diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 15083-8.txt | 2438 | ||||
| -rw-r--r-- | 15083-8.zip | bin | 0 -> 51627 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 15083-h.zip | bin | 0 -> 133882 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 15083-h/15083-h.htm | 3925 | ||||
| -rw-r--r-- | 15083-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 41159 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 15083-h/images/titelpagina.jpg | bin | 0 -> 36081 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
9 files changed, 6379 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/15083-8.txt b/15083-8.txt new file mode 100644 index 0000000..d648cd1 --- /dev/null +++ b/15083-8.txt @@ -0,0 +1,2438 @@ +The Project Gutenberg EBook of Jerusalem, by Jacob Israël de Haan + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Jerusalem + +Author: Jacob Israël de Haan + +Release Date: February 16, 2005 [EBook #15083] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JERUSALEM *** + + + + +Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed +Proofreading Team. + + + + + + +Jacob Israël de Haan + +JERUSALEM + +AMSTERDAM +EM. QUERIDO +1921 + + + + +HAMAME TROUWT. + + +Hamame, dat Duifje beteekent, is een van de Jemenietische dienstmeisjes +van het jongensweeshuis. En zij gaat trouwen. Het wordt wel tijd, want +Hamame is al meer dan twintig jaar. Maar zij is niet gelukkig in de +liefde geweest. Dit is haar tweede verloofde, een weduwnaar. Het eerste +huwelijk heeft Hamame laten afgaan. En dat heeft haar acht pond sterling +gekost, gelijk in de verlovingsvoorwaarden was overeengekomen. Geen +kleinigheid voor een Jemenietisch dienstmeisje van een jongensweeshuis. +Achteraf blijkt Hamame, dat Duifje beteekent, zich te hebben vergist. +Zij houdt eigenlijk niet van haren tweeden verloofde. Maar weer een +huwelijk laten afgaan? Het zal haar weer acht pond kosten en iedereen +zal haar uitlachen. Dus wordt overeengekomen, dat Hamame met den +weduwnaar trouwen zal. + +En nu al de moeilijkheden op den weg der liefde! Het geld, dat noodig is +voor een zwart pak en een nieuwe fez. Voor een witte bruidsjapon met +een sluier van wit en zilver. Voor nieuwe schoenen en voor nieuwe +zakdoeken. Er zijn nu lange besprekingen met de moeder van Hamame, die +een heks is. Klein verbruind en mager. + +En zal de vader van Hamame, de heer Mozes Azirie, voor dezen grooten dag +uit Egypte overkomen? Dat hij bij de heks vandaan geloopen is, spreekt +van zelf. Hamame heeft hem nooit gezien. Zal hij komen? En vooral: zal +hij eene bijdrage sturen in de kosten van den onvergetelijken dag? + +En zal Reine worden uitgenoodigd, de Jemenietische keukenvrouw? Er zijn +vreeselijke dingen gebeurd tusschen Reine en Hamame. Natuurlijk zijn ze +geen van beiden begonnen. Hamame heeft Reine zeer beleedigd. Zij heeft +gezegd: "Gij, Reine, zijt een dief. En uwe zuster, die te Rischon le +Zion woont en wascht voor de Engelsche soldaten in Ludd, uw zuster is +een slechte vrouw." Het spreekt wel vanzelf dat Reine toen +tegenmaatregelen heeft genomen. Zij is naar de synagoge der Jemenieten +gegaan. Zij heeft de Heilige Ark geopend, en zij heeft Hamame met den +weduwnaar en de beide familiën tot in het derde en vierde geslacht +plechtig vervloekt. Het is twijfelachtig of zij nu zal worden +uitgenoodigd. + +Wij echter krijgen een mooi biljet van goud op zijde-papier. Een tak met +vogeltjes. De letters van het Duifje en haar weduwnaar S. en H. +Daartusschen in een boog de spreuk: "Stem van geluk en stem van vreugde. +Stem van bruidegom en bruid". Daaronder weer een dubbele driehoek met +"Zion" er in. Dan de uitnoodiging: "De moeder van den bruidegom, madam +Hamame Jozef Saïed en de vader van de bruid R. Mozes Azirie en +echtgenoote hebben de eer UEdele uit te noodigen op de bruiloft van +hunne kinderen Salomo en Hamame. En die ons de eer aandoen, zullen wij +eeren! Huwelijksinzegening, zoo God wil, Vrijdag 15 Kislev 5681, om twee +uur Europeesche tijd, precies, in het huis van den vader der bruid, in +de buurt "Hut des Vredes"." Geen wonder dat wij gaan! + + + +II. + +De feestelijkheden beginnen des Donderdagmiddags voor de vrouwen. +Wanneer wij het huis van den vader der bruid in de buurt "Hut des +Vredes" binnenkomen. En wij overzien de schare. Reine is niet +uitgenoodigd. De Heks heeft niet gewild. Wij hooren, dat R. Mozes Azirie +niet gekomen is. Ook geld heeft hij niet gestuurd. Maar wel een mooien +brief. En daar doen we het dan maar weer mee. Het geheele vertrek is +volgestampt met Jemenietische dames en Jemenietisch kroost. Enkele zijn +al Europeesch gekleed. Maar de meeste Jemenietisch, bont, dat kakelt. +Zij hebben veel goud, goed uitgesneden en geslagen. Want de Jemenieten +zijn mooie goudsmeden. En zij zitten op den grond, zóó dicht aaneen, dat +wij er haast niet meer bij kunnen. Wij krijgen natuurlijk een +eereplaats, vlak bij Hamame. De bruidegom is niet aanwezig. Het zou niet +passen. Hamame zit als een pop in wit met sluier van wit en zilver. Zij +mag geen woord zeggen en zij moet zedig haar oogen neerslaan. Het is +wel heel moeilijk, maar wij vertrouwen, dat zij na de bruiloft haar +schade wel weer zal inhalen. Naast Hamame zitten de bruidsmeisjes, +eveneens popwit, popstijf, ieder met een hooge, witte kaars ter hand. +Alle dames rooken. Sigaretten of stevig een Turksche waterpijp. Er is +ook zang, handgeklap en een geweldige muziek van pauken en blikken +pannen. En de tractatie. Een royale tractatie. Er wordt een groot +waschbekken binnengebracht met gepelde kersaussies, noten, amandelen. +Een kleiner met granaatappelpitten. Ieder krijgt een zakdoek vol. En dan +maar muizen. Gelukkig, dat dit Hamame geen geld kost. Want ieder van de +gasten betaalt. Alles is hier tegenwoordig duur. Ook de bruiloften. Het +minste is nu al twee shilling. Wij hebben een pond gegeven. Maar +iedereen acht ons dan ook. Wij worden op het middagmaal genoodigd: +brood, vleesch en hilme, een Jemenietisch gerecht van peper met peper. + +Het is een heel mooi feest. De moeder van Hamame straalt. Zij heeft een +bloeienden rosen peignoir met zwierige witte kant aan hals en mouwen. En +zij, het wijf, fel, bruin. Een heks. Als het medeloopt, houdt zij nog +over. + +Alle meubelen zijn uit het kamertje gedaan. Alleen het groote ledikant +is gebleven. Daarin slaapt, op een rijtje, lief en rustig, het kleine +kroost. Soms als er een wakker wordt--er liggen er negen--dan staat een +Jemenietische moeder op en zij geeft haar kindje het moederdrinken. Er +is een héél jong en héél mooi Jemenietisch moedertje, waarbij een héél +mooi Jemenietisch jongetje behoort. Ik mag het zoo prijzen: "wat een +aardig jongetje is dit." Maar zij kijkt mij aan, verschrikt en +verontwaardigd. Welk een gevaarlijke dwaasheid een kind zóó te prijzen. +Wil ik, dat het Booze Oor het hooren zal! Dus schudt het mooie +Jemenietische moedertje het mooie Jemenietische jongetje gevaarlijk door +elkander. En zij misprijst het: "Dit is een vreeselijk kind. Slecht en +leelijk. God heeft mij wel gestraft. Maar wat zal ik doen! Een arme +vrouw." Aan de beleefdheid ten aanzien van het Booze Oor is hiermede +voldaan. Zij pakt nu den lieven kleinen knaap weder beet. En zij legt +hem te slapen lekker in het rijtje van de kleine maffertjes. + + +III. + +Des avonds gaan wij naar het feest van de mannen in een ander huisje in +de buurt: "Hut des Vredes". Het is er natuurlijk heel vol. En heel heet. +Er is muziek. En er zijn psalmzingers met luide stemmen en gevaarlijke +handslagen. Er is natuurlijk tractatie: gezouten erwten, noten, +amandelen, granaatappels. En er is een stevige flesch. Zure, +lichtgegiste wijn. En een drank, duivelsch, dien zij zelf stoken uit +gedroogde rozijnen. + +Er wordt ook gedanst. Maar niet mannen met vrouwen. Het zou niet passen. +Wel komen de dames af en toe eens om een hoekje kijken. Doch zelfs dat +is al nieuwerwetsch. Hier danst een groote magere man. Een lange, +zwarte jongen. Misschien is hij wel de Duivel. Doch het zou niet passen +hem dit te vragen. Die met hem mede danst, maar zij raken elkander niet +aan, is een slanke, donkere Jemenietenknaap van vijftien jaren, die +Jozef heet en schoenmaker is. Maar hij is ook de beste danser van de +gemeente. Daar gaat de muziek en het handengeklap. De man en de jongen, +heel aandachtig en voorzichtig gaan. Zij zien, strak getoomd, naar +elkanders voeten. Naar elkanders gebaren. Langzaam, weinig bewogen in +den aanzet. Maar de muziek wordt wild. De handen van de gemeente slaan +sneller. De man en de jongen sneller gaan. Ademloos. Muziek, muziek, +muziek. De handen, die hel slaan. De jongen. De man. Ademloos. Uit, uit, +uit. + +Geheele verhalen worden zoo door de Jemenieten gedanst. Zij dansen van +den avond tot den morgen. + +Als de jongen Jozef weer wat op zijn adem is gekomen, krijgt hij +natuurlijk een bakschisch. En ik mag wel vragen welk verhaal in dezen +dans is uitgebeeld. "Mijnheer," zegt het jongetje Jozef blozende: "dit +is een dans op den herbouw van den Heiligen Tempel." En dan te weten, +dat ik mij den herbouw van den Heiligen Tempel altijd héél anders had +voorgesteld. + + +IV. + +En des Vrijdagsmiddags, twee uur, in het huisje in de buurt: "Hut des +Vredes" hebben Hamame en haar weduwnaar elkander gekregen. Mannen en +vrouwen ditmaal bij elkander. En al het kleine kroost maar weer veilig +en uit de voeten in het groote ledikant. In rijtjes en op stapeltjes. Er +is weder de wilde muziek. Een Jemenietische jongen slaat twee trommels +te gelijk. Een groote, donkere, sombere. En daartegen in een kleine, die +gespannen, luid kraait en schatert. Onder een groot spektakel krijgen +zij elkander. De zeven zegeningen worden uitgesproken, heilig en +zinnelijk te gelijk. Twee oude mannen dansen de voorgeschreven heilige +dansen voor het bruidspaar. Wonderlijke windingen en wendingen van de +machtelooze lijven. Maar precies gelijk het behoort. Dansen voor het +bruidspaar is een heilige taak, waarmee de oudsten en waardigsten worden +vereerd. Het mooie jongetje Jozef kijkt toe. Hij danst toch anders. + +In een optocht brengen wij dan Hamame en den getroosten weduwnaar in de +echtelijke woning. Ook in de buurt, die "Hut des Vredes" heet. +Natuurlijk met muziek voorop. Dan de witte bruidsmeisjes met de witte +kaarsen, die vlammetjes fladderen op den wind. Het bruidspaar en de +gasten. Naar rang en stand. Er is de oude rabbijn, die de zeven +zegeningen op zijn geweten heeft. Een paarse kaftan en wit geweven +schoudersjaaltje. De zoele, gebroken lucht. De wind. Maar nog geen +regen, al is er al vochtigheid. Wij gaan heel langzaam en waardig, +zooals de muziek ons laat gaan. Alle menschen van de "Hut des Vredes" +komen uitgeloopen. Een heel klein steegje en een heel klein huis. Daarin +wij wegduiken. Ik ril. Morgen begint haar het slaafsche leven. Hamame is +getrouwd. + + + + +DE DONKERE BRON. + + +Wij hebben het water hier zoo lief en zoo noodig. Het water is het +levende, dat overal zijn leven brengt. In de lente bloeien de bloemen in +stroomen van rood en geel waar het water stroomt. Een bron. Zooals een +sfeer van licht om een lamp, zóó zijn de wonderlijke vertellingen hier +om de bronnen heen. Vanmiddag is het wonder gebeurd. Een warme middag. +En een huis in een nette burgerlijke buitenbuurt van Jeruzalem. Ik +verzink. Ik wil terug naar de buurt van de Jaffapoort. Het zonnige, het +bonte. Dat is Jeruzalem. + +Wanneer wij aan tafel zitten vanmiddag. En komen de beide Rabbijnen +Epstein en Bernstein, twee van de meestgeleerde Aschkenasische Rabbijnen +met eenen bekenden Sefardie Nissim Nahum. Wat kan dit zijn? De twee +Aschkenasische Rabbijnen alleen, dat zou politiek kunnen zijn. Of een +weesmeisje, dat moet worden uitgehuwelijkt en waarvoor geen uitzet is. +Daarvoor bij te dragen is een heilige plicht, gelijk wij iederen +ochtend in de gebeden zeggen. Maar de Rabbijnen met eenen Sefardie! + + +II. + +Het is noch politiek, noch het weesmeisje. Het is over de bron van +Jehizkia, waarover geschreven staat: II Kronyken XXXII: 30: "Diezelve +Jehizkia stopte ook den opperuitgang der wateren van Gihon, en leidde ze +regt af beneden naar het westen der stad Davids". Dit is natuurlijk +niet, gelijk Raschi opmerkt, de rivier Gihon genoemd in Genesis II: 13. +De Talmoed leert ons, dat Jehizkia zes dingen heeft gedaan. Drie met +instemming van de Geleerden zijner dagen. En drie tegen hun wil. Tot de +laatste drie behoort het verstoppen van deze rivier Gihon. + +Nu eeuwen, eeuwen later, de zestiende, zeventiende eeuw der Christelijke +jaartelling. Syrië en Palestina werden toen overheerscht door eenen +Arabier, genaamd Aboe Sifien, dat beteekent: Vader des Zwaards. Hij liep +door de straten van Jeruzalem en hij hoorde een ruischen van een diep +water. Hij beval dit water op te sporen en bloot te leggen. Toevallig +hoorde hij, dat te Jeruzalem een groot geleerde woonde R. Chaïm Wital, +die het vermogen bezat, wonderen te doen door het uitspreken van Gods +naam op eene bepaalde wijze. Men zegt, dat Mozes op die wijze den +Egyptenaar heeft gedood, waarvan gesproken wordt in Exodus II vers 14. +Aboe Sifien, de Vader des Zwaards, beval nu R. Chaïm Wital de donkere +bron op die geheime wijze te openen. Deze wilde niet. En bevreesd voor +den Vader des Zwaards, vluchtte hij naar Damascus, eenvoudig door het +uitspreken van Gods naam op eene bepaalde wijze. Te Damascus verscheen +hem in zijn droom zijn leermeester overleden, R. Isaäc Luria +Aschkenazie, bijgenaamd Ari de Heilige, wiens naam de Wilnaër Gaon later +nooit zou uitspreken zonder een angstig beven. "Waarom hebt gij +geweigerd de donkere bron te openen? Gij weet, dat Jehizkia de Gihon +heeft afgesloten tegen den raad in van de Wijzen zijner dagen. Gij, R. +Chaïm Wital, zijt eene reïncarnatie van den koning Jehizkia. En Aboe +Sifien is, gelijk zijn naam reeds aanduidt, een reïncarnatie van +Sanherib, want ook dat beteekent Vader des Zwaards. De tijd om de bron +te openen, was nu aangekomen en daarmede het begin van de verlossing van +Israël." Toen zeide R. Chaïm Wital: "laat mij teruggaan naar Jeruzalem +en de bron alsnog openen." "Neen," sprak de Heilige: "de juiste tijd is +nu voorbij." Dat is een element in vele kabbalistische verhalen: het +verzuimen van den Juisten Tijd, door onwetendheid, aarzeling of twijfel. + +Zóó bleef de bron gesloten. Nissim Nahum, mijn Sefardische bezoeker, +heeft het verhaal van R. Chaïm Wital gelezen in het boek Sefer Shem +Hagedoliem, dat is het Boek van de Faam der Grooten door R. Chaïm Joseph +David Azoelai, die in den Napoleontischen tijd Rabbijn te Livorno is +geweest. Deze heeft het verhaal te Jeruzalem als overlevering gehoord. +Ook in een ouder boek Get Pachoet wordt er over geschreven. (1740). + +De meening der kabbalisten is, dat met het openen van deze bron de +verlossing voor Israël beginnen zal. Men vindt die meening bijvoorbeeld +in het boek Ben Jehojadah van R. Joseph Chaïm, die een jaar of tien +geleden te Bagdad is gestorven. + + +III. + +Nissim Nahum weet de plaats van de donkere bron. In de oude stad, niet +ver van de Tempelplaats, waar nu het Turksche bad is genaamd Hamam el +Schefah, dat is: het bad der Genezing. Er is daar nog een bron, waarvan +het water meer dan dertig meter onder den grond is. Nahum heeft eenen +Arabier gesproken, die zegt, dat hij in eenen buitengewoon drogen zomer, +toen de bron zonder water was, is afgedaald. Hij kwam in een doolhof van +gangen en gewelven. Vóór den oorlog heeft Nahum pogingen gedaan de bron +te laten onderzoeken. Het begin van alle pogingen is natuurlijk +baksjisj. Maar ten slotte wilden de bewoners niet. Ze waren bang. +Misschien zweven rondom de bron ook voor hen legenden. Toen de jaren +van den oorlog. Maar na den oorlog is Nahum weder begonnen. Hij +vertrouwt op de meening van de kabbalisten, dat de opening van de bron +het Geluk van Israël zal zijn. + +Toen Herbert Samuel in het begin van het jaar voor een onderzoek hier +was, heeft Nissim Nahum zich tot hem gewend. De zaak is toen onderzocht +door den Gouverneur van Jeruzalem, den Generaal Storrs. Maar er is +verder nog geen gevolg aan gegeven. Nu echter wil men de zaak opnieuw +aanvatten. Er is zooveel gebeurd. De troebelen. San Remo. Wat San Remo +beteekent wisten wij op den dag zelven niet. Maar nu gaan wij het zien. +En zelfs de harten van de voorzichtige twijfelaars gaan openbloeien. Sir +Herbert Samuel, de eerste Joodsche Landvoogd. Ook tegenover hem moeten +wij voorzichtig zijn. Maar toch: de Joodsche Landvoogd. De legenden +beginnen al te bloeien rondom hem heen. Die familie Samuel is uit Polen +afkomstig. Waarom zou hij dan niet afstammen van Rabbi Saul Wahl, die +ongeveer drie eeuwen geleden voor éénen dag koning van Polen is geweest? +En dat R. Saul Wahl afstamt van Koning David, ziet, men kan er aan +twijfelen, maar waarom zou men er aan twijfelen? Zóó is dus Sir Herbert +Samuel een bloedverwant van Koning David en van den Koning Jehizkia. Gij +zegt: lang geleden. Maar wat beteekent de Tijd tegenover de Eeuwigheid +van Bloed en Woord? En ziet gij nu wel, hoe de tijden zich voltrekken? +De Koning Jehizkia had de bron niet moeten uitsluiten. Zijn latere +incarnatie R. Chaïm Wital heeft het juiste oogenblik verzuimd. Laten wij +nu zijn nakomeling Sir Herbert overtuigen, dat nu voor hem weder een +juist oogenblik is gekomen. Wanneer ik mij daarmee zou willen belasten? +Gij ziet; het is géén politiek en niet een weesmeisje, dat moet worden +uitgehuwelijkt en geen uitzet heeft. + + +IV. + +Als de drie bezoekers weggaan. Dan zie ik weder, dat wij het Volk van +het Boek zijn. En wij moeten dat blijven, ook wanneer wij weder het Volk +van het Land worden. Nissim Nahum, ofschoon geen Rabbijn, gaat het eerst +de deur uit, omdat hij twee groote heilige boeken draagt. De Rabbijn +Epstein is wel ouder, maar niet aanzienlijker dan de Rabbijn Bernstein. +Wie zal het eerst uitgaan? Dat zijn hier groote kwesties. Er zijn +gemeenten verdeeld geraakt, omdat een rabbijn eenen andere heeft +gepasseerd. Ten slotte zal de Rabbijn Epstein vóórgaan. Maar de Rabbijn +Bernstein heeft een boek meegebracht. Goed: de Rabbijn Epstein zal dat +dan dragen, tot zij buiten zijn. Daarna zou 't niet meer passen. Gij +glimlacht wellicht over al dien eerbied en over al die etiquette? Ik +ook. Maar glimlachend bedenk ik toch ook, dat in al deze kleine +bedrijven iets liefs, iets geriefelijks is. + +Wij hebben het water hier zoo lief en wij hebben het water hier zoo +noodig. Een bron, dat is voor ons het levende, het goede. Een Wezen. +Iedere bron heeft zijn legende. Maar dat alles wordt volmaakt verleden +tijd. Wij gaan Palestina moderniseeren, verschrikkelijk moderniseeren. +De Fellachen worden geëlectrificeerd en schoongemaakt met stofzuigers. +Welk een vooruitzicht. En al de mooie legenden van bronnen, bloemen en +rivieren worden opgedoekt. + + +V. + +'s Avonds in de schemering komt mijn vriend Adil Effendi. Kent hij dat +badhuis Hamam al Schefah? Ja, zegt Adil Effendi: hij kent dat. Maar 't +is een echt armeluis-badhuis. Wie ons daar in ziet gaan, zal ons niet +achten. Heeft hij wel eens van die legenden gehoord? Maar Adil Effendi +is héél sceptisch geworden, sinds hij werkt in de Engelsche Regeering. +Het gaat de Mohammedaansche jeugd, zooals de Joodsche: een tikje +materialistisch, een tikje ijdel, een tikje genotzuchtig. Daarnaast +heeft de Joodsche jeugd toch meer nationalistisch idealisme voor het +land en de taal. Donkere bronnen. Wie ontsluit ze te juister tijd! Neen, +zegt mijn vriend Adil Effendi, peinzend in de schemering: "ik geloof +nog wel aan Allah, maar niet aan al die andere verhalen. En ik geloof, +dat mijn broer, Subhi Effendi, ook niet meer aan Allah gelooft." + +Hij smookt zijn sigaretje tusschen spitse lippen en hij tipt asch met +een fijnen vinger. "Mijn vriend," zegt Adil Effendi, "gij hebt dien +ouden boom wel gekend, voor het huis van mijn broeder Abdoel Salaam? Men +heeft altijd gezegd: wanneer die boom neervalt, dan gaat ook het +Turksche rijk uit elkander. En gij weet met den grooten sneeuwval? Toen +heeft de boom wel geleden. En Abdoel Salaam, die een wijs man is, heeft +hem laten omhakken. Achmad en Aboe Joessoef hebben dat gedaan. Omdat de +boom heel hinderlijk was voor de automobielen van de East Compagnie. +Abdoel Salaam heeft al het hout gekregen en de Compagnie heeft een mooie +baksjis; gegeven aan Achmad en Aboe Joessoef. Heeft Turkije iets te +maken met dien boom? En de Zagjunien met een put?" + +En dan zucht ik en ik vrees, dat de juiste tijd voor mijn vriend Adil +Effendi nog niet is gekomen. + + + + +MIJN VRIEND SAÏD EFFENDI. + + +Mijn vriend Saïd Effendi is de Arabische adviseur van den gouverneur van +Hebron. Vroeger is hij officier geweest in dienst van den Emir Feisul te +Amman aan den overkant van den Jordaan. Dat is het oude Rabbat Ammon, de +hoofdstad van de Ammonieten. Verwoest en later herbouwd heette het +Philadelphia, een van de Decapolissteden. Ik hoop er nog wel eens heen +te gaan met Saïd Effendi samen. Hij is nu teruggekomen naar dezen kant +van den Jordaan. Want de familiebezittingen liggen daar, tusschen het +dorp Tur op den Olijfberg en Jericho. + +Wij zijn goede vrinden geworden rondom de petroleumblikken gloeiende +houtskolen in het onvolprezen hotel: "De eik van Abraham" te Hebron. En +vele kopjes koffie. Hij is een zwaarmoedige, maar toch sterke kerel, +Saïd. Voortreffelijk in zijn werk en onbegrensd vertrouwd. + +Aan den overkant van den Jordaan, ook te Ammon, wonen de Kaukasische +Circassiërs. Zij hebben zich in die streken gevestigd sinds Rusland in +1864 den Kaukasus veroverde. In het begin hebben zij voortdurend stoute +gevechten geleverd met de omwonende Arabieren. Nu is het vrede. Zij +spreken Circassisch. Zijn Mohammedanen, maar ietwat meer Europeesch. De +vrouwen verhullen zich niet. En ze verbergen zich ook niet voor de +gasten van den man. + +Saïd Effendi is getrouwd met eene Circassische vrouw. Zij hebben drie +kinderen gehad, drie jongens. Twee gestorven. "Min Allah," berust Saïd +Effendi. Het oudste jongetje leeft nog. Hij is zes jaar. En hij heet +Daoud. Daarom heet Saïd Effendi ook Aboe Daoud. Zal ik hem niet eens +komen bezoeken in het dorp Tur, dat op den Olijfberg ligt? Goed, laten +wij zeggen, Zondag, wanneer het mooi weer is. Met een van de wagentjes, +die Adil Effendi met zijne broers exploiteert. + + +II. + +Het is mooi weer. Men moest hier eigenlijk niet spreken van den winter, +maar van den regentijd. Welk een afwisseling! Wreede dagen, woedend van +regen en wind. Zooals wij die te Hebron hebben gekend. Er is in een +korten tijd een geweldige hoeveelheid regen gevallen. Men zegt drie +kwart van den gemiddelden jaarlijkschen regenval. Ik ben bevriend met +een regenbak, waarin binnen een week of drie, een meter of drie water is +komen te staan. Als nu de late regen ook maar komt, zoo tegen Maart, +April, dan krijgen we hier een goed gewassenjaar. Misschien dalen dan de +prijzen. Maar tusschen de regendagen, o, de zalige winterlentedagen. Een +hemel ongebroken als in den zomer. Maar dunner blauw. Een kussende, +zoele wind. En de zonneschijn. Een winter vol zon. En welk een mateloos +mooie morgen. + +Adil geeft het wagentje, nummer 18. Dat moet gij later ook nemen. Het is +een net wagentje. Het staat bij de Jaffapoort, en rijdt met twee +driftige Arabische paardjes. De koetsier is in Mekka geweest. Hij zou +dus een groenen doek mogen dragen rondom zijn fez, dien wij tarboes +noemen. Maar dit doet hij niet. Hij zal het later doen, wanneer hij +ouder is geworden, 't Zou nu nog niet passen. Omdat hij in Mekka is +geweest, zegt zelfs de oneerbiedige Adil Had; tegen hem. En Machmoed, +het staljongetje, eerbiedigt hem zeer. Natuurlijk eerbiedigt Machmoed +den chawadja ook. Want die geeft baksjis; en is een chawadja. "Een mooi +wagentje, hè Machmoed?" "Maäloem," zegt Machmoed: "ik twijfel, of er een +mooier wagentje is in geheel Kuds." + +En wij rijden. Door de buitenstadswegen. En dan over de landwegen naar +den Olijfberg heen. Overal wordt gewerkt aan het land. Winterkoren wordt +gezaaid op ieder bouwbaar plekje grond. O, de verteedering van de zachte +dagen. En de adem van het bruine, opengebroken land. Tegen een +heuvelhelling aan ligt het wijde kerkhof met de Engelsche gesneuvelden. +Het huis van den Groot-Mufti. En de uitzichten over heel de stad van +Jeruzalem. De oude stad binnen den Muur, nog gaaf bewaard aan deze +Oostzijde. En de voorsteden wijd uitgeblokt. En dan ineens niets meer. +Ver, ver, de heuvelen. Maar geen andere huizen, steden en dorpen. Zooals +rondom Amsterdam, dat ook een mooie stad is. + + +III. + +Langs het Engelsche hoofdkwartier. O.E.T.A. noemen wij dat hier. En het +Arabische dorp Tur. Saïd Effendi. Hartelijk welkom. O, zij zijn al wat +moderner Mohammedanen. Daarom word ik ook voorgesteld aan zijn zuster. +Zij draagt toch nog de dracht van aanzienlijke Arabische dorpsdames. En +een kostbaar bontgeborduurd borststuk. Ook het Circassische moedertje. +Zij is een klein, blond vrouwtje. Heel weinig naast den grooten, +donkeren Saïd. Ze verwachten weder een kindje. Saïd heeft het mij al +verteld. Och, mocht het ditmaal een meisje zijn. En mocht het leven! +Maar wat zal men er aan doen. 't Is alles min Allah. + +Ook het jongetje Daoud. Een heel mooi Arabisch-Circassisch jongetje. Het +blonde gezichtje van de moeder. En de donkere, sterke oogen van den +vader. Hij spreekt Circassisch met de moeder. En Arabisch met den vader +en de andere familieleden. Natuurlijk vindt hij dat heel gewoon. Hij +heeft de twee talen even vlug geleerd als andere kinderen hun eene taal +leeren. O, hij is heelemaal niet bang voor den vreemden chawadja. +Trouwens, de chawadja heeft koekjes en bonbons meegebracht. Een tafeltje +bij het raam met het mooie uitzicht op Jeruzalem. En dan koffie, koekjes +en bonbons. Waarom zou de kleine Daoud den chawadja vreezen? Hij heeft +een stemmetje als muziek. En hij zegt woordjes als bloemen. Hij lacht +met witte tandjes achter roode lipjes. Mag Daoud nog een koekje? Hier in +het dorp draagt hij een Arabisch japonnetje met een heel klein pittig +fesje. Maar als hij naar Jeruzalem gaat, dat daar beneden ligt en +eigenlijk El Kuds heet, dan heeft hij een grijs Europeesch pakje aan, en +een bruin mutsje op. + + +IV. + +Maar toch, Saïd Effendi heeft mij heel lief ontvangen. Ik heb het huis +gezien. En genoten van het uitzicht over de stad vlakbij. Er is iets, +dat Saïd Effendi hindert. Ik zie het. Natuurlijk komt het niet te pas, +hem zonder meer, daarnaar te vragen. Maar het is niet ongepast, wanneer +ik hem de gelegenheid geef, het mij te zeggen. Ik vraag en zeg dus héél +voorzichtig. En hij antwoordt: Ja, hij heeft een droeve zaak. De jongste +broeder van zijne moeder is voor eenige dagen doodgeschoten in een twist +aan de overzijde van den Jordaan. In het gebied van den Emir Feisul. +Toen Saïd uit Hebron thuis is gekomen, heeft hij het gehoord. Gisteren +is het lijk overgebracht. En vandaag is er een familievergadering in een +dorp dichtbij, wat te doen. Want men kan dezen moord niet zoo maar +ongewroken laten. Saïd is donker, woedend. Niet, omdat hij den dooden +oom zoo liefhad. Maar omdat een zeer ernstige beleediging de heele +familie is aangedaan. Men kan het niet ongewroken laten. Maar aan den +anderen kant is zoo een geval in de familie zeer lastig. Vooral omdat +de familie van den moordenaar een zeer machtige familie is. + +Hij vraagt het mij dringend: "Zal ik hem in alle vriendschap vergeven, +wanneer hij nu naar den familieraad rijdt? Zal ik niet boos zijn? Hij +moet. Het is de laatste dag van zijn verlof. En hij moet weer te paard +naar Hebron." + +Hij rijdt weg. In een duistere woede. Op wien is hij woedend? Op den +oom, of op den moordenaar? + + +V. + +Zijn jongste broer, die Chalil heet, zal met mij naar den hoogen +uitzichttoren gaan, naast de Russische kerk. Overal rondom Jeruzalem +ziet men den hoogen, spitsen toren, met die vier opengebouwde +rondgangen. Chalil weet alles. Meer dan tweehonderd traptreden van een +ijzeren brandladdertrap. Maar dan het uitzicht, eindeloos door den +hellen dag. Beneden het Kidrondal. En Jeruzalem dichtbij. De tempelberg, +dien de Arabieren noemen Haram Esch-Scherif, dat is: het Groote +Heiligdom. De Omarmoskee met den zwaren grijzen koepel en de moskee +Aksa. Heel ver in de Jaffa-buitenstad de witte Russenkerk. En de koepel +van de Abessinische kerk vlak bij 't meisjesweeshuis. Anderzijds de +Doode Zee, een uur of vijf, zes weg. Maar lijkt werpelings dichtbij. De +weg naar Jericho. De kleine Chalil weet alles. Hij spreekt wat Engelsch. +Maar ook de kleine Chalil is niet rustig: "Mijn Heer," zegt Chalil, die +trouwens al veertien jaar is: "wanneer gij alles hebt gezien, zouden wij +naar beneden kunnen gaan. En ik zou ook kunnen gaan, waar mijn broer +Saïd is gegaan, want mijn oom is vermoord." Ach, waarom zou ik den +kleinen Chalil afhouden van wat naar bloed ruikt! Wij dalen weer +draaiend: "Over de tweehonderd treden," zegt de kleine Chalil: "ik ga te +paard. De geheele familie zal gekomen zijn." + + +VI. + +Wij rijden terug, in het mooie wagentje, dat nummer 18 heeft. Want Saïd +Effendi wil niet, dat het mooie Arabisch-Circassische jongetje thuis is, +wanneer hij weer naar Hebron gaat voor langen tijd. Het jongetje en +zijn tante gaan dus mee naar Jeruzalem. En ik denk, dat ik het mooie +jongetje zal laten fotografeeren, eene verrassing voor Saïd. De zalige +dag. En het heerlijke landschap. Het kleine jongetje praat onverdroten. +Als vogels en bloemen. Is het Arabisch? Is het Circassisch? Neen, neen, +het is Arabisch. O, ik schiet al aardig op. Hij lacht. Hij ziet iets, +dat heel lief is. En hij is heel blij in 't mooie wagentje. + +De fotograaf. Hij prijst zich zelven. Hij heeft lang in Duitschland +gewerkt. Neen, hij heeft den keizer nooit gefotografeerd. Maar hij heeft +wel eens een negatief des keizers ontwikkeld. Hij weet dus alles van de +Duitsche politiek. "Mijnheer," zegt hij: "gelooft u mij, ik weet het, +men doet dien man onrecht." Maar wat een onmogelijk jongetje is dit! Een +Joodsch jongetje! Neen. Circassisch-Arabisch. Juist, mijnheer, dat dacht +ik wel. Wat kijkt dat kind ernstig. Een kind moet vroolijk zijn, niet +waar? Altijd vroolijk. + +Het jongetje Daoud is niet bang. Het kijkt maar heel wonderlijk naar +dien raren, drukken man, die hem plooit en vouwt. Die fluit, danst en +zingt. En het Arabisch-Circassisch jongetje Daoud wil niet lachen. In 's +hemelsnaam. Morgen kan ik de platen komen zien. Wat een onmogelijk strak +jongetje. + +En den volgenden dag. Nog zaliger weer. 