summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/15083-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '15083-8.txt')
-rw-r--r--15083-8.txt2438
1 files changed, 2438 insertions, 0 deletions
diff --git a/15083-8.txt b/15083-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..d648cd1
--- /dev/null
+++ b/15083-8.txt
@@ -0,0 +1,2438 @@
+The Project Gutenberg EBook of Jerusalem, by Jacob Israël de Haan
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Jerusalem
+
+Author: Jacob Israël de Haan
+
+Release Date: February 16, 2005 [EBook #15083]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JERUSALEM ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
+Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+Jacob Israël de Haan
+
+JERUSALEM
+
+AMSTERDAM
+EM. QUERIDO
+1921
+
+
+
+
+HAMAME TROUWT.
+
+
+Hamame, dat Duifje beteekent, is een van de Jemenietische dienstmeisjes
+van het jongensweeshuis. En zij gaat trouwen. Het wordt wel tijd, want
+Hamame is al meer dan twintig jaar. Maar zij is niet gelukkig in de
+liefde geweest. Dit is haar tweede verloofde, een weduwnaar. Het eerste
+huwelijk heeft Hamame laten afgaan. En dat heeft haar acht pond sterling
+gekost, gelijk in de verlovingsvoorwaarden was overeengekomen. Geen
+kleinigheid voor een Jemenietisch dienstmeisje van een jongensweeshuis.
+Achteraf blijkt Hamame, dat Duifje beteekent, zich te hebben vergist.
+Zij houdt eigenlijk niet van haren tweeden verloofde. Maar weer een
+huwelijk laten afgaan? Het zal haar weer acht pond kosten en iedereen
+zal haar uitlachen. Dus wordt overeengekomen, dat Hamame met den
+weduwnaar trouwen zal.
+
+En nu al de moeilijkheden op den weg der liefde! Het geld, dat noodig is
+voor een zwart pak en een nieuwe fez. Voor een witte bruidsjapon met
+een sluier van wit en zilver. Voor nieuwe schoenen en voor nieuwe
+zakdoeken. Er zijn nu lange besprekingen met de moeder van Hamame, die
+een heks is. Klein verbruind en mager.
+
+En zal de vader van Hamame, de heer Mozes Azirie, voor dezen grooten dag
+uit Egypte overkomen? Dat hij bij de heks vandaan geloopen is, spreekt
+van zelf. Hamame heeft hem nooit gezien. Zal hij komen? En vooral: zal
+hij eene bijdrage sturen in de kosten van den onvergetelijken dag?
+
+En zal Reine worden uitgenoodigd, de Jemenietische keukenvrouw? Er zijn
+vreeselijke dingen gebeurd tusschen Reine en Hamame. Natuurlijk zijn ze
+geen van beiden begonnen. Hamame heeft Reine zeer beleedigd. Zij heeft
+gezegd: "Gij, Reine, zijt een dief. En uwe zuster, die te Rischon le
+Zion woont en wascht voor de Engelsche soldaten in Ludd, uw zuster is
+een slechte vrouw." Het spreekt wel vanzelf dat Reine toen
+tegenmaatregelen heeft genomen. Zij is naar de synagoge der Jemenieten
+gegaan. Zij heeft de Heilige Ark geopend, en zij heeft Hamame met den
+weduwnaar en de beide familiën tot in het derde en vierde geslacht
+plechtig vervloekt. Het is twijfelachtig of zij nu zal worden
+uitgenoodigd.
+
+Wij echter krijgen een mooi biljet van goud op zijde-papier. Een tak met
+vogeltjes. De letters van het Duifje en haar weduwnaar S. en H.
+Daartusschen in een boog de spreuk: "Stem van geluk en stem van vreugde.
+Stem van bruidegom en bruid". Daaronder weer een dubbele driehoek met
+"Zion" er in. Dan de uitnoodiging: "De moeder van den bruidegom, madam
+Hamame Jozef Saïed en de vader van de bruid R. Mozes Azirie en
+echtgenoote hebben de eer UEdele uit te noodigen op de bruiloft van
+hunne kinderen Salomo en Hamame. En die ons de eer aandoen, zullen wij
+eeren! Huwelijksinzegening, zoo God wil, Vrijdag 15 Kislev 5681, om twee
+uur Europeesche tijd, precies, in het huis van den vader der bruid, in
+de buurt "Hut des Vredes"." Geen wonder dat wij gaan!
+
+
+
+II.
+
+De feestelijkheden beginnen des Donderdagmiddags voor de vrouwen.
+Wanneer wij het huis van den vader der bruid in de buurt "Hut des
+Vredes" binnenkomen. En wij overzien de schare. Reine is niet
+uitgenoodigd. De Heks heeft niet gewild. Wij hooren, dat R. Mozes Azirie
+niet gekomen is. Ook geld heeft hij niet gestuurd. Maar wel een mooien
+brief. En daar doen we het dan maar weer mee. Het geheele vertrek is
+volgestampt met Jemenietische dames en Jemenietisch kroost. Enkele zijn
+al Europeesch gekleed. Maar de meeste Jemenietisch, bont, dat kakelt.
+Zij hebben veel goud, goed uitgesneden en geslagen. Want de Jemenieten
+zijn mooie goudsmeden. En zij zitten op den grond, zóó dicht aaneen, dat
+wij er haast niet meer bij kunnen. Wij krijgen natuurlijk een
+eereplaats, vlak bij Hamame. De bruidegom is niet aanwezig. Het zou niet
+passen. Hamame zit als een pop in wit met sluier van wit en zilver. Zij
+mag geen woord zeggen en zij moet zedig haar oogen neerslaan. Het is
+wel heel moeilijk, maar wij vertrouwen, dat zij na de bruiloft haar
+schade wel weer zal inhalen. Naast Hamame zitten de bruidsmeisjes,
+eveneens popwit, popstijf, ieder met een hooge, witte kaars ter hand.
+Alle dames rooken. Sigaretten of stevig een Turksche waterpijp. Er is
+ook zang, handgeklap en een geweldige muziek van pauken en blikken
+pannen. En de tractatie. Een royale tractatie. Er wordt een groot
+waschbekken binnengebracht met gepelde kersaussies, noten, amandelen.
+Een kleiner met granaatappelpitten. Ieder krijgt een zakdoek vol. En dan
+maar muizen. Gelukkig, dat dit Hamame geen geld kost. Want ieder van de
+gasten betaalt. Alles is hier tegenwoordig duur. Ook de bruiloften. Het
+minste is nu al twee shilling. Wij hebben een pond gegeven. Maar
+iedereen acht ons dan ook. Wij worden op het middagmaal genoodigd:
+brood, vleesch en hilme, een Jemenietisch gerecht van peper met peper.
+
+Het is een heel mooi feest. De moeder van Hamame straalt. Zij heeft een
+bloeienden rosen peignoir met zwierige witte kant aan hals en mouwen. En
+zij, het wijf, fel, bruin. Een heks. Als het medeloopt, houdt zij nog
+over.
+
+Alle meubelen zijn uit het kamertje gedaan. Alleen het groote ledikant
+is gebleven. Daarin slaapt, op een rijtje, lief en rustig, het kleine
+kroost. Soms als er een wakker wordt--er liggen er negen--dan staat een
+Jemenietische moeder op en zij geeft haar kindje het moederdrinken. Er
+is een héél jong en héél mooi Jemenietisch moedertje, waarbij een héél
+mooi Jemenietisch jongetje behoort. Ik mag het zoo prijzen: "wat een
+aardig jongetje is dit." Maar zij kijkt mij aan, verschrikt en
+verontwaardigd. Welk een gevaarlijke dwaasheid een kind zóó te prijzen.
+Wil ik, dat het Booze Oor het hooren zal! Dus schudt het mooie
+Jemenietische moedertje het mooie Jemenietische jongetje gevaarlijk door
+elkander. En zij misprijst het: "Dit is een vreeselijk kind. Slecht en
+leelijk. God heeft mij wel gestraft. Maar wat zal ik doen! Een arme
+vrouw." Aan de beleefdheid ten aanzien van het Booze Oor is hiermede
+voldaan. Zij pakt nu den lieven kleinen knaap weder beet. En zij legt
+hem te slapen lekker in het rijtje van de kleine maffertjes.
+
+
+III.
+
+Des avonds gaan wij naar het feest van de mannen in een ander huisje in
+de buurt: "Hut des Vredes". Het is er natuurlijk heel vol. En heel heet.
+Er is muziek. En er zijn psalmzingers met luide stemmen en gevaarlijke
+handslagen. Er is natuurlijk tractatie: gezouten erwten, noten,
+amandelen, granaatappels. En er is een stevige flesch. Zure,
+lichtgegiste wijn. En een drank, duivelsch, dien zij zelf stoken uit
+gedroogde rozijnen.
+
+Er wordt ook gedanst. Maar niet mannen met vrouwen. Het zou niet passen.
+Wel komen de dames af en toe eens om een hoekje kijken. Doch zelfs dat
+is al nieuwerwetsch. Hier danst een groote magere man. Een lange,
+zwarte jongen. Misschien is hij wel de Duivel. Doch het zou niet passen
+hem dit te vragen. Die met hem mede danst, maar zij raken elkander niet
+aan, is een slanke, donkere Jemenietenknaap van vijftien jaren, die
+Jozef heet en schoenmaker is. Maar hij is ook de beste danser van de
+gemeente. Daar gaat de muziek en het handengeklap. De man en de jongen,
+heel aandachtig en voorzichtig gaan. Zij zien, strak getoomd, naar
+elkanders voeten. Naar elkanders gebaren. Langzaam, weinig bewogen in
+den aanzet. Maar de muziek wordt wild. De handen van de gemeente slaan
+sneller. De man en de jongen sneller gaan. Ademloos. Muziek, muziek,
+muziek. De handen, die hel slaan. De jongen. De man. Ademloos. Uit, uit,
+uit.
+
+Geheele verhalen worden zoo door de Jemenieten gedanst. Zij dansen van
+den avond tot den morgen.
+
+Als de jongen Jozef weer wat op zijn adem is gekomen, krijgt hij
+natuurlijk een bakschisch. En ik mag wel vragen welk verhaal in dezen
+dans is uitgebeeld. "Mijnheer," zegt het jongetje Jozef blozende: "dit
+is een dans op den herbouw van den Heiligen Tempel." En dan te weten,
+dat ik mij den herbouw van den Heiligen Tempel altijd héél anders had
+voorgesteld.
+
+
+IV.
+
+En des Vrijdagsmiddags, twee uur, in het huisje in de buurt: "Hut des
+Vredes" hebben Hamame en haar weduwnaar elkander gekregen. Mannen en
+vrouwen ditmaal bij elkander. En al het kleine kroost maar weer veilig
+en uit de voeten in het groote ledikant. In rijtjes en op stapeltjes. Er
+is weder de wilde muziek. Een Jemenietische jongen slaat twee trommels
+te gelijk. Een groote, donkere, sombere. En daartegen in een kleine, die
+gespannen, luid kraait en schatert. Onder een groot spektakel krijgen
+zij elkander. De zeven zegeningen worden uitgesproken, heilig en
+zinnelijk te gelijk. Twee oude mannen dansen de voorgeschreven heilige
+dansen voor het bruidspaar. Wonderlijke windingen en wendingen van de
+machtelooze lijven. Maar precies gelijk het behoort. Dansen voor het
+bruidspaar is een heilige taak, waarmee de oudsten en waardigsten worden
+vereerd. Het mooie jongetje Jozef kijkt toe. Hij danst toch anders.
+
+In een optocht brengen wij dan Hamame en den getroosten weduwnaar in de
+echtelijke woning. Ook in de buurt, die "Hut des Vredes" heet.
+Natuurlijk met muziek voorop. Dan de witte bruidsmeisjes met de witte
+kaarsen, die vlammetjes fladderen op den wind. Het bruidspaar en de
+gasten. Naar rang en stand. Er is de oude rabbijn, die de zeven
+zegeningen op zijn geweten heeft. Een paarse kaftan en wit geweven
+schoudersjaaltje. De zoele, gebroken lucht. De wind. Maar nog geen
+regen, al is er al vochtigheid. Wij gaan heel langzaam en waardig,
+zooals de muziek ons laat gaan. Alle menschen van de "Hut des Vredes"
+komen uitgeloopen. Een heel klein steegje en een heel klein huis. Daarin
+wij wegduiken. Ik ril. Morgen begint haar het slaafsche leven. Hamame is
+getrouwd.
+
+
+
+
+DE DONKERE BRON.
+
+
+Wij hebben het water hier zoo lief en zoo noodig. Het water is het
+levende, dat overal zijn leven brengt. In de lente bloeien de bloemen in
+stroomen van rood en geel waar het water stroomt. Een bron. Zooals een
+sfeer van licht om een lamp, zóó zijn de wonderlijke vertellingen hier
+om de bronnen heen. Vanmiddag is het wonder gebeurd. Een warme middag.
+En een huis in een nette burgerlijke buitenbuurt van Jeruzalem. Ik
+verzink. Ik wil terug naar de buurt van de Jaffapoort. Het zonnige, het
+bonte. Dat is Jeruzalem.
+
+Wanneer wij aan tafel zitten vanmiddag. En komen de beide Rabbijnen
+Epstein en Bernstein, twee van de meestgeleerde Aschkenasische Rabbijnen
+met eenen bekenden Sefardie Nissim Nahum. Wat kan dit zijn? De twee
+Aschkenasische Rabbijnen alleen, dat zou politiek kunnen zijn. Of een
+weesmeisje, dat moet worden uitgehuwelijkt en waarvoor geen uitzet is.
+Daarvoor bij te dragen is een heilige plicht, gelijk wij iederen
+ochtend in de gebeden zeggen. Maar de Rabbijnen met eenen Sefardie!
+
+
+II.
+
+Het is noch politiek, noch het weesmeisje. Het is over de bron van
+Jehizkia, waarover geschreven staat: II Kronyken XXXII: 30: "Diezelve
+Jehizkia stopte ook den opperuitgang der wateren van Gihon, en leidde ze
+regt af beneden naar het westen der stad Davids". Dit is natuurlijk
+niet, gelijk Raschi opmerkt, de rivier Gihon genoemd in Genesis II: 13.
+De Talmoed leert ons, dat Jehizkia zes dingen heeft gedaan. Drie met
+instemming van de Geleerden zijner dagen. En drie tegen hun wil. Tot de
+laatste drie behoort het verstoppen van deze rivier Gihon.
+
+Nu eeuwen, eeuwen later, de zestiende, zeventiende eeuw der Christelijke
+jaartelling. Syrië en Palestina werden toen overheerscht door eenen
+Arabier, genaamd Aboe Sifien, dat beteekent: Vader des Zwaards. Hij liep
+door de straten van Jeruzalem en hij hoorde een ruischen van een diep
+water. Hij beval dit water op te sporen en bloot te leggen. Toevallig
+hoorde hij, dat te Jeruzalem een groot geleerde woonde R. Chaïm Wital,
+die het vermogen bezat, wonderen te doen door het uitspreken van Gods
+naam op eene bepaalde wijze. Men zegt, dat Mozes op die wijze den
+Egyptenaar heeft gedood, waarvan gesproken wordt in Exodus II vers 14.
+Aboe Sifien, de Vader des Zwaards, beval nu R. Chaïm Wital de donkere
+bron op die geheime wijze te openen. Deze wilde niet. En bevreesd voor
+den Vader des Zwaards, vluchtte hij naar Damascus, eenvoudig door het
+uitspreken van Gods naam op eene bepaalde wijze. Te Damascus verscheen
+hem in zijn droom zijn leermeester overleden, R. Isaäc Luria
+Aschkenazie, bijgenaamd Ari de Heilige, wiens naam de Wilnaër Gaon later
+nooit zou uitspreken zonder een angstig beven. "Waarom hebt gij
+geweigerd de donkere bron te openen? Gij weet, dat Jehizkia de Gihon
+heeft afgesloten tegen den raad in van de Wijzen zijner dagen. Gij, R.
+Chaïm Wital, zijt eene reïncarnatie van den koning Jehizkia. En Aboe
+Sifien is, gelijk zijn naam reeds aanduidt, een reïncarnatie van
+Sanherib, want ook dat beteekent Vader des Zwaards. De tijd om de bron
+te openen, was nu aangekomen en daarmede het begin van de verlossing van
+Israël." Toen zeide R. Chaïm Wital: "laat mij teruggaan naar Jeruzalem
+en de bron alsnog openen." "Neen," sprak de Heilige: "de juiste tijd is
+nu voorbij." Dat is een element in vele kabbalistische verhalen: het
+verzuimen van den Juisten Tijd, door onwetendheid, aarzeling of twijfel.
+
+Zóó bleef de bron gesloten. Nissim Nahum, mijn Sefardische bezoeker,
+heeft het verhaal van R. Chaïm Wital gelezen in het boek Sefer Shem
+Hagedoliem, dat is het Boek van de Faam der Grooten door R. Chaïm Joseph
+David Azoelai, die in den Napoleontischen tijd Rabbijn te Livorno is
+geweest. Deze heeft het verhaal te Jeruzalem als overlevering gehoord.
+Ook in een ouder boek Get Pachoet wordt er over geschreven. (1740).
