summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/15083-h/15083-h.htm
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '15083-h/15083-h.htm')
-rw-r--r--15083-h/15083-h.htm3925
1 files changed, 3925 insertions, 0 deletions
diff --git a/15083-h/15083-h.htm b/15083-h/15083-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..09af766
--- /dev/null
+++ b/15083-h/15083-h.htm
@@ -0,0 +1,3925 @@
+<?xml version="1.0" encoding="ISO-8859-1"?>
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml">
+ <head>
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Jerusalem, by Jacob Israël de Haan.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ p { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+ }
+ hr { width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+ }
+
+ table {margin-left: auto; margin-right: auto;}
+
+ body{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ }
+a {text-decoration: none;}
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;}
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */
+ .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em;
+ padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em;
+ float: right; clear: right; margin-top: 1em;
+ font-size: smaller; background: #eeeeee; border: dashed 1px;}
+
+ .bb {border-bottom: solid 2px;}
+ .bl {border-left: solid 2px;}
+ .bt {border-top: solid 2px;}
+ .br {border-right: solid 2px;}
+ .bbox {border: solid 2px;}
+
+ .center {text-align: center;}
+ .smcap {font-variant: small-caps;}
+
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+ .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top:
+ 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .footnotes {border: dashed 1px;}
+ .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+ .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+ .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Jerusalem, by Jacob Israël de Haan
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Jerusalem
+
+Author: Jacob Israël de Haan
+
+Release Date: February 16, 2005 [EBook #15083]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JERUSALEM ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
+Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+
+
+
+
+<h2>Jacob Isra&euml;l de Haan</h2>
+
+
+<h1>JERUSALEM</h1>
+
+<div class="figcenter" style="width: 450px;">
+<img src="images/titelpagina.jpg" width="300" alt="Jerusalem" title="Jerusalem" />
+
+</div>
+
+<h4>AMSTERDAM</h4>
+
+<h4>EM. QUERIDO</h4>
+
+<h4>1921</h4>
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+<h2>INHOUD.</h2>
+
+
+<table border="0" cellpadding="4" cellspacing="0" summary="Inhoudsopgave" >
+<tr><td align='left'> <a href="#HAMAME_TROUWT"><b>Hamame trouwt.</b></a></td><td align='right'>7</td></tr>
+<tr><td align='left'> <a href="#DE_DONKERE_BRON"><b>De donkere bron.</b></a></td><td align='right'>17</td></tr>
+<tr><td align='left'> <a href="#MIJN_VRIEND_SAID_EFFENDI"><b>Mijn vriend Saïd Effendi.</b></a></td><td align='right'>27</td></tr>
+<tr><td align='left'> <a href="#SABBATH_IN_JERUZALEM"><b>Sabbath in Jerusalem.</b></a></td><td align='right'>38</td></tr>
+<tr><td align='left'> <a href="#DE_STAD_VAN_JIRMEJAHOE"><b>De stad van Jirméjahoe.</b></a></td><td align='right'>59</td></tr>
+<tr><td align='left'> <a href="#YATACK_IL_KHARAMIYEH"><b>Yatack-il-Kharamiyeh</b></a></td><td align='right'>70</td></tr>
+<tr><td align='left'> <a href="#WIJ_VASTEN"><b>Wij vasten.</b></a></td><td align='right'>103</td></tr>
+<tr><td align='left'> <a href="#WIJ_KOOPEN_EEN_EZELTJE"><b>Wij koopen een ezeltje.</b></a></td><td align='right'>113</td></tr>
+</table>
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<p><a name="Page_7" id="Page_7" /></p>
+<h2><a name="HAMAME_TROUWT" id="HAMAME_TROUWT" />HAMAME TROUWT.</h2>
+
+
+
+<p>Hamame, dat Duifje beteekent, is
+een van de Jemenietische dienstmeisjes
+van het jongensweeshuis. En zij gaat
+trouwen. Het wordt wel tijd, want
+Hamame is al meer dan twintig jaar.
+Maar zij is niet gelukkig in de liefde
+geweest. Dit is haar tweede verloofde,
+een weduwnaar. Het eerste huwelijk
+heeft Hamame laten afgaan. En dat
+heeft haar acht pond sterling gekost,
+gelijk in de verlovingsvoorwaarden was
+overeengekomen. Geen kleinigheid voor
+een Jemenietisch dienstmeisje van een
+jongensweeshuis. Achteraf blijkt Hamame,
+dat Duifje beteekent, zich te
+hebben vergist. Zij houdt eigenlijk
+niet van haren tweeden verloofde.
+Maar weer een huwelijk laten afgaan?
+Het zal haar weer acht pond kosten
+en iedereen zal haar uitlachen. Dus
+wordt overeengekomen, dat Hamame
+met den weduwnaar trouwen zal.</p>
+
+<p>En nu al de moeilijkheden op den
+weg der liefde! Het geld, dat noodig
+is voor een zwart pak en een nieuwe
+fez. Voor een witte bruidsjapon met<a name="Page_8" id="Page_8" />
+een sluier van wit en zilver. Voor
+nieuwe schoenen en voor nieuwe zakdoeken.
+Er zijn nu lange besprekingen
+met de moeder van Hamame, die een
+heks is. Klein verbruind en mager.</p>
+
+<p>En zal de vader van Hamame, de
+heer Mozes Azirie, voor dezen grooten
+dag uit Egypte overkomen? Dat hij
+bij de heks vandaan geloopen is, spreekt
+van zelf. Hamame heeft hem nooit gezien.
+Zal hij komen? En vooral: zal
+hij eene bijdrage sturen in de kosten
+van den onvergetelijken dag?</p>
+
+<p>En zal Reine worden uitgenoodigd,
+de Jemenietische keukenvrouw? Er zijn
+vreeselijke dingen gebeurd tusschen
+Reine en Hamame. Natuurlijk zijn ze
+geen van beiden begonnen. Hamame
+heeft Reine zeer beleedigd. Zij heeft
+gezegd: &quot;Gij, Reine, zijt een dief.
+En uwe zuster, die te Rischon le Zion
+woont en wascht voor de Engelsche
+soldaten in Ludd, uw zuster is een
+slechte vrouw.&quot; Het spreekt wel vanzelf
+dat Reine toen tegenmaatregelen
+heeft genomen. Zij is naar de synagoge
+der Jemenieten gegaan. Zij heeft de<a name="Page_9" id="Page_9" />
+Heilige Ark geopend, en zij heeft Hamame
+met den weduwnaar en de beide
+famili&euml;n tot in het derde en vierde geslacht
+plechtig vervloekt. Het is twijfelachtig
+of zij nu zal worden uitgenoodigd.</p>
+
+<p>Wij echter krijgen een mooi biljet van
+goud op zijde-papier. Een tak met vogeltjes.
+De letters van het Duifje en haar
+weduwnaar S. en H. Daartusschen in
+een boog de spreuk: &quot;Stem van geluk
+en stem van vreugde. Stem van bruidegom
+en bruid&quot;. Daaronder weer een
+dubbele driehoek met &quot;Zion&quot; er in.
+Dan de uitnoodiging: &quot;De moeder van
+den bruidegom, madam Hamame Jozef
+Sa&iuml;ed en de vader van de bruid R.
+Mozes Azirie en echtgenoote hebben
+de eer UEdele uit te noodigen op de
+bruiloft van hunne kinderen Salomo
+en Hamame. En die ons de eer aandoen,
+zullen wij eeren! Huwelijksinzegening,
+zoo God wil, Vrijdag 15
+Kislev 5681, om twee uur Europeesche
+tijd, precies, in het huis van den vader
+der bruid, in de buurt &quot;Hut des Vredes&quot;.&quot;
+Geen wonder dat wij gaan!</p>
+
+<p><a name="Page_10" id="Page_10" /></p>
+<h3>II.</h3>
+
+<p>De feestelijkheden beginnen des Donderdagmiddags
+voor de vrouwen. Wanneer
+wij het huis van den vader der
+bruid in de buurt &quot;Hut des Vredes&quot; binnenkomen.
+En wij overzien de schare.
+Reine is niet uitgenoodigd. De Heks
+heeft niet gewild. Wij hooren, dat
+R. Mozes Azirie niet gekomen is. Ook
+geld heeft hij niet gestuurd. Maar wel
+een mooien brief. En daar doen we
+het dan maar weer mee. Het geheele
+vertrek is volgestampt met Jemenietische
+dames en Jemenietisch kroost. Enkele
+zijn al Europeesch gekleed. Maar de
+meeste Jemenietisch, bont, dat kakelt.
+Zij hebben veel goud, goed uitgesneden
+en geslagen. Want de Jemenieten
+zijn mooie goudsmeden. En zij zitten
+op den grond, z&oacute;&oacute; dicht aaneen, dat
+wij er haast niet meer bij kunnen. Wij
+krijgen natuurlijk een eereplaats, vlak
+bij Hamame. De bruidegom is niet
+aanwezig. Het zou niet passen. Hamame
+zit als een pop in wit met sluier
+van wit en zilver. Zij mag geen woord
+<a name="Page_11" id="Page_11" />zeggen en zij moet zedig haar oogen
+neerslaan. Het is wel heel moeilijk,
+maar wij vertrouwen, dat zij na de
+bruiloft haar schade wel weer zal inhalen.
+Naast Hamame zitten de bruidsmeisjes,
+eveneens popwit, popstijf, ieder
+met een hooge, witte kaars ter hand.
+Alle dames rooken. Sigaretten of stevig
+een Turksche waterpijp. Er is ook
+zang, handgeklap en een geweldige
+muziek van pauken en blikken pannen.
+En de tractatie. Een royale tractatie.
+Er wordt een groot waschbekken binnengebracht
+met gepelde kersaussies,
+noten, amandelen. Een kleiner met granaatappelpitten.
+Ieder krijgt een zakdoek
+vol. En dan maar muizen. Gelukkig,
+dat dit Hamame geen geld kost.
+Want ieder van de gasten betaalt.
+Alles is hier tegenwoordig duur. Ook
+de bruiloften. Het minste is nu al twee
+shilling. Wij hebben een pond gegeven.
+Maar iedereen acht ons dan ook. Wij
+worden op het middagmaal genoodigd:
+brood, vleesch en hilme, een Jemenietisch
+gerecht van peper met peper.</p>
+
+<p>Het is een heel mooi feest. De moe<a name="Page_12" id="Page_12" />der
+van Hamame straalt. Zij heeft een
+bloeienden rosen peignoir met zwierige
+witte kant aan hals en mouwen. En
+zij, het wijf, fel, bruin. Een heks. Als
+het medeloopt, houdt zij nog over.</p>
+
+<p>Alle meubelen zijn uit het kamertje
+gedaan. Alleen het groote ledikant is
+gebleven. Daarin slaapt, op een rijtje,
+lief en rustig, het kleine kroost. Soms
+als er een wakker wordt&mdash;er liggen
+er negen&mdash;dan staat een Jemenietische
+moeder op en zij geeft haar kindje het
+moederdrinken. Er is een h&eacute;&eacute;l jong en
+h&eacute;&eacute;l mooi Jemenietisch moedertje, waarbij
+een h&eacute;&eacute;l mooi Jemenietisch jongetje
+behoort. Ik mag het zoo prijzen: &quot;wat
+een aardig jongetje is dit.&quot; Maar zij
+kijkt mij aan, verschrikt en verontwaardigd.
+Welk een gevaarlijke dwaasheid
+een kind z&oacute;&oacute; te prijzen. Wil ik,
+dat het Booze Oor het hooren zal!
+Dus schudt het mooie Jemenietische
+moedertje het mooie Jemenietische jongetje
+gevaarlijk door elkander. En zij
+misprijst het: &quot;Dit is een vreeselijk
+kind. Slecht en leelijk. God heeft mij
+wel gestraft. Maar wat zal ik doen!
+<a name="Page_13" id="Page_13" />Een arme vrouw.&quot; Aan de beleefdheid
+ten aanzien van het Booze Oor is
+hiermede voldaan. Zij pakt nu den
+lieven kleinen knaap weder beet. En
+zij legt hem te slapen lekker in het rijtje
+van de kleine maffertjes.</p>
+
+
+<h3>III.</h3>
+
+<p>Des avonds gaan wij naar het feest
+van de mannen in een ander huisje in
+de buurt: &quot;Hut des Vredes&quot;. Het is
+er natuurlijk heel vol. En heel heet.
+Er is muziek. En er zijn psalmzingers
+met luide stemmen en gevaarlijke handslagen.
+Er is natuurlijk tractatie: gezouten
+erwten, noten, amandelen, granaatappels.
+En er is een stevige flesch.
+Zure, lichtgegiste wijn. En een drank,
+duivelsch, dien zij zelf stoken uit gedroogde
+rozijnen.</p>
+
+<p>Er wordt ook gedanst. Maar niet
+mannen met vrouwen. Het zou niet
+passen. Wel komen de dames af en
+toe eens om een hoekje kijken. Doch
+zelfs dat is al nieuwerwetsch. Hier
+danst een groote magere man. Een
+<a name="Page_14" id="Page_14" />lange, zwarte jongen. Misschien is hij
+wel de Duivel. Doch het zou niet passen
+hem dit te vragen. Die met hem
+mede danst, maar zij raken elkander
+niet aan, is een slanke, donkere Jemenietenknaap
+van vijftien jaren, die Jozef
+heet en schoenmaker is. Maar hij is
+ook de beste danser van de gemeente.
+Daar gaat de muziek en het handengeklap.
+De man en de jongen, heel
+aandachtig en voorzichtig gaan. Zij
+zien, strak getoomd, naar elkanders
+voeten. Naar elkanders gebaren. Langzaam,
+weinig bewogen in den aanzet.
+Maar de muziek wordt wild. De handen
+van de gemeente slaan sneller. De
+man en de jongen sneller gaan. Ademloos.
+Muziek, muziek, muziek. De handen,
+die hel slaan. De jongen. De man.
+Ademloos. Uit, uit, uit.</p>
+
+<p>Geheele verhalen worden zoo door
+de Jemenieten gedanst. Zij dansen van
+den avond tot den morgen.</p>
+
+<p>Als de jongen Jozef weer wat op
+zijn adem is gekomen, krijgt hij natuurlijk
+een bakschisch. En ik mag wel
+vragen welk verhaal in dezen dans is
+<a name="Page_15" id="Page_15" />uitgebeeld. &quot;Mijnheer,&quot; zegt het jongetje
+Jozef blozende: &quot;dit is een dans
+op den herbouw van den Heiligen
+Tempel.&quot; En dan te weten, dat ik mij
+den herbouw van den Heiligen Tempel
+altijd h&eacute;&eacute;l anders had voorgesteld.</p>
+
+
+<h3>IV.</h3>
+
+<p>En des Vrijdagsmiddags, twee uur,
+in het huisje in de buurt: &quot;Hut des
+Vredes&quot; hebben Hamame en haar weduwnaar
+elkander gekregen. Mannen
+en vrouwen ditmaal bij elkander. En
+al het kleine kroost maar weer veilig
+en uit de voeten in het groote ledikant.
+In rijtjes en op stapeltjes. Er is
+weder de wilde muziek. Een Jemenietische
+jongen slaat twee trommels te
+gelijk. Een groote, donkere, sombere.
+En daartegen in een kleine, die gespannen,
+luid kraait en schatert. Onder
+een groot spektakel krijgen zij elkander.
+De zeven zegeningen worden uitgesproken,
+heilig en zinnelijk te gelijk.
+Twee oude mannen dansen de voorgeschreven
+heilige dansen voor het
+bruidspaar. Wonderlijke windingen en
+<a name="Page_16" id="Page_16" />wendingen van de machtelooze lijven.
+Maar precies gelijk het behoort. Dansen
+voor het bruidspaar is een heilige taak,
+waarmee de oudsten en waardigsten
+worden vereerd. Het mooie jongetje
+Jozef kijkt toe. Hij danst toch anders.</p>
+
+<p>In een optocht brengen wij dan Hamame
+en den getroosten weduwnaar
+in de echtelijke woning. Ook in de buurt,
+die &quot;Hut des Vredes&quot; heet. Natuurlijk
+met muziek voorop. Dan de witte bruidsmeisjes
+met de witte kaarsen, die vlammetjes
+fladderen op den wind. Het bruidspaar
+en de gasten. Naar rang en stand.
+Er is de oude rabbijn, die de zeven zegeningen
+op zijn geweten heeft. Een paarse
+kaftan en wit geweven schoudersjaaltje.
+De zoele, gebroken lucht. De wind. Maar
+nog geen regen, al is er al vochtigheid.
+Wij gaan heel langzaam en waardig,
+zooals de muziek ons laat gaan. Alle
+menschen van de &quot;Hut des Vredes&quot; komen
+uitgeloopen. Een heel klein steegje
+en een heel klein huis. Daarin wij wegduiken.
+Ik ril. Morgen begint haar het
+slaafsche leven. Hamame is getrouwd.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="DE_DONKERE_BRON" id="DE_DONKERE_BRON" /><a name="Page_17" id="Page_17" />DE DONKERE BRON.</h2>
+
+
+<p>Wij hebben het water hier zoo lief
+en zoo noodig. Het water is het levende,
+dat overal zijn leven brengt. In de lente
+bloeien de bloemen in stroomen van
+rood en geel waar het water stroomt.
+Een bron. Zooals een sfeer van licht
+om een lamp, z&oacute;&oacute; zijn de wonderlijke
+vertellingen hier om de bronnen heen.
+Vanmiddag is het wonder gebeurd.
+Een warme middag. En een huis in
+een nette burgerlijke buitenbuurt van
+Jeruzalem. Ik verzink. Ik wil terug naar
+de buurt van de Jaffapoort. Het zonnige,
+het bonte. Dat is Jeruzalem.</p>
+
+<p>Wanneer wij aan tafel zitten vanmiddag.
+En komen de beide Rabbijnen
+Epstein en Bernstein, twee van de meestgeleerde
+Aschkenasische Rabbijnen met
+eenen bekenden Sefardie Nissim Nahum.
+Wat kan dit zijn? De twee Aschkenasische
+Rabbijnen alleen, dat zou
+politiek kunnen zijn. Of een weesmeisje,
+dat moet worden uitgehuwelijkt en
+waarvoor geen uitzet is. Daarvoor bij
+te dragen is een heilige plicht, gelijk
+<a name="Page_18" id="Page_18" />wij iederen ochtend in de gebeden
+zeggen. Maar de Rabbijnen met eenen
+Sefardie!</p>
+
+
+<h3>II.</h3>
+
+<p>Het is noch politiek, noch het weesmeisje.
+Het is over de bron van Jehizkia,
+waarover geschreven staat: II
+Kronyken XXXII: 30: &quot;Diezelve Jehizkia
+stopte ook den opperuitgang der
+wateren van Gihon, en leidde ze regt
+af beneden naar het westen der stad
+Davids&quot;. Dit is natuurlijk niet, gelijk
+Raschi opmerkt, de rivier Gihon genoemd
+in Genesis II: 13. De Talmoed
+leert ons, dat Jehizkia zes dingen heeft
+gedaan. Drie met instemming van de
+Geleerden zijner dagen. En drie tegen
+hun wil. Tot de laatste drie behoort
+het verstoppen van deze rivier Gihon.</p>
+
+<p>Nu eeuwen, eeuwen later, de zestiende,
+zeventiende eeuw der Christelijke
+jaartelling. Syri&euml; en Palestina werden
+toen overheerscht door eenen
+Arabier, genaamd Aboe Sifien, dat beteekent:
+Vader des Zwaards. Hij liep
+door de straten van Jeruzalem en hij
+<a name="Page_19" id="Page_19" />hoorde een ruischen van een diep water.