's Middags langs den Jaffaweg +naar den fotograaf. En ik ontmoet mijn vriend, den stadsaanplakker en +omroeper R. Leizer Schwartz. Heden heeft hij mij aangeplakt, voor een +lezing, vanuit een groote hengselmand. En heel waardig overhandigt hij +mij een van de biljetten. Zóó geeft men een doodvonnis. + +En de photograaf: "Mijnheer, de foto is prachtig, ik ken mijn vak. Maar +wat een onmogelijk kind is dit." + + + + +SABBATH IN JERUZALEM. + + +Wanneer de Sabbath het Heilige van ons leven is, dan is Sabbath in +Jeruzalem zeker het Allerheilige. + +Eenen Donderdag ben ik te Jeruzalem aangekomen. En Vrijdagmiddag zijn +wij een wandeling door het Joodsche kwartier begonnen. Toen was ik nog +een vreemde in onze stad. Nu ik de Sabbathdagen van reeds menige week +herdenk, ben ik al geen vreemdeling meer. + +Sabbath te Jeruzalem. Alle Joodsche winkels sluiten. Geen Joodsch +werkman is aan den arbeid. De kapperswinkeltjes hebben het al vroeg in +den middag heel druk. En de jongens, die schoenen poetsen in het +Jodenstraatje. + +Men leert de bewoners onderscheiden aan hunne kleeren. De Sefardim +dragen zwarte mutsjes. Ook wel een fez, gelijk de Jemenietische Joden. +De Aschkenaziem, afkomstig uit Oost-Europa, dragen streimels, dat zijn +platte, ronde mutsen met fluweelen rand. Ze dragen lange kaftan-kleeren, +sommige van schitterende zijde of fluweel; brandend oranje, rood of +hel-blauw. De mooie Sabbath-kleederen zijn dikwijls de eenige rijkdom +van deze arme, vrome mannen. Niemand in Europa weet, wat de Joodsche +stadsbevolking van Jeruzalem geleden heeft. Duizenden Joden zijn van +honger gestorven. Andere duizenden door de typhus. In het begin van den +oorlog hebben de Amerikanen geld gezonden. Toen Amerika den oorlog +begon, hield dat op. De groote, vrome rabbijnen hebben hun kleeren en +hun zielsbeminde boeken moeten verkoopen voor een schamel stuk brood. +Schatten aan boeken zijn naar Engeland en naar Amerika gegaan. De +toestand is nu iets beter. Het ondersteuningswerk is nu in handen van de +Zionisten. Maar hun werk is natuurlijk ook niet volmaakt. Het is heel +moeilijk eene regeling te vinden, die niemand schaadt in zijn rechten en +belangen. Misschien was het beter, dat het politieke werk van de +Zionisten afgescheiden bleef van het liefdadigheidswerk. Er is een deel +van de orthodoxie, die van het Zionisme niets weten wil. En ook geen +geld wil aannemen, dat door hun handen is gegaan. Anderzijds wordt +beweerd, dat het voordeelig is, zich aan te sluiten bij de Zionisten. De +toestanden zijn hier buitengewoon gecompliceerd. + +Maar dat ziet men bij eene wandeling door de stad niet. Dan zien we, +tegen den Sabbath, de vrome Joodsche mannen gaan. Zij knippen de hoeken +van het hoofdhaar niet af. Hunne gezichten zijn mild en teeder met de +lange lokken. Dit zijn de mannen, die de Heilige Leer beoefenen alleen +en uitsluitend om haar zelve. Niet om eer. En niet om gewin. Deze +zwakke, uitgeleden mannen zijn de dragers van de oude schatten van het +Jodendom. Maar als dit lieve, zwakke geslacht uitsterft? Ik ben nog niet +in de koloniën geweest. Men zegt, dat daar een jong, sterk geslacht +opgroeit. Maar het neemt de oude schatten niet over. En dat is onze +taak: een nieuw sterk geslacht te kweeken, waarin ook de Joodsche geest +sterk zal zijn. Ontroerend is het de teedere zwakke Joodsche geleerden +te zien gaan tusschen de stoute, sterke Bedouïenen van het +Transjordaansche. Maar die kunnen lezen noch schrijven. Als wij dat +bereiken konden: een Joodsche jeugd zoo stout en sterk als de Bedouïenen +zijn, en zoo wijs en geleerd als de rabbijnen. + + +II. + +De Klaagmuur. Wij zijn den eersten Vrijdagmiddag naar den Klaagmuur +gegaan. Door een warreling van straten en steegjes, waarin ik nu ook al +geen vreemdeling meer ben. Een van mijn Joodsch vrienden te Amsterdam +(wat is Amsterdam ver! Wat zijn de Joodsche vrienden ver!) schreef mij, +dat hij het liefst zou willen weten, met welke gevoelens ik den +Klaagmuur voor de eerste maal genaderd ben. Beste vriend, antwoord ik +hem nu: in een ontroering waarvoor ik geen woorden weet. En waarvoor gij +ook geen woorden weten zult, wanneer uw Dag gekomen is. Als wij woorden +wisten voor deze ontroeringen, zouden wij geen individuen zijn. Maar wij +zouden samenvloeien als water droppels. De woorden, die ik nu +opschrijf, zijn niet meer dan punten, die niet dringen in belangrijke +gevoelssegmenten. + +Wat is ons deze Klaagmuur eigenlijk? Zouden wij zonder dit brok muur +niet weten, dat wij eenmaal een tempel hebben gehad, teeken van +nationale en godsdienstige eenheid? Wij zouden het zeker ook weten +zonder dien Muur. En toch: zouden wij het gevoelen, zóó diep als thans, +wanneer we onze handen leggen op de eeuwige steenen en onze +middaggebeden spreken, het betraande gelaat naar den muur gekeerd? De +Klaagmuur: ik heb wel eens gevreesd, dat het niet geheel en al echt zou +zijn, het schreien en weenen bij dezen Muur. Maar ik vrees dat nu niet +meer. Zij, die lijden, en het zijn duizenden en duizenden in Jeruzalem, +gaan naar den Klaagmuur om hun eigen leed daar uit te schreien. Hun +tranen zijn zoo echt, als het leed van het Joodsche volk. In de +reisboeken staan ons leed en onze muur aangeteekend als een +bezienswaardigheid. De touristen, die waar voor hun geld moeten hebben, +gaan op Vrijdagmiddag tegen den avond, omdat er dan veel Joodsche +klagers komen. Ik ga bijna elken dag, tegen den laten middag. Ik heb +mijn hoekje tegen den Muur al gevonden. Geen vreemde ben ik er meer. Ik +heb dat onbeschrijfelijke gevoel gevonden van thuis te zijn. Ik ga er +vanzelf heen. O, de weg is niet moeilijk. Dat lijkt maar zoo in het +begin. Tusschen den Bazaar en het Jodenstraatje links. De straat in, die +daalt met zooveel trappen en die zoo vol is van Arabisch beeldhouwwerk. +Er is één plaats, waar twee prachtige poortjes tegenover elkander zijn. +Dan rechts afslaan. En dan altijd maar links. Overal waar de straat een +hoek maakt, links. Altijd trapjes af. Een wonderlijke overdaad van +straatjes, steegjes, trapjes, hoekjes en holletjes. En dan niet dat +donkere poortje in. Maar dat weggetje, waar 's middags de zon schijnt. +Dan zijt ge er. En dan, mijn beste vriend, wordt het onbeschrijflijk. +Dan komt uw Ziel in het Gebied, waar geen Woorden doordringen. Dan zijt +ge gansch alleen... + +En tot zoover had ik geschreven, Vrijdagmiddag, toen de bazuin geblazen +werd over de Duitsche Plaats, om de Joodsche vrouwen te waarschuwen, dat +zij de Sabbathlampen moesten aansteken. Toen ben ik ook met schrijven +opgehouden. Zeker, beste vriend, zal ook uw Dag komen, dat gij voor het +eerst naar den Klaagmuur zult gaan. Zoo God het wil, zal ik gaarne uw +geleider zijn. Tot gij den weg door warrelende straatjes en steegjes +alleen zult weten. En verlangen zult alleen te gaan, als uw hart zwaar +is en gij verlangen zult uit te schreien tegen den muur. + + +III. + +Dien eersten Vrijdagavond ben ik gast geweest in het meisjesweeshuis van +den heer en mevrouw Zilversmit, waarvan ik u al gesproken heb. + +O, in dit huis is de Sabbath een heerlijkheid. De zegenspreuken over +Wijn en Brood worden met heilige wijding uitgesproken. Voor ons is het +Hebreeuwsch toch altijd een taal, die buiten het dagelijksch leven +staat. De Hebreeuwsche woorden kennen wij uit de gebeden. Zij hebben een +bijzondere gevoelswaarde voor ons. Maar gewone ongewijde woorden eener +spreektaal zijn zij niet. Voor deze meisjes anders. Het Hebreeuwsch is +hun gewone spreektaal. De gevoelswaarde van de gewijde woorden is een +geheel andere. Maar achter al die waarde-verschillen zal ik wel nooit +komen. Want zelfs al was Hebreeuwsch mij zoo eigen als Hollandsch, dan +nog zou ik mijn subtiele bedoelingen niet onder woorden kunnen brengen. +En de meisjes zouden de gevoelens, die mijn woorden opwekken, ook niet +kunnen uitspreken. Wat doet de zee: de landen verbinden of de landen +scheiden? Wat doet de Taal: de menschen verbinden of de menschen +scheiden? + +Na het eten worden de lieve, milde Sabbathzangen gezongen. + +En dan gaan we met ons allen in de hal. In de groote, heldere hal. De +kleine meisjes spelen hun Hebreeuwsche spelletjes. Altijd een aardige +les in het Hebreeuwsch. De grootere babbelen in troepjes. En er komen +gasten. Want iedereen is hier welkom. Er is een Amerikaansche majoor. +Een kerel als een boom. Bij nader onderzoek blijkt hij een doodgoede +medicus te zijn. En, glimlachend als een oud, moe man, zie ik de oude +geschiedenis, die toch altijd nieuw blijft. Er komt een lieve, slanke +jongen, een leerling van de Onderwijzers-Kweekschool. Zijn ouders wonen +in een van de koloniën. Maar hij is hier in de stad op school. Ik +geloof, dat hij hier zijn vriendinnetje heeft. En ik geloof, dat het +vriendinnetje dat ook wel weet. En ook wel weten wil. Neen, ik ben nog +niet zoo een heel oud man. Maar ik heb toch iets meer dan deze kinderen +beleefd. Gij kent het gedicht van Jacques Perk: "Dorpsdans" natuurlijk +even goed als ik. Een grijsaard ben ik nog wel niet. Maar het komt toch. +Het komt toch. Misschien zal het leven deze twee lieve kinderen wel +genadig zijn. En misschien is het ook heelemaal niet waar. + +Het is wel heel laat, wanneer wij scheiden. Donkere maan. Maar er is de +goedgezinde Challad met de lantaarn, die mij naar het hotel brengt. In +het hotel wel alles wreed en vreemd. Voor de deur ligt een van de +kellners op een mail-stoel te slapen, bij wijze van deurwachter. Na den +lieven vrede in het groote gezin van den heer en mevrouw Zilversmit is +dit wel wreed en vreemd. Als ik in de kleine hotelkamer kom, moet ik +mijn hand drukken op mijn hart barstend van pijn. En ik moet tegen het +dwaze, bonzend hart zeggen: "Dwaas hart, zoudt ge nu niet eens rustig +willen zijn... ge zijt hier, waar ge altijd hebt willen zijn. En wie te +Jeruzalem sterft, wordt daar ook begraven." + + +IV. + +Den Sabbathmorgen ga ik ten gebede in het jongensweeshuis van den heer +Goldsmit, ook Hollander van geboorte. Gij allen, die Jeruzalem kent, +weet, dat het een heele stap is. Van de Duitsche Plaats de groote Poort +uit, den Bazaar door en de Jaffastraat tot de Bioscoop en dan links af. +Daar ligt dat weeshuis lekker buiten. In het licht en in de zon. Net wat +Joodsche jongens noodig hebben om gezond en sterk te zijn. Wij beginnen +hier onze gebeden vroeg: zeven uur. Maar als ik van huis ga, tegen half +zeven, dan is men in de beide Synagogen van de Duitsche Plaats al +begonnen. En ook in de kleine Synagoge, bij het Jodenstraatje, waar de +kolenkoopman zijn winkeltje heeft, en waar de twee gaarkeukentjes zijn. +Maar het kolenwinkeltje en de gaarkeukentjes zijn nu dicht omdat het +Sabbath is. Alle winkeltjes in het Jodenstraatje zijn dicht. In de +dichte poelierswinkeltjes kraaien de geoordeelde hanen en hennen. In het +Specerijenstraatje zijn de lekkere winkeltjes al open: Even inkijken. +Even snuiven. En dan verder. + +Bij het Weeshuis is een kleine Synagoge. Vierkant met ramen in twee +muren. En een dak van wit gekalkt gewelf. De zon van Palestina is een +gezegende zon: die is altijd en overal. + +Er zijn hier een vijftig kleine jongens in het weeshuis. Laten wij +later eens hun geboorteplaatsen opschrijven. Dan kunnen wij zien, hoe +het Joodsche Volk gezworven heeft. Er zijn in het Weeshuis zelf geen +tien manspersonen boven dertien jaar, die toch bij de gebeden aanwezig +moeten zijn. Maar zij komen dan van de stad. Wij zijn een groot gezin. +Vreemden komen hier niet. De dienst gaat heel stil en heel eenvoudig, +zooals wij dat in Holland gewoon zijn. + +De zegen door de Priesters wordt elken Sabbathmorgen tweemaal +uitgesproken. De huisbediende is uit den Priesterstam. Heel de week +dient hij in het dagelijksch huiswerk. Maar de Sabbath maakt hem tot +onzen meerdere. Hij heft zijn handen over ons hoofd. En hij spreekt de +eeuwen-woorden. Hij weet ook zeer wel, dat hij mijn meerdere is. Een +kroon van goud en edelsteenen, zooals Europeesche koningen, dragen onze +Priesters niet. Zij dragen een kroon, die God zelf voor hen heeft +gesneden en geslagen uit de steenen en uit het goud van Zijn Woord. + +O, mijn hart: die vijftig kleine Joodsche jongens, zoo allen tusschen +zes en twaalf, langs welke wegen zijn zij hier gekomen? En langs welke +wegen zullen zij gaan tot aan hun eindelijke rust? Maar hun jeugd is +hier goed en tevreden. Wat zal men kinderen voor hun leven beter +medegeven dan den lichten last van een goede en tevreden jeugd? Hier is +licht, lucht en zonneschijn. Ga maar eens door de straten van de oude +stad. Ja, zeker zijn ze mooi en bijzonder met hun overvloed van trappen, +steegjes, poortjes, gewelven, hofjes en huizen. Maar er zijn hoeken, +waar de zon nooit komt en waar de lucht loodzwaar is. + +O, ik houd van de vijftig kleine Joodsche jongens. Na den kerkdienst +hebben zij natuurlijk honger. En zij krijgen lekkere beste boterhammen, +nadat de zegen over wijn en brood is uitgesproken. En dan zingen zij de +gezangen van den Sabbathmorgen. Ik zou ze wel graag willen vragen of er +ook verschil bestaat in waarde tusschen een woord in de gewone +spreektaal en tusschen datzelfde woord in de taal van de gebeden. Maar +voor die vragen weet ik geen woorden. Dus ga ik maar eens kijken, hoe ze +na eten knikkeren en petjebal spelen. O, gij houdt dat voor gewone +kinderachtige spelletjes, waarvan niets te leeren valt? Ja dat kan in +het Hollandsch wel zoo zijn. + +Maar in het Hebreeuwsch is dat heelemaal niet zoo. Juist van die levende +Joodsche jongens moet ik de levende Joodsche taal leeren. Maar zij zijn +lastige leermeesters. Zoo vlug en zoo beweeglijk. En ik wil ze niet +vragen naar die kleine woordjes, waarmee ze spelen en samen hanselen. +Want dan is het aardige, het levende er meteen af als van gevangen +vlinders. En ik zucht. En ik denk, dat ik wel te oud ben geworden om +petjebal en bokspringen te leeren in het Hebreeuwsch. + +Op het terras van het weeshuis, vol, vol, vol van zon, is nu bezoek. En +daar kunt ge nu alle talen hooren, waarvan Jeruzalem wemelt: Arabisch, +Spanjoliet, Jiddisch, Bockhaarsch. Hebreeuwsch wordt door de ouderen nog +betrekkelijk weinig gesproken. Maar het weeshuis spreekt alleen +Hebreeuwsch, zoodat de jongens hun Arabisch, Spanjoliet, Jiddisch of +Bockhaarsch al goed vergeten. Zoo zijn de ouderen dan wel verplicht +Hebreeuwsch met de kinderen te spreken. En derwijze bouwen de jongeren +het Hebreeuwsch op in de harten der ouderen. + + +V. + +Een heilige Sabbathmiddag. De groote meisjes van het weeshuis maken een +wandeling. En ik mag mee. Waarheen? Naar een bron van levend water, +ergens bij het dorp van Silouan. O, dat is voor Holland niets, levend, +stroomend water. Maar dat kennen wij hier in Jeruzalem heelemaal niet. +Grachten zijn hier niet. Rivieren, die des zomers niet uitdrogen, zijn +er maar heel weinig in het land. Die bron bij Silouan is dus heel iets +bijzonders. Hij geeft alleen maar water vlak na den grooten regentijd, +den zoogenaamden vroegen regen. Een paar weken daarna is alles droog. + +Ik ken het dorp Silouan wel. Het ligt tusschen den stadsmuur vóór de +Duitsche Plaats in het dal tot den Olijfberg. Uit mijn raam zie ik het. +Boomen zijn er niet. Het is heelemaal niet zoo een dorp als de dorpen +van de Zaanstreek bijvoorbeeld. De huizen zijn niet van hout en niet van +roode gebakken steen. Maar van grauwe gehouwen steenen. Van verre gezien +lijkt het nog wel heel wat. Maar van binnen zijn de huizen doodarmoedig. +Er zijn twee deelen van het dorp: Arabisch en Joodsch-Jemenietisch. + +Van het Weeshuis gaan we dus eerst weer het domein van de Russen over. +Dat is altijd. Dan door de zonnige Jaffastraat (wie geeft ons hier eens +wat lekkere, frissche boomen?) en bij de Jaffapoort rechts-af. + +Dat is weer een les in het levende Hebreeuwsch, de wandeling met de +meisjes. Ik hoor hoe de wilde mosterd heet en het madeliefje. En hoe de +vogels heeten, waarvan het gefluit over ons heen valt. Op den grooten +heerweg hebben de meisjes keurig geloopen in rijen van twee en twee. +Maar op de smalle windende binnenweggetjes loopen we een voor een, +voorzichtig. En zon, zon, zon. Overal zon. Een van de plaatsen, waar +anders het levende water welt, is al droog. Maar de ander, een eindje +verder, die is er nog. Dat ligt in een dal tusschen heuvels. Het is heel +druk bij die bron van levend water, want levend water is hier zeldzaam. +Twee Arabische vrouwen wasschen groenten schoon. Morgen zitten ze +daarmee onder dat wijde, witte, gewelf in den Bazaar, domein van de +groente-dames. Maar bij de bron krijgen ze vandaag ruzie met een +Jemenietisch joodsch jongetje, die pootjes baadt. Het jongentje is met +zijn bekje volkomen tegen de Arabische dames opgewassen. Van hun woorden +versta ik niets. Maar ik vermoed, dat het joodsche jongentje een betoog +levert, dat een bron van levend water iedereens eigendom is, dat wil +zeggen: niemands. Een bron, een bron: laat u niet in de war brengen door +dat woord. Het is heelemaal geen gemetselde put of een diepe spelonk, +waaruit het water ruischt. Neen, een kuil in den bodem, daaruit borrelt +heel stil het water. En over de randen van den kuil vloeit het weg in +het landschap. Een oud vrouwtje laat een klein kindje drinken. Het oude +vrouwtje is heelemaal niet bang voor typhus. En het kleine kindje ook +niet. De twee Arabische vrouwen zijn met de groenten klaar. Het +Jemenieten-jongetje heeft het rijk alleen. Tot er een gendarme aankomt. +Een Arabier prachtig op zijn paard. Hij jaagt het booze jongentje den +waterkuil uit. En hij laat zijn paard drinken. Dat is lekker voor zoo +een beest, levend water. O, er gebeurt hier van alles. In dit kleine dal +tusschen heuvelen. Een meisje met een groote, zwarte geit. Die geit moet +naar huis. Maar de geit wil niet naar huis. En het meisje met de geit +vechten. Precies zooals twee booze jongens vechten. De zware, zwarte +geit zal het winnen. Maar neen, daar komt de koeienvrouw, die juist met +haar koeien op weg is naar huis, en die drijft de zware, zwarte geit den +goeden weg op. + +Iedereen komt kijken naar dit wonder van levend water. Een vader en een +zoontje. Twee mooie Arabieren. De vader op een schimmel. En het zoontje +op een mooi wit ezeltje. Ze laten eerst de beide beesten lekker drinken. +En dan drinken ze zelf. En ze gaan lekker lui tegen een heuveltje +liggen. Zeker houden ze veel van elkander. Want de vader heeft zijn arm +om het zoontje heengeslagen. En het zoontje heeft zijn kop tegen den +vader aangelegd. Zeker bewondert de vader zijn mooien, sterken jongen. +Of denk ik dat maar? En denkt de vader aan prijs van koren, paard en +ezel? Hoe ziet de ziel van een Arabischen vader er uit? Hoe ziet mijn +ziel er uit? + +O, er gebeurt van alles. Een kleine vrouw vult een gelooide geitenhuid +met lekker frisch water. En een jongentje komt met een petroleumblik om +water te halen. Er gaat vijftien liter in. Hij kan het blik wel vullen. +Maar niet op zijn hoofd zetten. Nu, de vrouw met de gelooide geitenhuid +helpt hem gaarne. Hij houdt het blik met beide kleine handjes vast. En +op sterke, vaste pootjes loopt de jongen huiswaarts. Later zullen wij +hem nog eens tegenkomen, op den terugweg met het leege blik, gaande naar +die milde levende bron. + +Heel het landschap is décor. En dit leven is tooneel, waarnaar de Dood +mild en ernstig kijkt, dat alle spelers op hun tijd het tooneel +verlaten. + +De schaduwen van den laten middag leggen zich langer en lager. Wij gaan +op den terugweg. Nu een anderen weg. Langs de tuintjes, die wij van den +stadsmuur af in terrassen zien vallen naar het dal toe. Waar water komt, +daar is het land ook vruchtbaar. Elk plekje grond wordt hier voor +groententuin gebruikt. De vrouwen werken daar, vroeg oud en geduldig. +Waar wij de stad naderen wordt het tooneel weer voller. Op een muurtje +zit een rij vrouwen uit te kijken naar het dal. Als de meisjes net twee +mannen voorbijkomen, slaan zij snel de sluiers voor. Op den hoogen +stadsmuur wemelt het van luie kijkers. Heel eenzaam op een heuveltje +zitten een bruin broertje met een bruin zusje. En ze kijken uit, hoe de +avond daalt. O, wat is dat lief en teeder. + +De meisjes kakelen hun mooi Hebreeuwsch. Maar ik ben moe en bedroefd. +Jeruzalem. Amsterdam. Zooveel wind en zee tusschen de beide steden. Zal +ik te Jeruzalem mijn rust vinden? Ach, de rust en de onrust zijn niet in +de steden, maar in onze ziel. En ook hier ben ik een diep-gekweld +mensch. + +Deze zalige Sabbath eindigt. En dan? En dan? Laat ik probeeren dankbaar +te zijn: wanneer de Sabbath het Heilige van ons leven is, dan is Sabbath +in Jeruzalem zeker het Allerheiligste wel. + + + + +DE STAD VAN JIRMÉJAHOE. + + +De vastendag van 17 Tammoez. De drie weken. De vastendag van 9 Ab, Wij +hebben weder alle rampen herdacht, die één- en tweemaal over Jeruzalem +heengekomen zijn. Nu gaan wij door het tweede gedeelte van de maand Ab, +dat Menachem, dat is Vertrooster heet. + +Kunnen wij eigenlijk deze droeve dagen nog wel gedenken? Zou Frankrijk +den Sedan-dag nog gedenken als een nederlaag of Duitschland als een +overwinning. Misschien is de herdenking goed voor Frankrijk als een +vermaning tot bescheidenheid en voor Duitschland als eene bemoediging +tot kracht. Keer en tegenkeer. + +De vraag of wij voort zullen gaan met het herdenken van onze nationale +treurdagen is besproken. In Engeland door de Jewish Chronicle, die tegen +afschaffing is. Hier heeft de "Palestine Weekly", het Engelsche bijblad +van Doar Hajom, al heel voorzichtig te kennen gegeven, dat in orthodoxe +kringen het voornemen bestaat, den vastendag van negen Ab zijn droevig +karakter voor een gedeelte te ontnemen. Ik geloof dat niet. Maar men +maakt de geesten bereid: Bijvoorbeeld: een van onze Hollandsche +Zionisten beweerde, dat de Rabbijnen Diskin en Sonnefeld den negenden Ab +als vastendag hadden afgeschaft. Het was overal in de stad aangeplakt. +Heel geloofwaardig was 't bericht niet. Zoo iets als de bewering, dat +dr. Kuyper en mr. De Savornin Lohman hebben toegestemd in een +bolsjewieksche revolutie. Maar overal in de stad aangeplakt! Laat mij +dat dan maar eens zien. Groote gele biljetten. Een verbod van de +Rabbijnen Diskin en Sonnefeld deel te nemen aan de Constituante wegens +het vrouwen-kiesrecht. Niet precies hetzelfde. Hebreeuwsch is een +moeilijke taal. Maar de geesten worden bereid. + +II. + +Wij hebben den dag gehouden als naar gewoonte, in het jongensweeshuis +van den heer Goldsmit. De kleine synagoge ontdaan van alles, wat maar +overbodig is. Wij zitten des avonds op den grond bij weinig kaarslicht. +De jongens barrevoets. De treurzangen en Jeremia's klaaglied worden +gelezen. Ook den volgenden dag worden zij gelezen. Het is alles als +andere jaren. Maar het is toch niet alles als andere jaren. Een Joodsche +Landvoogd. En sinds de Paaschdagen een verandering ten goede, die ons +vaak angstig maakt, zóó glad en goed als alles gaat. Kunnen wij nu alle +droeve dagen nog zóó blijven gedenken? + +Des Zaterdagavonds ben ik naar den Klaagmuur gegaan. Verleden jaar heb +ik het niet gedaan. Men had mij gewaarschuwd. Ik had moeten luisteren. +Welk een droevig en beschamend schouwspel. In den nacht van den negenden +Ab komen de vrome Joden aan den Klaagmuur bidden en leeren. En de +nationale jeugd komt er zich bij vermaken. De jongens zoo vrij mogelijk +gekleed. Meisjes, in lichte toiletjes, rokjes kniekort, dragen +wandelstokjes, zooals zij het de vrouwen van Engelsche officieren soms +zien doen. Luid gebabbel en er wordt gezellig gerookt. Vaarwel +Klaagmuur. Een droevig en beschamend schouwspel. De nationale opvoeding +van de laatste jaren heeft hun geen eerbied voor ons nationaal verleden +geleerd. Ongetwijfeld heeft onze Palestinensche jeugd veel goeds. Ziet +onze gymnasten en onze padvinders maar eens door de stad gaan. Maar +anderzijds: welk een oppervlakkigheid en gemis aan ernst. Talrijke jonge +onderwijzers bijvoorbeeld verlaten het land om buiten verder te +studeeren of prettiger te leven, terwijl zij hier zoo noodig zijn. Het +zijn in vele gezinnen ook de jongelui, die de ouders dwingen tot een +leven boven stand. Wij worden hier af en toe grimmig. Bijvoorbeeld: men +heeft buiten het land een groote reclame gemaakt met het feit, dat +Palestina een honderdduizend pond heeft gegeven voor het +Bevrijdingsfonds. Heel mooi. Maar nu hooren wij, dat allerlei beloofde +giften niet betaald worden. Een groot gedeelte van het geld is gegeven +door ambtenaren en door de onderwijzers, die vlak daarop een groote +salarisverhooging kregen en nu weder een duurte-toeslag. O, de geest van +materialisme en egoïsme! Die moeten wij te boven komen. + + +III. + +Jeruzalem drukt mij. De kleine, geweldige stad, die de navel is van Gods +aarde. Ik zit in te veel vereenigingen en in te veel commissies die toch +alle niets doen dan praten. Eén dag wil ik weg zijn. Ik wil naar Anatoth +gaan, dat tegenwoordig Anata heet. De stad van Jirméjahoe, dien gij +Jeremia noemt. Gij weet, hoe het Boek van Jeremia begint: "De woorden +van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de Priesteren, die te Anatoth +waren, in het land van Benjamin". Verleden jaar ben ik door Anatoth +gekomen, op weg naar het water en naar den waterval van Aïn Fara. +Jeremia. Het was de Profeet, dien ik vreesde. Jesaja, de milde, +lichtere. Maar dit jaar is Jeremia mij vertrouwder geworden. Ik heb alle +Drie Weken lang Jeremia gelezen. De Klaagliederen en het Boek van zijne +voorspellingen en vermaningen. Nu is ook zijn donkere, zware taal +lichter geworden. + +Ja, dus wil ik naar Anatoth gaan, ter bedevaart. Voeten gaan over +dezelfde landen, die Jeremia ook is gegaan. Dezelfde lijnen zien van +zijne bergen, toen Jeremia een Joodsche jongen was. Hoe vertrouwd alles +en hoe dichtebij. Op zijn hoogen heuvel Mizpah zien liggen, dat de +Arabieren noemen Nebi Samwil, dat is Profeet Samuël. En verder het oude +Bijbelsche Rama. Alleen hier, in dit Heilige Land kan men de Heilige +Schriften beleven. + +Naar Anatoth gaan en in een van de vijgentuinen de Boeken van Jeremia +lezen, waar de zon heet is en de schaduw koel. + + +IV. + +Neen: mijn vriend Adil Effendi zal niet met mij medegaan. Dit is geen +tocht voor hem. Maar Galed, de Arabier van het meisjesweeshuis. Ach: er +is veel veranderd. Een nieuwe geest, wel werkzaam, wel bedrijvend. Maar +waar is de vroomheid, en waar is de heiligheid van Sabbath en +Feestdagen. O, de onheilige geest van materialisme en van zelfzucht, die +over dit land vaart. Galed is nog in het weeshuis. Hij wil gaarne +medegaan. Een dag van geen werk en zeker een bakschisch. + +Wij gaan op weg vóór het vijf uur is. Natuurlijk zal het niet regenen. +Het regent niet van April tot over November. Maar het heeft zwaar +gedauwd, dat nu in grijze tochten optrekt. + +De wegen bekend tot aan het groote huis van den Groot-Mufti aan den +Olijfberg-weg. En telkens de verrukkelijke uitzichten over Jeruzalem. De +stad, oud, binnen zijn muren. En de nieuwe wijken uitgebouwd en +uitgeblokt over heuvelen en dalen. Zooveel kerken. Een heilige stad van +allen. Maar toch onze stad. Bij het huis van den Groot-Muftie links en +langs weer een groot Engelsch soldaten-kerkhof. Er is hier voortdurend +zwaar gevochten van de bezetting van Jeruzalem tot de laatste doorbraak. + +Dan in de bergen. De stad heel weg. Alles stil. Een voetweg. Anatoth +ligt buiten groot verkeer. Er is een rijweg, door de Engelschen in den +oorlog uitgelegd. Maar wij gaan kleinere, snelle wegen. Een kleinverkeer +tusschen dorp en stad. Wat druiven, tomaten, brandhout op kleine +ezeltjes heen en weer. De bergen kaal. Zwarte geiten grazen het droge +zomergras als hooi. De hitte stijgt. Van verre Anatoth. Land en stad van +Jirméjahoe. + + +V. + +Nu is het maar een handvol hoopje huizen op zijn heuvel. Veilig voor de +vijanden en open voor den wind. Toch maakt het van verre een beteren +indruk dan groote dorpen als Zarnoeka en Jibné, die van leemen huizen +zijn gebouwd. Hier zijn de huizen van gehouwen steen. Sommigen half-af. +Of opgezet als groote huizen en afgebouwd met een dwaas, kort dak. + +Anatoth was een Levietenstad in Benjamin, (Josua XXI: 18) waarheen +Salomo Abjathar den Priester bande, zeggende: "ga naar Anatoth, op uwe +akkers" (I Koningen II 26-27). Misschien, dat wij wel over de akkers van +Abjathar gaan. Hier is het land, waarover de Assyriërs naar Jeruzalem +trokken in de dagen van Jesaja (X 28:32). Toen moet het "arme Anatoth" +een vesting geweest zijn. "Anatoth en hare voorsteden", zegt de +Statenvertaling in Josua XXI:18. "Voorsteden": ik twijfel of die +vertaling goed is. Hebben al die steden daar genoemd dan maar +"voorsteden" gehad? Het "Hebreeuwsch" heeft: "migrach", dat is: een +weideplaats voor vee, rondom de stad, en in nieuwer Hebreeuwsch ook een: +bouwterrein voor een huis. + +Men zegt, dat in de huizen zeer oude steenen zijn ingebouwd. Ik zie, +midden tusschen nieuwe steenen, een groot, grauw bouwblok, dat lijkt op +de steenen van den Klaagmuur. + +Men begint nu weer aan de voorbereidingen voor archaeologische +onderzoekingen. Anatoth zal ook wel een beurt krijgen. + + + + +VI. + + +Wij legeren ons in een vijgentuin buiten het dorp aan den weg naar Aïn +Fara. De vijgen zijn nog niet rijp, maar de bladeren gewoon