
+
+Door de schaduwen der boomen werden zij onzichtbaar. Zwijgend tuurde
+de ridder in de richting, waarheen zij gegaan waren. Een ongekend
+gevoel kwam over hem. Hij bedekte het hoofd en weende.
+
+IV.
+
+Op een afstand van een uur gaans ligt in het dal het klooster
+Marienburg. Achter zijn muren vond Angela rust. Tusschen Sterrenberg
+en Liebenstein verhief zich na verloop van eenige maanden een dikke
+muur, als stil bewijs van de vijandschap der beide broeders.
+
+In het nieuwe slot volgde het eene feest op het andere. De mooie
+Grieksche vrouw vierde daar, te midden der ridders van den Rijn,
+de triomfen harer schoonheid.
+
+Op burcht Sterrenberg heerschte diepe droefheid. Het was den ridder
+niet gelukt het besluit der jonkvrouw te veranderen. Sedert haar
+verdwijnen verminderden zijn krachten. Aan den voet van den berg liet
+hij een klooster bouwen en trok de monnikspij aan. Weinige maanden
+daarna ontsliep hij. Op denzelfden dag, zoo beschikte het lot, dat hen
+gescheiden had, luidden, de doodsklokken van het klooster Marienburg
+en verkondigden den dood van de verloren geliefde.
+
+De heer van Liebenstein mocht zich niet lang in een duurzaam geluk aan
+de zijde van de verleidelijke vrouw verheugen. De hartstochtelijke
+Grieksche vrouw schond de echtelijke trouw en vluchtte met haar
+geliefde, een bevriend ridder, die gastvrijheid op Liebenstein genoten
+had. Overstelpt van smart en schaamte, stortte de burchtheer zich
+van de tinnen van zijn vesting in de diepte.
+
+De burchten vervielen aan den ridder Brömser van Rüdesheim. Kerk en
+klooster staan nog altijd in het dal en worden jaarlijks door duizenden
+pelgrims bezocht. De beide vestingen zijn reeds lang vervallen. Terwijl
+beneden in het klooster Bornhofen dagelijks de klokken luiden en de
+plechtige gezangen van de bedevaartgangers weerklinken, heerscht boven
+tusschen de verlaten ruïnes, nog heden in de volkstaal "de Broeders"
+genaamd, treurige rust. Slechts dan, zoo heeft de Lorelei ons verraden,
+wanneer de volle maan in den zomernacht haar bleeke stralen werpt,
+hoort men op den smallen weg, die de vestingen scheidt, de zwaarden
+van de vijandige broeders kletteren.
+
+
+
+Boppard
+
+
+Klooster Marienburg
+
+Op zijn burcht te Boppard woonde graaf Koenraad Bayer, die tot
+een hoogadellijk Rijnsch geslacht behoorde. Hij was nog jong,
+vol levenslust en dikwijls beheerscht door jeugdige onstuimigheid
+en gevaarlijke dartelheid, maar niet ontaard. Ongelukkigerwijs
+verkeerde hij in zeer slecht gezelschap, en de verderfelijke invloed,
+die deze lieden, waarmede hij drinkgelagen hield en ter jacht ging,
+op den jongen ridder hadden, verstikte menige goede kern, die in zijn
+ziel sluimerde.
+
+Op een dag had hij de jonkvrouw van een naburigen burcht leeren kennen,
+en de betooverende lieftalligheid van de jonkvrouw had hem het besluit
+doen nemen om haar hand te dingen.
+
+Hun vaders waren zeer bevriend geweest en gaarne ontving men den
+ridderlijken jongeling op het slot. Ook Marie de burchtjonkvrouw
+leerde hem achten en hoewel de buitengewoon krachtige mannelijkheid
+van den ridder het zachtzinnige meisje niet aangenaam aandeed, zoo
+toch koesterde zij een innige genegenheid voor den vermetelen jager
+en ridderlijken aanbidder.
+
+Toen hij dus haar hand vroeg, gaf ze hem gaarne haar jawoord en
+verheugde zich er in zijn verloofde te zijn. Gelijk met de nieuwe
+maan zou de bruiloft plaats hebben en vol hoop op de toekomst bracht
+het lieftallige meisje de volgende weken van haar verlovingstijd door.
+
+Minder vroolijk was de zielstoestand van haar bruigom. Op spottenden
+toon hadden zijn drinken jachtgenooten hem gelukgewenscht. Zij vonden
+het allen onaangenaam, dat het dolle jonggezellenleven in den burcht
+van den gastvrijen vriend zoo niet eindigen, dan toch zeer beperkt
+worden zou. En terwijl de een hem voorspiegelde van welk een heerlijke
+vrijheid hij lichtzinnig voor altijd afstand deed, trachtten anderen
+hem schertsend en spottend te overtuigen welke drukkende ketenen hij
+zich in den bloei zijner jaren vrijwillig op den hals wilde halen. In
+den beginne hoorde de ridder hen rustig glimlachend aan. Het beeld
+zijner verloofde verdrong de treurige tafereelen, die de welbespraakte
+heeren hem voor oogen stelden, doch toen zij steeds voortgingen met
+hem over te halen, werd hij besluiteloos. Trots en jeugdige overmoed
+kookten sterker dan ooit in zijn binnenste en verdrongen alle edele
+gevoelens.
+
+Eens, toen de jonkvrouw den ridder verwachtte, kwam hij niet. In
+zijn plaats kwam er een brief, en bij het lezen daarvan viel ze in
+zwijm. Hij bevatte de verklaring van graaf Koenraad Bayer, dat hij
+zich nog niet rijp voelde, om het huwelijksjuk te dragen, en dat hij
+haar haar woord teruggaf.
+
+II.
+
+Weken waren verstreken.
+
+Graaf Koenraad reed door het woud, dat tot zijn bezitting behoorde. In
+gedachten verzonken--hij was niettegenstaande de verhoogde vroolijkheid
+der drinkgelagen steeds treurig gestemd--had hij niet bemerkt, dat
+een ridder met gesloten vizier hem tegemoet draafde. Verrast hield
+hij hem aan en vroeg zijn naam en wat hij wenschte.
+
+"Mijn wapenschild antwoordt u," zeide de ridder met een bijzondere
+stem. "Maria's wreker ben ik, die u van laffe trouwbreuk beticht en
+Gods oordeel over u en mij zal laten beslissen. Maak u gereed tot
+den strijd." Deze trotsche uitdaging prikkelde den toorn van den
+ridder zeer. De klank van de gedempte stem had hem zeer opgewonden,
+het wapen van het schild behoorde tot het geslacht van zijn vroegere
+verloofde. Het moest haar broeder zijn, die in het Morgenland
+vertoefde, overlegde hij bij zich zelf, en gaarne had hij het
+tweegevecht vermeden.
+
+Maar reeds reed de tegenstander voor. Het was een korte strijd. De
+zwakke arm van den vreemdeling was ongeoefend, door een forschen
+stoot van ridder Bayer, die zich door zijn pantser heenboorde, zonk
+hij zonder geluid te geven ter aarde. De overwinnaar snelde toe, om
+den helm los te maken. Een kreet van ontzetting kwam over zijn lippen.
+
+In de handen hield hij het hoofd zijner verlaten bruid, uit een
+gapende wond vloeide bloed.
+
+"Door uw hand zocht ik den dood, sedert uw trouw voor mij gestorven
+is." Zij fluisterde dit met brekende stem, terwijl de wanhopige ridder
+zich over de stervende heen boog.
+
+
+
+
+
+Sedert dien dag was in het slot te Boppard de feestvreugde voor
+altijd verstomd; stil werd het ook in het woud, waar vroeger dikwijls
+jachthoorns en hondengeblaf weerklonken hadden. Op deze plaats in
+het bosch heeft men een klooster gebouwd, Marienberg genaamd (nog
+steeds draagt het dezen naam), en daaraan heeft ridder Koenraad Bayer,
+de stichter, al zijn goederen vermaakt om zijn schuld te boeten. Hij
+zelf is naar het Heilige Land gegaan, waar de vrome kruisvaarders met
+de ongeloovigen vochten over het bezit van de Heilige plaatsen. Zonder
+pantser heeft hij gevochten--men zegt, dat hij steeds opzettelijk het
+strijdgewoel opzocht--en wonderen van dapperheid heeft hij in het
+leger der kruisvaarders verricht. Daar trof hem, bij de bestorming
+van Ptolomeus een vijandelijke lanssteek.
+
+Hij stierf in het vertrouwen op God en met den naam van zijn
+ongelukkige verloofde op de verbleekte lippen.
+
+
+
+Rhense
+
+
+Keizer Wenzel
+
+In de omstreken van Koblenz, niet ver van den oever van den Rijn,
+staat op een bloemenrijke weide de historische Koningsstoel. Hier
+op Rhenser grond, waar het gebied van de drie groote bisschoppen van
+Keulen, Mainz en Trier aan elkander grenst, verzamelde het vorstelijke
+zevental zich, om den nieuwen gebieder van het heilige Romeinsche rijk
+te kiezen. Hier werd als eerste bij de vrije vorstenverkiezing Karel de
+Vierde, de vader van Bohemen en de stiefvader van Duitschland gekozen;
+hier koos ook het zevental Wenzeslaus, den zoon van den Luxemburger
+tot Duitschen keizer. Bij zijn leven had de keizer reeds veel moeite
+gedaan, dat zijn oudste zoon verkozen werd, en was in hoogst eigen
+persoon met hem naar Rhense aan den Rijn getrokken, alwaar in den
+beroemden Koningsstoel de kanselier van het rijk, de aartsbisschop
+van Mainz dikwijls gewichtige conferenties hield met de bisschoppen
+van Trier, Keulen en den paltsgraaf.
+
+Destijds was Wenzeslaus van Bohemen verrukt over den Rijn en zijn
+heerlijken wijn, en toen hij later werkelijk, minder door eigen
+verdienste, dan door de bemoeiingen van zijn vader en de genade van
+den keurvorst, keizer van Duitschland werd, terwijl zijn broeder
+Sigismund het onvruchtbare Brandenburg erfde, heeft hij den Rijnwijn
+meer eer aangedaan dan eenig drinkebroer. Het goud der druif trok
+hem meer aan dan dat der kroon, en daar een lekker glas wijn nergens
+zoo goed smaakt als aan de bron zelf, zocht hij zeer dikwijls den
+braven paltsgraaf van den Rijn op, die in den gezegenden "Rheingau"
+woonde en meer fusten in zijn kelder had dan er heiligen in het jaar
+zijn. Den hoogedelen Ruprecht van de Palts was dit bewijs van 's
+keizers vertrouwen volstrekt niet onaangenaam, en door buitengewone
+gastvrijheid trachtte hij zijn keizerlijken gast steeds genadiger
+voor zich te stemmen.
+
+De slimme Ruprecht zou niet ongaarne het paltsgrafelijke kroontje
+voor de keizerskroon verruild hebben, en als zijn vorstelijke gast,
+door den wijn in een vroolijke stemming gebracht, hem mededeelde hoe
+lastig de keizerlijke praal voor den drager daarvan was, dan gaf de
+paltsgraaf hem uit den grond van zijn hart gelijk. Hij liet ook niet
+na zijn gebieder mede te deelen, hoe weinig de wijze keurvorsten over
+het nalatig bestuur van het rijk gesticht waren, en hoe verheugd ze
+over zijn mogelijk aftreden zouden zijn. Keizer Wenzel hoorde dit,
+zittende achter zijn volle bokaal met ijzige kalmte aan en dronk
+onderwijl het eene glas na het andere uit.
+
+Eens zat de keizer weder met zijn mededrinkers bij den Rhenser
+Koningsstoel en algemeen heerschte er een vroolijke geest, want
+de paltsgraaf schonk vurigen Aszmannshäuser in groote bokalen. Met
+welbehagen proefde Wenzel den edelen drank en de overige drinkers
+hadden geen woorden genoeg, om het edele vocht te prijzen.
+
+En terwijl de bekers rondgingen en vroolijke melodiën in de koningshal
+weerklonken, verhief de keizer zich plotseling van zijn zetel, en
+door den wijn overmoedig gestemd, zeide hij tot den paltsgraaf:
+
+"De kroon, die men mij op het hoofd gezet heeft, zou u niet lastig
+zijn. Welnu, ik bied haar u aan, indien gij mij en den anderen gasten
+een wijn schenkt, die nog beter smaakt, dan deze Aszmannshäuser."
+
+Toen knipte de paltsgraaf zeer vroolijk met de oogen, wenkte daarop
+zijn schildknaap en na een poosje sleepten de knechts een bestoven
+vat naar binnen, waaruit dadelijk de bekers gevuld werden. En de
+paltsgraaf verhief zich en bood de eerste bokaal den keizer aan.
+
+"Dit is mijn Bacharacher, edele Heeren! Proeft hem; ik onderwerp mij
+zonder vrees aan uw oordeel."
+
+En men hoorde een welbehaaglijk slurpen en zag vele voldane
+gezichten. De vurige Bacharacher vond algemeenen bijval, en
+keizer Wenzel verhief zich en gaf hem luid de voorkeur boven den
+Aszmannshäuser. Hij kon het edele druivensap niet genoeg prijzen
+en proeven.
+
+"De wijn is meer dan kronen waard," sprak hij na elke ferme teug.
+
+Hij heeft ook woord gehouden. De heer Ruprecht van de Palts kreeg
+de koningskroon en schonk keizer Wenzei uit dankbaarheid zes groote
+vaten Bacharacher wijn.
+
+
+
+Burcht Lahneck
+
+
+De tempelier van Lahneck
+
+Tegenover Koblenz boven Lahnstein verheft zich op den vijfhoekigen
+Bergfried, Lahneck, een der weinige burchten, die uit ruïnen
+tot goed bewoonbare kasteelen herschapen zijn. Aan Lahneck, dat
+in hetzelfde jaar als het Heidelberger slot door de horden van
+Lodewijk den Dertienden neergeschoten werd, is een treurige sage
+verbonden. Door de tempeliers, wier ordehuis in Jerusalem stond,
+moeten deze vestingen gebouwd zijn, waarvan de wachttoren dertig
+meter boven de kamers uitstak.
+
+De rijkdom der tempeliers bracht hun ongeluk te weeg. De lage
+koning der Franschen Philipp, die den bijnaam van den Schoone had,
+bewerkte bij den paus, op grond van gefungeerde zware beschuldigingen,
+dat de veel gesmade orde opgeheven werd, en haar grootmeester met
+vijftig volgelingen op den brandstapel gebracht werden. Overal
+werden de veroordeelde ridders op gruwelijke wijze uitgeroeid,
+waarbij verbeurdverklaring hunner aanzienlijke goederen meer dan de
+geloofsijver tegen de vermeende ketters en zondaars de drijfveer was.
+
+Op het trotsche Lahneck, dat twaalf tempeliers met dienstpersoneel
+herbergde, richtten zich de begeerige blikken van Peter van Aspelt,
+den aartsbisschop van Mainz. Tegen zijn bevel, dat hij op grond van
+hun zoogenaamde afkeurenswaardige levenswijze uitvaardigde, om den
+burcht te ontruimen en den witten wapenmantel met het roode kruis voor
+de boetende monnikspij te verruilen, verzette het twaalftal zich als
+ridders zonder vrees of blaam.
+
+Dit hitste de hebzucht en toorn van den bisschop nog meer aan. Van
+den Hoogepriester, dien hij, toen deze te Avignon zwaar ziek lag, met
+goed gevolg verpleegd had, verkreeg Peter van Aspelt een bijzonderen
+vrijbrief, die hem de macht over de bezittingen en het leven der
+bannelingen te Lahneck gaf. Hij trok dus met vele vazallen en soldaten
+den Rijn af en gaf den tempeliers het pauselijk geschrift over, met
+bevel zich te onderwerpen. Indien zij weigerden te gehoorzamen, zou de
+burcht stormenderhand genomen worden, en de bewoners als onboetvaardige
+zondaars door de handen van den beul een smadelijken dood sterven.
+
+De oudste der twaalf ridders, een grijsaard met zilveren haren, legde
+in naam van zijn broeders de verklaring af, dat ze vast besloten
+waren tot den laatsten druppel bloed te strijden; eveneens waren ze
+bereid, evenals hun broeders in Frankrijk folterkwelling en ketterdood
+te verdragen.
+
+Zoo begon de strijd van de overmacht tegen de minderheid. Met bebloede
+hoofden werden zij, die tot de partij van den keurvorst behoorden,
+door de ridders en hun getrouwe schildknapen teruggedreven; maar steeds
+zond de vertoornde aartsbisschop andere mannen in het strijdperk. Het
+aantal der verdedigers slonk met den dag. Onder hen blonken in dezen
+strijd van man tegen man de heldenfiguren der twaalf tempeliers in den
+witten mantel met het bloedroode kruis uit. Daar zonk een der twaalf
+ridders met brekende oogen naast de met leeuwenmoed verdedigde muur
+onder het verbrijzelde schild neder; de tweede volgde hem en toen de
+derde. De anderen, die uit vele wonden bloedden, verdubbelden met de
+weinig overgeblevene burchtlieden hun dapperheid; maar onbarmhartig
+maaide de dood in hun midden.
+
+Toen op den avond na de hevigste bestorming de belegeraars de
+overwinning behaald hadden en hun vlag op de veroverde tinnen
+plaatsten, stond de grijsaard met het zilveren haar, die voorheen het
+woord gevoerd had, als laatstovergeblevene met zijn met bloedbevlekt
+zwaard tusschen de lijken van zijn gevallen broeders.
+
+De bisschop, getroffen door zooveel heldenmoed, beval hem zich over
+te geven.
+
+Hij echter vervloekte den hebzuchtigen kerkvoogd en ging met hoog
+opgeheven zwaard op zijn vijanden af. Hun slagen deden ook den laatst
+overgeblevene van het twaalftal vallen, en over het lijk van dezen
+held drongen de Mainzers in den thans onbeheerden burcht.
+
+Peter van Aspelt maakte Lahneck tot verblijfplaats van den baljuw van
+het Keurvorstendom Mainz en benoemde tot eersten hoofdschout Hartwin
+van Winningen. Zoo behoorde de burcht ruim driehonderd jaar tot het
+Keurvorstendom Mainz; maar de treurige geschiedenis van de twaalf
+tempeliers op Lahneck is steeds in die omstreken bewaard gebleven.
+
+
+
+Stolzenfels
+
+
+Het dochtertje van den kamerheer
+
+De heer Koenraad van Isenburg, keurvorst van Trier, was een zeer
+hebzuchtig man. Toen de bisschop van Mainz, niettegenstaande het
+machtwoord van den keizer, dat hij niet bevoegd was, den vrijen
+doortocht op den Rijn te belemmeren en belasting van de reizigers te
+heffen, de Rijnbelasting invoerde, deed hij hetzelfde. Bij den burcht
+Stolzenfels, dien hij op een boschachtigen bergtop gebouwd had, liet
+hij een sterk tolhuis bouwen. Het beheer hiervan gaf hij in handen
+van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg.
+
+Deze slotvoogd was nog hebzuchtiger dan zijn heer. De drukkende
+tolgelden, die hij op Stolzenfels hief, waren haast ondragelijk,
+zoo gebruikte hij b.v. speciaal daarvoor afgerichte honden, die de
+rondtrekkende joden moesten opspeuren en wanneer die hun smokkelarij
+ontdekt hadden, moesten ze dubbel tol betalen.
+
+De beheerder Frundsberg beging hierbij het groote schelmstuk het
+aartsbisdom voor een gedeelte van de belastinginkomsten te berooven,
+en door zijn steeds grooter wordende rijkdom werd zijn hebzucht
+nog meer aangewakkerd. Een rondtrekkend Italiaan, Lionarde genaamd,
+die door zijn geheimzinnige kennis van de planeten bij ridders en
+geestelijken voordeel zocht te behalen, hoorde van de schraapzucht
+van den Stolzenfelser slotvoogd. Hij verzocht den heer Frundsberg
+om een vertrouwelijk onderhoud en beroemde zich er toen op, dat hij
+in de raadselachtige kunst der alchimie het onmogelijke tot stand
+kon brengen. Volgens zijn zeggen was hij een adept, dat is iemand,
+die de wonderbaarlijke kunst verstaat met de beide geheime middelen,
+zooals de steen der wijzen en elixir alle onedele metalen in zilver
+en goud te veranderen, ook kon hij met den eersten, Grootelixir of
+Panacée des Levens genaamd maken, dat verdund als vloeibaar goud alle
+gebreken genas, den ouderdom verjeugdigde en het leven verlengde.
+
+Met lichaam en ziel gaf de hebzuchtige administrateur zich aan den
+Italiaanschen adept over. Hem ontging in zijn eerzuchtige verblindheid,
+dat het den valschen man alleen om zijn vermogen te doen was, en in
+afwachting van de hem Voorgespiegelde schatten, liet hij zich meer
+dan ooit tot lage verduistering van hetgeen aan het Keurvorstendom
+behoorde, verleiden. Handenwringend smeekte Gertraud, zijn lieftallig
+dochtertje, hem, zich niet in het verderf te storten. Maar haar
+smeeken vond bij den verstokten vader geen gehoor.
+
+Daar verscheen op een dag de heer Koenraad van Isenburg op Stolzenfels,
+om van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg rekening en verantwoording
+omtrent de Rijnbelasting te ontvangen. En met angst zag de ontrouwe
+rentmeester het uur van de afrekening tegemoet.
+
+In haar doodsangst smeekte Gertraud den alchimist om redding in den
+nood. En terwijl zijn oogen begeerig schitterden, deelde Lionardo haar
+mede, dat alleen de zelfopoffering van een jonkvrouw in staat zou zijn
+den vader te redden. Door zulk een offer zou hij ontelbare koninklijke
+schatten en eer verwerven, later een gelukkigen ouderdom, kortom al het
+aardsche geluk zou hem beschoren zijn. Zwijgend hoorde het meisje deze
+woorden aan en verklaarde zich toen bereid, haar jong leven terwille
+van den innig geliefden vader te geven, hetgeen, volgens zeggen van den
+Italiaanschen toovenaar de geheimzinnige machten der alchimie eischten.
+
+Tegen het aanbreken van den volgenden nacht begaf zij zich naar de
+afgelegen torenkamer, die Lionardo als meest afgezonderd vertrek
+voor zijn goudmakerskunsten gebruikte. Over een groote tafel in het
+midden van de kamer was een purperen kleed gespreid; een schaal stond
+daarop, en daarnaast lag een dolk. Op een drievoet, die daarbij stond,
+kronkelden blauwachtige vlammetjes omhoog en hulden het lage vertrek
+in een benauwend schemerlicht.
+
+De goudmaker reikte het doodsbleeke meisje een blinkend wit linnen
+laken over en beval haar vervolgens haar kleeren af te leggen, zich op
+het purperen kleed op de tafel uit te strekken en haar jonkvrouwelijk
+lichaam met het laken te bedekken.
+
+Terwijl het opofferende meisje in droefgeestige stemming aan haar
+onzaligen vader dacht en deed wat haar bevolen was, boog Lionardo zich
+over de offervlam, verbrandde daarin een stukje hout, afkomstig van
+het gebergte Libanon, en mompelde in zijn puntbaart onverstaanbare
+woorden. Vervolgens trok hij, terwijl de jonkvrouw de oogen van
+schaamte gesloten hield en haar reine ziel den Heer aanbeval, snel
+het omhulsel van haar af en zwaaide, terwijl hij met fonkelende oogen
+zijn tooverformulier ten einde prevelde, den dolk in de opgeheven
+rechterhand in de richting van het hart van het meisje.
+
+Op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend. Met een ijzeren greep
+omklemde een hand den opgeheven arm, en een slag deed den toovenaar
+als een slachtdier ter aarde storten. Over Gertraud, die blozend
+het laken om haar kuische leden hulde, boog jonkheer Reinhard van
+Westerburg, de jeugdige hoofdman van de keurvorstelijke bezetting
+op Stolzenfels zich met gepasten eerbied. Het opofferende meisje
+beleed hem alles, wat er gebeurd was. Hij echter deelde haar mede,
+hoe hij, door haar zonderling gedrag van dien avond verschrikt,
+angstige voorgevoelens had gekregen en het sedert langen tijd in
+stilte beminde meisje totaan het uur, waarop zij den drempel van deze
+kamer overschreed, gade geslagen had. Hoe dan een hoogere macht hem op
+het laatste oogenblik ingegeven had, hier binnen te dringen, en een
+gruwelijke euveldaad te verhinderen, waarvoor hij den Italiaanschen
+goochelaar morgen aan den beul van den keurvorst zou overleveren. Bij
+deze laatste woorden sprong de goudmaker, die op den grond lag, alsof
+hij dood was, als een sissende slang overeind, stiet een gruwelijken
+vloek uit en ontvluchtte.
+
+Den volgenden morgen is jonkheer Reinhard van Westerburg tot den heer
+van Frundsberg gegaan en heeft dezen verzocht hem zijn lieftallige
+dochter Gertraud tot gemalin te geven. Toen de kamerheer van den
+keurvorst den hooghartigen ridder verward meedeelde, dat zijn
+dochtertje, hoewel rijk aan lieftalligheid en deugden, zulk een
+met goederen gezegenden heer onwaardig was, verklaarde de heer van
+Westerburg, dat hij aan zijn aanzoek slechts een voorwaarde verbond:
+De vader van zijn bruid moest van hem zonder dralen de som aannemen,
+welke de vreemde bedrieger, die dezen nacht door den duivel gepakt was,
+hem afgeperst had.
+
+Terwijl de heer Gerhard Frundsberg bij het hooren van deze
+dubbelzinnige woorden verbleekte, kwam er een stalknecht naar binnen
+gestormd, die mededeelde, dat ze beneden bij een uitstekende rots den
+Italiaanschen toovenaar met gespleten schedel gevonden hadden; hij had
+waarschijnlijk bij nacht en nevel den weg gemist en een doodelijken
+val gedaan. Toen heeft de slotvoogd een kruis gemaakt. Jonkheer van
+Westerburg hield steeds de handen van den sidderenden oude in de
+zijne en drong er nogmaals op aan hun schatten met elkaar te ruilen.
+
+Tegen den middag kwamen de Trierers in gala op Stolzenfels aan. De
+heer Koenraad van Isenburg heeft nauwkeurig afgerekend en alles in
+de beste orde bevonden. Na verloop van eenige dagen heeft hij het
+deugdzame dochtertje van zijn trouwen kamerheer aan den hoofdman van
+zijn Stolzenfelsche bezetting toevertrouwd, en de hoogeerwaarde heer
+verheugde zich zeer, zijn vesting Stolzenfels nu in dubbel goede
+handen te weten.
+
+
+
+
+Koblenz
+
+
+Riza
+
+Toen in het begin der negende eeuw Lodewijk, de Vrome, zoon van Karel
+den Groote, aan de oevers van den Rijn met zijn verdorven zoons om de
+keizerskroon streed, werd in Koblenz, ter eere van den godsvruchtigen
+Kastor, die in het land van de Moezel het christendom verbreid had,
+een godshuis gebouwd. Aan een vertakking van den Rijn werd het van
+vier torens voorziene gebedenhuis gebouwd.
+
+Destijds verhief zich op het hoogste zuidwestelijke punt van Koblenz
+het Frankische Koningshof, een voormalig Romeinsch kasteel, en
+daarnaast een, aan den heiligen Kastor gewijd nonnenklooster. Hierin
+heeft Riza, een dochter van Lodewijk den Vrome, die reeds vroegtijdig
+afstand van de wereld deed, haar vroom leven gesleten. Elken dag ging
+de koningsdochter aan de andere zijde van de rivier in de Kastorkerk
+naar de mis. De Heer schiep zulk een groot welbehagen in Riza, dat
+zij, evenals voorheen zijn discipel over het meer van Genezareth,
+met droge voeten over den Rijn wandelde, om deel te nemen aan de
+heilige offerande in de St. Kastorkerk.
+
+Eens, zoo deelt de vrome sage verder mee, was de vloed door den
+storm zeer woest. Voor het eerst was de jonkvrouw angstig, toen haar
+voet de golven betreden zou. Uit voorzorg trok ze een stok uit een
+nabijzijnden wijnberg en nam hem als staf mede op haar wandeling
+over de waterstraat; maar evenals voorheen Petrus, zonk ook zij,
+na eenige angstige schreden gedaan te hebben, in het water.
+
+In haar doodsangst werd zij zich vol berouw haar gebrek aan vertrouwen
+op God bewust. Zij slingerde den stok ver weg, hief de armen ten
+hemel en vertrouwde zich aan de bescherming van den Allerhoogste
+toe. Daar dook ze weer op uit de golven, en evenals vroeger bereikte
+ze met droge voeten den tegenover gelegen oever. Sedert dien tijd
+beijverde Riza, de heilige dochter van den vromen Lodewijk, zich meer
+dan ooit in werken, die God welgevallig waren. Zij stierf tusschen
+de kloostermuren en haar stoffelijk overschot werd naast dat van den
+heiligen Kastor in zijn kerk bijgezet. Het marmeren monument van Riza,
+die door het volk heilig verklaard is, kan men nog in de noordelijke
+zijvleugel van de Kastorkerk te Koblenz zien.
+
+
+
+Andernach
+
+
+Genoveva
+
+I.
+
+In de omstreken van den Rijn wordt de naam van de deugdzame gemalin
+van paltsgraat Siegfried met vereering genoemd. Zij, die eens het
+grootste kleinood van het hart, niettegenstaande gruwelijke beproeving
+en nameloos verdriet standvastig en ongeschonden bewaarde, werd
+door het volk de heilige Genoveva genoemd. In den tijd, dat Karel, de
+naamgenoot van zijn voorvader, den grooten keizer der Franken, het land
+der West-Franken regeerde, stond in den "Mayenfelder Gau" ten westen
+van de oude stad Andernach, het slot van den paltsgraaf. Zeer gelukkig
+en eendrachtig leefde de jonge paltsgraaf met zijn liefelijke gemalin.
+
+Doch het eerste wolkje kwam aan den horizon van hun huwelijksgeluk. De
+gevreesde Arabieren waren uit Spanje gekomen en in Gallië
+binnengedrongen en baanden zich moordende en alles verbrandende
+een weg naar het Noorden. Een hevige schrik verspreidde zich door
+het christelijke Frankenland. De vijand van het christendom moest
+uitgeroeid worden, wilde het Westen niet hetzelfde lot van het door
+de halve maan beschaduwde Afrika ondergaan. Ook in den burcht van
+den paltsgraaf drong de oproeping van den gebieder tot deelneming
+aan den strijd door. Toen trok de heer Siegfried de wapenrusting
+aan, kuste zijn weenende vrouw en nam afscheid van den burcht zijner
+voorvaderen. Zwaar viel hem het scheiden van de heerlijke "Mayenfelder
+Au", waar hij det hoogste geluk zijns levens gesmaakt had, maar nog
+zwaarder viel hem het afscheid van de bedroefde gade. Zijn slotvoogd
+Golo droeg hij op, goed voor zijn beminde vrouw te zorgen, en haar
+verzocht hij, dezen haar volle vertrouwen te schenken.
+
+De dagen der scheiding van haar geliefden echtgenoot waren voor de
+paltsgravin zeer smartelijk. Hevig drukte haar de eenzaamheid in den
+grooten burcht, en zeer miste ze Siegfrieds nabijheid, den klank zijner
+stem en de veiligheid van zijn tegenwoordigheid. Tot den man, die door
+hem als haar beschermer aangesteld was, kon ze niet spreken als tot een
+vriend. Haar rein vrouwenoog schrok van den hartstochtelijken gloed,
+die uit de sombere blikken van Golo straalde. Het scheen haar, dat deze
+blikken heimelijk haar bewegingen bespiedden en met een uitdrukking,
+die haar kinderlijk gemoed niet begreep, op haar rusten bleven.
+
+Dubbel miste zij dan den afwezigen gemaal. Dikwijls trad ze naar buiten
+en gaf zich in het tuintje onder den vlierboom aan aangename droomen
+over. Terwijl haar oogen verlangend in het schemerachtige, blauwe
+verschiet staarden, dacht Genoveva aan het zalige oogenblik, waarop ze
+den heer Siegfried terug zou zien; hoe zij, het hoofd aan zijn borst
+geleund, hem het zoete geheim mede zou deelen, dat de aanstaande moeder
+reeds bij voorbaat zoo gelukkig maakte. Misschien zou de oorlog tegen
+de heidenen lang duren, en zou zij den terugkeerenden echtgenoot het
+pand hunner liefde hier op de burchtplaats toereiken. Dan klaarde
+het lieve gelaat der paltsgravin op, en een glans van geluk kwam
+over haar trekken. Dikwijls steeg zij dan op naar de platform en
+droomde van toekomstig geluk, terwijl haar oogen verlangend in het
+schemerachtige verschiet staarden.
+
+De heimelijke vrees, die de paltsgravin voor den slotvoogd koesterde,
+was niet ongegrond. De engelachtige schoonheid van Genoveva had
+in het jeugdig gemoed van Golo een verboden vuur doen ontgloeien,
+dat hij niet in staat was te verstikken; integendeel werd door
+het vele samenzijn met de lieftallige paltsgravin, die tegen hem,
+evenals tegen alle ondergeschikten vriendelijk was, het vuur van
+den verderfelijken hartstocht nog meer aangewakkerd, totdat hij op
+een dag zich zelf niet meer meester was en zich aan de voeten van de
+begeerlijke, teeder beminde vrouw wierp. In zondige hartstochtelijke
+taal smeekte Golo de vrouw van zijn meester om haar wederliefde.
+
+Genoveva was zeer ontsteld door deze schandelijke bekentenis. Met
+verontwaardiging en verachting wees zij den vermetele af. Zij verbood
+hem, die zijn plicht zoo grenzenloos verzaakt had, ooit weer voor haar
+aangezicht te verschijnen en dreigde hem, dat zij hem bij haar man
+zou aanklagen. Toen kwam er een sombere flikkering in Golo's oogen,
+en een blik van doodelijken haat trof de schoone vrouw, die hem zoo
+streng terecht wees. Vergeving was niet te hopen van de verontwaardigde
+meesteres; zijn vernederde trots verlangde die ook niet, maar dorstte
+naar wraak. Nu moest er verder gegaan worden op den eenmaal ingeslagen
+weg, teneinde Siegfrieds toorn, waarmede hij gedreigd was, te ontgaan.
+
+De haat en wraak deed een vreeselijk plan in Golo's, binnenste
+rijpen. Hij ontsloeg de onderhoorigen en stelde nieuwe bedienden in den
+burcht aan. Toen trad hij op een dag, ten aanschouwe van het geheele
+dienstpersoneel, op de ontstelde paltsgravin toe en beschuldigde haar
+met fonkelende oogen, dat zij zich tegenover haar afwezigen echtgenoot
+op schandelijke wijze aan trouwbreuk schuldig gemaakt had, door met een
+gewonen knecht, die haar merrie zadelde in ongeoorloofde verhouding
+te staan, waarvan zij de vrucht onder het hart droeg. Schaamte en
+verontwaardiging beroofden Genoveva van haar zinnen. Golo deelde
+den ontstelden bedienden, die zwijgend toehoorden, mede, dat hij
+den paltsgraaf reeds van de schuld van zijn trouwelooze gade en
+haar ontvluchten dienaar Drago onderricht had en als tegenwoordig
+burchtbeheerder beval, de trouwelooze in een kerker te brengen.
+
+In een vochtige onderaardsche gevangenis van den burcht ontwaakte de
+ongelukkige paltsgravin uit haar bezwijming. Diep bedroefd verborg
+zij het hoofd in de handen en smeekte Hem, die haar deze vreeselijke
+beproeving opgelegd had, haar in het tegenwoordige leed en in de
+aanstaande gebeurtenis bij te staan. Smartelijke uren stonden Genoveva
+te wachten. Zij bracht een knaapje ter wereld. Zij doopte hem met haar
+tranen en gaf hem den naam Tristan, dat beteekent: rijk aan smarten.
+
+II.
+
+Acht maanden was paltsgraaf Siegfried reeds afwezig. Als een held
+had hij in menig hevig gevecht gestreden. Met woesten geestdrift
+vochten de dweepzieke Mahomedanen, die de Pyreneeën overgestoken
+waren, om ook het overige Westen met vuur en zwaard aan de leer van
+hun profeet te onderwerpen. In vele gevechten hadden de Franken voor
+hun overmacht moeten zwichten. Reeds stonden de teugellooze Horden
+in het midden van Gallië en drenkten hun paarden met het water van
+de Loire. Daar verscheen Karel, de eerste paladijn van den zwakken
+koning der Franken, en mat zich in een bloedig gevecht bij Tours met
+de Arabieren. Vanaf het aanbreken van den dag tot aan het vallen
+van den avond streden hier het kruis en de halve maan om Europa's
+lot. Nooit genoeg heeft men dezen strijd tegen de Mooren tusschen
+Tours en Poitiers gewaardeerd, toen Karel Martel als met een hamer de
+ongeloovigen op het hoofd sloeg, evenals voorheen Judas deed, dien
+ze Maccabeeus, dat beteekent: "de hameraar", genoemd hebben. Aan de
+zijde van den legeraanvoerder streed Siegfried, de paltsgraaf. Hij
+vocht als een leeuw, en God beschermde hem tot aan het einde van den
+strijd. Dienzelfden avond echter werd de dappere paltsgraaf door de
+lans van een vervolgden Saraceen getroffen. Het was geen doodelijke
+steek geweest, maar gedurende maanden was hij tot werkeloosheid
+gedoemd. Mistroostig lag graaf Siegfried op zijn legerstede, en vol
+droefheid dacht hij aan de geliefde gade in het mooie Rijndal.
+
+Toen kwam er op een dag een bode uit den "Mayenfelder Gau", die
+den paltsgraaf een perkament bracht, door Golo den slotbewaarder
+geschreven. Ontzet heeft graaf Siegfried de krullende, zwarte teekens
+aangestaard, als wilde zijn blik ze van het blad uitwisschen; maar
+hoonend hebben ze voor zijn oogen gedanst, en in zijn ooren heeft de
+ontzettende tijding geklonken: "je vrouw heeft de trouw gebroken met
+Drago, den weggeloopen stalknecht."
+
+Woedend hebben de vingers van den held het geschrift omklemd, een
+steunen drong uit den bleeken mond. Op hetzelfde uur heeft hij zich
+met eenige wapendragers op weg begeven en is somber en ontstemd de
+richting van de Ardennen ingeslagen. Hij heeft niet gerust voor dat
+de Paltsburcht voor zijn oogen opdoemde. Op de platform stond een
+man, die onderzoekend in de verte tuurde. Toen hij in de nabijheid
+stofwolken zag opwaaien en een kleine schaar ruiters ontdekte, kwam
+er een zegevierende blik in de donkere oogen.
+
+Daar rent een statig ridder voor de anderen uit. Donderend dreunt de
+met ijzerbeslagen hoef van het strijdros op de ophaalbrug. Voor den
+somberen paltsgraaf, die snel van zijn paard afgesprongen is, staat
+Golo met gehuichelde ontroering. Opnieuw deelt hij met gekunstelde
+smart mede, hetgeen de ridder reeds door den koerier vernomen heeft.
+
+"Waar is de boosdoener, opdat ik hem, die de eer van mijn huis
+bezoedelde, verplettere!" riep de paltsgraaf vol vertwijfeling uit.
+
+"Heer, ik heb den ellendeling gruwelijk gestraft en hem vervolgens
+met zweepslagen uit het slot verdreven," antwoordde Golo met krachtige
+stem.
+
+De paltsgraaf zucht diep. Zwijgend wenkt hij Golo, en een straal van
+duivelsche vreugde schittert in het oog van den valschaard.
+
+Ook in de onderaardsche gevangenis was het geluid van paardengetrappel
+en van het toeloopen der bedienden doorgedrongen. Zich hoog oprichtend,
+luistert Genoveva in haar kerker. Een dierbare naam en een bede tot
+God komt op haar lippen. Nu moest de vreeselijke beproeving een einde
+nemen, en haar deugd zegevierend de plaats der smaad verlaten en de
+doornenkroon verwisseld worden voor den zegekrans.
+
+Daar wordt de grendel weggeschoven, harde voetstappen weerklinken. Aan
+haar borst trekt zij het sluimerende knaapje. De vleugeldeur wordt
+opengeworpen, en den geliefden echtgenoot toont zij het aanvallige
+kind, het pand hunner liefde en juichend klinkt de naam van den
+dierbaren gemaal van haar lippen. Maar plotseling veranderen haar
+woorden in een luiden smartkreet. Hij slingert haar van zich af,
+als hamerslagen treffen zijn aanklachten haar onschuldig hoofd,
+en kermend valt Genoveva in onmacht. Den volgenden morgen bij het
+aanbreken van den dag brachten twee knechten de ongelukkige naar
+buiten in het bosch. In koelen bloede moesten zij de vrouw dooden, die
+haar gemaal op schandelijke wijze ontrouw geweest was, terwijl deze
+zijn leven aan de heilige zaak gewijd had, en met haar moest tevens
+het kind der schande sterven. De vertoornde paltsgraaf had bevolen,
+hem de tongen te brengen, als bewijs van het uitgevoerde bevel.
+
+Hardvochtig sleepten de knechten de ongelukkige naar het meest woeste
+deel van het woud, waar slechts het schreeuwen van een roofvogel
+of de kreet van een dier uit het bosch de stilte verbrak. Reeds
+hadden ze de messen getrokken. Daar wierp de paltsgravin zich vol
+vertwijfeling aan de voeten van de mannen, hield weenend haar knaapje
+in de hoogte en smeekte hun, zoo niet haar, dan toch het onschuldige
+kind te sparen. Medelijden maakte zich van de mannen meester en
+ontwapende hun hand, die het moordwapen vasthield. Nog dieper in het
+woud brachten ze moeder en kind, keerden zich toen snel om en lieten
+de slachtoffers aan hun lot over.
+
+Twee reetongen brachten de mannen den paltsgraaf en deelden hem mede,
+dat ze zich getrouw van hun opdracht gekweten hadden.
+
+III.
+
+Genoveva's bestaan was hoogst treurig. Geheel opgaande in haar smart,
+doolde zij dood vermoeid door het onbekende woud rond. De honger
+kwam en deed zijn rechten gelden. Zacht kermde het knaapje op haar
+arm, en een innig gebed zond de vertwijfelde moeder ten hemel. Het
+drukkende harteleed loste zich op in een vloed van tranen, die haar
+eenigszins verlichtten. De knaap was, nadat ook hij lang geschreid
+had, ingeslapen. Eensklaps zag Genoveva, als door den hemel, dien ze
+aangeroepen had, gezonden, een hol voor zich, dat haar een schuilplaats
+en toevluchtsoord aanbood. En, als wilde God haar toonen, dat hij
+harer welwillend gedacht, kwam er een witte hinde in het hol, die
+zich vertrouwelijk aan de voeten van de verlatene neervlijde. Haar
+uiers waren gevuld met melk; zij moest eenige dagen geleden jongen
+gekregen hebben. Gewillig liet het zachte dier toe, dat de vrouw
+haar kindje laafde. Ook den volgenden morgen kwam de hinde weder,
+en Genoveva dankte God uit den grond van haar hart. Zij vond wortels,
+bessen en kruiden, waarmede ze zich in het leven kon houden. Het makke
+dier kwam elken dag in het hol en bleef eindelijk voortdurend bij haar.
+
+Zoo verliepen er dagen, weken en maanden. Door de onveranderlijke
+vroomheid der zwaar beproefde vrouw was de hevige smart in zachten
+weemoed overgegaan. Na verloop van tijd kon zij haar echtgenoot,
+die haar onschuldig veroordeeld had, vergeven, evenals hem, die zich
+meedoogenloos op haar deugd gewroken had. Wel waren haar liefelijke
+wangen smal geworden, maar de gekruide boschlucht veranderde de
+bleekheid, die de kerkerlucht daarop verspreid had in een zacht
+rood. Meer nog nam de knaap in beterschap toe, daar hem niet zooals
+zijn moeder dat verterende leed aan het hart knaagde. Een bloeiende
+twijg aan een geknakten stengel.
+
+IV.
+
+Sedert deze treurige gebeurtenis was het verdriet een trouw bezoeker op
+het slot van den paltsgraaf. De hevige toorn was in knagend hartzeer
+overgegaan. Dikwijls, wanneer hij onrustig door de kamers dwaalde,
+waaraan zooveel herinneringen verbonden waren en doodsche stilte
+hem omringde, waar vroeger de zachte stem van de geliefde vrouw
+weerklonken had, dan overweldigde hem de smart. En het berouw kwam
+en fluisterde hem met gloeiende woorden in het oor: of de gruwelijke
+straf, die hij opgelegd had, niet te zwaar geweest was--of hij niet te
+snel het vonnis uitgesproken had en of hij niet had moeten overwegen,
+wat tot verzachting der ontmaskerde zonde had kunnen bijdragen.
+
+Als deze vermanende stemmen hem vervolgden, dan werd het slot en de
+eenzaamheid den paltsgraaf te veel, en hij snelde naar buiten met de
+keffende honden en het gevolg, om door jachtfanfares en hondengeblaf
+de innerlijke aanklagers tot zwijgen te brengen. Maar het gelukte hem
+slechts zelden, en ook buiten zag steeds een doodsbleek vrouwengezicht
+tot hem op, om dan in een stralenkrans weg te smelten. Golo had wel
+bemerkt, hoe het met den zielstoestand van zijn meester gesteld was,
+en dubbel drong de sluwe man zich aan den paltsgraaf op, huichelde
+steeds grootere onderdanigheid en zorg voor diens welzijn. Een
+hongerige neemt zelfs het brood aan, dat een bedelaar hem biedt:
+Siegfried meenende, dat de slotvoogd hem in zijn eenzaamheid wilde
+troosten, nam deze bewijzen van genegenheid minzaam aan en beloonde ze
+met welwillendheid, hoewel hij in zijn binnenste vertoornd was op den
+man, die hem den treurigsten dienst zijns levens bewezen had. Eens ging
+de paltsgraaf weer op de jacht. Slechts een klein gevolg begeleidde
+hem. Ook Golo was onder hen. Dieper dan gewoonlijk was Siegfried het
+bosch ingegaan. Een sneeuwwitte hinde was voor hem opgesprongen, en als
+een goed jager rende de paltsgraaf over heg en struik, om het zeldzame
+dier neer te schieten. Reeds had zijn speer het dier aangeraakt,
+toen het plotseling in een hol verdween. En een vrouwelijke gestalte
+met een knaapje aan de hand trad plotseling in de opening tusschen de
+rotsen. De hinde, die bescherming bij haar zocht, vlijde zich tegen
+haar aan. Zij bespeurt den jager en werpt met een blos van schaamte
+haar rijke mantel van blond haar over het armoedige gewaad. Maar
+een siddering overvalt haar, onbeweeglijk staren de groote vermoeide
+oogen den jager aan. Een kreet klinkt van haar lippen, half juichend,
+half kermend en zij werpt zich aan de voeten van den paltsgraaf. En
+van de lippen, die maandenlang slechts vurige gebeden gepreveld of
+het verlaten kind zoete vleierijen toegefluisterd hebben, stroomen nu
+betuigingen van onschuld en aanklachten tegen haar vervolgers. Als
+vuur dringen haar woorden in de ziel van den paltsgraaf, als vuur,
+dat verlicht, loutert en ontvlamt.
+
+Plotseling tot bezinning gekomen, trekt hij zijn wedergevonden vrouw
+aan zijn borst, kust haar traan voor traan van de wangen weg en werpt
+zich dan zelf aan haar voeten, terwijl hij berouwvol om vergeving
+smeekt. Den knaap drukt hij aan zijn hart en geeft het miskende kind
+duizend teedere namen.
+
+Dan blaast hij op den jachthoorn. Het gevolg nadert; ook Golo. De
+paltsgraaf trekt hem uit den kring der ontstelde wapendragers en
+sleurt hem vlak voor Genoveva.
+
+"Kent gij haar?"
+
+Als door geeselslagen getroffen, kromp de ellendeling ineen,
+en omklemde voortdurend de knieën van zijn meester, die hem
+verachtelijk van zich stiet. Hij biechtte zijn misdaad en smeekte
+om genade. Siegfried schudde treurig het hoofd, liet hem boeien en
+wegbrengen. Een smadelijke dood was, niettegenstaande de voorspraak
+van de vrome paltsgravin, Golo's loon.
+
+
+
+
+
+De zon van nieuw geluk bestraalde weer paltsgraaf Siegfried en zijn
+engelachtige vrouw. Met dubbele teederheid schonk de paltsgraaf zijn
+liefde aan de trouwe gemalin en zijn bloeiend knaapje. In het bosch,
+waar de hinde hem het spoor naar het hol gewezen had, liet hij,
+uit dankbaarheid aan God, een kerk bouwen. Dikwijls ging de vrome
+paltsgravin in dit godshuis bidden en prees Gods goedheid, die haar
+tranen in vreugde had doen veranderen.
+
+Op een dag werd haar omhulsel onder groote droefheid weggedragen en in
+deze kerk bijgezet. Nog heden staat de oude Vrouwenkerk te Laach in de
+"Mayenfelder Au", nog heden laat men den bezoeker het grafteeken, den
+toren, waarin zij smachtte, het rotshol, waarin zij leed, zien, en er
+is niemand in het Rijnland, die de deugdzame gemalin van paltsgraaf
+Siegfried, de heilige Genoveva niet kent.
+
+
+
+Hammerstein
+
+
+De met dochters gezegende ridder
+
+Boven Rheinbrohl staan op den somberen Grauwackenfels de duizendjaar
+oude, vervallen ruïnes van de rijksvesting Hammerstein. Een der eerste
+bezitters was Wolf van Hammerstein, een trouw onderdaan van keizer
+Hendrik den Vierde, wiens kroon door eigen schuld en die van anderen
+met doornen omwonden was. Op den onvergetelijken boetetocht naar
+Canossa heeft graaf Hammerstein hem vergezeld, doch door de gebreken
+van den naderenden ouderdom heeft hij daarna zijn burcht niet gaarne
+meer verlaten. Slechts uit de verte drong het trompetgeschal der
+wereld tot hem door.
+
+Zes dochters waren uit het huwelijk van den heer Wolf van
+Hammerstein met zijn sedert jaren ontslapen echtgenoote geboren,
+liefelijke jonkvrouwen, die voor den bejaarden vader groote vereering
+koesterden. Hun kinderliefde viel echter bij den ruwen krijgsman
+in verkeerde aarde. Dat hem geen zoon beschoren was, kwelde hem
+zeer. Gaarne had hij voor een stamhouder het halve dozijn meisjes
+gegeven. Dit bleef de zes jonkvrouwen niet verborgen, en door groote
+liefde en toewijding trachtten zij den norschen vader met zijn lot
+te verzoenen.
+
+Op een avond, terwijl buiten de wind als een krassende raaf om den
+burcht gierde, zat ridder Wolf, door jicht geplaagd, binnen aan den
+warmen haard en was niettegenstaande de rouwelijke opmerkzaamheden in
+een slecht humeur. Evenals schuwe duiven keken de sierlijke meisjes
+naar den vertoornden ouden heer.
+
+Daar dient de slotbewaker in het late uur nog twee gasten aan. Zij
+zijn in ridderlijke wapenmantels gehuld. Niettegenstaande zijn podagra
+verheft de gastvrije burchtheer zich van zijn zetel. In het verwarmde
+vertrek treden bibberend van koude twee vermoeide reizigers, die om
+een onderkomen voor den nacht smeeken.
+
+Bij den klank der stem van den eenen vreemdeling heeft de ridder zich
+luisterend opgericht, en toen deze het vizier ophief en den mantel
+terugsloeg, is Wolf van Hammerstein eerbiedig op de knieën aan zijn
+voeten neergevallen, heeft zijn beide handen gegrepen, zijn gebaarde
+lippen daarop gedrukt en uitgeroepen: "Hendrik, mijn Heer en Koning!"
+
+De keizer heeft vervolgens zijn voormaligen strijdmakker met trillende
+stem medegedeeld, dat hij vluchtende was voor hem, die hem den
+koningsmantel van de schouders en de kroon van het hoofd gerukt had. En
+toen de ridder bevende van opwinding vroeg, wie deze eeren goddelooze
+booswicht was, fluisterde de keizer met gebogen hoofd op klankloozen
+toon: "Mijn zoon!" Hij bedekte het gelaat met de handen. Onbeweeglijk
+als een marmeren beeld stond de ridder daar, terwijl hij, als door
+een bliksemstraal, die in zijn ziel viel, tot inzicht werd gebracht.
+
+Teeder voelde hij zich door de armen zijner, dochters omvat, en toen
+hij de handen naar hen uitstrekte, als wilde hij door de teederheid
+van een oogenblik al het onrecht van vele jaren vergoeden, voelde
+hij tranen daarop neerdruppelen. De keizer sprak diep geroerd tot
+den ridder:
+
+"Benijdenswaardige wapenbroeder, de trouwe harten van je dochters
+kloppen voor je tot over je graf en geen verdorven zoon, die je
+dood niet kan afwachten, jaagt je eens met grijze haren van je
+geboortegrond! Wee mij, die morgen met de weinige getrouwen, die mij
+gebleven zijn tegen mijn eigen bloed ten strijde moet trekken."
+
+Terwijl de ongelukkige koning tegen middernacht in de gezellig
+ingerichte kamer in een onrustigen slaap viel, overlaadde de
+diepbewogen burchtheer zijn dochters met ongekende liefkoozingen. Hij
+heeft God vergeving gevraagd voor den wrok, die in vroeger dagen bij
+hem opgekomen was, omdat hij geen zoon had.
+
+
+
+Rheineck
+
+
+De wijnkeuring
+
+Onder het stadje Brohl verheft zich op een rotsachtige hoogte, waar
+vroeger reeds een Romeinsch slot gestaan heeft, de twintig meter
+hooge, vierhoekige wachttoren, als laatste overblijfsel van den burcht
+Rheineck. De sage, die aan den eenzamen toren verbonden is, vertelt ons
+een vroolijk verhaal van een ridder, een bisschop, een jonkvrouw en
+den wijn van Aszmannshausen. De ridder heette Kunz van Schwalbach en
+was een vermetele bandiet, die vooral het vuistrecht in de omstreken
+van de Ahr met veel ijver en niet minder gevolg uitoefende. Zijn
+gemalin, die wellicht een goeden invloed op hem had kunnen uitoefenen,
+rustte reeds sedert jaren in de burchtkapel. Een bevallig meisje, een
+vroeg wees geworden kind van een broeder van den heer Kunz, Adelgonde
+genaamd, bestuurde sedert dien tijd de huishouding op Rheineck.
+
+Destijds was de vrome, maar ook strenge heer Anselmus bisschop van
+Keulen. Daar hij hooge belasting en tollen hief, waren de burgers van
+Keulen zeer vertoornd op hem, en toen hij weer een nieuwe belasting
+invoerde, was een hevig oproer hiervan het gevolg, zoodat Anselm
+gedwongen werd, met eenige getrouwen ijlings zijn residentie te
+verlaten. Naar aanleiding van hun bedeesde vraag "waarheen?" herinnerde
+de heer Anselm zich den burcht Rheineck, die tot het aartsbisdom
+behoorde en die den Schwalbachers voor langen tijd ter leen gegeven
+was. Daarheen wilde de aartsbisschop in ballingschap gaan, totdat
+zijn verdwaalde schaapjes hem weer terug zouden roepen.
+
+"Ridder Kunz, de oom van mijn zedige pupil is wel is waar een groote
+schelm," meende de vrome heer. "Hij bidt weinig en rooft veel. Daarbij
+wordt hij verdacht de brutale bandiet te zijn, die in den herfst van
+ons aartsbisdom de lading wijn weggekaapt heeft. Aszmannshäuser was
+het," zeide de heer Anselm bij zich zelf, terwijl hij met gefronste
+wenkbrauwen naar de kielvoren van zijn scheepje keek.
+
+Bij den heer Kunz, die zich in stilte te goed deed aan het heerlijke
+druivensap van den geurigen Aszmannshäuser, trad jonker Jörg, de
+hoofdman zijner lansknechten, binnen en berichtte, dat er beneden een
+schip met de Keulsche bisschopsvlag voor anker lag. Vertoornd rees
+de ridder van zijn eikenhouten stoel op, en minutenlang kwelde hem
+zijn kwaad geweten. Toen echter zegevierde zijn luchthartigheid en
+met vroolijke onderwerping beval hij den heer uit het heilige Keulen
+naar behooren te ontvangen. Den heer Anselm en zijn gevolg viel dus
+een waardige ontvangst ten deel. Door ridderlijke gastvrijheid moest
+de hoogeerwaarde leenheer en edele voogd van jonkvrouw Adelgonde
+zooveel mogelijk voor het geleden onrecht schadeloos gesteld worden.
+
+Naarmate het later werd, verbeterde de stemming van den aanzittenden
+gast. Nadat de aartsbisschop reeds de noodige hoeveelheid van het
+edele vocht, dat zijn gastheer hem bood, met verstand geproefd had,
+vroeg hij terloops: "ridder Kunz hebt ge niet tot besluit een beker
+Aszmannshäuser, want sedert jaren gebruik ik dit vocht als een goed
+bekomende slaapdrank." En ridder Kunz moest toen met oprecht leedwezen
+bekennen, terwijl zijn oogen als die van een vroom schaap flikkerden,
+dat zijn kelder wel Walporzheimer, Ingelheimer, maar helaas geen
+druppel Aszmannshäuser bevatte, aangezien die, zooals iedereen wist,
+van het domein van den aartsbisschop was.
+
+De heer Anselm scheen er zich in geschikt te hebben, dat hij zijn
+lievelings- en slaapdrank op Rheineck missen moest. Maar op een
+avond ging hij, door een plotseling invallende gedachte gedreven,
+langs verschillende afgelegen trappen en gangen naar den kelder van
+den burcht. Wat voor waarde had het woord van een Kunz? Geen cent. Wat
+eigen overtuiging? Misschien een scheepslading Aszmannshäuser. Aldus
+bij zich zelf redeneerend, ging de heer Anselm tastende langs
+de muren--en hield op eens een schoon gelokt vrouwenhoofd in de
+uitgestrekte handen.
+
+Daar een onderdrukte angstkreet door de lange gang weerklonk,
+fluisterde vader Anselmus geruststellende woorden en drukte een
+bemoedigenden kus op twee nabijzijnde vrouwenlippen. Vervolgens trok
+hij de beschaamde Adelgonde bij het flikkerende licht aan het einde
+van den trap.
+
+Hoog blozend biechtte de jonkvrouw den voogd, dat ze jonker Jörg
+zeer genegen was, en dat ze hier nog zedig een nachtgroet met hem
+gewisseld had.
+
+"De smaak van den jonker is goed," bevestigde de geestelijke
+voogd. (Nog heviger bloosde Adelgonde.) "Je Jörg laat zich den
+Aszmannshäuser goed smaken! Hm, zeg eens, waar ligt het vat? Je bent
+verbaasd over mijn alwetendheid, kind? Je mond heeft je verraden:
+toen ik hem zooeven toevallig in donker aanraakte--hierbij hief vader
+Anselm de oogen vroom hemelwaarts--bemerkte ik een aroma zoo fijn,
+als slechts de Aszmannshäuser bezit en de mond van je ridder heeft
+dat op jou overgebracht."
+
+De jonkrouw was zoo verlegen, dat ze gaarne door den grond had
+willen zinken. Bereidwillig toonde ze haar voogd het groote vat,
+dat in den uitersten hoek van den kelder verborgen was. Hoe lang
+hij daar vertoefd heeft, zullen we maar wijselijk verzwijgen. Den
+volgenden morgen had de mis van den heer Anselm niet plaats. Tegen den
+middag verschenen afgevaardigden van de burgers van Keulen, die hun
+aartsbisschop namens de stad vergeving vroegen voor het plaats gehad
+hebbende oproer en opnieuw den trouweed aflegden voor de gezamenlijke
+onderdanen. Genadig besloot Anselmus tot onmiddellijker terugkeer. Bij
+het afscheid nam hij nogmaals het woord en zei onomwonden met een
+strakke gelaatsuitdrukking:
+
+"Zooals mij juist medegedeeld wordt, beweert elke geestelijke en leek
+in Keulen, dat hij, die in den herfst de wijnlading, toebehoorende
+aan het stift, op goddelooze wijze gestolen heeft, niemand anders dan
+de eigen leenman van het bisdom, Kunz van Schwalbach op Rheineck is!"
+
+De heer Kunz hield zijn onschuld vol en betuigde zijn onderdanige
+trouw, maar de aartsbisschop stond op de voorloopige inbeslagneming en
+beval den ridder zich binnenkort met den notaris en getuigen naar het
+college te Keulen te begeven en zich te zuiveren van de verdenking
+van den kerkroof. Vervolgens liet hij het kolossale vat verzegelen
+en vervoeren en keerde toen met zijn onderhoorigen huiswaarts.
+
+Onderwijl stiet de heer van Schwalbach ontelbare vloeken uit. Jonker
+Jörg troostte hem en ridder Kunz beloofde zijn vertrouweling met vele
+ridderlijke eeden, dat, zoo hij in Keulen het leven er af bracht,
+zijn bevallige nicht de vrouw van den jonker zou worden. In opgewonden
+stemming vernam Adelgonde dit van ridder Jörg.
+
+
+
+
+
+In de strafzaal te Keulen zaten twaalf waardige heeren op het
+gestoelte. Adelgonde, die er voor zorgde den verschuldigden eerbied
+tusschen oom en voogd te verdeelen, bood den heeren volgens den wensch
+van den heer Anselm twaalf zilveren bekers van den betwisten wijn
+aan. Terwijl hij een beroep deed op hun kennis en onomkoopbaarheid,
+gebood de bisschop het twaalftal hun oordeel mede te deelen of het
+vat Moselblümchen. Affentaler, of Aszmannshäuser inhield.
+
+Bedenkelijk brachten de rechters de bekers aan de lippen, namen een
+slokje, vertrokken de mondhoeken, proefden nogmaals en schudden
+allemaal het hoofd over dezen allerakeligsten drank. Eenparig
+verklaarden zij, dat deze zure wijn geen Aszmannshäuser
+was. Boetvaardig stond de heer Anselm daar, zegevierend ridder Kunz
+en opgetogen jonkvrouw Adelgonde en jonker Jörg.
+
+Eenige weken daarna werd er op Rheineck een vroolijk bruiloftsfeest
+gevierd. Toen ridder Jörg met zijn jonge gemalin op de feestelijk
+opgetuigde paarden het slot verlaten had, om Adelgonde in den
+vaderlijken burcht binnen te leiden, zat de geestelijke voogd, die
+zich verwaardigd had, het paar te trouwen, eendrachtig met den heer
+van Rheineck bij de blinkende kan. En in verhoogde feeststemming
+drong de bisschop er bij den ridder op aan, hem te bekennen, hoe
+hij het klaargespeeld had, den verzegelden Aszmannshäuser in dezen
+ellendigen zuren wijn te veranderen. Daarvoor zou hij hem meedeelen,
+hoe hij destijds in den kelder van den burcht den Aszmannshäuser
+ontdekt had. Lachend wenkte de heer Kunz zijn schenker, deze bracht
+fluks een wijnkan, schonk de heeren drinkers hiervan in, en opnieuw
+dronk de heer Anselmus zijn lievelings- en slaapdrank.
+
+Plechtig verklaarde hij: "ridder Kunz, dit is de wijn, welks ligging
+Adelgonde haar voogd gehoorzaam verried."
+
+Toen dreunde de vuist van Kunz op de eikenhouten tafel, zoodat
+de kannen rammelden, en hij voer hevig uit tegen de valschheid
+van zulk een slang. Maar de bisschop wees hem op zijn goddeloozen
+toorn, aangezien het vrome kind slechts gehoor gegeven had aan den
+geestelijken aandrang. Hoofdschuddend sloeg de heer Kunz de handen
+in elkaar.
+
+"Een vroom kind, dat uw geleerde rechters de proefbekers met absint
+en azijn vulde."
+
+Een tijdlang zweeg Anselmus, vervolgens schudde hij zijn eerwaardig
+hoofd. Dan lachten beiden, de ridder en de bisschop. Maar toen
+de ridder den bisschop de helft van het vat als avonddrank, die
+bevorderlijk voor den slaap was, aanbood, reikte de heer Anselmus
+hem zijn hand als leenheer, waarbij de heer Kunz vrijwillig de
+belofte aflegde, in het vervolg alles, behalve den bisschoppelijken
+Aszmannshäuser te rooven.
+
+
+
+Rolandseck
+
+
+Ridder Roland
+
+I.
+
+Keizer Karel de Groote werd door een menigte sterke helden omgeven. De
+eerste dezer paladijnen was de neef van den koning der Franken,
+Ronald van Angers. Geen naam, die in den slag of bij het tournooi meer
+uitblonk, dan de zijne. Hij werd door het zwakkere geslacht vereerd,
+door zijn vrienden bewonderd en door zijn vijanden geacht. Zijn
+ridderlijke geest verzette zich tegen het weelderige genotvolle
+leven. Het voortdurende verblijf aan het keizerlijke hof bevredigde
+hem niet, en zoo wendde hij zich tot zijn keizerlijken oom met
+verzoek hem toe te staan een reis naar het machtige Frankische rijk
+te ondernemen, dat hem tot nu toe onbekend was gebleven. Daar hij
+zich zijn jeugdige kracht bewust was, verlangde hij naar ridderlijke
+avonturen en gevaren. Karel de Groote zag den dapperen krijgsheld met
+weemoed van zijn hof vertrekken; ongaarne voldeed hij aan zijn verzoek.
+
+En zoo verliet dus de ridderlijke held, slechts vergezeld door eenige
+getrouwe schildknapen, bij het aanbreken van den dag het keizerlijk
+paleis aan de Seine, en sloeg de richting naar het Oosten in; de
+Vogezen waren het eerste doel van zijn tocht. Op den burcht Niedeck
+bij Haslach nam hij eerst zijn intrek en vervolgens bij Attich,
+hertog in den Elzas.
+
+Steeds verder trok Roland, en toen hij op een avond de helling van
+het Vogezenwoud afreed, begroette hem uit de verte het glinsterende
+water van den Rijn. Breed wierpen de ontboeide golven zich links
+en rechts over de bedding van den stroom, de vlakte meedoogenloos
+bespoelend. Weinig bekoorlijkheid bezat de rivier hier in zijn
+grenzenlooze woestheid. Maar de ridder wist, dat het schouwspel spoedig
+veranderen zou. Hij trok Rijnafwaarts, waar de groote bergreuzen den
+ruischenden stroom omsluiten. Zegevierend staat hun voet in den vloed,
+slechts zelden wijken ze eenigszins ter zijde en laten een smalle
+strook land vrij, nauwelijks breed genoeg, om reizigers en voertuigen
+te laten passeeren. Op hun hoogten prijken trotsche koninklijke
+burchten, die den voorbijganger beneden den roem van voorname
+geslachten verkondigen. Dit alles zag Roland op zijn vroolijken
+Rijntocht. Hij bezocht menige sagenrijke en herinneringsvolle
+plaats, de steile Loreleirots, waar 's nachts de waternimf zong,
+het vriendelijke plaatsje, waar St. Goar geleefd en gewerkt heeft,
+ten tijde van Childeberts den Merowinger (deze wonderlijke heilige
+zond kortelings den keizerlijken oom van Roland een dichten nevel
+na, omdat keizer Karel de Groote op zijn tocht van Ingelheim naar
+Koblenz verzuimd had zijn knie voor de heilige kapel te buigen,
+zoodat hij genoodzaakt werd in het vrije veld te overnachten), en ook
+de Mayenfelder Au bij Andernach, waar Genoveva de deugdzame gemalin
+van paltsgraaf Siegfried geleefd heeft.