+Hij beval dit water op te sporen en
+bloot te leggen. Toevallig hoorde hij,
+dat te Jeruzalem een groot geleerde
+woonde R. Cha&iuml;m Wital, die het vermogen
+bezat, wonderen te doen door
+het uitspreken van Gods naam op eene
+bepaalde wijze. Men zegt, dat Mozes
+op die wijze den Egyptenaar heeft
+gedood, waarvan gesproken wordt in
+Exodus II vers 14. Aboe Sifien, de
+Vader des Zwaards, beval nu R. Cha&iuml;m
+Wital de donkere bron op die geheime
+wijze te openen. Deze wilde niet. En
+bevreesd voor den Vader des Zwaards,
+vluchtte hij naar Damascus, eenvoudig
+door het uitspreken van Gods naam
+op eene bepaalde wijze. Te Damascus
+verscheen hem in zijn droom zijn leermeester
+overleden, R. Isa&auml;c Luria Aschkenazie,
+bijgenaamd Ari de Heilige,
+wiens naam de Wilna&euml;r Gaon later
+nooit zou uitspreken zonder een angstig
+beven. &quot;Waarom hebt gij geweigerd
+de donkere bron te openen? Gij weet,
+dat Jehizkia de Gihon heeft afgesloten
+tegen den raad in van de Wijzen zijner
+<a name="Page_20" id="Page_20" />dagen. Gij, R. Cha&iuml;m Wital, zijt eene
+re&iuml;ncarnatie van den koning Jehizkia.
+En Aboe Sifien is, gelijk zijn naam
+reeds aanduidt, een re&iuml;ncarnatie van
+Sanherib, want ook dat beteekent Vader
+des Zwaards. De tijd om de bron te
+openen, was nu aangekomen en daarmede
+het begin van de verlossing van
+Isra&euml;l.&quot; Toen zeide R. Cha&iuml;m Wital:
+&quot;laat mij teruggaan naar Jeruzalem en de
+bron alsnog openen.&quot; &quot;Neen,&quot; sprak de
+Heilige: &quot;de juiste tijd is nu voorbij.&quot; Dat
+is een element in vele kabbalistische verhalen:
+het verzuimen van den Juisten Tijd,
+door onwetendheid, aarzeling of twijfel.</p>
+
+<p>Z&oacute;&oacute; bleef de bron gesloten. Nissim
+Nahum, mijn Sefardische bezoeker, heeft
+het verhaal van R. Cha&iuml;m Wital gelezen
+in het boek Sefer Shem Hagedoliem,
+dat is het Boek van de Faam
+der Grooten door R. Cha&iuml;m Joseph
+David Azoelai, die in den Napoleontischen
+tijd Rabbijn te Livorno is geweest.
+Deze heeft het verhaal te Jeruzalem
+als overlevering gehoord. Ook
+in een ouder boek Get Pachoet wordt
+er over geschreven. (1740).</p>
+
+<p><a name="Page_21" id="Page_21" />De meening der kabbalisten is, dat
+met het openen van deze bron de verlossing
+voor Isra&euml;l beginnen zal. Men
+vindt die meening bijvoorbeeld in het
+boek Ben Jehojadah van R. Joseph
+Cha&iuml;m, die een jaar of tien geleden te
+Bagdad is gestorven.</p>
+
+
+<h3>III.</h3>
+
+<p>Nissim Nahum weet de plaats van
+de donkere bron. In de oude stad, niet
+ver van de Tempelplaats, waar nu het
+Turksche bad is genaamd Hamam el
+Schefah, dat is: het bad der Genezing.
+Er is daar nog een bron, waarvan het
+water meer dan dertig meter onder
+den grond is. Nahum heeft eenen Arabier
+gesproken, die zegt, dat hij in eenen
+buitengewoon drogen zomer, toen de
+bron zonder water was, is afgedaald.
+Hij kwam in een doolhof van gangen
+en gewelven. V&oacute;&oacute;r den oorlog heeft
+Nahum pogingen gedaan de bron te
+laten onderzoeken. Het begin van alle
+pogingen is natuurlijk baksjisj. Maar
+ten slotte wilden de bewoners niet.
+Ze waren bang. Misschien zweven
+<a name="Page_22" id="Page_22" />rondom de bron ook voor hen legenden.
+Toen de jaren van den oorlog.
+Maar na den oorlog is Nahum weder
+begonnen. Hij vertrouwt op de meening
+van de kabbalisten, dat de opening
+van de bron het Geluk van Isra&euml;l zal zijn.</p>
+
+<p>Toen Herbert Samuel in het begin
+van het jaar voor een onderzoek hier
+was, heeft Nissim Nahum zich tot hem
+gewend. De zaak is toen onderzocht
+door den Gouverneur van Jeruzalem,
+den Generaal Storrs. Maar er is verder
+nog geen gevolg aan gegeven. Nu
+echter wil men de zaak opnieuw aanvatten.
+Er is zooveel gebeurd. De troebelen.
+San Remo. Wat San Remo beteekent
+wisten wij op den dag zelven
+niet. Maar nu gaan wij het zien. En
+zelfs de harten van de voorzichtige
+twijfelaars gaan openbloeien. Sir Herbert
+Samuel, de eerste Joodsche Landvoogd.
+Ook tegenover hem moeten
+wij voorzichtig zijn. Maar toch: de
+Joodsche Landvoogd. De legenden beginnen
+al te bloeien rondom hem heen.
+Die familie Samuel is uit Polen afkomstig.
+Waarom zou hij dan niet af<a name="Page_23" id="Page_23" />stammen
+van Rabbi Saul Wahl, die
+ongeveer drie eeuwen geleden voor
+&eacute;&eacute;nen dag koning van Polen is geweest?
+En dat R. Saul Wahl afstamt
+van Koning David, ziet, men kan er
+aan twijfelen, maar waarom zou men
+er aan twijfelen? Z&oacute;&oacute; is dus Sir Herbert
+Samuel een bloedverwant van
+Koning David en van den Koning
+Jehizkia. Gij zegt: lang geleden. Maar
+wat beteekent de Tijd tegenover de
+Eeuwigheid van Bloed en Woord?
+En ziet gij nu wel, hoe de tijden zich
+voltrekken? De Koning Jehizkia had
+de bron niet moeten uitsluiten. Zijn
+latere incarnatie R. Cha&iuml;m Wital heeft
+het juiste oogenblik verzuimd. Laten
+wij nu zijn nakomeling Sir Herbert overtuigen,
+dat nu voor hem weder een
+juist oogenblik is gekomen. Wanneer
+ik mij daarmee zou willen belasten?
+Gij ziet; het is g&eacute;&eacute;n politiek en niet
+een weesmeisje, dat moet worden uitgehuwelijkt
+en geen uitzet heeft.</p>
+
+
+<h3>IV.</h3>
+
+<p>Als de drie bezoekers weggaan. Dan
+<a name="Page_24" id="Page_24" />zie ik weder, dat wij het Volk van het
+Boek zijn. En wij moeten dat blijven,
+ook wanneer wij weder het Volk van
+het Land worden. Nissim Nahum, ofschoon
+geen Rabbijn, gaat het eerst
+de deur uit, omdat hij twee groote heilige
+boeken draagt. De Rabbijn Epstein
+is wel ouder, maar niet aanzienlijker
+dan de Rabbijn Bernstein. Wie zal het
+eerst uitgaan? Dat zijn hier groote
+kwesties. Er zijn gemeenten verdeeld
+geraakt, omdat een rabbijn eenen andere
+heeft gepasseerd. Ten slotte zal de Rabbijn
+Epstein v&oacute;&oacute;rgaan. Maar de Rabbijn
+Bernstein heeft een boek meegebracht.
+Goed: de Rabbijn Epstein zal dat dan
+dragen, tot zij buiten zijn. Daarna zou
+'t niet meer passen. Gij glimlacht wellicht
+over al dien eerbied en over al die
+etiquette? Ik ook. Maar glimlachend bedenk
+ik toch ook, dat in al deze kleine
+bedrijven iets liefs, iets geriefelijks is.</p>
+
+<p>Wij hebben het water hier zoo lief
+en wij hebben het water hier zoo noodig.
+Een bron, dat is voor ons het
+levende, het goede. Een Wezen. Iedere
+bron heeft zijn legende. Maar dat alles
+<a name="Page_25" id="Page_25" />wordt volmaakt verleden tijd. Wij gaan
+Palestina moderniseeren, verschrikkelijk
+moderniseeren. De Fellachen worden
+ge&euml;lectrificeerd en schoongemaakt met
+stofzuigers. Welk een vooruitzicht. En
+al de mooie legenden van bronnen,
+bloemen en rivieren worden opgedoekt.</p>
+
+
+<h3>V.</h3>
+
+<p>'s Avonds in de schemering komt
+mijn vriend Adil Effendi. Kent hij dat
+badhuis Hamam al Schefah? Ja, zegt
+Adil Effendi: hij kent dat. Maar 't is
+een echt armeluis-badhuis. Wie ons
+daar in ziet gaan, zal ons niet achten.
+Heeft hij wel eens van die legenden
+gehoord? Maar Adil Effendi is h&eacute;&eacute;l
+sceptisch geworden, sinds hij werkt in
+de Engelsche Regeering. Het gaat de
+Mohammedaansche jeugd, zooals de
+Joodsche: een tikje materialistisch, een
+tikje ijdel, een tikje genotzuchtig. Daarnaast
+heeft de Joodsche jeugd toch
+meer nationalistisch idealisme voor het
+land en de taal. Donkere bronnen. Wie
+ontsluit ze te juister tijd! Neen, zegt
+mijn vriend Adil Effendi, peinzend in de
+<a name="Page_26" id="Page_26" />schemering: &quot;ik geloof nog wel aan Allah,
+maar niet aan al die andere verhalen.
+En ik geloof, dat mijn broer, Subhi Effendi,
+ook niet meer aan Allah gelooft.&quot;</p>
+
+<p>Hij smookt zijn sigaretje tusschen
+spitse lippen en hij tipt asch met een fijnen
+vinger. &quot;Mijn vriend,&quot; zegt Adil Effendi,
+&quot;gij hebt dien ouden boom wel gekend,
+voor het huis van mijn broeder Abdoel
+Salaam? Men heeft altijd gezegd: wanneer
+die boom neervalt, dan gaat ook
+het Turksche rijk uit elkander. En gij
+weet met den grooten sneeuwval? Toen
+heeft de boom wel geleden. En Abdoel
+Salaam, die een wijs man is, heeft hem
+laten omhakken. Achmad en Aboe Joessoef
+hebben dat gedaan. Omdat de boom
+heel hinderlijk was voor de automobielen
+van de East Compagnie. Abdoel Salaam
+heeft al het hout gekregen en de Compagnie
+heeft een mooie baksjis; gegeven
+aan Achmad en Aboe Joessoef. Heeft
+Turkije iets te maken met dien boom?
+En de Zagjunien met een put?&quot;</p>
+
+<p>En dan zucht ik en ik vrees, dat de
+juiste tijd voor mijn vriend Adil Effendi
+nog niet is gekomen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="MIJN_VRIEND_SAID_EFFENDI" id="MIJN_VRIEND_SAID_EFFENDI" /><a name="Page_27" id="Page_27" />MIJN VRIEND SA&Iuml;D EFFENDI.</h2>
+
+
+<p>Mijn vriend Sa&iuml;d Effendi is de Arabische
+adviseur van den gouverneur
+van Hebron. Vroeger is hij officier geweest
+in dienst van den Emir Feisul
+te Amman aan den overkant van den
+Jordaan. Dat is het oude Rabbat Ammon,
+de hoofdstad van de Ammonieten.
+Verwoest en later herbouwd heette het
+Philadelphia, een van de Decapolissteden.
+Ik hoop er nog wel eens heen
+te gaan met Sa&iuml;d Effendi samen. Hij
+is nu teruggekomen naar dezen kant
+van den Jordaan. Want de familiebezittingen
+liggen daar, tusschen het dorp
+Tur op den Olijfberg en Jericho.</p>
+
+<p>Wij zijn goede vrinden geworden
+rondom de petroleumblikken gloeiende
+houtskolen in het onvolprezen hotel:
+&quot;De eik van Abraham&quot; te Hebron. En
+vele kopjes koffie. Hij is een zwaarmoedige,
+maar toch sterke kerel, Sa&iuml;d.
+Voortreffelijk in zijn werk en onbegrensd
+vertrouwd.</p>
+
+<p>Aan den overkant van den Jordaan,
+ook te Ammon, wonen de Kaukasische
+<a name="Page_28" id="Page_28" />Circassi&euml;rs. Zij hebben zich in die
+streken gevestigd sinds Rusland in 1864
+den Kaukasus veroverde. In het begin
+hebben zij voortdurend stoute gevechten
+geleverd met de omwonende Arabieren.
+Nu is het vrede. Zij spreken
+Circassisch. Zijn Mohammedanen, maar
+ietwat meer Europeesch. De vrouwen
+verhullen zich niet. En ze verbergen zich
+ook niet voor de gasten van den man.</p>
+
+<p>Sa&iuml;d Effendi is getrouwd met eene
+Circassische vrouw. Zij hebben drie
+kinderen gehad, drie jongens. Twee
+gestorven. &quot;Min Allah,&quot; berust Sa&iuml;d
+Effendi. Het oudste jongetje leeft nog.
+Hij is zes jaar. En hij heet Daoud.
+Daarom heet Sa&iuml;d Effendi ook Aboe
+Daoud. Zal ik hem niet eens komen
+bezoeken in het dorp Tur, dat op den
+Olijfberg ligt? Goed, laten wij zeggen,
+Zondag, wanneer het mooi weer is.
+Met een van de wagentjes, die Adil
+Effendi met zijne broers exploiteert.</p>
+
+
+<h3>II.</h3>
+
+<p>Het is mooi weer. Men moest hier
+eigenlijk niet spreken van den winter,
+<a name="Page_29" id="Page_29" />maar van den regentijd. Welk een afwisseling!
+Wreede dagen, woedend
+van regen en wind. Zooals wij die te
+Hebron hebben gekend. Er is in een
+korten tijd een geweldige hoeveelheid
+regen gevallen. Men zegt drie kwart
+van den gemiddelden jaarlijkschen regenval.
+Ik ben bevriend met een regenbak,
+waarin binnen een week of drie,
+een meter of drie water is komen te
+staan. Als nu de late regen ook maar
+komt, zoo tegen Maart, April, dan
+krijgen we hier een goed gewassenjaar.
+Misschien dalen dan de prijzen.
+Maar tusschen de regendagen, o, de
+zalige winterlentedagen. Een hemel ongebroken
+als in den zomer. Maar dunner
+blauw. Een kussende, zoele wind. En
+de zonneschijn. Een winter vol zon.
+En welk een mateloos mooie morgen.</p>
+
+<p>Adil geeft het wagentje, nummer 18.
+Dat moet gij later ook nemen. Het is
+een net wagentje. Het staat bij de
+Jaffapoort, en rijdt met twee driftige
+Arabische paardjes. De koetsier is in
+Mekka geweest. Hij zou dus een groenen
+doek mogen dragen rondom zijn
+<a name="Page_30" id="Page_30" />fez, dien wij tarboes noemen. Maar
+dit doet hij niet. Hij zal het later doen,
+wanneer hij ouder is geworden, 't Zou
+nu nog niet passen. Omdat hij in Mekka
+is geweest, zegt zelfs de oneerbiedige
+Adil Had; tegen hem. En Machmoed,
+het staljongetje, eerbiedigt hem zeer.
+Natuurlijk eerbiedigt Machmoed den
+chawadja ook. Want die geeft baksjis;
+en is een chawadja. &quot;Een mooi wagentje,
+h&egrave; Machmoed?&quot; &quot;Ma&auml;loem,&quot;
+zegt Machmoed: &quot;ik twijfel, of er een
+mooier wagentje is in geheel Kuds.&quot;</p>
+
+<p>En wij rijden. Door de buitenstadswegen.
+En dan over de landwegen
+naar den Olijfberg heen. Overal wordt
+gewerkt aan het land. Winterkoren
+wordt gezaaid op ieder bouwbaar plekje
+grond. O, de verteedering van de zachte
+dagen. En de adem van het bruine,
+opengebroken land. Tegen een heuvelhelling
+aan ligt het wijde kerkhof met
+de Engelsche gesneuvelden. Het huis
+van den Groot-Mufti. En de uitzichten
+over heel de stad van Jeruzalem. De
+oude stad binnen den Muur, nog gaaf
+bewaard aan deze Oostzijde. En de
+<a name="Page_31" id="Page_31" />voorsteden wijd uitgeblokt. En dan ineens
+niets meer. Ver, ver, de heuvelen.
+Maar geen andere huizen, steden en
+dorpen. Zooals rondom Amsterdam,
+dat ook een mooie stad is.</p>
+
+
+<h3>III.</h3>
+
+<p>Langs het Engelsche hoofdkwartier.
+O.E.T.A. noemen wij dat hier. En
+het Arabische dorp Tur. Sa&iuml;d Effendi.
+Hartelijk welkom. O, zij zijn al wat moderner
+Mohammedanen. Daarom word
+ik ook voorgesteld aan zijn zuster. Zij
+draagt toch nog de dracht van aanzienlijke
+Arabische dorpsdames. En een kostbaar
+bontgeborduurd borststuk. Ook het
+Circassische moedertje. Zij is een klein,
+blond vrouwtje. Heel weinig naast den
+grooten, donkeren Sa&iuml;d. Ze verwachten
+weder een kindje. Sa&iuml;d heeft het mij al verteld.
+Och, mocht het ditmaal een meisje
+zijn. En mocht het leven! Maar wat zal
+men er aan doen. 't Is alles min Allah.</p>
+
+<p>Ook het jongetje Daoud. Een heel
+mooi Arabisch-Circassisch jongetje. Het
+blonde gezichtje van de moeder. En de
+donkere, sterke oogen van den vader.
+<a name="Page_32" id="Page_32" />Hij spreekt Circassisch met de moeder.
+En Arabisch met den vader en de andere
+familieleden. Natuurlijk vindt hij
+dat heel gewoon. Hij heeft de twee
+talen even vlug geleerd als andere kinderen
+hun eene taal leeren. O, hij is
+heelemaal niet bang voor den vreemden
+chawadja. Trouwens, de chawadja
+heeft koekjes en bonbons meegebracht.
+Een tafeltje bij het raam met het mooie
+uitzicht op Jeruzalem. En dan koffie,
+koekjes en bonbons. Waarom zou de
+kleine Daoud den chawadja vreezen?
+Hij heeft een stemmetje als muziek. En
+hij zegt woordjes als bloemen. Hij lacht
+met witte tandjes achter roode lipjes.
+Mag Daoud nog een koekje? Hier in
+het dorp draagt hij een Arabisch japonnetje
+met een heel klein pittig fesje.
+Maar als hij naar Jeruzalem gaat, dat
+daar beneden ligt en eigenlijk El Kuds
+heet, dan heeft hij een grijs Europeesch
+pakje aan, en een bruin mutsje op.</p>
+
+
+<h3>IV.</h3>
+
+<p>Maar toch, Sa&iuml;d Effendi heeft mij
+heel lief ontvangen. Ik heb het huis
+<a name="Page_33" id="Page_33" />gezien. En genoten van het uitzicht
+over de stad vlakbij. Er is iets, dat
+Sa&iuml;d Effendi hindert. Ik zie het. Natuurlijk
+komt het niet te pas, hem
+zonder meer, daarnaar te vragen. Maar
+het is niet ongepast, wanneer ik hem
+de gelegenheid geef, het mij te zeggen.
+Ik vraag en zeg dus h&eacute;&eacute;l voorzichtig.
+En hij antwoordt: Ja, hij heeft een
+droeve zaak. De jongste broeder van
+zijne moeder is voor eenige dagen
+doodgeschoten in een twist aan de
+overzijde van den Jordaan. In het gebied
+van den Emir Feisul. Toen Sa&iuml;d
+uit Hebron thuis is gekomen, heeft hij
+het gehoord. Gisteren is het lijk overgebracht.
+En vandaag is er een familievergadering
+in een dorp dichtbij, wat
+te doen. Want men kan dezen moord
+niet zoo maar ongewroken laten. Sa&iuml;d
+is donker, woedend. Niet, omdat hij
+den dooden oom zoo liefhad. Maar
+omdat een zeer ernstige beleediging de
+heele familie is aangedaan. Men kan
+het niet ongewroken laten. Maar aan
+den anderen kant is zoo een geval in
+de familie zeer lastig. Vooral omdat
+<a name="Page_34" id="Page_34" />de familie van den moordenaar een
+zeer machtige familie is.</p>
+
+<p>Hij vraagt het mij dringend: &quot;Zal
+ik hem in alle vriendschap vergeven,
+wanneer hij nu naar den familieraad
+rijdt? Zal ik niet boos zijn? Hij moet.
