diff options
Diffstat (limited to '14281-0.txt')
| -rw-r--r-- | 14281-0.txt | 4159 |
1 files changed, 4159 insertions, 0 deletions
diff --git a/14281-0.txt b/14281-0.txt new file mode 100644 index 0000000..87e50a8 --- /dev/null +++ b/14281-0.txt @@ -0,0 +1,4159 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 14281 *** + + "...............dit is geen boek, + Die 't aanraakt, raakt een mensch aan." + (W. W. "Tot ziens!") + + +WALT WHITMAN + +GRASHALMEN + +(LEAVES OF GRASS) + +VERTAALD DOOR +MAURITS WAGENVOORT + +MET PORTRET VAN DEN DICHTER + +1917 + +GEDRUKT TER DRUKKERIJ "DE DEGEL", AMSTERDAM. + +[Illustratie] + +WERELDBIBLIOTHEEK + +ONDER LEIDING VAN L. SIMONS. + +UITGEGEVEN DOOR +DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN +GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM + + + + +INLEIDING + + +Een korte inleiding schijnt mij gewenscht. Van een reis, in 1892, door +de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, bracht ik als kostbaarste +herinnering de _Leaves of Grass_ van Walt Whitman mee. Tijdens mijn reis +ging er geen dag om zonder dat ik iets van hem las, en nog lang daarna +nam ik dagelijks het boek op om te herlezen. Diep was de indruk geweest, +dien ik van den arbeid en het leven der Noord-Amerikanen had ontvangen, +diep was de indruk, dien ik van de _Leaves of Grass_ ontving. Deze +poëmen, docht mij, geven een kort begrip van wat ik met bewondering en +eerbied, soms met verbijstering heb gezien; zij zijn een verkleind beeld +der geweldige republiek, het leven van Amerika verpuurd door liefde en +denken van een universeel dichter. Toch geven zij meer dan de +"athletiscihe republiek": zij openen heerlijke visioenen van wording, +ontwikkeling en voortgang in steeds groeiend recht: het Universum +aanschouwd door een Amerikaan, wien de Menschheid eens een plaats zal +aanwijzen te midden der groot-edelsten van allen tijd. + +Anderhalf jaar: te Chicago, Berlijn en Genua, gaf ik aan de vertaling +van wat thans wordt gepubliceerd. Dit is niet de geheele _Leaves of +Grass_, wel de geheele Whitman, zooals hij zich in de _Leaves_ +openbaart. De dichter herhaalt hier en daar wat hij gezegd heeft: er was +geen reden die herhalingen te vertalen; buitendien liet ik mij door mijn +smaak leiden. Er zijn enkele poëmen in de _Leaves of Grass_, die mij +niet bezielen, wat natuurlijk aan mij en niet aan Whitman ligt. Zoo ook +zijn eenig berijmd gedichtje _Captain, my captain_, dat ik onvertaald +liet, uit eerbied voor het rijm, en wijl Whitmans karakter als dichter +toch het heerlijkst in ongebondenheid zich uit. Niettemin was het +denkbeeld mij een gruwel een salon-Whitman te geven. In mijn vertaling +spreekt de bard zich uit met dezelfde zware en toch zoo zielvolle stem, +die de zijne is, ruw soms, duister soms, maar altijd verheven, altijd +menschelijk, altijd natuurlijk. + +Mijn loon was mijn arbeid-zelf. Wat kon ik inderdaad van mijn vertaling +verwachten? Behalve door Emerson, Whittier, Thoreau, in Amerika niet, in +Europa, behalve door Tennyson en Rosetti, weinig gewaardeerd, is Walt +Whitman arm en ongeacht gestorven, nadat hij, om de "onzedelijkheid" van +de _Leaves of Grass_, uit een betrekkinkje aan een ministerie te +Washington was ontslagen. Wat ik niet verwachtte, een kleine twintig +jaar geleden, was het bezwaar om _Grashalmen_ gedrukt te krijgen. Indien +ik Whitman fatsoenlijk had willen maken--wat men een bloemlezing noemt, +uit zijn _Leaves of Grass_--zou ik niet bijna vijf jaren hebben behoeven +te wachten voor een uitgever geneigd was althans een deel van Walt +Whitmans werk te publiceeren. Dit evenwel leek mij toen beneden den +eerbied dien ik voor den bard gevoelde: mijn vertaling zou in haar +geheel of niet verschijnen. Zij verschijnt nu, wel is waar niet in haar +geheel, maar toch in haar schoonste fragmenten. + +Wàt, in dezen tegenspoed, kon mij teleurstellen? Niets. Walt Whitman kon +wachten, ik had geen haast. Indien mijn levensgeluk afhankelijk ware +geweest van mijn literair succes, zou ik zeer beklagenswaard zijn. Mijne +boeken vinden weinig lezers: het verlies daarvan is niet geheel aan mijn +kant. Het verwonderde noch ontmoedigde mij, dat ik jaren had te wachten +eer men mijn _Grashalmen_ wilde publiceeren. De anderhalf jaar met +Whitman doorleefd, schonken mij een levenswinst, die noch door eenig +succes kon vermeerderd, noch door eenigen tegenspoed kon verminderd +worden. + +Over Walt Whitman en zijne _Leaves of Grass_ wil ik hier weinig zeggen. +Mijn vertaling geeft de maat aan van de bewondering en de liefde die ik +voor deze heerlijke twee-eenheid gevoel. Misschien toch kunnen een paar +verklarende woorden hem een of twee _lovers_ meer winnen. Men moet de +_Leaves of Grass_ niet nemen als gedichten, Walt Whitman niet als +dichter. Om een paar dichters van onderscheiden genie te noemen: Keats, +Kloos, Heine, Verlaine: naar hun beteekenis is Walt Whitman geen +dichter. Noch kan hij gemeten worden naar welken dichter ook: zijn +zangen zijn als symphonieën, en men denkt soms aan Beethoven, wanneer +men hem leest. + +De oer-dichter was de man, door veel strijd, veel denken, veel leven +hoog en groot geworden, richter, leider, priester, zanger van zijn volk. +Hij verkondigde wat recht was, deugd, liefde en schoonheid. Wat hij +sprak was de natuurlijke wijsheid van een God-gewijde ziel, door +innerlijke aanschouwing en nog meer door het vuur des levens gelouterd. +Maat en rijm kende hij niet, van verzen had hij nooit vernomen, wat men +poëzie noemt had geen zin voor hem, maar beter dan eenig ander wist hij +wat harmonie was en schoonheid. Hij had de menschheid lief en kende haar +zwakheid en lijden, haar kracht en vreugde. Hij bezat dien oppermoed, +die, geboren uit een onbedaarlijke zucht naar vrijheid, voorbeschikt om +alleen en hoog te staan te midden der menschen. Het leven had enkel +bekoring en de dood geen verschrikking voor hem. Dus had zijn volk hem +erkend als richter van allen, leider van allen, priester en zanger +tevens. Ziehier, in de tweede helft der negentiende eeuw, in een +samenleving, de Noord-Amerikaansche, die nog aan het begin harer +geestelijke vorming staat, de oer-dichter in Walt Whitman herboren, maar +verworpen door zijn volk, omdat de menschen van heden niet natuurlijk +kunnen zijn. + +Aldus moet de lezer Whitman beschouwen, wil hij hem begrijpen; zijne +poëmen, zijne zangen zijn geen gedichten; het zijn visioenen; +uitspraken, wetten, poëzie, zoo gij wilt, maar poëzie als erts, zooals +het gevonden wordt in de Ilias, in het Nibelungenlied, in de Veda's, in +de Psalmen, in het Hooglied. + +Wie lezen wil om zich te amuseeren, poëzie wil genieten als een zoete +zielestreelinig, bekoorlijk door fraaie rijmen, lichten cadans en +gedachten zwevend tusschen banaliteit, weemoed en burgermans +verliefdheid, dien heeft Walt Whitman zelf terecht gewezen: de _Leaves +of Grass_ zijn niet voor hem of haar. Wien het gegeven is vrij te zijn +van voor-oordeel, wie de schoonheid kan zien, ook wanneer zij in +ongewonen vorm verschijnt, wie zich-zelf wil geven aan den dichter en +het lezen steeds wil afwisselen door lang en rustig nadenken, dien opent +Whitman grootsche verschieten van sterke liefde in de goddelijke eenheid +van lichaam en ziel, dien schenkt hij moed, hoop en zelfvertrouwen. + +Wat mijn vertaling betreft: zij zal hare gebreken hebben, maar, wie mij +ook het tegendeel zegge, ik weet dat zij goed is, als geheel. Whitmans +vlucht door Tijd en Ruimte, niettemin, is soms zoo verheven, dat ik hem +slechts heb kunnen volgen door lager te Wijven dan hij; op andere punten +is de vertaling, onder het werk-zelf, en, natuurlijk zonder dat die +bedoeling voorzat, beter geworden dan het oorspronkelijke. Ik gewoel +temeer vrijmoedigheid dit te zeggen, wijl ik bij mijn werk geholpen werd +door een dier vrouwen, die door een waarlijk hemielsche eigenschap alles +verbeteren wat zij aanraken. Onze vriendschap-zelve belet mij haar te +noemen, maar wanneer ik, zooals ik hiermeê doe, _Grashalmen_ aan haar +opdraag, geef ik haar slechts terug wat zij mij geleend heeft, wetende, +dat ik voor mijn leven haar schuldenaar blijf, ook waar mij slechts van +haar de nagedachtenis rest. + +_Sevilla, Oct. '98._ M. W. + +_'s-Hage_--_'17._ + + + + +UIT: INSCRIPTIES + + +MIJN LIED IS VOOR HET IK + +Mijn lied is voor het ik, is voor den mensch des eigen levens, +Maar van mijn lippen klinkt het woord Democratie, het woord + En-Masse. + +Mijn lied geldt fysiologie van hoofd tot voeten, +Mijn muze is niet enkel gezicht, niet enkel ziel, ze is beiden + en dus meer dan ieder waard: +Mijn lied geldt dan het vrouwelijke volkomen even met het + manlijke. + +O Leven onbedwingbaar in uw passie, polsslag, kunnen; +Kracht en Vreugde zijn uw namen, geroepen, gij, tot het vrije + doen door goddelijke wetten. +Mijn lied geldt den modernen mensch. + + +TOEN IK HET BOEK GELEZEN HAD + +Toen ik het boek gelezen had, de veel geroemde levensschets, +Vroeg ik mij af: is dit dan wat de schrijver noemt een menschenleven? +En zoo zal iemand, ben ik dood en heen, beschrijven wat hij + noemt mijn leven? +Alsof iemand in waarheid iets weet van mijn leven, +Terwijl ik zelf vaak denk weinig of niets te weten van wat in + waarheid is mijn leven. +Een paar wenken, een paar sleutelwoorden en aanduidingen +Tracht ik in dit boek ten eigen nut te schrijven. + + +WERPT VOOR MIJ NIET UW DEUREN DICHT + +Werpt voor mij niet uw deuren dicht, gij koude boekzalen, +Want wat op uwe doorgebogen planken 't meest ontbreekt en + wat gij 't meest behoeft, dat breng ik u. +Uit den strijd zelf opkomende, heb ik dit boek gemaakt; +De woorden van dit boek zijn niets, let enkel op zijn ziel, de + ziel is alles, +Dit boek is eenig in de wereld, dit boek heeft niets van + andere boeken, dit boek wordt door het verstand alleen + niet gevat. +Uit ieder blad, uit ieder woord vloeit u de heete stroom des + levens te gemoet. + + + + +VAN PAUMANOK UIT +(FRAGMENTEN) + + +1. + +Van visch-gelijkend Paumanok uit, waar ik geboren ben, +Wel gewonnen en opgevoed door een treffelijke moeder, +Na in vele landen te hebben gedoold, vriend van menschen-drukke + straten, +Toever in Mannahatta[1], mijn stad, of op de Zuider-savanna's, +Dan als soldaat in 't kamp, of dragend geweer en ransel, + straks mijngraver in Californië, +Boersch in mijn huis in Dakota's wouden, sober mijn maal + met een dronk bronwater. +Nu ingetogen tot aanschouwing en bepeinzing in stille eenzaamheid, +Ver van de plaats waar het voetstapgeschuifel der menigte + druischt, gelukkig en dankbaar, +Bewust van den frisschen, vrijen gids, den stroomenden + Missouri, bewust van de machtige Niagara, +Bewust van de buffelskudden, grazende op de vlakten, den + harigen, sterkborstigen stier, +Door aarde en rotsen en bloemen der vijfde maand ervaren, + door sterren, regen en sneeuw getroffen, +Na des lachvogels lied en des bergvalks vlucht te hebben + bestudeerd, +Na in den ochtendstond het lied te hebben gehoord van den + weêrgalooze, den eenzamen lijster der moeras-ceders, +Eenzaam als hij, in het Westerland zingend, neem 'k mijn + vlucht voor nieuw een wereld. + + +[1] New-York. + + +2. + +Victorie, Unie, Geloof, twee-een zijn, tijd, +De onverbrekelijke tezaam-gevoegden, schatten, mysterie, +Beschaving als natuurwet, de kosmos, en de nieuwe arbeid. + +Aldus het leven, +Hier is wat op kwam na zooveel weeën en krampen. + +Hoe wonderlijk en tevens: hoe reëel! +De goddelijke aarde onder onze voeten, boven ons hoofd + de zon. + +Zie den aardkloot wentelen, +De vader-continenten bijeengegroept ter zij, +De continenten van heden en toekomst, Noord en Zuid, en de + landengte daar tusschen. + +Zie, onafzienbre ongebaande landen, +En steeds gewijzigd, als in een droom gezien, woelt daar het + leven, +Ontelbre menigten trekken over hen voort. +Nu zijn ze bedekt met een volk, dat de beschaving leidt, dat + kunsten leven doet, dat al wat goed is lief heeft. + +Zie, heenvloeiend door de tijden, +En voor mij uit een oneindigheid van menschen die mij + hooren. + +Met vasten en gelijken tred gaan zij hun weg, en nimmer + rusten zij, +En altijd volgen anderen, Americanos, een honderdtal millioenen, +De eene generatie doet wat zij vindt te doen en volgt het + voorgeslacht, +Een andere generatie komt en doet wat is te doen en volgt + dan in haar spoor. + +Zij gaan en keeren het gelaat eerst zijwaarts, achterwaarts + vervolgens, naar mij luisterend, +De oogen in het gaan op mij gericht. + + +3. + +Americanos! overwinnaars! humaniteitsarmeeën! +Voorwaarts! Nooit rust de eeuw! Libertad! Menigten! +Aan u een reeks van zangen. + +Zangen van de prairiën, +Zangen van den ver weg vloeienden Mississippi, neerwaarts + naar de Mexicaansche zee, +Zangen van Ohio, Indiana, Illinois, lowa, Wisconsin