+
+En nu kwam Roland aan de plaats, waar de vloed, aan het einde van
+het Rijndal gekomen, omringd wordt door trachietreuzen, waarvan
+de toppen met geweldige burchten gekroond zijn, evenals de zeven
+gekroonde paladijnen, die in lateren tijd den heiligen persoon van
+den Duitschen keizer vol wijding omringden. Een boschrijk eiland
+verheft zich hier uit den zacht blauwen vloed. De gouden avondzon
+schittert over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken,
+links de liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend,
+rechts de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de
+sagenrijke rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd heeft,
+de muren van een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden
+sterrengewaad. Zwijgend stond de ridder stil. Zijn blik rustte
+bewonderend op het prachtige landschap. Onrustig stampte de hoef van
+het paard op den grond, bezorgd keek de getrouwe schildknaap naar
+den steeds donkerder wordenden hemel. Bedeesd herinnerde hij zijn
+heer er aan, dat het tijd werd, nachtlogies te zoeken.
+
+"Daar boven zou ik het gaarne vragen," antwoordde Roland, terwijl
+hij voor het eerst zeldzaam week gestemd werd. Hij gebood zijn
+schildknaap den schipper, die juist zijn bootje voor de nachtelijke
+vangst losmaakte, den naam van het slot te vragen.
+
+De vesting behoorde aan de Drachenburgers, graaf Heribert woonde
+daar op het oogenblik. Zoo luidde het antwoord, en vreugde straalde
+uit Rolands oogen. Vele groeten en boodschappen waren hem door
+ridderlijke vrienden aan den Bovenrijn en elders aan den ouden graaf
+op de Drachenburg opgedragen. Roland talmde niet langer met zijn
+besluit. Weldra voer een boot door den donkeren vloed.
+
+II.
+
+Middelerwijl was het nacht geworden. De schitterende maan lichtte hen
+door den donkeren boschweg. Zeer vriendelijk heette graaf Heribert,
+een statig ridder op gevorderden leeftijd, den ridderlijken neef
+van zijn keizerlijken heer welkom op zijn burcht. Totdat het twaalf
+uur sloeg, voerden ze in het gezellige vertrek van den slotheer een
+onderhoudend gesprek.
+
+Den volgenden morgen stelde graaf Heribert zijn dochtertje Hildegonda
+aan den ridder voor. Vol bewondering hing Rolands oog aan de
+lieftallige jonkvrouw. Tot nu toe had vrouwelijke lieftalligheid geen
+diepen indruk op hem gemaakt. Naar wapenroem en heldenwaagstukken,
+naar spel en strijd had zijn ziel steeds gedorst, nu echter had de
+tooverstaf der liefde den vermetelen strijder opeens aangeraakt. Hij,
+die gevreesde tegenstanders onversaagd in de oogen gezien had, boog het
+onvervaarde hoofd in meisjesachtige schuchterheid voor de betoovering
+van Hildegonda. Maar ook zij stond, het gelaat met een purperen blos
+overtogen, voor den gevierden held, wiens naam een goeden klank aan
+den Boven- en Benedenrijn had.
+
+De oude ridder verbrak onmerkbaar de gedrukte stemming. Met een
+schertsend woord sneed hij het gesprek der verlegen jongelieden af
+en geleidde den gast door de hooge vertrekken van het slot.
+
+Roland bleef langer op de gastvrije Drachenburg, dan hij ooit op
+eenig ander slot vertoefd had. Met sterke banden werd hij op den
+verrukkelijken burcht gehouden. De liefde ontvlamde in zijn hart en
+ook in Hildegonda's reine ziel wierp zij haar verterend vuur, en op
+een dag--de schemering spon reeds zilveren draden over de met linden
+beschaduwde bank--liet zij hand in hand, oog in oog en mond op mond
+rusten en omzweefde juichend, als een zegevierende koningin, hen,
+die ze verbonden had.
+
+Gaarne vertrouwde graaf Heribert zijn allerliefst dochtertje aan
+den gevierden paladijn toe. In het vooruitzicht van een vroolijke
+toekomst maakte hij den verlovingstijd van zijn eenig kind zoo
+aangenaam mogelijk. Een burcht zou op de rots tegenover de Drachenburg
+verrijzen. Als een trotsche wachttoren zou de toekomstige Rolandsburg
+van de steile rots in het prachtige Zevengebergte neerzien. Reeds
+stegen haar muren omhoog en dagelijks stonden de verloofden op de
+platform van de Drachenburg en keken naar den overkant, waar vlijtige
+werklieden timmerden en metselaars hamerden, en de mooie Hildegonda
+smeedde schoone plannen voor de toekomstige woning, waar ze den aan
+avonturen gewenden ridder en held door trouwe liefde boeien wilde.
+
+Op een dag echter verscheen er een bode op de Drachenburg, gezeten
+op een met schuim overdekt paard. De afgevaardigde kwam van het
+keizerlijke Worms en berichtte, dat de oom van den ridder, de keizer,
+tot de kruistochten tegen de ongeloovigen achter de Pyreneeën besloten
+was. Karel wenschte den beproefden paladijn onder zijn legeraanvoerders
+te zien optreden. Zwijgend ontving Roland de boodschap van den hoogen
+gebieder. Hij keek naar Hildegonda, die mee doodsbleek gelaat naast hem
+stond, en een hevige smart kwam over hem. Maar hij moest zijn plicht
+nakomen. Hij zegt den koningsbode in het keizerlijke leger aan te
+kondigen, dat hij over drie dagen verschijnen zal. Met somber gelaat
+wendt hij zich af. Hildegonda werpt zich snikkend aan zijn borst.
+
+III.
+
+Verwoed streden in Iberië het kruis en de halve maan om de
+heerschappij. Hevige gevechten werden geleverd, veel bloed werd door
+de christenen en de ongeloovigen vergoten. Bloedige overwinningen
+behaalden de moedige paladijnen van den koning der Franken, het
+dapperste echter streed Roland. Zijn zwaard baande den keizer den
+zegetocht, het dekte het leger van den keizer, toen het zegevierend
+in het onbekende vijandelijke land trok. Het was in Ronceval, in dat
+dal, dat naderhand zoovele dichters in het Duitsche en Waalsche land
+bezongen hebben. Gescheiden van het hoofdleger, trekt Rolands dappere
+achterhoede, tegen het vallen van den avond, langs den boschweg. Daar
+klinkt plotseling woest geschreeuw van de hoogten, verwoed vallen
+de laffe Mooren het troepje Franken aan. Met heldenmoed vechten
+zij. Gelijk een koningsarend vliegt Rolands strijdros Brilliador
+nu hier, dan daar heen, en menige schedel der Saracenen wordt door
+zijn machtig zwaard Durando gespleten. Maar de overmacht overwon de
+dapperheid. Steeds kleiner wordt de schaar der Franken, en nu wordt ook
+Roland door een lanssteek van een reusachtigen Moor getroffen. Over
+hem heen woedt de woeste strijd. Toen de nacht treurig zijn donkeren
+mantel over het slagveld uitspreidde, hadden de ongeloovigen hun
+afschuwelijk werk volbracht. De Franken waren verslagen. Slechts
+eenigen waren aan den dood ontkomen.
+
+Waar is Roland? klonk de angstige vraag. Hij was niet onder de
+geredden. Waar is Roland? vroeg Karel de Groote ontsteld aan de
+vermoeide boden. Door het geheele rijk weerklonk het antwoord: Roland
+de held viel in den strijd tegen de Saracenen. Overal verwekte deze
+treurige tijding oprechte droefheid.
+
+Ook aan den Rijn werd zij vernomen. Op een dag verschenen er
+koningsboden op de Drachenburg, die de treurige boodschap overbrachten
+en tevens de deelneming van den keizer betuigden. Smartelijk
+zuchtte de oude Heribert, terwijl hij de oogen met de hand
+bedekte. Hildegonda stiet een vreeselijken gil uit. Hartverscheurend
+was haar verdriet. Voor het beeld van de Moeder Gods lag ze snikkend
+op de knieën en smeekte om bijstand in haar groote smart. Dagenlang
+sloot ze zich in haar kamertje op, en zelfs de woorden van troost, die
+de vader haar bood, vermochten het ontzettende leed niet te verzachten.
+
+Nadat er weken verstreken waren, trad het bleeke meisje, op een
+dag het vertrek van den ridder binnen, kalmer dan voorheen. Een
+bovenaardsche glans lag over haar ernstige trekken. En toen de vader
+de knielende naar zich toe trok, deelde zij hem het besluit mede,
+dat in haar zwaarbeproefde ziel gerijpt was. Smartelijk hebben de
+oogen van graaf Heribert haar aangezien. Vervolgens heeft hij een
+kus op haar rein voorhoofd gedrukt.
+
+Toen is de dag aangebroken, waarop de klokken beneden op het eiland
+Nonnenwerth plechtig luidden. Voor het altaar knielde gesluierd
+een nieuwe novice, de lieftallige dochter van graaf Heribert. In de
+heilige stilte van het klooster zocht zij den vrede, dien zij in den
+vaderlijken burcht niet vond. Met een laatsten snik had ze den naam
+van den geliefde uit het hart verbannen, de vlammen van de treurende
+liefde uitgedoofd, en nu moest haar ziel vervuld zijn van het heilige
+vuur van reine godsvereering. Te vergeefs hoopte de geknakte vader,
+dat de ongewone eenzaamheid van het klooster het besluit van de
+geliefde dochter aan het wankelen zou brengen en zij aan het einde
+van het proefjaar in zijn armen terug zou keeren. Integendeel; de
+godsvruchtige jonkvrouw smeekte den bisschop, die aan het geslacht van
+den vader verwant was, de goedheid te hebben haar geen proefjaar op te
+leggen en haar reeds na korten tijd toe te staan, de onherroepelijke
+belofte voor Hem af te leggen, aan wien ze haar leven gewijd had. Haar
+vurige wensch werd vervuld. Toen er een maand verstreken was, vielen
+de gouden lokken van Hildegonda's hoofd en door een heilige belofte
+verbond de lieftallige dochter van den heer van de Drachenburg zich
+voor eeuwig aan den almachtigen God.
+
+IV.
+
+Maanden waren er sedert dien tijd verstreken. De lente was voorbij en
+de schooven stonden reeds op de velden. Op de plaats, waar de vloed,
+aan het einde van het Rijndal gekomen, door zeven trachietreuzen met
+door burchten gekroonde hoofden omringd wordt, houdt de ridder met zijn
+gevolg stil. Het is nog niet lang geleden, dat hij ver in het Zuiden,
+waar de Iberische zon het dal van Ronceval bestraalt, in een armoedige
+herdershut ziek gelegen heeft. Daarheen had de trouwe schildknaap
+zijn meester, die door een lans van een Moor in de borst getroffen
+was, gesleept. Hier had de dappere held en legeraanvoerder weken-
+en maandenlang op het ziekbed gelegen en met den dood geworsteld,
+totdat zijn krachtige natuur de overwinning behaalde. Roland herstelde
+door de liefdevolle verpleging, terwijl hij in het Frankenland als
+een doode betreurd werd. Nu was hij teruggesneld naar de plaats,
+waarheen hij met geweld getrokken werd. Een boschrijk eiland verheft
+zich groetend uit den lichtblauwen vloed. De gouden avondzon schittert
+over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, links de
+liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, rechts
+de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de sagenrijke
+rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd had, de muren van
+een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden sterrengewaad.
+
+Zwijgend staat de ridder stil. Zijn blik rust bewonderend op het
+prachtige landschap, evenals maanden geleden, wordt hij week gestemd.
+
+"Hildegonda" fluistert Roland en ziet op naar den met sterren
+bezaaiden hemel.
+
+Evenals destijds vaart wederom een schip door de donkere water. Op
+den boschweg, die naar de Drachenburg leidt, schrijdt Roland, door
+zijn schildknaap vergezeld.
+
+Met doodsbleek gelaat staart de oude slotbewaker naar de late
+gasten. Hij maakt een kruis en ijlt in het vertrek van zijn heer. Daar
+wankelt een manlijke gestalte, door ouderdom en verdriet gebogen. De
+ridder snelt hem tegemoet. "Roland" klinkt het als een steunen van de
+verbleekte lippen van den burchtheer. Zwijgend houdt de late bezoeker
+den snikkenden ouden heer in de armen gesloten. Toen Roland maanden
+geleden wegging, vond zijn verdriet geen tranen, nu vloeiden zij
+rijkelijk over zijn door smart ingezonken wangen.
+
+Roland maakt zich uit de omarming van den ridder los.
+
+"Waar is zij?" (Gillend uit hij deze vraag.) "Dood?"
+
+Vreeselijk treurig ziet graaf Heribert hem aan.
+
+"Hildegonda, de bruid van den voor dood gehouden Roland, werd de
+bruid des hemels."
+
+Bij het hooren van deze woorden steunde de held luid en verborg vol
+smart het hoofd in de handen.
+
+Tegen het aanbreken van den dag heeft hij den burcht verlaten,
+gelijk een koningseik, die door den bliksem getroffen is. In den
+tegenover gelegen burcht op den rotswand, die door de hoopvolle
+liefde in de lente opgebouwd werd, heeft hij zijn intrek genomen,
+en daar heeft hij de wapenrusting voor altijd afgelegd. Uitgedoofd
+waren de sterren in zijn borst, gestorven de begeerte naar roem. Dag
+aan dag heeft hij daar boven gezeten en zwijgend naar het groene
+eiland in den Rijn gestaard, waar de non Hildegonda elken morgen in
+den kloostertuin tusschen de bloemen wandelde. Soms scheen het hem,
+alsof ze zich groetend boog en dan werd het bleeke gelaat van den
+ridder door het avondrood van het vroeger stralende geluk opgeklaard.
+
+Daarna werd hem ook dit geluk ontnomen. Op een dag bleef de geliefde
+uit, en toen klonk het doodsklokje klagend op het stille eiland. Hij
+ziet daar beneden een lijkkist naar het kerkhof dragen en hoort de
+treurzangen en gebeden der nonnen. Hij ziet ze allen, slechts eene
+ontbreekt. En de held bedekt het gelaat met de handen. Hij weet nu,
+wie ze daar grafwaarts dragen.
+
+De herfst kwam en verdorde bladeren woeien over het graf van de non
+Hildegonda. Nog altijd zat Roland daar boven en tuurde elken morgen
+naar het kerkhof op het eiland. En zoo werd hij op een dag door zijn
+schildknaap levenloos gevonden, het gebroken oog op de plaats gericht,
+waar de verlorene geliefde sliep.
+
+Nog vele eeuwen versierde de trotsche Rolandsvesting den berg, die nog
+steeds Rolandseck heet. Dan viel ook zij in puin evenals de grootsche
+Drachenburg, waarvan de toren nog steeds omhoog steekt. Een halve
+eeuw geleden viel op een stormachtigen winternacht de laatste boog
+van de Rolandsvesting in puin, maar door prijzenswaardige piëteit
+is zij weer opgebouwd, en evenals voorheen prijkt de Rolandsboog
+op de steile rots, op het schoonste punt van het heerlijke Rijndal,
+ten einde de tegenwoordige geslachten aan de trouwe liefde uit den
+riddertijd te herinneren.
+
+
+
+Zevengebergte
+
+
+Het Nachtegaalboschje bij Honnef
+
+Een verrukkelijk plekje aarde is het liefelijke Honnef, dat zich
+als een mooi, schuw kind aan de voeten van den ouden, beschuttenden
+Drachenfels aan den Rijnstroom uitstrekt. Alsof het in een schelp ligt,
+wordt het door den reusachtigen rug van den berg voor den ijzigen
+adem van den Boreas beschut. Daardoor is de wind in dat dal minder
+scherp, zoodat het plaatsje den naam van "het Duitsche Nizza" gekregen
+heeft. Als de bezoeker van den Drachenfels, door de ondergaande zon
+tot terugkeer gedrongen, door het dal van Honnef afdaalt, teneinde
+de wachtende boot te bereiken, dan klinkt hem van alle kanten het
+schoone gezang der nachtegalen tegen. Talrijker, dan ergens in de
+omgeving zijn deze minnezangers hier bijeen; reeds sedert vele jaren
+is dit zoo, en de sage deelt ons de oorzaak hiervan mede.
+
+Zeer lang geleden zongen ze op een andere plaats. Het was in de Eifel,
+in het bosch van de abdij Himmerode. Daar klonk, evenals thans in het
+dal bij Honnef in den stillen zomernacht hun verrukkelijk gezang. Ook
+tot de ernstige monniken, die in de kruisgangen en kloostertuin
+in vrome overdenking rondliepen, drong het door. Zelfs de vrome
+boetelingen, die zich in hun kerkers kastijdden vernamen het. En in
+hun prevelende gebeden vermengde zich verlokkend het verleidelijke
+gezang der nachtegalen. Toen zijn in menig monnikshart, dat reeds
+lang afstand van het wereldsche genot gedaan had, schuw en beschaamd
+herinneringen opgewekt en in menig oor der vrome broeders hebben zij
+over heerlijke, zondige dingen gefluisterd.
+
+Daarop is de heilige Bernhard op een dag in de abdij Himmerode gekomen
+en heeft in de harten der broeders gelezen. Groote droefheid overviel
+hem, toen hij bemerkte, dat uit menige heilige ziel de goddelijke vrede
+verdwenen was. De oorzaak hiervan bleef hem niet verborgen. Vervuld
+van heilige geestdrift trad de godsdienaar in het bosch, dat het
+klooster omringde en hief met toornig gebaar de hand op tegen de
+gevederde zangers van het woud. "Verwijder u van hier! Gij zijt ons
+tot ergernis!"
+
+Dreigend had de heilige man dit uitgeroepen en ziet, in de twijgen
+ontstond een hevig rumoer, een groote zwerm nachtegalen vloog uit de
+struiken. Nog eenmaal weerklonk het verleidelijke gezang door het woud,
+daarna stoven zij schuw klappend met de vleugels weg.
+
+In het dal bij Honnef hebben ze zich neergelaten en geen banvloek
+heeft ze sedert dien tijd daar vandaan verdreven. Zij, die daar in
+gepeins verzonken alleen wandelen of met hun beiden babbelend door
+het dal van Honnef gaan, zijn niet, evenals St. Bernhard, afkeerig van
+de wereldsche vreugde; evenmin als zij, die met glinsterende oogen en
+een teringachtigen blos op de wangen door den tuin van het sanatorium
+Hohenhonnef wandelen. Deze en gene hoort den verlokkenden klank van
+de nachtegalen, nu eens klagend, dan overmoedig. En iedereen legt
+hem op zijn manier uit.
+
+
+
+De Drachenfels
+
+I.
+
+Als de reiziger de schoon gelegen Muzenstad Bonn verlaten heeft en per
+stoomboot den Rijn opvaart, aanschouwt hij spoedig aan zijn linkerhand
+de schilderachtige toppen van het Zevengebergte. De steile kruin van
+den voorsten berg wordt thans nog versierd door den toren en de muren
+van een oud ridderslot. Van dezen toren met den griezeligen naam,
+waar men in den zomer voortdurend vroolijk gezang en klinken van
+bokalen hoort, vertelt het volk een aandoenlijke sage.
+
+In de eerste eeuwen na de geboorte van den Verlosser namen de Germanen
+op den linker Rijnoever gewillig de leer van het kruis aan, zooals de
+heilige Maternus, een discipel van den Volksapostel, uit Gallië hun
+die mededeelde. Reeds sedert langen tijd hadden de vrome christelijke
+zendelingen getracht, de christenleer bij de heidensche stammen van
+Midden-Germanië te doen doordringen, doch zonder gevolg. Zij hielden
+aan hun heidendom vast en wilden de christelijke priesters uit het
+vreemde rijk niet in hun landstreken toelaten. Reeds vroeger had dit
+rijk gepantserde legioenen, onder aanvoering van listige bevelhebbers
+in de vrije landen gezonden.
+
+Destijds moet er een vreeselijke draak in een hol (nog thans
+"Drachenloch" genaamd) gehuisd hebben, een draak met een afschuwelijke
+gestalte, die dagelijks zijn rotshol verliet en in de bosschen van
+het dal verschrikkelijk te keer ging, terwijl hij menschen en dieren
+op vreeselijke wijze bedreigde. Menschelijke krachten waren onmachtig
+tegen dat monster en daar men meende, dat zich een vertoornde godheid
+in den slangachtigen salamander verborg, bewees men hem goddelijke
+eer en offerde hem bereidwillig misdadigers en gevangenen.
+
+Een ruwe heidensche stam woonde aan den voet van den berg. Dikwijls
+ondernamen de strijdlustige mannen verwoestende rooftochten aan
+den linker Rijnoever. Zij staken alles in brand en vermoordden de
+christelijke broeders. Op een nacht waren ze wederom naar de andere
+zijde getrokken en maakten in een verwoeden strijd met de overvallenen
+vele goederen en gevangenen buit. Onder de laatsten bevond zich een
+jonkvrouw van buitengewone schoonheid. Twee legeraanvoerders, door
+haar bevalligheid bekoord, verlangden haar te bezitten. De oudste
+heette Horsrik, hij was een beroemd hoofdman en gevreesd strijder,
+krachtig als een beer en woest als een tijger, de jongste, Rinbold
+was minder ruw, doch even dapper.
+
+Huiverend wendde de lieftallige jonkvrouw zich af, toen ze de beide
+vorsten met vlammende oogen om haar bezit vechten zag. Mannen,
+overmoedig geworden door de behaalde overwinning, omringen hen. Toch
+stellen zij nog meer belang in den strijd der aanvoerders, om de
+gevangen christin, dan in hun eigen verworven buit. De toornige
+woorden der beide tegenstanders vinden een echo in de harten der
+omstanders. Als Horsrik, de gevreesde strijder de jonkvrouw voor zich
+eischt, wordt hij door de omringende mannen aangemoedigd, maar als
+Rinbold, de jeugdige trotsche legeraanvoerder haar begeert, wordt hij
+veel meer door de omstanders toegejuicht. Somber staart de andere
+voor zich uit, terwijl zijn vuist dreigend de strijdkolf omklemd
+houdt. Daar gaat de kring der omringende mannen uiteen. Tusschen
+de strijders treedt, met een ernstige uitdrukking op het gelaat, de
+opperpriester, een grijsaard met zilveren haren en harde trekken. Luid
+weerklinkt de toornige stem van den grijsaard:
+
+"Vervloekt zij deze twist om het bezit van een andersgeloovige. De
+christin zal geen tweedracht zaaien tusschen de edelsten van onzen
+stam. De dochter van hen, die wij haten zal u geen van beiden
+toebehooren. De stichteres van dezen onzaligen twist zal den draak
+geofferd worden. Ter eere van Wodan, dien zij en de haren miskennen,
+zal zij bij zonsopgang gewijd worden." De mannen juichten dit plan toe,
+vooral Horsrik. Met opgeheven hoofd staat de jonkvrouw daar. Smartelijk
+en vol bewondering rust het oog van Rinbold, de trotsche jeugdige
+legeraanvoerder op het engelachtige gelaat der jonkvrouw.
+
+II.
+
+Den volgenden dag in alle vroegte, nog voordat de godin van den dag
+haar stralend hoofd van het purperen kussen in het Oosten ophief,
+werd het levendig in het dal. Door het woud, dat nog in schemering
+gehuld was, besteeg een opgewonden stoet de hoogte. Vooraan schreed
+de priester, in het midden, bleek, maar kalm, de gevangene. Zwijgend
+had zij het ter wille van den Heer toegelaten, dat de beenige hand
+van den opperpriester den offerband om haar voorhoofd wond en gewijde
+bloemen in haar loshangend haar vlocht. Menige medelijdende blik uit
+het volk trof heimelijk het standvastige meisje, ook de blauwe oogen
+van den jeugdigen, trotschen legeraanvoerder hadden zich smartelijk
+vertrokken bij den aanblik van de aan den dood gewijde jonkvrouw.
+
+Het vooruitspringende gedeelte der rots was bereikt, dat reeds dikwijls
+door onschuldig menschenbloed bezoedeld was. Zwijgend wonden de
+dweepzieke priesters touwen om haar teeder lichaam en bonden haar aan
+den heiligen, aan Wodan gewijden boom, die den rand van den afgrond
+beschaduwde. Geen klacht kwam over de bleeke lippen der christin,
+geen traan blonk er in haar oogen, die verrukt naar het morgenrood
+aan den hemel opzagen. De volksmenigte ging uit elkaar en verspreidde
+zich; zwijgend en angstig bleven de heidenen in de verte wachten op
+hetgeen komen zou.
+
+De eerste zonnestralen wierpen hun schijnsel over den berg. Zij
+schitterden in de bloemenkroen, die de jonkvrouw in het haar droeg
+en speelden op haar verheerlijkt gelaat, dat ze met een stralenkrans
+van licht en glans omgaven. De jonge christin verwachtte den dood
+evenals een verloofde haar bruigom. Haar lippen bewogen zich zacht
+als in een gebed.
+
+Daar hoorde men in de diepte dof rumoer; de draak kwam snuivend uit
+zijn hol en stoof over den landweg. Hij ontdekt het offer op de plaats,
+die zijn bloeddorst kent. Hoogop kromt zich zijn met schubben bedekt
+lichaam, dat op ver uitgestrekte van scherpe nagels voorziene pooten
+rust; gruwelijk slaat hij met zijn slangachtigen staart en laat in
+zijn afschuwelijk gapenden muil zijn doodend gebit zien. Blazend
+komt het ondier aangekropen, terwijl het begeerig de tong heen en
+weer beweegt. Uit de bloederige oogen stralen helsche vlammen.
+
+Doodsangst overvalt de jonkvrouw bij den aanblik van dezen
+afschuwelijken salamander. Sidderend trekt zij een schitterend
+gouden kruis, dat zij op de borst draagt, te voorschijn en strekt
+dit afwerend naar den draak uit, terwijl een angstige hulpkreet tot
+God haar lippen ontsnapt. En, o wonder! Terwijl hij zich hoog, als
+door den bliksem getroffen, opricht, treedt de draak terug en stort
+achterwaarts over puntige rotssteenen in de diepte. Onder brullend
+gehuil en het donderend rumoer van vallende rotsblokken verdween het
+ondier in de woeste golven van den vloed. Een algemeene gil klonk van
+de lippen der ter zijde wachtende heidenen. Verbazing en schrik stond
+op alle gezichten te lezen. Vol berusting, met droomerig gesloten
+oogleden stond de jonkvrouw daar en bad zacht tot Hem, die haar gered
+had. Daar werd zij van de touwen, die haar vastgebonden hielden,
+bevrijd, en twee krachtige armen omvatten haar en droegen haar in
+den kring der verbaasde toeschouwers. Zij hief de oogen op en zag den
+jongsten der beide legeraanvoerders; zijn ruwe krijgsmanshand vatte
+de hare. Als voor een hemelsche verschijning boog de jongeling zijn
+knie en raakte met de lippen de witte vingeren aan. Luide zegenkreten
+klonken den ridder tegen.
+
+De bejaarde priester trad naar voren en vol verwachting zweeg het
+volk. Hij vroeg de christin plechtig, wie haar van den wissen dood
+gered had, en wie de God was, die de zijnen zoo zichtbaar hielp. En
+zegevierend glinsterden de van gelukstralende oogen der jonkvrouw.
+
+"Dit beeld van Christus heeft den draak verpletterd en mij gered,"
+riep zij zegevierend uit. "In hem rust het heil der wereld en de
+welvaart der volkeren!"
+
+Met schuwen eerbied beschouwde de bejaarde priester het kruis van
+Christus.
+
+"Dat het spoedig uw geest moge verlichten evenals van al deze lieden,"
+sprak de jonkvrouw ernstig. "Het zal u grootere wonderen openbaren
+dan dit, want onze God is groot."
+
+Men geleidde de jonkvrouw met de overige gevangenen weer naar haar
+vaderland. Zij keerde spoedig terug, vergezeld van een christelijken
+priester. De stem van het geloof en der onschuld richtte wonderen uit
+in de harten der heidenen. Bij duizenden tegelijk begeerden zij den
+doop. De oude priester en Rinbold waren de eersten, die hun hoofd
+voor de nieuwe leer bogen. Vreugde heerschte er onder den stam,
+toen de jonkvrouw den jeugdigen legeraanvoerder de hand voor het
+leven reikte. Een christelijke tempel werd in het dal opgericht en
+bovenop de rots verrees een trotsche burcht voor de jonggehuwden. Wel
+tien eeuwen bloeiden het machtige geslacht der Drachenburgers in de
+omstreken van den Rijn.
+
+
+
+De monnik van Heisterbach
+
+In den ouden tijd stond in een liefelijk dal van het Zevengebergte het
+klooster Heisterbach. Thans staan nog eenige overblijfselen op het met
+boomen omgeven grasveld. Niet door den tand des tijds, maar door de
+barbaarschheid van het oorlogzuchtig tijdperk zijn de kloosterhallen
+verwoest. Men heeft de monniken verjaagd, de muren afgebroken en de
+steenen voor het bouwen van vestingen gebruikt. Sedert dien tijd, zoo
+deelen de landlieden van het Zevengebergte mede, wandelen 's nachts
+de geesten van de verjaagde monniken tusschen de ruïnes van het koor
+en de puinhoopen der zuilen. Zwijgend klagen zij hun vervolgers en de
+verwoesters hunner cellen aan. Onder hen bevindt zich ook Gebhard, de
+laatste prior van Heisterbach. Hij dwaalt tusschen de monniksgraven,
+telt ze en bezoekt ook de graven van de heeren van Löwenburg en
+Drachenburg. Een graf ontbreekt: bij de laatste verwoesting hebben
+de kloosterschenders dit geopend.
+
+Zeer beroemd waren de geleerde monniken in de middeleeuwen. Menig
+kunstig afschrift van den Bijbel, menig zeer geleerd geschrift,
+dat in de wereld verscheen, was afkomstig uit de stille kluis van
+het klooster aan den Rijn en gaf blijk van de vlijt en kennis der
+vrome monniken. Een was er onder hen, die boven allen in geleerdheid
+uitblonk. Hoog stond hij bij allen in aanzien, en zelfs het bejaarde
+hoofd van den vader prior boog zich deemoedig voor de door God
+begenadigde geleerdheid van den jeugdigen monnik.
+
+Maar de giftige worm van den twijfel knaagde aan zijn veelomvattende
+kennis, en de spiegel van zijn geloof werd beneveld door schadelijk
+gepeins. Dikwijls dwaalde zijn oog onrustig over het geel geworden
+perkament, waarop het levende woord Gods geschreven stond, en ofschoon
+zijn kinderlijk deemoedig hart zich onderwierp en smartelijk uitriep:
+"Ik geloof, Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" zoo toch omzweefden
+hem dikwijls hoonend de scheppingen van zijn onrustigen geest en de
+pijnigende gestalten van den verderfelijken twijfel, die zijn ziel
+tot het tooneel van een smartelijke worsteling maakten.
+
+Eens zat hij bij het aanbreken van den dag weder met gloeiend hoofd
+over de perkamentrollen gebogen. Uren verstreken, en de morgenzon
+verguldde de hooge zuilengangen met haar gouden glans. Verleidelijk
+dansten de stralen op de beschreven rol, die de monnik in de handen
+had. Hij echter zag het niet en staarde voortdurend op de regels,
+die hem reeds sedert maanden met kwellenden twijfel vervulden:
+"Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"
+
+Reeds maandenlang martelde hij zijn hersenen met dit raadselachtig
+woord van den apostel. Met geweld had hij de onbegrijpelijke plaats
+uit zijn gedachten verbannen, en nu dansten haar letters wederom voor
+zijn moede oogen. Zij werden grooter, de gekrulde teekens, rekten en
+verlengden zich bovennatuurlijk en werden spottende gestalten, die
+hem hoonend omzweetden: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"
+
+Het liet hem geen rust in de muffe cel en trok hem naar de eenzaamheid
+van den frisschen kloostertuin. Met onrustigen tred ging hij, in
+kwellend gepeins verzonken, de paden op en neer. Zijn blik vestigde
+zich op den grond, zijn geest vertoefde zeer ver van de rustige
+omgeving. Zonder het te weten had hij den kloostertuin verlaten en
+wandelde op de boschwegen. Vertrouwelijk groetten de vogels in de
+groene twijgen hem, met groote oogen zagen de bloemen in het zachte mos
+hem aan. Hij echter, de peinzende denker, hoorde en zag niets. Want de
+twijfel in zijn ziel zag slechts een plaats, hoorde slechts een klank:
+"Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!" Vermoeid was zijn dolende
+voet, afgemat zijn overspannen hersenen. Op een steen zonk de monnik
+neder en steunde het geplaagde hoofd tegen een boom. Een verzoenende
+droom voerde zijn geest weg. In door licht omgeven sferen vond hij
+zich zelf terug; aan den troon van den Allerhoogste. Het water van de
+eeuwigheid ruischte om hem heen. Alle voortbrengselen der schepping
+verschenen en prezen het werk zijner handen, welks heerlijkheid de
+hemelen roemen: vanaf den worm in het stof, dien nog geen sterfelijk
+wezen heelt kunnen scheppen, tot aan den adelaar, dien Hij vleugels
+gegeven heeft en het vermogen om van de hoogte op de diepte neer te
+zien; van de zandkorrel in de zee tot aan den reuzenkegel, die op
+bevel van den Heer uit den sedert duizenden jaren gesloten vuurmond
+spuwt. Zij allen spreken slechts een taal, die voor den hoogmoedige
+onverstaanbaar is en den nederige geopenbaard en duidelijk gemaakt
+wordt. De taal van Hem, die hen uit het stof te voorschijn riep, zij
+het in zes dagen, zij het in zesduizend jaren: "Duizend jaren zijn den
+Heer gelijk een dag!" Met een lichte rilling opent de monnik de oogen.
+
+"Ik geloof Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" mompelt hij,
+zich opheffend. Luisterend staat hij stil. Van verre luidt de
+kloosterklok. Vesperluiden is het. Het avondrood straalt reeds door
+de takken. Snel wendt hij zijn schreden naar het klooster. De kerk is
+reeds verlicht. Door de half geopende deur ziet hij de monniken in
+hun stoelen. Stil snelt hij naar zijn plaats. Met verbazing bemerkt
+hij, dat er een andere monnik voor zijn stoel staat. Hij raakt hem
+met den vinger aan, maar tot zijn verbazing ziet hij een vreemde,
+dien hij tevoren nooit gezien heeft. Nu heft ook deze en gene zijn
+hoofd van het boek op en kijkt vragend naar den binnengekomene.
+
+Dan komt er een zonderling gevoel over hem. Slechts vreemde gezichten
+ontdekt hij. Terwijl hij verbleekt, kijkt hij om zich heen en
+wacht het einde van den ernstigen psalm af. Verstomd zijn gezang
+en gebed. Door de rijen gaat een fluisterende vraag. De prior, een
+eerwaardig grijsaard nadert den binnengetredene. Op zijn hoofd rust
+de tachtigjarige sneeuw.
+
+"Hoe is uw naam, vreemde broeder?" vraagt hij op vriendelijken,
+welwillenden toon.
+
+Afgrijzen maakt zich van den monnik meester.
+
+"Maurus," mompelt hij toonloos, terwijl zijn stem beeft. "Bernard, de
+Heilige, was de abt, die mijn gelofte afnam in het zesde regeeringsjaar
+van koning Koenraad, dien men den Frank noemde."
+
+Ongeloof en verbazing teekenen zich op de ernstige gezichten der
+monniken af. En de monnik heft zijn doodsbleek gelaat tot den prior
+op en deelt hem met doffe stem mede, hoe hij in het bosch ingeslapen,
+en niet ontwaakt is, voordat de vesperklok luidde. De prior wenkt
+een broeder.
+
+"Het is bijna driehonderd jaar geleden, dat St. Bernhard stierf,
+evenals Koenraad, dien men den Frank noemde."
+
+De broeder brengt de oorkonden van het klooster. Zij bladeren ver
+terug: driehonderd jaren tot den tijd, toen Bernhard, de Heilige,
+leefde. En zoo las de bejaarde prior, wat het perkament verkondigde:
+"Maurus, een twijfelaar, verdween op een dag uit het klooster en
+niemand heeft sedert dien tijd vernomen, wat er van hem geworden is."
+
+Een rilling gaat door de leden der monniken. Dat was hij, deze broeder
+Maurus, die na driehonderd jaar in het klooster terugkeerde! In
+zijn ooren weerklonk het laatste woord, dat de prior gelezen had,
+als bazuingeschal van het laatste oordeel: driehonderd jaren! Met
+opengesperde oogen ziet hij omhoog, hulpeloos tast hij met de handen
+voor zich uit. De broeders ondersteunen hem en beschouwen hem met
+heimelijk afgrijzen, want zijn gelaat wordt aschgrauw, als van een
+stervende, de smalle haarkrans op zijn hoofd wordt eensklaps sneeuwwit.
+
+"Mijne broeders," prevelt hij met brekende stem, eert steeds het
+onvergankelijke woord des Heeren en zoekt niet door te dringen in
+wat Hij opzettelijk voor ons verborgen hield. Voor Hem bestaat
+er geen tijd. Dat mijn voorbeeld nooit uit uwe gedachten moge
+verdwijnen. Eerst heden drongen deze woorden van den apostel tot
+mij door: Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag. Hij, de Heer,
+zij mij armen zondaar genadig!"
+
+Levenloos zonk hij ter aarde en geroerd baden de broeders bij zijn
+lijk.
+
+
+
+Godesberg
+
+
+Het "Hochkreuz"
+
+Aan den grooten weg tusschen Bonn en het naburige Godesberg verheft
+zich aan den linker kant uit een donker boschje een hooge steenen zuil;
+in die streek bekend onder den naam van "Hochkreuz". Vriendelijk komt
+de steen uit het schaduwrijke groen te voorschijn, als de toerist daar
+op den dag voorbij komt. 's Avonds daarentegen maakt het vervallen,
+verweerde gedenkteeken, wanneer dit plotseling op den eenzamen weg
+voor de blikken van den voorbijganger opdoemt, een ernstigen, bijna
+griezeligen indruk. Deze wordt nog versterkt wanneer men de sage kent,
+die sedert oudsher--het "Hochkreuz" staat daar reeds vele eeuwen--het
+grijze gedenkteeken omzweeft.
+
+De sage voert ons terug in den tijd, toen in plaats van de
+tegenwoordige ruïne nog een trotsch ridderslot vanaf den Godesberg
+op de heerlijke omgeving van Bonn neerzag. Destijds leefde op
+den Godesberg een oud strijder, die in het Rijnland zeer geroemd
+werd. Zijn vrouw was gestorven; maar haar beeld leefde in twee finke
+zonen voort. De oudste was geheel het evenbeeld zijner moeder: hij
+bezat een zachtzinnigen aard en het gemoed van een kind. Hierdoor
+kwam het, dat de oogen van den vader met meer welgevallen op hem,
+dan op den jongeren zoon rustten, die niettegenstaande zijn jeugd
+reeds menig dol waagstuk en menig onridderlijk avontuur uitgehaald had.
+
+Maar toch was de grijsaard hem daardoor niet minder goed gezind. Hij
+hoopte, dat hoe onstuimiger de jongeling den genotvollen beker ledigde,
+hoe eerder hij op den drabbigen bodem zou komen, hetgeen het gevolg
+van elk bovenmatig genot is. Dan zou hij niet meer afkeerig van
+ernstigere dingen zijn, en wellicht zou de wensch van de overleden
+gemalin vervuld worden, die steeds gehoopt had, dat de Keulsche
+bisschopsring van den heiligen Maternus eens haar jongsten lieveling
+mocht sieren, terwijl Erich, de oudste, heer van Godesberg zou zijn.
+
+Dikwijls kwam deze wensch bij den grijsaard op, en menig vroom
+gebed voor de verhooring daarvan zond hij ten hemel, wel wetende;
+dat zijn overleden vrouw zich daar boven met zijn smeekbeden
+vereenigde. Dikwijls ook sprak hij den jongeling toe en slaakte in
+stilte een zucht als deze zich aan het onaangename gesprek poogde
+te onttrekken.
+
+Toen verscheen de dood als een droevige gast op den Godesburcht. Hij
+nam den bejaarden burchtheer mede en voerde hem in het land der
+droomen tot zijn vrouw. In zijn laatste uur had de ridder nog tijd,
+datgene te herhalen, wat hij jarenlang als een vurige wensch in zijn
+binnenste bewaard had. Hij zegende de zonen en smeekte God den eenen
+op den burcht zijner voorvaderen, den anderen voor het altaar van den
+Heer Zijn rijken zegen te schenken. Daarop stierf hij, diep betreurd
+door de armen en verdrukten.
+
+II.
+
+In de hooge zaal van den Godesburcht, keken de portretten der
+voorvaderen op de beide broeders neer, die zwijgend den maaltijd
+gebruikten. Treurig gestemd zaten de tegenwoordige burchtheer en
+zijn jongere broeder tegenover elkaar. Er werd weinig gesproken,
+maar de enkele woorden, die de jongste uitte, klonken verbitterd
+en ontstemd. Tevergeefs trachtte de oudste het vertoornde gesprek
+van den jongeren broeder af te weren. "Ik nam slechts, wat mij als
+overoud vaderrecht toekomt," antwoordde hij zacht op de aanklacht van
+den anderen. "Ik ben niet heer, maar beheerder van mijn bezitting
+en zij, wier beeltenissen op ons neerzien, zouden mij in de andere
+wereld vervloeken, als ik mijn erfdeel niet goed beheerde. Voor jou
+echter is een hooger erfdeel voor het altaar van den Heer weggelegd,
+zelfs een hooge rang zal je bekleeden, zooals je reeds schriftelijk is
+toegezegd, wanneer jij, de afstammeling van een doorluchtig geslacht,
+een waardig dienaar van den Heer wordt."
+
+Maar toornig valt de broeder hem in de rede: "Nooit buk ik mij voor
+den harden dwang, die den oudsten de wapenrusting, den jongsten de
+monnikspij oplegt. En al werd mij de bisschopsring en de kardinaalshoed
+aangeboden, dan nog wil ik geen priesterkleed dragen, maar het ijzeren
+kleed, dat ik tot nu toe gedragen heb."
+
+Treurig hoorde de andere hem aan.
+
+"Dat God uw donker hart moge verlichten. Gaarne zou ik met je deelen,
+maar het gebod onzer voorvaderen laat dit niet toe. Daarom onderwerp je
+en bedenk, wat hem dreigt, die de heilige gebruiken zijner voorouders
+veracht."
+
+Toen werd het stil in de ridderzaal.
+
+III.
+
+Jachtfanfares klonken door het woud, dat zich destijds van den voet
+van den Godesberg tot aan de poort van Bonn uitstrekte en zeer veel
+edel wild bevatte. Evenals vroeger met hun vader, zoo gingen de beide
+broeders ook thans gezamenlijk ter jacht. Gaarne had graaf Erich
+de uitnoodiging van zijn broer aangenomen. Hartelijk verheugde hij
+er zich over, dat de slechte stemming, die hij sedert verscheidene
+dagen bij den broeder waargenomen had, verdwenen was. Het scheen,
+alsof deze tot inkeer gekomen was en het besluit genomen had, den
+vromen wensch zijner ouders te vervullen. Hij deelde zelfs mede,
+dat hij plan had, den aartsbisschop in de heilige stad Keulen te
+bezoeken en hem den brief te overhandigen, dien zijn vader hem als
+een gewichtig geschrift nagelaten had.
+
+Dat verheugde graaf Erich zeer. Welgemoed doorkruiste hij het
+dichte struikgewas. Hij was zeer gelukkig op de jacht en had reeds
+verscheidene groote evers gespietst, ook een groot hert viel hetzelfde
+lot ten deel. Daarentegen trof de broeder slecht. Zijn hand was onvast,
+zijn bewegingen verrieden onrust, een zeldzaam vuur schitterde in zijn
+oogen. Hij was een prachtigen ever op het spoor, en bereidwillig gaf
+de broer aan den wensch om het dier gezamenlijk te vervolgen, gehoor.
+
+Door heg en struik gingen de jagers, vergezeld van de blaffende
+honden. Daar ritselt het loover, hijgend baant de ever zich een
+weg door het bosch. Suizend snort de jachtspies uit de hand van den
+jongsten broer en blijft in de schors van een eik zitten.
+
+"Je hand is meer geschikt om vrome christenen te zegenen," zegt de
+oudste schertsend.
+
+"En om mij van lastige broeders te ontdoen," bromt de andere en trekt
+bliksemsnel den degen van zijn zijde. Sissend dringt het staal in
+de borst van den broeder. Een gil klinkt door het woud, in welks
+duisternis de broedermoordenaar verdwijnt. Ontzet snellen de beide
+schildknapen toe. Een smartkreet klinkt uit beider mond. De graaf
+ligt badende in zijn bloed, met de sluier des doods over de oogen.
+
+De schildknapen buigen zich tot den stervende over.
+
+"Mijn broeder!" In een zucht sterven deze woorden weg. Ontsteld worden
+ze door de schildknapen herhaald, en met leedwezen wordt het bericht,
+dat de ongelukkige Godesberger door de broederhand gevallen is, in het
+Rijnland vernomen. Innig verdriet heerschte er in den Godesburcht, waar
+de jonge slotheer in het graf zijner vaderen bijgezet werd. De burcht
+bleef verlaten, de naaste verwanten van het adellijke geslacht wilden
+hun woning in de gezegende "Rheingau" dicht bij de Palts niet voor de
+onzalige vesting verruilen, en zoo woonde daar slechts de poortwachter.
+
+Maar ook hij werd verdreven, want op een nacht sloeg de bliksem
+in den toren, en voor dat men van beneden hulp kon bieden, had de
+flikkerende straal alles vernield, alleen de zwart gerookte muren
+zijn overgebleven. Zoo werd de trotsche Godesburcht een treurige ruïne.
+
+IV.
+
+Jaren zijn intusschen verstreken. Uit het woud te Godesberg is destijds
+een man geijld, radeloos en angstig, bleek en ontsteld. Gisteren
+nog koesterde hij het misdadige verlangen naar de erfenis van zijn
+broeder, en heden droeg hij het Kaïnsteeken van zijn broedermoord op
+het voorhoofd. Bleek en angstig is hij uit het bosch gevlucht. Het
+helsche plan om zijn broeder in enkele minuten uit den weg te ruimen,
+dat hij in koelen bloede gesmeed had, is te niet gegaan, toen het
+slachtoffer met een smartkreet neerzonk. De moordenaar, wiens hand
+gesidderd had, werd door booze geesten verdreven.
+
+Jaren zijn intusschen verstreken.
+
+Daar klopte op een dag een vreemde pelgrim aan het klooster
+Heisterbach, dat de vrome monniken van Bernhard in het dal van het
+Zevengebergte hadden laten bouwen. Half pelgrim, half bedelaar. Het
+gewaad versleten, het gelaat vaal en vervallen, het lichaam gebroken,
+zooals wellicht de ziel.
+
+Fluisterend smeekte hij den broeder portier medelijden met hem te
+hebben. Hij kwam van de heilige plaatsen en zijn voeten wilden hem
+niet verder dragen.
+
+De broeder deelt dit den prior mede, tot wien hij den vreemden
+pelgrim geleidt. Zwijgend ziet de prior den man aan, die aan zijn
+voeten neerzinkt. Dan komt er plotseling een andere uitdrukking op
+zijn oud gelaat.
+
+"Bij God, zijt gij het, ridder--."
+
+Verder komt hij niet. Kermend houdt de ridder zijn knieën omklemd en
+smeekt hem, zich zijner te erbarmen.
+
+"Ik ben het, die twintig jaar geleden den broeder in het Godesberger
+woud versloeg," klaagt de ongelukkige. "Reeds tweemaal tien jaar boet
+ik mijn vervloekte schuld en smeekte als pelgrim aan het heilige
+graf, als slaaf in de ketenen der ongeloovigen, Godserbarming over
+mij af. Sedert drie maanden vielen de ringen van mijn handen, en met
+moeite en zorg ben ik naar mijn vaderland getrokken. Hierheen werd
+ik gedreven en u, dienaren Gods, die mij als knaap en als jongeling
+gekend hebt, smeek ik om een plaatsje tusschen deze muren, waar ik
+de ruïne van Godesberg aan den overkant kan zien, en waar ik boete
+kan doen en bidden, totdat de dood mijn arme ziel wegdraagt."
+
+Toen legde de prior de handen zegenend op het hoofd van den armen
+zondaar.
+
+
+
+
+
+Hij heeft boete gedaan en zeer veel gebeden in de eenzame
+kloostercel. Vele jaren heeft hij het zondige lichaam gegeeseld en
+vol berouw de vloekwaardige daad beweend. Toen is ook tot hem de dood
+gekomen, en hebben de monniken van Heisterbach hem onder het zingen
+van treurliederen grafwaarts gedragen.
+
+Daar, waar de broedermoord gepleegd is, heeft de aartsbisschop
+van Keulen een kruispyramide doen oprichten, en hoeveel er eeuwen
+overheen zijn gegaan, zoo staat het sombere "Hochkreuz" nog steeds
+op deze plaats.
+
+
+
+Bonn
+
+
+De Jonker van Klochterhof
+
+Op den Klochterhof te Friesdorf bij Bonn moet eens een edel jonker
+gewoond hebben, die in de omstreken van Bonn algemeen als een groot
+drinker bekend stond. Eens was jonker Erich vol ijver in het bosch,
+dat den Godesberg omringt, gaan jagen. Het was een warme dag, hij
+maakte weinig buit, was zeer vermoeid en had een ontzettenden dorst. De
+avondzon weerkaatste in den Rijn, toen de heer Erich mismoedig het
+geweer omgespte en met zijn buit, een vet haasje, naar huis draafde.
+
+Destijds stond er aan den zoom van het Godesberger bosch een herberg
+(thans staan er zeer vele), daar trad de jonker van Klochterhof
+binnen, gaf de waardin den haas en laafde de dorstige keel met
+parelenden landwijn. Toenmaals moet het druivensap, dat de zon op de
+Friesdorfer en Godesberger hoogte deed rijpen, veel beter geweest
+zijn, dan tegenwoordig. Het sappige wild, door de bekwame hand der
+waardin klaar gemaakt, behaagde den jonker zeer, maar nog meer het
+edele nat, dat de bedrijvige hand van den waard hem inschonk. Menige
+bokaal goot de dorstige jonker door de verdroogde keel en menige
+krijtstreep maakte de waard aan den post van de deur.
+
+De nacht drong den heer Erich tot vertrekken. Aangenaam was het zitten,
+en moeilijk viel het opstaan; de waard, die als een ruwe klant bekend
+stond, trok een ernstig gezicht: "Twaalf bokalen: Denk ook aan het
+betalen, mijnheer de drinker!"
+
+Toen zong de jonker met dubbelslaande tong een oud lied, dat in den
+ouden tijd reeds de groote Pumpus van Perusia gezongen moet hebben.
+
+"Betalen gaat heden niet, omdat ik het geweer niet met penningen laad."
+
+De ruwe waard griefde het vroolijke antwoord van den drinkebroer. Hij
+trok een boos gezicht. "Als gij geen geld meer hebt, dan houd ik
+uw broek tot pand. Kom morgen terug, mijnheer de drinker, en los uw
+broek en uw schande weer in."
+
+Naar den Klochterhof bij Friesdorf wankelde met onvaste schreden een
+man, die te veel gedronken had. Hij had het warm en tegelijkertijd
+koud. Hij schreed als in den nevel voort, en de dennen van het woud
+fluisterden elkaar een vreemde geschiedenis toe. Er waren er, die zeer
+lustig suizelden, maar de bejaarde dennen schudden bedenkelijk hun
+kruinen, evenals de maagdelijke berken, die blozend den nacht dankten,
+dat hij de oogen van de kuische bloempjes in het woud gesloten....
+
+Of de jonker van Klochterhof ingelost heeft, wat hij verpandde? De
+sage zwijgt daarover. Bekwame kroniekschrijvers ontkennen het.
+
+Aan den zoom van het Godesberger woud stond langen tijd een herberg
+"Zum Junkerhof" genaamd, maar de ondeugende nakomelingen van de vrome
+voorvaderen verdoopten haar "zur Junkerhose" en vertellen elkaar bij
+den parelenden wijn, dien de zon op de Friesdorfer en Godesberger
+hoogte laat rijpen, de geschiedenis van de broek van den heer Erich.
+
+
+
+Keulen
+
+
+Richmodis von Aducht
+
+Het was in het midden der vijftiende eeuw. De schaduwen des doods
+spreidden zich over Keulen uit. Een vrouw in een donker gewaad ging
+schoorvoetend door de straten: de zwarte pest. Haar giftige adem
+drong in stulpen en paleizen en vernietigde het leven van duizenden.
+
+Op ontelbare huizen schilderden de doodgravers het zwarte kruis,
+een teeken, dat het vreeselijke spook daar binnengetreden was. Het
+aantal dooden steeg zoo zeer, dat velen geen rechtsstreeksche
+begravenis ten deel viel. Men wierp de lichamen der ongelukkigen
+in een gemeenschappelijk graf, bedekte het dunnetjes met aarde en
+plaatste er een kruis op. Het jammeren en klagen in de oude stad
+Keulen was niet om aan te hooren.
+
+Op de Neumarkt, dicht bij de kerk der Apostelen, woonde in een
+prachtig patriciërshuis de rijke raadsheer Mengis von Aducht. Ook
+hem trof het verschrikkelijke noodlot; zijn jeugdige gemalin werd
+door de pest aangetast en stierf.
+
+Het verdriet van den heer von Aducht was grenzenloos. Hij bracht den
+ganschen nacht bij het omhulsel van de ontslapene, innig geliefde
+vrouw door, kleedde haar in haar wit bruidskleed, dat zij eenige jaren
+geleden gedragen had, versierde de kist met welriekende bloemen en
+liet de doode de schitterende kettingen en kostbare ringen, waarvan
+ze zooveel gehouden had, mede in de groeve nemen.
+
+De nacht lag treurig over het kerkhof naast de Apostelenkerk, waar
+Richmodis in haar versch gedolven graf rustte.
+
+Stilte heerschte op den doodenakker. Daar beweegt zich de grendel der
+kerkhofsdeur. Twee schaduwen sluipen op de teenen langs de donkere rij
+der graven en richten hun schreden naar een versch gedolven graf, dat
+hun welbekend is. Zij hebben het zelf gegraven. De beide doodgravers
+van het kerkhof der Heilige Apostelen zijn het, die de bloeiende vrouw
+van den raadsheer in den namiddag begraven hebben. Zij sloten het
+deksel, en terwijl de ridder zich jammerend over de innig geliefde
+gade heenboog, hingen de begeerige blikken der beide mannen aan de
+schitterende kettingen en kostbare ringen, die de doode versierden.
+
+De grafkransen ritselen in de duisternis en hard klinkt het spitten
+met de spaden. Geleidelijk wordt het graf leeger, en de aardkluiten
+daarnaast hoopen zich steeds meer op. Nu hoort men een dof geluid,
+ze zijn tot aan het deksel der doodkist gekomen. Treurig flikkert het
+schijnsel eener lantaarn uit het vochtige graf. Zij hebben het deksel
+opengebroken, terzijde geschoven en buigen zich nu vol hebzucht over
+de gestalte in het witte gewaad. Schel valt het licht der lantaarn,
+die de eene man in de hand houdt, op het levenlooze gelaat der vrouw
+in de doodkist, terwijl de andere man snel de ringen van haar gevouwen
+handen trekt.
+
+Daar beweegt zich plotseling de gestalte in de lijkkist, de smalle
+witte vingeren bewegen zich. Bleek van schrik snellen de roovers weg,
+ze laten de kist open en vergeten de gereedschappen.
+
+Een klagende zucht steeg uit het graf op. Eenige minuten later
+richtte de levendbegravene zich met moeite op. Met opengesperde
+oogen beschouwde zij haar omgeving en ontzetting maakte zich van
+haar meester. Rillend kijkt zij naar de ruimte, die zij verlaten
+heeft, en naar de plaats, waar ze zich bevindt. Was het een droom,
+die haar kwelde?
+
+Zij roept met zwakke stem. Niemand antwoordt, slechts het ritselende
+herfstloof en de toppen der kerkhofsboomen, die door den wind bewogen
+werden. Verder rondom doodsche stilte.
+
+Plotseling begreep ze haar vreeselijken toestand: terwijl ze schijndood
+was, had men haar als ontslapene begraven. Haar hart dreigde stil te
+staan van gruwelijke ontzetting. Zij greep de achtergelaten lantaarn
+en wankelde tusschen de graven door naar den uitgang, dien de roovers
+vergeten hadden te sluiten.
+
+Verlaten waren de straten. Slechts de sterren zagen de wankelende
+gestalte in het sneeuwwitte gewaad, die zich gelijk een schim,
+dikwijls minutenlang tegen de huizen der straten leunend, naar de
+Neumarkt voortbewoog.
+
+Zwijgend groette het grijze patriciërshuis de weeropgestane
+meesteres. Een venster was nog verlicht. De arme vrouw beneden kromp
+ineen. Dat was het vertrek, dat getuige van haar jonge liefde geweest
+was, waarin zij tijdens de vreeselijke ziekte geleden had, en waaruit
+men haar als doode gedragen had, om in den vochtigen grafkelder te
+ontwaken. Wellicht vertoefde haar bedroefde gemaal op het oogenblik in
+deze kamer, doorliep haar met rustelooze schreden, om dan eindelijk,
+door verdriet overstelpt, zijn hoofd in de onaangeroerde kussens te
+begraven, met den naam zijner geliefde Richmodis op de lippen.
+
+De vrouw in het doodskleed zuchtte. Zij klopte zoo hard aan de deur
+als haar zwakke krachten het toelieten. Een oude dienaar stak na een
+poosje zijn hoofd achter het luik in de eikenhouten deur en in de
+schemering bemerkte hij met ontzetting het spookachtige wezen.
+
+Richmodis noemde hem bij den naam en beval hem haar te openen. Bij
+den klank dezer stem kromp de oude ineen. Bleek van schrik snelde hij
+de treden op en het vertrek van zijn heer binnen, terwijl hij stamelde:
+
+"Heer de dooden staan op! Buiten voor het huis staat onze goede vrouw
+en wil binnenkomen."
+
+Maar de raadsheer schudde verdrietig zijn hoofd.
+
+"Richmodis, mijn geliefde gade is dood en keert nooit weder. Nooit komt
+ze terug," herhaalde hij vol onuitsprekelijk leed, "eer zou ik denken,
+dat de schimmels uit de stal naar de torenkamer zouden opstijgen."
+
+Daar dreunde plotseling donderende hoefslagen op den Innenhof en
+spoedig daarna op de steenen trappen. Toen de heer van Aducht de deur
+uitsnelde, zag hij zijn beide schimmels de trappen oprennen.
+
+Een oogenblik later keken twee hinnikende paarden over de raamkozijnen
+in den sterrennacht, beneden echter hield een man lachend en huilend
+tegelijk zijn geliefde vrouw in de armen gesloten, die het graf hem
+weergegeven had.
+
+
+
+
+
+Nog vele jaren leefde mevrouw Richmodis aan de zijde van haar
+echtgenoot, terwijl een schaar allerliefste kinderen hun gelukkige
+echtvereeniging volmaakte. Innige vroomheid verhelderde het leven
+der stille huisvrouw, die sedert dien tijd nooit meer gelachen
+heeft. Een kunstig misgewaad heeft zij voor de kerk der Heilige
+Apostelen geborduurd, en de heer von Aducht heeft de gebeurtenis op
+het kerkhof in de Apostelenkerk in een koornis laten schilderen ter
+blijvende gedachtenis. De schilderij is thans verbleekt.
+
+Als gij nu, lezer, in Keulen komt en zijn Dom en kerken bewondert, ga
+dan ook naar de Neumarkt, waar ge twee uit hout gesneden paardenkoppen
+uit het dakvenster van een ouderwetsch huis zult zien kijken, als
+herinneringsteeken aan deze gedenkwaardige geschiedenis van Richmodis
+von Aducht.
+
+
+
+
+De bouwmeester van den Keulschen Dom
+
+I.
+
+Te Keulen vervoegde zich op den avond voor het feest van Jezus
+Hemelvaart, een eenvoudig bouwmeester bij den machtigen aartsbisschop
+Koenraad von Hochstaden en bood hem het ontwerp voor een kerk aan. Op
+trotschen toon beweerde hij, dat zij een der schoonste kerken van
+de wereld zou worden. Daar de kerkvorst over de grootschheid van het
+ontwerp hoogst verbaasd was, droeg hij den vermetelen, bouwmeester de,
+uitvoering daarvan op.
+
+Spoedig verhieven zich op de ruime, plaats, waar reeds eenmaal
+tijdens de regeering van den eersten Frankenkoning een Dom gestaan had
+(Hildebold, de aartsbisschop, had dezen laten bouwen, en de woeste
+Noormannen hadden hem verwoest), statige hooge muren. Reusachtige
+zuilen met prachtige welvingen vereenigden zich tot een trotsch
+godshuis.
+
+Iedereen bewonderde den bouwmeester, wiens scheppende geest binnenkort
+duizenden handen in beweging zette, en meester Gerhards naam werd
+spoedig in de Duitsche en Waalsche landen met lof genoemd. Het koor
+was reeds voltooid. Uit alle omliggende plaatsen, zelfs uit verre
+landen kwamen bedevaartgangers naar den Dom te Keulen om het stoffelijk
+overschot der drie koningen, die in het koor rustten, te aanbidden. De
+lofliederen der vrome christenen weergalmden door de trotsche gewelven.
+
+Hij, die echter het meeste reden had, om zich te verheugen, deed zulks
+niet. In zijn borst, die eerst van vreugde gezwollen had, nestelden
+zich nu treurige gedachten. Onophoudelijk fluisterde de grauwe zorg,
+de dochter van het voortdurende getob den schepper van het geheel in
+het oor, of zijn dagen wel toereikend zouden zijn, om het geheel te
+voltooien. Of de dood hem niet eens verhinderen zou, den grootsten
+triomf zijns levens te vieren.
+
+Zijn vrouw sloeg met smart deze verandering gade. Tevergeefs beproefde
+zij de rimpels van zijn voorhoofd te doen verdwijnen.
+
+Hoe meer deze vermoedens in zijn binnenste wortel schoten, des te meer
+spoed zette meester Gerhard achter den bouw van den Dom. Men schreef
+1252 in den kalender. Reeds verhief zich de noordelijke toren statig
+omhoog. Met meer ijver, dan voorheen begaf de bouwmeester zich van
+den eenen steiger naar den anderen.
+
+Juist stond hij op de Domkraan. Reusachtige trachietblokken uit
+het inwendige van den Drachenfels gehaald, heschen de metselaars
+omhoog. Hoogst vergenoegd ziet de meester toe, de vreugde schittert
+in zijn oogen. Daar staat plotseling een vreemdeling aan zijn zijde,
+dien hij niet heeft zien aankomen. Een scharlaken mantel omgeeft zijn
+rechtopgaande gestalte, een gouden ketting glinstert op zijn borst en
+lustig fladdert de hanenveer op zijn fluweelen baret. Hij begon zijn
+aanspraak met den groet der metselaars. Zelf was hij een meester in de
+bouwkunst, vele jaren geleden had hij een huis gebouwd--terwijl hij dit
+zeide fonkelden zijn schitterende oogen vreemdsoortig onder de dunne
+wenkbrauwen--waaraan de tand des tijds tevergeefs knaagde, koningen en
+keizers, aanzienlijke heeren en prelaten hadden het reeds bezichtigd.
+
+Zwijgend nam de meester den hoovaardigen spreker op. Maar deze
+begon het reusachtige werk van den bouwmeester van den Dom bovenmate
+te prijzen.
+
+"Doch lijkt het u van een arm sterfelijk wezen geen vermetele
+handelwijze, om zulk een werk te beginnen?" vroeg hij plotseling op
+bijna ruwen toon. "De eerste steen had u moeten zeggen, dat een ander
+oogsten zal, wat gij gezaaid; hebt."
+
+"Wie zou mij beletten te voltooien, wat ik begon?" vroeg de bouwmeester
+enigszins angstig het antwoord afwachtend.
+
+"Het leven--of noem het de dood!" antwoordde de andere op scherpen
+toon. Daarop vervolgt hij spottend: "Zelfs een wurm, kunt gij, arme
+menschen, niet aan uw wil onderwerpen en reeds vanaf uw eersten
+ademtocht bedreigt u uw hevigste vijand en zekerste overwinnaar,
+de dood."
+
+"Ik zal echter volbrengen, wat ik begon!" roept de bouwmeester
+eigenzinnig uit. "Ik wil er om wedden, zelfs met den duivel."
+
+"Hola!" lacht de vreemdeling strijdlustig. "Met iemand, die zoo
+vermetel is, ga ik gaarne een weddenschap aan. Eer verstout ik mij
+een beekje van Trier naar Keulen te leiden, wel vijftig uur gaans,
+waarin eenden zullen zwemmen, dan dat gij uw Dom voltooit."
+
+"Het zij zoo!" zegt meester Gerhard op somberen toon en slaat verblind
+toe, als de vreemdeling zijn rechterhand aanbiedt. Deze was ijskoud
+en een huivering overviel hem.
+
+Toen begon de andere te lachen, spottend en zegevierend.
+
+"Prijs der weddenschap je ziel!"
+
+Ontzet krimpt de ontstelde meester ineen.
+
+Reeds heeft de andere den vuurrooden mantel geopend.
+
+"Tot weerziens, vermetele!" Een stormwind steekt op en voert hem
+huilend weg.
+
+II.
+
+Sedert dezen dag worden de wolken op het voorhoofd van den bouwmeester
+steeds donkerder. Rusteloos doolt hij op de steigers, rusteloos
+verricht hij zijn arbeid. Hoe meer hij haar uitbreiding nagaat,
+des te meer overvalt hem de angst, dat hij haar nooit volbrengen
+zal. Bij het aanbreken van den dag was hij reeds bij zijn werklieden,
+en zelfs 's avonds liep hij rond, de vlijtigen prijzende, de luien
+berispende. Dikwijls ook staarde hij in de richting van Trier, of
+daar niets ongewoons te zien was. Met hoopvolle verbazing bemerkte
+hij, dat zijn tegenpartij volstrekt geen moeite scheen te doen,
+om de weddenschap te winnen. Niets deed, vermoeden, dat er groote
+werken in het Trierer land ondernomen werden.
+
+Reeds begon zijn hoop te herleven. Al won hij niet, dan zou hij toch
+in geen geval verliezen, aldus troostte meester Gerhard zich.
+
+Op een dag stond hij op den top van den voltooiden toren. Daar werd een
+hand op zijn schouder gelegd. Hij wendde zich verschrikt om. Achter
+hem stond de afschuwelijke bouwmeester. Was hij de duivel zelf of
+slechts een duivelsche magister van de zwarte kunst?
