summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/14281-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '14281-0.txt')
-rw-r--r--14281-0.txt4159
1 files changed, 4159 insertions, 0 deletions
diff --git a/14281-0.txt b/14281-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..87e50a8
--- /dev/null
+++ b/14281-0.txt
@@ -0,0 +1,4159 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 14281 ***
+
+ "...............dit is geen boek,
+ Die 't aanraakt, raakt een mensch aan."
+ (W. W. "Tot ziens!")
+
+
+WALT WHITMAN
+
+GRASHALMEN
+
+(LEAVES OF GRASS)
+
+VERTAALD DOOR
+MAURITS WAGENVOORT
+
+MET PORTRET VAN DEN DICHTER
+
+1917
+
+GEDRUKT TER DRUKKERIJ "DE DEGEL", AMSTERDAM.
+
+[Illustratie]
+
+WERELDBIBLIOTHEEK
+
+ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.
+
+UITGEGEVEN DOOR
+DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
+GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM
+
+
+
+
+INLEIDING
+
+
+Een korte inleiding schijnt mij gewenscht. Van een reis, in 1892, door
+de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, bracht ik als kostbaarste
+herinnering de _Leaves of Grass_ van Walt Whitman mee. Tijdens mijn reis
+ging er geen dag om zonder dat ik iets van hem las, en nog lang daarna
+nam ik dagelijks het boek op om te herlezen. Diep was de indruk geweest,
+dien ik van den arbeid en het leven der Noord-Amerikanen had ontvangen,
+diep was de indruk, dien ik van de _Leaves of Grass_ ontving. Deze
+poëmen, docht mij, geven een kort begrip van wat ik met bewondering en
+eerbied, soms met verbijstering heb gezien; zij zijn een verkleind beeld
+der geweldige republiek, het leven van Amerika verpuurd door liefde en
+denken van een universeel dichter. Toch geven zij meer dan de
+"athletiscihe republiek": zij openen heerlijke visioenen van wording,
+ontwikkeling en voortgang in steeds groeiend recht: het Universum
+aanschouwd door een Amerikaan, wien de Menschheid eens een plaats zal
+aanwijzen te midden der groot-edelsten van allen tijd.
+
+Anderhalf jaar: te Chicago, Berlijn en Genua, gaf ik aan de vertaling
+van wat thans wordt gepubliceerd. Dit is niet de geheele _Leaves of
+Grass_, wel de geheele Whitman, zooals hij zich in de _Leaves_
+openbaart. De dichter herhaalt hier en daar wat hij gezegd heeft: er was
+geen reden die herhalingen te vertalen; buitendien liet ik mij door mijn
+smaak leiden. Er zijn enkele poëmen in de _Leaves of Grass_, die mij
+niet bezielen, wat natuurlijk aan mij en niet aan Whitman ligt. Zoo ook
+zijn eenig berijmd gedichtje _Captain, my captain_, dat ik onvertaald
+liet, uit eerbied voor het rijm, en wijl Whitmans karakter als dichter
+toch het heerlijkst in ongebondenheid zich uit. Niettemin was het
+denkbeeld mij een gruwel een salon-Whitman te geven. In mijn vertaling
+spreekt de bard zich uit met dezelfde zware en toch zoo zielvolle stem,
+die de zijne is, ruw soms, duister soms, maar altijd verheven, altijd
+menschelijk, altijd natuurlijk.
+
+Mijn loon was mijn arbeid-zelf. Wat kon ik inderdaad van mijn vertaling
+verwachten? Behalve door Emerson, Whittier, Thoreau, in Amerika niet, in
+Europa, behalve door Tennyson en Rosetti, weinig gewaardeerd, is Walt
+Whitman arm en ongeacht gestorven, nadat hij, om de "onzedelijkheid" van
+de _Leaves of Grass_, uit een betrekkinkje aan een ministerie te
+Washington was ontslagen. Wat ik niet verwachtte, een kleine twintig
+jaar geleden, was het bezwaar om _Grashalmen_ gedrukt te krijgen. Indien
+ik Whitman fatsoenlijk had willen maken--wat men een bloemlezing noemt,
+uit zijn _Leaves of Grass_--zou ik niet bijna vijf jaren hebben behoeven
+te wachten voor een uitgever geneigd was althans een deel van Walt
+Whitmans werk te publiceeren. Dit evenwel leek mij toen beneden den
+eerbied dien ik voor den bard gevoelde: mijn vertaling zou in haar
+geheel of niet verschijnen. Zij verschijnt nu, wel is waar niet in haar
+geheel, maar toch in haar schoonste fragmenten.
+
+Wàt, in dezen tegenspoed, kon mij teleurstellen? Niets. Walt Whitman kon
+wachten, ik had geen haast. Indien mijn levensgeluk afhankelijk ware
+geweest van mijn literair succes, zou ik zeer beklagenswaard zijn. Mijne
+boeken vinden weinig lezers: het verlies daarvan is niet geheel aan mijn
+kant. Het verwonderde noch ontmoedigde mij, dat ik jaren had te wachten
+eer men mijn _Grashalmen_ wilde publiceeren. De anderhalf jaar met
+Whitman doorleefd, schonken mij een levenswinst, die noch door eenig
+succes kon vermeerderd, noch door eenigen tegenspoed kon verminderd
+worden.
+
+Over Walt Whitman en zijne _Leaves of Grass_ wil ik hier weinig zeggen.
+Mijn vertaling geeft de maat aan van de bewondering en de liefde die ik
+voor deze heerlijke twee-eenheid gevoel. Misschien toch kunnen een paar
+verklarende woorden hem een of twee _lovers_ meer winnen. Men moet de
+_Leaves of Grass_ niet nemen als gedichten, Walt Whitman niet als
+dichter. Om een paar dichters van onderscheiden genie te noemen: Keats,
+Kloos, Heine, Verlaine: naar hun beteekenis is Walt Whitman geen
+dichter. Noch kan hij gemeten worden naar welken dichter ook: zijn
+zangen zijn als symphonieën, en men denkt soms aan Beethoven, wanneer
+men hem leest.
+
+De oer-dichter was de man, door veel strijd, veel denken, veel leven
+hoog en groot geworden, richter, leider, priester, zanger van zijn volk.
+Hij verkondigde wat recht was, deugd, liefde en schoonheid. Wat hij
+sprak was de natuurlijke wijsheid van een God-gewijde ziel, door
+innerlijke aanschouwing en nog meer door het vuur des levens gelouterd.
+Maat en rijm kende hij niet, van verzen had hij nooit vernomen, wat men
+poëzie noemt had geen zin voor hem, maar beter dan eenig ander wist hij
+wat harmonie was en schoonheid. Hij had de menschheid lief en kende haar
+zwakheid en lijden, haar kracht en vreugde. Hij bezat dien oppermoed,
+die, geboren uit een onbedaarlijke zucht naar vrijheid, voorbeschikt om
+alleen en hoog te staan te midden der menschen. Het leven had enkel
+bekoring en de dood geen verschrikking voor hem. Dus had zijn volk hem
+erkend als richter van allen, leider van allen, priester en zanger
+tevens. Ziehier, in de tweede helft der negentiende eeuw, in een
+samenleving, de Noord-Amerikaansche, die nog aan het begin harer
+geestelijke vorming staat, de oer-dichter in Walt Whitman herboren, maar
+verworpen door zijn volk, omdat de menschen van heden niet natuurlijk
+kunnen zijn.
+
+Aldus moet de lezer Whitman beschouwen, wil hij hem begrijpen; zijne
+poëmen, zijne zangen zijn geen gedichten; het zijn visioenen;
+uitspraken, wetten, poëzie, zoo gij wilt, maar poëzie als erts, zooals
+het gevonden wordt in de Ilias, in het Nibelungenlied, in de Veda's, in
+de Psalmen, in het Hooglied.
+
+Wie lezen wil om zich te amuseeren, poëzie wil genieten als een zoete
+zielestreelinig, bekoorlijk door fraaie rijmen, lichten cadans en
+gedachten zwevend tusschen banaliteit, weemoed en burgermans
+verliefdheid, dien heeft Walt Whitman zelf terecht gewezen: de _Leaves
+of Grass_ zijn niet voor hem of haar. Wien het gegeven is vrij te zijn
+van voor-oordeel, wie de schoonheid kan zien, ook wanneer zij in
+ongewonen vorm verschijnt, wie zich-zelf wil geven aan den dichter en
+het lezen steeds wil afwisselen door lang en rustig nadenken, dien opent
+Whitman grootsche verschieten van sterke liefde in de goddelijke eenheid
+van lichaam en ziel, dien schenkt hij moed, hoop en zelfvertrouwen.
+
+Wat mijn vertaling betreft: zij zal hare gebreken hebben, maar, wie mij
+ook het tegendeel zegge, ik weet dat zij goed is, als geheel. Whitmans
+vlucht door Tijd en Ruimte, niettemin, is soms zoo verheven, dat ik hem
+slechts heb kunnen volgen door lager te Wijven dan hij; op andere punten
+is de vertaling, onder het werk-zelf, en, natuurlijk zonder dat die
+bedoeling voorzat, beter geworden dan het oorspronkelijke. Ik gewoel
+temeer vrijmoedigheid dit te zeggen, wijl ik bij mijn werk geholpen werd
+door een dier vrouwen, die door een waarlijk hemielsche eigenschap alles
+verbeteren wat zij aanraken. Onze vriendschap-zelve belet mij haar te
+noemen, maar wanneer ik, zooals ik hiermeê doe, _Grashalmen_ aan haar
+opdraag, geef ik haar slechts terug wat zij mij geleend heeft, wetende,
+dat ik voor mijn leven haar schuldenaar blijf, ook waar mij slechts van
+haar de nagedachtenis rest.
+
+_Sevilla, Oct. '98._ M. W.
+
+_'s-Hage_--_'17._
+
+
+
+
+UIT: INSCRIPTIES
+
+
+MIJN LIED IS VOOR HET IK
+
+Mijn lied is voor het ik, is voor den mensch des eigen levens,
+Maar van mijn lippen klinkt het woord Democratie, het woord
+ En-Masse.
+
+Mijn lied geldt fysiologie van hoofd tot voeten,
+Mijn muze is niet enkel gezicht, niet enkel ziel, ze is beiden
+ en dus meer dan ieder waard:
+Mijn lied geldt dan het vrouwelijke volkomen even met het
+ manlijke.
+
+O Leven onbedwingbaar in uw passie, polsslag, kunnen;
+Kracht en Vreugde zijn uw namen, geroepen, gij, tot het vrije
+ doen door goddelijke wetten.
+Mijn lied geldt den modernen mensch.
+
+
+TOEN IK HET BOEK GELEZEN HAD
+
+Toen ik het boek gelezen had, de veel geroemde levensschets,
+Vroeg ik mij af: is dit dan wat de schrijver noemt een menschenleven?
+En zoo zal iemand, ben ik dood en heen, beschrijven wat hij
+ noemt mijn leven?
+Alsof iemand in waarheid iets weet van mijn leven,
+Terwijl ik zelf vaak denk weinig of niets te weten van wat in
+ waarheid is mijn leven.
+Een paar wenken, een paar sleutelwoorden en aanduidingen
+Tracht ik in dit boek ten eigen nut te schrijven.
+
+
+WERPT VOOR MIJ NIET UW DEUREN DICHT
+
+Werpt voor mij niet uw deuren dicht, gij koude boekzalen,
+Want wat op uwe doorgebogen planken 't meest ontbreekt en
+ wat gij 't meest behoeft, dat breng ik u.
+Uit den strijd zelf opkomende, heb ik dit boek gemaakt;
+De woorden van dit boek zijn niets, let enkel op zijn ziel, de
+ ziel is alles,
+Dit boek is eenig in de wereld, dit boek heeft niets van
+ andere boeken, dit boek wordt door het verstand alleen
+ niet gevat.
+Uit ieder blad, uit ieder woord vloeit u de heete stroom des
+ levens te gemoet.
+
+
+
+
+VAN PAUMANOK UIT
+(FRAGMENTEN)
+
+
+1.
+
+Van visch-gelijkend Paumanok uit, waar ik geboren ben,
+Wel gewonnen en opgevoed door een treffelijke moeder,
+Na in vele landen te hebben gedoold, vriend van menschen-drukke
+ straten,
+Toever in Mannahatta[1], mijn stad, of op de Zuider-savanna's,
+Dan als soldaat in 't kamp, of dragend geweer en ransel,
+ straks mijngraver in Californië,
+Boersch in mijn huis in Dakota's wouden, sober mijn maal
+ met een dronk bronwater.
+Nu ingetogen tot aanschouwing en bepeinzing in stille eenzaamheid,
+Ver van de plaats waar het voetstapgeschuifel der menigte
+ druischt, gelukkig en dankbaar,
+Bewust van den frisschen, vrijen gids, den stroomenden
+ Missouri, bewust van de machtige Niagara,
+Bewust van de buffelskudden, grazende op de vlakten, den
+ harigen, sterkborstigen stier,
+Door aarde en rotsen en bloemen der vijfde maand ervaren,
+ door sterren, regen en sneeuw getroffen,
+Na des lachvogels lied en des bergvalks vlucht te hebben
+ bestudeerd,
+Na in den ochtendstond het lied te hebben gehoord van den
+ weêrgalooze, den eenzamen lijster der moeras-ceders,
+Eenzaam als hij, in het Westerland zingend, neem 'k mijn
+ vlucht voor nieuw een wereld.
+
+
+[1] New-York.
+
+
+2.
+
+Victorie, Unie, Geloof, twee-een zijn, tijd,
+De onverbrekelijke tezaam-gevoegden, schatten, mysterie,
+Beschaving als natuurwet, de kosmos, en de nieuwe arbeid.
+
+Aldus het leven,
+Hier is wat op kwam na zooveel weeën en krampen.
+
+Hoe wonderlijk en tevens: hoe reëel!
+De goddelijke aarde onder onze voeten, boven ons hoofd
+ de zon.
+
+Zie den aardkloot wentelen,
+De vader-continenten bijeengegroept ter zij,
+De continenten van heden en toekomst, Noord en Zuid, en de
+ landengte daar tusschen.
+
+Zie, onafzienbre ongebaande landen,
+En steeds gewijzigd, als in een droom gezien, woelt daar het
+ leven,
+Ontelbre menigten trekken over hen voort.
+Nu zijn ze bedekt met een volk, dat de beschaving leidt, dat
+ kunsten leven doet, dat al wat goed is lief heeft.
+
+Zie, heenvloeiend door de tijden,
+En voor mij uit een oneindigheid van menschen die mij
+ hooren.
+
+Met vasten en gelijken tred gaan zij hun weg, en nimmer
+ rusten zij,
+En altijd volgen anderen, Americanos, een honderdtal millioenen,
+De eene generatie doet wat zij vindt te doen en volgt het
+ voorgeslacht,
+Een andere generatie komt en doet wat is te doen en volgt
+ dan in haar spoor.
+
+Zij gaan en keeren het gelaat eerst zijwaarts, achterwaarts
+ vervolgens, naar mij luisterend,
+De oogen in het gaan op mij gericht.
+
+
+3.
+
+Americanos! overwinnaars! humaniteitsarmeeën!
+Voorwaarts! Nooit rust de eeuw! Libertad! Menigten!
+Aan u een reeks van zangen.
+
+Zangen van de prairiën,
+Zangen van den ver weg vloeienden Mississippi, neerwaarts
+ naar de Mexicaansche zee,
+Zangen van Ohio, Indiana, Illinois, lowa, Wisconsin en Minnesota,
+Zangen als een stroom uit Kansas' harte vloeiend en voortsnellend
+ in en naast rivieren,
+Uit het hart van Amerika zelf schietend door hare polsen als
+ vloeiend vuur, dat al doet leven.
+
+
+4.
+
+Neem deze zangen dan, Amerika, neem hen ten Zuid en
+ neem hen ten Noord,
+Bereid hun overal een welkom, want zij zijn leven van uw
+ leven,
+Verklaar hen Oost en West, want zij verklaren u,
+En gij, Verleden, heb hen lief, want zij hebben ook liefde
+ voor u.
+
+Eén in gedachten was ik met vervlogen tijden,
+Ik zat aan de voeten der groote meesters en luisterde
+ naar hen,
+Nu, ware 't mogelijk, o dat de groote meesters konden terugkomen
+ en luisteren naar mij.
+
+Zal ik, in dezer Staten naam, de Oudheid smaden?
+Weet ik dan niet, dat zij de kinderen zijn dier Oudheid, en
+ haar verklaren?
+
+
+5.
+
+Gestorven dichters, filosofen, priesters,
+Gij martelaars, gij zoekers, kunstenaars, verdwenene
+ regeerders,
+Gij die in verre landen uw taal eens tot nieuw leven riept,
+Gij natiën eens gevreesd, nu klein, vergeten of vervallen,
+Voor ik saluut breng aan wat er van uw geest nog in ons
+ naleeft durf ik niet uitgaan tot mijn arbeid,
+Ik heb met u een wijl geleefd en beken dat gij bewondering
+ verdient,
+Ik denk: nooit kan iets grooter zijn dan het is, niets kan ooit
+ meer verdienen dan het verdient,
+Ik heb, voor ik u losliet, u gedachtenvol een langen tijd aanschouwd,
+Nu sta ik hier op eigen plaats en in eigen tijd.
+
+En met mij de landen vrouwelijk en mannelijk.
+En met mij de erfgenamen der wereld vrouwelijk en mannelijk,
+ en met mij het vuur der materie,
+En met mij het ideaal: verklaring van God, door allen openlijk
+ erkend,
+De altijd voor ons uit zwevende finale van wat daar zichtbaar
+ is,
+De Al-voldoener, die, na lang gedwaald te hebben, nu zijn
+ weg kiest,
+Ja, zij is hier, de Ziel, haar die ik liefheb.
+
+
+6.
+
+De Ziel,
+Altijd en immer, vóór de aarde bruin en vast was levende,
+ vóór water keerde en weerkwam, ebbe en vloed, levende!
+
+Niettemin zal ik de materie bezingen, omdat ik door haar
+ 't schoonst de ziel bezing,
+En ik zal mijn lichaam en mijn sterflijkheid bezingen,
+Want dán en daardoor vloeit door mij het lied van ziel en
+ onvergankelijkheid.
+
+Ik zal een lied zingen voor deze Staten, dat niet een hunner,
+ in wat omgaan ook, zij onderworpen aan een anderen Staat,
+En ik zal een lied zingen, dat er overleg zij, bij dag en bij
+ nacht, tusschen al de Staten en tusschen elk twee-tal hunner,
+En ik zal een lied zingen bestemd om gehoord te worden door
+ den President, vol van scherppuntige dreigende wapens,
+En achter die wapens ontelbare ontevreden gezichten,
+
+Ook zing ik een lied van de Eene die uit allen geschapen is,
+De vreesbre, luistervolle Eene, die groot is bovenal,
+De onwrikbre, de strijdbre Eene, omvattend al en bovenal,
+Hoe hoog het hoofd van iemand zij, Haar hoofd is bovenal.
+
+Ik zal alle landen die leven hulde brengen,
+Ik zal de landbeschrijving van heel de aarde volgen en een
+ eerbiedsgroet brengen aan elke stad, 't zij groot of klein,
+En aan allen arbeid! Ik zal zeggen in mijn gedichten, dat met
+ U, ter land en zee, het ware held-zijn is,
+En ik zal dat held-zijn gadeslaan met de oogen van een
+ Amerikaan.
+
+Ik zal het lied zingen der kameraadschap,
+Ik zal aantoonen wat enkel en ten slotte de menschen
+ moet bijeenbrengen,
+Ik geloof zij zullen hun eigen ideaal van sterke liefde hebben,
+ zoo als dat nu reeds in mij leeft,
+Aldus zal ik hoog laten opvlammen uit mijn ziel de laaiende
+ vuren die mij dreigden te verteren,
+Ik zal deze vuren, die te lang smeulden, vrij-geven,
+Ik zal hen vrijelijk laten woelen,
+Ik zal schrijven het evangelium-gedicht van kameraden en
+ van liefde,
+Want wie beter dan ik verstaat de liefde met al haar verdriet
+ en haar vreugd?
+En wie eerder dan ik zou de dichter zijn der kameraadschap?
+
+
+7.
+
+Ik geloof in de deugd, in de eeuwen, in de rassen,
+En ik ga uit voor een arbeid in den eigen geest van het volk,
+Hoort dan het lied van onbeperkt geloof.
+
+Omnes! Omnes! Laat anderen onbewust zijn van wat zij niet
+ kennen,
+Ik maak een gedicht ook ter eere van het kwade, ik sla dit
+ levensdeel niet over,
+Ik-zelf ben juist even kwaad als goed en zoo is ook mijn
+ volk--en ik zeg: in werkelijkheid is er geen kwaad.
+(En zoo er kwaad is, dan is dit voor U, voor allen, voor mij
+ even gewichtig als wat ook in het leven).
+Ook ik, velen volgend en door velen gevolgd, breng een
+ religie tot wijding, ik daal in den arena af,
+(Misschien wel bestemd de luidste kreten, den overwinningsroep
+ te doen hooren,
+Wie weet? Dat die kreten dan nu reeds van mij worden gehoord).
+
+Niemand is enkel om zijnentwil,
+Ik zeg de geheele aarde en al de sterren in het firmament
+ zijn daar om religiëns wil.
+
+Ik zeg: niemand was tot nu half vroom genoeg,
+Niemand heeft ooit aangebeden en vereerd half genoeg,
+Niemand heeft er nog aan gedacht hoe divijn hij zelf en hoe
+ zeker de toekomst is.
+
+Ik zeg de ware en blijvende grandeur dezer Staten moet hun
+ religie zijn,
+Zonder religie is er geen ware en blijvende grandeur,
+(Noch karakter, noch leven dien naam waardig zonder religie,
+Noch land, noch man of vrouw zonder religie).
+
+
+8.
+
+Wat, jonge man, is uw streven?
+Zijt gij zoo ernstig, zoo vol toewijding voor litteratuur, wetenschap,
+ kunst, amours?
+Deze tastbare realiteiten, politiek, dingen?
+Uw eerzucht of uw vak, wat dan ook?
+
+'t Is goed,--ik heb tegen dezulken niets, ik ben ook hun
+ dichter.
+Maar zie! Zie hoe snel in brand en snel verteerd, zie dit
+ branden om religiëns wil;
+Niet alle brandstof verwarmt in haar gloeien, niet alle vlam
+ geeft licht aan het eigenlijk leven dezer aarde:
+Voor religie is alles meer dan dit.
+
+
+9.
+
+Wat zoekt gij zoo nadenkend en zwijgzaam?
+Wat is uw nood, Camerado?
+Lieve zoon, denkt gij liefde is wat gij behoeft?
+Luister, lieve zoon, luister Amerika, 't zij dochter of zoon,
+'t Is een smartenlast een man of vrouw onstuimig lief te
+ hebben, en toch 't verheft ons en 't is groot,
+Maar er is iets anders zéér groot, iets dat het al omvat,
+Dat, heerlijk boven alle stof verheven, met onvermoeide
+ handen uitstrooit voor allen en zorgt voor allen.
+
+
+10.
+
+Eens toen ik wandelde, in Alabama, mijn morgenwandeling,
+Zag ik hoe in de struiken het wijfken des lachvogels op haar
+ nest zat en haar jongen koesterde.
+Ook zag ik het mannetje,
+En ik stond een wijl dichtbij en luisterde naar zijn heerlijk
+ lied van leven.
+
+En toen ik daar wijlde kwam het in mij, dat hij niet enkel
+ zong voor wat dicht aan zijn zijde was,
+Niet enkel voor zijn gezellinne, niet enkel voor zichzelf, noch
+ enkel voor de echo's die het lied aan het verleden schonken.
+Maar wonder-zacht, onmerkbaar bijna, heel ver omhoog,
+Schonk en vertolkte hij in 't lied een hemelgift voor hen die
+ pas geboren waren voor de toekomst.
+
+
+11.
+
+Democratie! dicht bij u zingt nu een stem het lied des
+ levens, blijde en krachtig.
+
+Ma femme! Voor onze kinderen van toekomst en heden,
+Voor hen, die om ons heen zijn en voor hen die komen,
+Ik, juichend, nu mij-zelf bewust, doe opluiden mijn zangen,
+ kloeker zangen, hooger zangen dan ooit op aarde gehoord.