en Minnesota, +Zangen als een stroom uit Kansas' harte vloeiend en voortsnellend + in en naast rivieren, +Uit het hart van Amerika zelf schietend door hare polsen als + vloeiend vuur, dat al doet leven. + + +4. + +Neem deze zangen dan, Amerika, neem hen ten Zuid en + neem hen ten Noord, +Bereid hun overal een welkom, want zij zijn leven van uw + leven, +Verklaar hen Oost en West, want zij verklaren u, +En gij, Verleden, heb hen lief, want zij hebben ook liefde + voor u. + +Eén in gedachten was ik met vervlogen tijden, +Ik zat aan de voeten der groote meesters en luisterde + naar hen, +Nu, ware 't mogelijk, o dat de groote meesters konden terugkomen + en luisteren naar mij. + +Zal ik, in dezer Staten naam, de Oudheid smaden? +Weet ik dan niet, dat zij de kinderen zijn dier Oudheid, en + haar verklaren? + + +5. + +Gestorven dichters, filosofen, priesters, +Gij martelaars, gij zoekers, kunstenaars, verdwenene + regeerders, +Gij die in verre landen uw taal eens tot nieuw leven riept, +Gij natiën eens gevreesd, nu klein, vergeten of vervallen, +Voor ik saluut breng aan wat er van uw geest nog in ons + naleeft durf ik niet uitgaan tot mijn arbeid, +Ik heb met u een wijl geleefd en beken dat gij bewondering + verdient, +Ik denk: nooit kan iets grooter zijn dan het is, niets kan ooit + meer verdienen dan het verdient, +Ik heb, voor ik u losliet, u gedachtenvol een langen tijd aanschouwd, +Nu sta ik hier op eigen plaats en in eigen tijd. + +En met mij de landen vrouwelijk en mannelijk. +En met mij de erfgenamen der wereld vrouwelijk en mannelijk, + en met mij het vuur der materie, +En met mij het ideaal: verklaring van God, door allen openlijk + erkend, +De altijd voor ons uit zwevende finale van wat daar zichtbaar + is, +De Al-voldoener, die, na lang gedwaald te hebben, nu zijn + weg kiest, +Ja, zij is hier, de Ziel, haar die ik liefheb. + + +6. + +De Ziel, +Altijd en immer, vóór de aarde bruin en vast was levende, + vóór water keerde en weerkwam, ebbe en vloed, levende! + +Niettemin zal ik de materie bezingen, omdat ik door haar + 't schoonst de ziel bezing, +En ik zal mijn lichaam en mijn sterflijkheid bezingen, +Want dán en daardoor vloeit door mij het lied van ziel en + onvergankelijkheid. + +Ik zal een lied zingen voor deze Staten, dat niet een hunner, + in wat omgaan ook, zij onderworpen aan een anderen Staat, +En ik zal een lied zingen, dat er overleg zij, bij dag en bij + nacht, tusschen al de Staten en tusschen elk twee-tal hunner, +En ik zal een lied zingen bestemd om gehoord te worden door + den President, vol van scherppuntige dreigende wapens, +En achter die wapens ontelbare ontevreden gezichten, + +Ook zing ik een lied van de Eene die uit allen geschapen is, +De vreesbre, luistervolle Eene, die groot is bovenal, +De onwrikbre, de strijdbre Eene, omvattend al en bovenal, +Hoe hoog het hoofd van iemand zij, Haar hoofd is bovenal. + +Ik zal alle landen die leven hulde brengen, +Ik zal de landbeschrijving van heel de aarde volgen en een + eerbiedsgroet brengen aan elke stad, 't zij groot of klein, +En aan allen arbeid! Ik zal zeggen in mijn gedichten, dat met + U, ter land en zee, het ware held-zijn is, +En ik zal dat held-zijn gadeslaan met de oogen van een + Amerikaan. + +Ik zal het lied zingen der kameraadschap, +Ik zal aantoonen wat enkel en ten slotte de menschen + moet bijeenbrengen, +Ik geloof zij zullen hun eigen ideaal van sterke liefde hebben, + zoo als dat nu reeds in mij leeft, +Aldus zal ik hoog laten opvlammen uit mijn ziel de laaiende + vuren die mij dreigden te verteren, +Ik zal deze vuren, die te lang smeulden, vrij-geven, +Ik zal hen vrijelijk laten woelen, +Ik zal schrijven het evangelium-gedicht van kameraden en + van liefde, +Want wie beter dan ik verstaat de liefde met al haar verdriet + en haar vreugd? +En wie eerder dan ik zou de dichter zijn der kameraadschap? + + +7. + +Ik geloof in de deugd, in de eeuwen, in de rassen, +En ik ga uit voor een arbeid in den eigen geest van het volk, +Hoort dan het lied van onbeperkt geloof. + +Omnes! Omnes! Laat anderen onbewust zijn van wat zij niet + kennen, +Ik maak een gedicht ook ter eere van het kwade, ik sla dit + levensdeel niet over, +Ik-zelf ben juist even kwaad als goed en zoo is ook mijn + volk--en ik zeg: in werkelijkheid is er geen kwaad. +(En zoo er kwaad is, dan is dit voor U, voor allen, voor mij + even gewichtig als wat ook in het leven). +Ook ik, velen volgend en door velen gevolgd, breng een + religie tot wijding, ik daal in den arena af, +(Misschien wel bestemd de luidste kreten, den overwinningsroep + te doen hooren, +Wie weet? Dat die kreten dan nu reeds van mij worden gehoord). + +Niemand is enkel om zijnentwil, +Ik zeg de geheele aarde en al de sterren in het firmament + zijn daar om religiëns wil. + +Ik zeg: niemand was tot nu half vroom genoeg, +Niemand heeft ooit aangebeden en vereerd half genoeg, +Niemand heeft er nog aan gedacht hoe divijn hij zelf en hoe + zeker de toekomst is. + +Ik zeg de ware en blijvende grandeur dezer Staten moet hun + religie zijn, +Zonder religie is er geen ware en blijvende grandeur, +(Noch karakter, noch leven dien naam waardig zonder religie, +Noch land, noch man of vrouw zonder religie). + + +8. + +Wat, jonge man, is uw streven? +Zijt gij zoo ernstig, zoo vol toewijding voor litteratuur, wetenschap, + kunst, amours? +Deze tastbare realiteiten, politiek, dingen? +Uw eerzucht of uw vak, wat dan ook? + +'t Is goed,--ik heb tegen dezulken niets, ik ben ook hun + dichter. +Maar zie! Zie hoe snel in brand en snel verteerd, zie dit + branden om religiëns wil; +Niet alle brandstof verwarmt in haar gloeien, niet alle vlam + geeft licht aan het eigenlijk leven dezer aarde: +Voor religie is alles meer dan dit. + + +9. + +Wat zoekt gij zoo nadenkend en zwijgzaam? +Wat is uw nood, Camerado? +Lieve zoon, denkt gij liefde is wat gij behoeft? +Luister, lieve zoon, luister Amerika, 't zij dochter of zoon, +'t Is een smartenlast een man of vrouw onstuimig lief te + hebben, en toch 't verheft ons en 't is groot, +Maar er is iets anders zéér groot, iets dat het al omvat, +Dat, heerlijk boven alle stof verheven, met onvermoeide + handen uitstrooit voor allen en zorgt voor allen. + + +10. + +Eens toen ik wandelde, in Alabama, mijn morgenwandeling, +Zag ik hoe in de struiken het wijfken des lachvogels op haar + nest zat en haar jongen koesterde. +Ook zag ik het mannetje, +En ik stond een wijl dichtbij en luisterde naar zijn heerlijk + lied van leven. + +En toen ik daar wijlde kwam het in mij, dat hij niet enkel + zong voor wat dicht aan zijn zijde was, +Niet enkel voor zijn gezellinne, niet enkel voor zichzelf, noch + enkel voor de echo's die het lied aan het verleden schonken. +Maar wonder-zacht, onmerkbaar bijna, heel ver omhoog, +Schonk en vertolkte hij in 't lied een hemelgift voor hen die + pas geboren waren voor de toekomst. + + +11. + +Democratie! dicht bij u zingt nu een stem het lied des + levens, blijde en krachtig. + +Ma femme! Voor onze kinderen van toekomst en heden, +Voor hen, die om ons heen zijn en voor hen die komen, +Ik, juichend, nu mij-zelf bewust, doe opluiden mijn zangen, + kloeker zangen, hooger zangen dan ooit op aarde gehoord. + +Ik zal den zangen van de passie vrijgeven, +En ook uw zangen, wetschenders en uitgestootenen, want ik + zie u aan met een goed oog, gij ook leeft in mijn hart, zoo + goed als de anderen. + +Ik zal het ware gedicht der schatten schrijven, +En voor lichaam en geest winnen al wat zij behoeven en wat + leven heeft voor hen en door den dood niet wordt geschaad; +Ik wil egotisme zaaien en toonen, dat het de kiem van alles + is, en ik wil de bard van het karakter zijn, +En ik zal toonen, dat man en vrouw volkomen elkaars gelijke + zijn, +En sexueele organen en daden! Versterkt U in mij, want ik + ben vast besloten U te erkennen en luide en moedig te + verkondigen, dat gij verheven zijt, +En ik zal toonen, dat er in het leven geen onvolmaaktheid is, + en dat zij ook in de toekomst niet zal zijn, +En ik zal bewijzen, dat wat ons in het leven overkomt, de + gevolgen altijd heerlijk kunnen wezen, +En ik zal verklaren, dat ons niets lieflijkers kan overkomen + dan de dood, +En door mijne poëmen zal de gedachte vloeien, dat het + eeuwige en het tijdelijke hetzelfde zijn, +En dat alle dingen des heelals wonderen zijn, elk hunner zoo + groot als een ander. + +Ik zal niet dichten om een deel slechts eer te geven, +Ik wil dichten, zingen, denken ter glorie van het Al, +En ik zal niet zingen om een enkelen dag, maar om alle + dagen te eeren, +En ik zal niet een enkel gedicht, noch een enkelen regel van + een gedicht schrijven, zonder de ziel te eeren, +Immers, na het leven des Heelals te hebben aanschouwd, vind + ik dat geheel noch deel zijn kan zonder de ziel. + + +12. + +Vroeg daar iemand de ziel te zien? +Zie uw eigen gestalte en gelaat, de menschen, de dingen, de + beesten, boomen, stroomende rivieren, de rotsen en de + woestijnen, +Alles heeft eens het Paradijs gekend en later verloren; +Hoe kan dan waarlijk het lichaam ooit sterven en begraven + worden? + +Of waarlijk uw lichaam, of waarlijk het lichaam van welken + man of welke vrouw ook, +Iedere atoom van ons lichaam ontsnapt aan de hand des + afleggers en wijkt naar de sferen die van gelijk leven zijn, +Met zich nemende al wat bezeten en ontvangen werd van het + moment der geboorte tot het oogenblik des doods. + +De lettertypen door den zetter bijeengevoegd geven in hun + afdruk de meening en de bedoeling des schrijvers niet + beter weer, +Dan eens mans wezen en leven of eener vrouw door lichaam + en ziel worden weergegeven, + Onverschillig voor den dood of na den dood. + +Zie dan, het lichaam bevat de meening en de bedoeling Gods, + het bevat en is de ziel; +Wie gij ook zijt, hoe heerlijk en hoe goddelijk is uw lichaam + en ieder deel uws lichaams! + + +13. + +O Camerado dien ik liefheb! O gij en ik vereend ten laatste + en wij tweeën nu voor ons-zelf alleen! +O, één woord dat het leven schoon en kostelijk en eindeloos + maakt! +O, iets dat ons extase geeft en niet van deze aarde! O muziek + van passie! +O, nu is mijn triumf volkomen en de uwe met de mijne; +O, hand in hand--O, enkel vreugde--O, een die mij + begeert en liefheeft meer! +O, het leven is ons! Spoeden wij ons! Spoeden wij ons! Spoed + U met mij voort naar de toekomst! + + + + +UIT: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK + + +1. + +Ik verheerlijk mij-zelf en bezing mij-zelf, +En wat ik voor mij vorder zult gij vorderen voor U, +Want elke atoom mijns levens is een atoom uws levens. + +Ik ga om in de natuur en bepeins hoe zij zich weerkaatst in + mijn ziel, +Ik dwaal rond, leg mij neder en sla een grasspriet gade. + +Mijn spraak, elke bloedatoom in mij is voortgekomen uit + dezen zelfden grond en uit deze zelfde lucht. +Hier geboren, uit ouders hier geboren oók, uit ouders gelijkelijk + hier geboren en dier ouders tevens, +Ik, nu zevenendertig jaren oud, volkomen gezond, ga uit tot + mijn arbeid, +Hopende dien arbeid te kunnen voortzetten tot mijn stervensuur. + +Ik laat credo's en theorieën voor wat zij zijn, +In mijn beschouwing is hun aanzijn reeds voldoende, maar + nooit vergeet ik ze, +Goed en kwaad zijn mij welkom, beiden mogen spreken als + het leven hun dringt, +Natuur, zonder dwang, en met oerkracht. + + +2. + +Ik heb den praat gehoord van de praters, den praat over het + begin en het einde; +Maar ik praat niet over het begin en het einde. + +Nooit was het begin aanvankelijker dan het nu is, +Nooit was er meer jeugd of oudheid dan er nu is, + +En nooit zal er meer volkomenheid zijn dan er nu is. +Evenmin ietwat meer hemel of hel dan er nu is. +Vooruitgang was het begin, vooruitgang zal het eind zijn, +De scheppende vooruitgang van de wereld altijd en immer. + +Licht is in duisternis en beiden gaan evenredig voort, altijd + en overal is het wezen, altijd zal de kunne er zijn; +Altijd de vereeniging van wat aantrekt, altijd het zich-zelf + blijven der verscheidenheden, altijd een nieuw geslacht. + +Hier tegen in te gaan heeft geen nut, geleerd of ongeleerd + gevoelt dat dit de waarheid is. + +Zeker als de onwankelbare zekerheid, lood in de rechtstandigheid, + goed doorvoegd, gesteund in de balken, +Moedig als een paard, vol kracht van liefde, onbevangen, + electrisch, + Staan wij hier in het leven, ik en dit mysterie. + +Zuiver en zoet is mijn ziel, en zuiver en zoet is alles wat + niet is mijn ziel. +Waar een ontbreekt ontbreken beiden, en het ongeziene wordt + door het zichtbare bewezen, +Totdat ook dit onzichtbaar wordt en bewezen wordt op + zijn tijd. + + +3. + +Heeft iemand ooit gemeend, dat het gelukkig was geboren + te zijn? +Ik haast mij hem of haar te zeggen, dat 't even gelukkig is te + sterven, en ik weet