+
+De meening der kabbalisten is, dat met het openen van deze bron de
+verlossing voor Israël beginnen zal. Men vindt die meening bijvoorbeeld
+in het boek Ben Jehojadah van R. Joseph Chaïm, die een jaar of tien
+geleden te Bagdad is gestorven.
+
+
+III.
+
+Nissim Nahum weet de plaats van de donkere bron. In de oude stad, niet
+ver van de Tempelplaats, waar nu het Turksche bad is genaamd Hamam el
+Schefah, dat is: het bad der Genezing. Er is daar nog een bron, waarvan
+het water meer dan dertig meter onder den grond is. Nahum heeft eenen
+Arabier gesproken, die zegt, dat hij in eenen buitengewoon drogen zomer,
+toen de bron zonder water was, is afgedaald. Hij kwam in een doolhof van
+gangen en gewelven. Vóór den oorlog heeft Nahum pogingen gedaan de bron
+te laten onderzoeken. Het begin van alle pogingen is natuurlijk
+baksjisj. Maar ten slotte wilden de bewoners niet. Ze waren bang.
+Misschien zweven rondom de bron ook voor hen legenden. Toen de jaren
+van den oorlog. Maar na den oorlog is Nahum weder begonnen. Hij
+vertrouwt op de meening van de kabbalisten, dat de opening van de bron
+het Geluk van Israël zal zijn.
+
+Toen Herbert Samuel in het begin van het jaar voor een onderzoek hier
+was, heeft Nissim Nahum zich tot hem gewend. De zaak is toen onderzocht
+door den Gouverneur van Jeruzalem, den Generaal Storrs. Maar er is
+verder nog geen gevolg aan gegeven. Nu echter wil men de zaak opnieuw
+aanvatten. Er is zooveel gebeurd. De troebelen. San Remo. Wat San Remo
+beteekent wisten wij op den dag zelven niet. Maar nu gaan wij het zien.
+En zelfs de harten van de voorzichtige twijfelaars gaan openbloeien. Sir
+Herbert Samuel, de eerste Joodsche Landvoogd. Ook tegenover hem moeten
+wij voorzichtig zijn. Maar toch: de Joodsche Landvoogd. De legenden
+beginnen al te bloeien rondom hem heen. Die familie Samuel is uit Polen
+afkomstig. Waarom zou hij dan niet afstammen van Rabbi Saul Wahl, die
+ongeveer drie eeuwen geleden voor éénen dag koning van Polen is geweest?
+En dat R. Saul Wahl afstamt van Koning David, ziet, men kan er aan
+twijfelen, maar waarom zou men er aan twijfelen? Zóó is dus Sir Herbert
+Samuel een bloedverwant van Koning David en van den Koning Jehizkia. Gij
+zegt: lang geleden. Maar wat beteekent de Tijd tegenover de Eeuwigheid
+van Bloed en Woord? En ziet gij nu wel, hoe de tijden zich voltrekken?
+De Koning Jehizkia had de bron niet moeten uitsluiten. Zijn latere
+incarnatie R. Chaïm Wital heeft het juiste oogenblik verzuimd. Laten wij
+nu zijn nakomeling Sir Herbert overtuigen, dat nu voor hem weder een
+juist oogenblik is gekomen. Wanneer ik mij daarmee zou willen belasten?
+Gij ziet; het is géén politiek en niet een weesmeisje, dat moet worden
+uitgehuwelijkt en geen uitzet heeft.
+
+
+IV.
+
+Als de drie bezoekers weggaan. Dan zie ik weder, dat wij het Volk van
+het Boek zijn. En wij moeten dat blijven, ook wanneer wij weder het Volk
+van het Land worden. Nissim Nahum, ofschoon geen Rabbijn, gaat het eerst
+de deur uit, omdat hij twee groote heilige boeken draagt. De Rabbijn
+Epstein is wel ouder, maar niet aanzienlijker dan de Rabbijn Bernstein.
+Wie zal het eerst uitgaan? Dat zijn hier groote kwesties. Er zijn
+gemeenten verdeeld geraakt, omdat een rabbijn eenen andere heeft
+gepasseerd. Ten slotte zal de Rabbijn Epstein vóórgaan. Maar de Rabbijn
+Bernstein heeft een boek meegebracht. Goed: de Rabbijn Epstein zal dat
+dan dragen, tot zij buiten zijn. Daarna zou 't niet meer passen. Gij
+glimlacht wellicht over al dien eerbied en over al die etiquette? Ik
+ook. Maar glimlachend bedenk ik toch ook, dat in al deze kleine
+bedrijven iets liefs, iets geriefelijks is.
+
+Wij hebben het water hier zoo lief en wij hebben het water hier zoo
+noodig. Een bron, dat is voor ons het levende, het goede. Een Wezen.
+Iedere bron heeft zijn legende. Maar dat alles wordt volmaakt verleden
+tijd. Wij gaan Palestina moderniseeren, verschrikkelijk moderniseeren.
+De Fellachen worden geëlectrificeerd en schoongemaakt met stofzuigers.
+Welk een vooruitzicht. En al de mooie legenden van bronnen, bloemen en
+rivieren worden opgedoekt.
+
+
+V.
+
+'s Avonds in de schemering komt mijn vriend Adil Effendi. Kent hij dat
+badhuis Hamam al Schefah? Ja, zegt Adil Effendi: hij kent dat. Maar 't
+is een echt armeluis-badhuis. Wie ons daar in ziet gaan, zal ons niet
+achten. Heeft hij wel eens van die legenden gehoord? Maar Adil Effendi
+is héél sceptisch geworden, sinds hij werkt in de Engelsche Regeering.
+Het gaat de Mohammedaansche jeugd, zooals de Joodsche: een tikje
+materialistisch, een tikje ijdel, een tikje genotzuchtig. Daarnaast
+heeft de Joodsche jeugd toch meer nationalistisch idealisme voor het
+land en de taal. Donkere bronnen. Wie ontsluit ze te juister tijd! Neen,
+zegt mijn vriend Adil Effendi, peinzend in de schemering: "ik geloof
+nog wel aan Allah, maar niet aan al die andere verhalen. En ik geloof,
+dat mijn broer, Subhi Effendi, ook niet meer aan Allah gelooft."
+
+Hij smookt zijn sigaretje tusschen spitse lippen en hij tipt asch met
+een fijnen vinger. "Mijn vriend," zegt Adil Effendi, "gij hebt dien
+ouden boom wel gekend, voor het huis van mijn broeder Abdoel Salaam? Men
+heeft altijd gezegd: wanneer die boom neervalt, dan gaat ook het
+Turksche rijk uit elkander. En gij weet met den grooten sneeuwval? Toen
+heeft de boom wel geleden. En Abdoel Salaam, die een wijs man is, heeft
+hem laten omhakken. Achmad en Aboe Joessoef hebben dat gedaan. Omdat de
+boom heel hinderlijk was voor de automobielen van de East Compagnie.
+Abdoel Salaam heeft al het hout gekregen en de Compagnie heeft een mooie
+baksjis; gegeven aan Achmad en Aboe Joessoef. Heeft Turkije iets te
+maken met dien boom? En de Zagjunien met een put?"
+
+En dan zucht ik en ik vrees, dat de juiste tijd voor mijn vriend Adil
+Effendi nog niet is gekomen.
+
+
+
+
+MIJN VRIEND SAÏD EFFENDI.
+
+
+Mijn vriend Saïd Effendi is de Arabische adviseur van den gouverneur van
+Hebron. Vroeger is hij officier geweest in dienst van den Emir Feisul te
+Amman aan den overkant van den Jordaan. Dat is het oude Rabbat Ammon, de
+hoofdstad van de Ammonieten. Verwoest en later herbouwd heette het
+Philadelphia, een van de Decapolissteden. Ik hoop er nog wel eens heen
+te gaan met Saïd Effendi samen. Hij is nu teruggekomen naar dezen kant
+van den Jordaan. Want de familiebezittingen liggen daar, tusschen het
+dorp Tur op den Olijfberg en Jericho.
+
+Wij zijn goede vrinden geworden rondom de petroleumblikken gloeiende
+houtskolen in het onvolprezen hotel: "De eik van Abraham" te Hebron. En
+vele kopjes koffie. Hij is een zwaarmoedige, maar toch sterke kerel,
+Saïd. Voortreffelijk in zijn werk en onbegrensd vertrouwd.
+
+Aan den overkant van den Jordaan, ook te Ammon, wonen de Kaukasische
+Circassiërs. Zij hebben zich in die streken gevestigd sinds Rusland in
+1864 den Kaukasus veroverde. In het begin hebben zij voortdurend stoute
+gevechten geleverd met de omwonende Arabieren. Nu is het vrede. Zij
+spreken Circassisch. Zijn Mohammedanen, maar ietwat meer Europeesch. De
+vrouwen verhullen zich niet. En ze verbergen zich ook niet voor de
+gasten van den man.
+
+Saïd Effendi is getrouwd met eene Circassische vrouw. Zij hebben drie
+kinderen gehad, drie jongens. Twee gestorven. "Min Allah," berust Saïd
+Effendi. Het oudste jongetje leeft nog. Hij is zes jaar. En hij heet
+Daoud. Daarom heet Saïd Effendi ook Aboe Daoud. Zal ik hem niet eens
+komen bezoeken in het dorp Tur, dat op den Olijfberg ligt? Goed, laten
+wij zeggen, Zondag, wanneer het mooi weer is. Met een van de wagentjes,
+die Adil Effendi met zijne broers exploiteert.
+
+
+II.
+
+Het is mooi weer. Men moest hier eigenlijk niet spreken van den winter,
+maar van den regentijd. Welk een afwisseling! Wreede dagen, woedend van
+regen en wind. Zooals wij die te Hebron hebben gekend. Er is in een
+korten tijd een geweldige hoeveelheid regen gevallen. Men zegt drie
+kwart van den gemiddelden jaarlijkschen regenval. Ik ben bevriend met
+een regenbak, waarin binnen een week of drie, een meter of drie water is
+komen te staan. Als nu de late regen ook maar komt, zoo tegen Maart,
+April, dan krijgen we hier een goed gewassenjaar. Misschien dalen dan de
+prijzen. Maar tusschen de regendagen, o, de zalige winterlentedagen. Een
+hemel ongebroken als in den zomer. Maar dunner blauw. Een kussende,
+zoele wind. En de zonneschijn. Een winter vol zon. En welk een mateloos
+mooie morgen.
+
+Adil geeft het wagentje, nummer 18. Dat moet gij later ook nemen. Het is
+een net wagentje. Het staat bij de Jaffapoort, en rijdt met twee
+driftige Arabische paardjes. De koetsier is in Mekka geweest. Hij zou
+dus een groenen doek mogen dragen rondom zijn fez, dien wij tarboes
+noemen. Maar dit doet hij niet. Hij zal het later doen, wanneer hij
+ouder is geworden, 't Zou nu nog niet passen. Omdat hij in Mekka is
+geweest, zegt zelfs de oneerbiedige Adil Had; tegen hem. En Machmoed,
+het staljongetje, eerbiedigt hem zeer. Natuurlijk eerbiedigt Machmoed
+den chawadja ook. Want die geeft baksjis; en is een chawadja. "Een mooi
+wagentje, hè Machmoed?" "Maäloem," zegt Machmoed: "ik twijfel, of er een
+mooier wagentje is in geheel Kuds."
+
+En wij rijden. Door de buitenstadswegen. En dan over de landwegen naar
+den Olijfberg heen. Overal wordt gewerkt aan het land. Winterkoren wordt
+gezaaid op ieder bouwbaar plekje grond. O, de verteedering van de zachte
+dagen. En de adem van het bruine, opengebroken land. Tegen een
+heuvelhelling aan ligt het wijde kerkhof met de Engelsche gesneuvelden.
+Het huis van den Groot-Mufti. En de uitzichten over heel de stad van
+Jeruzalem. De oude stad binnen den Muur, nog gaaf bewaard aan deze
+Oostzijde. En de voorsteden wijd uitgeblokt. En dan ineens niets meer.
+Ver, ver, de heuvelen. Maar geen andere huizen, steden en dorpen. Zooals
+rondom Amsterdam, dat ook een mooie stad is.
+
+
+III.
+
+Langs het Engelsche hoofdkwartier. O.E.T.A. noemen wij dat hier. En het
+Arabische dorp Tur. Saïd Effendi. Hartelijk welkom. O, zij zijn al wat
+moderner Mohammedanen. Daarom word ik ook voorgesteld aan zijn zuster.
+Zij draagt toch nog de dracht van aanzienlijke Arabische dorpsdames. En
+een kostbaar bontgeborduurd borststuk. Ook het Circassische moedertje.
+Zij is een klein, blond vrouwtje. Heel weinig naast den grooten,
+donkeren Saïd. Ze verwachten weder een kindje. Saïd heeft het mij al
+verteld. Och, mocht het ditmaal een meisje zijn. En mocht het leven!
+Maar wat zal men er aan doen. 't Is alles min Allah.
+
+Ook het jongetje Daoud. Een heel mooi Arabisch-Circassisch jongetje. Het
+blonde gezichtje van de moeder. En de donkere, sterke oogen van den
+vader. Hij spreekt Circassisch met de moeder. En Arabisch met den vader
+en de andere familieleden. Natuurlijk vindt hij dat heel gewoon. Hij
+heeft de twee talen even vlug geleerd als andere kinderen hun eene taal
+leeren. O, hij is heelemaal niet bang voor den vreemden chawadja.
+Trouwens, de chawadja heeft koekjes en bonbons meegebracht. Een tafeltje
+bij het raam met het mooie uitzicht op Jeruzalem. En dan koffie, koekjes
+en bonbons. Waarom zou de kleine Daoud den chawadja vreezen? Hij heeft
+een stemmetje als muziek. En hij zegt woordjes als bloemen. Hij lacht
+met witte tandjes achter roode lipjes. Mag Daoud nog een koekje? Hier in
+het dorp draagt hij een Arabisch japonnetje met een heel klein pittig
+fesje. Maar als hij naar Jeruzalem gaat, dat daar beneden ligt en
+eigenlijk El Kuds heet, dan heeft hij een grijs Europeesch pakje aan, en
+een bruin mutsje op.
+
+
+IV.
+
+Maar toch, Saïd Effendi heeft mij heel lief ontvangen. Ik heb het huis
+gezien. En genoten van het uitzicht over de stad vlakbij. Er is iets,
+dat Saïd Effendi hindert. Ik zie het. Natuurlijk komt het niet te pas,
+hem zonder meer, daarnaar te vragen. Maar het is niet ongepast, wanneer
+ik hem de gelegenheid geef, het mij te zeggen. Ik vraag en zeg dus héél
+voorzichtig. En hij antwoordt: Ja, hij heeft een droeve zaak. De jongste
+broeder van zijne moeder is voor eenige dagen doodgeschoten in een twist
+aan de overzijde van den Jordaan. In het gebied van den Emir Feisul.
+Toen Saïd uit Hebron thuis is gekomen, heeft hij het gehoord. Gisteren
+is het lijk overgebracht. En vandaag is er een familievergadering in een
+dorp dichtbij, wat te doen. Want men kan dezen moord niet zoo maar
+ongewroken laten. Saïd is donker, woedend. Niet, omdat hij den dooden
+oom zoo liefhad. Maar omdat een zeer ernstige beleediging de heele
+familie is aangedaan. Men kan het niet ongewroken laten. Maar aan den
+anderen kant is zoo een geval in de familie zeer lastig. Vooral omdat
+de familie van den moordenaar een zeer machtige familie is.
+
+Hij vraagt het mij dringend: "Zal ik hem in alle vriendschap vergeven,
+wanneer hij nu naar den familieraad rijdt? Zal ik niet boos zijn? Hij
+moet. Het is de laatste dag van zijn verlof. En hij moet weer te paard
+naar Hebron."
+
+Hij rijdt weg. In een duistere woede. Op wien is hij woedend? Op den
+oom, of op den moordenaar?
+
+
+V.
+
+Zijn jongste broer, die Chalil heet, zal met mij naar den hoogen
+uitzichttoren gaan, naast de Russische kerk. Overal rondom Jeruzalem
+ziet men den hoogen, spitsen toren, met die vier opengebouwde
+rondgangen. Chalil weet alles. Meer dan tweehonderd traptreden van een
+ijzeren brandladdertrap. Maar dan het uitzicht, eindeloos door den
+hellen dag. Beneden het Kidrondal. En Jeruzalem dichtbij. De tempelberg,
+dien de Arabieren noemen Haram Esch-Scherif, dat is: het Groote
+Heiligdom. De Omarmoskee met den zwaren grijzen koepel en de moskee
+Aksa. Heel ver in de Jaffa-buitenstad de witte Russenkerk. En de koepel
+van de Abessinische kerk vlak bij 't meisjesweeshuis. Anderzijds de
+Doode Zee, een uur of vijf, zes weg. Maar lijkt werpelings dichtbij. De
+weg naar Jericho. De kleine Chalil weet alles. Hij spreekt wat Engelsch.