+
+Ik zal den zangen van de passie vrijgeven,
+En ook uw zangen, wetschenders en uitgestootenen, want ik
+ zie u aan met een goed oog, gij ook leeft in mijn hart, zoo
+ goed als de anderen.
+
+Ik zal het ware gedicht der schatten schrijven,
+En voor lichaam en geest winnen al wat zij behoeven en wat
+ leven heeft voor hen en door den dood niet wordt geschaad;
+Ik wil egotisme zaaien en toonen, dat het de kiem van alles
+ is, en ik wil de bard van het karakter zijn,
+En ik zal toonen, dat man en vrouw volkomen elkaars gelijke
+ zijn,
+En sexueele organen en daden! Versterkt U in mij, want ik
+ ben vast besloten U te erkennen en luide en moedig te
+ verkondigen, dat gij verheven zijt,
+En ik zal toonen, dat er in het leven geen onvolmaaktheid is,
+ en dat zij ook in de toekomst niet zal zijn,
+En ik zal bewijzen, dat wat ons in het leven overkomt, de
+ gevolgen altijd heerlijk kunnen wezen,
+En ik zal verklaren, dat ons niets lieflijkers kan overkomen
+ dan de dood,
+En door mijne poëmen zal de gedachte vloeien, dat het
+ eeuwige en het tijdelijke hetzelfde zijn,
+En dat alle dingen des heelals wonderen zijn, elk hunner zoo
+ groot als een ander.
+
+Ik zal niet dichten om een deel slechts eer te geven,
+Ik wil dichten, zingen, denken ter glorie van het Al,
+En ik zal niet zingen om een enkelen dag, maar om alle
+ dagen te eeren,
+En ik zal niet een enkel gedicht, noch een enkelen regel van
+ een gedicht schrijven, zonder de ziel te eeren,
+Immers, na het leven des Heelals te hebben aanschouwd, vind
+ ik dat geheel noch deel zijn kan zonder de ziel.
+
+
+12.
+
+Vroeg daar iemand de ziel te zien?
+Zie uw eigen gestalte en gelaat, de menschen, de dingen, de
+ beesten, boomen, stroomende rivieren, de rotsen en de
+ woestijnen,
+Alles heeft eens het Paradijs gekend en later verloren;
+Hoe kan dan waarlijk het lichaam ooit sterven en begraven
+ worden?
+
+Of waarlijk uw lichaam, of waarlijk het lichaam van welken
+ man of welke vrouw ook,
+Iedere atoom van ons lichaam ontsnapt aan de hand des
+ afleggers en wijkt naar de sferen die van gelijk leven zijn,
+Met zich nemende al wat bezeten en ontvangen werd van het
+ moment der geboorte tot het oogenblik des doods.
+
+De lettertypen door den zetter bijeengevoegd geven in hun
+ afdruk de meening en de bedoeling des schrijvers niet
+ beter weer,
+Dan eens mans wezen en leven of eener vrouw door lichaam
+ en ziel worden weergegeven,
+ Onverschillig voor den dood of na den dood.
+
+Zie dan, het lichaam bevat de meening en de bedoeling Gods,
+ het bevat en is de ziel;
+Wie gij ook zijt, hoe heerlijk en hoe goddelijk is uw lichaam
+ en ieder deel uws lichaams!
+
+
+13.
+
+O Camerado dien ik liefheb! O gij en ik vereend ten laatste
+ en wij tweeën nu voor ons-zelf alleen!
+O, één woord dat het leven schoon en kostelijk en eindeloos
+ maakt!
+O, iets dat ons extase geeft en niet van deze aarde! O muziek
+ van passie!
+O, nu is mijn triumf volkomen en de uwe met de mijne;
+O, hand in hand--O, enkel vreugde--O, een die mij
+ begeert en liefheeft meer!
+O, het leven is ons! Spoeden wij ons! Spoeden wij ons! Spoed
+ U met mij voort naar de toekomst!
+
+
+
+
+UIT: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK
+
+
+1.
+
+Ik verheerlijk mij-zelf en bezing mij-zelf,
+En wat ik voor mij vorder zult gij vorderen voor U,
+Want elke atoom mijns levens is een atoom uws levens.
+
+Ik ga om in de natuur en bepeins hoe zij zich weerkaatst in
+ mijn ziel,
+Ik dwaal rond, leg mij neder en sla een grasspriet gade.
+
+Mijn spraak, elke bloedatoom in mij is voortgekomen uit
+ dezen zelfden grond en uit deze zelfde lucht.
+Hier geboren, uit ouders hier geboren oók, uit ouders gelijkelijk
+ hier geboren en dier ouders tevens,
+Ik, nu zevenendertig jaren oud, volkomen gezond, ga uit tot
+ mijn arbeid,
+Hopende dien arbeid te kunnen voortzetten tot mijn stervensuur.
+
+Ik laat credo's en theorieën voor wat zij zijn,
+In mijn beschouwing is hun aanzijn reeds voldoende, maar
+ nooit vergeet ik ze,
+Goed en kwaad zijn mij welkom, beiden mogen spreken als
+ het leven hun dringt,
+Natuur, zonder dwang, en met oerkracht.
+
+
+2.
+
+Ik heb den praat gehoord van de praters, den praat over het
+ begin en het einde;
+Maar ik praat niet over het begin en het einde.
+
+Nooit was het begin aanvankelijker dan het nu is,
+Nooit was er meer jeugd of oudheid dan er nu is,
+
+En nooit zal er meer volkomenheid zijn dan er nu is.
+Evenmin ietwat meer hemel of hel dan er nu is.
+Vooruitgang was het begin, vooruitgang zal het eind zijn,
+De scheppende vooruitgang van de wereld altijd en immer.
+
+Licht is in duisternis en beiden gaan evenredig voort, altijd
+ en overal is het wezen, altijd zal de kunne er zijn;
+Altijd de vereeniging van wat aantrekt, altijd het zich-zelf
+ blijven der verscheidenheden, altijd een nieuw geslacht.
+
+Hier tegen in te gaan heeft geen nut, geleerd of ongeleerd
+ gevoelt dat dit de waarheid is.
+
+Zeker als de onwankelbare zekerheid, lood in de rechtstandigheid,
+ goed doorvoegd, gesteund in de balken,
+Moedig als een paard, vol kracht van liefde, onbevangen,
+ electrisch,
+ Staan wij hier in het leven, ik en dit mysterie.
+
+Zuiver en zoet is mijn ziel, en zuiver en zoet is alles wat
+ niet is mijn ziel.
+Waar een ontbreekt ontbreken beiden, en het ongeziene wordt
+ door het zichtbare bewezen,
+Totdat ook dit onzichtbaar wordt en bewezen wordt op
+ zijn tijd.
+
+
+3.
+
+Heeft iemand ooit gemeend, dat het gelukkig was geboren
+ te zijn?
+Ik haast mij hem of haar te zeggen, dat 't even gelukkig is te
+ sterven, en ik weet dat.
+
+Ik ga den dood door met den stervende en het leven door
+ met het zoo-even ontbonden kind, en wat gij daar van mij
+ ziet tusschen laarzen en hoed is niet mijn geheele Ikheid.
+Mijn leven is het leven der menigvuldigheid en in die menigvuldigheid
+ zijn daar niet twee eveneens en allen zijn goed,
+De aarde goed, de sterren goed en alles wat daarop of omheen
+ leeft goed.
+
+Ik ben geen aarde, ook geen satelliet van een aarde,
+Ik ben de maat en gezel van menschen die allen even onsterflijk
+ en vademloos zijn als ik-zelf ben,
+(Zij weten niet hoe onsterflijk, maar ik weet 't).
+
+Iedere mensch leeft voor zichzelf en voor wat zijn leven is,
+ ik leef voor mij en weet wat mijn is, mannelijk en
+ vrouwelijk,
+Zij zijn mijn die knapen geweest zijn en vrouwen begeeren,
+Hij is mijn de man, de fiere, die het steken voelt der
+ geringschatting,
+Zij is mijn de verloofde, en de oude maagd is mijn, zij zijn
+ mijn de moeders en de moeders van moeders,
+Mijn zijn de lippen die glimlachen en de oogen die tranen
+ storten,
+Mijn zijn de kinderen en die kinderen gewinnen.
+
+Naakt! Voor mij hebt gij geen schuld, door mij wondt gij niet
+ uitgeworpen, door mij niet geminacht,
+Ik zie U door kleed en hemd in de ziel,
+Ik omgeef U, ik laat niet af voor ik U gewonnen heb, ik ben
+ onvermoeid, gij kunt mij niet afschudden.
+
+
+4.
+
+Ik kom met luide muziek, met trompetten en trommen,
+Ik speel niet enkel de marschen ter eere van de overwinnaars
+ die ieder toejuicht, ik speel ook de marschen voor
+ overwonnenen en verslagenen.
+Heeft men U gezegd, dat het goed was het pleit te winnen?
+Dan zeg ik U daarbij, dat 't goed is de nederlaag te lijden:
+ veldslagen worden in denzelfden geest verloren als zij
+ worden gewonnen.
+
+Ik trommel en trompet voor den dood,
+Mijn luidste en blijdste muziek is voor de dooden.
+
+Vivats voor hen die verloren hebben!
+En voor hen wier oorlogsschepen in de zee zijn ondergegaan!
+En voor hen-zelf die in zee zijn ondergegaan!
+En voor alle veldheeren wier leger verslagen werd en voor
+ alle overwonnen helden!
+En vivats voor de tallooze onbekende helden, zoo luid als
+ voor de grootste helden wier naam beroemd is.
+
+
+5.
+
+Denkt gij, dat ik eenig diep verborgen doel hebbe?
+Nu dan, ik heb dat doel, want de zaaiers der Vierde-maand
+ hebben dat doel en het mica aan de rotshellingen heeft
+ het ook.
+
+Houdt gij 't er voor, dat ik verwonderen wil?
+Wil het daglicht verwonderen? Wil het roodborstje, dat vroeg
+ in den morgen kwinkeleert, het doen?
+Wil ik 't dan doen eenigermate meer dan zij?
+Dit uur wil ik U in vertrouwen iets meedeelen.
+Ik zou 't niet gaarne iedereen vertellen, maar U wil ik 't
+ vertellen.
+
+
+6.
+
+Ik ben de poëet van het Lijf en ik ben de poëet van de Ziel,
+De vreugden des hemels zijn met mij en de pijnen der hel zijn met mij,
+De eersten ent en kweek ik op mij-zelf, de laatsten spreek ik
+ uit in een nieuwe taal.
+
+Ik ben de poëet van de vrouw dezelfde als van den man,
+En ik zeg: groot is 't vrouw te zijn, groot is 't man te zijn,
+En ik zeg: niets is er grooter dan de moeder te zijn van
+ menschen.
+
+Ik zing den zang van hoogheid en hoogmoed,
+Wij hebben nu tamelijk wel genoeg gehad van nederigheid en
+ verlaging,
+Ik toon aan dat gesteldheid ontwikkeling beteekent.
+
+Zijt gij de anderen voorbijgestreefd? Zijt gij de President?
+'t Beteekent niet veel, iedereen zal verder dan zoover komen
+ en toch altijd voortgaan.
+Ik ben de man die met den teederen, klimmenden nacht
+ wandelt,
+Ik spreek tot aarde en zee, door den nacht half-beschemerd.
+
+Druk mij vast tegen u aan, blootborstige nacht--druk mij
+ vast tegen u aan, nacht die mij magnetisch doorvloeit!
+Nacht van Zuider winden--nacht van enkele groote sterren!
+Nacht die mij toeknikt--genotnaakte zomernacht
+Glimlach, o wellustige, koel-ademende aarde!
+Aarde van de sluimerende, smeltende boomen!
+Aarde van den weggeduisterden zonsondergang--aarde van
+ de nevelbetopte bergen!
+Aarde van den glas-schijnenden maanstraal, ietwat met blauw
+ doortrokken!
+Aarde van licht en duister spranklend in den riviervloed!
+Aarde van het doorzichtige wolkengrijs, dat om mijnentwil
+ klaarder en helderder wordt!
+Aarde die op de breed-neergestreken elbogen rust--rijke
+ appelbloesem aarde!
+Glimlach, glimlach, want hij die u liefheeft is op weg.
+
+Liefde hebt gij mij overvloediglijk gegeven--daarvoor geef
+ik U liefde weer!
+O, onuitsprekelijke, onuitbluschbare liefde.
+
+
+7.
+
+Ik ben niet enkel de dichter van goedheid, ik versmaad niet
+ de dichter te zijn van slechtheid tevens.
+Wat is er al gebabbel over deugd en ondeugd?
+Het kwaad drijft mij voort, de strijd tegen kwaad drijft mij
+ voort, ik blijf onaangedaan.
+
+Mijn levensdoel is niet onkruid te zoeken hier, te verwerpen
+ daar,
+Ik besproei de wortels van al wat groei heeft.
+
+Hebt gij vrees voor wat scrofula dat uit levenskrachtige
+ vruchtbaarheid voortkomt?
+Denkt gij, dat de goddelijke wetten nog te herzien en te verbeteren
+ zijn?
+
+Ik vind evenwicht aan deze zijde en evenwicht aan den
+ tegenkant,
+De leer der zwakheid helpt zoo goed als de leer van kracht,
+Daden en gedachten des Levens verrijzen met ons en tijgen
+ vroeg aan den arbeid.
+
+De minuut die nu volgt en over mij heen gaat komt uit een
+ verleden van eonen,
+Er was geen betere dan deze en er zal geen betere zijn.
+
+Wat schoon was in 't verleden en schoon is nu is geen wonder,
+Een wonder is altijd en altijd hoe daar een mensch kan zijn
+ die zich-zelven ontrouw is en die niet gelooft.
+
+
+8.
+
+Walt Whitman, een kosmos, zoon van Manhattan,
+Onstuimig, vleezig, zinnelijk, etende, drinkende, leven verwekkende,
+Geen sentimentalist, zich niet verheffende boven mannen en
+ vrouwen, zich niet van hen afscheidende,
+Niet bescheidener dan onbescheiden.
+
+Ontschroef de deursloten!
+Ontschroef de deuren zelven van de scharnieren!
+
+Wie ooit een ander vernedert, vernedert mij!
+En wat ooit gedaan of gezegd wordt komt ten slotte tot mij.
+
+Door mij gaat de stroom der goddelijke wijsheid, in mij de
+ verklaring van leven en toekomst
+
+Ik spreek het oer-wachtwoord, ik geef het teeken der Democratie,
+Bij God! Niets zal ik aanvaarden waaraan niet allen op
+ dezelfde voorwaarden deel kunnen hebben.
+
+Door mij spreken verboden stemmen,
+Stemmen van seksen en van begeerten, stemmen heesch nog
+ en ik verwijder die heeschheid,
+Stemmen die laag worden geacht en die ik zal verluiden en
+ verklaren
+
+Ik leg mij de vingers niet op de lippen,
+Voor mij zijn de ingewanden even schoon en even hoog als
+ hoofd en hart,
+De paring is mij niet minder schoon dan mij de dood is.
+
+Ik geloof in den vleeze en in de begeerten,
+Zien, hooren, voelen zijn wonderen, en elk deel en elke vezel
+ van mij is een wonder.
+
+
+9.
+
+Ik denk ik zou met de dieren kunnen omgaan en leven, zij
+ zijn zoo vreedzaam en zelf-voldaan,
+Ik sta langen tijd stil om hen te bespieden.
+Zij maken zich niet warm en schreien niet over hun leven,
+Zij zijn niet slapeloos in den nacht en beweenen hunne zonden,
+Zij maken mij niet wee met den praat over hunne plichten
+ tot God,
+Niet een hunner is onbevredigd, niet een geslagen met de
+ manie van eigendomsbegeerte,
+Niet een knielt voor den ander, niet voor zijns gelijke die
+ duizenden jaren vroeger leefde,
+Niet een is achtenswaardig of ongelukkig over de geheele
+ wereld.
+
+Aldus toonen zij hun betrekking tot mij en ik erken die,
+Ik vind eigenschappen van mij zelf in hen terug, die zij
+ duidelijk toonen te bezitten
+
+Ik verwonder mij hoe zij aan die eigenschappen zijn gekomen,
+Heb ik hun weg in den oer-tijd bewandeld en heb ik ze
+ onachtzaam verloren,
+Ik-zelf toen, nu en altijd voortgaande,
+Verzamelende en bewijzende altijd meer en altijd sneller,
+Oneindig en alsoortig en dus de gelijken van dezen daarbij,
+Niet laag neerziende op hen, die mij mijn vroeger bestaan
+ herinneren,
+Zoek ik uit allen een dien ik liefheb en met wien ik als een
+ broeder zal leven.
+
+
+10.
+
+Eenzaam te middernacht in mijn tuin, mijne gedachten gaan
+ een lange wijl van mij uit,
+Daar wandel ik over de oude heuvels van Judea met den
+ schoonen, zachtmoedigen God aan mijn zijde,
+En snel op door de ruimte, snel op door hemelen en sterrengroepen,
+Snel op tusschen de zeven satellieten door den breeden ring
+ en den diameter van tachtig duizend mijlen,
+Snel op met de staartmeteoren, vuurkloten afwerpende als zij,
+Dragende het groeiende kind dat zijn eigen zwangere moeder
+ in de buik draagt,
+Stormend, genietend, ontwerpend, liefhebbend, waarschuwend,
+Steunend en tevredenstellend, verschijnend en verdwijnend
+Aldus betreed ik deze paden dag en nacht.
+
+Ik bezoek de gaarden der sferen en zie wat zij voortbrengen,
+En zie quintillioenen rijpe en quintillioenen onrijpe vruchten.
+
+Ik vlieg de vlucht eener vloeiende, zwelgende ziel,
+Mijn loop gaat dieper dan het dieplood peilt.
+
+Ik help mij-zelf aan wat ik stoffelijks of onstoffelijks behoef,
+Geen wacht kan mij buitenhouden, geen wet kan mij verhinderen.
+
+
+11.
+
+Ik hoorde wat daar over het Universum werd gezegd,
+Heb 't gehoord en weer gehoord vele duizenden jaren lang;
+'t Is tamelijk goed, voor zoover 't gaat--maar 't is niet alles.
+
+Ik kom en van mij gaat de Heerlijkheid uit en de Kracht,
+Eerst van al overbied ik alle oude waarborgventers der
+ Alleen-Zaligmaking,
+Ik leg mij de zelfde afmetingen als Jehova aan,
+Maak een prentje van Kronos, van Zeus zijn zoon, van
+ Hercules zijn kleinzoon,
+Koop plaatjes van Osiris, Isis, Belus, Brahma, Boeddha,
+Leg Manitoe los in mijn portefeuille, Allah op een blad papier,
+ heb een ets van den gekruisigde,
+Ik reken af met Odin en met den afzichtelijk grijnzenden
+ Mexitli en met ieder afgods- en heiligenbeeld.
+Ik neem allen voor wat zij waard zijn, maar niet voor een
+ cent meer,
+Erken dat zij geleefd hebben en in hun tijd hun werk deden,
+(Zij droegen wormpjes aan als voor ongevederde vogels, maar
+ dezen zullen nu opstaan en uitvliegen en zingen in eigen
+ kracht.)
+Ik aanvaard de ruwe Godsbegrippen, maar verbeter en verfijn
+ ze in mij-zelf en deel er gulhartig van mee aan iederen
+ man en iedere vrouw die ik ontmoet,
+Ontdek evenveel van hun godheid of meer zelfs in den bouwer
+ die een huis bouwt,
+Eisch hoogere rechten voor hem daar met zijne opgerolde
+ hemdsmouwen en hamer of beitel ter hand,
+Weiger niet de bijzondere openbaringen aan te hooren, maar
+ beschouw een rookwenteling of een haar op den rug mijner
+ hand even gewichtig als welke openbaring ook
+Jonge kerels bij de brandspuiten en op de reddingsladders
+ zijn voor mij niet minder dan de goden in den antieken
+ krijg.
+Ik luister naar den galm hunner stemmen, die het vlammengieren
+ der verdelging doorsnijdt,
+Terwijl hunne gespierde lichamen ongedeerd over de verkoolde
+ balken gaan, hunne bleeke voorhoofden ongedeerd
+ en boven het vuur uit;
+Ik vergelijk die goden bij de smidsvrouw, met haar zuigeling
+ aan de borst, die genadig is voor iederen pasgeborene;
+Drie gierende seizen ter oogst in een rij van drie sterke
+ engelen met hemden om hunne lendenen opgerold;
+De roodharige staljongen met puntige tanden, verlosser van
+ verleden en toekomstige zonden,
+Die al wat hij bezit verkoopt en een verre voetreis maakt om
+ een advocaat te betalen voor zijn broêr, die voor vervalsching
+ terechtstaat en om dien broêr bij te staan;
+Wat werd ooit in de mildste rooiing op de vierkante roede om
+ mij heen gerooid, waarvan die vierkante roede niet vervuld
+ was?
+De stier en het insect werden nimmer genoeg verheerlijkt;
+Drek en vuil zijn bewonderenswaardiger dan ooit werd gedroomd;
+Het bovennatuurlijke is voor ons van geen belang: ik zelf
+ wacht mijn tijd uit om eens een der allerhoogsten te
+ worden;
+De dag zal weldra daar zijn, dat ik evenveel goed zal doen
+ als de beste en even wonderbaarlijk zal zijn.
+Bij mijn lichaam! Ik word reeds een schepper,
+En leg de kracht van mijn leven in den omwikkelden schoot
+ der duisternis.
+
+
+12.
+
+Dit mijn lied is niet het lied van den sleur,
+Het vraagt onverwacht, het snelt op en daalt af, maar brengt
+ altijd nader;
+Dat is een gedrukt en gebonden boek--maar wat is de drukker,
+ wat is de drukkersjongen?
+Een welgeslaagde fotografie--maar uw vriend of meisje
+ teeder en vast in uw armen?
+Het zwarte schip met ijzer gepantserd, zijn vreeselijke kanonnen
+ in de torens--maar de zeemanschap van kapitein en
+ machinisten?
+In de huizen de gevulde schalen en het maal en de meubels--
+ maar de gastheer en de gastvrouw en de blik hunner oogen?
+De hemel daar omhoog--maar hier, of naast de deur of over
+ den weg?
+De heiligen en wijsgeeren in de geschiedenis--maar gij-zelf?
+Preeken, credo's, godgeleerdheid,--maar het onnaspeurlijk
+ menschelijk denken?
+En wat is rede? en wat is liefde? en wat is leven?
+
+
+13.
+
+Ik ben een toppunt van verleden dingen en bevat alle dingen
+ der toekomst.
+
+Mijne voeten raken een trede van de treden der trap,
+En iedere trede draagt bundels eeuwen en grooter bundels
+ eeuwen liggen tusschen twee treden,
+Al wat onder mij is ben ik opmerkzaam doorgegaan en steeds
+ klim ik en klim ik.
+
+Geslacht na geslacht buigen de geesten zich achter mij neer,
+In de verre verte zie ik het geweldige Oer, ik weet dat ik
+ dààr zelfs was,
+Ongezien wachtte ik alomtegenwoordig en sliep in den lethargischen
+ nevel,
+En wachtte mijn tijd af, zonder geschaad te worden door de
+ stinkende koolstof.
+
+Lang werd ik door krachtige armen omhelsd--lang en lang.
+
+Onberekenbaar zijn de voorbereidingen voor mij geweest,
+Trouw en liefdevol waren de armen die mij droegen,
+Door de kringloopen werd mijn wieg voortbewogen, zij roeiden
+ en roeiden als vroolijke roeiers,
+Om mij ruimte te geven stelden de sterren zich in hare ringen
+ ter zij,
+Zij zonden mij hare invloeden om zorg voor mij te dragen.
+
+Voor ik uit mijn moeder geboren werd baanden vele menschengeslachten
+ mijn weg,
+Nooit is mijn embryo in zijn groei vertraagd, niets kon den
+ glans er van verduisteren.
+
+Nevelen formeerden zich er voor tot werelden,
+De lange, langzame melkweg werd vast om het te doen
+ rusten,
+Reuzengewassen gaven het levenssap,
+Monsterachtige sauroïden droegen het in den muil en legden
+ het voorzichtiglijk neer.