+
+"Welnu, meester Gerhard, hoe staat het met uw werk? Ik zie, dat gij
+rustig voortgaat. Gelukkigerwijs heb ik mijn arbeid spoedig volbracht,
+anders liep ik gevaar mijn weddenschap te verliezen."
+
+"Ik heb bij me zelf gedacht," zegt de meester op spottenden toon,
+"dat gij niet al te veel aarde beweegt, om uw kanaal te graven.'"
+
+"Zoo weet dan, waarde neef, dat ik alleen meer volbreng, dan honderd
+arbeiders te zamen, en zooals ik u reeds gezegd heb, mijn werk is
+bijna klaar." Op lichtgeraakten toon zeide de man in den scharlaken
+mantel dit.
+
+"Werkelijk?" Meester Gerhards oogen dwaalden onrustig rond. "Ik zou
+wel eens willen weten, met welke helsche kunsten gij dit klaargespeeld
+hebt."
+
+"Zooals ge wilt, Neef! Gij behoeft mij slecht te volgen." Hij vat
+den meester bij de hand, beneemt hem de zinnen en voert hem door de
+lucht. Na eenige minuten betreden zij de aarde. Huiverend herkent de
+meester het Land van Trier. Aan zijn voeten ontspringt een bron en
+stroomt in een opening der rotsen.
+
+"Kom, oude," zegt de Satan, lachend en terwijl hij zich buigt,
+verdwijnt hij onder een rots. Ontsteld volgt meester Gerhard hem. Hij
+bevindt zich in een grot der rotsen. Het water van de bron stroomt
+kabbelend in een kanaal, welks begin hij aanschouwt.
+
+"Ziet gij, dat ik niet loog en mijn tijd wel besteed heb," zegt de
+duivel zegevierend. "Indien gij wilt, volgen de beekjes mij, en kunt
+gij zelf oordeelen over datgene, wat ik volbracht heb."
+
+Nauwelijks had hij dit gezegd, toen een geheimzinnige kracht
+den bouwmeester aangreep en hem met huiveringwekkende snelheid
+voorwaarts duwde. De Satan voorop. Bleek als de dood aanschouwde
+de meester het werk. Geen twijfel was meer mogelijk, hij had de
+weddenschap verloren. Doffe wanhoop maakte zich van hem meester. Maar
+zeldzaam! Reeds na korten tijd nam zijn vertrokken gelaat weer een
+rustige uitdrukking aan, het scheen zelfs of er een onderdrukte
+glimlach op zijn gelaat speelde.
+
+De uitgang was bereikt: door dezelfde magische kracht, die hem
+weggedragen had, voelde meester Gerhard zich weer op de aarde
+teruggevoerd.
+
+"Dit is de helft van mijn werk, zeide de Booze, terwijl een grijnzende
+lach om zijn lippen speelde. Nu zullen wij de beloofde eenden zien,
+lieve Neef!".
+
+Driemaal klapte hij in de handen en beval Gerhard op te letten. Thans,
+bijna vroolijk gestemd, luisterde deze oplettend. Minuten
+verstreken. Leeg bleef de uitgang van het beekje. Geen eendengesnater
+werd hoorbaar.
+
+Nogmaals klapje de Satan in de handen, harder dan den eersten
+keer. Weder wachtte hij te vergeefs. Spottend glimlachte de
+Domarchitect. Een gillenden kreet stiet de andere uit en verdween,
+terwijl meester Gerhard mompelde:
+
+"Nooit zal hij zijn weddenschap winnen. Ik, Gerhard von Ryle ken
+alleen de oorzaak."
+
+III.
+
+Maar een hevige zwaarmoedigheid was sedert het laatste avontuur over
+den Dombouwmeester gekomen. Nog meer dan vroeger zag men hem op de
+steigers en ladders. Geheele uren bracht hij in somber gepeins door. Nu
+hij zijn tegenpartij, waarmede hij zich vermeten had te strijden,
+kende--wie zou het anders kunnen zijn, dan de duivel in persoon--was
+hij zich van het gevaar, waarin hij en zijn onsterfelijke ziel zich
+bevond, bewust.
+
+Dikwijls, nadat er eenige minuten van angstig nadenken voorbij gegaan
+waren, vloog er een gimlach over zijn trekken. Hij haalde diep adem,
+terwijl hij vol moed bij zich zelf zeide:
+
+"Hij zal zijn weddenschap niet winnen, ik weet waarom."
+
+De jeugdige gade was zeer neergedrukt door het vreemdsoortige gedrag
+van den meester. Zijn geslotenheid behaagde haar geenszins. Tevergeefs
+beproefden haar koozende lippen den zwijgenden mond van haar peinzenden
+echtgenoot het geheim te ontrukken, dat zijn tong bewaarde. Niet
+ongaarne ontvingen de lippen des meesters den rijken schat der
+vrouwelijke teederheid, maar op alle smeekbeden en verzekeringen van
+de door nieuwsgierigheid geprikkelde vrouw, glimlachten zij slechts
+bitter en spraken evenveel over het geheim als de oesters over hun
+schalen. Op een dag trad een rondtrekkend magister het huis van den
+bouwmeester binnen, toen deze juist bij den Dombouw vertoefde.
+
+Een scharlaken mantel omhulde de rechtopgaande gestalte en lustig
+woei de hanenveer van de zwart fluweelen baret. Zeer minzaam gedroeg
+de vreemdeling zich, zijn voorkomen was zeer aangenaam en vriendelijk
+waren zijn woorden. Hij wilde den meester bezoeken en daar hij hem
+niet thuis trof, voerde hij een onderhoudend gesprek met zijn jonge
+vrouw. Spoedig klonken de woorden minder terughoudend van de lippen
+der bedeesde vrouw. Veel medegevoel en een warm hart vond zij bij den
+vreemdeling. Innige deelneming betoonde hij de veronachtzaamde gade,
+en tot dank deelde zij hem onder zuchten en klachten mede, hoe de
+achterdocht zich tusschen haar en haar echtgenoot geplaatst had,
+sedert hij een geheim verborg, dat hem veel verdriet veroorzaakte.
+
+Merkbaar trokken de wenkbrauwen zich samen, onmerkbaar spitsten zich
+de ooren van den troostbrengenden vreemdeling.
+
+"Evenals elk bestaan kennis van de elementaire grondstoffen vereischt,
+zoo is uw gemaal slechts dan te helpen, wanneer gij zijn geheim kent,"
+deelde de rondtrekkende man op gewichtigen toon mede. "Beproef,
+schoone vrouw, door de spraakzaamheid uwer lippen en de macht
+uwer bekoorlijkheden in een aangenaam minneuurtje het hart en het
+vertrouwen van den meester te winnen, opdat zijn mond verrade, wat
+zijn hart verbergt. Dan kan ik u helpen en zult gij de gelukkigste
+vrouw in het heilige Keulen worden."
+
+De vrouw deed wat haar bevolen was, maar onmachtig kaatsten de pijlen
+der verleidster op de halsstarrige stilwijgendheid van den man af. Drie
+dagen na zijn eerste bezoek verscheen, de magister opnieuw.
+
+"Daar gij geen succes gehad hebt, onwaardige Eva's dochter, heb ik
+nog een ander middel, doch ik vrees, dat gij het versmaden zult."
+
+Door hevige nieuwsgierigheid gekweld, verzocht de vrouw den geleerden
+magister dringend zich te verklaren.
+
+"Welnu, dan zal ik spreken," roept deze plechtig uit. "Medelijden
+vereischt de vrouw en dubbel medelijden zij haar geschonken. Ik ken
+een vreemdsoortig kruidje. Daaruit zal ik uw heer gemaal een drankje
+brouwen. Hij zal dan 's nachts droomen; zijn droom zal hem verraden,
+en gij kent zijn geheim."
+
+Vol dank nam zij de gave uit de hand van den vreemden magister
+aan. 's Avonds schonk zij het drankje in en reikte het haar
+gemaal. Meester Gerhard zonk uit de omarmingen zijner teedere gade
+in een vasten slaap. Spoedig werd de slaper onrustig. Zijn mond
+deed onverstaanbare woorden hooren. Angstig luisterde zijn wakende
+vrouw. Met de scherpzinnigheid, die haar geslacht eigen is, kwam
+ze weldra achter de beteekenis der onsamenhangende woorden van den
+droomer en wist spoedig van de onzalige weddenschap, die meester
+Gerhard met den Satan in eigen persoon gesloten had.
+
+"Hij zal zijn weddenschap nooit winnen," fluisterde de slaper,
+"ik ken zijn geheim."
+
+"En wat mag dat zijn?" vroeg met kloppend hart iemand van het geslacht,
+aan wie de slang destijds den appel bood.
+
+"Hij kan doen, wat hij wil," ging de meester voort. "Nooit zal een
+eend uit het onderaardsche kanaal zwemmen, indien hij daarin niet op
+elk kwartier afstands luchtgaten aanbrengt. Maar de duivel zal nooit
+op deze gedachte komen."
+
+Den volgenden morgen verscheen bij het aanbreken van den
+dag--nauwelijks had de meester zijn huis verlaten--de rondtrekkende
+magister. Getrouw deelde de vrouw hem mede, wat zij gehoord had. Toen
+liet de man in den vuurrooden mantel een zegevierenden lach hooren
+en verdween. Bleek en angstig bleef de praatzieke vrouw van den
+meester achter.
+
+IV.
+
+Meester Gerhard stond bovenop de Domkerk. Donkere onweerswolken
+kwamen aan den kant van den Rijn opzetten. De bouwmeester spoorde
+de werklieden tot spoed aan. De lucht was zwoel. Daar werd een hand
+loodzwaar op zijn schouder gelegd. Opgeschrikt uit aangename droomen
+over de toekomst wendde hij zich om, en zijn gelaat werd plotseling
+doodsbleek. Achter hem stond de duivel in scharlaken gewaad, de zwarte
+baret met de wapperende hanenveer versierd. Hij had een zegevierende
+uitdrukking op het gelaat. Zwijgend wees hij naar beneden; aan den
+voet van den Dom was een beekje zichtbaar, snaterend zwom een eend
+in dit water en werd door meerdere gevolgd.
+
+Toen greep woede en vertwijfeling meester Gerhard aan. Verloren was
+de weddenschap en de ziel. Grijnzend keek de duivel toe en opende de
+klauwachtige handen.
+
+"Nooit zult ge mij levend hebben!" roept meester Gerhard gillend uit
+en stort zich in de diepte.
+
+Ratelende donderslagen maken zijn doodskreet onhoorbaar. Vreeselijk
+woedt het weer. De verlichte hemel gelijkt een vuurzee. De brandklok
+luidt in den toren--de bliksem was in het huis van den bouwmeester
+van den Dom geslagen.
+
+De vlammen vernietigden de ontwerpen van den bekwamen meester, en
+eeuwenlang bleef de reusachtige Dom onvoltooid. Het werk treurde over
+zijn oprichter, verlaten waren de gewelven, onvoltooid de grootsche
+torens. De inwoners van Keulen beweerden, de de geest van meester
+Gerhard 's nachts klagend om den Dom zweefde. Toornig verweet hij
+den volgenden geslachten, dat hun laksheid het reuzenwerk, dat de
+scheppende kracht van vroegere tijden met steenen mond verkondigde,
+onvoltooid liet Ongehoord sterft de vertwijfelde klacht van de schim
+weg. Andere geslachten komen en verdwijnen weder. En eindelijk werd
+werkelijkheid, wat niemand ooit had durven hopen. Voltooid stond de
+Dom in zijn vorstelijke pracht daar, als het meest grootsche godshuis
+van Duitschland.
+
+Sedert dien tijd verscheen meester Gerhard nooit weer. Op de plaats,
+waar hij onder de verwenschingen van den vorst der hel in de diepte
+stortte, is zijn beeltenis in steen ter eeuwige gedachtenis opgericht.
+
+
+
+Aken
+
+
+De bouw der Munsterkerk
+
+I.
+
+Eens toen Karel de Groote, keizer der Franken zijn paleis te Aken
+verliet en een rijtoer maakte, moet zijn paard luid hinnekend zijn
+poot snel teruggetrokken hebben uit een bron in het bosch, waarin
+het getrapt had. Toen de ruiter nieuwsgierig afsteeg en de hand in
+het water stak, moet hij de warme bron ontdekt hebben, die naderhand
+duizenden zegen aanbracht. Dankbaar erkende de vrome keizer in deze
+heilbron een welwillend geschenk van de Voorzienigheid, en hij nam
+het besluit hier ter eere van den Heer een huis te bouwen. Aan den
+hoef van het paard zou de rondbouw der kerk herinneren. Met frisschen
+moed werd spoedig aan het bouwen van den trotschen tempel begonnen,
+en verheugd zag de bejaarde keizer de muren van de Munsterkerk
+verrijzen. Haar voltooiing zag hij niet meer.
+
+Treurig werkte dit op de bouwlieden. Karel de Groote had het machtigste
+rijk van het Westen aan een zwakken zoon nagelaten, die tegen zijn
+eigen kinderen het zwaard moest trekken, teneinde het recht op den
+troon te behouden.
+
+Toen bleef veel onvoltooid, wat de reuzenhand van Karel den Grooten
+begonnen was. Ook de bouw der Munsterkerk werd gestaakt. Eenzaam
+lag het bouwterrein daar, onvoltooid staken de muren en torens
+omhoog. Tevergeefs beriep de eerzame overheid zich op de liefdadigheid
+van de christelijke medemenschen, karig kwamen de gaven in, en nooit
+waren zij toereikend om de Munsterkerk te voltooien.
+
+Zeer dikwijls zaten de raadsleden bij elkaar, en beraadslaagden hoe
+den drukkenden geldnood te verhelpen en de voltooiing der Munsterkerk
+te volbrengen. Goede raad was even duur als het materiaal waarvan men
+kerken bouwt. Toen zij weder eens in het raadhuis bij elkaar zaten,
+liet een vreemde heer zich aandienen. Hij had den edelachtbaren raad
+gewichtige zaken mee te deelen. Hij werd binnen gebracht en deelde
+niets minder mee, dan dat hij den waarden raad van de stad Aken
+het geld ter voltooiing van den Dom voor zou schieten. Wantrouwend
+zagen de waardige heeren naar den vreemd gekleeden spreker met het
+bijzondere gezicht met den puntbaard; deze echter liet zich door
+de schuwe blikken niet in de war brengen maar herhaalde vrijmoedig,
+doch beleefd zijn aanbod.
+
+"Ik zou u gaarne uit uw tijdelijke geldverlegenheid helpen, hoogedele
+Heeren en begeer niet eens terugbetaling van de duizenden, die ik
+U aanbied. (Hier trokken de edelachtbare raadsleden de wenkbrauwen
+op en spitsten de ooren.) En, opdat uw trots mijn leening niet af
+zou slaan, stel ik slechts een kleinigheid tot voorwaarde: n.l. dat,
+wanneer de bouw volbracht is, de eerste, die op den dag der inwijding
+de kerk betreedt, mij met lijf en ziel zal toebehooren."
+
+Toen sprongen de wijze heeren ontsteld van hun zetels op en velen
+maakten eerbiedig een kruis; want wie anders, dan de duivel kon zulk
+een helschen eisch stellen.
+
+De edelachtbare burgemeester keek reeds zeer vertoornd "Ga van ons,"
+mompelde hij, "gij, die slechts ergernis te weeg brengt."
+
+Rustig en kalm stond de satan daar.
+
+"Laat mij een vroom woord uit den Bijbel op dezelfde
+wijze beantwoorden. Waarom zijt gij zoo vreesachtig, gij
+kleingeloovigen? Overweegt of ik vermetel ben, omdat ik één ziel voor
+mij bedongen heb, terwijl het krijgszwaard vlamt tusschen vader en
+zoons, tusschen broeders en duizenden voor de nuttelooze eerzucht
+opgeofferd worden. Daar worden door een mensch duizenden geofferd,
+terwijl zich hier voor aller welzijn slechts een enkele behoeft op
+te offeren." Zegevierend flikkerde het oog van den vreemd gekleeden
+spreker; want op de trekken van de wijze raadsheeren las hij een
+goedgunstig antwoord. Het aantal der besluiteloozen werd met de
+minuut kleiner, tot eindelijk ook de laatste geen gewetensbezwaar
+meer koesterde. De overeenkomst kwam tot stand en de vreemde nam met
+een triomfantelijk lachje afscheid, terwijl de waardige heeren met
+een beklemd hart op de beloofde som wachtten. Zij kwam nog denzelfden
+dag, onvervalscht en goed van gehalte en er heerschte groote vreugde
+in den hoogen Raad van de stad Aken.
+
+II.
+
+Wederom werkten de metselaars en timmerlieden aan den Dom te
+Aken. Vlijtig werd er voortgegaan om het verzuimde in te halen, en
+de voltooiing van de Munsterkerk naderde steeds meer en meer. Drie
+jaren waren intusschen verstreken en de dag brak aan, waarop de
+nieuwe godstempel ingewijd zou worden. Die inwijdingsdag zou een
+feestdag worden voor de stad Aken. Tallooze wereldlijke en geestelijke
+heeren waren verschenen en menigeen prees het prachtige godshuis, de
+milddadigheid van de burgers en de wijsheid van den prijzenswaardigen
+raad. Deze echter bevond zich in groote verlegenheid. Zeer wijselijk
+had geen der waardige vaders iets van het verdrag, met den Satan
+verteld; slechts een van hen had het in een zwak uur aan zijn vrouw
+opgebiecht. En sedert dat uur werd het geheim wel aan honderd ooren
+ingefluisterd.
+
+Zoo kwam het, dat op den dag der inwijding zeer vele eerwaarde abten
+en prelaten, alsook talrijke ridders en heeren met begrijpelijken
+angst het uur tegemoet zagen, waarop de feestelijke stoet zich naar
+de Munsterkerk zou begeven.
+
+Een vreemde optocht was het, de vaandels wapperden, de fanfares
+schetterden, maar de menschen in de schitterende wapenrustingen en
+veelkleurige prachtige ornaten zagen er zeer onrustig uit. En menig
+bezorgd gelaat keek angstig naar den hemel of daar wellicht plotseling
+een magere gestalte met een duivelachtig gezicht, paardenvoeten en
+vleermuisachtige vleugels zou komen toeschieten.
+
+Daar kwam op eens beweging onder de menigte. Door de open ruimte in
+de processie, kwamen, van hun overwicht bewust, de waardige vaders
+der stad. Voor hen uit schreden vier reusachtige landsknechten en
+hielden met krachtige hand een bedekte kooi omvat.
+
+De abt van St. Florian had een listig plan verzonnen om den Booze
+te verschalken.
+
+De stoet had de Munsterkerk bereikt en de eersten, die voor het
+Godshuis stonden, waren de vier mannen met de kooi. Nu trekt een van
+hen het omhulsel er af en voor het traliewerk laat een huilende wolf
+de tanden zien. Terwijl de beide anderen door een fermen stoot met de
+hellebaard de vleugeldeuren naar binnen openwerpen, jaagt de vierde met
+zijn spies het gevangen dier in de geopende kerk. Daarbinnen weerklinkt
+een helsch lawaai; achter den ingang verscholen, had de Booze loerend
+zijn prooi afgewacht en was begeerig het dier nageijld. Op hetzelfde
+oogenblik stiet hij woedende kreten uit, daar hij zich verschalkt
+zag. Snuivend ging hij achter den armen wolf aan, brak hem den nek
+en stoof onder het slaken van vele verwenschingen weg. De lucht was
+door zwavelachtige dampen verduisterd.
+
+Beneden echter, in de hallen der kerk, verdrong zich de volksmenigte,
+die bij klokkenspel en trompetgeschal de goedheid des Heeren prees.
+
+
+
+III.
+
+Ondertusschen trok de gefopte duivel, terwijl hij gruwelijke
+verwenschingen slaakte, door het land van Aken. Dat men hem met een
+ellendige ziel van een wolf beetgenomen had, zou de inwoners van Aken
+berouwen. Hij was intusschen aan de zee gekomen en toen hij zoo spijtig
+en boos van het gele duinstrand naar den grijzen vloed keek, kwam hij
+op een helsche gedachte. Hij wilde hen allen begraven, de prelaten,
+ridders, mannetjes en vrouwtjes van Aken.
+
+Met een torsenen ruk trok hij een zandberg van den oever los, laadde
+hem op zijn schouders en aanvaardde den terugtocht naar Aken. Maar
+de weg was zeer lang, zoodat de duivel het vreeselijk warm kreeg en
+den wind vervloekte, die hem voortdurend een stofregen van zand in
+de oogen joeg. Hij was reeds aan het Soerserdal gekomen en hield daar
+buiten adem stil. Zelfs den duivel kan menige last te zwaar worden.
+
+Een oud, verschrompeld vrouwtje, dat op den weg voorbij strompelde,
+keek wantrouwend naar den lastdrager met zijn vreemden last. Zij
+wilde onbemerkt voorbij gaan, maar de andere hield haar aan en vroeg
+hoe ver de weg naar Aken nog was. Toen eerst heeft het vrouwtje hem
+aandachtiger aangekeken en haar gerimpeld gelaat nam een ernstige
+uitdrukking aan, alsof haar opeens een hooger licht opging. Zij had
+geen twee en zeventig jaar moeten tellen om in den knorfigen man
+niet den werkelijken Satan te kerkennen, en te raden, dat hij tegen
+de waardige stad Aken wat slechs in den zin had. Terstond heeft de
+oude dan ook een verdrietig gezicht getrokken, en op klagenden toon
+geantwoord:
+
+"Dan zijt gij er slecht aan toe, waarde heer. De weg naar Aken is
+zeer lang. Ziet gij hoe mijn schoenen, die ik vanmorgen juist van
+den schoenmaker ontvangen heb, door de lange wandeling versleten zijn?"
+
+De duivel stiet een nijdigen vloek uit, schudde den zandberg van zich
+af en trok, onder het slaken van een gruwelijke verwensching tegen de
+stad Aken, af. Het oude vrouwtje maakte een kruis en was zeer verheugd
+de eerwaarde stad Aken dicht voor de poorten--het was volstrekt niet
+ver meer naar Aken--van een groot gevaar bevrijd te hebben.
+
+Nog altijd ligt deze zandberg daar, waar een oude vrouw den duivel te
+listig, volgens de taal van die streek "los" af was, zoodat de berg
+tot op heden "Losberg" heet. Ook het aandenken aan het arme wolfje,
+dat in de klauwen van den duivel viel, hebben de inwoners van Aken in
+de ijzeren deur van hun Dom vereeuwigd. Ook in de vleugeldeuren ziet
+men nog de spleet, die daarin ontstaan zou zijn, toen de vertoornde
+vorst der hel in machtelooze woede de kerkdeur achter zich dichtsloeg.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Sagen van den Rijn, by Wilhelm Ruland
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SAGEN VAN DEN RIJN ***
+
+***** This file should be named 15163-8.txt or 15163-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/5/1/6/15163/
+
+Produced by Joris Van Dael, Jeroen Hellingman and the Online
+Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/15163-8.zip b/15163-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..6591235
--- /dev/null
+++ b/15163-8.zip
Binary files differ
diff --git a/15163-h.zip b/15163-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..c28a17b
--- /dev/null
+++ b/15163-h.zip
Binary files differ
diff --git a/15163-h/15163-h.htm b/15163-h/15163-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..350b0e1
--- /dev/null
+++ b/15163-h/15163-h.htm
@@ -0,0 +1,4810 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=UTF-8">
+
+<title>Sagen van den Rijn</title>
+<link href="style/arctic.css" rel="stylesheet" type="text/css" title="Artic Blue">
+<link href="style/amazonia.css" rel="alternate stylesheet" type="text/css" title="Amazonia Green">
+<link href="style/borneo.css" rel="alternate stylesheet" type="text/css" title="Borneo Brown">
+<link href="style/gutenberg.css" rel="stylesheet" type="text/css">
+<link href="style/print.css" rel="stylesheet" type="text/css" media="print">
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Wilhelm Ruland">
+<meta name="DC.Creator" content="Wilhelm Ruland">
+<meta name="DC.Title" content="Sagen van den Rijn">
+<meta name="DC.Date" content="##### 2005">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Sagen van den Rijn, by Wilhelm Ruland
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Sagen van den Rijn
+
+Author: Wilhelm Ruland
+
+Release Date: February 24, 2005 [EBook #15163]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SAGEN VAN DEN RIJN ***
+
+
+
+
+Produced by Joris Van Dael, Jeroen Hellingman and the Online
+Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<span class="pageno"><a id="d0e65"></a></span><a id="d0e66"></a><p id="d0e67"></p>
+<div id="d0e68" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/cover.jpg" alt=""></p>
+</div><p>
+<span class="pageno"><a id="d0e70"></a></span></p>
+<h1 class="docTitle">Sagen van den Rijn</h1>
+<h2 class="byline">door
+<br>
+<span class="docAuthor">Wilhelm Ruland</span>
+<br>
+Geautoriseerde vertaling uit het Duitsch
+<br>
+door
+<br>
+<span class="docAuthor">W. B. Meyen-Barends</span>
+<br>
+Met illustraties naar schilderijen van beroemde meesters
+</h2>
+<h2 class="docImprint">2. Edition.
+<br id="d0e95">
+1922<br id="d0e97">
+Verlag von Hoursch &amp; Bechstedt, K&ouml;ln
+</h2><a id="d0e99"></a><p id="d0e100"></p>
+<div id="d0e101" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p000.jpg" alt="De scherprechter van Bergen"></p>
+<p class="figureHead">De scherprechter van Bergen</p>
+<p id="d0e104">Naar een teekening van Adolf Menzel.</p>
+</div><p>
+
+<span class="pageno"><a id="d0e107"></a>Bladzijde III</span></p><a id="d0e108"></a><h1>Voorrede bij den derden druk</h1>
+<p id="d0e111">Toen de intusschen overleden boekhandelaar Friedrich Heijn te Keulen mij ongeveer tien jaren geleden verzocht, de meest bekende
+Rijnsagen te schrijven, moest ik mij zelf en den uitgever eerlijk bekennen, dat daarmede nauwelijks een leemte aangevuld zou
+zijn. Toch gaf ik niet oongaarne gevolg aan dat verzoek, nadat ik de belangrijkste sagen van den Rijn, die ik in mijne verzameling
+had, doorbladerd had.
+
+</p>
+<p id="d0e113">Den indruk, dien ik kreeg van deze bekoorlijke verhalen uit den ouden tijd, schreef ik neder en deze uren verschaften mij
+veel genot.
+
+</p>
+<p id="d0e115">Een vriendelijk criticus zeide in zijne beoordeeling over mijn boekje in de &#8220;K&ouml;lnische Zeitung&#8221;, dat de vorm altijd naar evenredigheid
+van de stof was: nu eens liefelijk en teeder, bloemrijk en schilderachtig, dan weer kernachtig en beknopt. Het zal mij verheugen,
+als ook anderen vinden, dat het doel, waarnaar ik streefde, bereikt is. In elk geval zal niemand, <span class="pageno"><a id="d0e117"></a>Bladzijde IV</span>daar ben ik zeker van, in de verzameling die warmte missen, die men van een schrijver als zoon van het Rijnland verwachten
+kan.
+
+</p>
+<p id="d0e119">Al kan dus dit boekje met Rijnsagen, in weerwil van de nieuwe vermeerderde uitgave, geen aanspraak maken op volledigheid,
+toch hoopt het in geringe mate te kunnen medewerken aan de bevordering van de schoonheid van het vaderland, welks ouden roem
+men in den laatsten tijd steeds meer tracht te doen opleven.
+
+</p>
+<p id="d0e121">Honnef a. d. R. Mei 1905.
+
+</p>
+<p id="d0e123">Dr. Wilhelm Ruland.
+<span class="pageno"><a id="d0e125"></a>Bladzijde V</span></p><a id="d0e126"></a><h1>Inhoud</h1>
+<p id="d0e129"></p>
+<table id="d0e130" width="100%">
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Burcht Niedeck.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e137" href="#d0e577">Het reuzenspeelgoed</a>
+</td>
+<td valign="top">7</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Straatsburg.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e148" href="#d0e595">De Munsterklok</a>
+</td>
+<td valign="top">9</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Frankfort.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e159" href="#d0e616">De negen in den windwijzer</a>
+</td>
+<td valign="top">12</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Wiesbaden.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e170" href="#d0e652">De duivelskuur aan de warme bron</a>
+</td>
+<td valign="top">16</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Worms.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e181" href="#d0e686">De Nibelungen</a>
+</td>
+<td valign="top">21</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Mainz.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e192" href="#d0e752">Heinrich Frauenlob</a>
+</td>
+<td valign="top">29</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><a id="d0e201" href="#d0e764">Bisschop Willigis</a>
+</td>
+<td valign="top">31</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Johannisberg.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e212" href="#d0e793">De Johannisberger</a>
+</td>
+<td valign="top">33</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>lngelheim.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e223" href="#d0e842">Eginhard en Emma</a>
+</td>
+<td valign="top">39</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>R&uuml;desheim.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e234" href="#d0e1000">De Br&ouml;mserburg</a>
+</td>
+<td valign="top">51</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Bingen.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e245" href="#d0e1053">De Muizentoren</a>
+</td>
+<td valign="top">57</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Aszmannshausen.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e256" href="#d0e1087">De Klemenskapel</a>
+</td>
+<td valign="top">62</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Rheinstein.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e267" href="#d0e1133">Het huwelijksaanzoek</a>
+</td>
+<td valign="top">66</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Falkenburg.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e278" href="#d0e1173">De Waldburg</a>
+</td>
+<td valign="top">71</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Sooneck.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e289" href="#d0e1227">Die blinde schutter</a>
+</td>
+<td valign="top">77</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Lorch.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e300" href="#d0e1258">De vrouw van den Wispermolenaar</a>
+</td>
+<td valign="top">80</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Ru&iuml;ne F&uuml;rstenberg.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e311" href="#d0e1293">De geest der moeder</a>
+</td>
+<td valign="top">84</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Bacharach.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e322" href="#d0e1330">Burcht Stahleck</a>
+</td>
+<td valign="top">89</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><a id="d0e331" href="#d0e1360">Burcht Gutenfels</a>
+</td>
+<td valign="top">94</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><a id="d0e340" href="#d0e1417">De Palts</a>
+</td>
+<td valign="top">101</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Oberwesel.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e351" href="#d0e1456">De zeven jonkvrouwen</a>
+</td>
+<td valign="top">107</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Rheinfels.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e362" href="#d0e1506">De Georgslinde</a>
+</td>
+<td valign="top">113<span class="pageno"><a id="d0e367"></a>Bladzijde VI</span></td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>St. Goar.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e374" href="#d0e1583">De Lorelei</a>
+</td>
+<td valign="top">121</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Liebenstein en Sterrenberg.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e385" href="#d0e1699">De vijandige broeders</a>
+</td>
+<td valign="top">130 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Boppard.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e396" href="#d0e1805">Klooster Marienburg</a>
+</td>
+<td valign="top">141 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Rhense.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e407" href="#d0e1850">Keizer Wenzel</a>
+</td>
+<td valign="top">146 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Burcht Lahneck.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e418" href="#d0e1885">De tempelier van Lahneck</a>
+</td>
+<td valign="top">150 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Stolzenfels.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e429" href="#d0e1918">Het dochtertje van den kamerheer</a>
+</td>
+<td valign="top">154 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Koblenz.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e440" href="#d0e1966">Riza</a>
+</td>
+<td valign="top">161 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Andernach.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e451" href="#d0e1985">Genoveva</a>
+</td>
+<td valign="top">164 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Hammerstein.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e462" href="#d0e2093">De met dochters gezegende ridder</a>
+</td>
+<td valign="top">179 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Rheineck.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e473" href="#d0e2124">De wijnkeuring</a>
+</td>
+<td valign="top">183 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Rolandseck.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e484" href="#d0e2185">Ridder Roland</a>
+</td>
+<td valign="top">191 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Zevengebergte.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e495" href="#d0e2289">Het Nachtegaalboschje bij Honnef</a>
+</td>
+<td valign="top">205 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><a id="d0e504" href="#d0e2307">De Drachenfels</a>
+</td>
+<td valign="top">208 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><a id="d0e513" href="#d0e2369">De monnik van Heisterbach</a>
+</td>
+<td valign="top">216 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Godesberg.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e524" href="#d0e2423">Het Hochkreuz</a>
+</td>
+<td valign="top">223 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Bonn.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e535" href="#d0e2520">De Jonker van Klochterhof</a>
+</td>
+<td valign="top">232 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Keulen.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e546" href="#d0e2556">Richmodis von Aducht</a>
+</td>
+<td valign="top">235 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"> </td>
+<td valign="top"><a id="d0e555" href="#d0e2618">De bouwmeester van den Keulschen Dom</a>
+</td>
+<td valign="top">241 </td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td valign="top"><b>Aken.</b>
+</td>
+<td valign="top"><a id="d0e566" href="#d0e2775">De bouw der Munsterkerk</a>
+</td>
+<td valign="top">255 </td>
+</tr>
+</table><p>
+
+</p><span class="pageno"><a id="d0e572"></a>Bladzijde 7</span><a id="d0e574"></a><h1>Burcht Hiedeck</h1><a id="d0e577"></a><h2>Het reuzenspeelgoed</h2>
+<p id="d0e580">In den ouden tijd was er eens een reuzengeslacht in den Elsasz. Burcht Niedeck in &#8217;t Breuschtal welks puinhoopen reeds lang
+vergaan zijn, was de woonplaats van deze Hunnen, waarvan heden in den Elsasz nog bij overlevering verteld wordt, dat ze zeer
+vrede- en menschlievend waren.
+
+</p>
+<p id="d0e582">Eens wandelde de dochter van den burchtheer door het naburige woud. Toen zij aan de velden en weiden in het dal kwam, zag
+ze een boer, die ploegde. De jonge reuzin keek met vroolijke verbazing naar het kereltje, dat bedrijvig achter het spannetje
+liep en met den kleinen ploeg den grond omwoelde. Nooit had zij tevoren zoo iets aanschouwd. Dat leek haar aardig speelgoed
+en zij klapte met kinderlijke vreugde in de handen, zoodat het ver door de bergen weerklonk, toen pakte zij den boer, &#8217;t paard
+en den ploeg in haar schort en ijlde juichend naar den vaderlijken burcht. Lachend toonde zij haren vader het aardige levende
+speelgoed.
+<span class="pageno"><a id="d0e584"></a>Bladzijde 8</span></p>
+<p id="d0e585">Deze echter schudde ernstig zijn reusachtig hoofd en sprak eenigszins misnoegd:
+
+</p>
+<p id="d0e587">&#8220;Weet je wel, mijn kind, wie dit schreeuwende menschenkind is met dat aardige trappelende dier, dat je uitgezocht hebt om
+mede te spelen? Van alle dwergen is hij het meest nuttig. Hij tobt zich af bij zonneschijn, wind en regen, opdat de velden
+ons een goeden oogst zullen opleveren. Wie den spot met hem drijft of hem onderdrukt, zal door den hemel bestraft worden.
+Neem daarom het boertje op en breng hem weder naar zijn erf terug!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e589">Beschaamd en blozend keek de jonge reuzin voor zich, en droeg het aardige speelgoed gehoorzaam in haar schort naar het dal
+terug.
+<span class="pageno"><a id="d0e591"></a>Bladzijde 9</span></p><a id="d0e592"></a><h1>Straatsburg</h1><a id="d0e595"></a><h2>De Munsterklok</h2>
+<p id="d0e598">De dom was voltooid en de overheid besloot op den hoogen toren een kunstige klok te doen plaatsen. Na lang zoeken werd een
+kunstenaar gevonden, die aanbood een kunststuk te maken, zooals er nergens een gevonden werd. De wijze raadsheeren waren daarover
+zeer voldaan en de kunstenaar begon met het werk.
+
+</p>
+<p id="d0e600">Maanden verstreken daarmede, maar toen het voltooid was, was iedereen vol bewondering, die dan ook wel verdiend was, want
+de klok was een kunststuk, zooals men er nog nooit een in het land gezien had. Behalve de uren wees zij niet alleen de dagen
+en maanden aan, naar zij bezat ook nog een aardbol, waaraan men den op en ondergang van de zon kon zien en waarop de zons
+en maansverduisteringen zichtbaar werden op het oogenblik, dat ze in de natuur plaats vonden. Elke verandering wees Mercurius
+met zijn staf aan, en elk sterrenbeeld trad, zoodra zijn loopbaan begon, te voorschijn. Even, voordat de klok sloeg, verscheen
+de dood, en sloeg de <span class="pageno"><a id="d0e602"></a>Bladzijde 10</span>volle uren aan, terwijl bij de kwartieren en halve uren de gestalte van den verlosser te voorschijn trad, die hem terug wees.
+Ten overvloede bevatte het kunstwerk nog een prachtig klokkenspel, dat stichtelijke koraalliederen deed hooren.
+
+</p>
+<p id="d0e604">Aldus was de heerlijke klok in de Munsterkerk te Straatsburg vervaardigd. Nu echter wordt de overheid van Straatsburg, volgens
+de overlevering van de volgende schandelijke vermetelheid aangeklaagd: waren zij er aan den eenen kant trotsch op, de eenige
+stad te zijn, die zulk een kunstwerk bezat, aan den anderen kant vreesden zij, dat de kunstenaar ook een dergelijk werk in
+een andere stad kon uitvoeren. De hardvochtige raadsheeren maakten daarom met vreugde gebruik van de praatjes, die onder het
+volk in omloop waren, als zou zulk een werk alleen door duivelsche kunsten gewrocht kunnen worden. Zij betichtten den klokkenmaker,
+dat hij met den duivel in verbinding stond, lieten hem gevangennemen en veroordeelden hem met onmenschelijke wreedheid tot
+de berooving van het licht zijner oogen. Zonder klagen verdroeg de ongelukkige kunstenaar zijn vreeselijk lot.
+
+</p>
+<p id="d0e606">Voordat zij echter het vonnis voltrokken verzocht hij nog eenmaal bij de klok toegelaten te worden, opdat hij haar nog regelen
+kon, hetgeen <span class="pageno"><a id="d0e608"></a>Bladzijde 11</span>later geen andere hand zou kunnen volbrengen. De wijze overheid, die veel ophad met de onovertreffelijke klok, liet den kunstenaar
+boven komen. Deze vijlde, zaagde, verstelde en regelde het een en ander en werd toen weer in den toren gebracht, waar hij
+terstond van het licht zijner oogen beroofd werd.
+
+</p>
+<p id="d0e610">Nauwelijks echter was het vonnis voltrokken, of men bemerkte, dat het werk van de Munsterklok stil stond. De kunstenaar had
+zelf het werk vernietigd en zijn voorspelling, die hij in woede gedaan had, dat het klokkenspel voor eeuwig stil zou staan,
+is tot nu toe uitgekomen. Tot op heden vermocht niemand leven in het doode raderwerk te brengen, en al versiert heden een
+even prachtig uurwerk de Domkerk, zoo toch is het geen kunstenaar gelukt het raderwerk van de eerste Munsterklok, dat nog
+steeds bewaard wordt, weer in werking te brengen.
+<span class="pageno"><a id="d0e612"></a>Bladzijde 12</span></p><a id="d0e613"></a><h1>Frankfort</h1><a id="d0e616"></a><h2>De negen in den windwijzer</h2>
+<p id="d0e619">De inwoners van Frankfort hadden al lang jacht op een slimmen vogel gemaakt. Eindelijk werd hij gearresteerd en zou nu opgehangen
+worden. Hij heette Hans Winkelmann en was een strooper, die in het jachtgebied der stad erger huishield, dan tien van zijns
+gelijken. De overheid had hem medegedeeld, dat hij aan de galg zou sterven, omdat hij een van de gerechtsdienaren, die hem
+vervolgden, doodgeschoten had, en de beul wachtte reeds naast de cel van den armen zondaar, die in den toren zijn laatste
+uurtje mismoedig tegemoet zag. Bij het aanbreken van den dag trad een vrome pater bij den gevangene binnen en hield een gemoedelijke
+toespraak. Hans, die volstrekt geen berouw had, ontving hem zeer norsch, daar hij zich als vrijschutter van geen kwaad bewust
+was, en er toch niets aan doen kon, dat zijn kogels het hart getroffen hadden, waar hij alleen van plan was, zijn vervolger
+door een <span class="pageno"><a id="d0e621"></a>Bladzijde 13</span>onschuldig schot in het been, onschadelijk te maken.
+
+</p>
+<p id="d0e623">De Capucijner pater wees hem op zijn onchristelijke verstoktheid en bracht hem onder het oog, dat iedereen, tot zelfs het
+kleinste kind in Frankfort wist, dat Hans Winkelmann een goddelooze strooper was, dat is iemand, die zijn ziel aan den duivel
+beloofd heeft, die hem in ruil daarvoor verzekerd heeft, dat al zijn kogels doodelijk treffen zouden. Heftig kwam de eerlijke
+strooper tegen zulk een veronderstelling op, hij had het aan zich zelf te danken, dat hij steeds trof, maar volstrekt niet
+aan den Satan. Ook voor de rechters bood hij aan, elke gewenschte proef van zijn schutterskunst af te leggen.
+
+</p>
+<p id="d0e625">Eerst hoorde de pater hem met twijfel, maar later met overtuiging, aan.
+
+</p>
+<p id="d0e627">&#8220;Welnu, geef mij als laatste gunstbewijs, mijn geweer en vergun mij, drie maal drie keer op den knarsenden windwijzer boven
+op dezen toren te schieten, en indien gij dan de negen daarin niet even kunstig gemaakt ziet, alsof dit door de hand van den
+smid gebeurd was, dan laat ik mij gewillig hangen.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e629">Zoo sprak de strooper, en de Capucijner pater berichtte den waardigen raadslieden hetgeen hij gehoord had. Daar werd het minzaam
+aangehoord <span class="pageno"><a id="d0e631"></a>Bladzijde 14</span>en besloten, teneinde den burgers een grap te bezorgen: dat als Hans Winkelmann volbracht, hetgeen hij zich vermat te kunnen
+doen, het vonnis niet voltrokken zou worden.
+
+</p>
+<p id="d0e633">Door de menigte aangegaapt, die gekomen was om het laatste kwartiertje van den beruchten strooper bij te wonen, stond Hans
+Winkelmann terzijde van het schavot en legde aan op den windwijzer van den toren, die in den herfstwind knarsend draaide.
+
+
+</p>
+<p id="d0e635">Het eerste schot knalde en werd onder doodsche stilte des volks door de andere gevolgd.
+
+</p>
+<p id="d0e637">Als uit &eacute;&eacute;n mond weerklonk de zegenroep na de drukkende stilte, boven in den windwijzer zag men de negen even kunstig gemaakt,
+alsof dit door de hand van een smid had plaats gehad.
+
+</p>
+<p id="d0e639">Gelaten overhandigde de strooper den scherprechter de geliefde buks, en plechtig verkondigde de raad het opgewonden volk,
+dat de veroordeelde in vrijheid gesteld zou worden. Hem zelf werd, tegelijkertijd met zijn bevrijding de betrekking van schutterhoofdman over de vrije stad Frankfort aangeboden.
+
+</p>
+<p id="d0e644">Toen schudde Hans Winkelmann zijn verwilderd hoofd en dankte voor zooveel eer. Zooals het zich betaamt, heeft hij zijn erkentelijkkeid
+betuigd voor den ontvangen bijval, en is toen, door de menigte heen het bosch in gegaan, dat <span class="pageno"><a id="d0e646"></a>Bladzijde 15</span>hem tot zijn liefste verblijfplaats geworden was. Bij zich zelf legde hij de belofte af, dat de inwoners van Frankfort hem
+nooit weer betrappen zouden. En dat was ook zoo. De negen in den windwijzer kunt gij heden nog in den toren van de stadsvesting
+te Frankfort zien.
+<span class="pageno"><a id="d0e648"></a>Bladzijde 16</span></p><a id="d0e649"></a><h1>Wiesbaden</h1><a id="d0e652"></a><h2>De duivelskuur aan de warme bron</h2>
+<p id="d0e655">Dat de oude Romeinen reeds de heilzame bronnen van Wiesbaden kenden, en hun geschiedschrijver Plinius ze reeds geroemd heeft,
+is door de geschiedenis bekend. In een vroolijk sprookje wordt verteld, dat de duivel in eigen persoon de kracht der bronnen
+bij zich zelf geprobeerd heeft. Nadat meester Urian, zoekende naar zielen, door de Papensteeg in het heilige Romeinsche rijk
+geslenterd had, rustte hij vermoeid van het loopen, in een herberg voor de poorten van Mainz uit. Hij voelde volstrekt geen
+genegenheid voor deze vrome stad, omdat in het register van de onderwereld geschreven stond, dat uit Mainz sedert jaar en
+dag geen ziel meer beneden aangekomen was. Het verdroot hem nog meer, dat eenigen van de drinkebroers zoo vermetel waren in
+overmoedige scherts den dommen duivel te bespotten, wiens zaken in de buurt van Mainz volstrekt niet bloeiden.
+
+</p>
+<p id="d0e657">Terloops vroeg hij den waard, terwijl hij zijn puntbaardje opstreek, hoe het toch kwam, dat <span class="pageno"><a id="d0e659"></a>Bladzijde 17</span>de menschen in en bij Mainz volstrekt niet aan sterven dachten. Een fijn glimlachje kwam op het gelaat van den waard, die
+den reiziger in den sjofelen tabberd mededeelde, dat de drinkebroers om de vurige kracht van het druivensap tegen te gaan
+en velerlei ziekten af te wenden een bijzonderen witten gloeiwijn dronken, die hen allemaal weer gezond en frisch maakte,
+zoodat magere Hein met de zeis, de neef van den duivel, op de vlucht gejaagd werd.
+
+</p>
+<p id="d0e661">Toen spitste de gast de helsche ooren en wist tegelijkertijd, dat deze genezende wonderdrank uit den grond te Wiesbaden ontsprong
+en in groote hoeveelheid aan de warme bron verkrijgbaar was. Daar vervoegde zich den anderen morgen een vreemdeling in een
+sjofelen tabberd, die op klagenden toon vertelde, dat alle ziekten der menschheid zich in zijn ellendige beenderen genesteld
+hadden, slechts de bron te Wiesbaden zou hem kunnen behoeden voor dood en duivel, aldus had zijn gastheer in Mainz hem verzekerd.
+&#8220;God geve, dat dit wonderwater zegen voor u aan zal brengen, arme stakker,&#8221; zeide de waard aan de warme bron medelijdend,
+en bemerkte tot zijn groote ontsteltenis, dat het gezicht met de puntbaard zich bij zijne woorden tot een duivelschen grijnslach
+vertrok.
+
+</p>
+<p id="d0e663">Van oudsher bezaten de waarden heldere <span class="pageno"><a id="d0e665"></a>Bladzijde 18</span>hoofden en waren op hun welzijn bedacht. De kastelein aan de warme bron te Wiesbaden maakte hierop geen uitzondering. Hij
+zag den wonderlijken kurgast lang zwijgend aan, klopte hem toen rustig op den schouder en zeide slechts: &#8220;Beste vriend, gij
+zijt de werkelijke duivel in eigen persoon.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e667">En terwijl deze hem verbaasd aanstaarde, vervolgde hij meesmuilend: &#8220;Komaan, waar zoo velen zich gezond drinken, kan ook de
+duivel zijn portie krijgen. Als gij u verplicht zeven dagen achter elkaar tusschen twaalf en een uur vijftig glazen uit de
+Wiesbadensche bron te drinken, dan verzeker ik u, dat gij daarna van al uwe kwalen genezen zult worden. Onderbreekt gij echter
+de kuur, dan mag mijn ziel eens in het hemelrijk komen, terwijl gij dan alle rechten daarop verloren hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e669">Deze overeenkomst behaagde den duivel zeer, die dadelijk daarop inging en onmiddellijk den wonderbaarlijken witten wijn, die
+borrelend uit de aarde opsteeg, begon te proeven. Hij vond, dat de vijftig glazen wel wat te veel van het goede waren, maar
+hij overwon zijn tegenzin bij de gedachte aan de arme ziel, die de waard aan de warme bron hem zoo lichtvaardig beloofd had.
+
+
+</p>
+<p id="d0e671">De duivel bracht geen rustigen nacht door <span class="pageno"><a id="d0e673"></a>Bladzijde 19</span>en dronk den tweeden middag met nog meer tegenzin de bepaalde hoeveelheid Wiesbadener water, dat de waard van de bron hem
+met welbehagen aanbood. Nog onrustiger bracht hij den volgenden nacht door, verwenschte herhaaldelijk dezen boosaardigen drank
+en verzocht den waard den derden dag dringend om een rustdag. Deze echter wees hem droog op de afgeslotene overeenkomst en
+bood hem dienstvaardig met vele vrome wenschen het derde halve honderd glazen van den kristalhelderen wijn aan. De duivel
+sloop geknakt weg en dacht met een rilling aan den volgenden nacht. Toen hij den vierden middag gelijk een schaduw aan de
+bron kwam, scheen hij werkelijk door alle ziekten der menschheid aangetast te zijn. Maar de waard bleef onverbiddelijk en
+wilde van een overeenkomst niets weten. Boetende voor alle begane zonden dronk Belsebub de overeengekomene hoeveelheid op.
+
+
+</p>
+<p id="d0e675">Den volgenden nacht gebeurde het, dat de verschillende mannetjes en vrouwtjes, die in Wiesbaden de drinkkuur deden, door een
+helsch lawaai in hun rustigen slaap gestoord werden. Met een zondigen vloek vloog iemand op en nam dan, met een gruwelijke
+verwensching over den vervloekten helschen Wiesbadener drank, de vlucht.
+<span class="pageno"><a id="d0e677"></a>Bladzijde 20</span></p>
+<p id="d0e678">&#8220;In Wiesbaden kom ik nooit weer terug!&#8221; waren zijn laatste hoorbare woorden.
+
+</p>
+<p id="d0e680">Den volgenden morgen mompelden de badgasten onder elkaar, dat de nachtelijke rustverstoorder niemand anders dan de duivel
+in eigen persoon geweest was, en zij vroegen den waard aan de warme bron, die van alles op de hoogte was, naar dezen wonderlijken
+gast. Deze echter haalde slechts de schouders op over de groote domheid van den duivel.
+<span class="pageno"><a id="d0e682"></a>Bladzijde 21</span></p><a id="d0e683"></a><h1>Worms.</h1><a id="d0e686"></a><h2>De Nibelungen.</h2>
+<p id="d0e689">De oudste der steden aan den Rijn in Voorromeinschen tijd gebouwd, mag met rechttrotsch zijn op haar Domkerk, die een der
+merkwaardigste Romeinsche bouwwerken van Duitschland is en dikwijls door Frankische en Duitsche vorsten tot residentie verkozen
+werd. Daar Worms, gedurende de groote volksverhuizing de verblijfplaats van den oppersten krijgsheer der Bourgondi&euml;rs was,
+hebben de schoonste heldensagen, welke er bestaan, al daar het licht gezien.
+
+</p>
+<p id="d0e691">Roemrijk hebben de koningen van dezen Oost-Germaanschen volksstam, komende van de Weichsel, aan de oevers van den midden-Rijn
+geregeerd, totdat de oorlogzucht der Hunnen en de begeerigheid der Romeinen het op &#8220;komende rijk weder te gronde gericht hebben&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e696">Koning Gundikar was met een groot deel van zijn strijders op het slagveld gevallen. De rest van de overwonnenen werd door
+de Romeinen een woonplaats aangewezen in Zuid-Galli&euml;. terwijl de Franken zich op de thans door de Bourgondi&euml;rs verlaten plaatsen
+aan den Rijn verstigden. Hoewel de Bourgondische koningen <span class="pageno"><a id="d0e698"></a>Bladzijde 22</span>nauwelijks anderhalve eeuw aan de Main en midden-Rijn geregeerd hebben, zoo toch heeft de herinnering aan hen in de harten
+der Rijnfrankische volkeren zoo voortgeleefd, dat hun tragisch uiteinde in de wereldliteratuur als de meest merkwaardige sagen-po&euml;zie
+is blijven bestaan.
+
+</p>
+<p id="d0e700">In dien tusschentijd zijn andere, ook op de bodem van Worms ontsproten, sagen in de herinnering van het volk levendig gebleven,
+die edele deugden van mannen en vrouwen met onomkoopbare trouw schilderden. Een dergelijk verhaal is het duizendjaar oude
+Waltharilied, bezingende den onverschrokken Heer Walter van Aquitanie, die met Hildegonde van koning Attila&#8217;s hof terugkeert
+en onderweg in&#8217;t Wasgenwald door den koning der Franken Gunthari en zijn strijders overvallen wordt, die hij na een heeten
+strijd terugslaat, waarna hij met roem overladen, als held in zijn geboorteland terugkeert. Tot de meest populaire sagen behooren
+die, waarin die heldenfiguur van Siegfried gevlochten is. Was deze Siegfried, de Sigurd van de oude bewoners van het Noorden
+(van wiens jeugdige heldendaden dit sagenboek reeds op een andere plaats spreekt) een mythische figuur&#8212;een lichtende held
+aller wereldgodsdiensten, die door de machten der duisternis overwonnen <span class="pageno"><a id="d0e702"></a>Bladzijde 23</span>werd&#8212;of slechts een blonde sprookjesheid of wel een geschiedkundige persoonlijkheid? Laten wij deze vraag den geleerden ter
+beantwoording. Voor ons is en blijft hij de lievelingsfiguur van de Duitsche heldensage.
+
+</p>
+<p id="d0e704">Bij elke gelegenheid, dat de ridders van den Rijn genoodzaakt waren naar de wapens te grijpen en zich te verdedigen tegen
+de mannen van het Oosten, was Siegfried hun aanvoerder Zoo zien we zijn roem vermeld in het oude verhaal van den ridder Dietleib,
+waarvan de sage zegt, dat hij heenging om zijn vader Biterolf te zoeken. Eveneens wordt hij verheerlijkt in het lied van den
+Wormser Rozentuin, ofschoon de Opperduitsche auteur door ijverzucht gedreven, den strijders van den Rijn in hun twaalf gevechten
+van man tegen man met de Gotisch-Hunsche helden, den overwinnaars roem wilde betwisten.
+
+</p>
+<p id="d0e706">In verschillende overleveringen en vervormingen heeft de geschiedenis van de Bourgondische koningen Gunther, Gernod en Giselher,
+die tevens de laatste lotgevallen van Siegfried in zich sluit, door rondtrekkende zangers den weg gevonden tot de Neder- en
+Opperduitsche stammen, zelfs tot in &#8217;t Donaudal, waarbij hun oorspronkelijk heidensch karakter geleidelijk verdwenen is.
+<span class="pageno"><a id="d0e708"></a>Bladzijde 24</span></p>
+<p id="d0e709">Doordat een onbekende liederzanger, wiens naam men wel nooit zal te weten komen, aan het einde van het 12<sup>e</sup> jaarhonderd de sage uitvoerig in een lied omzette, is zij als een kostbaar overblijfsel van Germaansche epiek bewaard gebleven.
+Een rilling gaat ons thans nog, evenals vroeger onze voorvaderen door de leden, als zij ons vertelt van de hevige teugellooze
+hartstocht van haar mannen en vrouwen en de schokkende aaneenschakeling van zonde en berouw.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e714">Een vreeselijk lied van schuld en straf! Geheel overeenstemmend met de toenmalige geest van het volk, beginnende als een liefelijke
+idylle en eindigende als een gruwelijk treurspel. Aan het hof van koning Gunther van Bourgondi&euml; te Worms verschijnt, aangetrokken
+door de lieftalligheid van Kriemhilde, zuster des konings, een jonge held, Siegfried genaamd. Hij is ook een koningszoon.
+Zijn vader Siegmund regeert in Xanten &#8220;nieden by dem Rine&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e719">Koning Gunther neemt den blonden held als leenman in zijn dienst. Als getrouw vazal verovert hij in den strijd, zonder medeweten
+des konings de trotsche koningin van het eiland Ysland als gemalin voor den vorst. Ter belooning daarvoor ontvangt hij Kriemhilde&#8217;s
+hand. Grootmoedig <span class="pageno"><a id="d0e721"></a>Bladzijde 25</span>schenkt hij Kriemhilde als bruidsgeschenk den Nibelungenschat, dien hij in jonge jaren in een overwinning op de zonen van
+den koning der Nibelungen en den bewaker van den schat Alberich als prijs behaald had. Louter vreugde heerscht aan het hof
+te Worms; echter niet bij allen. Behalve door Kriemhilde wordt Siegfried nog door een ander in &#8217;t geheim bemind. Dit is Br&uuml;nhilde.
+Het geluk der bruid Kriemhilde doet de afgunst in haar binnenste ontwaken en zij heeft voor deze geen vriendelijk woord meer
+over. Aldus vervreemden de beide vrouwen van elkaar. Op zekeren dag uit zich Br&uuml;nhildes jaloezie in scherpe bewoordingen.
+Toen weet Kriemhilde haar tong niet meer in bedwang te houden. In een heftige rede werpt zij haar schoonzuster voor de voeten,
+dat niet Br&uuml;nhilde&#8217;s echtgenoot Gunther, maar Siegfried destijds met haar den eersten huwelijksnacht doorgebracht heeft. Tot
+bewijs toont zij haar ring en gordel, die Siegfried in dien nacht de sterke Br&uuml;nhilde ontnomen en Kriemhilde geschonken heeft.
+Opvliegend werpt zij Br&uuml;nhilde een leelijken scheldnaam naar het hoofd en betwist haar het recht het eerst de kerk binnen
+te treden.
+
+</p>
+<p id="d0e723">Weenend deelt Br&uuml;nhilde den koning den haar aangedanen smaad mede. De beleedigde <span class="pageno"><a id="d0e725"></a>Bladzijde 26</span>koning wordt vertoornd en diens vazal Hagen peinst er over hoe hij Siegfried in &#8217;t verderf kan storten. Voor &#8217;t oog doet hij
+of hij zijn meesteres wil wreken, doch de ware reden is het verkrijgen van den Nibelungenschat.
+
+</p>
+<p id="d0e727">Bij een jachtpartij in het Odenwald werd Siegfried, toen hij zich bukte, om uit een bron te drinken door Hagen verraderlijk
+doorstoken. Men besloot, dat er rondgestrooid zou worden dat Siegfried alleen was gaan jagen en roovers hem overvallen hadden.
+Den volgenden dag reden de koningen met hun gevolg over den Rijn naar Worms terug.
+
+</p>
+<p id="d0e729">Voor Kriemhilde&#8217;s kamer liet Hagen &#8217;s nachts den doode neerleggen, &#8217;s Morgens vroeg, toen Kriemhilde zich gereedmaakte met
+haar vrouwen naar de mis te gaan, ontwaarde zij den dierbaren afgestorvene. Van veler lippen klonken jammerklachten. Kriemhilde
+wierp zich weenend op haar vermoorden echtgenoot &#8220;Wee mij&#8221;, riep ze, &#8220;Je schild is niet door zwaarden doorstoken, gij werd
+door sluipmoordenaars gedood. Wist ik wie de dader was, ik bracht hem om.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e731">Vol praal liet zij den koninklijken held op een baar leggen en beval, dat men een Gods gericht bij het lijk zou houden. Want
+er bestaat een groot wonder, dat ook thans nog geschiedt, <span class="pageno"><a id="d0e733"></a>Bladzijde 27</span>n.l. dat de wonden van het slachtoffer opnieuw beginnen te bloeden, als de moordenaar het nadert. Alle vorsten en Bourgondische
+edelen passeerden dus Siegfrieds lijk, dat door de beeltenis van den gekruisigden Verlosser beschaduwd werd en zie: als de
+sombere Hagen zijn slachtoffer nadert, beginnen diens wonden opnieuw te bloeden. Ten aanschouwe der onthutste mannen en vrouwen
+beschuldigt Kriemhilde nu Hagen den sluipmoord op haar gemaal gepleegd te hebben.
+
+</p>
+<p id="d0e735">Treurig was de boete, die op deze groote schuld volgde: de Nibelungenschat, die de voornaamste aanleiding tot de schandelijke
+daad geweest was, moest in den Rijn geworpen worden, ten einde in &#8217;t vervolg hebzucht en twist uit de harten der krijgers
+te verbannen. Maar Kriemhilde&#8217;s oneindig groot verdriet was hiermede niet verdwenen, evenmin als haar drang naar wraak.
+
+</p>
+<p id="d0e737">Na de begrafenis van den held noodigde koning Siegmund Kriemhilde uit naar den koningsburcht te Xanten te komen, doch te vergeefs.
+Gedurende dertien jaren bleef zij te Worms in de nabijheid van den innig geliefden doode, toen vertrok zij naar de abdij Lorch,
+die door haar moeder, de hertogin Ute gesticht was. Daarheen nam ze Siegfrieds lijk mede.
+<span class="pageno"><a id="d0e739"></a>Bladzijde 28</span></p>
+<p id="d0e740">Toen daarop Etzel, het opperhoofd der Hunnen haar een huwelijksaanzoek deed, gaf zij den heiden haar jawoord. Niet uit liefde,
+doch door andere beweegredenen geleid. Zij trok met hem naar Hongarije. Daar liet zij Siegfrieds moordenaar door vele harer
+dienaren op listige wijze bij zich noodigen, ten einde hem in &#8217;t verderf te storten op een manier, die ons met afschuw vervult.
+Ook de medeplichtige koningen van Bourgondi&euml;, sedert de schat tot hen gekomen was, Nibelungen genaamd, hebben in de Etzelburg
+onder de aanvallen der Hunnen hun ontrouw met den dood bekocht.
+
+</p>
+<p id="d0e742">Zonder mededoogen liet Etzels gemalin haar geheele familie onthoofden. Den boosaardigen Hagen sloeg ze eigenhandig met Siegfrieds
+zwaard het hoofd af. Daarop werd de razende vrouw door den vertoornden Hildebrand gedood.
+
+</p>
+<p id="d0e744">Hier eindigt de sage. De treurmare van de Nibelungen is in den volksmond het meest populaire heldenlied geworden.
+
+</p>
+<p id="d0e746">Door deze sage wordt de historische ondergang der laatste Bourgondische koningen van Worms door alle eeuwen heen op dichterlijke
+wijze verheerlijkt.
+<span class="pageno"><a id="d0e748"></a>Bladzijde 29</span></p><a id="d0e749"></a><h1>Mainz</h1><a id="d0e752"></a><h2>Heinrich Frauenlob</h2>
+<p id="d0e755">Hij was een waardig domheer in het oude Mainz, daarbij een zanger bij de genade Gods, die tallooze vrome hijmnen dichtte en
+toonzette, ter eere van de reinste aller vrouwen, doch tevens ook menige welluidene harptoon aan de wereldlijke liefde gewijd
+heeft. En daar hij in tegenstelling met vele dichters van zijn tijd in teedere vereering den naam &#8220;Frau&#8221; d.i. meesteres hooger
+schatte dan &#8220;Weib&#8221; wat slechts echtgenoote beteekent, heeft de nakomelingschap hem den naam &#8220;Frauenlob&#8221; geschonken en onder
+dezen is hij meer bekend, dan onder zijn werkelijken naam Heinrich von Weiszen.
+
+</p>
+<p id="d0e757">Groot was de vereering, die de vrouwen van het gouden Mainz voor den zanger koesterden. Dit bleek gedurende zijn l&eacute;ven, maar
+meer nog bij zijn dood. Niet te beschrijven was de droefheid van het dankbare, zwakke geslacht, toen het bericht kwam, dat
+de lier van den geliefden minnezanger voor altijd verstomd was. Er werd <span class="pageno"><a id="d0e759"></a>Bladzijde 30</span>besloten den doode een eer te bewijzen zooals nog nooit een dichter te beurt gevallen was. Onafzienbaar was de stoet, talrijk
+vooral de schaar van vrouwen, die in rouwkleeren het lijk begeleidden en voor zijn zieleheil baden. Acht van de schoonste
+vrouwen droegen zijn kist, die bedolven was onder welriekende bloemen. Uit teedere vrouwenmonden klonken aan het graf van
+den minnezanger de grafliederen en zachte vrouwenhanden goten op zijn rustplaats heerlijken Rijnwijn, die hem zoo dikwijls
+zijn prachtige liederen ingegeven had. Deze stille liefdegave moet zoo rijkelijk gevloeid hebben, dat de gangen der kerk er
+van overstroomden. Meer waarde echter dan deze gaven hadden de tranen, die op dien dag door vele schoone oogen om den dooden
+zanger vergoten werden.
+
+</p>
+<p id="d0e761">Nog heden kan de reiziger in den ouden Mainzer Dom het gedenkteeken voor den grooten Dichter en Zanger zien. Een prachtige
+vrouwenfiguur van sneeuwwit warmer legt een krans neer op de kist van den zanger, die den lof der vrouw in onvergetelijke
+liederen bezongen heeft.
+<span class="pageno"><a id="d0e763"></a>Bladzijde 31</span></p><a id="d0e764"></a><h2>Bisschop Willigis</h2>
+<p id="d0e767">In het jaar Duizend ongeveer hadden de inwoners van Mainz een vromen kerkvoogd, Bisschop Willigis. Hij was de zoon van een
+wagenmaker, en alleen door ijzeren wilskracht en groote bekwaamheid was hij tot de waardigheid van eersten bisschop gestegen.
+De brave burgers van Mainz beminden en vereerden den edelen dienaar Gods zeer, de trotsche kanunniken en stijve patrici&euml;rs
+daarentegen was het hoogst onaangenaam zich te buigen, voor iemand, die in de armoedige hut van een wagenmaker geboren was.
+
+
+</p>
+<p id="d0e769">Ernstig, doch met zachtheid verweet de bisschop eenigen van hen, dat ze zich te veel op hun voorouders lieten voorstaan. Dat
+verdroot de hooghartige heeren, en eens op een nacht haalden zij een grap uit bij de vertrekken van hun geestelijken heer
+en teekenden met krijt op alle deuren reusachtige raderen.
+
+</p>
+<p id="d0e771">Toen de bisschop &#8217;s morgens vroeg naar de mis in de Domkerk ging, zag hij het baldadige <span class="pageno"><a id="d0e773"></a>Bladzijde 32</span>werk van de spotvogels. Zwijgend keek hij naar de raderen, doch zijn kapelaan, die naast hem stond, wachtte in angstige spanning
+te vergeefs op het losbreken van den toorn van de beleedigden kerkvorst. Integendeel op het gelaat van den bisschop vertoonde
+zich een vroolijke glimlach. Vervolgens gebood hij een schilder te toepen, en toen deze gekomen was, beval hij hem overal,
+waar de spotvogels de raderen geteekend hadden in een vuurrood veld, zichtbaar voor iedereen, witte raderen te schilderen
+en daaronden het spreukje:
+
+</p>
+<p class="poetry"><br id="d0e776">&#8220;Willigis, Willigis!
+<br id="d0e778">Denk, hoe laag je afkomst is!&#8221;
+</p>
+<p id="d0e780">En zelfs nog verder is hij gegaan; de wagenmaker heeft hem een ploegrad moeten maken en dit heeft hij boven zijn legerstede
+laten ophangen; om steeds aan zijn afkomst herinnerd te worden.
+
+</p>
+<p id="d0e782">Sedert dien dag hielden de spotters zich stil. De inwoners van Mainz echter hechtten zich met nog grootere liefde aan hun
+bisschop, die, niettegenstaande het hooge ambt, dat hij bekleedde, toch zoo eenvoudig bleef. En van dien tijd af voeren alle
+bisschoppen van Mainz de witte raderen in een rood veld in hun wapen.