+Maar ook de kleine Chalil is niet rustig: "Mijn Heer," zegt Chalil, die
+trouwens al veertien jaar is: "wanneer gij alles hebt gezien, zouden wij
+naar beneden kunnen gaan. En ik zou ook kunnen gaan, waar mijn broer
+Saïd is gegaan, want mijn oom is vermoord." Ach, waarom zou ik den
+kleinen Chalil afhouden van wat naar bloed ruikt! Wij dalen weer
+draaiend: "Over de tweehonderd treden," zegt de kleine Chalil: "ik ga te
+paard. De geheele familie zal gekomen zijn."
+
+
+VI.
+
+Wij rijden terug, in het mooie wagentje, dat nummer 18 heeft. Want Saïd
+Effendi wil niet, dat het mooie Arabisch-Circassische jongetje thuis is,
+wanneer hij weer naar Hebron gaat voor langen tijd. Het jongetje en
+zijn tante gaan dus mee naar Jeruzalem. En ik denk, dat ik het mooie
+jongetje zal laten fotografeeren, eene verrassing voor Saïd. De zalige
+dag. En het heerlijke landschap. Het kleine jongetje praat onverdroten.
+Als vogels en bloemen. Is het Arabisch? Is het Circassisch? Neen, neen,
+het is Arabisch. O, ik schiet al aardig op. Hij lacht. Hij ziet iets,
+dat heel lief is. En hij is heel blij in 't mooie wagentje.
+
+De fotograaf. Hij prijst zich zelven. Hij heeft lang in Duitschland
+gewerkt. Neen, hij heeft den keizer nooit gefotografeerd. Maar hij heeft
+wel eens een negatief des keizers ontwikkeld. Hij weet dus alles van de
+Duitsche politiek. "Mijnheer," zegt hij: "gelooft u mij, ik weet het,
+men doet dien man onrecht." Maar wat een onmogelijk jongetje is dit! Een
+Joodsch jongetje! Neen. Circassisch-Arabisch. Juist, mijnheer, dat dacht
+ik wel. Wat kijkt dat kind ernstig. Een kind moet vroolijk zijn, niet
+waar? Altijd vroolijk.
+
+Het jongetje Daoud is niet bang. Het kijkt maar heel wonderlijk naar
+dien raren, drukken man, die hem plooit en vouwt. Die fluit, danst en
+zingt. En het Arabisch-Circassisch jongetje Daoud wil niet lachen. In 's
+hemelsnaam. Morgen kan ik de platen komen zien. Wat een onmogelijk strak
+jongetje.
+
+En den volgenden dag. Nog zaliger weer. 's Middags langs den Jaffaweg
+naar den fotograaf. En ik ontmoet mijn vriend, den stadsaanplakker en
+omroeper R. Leizer Schwartz. Heden heeft hij mij aangeplakt, voor een
+lezing, vanuit een groote hengselmand. En heel waardig overhandigt hij
+mij een van de biljetten. Zóó geeft men een doodvonnis.
+
+En de photograaf: "Mijnheer, de foto is prachtig, ik ken mijn vak. Maar
+wat een onmogelijk kind is dit."
+
+
+
+
+SABBATH IN JERUZALEM.
+
+
+Wanneer de Sabbath het Heilige van ons leven is, dan is Sabbath in
+Jeruzalem zeker het Allerheilige.
+
+Eenen Donderdag ben ik te Jeruzalem aangekomen. En Vrijdagmiddag zijn
+wij een wandeling door het Joodsche kwartier begonnen. Toen was ik nog
+een vreemde in onze stad. Nu ik de Sabbathdagen van reeds menige week
+herdenk, ben ik al geen vreemdeling meer.
+
+Sabbath te Jeruzalem. Alle Joodsche winkels sluiten. Geen Joodsch
+werkman is aan den arbeid. De kapperswinkeltjes hebben het al vroeg in
+den middag heel druk. En de jongens, die schoenen poetsen in het
+Jodenstraatje.
+
+Men leert de bewoners onderscheiden aan hunne kleeren. De Sefardim
+dragen zwarte mutsjes. Ook wel een fez, gelijk de Jemenietische Joden.
+De Aschkenaziem, afkomstig uit Oost-Europa, dragen streimels, dat zijn
+platte, ronde mutsen met fluweelen rand. Ze dragen lange kaftan-kleeren,
+sommige van schitterende zijde of fluweel; brandend oranje, rood of
+hel-blauw. De mooie Sabbath-kleederen zijn dikwijls de eenige rijkdom
+van deze arme, vrome mannen. Niemand in Europa weet, wat de Joodsche
+stadsbevolking van Jeruzalem geleden heeft. Duizenden Joden zijn van
+honger gestorven. Andere duizenden door de typhus. In het begin van den
+oorlog hebben de Amerikanen geld gezonden. Toen Amerika den oorlog
+begon, hield dat op. De groote, vrome rabbijnen hebben hun kleeren en
+hun zielsbeminde boeken moeten verkoopen voor een schamel stuk brood.
+Schatten aan boeken zijn naar Engeland en naar Amerika gegaan. De
+toestand is nu iets beter. Het ondersteuningswerk is nu in handen van de
+Zionisten. Maar hun werk is natuurlijk ook niet volmaakt. Het is heel
+moeilijk eene regeling te vinden, die niemand schaadt in zijn rechten en
+belangen. Misschien was het beter, dat het politieke werk van de
+Zionisten afgescheiden bleef van het liefdadigheidswerk. Er is een deel
+van de orthodoxie, die van het Zionisme niets weten wil. En ook geen
+geld wil aannemen, dat door hun handen is gegaan. Anderzijds wordt
+beweerd, dat het voordeelig is, zich aan te sluiten bij de Zionisten. De
+toestanden zijn hier buitengewoon gecompliceerd.
+
+Maar dat ziet men bij eene wandeling door de stad niet. Dan zien we,
+tegen den Sabbath, de vrome Joodsche mannen gaan. Zij knippen de hoeken
+van het hoofdhaar niet af. Hunne gezichten zijn mild en teeder met de
+lange lokken. Dit zijn de mannen, die de Heilige Leer beoefenen alleen
+en uitsluitend om haar zelve. Niet om eer. En niet om gewin. Deze
+zwakke, uitgeleden mannen zijn de dragers van de oude schatten van het
+Jodendom. Maar als dit lieve, zwakke geslacht uitsterft? Ik ben nog niet
+in de koloniën geweest. Men zegt, dat daar een jong, sterk geslacht
+opgroeit. Maar het neemt de oude schatten niet over. En dat is onze
+taak: een nieuw sterk geslacht te kweeken, waarin ook de Joodsche geest
+sterk zal zijn. Ontroerend is het de teedere zwakke Joodsche geleerden
+te zien gaan tusschen de stoute, sterke Bedouïenen van het
+Transjordaansche. Maar die kunnen lezen noch schrijven. Als wij dat
+bereiken konden: een Joodsche jeugd zoo stout en sterk als de Bedouïenen
+zijn, en zoo wijs en geleerd als de rabbijnen.
+
+
+II.
+
+De Klaagmuur. Wij zijn den eersten Vrijdagmiddag naar den Klaagmuur
+gegaan. Door een warreling van straten en steegjes, waarin ik nu ook al
+geen vreemdeling meer ben. Een van mijn Joodsch vrienden te Amsterdam
+(wat is Amsterdam ver! Wat zijn de Joodsche vrienden ver!) schreef mij,
+dat hij het liefst zou willen weten, met welke gevoelens ik den
+Klaagmuur voor de eerste maal genaderd ben. Beste vriend, antwoord ik
+hem nu: in een ontroering waarvoor ik geen woorden weet. En waarvoor gij
+ook geen woorden weten zult, wanneer uw Dag gekomen is. Als wij woorden
+wisten voor deze ontroeringen, zouden wij geen individuen zijn. Maar wij
+zouden samenvloeien als water droppels. De woorden, die ik nu
+opschrijf, zijn niet meer dan punten, die niet dringen in belangrijke
+gevoelssegmenten.
+
+Wat is ons deze Klaagmuur eigenlijk? Zouden wij zonder dit brok muur
+niet weten, dat wij eenmaal een tempel hebben gehad, teeken van
+nationale en godsdienstige eenheid? Wij zouden het zeker ook weten
+zonder dien Muur. En toch: zouden wij het gevoelen, zóó diep als thans,
+wanneer we onze handen leggen op de eeuwige steenen en onze
+middaggebeden spreken, het betraande gelaat naar den muur gekeerd? De
+Klaagmuur: ik heb wel eens gevreesd, dat het niet geheel en al echt zou
+zijn, het schreien en weenen bij dezen Muur. Maar ik vrees dat nu niet
+meer. Zij, die lijden, en het zijn duizenden en duizenden in Jeruzalem,
+gaan naar den Klaagmuur om hun eigen leed daar uit te schreien. Hun
+tranen zijn zoo echt, als het leed van het Joodsche volk. In de
+reisboeken staan ons leed en onze muur aangeteekend als een
+bezienswaardigheid. De touristen, die waar voor hun geld moeten hebben,
+gaan op Vrijdagmiddag tegen den avond, omdat er dan veel Joodsche
+klagers komen. Ik ga bijna elken dag, tegen den laten middag. Ik heb
+mijn hoekje tegen den Muur al gevonden. Geen vreemde ben ik er meer. Ik
+heb dat onbeschrijfelijke gevoel gevonden van thuis te zijn. Ik ga er
+vanzelf heen. O, de weg is niet moeilijk. Dat lijkt maar zoo in het
+begin. Tusschen den Bazaar en het Jodenstraatje links. De straat in, die
+daalt met zooveel trappen en die zoo vol is van Arabisch beeldhouwwerk.
+Er is één plaats, waar twee prachtige poortjes tegenover elkander zijn.
+Dan rechts afslaan. En dan altijd maar links. Overal waar de straat een
+hoek maakt, links. Altijd trapjes af. Een wonderlijke overdaad van
+straatjes, steegjes, trapjes, hoekjes en holletjes. En dan niet dat
+donkere poortje in. Maar dat weggetje, waar 's middags de zon schijnt.
+Dan zijt ge er. En dan, mijn beste vriend, wordt het onbeschrijflijk.
+Dan komt uw Ziel in het Gebied, waar geen Woorden doordringen. Dan zijt
+ge gansch alleen...
+
+En tot zoover had ik geschreven, Vrijdagmiddag, toen de bazuin geblazen
+werd over de Duitsche Plaats, om de Joodsche vrouwen te waarschuwen, dat
+zij de Sabbathlampen moesten aansteken. Toen ben ik ook met schrijven
+opgehouden. Zeker, beste vriend, zal ook uw Dag komen, dat gij voor het
+eerst naar den Klaagmuur zult gaan. Zoo God het wil, zal ik gaarne uw
+geleider zijn. Tot gij den weg door warrelende straatjes en steegjes
+alleen zult weten. En verlangen zult alleen te gaan, als uw hart zwaar
+is en gij verlangen zult uit te schreien tegen den muur.
+
+
+III.
+
+Dien eersten Vrijdagavond ben ik gast geweest in het meisjesweeshuis van
+den heer en mevrouw Zilversmit, waarvan ik u al gesproken heb.
+
+O, in dit huis is de Sabbath een heerlijkheid. De zegenspreuken over
+Wijn en Brood worden met heilige wijding uitgesproken. Voor ons is het
+Hebreeuwsch toch altijd een taal, die buiten het dagelijksch leven
+staat. De Hebreeuwsche woorden kennen wij uit de gebeden. Zij hebben een
+bijzondere gevoelswaarde voor ons. Maar gewone ongewijde woorden eener
+spreektaal zijn zij niet. Voor deze meisjes anders. Het Hebreeuwsch is
+hun gewone spreektaal. De gevoelswaarde van de gewijde woorden is een
+geheel andere. Maar achter al die waarde-verschillen zal ik wel nooit
+komen. Want zelfs al was Hebreeuwsch mij zoo eigen als Hollandsch, dan
+nog zou ik mijn subtiele bedoelingen niet onder woorden kunnen brengen.
+En de meisjes zouden de gevoelens, die mijn woorden opwekken, ook niet
+kunnen uitspreken. Wat doet de zee: de landen verbinden of de landen
+scheiden? Wat doet de Taal: de menschen verbinden of de menschen
+scheiden?
+
+Na het eten worden de lieve, milde Sabbathzangen gezongen.
+
+En dan gaan we met ons allen in de hal. In de groote, heldere hal. De
+kleine meisjes spelen hun Hebreeuwsche spelletjes. Altijd een aardige
+les in het Hebreeuwsch. De grootere babbelen in troepjes. En er komen
+gasten. Want iedereen is hier welkom. Er is een Amerikaansche majoor.
+Een kerel als een boom. Bij nader onderzoek blijkt hij een doodgoede
+medicus te zijn. En, glimlachend als een oud, moe man, zie ik de oude
+geschiedenis, die toch altijd nieuw blijft. Er komt een lieve, slanke
+jongen, een leerling van de Onderwijzers-Kweekschool. Zijn ouders wonen
+in een van de koloniën. Maar hij is hier in de stad op school. Ik
+geloof, dat hij hier zijn vriendinnetje heeft. En ik geloof, dat het
+vriendinnetje dat ook wel weet. En ook wel weten wil. Neen, ik ben nog
+niet zoo een heel oud man. Maar ik heb toch iets meer dan deze kinderen
+beleefd. Gij kent het gedicht van Jacques Perk: "Dorpsdans" natuurlijk
+even goed als ik. Een grijsaard ben ik nog wel niet. Maar het komt toch.
+Het komt toch. Misschien zal het leven deze twee lieve kinderen wel
+genadig zijn. En misschien is het ook heelemaal niet waar.
+
+Het is wel heel laat, wanneer wij scheiden. Donkere maan. Maar er is de
+goedgezinde Challad met de lantaarn, die mij naar het hotel brengt. In
+het hotel wel alles wreed en vreemd. Voor de deur ligt een van de
+kellners op een mail-stoel te slapen, bij wijze van deurwachter. Na den
+lieven vrede in het groote gezin van den heer en mevrouw Zilversmit is
+dit wel wreed en vreemd. Als ik in de kleine hotelkamer kom, moet ik
+mijn hand drukken op mijn hart barstend van pijn. En ik moet tegen het
+dwaze, bonzend hart zeggen: "Dwaas hart, zoudt ge nu niet eens rustig
+willen zijn... ge zijt hier, waar ge altijd hebt willen zijn. En wie te
+Jeruzalem sterft, wordt daar ook begraven."
+
+
+IV.
+
+Den Sabbathmorgen ga ik ten gebede in het jongensweeshuis van den heer
+Goldsmit, ook Hollander van geboorte. Gij allen, die Jeruzalem kent,
+weet, dat het een heele stap is. Van de Duitsche Plaats de groote Poort
+uit, den Bazaar door en de Jaffastraat tot de Bioscoop en dan links af.
+Daar ligt dat weeshuis lekker buiten. In het licht en in de zon. Net wat
+Joodsche jongens noodig hebben om gezond en sterk te zijn. Wij beginnen
+hier onze gebeden vroeg: zeven uur. Maar als ik van huis ga, tegen half
+zeven, dan is men in de beide Synagogen van de Duitsche Plaats al
+begonnen. En ook in de kleine Synagoge, bij het Jodenstraatje, waar de
+kolenkoopman zijn winkeltje heeft, en waar de twee gaarkeukentjes zijn.
+Maar het kolenwinkeltje en de gaarkeukentjes zijn nu dicht omdat het
+Sabbath is. Alle winkeltjes in het Jodenstraatje zijn dicht. In de
+dichte poelierswinkeltjes kraaien de geoordeelde hanen en hennen. In het
+Specerijenstraatje zijn de lekkere winkeltjes al open: Even inkijken.
+Even snuiven. En dan verder.
+
+Bij het Weeshuis is een kleine Synagoge. Vierkant met ramen in twee
+muren. En een dak van wit gekalkt gewelf. De zon van Palestina is een
+gezegende zon: die is altijd en overal.
+
+Er zijn hier een vijftig kleine jongens in het weeshuis. Laten wij
+later eens hun geboorteplaatsen opschrijven. Dan kunnen wij zien, hoe
+het Joodsche Volk gezworven heeft. Er zijn in het Weeshuis zelf geen
+tien manspersonen boven dertien jaar, die toch bij de gebeden aanwezig
+moeten zijn. Maar zij komen dan van de stad. Wij zijn een groot gezin.
+Vreemden komen hier niet. De dienst gaat heel stil en heel eenvoudig,
+zooals wij dat in Holland gewoon zijn.
+
+De zegen door de Priesters wordt elken Sabbathmorgen tweemaal
+uitgesproken. De huisbediende is uit den Priesterstam. Heel de week
+dient hij in het dagelijksch huiswerk. Maar de Sabbath maakt hem tot
+onzen meerdere. Hij heft zijn handen over ons hoofd. En hij spreekt de
+eeuwen-woorden. Hij weet ook zeer wel, dat hij mijn meerdere is. Een
+kroon van goud en edelsteenen, zooals Europeesche koningen, dragen onze
+Priesters niet. Zij dragen een kroon, die God zelf voor hen heeft
+gesneden en geslagen uit de steenen en uit het goud van Zijn Woord.