+
+Alle krachten van het Heelal zijn eeuwig voor mij ingespannen
+ om mij te volmaken en te bekoren,
+Nu sta ik hier op deze plek met mijn sterke ziel.
+
+
+14.
+
+Ik open mijn dakvenster in den nacht en zie de ver-uitgestrooide
+ sterrengroepen,
+En allen die ik zie, zooveel vermenigvuldigd als ik kan
+ becijferen, geven slechts een som die de nog verdere
+ sterrengroepen bezoomt.
+
+Zij verspreiden zich verder en verder, wijden zich uit en
+ wijden zich altijd uit,
+Dieper en dieper en eeuwig dieper in de eeuwigheid.
+Mijn zon heeft haar zon die gehoorzaam om haar rondwentelt,
+Deze vereenigt zich met hare makkers tot een groep van nog
+ verhevener omgang,
+En dichtere rijen volgen, die van de grootsten in haar midden
+ stippen maken.
+
+Er is geen stilstand en nimmer kan er stilstand zijn,
+Indien ik, gij en de werelden en alles beneden en op haar
+ oppervlak zouden worden herleid tot een bleek gedobber in
+ het Al, 't zou niets hinderen op den duur,
+Wij zouden zeker opnieuw komen waar wij nu staan,
+En zeker zoover komen als wij gekomen zijn en dan verder
+ gaan en verder.
+
+Enkele quadrillioenen tijdperken, enkele octillioenen kubieke
+ mijlen brengen het Verband niet in gevaar of doen er
+ ongeduld binnensluipen,
+Zij zijn maar deelen, en alles is maar een deel.
+
+Zie zoover gij kunt, verder nog is onbegrensde ruimte,
+Reken zooveel gij kunt, daar is oneindige tijd omheen.
+
+Mijn samentreffen is bepaald, is zeker,
+De Heer zal mij wachten tot ik in volmaaktheid kom,
+De verheven Camerado, de ware liefdegever naar wien ik
+ smacht, zal ik ontmoeten.
+
+
+15.
+
+Ik weet mij behoort het beste van tijd en ruimte, en nooit
+ werd ik gemeten en nimmer zal ik gemeten worden.
+
+Ik voeteer een altijddurende reis (komt, luistert allen!)
+Mijn kenteekenen zijn een waterdichte mantel, sterke schoenen
+ en een boomtak tot staf,
+Geen mijner vrienden kan zijn rust in mijn stoel nemen,
+Ik heb geen stoel, geen kerk, geen filosofie,
+Ik leid niemand ten maaltijd, of naar de bibliotheek of naar
+ de Beurs,
+Maar ieder uwer, man of vrouw, leid ik op een bergtop,
+Mijn linkerhand kromt zich rond uw middel,
+En mijn rechterhand wijst op de landschappen der werelddeelen
+ en op den open heirweg.
+
+Noch ik, noch iemand anders kan dien weg voor U opgaan,
+Gij-zelf moet dien weg opgaan.
+
+Die weg is niet ver, die weg is licht te bereiken,
+Misschien bewandelt gij dien weg reeds van het oogenblik
+ uwer geboorte af, zonder het te weten,
+Misschien is die weg overal, te water en te land.
+
+Schouder uw ransel, lieve zoon, en ook ik zal mijn ransel
+ schouderen en laten wij haast maken om voort te komen,
+Wondervolle steden en vrije volken zullen wij op onze reis
+ bezoeken.
+
+Indien gij vermoeid zijt, geef mij dan beide lasten te dragen
+ en laat uw hand op mijn heup rusten,
+Ter zijner tijd zult gij mij denzelfden dienst bewijzen,
+Want als wij eenmaal dien weg zijn opgegaan zullen wij niet
+ weder rusten.
+
+Voor 't hedenmorgen daagde ben ik een heuvel opgegaan en
+ keek op naar den sterrenhemel,
+En ik zei tot mijn geest: _Wanneer wij een zullen geworden
+ zijn met gindsche werelden en één met het genot en de
+ kennis van alle dingen die zij bevatten, zullen wij dan zalig
+ zijn en voldaan?_
+En mijn geest zeide: _Neen, wij dringen enkel tot hunne hoogste
+ hoogten door om, daar voorbij, verder te streven._
+
+Ook gij stelt mij vragen en ik hoor U aan,
+Ik antwoord dat ik niet kan antwoorden, gij moet U-zelf de
+ verklaring geven.
+
+Zet U neer een poos lieve zoon,
+Hier is brood om te eten en hier is melk om te drinken,
+Maar zoodra gij slaapt en U-zelf dus vernieuwt in een zoet
+ kleed, kus ik U met een vaarwel-kus en open de deur
+ voor uw later vertrek.
+
+Lang genoeg hebt gij verachtelijke droomen gedroomd,
+Nu wasch ik U den slaap uit de oogen,
+En moet gij U gewennen aan den glans van het daglicht en
+ van elk uwer levensoogenblikken.
+
+Gij hebt lang genoeg schroomvallig gewaad en de plank
+ vastgehouden, die U met het land verbond,
+Nu begeer ik dat gij een kloek zwemmer zijt,
+Dat gij U midden in de golvende baren werpt, dan weer
+ opkomt, mij toeknikt, schatert en lachend het water uit
+ uwe haren doet spatten.
+
+
+16.
+
+Ik heb gezegd, dat de ziel niet meer is dan het lijf,
+En ik heb gezegd, dat het lijf niet meer is dan de ziel.
+En niets, God niet, is gewichtiger voor iemand dan zijn eigen
+ ik voor hem is,
+En wie ook een honderd meter vèr gaat zonder sympathie,
+ loopt in een doodskleed in zijn eigen begrafenisstoet,
+En ik en gij, zonder een cent op zak, wij mogen het beste
+ der aarde koopen,
+En die zijne oogen op U richt, of een boon in haar schel laat
+ zien maakt het onderwijs van alle tijden beschaamd,
+En daar is noch handel noch ambt of de jongeling die er zich
+ in begeeft kan er een held in worden,
+En daar is geen ding zoo klein of 't is een naaf voor de
+ wielen des Heelals,
+En ik zeg tot iederen man of vrouw; richt uw ziel onverschillig
+en rustig op tegenover een millioen Heelallen.
+
+En ik zeg tot de Menschheid: stel geen vragen ten opzichte
+ van God,
+Want ik die vragen stel ten opzichte van alles, stel geen
+ vragen ten opzichte van God,
+(Niet een enkele woordschikking kan zeggen hoe gerust ik
+ ben ten opzichte van God en van den Dood).
+
+Ik hoor en zie God in ieder ding, toch begrijp ik God in 't
+ geheel niet,
+Noch begrijp ik hoe daar een grooter wonder kan zijn dan
+ ik-zelf ben.
+
+Waarom zou ik wenschen God beter te zien dan ik Hem
+ dezen dag zie?
+Ik zie iets van God elk uur van een etmaal en elk oogenblik
+ van een uur,
+In de gezichten van mannen en vrouwen zie ik God en in mijn
+ eigen gezicht in den spiegel,
+Ik vind brieven van God in de straten en elke brief is
+ geteekend met Gods naam,
+En ik laat hen waar zij zijn, want ik weet dat waar ik ook ga,
+Ik anderen zal vinden eeuwiglijk en eeuwiglijk.
+
+
+17.
+
+En wat U betreft, Dood, en U bittere kus der sterflijkheid,
+ vergeefs tracht gij mij ongerust te maken.
+
+Zonder zich op zijn weg op te houden snelt de vroedmeester
+ naar zijn werk,
+Ik zie hoe de ervaren hand drukt, ontvangt, ondersteunt,
+Ik zie aandachtig toe aan de drempels dier uitnemend gewillige
+ deuren,
+En zie het uitlaten en merk op hoe verlichting wordt gegeven
+ en hoe het leven uitbreekt.
+
+En wat U betreft, Lijk, ik denk gij zijt een voortreffelijke
+ mest, maar hinderen doet dit mij niet,
+Ik ruik den zoeten geur der bloeiende witte rozen,
+Ik strek mij uit naar de gebladerde lippen, ik strek mij uit
+ naar de gladde borsten der meloenen.
+
+En wat U betreft, Leven, ik denk gij zijt de erfenis van
+ velerlei dood,
+(En zonder twijfel ben ik-zelf vroeger reeds tienduizenden
+ malen gestorven.)
+Ik hoor uw gefluister o hemelsche sterren,
+O zon--o gras van graven--o eindeloos overbrengen en
+ bevorderen,
+Indien gij niets zegt, hoe kan ik dan iets zeggen?
+
+Van de troebele poel in het herfstbosch,
+Van de maan die steile schachten in de suizende schemering
+ doet glanzen,
+Valt vonkels van dag en duister--valt op de zwarte stammen
+ die in de drab vergaan,
+Verlicht het klagelijk gefluister der verdorde rompen.
+
+Ik stijg hooger dan de maan, hooger dan de nacht,
+Ik ontdek dat de doodsbleeke schemer een weerschijn is van
+ de middagzonnestralen,
+En goed doet aan het hechtste en middenste van alle leven,
+ groot of klein.
+
+
+18.
+
+Verleden en heden wijken naar achteren--ik heb er aan
+ gegeven, ik heb er aan ontleend,
+Nu arbeid ik door en vervul den arbeid van de toekomst.
+
+Gij daar die naar mij luistert! Wat hebt gij mij toe te vertrouwen?
+Zie mij in het gezicht, terwijl ik de avondlucht inadem,
+(Spreek eerlijk, niemand anders luistert, en ik wil een minuut
+ langer toeven.)
+
+Spreek ik mij-zelf tegen?
+Zeer goed, dan spreek ik mij-zelf tegen.
+Ik ben breed, ik omvat veelheden.
+
+Ik richt mij tot hen die mij na zijn, ik wacht op den dorpel.
+
+Wie heeft zijn dagtaak verricht? Wie zal 't eerste klaar zijn
+ met zijn avondmaal?
+Wie wenscht met mij te gaan?
+
+Wilt gij spreken voor ik zal vertrokken zijn? Wilt gij zeggen
+ dat 't reeds te laat is?
+
+
+19.
+
+De gevlekte valk strijkt neer en beschuldigt mij, hij beklaagt
+ zich over mijn gesnap en getalm.
+
+Ook ik ben niet in 't minste getemd, ook ik ben onverklaarbaar,
+Ik doe mijn wilde kreten galmen over de daken der wereld.
+
+De laatste wolkenvlucht van den dag houdt zich voor mij op,
+Zij is een beeld van mij zoo gelijkend als eenig beeld kan zijn,
+Het vleit mij dat ik damp ben en stof.
+
+Ik ga heen als lucht, ik schud mijn witte lokken bij het wegsnellen
+ van de zon,
+Mijn vleesch wordt damp en drijft weg in sierlijk-gewaaide
+ vlokken.
+
+Ik vermaak mij-zelf aan het slijk om er het gras uit te laten
+ groeien dat ik liefheb,
+Indien gij mij opnieuw mocht wenschen te zien, zie dan naar
+ mij uit onder uwe voeten.
+
+Gij zult nauwelijks kunnen weten wie ik ben of wat ik bedoel,
+Maar niettemin zal ik U welzijn schenken,
+En uw bloed zuiveren en krachtig maken.
+En indien gij mij aanvankelijk niet mocht kunnen vinden,
+ verlies den moed niet,
+Onderzoek dan, na de eene, de andere plaats,
+Ergens toef ik en ergens wacht ik op U.
+
+
+
+
+UIT: ADAMSKINDEREN
+
+
+EEN UUR VAN WOEST GENOT
+
+Een uur van woest genot, O geweldig! O laat mij bandeloos
+ wezen!
+(Hoe komt 't toch dat ik mij in stormen zoo vrij gevoel?
+Wat beteekent toch mijn gejuich onder het lichten des
+ bliksems en het woeden der winden?)
+O laat mij meer van de mystieke deliria drinken dan eenig
+ ander man!
+O wilde en teedere pijnen! (Ik vermaak ze U mijn kinderen,
+Ik deel ze gaarne aan U mede o bruidegom en bruid.)
+O laat me mij aan U overgeven wie gij ook zijt en gij geef U
+ over aan mij ten trots van de wereld!
+O laat ik teruggaan naar het Paradijs! O schaamte en Vrouw!
+O laat ik U tegen mij aandrukken om op uwe lippen voor 't
+ eerst de kussen te planten van een zelfbewusten man.
+
+O, het raadsel, de drievoudig-gelegde knoop, de diepe, duistere
+ afgrond, alles ontbonden en verlicht!
+O ik wil heensnellen waar ik eindelijk ruimte en lucht genoeg
+ vind!
+Ik wil vrijgemaakt zijn van vroegere banden en vooroordeelen,
+ ik van de mijnen zoo goed als gij van de uwen!
+Ik begeer een nieuw en ongekend vrijmoedig omgaan met het
+ beste van natuur!
+Ik wil de beklemming van onzen mond losgemaakt hebben!
+Heden of morgen het gevoel bezitten: ik ben genoegzaam
+ zooals ik ben.
+
+O geef mij iets nog onbewezens! iets in een verrukking des
+ geestes!
+Laat mij geheel ontsnappen aan de ankers en de grepen van
+ anderen!
+Vrij te drijven! vrij te leven! zorgeloos gevaarvol door te
+ slaan!
+
+Verdelging aan te zien met hoon en haar te lokken!
+Op te stijgen tegen de hemelen der liefde waarvan ik droom,
+ er tegen op te tuimelen!
+En steeds hooger te klimmen met mijn liefdedronken ziel!
+Verloren te gaan indien dat zijn moet!
+Het geheele verdere leven te voeden met een uur van volkomen
+ zaligheid en vrijheid!
+Met een kort uur van woest genot.
+
+
+OER-MOMENTEN
+
+Oer-momenten--wanneer gij over mij heen gaat--o reeds
+ komt gij weer,
+Geeft mij nu enkel het genot van wellust,
+Geeft mij den drank mijner hartstochten, geeft mij welig, wild
+ leven,
+Heden ben ik de metgezel van de lievelingen der natuur,
+ hedennacht tevens,
+Ik behoor tot hen die gelooven in den vrijen wellust, ik neem
+ deel aan de nachtelijke orgieën van jonge mannen,
+Ik dans met wie dansen en drink met wie drinken,
+De echo's weergalmen ons ontuchtig gezang, ik neem een
+ diepgevallene tot liefsten vriend,
+Hij moet een wetschender zijn, ruw, ongeletterd, hij moet
+ iemand zijn door anderen veroordeeld om bedreven daden,
+Ik wil niet langer veinzen, waarom zou ik vèr blijven van hen
+ die mijn ware makkers zijn?
+O gij geschuwden, ik ten minste houd mij niet verre van U,
+Ik begeef mij oogenblikkelijk in uw midden, ik zal uw dichter
+ zijn.
+Voor U zal ik meer zijn dan voor een der anderen.
+
+
+
+
+UIT: CALAMUS
+
+
+OP ONBETREDEN PADEN
+
+Op onbetreden paden,
+In het gewas der poelzoomen,
+Ontsnapt aan het leven dat zich bloot geeft,
+Aan alle standaardmaten, die tot nu algemeen golden, aan de
+ genoegens, voordeelen, gelijkvormigheid,
+Waarmee ik te lang mijn ziel heb trachten te voeden,
+Duidelijk nu voor mij dat er een eerlijke maat is nog niet
+ algemeen aanvaard, duidelijk mij nu dat mijn ziel,
+Dat de ziel van den man voor wien ik spreek welbehagen
+ vindt in zijne gezellen,
+Hier in eenzaamheid, weg van het gedruisch der wereld,
+Leg ik den kerfstok aan en hoor ik mij toespreken door welgeurende
+ lippen,
+Niet langer beschaamd (want op deze afgelegen plek kan ik
+ antwoorden wat ik elders niet zou hebben durven zeggen.)
+Krachtig in mij het leven dat zich niet vertoont en toch al het
+ andere omvat,
+Vast besloten heden geen andere zangen te zingen dan die
+ van mannelijke gehechtheid,
+En neem mij voor ze door geheel mijn aardsche leven te doen
+ hooren,
+Voortaan zal ik het voorbeeld geven van athletische liefde,
+Op den namiddag van deze lieflijke Negende Maand van mijn
+ een en veertigste jaar,
+Begin ik mijn arbeid voor allen die jonge mannen zijn of
+ geweest zijn,
+Ik zal het geheim vertellen van mijne nachten en dagen,...
+Ik zal de noodzaak van makkers loven.
+
+
+WIE GIJ OOK ZIJT DIE MIJ NU VASTHOUDT
+
+Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt,
+Indien gij mist wat gij boven alles behoeft is al wat gij doet
+ nutteloos,
+Ernstig waarschuw ik U voor gij dieper in mij doordringt,
+Ik ben niet zooals gij mij dacht maar heel anders.
+
+Wie is hij die mijn volgeling wilde worden?
+Wie wilde mij toonen naar mijn liefde te dingen?
+
+De weg is gevaarlijk, het einde onzeker, misschien ondergang,
+Gij zult al 't andere moeten opgeven, ik alleen zal eenig en
+ alleen den standaard moeten zijn waaraan gij U meet,
+Ook dan zal uw discipelschap lang duren en uwe krachten
+ uitputten,
+Al wat er in uw leven aan leer is en al wat uw leven gelijk
+ maakt aan de levens om U heen zult gij moeten opgeven,
+Daarom laat nu van mij af voor dat uw leven nog erger door
+ mij wordt verontrust, laat uw hand vallen van mijne
+ schouders,
+Laat mij mijn weg gaan en ga gij den uwe.
+
+Zoo niet, kom ga dan stil met mij in de woudeenzaamheid,
+ waar ik U zal beproeven,
+Of achter een rots in de open lucht,
+(Want in geen bedekte ruimte van eenig huis verschijn ik U,
+ noch zult gij mij in gezelschappen zien,
+En in bibliotheken ben ik als een stomme, als een zot, of een
+ ongeborene of een gestorvene),
+Of mogelijk met U op een hoogen heuvel, waar wij eerst
+ zullen uitturen dat niemand voor mijlen in 't rond ons onbemerkt
+ kan naderen,
+Of te zeilen met U, of met U van het zeestrand af op een stil
+ eiland,
+Daar veroorloof ik U uwe lippen op de mijne te drukken,
+Met de langbezielde kus van den makker of met de kus van
+ den jongen echtgenoot,
+Want ik ben de jonge echtgenoot en ik ben de makker.
+Of zoo gij wilt, en mij vertrouwt onder uw kleed,
+Waar ik het kloppen van uw hart mag voelen of rusten mag
+ op uw heup,
+Neem mij dan met U als gij landen en zeeën oversteekt;
+Want U aldus enkel te beroeren is mij goed, is mij lief,
+En dus U beroerende wenschte ik zachtekens in te slapen en
+ gedragen te worden eeuwiglijk.
+
+Maar indien gij U drenkt met het levenssap dezer halmen,
+ zal er gevaar voor U zijn,
+Want noch deze halmen noch mij zult gij verstaan,
+De geest dezer halmen zal U bij het begin ontsnappen en
+ steeds meer en meer ontsnappen, ik zal U zekerlijk ontgaan,
+Zelfs terwijl gij zult denken, dat gij mij twijfelloos gevat
+ haddet, zie dan toe!
+Reeds dadelijk merkt gij dat ik U ontgaan ben.
+
+Want 't is niet ter wille van wat ik er in heb nedergelegd, dat
+ ik dit boek heb geschreven,
+Evenmin zult gij het bezitten terwijl gij mij leest,
+Evenmin kennen zij mij 't best die mij bewonderen en mij
+ hoogdravend prijzen,
+Evenmin zullen zij die dingen naar mijn liefde (tenzij op zijn
+ best een zeer gering getal) die liefde winnen,
+Evenmin zullen mijne gedichten enkel goed doen, zij zullen
+ even veel kwaad doen als goed en meer nog misschien,
+Want alles is te vergeefs zonder dat waarop ik zinspeel en
+ waarnaar gij menigmaal kunt raden zonder het te vatten;
+Daarom verlaat mij nu het nog tijd is en ga uw weg.
+
+
+NIET ENKEL IN WAT IK MIJ VAN DE BORST WERP
+
+Niet enkel in wat ik mij van de borst werp,
+Niet in mijn zuchten, in mijn wanhoop 's nachts, als ik in
+ strijd ben met mijzelf,
+Niet in die lange, kwalijk onderdrukte bange zuchten,
+Niet in de vele eeden en beloften die ik brak,
+Niet in het krachtige en ontembare willen van mijn ziel,
+Niet in de ijle levenskracht der lucht,
+Niet in dit kloppen em bonzen van mijne slapen en polsen,
+Niet in dat wonderbare samentrekken en uitzetten in mijn
+binnenste, dat eenmaal zal ophouden,
+Niet in de vele wellustige wenschen die ik enkel aan de wolken
+ heb toevertrouwd,
+Niet in de kreten, het gelach, de verwenschingen door mij
+ uitgestooten als ik diep in de wildernissen alleen was,
+Niet in het schor gehijg door vastgeklemde tanden,
+Niet in klinkende en weêrklinkende woorden, kakelwoorden,
+ echo's daarvan, doode woorden,
+Niet in het gemurmer mijner droomen terwijl ik slaap,
+Noch in dat andere gemurmer dier ongelooflijke droomen van
+ elken dag,
+Noch in de leden en zinnen van mijn lijf, die U voortdurend
+ aannemen en verstooten--niet dààrin,
+Niet in een hunner noch in allen, O aantrekkingskracht! O
+ mijns levens polsslag!
+Wensch ik dat gij meer wordt gevonden of meer U-zelf bewijst
+ dan in deze zangen.
+
+
+DE VREESELIJKE TWIJFEL VAN DEN SCHIJN
+
+De vreeselijke twijfel van den schijn,
+De onzekerheid ten slotte dat wij misschien misleid worden,
+Dat misschien vertrouwen en hoop slechts hersenschimmen zijn,
+Dat misschien het identieke leven aan gene zijde des grafs
+ slechts een mooie fabel is.
+Misschien de dingen die ik waarneem, dieren, planten, menschen,
+ heuvelen, weerspiegelende en vloeiende wateren,
+De luchten van dag en nacht, kleuren, het vaste, en de vormen
+ slechts verschijningen (zooals ook zonder twijfel het geval
+ is) en wat zij werkelijk zijn nog onbekend,
+(Hoe vaak treden zij uit zich-zelven naar voren als wilden zij
+ mij verlegen maken en mij bespotten!
+Hoe vaak denk ik, dat ik noch iemand het geringste van hen
+ weet,)
+Dat misschien hun schijn dien ik van mijn tegenwoordig
+ standpunt zie (en die schijn tenminste is zeker) indien ik op
+ een geheel ander standpunt naar hen uitzie zal blijken
+ anders te wezen (zooals die schijn dan ook even zeker
+ anders zal zijn) en niets gemeen te hebben met den schijn
+ van nu of in 't geheel niets is;
+Deze en dergelijke vragen worden wonderbaar beantwoord
+ door hen die mij liefhebben, mijn lieve vrienden,
+Wanneer hij die mij liefheeft met mij reist of langen tijd
+ naast mij zit, terwijl hij mijn hand in de zijne houdt,
+Als de ijle lucht, de ontastbaarheid, de zin dien woorden en
+ redenen niet bevatten ons omringt en in ons doordringt,
+Dan ben ik zalig van ongezegde en niet te zeggen wijsheid,
+ ik ben stil en vraag niets meer,
+Wel kan ik de vraag van zijn en schijnen of die van het
+ identieke leven aan gene zijde des grafs niet beantwoorden,
+Maar ik ga voort of zit neder en stoor er mij niet verder aan,
+ ik ben tevreden,
+Hij die mijn hand in de zijne houdt heeft mij volkomen
+ bevredigd.