+
+</p>
+<p id="d0e784"></p>
+<div id="d0e785" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p032.jpg" alt="Uit het brongebied der Rijn"></p>
+<p class="figureHead">Uit het brongebied der Rijn</p>
+</div><p>
+<span class="pageno"><a id="d0e789"></a>Bladzijde 33</span></p><a id="d0e790"></a><h1>Johannisberg</h1><a id="d0e793"></a><h2>De Johannisberger</h2>
+<p id="d0e796">In &#8217;t heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem, en onder de beste merken wordt hij geteld, als de koning
+aller Rijnwijnen. Alle vrienden van het Rijnsche druivensap kennen hem, maar weinigen genieten hem in zijn vorstelijke echtheid.
+Vorstelijk is hij, niet omdat een vorstenhand den sleutel van den Johannisberg bezit, maar omdat een vorstenhand hem in de
+gezegende &#8220;Rheingau&#8221; geplant heeft. En deze gekroonde schenker was niemand anders dan de groote Karel, de machtige beheerscher
+van het Frankenrijk.
+
+</p>
+<p id="d0e798">Eens stond hij&#8212;&#8217;t was voorjaar&#8212;op het platform van zijn slot te Ingelheim en liet zijn blikken weiden over het wonderschoone
+landschap aan zijn voeten. Er was &#8217;s nachts sneeuw gevallen en een wit kleed bedekte de R&uuml;desheimer heuvels. Terwijl het oog
+van den keizer nadenkend op het witte landschap rustte, bemerkte hij, dat op de rug van den Johannisberg <span class="pageno"><a id="d0e800"></a>Bladzijde 34</span>de sneeuw gauwer door de zonnestralen smolt dan op de heuvels in het rond. De groote Karolus, die als een echt Duitsch keizer
+ook een diepdenker was, meende, dat daar, waar zulk een gezegende zonnegloed viel, ook meer dan gras gedijen kon.
+
+</p>
+<p id="d0e802">Dadelijk liet hij den grijzen Koenraad zijn wapendrager bij zich komen en gebood hem bij het aanbreken van den volgenden dag
+zijn paard te zadelen en naar Orleans, de stad van den edelen wijn, te rijden, met de boodschap aan de brave burgers, dat
+de keizer hun voortreffelijken wijn nog steeds genadig in herinnering had en dat hij gaarne zulk een edel gewas aan den Rijn
+zou bezitten, waarom hij den getrouwen burgers van Orleans verzocht een pootrank naar de &#8220;Rheingau&#8221; te zenden.
+
+</p>
+<p id="d0e804">Aldus ging de schrandere koningsbode op weg en nog voordat de maan haar cirkelkring ge&euml;indigd had, was hij weer in het keizerlijke
+slot te Ingelheim terug. Alom heerschte daarover groote vreugde. Karolus zelf, de groote keizer voer naar R&uuml;desheim en plantte
+eigenhandig de Fransche wijnrank in de aarde van het Rijnland.
+
+</p>
+<p id="d0e806">Het werk van den keizer was geen voorbijgaande gril geweest. Zorgvuldig liet hij zich over den stand der druiven in R&uuml;desheim
+en op <span class="pageno"><a id="d0e808"></a>Bladzijde 35</span>helling van den Johannisberg op de hoogte houden en toen de derde herfst in het land gekomen was, kwam tegelijk met hem Keizer
+Karel uit zijn lievelingsstad Aken in de &#8220;Rheingau&#8221;. En het juichen van de oogsters weerklonk in de wijngaarden van R&uuml;desheim
+en Johannisberg.
+
+</p>
+<p id="d0e810">Plechtig werd het eerste geurige product der wijnpers den keizer aangeboden; een gouden vocht in een gouden bokaal. Een koninklijke
+wijn! Een flinke teug heeft de groote Karel genomen en opgetogen den kostelijken drank geprezen. De vurige, zachte Johannisberger
+is zijn lievelingsdrank geworden, die hem op hoogen leeftijd den last der jaren deed vergeten. En wat Karel de Groote ondervond,
+dat bemerkt nog heden een ieder wien dit druivenbloed in den beker parelt. In het heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen
+kent men hem, en onder de beste merken wordt hij geteld als de koning aller Rijnwijnen, de Johannisberger.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e812">Zeer schoon wordt de sage vervolgd van keizer Karel, die zijn druiven zegent. Door den mond van den dichter is hij in een
+lied herschapen, dat men dikwijls hoort zingen aan de oevers van den Rijn, waar de druiven groeien.
+<span class="pageno"><a id="d0e814"></a>Bladzijde 36</span></p>
+<p id="d0e815">Elk voorjaar, als op de heuvels en in de dalen aan den vloed de druiven bloeien en de welriekende geur van de druivenbloesems
+de lucht vervult, wandelt &#8217;s nachts een hooge schaduw door de wijngaarden. Koninklijk is zijn gestalte, de purperen mantel
+golft om zijn schouders en op zijn hoofd schittert de keizerkroon. Het is Karel de Groote, keizer der Franken, die voor ongeveer
+duizend jaar den wijnstok naar R&uuml;desheim en aan den rand van den Johannisberg overplantte. De heerlijke geur van de druiven
+heeft hem uit zijn graf te Aken gewekt en hij is gekomen om de druiven, die hij geplant heeft, te zegenen. Het zachte schijnsel
+der volle maan verlicht den weg van den keizer en bij R&uuml;desheim bouwt zij een gouden brug over den stroom. Daarover schrijdt
+de keizer voort en verder trekt hij langs de heuvels, alom zijn zegen over de druiven uitstortende. Bij het eerste hanengekraai
+keert hij in zijn graf te Aken terug en hervat zijn eeuwenlangen slaap, totdat hij het volgende jaar opnieuw door den geur
+der druiven gewekt wordt, om zijn zegenrijken tocht door de &#8220;Rheingau&#8221; te volbrengen.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e817">En nu, waarde lezer, zal ik U als derde verhaal nog een vroolijke geschiedenis van de <span class="pageno"><a id="d0e819"></a>Bladzijde 37</span>Johannisberger monniken meedeelen. Eens, kwam onverwachts de hooge abt het klooster op den Johannisberg bezoeken, juist toen
+de rijpe druiven aan de stokken hingen. De eerwaarde abt vroeg met belangstelling naar alles, betoonde zijn ingenomenheid
+met de levenswijze der brave monniken, en noodigde eindelijk, als blijk van zijn welwillendheid, het geheele convent uit met
+hem een avonddrank te gebruiken.
+
+</p>
+<p id="d0e821">&#8220;De wijn vroolijkt het hart der menschen op!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e823">Met deze spreuk van den vromen koning David begon de abt zijn rede en vervolgde: &#8220;Gods milde hand zal uwe wijnstokken ook
+den volgenden herfst zegenen. Laat ons daarom, waarde Broeders, eenige flesschen uit het groote vat met matigheid op waardige
+wijze ledigen. Doch neemt, voordat we ons aan Gods edele gaven laven uw getijdenboek en laat ons met een kort gebed beginnen.&#8217;&#8221;
+
+
+</p>
+<p id="d0e825">&#8220;Getijdenboek?&#8221; gaat het fluisterend door den kring en de oogjes in de welgedane, waardige gezichten flikkeren van hulpelooze
+verlegenheid.
+
+</p>
+<p id="d0e827">&#8220;Ja, het getijdenboek!&#8221; Het door strenge lijnen doorploegde gelaat van den verstandigen abt beschouwt zwijgend de broeders.
+Zij zoeken, zoeken steeds voort.
+<span class="pageno"><a id="d0e829"></a>Bladzijde 38</span></p>
+<p id="d0e830">Gelijdelijk verdwijnen de rimpels van het aangezicht van den abt en speelt daar zelfs niet een onmerkbaar lachje op het vervallen
+gelaat?
+
+</p>
+<p id="d0e832">&#8220;Houdt nu op met zoeken en laat ons drinken! Gemoedelijk ontneemt hij den broeder, bottelier de bestoven flesch. Bij God,
+ik had den kurketrekker hier aan den Rijn wel mogen meebrengen. Schertsend zegt de vriendelijke heer dit, nadat hij zijn zakken
+doorzocht heeft.
+
+</p>
+<p id="d0e834">&#8220;Een kurketrekker?&#8221; In een oogwenk voelt ieder in zijn zakken en voor de oogen van den waardigen abt verschijnen evenveel
+kurketrekkers als broeders om hem heen staan.
+
+</p>
+<p id="d0e836">Toen kwam er een glans van vergenoegen op het waardige gelaat van den abt: &#8220;Bravo vrome Heeren. Welk een rijke zegen aan kurketrekkers.
+Doch laat het u niet verlegen maken en den dag van heden bederven. Morgen echter &#8212;&#8212;&#8212; maar laten wij denken evenals koning
+David.&#8221;
+<span class="pageno"><a id="d0e838"></a>Bladzijde 39</span></p><a id="d0e839"></a><h1>Ingelheim</h1><a id="d0e842"></a><h2>Eginhard en Emma.</h2>
+<p id="d0e845">I.
+
+</p>
+<p id="d0e847">Het is een oude treffende geschiedenis, die ik U zal vertellen, waarde lezer, die bij de andere voorheeft, dat ze een greintje
+historische waarheid bevat.
+
+</p>
+<p id="d0e849">In Ingelheim, een mooi stadje in den met druivengezegenden &#8220;Rheingau&#8221; verhief zich eens een trotsch marmeren paleis, de lievelings
+verblijfplaats van Karel, den Grooten. In deze heerlijke eenzaamheid, ver van de wereld, trok de groote keizer der Franken
+zich dikwijls terug. Slechts zijn trouwe dienaren en familieleden vergezelden hem. Onder de uitverkorenen ontbrak nooit Eginhard,
+secretaris des keizers. Hoewel hij nog jong was, zoo toch stond hij door zijn omvangrijke kennis in hoog aanzien bij Karel
+en verheugde zich in de bijzondere gunst van zijn gebieder. De vlijtige geleerde, wiens ernstig, zacht jongelingsgezicht dubbel
+afstak bij de schaar stoere krijgslieden, behaagde de vrouwen aan het keizerlijke hof niet minder.
+<span class="pageno"><a id="d0e851"></a>Bladzijde 40</span></p>
+<p id="d0e852">Karel had den geheimschrijver in zijn familie ingeleid en hem opgedragen zijn lievelingsdochter Emma, die toen bekend stond
+als de schoonste dame van haar tijd, te onderwijzen. Zij was de dochter van Chismonda. Uit haar oogen, die donker als de vleugels
+van de raaf waren, sprak het bloed van haar Italiaansche moeder. Spoedig ontvlamde het hart van den jongen leeraar door de
+gloedvolle blikken van de zuidelijke schoone en de schrijf, en leeslessen veranderden in vertrouwelijke minne uurtjes.
+
+</p>
+<p id="d0e854">II.
+
+</p>
+<p id="d0e856">Elk van hen beminde en werd wederbemind.
+
+</p>
+<p id="d0e858">Het was hun eerste liefde.
+
+</p>
+<p id="d0e860">Had Karel de Groote zulk een afloop slechts kunnen gissen, toen hij het dochtertje met de gloedvolle fluweelen oogen aan de
+zorg van den jongen geleerde met het meisjesachtige gezicht toevertrouwde. Had hij zulks kunnen gissen.
+
+</p>
+<p id="d0e862">In het doodstil nachtelijk uur als iedereen sliep, sloop Eginhard in het vertrek van zijn geliefde. Dan luisterde de dochter
+van Karel den Grooten naar de zoete vleierijen van den dichterlijken geleerde. Zij voer onder de betoovering der liefde met
+hem op een zee van <span class="pageno"><a id="d0e864"></a>Bladzijde 41</span>zalige verwachting, welks klippen haar jeugdige onbezonnenheid niet zag.
+
+</p>
+<p id="d0e866">Eginhard bezat een vurig hart, maar toch was de vlam zijner liefde voor de dochter van zijn heer rein, als het licht der sterren;
+geen toomelooze lage hartstocht verduisterde haar kuischen glans.
+
+</p>
+<p id="d0e868">Maar het lot was niet met hen.
+
+</p>
+<p id="d0e870">Op een herfstnacht bevond Eginhard zich weder bij zijn geliefde. Het groote paleis was in duister gehuld. Geen ster was er
+aan den hemel, die het geluk der minnenden kon verraden. De uren der liefde gaan snel voorbij. Op het oogenblik, dat Eginhard
+het vertrek verlaten wilde, bemerkte hij, dat een sneeuwkleed beneden de plaats overdekt had.
+
+</p>
+<p id="d0e872">Het was onmogelijk haar te overschrijden zonder voetstappen achter te laten. En toch moest hij zijn kamer aan de overzijde
+bereiken. Wat nu te doen?
+
+</p>
+<p id="d0e874">De liefde is vindingrijk.
+
+</p>
+<p id="d0e876">Na kort nadenken kwamen beiden tot het besluit, dat later tallooze dichters bezongen hebben. (Was ik dichter, dan zou ik het
+ook doen.) Het teedere meisje nam de geliefde op den rug en ging met hem, de witte plaats over. In de schitterende sneeuw
+teekenden zich de sporen van twee allerliefste voetjes af.
+<span class="pageno"><a id="d0e878"></a>Bladzijde 42</span></p>
+<p id="d0e879">Karel de Groote was op dit uur nog wakker. Drukkende zorgen over zijn reusachtig rijk verdreven hem den slaap. Hij leunde
+aan het venster en keek, ernstig voor zich uit in den duisteren nacht. Daar zag hij een schaduw over de plaats glijden. Hij
+boog zich voorover en zag Emma, zijn meest geliefde dochter, die op den rug&#8212;Karel opende wijder de oogen&#8212;een man droeg, en
+deze man&#8212;een zachte kreet kwam over Karels lippen&#8212;was Eginhard, zijn gunsteling. In het gemoed des keizers streden smart en
+woede met elkaar. Hij wilde naar beneden snellen om de ongelukkigen te dooden, maar hij bedwong zich, want de schande zou
+te groot geweest zijn, indien de dochter des keizers op haar liefdetocht met den schrijver door den gebieder over milioenen
+overvallen werd.
+
+</p>
+<p id="d0e881">Een diepe zucht steeg uit zijn breede borst op. Hij trad achteruit in zijn kamer en de kleine vlokken, die om de ruiten dwarrelden,
+zagen nog lang zijn door smart verwrongen gelaat.
+
+</p>
+<p id="d0e883">III.
+
+</p>
+<p id="d0e885">Den volgenden morgen riep Karel de Groote de wijze raadsleden bijeen. De oude getrouwen ontstelden bij zijn aanblik. Rimpels
+doorploegden <span class="pageno"><a id="d0e887"></a>Bladzijde 43</span>zijn voorhoofd en verdriet lag op zijn afgematte trekken te lezen. Vooral Eginhard, die een voorgevoel had van wat er komen
+zou, beschouwde zijn gebieder met schuwe blikken. Karel verhief zich en sprak: &#8220;Wat verdient een koninklijke princes, die
+&#8217;s nachts een man in haar vertrekken ontvangt?&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e889">De raadsheeren keken elkaar sprakeloos aan. Eginhards gelaat werd bleek als van een doode. De aanhangers des keizers zochten
+niet lang naar den naam van deze vorstendochter.
+
+</p>
+<p id="d0e891">Verlegen beraadslaagden zij een tijdlang, toen nam een van hen het woord:
+
+</p>
+<p id="d0e893">&#8220;Majesteit, voor misdrijven door de liefde begaan wordt de zwakke vrouw nooit gestraft.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e895">&#8220;En wat verdient een gunsteling des keizers, die &#8217;s nachts in de vertrekken van een koninklijke princes sluipt?&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e897">Met fonkelende oogen wendde de ijzeren Karel zich tot zijn secretaris. Eginhard beefde eenigszins en zijn meisjesachtig gezicht
+werd nog bleeker. Verloren! mompelde hij. Toen zeide hij, terwijl hij zich fier oprichtte:
+
+</p>
+<p id="d0e899">&#8220;Den dood, mijn Heer en Keizer!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e901">Karel de Groote beschouwde den jongeling met bewondering. Bij deze zelfaanklacht en innig berouw smolt de toorn in zijn binnenste
+en maakte plaats voor zachtere gevoelens. <span class="pageno"><a id="d0e903"></a>Bladzijde 44</span>Eenige oogenblikken later gaf de keizer den raadsleden hun afscheid. Eginhard wenkte hij, hem te volgen.
+
+</p>
+<p id="d0e905">Zwijgend ging Karel hem voor in zijn studeerkamer, daar werd de tweede deur geopend en Emma, door haar vader geroepen, trad
+binnen. Zij begreep dadelijk alles en met een doordringenden smartkreet viel zij voor haar vader op de knie&euml;n.
+
+</p>
+<p id="d0e907">&#8220;Genade, genade, vader! Wij beminden elkaar zoo innig!&#8221; En de groote omfloersde oogen keken smeekend omhoog.
+
+</p>
+<p id="d0e909">&#8220;Genade!&#8221; mompelde ook Eginhard en boog de knie.
+
+</p>
+<p id="d0e911">De keizer bleef eerst zwijgen. Toen begon hij te spreken, eerst streng en ernstig, doch geleidelijk, door het snikken van
+zijn innig geliefd kind, werden zijn woorden zachter.
+
+</p>
+<p id="d0e913">&#8220;Daar gij elkaar bemint&#8212;hij legde bijzonder den klemtoon op dit woord&#8212;wil ik u niet scheiden. Een priester zal u vereenigen
+en voordat de volgende morgen aanbreekt, zijt gij van hier vertrokken.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e915">De deur sloot zich achter hem.
+
+</p>
+<p id="d0e917">Door smart overweldigd, den inhoud van het gesprek slechts half begrijpende, knielde het schoone meisje terneder. Een zachte
+stem <span class="pageno"><a id="d0e919"></a>Bladzijde 45</span>deed haar opschrikken. Teeder trok Eginhard haar aan zijn borst.
+
+</p>
+<p id="d0e921">&#8220;Ween niet, geliefde,&#8221; fluisterde hij, &#8220;door dat je vader, mijn gebieder je van zich stiet, heeft hij ons voor eeuwig vereenigd.&#8221;
+
+
+</p>
+<p id="d0e923">Heviger vloeiden haar tranen.
+
+</p>
+<p id="d0e925">&#8220;Kom,&#8221; ging hij bewogen voort, &#8220;de liefde zal ons geleiden.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e927">Den volgenden morgen verlieten twee jeugdige pelgrims het slot te Ingelheim en begaven zich in de richting van Mainz.
+
+</p>
+<p id="d0e929">IV.
+
+</p>
+<p id="d0e931">Jaren zijn verstreken.
+
+</p>
+<p id="d0e933">Karel de Groote heeft in Saksen overwinningen behaald en ook de Romeinsche kroon verworven, zoodat zijn roem wijd en zijd
+verkondigd werd, maar niettegenstaande dat is zijn haar vergrijsd en zijn gelaat verouderd. Een aandoenlijk schoon beeld leefde
+sedert jaren in zijn gedachten, en hij was niet bij machte dit te verbannen.
+
+</p>
+<p id="d0e935">&#8217;s Avonds wanneer de ondergaande zon in de marmeren zuilen van het koninklijk slot weerspiegelden en haar laatste stralen
+hun gouden schijnsel in het hooge vertrek van den beheerscher der Franken wierpen, dan zagen zij <span class="pageno"><a id="d0e937"></a>Bladzijde 46</span>hem dikwijls onbeweeglijk op zijn rijk gebeeldhouwden stoel zitten, het diepdenkende hoofd in de handen verborgen.
+
+</p>
+<p id="d0e939">De keizer was in treurig gepeins verzonken. Hij dacht aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding zag hij een jongen man, wiens
+zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de
+heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen
+had uit het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had, dan was er dikwijls een meisje met donkere
+oogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten.
+
+</p>
+<p id="d0e941">Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een
+traan van ontroering.
+
+</p>
+<p id="d0e943">V.
+
+</p>
+<p id="d0e945">Jachtfanfares klonken door de eenzaamheid van het Odenwoud. Karel de Groote en zijn getrouwen beoefenen het edele jachtvermaak.
+De oude keizer, die overal vergetelheid zoekt heeft de speer ter hand genomen om de herten van het woud te treffen.
+<span class="pageno"><a id="d0e947"></a>Bladzijde 47</span></p>
+<p id="d0e948">Hij heeft zich van zijn begeleiders afgezonderd en vervolgt juist een trotsch hert met zestienpuntig gewei. De zon staat reeds
+hoog aan den hemel als het vervolgde dier de richting van den Main uitsnelt welks water door de takken glinstert. Hij ontdekt
+den vloed, staat een oogenblik onthutst stil, maar stort zich dan, door de nabijheid van den vervolger opgejaagd, in de rivier,
+welks overkant hij zwemmende bereikt. De keizer verschijnt en staat uitgeput aan den oever. Nu eerst bemerkt hij, dat de avond
+hem onmerkbaar overvallen, en de streek, waarin hij zich bevindt, hem geheel onbekend is.
+
+</p>
+<p id="d0e950">Voor zich heeft hij den vloed, achter zich het woud. De eerste sterren schitteren reeds aan den hemel. Tevergeefs zoekt Karel
+den rechten weg langs de rivier te vinden. Het woud, dat hij zooeven doorsneden heeft, schijnt nu ondoordringbaar. Volslagen
+duisternis omgeeft hem.
+
+</p>
+<p id="d0e952">Daar schittert onverwachts een licht in de verte. De keizer ziet het en richt met blijde verrassing zijn schreden daarheen.
+Vlak bij den oever ontdekt hij een hutje. Door het verlichte venster ziet de koninklijke bespieder een armoedig vertrek.
+
+</p>
+<p id="d0e954">Wellicht is dit de kluis van een vroom man, <span class="pageno"><a id="d0e956"></a>Bladzijde 48</span>denkt hij en klopt aan de deur. Een man met blonden baard verschijnt. De keizer deelt, zonder zich bekend te maken, mede in
+welk een verlegenheid hij zich bevindt en vraagt huisvesting voor den nacht. Bij den klank zijner stem ontroert de man hevig.
+Hij laat den keizer binnentreden. Een jonge vrouw zit op een laag stoeltje en wiegt een kind op haar knie&euml;n. Als zij den keizer
+ziet, glinstert haar donker oog en wordt haar gelaat wit als marmer. Snel begeeft ze zich in de aangrenzende ruimte om haar
+snikken te verbergen. Karel neemt plaats en steunt, terwijl hij iedere verfrissching, die zijn gastheer hem aanbiedt, weigert,
+het moede hoofd in de handen.
+
+</p>
+<p id="d0e958">Minuten verstrijken.
+
+</p>
+<p id="d0e960">Slaapt hij?
+
+</p>
+<p id="d0e962">Neen, hij is in treurig gepeins verzonken.
+
+</p>
+<div id="d0e964" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p048.jpg" alt="De laatste Hohenr&auml;tier"></p>
+<p class="figureHead">De laatste Hohenr&auml;tier</p>
+<p id="d0e967">Naar een schilderij van E. St&uuml;ckelberg. </p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e970">Hij denkt aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding ziet hij een jongen man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer
+afstak bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook
+de roerende volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het grauwe perkament, dat
+hij zelf met sierlijke letters geschreven had, dan was er dikwijls een jong meisje met donkere <span class="pageno"><a id="d0e972"></a>Bladzijde 49</span>oogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten. Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de
+zachte stem van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.
+
+</p>
+<p id="d0e974">De keizer slaakte een diepen zucht.
+
+</p>
+<p id="d0e976">Een zilveren kinderstem deed hem uit zijn overpeinzingen opschrikken. Een meisje van ongeveer vijf jaar, meer op een engel
+dan op een aardsch wezen gelijkend, naderde hem bedeesd en bracht den vreemden gast den nachtgroet van haar moeder. Getroffen
+keek de keizer op het kindje neer, dat hem het witte handje toestak. Dubbel bekoorlijk kwam de onschuldige schoonheid in de
+schramele omgeving uit: een pastelteekening in een donkere lijst.
+
+</p>
+<p id="d0e978">&#8220;Hoe heet je, kleine?&#8221; vroeg de keizer.
+
+</p>
+<p id="d0e980">&#8220;Emma,&#8221; antwoordde het kind.
+
+</p>
+<p id="d0e982">&#8220;Emma!&#8221; herhaalde Karel en een traan gleed over zijn wangen. Hij trok het engelachtige kind naar zich toe en drukte een kus
+op haar rein voorhoofd.
+
+</p>
+<p id="d0e984">Toen hoorde men gedruisch. Aan de voeten van den keizer lagen de man met den blonden baard en de jonge vrouw en smeekten snikkend
+om vergeving.
+
+</p>
+<p id="d0e986">&#8220;Emma, Eginhard!&#8221; roept Karel met trillende <span class="pageno"><a id="d0e988"></a>Bladzijde 50</span>stem en omarmt hen weenend. &#8220;Gezegend zij de plaats, waar ik u weergevonden heb!&#8221; Boven de eenzame hut zweeft de engel des
+vredes.
+
+</p>
+<p id="d0e990">VI.
+
+</p>
+<p id="d0e992">Emma en Eginhard keeren met veel praal aan het hof van den keizer terug. Karel schonk hun het prachtige slot te Ingelheim,
+en gevoelde zich door het bijzijn zijner kinderen veel jeugdiger. Op de plaats, waar hij hen wedergevonden had, liet hij een
+klooster oprichten en later ontstond daar een stad, tot op heden Seligenstadt (d.i. stad der zaligen) genaamd.
+
+</p>
+<p id="d0e994">In de kerk te Seligenstadt bevindt zich het graf van Eginhard en Emma. Volgens hun wensch werd hun stoffelijk overschot in
+dezelfde sarcophaag bijgezet.
+<span class="pageno"><a id="d0e996"></a>Bladzijde 51</span></p><a id="d0e997"></a><h1>R&uuml;desheim</h1><a id="d0e1000"></a><h2>De Br&ouml;mserburg</h2>
+<p id="d0e1003">In den hoogen Dom te Speyer stonden duizenden mannen in ridderlijke wapenrusting te luisteren. Aan het altaar zat Koenraad
+de Staufe in den koningsstoel, de handen op het gevest van zijn zwaard gevouwen, luisterende naar de geestdriftige redevoering
+van Bernard van Clairvaux over de gruwelijke verwoesting van de heilige plaatsen van het beloofde land. Toen de heilige monnik
+zijn rede eindigde met op indrukwekkende wijze een beroep te doen op den moed der belijders van den christelijken godsdienst,
+weerklonk door de gewelven van den Dom uit duizenden monden tegelijk als ware het &eacute;&eacute;n kreet: &#8220;Op, naar Jerusalem!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1005">Ontelbare ridders boden den vromen keizer in den kruistocht tegen de heidenen hun diensten aan. En onder hen bevond zich ook
+Hans Br&ouml;mser, heer van de Niederburg bij R&uuml;desheim, de laatste afstammeling van zijn geslacht. Niets weerhield hem; zijn gemalin
+rustte onder <span class="pageno"><a id="d0e1007"></a>Bladzijde 52</span>de aarde, en de eenige telg uit hun huwelijk Mechtilde zou den vader onder de hoede van de naburige familie Falkenstein evenmin
+missen, als hij dit het aankomende meisje in het Syrische land zou doen.
+
+</p>
+<p id="d0e1009">Zoo trokken de vrome strijders naar de moeilijke wegen van dat land, waar onze Heer geleefd en geleden heeft. De oogen van
+vele edellieden zijn daar in den strijd tegen de Saracenen voor eeuwig gesloten; velen trof een nog treuriger lot, zij waren
+levend dood, daar zij vol smaad in de gevangenissen der ongeloovigen versmachtten. Ook ridder Br&ouml;mser viel, na een verloren
+slag, in handen der Turken en zat in een afschuwelijken onderaardschen kerker gevangen. Gelijk een dier liet de pacha den
+ridderlijken vijand een molensteen in beweging houden. Dag op dag verging, en met steeds heviger smart verdroeg de ridder
+den smaad zijner vijanden. Toen legde hij in een uur van de bitterste wanhoop voor den Heer de volgende plechtige belofte
+af: &#8220;Schenk mij de vrijheid weer en ik beloof u, dat mijn eenig kind Mechtilde den sluier aan zal nemen.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1011">En hij herhaalde den heiligen eed nog eens en ten derde male.
+
+</p>
+<p id="d0e1013">Toen gebeurde, wat geen der wapendragers ooit had durven hopen: De dappere kruisvaarders <span class="pageno"><a id="d0e1015"></a>Bladzijde 54</span>bestormden het Turksche slot in de zandwoestijn te Syri&euml; en bevrijdden hun geloofsgenooten uit de vernederende gevangenschap.
+Uit dankbaarheid jegens God leende Hans Br&ouml;mser zich op nieuw voor de heilige zaak. Toen keerde hij terug naar het vaderland
+aan den Rijn.
+
+</p>
+<p id="d0e1017">Op het met mos begroeide slotplein omhelsde Mechtilde hem lang en zwijgend. Naast de zeventienjarige stond de jonker van Falkenstein,
+die zich diep voor den teruggekomen heer boog en hem zacht begroette met de woorden: &#8220;Welkom, vader!&#8221; Toen kwam er plotseling
+een herinnering bij den ridder op, die de vreugde van het weerzien vergalde.
+
+</p>
+<p id="d0e1019">In de rijk versierde staatsiezaal vierde Hans Br&ouml;mser, omringd door zijn getrouwen, zijn gelukkigen terugkeer. Luide loftuitingen
+weerklonken in den kring der kruisvaarders; iedereen luisterde, toen de gevaren, die de helden doorleefd hadden, verhaald
+werden. Hoe hij voor het geloof gestreden en in gevangenschap der heidenen geleden had, vertelde de ridder met geestdrift
+aan de luisterende schaar.
+
+</p>
+<p id="d0e1021">Daarop liet hij zijn stem dalen, en met plechtige woorden deelde Hans Br&ouml;mser de verzamelde menigte zijn belofte mede, die
+hij in het heilige land in de grootste wanhoop afgelegd <span class="pageno"><a id="d0e1023"></a>Bladzijde 54</span>had. Toen weerklonk een gil door het ruime vertrek en het dochtertje van den ridder, nog witter dan het tafellaken, zonk bewusteloos
+ter aarde. De jonker van Falkenstein verhief zich met vlammende oogen en roode wangen, en sprak met vaste stem: &#8220;Mechtilde
+behoort mij, ze heeft in een plechtig uur beloofd, mij voor eeuwig te zullen toebehooren!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1025">Met gefronst voorhoofd legde de burchtheer de fluisterende gasten het zwijgen op: &#8220;Mechtilde behoort den hemel toe en niet
+jou, knaap. Dezen eed deed de laatste Br&ouml;mser en hij zal hem ook houden!&#8221; Met ingehouden toorn riep de ridder dit uit en in
+bedrukte stemming gingen de gasten uiteen.
+
+</p>
+<p id="d0e1027">Mechtilde lag in woeste smart in haar kamer. Flikkerend wierp de kleine lamp aan het crucifix haar schijnsel op de liggende,
+die de voortkruipende uren van den nacht in liefdesmart doorbracht. De met tapijten behangen muren, van het in schemerlicht
+gehulde vertrek, leken het jonge meisje drukkende kerkermuren.
+
+</p>
+<p id="d0e1029">Zij ijlde, met het lichtje in de bevende hand, den hoogen wenteltrap op naar den zolder en vertrouwde het harde leed van haar
+jonge ziel den kalmeerenden nacht toe.
+
+</p>
+<p id="d0e1031">Geleund tegen een der schietgaten in den muur, staarde zij naar de tegenovergelegen <span class="pageno"><a id="d0e1033"></a>Bladzijde 55</span>Felsenburg waar de welgemoede minnaar, aan wien ze zich voor eeuwig verbonden had, vertoefde.
+
+</p>
+<p id="d0e1035">&#8220;Geliefde!&#8221; klonk het snikkend in den nacht. Aan den hemel waren geen sterren: een ruwe herfststorm begeleidde den hartestorm
+van de jonkvrouw en blies plotseling met een hevigen rukwind om de vesting.
+
+</p>
+<p id="d0e1037">Toen weerklonk er een gil, kort en schel. Was het de loeiende wind of een menschelijke kreet? In de stilte van den nacht stierf
+hij weg. Van het hoogste punt van de Br&ouml;mserburg stortte het lichaam eener vrouw in de af grijselijke diepte en werd door
+het stroomende water van den Rijn verzwolgen.
+
+</p>
+<p id="d0e1039">Een prachtige herfstmorgen volgde op den stormachtigen nacht. Tevergeefs zocht men boven in de Br&ouml;mserburg naar Mechtilde,
+het dochtertje van den burchtheer. Beneden echter hebben ze in alle vroegte een meisje uit het water gevischt, waarvan de
+oogen reeds gebroken waren. Een sombere stoet bewoog zich toen naar den burcht, waar de smartkreten van velen weerklonken
+over de vroeg geknakte bloem, de laatste spruit van den Br&ouml;mserstam. Hans Br&ouml;mser heeft zich op het lijk geworpen en zijn
+gebaard gezicht lang en zwijgend in de <span class="pageno"><a id="d0e1041"></a>Bladzijde 56</span>plooien van het sneeuwwitte gewaad verborgen. Geen traan hing aan zijn wimpers.
+
+</p>
+<p id="d0e1043">Voor de zielsrust van de dochter, die den sluier niet wilde aannemen, legde hij in de grootste treurigheid opnieuw een belofde
+af; hij zou een kerkje laten bouwen op den heuvel tegenover zijn vesting. Toen heeft hij zich in zijn vertrek opgesloten en
+in droevig gepeins de verdere dagen doorgebracht, totdat frisch groen op het graf van zijn onzalig kind ontlook.
+
+</p>
+<p id="d0e1045">Sedert dien tijd zijn er maanden verstreken, maar nog is er niet aan de beloofde boetkapel begonnen. Verbitterd heeft Hans
+Br&ouml;mser zich steeds meer van de wereld afgezonderd en zich in de treurige eenzaamheid teruggetrokken. Toen is er eens een
+knecht met de beeltenis van de moeder Gods bij hem gekomen.
+
+</p>
+<p id="d0e1047">Een stier had dit bij het ploegen op den heuvel tegenover den burcht opgeworpen, en de knecht heeft driemaal &#8220;Not Gottes!&#8221;
+hooren roepen. Toen heeft Hans Br&ouml;mser zich zijn belofte herinnerd en terstond het kerkje, dat hij den Heer beloofd had, laten
+bouwen voor de zielsrust van Mechtilde. &#8220;Not Gottes&#8221; heeft hij het genoemd en zoo heet het nog heden.
+<span class="pageno"><a id="d0e1049"></a>Bladzijde 57</span></p><a id="d0e1050"></a><h1>Bingen</h1><a id="d0e1053"></a><h2>De Muizentoren</h2>
+<p id="d0e1056">Onder Bingen ligt midden in den vloed op een eenzaam eiland een vesting in den vorm van een toren, de Muizentoren genaamd.
+Sedert eeuwen is hieraan de naam van een aartsbisschop uit Mainz op sornbere wijze verbonden. In de sage wordt deze slechte
+Hatto van een vreeselijke misdaad aangeklaagd, waardoor hij in de heele Rijnstreek en nog veel verder veroordeeld is geworden.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1058">Een eerzuchtig, harte- en trouweloos mensch moet hij geweest zijn, een wreed heer voor zijn onderhoorigen. Hooge belastingen
+perste hij hun af, liet hen tol betalen en verzon tallooze belastingen om aan zijn heersch- en pronkzucht te voldoen. Tusschen
+Bingen en R&uuml;desheim liet hij in den Rijn den stevigen toren bouwen en hief van alle schepen, die stroomaf voeren, tol.
+
+</p>
+<p id="d0e1060">Spoedig daarop was de oogst in het land van den Main mislukt.
+<span class="pageno"><a id="d0e1062"></a>Bladzijde 58</span></p>
+<p id="d0e1063">Droogte en hagel vernielden het toch reeds schaarsche graan en de duurte van levensmiddelen werd nog vermeerderd, daar de
+aartsbisschop Hatto groote hoeveelheden graan opgedaan en op zijn zolder afgesloten had. De hongersnood was spoedig verschrikkelijk;
+maar de ongelukkigen smeekten den wreeden heer tevergeefs, den prijs van het graan, dat hij op zijn zolders had, te laten
+dalen. Wel drongen zijn raadslieden er op aan, dat hij medelijden met de ongelukkigen zou hebben, maar Hatto bleef ongeroerd,
+en toen de stijgende ellende en de hardvochtigheid van den gebieder verbittering te weeg brachten en oproerige stemmen zich
+onder het volk, dat zoo zwaar beproefd was, deden hooren, zette Hatto de kroon op zijn wreedaardige handelwijze.
+
+</p>
+<p id="d0e1065">Eens drong een bedelende menigte jammerend in het aartsbisschoppelijk paleis en smeekte den aartsbisschop, die juist aan zijn
+overdadigen maaltijd zat, om voedsel.
+
+</p>
+<p id="d0e1067">Hij had juist tot zijn dischgenooten op knorrigen toon gezegd, dat het beter zou zijn als dat ellendige volk op de een of
+andere manier van de wereld verdween; dan zou het van alle zorgen verlost zijn en ook hij zou dan niet meer door hen lastig
+gevallen worden. Toen nu de in lompen gehulde menigte, mannen, vrouwen <span class="pageno"><a id="d0e1069"></a>Bladzijde 59</span>en kinderen met holle oogen en bleeke gezichten voor hem neervielen en om brood schreeuwden, kwam er plotseling een flikkering
+in zijn oogen. Hij wenkte hen met gehuichelde welwillendheid, beloofde hun koren en liet hen in een schuur voor de stad brengen,
+alwaar ze zooveel graan zouden krijgen als ze noodig hadden. Vol blijdschap en van dank vervuld, ijlden de ongelukkigen weg;
+toen zij echter allen in de schuur waren, liet Hatto de deur sluiten en de schuur aansteken.
+
+</p>
+<p id="d0e1071">Vreeselijk was het gekerm van de ongelukkigen. Tot aan het paleis van den bisschop moet het geschreeuw doorgedrongen zijn.
+De wreede Hatto riep echter spottend tot zijn getrouwen: &#8220;Hoort hoe de korenmuizen piepen? Nu is het gebedel uit. De muisjes
+zullen mij bijten, als het niet waar is.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1073">Verschrikkelijk echter trof hem de straf des hemels. Uit de brandende schuur slopen duizenden muizen naar het paleis, vulden
+alle vertrekken en vielen zelfs den aartsbisschop aan. In ontelbare scharen sprongen zij door zijn kamers, en hoewel zijn
+bedienden tallooze gulzige knagers verdelgden, zoo toch werd hun aantal steeds grooter en hun vraatzucht steeds heviger. Afgrijzen
+vervulde den aartsbisschop, en daar hij een voorgevoel van Gods <span class="pageno"><a id="d0e1075"></a>Bladzijde 60</span>oordeel had, ontvluchtte hij per schip de stad om zich aan de woedende beten van zijn vervolgers te onttrekken. Maar de onverdelgbare
+schaar zwom hem in legioenen na, en toen hij vol vertwijfeling den toltoren bereikte, meenende in de, door water omgeven,
+vesting veilig te zijn, vervolgde het grijze muizenleger hem ook hierheen, knaagde met de scherpe tanden een toegang tot den
+toren en bereikte spoedig hem, dien het vervolgde.
+
+</p>
+<p id="d0e1077">Hij heeft ook het onderspit gedolven, de afschuwelijke. Eindelijk moet hij vol wanhoop zijn ziel aan den duivel beloofd hebben
+indien deze zijn lichaam verloste, en de duivel moet in het helsche vuur tusschenbeide gekomen zijn, het schokkende lichaam
+bevrijd hebben en de ziel op den derden dag voor zich genomen hebben.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1079">Dit deelt de sage mede. Maar zachter oordeelt haar zuster, de geschiedenis, over Hatto, den strengen aartsbisschop van Mainz.
+Zij laakt slechts een ding in hem: zijn heerschzucht. Hierdoor verkreeg de Mainzer zetel die wereldlijke macht, waardoor hij
+later de eerste bisschopsplaats van het rijk werd. Al vonden de burgers van Mainz dit niet onaangenaam, <span class="pageno"><a id="d0e1081"></a>Bladzijde 61</span>zoo toch was de trotsche, despotische geest van hem, die haar verworven had, zeer gehaat, en daar hij bovendien den slottoren
+in de rivier had laten bouwen, van waar uit hij alle voorbijvarende schepen voor de belasting onderzoeken liet&#8212;doorsnuffelen,
+&#8220;m&uuml;sen&#8221; zeiden de Duitsche voorvaderen en zegt de &#8220;Rhein-lander&#8221; nog heden&#8212;zoo mag deze Muizentoren, waarbij ook nog de haat
+van een onderdrukt volk kwam, deze vreeselijke sage in omloop gebracht hebben.
+<span class="pageno"><a id="d0e1083"></a>Bladzijde 62</span></p><a id="d0e1084"></a><h1>Aszmannshausen</h1><a id="d0e1087"></a><h2>De Klemenskapel</h2>
+<p id="d0e1090">Een treurige geschiedenis is er aan de stichting van de Klemenskerk verbonden, die meer stroomafwaarts dan de burcht Rheinstein
+aan den oever van den Rijn ligt. Eerst in den lateren tijd is zij door de milde hand van de burchtvrouw van Rheinstein op
+nieuw verrezen.
+
+</p>
+<p id="d0e1092">Het was ongeveer in den tijd waarop door de flinke regeering van Rudolf van Habsburg een einde gemaakt werd aan de buitensporigheden
+der roofridders, die vooral in den keizerloozen tijd aan den Rijn zeer huisgehouden hadden. De roofridders beantwoordden met
+openlijken hoon de ernstige waarschuwingen des keizers, en meer dan ooit voerden ze op den smallen straatweg, die zich aan
+den Bovenrijn tusschen de rotsen en de rivier uitstrekt, hun roofachtig bedrijf uit.
+
+</p>
+<p id="d0e1094"></p>
+<div id="d0e1095" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p144.jpg" alt="Gevangen roofridder"></p>
+<p class="figureHead">Gevangen roofridder</p>
+<p id="d0e1098">Naar het schilderij van Konrad Weigand (Bij de sage: De Klemenskapel). </p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1101">Daar verscheen de vertoornde keizer zelf met een sterke macht en hield een vreeselijk strafgericht onder de adellijke roovers.
+Als schurftige <span class="pageno"><a id="d0e1103"></a>Bladzijde 63</span>honden wilde hij hen en hun geheelen aanhang uitroeien. Hiermede had hij de bespotters van den heiligen landvrede gedreigd,
+en hij voerde zijn bedreiging uit. Brandende burchten waren zijn wegwijzers aan den Bovenrijn. De bewoners van het dal zagen
+met ontzetting de vlammen uit de vestingen van de Reichensteiners, Sooneckers, Heimburgers en andere gevreesde roofridders
+opstijgen, en talrijke leden van adellijke geslachten werden door den strop van den beul ter dood gebracht. Toen hoorde men
+menigen schoonen mond jammeren en weeklagen over de strenge rechtvaardigheid van den keizer. Door de vreedzame kooplieden
+echter werd zij vol dankbaarheid geprezen.
+
+</p>
+<p id="d0e1105">Voor de overblijvenden waren de lichamen van huns gelijken, die stuiptrekkende aan de boomen langs de rivier hingen een vreeselijke
+waarschuwing.
+
+</p>
+<p id="d0e1107">Schuwe gestalten zijn toen, beschermd door de duisternis van den nacht, naar de gerechtsplaats geslopen; vol droefheid hebben
+de betrekkingen van de ter dood veroordeelden de lijken afgenomen, om ze voor smadelijke vernietiging te bewaren. Heimelijk
+werden de ongelukkigen in gewijde aarde begraven. Maar de gedachte aan een vergelding hiernamaals <span class="pageno"><a id="d0e1109"></a>Bladzijde 64</span>liet de achterblijvenden geen rust; want menigeen, die zulk een smadelijken dood gestorven was, had zijn wapen met het bloed
+zijns naasten bevlekt.
+
+</p>
+<p id="d0e1111">Men heeft dus op raad van een verstandig, vroom dienaar Gods het hout van de boomen genomen, waaraan zij gehangen hadden,
+en een boetkapel gebouwd op de eenzame gerechtsplaats aan den Rijn. Ook van de rookende puinhoopen der afgebrande burchten
+heeft men steenen genomen voor het boetehuis bij Aszmannshausen evenals voor de hut van den beschermer, den kluizenaar.
+
+</p>
+<p id="d0e1113">Toen de dag aanbrak, waarop zich voor de eerste maal het woord van den priester aan het altaar zou doen hooren, zijn er booten
+met dooden en treurenden stroomop en afwaarts gevaren&#8212;in het schip der kerk hebben zij de lijkkisten neergezet&#8212;en met plechtige
+woorden heeft de aartsbisschop van Mainz de dooden van hun zonden ontheven en de armezondaarskerk haar bestemming doen bereiken.
+Daarop heeft men de nu gezegende lijken ten tweede male in het gemeenschappelijke graf ter aarde besteld. Vele tranen moeten
+er toen in de nieuw gewijde kerk gestort zijn.
+
+</p>
+<div id="d0e1115" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p064.jpg" alt="Het reuzenspeeltuig"></p>
+<p class="figureHead">Het reuzenspeeltuig</p>
+<p id="d0e1118">Naar het schilderij van Cnopf. </p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1121">Dit had plaats in het einde der dertiende eeuw. Eeuwen achtereen hebben de geloovigen <span class="pageno"><a id="d0e1123"></a>Bladzijde 65</span>en de priesters in dit kerkje bij Aszmannshausen voor de arme zielen der veroordeelden gebeden.
+
+</p>
+<p id="d0e1125">Boven in de burchten zijn ondertusschen vele geslachten uitgestorven, de trotsche burchten zijn vervallen en beneden zijn
+veelbewogen tijden voorbijgegaan. En de tand des tijds, die boven aan de burchten knaagde, is ook beneden aan het kerkje zijn
+verwoestingswerk begonnen, heeft het dak vernietigd en de muren afgebrokkeld.
+
+</p>
+<p id="d0e1127">In lateren tijd is er weer een kerkje in de plaats der ru&iuml;ne ontstaan, en evenals voor zeshonderd jaar klinkt het woord van
+den priester weer aan het altaar van de Klemenskerk.
+<span class="pageno"><a id="d0e1129"></a>Bladzijde 66</span></p><a id="d0e1130"></a><h1>Rheinstein</h1><a id="d0e1133"></a><h2>Het huwelijksaanzoek</h2>
+<p id="d0e1136">Op Rheinstein heeft een ridder gewoond, die buitengewoon strijdlustig was. Hij heette Diethelm. Van een rooftocht had hij
+eens als buit een mooi meisje, Jutta genaamd, mede naar huis gebracht. Evenals teedere klimop zich om den knoestigen eik slingert
+en zijn ruwen bast in glanzend fluweel verandert, zoo ook heeft deze jonkvrouw met haar vrouwelijk karakter uit den ruwen
+krijgsman na jaar en dag een braaf ridder gemaakt, die afstand deed van rooftochten en feestgelagen en de schoone Jutta, als
+belooning voor haar deugd en lieftalligheid, de hand reikte.
+
+</p>
+<p id="d0e1138">De eerste vrucht der jonge liefde kostte de teedere moeder het leven; maar Gerda, het evenbeeld der afgestorvene, groeide
+op tot een volmaakte schoonheid, zoodat vroegtijdig de minnaars van heinde en ver kwamen, en het aankomende meisje tot echtgenoote
+begeerden. Maar de ridder van Rheinstein was zeer lastig <span class="pageno"><a id="d0e1140"></a>Bladzijde 67</span>in zijn keus omtrent een pretendent en menigeen trok bedroefd, met een weigerend antwoord af.
+
+</p>
+<p id="d0e1142">Een was er echter, dien het meisje en ook de oude heer gaarne mochten lijden. Hij heette Helmbrecht en was de oudste afstammeling
+op Sternburg. Het was den jongeling gelukt het hart der jonkvrouw te veroveren, en eens, toen hij voor de tournooispelen op
+Rheinstein vertoefde, en Gerda met de met ringen versierde rechterhand de ridders op het burchtplein aanmoedigend den dank
+der vrouwen toezwaaide, deelde Helmbrecht haar zijn liefde mede. Eenige dagen daarna droeg hij, zooals de ridderlijke etiquette
+voorschreef, zijn oom Gunzelin von Reichenstein op zijn aanzoek over te brengen. Maar Gunzelin was niettegenstaande zijn rijperen
+leeftijd arglistig en valsch. In plaats van voor zijn neef, deed hij voor zich zelf aanzoek bij Gerda&#8217;s vader, en deze aarzelde
+niet den ridder uit een oud geslacht met aanzienlijke goederen zijn jawoord te geven.
+
+</p>
+<p id="d0e1144">Tot beider verbazing wilde de dochter van den rijken minnaar niets weten. Haar hart behoorde den neef, niet den oom. De toorn
+in het binnenste van graaf Diethelm groeide steeds aan, en door de hevige woede der laatste dagen, zwoer hij, dat de met goederen
+gezegende makker uit zijn jeugd zijn dochter zou bezitten, <span class="pageno"><a id="d0e1146"></a>Bladzijde 68</span>en dat de arme stakker von Sternburg haar nooit naar het altaar zou voeren.
+
+</p>
+<p id="d0e1148">In haar stille kamer weende het troostelooze meisje hartverscheurend, maar haar tranen vermochten de ijskorst om het hart
+van den vader niet te doen smelten. Tevergeefs smeekte de in&#8217;t geheim beminde bij den ouden heer toegelaten te worden, deze
+echter beriep zich op zijn ridderlijk woord, dat hij den heer von Reichenstein op handslag gegeven had.
+
+</p>
+<p id="d0e1150">En zoo brak de dag aan, waarop Gunzelin met het meesmuilend welbehagen van een ouden wellusteling, wien in den herfst de liefelijke
+lente toelacht, de schoonste jonkvrouw van den Rijn in zijn trotschen burcht zou binnenleiden. Gerda, die het zachte karakter
+van haar overleden moeder bezat, had zich in het onvermijdelijke geschikt.
+
+</p>
+<p id="d0e1152"></p>
+<div id="d0e1153" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p128.jpg" alt="De bruidsoptocht"></p>
+<p class="figureHead">De bruidsoptocht</p>
+<p id="d0e1156">Naar het schilderij van L. Herteridi (bij de sage van de Burcht Rheinstein).</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1159">Op een mooien zomermorgen begaf de bruidsstoet zich van de slotpoort van Rheinstein naar den nabij gelegen heuvel, waarop
+de Klemenskapel stond. Fanfares schetterden, bazuinen schalden. Op een sneeuwwitten telganger zit, het schoone hoofd treurig
+gebogen, de doodsbleeke bruid. Zij denkt aan den geliefde, die ver van haar is en even als zij door smart verteerd wordt.
+Daar vliegt opeens een zwerm gonzende paardenvliegen uit de <span class="pageno"><a id="d0e1161"></a>Bladzijde 69</span>struiken. Een daarvan steekt in den buik van het paard, dat de liefelijke vrouwenlast draagt, zoodat het dier, steigerend
+uit den bruidsstoet springt. De bruigom, op zijn prachtig opgetuigden hengst gezeten, springt moedig het schichtige paard
+na, maar daar de weg zoo smal is, doet hij een missprong en stort met zijn ros in de diepte. Stervend werd hij door de ontstelde
+bruiloftsgasten in den burcht gedragen.
+
+</p>
+<p id="d0e1163">De oude Diethelm was bij de poging, om het paard zijner dochter tot staan te brengen, even ongelukkig geweest; het woedende
+dier had hem het scheenbeen gebroken en dienstvaardige bedienden droegen den steunenden grijsaard voorzichtig naar het slot
+terug.
+
+</p>
+<p id="d0e1165">De heelmeester had de volgende weken, toen hij de gevolgen van een hevigen trap van het paard behandelde, geen gemakkelijke
+taak, bij den vloekenden burchtheer. Bij de eerst volgende kromming van den weg had zich echter een man voor het hollende
+paard geworpen, die het trillende dier tot staan gebracht en de bewustelooze bruid in zijn armen opgevangen had. Treurig gestemd,
+wilde hij, verborgen door de struiken, den bruidsstoet volgen en was zoodoende de redder geworden van haar, die alleen hem
+beminde. De heer van <span class="pageno"><a id="d0e1167"></a>Bladzijde 70</span>Rheinstein is, toen hij dezen afloop vernam, tot nadenken gekomen en heeft den geliefden zijn zegen gegeven. Hun stoffelijk
+overschot rust onder den steen voor het altaar van de Klemenskapel tegenover Aszmannshausen; burcht Rheinstein is hersteld
+en prijkt even schoon als weleer op de steile rotshelling.
+<span class="pageno"><a id="d0e1169"></a>Bladzijde 71</span></p><a id="d0e1170"></a><h1>Falkenburg</h1><a id="d0e1173"></a><h2>De Waldburg</h2>
+<p id="d0e1176">De steeds opgeruimde slotheer van Falkenburg was in den heiligen oorlog tegen de Turken in de heete steppen van Phrygi&euml; voor
+de heilige zaak gevallen. Zijn vrome weduwe bewoonde met haar eenig kind Dietlinde den vaderlijken burcht. Deze jonge dame
+was bijzonder lieftallig en had een aantrekkelijk karakter, zoodat er vele edellieden waren, die de allerliefste jonkvrouw
+van Falkenburg, die het prachtige vaderlijke slot mede ten huwelijk zou brengen, tot echtgenoote begeerden.
+
+</p>
+<p id="d0e1178">Onder hen, die om de hand van het meisje dongen, was ook Guntram, een ridder uit een oud adellijk geslacht gesproten. Hij
+was de gelukkige veroveraar van Dietlindes hart.
+
+</p>
+<p id="d0e1180">Daar hij ook de moeder goed beviel, stond niets de vereeniging der beide geliefden in den weg. Onverwachts echter, toen alles
+reeds voor de bruiloft gereed was, kreeg Guntram een oproeping van den Paltsgraaf om in zijn residentie <span class="pageno"><a id="d0e1182"></a>Bladzijde 72</span>te komen. Daar kreeg de jonge ridder van zijn leenheer de eervolle opdracht zich met een gezantschap naar den hertog van Bourgondi&euml;
+te begeven.
+
+</p>
+<p id="d0e1184">Met een beklemd hart onderwierp Guntram zich aan dit bevel, man dapper afscheid van de weenende bruid en aanvaardde zonder
+oponthoud de reis.
+
+</p>
+<p id="d0e1186">Zoo snel, als ging hij op vleugelen, ving hij na verscheidene weken den terugtocht aan. Daar trof hem het ongeluk, dat hij
+op een onbegaanbare plaats in het bosch, van zijn gezelschap gescheiden werd en verdwaalde. Totdat de zon onderging zocht
+hij naar zijn geleiders zonder hun spoor weer te vinden. Na vele uren tevergeefs gezocht te hebben, ontdekte hij in de nachtelijke
+duisternis een licht, dat hem naar een eenzamen burcht in het woud leidde. Een grijsaard met zilveren haren heette hem welkom.
+Zacht waren zijn trekken, en de klank zijner stem evenals de uitdrukking zijner oogen waren treurig en vermoeid. Een rijkelijk
+maal sterkte den verdwaalden ridder, en een gemakkelijke rustplaats bood hem verkwikking voor het overige gedeelte van den
+nacht aan.
+
+</p>
+<p id="d0e1188">Toen Guntram met een vroom Ave Maria en met de gedachten vol trouw aan zijn verre bruid de oogen sluiten wilde, klonk uit
+een aangrenzende <span class="pageno"><a id="d0e1190"></a>Bladzijde 73</span>kamer een zacht, welluidend, en tevens verlokkend gezang.
+
+</p>
+<p id="d0e1192">Luisterende, hoorde de gast, dat een vrouwenmond een vurig minnelied zong. En de nieuwsgierigheid dreef hem, het wezen, te
+zien, dat aan den stillen nacht haar meisjesklachten toevertrouwde. Hij vond in de aangrenzende kamer een jonkvrouw, een zeldzaam
+bekoorlijk schepsel. Getroffen door zulk een vreemdsoortige vrouwelijke schoonheid sprak Guntram haar aan, die bij zijn binnentreden
+plotseling met zingen opgehouden had.
+
+</p>
+<p id="d0e1194">Hij ontving geen antwoord op zijn woorden en toen hij zijn toespraak herhaalde, ontmoette hij den zwijgenden blik van twee
+vurige oogen.
+
+</p>
+<p id="d0e1196">Toen hij naderbij komend voor de derde maal begon en teedere woorden van bewondering fluisterde, werd er plotseling, omgeven
+door verblindend licht, een marmeren plaat aan den muur zichtbaar, waarop in schitterend vlammenschrift de woorden stonden:
+
+
+</p>
+<p class="poetry"><br id="d0e1199">Musz dauernd schweigen;
+<br id="d0e1201">Darf nicht mich zeigen.
+<br id="d0e1203">Der Liebe Wesen
+<br id="d0e1205">Kann mich erl&ouml;sen.
+</p>
+<p id="d0e1207">Met de hand wees de jonkvrouw daarop. En de booze betoovering der liefde, droeg <span class="pageno"><a id="d0e1209"></a>Bladzijde 74</span>Guntram als op vleugelen in het land der bedwelming. Hij vatte onstuimig de sneeuwwitte hand en drukte zijn lippen op den
+mond der minzaam glimlachende sirene. Op zijn knie gezeten, zong zij zacht met liefelijke stem smachtende liederen aan de
+liefde gewijd.
+
+</p>
+<p id="d0e1211">Toen het twaalf uur sloeg, ontrukte zij zich uit zijn omarming en verdween. Een ring had zij in zijn hand achtergelaten. In
+zijn kamer teruggekeerd, las hij de daarop gegraveerde woorden: &#8220;Gij zijt de mijne.&#8221; Opeens stond het luid kloppende hart
+van den ridder seconden lang stil, toen hij tot besef van zijn trouwelooze handelwijze kwam. De rest van den nacht bracht
+hij, geheel ontnuchterd in wakenden toestand door. Met een haastige, doch hartelijke dankbetuiging aan den ouden gastheer,
+verliet hij tegen het aanbreken van den morgen den eenzamen burcht. Geen blik wierp hij achter zich. Een vriendelijk herder
+geleidde hem naar den straatweg. Uit diens mond vernam Guntram, terwijl hij doodsbleek werd, het geheim van deze afgelegen
+Waldburg:
+
+</p>
+<p id="d0e1213">De bejaarde ridder, die hem gastvrij ontvangen had, was eens de vader van een dochter, Gerlinde genaamd. Zij was zoo schoon
+als een engel, doch niet zoo braaf als een engel. Zij had van de vele minnaars, die om haar hart <span class="pageno"><a id="d0e1215"></a>Bladzijde 75</span>dongen, in zondige vermetelheid de meest ongehoorde daden ge&euml;ischt, die hun allemaal het leven gekost hadden. Toen is er eens
+een troostelooze moeder van een van deze onzalige jongelingen voor het goddelooze meisje getreden en heeft de vloek des hemels
+over haar zondig hoofd afgesmeekt. En voordat het weer volle maan werd, haalde de dood &#8217;s nachts de jonkvrouw uit de Waldburg.
+Sedert dien tijd dwaalde haar geest in het slot rond, teneinde elken mannelijken gast door haar vroegere bekoring te betooveren.
+Slechts de man, die aan haar verzoeking weerstand kon bieden, kon haar verlossen. Wie zich daarentegen door haar verlokken
+liet, stierf binnen driemaal negen dagen. Toen Guntram, bleek van schrik, deze boodschap uit den mond van den herder vernomen
+had, reed hij ontsteld weg. Op Falkenburg verwachtte zijn kuische bruid hem vol verlangen. Op dringend verzoek van den bruigom
+werd de bruiloft op den volgenden dag bepaald. In de feestelijk versierde burchtkapel stond Guntram met de allerliefste dochter
+van den ridder van Falkenburg voor het altaar. Toen echter de priester beider handen in elkaar wilde leggen, trad, slechts
+zichtbaar voor den bruigom, de spookachtige jonkvrouw van de Waldburg tusschenbeide en legde haar ijskoude hand in <span class="pageno"><a id="d0e1217"></a>Bladzijde 76</span>de zijne. En Guntram zonk, van zijn zinnen beroofd, op den steenen vloer neer.
+
+</p>
+<p id="d0e1219">Met teedere toewijding verzorgde de bekommerde bruid den geliefden man. Toen hij de oogen weer opsloeg, bekende hij haar berouwvol
+zijn wederwaardigheden op de Waldburg. Dietlinde&#8217;s liefde was zoo groot, dat zij den berouwvollen geliefde alles vergaf. De
+priester werd nogmaals geroepen en verbond hen in den echt. En, nadat ze driemaal negen dagen van zalig geluk doorgebracht
+hadden, ging graaf Guntram liggen en ontsliep vol berusting in de armen van zijn trouwe gade.
+
+</p>
+<p id="d0e1221">Dietlinde treurde aan de zijde harer moeder zeer om den verloren echtgenoot en bad veel voor de eeuwige rust van zijn ziel.
+Zij schonk het leven aan een zoon dien zij ook Guntram noemde. Zij voedde hem op in liefde voor zijn vader, dien hij nooit
+gekend had.
+<span class="pageno"><a id="d0e1223"></a>Bladzijde 77</span></p><a id="d0e1224"></a><h1>Sooneck</h1><a id="d0e1227"></a><h2>De blinde schutter</h2>
+<p id="d0e1230">Op het rotsnest Sooneck, viert Siebold, de vermetelste der roofachtige arenden van den Rijn een losbandig feest. Op de rustbanken
+in de staatsiezaal liggen lichtzinnige vrouwen met gekrulde haren en geblankette wangen in de armen van dronken feestgenooten.
+En terwijl de muzikanten speelden en gevulde wijnkannen het kostbare maal bespoelden, sprak de burchtheer met een door den
+drank verhit gelaat en glimmende dronkemansoogen aldus:
+
+</p>
+<p id="d0e1232">&#8220;Veeledele vrouwen (hier bulkten de wellustige drinkebroers het uit) en veelvrouwige edelen! (brutaal gichelden de hetaeren.)
+Na spijs en drank genoten te hebben, zou de gastheer u gaarne zooveel mogelijk verstrooiing bezorgen. Ik zal u dus een gevreesd
+dier uit mijn kerker doen aanschouwen.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1234">Terwijl de vrouwen angstig in hun kussens wegdoken en de mannen vol verwachting den spreker aanzagen, gingen de deuren der
+zaal open. Door twee knechten geleid, schreed een <span class="pageno"><a id="d0e1236"></a>Bladzijde 78</span>man met verwaarloosde haren en baard in een harig gevangenisgewaad over den drempel. Een angstig gefluister deed zich onder
+de dischgenooten hooren, en aller blikken vestigden zich op het gerimpeld gelaat, waarin men achter de moe neergeslagen oogleden
+de ledige oogkassen ontwaardde. Weder begon de burchtheer op overmoedigen toon: &#8220;Aanminnige vrouwen en ridderlijke mannen!
+Eens was Hans Veit von F&uuml;rsteneck de beste schutter van den geheelen Rijn. Met hem vocht ik in een hevigen strijd op leven
+en dood. Hij dolf het onderspit.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1238">&#8220;Zonder helm, met gespleten schild en gebroken zwaard lag ik, uit dertien wonden bloedende, voor je en wachtte moedig den
+laatsten lanssteek af,&#8221; mompelde de gevangene met een stem, die uit een graf scheen te komen. En angstig zwegen alle aanwezigen.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1240">&#8220;Ik had te veel medelijden met hem om hem dood te steken,&#8221; riep Siebold von Sooneck lichtzinnig uit, &#8220;en daarom liet ik hem
+slechts de beide oogen uitsteken en plaatste de beste schutter van den Rijn bij mijn andere rariteiten.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1242">&#8220;Mijn uitgestoken oogen zien je spotternij,&#8221; sprak de gevangene streng.
+
+</p>
+<p id="d0e1244">&#8220;En toch heerscht er nog een ridderlijke geest op Sooneck,&#8221; verklaarde de burchtheer.
+
+</p>
+<p id="d0e1246">&#8220;Zoo hoor dan: mijn knechten hedden mij <span class="pageno"><a id="d0e1248"></a>Bladzijde 79</span>meegedeeld, dat gij, zelfs blind zijnde, in staat zijt een uw opgegeven mikpunt met den pijl te treffen. Indien gij hiervan
+het bewijs kunt leveren, dan is de vrijheid uw loon.&#8221; Donderende bijvalsbetuigingen der gasten begeleidden deze woorden.
+
+</p>
+<p id="d0e1250">&#8220;De dood zou mij aangenamer zijn dan het leven,&#8221; mompelde de blinde. Toen verlangde hij, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat
+eensklaps veranderde, pijl en boog. In een hoek, tegen elkaar aan gedrukt, sloegen de gasten zijn bewegingen gade.
+
+</p>
+<p id="d0e1252">De heer van Sooneck had een beker ter hand genomen en gelastte den gevangene op het geluid af op dat voorwerp te schieten.
+Met een zilveren klank valt in het volgend oogenblik een beker op den grond. &#8220;Schiet op nu,&#8221; klinkt Siebolds stem&#8212;en een pijl
+treft hem doodelijk in den mond. Rochelend als een slachtdier zonk, de aan den dood overgeleverde, ter aarde. Zwijgend en
+stil met de oogholten gapend geopend, stond de blindgemaakte man daar, het verwilderde hoofd op de onstuimig ademende borst
+gebogen. Als een zwerm opgejaagde kraaien stoven de heeren en de bevallige vrouwen uit elkaar, en bij het verstijfde lijk
+van Siebold van Sooneck prevelden de knechten en edelknapen een stil gebed.
+<span class="pageno"><a id="d0e1254"></a>Bladzijde 80</span></p><a id="d0e1255"></a><h1>Lorch</h1><a id="d0e1258"></a><h2>De vrouw van den Wispermolenaar</h2>
+<p id="d0e1261">In den ouden tijd heeft in het woeste dal achter Lorch, dat de Wisperbeek doorstroomt, een molen gestaan. Eens, toen de molenaarsvrouw,
+een opgewonden jonge vrouw aan het werk was, moet haar een stem toegefluisterd hebben, dat ze naar den Kammerberg moest opstijgen
+en den schat halen, die in den toren verborgen lag; de sleutel bevond zich in de kist. De molenaarsvrouw keek verschrikt om,
+maar toen ze niemand zag, kwam ze tot de overtuiging, dat de een of andere onzichtbare grappenmaker haar voor den gek gehouden
+had. Den volgenden dag echter, toen zij aan de beek de wasch spoelde, fluisterde haar wederom een zachte stem in het oor:
+&#8220;Ga naar den Kammerberger toren en haal den schat. De sleutel ligt in de zwarte kist.&#8221;
+
+</p>
+<div id="d0e1263" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p080.jpg" alt="Siegfried bij den lijkbaar"></p>
+<p class="figureHead">Siegfried bij den lijkbaar</p>
+<p id="d0e1266">Naar het schilderij van Emil Lauffer. </p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1269">Toen heeft de vrouw de wasch laten liggen, en haar man het tooversprookje, zooals zij het <span class="pageno"><a id="d0e1271"></a>Bladzijde 81</span>vernomen had, medegedeeld. Deze echter heeft haar voor een domme vrouw uitgemaakt en schertsend gezegd, dat in zijn meelkast
+een vertrouwbaarder schat lag, dan in de zwarte kist.