+
+O, mijn hart: die vijftig kleine Joodsche jongens, zoo allen tusschen
+zes en twaalf, langs welke wegen zijn zij hier gekomen? En langs welke
+wegen zullen zij gaan tot aan hun eindelijke rust? Maar hun jeugd is
+hier goed en tevreden. Wat zal men kinderen voor hun leven beter
+medegeven dan den lichten last van een goede en tevreden jeugd? Hier is
+licht, lucht en zonneschijn. Ga maar eens door de straten van de oude
+stad. Ja, zeker zijn ze mooi en bijzonder met hun overvloed van trappen,
+steegjes, poortjes, gewelven, hofjes en huizen. Maar er zijn hoeken,
+waar de zon nooit komt en waar de lucht loodzwaar is.
+
+O, ik houd van de vijftig kleine Joodsche jongens. Na den kerkdienst
+hebben zij natuurlijk honger. En zij krijgen lekkere beste boterhammen,
+nadat de zegen over wijn en brood is uitgesproken. En dan zingen zij de
+gezangen van den Sabbathmorgen. Ik zou ze wel graag willen vragen of er
+ook verschil bestaat in waarde tusschen een woord in de gewone
+spreektaal en tusschen datzelfde woord in de taal van de gebeden. Maar
+voor die vragen weet ik geen woorden. Dus ga ik maar eens kijken, hoe ze
+na eten knikkeren en petjebal spelen. O, gij houdt dat voor gewone
+kinderachtige spelletjes, waarvan niets te leeren valt? Ja dat kan in
+het Hollandsch wel zoo zijn.
+
+Maar in het Hebreeuwsch is dat heelemaal niet zoo. Juist van die levende
+Joodsche jongens moet ik de levende Joodsche taal leeren. Maar zij zijn
+lastige leermeesters. Zoo vlug en zoo beweeglijk. En ik wil ze niet
+vragen naar die kleine woordjes, waarmee ze spelen en samen hanselen.
+Want dan is het aardige, het levende er meteen af als van gevangen
+vlinders. En ik zucht. En ik denk, dat ik wel te oud ben geworden om
+petjebal en bokspringen te leeren in het Hebreeuwsch.
+
+Op het terras van het weeshuis, vol, vol, vol van zon, is nu bezoek. En
+daar kunt ge nu alle talen hooren, waarvan Jeruzalem wemelt: Arabisch,
+Spanjoliet, Jiddisch, Bockhaarsch. Hebreeuwsch wordt door de ouderen nog
+betrekkelijk weinig gesproken. Maar het weeshuis spreekt alleen
+Hebreeuwsch, zoodat de jongens hun Arabisch, Spanjoliet, Jiddisch of
+Bockhaarsch al goed vergeten. Zoo zijn de ouderen dan wel verplicht
+Hebreeuwsch met de kinderen te spreken. En derwijze bouwen de jongeren
+het Hebreeuwsch op in de harten der ouderen.
+
+
+V.
+
+Een heilige Sabbathmiddag. De groote meisjes van het weeshuis maken een
+wandeling. En ik mag mee. Waarheen? Naar een bron van levend water,
+ergens bij het dorp van Silouan. O, dat is voor Holland niets, levend,
+stroomend water. Maar dat kennen wij hier in Jeruzalem heelemaal niet.
+Grachten zijn hier niet. Rivieren, die des zomers niet uitdrogen, zijn
+er maar heel weinig in het land. Die bron bij Silouan is dus heel iets
+bijzonders. Hij geeft alleen maar water vlak na den grooten regentijd,
+den zoogenaamden vroegen regen. Een paar weken daarna is alles droog.
+
+Ik ken het dorp Silouan wel. Het ligt tusschen den stadsmuur vóór de
+Duitsche Plaats in het dal tot den Olijfberg. Uit mijn raam zie ik het.
+Boomen zijn er niet. Het is heelemaal niet zoo een dorp als de dorpen
+van de Zaanstreek bijvoorbeeld. De huizen zijn niet van hout en niet van
+roode gebakken steen. Maar van grauwe gehouwen steenen. Van verre gezien
+lijkt het nog wel heel wat. Maar van binnen zijn de huizen doodarmoedig.
+Er zijn twee deelen van het dorp: Arabisch en Joodsch-Jemenietisch.
+
+Van het Weeshuis gaan we dus eerst weer het domein van de Russen over.
+Dat is altijd. Dan door de zonnige Jaffastraat (wie geeft ons hier eens
+wat lekkere, frissche boomen?) en bij de Jaffapoort rechts-af.
+
+Dat is weer een les in het levende Hebreeuwsch, de wandeling met de
+meisjes. Ik hoor hoe de wilde mosterd heet en het madeliefje. En hoe de
+vogels heeten, waarvan het gefluit over ons heen valt. Op den grooten
+heerweg hebben de meisjes keurig geloopen in rijen van twee en twee.
+Maar op de smalle windende binnenweggetjes loopen we een voor een,
+voorzichtig. En zon, zon, zon. Overal zon. Een van de plaatsen, waar
+anders het levende water welt, is al droog. Maar de ander, een eindje
+verder, die is er nog. Dat ligt in een dal tusschen heuvels. Het is heel
+druk bij die bron van levend water, want levend water is hier zeldzaam.
+Twee Arabische vrouwen wasschen groenten schoon. Morgen zitten ze
+daarmee onder dat wijde, witte, gewelf in den Bazaar, domein van de
+groente-dames. Maar bij de bron krijgen ze vandaag ruzie met een
+Jemenietisch joodsch jongetje, die pootjes baadt. Het jongentje is met
+zijn bekje volkomen tegen de Arabische dames opgewassen. Van hun woorden
+versta ik niets. Maar ik vermoed, dat het joodsche jongentje een betoog
+levert, dat een bron van levend water iedereens eigendom is, dat wil
+zeggen: niemands. Een bron, een bron: laat u niet in de war brengen door
+dat woord. Het is heelemaal geen gemetselde put of een diepe spelonk,
+waaruit het water ruischt. Neen, een kuil in den bodem, daaruit borrelt
+heel stil het water. En over de randen van den kuil vloeit het weg in
+het landschap. Een oud vrouwtje laat een klein kindje drinken. Het oude
+vrouwtje is heelemaal niet bang voor typhus. En het kleine kindje ook
+niet. De twee Arabische vrouwen zijn met de groenten klaar. Het
+Jemenieten-jongetje heeft het rijk alleen. Tot er een gendarme aankomt.
+Een Arabier prachtig op zijn paard. Hij jaagt het booze jongentje den
+waterkuil uit. En hij laat zijn paard drinken. Dat is lekker voor zoo
+een beest, levend water. O, er gebeurt hier van alles. In dit kleine dal
+tusschen heuvelen. Een meisje met een groote, zwarte geit. Die geit moet
+naar huis. Maar de geit wil niet naar huis. En het meisje met de geit
+vechten. Precies zooals twee booze jongens vechten. De zware, zwarte
+geit zal het winnen. Maar neen, daar komt de koeienvrouw, die juist met
+haar koeien op weg is naar huis, en die drijft de zware, zwarte geit den
+goeden weg op.
+
+Iedereen komt kijken naar dit wonder van levend water. Een vader en een
+zoontje. Twee mooie Arabieren. De vader op een schimmel. En het zoontje
+op een mooi wit ezeltje. Ze laten eerst de beide beesten lekker drinken.
+En dan drinken ze zelf. En ze gaan lekker lui tegen een heuveltje
+liggen. Zeker houden ze veel van elkander. Want de vader heeft zijn arm
+om het zoontje heengeslagen. En het zoontje heeft zijn kop tegen den
+vader aangelegd. Zeker bewondert de vader zijn mooien, sterken jongen.
+Of denk ik dat maar? En denkt de vader aan prijs van koren, paard en
+ezel? Hoe ziet de ziel van een Arabischen vader er uit? Hoe ziet mijn
+ziel er uit?
+
+O, er gebeurt van alles. Een kleine vrouw vult een gelooide geitenhuid
+met lekker frisch water. En een jongentje komt met een petroleumblik om
+water te halen. Er gaat vijftien liter in. Hij kan het blik wel vullen.
+Maar niet op zijn hoofd zetten. Nu, de vrouw met de gelooide geitenhuid
+helpt hem gaarne. Hij houdt het blik met beide kleine handjes vast. En
+op sterke, vaste pootjes loopt de jongen huiswaarts. Later zullen wij
+hem nog eens tegenkomen, op den terugweg met het leege blik, gaande naar
+die milde levende bron.
+
+Heel het landschap is décor. En dit leven is tooneel, waarnaar de Dood
+mild en ernstig kijkt, dat alle spelers op hun tijd het tooneel
+verlaten.
+
+De schaduwen van den laten middag leggen zich langer en lager. Wij gaan
+op den terugweg. Nu een anderen weg. Langs de tuintjes, die wij van den
+stadsmuur af in terrassen zien vallen naar het dal toe. Waar water komt,
+daar is het land ook vruchtbaar. Elk plekje grond wordt hier voor
+groententuin gebruikt. De vrouwen werken daar, vroeg oud en geduldig.
+Waar wij de stad naderen wordt het tooneel weer voller. Op een muurtje
+zit een rij vrouwen uit te kijken naar het dal. Als de meisjes net twee
+mannen voorbijkomen, slaan zij snel de sluiers voor. Op den hoogen
+stadsmuur wemelt het van luie kijkers. Heel eenzaam op een heuveltje
+zitten een bruin broertje met een bruin zusje. En ze kijken uit, hoe de
+avond daalt. O, wat is dat lief en teeder.
+
+De meisjes kakelen hun mooi Hebreeuwsch. Maar ik ben moe en bedroefd.
+Jeruzalem. Amsterdam. Zooveel wind en zee tusschen de beide steden. Zal
+ik te Jeruzalem mijn rust vinden? Ach, de rust en de onrust zijn niet in
+de steden, maar in onze ziel. En ook hier ben ik een diep-gekweld
+mensch.
+
+Deze zalige Sabbath eindigt. En dan? En dan? Laat ik probeeren dankbaar
+te zijn: wanneer de Sabbath het Heilige van ons leven is, dan is Sabbath
+in Jeruzalem zeker het Allerheiligste wel.
+
+
+
+
+DE STAD VAN JIRMÉJAHOE.
+
+
+De vastendag van 17 Tammoez. De drie weken. De vastendag van 9 Ab, Wij
+hebben weder alle rampen herdacht, die één- en tweemaal over Jeruzalem
+heengekomen zijn. Nu gaan wij door het tweede gedeelte van de maand Ab,
+dat Menachem, dat is Vertrooster heet.
+
+Kunnen wij eigenlijk deze droeve dagen nog wel gedenken? Zou Frankrijk
+den Sedan-dag nog gedenken als een nederlaag of Duitschland als een
+overwinning. Misschien is de herdenking goed voor Frankrijk als een
+vermaning tot bescheidenheid en voor Duitschland als eene bemoediging
+tot kracht. Keer en tegenkeer.
+
+De vraag of wij voort zullen gaan met het herdenken van onze nationale
+treurdagen is besproken. In Engeland door de Jewish Chronicle, die tegen
+afschaffing is. Hier heeft de "Palestine Weekly", het Engelsche bijblad
+van Doar Hajom, al heel voorzichtig te kennen gegeven, dat in orthodoxe
+kringen het voornemen bestaat, den vastendag van negen Ab zijn droevig
+karakter voor een gedeelte te ontnemen. Ik geloof dat niet. Maar men
+maakt de geesten bereid: Bijvoorbeeld: een van onze Hollandsche
+Zionisten beweerde, dat de Rabbijnen Diskin en Sonnefeld den negenden Ab
+als vastendag hadden afgeschaft. Het was overal in de stad aangeplakt.
+Heel geloofwaardig was 't bericht niet. Zoo iets als de bewering, dat
+dr. Kuyper en mr. De Savornin Lohman hebben toegestemd in een
+bolsjewieksche revolutie. Maar overal in de stad aangeplakt! Laat mij
+dat dan maar eens zien. Groote gele biljetten. Een verbod van de
+Rabbijnen Diskin en Sonnefeld deel te nemen aan de Constituante wegens
+het vrouwen-kiesrecht. Niet precies hetzelfde. Hebreeuwsch is een
+moeilijke taal. Maar de geesten worden bereid.
+
+II.
+
+Wij hebben den dag gehouden als naar gewoonte, in het jongensweeshuis
+van den heer Goldsmit. De kleine synagoge ontdaan van alles, wat maar
+overbodig is. Wij zitten des avonds op den grond bij weinig kaarslicht.
+De jongens barrevoets. De treurzangen en Jeremia's klaaglied worden
+gelezen. Ook den volgenden dag worden zij gelezen. Het is alles als
+andere jaren. Maar het is toch niet alles als andere jaren. Een Joodsche
+Landvoogd. En sinds de Paaschdagen een verandering ten goede, die ons
+vaak angstig maakt, zóó glad en goed als alles gaat. Kunnen wij nu alle
+droeve dagen nog zóó blijven gedenken?
+
+Des Zaterdagavonds ben ik naar den Klaagmuur gegaan. Verleden jaar heb
+ik het niet gedaan. Men had mij gewaarschuwd. Ik had moeten luisteren.
+Welk een droevig en beschamend schouwspel. In den nacht van den negenden
+Ab komen de vrome Joden aan den Klaagmuur bidden en leeren. En de
+nationale jeugd komt er zich bij vermaken. De jongens zoo vrij mogelijk
+gekleed. Meisjes, in lichte toiletjes, rokjes kniekort, dragen
+wandelstokjes, zooals zij het de vrouwen van Engelsche officieren soms
+zien doen. Luid gebabbel en er wordt gezellig gerookt. Vaarwel
+Klaagmuur. Een droevig en beschamend schouwspel. De nationale opvoeding
+van de laatste jaren heeft hun geen eerbied voor ons nationaal verleden
+geleerd. Ongetwijfeld heeft onze Palestinensche jeugd veel goeds. Ziet
+onze gymnasten en onze padvinders maar eens door de stad gaan. Maar
+anderzijds: welk een oppervlakkigheid en gemis aan ernst. Talrijke jonge
+onderwijzers bijvoorbeeld verlaten het land om buiten verder te
+studeeren of prettiger te leven, terwijl zij hier zoo noodig zijn. Het
+zijn in vele gezinnen ook de jongelui, die de ouders dwingen tot een
+leven boven stand. Wij worden hier af en toe grimmig. Bijvoorbeeld: men
+heeft buiten het land een groote reclame gemaakt met het feit, dat
+Palestina een honderdduizend pond heeft gegeven voor het
+Bevrijdingsfonds. Heel mooi. Maar nu hooren wij, dat allerlei beloofde
+giften niet betaald worden. Een groot gedeelte van het geld is gegeven
+door ambtenaren en door de onderwijzers, die vlak daarop een groote
+salarisverhooging kregen en nu weder een duurte-toeslag. O, de geest van
+materialisme en egoïsme! Die moeten wij te boven komen.
+
+
+III.
+
+Jeruzalem drukt mij. De kleine, geweldige stad, die de navel is van Gods
+aarde. Ik zit in te veel vereenigingen en in te veel commissies die toch
+alle niets doen dan praten. Eén dag wil ik weg zijn. Ik wil naar Anatoth
+gaan, dat tegenwoordig Anata heet. De stad van Jirméjahoe, dien gij
+Jeremia noemt. Gij weet, hoe het Boek van Jeremia begint: "De woorden
+van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de Priesteren, die te Anatoth
+waren, in het land van Benjamin". Verleden jaar ben ik door Anatoth
+gekomen, op weg naar het water en naar den waterval van Aïn Fara.
+Jeremia. Het was de Profeet, dien ik vreesde. Jesaja, de milde,
+lichtere. Maar dit jaar is Jeremia mij vertrouwder geworden. Ik heb alle
+Drie Weken lang Jeremia gelezen. De Klaagliederen en het Boek van zijne
+voorspellingen en vermaningen. Nu is ook zijn donkere, zware taal
+lichter geworden.
+
+Ja, dus wil ik naar Anatoth gaan, ter bedevaart. Voeten gaan over
+dezelfde landen, die Jeremia ook is gegaan. Dezelfde lijnen zien van
+zijne bergen, toen Jeremia een Joodsche jongen was. Hoe vertrouwd alles
+en hoe dichtebij. Op zijn hoogen heuvel Mizpah zien liggen, dat de
+Arabieren noemen Nebi Samwil, dat is Profeet Samuël. En verder het oude
+Bijbelsche Rama. Alleen hier, in dit Heilige Land kan men de Heilige
+Schriften beleven.
+
+Naar Anatoth gaan en in een van de vijgentuinen de Boeken van Jeremia
+lezen, waar de zon heet is en de schaduw koel.
+
+
+IV.
+
+Neen: mijn vriend Adil Effendi zal niet met mij medegaan. Dit is geen
+tocht voor hem. Maar Galed, de Arabier van het meisjesweeshuis. Ach: er
+is veel veranderd. Een nieuwe geest, wel werkzaam, wel bedrijvend. Maar
+waar is de vroomheid, en waar is de heiligheid van Sabbath en
+Feestdagen. O, de onheilige geest van materialisme en van zelfzucht, die
+over dit land vaart. Galed is nog in het weeshuis. Hij wil gaarne
+medegaan. Een dag van geen werk en zeker een bakschisch.
+
+Wij gaan op weg vóór het vijf uur is. Natuurlijk zal het niet regenen.