+
+
+GIJ DIE GETUIGEN ZULT IN DE VOLGENDE EEUWEN
+
+Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen,
+Komt, ik wil U vertrouwen in het innigste onder dit onlijdelijk
+ uiterlijk, ik zal U zeggen hoe gij mij heeten moet,
+Noem mijn naam en hang mijn beeltenis op als van den man
+ die de teederste minnaar was,
+Het portret van den vriend, den liefdezoeker, die door zijn
+ vriend, zijn liefdezoeker zeer teeder werd bemind,
+Die zich niet verhief op zijne zangen maar wel op de onmetelijke
+ zee van liefde in zijn ziel, die hij mildelijk uitstortte,
+Die vaak in groote verlatenheid waarde en dan dacht aan
+ zijne lieve vrienden, aan die hem lief hadden,
+Die vèr verwijderd van hem dien hij liefhad peinsde in slapelooze
+ nachten, vol onvoldaanheid,
+Die maar al te goed de pijnlijke, pijnlijke vrees kende, dat hij
+ hem dien hij liefhad toch heimelijk onverschillig was,
+Wiens gelukkigste dagen die waren als, in de verte van alles,
+ in velden, wouden en op heuvels, hij en een ander wandelden
+ hand in hand, zij tweeën alleen, van andere menschen
+ verwijderd,
+Die vaak in de straten drentelde zijn arm gebogen over den
+ schouder van zijn vriend, terwijl de arm van zijn vriend
+ op zijn schouder rustte.
+
+
+TOEN IK DEN AVONDSTOND HOORDE
+
+ Toen ik in den avondstond hoorde dat mijn naam in het
+ Capitool met toejuichingen was ontvangen, was voor mij de
+ nacht die volgde toch geen nacht van geluk,
+En later in welslagen of wanneer mijn voornemens verwerkelijkt
+ waren, was ik toch niet gelukkig,
+Maar de dag dat ik mij met zonsopgang van mijn bed verhief
+ volkomen gezond, verfrischt, zingende, ademende den
+ rijpen herfstadem,
+Toen ik ten Westen de volle maan zag verbleeken en in het
+ morgenlicht verdwijnen,
+Toen ik alleen over het strand wandelde en, ontkleed,
+ baadde, dartelend met de koele wateren en de zon zag
+ opstijgen,
+En toen ik dacht dat mijn lieve vriend, die mij teeder liefheeft,
+ op weg was naar mij toe, o toen was ik gelukkig,
+O toen smaakte elke bete mij zoeter en dien geheelen dag
+ voedde mijn brood mij beter en die heerlijke dag ging heerlijk
+ voorbij,
+En de volgende kwam met gelijke vreugd en met den volgende,
+ 's avonds, kwam mijn vriend,
+En dien nacht, toen alles rondom stil was, hoorde ik de
+ wateren langzaam rollen, rollen op het strand,
+Ik hoorde het gierend ruischen van water en zand die fluisterend
+ op mij toekwamen, om mij geluk te wenschen,
+Want hij dien ik boven alles liefheb lag slapend aan mijn
+ zijde onder hetzelfde dek in den koelen nacht,
+In de nachtstilte, in den herfstmaneschijn was zijn gezicht
+ naar mij toegekeerd,
+En zijn arm lag zachtkens over mijn borst--en die nacht
+ was een nacht van geluk.
+
+
+VIND IK IN U OPNIEUW EEN HART DAT ZICH DOOR MIJ VOELT AANGETROKKEN?
+
+Vind ik in U opnieuw een hart dat zich door mij voelt aangetrokken?
+Laat ik U dan dadelijk waarschuwen, ik ben zeker heel
+ anders dan gij denkt;
+Denkt gij dat gij in mij uw ideaal zult vinden?
+Denkt gij dat 't zoo gemakkelijk is mijn liefde te winnen?
+Denkt gij dat mijn vriendschap U onvermengde voldoening
+ zou schenken?
+Denkt gij dat ik geloofwaardig ben en getrouw?
+Ziet gij dan niet dieper dan den schijn, niet beneden mijne
+ zachte en verdraagzame woorden?
+Gelooft gij dat ge met uwe voeten op de werkelijkheid voortschrijdt
+ naar een werkelijken held?
+Is niet wel eens de gedachte in U op gekomen, o Droomer,
+ dat dit alles misschien niets is dan maya, illusie.
+
+
+IK ZAG IN LOUISIANA EEN LEVENSEIK
+
+Ik zag in Louisiana een levenseik,
+Hij stond ganschelijk alleen en het mos hing neer van zijne
+ takken,
+Hij leefde daar zonder een enkelen kameraad, toch uitte hij
+ zich in blijde donkergroene bladen,
+En zijn uitzien ruw, vrij en krachtig deed mij denken aan
+ mij-zelf,
+Toch verwonderde ik mij hoe hij zich in blijde bladen kon
+ uiten, daar in de eenzaamheid zonder een makker aan zijn
+ zijde, ik wist wel dat ik dit niet zou kunnen,
+En ik brak een twijg af met wat bladeren er aan en wond er
+ wat mos om,
+En nam haar mee en hing haar in mijn kamer op, zoodat ik er
+ altijd het oog op heb,
+'t Was niet noodig om mij steeds aan mijne lieve vrienden
+ te doen denken,
+(Want in den laatsten tijd, geloof ik, denk ik aan weinig
+ anders dan aan hen,)
+Toch blijft die twijg mij een wonderbaar zinnebeeld en doet
+ me aan mannelijke liefde denken;
+Hoe dan ook, die levenseik moge daar in Louisiana vroolijk
+ gedijen, alleenig in een groot vlak land,
+Hij moge zich kunnen uiten in blijde bladeren, terwijl hem
+ heel zijn leven lang geen vriend, geen die zijn liefde
+ zoekt nabij is,
+Ik weet maar al te goed dat ik 't niet zou kunnen.
+
+
+AAN EEN VREEMDE
+
+Voorbijgaande vreemdeling! gij weet niet hoe innig verlangend
+ ik U aanzie,
+Gij moet zijn hem dien ik zoek, of haar die ik zoek ('t komt
+ in mij als een droom)
+Ergens heb ik zeker een vreugdevol leven met U geleefd,
+Terwijl wij elkaar voorbijgaan fluïdisch, liefdedorstend, rein
+ en volwassen, herinner ik mij alles weer duidelijk,
+Gij groeidet met mij op, waart een knaap met mij of een
+ meisje met mij,
+Ik at met U en sliep met U, uw lichaam is niet enkel het
+ uwe gebleven noch heeft het mijne enkel het mijne laten
+ blijven,
+Gij geeft mij de vreugde van uwe oogen, gezicht, lijf, als wij
+ elkaar voorbijgaan, gij neemt in keer van mijn baard, borst,
+ handen,
+Het is mij niet vergund tot U te spreken, het is mij enkel
+ vergund aan U te denken als ik alleen ben of waak in den
+ eenzamen nacht,
+Ik moet op U wachten, ik twijfel er niet aan, dat 't mij vergund
+ zal zijn U eens opnieuw te ontmoeten,
+Ik moet oppassen dat ik U niet verlieze.
+
+
+IK HOOR DAAR WERD TEGEN MIJ GETUIGD
+
+Ik hoor daar werd tegen mij getuigd, dat ik instellingen door
+ de eeuwen gewijd zocht te vernietigen,
+Maar waarlijk ik ben noch voor noch tegen die door de
+ eeuwen gewijde instellingen,
+(Wat toch heb ik met ze gemeen of met de vernietiging
+ er van?)
+Ik wil slechts vestigen in de Mannahatta en in elke stad
+ dezer Staten, 't zij diep in het land of aan de zee,
+En in de velden en wouden en boven elke kiel klein of groot
+ die op de wateren dobbert,
+Zonder gebouwen of wetten of besturen of eenige belijdenis,
+De instelling van trouwe liefde tusschen kameraden.
+
+
+ALS IK EENS NAGA WAT ROEM IS
+
+Als ik eens naga wat roem is, roem van heldendaden, roem
+ van overwinningen door groote veldheeren bevochten, dan
+ benijd ik die veldheeren niet,
+En ik benijd evenmin den President in zijn presidentschap,
+ noch den rijkaard in zijn paleis,
+Maar wanneer ik hoor spreken over de broederschap van hen
+ die elkaar liefhebben, hoe zij leefden,
+Hoe zij zijde aan zijde gingen door het leven, door gevaren,
+ den blaam trotseerende, altijd vol liefde voor elkaar, heel
+ den langen weg,
+Van jeugd tot manzijn en van manzijn tot grijsheid, hoe fier
+ zij waren in hun liefde, hoezeer elkaar genegen en getrouw,
+Dan word' ik stil--ik ga haastig voort vervuld van den
+ bittersten nijd.
+
+
+SOMS, IN MIJN LIEFDE
+
+Soms, in mijn liefde, word ik vervuld van wanhoop, uit vrees
+ liefde uit te storten over een die mijn liefde niet beantwoordt,
+Maar nu denk ik, dat elke liefde beantwoord wordt, en dat
+ op een of andere wijs het loon zeker is,
+(Eens had ik vurig lief en werd mijn liefde niet beantwoord,
+Nu, door die liefde heb ik deze zangen geschreven.)
+
+
+
+
+UIT: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG
+
+
+1.
+
+Te voet en blijmoedig neem ik den open heirweg,
+Gezond, vrij, heel de wereld voor mij uit,
+De onafzienbare bruine weg voor mij uit, die mij brengt
+ overal waar ik wensch te gaan.
+
+Voortaan zal ik nimmer naar geluk vragen, ik heb geluk in
+ mijzelf,
+Voortaan zal ik niet meer klagen, niets meer verdagen,
+ voortaan zal ik mij niets voelen ontbreken,
+'t Is gedaan met in huiszitten en klagen, met boekenwijsheid,
+ met het nutteloos oordeel over anderen,
+Sterk en tevreden ga ik den open heirweg op.
+
+De aarde is mij voldoende,
+Ik begeer mij de sterren niet nader,
+Ik weet, wáár zij zijn is 't goed dat zij zijn,
+Ik weet, dat zij genoegzaam zijn hun wier leven van hun
+ leven is.
+
+Maar ook hier draag ik mijne oude lieve lasten met mij,
+Ik draag ze mee, mannen en vrouwen, ik draag ze mee overal
+ waar ik ga,
+Ik zweer U: 't is onmogelijk ze van mij af te schudden,
+Zij leven in mijn leven, en ik wil hun leven vervullen van
+ het mijne.
+
+
+2.
+
+Gij heirweg, dien ik nu betreed en waarover ik mijn oog
+ laat ronddwalen, ik geloof dat hier meer is dan het zichtbare,
+Ik geloof dat hier ook veel onzichtbaars is.
+Gij leert de moeilijke les van Al-ontvankelijkheid, gij kent
+ voorkeur noch uitzondering;
+De zwarte met zijn wollig hoofdhaar, de uitgestootene, de
+ melaatsche, de ongeletterde worden door U niet geweigerd;
+De geboorte, het haastig halen van den doctor, de strompelende
+ bedelaar, de waggelende dronkaard, de vroolijke
+ troep werklieden,
+De uitgelaten jeugd, de karos van den rijkaard, de pronker,
+ het vluchtende paar,
+De vroeg ter markt gaande man, de lijkwagen, de verhuiskar
+ naar stad, de wagen die uit de stad terugkomt,
+Zij gaan voort, aldus ga ook ik voort, geweerd wordt er
+ geen,
+Allen deelen in dezelfde ontvangst en mij zijn allen lief.
+
+
+3.
+
+Links en rechts wijdt de aarde zich uit,
+Een levend beeld van leven, alles in zijn beste licht,
+Natuurmuziek gehoord waar men haar wenscht te hooren en
+ onhoorbaar als de ziel aanschouwen wil,
+De blijde stem van den open heirweg en de blijmoedige,
+ frissche ziel van dien weg.
+
+O, heirweg dien ik nu heb ingeslagen, zegt gij mij: _verlaat
+ mij niet?_
+Zegt gij mij: _Waag U niet--gij zijt verloren indien gij mij
+ verlaat?_
+Zegt gij mij: _Reeds ben ik welgebaand en drukbeloopen, geen
+ die mij niet roemt, houd U aan mij?_
+O heirweg, ik antwoord U: niet bevreesd ben ik U te verlaten,
+ maar ik heb U lief,
+Gij, beter dan ik 't doen kan, verklaart wat in mij is,
+Gij zult mij meer zijn dan mijn gedicht.
+
+Ik denk: alle heldendaden en alle vrije gedachten hebben
+ hun bezieling gevonden in de open lucht,
+Ik denk: hier toevende zou ik wonderen kunnen doen,
+Ik denk: wat ik ook op den heirweg ontmoete zal mij welkom
+ zijn en ieder die mij ziet zal mij liefhebben,
+Ik denk: ieder dien ik zie moet gelukkig zijn.
+
+
+4.
+
+Van dezen stond af verklaar ik mij los van limieten en
+ gedachte grenzen,
+Ik ga waar 't mij lijkt, geheel en volkomen mijn eigen
+ meester,
+Luister naar anderen, overweeg wat zij zeggen,
+Denk na, onderzoek, neem in mij op, bepeins,
+Maar ik maak mij vriendelijk doch met onwrikbaren wil los
+ uit den greep die mij zou willen vasthouden.
+
+Ik adem de ruimte met lange teugen in,
+Ik bezit Oost en West en ik bezit Noord en Zuid.
+
+Ik ben grooter, beter dan ik dacht,
+Ik wist niet, dat ik zoo rijk aan goedheid was.
+
+Alles lijkt mij schoon,
+Ik kan tot mannen en vrouwen zeggen en herhalen: gij hebt
+ mij zooveel goed gedaan, ik woû U hetzelfde doen,
+Wat ik op mijn weg zal vinden zal gelijkelijk voor U en voor
+ mij zijn,
+Op mijn weg zal ik aan mannen en vrouwen geven van
+ mij-zelf,
+Ik zal nieuwe vreugde en onstuimigheid in hen werpen,
+Wie mij verloochene, het zal mij niet bedroeven,
+Wie mij aanvaarde, hij of zij zal gezegend zijn en mij
+ zegenen.
+
+
+5.
+
+Indien thans een duizendtal volmaakte mannen verscheen
+ zou mij dat niet verbazen,
+Indien thans een duizendtal schoone vrouwengestalten verscheen
+ zou dat mij niet verwonderen.
+
+Thans ken ik het geheim om voortreffelijke menschen te
+ gewinnen:
+Het is te leven in de open lucht en te eten en te slapen
+ met de aarde.
+
+Hier heeft een groote persoonlijke daad ruimte,
+(Zulk een daad legt beslag op de harten van heel het menschelijk
+ geslacht,
+De uitvloeiing van haar kracht en wil breekt de wet en
+ bespot alle gezag en redenen die zich tegen haar mochten
+ willen kanten).
+
+Hier is de toetssteen der wijsheid,
+Wijsheid wordt niet in de scholen getoetst,
+Wijsheid kan niet worden overgedragen van den een die
+ haar bezit op den ander die haar niet bezit,
+Wijsheid is ziel, wijsheid laat zich niet toetsen, maar toetst
+ zelf,
+Zij doordringt zich van alle tijden, dingen, eigenschappen en
+ is voldaan,
+Zij is de zekerheid van wat waar en onvergankelijk is in
+ 't leven en van wat volkomen is in 't leven,
+Er is iets in de veelheid der zichtbare dingen dat haar
+ oproept uit de ziel.
+
+Nu onderzoek ik opnieuw de religiën en de wijsbegeerten,
+Zij kunnen voortreffelijk zijn in collegiezalen en toch niets
+ bewijzen onder de uitgestrekte wolken en langs het landschap
+ en de vloeiende stroomen.
+
+Hier is werkelijkheid,
+Hier is een mensch--hier openbaart hij wat er in hem is,
+Het verleden, de toekomst, majesteit, liefde--indien zij
+ niet van U zijn vervuld, zijt gij niet van hen vervuld.
+
+
+6.
+
+Hier is de uitvloeiing der Ziel,
+Wat uit de ziel vloeit komt uit het binnenste door bloembekranste
+ poorten en stelt vragen steeds.
+Waarom toch dat smachten? Waarom toch dat gepeins in
+ stikdonkeren nacht?
+Waarom toch zijn er mannen en vrouwen, die als zij dicht bij
+ mij zijn zonnelicht en zonnewarmte in mijn bloed doen
+ vloeien, waardoor het zich uitzet?
+Waarom toch, wanneer zij mij verlaten, hangen mijne vreugdevanen
+ slap en plat neer?
+Waarom toch zijn er boomen onder wier gebladert ik nooit
+ wandel of verheven en melodieuze gedachten dalen in mij
+ neer!
+(Ik denk, dat zij daar winter en zomer aan die boomen
+ bloeien en als rijpe vruchten afvallen als ik voorbijkom;)
+Wat ruil ik toch zoo plotseling met vreemden?
+Wat met dien koetsier als ik op den bok aan zijn zijde zit?
+Wat met dien visscher die aan de kust zijn zegen uitwerpt,
+ terwijl ik in 't voorbijgaan een oogenblik blijf kijken?
+Wat geeft mij een zoo vrij beroep op de welwillendheid van
+ die vrouw of dien man? Wat geeft hun een zoo vrij beroep
+ op de mijne?
+
+
+7.
+
+Wat uit de ziel vloeit is geluk, hier is geluk,
+Ik denk het vervult de open lucht en is van allen tijde,
+Nu vloeit het op ons aan en zijn wij er welzalig van.
+
+Hier stijgt het fluïdum op, hier wast de zielegehechtheid,
+Het fluïdum en de zielegehechtheid is de frischheid en de
+ bekoring van man en vrouw,
+(Het ochtendstondgras spruit niet frisscher en bekoorlijker
+ iederen dag uit eigen wortels voort, dan dezen voortspruiten,
+ frisch en bekoorlijk altijd, uit zich-zelf.)
+Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid vloeit van jong
+ en oud het liefdezweet,
+En als een regen daalt de verrukking die alle schoonheid en
+ rijkdom te boven gaat er uit neer,
+Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid zwelt het
+ smachten en sidderen van de pijn der gemeenschap,
+
+
+8.
+
+Allons! wie gij ook zijt, kom en reis mede!
+Met mij reizende zult gij vinden wat nimmer U vermoeit.
+De aarde vermoeit nimmer,
+De aarde is eerst ruw, zwijgzaam, onbegrijpelijk, de natuur is
+ eerst ruw en onbegrijpelijk,
+Zij niet moedeloos, geef niet op, daar zijn godsdingen diep
+ verborgen,
+Ik zweer U daar zijn godsdingen heerlijker dan woorden kunnen
+ zeggen.
+
+Allons! Wij moeten hier niet toeven,
+Hoe verlokkelijk deze overvloeden, hoe gemakkelijk deze
+ woningen zijn, wij kunnen hier niet blijven,
+Hoe veilig deze haven zij en hoe kalm deze wateren zijn, wij
+ mogen hier niet ankeren,
+Hoe welkom de gastvrijheid zij die ons omgeeft, slechts voor
+ een korte wijl is 't ons veroorloofd er van te genieten.
+
+
+9.
+
+Allons, de drang wordt krachtiger,
+Wij zullen onbekende en wilde zeeën bevaren,
+Wij zullen het gegier der winden en de stortvloeden der
+ golven trotseeren en gaan waar de Yankee-klipper voortsnelt
+ met volle zeilen.
+Allons! Met kracht, vrijheid, de aarde, de elementen,
+Gezondheid, moed, blijheid, zelf-achting, weetgierigheid;
+Allons! weg van alle evangeliën!
+Vooral weg van uwe evangeliën, O loensche materialistische
+ priesters.
+
+Die mummie blokkeert den doorgang--wij zullen met het
+ begraven niet langer wachten.
+
+
+10.
+
+Luister! Ik wil oprecht jegens U zijn,
+Ik loof niet de oude, smedige prijzen uit, maar ruwe, nieuwe
+ prijzen,
+Aldus de zelf-overwinningen die uw deel moeten zijn:
+Gij zult U niet ophoopen wat rijkdom genoemd wordt,
+Gij zult met kwistige hand uitdeelen wat gij wint of verkrijgt,
+Gij zult nauwelijks de stad bereikt hebben die het doel uwer
+ reis was, ter nauwernood hebt gij U er voldaan nedergezet,
+ of gij wordt opgeroepen door een onafwijsbaar bevel om
+ door te gaan,
+Gij zult U niet storen aan de ironische glimlachen en den spot
+ van hen die achterblijven,
+Welke liefdewenken gij ook ontvangt, gij moogt enkel antwoorden
+ met hartstochtelijke kussen van afscheid,
+Gij zult niet veroorloven, dat zij die de armen naar U uitstrekken
+ U vasthouden.
+
+
+11.
+
+Alles wijkt terug van den voortgang der zielen,
+Alle godsdienstvormen, alle tastbare dingen, kunsten, regeeringen--al
+ wat op deze of welke wereld ook zichtbaar was
+ of is trekt zich terug in nissen en gewelven voor de zielenprocessie
+ langs de verheven wegen des Heelals.
+
+Den voortgang der zielen van mannen en vrouwen langs de
+ verheven wegen des Heelals is alle andere voortgang enkel
+ toevoegsel en steun.
+
+Eeuwig leven, eeuwig voorwaarts,
+Statig, plechtig, droef, terughoudend, bespot, woedend, onstuimig,
+ zwak, onvoldaan,
+Wanhopig, trotsch, teeder, ziek, erkend door menschen, verloochend
+ door menschen,
+Zij gaan! Zij gaan! Ik weet dat zij gaan, maar ik weet niet
+ waarheen zij gaan,
+Toch weet ik dat zij heenwaarts gaan naar het beste--heenwaarts
+ naar iets verhevens.
+
+Wie gij ook zijt, kom mee! Man of vrouw kom mee!
+Gij moet daar niet staan druilen of leuteren in uw huis,
+ ofschoon gij het U bouwdet of het voor U gebouwd is.
+
+Weg uit den duisteren schuilhoek! Weg van achter het schut!
+Uwe maren zijn vergeefs, ik weet alles en openbaar alles.
+
+Zie door U heen, gij zijt zoo krank als de anderen,
+Zie door het lachen, het dansen, het feestvieren der menschen
+ heen,
+Zie onder hun kleed en sieraden, zie onder hunne gewasschen,
+ propere gezichten,
+Zie dan een geheime, stille walging en wanhoop.
+Geen echtgenoot, geen vrouw, geen vriend vertrouwd genoeg
+ om de belijdenis te ontvangen,
+Als een ander Ik, een dubbelganger van ieder, gaat het
+ schuilend en angstig door het leven,
+Vormloos en woordeloos gaat het door de straten der stad,
+ beschaafd en lief in de salons,
+In spoorwagens, op stoombooten, in openbare bijeenkomsten,
+Thuis in de woningen van mannen en vrouwen, aan tafel, in
+ het slaapvertrek, overal,
+Keurig versierd, beleefd-glimlachend, recht van houding: dood
+ in het hart, verdoemenis in het hoofd,
+Onder laken en handschoenen, onder linten en bloemen,
+Gebruiken nauwkeurig volgende, met geen syllabe sprekende
+ over zich-zelf,
+Sprekende van alle andere dingen ter wereld, maar nooit over
+ zich-zelf.
+
+
+12.
+
+Allons! door gevechten en door strijden!
+Het doel dat wij ons gesteld hebben kan niet worden ontgaan.
+
+Was het einde van vroeger strijden overwinning?
+Wat heeft overwonnen? Gij-zelf? Uw volk? de Natuur?
+Welaan, versta mij goed--de Voorzienigheid heeft in het
+ wezen der dingen de eeuwige wet gelegd, dat uit het genot
+ zelf der overwinning, 't hindert niet wat zij geldt, iets groeit,
+ dat een moeilijker strijd noodzakelijk maakt.
+
+Mijn roep is de roep ten strijde, ik kweek feitelijke rebellie,
+Hij die met mij gaat moet wel gewapend gaan,
+Hij die met mij gaat zal dikwijls karig voedsel, armoede, boosaardige
+ vijanden, verlatenheid vinden.
+
+
+13.
+
+Allons! De heirweg ligt voor ons open!
+Hij is veilig--ik heb hem beproefd--mijn eigen voeten
+ hebben hem lang en vaak betreden--blijf niet achter!
+Laat het papier liggen op de lessenaar onbeschreven en het
+ boek op de plank ongeopend!
+Laat de gereedschappen liggen in de werkplaats! laat het
+ geld ongeïnd!
+Laat de school voor wat zij is! Stoor U niet aan het geroep
+ des onderwijzers!