+
+</p>
+<p id="d0e1273">De molenaarsvrouw kon de woorden, die haar ingefluisterd waren maar niet vergeten, en steeds heviger maande de verlokkende
+stem van het spreukje, totdat zij haar geheel in haar macht had.
+
+</p>
+<p id="d0e1275">Den volgenden morgen, toen de molenaar uitgereden was om een lading meel naar Lorch te brengen, heeft zijn vrouw den molen
+verlaten, en is met haar jongste kind op den arm den weg naar den Kammerberg opgegaan. Toen zij boven aan de ru&iuml;ne kwam, is
+het haar wel angstig te moede geworden, en was zij gaarne omgekeerd, maar wederom klonk de fluisterende stem aan haar oor,
+die haar mededeelde, dat haar niets deren zou, slechts spreken mocht ze geen syllabe. Wanneer ze zich hieraan hield, dan zou
+de schat haar eigendom zijn.
+
+</p>
+<p id="d0e1277">Moedig is de vrouw toen het donkere torengewelf binnengetreden, heeft haar knaapje buiten voor den ingang neergezet en de
+zwarte kist opgezocht. Zij heeft haar ook gevonden, evenals den sleutel, die daarin lag. Hiermede heeft ze de grootere kist
+geopend, die achter <span class="pageno"><a id="d0e1279"></a>Bladzijde 82</span>in het gewelf stond en toen ze het zware eikenhouten deksel oplichtte, straalde haar een hoop schitterende goudstukken tegen.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1281">Met begeerige handen tastte de vrouw toe, opeens echter begon het knaapje angstig kermend: &#8220;Moeder, Moeder!&#8221; te roepen, want
+een slang ritselde naast hem in het met bloemen versierde gras. De vrouw wendde zich om en riep wrevelig uit: &#8220;Wat is er,
+jongen?&#8221; Op hetzelfde oogenblik ratelde een donderslag, die de gehurkt zittende vrouw op den grond wierp en vreeselijk weergalmde
+het nu door het gewelf: &#8220;Wee mij, dat gij gesproken hebt! Wederom moet ik honderd jaren onbevrijd blijven! Wee mij en u!&#8221;
+
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1283">Tegen den middag is de molenaar teruggekomen en heeft de molen leeg gevonden. Zijn knecht heeft hem medegedeeld, dat de molenaarsvrouw
+&#8217;s morgens den Kammerberg opgegaan was, met haar jongste kind op den arm. Een droevig voorgevoel is bij den molenaar opgekomen
+en als ging hij op vleugelen is hij den Kammerberg opgesneld. Rustig was het in den ouden burcht. In het gras zat zijn knaapje
+te spelen en strekte juichend de armen naar den vader uit. Toen hij op het kind toesnelde, <span class="pageno"><a id="d0e1285"></a>Bladzijde 83</span>hoorde hij zacht kermen in de gewelven van den toren en toen hij ontzet naar binnen vloog, vond hij zijn vrouw op den grond
+uitgestrekt liggen.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1287">Een bleeke man is in den molen van Wisperbach weergekeerd. Drie dagen daarna heeft het molenrad stil gestaan. Op het Lorcher
+kerkhof heeft men toen de vrouw van den Wispermolenaar aan de aarde toevertrouwd. Sedert dien tijd heeft niemand het gewaagd,
+den schat te verkrijgen.
+<span class="pageno"><a id="d0e1289"></a>Bladzijde 84</span></p><a id="d0e1290"></a><h1>Ruine F&uuml;rstenberg</h1><a id="d0e1293"></a><h2>De geest der moeder</h2>
+<p id="d0e1296">Hoewel de burchtheer Lambert von F&uuml;rstenberg een levenslustig en genotzuchtig ridder was, zoo toch was hij zijn zachtzinnige
+gemalin Wiltrud, die van het geslacht der Florsheimers afstamde, zeer genegen, vooral nadat deze hem een zoontje geschonken
+had. Op een dag echter heeft het ongeluk zijn intrede in het kasteel gedaan in de gedaante van een jonkvrouw, Luckharde genaamd.
+Zij was de eenige, plotseling wees geworden, dochter uit een geslacht, waarmee de F&uuml;rstenbergers sedert oudsher bevriend geweest
+waren, een ontluikende vrouwelijke schoonheid, die niettegenstaande haar achttien lentes reeds een statig meisje en een verleidelijke
+schoonheid voor de mannen was.
+
+</p>
+<p id="d0e1298">De zachtzinnige burchtvrouw meende argeloos, dat Luckharde, die zij vol liefde in haar kring opgenomen had, haar, die sedert
+de geboorte van haar knaapje ziekelijk was, bij de huiselijke bezigheden gaarne behulpzaam zou <span class="pageno"><a id="d0e1300"></a>Bladzijde 85</span>zijn en zusterlijke liefde met wederliefde vergelden zou. Maar Luckharde&#8217;s geest hield zich meer bezig met beuzelarijen en
+vermaak, dan met huiselijkheid en vrouwelijke bezigheden. Hoe meer de maanden verstreken en haar verderfelijke schoonheid
+zich gelijk een donkere roos ontwikkelde, des te meer gelukte het haar, het hartstochtelijke hart van den burchtheer voor
+zich te winnen.
+
+</p>
+<p id="d0e1302">Onmerkbaar, doch geleidelijk kwam de ridder steeds meer onder de betoovering van de schoone vrouw, totdat de dag aanbrak,
+waarop vrouw Venus hen geheel in haar macht had.
+
+</p>
+<p id="d0e1304">Wiltruds oogen waren niet blind voor de goddelooze handelingen van den trouweloozen echtgenoot; maar door haar langdurige
+ziekte vond zij niet de kracht, de zonde met vlammend zwaard te bestrijden. Intusschen kwam door de heerschzucht en het verterende
+vuur der liefde het duivelsche plan in Luckharde&#8217;s hoofd tot rijpheid, om de gemalin van den heer Lambert uit den weg te ruimen.
+Op een nacht sloop de zondige vrouw in de kamer der burchtvrouw, naderde gelijk een kat de legerstede der sluimerende en verstikte
+de benijde Wiltrud, die te laat en zonder resultaat zwijgend weerstand bood, koelbloedig met haar kussen.
+
+</p>
+<p id="d0e1306">De droefheid over de meesteres, die volgens <span class="pageno"><a id="d0e1308"></a>Bladzijde 86</span>iedereen aan een gebroken hart gestorven was, was vooral onder het dienstpersoneel van den graaf zeer groot, doch bij hem
+zelf uiterst gering. In de armen van de zwartgelokte minnares vergat de heer Lambert spoedig zijn gemalin, en reeds na eenige
+weken nam Luckharde de plaats van de overleden burchtgravin in. Het knaapje, dat Wiltrud den ontrouwen echtgenoot nagelaten
+had, was de tweede vrouw tot ergernis. Zij wees den door genot willoos geworden F&uuml;rstenberg op de kinderen, die zij hem hoopte
+te schenken en zette het door, dat de eerstgeboren, natuurlijke zoon van den ridder in een afgelegen kamertje van den burcht
+aan de zorg van een brommige oude vrouw toevertrouwd werd.
+
+</p>
+<p id="d0e1310">Op een nacht, toen de oude plotseling ontwaakte, zag ze, dat zich een vrouwengedaante in een wit golvend kleed over het bedje
+van het knaapje, dat naast haar sliep, vol zorg boog en hem zegende. De oude heeft toen een kruis gemaakt en tot de veertien
+beschermheiligen gebeden. In alle vroegte, met de kenteekenen van den doorgestanen angst op haar gelaat, is zij naar de burchtvrouw
+gesneld, en heeft haar met bevende lippen de gebeurtenis verhaald, lachend heeft de lichtzinnige Luckharde het ongeloofelijke
+sprookje aangehoord, maar is <span class="pageno"><a id="d0e1312"></a>Bladzijde 87</span>toen op eens nadenkend en ernstig geworden. Zij heeft de oude vrouw bevolen zich den eerstkomenden nacht een legerstede bij
+het andere dienstpersoneel te bereiden, het kind echter in de torenkamer te laten. In haar met schuld bevlekte ziel was de
+veronderstelling opgekomen, die daarop als lood drukte, dat deze nachtelijke geest wellicht Wiltrud in eigen persoon kon zijn,
+die men bij vergissing voor dood gehouden had.
+
+</p>
+<p id="d0e1314">Zonder angst of gewetenswroeging bereidde ze zich tegen het aanbreken der duisternis een legerstede in de torenkamer. Een
+moorddadigen dolk hield haar rechterhand omklemd, en vastberaden zag de zondares den nacht tegemoet. En wederom vertoonde
+zich tegen middernacht de vrouwengestalte in het witte golvende gewaad, die de legerstede van den sluimerenden jongen naderde,
+hem verzorgde, kuste en zegende.
+
+</p>
+<p id="d0e1316">Terwijl Luckharde met starende oogen, bewegingloos bleef liggen, werd de nachtelijke verschijning steeds grooter, tot in het
+oneindige. Al dichter boog ze zich tot de liggende over, en het doodsbleeke gelaat van Wiltrud staarde met levenlooze verwijtende
+oogen de zondige vrouw aan. Het scheen deze, alsof een overhangende rots op haar hijgende borst nederstortte om <span class="pageno"><a id="d0e1318"></a>Bladzijde 88</span>haar te verstikken. Met een laatste krachtsinspanning gaf zij de verschijning een steek met haar dolk; maar het was, alsof
+het wapen een nevelachtig omhulsel doorboorde, en Luckharde bespeurde met steeds toenemend afgrijzen, dat de wezenlooze gedaante
+de geest van de vermoorde burchtvrouw was.
+
+</p>
+<p id="d0e1320">Geheel verpletterd door het besef van haar begane schuld, hoorde zij een stem, die uit een andere wereld scheen te komen,
+haar toeroepen: &#8220;Doe boete, doe boete!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1322">Den volgenden morgen wachtte de heer Lambert tevergeefs op zijn gemalin. In plaats van haar, vond hij een reep perkamentpapier,
+waarop Luckharde hem in berouwvolle woorden beleed, hoe zij zich in toomeloozen hartstocht aan zijn eerste vrouw vergrepen
+had, en hoe haar de geest van de overledene dezen nacht verschenen was, om haar aan den omvang van haar zonde te herinneren.
+De rest harer dagen wilde zij haar schuld in een klooster boeten. Zij verzocht haar vroegeren minnaar hetzelfde te doen.
+
+</p>
+<p id="d0e1324">De heer Lambert von F&uuml;rstenberg werd door deze mededeeling diep getroffen. Ook hij kwam tot inkeer, vertrouwde het slot en
+kind aan de zorg van den jongeren broeder toe en trok zich, tot aan het einde van zijn dagen, als kluizenaar in de eenzaanheid
+terug.
+<span class="pageno"><a id="d0e1326"></a>Bladzijde 89</span></p><a id="d0e1327"></a><h1>Bacharach</h1><a id="d0e1330"></a><h2>Burcht Stahleck</h2>
+<p id="d0e1333">Het oude Bacharach heeft ook eenmaal schoone tijden gekend. Reeds lang voordat de vurige Bacharacher wereldberoemd werd&#8212;het
+was in het tijdperk, toen de grootvader de grootmoeder nam&#8212;werd hij door buitenlandsche wijnkenners in Romeinsche en Etrurische
+bokalen met liters tegelijk gedronken. Destijds hebben de dankbare drinkebroers ter eere van hun Wijngod op een rotsblok,
+dat zich tusschen een eiland en den rechteroever uit den vloed verheft, een altaar opgericht, en de Romeinen hebben ter eere
+van Bacchus, den lieftalligen knaap, de stad den naam gegeven, dien hij nu nog draagt. Al zijn ook de opschriften sedert langen
+tijd onleesbaar geworden, zoo weten de inwoners van Bacharach thans de oorspronkelijke beteekenis van den &#8220;Elterstein&#8221; (altaarsteen)
+nog zeer goed, en nog altijd verkleeden de schippers in overmoedige scherts een stroopop als Bacchus&#8212;evenals de boeren van
+Mecklenburg <span class="pageno"><a id="d0e1335"></a>Bladzijde 90</span>in den oogsttijd hun Wodan&#8212;plaatsen hem op den Elterstein en varen al zingende om hem heen.
+
+</p>
+<p id="d0e1337">Iets hooger dan Bacharach ligt de ru&iuml;ne van de vesting Stableck. Ten tijde van Koenraad, den eersten keizer der Staufen, woonde
+daar een jong, eerzuchtig ridder, Paltsgraaf Herman. Hij was de neef des keizers en trotsch op deze hooge verwantschap, streefde
+de onbezonnen strijder naar uitbreiding van zijn paltsgraafschap. Hij begeerde niets minder, dan zich de bezittingen van de
+beide aartsbisschoppen van Mainz en Trier, die aan zijn gebied grensden, gedeeltelijk toe te eigenen. Hij beriep zich hierbij
+op rechten, die hij meende te bezitten. De naijver, die destijds onder de geestelijke en wereldlijke machthebbenden bestond,
+maakte, dat zich vele naburige ridders als bondgenooten aan hem opdrongen, en vermetel begon de paltsgraaf zijn strijd met
+de bestorming van de Moezelvesting Trier, die bij de Triersche parochie behoorde.
+
+</p>
+<p id="d0e1339">Adalbert von Monstereil, een moedig man, voerde destijds de heerschappij over de bisdommen Trier en Metz. Hij verzamelde dadelijk
+al zijn mannen, om den vermetelen roover van den wederrechtelijk veroverden burcht te verdrijven. De stoutheid van den paltsgraaf
+had <span class="pageno"><a id="d0e1341"></a>Bladzijde 91</span>hem overbluft, en de overmacht van zijn tegenstander stemde hem tot nadenken. Maar de aartsbisschop Adalbert was een verstandig
+man; op den morgen, dat de zijnen den burcht wilden bestormen, hield hij met het kruis in de hand een geestdriftige rede tot
+de ruiters. Hij deelde hun mede, dat de aartsengel Micha&euml;l hem in den afgeloopen nacht verschenen was, hem dit kruis overhandigd
+had en een zekere overwinning toegezegd had, indien elk strijder, in het vaste vertrouwen op de onzichtbare hulp van boven
+den vijand aantastte.
+
+</p>
+<p id="d0e1343">De redevoering van den aartshertog bracht zijn krijgslieden in geestdrift en wekte hen op tot woeste dapperheid. Geleid door
+hun veldheer, die met het kruis in de hand allen voorging, bestormden zij den burcht en versloegen het leger van den paltsgraaf.
+In hulpelooze vlucht stoven zijn troepen uit elkaar, en diep vernederd moest de eerzuchtige Stableck van de voortzetting van
+den strijd met den Trierer aartsbisschop afzien.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1345">Zeer krenkte hem de smadelijke nederlaag, die hij geleden had. Met nog grooteren haat dacht hij aan zijn geestelijken buurman.
+Uit verbleekte <span class="pageno"><a id="d0e1347"></a>Bladzijde 92</span>documenten meende hij op te maken, dat hij werkelijk recht had op een gedeelte van het welvarende land, dat de bisschop van
+Mainz bezat, en hij liet niet na bij den bisschopsstoel te Mainz zijn aanklacht in te dienen. Met kouden spot werd zijn verzoek
+door den ernstigen Amold von Solnhofen opgenomen.
+
+</p>
+<p id="d0e1349">&#8220;Ik zal met dat paltsgraafje even gauw klaar zijn als met de stijfhoofdige inwoners van Mainz, waarvan velen het berouwen,
+dat ze zich tegen hun bisschop en kerkvoogd verzet hebben.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1351">Dreigend moet Arnold deze woorden uitgeroepen hebben, terwijl hij het verzoekschrift van den paltsgraaf verscheurde. Stableck
+werd deze uitspraak medegedeeld en weenend smeekte zijn jonge vrouw hem, niet ten tweede male de hand tegen den gezalfde des
+Heeren op te heffen. Hij echter keerde zich boos van haar af en zwoer zich op hem, die zoo schandelijk vermetel was zijn bezwaarschrift
+te verscheuren, te wreken. Het was hem bekend, dat von Solnhofen zich bij de inwoners van Mainz door zijn machtig regiment
+zeer gehaat gemaakt had, en hiermede wilde hij rekenschap houden, om den somberen tegenstander van land en kroon te berooven.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1353">Wederom rustte Stableck, vereenigd met verscheidene <span class="pageno"><a id="d0e1355"></a>Bladzijde 93</span>moedige ridders zich uit tot den strijd tegen een kerkedienaar. In Mainz gistte het onder de burgers, en daarbuiten rukte
+de paltsgraaf met zijn mannen aan. De aartsbisschop was buiten zich zelf van woede, en in zijn duistere ziel smeedde hij een
+vreeselijk plan. Door twee gehuurde landsknechten werd de paltsgraaf verraderlijk vermoord. Groot was de droefheid van zijn
+ongelukkige gade.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1357">De oproerige inwoners van Mainz hebben den wreeden landvoogd spoedig daarna afgezet, nadat ze zijn paleis stormenderhand genomen
+hadden. Met gloeiende wraak in het hart is hij teruggekeerd. Te vergeefs waarschuwden zijn vrienden hem, tevergeefs schreef
+Hildegard, de beroemde profeten hem uit het klooster Rupertusburg bij Bingen: &#8220;Keer terug tot den Heer, dien gij verlaten
+hebt: uw uur is geslagen.&#8221; Hij wilde daar niet naar hooren en zoo werd hij in de abdij bij den Jakobsberg voor de stad, waar
+hij toen verblijf hield, door de oproerlingen vermoord.
+<span class="pageno"><a id="d0e1359"></a>Bladzijde 94</span></p><a id="d0e1360"></a><h2>Burcht Gutenfels</h2>
+<p id="d0e1363">Op een rots bij Kaub stond in de middeleeuwen de burcht van den heer van Falkenburg. Omstreeks het midden der dertiende eeuw
+werd hij door graaf Philip met zijn zuster Guta bewoond. De jonge gravin Guta was een buitengewoon lieftallige verschijning
+en vele ridders dongen om haar hand. Maar geen een had succes gehad; de jonkvrouw had volstrekt geen verlangen, het gezellige
+samenwonen met haar geliefden broeder, voor dat met een anderen man te ruilen.
+
+</p>
+<p id="d0e1365">Eens werd in Keulen een prachtig tournooi gehouden. Uit alle plaatsen van het rijk, zelfs uit Itali&euml; en Engeland waren ridders
+overgekomen. Ontelbaar was de menigte toeschouwers, groot het aantal van hen, die hier om den prijs, welken zij uit een schoone
+hand ontvangen zouden, met de wapenen streden. Onder hen bevond zich ook een ridder uit Engeland, die vooral door zijn flinke
+houding en <span class="pageno"><a id="d0e1367"></a>Bladzijde 95</span>prachtige wapenrusting opviel. Hij streed met gesloten vizier en werd door de commissie van het tournooi als de leeuwenridder
+afgeroepen, want een gouden leeuw versierde zijn schild.
+
+</p>
+<p id="d0e1369">Spoedig ook baarde de Brit door zijn meesterlijke wijze van strijden opzien, en toen het hem gelukte zijn tegenstander, een
+der meest gevreesde duellisten, met den lans uit den zadel te lichten, ging er een luid gejuich op. Onder de toeschouwers
+bevond zich ook de ridder van Falkenstein met zijn zuster. Ook Guta had met groote belangstelling den vreemden ridder gedurende
+het tournooi gadegeslagen, en het speet haar zeer, den gemaskerde niet in het aangezicht te kunnen zien.
+
+</p>
+<p id="d0e1371">Deze gelegenheid deed zich echter spoedig voor, toen de Brit als overwinnaar uit het strijdperk getreden was. Een zeldzaam
+gevoel, zooals ze vroeger nooit gekend had, kwam over de jonkvrouw, toen ze het mannelijk schoon gelaat van den Engelschman,
+nu onbedekt, voor zich zag. Haar verwarring steeg nog meer, toen men haar verzocht, den overwinnaar den prijs, een gouden
+lauwerkrans te overhandigen.
+
+</p>
+<p id="d0e1373">Of de ridder op het gelaat der bekoorlijke jonkvrouw las, wat deze te vergeefs trachtte te verbergen? Of er op het oogenblik,
+waarop hij voor het bevallige meisje neerknielde en <span class="pageno"><a id="d0e1375"></a>Bladzijde 96</span>zij met bevende hand den krans op zijn hoofd legde, een vonk van de vlam, die plotseling haar binnenste verteerde, flikkerend
+in zijn ziel gevallen was?
+
+</p>
+<p id="d0e1377">Wie weet het? Hierover zwijgt de sage.
+
+</p>
+<p id="d0e1379">Toen zij echter later tegenover elkaar stonden en verlegen met elkaar spraken, hij haar verstolen bewonderend, en zij haar
+gevoelens nauwelijks meester, kwam de liefde zacht aangeslopen. En toen &#8217;s avonds de dansmuziek in de feestzaal weerklonk
+en de schoone Brit niet van Guta&#8217;s zijde week, kwam de liefde schroomvallig aangeslopen, eerst verlegen, totdat zij zich eindelijk
+met gloeiende woorden over de bevende lippen drong, en deze elkaar bekenden, wat de oogen reeds lang verraden hadden.
+
+</p>
+<p id="d0e1381">De trotsche vreemdeling had Guta om haar wederliefde gesmeekt en haar bezworen, hem trouw te blijven. Binnen drie maanden
+zou hij uit het vaderland, waarheen dringende plicht hem riep, wederkeeren. Eerst dan zou hij openlijk op den burcht haars
+broeders om haar hand dingen en zijn naam noemen, want een tevoren afgelegde belofte verbood hem dien thans mede te deelen.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1383"></p>
+<div id="d0e1384" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p096.jpg" alt="Heinrich Frauenlob"></p>
+<p class="figureHead">Heinrich Frauenlob</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1388">Liefde brengt gaarne elk offer; ook Guta nam gewillig de woorden van den geliefden man <span class="pageno"><a id="d0e1390"></a>Bladzijde 97</span>aan, en onder beloften van wederkeerige trouw scheidden de gelukkigen.
+
+</p>
+<p id="d0e1392">Vijf maanden waren sedert dien tijd verstreken. Over het onbeheerde Duitsche rijk was het keizerlooze, verschrikkelijke tijdperk
+gekomen. In het Zuiden, in Itali&euml; stierf Koenraad, de laatste regeerende vorst uit het huis der Staufen en in het Noorden,
+in Friesland versloegen oproerige boeren zijn tegenkoning Willem van Holland. Weer weerklonk bij de daarop volgende verkiezing
+van een keizer de kreet: Hier Welf! Hier Waiblinger! En terwijl aan dezen kant Alfons van Castilie tot koning uitgeroepen
+werd, kozen ze aan gene zijde Richard van Cornwallis, den ridderlijken broeder van den koning van Engeland. Eerstgenoemde
+Spanjaard is steeds een vorst van het Schimmenrijk gebleven en heeft nooit het land opgezocht, waar men hem een troontje bereid
+had. Daardoor kreeg Richard nog meer aanhangers, en in Aken werd hij plechtig gekroond. Vanuit de oude keizerstad maakte hij
+een reis door het Rijnland om de plaatsen, waaraan hij voornamelijk zijn verkiezing te danken had, te begroeten.
+
+</p>
+<p id="d0e1394">De lente had haar intrede in het Rijndal gedaan, en de vloed, de bergen en burchten werden door de heldere zon beschenen.
+Alleen <span class="pageno"><a id="d0e1396"></a>Bladzijde 98</span>op het gelaat der lieftallige jonkvrouw, die treurig in haar kamer in de vesting van Falkenstein zat, wilde geen zonnestraal
+verschijnen. Stil verdriet had daarop zijn stempel gedrukt, en sedert twee maanden werden de wangen van de jonkvrouw al bleeker
+en bleeker. Gedurende dien tijd had het verdriet, haar trouwe metgezel haar zeer dikwijls het beeld van den geliefden man
+in de meest verschillende gedaanten voor oogen getooverd. Nu eens zag ze hem in een bloedigen veldslag stervende met haar
+naam op de lippen, dan weer verscheen hij in haar verbeelding schertsend en lachend, met een meisje van het eiland aan den
+arm, op luchtigen toon spottend over zijn liefje aan den Rijn.
+
+</p>
+<p id="d0e1398">En steeds vervolgden haar deze gedachten, en steeds sterker kwam zij tot de overtuiging, dat de eerste, dien zij haar jonkvrouwelijke
+liefde geschonken had, haar vreeselijk bedrogen had. Steeds meer stond het verdriet op haar smal gezichtje te lezen, en te
+vergeefs trachtte Falkenstein zijn zuster op te vroolijken en te verstrooien.
+
+</p>
+<p id="d0e1400">Van den straatweg klonk trompetgeschal, en een groot aantal ridders hield stil voor den burcht. Guta bemerkte den stoet en
+trad van het venster terug, waar ze met beschreid gelaat <span class="pageno"><a id="d0e1402"></a>Bladzijde 99</span>gezeten had. Met ridderlijke gastvrijheid ontving de graaf de gasten en geleidde hen in de staatsiezaal.
+
+</p>
+<p id="d0e1404">Groot was zijn verbazing, toen hij in een heer van het schitterend gevolg den statigen Brit herkende, den overwinnaar van
+het tournooi te Keulen&#8212;plotseling schoot Falkenstein het bloed naar de wangen&#8212;den ontrouwen, in het geheim verloofde van zijn
+geliefde zuster Guta. De vriendelijkheid, die op zijn trekken lag, maakte plaats voor sombere ontstemdheid. De andere scheen
+dit te bemerken; hartelijk drukte hij de hand van den burchtheer en zeide tot hem:
+
+</p>
+<p id="d0e1406">&#8220;Ik ben Richard van Cornwallis, tot Duitsche keizer gekozen en hierheen gekomen, om u de hand te vragen van uw zuster Guta,
+die zich vijf maanden geleden te Keulen met mij verloofd heeft. Ik kom mijn belofte wel laat, maar met dezelfde trouw, na.
+Ik verzoek u, haar mijn aankomst te melden, zonder mijn naam te verraden.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1408">Diep boog de graaf van Falkenstein zich voor den doorluchtigen gast, en eerbiedig ver wijderde het gevolg zich uit het vertrek.
+Met onrustigen tred liep de bezoeker op en neer. Daar gingen de vleugeldeuren open en een bekoorlijke gestalte verscheen op
+den drempel, het <span class="pageno"><a id="d0e1410"></a>Bladzijde 100</span>fijne gelaat door opwindmg hoog gekleurd. Met een zachten kreet wierp Guta zich in de armen van den geliefden man. Minuten
+van stil geluk verstreken.
+
+</p>
+<p id="d0e1412">Onbemerkt was Falkenstein binnengetreden, die zijn zuster nu mededeelde, wien zij als toekomstigen echtgenoot omarmd hield.
+Toen kleurden de wangen van de lieftallige jonkvrouw zich door verlegenheid nog donkerder en bedeesd en aarzelend vlogen haar
+blikken naar den geliefde. Deze echter sloeg de armen om haar heen en verzekerde haar, dat zij alles, dus ook den troon met
+hem deelen moest.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1414">Eenige weken later werd de bruiloft van koning Richard met keizerlijke pracht op den burcht aan den Rijn gevierd, dien de
+overgelukkige Falkenstein, ter eere van zijn geliefde zuster Guta, den naam van Gutenfels gegeven had.
+<span class="pageno"><a id="d0e1416"></a>Bladzijde 101</span></p><a id="d0e1417"></a><h2>De Palts</h2>
+<p id="d0e1420">Onder Kaub ligt op een rotsachtig eiland in den Rijn een mooie vesting, sedert eeuwen bekend onder den naam van de Palts.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1422">Eenmaal had de liefde, die uit een koninklijk paleis verdreven was, in de donkere kamertjes van deze prachtige, met torens
+versierde vesting op het eiland een geheime samenkomst. Dat is echter reeds lang geleden. Het was ten tijde van Roodbaard.
+Destijds leefden als bannelingen op het door water omringde kasteel paltsgraaf Koenraads eigen vrouw en wettig kind, zijn
+aanvallig dochtertje Agnes.
+
+</p>
+<p id="d0e1424">En dit was aldus gekomen. De hemel had den paltsgraaf geen zoon geschonken, en dus moest de dochter erfgenaam der goederen
+worden. Machtige vorsten van het rijk hadden reeds om de hand van de sierlijke dochter van den paltsgraaf gedongen, en onder
+hen waren zelfs een hertog van Beieren en de koning van Frankrijk. Maar het meisje had reeds een keuze gedaan. De gelukkige
+was de jonge ridderlijke <span class="pageno"><a id="d0e1426"></a>Bladzijde 102</span>held van Brunswijk. Agnes had hem haar geheele hart geschonken en was zoo gelukkig, dat haar moeder dit verbond goedkeurde.
+Den paltsgraaf kon dit niet verborgen blijven, en deze ontdekking ontstemde hem zeer. Hertog Hendrik was een Welf en dus een
+rechtstreeksche vijand van zijn broer, den beheerscher der Staufen. De verwantschap met Brunswijk was daardoor onmogelijk,
+te meer, omdat de keizer reeds lang het plan koesterde, de dochter van den paltsgraaf aan een lid van zijn huis uit te huwelijken,
+opdat het paltsgraafschap voor de Waiblingers behouden bleef.
+
+</p>
+<p id="d0e1428">Met oprechte bezorgdheid herinnerde de paltsgraaf zich, dat de hertog van Brunswijk niet alleen een der schoonste mannen,
+maar ook een der moedigste strijders van de Duitsche ridderschap was. En zoo liet hij op een dag, nadat hij tot laat in den
+nacht over de netelige zaak nagedacht had, de Palts geheel opknappen, de donkere vertrekken, meer op hokken dan op kamers
+gelijkend, reinigen en in, orde brengen en verklaarde toen aan zijn gemalin en dochter Agnes, die hij beiden tot een tocht
+naar het eiland overgehaald had, dat hier nu voor onbepaalden tijd hun woonplaats zou zijn.
+
+</p>
+<p id="d0e1430">De waardige paltsgravin beklaagde zich zeer <span class="pageno"><a id="d0e1432"></a>Bladzijde 103</span>over de onrechtvaardige strengheid van haar heer gemaal en de schoone Agnes vergoot bittere tranen. Op verstandige wijze deelde
+Koenraad hun waarschuwend mede, dat zoolang zijn dochtertje niet van den Welf afzag, hij zijn noodzakelijk voornemen niet
+veranderen kon. Toen is hij zeer voldaan vertrokken, meenende een buitengewoon schrander plan uitgevoerd te hebben. De zalige
+jeugd lag echter reeds te ver achter hem, want anders had hij zich moeten herinneren, dat de liefde der jeugd&#8212;om een volstrekt
+niet dichterlijke vergelijking te gebruiken&#8212;evenals de spijker in den muur is: hoe meer men hem slaat, des te vaster houdt
+hij! Hij had zich ook te binnen moeten brengen, wat Salomo reeds in zijn Hooglied gezegd heeft: &#8220;De gloed der liefde is een
+vlam, die noch door stortbuien, noch door stormen uitgedoofd kan worden.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1434">En evenals de wind de vlammen aanwakkert en slechts de vonken uitdooft, zoo ging het ook hier met de scheiding der liefde;
+wat haar een hinderpaal moest zijn, dat werd haar juist ten voordeel. Beschut door de duisternis van den nacht bezocht de
+vermetele hertog der Welfen verkleed de vesting op het eiland. Agnes weigerde den geliefden man den toegang niet. Met vurige
+smeekbeden bestormden zij de moeder, <span class="pageno"><a id="d0e1436"></a>Bladzijde 104</span>opdat deze hun liefdesgeluk niet in den weg zou staan. De paltsgravin kon hieraan geen weerstand bieden.
+
+</p>
+<p id="d0e1438">Den volgenden dag, tegen het vallen van den avond, kwam er onbemerkt een priester op het eiland, die de hand van den Welf
+in die van de Staufin legde. In het lage vertrek van den burcht werd bij het bleeke schijnsel der kaarsen het huwelijk voltrokken.
+In het eenzame kamertje van de Palts hield de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend haar intocht.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1440">Maanden van ongestoord, stil geluk waren Verstreken. Dagen waren echter in aantocht, die de paltsgravin, nog meer dan de jonge
+vrouw met zorg tegemoet zag. Het was hu dringend noodzakelijk den paltsgraaf hetgeen gebeurd was, mede te deelen. Op een dag,
+toen hij voor het eerst na langen tijd op het kasteel verscheen, viel zijn dochter hem te voet en onthulde hem een dubbel
+geheim. Eerst moet de waardige paltsgraaf als een steenen beeld gestaan hebben, maar toen in alle hem bekende talen geraasd
+en getierd hebben, totdat zijn zachtzinnige gemalin hem met zachte, vleiende woorden smeekte zijn dochter te ontzien, die
+<span class="pageno"><a id="d0e1442"></a>Bladzijde 105</span>wel bijzondere zorg noodig had. Toen is de vreeselijke toorn bedaard, en daar zijn trouwe echtgenoote hem nu zeide, dat hij
+zelf onbewust medegewerkt had, om een bitteren geslachtshaat door zijn geliefd kind te doen eindigen, toen ontspanden zijn
+harde trekken zich. Geleidelijk werden ze zacht en zachter, en eindelijk heeft de paltsgraaf zich tot zijn dochter overgebogen,
+haar zeer teeder bij den naam genoemd, en op de door water omringde vesting op het eiland is zacht de engel der verzoening
+nedergedaald.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1444">Paltsgraaf Koenraad is aan het hof van keizer Roodbaard te Speyer verschenen en heeft zijn keizerlijken broeder met een zuurzoet
+gezicht het voorgevallene meegedeeld. De oude Roodbaard heeft daarbij geglimlacht en den edelen heer Koenraad gedankt, dat
+hij een middel gevonden had om de Welfen en Staufen nader tot elkaar te brengen. Ook bood hij aan, peet te worden over het
+kindje, dat verwacht werd.
+
+</p>
+<p id="d0e1446">Vervolgens is in de Palts een prachtig feest gevierd, en eenigen tijd daarna, heeft in het eenvoudige kamertje van den burcht,
+waar <span class="pageno"><a id="d0e1448"></a>Bladzijde 106</span>eenige maanden geleden de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend haar intocht had gehouden, de eerste kreet van een kind
+de gelukkigste moeder in verrukking gebracht. Dit alles geschiedde volgens den wensch van den paltsgraaf.
+
+</p>
+<p id="d0e1450">Nog altijd toont men den bezoekers dit kamertje van de Palts als herinnering aan deze gebeurtenissen.
+<span class="pageno"><a id="d0e1452"></a>Bladzijde 107</span></p><a id="d0e1453"></a><h1>Oberwesel</h1><a id="d0e1456"></a><h2>De zeven jonkvrouwen</h2>
+<p id="d0e1459">Op een hoogte bij Oberwesel liggen de puinhoopen van een ridderburcht. Hij heette Sch&ouml;nburg en moet dezen naam te danken hebben
+aan zeven jonkvrouwen, die daar eenmaal gewoond hebben, en wier schoonheid ver door het Rijnland beroemd was. Zij waren zich
+hun bekoorlijkheid wel bewust, en toen het slot en bosch na den dood van den vader hun eigendom werden&#8212;door verdriet moet
+hij vroegtijdig gestorven zijn, daar de hemel hem geen zoon geschonken had&#8212;kwamen er vele vereerders opdagen, om naar de hand
+van een der zeven schoonheiden te dingen.
+
+</p>
+<p id="d0e1461">Maar de inborst der al te vroeg wees geworden zusters was zeer slecht, en de zwakke tucht van een oude tante vermocht hun
+overmoedigen, onvrouwelijken aard slechts ten deele te beheerschen. Toen nu ook dit familielid stierf, die bij hen de plaats
+der moeder bekleed had, brak de verderfelijke zucht naar <span class="pageno"><a id="d0e1463"></a>Bladzijde 108</span>vrijheid bij de levenslustige meisjes nog meer los.
+
+</p>
+<p id="d0e1465">Van de trotsche, schoone zusters van den burcht Sch&ouml;nburg bij Oberwesel deden vele vreemde verhalen de ronde, hoe ze uitreden
+en woeste jachtpartijen, ja zelfs de valkenjacht meemaakten, hoe ze menig knap ridder, die van een der jonkvrouwen de hand
+vroeg, eerst voor den gek hielden en hem door hun schandelijke behaagzucht in verrukking brachten, om den verliefden aanbidder
+ten slotte met spot en hoon af te wijzen.
+
+</p>
+<p id="d0e1467">Vervuld van schaamte en toorn heeft menig ridder den burcht bij Oberwesel verlaten en met verontwaardiging en verachting de
+namen der sirenen uit zijn gedachte verbannen, die eerst aan het oprecht gemeende aanzoek met gehuichelde bedeesdheid gehoor
+gaven, om dan den overgelukkigen minnaar met spottenden lach te verklaren, dat zij de vrijheid veel te lief hadden, dan dat
+ze die voor een man opofferen wilden.
+
+</p>
+<p id="d0e1469">Ongelukkigerwijs waren er toch altijd dwaze lieden, die deze praatjes niet geloofden en op den naam en manieren afgingen en
+hun geluk bij de zusters beproefden. Bij allen eindigde deze proefneming treurig. Geen aanbidder was het tot nu toe gelukt
+het hart van een dezer <span class="pageno"><a id="d0e1471"></a>Bladzijde 109</span>preutsche schoonen voor een dieperen indruk vatbaar te maken. Sedert eenige jaren hadden zij reeds hun laag spel gespeeld.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1473">Eens heerschte er wederom luidruchtige vroolijkheid in de staatsiezaal van het slot. Een schaar ridderlijke figuren waren
+om de schitterende tafel gezeten, en onder hen waren ook in het volle bewustzijn van hun zegevierende schoonheid de zeven
+jonkvrouwen, die elkaar nog overtroffen in overmoedige scherts.
+
+</p>
+<p id="d0e1475">Een onaangenaam voorval bedierf voor een oogenblik de feeststemming; twee ridders hadden om een der zusters twist gekregen,
+en de hevige ijverzucht wond de jeugdige gemoederen steeds meer op. In hevige spanning volgden de anderen den woordenstrijd
+van de twee medeminnaars. In den beginne scheen men behagen te scheppen in den ridderlijken strijd, maar later, toen ze reeds
+van de zwaarden gebruik wilden maken, trok men de jongelingen van elkaar.
+
+</p>
+<p id="d0e1477">Een gelukkig woord vond een der dischgenooten om de opgewonden menigte te kalmeeren. Men zou, om de herhaling van een dergelijken
+twist te voorkomen, er op aandringen, dat de jonkvrouwen eindelijk een beslissing namen, opdat elk der pretendenten&#8212;want ze
+bekenden allen dit te zijn&#8212;eindelijk zou weten, waaraan hij zich te houden had. Deze <span class="pageno"><a id="d0e1479"></a>Bladzijde 110</span>voorslag werd zeer toegejuicht, alleen de burchtfreules waren ontstemd en keurden dezen aanmatigenden wensch zeer af.
+
+</p>
+<p id="d0e1481">Met alle behaagzieke kunsten bestormden zij de minnaars, zoodat ieder van hen dacht, dat hij de uitverkorene was, en eindelijk
+werd een der zusters wankelmoedig. Haar volgde een tweede, en eindelijk, nadat ze lang zacht met elkaar gefluisterd hadden,
+verklaarden ze allen met lachenden mond en veelbelovende gelaatsuitdrukking, dat ze den volgenden morgen over het lot van
+hun aanbidders beslissen zouden.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1483">Het afgesproken uur brak aan, en in de staatsiezaal van het slot verzamelden de ridders zich in afwachting. Aller oogen hingen
+vol spanning aan de deur, waardoor de schoone meesteressen verschijnen zouden. De vleugeldeuren openden zich en een dienstbode
+meldde den ridders, dat de jonkvrouwen beneden in den tuin aan den oever van den vloed wachtten.
+
+</p>
+<p id="d0e1485">Snel begaven ze zich daarheen. Ontzettende verbazing teekende zich op hun gezichten af, toen zij beneden gekomen, de zusters
+in een boot aantroffen, die zacht aan den oever van den Rijn <span class="pageno"><a id="d0e1487"></a>Bladzijde 111</span>schommelde. Met een vreemdsoortig glimlachje wenkten zij de aankomenden; toen hief de oudste zich in de boot op en riep ver
+verstaanbaar:
+
+</p>
+<p id="d0e1489">&#8220;Geeft uw hoop op; want geen van ons zou het ooit invallen u te beminnen en te huwen. Wij hebben de vrijheid veel te lief,
+dan dat we die voor een man willen opofferen. Op een familiegoed in de buurt van Keulen denken we nog vele verliefde minnaars
+te ontnuchteren, evenals wij u gedaan hebben, edele heeren. De boot brengt ons daarheen. Vaarwel!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1491">Een spottend lachen besloot deze schimprede, en, terwijl het scheepje zich in beweging zette, weerklonk zevenmaal een spottende
+afscheidsgroet. Sprakeloos van schaamte en toorn stonden de bedrogen ridders daar. Op eens verhief zich een geweldige storm
+op de rivier. De boot wankelde en het lachen der zeven jonkvrouwen veranderde in gillend angstgeschreeuw. Het werd overstemd
+door het loeien der golven, die zich van de boot meester maakten en haar met haar inzittenden in de draaikolk begroeven.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1493">Op de plaats, waar deze jonkvrouwen, wier harten zoo hard als rotsen waren, in de diepte verdwenen, verhieven zich zeven rotspunten
+uit <span class="pageno"><a id="d0e1495"></a>Bladzijde 112</span>het water. Nog heden steken deze zeven steenen, de zeven preutsche jonkvrouwen van die streek, waarschuwend uit den vloed
+omhoog.
+
+</p>
+<p id="d0e1497"></p>
+<div id="d0e1498" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p112.jpg" alt="Bisschop Willigis in den Kloosterschool"></p>
+<p class="figureHead">Bisschop Willigis in den Kloosterschool</p>
+</div><p>
+<span class="pageno"><a id="d0e1502"></a>Bladzijde 113</span></p><a id="d0e1503"></a><h1>Rheinfels</h1><a id="d0e1506"></a><h2>De Georgslinde</h2>
+<p id="d0e1509">Boven het liefelijke stadje St. Goar ligt Rheinfels, een der meest grootsche ru&iuml;nen van den Rijn. In het midden der dertiende
+eeuw werd deze buitengewoon versterkte vesting door graaf Dietherr, die tot het beroemde geslacht der Katzenelnbogen behoorde,
+gebouwd. Reeds na verloop van een tiental jaren heeft zij bloedige gevechten voor haar onneembare muren gezien; toen zes en
+twintig steden aan den Rijn haar gedurende vijftien maanden, te vergeefs belegerden en duizenden strijders voor haar wallen
+den dood vonden.
+
+</p>
+<p id="d0e1511">Vervolgens heeft sedert eeuwen de vlag van den Hessischen landgraaf van haar tinnen gewapperd. Ten tijde der Fransche revolutie,
+die op de mogendheden, welke hun tusschenkomst wilden verleenen, haar woeste troepen afzond, werd zij door Gallische krijgswoede
+in puin geschoten.
+
+</p>
+<p id="d0e1513">Even weemoedig als de geschiedenis van dezen meest indrukwekkenden Rijnburcht is de <span class="pageno"><a id="d0e1515"></a>Bladzijde 114</span>sage, die uit den tijd, dat nog ridders en schildknapen de vertrekken vulden, aan dezen burcht verbonden is. De graaf van
+Rheinfels bezat een allerliefst dochtertje. Onder de vele pretendenten, die de jonkvrouw ten huwelijk vroegen, bevond zich
+ook Georg Br&ouml;mser uit R&uuml;desheim, en aan hem had ze haar hart geschonken. Niemand was daarover meer vertoornd, dan de ridder
+van Berge. Hij behoorde weliswaar tot een geslacht, waaruit eenmaal een Keulsch aartsbisschop gesproten was, maar hem ontbrak,
+behalve aardsche goederen ook in hooge mate een ridderlijk gemoed.
+
+</p>
+<p id="d0e1517">Daarom had de burchtheer van Rheinfels zich wel gewacht, zijn lieftallige dochter met haar aanzienlijken bruidschat aan van
+Berge toe te vertrouwen. Dit was de jonkvrouw volstrekt niet onaangenaam, want zij gevoelde voor den onstuimigen minnaar met
+zijn ruwe manieren niet de minste toeneiging. Daarentegen hing haar hart met innige liefde aan den ridder van Br&ouml;mser.
+
+</p>
+<p id="d0e1519">Zoo werd, nadat de gebruikelijke engagementstijd verstreken was, de bruiloftsdag bepaald. Op een morgen echter, bij het aanbreken
+van den dageraad is de heer van Br&ouml;mser op Rheinfels aangekomen, nadat hij den ganschen nacht op zijn dampend paard gezeten
+had. Hij <span class="pageno"><a id="d0e1521"></a>Bladzijde 115</span>bracht slecht nieuws. Zijn keizerlijk gebieder, Albrecht genaamd, had de ridderschap, die hem toegedaan was, ten strijde tegen
+de eedgenooten opgeroepen, die hun trouweed geschonden, de keizerlijke beheerders verjaagd en hun leenheer den oorlog verklaard
+hadden. De edelen van den Rijn hadden van den keizer een dringende oproeping gekregen ter bestrijding van dezen hooggaanden
+opstand. Als trouw vazal had de heer van Br&ouml;mser geen minuut over de beslissing geaarzeld.
+
+</p>
+<p id="d0e1523">Hij troostte de verdrietige bruid met liefdevolle woorden. In het vertrouwen op God berustte het meisje in haar treurig lot,
+en de graaf van Rheinfels prees de vastberadenheid van den schoonzoon. Voordat deze wegreed, nam hij een lindeboompje, dat
+hij buiten in een boschje ontworteld had, woelde met zijn zwaard den grond om en plantte het twijgje daarin.
+
+</p>
+<p id="d0e1525">Toen sprak hij tot zijn bruid:
+
+</p>
+<p id="d0e1527">&#8220;Verzorg de ontspruitende linde, die ik hier ter eere van mijn beschermheilige plant. Zoolang zij groen is, moet gij mij trouw
+blijven. Indien zij eens verdort&#8212;Sint Georg moge het genadiglijk verhoeden&#8212;dan moogt ge mij vergeten; want dan ben ik dood.&#8221;
+
+
+</p>
+<p id="d0e1529">Weenend wierp de bruid zich in de armen van den ridder. Met de rechterhand hield hij <span class="pageno"><a id="d0e1531"></a>Bladzijde 116</span>haar teeder omvat, met de linker hief hij zijn zwaard op en verzocht haar, het sprookje, dat daarin gegraveerd was, dagelijks
+op te zeggen. Het luidde:
+
+</p>
+<p class="poetry"><br id="d0e1534">hilf got, du ewigs wort,
+<br id="d0e1536">den leib hy, der fele dort,
+<br id="d0e1538">hilf ritter sant georg.
+</p>
+<p id="d0e1540">Vervolgens begaf hij zich in den ochtendnevel langs den boschweg naar het keizerlijke leger, terwijl vele vurige wenschen
+en niet minder bittere tranen hem op zijn weg vergezelden.
+
+</p>
+<p id="d0e1542">De eene maand na de andere verstreek. In Duitschland vernam men met zorg, dat de strijd van den keizer tegen de Zwitsersche
+boeren een ongunstigen keer nam. Toen kwam het bericht van een vreeselijke nederlaag van het trotsche keizerlijke leger. Deze
+had bij Moorgarten plaats: een eenvoudig held, Arnold van Winkelried genaamd, heeft toen met opoffering van zijn eigen leven,
+voor zijn landgenooten den weg der vrijheid gebaand. Het stoffelijk overschot van vele graven en baronnen werd in die dagen
+aan de Zwitsersche aarde toevertrouwd, en in vele Duitsche burchten werden treurige tijdingen ontvangen.
+
+</p>
+<p id="d0e1544">Op Rheinfels bevond zich een liefhebbende jonkvrouw, die in angst en zorg over den beminden <span class="pageno"><a id="d0e1546"></a>Bladzijde 117</span>man verkeerde van wien geen boodschapper bericht bracht.
+
+</p>
+<p id="d0e1548">De treurige krijstocht tegen de oerkantons aan het Vierwoudstedenmeer was reeds lang ge&euml;indigd, en de hoop van de bruid van
+Rheinfels om haar bruigom ooit terug te zien, vervloog steeds meer.
+
+</p>
+<p id="d0e1550">Op een dag liet zich een vereerder van vroeger, Dietrich van Berge, de geldzuchtige bandiet bij haar aandienen. Hij was gekomen,
+om wederom de hand der begeerenswaardige dame te vragen, daar de heer Georg Br&ouml;mser algemeen voor dood gehouden werd. Met
+treurige woorden antwoordde het meisje den hebzuchtigen aanbidder, dat zij haar verloofde altijd trouw zou blijven, zooals
+ze hem bij de linde voor de burchtpoort beloofd had. Slechts wanneer het aan Sint Georg gewijde boompje verdorde, was zij
+van haar belofte ontheven.
+
+</p>
+<p id="d0e1552">Knorrig nam van Berge afscheid. Op hetzelfde oogenblik begaf hij zich naar het bosch en zocht daar een verdorden lindeboom,
+die bijzonder op de groene linde aan de burchtpoort geleek. Den volgenden nacht sloop hij heimelijk naar den burcht, trok
+het lindeboompje uit de aarde en wierp het met een ruwen vloek in het stille water van den Rijn. <span class="pageno"><a id="d0e1554"></a>Bladzijde 118</span>Op dezelfde plaats plantte hij het verdorde stammetje.
+
+</p>
+<p id="d0e1556">Den volgenden morgen overschreed de dochter van den slotheer den drempel van den burcht en begaf zich in Gods heerlijke natuur,
+waar de lente in aantocht was. Daar ontdekte ze den verdorden lindeboom en een zachte smartkreet ontglipte haar. De volgende
+dagen en nachten heeft ze vele tranen vergoten. En na eenigen tijd kwam wederom, vervuld van leedvermaak, de ridder van Berge
+op Rheinfels en dong met begeerige blikken naar de hand van de dame, die thans vrij en van haar trouweed verlost was. Vol
+medegevoel, maar vastberaden wees deze wederom den zich opdringenden pretendent af, omdat zij haar bruigom, zelfs in den dood,
+trouw wilde blijven.
+
+</p>
+<p id="d0e1558">Toen vervoerde de toorn den afgewezene tot een schandelijke daad: Vervuld van haat trok hij zijn zwaard en stiet het de standvastige
+jonkvrouw in de borst.
+
+</p>
+<p id="d0e1560">Toen snelde hij, te laat tot bezinning gekomen, vol afschuw over de begane misdaad weg. Evenals vroeger de onzalige discipel
+des Heeren, beging hij zich in het donkere dennen boschje een ongeluk.
+
+</p>
+<p id="d0e1562">Op Rheinfels treurde men algemeen om haar die als onschuldig offer van haar trouw gevallen <span class="pageno"><a id="d0e1564"></a>Bladzijde 119</span>was. Midden in al deze ellende werd er een bezoeker aangediend. Hij kwam uit Zwitserland. Op het slagveld bij Moorgarten had
+een braaf landman den ridder tusschen een hoop dooden gevonden en hem, die uit vele wonden bloedde en vreeselijke pijn aan
+een beenbreuk leed, naar zijn boerenhutje medegenomen. Daar heeft de heer Georg Br&ouml;mser vele maanden ziek gelegen, langzamerhand
+genas hij echter, maar moest nog lang veel pijn aan zijn been lijden. Eindelijk was hij, na veel uitgestaan te hebben, als
+een der laatsten naar den Rijn teruggekeerd, met den naam der bruid op de lippen, haar beeld in het hart.
+
+</p>
+<p id="d0e1566">Zwijgend wees de burchtheer van Rheinfels op het graf van zijn kind. Voor den verschen aardhoop hielden de oude en de jonge
+man elkaar innig omarmd. Vervolgens heeft de laatste den verdorden lindeboom van de burchtpoort in den Rijn geslingerd en
+het graf zijner overleden bruid met witte lelies beplant. Georg Br&ouml;mser heeft voor den tweeden keer niet meer bemind, maar
+is de doode trouw gebleven tot aan het einde van zijn leven. In den omgang met ridderlijke zangers zocht hij vergetelheid
+voor het leed, dat hem getroffen had. Later heeft hij menig schoon lied gemaakt. Een daarvan is sedert eeuwen bewaard gebleven
+en is <span class="pageno"><a id="d0e1568"></a>Bladzijde 120</span>eerst in onzen tijd met de zangwijze in een oud manuscript gevonden; het is een even eenvoudig als roerend lied. Aan den Rijn
+kunt ge het nog dikwijls hooren zingen. Het luidt aldus:
+
+</p>
+<p class="poetry"><br id="d0e1571">Es steht eine Linde in jenem Tal:
+<br id="d0e1573">O Gott, was tut sie da?
+<br id="d0e1575">Sie will mir helfen klagen,
+<br id="d0e1577">Dass ich mein Lieb verloren hab!
+</p><span class="pageno"><a id="d0e1579"></a>Bladzijde 121</span><a id="d0e1580"></a><h1>St. Goar</h1><a id="d0e1583"></a><h2>De Lorelei</h2>
+<p id="d0e1586">I.
+
+</p>
+<p id="d0e1588">Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots.
+Als de boot van den schipper bij het vallen van den avond over het water glijdt, ziet hij met angst en eerbied naar den onmetelijk
+hoogen rotsachtigen top op. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe,
+terwijl de sage den grijzen top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van een schoone, valsche nimf, die eens daar boven
+op den berg gezeten en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een treurig voorval voor altijd verdreven werd.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1590">Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen?
+
+</p>
+<p id="d0e1592">Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleeke
+maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken <span class="pageno"><a id="d0e1594"></a>Bladzijde 122</span>over den groenachtig gouden vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk vrouwengezang en een vrouw van goddelijke schoonheid
+verscheen op den top. Evenals een koningsmantel golfde haar goudblond haar over haar volle schouders en viel in fraaie lokken
+op het sneeuwwit prachtgewaad, dat haar trotsche gestalte in een lichte wolk scheen te hullen.
+
+</p>
+<p id="d0e1596">Wee den schipper, die op dit uur&#8212;waarop moegewerkte oogen zich sluiten en levenslustige harten zich openen&#8212;de rots passeerde.
+Evenals eens de dwalende held der Grieken, werd ook hij door het gezang betooverd. In zalige verrukking vergat hij alles om
+zich heen, zoodat zijn oog, even verblind als zijn ziel, geen acht op draaikolken en klippen sloeg. Maar de teedere vrouwelijke
+bloem, wier bekoorlijkheid hem boeide, bloeide op een graf. Terwijl hij, beroofd van zijn zinnen, op haar af stuurde, reeds
+droomende van haar bezit, maakten de afgunstige golven zich van zijn schip meester en slingerden het op het laatste oogenblik
+verraderlijk tegen de rots, die het, evenals de Magneetberg in het Noorden meedoogenloos aan haar harde borst verpletterde.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1598">De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van den Rijn. Nooit zag men den ongelukkige weer.
+<span class="pageno"><a id="d0e1600"></a>Bladzijde 123</span></p>
+<p id="d0e1601">De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging elken avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat
+de nacht door de kus van den aanbrekenden morgen verdreven werd, en de stralende dageraad den grijzen morgennevel uit de dalen
+verdreef.
+
+</p>
+<p id="d0e1603">II.
+
+</p>
+<p id="d0e1607">Ronald was een fier jongeling en een der vermetelste strijders aan het hof van zijn vader, den paltsgraaf van den Rijn. Ook
+hij hoorde van het goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te zien. Nog voordat hij de jonkvrouw aanschouwd
+had, vereerde hij haar reeds.
+
+</p>
+<p id="d0e1609">Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid bracht hem een oud, ervaren schipper naar de rots. In het
+Rijndal brak de schemering reeds aan, toen de boot den reusachtigen berg naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de
+bergen.
+
+</p>
+<p id="d0e1611">Daar verschijnt op eens een flikkering aan het blauwe uitspansel: de avondster. Heeft de beschermengel van den droomende jongeling
+deze zooeven aan den hemel geplaatst om den verblinde te waarschuwen?
+<span class="pageno"><a id="d0e1613"></a>Bladzijde 124</span></p>
+<p id="d0e1614">Hij ziet omhoog, voor een oogenblik afgeleid.
+
+</p>
+<p id="d0e1616">Een zachte kreet van den ouden man aan zijn zijde.
+
+</p>
+<p id="d0e1618">&#8220;De Lorelei!&#8221; fluistert hij angstig, &#8220;ziet haar, de toovenaarster?&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1620">Ronald antwoordt niet. Reeds zag hij haar. Ook hem ontglipte een zachte kreet. Met wijd opengesperde oogen keek hij omhoog.
+Daar stond de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een donkere omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit
+een ru&iuml;ne gesproten. Dat was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend gewaad.
+
+</p>
+<p id="d0e1622">Aan den rand van den afgrond zit zij en brengt haar goudblond golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd
+en laat, niettegenstaande de duisternis en den verren afstand, haar bekoorlijkheid zien. Heimelijke begeerte straalt uit twee
+vochtige, groote oogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betooverende blos, en twee zwellende purperen lippen, rood
+gelijk een kers, openen zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de stilte, zacht en klagend, verleidelijk
+evenals de heerlijke nachtegaalslag in den stillen zomernacht.
+
+</p>
+<p id="d0e1624">Dan zwijgt zij.
+
+</p>
+<p id="d0e1626">In nadenken verzonken zit zij daar en tuurt <span class="pageno"><a id="d0e1628"></a>Bladzijde 125</span>mijmerend in het blauwe verschiet. Dan ziet ze naar den vloed onder haar en een schitterend oogenpaar rust lang in den starren
+blik van den jongeling. Haar oogen gelijken een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat.
+
+</p>
+<p id="d0e1630">Een lichte rilling gaat door het lichaam van den jongeling. Nog steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw,
+en geheel bedwelmd leest hij daarop het teedere sprookje van de liefde. Rots, vloed, alles smelt met den grootschen hemel
+samen, zijn oog ziet slechts haar aan den rotswand; slechts de blankheid van haar golvenden boezem, de saffieren van haar
+schitterende oogen. Te langzaam kruipt de bark door den vloed. Hij houdt het niet meer uit in de boot. Hij meent haar stem
+te hooren, onuitsprekelijk zacht en verleidelijk. De smeulende vlam wordt een verterend vuur.
+
+</p>
+<p id="d0e1632">Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in den vloed.&#8212;De oever wenkt.
+
+</p>
+<p id="d0e1634">&#8220;Lore!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1636">Een doodelijke gil weerklinkt en overstemt den kreet der liefde.
+
+</p>
+<p id="d0e1638">Klagend weerkaatste de echo het geluid door de rotsen.
+
+</p>
+<p id="d0e1640">De golven zuchtten en lekten liefkoozend het ongelukkige slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een
+kruis. Op <span class="pageno"><a id="d0e1642"></a>Bladzijde 126</span>dit oogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen, en doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden
+zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, dezen keer treurig en gelijk een zucht wegstervend, het spookachtig gezang
+der Lorelei.
+
+</p>
+<p id="d0e1644">III.
+
+</p>
+<p id="d0e1646">De paltsgraaf ontving spoedig de treurige tijding. Zijn vaderhart was vervuld van smart en toorn. Hij beval de valsche toovenaarster
+dood of levend bij hem te brengen. Op den namiddag van den volgenden dag zeilde een goed bemande boot den Rijn af. Vier schippers
+roeiden, stoere, door de zon gebruinde mannen. Somber ziet het oog van den stuurman onder de borstelige wenkbrauwen naar de
+rots, die ernstig en zwijgend wenkt. Smart en toorn staan op het gelaat van den breedgeschouderden man te lezen. Hij had verlof
+gevraagd de duivelsche verleidster, van den top der rots naar beneden in de golven te mogen werpen, waar haar een wisse dood
+wachtte&#8212;want haar tooverkunsten konden wellicht de gevangenen van hun boeien en kerker bevrijden. De paltsgraaf had het wraakplan
+goedgekeurd.
+<span class="pageno"><a id="d0e1648"></a>Bladzijde 127</span></p>
+<p id="d0e1649">IV
+
+</p>
+<p id="d0e1651">De eerste schaduwen der schemering gleden schuchter over de slapende aarde. Rondom de rots stonden gewapende mannen. Met moeite
+beklom een der aanvoerders met drie flinke strijders de hoogte. Een licht gouden wolk omhulde den top van den berg. De mannen
+dachten, dat dit het avondrood was. Het was echter het magische licht, dat de jonkvrouw omgaf, die juist aan den rand van
+de rots verscheen. Droomerig keek zij voor zich uit en maakte met een gouden kam haar lokken in orde. Nu nam zij het parelensnoer
+van haar boezem en met welbehagen bevestigde de smalle witte hand dit boven haar voorhoofd in haar kapsel. Daar bemerkt zij
+de vertoornde mannen. Een wolk van misnoegen zweeft over haar trekken.
+
+</p>
+<p id="d0e1653">&#8220;Wat zoeken de zwakke zonen der aarde op deze hoogte?&#8221; Verachtelijk plooiden zich haar volle lippen.
+
+</p>
+<p id="d0e1655">&#8220;U, toovenaarster!&#8221; schreeuwde de aanvoerder toornig en met een spottenden lach voegde hij er bij: &#8220;U! Om U op den bodem van
+deze rivier te zien neerstorten.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1657">Een welluidend lachen weerklonk door de bergen.
+<span class="pageno"><a id="d0e1659"></a>Bladzijde 128</span></p>
+<p id="d0e1660">&#8220;O, de Rijn zal zelf komen, om mij te halen!&#8221; riep de jonkvrouw uit. Ver over den afgrond, die onder haar gaapt, buigt zich
+haar lichaam. Haar hand rukt het lint, dat zij om het voorhoofd draagt, af en slingert het triomfantelijk in den vloed. Dan
+klinkt zegevierend van haar lippend het gezang:
+
+</p>
+<p class="poetry"><br id="d0e1663">&#8220;Vader, gezwind, gezwind!
+<br id="d0e1665">Stuur de witte paarden aan uw kind!
+<br id="d0e1667">Zij wil rijden op golven en wind!&#8221;
+</p>
+<p id="d0e1669">Daar verhief zich de storm, de Rijn begon bruisend te koken, en sneeuwwit schuim bedekte den oever. En twee golven met schuimende
+koppen, gelijkende op twee sneeuwwitte paarden, stegen uit de diepte tot aan de hoogte van de rots op en trokken de nimf in
+de bodemlooze diepte. Over haar heen brandden zij schuimend voort.
+
+</p>
+<p id="d0e1671">V.
+
+</p>
+<p id="d0e1673">Doodelijk verschrikt keerden de Bedienden van den paltsgraaf terug en deelden ontsteld het vreemde verhaal mede.
+
+</p>
+<p id="d0e1675">Ronald werd zeer betreurd. Bij zijn lijk, dat door een golf aan den oever gespoeld was, weerklonken de smartkreten van tallooze
+menschen.
+
+</p>
+<p id="d0e1677">Vanaf dien dag zag men de Lorelei nooit <span class="pageno"><a id="d0e1679"></a>Bladzijde 129</span>weer. Maar wanneer de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels nederdaalt, en zijn stille gezellin,
+de bleeke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over den groenachtig gouden vloed spant, dan klinkt er een wonderlijk
+vrouwengezang, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in een stillen warmen zomernacht.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1681">Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef.
+
+</p>
+<p id="d0e1683">Gij kunt haar aanschouwen, toerist, in de schitterende oogen, op de zachte wangen en op de rozenlippen van de meisjes van
+het Rijnland.
+
+</p>
+<p id="d0e1685">Gij zult haar daar aan den Rijn bespeuren, stralend van vreugde en geluk.
+
+</p>
+<p id="d0e1687">Wapen uw hart, bedwing uw gevoelens enl sluit uw oogen!
+
+</p>
+<p id="d0e1689">Hoe was toch de waarschuwing van den wijzen dichter van den Rijn?
+
+</p>
+<p id="d0e1691">&#8220;Mijn zoon, mijn zoon! Ga niet naar den Rijn...&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1693">Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef.
+<span class="pageno"><a id="d0e1695"></a>Bladzijde 130</span></p><a id="d0e1696"></a><h1>Liebenstein en Sterrenberg</h1><a id="d0e1699"></a><h2>De vijandige broeders</h2>
+<p id="d0e1702">In de middeleeuwen was slot Sterrenberg boven Boppard gelegen, een der schoonste burchten aan de oevers van den Rijn. In den
+tijd waarop onze geschiedenis speelt, werd hij bewoond door een oud paladijn van Koenraad, den Staufenkeizer, tengevolge van
+de verkiezing op de vlakte van Oppenheim bij Mainz. Twee zonen stonden den bejaarden krijgsheld ter zijde. Zijn vrouw sluimerde
+reeds lang onder de aarde. Sedert dien tijd klonk er zelden vroolijk gelach door de hooge gewelven.
+
+</p>
+<p id="d0e1704">Eens kwam er een lieftallige gast op het eenzame slot. Met haar kwam er een zonnestraaltje in de donkere vertrekken. Een verre
+neef uit het geslacht der Br&ouml;msers van R&uuml;desheim was gestorven en op zijn sterfbed vertrouwde hij zijn eenig kind, een bloeiend
+meisje, aan de zorg van zijn bloedverwant, den heer van Sterrenberg&#8212;Br&ouml;mser toe.
+<span class="pageno"><a id="d0e1706"></a>Bladzijde 131</span></p>
+<p id="d0e1707">De blonde Angela&#8212;zij verdiende dezen naam&#8212;werd spoedig aller lieveling op het slot. Zij vereerde den grijsaard als haar vader
+en beloonde de welwillende vriendelijkheid van de beide jongelingen met zusterlijke genegenheid. Wat eeuwen geleden gebeurde
+en nog altijd gebeurt, had ook hier plaats; de vriendschap der jeugdige ridders veranderde spoedig in liefde. Beide broeders
+dongen naar de gunst der jonkvrouw.
+
+</p>
+<p id="d0e1709">De bejaarde burchtheer bemerkte het, en een treurig voorgevoel maakte zich van hem meester. Hoewel hij voor beide zonen dezelfde
+liefde koesterde, zoo toch beviel hem het zachtzinnige, van zijn moeder ge&euml;rfde karakter van zijn eerstgeboren kind beter,
+dan de vurige geest van Koenraad, den jongsten zoon.
+
+</p>
+<p id="d0e1711">Reeds vanaf het eerste oogenblik, dat de jonge wees op zijn familieslot gekomen was, had hij den wensch gekoesterd, dat de
+sierlijke jonkvrouw in het huwelijk zou treden met zijn lievelingszoon Hendrik, die den naam zijns vaders droeg en eenmaal
+den familieburcht bezitten zou.