+Het regent niet van April tot over November. Maar het heeft zwaar
+gedauwd, dat nu in grijze tochten optrekt.
+
+De wegen bekend tot aan het groote huis van den Groot-Mufti aan den
+Olijfberg-weg. En telkens de verrukkelijke uitzichten over Jeruzalem. De
+stad, oud, binnen zijn muren. En de nieuwe wijken uitgebouwd en
+uitgeblokt over heuvelen en dalen. Zooveel kerken. Een heilige stad van
+allen. Maar toch onze stad. Bij het huis van den Groot-Muftie links en
+langs weer een groot Engelsch soldaten-kerkhof. Er is hier voortdurend
+zwaar gevochten van de bezetting van Jeruzalem tot de laatste doorbraak.
+
+Dan in de bergen. De stad heel weg. Alles stil. Een voetweg. Anatoth
+ligt buiten groot verkeer. Er is een rijweg, door de Engelschen in den
+oorlog uitgelegd. Maar wij gaan kleinere, snelle wegen. Een kleinverkeer
+tusschen dorp en stad. Wat druiven, tomaten, brandhout op kleine
+ezeltjes heen en weer. De bergen kaal. Zwarte geiten grazen het droge
+zomergras als hooi. De hitte stijgt. Van verre Anatoth. Land en stad van
+Jirméjahoe.
+
+
+V.
+
+Nu is het maar een handvol hoopje huizen op zijn heuvel. Veilig voor de
+vijanden en open voor den wind. Toch maakt het van verre een beteren
+indruk dan groote dorpen als Zarnoeka en Jibné, die van leemen huizen
+zijn gebouwd. Hier zijn de huizen van gehouwen steen. Sommigen half-af.
+Of opgezet als groote huizen en afgebouwd met een dwaas, kort dak.
+
+Anatoth was een Levietenstad in Benjamin, (Josua XXI: 18) waarheen
+Salomo Abjathar den Priester bande, zeggende: "ga naar Anatoth, op uwe
+akkers" (I Koningen II 26-27). Misschien, dat wij wel over de akkers van
+Abjathar gaan. Hier is het land, waarover de Assyriërs naar Jeruzalem
+trokken in de dagen van Jesaja (X 28:32). Toen moet het "arme Anatoth"
+een vesting geweest zijn. "Anatoth en hare voorsteden", zegt de
+Statenvertaling in Josua XXI:18. "Voorsteden": ik twijfel of die
+vertaling goed is. Hebben al die steden daar genoemd dan maar
+"voorsteden" gehad? Het "Hebreeuwsch" heeft: "migrach", dat is: een
+weideplaats voor vee, rondom de stad, en in nieuwer Hebreeuwsch ook een:
+bouwterrein voor een huis.
+
+Men zegt, dat in de huizen zeer oude steenen zijn ingebouwd. Ik zie,
+midden tusschen nieuwe steenen, een groot, grauw bouwblok, dat lijkt op
+de steenen van den Klaagmuur.
+
+Men begint nu weer aan de voorbereidingen voor archaeologische
+onderzoekingen. Anatoth zal ook wel een beurt krijgen.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Wij legeren ons in een vijgentuin buiten het dorp aan den weg naar Aïn
+Fara. De vijgen zijn nog niet rijp, maar de bladeren gewoon heerlijk. Ze
+beschutten zalig voor de zon en de wind waait er koelte. Altijd maar op
+een heuvel, uw dorpen. Het wijde uitzicht, een wereld, die ook de wereld
+van Jeremia is geweest. Hoe héél dichtbij en hoe vertrouwd. Hier hebben
+de booze mannen van Anatoth geleefd en zijn zij gestraft, gestorven (XI
+21-23). Deze tuin of daaromtrent is het veld, dat Jeremia kocht van
+Hanameël, den zoon van zijn oom. (XXXII:7). En in onze dagen worden de
+woorden vervuld (XXXII:15): "Want zoo spreekt de Heer der heirscharen,
+de God van Israël: weder zullen er in dit land huizen, velden en gaarden
+gekocht worden". De uren gaan in een zalige onschuld, en het is al mooi
+middag geworden, wanneer ik, mijn booze vrienden van den Joodschen
+Wachter gedenkend, lees, welk een geweldig défaitist Jeremia is
+geweest. (XXXVIII: 1-6). Maar hij werd dan ook levend in een put
+geworpen.
+
+
+VII.
+
+Wij eten te zamen gezeten op een muurtje van steen, gelijk men hier om
+de tuinen bouwt. Wij hebben wittebrood, druiven, vijgen en heerlijk
+water, diep uit den grond. Galed maakt praatjes met de voorbijgangers.
+Een vrijmoedige vrouw, die de veldwachter blijkt te zijn. Een
+afschuwelijke oom met een heel aardig neefje. De afschuwelijke oom doet
+niets. Het neefje houdt het Engelsche kerkhof zuiver. Hij verdient een
+shilling per dag, maar is dan ook "ketier mabsout", gij zoudt zeggen:
+reuze-tevreden.
+
+Maar wij moeten de Stad van Jirméjahoe verlaten. Want ik kan niet te
+laat terugzijn in Jeruzalem, de oude, geweldige stad. Er is een
+vergadering van den Aschkenazischen kerkeraad, waarin eenige oude
+twisten zullen worden geliquideerd en eenige nieuwe zullen worden
+opgezet.
+
+
+
+
+YATACK-IL-KHARAMIYEH??
+
+
+Wanneer ik op een milden Vrijdagochtend mijn bezoek breng bij den Groot
+Mufti van Palestina, te Jeruzalem, dan vind ik daar den Kadi en Djemal
+Bey Husseini, een van de politieke Arabische advocaten. En ook drie
+zwijgende Arabieren. Gekleed in de dracht van aanzienlijke Fellachen.
+Zij spreken en zwijgen alleen in het Arabisch. Hoe heeten zij? Djemal
+Bey schrijft het op. Zij zijn twee broers: Amin en Ragib El Hawadja en
+de zoon van één hunner. Ik moet lachen om den naam: Hawadja. Want dat is
+de titel van Europeanen en Christenen. Aanzienlijke Mohammedanen heeten
+Effendi.
+
+Vrijdagavond. Wij hebben gasten. Familie van de vrouw des huizes. Haar
+vader is jaren lang hoofd geweest van de Wachters, die de Joodsche
+kolonie Rehoboth beschermen tegen Arabische rakkers. Haar broer een van
+de stoutsten en sterksten onder de Joodsche ruiters. Ik zeg iets over
+mijn bezoek bij den Mufti. En over de drie mooie, zwijgende Arabieren,
+die ik voor rustige landedellieden houd. De wondere naam El Hawadja is
+mij natuurlijk bijgebleven. Maar dan word ik door den vader uitgelachen
+en ingelicht. Wat, kon ik Amin el Hawadja niet? Dat is de grootste dief
+van heel Palestina. Dat wil zeggen: hij steelt zelf niet. Maar hij kent
+alle dieven. Zij stelen. En zij brengen den buit bij hem. Doen ze dat
+niet (maar ze doen het!) dan zorgt hij, dat ze in handen vallen van de
+politie of van den bestolene. Doen ze het wel (en ze doen het!) dan
+zorgt Amin voor den verkoop. Dikwijls ook wendde de bestolene zich tot
+Sjech Amin met verzoek den dief op te sporen. Natuurlijk werd het
+gestelene dan spoedig gevonden. En de dief kreeg ook wat. In den
+Turkschen tijd was dat veel eenvoudiger dan een klacht indienen bij de
+Regeering. Amin el Hawadja heet Sjech el Kharamijeh, dat is: de Sjech
+der Dieven. Heelemaal geen schandnaam. Stelen is hier trouwens geen
+schande. Maar bestolen worden, dat is schande. Diefstal is een
+beleediging, die zoo mogelijk zwaar gewroken wordt. En de dieven zijn
+dikwijls veel banger voor den bestolene en diens familie dan voor de
+Regeering. Vooral in den Turkschen tijd, toen eigen richting nog iets
+heel gewoons was. De Engelschen gaan die te keer. Sjech el Kharamijeh!
+Hij is er geducht rijk bij geworden. Hij heeft acht en twintig kinderen
+in leven. Tien zonen. En achttien dochters. Hij heeft vijftien vrouwen
+gehad. Dood. Gescheiden. Nu nog vier over.
+
+
+II.
+
+En dat is nu aardig. Een paar dagen later komt Amin paarden verhandelen
+met mijn vriend Abdoel Salaam, den broer van Adil Effendi. Amin vertelt,
+dat hij bij den Groot Mufti is geweest en dat hij daar een Europeeschen
+chawadja heeft ontmoet. "Juist," zegt Adil: "die chawadja is een groote
+vriend van ons." En dan noodigt Sjech Amin ons uit hem te bezoeken. Hij
+woont te Naälin, diep en hoog in het gebergte van Judea. Oostwaarts van
+Ludd en Ramleh. Niet ver van Midji, het oude Modin, de stamstad van de
+Chasmoneesche heldenfamilie. De donkere oogen van Adil schitteren,
+wanneer hij mij de uitnoodiging overbrengt. Twijfel ik nog, of ik gaan
+zal? Mag men een zoo machtigen sjech zóó beleedigen! Maar ik spreek nog
+lang geen Arabisch genoeg om mij met den sjech waardig te onderhouden.
+Adil biedt grootmoedig aan mede te gaan. Nietwaar, anders moest ik toch
+een tolk medenemen en misschien nog wel een gids. Goed, maar als wij
+eens afdoend bestolen werden? En ik vertel Adil wat ik van den waardigen
+Sjech el Kharamijeh heb gehoord. Maar nu wordt Adil heel boos. Mag men
+een machtigen sjech zóó belasteren? Zeker weet de wijze Amin el Hawadja
+alle dieven en alle diefstallen. Hij helpt de bestolenen altijd in het
+weervinden van het gestolene. En natuurlijk worden hem dan moeite en
+tijdverlies vergoed. Moet hij schade lijden, omdat anderen zoo dom zijn,
+dat zij zich laten bestelen? Goed, dan zullen wij de uitnoodiging
+aannemen.
+
+Het wordt een groote reis. Naälin ligt een twintig kilometer Noordwest
+van Jeruzalem. Maar er is geen weg. Een looppad, hoogstens een
+paardenpadje door de bergen. Wij moeten met den morgentrein gaan naar
+Ramleh of Ludd. Overnachten. En 's morgens te paard de bergen in. Geen
+wagenweg. Twee dagen uit en thuis. Adil doet thuis ook niets. Maar op
+reis niets doen is toch nog weer geheel anders.
+
+
+III.
+
+Nietwaar, vóór men op reis gaat, mag men toch wel eens informeeren naar
+den gastheer? En zietdaar informaties uit zeer vertrouwbare bron: "Amin
+el Hawadja was hoofd van een rooverbende en maakte het geheele district
+onveilig. Hij had altijd een honderd goed gewapende en goed bereden
+mannen onder zijn commando, die hem met hart en ziel waren toegedaan.
+Hij maakte een groot fortuin en dwong een groot aantal dorpen hem als
+sjech te erkennen. De Turksche regeering kon niets tegen hem doen. Hij
+werd verscheidene malen ingepikt, maar al gauw weer losgelaten uit vrees
+voor zijn bende. Na de Engelsche bezetting en met het begin van de
+Arabische nationale beweging werd hij een man van veel invloed. De
+leiders van de beweging vleiden hem. Hij werd heel trotsch en beloofde
+hun zijn hulp. Ofschoon hij een man is zonder eenige opvoeding, slaagde
+hij er in op goeden voet te komen met de Engelsche autoriteiten en de
+militaire gouverneur van Ramleh heeft hem verscheidene malen bezocht.
+Hij zelf steelt nu niet meer. Hij is alleen: "Het bed van de dieven",
+zooals de Arabieren hem noemen: "Yatack-il-Kharamiyeh". Al 't gestolene
+wordt bij hem gebracht en hij brengt 't aan de markt. Iedereen in 't
+geheele land weet dat. Tegenover den bekenden Tewik Bek heeft hij zich
+uitgelaten, dat hij de Engelschen nog wel eens een loer draaien zou. "Ze
+konden zich nog wel eens in hem vergissen."
+
+Ook Mohammed van den heer Goldsmit kent hem. Als ik hem vraag of hij
+Amin el Hawadja kent, dan heeft Mohammed maar één woord. _Het_ woord.
+Maäloum. En ik vraag verder: "is hij de sjech el kharamiye?" Er zijn
+misschien geen gevaarlijke vragen. Maar er zijn gevaarlijke antwoorden.
+"Ja," zegt Mohammed: "ik ben uit een ander dorp. En veel van wat verteld
+wordt, is niet waar. Allah moge alle lasteraars straffen. En ook de
+dieven moge hij straffen."
+
+
+IV.
+
+Nietwaar, na deze gunstige informatiën mogen wij gerust gaan. Wie ook
+bestolen worden, de gasten van den hoofdman zeker niet. Wij zullen Amin
+dus een brief schrijven, dat wij hem Dinsdag aanstaande zullen komen
+bezoeken. Adil belast zich daarmede. Het is een heel moeilijk werk, want
+Amin Effendi is een groote sjech. Wij bedenken ons op ieder woord. Maar
+'t wordt dan ook een mooie brief: "Aan Zijne Excellentie, den Geëerde,
+den heer Amin el Hawadja, dat hij altijd leve. Amen!
+
+Wij groeten Uwe Excellentie zeer en wij vragen naar zijn welvaren. Gij
+weet, dat gij naar El Kuds zijt gegaan en dat gij daar hebt bezocht
+Zijne Eminentie, den Groot Mufti Kamil Effendi Husseini. Gij hebt daar
+eenen vreemden heer ontmoet, dien Gij later hebt uitgenoodigd Uwe
+Excellentie te komen bezoeken. Daarom schrijven wij Uwe Excellentie
+dezen brief, dat wij hopen te komen op den Derden Dag van de volgende
+week. Allah is groot. Wij hopen Uwe Excellentie en zijne familie in
+gezondheid te vinden.
+
+Zij, die u schrijven,
+
+ Adil Awedah,
+ Jacob Israël de Haan.
+
+Geschreven te El-Kuds, op den vierden dag van den eersten maand Rabia,
+van het jaar 1338."
+
+Ook het adres is heel mooi. Rechts boven, vlak in den hoek: "Van
+El-Kuds," dat beteekent: "De Heilige." Zóó noemen de Arabieren
+Jeruzalem. Links vlak in den hoek: "Naar Naälin." En midden in één lange
+lijn: "Aan Zijne Excellentie, den heer Amin el Hawadja, dat hij lang
+leve. Amen!"
+
+Gij, Hollandsche lezer, denkt nu, dat wij op dezen brief een mooien
+gelen postzegel hebben geplakt van vijf millièmes, en toen hebben
+gepost? Maar dan zou de brief misschien niet aangekomen zijn binnen de
+zes dagen tot ons bezoek. Neen, wij hebben den brief medegegeven naar
+Rehoboth, en vandaar is hij per looper naar Naälin gebracht. Dat kostte
+maar zeven shilling. Des Zaterdagavonds hebben wij ons bezoek
+telegraphisch bevestigd. Kijk, en dat is nu aardig: dat telegram kwam
+juist aan, toen wij, Woensdagochtend, van Amin's huis vertrokken. Het
+kostte negen piaster.
+
+
+V.
+
+Adil, die zich rijk op de reis verheugt, belast zich met alle inkoopen.
+Daar ik niet in de reishotels eten kan, koopt hij voor mij conserven.
+Wij hebben eieren. En chocolade, die van Bensdorp blijkt te zijn. Hoe is
+die hier in de Bazar gekomen? Adil koopt ook bonbons voor de vier
+vrouwen en de vele kinderen. Hij koopt vier kilo felgekleurde zuurtjes
+voor den civielen prijs van vijf gulden. Hoe feller gekleurd, hoe
+lekkerder. Hij koopt ook vier kilo Turksche jujubes, die hier halkoum
+heet. Ze kosten ook vijf gulden. En een mooie blikken doos van zestig
+cent. Ik vraag of acht kilo bonbons niet wat veel is? "Neen," zegt Adil:
+"bezoeken wij niet een machtigen sjech? Zou men ons meer achten, wanneer
+wij hem minder gaven?" Zóó is het hier. Men dingt op alles af tot het
+uiterste. Maar met geschenken over en weer is men ruim. En de bezoeker
+wordt geschat naar de waarde van zijn geschenk. "Zeker zal men ons
+achten," zegt Adil wel voldaan. Wanneer Adil iets niet wil, dan zegt
+hij: "Zeker zal men ons daarom minachten." En dan is 't uit.
+
+
+VI.