heerlijk. Ze +beschutten zalig voor de zon en de wind waait er koelte. Altijd maar op +een heuvel, uw dorpen. Het wijde uitzicht, een wereld, die ook de wereld +van Jeremia is geweest. Hoe héél dichtbij en hoe vertrouwd. Hier hebben +de booze mannen van Anatoth geleefd en zijn zij gestraft, gestorven (XI +21-23). Deze tuin of daaromtrent is het veld, dat Jeremia kocht van +Hanameël, den zoon van zijn oom. (XXXII:7). En in onze dagen worden de +woorden vervuld (XXXII:15): "Want zoo spreekt de Heer der heirscharen, +de God van Israël: weder zullen er in dit land huizen, velden en gaarden +gekocht worden". De uren gaan in een zalige onschuld, en het is al mooi +middag geworden, wanneer ik, mijn booze vrienden van den Joodschen +Wachter gedenkend, lees, welk een geweldig défaitist Jeremia is +geweest. (XXXVIII: 1-6). Maar hij werd dan ook levend in een put +geworpen. + + +VII. + +Wij eten te zamen gezeten op een muurtje van steen, gelijk men hier om +de tuinen bouwt. Wij hebben wittebrood, druiven, vijgen en heerlijk +water, diep uit den grond. Galed maakt praatjes met de voorbijgangers. +Een vrijmoedige vrouw, die de veldwachter blijkt te zijn. Een +afschuwelijke oom met een heel aardig neefje. De afschuwelijke oom doet +niets. Het neefje houdt het Engelsche kerkhof zuiver. Hij verdient een +shilling per dag, maar is dan ook "ketier mabsout", gij zoudt zeggen: +reuze-tevreden. + +Maar wij moeten de Stad van Jirméjahoe verlaten. Want ik kan niet te +laat terugzijn in Jeruzalem, de oude, geweldige stad. Er is een +vergadering van den Aschkenazischen kerkeraad, waarin eenige oude +twisten zullen worden geliquideerd en eenige nieuwe zullen worden +opgezet. + + + + +YATACK-IL-KHARAMIYEH?? + + +Wanneer ik op een milden Vrijdagochtend mijn bezoek breng bij den Groot +Mufti van Palestina, te Jeruzalem, dan vind ik daar den Kadi en Djemal +Bey Husseini, een van de politieke Arabische advocaten. En ook drie +zwijgende Arabieren. Gekleed in de dracht van aanzienlijke Fellachen. +Zij spreken en zwijgen alleen in het Arabisch. Hoe heeten zij? Djemal +Bey schrijft het op. Zij zijn twee broers: Amin en Ragib El Hawadja en +de zoon van één hunner. Ik moet lachen om den naam: Hawadja. Want dat is +de titel van Europeanen en Christenen. Aanzienlijke Mohammedanen heeten +Effendi. + +Vrijdagavond. Wij hebben gasten. Familie van de vrouw des huizes. Haar +vader is jaren lang hoofd geweest van de Wachters, die de Joodsche +kolonie Rehoboth beschermen tegen Arabische rakkers. Haar broer een van +de stoutsten en sterksten onder de Joodsche ruiters. Ik zeg iets over +mijn bezoek bij den Mufti. En over de drie mooie, zwijgende Arabieren, +die ik voor rustige landedellieden houd. De wondere naam El Hawadja is +mij natuurlijk bijgebleven. Maar dan word ik door den vader uitgelachen +en ingelicht. Wat, kon ik Amin el Hawadja niet? Dat is de grootste dief +van heel Palestina. Dat wil zeggen: hij steelt zelf niet. Maar hij kent +alle dieven. Zij stelen. En zij brengen den buit bij hem. Doen ze dat +niet (maar ze doen het!) dan zorgt hij, dat ze in handen vallen van de +politie of van den bestolene. Doen ze het wel (en ze doen het!) dan +zorgt Amin voor den verkoop. Dikwijls ook wendde de bestolene zich tot +Sjech Amin met verzoek den dief op te sporen. Natuurlijk werd het +gestelene dan spoedig gevonden. En de dief kreeg ook wat. In den +Turkschen tijd was dat veel eenvoudiger dan een klacht indienen bij de +Regeering. Amin el Hawadja heet Sjech el Kharamijeh, dat is: de Sjech +der Dieven. Heelemaal geen schandnaam. Stelen is hier trouwens geen +schande. Maar bestolen worden, dat is schande. Diefstal is een +beleediging, die zoo mogelijk zwaar gewroken wordt. En de dieven zijn +dikwijls veel banger voor den bestolene en diens familie dan voor de +Regeering. Vooral in den Turkschen tijd, toen eigen richting nog iets +heel gewoons was. De Engelschen gaan die te keer. Sjech el Kharamijeh! +Hij is er geducht rijk bij geworden. Hij heeft acht en twintig kinderen +in leven. Tien zonen. En achttien dochters. Hij heeft vijftien vrouwen +gehad. Dood. Gescheiden. Nu nog vier over. + + +II. + +En dat is nu aardig. Een paar dagen later komt Amin paarden verhandelen +met mijn vriend Abdoel Salaam, den broer van Adil Effendi. Amin vertelt, +dat hij bij den Groot Mufti is geweest en dat hij daar een Europeeschen +chawadja heeft ontmoet. "Juist," zegt Adil: "die chawadja is een groote +vriend van ons." En dan noodigt Sjech Amin ons uit hem te bezoeken. Hij +woont te Naälin, diep en hoog in het gebergte van Judea. Oostwaarts van +Ludd en Ramleh. Niet ver van Midji, het oude Modin, de stamstad van de +Chasmoneesche heldenfamilie. De donkere oogen van Adil schitteren, +wanneer hij mij de uitnoodiging overbrengt. Twijfel ik nog, of ik gaan +zal? Mag men een zoo machtigen sjech zóó beleedigen! Maar ik spreek nog +lang geen Arabisch genoeg om mij met den sjech waardig te onderhouden. +Adil biedt grootmoedig aan mede te gaan. Nietwaar, anders moest ik toch +een tolk medenemen en misschien nog wel een gids. Goed, maar als wij +eens afdoend bestolen werden? En ik vertel Adil wat ik van den waardigen +Sjech el Kharamijeh heb gehoord. Maar nu wordt Adil heel boos. Mag men +een machtigen sjech zóó belasteren? Zeker weet de wijze Amin el Hawadja +alle dieven en alle diefstallen. Hij helpt de bestolenen altijd in het +weervinden van het gestolene. En natuurlijk worden hem dan moeite en +tijdverlies vergoed. Moet hij schade lijden, omdat anderen zoo dom zijn, +dat zij zich laten bestelen? Goed, dan zullen wij de uitnoodiging +aannemen. + +Het wordt een groote reis. Naälin ligt een twintig kilometer Noordwest +van Jeruzalem. Maar er is geen weg. Een looppad, hoogstens een +paardenpadje door de bergen. Wij moeten met den morgentrein gaan naar +Ramleh of Ludd. Overnachten. En 's morgens te paard de bergen in. Geen +wagenweg. Twee dagen uit en thuis. Adil doet thuis ook niets. Maar op +reis niets doen is toch nog weer geheel anders. + + +III. + +Nietwaar, vóór men op reis gaat, mag men toch wel eens informeeren naar +den gastheer? En zietdaar informaties uit zeer vertrouwbare bron: "Amin +el Hawadja was hoofd van een rooverbende en maakte het geheele district +onveilig. Hij had altijd een honderd goed gewapende en goed bereden +mannen onder zijn commando, die hem met hart en ziel waren toegedaan. +Hij maakte een groot fortuin en dwong een groot aantal dorpen hem als +sjech te erkennen. De Turksche regeering kon niets tegen hem doen. Hij +werd verscheidene malen ingepikt, maar al gauw weer losgelaten uit vrees +voor zijn bende. Na de Engelsche bezetting en met het begin van de +Arabische nationale beweging werd hij een man van veel invloed. De +leiders van de beweging vleiden hem. Hij werd heel trotsch en beloofde +hun zijn hulp. Ofschoon hij een man is zonder eenige opvoeding, slaagde +hij er in op goeden voet te komen met de Engelsche autoriteiten en de +militaire gouverneur van Ramleh heeft hem verscheidene malen bezocht. +Hij zelf steelt nu niet meer. Hij is alleen: "Het bed van de dieven", +zooals de Arabieren hem noemen: "Yatack-il-Kharamiyeh". Al 't gestolene +wordt bij hem gebracht en hij brengt 't aan de markt. Iedereen in 't +geheele land weet dat. Tegenover den bekenden Tewik Bek heeft hij zich +uitgelaten, dat hij de Engelschen nog wel eens een loer draaien zou. "Ze +konden zich nog wel eens in hem vergissen." + +Ook Mohammed van den heer Goldsmit kent hem. Als ik hem vraag of hij +Amin el Hawadja kent, dan heeft Mohammed maar één woord. _Het_ woord. +Maäloum. En ik vraag verder: "is hij de sjech el kharamiye?" Er zijn +misschien geen gevaarlijke vragen. Maar er zijn gevaarlijke antwoorden. +"Ja," zegt Mohammed: "ik ben uit een ander dorp. En veel van wat verteld +wordt, is niet waar. Allah moge alle lasteraars straffen. En ook de +dieven moge hij straffen." + + +IV. + +Nietwaar, na deze gunstige informatiën mogen wij gerust gaan. Wie ook +bestolen worden, de gasten van den hoofdman zeker niet. Wij zullen Amin +dus een brief schrijven, dat wij hem Dinsdag aanstaande zullen komen +bezoeken. Adil belast zich daarmede. Het is een heel moeilijk werk, want +Amin Effendi is een groote sjech. Wij bedenken ons op ieder woord. Maar +'t wordt dan ook een mooie brief: "Aan Zijne Excellentie, den Geëerde, +den heer Amin el Hawadja, dat hij altijd leve. Amen! + +Wij groeten Uwe Excellentie zeer en wij vragen naar zijn welvaren. Gij +weet, dat gij naar El Kuds zijt gegaan en dat gij daar hebt bezocht +Zijne Eminentie, den Groot Mufti Kamil Effendi Husseini. Gij hebt daar +eenen vreemden heer ontmoet, dien Gij later hebt uitgenoodigd Uwe +Excellentie te komen bezoeken. Daarom schrijven wij Uwe Excellentie +dezen brief, dat wij hopen te komen op den Derden Dag van de volgende +week. Allah is groot. Wij hopen Uwe Excellentie en zijne familie in +gezondheid te vinden. + +Zij, die u schrijven, + + Adil Awedah, + Jacob Israël de Haan. + +Geschreven te El-Kuds, op den vierden dag van den eersten maand Rabia, +van het jaar 1338." + +Ook het adres is heel mooi. Rechts boven, vlak in den hoek: "Van +El-Kuds," dat beteekent: "De Heilige." Zóó noemen de Arabieren +Jeruzalem. Links vlak in den hoek: "Naar Naälin." En midden in één lange +lijn: "Aan Zijne Excellentie, den heer Amin el Hawadja, dat hij lang +leve. Amen!" + +Gij, Hollandsche lezer, denkt nu, dat wij op dezen brief een mooien +gelen postzegel hebben geplakt van vijf millièmes, en toen hebben +gepost? Maar dan zou de brief misschien niet aangekomen zijn binnen de +zes dagen tot ons bezoek. Neen, wij hebben den brief medegegeven naar +Rehoboth, en vandaar is hij per looper naar Naälin gebracht. Dat kostte +maar zeven shilling. Des Zaterdagavonds hebben wij ons bezoek +telegraphisch bevestigd. Kijk, en dat is nu aardig: dat telegram kwam +juist aan, toen wij, Woensdagochtend, van Amin's huis vertrokken. Het +kostte negen piaster. + + +V. + +Adil, die zich rijk op de reis verheugt, belast zich met alle inkoopen. +Daar ik niet in de reishotels eten kan, koopt hij voor mij conserven. +Wij hebben eieren. En chocolade, die van Bensdorp blijkt te zijn. Hoe is +die hier in de Bazar gekomen? Adil koopt ook bonbons voor de vier +vrouwen en de vele kinderen. Hij koopt vier kilo felgekleurde zuurtjes +voor den civielen prijs van vijf gulden. Hoe feller gekleurd, hoe +lekkerder. Hij koopt ook vier kilo Turksche jujubes, die hier halkoum +heet. Ze kosten ook vijf gulden. En een mooie blikken doos van zestig +cent. Ik vraag of acht kilo bonbons niet wat veel is? "Neen," zegt Adil: +"bezoeken wij niet een machtigen sjech? Zou men ons meer achten, wanneer +wij hem minder gaven?" Zóó is het hier. Men dingt op alles af tot het +uiterste. Maar met geschenken over en weer is men ruim. En de bezoeker +wordt geschat naar de waarde van zijn geschenk. "Zeker zal men ons +achten," zegt Adil wel voldaan. Wanneer Adil iets niet wil, dan zegt +hij: "Zeker zal men ons daarom minachten." En dan is 't uit. + + +VI. + +Allah is groot. Het is Maandagmiddag mooi weer. De regenwind is nog niet +begonnen. Wij kunnen dus nog wel op mooi weer vertrouwen. Wij rijden +(voor twintig piaster!) naar het station. En voor zestig piaster de man +van Jeruzalem door de bergen naar Ludd. En dan weer voor vijf en twintig +piaster in een heerlijk zonnig tentwagentje langs eenen vol en +bontlevenden weg naar Ramleh. Omdat er in Ludd geen hotel is. Het hotel +in Ramleh is echter ook geen hotel, maar een holletje. Niet duur. Dat is +waar. Er zijn twee kamers. Een met vier, en een met zes bedden. Van +kamers met één bed heeft de waardin nooit gehoord. Zijn wij dwazen? Wij +betalen twee shilling per persoon. Willen wij daarvoor ook nog schoon +beddegoed? Zijn wij dwazen? Wanneer wij een shilling den man bijbetalen, +dan zal zij ons schoon beddegoed geven. En dan op stap naar paarden. Wij +gaan daarvoor naar de apotheek. Dat is de sociëteit van Ramleh. De +apotheker heeft met Adil's broer tegelijk te Beyrouth gestudeerd. Nu, +tegen den avondval, komen alle notabelen van Ramleh een praatje maken +bij den apotheker. Paarden? Rijpaarden zijn er niet. Die zijn veel te +duur geworden. Maar wij kunnen Amin el Hawadja wel een brief zenden om +rijdieren en een gids, Wij offeren dus weder een half pond voor een +nachtlooper naar Naälin. Wij geven hem een Engelschen brief mee, vol van +'s mans goede bedoelingen, voor het geval hij door een Engelsche +patrouille wordt aangehouden. Een mooien Arabischen brief voor den +sjech. De man wapent zich met een dikken stok tegen de jakhalzen. En dan +maar loopen. + + +VII. + +En zoowaar, met den mooien morgen, daar verschijnt Sakhib, de tweede +zoon van den sjech. Groot en waardig in een bruin gewaad. Zijn vader +wacht ons half-weg Naälin in zijn landhuis, dat heet Dar Salameh: Woning +des Vredes. Hij zendt ons zijn mooiste paard voor mij. Een mooien +witten ezel voor Adil. En hij, Sakhib, rijdt een gezellig grauw ezeltje. +Wij eten eerst samen. Wij doen dat zonder messen en vorken. Wij breken +het brood in groote brokken. Wij doopen dat in de olie van onze +sardientjes en nemen met onze vingers de stukken sardien. Ik sidder af +en toe. Maar zou ik den tweeden zoon van een machtigen sjech mogen +beleedigen? En eten als de dwaze Europeanen doen met een vork en een +mes? Ieder van een bord apart, als vergiftigde vijanden! + +En dan rijden wij af. Sakhib op het kleine grauwe ezeltje, dat in een +grooten zak ook nog onze twee koffers draagt. Dan Adil. En dan ik. O, +het mooie paard. De sjech is groot. Hij zendt een raspaard. En het paard +heeft een veulentje van twee maanden, dat het overal naloopt. Het draagt +een blauw kralensnoer om het ranke bruine halsje. Tegen het Booze Oog. +En het tiptipt op héél lichte voete-pootjes. Zoo open. Zoo vrij te +rijden door het Land. Overal de wijde blik tot aan de verre, blauwe +berglijnen. Wij rijden langs het dorp van Ludd. Palmen. Er is al eerste +regen gevallen en er staat stil water. Zoo stil als de hemel zelf. Het +is een prentje, zooals wij die zagen in atlassen en +aardrijkskundeboeken. Nu denk ik aan mijn jeugd en zucht. Maar ik +verlaat mijn jeugd. En het is de wonderlijke vertelling van Aart van der +Leeuw: "Sint-Veit". Omdat het zonnelicht geen tijd kent. + + +VIII. + +De domheid. En het wonder. Sakhib heeft het gezegd. Het bruine +moederpaard, dat heet Saäda, de Rijke, is een lief, goed-loopend paard. +Het wordt alleen lastig in de buurt van auto's en van motors. Maar die +zijn er niet. En men moet het niet slaan. Zelfs niet koozend met het +leidsel. Dan slaat het door. O, als Sakhib maar niets had gezegd! Want +wanneer we Ludd voorbij zijn en in de heuvelvlakte komen, dan beginnen +de woorden van Sahkib mij te hinderen. En na een langen strijd, die +klopt in hart, keel en pols, heb ik het paard een tik gegeven met het +leidsel. En het draaft dadelijk op. Een korte, krachtige draf. Als ik +aan het leidsel trek, zal het misschien bezinnen en weer gelijk op +stappen gaan. Maar als een groote bevrijding geef ik het paard weer een +slag met het leidseleinde over den hals. Ik ben bevrijd. Het is genoeg. +Maar het paard, wreedbeleedigd, heeft galop gezet. Ik voel den langen +galopslag. Het vreemde paard heeft zich vrijgemaakt. Knel de knieën en +trek het gebit aan. Het paard op de achterpooten. Neer en holt verder. +Ik ben niet bang. Straks zal ik vallen, voeten in den stijgbeugel. En +toch zijn de twee slagen met een wreeden dood niet te duur betaald. Maar +het leven is niet zoo. Ik zal wel ergens sterven op het een of andere +bed. Plotseling staat het paard. Het kleine veulen is achter gebleven. +Daar komt het gedraafd. En ver, heel ver, van achter een heuvel, Sakhib +en Adil. Zij ranselen hun ezels. Zij trappen hun ezels in den buik. +Sakhib jammert: "wat heb ik gedaan? Wil ik jammer brengen over zijn +hoofd? Hoe zal hij durven verschijnen voor zijnen vader, wanneer den +gast een ongeluk overkomen was." Zij blijven nu verder vlak +vooruitrijden. Adil heeft niets gezegd. En ik denk dit: "wanneer Adil +werkelijk een goed vriend was geweest, dan zou hij hebben gezegd: +"wanneer gij gewond waart, had ik mij zelven gewond. En wanneer gij +gedood waart, had ik mij zelven gedood." + +Den volgenden dag, wanneer wij terugrijden, zegt Adil: "wanneer gij +gisteren gewond waart, had ik mij zelven gewond. Wanneer gij gisteren +gedood waart, had ik mij zelven gedood." + +Ik kijk doodverschrikt op. Maar er is niets dan de Eeuwigheid. + + +IX. + +Dar Salameh. Hij mag dan den sjech van de dieven zijn: hij ontvangt toch +netjes. Het huis op den heuvel. Zij kijken uit van het platte dak. +Wanneer wij naderen, komen zij beneden. De sjech, zonen en bedienden. +De vrouwen zullen wij niet zien, behalve het personeel. Er is een bonte +binnenhof: pauwen, fazanten, kippen. En de kleine lammeren. Het is hier +nu de tijd. Gij kunt geitjes en lammetjes nu zien geboren worden op de +velden. Dan trappen op, buiten het huis. En de salon. Er staat ook een +ledikant. De sjech is al een moderne sjech. Er zijn stoelen en er is een +tafel. Ik krijg een makkelijken stoel voor het open, zonnige raam. Ja, +open en zonnig. Ik weet het: gij hebt sneeuw en ijs van begin November +af. Hier hebben wij tusschen de regendagen de zonnedagen, dieper en +schooner dan in de zomers. En het uitzicht. Zoo ver als onze blikken, +gaan de landen van onzen gastheer. Heel, heel ver bouwen de +huizenhoopjes van Ludd en van Ramleh. + +Ik kan hem nu op mijn gemak opnemen. Een korte, stevige kerel. Proper in +zijn bruin en wit overgewaad. Hij gaat in huis op blanke, bloote voeten. +Een scherp, verstandig gezicht. Geen opvoeding? Hij zal zich zelven +hebben opgevoed. Wilt gij beter? + +Hij is heel mild en heel spraakzaam. Ja de Turken haat hij. Ze hebben +hem ter dood veroordeeld. En ze zouden hem hebben gehangen als een hond, +hadden zij hem kunnen krijgen. Met de Engelschen daartegen zeer +bevriend. Hij heeft hen in den oorlog zeer geholpen. Hij laat +getuigschriften zien van Engelsche generaals. Mooi, hè? Hij kan het wel +niet lezen. Maar Adil Effendi wil het zeker nog wel eens vertalen. Hij +heeft ook mooie geschenken gekregen van de Engelschen. Natuurlijk heeft +hij hun fraaie geschenken teruggeven. Hij vertelt ons precies de waarde +van hun geschenken en van zijne geschenken. Hij heeft er niet op +verdiend. Maar Allah is groot. Allah heeft hem ruim gezegend. + +Hij is zestig jaar. En hij lijkt goed veertig. Hij lacht lief gevleid. +Maar ik had zijn vader moeten kennen. Die was wel tachtig jaar toen hij +stierf. Allah is groot. Hij had acht zonen. Zij waren heel blij, toen de +vader stierf. Zeker, heel blij. Want zoolang hij leefde, kon hem nog +van alles overkomen, nietwaar? Nu is hij veilig bij Allah. Allah is +groot. + + + + +X. + + +Ik vraag naar zijn eigen zonen. Ja, tien. En achttien dochters. Sakhib +is ons komen afhalen. En Soliman heb ik bij den Mufti gezien. Nu komt de +oudste binnen. Een prachtkerel, die Fares, dat is: Ruiter, heet. Daarom +heet Amin ook Aboe Fares, de Vader van Fares. Dat is zoo: de Vader heet +hier naar zijn zoon. Is iemand getrouwd, maar heeft hij geen zoon, dan +heet hij Aboe met den naam van zijnen vader. Daarin ligt dan de wensch, +dat een zoon moge worden geboren, die naar den grootvader heeten zal. +Sjech Amin heeft ook al naamkaartjes. Engelsch en Arabisch. Daarop heet +hij natuurlijk Amin Osman el Hawadja. Maar iedereen kent hem onder den +naam Aboe Fares. Sakhib is ook getrouwd, en heeft een kind Mohammed. +Waar is de kleine Mohammed? Hij is gestorven. Meskien, zeg ik meewarig. +Maar Aboe Mohammed berust: min Allah. + +Aboe Fares heeft nu nog vier vrouwen. Zij wonen in het groote huis te +Naälin, waar wij vanmiddag zullen heengaan. Houden zij onder elkander +altijd vrede? Maäloum, zegt Aboe Fares met een medelijdenden glimlach: +"zij zijn allemaal bang voor mij." + + + + +XI. + + +Er zijn gasten gekomen. Vier dorpshoofden uit de buurt van Gaza. Groote +stoute Arabieren. Zij zijn hier gekomen om vee te verkoopen. Misschien +is het wel gestolen vee. Maar dat weet Amin el Hawadja niet. Zij +noodigen ons uit tot bezoek. Adil's oogen blijven stil en koel. Wij +kunnen samen veilig Fransch spreken. "Zouden wij gaan, Adil?" En hij +antwoordt: "Zeker zullen wij niet gaan. Zijn zij groote sjechs? Zullen +zij ons lekker eten geven, zooals Aboe Fares straks zeker doen zal? Zal +men ons achten, wanneer wij een bezoek gaan brengen, zóó ver, bij zoo +geringe dorpshoofden? Ik twijfel of wij zullen gaan." De vier +dorpshoofden, buiten besef, dat over hun lot wordt beslist, kijken +eerbiedig naar Adil Effendi, die spreken kan met den vreemden heer. En +Adil antwoordt hun, dat wij zeker gaarne zullen komen, zoodra de wind en +de regen goed zijn. O, Adil heeft goede manieren. Maar de Europeanen +hebben ze niet. + +De gasten krijgen nu een diep bord fel gekleurde zuurtjes en een diep +bord Turksch zoet. Daar gaan de acht kilo's! Ze eten de bonbons als +brood. + +En dan gaan ze eten in den hof. Men eet hier zóó: een platte blikken +schotel. Ik schat een halve meter in doorsnee. En die belegd met +pannekoeken, waarmee ook de opstaande wanden afgezet. De schotels vol +rijst. En op de rijst stukken vleesch. Eerst handen wasschen. Dan een +stuk pannekoek. En een vuistvol rijst. Die samen kneden in de +rechterhand. Een stuk vleesch daarbij. En dan de geheele bal +binnenwippen. Doe 't maar na. Niet morsen. Aboe Fares, die een goed +gastheer is, eet met zijn gasten mee. Straks zal hij ook met ons +mede-eten. De pannekoek-, rijst- en vleeschschotel is volkomen +afgewerkt. Handenwasschen en koffie. + + + + +XII. + + +Wij eten aan tafel. Er zijn ook stoelen, messen en vorken. Aboe Fares is +een gul en goed gastheer. Hij heeft een kok laten komen uit Jaffa. +Jammer, dat ik van des koks lekkernijen niet eten zal. Maar voor mij is +er ook gezorgd: versche dadels, sinaasappels, tomaten en olijven. De +zonen eten niet met ons mee. Dat zou niet passen. Zij staan achter de +tafel. Nemen de schotels aan van den kok. Nemen ze weg. Geven ons water. +En wijn. Van Rischon le Zion. Sjech Amin Osman gezegd Aboe Fares eet +alsof hij nooit een pannekoek-, rijst-en vleeschschotel hadde gezien. +Nu, de kok heeft goed gezorgd. Hij geeft een schotel vleeschkoekjes, een +macaronitaart als een huis, gebakken aardappels met gemurwd +hamelvleesch, kip met gekookte appels, een schotel van rijst met +geitjes-vleesch. Dessert. "Adil," mag ik als oudere den jongere zoo +waarschuwen: "ik vrees, dat gij te veel eten zult." "Natuurlijk eet ik +te veel," antwoordt Adil, "zoudt gij willen, dat ik van al deze goede +zaken weinig eten zou? Wat zou Aboe Fares van mij denken?" Ik +verontschuldig mij, dat ik niets eten mag. "Min Allah, min Allah," +antwoordt de Sjech met een goeden glimlach: "wat er heden overblijft, +geven wij aan de armen, opdat zij den dag van uw bezoek lang zullen +gedenken. Er zal veel overblijven, en zij zullen vele gebeden voor u +uitspreken." + + + + +XIII. + + +Na de koffie gaan wij naar Naälin, het voornaamste van de twaalf dorpen, +waarover Aboe Fares sjech is. Adil beweert wel, dat men ons meer zou +achten, wanneer wij rustig te Dar Salameh bleven. Maar ik verzeker, dat +men in Europa nooit de hoofdplaats van eenen sjech onbezocht laat. En +voor Europeesche argumenten zwicht Adil altijd zeker. Wij gaan. O, een +wonderlijke optocht. Ik heb weer het mooie moederpaard met het +veulentje. Adil den witten ezel. Drie zoons gaan mee, op ezeltjes allen. +En een neefje, dat een groote zaag naar Naälin brengt. + +De bergen trekken wij in. Heel groot en heel verlaten. De wilde +winterregens zijn nog niet gevallen. En de wadi, waarin des winters het +water bruist is nog droog. Daardoor trekken wij heen. En dan de smalle +rotspaden op, waar paard en ezel voorzichtig de pooten zetten en toch +nog dikwijls glijden van de gladde steenen. Rijden één achter één. Geen +ander geluid dan de stappende pooten en de echo daarvan. En het kleine +paardje, dat soms hinnikt, wanneer het verloren is tusschen de rotsen, +en zijn moeder wel ziet, maar er niet bij komen kan. Dan strijdt het +kleine paardje heel lang, bang voor de rotsen. En bang om zijn moeder te +verliezen. Als de afstand heel groot is geworden, breekt de strijd. En +het paardje komt aangedraafd en vlijt zich tegen de moeder. + +Wij gaan heel langzaam en heel vermoeiend. Ik zie geen weg. Maar mijn +vrienden zien de wegen. Zij vinden hier den weg zonder nachtlicht in de +zwaarste winternachten. + +Wij rusten bij de bron van Natouf, een diep en hoog hol in de rotsen, +waar water langzaam doorheen droppelt. Ik heb het water al te Dar +Salameh gedronken. Het was zoet als gesuikerd. En scherp als gekruid. +Toch was het enkel water. Hier vangen wij het uit de rotsbron dadelijk. +Het is ijskoel. + +Na den eersten regen is frisch, als lente, groen opgekomen. De rijdieren +eten daar van. Het kleine paardje drinkt van zijn moeder. Wij zitten met +ons zessen in het donkere bronnenhol, spelen met het water en kijken +naar het licht. Adil, bevangen door een slaap van geluk, zegt het: +"Allah heeft ons lief vandaag." + + +XIV. + +Wij zijn weer opgestegen. Hoog en ver boven het handvol huizen van +Naälin. Breedte des hemels enkele kilometers. Maar de weggetjes winden +uitvoerig door de rotsen, tusschen dalen, hellingen. Wij moeten gaan +zeer voorzichtig. Glijden de paardpooten glad ijzer uit over harde +rotsen. Zoeken de pooten voorzichtig naar plekjes aarde, waar zij +steviger staan. In de middeleeuwen moet Naälin een ongenaakbaar diefnest +zijn geweest. Maar er zijn geen middeleeuwen meer. En geen ongenaakbare +nesten. Men zou nu Naälin slaan vanuit de zee. Of bommen werpen van uit +de lucht. Wat denken de anderen? Ik kan het niet vragen aan de drie +zonen en aan den neef, omdat zulke dwaze vragen niet in Arabische +leerboekjes voorkomen. Maar ik kan het Adil vragen. En zijn antwoord: +"Aan Allah." + +En nog het stijgen en wenden. Hoe lijkt Naälin dichtbij. De ezeltjes +glijden niet uit. Maar 't paard is al tweemaal uitgegleden, met de +achterpooten tegen de voorpooten aan. Dan weer rechtop. Adil zegt: +"Stijg af. En neem den ezel." Maar ik wil liever doodvallen dan mij +vernederen. + +Het laatste deel is vlakke weg. De ezeltjes in draf. Het felle paard in +draf. Laat middag draven we binnen. En het kleine paard draaft +achteraan. + + +XV. + +Er is een school in Naälin. En er zijn jongens die schrijven kunnen en +lezen. Voor de school is een pleintje met een gemetselden wal daar +omheen. Op het pleintje twee stoelen. Daarop wij. En op het walletje +zitten alle notabelen van het dorp. Al de andere zonen van Aboe Fares +komen voor den dag. De kleinste kan nog niet loopen. En ze zijn van +allen leeftijd en van alle kleur. Allemaal heel schuw en heel aardig. Ze +brengen ons koffie. En Aboe Fares heeft Sakhib, gezegd Aboe Mohammed, +een deel van de acht kilo's bonbons medegegeven. Eerst heeft Sakhib op +het walletje naast mijn stoel gezeten. Maar hij heeft die eereplaats +later afgestaan aan een oom, een broer zijns vaders. Daarnaast de Imam, +en daarnaast de Meester. Zij allen prijzen Aboe Fares' wijsheid. Vroeger +waren er vele twisten tusschen de vele dorpen. Maar nu Aboe Fares de +sjech van allen is, zijn er geene twisten meer. Hij is wijs en zij eeren +hem allen. Ook vreezen zij hem. De broer naast mij is ook een +aanzienlijk man. Aboe Fares eert hem. Telkens, wanneer er bij Aboe Fares +weer een kind geboren werd, is hij bij hem gekomen om een naam. Wel een +bewijs, hoezeer hij hem eert. + + +XVI. + +Maar nu moeten wij terug gaan rijden. De schemering is begonnen over de +bergen en in de diepe dalen. Ver in het Westen, waar de Zee van Jaffa +is, verzinkt de zonnebol groot en vurig. Twee zonen en de neef met de +zaag blijven te Naälin. Sakhib zal met ons naar Dar Salameh rijden. O, +de wondere tijd. Er zijn geen zonneschaduwen meer. En de maneschaduwen +nog niet begonnen. Alles één groote teederheid. De herders met de kudden +schapen en geiten. Herdersjongetjes dragen geitjes, die zoo even geboren +zijn in het veld. Maar verder weg van het dorp is niemand meer. De hemel +ongestoord blauw. De zilvermaan. En al de gezaaide sterren. En de stilte +tusschen de verlaten bergen. Later de zwartgouden maneschaduwen. Wij +spreken niet. Ik ben moe. Heerlijk moe. Het goede, groote paard weet den +weg. En het stapt vroom en voorzichtig over het pad, verloren tusschen +de steenen. En altijd de liefde van het kleine paardje. Soms, als het +achterblijft, roepen wij: "Taäl, Taäl." En dan komt het aangeslagen. God +heeft ons wel lief vandaag. Ik glimlach om de woorden van Adil. En in +glimlach van alles rijden wij verder. Hoog en ver op zijn heuvel bouwt +Dar Salameh. Wij zien de huislichten. Wij zien lichtjes gaan. Maar 't is +nog heel ver. Waar wij rijden langs zwarte tenten slaan de waaksche +honden aan. Men brengt lichtjes buiten. Wie rijden er laat langs de +bergwegen naar huis? + + +XVII. + +Adil zucht. Is hij moe? Neen, maar hij heeft honger. Gelukkig, dat wij +thuis zijn. En het binnenkomen. De maan schijnt en schaduwt door de +bogen en de gebouwen. De herder is met de schapen binnengekomen. Ze +woelen op den hof dooreen. Wit en wol in den maneschijn. + +Maar Adil heeft honger. Gelukkig heeft de kok uit Jaffa gezorgd. Er is +een schotel gevulde koolbladeren met vleesch. Haché met gestoofde +aardappels. Kip met rijst en Spaansche peper. Lamsbout met snijboonen. +En een groote visch, die vanmiddag expres uit Jaffa gebracht werd. Dan, +koekjes, velerlei vruchten. Koffie en thee. Morgen is Adil ziek. En de +armen zullen nog wel vele dagen voor ons bidden. + +Wij blijven natuurlijk logeeren. In den salon. Ik krijg het ledikant. +Voor Adil een goed bed op den grond. En daarnaast de gastheer. Dat +behoort hier zoo. De gasten en de gastheer slapen samen. Hij moet +zorgen, dat er met de gasten geen kwaad gebeurt. Van de verre vlakten +schijnt de maan in de kamer. Over de Turksche tapijten