dat. + +Ik ga den dood door met den stervende en het leven door + met het zoo-even ontbonden kind, en wat gij daar van mij + ziet tusschen laarzen en hoed is niet mijn geheele Ikheid. +Mijn leven is het leven der menigvuldigheid en in die menigvuldigheid + zijn daar niet twee eveneens en allen zijn goed, +De aarde goed, de sterren goed en alles wat daarop of omheen + leeft goed. + +Ik ben geen aarde, ook geen satelliet van een aarde, +Ik ben de maat en gezel van menschen die allen even onsterflijk + en vademloos zijn als ik-zelf ben, +(Zij weten niet hoe onsterflijk, maar ik weet 't). + +Iedere mensch leeft voor zichzelf en voor wat zijn leven is, + ik leef voor mij en weet wat mijn is, mannelijk en + vrouwelijk, +Zij zijn mijn die knapen geweest zijn en vrouwen begeeren, +Hij is mijn de man, de fiere, die het steken voelt der + geringschatting, +Zij is mijn de verloofde, en de oude maagd is mijn, zij zijn + mijn de moeders en de moeders van moeders, +Mijn zijn de lippen die glimlachen en de oogen die tranen + storten, +Mijn zijn de kinderen en die kinderen gewinnen. + +Naakt! Voor mij hebt gij geen schuld, door mij wondt gij niet + uitgeworpen, door mij niet geminacht, +Ik zie U door kleed en hemd in de ziel, +Ik omgeef U, ik laat niet af voor ik U gewonnen heb, ik ben + onvermoeid, gij kunt mij niet afschudden. + + +4. + +Ik kom met luide muziek, met trompetten en trommen, +Ik speel niet enkel de marschen ter eere van de overwinnaars + die ieder toejuicht, ik speel ook de marschen voor + overwonnenen en verslagenen. +Heeft men U gezegd, dat het goed was het pleit te winnen? +Dan zeg ik U daarbij, dat 't goed is de nederlaag te lijden: + veldslagen worden in denzelfden geest verloren als zij + worden gewonnen. + +Ik trommel en trompet voor den dood, +Mijn luidste en blijdste muziek is voor de dooden. + +Vivats voor hen die verloren hebben! +En voor hen wier oorlogsschepen in de zee zijn ondergegaan! +En voor hen-zelf die in zee zijn ondergegaan! +En voor alle veldheeren wier leger verslagen werd en voor + alle overwonnen helden! +En vivats voor de tallooze onbekende helden, zoo luid als + voor de grootste helden wier naam beroemd is. + + +5. + +Denkt gij, dat ik eenig diep verborgen doel hebbe? +Nu dan, ik heb dat doel, want de zaaiers der Vierde-maand + hebben dat doel en het mica aan de rotshellingen heeft + het ook. + +Houdt gij 't er voor, dat ik verwonderen wil? +Wil het daglicht verwonderen? Wil het roodborstje, dat vroeg + in den morgen kwinkeleert, het doen? +Wil ik 't dan doen eenigermate meer dan zij? +Dit uur wil ik U in vertrouwen iets meedeelen. +Ik zou 't niet gaarne iedereen vertellen, maar U wil ik 't + vertellen. + + +6. + +Ik ben de poëet van het Lijf en ik ben de poëet van de Ziel, +De vreugden des hemels zijn met mij en de pijnen der hel zijn met mij, +De eersten ent en kweek ik op mij-zelf, de laatsten spreek ik + uit in een nieuwe taal. + +Ik ben de poëet van de vrouw dezelfde als van den man, +En ik zeg: groot is 't vrouw te zijn, groot is 't man te zijn, +En ik zeg: niets is er grooter dan de moeder te zijn van + menschen. + +Ik zing den zang van hoogheid en hoogmoed, +Wij hebben nu tamelijk wel genoeg gehad van nederigheid en + verlaging, +Ik toon aan dat gesteldheid ontwikkeling beteekent. + +Zijt gij de anderen voorbijgestreefd? Zijt gij de President? +'t Beteekent niet veel, iedereen zal verder dan zoover komen + en toch altijd voortgaan. +Ik ben de man die met den teederen, klimmenden nacht + wandelt, +Ik spreek tot aarde en zee, door den nacht half-beschemerd. + +Druk mij vast tegen u aan, blootborstige nacht--druk mij + vast tegen u aan, nacht die mij magnetisch doorvloeit! +Nacht van Zuider winden--nacht van enkele groote sterren! +Nacht die mij toeknikt--genotnaakte zomernacht +Glimlach, o wellustige, koel-ademende aarde! +Aarde van de sluimerende, smeltende boomen! +Aarde van den weggeduisterden zonsondergang--aarde van + de nevelbetopte bergen! +Aarde van den glas-schijnenden maanstraal, ietwat met blauw + doortrokken! +Aarde van licht en duister spranklend in den riviervloed! +Aarde van het doorzichtige wolkengrijs, dat om mijnentwil + klaarder en helderder wordt! +Aarde die op de breed-neergestreken elbogen rust--rijke + appelbloesem aarde! +Glimlach, glimlach, want hij die u liefheeft is op weg. + +Liefde hebt gij mij overvloediglijk gegeven--daarvoor geef +ik U liefde weer! +O, onuitsprekelijke, onuitbluschbare liefde. + + +7. + +Ik ben niet enkel de dichter van goedheid, ik versmaad niet + de dichter te zijn van slechtheid tevens. +Wat is er al gebabbel over deugd en ondeugd? +Het kwaad drijft mij voort, de strijd tegen kwaad drijft mij + voort, ik blijf onaangedaan. + +Mijn levensdoel is niet onkruid te zoeken hier, te verwerpen + daar, +Ik besproei de wortels van al wat groei heeft. + +Hebt gij vrees voor wat scrofula dat uit levenskrachtige + vruchtbaarheid voortkomt? +Denkt gij, dat de goddelijke wetten nog te herzien en te verbeteren + zijn? + +Ik vind evenwicht aan deze zijde en evenwicht aan den + tegenkant, +De leer der zwakheid helpt zoo goed als de leer van kracht, +Daden en gedachten des Levens verrijzen met ons en tijgen + vroeg aan den arbeid. + +De minuut die nu volgt en over mij heen gaat komt uit een + verleden van eonen, +Er was geen betere dan deze en er zal geen betere zijn. + +Wat schoon was in 't verleden en schoon is nu is geen wonder, +Een wonder is altijd en altijd hoe daar een mensch kan zijn + die zich-zelven ontrouw is en die niet gelooft. + + +8. + +Walt Whitman, een kosmos, zoon van Manhattan, +Onstuimig, vleezig, zinnelijk, etende, drinkende, leven verwekkende, +Geen sentimentalist, zich niet verheffende boven mannen en + vrouwen, zich niet van hen afscheidende, +Niet bescheidener dan onbescheiden. + +Ontschroef de deursloten! +Ontschroef de deuren zelven van de scharnieren! + +Wie ooit een ander vernedert, vernedert mij! +En wat ooit gedaan of gezegd wordt komt ten slotte tot mij. + +Door mij gaat de stroom der goddelijke wijsheid, in mij de + verklaring van leven en toekomst + +Ik spreek het oer-wachtwoord, ik geef het teeken der Democratie, +Bij God! Niets zal ik aanvaarden waaraan niet allen op + dezelfde voorwaarden deel kunnen hebben. + +Door mij spreken verboden stemmen, +Stemmen van seksen en van begeerten, stemmen heesch nog + en ik verwijder die heeschheid, +Stemmen die laag worden geacht en die ik zal verluiden en + verklaren + +Ik leg mij de vingers niet op de lippen, +Voor mij zijn de ingewanden even schoon en even hoog als + hoofd en hart, +De paring is mij niet minder schoon dan mij de dood is. + +Ik geloof in den vleeze en in de begeerten, +Zien, hooren, voelen zijn wonderen, en elk deel en elke vezel + van mij is een wonder. + + +9. + +Ik denk ik zou met de dieren kunnen omgaan en leven, zij + zijn zoo vreedzaam en zelf-voldaan, +Ik sta langen tijd stil om hen te bespieden. +Zij maken zich niet warm en schreien niet over hun leven, +Zij zijn niet slapeloos in den nacht en beweenen hunne zonden, +Zij maken mij niet wee met den praat over hunne plichten + tot God, +Niet een hunner is onbevredigd, niet een geslagen met de + manie van eigendomsbegeerte, +Niet een knielt voor den ander, niet voor zijns gelijke die + duizenden jaren vroeger leefde, +Niet een is achtenswaardig of ongelukkig over de geheele + wereld. + +Aldus toonen zij hun betrekking tot mij en ik erken die, +Ik vind eigenschappen van mij zelf in hen terug, die zij + duidelijk toonen te bezitten + +Ik verwonder mij hoe zij aan die eigenschappen zijn gekomen, +Heb ik hun weg in den oer-tijd bewandeld en heb ik ze + onachtzaam verloren, +Ik-zelf toen, nu en altijd voortgaande, +Verzamelende en bewijzende altijd meer en altijd sneller, +Oneindig en alsoortig en dus de gelijken van dezen daarbij, +Niet laag neerziende op hen, die mij mijn vroeger bestaan + herinneren, +Zoek ik uit allen een dien ik liefheb en met wien ik als een + broeder zal leven. + + +10. + +Eenzaam te middernacht in mijn tuin, mijne gedachten gaan + een lange wijl van mij uit, +Daar wandel ik over de oude heuvels van Judea met den + schoonen, zachtmoedigen God aan mijn zijde, +En snel op door de ruimte, snel op door hemelen en sterrengroepen, +Snel op tusschen de zeven satellieten door den breeden ring + en den diameter van tachtig duizend mijlen, +Snel op met de staartmeteoren, vuurkloten afwerpende als zij, +Dragende het groeiende kind dat zijn eigen zwangere moeder + in de buik draagt, +Stormend, genietend, ontwerpend, liefhebbend, waarschuwend, +Steunend en tevredenstellend, verschijnend en verdwijnend +Aldus betreed ik deze paden dag en nacht. + +Ik bezoek de gaarden der sferen en zie wat zij voortbrengen, +En zie quintillioenen rijpe en quintillioenen onrijpe vruchten. + +Ik vlieg de vlucht eener vloeiende, zwelgende ziel, +Mijn loop gaat dieper dan het dieplood peilt. + +Ik help mij-zelf aan wat ik stoffelijks of onstoffelijks behoef, +Geen wacht kan mij buitenhouden, geen wet kan mij verhinderen. + + +11. + +Ik hoorde wat daar over het Universum werd gezegd, +Heb 't gehoord en weer gehoord vele duizenden jaren lang; +'t Is tamelijk goed, voor zoover 't gaat--maar 't is niet alles. + +Ik kom en van mij gaat de Heerlijkheid uit en de Kracht, +Eerst van al overbied ik alle oude waarborgventers der + Alleen-Zaligmaking, +Ik leg mij de zelfde afmetingen als Jehova aan, +Maak een prentje van Kronos, van Zeus zijn zoon, van + Hercules zijn kleinzoon, +Koop plaatjes van Osiris, Isis, Belus, Brahma, Boeddha, +Leg Manitoe los in mijn portefeuille, Allah op een blad papier, + heb een ets van den gekruisigde, +Ik reken af met Odin en met den afzichtelijk grijnzenden + Mexitli en met ieder afgods- en heiligenbeeld. +Ik neem allen voor wat zij waard zijn, maar niet voor een + cent meer, +Erken dat zij geleefd hebben en in hun tijd hun werk deden, +(Zij droegen wormpjes aan als voor ongevederde vogels, maar + dezen zullen nu opstaan en uitvliegen en zingen in eigen + kracht.) +Ik aanvaard de ruwe Godsbegrippen, maar verbeter en verfijn + ze in mij-zelf en deel er gulhartig van mee aan iederen + man en iedere vrouw die ik ontmoet, +Ontdek evenveel van hun godheid of meer zelfs in den bouwer + die een huis bouwt, +Eisch hoogere rechten voor hem daar met zijne opgerolde + hemdsmouwen en hamer of beitel ter hand, +Weiger niet de bijzondere openbaringen aan te hooren, maar + beschouw een rookwenteling of een haar op den rug mijner + hand even gewichtig als welke openbaring ook +Jonge kerels bij de brandspuiten en op de reddingsladders + zijn voor mij niet minder dan de goden in den antieken + krijg. +Ik luister naar den galm hunner stemmen, die het vlammengieren + der verdelging doorsnijdt, +Terwijl hunne gespierde lichamen ongedeerd over de verkoolde + balken gaan, hunne bleeke voorhoofden ongedeerd + en boven het vuur uit; +Ik vergelijk die goden bij de smidsvrouw, met haar zuigeling + aan de borst, die genadig is voor iederen pasgeborene; +Drie gierende seizen ter oogst in een rij van drie sterke + engelen met hemden om hunne lendenen opgerold; +De roodharige staljongen met puntige tanden, verlosser van + verleden en toekomstige zonden, +Die al wat hij bezit verkoopt en een verre voetreis maakt om + een advocaat te betalen voor zijn broêr, die voor vervalsching + terechtstaat en om dien broêr bij te staan; +Wat werd ooit in de mildste rooiing op de vierkante roede om + mij heen gerooid, waarvan die vierkante roede niet vervuld + was? +De stier en het insect werden nimmer genoeg verheerlijkt; +Drek en vuil zijn bewonderenswaardiger dan ooit werd gedroomd; +Het bovennatuurlijke is voor ons van geen belang: ik zelf + wacht mijn tijd uit om eens een der allerhoogsten te + worden; +De dag zal weldra daar zijn, dat ik evenveel goed zal doen + als de beste en even wonderbaarlijk zal zijn. +Bij mijn lichaam! Ik word reeds een schepper, +En leg de kracht van mijn leven in den omwikkelden schoot + der duisternis. + + +12. + +Dit mijn lied is niet het lied van den sleur, +Het vraagt onverwacht, het snelt op en daalt af, maar brengt + altijd nader; +Dat is een gedrukt en gebonden boek--maar wat is de drukker, + wat is de drukkersjongen? +Een welgeslaagde fotografie--maar uw vriend of meisje + teeder en vast in uw armen? +Het zwarte schip met ijzer gepantserd, zijn vreeselijke kanonnen + in de torens--maar de zeemanschap van kapitein en + machinisten? +In de huizen de gevulde schalen en het maal en de meubels-- + maar de gastheer en de gastvrouw en de blik hunner oogen? +De hemel daar omhoog--maar hier, of naast de deur of over + den weg? +De heiligen en wijsgeeren in de geschiedenis--maar gij-zelf? +Preeken, credo's, godgeleerdheid,--maar het onnaspeurlijk + menschelijk denken? +En wat is rede? en wat