+
+Allah is groot. Het is Maandagmiddag mooi weer. De regenwind is nog niet
+begonnen. Wij kunnen dus nog wel op mooi weer vertrouwen. Wij rijden
+(voor twintig piaster!) naar het station. En voor zestig piaster de man
+van Jeruzalem door de bergen naar Ludd. En dan weer voor vijf en twintig
+piaster in een heerlijk zonnig tentwagentje langs eenen vol en
+bontlevenden weg naar Ramleh. Omdat er in Ludd geen hotel is. Het hotel
+in Ramleh is echter ook geen hotel, maar een holletje. Niet duur. Dat is
+waar. Er zijn twee kamers. Een met vier, en een met zes bedden. Van
+kamers met één bed heeft de waardin nooit gehoord. Zijn wij dwazen? Wij
+betalen twee shilling per persoon. Willen wij daarvoor ook nog schoon
+beddegoed? Zijn wij dwazen? Wanneer wij een shilling den man bijbetalen,
+dan zal zij ons schoon beddegoed geven. En dan op stap naar paarden. Wij
+gaan daarvoor naar de apotheek. Dat is de sociëteit van Ramleh. De
+apotheker heeft met Adil's broer tegelijk te Beyrouth gestudeerd. Nu,
+tegen den avondval, komen alle notabelen van Ramleh een praatje maken
+bij den apotheker. Paarden? Rijpaarden zijn er niet. Die zijn veel te
+duur geworden. Maar wij kunnen Amin el Hawadja wel een brief zenden om
+rijdieren en een gids, Wij offeren dus weder een half pond voor een
+nachtlooper naar Naälin. Wij geven hem een Engelschen brief mee, vol van
+'s mans goede bedoelingen, voor het geval hij door een Engelsche
+patrouille wordt aangehouden. Een mooien Arabischen brief voor den
+sjech. De man wapent zich met een dikken stok tegen de jakhalzen. En dan
+maar loopen.
+
+
+VII.
+
+En zoowaar, met den mooien morgen, daar verschijnt Sakhib, de tweede
+zoon van den sjech. Groot en waardig in een bruin gewaad. Zijn vader
+wacht ons half-weg Naälin in zijn landhuis, dat heet Dar Salameh: Woning
+des Vredes. Hij zendt ons zijn mooiste paard voor mij. Een mooien
+witten ezel voor Adil. En hij, Sakhib, rijdt een gezellig grauw ezeltje.
+Wij eten eerst samen. Wij doen dat zonder messen en vorken. Wij breken
+het brood in groote brokken. Wij doopen dat in de olie van onze
+sardientjes en nemen met onze vingers de stukken sardien. Ik sidder af
+en toe. Maar zou ik den tweeden zoon van een machtigen sjech mogen
+beleedigen? En eten als de dwaze Europeanen doen met een vork en een
+mes? Ieder van een bord apart, als vergiftigde vijanden!
+
+En dan rijden wij af. Sakhib op het kleine grauwe ezeltje, dat in een
+grooten zak ook nog onze twee koffers draagt. Dan Adil. En dan ik. O,
+het mooie paard. De sjech is groot. Hij zendt een raspaard. En het paard
+heeft een veulentje van twee maanden, dat het overal naloopt. Het draagt
+een blauw kralensnoer om het ranke bruine halsje. Tegen het Booze Oog.
+En het tiptipt op héél lichte voete-pootjes. Zoo open. Zoo vrij te
+rijden door het Land. Overal de wijde blik tot aan de verre, blauwe
+berglijnen. Wij rijden langs het dorp van Ludd. Palmen. Er is al eerste
+regen gevallen en er staat stil water. Zoo stil als de hemel zelf. Het
+is een prentje, zooals wij die zagen in atlassen en
+aardrijkskundeboeken. Nu denk ik aan mijn jeugd en zucht. Maar ik
+verlaat mijn jeugd. En het is de wonderlijke vertelling van Aart van der
+Leeuw: "Sint-Veit". Omdat het zonnelicht geen tijd kent.
+
+
+VIII.
+
+De domheid. En het wonder. Sakhib heeft het gezegd. Het bruine
+moederpaard, dat heet Saäda, de Rijke, is een lief, goed-loopend paard.
+Het wordt alleen lastig in de buurt van auto's en van motors. Maar die
+zijn er niet. En men moet het niet slaan. Zelfs niet koozend met het
+leidsel. Dan slaat het door. O, als Sakhib maar niets had gezegd! Want
+wanneer we Ludd voorbij zijn en in de heuvelvlakte komen, dan beginnen
+de woorden van Sahkib mij te hinderen. En na een langen strijd, die
+klopt in hart, keel en pols, heb ik het paard een tik gegeven met het
+leidsel. En het draaft dadelijk op. Een korte, krachtige draf. Als ik
+aan het leidsel trek, zal het misschien bezinnen en weer gelijk op
+stappen gaan. Maar als een groote bevrijding geef ik het paard weer een
+slag met het leidseleinde over den hals. Ik ben bevrijd. Het is genoeg.
+Maar het paard, wreedbeleedigd, heeft galop gezet. Ik voel den langen
+galopslag. Het vreemde paard heeft zich vrijgemaakt. Knel de knieën en
+trek het gebit aan. Het paard op de achterpooten. Neer en holt verder.
+Ik ben niet bang. Straks zal ik vallen, voeten in den stijgbeugel. En
+toch zijn de twee slagen met een wreeden dood niet te duur betaald. Maar
+het leven is niet zoo. Ik zal wel ergens sterven op het een of andere
+bed. Plotseling staat het paard. Het kleine veulen is achter gebleven.
+Daar komt het gedraafd. En ver, heel ver, van achter een heuvel, Sakhib
+en Adil. Zij ranselen hun ezels. Zij trappen hun ezels in den buik.
+Sakhib jammert: "wat heb ik gedaan? Wil ik jammer brengen over zijn
+hoofd? Hoe zal hij durven verschijnen voor zijnen vader, wanneer den
+gast een ongeluk overkomen was." Zij blijven nu verder vlak
+vooruitrijden. Adil heeft niets gezegd. En ik denk dit: "wanneer Adil
+werkelijk een goed vriend was geweest, dan zou hij hebben gezegd:
+"wanneer gij gewond waart, had ik mij zelven gewond. En wanneer gij
+gedood waart, had ik mij zelven gedood."
+
+Den volgenden dag, wanneer wij terugrijden, zegt Adil: "wanneer gij
+gisteren gewond waart, had ik mij zelven gewond. Wanneer gij gisteren
+gedood waart, had ik mij zelven gedood."
+
+Ik kijk doodverschrikt op. Maar er is niets dan de Eeuwigheid.
+
+
+IX.
+
+Dar Salameh. Hij mag dan den sjech van de dieven zijn: hij ontvangt toch
+netjes. Het huis op den heuvel. Zij kijken uit van het platte dak.
+Wanneer wij naderen, komen zij beneden. De sjech, zonen en bedienden.
+De vrouwen zullen wij niet zien, behalve het personeel. Er is een bonte
+binnenhof: pauwen, fazanten, kippen. En de kleine lammeren. Het is hier
+nu de tijd. Gij kunt geitjes en lammetjes nu zien geboren worden op de
+velden. Dan trappen op, buiten het huis. En de salon. Er staat ook een
+ledikant. De sjech is al een moderne sjech. Er zijn stoelen en er is een
+tafel. Ik krijg een makkelijken stoel voor het open, zonnige raam. Ja,
+open en zonnig. Ik weet het: gij hebt sneeuw en ijs van begin November
+af. Hier hebben wij tusschen de regendagen de zonnedagen, dieper en
+schooner dan in de zomers. En het uitzicht. Zoo ver als onze blikken,
+gaan de landen van onzen gastheer. Heel, heel ver bouwen de
+huizenhoopjes van Ludd en van Ramleh.
+
+Ik kan hem nu op mijn gemak opnemen. Een korte, stevige kerel. Proper in
+zijn bruin en wit overgewaad. Hij gaat in huis op blanke, bloote voeten.
+Een scherp, verstandig gezicht. Geen opvoeding? Hij zal zich zelven
+hebben opgevoed. Wilt gij beter?
+
+Hij is heel mild en heel spraakzaam. Ja de Turken haat hij. Ze hebben
+hem ter dood veroordeeld. En ze zouden hem hebben gehangen als een hond,
+hadden zij hem kunnen krijgen. Met de Engelschen daartegen zeer
+bevriend. Hij heeft hen in den oorlog zeer geholpen. Hij laat
+getuigschriften zien van Engelsche generaals. Mooi, hè? Hij kan het wel
+niet lezen. Maar Adil Effendi wil het zeker nog wel eens vertalen. Hij
+heeft ook mooie geschenken gekregen van de Engelschen. Natuurlijk heeft
+hij hun fraaie geschenken teruggeven. Hij vertelt ons precies de waarde
+van hun geschenken en van zijne geschenken. Hij heeft er niet op
+verdiend. Maar Allah is groot. Allah heeft hem ruim gezegend.
+
+Hij is zestig jaar. En hij lijkt goed veertig. Hij lacht lief gevleid.
+Maar ik had zijn vader moeten kennen. Die was wel tachtig jaar toen hij
+stierf. Allah is groot. Hij had acht zonen. Zij waren heel blij, toen de
+vader stierf. Zeker, heel blij. Want zoolang hij leefde, kon hem nog
+van alles overkomen, nietwaar? Nu is hij veilig bij Allah. Allah is
+groot.
+
+
+
+
+X.
+
+
+Ik vraag naar zijn eigen zonen. Ja, tien. En achttien dochters. Sakhib
+is ons komen afhalen. En Soliman heb ik bij den Mufti gezien. Nu komt de
+oudste binnen. Een prachtkerel, die Fares, dat is: Ruiter, heet. Daarom
+heet Amin ook Aboe Fares, de Vader van Fares. Dat is zoo: de Vader heet
+hier naar zijn zoon. Is iemand getrouwd, maar heeft hij geen zoon, dan
+heet hij Aboe met den naam van zijnen vader. Daarin ligt dan de wensch,
+dat een zoon moge worden geboren, die naar den grootvader heeten zal.
+Sjech Amin heeft ook al naamkaartjes. Engelsch en Arabisch. Daarop heet
+hij natuurlijk Amin Osman el Hawadja. Maar iedereen kent hem onder den
+naam Aboe Fares. Sakhib is ook getrouwd, en heeft een kind Mohammed.
+Waar is de kleine Mohammed? Hij is gestorven. Meskien, zeg ik meewarig.
+Maar Aboe Mohammed berust: min Allah.
+
+Aboe Fares heeft nu nog vier vrouwen. Zij wonen in het groote huis te
+Naälin, waar wij vanmiddag zullen heengaan. Houden zij onder elkander
+altijd vrede? Maäloum, zegt Aboe Fares met een medelijdenden glimlach:
+"zij zijn allemaal bang voor mij."
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Er zijn gasten gekomen. Vier dorpshoofden uit de buurt van Gaza. Groote
+stoute Arabieren. Zij zijn hier gekomen om vee te verkoopen. Misschien
+is het wel gestolen vee. Maar dat weet Amin el Hawadja niet. Zij
+noodigen ons uit tot bezoek. Adil's oogen blijven stil en koel. Wij
+kunnen samen veilig Fransch spreken. "Zouden wij gaan, Adil?" En hij
+antwoordt: "Zeker zullen wij niet gaan. Zijn zij groote sjechs? Zullen
+zij ons lekker eten geven, zooals Aboe Fares straks zeker doen zal? Zal
+men ons achten, wanneer wij een bezoek gaan brengen, zóó ver, bij zoo
+geringe dorpshoofden? Ik twijfel of wij zullen gaan." De vier
+dorpshoofden, buiten besef, dat over hun lot wordt beslist, kijken
+eerbiedig naar Adil Effendi, die spreken kan met den vreemden heer. En
+Adil antwoordt hun, dat wij zeker gaarne zullen komen, zoodra de wind en
+de regen goed zijn. O, Adil heeft goede manieren. Maar de Europeanen
+hebben ze niet.
+
+De gasten krijgen nu een diep bord fel gekleurde zuurtjes en een diep
+bord Turksch zoet. Daar gaan de acht kilo's! Ze eten de bonbons als
+brood.
+
+En dan gaan ze eten in den hof. Men eet hier zóó: een platte blikken
+schotel. Ik schat een halve meter in doorsnee. En die belegd met
+pannekoeken, waarmee ook de opstaande wanden afgezet. De schotels vol
+rijst. En op de rijst stukken vleesch. Eerst handen wasschen. Dan een
+stuk pannekoek. En een vuistvol rijst. Die samen kneden in de
+rechterhand. Een stuk vleesch daarbij. En dan de geheele bal
+binnenwippen. Doe 't maar na. Niet morsen. Aboe Fares, die een goed
+gastheer is, eet met zijn gasten mee. Straks zal hij ook met ons
+mede-eten. De pannekoek-, rijst- en vleeschschotel is volkomen
+afgewerkt. Handenwasschen en koffie.
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Wij eten aan tafel. Er zijn ook stoelen, messen en vorken. Aboe Fares is
+een gul en goed gastheer. Hij heeft een kok laten komen uit Jaffa.
+Jammer, dat ik van des koks lekkernijen niet eten zal. Maar voor mij is
+er ook gezorgd: versche dadels, sinaasappels, tomaten en olijven. De
+zonen eten niet met ons mee. Dat zou niet passen. Zij staan achter de
+tafel. Nemen de schotels aan van den kok. Nemen ze weg. Geven ons water.
+En wijn. Van Rischon le Zion. Sjech Amin Osman gezegd Aboe Fares eet
+alsof hij nooit een pannekoek-, rijst-en vleeschschotel hadde gezien.
+Nu, de kok heeft goed gezorgd. Hij geeft een schotel vleeschkoekjes, een
+macaronitaart als een huis, gebakken aardappels met gemurwd
+hamelvleesch, kip met gekookte appels, een schotel van rijst met
+geitjes-vleesch. Dessert. "Adil," mag ik als oudere den jongere zoo
+waarschuwen: "ik vrees, dat gij te veel eten zult." "Natuurlijk eet ik
+te veel," antwoordt Adil, "zoudt gij willen, dat ik van al deze goede
+zaken weinig eten zou? Wat zou Aboe Fares van mij denken?" Ik
+verontschuldig mij, dat ik niets eten mag. "Min Allah, min Allah,"
+antwoordt de Sjech met een goeden glimlach: "wat er heden overblijft,
+geven wij aan de armen, opdat zij den dag van uw bezoek lang zullen
+gedenken. Er zal veel overblijven, en zij zullen vele gebeden voor u
+uitspreken."
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+Na de koffie gaan wij naar Naälin, het voornaamste van de twaalf dorpen,
+waarover Aboe Fares sjech is. Adil beweert wel, dat men ons meer zou
+achten, wanneer wij rustig te Dar Salameh bleven. Maar ik verzeker, dat
+men in Europa nooit de hoofdplaats van eenen sjech onbezocht laat. En
+voor Europeesche argumenten zwicht Adil altijd zeker. Wij gaan. O, een
+wonderlijke optocht. Ik heb weer het mooie moederpaard met het
+veulentje. Adil den witten ezel. Drie zoons gaan mee, op ezeltjes allen.
+En een neefje, dat een groote zaag naar Naälin brengt.
+
+De bergen trekken wij in. Heel groot en heel verlaten. De wilde
+winterregens zijn nog niet gevallen. En de wadi, waarin des winters het
+water bruist is nog droog. Daardoor trekken wij heen. En dan de smalle
+rotspaden op, waar paard en ezel voorzichtig de pooten zetten en toch
+nog dikwijls glijden van de gladde steenen. Rijden één achter één. Geen
+ander geluid dan de stappende pooten en de echo daarvan. En het kleine
+paardje, dat soms hinnikt, wanneer het verloren is tusschen de rotsen,
+en zijn moeder wel ziet, maar er niet bij komen kan. Dan strijdt het
+kleine paardje heel lang, bang voor de rotsen. En bang om zijn moeder te
+verliezen. Als de afstand heel groot is geworden, breekt de strijd. En
+het paardje komt aangedraafd en vlijt zich tegen de moeder.
+
+Wij gaan heel langzaam en heel vermoeiend. Ik zie geen weg. Maar mijn
+vrienden zien de wegen. Zij vinden hier den weg zonder nachtlicht in de
+zwaarste winternachten.
+
+Wij rusten bij de bron van Natouf, een diep en hoog hol in de rotsen,
+waar water langzaam doorheen droppelt. Ik heb het water al te Dar
+Salameh gedronken. Het was zoet als gesuikerd. En scherp als gekruid.
+Toch was het enkel water. Hier vangen wij het uit de rotsbron dadelijk.
+Het is ijskoel.
+
+Na den eersten regen is frisch, als lente, groen opgekomen. De rijdieren
+eten daar van. Het kleine paardje drinkt van zijn moeder. Wij zitten met
+ons zessen in het donkere bronnenhol, spelen met het water en kijken
+naar het licht. Adil, bevangen door een slaap van geluk, zegt het:
+"Allah heeft ons lief vandaag."
+
+
+XIV.
+
+Wij zijn weer opgestegen. Hoog en ver boven het handvol huizen van
+Naälin. Breedte des hemels enkele kilometers. Maar de weggetjes winden
+uitvoerig door de rotsen, tusschen dalen, hellingen. Wij moeten gaan
+zeer voorzichtig. Glijden de paardpooten glad ijzer uit over harde
+rotsen. Zoeken de pooten voorzichtig naar plekjes aarde, waar zij
+steviger staan. In de middeleeuwen moet Naälin een ongenaakbaar diefnest
+zijn geweest. Maar er zijn geen middeleeuwen meer. En geen ongenaakbare
+nesten. Men zou nu Naälin slaan vanuit de zee. Of bommen werpen van uit
+de lucht. Wat denken de anderen? Ik kan het niet vragen aan de drie
+zonen en aan den neef, omdat zulke dwaze vragen niet in Arabische
+leerboekjes voorkomen. Maar ik kan het Adil vragen. En zijn antwoord:
+"Aan Allah."