+Het is de laatste dag van zijn verlof.
+En hij moet weer te paard naar Hebron.&quot;</p>
+
+<p>Hij rijdt weg. In een duistere woede.
+Op wien is hij woedend? Op den oom,
+of op den moordenaar?</p>
+
+
+<h3>V.</h3>
+
+<p>Zijn jongste broer, die Chalil heet,
+zal met mij naar den hoogen uitzichttoren
+gaan, naast de Russische kerk.
+Overal rondom Jeruzalem ziet men den
+hoogen, spitsen toren, met die vier
+opengebouwde rondgangen. Chalil weet
+alles. Meer dan tweehonderd traptreden
+van een ijzeren brandladdertrap. Maar
+dan het uitzicht, eindeloos door den
+hellen dag. Beneden het Kidrondal. En
+Jeruzalem dichtbij. De tempelberg, dien
+de Arabieren noemen Haram Esch-Scherif,
+dat is: het Groote Heiligdom.
+De Omarmoskee met den zwaren grijzen
+<a name="Page_35" id="Page_35" />koepel en de moskee Aksa. Heel ver
+in de Jaffa-buitenstad de witte Russenkerk.
+En de koepel van de Abessinische
+kerk vlak bij 't meisjesweeshuis. Anderzijds
+de Doode Zee, een uur of vijf,
+zes weg. Maar lijkt werpelings dichtbij.
+De weg naar Jericho. De kleine Chalil
+weet alles. Hij spreekt wat Engelsch.
+Maar ook de kleine Chalil is niet rustig:
+&quot;Mijn Heer,&quot; zegt Chalil, die trouwens
+al veertien jaar is: &quot;wanneer gij alles
+hebt gezien, zouden wij naar beneden
+kunnen gaan. En ik zou ook kunnen
+gaan, waar mijn broer Sa&iuml;d is gegaan,
+want mijn oom is vermoord.&quot; Ach,
+waarom zou ik den kleinen Chalil afhouden
+van wat naar bloed ruikt! Wij
+dalen weer draaiend: &quot;Over de tweehonderd
+treden,&quot; zegt de kleine Chalil:
+&quot;ik ga te paard. De geheele familie
+zal gekomen zijn.&quot;</p>
+
+
+<h3>VI.</h3>
+
+<p>Wij rijden terug, in het mooie wagentje,
+dat nummer 18 heeft. Want
+Sa&iuml;d Effendi wil niet, dat het mooie
+Arabisch-Circassische jongetje thuis is,
+<a name="Page_36" id="Page_36" />wanneer hij weer naar Hebron gaat
+voor langen tijd. Het jongetje en zijn
+tante gaan dus mee naar Jeruzalem.
+En ik denk, dat ik het mooie jongetje
+zal laten fotografeeren, eene verrassing
+voor Sa&iuml;d. De zalige dag. En het heerlijke
+landschap. Het kleine jongetje praat
+onverdroten. Als vogels en bloemen.
+Is het Arabisch? Is het Circassisch?
+Neen, neen, het is Arabisch. O, ik
+schiet al aardig op. Hij lacht. Hij ziet
+iets, dat heel lief is. En hij is heel blij
+in 't mooie wagentje.</p>
+
+<p>De fotograaf. Hij prijst zich zelven.
+Hij heeft lang in Duitschland gewerkt.
+Neen, hij heeft den keizer nooit gefotografeerd.
+Maar hij heeft wel eens
+een negatief des keizers ontwikkeld.
+Hij weet dus alles van de Duitsche
+politiek. &quot;Mijnheer,&quot; zegt hij: &quot;gelooft
+u mij, ik weet het, men doet dien man
+onrecht.&quot; Maar wat een onmogelijk
+jongetje is dit! Een Joodsch jongetje!
+Neen. Circassisch-Arabisch. Juist, mijnheer,
+dat dacht ik wel. Wat kijkt dat
+kind ernstig. Een kind moet vroolijk
+zijn, niet waar? Altijd vroolijk.</p>
+
+<p><a name="Page_37" id="Page_37" />Het jongetje Daoud is niet bang.
+Het kijkt maar heel wonderlijk naar
+dien raren, drukken man, die hem plooit
+en vouwt. Die fluit, danst en zingt. En
+het Arabisch-Circassisch jongetje Daoud
+wil niet lachen. In 's hemelsnaam. Morgen
+kan ik de platen komen zien. Wat
+een onmogelijk strak jongetje.</p>
+
+<p>En den volgenden dag. Nog zaliger
+weer. 's Middags langs den Jaffaweg
+naar den fotograaf. En ik ontmoet
+mijn vriend, den stadsaanplakker en
+omroeper R. Leizer Schwartz. Heden
+heeft hij mij aangeplakt, voor een
+lezing, vanuit een groote hengselmand.
+En heel waardig overhandigt
+hij mij een van de biljetten. Z&oacute;&oacute; geeft
+men een doodvonnis.</p>
+
+<p>En de photograaf: &quot;Mijnheer, de
+foto is prachtig, ik ken mijn vak. Maar
+wat een onmogelijk kind is dit.&quot;</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="SABBATH_IN_JERUZALEM" id="SABBATH_IN_JERUZALEM" /><a name="Page_38" id="Page_38" />SABBATH IN JERUZALEM.</h2>
+
+
+<p>Wanneer de Sabbath het Heilige
+van ons leven is, dan is Sabbath in
+Jeruzalem zeker het Allerheilige.</p>
+
+<p>Eenen Donderdag ben ik te Jeruzalem
+aangekomen. En Vrijdagmiddag
+zijn wij een wandeling door het Joodsche
+kwartier begonnen. Toen was ik nog
+een vreemde in onze stad. Nu ik de
+Sabbathdagen van reeds menige week
+herdenk, ben ik al geen vreemdeling
+meer.</p>
+
+<p>Sabbath te Jeruzalem. Alle Joodsche
+winkels sluiten. Geen Joodsch werkman
+is aan den arbeid. De kapperswinkeltjes
+hebben het al vroeg in den middag heel
+druk. En de jongens, die schoenen
+poetsen in het Jodenstraatje.</p>
+
+<p>Men leert de bewoners onderscheiden
+aan hunne kleeren. De Sefardim dragen
+zwarte mutsjes. Ook wel een fez, gelijk
+de Jemenietische Joden. De Aschkenaziem,
+afkomstig uit Oost-Europa, dragen
+streimels, dat zijn platte, ronde mutsen
+met fluweelen rand. Ze dragen lange
+kaftan-kleeren, sommige van schitteren<a name="Page_39" id="Page_39" />de
+zijde of fluweel; brandend oranje,
+rood of hel-blauw. De mooie Sabbath-kleederen
+zijn dikwijls de eenige rijkdom
+van deze arme, vrome mannen.
+Niemand in Europa weet, wat de
+Joodsche stadsbevolking van Jeruzalem
+geleden heeft. Duizenden Joden zijn van
+honger gestorven. Andere duizenden
+door de typhus. In het begin van den
+oorlog hebben de Amerikanen geld
+gezonden. Toen Amerika den oorlog
+begon, hield dat op. De groote, vrome
+rabbijnen hebben hun kleeren en hun
+zielsbeminde boeken moeten verkoopen
+voor een schamel stuk brood. Schatten
+aan boeken zijn naar Engeland en naar
+Amerika gegaan. De toestand is nu
+iets beter. Het ondersteuningswerk is
+nu in handen van de Zionisten. Maar
+hun werk is natuurlijk ook niet volmaakt.
+Het is heel moeilijk eene regeling
+te vinden, die niemand schaadt in zijn
+rechten en belangen. Misschien was het
+beter, dat het politieke werk van de
+Zionisten afgescheiden bleef van het
+liefdadigheidswerk. Er is een deel van
+de orthodoxie, die van het Zionisme
+<a name="Page_40" id="Page_40" />niets weten wil. En ook geen geld
+wil aannemen, dat door hun handen
+is gegaan. Anderzijds wordt beweerd,
+dat het voordeelig is, zich aan te sluiten
+bij de Zionisten. De toestanden
+zijn hier buitengewoon gecompliceerd.</p>
+
+<p>Maar dat ziet men bij eene wandeling
+door de stad niet. Dan zien we, tegen
+den Sabbath, de vrome Joodsche mannen
+gaan. Zij knippen de hoeken van
+het hoofdhaar niet af. Hunne gezichten
+zijn mild en teeder met de lange lokken.
+Dit zijn de mannen, die de Heilige Leer
+beoefenen alleen en uitsluitend om haar
+zelve. Niet om eer. En niet om gewin.
+Deze zwakke, uitgeleden mannen zijn
+de dragers van de oude schatten van
+het Jodendom. Maar als dit lieve, zwakke
+geslacht uitsterft? Ik ben nog niet in
+de koloni&euml;n geweest. Men zegt, dat
+daar een jong, sterk geslacht opgroeit.
+Maar het neemt de oude schatten niet
+over. En dat is onze taak: een nieuw
+sterk geslacht te kweeken, waarin ook
+de Joodsche geest sterk zal zijn. Ontroerend
+is het de teedere zwakke Joodsche
+geleerden te zien gaan tusschen
+<a name="Page_41" id="Page_41" />de stoute, sterke Bedou&iuml;enen van het
+Transjordaansche. Maar die kunnen
+lezen noch schrijven. Als wij dat
+bereiken konden: een Joodsche jeugd
+zoo stout en sterk als de Bedou&iuml;enen
+zijn, en zoo wijs en geleerd als de
+rabbijnen.</p>
+
+
+<h3>II.</h3>
+
+<p>De Klaagmuur. Wij zijn den eersten
+Vrijdagmiddag naar den Klaagmuur
+gegaan. Door een warreling van straten
+en steegjes, waarin ik nu ook al geen
+vreemdeling meer ben. Een van mijn
+Joodsch vrienden te Amsterdam (wat
+is Amsterdam ver! Wat zijn de Joodsche
+vrienden ver!) schreef mij, dat hij
+het liefst zou willen weten, met welke
+gevoelens ik den Klaagmuur voor de
+eerste maal genaderd ben. Beste vriend,
+antwoord ik hem nu: in een ontroering
+waarvoor ik geen woorden weet. En
+waarvoor gij ook geen woorden weten
+zult, wanneer uw Dag gekomen is. Als
+wij woorden wisten voor deze ontroeringen,
+zouden wij geen individuen
+zijn. Maar wij zouden samenvloeien als
+<a name="Page_42" id="Page_42" />water droppels. De woorden, die ik nu
+opschrijf, zijn niet meer dan punten,
+die niet dringen in belangrijke gevoelssegmenten.</p>
+
+<p>Wat is ons deze Klaagmuur eigenlijk?
+Zouden wij zonder dit brok muur
+niet weten, dat wij eenmaal een tempel
+hebben gehad, teeken van nationale en
+godsdienstige eenheid? Wij zouden het
+zeker ook weten zonder dien Muur.
+En toch: zouden wij het gevoelen,
+z&oacute;&oacute; diep als thans, wanneer we onze
+handen leggen op de eeuwige steenen
+en onze middaggebeden spreken, het
+betraande gelaat naar den muur gekeerd?
+De Klaagmuur: ik heb wel eens gevreesd,
+dat het niet geheel en al echt
+zou zijn, het schreien en weenen bij
+dezen Muur. Maar ik vrees dat nu
+niet meer. Zij, die lijden, en het zijn
+duizenden en duizenden in Jeruzalem,
+gaan naar den Klaagmuur om hun eigen
+leed daar uit te schreien. Hun tranen
+zijn zoo echt, als het leed van het
+Joodsche volk. In de reisboeken staan
+ons leed en onze muur aangeteekend
+als een bezienswaardigheid. De touristen,
+<a name="Page_43" id="Page_43" />die waar voor hun geld moeten hebben,
+gaan op Vrijdagmiddag tegen den
+avond, omdat er dan veel Joodsche
+klagers komen. Ik ga bijna elken dag,
+tegen den laten middag. Ik heb mijn
+hoekje tegen den Muur al gevonden.
+Geen vreemde ben ik er meer. Ik heb
+dat onbeschrijfelijke gevoel gevonden
+van thuis te zijn. Ik ga er vanzelf heen.
+O, de weg is niet moeilijk. Dat lijkt
+maar zoo in het begin. Tusschen den
+Bazaar en het Jodenstraatje links. De
+straat in, die daalt met zooveel trappen
+en die zoo vol is van Arabisch beeldhouwwerk.
+Er is &eacute;&eacute;n plaats, waar twee
+prachtige poortjes tegenover elkander
+zijn. Dan rechts afslaan. En dan altijd
+maar links. Overal waar de straat een
+hoek maakt, links. Altijd trapjes af.
+Een wonderlijke overdaad van straatjes,
+steegjes, trapjes, hoekjes en holletjes.
+En dan niet dat donkere poortje in.
+Maar dat weggetje, waar 's middags
+de zon schijnt. Dan zijt ge er. En dan,
+mijn beste vriend, wordt het onbeschrijflijk.
+Dan komt uw Ziel in het
+Gebied, waar geen Woorden door<a name="Page_44" id="Page_44" />dringen.
+Dan zijt ge gansch alleen...</p>
+
+<p>En tot zoover had ik geschreven,
+Vrijdagmiddag, toen de bazuin geblazen
+werd over de Duitsche Plaats, om de
+Joodsche vrouwen te waarschuwen,
+dat zij de Sabbathlampen moesten aansteken.
+Toen ben ik ook met schrijven
+opgehouden. Zeker, beste vriend, zal
+ook uw Dag komen, dat gij voor het
+eerst naar den Klaagmuur zult gaan.
+Zoo God het wil, zal ik gaarne uw
+geleider zijn. Tot gij den weg door
+warrelende straatjes en steegjes alleen
+zult weten. En verlangen zult alleen
+te gaan, als uw hart zwaar is en gij
+verlangen zult uit te schreien tegen
+den muur.</p>
+
+
+<h3>III.</h3>
+
+<p>Dien eersten Vrijdagavond ben ik
+gast geweest in het meisjesweeshuis
+van den heer en mevrouw Zilversmit,
+waarvan ik u al gesproken heb.</p>
+
+<p>O, in dit huis is de Sabbath een
+heerlijkheid. De zegenspreuken over
+Wijn en Brood worden met heilige
+wijding uitgesproken. Voor ons is het
+<a name="Page_45" id="Page_45" />Hebreeuwsch toch altijd een taal, die
+buiten het dagelijksch leven staat. De
+Hebreeuwsche woorden kennen wij uit
+de gebeden. Zij hebben een bijzondere
+gevoelswaarde voor ons. Maar gewone
+ongewijde woorden eener spreektaal
+zijn zij niet. Voor deze meisjes anders.
+Het Hebreeuwsch is hun gewone spreektaal.
+De gevoelswaarde van de gewijde
+woorden is een geheel andere. Maar
+achter al die waarde-verschillen zal ik
+wel nooit komen. Want zelfs al was
+Hebreeuwsch mij zoo eigen als Hollandsch,
+dan nog zou ik mijn subtiele
+bedoelingen niet onder woorden kunnen
+brengen. En de meisjes zouden de gevoelens,
+die mijn woorden opwekken,
+ook niet kunnen uitspreken. Wat doet
+de zee: de landen verbinden of de
+landen scheiden? Wat doet de Taal:
+de menschen verbinden of de menschen
+scheiden?</p>
+
+<p>Na het eten worden de lieve, milde
+Sabbathzangen gezongen.</p>
+
+<p>En dan gaan we met ons allen in
+de hal. In de groote, heldere hal. De
+kleine meisjes spelen hun Hebreeuwsche
+<a name="Page_46" id="Page_46" />spelletjes. Altijd een aardige les in het
+Hebreeuwsch. De grootere babbelen
+in troepjes. En er komen gasten. Want
+iedereen is hier welkom. Er is een
+Amerikaansche majoor. Een kerel als
+een boom. Bij nader onderzoek blijkt
+hij een doodgoede medicus te zijn. En,
+glimlachend als een oud, moe man, zie
+ik de oude geschiedenis, die toch altijd
+nieuw blijft. Er komt een lieve, slanke
+jongen, een leerling van de Onderwijzers-Kweekschool.
+Zijn ouders wonen
+in een van de koloni&euml;n. Maar hij
+is hier in de stad op school. Ik geloof,
+dat hij hier zijn vriendinnetje heeft. En
+ik geloof, dat het vriendinnetje dat ook
+wel weet. En ook wel weten wil. Neen,
+ik ben nog niet zoo een heel oud man.
+Maar ik heb toch iets meer dan deze
+kinderen beleefd. Gij kent het gedicht
+van Jacques Perk: &quot;Dorpsdans&quot; natuurlijk
+even goed als ik. Een grijsaard
+ben ik nog wel niet. Maar het
+komt toch. Het komt toch. Misschien
+zal het leven deze twee lieve kinderen
+wel genadig zijn. En misschien is het
+ook heelemaal niet waar.</p>
+
+<p><a name="Page_47" id="Page_47" />Het is wel heel laat, wanneer wij
+scheiden. Donkere maan. Maar er is
+de goedgezinde Challad met de lantaarn,
+die mij naar het hotel brengt. In het
+hotel wel alles wreed en vreemd. Voor
+de deur ligt een van de kellners op
+een mail-stoel te slapen, bij wijze van
+deurwachter. Na den lieven vrede in
+het groote gezin van den heer en
+mevrouw Zilversmit is dit wel wreed
+en vreemd. Als ik in de kleine hotelkamer
+kom, moet ik mijn hand drukken
+op mijn hart barstend van pijn. En ik
+moet tegen het dwaze, bonzend hart
+zeggen: &quot;Dwaas hart, zoudt ge nu
+niet eens rustig willen zijn... ge zijt
+hier, waar ge altijd hebt willen zijn.
+En wie te Jeruzalem sterft, wordt daar
+ook begraven.&quot;</p>
+
+
+<h3>IV.</h3>
+
+<p>Den Sabbathmorgen ga ik ten gebede
+in het jongensweeshuis van den
+heer Goldsmit, ook Hollander van
+geboorte. Gij allen, die Jeruzalem kent,
+weet, dat het een heele stap is. Van
+de Duitsche Plaats de groote Poort
+<a name="Page_48" id="Page_48" />uit, den Bazaar door en de Jaffastraat
+tot de Bioscoop en dan links af. Daar
+ligt dat weeshuis lekker buiten. In het
+licht en in de zon. Net wat Joodsche
+jongens noodig hebben om gezond en
+sterk te zijn. Wij beginnen hier onze
+gebeden vroeg: zeven uur. Maar als
+ik van huis ga, tegen half zeven, dan
+is men in de beide Synagogen van de
+Duitsche Plaats al begonnen. En ook
+in de kleine Synagoge, bij het Jodenstraatje,
+waar de kolenkoopman zijn
+winkeltje heeft, en waar de twee gaarkeukentjes
+zijn. Maar het kolenwinkeltje
+en de gaarkeukentjes zijn nu
+dicht omdat het Sabbath is. Alle winkeltjes
+in het Jodenstraatje zijn dicht.
+In de dichte poelierswinkeltjes kraaien
+de geoordeelde hanen en hennen. In
+het Specerijenstraatje zijn de lekkere
+winkeltjes al open: Even inkijken. Even
+snuiven. En dan verder.</p>
+
+<p>Bij het Weeshuis is een kleine Synagoge.
+Vierkant met ramen in twee
+muren. En een dak van wit gekalkt
+gewelf. De zon van Palestina is een
+gezegende zon: die is altijd en overal.</p>
+
+<p><a name="Page_49" id="Page_49" />Er zijn hier een vijftig kleine jongens
+in het weeshuis. Laten wij later eens hun
+geboorteplaatsen opschrijven. Dan kunnen
+wij zien, hoe het Joodsche Volk
+gezworven heeft. Er zijn in het Weeshuis
+zelf geen tien manspersonen boven
+dertien jaar, die toch bij de gebeden
+aanwezig moeten zijn. Maar zij komen
+dan van de stad. Wij zijn een groot gezin.