spint tapijt van +licht en schaduw. + +En, vraagt ge nu wellicht: "wat is nu het laatste geweest, dat ge dien +avond met uwen vriend hebt besproken? Zeker iets heel poëtisch?" Neen, +lieve vrienden, niet iets heel poëtisch. Adil Effendi vraagt mij, +hoeveel baksjisj wij morgen zullen geven. Heeft Aboe Fares ons niet +kostelijk ontvangen? Heeft hij ons niet de rijdieren gestuurd? Zeker zal +hij ons morgenochtend, vóór wij weggaan, nog vele lekkere dingen te eten +geven. Wij moeten elk van de huisbedienden een half pond baksjisj geven. +Zeker zal men ons dan achten. Den sjech zelven kunnen wij geen geld +geven. Maar hij wil gaarne onze portretten hebben en een visitekaartje. +En Sakhib, die ons uit Ramleh heeft gehaald, zal ons zeker nog meer +achten dan hij reeds doet, wanneer wij hem een mooie lantaren ten +geschenke geven. Ik zeg, dat wij moeten doen, zooals het behoort. Zooals +Adil het heeft gezegd, zóó is het goed. En dan gaat hij slapen, gelukkig +in het vooruitzicht van alle achting, die hem morgen ongetwijfeld zal +ten deel vallen. + + +XVIII. + +Het vroege wakker worden in den morgen. De koelte. En de hitte, die +stijgt. De vogels en de zon. Al het bonte leven in huis en hof van den +eerwaarden sjech, die misschien wel het Bed der Dieven, +Yatack-il-Kharamiyeh is. Maar wie zal 't zeker weten? Er wordt zoo veel +gelasterd. Moge Allah, die groot is, alle lasteraars straffen en alle +dieven. + +En het ontbijt op het platte dak met den wijden, vrijen blik. Voor het +laatst heeft nu de kok zijn best gedaan. En voor het laatst vraagt Adil +of hij een zoo machtigen sjech mag beleedigen door niet veel te eten van +de vele goede zaken, die ons worden voorgezet? Geven de baksjisj. En +rijden af. Ditmaal met een knecht, die loopt en straks de paarden +terugbrengen zal. Dus rijden wij langzaam over het heerlijke land. Een +anderen weg dan dien wij kwamen. Langs de Joodsche kolonie. Ben Shemen. +Alleen mooie dingen. Hebreeuwsch spreken van een prachtig Arabisch paard +af met een Joodschen boer en boerin, die samen ploegen voor het +wintergraan. De bewaarschooljuffrouw met haar Joodsche jongetjes en +meisjes buiten tegenkomen. En ze mogen allen spelen met het lichtbruine +paardeveulentje, dat een blauw snoer om het ranke halsje draagt. Tegen +het Booze Oog. Een Joodsche smid. Alles Joodsch leven. + +En dan komen in het stationnetje te Ludd. En daar Jabotinsky vinden, die +naar Jeruzalem rijdt. En de trein naar El Kuds, gezegd Jeruzalem, die +vandaag op tijd is. Ongehoord. + + + + +WIJ VASTEN. + + +O, dat Jeruzalem het hart is van het Jodendom, wij merken het hier, dag +aan dag, wanneer dag aan dag de berichten komen van de meest +schrikkelijke pogroms in Polen. Ook gij, mijne Joodsche vrienden in +Holland en in Amsterdam, zult zwaar geslagen zijn door deze berichten. +En wij allen in Jeruzalem houden ons overtuigd van de deelneming van +vele vrienden, van vele volken, nu zonder noodzaak de beste lievelingen +van het Joodsche Volk door de Polen worden geslacht. Maar hier te +Jeruzalem. Vele vrome Joden zijn afkomstig uit de streken van Polen, +waar de doodsbeul thans rondgaat. En zich koelt aan de kinderen van Gods +vrome leerscholen, die machteloos zijn. En des avonds, bij het +avondgebed, gaat er een groot geween langs den Klaagmuur. Zij weenen +hier om de vermoorde kinderen van Gods vrome leerscholen. Zij weenen, +omdat de vrede het Joodsche Volk geen vrede brengen zal. Jeruzalem, +Jeruzalem, waar stijgen de smeekgebeden en de klaaggebeden vromer op? +En weenend gedenken wij de schrikkelijke middaggebeden van den Grooten +Verzoendag. De Joodsche martelaren hebben de wreedheden der Romeinsche +beulen geleden. Twintig eeuwen. Eén ademtocht der Eeuwigheid. De +Joodsche kinderen van de vrome leerscholen afgeslacht. Twintig eeuwen. +Eén ademtocht. Amalek. Amalek, dat de Joodsche kinderen en de Joodsche +vrouwen aanviel, toen het Heilige Land in het verblijd gezicht kwam. Wij +zullen noch Polen, noch Palestina vergeten. + +Er is een wanhoop over Jeruzalem. O, het zonnige bonte leven gaat. +Hassan, Mohammed, Ibrâhîm, Dzjumma: al de Arabische kinderen, die hun +rolletje afspelen in mijn leven hier. Maar ik geniet het niet. Hart en +ingewanden beven om de verslagenen mijns Volks. En de vrome groote +Rabbijnen van Jeruzalem hebben het laten aanplakken in hun machtig +Hebreeuwsch: dat alle feestelijkheden streng verboden zijn. Geen muziek. +Geen dans. Niets, niets. Rouw en ootmoed. Opdat God zich erbarme en de +slagen afwende van Zijn Volk. + +Iederen dag komen de berichten wreeder. Het hangt zwaar boven Jeruzalem. +Als een belegerde stad. Als een stad, waarin de pest rondgaat. Neen, men +behoeft ons niet te vragen geen feest te vieren. Wij zijn geslagen. Want +de vermoorde lievelingen van Gods vrome leerscholen, dat zijn de +kinderen, waarop wij gehoopt hebben voor den opbouw van het Joodsche +Volk in het Joodsche Land. + +En de vrome, groote Rabbijnen van Jeruzalem laten het aanplakken in hun +machtig Hebreeuwsch, dat wij zullen vasten ter treure om de verslagenen +van ons Volk. Overal om de aanplakbiljetten staan de vrome mannen, met +de mooie scherpzinnige gezichten, zij lezen. En wij zijn verslagen. Als +in een hopeloos belegerde stad. + +De Dag. De morgen is heet. En niet het heerlijke, tintelende, koele +ochtendbad. Men onthoudt zich van alles, wat genot geeft. En niet het +bonbon-geurende mondwater. Ik wil wat lezen. Ik wil wat schrijven. Maar +ik kan het niet. De hitte staat. Wreed. O, mijn hoofd is zoo zwaar. De +kinderen in Polen, die vermoord zijn. En de mannen. De Moeders. De +meisjes. Wreede visioenen branden. De lijken verminkt. Maar als ik goed +zie, zijn het rozen. Witte en roode rozen. Geen menschelijke wereldmacht +schijnt sterk genoeg te zijn om te beletten, dat de Polen de Joden +vermoorden. En ons Land, ons eigen Land, zal het in staat zijn de +verdrevenen van ons Volk op te nemen. R. Chaïm Sonnefeld, de groote, de +vrome, heeft ons getroost: "Het Land zal plaats geven voor allen... wij +zullen nooit behoeven te klagen: deze plaats is te nauw om er te wonen." +Maar ik klaag het weer uit: "Waarom de pogroms... waarom worden Gods +lievelingen als beesten geslacht?" Hij troost mij, de groote, de vrome, +zooals een wijze man een dommen jongen troost. + +De hitte. Mijn mond brandt. Ik vraag: "waarom drink ik niet." Omdat de +Polen de lievelingen van mijn Volk hebben vermoord. Amalek. De honger +scharrelt in mijn keel. Waarom eet ik niet? Omdat de Polen de +lievelingen van mijn Volk hebben vermoord, Amalek. De visioenen. Bloed +of rozen. Mijn hoofd duizelt. De wereld duizelt. En allemaal vogels +fluiten. Mijn bloed fluit. O, de verslagenen van ons Volk. Zal ik +uitgaan? De dag is zoo zwaar. De dag is zoo lang. Maar hij moet zwaar +zijn en hij moet lang zijn. Wij rouwen om de verslagenen. O, wij zullen +noch Polen noch Jeruzalem vergeten! + +Het is half twee. De heete dag. De lange dag. De wreede dag. Om twee uur +zullen wij bij den Klaagmuur komen voor de gebeden. Ik ontmoet dr. +Keller op den weg, den Amerikaanschen Mizrachist. Natuurlijk vast hij +ook. Wij vragen elkander niet, waar wij heen gaan. Wij gaan naar den +Klaagmuur. De Joodsche winkels in de Jaffastraat zijn gesloten. De +Moeder rouwt om hare kinderen. En de vraag hamert door mijn hoofd: "Zal +er waarlijk in het huis van Moeder plaats zijn voor alle kinderen, de +hongerende, de opgedrevenen?" + +De Klaagmuur. Het staat er vol tusschen den Muur en den muur van de +overzijde. Zelfs op het platte dak tegenover den Muur zitten de +genooten. De middag davert heet. Van verre het geluid van de Stad. De +gebeden worden aangeheven. De Klaagbeden en Smeekbeden. De bazuin wordt +geblazen. Geweldig. Zooals de Bazuin geblazen wordt op de Groote Dagen, +Nieuwjaarsfeest en Grooten Verzoendag. En tusschen de Gebeden om +Vergiffenis schreit het gebed: "O, God, Koning, die zit op den Troon der +Barmhartigheid." En luid weenen de woorden "God, o, God, die Barmhartig +en Genadig zijt." De kinderen van de vrome Joodsche leerscholen van +Jeruzalem zijn gekomen. Zij weenen met luide, schreiende stem. De oude +mannen weenen. De sterke gestalte van Doctor Keller siddert. De Bazuin +schreit. En de hitte. Ongenadig. Rabbi Ben-Zion Adler spreekt de rede +uit. Troost. Berusting. Vermaning. Hij spreekt geweldig. Luide schreien +de vrome kinderen van de leerscholen van Jeruzalem, wanneer hij Gods +genade afsmeekt voor de machteloos vermoorden van het Joodsche Volk. Wij +zijn moede tot den dood, staande in de samengepakte menigte. Wij staan +hier al twee lange, wreede uren. + +Er is een heilige Wetsrol gebracht. En de Afdeeling der Vastendagen +wordt gelezen, waarin Mozes de genade van God afsmeekt voor het Volk. +Het is geheel stil. De wind ruischt. De stem van den Voorlezer gaat. Een +heel oude Man leest de Haftarah: Jesajah 55 vers 6 tot 56 vers 8, zooals +die alle vastendagen gelezen wordt. Het begin met de milde vermaning: +"Zoekt God, die altijd is te vinden. Roept hem aan, die steeds nabij is. +De boosaard verlate zijnen weg, en de zondaar laat zijne gedachten. Hij +keere tot God, die Zich zal erbarmen, en tot den Eeuwige, die veel zal +vergeven." En de zachte troostwoorden aan het eind: "Zoo spreekt God, +die de verdrevenen van Israël verzamelt: "bij de verzamelden zal ik nog +nieuwe voegen"." + +Wij zijn allen moede in de heete menigte. Maar de stem van den ouden +Man, die de Haftarah leest, gaat als een zachte wind van troost over de +hoofden en over de harden. De late middagwind is doorgebroken. Er komt +beweging in de milde lucht. De wreede dag doet ons genade. + +Heel aan het eind van den Klaagmuur, ver van den voorzanger af, ga ik +zitten op de stoep van het huis van Hassan. Ik ben zoo moede. Een lange +dag. Een wreede dag. De kleine Hassan komt ook buiten. Hij kan nu niet +spelen op de straat naast den Klaagmuur met den kleinen manken Mohammed, +zijn vriendje. Het is er zoo vol. Niemand kan zich bewegen. Hassan zou +misschien wel graag naar den Bazar willen gaan. Maar hij kan er niet +door. Zijn bloote pootjes heel ernstig onder het japonnetje uit, +peinzend. En zijn gazellenoogjes in het smalle smoeltje. Neen, hij +vraagt geen baksjisj vandaag. Hoe vele Joden! Hoe vele Joden! En hun +bazuin. En hun weenen. Zijn oogen in het smalle gezichtje peinzen. +Wonderlijk, met welk een lief gemak de Polen de Joodsche kinderen +vermoorden, die zoo mild en klein als Hassan zijn. En de machtige wereld +laat de Polen maar stil hunne moordgangen gaan. Is een lief en vroom +kinderleven dan zóó weinig waard? + +De avond daalt. De menigte bij den Muur is nu wat losser geworden. Er is +tenminste nu weer doorkomen aan, al moet het heel langzaam en +voorzichtig aan. Ik kan niet meer blijven. Ik ben zoo moe. O, de +verslagenen, de lieve, vrome verslagenen mijns Volks. Doctor Keller +blijft nog, sterk en standvastig. + +De avond schemert reeds wat in de nauwe straatjes bij den Muur. En in +den Bazar. Voor mij uit gaat de heer Goldsmit met het jongens-weeshuis. +Ook de vrome joodsche jongens van het weeshuis zijn ten gebede opgegaan +voor de vermoorden. Velen hunner zijn zelf heele of halve weezen +geworden door de Russische pogroms. En toen door liefdadige +vereenigingen hierheen gebracht. Ook de meisjes van het meisjes-weeshuis +hebben gevast tot den middag. Een geheelen dag vasten is in dit heete +weer wel al te zwaar. + +De schemering. De teedere schemering. De honger en de dorst zijn niet +erg meer. Vanuit mijn kamer. Het veld met de boomen en met de heuvelen. +De herders, die naar huis gaan. Het is alles zoo mooi en zoo teer. +Ongelooflijk, dat wij vandaag hebben gevast, omdat de Polen onze mannen +uitmoorden, onze moeders en onze kinderen. Aan de teeder-blauwe lucht +bloeien de sterren. Ik zie: een, twee, drie. De zware vastendag is +voorbij. + + + + +WIJ KOOPEN EEN EZELTJE. + + +Het water in den regenbak van het weeshuis van mevrouw Zilversmit raakt +op. Nu al! En dus wordt er in den familieraad besloten, dat wij een +flink ezeltje zullen koopen. + +Ik heb in het "Handelsblad" gelezen, dat er watergebrek is in Waterland. +Daarvan kunnen wij hier ook meepraten. O, ieder huis heeft zijn +regenbak. Cisterne zeggen wij hier heel plechtig. In Amsterdam begint +men den huizenbouw met de heipalen. Hier met den regenbak. Het +meisjesweeshuis heeft natuurlijk den zijne. En het heeft van den winter +niet kwaad geregend. Maar tegen de zindelijkheid van mevrouw Zilversmit +is geen Jeruzalemsche regenbak bestand. Ja, wanneer zij er toe kon +besluiten de meisjes en de vaten alleen maar af te stoffen of droog af +te doen, dan zou het wel gaan. Maar dat is nu juist iets, waartoe zij +niet besluiten kan. Andere weeshuizen komen wel met het water toe. + +Ieder jaar watergebrek. Dan moet water gekocht worden. Bijvoorbeeld van +de buren, de Abessinische monniken. Zij stoffen zich droog af. Meer +niet. Omdat ze toch zwart zijn. En zij komen dus ruim met hun water toe. +Bovendien hebben zij een groote dakoppervlakte en vele cisternen, groot +en klein, overal in hun terrein verscholen. Maar dan moet 't water met +petroleumblikken in het weeshuis worden gebracht. Dat loopt in de +honderden guldens jaarlijks. + +Maar hebben wij dan geen waterleiding, vraagt ge wellicht? Ge hebt toch +in de couranten meermalen gelezen over de waterleiding van Jeruzalem. +Ja, dat is ook wel zoo. We hebben een waterleiding, door de Engelschen +aangelegd. Booze menschen spotten en zeggen: de Engelschen hebben ons +water gebracht en de Zionisten alleen maar steenen. Namelijk, van de +Universiteit. Maar onze waterleiding is altijd nog slechts eene +betrekkelijke waterleiding. Zij brengt het water niet in de huizen. Er +zijn kranen op straat, waar men tappen kan. Verleden jaar is de +Regeering het Weeshuis goed gezind geweest. En heeft den regenbak +gevuld. Dat gaat dan zóó: een hulpbuis wordt over de straat gelegd, van +af de hoofdbuis, en weder weggenomen als de bak vol is. Maar dat kost +óók geld. En de dichtstbijzijnde waterkraan is nog tamelijk ver. Af en +toe laten de waterdragers u in den steek. En dan is het: droog afdoen. +Hebben wij dan Challad niet, den braven Arabier? Ja zeker hebben wij +Challad. Maar die kan al dat water niet dragen. + +En, nu ziet ge meteen het causale verband tusschen een leegen regenbak +en een ezel. Want wij zullen het watervervoer in eigen beheer nemen. Er +zal een ezeltje worden gekocht, waarmede Challad water zal gaan halen +uit Mea Scheariem. Als de regentijd komt, zal het ezeltje weder worden +verkocht. Het zal mogen wonen in den tuin achter het huis. En volle +vrijheid genieten, behoudens de beperkingen van een boom en een touw. +Veertig meisjes maken zich juichend gereed om het ezeltje des huizes te +verwennen. Zeker zal het een welgedaan ezeltje worden. En het zal met +winst worden verkocht. De winst voor Challad. En wij zullen volop water +hebben. Zooveel als de Hollandsche zindelijkheid maar vereischt. + +Vrijdagochtend zullen wij het ezeltje gaan koopen, op de ezeltjesmarkt, +buiten de Jaffapoort, voorbij de buurt Jemien Mosché. Wie zullen gaan? +Mevrouw Zilversmit zal niet gaan. Zij is wel de directrice. En haar man +heeft zijn eigen werk. Maar zij houdt niet van optreden naar buiten. +Haar heele leven gaat op in haar kinderen. Als er dus iets te doen is +met plaatselijke autoriteiten, de Zionistische commissie bijvoorbeeld of +de ezeltjes, dan neemt haar man dat waar. Hij zal dus gaan. En ik zal +hem vergezellen. + +Maar dat is nog niet veilig genoeg. Want wij zijn beiden wel heel lang +bij het onderwijs werkzaam geweest: lager, middelbaar en hooger, maar +van deze ezeltjes hebben wij toch nog geen verstand. Maar Challad! Zijn +brutale, bruine snuit weifelt geen oogenblik: ja, hij heeft verstand +van ezels. Veel verstand. Hij kan aan de tanden zien, hoe oud ze zijn. +En aan het geheele gezicht, of ze lui zijn, of dom. Ook kan hij voelen, +of zij aderspatten hebben. Hij zal dus medegaan. Ook moet hij immers +straks het ezeltje naar huis brengen. + +Toch durven wij in deze aangelegenheid niet op Challad vertrouwen. Maar +Mohammed, de Arabier van het jongensweeshuis van den heer Goldsmit, die +heeft eerst recht verstand van ezels. Ofschoon Vrijdag nu wel een heel +lastige dag is, wil de heer Goldsmit ons zijn Mohammed wel leenen. +Bovendien heeft Mohammed een bloedverwant, Ibrâhîm. En die heeft eerst +het superieure verstand van ezeltjes. En hij weet ook precies den prijs. +Ook Ibrâhîm zal dus medegaan. + +Ibrâhîm zal Mohammed komen halen. Met hun tweeën komen zij den heer +Zilversmit en Challad halen. Met hun vieren zullen ze mij komen halen, +omdat het Herzlhuis op den weg naar de ezeltjes-markt is. + +Ik wil wel bekennen, dat ik dien nacht weinig heb geslapen. En ik was +op vóór de koele morgenschemering heet en licht begon te worden. Precies +half zeven geklopt. De dag was toen al heet. Wit. Straten stoffig en +droog. Huizen streng in de zeer heete sfeer. Het bonte leven door, bij +de Jaffapoort. De buurt langs Jemien Mosché. Een Joodsche buurt. De naam +beteekent: Rechterhand van Mozes. De stichter: Mozes Montefiore. + +Het is heel heet. Geen markt. Geen ezeltje. Ik zucht: ma fisch. En dat +beteekent: "niets". Fi, fi, roept de ijverige Challad. En wij zijn er. +De Markt. Ezelen, kameelen, paarden en geiten. Een diepe dalkom, wijd en +ruim. Hooge wallen overal rondom. Wij staan in de diepte. Van de Stad +niets te zien dan de muren, grauw gekanteeld. En de toren, wit-wit op +felblauw-blauw van de Kerk op den Zionsheuvel. Door de hooge wallen +breken de wegen van alle kanten in. Breken naar alle kanten uit. Zij +gaan. Zij komen. Mannen met kameelen, paarden, ezels of geiten te koop. +Vrouwen met versche vruchten, versch water, fruit. De limonadekoopman, +zijn watervaas gekapt met bonte bloemen. Het woelt dooreen. Zij, die de +wijde Bedouïen-gewaden dragen met de fijne hoofddoeken. En de +Europeesche kleederen, maar met de fez. Wit. Zwart en bont. Tegen de +balkons en wallen zitten ze. Op rotsblokken. Op steenranden. Van beneden +af tot boven toe, in lagen. Zij kijken. Zij droomen. Ezeltjes draven op +proef. Paarden draven op proef. Zware kameelen trappen plat, +schipschommelend. Het fijne zand stuift wreed. En de zon drijft haar +licht daar doorheen, gesluierd. Wij dwalen naar den ezeltjes-hoek. Er +zijn er vele. Wij beginnen met een grooten grauwe. Challad springt er +dadelijk op. Rent, schandelijk buiten de regie, over het tooneel. Zand +stuift. "Een goede ezel," zegt hij prijzend. Maar Mohammed is een +ernstig man. Hoe kan Challad nu zóó lichtvaardig een ezel prijzen? Heeft +hij de tanden al gezien, om te weten, hoe oud hij is? Heeft hij de +pooten al bevoeld naar spataderen? Mohammed doet dat. En hij is het met +Challad eens: het is een goede ezel. Wij vragen den prijs. Zeventien +pond. Dat valt ons tegen. Wel is zeventien pond hier volstrekt niet +zeventien, maar bijvoorbeeld tien, elf of twaalf. Doch het budget laat +ook dat niet toe. Hoogstens zes of zeven pond. Daarvoor had men vroeger +een prachtezel. Wij wenden ons dus tot andere ezeltjes. O, wij zullen +wel een goeden ezel vinden. Aan raadgevers ontbreekt het ons niet. +Koopen wij den ezel dien zij ons aanraden, dan zullen zij ons natuurlijk +een baksjisj vragen. En wij zullen hun natuurlijk een baksjisj geven. Er +zijn twee prachtige, slanke Sephardische Joodsche jongens. Ze hebben +hemel en hel in hunne oogen. En ze zijn heel lui. Zwaarder werk dan +scharrelen op de markt en daar raad geven, doen ze liever niet. De één +zegt, dat we op moeten passen met Challed. En de ander beweert, dat +Mohammed een ezel in het kiezen van ezeltjes is. En er is een +schuwleelijke Arabier, die beweert ezelendokter te zijn en die ons +verzekert, dat hij wel een goeden ezel voor ons koopen kan. + +Ook de Duivel is gekomen. Een oud mannetje, steunt als een heks op zijn +stok. Hij spreekt Duitsch. Het is smoorheet om hem heen. Het spookt. Wij +stikken in het licht. Ik grijp naar mijn hoofd, duizelig in de hitte. +Wat gebeurt hier? De wereld wankelt. Een Arabische vrouw ziet, dat de +wereld wankelt. Zij geeft mij water. Het is voorbij. Wij zijn nu met ons +tienen bezig. Zullen wij slagen? O, dit is weer een heel mooi ezeltje. +En de wereld is ook op adem gekomen. Zullen wij dit ezeltje koopen? +Neen, wij zullen dit ezeltje niet koopen. Want Mohammed, de wetende +Mohammed verzekert ons, dat dit ezeltje aderspatten heeft. Ook Ibrâhîm +zegt het. En de ezelendokter zegt het. Eén van de prachtige Sephardische +jongens zegt wel, dat het niet waar is. Maar wij zijn bang. De eigenaar +is heel boos. Dit ezeltje is in zijn stal geboren. Het is een zoon van +zijn eigen ezelin. Dus om zoo te zeggen familie. Mogen wij aderspatten +werpen op den naam van zijn ezeltje? Allah weet, dat het ezeltje geen +aderspatten heeft. Ja, maar wij weten het niet. En dus zullen wij dit +ezeltje niet koopen. + +Het is al negen uur. De licht-witte-lichte dag ongenadig. Het stof. De +zon. De hitte. Het duizelingwekkende woelen. Zullen wij waarlijk zonder +ezeltje thuiskomen, ezels, die wij zijn? Maar neen. Dit is nu nog een +heel mooi beestje. Een bruinrood ezeltje, met een kruis over rug en +schouders. Iedereen prijst het: Mohammed, Ibrâhîm, de dokter, de twee +Sephardische luilakken, en de eigenaar. Hij vraagt acht pond. Dat is +vijf of zes. Dit ezeltje zullen wij koopen. Maar wij hebben buiten +Challad gerekend. Er is iets uitgebroeid in Challads duisteren kop. +Water dragen zonder ezeltje is zeker zwaarder dan water dragen met een +ezeltje. Maar heelemaal geen water dragen, dat is eerst een goed werk. +En als de heer Zilversmit niet slaagt in den aankoop van een ezeltje, +zal hij den regenbak wel door de Engelschen laten vullen. Dus is +Challad tegen het ezeltje. Hij gelooft zeker, dat het een lui ezeltje +is, met een slecht karakter. En hij moet er mee werken. Wij spreken het +ezeltje voor. Maar Challad houdt vol. Koppig. Hij durft het met dit +ezeltje niet aan. Zoo een gewichtig werk. Het is een lui, slecht +ezeltje. Allah kan daar zijn zegen niet op geven. En omdat Challad +stroef-koppig niet wil, daarom gaat het niet. Want als Allah geen zegen +op dit arme ezeltje geeft, en als het lui is en slecht, dan zou het +misschien op een dag een poot breken of overreden worden. O, heelemaal +niet door de schuld van Challad. Maar omdat Allah zijn zegen niet heeft +gegeven, en omdat het ezeltje lui en slecht is. + +En dan gaan wij naar huis. Doodmoe, geslagen door de open, genadelooze, +brandhitte. Het is tien uur. Welk een teleurstelling voor de veertig +meisjes, die zich zóó op een ezeltje des huizes hadden verheugd. En ik +zeg het heel boos tegen Challad: "En toch was het een heel goed +ezeltje." En hij, met dat tong-keelgeluid van alle Arabieren: "Ma +fisch! Het was geen goed ezeltje en Allah zou zijn zegen er niet op +hebben gegeven." + + + + +INHOUD. + + Hamame trouwt pag. 7 + + De donkere bron 17 + + Mijn vriend Saïd Effendi 27 + + Sabbath in Jeruzalem 38 + + De stad van Jirméjahoe 59 + + Yatack-il-Kharamiyeh 70 + + Wij vasten 103 + + Wij koopen een ezeltje 113 + + + + +IN DEZELFDE REEKS VERSCHEEN: + + IS. QUERIDO De Jeugd van Beethoven. + CAREL SCHARTEN De bloedkoralen doekspeld. + M.J. BRUSSE In 't verbouwereerde oude stadje. + JOHAN DE MEESTER Gezin. + LOUIS COUPERUS Lucrezia. + KAREL WASCH Dialogen. + TOP NAEFF Vriendin (2e druk) + TOP NAEFF Charlotte von Stein. + JO VAN AMMERS-KÜLLER, De Zaligmaker. + CARRY VAN BRUGGEN Een Indisch Huwelijk. + GERARD VAN ECKEREN De late Dorst. + KEES VAN BRUGGEN De Freule. + EMMY VAN LOKHORST Phil's laatste wil. + ANTOON THIRY Pauwke's Loutering. + MARIE SCHMITZ Weifeling. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Jerusalem, by Jacob Israël de Haan + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JERUSALEM *** + +***** This file should be named 15083-8.txt or 15083-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/5/0/8/15083/ + +Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed +Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/15083-8.zip b/15083-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3e7695f --- /dev/null +++ b/15083-8.zip diff --git a/15083-h.zip b/15083-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5274426 --- /dev/null +++ b/15083-h.zip diff --git a/15083-h/15083-h.htm b/15083-h/15083-h.htm new file mode 100644 index 0000000..09af766 --- /dev/null +++ b/15083-h/15083-h.htm @@ -0,0 +1,3925 @@ +<?xml version="1.0" encoding="ISO-8859-1"?> +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml"> + <head> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Jerusalem, by Jacob Israël de Haan. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- + p { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + h1,h2,h3,h4,h5,h6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; + } + hr { width: 33%; + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; + } + + table {margin-left: auto; margin-right: auto;} + + body{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + } +a {text-decoration: none;} + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;} + .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */ + .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em; + padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em; + float: right; clear: right; margin-top: 1em; + font-size: smaller; background: #eeeeee; border: dashed 1px;} + + .bb {border-bottom: solid 2px;} + .bl {border-left: solid 2px;} + .bt {border-top: solid 2px;} + .br {border-right: solid 2px;} + .bbox {border: solid 2px;} + + .center {text-align: center;} + .smcap {font-variant: small-caps;} + + .figcenter {margin: auto; text-align: center;} + + .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top: + 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;} + + .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em; + margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;} + + .footnotes {border: dashed 1px;} + .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} + .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} + .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;} + // --> + /* XML end ]]>*/ + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Jerusalem, by Jacob Israël de Haan + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Jerusalem + +Author: Jacob Israël de Haan + +Release Date: February 16, 2005 [EBook #15083] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JERUSALEM *** + + + + +Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed +Proofreading Team. + + + + + + +</pre> + + + + + + + +<h2>Jacob Israël de Haan</h2> + + +<h1>JERUSALEM</h1> + +<div class="figcenter" style="width: 450px;"> +<img src="images/titelpagina.jpg" width="300" alt="Jerusalem" title="Jerusalem" /> + +</div> + +<h4>AMSTERDAM</h4> + +<h4>EM. QUERIDO</h4> + +<h4>1921</h4> + + +<hr style="width: 65%;" /> + +<h2>INHOUD.</h2> + + +<table border="0" cellpadding="4" cellspacing="0" summary="Inhoudsopgave" > +<tr><td align='left'> <a href="#HAMAME_TROUWT"><b>Hamame trouwt.</b></a></td><td align='right'>7</td></tr> +<tr><td align='left'> <a href="#DE_DONKERE_BRON"><b>De donkere bron.</b></a></td><td align='right'>17</td></tr> +<tr><td align='left'> <a href="#MIJN_VRIEND_SAID_EFFENDI"><b>Mijn vriend Saïd Effendi.</b></a></td><td align='right'>27</td></tr> +<tr><td align='left'> <a href="#SABBATH_IN_JERUZALEM"><b>Sabbath in Jerusalem.</b></a></td><td align='right'>38</td></tr> +<tr><td align='left'> <a href="#DE_STAD_VAN_JIRMEJAHOE"><b>De stad van Jirméjahoe.</b></a></td><td align='right'>59</td></tr> +<tr><td align='left'> <a href="#YATACK_IL_KHARAMIYEH"><b>Yatack-il-Kharamiyeh</b></a></td><td align='right'>70</td></tr> +<tr><td align='left'> <a href="#WIJ_VASTEN"><b>Wij vasten.</b></a></td><td align='right'>103</td></tr> +<tr><td align='left'> <a href="#WIJ_KOOPEN_EEN_EZELTJE"><b>Wij koopen een ezeltje.</b></a></td><td align='right'>113</td></tr> +</table> + + +<hr style="width: 65%;" /> +<p><a name="Page_7" id="Page_7" /></p> +<h2><a name="HAMAME_TROUWT" id="HAMAME_TROUWT" />HAMAME TROUWT.</h2> + + + +<p>Hamame, dat Duifje beteekent, is +een van de Jemenietische dienstmeisjes +van het jongensweeshuis. En zij gaat +trouwen. Het wordt wel tijd, want +Hamame is al meer dan twintig jaar. +Maar zij is niet gelukkig in de liefde +geweest. Dit is haar tweede verloofde, +een weduwnaar. Het eerste huwelijk +heeft Hamame laten afgaan. En dat +heeft haar acht pond sterling gekost, +gelijk in de verlovingsvoorwaarden was +overeengekomen. Geen kleinigheid voor +een Jemenietisch dienstmeisje van een +jongensweeshuis. Achteraf blijkt Hamame, +dat Duifje beteekent, zich te +hebben vergist. Zij houdt eigenlijk +niet van haren tweeden verloofde. +Maar weer een huwelijk laten afgaan? +Het zal haar weer acht pond kosten +en iedereen zal haar uitlachen. Dus +wordt overeengekomen, dat Hamame +met den weduwnaar trouwen zal.</p> + +<p>En nu al de moeilijkheden op den +weg der liefde! Het geld, dat noodig +is voor een zwart pak en een nieuwe +fez. Voor een witte bruidsjapon met<a name="Page_8" id="Page_8" /> +een sluier van wit en zilver. Voor +nieuwe schoenen en voor nieuwe zakdoeken. +Er zijn nu lange besprekingen +met de moeder van Hamame, die een +heks is. Klein verbruind en mager.</p> + +<p>En zal de vader van Hamame, de +heer Mozes Azirie, voor dezen grooten +dag uit Egypte overkomen? Dat hij +bij de heks vandaan geloopen is, spreekt +van zelf. Hamame heeft hem nooit gezien. +Zal hij komen? En vooral: zal +hij eene bijdrage sturen in de kosten +van den onvergetelijken dag?