+
+En nog het stijgen en wenden. Hoe lijkt Naälin dichtbij. De ezeltjes
+glijden niet uit. Maar 't paard is al tweemaal uitgegleden, met de
+achterpooten tegen de voorpooten aan. Dan weer rechtop. Adil zegt:
+"Stijg af. En neem den ezel." Maar ik wil liever doodvallen dan mij
+vernederen.
+
+Het laatste deel is vlakke weg. De ezeltjes in draf. Het felle paard in
+draf. Laat middag draven we binnen. En het kleine paard draaft
+achteraan.
+
+
+XV.
+
+Er is een school in Naälin. En er zijn jongens die schrijven kunnen en
+lezen. Voor de school is een pleintje met een gemetselden wal daar
+omheen. Op het pleintje twee stoelen. Daarop wij. En op het walletje
+zitten alle notabelen van het dorp. Al de andere zonen van Aboe Fares
+komen voor den dag. De kleinste kan nog niet loopen. En ze zijn van
+allen leeftijd en van alle kleur. Allemaal heel schuw en heel aardig. Ze
+brengen ons koffie. En Aboe Fares heeft Sakhib, gezegd Aboe Mohammed,
+een deel van de acht kilo's bonbons medegegeven. Eerst heeft Sakhib op
+het walletje naast mijn stoel gezeten. Maar hij heeft die eereplaats
+later afgestaan aan een oom, een broer zijns vaders. Daarnaast de Imam,
+en daarnaast de Meester. Zij allen prijzen Aboe Fares' wijsheid. Vroeger
+waren er vele twisten tusschen de vele dorpen. Maar nu Aboe Fares de
+sjech van allen is, zijn er geene twisten meer. Hij is wijs en zij eeren
+hem allen. Ook vreezen zij hem. De broer naast mij is ook een
+aanzienlijk man. Aboe Fares eert hem. Telkens, wanneer er bij Aboe Fares
+weer een kind geboren werd, is hij bij hem gekomen om een naam. Wel een
+bewijs, hoezeer hij hem eert.
+
+
+XVI.
+
+Maar nu moeten wij terug gaan rijden. De schemering is begonnen over de
+bergen en in de diepe dalen. Ver in het Westen, waar de Zee van Jaffa
+is, verzinkt de zonnebol groot en vurig. Twee zonen en de neef met de
+zaag blijven te Naälin. Sakhib zal met ons naar Dar Salameh rijden. O,
+de wondere tijd. Er zijn geen zonneschaduwen meer. En de maneschaduwen
+nog niet begonnen. Alles één groote teederheid. De herders met de kudden
+schapen en geiten. Herdersjongetjes dragen geitjes, die zoo even geboren
+zijn in het veld. Maar verder weg van het dorp is niemand meer. De hemel
+ongestoord blauw. De zilvermaan. En al de gezaaide sterren. En de stilte
+tusschen de verlaten bergen. Later de zwartgouden maneschaduwen. Wij
+spreken niet. Ik ben moe. Heerlijk moe. Het goede, groote paard weet den
+weg. En het stapt vroom en voorzichtig over het pad, verloren tusschen
+de steenen. En altijd de liefde van het kleine paardje. Soms, als het
+achterblijft, roepen wij: "Taäl, Taäl." En dan komt het aangeslagen. God
+heeft ons wel lief vandaag. Ik glimlach om de woorden van Adil. En in
+glimlach van alles rijden wij verder. Hoog en ver op zijn heuvel bouwt
+Dar Salameh. Wij zien de huislichten. Wij zien lichtjes gaan. Maar 't is
+nog heel ver. Waar wij rijden langs zwarte tenten slaan de waaksche
+honden aan. Men brengt lichtjes buiten. Wie rijden er laat langs de
+bergwegen naar huis?
+
+
+XVII.
+
+Adil zucht. Is hij moe? Neen, maar hij heeft honger. Gelukkig, dat wij
+thuis zijn. En het binnenkomen. De maan schijnt en schaduwt door de
+bogen en de gebouwen. De herder is met de schapen binnengekomen. Ze
+woelen op den hof dooreen. Wit en wol in den maneschijn.
+
+Maar Adil heeft honger. Gelukkig heeft de kok uit Jaffa gezorgd. Er is
+een schotel gevulde koolbladeren met vleesch. Haché met gestoofde
+aardappels. Kip met rijst en Spaansche peper. Lamsbout met snijboonen.
+En een groote visch, die vanmiddag expres uit Jaffa gebracht werd. Dan,
+koekjes, velerlei vruchten. Koffie en thee. Morgen is Adil ziek. En de
+armen zullen nog wel vele dagen voor ons bidden.
+
+Wij blijven natuurlijk logeeren. In den salon. Ik krijg het ledikant.
+Voor Adil een goed bed op den grond. En daarnaast de gastheer. Dat
+behoort hier zoo. De gasten en de gastheer slapen samen. Hij moet
+zorgen, dat er met de gasten geen kwaad gebeurt. Van de verre vlakten
+schijnt de maan in de kamer. Over de Turksche tapijten spint tapijt van
+licht en schaduw.
+
+En, vraagt ge nu wellicht: "wat is nu het laatste geweest, dat ge dien
+avond met uwen vriend hebt besproken? Zeker iets heel poëtisch?" Neen,
+lieve vrienden, niet iets heel poëtisch. Adil Effendi vraagt mij,
+hoeveel baksjisj wij morgen zullen geven. Heeft Aboe Fares ons niet
+kostelijk ontvangen? Heeft hij ons niet de rijdieren gestuurd? Zeker zal
+hij ons morgenochtend, vóór wij weggaan, nog vele lekkere dingen te eten
+geven. Wij moeten elk van de huisbedienden een half pond baksjisj geven.
+Zeker zal men ons dan achten. Den sjech zelven kunnen wij geen geld
+geven. Maar hij wil gaarne onze portretten hebben en een visitekaartje.
+En Sakhib, die ons uit Ramleh heeft gehaald, zal ons zeker nog meer
+achten dan hij reeds doet, wanneer wij hem een mooie lantaren ten
+geschenke geven. Ik zeg, dat wij moeten doen, zooals het behoort. Zooals
+Adil het heeft gezegd, zóó is het goed. En dan gaat hij slapen, gelukkig
+in het vooruitzicht van alle achting, die hem morgen ongetwijfeld zal
+ten deel vallen.
+
+
+XVIII.
+
+Het vroege wakker worden in den morgen. De koelte. En de hitte, die
+stijgt. De vogels en de zon. Al het bonte leven in huis en hof van den
+eerwaarden sjech, die misschien wel het Bed der Dieven,
+Yatack-il-Kharamiyeh is. Maar wie zal 't zeker weten? Er wordt zoo veel
+gelasterd. Moge Allah, die groot is, alle lasteraars straffen en alle
+dieven.
+
+En het ontbijt op het platte dak met den wijden, vrijen blik. Voor het
+laatst heeft nu de kok zijn best gedaan. En voor het laatst vraagt Adil
+of hij een zoo machtigen sjech mag beleedigen door niet veel te eten van
+de vele goede zaken, die ons worden voorgezet? Geven de baksjisj. En
+rijden af. Ditmaal met een knecht, die loopt en straks de paarden
+terugbrengen zal. Dus rijden wij langzaam over het heerlijke land. Een
+anderen weg dan dien wij kwamen. Langs de Joodsche kolonie. Ben Shemen.
+Alleen mooie dingen. Hebreeuwsch spreken van een prachtig Arabisch paard
+af met een Joodschen boer en boerin, die samen ploegen voor het
+wintergraan. De bewaarschooljuffrouw met haar Joodsche jongetjes en
+meisjes buiten tegenkomen. En ze mogen allen spelen met het lichtbruine
+paardeveulentje, dat een blauw snoer om het ranke halsje draagt. Tegen
+het Booze Oog. Een Joodsche smid. Alles Joodsch leven.
+
+En dan komen in het stationnetje te Ludd. En daar Jabotinsky vinden, die
+naar Jeruzalem rijdt. En de trein naar El Kuds, gezegd Jeruzalem, die
+vandaag op tijd is. Ongehoord.
+
+
+
+
+WIJ VASTEN.
+
+
+O, dat Jeruzalem het hart is van het Jodendom, wij merken het hier, dag
+aan dag, wanneer dag aan dag de berichten komen van de meest
+schrikkelijke pogroms in Polen. Ook gij, mijne Joodsche vrienden in
+Holland en in Amsterdam, zult zwaar geslagen zijn door deze berichten.
+En wij allen in Jeruzalem houden ons overtuigd van de deelneming van
+vele vrienden, van vele volken, nu zonder noodzaak de beste lievelingen
+van het Joodsche Volk door de Polen worden geslacht. Maar hier te
+Jeruzalem. Vele vrome Joden zijn afkomstig uit de streken van Polen,
+waar de doodsbeul thans rondgaat. En zich koelt aan de kinderen van Gods
+vrome leerscholen, die machteloos zijn. En des avonds, bij het
+avondgebed, gaat er een groot geween langs den Klaagmuur. Zij weenen
+hier om de vermoorde kinderen van Gods vrome leerscholen. Zij weenen,
+omdat de vrede het Joodsche Volk geen vrede brengen zal. Jeruzalem,
+Jeruzalem, waar stijgen de smeekgebeden en de klaaggebeden vromer op?
+En weenend gedenken wij de schrikkelijke middaggebeden van den Grooten
+Verzoendag. De Joodsche martelaren hebben de wreedheden der Romeinsche
+beulen geleden. Twintig eeuwen. Eén ademtocht der Eeuwigheid. De
+Joodsche kinderen van de vrome leerscholen afgeslacht. Twintig eeuwen.
+Eén ademtocht. Amalek. Amalek, dat de Joodsche kinderen en de Joodsche
+vrouwen aanviel, toen het Heilige Land in het verblijd gezicht kwam. Wij
+zullen noch Polen, noch Palestina vergeten.
+
+Er is een wanhoop over Jeruzalem. O, het zonnige bonte leven gaat.
+Hassan, Mohammed, Ibrâhîm, Dzjumma: al de Arabische kinderen, die hun
+rolletje afspelen in mijn leven hier. Maar ik geniet het niet. Hart en
+ingewanden beven om de verslagenen mijns Volks. En de vrome groote
+Rabbijnen van Jeruzalem hebben het laten aanplakken in hun machtig
+Hebreeuwsch: dat alle feestelijkheden streng verboden zijn. Geen muziek.
+Geen dans. Niets, niets. Rouw en ootmoed. Opdat God zich erbarme en de
+slagen afwende van Zijn Volk.
+
+Iederen dag komen de berichten wreeder. Het hangt zwaar boven Jeruzalem.
+Als een belegerde stad. Als een stad, waarin de pest rondgaat. Neen, men
+behoeft ons niet te vragen geen feest te vieren. Wij zijn geslagen. Want
+de vermoorde lievelingen van Gods vrome leerscholen, dat zijn de
+kinderen, waarop wij gehoopt hebben voor den opbouw van het Joodsche
+Volk in het Joodsche Land.
+
+En de vrome, groote Rabbijnen van Jeruzalem laten het aanplakken in hun
+machtig Hebreeuwsch, dat wij zullen vasten ter treure om de verslagenen
+van ons Volk. Overal om de aanplakbiljetten staan de vrome mannen, met
+de mooie scherpzinnige gezichten, zij lezen. En wij zijn verslagen. Als
+in een hopeloos belegerde stad.
+
+De Dag. De morgen is heet. En niet het heerlijke, tintelende, koele
+ochtendbad. Men onthoudt zich van alles, wat genot geeft. En niet het
+bonbon-geurende mondwater. Ik wil wat lezen. Ik wil wat schrijven. Maar
+ik kan het niet. De hitte staat. Wreed. O, mijn hoofd is zoo zwaar. De
+kinderen in Polen, die vermoord zijn. En de mannen. De Moeders. De
+meisjes. Wreede visioenen branden. De lijken verminkt. Maar als ik goed
+zie, zijn het rozen. Witte en roode rozen. Geen menschelijke wereldmacht
+schijnt sterk genoeg te zijn om te beletten, dat de Polen de Joden
+vermoorden. En ons Land, ons eigen Land, zal het in staat zijn de
+verdrevenen van ons Volk op te nemen. R. Chaïm Sonnefeld, de groote, de
+vrome, heeft ons getroost: "Het Land zal plaats geven voor allen... wij
+zullen nooit behoeven te klagen: deze plaats is te nauw om er te wonen."
+Maar ik klaag het weer uit: "Waarom de pogroms... waarom worden Gods
+lievelingen als beesten geslacht?" Hij troost mij, de groote, de vrome,
+zooals een wijze man een dommen jongen troost.
+
+De hitte. Mijn mond brandt. Ik vraag: "waarom drink ik niet." Omdat de
+Polen de lievelingen van mijn Volk hebben vermoord. Amalek. De honger
+scharrelt in mijn keel. Waarom eet ik niet? Omdat de Polen de
+lievelingen van mijn Volk hebben vermoord, Amalek. De visioenen. Bloed
+of rozen. Mijn hoofd duizelt. De wereld duizelt. En allemaal vogels
+fluiten. Mijn bloed fluit. O, de verslagenen van ons Volk. Zal ik
+uitgaan? De dag is zoo zwaar. De dag is zoo lang. Maar hij moet zwaar
+zijn en hij moet lang zijn. Wij rouwen om de verslagenen. O, wij zullen
+noch Polen noch Jeruzalem vergeten!
+
+Het is half twee. De heete dag. De lange dag. De wreede dag. Om twee uur
+zullen wij bij den Klaagmuur komen voor de gebeden. Ik ontmoet dr.
+Keller op den weg, den Amerikaanschen Mizrachist. Natuurlijk vast hij
+ook. Wij vragen elkander niet, waar wij heen gaan. Wij gaan naar den
+Klaagmuur. De Joodsche winkels in de Jaffastraat zijn gesloten. De
+Moeder rouwt om hare kinderen. En de vraag hamert door mijn hoofd: "Zal
+er waarlijk in het huis van Moeder plaats zijn voor alle kinderen, de
+hongerende, de opgedrevenen?"
+
+De Klaagmuur. Het staat er vol tusschen den Muur en den muur van de
+overzijde. Zelfs op het platte dak tegenover den Muur zitten de
+genooten. De middag davert heet. Van verre het geluid van de Stad. De
+gebeden worden aangeheven. De Klaagbeden en Smeekbeden. De bazuin wordt
+geblazen. Geweldig. Zooals de Bazuin geblazen wordt op de Groote Dagen,
+Nieuwjaarsfeest en Grooten Verzoendag. En tusschen de Gebeden om
+Vergiffenis schreit het gebed: "O, God, Koning, die zit op den Troon der
+Barmhartigheid." En luid weenen de woorden "God, o, God, die Barmhartig
+en Genadig zijt." De kinderen van de vrome Joodsche leerscholen van
+Jeruzalem zijn gekomen. Zij weenen met luide, schreiende stem. De oude
+mannen weenen. De sterke gestalte van Doctor Keller siddert. De Bazuin
+schreit. En de hitte. Ongenadig. Rabbi Ben-Zion Adler spreekt de rede
+uit. Troost. Berusting. Vermaning. Hij spreekt geweldig. Luide schreien
+de vrome kinderen van de leerscholen van Jeruzalem, wanneer hij Gods
+genade afsmeekt voor de machteloos vermoorden van het Joodsche Volk. Wij
+zijn moede tot den dood, staande in de samengepakte menigte. Wij staan
+hier al twee lange, wreede uren.
+
+Er is een heilige Wetsrol gebracht. En de Afdeeling der Vastendagen
+wordt gelezen, waarin Mozes de genade van God afsmeekt voor het Volk.
+Het is geheel stil. De wind ruischt. De stem van den Voorlezer gaat. Een
+heel oude Man leest de Haftarah: Jesajah 55 vers 6 tot 56 vers 8, zooals
+die alle vastendagen gelezen wordt. Het begin met de milde vermaning:
+"Zoekt God, die altijd is te vinden. Roept hem aan, die steeds nabij is.
+De boosaard verlate zijnen weg, en de zondaar laat zijne gedachten. Hij
+keere tot God, die Zich zal erbarmen, en tot den Eeuwige, die veel zal
+vergeven." En de zachte troostwoorden aan het eind: "Zoo spreekt God,
+die de verdrevenen van Israël verzamelt: "bij de verzamelden zal ik nog
+nieuwe voegen"."
+
+Wij zijn allen moede in de heete menigte. Maar de stem van den ouden
+Man, die de Haftarah leest, gaat als een zachte wind van troost over de
+hoofden en over de harden. De late middagwind is doorgebroken. Er komt
+beweging in de milde lucht. De wreede dag doet ons genade.