+Vreemden komen hier niet. De dienst
+gaat heel stil en heel eenvoudig, zooals
+wij dat in Holland gewoon zijn.</p>
+
+<p>De zegen door de Priesters wordt
+elken Sabbathmorgen tweemaal uitgesproken.
+De huisbediende is uit den
+Priesterstam. Heel de week dient hij
+in het dagelijksch huiswerk. Maar de
+Sabbath maakt hem tot onzen meerdere.
+Hij heft zijn handen over ons hoofd.
+En hij spreekt de eeuwen-woorden. Hij
+weet ook zeer wel, dat hij mijn meerdere
+is. Een kroon van goud en edelsteenen,
+zooals Europeesche koningen,
+dragen onze Priesters niet. Zij dragen
+een kroon, die God zelf voor hen heeft
+gesneden en geslagen uit de steenen
+en uit het goud van Zijn Woord.</p>
+
+<p><a name="Page_50" id="Page_50" />O, mijn hart: die vijftig kleine Joodsche
+jongens, zoo allen tusschen zes
+en twaalf, langs welke wegen zijn zij
+hier gekomen? En langs welke wegen
+zullen zij gaan tot aan hun eindelijke
+rust? Maar hun jeugd is hier goed en
+tevreden. Wat zal men kinderen voor
+hun leven beter medegeven dan den
+lichten last van een goede en tevreden
+jeugd? Hier is licht, lucht en zonneschijn.
+Ga maar eens door de straten
+van de oude stad. Ja, zeker zijn ze
+mooi en bijzonder met hun overvloed
+van trappen, steegjes, poortjes, gewelven,
+hofjes en huizen. Maar er zijn
+hoeken, waar de zon nooit komt en
+waar de lucht loodzwaar is.</p>
+
+<p>O, ik houd van de vijftig kleine
+Joodsche jongens. Na den kerkdienst
+hebben zij natuurlijk honger. En zij
+krijgen lekkere beste boterhammen, nadat
+de zegen over wijn en brood is
+uitgesproken. En dan zingen zij de
+gezangen van den Sabbathmorgen. Ik
+zou ze wel graag willen vragen of er
+ook verschil bestaat in waarde tusschen
+een woord in de gewone spreektaal
+<a name="Page_51" id="Page_51" />en tusschen datzelfde woord in de taal
+van de gebeden. Maar voor die vragen
+weet ik geen woorden. Dus ga ik
+maar eens kijken, hoe ze na eten knikkeren
+en petjebal spelen. O, gij houdt
+dat voor gewone kinderachtige spelletjes,
+waarvan niets te leeren valt? Ja
+dat kan in het Hollandsch wel zoo zijn.</p>
+
+<p>Maar in het Hebreeuwsch is dat heelemaal
+niet zoo. Juist van die levende
+Joodsche jongens moet ik de levende
+Joodsche taal leeren. Maar zij zijn lastige
+leermeesters. Zoo vlug en zoo
+beweeglijk. En ik wil ze niet vragen
+naar die kleine woordjes, waarmee ze
+spelen en samen hanselen. Want dan
+is het aardige, het levende er meteen
+af als van gevangen vlinders. En ik
+zucht. En ik denk, dat ik wel te oud
+ben geworden om petjebal en bokspringen
+te leeren in het Hebreeuwsch.</p>
+
+<p>Op het terras van het weeshuis, vol,
+vol, vol van zon, is nu bezoek. En daar
+kunt ge nu alle talen hooren, waarvan
+Jeruzalem wemelt: Arabisch, Spanjoliet,
+Jiddisch, Bockhaarsch. Hebreeuwsch
+wordt door de ouderen nog betrekke<a name="Page_52" id="Page_52" />lijk
+weinig gesproken. Maar het weeshuis
+spreekt alleen Hebreeuwsch, zoodat
+de jongens hun Arabisch, Spanjoliet,
+Jiddisch of Bockhaarsch al goed vergeten.
+Zoo zijn de ouderen dan wel
+verplicht Hebreeuwsch met de kinderen
+te spreken. En derwijze bouwen de
+jongeren het Hebreeuwsch op in de
+harten der ouderen.</p>
+
+
+<h3>V.</h3>
+
+<p>Een heilige Sabbathmiddag. De groote
+meisjes van het weeshuis maken een
+wandeling. En ik mag mee. Waarheen?
+Naar een bron van levend water, ergens
+bij het dorp van Silouan. O, dat
+is voor Holland niets, levend, stroomend
+water. Maar dat kennen wij hier in
+Jeruzalem heelemaal niet. Grachten zijn
+hier niet. Rivieren, die des zomers niet
+uitdrogen, zijn er maar heel weinig in
+het land. Die bron bij Silouan is dus
+heel iets bijzonders. Hij geeft alleen
+maar water vlak na den grooten regentijd,
+den zoogenaamden vroegen regen.
+Een paar weken daarna is alles droog.</p>
+
+<p>Ik ken het dorp Silouan wel. Het
+<a name="Page_53" id="Page_53" />ligt tusschen den stadsmuur v&oacute;&oacute;r de
+Duitsche Plaats in het dal tot den Olijfberg.
+Uit mijn raam zie ik het. Boomen
+zijn er niet. Het is heelemaal niet zoo
+een dorp als de dorpen van de Zaanstreek
+bijvoorbeeld. De huizen zijn niet
+van hout en niet van roode gebakken
+steen. Maar van grauwe gehouwen
+steenen. Van verre gezien lijkt het nog
+wel heel wat. Maar van binnen zijn
+de huizen doodarmoedig. Er zijn twee
+deelen van het dorp: Arabisch en
+Joodsch-Jemenietisch.</p>
+
+<p>Van het Weeshuis gaan we dus eerst
+weer het domein van de Russen over.
+Dat is altijd. Dan door de zonnige
+Jaffastraat (wie geeft ons hier eens
+wat lekkere, frissche boomen?) en bij
+de Jaffapoort rechts-af.</p>
+
+<p>Dat is weer een les in het levende
+Hebreeuwsch, de wandeling met de
+meisjes. Ik hoor hoe de wilde mosterd
+heet en het madeliefje. En hoe de vogels
+heeten, waarvan het gefluit over ons
+heen valt. Op den grooten heerweg
+hebben de meisjes keurig geloopen in
+rijen van twee en twee. Maar op de
+<a name="Page_54" id="Page_54" />smalle windende binnenweggetjes loopen
+we een voor een, voorzichtig. En
+zon, zon, zon. Overal zon. Een van
+de plaatsen, waar anders het levende
+water welt, is al droog. Maar de ander,
+een eindje verder, die is er nog. Dat
+ligt in een dal tusschen heuvels. Het
+is heel druk bij die bron van levend
+water, want levend water is hier zeldzaam.
+Twee Arabische vrouwen wasschen
+groenten schoon. Morgen zitten
+ze daarmee onder dat wijde, witte,
+gewelf in den Bazaar, domein van de
+groente-dames. Maar bij de bron krijgen
+ze vandaag ruzie met een Jemenietisch
+joodsch jongetje, die pootjes
+baadt. Het jongentje is met zijn bekje
+volkomen tegen de Arabische dames
+opgewassen. Van hun woorden versta
+ik niets. Maar ik vermoed, dat het joodsche
+jongentje een betoog levert, dat
+een bron van levend water iedereens
+eigendom is, dat wil zeggen: niemands.
+Een bron, een bron: laat u niet in de
+war brengen door dat woord. Het is
+heelemaal geen gemetselde put of een
+diepe spelonk, waaruit het water ruischt.
+<a name="Page_55" id="Page_55" />Neen, een kuil in den bodem, daaruit
+borrelt heel stil het water. En over
+de randen van den kuil vloeit het weg
+in het landschap. Een oud vrouwtje
+laat een klein kindje drinken. Het oude
+vrouwtje is heelemaal niet bang voor
+typhus. En het kleine kindje ook niet.
+De twee Arabische vrouwen zijn met
+de groenten klaar. Het Jemenieten-jongetje
+heeft het rijk alleen. Tot er
+een gendarme aankomt. Een Arabier
+prachtig op zijn paard. Hij jaagt het
+booze jongentje den waterkuil uit. En
+hij laat zijn paard drinken. Dat is lekker
+voor zoo een beest, levend water. O,
+er gebeurt hier van alles. In dit kleine
+dal tusschen heuvelen. Een meisje met
+een groote, zwarte geit. Die geit moet
+naar huis. Maar de geit wil niet naar
+huis. En het meisje met de geit vechten.
+Precies zooals twee booze jongens
+vechten. De zware, zwarte geit zal
+het winnen. Maar neen, daar komt de
+koeienvrouw, die juist met haar koeien
+op weg is naar huis, en die drijft de
+zware, zwarte geit den goeden weg op.</p>
+
+<p>Iedereen komt kijken naar dit wonder
+<a name="Page_56" id="Page_56" />van levend water. Een vader en een
+zoontje. Twee mooie Arabieren. De
+vader op een schimmel. En het zoontje
+op een mooi wit ezeltje. Ze laten eerst
+de beide beesten lekker drinken. En
+dan drinken ze zelf. En ze gaan lekker
+lui tegen een heuveltje liggen. Zeker
+houden ze veel van elkander. Want
+de vader heeft zijn arm om het zoontje
+heengeslagen. En het zoontje heeft zijn
+kop tegen den vader aangelegd. Zeker
+bewondert de vader zijn mooien, sterken
+jongen. Of denk ik dat maar? En
+denkt de vader aan prijs van koren,
+paard en ezel? Hoe ziet de ziel van
+een Arabischen vader er uit? Hoe ziet
+mijn ziel er uit?</p>
+
+<p>O, er gebeurt van alles. Een kleine
+vrouw vult een gelooide geitenhuid
+met lekker frisch water. En een jongentje
+komt met een petroleumblik om
+water te halen. Er gaat vijftien liter
+in. Hij kan het blik wel vullen. Maar
+niet op zijn hoofd zetten. Nu, de vrouw
+met de gelooide geitenhuid helpt hem
+gaarne. Hij houdt het blik met beide
+kleine handjes vast. En op sterke, vaste
+<a name="Page_57" id="Page_57" />pootjes loopt de jongen huiswaarts.
+Later zullen wij hem nog eens tegenkomen,
+op den terugweg met het leege
+blik, gaande naar die milde levende bron.</p>
+
+<p>Heel het landschap is d&eacute;cor. En dit
+leven is tooneel, waarnaar de Dood
+mild en ernstig kijkt, dat alle spelers
+op hun tijd het tooneel verlaten.</p>
+
+<p>De schaduwen van den laten middag
+leggen zich langer en lager. Wij gaan
+op den terugweg. Nu een anderen weg.
+Langs de tuintjes, die wij van den
+stadsmuur af in terrassen zien vallen
+naar het dal toe. Waar water komt,
+daar is het land ook vruchtbaar. Elk
+plekje grond wordt hier voor groententuin
+gebruikt. De vrouwen werken
+daar, vroeg oud en geduldig. Waar
+wij de stad naderen wordt het tooneel
+weer voller. Op een muurtje zit een
+rij vrouwen uit te kijken naar het dal.
+Als de meisjes net twee mannen voorbijkomen,
+slaan zij snel de sluiers voor.
+Op den hoogen stadsmuur wemelt het
+van luie kijkers. Heel eenzaam op een
+heuveltje zitten een bruin broertje met
+een bruin zusje. En ze kijken uit, hoe
+<a name="Page_58" id="Page_58" />de avond daalt. O, wat is dat lief en
+teeder.</p>
+
+<p>De meisjes kakelen hun mooi Hebreeuwsch.
+Maar ik ben moe en bedroefd.
+Jeruzalem. Amsterdam. Zooveel
+wind en zee tusschen de beide steden.
+Zal ik te Jeruzalem mijn rust vinden?
+Ach, de rust en de onrust zijn niet in
+de steden, maar in onze ziel. En ook
+hier ben ik een diep-gekweld mensch.</p>
+
+<p>Deze zalige Sabbath eindigt. En
+dan? En dan? Laat ik probeeren dankbaar
+te zijn: wanneer de Sabbath het
+Heilige van ons leven is, dan is Sabbath
+in Jeruzalem zeker het Allerheiligste wel.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="DE_STAD_VAN_JIRMEJAHOE" id="DE_STAD_VAN_JIRMEJAHOE" /><a name="Page_59" id="Page_59" />DE STAD VAN JIRM&Eacute;JAHOE.</h2>
+
+
+<p>De vastendag van 17 Tammoez. De
+drie weken. De vastendag van 9 Ab,
+Wij hebben weder alle rampen herdacht,
+die &eacute;&eacute;n- en tweemaal over Jeruzalem
+heengekomen zijn. Nu gaan wij door
+het tweede gedeelte van de maand
+Ab, dat Menachem, dat is Vertrooster
+heet.</p>
+
+<p>Kunnen wij eigenlijk deze droeve
+dagen nog wel gedenken? Zou Frankrijk
+den Sedan-dag nog gedenken als een
+nederlaag of Duitschland als een overwinning.
+Misschien is de herdenking
+goed voor Frankrijk als een vermaning
+tot bescheidenheid en voor Duitschland
+als eene bemoediging tot kracht.
+Keer en tegenkeer.</p>
+
+<p>De vraag of wij voort zullen gaan
+met het herdenken van onze nationale
+treurdagen is besproken. In Engeland
+door de Jewish Chronicle, die tegen
+afschaffing is. Hier heeft de &quot;Palestine
+Weekly&quot;, het Engelsche bijblad van
+Doar Hajom, al heel voorzichtig te
+kennen gegeven, dat in orthodoxe
+<a name="Page_60" id="Page_60" />kringen het voornemen bestaat, den
+vastendag van negen Ab zijn droevig
+karakter voor een gedeelte te ontnemen.
+Ik geloof dat niet. Maar men
+maakt de geesten bereid: Bijvoorbeeld:
+een van onze Hollandsche Zionisten
+beweerde, dat de Rabbijnen Diskin en
+Sonnefeld den negenden Ab als vastendag
+hadden afgeschaft. Het was overal
+in de stad aangeplakt. Heel geloofwaardig
+was 't bericht niet. Zoo iets
+als de bewering, dat dr. Kuyper en
+mr. De Savornin Lohman hebben toegestemd
+in een bolsjewieksche revolutie.
+Maar overal in de stad aangeplakt!
+Laat mij dat dan maar eens zien. Groote
+gele biljetten. Een verbod van de
+Rabbijnen Diskin en Sonnefeld deel te
+nemen aan de Constituante wegens het
+vrouwen-kiesrecht. Niet precies hetzelfde.
+Hebreeuwsch is een moeilijke
+taal. Maar de geesten worden bereid.</p>
+
+<h3>II.</h3>
+
+<p>Wij hebben den dag gehouden als
+naar gewoonte, in het jongensweeshuis
+van den heer Goldsmit. De kleine
+<a name="Page_61" id="Page_61" />synagoge ontdaan van alles, wat maar
+overbodig is. Wij zitten des avonds
+op den grond bij weinig kaarslicht.
+De jongens barrevoets. De treurzangen
+en Jeremia's klaaglied worden gelezen.
+Ook den volgenden dag worden zij
+gelezen. Het is alles als andere jaren.
+Maar het is toch niet alles als andere
+jaren. Een Joodsche Landvoogd. En
+sinds de Paaschdagen een verandering
+ten goede, die ons vaak angstig maakt,
+z&oacute;&oacute; glad en goed als alles gaat. Kunnen
+wij nu alle droeve dagen nog z&oacute;&oacute; blijven
+gedenken?</p>
+
+<p>Des Zaterdagavonds ben ik naar den
+Klaagmuur gegaan. Verleden jaar heb
+ik het niet gedaan. Men had mij gewaarschuwd.
+Ik had moeten luisteren.
+Welk een droevig en beschamend
+schouwspel. In den nacht van den
+negenden Ab komen de vrome Joden
+aan den Klaagmuur bidden en leeren.
+En de nationale jeugd komt er zich
+bij vermaken. De jongens zoo vrij
+mogelijk gekleed. Meisjes, in lichte
+toiletjes, rokjes kniekort, dragen wandelstokjes,
+zooals zij het de vrouwen van
+<a name="Page_62" id="Page_62" />Engelsche officieren soms zien doen.
+Luid gebabbel en er wordt gezellig
+gerookt. Vaarwel Klaagmuur. Een droevig
+en beschamend schouwspel. De
+nationale opvoeding van de laatste
+jaren heeft hun geen eerbied voor ons
+nationaal verleden geleerd. Ongetwijfeld
+heeft onze Palestinensche jeugd
+veel goeds. Ziet onze gymnasten en
+onze padvinders maar eens door de
+stad gaan. Maar anderzijds: welk een
+oppervlakkigheid en gemis aan ernst.
+Talrijke jonge onderwijzers bijvoorbeeld
+verlaten het land om buiten verder te
+studeeren of prettiger te leven, terwijl
+zij hier zoo noodig zijn. Het zijn in
+vele gezinnen ook de jongelui, die de
+ouders dwingen tot een leven boven
+stand. Wij worden hier af en toe grimmig.
+Bijvoorbeeld: men heeft buiten
+het land een groote reclame gemaakt
+met het feit, dat Palestina een honderdduizend
+pond heeft gegeven voor het
+Bevrijdingsfonds. Heel mooi. Maar nu
+hooren wij, dat allerlei beloofde giften
+niet betaald worden. Een groot gedeelte
+van het geld is gegeven door
+<a name="Page_63" id="Page_63" />ambtenaren en door de onderwijzers,
+die vlak daarop een groote salarisverhooging
+kregen en nu weder een
+duurte-toeslag. O, de geest van materialisme
+en ego&iuml;sme! Die moeten wij
+te boven komen.</p>
+
+
+<h3>III.</h3>
+
+<p>Jeruzalem drukt mij. De kleine, geweldige
+stad, die de navel is van Gods
+aarde. Ik zit in te veel vereenigingen
+en in te veel commissies die toch alle
+niets doen dan praten. E&eacute;n dag wil
+ik weg zijn. Ik wil naar Anatoth gaan,
+dat tegenwoordig Anata heet. De stad
+van Jirm&eacute;jahoe, dien gij Jeremia noemt.
+Gij weet, hoe het Boek van Jeremia
+begint: &quot;De woorden van Jeremia, den
+zoon van Hilkia, uit de Priesteren, die
+te Anatoth waren, in het land van
+Benjamin&quot;. Verleden jaar ben ik door
+Anatoth gekomen, op weg naar het
+water en naar den waterval van A&iuml;n
+Fara. Jeremia. Het was de Profeet,
+dien ik vreesde. Jesaja, de milde, lichtere.
+Maar dit jaar is Jeremia mij vertrouwder
+geworden. Ik heb alle Drie Weken
+<a name="Page_64" id="Page_64" />lang Jeremia gelezen. De Klaagliederen
+en het Boek van zijne voorspellingen
+en vermaningen. Nu is ook zijn donkere,
+zware taal lichter geworden.</p>
+
+<p>Ja, dus wil ik naar Anatoth gaan,
+ter bedevaart. Voeten gaan over dezelfde
+landen, die Jeremia ook is gegaan.
+Dezelfde lijnen zien van zijne bergen,
+toen Jeremia een Joodsche jongen was.
+Hoe vertrouwd alles en hoe dichtebij.
+Op zijn hoogen heuvel Mizpah zien
+liggen, dat de Arabieren noemen Nebi
+Samwil, dat is Profeet Samu&euml;l. En
+verder het oude Bijbelsche Rama.
+Alleen hier, in dit Heilige Land kan
+men de Heilige Schriften beleven.</p>
+
+<p>Naar Anatoth gaan en in een van
+de vijgentuinen de Boeken van Jeremia
+lezen, waar de zon heet is en de
+schaduw koel.</p>
+
+
+<h3>IV.</h3>
+
+<p>Neen: mijn vriend Adil Effendi zal
+niet met mij medegaan. Dit is geen
+tocht voor hem. Maar Galed, de Arabier
+van het meisjesweeshuis. Ach: er
+is veel veranderd. Een nieuwe geest,
+<a name="Page_65" id="Page_65" />wel werkzaam, wel bedrijvend. Maar
+waar is de vroomheid, en waar is de
+heiligheid van Sabbath en Feestdagen.