</p> + +<p>En zal Reine worden uitgenoodigd, +de Jemenietische keukenvrouw? Er zijn +vreeselijke dingen gebeurd tusschen +Reine en Hamame. Natuurlijk zijn ze +geen van beiden begonnen. Hamame +heeft Reine zeer beleedigd. Zij heeft +gezegd: "Gij, Reine, zijt een dief. +En uwe zuster, die te Rischon le Zion +woont en wascht voor de Engelsche +soldaten in Ludd, uw zuster is een +slechte vrouw." Het spreekt wel vanzelf +dat Reine toen tegenmaatregelen +heeft genomen. Zij is naar de synagoge +der Jemenieten gegaan. Zij heeft de<a name="Page_9" id="Page_9" /> +Heilige Ark geopend, en zij heeft Hamame +met den weduwnaar en de beide +familiën tot in het derde en vierde geslacht +plechtig vervloekt. Het is twijfelachtig +of zij nu zal worden uitgenoodigd.</p> + +<p>Wij echter krijgen een mooi biljet van +goud op zijde-papier. Een tak met vogeltjes. +De letters van het Duifje en haar +weduwnaar S. en H. Daartusschen in +een boog de spreuk: "Stem van geluk +en stem van vreugde. Stem van bruidegom +en bruid". Daaronder weer een +dubbele driehoek met "Zion" er in. +Dan de uitnoodiging: "De moeder van +den bruidegom, madam Hamame Jozef +Saïed en de vader van de bruid R. +Mozes Azirie en echtgenoote hebben +de eer UEdele uit te noodigen op de +bruiloft van hunne kinderen Salomo +en Hamame. En die ons de eer aandoen, +zullen wij eeren! Huwelijksinzegening, +zoo God wil, Vrijdag 15 +Kislev 5681, om twee uur Europeesche +tijd, precies, in het huis van den vader +der bruid, in de buurt "Hut des Vredes"." +Geen wonder dat wij gaan!</p> + +<p><a name="Page_10" id="Page_10" /></p> +<h3>II.</h3> + +<p>De feestelijkheden beginnen des Donderdagmiddags +voor de vrouwen. Wanneer +wij het huis van den vader der +bruid in de buurt "Hut des Vredes" binnenkomen. +En wij overzien de schare. +Reine is niet uitgenoodigd. De Heks +heeft niet gewild. Wij hooren, dat +R. Mozes Azirie niet gekomen is. Ook +geld heeft hij niet gestuurd. Maar wel +een mooien brief. En daar doen we +het dan maar weer mee. Het geheele +vertrek is volgestampt met Jemenietische +dames en Jemenietisch kroost. Enkele +zijn al Europeesch gekleed. Maar de +meeste Jemenietisch, bont, dat kakelt. +Zij hebben veel goud, goed uitgesneden +en geslagen. Want de Jemenieten +zijn mooie goudsmeden. En zij zitten +op den grond, zóó dicht aaneen, dat +wij er haast niet meer bij kunnen. Wij +krijgen natuurlijk een eereplaats, vlak +bij Hamame. De bruidegom is niet +aanwezig. Het zou niet passen. Hamame +zit als een pop in wit met sluier +van wit en zilver. Zij mag geen woord +<a name="Page_11" id="Page_11" />zeggen en zij moet zedig haar oogen +neerslaan. Het is wel heel moeilijk, +maar wij vertrouwen, dat zij na de +bruiloft haar schade wel weer zal inhalen. +Naast Hamame zitten de bruidsmeisjes, +eveneens popwit, popstijf, ieder +met een hooge, witte kaars ter hand. +Alle dames rooken. Sigaretten of stevig +een Turksche waterpijp. Er is ook +zang, handgeklap en een geweldige +muziek van pauken en blikken pannen. +En de tractatie. Een royale tractatie. +Er wordt een groot waschbekken binnengebracht +met gepelde kersaussies, +noten, amandelen. Een kleiner met granaatappelpitten. +Ieder krijgt een zakdoek +vol. En dan maar muizen. Gelukkig, +dat dit Hamame geen geld kost. +Want ieder van de gasten betaalt. +Alles is hier tegenwoordig duur. Ook +de bruiloften. Het minste is nu al twee +shilling. Wij hebben een pond gegeven. +Maar iedereen acht ons dan ook. Wij +worden op het middagmaal genoodigd: +brood, vleesch en hilme, een Jemenietisch +gerecht van peper met peper.</p> + +<p>Het is een heel mooi feest. De moe<a name="Page_12" id="Page_12" />der +van Hamame straalt. Zij heeft een +bloeienden rosen peignoir met zwierige +witte kant aan hals en mouwen. En +zij, het wijf, fel, bruin. Een heks. Als +het medeloopt, houdt zij nog over.</p> + +<p>Alle meubelen zijn uit het kamertje +gedaan. Alleen het groote ledikant is +gebleven. Daarin slaapt, op een rijtje, +lief en rustig, het kleine kroost. Soms +als er een wakker wordt—er liggen +er negen—dan staat een Jemenietische +moeder op en zij geeft haar kindje het +moederdrinken. Er is een héél jong en +héél mooi Jemenietisch moedertje, waarbij +een héél mooi Jemenietisch jongetje +behoort. Ik mag het zoo prijzen: "wat +een aardig jongetje is dit." Maar zij +kijkt mij aan, verschrikt en verontwaardigd. +Welk een gevaarlijke dwaasheid +een kind zóó te prijzen. Wil ik, +dat het Booze Oor het hooren zal! +Dus schudt het mooie Jemenietische +moedertje het mooie Jemenietische jongetje +gevaarlijk door elkander. En zij +misprijst het: "Dit is een vreeselijk +kind. Slecht en leelijk. God heeft mij +wel gestraft. Maar wat zal ik doen! +<a name="Page_13" id="Page_13" />Een arme vrouw." Aan de beleefdheid +ten aanzien van het Booze Oor is +hiermede voldaan. Zij pakt nu den +lieven kleinen knaap weder beet. En +zij legt hem te slapen lekker in het rijtje +van de kleine maffertjes.</p> + + +<h3>III.</h3> + +<p>Des avonds gaan wij naar het feest +van de mannen in een ander huisje in +de buurt: "Hut des Vredes". Het is +er natuurlijk heel vol. En heel heet. +Er is muziek. En er zijn psalmzingers +met luide stemmen en gevaarlijke handslagen. +Er is natuurlijk tractatie: gezouten +erwten, noten, amandelen, granaatappels. +En er is een stevige flesch. +Zure, lichtgegiste wijn. En een drank, +duivelsch, dien zij zelf stoken uit gedroogde +rozijnen.</p> + +<p>Er wordt ook gedanst. Maar niet +mannen met vrouwen. Het zou niet +passen. Wel komen de dames af en +toe eens om een hoekje kijken. Doch +zelfs dat is al nieuwerwetsch. Hier +danst een groote magere man. Een +<a name="Page_14" id="Page_14" />lange, zwarte jongen. Misschien is hij +wel de Duivel. Doch het zou niet passen +hem dit te vragen. Die met hem +mede danst, maar zij raken elkander +niet aan, is een slanke, donkere Jemenietenknaap +van vijftien jaren, die Jozef +heet en schoenmaker is. Maar hij is +ook de beste danser van de gemeente. +Daar gaat de muziek en het handengeklap. +De man en de jongen, heel +aandachtig en voorzichtig gaan. Zij +zien, strak getoomd, naar elkanders +voeten. Naar elkanders gebaren. Langzaam, +weinig bewogen in den aanzet. +Maar de muziek wordt wild. De handen +van de gemeente slaan sneller. De +man en de jongen sneller gaan. Ademloos. +Muziek, muziek, muziek. De handen, +die hel slaan. De jongen. De man. +Ademloos. Uit, uit, uit.</p> + +<p>Geheele verhalen worden zoo door +de Jemenieten gedanst. Zij dansen van +den avond tot den morgen.</p> + +<p>Als de jongen Jozef weer wat op +zijn adem is gekomen, krijgt hij natuurlijk +een bakschisch. En ik mag wel +vragen welk verhaal in dezen dans is +<a name="Page_15" id="Page_15" />uitgebeeld. "Mijnheer," zegt het jongetje +Jozef blozende: "dit is een dans +op den herbouw van den Heiligen +Tempel." En dan te weten, dat ik mij +den herbouw van den Heiligen Tempel +altijd héél anders had voorgesteld.</p> + + +<h3>IV.</h3> + +<p>En des Vrijdagsmiddags, twee uur, +in het huisje in de buurt: "Hut des +Vredes" hebben Hamame en haar weduwnaar +elkander gekregen. Mannen +en vrouwen ditmaal bij elkander. En +al het kleine kroost maar weer veilig +en uit de voeten in het groote ledikant. +In rijtjes en op stapeltjes. Er is +weder de wilde muziek. Een Jemenietische +jongen slaat twee trommels te +gelijk. Een groote, donkere, sombere. +En daartegen in een kleine, die gespannen, +luid kraait en schatert. Onder +een groot spektakel krijgen zij elkander. +De zeven zegeningen worden uitgesproken, +heilig en zinnelijk te gelijk. +Twee oude mannen dansen de voorgeschreven +heilige dansen voor het +bruidspaar. Wonderlijke windingen en +<a name="Page_16" id="Page_16" />wendingen van de machtelooze lijven. +Maar precies gelijk het behoort. Dansen +voor het bruidspaar is een heilige taak, +waarmee de oudsten en waardigsten +worden vereerd. Het mooie jongetje +Jozef kijkt toe. Hij danst toch anders.</p> + +<p>In een optocht brengen wij dan Hamame +en den getroosten weduwnaar +in de echtelijke woning. Ook in de buurt, +die "Hut des Vredes" heet. Natuurlijk +met muziek voorop. Dan de witte bruidsmeisjes +met de witte kaarsen, die vlammetjes +fladderen op den wind. Het bruidspaar +en de gasten. Naar rang en stand. +Er is de oude rabbijn, die de zeven zegeningen +op zijn geweten heeft. Een paarse +kaftan en wit geweven schoudersjaaltje. +De zoele, gebroken lucht. De wind. Maar +nog geen regen, al is er al vochtigheid. +Wij gaan heel langzaam en waardig, +zooals de muziek ons laat gaan. Alle +menschen van de "Hut des Vredes" komen +uitgeloopen. Een heel klein steegje +en een heel klein huis. Daarin wij wegduiken. +Ik ril. Morgen begint haar het +slaafsche leven. Hamame is getrouwd.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h2><a name="DE_DONKERE_BRON" id="DE_DONKERE_BRON" /><a name="Page_17" id="Page_17" />DE DONKERE BRON.</h2> + + +<p>Wij hebben het water hier zoo lief +en zoo noodig. Het water is het levende, +dat overal zijn leven brengt. In de lente +bloeien de bloemen in stroomen van +rood en geel waar het water stroomt. +Een bron. Zooals een sfeer van licht +om een lamp, zóó zijn de wonderlijke +vertellingen hier om de bronnen heen. +Vanmiddag is het wonder gebeurd. +Een warme middag. En een huis in +een nette burgerlijke buitenbuurt van +Jeruzalem. Ik verzink. Ik wil terug naar +de buurt van de Jaffapoort. Het zonnige, +het bonte. Dat is Jeruzalem.</p> + +<p>Wanneer wij aan tafel zitten vanmiddag. +En komen de beide Rabbijnen +Epstein en Bernstein, twee van de meestgeleerde +Aschkenasische Rabbijnen met +eenen bekenden Sefardie Nissim Nahum. +Wat kan dit zijn? De twee Aschkenasische +Rabbijnen alleen, dat zou +politiek kunnen zijn. Of een weesmeisje, +dat moet worden uitgehuwelijkt en +waarvoor geen uitzet is. Daarvoor bij +te dragen is een heilige plicht, gelijk +<a name="Page_18" id="Page_18" />wij iederen ochtend in de gebeden +zeggen. Maar de Rabbijnen met eenen +Sefardie!</p> + + +<h3>II.</h3> + +<p>Het is noch politiek, noch het weesmeisje. +Het is over de bron van Jehizkia, +waarover geschreven staat: II +Kronyken XXXII: 30: "Diezelve Jehizkia +stopte ook den opperuitgang der +wateren van Gihon, en leidde ze regt +af beneden naar het westen der stad +Davids". Dit is natuurlijk niet, gelijk +Raschi opmerkt, de rivier Gihon genoemd +in Genesis II: 13. De Talmoed +leert ons, dat Jehizkia zes dingen heeft +gedaan. Drie met instemming van de +Geleerden zijner dagen. En drie tegen +hun wil. Tot de laatste drie behoort +het verstoppen van deze rivier Gihon.</p> + +<p>Nu eeuwen, eeuwen later, de zestiende, +zeventiende eeuw der Christelijke +jaartelling. Syrië en Palestina werden +toen overheerscht door eenen +Arabier, genaamd Aboe Sifien, dat beteekent: +Vader des Zwaards. Hij liep +door de straten van Jeruzalem en hij +<a name="Page_19" id="Page_19" />hoorde een ruischen van een diep water. +Hij beval dit water op te sporen en +bloot te leggen. Toevallig hoorde hij, +dat te Jeruzalem een groot geleerde +woonde R. Chaïm Wital, die het vermogen +bezat, wonderen te doen door +het uitspreken van Gods naam op eene +bepaalde wijze. Men zegt, dat Mozes +op die wijze den Egyptenaar heeft +gedood, waarvan gesproken wordt in +Exodus II vers 14. Aboe Sifien, de +Vader des Zwaards, beval nu R. Chaïm +Wital de donkere bron op die geheime +wijze te openen. Deze wilde niet. En +bevreesd voor den Vader des Zwaards, +vluchtte hij naar Damascus, eenvoudig +door het uitspreken van Gods naam +op eene bepaalde wijze. Te Damascus +verscheen hem in zijn droom zijn leermeester +overleden, R. Isaäc Luria Aschkenazie, +bijgenaamd Ari de Heilige, +wiens naam de Wilnaër Gaon later +nooit zou uitspreken zonder een angstig +beven. "Waarom hebt gij geweigerd +de donkere bron te openen? Gij weet, +dat Jehizkia de Gihon heeft afgesloten +tegen den raad in van de Wijzen zijner +<a name="Page_20" id="Page_20" />dagen. Gij, R. Chaïm Wital, zijt eene +reïncarnatie van den koning Jehizkia. +En Aboe Sifien is, gelijk zijn naam +reeds aanduidt, een reïncarnatie van +Sanherib, want ook dat beteekent Vader +des Zwaards. De tijd om de bron te +openen, was nu aangekomen en daarmede +het begin van de verlossing van +Israël." Toen zeide R. Chaïm Wital: +"laat mij teruggaan naar Jeruzalem en de +bron alsnog openen." "Neen," sprak de +Heilige: "de juiste tijd is nu voorbij." Dat +is een element in vele kabbalistische verhalen: +het verzuimen van den Juisten Tijd, +door onwetendheid, aarzeling of twijfel.</p> + +<p>Zóó bleef de bron gesloten. Nissim +Nahum, mijn Sefardische bezoeker, heeft +het verhaal van R. Chaïm Wital gelezen +in het boek Sefer Shem Hagedoliem, +dat is het Boek van de Faam +der Grooten door R. Chaïm Joseph +David Azoelai, die in den Napoleontischen +tijd Rabbijn te Livorno is geweest. +Deze heeft het verhaal te Jeruzalem +als overlevering gehoord. Ook +in een ouder boek Get Pachoet wordt +er over geschreven. (1740).</p> + +<p><a name="Page_21" id="Page_21" />De meening der kabbalisten is, dat +met het openen van deze bron de verlossing +voor Israël beginnen zal. Men +vindt die meening bijvoorbeeld in het +boek Ben Jehojadah van R. Joseph +Chaïm, die een jaar of tien geleden te +Bagdad is gestorven.</p> + + +<h3>III.</h3> + +<p>Nissim Nahum weet de plaats van +de donkere bron. In de oude stad, niet +ver van de Tempelplaats, waar nu het +Turksche bad is genaamd Hamam el +Schefah, dat is: het bad der Genezing. +Er is daar nog een bron, waarvan het +water meer dan dertig meter onder +den grond is. Nahum heeft eenen Arabier +gesproken, die zegt, dat hij in eenen +buitengewoon drogen zomer, toen de +bron zonder water was, is afgedaald. +Hij kwam in een doolhof van gangen +en gewelven. Vóór den oorlog heeft +Nahum pogingen gedaan de bron te +laten onderzoeken. Het begin van alle +pogingen is natuurlijk baksjisj. Maar +ten slotte wilden de bewoners niet. +Ze waren bang. Misschien zweven +<a name="Page_22" id="Page_22" />rondom de bron ook voor hen legenden. +Toen de jaren van den oorlog. +Maar na den oorlog is Nahum weder +begonnen. Hij vertrouwt op de meening +van de kabbalisten, dat de opening +van de bron het Geluk van Israël zal zijn.</p> + +<p>Toen Herbert Samuel in het begin +van het jaar voor een onderzoek hier +was, heeft Nissim Nahum zich tot hem +gewend. De zaak is toen onderzocht +door den Gouverneur van Jeruzalem, +den Generaal Storrs. Maar er is verder +nog geen gevolg aan gegeven. Nu +echter wil men de zaak opnieuw aanvatten. +Er is zooveel gebeurd. De troebelen. +San Remo. Wat San Remo beteekent +wisten wij op den dag zelven +niet. Maar nu gaan wij het zien. En +zelfs de harten van de voorzichtige +twijfelaars gaan openbloeien. Sir Herbert +Samuel, de eerste Joodsche Landvoogd. +Ook tegenover hem moeten +wij voorzichtig zijn. Maar toch: de +Joodsche Landvoogd. De legenden beginnen +al te bloeien rondom hem heen. +Die familie Samuel is uit Polen afkomstig. +Waarom zou hij dan niet af<a name="Page_23" id="Page_23" />stammen +van Rabbi Saul Wahl, die +ongeveer drie eeuwen geleden voor +éénen dag koning van Polen is geweest? +En dat R. Saul Wahl afstamt +van Koning David, ziet, men kan er +aan twijfelen, maar waarom zou men +er aan twijfelen? Zóó is dus Sir Herbert +Samuel een bloedverwant van +Koning David en van den Koning +Jehizkia. Gij zegt: lang geleden. Maar +wat beteekent de Tijd tegenover de +Eeuwigheid van Bloed en Woord? +En ziet gij nu wel, hoe de tijden zich +voltrekken? De Koning Jehizkia had +de bron niet moeten uitsluiten. Zijn +latere incarnatie R. Chaïm Wital heeft +het juiste oogenblik verzuimd. Laten +wij nu zijn nakomeling Sir Herbert overtuigen, +dat nu voor hem weder een +juist oogenblik is gekomen. Wanneer +ik mij daarmee zou willen belasten? +Gij ziet; het is géén politiek en niet +een weesmeisje, dat moet worden uitgehuwelijkt +en geen uitzet heeft.</p> + + +<h3>IV.</h3> + +<p>Als de drie bezoekers weggaan. Dan +<a name="Page_24" id="Page_24" />zie ik weder, dat wij het Volk van het +Boek zijn. En wij moeten dat blijven, +ook wanneer wij weder het Volk van +het Land worden. Nissim Nahum, ofschoon +geen Rabbijn, gaat het eerst +de deur uit, omdat hij twee groote heilige +boeken draagt. De Rabbijn Epstein +is wel ouder, maar niet aanzienlijker +dan de Rabbijn Bernstein. Wie zal het +eerst uitgaan? Dat zijn hier groote +kwesties. Er zijn gemeenten verdeeld +geraakt, omdat een rabbijn eenen andere +heeft gepasseerd. Ten slotte zal de Rabbijn +Epstein vóórgaan. Maar de Rabbijn +Bernstein heeft een boek meegebracht. +Goed: de Rabbijn Epstein zal dat dan +dragen, tot zij buiten zijn. Daarna zou +'t niet meer passen. Gij glimlacht wellicht +over al dien eerbied en over al die +etiquette? Ik ook. Maar glimlachend bedenk +ik toch ook, dat in al deze kleine +bedrijven iets liefs, iets geriefelijks is.</p> + +<p>Wij hebben het water hier zoo lief +en wij hebben het water hier zoo noodig. +Een bron, dat is voor ons het +levende, het goede. Een Wezen. Iedere +bron heeft zijn legende. Maar dat alles +<a name="Page_25" id="Page_25" />wordt volmaakt verleden tijd. Wij gaan +Palestina moderniseeren, verschrikkelijk +moderniseeren. De Fellachen worden +geëlectrificeerd en schoongemaakt met +stofzuigers. Welk een vooruitzicht. En +al de mooie legenden van bronnen, +bloemen en rivieren worden opgedoekt.</p> + + +<h3>V.</h3> + +<p>'s Avonds in de schemering komt +mijn vriend Adil Effendi. Kent hij dat +badhuis Hamam al Schefah? Ja, zegt +Adil Effendi: hij kent dat. Maar 't is +een echt armeluis-badhuis. Wie ons +daar in ziet gaan, zal ons niet achten. +Heeft hij wel eens van die legenden +gehoord? Maar Adil Effendi is héél +sceptisch geworden, sinds hij werkt in +de Engelsche Regeering. Het gaat de +Mohammedaansche jeugd, zooals de +Joodsche: een tikje materialistisch, een +tikje ijdel, een tikje genotzuchtig. Daarnaast +heeft de Joodsche jeugd toch +meer nationalistisch idealisme voor het +land en de taal. Donkere bronnen. Wie +ontsluit ze te juister tijd! Neen, zegt +mijn vriend Adil Effendi, peinzend in de +<a name="Page_26" id="Page_26" />schemering: "ik geloof nog wel aan Allah, +maar niet aan al die andere verhalen. +En ik geloof, dat mijn broer, Subhi Effendi, +ook niet meer aan Allah gelooft."</p> + +<p>Hij smookt zijn sigaretje tusschen +spitse lippen en hij tipt asch met een fijnen +vinger. "Mijn vriend," zegt Adil Effendi, +"gij hebt dien ouden boom wel gekend, +voor het huis van mijn broeder Abdoel +Salaam? Men heeft altijd gezegd: wanneer +die boom neervalt, dan gaat ook +het Turksche rijk uit elkander. En gij +weet met den grooten sneeuwval? Toen +heeft de boom wel geleden. En Abdoel +Salaam, die een wijs man is, heeft hem +laten omhakken. Achmad en Aboe Joessoef +hebben dat gedaan. Omdat de boom +heel hinderlijk was voor de automobielen +van de East Compagnie. Abdoel Salaam +heeft al het hout gekregen en de Compagnie +heeft een mooie baksjis; gegeven +aan Achmad en Aboe Joessoef. Heeft +Turkije iets te maken met dien boom? +En de Zagjunien met een put?"</p> + +<p>En dan zucht ik en ik vrees, dat de +juiste tijd voor mijn vriend Adil Effendi +nog niet is gekomen.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h2><a name="MIJN_VRIEND_SAID_EFFENDI" id="MIJN_VRIEND_SAID_EFFENDI" /><a name="Page_27" id="Page_27" />MIJN VRIEND SAÏD EFFENDI.</h2> + + +<p>Mijn vriend Saïd Effendi is de Arabische +adviseur van den gouverneur +van Hebron. Vroeger is hij officier geweest +in dienst van den Emir Feisul +te Amman aan den overkant van den +Jordaan. Dat is het oude Rabbat Ammon, +de hoofdstad van de Ammonieten. +Verwoest en later herbouwd heette het +Philadelphia, een van de Decapolissteden. +Ik hoop er nog wel eens heen +te gaan met Saïd Effendi samen. Hij +is nu teruggekomen naar dezen kant +van den Jordaan. Want de familiebezittingen +liggen daar, tusschen het dorp +Tur op den Olijfberg en Jericho.</p> + +<p>Wij zijn goede vrinden geworden +rondom de petroleumblikken gloeiende +houtskolen in het onvolprezen hotel: +"De eik van Abraham" te Hebron. En +vele kopjes koffie. Hij is een zwaarmoedige, +maar toch sterke kerel, Saïd. +Voortreffelijk in zijn werk en onbegrensd +vertrouwd.</p> + +<p>Aan den overkant van den Jordaan, +ook te Ammon, wonen de Kaukasische +<a name="Page_28" id="Page_28" />Circassiërs. Zij hebben zich in die +streken gevestigd sinds Rusland in 1864 +den Kaukasus veroverde. In het begin +hebben zij voortdurend stoute gevechten +geleverd met de omwonende Arabieren. +Nu is het vrede. Zij spreken +Circassisch. Zijn Mohammedanen, maar +ietwat meer Europeesch. De vrouwen +verhullen zich niet. En ze verbergen zich +ook niet voor de gasten van den man.</p> + +<p>Saïd Effendi is getrouwd met eene +Circassische vrouw. Zij hebben drie +kinderen gehad, drie jongens. Twee +gestorven. "Min Allah," berust Saïd +Effendi. Het oudste jongetje leeft nog. +Hij is zes jaar. En hij heet Daoud. +Daarom heet Saïd Effendi ook Aboe +Daoud. Zal ik hem niet eens komen +bezoeken in het dorp Tur, dat op den +Olijfberg ligt? Goed, laten wij zeggen, +Zondag, wanneer het mooi weer is. +Met een van de wagentjes, die Adil +Effendi met zijne broers exploiteert.</p> + + +<h3>II.</h3> + +<p>Het is mooi weer. Men moest hier +eigenlijk niet spreken van den winter, +<a name="Page_29" id="Page_29" />maar van den regentijd. Welk een afwisseling! +Wreede dagen, woedend +van regen en wind. Zooals wij die te +Hebron hebben gekend. Er is in een +korten tijd een geweldige hoeveelheid +regen gevallen. Men zegt drie kwart +van den gemiddelden jaarlijkschen regenval. +Ik ben bevriend met een regenbak, +waarin binnen een week of drie, +een meter of drie water is komen te +staan. Als nu de late regen ook maar +komt, zoo tegen Maart, April, dan +krijgen we hier een goed gewassenjaar. +Misschien dalen dan de prijzen. +Maar tusschen de regendagen, o, de +zalige winterlentedagen. Een hemel ongebroken +als in den zomer. Maar dunner +blauw. Een kussende, zoele wind. En +de zonneschijn. Een winter vol zon. +En welk een mateloos mooie morgen.</p> + +<p>Adil geeft het wagentje, nummer 18. +Dat moet gij later ook nemen. Het is +een net wagentje. Het staat bij de +Jaffapoort, en rijdt met twee driftige +Arabische paardjes. De koetsier is in +Mekka geweest. Hij zou dus een groenen +doek mogen dragen rondom zijn +<a name="Page_30" id="Page_30" />fez, dien wij tarboes noemen. Maar +dit doet hij niet. Hij zal het later doen, +wanneer hij ouder is geworden, 't Zou +nu nog niet passen. Omdat hij in Mekka +is geweest, zegt zelfs de oneerbiedige +Adil Had; tegen hem. En Machmoed, +het staljongetje, eerbiedigt hem zeer. +Natuurlijk eerbiedigt Machmoed den +chawadja ook. Want die geeft baksjis; +en is een chawadja. "Een mooi wagentje, +hè Machmoed?" "Maäloem," +zegt Machmoed: "ik twijfel, of er een +mooier wagentje is in geheel Kuds."</p> + +<p>En wij rijden. Door de buitenstadswegen. +En dan over de landwegen +naar den Olijfberg heen. Overal wordt +gewerkt aan het land. Winterkoren +wordt gezaaid op ieder bouwbaar plekje +grond. O, de verteedering van de zachte +dagen. En de adem van het bruine, +opengebroken land. Tegen een heuvelhelling +aan ligt het wijde kerkhof met +de Engelsche gesneuvelden. Het huis +van den Groot-Mufti. En de uitzichten +over heel de stad van Jeruzalem. De +oude stad binnen den Muur, nog gaaf +bewaard aan deze Oostzijde. En de +<a name="Page_31" id="Page_31" />voorsteden wijd uitgeblokt. En dan ineens +niets meer. Ver, ver, de heuvelen. +Maar geen andere huizen, steden en +dorpen. Zooals rondom Amsterdam, +dat ook een mooie stad is.</p> + + +<h3>III.</h3> + +<p>Langs het Engelsche hoofdkwartier. +O.E.T.A. noemen wij dat hier. En +het Arabische dorp Tur. Saïd Effendi. +Hartelijk welkom. O, zij zijn al wat moderner +Mohammedanen. Daarom word +ik ook voorgesteld aan zijn zuster. Zij +draagt toch nog de dracht van aanzienlijke +Arabische dorpsdames. En een kostbaar +bontgeborduurd borststuk. Ook het +Circassische moedertje. Zij is een klein, +blond vrouwtje. Heel weinig naast den +grooten, donkeren Saïd. Ze verwachten +weder een kindje. Saïd heeft het mij al verteld. +Och, mocht het ditmaal een meisje +zijn. En mocht het leven! Maar wat zal +men er aan doen. 't Is alles min Allah.</p> + +<p>Ook het jongetje Daoud. Een heel +mooi Arabisch-Circassisch jongetje. Het +blonde gezichtje van de moeder. En de +donkere, sterke oogen van den vader. +<a name="Page_32" id="Page_32" />Hij spreekt Circassisch met de moeder. +En Arabisch met den vader en de andere +familieleden. Natuurlijk vindt hij +dat heel gewoon. Hij heeft de twee +talen even vlug geleerd als andere kinderen +hun eene taal leeren. O, hij is +heelemaal niet bang voor den vreemden +chawadja. Trouwens, de chawadja +heeft koekjes en bonbons meegebracht. +Een tafeltje bij het raam met het mooie +uitzicht op Jeruzalem. En dan koffie, +koekjes en bonbons. Waarom zou de +kleine Daoud den chawadja vreezen? +Hij heeft een stemmetje als muziek. En +hij zegt woordjes als bloemen. Hij lacht +met witte tandjes achter roode lipjes. +Mag Daoud nog een koekje? Hier in +het dorp draagt hij een Arabisch japonnetje +met een heel klein pittig fesje. +Maar als hij naar Jeruzalem gaat, dat +daar beneden ligt en eigenlijk El Kuds +heet, dan heeft hij een grijs Europeesch +pakje aan, en een bruin mutsje op.</p> + + +<h3>IV.</h3> + +<p>Maar toch, Saïd Effendi heeft mij +heel lief ontvangen. Ik heb het huis +<a name="Page_33" id="Page_33" />gezien. En genoten van het uitzicht +over de stad vlakbij. Er is iets, dat +Saïd Effendi hindert. Ik zie het. Natuurlijk +komt het niet te pas, hem +zonder meer, daarnaar te vragen. Maar +het is niet ongepast, wanneer ik hem +de gelegenheid geef, het mij te zeggen. +Ik vraag en zeg dus héél voorzichtig. +En hij antwoordt: Ja, hij heeft een +droeve zaak. De jongste broeder van +zijne moeder is voor eenige dagen +doodgeschoten in een twist aan de +overzijde van den Jordaan. In het gebied +van den Emir Feisul. Toen Saïd +uit Hebron thuis is gekomen, heeft hij +het gehoord. Gisteren is het lijk overgebracht. +En vandaag is er een familievergadering +in een dorp dichtbij, wat +te doen. Want men kan dezen moord +niet zoo maar ongewroken laten. Saïd +is donker, woedend. Niet, omdat hij +den dooden oom zoo liefhad. Maar +omdat een zeer ernstige beleediging de +heele familie is aangedaan. Men kan +het niet ongewroken laten. Maar aan +den anderen kant is zoo een geval in +de familie zeer lastig. Vooral omdat +<a name="Page_34" id="Page_34" />de familie van den moordenaar een +zeer machtige familie is.</p> + +<p>Hij vraagt het mij dringend: "Zal +ik hem in alle vriendschap vergeven, +wanneer hij nu naar den familieraad +rijdt? Zal ik niet boos zijn? Hij moet. +Het is de laatste dag van zijn verlof. +En hij moet weer te paard naar Hebron."</p> + +<p>Hij rijdt weg. In een duistere woede. +Op wien is hij woedend? Op den oom, +of op den moordenaar?</p> + + +<h3>V.</h3> + +<p>Zijn jongste broer, die Chalil heet, +zal met mij naar den hoogen uitzichttoren +gaan, naast de Russische kerk. +Overal rondom Jeruzalem ziet men den +hoogen, spitsen toren, met die vier +opengebouwde rondgangen. Chalil weet +alles. Meer dan tweehonderd traptreden +van een ijzeren brandladdertrap. Maar +dan het uitzicht, eindeloos door den +hellen dag. Beneden het Kidrondal. En +Jeruzalem dichtbij. De tempelberg, dien +de Arabieren noemen Haram Esch-Scherif, +dat is: het Groote Heiligdom. +De Omarmoskee met den zwaren grijzen +<a name="Page_35" id="Page_35" />koepel en de moskee Aksa. Heel ver +in de Jaffa-buitenstad de witte Russenkerk. +En de koepel van de Abessinische +kerk vlak bij 't meisjesweeshuis. Anderzijds +de Doode Zee, een uur of vijf, +zes weg. Maar lijkt werpelings dichtbij. +De weg naar Jericho. De kleine Chalil +weet alles. Hij spreekt wat Engelsch. +Maar ook de kleine Chalil is niet rustig: +"Mijn Heer," zegt Chalil, die trouwens +al veertien jaar is: "wanneer gij alles +hebt gezien, zouden wij naar beneden +kunnen gaan. En ik zou ook kunnen +gaan, waar mijn broer Saïd is gegaan, +want mijn oom is vermoord." Ach, +waarom zou ik den kleinen Chalil afhouden +van wat naar bloed ruikt! Wij +dalen weer draaiend: "Over de tweehonderd +treden," zegt de kleine Chalil: +"ik ga te paard. De geheele familie +zal gekomen zijn."</p> + + +<h3>VI.</h3> + +<p>Wij rijden terug, in het mooie wagentje, +dat nummer 18 heeft. Want +Saïd Effendi wil niet, dat het mooie +Arabisch-Circassische jongetje thuis is, +<a name="Page_36" id="Page_36" />wanneer hij weer naar Hebron gaat +voor langen tijd. Het jongetje en zijn +tante gaan dus mee naar Jeruzalem. +En ik denk, dat ik het mooie jongetje +zal laten fotografeeren, eene verrassing +voor Saïd. De zalige dag. En het heerlijke +landschap. Het kleine jongetje praat +onverdroten. Als vogels en bloemen. +Is het Arabisch? Is het Circassisch? +Neen, neen, het is Arabisch. O, ik +schiet al aardig op. Hij lacht. Hij ziet +iets, dat heel lief is. En hij is heel blij +in 't mooie wagentje.</p> + +<p>De fotograaf. Hij prijst zich zelven. +Hij heeft lang in Duitschland gewerkt. +Neen, hij heeft den keizer nooit gefotografeerd. +Maar hij heeft wel eens +een negatief des keizers ontwikkeld. +Hij weet dus alles van de Duitsche +politiek. "Mijnheer," zegt hij: "gelooft +u mij, ik weet het, men doet dien man +onrecht." Maar wat een onmogelijk +jongetje is dit! Een Joodsch jongetje! +Neen. Circassisch-Arabisch. Juist, mijnheer, +dat dacht ik wel. Wat kijkt dat +kind ernstig. Een kind moet vroolijk +zijn, niet waar? Altijd vroolijk.</p> + +<p><a name="Page_37" id="Page_37" />Het jongetje Daoud is niet bang. +Het kijkt maar heel wonderlijk naar +dien raren, drukken man, die hem plooit +en vouwt. Die fluit, danst en zingt. En +het Arabisch-Circassisch jongetje Daoud +wil niet lachen. In 's hemelsnaam. Morgen +kan ik de platen komen zien. Wat +een onmogelijk strak jongetje.</p> + +<p>En den volgenden dag. Nog zaliger +weer. 's Middags langs den Jaffaweg +naar den fotograaf. En ik ontmoet +mijn vriend, den stadsaanplakker en +omroeper R. Leizer Schwartz. Heden +heeft hij mij aangeplakt, voor een +lezing, vanuit een groote hengselmand. +En heel waardig overhandigt +hij mij een van de biljetten. Zóó geeft +men een doodvonnis.</p> + +<p>En de photograaf: "Mijnheer, de +foto is prachtig, ik ken mijn vak. Maar +wat een onmogelijk kind is dit."