is liefde? en wat is leven? + + +13. + +Ik ben een toppunt van verleden dingen en bevat alle dingen + der toekomst. + +Mijne voeten raken een trede van de treden der trap, +En iedere trede draagt bundels eeuwen en grooter bundels + eeuwen liggen tusschen twee treden, +Al wat onder mij is ben ik opmerkzaam doorgegaan en steeds + klim ik en klim ik. + +Geslacht na geslacht buigen de geesten zich achter mij neer, +In de verre verte zie ik het geweldige Oer, ik weet dat ik + dààr zelfs was, +Ongezien wachtte ik alomtegenwoordig en sliep in den lethargischen + nevel, +En wachtte mijn tijd af, zonder geschaad te worden door de + stinkende koolstof. + +Lang werd ik door krachtige armen omhelsd--lang en lang. + +Onberekenbaar zijn de voorbereidingen voor mij geweest, +Trouw en liefdevol waren de armen die mij droegen, +Door de kringloopen werd mijn wieg voortbewogen, zij roeiden + en roeiden als vroolijke roeiers, +Om mij ruimte te geven stelden de sterren zich in hare ringen + ter zij, +Zij zonden mij hare invloeden om zorg voor mij te dragen. + +Voor ik uit mijn moeder geboren werd baanden vele menschengeslachten + mijn weg, +Nooit is mijn embryo in zijn groei vertraagd, niets kon den + glans er van verduisteren. + +Nevelen formeerden zich er voor tot werelden, +De lange, langzame melkweg werd vast om het te doen + rusten, +Reuzengewassen gaven het levenssap, +Monsterachtige sauroïden droegen het in den muil en legden + het voorzichtiglijk neer. + +Alle krachten van het Heelal zijn eeuwig voor mij ingespannen + om mij te volmaken en te bekoren, +Nu sta ik hier op deze plek met mijn sterke ziel. + + +14. + +Ik open mijn dakvenster in den nacht en zie de ver-uitgestrooide + sterrengroepen, +En allen die ik zie, zooveel vermenigvuldigd als ik kan + becijferen, geven slechts een som die de nog verdere + sterrengroepen bezoomt. + +Zij verspreiden zich verder en verder, wijden zich uit en + wijden zich altijd uit, +Dieper en dieper en eeuwig dieper in de eeuwigheid. +Mijn zon heeft haar zon die gehoorzaam om haar rondwentelt, +Deze vereenigt zich met hare makkers tot een groep van nog + verhevener omgang, +En dichtere rijen volgen, die van de grootsten in haar midden + stippen maken. + +Er is geen stilstand en nimmer kan er stilstand zijn, +Indien ik, gij en de werelden en alles beneden en op haar + oppervlak zouden worden herleid tot een bleek gedobber in + het Al, 't zou niets hinderen op den duur, +Wij zouden zeker opnieuw komen waar wij nu staan, +En zeker zoover komen als wij gekomen zijn en dan verder + gaan en verder. + +Enkele quadrillioenen tijdperken, enkele octillioenen kubieke + mijlen brengen het Verband niet in gevaar of doen er + ongeduld binnensluipen, +Zij zijn maar deelen, en alles is maar een deel. + +Zie zoover gij kunt, verder nog is onbegrensde ruimte, +Reken zooveel gij kunt, daar is oneindige tijd omheen. + +Mijn samentreffen is bepaald, is zeker, +De Heer zal mij wachten tot ik in volmaaktheid kom, +De verheven Camerado, de ware liefdegever naar wien ik + smacht, zal ik ontmoeten. + + +15. + +Ik weet mij behoort het beste van tijd en ruimte, en nooit + werd ik gemeten en nimmer zal ik gemeten worden. + +Ik voeteer een altijddurende reis (komt, luistert allen!) +Mijn kenteekenen zijn een waterdichte mantel, sterke schoenen + en een boomtak tot staf, +Geen mijner vrienden kan zijn rust in mijn stoel nemen, +Ik heb geen stoel, geen kerk, geen filosofie, +Ik leid niemand ten maaltijd, of naar de bibliotheek of naar + de Beurs, +Maar ieder uwer, man of vrouw, leid ik op een bergtop, +Mijn linkerhand kromt zich rond uw middel, +En mijn rechterhand wijst op de landschappen der werelddeelen + en op den open heirweg. + +Noch ik, noch iemand anders kan dien weg voor U opgaan, +Gij-zelf moet dien weg opgaan. + +Die weg is niet ver, die weg is licht te bereiken, +Misschien bewandelt gij dien weg reeds van het oogenblik + uwer geboorte af, zonder het te weten, +Misschien is die weg overal, te water en te land. + +Schouder uw ransel, lieve zoon, en ook ik zal mijn ransel + schouderen en laten wij haast maken om voort te komen, +Wondervolle steden en vrije volken zullen wij op onze reis + bezoeken. + +Indien gij vermoeid zijt, geef mij dan beide lasten te dragen + en laat uw hand op mijn heup rusten, +Ter zijner tijd zult gij mij denzelfden dienst bewijzen, +Want als wij eenmaal dien weg zijn opgegaan zullen wij niet + weder rusten. + +Voor 't hedenmorgen daagde ben ik een heuvel opgegaan en + keek op naar den sterrenhemel, +En ik zei tot mijn geest: _Wanneer wij een zullen geworden + zijn met gindsche werelden en één met het genot en de + kennis van alle dingen die zij bevatten, zullen wij dan zalig + zijn en voldaan?_ +En mijn geest zeide: _Neen, wij dringen enkel tot hunne hoogste + hoogten door om, daar voorbij, verder te streven._ + +Ook gij stelt mij vragen en ik hoor U aan, +Ik antwoord dat ik niet kan antwoorden, gij moet U-zelf de + verklaring geven. + +Zet U neer een poos lieve zoon, +Hier is brood om te eten en hier is melk om te drinken, +Maar zoodra gij slaapt en U-zelf dus vernieuwt in een zoet + kleed, kus ik U met een vaarwel-kus en open de deur + voor uw later vertrek. + +Lang genoeg hebt gij verachtelijke droomen gedroomd, +Nu wasch ik U den slaap uit de oogen, +En moet gij U gewennen aan den glans van het daglicht en + van elk uwer levensoogenblikken. + +Gij hebt lang genoeg schroomvallig gewaad en de plank + vastgehouden, die U met het land verbond, +Nu begeer ik dat gij een kloek zwemmer zijt, +Dat gij U midden in de golvende baren werpt, dan weer + opkomt, mij toeknikt, schatert en lachend het water uit + uwe haren doet spatten. + + +16. + +Ik heb gezegd, dat de ziel niet meer is dan het lijf, +En ik heb gezegd, dat het lijf niet meer is dan de ziel. +En niets, God niet, is gewichtiger voor iemand dan zijn eigen + ik voor hem is, +En wie ook een honderd meter vèr gaat zonder sympathie, + loopt in een doodskleed in zijn eigen begrafenisstoet, +En ik en gij, zonder een cent op zak, wij mogen het beste + der aarde koopen, +En die zijne oogen op U richt, of een boon in haar schel laat + zien maakt het onderwijs van alle tijden beschaamd, +En daar is noch handel noch ambt of de jongeling die er zich + in begeeft kan er een held in worden, +En daar is geen ding zoo klein of 't is een naaf voor de + wielen des Heelals, +En ik zeg tot iederen man of vrouw; richt uw ziel onverschillig +en rustig op tegenover een millioen Heelallen. + +En ik zeg tot de Menschheid: stel geen vragen ten opzichte + van God, +Want ik die vragen stel ten opzichte van alles, stel geen + vragen ten opzichte van God, +(Niet een enkele woordschikking kan zeggen hoe gerust ik + ben ten opzichte van God en van den Dood). + +Ik hoor en zie God in ieder ding, toch begrijp ik God in 't + geheel niet, +Noch begrijp ik hoe daar een grooter wonder kan zijn dan + ik-zelf ben. + +Waarom zou ik wenschen God beter te zien dan ik Hem + dezen dag zie? +Ik zie iets van God elk uur van een etmaal en elk oogenblik + van een uur, +In de gezichten van mannen en vrouwen zie ik God en in mijn + eigen gezicht in den spiegel, +Ik vind brieven van God in de straten en elke brief is + geteekend met Gods naam, +En ik laat hen waar zij zijn, want ik weet dat waar ik ook ga, +Ik anderen zal vinden eeuwiglijk en eeuwiglijk. + + +17. + +En wat U betreft, Dood, en U bittere kus der sterflijkheid, + vergeefs tracht gij mij ongerust te maken. + +Zonder zich op zijn weg op te houden snelt de vroedmeester + naar zijn werk, +Ik zie hoe de ervaren hand drukt, ontvangt, ondersteunt, +Ik zie aandachtig toe aan de drempels dier uitnemend gewillige + deuren, +En zie het uitlaten en merk op hoe verlichting wordt gegeven + en hoe het leven uitbreekt. + +En wat U betreft, Lijk, ik denk gij zijt een voortreffelijke + mest, maar hinderen doet dit mij niet, +Ik ruik den zoeten geur der bloeiende witte rozen, +Ik strek mij uit naar de gebladerde lippen, ik strek mij uit + naar de gladde borsten der meloenen. + +En wat U betreft, Leven, ik denk gij zijt de erfenis van + velerlei dood, +(En zonder twijfel ben ik-zelf vroeger reeds tienduizenden + malen gestorven.) +Ik hoor uw gefluister o hemelsche sterren, +O zon--o gras van graven--o eindeloos overbrengen en + bevorderen, +Indien gij niets zegt, hoe kan ik dan iets zeggen? + +Van de troebele poel in het herfstbosch, +Van de maan die steile schachten in de suizende schemering + doet glanzen, +Valt vonkels van dag en duister--valt op de zwarte stammen + die in de drab vergaan, +Verlicht het klagelijk gefluister der verdorde rompen. + +Ik stijg hooger dan de maan, hooger dan de nacht, +Ik ontdek dat de doodsbleeke schemer een weerschijn is van + de middagzonnestralen, +En goed doet aan het hechtste en middenste van alle leven, + groot of klein. + + +18. + +Verleden en heden wijken naar achteren--ik heb er aan + gegeven, ik heb er aan ontleend, +Nu arbeid ik door en vervul den arbeid van de toekomst. + +Gij daar die naar mij luistert! Wat hebt gij mij toe te vertrouwen? +Zie mij in het gezicht, terwijl ik de avondlucht inadem, +(Spreek eerlijk, niemand anders luistert, en ik wil een minuut + langer toeven.) + +Spreek ik mij-zelf tegen? +Zeer goed, dan spreek ik mij-zelf tegen. +Ik ben breed, ik omvat veelheden. + +Ik richt mij tot hen die mij na zijn, ik wacht op den dorpel. + +Wie heeft zijn dagtaak verricht? Wie zal 't eerste klaar zijn + met zijn avondmaal? +Wie wenscht met mij te gaan? + +Wilt gij spreken voor ik zal vertrokken zijn? Wilt gij zeggen + dat 't reeds te laat is? + + +19. + +De gevlekte valk strijkt neer en beschuldigt mij, hij beklaagt + zich over mijn gesnap en getalm. + +Ook ik ben niet in 't minste getemd, ook ik ben onverklaarbaar, +Ik doe mijn wilde kreten galmen over de daken der wereld. + +De laatste wolkenvlucht van den dag houdt zich voor mij op, +Zij is een beeld van mij zoo gelijkend als eenig beeld kan zijn, +Het vleit mij dat ik damp ben en stof. + +Ik ga heen als lucht, ik schud mijn witte lokken bij het wegsnellen + van de zon, +Mijn vleesch wordt damp en drijft weg in sierlijk-gewaaide + vlokken. + +Ik vermaak mij-zelf aan het slijk om er het gras uit te laten + groeien dat ik liefheb, +Indien gij mij opnieuw mocht wenschen te zien, zie dan naar + mij uit onder uwe voeten. + +Gij zult nauwelijks kunnen weten wie ik ben of wat ik bedoel, +Maar niettemin zal ik U welzijn schenken, +En uw bloed zuiveren en krachtig maken. +En indien gij mij aanvankelijk niet mocht kunnen vinden, + verlies den moed niet, +Onderzoek dan, na de eene, de andere plaats, +Ergens toef ik en ergens wacht ik op U. + + + + +UIT: ADAMSKINDEREN + + +EEN UUR VAN WOEST GENOT + +Een uur van woest genot, O geweldig! O laat mij bandeloos + wezen! +(Hoe komt 't toch dat ik mij in stormen zoo vrij gevoel? +Wat beteekent toch mijn gejuich onder het lichten des + bliksems en het woeden der winden?) +O laat mij meer van de mystieke deliria drinken dan eenig + ander man! +O wilde en teedere pijnen! (Ik vermaak ze U mijn kinderen, +Ik deel ze gaarne aan U mede o bruidegom en bruid.) +O laat me mij aan U overgeven wie gij ook zijt en gij geef U + over aan mij ten trots van de wereld! +O laat ik teruggaan naar het Paradijs! O schaamte en Vrouw! +O laat ik U tegen mij aandrukken om op uwe lippen voor 't + eerst de kussen te planten van een zelfbewusten man. + +O, het raadsel, de drievoudig-gelegde knoop, de diepe, duistere + afgrond, alles ontbonden en verlicht! +O ik wil heensnellen waar ik eindelijk ruimte en lucht genoeg + vind! +Ik wil vrijgemaakt zijn van vroegere banden en vooroordeelen, + ik van de mijnen zoo goed als gij van de uwen! +Ik begeer een nieuw en ongekend vrijmoedig omgaan met het + beste van natuur! +Ik wil de beklemming van onzen mond losgemaakt hebben! +Heden of morgen het gevoel bezitten: ik ben genoegzaam + zooals ik ben. + +O geef mij iets nog onbewezens! iets in een verrukking des + geestes! +Laat mij geheel ontsnappen aan de ankers en de grepen van + anderen! +Vrij te drijven! vrij te leven! zorgeloos gevaarvol door te + slaan! + +Verdelging aan te zien met hoon en haar te lokken! +Op te stijgen tegen de hemelen der liefde waarvan ik droom, + er tegen op te tuimelen! +En steeds hooger te klimmen met mijn liefdedronken ziel! +Verloren te gaan indien dat zijn moet! +Het geheele verdere leven te voeden met een uur van volkomen + zaligheid en vrijheid! +Met een kort uur van woest genot. + + +OER-MOMENTEN + +Oer-momenten--wanneer gij over mij heen gaat--o reeds + komt gij weer, +Geeft mij nu enkel het genot van wellust, +Geeft mij den drank mijner hartstochten, geeft mij welig, wild + leven, +Heden ben ik de metgezel van de lievelingen der natuur, + hedennacht tevens, +Ik behoor tot hen die gelooven in