+
+</p>
+<p id="d0e1713">In stilte beminde Hendrik Angela steeds vuriger. Zijn broeder echter maakte geen geheim van de hartstochtelijke liefde, die
+hij voor de jonkvrouw gevoelde en spoedig bemerkte de <span class="pageno"><a id="d0e1715"></a>Bladzijde 132</span>grijsaard met droefheid, dat het jonge meisje de genegenheid van dezen ridder beantwoordde. Ook den broeder bleef het geluk
+der beide jongelieden niet verborgen, en diepbedroefd begroef hij zijn liefde, een schuw kind, dat wellicht tot sterven veroordeeld
+was, omdat de spraak hem niet vroegtijdig gegeven was. En Angela? Wel ontging haar de zwaarmoedigheid niet, die op de trekken
+van den oudsten broeder te lezen stond. Zij ontroerde, toen ze eens bemerkte, dat zijn stem beefde als hij haar naam noemde;
+maar de zonneschijn van haar jonge liefde verblindde haar zoozeer, dat ze de wolken niet bemerkte, die een schaduw over de
+trekken van den ridder wierpen. Terzelfder tijd kwam Bernard van Clairvaux uit Frankrijk aan den Rijn en predikte over een
+nieuwen kruistocht tegen de ongeloovigen. Duizenden werden in geestdrift gebracht door de bezielende rede van den heiligen
+monnik. Ook op de vesting Sterrenberg werd zijn oproeping vernomen. Hendrik besloot aan den kruistocht deel te nemen. Hij
+kon niet langer op den burcht blijven, waar zij vertoefde, die hij hopeloos beminde. Maar ook de naar roem dorstende geest
+van den jongsten ridder werd zeer opgewonden door de onbekende bekoorlijkheid, die een kruistocht in het sprookjesachtige
+Morgenland <span class="pageno"><a id="d0e1717"></a>Bladzijde 133</span>aanbood. Zijn jeugdige kracht, die jarenlang op een afgelegen vesting in toom gehouden was, dorstte naar avonturen, die de
+vermetele kruisvaarders ver weg onder de Oostersche palmen in de woeste Levant wachtten. Nutteloos waren de smeekbeden en
+tranen van de liefhebbende jonkvrouw, nutteloos de smart zijns vaders, die hem smeekte, hem niet te verlaten.
+
+</p>
+<p id="d0e1719">Wanhopig was de grijsaard over het onwrikbare besluit van zijn zoons.
+
+</p>
+<p id="d0e1721">&#8220;Wie blijft op den burcht mijner voorouders, als gij hem verlaat om daar nooit terug te keeren?&#8221; riep hij smartelijk uit.
+&#8220;Ik smeek u, mijn oudste zoon, evenbeeld uwer moeder, heb erbarmen met het witte haar van uw vader! En u, Koenraad smeek ik,
+heb medelijden met de tranen van uw verloofde.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1723">Zwijgend stonden de broeders daar. Toen vatte de oudste de hand van den grijsaard. &#8220;Ik zal u niet verlaten, vader,&#8221; sprak
+hij aangedaan.
+
+</p>
+<p id="d0e1725">&#8220;En gij, Angela?&#8221; vroeg de jongste op trotschen toon aan de weenende jonkvrouw, gij zult het offer der scheiding brengen en
+een laurierboompje planten om mij daarvan een krans te maken als ik weerkom.
+<span class="pageno"><a id="d0e1727"></a>Bladzijde 134</span></p>
+<p id="d0e1728">II.
+
+</p>
+<p id="d0e1730">Den volgenden dag verliet de jonge ridder den vaderlijken burcht.
+
+</p>
+<p id="d0e1732">Het jonge meisje scheen in het eerst ontroostbaar van smart. Zij schreide om den afwezigen geliefde en sliep toen in als een
+moegeweend kind. En toen ze ontwakend om zich heen keek, kwam de toorn, die den verloofde zacht beschuldigde en het beeld
+van hem, die zich om ijdelen roem van haar gescheiden had, eenigszins uit haar herinnering verdreef.
+
+</p>
+<p id="d0e1734">Meer dan vroeger bleven haar blikken op den fieren jongeling rusten, die een meisjesachtig gelaat op mannelijke schouders
+droeg, en die gedwongen was, onder een dak met zijn verloren geliefde te wonen. Zij bewonderde hem, die door ontelbare bewijzen
+van reine vriendschap haar leed trachtte te verzachten. Veel, wat haar vroeger ontgaan was; zijn groote moedigheid op de jacht,
+zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapenen, vond zij thans bewonderenswaardig.
+
+</p>
+<p id="d0e1736">Het scheen, dat hij haar ontvluchtte, als vreesde hij de geesten der doode liefde te wekken, die in zijn ziel sluimerden.
+Angela echter voelde zich steeds meer tot den ridder aangetrokken. Zij trachtte hem duidelijk te maken, <span class="pageno"><a id="d0e1738"></a>Bladzijde 135</span>dat haar liefde voor den jongsten broer niets geweest was, dan een voorbijgaande jeugdige hartstocht, die gelijk met den persoon
+zelf verdween. Zij gevoelde zich ongelukkig, toen zij bemerkte, dat hij, dien zij verkelijk lief kreeg, voor haar slechts
+broederlijke genegenheid scheen te koesteren. En toch zou ze hem voor een woordje van liefde haar rijk, gevoelvol hart hebben gegeven.
+
+</p>
+<p id="d0e1743">De verandering van haar gevoelens was den ridder niet verborgen gebleven, maar trotsch en mannelijk verstikte hij elk opkomend
+gevoel voor de verloofde van zijn broer.
+
+</p>
+<p id="d0e1745">De grijsaard was hoogst bevredigd, toen Angela hem eens haar hart uitstortte. Hij bad God, de twee geliefde menschen bij elkaar
+te brengen, die volgens zijn inzicht een paar in den geest des Heeren zouden worden. In zijn droomen zag hij Angela reeds
+met een knaapje op den schoot, met blauwe oogen en blonde haren, evenals zijn overleden vrouw en zijn eerstgeboren zoon. Dan
+dacht hij plotseling aan den opvliegenden jongeling, die als kruisvaarder in het Heilige Land vertoefde en snel brak hij zijn
+droomen af.
+
+</p>
+<p id="d0e1747">Tegenover zijn familieburcht liet hij een indrukwekkende vesting bouwen. Hij gaf haar den naam van Liebenstein en bestemde
+haar <span class="pageno"><a id="d0e1749"></a>Bladzijde 136</span>voor zijn tweeden zoon, als hij van den kruistocht terugkeerde. Nauwelijks was de burcht voltooid, toen de grijsaard stierf.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1751">Eenigen tijd later was de kruistocht afgeloopen. De heeren van den Rijn, die terugkeerden, brachten de vreemde tijding mede,
+dat graaf Koenraad een schoone voorname Grieksche vrouw mee zou brengen, waarmede hij in het Morgenland getrouwd was.
+
+</p>
+<p id="d0e1753">Toen de broeder dit vernam, fonkelden zijn oogen. De mededeeling leek hem onmogelijk. Hij berichtte de jonkvrouw de spoedige
+aankomst van haar verloofde. Haar lippen bewogen zich, maar zij was niet in staat een woord uit te brengen. Dikwijls ging
+zij naar den toren en richtte haar blikken naar het Zuiden.
+
+</p>
+<p id="d0e1755">III.
+
+</p>
+<p id="d0e1757">Eens, op een namiddag vertoonde zich een groot schip op den Rijn. Vreemde vlaggen woeien van de masten. Angela zag het vanaf
+de platform en riep den broeder. Het schip kwam naderbij; men hoorde het roepen van de stuurlieden en kon de gezichten van
+de bemanning onderscheiden.
+
+</p>
+<p id="d0e1759">Plotseling stiet de jonkvrouw een vreeselijken kreet uit en wierp zich weenend in de armen <span class="pageno"><a id="d0e1761"></a>Bladzijde 137</span>van den ontstelden ridder. Deze kromp ineen. Somber staarde hij naar het schip. De ridder, die daar in schitterende wapenrusting
+aan boord stond, was zijn broer. Een schoone vrouw vlijde zich tegen hem aan.
+
+</p>
+<p id="d0e1763">Het schip legt aan.
+
+</p>
+<p id="d0e1765">Het eerste springt Koenraad aan wal.
+
+</p>
+<p id="d0e1767">De twee personen op de platform waren verdwenen. Een schildknaap naderde den ridder en berichtte hem, dat het nieuwe slot,
+hem door zijn vader vermaakt, zijn eigendom was.
+
+</p>
+<p id="d0e1769">Denzelfden dag kondigde hij zijn bezoek op Sterrenberg aan. Toen hij voor de opgehaalde brug wachtte, liet zijn broeder hem
+zeggen, dat hij den trouwelooze, die zijn verloofde verlaten had, slechts met het zwaard in de hand ontmoeten wilde.
+
+</p>
+<p id="d0e1771">De beide burchten werden in schemering gehuld. Op den smallen weg, die de vestingen scheidt, stonden twee broeders in een
+strijd op leven en dood.
+
+</p>
+<p id="d0e1773">Dat was een verschrikkelijke broederstrijd.
+
+</p>
+<p id="d0e1775">Rechtvaardige toorn en gekrenkte trots deden de blanke wapenen kruisen. De beide tegenstanders, wier hoofden, uit de pantserhemden
+gloeiden, hadden dezelfde kracht, denzelfden moed. Rood druppelde het bloed uit de armplaat van den oudsten.
+<span class="pageno"><a id="d0e1777"></a>Bladzijde 138</span></p>
+<p id="d0e1778">Daar gingen de struiken uiteen. Een wit-gesluierde jonkvrouw, met doodsangst op het gelaat, wierp zich tusschen de strijders.
+Het was Angela. Wanhopig klonk haar smeeken:
+
+</p>
+<p id="d0e1780">&#8220;In naam des Heeren, die u ziet, houdt op! In naam van uw zaligen vader, stuit den broedermoord. Degene, waarvoor gij de zwaarden
+trekt, gaat op dit uur nog in het klooster en zal God voortdurend bidden, u, ridder Koenraad uw trouwbreuk te vergeven en
+u te zegenen, evenals uw broeder.&#8221; De beide broeders lieten de wapenen zakken, Koenraad boog het hoofd diep en hield de hand
+voor de oogen. Hij waagde het niet de vrouw te aanschouwen, die hem zwijgend aanklaagde en in haar volle waardigheid voor
+hem stond. Hendrik vatte de hand der weenende jonkvrouw.
+
+</p>
+<p id="d0e1782">&#8220;Dank, zuster,&#8221; fluisterde hij. &#8220;Kom, de trouwelooze verdient je tranen niet.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1784">Door de schaduwen der boomen werden zij onzichtbaar. Zwijgend tuurde de ridder in de richting, waarheen zij gegaan waren.
+Een ongekend gevoel kwam over hem. Hij bedekte het hoofd en weende.
+
+</p>
+<p id="d0e1786">IV.
+
+</p>
+<p id="d0e1788">Op een afstand van een uur gaans ligt in het dal het klooster Marienburg. Achter zijn <span class="pageno"><a id="d0e1790"></a>Bladzijde 139</span>muren vond Angela rust. Tusschen Sterrenberg en Liebenstein verhief zich na verloop van eenige maanden een dikke muur, als
+stil bewijs van de vijandschap der beide broeders.
+
+</p>
+<p id="d0e1792">In het nieuwe slot volgde het eene feest op het andere. De mooie Grieksche vrouw vierde daar, te midden der ridders van den
+Rijn, de triomfen harer schoonheid.
+
+</p>
+<p id="d0e1794">Op burcht Sterrenberg heerschte diepe droefheid. Het was den ridder niet gelukt het besluit der jonkvrouw te veranderen. Sedert
+haar verdwijnen verminderden zijn krachten. Aan den voet van den berg liet hij een klooster bouwen en trok de monnikspij aan.
+Weinige maanden daarna ontsliep hij. Op denzelfden dag, zoo beschikte het lot, dat hen gescheiden had, luidden, de doodsklokken
+van het klooster Marienburg en verkondigden den dood van de verloren geliefde.
+
+</p>
+<p id="d0e1796">De heer van Liebenstein mocht zich niet lang in een duurzaam geluk aan de zijde van de verleidelijke vrouw verheugen. De hartstochtelijke
+Grieksche vrouw schond de echtelijke trouw en vluchtte met haar geliefde, een bevriend ridder, die gastvrijheid op Liebenstein
+genoten had. Overstelpt van smart en schaamte, stortte de burchtheer zich van de tinnen van zijn vesting in de diepte.
+<span class="pageno"><a id="d0e1798"></a>Bladzijde 140</span></p>
+<p id="d0e1799">De burchten vervielen aan den ridder Br&ouml;mser van R&uuml;desheim. Kerk en klooster staan nog altijd in het dal en worden jaarlijks
+door duizenden pelgrims bezocht. De beide vestingen zijn reeds lang vervallen. Terwijl beneden in het klooster Bornhofen dagelijks
+de klokken luiden en de plechtige gezangen van de bedevaartgangers weerklinken, heerscht boven tusschen de verlaten ru&iuml;nes,
+nog heden in de volkstaal &#8220;de Broeders&#8221; genaamd, treurige rust. Slechts dan, zoo heeft de Lorelei ons verraden, wanneer de
+volle maan in den zomernacht haar bleeke stralen werpt, hoort men op den smallen weg, die de vestingen scheidt, de zwaarden
+van de vijandige broeders kletteren.
+<span class="pageno"><a id="d0e1801"></a>Bladzijde 141</span></p><a id="d0e1802"></a><h1>Boppard</h1><a id="d0e1805"></a><h2>Klooster Marienburg</h2>
+<p id="d0e1808">Op zijn burcht te Boppard woonde graaf Koenraad Bayer, die tot een hoogadellijk Rijnsch geslacht behoorde. Hij was nog jong,
+vol levenslust en dikwijls beheerscht door jeugdige onstuimigheid en gevaarlijke dartelheid, maar niet ontaard. Ongelukkigerwijs
+verkeerde hij in zeer slecht gezelschap, en de verderfelijke invloed, die deze lieden, waarmede hij drinkgelagen hield en
+ter jacht ging, op den jongen ridder hadden, verstikte menige goede kern, die in zijn ziel sluimerde.
+
+</p>
+<p id="d0e1810">Op een dag had hij de jonkvrouw van een naburigen burcht leeren kennen, en de betooverende lieftalligheid van de jonkvrouw
+had hem het besluit doen nemen om haar hand te dingen.
+
+</p>
+<p id="d0e1812">Hun vaders waren zeer bevriend geweest en gaarne ontving men den ridderlijken jongeling op het slot. Ook Marie de burchtjonkvrouw
+leerde hem achten en hoewel de buitengewoon <span class="pageno"><a id="d0e1814"></a>Bladzijde 142</span>krachtige mannelijkheid van den ridder het zachtzinnige meisje niet aangenaam aandeed, zoo toch koesterde zij een innige genegenheid
+voor den vermetelen jager en ridderlijken aanbidder.
+
+</p>
+<p id="d0e1816">Toen hij dus haar hand vroeg, gaf ze hem gaarne haar jawoord en verheugde zich er in zijn verloofde te zijn. Gelijk met de
+nieuwe maan zou de bruiloft plaats hebben en vol hoop op de toekomst bracht het lieftallige meisje de volgende weken van haar
+verlovingstijd door.
+
+</p>
+<p id="d0e1818">Minder vroolijk was de zielstoestand van haar bruigom. Op spottenden toon hadden zijn drinken jachtgenooten hem gelukgewenscht.
+Zij vonden het allen onaangenaam, dat het dolle jonggezellenleven in den burcht van den gastvrijen vriend zoo niet eindigen,
+dan toch zeer beperkt worden zou. En terwijl de een hem voorspiegelde van welk een heerlijke vrijheid hij lichtzinnig voor
+altijd afstand deed, trachtten anderen hem schertsend en spottend te overtuigen welke drukkende ketenen hij zich in den bloei
+zijner jaren vrijwillig op den hals wilde halen. In den beginne hoorde de ridder hen rustig glimlachend aan. Het beeld zijner
+verloofde verdrong de treurige tafereelen, die de welbespraakte heeren hem voor oogen stelden, doch toen zij steeds voortgingen
+met hem over <span class="pageno"><a id="d0e1820"></a>Bladzijde 143</span>te halen, werd hij besluiteloos. Trots en jeugdige overmoed kookten sterker dan ooit in zijn binnenste en verdrongen alle
+edele gevoelens.
+
+</p>
+<p id="d0e1822">Eens, toen de jonkvrouw den ridder verwachtte, kwam hij niet. In zijn plaats kwam er een brief, en bij het lezen daarvan viel
+ze in zwijm. Hij bevatte de verklaring van graaf Koenraad Bayer, dat hij zich nog niet rijp voelde, om het huwelijksjuk te
+dragen, en dat hij haar haar woord teruggaf.
+
+</p>
+<p id="d0e1824">II.
+
+</p>
+<p id="d0e1826">Weken waren verstreken.
+
+</p>
+<p id="d0e1828">Graaf Koenraad reed door het woud, dat tot zijn bezitting behoorde. In gedachten verzonken&#8212;hij was niettegenstaande de verhoogde
+vroolijkheid der drinkgelagen steeds treurig gestemd&#8212;had hij niet bemerkt, dat een ridder met gesloten vizier hem tegemoet
+draafde. Verrast hield hij hem aan en vroeg zijn naam en wat hij wenschte.
+
+</p>
+<p id="d0e1830">&#8220;Mijn wapenschild antwoordt u,&#8221; zeide de ridder met een bijzondere stem. &#8220;Maria&#8217;s wreker ben ik, die u van laffe trouwbreuk
+beticht en Gods oordeel over u en mij zal laten beslissen. Maak u gereed tot den strijd.&#8221; Deze trotsche uitdaging prikkelde
+den toorn van den ridder <span class="pageno"><a id="d0e1832"></a>Bladzijde 144</span>zeer. De klank van de gedempte stem had hem zeer opgewonden, het wapen van het schild behoorde tot het geslacht van zijn vroegere
+verloofde. Het moest haar broeder zijn, die in het Morgenland vertoefde, overlegde hij bij zich zelf, en gaarne had hij het
+tweegevecht vermeden.
+
+</p>
+<p id="d0e1834">Maar reeds reed de tegenstander voor. Het was een korte strijd. De zwakke arm van den vreemdeling was ongeoefend, door een
+forschen stoot van ridder Bayer, die zich door zijn pantser heenboorde, zonk hij zonder geluid te geven ter aarde. De overwinnaar
+snelde toe, om den helm los te maken. Een kreet van ontzetting kwam over zijn lippen.
+
+</p>
+<p id="d0e1836">In de handen hield hij het hoofd zijner verlaten bruid, uit een gapende wond vloeide bloed.
+
+</p>
+<p id="d0e1838">&#8220;Door uw hand zocht ik den dood, sedert uw trouw voor mij gestorven is.&#8221; Zij fluisterde dit met brekende stem, terwijl de
+wanhopige ridder zich over de stervende heen boog.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e1840">Sedert dien dag was in het slot te Boppard de feestvreugde voor altijd verstomd; stil werd het ook in het woud, waar vroeger
+dikwijls <span class="pageno"><a id="d0e1842"></a>Bladzijde 145</span>jachthoorns en hondengeblaf weerklonken hadden. Op deze plaats in het bosch heeft men een klooster gebouwd, Marienberg genaamd
+(nog steeds draagt het dezen naam), en daaraan heeft ridder Koenraad Bayer, de stichter, al zijn goederen vermaakt om zijn
+schuld te boeten. Hij zelf is naar het Heilige Land gegaan, waar de vrome kruisvaarders met de ongeloovigen vochten over het
+bezit van de Heilige plaatsen. Zonder pantser heeft hij gevochten&#8212;men zegt, dat hij steeds opzettelijk het strijdgewoel opzocht&#8212;en
+wonderen van dapperheid heeft hij in het leger der kruisvaarders verricht. Daar trof hem, bij de bestorming van Ptolomeus
+een vijandelijke lanssteek.
+
+</p>
+<p id="d0e1844">Hij stierf in het vertrouwen op God en met den naam van zijn ongelukkige verloofde op de verbleekte lippen.
+<span class="pageno"><a id="d0e1846"></a>Bladzijde 146</span></p><a id="d0e1847"></a><h1>Rhense</h1><a id="d0e1850"></a><h2>Keizer Wenzel</h2>
+<p id="d0e1853">In de omstreken van Koblenz, niet ver van den oever van den Rijn, staat op een bloemenrijke weide de historische Koningsstoel.
+Hier op Rhenser grond, waar het gebied van de drie groote bisschoppen van Keulen, Mainz en Trier aan elkander grenst, verzamelde
+het vorstelijke zevental zich, om den nieuwen gebieder van het heilige Romeinsche rijk te kiezen. Hier werd als eerste bij
+de vrije vorstenverkiezing Karel de Vierde, de vader van Bohemen en de stiefvader van Duitschland gekozen; hier koos ook het
+zevental Wenzeslaus, den zoon van den Luxemburger tot Duitschen keizer. Bij zijn leven had de keizer reeds veel moeite gedaan,
+dat zijn oudste zoon verkozen werd, en was in hoogst eigen persoon met hem naar Rhense aan den Rijn getrokken, alwaar in den
+beroemden Koningsstoel de kanselier van het rijk, de aartsbisschop van Mainz dikwijls gewichtige <span class="pageno"><a id="d0e1855"></a>Bladzijde 147</span>conferenties hield met de bisschoppen van Trier, Keulen en den paltsgraaf.
+
+</p>
+<p id="d0e1857">Destijds was Wenzeslaus van Bohemen verrukt over den Rijn en zijn heerlijken wijn, en toen hij later werkelijk, minder door
+eigen verdienste, dan door de bemoeiingen van zijn vader en de genade van den keurvorst, keizer van Duitschland werd, terwijl
+zijn broeder Sigismund het onvruchtbare Brandenburg erfde, heeft hij den Rijnwijn meer eer aangedaan dan eenig drinkebroer.
+Het goud der druif trok hem meer aan dan dat der kroon, en daar een lekker glas wijn nergens zoo goed smaakt als aan de bron
+zelf, zocht hij zeer dikwijls den braven paltsgraaf van den Rijn op, die in den gezegenden &#8220;Rheingau&#8221; woonde en meer fusten
+in zijn kelder had dan er heiligen in het jaar zijn. Den hoogedelen Ruprecht van de Palts was dit bewijs van &#8217;s keizers vertrouwen
+volstrekt niet onaangenaam, en door buitengewone gastvrijheid trachtte hij zijn keizerlijken gast steeds genadiger voor zich
+te stemmen.
+
+</p>
+<p id="d0e1859">De slimme Ruprecht zou niet ongaarne het paltsgrafelijke kroontje voor de keizerskroon verruild hebben, en als zijn vorstelijke
+gast, door den wijn in een vroolijke stemming gebracht, hem mededeelde hoe lastig de keizerlijke praal voor den drager daarvan
+was, dan <span class="pageno"><a id="d0e1861"></a>Bladzijde 148</span>gaf de paltsgraaf hem uit den grond van zijn hart gelijk. Hij liet ook niet na zijn gebieder mede te deelen, hoe weinig de
+wijze keurvorsten over het nalatig bestuur van het rijk gesticht waren, en hoe verheugd ze over zijn mogelijk aftreden zouden
+zijn. Keizer Wenzel hoorde dit, zittende achter zijn volle bokaal met ijzige kalmte aan en dronk onderwijl het eene glas na
+het andere uit.
+
+</p>
+<p id="d0e1863">Eens zat de keizer weder met zijn mededrinkers bij den Rhenser Koningsstoel en algemeen heerschte er een vroolijke geest,
+want de paltsgraaf schonk vurigen Aszmannsh&auml;user in groote bokalen. Met welbehagen proefde Wenzel den edelen drank en de overige
+drinkers hadden geen woorden genoeg, om het edele vocht te prijzen.
+
+</p>
+<p id="d0e1865">En terwijl de bekers rondgingen en vroolijke melodi&euml;n in de koningshal weerklonken, verhief de keizer zich plotseling van
+zijn zetel, en door den wijn overmoedig gestemd, zeide hij tot den paltsgraaf:
+
+</p>
+<p id="d0e1867">&#8220;De kroon, die men mij op het hoofd gezet heeft, zou u niet lastig zijn. Welnu, ik bied haar u aan, indien gij mij en den
+anderen gasten een wijn schenkt, die nog beter smaakt, dan deze Aszmannsh&auml;user.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1869">Toen knipte de paltsgraaf zeer vroolijk met de oogen, wenkte daarop zijn schildknaap en <span class="pageno"><a id="d0e1871"></a>Bladzijde 149</span>na een poosje sleepten de knechts een bestoven vat naar binnen, waaruit dadelijk de bekers gevuld werden. En de paltsgraaf
+verhief zich en bood de eerste bokaal den keizer aan.
+
+</p>
+<p id="d0e1873">&#8220;Dit is mijn Bacharacher, edele Heeren! Proeft hem; ik onderwerp mij zonder vrees aan uw oordeel.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e1875">En men hoorde een welbehaaglijk slurpen en zag vele voldane gezichten. De vurige Bacharacher vond algemeenen bijval, en keizer
+Wenzel verhief zich en gaf hem luid de voorkeur boven den Aszmannsh&auml;user. Hij kon het edele druivensap niet genoeg prijzen
+en proeven.
+
+</p>
+<p id="d0e1877">&#8220;De wijn is meer dan kronen waard,&#8221; sprak hij na elke ferme teug.
+
+</p>
+<p id="d0e1879">Hij heeft ook woord gehouden. De heer Ruprecht van de Palts kreeg de koningskroon en schonk keizer Wenzei uit dankbaarheid
+zes groote vaten Bacharacher wijn.
+<span class="pageno"><a id="d0e1881"></a>Bladzijde 150</span></p><a id="d0e1882"></a><h1>Burcht Lahneck</h1><a id="d0e1885"></a><h2>De tempelier van Lahneck</h2>
+<p id="d0e1888">Tegenover Koblenz boven Lahnstein verheft zich op den vijfhoekigen Bergfried, Lahneck, een der weinige burchten, die uit ru&iuml;nen
+tot goed bewoonbare kasteelen herschapen zijn. Aan Lahneck, dat in hetzelfde jaar als het Heidelberger slot door de horden
+van Lodewijk den Dertienden neergeschoten werd, is een treurige sage verbonden. Door de tempeliers, wier ordehuis in Jerusalem
+stond, moeten deze vestingen gebouwd zijn, waarvan de wachttoren dertig meter boven de kamers uitstak.
+
+</p>
+<p id="d0e1890">De rijkdom der tempeliers bracht hun ongeluk te weeg. De lage koning der Franschen Philipp, die den bijnaam van den Schoone
+had, bewerkte bij den paus, op grond van gefungeerde zware beschuldigingen, dat de veel gesmade orde opgeheven werd, en haar
+grootmeester met vijftig volgelingen op den brandstapel gebracht werden. Overal werden de veroordeelde ridders op gruwelijke
+wijze uitgeroeid, waarbij <span class="pageno"><a id="d0e1892"></a>Bladzijde 151</span>verbeurdverklaring hunner aanzienlijke goederen meer dan de geloofsijver tegen de vermeende ketters en zondaars de drijfveer
+was.
+
+</p>
+<p id="d0e1894">Op het trotsche Lahneck, dat twaalf tempeliers met dienstpersoneel herbergde, richtten zich de begeerige blikken van Peter
+van Aspelt, den aartsbisschop van Mainz. Tegen zijn bevel, dat hij op grond van hun zoogenaamde afkeurenswaardige levenswijze
+uitvaardigde, om den burcht te ontruimen en den witten wapenmantel met het roode kruis voor de boetende monnikspij te verruilen,
+verzette het twaalftal zich als ridders zonder vrees of blaam.
+
+</p>
+<p id="d0e1896">Dit hitste de hebzucht en toorn van den bisschop nog meer aan. Van den Hoogepriester, dien hij, toen deze te Avignon zwaar
+ziek lag, met goed gevolg verpleegd had, verkreeg Peter van Aspelt een bijzonderen vrijbrief, die hem de macht over de bezittingen
+en het leven der bannelingen te Lahneck gaf. Hij trok dus met vele vazallen en soldaten den Rijn af en gaf den tempeliers
+het pauselijk geschrift over, met bevel zich te onderwerpen. Indien zij weigerden te gehoorzamen, zou de burcht stormenderhand
+genomen worden, en de bewoners als onboetvaardige zondaars door de handen van den beul een smadelijken dood sterven.
+
+</p>
+<p id="d0e1898">De oudste der twaalf ridders, een grijsaard <span class="pageno"><a id="d0e1900"></a>Bladzijde 152</span>met zilveren haren, legde in naam van zijn broeders de verklaring af, dat ze vast besloten waren tot den laatsten druppel
+bloed te strijden; eveneens waren ze bereid, evenals hun broeders in Frankrijk folterkwelling en ketterdood te verdragen.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1902">Zoo begon de strijd van de overmacht tegen de minderheid. Met bebloede hoofden werden zij, die tot de partij van den keurvorst
+behoorden, door de ridders en hun getrouwe schildknapen teruggedreven; maar steeds zond de vertoornde aartsbisschop andere
+mannen in het strijdperk. Het aantal der verdedigers slonk met den dag. Onder hen blonken in dezen strijd van man tegen man
+de heldenfiguren der twaalf tempeliers in den witten mantel met het bloedroode kruis uit. Daar zonk een der twaalf ridders
+met brekende oogen naast de met leeuwenmoed verdedigde muur onder het verbrijzelde schild neder; de tweede volgde hem en toen
+de derde. De anderen, die uit vele wonden bloedden, verdubbelden met de weinig overgeblevene burchtlieden hun dapperheid;
+maar onbarmhartig maaide de dood in hun midden.
+
+</p>
+<p id="d0e1904">Toen op den avond na de hevigste bestorming de belegeraars de overwinning behaald hadden en hun vlag op de veroverde tinnen
+plaatsten, stond de grijsaard met het zilveren <span class="pageno"><a id="d0e1906"></a>Bladzijde 153</span>haar, die voorheen het woord gevoerd had, als laatstovergeblevene met zijn met bloedbevlekt zwaard tusschen de lijken van
+zijn gevallen broeders.
+
+</p>
+<p id="d0e1908">De bisschop, getroffen door zooveel heldenmoed, beval hem zich over te geven.
+
+</p>
+<p id="d0e1910">Hij echter vervloekte den hebzuchtigen kerkvoogd en ging met hoog opgeheven zwaard op zijn vijanden af. Hun slagen deden ook
+den laatst overgeblevene van het twaalftal vallen, en over het lijk van dezen held drongen de Mainzers in den thans onbeheerden
+burcht.
+
+</p>
+<p id="d0e1912">Peter van Aspelt maakte Lahneck tot verblijfplaats van den baljuw van het Keurvorstendom Mainz en benoemde tot eersten hoofdschout
+Hartwin van Winningen. Zoo behoorde de burcht ruim driehonderd jaar tot het Keurvorstendom Mainz; maar de treurige geschiedenis
+van de twaalf tempeliers op Lahneck is steeds in die omstreken bewaard gebleven.
+<span class="pageno"><a id="d0e1914"></a>Bladzijde 154</span></p><a id="d0e1915"></a><h1>Stolzenfels</h1><a id="d0e1918"></a><h2>Het dochtertje van den kamerheer</h2>
+<p id="d0e1921">De heer Koenraad van Isenburg, keurvorst van Trier, was een zeer hebzuchtig man. Toen de bisschop van Mainz, niettegenstaande
+het machtwoord van den keizer, dat hij niet bevoegd was, den vrijen doortocht op den Rijn te belemmeren en belasting van de
+reizigers te heffen, de Rijnbelasting invoerde, deed hij hetzelfde. Bij den burcht Stolzenfels, dien hij op een boschachtigen
+bergtop gebouwd had, liet hij een sterk tolhuis bouwen. Het beheer hiervan gaf hij in handen van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1923">Deze slotvoogd was nog hebzuchtiger dan zijn heer. De drukkende tolgelden, die hij op Stolzenfels hief, waren haast ondragelijk,
+zoo gebruikte hij b.v. speciaal daarvoor afgerichte honden, die de rondtrekkende joden moesten opspeuren en wanneer die hun
+smokkelarij ontdekt hadden, moesten ze dubbel tol betalen.
+<span class="pageno"><a id="d0e1925"></a>Bladzijde 155</span></p>
+<p id="d0e1926">De beheerder Frundsberg beging hierbij het groote schelmstuk het aartsbisdom voor een gedeelte van de belastinginkomsten te
+berooven, en door zijn steeds grooter wordende rijkdom werd zijn hebzucht nog meer aangewakkerd. Een rondtrekkend Italiaan,
+Lionarde genaamd, die door zijn geheimzinnige kennis van de planeten bij ridders en geestelijken voordeel zocht te behalen,
+hoorde van de schraapzucht van den Stolzenfelser slotvoogd. Hij verzocht den heer Frundsberg om een vertrouwelijk onderhoud
+en beroemde zich er toen op, dat hij in de raadselachtige kunst der alchimie het onmogelijke tot stand kon brengen. Volgens
+zijn zeggen was hij een adept, dat is iemand, die de wonderbaarlijke kunst verstaat met de beide geheime middelen, zooals
+de steen der wijzen en elixir alle onedele metalen in zilver en goud te veranderen, ook kon hij met den eersten, Grootelixir
+of Panac&eacute;e des Levens genaamd maken, dat verdund als vloeibaar goud alle gebreken genas, den ouderdom verjeugdigde en het
+leven verlengde.
+
+</p>
+<p id="d0e1928">Met lichaam en ziel gaf de hebzuchtige administrateur zich aan den Italiaanschen adept over. Hem ontging in zijn eerzuchtige
+verblindheid, dat het den valschen man alleen om zijn vermogen te doen was, en in afwachting van <span class="pageno"><a id="d0e1930"></a>Bladzijde 156</span>de hem Voorgespiegelde schatten, liet hij zich meer dan ooit tot lage verduistering van hetgeen aan het Keurvorstendom behoorde,
+verleiden. Handenwringend smeekte Gertraud, zijn lieftallig dochtertje, hem, zich niet in het verderf te storten. Maar haar
+smeeken vond bij den verstokten vader geen gehoor.
+
+</p>
+<p id="d0e1932">Daar verscheen op een dag de heer Koenraad van Isenburg op Stolzenfels, om van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg rekening
+en verantwoording omtrent de Rijnbelasting te ontvangen. En met angst zag de ontrouwe rentmeester het uur van de afrekening
+tegemoet.
+
+</p>
+<p id="d0e1934">In haar doodsangst smeekte Gertraud den alchimist om redding in den nood. En terwijl zijn oogen begeerig schitterden, deelde
+Lionardo haar mede, dat alleen de zelfopoffering van een jonkvrouw in staat zou zijn den vader te redden. Door zulk een offer
+zou hij ontelbare koninklijke schatten en eer verwerven, later een gelukkigen ouderdom, kortom al het aardsche geluk zou hem
+beschoren zijn. Zwijgend hoorde het meisje deze woorden aan en verklaarde zich toen bereid, haar jong leven terwille van den
+innig geliefden vader te geven, hetgeen, volgens zeggen van den Italiaanschen toovenaar de geheimzinnige machten der alchimie
+eischten.
+
+</p>
+<p id="d0e1936">Tegen het aanbreken van den volgenden <span class="pageno"><a id="d0e1938"></a>Bladzijde 157</span>nacht begaf zij zich naar de afgelegen torenkamer, die Lionardo als meest afgezonderd vertrek voor zijn goudmakerskunsten
+gebruikte. Over een groote tafel in het midden van de kamer was een purperen kleed gespreid; een schaal stond daarop, en daarnaast
+lag een dolk. Op een drievoet, die daarbij stond, kronkelden blauwachtige vlammetjes omhoog en hulden het lage vertrek in
+een benauwend schemerlicht.
+
+</p>
+<p id="d0e1940">De goudmaker reikte het doodsbleeke meisje een blinkend wit linnen laken over en beval haar vervolgens haar kleeren af te
+leggen, zich op het purperen kleed op de tafel uit te strekken en haar jonkvrouwelijk lichaam met het laken te bedekken.
+
+</p>
+<p id="d0e1942">Terwijl het opofferende meisje in droefgeestige stemming aan haar onzaligen vader dacht en deed wat haar bevolen was, boog
+Lionardo zich over de offervlam, verbrandde daarin een stukje hout, afkomstig van het gebergte Libanon, en mompelde in zijn
+puntbaart onverstaanbare woorden. Vervolgens trok hij, terwijl de jonkvrouw de oogen van schaamte gesloten hield en haar reine
+ziel den Heer aanbeval, snel het omhulsel van haar af en zwaaide, terwijl hij met fonkelende oogen zijn tooverformulier ten
+einde prevelde, den dolk in de opgeheven <span class="pageno"><a id="d0e1944"></a>Bladzijde 158</span>rechterhand in de richting van het hart van het meisje.
+
+</p>
+<p id="d0e1946">Op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend. Met een ijzeren greep omklemde een hand den opgeheven arm, en een slag deed den
+toovenaar als een slachtdier ter aarde storten. Over Gertraud, die blozend het laken om haar kuische leden hulde, boog jonkheer
+Reinhard van Westerburg, de jeugdige hoofdman van de keurvorstelijke bezetting op Stolzenfels zich met gepasten eerbied. Het
+opofferende meisje beleed hem alles, wat er gebeurd was. Hij echter deelde haar mede, hoe hij, door haar zonderling gedrag
+van dien avond verschrikt, angstige voorgevoelens had gekregen en het sedert langen tijd in stilte beminde meisje totaan het
+uur, waarop zij den drempel van deze kamer overschreed, gade geslagen had. Hoe dan een hoogere macht hem op het laatste oogenblik
+ingegeven had, hier binnen te dringen, en een gruwelijke euveldaad te verhinderen, waarvoor hij den Italiaanschen goochelaar
+morgen aan den beul van den keurvorst zou overleveren. Bij deze laatste woorden sprong de goudmaker, die op den grond lag,
+alsof hij dood was, als een sissende slang overeind, stiet een gruwelijken vloek uit en ontvluchtte.
+<span class="pageno"><a id="d0e1948"></a>Bladzijde 159</span></p>
+<p id="d0e1949">Den volgenden morgen is jonkheer Reinhard van Westerburg tot den heer van Frundsberg gegaan en heeft dezen verzocht hem zijn
+lieftallige dochter Gertraud tot gemalin te geven. Toen de kamerheer van den keurvorst den hooghartigen ridder verward meedeelde,
+dat zijn dochtertje, hoewel rijk aan lieftalligheid en deugden, zulk een met goederen gezegenden heer onwaardig was, verklaarde
+de heer van Westerburg, dat hij aan zijn aanzoek slechts een voorwaarde verbond: De vader van zijn bruid moest van hem zonder
+dralen de som aannemen, welke de vreemde bedrieger, die dezen nacht door den duivel gepakt was, hem afgeperst had.
+
+</p>
+<p id="d0e1951">Terwijl de heer Gerhard Frundsberg bij het hooren van deze dubbelzinnige woorden verbleekte, kwam er een stalknecht naar binnen
+gestormd, die mededeelde, dat ze beneden bij een uitstekende rots den Italiaanschen toovenaar met gespleten schedel gevonden
+hadden; hij had waarschijnlijk bij nacht en nevel den weg gemist en een doodelijken val gedaan. Toen heeft de slotvoogd een
+kruis gemaakt. Jonkheer van Westerburg hield steeds de handen van den sidderenden oude in de zijne en drong er nogmaals op
+aan hun schatten met elkaar te ruilen.
+
+</p>
+<p id="d0e1953">Tegen den middag kwamen de Trierers in <span class="pageno"><a id="d0e1955"></a>Bladzijde 160</span>gala op Stolzenfels aan. De heer Koenraad van Isenburg heeft nauwkeurig afgerekend en alles in de beste orde bevonden. Na
+verloop van eenige dagen heeft hij het deugdzame dochtertje van zijn trouwen kamerheer aan den hoofdman van zijn Stolzenfelsche
+bezetting toevertrouwd, en de hoogeerwaarde heer verheugde zich zeer, zijn vesting Stolzenfels nu in dubbel goede handen te
+weten.
+
+</p>
+<p id="d0e1957"></p>
+<div id="d0e1958" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p160.jpg" alt="Tournooi te Keulen"></p>
+<p class="figureHead">Tournooi te Keulen</p>
+</div><p>
+<span class="pageno"><a id="d0e1962"></a>Bladzijde 161</span></p><a id="d0e1963"></a><h1>Koblenz</h1><a id="d0e1966"></a><h2>Riza</h2>
+<p id="d0e1969">Toen in het begin der negende eeuw Lodewijk, de Vrome, zoon van Karel den Groote, aan de oevers van den Rijn met zijn verdorven
+zoons om de keizerskroon streed, werd in Koblenz, ter eere van den godsvruchtigen Kastor, die in het land van de Moezel het
+christendom verbreid had, een godshuis gebouwd. Aan een vertakking van den Rijn werd het van vier torens voorziene gebedenhuis
+gebouwd.
+
+</p>
+<p id="d0e1971">Destijds verhief zich op het hoogste zuidwestelijke punt van Koblenz het Frankische Koningshof, een voormalig Romeinsch kasteel,
+en daarnaast een, aan den heiligen Kastor gewijd nonnenklooster. Hierin heeft Riza, een dochter van Lodewijk den Vrome, die
+reeds vroegtijdig afstand van de wereld deed, haar vroom leven gesleten. Elken dag ging de koningsdochter <span class="pageno"><a id="d0e1973"></a>Bladzijde 162</span>aan de andere zijde van de rivier in de Kastorkerk naar de mis. De Heer schiep zulk een groot welbehagen in Riza, dat zij,
+evenals voorheen zijn discipel over het meer van Genezareth, met droge voeten over den Rijn wandelde, om deel te nemen aan
+de heilige offerande in de St. Kastorkerk.
+
+</p>
+<p id="d0e1975">Eens, zoo deelt de vrome sage verder mee, was de vloed door den storm zeer woest. Voor het eerst was de jonkvrouw angstig,
+toen haar voet de golven betreden zou. Uit voorzorg trok ze een stok uit een nabijzijnden wijnberg en nam hem als staf mede
+op haar wandeling over de waterstraat; maar evenals voorheen Petrus, zonk ook zij, na eenige angstige schreden gedaan te hebben,
+in het water.
+
+</p>
+<p id="d0e1977">In haar doodsangst werd zij zich vol berouw haar gebrek aan vertrouwen op God bewust. Zij slingerde den stok ver weg, hief
+de armen ten hemel en vertrouwde zich aan de bescherming van den Allerhoogste toe. Daar dook ze weer op uit de golven, en
+evenals vroeger bereikte ze met droge voeten den tegenover gelegen oever. Sedert dien tijd beijverde Riza, de heilige dochter
+van den vromen Lodewijk, zich meer dan ooit in werken, die God welgevallig waren. Zij stierf tusschen de kloostermuren en
+haar stoffelijk overschot werd naast <span class="pageno"><a id="d0e1979"></a>Bladzijde 163</span>dat van den heiligen Kastor in zijn kerk bijgezet. Het marmeren monument van Riza, die door het volk heilig verklaard is,
+kan men nog in de noordelijke zijvleugel van de Kastorkerk te Koblenz zien.
+<span class="pageno"><a id="d0e1981"></a>Bladzijde 164</span></p><a id="d0e1982"></a><h1>Andernach</h1><a id="d0e1985"></a><h2>Genoveva</h2>
+<p id="d0e1988">I.
+
+</p>
+<p id="d0e1990">In de omstreken van den Rijn wordt de naam van de deugdzame gemalin van paltsgraat Siegfried met vereering genoemd. Zij, die
+eens het grootste kleinood van het hart, niettegenstaande gruwelijke beproeving en nameloos verdriet standvastig en ongeschonden
+bewaarde, werd door het volk de heilige Genoveva genoemd. In den tijd, dat Karel, de naamgenoot van zijn voorvader, den grooten
+keizer der Franken, het land der West-Franken regeerde, stond in den &#8220;Mayenfelder Gau&#8221; ten westen van de oude stad Andernach,
+het slot van den paltsgraaf. Zeer gelukkig en eendrachtig leefde de jonge paltsgraaf met zijn liefelijke gemalin.
+
+</p>
+<p id="d0e1992">Doch het eerste wolkje kwam aan den horizon van hun huwelijksgeluk. De gevreesde Arabieren waren uit Spanje gekomen en in
+Galli&euml; binnengedrongen en baanden zich moordende en alles verbrandende een weg naar het Noorden. <span class="pageno"><a id="d0e1994"></a>Bladzijde 165</span>Een hevige schrik verspreidde zich door het christelijke Frankenland. De vijand van het christendom moest uitgeroeid worden,
+wilde het Westen niet hetzelfde lot van het door de halve maan beschaduwde Afrika ondergaan. Ook in den burcht van den paltsgraaf
+drong de oproeping van den gebieder tot deelneming aan den strijd door. Toen trok de heer Siegfried de wapenrusting aan, kuste
+zijn weenende vrouw en nam afscheid van den burcht zijner voorvaderen. Zwaar viel hem het scheiden van de heerlijke &#8220;Mayenfelder
+Au&#8221;, waar hij det hoogste geluk zijns levens gesmaakt had, maar nog zwaarder viel hem het afscheid van de bedroefde gade.
+Zijn slotvoogd Golo droeg hij op, goed voor zijn beminde vrouw te zorgen, en haar verzocht hij, dezen haar volle vertrouwen
+te schenken.
+
+</p>
+<p id="d0e1996">De dagen der scheiding van haar geliefden echtgenoot waren voor de paltsgravin zeer smartelijk. Hevig drukte haar de eenzaamheid
+in den grooten burcht, en zeer miste ze Siegfrieds nabijheid, den klank zijner stem en de veiligheid van zijn tegenwoordigheid.
+Tot den man, die door hem als haar beschermer aangesteld was, kon ze niet spreken als tot een vriend. Haar rein vrouwenoog
+schrok van den hartstochtelijken gloed, die uit de sombere blikken <span class="pageno"><a id="d0e1998"></a>Bladzijde 166</span>van Golo straalde. Het scheen haar, dat deze blikken heimelijk haar bewegingen bespiedden en met een uitdrukking, die haar
+kinderlijk gemoed niet begreep, op haar rusten bleven.
+
+</p>
+<p id="d0e2000">Dubbel miste zij dan den afwezigen gemaal. Dikwijls trad ze naar buiten en gaf zich in het tuintje onder den vlierboom aan
+aangename droomen over. Terwijl haar oogen verlangend in het schemerachtige, blauwe verschiet staarden, dacht Genoveva aan
+het zalige oogenblik, waarop ze den heer Siegfried terug zou zien; hoe zij, het hoofd aan zijn borst geleund, hem het zoete
+geheim mede zou deelen, dat de aanstaande moeder reeds bij voorbaat zoo gelukkig maakte. Misschien zou de oorlog tegen de
+heidenen lang duren, en zou zij den terugkeerenden echtgenoot het pand hunner liefde hier op de burchtplaats toereiken. Dan
+klaarde het lieve gelaat der paltsgravin op, en een glans van geluk kwam over haar trekken. Dikwijls steeg zij dan op naar
+de platform en droomde van toekomstig geluk, terwijl haar oogen verlangend in het schemerachtige verschiet staarden.
+
+</p>
+<p id="d0e2002">De heimelijke vrees, die de paltsgravin voor den slotvoogd koesterde, was niet ongegrond. De engelachtige schoonheid van Genoveva
+had in het jeugdig gemoed van Golo een verboden <span class="pageno"><a id="d0e2004"></a>Bladzijde 167</span>vuur doen ontgloeien, dat hij niet in staat was te verstikken; integendeel werd door het vele samenzijn met de lieftallige
+paltsgravin, die tegen hem, evenals tegen alle ondergeschikten vriendelijk was, het vuur van den verderfelijken hartstocht
+nog meer aangewakkerd, totdat hij op een dag zich zelf niet meer meester was en zich aan de voeten van de begeerlijke, teeder
+beminde vrouw wierp. In zondige hartstochtelijke taal smeekte Golo de vrouw van zijn meester om haar wederliefde.
+
+</p>
+<p id="d0e2006">Genoveva was zeer ontsteld door deze schandelijke bekentenis. Met verontwaardiging en verachting wees zij den vermetele af.
+Zij verbood hem, die zijn plicht zoo grenzenloos verzaakt had, ooit weer voor haar aangezicht te verschijnen en dreigde hem,
+dat zij hem bij haar man zou aanklagen. Toen kwam er een sombere flikkering in Golo&#8217;s oogen, en een blik van doodelijken haat
+trof de schoone vrouw, die hem zoo streng terecht wees. Vergeving was niet te hopen van de verontwaardigde meesteres; zijn
+vernederde trots verlangde die ook niet, maar dorstte naar wraak. Nu moest er verder gegaan worden op den eenmaal ingeslagen
+weg, teneinde Siegfrieds toorn, waarmede hij gedreigd was, te ontgaan.
+
+</p>
+<p id="d0e2008">De haat en wraak deed een vreeselijk plan in <span class="pageno"><a id="d0e2010"></a>Bladzijde 168</span>Golo&#8217;s, binnenste rijpen. Hij ontsloeg de onderhoorigen en stelde nieuwe bedienden in den burcht aan. Toen trad hij op een
+dag, ten aanschouwe van het geheele dienstpersoneel, op de ontstelde paltsgravin toe en beschuldigde haar met fonkelende oogen,
+dat zij zich tegenover haar afwezigen echtgenoot op schandelijke wijze aan trouwbreuk schuldig gemaakt had, door met een gewonen
+knecht, die haar merrie zadelde in ongeoorloofde verhouding te staan, waarvan zij de vrucht onder het hart droeg. Schaamte
+en verontwaardiging beroofden Genoveva van haar zinnen. Golo deelde den ontstelden bedienden, die zwijgend toehoorden, mede,
+dat hij den paltsgraaf reeds van de schuld van zijn trouwelooze gade en haar ontvluchten dienaar Drago onderricht had en als
+tegenwoordig burchtbeheerder beval, de trouwelooze in een kerker te brengen.
+
+</p>
+<p id="d0e2012">In een vochtige onderaardsche gevangenis van den burcht ontwaakte de ongelukkige paltsgravin uit haar bezwijming. Diep bedroefd
+verborg zij het hoofd in de handen en smeekte Hem, die haar deze vreeselijke beproeving opgelegd had, haar in het tegenwoordige
+leed en in de aanstaande gebeurtenis bij te staan. Smartelijke uren stonden Genoveva te wachten. Zij bracht een knaapje ter
+wereld. Zij doopte hem <span class="pageno"><a id="d0e2014"></a>Bladzijde 169</span>met haar tranen en gaf hem den naam Tristan, dat beteekent: rijk aan smarten.
+
+</p>
+<p id="d0e2016">II.
+
+</p>
+<p id="d0e2018">Acht maanden was paltsgraaf Siegfried reeds afwezig. Als een held had hij in menig hevig gevecht gestreden. Met woesten geestdrift
+vochten de dweepzieke Mahomedanen, die de Pyrenee&euml;n overgestoken waren, om ook het overige Westen met vuur en zwaard aan de
+leer van hun profeet te onderwerpen. In vele gevechten hadden de Franken voor hun overmacht moeten zwichten. Reeds stonden
+de teugellooze Horden in het midden van Galli&euml; en drenkten hun paarden met het water van de Loire. Daar verscheen Karel, de
+eerste paladijn van den zwakken koning der Franken, en mat zich in een bloedig gevecht bij Tours met de Arabieren. Vanaf het
+aanbreken van den dag tot aan het vallen van den avond streden hier het kruis en de halve maan om Europa&#8217;s lot. Nooit genoeg
+heeft men dezen strijd tegen de Mooren tusschen Tours en Poitiers gewaardeerd, toen Karel Martel als met een hamer de ongeloovigen
+op het hoofd sloeg, evenals voorheen Judas deed, dien ze Maccabeeus, dat beteekent: &#8220;de hameraar&#8221;, genoemd hebben. Aan de
+<span class="pageno"><a id="d0e2020"></a>Bladzijde 170</span>zijde van den legeraanvoerder streed Siegfried, de paltsgraaf. Hij vocht als een leeuw, en God beschermde hem tot aan het
+einde van den strijd. Dienzelfden avond echter werd de dappere paltsgraaf door de lans van een vervolgden Saraceen getroffen.
+Het was geen doodelijke steek geweest, maar gedurende maanden was hij tot werkeloosheid gedoemd. Mistroostig lag graaf Siegfried
+op zijn legerstede, en vol droefheid dacht hij aan de geliefde gade in het mooie Rijndal.
+
+</p>
+<p id="d0e2022">Toen kwam er op een dag een bode uit den &#8220;Mayenfelder Gau&#8221;, die den paltsgraaf een perkament bracht, door Golo den slotbewaarder
+geschreven. Ontzet heeft graaf Siegfried de krullende, zwarte teekens aangestaard, als wilde zijn blik ze van het blad uitwisschen;
+maar hoonend hebben ze voor zijn oogen gedanst, en in zijn ooren heeft de ontzettende tijding geklonken: &#8220;je vrouw heeft de
+trouw gebroken met Drago, den weggeloopen stalknecht.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2024">Woedend hebben de vingers van den held het geschrift omklemd, een steunen drong uit den bleeken mond. Op hetzelfde uur heeft
+hij zich met eenige wapendragers op weg begeven en is somber en ontstemd de richting van de Ardennen ingeslagen. Hij heeft
+niet gerust voor dat de Paltsburcht voor zijn oogen opdoemde. <span class="pageno"><a id="d0e2026"></a>Bladzijde 171</span>Op de platform stond een man, die onderzoekend in de verte tuurde. Toen hij in de nabijheid stofwolken zag opwaaien en een
+kleine schaar ruiters ontdekte, kwam er een zegevierende blik in de donkere oogen.
+
+</p>
+<p id="d0e2028">Daar rent een statig ridder voor de anderen uit. Donderend dreunt de met ijzerbeslagen hoef van het strijdros op de ophaalbrug.
+Voor den somberen paltsgraaf, die snel van zijn paard afgesprongen is, staat Golo met gehuichelde ontroering. Opnieuw deelt
+hij met gekunstelde smart mede, hetgeen de ridder reeds door den koerier vernomen heeft.
+
+</p>
+<p id="d0e2030">&#8220;Waar is de boosdoener, opdat ik hem, die de eer van mijn huis bezoedelde, verplettere!&#8221; riep de paltsgraaf vol vertwijfeling
+uit.
+
+</p>
+<p id="d0e2032">&#8220;Heer, ik heb den ellendeling gruwelijk gestraft en hem vervolgens met zweepslagen uit het slot verdreven,&#8221; antwoordde Golo
+met krachtige stem.
+
+</p>
+<p id="d0e2034">De paltsgraaf zucht diep. Zwijgend wenkt hij Golo, en een straal van duivelsche vreugde schittert in het oog van den valschaard.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2036">Ook in de onderaardsche gevangenis was het geluid van paardengetrappel en van het toeloopen der bedienden doorgedrongen. Zich
+hoog oprichtend, luistert Genoveva in haar kerker. Een dierbare naam en een bede tot God komt <span class="pageno"><a id="d0e2038"></a>Bladzijde 172</span>op haar lippen. Nu moest de vreeselijke beproeving een einde nemen, en haar deugd zegevierend de plaats der smaad verlaten
+en de doornenkroon verwisseld worden voor den zegekrans.
+
+</p>
+<p id="d0e2040">Daar wordt de grendel weggeschoven, harde voetstappen weerklinken. Aan haar borst trekt zij het sluimerende knaapje. De vleugeldeur
+wordt opengeworpen, en den geliefden echtgenoot toont zij het aanvallige kind, het pand hunner liefde en juichend klinkt de
+naam van den dierbaren gemaal van haar lippen. Maar plotseling veranderen haar woorden in een luiden smartkreet. Hij slingert
+haar van zich af, als hamerslagen treffen zijn aanklachten haar onschuldig hoofd, en kermend valt Genoveva in onmacht. Den
+volgenden morgen bij het aanbreken van den dag brachten twee knechten de ongelukkige naar buiten in het bosch. In koelen bloede
+moesten zij de vrouw dooden, die haar gemaal op schandelijke wijze ontrouw geweest was, terwijl deze zijn leven aan de heilige
+zaak gewijd had, en met haar moest tevens het kind der schande sterven. De vertoornde paltsgraaf had bevolen, hem de tongen
+te brengen, als bewijs van het uitgevoerde bevel.
+
+</p>
+<p id="d0e2042">Hardvochtig sleepten de knechten de ongelukkige naar het meest woeste deel van het <span class="pageno"><a id="d0e2044"></a>Bladzijde 173</span>woud, waar slechts het schreeuwen van een roofvogel of de kreet van een dier uit het bosch de stilte verbrak. Reeds hadden
+ze de messen getrokken. Daar wierp de paltsgravin zich vol vertwijfeling aan de voeten van de mannen, hield weenend haar knaapje
+in de hoogte en smeekte hun, zoo niet haar, dan toch het onschuldige kind te sparen. Medelijden maakte zich van de mannen
+meester en ontwapende hun hand, die het moordwapen vasthield. Nog dieper in het woud brachten ze moeder en kind, keerden zich
+toen snel om en lieten de slachtoffers aan hun lot over.
+
+</p>
+<p id="d0e2046">Twee reetongen brachten de mannen den paltsgraaf en deelden hem mede, dat ze zich getrouw van hun opdracht gekweten hadden.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2048">III.
+
+</p>
+<p id="d0e2050">Genoveva&#8217;s bestaan was hoogst treurig. Geheel opgaande in haar smart, doolde zij dood vermoeid door het onbekende woud rond.
+De honger kwam en deed zijn rechten gelden. Zacht kermde het knaapje op haar arm, en een innig gebed zond de vertwijfelde
+moeder ten hemel. Het drukkende harteleed loste zich op in een vloed van tranen, die haar eenigszins verlichtten. De knaap
+was, nadat ook hij lang geschreid had, ingeslapen. Eensklaps zag Genoveva, <span class="pageno"><a id="d0e2052"></a>Bladzijde 174</span>als door den hemel, dien ze aangeroepen had, gezonden, een hol voor zich, dat haar een schuilplaats en toevluchtsoord aanbood.
+En, als wilde God haar toonen, dat hij harer welwillend gedacht, kwam er een witte hinde in het hol, die zich vertrouwelijk
+aan de voeten van de verlatene neervlijde. Haar uiers waren gevuld met melk; zij moest eenige dagen geleden jongen gekregen
+hebben. Gewillig liet het zachte dier toe, dat de vrouw haar kindje laafde. Ook den volgenden morgen kwam de hinde weder,
+en Genoveva dankte God uit den grond van haar hart. Zij vond wortels, bessen en kruiden, waarmede ze zich in het leven kon
+houden. Het makke dier kwam elken dag in het hol en bleef eindelijk voortdurend bij haar.
+
+</p>
+<p id="d0e2054">Zoo verliepen er dagen, weken en maanden. Door de onveranderlijke vroomheid der zwaar beproefde vrouw was de hevige smart
+in zachten weemoed overgegaan. Na verloop van tijd kon zij haar echtgenoot, die haar onschuldig veroordeeld had, vergeven,
+evenals hem, die zich meedoogenloos op haar deugd gewroken had. Wel waren haar liefelijke wangen smal geworden, maar de gekruide
+boschlucht veranderde de bleekheid, die de kerkerlucht daarop verspreid had in een zacht rood. Meer nog nam de knaap in beterschap
+toe, daar hem niet zooals <span class="pageno"><a id="d0e2056"></a>Bladzijde 175</span>zijn moeder dat verterende leed aan het hart knaagde. Een bloeiende twijg aan een geknakten stengel.
+
+</p>
+<p id="d0e2058">IV.
+
+</p>
+<p id="d0e2060">Sedert deze treurige gebeurtenis was het verdriet een trouw bezoeker op het slot van den paltsgraaf. De hevige toorn was in
+knagend hartzeer overgegaan. Dikwijls, wanneer hij onrustig door de kamers dwaalde, waaraan zooveel herinneringen verbonden
+waren en doodsche stilte hem omringde, waar vroeger de zachte stem van de geliefde vrouw weerklonken had, dan overweldigde
+hem de smart. En het berouw kwam en fluisterde hem met gloeiende woorden in het oor: of de gruwelijke straf, die hij opgelegd
+had, niet te zwaar geweest was&#8212;of hij niet te snel het vonnis uitgesproken had en of hij niet had moeten overwegen, wat tot
+verzachting der ontmaskerde zonde had kunnen bijdragen.
+
+</p>
+<p id="d0e2062"></p>
+<div id="d0e2063" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p176.jpg" alt="De Lorelei"></p>
+<p class="figureHead">De Lorelei</p>
+<p id="d0e2066">Naar het schilderij van C. Begas. </p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e2069">Als deze vermanende stemmen hem vervolgden, dan werd het slot en de eenzaamheid den paltsgraaf te veel, en hij snelde naar
+buiten met de keffende honden en het gevolg, om door jachtfanfares en hondengeblaf de innerlijke aanklagers tot zwijgen te
+brengen. Maar het gelukte <span class="pageno"><a id="d0e2071"></a>Bladzijde 176</span>hem slechts zelden, en ook buiten zag steeds een doodsbleek vrouwengezicht tot hem op, om dan in een stralenkrans weg te smelten.
+Golo had wel bemerkt, hoe het met den zielstoestand van zijn meester gesteld was, en dubbel drong de sluwe man zich aan den
+paltsgraaf op, huichelde steeds grootere onderdanigheid en zorg voor diens welzijn. Een hongerige neemt zelfs het brood aan,
+dat een bedelaar hem biedt: Siegfried meenende, dat de slotvoogd hem in zijn eenzaamheid wilde troosten, nam deze bewijzen
+van genegenheid minzaam aan en beloonde ze met welwillendheid, hoewel hij in zijn binnenste vertoornd was op den man, die
+hem den treurigsten dienst zijns levens bewezen had. Eens ging de paltsgraaf weer op de jacht. Slechts een klein gevolg begeleidde
+hem. Ook Golo was onder hen. Dieper dan gewoonlijk was Siegfried het bosch ingegaan. Een sneeuwwitte hinde was voor hem opgesprongen,
+en als een goed jager rende de paltsgraaf over heg en struik, om het zeldzame dier neer te schieten. Reeds had zijn speer
+het dier aangeraakt, toen het plotseling in een hol verdween. En een vrouwelijke gestalte met een knaapje aan de hand trad
+plotseling in de opening tusschen de rotsen. De hinde, die bescherming bij haar zocht, vlijde zich tegen haar aan. Zij <span class="pageno"><a id="d0e2073"></a>Bladzijde 177</span>bespeurt den jager en werpt met een blos van schaamte haar rijke mantel van blond haar over het armoedige gewaad. Maar een
+siddering overvalt haar, onbeweeglijk staren de groote vermoeide oogen den jager aan. Een kreet klinkt van haar lippen, half
+juichend, half kermend en zij werpt zich aan de voeten van den paltsgraaf. En van de lippen, die maandenlang slechts vurige
+gebeden gepreveld of het verlaten kind zoete vleierijen toegefluisterd hebben, stroomen nu betuigingen van onschuld en aanklachten
+tegen haar vervolgers. Als vuur dringen haar woorden in de ziel van den paltsgraaf, als vuur, dat verlicht, loutert en ontvlamt.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2075">Plotseling tot bezinning gekomen, trekt hij zijn wedergevonden vrouw aan zijn borst, kust haar traan voor traan van de wangen
+weg en werpt zich dan zelf aan haar voeten, terwijl hij berouwvol om vergeving smeekt. Den knaap drukt hij aan zijn hart en
+geeft het miskende kind duizend teedere namen.
+
+</p>
+<p id="d0e2077">Dan blaast hij op den jachthoorn. Het gevolg nadert; ook Golo. De paltsgraaf trekt hem uit den kring der ontstelde wapendragers
+en sleurt hem vlak voor Genoveva.
+
+</p>
+<p id="d0e2079">&#8220;Kent gij haar?&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2081">Als door geeselslagen getroffen, kromp de ellendeling ineen, en omklemde voortdurend <span class="pageno"><a id="d0e2083"></a>Bladzijde 178</span>de knie&euml;n van zijn meester, die hem verachtelijk van zich stiet. Hij biechtte zijn misdaad en smeekte om genade. Siegfried
+schudde treurig het hoofd, liet hem boeien en wegbrengen. Een smadelijke dood was, niettegenstaande de voorspraak van de vrome
+paltsgravin, Golo&#8217;s loon.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e2085">De zon van nieuw geluk bestraalde weer paltsgraaf Siegfried en zijn engelachtige vrouw. Met dubbele teederheid schonk de paltsgraaf
+zijn liefde aan de trouwe gemalin en zijn bloeiend knaapje. In het bosch, waar de hinde hem het spoor naar het hol gewezen
+had, liet hij, uit dankbaarheid aan God, een kerk bouwen. Dikwijls ging de vrome paltsgravin in dit godshuis bidden en prees
+Gods goedheid, die haar tranen in vreugde had doen veranderen.
+
+</p>
+<p id="d0e2087">Op een dag werd haar omhulsel onder groote droefheid weggedragen en in deze kerk bijgezet. Nog heden staat de oude Vrouwenkerk
+te Laach in de &#8220;Mayenfelder Au&#8221;, nog heden laat men den bezoeker het grafteeken, den toren, waarin zij smachtte, het rotshol,
+waarin zij leed, zien, en er is niemand in het Rijnland, die de deugdzame gemalin van paltsgraaf Siegfried, de heilige Genoveva
+niet kent.
+<span class="pageno"><a id="d0e2089"></a>Bladzijde 179</span></p><a id="d0e2090"></a><h1>Hammerstein</h1><a id="d0e2093"></a><h2>De met dochters gezegende ridder</h2>
+<p id="d0e2096">Boven Rheinbrohl staan op den somberen Grauwackenfels de duizendjaar oude, vervallen ru&iuml;nes van de rijksvesting Hammerstein.
+Een der eerste bezitters was Wolf van Hammerstein, een trouw onderdaan van keizer Hendrik den Vierde, wiens kroon door eigen
+schuld en die van anderen met doornen omwonden was. Op den onvergetelijken boetetocht naar Canossa heeft graaf Hammerstein
+hem vergezeld, doch door de gebreken van den naderenden ouderdom heeft hij daarna zijn burcht niet gaarne meer verlaten. Slechts
+uit de verte drong het trompetgeschal der wereld tot hem door.
+
+</p>
+<p id="d0e2098">Zes dochters waren uit het huwelijk van den heer Wolf van Hammerstein met zijn sedert jaren ontslapen echtgenoote geboren,
+liefelijke jonkvrouwen, die voor den bejaarden vader groote vereering koesterden. Hun kinderliefde viel echter bij den ruwen
+krijgsman in verkeerde aarde. Dat hem geen zoon beschoren was, <span class="pageno"><a id="d0e2100"></a>Bladzijde 180</span>kwelde hem zeer. Gaarne had hij voor een stamhouder het halve dozijn meisjes gegeven. Dit bleef de zes jonkvrouwen niet verborgen,
+en door groote liefde en toewijding trachtten zij den norschen vader met zijn lot te verzoenen.