+Laat den prediker prediken in zijn preekstoel! laat den
+ advocaat pleiten in het Hof en den rechter de wet verklaren.
+
+Camerado, ik geef U mijn hand!
+Ik geef U mijn liefde oneindig kostelijker dan geld,
+Ik geef U mij-zelf buiten preek of wet om;
+Wilt gij U-zelf aan mij geven? Wilt gij de reis met mij
+ maken?
+Zullen wij te zamen en elkaar trouw blijven heel ons leven
+ lang?
+
+
+
+
+UIT: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT
+
+
+1.
+
+Vloedstroom daar omlaag! Ik zie U van aangezicht tot aangezicht!
+Wolken ten Westerhemel--gij daar, zon, ter halfuurshoogte--ook
+ U zie ik van aangezicht tot aangezicht.
+
+Menigten mannen en vrouwen in uw dagelijksch kleed, hoe
+ belangwekkend vind ik U!
+De honderden en honderden die op de veerbooten naar
+ Brooklyn oversteken om huiswaarts te keeren vind ik belangwekkender
+ dan zij kunnen denken,
+En gij allen die van oever tot oever zult oversteken in volgende
+ tijden, gij zijt mij meer, gij hebt grooter deel in mijn
+ gepeins dan gij kunt denken.
+
+
+2.
+
+Tijd noch plaats doet zich gelden--afstand geldt niet,
+Ik ben met U, gij mannen en vrouwen van de volgende generatie
+ of van alle volgende generatiën,
+Juist wat gij gevoelt wanneer gij rivier en hemel gadeslaat,
+ gevoelde ik,
+Juist zooals ieder uwer een mensch in een menigte menschen
+ is, was ik een mensch in een menigte menschen,
+Juist zooals gij U verkwikt gevoelt door het blijde leven van
+ de rivier en den schittervloed, gevoelde ik mij verkwikt,
+Juist zooals gij staat te leunen over de borstwering en toch
+ voortsnelt met den haastigen vloed, stond ik en snelde
+ voort,
+Juist zooals gij ziet naar de tallooze scheepsmasten en de
+ dikstammige schoorsteenen der booten, zag ik.
+Ook ik menig en menig keer stak de aloude rivier over,
+Sloeg de Twaalfde-maands zeemeeuwen gade, zag hen hoog
+ in de lucht drijven met beweginglooze vleugelen en wiegelende
+ lichamen,
+Zag hoe het glinstergeel lichtte op een deel hunner lichamen,
+ terwijl het overige in zwarte schaduw bleef,
+Zag ze in langzaam beschreven cirkels zachtkens in het
+ Zuiden dalen,
+Zag den weerschijn van zomerlicht in het water,
+Werd verblind soms door den glinsterenden zonnestroom,
+Keek naar de fijn uitsprankelende lichtspaken om de weerspiegeling
+ van mijn hoofd in het zonneweerkaatsende water,
+Keek naar den nevel over den rug der heuvels Zuidwaarts en
+ Zuidwestwaarts,
+Keek naar den stoomdamp in dikke violetgetinte vachten
+ heendrijvende,
+Keek in de richting van den beneden-baaij om de aankomst
+ der schepen te zien,
+Zag ze naderen, zag aan boord hen die mij na waren,
+Zag de witte zeilen der schoeners, zag de sloepen, zag de
+ schepen voor anker,
+De matrozen aan hun werk in het want of schrijlings op de
+ sparren,
+De ronde masten, de schommelende beweging van de kielen,
+ de ranke, kronkelende wimpels,
+De groote en kleine stoomers in vaart, de loodsen en de
+ loodshuizen,
+Het witte zog in de vaart achtergelaten, de snelle, sidderende
+ wenteling der raderen,
+De vlaggen aller natiën en hoe zij bij zonsondergang gestreken
+ werden,
+De uitgeschulpte golven in den schemer, het scheppen der
+ raderborden, het dartelende, glinsterende gekuif,
+Het verre verschiet dat steeds neveliger werd, de grauwe
+ muren van de steenen pakhuizen der dokken,
+Op de rivier het schemerachtig beweeg, de zware stoomsleepers
+ dicht naast elkaar aan weerskanten bij de sloepen,
+ de hooischepen, de door den nacht verraste lichters,
+Aan den naderenden oever de vuren der gieterij-schoorsteenen
+ hoog op en helder vlammend in den nacht,
+En hun flikkering van zwart en bloedrood en geel licht werpende
+ over de daken der huizen en omlaag in de straatspleten.
+
+
+3.
+
+Wat is de som der tientallen en honderdtallen jaren, die ons
+ scheiden?
+
+Wat het zij, het geldt niet, afstand noch tijd geldt.
+Ook ik leefde eens, het Brooklyn der breede heuvelen was
+ mijn Brooklyn,
+Ook ik liep in de straten van Manhattan-eiland en baadde in
+ de wateren die het omspoelen,
+Ook ik voelde die vreemde plotselinge vragen mijn binnenste
+ bewegen,
+Op den dag midden in de menigte kwamen zij in mij op,
+Als ik in den laten nacht huiswaarts ging, of in bed, kwamen
+ zij in mij op,
+Ook ik dobberde in den stroom der eeuwig onopgeloste
+ raadselen,
+Ook ik had de identiteit mijns lijfs ontvangen,
+Wat ik was wist ik was mijns lijfs en wat ik zou worden wist
+ ik, zou ik worden door het lijf.
+
+
+4.
+
+Niet enkel over U vallen schaduwen,
+Over mij ook zijn schaduwen gegaan,
+Het beste wat ik gedaan had leek mij ijdel en verdacht,
+Waren mijne gedachten die ik zoo verheven waande niet in
+ waarheid zeer onbeduidend?
+Evenmin zijt gij 't alleen die weet wat het is slecht te zijn,
+Ook ik wist, wat het is slecht te zijn,
+Ook ik verwarde mij in den eeuwigen knoop van tegenstrijdigheid,
+Leuterde, gevoelde schaamte, berouw, wangunst, ik loog
+ en stal,
+Was valsch, toornig, geil, had begeerten die ik zelfs niet
+ durfde uitspreken,
+Was grillig, ijdel, gulzig, bekrompen, sluw, lafhartig, boosaardig,
+De wolf, de slang, het zwijn leefden in mij,
+De steelsche blik, het ijdele woord, de overspelige wensch
+ leefde in mij,
+Weigering, haat, uitstel, laagheid, luiheid, dit alles ontbrak
+ mij niet,
+Ik was een met de anderen, was een met het leven en de
+ gebeurlijkheid van anderen,
+Ik werd bij mijn streelnaam toegeroepen door heldere, luide
+ stemmen van jonge mannen als zij mij zagen naderen of
+ voorbijgaan,
+Voelde hun arm om mijn nek als ik stond, of het achteloos
+ leunen van hun lichaam tegen het mijne als ik zat,
+Zag velen die ik liefhad in de straten of op de veerbooten of
+ in openbare bijeenkomsten en sprak hun toch met geen
+ woord van die liefde,
+Leefde hetzelfde leven der anderen, hetzelfde oude, lachende,
+ knagende, slapende leven,
+Speelde de rol die altijd den speler of de speelster zal blijven
+ nastaren,
+Altijd dezelfde oude rol, de rol die is wat wij er van maken,
+ zoo groot als wij wenschen,
+Of zoo klein als wij wenschen, of beiden groot en klein
+ tegelijk.
+
+
+5.
+
+O, wat kan mij ooit luistervoller en schooner zijn dan het
+ mastomboorde Manhattan?
+Rivier en zonsondergang en geschulpte golven van den vloedstroom?
+De zeemeeuwen en hunne wiegelende lichamen, het hooischip
+ in den schemer en den lichter in den nacht?
+Wat zijn heerlijker goden dan die mij de hand drukken en mij
+ met stemmen, lieflijk voor mijne ooren, luide en krachtig
+ bij mijn streelnaam toeroepen als ik voorbijga?
+Wat is teerder dan wat mij verbindt aan de vrouw of den
+ man die mij nu aanziet?
+En mij nu met U vereenigt en mijn ziel in de uwe doet leven?
+
+Want wij begrijpen elkander, doen we niet?
+Wat ik U beloofde zonder het te noemen, hebt gij dat niet
+ aanvaard?
+Wat de geleerdheid niet kan onderwijzen--wat het sermoen
+ niet kan vervullen, is nu vervuld, niet waar?
+
+
+6.
+
+Stroom voort, rivier! Zwel aan met den vloed, neem af met de
+ ebbe!
+Dartelt voort, gekuifde en geschulpte golven!
+Heerlijke wolken van zonsondergang! doordringt mij van uw
+ pracht, of de mannen en vrouwen van alle volgende
+ generatiën!
+Steekt over van oever tot oever, ontelbare menigten passagiers!
+Verheft U, hooge masten van Manhattan! Verheft U, schoone
+ heuvelen van Brooklyn!
+Klop, bedrogen en wonderlijk brein! Werp uw vragen en antwoorden
+ uit!
+Sleurt hier en overal met U voort, stroom van eeuwig onopgeloste
+ raadselen,
+Staart oogen van dorstende liefde, staart in huis of op straat
+ of in de openbare bijeenkomst!
+Klinkt op, stemmen van jonge mannen! roept mij luide en
+ welklinkend bij mijn speelnaam!
+Leef, oud leven! Speel de rol die hem of haar die speelt
+ eeuwig achterna staart,
+Speel de oude rol, de rol die groot is of klein, naar men
+ haar maken wil.
+Bedenk wel, gij die mij leest, of ik U niet onzichtbaar aanzie;
+Zij sterk, borstwering boven het water, steun hen die achteloos
+ tegen U aanleunen en zich toch met den stroom
+ meehaasten;
+Vliegt voort, zeevogels! Vliegt op uwe zijde of wentelt in
+ wijde cirkels hoog in de lucht;
+Weerkaats den zomerhemel, gij water en bewaart hem tot
+ aller neerziende oogen tijd hebben gehad U te zien,
+Sprankelt uit fijne zonnelichtspaken om de weerspiegeling in
+ het zonbeschenen water van mijn hoofd of ieders hoofd!
+Nadert schepen in den beneden-baaij! Vaart op en af witbezeilde
+ schoeners, sleepen, lichters!
+Praalt uit, aller natiën vlaggen! Wordt naar behooren gestreken
+ bij zonsondergang!
+Brandt uwe vuren hoog op, gij gieterij-schoorsteenen! Werpt
+ zwarte schaduwen in het vallen van den avond, werpt rood
+ en geel licht over de daken der huizen!
+Verschijnselen bewijst nu of in de toekomst wat gij zijt,
+Gij noodzakelijke nevel omhul de ziel,
+Voor mij om mijn lijf, voor U om uw lijf, geuren de goddelijkste
+ aroma's,
+Gedijt steden--brengt uwe ladingen, brengt uwe fiere
+ schouwspelen, breede en genoegzame wateren,
+Bloei op, Wezen dat misschien meer ziel heeft dan al wat leeft,
+Behoudt uwe plaatsen, dingen, duurzamer dan al het andere.
+
+Gij hebt gewacht, gij wacht altijd, stomme heerlijke getuigers,
+Wij nemen U gretig in ons op en toch blijven wij steeds
+ onverzadigd,
+Zoo abel zijt gij niet, dat gij ons kunt teleurstellen of U-zelven
+ buiten ons bereik houden,
+Wij nemen U in ons op en verwerpen U niet--wij bevestigen
+ U voor altijd in ons hart,
+Wij vademen U niet--wij hebben U lief--ook in U is volmaaktheid,
+Gij zijt ook een deel der eeuwigheid,
+Groot of klein, gij zijt een deel van de ziel.
+
+
+
+
+UIT: LIED VAN DE BREEDE BIJL
+
+
+Kracht, beleid en moed, dat is het hoogste!
+Wat het leven sterkt, sterkt tevens den dood,
+En de dooden zijn in de processie des levens even goed als
+ de levenden zelf,
+En de zekerheid der toekomst staat even rotsvast als die
+ van het heden,
+Want de teelkracht der aarde en der menschheid is hetzelfde
+ als de ziel der aarde en der menschheid,
+En niets is blijvender dan de kracht die een man stempelt
+ tot man.
+
+Wat, denkt gij, is blijvend?
+Denkt gij, dat een groote stad blijvend is?
+Of een staat, waarin de nijverheid bloeit? Of een weldoorwrochte
+ constitutie? of de best-gebouwde stoomschepen?
+Of huizen van graniet en ijzer? Of chef-d'oeuvres van werktuigkunde,
+ vestingbouw, verdediging?
+
+Weg er mede! Dit alles leeft geen eigen leven, dat tot liefhebben
+ bezielt.
+O zeker, zij vervullen hun uur, alzoo ook dansen de dansers
+ en pijpen de pijpers voor hen,
+Hun schoonheid gaat voorbij, zij doen wat zij moeten doen,
+Dit alles doet wat het moet doen tot het door een enkel
+ woord der Godheid in het namelooze wordt weggeslingerd.
+
+Dàt is de groote stad die de verhevenste mannen en vrouwen
+ bezit,
+Misschien bestaat zij uit wat vervallen hutten, toch is zij de
+ grootste stad van heel de wereld.
+
+Een groote stad is niet allereerst de plaats van groote werven,
+dokken, fabrieken, opslagen,
+Noch de plaats van den altijd-vernieuwden groet van baren
+ of van hen die het anker lichten voor het vertrek,
+Noch de plaats van de hoogste en kostbaarste gebouwen of
+ winkels waarin goederen van heel de aarde worden verkocht,
+Noch de plaats waar de beste bibliotheken en scholen te
+ vinden zijn, noch de plaats waar geld 't overvloedigst is,
+Noch de plaats met de talrijkste bevolking.
+
+De stad van redenaars en barden, die in natuur en arbeid
+ ziel en lichaam gestaald hebben,
+De stad die dezen liefheeft en verstaat en door dezen wederkeerig
+ wordt geliefd,
+Waar de nagedachtenis der helden wordt gehuldigd door het
+ gewone woord en de gewone daad en niet door monumenten
+ op de pleinen,
+Waar geestdrift en beleid ieder zijn tijd en gelegenheid
+ vindt,
+Waar de mannen en vrouwen lichtelijk denken over geschreven
+ wetten,
+Waar niemand een slaaf is en niemand een meester van
+ slaven,
+Waar de bevolking als een man op staat tegen de onbeperkte
+ vermetelheid van lieden die enkel kracht vinden
+ in den volkswil.
+Waar mannen en vrouwen wild van verontwaardiging opstorten,
+ zooals, op 't gefluit van den dood, de zee zwiepende
+ en rijtende baren opstort,
+Waar de achtbaarheid van het kleed altijd achterstaat bij de
+ achtbaarheid van het hart,
+Waar de burger steeds hoofd en ideaal is, en de President,
+ Mayor, gouverneur, en wie meer, betaalde dienaren,
+Waar den kinderen wordt onderwezen, dat zij de hoogste
+ wetten in de ziel vinden en naar dezen behooren te leven,
+Waar in handel en wandel een volkomen eerlijkheid wordt
+ toegepast,
+Waar de bespiegeling van het ongeziene wordt aangemoedigd,
+Waar vrouwen in optochten door de straten trekken naast
+ de mannen,
+Waar zij in openbare bijeenkomsten plaats nemen naast de
+ mannen;
+De stad van de trouwste vrienden, De Stad!
+De stad van het reine omgaan der seksen, De Stad!
+De stad van de gezondste vaders, De Stad!
+De stad van de best-belichaamde moeders, De Stad!,
+Dàt is de groote stad, dàt is De Stad!
+
+
+
+
+UIT: HET TENTOONSTELLINGSLIED
+
+
+1.
+
+(Ach, weinig bevroedt de arbeider,
+Hoe na zijn arbeid hem brengt tot God,
+Den liefdevollen arbeider van het Al en het Eeuwig).
+
+Niet enkel om uit het niet op te roepen, noch enkel om te
+ stichten,
+Maar wellicht om aan het verre te ontleenen wat reeds goed
+ gesticht is,
+En om er dan uw eigen karakter aan te geven, bezield en vrij,
+Om van de ruwe en trage oerkrachten der natuur brandstoffen
+ te maken voor het levensvuur der religie,
+Om minder af te wijzen en te vernietigen dan te aanvaarden,
+ te vereenigen, te verheffen,
+Om te gehoorzamen zoo goed als te bevelen, meer te volgen
+ dan voor te gaan,
+Ook dit alles leert ten slotte onze nieuwe wereld ons,
+De nieuwe wereld, maar hoe weinig nieuw inderdaad, hoezeer
+ de oude, oude wereld!
+
+Lang, zeer lang groeide het gras,
+Lang, zeer lang daalde de regen neder,
+Lang, zeer lang rolde de aardkloot om zijn as.
+
+
+2.
+
+Kom, Muze, keer Griekenland en Ionië den rug toe,
+Sla het boek dier onmetelijk overschatte gloriën dicht,
+Dat verhaal van Troye en van Achilles' toorn en van Aeneas',
+ Odysseus' zwerftochten,
+Schrijf "Verhuisd" en "Te huur" op de rotsen van uw
+ sneeuwbekruinden Parnassus,
+Doe dit ook te Jeruzalem, stel die kennisgeving hoog op de
+ poorten van Jaffa, en op den Moriah-berg,
+En hoog op de muren van uwe Duitsche, Fransche en Spaansche
+ burgten, uwe Italiaansche paleizen,
+Want een beter, vruchtbaarder, wijder levenskring, een onafzienbaar,
+ ongeploegd arbeidsveld wacht en roept U.
+
+
+3.
+
+Zij hoort en geeft aan onze roepstem gehoor,
+Of liever, zij volgt haar langgekoesterd begeeren,
+Zij komt door onweerstaanbare natuurlijke neiging gedreven!
+Ik hoor het ruischen van haar gewaad,
+Ik neem de ziel in mij op van haars adems lieflijken geur,
+Ik zie haar godinne-tred, haar wonderbaar oogenbeweeg,
+Als zij ommegaat en dit heerlijke schouwspel in 't rond ziet.
+
+Zij, de edelvrouw der edelvrouwen! Kan ik dan gelooven
+ wat ik zie?
+Kon geen dier antieke tempels, geen dier klassieke beeldgehouwen
+ haar langer bekoren?
+Konden de schimmen van Vergilius en Dante, noch de
+ myriaden heldenfamen, heldendichten, heldendaden haar
+ langer bezielen en boeien?
+Heeft zij allen verlaten om tot ons te komen?
+
+Ja, indien het niet te stout een beweren is, vrienden,
+Ik, zoo gij haar nog in het verleden waant, ik zie haar in
+ het heden en in ons midden;
+Vindt zij in ons heden niet alles wat haar het verleden
+ schonk en beter nog?
+Vindt zij ook niet hier de onsterflijke ziel der aarde en de
+ bezielende kracht van de daad, van de schoonheid, van
+ den heldenmoed?
+Wat haar vroeger bekoorde leeft niet meer, wat haar vroeger
+ bezielde bezielt haar niet meer,
+De heldendaden van het heden en de scheppingen van het
+ heden doen die van 't verleden vergeten,
+Niet meer klinkt haar stem, verstorven in de tijden, aan de
+ bronnen van Castalië,
+Zwijgend zijn de gebroken lippen der Egyptische sphinxen,
+ zwijgend al die pyramiden-graven die den tijd trotseerden,
+Voor altijd uit: het epos van Azië's en Europa's gehelmde
+ krijgers, de wilde roep der muzen zwijgt,
+Zwijgt! Voor altijd de roepstem van Calliope! Dood! Clio,
+ Melpomene, Thalia!
+Stil nu, de plechtige rhytmen van Una en Oriana, niemand
+ nu zoekt meer den Heiligen Graal,
+Jeruzalem, een handvol koude asch in de winden geworpen,
+De middernacht-duistere heiren der kruisvaarders verdwenen
+ voor het licht van den morgenstond,
+Amadis, Tancred namen slechts, Charlemagne, Roelant,
+ Olivier namen slechts,
+Palmerijn en de bietebouw vergeten, verdwenen het torengespiegel
+ in de wateren der Usk,
+Dood koning Arthur en zijne ridders, Merlijn en Lancelot en
+ Galahad heengegaan, weggetrokken allen als de ademwas
+ op glimmend staal,
+Dood! Dood! Voor ons en voor alle tijden dood, die eenmaal
+ zoo machtige wereld, die nu ledige, onbezielde schimmenwereld,
+Die gulden, verblindende wonderwereld met al hare heerlijke
+ legenden en mythen,
+Hare koningen en fiere kasteelen, hare priesters en strijdvaardige
+ ridders en schoone riddervrouwen,
+Dood, de lijken in de wade, in de rusting, gedekt door de
+ kroon, bijgezet in het knekelgewelf.
+Toen, in zijn koninklijke dicht, schalde Shakespeare hun
+ dood uit met de klaroen der eeuwen,
+En heeft Tennyson's liefelijk, droevig rijm den lijkzang gezongen.
+
+Ik zeg, vrienden, ik, zooal gij niet, zie de verheven zoekster,
+ ('t is waar, hoewel altijd dezelfde, sinds dien veel veranderd
+ op haar reis door eeuwen en landen,)
+En, bezield als ooit, streeft zij er naar ons te vinden, met
+ kracht haar weg banende dwars door de warreling heen,
+Niet afgeschrikt door het gegons der machines en de schrille
+ stoomfluit,
+Vindt zij draineer-pijpen, gazometers en fertilisators niet beneden
+ haar aandacht,
+Glimlachend, bekoord, blijkbaar besloten bij ons te blijven,
+Daar is zij! onze moeder, onze vrouw, onze zuster, en bereidt
+ ons middagmaal!
+
+
+4.
+
+Maar hoe? Weet ik niet langer hoe 't behoort?
+Ik leid de gast, O Columbia, uw huis binnen; (en wat anders
+ zou dan mijn levensdoel en dezer zangen doel zijn?)
+In naam der vrijheid een onsterflijk Welkom! Laat ons
+ juichen dat Europa tot ons komt!
+En in het altijd en eeuwig der toekomst zijt beiden mijne
+ lieve zusters, oude en nieuwe wereld.
+
+Vrees niet, Muze! Een echt nieuw leven en een echte nieuwe
+ tijd ontvangen U en zullen U bezielen,
+Ik beken u oprecht, mijn volk is een vreemd, een wonderlijk
+ volk, het doet zijn eigen nieuwe doen,
+Toch vindt gij er dezelfde oude menschheid in, dezelfde van
+ binnen en van buiten,
+Dezelfde gezichten en harten, hetzelfde gevoel, hetzelfde
+ smachten naar het onbereikbare,
+Dezelfde oude liefde, oude schoonheid, hetzelfde oude leven.
+
+
+5.
+
+Zwijge dan de verheerlijking van den oorlog, zwijge dan
+ oorlog zelf,
+Weg van mijn huiverend zien, en dat het nimmer terugkome,
+ dat veld vol zwart gebrande, verminkte lijken!
+Die onbeschrijflijke hel met stroomen bloeds, waar ontketende
+ tijgers en wolven, wier tong uit den muil hangt, geen
+ denkende menschen zich in verlustigen,
+En daarvoor: verheft U, strijd van denkende hoofden en
+ nijvere handen,
+Komt met onversaagde legerscharen, machinenbouwers,
+Kom met uwe vaandels, arbeid, laat hen dartelen op den
+ wind,
+Laat luide en klaar uwe trompetten schallen.
+
+Zwijge dan de oude roman!
+Zwijge novelle, spijt en spel van hovelingen,
+Zwijge het minnelied van suikerzoete rijmen, het lied dat
+ lusten en liefden van lediggangers bezingt,
+Enkel geschikt om gezongen te worden bij het banketteeren
+ in den nacht, als de late dansers huppelen op de maat
+ van vroolijke klanken,
+De ongezonde genoegens en buitensporige vermaken der
+ enkelen,
+In geuren, gloed en wijn, onder het schitterlicht der kaarsen.
+
+Voor U eerbiedwekkende, krachtige zusteren,
+Verhef ik mijn stem om kunst en dichter te bezielen voor
+ onderwerpen die hunner waardiger zijn dan dezen.