+
+Heel aan het eind van den Klaagmuur, ver van den voorzanger af, ga ik
+zitten op de stoep van het huis van Hassan. Ik ben zoo moede. Een lange
+dag. Een wreede dag. De kleine Hassan komt ook buiten. Hij kan nu niet
+spelen op de straat naast den Klaagmuur met den kleinen manken Mohammed,
+zijn vriendje. Het is er zoo vol. Niemand kan zich bewegen. Hassan zou
+misschien wel graag naar den Bazar willen gaan. Maar hij kan er niet
+door. Zijn bloote pootjes heel ernstig onder het japonnetje uit,
+peinzend. En zijn gazellenoogjes in het smalle smoeltje. Neen, hij
+vraagt geen baksjisj vandaag. Hoe vele Joden! Hoe vele Joden! En hun
+bazuin. En hun weenen. Zijn oogen in het smalle gezichtje peinzen.
+Wonderlijk, met welk een lief gemak de Polen de Joodsche kinderen
+vermoorden, die zoo mild en klein als Hassan zijn. En de machtige wereld
+laat de Polen maar stil hunne moordgangen gaan. Is een lief en vroom
+kinderleven dan zóó weinig waard?
+
+De avond daalt. De menigte bij den Muur is nu wat losser geworden. Er is
+tenminste nu weer doorkomen aan, al moet het heel langzaam en
+voorzichtig aan. Ik kan niet meer blijven. Ik ben zoo moe. O, de
+verslagenen, de lieve, vrome verslagenen mijns Volks. Doctor Keller
+blijft nog, sterk en standvastig.
+
+De avond schemert reeds wat in de nauwe straatjes bij den Muur. En in
+den Bazar. Voor mij uit gaat de heer Goldsmit met het jongens-weeshuis.
+Ook de vrome joodsche jongens van het weeshuis zijn ten gebede opgegaan
+voor de vermoorden. Velen hunner zijn zelf heele of halve weezen
+geworden door de Russische pogroms. En toen door liefdadige
+vereenigingen hierheen gebracht. Ook de meisjes van het meisjes-weeshuis
+hebben gevast tot den middag. Een geheelen dag vasten is in dit heete
+weer wel al te zwaar.
+
+De schemering. De teedere schemering. De honger en de dorst zijn niet
+erg meer. Vanuit mijn kamer. Het veld met de boomen en met de heuvelen.
+De herders, die naar huis gaan. Het is alles zoo mooi en zoo teer.
+Ongelooflijk, dat wij vandaag hebben gevast, omdat de Polen onze mannen
+uitmoorden, onze moeders en onze kinderen. Aan de teeder-blauwe lucht
+bloeien de sterren. Ik zie: een, twee, drie. De zware vastendag is
+voorbij.
+
+
+
+
+WIJ KOOPEN EEN EZELTJE.
+
+
+Het water in den regenbak van het weeshuis van mevrouw Zilversmit raakt
+op. Nu al! En dus wordt er in den familieraad besloten, dat wij een
+flink ezeltje zullen koopen.
+
+Ik heb in het "Handelsblad" gelezen, dat er watergebrek is in Waterland.
+Daarvan kunnen wij hier ook meepraten. O, ieder huis heeft zijn
+regenbak. Cisterne zeggen wij hier heel plechtig. In Amsterdam begint
+men den huizenbouw met de heipalen. Hier met den regenbak. Het
+meisjesweeshuis heeft natuurlijk den zijne. En het heeft van den winter
+niet kwaad geregend. Maar tegen de zindelijkheid van mevrouw Zilversmit
+is geen Jeruzalemsche regenbak bestand. Ja, wanneer zij er toe kon
+besluiten de meisjes en de vaten alleen maar af te stoffen of droog af
+te doen, dan zou het wel gaan. Maar dat is nu juist iets, waartoe zij
+niet besluiten kan. Andere weeshuizen komen wel met het water toe.
+
+Ieder jaar watergebrek. Dan moet water gekocht worden. Bijvoorbeeld van
+de buren, de Abessinische monniken. Zij stoffen zich droog af. Meer
+niet. Omdat ze toch zwart zijn. En zij komen dus ruim met hun water toe.
+Bovendien hebben zij een groote dakoppervlakte en vele cisternen, groot
+en klein, overal in hun terrein verscholen. Maar dan moet 't water met
+petroleumblikken in het weeshuis worden gebracht. Dat loopt in de
+honderden guldens jaarlijks.
+
+Maar hebben wij dan geen waterleiding, vraagt ge wellicht? Ge hebt toch
+in de couranten meermalen gelezen over de waterleiding van Jeruzalem.
+Ja, dat is ook wel zoo. We hebben een waterleiding, door de Engelschen
+aangelegd. Booze menschen spotten en zeggen: de Engelschen hebben ons
+water gebracht en de Zionisten alleen maar steenen. Namelijk, van de
+Universiteit. Maar onze waterleiding is altijd nog slechts eene
+betrekkelijke waterleiding. Zij brengt het water niet in de huizen. Er
+zijn kranen op straat, waar men tappen kan. Verleden jaar is de
+Regeering het Weeshuis goed gezind geweest. En heeft den regenbak
+gevuld. Dat gaat dan zóó: een hulpbuis wordt over de straat gelegd, van
+af de hoofdbuis, en weder weggenomen als de bak vol is. Maar dat kost
+óók geld. En de dichtstbijzijnde waterkraan is nog tamelijk ver. Af en
+toe laten de waterdragers u in den steek. En dan is het: droog afdoen.
+Hebben wij dan Challad niet, den braven Arabier? Ja zeker hebben wij
+Challad. Maar die kan al dat water niet dragen.
+
+En, nu ziet ge meteen het causale verband tusschen een leegen regenbak
+en een ezel. Want wij zullen het watervervoer in eigen beheer nemen. Er
+zal een ezeltje worden gekocht, waarmede Challad water zal gaan halen
+uit Mea Scheariem. Als de regentijd komt, zal het ezeltje weder worden
+verkocht. Het zal mogen wonen in den tuin achter het huis. En volle
+vrijheid genieten, behoudens de beperkingen van een boom en een touw.
+Veertig meisjes maken zich juichend gereed om het ezeltje des huizes te
+verwennen. Zeker zal het een welgedaan ezeltje worden. En het zal met
+winst worden verkocht. De winst voor Challad. En wij zullen volop water
+hebben. Zooveel als de Hollandsche zindelijkheid maar vereischt.
+
+Vrijdagochtend zullen wij het ezeltje gaan koopen, op de ezeltjesmarkt,
+buiten de Jaffapoort, voorbij de buurt Jemien Mosché. Wie zullen gaan?
+Mevrouw Zilversmit zal niet gaan. Zij is wel de directrice. En haar man
+heeft zijn eigen werk. Maar zij houdt niet van optreden naar buiten.
+Haar heele leven gaat op in haar kinderen. Als er dus iets te doen is
+met plaatselijke autoriteiten, de Zionistische commissie bijvoorbeeld of
+de ezeltjes, dan neemt haar man dat waar. Hij zal dus gaan. En ik zal
+hem vergezellen.
+
+Maar dat is nog niet veilig genoeg. Want wij zijn beiden wel heel lang
+bij het onderwijs werkzaam geweest: lager, middelbaar en hooger, maar
+van deze ezeltjes hebben wij toch nog geen verstand. Maar Challad! Zijn
+brutale, bruine snuit weifelt geen oogenblik: ja, hij heeft verstand
+van ezels. Veel verstand. Hij kan aan de tanden zien, hoe oud ze zijn.
+En aan het geheele gezicht, of ze lui zijn, of dom. Ook kan hij voelen,
+of zij aderspatten hebben. Hij zal dus medegaan. Ook moet hij immers
+straks het ezeltje naar huis brengen.
+
+Toch durven wij in deze aangelegenheid niet op Challad vertrouwen. Maar
+Mohammed, de Arabier van het jongensweeshuis van den heer Goldsmit, die
+heeft eerst recht verstand van ezels. Ofschoon Vrijdag nu wel een heel
+lastige dag is, wil de heer Goldsmit ons zijn Mohammed wel leenen.
+Bovendien heeft Mohammed een bloedverwant, Ibrâhîm. En die heeft eerst
+het superieure verstand van ezeltjes. En hij weet ook precies den prijs.
+Ook Ibrâhîm zal dus medegaan.
+
+Ibrâhîm zal Mohammed komen halen. Met hun tweeën komen zij den heer
+Zilversmit en Challad halen. Met hun vieren zullen ze mij komen halen,
+omdat het Herzlhuis op den weg naar de ezeltjes-markt is.
+
+Ik wil wel bekennen, dat ik dien nacht weinig heb geslapen. En ik was
+op vóór de koele morgenschemering heet en licht begon te worden. Precies
+half zeven geklopt. De dag was toen al heet. Wit. Straten stoffig en
+droog. Huizen streng in de zeer heete sfeer. Het bonte leven door, bij
+de Jaffapoort. De buurt langs Jemien Mosché. Een Joodsche buurt. De naam
+beteekent: Rechterhand van Mozes. De stichter: Mozes Montefiore.
+
+Het is heel heet. Geen markt. Geen ezeltje. Ik zucht: ma fisch. En dat
+beteekent: "niets". Fi, fi, roept de ijverige Challad. En wij zijn er.
+De Markt. Ezelen, kameelen, paarden en geiten. Een diepe dalkom, wijd en
+ruim. Hooge wallen overal rondom. Wij staan in de diepte. Van de Stad
+niets te zien dan de muren, grauw gekanteeld. En de toren, wit-wit op
+felblauw-blauw van de Kerk op den Zionsheuvel. Door de hooge wallen
+breken de wegen van alle kanten in. Breken naar alle kanten uit. Zij
+gaan. Zij komen. Mannen met kameelen, paarden, ezels of geiten te koop.
+Vrouwen met versche vruchten, versch water, fruit. De limonadekoopman,
+zijn watervaas gekapt met bonte bloemen. Het woelt dooreen. Zij, die de
+wijde Bedouïen-gewaden dragen met de fijne hoofddoeken. En de
+Europeesche kleederen, maar met de fez. Wit. Zwart en bont. Tegen de
+balkons en wallen zitten ze. Op rotsblokken. Op steenranden. Van beneden
+af tot boven toe, in lagen. Zij kijken. Zij droomen. Ezeltjes draven op
+proef. Paarden draven op proef. Zware kameelen trappen plat,
+schipschommelend. Het fijne zand stuift wreed. En de zon drijft haar
+licht daar doorheen, gesluierd. Wij dwalen naar den ezeltjes-hoek. Er
+zijn er vele. Wij beginnen met een grooten grauwe. Challad springt er
+dadelijk op. Rent, schandelijk buiten de regie, over het tooneel. Zand
+stuift. "Een goede ezel," zegt hij prijzend. Maar Mohammed is een
+ernstig man. Hoe kan Challad nu zóó lichtvaardig een ezel prijzen? Heeft
+hij de tanden al gezien, om te weten, hoe oud hij is? Heeft hij de
+pooten al bevoeld naar spataderen? Mohammed doet dat. En hij is het met
+Challad eens: het is een goede ezel. Wij vragen den prijs. Zeventien
+pond. Dat valt ons tegen. Wel is zeventien pond hier volstrekt niet
+zeventien, maar bijvoorbeeld tien, elf of twaalf. Doch het budget laat
+ook dat niet toe. Hoogstens zes of zeven pond. Daarvoor had men vroeger
+een prachtezel. Wij wenden ons dus tot andere ezeltjes. O, wij zullen
+wel een goeden ezel vinden. Aan raadgevers ontbreekt het ons niet.
+Koopen wij den ezel dien zij ons aanraden, dan zullen zij ons natuurlijk
+een baksjisj vragen. En wij zullen hun natuurlijk een baksjisj geven. Er
+zijn twee prachtige, slanke Sephardische Joodsche jongens. Ze hebben
+hemel en hel in hunne oogen. En ze zijn heel lui. Zwaarder werk dan
+scharrelen op de markt en daar raad geven, doen ze liever niet. De één
+zegt, dat we op moeten passen met Challed. En de ander beweert, dat
+Mohammed een ezel in het kiezen van ezeltjes is. En er is een
+schuwleelijke Arabier, die beweert ezelendokter te zijn en die ons
+verzekert, dat hij wel een goeden ezel voor ons koopen kan.
+
+Ook de Duivel is gekomen. Een oud mannetje, steunt als een heks op zijn
+stok. Hij spreekt Duitsch. Het is smoorheet om hem heen. Het spookt. Wij
+stikken in het licht. Ik grijp naar mijn hoofd, duizelig in de hitte.
+Wat gebeurt hier? De wereld wankelt. Een Arabische vrouw ziet, dat de
+wereld wankelt. Zij geeft mij water. Het is voorbij. Wij zijn nu met ons
+tienen bezig. Zullen wij slagen? O, dit is weer een heel mooi ezeltje.
+En de wereld is ook op adem gekomen. Zullen wij dit ezeltje koopen?
+Neen, wij zullen dit ezeltje niet koopen. Want Mohammed, de wetende
+Mohammed verzekert ons, dat dit ezeltje aderspatten heeft. Ook Ibrâhîm
+zegt het. En de ezelendokter zegt het. Eén van de prachtige Sephardische
+jongens zegt wel, dat het niet waar is. Maar wij zijn bang. De eigenaar
+is heel boos. Dit ezeltje is in zijn stal geboren. Het is een zoon van
+zijn eigen ezelin. Dus om zoo te zeggen familie. Mogen wij aderspatten
+werpen op den naam van zijn ezeltje? Allah weet, dat het ezeltje geen
+aderspatten heeft. Ja, maar wij weten het niet. En dus zullen wij dit
+ezeltje niet koopen.
+
+Het is al negen uur. De licht-witte-lichte dag ongenadig. Het stof. De
+zon. De hitte. Het duizelingwekkende woelen. Zullen wij waarlijk zonder
+ezeltje thuiskomen, ezels, die wij zijn? Maar neen. Dit is nu nog een
+heel mooi beestje. Een bruinrood ezeltje, met een kruis over rug en
+schouders. Iedereen prijst het: Mohammed, Ibrâhîm, de dokter, de twee
+Sephardische luilakken, en de eigenaar. Hij vraagt acht pond. Dat is
+vijf of zes. Dit ezeltje zullen wij koopen. Maar wij hebben buiten
+Challad gerekend. Er is iets uitgebroeid in Challads duisteren kop.
+Water dragen zonder ezeltje is zeker zwaarder dan water dragen met een
+ezeltje. Maar heelemaal geen water dragen, dat is eerst een goed werk.
+En als de heer Zilversmit niet slaagt in den aankoop van een ezeltje,
+zal hij den regenbak wel door de Engelschen laten vullen. Dus is
+Challad tegen het ezeltje. Hij gelooft zeker, dat het een lui ezeltje
+is, met een slecht karakter. En hij moet er mee werken. Wij spreken het
+ezeltje voor. Maar Challad houdt vol. Koppig. Hij durft het met dit
+ezeltje niet aan. Zoo een gewichtig werk. Het is een lui, slecht
+ezeltje. Allah kan daar zijn zegen niet op geven. En omdat Challad
+stroef-koppig niet wil, daarom gaat het niet. Want als Allah geen zegen
+op dit arme ezeltje geeft, en als het lui is en slecht, dan zou het
+misschien op een dag een poot breken of overreden worden. O, heelemaal
+niet door de schuld van Challad. Maar omdat Allah zijn zegen niet heeft
+gegeven, en omdat het ezeltje lui en slecht is.
+
+En dan gaan wij naar huis. Doodmoe, geslagen door de open, genadelooze,
+brandhitte. Het is tien uur. Welk een teleurstelling voor de veertig
+meisjes, die zich zóó op een ezeltje des huizes hadden verheugd. En ik
+zeg het heel boos tegen Challad: "En toch was het een heel goed
+ezeltje." En hij, met dat tong-keelgeluid van alle Arabieren: "Ma
+fisch! Het was geen goed ezeltje en Allah zou zijn zegen er niet op
+hebben gegeven."
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+ Hamame trouwt pag. 7
+
+ De donkere bron 17
+
+ Mijn vriend Saïd Effendi 27
+
+ Sabbath in Jeruzalem 38
+
+ De stad van Jirméjahoe 59
+
+ Yatack-il-Kharamiyeh 70
+
+ Wij vasten 103
+
+ Wij koopen een ezeltje 113
+
+
+
+
+IN DEZELFDE REEKS VERSCHEEN:
+
+ IS. QUERIDO De Jeugd van Beethoven.
+ CAREL SCHARTEN De bloedkoralen doekspeld.
+ M.J. BRUSSE In 't verbouwereerde oude stadje.
+ JOHAN DE MEESTER Gezin.
+ LOUIS COUPERUS Lucrezia.
+ KAREL WASCH Dialogen.
+ TOP NAEFF Vriendin (2e druk)
+ TOP NAEFF Charlotte von Stein.
+ JO VAN AMMERS-KÜLLER, De Zaligmaker.
+ CARRY VAN BRUGGEN Een Indisch Huwelijk.
+ GERARD VAN ECKEREN De late Dorst.
+ KEES VAN BRUGGEN De Freule.
+ EMMY VAN LOKHORST Phil's laatste wil.
+ ANTOON THIRY Pauwke's Loutering.
+ MARIE SCHMITZ Weifeling.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Jerusalem, by Jacob Israël de Haan
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JERUSALEM ***
+
+***** This file should be named 15083-8.txt or 15083-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/5/0/8/15083/
+
+Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
+Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.