den vrijen wellust, ik neem + deel aan de nachtelijke orgieën van jonge mannen, +Ik dans met wie dansen en drink met wie drinken, +De echo's weergalmen ons ontuchtig gezang, ik neem een + diepgevallene tot liefsten vriend, +Hij moet een wetschender zijn, ruw, ongeletterd, hij moet + iemand zijn door anderen veroordeeld om bedreven daden, +Ik wil niet langer veinzen, waarom zou ik vèr blijven van hen + die mijn ware makkers zijn? +O gij geschuwden, ik ten minste houd mij niet verre van U, +Ik begeef mij oogenblikkelijk in uw midden, ik zal uw dichter + zijn. +Voor U zal ik meer zijn dan voor een der anderen. + + + + +UIT: CALAMUS + + +OP ONBETREDEN PADEN + +Op onbetreden paden, +In het gewas der poelzoomen, +Ontsnapt aan het leven dat zich bloot geeft, +Aan alle standaardmaten, die tot nu algemeen golden, aan de + genoegens, voordeelen, gelijkvormigheid, +Waarmee ik te lang mijn ziel heb trachten te voeden, +Duidelijk nu voor mij dat er een eerlijke maat is nog niet + algemeen aanvaard, duidelijk mij nu dat mijn ziel, +Dat de ziel van den man voor wien ik spreek welbehagen + vindt in zijne gezellen, +Hier in eenzaamheid, weg van het gedruisch der wereld, +Leg ik den kerfstok aan en hoor ik mij toespreken door welgeurende + lippen, +Niet langer beschaamd (want op deze afgelegen plek kan ik + antwoorden wat ik elders niet zou hebben durven zeggen.) +Krachtig in mij het leven dat zich niet vertoont en toch al het + andere omvat, +Vast besloten heden geen andere zangen te zingen dan die + van mannelijke gehechtheid, +En neem mij voor ze door geheel mijn aardsche leven te doen + hooren, +Voortaan zal ik het voorbeeld geven van athletische liefde, +Op den namiddag van deze lieflijke Negende Maand van mijn + een en veertigste jaar, +Begin ik mijn arbeid voor allen die jonge mannen zijn of + geweest zijn, +Ik zal het geheim vertellen van mijne nachten en dagen,... +Ik zal de noodzaak van makkers loven. + + +WIE GIJ OOK ZIJT DIE MIJ NU VASTHOUDT + +Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt, +Indien gij mist wat gij boven alles behoeft is al wat gij doet + nutteloos, +Ernstig waarschuw ik U voor gij dieper in mij doordringt, +Ik ben niet zooals gij mij dacht maar heel anders. + +Wie is hij die mijn volgeling wilde worden? +Wie wilde mij toonen naar mijn liefde te dingen? + +De weg is gevaarlijk, het einde onzeker, misschien ondergang, +Gij zult al 't andere moeten opgeven, ik alleen zal eenig en + alleen den standaard moeten zijn waaraan gij U meet, +Ook dan zal uw discipelschap lang duren en uwe krachten + uitputten, +Al wat er in uw leven aan leer is en al wat uw leven gelijk + maakt aan de levens om U heen zult gij moeten opgeven, +Daarom laat nu van mij af voor dat uw leven nog erger door + mij wordt verontrust, laat uw hand vallen van mijne + schouders, +Laat mij mijn weg gaan en ga gij den uwe. + +Zoo niet, kom ga dan stil met mij in de woudeenzaamheid, + waar ik U zal beproeven, +Of achter een rots in de open lucht, +(Want in geen bedekte ruimte van eenig huis verschijn ik U, + noch zult gij mij in gezelschappen zien, +En in bibliotheken ben ik als een stomme, als een zot, of een + ongeborene of een gestorvene), +Of mogelijk met U op een hoogen heuvel, waar wij eerst + zullen uitturen dat niemand voor mijlen in 't rond ons onbemerkt + kan naderen, +Of te zeilen met U, of met U van het zeestrand af op een stil + eiland, +Daar veroorloof ik U uwe lippen op de mijne te drukken, +Met de langbezielde kus van den makker of met de kus van + den jongen echtgenoot, +Want ik ben de jonge echtgenoot en ik ben de makker. +Of zoo gij wilt, en mij vertrouwt onder uw kleed, +Waar ik het kloppen van uw hart mag voelen of rusten mag + op uw heup, +Neem mij dan met U als gij landen en zeeën oversteekt; +Want U aldus enkel te beroeren is mij goed, is mij lief, +En dus U beroerende wenschte ik zachtekens in te slapen en + gedragen te worden eeuwiglijk. + +Maar indien gij U drenkt met het levenssap dezer halmen, + zal er gevaar voor U zijn, +Want noch deze halmen noch mij zult gij verstaan, +De geest dezer halmen zal U bij het begin ontsnappen en + steeds meer en meer ontsnappen, ik zal U zekerlijk ontgaan, +Zelfs terwijl gij zult denken, dat gij mij twijfelloos gevat + haddet, zie dan toe! +Reeds dadelijk merkt gij dat ik U ontgaan ben. + +Want 't is niet ter wille van wat ik er in heb nedergelegd, dat + ik dit boek heb geschreven, +Evenmin zult gij het bezitten terwijl gij mij leest, +Evenmin kennen zij mij 't best die mij bewonderen en mij + hoogdravend prijzen, +Evenmin zullen zij die dingen naar mijn liefde (tenzij op zijn + best een zeer gering getal) die liefde winnen, +Evenmin zullen mijne gedichten enkel goed doen, zij zullen + even veel kwaad doen als goed en meer nog misschien, +Want alles is te vergeefs zonder dat waarop ik zinspeel en + waarnaar gij menigmaal kunt raden zonder het te vatten; +Daarom verlaat mij nu het nog tijd is en ga uw weg. + + +NIET ENKEL IN WAT IK MIJ VAN DE BORST WERP + +Niet enkel in wat ik mij van de borst werp, +Niet in mijn zuchten, in mijn wanhoop 's nachts, als ik in + strijd ben met mijzelf, +Niet in die lange, kwalijk onderdrukte bange zuchten, +Niet in de vele eeden en beloften die ik brak, +Niet in het krachtige en ontembare willen van mijn ziel, +Niet in de ijle levenskracht der lucht, +Niet in dit kloppen em bonzen van mijne slapen en polsen, +Niet in dat wonderbare samentrekken en uitzetten in mijn +binnenste, dat eenmaal zal ophouden, +Niet in de vele wellustige wenschen die ik enkel aan de wolken + heb toevertrouwd, +Niet in de kreten, het gelach, de verwenschingen door mij + uitgestooten als ik diep in de wildernissen alleen was, +Niet in het schor gehijg door vastgeklemde tanden, +Niet in klinkende en weêrklinkende woorden, kakelwoorden, + echo's daarvan, doode woorden, +Niet in het gemurmer mijner droomen terwijl ik slaap, +Noch in dat andere gemurmer dier ongelooflijke droomen van + elken dag, +Noch in de leden en zinnen van mijn lijf, die U voortdurend + aannemen en verstooten--niet dààrin, +Niet in een hunner noch in allen, O aantrekkingskracht! O + mijns levens polsslag! +Wensch ik dat gij meer wordt gevonden of meer U-zelf bewijst + dan in deze zangen. + + +DE VREESELIJKE TWIJFEL VAN DEN SCHIJN + +De vreeselijke twijfel van den schijn, +De onzekerheid ten slotte dat wij misschien misleid worden, +Dat misschien vertrouwen en hoop slechts hersenschimmen zijn, +Dat misschien het identieke leven aan gene zijde des grafs + slechts een mooie fabel is. +Misschien de dingen die ik waarneem, dieren, planten, menschen, + heuvelen, weerspiegelende en vloeiende wateren, +De luchten van dag en nacht, kleuren, het vaste, en de vormen + slechts verschijningen (zooals ook zonder twijfel het geval + is) en wat zij werkelijk zijn nog onbekend, +(Hoe vaak treden zij uit zich-zelven naar voren als wilden zij + mij verlegen maken en mij bespotten! +Hoe vaak denk ik, dat ik noch iemand het geringste van hen + weet,) +Dat misschien hun schijn dien ik van mijn tegenwoordig + standpunt zie (en die schijn tenminste is zeker) indien ik op + een geheel ander standpunt naar hen uitzie zal blijken + anders te wezen (zooals die schijn dan ook even zeker + anders zal zijn) en niets gemeen te hebben met den schijn + van nu of in 't geheel niets is; +Deze en dergelijke vragen worden wonderbaar beantwoord + door hen die mij liefhebben, mijn lieve vrienden, +Wanneer hij die mij liefheeft met mij reist of langen tijd + naast mij zit, terwijl hij mijn hand in de zijne houdt, +Als de ijle lucht, de ontastbaarheid, de zin dien woorden en + redenen niet bevatten ons omringt en in ons doordringt, +Dan ben ik zalig van ongezegde en niet te zeggen wijsheid, + ik ben stil en vraag niets meer, +Wel kan ik de vraag van zijn en schijnen of die van het + identieke leven aan gene zijde des grafs niet beantwoorden, +Maar ik ga voort of zit neder en stoor er mij niet verder aan, + ik ben tevreden, +Hij die mijn hand in de zijne houdt heeft mij volkomen + bevredigd. + + +GIJ DIE GETUIGEN ZULT IN DE VOLGENDE EEUWEN + +Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen, +Komt, ik wil U vertrouwen in het innigste onder dit onlijdelijk + uiterlijk, ik zal U zeggen hoe gij mij heeten moet, +Noem mijn naam en hang mijn beeltenis op als van den man + die de teederste minnaar was, +Het portret van den vriend, den liefdezoeker, die door zijn + vriend, zijn liefdezoeker zeer teeder werd bemind, +Die zich niet verhief op zijne zangen maar wel op de onmetelijke + zee van liefde in zijn ziel, die hij mildelijk uitstortte, +Die vaak in groote verlatenheid waarde en dan dacht aan + zijne lieve vrienden, aan die hem lief hadden, +Die vèr verwijderd van hem dien hij liefhad peinsde in slapelooze + nachten, vol onvoldaanheid, +Die maar al te goed de pijnlijke, pijnlijke vrees kende, dat hij + hem dien hij liefhad toch heimelijk onverschillig was, +Wiens gelukkigste dagen die waren als, in de verte van alles, + in velden, wouden en op heuvels, hij en een ander wandelden + hand in hand, zij tweeën alleen, van andere menschen + verwijderd, +Die vaak in de straten drentelde zijn arm gebogen over den + schouder van zijn vriend, terwijl de arm van zijn vriend + op zijn schouder rustte. + + +TOEN IK DEN AVONDSTOND HOORDE + + Toen ik in den avondstond hoorde dat mijn naam in het + Capitool met toejuichingen was ontvangen, was voor mij de + nacht die volgde toch geen nacht van geluk, +En later in welslagen of wanneer mijn voornemens verwerkelijkt + waren, was ik toch niet gelukkig, +Maar de dag dat ik mij met zonsopgang van mijn bed verhief + volkomen gezond, verfrischt, zingende, ademende den + rijpen herfstadem, +Toen ik ten Westen de volle maan zag verbleeken en in het + morgenlicht verdwijnen, +Toen ik alleen over het strand wandelde en, ontkleed, + baadde, dartelend met de koele wateren en de zon zag + opstijgen, +En toen ik dacht dat mijn lieve vriend, die mij teeder liefheeft, + op weg was naar mij toe, o toen was ik gelukkig, +O toen smaakte elke bete mij zoeter en dien geheelen dag + voedde mijn brood mij beter en die heerlijke dag ging heerlijk + voorbij, +En de volgende kwam met gelijke vreugd en met den volgende, + 's avonds, kwam mijn vriend, +En dien nacht, toen alles rondom stil was, hoorde ik de + wateren langzaam rollen, rollen op het strand, +Ik hoorde het gierend ruischen van water en zand die fluisterend + op mij toekwamen, om mij geluk te wenschen, +Want hij dien ik boven alles liefheb lag slapend aan mijn + zijde onder hetzelfde dek in den koelen nacht, +In de nachtstilte, in den herfstmaneschijn was zijn gezicht + naar mij toegekeerd, +En zijn arm lag zachtkens over mijn borst--en die nacht + was een nacht van geluk. + + +VIND IK IN U OPNIEUW EEN HART DAT ZICH DOOR MIJ VOELT AANGETROKKEN? + +Vind ik in U opnieuw een hart dat zich door mij voelt aangetrokken? +Laat ik U dan dadelijk waarschuwen, ik ben zeker heel + anders dan gij denkt; +Denkt gij dat gij in mij uw ideaal zult vinden? +Denkt gij dat 't zoo gemakkelijk is mijn liefde te winnen? +Denkt gij dat mijn vriendschap U onvermengde voldoening + zou schenken? +Denkt gij dat ik geloofwaardig ben en getrouw? +Ziet gij dan niet dieper dan den schijn, niet beneden mijne + zachte en verdraagzame woorden? +Gelooft gij dat ge met uwe voeten op de werkelijkheid voortschrijdt + naar een werkelijken held? +Is niet wel eens de gedachte in U op gekomen, o Droomer, + dat dit alles misschien niets is dan maya, illusie. + + +IK ZAG IN LOUISIANA EEN LEVENSEIK + +Ik zag in Louisiana een levenseik, +Hij stond ganschelijk alleen en het mos hing neer van zijne + takken, +Hij leefde daar zonder een enkelen kameraad, toch uitte hij + zich in blijde donkergroene bladen, +En zijn uitzien ruw, vrij en krachtig deed mij denken aan + mij-zelf, +Toch verwonderde ik mij hoe hij zich in blijde bladen kon + uiten, daar in de eenzaamheid zonder een makker aan zijn + zijde, ik wist wel dat ik dit niet zou kunnen, +En ik brak een twijg af met wat bladeren er aan en wond er + wat mos om, +En nam haar mee en hing haar in mijn kamer op, zoodat ik er + altijd het oog op heb, +'t Was niet noodig om mij steeds aan mijne lieve vrienden + te doen denken, +(Want in den laatsten tijd, geloof ik, denk ik aan weinig + anders dan aan hen,) +Toch blijft die twijg mij een wonderbaar zinnebeeld en doet + me aan mannelijke liefde denken; +Hoe dan ook, die levenseik moge daar in Louisiana vroolijk + gedijen, alleenig in een groot vlak land, +Hij moge zich kunnen uiten in blijde bladeren, terwijl hem + heel zijn leven lang geen vriend, geen die zijn liefde + zoekt nabij is, +Ik weet maar al te goed dat ik 't niet zou kunnen. + + +AAN EEN VREEMDE + +Voorbijgaande vreemdeling! gij weet niet hoe