</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h2><a name="SABBATH_IN_JERUZALEM" id="SABBATH_IN_JERUZALEM" /><a name="Page_38" id="Page_38" />SABBATH IN JERUZALEM.</h2> + + +<p>Wanneer de Sabbath het Heilige +van ons leven is, dan is Sabbath in +Jeruzalem zeker het Allerheilige.</p> + +<p>Eenen Donderdag ben ik te Jeruzalem +aangekomen. En Vrijdagmiddag +zijn wij een wandeling door het Joodsche +kwartier begonnen. Toen was ik nog +een vreemde in onze stad. Nu ik de +Sabbathdagen van reeds menige week +herdenk, ben ik al geen vreemdeling +meer.</p> + +<p>Sabbath te Jeruzalem. Alle Joodsche +winkels sluiten. Geen Joodsch werkman +is aan den arbeid. De kapperswinkeltjes +hebben het al vroeg in den middag heel +druk. En de jongens, die schoenen +poetsen in het Jodenstraatje.</p> + +<p>Men leert de bewoners onderscheiden +aan hunne kleeren. De Sefardim dragen +zwarte mutsjes. Ook wel een fez, gelijk +de Jemenietische Joden. De Aschkenaziem, +afkomstig uit Oost-Europa, dragen +streimels, dat zijn platte, ronde mutsen +met fluweelen rand. Ze dragen lange +kaftan-kleeren, sommige van schitteren<a name="Page_39" id="Page_39" />de +zijde of fluweel; brandend oranje, +rood of hel-blauw. De mooie Sabbath-kleederen +zijn dikwijls de eenige rijkdom +van deze arme, vrome mannen. +Niemand in Europa weet, wat de +Joodsche stadsbevolking van Jeruzalem +geleden heeft. Duizenden Joden zijn van +honger gestorven. Andere duizenden +door de typhus. In het begin van den +oorlog hebben de Amerikanen geld +gezonden. Toen Amerika den oorlog +begon, hield dat op. De groote, vrome +rabbijnen hebben hun kleeren en hun +zielsbeminde boeken moeten verkoopen +voor een schamel stuk brood. Schatten +aan boeken zijn naar Engeland en naar +Amerika gegaan. De toestand is nu +iets beter. Het ondersteuningswerk is +nu in handen van de Zionisten. Maar +hun werk is natuurlijk ook niet volmaakt. +Het is heel moeilijk eene regeling +te vinden, die niemand schaadt in zijn +rechten en belangen. Misschien was het +beter, dat het politieke werk van de +Zionisten afgescheiden bleef van het +liefdadigheidswerk. Er is een deel van +de orthodoxie, die van het Zionisme +<a name="Page_40" id="Page_40" />niets weten wil. En ook geen geld +wil aannemen, dat door hun handen +is gegaan. Anderzijds wordt beweerd, +dat het voordeelig is, zich aan te sluiten +bij de Zionisten. De toestanden +zijn hier buitengewoon gecompliceerd.</p> + +<p>Maar dat ziet men bij eene wandeling +door de stad niet. Dan zien we, tegen +den Sabbath, de vrome Joodsche mannen +gaan. Zij knippen de hoeken van +het hoofdhaar niet af. Hunne gezichten +zijn mild en teeder met de lange lokken. +Dit zijn de mannen, die de Heilige Leer +beoefenen alleen en uitsluitend om haar +zelve. Niet om eer. En niet om gewin. +Deze zwakke, uitgeleden mannen zijn +de dragers van de oude schatten van +het Jodendom. Maar als dit lieve, zwakke +geslacht uitsterft? Ik ben nog niet in +de koloniën geweest. Men zegt, dat +daar een jong, sterk geslacht opgroeit. +Maar het neemt de oude schatten niet +over. En dat is onze taak: een nieuw +sterk geslacht te kweeken, waarin ook +de Joodsche geest sterk zal zijn. Ontroerend +is het de teedere zwakke Joodsche +geleerden te zien gaan tusschen +<a name="Page_41" id="Page_41" />de stoute, sterke Bedouïenen van het +Transjordaansche. Maar die kunnen +lezen noch schrijven. Als wij dat +bereiken konden: een Joodsche jeugd +zoo stout en sterk als de Bedouïenen +zijn, en zoo wijs en geleerd als de +rabbijnen.</p> + + +<h3>II.</h3> + +<p>De Klaagmuur. Wij zijn den eersten +Vrijdagmiddag naar den Klaagmuur +gegaan. Door een warreling van straten +en steegjes, waarin ik nu ook al geen +vreemdeling meer ben. Een van mijn +Joodsch vrienden te Amsterdam (wat +is Amsterdam ver! Wat zijn de Joodsche +vrienden ver!) schreef mij, dat hij +het liefst zou willen weten, met welke +gevoelens ik den Klaagmuur voor de +eerste maal genaderd ben. Beste vriend, +antwoord ik hem nu: in een ontroering +waarvoor ik geen woorden weet. En +waarvoor gij ook geen woorden weten +zult, wanneer uw Dag gekomen is. Als +wij woorden wisten voor deze ontroeringen, +zouden wij geen individuen +zijn. Maar wij zouden samenvloeien als +<a name="Page_42" id="Page_42" />water droppels. De woorden, die ik nu +opschrijf, zijn niet meer dan punten, +die niet dringen in belangrijke gevoelssegmenten.</p> + +<p>Wat is ons deze Klaagmuur eigenlijk? +Zouden wij zonder dit brok muur +niet weten, dat wij eenmaal een tempel +hebben gehad, teeken van nationale en +godsdienstige eenheid? Wij zouden het +zeker ook weten zonder dien Muur. +En toch: zouden wij het gevoelen, +zóó diep als thans, wanneer we onze +handen leggen op de eeuwige steenen +en onze middaggebeden spreken, het +betraande gelaat naar den muur gekeerd? +De Klaagmuur: ik heb wel eens gevreesd, +dat het niet geheel en al echt +zou zijn, het schreien en weenen bij +dezen Muur. Maar ik vrees dat nu +niet meer. Zij, die lijden, en het zijn +duizenden en duizenden in Jeruzalem, +gaan naar den Klaagmuur om hun eigen +leed daar uit te schreien. Hun tranen +zijn zoo echt, als het leed van het +Joodsche volk. In de reisboeken staan +ons leed en onze muur aangeteekend +als een bezienswaardigheid. De touristen, +<a name="Page_43" id="Page_43" />die waar voor hun geld moeten hebben, +gaan op Vrijdagmiddag tegen den +avond, omdat er dan veel Joodsche +klagers komen. Ik ga bijna elken dag, +tegen den laten middag. Ik heb mijn +hoekje tegen den Muur al gevonden. +Geen vreemde ben ik er meer. Ik heb +dat onbeschrijfelijke gevoel gevonden +van thuis te zijn. Ik ga er vanzelf heen. +O, de weg is niet moeilijk. Dat lijkt +maar zoo in het begin. Tusschen den +Bazaar en het Jodenstraatje links. De +straat in, die daalt met zooveel trappen +en die zoo vol is van Arabisch beeldhouwwerk. +Er is één plaats, waar twee +prachtige poortjes tegenover elkander +zijn. Dan rechts afslaan. En dan altijd +maar links. Overal waar de straat een +hoek maakt, links. Altijd trapjes af. +Een wonderlijke overdaad van straatjes, +steegjes, trapjes, hoekjes en holletjes. +En dan niet dat donkere poortje in. +Maar dat weggetje, waar 's middags +de zon schijnt. Dan zijt ge er. En dan, +mijn beste vriend, wordt het onbeschrijflijk. +Dan komt uw Ziel in het +Gebied, waar geen Woorden door<a name="Page_44" id="Page_44" />dringen. +Dan zijt ge gansch alleen...</p> + +<p>En tot zoover had ik geschreven, +Vrijdagmiddag, toen de bazuin geblazen +werd over de Duitsche Plaats, om de +Joodsche vrouwen te waarschuwen, +dat zij de Sabbathlampen moesten aansteken. +Toen ben ik ook met schrijven +opgehouden. Zeker, beste vriend, zal +ook uw Dag komen, dat gij voor het +eerst naar den Klaagmuur zult gaan. +Zoo God het wil, zal ik gaarne uw +geleider zijn. Tot gij den weg door +warrelende straatjes en steegjes alleen +zult weten. En verlangen zult alleen +te gaan, als uw hart zwaar is en gij +verlangen zult uit te schreien tegen +den muur.</p> + + +<h3>III.</h3> + +<p>Dien eersten Vrijdagavond ben ik +gast geweest in het meisjesweeshuis +van den heer en mevrouw Zilversmit, +waarvan ik u al gesproken heb.</p> + +<p>O, in dit huis is de Sabbath een +heerlijkheid. De zegenspreuken over +Wijn en Brood worden met heilige +wijding uitgesproken. Voor ons is het +<a name="Page_45" id="Page_45" />Hebreeuwsch toch altijd een taal, die +buiten het dagelijksch leven staat. De +Hebreeuwsche woorden kennen wij uit +de gebeden. Zij hebben een bijzondere +gevoelswaarde voor ons. Maar gewone +ongewijde woorden eener spreektaal +zijn zij niet. Voor deze meisjes anders. +Het Hebreeuwsch is hun gewone spreektaal. +De gevoelswaarde van de gewijde +woorden is een geheel andere. Maar +achter al die waarde-verschillen zal ik +wel nooit komen. Want zelfs al was +Hebreeuwsch mij zoo eigen als Hollandsch, +dan nog zou ik mijn subtiele +bedoelingen niet onder woorden kunnen +brengen. En de meisjes zouden de gevoelens, +die mijn woorden opwekken, +ook niet kunnen uitspreken. Wat doet +de zee: de landen verbinden of de +landen scheiden? Wat doet de Taal: +de menschen verbinden of de menschen +scheiden?</p> + +<p>Na het eten worden de lieve, milde +Sabbathzangen gezongen.</p> + +<p>En dan gaan we met ons allen in +de hal. In de groote, heldere hal. De +kleine meisjes spelen hun Hebreeuwsche +<a name="Page_46" id="Page_46" />spelletjes. Altijd een aardige les in het +Hebreeuwsch. De grootere babbelen +in troepjes. En er komen gasten. Want +iedereen is hier welkom. Er is een +Amerikaansche majoor. Een kerel als +een boom. Bij nader onderzoek blijkt +hij een doodgoede medicus te zijn. En, +glimlachend als een oud, moe man, zie +ik de oude geschiedenis, die toch altijd +nieuw blijft. Er komt een lieve, slanke +jongen, een leerling van de Onderwijzers-Kweekschool. +Zijn ouders wonen +in een van de koloniën. Maar hij +is hier in de stad op school. Ik geloof, +dat hij hier zijn vriendinnetje heeft. En +ik geloof, dat het vriendinnetje dat ook +wel weet. En ook wel weten wil. Neen, +ik ben nog niet zoo een heel oud man. +Maar ik heb toch iets meer dan deze +kinderen beleefd. Gij kent het gedicht +van Jacques Perk: "Dorpsdans" natuurlijk +even goed als ik. Een grijsaard +ben ik nog wel niet. Maar het +komt toch. Het komt toch. Misschien +zal het leven deze twee lieve kinderen +wel genadig zijn. En misschien is het +ook heelemaal niet waar.</p> + +<p><a name="Page_47" id="Page_47" />Het is wel heel laat, wanneer wij +scheiden. Donkere maan. Maar er is +de goedgezinde Challad met de lantaarn, +die mij naar het hotel brengt. In het +hotel wel alles wreed en vreemd. Voor +de deur ligt een van de kellners op +een mail-stoel te slapen, bij wijze van +deurwachter. Na den lieven vrede in +het groote gezin van den heer en +mevrouw Zilversmit is dit wel wreed +en vreemd. Als ik in de kleine hotelkamer +kom, moet ik mijn hand drukken +op mijn hart barstend van pijn. En ik +moet tegen het dwaze, bonzend hart +zeggen: "Dwaas hart, zoudt ge nu +niet eens rustig willen zijn... ge zijt +hier, waar ge altijd hebt willen zijn. +En wie te Jeruzalem sterft, wordt daar +ook begraven."</p> + + +<h3>IV.</h3> + +<p>Den Sabbathmorgen ga ik ten gebede +in het jongensweeshuis van den +heer Goldsmit, ook Hollander van +geboorte. Gij allen, die Jeruzalem kent, +weet, dat het een heele stap is. Van +de Duitsche Plaats de groote Poort +<a name="Page_48" id="Page_48" />uit, den Bazaar door en de Jaffastraat +tot de Bioscoop en dan links af. Daar +ligt dat weeshuis lekker buiten. In het +licht en in de zon. Net wat Joodsche +jongens noodig hebben om gezond en +sterk te zijn. Wij beginnen hier onze +gebeden vroeg: zeven uur. Maar als +ik van huis ga, tegen half zeven, dan +is men in de beide Synagogen van de +Duitsche Plaats al begonnen. En ook +in de kleine Synagoge, bij het Jodenstraatje, +waar de kolenkoopman zijn +winkeltje heeft, en waar de twee gaarkeukentjes +zijn. Maar het kolenwinkeltje +en de gaarkeukentjes zijn nu +dicht omdat het Sabbath is. Alle winkeltjes +in het Jodenstraatje zijn dicht. +In de dichte poelierswinkeltjes kraaien +de geoordeelde hanen en hennen. In +het Specerijenstraatje zijn de lekkere +winkeltjes al open: Even inkijken. Even +snuiven. En dan verder.</p> + +<p>Bij het Weeshuis is een kleine Synagoge. +Vierkant met ramen in twee +muren. En een dak van wit gekalkt +gewelf. De zon van Palestina is een +gezegende zon: die is altijd en overal.</p> + +<p><a name="Page_49" id="Page_49" />Er zijn hier een vijftig kleine jongens +in het weeshuis. Laten wij later eens hun +geboorteplaatsen opschrijven. Dan kunnen +wij zien, hoe het Joodsche Volk +gezworven heeft. Er zijn in het Weeshuis +zelf geen tien manspersonen boven +dertien jaar, die toch bij de gebeden +aanwezig moeten zijn. Maar zij komen +dan van de stad. Wij zijn een groot gezin. +Vreemden komen hier niet. De dienst +gaat heel stil en heel eenvoudig, zooals +wij dat in Holland gewoon zijn.</p> + +<p>De zegen door de Priesters wordt +elken Sabbathmorgen tweemaal uitgesproken. +De huisbediende is uit den +Priesterstam. Heel de week dient hij +in het dagelijksch huiswerk. Maar de +Sabbath maakt hem tot onzen meerdere. +Hij heft zijn handen over ons hoofd. +En hij spreekt de eeuwen-woorden. Hij +weet ook zeer wel, dat hij mijn meerdere +is. Een kroon van goud en edelsteenen, +zooals Europeesche koningen, +dragen onze Priesters niet. Zij dragen +een kroon, die God zelf voor hen heeft +gesneden en geslagen uit de steenen +en uit het goud van Zijn Woord.</p> + +<p><a name="Page_50" id="Page_50" />O, mijn hart: die vijftig kleine Joodsche +jongens, zoo allen tusschen zes +en twaalf, langs welke wegen zijn zij +hier gekomen? En langs welke wegen +zullen zij gaan tot aan hun eindelijke +rust? Maar hun jeugd is hier goed en +tevreden. Wat zal men kinderen voor +hun leven beter medegeven dan den +lichten last van een goede en tevreden +jeugd? Hier is licht, lucht en zonneschijn. +Ga maar eens door de straten +van de oude stad. Ja, zeker zijn ze +mooi en bijzonder met hun overvloed +van trappen, steegjes, poortjes, gewelven, +hofjes en huizen. Maar er zijn +hoeken, waar de zon nooit komt en +waar de lucht loodzwaar is.</p> + +<p>O, ik houd van de vijftig kleine +Joodsche jongens. Na den kerkdienst +hebben zij natuurlijk honger. En zij +krijgen lekkere beste boterhammen, nadat +de zegen over wijn en brood is +uitgesproken. En dan zingen zij de +gezangen van den Sabbathmorgen. Ik +zou ze wel graag willen vragen of er +ook verschil bestaat in waarde tusschen +een woord in de gewone spreektaal +<a name="Page_51" id="Page_51" />en tusschen datzelfde woord in de taal +van de gebeden. Maar voor die vragen +weet ik geen woorden. Dus ga ik +maar eens kijken, hoe ze na eten knikkeren +en petjebal spelen. O, gij houdt +dat voor gewone kinderachtige spelletjes, +waarvan niets te leeren valt? Ja +dat kan in het Hollandsch wel zoo zijn.</p> + +<p>Maar in het Hebreeuwsch is dat heelemaal +niet zoo. Juist van die levende +Joodsche jongens moet ik de levende +Joodsche taal leeren. Maar zij zijn lastige +leermeesters. Zoo vlug en zoo +beweeglijk. En ik wil ze niet vragen +naar die kleine woordjes, waarmee ze +spelen en samen hanselen. Want dan +is het aardige, het levende er meteen +af als van gevangen vlinders. En ik +zucht. En ik denk, dat ik wel te oud +ben geworden om petjebal en bokspringen +te leeren in het Hebreeuwsch.</p> + +<p>Op het terras van het weeshuis, vol, +vol, vol van zon, is nu bezoek. En daar +kunt ge nu alle talen hooren, waarvan +Jeruzalem wemelt: Arabisch, Spanjoliet, +Jiddisch, Bockhaarsch. Hebreeuwsch +wordt door de ouderen nog betrekke<a name="Page_52" id="Page_52" />lijk +weinig gesproken. Maar het weeshuis +spreekt alleen Hebreeuwsch, zoodat +de jongens hun Arabisch, Spanjoliet, +Jiddisch of Bockhaarsch al goed vergeten. +Zoo zijn de ouderen dan wel +verplicht Hebreeuwsch met de kinderen +te spreken. En derwijze bouwen de +jongeren het Hebreeuwsch op in de +harten der ouderen.</p> + + +<h3>V.</h3> + +<p>Een heilige Sabbathmiddag. De groote +meisjes van het weeshuis maken een +wandeling. En ik mag mee. Waarheen? +Naar een bron van levend water, ergens +bij het dorp van Silouan. O, dat +is voor Holland niets, levend, stroomend +water. Maar dat kennen wij hier in +Jeruzalem heelemaal niet. Grachten zijn +hier niet. Rivieren, die des zomers niet +uitdrogen, zijn er maar heel weinig in +het land. Die bron bij Silouan is dus +heel iets bijzonders. Hij geeft alleen +maar water vlak na den grooten regentijd, +den zoogenaamden vroegen regen. +Een paar weken daarna is alles droog.</p> + +<p>Ik ken het dorp Silouan wel. Het +<a name="Page_53" id="Page_53" />ligt tusschen den stadsmuur vóór de +Duitsche Plaats in het dal tot den Olijfberg. +Uit mijn raam zie ik het. Boomen +zijn er niet. Het is heelemaal niet zoo +een dorp als de dorpen van de Zaanstreek +bijvoorbeeld. De huizen zijn niet +van hout en niet van roode gebakken +steen. Maar van grauwe gehouwen +steenen. Van verre gezien lijkt het nog +wel heel wat. Maar van binnen zijn +de huizen doodarmoedig. Er zijn twee +deelen van het dorp: Arabisch en +Joodsch-Jemenietisch.</p> + +<p>Van het Weeshuis gaan we dus eerst +weer het domein van de Russen over. +Dat is altijd. Dan door de zonnige +Jaffastraat (wie geeft ons hier eens +wat lekkere, frissche boomen?) en bij +de Jaffapoort rechts-af.</p> + +<p>Dat is weer een les in het levende +Hebreeuwsch, de wandeling met de +meisjes. Ik hoor hoe de wilde mosterd +heet en het madeliefje. En hoe de vogels +heeten, waarvan het gefluit over ons +heen valt. Op den grooten heerweg +hebben de meisjes keurig geloopen in +rijen van twee en twee. Maar op de +<a name="Page_54" id="Page_54" />smalle windende binnenweggetjes loopen +we een voor een, voorzichtig. En +zon, zon, zon. Overal zon. Een van +de plaatsen, waar anders het levende +water welt, is al droog. Maar de ander, +een eindje verder, die is er nog. Dat +ligt in een dal tusschen heuvels. Het +is heel druk bij die bron van levend +water, want levend water is hier zeldzaam. +Twee Arabische vrouwen wasschen +groenten schoon. Morgen zitten +ze daarmee onder dat wijde, witte, +gewelf in den Bazaar, domein van de +groente-dames. Maar bij de bron krijgen +ze vandaag ruzie met een Jemenietisch +joodsch jongetje, die pootjes +baadt. Het jongentje is met zijn bekje +volkomen tegen de Arabische dames +opgewassen. Van hun woorden versta +ik niets. Maar ik vermoed, dat het joodsche +jongentje een betoog levert, dat +een bron van levend water iedereens +eigendom is, dat wil zeggen: niemands. +Een bron, een bron: laat u niet in de +war brengen door dat woord. Het is +heelemaal geen gemetselde put of een +diepe spelonk, waaruit het water ruischt. +<a name="Page_55" id="Page_55" />Neen, een kuil in den bodem, daaruit +borrelt heel stil het water. En over +de randen van den kuil vloeit het weg +in het landschap. Een oud vrouwtje +laat een klein kindje drinken. Het oude +vrouwtje is heelemaal niet bang voor +typhus. En het kleine kindje ook niet. +De twee Arabische vrouwen zijn met +de groenten klaar. Het Jemenieten-jongetje +heeft het rijk alleen. Tot er +een gendarme aankomt. Een Arabier +prachtig op zijn paard. Hij jaagt het +booze jongentje den waterkuil uit. En +hij laat zijn paard drinken. Dat is lekker +voor zoo een beest, levend water. O, +er gebeurt hier van alles. In dit kleine +dal tusschen heuvelen. Een meisje met +een groote, zwarte geit. Die geit moet +naar huis. Maar de geit wil niet naar +huis. En het meisje met de geit vechten. +Precies zooals twee booze jongens +vechten. De zware, zwarte geit zal +het winnen. Maar neen, daar komt de +koeienvrouw, die juist met haar koeien +op weg is naar huis, en die drijft de +zware, zwarte geit den goeden weg op.</p> + +<p>Iedereen komt kijken naar dit wonder +<a name="Page_56" id="Page_56" />van levend water. Een vader en een +zoontje. Twee mooie Arabieren. De +vader op een schimmel. En het zoontje +op een mooi wit ezeltje. Ze laten eerst +de beide beesten lekker drinken. En +dan drinken ze zelf. En ze gaan lekker +lui tegen een heuveltje liggen. Zeker +houden ze veel van elkander. Want +de vader heeft zijn arm om het zoontje +heengeslagen. En het zoontje heeft zijn +kop tegen den vader aangelegd. Zeker +bewondert de vader zijn mooien, sterken +jongen. Of denk ik dat maar? En +denkt de vader aan prijs van koren, +paard en ezel? Hoe ziet de ziel van +een Arabischen vader er uit? Hoe ziet +mijn ziel er uit?</p> + +<p>O, er gebeurt van alles. Een kleine +vrouw vult een gelooide geitenhuid +met lekker frisch water. En een jongentje +komt met een petroleumblik om +water te halen. Er gaat vijftien liter +in. Hij kan het blik wel vullen. Maar +niet op zijn hoofd zetten. Nu, de vrouw +met de gelooide geitenhuid helpt hem +gaarne. Hij houdt het blik met beide +kleine handjes vast. En op sterke, vaste +<a name="Page_57" id="Page_57" />pootjes loopt de jongen huiswaarts. +Later zullen wij hem nog eens tegenkomen, +op den terugweg met het leege +blik, gaande naar die milde levende bron.</p> + +<p>Heel het landschap is décor. En dit +leven is tooneel, waarnaar de Dood +mild en ernstig kijkt, dat alle spelers +op hun tijd het tooneel verlaten.</p> + +<p>De schaduwen van den laten middag +leggen zich langer en lager. Wij gaan +op den terugweg. Nu een anderen weg. +Langs de tuintjes, die wij van den +stadsmuur af in terrassen zien vallen +naar het dal toe. Waar water komt, +daar is het land ook vruchtbaar. Elk +plekje grond wordt hier voor groententuin +gebruikt. De vrouwen werken +daar, vroeg oud en geduldig. Waar +wij de stad naderen wordt het tooneel +weer voller. Op een muurtje zit een +rij vrouwen uit te kijken naar het dal. +Als de meisjes net twee mannen voorbijkomen, +slaan zij snel de sluiers voor. +Op den hoogen stadsmuur wemelt het +van luie kijkers. Heel eenzaam op een +heuveltje zitten een bruin broertje met +een bruin zusje. En ze kijken uit, hoe +<a name="Page_58" id="Page_58" />de avond daalt. O, wat is dat lief en +teeder.</p> + +<p>De meisjes kakelen hun mooi Hebreeuwsch. +Maar ik ben moe en bedroefd. +Jeruzalem. Amsterdam. Zooveel +wind en zee tusschen de beide steden. +Zal ik te Jeruzalem mijn rust vinden? +Ach, de rust en de onrust zijn niet in +de steden, maar in onze ziel. En ook +hier ben ik een diep-gekweld mensch.</p> + +<p>Deze zalige Sabbath eindigt. En +dan? En dan? Laat ik probeeren dankbaar +te zijn: wanneer de Sabbath het +Heilige van ons leven is, dan is Sabbath +in Jeruzalem zeker het Allerheiligste wel.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h2><a name="DE_STAD_VAN_JIRMEJAHOE" id="DE_STAD_VAN_JIRMEJAHOE" /><a name="Page_59" id="Page_59" />DE STAD VAN JIRMÉJAHOE.</h2> + + +<p>De vastendag van 17 Tammoez. De +drie weken. De vastendag van 9 Ab, +Wij hebben weder alle rampen herdacht, +die één- en tweemaal over Jeruzalem +heengekomen zijn. Nu gaan wij door +het tweede gedeelte van de maand +Ab, dat Menachem, dat is Vertrooster +heet.</p> + +<p>Kunnen wij eigenlijk deze droeve +dagen nog wel gedenken? Zou Frankrijk +den Sedan-dag nog gedenken als een +nederlaag of Duitschland als een overwinning. +Misschien is de herdenking +goed voor Frankrijk als een vermaning +tot bescheidenheid en voor Duitschland +als eene bemoediging tot kracht. +Keer en tegenkeer.</p> + +<p>De vraag of wij voort zullen gaan +met het herdenken van onze nationale +treurdagen is besproken. In Engeland +door de Jewish Chronicle, die tegen +afschaffing is. Hier heeft de "Palestine +Weekly", het Engelsche bijblad van +Doar Hajom, al heel voorzichtig te +kennen gegeven, dat in orthodoxe +<a name="Page_60" id="Page_60" />kringen het voornemen bestaat, den +vastendag van negen Ab zijn droevig +karakter voor een gedeelte te ontnemen. +Ik geloof dat niet. Maar men +maakt de geesten bereid: Bijvoorbeeld: +een van onze Hollandsche Zionisten +beweerde, dat de Rabbijnen Diskin en +Sonnefeld den negenden Ab als vastendag +hadden afgeschaft. Het was overal +in de stad aangeplakt. Heel geloofwaardig +was 't bericht niet. Zoo iets +als de bewering, dat dr. Kuyper en +mr. De Savornin Lohman hebben toegestemd +in een bolsjewieksche revolutie. +Maar overal in de stad aangeplakt! +Laat mij dat dan maar eens zien. Groote +gele biljetten. Een verbod van de +Rabbijnen Diskin en Sonnefeld deel te +nemen aan de Constituante wegens het +vrouwen-kiesrecht. Niet precies hetzelfde. +Hebreeuwsch is een moeilijke +taal. Maar de geesten worden bereid.</p> + +<h3>II.</h3> + +<p>Wij hebben den dag gehouden als +naar gewoonte, in het jongensweeshuis +van den heer Goldsmit. De kleine +<a name="Page_61" id="Page_61" />synagoge ontdaan van alles, wat maar +overbodig is. Wij zitten des avonds +op den grond bij weinig kaarslicht. +De jongens barrevoets. De treurzangen +en Jeremia's klaaglied worden gelezen. +Ook den volgenden dag worden zij +gelezen. Het is alles als andere jaren. +Maar het is toch niet alles als andere +jaren. Een Joodsche Landvoogd. En +sinds de Paaschdagen een verandering +ten goede, die ons vaak angstig maakt, +zóó glad en goed als alles gaat. Kunnen +wij nu alle droeve dagen nog zóó blijven +gedenken?</p> + +<p>Des Zaterdagavonds ben ik naar den +Klaagmuur gegaan. Verleden jaar heb +ik het niet gedaan. Men had mij gewaarschuwd. +Ik had moeten luisteren. +Welk een droevig en beschamend +schouwspel. In den nacht van den +negenden Ab komen de vrome Joden +aan den Klaagmuur bidden en leeren. +En de nationale jeugd komt er zich +bij vermaken. De jongens zoo vrij +mogelijk gekleed. Meisjes, in lichte +toiletjes, rokjes kniekort, dragen wandelstokjes, +zooals zij het de vrouwen van +<a name="Page_62" id="Page_62" />Engelsche officieren soms zien doen. +Luid gebabbel en er wordt gezellig +gerookt. Vaarwel Klaagmuur. Een droevig +en beschamend schouwspel. De +nationale opvoeding van de laatste +jaren heeft hun geen eerbied voor ons +nationaal verleden geleerd. Ongetwijfeld +heeft onze Palestinensche jeugd +veel goeds. Ziet onze gymnasten en +onze padvinders maar eens door de +stad gaan. Maar anderzijds: welk een +oppervlakkigheid en gemis aan ernst. +Talrijke jonge onderwijzers bijvoorbeeld +verlaten het land om buiten verder te +studeeren of prettiger te leven, terwijl +zij hier zoo noodig zijn. Het zijn in +vele gezinnen ook de jongelui, die de +ouders dwingen tot een leven boven +stand. Wij worden hier af en toe grimmig. +Bijvoorbeeld: men heeft buiten +het land een groote reclame gemaakt +met het feit, dat Palestina een honderdduizend +pond heeft gegeven voor het +Bevrijdingsfonds. Heel mooi. Maar nu +hooren wij, dat allerlei beloofde giften +niet betaald worden. Een groot gedeelte +van het geld is gegeven door +<a name="Page_63" id="Page_63" />ambtenaren en door de onderwijzers, +die vlak daarop een groote salarisverhooging +kregen en nu weder een +duurte-toeslag. O, de geest van materialisme +en egoïsme! Die moeten wij +te boven komen.</p> + + +<h3>III.</h3> + +<p>Jeruzalem drukt mij. De kleine, geweldige +stad, die de navel is van Gods +aarde. Ik zit in te veel vereenigingen +en in te veel commissies die toch alle +niets doen dan praten. Eén dag wil +ik weg zijn. Ik wil naar Anatoth gaan, +dat tegenwoordig Anata heet. De stad +van Jirméjahoe, dien gij Jeremia noemt. +Gij weet, hoe het Boek van Jeremia +begint: "De woorden van Jeremia, den +zoon van Hilkia, uit de Priesteren, die +te Anatoth waren, in het land van +Benjamin". Verleden jaar ben ik door +Anatoth gekomen, op weg naar het +water en naar den waterval van Aïn +Fara. Jeremia. Het was de Profeet, +dien ik vreesde. Jesaja, de milde, lichtere. +Maar dit jaar is Jeremia mij vertrouwder +geworden. Ik heb alle Drie Weken +<a name="Page_64" id="Page_64" />lang Jeremia gelezen. De Klaagliederen +en het Boek van zijne voorspellingen +en vermaningen. Nu is ook zijn donkere, +zware taal lichter geworden.</p> + +<p>Ja, dus wil ik naar Anatoth gaan, +ter bedevaart. Voeten gaan over dezelfde +landen, die Jeremia ook is gegaan. +Dezelfde lijnen zien van zijne bergen, +toen Jeremia een Joodsche jongen was. +Hoe vertrouwd alles en hoe dichtebij. +Op zijn hoogen heuvel Mizpah zien +liggen, dat de Arabieren noemen Nebi +Samwil, dat is Profeet Samuël. En +verder het oude Bijbelsche Rama. +Alleen hier, in dit Heilige Land kan +men de Heilige Schriften beleven.</p> + +<p>Naar Anatoth gaan en in een van +de vijgentuinen de Boeken van Jeremia +lezen, waar de zon heet is en de +schaduw koel.</p> + + +<h3>IV.</h3> + +<p>Neen: mijn vriend Adil Effendi zal +niet met mij medegaan. Dit is geen +tocht voor hem. Maar Galed, de Arabier +van het meisjesweeshuis. Ach: er +is veel veranderd. Een nieuwe geest, +<a name="Page_65" id="Page_65" />wel werkzaam, wel bedrijvend. Maar +waar is de vroomheid, en waar is de +heiligheid van Sabbath en Feestdagen. +O, de onheilige geest van materialisme +en van zelfzucht, die over dit land +vaart. Galed is nog in het weeshuis. +Hij wil gaarne medegaan. Een dag van +geen werk en zeker een bakschisch.</p> + +<p>Wij gaan op weg vóór het vijf uur +is. Natuurlijk zal het niet regenen. Het +regent niet van April tot over November. +Maar het heeft zwaar gedauwd, dat +nu in grijze tochten optrekt.</p> + +<p>De wegen bekend tot aan het groote +huis van den Groot-Mufti aan den +Olijfberg-weg. En telkens de verrukkelijke +uitzichten over Jeruzalem. De +stad, oud, binnen zijn muren. En de +nieuwe wijken uitgebouwd en uitgeblokt +over heuvelen en dalen. Zooveel kerken. +Een heilige stad van allen. Maar toch +onze stad. Bij het huis van den Groot-Muftie +links en langs weer een groot +Engelsch soldaten-kerkhof. Er is hier +voortdurend zwaar gevochten van de +bezetting van Jeruzalem tot de laatste +doorbraak.</p> + +<p><a name="Page_66" id="Page_66" />Dan in de bergen. De stad heel weg. +Alles stil. Een voetweg. Anatoth ligt +buiten groot verkeer. Er is een rijweg, +door de Engelschen in den oorlog +uitgelegd. Maar wij gaan kleinere, +snelle wegen. Een kleinverkeer tusschen +dorp en stad. Wat druiven, tomaten, +brandhout op kleine ezeltjes heen en +weer. De bergen kaal. Zwarte geiten +grazen het droge zomergras als hooi. +De hitte stijgt. Van verre Anatoth. +Land en stad van Jirméjahoe.</p> + + +<h3>V.</h3> + +<p>Nu is het maar een handvol hoopje +huizen op zijn heuvel. Veilig voor de +vijanden en open voor den wind. Toch +maakt het van verre een beteren indruk +dan groote dorpen als Zarnoeka +en Jibné, die van leemen huizen zijn +gebouwd. Hier zijn de huizen van +gehouwen steen. Sommigen half-af. +Of opgezet als groote huizen en afgebouwd +met een dwaas, kort dak.