+Dat kunst en dichter het heden en de realiteit verheffen,
+Dat de dichter niet voor enkelen zinge, maar voor den middelmaat-mensch
+ en diens roem van dagelijkschen wandel
+ en handel,
+Dat hij in liederen roeme arbeid en het gistend leven, en hoe
+ dezen grootscher zijn dan alles,
+Dat hij bezinge den handenarbeid van ieder en allen, het
+ ploegen, wieden en graven,
+Het planten en kweeken van den boom, van den boomstruik,
+ het moesbed en de bloemen,
+De dichter zegge, dat iedere man zijn grootsche taak in het
+ leven heeft en vervult en iedere vrouw tevens;
+De dichter zegge: neem hamer en zaag ter hand en gevoel
+ U-zelf hoog,
+Hij zinge het lied van den timmerman, den stuc-werker, den
+ schilder,
+Het lied van den kleêrmaker en kleêrmaakster, van de
+ dienstmaagd, van den stalknecht en den portier,
+En vooral prijze hij het vernuft, dat het wasschen, koken en
+ reinigen helpt door kleine uitvinding,
+En vooral achte hij 't niet beneden zich-zelf de hand aan
+ den arbeid te leggen, welke ook.
+
+Ik zeg: ik breng U, Muze, heden en hier,
+Allen arbeid en allen plicht, verheven of gewoon,
+Ik breng U het zwoegen, het gezonde zwoegen in het zweet,
+ het eindeloos zwoegen zonder rust,
+Ik breng U de oude lasten van het werkzame leven en zijne
+ belangen en zijne vreugden,
+Het huisgezin, de bloedverwantschap, kinderen, man en
+ vrouw,
+De welvaart van het huis, het huis zelf en wat het huis
+ toebehoort,
+Levensmiddelen en het conserveeren van levensmiddelen,
+ door de scheikunde geholpen,
+En al wat den mensch sterk maakt, den gezonden man, de
+ gezonde vrouw, den volkomen lang levenden mensch,
+Wat dien mensch in dit leven gezondheid en geluk schenkt en
+ zijn ziel loutert,
+Voor het eeuwige toekomstige leven.
+
+Dàn de jongste paringen der volken, hun arbeid, het onderling
+ verkeer der werelddeelen,
+De stoomkracht, de sneltreinspoorwegen, gas en petroleum,
+Al deze triomfen van onzen tijd: de kabels van den Atlantischen
+ Oceaan,
+De Pacifiek-spoorwegen, het Suez-kanaal, de Mont-Cenis,
+ Gothard en Hoosac tunnels, de Brooklyn-brug,
+Deze geheele aarde door ijzeren banden omspannen, met de
+ stoomvaartlijnen die als draden over de zeeën zijn getrokken,
+Dezen wereldkloot in zijn tuimeling door het heelal breng
+ ik U.
+
+
+
+
+UIT: EEN LIED VOOR DEN ARBEID
+
+
+1.
+
+Een lied voor den arbeid!
+In den arbeid van machines en in den handarbeid en in den
+ arbeid op de velden vind ik de verklaring der godskrachten,
+Vind ik de godskracht zelf.
+
+Arbeiders en arbeidsters!
+Indien alle geleerdheid en haar nut en haar fraai mij ontstraalde,
+ zou dat dan veel zijn?
+Indien ik een geleerd professor, een liefdadig landheer, een
+ wijs staatsman ware, zou dat dan veel zijn?
+Indien ik U was wat de patroon is die U in dienst neemt en
+ betaalt, zou U dat bevredigen?
+
+De geleerde, de brave, de weldadige en dan nog dit: de
+ banaliteit,
+Neem een man als ik: geleerd, braaf noch weldadig misschien,
+ maar de banaliteit verre.
+
+Ik dienaar noch meester,
+Ik verlang niet eerder het vele dan het weinige, wie ook
+ van mij geniet, ik verlang slechts wat mij toekomt,
+Ik wil uw gelijke zijn en gij zult mijn gelijke zijn.
+Indien gij aan de werkbank staat in de werkplaats, sta ik U
+ zoo na als de naaste aan dezelfde bank,
+Indien gij uw broeder of liefsten vriend beschenkt vraag ik
+ van U hetzelfde als gij aan broeder of liefsten vriend
+ schenkt,
+Indien uw minnaar, man, vrouw u dag en nacht lief is, moet
+ ik persoonlijk U even lief zijn,
+Indien gij geschandvlekt, misdadig, ongelukkig wordt, zal ik
+ dat worden om uwentwil,
+Indien gij U uwe dwaze wetschennende daden herinnert,
+ zult gij dan denken dat ik mij niet herinner mijne eigen
+ dwaze, wetschennende daden?
+Indien gij in het drinkgelag aan tafel zit, zit ik in het
+ drinkgelag tegenover U aan die tafel,
+Indien gij een vreemde ontmoet in de straten en hem of
+ haar uw liefde schenkt, o ik ontmoet vele vreemden en
+ schenk hun mijn liefde,
+
+Nu, wat denkt gij dan van U-zelf?
+Hebt gij gering gedacht van U-zelf?
+Hebt gij den President hooger gesteld dan U-zelf?
+Of den rijke er beter aan toe dan gij? Of de geschoolde
+ wijzer dan gij?
+(Omdat uw gezicht vuil of puistig is, of omdat gij eens dronken
+ of een dief waart,
+Of omdat gij ziekelijk, of rheumatisch, of een lichtekooi zijt,
+Of omdat uw kracht gering is of gebroken, of omdat gij geen
+ vat vol geleerdheid zijt en uw naam nooit gedrukt hebt
+ gezien,
+Leidt gij daarvan af, dat gij iets minder onsterflijk zijt?)
+
+
+2.
+
+Zielen van mannen en vrouwen! U noem ik niet onzichtbaar,
+ onhoorbaar, ongevoelig en onvoelbaar,
+Ik zal mij niet bemoeien voor of tegen U te pleiten om uit
+ te maken of gij al dan niet bestaat,
+Ik erken openlijk wie gij zijt, al erkent niemand anders dat.
+
+Volwassen, halfwassen, kind, van dit volk of elk ander volk,
+ in huis of buitenshuis, ik zie in den een dezelfde waarde
+ als in den ander,
+En ik zie al het andere door hen heen en achter hen.
+
+Ik zie de vrouw en zij is geen zier minder dan haar man,
+Ik zie de dochter en zij is even goed als de zoon,
+Ik zie de moeder en zij is de volkomen gelijke van den
+ vader.
+
+Kinderen van den onwetende en den behoeftige, knapen die
+ opgeleid worden in een vak,
+Jonge mannen die bij den boer werken en oude mannen die
+ bij den boer werken,
+Matrozen, sjouwers, kustvaarders, landverhuizers,
+Ik zie ze allen en zij zijn mij na, ik zie ver weg anderen en
+ zij zijn mij na,
+Niet een ontgaat mij, en niet een wenscht mij te ontgaan.
+
+Ik breng U wat gij 't meeste behoeft en toch steeds hebt
+ bezeten,
+Het is geen geld, amours, kleed, eten, geleerdheid, maar het
+ is even goed,
+Ik zend geen zaakwaarnemer of tusschenman, bied U geen
+ wissel van de waarde aan, maar geef U de waarde zelf.
+
+Daar is iets dat den mensch invloeit nu en steeds,
+Niet in gedrukte woorden, noch in gepreekte of gepraten
+ woorden kan men 't vinden, het ontsnapt aan die woorden,
+Niet in een boek, niet in dit boek is 't te vinden,
+Wie gij ook zijt het is 't uwe, het 'is niet verder van U dan
+ uw gehoor of uw gezicht,
+Wat U het naaste, het gewoonste, het gereedste is spreekt er
+ U van en daaruit komt het U immer te gemoet.
+
+Lees in vele talen, toch leest gij hierover niets,
+Lees de Boodschap van den President en gij leest ook
+ daarin niets hier over,
+Niet in de rapporten van het Binnenlandsch Ministerie of
+ van het Ministerie van Financiën, niets in dagbladen of
+ weekbladen,
+Niets in de belasting- of pensioenberichten, niets in de prijsnoteeringen
+ of de mededeelingen van de Beurs.
+
+
+3.
+
+De zon en de kringloopende sterren in het firmament,
+De appelvormige aarde en wij met ons leven van die aarde,
+ het is grootsch in zijn eeuwig gedobber,
+Ik weet niet wàt het is behalve dat het grootsch is en dat
+ het geluk is,
+En dat de beteekenis van ons leven niet ligt in een bespiegeling
+ of een bon-mot of eenig onderzoek,
+En dat het niet iets is, dat bij geluk ten goede kan keeren
+ en bij ongeluk ons kan ontgaan,
+En niet iets, dat wij door een of andere omstandigheid
+ kunnen verliezen,
+Het licht en de schaduw, de wonderbare beteekenis van het
+ lichaam en zijn identiteit met de ziel, de tuk die met
+ volkomen bereidwilligheid alle aardsche dingen verslindt,
+De alomvattende fierheid en het kunnen van den mensch,
+ zijn onuitsprekelijke vreugden en smarten,
+Het wonder dat iedereen ziet in iedereen dien hij ziet en
+ de wonderen die elke minuut der komende tijden van zich
+ zullen vervullen,
+Wat is het doel van dit alles, dacht gij, Camerado?
+Dacht gij dat het enkel was voor uw handwerk of landwerk?
+ of voor de winsten van uw winkel?
+Of om U aan een of andere betrekking te helpen? Of voor
+ een spelletje in het beuzeluur van dezen heer en die
+ dame?
+Hebt gij gedacht dat het landschap leven, vorm en kleur had
+ enkel om in een schilderij geschilderd te worden?
+En dat de menschen leefden enkel opdat men hun leven
+ konde beschrijven of bezingen,
+Of dat de zwaartekracht en de natuurwetten en de harmonieuze
+ samenstelling van het Heelal en de luchtstroomingen
+ enkel waren om aan schoolmeesters geleerdheid te
+ verschaffen?
+Of dat het bruine land en de blauwe zee waren voor de
+ atlassen en de landkaarten?
+Of de sterren om in sterrengroepen verdeeld te worden en
+ dan aangeduid bij fantasie-namen?
+Of dat de groei en ontluiking der zaden zijn voor landbouwkundige
+ tabellen of den landbouw zelf?
+
+Oude instellingen, kunsten, boeken, verhalen en de vaardigheid
+ in een beroep, zullen wij dit alles hoog stellen?
+Zullen wij ons eigendom, onzen handel hoog stellen? Ik heb
+ er niets tegen.
+Ik stel dit alles even hoog als het hoogste--maar boven dit
+ hoogste stel ik het kind dat geboren wordt van eene
+ vrouw en een man.
+
+
+4.
+
+De som van al wat eerbied verdient tel ik op in U, wie gij
+ ook zijt,
+De President bevindt zich in het Witte Huis om uwentwil,
+ gij zijt niet hier ter wille van hem,
+De secretarissen arbeiden in hun bureaux voor U, gij arbeidt
+ niet voor hen,
+Het Congres vergadert elke Twaalfde Maand voor U,
+Wetten, hoven, staatsconstituties, stedelijke charters, het
+ komen en trekken van handel en verkeer, dit alles is
+ voor U.
+Luistert goed, lieve discipelen,
+Leer, staatkunde, beschaving vloeien uit U,
+Standbeelden en monumenten en alle roem-inschriften waar
+ ook zijn gehouwen in U,
+De waarde van geschiedenis en statistiek, zoo ver als haar
+ geest het verleden mag zijn doorgedrongen, bevindt zich
+ dit uur in U en die van mythen en verhalen evenzoo,
+Indien gij op dit oogenblik geen adem haddet en geen
+ kracht, wat zou er van hen allen zijn?
+Het heerlijke epos zou niets zijn en oratiën en tragediën
+ zouden ledig zijn.
+
+De paleizen zijn wat gij er van maakt als uw oog hen aanschouwt,
+(Dacht gij dat hun waarde lag in den witten of grijzen steen?
+ Of in de lijnen hunner bogen en kroonlijsten?)
+
+De muziek is wat er uit uw ziel opvloeit als de instrumenten
+ U aan uw werkelijk leven doen denken,
+Zij is niet de violen en cornetten, niet de hobo noch de
+ trommen, noch de klanken van den bariton-zanger die zijn
+ liefelijke romanza zingt, noch die van het mannenkoor,
+ noch die van vrouwenkoor,
+Zij is dichter bij en verder dan dezen.
+
+
+5.
+
+Zal dan alles eenmaal zijn weg terug afleggen?
+Kan dan ieder de eeuwige schoonheid zien door een blik in
+ den spiegel? Is daar niets hoogers of beters?
+Bevat gij alles, bevat de mystiek-onzichtbare ziel alles?
+En vreemd en zwaar zeker is mijn paradox;
+Het ruwste ter wereld en de onzichtbare ziel der wereld
+ zijn één.
+
+
+6.
+
+Wilt gij dan de zaligheid verre zoeken? Gij zult zeker op
+ uwe schreden terugkomen.
+In de dingen uws dagelijkschen levens vindt gij het beste, of
+ zoo goed als het beste,
+In de menschen uws dagelijkschen levens vindt gij de edelste,
+ krachtigste, liefdewaardigste!
+Geluk, kennis vindt gij niet elders maar hier, niet in de
+ toekomst maar nu,
+In den man dien gij 't eerst ziet en aanraakt vindt gij altijd
+ een vriend, een broeder, een naasten buur--in de vrouw
+ een moeder, zuster, vrouw,
+De liefde en de arbeid der volken hebben de eerste plaats
+ in poëmen en overal,
+Gij arbeidsters en arbeiders dezer Staten, gij bezit uw eigen
+ goddelijk en krachtvol leven,
+En alles daarbuiten heeft plaats voor mannen en vrouwen
+ zooals gij.
+
+Wanneer de psalm gaat zingen in steê van den zanger,
+Wanneer de Schrift zal prediken in steê van den leeraar,
+Wanneer de kansel afdaalt en onder de menschen gaat in
+ steê van den prediker,
+Wanneer ik bij dag of bij nacht het lichaam van boeken kan
+ beroeren en zij dan mijn lichaam beroeren in keer,
+Wanneer eens professors collegie zooveel bewijst als een sluimerende
+ vrouw of een slapend kind,
+Wanneer de goudstukken in de kelders glimlachen als des
+ nachtwakers dochter,
+Wanneer de gevolmachtigde bazelt in den presidentsstoel en
+ ik zijn vriend ben en metgezel,
+Dan, en niet eerder, zal ik dezen de hand reiken en hen zoo
+ hoog verheffen als ik U doe, mannen en vrouwen aan den
+ arbeid.
+
+
+
+
+UIT: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE
+
+
+1.
+
+Een lied van de wentelende aarde, in woorden die met haar
+ harmonieeren,
+Dacht gij dat dit de woorden zijn, deze rechtoppe-lijntjes,
+ deze boogjes, hoekjes, en stipjes?
+Neen, dat zijn de woorden niet, de echte woorden zijn in de
+ aarde en in de zee,
+Zij zijn in de lucht, zij zijn in U.
+
+Dacht gij dat deze woorden de liefelijke klanken zijn door
+ den mond uws vriends gesproken?
+Neen, de ware woorden zijn liefelijker dan deze.
+
+Menschenlijven zijn woorden, myriaden woorden,
+(In de beste gedichten ziet gij altijd het lijf van man of
+ vrouw, altijd welgevormd, natuurlijk, levensvol,
+En elk deel vol kracht om te geven of te ontvangen zonder
+ schaamte of reden tot schaamte.)
+
+Lucht, aarde, water, vuur--de elementen zijn de woorden,
+Ik zelf ben een woord met dezen--mijne krachten vloeien
+ samen met de hunne--mijn naam is voor hen een niets,
+Al wierd mijn naam ook genoemd in de drie duizend talen,
+ wat zouden lucht, aarde, water, vuur weten van mijn naam?
+Een gezond gezicht, een vriendelijk bemoedigend gebaar zijn
+ woorden, en zij zijn welsprekendheid en wijsheid,
+De bekoring van den oogopslag van sommige mannen en
+ vrouwen, ook zij is vol welsprekendheid en wijsheid.
+
+Het werk waaruit de ziel spreekt is het poëem dier onhoorbare
+ woorden der aarde,
+De meesters kennen die aarde-woorden en zeggen daarin
+ meer dan in hoorbare woorden.
+De aarde ontbloot haar schoonheid niet doch weigert ook niet
+ haar schoonheid te ontblooten, niettemin is haar onzichtbaar
+ leven het schoonste,
+Dring in haar door en gij verneemt luid-hoorbare klanken,
+ het verheven koorgezang der helden, de weeklachten der
+ slaven,
+De eeden der liefde, vervloekingen, doodsnikken van stervenden,
+ gelach van jongelieden, geschreeuw van markters,
+Dring in haar door om de sleutelwoorden te kennen die
+ nooit missen.
+
+De woorden der welsprekende, stomme eeuwe-moeder tot
+ hare kinderen missen nooit,
+De echte woorden missen nooit, want de slag mist nooit en
+ de terugslag mist nooit,
+Aldus ook missen nimmer de dag en de nacht, evenmin als
+ onze reis door de eeuwigheid mist.
+
+Het Godsschip bevaart de Godszee,
+Rondwentelend, staag, om nimmer te vergaan,
+Zonneschijn, storm, koude, hitte voor altijd weerstaat, voorbij
+ snelt, draagt het dezen,
+De waarheid en de bestemming der ziel bevat het,
+Het vloeiende ledig in 't rond en vooruit klieft en doordringt
+ het,
+En steeds voort, door geen tegenspoed opgehouden, door
+ geen anker vastgehouden, door geen klip geraakt,
+Vlug, vroolijk, voldaan, niets dervende, niets verliezende,
+Elk oogenblik in staat en bereid het logboek open te slaan,
+Het Godsschip bevaart de Godszee.
+
+
+2.
+
+Wie gij ook zijt! Slag en terugslag zijn bepaaldelijk voor U,
+Het Godsschip bevaart de Godszee voor U.
+
+Wie gij ook zijt! Gij zijt de man of de vrouw voor wie de
+ aarde vast en vloeibaar is,
+Gij zijt de man of de vrouw voor wie zon en maan daar zijn
+ in het firmament,
+Voor niemand eerder dan voor U is het heden en het verleden,
+Voor niemand zekerder dan voor U is de onsterflijkheid.
+
+Ieder man is voor zich en iedere vrouw is voor zich het sleutelwoord
+ van verleden en heden en dat der onsterflijkheid;
+Niet een kan daar verwerven voor den ander--niet een,
+Niet een daar leven voor den ander--niet een.
+Het gezang is voor den zanger en komt tot hem terug,
+Het onderwijs is voor den onderwijzer en komt tot hem terug,
+De moord is voor den moordenaar en komt tot hem terug,
+De diefstal is voor den dief en komt tot hem terug,
+De liefde is voor hem die liefde geeft en komt tot hem terug,
+De gift is voor den gever en komt tot hem terug--het
+ kan niet missen,
+De redevoering is voor den redenaar, het spel is voor den
+ tooneelspeler en speelster niet voor het gehoor,
+En geen mensch verstaat grootheid en goedheid dan de zijne
+ of die door de zijne wordt verklaard.
+
+
+3.
+
+Ik zweer de aarde zal gewis hem of haar volkomen zijn die
+ zelf volkomen is,
+En de aarde zal gehavend en gebroken blijven hem of haar
+ die zelf gehavend en gebroken blijft.
+
+Ik zweer daar is grootheid noch vermogen die wedijvert met
+ de grootheid en het vermogen der aarde,
+Daar kan geen leer welke ook zijn, ten ware zij worde bevestigd
+ door die der aarde,
+Geen staatkunde, poëzie, religie, zede of wat ook, tenzij
+ gegrondvest in de aarde,
+Tenzij oog in oog met de stiptheid, levenskracht, onpartijdigheid,
+ rechtschapenheid dezer aarde.
+
+Ik zweer ik zie in de liefde liefelijker krampen dan die de
+ liefde oproept,
+Het is zelf-bezit dat nooit lokt of afwijst.
+Ik zweer ik zie weinig of niets meer in hoorbare woorden,
+'t Vloeit alles opwaarts tot de ongezegde waarheden dezer
+ aarde,
+Tot hem die zingt de zangen des lijfs en zegt de waarheden
+ der aarde,
+Tot hem die woordenboeken maakt van de woorden die aan
+ den druk ontsnappen.
+
+Ik zweer ik zie wat daar beter is dan het beste te noemen,
+Het is het beste altijd en immer ongenoemd te laten.
+
+Zoodra ik mij ondersta het beste te noemen merk ik mijn
+ krachteloosheid,
+Dan ligt mijn tong verlamd onder mijn verhemelte,
+Dan weigert mijn adem mijne longen te vullen,
+Ik word met stomheid geslagen.
+Het beste der aarde kan niet, kan nooit genoemd worden,
+ alles en ieder is het beste,
+Dat beste is niet wat gij vermoeddet, het is veiler, lichter,
+ nader,
+Niets behoeft er voor uit zijn natuurlijke voegen te worden
+ gelicht,
+De aarde is even zeker en direct nu als zij was voorheen,
+Feiten, religiën, vooruitgang, beleid, handel en wandel zijn
+ nu zoo reëel als voorheen,
+En ook de ziel is reëel, ook zij is zeker en direct,
+Geen preek of proef heeft haar bewezen,
+Onloochenbare vooruitgang bewijst haar.
+
+
+4.
+
+Dat dan in deze zangen weergalmen de klanken der ziel en
+ de melodieën der ziel,
+(Indien zij niet den weergalm bevatten van de melodieën der
+ ziel, wat zouden zij dan zijn?
+Indien zij niet leven waren direct van uw leven, wat zouden
+ zij dan zijn?)
+
+Ik zweer voortaan zal ik niets meer gemeen hebben met den
+ godsdienst die het beste noemt,
+Ik wil enkel gemeen hebben met den godsdienst die het beste
+ ongemoeid laat.
+
+Spreekt sprekers, zingt zangers!
+Delft diep, vormt groot, stapelt hoog de woorden der aarde!
+Arbeidt, eeuwen na eeuwen, want niets zal verloren gaan,
+Misschien zal uw arbeid lang hebben te wachten, maar zeker
+ zult gij er de wel-daad van zien,
+Wanneer de bouwstoffen allen bereid en gereed zijn, zullen
+ de bouwmeesters verschijnen.
+
+Ik zweer U, de bouwmeesters zullen verschijnen onafwijsbaar,
+Ik zweer U, dat zij U zullen verstaan en rechtvaardigen,
+De verhevenste onder hen zal hij zijn die U het beste van
+ allen verstaat, en die allen verklaart en allen getrouw is,
+Hij en zijne makkers zullen U niet vergeten, zij zullen inzien,
+ dat gij niet een jota minder zijt dan zij zelven,
+In hen en door hen zult gij volkomen verheerlijkt worden.
+
+
+
+
+LIED DES HEELALS
+
+
+1.
+
+Kom, zei de Muze,
+Zing thans een lied door geen dichter nog gezongen,
+Zing thans het lied des Heelals.
+In deze onze ruwe aarde,
+Middenin den onpeilbaren chaos,
+Verborgen en veilig in haar hart,
+Kiemt het zaad der volmaaktheid.
+In allen leven kiemt dit zaad,
+Geen geboorte zonder de ontkieming van dit zaad, verborgen
+ of zichtbaar, dit zaad ontvangt bloei.
+
+
+2.
+
+Heil U, waakzame, hoogstrevende wetenschap,
+Gij die, als van hooge bergtoppen, het jonge leven overziet,
+En verder steeds en verder Uw uitkomsten bevestigt.
+Maar heil, heil, heil der ziele, die alle wetenschap overtreft,
+Voor haar heeft de wereldgeschiedenis zich als een schel om
+ den aardkloot gelegd,
+Voor haar wentelen alle sterren-myriaden door 't Heelal.
+Voor haar, spiralend omhoog en breed van slagen,
+(Of als een schip op zee, dat vaak boegseert)
+Vloeit wat vergankelijk is uit in het Eeuwige
+En strekt de realiteit zich uit naar 't ideaal.
+Voor haar de ontwikkeling van het al, die niet in wezen, wèl
+ in schijn wordt gekend,
+En rechtvaardiging is niet enkel van het goede, maar van
+ wat wij slecht noemen tevens.