+O, de onheilige geest van materialisme
+en van zelfzucht, die over dit land
+vaart. Galed is nog in het weeshuis.
+Hij wil gaarne medegaan. Een dag van
+geen werk en zeker een bakschisch.</p>
+
+<p>Wij gaan op weg v&oacute;&oacute;r het vijf uur
+is. Natuurlijk zal het niet regenen. Het
+regent niet van April tot over November.
+Maar het heeft zwaar gedauwd, dat
+nu in grijze tochten optrekt.</p>
+
+<p>De wegen bekend tot aan het groote
+huis van den Groot-Mufti aan den
+Olijfberg-weg. En telkens de verrukkelijke
+uitzichten over Jeruzalem. De
+stad, oud, binnen zijn muren. En de
+nieuwe wijken uitgebouwd en uitgeblokt
+over heuvelen en dalen. Zooveel kerken.
+Een heilige stad van allen. Maar toch
+onze stad. Bij het huis van den Groot-Muftie
+links en langs weer een groot
+Engelsch soldaten-kerkhof. Er is hier
+voortdurend zwaar gevochten van de
+bezetting van Jeruzalem tot de laatste
+doorbraak.</p>
+
+<p><a name="Page_66" id="Page_66" />Dan in de bergen. De stad heel weg.
+Alles stil. Een voetweg. Anatoth ligt
+buiten groot verkeer. Er is een rijweg,
+door de Engelschen in den oorlog
+uitgelegd. Maar wij gaan kleinere,
+snelle wegen. Een kleinverkeer tusschen
+dorp en stad. Wat druiven, tomaten,
+brandhout op kleine ezeltjes heen en
+weer. De bergen kaal. Zwarte geiten
+grazen het droge zomergras als hooi.
+De hitte stijgt. Van verre Anatoth.
+Land en stad van Jirm&eacute;jahoe.</p>
+
+
+<h3>V.</h3>
+
+<p>Nu is het maar een handvol hoopje
+huizen op zijn heuvel. Veilig voor de
+vijanden en open voor den wind. Toch
+maakt het van verre een beteren indruk
+dan groote dorpen als Zarnoeka
+en Jibn&eacute;, die van leemen huizen zijn
+gebouwd. Hier zijn de huizen van
+gehouwen steen. Sommigen half-af.
+Of opgezet als groote huizen en afgebouwd
+met een dwaas, kort dak.</p>
+
+<p>Anatoth was een Levietenstad in
+Benjamin, (Josua XXI: 18) waarheen
+Salomo Abjathar den Priester bande,
+<a name="Page_67" id="Page_67" />zeggende: &quot;ga naar Anatoth, op uwe
+akkers&quot; (I Koningen II 26-27). Misschien,
+dat wij wel over de akkers
+van Abjathar gaan. Hier is het land,
+waarover de Assyri&euml;rs naar Jeruzalem
+trokken in de dagen van Jesaja
+(X 28:32). Toen moet het &quot;arme
+Anatoth&quot; een vesting geweest zijn.
+&quot;Anatoth en hare voorsteden&quot;, zegt
+de Statenvertaling in Josua XXI:18.
+&quot;Voorsteden&quot;: ik twijfel of die vertaling
+goed is. Hebben al die steden
+daar genoemd dan maar &quot;voorsteden&quot;
+gehad? Het &quot;Hebreeuwsch&quot; heeft:
+&quot;migrach&quot;, dat is: een weideplaats voor
+vee, rondom de stad, en in nieuwer
+Hebreeuwsch ook een: bouwterrein
+voor een huis.</p>
+
+<p>Men zegt, dat in de huizen zeer
+oude steenen zijn ingebouwd. Ik zie,
+midden tusschen nieuwe steenen, een
+groot, grauw bouwblok, dat lijkt op
+de steenen van den Klaagmuur.</p>
+
+<p>Men begint nu weer aan de voorbereidingen
+voor archaeologische onderzoekingen.
+Anatoth zal ook wel
+een beurt krijgen.</p>
+
+
+<h3>VI.</h3>
+
+
+<p>Wij legeren ons in een vijgentuin
+buiten het dorp aan den weg naar
+A&iuml;n Fara. De vijgen zijn nog niet rijp,
+maar de bladeren gewoon heerlijk. Ze
+beschutten zalig voor de zon en de
+wind waait er koelte. Altijd maar op
+een heuvel, uw dorpen. Het wijde uitzicht,
+een wereld, die ook de wereld
+van Jeremia is geweest. Hoe h&eacute;&eacute;l
+dichtbij en hoe vertrouwd. Hier hebben
+de booze mannen van Anatoth geleefd
+en zijn zij gestraft, gestorven (XI 21-23).
+Deze tuin of daaromtrent is het veld,
+dat Jeremia kocht van Haname&euml;l, den
+zoon van zijn oom. (XXXII:7). En
+in onze dagen worden de woorden
+vervuld (XXXII:15): &quot;Want zoo
+spreekt de Heer der heirscharen, de
+God van Isra&euml;l: weder zullen er in
+dit land huizen, velden en gaarden
+gekocht worden&quot;. De uren gaan in een
+zalige onschuld, en het is al mooi
+middag geworden, wanneer ik, mijn
+booze vrienden van den Joodschen
+Wachter gedenkend, lees, welk een
+<a name="Page_69" id="Page_69" />geweldig d&eacute;faitist Jeremia is geweest.
+(XXXVIII: 1-6). Maar hij werd dan
+ook levend in een put geworpen.</p>
+
+
+<h3>VII.</h3>
+
+<p>Wij eten te zamen gezeten op een
+muurtje van steen, gelijk men hier om
+de tuinen bouwt. Wij hebben wittebrood,
+druiven, vijgen en heerlijk water,
+diep uit den grond. Galed maakt praatjes
+met de voorbijgangers. Een vrijmoedige
+vrouw, die de veldwachter blijkt te zijn.
+Een afschuwelijke oom met een heel
+aardig neefje. De afschuwelijke oom
+doet niets. Het neefje houdt het Engelsche
+kerkhof zuiver. Hij verdient
+een shilling per dag, maar is dan ook
+&quot;ketier mabsout&quot;, gij zoudt zeggen:
+reuze-tevreden.</p>
+
+<p>Maar wij moeten de Stad van Jirm&eacute;jahoe
+verlaten. Want ik kan niet te
+laat terugzijn in Jeruzalem, de oude,
+geweldige stad. Er is een vergadering
+van den Aschkenazischen kerkeraad,
+waarin eenige oude twisten zullen
+worden geliquideerd en eenige nieuwe
+zullen worden opgezet.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="YATACK_IL_KHARAMIYEH" id="YATACK_IL_KHARAMIYEH" /><a name="Page_70" id="Page_70" />YATACK-IL-KHARAMIYEH??</h2>
+
+
+<p>Wanneer ik op een milden Vrijdagochtend
+mijn bezoek breng bij den
+Groot Mufti van Palestina, te Jeruzalem,
+dan vind ik daar den Kadi en
+Djemal Bey Husseini, een van de
+politieke Arabische advocaten. En ook
+drie zwijgende Arabieren. Gekleed in
+de dracht van aanzienlijke Fellachen.
+Zij spreken en zwijgen alleen in het
+Arabisch. Hoe heeten zij? Djemal
+Bey schrijft het op. Zij zijn twee
+broers: Amin en Ragib El Hawadja
+en de zoon van &eacute;&eacute;n hunner. Ik moet
+lachen om den naam: Hawadja. Want
+dat is de titel van Europeanen en
+Christenen. Aanzienlijke Mohammedanen
+heeten Effendi.</p>
+
+<p>Vrijdagavond. Wij hebben gasten.
+Familie van de vrouw des huizes. Haar
+vader is jaren lang hoofd geweest van
+de Wachters, die de Joodsche kolonie
+Rehoboth beschermen tegen Arabische
+rakkers. Haar broer een van de stoutsten
+en sterksten onder de Joodsche
+ruiters. Ik zeg iets over mijn bezoek
+<a name="Page_71" id="Page_71" />bij den Mufti. En over de drie mooie,
+zwijgende Arabieren, die ik voor rustige
+landedellieden houd. De wondere
+naam El Hawadja is mij natuurlijk bijgebleven.
+Maar dan word ik door den
+vader uitgelachen en ingelicht. Wat,
+kon ik Amin el Hawadja niet? Dat is
+de grootste dief van heel Palestina.
+Dat wil zeggen: hij steelt zelf niet.
+Maar hij kent alle dieven. Zij stelen.
+En zij brengen den buit bij hem. Doen
+ze dat niet (maar ze doen het!) dan
+zorgt hij, dat ze in handen vallen van
+de politie of van den bestolene. Doen
+ze het wel (en ze doen het!) dan zorgt
+Amin voor den verkoop. Dikwijls ook
+wendde de bestolene zich tot Sjech
+Amin met verzoek den dief op te sporen.
+Natuurlijk werd het gestelene dan
+spoedig gevonden. En de dief kreeg
+ook wat. In den Turkschen tijd was
+dat veel eenvoudiger dan een klacht
+indienen bij de Regeering. Amin el
+Hawadja heet Sjech el Kharamijeh,
+dat is: de Sjech der Dieven. Heelemaal
+geen schandnaam. Stelen is hier
+trouwens geen schande. Maar bestolen
+<a name="Page_72" id="Page_72" />worden, dat is schande. Diefstal is een
+beleediging, die zoo mogelijk zwaar
+gewroken wordt. En de dieven zijn
+dikwijls veel banger voor den bestolene
+en diens familie dan voor de Regeering.
+Vooral in den Turkschen tijd,
+toen eigen richting nog iets heel gewoons
+was. De Engelschen gaan die
+te keer. Sjech el Kharamijeh! Hij is
+er geducht rijk bij geworden. Hij heeft
+acht en twintig kinderen in leven. Tien
+zonen. En achttien dochters. Hij heeft
+vijftien vrouwen gehad. Dood. Gescheiden.
+Nu nog vier over.</p>
+
+
+<h3>II.</h3>
+
+<p>En dat is nu aardig. Een paar dagen
+later komt Amin paarden verhandelen
+met mijn vriend Abdoel Salaam, den
+broer van Adil Effendi. Amin vertelt,
+dat hij bij den Groot Mufti is geweest
+en dat hij daar een Europeeschen chawadja
+heeft ontmoet. &quot;Juist,&quot; zegt Adil:
+&quot;die chawadja is een groote vriend van
+ons.&quot; En dan noodigt Sjech Amin ons
+uit hem te bezoeken. Hij woont te
+Na&auml;lin, diep en hoog in het gebergte
+<a name="Page_73" id="Page_73" />van Judea. Oostwaarts van Ludd en
+Ramleh. Niet ver van Midji, het oude
+Modin, de stamstad van de Chasmoneesche
+heldenfamilie. De donkere
+oogen van Adil schitteren, wanneer hij
+mij de uitnoodiging overbrengt. Twijfel
+ik nog, of ik gaan zal? Mag men een
+zoo machtigen sjech z&oacute;&oacute; beleedigen!
+Maar ik spreek nog lang geen Arabisch
+genoeg om mij met den sjech
+waardig te onderhouden. Adil biedt
+grootmoedig aan mede te gaan. Nietwaar,
+anders moest ik toch een tolk
+medenemen en misschien nog wel een
+gids. Goed, maar als wij eens afdoend
+bestolen werden? En ik vertel Adil
+wat ik van den waardigen Sjech el
+Kharamijeh heb gehoord. Maar nu
+wordt Adil heel boos. Mag men een
+machtigen sjech z&oacute;&oacute; belasteren? Zeker
+weet de wijze Amin el Hawadja alle
+dieven en alle diefstallen. Hij helpt de
+bestolenen altijd in het weervinden van
+het gestolene. En natuurlijk worden
+hem dan moeite en tijdverlies vergoed.
+Moet hij schade lijden, omdat anderen
+zoo dom zijn, dat zij zich laten be<a name="Page_74" id="Page_74" />stelen?
+Goed, dan zullen wij de uitnoodiging
+aannemen.</p>
+
+<p>Het wordt een groote reis. Na&auml;lin
+ligt een twintig kilometer Noordwest
+van Jeruzalem. Maar er is geen weg.
+Een looppad, hoogstens een paardenpadje
+door de bergen. Wij moeten met
+den morgentrein gaan naar Ramleh of
+Ludd. Overnachten. En 's morgens te
+paard de bergen in. Geen wagenweg.
+Twee dagen uit en thuis. Adil doet
+thuis ook niets. Maar op reis niets
+doen is toch nog weer geheel anders.</p>
+
+
+<h3>III.</h3>
+
+<p>Nietwaar, v&oacute;&oacute;r men op reis gaat,
+mag men toch wel eens informeeren
+naar den gastheer? En zietdaar informaties
+uit zeer vertrouwbare bron:
+&quot;Amin el Hawadja was hoofd van een
+rooverbende en maakte het geheele
+district onveilig. Hij had altijd een
+honderd goed gewapende en goed bereden
+mannen onder zijn commando,
+die hem met hart en ziel waren toegedaan.
+Hij maakte een groot fortuin
+en dwong een groot aantal dorpen
+<a name="Page_75" id="Page_75" />hem als sjech te erkennen. De Turksche
+regeering kon niets tegen hem
+doen. Hij werd verscheidene malen ingepikt,
+maar al gauw weer losgelaten
+uit vrees voor zijn bende. Na de
+Engelsche bezetting en met het begin
+van de Arabische nationale beweging
+werd hij een man van veel invloed.
+De leiders van de beweging vleiden
+hem. Hij werd heel trotsch en beloofde
+hun zijn hulp. Ofschoon hij een man
+is zonder eenige opvoeding, slaagde
+hij er in op goeden voet te komen
+met de Engelsche autoriteiten en de
+militaire gouverneur van Ramleh heeft
+hem verscheidene malen bezocht. Hij
+zelf steelt nu niet meer. Hij is alleen:
+&quot;Het bed van de dieven&quot;, zooals de
+Arabieren hem noemen: &quot;Yatack-il-Kharamiyeh&quot;.
+Al 't gestolene wordt
+bij hem gebracht en hij brengt 't aan
+de markt. Iedereen in 't geheele land
+weet dat. Tegenover den bekenden
+Tewik Bek heeft hij zich uitgelaten,
+dat hij de Engelschen nog wel eens
+een loer draaien zou. &quot;Ze konden zich
+nog wel eens in hem vergissen.&quot;</p>
+
+<p><a name="Page_76" id="Page_76" />Ook Mohammed van den heer Goldsmit
+kent hem. Als ik hem vraag of
+hij Amin el Hawadja kent, dan heeft
+Mohammed maar &eacute;&eacute;n woord. <i>Het</i>
+woord. Ma&auml;loum. En ik vraag verder:
+&quot;is hij de sjech el kharamiye?&quot; Er zijn
+misschien geen gevaarlijke vragen. Maar
+er zijn gevaarlijke antwoorden. &quot;Ja,&quot;
+zegt Mohammed: &quot;ik ben uit een ander
+dorp. En veel van wat verteld
+wordt, is niet waar. Allah moge alle
+lasteraars straffen. En ook de dieven
+moge hij straffen.&quot;</p>
+
+
+<h3>IV.</h3>
+
+<p>Nietwaar, na deze gunstige informati&euml;n
+mogen wij gerust gaan. Wie
+ook bestolen worden, de gasten van
+den hoofdman zeker niet. Wij zullen
+Amin dus een brief schrijven, dat wij
+hem Dinsdag aanstaande zullen komen
+bezoeken. Adil belast zich daarmede.
+Het is een heel moeilijk werk, want
+Amin Effendi is een groote sjech. Wij
+bedenken ons op ieder woord. Maar
+'t wordt dan ook een mooie brief:
+&quot;<a name="Page_77" id="Page_77" />Aan Zijne Excellentie, den Ge&euml;erde,
+den heer Amin el Hawadja, dat hij
+altijd leve. Amen!</p>
+
+<p>Wij groeten Uwe Excellentie zeer
+en wij vragen naar zijn welvaren. Gij
+weet, dat gij naar El Kuds zijt gegaan
+en dat gij daar hebt bezocht Zijne
+Eminentie, den Groot Mufti Kamil
+Effendi Husseini. Gij hebt daar eenen
+vreemden heer ontmoet, dien Gij later
+hebt uitgenoodigd Uwe Excellentie te
+komen bezoeken. Daarom schrijven wij
+Uwe Excellentie dezen brief, dat wij
+hopen te komen op den Derden Dag
+van de volgende week. Allah is groot.
+Wij hopen Uwe Excellentie en zijne
+familie in gezondheid te vinden.</p>
+
+<p>Zij, die u schrijven,</p>
+
+<p>
+Adil Awedah,<br />
+Jacob Isra&euml;l de Haan.<br />
+</p>
+
+<p>Geschreven te El-Kuds, op den vierden
+dag van den eersten maand Rabia,
+van het jaar 1338.&quot;</p>
+
+<p>Ook het adres is heel mooi. Rechts
+boven, vlak in den hoek: &quot;Van El-Kuds,&quot;
+dat beteekent: &quot;De Heilige.&quot;
+<a name="Page_78" id="Page_78" />Z&oacute;&oacute; noemen de Arabieren Jeruzalem.
+Links vlak in den hoek: &quot;Naar Na&auml;lin.&quot;
+En midden in &eacute;&eacute;n lange lijn: &quot;Aan
+Zijne Excellentie, den heer Amin el
+Hawadja, dat hij lang leve. Amen!&quot;</p>
+
+<p>Gij, Hollandsche lezer, denkt nu, dat
+wij op dezen brief een mooien gelen
+postzegel hebben geplakt van vijf milli&egrave;mes,
+en toen hebben gepost? Maar
+dan zou de brief misschien niet aangekomen
+zijn binnen de zes dagen tot
+ons bezoek. Neen, wij hebben den
+brief medegegeven naar Rehoboth, en
+vandaar is hij per looper naar Na&auml;lin
+gebracht. Dat kostte maar zeven shilling.
+Des Zaterdagavonds hebben wij
+ons bezoek telegraphisch bevestigd.
+Kijk, en dat is nu aardig: dat telegram
+kwam juist aan, toen wij, Woensdagochtend,
+van Amin's huis vertrokken.
+Het kostte negen piaster.</p>
+
+
+<h3>V.</h3>
+
+<p>Adil, die zich rijk op de reis verheugt,
+belast zich met alle inkoopen.
+Daar ik niet in de reishotels eten kan,
+<a name="Page_79" id="Page_79" />koopt hij voor mij conserven. Wij
+hebben eieren. En chocolade, die van
+Bensdorp blijkt te zijn. Hoe is die hier
+in de Bazar gekomen? Adil koopt ook
+bonbons voor de vier vrouwen en de
+vele kinderen. Hij koopt vier kilo felgekleurde
+zuurtjes voor den civielen
+prijs van vijf gulden. Hoe feller gekleurd,
+hoe lekkerder. Hij koopt ook
+vier kilo Turksche jujubes, die hier
+halkoum heet. Ze kosten ook vijf
+gulden. En een mooie blikken doos
+van zestig cent. Ik vraag of acht kilo
+bonbons niet wat veel is? &quot;Neen,&quot; zegt
+Adil: &quot;bezoeken wij niet een machtigen
+sjech? Zou men ons meer achten, wanneer
+wij hem minder gaven?&quot; Z&oacute;&oacute; is
+het hier. Men dingt op alles af tot het
+uiterste. Maar met geschenken over en
+weer is men ruim. En de bezoeker
+wordt geschat naar de waarde van zijn
+geschenk. &quot;Zeker zal men ons achten,&quot;
+zegt Adil wel voldaan. Wanneer Adil
+iets niet wil, dan zegt hij: &quot;Zeker zal
+men ons daarom minachten.&quot; En dan
+is 't uit.<a name="Page_80" id="Page_80" /></p>
+
+
+<h3>VI.</h3>
+
+<p>Allah is groot. Het is Maandagmiddag
+mooi weer. De regenwind is
+nog niet begonnen. Wij kunnen dus
+nog wel op mooi weer vertrouwen.