</p> + +<p>Anatoth was een Levietenstad in +Benjamin, (Josua XXI: 18) waarheen +Salomo Abjathar den Priester bande, +<a name="Page_67" id="Page_67" />zeggende: "ga naar Anatoth, op uwe +akkers" (I Koningen II 26-27). Misschien, +dat wij wel over de akkers +van Abjathar gaan. Hier is het land, +waarover de Assyriërs naar Jeruzalem +trokken in de dagen van Jesaja +(X 28:32). Toen moet het "arme +Anatoth" een vesting geweest zijn. +"Anatoth en hare voorsteden", zegt +de Statenvertaling in Josua XXI:18. +"Voorsteden": ik twijfel of die vertaling +goed is. Hebben al die steden +daar genoemd dan maar "voorsteden" +gehad? Het "Hebreeuwsch" heeft: +"migrach", dat is: een weideplaats voor +vee, rondom de stad, en in nieuwer +Hebreeuwsch ook een: bouwterrein +voor een huis.</p> + +<p>Men zegt, dat in de huizen zeer +oude steenen zijn ingebouwd. Ik zie, +midden tusschen nieuwe steenen, een +groot, grauw bouwblok, dat lijkt op +de steenen van den Klaagmuur.</p> + +<p>Men begint nu weer aan de voorbereidingen +voor archaeologische onderzoekingen. +Anatoth zal ook wel +een beurt krijgen.</p> + + +<h3>VI.</h3> + + +<p>Wij legeren ons in een vijgentuin +buiten het dorp aan den weg naar +Aïn Fara. De vijgen zijn nog niet rijp, +maar de bladeren gewoon heerlijk. Ze +beschutten zalig voor de zon en de +wind waait er koelte. Altijd maar op +een heuvel, uw dorpen. Het wijde uitzicht, +een wereld, die ook de wereld +van Jeremia is geweest. Hoe héél +dichtbij en hoe vertrouwd. Hier hebben +de booze mannen van Anatoth geleefd +en zijn zij gestraft, gestorven (XI 21-23). +Deze tuin of daaromtrent is het veld, +dat Jeremia kocht van Hanameël, den +zoon van zijn oom. (XXXII:7). En +in onze dagen worden de woorden +vervuld (XXXII:15): "Want zoo +spreekt de Heer der heirscharen, de +God van Israël: weder zullen er in +dit land huizen, velden en gaarden +gekocht worden". De uren gaan in een +zalige onschuld, en het is al mooi +middag geworden, wanneer ik, mijn +booze vrienden van den Joodschen +Wachter gedenkend, lees, welk een +<a name="Page_69" id="Page_69" />geweldig défaitist Jeremia is geweest. +(XXXVIII: 1-6). Maar hij werd dan +ook levend in een put geworpen.</p> + + +<h3>VII.</h3> + +<p>Wij eten te zamen gezeten op een +muurtje van steen, gelijk men hier om +de tuinen bouwt. Wij hebben wittebrood, +druiven, vijgen en heerlijk water, +diep uit den grond. Galed maakt praatjes +met de voorbijgangers. Een vrijmoedige +vrouw, die de veldwachter blijkt te zijn. +Een afschuwelijke oom met een heel +aardig neefje. De afschuwelijke oom +doet niets. Het neefje houdt het Engelsche +kerkhof zuiver. Hij verdient +een shilling per dag, maar is dan ook +"ketier mabsout", gij zoudt zeggen: +reuze-tevreden.</p> + +<p>Maar wij moeten de Stad van Jirméjahoe +verlaten. Want ik kan niet te +laat terugzijn in Jeruzalem, de oude, +geweldige stad. Er is een vergadering +van den Aschkenazischen kerkeraad, +waarin eenige oude twisten zullen +worden geliquideerd en eenige nieuwe +zullen worden opgezet.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h2><a name="YATACK_IL_KHARAMIYEH" id="YATACK_IL_KHARAMIYEH" /><a name="Page_70" id="Page_70" />YATACK-IL-KHARAMIYEH??</h2> + + +<p>Wanneer ik op een milden Vrijdagochtend +mijn bezoek breng bij den +Groot Mufti van Palestina, te Jeruzalem, +dan vind ik daar den Kadi en +Djemal Bey Husseini, een van de +politieke Arabische advocaten. En ook +drie zwijgende Arabieren. Gekleed in +de dracht van aanzienlijke Fellachen. +Zij spreken en zwijgen alleen in het +Arabisch. Hoe heeten zij? Djemal +Bey schrijft het op. Zij zijn twee +broers: Amin en Ragib El Hawadja +en de zoon van één hunner. Ik moet +lachen om den naam: Hawadja. Want +dat is de titel van Europeanen en +Christenen. Aanzienlijke Mohammedanen +heeten Effendi.</p> + +<p>Vrijdagavond. Wij hebben gasten. +Familie van de vrouw des huizes. Haar +vader is jaren lang hoofd geweest van +de Wachters, die de Joodsche kolonie +Rehoboth beschermen tegen Arabische +rakkers. Haar broer een van de stoutsten +en sterksten onder de Joodsche +ruiters. Ik zeg iets over mijn bezoek +<a name="Page_71" id="Page_71" />bij den Mufti. En over de drie mooie, +zwijgende Arabieren, die ik voor rustige +landedellieden houd. De wondere +naam El Hawadja is mij natuurlijk bijgebleven. +Maar dan word ik door den +vader uitgelachen en ingelicht. Wat, +kon ik Amin el Hawadja niet? Dat is +de grootste dief van heel Palestina. +Dat wil zeggen: hij steelt zelf niet. +Maar hij kent alle dieven. Zij stelen. +En zij brengen den buit bij hem. Doen +ze dat niet (maar ze doen het!) dan +zorgt hij, dat ze in handen vallen van +de politie of van den bestolene. Doen +ze het wel (en ze doen het!) dan zorgt +Amin voor den verkoop. Dikwijls ook +wendde de bestolene zich tot Sjech +Amin met verzoek den dief op te sporen. +Natuurlijk werd het gestelene dan +spoedig gevonden. En de dief kreeg +ook wat. In den Turkschen tijd was +dat veel eenvoudiger dan een klacht +indienen bij de Regeering. Amin el +Hawadja heet Sjech el Kharamijeh, +dat is: de Sjech der Dieven. Heelemaal +geen schandnaam. Stelen is hier +trouwens geen schande. Maar bestolen +<a name="Page_72" id="Page_72" />worden, dat is schande. Diefstal is een +beleediging, die zoo mogelijk zwaar +gewroken wordt. En de dieven zijn +dikwijls veel banger voor den bestolene +en diens familie dan voor de Regeering. +Vooral in den Turkschen tijd, +toen eigen richting nog iets heel gewoons +was. De Engelschen gaan die +te keer. Sjech el Kharamijeh! Hij is +er geducht rijk bij geworden. Hij heeft +acht en twintig kinderen in leven. Tien +zonen. En achttien dochters. Hij heeft +vijftien vrouwen gehad. Dood. Gescheiden. +Nu nog vier over.</p> + + +<h3>II.</h3> + +<p>En dat is nu aardig. Een paar dagen +later komt Amin paarden verhandelen +met mijn vriend Abdoel Salaam, den +broer van Adil Effendi. Amin vertelt, +dat hij bij den Groot Mufti is geweest +en dat hij daar een Europeeschen chawadja +heeft ontmoet. "Juist," zegt Adil: +"die chawadja is een groote vriend van +ons." En dan noodigt Sjech Amin ons +uit hem te bezoeken. Hij woont te +Naälin, diep en hoog in het gebergte +<a name="Page_73" id="Page_73" />van Judea. Oostwaarts van Ludd en +Ramleh. Niet ver van Midji, het oude +Modin, de stamstad van de Chasmoneesche +heldenfamilie. De donkere +oogen van Adil schitteren, wanneer hij +mij de uitnoodiging overbrengt. Twijfel +ik nog, of ik gaan zal? Mag men een +zoo machtigen sjech zóó beleedigen! +Maar ik spreek nog lang geen Arabisch +genoeg om mij met den sjech +waardig te onderhouden. Adil biedt +grootmoedig aan mede te gaan. Nietwaar, +anders moest ik toch een tolk +medenemen en misschien nog wel een +gids. Goed, maar als wij eens afdoend +bestolen werden? En ik vertel Adil +wat ik van den waardigen Sjech el +Kharamijeh heb gehoord. Maar nu +wordt Adil heel boos. Mag men een +machtigen sjech zóó belasteren? Zeker +weet de wijze Amin el Hawadja alle +dieven en alle diefstallen. Hij helpt de +bestolenen altijd in het weervinden van +het gestolene. En natuurlijk worden +hem dan moeite en tijdverlies vergoed. +Moet hij schade lijden, omdat anderen +zoo dom zijn, dat zij zich laten be<a name="Page_74" id="Page_74" />stelen? +Goed, dan zullen wij de uitnoodiging +aannemen.</p> + +<p>Het wordt een groote reis. Naälin +ligt een twintig kilometer Noordwest +van Jeruzalem. Maar er is geen weg. +Een looppad, hoogstens een paardenpadje +door de bergen. Wij moeten met +den morgentrein gaan naar Ramleh of +Ludd. Overnachten. En 's morgens te +paard de bergen in. Geen wagenweg. +Twee dagen uit en thuis. Adil doet +thuis ook niets. Maar op reis niets +doen is toch nog weer geheel anders.</p> + + +<h3>III.</h3> + +<p>Nietwaar, vóór men op reis gaat, +mag men toch wel eens informeeren +naar den gastheer? En zietdaar informaties +uit zeer vertrouwbare bron: +"Amin el Hawadja was hoofd van een +rooverbende en maakte het geheele +district onveilig. Hij had altijd een +honderd goed gewapende en goed bereden +mannen onder zijn commando, +die hem met hart en ziel waren toegedaan. +Hij maakte een groot fortuin +en dwong een groot aantal dorpen +<a name="Page_75" id="Page_75" />hem als sjech te erkennen. De Turksche +regeering kon niets tegen hem +doen. Hij werd verscheidene malen ingepikt, +maar al gauw weer losgelaten +uit vrees voor zijn bende. Na de +Engelsche bezetting en met het begin +van de Arabische nationale beweging +werd hij een man van veel invloed. +De leiders van de beweging vleiden +hem. Hij werd heel trotsch en beloofde +hun zijn hulp. Ofschoon hij een man +is zonder eenige opvoeding, slaagde +hij er in op goeden voet te komen +met de Engelsche autoriteiten en de +militaire gouverneur van Ramleh heeft +hem verscheidene malen bezocht. Hij +zelf steelt nu niet meer. Hij is alleen: +"Het bed van de dieven", zooals de +Arabieren hem noemen: "Yatack-il-Kharamiyeh". +Al 't gestolene wordt +bij hem gebracht en hij brengt 't aan +de markt. Iedereen in 't geheele land +weet dat. Tegenover den bekenden +Tewik Bek heeft hij zich uitgelaten, +dat hij de Engelschen nog wel eens +een loer draaien zou. "Ze konden zich +nog wel eens in hem vergissen."</p> + +<p><a name="Page_76" id="Page_76" />Ook Mohammed van den heer Goldsmit +kent hem. Als ik hem vraag of +hij Amin el Hawadja kent, dan heeft +Mohammed maar één woord. <i>Het</i> +woord. Maäloum. En ik vraag verder: +"is hij de sjech el kharamiye?" Er zijn +misschien geen gevaarlijke vragen. Maar +er zijn gevaarlijke antwoorden. "Ja," +zegt Mohammed: "ik ben uit een ander +dorp. En veel van wat verteld +wordt, is niet waar. Allah moge alle +lasteraars straffen. En ook de dieven +moge hij straffen."</p> + + +<h3>IV.</h3> + +<p>Nietwaar, na deze gunstige informatiën +mogen wij gerust gaan. Wie +ook bestolen worden, de gasten van +den hoofdman zeker niet. Wij zullen +Amin dus een brief schrijven, dat wij +hem Dinsdag aanstaande zullen komen +bezoeken. Adil belast zich daarmede. +Het is een heel moeilijk werk, want +Amin Effendi is een groote sjech. Wij +bedenken ons op ieder woord. Maar +'t wordt dan ook een mooie brief: +"<a name="Page_77" id="Page_77" />Aan Zijne Excellentie, den Geëerde, +den heer Amin el Hawadja, dat hij +altijd leve. Amen!</p> + +<p>Wij groeten Uwe Excellentie zeer +en wij vragen naar zijn welvaren. Gij +weet, dat gij naar El Kuds zijt gegaan +en dat gij daar hebt bezocht Zijne +Eminentie, den Groot Mufti Kamil +Effendi Husseini. Gij hebt daar eenen +vreemden heer ontmoet, dien Gij later +hebt uitgenoodigd Uwe Excellentie te +komen bezoeken. Daarom schrijven wij +Uwe Excellentie dezen brief, dat wij +hopen te komen op den Derden Dag +van de volgende week. Allah is groot. +Wij hopen Uwe Excellentie en zijne +familie in gezondheid te vinden.</p> + +<p>Zij, die u schrijven,</p> + +<p> +Adil Awedah,<br /> +Jacob Israël de Haan.<br /> +</p> + +<p>Geschreven te El-Kuds, op den vierden +dag van den eersten maand Rabia, +van het jaar 1338."</p> + +<p>Ook het adres is heel mooi. Rechts +boven, vlak in den hoek: "Van El-Kuds," +dat beteekent: "De Heilige." +<a name="Page_78" id="Page_78" />Zóó noemen de Arabieren Jeruzalem. +Links vlak in den hoek: "Naar Naälin." +En midden in één lange lijn: "Aan +Zijne Excellentie, den heer Amin el +Hawadja, dat hij lang leve. Amen!"</p> + +<p>Gij, Hollandsche lezer, denkt nu, dat +wij op dezen brief een mooien gelen +postzegel hebben geplakt van vijf millièmes, +en toen hebben gepost? Maar +dan zou de brief misschien niet aangekomen +zijn binnen de zes dagen tot +ons bezoek. Neen, wij hebben den +brief medegegeven naar Rehoboth, en +vandaar is hij per looper naar Naälin +gebracht. Dat kostte maar zeven shilling. +Des Zaterdagavonds hebben wij +ons bezoek telegraphisch bevestigd. +Kijk, en dat is nu aardig: dat telegram +kwam juist aan, toen wij, Woensdagochtend, +van Amin's huis vertrokken. +Het kostte negen piaster.</p> + + +<h3>V.</h3> + +<p>Adil, die zich rijk op de reis verheugt, +belast zich met alle inkoopen. +Daar ik niet in de reishotels eten kan, +<a name="Page_79" id="Page_79" />koopt hij voor mij conserven. Wij +hebben eieren. En chocolade, die van +Bensdorp blijkt te zijn. Hoe is die hier +in de Bazar gekomen? Adil koopt ook +bonbons voor de vier vrouwen en de +vele kinderen. Hij koopt vier kilo felgekleurde +zuurtjes voor den civielen +prijs van vijf gulden. Hoe feller gekleurd, +hoe lekkerder. Hij koopt ook +vier kilo Turksche jujubes, die hier +halkoum heet. Ze kosten ook vijf +gulden. En een mooie blikken doos +van zestig cent. Ik vraag of acht kilo +bonbons niet wat veel is? "Neen," zegt +Adil: "bezoeken wij niet een machtigen +sjech? Zou men ons meer achten, wanneer +wij hem minder gaven?" Zóó is +het hier. Men dingt op alles af tot het +uiterste. Maar met geschenken over en +weer is men ruim. En de bezoeker +wordt geschat naar de waarde van zijn +geschenk. "Zeker zal men ons achten," +zegt Adil wel voldaan. Wanneer Adil +iets niet wil, dan zegt hij: "Zeker zal +men ons daarom minachten." En dan +is 't uit.<a name="Page_80" id="Page_80" /></p> + + +<h3>VI.</h3> + +<p>Allah is groot. Het is Maandagmiddag +mooi weer. De regenwind is +nog niet begonnen. Wij kunnen dus +nog wel op mooi weer vertrouwen. +Wij rijden (voor twintig piaster!) naar +het station. En voor zestig piaster de +man van Jeruzalem door de bergen +naar Ludd. En dan weer voor vijf en +twintig piaster in een heerlijk zonnig +tentwagentje langs eenen vol en bontlevenden +weg naar Ramleh. Omdat er +in Ludd geen hotel is. Het hotel in +Ramleh is echter ook geen hotel, maar +een holletje. Niet duur. Dat is waar. +Er zijn twee kamers. Een met vier, +en een met zes bedden. Van kamers +met één bed heeft de waardin nooit +gehoord. Zijn wij dwazen? Wij betalen +twee shilling per persoon. Willen +wij daarvoor ook nog schoon beddegoed? +Zijn wij dwazen? Wanneer wij +een shilling den man bijbetalen, dan +zal zij ons schoon beddegoed geven. +En dan op stap naar paarden. Wij +gaan daarvoor naar de apotheek. Dat +<a name="Page_81" id="Page_81" />is de sociëteit van Ramleh. De apotheker +heeft met Adil's broer tegelijk +te Beyrouth gestudeerd. Nu, tegen den +avondval, komen alle notabelen van +Ramleh een praatje maken bij den apotheker. +Paarden? Rijpaarden zijn er niet. +Die zijn veel te duur geworden. Maar +wij kunnen Amin el Hawadja wel een +brief zenden om rijdieren en een gids, +Wij offeren dus weder een half pond +voor een nachtlooper naar Naälin. Wij +geven hem een Engelschen brief mee, +vol van 's mans goede bedoelingen, +voor het geval hij door een Engelsche +patrouille wordt aangehouden. Een +mooien Arabischen brief voor den sjech. +De man wapent zich met een dikken +stok tegen de jakhalzen. En dan maar +loopen.</p> + + +<h3>VII.</h3> + +<p>En zoowaar, met den mooien morgen, +daar verschijnt Sakhib, de tweede zoon +van den sjech. Groot en waardig in +een bruin gewaad. Zijn vader wacht +ons half-weg Naälin in zijn landhuis, +dat heet Dar Salameh: Woning des +<a name="Page_82" id="Page_82" />Vredes. Hij zendt ons zijn mooiste +paard voor mij. Een mooien witten +ezel voor Adil. En hij, Sakhib, rijdt +een gezellig grauw ezeltje. Wij eten +eerst samen. Wij doen dat zonder messen +en vorken. Wij breken het brood +in groote brokken. Wij doopen dat in +de olie van onze sardientjes en nemen +met onze vingers de stukken sardien. +Ik sidder af en toe. Maar zou ik den +tweeden zoon van een machtigen sjech +mogen beleedigen? En eten als de +dwaze Europeanen doen met een vork +en een mes? Ieder van een bord apart, +als vergiftigde vijanden!</p> + +<p>En dan rijden wij af. Sakhib op het +kleine grauwe ezeltje, dat in een grooten +zak ook nog onze twee koffers draagt. +Dan Adil. En dan ik. O, het mooie +paard. De sjech is groot. Hij zendt +een raspaard. En het paard heeft een +veulentje van twee maanden, dat het +overal naloopt. Het draagt een blauw +kralensnoer om het ranke bruine halsje. +Tegen het Booze Oog. En het tiptipt +op héél lichte voete-pootjes. Zoo +open. Zoo vrij te rijden door het +<a name="Page_83" id="Page_83" />Land. Overal de wijde blik tot aan +de verre, blauwe berglijnen. Wij rijden +langs het dorp van Ludd. Palmen. Er +is al eerste regen gevallen en er staat +stil water. Zoo stil als de hemel zelf. +Het is een prentje, zooals wij die +zagen in atlassen en aardrijkskundeboeken. +Nu denk ik aan mijn jeugd +en zucht. Maar ik verlaat mijn jeugd. +En het is de wonderlijke vertelling +van Aart van der Leeuw: "Sint-Veit". +Omdat het zonnelicht geen tijd kent.</p> + + +<h3>VIII.</h3> + +<p>De domheid. En het wonder. Sakhib +heeft het gezegd. Het bruine moederpaard, +dat heet Saäda, de Rijke, is een +lief, goed-loopend paard. Het wordt +alleen lastig in de buurt van auto's +en van motors. Maar die zijn er niet. +En men moet het niet slaan. Zelfs niet +koozend met het leidsel. Dan slaat het +door. O, als Sakhib maar niets had gezegd! +Want wanneer we Ludd voorbij +zijn en in de heuvelvlakte komen, dan +beginnen de woorden van Sahkib mij +te hinderen. En na een langen strijd, +<a name="Page_84" id="Page_84" />die klopt in hart, keel en pols, heb ik +het paard een tik gegeven met het +leidsel. En het draaft dadelijk op. Een +korte, krachtige draf. Als ik aan het +leidsel trek, zal het misschien bezinnen +en weer gelijk op stappen gaan. Maar +als een groote bevrijding geef ik het +paard weer een slag met het leidseleinde +over den hals. Ik ben bevrijd. +Het is genoeg. Maar het paard, wreedbeleedigd, +heeft galop gezet. Ik voel +den langen galopslag. Het vreemde +paard heeft zich vrijgemaakt. Knel de +knieën en trek het gebit aan. Het paard +op de achterpooten. Neer en holt verder. +Ik ben niet bang. Straks zal ik +vallen, voeten in den stijgbeugel. En +toch zijn de twee slagen met een wreeden +dood niet te duur betaald. Maar +het leven is niet zoo. Ik zal wel ergens +sterven op het een of andere bed. +Plotseling staat het paard. Het kleine +veulen is achter gebleven. Daar komt +het gedraafd. En ver, heel ver, van +achter een heuvel, Sakhib en Adil. Zij +ranselen hun ezels. Zij trappen hun +ezels in den buik. Sakhib jammert: +"<a name="Page_85" id="Page_85" />wat heb ik gedaan? Wil ik jammer +brengen over zijn hoofd? Hoe zal hij +durven verschijnen voor zijnen vader, +wanneer den gast een ongeluk overkomen +was." Zij blijven nu verder +vlak vooruitrijden. Adil heeft niets gezegd. +En ik denk dit: "wanneer Adil +werkelijk een goed vriend was geweest, +dan zou hij hebben gezegd: "wanneer +gij gewond waart, had ik mij zelven +gewond. En wanneer gij gedood waart, +had ik mij zelven gedood."</p> + +<p>Den volgenden dag, wanneer wij terugrijden, +zegt Adil: "wanneer gij gisteren +gewond waart, had ik mij zelven +gewond. Wanneer gij gisteren gedood +waart, had ik mij zelven gedood."</p> + +<p>Ik kijk doodverschrikt op. Maar er +is niets dan de Eeuwigheid.</p> + + +<h3>IX.</h3> + +<p>Dar Salameh. Hij mag dan den sjech +van de dieven zijn: hij ontvangt toch +netjes. Het huis op den heuvel. Zij +kijken uit van het platte dak. Wanneer +wij naderen, komen zij beneden. De +<a name="Page_86" id="Page_86" />sjech, zonen en bedienden. De vrouwen +zullen wij niet zien, behalve het +personeel. Er is een bonte binnenhof: +pauwen, fazanten, kippen. En de kleine +lammeren. Het is hier nu de tijd. Gij +kunt geitjes en lammetjes nu zien geboren +worden op de velden. Dan +trappen op, buiten het huis. En de salon. +Er staat ook een ledikant. De sjech +is al een moderne sjech. Er zijn stoelen +en er is een tafel. Ik krijg een makkelijken +stoel voor het open, zonnige +raam. Ja, open en zonnig. Ik weet +het: gij hebt sneeuw en ijs van begin +November af. Hier hebben wij tusschen +de regendagen de zonnedagen, +dieper en schooner dan in de zomers. +En het uitzicht. Zoo ver als onze +blikken, gaan de landen van onzen +gastheer. Heel, heel ver bouwen de +huizenhoopjes van Ludd en van Ramleh.</p> + +<p>Ik kan hem nu op mijn gemak opnemen. +Een korte, stevige kerel. Proper +in zijn bruin en wit overgewaad. +Hij gaat in huis op blanke, bloote voeten. +Een scherp, verstandig gezicht. +Geen opvoeding? Hij zal zich zelven +<a name="Page_87" id="Page_87" />hebben opgevoed. Wilt gij beter?</p> + +<p>Hij is heel mild en heel spraakzaam. +Ja de Turken haat hij. Ze hebben hem +ter dood veroordeeld. En ze zouden +hem hebben gehangen als een hond, +hadden zij hem kunnen krijgen. Met +de Engelschen daartegen zeer bevriend. +Hij heeft hen in den oorlog zeer geholpen. +Hij laat getuigschriften zien +van Engelsche generaals. Mooi, hè? +Hij kan het wel niet lezen. Maar Adil +Effendi wil het zeker nog wel eens +vertalen. Hij heeft ook mooie geschenken +gekregen van de Engelschen. Natuurlijk +heeft hij hun fraaie geschenken +teruggeven. Hij vertelt ons precies de +waarde van hun geschenken en van +zijne geschenken. Hij heeft er niet op +verdiend. Maar Allah is groot. Allah +heeft hem ruim gezegend.</p> + +<p>Hij is zestig jaar. En hij lijkt goed +veertig. Hij lacht lief gevleid. Maar +ik had zijn vader moeten kennen. Die +was wel tachtig jaar toen hij stierf. +Allah is groot. Hij had acht zonen. +Zij waren heel blij, toen de vader +stierf. Zeker, heel blij. Want zoolang +<a name="Page_88" id="Page_88" />hij leefde, kon hem nog van alles +overkomen, nietwaar? Nu is hij veilig +bij Allah. Allah is groot.</p> + + +<h3>X.</h3> + + +<p>Ik vraag naar zijn eigen zonen. Ja, +tien. En achttien dochters. Sakhib is +ons komen afhalen. En Soliman heb +ik bij den Mufti gezien. Nu komt de +oudste binnen. Een prachtkerel, die +Fares, dat is: Ruiter, heet. Daarom +heet Amin ook Aboe Fares, de Vader +van Fares. Dat is zoo: de Vader heet +hier naar zijn zoon. Is iemand getrouwd, +maar heeft hij geen zoon, dan heet hij +Aboe met den naam van zijnen vader. +Daarin ligt dan de wensch, dat een +zoon moge worden geboren, die naar +den grootvader heeten zal. Sjech Amin +heeft ook al naamkaartjes. Engelsch +en Arabisch. Daarop heet hij natuurlijk +Amin Osman el Hawadja. Maar +iedereen kent hem onder den naam +Aboe Fares. Sakhib is ook getrouwd, +en heeft een kind Mohammed. Waar +is de kleine Mohammed? Hij is ge<a name="Page_89" id="Page_89" />storven. +Meskien, zeg ik meewarig. +Maar Aboe Mohammed berust: min +Allah.</p> + +<p>Aboe Fares heeft nu nog vier vrouwen. +Zij wonen in het groote huis te +Naälin, waar wij vanmiddag zullen +heengaan. Houden zij onder elkander +altijd vrede? Maäloum, zegt Aboe Fares +met een medelijdenden glimlach: "zij +zijn allemaal bang voor mij."</p> + + + +<h3>XI.</h3> + + +<p>Er zijn gasten gekomen. Vier dorpshoofden +uit de buurt van Gaza. Groote +stoute Arabieren. Zij zijn hier gekomen +om vee te verkoopen. Misschien is +het wel gestolen vee. Maar dat weet +Amin el Hawadja niet. Zij noodigen +ons uit tot bezoek. Adil's oogen blijven +stil en koel. Wij kunnen samen veilig +Fransch spreken. "Zouden wij gaan, +Adil?" En hij antwoordt: "Zeker zullen +wij niet gaan. Zijn zij groote sjechs? +Zullen zij ons lekker eten geven, zooals +Aboe Fares straks zeker doen zal? +Zal men ons achten, wanneer wij een +<a name="Page_90" id="Page_90" />bezoek gaan brengen, zóó ver, bij zoo +geringe dorpshoofden? Ik twijfel of +wij zullen gaan." De vier dorpshoofden, +buiten besef, dat over hun lot wordt +beslist, kijken eerbiedig naar Adil Effendi, +die spreken kan met den vreemden +heer. En Adil antwoordt hun, dat +wij zeker gaarne zullen komen, zoodra +de wind en de regen goed zijn. O, +Adil heeft goede manieren. Maar de +Europeanen hebben ze niet.</p> + +<p>De gasten krijgen nu een diep bord +fel gekleurde zuurtjes en een diep bord +Turksch zoet. Daar gaan de acht +kilo's! Ze eten de bonbons als brood.</p> + +<p>En dan gaan ze eten in den hof. +Men eet hier zóó: een platte blikken +schotel. Ik schat een halve meter in +doorsnee. En die belegd met pannekoeken, +waarmee ook de opstaande +wanden afgezet. De schotels vol rijst. +En op de rijst stukken vleesch. Eerst +handen wasschen. Dan een stuk pannekoek. +En een vuistvol rijst. Die +samen kneden in de rechterhand. Een +stuk vleesch daarbij. En dan de geheele +bal binnenwippen. Doe 't maar na. +<a name="Page_91" id="Page_91" />Niet morsen. Aboe Fares, die een goed +gastheer is, eet met zijn gasten mee. +Straks zal hij ook met ons mede-eten. +De pannekoek-, rijst- en vleeschschotel +is volkomen afgewerkt. Handenwasschen +en koffie.</p> + +<h3>XII.</h3> + +<p>Wij eten aan tafel. Er zijn ook stoelen, +messen en vorken. Aboe Fares is +een gul en goed gastheer. Hij heeft +een kok laten komen uit Jaffa. Jammer, +dat ik van des koks lekkernijen niet +eten zal. Maar voor mij is er ook gezorgd: +versche dadels, sinaasappels, +tomaten en olijven. De zonen eten +niet met ons mee. Dat zou niet passen. +Zij staan achter de tafel. Nemen de +schotels aan van den kok. Nemen ze +weg. Geven ons water. En wijn. Van +Rischon le Zion. Sjech Amin Osman +gezegd Aboe Fares eet alsof hij nooit +een pannekoek-, rijst-en vleeschschotel +hadde gezien. Nu, de kok heeft goed +gezorgd. Hij geeft een schotel vleeschkoekjes, +een macaronitaart als een huis, +<a name="Page_92" id="Page_92" />gebakken aardappels met gemurwd hamelvleesch, +kip met gekookte appels, +een schotel van rijst met geitjes-vleesch. +Dessert. "Adil," mag ik als oudere +den jongere zoo waarschuwen: "ik +vrees, dat gij te veel eten zult." "Natuurlijk +eet ik te veel," antwoordt Adil, +"zoudt gij willen, dat ik van al deze +goede zaken weinig eten zou? Wat +zou Aboe Fares van mij denken?" Ik +verontschuldig mij, dat ik niets eten +mag. "Min Allah, min Allah," antwoordt +de Sjech met een goeden glimlach: +"wat er heden overblijft, geven +wij aan de armen, opdat zij den dag +van uw bezoek lang zullen gedenken. +Er zal veel overblijven, en zij zullen +vele gebeden voor u uitspreken."</p> + + +<h3>XIII.</h3> + +<p>Na de koffie gaan wij naar Naälin, +het voornaamste van de twaalf dorpen, +waarover Aboe Fares sjech is. Adil +beweert wel, dat men ons meer zou +achten, wanneer wij rustig te Dar +Salameh bleven. Maar ik verzeker, dat +<a name="Page_93" id="Page_93" />men in Europa nooit de hoofdplaats +van eenen sjech onbezocht laat. En +voor Europeesche argumenten zwicht +Adil altijd zeker. Wij gaan. O, een +wonderlijke optocht. Ik heb weer het +mooie moederpaard met het veulentje. +Adil den witten ezel. Drie zoons gaan +mee, op ezeltjes allen. En een neefje, +dat een groote zaag naar Naälin brengt.</p> + +<p>De bergen trekken wij in. Heel groot +en heel verlaten. De wilde winterregens +zijn nog niet gevallen. En de wadi, +waarin des winters het water bruist +is nog droog. Daardoor trekken wij +heen. En dan de smalle rotspaden op, +waar paard en ezel voorzichtig de +pooten zetten en toch nog dikwijls +glijden van de gladde steenen. Rijden +één achter één. Geen ander geluid dan +de stappende pooten en de echo daarvan. +En het kleine paardje, dat soms +hinnikt, wanneer het verloren is tusschen +de rotsen, en zijn moeder wel +ziet, maar er niet bij komen kan. Dan +strijdt het kleine paardje heel lang, +bang voor de rotsen. En bang om zijn +moeder te verliezen. Als de afstand +<a name="Page_94" id="Page_94" />heel groot is geworden, breekt de +strijd. En het paardje komt aangedraafd +en vlijt zich tegen de moeder.</p> + +<p>Wij gaan heel langzaam en heel +vermoeiend. Ik zie geen weg. Maar +mijn vrienden zien de wegen. Zij vinden +hier den weg zonder nachtlicht in +de zwaarste winternachten.</p> + +<p>Wij rusten bij de bron van Natouf, +een diep en hoog hol in de rotsen, +waar water langzaam doorheen droppelt. +Ik heb het water al te Dar Salameh +gedronken. Het was zoet als +gesuikerd. En scherp als gekruid. Toch +was het enkel water. Hier vangen wij +het uit de rotsbron dadelijk. Het is +ijskoel.</p> + +<p>Na den eersten regen is frisch, als +lente, groen opgekomen. De rijdieren +eten daar van. Het kleine paardje drinkt +van zijn moeder. Wij zitten met ons +zessen in het donkere bronnenhol, spelen +met het water en kijken naar het +licht. Adil, bevangen door een slaap +van geluk, zegt het: "Allah heeft ons +lief vandaag."<a name="Page_95" id="Page_95" /></p> + +<h3>XIV.</h3> + +<p>Wij zijn weer opgestegen. Hoog en +ver boven het handvol huizen van +Naälin. Breedte des hemels enkele kilometers. +Maar de weggetjes winden uitvoerig +door de rotsen, tusschen dalen, +hellingen. Wij moeten gaan zeer voorzichtig. +Glijden de paardpooten glad +ijzer uit over harde rotsen. Zoeken de +pooten voorzichtig naar plekjes aarde, +waar zij steviger staan. In de middeleeuwen +moet Naälin een ongenaakbaar +diefnest zijn geweest. Maar er +zijn geen middeleeuwen meer. En geen +ongenaakbare nesten. Men zou nu +Naälin slaan vanuit de zee. Of bommen +werpen van uit de lucht. Wat +denken de anderen? Ik kan het niet +vragen aan de drie zonen en aan den +neef, omdat zulke dwaze vragen niet +in Arabische leerboekjes voorkomen. +Maar ik kan het Adil vragen. En zijn +antwoord: "Aan Allah."</p> + +<p>En nog het stijgen en wenden. Hoe +lijkt Naälin dichtbij. De ezeltjes glijden +niet uit. Maar 't paard is al tweemaal +<a name="Page_96" id="Page_96" />uitgegleden, met de achterpooten tegen +de voorpooten aan. Dan weer rechtop. +Adil zegt: "Stijg af. En neem den ezel." +Maar ik wil liever doodvallen dan mij +vernederen.</p> + +<p>Het laatste deel is vlakke weg. De +ezeltjes in draf. Het felle paard in draf. +Laat middag draven we binnen. En +het kleine paard draaft achteraan.</p> + + +<h3>XV.</h3> + +<p>Er is een school in Naälin. En er +zijn jongens die schrijven kunnen en +lezen. Voor de school is een pleintje +met een gemetselden wal daar omheen. +Op het pleintje twee stoelen. Daarop +wij. En op het walletje zitten alle +notabelen van het dorp. Al de andere +zonen van Aboe Fares komen voor +den dag. De kleinste kan nog niet +loopen. En ze zijn van allen leeftijd +en van alle kleur. Allemaal heel schuw +en heel aardig. Ze brengen ons koffie. +En Aboe Fares heeft Sakhib, gezegd +Aboe Mohammed, een deel van de +acht kilo's bonbons medegegeven. Eerst +<a name="Page_97" id="Page_97" />heeft Sakhib op het walletje naast mijn +stoel gezeten. Maar hij heeft die eereplaats +later afgestaan aan een oom, +een broer zijns vaders. Daarnaast de +Imam, en daarnaast de Meester. Zij allen +prijzen Aboe Fares' wijsheid. Vroeger +waren er vele twisten tusschen de vele +dorpen. Maar nu Aboe Fares de sjech +van allen is, zijn er geene twisten meer. +Hij is wijs en zij eeren hem allen. Ook +vreezen zij hem. De broer naast mij +is ook een aanzienlijk man. Aboe Fares +eert hem. Telkens, wanneer er bij Aboe +Fares weer een kind geboren werd, is +hij bij hem gekomen om een naam. +Wel een bewijs, hoezeer hij hem eert.