+Eenmaal werpt ieder den mom af, wat deze ook waard zij,
+Eenmaal bloeit er heil uit alle verzwering, eenmaal vreugde
+ uit list, bedrog en tranen,
+Heil waar de kracht aan ontspringt en vreugde, vreugde des
+ Heelals.
+Uit het gros, uit het ongezonde, uit het onbeteekenende,
+Uit de middelmatige meerderheid, het talloos-vake bedrog
+ van menschen en volken,
+Ontspringt het goede,
+Alom dan het goede, electrisch, bederfwerend, alles doordringend,
+ alles vervullend.
+
+
+3.
+
+Boven de berghoogten van kwalen en smarten,
+Fladdert, fladdert en zweeft een nooit-gelamde vogel
+Hoog in de reine sferen des geluks,
+Door de duisterste wolken der onvolkomenheid,
+Breekt altijd een glimp van 't reinste licht der zon,
+Een straal der hemel-heerlijkheid-zelve.
+In de wangeluiden van zeden en gebruiken
+In het dolle Babyloonsch geraas, in oorverdoovende orgiën,
+Elk getier overruischende, wordt een toon gehoord, en niet
+ meer dan vernomen,
+Van 't koorgezang der eeuwen in verre hemelgewesten gezongen.
+O, de zegenvolle oogen, o, de gelukkige harten
+Die in 't geweldig labyrinth,
+Den teederen leiddraad zien en volgen kunnen.
+
+
+4.
+
+En gij, Amerika,
+Als bekroning van het godsplan, in zijn overleg en in zijn
+ uitvoering,
+Zijt gij--en niet om U zelfs wil--tot leven geroepen.
+Want ook gij omvat alles,
+Gij torscht en ontvangt alles en begroet alles, ook langs
+ paden breed en nieuw
+Wendt gij U naar 't Ideaal.
+De tamme idealen van andere landen, de grandeurs van het
+ verleden,
+Zijn niet voor U, gij hebt Uw eigen grandeurs van dezen dag.
+Goddelijk vertrouwen en grootheid die alles omvatten en
+ verklaren,
+En dit alles bereikbaar voor allen.
+
+Alles en allen om der wille der onsterflijkheid,
+Liefde evenals licht verwint het Al stilzwijgend,
+En de voortdurende verheffing der natuur beschenkt het Al
+ met haar zegeningen,
+De bloesem draagt vrucht, de vrucht der eeuwen rijpt, de
+ gaarden worden godstuinen, de oogst is zeker,
+Aldus rijpt alles: vormen, voorwerpen, ontwikkeling, menschheid
+ tot het leven der zaligheid,
+
+Geef dan, o God, mij altijd die gedachte, opdat altijd mijn
+ ziel hoog zij en zinge,
+Geef mij, geef hem of haar, die ik liefheb dit onvernietigbaar
+ geloof,
+In Uw Heelal, wat gij ons ook onthoudt, onthoud ons niet
+ het geloof in Uw Godsplan, dat tijd en ruimte vervult,
+Het geloof in Heil, Vrede, volkomen Verlossing!
+
+Is dit een droom?
+Neen, het ongeloof is een droom,
+En in de ontkenning is de leer en rijkdom des levens een
+ droom,
+En de geheele wereld een droom.
+
+
+
+
+PIONIERS! O PIONIERS!
+
+
+Komt mijn zon-gebruinde kinderen,
+Volgt mij nu in dichte drommen, houdt Uw wapens blank en
+ vaardig,
+Hebt gij allen Uw pistolen? Hebt ge Uw scherpgewette bijlen?
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Want wij kunnen hier niet dralen,
+Vòòrt wij moeten, lieve vrienden, moeten het gevaar trotseeren,
+Wij zijn het jonge sterkgespierde ras, alles rust op onze
+ armen,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+O, gij knapen, Westerknapen,
+Krachten-ziedend, strijdbegeerig, rijk aan mannentrots en
+ vriendschap,
+'k Zie U duidelijk, Westerknapen, 'k zie U der beschaving
+ voorgaan,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Rusten thans de oude volken,
+Laten zij het hoofd nu hangen na een half-volbrachte taak,
+ zijn zij moê daar ginds over de wijde zeeën?
+De eeuwige taak dan vatten wij op, en haar lasten en haar
+ wijsheid,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Wat verleën is moeit ons niet,
+Nieùw een wereld, groòtsch een wereld, dat is de wereld van
+ ons streven,
+Ons is frisch en kloek de wereld, en zij roept ons aan den
+ arbeid
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Rotsen rukken we uit de voegen,
+Over afgrond, door valleien, langs de hooge bergenklippen,
+Waar wij gaan, wij overwinnen, moedig, wagend en vermetel,
+ langs nog onbetreden paden,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+'t Dichte oerwoud wordt geveld,
+Stroomen stuiten we en doen wij keeren, wij dringen door
+ in de aderen der moeder en brengen haar onrust,
+Delvend in den maagd-grond brengen wij er weeldevollen
+ waschdom,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Colorado-mannen zijn we,
+Ons het land der hooge bergen, òns het land der breede
+ sierra's en der hooge bergenvlakten,
+Van de mijnen, van de stroomen komen wij langs jagersporen,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Van Nebraska, Van Arkansas,
+Van het midden dezer Staten, van Missouri zijn wij zonen,
+ zonen van Amerika,
+Handslag geven we allen broeder, òf van 't Zuiden, òf van
+ 't Noorden,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Onweerstaanbaar--wak're mannen,
+Lieve broeders, kameraden! In mijn borst gloeit voor U allen
+ wonderteêre, sterke liefde!
+O ik treur, en nochtans juich ik! Voor U allen gloei ik
+ van liefde,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Heft dan hoog de moeder-liefste
+Wapp're hoog de lieve liefste, de beste en de schoone liefste,
+ wuiv' beheerschend boven alles (buig Uw hoofd)
+Hoog de vreesbre-sterke liefste, majesteitelijk rein die
+ liefste,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Ziet dan kinderen, onvertsaagde kinderen,
+Bij den strijd van onze vaadren, nimmer weif'len wij of
+ wijken,
+Uit het schimmenrijk voorheen dringen ons millioenen voorwaarts,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Voorwaarts, voorwaarts trekt ons leger,
+Jonge kracht brengt ons versterking, zij die in den veldtocht
+ vallen worden spoedig weer vervangen,
+Somtijds in den strijd de neerlaag, maar toch voorwaarts,
+ altijd voorwaarts,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Al der wereld levenspolsen
+Slaan voor ons den opmarschroffel in den kracht'gen Westermaat,
+Maar wij, enkel of tezamen, dringen, werken ons vooruit.
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+'t Is àl voor ons ideaal,
+Al wat is bereikt in 't leven, al wie denkt of doet in 't leven,
+ al de werkers, al hun werk,
+Die ter zee zijn, die te land zijn, al de meesters, al de slaven,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Al die liefde's helvuur kennen,
+De gevangnen in 't gevang, al de braven, al de boeven,
+Al de blijden, al de droeven, al de levenden en dooden,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+En ook ik met lijf en ziele,
+Wij, aldus een trio vreemd, saamlend al wat wij ervaren,
+ gaan ge-drieën onzen weg,
+Door de landen, over zeeën, door het licht en door den
+ schemer, door verledens spokenheiren,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Zie deez' wentelenden aardbol!
+Zie in 't rond de broeder-bollen, al de zonnen, de planeten,
+ samenhangende als trossen,
+In de schit'rend-lichte dagen, in de droom-mystieke nachten,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Al die werelden zijn ons,
+Zijn voor 't groot ontginningswerk, wijl de volgers ongeboren
+ in die werelden ons wachten,
+Wij gaan slechts aan 't hoofd des hedens en bereiden hun
+ den weg,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+O gij dochters van het Westen!
+O gij jonge en oud're dochters! O gij moeders en gij vrouwen!
+Nimmer moet gij van ons wijken! Uwe plaats is in ons leger
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Prairiedichters ongeboren!
+(Dichters van de oude landen, gij moogt rusten in Uw doodskleed,
+ want ook gij deedt eens uw arbeid,)
+Spoedig zal 'k Uw krijgslied hooren, spoedig trekt gij met
+ ons op,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Niet de zoete minneliedjes,
+Niet op kussens, niet op muilen, niet het vredige, niet het
+ lieve,
+Niet de vadse rust der rijkaards, niet voor ons het tam
+ vermaak,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Laat dan anderen gulzig fuiven,
+Laat de dikke slapers slapen, laat hen in hun rust verroesten,
+Karig, spaarzaam, zij ons voedsel, hard ons bed en zwaar de
+ arbeid,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Is de nacht voor ons gekomen?
+Was de weg ons heden moeilijk? Vielen wij soms moedloos
+ neder?
+Laat ons dan een wijle rusten, voor een uur den strijd
+ vergeten,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+Op! met schaat'rend een trompetschal,
+Roept ons de ochtendstond--hoort!--
+Luide en gebiedend klinkt zijn:
+ "ontwaakt!"
+Op! Op! naar de voorhoede des legers!
+Op! Dat ieder naar zijn plaats snelle,
+ Pioniers! O Pioniers!
+
+
+
+
+AAN U
+
+
+Wie gij ook zijt, ik vrees gij gaat den weg der droomen,
+Ik weet, dat de werkelijkheid waarop gij meent te rusten
+ sneeuw is, die U onder handen en voeten wegsmelt,
+Zelfs op dit oogenblik zie ik alles wat gij 't Uwe meent
+ verdwijnen: Uw gezicht, Uw vreugden, woorden, huis, handel,
+ wandel, verdriet, dwaasheden, gewoonten, misdaden,
+Uw ware ziel, Uw ware lichaam verschijnt mij,
+Verschijnt mij, opkomende uit Uw bedrijf, Uw zaken, Uw
+ winkel, arbeid, hofsteê, kleed, uit uw koop en verkoop,
+ eten, drinken, lijden en doodgaan.
+
+Wie gij ook zijt, ik leg nu de hand op Uw hoofd, opdat gij
+ mijn gedicht moogt zijn,
+En met mijne lippen dicht aan Uwe ooren fluister ik:
+Ik heb vele vrouwen en mannen innig liefgehad, maar voor
+ geen hunner was mijn liefde inniger dan voor U.
+
+O, wel traag en wel dom ben ik geweest,
+Reeds veel vroeger had ik zonder omwegen mijn weg recht
+ op U toe moeten nemen,
+Wat ik tot nu heb gezegd was gebabbel omdat ik 't niet tot
+ U zei; wat ik tot dusver heb gezongen was het lied der
+ zotheid, omdat ik U niet bezong.
+
+Nu wil ik alles wegwerpen en tot U komen en de hymnen
+ zingen van U,
+Niemand heeft U ooit begrepen, maar ik begrijp U,
+Niemand heeft U ooit recht laten wedervaren, ook gij deedt
+ U zelf onrecht,
+Niemand, of hij zag gebreken in U, ik alleen vind in U geen
+ gebrek,
+Niemand, of hij wilde èèn boven U stellen, _ik_ ben de man,
+ die nimmer zal toestaan, dat er èèn boven U worde gesteld,
+Ik ben de eenige, die noch heer, meester, betere, noch zelfs
+ God, hooger stel dan wat in U leeft.
+Schilders hebben zwevende engelen geschilderd en in hun
+ midden het godsbeeld,
+En om het hoofd van het godsbeeld deden zij een nimbus
+ stralen van goudzonnig licht.
+Maar ik schilder myriaden hoofden en schilder geen hoofd
+ zonder dien nimbus van goud-zonnig licht,
+Uit mijn vingertoppen, uit het brein van iederen man en
+ vrouw stroomt dat licht voor eeuwig zijn stralen uit.
+
+O, ik zou zulke verheven roemzangen van U kunnen zingen!
+Gij kendet U-zelf niet, heel U leven hebt gij in U-zelf
+ liggen slapen,
+Uw oogen zijn heel Uw leven zoo goed als gesloten geweest,
+Al uw daden komen reeds nu tot U terug en zij bespotten U,
+(Uw streven, weten, bidden, indien zij niet terugkomen om
+ U te bespotten, hoe zullen zij dan tot U terug komen?)
+
+Die spot geldt niet Uw ware leven,
+Achter dien spot en er doorheen zie ik Uw ziel onbevredigd
+ staren,
+Ik volg U in Uw geheimste schuilhoeken, waar nog nooit
+ iemand U volgde,
+Indien Uw zwijgen, Uw voorovergebogen zitten aan Uw lessenaar,
+ Uw onverschillig doen, de nacht, het wijde kleed
+ der gewoonte U verhullen voor anderen, zij verhullen U
+ niet voor mij,
+Indien Uw glad geschoren gelaat, Uw dwalend oog, Uw
+ puistig voorhoofd anderen afstooten, mij doen zij dat niet,
+Uw bemorst kleed, lichaamseuvel, dronkenschap, gulzigheid,
+ of vroegtijdige onmatigheidsdood, dat alles wordt door
+ mij ter zijde geschoven.
+
+Daar wordt geen talent of gave in eenigen man of vrouw
+ gevonden, of in U kan gelijkwaardigs gevonden worden.
+Daar is geen deugd, geen schoonheid in eenigen man of
+ vrouw, of het even goede is in U,
+Daar is geen zaligheid bereid voor anderen, of gelijke zaligheid
+ wacht U,
+
+Wat mij betreft: ik zal niemand beschenken, tenzij ik volkomen
+ hetzelfde U schenken kan,
+Niet eerder zal ik Gods of iemand glorie zingen dan ik Uw
+ glorie zing.
+Wie gij ook zijt! Gij hebt recht aanspraak te maken op alles!
+De heerlijke landen van Oost en West zijn erbarmelijk een
+ schouwspel, vergeleken bij U,
+Zie deze onmetelijke weiden, deze eindelooze rivieren, gij zijt
+ onmetelijk en eindeloos als zij,
+Deze furiën, elementen, stormen, het geweld der ontketende
+ natuur, weeën van schijnbare ontbinding: gij zijt de man,
+ gij zijt de vrouw die hen kan bedwingen,
+In Uw eigen recht zijt gij gebieder over de natuur, de elementen,
+ pijnen, passiën, ontbinding.
+
+Uw kluisters vallen van Uw enkels, er is in U een nooit
+ falend vermogen,
+Oud of jong, man of vrouw, ongeschoold en laag, door anderen
+ uitgebannen, wat er in U is openbaart zich,
+Door geboorte, leven, dood, aardlegging heen zijn Uw wegen
+ gebaand en niets is veronachtzaamd,
+Door bittere ervaring, verlies, eerzucht, onwetendheid, verdriet
+ heen, volgt wat in U is zijn weg.
+
+
+
+
+TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN 'S LEVENS OCEAAN
+
+
+1.
+
+Terwijl ik wegdreef met de eb van 's levens Oceaan,
+Terwijl ik terug ging langs de kust, die ik zoo goed ken,
+Terwijl ik wandelde in Uw vochtig rimpel-zand, Paumanok,
+ door de golven bespoeld,
+Waar het sissend en dreigend geruisch der baren wordt
+ gehoord,
+Waar de woeste oude moeder eindeloos krijt om haar verloren
+ telgen,
+Ik, op den laten herfstdag, ging peinzend, zuidwaarts
+ starende,
+Door mijn electrische Ikheid-zelve vervreemd van den hoogmoed,
+ die mij mijn poëmen doet zeggen,
+Ik ging, en was vervuld van den geest, die onder mijn
+ voeten in het zand zijn lijnen had getrokken,
+Ik dacht aan het bezinksel op den bodem van alles, ook
+ op den bodem van alle zee, alle land, alle leven der
+ wereld.
+
+Mijn aandacht geboeid, mijn oogen afgedwaald van het zuiden,
+ aangetrokken door die rimpels in het zand, volgden
+ het spoor der ebbegolven,
+Kaf, stroo, houtsplinters, zeegras en kwallen,
+Schuim, schilvers van glimmende rotsen, zeegras, dit alles
+ had de vloed achtergelaten op het strand,
+Mijlen ver wandelde ik, steeds met het geruisch der brekende
+ golven naast mij,
+Daar op Paumanok's kust, en in mij de oude gedachte, dat
+ alles buiten mij wordt weerspiegeld door alles in mijn
+ binnenste,
+Die gedachte kwam door U opnieuw in mij op, gij vischvormig
+ eiland,
+Terwijl ik terugging langs de kust, die ik zoo goed ken,
+Terwijl mijn electrische Ik-heid mij deed zoeken naar mijn
+ evenbeeld.
+
+
+2.
+
+Terwijl ik de kusten van het onbekende zoek,
+Terwijl ik luister naar het lijklied, de stemmen van mannen
+ en vrouwen, die schipbreuk leden,
+Terwijl ik de invloeden adem, die als windstroomen op mij
+ instormen,
+Terwijl de geheimzinnige Oceaan dichter en dichter op mij
+ aanvloeit,
+Komt de gedachte in mij, dat ook ik ten hoogste een nietig
+ aanspoelsel ben van d'Oceaan,
+Een handvol zand en doode zeegrassen, die men kan oprapen,
+Die wòrden opgeraapt, of misschien wel straks weêr worden
+ weggespoeld.
+
+O, teleurgesteld, vernietigd, het hoofd op de borst, de oogen
+ zoekende diep in de aarde,
+Gedrukt door het weten, dat ik heb dùrven openen mijn
+ mond,
+Nu wetende, dat te midden van allen die hun niet uitklappen
+ en mij de holle echo's hunner woorden in het oor
+ blazen, ik zelf nièt het geringste denkbeeld heb gehad
+ van het wat en wie mijner Ik-heid,
+Dat uit al mijn verwaten poëemen nu mijn werkelijke Ik-heid
+ opstaat, nog altijd ongezegd, onbegrepen, onverklaard,
+ onbereikt,
+Ik zie haar voor mij uit, mij bespottende met spot-beleefde
+ groeten en buigingen,
+Met de galmen van uit de verte gehoord spotgelach, om elk
+ woord dat ik heb geschreven,
+Zwijgend wijzen naar deze zangen èèrst, dan naar het zand
+ onder mijn voeten.
+Nu wordt het mij duidelijk, dat ik niets in zijn echten zin heb
+ kunnen bevatten, niet het geringste, en dat niemand dit
+ vermag,
+Hier, in het gezicht van d'Oceaan, neemt de Natuur de gelegenheid
+ waar om mij neer te vellen tot mijn Niets,
+Omdat ik gewaagd heb ooit den mond te openen om te
+ spreken.
+
+
+3.
+
+Gij Oceanen beide, gij en ik, wij dicht bijeen,
+Wij murmelen beiden het zelfde droeve lied, en spoelen zand
+ en slib aan, en weten niet waarom,
+Gij, ik en allen hebben in onze ziel, gelijk dit zand de dunne
+ kerven van het weggespoelde leven.
+Gij, broze kust bedekt met wrakhout,
+Gij, visch-vormig eiland, ik aanvaard wat nu aan mijn voeten
+ ligt,
+Wat het Uwe is, is het mijne òok, vader.
+Paumanok, ook ik,
+Ook ik blies mij op als waterbellen in mijn najagen van
+ hersenschimmen, dobberde op de onmetelijke golven des
+ levens, werd aangespoeld op Uw kusten,
+Ook ik ben niet anders dan een op het zand geslingerd wrak,
+Ook ik laat mijn splinters op U achter, gij visch-vormig
+ eiland.
+Ik werp mij aan Uw borst, vader,
+Ik omklem U zoo, dat gij U niet uit mijn omarming kunt
+ losmaken,
+Ik houd innig vast, zoolang tot gij mij het antwoord geeft,
+ dat ik begeer.
+Kus mij, kus mij, vader,
+Beroer mij met Uw lippen, zooals ik hen beroer, die ik
+ liefheb,
+Laat, terwijl ik U aan mijn borst klem, Uw adem mij het
+ lieflijk geheim influisteren van dat murmelen, waar ik naar
+ smacht.
+
+
+4.
+
+Eb, Oceaan des Levens, (de vloed zal terugkomen)
+Staak niet Uw gejammer, woeste moeder oud,
+Krijt eindeloos om Uw verloren telgen, doch vrees niet en
+ verloochen mij niet,
+Ook ik ben Uw zoon, ruìsch niet zoo heesch en toornig aan
+ mijn voeten als ik U beroer, of wat gij wegwerpt, verzamel,
+U en allen heb ik teeder lief,
+Wat ik verzamel is zoowel voor mij-zelf als voor dien geest,
+ die op ons neerziet waar wij gaan, en mij en wat het mijne
+ is volgt,
+Ik en het mijne, ebberimpels in het zand, wat waardelooze
+ wrakhout,
+Sneeuwwit schuim, ledige waterbellen,
+(Zie, hoe eindelijk door mijn doode lippen den stervensdroesem
+ wordt uitgeworpen,
+Zie, de prismatieke kleuren glinsteren en bewegen,)
+Stroohalmen, spoelzand, splinters,
+Op het doodstrand gespoeld uit velerlei Niets van 's levens
+ droefheid en vreugd. Niets altijd Niets, en toch het een in
+ strijd met het ander,
+Uit stroomen, kalmten, duisternis en deining,
+Uit gepeins en nadenken, altijd Niets, ten hoogste een ademtocht,
+ een traan, een spat waters of modders,
+En Niets altijd uit ons bodemloos gestreef, dat opgist en
+ wegvloeit,
+Niets, ten hoogste een of twee teedere maar geschonden
+ bloesembladeren dobberende op de golven en lichtelijk aangespoeld,
+Niets! en ook om ònzentwil die snikkende lijkzang der natuur,
+Ook voor ons, wat ook onze oorsprong zij, dat geloei der
+ wolkbazuinen,
+Wij, als nietswaardig aangespoeld, vanwaar is ons onbekend,
+ en neergeworpen aan Uw voeten,
+Gij die daar zit of gaat, aan Uw voeten,
+Wie gij ook zijt, ook wij liggen als wrakken aan Uw voeten.
+
+
+
+ZEKERHEID
+
+
+Ik heb geen zekerheid noodig, ik ben een mensch wiens ziel
+ zijn geheele aandacht vraagt;
+Ik twijfel niet of van onder de voeten en naast de handen en
+ het gezicht, die ik van mij ken, zien nu reeds andere gezichten
+ uìt, die ik niet ken, schoone tastbare gezichten,
+Ik twijfel niet of de majesteit en schoonheid der wereld zijn
+ verborgen in iedere iota der wereld,
+Ik twijfel niet of ik ben oneindig en het Universum is
+ oneindig, vergeefs tracht ik mij voor te stellen hoe oneindig,
+Ik twijfel niet of de werelden en hun zonnestelsels snellen
+ met een goddelijk doel zoo harmonisch door het ruim, en
+ dat ik eenmaal in staat zal zijn te doen als zij, en mèèr
+ dan zij,
+Ik twijfel niet of het tijdelijke heeft een duur van millioenen
+ jaren,
+Ik twijfel niet of het binnenste heeft zijn binnenste en het
+ buitenste zijn buitenste en het oogenlicht heeft een ander
+ oogenlicht en het gehoor heeft een ander gehoor en de
+ stem een andere stem,
+Ik twijfel niet of de dood van de jonge mannen, die zoo innig
+ wordt beweend, heeft zijn levensbloei, en de dood van
+ jonge vrouwen en de dood van kindertjes heeft zijn
+ levensbloei,
+(Of denkt gij, dat het leven kan bloeien, en dat de dood, het
+ doel des levens, niet zijn bloei heeft?)
+Ik twijfel niet of de wrakken in de zee ('t doet er niet toe
+ welke verschrikkingen zij gezien hebben, 't doet er niet
+ toe wiens vrouw, kind, man, vader, vriend er ook mede is
+ onder gegaan) bloeien dààr, des levens vol,
+Ik twijfel niet of wat daar ooit en ergens gebeurt, heeft in
+ den samenhang der dingen zijn levensbloei,
+Ik denk niet, dat Leven de bloeitijd is van het Al, van Tijd
+ en Ruimte, maar ik geloof, dat Zalige Dood die bloeitijd is.
+
+
+
+
+EEN STILLE GEDULDIGE SPIN
+
+
+Een stille geduldige spin,
+Zag ik, waar zij op een kleinen vooruitspringenden hoek
+ alleen zat,
+En ik zag, hoe zij, om de ledige groote ruimte rond zich
+ heen te onderzoeken,
+Zich spinnende, spinnende, spinnende langzaam liet afzakken
+ aan onzichtbare draden,
+Die zij steeds effende, die zij onvermoeid verlengde.