+Wij rijden (voor twintig piaster!) naar
+het station. En voor zestig piaster de
+man van Jeruzalem door de bergen
+naar Ludd. En dan weer voor vijf en
+twintig piaster in een heerlijk zonnig
+tentwagentje langs eenen vol en bontlevenden
+weg naar Ramleh. Omdat er
+in Ludd geen hotel is. Het hotel in
+Ramleh is echter ook geen hotel, maar
+een holletje. Niet duur. Dat is waar.
+Er zijn twee kamers. Een met vier,
+en een met zes bedden. Van kamers
+met &eacute;&eacute;n bed heeft de waardin nooit
+gehoord. Zijn wij dwazen? Wij betalen
+twee shilling per persoon. Willen
+wij daarvoor ook nog schoon beddegoed?
+Zijn wij dwazen? Wanneer wij
+een shilling den man bijbetalen, dan
+zal zij ons schoon beddegoed geven.
+En dan op stap naar paarden. Wij
+gaan daarvoor naar de apotheek. Dat
+<a name="Page_81" id="Page_81" />is de soci&euml;teit van Ramleh. De apotheker
+heeft met Adil's broer tegelijk
+te Beyrouth gestudeerd. Nu, tegen den
+avondval, komen alle notabelen van
+Ramleh een praatje maken bij den apotheker.
+Paarden? Rijpaarden zijn er niet.
+Die zijn veel te duur geworden. Maar
+wij kunnen Amin el Hawadja wel een
+brief zenden om rijdieren en een gids,
+Wij offeren dus weder een half pond
+voor een nachtlooper naar Na&auml;lin. Wij
+geven hem een Engelschen brief mee,
+vol van 's mans goede bedoelingen,
+voor het geval hij door een Engelsche
+patrouille wordt aangehouden. Een
+mooien Arabischen brief voor den sjech.
+De man wapent zich met een dikken
+stok tegen de jakhalzen. En dan maar
+loopen.</p>
+
+
+<h3>VII.</h3>
+
+<p>En zoowaar, met den mooien morgen,
+daar verschijnt Sakhib, de tweede zoon
+van den sjech. Groot en waardig in
+een bruin gewaad. Zijn vader wacht
+ons half-weg Na&auml;lin in zijn landhuis,
+dat heet Dar Salameh: Woning des
+<a name="Page_82" id="Page_82" />Vredes. Hij zendt ons zijn mooiste
+paard voor mij. Een mooien witten
+ezel voor Adil. En hij, Sakhib, rijdt
+een gezellig grauw ezeltje. Wij eten
+eerst samen. Wij doen dat zonder messen
+en vorken. Wij breken het brood
+in groote brokken. Wij doopen dat in
+de olie van onze sardientjes en nemen
+met onze vingers de stukken sardien.
+Ik sidder af en toe. Maar zou ik den
+tweeden zoon van een machtigen sjech
+mogen beleedigen? En eten als de
+dwaze Europeanen doen met een vork
+en een mes? Ieder van een bord apart,
+als vergiftigde vijanden!</p>
+
+<p>En dan rijden wij af. Sakhib op het
+kleine grauwe ezeltje, dat in een grooten
+zak ook nog onze twee koffers draagt.
+Dan Adil. En dan ik. O, het mooie
+paard. De sjech is groot. Hij zendt
+een raspaard. En het paard heeft een
+veulentje van twee maanden, dat het
+overal naloopt. Het draagt een blauw
+kralensnoer om het ranke bruine halsje.
+Tegen het Booze Oog. En het tiptipt
+op h&eacute;&eacute;l lichte voete-pootjes. Zoo
+open. Zoo vrij te rijden door het
+<a name="Page_83" id="Page_83" />Land. Overal de wijde blik tot aan
+de verre, blauwe berglijnen. Wij rijden
+langs het dorp van Ludd. Palmen. Er
+is al eerste regen gevallen en er staat
+stil water. Zoo stil als de hemel zelf.
+Het is een prentje, zooals wij die
+zagen in atlassen en aardrijkskundeboeken.
+Nu denk ik aan mijn jeugd
+en zucht. Maar ik verlaat mijn jeugd.
+En het is de wonderlijke vertelling
+van Aart van der Leeuw: &quot;Sint-Veit&quot;.
+Omdat het zonnelicht geen tijd kent.</p>
+
+
+<h3>VIII.</h3>
+
+<p>De domheid. En het wonder. Sakhib
+heeft het gezegd. Het bruine moederpaard,
+dat heet Sa&auml;da, de Rijke, is een
+lief, goed-loopend paard. Het wordt
+alleen lastig in de buurt van auto's
+en van motors. Maar die zijn er niet.
+En men moet het niet slaan. Zelfs niet
+koozend met het leidsel. Dan slaat het
+door. O, als Sakhib maar niets had gezegd!
+Want wanneer we Ludd voorbij
+zijn en in de heuvelvlakte komen, dan
+beginnen de woorden van Sahkib mij
+te hinderen. En na een langen strijd,
+<a name="Page_84" id="Page_84" />die klopt in hart, keel en pols, heb ik
+het paard een tik gegeven met het
+leidsel. En het draaft dadelijk op. Een
+korte, krachtige draf. Als ik aan het
+leidsel trek, zal het misschien bezinnen
+en weer gelijk op stappen gaan. Maar
+als een groote bevrijding geef ik het
+paard weer een slag met het leidseleinde
+over den hals. Ik ben bevrijd.
+Het is genoeg. Maar het paard, wreedbeleedigd,
+heeft galop gezet. Ik voel
+den langen galopslag. Het vreemde
+paard heeft zich vrijgemaakt. Knel de
+knie&euml;n en trek het gebit aan. Het paard
+op de achterpooten. Neer en holt verder.
+Ik ben niet bang. Straks zal ik
+vallen, voeten in den stijgbeugel. En
+toch zijn de twee slagen met een wreeden
+dood niet te duur betaald. Maar
+het leven is niet zoo. Ik zal wel ergens
+sterven op het een of andere bed.
+Plotseling staat het paard. Het kleine
+veulen is achter gebleven. Daar komt
+het gedraafd. En ver, heel ver, van
+achter een heuvel, Sakhib en Adil. Zij
+ranselen hun ezels. Zij trappen hun
+ezels in den buik. Sakhib jammert:
+&quot;<a name="Page_85" id="Page_85" />wat heb ik gedaan? Wil ik jammer
+brengen over zijn hoofd? Hoe zal hij
+durven verschijnen voor zijnen vader,
+wanneer den gast een ongeluk overkomen
+was.&quot; Zij blijven nu verder
+vlak vooruitrijden. Adil heeft niets gezegd.
+En ik denk dit: &quot;wanneer Adil
+werkelijk een goed vriend was geweest,
+dan zou hij hebben gezegd: &quot;wanneer
+gij gewond waart, had ik mij zelven
+gewond. En wanneer gij gedood waart,
+had ik mij zelven gedood.&quot;</p>
+
+<p>Den volgenden dag, wanneer wij terugrijden,
+zegt Adil: &quot;wanneer gij gisteren
+gewond waart, had ik mij zelven
+gewond. Wanneer gij gisteren gedood
+waart, had ik mij zelven gedood.&quot;</p>
+
+<p>Ik kijk doodverschrikt op. Maar er
+is niets dan de Eeuwigheid.</p>
+
+
+<h3>IX.</h3>
+
+<p>Dar Salameh. Hij mag dan den sjech
+van de dieven zijn: hij ontvangt toch
+netjes. Het huis op den heuvel. Zij
+kijken uit van het platte dak. Wanneer
+wij naderen, komen zij beneden. De
+<a name="Page_86" id="Page_86" />sjech, zonen en bedienden. De vrouwen
+zullen wij niet zien, behalve het
+personeel. Er is een bonte binnenhof:
+pauwen, fazanten, kippen. En de kleine
+lammeren. Het is hier nu de tijd. Gij
+kunt geitjes en lammetjes nu zien geboren
+worden op de velden. Dan
+trappen op, buiten het huis. En de salon.
+Er staat ook een ledikant. De sjech
+is al een moderne sjech. Er zijn stoelen
+en er is een tafel. Ik krijg een makkelijken
+stoel voor het open, zonnige
+raam. Ja, open en zonnig. Ik weet
+het: gij hebt sneeuw en ijs van begin
+November af. Hier hebben wij tusschen
+de regendagen de zonnedagen,
+dieper en schooner dan in de zomers.
+En het uitzicht. Zoo ver als onze
+blikken, gaan de landen van onzen
+gastheer. Heel, heel ver bouwen de
+huizenhoopjes van Ludd en van Ramleh.</p>
+
+<p>Ik kan hem nu op mijn gemak opnemen.
+Een korte, stevige kerel. Proper
+in zijn bruin en wit overgewaad.
+Hij gaat in huis op blanke, bloote voeten.
+Een scherp, verstandig gezicht.
+Geen opvoeding? Hij zal zich zelven
+<a name="Page_87" id="Page_87" />hebben opgevoed. Wilt gij beter?</p>
+
+<p>Hij is heel mild en heel spraakzaam.
+Ja de Turken haat hij. Ze hebben hem
+ter dood veroordeeld. En ze zouden
+hem hebben gehangen als een hond,
+hadden zij hem kunnen krijgen. Met
+de Engelschen daartegen zeer bevriend.
+Hij heeft hen in den oorlog zeer geholpen.
+Hij laat getuigschriften zien
+van Engelsche generaals. Mooi, h&egrave;?
+Hij kan het wel niet lezen. Maar Adil
+Effendi wil het zeker nog wel eens
+vertalen. Hij heeft ook mooie geschenken
+gekregen van de Engelschen. Natuurlijk
+heeft hij hun fraaie geschenken
+teruggeven. Hij vertelt ons precies de
+waarde van hun geschenken en van
+zijne geschenken. Hij heeft er niet op
+verdiend. Maar Allah is groot. Allah
+heeft hem ruim gezegend.</p>
+
+<p>Hij is zestig jaar. En hij lijkt goed
+veertig. Hij lacht lief gevleid. Maar
+ik had zijn vader moeten kennen. Die
+was wel tachtig jaar toen hij stierf.
+Allah is groot. Hij had acht zonen.
+Zij waren heel blij, toen de vader
+stierf. Zeker, heel blij. Want zoolang
+<a name="Page_88" id="Page_88" />hij leefde, kon hem nog van alles
+overkomen, nietwaar? Nu is hij veilig
+bij Allah. Allah is groot.</p>
+
+
+<h3>X.</h3>
+
+
+<p>Ik vraag naar zijn eigen zonen. Ja,
+tien. En achttien dochters. Sakhib is
+ons komen afhalen. En Soliman heb
+ik bij den Mufti gezien. Nu komt de
+oudste binnen. Een prachtkerel, die
+Fares, dat is: Ruiter, heet. Daarom
+heet Amin ook Aboe Fares, de Vader
+van Fares. Dat is zoo: de Vader heet
+hier naar zijn zoon. Is iemand getrouwd,
+maar heeft hij geen zoon, dan heet hij
+Aboe met den naam van zijnen vader.
+Daarin ligt dan de wensch, dat een
+zoon moge worden geboren, die naar
+den grootvader heeten zal. Sjech Amin
+heeft ook al naamkaartjes. Engelsch
+en Arabisch. Daarop heet hij natuurlijk
+Amin Osman el Hawadja. Maar
+iedereen kent hem onder den naam
+Aboe Fares. Sakhib is ook getrouwd,
+en heeft een kind Mohammed. Waar
+is de kleine Mohammed? Hij is ge<a name="Page_89" id="Page_89" />storven.
+Meskien, zeg ik meewarig.
+Maar Aboe Mohammed berust: min
+Allah.</p>
+
+<p>Aboe Fares heeft nu nog vier vrouwen.
+Zij wonen in het groote huis te
+Na&auml;lin, waar wij vanmiddag zullen
+heengaan. Houden zij onder elkander
+altijd vrede? Ma&auml;loum, zegt Aboe Fares
+met een medelijdenden glimlach: &quot;zij
+zijn allemaal bang voor mij.&quot;</p>
+
+
+
+<h3>XI.</h3>
+
+
+<p>Er zijn gasten gekomen. Vier dorpshoofden
+uit de buurt van Gaza. Groote
+stoute Arabieren. Zij zijn hier gekomen
+om vee te verkoopen. Misschien is
+het wel gestolen vee. Maar dat weet
+Amin el Hawadja niet. Zij noodigen
+ons uit tot bezoek. Adil's oogen blijven
+stil en koel. Wij kunnen samen veilig
+Fransch spreken. &quot;Zouden wij gaan,
+Adil?&quot; En hij antwoordt: &quot;Zeker zullen
+wij niet gaan. Zijn zij groote sjechs?
+Zullen zij ons lekker eten geven, zooals
+Aboe Fares straks zeker doen zal?
+Zal men ons achten, wanneer wij een
+<a name="Page_90" id="Page_90" />bezoek gaan brengen, z&oacute;&oacute; ver, bij zoo
+geringe dorpshoofden? Ik twijfel of
+wij zullen gaan.&quot; De vier dorpshoofden,
+buiten besef, dat over hun lot wordt
+beslist, kijken eerbiedig naar Adil Effendi,
+die spreken kan met den vreemden
+heer. En Adil antwoordt hun, dat
+wij zeker gaarne zullen komen, zoodra
+de wind en de regen goed zijn. O,
+Adil heeft goede manieren. Maar de
+Europeanen hebben ze niet.</p>
+
+<p>De gasten krijgen nu een diep bord
+fel gekleurde zuurtjes en een diep bord
+Turksch zoet. Daar gaan de acht
+kilo's! Ze eten de bonbons als brood.</p>
+
+<p>En dan gaan ze eten in den hof.
+Men eet hier z&oacute;&oacute;: een platte blikken
+schotel. Ik schat een halve meter in
+doorsnee. En die belegd met pannekoeken,
+waarmee ook de opstaande
+wanden afgezet. De schotels vol rijst.
+En op de rijst stukken vleesch. Eerst
+handen wasschen. Dan een stuk pannekoek.
+En een vuistvol rijst. Die
+samen kneden in de rechterhand. Een
+stuk vleesch daarbij. En dan de geheele
+bal binnenwippen. Doe 't maar na.
+<a name="Page_91" id="Page_91" />Niet morsen. Aboe Fares, die een goed
+gastheer is, eet met zijn gasten mee.
+Straks zal hij ook met ons mede-eten.
+De pannekoek-, rijst- en vleeschschotel
+is volkomen afgewerkt. Handenwasschen
+en koffie.</p>
+
+<h3>XII.</h3>
+
+<p>Wij eten aan tafel. Er zijn ook stoelen,
+messen en vorken. Aboe Fares is
+een gul en goed gastheer. Hij heeft
+een kok laten komen uit Jaffa. Jammer,
+dat ik van des koks lekkernijen niet
+eten zal. Maar voor mij is er ook gezorgd:
+versche dadels, sinaasappels,
+tomaten en olijven. De zonen eten
+niet met ons mee. Dat zou niet passen.
+Zij staan achter de tafel. Nemen de
+schotels aan van den kok. Nemen ze
+weg. Geven ons water. En wijn. Van
+Rischon le Zion. Sjech Amin Osman
+gezegd Aboe Fares eet alsof hij nooit
+een pannekoek-, rijst-en vleeschschotel
+hadde gezien. Nu, de kok heeft goed
+gezorgd. Hij geeft een schotel vleeschkoekjes,
+een macaronitaart als een huis,
+<a name="Page_92" id="Page_92" />gebakken aardappels met gemurwd hamelvleesch,
+kip met gekookte appels,
+een schotel van rijst met geitjes-vleesch.
+Dessert. &quot;Adil,&quot; mag ik als oudere
+den jongere zoo waarschuwen: &quot;ik
+vrees, dat gij te veel eten zult.&quot; &quot;Natuurlijk
+eet ik te veel,&quot; antwoordt Adil,
+&quot;zoudt gij willen, dat ik van al deze
+goede zaken weinig eten zou? Wat
+zou Aboe Fares van mij denken?&quot; Ik
+verontschuldig mij, dat ik niets eten
+mag. &quot;Min Allah, min Allah,&quot; antwoordt
+de Sjech met een goeden glimlach:
+&quot;wat er heden overblijft, geven
+wij aan de armen, opdat zij den dag
+van uw bezoek lang zullen gedenken.
+Er zal veel overblijven, en zij zullen
+vele gebeden voor u uitspreken.&quot;</p>
+
+
+<h3>XIII.</h3>
+
+<p>Na de koffie gaan wij naar Na&auml;lin,
+het voornaamste van de twaalf dorpen,
+waarover Aboe Fares sjech is. Adil
+beweert wel, dat men ons meer zou
+achten, wanneer wij rustig te Dar
+Salameh bleven. Maar ik verzeker, dat
+<a name="Page_93" id="Page_93" />men in Europa nooit de hoofdplaats
+van eenen sjech onbezocht laat. En
+voor Europeesche argumenten zwicht
+Adil altijd zeker. Wij gaan. O, een
+wonderlijke optocht. Ik heb weer het
+mooie moederpaard met het veulentje.
+Adil den witten ezel. Drie zoons gaan
+mee, op ezeltjes allen. En een neefje,
+dat een groote zaag naar Na&auml;lin brengt.</p>
+
+<p>De bergen trekken wij in. Heel groot
+en heel verlaten. De wilde winterregens
+zijn nog niet gevallen. En de wadi,
+waarin des winters het water bruist
+is nog droog. Daardoor trekken wij
+heen. En dan de smalle rotspaden op,
+waar paard en ezel voorzichtig de
+pooten zetten en toch nog dikwijls
+glijden van de gladde steenen. Rijden
+&eacute;&eacute;n achter &eacute;&eacute;n. Geen ander geluid dan
+de stappende pooten en de echo daarvan.
+En het kleine paardje, dat soms
+hinnikt, wanneer het verloren is tusschen
+de rotsen, en zijn moeder wel
+ziet, maar er niet bij komen kan. Dan
+strijdt het kleine paardje heel lang,
+bang voor de rotsen. En bang om zijn
+moeder te verliezen. Als de afstand
+<a name="Page_94" id="Page_94" />heel groot is geworden, breekt de
+strijd. En het paardje komt aangedraafd
+en vlijt zich tegen de moeder.</p>
+
+<p>Wij gaan heel langzaam en heel
+vermoeiend. Ik zie geen weg. Maar
+mijn vrienden zien de wegen. Zij vinden
+hier den weg zonder nachtlicht in
+de zwaarste winternachten.</p>
+
+<p>Wij rusten bij de bron van Natouf,
+een diep en hoog hol in de rotsen,
+waar water langzaam doorheen droppelt.
+Ik heb het water al te Dar Salameh
+gedronken. Het was zoet als
+gesuikerd. En scherp als gekruid. Toch
+was het enkel water. Hier vangen wij
+het uit de rotsbron dadelijk. Het is
+ijskoel.</p>
+
+<p>Na den eersten regen is frisch, als
+lente, groen opgekomen. De rijdieren
+eten daar van. Het kleine paardje drinkt
+van zijn moeder. Wij zitten met ons
+zessen in het donkere bronnenhol, spelen
+met het water en kijken naar het
+licht. Adil, bevangen door een slaap
+van geluk, zegt het: &quot;Allah heeft ons
+lief vandaag.&quot;<a name="Page_95" id="Page_95" /></p>
+
+<h3>XIV.</h3>
+
+<p>Wij zijn weer opgestegen. Hoog en
+ver boven het handvol huizen van
+Na&auml;lin. Breedte des hemels enkele kilometers.
+Maar de weggetjes winden uitvoerig
+door de rotsen, tusschen dalen,
+hellingen. Wij moeten gaan zeer voorzichtig.