</p> + + +<h3>XVI.</h3> + +<p>Maar nu moeten wij terug gaan +rijden. De schemering is begonnen +over de bergen en in de diepe dalen. +Ver in het Westen, waar de Zee van +Jaffa is, verzinkt de zonnebol groot en +vurig. Twee zonen en de neef met de +zaag blijven te Naälin. Sakhib zal met +ons naar Dar Salameh rijden. O, de +<a name="Page_98" id="Page_98" />wondere tijd. Er zijn geen zonneschaduwen +meer. En de maneschaduwen +nog niet begonnen. Alles één groote +teederheid. De herders met de kudden +schapen en geiten. Herdersjongetjes +dragen geitjes, die zoo even geboren +zijn in het veld. Maar verder weg van +het dorp is niemand meer. De hemel +ongestoord blauw. De zilvermaan. En +al de gezaaide sterren. En de stilte +tusschen de verlaten bergen. Later de +zwartgouden maneschaduwen. Wij spreken +niet. Ik ben moe. Heerlijk moe. +Het goede, groote paard weet den +weg. En het stapt vroom en voorzichtig +over het pad, verloren tusschen +de steenen. En altijd de liefde van het +kleine paardje. Soms, als het achterblijft, +roepen wij: "Taäl, Taäl." En +dan komt het aangeslagen. God heeft +ons wel lief vandaag. Ik glimlach om +de woorden van Adil. En in glimlach +van alles rijden wij verder. Hoog en +ver op zijn heuvel bouwt Dar Salameh. +Wij zien de huislichten. Wij zien lichtjes +gaan. Maar 't is nog heel ver. Waar +wij rijden langs zwarte tenten slaan de +<a name="Page_99" id="Page_99" />waaksche honden aan. Men brengt +lichtjes buiten. Wie rijden er laat langs +de bergwegen naar huis?</p> + + +<h3>XVII.</h3> + +<p>Adil zucht. Is hij moe? Neen, maar +hij heeft honger. Gelukkig, dat wij +thuis zijn. En het binnenkomen. De +maan schijnt en schaduwt door de +bogen en de gebouwen. De herder is +met de schapen binnengekomen. Ze +woelen op den hof dooreen. Wit en +wol in den maneschijn.</p> + +<p>Maar Adil heeft honger. Gelukkig +heeft de kok uit Jaffa gezorgd. Er is +een schotel gevulde koolbladeren met +vleesch. Haché met gestoofde aardappels. +Kip met rijst en Spaansche +peper. Lamsbout met snijboonen. En +een groote visch, die vanmiddag expres +uit Jaffa gebracht werd. Dan, koekjes, +velerlei vruchten. Koffie en thee. Morgen +is Adil ziek. En de armen zullen +nog wel vele dagen voor ons bidden.</p> + +<p>Wij blijven natuurlijk logeeren. In +den salon. Ik krijg het ledikant. Voor +<a name="Page_100" id="Page_100" />Adil een goed bed op den grond. En +daarnaast de gastheer. Dat behoort +hier zoo. De gasten en de gastheer +slapen samen. Hij moet zorgen, dat er +met de gasten geen kwaad gebeurt. +Van de verre vlakten schijnt de maan +in de kamer. Over de Turksche tapijten +spint tapijt van licht en schaduw.</p> + +<p>En, vraagt ge nu wellicht: "wat is +nu het laatste geweest, dat ge dien +avond met uwen vriend hebt besproken? +Zeker iets heel poëtisch?" Neen, +lieve vrienden, niet iets heel poëtisch. +Adil Effendi vraagt mij, hoeveel baksjisj +wij morgen zullen geven. Heeft Aboe +Fares ons niet kostelijk ontvangen? +Heeft hij ons niet de rijdieren gestuurd? +Zeker zal hij ons morgenochtend, vóór +wij weggaan, nog vele lekkere dingen +te eten geven. Wij moeten elk van de +huisbedienden een half pond baksjisj +geven. Zeker zal men ons dan achten. +Den sjech zelven kunnen wij geen geld +geven. Maar hij wil gaarne onze portretten +hebben en een visitekaartje. En +Sakhib, die ons uit Ramleh heeft gehaald, +zal ons zeker nog meer achten +<a name="Page_101" id="Page_101" />dan hij reeds doet, wanneer wij hem +een mooie lantaren ten geschenke geven. +Ik zeg, dat wij moeten doen, zooals +het behoort. Zooals Adil het heeft +gezegd, zóó is het goed. En dan gaat +hij slapen, gelukkig in het vooruitzicht +van alle achting, die hem morgen ongetwijfeld +zal ten deel vallen.</p> + + +<h3>XVIII.</h3> + +<p>Het vroege wakker worden in den +morgen. De koelte. En de hitte, die +stijgt. De vogels en de zon. Al het +bonte leven in huis en hof van den +eerwaarden sjech, die misschien wel +het Bed der Dieven, Yatack-il-Kharamiyeh +is. Maar wie zal 't zeker weten? +Er wordt zoo veel gelasterd. Moge +Allah, die groot is, alle lasteraars straffen +en alle dieven.</p> + +<p>En het ontbijt op het platte dak +met den wijden, vrijen blik. Voor het +laatst heeft nu de kok zijn best gedaan. +En voor het laatst vraagt Adil +of hij een zoo machtigen sjech mag +beleedigen door niet veel te eten van +<a name="Page_102" id="Page_102" />de vele goede zaken, die ons worden +voorgezet? Geven de baksjisj. En rijden +af. Ditmaal met een knecht, die loopt +en straks de paarden terugbrengen zal. +Dus rijden wij langzaam over het heerlijke +land. Een anderen weg dan dien +wij kwamen. Langs de Joodsche kolonie. +Ben Shemen. Alleen mooie dingen. +Hebreeuwsch spreken van een prachtig +Arabisch paard af met een Joodschen +boer en boerin, die samen ploegen +voor het wintergraan. De bewaarschooljuffrouw +met haar Joodsche jongetjes +en meisjes buiten tegenkomen. +En ze mogen allen spelen met het +lichtbruine paardeveulentje, dat een +blauw snoer om het ranke halsje draagt. +Tegen het Booze Oog. Een Joodsche +smid. Alles Joodsch leven.</p> + +<p>En dan komen in het stationnetje +te Ludd. En daar Jabotinsky vinden, +die naar Jeruzalem rijdt. En de trein +naar El Kuds, gezegd Jeruzalem, die +vandaag op tijd is. Ongehoord.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h2><a name="WIJ_VASTEN" id="WIJ_VASTEN" /><a name="Page_103" id="Page_103" />WIJ VASTEN.</h2> + + +<p>O, dat Jeruzalem het hart is van het +Jodendom, wij merken het hier, dag +aan dag, wanneer dag aan dag de +berichten komen van de meest schrikkelijke +pogroms in Polen. Ook gij, mijne +Joodsche vrienden in Holland en in +Amsterdam, zult zwaar geslagen zijn +door deze berichten. En wij allen in +Jeruzalem houden ons overtuigd van +de deelneming van vele vrienden, van +vele volken, nu zonder noodzaak de +beste lievelingen van het Joodsche Volk +door de Polen worden geslacht. Maar +hier te Jeruzalem. Vele vrome Joden +zijn afkomstig uit de streken van Polen, +waar de doodsbeul thans rondgaat. +En zich koelt aan de kinderen van +Gods vrome leerscholen, die machteloos +zijn. En des avonds, bij het avondgebed, +gaat er een groot geween langs +den Klaagmuur. Zij weenen hier om de +vermoorde kinderen van Gods vrome +leerscholen. Zij weenen, omdat de vrede +het Joodsche Volk geen vrede brengen +zal. Jeruzalem, Jeruzalem, waar stijgen +<a name="Page_104" id="Page_104" />de smeekgebeden en de klaaggebeden +vromer op? En weenend gedenken wij +de schrikkelijke middaggebeden van den +Grooten Verzoendag. De Joodsche +martelaren hebben de wreedheden der +Romeinsche beulen geleden. Twintig +eeuwen. Eén ademtocht der Eeuwigheid. +De Joodsche kinderen van de +vrome leerscholen afgeslacht. Twintig +eeuwen. Eén ademtocht. Amalek. Amalek, +dat de Joodsche kinderen en de +Joodsche vrouwen aanviel, toen het +Heilige Land in het verblijd gezicht +kwam. Wij zullen noch Polen, noch +Palestina vergeten.</p> + +<p>Er is een wanhoop over Jeruzalem. +O, het zonnige bonte leven gaat. Hassan, +Mohammed, Ibrâhîm, Dzjumma: al de +Arabische kinderen, die hun rolletje afspelen +in mijn leven hier. Maar ik geniet +het niet. Hart en ingewanden beven +om de verslagenen mijns Volks. En de +vrome groote Rabbijnen van Jeruzalem +hebben het laten aanplakken in hun +machtig Hebreeuwsch: dat alle feestelijkheden +streng verboden zijn. Geen +muziek. Geen dans. Niets, niets. Rouw +<a name="Page_105" id="Page_105" />en ootmoed. Opdat God zich erbarme +en de slagen afwende van Zijn Volk.</p> + +<p>Iederen dag komen de berichten +wreeder. Het hangt zwaar boven Jeruzalem. +Als een belegerde stad. Als +een stad, waarin de pest rondgaat. +Neen, men behoeft ons niet te vragen +geen feest te vieren. Wij zijn geslagen. +Want de vermoorde lievelingen van +Gods vrome leerscholen, dat zijn de +kinderen, waarop wij gehoopt hebben +voor den opbouw van het Joodsche +Volk in het Joodsche Land.</p> + +<p>En de vrome, groote Rabbijnen van +Jeruzalem laten het aanplakken in hun +machtig Hebreeuwsch, dat wij zullen +vasten ter treure om de verslagenen +van ons Volk. Overal om de aanplakbiljetten +staan de vrome mannen, met +de mooie scherpzinnige gezichten, zij +lezen. En wij zijn verslagen. Als in +een hopeloos belegerde stad.</p> + +<p>De Dag. De morgen is heet. En +niet het heerlijke, tintelende, koele +ochtendbad. Men onthoudt zich van +alles, wat genot geeft. En niet het +bonbon-geurende mondwater. Ik wil +<a name="Page_106" id="Page_106" />wat lezen. Ik wil wat schrijven. Maar +ik kan het niet. De hitte staat. Wreed. +O, mijn hoofd is zoo zwaar. De kinderen +in Polen, die vermoord zijn. En +de mannen. De Moeders. De meisjes. +Wreede visioenen branden. De lijken +verminkt. Maar als ik goed zie, zijn +het rozen. Witte en roode rozen. Geen +menschelijke wereldmacht schijnt sterk +genoeg te zijn om te beletten, dat de +Polen de Joden vermoorden. En ons +Land, ons eigen Land, zal het in staat +zijn de verdrevenen van ons Volk op +te nemen. R. Chaïm Sonnefeld, de +groote, de vrome, heeft ons getroost: +"Het Land zal plaats geven voor allen... +wij zullen nooit behoeven te klagen: +deze plaats is te nauw om er te wonen." +Maar ik klaag het weer uit: "Waarom +de pogroms... waarom worden Gods +lievelingen als beesten geslacht?" Hij +troost mij, de groote, de vrome, zooals +een wijze man een dommen jongen troost.</p> + +<p>De hitte. Mijn mond brandt. Ik vraag: +"waarom drink ik niet." Omdat de Polen +de lievelingen van mijn Volk hebben +vermoord. Amalek. De honger scharrelt +<a name="Page_107" id="Page_107" />in mijn keel. Waarom eet ik niet? +Omdat de Polen de lievelingen van mijn +Volk hebben vermoord, Amalek. De +visioenen. Bloed of rozen. Mijn hoofd +duizelt. De wereld duizelt. En allemaal +vogels fluiten. Mijn bloed fluit. O, de +verslagenen van ons Volk. Zal ik uitgaan? +De dag is zoo zwaar. De dag +is zoo lang. Maar hij moet zwaar zijn +en hij moet lang zijn. Wij rouwen om +de verslagenen. O, wij zullen noch +Polen noch Jeruzalem vergeten!</p> + +<p>Het is half twee. De heete dag. De +lange dag. De wreede dag. Om twee +uur zullen wij bij den Klaagmuur komen +voor de gebeden. Ik ontmoet dr. Keller +op den weg, den Amerikaanschen +Mizrachist. Natuurlijk vast hij ook. Wij +vragen elkander niet, waar wij heen +gaan. Wij gaan naar den Klaagmuur. +De Joodsche winkels in de Jaffastraat +zijn gesloten. De Moeder rouwt om +hare kinderen. En de vraag hamert +door mijn hoofd: "Zal er waarlijk in +het huis van Moeder plaats zijn voor +alle kinderen, de hongerende, de opgedrevenen?"</p> + +<p><a name="Page_108" id="Page_108" />De Klaagmuur. Het staat er vol +tusschen den Muur en den muur van +de overzijde. Zelfs op het platte dak +tegenover den Muur zitten de genooten. +De middag davert heet. Van verre het +geluid van de Stad. De gebeden worden +aangeheven. De Klaagbeden en Smeekbeden. +De bazuin wordt geblazen. +Geweldig. Zooals de Bazuin geblazen +wordt op de Groote Dagen, Nieuwjaarsfeest +en Grooten Verzoendag. En +tusschen de Gebeden om Vergiffenis +schreit het gebed: "O, God, Koning, +die zit op den Troon der Barmhartigheid." +En luid weenen de woorden +"God, o, God, die Barmhartig en +Genadig zijt." De kinderen van de +vrome Joodsche leerscholen van Jeruzalem +zijn gekomen. Zij weenen met +luide, schreiende stem. De oude mannen +weenen. De sterke gestalte van Doctor +Keller siddert. De Bazuin schreit. En +de hitte. Ongenadig. Rabbi Ben-Zion +Adler spreekt de rede uit. Troost. +Berusting. Vermaning. Hij spreekt geweldig. +Luide schreien de vrome kinderen +van de leerscholen van Jeruzalem, +<a name="Page_109" id="Page_109" />wanneer hij Gods genade afsmeekt +voor de machteloos vermoorden van +het Joodsche Volk. Wij zijn moede +tot den dood, staande in de samengepakte +menigte. Wij staan hier al +twee lange, wreede uren.</p> + +<p>Er is een heilige Wetsrol gebracht. +En de Afdeeling der Vastendagen +wordt gelezen, waarin Mozes de genade +van God afsmeekt voor het Volk. Het +is geheel stil. De wind ruischt. De stem +van den Voorlezer gaat. Een heel oude +Man leest de Haftarah: Jesajah 55 +vers 6 tot 56 vers 8, zooals die alle +vastendagen gelezen wordt. Het begin +met de milde vermaning: "Zoekt God, +die altijd is te vinden. Roept hem aan, +die steeds nabij is. De boosaard verlate +zijnen weg, en de zondaar laat +zijne gedachten. Hij keere tot God, +die Zich zal erbarmen, en tot den +Eeuwige, die veel zal vergeven." En +de zachte troostwoorden aan het eind: +"Zoo spreekt God, die de verdrevenen +van Israël verzamelt: "bij de verzamelden +zal ik nog nieuwe voegen"."</p> + +<p>Wij zijn allen moede in de heete +<a name="Page_110" id="Page_110" />menigte. Maar de stem van den ouden +Man, die de Haftarah leest, gaat als +een zachte wind van troost over de +hoofden en over de harden. De late +middagwind is doorgebroken. Er komt +beweging in de milde lucht. De wreede +dag doet ons genade.</p> + +<p>Heel aan het eind van den Klaagmuur, +ver van den voorzanger af, ga +ik zitten op de stoep van het huis +van Hassan. Ik ben zoo moede. Een +lange dag. Een wreede dag. De kleine +Hassan komt ook buiten. Hij kan nu +niet spelen op de straat naast den +Klaagmuur met den kleinen manken +Mohammed, zijn vriendje. Het is er +zoo vol. Niemand kan zich bewegen. +Hassan zou misschien wel graag naar +den Bazar willen gaan. Maar hij kan +er niet door. Zijn bloote pootjes heel +ernstig onder het japonnetje uit, peinzend. +En zijn gazellenoogjes in het +smalle smoeltje. Neen, hij vraagt geen +baksjisj vandaag. Hoe vele Joden! Hoe +vele Joden! En hun bazuin. En hun +weenen. Zijn oogen in het smalle gezichtje +peinzen. Wonderlijk, met welk +<a name="Page_111" id="Page_111" />een lief gemak de Polen de Joodsche +kinderen vermoorden, die zoo mild en +klein als Hassan zijn. En de machtige +wereld laat de Polen maar stil hunne +moordgangen gaan. Is een lief en vroom +kinderleven dan zóó weinig waard?</p> + +<p>De avond daalt. De menigte bij den +Muur is nu wat losser geworden. Er +is tenminste nu weer doorkomen aan, +al moet het heel langzaam en voorzichtig +aan. Ik kan niet meer blijven. +Ik ben zoo moe. O, de verslagenen, +de lieve, vrome verslagenen mijns Volks. +Doctor Keller blijft nog, sterk en standvastig.</p> + +<p>De avond schemert reeds wat in de +nauwe straatjes bij den Muur. En in +den Bazar. Voor mij uit gaat de heer +Goldsmit met het jongens-weeshuis. +Ook de vrome joodsche jongens van +het weeshuis zijn ten gebede opgegaan +voor de vermoorden. Velen hunner +zijn zelf heele of halve weezen geworden +door de Russische pogroms. En toen +door liefdadige vereenigingen hierheen +gebracht. Ook de meisjes van het +meisjes-weeshuis hebben gevast tot den +<a name="Page_112" id="Page_112" />middag. Een geheelen dag vasten is +in dit heete weer wel al te zwaar.</p> + +<p>De schemering. De teedere schemering. +De honger en de dorst zijn +niet erg meer. Vanuit mijn kamer. Het +veld met de boomen en met de heuvelen. +De herders, die naar huis gaan. +Het is alles zoo mooi en zoo teer. +Ongelooflijk, dat wij vandaag hebben +gevast, omdat de Polen onze mannen +uitmoorden, onze moeders en onze +kinderen. Aan de teeder-blauwe lucht +bloeien de sterren. Ik zie: een, twee, +drie. De zware vastendag is voorbij.</p> + + + +<hr style="width: 65%;" /> +<h2><a name="WIJ_KOOPEN_EEN_EZELTJE" id="WIJ_KOOPEN_EEN_EZELTJE" /><a name="Page_113" id="Page_113" />WIJ KOOPEN EEN EZELTJE.</h2> + + +<p>Het water in den regenbak van het +weeshuis van mevrouw Zilversmit raakt +op. Nu al! En dus wordt er in den +familieraad besloten, dat wij een flink +ezeltje zullen koopen.</p> + +<p>Ik heb in het "Handelsblad" gelezen, +dat er watergebrek is in Waterland. +Daarvan kunnen wij hier ook meepraten. +O, ieder huis heeft zijn regenbak. +Cisterne zeggen wij hier heel +plechtig. In Amsterdam begint men den +huizenbouw met de heipalen. Hier met +den regenbak. Het meisjesweeshuis +heeft natuurlijk den zijne. En het heeft +van den winter niet kwaad geregend. +Maar tegen de zindelijkheid van mevrouw +Zilversmit is geen Jeruzalemsche +regenbak bestand. Ja, wanneer zij er +toe kon besluiten de meisjes en de +vaten alleen maar af te stoffen of droog +af te doen, dan zou het wel gaan. +Maar dat is nu juist iets, waartoe zij +niet besluiten kan. Andere weeshuizen +komen wel met het water toe.</p> + +<p>Ieder jaar watergebrek. Dan moet +<a name="Page_114" id="Page_114" />water gekocht worden. Bijvoorbeeld +van de buren, de Abessinische monniken. +Zij stoffen zich droog af. Meer +niet. Omdat ze toch zwart zijn. En zij +komen dus ruim met hun water toe. +Bovendien hebben zij een groote dakoppervlakte +en vele cisternen, groot +en klein, overal in hun terrein verscholen. +Maar dan moet 't water met +petroleumblikken in het weeshuis worden +gebracht. Dat loopt in de honderden +guldens jaarlijks.</p> + +<p>Maar hebben wij dan geen waterleiding, +vraagt ge wellicht? Ge hebt +toch in de couranten meermalen gelezen +over de waterleiding van Jeruzalem. +Ja, dat is ook wel zoo. We hebben +een waterleiding, door de Engelschen +aangelegd. Booze menschen spotten en +zeggen: de Engelschen hebben ons +water gebracht en de Zionisten alleen +maar steenen. Namelijk, van de Universiteit. +Maar onze waterleiding is +altijd nog slechts eene betrekkelijke +waterleiding. Zij brengt het water niet +in de huizen. Er zijn kranen op straat, +waar men tappen kan. Verleden jaar +<a name="Page_115" id="Page_115" />is de Regeering het Weeshuis goed +gezind geweest. En heeft den regenbak +gevuld. Dat gaat dan zóó: een +hulpbuis wordt over de straat gelegd, +van af de hoofdbuis, en weder weggenomen +als de bak vol is. Maar dat +kost óók geld. En de dichtstbijzijnde +waterkraan is nog tamelijk ver. Af en +toe laten de waterdragers u in den +steek. En dan is het: droog afdoen. +Hebben wij dan Challad niet, den +braven Arabier? Ja zeker hebben wij +Challad. Maar die kan al dat water +niet dragen.</p> + +<p>En, nu ziet ge meteen het causale +verband tusschen een leegen regenbak +en een ezel. Want wij zullen het watervervoer +in eigen beheer nemen. Er zal +een ezeltje worden gekocht, waarmede +Challad water zal gaan halen uit Mea +Scheariem. Als de regentijd komt, zal +het ezeltje weder worden verkocht. +Het zal mogen wonen in den tuin +achter het huis. En volle vrijheid genieten, +behoudens de beperkingen van +een boom en een touw. Veertig meisjes +maken zich juichend gereed om het +<a name="Page_116" id="Page_116" />ezeltje des huizes te verwennen. Zeker +zal het een welgedaan ezeltje worden. +En het zal met winst worden verkocht. +De winst voor Challad. En +wij zullen volop water hebben. Zooveel +als de Hollandsche zindelijkheid maar +vereischt.</p> + +<p>Vrijdagochtend zullen wij het ezeltje +gaan koopen, op de ezeltjesmarkt, +buiten de Jaffapoort, voorbij de buurt +Jemien Mosché. Wie zullen gaan? +Mevrouw Zilversmit zal niet gaan. Zij +is wel de directrice. En haar man heeft +zijn eigen werk. Maar zij houdt niet +van optreden naar buiten. Haar heele +leven gaat op in haar kinderen. Als +er dus iets te doen is met plaatselijke +autoriteiten, de Zionistische commissie +bijvoorbeeld of de ezeltjes, dan neemt +haar man dat waar. Hij zal dus gaan. +En ik zal hem vergezellen.</p> + +<p>Maar dat is nog niet veilig genoeg. +Want wij zijn beiden wel heel lang +bij het onderwijs werkzaam geweest: +lager, middelbaar en hooger, maar van +deze ezeltjes hebben wij toch nog geen +verstand. Maar Challad! Zijn brutale, +<a name="Page_117" id="Page_117" />bruine snuit weifelt geen oogenblik: +ja, hij heeft verstand van ezels. Veel +verstand. Hij kan aan de tanden zien, +hoe oud ze zijn. En aan het geheele +gezicht, of ze lui zijn, of dom. Ook +kan hij voelen, of zij aderspatten hebben. +Hij zal dus medegaan. Ook moet hij immers +straks het ezeltje naar huis brengen.</p> + +<p>Toch durven wij in deze aangelegenheid +niet op Challad vertrouwen. +Maar Mohammed, de Arabier van het +jongensweeshuis van den heer Goldsmit, +die heeft eerst recht verstand van +ezels. Ofschoon Vrijdag nu wel een +heel lastige dag is, wil de heer Goldsmit +ons zijn Mohammed wel leenen. +Bovendien heeft Mohammed een bloedverwant, +Ibrâhîm. En die heeft eerst +het superieure verstand van ezeltjes. +En hij weet ook precies den prijs. Ook +Ibrâhîm zal dus medegaan.</p> + +<p>Ibrâhîm zal Mohammed komen halen. +Met hun tweeën komen zij den heer +Zilversmit en Challad halen. Met hun +vieren zullen ze mij komen halen, omdat +het Herzlhuis op den weg naar +de ezeltjes-markt is.</p> + +<p><a name="Page_118" id="Page_118" />Ik wil wel bekennen, dat ik dien nacht +weinig heb geslapen. En ik was op +vóór de koele morgenschemering heet +en licht begon te worden. Precies half +zeven geklopt. De dag was toen al +heet. Wit. Straten stoffig en droog. +Huizen streng in de zeer heete sfeer. +Het bonte leven door, bij de Jaffapoort. +De buurt langs Jemien Mosché. Een +Joodsche buurt. De naam beteekent: +Rechterhand van Mozes. De stichter: +Mozes Montefiore.</p> + +<p>Het is heel heet. Geen markt. Geen +ezeltje. Ik zucht: ma fisch. En dat beteekent: +"niets". Fi, fi, roept de ijverige +Challad. En wij zijn er. De Markt. +Ezelen, kameelen, paarden en geiten. +Een diepe dalkom, wijd en ruim. Hooge +wallen overal rondom. Wij staan in +de diepte. Van de Stad niets te zien +dan de muren, grauw gekanteeld. En +de toren, wit-wit op felblauw-blauw +van de Kerk op den Zionsheuvel. Door +de hooge wallen breken de wegen van +alle kanten in. Breken naar alle kanten +uit. Zij gaan. Zij komen. Mannen met +kameelen, paarden, ezels of geiten te +<a name="Page_119" id="Page_119" />koop. Vrouwen met versche vruchten, +versch water, fruit. De limonadekoopman, +zijn watervaas gekapt met bonte +bloemen. Het woelt dooreen. Zij, die +de wijde Bedouïen-gewaden dragen +met de fijne hoofddoeken. En de Europeesche +kleederen, maar met de fez. +Wit. Zwart en bont. Tegen de balkons +en wallen zitten ze. Op rotsblokken. +Op steenranden. Van beneden af tot +boven toe, in lagen. Zij kijken. Zij +droomen. Ezeltjes draven op proef. +Paarden draven op proef. Zware kameelen +trappen plat, schipschommelend. +Het fijne zand stuift wreed. En de zon +drijft haar licht daar doorheen, gesluierd. +Wij dwalen naar den ezeltjes-hoek. +Er zijn er vele. Wij beginnen met een +grooten grauwe. Challad springt er +dadelijk op. Rent, schandelijk buiten +de regie, over het tooneel. Zand stuift. +"Een goede ezel," zegt hij prijzend. +Maar Mohammed is een ernstig man. +Hoe kan Challad nu zóó lichtvaardig +een ezel prijzen? Heeft hij de tanden +al gezien, om te weten, hoe oud hij +is? Heeft hij de pooten al bevoeld +<a name="Page_120" id="Page_120" />naar spataderen? Mohammed doet dat. +En hij is het met Challad eens: het +is een goede ezel. Wij vragen den +prijs. Zeventien pond. Dat valt ons +tegen. Wel is zeventien pond hier volstrekt +niet zeventien, maar bijvoorbeeld +tien, elf of twaalf. Doch het budget +laat ook dat niet toe. Hoogstens zes +of zeven pond. Daarvoor had men +vroeger een prachtezel. Wij wenden +ons dus tot andere ezeltjes. O, wij +zullen wel een goeden ezel vinden. +Aan raadgevers ontbreekt het ons niet. +Koopen wij den ezel dien zij ons aanraden, +dan zullen zij ons natuurlijk een +baksjisj vragen. En wij zullen hun natuurlijk +een baksjisj geven. Er zijn twee +prachtige, slanke Sephardische Joodsche +jongens. Ze hebben hemel en hel +in hunne oogen. En ze zijn heel lui. +Zwaarder werk dan scharrelen op de +markt en daar raad geven, doen ze +liever niet. De één zegt, dat we op +moeten passen met Challed. En de +ander beweert, dat Mohammed een +ezel in het kiezen van ezeltjes is. En +er is een schuwleelijke Arabier, die +<a name="Page_121" id="Page_121" />beweert ezelendokter te zijn en die +ons verzekert, dat hij wel een goeden +ezel voor ons koopen kan.</p> + +<p>Ook de Duivel is gekomen. Een oud +mannetje, steunt als een heks op zijn +stok. Hij spreekt Duitsch. Het is smoorheet +om hem heen. Het spookt. Wij +stikken in het licht. Ik grijp naar mijn +hoofd, duizelig in de hitte. Wat gebeurt +hier? De wereld wankelt. Een +Arabische vrouw ziet, dat de wereld +wankelt. Zij geeft mij water. Het is +voorbij. Wij zijn nu met ons tienen +bezig. Zullen wij slagen? O, dit is +weer een heel mooi ezeltje. En de +wereld is ook op adem gekomen. +Zullen wij dit ezeltje koopen? Neen, +wij zullen dit ezeltje niet koopen. Want +Mohammed, de wetende Mohammed +verzekert ons, dat dit ezeltje aderspatten +heeft. Ook Ibrâhîm zegt het. +En de ezelendokter zegt het. Eén van +de prachtige Sephardische jongens zegt +wel, dat het niet waar is. Maar wij zijn +bang. De eigenaar is heel boos. Dit +ezeltje is in zijn stal geboren. Het is +een zoon van zijn eigen ezelin. Dus +<a name="Page_122" id="Page_122" />om zoo te zeggen familie. Mogen wij +aderspatten werpen op den naam van +zijn ezeltje? Allah weet, dat het ezeltje +geen aderspatten heeft. Ja, maar wij +weten het niet. En dus zullen wij dit +ezeltje niet koopen.</p> + +<p>Het is al negen uur. De licht-witte-lichte +dag ongenadig. Het stof. De zon. +De hitte. Het duizelingwekkende woelen. +Zullen wij waarlijk zonder ezeltje +thuiskomen, ezels, die wij zijn? Maar +neen. Dit is nu nog een heel mooi +beestje. Een bruinrood ezeltje, met een +kruis over rug en schouders. Iedereen +prijst het: Mohammed, Ibrâhîm, de +dokter, de twee Sephardische luilakken, +en de eigenaar. Hij vraagt acht pond. +Dat is vijf of zes. Dit ezeltje zullen +wij koopen. Maar wij hebben buiten +Challad gerekend. Er is iets uitgebroeid +in Challads duisteren kop. Water dragen +zonder ezeltje is zeker zwaarder +dan water dragen met een ezeltje. +Maar heelemaal geen water dragen, +dat is eerst een goed werk. En als +de heer Zilversmit niet slaagt in den +aankoop van een ezeltje, zal hij den +<a name="Page_123" id="Page_123" />regenbak wel door de Engelschen laten +vullen. Dus is Challad tegen het ezeltje. +Hij gelooft zeker, dat het een lui ezeltje +is, met een slecht karakter. En hij moet +er mee werken. Wij spreken het ezeltje +voor. Maar Challad houdt vol. Koppig. +Hij durft het met dit ezeltje niet aan. +Zoo een gewichtig werk. Het is een +lui, slecht ezeltje. Allah kan daar zijn +zegen niet op geven. En omdat Challad +stroef-koppig niet wil, daarom gaat het +niet. Want als Allah geen zegen op +dit arme ezeltje geeft, en als het lui +is en slecht, dan zou het misschien op +een dag een poot breken of overreden +worden. O, heelemaal niet door de +schuld van Challad. Maar omdat Allah +zijn zegen niet heeft gegeven, en omdat +het ezeltje lui en slecht is.</p> + +<p>En dan gaan wij naar huis. Doodmoe, +geslagen door de open, genadelooze, +brandhitte. Het is tien uur. Welk +een teleurstelling voor de veertig meisjes, +die zich zóó op een ezeltje des +huizes hadden verheugd. En ik zeg +het heel boos tegen Challad: "En toch +was het een heel goed ezeltje." En +<a name="Page_124" id="Page_124" />hij, met dat tong-keelgeluid van alle +Arabieren: "Ma fisch! Het was geen +goed ezeltje en Allah zou zijn zegen +er niet op hebben gegeven."</p> + +<p><a name="Page_125" id="Page_125" /></p> + + +<hr style="width: 65%;" /> + +<h3><a name="Page_126" id="Page_126" />IN DEZELFDE REEKS VERSCHEEN:</h3> + + + +<table border="0" cellpadding="4" cellspacing="0" summary=""> +<tr><td align='left'>IS. QUERIDO</td><td align='right'>De Jeugd van Beethoven.</td></tr> +<tr><td align='left'>CAREL SCHARTEN</td><td align='right'>De bloedkoralen doekspeld.</td></tr> +<tr><td align='left'>M.J. BRUSSE</td><td align='right'>In 't verbouwereerde oude stadje.</td></tr> +<tr><td align='left'>JOHAN DE MEESTER</td><td align='right'>Gezin.</td></tr> +<tr><td align='left'>LOUIS COUPERUS</td><td align='right'>Lucrezia.</td></tr> +<tr><td align='left'>KAREL WASCH</td><td align='right'>Dialogen.</td></tr> +<tr><td align='left'>TOP NAEFF</td><td align='right'>Vriendin (2e druk)</td></tr> +<tr><td align='left'>TOP NAEFF</td><td align='right'>Charlotte von Stein.</td></tr> +<tr><td align='left'>JO VAN AMMERS-KÜLLER,</td><td align='right'>De Zaligmaker.</td></tr> +<tr><td align='left'>CARRY VAN BRUGGEN</td><td align='right'>Een Indisch Huwelijk.</td></tr> +<tr><td align='left'>GERARD VAN ECKEREN</td><td align='right'>De late Dorst.</td></tr> +<tr><td align='left'>KEES VAN BRUGGEN</td><td align='right'>De Freule.</td></tr> +<tr><td align='left'>EMMY VAN LOKHORST</td><td align='right'>Phil's laatste wil.</td></tr> +<tr><td align='left'>ANTOON THIRY</td><td align='right'>Pauwke's Loutering.</td></tr> +<tr><td align='left'>MARIE SCHMITZ</td><td align='right'>Weifeling.</td></tr> +</table> + + +<p><a name="Page_127" id="Page_127" /></p> + +<hr style="width: 65%;" /> + +<div class="figcenter" style="width: 450px;"> +<img src="images/cover.jpg" width="300" alt="Jerusalem" title="Jerusalem" /> + +</div> +<hr style="width: 65%;" /> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Jerusalem, by Jacob Israël de Haan + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JERUSALEM *** + +***** This file should be named 15083-h.htm or 15083-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/5/0/8/15083/ + +Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed +Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/15083-h/images/cover.jpg b/15083-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c18640a --- /dev/null +++ b/15083-h/images/cover.jpg diff --git a/15083-h/images/titelpagina.jpg b/15083-h/images/titelpagina.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..426ec39 --- /dev/null +++ b/15083-h/images/titelpagina.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..158309a --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #15083 (https://www.gutenberg.org/ebooks/15083) |