innig verlangend + ik U aanzie, +Gij moet zijn hem dien ik zoek, of haar die ik zoek ('t komt + in mij als een droom) +Ergens heb ik zeker een vreugdevol leven met U geleefd, +Terwijl wij elkaar voorbijgaan fluïdisch, liefdedorstend, rein + en volwassen, herinner ik mij alles weer duidelijk, +Gij groeidet met mij op, waart een knaap met mij of een + meisje met mij, +Ik at met U en sliep met U, uw lichaam is niet enkel het + uwe gebleven noch heeft het mijne enkel het mijne laten + blijven, +Gij geeft mij de vreugde van uwe oogen, gezicht, lijf, als wij + elkaar voorbijgaan, gij neemt in keer van mijn baard, borst, + handen, +Het is mij niet vergund tot U te spreken, het is mij enkel + vergund aan U te denken als ik alleen ben of waak in den + eenzamen nacht, +Ik moet op U wachten, ik twijfel er niet aan, dat 't mij vergund + zal zijn U eens opnieuw te ontmoeten, +Ik moet oppassen dat ik U niet verlieze. + + +IK HOOR DAAR WERD TEGEN MIJ GETUIGD + +Ik hoor daar werd tegen mij getuigd, dat ik instellingen door + de eeuwen gewijd zocht te vernietigen, +Maar waarlijk ik ben noch voor noch tegen die door de + eeuwen gewijde instellingen, +(Wat toch heb ik met ze gemeen of met de vernietiging + er van?) +Ik wil slechts vestigen in de Mannahatta en in elke stad + dezer Staten, 't zij diep in het land of aan de zee, +En in de velden en wouden en boven elke kiel klein of groot + die op de wateren dobbert, +Zonder gebouwen of wetten of besturen of eenige belijdenis, +De instelling van trouwe liefde tusschen kameraden. + + +ALS IK EENS NAGA WAT ROEM IS + +Als ik eens naga wat roem is, roem van heldendaden, roem + van overwinningen door groote veldheeren bevochten, dan + benijd ik die veldheeren niet, +En ik benijd evenmin den President in zijn presidentschap, + noch den rijkaard in zijn paleis, +Maar wanneer ik hoor spreken over de broederschap van hen + die elkaar liefhebben, hoe zij leefden, +Hoe zij zijde aan zijde gingen door het leven, door gevaren, + den blaam trotseerende, altijd vol liefde voor elkaar, heel + den langen weg, +Van jeugd tot manzijn en van manzijn tot grijsheid, hoe fier + zij waren in hun liefde, hoezeer elkaar genegen en getrouw, +Dan word' ik stil--ik ga haastig voort vervuld van den + bittersten nijd. + + +SOMS, IN MIJN LIEFDE + +Soms, in mijn liefde, word ik vervuld van wanhoop, uit vrees + liefde uit te storten over een die mijn liefde niet beantwoordt, +Maar nu denk ik, dat elke liefde beantwoord wordt, en dat + op een of andere wijs het loon zeker is, +(Eens had ik vurig lief en werd mijn liefde niet beantwoord, +Nu, door die liefde heb ik deze zangen geschreven.) + + + + +UIT: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG + + +1. + +Te voet en blijmoedig neem ik den open heirweg, +Gezond, vrij, heel de wereld voor mij uit, +De onafzienbare bruine weg voor mij uit, die mij brengt + overal waar ik wensch te gaan. + +Voortaan zal ik nimmer naar geluk vragen, ik heb geluk in + mijzelf, +Voortaan zal ik niet meer klagen, niets meer verdagen, + voortaan zal ik mij niets voelen ontbreken, +'t Is gedaan met in huiszitten en klagen, met boekenwijsheid, + met het nutteloos oordeel over anderen, +Sterk en tevreden ga ik den open heirweg op. + +De aarde is mij voldoende, +Ik begeer mij de sterren niet nader, +Ik weet, wáár zij zijn is 't goed dat zij zijn, +Ik weet, dat zij genoegzaam zijn hun wier leven van hun + leven is. + +Maar ook hier draag ik mijne oude lieve lasten met mij, +Ik draag ze mee, mannen en vrouwen, ik draag ze mee overal + waar ik ga, +Ik zweer U: 't is onmogelijk ze van mij af te schudden, +Zij leven in mijn leven, en ik wil hun leven vervullen van + het mijne. + + +2. + +Gij heirweg, dien ik nu betreed en waarover ik mijn oog + laat ronddwalen, ik geloof dat hier meer is dan het zichtbare, +Ik geloof dat hier ook veel onzichtbaars is. +Gij leert de moeilijke les van Al-ontvankelijkheid, gij kent + voorkeur noch uitzondering; +De zwarte met zijn wollig hoofdhaar, de uitgestootene, de + melaatsche, de ongeletterde worden door U niet geweigerd; +De geboorte, het haastig halen van den doctor, de strompelende + bedelaar, de waggelende dronkaard, de vroolijke + troep werklieden, +De uitgelaten jeugd, de karos van den rijkaard, de pronker, + het vluchtende paar, +De vroeg ter markt gaande man, de lijkwagen, de verhuiskar + naar stad, de wagen die uit de stad terugkomt, +Zij gaan voort, aldus ga ook ik voort, geweerd wordt er + geen, +Allen deelen in dezelfde ontvangst en mij zijn allen lief. + + +3. + +Links en rechts wijdt de aarde zich uit, +Een levend beeld van leven, alles in zijn beste licht, +Natuurmuziek gehoord waar men haar wenscht te hooren en + onhoorbaar als de ziel aanschouwen wil, +De blijde stem van den open heirweg en de blijmoedige, + frissche ziel van dien weg. + +O, heirweg dien ik nu heb ingeslagen, zegt gij mij: _verlaat + mij niet?_ +Zegt gij mij: _Waag U niet--gij zijt verloren indien gij mij + verlaat?_ +Zegt gij mij: _Reeds ben ik welgebaand en drukbeloopen, geen + die mij niet roemt, houd U aan mij?_ +O heirweg, ik antwoord U: niet bevreesd ben ik U te verlaten, + maar ik heb U lief, +Gij, beter dan ik 't doen kan, verklaart wat in mij is, +Gij zult mij meer zijn dan mijn gedicht. + +Ik denk: alle heldendaden en alle vrije gedachten hebben + hun bezieling gevonden in de open lucht, +Ik denk: hier toevende zou ik wonderen kunnen doen, +Ik denk: wat ik ook op den heirweg ontmoete zal mij welkom + zijn en ieder die mij ziet zal mij liefhebben, +Ik denk: ieder dien ik zie moet gelukkig zijn. + + +4. + +Van dezen stond af verklaar ik mij los van limieten en + gedachte grenzen, +Ik ga waar 't mij lijkt, geheel en volkomen mijn eigen + meester, +Luister naar anderen, overweeg wat zij zeggen, +Denk na, onderzoek, neem in mij op, bepeins, +Maar ik maak mij vriendelijk doch met onwrikbaren wil los + uit den greep die mij zou willen vasthouden. + +Ik adem de ruimte met lange teugen in, +Ik bezit Oost en West en ik bezit Noord en Zuid. + +Ik ben grooter, beter dan ik dacht, +Ik wist niet, dat ik zoo rijk aan goedheid was. + +Alles lijkt mij schoon, +Ik kan tot mannen en vrouwen zeggen en herhalen: gij hebt + mij zooveel goed gedaan, ik woû U hetzelfde doen, +Wat ik op mijn weg zal vinden zal gelijkelijk voor U en voor + mij zijn, +Op mijn weg zal ik aan mannen en vrouwen geven van + mij-zelf, +Ik zal nieuwe vreugde en onstuimigheid in hen werpen, +Wie mij verloochene, het zal mij niet bedroeven, +Wie mij aanvaarde, hij of zij zal gezegend zijn en mij + zegenen. + + +5. + +Indien thans een duizendtal volmaakte mannen verscheen + zou mij dat niet verbazen, +Indien thans een duizendtal schoone vrouwengestalten verscheen + zou dat mij niet verwonderen. + +Thans ken ik het geheim om voortreffelijke menschen te + gewinnen: +Het is te leven in de open lucht en te eten en te slapen + met de aarde. + +Hier heeft een groote persoonlijke daad ruimte, +(Zulk een daad legt beslag op de harten van heel het menschelijk + geslacht, +De uitvloeiing van haar kracht en wil breekt de wet en + bespot alle gezag en redenen die zich tegen haar mochten + willen kanten). + +Hier is de toetssteen der wijsheid, +Wijsheid wordt niet in de scholen getoetst, +Wijsheid kan niet worden overgedragen van den een die + haar bezit op den ander die haar niet bezit, +Wijsheid is ziel, wijsheid laat zich niet toetsen, maar toetst + zelf, +Zij doordringt zich van alle tijden, dingen, eigenschappen en + is voldaan, +Zij is de zekerheid van wat waar en onvergankelijk is in + 't leven en van wat volkomen is in 't leven, +Er is iets in de veelheid der zichtbare dingen dat haar + oproept uit de ziel. + +Nu onderzoek ik opnieuw de religiën en de wijsbegeerten, +Zij kunnen voortreffelijk zijn in collegiezalen en toch niets + bewijzen onder de uitgestrekte wolken en langs het landschap + en de vloeiende stroomen. + +Hier is werkelijkheid, +Hier is een mensch--hier openbaart hij wat er in hem is, +Het verleden, de toekomst, majesteit, liefde--indien zij + niet van U zijn vervuld, zijt gij niet van hen vervuld. + + +6. + +Hier is de uitvloeiing der Ziel, +Wat uit de ziel vloeit komt uit het binnenste door bloembekranste + poorten en stelt vragen steeds. +Waarom toch dat smachten? Waarom toch dat gepeins in + stikdonkeren nacht? +Waarom toch zijn er mannen en vrouwen, die als zij dicht bij + mij zijn zonnelicht en zonnewarmte in mijn bloed doen + vloeien, waardoor het zich uitzet? +Waarom toch, wanneer zij mij verlaten, hangen mijne vreugdevanen + slap en plat neer? +Waarom toch zijn er boomen onder wier gebladert ik nooit + wandel of verheven en melodieuze gedachten dalen in mij + neer! +(Ik denk, dat zij daar winter en zomer aan die boomen + bloeien en als rijpe vruchten afvallen als ik voorbijkom;) +Wat ruil ik toch zoo plotseling met vreemden? +Wat met dien koetsier als ik op den bok aan zijn zijde zit? +Wat met dien visscher die aan de kust zijn zegen uitwerpt, + terwijl ik in 't voorbijgaan een oogenblik blijf kijken? +Wat geeft mij een zoo vrij beroep op de welwillendheid van + die vrouw of dien man? Wat geeft hun een zoo vrij beroep + op de mijne? + + +7. + +Wat uit de ziel vloeit is geluk, hier is geluk, +Ik denk het vervult de open lucht en is van allen tijde, +Nu vloeit het op ons aan en zijn wij er welzalig van. + +Hier stijgt het fluïdum op, hier wast de zielegehechtheid, +Het fluïdum en de zielegehechtheid is de frischheid en de + bekoring van man en vrouw, +(Het ochtendstondgras spruit niet frisscher en bekoorlijker + iederen dag uit eigen wortels voort, dan dezen voortspruiten, + frisch en bekoorlijk altijd, uit zich-zelf.) +Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid vloeit van jong + en oud het liefdezweet, +En als een regen daalt de verrukking die alle schoonheid en + rijkdom te boven gaat er uit neer, +Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid zwelt het + smachten en sidderen van de pijn der gemeenschap, + + +8. + +Allons! wie gij ook zijt, kom en reis mede! +Met mij reizende zult gij vinden wat nimmer U vermoeit. +De aarde vermoeit nimmer, +De aarde is eerst ruw, zwijgzaam, onbegrijpelijk, de natuur is + eerst ruw en onbegrijpelijk, +Zij niet moedeloos, geef niet op, daar zijn godsdingen diep + verborgen, +Ik zweer U daar zijn godsdingen heerlijker dan woorden kunnen + zeggen. + +Allons! Wij moeten hier niet toeven, +Hoe verlokkelijk deze overvloeden, hoe gemakkelijk deze + woningen zijn, wij kunnen hier niet blijven, +Hoe veilig deze haven zij en hoe kalm deze wateren zijn, wij + mogen hier niet ankeren, +Hoe welkom de gastvrijheid zij die ons omgeeft, slechts voor + een korte wijl is 't ons veroorloofd er van te genieten. + + +9. + +Allons, de drang wordt krachtiger, +Wij zullen onbekende en wilde zeeën bevaren, +Wij zullen het gegier der winden en de stortvloeden der + golven trotseeren en gaan waar de Yankee-klipper voortsnelt + met volle zeilen. +Allons! Met kracht, vrijheid, de aarde, de elementen, +Gezondheid, moed, blijheid, zelf-achting, weetgierigheid; +Allons! weg van alle evangeliën! +Vooral weg van uwe evangeliën, O loensche materialistische + priesters. + +Die mummie blokkeert den doorgang--wij zullen met het + begraven niet langer wachten. + + +10. + +Luister! Ik wil oprecht jegens U zijn, +Ik loof niet de oude, smedige prijzen uit, maar ruwe, nieuwe + prijzen, +Aldus de zelf-overwinningen die uw deel moeten zijn: +Gij zult U niet ophoopen wat rijkdom genoemd wordt, +Gij zult met kwistige hand uitdeelen wat gij wint of verkrijgt, +Gij zult nauwelijks de stad bereikt hebben die het doel uwer + reis was, ter nauwernood hebt gij U er voldaan nedergezet, + of gij wordt opgeroepen door een onafwijsbaar bevel om + door te gaan, +Gij zult U niet storen aan de ironische glimlachen en den spot + van hen die achterblijven, +Welke liefdewenken gij ook ontvangt, gij moogt enkel antwoorden + met hartstochtelijke kussen van afscheid, +Gij zult niet veroorloven, dat zij die de armen naar U uitstrekken + U vasthouden. + + +11. + +Alles wijkt terug van den voortgang der zielen, +Alle godsdienstvormen, alle tastbare dingen, kunsten, regeeringen--al + wat op deze of welke wereld ook zichtbaar was + of is trekt zich terug in nissen en gewelven voor de zielenprocessie + langs de verheven wegen des Heelals. + +Den voortgang der zielen van mannen en vrouwen langs de + verheven wegen des Heelals is alle andere voortgang enkel + toevoegsel en steun. + +Eeuwig leven, eeuwig voorwaarts, +Statig, plechtig, droef, terughoudend, bespot, woedend, onstuimig, + zwak, onvoldaan, +Wanhopig, trotsch, teeder, ziek, erkend door menschen, verloochend + door menschen, +Zij gaan! Zij gaan! Ik weet dat zij gaan, maar ik weet niet + waarheen zij gaan, +Toch weet ik dat zij heenwaarts