+Glijden de paardpooten glad
+ijzer uit over harde rotsen. Zoeken de
+pooten voorzichtig naar plekjes aarde,
+waar zij steviger staan. In de middeleeuwen
+moet Na&auml;lin een ongenaakbaar
+diefnest zijn geweest. Maar er
+zijn geen middeleeuwen meer. En geen
+ongenaakbare nesten. Men zou nu
+Na&auml;lin slaan vanuit de zee. Of bommen
+werpen van uit de lucht. Wat
+denken de anderen? Ik kan het niet
+vragen aan de drie zonen en aan den
+neef, omdat zulke dwaze vragen niet
+in Arabische leerboekjes voorkomen.
+Maar ik kan het Adil vragen. En zijn
+antwoord: &quot;Aan Allah.&quot;</p>
+
+<p>En nog het stijgen en wenden. Hoe
+lijkt Na&auml;lin dichtbij. De ezeltjes glijden
+niet uit. Maar 't paard is al tweemaal
+<a name="Page_96" id="Page_96" />uitgegleden, met de achterpooten tegen
+de voorpooten aan. Dan weer rechtop.
+Adil zegt: &quot;Stijg af. En neem den ezel.&quot;
+Maar ik wil liever doodvallen dan mij
+vernederen.</p>
+
+<p>Het laatste deel is vlakke weg. De
+ezeltjes in draf. Het felle paard in draf.
+Laat middag draven we binnen. En
+het kleine paard draaft achteraan.</p>
+
+
+<h3>XV.</h3>
+
+<p>Er is een school in Na&auml;lin. En er
+zijn jongens die schrijven kunnen en
+lezen. Voor de school is een pleintje
+met een gemetselden wal daar omheen.
+Op het pleintje twee stoelen. Daarop
+wij. En op het walletje zitten alle
+notabelen van het dorp. Al de andere
+zonen van Aboe Fares komen voor
+den dag. De kleinste kan nog niet
+loopen. En ze zijn van allen leeftijd
+en van alle kleur. Allemaal heel schuw
+en heel aardig. Ze brengen ons koffie.
+En Aboe Fares heeft Sakhib, gezegd
+Aboe Mohammed, een deel van de
+acht kilo's bonbons medegegeven. Eerst
+<a name="Page_97" id="Page_97" />heeft Sakhib op het walletje naast mijn
+stoel gezeten. Maar hij heeft die eereplaats
+later afgestaan aan een oom,
+een broer zijns vaders. Daarnaast de
+Imam, en daarnaast de Meester. Zij allen
+prijzen Aboe Fares' wijsheid. Vroeger
+waren er vele twisten tusschen de vele
+dorpen. Maar nu Aboe Fares de sjech
+van allen is, zijn er geene twisten meer.
+Hij is wijs en zij eeren hem allen. Ook
+vreezen zij hem. De broer naast mij
+is ook een aanzienlijk man. Aboe Fares
+eert hem. Telkens, wanneer er bij Aboe
+Fares weer een kind geboren werd, is
+hij bij hem gekomen om een naam.
+Wel een bewijs, hoezeer hij hem eert.</p>
+
+
+<h3>XVI.</h3>
+
+<p>Maar nu moeten wij terug gaan
+rijden. De schemering is begonnen
+over de bergen en in de diepe dalen.
+Ver in het Westen, waar de Zee van
+Jaffa is, verzinkt de zonnebol groot en
+vurig. Twee zonen en de neef met de
+zaag blijven te Na&auml;lin. Sakhib zal met
+ons naar Dar Salameh rijden. O, de
+<a name="Page_98" id="Page_98" />wondere tijd. Er zijn geen zonneschaduwen
+meer. En de maneschaduwen
+nog niet begonnen. Alles &eacute;&eacute;n groote
+teederheid. De herders met de kudden
+schapen en geiten. Herdersjongetjes
+dragen geitjes, die zoo even geboren
+zijn in het veld. Maar verder weg van
+het dorp is niemand meer. De hemel
+ongestoord blauw. De zilvermaan. En
+al de gezaaide sterren. En de stilte
+tusschen de verlaten bergen. Later de
+zwartgouden maneschaduwen. Wij spreken
+niet. Ik ben moe. Heerlijk moe.
+Het goede, groote paard weet den
+weg. En het stapt vroom en voorzichtig
+over het pad, verloren tusschen
+de steenen. En altijd de liefde van het
+kleine paardje. Soms, als het achterblijft,
+roepen wij: &quot;Ta&auml;l, Ta&auml;l.&quot; En
+dan komt het aangeslagen. God heeft
+ons wel lief vandaag. Ik glimlach om
+de woorden van Adil. En in glimlach
+van alles rijden wij verder. Hoog en
+ver op zijn heuvel bouwt Dar Salameh.
+Wij zien de huislichten. Wij zien lichtjes
+gaan. Maar 't is nog heel ver. Waar
+wij rijden langs zwarte tenten slaan de
+<a name="Page_99" id="Page_99" />waaksche honden aan. Men brengt
+lichtjes buiten. Wie rijden er laat langs
+de bergwegen naar huis?</p>
+
+
+<h3>XVII.</h3>
+
+<p>Adil zucht. Is hij moe? Neen, maar
+hij heeft honger. Gelukkig, dat wij
+thuis zijn. En het binnenkomen. De
+maan schijnt en schaduwt door de
+bogen en de gebouwen. De herder is
+met de schapen binnengekomen. Ze
+woelen op den hof dooreen. Wit en
+wol in den maneschijn.</p>
+
+<p>Maar Adil heeft honger. Gelukkig
+heeft de kok uit Jaffa gezorgd. Er is
+een schotel gevulde koolbladeren met
+vleesch. Hach&eacute; met gestoofde aardappels.
+Kip met rijst en Spaansche
+peper. Lamsbout met snijboonen. En
+een groote visch, die vanmiddag expres
+uit Jaffa gebracht werd. Dan, koekjes,
+velerlei vruchten. Koffie en thee. Morgen
+is Adil ziek. En de armen zullen
+nog wel vele dagen voor ons bidden.</p>
+
+<p>Wij blijven natuurlijk logeeren. In
+den salon. Ik krijg het ledikant. Voor
+<a name="Page_100" id="Page_100" />Adil een goed bed op den grond. En
+daarnaast de gastheer. Dat behoort
+hier zoo. De gasten en de gastheer
+slapen samen. Hij moet zorgen, dat er
+met de gasten geen kwaad gebeurt.
+Van de verre vlakten schijnt de maan
+in de kamer. Over de Turksche tapijten
+spint tapijt van licht en schaduw.</p>
+
+<p>En, vraagt ge nu wellicht: &quot;wat is
+nu het laatste geweest, dat ge dien
+avond met uwen vriend hebt besproken?
+Zeker iets heel po&euml;tisch?&quot; Neen,
+lieve vrienden, niet iets heel po&euml;tisch.
+Adil Effendi vraagt mij, hoeveel baksjisj
+wij morgen zullen geven. Heeft Aboe
+Fares ons niet kostelijk ontvangen?
+Heeft hij ons niet de rijdieren gestuurd?
+Zeker zal hij ons morgenochtend, v&oacute;&oacute;r
+wij weggaan, nog vele lekkere dingen
+te eten geven. Wij moeten elk van de
+huisbedienden een half pond baksjisj
+geven. Zeker zal men ons dan achten.
+Den sjech zelven kunnen wij geen geld
+geven. Maar hij wil gaarne onze portretten
+hebben en een visitekaartje. En
+Sakhib, die ons uit Ramleh heeft gehaald,
+zal ons zeker nog meer achten
+<a name="Page_101" id="Page_101" />dan hij reeds doet, wanneer wij hem
+een mooie lantaren ten geschenke geven.
+Ik zeg, dat wij moeten doen, zooals
+het behoort. Zooals Adil het heeft
+gezegd, z&oacute;&oacute; is het goed. En dan gaat
+hij slapen, gelukkig in het vooruitzicht
+van alle achting, die hem morgen ongetwijfeld
+zal ten deel vallen.</p>
+
+
+<h3>XVIII.</h3>
+
+<p>Het vroege wakker worden in den
+morgen. De koelte. En de hitte, die
+stijgt. De vogels en de zon. Al het
+bonte leven in huis en hof van den
+eerwaarden sjech, die misschien wel
+het Bed der Dieven, Yatack-il-Kharamiyeh
+is. Maar wie zal 't zeker weten?
+Er wordt zoo veel gelasterd. Moge
+Allah, die groot is, alle lasteraars straffen
+en alle dieven.</p>
+
+<p>En het ontbijt op het platte dak
+met den wijden, vrijen blik. Voor het
+laatst heeft nu de kok zijn best gedaan.
+En voor het laatst vraagt Adil
+of hij een zoo machtigen sjech mag
+beleedigen door niet veel te eten van
+<a name="Page_102" id="Page_102" />de vele goede zaken, die ons worden
+voorgezet? Geven de baksjisj. En rijden
+af. Ditmaal met een knecht, die loopt
+en straks de paarden terugbrengen zal.
+Dus rijden wij langzaam over het heerlijke
+land. Een anderen weg dan dien
+wij kwamen. Langs de Joodsche kolonie.
+Ben Shemen. Alleen mooie dingen.
+Hebreeuwsch spreken van een prachtig
+Arabisch paard af met een Joodschen
+boer en boerin, die samen ploegen
+voor het wintergraan. De bewaarschooljuffrouw
+met haar Joodsche jongetjes
+en meisjes buiten tegenkomen.
+En ze mogen allen spelen met het
+lichtbruine paardeveulentje, dat een
+blauw snoer om het ranke halsje draagt.
+Tegen het Booze Oog. Een Joodsche
+smid. Alles Joodsch leven.</p>
+
+<p>En dan komen in het stationnetje
+te Ludd. En daar Jabotinsky vinden,
+die naar Jeruzalem rijdt. En de trein
+naar El Kuds, gezegd Jeruzalem, die
+vandaag op tijd is. Ongehoord.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="WIJ_VASTEN" id="WIJ_VASTEN" /><a name="Page_103" id="Page_103" />WIJ VASTEN.</h2>
+
+
+<p>O, dat Jeruzalem het hart is van het
+Jodendom, wij merken het hier, dag
+aan dag, wanneer dag aan dag de
+berichten komen van de meest schrikkelijke
+pogroms in Polen. Ook gij, mijne
+Joodsche vrienden in Holland en in
+Amsterdam, zult zwaar geslagen zijn
+door deze berichten. En wij allen in
+Jeruzalem houden ons overtuigd van
+de deelneming van vele vrienden, van
+vele volken, nu zonder noodzaak de
+beste lievelingen van het Joodsche Volk
+door de Polen worden geslacht. Maar
+hier te Jeruzalem. Vele vrome Joden
+zijn afkomstig uit de streken van Polen,
+waar de doodsbeul thans rondgaat.
+En zich koelt aan de kinderen van
+Gods vrome leerscholen, die machteloos
+zijn. En des avonds, bij het avondgebed,
+gaat er een groot geween langs
+den Klaagmuur. Zij weenen hier om de
+vermoorde kinderen van Gods vrome
+leerscholen. Zij weenen, omdat de vrede
+het Joodsche Volk geen vrede brengen
+zal. Jeruzalem, Jeruzalem, waar stijgen
+<a name="Page_104" id="Page_104" />de smeekgebeden en de klaaggebeden
+vromer op? En weenend gedenken wij
+de schrikkelijke middaggebeden van den
+Grooten Verzoendag. De Joodsche
+martelaren hebben de wreedheden der
+Romeinsche beulen geleden. Twintig
+eeuwen. E&eacute;n ademtocht der Eeuwigheid.
+De Joodsche kinderen van de
+vrome leerscholen afgeslacht. Twintig
+eeuwen. E&eacute;n ademtocht. Amalek. Amalek,
+dat de Joodsche kinderen en de
+Joodsche vrouwen aanviel, toen het
+Heilige Land in het verblijd gezicht
+kwam. Wij zullen noch Polen, noch
+Palestina vergeten.</p>
+
+<p>Er is een wanhoop over Jeruzalem.
+O, het zonnige bonte leven gaat. Hassan,
+Mohammed, Ibr&acirc;h&icirc;m, Dzjumma: al de
+Arabische kinderen, die hun rolletje afspelen
+in mijn leven hier. Maar ik geniet
+het niet. Hart en ingewanden beven
+om de verslagenen mijns Volks. En de
+vrome groote Rabbijnen van Jeruzalem
+hebben het laten aanplakken in hun
+machtig Hebreeuwsch: dat alle feestelijkheden
+streng verboden zijn. Geen
+muziek. Geen dans. Niets, niets. Rouw
+<a name="Page_105" id="Page_105" />en ootmoed. Opdat God zich erbarme
+en de slagen afwende van Zijn Volk.</p>
+
+<p>Iederen dag komen de berichten
+wreeder. Het hangt zwaar boven Jeruzalem.
+Als een belegerde stad. Als
+een stad, waarin de pest rondgaat.
+Neen, men behoeft ons niet te vragen
+geen feest te vieren. Wij zijn geslagen.
+Want de vermoorde lievelingen van
+Gods vrome leerscholen, dat zijn de
+kinderen, waarop wij gehoopt hebben
+voor den opbouw van het Joodsche
+Volk in het Joodsche Land.</p>
+
+<p>En de vrome, groote Rabbijnen van
+Jeruzalem laten het aanplakken in hun
+machtig Hebreeuwsch, dat wij zullen
+vasten ter treure om de verslagenen
+van ons Volk. Overal om de aanplakbiljetten
+staan de vrome mannen, met
+de mooie scherpzinnige gezichten, zij
+lezen. En wij zijn verslagen. Als in
+een hopeloos belegerde stad.</p>
+
+<p>De Dag. De morgen is heet. En
+niet het heerlijke, tintelende, koele
+ochtendbad. Men onthoudt zich van
+alles, wat genot geeft. En niet het
+bonbon-geurende mondwater. Ik wil
+<a name="Page_106" id="Page_106" />wat lezen. Ik wil wat schrijven. Maar
+ik kan het niet. De hitte staat. Wreed.
+O, mijn hoofd is zoo zwaar. De kinderen
+in Polen, die vermoord zijn. En
+de mannen. De Moeders. De meisjes.
+Wreede visioenen branden. De lijken
+verminkt. Maar als ik goed zie, zijn
+het rozen. Witte en roode rozen. Geen
+menschelijke wereldmacht schijnt sterk
+genoeg te zijn om te beletten, dat de
+Polen de Joden vermoorden. En ons
+Land, ons eigen Land, zal het in staat
+zijn de verdrevenen van ons Volk op
+te nemen. R. Cha&iuml;m Sonnefeld, de
+groote, de vrome, heeft ons getroost:
+&quot;Het Land zal plaats geven voor allen...
+wij zullen nooit behoeven te klagen:
+deze plaats is te nauw om er te wonen.&quot;
+Maar ik klaag het weer uit: &quot;Waarom
+de pogroms... waarom worden Gods
+lievelingen als beesten geslacht?&quot; Hij
+troost mij, de groote, de vrome, zooals
+een wijze man een dommen jongen troost.</p>
+
+<p>De hitte. Mijn mond brandt. Ik vraag:
+&quot;waarom drink ik niet.&quot; Omdat de Polen
+de lievelingen van mijn Volk hebben
+vermoord. Amalek. De honger scharrelt
+<a name="Page_107" id="Page_107" />in mijn keel. Waarom eet ik niet?
+Omdat de Polen de lievelingen van mijn
+Volk hebben vermoord, Amalek. De
+visioenen. Bloed of rozen. Mijn hoofd
+duizelt. De wereld duizelt. En allemaal
+vogels fluiten. Mijn bloed fluit. O, de
+verslagenen van ons Volk. Zal ik uitgaan?
+De dag is zoo zwaar. De dag
+is zoo lang. Maar hij moet zwaar zijn
+en hij moet lang zijn. Wij rouwen om
+de verslagenen. O, wij zullen noch
+Polen noch Jeruzalem vergeten!</p>
+
+<p>Het is half twee. De heete dag. De
+lange dag. De wreede dag. Om twee
+uur zullen wij bij den Klaagmuur komen
+voor de gebeden. Ik ontmoet dr. Keller
+op den weg, den Amerikaanschen
+Mizrachist. Natuurlijk vast hij ook. Wij
+vragen elkander niet, waar wij heen
+gaan. Wij gaan naar den Klaagmuur.
+De Joodsche winkels in de Jaffastraat
+zijn gesloten. De Moeder rouwt om
+hare kinderen. En de vraag hamert
+door mijn hoofd: &quot;Zal er waarlijk in
+het huis van Moeder plaats zijn voor
+alle kinderen, de hongerende, de opgedrevenen?&quot;</p>
+
+<p><a name="Page_108" id="Page_108" />De Klaagmuur. Het staat er vol
+tusschen den Muur en den muur van
+de overzijde. Zelfs op het platte dak
+tegenover den Muur zitten de genooten.
+De middag davert heet. Van verre het
+geluid van de Stad. De gebeden worden
+aangeheven. De Klaagbeden en Smeekbeden.
+De bazuin wordt geblazen.
+Geweldig. Zooals de Bazuin geblazen
+wordt op de Groote Dagen, Nieuwjaarsfeest
+en Grooten Verzoendag. En
+tusschen de Gebeden om Vergiffenis
+schreit het gebed: &quot;O, God, Koning,
+die zit op den Troon der Barmhartigheid.&quot;
+En luid weenen de woorden
+&quot;God, o, God, die Barmhartig en
+Genadig zijt.&quot; De kinderen van de
+vrome Joodsche leerscholen van Jeruzalem
+zijn gekomen. Zij weenen met
+luide, schreiende stem. De oude mannen
+weenen. De sterke gestalte van Doctor
+Keller siddert. De Bazuin schreit. En
+de hitte. Ongenadig. Rabbi Ben-Zion
+Adler spreekt de rede uit. Troost.
+Berusting. Vermaning. Hij spreekt geweldig.
+Luide schreien de vrome kinderen
+van de leerscholen van Jeruzalem,
+<a name="Page_109" id="Page_109" />wanneer hij Gods genade afsmeekt
+voor de machteloos vermoorden van
+het Joodsche Volk. Wij zijn moede
+tot den dood, staande in de samengepakte
+menigte. Wij staan hier al
+twee lange, wreede uren.</p>
+
+<p>Er is een heilige Wetsrol gebracht.
+En de Afdeeling der Vastendagen
+wordt gelezen, waarin Mozes de genade
+van God afsmeekt voor het Volk. Het
+is geheel stil. De wind ruischt. De stem
+van den Voorlezer gaat. Een heel oude
+Man leest de Haftarah: Jesajah 55
+vers 6 tot 56 vers 8, zooals die alle
+vastendagen gelezen wordt. Het begin
+met de milde vermaning: &quot;Zoekt God,
+die altijd is te vinden. Roept hem aan,
+die steeds nabij is. De boosaard verlate
+zijnen weg, en de zondaar laat
+zijne gedachten. Hij keere tot God,
+die Zich zal erbarmen, en tot den
+Eeuwige, die veel zal vergeven.&quot; En
+de zachte troostwoorden aan het eind:
+&quot;Zoo spreekt God, die de verdrevenen
+van Isra&euml;l verzamelt: &quot;bij de verzamelden
+zal ik nog nieuwe voegen&quot;.&quot;</p>
+
+<p>Wij zijn allen moede in de heete
+<a name="Page_110" id="Page_110" />menigte. Maar de stem van den ouden
+Man, die de Haftarah leest, gaat als
+een zachte wind van troost over de
+hoofden en over de harden. De late
+middagwind is doorgebroken. Er komt
+beweging in de milde lucht. De wreede
+dag doet ons genade.</p>
+
+<p>Heel aan het eind van den Klaagmuur,
+ver van den voorzanger af, ga
+ik zitten op de stoep van het huis
+van Hassan. Ik ben zoo moede. Een
+lange dag. Een wreede dag. De kleine
+Hassan komt ook buiten. Hij kan nu
+niet spelen op de straat naast den
+Klaagmuur met den kleinen manken
+Mohammed, zijn vriendje. Het is er
+zoo vol. Niemand kan zich bewegen.