+En gij, o mijn ziel, waar zijt gij,
+Omgeven, los, in matelooze oceanen van Ruimte,
+Eindeloos peinzend, wagend, spinnend zoekt gij de sferen
+ om U er mee te verbinden,
+Tot de tijd, tot de brug, die gij behoeft, zal gelegd zijn, tot
+ het slepende anker vasthoudt,
+Tot de herfstdraad, die gij uitlaat, ergens aan vastblijft,
+ o ziel.
+
+
+
+
+AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN
+
+
+Te midden van alle anderen richt ik mij tot U: ik heb U iets
+ te zeggen,
+Gij zult sterven--Laat anderen U vertellen wat zij willen, ik
+ zoek geen uitvluchten,
+Zonder genade zeg ik U de waarheid, want ik heb U lief, en
+ daarom zeg ik, dat geen ontkomen U mogelijk is.
+Zachtkens leg ik op U mijn rechterhand, als een liefkoozing
+ voelt gij 't, Ik praat niet met U, ik buig mijn hoofd zoo
+ dicht over het Uwe, dat gij enkel mijn oogen ziet.
+Rustig zit ik aan Uw zijde, ik blijf U trouw,
+Ik ben U meer dan verpleegster, meer dan verwant of buur,
+Ik ontbind U van alles en allen behalve van Uw eigen ziel,
+ Uw eeuwige ziel, Uw echte ik, dat zekerlijk den dood
+ ontkomt,
+Het lijk, dat gij achter zult laten, zal de droesem zijn van
+ het echte goud Uwer ziel.
+Nu breekt de zon door de wolken, die gij den dood-zelf
+ waandet,
+Fiere gedachten vervullen U, vertrouwen vervult U, gij
+ glimlacht,
+Gij vergeet, dat gij ziek zijt, zooals ik vergeet, dat gij
+ ziek zijt,
+Gij ziet Uw geneesmiddelen niet meer, gij let niet meer op
+ Uw weenende vrienden, ik zit aan Uw zijde,
+Anderen weer ik van U af, daar valt niet te weeklagen, daar
+ is niemand te beklagen,
+Ik beklaag U niet, ik benijd U, want meer dan het geluk, dat
+ wij kennen is U bereid.
+
+
+
+
+GEZICHTEN
+
+
+1.
+
+Drentelende door de straten of rijdende op den rijweg buiten,
+ o wat al gezichten!
+Gezichten van vriendschap, stelligheid, borgtocht, lieflijkheid,
+ ideaal,
+Het gezicht van den toekomst-droomer, het overal welkome
+ alledaags-vriendelijke gezicht,
+Het gezicht van een die zingt, de indrukwekkende gezichten
+ van natuurwetkenners, en van rechters met breede jukbeenderen,
+Het gezicht van jagers en visschers met knobbels van opmerkzaamheid
+ boven de wenkbrauwen, de geschoren witte gezichten
+ van vrome burgers,
+De nobele, ongewone, verlangende, vragende kunstenaarsgezichten,
+Het leelijke gezicht, dat een majesteitelijke ziel soms bedekt,
+ het mooie gezicht van een, die verfoeid of veracht wordt,
+De heilige gezichten van kleine kinderen, het lichtstralende
+ gezicht van de moeder van vele kinderen,
+Het gezicht van een mignon, het gezicht van vereering,
+Het gezicht vaag als een droom, het gezicht streng als een
+ eeuwig verstijfde rots,
+Het gezicht ontdaan van zijn goed of zijn kwaad, het gezicht
+ van den ontmande,
+Een wilde valk, zijn vleugels door den snoeier gekortwiekt.
+Een hengst, overgegeven aan riemen en mes van den snijder.
+Dus, drentelende door de straten of overstekende met de
+ steeds heen en weer varende veerboot, gezichten en gezichten
+ en gezichten,
+Ik zie hen, klaag niet, en ben tevreden met allen.
+
+
+2.
+
+Denkt gij, dat ik tevreden ben, zou kunnen zijn, indien ik
+ dacht, dat deze gezichten d'eindvorm des levens waren?
+Dit gezicht is te jammerlijk om van een man te kunnen zijn,
+Een verworpen luis, die kruipend soebat om te leven,
+Een witgemuilde made, blij als zij in haar gat mag wegkruipen.
+Dit gezicht is een hondensnuit, snuffelend naar afval,
+Adders nestelen in dien muil, ik hoor de sissende bedreiging.
+Dit gezicht is mist, kouder dan de Poolzee,
+De slaperige en waggelende ijsbergen kreunen onder het
+ voortdrijven.
+Dit is een gezicht van bittere kruiden, dàt van een laxeermiddel:
+ zij hebben geen etiket noodig,
+En nog meer van den apotheker: een gezicht van laudanum,
+ caoutchouc, duveltjesdrek,
+Dit gezicht is een toeval: de sprakelooze tong uit een onmenschelijken
+ kreet,
+De aderen aan den nek zwellen op, de oogen rollen tot enkel
+ hun wit wordt gezien,
+De tanden knarsen, de handpalmen zijn opengereten door de
+ ingedrukte nagels,
+De man valt strijdende tegen zijn ziekte schuimbekkend
+ neer, terwijl zijn oogen staren.
+Dit gezicht is opgevreten van ongedierte en wormen,
+En dit is het mes van een moordenaar, half uit de schede.
+Dit gezicht is den doodgraver zijn vreeselijk loon schuldig,
+Een nooit-stille doodsklok wordt daarin geluid.
+
+
+3.
+
+Gelaatstrekken van mijn evennaasten, wildet gij mij misleiden
+ in Uw kronkelenden doodendans?
+O, misleiden kunt gij mij niet!
+Ik zie Uw bochtigen nimmer afgebroken stoet,
+Ik zie beneden het oppervlak van Uw woeste en lage
+ mommen.
+Vertrekt en verdraait Uw gezicht, zooveel gij wilt, tast met
+ het fijne voel-instituut van visschen of ratten,
+Eenmaal zult gij zekerlijk Uw ware gezicht moeten toonen.
+
+Ik zag het gezicht van den smerigsten, slobberendsten idioot
+ in het gesticht,
+En ik wist tot mijn troost wat de doctors daar niet wisten,
+Ik kende de krachten, die het denken van mijn broeder hadden
+ verlamd en gebroken,
+En diezelfde krachten zullen eens het vuil voor het vervallen
+ huis opruimen,
+En ik zal opnieuw uitzien, als wij twee geslachten verder zijn,
+Dan zal ik den echten huisheer ontmoeten, volkomen en
+ ongedeerd, elke atoom van hem zoo goed als een van de
+ mijne.
+
+
+4.
+
+De Heer komt nader en steeds nader,
+Overal strijdende tegen de duisternis, de tragen meevoerende
+ met krachtigen arm.
+Uit dit gezicht dagen banieren en ruiterij op--O, heerlijk!
+ Ik zie wat verschijnt,
+Ik zie de hooge mutsen van pioniers, ik zie de staven der
+ voorloopers ruim baan maken,
+Ik hoor het tromgeroffel der overwinning.
+Dit gezicht is een reddingsboot,
+Dit is het gebaarde gezicht, dat het bevel geeft, het ontleent
+ gezag aan zich-zelf;
+Dit gezicht is een geurige vrucht, rijp om genoten te worden,
+Dit gezicht van een gezonden, eerlijken knaap is de belofte
+ van al wat goed is.
+Deze gezichten getuigen of zij slapen of waken,
+Zij bewijzen hun afkomst van den Meester zelf.
+Het woord, dat ik sprak, kome in vervulling, niet èèn sluit
+ ik uit--rood, wit, zwart, allen zijn goddelijk,
+In elk huis is het Ovum, na duizenden jaren zal het bewezen
+ worden.
+Vlekken of barsten in de vensters schrikken mij niet af,
+Verheven en volkomen menschen staan daar achter, en wenken
+ mij toe,
+Ik hoor de belofte en heb tijd om te wachten.
+Dit is het gezicht van een volbloeide lelie,
+Zij spreekt tot den hinkenden man dicht aan het tuinhek,
+_Kom hier_, roept zij blozend, _kom heel dicht bij me, hinkende
+man,_
+_Blijf naast mij staan tot ik zoo hoog ik maar kan tegen U kan
+aanleunen,_
+_Vervul mij met witten honig, buig U over mij heen,_
+_Beroer mij met Uw baard, beroer mij aan borst en schouders._
+
+
+5.
+
+Het oude gezicht van de moeder van vele kinderen,
+Stil! Nu is 't mij zeer liefelijk.
+Laag en laat is de rook op den Eersten-dagmorgen,
+Hij hangt vlak boven de boomen-rijen aan de schuttingen,
+Hij hangt dun bij de sassafras en de wilde kers, en in de
+ katstruiken omlaag.
+Ik zag de rijke dames prachtig gekleed op de soirée,
+Ik hoorde wat de zangers zoo lang zongen,
+Leerde wie in karmozijne jeugd opkwam uit het witte schuim
+ en het waterblauw.
+Zie een vrouw!
+Haar gezicht komt half uit haar kwaker-muts, haar gezicht
+ is reiner en schooner dan de hemel.
+Zij zit in een armstoel onder de beschaduwde deur van de
+ boerderij,
+De zon streelt haar oude witte hoofd,
+Haar ruim gewaad is van roomkleurig linnen,
+Haar kleinzonen teelden het vlas en haar kleindochters
+ sponnen 't met het rokken en het wiel.
+Het melodieuze karakter der aarde,
+Het einde waar voorbij het denken niet kan gaan, en ook niet
+ wenscht te gaan,
+De gerechtvaardigde moeder der menschen.
+
+
+
+
+LIED VAN ZONSONDERGANG
+
+
+Pracht van den vallenden dag, die mij verheft en vervult,
+Uur van profetische kracht, uur dat het verleden doet herleven,
+Het leven stijgt op in mijn keel, U, goddelijke middenmensch,
+U, aarde en leven, zal ik bezingen tot den laatsten zonnegloor.
+
+Open mond mijner ziel, die blijheid uit,
+Oogen mijner ziel, die volmaaktheid zien,
+Mijn grashalmen, die de dingen des levens trouwelijk roemen,
+En de triumf der dingen des levens bevestigen.
+
+Schoon iedereen!
+Schoon, wat wij Ruimte noemen, sfeer van ongetelde geesten,
+Schoon het voortbrengings-mysterie van het Zijn zelfs in het
+ onnaspeurlijke insect,
+Schoon het vermogen der spraak, de zinnen, het lijf,
+Schoon het verdwijnende licht, schoon de bleeke weerglans
+ der nieuwe maan aan den Westerhemel,
+Schoon wat ik ook zie of hoor of voel tot het einde.
+
+Grootheid, in alles,
+In de voldoening en de zekerheid der dieren,
+In den jaarlijkschen terugkeer der seizoenen,
+In de vreugden der jonkheid,
+In de kracht en den bloei des mannelijken levens,
+In de grandeur en de uitgelezenheid van den ouderdom,
+In het heerlijke uitzien op den Dood.
+Wonderbaarlijk, het heengaan!
+Wonderbaarlijk, het leven!
+Het hart, de drijfkracht van 't overal-gelijke en onschuldige
+ bloed!
+Hoe liefelijk, de lucht te ademen!
+Te spreken--te gaan--iets met de hand aan te vatten!
+Zich voor te bereiden op den slaap, op het naar bed gaan,
+ neer te zien op mijn rooskleurig lijf!
+Bewustzijn te bezitten van dit lijf, zoo voldaan, zoo grootsch!
+Deze ongelooflijke God te zijn, die ik ben!
+Te hebben gewandeld onder andere Goden, deze mannen
+ en vrouwen, die ik liefheb.
+Wonderbaarlijk, hoe ik U en mij-zelf roem!
+Hoe mijn gedachten zachtkens spelen over de dingen, die ik
+ zie om mij heen!
+Hoe de aarde op haar baan voort en voort schiet! Hoe de
+ zon, maan, sterren voort en voort schieten op hun baan!
+Hoe het water wegsnelt en zingt! (Daar is leven overal en in
+ alles!)
+Hoe de boomen oprijzen en opstaan met sterke stammen, met
+ takken en bladeren!
+(Daar is meer dan wij zien in elk dier boomen, daar is een
+ levende ziel!)
+O wonder van alle dingen--wonder van het kleinste atoom
+ zelfs!
+O spiritualiteit der dingen!
+O levensaccoord, dat lieflijk vloeit door menschengeslachten,
+ en nu mij en Amerika bezielt!
+Ik voel Uw sterke trilling, doe haar uit mij vloeien, en blijde
+ van mij uitgaan in anderen.
+Ik ook bezing de zon, in opkomst of ter noen, of, gelijk nu, in
+ haar ondergaan,
+Ik ook weerklop het brein en de schoonheid der aarde, en
+ van heel het leven der aarde,
+Ik heb ook den onweerstaanbaren drang gevoeld van mijn
+ Ik-heid.
+
+Toen ik den Missisippi afdreef,
+Toen mijn gang ging over de prairiën,
+Toen ik volop leefde, toen ik uitkeek door mijn vensters,
+ deze oogen,
+Toen ik uitging in den morgen, toen ik het licht in het
+ Oosten zag doorbreken,
+Toen ik baadde aan het strand der Oosterzee en dan weer
+ aan het strand der Westerzee,
+Toen ik zwierf in de straten van Chicago, diep-in-'t-land, of
+ waar ik ook omzwierf in de straten,
+Of steden, of zwijgende wouden, of zelfs midden in het
+ schouwspel van oorlog,
+Waar ik ook was, steeds heb ik mij vervuld van tevredenheid
+ en overwinning.
+
+Tot het einde bezing ik het twee-een-zijn, nieuw of oud,
+Ik bezing het eindeloos einde der dingen,
+Ik zeg de natuur blijft, licht blijft,
+Wat ik bezing, bezing ik met bezielende stem,
+Want niet één onvolmaaktheid zie ik in gansch het Heelal,
+En ik zie aan het Einde niet eenig ding, niet eenige uitkomst,
+ die treuren doet in het Heelal.
+
+O, ondergaande zon! hoewel Uw tijd is gekomen,
+Blijf ik voortgaan onder U te zingen, en zoo anderen niet, ik
+ zing in onverzwakte aanbidding voor U!
+
+
+
+
+TOT WEERZIENS!
+
+
+Om te besluiten kondig ik aan wat na mij komt.
+Ik herinner U, dat ik, voor dit boek tot leven kwam, heb
+ gezegd,
+Ik zou mijn stem blijde en krachtig doen getuigen, dat er
+ volmaaktheid is in alles.
+Wanneer Amerika volbrengt wat beloofd is,
+Wanneer door deze Staten honderd-millioen voortreffelijke
+ menschen gaan,
+Wanneer de overigen voor hen ter zijde gaan en voor hen
+ leven,
+Wanneer de kinderen van de volmaakte moeders bewijzen
+ wat Amerika is,
+Dan komt voor mij en het mijne d'echte blijdschap.
+
+Ik ben doorgedrongen sterk in mijn eigen recht,
+Ik heb lijf en ziel, vrede en oorlog bezongen, en de zangen
+ van leven en dood doen hooren,
+En de zangen van geboorte, en laten zien dat daar vele geboorten
+ zijn.
+Ik heb mijn leer opengelegd voor ieder, met vasten tred ben
+ ik het leven doorgegaan;
+Terwijl mijn levensvreugde nu volmaakt is, fluister ik: _Tot
+ weerziens!_
+En neem de hand van de jonge vrouw en de hand van den
+ jongen man voor den laatsten keer.
+
+Ik verkondig de opkomst van natuurlijke menschen,
+Ik verkondig de triomfantelijke rechtvaardigheid,
+Ik verkondig ongedeerde vrijheid en gelijkheid,
+Ik verkondig de rechtvaardiging van oprechtheid en de
+ rechtvaardiging van zelfbewustheid,
+Ik verkondig, dat de identiteit dezer Staten een enkele
+ identiteit is,
+Ik verkondig, dat de Unie steeds vaster en onverbrekelijker
+ wordt,
+Ik verkondig zooveel heerlijkheid en zooveel Majesteit, dat
+ al wat daar voorheen schoon was op aarde er bij verbleekt.
+
+Ik verkondig verknochtheid, ik zeg: zij zal eindeloos en onoplosbaar
+ zijn,
+Ik zeg: gij zult den vriend vinden naar wien gij gezocht hebt.
+
+Ik verkondig de komst van een man of een vrouw, misschien
+ zijt gij dat _(Tot ziens dan!)_
+Ik verkondig den grooten Mensch, vloeizaam als de Natuur,
+ kuisch, liefdevol, deelnemend, welgewapend.
+
+Ik verkondig een leven, dat overvloedig, vurig, goddelijk,
+ stoutmoedig zal zijn,
+Ik verkondig het Einde, dat lichtvol en blijde zich zal passen
+ aan den overgang.
+
+Ik verkondig myriaden van jeugd, schoonheid, kracht en
+ lieflijk bloed,
+Ik verkondig een geslacht van heerlijke en wijze grijsheid.
+
+O geweldiger en heviger--_(Tot ziens!)_
+O myriaden, die te dicht mij omgeeft,
+Ik voorzie te veel, ik zie de goddelijke toekomst helderder
+ dan ooit te voren,
+Dit is, geloof ik, de helderziendheid van het sterven.
+
+Spoed U dan, o stem, klink op voor 't laatst,
+Groet, groet nog eens het licht, galm nog eens den ouden
+ kreet uit.
+
+Bezield schalt mijn roep, het luchtruim is mijn,
+Ik zie om mij heen vrijelijk, neem wat ik zie in mij op,
+Snel voorwaarts, maar nu een wijl afgestegen,
+Vreemd klinkend nieuws breng ik,
+Gloeiende vonken, hemelsche zaden werp ik neer in den
+ droesem,
+Ik zelf, onkundig, vervul mijn opdracht, en verlies nooit den
+ moed van het Waarom?
+En den groei en den bloei van het zaad laat ik over aan
+ geslacht na geslacht,
+Aan troepen, die in den strijd-zelf opkomen, zij zullen de
+ taak, die ik opgelegd heb, volbrengen,
+Aan vrouwen vermaak ik enkele fluisteringen van mijn Ikheid,
+ haar liefde verklaar ik mij duidelijker,
+Aan jonge mannen geef ik de vragen des levens--geen
+ zwetser, ik--en beproef de kracht van hun brein,
+Zoo ga ik voort, korten tijd sprekende, zichtbaar, vol tegenstrijdigheid,
+Hierna een welluidende echo, waar gretig naar zal geluisterd
+ worden (sterven maakt mij waarlijk onsterflijk)
+Het beste van mijn leven, wanneer ik niet langer zichtbaar
+ zal zijn, en waartoe ik mij onophoudelijk heb voorbereid.
+
+Wat dan nog meer, dat ik draal en wijl en voortkruip met
+ ongesloten mond?
+Is er wel eenig beslissend vaarwel?
+
+Mijn zangen zijn hiermee geëindigd, ik laat hen na,
+Van achter het scherm, dat mij verborgen hield, kom ik nu
+ naar voren, en ga regelrecht op U toe.
+
+Camerado, dit is geen boek,
+Wie het aanraakt, raakt een mensch aan,
+(Is 't nacht? Zijn wij hier tezamen alleen?)
+Ik ben 't, dien gij vasthoudt en die U vasthoudt,
+Ik snel uit deze bladeren in Uw armen--de Dood roept
+ mij weg.
+
+O, hoe Uw handen mij verzaligen,
+Uw adem omringt mij als morgendauw, Uw hartslag zingt in
+ mijne ooren, en doet mij sluimeren,
+Van hoofd tot voeten is 't mij lieflijk,
+Is 't mij wel--genoeg!
+
+Genoeg van den wellust der toekomstmaking, toekomst plotseling
+ en geheim,
+Genoeg, o wegglijdend heden--genoeg, o herinnerd verleden.
+
+Lieve vriend, wie gij ook zijt, ontvang deze kus,
+In 't bijzonder U kus ik, vergeet mij niet,
+Ik voel mij als een, die zijn dagwerk gedaan heeft, en
+ moede is,
+Ik ontvang nu opnieuw den heiligen geest van den Overgang,
+ uit mijn mensch-gewordenheid vaar ik op, heenwaarts, waar
+ anderen mij zekerlijk wachten,
+Een ongekende Sfeer, werkelijker nog dan ik waande, onmiddellijker
+ nog, schiet oproepende dageraadstralen door mij
+ heen. _Tot ziens!_
+Herinner U mijn woorden: ik kan terug komen,
+Ik heb U lief, ik ga uit van de stof,
+Ik ben als een ontlichaamde, het is de Dood, het is de Overwinning.
+
+
+
+
+VAARWEL DAN, FANCY!
+
+
+Vaarwel dan, Fancy!
+Voortaan zij God met U, lieve droom, lieve lief!
+Ik ga heen, waarheen weet ik niet,
+Noch wat mijn lot zij, noch of ik U ooit terug zal zien,
+Vaarwel dus, mijn zoete droom, mijn Fancy.
+
+Toch, voor 't laatst--laat m'een oogenblik nog terugzien;
+Langzamer en zwakker tikt in mij de klok,
+Exit, het vallen van den nacht, spoedig zal het hart zwijgen.
+
+Langen tijd hebben wij te zamen geleefd, te zamen liefgehad,
+ te zamen de vreugde des levens genoten;
+O Heerlijkheid!--Nu is de scheiding daar--Vaarwel dus,
+ Fancy.
+
+Maar niet te haastig toch,
+Ja waarlijk, langen tijd was ons leven èèn, ons slapen en
+ ontwaken èèn, wij zijn samengevloeid tot èèn, in waarheid
+ vermengeld tot èèn;
+Dus indien sterven moet zijn, sterven wij te zamen, ja, èèn
+ zullen wij blijven,
+Indien wij ergens heengaan, zullen wij er samen heengaan,
+ om samen het onbekende te gemoet te gaan,
+Misschien zullen wij een nog schooner, een nog blijder leven
+ leven, misschien zullen wij iets leeren,
+Misschien zijt gij-zelf de onsterflijkheid wel, en leidt gij mij
+ nu op om het Lied van onsterflijke schoonheid te zingen
+ (Wie weet?)
+Misschien zijt gij 't zelf, die de banden, welke ons aan de
+ aarde hechten, loswikkelt, ongeduldig om Uw ballingschap
+ te ontvlieden--dan, nu voor 't laatst:
+Vaarwel--en wees gezegend, Fancy!
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+
+INLEIDING
+
+Uit: INSCRIPTIES:
+ Mijn lied is voor het Ik
+ Toen ik het boek gelezen had
+ Werpt voor mij niet uw deuren dicht
+VAN PAUMANOK UIT (fragmenten)
+
+Uit: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK
+
+Uit: ADAMSKINDEREN:
+ Een uur van woest genot
+ Oer-momenten
+
+Uit: CALAMUS:
+ Op onbetreden paden
+ Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt
+ Niet enkel in wat ik mij van de borst werp
+ De vreeselijke twijfel van den schijn
+ Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen
+ Toen ik den avondstond hoorde
+ Vind ik in u opnieuw een hart dat zich door mij
+ voelt aangetrokken?
+ Ik zag in Louisiana een levenseik
+ Aan een vreemde
+ Ik hoor daar werd tegen mij getuigd
+ Als ik eens naga wat roem is
+ Soms, in mijn liefde
+
+Uit: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG
+
+Uit: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT
+
+Uit: LIED VAN DE BREEDE BIJL
+
+Uit: HET TENTOONSTELLINGSLIED
+
+Uit: EEN LIED VOOR DEN ARBEID
+
+Uit: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE
+
+LIED DES HEELALS
+
+PIONIERS! O PIONIERS
+
+AAN U
+
+TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN
+ 's LEVENS OCEAAN
+
+ZEKERHEID
+
+EEN STILLE GEDULDIGE SPIN
+
+AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN
+
+GEZICHTEN
+
+LIED VAN ZONSONDERGANG
+
+TOT WEERZIENS!
+
+VAARWEL DAN, FANCY!
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Grashalmen (Leaves of Grass), by Walt Whitman
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 14281 ***