+
+</p>
+<p id="d0e2102">Op een avond, terwijl buiten de wind als een krassende raaf om den burcht gierde, zat ridder Wolf, door jicht geplaagd, binnen
+aan den warmen haard en was niettegenstaande de rouwelijke opmerkzaamheden in een slecht humeur. Evenals schuwe duiven keken
+de sierlijke meisjes naar den vertoornden ouden heer.
+
+</p>
+<p id="d0e2104">Daar dient de slotbewaker in het late uur nog twee gasten aan. Zij zijn in ridderlijke wapenmantels gehuld. Niettegenstaande
+zijn podagra verheft de gastvrije burchtheer zich van zijn zetel. In het verwarmde vertrek treden bibberend van koude twee
+vermoeide reizigers, die om een onderkomen voor den nacht smeeken.
+
+</p>
+<p id="d0e2106">Bij den klank der stem van den eenen vreemdeling heeft de ridder zich luisterend opgericht, en toen deze het vizier ophief
+en den mantel terugsloeg, is Wolf van Hammerstein eerbiedig op de knie&euml;n aan zijn voeten neergevallen, heeft zijn beide handen
+gegrepen, zijn gebaarde lippen daarop gedrukt en uitgeroepen: &#8220;Hendrik, mijn Heer en Koning!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2108">De keizer heeft vervolgens zijn voormaligen <span class="pageno"><a id="d0e2110"></a>Bladzijde 181</span>strijdmakker met trillende stem medegedeeld, dat hij vluchtende was voor hem, die hem den koningsmantel van de schouders en
+de kroon van het hoofd gerukt had. En toen de ridder bevende van opwinding vroeg, wie deze eeren goddelooze booswicht was,
+fluisterde de keizer met gebogen hoofd op klankloozen toon: &#8220;Mijn zoon!&#8221; Hij bedekte het gelaat met de handen. Onbeweeglijk
+als een marmeren beeld stond de ridder daar, terwijl hij, als door een bliksemstraal, die in zijn ziel viel, tot inzicht werd
+gebracht.
+
+</p>
+<p id="d0e2112">Teeder voelde hij zich door de armen zijner, dochters omvat, en toen hij de handen naar hen uitstrekte, als wilde hij door
+de teederheid van een oogenblik al het onrecht van vele jaren vergoeden, voelde hij tranen daarop neerdruppelen. De keizer
+sprak diep geroerd tot den ridder:
+
+</p>
+<p id="d0e2114">&#8220;Benijdenswaardige wapenbroeder, de trouwe harten van je dochters kloppen voor je tot over je graf en geen verdorven zoon,
+die je dood niet kan afwachten, jaagt je eens met grijze haren van je geboortegrond! Wee mij, die morgen met de weinige getrouwen,
+die mij gebleven zijn tegen mijn eigen bloed ten strijde moet trekken.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2116">Terwijl de ongelukkige koning tegen middernacht <span class="pageno"><a id="d0e2118"></a>Bladzijde 182</span>in de gezellig ingerichte kamer in een onrustigen slaap viel, overlaadde de diepbewogen burchtheer zijn dochters met ongekende
+liefkoozingen. Hij heeft God vergeving gevraagd voor den wrok, die in vroeger dagen bij hem opgekomen was, omdat hij geen
+zoon had.
+<span class="pageno"><a id="d0e2120"></a>Bladzijde 183</span></p><a id="d0e2121"></a><h1>Rheineck</h1><a id="d0e2124"></a><h2>De wijnkeuring</h2>
+<p id="d0e2127">Onder het stadje Brohl verheft zich op een rotsachtige hoogte, waar vroeger reeds een Romeinsch slot gestaan heeft, de twintig
+meter hooge, vierhoekige wachttoren, als laatste overblijfsel van den burcht Rheineck. De sage, die aan den eenzamen toren
+verbonden is, vertelt ons een vroolijk verhaal van een ridder, een bisschop, een jonkvrouw en den wijn van Aszmannshausen.
+De ridder heette Kunz van Schwalbach en was een vermetele bandiet, die vooral het vuistrecht in de omstreken van de Ahr met
+veel ijver en niet minder gevolg uitoefende. Zijn gemalin, die wellicht een goeden invloed op hem had kunnen uitoefenen, rustte
+reeds sedert jaren in de burchtkapel. Een bevallig meisje, een vroeg wees geworden kind van een broeder van den heer Kunz,
+Adelgonde genaamd, bestuurde sedert dien tijd de huishouding op Rheineck.
+
+</p>
+<p id="d0e2129">Destijds was de vrome, maar ook strenge heer Anselmus bisschop van Keulen. Daar hij <span class="pageno"><a id="d0e2131"></a>Bladzijde 184</span>hooge belasting en tollen hief, waren de burgers van Keulen zeer vertoornd op hem, en toen hij weer een nieuwe belasting invoerde,
+was een hevig oproer hiervan het gevolg, zoodat Anselm gedwongen werd, met eenige getrouwen ijlings zijn residentie te verlaten.
+Naar aanleiding van hun bedeesde vraag &#8220;waarheen?&#8221; herinnerde de heer Anselm zich den burcht Rheineck, die tot het aartsbisdom
+behoorde en die den Schwalbachers voor langen tijd ter leen gegeven was. Daarheen wilde de aartsbisschop in ballingschap
+gaan, totdat zijn verdwaalde schaapjes hem weer terug zouden roepen.
+
+</p>
+<p id="d0e2133">&#8220;Ridder Kunz, de oom van mijn zedige pupil is wel is waar een groote schelm,&#8221; meende de vrome heer. &#8220;Hij bidt weinig en rooft
+veel. Daarbij wordt hij verdacht de brutale bandiet te zijn, die in den herfst van ons aartsbisdom de lading wijn weggekaapt
+heeft. Aszmannsh&auml;user was het,&#8221; zeide de heer Anselm bij zich zelf, terwijl hij met gefronste wenkbrauwen naar de kielvoren
+van zijn scheepje keek.
+
+</p>
+<p id="d0e2135">Bij den heer Kunz, die zich in stilte te goed deed aan het heerlijke druivensap van den geurigen Aszmannsh&auml;user, trad jonker
+J&ouml;rg, de hoofdman zijner lansknechten, binnen en berichtte, dat er beneden een schip met de Keulsche <span class="pageno"><a id="d0e2137"></a>Bladzijde 185</span>bisschopsvlag voor anker lag. Vertoornd rees de ridder van zijn eikenhouten stoel op, en minutenlang kwelde hem zijn kwaad
+geweten. Toen echter zegevierde zijn luchthartigheid en met vroolijke onderwerping beval hij den heer uit het heilige Keulen
+naar behooren te ontvangen. Den heer Anselm en zijn gevolg viel dus een waardige ontvangst ten deel. Door ridderlijke gastvrijheid
+moest de hoogeerwaarde leenheer en edele voogd van jonkvrouw Adelgonde zooveel mogelijk voor het geleden onrecht schadeloos
+gesteld worden.
+
+</p>
+<p id="d0e2139">Naarmate het later werd, verbeterde de stemming van den aanzittenden gast. Nadat de aartsbisschop reeds de noodige hoeveelheid
+van het edele vocht, dat zijn gastheer hem bood, met verstand geproefd had, vroeg hij terloops: &#8220;ridder Kunz hebt ge niet
+tot besluit een beker Aszmannsh&auml;user, want sedert jaren gebruik ik dit vocht als een goed bekomende slaapdrank.&#8221; En ridder
+Kunz moest toen met oprecht leedwezen bekennen, terwijl zijn oogen als die van een vroom schaap flikkerden, dat zijn kelder
+wel Walporzheimer, Ingelheimer, maar helaas geen druppel Aszmannsh&auml;user bevatte, aangezien die, zooals iedereen wist, van
+het domein van den aartsbisschop was.
+
+</p>
+<p id="d0e2141">De heer Anselm scheen er zich in geschikt <span class="pageno"><a id="d0e2143"></a>Bladzijde 186</span>te hebben, dat hij zijn lievelings- en slaapdrank op Rheineck missen moest. Maar op een avond ging hij, door een plotseling
+invallende gedachte gedreven, langs verschillende afgelegen trappen en gangen naar den kelder van den burcht. Wat voor waarde
+had het woord van een Kunz? Geen cent. Wat eigen overtuiging? Misschien een scheepslading Aszmannsh&auml;user. Aldus bij zich zelf
+redeneerend, ging de heer Anselm tastende langs de muren&#8212;en hield op eens een schoon gelokt vrouwenhoofd in de uitgestrekte
+handen.
+
+</p>
+<p id="d0e2145">Daar een onderdrukte angstkreet door de lange gang weerklonk, fluisterde vader Anselmus geruststellende woorden en drukte
+een bemoedigenden kus op twee nabijzijnde vrouwenlippen. Vervolgens trok hij de beschaamde Adelgonde bij het flikkerende licht
+aan het einde van den trap.
+
+</p>
+<p id="d0e2147">Hoog blozend biechtte de jonkvrouw den voogd, dat ze jonker J&ouml;rg zeer genegen was, en dat ze hier nog zedig een nachtgroet
+met hem gewisseld had.
+
+</p>
+<p id="d0e2149">&#8220;De smaak van den jonker is goed,&#8221; bevestigde de geestelijke voogd. (Nog heviger bloosde Adelgonde.) &#8220;Je J&ouml;rg laat zich den
+Aszmannsh&auml;user goed smaken! Hm, zeg eens, waar ligt het vat? Je bent verbaasd over mijn alwetendheid, <span class="pageno"><a id="d0e2151"></a>Bladzijde 187</span>kind? Je mond heeft je verraden: toen ik hem zooeven toevallig in donker aanraakte&#8212;hierbij hief vader Anselm de oogen vroom
+hemelwaarts&#8212;bemerkte ik een aroma zoo fijn, als slechts de Aszmannsh&auml;user bezit en de mond van je ridder heeft dat op jou
+overgebracht.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2153">De jonkrouw was zoo verlegen, dat ze gaarne door den grond had willen zinken. Bereidwillig toonde ze haar voogd het groote
+vat, dat in den uitersten hoek van den kelder verborgen was. Hoe lang hij daar vertoefd heeft, zullen we maar wijselijk verzwijgen.
+Den volgenden morgen had de mis van den heer Anselm niet plaats. Tegen den middag verschenen afgevaardigden van de burgers
+van Keulen, die hun aartsbisschop namens de stad vergeving vroegen voor het plaats gehad hebbende oproer en opnieuw den trouweed
+aflegden voor de gezamenlijke onderdanen. Genadig besloot Anselmus tot onmiddellijker terugkeer. Bij het afscheid nam hij
+nogmaals het woord en zei onomwonden met een strakke gelaatsuitdrukking:
+
+</p>
+<p id="d0e2155">&#8220;Zooals mij juist medegedeeld wordt, beweert elke geestelijke en leek in Keulen, dat hij, die in den herfst de wijnlading,
+toebehoorende aan het stift, op goddelooze wijze gestolen heeft, niemand <span class="pageno"><a id="d0e2157"></a>Bladzijde 188</span>anders dan de eigen leenman van het bisdom, Kunz van Schwalbach op Rheineck is!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2159">De heer Kunz hield zijn onschuld vol en betuigde zijn onderdanige trouw, maar de aartsbisschop stond op de voorloopige inbeslagneming
+en beval den ridder zich binnenkort met den notaris en getuigen naar het college te Keulen te begeven en zich te zuiveren
+van de verdenking van den kerkroof. Vervolgens liet hij het kolossale vat verzegelen en vervoeren en keerde toen met zijn
+onderhoorigen huiswaarts.
+
+</p>
+<p id="d0e2161">Onderwijl stiet de heer van Schwalbach ontelbare vloeken uit. Jonker J&ouml;rg troostte hem en ridder Kunz beloofde zijn vertrouweling
+met vele ridderlijke eeden, dat, zoo hij in Keulen het leven er af bracht, zijn bevallige nicht de vrouw van den jonker zou
+worden. In opgewonden stemming vernam Adelgonde dit van ridder J&ouml;rg.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e2163">In de strafzaal te Keulen zaten twaalf waardige heeren op het gestoelte. Adelgonde, die er voor zorgde den verschuldigden
+eerbied tusschen oom en voogd te verdeelen, bood den heeren volgens den wensch van den heer Anselm twaalf zilveren bekers
+van den betwisten <span class="pageno"><a id="d0e2165"></a>Bladzijde 189</span>wijn aan. Terwijl hij een beroep deed op hun kennis en onomkoopbaarheid, gebood de bisschop het twaalftal hun oordeel mede
+te deelen of het vat Moselbl&uuml;mchen. Affentaler, of Aszmannsh&auml;user inhield.
+
+</p>
+<p id="d0e2167">Bedenkelijk brachten de rechters de bekers aan de lippen, namen een slokje, vertrokken de mondhoeken, proefden nogmaals en
+schudden allemaal het hoofd over dezen allerakeligsten drank. Eenparig verklaarden zij, dat deze zure wijn geen Aszmannsh&auml;user
+was. Boetvaardig stond de heer Anselm daar, zegevierend ridder Kunz en opgetogen jonkvrouw Adelgonde en jonker J&ouml;rg.
+
+</p>
+<p id="d0e2169">Eenige weken daarna werd er op Rheineck een vroolijk bruiloftsfeest gevierd. Toen ridder J&ouml;rg met zijn jonge gemalin op de
+feestelijk opgetuigde paarden het slot verlaten had, om Adelgonde in den vaderlijken burcht binnen te leiden, zat de geestelijke
+voogd, die zich verwaardigd had, het paar te trouwen, eendrachtig met den heer van Rheineck bij de blinkende kan. En in verhoogde
+feeststemming drong de bisschop er bij den ridder op aan, hem te bekennen, hoe hij het klaargespeeld had, den verzegelden
+Aszmannsh&auml;user in dezen ellendigen zuren wijn te veranderen. Daarvoor zou hij hem meedeelen, hoe hij destijds in den kelder
+van den burcht <span class="pageno"><a id="d0e2171"></a>Bladzijde 190</span>den Aszmannsh&auml;user ontdekt had. Lachend wenkte de heer Kunz zijn schenker, deze bracht fluks een wijnkan, schonk de heeren
+drinkers hiervan in, en opnieuw dronk de heer Anselmus zijn lievelings- en slaapdrank.
+
+</p>
+<p id="d0e2173">Plechtig verklaarde hij: &#8220;ridder Kunz, dit is de wijn, welks ligging Adelgonde haar voogd gehoorzaam verried.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2175">Toen dreunde de vuist van Kunz op de eikenhouten tafel, zoodat de kannen rammelden, en hij voer hevig uit tegen de valschheid
+van zulk een slang. Maar de bisschop wees hem op zijn goddeloozen toorn, aangezien het vrome kind slechts gehoor gegeven had
+aan den geestelijken aandrang. Hoofdschuddend sloeg de heer Kunz de handen in elkaar.
+
+</p>
+<p id="d0e2177">&#8220;Een vroom kind, dat uw geleerde rechters de proefbekers met absint en azijn vulde.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2179">Een tijdlang zweeg Anselmus, vervolgens schudde hij zijn eerwaardig hoofd. Dan lachten beiden, de ridder en de bisschop. Maar
+toen de ridder den bisschop de helft van het vat als avonddrank, die bevorderlijk voor den slaap was, aanbood, reikte de heer
+Anselmus hem zijn hand als leenheer, waarbij de heer Kunz vrijwillig de belofte aflegde, in het vervolg alles, behalve den
+bisschoppelijken Aszmannsh&auml;user te rooven.
+<span class="pageno"><a id="d0e2181"></a>Bladzijde 191</span></p><a id="d0e2182"></a><h1>Rolandseck</h1><a id="d0e2185"></a><h2>Ridder Roland</h2>
+<p id="d0e2188">I.
+
+</p>
+<p id="d0e2190">Keizer Karel de Groote werd door een menigte sterke helden omgeven. De eerste dezer paladijnen was de neef van den koning
+der Franken, Ronald van Angers. Geen naam, die in den slag of bij het tournooi meer uitblonk, dan de zijne. Hij werd door
+het zwakkere geslacht vereerd, door zijn vrienden bewonderd en door zijn vijanden geacht. Zijn ridderlijke geest verzette
+zich tegen het weelderige genotvolle leven. Het voortdurende verblijf aan het keizerlijke hof bevredigde hem niet, en zoo
+wendde hij zich tot zijn keizerlijken oom met verzoek hem toe te staan een reis naar het machtige Frankische rijk te ondernemen,
+dat hem tot nu toe onbekend was gebleven. Daar hij zich zijn jeugdige kracht bewust was, verlangde hij naar ridderlijke avonturen
+en gevaren. Karel de Groote zag den dapperen krijgsheld met weemoed van zijn hof vertrekken; ongaarne voldeed hij aan zijn
+verzoek.
+<span class="pageno"><a id="d0e2192"></a>Bladzijde 192</span></p>
+<p id="d0e2193">En zoo verliet dus de ridderlijke held, slechts vergezeld door eenige getrouwe schildknapen, bij het aanbreken van den dag
+het keizerlijk paleis aan de Seine, en sloeg de richting naar het Oosten in; de Vogezen waren het eerste doel van zijn tocht.
+Op den burcht Niedeck bij Haslach nam hij eerst zijn intrek en vervolgens bij Attich, hertog in den Elzas.
+
+</p>
+<p id="d0e2195"></p>
+<div id="d0e2196" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p192.jpg" alt="Siegfried torst een beer het kamp in"></p>
+<p class="figureHead">Siegfried torst een beer het kamp in</p>
+<p id="d0e2199">Naar een lithografie van Peter Cornelius.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e2202">Steeds verder trok Roland, en toen hij op een avond de helling van het Vogezenwoud afreed, begroette hem uit de verte het
+glinsterende water van den Rijn. Breed wierpen de ontboeide golven zich links en rechts over de bedding van den stroom, de
+vlakte meedoogenloos bespoelend. Weinig bekoorlijkheid bezat de rivier hier in zijn grenzenlooze woestheid. Maar de ridder
+wist, dat het schouwspel spoedig veranderen zou. Hij trok Rijnafwaarts, waar de groote bergreuzen den ruischenden stroom omsluiten.
+Zegevierend staat hun voet in den vloed, slechts zelden wijken ze eenigszins ter zijde en laten een smalle strook land vrij,
+nauwelijks breed genoeg, om reizigers en voertuigen te laten passeeren. Op hun hoogten prijken trotsche koninklijke burchten,
+die den voorbijganger beneden den roem van voorname geslachten verkondigen. Dit alles zag Roland op zijn vroolijken Rijntocht.
+Hij bezocht menige <span class="pageno"><a id="d0e2204"></a>Bladzijde 193</span>sagenrijke en herinneringsvolle plaats, de steile Loreleirots, waar &#8217;s nachts de waternimf zong, het vriendelijke plaatsje,
+waar St. Goar geleefd en gewerkt heeft, ten tijde van Childeberts den Merowinger (deze wonderlijke heilige zond kortelings
+den keizerlijken oom van Roland een dichten nevel na, omdat keizer Karel de Groote op zijn tocht van Ingelheim naar Koblenz
+verzuimd had zijn knie voor de heilige kapel te buigen, zoodat hij genoodzaakt werd in het vrije veld te overnachten), en
+ook de Mayenfelder Au bij Andernach, waar Genoveva de deugdzame gemalin van paltsgraaf Siegfried geleefd heeft.
+
+</p>
+<p id="d0e2206">En nu kwam Roland aan de plaats, waar de vloed, aan het einde van het Rijndal gekomen, omringd wordt door trachietreuzen,
+waarvan de toppen met geweldige burchten gekroond zijn, evenals de zeven gekroonde paladijnen, die in lateren tijd den heiligen
+persoon van den Duitschen keizer vol wijding omringden. Een boschrijk eiland verheft zich hier uit den zacht blauwen vloed.
+De gouden avondzon schittert over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, links de liefelijke beukenboschjes, tot
+aan de steile kruin opstijgend, rechts de murmelende golfslag, aan de overzij, ver zichtbaar op de sagenrijke rots, waar eens
+een afschuwelijke draak gehuisd heeft, de muren <span class="pageno"><a id="d0e2208"></a>Bladzijde 194</span>van een ridderslot. Hoog boven alles de nacht in gouden sterrengewaad. Zwijgend stond de ridder stil. Zijn blik rustte bewonderend
+op het prachtige landschap. Onrustig stampte de hoef van het paard op den grond, bezorgd keek de getrouwe schildknaap naar
+den steeds donkerder wordenden hemel. Bedeesd herinnerde hij zijn heer er aan, dat het tijd werd, nachtlogies te zoeken.
+
+</p>
+<p id="d0e2210">&#8220;Daar boven zou ik het gaarne vragen,&#8221; antwoordde Roland, terwijl hij voor het eerst zeldzaam week gestemd werd. Hij gebood
+zijn schildknaap den schipper, die juist zijn bootje voor de nachtelijke vangst losmaakte, den naam van het slot te vragen.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2212">De vesting behoorde aan de Drachenburgers, graaf Heribert woonde daar op het oogenblik. Zoo luidde het antwoord, en vreugde
+straalde uit Rolands oogen. Vele groeten en boodschappen waren hem door ridderlijke vrienden aan den Bovenrijn en elders aan
+den ouden graaf op de Drachenburg opgedragen. Roland talmde niet langer met zijn besluit. Weldra voer een boot door den donkeren
+vloed.
+
+</p>
+<p id="d0e2214">II.
+
+</p>
+<p id="d0e2216">Middelerwijl was het nacht geworden. De schitterende maan lichtte hen door den donkeren <span class="pageno"><a id="d0e2218"></a>Bladzijde 195</span>boschweg. Zeer vriendelijk heette graaf Heribert, een statig ridder op gevorderden leeftijd, den ridderlijken neef van zijn
+keizerlijken heer welkom op zijn burcht. Totdat het twaalf uur sloeg, voerden ze in het gezellige vertrek van den slotheer
+een onderhoudend gesprek.
+
+</p>
+<p id="d0e2220">Den volgenden morgen stelde graaf Heribert zijn dochtertje Hildegonda aan den ridder voor. Vol bewondering hing Rolands oog
+aan de lieftallige jonkvrouw. Tot nu toe had vrouwelijke lieftalligheid geen diepen indruk op hem gemaakt. Naar wapenroem
+en heldenwaagstukken, naar spel en strijd had zijn ziel steeds gedorst, nu echter had de tooverstaf der liefde den vermetelen
+strijder opeens aangeraakt. Hij, die gevreesde tegenstanders onversaagd in de oogen gezien had, boog het onvervaarde hoofd
+in meisjesachtige schuchterheid voor de betoovering van Hildegonda. Maar ook zij stond, het gelaat met een purperen blos overtogen,
+voor den gevierden held, wiens naam een goeden klank aan den Boven- en Benedenrijn had.
+
+</p>
+<p id="d0e2222">De oude ridder verbrak onmerkbaar de gedrukte stemming. Met een schertsend woord sneed hij het gesprek der verlegen jongelieden
+af en geleidde den gast door de hooge vertrekken van het slot.
+<span class="pageno"><a id="d0e2224"></a>Bladzijde 196</span></p>
+<p id="d0e2225">Roland bleef langer op de gastvrije Drachenburg, dan hij ooit op eenig ander slot vertoefd had. Met sterke banden werd hij
+op den verrukkelijken burcht gehouden. De liefde ontvlamde in zijn hart en ook in Hildegonda&#8217;s reine ziel wierp zij haar verterend
+vuur, en op een dag&#8212;de schemering spon reeds zilveren draden over de met linden beschaduwde bank&#8212;liet zij hand in hand, oog
+in oog en mond op mond rusten en omzweefde juichend, als een zegevierende koningin, hen, die ze verbonden had.
+
+</p>
+<p id="d0e2227">Gaarne vertrouwde graaf Heribert zijn allerliefst dochtertje aan den gevierden paladijn toe. In het vooruitzicht van een vroolijke
+toekomst maakte hij den verlovingstijd van zijn eenig kind zoo aangenaam mogelijk. Een burcht zou op de rots tegenover de
+Drachenburg verrijzen. Als een trotsche wachttoren zou de toekomstige Rolandsburg van de steile rots in het prachtige Zevengebergte
+neerzien. Reeds stegen haar muren omhoog en dagelijks stonden de verloofden op de platform van de Drachenburg en keken naar
+den overkant, waar vlijtige werklieden timmerden en metselaars hamerden, en de mooie Hildegonda smeedde schoone plannen voor
+de toekomstige woning, waar ze den aan <span class="pageno"><a id="d0e2229"></a>Bladzijde 197</span>avonturen gewenden ridder en held door trouwe liefde boeien wilde.
+
+</p>
+<p id="d0e2231">Op een dag echter verscheen er een bode op de Drachenburg, gezeten op een met schuim overdekt paard. De afgevaardigde kwam
+van het keizerlijke Worms en berichtte, dat de oom van den ridder, de keizer, tot de kruistochten tegen de ongeloovigen achter
+de Pyrenee&euml;n besloten was. Karel wenschte den beproefden paladijn onder zijn legeraanvoerders te zien optreden. Zwijgend ontving
+Roland de boodschap van den hoogen gebieder. Hij keek naar Hildegonda, die mee doodsbleek gelaat naast hem stond, en een hevige
+smart kwam over hem. Maar hij moest zijn plicht nakomen. Hij zegt den koningsbode in het keizerlijke leger aan te kondigen,
+dat hij over drie dagen verschijnen zal. Met somber gelaat wendt hij zich af. Hildegonda werpt zich snikkend aan zijn borst.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2233">III.
+
+</p>
+<p id="d0e2235">Verwoed streden in Iberi&euml; het kruis en de halve maan om de heerschappij. Hevige gevechten werden geleverd, veel bloed werd
+door de christenen en de ongeloovigen vergoten. Bloedige overwinningen behaalden de moedige paladijnen van den koning der
+Franken, het <span class="pageno"><a id="d0e2237"></a>Bladzijde 198</span>dapperste echter streed Roland. Zijn zwaard baande den keizer den zegetocht, het dekte het leger van den keizer, toen het
+zegevierend in het onbekende vijandelijke land trok. Het was in Ronceval, in dat dal, dat naderhand zoovele dichters in het
+Duitsche en Waalsche land bezongen hebben. Gescheiden van het hoofdleger, trekt Rolands dappere achterhoede, tegen het vallen
+van den avond, langs den boschweg. Daar klinkt plotseling woest geschreeuw van de hoogten, verwoed vallen de laffe Mooren
+het troepje Franken aan. Met heldenmoed vechten zij. Gelijk een koningsarend vliegt Rolands strijdros Brilliador nu hier,
+dan daar heen, en menige schedel der Saracenen wordt door zijn machtig zwaard Durando gespleten. Maar de overmacht overwon
+de dapperheid. Steeds kleiner wordt de schaar der Franken, en nu wordt ook Roland door een lanssteek van een reusachtigen
+Moor getroffen. Over hem heen woedt de woeste strijd. Toen de nacht treurig zijn donkeren mantel over het slagveld uitspreidde,
+hadden de ongeloovigen hun afschuwelijk werk volbracht. De Franken waren verslagen. Slechts eenigen waren aan den dood ontkomen.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2239">Waar is Roland? klonk de angstige vraag. Hij was niet onder de geredden. Waar is Roland? vroeg Karel de Groote ontsteld aan
+de <span class="pageno"><a id="d0e2241"></a>Bladzijde 199</span>vermoeide boden. Door het geheele rijk weerklonk het antwoord: Roland de held viel in den strijd tegen de Saracenen. Overal
+verwekte deze treurige tijding oprechte droefheid.
+
+</p>
+<p id="d0e2243">Ook aan den Rijn werd zij vernomen. Op een dag verschenen er koningsboden op de Drachenburg, die de treurige boodschap overbrachten
+en tevens de deelneming van den keizer betuigden. Smartelijk zuchtte de oude Heribert, terwijl hij de oogen met de hand bedekte.
+Hildegonda stiet een vreeselijken gil uit. Hartverscheurend was haar verdriet. Voor het beeld van de Moeder Gods lag ze snikkend
+op de knie&euml;n en smeekte om bijstand in haar groote smart. Dagenlang sloot ze zich in haar kamertje op, en zelfs de woorden
+van troost, die de vader haar bood, vermochten het ontzettende leed niet te verzachten.
+
+</p>
+<p id="d0e2245">Nadat er weken verstreken waren, trad het bleeke meisje, op een dag het vertrek van den ridder binnen, kalmer dan voorheen.
+Een bovenaardsche glans lag over haar ernstige trekken. En toen de vader de knielende naar zich toe trok, deelde zij hem het
+besluit mede, dat in haar zwaarbeproefde ziel gerijpt was. Smartelijk hebben de oogen van graaf Heribert haar aangezien. Vervolgens
+heeft hij een kus op haar rein voorhoofd gedrukt.
+<span class="pageno"><a id="d0e2247"></a>Bladzijde 200</span></p>
+<p id="d0e2248">Toen is de dag aangebroken, waarop de klokken beneden op het eiland Nonnenwerth plechtig luidden. Voor het altaar knielde
+gesluierd een nieuwe novice, de lieftallige dochter van graaf Heribert. In de heilige stilte van het klooster zocht zij den
+vrede, dien zij in den vaderlijken burcht niet vond. Met een laatsten snik had ze den naam van den geliefde uit het hart verbannen,
+de vlammen van de treurende liefde uitgedoofd, en nu moest haar ziel vervuld zijn van het heilige vuur van reine godsvereering.
+Te vergeefs hoopte de geknakte vader, dat de ongewone eenzaamheid van het klooster het besluit van de geliefde dochter aan
+het wankelen zou brengen en zij aan het einde van het proefjaar in zijn armen terug zou keeren. Integendeel; de godsvruchtige
+jonkvrouw smeekte den bisschop, die aan het geslacht van den vader verwant was, de goedheid te hebben haar geen proefjaar
+op te leggen en haar reeds na korten tijd toe te staan, de onherroepelijke belofte voor Hem af te leggen, aan wien ze haar
+leven gewijd had. Haar vurige wensch werd vervuld. Toen er een maand verstreken was, vielen de gouden lokken van Hildegonda&#8217;s
+hoofd en door een heilige belofte verbond de lieftallige dochter van den heer van de Drachenburg <span class="pageno"><a id="d0e2250"></a>Bladzijde 201</span>zich voor eeuwig aan den almachtigen God.
+
+</p>
+<p id="d0e2252">IV.
+
+</p>
+<p id="d0e2254">Maanden waren er sedert dien tijd verstreken. De lente was voorbij en de schooven stonden reeds op de velden. Op de plaats,
+waar de vloed, aan het einde van het Rijndal gekomen, door zeven trachietreuzen met door burchten gekroonde hoofden omringd
+wordt, houdt de ridder met zijn gevolg stil. Het is nog niet lang geleden, dat hij ver in het Zuiden, waar de Iberische zon
+het dal van Ronceval bestraalt, in een armoedige herdershut ziek gelegen heeft. Daarheen had de trouwe schildknaap zijn meester,
+die door een lans van een Moor in de borst getroffen was, gesleept. Hier had de dappere held en legeraanvoerder weken- en
+maandenlang op het ziekbed gelegen en met den dood geworsteld, totdat zijn krachtige natuur de overwinning behaalde. Roland
+herstelde door de liefdevolle verpleging, terwijl hij in het Frankenland als een doode betreurd werd. Nu was hij teruggesneld
+naar de plaats, waarheen hij met geweld getrokken werd. Een boschrijk eiland verheft zich groetend uit den lichtblauwen vloed.
+De gouden avondzon schittert over de bergen. Op den bergrug tallooze druivenstokken, <span class="pageno"><a id="d0e2256"></a>Bladzijde 202</span>links de liefelijke beukenboschjes, tot aan de steile kruin opstijgend, rechts de murmelende golfslag, aan de overzij, ver
+zichtbaar op de sagenrijke rots, waar eens een afschuwelijke draak gehuisd had, de muren van een ridderslot. Hoog boven alles
+de nacht in gouden sterrengewaad.
+
+</p>
+<p id="d0e2258">Zwijgend staat de ridder stil. Zijn blik rust bewonderend op het prachtige landschap, evenals maanden geleden, wordt hij week
+gestemd.
+
+</p>
+<p id="d0e2260">&#8220;Hildegonda&#8221; fluistert Roland en ziet op naar den met sterren bezaaiden hemel.
+
+</p>
+<p id="d0e2262">Evenals destijds vaart wederom een schip door de donkere water. Op den boschweg, die naar de Drachenburg leidt, schrijdt Roland,
+door zijn schildknaap vergezeld.
+
+</p>
+<p id="d0e2264">Met doodsbleek gelaat staart de oude slotbewaker naar de late gasten. Hij maakt een kruis en ijlt in het vertrek van zijn
+heer. Daar wankelt een manlijke gestalte, door ouderdom en verdriet gebogen. De ridder snelt hem tegemoet. &#8220;Roland&#8221; klinkt
+het als een steunen van de verbleekte lippen van den burchtheer. Zwijgend houdt de late bezoeker den snikkenden ouden heer
+in de armen gesloten. Toen Roland maanden geleden wegging, vond zijn verdriet geen tranen, nu vloeiden zij rijkelijk over
+zijn door smart ingezonken wangen.
+<span class="pageno"><a id="d0e2266"></a>Bladzijde 203</span></p>
+<p id="d0e2267">Roland maakt zich uit de omarming van den ridder los.
+
+</p>
+<p id="d0e2269">&#8220;Waar is zij?&#8221; (Gillend uit hij deze vraag.) &#8220;Dood?&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2271">Vreeselijk treurig ziet graaf Heribert hem aan.
+
+</p>
+<p id="d0e2273">&#8220;Hildegonda, de bruid van den voor dood gehouden Roland, werd de bruid des hemels.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2275">Bij het hooren van deze woorden steunde de held luid en verborg vol smart het hoofd in de handen.
+
+</p>
+<p id="d0e2277">Tegen het aanbreken van den dag heeft hij den burcht verlaten, gelijk een koningseik, die door den bliksem getroffen is. In
+den tegenover gelegen burcht op den rotswand, die door de hoopvolle liefde in de lente opgebouwd werd, heeft hij zijn intrek
+genomen, en daar heeft hij de wapenrusting voor altijd afgelegd. Uitgedoofd waren de sterren in zijn borst, gestorven de begeerte
+naar roem. Dag aan dag heeft hij daar boven gezeten en zwijgend naar het groene eiland in den Rijn gestaard, waar de non Hildegonda
+elken morgen in den kloostertuin tusschen de bloemen wandelde. Soms scheen het hem, alsof ze zich groetend boog en dan werd
+het bleeke gelaat van den ridder door het avondrood van het vroeger stralende geluk opgeklaard.
+<span class="pageno"><a id="d0e2279"></a>Bladzijde 204</span>
+Daarna werd hem ook dit geluk ontnomen. Op een dag bleef de geliefde uit, en toen klonk het doodsklokje klagend op het stille
+eiland. Hij ziet daar beneden een lijkkist naar het kerkhof dragen en hoort de treurzangen en gebeden der nonnen. Hij ziet
+ze allen, slechts eene ontbreekt. En de held bedekt het gelaat met de handen. Hij weet nu, wie ze daar grafwaarts dragen.
+
+</p>
+<p id="d0e2281">De herfst kwam en verdorde bladeren woeien over het graf van de non Hildegonda. Nog altijd zat Roland daar boven en tuurde
+elken morgen naar het kerkhof op het eiland. En zoo werd hij op een dag door zijn schildknaap levenloos gevonden, het gebroken
+oog op de plaats gericht, waar de verlorene geliefde sliep.
+
+</p>
+<p id="d0e2283">Nog vele eeuwen versierde de trotsche Rolandsvesting den berg, die nog steeds Rolandseck heet. Dan viel ook zij in puin evenals
+de grootsche Drachenburg, waarvan de toren nog steeds omhoog steekt. Een halve eeuw geleden viel op een stormachtigen winternacht
+de laatste boog van de Rolandsvesting in puin, maar door prijzenswaardige pi&euml;teit is zij weer opgebouwd, en evenals voorheen
+prijkt de Rolandsboog op de steile rots, op het schoonste punt van het heerlijke Rijndal, ten einde de tegenwoordige geslachten
+aan de trouwe liefde uit den riddertijd te herinneren.
+<span class="pageno"><a id="d0e2285"></a>Bladzijde 205</span></p><a id="d0e2286"></a><h1>Zevengebergte</h1><a id="d0e2289"></a><h2>Het Nachtegaalboschje bij Honnef</h2>
+<p id="d0e2292">Een verrukkelijk plekje aarde is het liefelijke Honnef, dat zich als een mooi, schuw kind aan de voeten van den ouden, beschuttenden
+Drachenfels aan den Rijnstroom uitstrekt. Alsof het in een schelp ligt, wordt het door den reusachtigen rug van den berg voor
+den ijzigen adem van den Boreas beschut. Daardoor is de wind in dat dal minder scherp, zoodat het plaatsje den naam van &#8220;het
+Duitsche Nizza&#8221; gekregen heeft. Als de bezoeker van den Drachenfels, door de ondergaande zon tot terugkeer gedrongen, door
+het dal van Honnef afdaalt, teneinde de wachtende boot te bereiken, dan klinkt hem van alle kanten het schoone gezang der
+nachtegalen tegen. Talrijker, dan ergens in de omgeving zijn deze minnezangers hier bijeen; reeds sedert vele jaren is dit
+zoo, en de sage deelt ons de oorzaak hiervan mede.
+
+</p>
+<p id="d0e2294">Zeer lang geleden zongen ze op een andere plaats. Het was in de Eifel, in het bosch van de abdij Himmerode. Daar klonk, evenals
+thans <span class="pageno"><a id="d0e2296"></a>Bladzijde 206</span>in het dal bij Honnef in den stillen zomernacht hun verrukkelijk gezang. Ook tot de ernstige monniken, die in de kruisgangen
+en kloostertuin in vrome overdenking rondliepen, drong het door. Zelfs de vrome boetelingen, die zich in hun kerkers kastijdden
+vernamen het. En in hun prevelende gebeden vermengde zich verlokkend het verleidelijke gezang der nachtegalen. Toen zijn in
+menig monnikshart, dat reeds lang afstand van het wereldsche genot gedaan had, schuw en beschaamd herinneringen opgewekt en
+in menig oor der vrome broeders hebben zij over heerlijke, zondige dingen gefluisterd.
+
+</p>
+<p id="d0e2298">Daarop is de heilige Bernhard op een dag in de abdij Himmerode gekomen en heeft in de harten der broeders gelezen. Groote
+droefheid overviel hem, toen hij bemerkte, dat uit menige heilige ziel de goddelijke vrede verdwenen was. De oorzaak hiervan
+bleef hem niet verborgen. Vervuld van heilige geestdrift trad de godsdienaar in het bosch, dat het klooster omringde en hief
+met toornig gebaar de hand op tegen de gevederde zangers van het woud. &#8220;Verwijder u van hier! Gij zijt ons tot ergernis!&#8221;
+
+
+</p>
+<p id="d0e2300">Dreigend had de heilige man dit uitgeroepen en ziet, in de twijgen ontstond een hevig rumoer, een groote zwerm nachtegalen
+vloog uit <span class="pageno"><a id="d0e2302"></a>Bladzijde 207</span>de struiken. Nog eenmaal weerklonk het verleidelijke gezang door het woud, daarna stoven zij schuw klappend met de vleugels
+weg.
+
+</p>
+<p id="d0e2304">In het dal bij Honnef hebben ze zich neergelaten en geen banvloek heeft ze sedert dien tijd daar vandaan verdreven. Zij, die
+daar in gepeins verzonken alleen wandelen of met hun beiden babbelend door het dal van Honnef gaan, zijn niet, evenals St.
+Bernhard, afkeerig van de wereldsche vreugde; evenmin als zij, die met glinsterende oogen en een teringachtigen blos op de
+wangen door den tuin van het sanatorium Hohenhonnef wandelen. Deze en gene hoort den verlokkenden klank van de nachtegalen,
+nu eens klagend, dan overmoedig. En iedereen legt hem op zijn manier uit.
+<span class="pageno"><a id="d0e2306"></a>Bladzijde 208</span></p><a id="d0e2307"></a><h2>De Drachenfels</h2>
+<p id="d0e2310">I.
+
+</p>
+<p id="d0e2312">Als de reiziger de schoon gelegen Muzenstad Bonn verlaten heeft en per stoomboot den Rijn opvaart, aanschouwt hij spoedig
+aan zijn linkerhand de schilderachtige toppen van het Zevengebergte. De steile kruin van den voorsten berg wordt thans nog
+versierd door den toren en de muren van een oud ridderslot. Van dezen toren met den griezeligen naam, waar men in den zomer
+voortdurend vroolijk gezang en klinken van bokalen hoort, vertelt het volk een aandoenlijke sage.
+
+</p>
+<p id="d0e2314"></p>
+<div id="d0e2315" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p208.jpg" alt="Bij de kist van Keizer Heinrich IV."></p>
+<p class="figureHead">Bij de kist van Keizer Heinrich IV.</p>
+<p id="d0e2318">Naar het schilderij van L. Rosenfelder. Bij de sage van Burch Hammerstein. </p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e2321">In de eerste eeuwen na de geboorte van den Verlosser namen de Germanen op den linker Rijnoever gewillig de leer van het kruis
+aan, zooals de heilige Maternus, een discipel van den Volksapostel, uit Galli&euml; hun die mededeelde. Reeds sedert langen tijd
+hadden de vrome christelijke zendelingen getracht, de christenleer bij de heidensche stammen van Midden-Germani&euml; <span class="pageno"><a id="d0e2323"></a>Bladzijde 209</span>te doen doordringen, doch zonder gevolg. Zij hielden aan hun heidendom vast en wilden de christelijke priesters uit het vreemde
+rijk niet in hun landstreken toelaten. Reeds vroeger had dit rijk gepantserde legioenen, onder aanvoering van listige bevelhebbers
+in de vrije landen gezonden.
+
+</p>
+<p id="d0e2325">Destijds moet er een vreeselijke draak in een hol (nog thans &#8220;Drachenloch&#8221; genaamd) gehuisd hebben, een draak met een afschuwelijke
+gestalte, die dagelijks zijn rotshol verliet en in de bosschen van het dal verschrikkelijk te keer ging, terwijl hij menschen
+en dieren op vreeselijke wijze bedreigde. Menschelijke krachten waren onmachtig tegen dat monster en daar men meende, dat
+zich een vertoornde godheid in den slangachtigen salamander verborg, bewees men hem goddelijke eer en offerde hem bereidwillig
+misdadigers en gevangenen.
+
+</p>
+<p id="d0e2327">Een ruwe heidensche stam woonde aan den voet van den berg. Dikwijls ondernamen de strijdlustige mannen verwoestende rooftochten
+aan den linker Rijnoever. Zij staken alles in brand en vermoordden de christelijke broeders. Op een nacht waren ze wederom
+naar de andere zijde getrokken en maakten in een verwoeden strijd met de overvallenen vele goederen en gevangenen buit. Onder
+de laatsten bevond <span class="pageno"><a id="d0e2329"></a>Bladzijde 210</span>zich een jonkvrouw van buitengewone schoonheid. Twee legeraanvoerders, door haar bevalligheid bekoord, verlangden haar te
+bezitten. De oudste heette Horsrik, hij was een beroemd hoofdman en gevreesd strijder, krachtig als een beer en woest als
+een tijger, de jongste, Rinbold was minder ruw, doch even dapper.
+
+</p>
+<p id="d0e2331">Huiverend wendde de lieftallige jonkvrouw zich af, toen ze de beide vorsten met vlammende oogen om haar bezit vechten zag.
+Mannen, overmoedig geworden door de behaalde overwinning, omringen hen. Toch stellen zij nog meer belang in den strijd der
+aanvoerders, om de gevangen christin, dan in hun eigen verworven buit. De toornige woorden der beide tegenstanders vinden
+een echo in de harten der omstanders. Als Horsrik, de gevreesde strijder de jonkvrouw voor zich eischt, wordt hij door de
+omringende mannen aangemoedigd, maar als Rinbold, de jeugdige trotsche legeraanvoerder haar begeert, wordt hij veel meer door
+de omstanders toegejuicht. Somber staart de andere voor zich uit, terwijl zijn vuist dreigend de strijdkolf omklemd houdt.
+Daar gaat de kring der omringende mannen uiteen. Tusschen de strijders treedt, met een ernstige uitdrukking op het gelaat,
+de opperpriester, een grijsaard <span class="pageno"><a id="d0e2333"></a>Bladzijde 211</span>met zilveren haren en harde trekken. Luid weerklinkt de toornige stem van den grijsaard:
+
+</p>
+<p id="d0e2335">&#8220;Vervloekt zij deze twist om het bezit van een andersgeloovige. De christin zal geen tweedracht zaaien tusschen de edelsten
+van onzen stam. De dochter van hen, die wij haten zal u geen van beiden toebehooren. De stichteres van dezen onzaligen twist
+zal den draak geofferd worden. Ter eere van Wodan, dien zij en de haren miskennen, zal zij bij zonsopgang gewijd worden.&#8221; De mannen juichten dit plan toe, vooral Horsrik. Met opgeheven hoofd staat de jonkvrouw daar. Smartelijk en vol bewondering
+rust het oog van Rinbold, de trotsche jeugdige legeraanvoerder op het engelachtige gelaat der jonkvrouw.
+
+</p>
+<p id="d0e2340">II.
+
+</p>
+<p id="d0e2342">Den volgenden dag in alle vroegte, nog voordat de godin van den dag haar stralend hoofd van het purperen kussen in het Oosten
+ophief, werd het levendig in het dal. Door het woud, dat nog in schemering gehuld was, besteeg een opgewonden stoet de hoogte.
+Vooraan schreed de priester, in het midden, bleek, maar kalm, de gevangene. Zwijgend had zij het ter wille van den Heer toegelaten,
+dat de beenige hand van den opperpriester den offerband om <span class="pageno"><a id="d0e2344"></a>Bladzijde 212</span>haar voorhoofd wond en gewijde bloemen in haar loshangend haar vlocht. Menige medelijdende blik uit het volk trof heimelijk
+het standvastige meisje, ook de blauwe oogen van den jeugdigen, trotschen legeraanvoerder hadden zich smartelijk vertrokken
+bij den aanblik van de aan den dood gewijde jonkvrouw.
+
+</p>
+<p id="d0e2346">Het vooruitspringende gedeelte der rots was bereikt, dat reeds dikwijls door onschuldig menschenbloed bezoedeld was. Zwijgend
+wonden de dweepzieke priesters touwen om haar teeder lichaam en bonden haar aan den heiligen, aan Wodan gewijden boom, die
+den rand van den afgrond beschaduwde. Geen klacht kwam over de bleeke lippen der christin, geen traan blonk er in haar oogen,
+die verrukt naar het morgenrood aan den hemel opzagen. De volksmenigte ging uit elkaar en verspreidde zich; zwijgend en angstig
+bleven de heidenen in de verte wachten op hetgeen komen zou.
+
+</p>
+<p id="d0e2348">De eerste zonnestralen wierpen hun schijnsel over den berg. Zij schitterden in de bloemenkroen, die de jonkvrouw in het haar
+droeg en speelden op haar verheerlijkt gelaat, dat ze met een stralenkrans van licht en glans omgaven. De jonge christin verwachtte
+den dood evenals een verloofde haar bruigom. Haar lippen bewogen zich zacht als in een gebed.
+<span class="pageno"><a id="d0e2350"></a>Bladzijde 213</span></p>
+<p id="d0e2351">Daar hoorde men in de diepte dof rumoer; de draak kwam snuivend uit zijn hol en stoof over den landweg. Hij ontdekt het offer
+op de plaats, die zijn bloeddorst kent. Hoogop kromt zich zijn met schubben bedekt lichaam, dat op ver uitgestrekte van scherpe
+nagels voorziene pooten rust; gruwelijk slaat hij met zijn slangachtigen staart en laat in zijn afschuwelijk gapenden muil
+zijn doodend gebit zien. Blazend komt het ondier aangekropen, terwijl het begeerig de tong heen en weer beweegt. Uit de bloederige
+oogen stralen helsche vlammen.
+
+</p>
+<p id="d0e2353">Doodsangst overvalt de jonkvrouw bij den aanblik van dezen afschuwelijken salamander. Sidderend trekt zij een schitterend
+gouden kruis, dat zij op de borst draagt, te voorschijn en strekt dit afwerend naar den draak uit, terwijl een angstige hulpkreet
+tot God haar lippen ontsnapt. En, o wonder! Terwijl hij zich hoog, als door den bliksem getroffen, opricht, treedt de draak
+terug en stort achterwaarts over puntige rotssteenen in de diepte. Onder brullend gehuil en het donderend rumoer van vallende
+rotsblokken verdween het ondier in de woeste golven van den vloed. Een algemeene gil klonk van de lippen der ter zijde wachtende
+heidenen. Verbazing en schrik stond op alle gezichten te lezen. Vol berusting, met droomerig gesloten <span class="pageno"><a id="d0e2355"></a>Bladzijde 214</span>oogleden stond de jonkvrouw daar en bad zacht tot Hem, die haar gered had. Daar werd zij van de touwen, die haar vastgebonden
+hielden, bevrijd, en twee krachtige armen omvatten haar en droegen haar in den kring der verbaasde toeschouwers. Zij hief
+de oogen op en zag den jongsten der beide legeraanvoerders; zijn ruwe krijgsmanshand vatte de hare. Als voor een hemelsche
+verschijning boog de jongeling zijn knie en raakte met de lippen de witte vingeren aan. Luide zegenkreten klonken den ridder
+tegen.
+
+</p>
+<p id="d0e2357">De bejaarde priester trad naar voren en vol verwachting zweeg het volk. Hij vroeg de christin plechtig, wie haar van den wissen
+dood gered had, en wie de God was, die de zijnen zoo zichtbaar hielp. En zegevierend glinsterden de van gelukstralende oogen
+der jonkvrouw.
+
+</p>
+<p id="d0e2359">&#8220;Dit beeld van Christus heeft den draak verpletterd en mij gered,&#8221; riep zij zegevierend uit. &#8220;In hem rust het heil der wereld
+en de welvaart der volkeren!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2361">Met schuwen eerbied beschouwde de bejaarde priester het kruis van Christus.
+
+</p>
+<p id="d0e2363">&#8220;Dat het spoedig uw geest moge verlichten evenals van al deze lieden,&#8221; sprak de jonkvrouw ernstig. &#8220;Het zal u grootere wonderen
+openbaren dan dit, want onze God is groot.&#8221;
+<span class="pageno"><a id="d0e2365"></a>Bladzijde 215</span></p>
+<p id="d0e2366">Men geleidde de jonkvrouw met de overige gevangenen weer naar haar vaderland. Zij keerde spoedig terug, vergezeld van een
+christelijken priester. De stem van het geloof en der onschuld richtte wonderen uit in de harten der heidenen. Bij duizenden
+tegelijk begeerden zij den doop. De oude priester en Rinbold waren de eersten, die hun hoofd voor de nieuwe leer bogen. Vreugde
+heerschte er onder den stam, toen de jonkvrouw den jeugdigen legeraanvoerder de hand voor het leven reikte. Een christelijke
+tempel werd in het dal opgericht en bovenop de rots verrees een trotsche burcht voor de jonggehuwden. Wel tien eeuwen bloeiden
+het machtige geslacht der Drachenburgers in de omstreken van den Rijn.
+<span class="pageno"><a id="d0e2368"></a>Bladzijde 216</span></p><a id="d0e2369"></a><h2>De monnik van Heisterbach</h2>
+<p id="d0e2372">In den ouden tijd stond in een liefelijk dal van het Zevengebergte het klooster Heisterbach. Thans staan nog eenige overblijfselen
+op het met boomen omgeven grasveld. Niet door den tand des tijds, maar door de barbaarschheid van het oorlogzuchtig tijdperk
+zijn de kloosterhallen verwoest. Men heeft de monniken verjaagd, de muren afgebroken en de steenen voor het bouwen van vestingen
+gebruikt. Sedert dien tijd, zoo deelen de landlieden van het Zevengebergte mede, wandelen &#8217;s nachts de geesten van de verjaagde
+monniken tusschen de ru&iuml;nes van het koor en de puinhoopen der zuilen. Zwijgend klagen zij hun vervolgers en de verwoesters
+hunner cellen aan. Onder hen bevindt zich ook Gebhard, de laatste prior van Heisterbach. Hij dwaalt tusschen de monniksgraven,
+telt ze en bezoekt ook de graven van de heeren van L&ouml;wenburg en Drachenburg. Een graf ontbreekt: bij de laatste verwoesting
+hebben de kloosterschenders dit geopend.
+<span class="pageno"><a id="d0e2374"></a>Bladzijde 217</span></p>
+<p id="d0e2375">Zeer beroemd waren de geleerde monniken in de middeleeuwen. Menig kunstig afschrift van den Bijbel, menig zeer geleerd geschrift,
+dat in de wereld verscheen, was afkomstig uit de stille kluis van het klooster aan den Rijn en gaf blijk van de vlijt en kennis
+der vrome monniken. Een was er onder hen, die boven allen in geleerdheid uitblonk. Hoog stond hij bij allen in aanzien, en
+zelfs het bejaarde hoofd van den vader prior boog zich deemoedig voor de door God begenadigde geleerdheid van den jeugdigen
+monnik.
+
+</p>
+<p id="d0e2377">Maar de giftige worm van den twijfel knaagde aan zijn veelomvattende kennis, en de spiegel van zijn geloof werd beneveld door
+schadelijk gepeins. Dikwijls dwaalde zijn oog onrustig over het geel geworden perkament, waarop het levende woord Gods geschreven
+stond, en ofschoon zijn kinderlijk deemoedig hart zich onderwierp en smartelijk uitriep: &#8220;Ik geloof, Heer, sta mij bij in
+mijn ongeloof!&#8221; zoo toch omzweefden hem dikwijls hoonend de scheppingen van zijn onrustigen geest en de pijnigende gestalten
+van den verderfelijken twijfel, die zijn ziel tot het tooneel van een smartelijke worsteling maakten.
+
+</p>
+<p id="d0e2379">Eens zat hij bij het aanbreken van den dag weder met gloeiend hoofd over de perkamentrollen <span class="pageno"><a id="d0e2381"></a>Bladzijde 218</span>gebogen. Uren verstreken, en de morgenzon verguldde de hooge zuilengangen met haar gouden glans. Verleidelijk dansten de stralen
+op de beschreven rol, die de monnik in de handen had. Hij echter zag het niet en staarde voortdurend op de regels, die hem
+reeds sedert maanden met kwellenden twijfel vervulden: &#8220;Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2383">Reeds maandenlang martelde hij zijn hersenen met dit raadselachtig woord van den apostel. Met geweld had hij de onbegrijpelijke
+plaats uit zijn gedachten verbannen, en nu dansten haar letters wederom voor zijn moede oogen. Zij werden grooter, de gekrulde
+teekens, rekten en verlengden zich bovennatuurlijk en werden spottende gestalten, die hem hoonend omzweetden: &#8220;Duizend jaren
+zijn den Heer gelijk een dag!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2385">Het liet hem geen rust in de muffe cel en trok hem naar de eenzaamheid van den frisschen kloostertuin. Met onrustigen tred
+ging hij, in kwellend gepeins verzonken, de paden op en neer. Zijn blik vestigde zich op den grond, zijn geest vertoefde zeer
+ver van de rustige omgeving. Zonder het te weten had hij den kloostertuin verlaten en wandelde op de boschwegen. Vertrouwelijk
+groetten de vogels in de groene twijgen hem, met groote oogen zagen de bloemen in het zachte mos hem <span class="pageno"><a id="d0e2387"></a>Bladzijde 219</span>aan. Hij echter, de peinzende denker, hoorde en zag niets. Want de twijfel in zijn ziel zag slechts een plaats, hoorde slechts
+een klank: &#8220;Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!&#8221; Vermoeid was zijn dolende voet, afgemat zijn overspannen hersenen.
+Op een steen zonk de monnik neder en steunde het geplaagde hoofd tegen een boom. Een verzoenende droom voerde zijn geest weg.
+In door licht omgeven sferen vond hij zich zelf terug; aan den troon van den Allerhoogste. Het water van de eeuwigheid ruischte
+om hem heen. Alle voortbrengselen der schepping verschenen en prezen het werk zijner handen, welks heerlijkheid de hemelen
+roemen: vanaf den worm in het stof, dien nog geen sterfelijk wezen heelt kunnen scheppen, tot aan den adelaar, dien Hij vleugels
+gegeven heeft en het vermogen om van de hoogte op de diepte neer te zien; van de zandkorrel in de zee tot aan den reuzenkegel,
+die op bevel van den Heer uit den sedert duizenden jaren gesloten vuurmond spuwt. Zij allen spreken slechts een taal, die
+voor den hoogmoedige onverstaanbaar is en den nederige geopenbaard en duidelijk gemaakt wordt. De taal van Hem, die hen uit
+het stof te voorschijn riep, zij het in zes dagen, zij het in zesduizend jaren: &#8220;Duizend jaren zijn den <span class="pageno"><a id="d0e2389"></a>Bladzijde 220</span>Heer gelijk een dag!&#8221; Met een lichte rilling opent de monnik de oogen.
+
+</p>
+<p id="d0e2391">&#8220;Ik geloof Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!&#8221; mompelt hij, zich opheffend. Luisterend staat hij stil. Van verre luidt de
+kloosterklok. Vesperluiden is het. Het avondrood straalt reeds door de takken. Snel wendt hij zijn schreden naar het klooster.
+De kerk is reeds verlicht. Door de half geopende deur ziet hij de monniken in hun stoelen. Stil snelt hij naar zijn plaats.
+Met verbazing bemerkt hij, dat er een andere monnik voor zijn stoel staat. Hij raakt hem met den vinger aan, maar tot zijn
+verbazing ziet hij een vreemde, dien hij tevoren nooit gezien heeft. Nu heft ook deze en gene zijn hoofd van het boek op en
+kijkt vragend naar den binnengekomene.
+
+</p>
+<p id="d0e2393">Dan komt er een zonderling gevoel over hem. Slechts vreemde gezichten ontdekt hij. Terwijl hij verbleekt, kijkt hij om zich
+heen en wacht het einde van den ernstigen psalm af. Verstomd zijn gezang en gebed. Door de rijen gaat een fluisterende vraag.
+De prior, een eerwaardig grijsaard nadert den binnengetredene. Op zijn hoofd rust de tachtigjarige sneeuw.
+
+</p>
+<p id="d0e2395">&#8220;Hoe is uw naam, vreemde broeder?&#8221; vraagt hij op vriendelijken, welwillenden toon.
+
+</p>
+<p id="d0e2397">Afgrijzen maakt zich van den monnik meester.
+<span class="pageno"><a id="d0e2399"></a>Bladzijde 221</span></p>
+<p id="d0e2400">&#8220;Maurus,&#8221; mompelt hij toonloos, terwijl zijn stem beeft. &#8220;Bernard, de Heilige, was de abt, die mijn gelofte afnam in het zesde
+regeeringsjaar van koning Koenraad, dien men den Frank noemde.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2405">Ongeloof en verbazing teekenen zich op de ernstige gezichten der monniken af. En de monnik heft zijn doodsbleek gelaat tot
+den prior op en deelt hem met doffe stem mede, hoe hij in het bosch ingeslapen, en niet ontwaakt is, voordat de vesperklok
+luidde. De prior wenkt een broeder.
+
+</p>
+<p id="d0e2407">&#8220;Het is bijna driehonderd jaar geleden, dat St. Bernhard stierf, evenals Koenraad, dien men den Frank noemde.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2409">De broeder brengt de oorkonden van het klooster. Zij bladeren ver terug: driehonderd jaren tot den tijd, toen Bernhard, de
+Heilige, leefde. En zoo las de bejaarde prior, wat het perkament verkondigde: &#8220;Maurus, een twijfelaar, verdween op een dag
+uit het klooster en niemand heeft sedert dien tijd vernomen, wat er van hem geworden is.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2411">Een rilling gaat door de leden der monniken. Dat was hij, deze broeder Maurus, die na driehonderd jaar in het klooster terugkeerde!
+In zijn ooren weerklonk het laatste woord, dat de prior gelezen had, als bazuingeschal van het <span class="pageno"><a id="d0e2413"></a>Bladzijde 222</span>laatste oordeel: driehonderd jaren! Met opengesperde oogen ziet hij omhoog, hulpeloos tast hij met de handen voor zich uit.
+De broeders ondersteunen hem en beschouwen hem met heimelijk afgrijzen, want zijn gelaat wordt aschgrauw, als van een stervende,
+de smalle haarkrans op zijn hoofd wordt eensklaps sneeuwwit.
+
+</p>
+<p id="d0e2415">&#8220;Mijne broeders,&#8221; prevelt hij met brekende stem, eert steeds het onvergankelijke woord des Heeren en zoekt niet door te dringen
+in wat Hij opzettelijk voor ons verborgen hield. Voor Hem bestaat er geen tijd. Dat mijn voorbeeld nooit uit uwe gedachten
+moge verdwijnen. Eerst heden drongen deze woorden van den apostel tot mij door: Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag.
+Hij, de Heer, zij mij armen zondaar genadig!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2417">Levenloos zonk hij ter aarde en geroerd baden de broeders bij zijn lijk.
+<span class="pageno"><a id="d0e2419"></a>Bladzijde 223</span></p><a id="d0e2420"></a><h1>Godesberg</h1><a id="d0e2423"></a><h2>Het &#8220;Hochkreuz&#8221;</h2>
+<p id="d0e2426">Aan den grooten weg tusschen Bonn en het naburige Godesberg verheft zich aan den linker kant uit een donker boschje een hooge
+steenen zuil; in die streek bekend onder den naam van &#8220;Hochkreuz&#8221;. Vriendelijk komt de steen uit het schaduwrijke groen te
+voorschijn, als de toerist daar op den dag voorbij komt. &#8217;s Avonds daarentegen maakt het vervallen, verweerde gedenkteeken,
+wanneer dit plotseling op den eenzamen weg voor de blikken van den voorbijganger opdoemt, een ernstigen, bijna griezeligen
+indruk. Deze wordt nog versterkt wanneer men de sage kent, die sedert oudsher&#8212;het &#8220;Hochkreuz&#8221; staat daar reeds vele eeuwen&#8212;het
+grijze gedenkteeken omzweeft.
+
+</p>
+<p id="d0e2428">De sage voert ons terug in den tijd, toen in plaats van de tegenwoordige ru&iuml;ne nog een trotsch ridderslot vanaf den Godesberg
+op de heerlijke omgeving van Bonn neerzag. Destijds leefde op den Godesberg een oud strijder, die <span class="pageno"><a id="d0e2430"></a>Bladzijde 224</span>in het Rijnland zeer geroemd werd. Zijn vrouw was gestorven; maar haar beeld leefde in twee finke zonen voort. De oudste was
+geheel het evenbeeld zijner moeder: hij bezat een zachtzinnigen aard en het gemoed van een kind. Hierdoor kwam het, dat de
+oogen van den vader met meer welgevallen op hem, dan op den jongeren zoon rustten, die niettegenstaande zijn jeugd reeds menig
+dol waagstuk en menig onridderlijk avontuur uitgehaald had.
+
+</p>
+<p id="d0e2432">Maar toch was de grijsaard hem daardoor niet minder goed gezind. Hij hoopte, dat hoe onstuimiger de jongeling den genotvollen
+beker ledigde, hoe eerder hij op den drabbigen bodem zou komen, hetgeen het gevolg van elk bovenmatig genot is. Dan zou hij
+niet meer afkeerig van ernstigere dingen zijn, en wellicht zou de wensch van de overleden gemalin vervuld worden, die steeds
+gehoopt had, dat de Keulsche bisschopsring van den heiligen Maternus eens haar jongsten lieveling mocht sieren, terwijl Erich,
+de oudste, heer van Godesberg zou zijn.
+
+</p>
+<p id="d0e2434"></p>
+<div id="d0e2435" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p224.jpg" alt="Roland in den veldslag van Roncevalles"></p>
+<p class="figureHead">Roland in den veldslag van Roncevalles</p>
+<p id="d0e2438">Naar het schilderij van A. Guesnet. </p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e2441">Dikwijls kwam deze wensch bij den grijsaard op, en menig vroom gebed voor de verhooring daarvan zond hij ten hemel, wel wetende;
+dat zijn overleden vrouw zich daar boven met zijn smeekbeden vereenigde. Dikwijls ook sprak hij den jongeling toe en slaakte
+in stilte <span class="pageno"><a id="d0e2443"></a>Bladzijde 225</span>een zucht als deze zich aan het onaangename gesprek poogde te onttrekken.
+
+</p>
+<p id="d0e2445">Toen verscheen de dood als een droevige gast op den Godesburcht. Hij nam den bejaarden burchtheer mede en voerde hem in het
+land der droomen tot zijn vrouw. In zijn laatste uur had de ridder nog tijd, datgene te herhalen, wat hij jarenlang als een
+vurige wensch in zijn binnenste bewaard had. Hij zegende de zonen en smeekte God den eenen op den burcht zijner voorvaderen,
+den anderen voor het altaar van den Heer Zijn rijken zegen te schenken. Daarop stierf hij, diep betreurd door de armen en
+verdrukten.
+
+</p>
+<p id="d0e2447">II.
+
+</p>
+<p id="d0e2449">In de hooge zaal van den Godesburcht, keken de portretten der voorvaderen op de beide broeders neer, die zwijgend den maaltijd
+gebruikten. Treurig gestemd zaten de tegenwoordige burchtheer en zijn jongere broeder tegenover elkaar. Er werd weinig gesproken,
+maar de enkele woorden, die de jongste uitte, klonken verbitterd en ontstemd. Tevergeefs trachtte de oudste het vertoornde
+gesprek van den jongeren broeder af te weren. &#8220;Ik nam slechts, wat mij als overoud vaderrecht toekomt,&#8221; antwoordde hij zacht
+op de aanklacht van den anderen. <span class="pageno"><a id="d0e2451"></a>Bladzijde 226</span>&#8220;Ik ben niet heer, maar beheerder van mijn bezitting en zij, wier beeltenissen op ons neerzien, zouden mij in de andere wereld
+vervloeken, als ik mijn erfdeel niet goed beheerde. Voor jou echter is een hooger erfdeel voor het altaar van den Heer weggelegd,
+zelfs een hooge rang zal je bekleeden, zooals je reeds schriftelijk is toegezegd, wanneer jij, de afstammeling van een doorluchtig
+geslacht, een waardig dienaar van den Heer wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2453">Maar toornig valt de broeder hem in de rede: &#8220;Nooit buk ik mij voor den harden dwang, die den oudsten de wapenrusting, den
+jongsten de monnikspij oplegt. En al werd mij de bisschopsring en de kardinaalshoed aangeboden, dan nog wil ik geen priesterkleed
+dragen, maar het ijzeren kleed, dat ik tot nu toe gedragen heb.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2455">Treurig hoorde de andere hem aan.
+
+</p>
+<p id="d0e2457">&#8220;Dat God uw donker hart moge verlichten. Gaarne zou ik met je deelen, maar het gebod onzer voorvaderen laat dit niet toe.
+Daarom onderwerp je en bedenk, wat hem dreigt, die de heilige gebruiken zijner voorouders veracht.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2459">Toen werd het stil in de ridderzaal.
+
+</p>
+<p id="d0e2461">III.