+Hassan zou misschien wel graag naar
+den Bazar willen gaan. Maar hij kan
+er niet door. Zijn bloote pootjes heel
+ernstig onder het japonnetje uit, peinzend.
+En zijn gazellenoogjes in het
+smalle smoeltje. Neen, hij vraagt geen
+baksjisj vandaag. Hoe vele Joden! Hoe
+vele Joden! En hun bazuin. En hun
+weenen. Zijn oogen in het smalle gezichtje
+peinzen. Wonderlijk, met welk
+<a name="Page_111" id="Page_111" />een lief gemak de Polen de Joodsche
+kinderen vermoorden, die zoo mild en
+klein als Hassan zijn. En de machtige
+wereld laat de Polen maar stil hunne
+moordgangen gaan. Is een lief en vroom
+kinderleven dan z&oacute;&oacute; weinig waard?</p>
+
+<p>De avond daalt. De menigte bij den
+Muur is nu wat losser geworden. Er
+is tenminste nu weer doorkomen aan,
+al moet het heel langzaam en voorzichtig
+aan. Ik kan niet meer blijven.
+Ik ben zoo moe. O, de verslagenen,
+de lieve, vrome verslagenen mijns Volks.
+Doctor Keller blijft nog, sterk en standvastig.</p>
+
+<p>De avond schemert reeds wat in de
+nauwe straatjes bij den Muur. En in
+den Bazar. Voor mij uit gaat de heer
+Goldsmit met het jongens-weeshuis.
+Ook de vrome joodsche jongens van
+het weeshuis zijn ten gebede opgegaan
+voor de vermoorden. Velen hunner
+zijn zelf heele of halve weezen geworden
+door de Russische pogroms. En toen
+door liefdadige vereenigingen hierheen
+gebracht. Ook de meisjes van het
+meisjes-weeshuis hebben gevast tot den
+<a name="Page_112" id="Page_112" />middag. Een geheelen dag vasten is
+in dit heete weer wel al te zwaar.</p>
+
+<p>De schemering. De teedere schemering.
+De honger en de dorst zijn
+niet erg meer. Vanuit mijn kamer. Het
+veld met de boomen en met de heuvelen.
+De herders, die naar huis gaan.
+Het is alles zoo mooi en zoo teer.
+Ongelooflijk, dat wij vandaag hebben
+gevast, omdat de Polen onze mannen
+uitmoorden, onze moeders en onze
+kinderen. Aan de teeder-blauwe lucht
+bloeien de sterren. Ik zie: een, twee,
+drie. De zware vastendag is voorbij.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="WIJ_KOOPEN_EEN_EZELTJE" id="WIJ_KOOPEN_EEN_EZELTJE" /><a name="Page_113" id="Page_113" />WIJ KOOPEN EEN EZELTJE.</h2>
+
+
+<p>Het water in den regenbak van het
+weeshuis van mevrouw Zilversmit raakt
+op. Nu al! En dus wordt er in den
+familieraad besloten, dat wij een flink
+ezeltje zullen koopen.</p>
+
+<p>Ik heb in het &quot;Handelsblad&quot; gelezen,
+dat er watergebrek is in Waterland.
+Daarvan kunnen wij hier ook meepraten.
+O, ieder huis heeft zijn regenbak.
+Cisterne zeggen wij hier heel
+plechtig. In Amsterdam begint men den
+huizenbouw met de heipalen. Hier met
+den regenbak. Het meisjesweeshuis
+heeft natuurlijk den zijne. En het heeft
+van den winter niet kwaad geregend.
+Maar tegen de zindelijkheid van mevrouw
+Zilversmit is geen Jeruzalemsche
+regenbak bestand. Ja, wanneer zij er
+toe kon besluiten de meisjes en de
+vaten alleen maar af te stoffen of droog
+af te doen, dan zou het wel gaan.
+Maar dat is nu juist iets, waartoe zij
+niet besluiten kan. Andere weeshuizen
+komen wel met het water toe.</p>
+
+<p>Ieder jaar watergebrek. Dan moet
+<a name="Page_114" id="Page_114" />water gekocht worden. Bijvoorbeeld
+van de buren, de Abessinische monniken.
+Zij stoffen zich droog af. Meer
+niet. Omdat ze toch zwart zijn. En zij
+komen dus ruim met hun water toe.
+Bovendien hebben zij een groote dakoppervlakte
+en vele cisternen, groot
+en klein, overal in hun terrein verscholen.
+Maar dan moet 't water met
+petroleumblikken in het weeshuis worden
+gebracht. Dat loopt in de honderden
+guldens jaarlijks.</p>
+
+<p>Maar hebben wij dan geen waterleiding,
+vraagt ge wellicht? Ge hebt
+toch in de couranten meermalen gelezen
+over de waterleiding van Jeruzalem.
+Ja, dat is ook wel zoo. We hebben
+een waterleiding, door de Engelschen
+aangelegd. Booze menschen spotten en
+zeggen: de Engelschen hebben ons
+water gebracht en de Zionisten alleen
+maar steenen. Namelijk, van de Universiteit.
+Maar onze waterleiding is
+altijd nog slechts eene betrekkelijke
+waterleiding. Zij brengt het water niet
+in de huizen. Er zijn kranen op straat,
+waar men tappen kan. Verleden jaar
+<a name="Page_115" id="Page_115" />is de Regeering het Weeshuis goed
+gezind geweest. En heeft den regenbak
+gevuld. Dat gaat dan z&oacute;&oacute;: een
+hulpbuis wordt over de straat gelegd,
+van af de hoofdbuis, en weder weggenomen
+als de bak vol is. Maar dat
+kost &oacute;&oacute;k geld. En de dichtstbijzijnde
+waterkraan is nog tamelijk ver. Af en
+toe laten de waterdragers u in den
+steek. En dan is het: droog afdoen.
+Hebben wij dan Challad niet, den
+braven Arabier? Ja zeker hebben wij
+Challad. Maar die kan al dat water
+niet dragen.</p>
+
+<p>En, nu ziet ge meteen het causale
+verband tusschen een leegen regenbak
+en een ezel. Want wij zullen het watervervoer
+in eigen beheer nemen. Er zal
+een ezeltje worden gekocht, waarmede
+Challad water zal gaan halen uit Mea
+Scheariem. Als de regentijd komt, zal
+het ezeltje weder worden verkocht.
+Het zal mogen wonen in den tuin
+achter het huis. En volle vrijheid genieten,
+behoudens de beperkingen van
+een boom en een touw. Veertig meisjes
+maken zich juichend gereed om het
+<a name="Page_116" id="Page_116" />ezeltje des huizes te verwennen. Zeker
+zal het een welgedaan ezeltje worden.
+En het zal met winst worden verkocht.
+De winst voor Challad. En
+wij zullen volop water hebben. Zooveel
+als de Hollandsche zindelijkheid maar
+vereischt.</p>
+
+<p>Vrijdagochtend zullen wij het ezeltje
+gaan koopen, op de ezeltjesmarkt,
+buiten de Jaffapoort, voorbij de buurt
+Jemien Mosch&eacute;. Wie zullen gaan?
+Mevrouw Zilversmit zal niet gaan. Zij
+is wel de directrice. En haar man heeft
+zijn eigen werk. Maar zij houdt niet
+van optreden naar buiten. Haar heele
+leven gaat op in haar kinderen. Als
+er dus iets te doen is met plaatselijke
+autoriteiten, de Zionistische commissie
+bijvoorbeeld of de ezeltjes, dan neemt
+haar man dat waar. Hij zal dus gaan.
+En ik zal hem vergezellen.</p>
+
+<p>Maar dat is nog niet veilig genoeg.
+Want wij zijn beiden wel heel lang
+bij het onderwijs werkzaam geweest:
+lager, middelbaar en hooger, maar van
+deze ezeltjes hebben wij toch nog geen
+verstand. Maar Challad! Zijn brutale,
+<a name="Page_117" id="Page_117" />bruine snuit weifelt geen oogenblik:
+ja, hij heeft verstand van ezels. Veel
+verstand. Hij kan aan de tanden zien,
+hoe oud ze zijn. En aan het geheele
+gezicht, of ze lui zijn, of dom. Ook
+kan hij voelen, of zij aderspatten hebben.
+Hij zal dus medegaan. Ook moet hij immers
+straks het ezeltje naar huis brengen.</p>
+
+<p>Toch durven wij in deze aangelegenheid
+niet op Challad vertrouwen.
+Maar Mohammed, de Arabier van het
+jongensweeshuis van den heer Goldsmit,
+die heeft eerst recht verstand van
+ezels. Ofschoon Vrijdag nu wel een
+heel lastige dag is, wil de heer Goldsmit
+ons zijn Mohammed wel leenen.
+Bovendien heeft Mohammed een bloedverwant,
+Ibr&acirc;h&icirc;m. En die heeft eerst
+het superieure verstand van ezeltjes.
+En hij weet ook precies den prijs. Ook
+Ibr&acirc;h&icirc;m zal dus medegaan.</p>
+
+<p>Ibr&acirc;h&icirc;m zal Mohammed komen halen.
+Met hun twee&euml;n komen zij den heer
+Zilversmit en Challad halen. Met hun
+vieren zullen ze mij komen halen, omdat
+het Herzlhuis op den weg naar
+de ezeltjes-markt is.</p>
+
+<p><a name="Page_118" id="Page_118" />Ik wil wel bekennen, dat ik dien nacht
+weinig heb geslapen. En ik was op
+v&oacute;&oacute;r de koele morgenschemering heet
+en licht begon te worden. Precies half
+zeven geklopt. De dag was toen al
+heet. Wit. Straten stoffig en droog.
+Huizen streng in de zeer heete sfeer.
+Het bonte leven door, bij de Jaffapoort.
+De buurt langs Jemien Mosch&eacute;. Een
+Joodsche buurt. De naam beteekent:
+Rechterhand van Mozes. De stichter:
+Mozes Montefiore.</p>
+
+<p>Het is heel heet. Geen markt. Geen
+ezeltje. Ik zucht: ma fisch. En dat beteekent:
+&quot;niets&quot;. Fi, fi, roept de ijverige
+Challad. En wij zijn er. De Markt.
+Ezelen, kameelen, paarden en geiten.
+Een diepe dalkom, wijd en ruim. Hooge
+wallen overal rondom. Wij staan in
+de diepte. Van de Stad niets te zien
+dan de muren, grauw gekanteeld. En
+de toren, wit-wit op felblauw-blauw
+van de Kerk op den Zionsheuvel. Door
+de hooge wallen breken de wegen van
+alle kanten in. Breken naar alle kanten
+uit. Zij gaan. Zij komen. Mannen met
+kameelen, paarden, ezels of geiten te
+<a name="Page_119" id="Page_119" />koop. Vrouwen met versche vruchten,
+versch water, fruit. De limonadekoopman,
+zijn watervaas gekapt met bonte
+bloemen. Het woelt dooreen. Zij, die
+de wijde Bedou&iuml;en-gewaden dragen
+met de fijne hoofddoeken. En de Europeesche
+kleederen, maar met de fez.
+Wit. Zwart en bont. Tegen de balkons
+en wallen zitten ze. Op rotsblokken.
+Op steenranden. Van beneden af tot
+boven toe, in lagen. Zij kijken. Zij
+droomen. Ezeltjes draven op proef.
+Paarden draven op proef. Zware kameelen
+trappen plat, schipschommelend.
+Het fijne zand stuift wreed. En de zon
+drijft haar licht daar doorheen, gesluierd.
+Wij dwalen naar den ezeltjes-hoek.
+Er zijn er vele. Wij beginnen met een
+grooten grauwe. Challad springt er
+dadelijk op. Rent, schandelijk buiten
+de regie, over het tooneel. Zand stuift.
+&quot;Een goede ezel,&quot; zegt hij prijzend.
+Maar Mohammed is een ernstig man.
+Hoe kan Challad nu z&oacute;&oacute; lichtvaardig
+een ezel prijzen? Heeft hij de tanden
+al gezien, om te weten, hoe oud hij
+is? Heeft hij de pooten al bevoeld
+<a name="Page_120" id="Page_120" />naar spataderen? Mohammed doet dat.
+En hij is het met Challad eens: het
+is een goede ezel. Wij vragen den
+prijs. Zeventien pond. Dat valt ons
+tegen. Wel is zeventien pond hier volstrekt
+niet zeventien, maar bijvoorbeeld
+tien, elf of twaalf. Doch het budget
+laat ook dat niet toe. Hoogstens zes
+of zeven pond. Daarvoor had men
+vroeger een prachtezel. Wij wenden
+ons dus tot andere ezeltjes. O, wij
+zullen wel een goeden ezel vinden.
+Aan raadgevers ontbreekt het ons niet.
+Koopen wij den ezel dien zij ons aanraden,
+dan zullen zij ons natuurlijk een
+baksjisj vragen. En wij zullen hun natuurlijk
+een baksjisj geven. Er zijn twee
+prachtige, slanke Sephardische Joodsche
+jongens. Ze hebben hemel en hel
+in hunne oogen. En ze zijn heel lui.
+Zwaarder werk dan scharrelen op de
+markt en daar raad geven, doen ze
+liever niet. De &eacute;&eacute;n zegt, dat we op
+moeten passen met Challed. En de
+ander beweert, dat Mohammed een
+ezel in het kiezen van ezeltjes is. En
+er is een schuwleelijke Arabier, die
+<a name="Page_121" id="Page_121" />beweert ezelendokter te zijn en die
+ons verzekert, dat hij wel een goeden
+ezel voor ons koopen kan.</p>
+
+<p>Ook de Duivel is gekomen. Een oud
+mannetje, steunt als een heks op zijn
+stok. Hij spreekt Duitsch. Het is smoorheet
+om hem heen. Het spookt. Wij
+stikken in het licht. Ik grijp naar mijn
+hoofd, duizelig in de hitte. Wat gebeurt
+hier? De wereld wankelt. Een
+Arabische vrouw ziet, dat de wereld
+wankelt. Zij geeft mij water. Het is
+voorbij. Wij zijn nu met ons tienen
+bezig. Zullen wij slagen? O, dit is
+weer een heel mooi ezeltje. En de
+wereld is ook op adem gekomen.
+Zullen wij dit ezeltje koopen? Neen,
+wij zullen dit ezeltje niet koopen. Want
+Mohammed, de wetende Mohammed
+verzekert ons, dat dit ezeltje aderspatten
+heeft. Ook Ibr&acirc;h&icirc;m zegt het.
+En de ezelendokter zegt het. E&eacute;n van
+de prachtige Sephardische jongens zegt
+wel, dat het niet waar is. Maar wij zijn
+bang. De eigenaar is heel boos. Dit
+ezeltje is in zijn stal geboren. Het is
+een zoon van zijn eigen ezelin. Dus
+<a name="Page_122" id="Page_122" />om zoo te zeggen familie. Mogen wij
+aderspatten werpen op den naam van
+zijn ezeltje? Allah weet, dat het ezeltje
+geen aderspatten heeft. Ja, maar wij
+weten het niet. En dus zullen wij dit
+ezeltje niet koopen.</p>
+
+<p>Het is al negen uur. De licht-witte-lichte
+dag ongenadig. Het stof. De zon.
+De hitte. Het duizelingwekkende woelen.
+Zullen wij waarlijk zonder ezeltje
+thuiskomen, ezels, die wij zijn? Maar
+neen. Dit is nu nog een heel mooi
+beestje. Een bruinrood ezeltje, met een
+kruis over rug en schouders. Iedereen
+prijst het: Mohammed, Ibr&acirc;h&icirc;m, de
+dokter, de twee Sephardische luilakken,
+en de eigenaar. Hij vraagt acht pond.
+Dat is vijf of zes. Dit ezeltje zullen
+wij koopen. Maar wij hebben buiten
+Challad gerekend. Er is iets uitgebroeid
+in Challads duisteren kop. Water dragen
+zonder ezeltje is zeker zwaarder
+dan water dragen met een ezeltje.
+Maar heelemaal geen water dragen,
+dat is eerst een goed werk. En als
+de heer Zilversmit niet slaagt in den
+aankoop van een ezeltje, zal hij den
+<a name="Page_123" id="Page_123" />regenbak wel door de Engelschen laten
+vullen. Dus is Challad tegen het ezeltje.
+Hij gelooft zeker, dat het een lui ezeltje
+is, met een slecht karakter. En hij moet
+er mee werken. Wij spreken het ezeltje
+voor. Maar Challad houdt vol. Koppig.
+Hij durft het met dit ezeltje niet aan.
+Zoo een gewichtig werk. Het is een
+lui, slecht ezeltje. Allah kan daar zijn
+zegen niet op geven. En omdat Challad
+stroef-koppig niet wil, daarom gaat het
+niet. Want als Allah geen zegen op
+dit arme ezeltje geeft, en als het lui
+is en slecht, dan zou het misschien op
+een dag een poot breken of overreden
+worden. O, heelemaal niet door de
+schuld van Challad. Maar omdat Allah
+zijn zegen niet heeft gegeven, en omdat
+het ezeltje lui en slecht is.</p>
+
+<p>En dan gaan wij naar huis. Doodmoe,
+geslagen door de open, genadelooze,
+brandhitte. Het is tien uur. Welk
+een teleurstelling voor de veertig meisjes,
+die zich z&oacute;&oacute; op een ezeltje des
+huizes hadden verheugd. En ik zeg
+het heel boos tegen Challad: &quot;En toch
+was het een heel goed ezeltje.&quot; En
+<a name="Page_124" id="Page_124" />hij, met dat tong-keelgeluid van alle
+Arabieren: &quot;Ma fisch! Het was geen
+goed ezeltje en Allah zou zijn zegen
+er niet op hebben gegeven.&quot;</p>
+
+<p><a name="Page_125" id="Page_125" /></p>
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+<h3><a name="Page_126" id="Page_126" />IN DEZELFDE REEKS VERSCHEEN:</h3>
+
+
+
+<table border="0" cellpadding="4" cellspacing="0" summary="">
+<tr><td align='left'>IS. QUERIDO</td><td align='right'>De Jeugd van Beethoven.</td></tr>
+<tr><td align='left'>CAREL SCHARTEN</td><td align='right'>De bloedkoralen doekspeld.</td></tr>
+<tr><td align='left'>M.J. BRUSSE</td><td align='right'>In 't verbouwereerde oude stadje.</td></tr>
+<tr><td align='left'>JOHAN DE MEESTER</td><td align='right'>Gezin.</td></tr>
+<tr><td align='left'>LOUIS COUPERUS</td><td align='right'>Lucrezia.</td></tr>
+<tr><td align='left'>KAREL WASCH</td><td align='right'>Dialogen.</td></tr>
+<tr><td align='left'>TOP NAEFF</td><td align='right'>Vriendin (2e druk)</td></tr>
+<tr><td align='left'>TOP NAEFF</td><td align='right'>Charlotte von Stein.</td></tr>
+<tr><td align='left'>JO VAN AMMERS-K&Uuml;LLER,</td><td align='right'>De Zaligmaker.</td></tr>
+<tr><td align='left'>CARRY VAN BRUGGEN</td><td align='right'>Een Indisch Huwelijk.</td></tr>
+<tr><td align='left'>GERARD VAN ECKEREN</td><td align='right'>De late Dorst.</td></tr>
+<tr><td align='left'>KEES VAN BRUGGEN</td><td align='right'>De Freule.</td></tr>
+<tr><td align='left'>EMMY VAN LOKHORST</td><td align='right'>Phil's laatste wil.</td></tr>
+<tr><td align='left'>ANTOON THIRY</td><td align='right'>Pauwke's Loutering.</td></tr>
+<tr><td align='left'>MARIE SCHMITZ</td><td align='right'>Weifeling.</td></tr>
+</table>
+
+
+<p><a name="Page_127" id="Page_127" /></p>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+<div class="figcenter" style="width: 450px;">
+<img src="images/cover.jpg" width="300" alt="Jerusalem" title="Jerusalem" />
+
+</div>
+<hr style="width: 65%;" />
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Jerusalem, by Jacob Israël de Haan
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JERUSALEM ***
+
+***** This file should be named 15083-h.htm or 15083-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/5/0/8/15083/
+
+Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
+Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>