+
+</p>
+<p id="d0e2463">Jachtfanfares klonken door het woud, dat zich destijds van den voet van den Godesberg <span class="pageno"><a id="d0e2465"></a>Bladzijde 227</span>tot aan de poort van Bonn uitstrekte en zeer veel edel wild bevatte. Evenals vroeger met hun vader, zoo gingen de beide broeders
+ook thans gezamenlijk ter jacht. Gaarne had graaf Erich de uitnoodiging van zijn broer aangenomen. Hartelijk verheugde hij
+er zich over, dat de slechte stemming, die hij sedert verscheidene dagen bij den broeder waargenomen had, verdwenen was. Het
+scheen, alsof deze tot inkeer gekomen was en het besluit genomen had, den vromen wensch zijner ouders te vervullen. Hij deelde
+zelfs mede, dat hij plan had, den aartsbisschop in de heilige stad Keulen te bezoeken en hem den brief te overhandigen, dien
+zijn vader hem als een gewichtig geschrift nagelaten had.
+
+</p>
+<p id="d0e2467">Dat verheugde graaf Erich zeer. Welgemoed doorkruiste hij het dichte struikgewas. Hij was zeer gelukkig op de jacht en had
+reeds verscheidene groote evers gespietst, ook een groot hert viel hetzelfde lot ten deel. Daarentegen trof de broeder slecht.
+Zijn hand was onvast, zijn bewegingen verrieden onrust, een zeldzaam vuur schitterde in zijn oogen. Hij was een prachtigen
+ever op het spoor, en bereidwillig gaf de broer aan den wensch om het dier gezamenlijk te vervolgen, gehoor.
+
+</p>
+<p id="d0e2469">Door heg en struik gingen de jagers, vergezeld van de blaffende honden. Daar ritselt het <span class="pageno"><a id="d0e2471"></a>Bladzijde 228</span>loover, hijgend baant de ever zich een weg door het bosch. Suizend snort de jachtspies uit de hand van den jongsten broer
+en blijft in de schors van een eik zitten.
+
+</p>
+<p id="d0e2473">&#8220;Je hand is meer geschikt om vrome christenen te zegenen,&#8221; zegt de oudste schertsend.
+
+</p>
+<p id="d0e2475">&#8220;En om mij van lastige broeders te ontdoen,&#8221; bromt de andere en trekt bliksemsnel den degen van zijn zijde. Sissend dringt
+het staal in de borst van den broeder. Een gil klinkt door het woud, in welks duisternis de broedermoordenaar verdwijnt. Ontzet
+snellen de beide schildknapen toe. Een smartkreet klinkt uit beider mond. De graaf ligt badende in zijn bloed, met de sluier
+des doods over de oogen.
+
+</p>
+<p id="d0e2477">De schildknapen buigen zich tot den stervende over.
+
+</p>
+<p id="d0e2479">&#8220;Mijn broeder!&#8221; In een zucht sterven deze woorden weg. Ontsteld worden ze door de schildknapen herhaald, en met leedwezen
+wordt het bericht, dat de ongelukkige Godesberger door de broederhand gevallen is, in het Rijnland vernomen. Innig verdriet
+heerschte er in den Godesburcht, waar de jonge slotheer in het graf zijner vaderen bijgezet werd. De burcht bleef verlaten,
+de naaste verwanten van het adellijke geslacht wilden hun woning in de gezegende &#8220;Rheingau&#8221; dicht bij de Palts niet voor de
+onzalige <span class="pageno"><a id="d0e2481"></a>Bladzijde 229</span>vesting verruilen, en zoo woonde daar slechts de poortwachter.
+
+</p>
+<p id="d0e2483">Maar ook hij werd verdreven, want op een nacht sloeg de bliksem in den toren, en voor dat men van beneden hulp kon bieden,
+had de flikkerende straal alles vernield, alleen de zwart gerookte muren zijn overgebleven. Zoo werd de trotsche Godesburcht
+een treurige ru&iuml;ne.
+
+</p>
+<p id="d0e2485">IV.
+
+</p>
+<p id="d0e2487">Jaren zijn intusschen verstreken. Uit het woud te Godesberg is destijds een man geijld, radeloos en angstig, bleek en ontsteld.
+Gisteren nog koesterde hij het misdadige verlangen naar de erfenis van zijn broeder, en heden droeg hij het Ka&iuml;nsteeken van
+zijn broedermoord op het voorhoofd. Bleek en angstig is hij uit het bosch gevlucht. Het helsche plan om zijn broeder in enkele
+minuten uit den weg te ruimen, dat hij in koelen bloede gesmeed had, is te niet gegaan, toen het slachtoffer met een smartkreet
+neerzonk. De moordenaar, wiens hand gesidderd had, werd door booze geesten verdreven.
+
+</p>
+<p id="d0e2489">Jaren zijn intusschen verstreken.
+
+</p>
+<p id="d0e2491">Daar klopte op een dag een vreemde pelgrim aan het klooster Heisterbach, dat de vrome monniken van Bernhard in het dal van
+het Zevengebergte hadden laten bouwen. Half pelgrim, <span class="pageno"><a id="d0e2493"></a>Bladzijde 230</span>half bedelaar. Het gewaad versleten, het gelaat vaal en vervallen, het lichaam gebroken, zooals wellicht de ziel.
+
+</p>
+<p id="d0e2495">Fluisterend smeekte hij den broeder portier medelijden met hem te hebben. Hij kwam van de heilige plaatsen en zijn voeten
+wilden hem niet verder dragen.
+
+</p>
+<p id="d0e2497">De broeder deelt dit den prior mede, tot wien hij den vreemden pelgrim geleidt. Zwijgend ziet de prior den man aan, die aan
+zijn voeten neerzinkt. Dan komt er plotseling een andere uitdrukking op zijn oud gelaat.
+
+</p>
+<p id="d0e2499">&#8220;Bij God, zijt gij het, ridder&#8212;.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2501">Verder komt hij niet. Kermend houdt de ridder zijn knie&euml;n omklemd en smeekt hem, zich zijner te erbarmen.
+
+</p>
+<p id="d0e2503">&#8220;Ik ben het, die twintig jaar geleden den broeder in het Godesberger woud versloeg,&#8221; klaagt de ongelukkige. &#8220;Reeds tweemaal
+tien jaar boet ik mijn vervloekte schuld en smeekte als pelgrim aan het heilige graf, als slaaf in de ketenen der ongeloovigen,
+Godserbarming over mij af. Sedert drie maanden vielen de ringen van mijn handen, en met moeite en zorg ben ik naar mijn vaderland
+getrokken. Hierheen werd ik gedreven en u, dienaren Gods, die mij als knaap en als jongeling gekend hebt, smeek ik om een
+plaatsje tusschen deze muren, waar ik <span class="pageno"><a id="d0e2505"></a>Bladzijde 231</span>de ru&iuml;ne van Godesberg aan den overkant kan zien, en waar ik boete kan doen en bidden, totdat de dood mijn arme ziel wegdraagt.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2510">Toen legde de prior de handen zegenend op het hoofd van den armen zondaar.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e2512">Hij heeft boete gedaan en zeer veel gebeden in de eenzame kloostercel. Vele jaren heeft hij het zondige lichaam gegeeseld
+en vol berouw de vloekwaardige daad beweend. Toen is ook tot hem de dood gekomen, en hebben de monniken van Heisterbach hem
+onder het zingen van treurliederen grafwaarts gedragen.
+
+</p>
+<p id="d0e2514">Daar, waar de broedermoord gepleegd is, heeft de aartsbisschop van Keulen een kruispyramide doen oprichten, en hoeveel er
+eeuwen overheen zijn gegaan, zoo staat het sombere &#8220;Hochkreuz&#8221; nog steeds op deze plaats.
+<span class="pageno"><a id="d0e2516"></a>Bladzijde 232</span></p><a id="d0e2517"></a><h1>Bonn</h1><a id="d0e2520"></a><h2>De Jonker van Klochterhof</h2>
+<p id="d0e2523">Op den Klochterhof te Friesdorf bij Bonn moet eens een edel jonker gewoond hebben, die in de omstreken van Bonn algemeen als
+een groot drinker bekend stond. Eens was jonker Erich vol ijver in het bosch, dat den Godesberg omringt, gaan jagen. Het was
+een warme dag, hij maakte weinig buit, was zeer vermoeid en had een ontzettenden dorst. De avondzon weerkaatste in den Rijn,
+toen de heer Erich mismoedig het geweer omgespte en met zijn buit, een vet haasje, naar huis draafde.
+
+</p>
+<p id="d0e2525"></p>
+<div id="d0e2526" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p232.jpg" alt="Jan en Griet"></p>
+<p class="figureHead">Jan en Griet</p>
+<p id="d0e2529">Relief op het Jan von Werth-monument te Keulen. </p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e2532">Destijds stond er aan den zoom van het Godesberger bosch een herberg (thans staan er zeer vele), daar trad de jonker van Klochterhof
+binnen, gaf de waardin den haas en laafde de dorstige keel met parelenden landwijn. Toenmaals moet het druivensap, dat de
+zon op de Friesdorfer en Godesberger hoogte deed rijpen, veel beter geweest zijn, dan tegenwoordig. Het sappige wild, door
+de bekwame hand der <span class="pageno"><a id="d0e2534"></a>Bladzijde 233</span>waardin klaar gemaakt, behaagde den jonker zeer, maar nog meer het edele nat, dat de bedrijvige hand van den waard hem inschonk.
+Menige bokaal goot de dorstige jonker door de verdroogde keel en menige krijtstreep maakte de waard aan den post van de deur.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2536">De nacht drong den heer Erich tot vertrekken. Aangenaam was het zitten, en moeilijk viel het opstaan; de waard, die als een
+ruwe klant bekend stond, trok een ernstig gezicht: &#8220;Twaalf bokalen: Denk ook aan het betalen, mijnheer de drinker!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2538">Toen zong de jonker met dubbelslaande tong een oud lied, dat in den ouden tijd reeds de groote Pumpus van Perusia gezongen
+moet hebben.
+
+</p>
+<p id="d0e2540">&#8220;Betalen gaat heden niet, omdat ik het geweer niet met penningen laad.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2542">De ruwe waard griefde het vroolijke antwoord van den drinkebroer. Hij trok een boos gezicht. &#8220;Als gij geen geld meer hebt,
+dan houd ik uw broek tot pand. Kom morgen terug, mijnheer de drinker, en los uw broek en uw schande weer in.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2544">Naar den Klochterhof bij Friesdorf wankelde met onvaste schreden een man, die te veel gedronken had. Hij had het warm en tegelijkertijd
+koud. Hij schreed als in den nevel voort, en de dennen van het woud fluisterden elkaar een <span class="pageno"><a id="d0e2546"></a>Bladzijde 234</span>vreemde geschiedenis toe. Er waren er, die zeer lustig suizelden, maar de bejaarde dennen schudden bedenkelijk hun kruinen,
+evenals de maagdelijke berken, die blozend den nacht dankten, dat hij de oogen van de kuische bloempjes in het woud gesloten....
+
+
+</p>
+<p id="d0e2548">Of de jonker van Klochterhof ingelost heeft, wat hij verpandde? De sage zwijgt daarover. Bekwame kroniekschrijvers ontkennen
+het.
+
+</p>
+<p id="d0e2550">Aan den zoom van het Godesberger woud stond langen tijd een herberg &#8220;Zum Junkerhof&#8221; genaamd, maar de ondeugende nakomelingen
+van de vrome voorvaderen verdoopten haar &#8220;zur Junkerhose&#8221; en vertellen elkaar bij den parelenden wijn, dien de zon op de Friesdorfer
+en Godesberger hoogte laat rijpen, de geschiedenis van de broek van den heer Erich.
+<span class="pageno"><a id="d0e2552"></a>Bladzijde 235</span></p><a id="d0e2553"></a><h1>Keulen</h1><a id="d0e2556"></a><h2>Richmodis von Aducht</h2>
+<p id="d0e2559">Het was in het midden der vijftiende eeuw. De schaduwen des doods spreidden zich over Keulen uit. Een vrouw in een donker
+gewaad ging schoorvoetend door de straten: de zwarte pest. Haar giftige adem drong in stulpen en paleizen en vernietigde het
+leven van duizenden.
+
+</p>
+<p id="d0e2561">Op ontelbare huizen schilderden de doodgravers het zwarte kruis, een teeken, dat het vreeselijke spook daar binnengetreden
+was. Het aantal dooden steeg zoo zeer, dat velen geen rechtsstreeksche begravenis ten deel viel. Men wierp de lichamen der
+ongelukkigen in een gemeenschappelijk graf, bedekte het dunnetjes met aarde en plaatste er een kruis op. Het jammeren en klagen
+in de oude stad Keulen was niet om aan te hooren.
+
+</p>
+<p id="d0e2563">Op de Neumarkt, dicht bij de kerk der Apostelen, woonde in een prachtig patrici&euml;rshuis de rijke raadsheer Mengis von Aducht.
+Ook hem trof het verschrikkelijke noodlot; zijn jeugdige <span class="pageno"><a id="d0e2565"></a>Bladzijde 236</span>gemalin werd door de pest aangetast en stierf.
+
+</p>
+<p id="d0e2567">Het verdriet van den heer von Aducht was grenzenloos. Hij bracht den ganschen nacht bij het omhulsel van de ontslapene, innig
+geliefde vrouw door, kleedde haar in haar wit bruidskleed, dat zij eenige jaren geleden gedragen had, versierde de kist met
+welriekende bloemen en liet de doode de schitterende kettingen en kostbare ringen, waarvan ze zooveel gehouden had, mede in
+de groeve nemen.
+
+</p>
+<p id="d0e2569">De nacht lag treurig over het kerkhof naast de Apostelenkerk, waar Richmodis in haar versch gedolven graf rustte.
+
+</p>
+<p id="d0e2571">Stilte heerschte op den doodenakker. Daar beweegt zich de grendel der kerkhofsdeur. Twee schaduwen sluipen op de teenen langs
+de donkere rij der graven en richten hun schreden naar een versch gedolven graf, dat hun welbekend is. Zij hebben het zelf
+gegraven. De beide doodgravers van het kerkhof der Heilige Apostelen zijn het, die de bloeiende vrouw van den raadsheer in
+den namiddag begraven hebben. Zij sloten het deksel, en terwijl de ridder zich jammerend over de innig geliefde gade heenboog,
+hingen de begeerige blikken der beide mannen aan de schitterende kettingen en kostbare ringen, die de doode versierden.
+<span class="pageno"><a id="d0e2573"></a>Bladzijde 237</span></p>
+<p id="d0e2574">De grafkransen ritselen in de duisternis en hard klinkt het spitten met de spaden. Geleidelijk wordt het graf leeger, en de
+aardkluiten daarnaast hoopen zich steeds meer op. Nu hoort men een dof geluid, ze zijn tot aan het deksel der doodkist gekomen.
+Treurig flikkert het schijnsel eener lantaarn uit het vochtige graf. Zij hebben het deksel opengebroken, terzijde geschoven
+en buigen zich nu vol hebzucht over de gestalte in het witte gewaad. Schel valt het licht der lantaarn, die de eene man in
+de hand houdt, op het levenlooze gelaat der vrouw in de doodkist, terwijl de andere man snel de ringen van haar gevouwen handen
+trekt.
+
+</p>
+<p id="d0e2576">Daar beweegt zich plotseling de gestalte in de lijkkist, de smalle witte vingeren bewegen zich. Bleek van schrik snellen de
+roovers weg, ze laten de kist open en vergeten de gereedschappen.
+
+</p>
+<p id="d0e2578">Een klagende zucht steeg uit het graf op. Eenige minuten later richtte de levendbegravene zich met moeite op. Met opengesperde
+oogen beschouwde zij haar omgeving en ontzetting maakte zich van haar meester. Rillend kijkt zij naar de ruimte, die zij verlaten
+heeft, en naar de plaats, waar ze zich bevindt. Was het een droom, die haar kwelde?
+<span class="pageno"><a id="d0e2580"></a>Bladzijde 238</span></p>
+<p id="d0e2581">Zij roept met zwakke stem. Niemand antwoordt, slechts het ritselende herfstloof en de toppen der kerkhofsboomen, die door
+den wind bewogen werden. Verder rondom doodsche stilte.
+
+</p>
+<p id="d0e2583">Plotseling begreep ze haar vreeselijken toestand: terwijl ze schijndood was, had men haar als ontslapene begraven. Haar hart
+dreigde stil te staan van gruwelijke ontzetting. Zij greep de achtergelaten lantaarn en wankelde tusschen de graven door naar
+den uitgang, dien de roovers vergeten hadden te sluiten.
+
+</p>
+<p id="d0e2585">Verlaten waren de straten. Slechts de sterren zagen de wankelende gestalte in het sneeuwwitte gewaad, die zich gelijk een
+schim, dikwijls minutenlang tegen de huizen der straten leunend, naar de Neumarkt voortbewoog.
+
+</p>
+<p id="d0e2587">Zwijgend groette het grijze patrici&euml;rshuis de weeropgestane meesteres. Een venster was nog verlicht. De arme vrouw beneden
+kromp ineen. Dat was het vertrek, dat getuige van haar jonge liefde geweest was, waarin zij tijdens de vreeselijke ziekte
+geleden had, en waaruit men haar als doode gedragen had, om in den vochtigen grafkelder te ontwaken. Wellicht vertoefde haar
+bedroefde gemaal op het oogenblik in deze kamer, doorliep haar met rustelooze schreden, om dan eindelijk, door verdriet overstelpt,
+zijn hoofd <span class="pageno"><a id="d0e2589"></a>Bladzijde 239</span>in de onaangeroerde kussens te begraven, met den naam zijner geliefde Richmodis op de lippen.
+
+</p>
+<p id="d0e2591">De vrouw in het doodskleed zuchtte. Zij klopte zoo hard aan de deur als haar zwakke krachten het toelieten. Een oude dienaar
+stak na een poosje zijn hoofd achter het luik in de eikenhouten deur en in de schemering bemerkte hij met ontzetting het spookachtige
+wezen.
+
+</p>
+<p id="d0e2593">Richmodis noemde hem bij den naam en beval hem haar te openen. Bij den klank dezer stem kromp de oude ineen. Bleek van schrik
+snelde hij de treden op en het vertrek van zijn heer binnen, terwijl hij stamelde:
+
+</p>
+<p id="d0e2595">&#8220;Heer de dooden staan op! Buiten voor het huis staat onze goede vrouw en wil binnenkomen.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2597">Maar de raadsheer schudde verdrietig zijn hoofd.
+
+</p>
+<p id="d0e2599">&#8220;Richmodis, mijn geliefde gade is dood en keert nooit weder. Nooit komt ze terug,&#8221; herhaalde hij vol onuitsprekelijk leed,
+&#8220;eer zou ik denken, dat de schimmels uit de stal naar de torenkamer zouden opstijgen.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2601">Daar dreunde plotseling donderende hoefslagen op den Innenhof en spoedig daarna op de steenen trappen. Toen de heer van Aducht
+de deur uitsnelde, zag hij zijn beide schimmels de trappen oprennen.
+<span class="pageno"><a id="d0e2603"></a>Bladzijde 240</span></p>
+<p id="d0e2604">Een oogenblik later keken twee hinnikende paarden over de raamkozijnen in den sterrennacht, beneden echter hield een man lachend
+en huilend tegelijk zijn geliefde vrouw in de armen gesloten, die het graf hem weergegeven had.
+
+
+
+</p>
+<p id="d0e2606">Nog vele jaren leefde mevrouw Richmodis aan de zijde van haar echtgenoot, terwijl een schaar allerliefste kinderen hun gelukkige
+echtvereeniging volmaakte. Innige vroomheid verhelderde het leven der stille huisvrouw, die sedert dien tijd nooit meer gelachen
+heeft. Een kunstig misgewaad heeft zij voor de kerk der Heilige Apostelen geborduurd, en de heer von Aducht heeft de gebeurtenis
+op het kerkhof in de Apostelenkerk in een koornis laten schilderen ter blijvende gedachtenis. De schilderij is thans verbleekt.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2608">Als gij nu, lezer, in Keulen komt en zijn Dom en kerken bewondert, ga dan ook naar de Neumarkt, waar ge twee uit hout gesneden
+paardenkoppen uit het dakvenster van een ouderwetsch huis zult zien kijken, als herinneringsteeken aan deze gedenkwaardige
+geschiedenis van Richmodis von Aducht.
+
+</p>
+<p id="d0e2610"></p>
+<div id="d0e2611" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p240.jpg" alt="Karel de Groote"></p>
+<p class="figureHead">Karel de Groote</p>
+<p id="d0e2614">Naar het schilderij van Albrecht D&uuml;rer. </p>
+</div><p>
+<span class="pageno"><a id="d0e2617"></a>Bladzijde 241</span></p><a id="d0e2618"></a><h2>De bouwmeester van den Keulschen Dom</h2>
+<p id="d0e2621">I.
+
+</p>
+<p id="d0e2623">Te Keulen vervoegde zich op den avond voor het feest van Jezus Hemelvaart, een eenvoudig bouwmeester bij den machtigen aartsbisschop
+Koenraad von Hochstaden en bood hem het ontwerp voor een kerk aan. Op trotschen toon beweerde hij, dat zij een der schoonste
+kerken van de wereld zou worden. Daar de kerkvorst over de grootschheid van het ontwerp hoogst verbaasd was, droeg hij den
+vermetelen, bouwmeester de, uitvoering daarvan op.
+
+</p>
+<p id="d0e2625">Spoedig verhieven zich op de ruime, plaats, waar reeds eenmaal tijdens de regeering van den eersten Frankenkoning een Dom
+gestaan had (Hildebold, de aartsbisschop, had dezen laten bouwen, en de woeste Noormannen hadden hem verwoest), statige hooge
+muren. Reusachtige zuilen met prachtige welvingen vereenigden zich tot een trotsch godshuis.
+
+</p>
+<p id="d0e2627">Iedereen bewonderde den bouwmeester, wiens scheppende geest binnenkort duizenden handen <span class="pageno"><a id="d0e2629"></a>Bladzijde 242</span>in beweging zette, en meester Gerhards naam werd spoedig in de Duitsche en Waalsche landen met lof genoemd. Het koor was reeds
+voltooid. Uit alle omliggende plaatsen, zelfs uit verre landen kwamen bedevaartgangers naar den Dom te Keulen om het stoffelijk
+overschot der drie koningen, die in het koor rustten, te aanbidden. De lofliederen der vrome christenen weergalmden door de
+trotsche gewelven.
+
+</p>
+<p id="d0e2631">Hij, die echter het meeste reden had, om zich te verheugen, deed zulks niet. In zijn borst, die eerst van vreugde gezwollen
+had, nestelden zich nu treurige gedachten. Onophoudelijk fluisterde de grauwe zorg, de dochter van het voortdurende getob
+den schepper van het geheel in het oor, of zijn dagen wel toereikend zouden zijn, om het geheel te voltooien. Of de dood hem
+niet eens verhinderen zou, den grootsten triomf zijns levens te vieren.
+
+</p>
+<p id="d0e2633">Zijn vrouw sloeg met smart deze verandering gade. Tevergeefs beproefde zij de rimpels van zijn voorhoofd te doen verdwijnen.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2635">Hoe meer deze vermoedens in zijn binnenste wortel schoten, des te meer spoed zette meester Gerhard achter den bouw van den
+Dom. Men schreef 1252 in den kalender. Reeds verhief zich de noordelijke toren statig omhoog. Met <span class="pageno"><a id="d0e2637"></a>Bladzijde 243</span>meer ijver, dan voorheen begaf de bouwmeester zich van den eenen steiger naar den anderen.
+
+</p>
+<p id="d0e2639">Juist stond hij op de Domkraan. Reusachtige trachietblokken uit het inwendige van den Drachenfels gehaald, heschen de metselaars
+omhoog. Hoogst vergenoegd ziet de meester toe, de vreugde schittert in zijn oogen. Daar staat plotseling een vreemdeling aan
+zijn zijde, dien hij niet heeft zien aankomen. Een scharlaken mantel omgeeft zijn rechtopgaande gestalte, een gouden ketting
+glinstert op zijn borst en lustig fladdert de hanenveer op zijn fluweelen baret. Hij begon zijn aanspraak met den groet der
+metselaars. Zelf was hij een meester in de bouwkunst, vele jaren geleden had hij een huis gebouwd&#8212;terwijl hij dit zeide fonkelden
+zijn schitterende oogen vreemdsoortig onder de dunne wenkbrauwen&#8212;waaraan de tand des tijds tevergeefs knaagde, koningen en
+keizers, aanzienlijke heeren en prelaten hadden het reeds bezichtigd.
+
+</p>
+<p id="d0e2641">Zwijgend nam de meester den hoovaardigen spreker op. Maar deze begon het reusachtige werk van den bouwmeester van den Dom
+bovenmate te prijzen.
+
+</p>
+<p id="d0e2643">&#8220;Doch lijkt het u van een arm sterfelijk wezen geen vermetele handelwijze, om zulk een werk te beginnen?&#8221; vroeg hij plotseling
+op bijna <span class="pageno"><a id="d0e2645"></a>Bladzijde 244</span>ruwen toon. &#8220;De eerste steen had u moeten zeggen, dat een ander oogsten zal, wat gij gezaaid; hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2647">&#8220;Wie zou mij beletten te voltooien, wat ik begon?&#8221; vroeg de bouwmeester enigszins angstig het antwoord afwachtend.
+
+</p>
+<p id="d0e2649">&#8220;Het leven&#8212;of noem het de dood!&#8221; antwoordde de andere op scherpen toon. Daarop vervolgt hij spottend: &#8220;Zelfs een wurm, kunt
+gij, arme menschen, niet aan uw wil onderwerpen en reeds vanaf uw eersten ademtocht bedreigt u uw hevigste vijand en zekerste
+overwinnaar, de dood.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2651">&#8220;Ik zal echter volbrengen, wat ik begon!&#8221; roept de bouwmeester eigenzinnig uit. &#8220;Ik wil er om wedden, zelfs met den duivel.&#8221;
+
+
+</p>
+<p id="d0e2653">&#8220;Hola!&#8221; lacht de vreemdeling strijdlustig. &#8220;Met iemand, die zoo vermetel is, ga ik gaarne een weddenschap aan. Eer verstout
+ik mij een beekje van Trier naar Keulen te leiden, wel vijftig uur gaans, waarin eenden zullen zwemmen, dan dat gij uw Dom
+voltooit.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2655">&#8220;Het zij zoo!&#8221; zegt meester Gerhard op somberen toon en slaat verblind toe, als de vreemdeling zijn rechterhand aanbiedt.
+Deze was ijskoud en een huivering overviel hem.
+
+</p>
+<p id="d0e2657">Toen begon de andere te lachen, spottend en zegevierend.
+<span class="pageno"><a id="d0e2659"></a>Bladzijde 245</span></p>
+<p id="d0e2660">&#8220;Prijs der weddenschap je ziel!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2662">Ontzet krimpt de ontstelde meester ineen.
+
+</p>
+<p id="d0e2664">Reeds heeft de andere den vuurrooden mantel geopend.
+
+</p>
+<p id="d0e2666">&#8220;Tot weerziens, vermetele!&#8221; Een stormwind steekt op en voert hem huilend weg.
+
+</p>
+<p id="d0e2668">II.
+
+</p>
+<p id="d0e2670">Sedert dezen dag worden de wolken op het voorhoofd van den bouwmeester steeds donkerder. Rusteloos doolt hij op de steigers,
+rusteloos verricht hij zijn arbeid. Hoe meer hij haar uitbreiding nagaat, des te meer overvalt hem de angst, dat hij haar
+nooit volbrengen zal. Bij het aanbreken van den dag was hij reeds bij zijn werklieden, en zelfs &#8217;s avonds liep hij rond, de
+vlijtigen prijzende, de luien berispende. Dikwijls ook staarde hij in de richting van Trier, of daar niets ongewoons te zien
+was. Met hoopvolle verbazing bemerkte hij, dat zijn tegenpartij volstrekt geen moeite scheen te doen, om de weddenschap te
+winnen. Niets deed, vermoeden, dat er groote werken in het Trierer land ondernomen werden.
+
+</p>
+<p id="d0e2672">Reeds begon zijn hoop te herleven. Al won hij niet, dan zou hij toch in geen geval verliezen, aldus troostte meester Gerhard
+zich.
+<span class="pageno"><a id="d0e2674"></a>Bladzijde 246</span></p>
+<p id="d0e2675">Op een dag stond hij op den top van den voltooiden toren. Daar werd een hand op zijn schouder gelegd. Hij wendde zich verschrikt
+om. Achter hem stond de afschuwelijke bouwmeester. Was hij de duivel zelf of slechts een duivelsche magister van de zwarte
+kunst?
+
+</p>
+<p id="d0e2677">&#8220;Welnu, meester Gerhard, hoe staat het met uw werk? Ik zie, dat gij rustig voortgaat. Gelukkigerwijs heb ik mijn arbeid spoedig
+volbracht, anders liep ik gevaar mijn weddenschap te verliezen.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2679">&#8220;Ik heb bij me zelf gedacht,&#8221; zegt de meester op spottenden toon, &#8220;dat gij niet al te veel aarde beweegt, om uw kanaal te
+graven.&#8217;&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2681">&#8220;Zoo weet dan, waarde neef, dat ik alleen meer volbreng, dan honderd arbeiders te zamen, en zooals ik u reeds gezegd heb,
+mijn werk is bijna klaar.&#8221; Op lichtgeraakten toon zeide de man in den scharlaken mantel dit.
+
+</p>
+<p id="d0e2683">&#8220;Werkelijk?&#8221; Meester Gerhards oogen dwaalden onrustig rond. &#8220;Ik zou wel eens willen weten, met welke helsche kunsten gij dit
+klaargespeeld hebt.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2685">&#8220;Zooals ge wilt, Neef! Gij behoeft mij slecht te volgen.&#8221; Hij vat den meester bij de hand, beneemt hem de zinnen en voert
+hem door de lucht. Na eenige minuten betreden zij de aarde. Huiverend herkent de meester het Land van <span class="pageno"><a id="d0e2687"></a>Bladzijde 247</span>Trier. Aan zijn voeten ontspringt een bron en stroomt in een opening der rotsen.
+
+</p>
+<p id="d0e2689">&#8220;Kom, oude,&#8221; zegt de Satan, lachend en terwijl hij zich buigt, verdwijnt hij onder een rots. Ontsteld volgt meester Gerhard
+hem. Hij bevindt zich in een grot der rotsen. Het water van de bron stroomt kabbelend in een kanaal, welks begin hij aanschouwt.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2691">&#8220;Ziet gij, dat ik niet loog en mijn tijd wel besteed heb,&#8221; zegt de duivel zegevierend. &#8220;Indien gij wilt, volgen de beekjes
+mij, en kunt gij zelf oordeelen over datgene, wat ik volbracht heb.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2693">Nauwelijks had hij dit gezegd, toen een geheimzinnige kracht den bouwmeester aangreep en hem met huiveringwekkende snelheid
+voorwaarts duwde. De Satan voorop. Bleek als de dood aanschouwde de meester het werk. Geen twijfel was meer mogelijk, hij
+had de weddenschap verloren. Doffe wanhoop maakte zich van hem meester. Maar zeldzaam! Reeds na korten tijd nam zijn vertrokken
+gelaat weer een rustige uitdrukking aan, het scheen zelfs of er een onderdrukte glimlach op zijn gelaat speelde.
+
+</p>
+<p id="d0e2695">De uitgang was bereikt: door dezelfde magische kracht, die hem weggedragen had, voelde meester Gerhard zich weer op de aarde
+teruggevoerd.
+<span class="pageno"><a id="d0e2697"></a>Bladzijde 248</span></p>
+<p id="d0e2698">&#8220;Dit is de helft van mijn werk, zeide de Booze, terwijl een grijnzende lach om zijn lippen speelde. Nu zullen wij de beloofde
+eenden zien, lieve Neef!&#8221;.
+
+</p>
+<p id="d0e2700">Driemaal klapte hij in de handen en beval Gerhard op te letten. Thans, bijna vroolijk gestemd, luisterde deze oplettend. Minuten
+verstreken. Leeg bleef de uitgang van het beekje. Geen eendengesnater werd hoorbaar.
+
+</p>
+<p id="d0e2702">Nogmaals klapje de Satan in de handen, harder dan den eersten keer. Weder wachtte hij te vergeefs. Spottend glimlachte de
+Domarchitect. Een gillenden kreet stiet de andere uit en verdween, terwijl meester Gerhard mompelde:
+
+</p>
+<p id="d0e2704">&#8220;Nooit zal hij zijn weddenschap winnen. Ik, Gerhard von Ryle ken alleen de oorzaak.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2706">III.
+
+</p>
+<p id="d0e2708">Maar een hevige zwaarmoedigheid was sedert het laatste avontuur over den Dombouwmeester gekomen. Nog meer dan vroeger zag
+men hem op de steigers en ladders. Geheele uren bracht hij in somber gepeins door. Nu hij zijn tegenpartij, waarmede hij zich
+vermeten had te strijden, kende&#8212;wie zou het anders kunnen zijn, dan de duivel in persoon&#8212;was hij zich van het gevaar, waarin
+hij en zijn onsterfelijke ziel zich bevond, bewust.
+
+</p>
+<p id="d0e2710"></p>
+<div id="d0e2711" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p248.jpg" alt="Afscheid van den zwaneridder"></p>
+<p class="figureHead">Afscheid van den zwaneridder</p>
+<p id="d0e2714">Naar het schilderij van W. von Kaulbach. </p>
+</div><p>
+<span class="pageno"><a id="d0e2717"></a>Bladzijde 249</span></p>
+<p id="d0e2718">Dikwijls, nadat er eenige minuten van angstig nadenken voorbij gegaan waren, vloog er een gimlach over zijn trekken. Hij haalde
+diep adem, terwijl hij vol moed bij zich zelf zeide:
+
+</p>
+<p id="d0e2720">&#8220;Hij zal zijn weddenschap niet winnen, ik weet waarom.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2722">De jeugdige gade was zeer neergedrukt door het vreemdsoortige gedrag van den meester. Zijn geslotenheid behaagde haar geenszins.
+Tevergeefs beproefden haar koozende lippen den zwijgenden mond van haar peinzenden echtgenoot het geheim te ontrukken, dat
+zijn tong bewaarde. Niet ongaarne ontvingen de lippen des meesters den rijken schat der vrouwelijke teederheid, maar op alle
+smeekbeden en verzekeringen van de door nieuwsgierigheid geprikkelde vrouw, glimlachten zij slechts bitter en spraken evenveel
+over het geheim als de oesters over hun schalen. Op een dag trad een rondtrekkend magister het huis van den bouwmeester binnen,
+toen deze juist bij den Dombouw vertoefde.
+
+</p>
+<p id="d0e2724">Een scharlaken mantel omhulde de rechtopgaande gestalte en lustig woei de hanenveer van de zwart fluweelen baret. Zeer minzaam
+gedroeg de vreemdeling zich, zijn voorkomen was zeer aangenaam en vriendelijk waren zijn woorden. Hij wilde den meester bezoeken
+en <span class="pageno"><a id="d0e2726"></a>Bladzijde 250</span>daar hij hem niet thuis trof, voerde hij een onderhoudend gesprek met zijn jonge vrouw. Spoedig klonken de woorden minder
+terughoudend van de lippen der bedeesde vrouw. Veel medegevoel en een warm hart vond zij bij den vreemdeling. Innige deelneming
+betoonde hij de veronachtzaamde gade, en tot dank deelde zij hem onder zuchten en klachten mede, hoe de achterdocht zich tusschen
+haar en haar echtgenoot geplaatst had, sedert hij een geheim verborg, dat hem veel verdriet veroorzaakte.
+
+</p>
+<p id="d0e2728">Merkbaar trokken de wenkbrauwen zich samen, onmerkbaar spitsten zich de ooren van den troostbrengenden vreemdeling.
+
+</p>
+<p id="d0e2730">&#8220;Evenals elk bestaan kennis van de elementaire grondstoffen vereischt, zoo is uw gemaal slechts dan te helpen, wanneer gij
+zijn geheim kent,&#8221; deelde de rondtrekkende man op gewichtigen toon mede. &#8220;Beproef, schoone vrouw, door de spraakzaamheid uwer
+lippen en de macht uwer bekoorlijkheden in een aangenaam minneuurtje het hart en het vertrouwen van den meester te winnen,
+opdat zijn mond verrade, wat zijn hart verbergt. Dan kan ik u helpen en zult gij de gelukkigste vrouw in het heilige Keulen
+worden.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2732">De vrouw deed wat haar bevolen was, maar onmachtig kaatsten de pijlen der verleidster op de halsstarrige stilwijgendheid van
+den man <span class="pageno"><a id="d0e2734"></a>Bladzijde 251</span>af. Drie dagen na zijn eerste bezoek verscheen, de magister opnieuw.
+
+</p>
+<p id="d0e2736">&#8220;Daar gij geen succes gehad hebt, onwaardige Eva&#8217;s dochter, heb ik nog een ander middel, doch ik vrees, dat gij het versmaden
+zult.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2738">Door hevige nieuwsgierigheid gekweld, verzocht de vrouw den geleerden magister dringend zich te verklaren.
+
+</p>
+<p id="d0e2740">&#8220;Welnu, dan zal ik spreken,&#8221; roept deze plechtig uit. &#8220;Medelijden vereischt de vrouw en dubbel medelijden zij haar geschonken.
+Ik ken een vreemdsoortig kruidje. Daaruit zal ik uw heer gemaal een drankje brouwen. Hij zal dan &#8217;s nachts droomen; zijn droom
+zal hem verraden, en gij kent zijn geheim.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2742">Vol dank nam zij de gave uit de hand van den vreemden magister aan. &#8217;s Avonds schonk zij het drankje in en reikte het haar
+gemaal. Meester Gerhard zonk uit de omarmingen zijner teedere gade in een vasten slaap. Spoedig werd de slaper onrustig. Zijn
+mond deed onverstaanbare woorden hooren. Angstig luisterde zijn wakende vrouw. Met de scherpzinnigheid, die haar geslacht
+eigen is, kwam ze weldra achter de beteekenis der onsamenhangende woorden van den droomer en wist spoedig van de onzalige
+weddenschap, die meester Gerhard met den Satan in eigen persoon gesloten had.
+<span class="pageno"><a id="d0e2744"></a>Bladzijde 252</span></p>
+<p id="d0e2745">&#8220;Hij zal zijn weddenschap nooit winnen,&#8221; fluisterde de slaper, &#8220;ik ken zijn geheim.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2747">&#8220;En wat mag dat zijn?&#8221; vroeg met kloppend hart iemand van het geslacht, aan wie de slang destijds den appel bood.
+
+</p>
+<p id="d0e2749">&#8220;Hij kan doen, wat hij wil,&#8221; ging de meester voort. &#8220;Nooit zal een eend uit het onderaardsche kanaal zwemmen, indien hij daarin
+niet op elk kwartier afstands luchtgaten aanbrengt. Maar de duivel zal nooit op deze gedachte komen.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2751">Den volgenden morgen verscheen bij het aanbreken van den dag&#8212;nauwelijks had de meester zijn huis verlaten&#8212;de rondtrekkende
+magister. Getrouw deelde de vrouw hem mede, wat zij gehoord had. Toen liet de man in den vuurrooden mantel een zegevierenden
+lach hooren en verdween. Bleek en angstig bleef de praatzieke vrouw van den meester achter.
+
+</p>
+<p id="d0e2753">IV.
+
+</p>
+<p id="d0e2755">Meester Gerhard stond bovenop de Domkerk. Donkere onweerswolken kwamen aan den kant van den Rijn opzetten. De bouwmeester
+spoorde de werklieden tot spoed aan. De lucht was zwoel. Daar werd een hand loodzwaar op zijn schouder gelegd. Opgeschrikt
+uit aangename droomen over de toekomst wendde hij zich om, en zijn gelaat werd plotseling doodsbleek. <span class="pageno"><a id="d0e2757"></a>Bladzijde 253</span>Achter hem stond de duivel in scharlaken gewaad, de zwarte baret met de wapperende hanenveer versierd. Hij had een zegevierende
+uitdrukking op het gelaat. Zwijgend wees hij naar beneden; aan den voet van den Dom was een beekje zichtbaar, snaterend zwom
+een eend in dit water en werd door meerdere gevolgd.
+
+</p>
+<p id="d0e2759">Toen greep woede en vertwijfeling meester Gerhard aan. Verloren was de weddenschap en de ziel. Grijnzend keek de duivel toe
+en opende de klauwachtige handen.
+
+</p>
+<p id="d0e2761">&#8220;Nooit zult ge mij levend hebben!&#8221; roept meester Gerhard gillend uit en stort zich in de diepte.
+
+</p>
+<p id="d0e2763">Ratelende donderslagen maken zijn doodskreet onhoorbaar. Vreeselijk woedt het weer. De verlichte hemel gelijkt een vuurzee.
+De brandklok luidt in den toren&#8212;de bliksem was in het huis van den bouwmeester van den Dom geslagen.
+
+</p>
+<p id="d0e2765">De vlammen vernietigden de ontwerpen van den bekwamen meester, en eeuwenlang bleef de reusachtige Dom onvoltooid. Het werk
+treurde over zijn oprichter, verlaten waren de gewelven, onvoltooid de grootsche torens. De inwoners van Keulen beweerden,
+de de geest van meester Gerhard &#8217;s nachts klagend om den <span class="pageno"><a id="d0e2767"></a>Bladzijde 254</span>Dom zweefde. Toornig verweet hij den volgenden geslachten, dat hun laksheid het reuzenwerk, dat de scheppende kracht van vroegere
+tijden met steenen mond verkondigde, onvoltooid liet Ongehoord sterft de vertwijfelde klacht van de schim weg. Andere geslachten
+komen en verdwijnen weder. En eindelijk werd werkelijkheid, wat niemand ooit had durven hopen. Voltooid stond de Dom in zijn
+vorstelijke pracht daar, als het meest grootsche godshuis van Duitschland.
+
+</p>
+<p id="d0e2769">Sedert dien tijd verscheen meester Gerhard nooit weer. Op de plaats, waar hij onder de verwenschingen van den vorst der hel
+in de diepte stortte, is zijn beeltenis in steen ter eeuwige gedachtenis opgericht.
+<span class="pageno"><a id="d0e2771"></a>Bladzijde 255</span></p><a id="d0e2772"></a><h1>Aken</h1><a id="d0e2775"></a><h2>De bouw der Munsterkerk</h2>
+<p id="d0e2778">I.
+
+</p>
+<p id="d0e2780">Eens toen Karel de Groote, keizer der Franken zijn paleis te Aken verliet en een rijtoer maakte, moet zijn paard luid hinnekend
+zijn poot snel teruggetrokken hebben uit een bron in het bosch, waarin het getrapt had. Toen de ruiter nieuwsgierig afsteeg
+en de hand in het water stak, moet hij de warme bron ontdekt hebben, die naderhand duizenden zegen aanbracht. Dankbaar erkende
+de vrome keizer in deze heilbron een welwillend geschenk van de Voorzienigheid, en hij nam het besluit hier ter eere van den
+Heer een huis te bouwen. Aan den hoef van het paard zou de rondbouw der kerk herinneren. Met frisschen moed werd spoedig aan
+het bouwen van den trotschen tempel begonnen, en verheugd zag de bejaarde keizer de muren van de Munsterkerk verrijzen. Haar
+voltooiing zag hij niet meer.
+
+</p>
+<p id="d0e2782">Treurig werkte dit op de bouwlieden. Karel <span class="pageno"><a id="d0e2784"></a>Bladzijde 256</span>de Groote had het machtigste rijk van het Westen aan een zwakken zoon nagelaten, die tegen zijn eigen kinderen het zwaard
+moest trekken, teneinde het recht op den troon te behouden.
+
+</p>
+<p id="d0e2786">Toen bleef veel onvoltooid, wat de reuzenhand van Karel den Grooten begonnen was. Ook de bouw der Munsterkerk werd gestaakt.
+Eenzaam lag het bouwterrein daar, onvoltooid staken de muren en torens omhoog. Tevergeefs beriep de eerzame overheid zich
+op de liefdadigheid van de christelijke medemenschen, karig kwamen de gaven in, en nooit waren zij toereikend om de Munsterkerk
+te voltooien.
+
+</p>
+<p id="d0e2788"></p>
+<div id="d0e2789" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p256.jpg" alt="Stavoren"></p>
+<p class="figureHead">Stavoren</p>
+<p id="d0e2792">Naar een gravure van Holbein. </p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e2795">Zeer dikwijls zaten de raadsleden bij elkaar, en beraadslaagden hoe den drukkenden geldnood te verhelpen en de voltooiing
+der Munsterkerk te volbrengen. Goede raad was even duur als het materiaal waarvan men kerken bouwt. Toen zij weder eens in
+het raadhuis bij elkaar zaten, liet een vreemde heer zich aandienen. Hij had den edelachtbaren raad gewichtige zaken mee te
+deelen. Hij werd binnen gebracht en deelde niets minder mee, dan dat hij den waarden raad van de stad Aken het geld ter voltooiing
+van den Dom voor zou schieten. Wantrouwend zagen de waardige heeren naar den vreemd gekleeden spreker met het bijzondere gezicht
+met den puntbaard; deze echter liet zich door de <span class="pageno"><a id="d0e2797"></a>Bladzijde 257</span>schuwe blikken niet in de war brengen maar herhaalde vrijmoedig, doch beleefd zijn aanbod.
+
+</p>
+<p id="d0e2799">&#8220;Ik zou u gaarne uit uw tijdelijke geldverlegenheid helpen, hoogedele Heeren en begeer niet eens terugbetaling van de duizenden,
+die ik U aanbied. (Hier trokken de edelachtbare raadsleden de wenkbrauwen op en spitsten de ooren.) En, opdat uw trots mijn
+leening niet af zou slaan, stel ik slechts een kleinigheid tot voorwaarde: n.1. dat, wanneer de bouw volbracht is, de eerste,
+die op den dag der inwijding de kerk betreedt, mij met lijf en ziel zal toebehooren.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2801">Toen sprongen de wijze heeren ontsteld van hun zetels op en velen maakten eerbiedig een kruis; want wie anders, dan de duivel
+kon zulk een helschen eisch stellen.
+
+</p>
+<p id="d0e2803">De edelachtbare burgemeester keek reeds zeer vertoornd &#8220;Ga van ons,&#8221; mompelde hij, &#8220;gij, die slechts ergernis te weeg brengt.&#8221;
+
+
+</p>
+<p id="d0e2805">Rustig en kalm stond de satan daar.
+
+</p>
+<p id="d0e2807">&#8220;Laat mij een vroom woord uit den Bijbel op dezelfde wijze beantwoorden. Waarom zijt gij zoo vreesachtig, gij kleingeloovigen?
+Overweegt of ik vermetel ben, omdat ik &eacute;&eacute;n ziel voor mij bedongen heb, terwijl het krijgszwaard vlamt tusschen vader en zoons,
+tusschen broeders en duizenden voor de nuttelooze eerzucht opgeofferd <span class="pageno"><a id="d0e2809"></a>Bladzijde 258</span>worden. Daar worden door een mensch duizenden geofferd, terwijl zich hier voor aller welzijn slechts een enkele behoeft op
+te offeren.&#8221; Zegevierend flikkerde het oog van den vreemd gekleeden spreker; want op de trekken van de wijze raadsheeren las hij een goedgunstig
+antwoord. Het aantal der besluiteloozen werd met de minuut kleiner, tot eindelijk ook de laatste geen gewetensbezwaar meer
+koesterde. De overeenkomst kwam tot stand en de vreemde nam met een triomfantelijk lachje afscheid, terwijl de waardige heeren
+met een beklemd hart op de beloofde som wachtten. Zij kwam nog denzelfden dag, onvervalscht en goed van gehalte en er heerschte
+groote vreugde in den hoogen Raad van de stad Aken.
+
+</p>
+<p id="d0e2814">II.
+
+</p>
+<p id="d0e2816">Wederom werkten de metselaars en timmerlieden aan den Dom te Aken. Vlijtig werd er voortgegaan om het verzuimde in te halen,
+en de voltooiing van de Munsterkerk naderde steeds meer en meer. Drie jaren waren intusschen verstreken en de dag brak aan,
+waarop de nieuwe godstempel ingewijd zou worden. Die inwijdingsdag zou een feestdag worden voor de stad Aken. Tallooze wereldlijke
+en geestelijke heeren waren verschenen en menigeen prees het prachtige <span class="pageno"><a id="d0e2818"></a>Bladzijde 259</span>godshuis, de milddadigheid van de burgers en de wijsheid van den prijzenswaardigen raad. Deze echter bevond zich in groote
+verlegenheid. Zeer wijselijk had geen der waardige vaders iets van het verdrag, met den Satan verteld; slechts een van hen
+had het in een zwak uur aan zijn vrouw opgebiecht. En sedert dat uur werd het geheim wel aan honderd ooren ingefluisterd.
+
+
+</p>
+<p id="d0e2820">Zoo kwam het, dat op den dag der inwijding zeer vele eerwaarde abten en prelaten, alsook talrijke ridders en heeren met begrijpelijken
+angst het uur tegemoet zagen, waarop de feestelijke stoet zich naar de Munsterkerk zou begeven.
+
+</p>
+<p id="d0e2822">Een vreemde optocht was het, de vaandels wapperden, de fanfares schetterden, maar de menschen in de schitterende wapenrustingen
+en veelkleurige prachtige ornaten zagen er zeer onrustig uit. En menig bezorgd gelaat keek angstig naar den hemel of daar
+wellicht plotseling een magere gestalte met een duivelachtig gezicht, paardenvoeten en vleermuisachtige vleugels zou komen
+toeschieten.
+
+</p>
+<p id="d0e2824">Daar kwam op eens beweging onder de menigte. Door de open ruimte in de processie, kwamen, van hun overwicht bewust, de waardige
+vaders der stad. Voor hen uit schreden vier <span class="pageno"><a id="d0e2826"></a>Bladzijde 260</span>reusachtige landsknechten en hielden met krachtige hand een bedekte kooi omvat.
+
+</p>
+<p id="d0e2828">De abt van St. Florian had een listig plan verzonnen om den Booze te verschalken.
+
+</p>
+<p id="d0e2830">De stoet had de Munsterkerk bereikt en de eersten, die voor het Godshuis stonden, waren de vier mannen met de kooi. Nu trekt
+een van hen het omhulsel er af en voor het traliewerk laat een huilende wolf de tanden zien. Terwijl de beide anderen door
+een fermen stoot met de hellebaard de vleugeldeuren naar binnen openwerpen, jaagt de vierde met zijn spies het gevangen dier
+in de geopende kerk. Daarbinnen weerklinkt een helsch lawaai; achter den ingang verscholen, had de Booze loerend zijn prooi
+afgewacht en was begeerig het dier nageijld. Op hetzelfde oogenblik stiet hij woedende kreten uit, daar hij zich verschalkt
+zag. Snuivend ging hij achter den armen wolf aan, brak hem den nek en stoof onder het slaken van vele verwenschingen weg.
+De lucht was door zwavelachtige dampen verduisterd.
+
+</p>
+<p id="d0e2832">Beneden echter, in de hallen der kerk, verdrong zich de volksmenigte, die bij klokkenspel en trompetgeschal de goedheid des
+Heeren prees.
+<span class="pageno"><a id="d0e2834"></a>Bladzijde 261</span>
+
+</p>
+<p id="d0e2836">III.
+
+</p>
+<p id="d0e2838">Ondertusschen trok de gefopte duivel, terwijl hij gruwelijke verwenschingen slaakte, door het land van Aken. Dat men hem met
+een ellendige ziel van een wolf beetgenomen had, zou de inwoners van Aken berouwen. Hij was intusschen aan de zee gekomen
+en toen hij zoo spijtig en boos van het gele duinstrand naar den grijzen vloed keek, kwam hij op een helsche gedachte. Hij
+wilde hen allen begraven, de prelaten, ridders, mannetjes en vrouwtjes van Aken.
+
+</p>
+<p id="d0e2840">Met een torsenen ruk trok hij een zandberg van den oever los, laadde hem op zijn schouders en aanvaardde den terugtocht naar
+Aken. Maar de weg was zeer lang, zoodat de duivel het vreeselijk warm kreeg en den wind vervloekte, die hem voortdurend een
+stofregen van zand in de oogen joeg. Hij was reeds aan het Soerserdal gekomen en hield daar buiten adem stil. Zelfs den duivel
+kan menige last te zwaar worden.
+
+</p>
+<p id="d0e2842">Een oud, verschrompeld vrouwtje, dat op den weg voorbij strompelde, keek wantrouwend naar den lastdrager met zijn vreemden
+last. Zij wilde onbemerkt voorbij gaan, maar de andere hield haar aan en vroeg hoe ver de weg naar Aken nog was. Toen eerst
+heeft het vrouwtje hem aandachtiger aangekeken en haar gerimpeld <span class="pageno"><a id="d0e2844"></a>Bladzijde 262</span>gelaat nam een ernstige uitdrukking aan, alsof haar opeens een hooger licht opging. Zij had geen twee en zeventig jaar moeten
+tellen om in den knorfigen man niet den werkelijken Satan te kerkennen, en te raden, dat hij tegen de waardige stad Aken wat
+slechs in den zin had. Terstond heeft de oude dan ook een verdrietig gezicht getrokken, en op klagenden toon geantwoord:
+
+</p>
+<p id="d0e2846">&#8220;Dan zijt gij er slecht aan toe, waarde heer. De weg naar Aken is zeer lang. Ziet gij hoe mijn schoenen, die ik vanmorgen
+juist van den schoenmaker ontvangen heb, door de lange wandeling versleten zijn?&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e2848">De duivel stiet een nijdigen vloek uit, schudde den zandberg van zich af en trok, onder het slaken van een gruwelijke verwensching
+tegen de stad Aken, af. Het oude vrouwtje maakte een kruis en was zeer verheugd de eerwaarde stad Aken dicht voor de poorten&#8212;het
+was volstrekt niet ver meer naar Aken&#8212;van een groot gevaar bevrijd te hebben.
+
+</p>
+<p id="d0e2850">Nog altijd ligt deze zandberg daar, waar een oude vrouw den duivel te listig, volgens de taal van die streek &#8220;los&#8221; af was,
+zoodat de berg tot op heden &#8220;Losberg&#8221; heet. Ook het aandenken aan het arme wolfje, dat in de klauwen van den duivel viel,
+hebben de inwoners van Aken in <span class="pageno"><a id="d0e2852"></a>Bladzijde 263</span>de ijzeren deur van hun Dom vereeuwigd. Ook in de vleugeldeuren ziet men nog de spleet, die daarin ontstaan zou zijn, toen
+de vertoornde vorst der hel in machtelooze woede de kerkdeur achter zich dichtsloeg.
+
+</p>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Sagen van den Rijn, by Wilhelm Ruland
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SAGEN VAN DEN RIJN ***
+
+***** This file should be named 15163-h.htm or 15163-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/5/1/6/15163/
+
+Produced by Joris Van Dael, Jeroen Hellingman and the Online
+Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/15163-h/img/cover.jpg b/15163-h/img/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b10bc70
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p000.jpg b/15163-h/img/p000.jpg
new file mode 100644
index 0000000..cd98b11
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p000.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p032.jpg b/15163-h/img/p032.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f49c12d
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p032.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p048.jpg b/15163-h/img/p048.jpg
new file mode 100644
index 0000000..067f05b
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p048.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p064.jpg b/15163-h/img/p064.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c829ce9
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p064.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p080.jpg b/15163-h/img/p080.jpg
new file mode 100644
index 0000000..722787d
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p080.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p096.jpg b/15163-h/img/p096.jpg
new file mode 100644
index 0000000..bdb3b06
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p096.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p112.jpg b/15163-h/img/p112.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b032d66
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p112.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p128.jpg b/15163-h/img/p128.jpg
new file mode 100644
index 0000000..23a8765
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p128.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p144.jpg b/15163-h/img/p144.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0d32382
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p144.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p160.jpg b/15163-h/img/p160.jpg
new file mode 100644
index 0000000..cda6558
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p160.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p176.jpg b/15163-h/img/p176.jpg
new file mode 100644
index 0000000..200ea7f
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p176.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p192.jpg b/15163-h/img/p192.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9c7c1c0
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p192.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p208.jpg b/15163-h/img/p208.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4926bf1
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p208.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p224.jpg b/15163-h/img/p224.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d40b718
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p224.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p232.jpg b/15163-h/img/p232.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b70d81b
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p232.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p240.jpg b/15163-h/img/p240.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e4a09e4
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p240.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p248.jpg b/15163-h/img/p248.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6e5dd4d
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p248.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/img/p256.jpg b/15163-h/img/p256.jpg
new file mode 100644
index 0000000..525329c
--- /dev/null
+++ b/15163-h/img/p256.jpg
Binary files differ
diff --git a/15163-h/style/amazonia.css b/15163-h/style/amazonia.css
new file mode 100644
index 0000000..f3a05a3
--- /dev/null
+++ b/15163-h/style/amazonia.css
@@ -0,0 +1,26 @@
+/* amazonia.css -- color scheme Amazonia, for use with Gutenberg stylesheet */
+
+body
+{
+ background: #FFFFF5; /* #FFFFF5; very light green */
+}
+
+body, a.hidden
+{
+ color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .noteref, span.leftnote, p.legend, hr.noteseparator
+{
+ color: #880000; /* #880000; brownish red */
+}
+
+.navline, span.rightnote, span.pageno, span.lineno
+{
+ color: #808000; /* #808000; olive green */
+}
+
+a.navline:hover, a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+ color: red;
+}
diff --git a/15163-h/style/arctic.css b/15163-h/style/arctic.css
new file mode 100644
index 0000000..63bc14d
--- /dev/null
+++ b/15163-h/style/arctic.css
@@ -0,0 +1,33 @@
+/* arctic.css -- color scheme Arctic, for use with Gutenberg stylesheet */
+
+body
+{
+ background: #FFFFFF;
+ font-family: Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+ color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+ color: #001FA4;
+ font-family: Arial, sans-serif;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend
+{
+ color: #001FA4;
+}
+
+.navline, span.rightnote, span.pageno, span.lineno
+{
+ color: #AAAAAA;
+}
+
+a.navline:hover, a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+ color: red;
+}
diff --git a/15163-h/style/borneo.css b/15163-h/style/borneo.css
new file mode 100644
index 0000000..51cc9bc
--- /dev/null
+++ b/15163-h/style/borneo.css
@@ -0,0 +1,26 @@
+/* borneo.css -- color scheme Borneo, for use with Gutenberg stylesheet */
+
+body
+{
+ background: #FFFFEE; /* #FFFFEE; light yellowish brown */
+}
+
+body, a.hidden
+{
+ color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .noteref, span.leftnote, p.legend
+{
+ color: #880000; /* #880000; brownish red */
+}
+
+.navline, span.rightnote, span.pageno
+{
+ color: #AC8D70; /* #AC8D70; sepia */
+}
+
+a.navline:hover, a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+ color: #D25C00; /* #D25C00; orange brown */
+} \ No newline at end of file
diff --git a/15163-h/style/gutenberg.css b/15163-h/style/gutenberg.css
new file mode 100644
index 0000000..ce7083f
--- /dev/null
+++ b/15163-h/style/gutenberg.css
@@ -0,0 +1,387 @@
+/*
+ gutenberg.css --- A stylesheet for HTML in gutenberg HTML files
+
+ Jeroen Hellingman
+
+ This file is hereby irrevocably dedicated to the Public Domain.
+*/
+
+
+/*
+body - body of html page; define overall properties
+*/
+
+body
+{
+ line-height: 1.44em;
+ font-family: times, serif;
+ font-size: 1em;
+ font-weight: normal;
+ margin: 1.58em 16% 1.58em 16%;
+ width: auto;
+ letter-spacing: normal;
+ text-transform: none;
+ word-spacing: normal;
+ font-size-adjust: 0.58;
+}
+
+/* title Page headers */
+
+h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle
+{
+ text-align: center;
+}
+
+h2.byline
+{
+ font-size: 1.14em;
+ line-height: 2em;
+ font-weight: normal;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+ font-size: 1.44em;
+ font-weight: bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+ font-size: 1.14em;
+ font-weight: normal;
+}
+
+/*
+
+h1..h5 headers
+
+class
+ sub subtitle
+
+*/
+
+h1
+{
+ font-family: helvetica, sans-serif;
+ font-size: 2em;
+ font-style: normal;
+ font-weight: 600;
+ letter-spacing: normal;
+ text-decoration: none;
+ text-transform: none;
+ word-spacing: normal;
+ font-size-adjust: .4;
+
+ line-height: 1.5em;
+
+ margin-bottom: 0.33em;
+ margin-top: 1.33em;
+}
+
+h2
+{
+ font-family: helvetica, sans-serif;
+ font-size: 1.44em;
+ line-height: 1.2em;
+
+}
+
+h3
+{
+ font-family: helvetica, sans-serif;
+ font-size: 1.2em;
+ line-height: 1.2em;
+}
+
+h4
+{
+ font-family: helvetica, sans-serif;
+ font-size: 1.0em;
+ font-weight: 400;
+ line-height: 1.0em;
+}
+
+h5
+{
+ font-family: helvetica, sans-serif;
+ font-size: 1.0em;
+ font-style: italic;
+ font-weight: 400;
+ line-height: 1.0em;
+}
+
+
+/*
+p -- paragraph
+
+class
+ initial initial paragraph of chapter, i.e. no indentation
+ argument argument, the list of topics at the head of a chapter
+ note footnote
+ quote quoted material, like blockquote
+ stb small thematic break
+ mtb medium thematic break
+ ltb large thematic break
+ navline navigation line
+ figure figure, plate, illustration
+ legend legend with figure, plate, or other type of illustration
+*/
+
+p
+{
+ text-indent: 0em;
+}
+
+p.poetry
+{
+ margin: 0em 10% 1.58em 10%;
+ /* font-style: italic; */
+}
+
+p.initial
+{
+ text-indent: 0em;
+}
+
+p.argument, p.note
+{
+ text-indent: 0em;
+ font-size: 0.8em;
+ line-height: 1.2em;
+}
+
+p.argument
+{
+ margin: 1.58em 10% 1.58em 10%;
+}
+
+p.quote
+{
+ font-size: 0.9em;
+ line-height: 1.3em;
+ margin: 1.58em 5% 1.58em 5%;
+}
+
+div.blockquote
+{
+ font-size: 0.9em;
+ line-height: 1.3em;
+ margin: 1.58em 5% 1.58em 5%;
+}
+
+div.notetext
+{
+ font-size: 0.9em;
+ line-height: 1.3em;
+}
+
+div.divFigure
+{
+ text-align: center;
+}
+
+p.figureHead
+{
+ text-align: center;
+}
+
+p.figure, p.legend
+{
+ text-align: center;
+}
+
+p.legend
+{
+ font-size: 0.9em;
+ margin-top: 0;
+}
+
+p.navline
+{
+ text-indent: 0em;
+ text-align: center;
+ font-size: 0.7em;
+ font-family: helvetica, sans-serif;
+ margin-top: 0em;
+ margin-bottom: 0em;
+}
+
+p.smallprint, li.smallprint
+{
+ font-size: 0.8em;
+ line-height: 1.1em;
+ color: #666666;
+}
+
+/* Special cases for Filipino Riddles */
+
+
+p.question
+{
+ text-align: left;
+ margin-bottom: 0em;
+}
+
+p.answer
+{
+ text-align: right;
+ margin-top: 0em;
+}
+
+p.explanation
+{
+ margin-left: 0.9em;
+ margin-right: 0.9em;
+ font-size: smaller;
+}
+
+
+/*
+// span -- used for special effects in formatting.
+//
+// class
+// leftnote note in the left margin
+// rightnote note in the right margin
+// pageno page number, inserted at location of original page break.
+//
+// Note that the positioning only works properly in IE 5.0.
+*/
+
+span.leftnote
+{
+ position:absolute;
+ left:1%;
+ height:0em;
+ width:14%;
+ font-size:0.8em;
+ text-indent: 0em;
+ line-height: 1.2em;
+}
+
+span.rightnote, span.pageno
+{
+ position:absolute;
+ left:86%;
+ height:0em;
+ width:14%;
+ text-align:right;
+ text-indent:0em;
+ font-size:0.8em;
+ line-height: 1.2em;
+}
+
+span.lineno
+{
+ position: absolute;
+ left: 12%;
+ height: 0em;
+ width: 12%;
+ text-align: right;
+ text-indent: 0em;
+ font-size: 0.6em;
+ line-height: 1em;
+ font-style: normal;
+}
+
+.Greek
+{
+ font-family: Gentium, Arial Unicode MS, serif; /* font that supports classical Greek */
+}
+
+.Arabic
+{
+ font-family: Arial Unicode MS, sans-serif; /* font that supports Arabic */
+}
+
+.letterspaced
+{
+ letter-spacing: 0.2em;
+}
+
+span.smallcaps
+{
+ font-variant: small-caps;
+}
+
+/*
+a -- anchor
+
+class
+ offsite
+ gloss glossary entry; should be less visible
+ noteref (foot) note reference.
+ hidden
+ navline
+*/
+
+a.navline
+{
+ text-decoration: none;
+}
+
+a.navline:hover
+{
+ text-decoration: none;
+}
+a.hidden:hover
+{
+ text-decoration: none;
+}
+a.noteref:hover
+{
+ text-decoration: none;
+}
+
+a.noteref
+{
+ text-decoration: none;
+ font-size: 0.7em;
+ vertical-align: super;
+}
+
+a.hidden
+{
+ text-decoration: none;
+}
+
+hr
+{
+ width: 100%;
+ height: 1px;
+ color: black;
+}
+
+hr.noteseparator
+{
+ width: 25%;
+ height: 1px;
+ text-align: left;
+}
+
+/*
+// ol ul -- ordered list, unordered list
+//
+// class
+// toc table of contents
+*/
+
+
+/*
+// li -- list item
+//
+// class
+// toc_h1 table of contents h1
+// toc_h2
+
+// table -- table
+*/
+
+table.navline
+{
+ font-size: 0.7em;
+ font-family: 'TITUS Cyberbit Basic', helvetica, sans-serif;
+ margin-top: 0em;
+ margin-bottom: 0em;
+ margin-top: 0em;
+ margin-bottom: 0em;
+}
diff --git a/15163-h/style/print.css b/15163-h/style/print.css
new file mode 100644
index 0000000..764ba41
--- /dev/null
+++ b/15163-h/style/print.css
@@ -0,0 +1,36 @@
+/*
+ print.css --- A stylesheet for HTML in gutenberg HTML files, optimized for printing.
+
+ Jeroen Hellingman
+
+ This file is hereby irrevocably dedicated to the Public Domain.
+*/
+
+body
+{
+ font-family: Gentium, Times New Roman, serif;
+ margin: 12pt 1cm 12pt 1cm;
+ font-size: 11pt;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5
+{
+ color: black;
+ font-family: Gentium, Times New Roman, serif;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .navline, span.rightnote, span.pageno, span.lineno
+{
+ color: black;
+}
+
+a, a.navline:hover, a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+ color: black;
+ text-decoration: none;
+}
+
+span.pageno
+{
+ font-size: 6pt;
+} \ No newline at end of file
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..92ca312
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #15163 (https://www.gutenberg.org/ebooks/15163)