gaan naar het beste--heenwaarts + naar iets verhevens. + +Wie gij ook zijt, kom mee! Man of vrouw kom mee! +Gij moet daar niet staan druilen of leuteren in uw huis, + ofschoon gij het U bouwdet of het voor U gebouwd is. + +Weg uit den duisteren schuilhoek! Weg van achter het schut! +Uwe maren zijn vergeefs, ik weet alles en openbaar alles. + +Zie door U heen, gij zijt zoo krank als de anderen, +Zie door het lachen, het dansen, het feestvieren der menschen + heen, +Zie onder hun kleed en sieraden, zie onder hunne gewasschen, + propere gezichten, +Zie dan een geheime, stille walging en wanhoop. +Geen echtgenoot, geen vrouw, geen vriend vertrouwd genoeg + om de belijdenis te ontvangen, +Als een ander Ik, een dubbelganger van ieder, gaat het + schuilend en angstig door het leven, +Vormloos en woordeloos gaat het door de straten der stad, + beschaafd en lief in de salons, +In spoorwagens, op stoombooten, in openbare bijeenkomsten, +Thuis in de woningen van mannen en vrouwen, aan tafel, in + het slaapvertrek, overal, +Keurig versierd, beleefd-glimlachend, recht van houding: dood + in het hart, verdoemenis in het hoofd, +Onder laken en handschoenen, onder linten en bloemen, +Gebruiken nauwkeurig volgende, met geen syllabe sprekende + over zich-zelf, +Sprekende van alle andere dingen ter wereld, maar nooit over + zich-zelf. + + +12. + +Allons! door gevechten en door strijden! +Het doel dat wij ons gesteld hebben kan niet worden ontgaan. + +Was het einde van vroeger strijden overwinning? +Wat heeft overwonnen? Gij-zelf? Uw volk? de Natuur? +Welaan, versta mij goed--de Voorzienigheid heeft in het + wezen der dingen de eeuwige wet gelegd, dat uit het genot + zelf der overwinning, 't hindert niet wat zij geldt, iets groeit, + dat een moeilijker strijd noodzakelijk maakt. + +Mijn roep is de roep ten strijde, ik kweek feitelijke rebellie, +Hij die met mij gaat moet wel gewapend gaan, +Hij die met mij gaat zal dikwijls karig voedsel, armoede, boosaardige + vijanden, verlatenheid vinden. + + +13. + +Allons! De heirweg ligt voor ons open! +Hij is veilig--ik heb hem beproefd--mijn eigen voeten + hebben hem lang en vaak betreden--blijf niet achter! +Laat het papier liggen op de lessenaar onbeschreven en het + boek op de plank ongeopend! +Laat de gereedschappen liggen in de werkplaats! laat het + geld ongeïnd! +Laat de school voor wat zij is! Stoor U niet aan het geroep + des onderwijzers! +Laat den prediker prediken in zijn preekstoel! laat den + advocaat pleiten in het Hof en den rechter de wet verklaren. + +Camerado, ik geef U mijn hand! +Ik geef U mijn liefde oneindig kostelijker dan geld, +Ik geef U mij-zelf buiten preek of wet om; +Wilt gij U-zelf aan mij geven? Wilt gij de reis met mij + maken? +Zullen wij te zamen en elkaar trouw blijven heel ons leven + lang? + + + + +UIT: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT + + +1. + +Vloedstroom daar omlaag! Ik zie U van aangezicht tot aangezicht! +Wolken ten Westerhemel--gij daar, zon, ter halfuurshoogte--ook + U zie ik van aangezicht tot aangezicht. + +Menigten mannen en vrouwen in uw dagelijksch kleed, hoe + belangwekkend vind ik U! +De honderden en honderden die op de veerbooten naar + Brooklyn oversteken om huiswaarts te keeren vind ik belangwekkender + dan zij kunnen denken, +En gij allen die van oever tot oever zult oversteken in volgende + tijden, gij zijt mij meer, gij hebt grooter deel in mijn + gepeins dan gij kunt denken. + + +2. + +Tijd noch plaats doet zich gelden--afstand geldt niet, +Ik ben met U, gij mannen en vrouwen van de volgende generatie + of van alle volgende generatiën, +Juist wat gij gevoelt wanneer gij rivier en hemel gadeslaat, + gevoelde ik, +Juist zooals ieder uwer een mensch in een menigte menschen + is, was ik een mensch in een menigte menschen, +Juist zooals gij U verkwikt gevoelt door het blijde leven van + de rivier en den schittervloed, gevoelde ik mij verkwikt, +Juist zooals gij staat te leunen over de borstwering en toch + voortsnelt met den haastigen vloed, stond ik en snelde + voort, +Juist zooals gij ziet naar de tallooze scheepsmasten en de + dikstammige schoorsteenen der booten, zag ik. +Ook ik menig en menig keer stak de aloude rivier over, +Sloeg de Twaalfde-maands zeemeeuwen gade, zag hen hoog + in de lucht drijven met beweginglooze vleugelen en wiegelende + lichamen, +Zag hoe het glinstergeel lichtte op een deel hunner lichamen, + terwijl het overige in zwarte schaduw bleef, +Zag ze in langzaam beschreven cirkels zachtkens in het + Zuiden dalen, +Zag den weerschijn van zomerlicht in het water, +Werd verblind soms door den glinsterenden zonnestroom, +Keek naar de fijn uitsprankelende lichtspaken om de weerspiegeling + van mijn hoofd in het zonneweerkaatsende water, +Keek naar den nevel over den rug der heuvels Zuidwaarts en + Zuidwestwaarts, +Keek naar den stoomdamp in dikke violetgetinte vachten + heendrijvende, +Keek in de richting van den beneden-baaij om de aankomst + der schepen te zien, +Zag ze naderen, zag aan boord hen die mij na waren, +Zag de witte zeilen der schoeners, zag de sloepen, zag de + schepen voor anker, +De matrozen aan hun werk in het want of schrijlings op de + sparren, +De ronde masten, de schommelende beweging van de kielen, + de ranke, kronkelende wimpels, +De groote en kleine stoomers in vaart, de loodsen en de + loodshuizen, +Het witte zog in de vaart achtergelaten, de snelle, sidderende + wenteling der raderen, +De vlaggen aller natiën en hoe zij bij zonsondergang gestreken + werden, +De uitgeschulpte golven in den schemer, het scheppen der + raderborden, het dartelende, glinsterende gekuif, +Het verre verschiet dat steeds neveliger werd, de grauwe + muren van de steenen pakhuizen der dokken, +Op de rivier het schemerachtig beweeg, de zware stoomsleepers + dicht naast elkaar aan weerskanten bij de sloepen, + de hooischepen, de door den nacht verraste lichters, +Aan den naderenden oever de vuren der gieterij-schoorsteenen + hoog op en helder vlammend in den nacht, +En hun flikkering van zwart en bloedrood en geel licht werpende + over de daken der huizen en omlaag in de straatspleten. + + +3. + +Wat is de som der tientallen en honderdtallen jaren, die ons + scheiden? + +Wat het zij, het geldt niet, afstand noch tijd geldt. +Ook ik leefde eens, het Brooklyn der breede heuvelen was + mijn Brooklyn, +Ook ik liep in de straten van Manhattan-eiland en baadde in + de wateren die het omspoelen, +Ook ik voelde die vreemde plotselinge vragen mijn binnenste + bewegen, +Op den dag midden in de menigte kwamen zij in mij op, +Als ik in den laten nacht huiswaarts ging, of in bed, kwamen + zij in mij op, +Ook ik dobberde in den stroom der eeuwig onopgeloste + raadselen, +Ook ik had de identiteit mijns lijfs ontvangen, +Wat ik was wist ik was mijns lijfs en wat ik zou worden wist + ik, zou ik worden door het lijf. + + +4. + +Niet enkel over U vallen schaduwen, +Over mij ook zijn schaduwen gegaan, +Het beste wat ik gedaan had leek mij ijdel en verdacht, +Waren mijne gedachten die ik zoo verheven waande niet in + waarheid zeer onbeduidend? +Evenmin zijt gij 't alleen die weet wat het is slecht te zijn, +Ook ik wist, wat het is slecht te zijn, +Ook ik verwarde mij in den eeuwigen knoop van tegenstrijdigheid, +Leuterde, gevoelde schaamte, berouw, wangunst, ik loog + en stal, +Was valsch, toornig, geil, had begeerten die ik zelfs niet + durfde uitspreken, +Was grillig, ijdel, gulzig, bekrompen, sluw, lafhartig, boosaardig, +De wolf, de slang, het zwijn leefden in mij, +De steelsche blik, het ijdele woord, de overspelige wensch + leefde in mij, +Weigering, haat, uitstel, laagheid, luiheid, dit alles ontbrak + mij niet, +Ik was een met de anderen, was een met het leven en de + gebeurlijkheid van anderen, +Ik werd bij mijn streelnaam toegeroepen door heldere, luide + stemmen van jonge mannen als zij mij zagen naderen of + voorbijgaan, +Voelde hun arm om mijn nek als ik stond, of het achteloos + leunen van hun lichaam tegen het mijne als ik zat, +Zag velen die ik liefhad in de straten of op de veerbooten of + in openbare bijeenkomsten en sprak hun toch met geen + woord van die liefde, +Leefde hetzelfde leven der anderen, hetzelfde oude, lachende, + knagende, slapende leven, +Speelde de rol die altijd den speler of de speelster zal blijven + nastaren, +Altijd dezelfde oude rol, de rol die is wat wij er van maken, + zoo groot als wij wenschen, +Of zoo klein als wij wenschen, of beiden groot en klein + tegelijk. + + +5. + +O, wat kan mij ooit luistervoller en schooner zijn dan het + mastomboorde Manhattan? +Rivier en zonsondergang en geschulpte golven van den vloedstroom? +De zeemeeuwen en hunne wiegelende lichamen, het hooischip + in den schemer en den lichter in den nacht? +Wat zijn heerlijker goden dan die mij de hand drukken en mij + met stemmen, lieflijk voor mijne ooren, luide en krachtig + bij mijn streelnaam toeroepen als ik voorbijga? +Wat is teerder dan wat mij verbindt aan de vrouw of den + man die mij nu aanziet? +En mij nu met U vereenigt en mijn ziel in de uwe doet leven? + +Want wij begrijpen elkander, doen we niet? +Wat ik U beloofde zonder het te noemen, hebt gij dat niet + aanvaard? +Wat de geleerdheid niet kan onderwijzen--wat het sermoen + niet kan vervullen, is nu vervuld, niet waar? + + +6. + +Stroom voort, rivier! Zwel aan met den vloed, neem af met de + ebbe! +Dartelt voort, gekuifde en geschulpte golven! +Heerlijke wolken van zonsondergang! doordringt mij van uw + pracht, of de mannen en vrouwen van alle volgende + generatiën! +Steekt over van oever tot oever, ontelbare menigten passagiers! +Verheft U, hooge masten van Manhattan! Verheft U, schoone + heuvelen van Brooklyn! +Klop, bedrogen en wonderlijk brein! Werp uw vragen en antwoorden + uit! +Sleurt hier en overal met U voort, stroom van eeuwig onopgeloste + raadselen, +Staart oogen van dorstende liefde, staart in huis of op straat + of in de openbare bijeenkomst! +Klinkt op, stemmen van jonge mannen! roept mij luide en + welklinkend bij mijn speelnaam! +Leef, oud leven! Speel de rol die hem of haar die speelt + eeuwig achterna staart, +Speel de oude rol, de rol die groot is of klein, naar men + haar maken wil. +Bedenk wel, gij die mij leest, of ik U niet onzichtbaar aanzie; +Zij sterk, borstwering boven het water, steun hen die achteloos + tegen U aanleunen en zich toch met den stroom + meehaasten; +Vliegt voort, zeevogels! Vliegt op uwe zijde of wentelt in + wijde cirkels hoog in de lucht; +Weerkaats den zomerhemel, gij water en bewaart hem tot + aller neerziende oogen tijd hebben gehad U te zien, +Sprankelt uit fijne zonnelichtspaken om de weerspiegeling in + het zonbeschenen water van mijn hoofd of ieders hoofd! +Nadert schepen in den beneden-baaij! Vaart op en af witbezeilde + schoeners, sleepen, lichters! +Praalt uit, aller natiën vlaggen! Wordt naar behooren gestreken + bij zonsondergang! +Brandt uwe vuren hoog op, gij gieterij-schoorsteenen! Werpt + zwarte schaduwen in het vallen van den avond, werpt rood + en geel licht over de daken der huizen! +Verschijnselen bewijst nu of in de toekomst wat gij zijt, +Gij noodzakelijke nevel omhul de ziel, +Voor mij om mijn lijf, voor U om uw lijf, geuren de goddelijkste + aroma's, +Gedijt steden--brengt uwe ladingen, brengt uwe fiere + schouwspelen, breede en genoegzame wateren, +Bloei op, Wezen dat misschien meer ziel heeft dan al wat leeft, +Behoudt uwe plaatsen, dingen, duurzamer dan al het andere. + +Gij hebt gewacht, gij wacht altijd, stomme heerlijke getuigers, +Wij nemen U gretig in ons op en toch blijven wij steeds + onverzadigd, +Zoo abel zijt gij niet, dat gij ons kunt teleurstellen of U-zelven + buiten ons bereik houden, +Wij nemen U in ons op en verwerpen U niet--wij bevestigen + U voor altijd in ons hart, +Wij vademen U niet--wij hebben U lief--ook in U is volmaaktheid, +Gij zijt ook een deel der eeuwigheid, +Groot of klein, gij zijt een deel van de ziel. + + + + +UIT: LIED VAN DE BREEDE BIJL + + +Kracht, beleid en moed, dat is het hoogste! +Wat het leven sterkt, sterkt tevens den dood, +En de dooden zijn in de processie des levens even goed als + de levenden zelf, +En de zekerheid der toekomst staat even rotsvast als die + van het heden, +Want de teelkracht der aarde en der menschheid is hetzelfde + als de ziel der aarde en der menschheid, +En niets is blijvender dan de kracht die een man stempelt + tot man. + +Wat, denkt gij, is blijvend? +Denkt gij, dat een groote stad blijvend is? +Of een staat, waarin de nijverheid bloeit? Of een weldoorwrochte + constitutie? of de best-gebouwde stoomschepen? +Of huizen van graniet en ijzer? Of chef-d'oeuvres van werktuigkunde, + vestingbouw, verdediging? + +Weg er mede! Dit alles leeft geen eigen leven, dat tot liefhebben + bezielt. +O zeker, zij vervullen hun uur, alzoo ook dansen de dansers + en pijpen de pijpers voor hen, +Hun schoonheid gaat voorbij, zij doen wat zij moeten doen, +Dit alles doet wat het moet doen tot het door een enkel + woord der Godheid in het namelooze wordt weggeslingerd. + +Dàt is de groote stad die de verhevenste mannen en vrouwen + bezit, +Misschien bestaat zij uit wat vervallen hutten, toch is zij de + grootste stad van heel de wereld. + +Een groote stad is niet allereerst de plaats van groote werven, +dokken, fabrieken, opslagen, +Noch de plaats van den altijd-vernieuwden groet van baren + of van hen die het anker lichten voor het vertrek, +Noch de plaats van de hoogste en kostbaarste gebouwen of + winkels waarin goederen van heel de aarde worden verkocht, +Noch de plaats waar de beste bibliotheken en scholen te + vinden zijn, noch de plaats waar geld 't overvloedigst is, +Noch de plaats met de talrijkste bevolking. + +De stad van redenaars en barden, die in natuur en arbeid + ziel en lichaam gestaald hebben, +De stad die dezen liefheeft en verstaat en door dezen wederkeerig + wordt geliefd, +Waar de nagedachtenis der helden wordt gehuldigd door het + gewone woord en de gewone daad en niet door monumenten + op de pleinen, +Waar geestdrift en beleid ieder zijn tijd en gelegenheid + vindt, +Waar de mannen en vrouwen lichtelijk denken over geschreven + wetten, +Waar niemand een slaaf is en niemand een meester van + slaven, +Waar de bevolking als een man op staat tegen de onbeperkte + vermetelheid van lieden die enkel kracht vinden + in den volkswil. +Waar mannen en vrouwen wild van verontwaardiging opstorten, + zooals, op 't gefluit van den dood, de zee zwiepende + en rijtende baren opstort, +Waar de achtbaarheid van het kleed altijd achterstaat bij de + achtbaarheid van het hart, +Waar de burger steeds hoofd en ideaal is, en de President, + Mayor, gouverneur, en wie meer, betaalde dienaren, +Waar den kinderen wordt onderwezen, dat zij de hoogste + wetten in de ziel vinden en naar dezen behooren te leven, +Waar in handel en wandel een volkomen eerlijkheid wordt + toegepast, +Waar de bespiegeling van het ongeziene wordt aangemoedigd, +Waar vrouwen in optochten door de straten trekken naast + de mannen, +Waar zij in openbare bijeenkomsten plaats nemen naast de + mannen; +De stad van de trouwste vrienden, De Stad! +De stad van het reine omgaan der seksen, De Stad! +De stad van de gezondste vaders, De Stad! +De stad van de best-belichaamde moeders, De Stad!, +Dàt is de groote stad, dàt is De Stad! + + + + +UIT: HET TENTOONSTELLINGSLIED + + +1. + +(Ach, weinig bevroedt de arbeider, +Hoe na zijn arbeid hem brengt tot God, +Den liefdevollen arbeider van het Al en het Eeuwig). + +Niet enkel om uit het niet op te roepen, noch enkel om te + stichten, +Maar wellicht om aan het verre te ontleenen wat reeds goed + gesticht is, +En om er dan uw eigen karakter aan te geven, bezield en vrij, +Om van de ruwe en trage oerkrachten der natuur brandstoffen + te maken voor het levensvuur der religie, +Om minder af te wijzen en te vernietigen dan te aanvaarden, + te vereenigen, te verheffen, +Om te gehoorzamen zoo goed als te bevelen, meer te volgen + dan voor te gaan, +Ook dit alles leert ten slotte onze nieuwe wereld ons, +De nieuwe wereld, maar hoe weinig nieuw inderdaad, hoezeer + de oude, oude wereld! + +Lang, zeer lang groeide het gras, +Lang, zeer lang daalde de regen neder, +Lang, zeer lang rolde de aardkloot om zijn as. + + +2. + +Kom, Muze, keer Griekenland en Ionië den rug toe, +Sla het boek dier onmetelijk overschatte gloriën dicht, +Dat verhaal van Troye en van Achilles' toorn en van Aeneas', + Odysseus' zwerftochten, +Schrijf "Verhuisd" en "Te huur" op de rotsen van uw + sneeuwbekruinden Parnassus, +Doe dit ook te Jeruzalem, stel die kennisgeving hoog op de + poorten van Jaffa, en op den Moriah-berg, +En hoog op de muren van uwe Duitsche, Fransche en Spaansche + burgten, uwe Italiaansche paleizen, +Want een beter, vruchtbaarder, wijder levenskring, een onafzienbaar, + ongeploegd arbeidsveld wacht en roept U. + + +3. + +Zij hoort en geeft aan onze roepstem gehoor, +Of liever, zij volgt haar langgekoesterd begeeren, +Zij komt door onweerstaanbare natuurlijke neiging gedreven! +Ik hoor het ruischen van haar gewaad, +Ik neem de ziel in mij op van haars adems lieflijken geur, +Ik zie haar godinne-tred, haar wonderbaar oogenbeweeg, +Als zij ommegaat en dit heerlijke schouwspel in 't rond ziet. + +Zij, de edelvrouw der edelvrouwen! Kan ik dan gelooven + wat ik zie? +Kon geen dier antieke tempels, geen dier klassieke beeldgehouwen + haar langer bekoren? +Konden de schimmen van Vergilius en Dante, noch de + myriaden heldenfamen, heldendichten, heldendaden haar + langer bezielen en boeien? +Heeft zij allen verlaten om tot ons te komen? + +Ja, indien het niet te stout een beweren is, vrienden, +Ik, zoo gij haar nog in het verleden waant, ik zie haar in + het heden en in ons midden; +Vindt zij in ons heden niet alles wat haar het verleden + schonk en beter nog? +Vindt zij ook niet hier de onsterflijke ziel der aarde en de + bezielende kracht van de daad, van de schoonheid, van + den heldenmoed? +Wat haar vroeger bekoorde leeft niet meer, wat haar vroeger + bezielde bezielt haar niet meer, +De heldendaden van het heden en de scheppingen van het + heden doen die van 't verleden vergeten, +Niet meer klinkt haar stem, verstorven in de tijden, aan de + bronnen van Castalië, +Zwijgend zijn de gebroken lippen der Egyptische sphinxen, + zwijgend al die pyramiden-graven die den tijd trotseerden, +Voor altijd uit: het epos van Azië's en Europa's gehelmde + krijgers, de wilde roep der muzen zwijgt, +Zwijgt! Voor altijd de roepstem van Calliope! Dood! Clio, + Melpomene, Thalia! +Stil nu, de plechtige rhytmen van Una en Oriana, niemand + nu zoekt meer den Heiligen Graal, +Jeruzalem, een handvol koude asch in de winden geworpen, +De middernacht-duistere heiren der kruisvaarders verdwenen + voor het licht van den morgenstond, +Amadis, Tancred namen slechts, Charlemagne, Roelant, + Olivier namen slechts, +Palmerijn en de bietebouw vergeten, verdwenen het torengespiegel + in de wateren der Usk, +Dood koning Arthur en zijne ridders, Merlijn en Lancelot en + Galahad heengegaan, weggetrokken allen als de ademwas + op glimmend staal, +Dood! Dood! Voor ons en voor alle tijden dood, die eenmaal + zoo machtige wereld, die nu ledige, onbezielde schimmenwereld, +Die gulden, verblindende wonderwereld met al hare heerlijke + legenden en mythen, +Hare koningen en fiere kasteelen, hare priesters en strijdvaardige + ridders en schoone riddervrouwen, +Dood, de lijken in de wade, in de rusting, gedekt door de + kroon, bijgezet in het knekelgewelf. +Toen, in zijn koninklijke dicht, schalde Shakespeare hun + dood uit met de klaroen der eeuwen, +En heeft Tennyson's liefelijk, droevig rijm den lijkzang gezongen. + +Ik zeg, vrienden, ik, zooal gij niet, zie de verheven zoekster, + ('t is waar, hoewel altijd dezelfde, sinds dien veel veranderd + op haar reis door eeuwen en landen,) +En, bezield als ooit, streeft zij er naar ons te vinden, met + kracht haar weg banende dwars door de warreling heen, +Niet afgeschrikt door het gegons der machines en de schrille + stoomfluit, +Vindt zij draineer-pijpen, gazometers en fertilisators niet beneden + haar aandacht, +Glimlachend, bekoord, blijkbaar besloten bij ons te blijven, +Daar is zij! onze moeder, onze vrouw, onze zuster, en bereidt + ons middagmaal! + + +4. + +Maar hoe? Weet ik niet langer hoe 't behoort? +Ik leid de gast, O Columbia, uw huis binnen; (en wat anders + zou dan mijn levensdoel en dezer zangen doel zijn?) +In naam der vrijheid een onsterflijk Welkom! Laat ons + juichen dat Europa tot ons komt! +En in het altijd en eeuwig der toekomst zijt beiden mijne + lieve zusters, oude en nieuwe wereld. + +Vrees niet, Muze! Een echt nieuw leven en een echte nieuwe + tijd ontvangen U en zullen U bezielen, +Ik beken u oprecht, mijn volk is een vreemd, een wonderlijk + volk, het doet zijn eigen nieuwe doen, +Toch vindt gij er dezelfde oude menschheid in, dezelfde van + binnen en van buiten, +Dezelfde gezichten en harten, hetzelfde gevoel, hetzelfde + smachten naar het onbereikbare, +Dezelfde oude liefde, oude schoonheid, hetzelfde oude leven. + + +5. + +Zwijge dan de verheerlijking van den oorlog, zwijge dan + oorlog zelf, +Weg van mijn huiverend zien, en dat het nimmer terugkome, + dat veld vol zwart gebrande, verminkte lijken! +Die onbeschrijflijke hel met stroomen bloeds, waar ontketende + tijgers en wolven, wier tong uit den muil hangt, geen + denkende menschen zich in verlustigen, +En daarvoor: verheft U, strijd van denkende hoofden en + nijvere handen, +Komt met onversaagde legerscharen, machinenbouwers, +Kom met uwe vaandels, arbeid, laat hen dartelen op den + wind, +Laat luide en klaar uwe trompetten schallen. + +Zwijge dan de oude roman! +Zwijge novelle, spijt en spel van hovelingen, +Zwijge het minnelied van suikerzoete rijmen, het lied dat + lusten en liefden van lediggangers bezingt, +Enkel geschikt om gezongen te worden bij het banketteeren + in den nacht, als de late dansers huppelen op de maat + van vroolijke klanken, +De ongezonde genoegens en buitensporige vermaken der + enkelen, +In geuren, gloed en wijn, onder het schitterlicht der kaarsen. + +Voor U eerbiedwekkende, krachtige zusteren, +Verhef ik mijn stem om kunst en dichter te bezielen voor + onderwerpen die hunner waardiger zijn dan dezen. +Dat kunst en dichter het heden en de realiteit verheffen, +Dat de dichter niet voor enkelen zinge, maar voor den middelmaat-mensch + en diens roem van dagelijkschen wandel + en handel, +Dat hij in liederen roeme arbeid en het gistend leven, en hoe + dezen grootscher zijn dan alles, +Dat hij bezinge den handenarbeid van ieder en allen, het + ploegen, wieden en graven, +Het planten en kweeken van den boom, van den boomstruik, + het moesbed en de bloemen, +De dichter zegge, dat iedere man zijn grootsche taak in het + leven heeft en vervult en iedere vrouw tevens; +De dichter zegge: neem hamer en zaag ter hand en gevoel + U-zelf hoog, +Hij zinge het lied van den timmerman, den stuc-werker, den + schilder, +Het lied van den kleêrmaker en kleêrmaakster, van de + dienstmaagd, van den stalknecht en den portier, +En vooral prijze hij het vernuft, dat het wasschen, koken en + reinigen helpt door kleine uitvinding, +En vooral achte hij 't niet beneden zich-zelf de hand aan + den arbeid te leggen, welke ook. + +Ik zeg: ik breng U, Muze, heden en hier, +Allen arbeid en allen plicht, verheven of gewoon, +Ik breng U het zwoegen, het gezonde zwoegen in het zweet, + het eindeloos zwoegen zonder rust, +Ik breng U de oude lasten van het werkzame leven en zijne + belangen en zijne vreugden, +Het huisgezin, de bloedverwantschap, kinderen, man en + vrouw, +De welvaart van het huis, het huis zelf en wat het huis + toebehoort, +Levensmiddelen en het conserveeren van levensmiddelen, + door de scheikunde geholpen, +En al wat den mensch sterk maakt, den gezonden man, de + gezonde vrouw, den volkomen lang levenden mensch, +Wat dien mensch in dit leven gezondheid en geluk schenkt en + zijn ziel loutert, +Voor het eeuwige toekomstige leven. + +Dàn de jongste paringen der volken, hun arbeid, het onderling + verkeer der werelddeelen, +De stoomkracht, de sneltreinspoorwegen, gas en petroleum, +Al deze triomfen van onzen tijd: de kabels van den Atlantischen + Oceaan, +De Pacifiek-spoorwegen, het Suez-kanaal, de Mont-Cenis, + Gothard en Hoosac tunnels, de Brooklyn-brug, +Deze geheele aarde door ijzeren banden omspannen, met de + stoomvaartlijnen die als draden over de zeeën zijn getrokken, +Dezen wereldkloot in zijn tuimeling door het heelal breng + ik U. + + + + +UIT: EEN LIED VOOR DEN ARBEID + + +1. + +Een lied voor den arbeid! +In den arbeid van machines en in den handarbeid en in den + arbeid op de velden vind ik de verklaring der godskrachten, +Vind ik de godskracht zelf. + +Arbeiders en arbeidsters! +Indien alle geleerdheid en haar nut en haar fraai mij ontstraalde, + zou dat dan veel zijn? +Indien ik een geleerd professor, een liefdadig landheer, een + wijs staatsman ware, zou dat dan veel zijn? +Indien ik U was wat de patroon is die U in dienst neemt en + betaalt, zou U dat bevredigen? + +De geleerde, de brave, de weldadige en dan nog dit: de + banaliteit, +Neem een man als ik: geleerd, braaf noch weldadig misschien, + maar de banaliteit verre. + +Ik dienaar noch meester, +Ik verlang niet eerder het vele dan het weinige, wie ook + van mij geniet, ik verlang slechts wat mij toekomt, +Ik wil uw gelijke zijn en gij zult mijn gelijke zijn. +Indien gij aan de werkbank staat in de werkplaats, sta ik U + zoo na als de naaste aan dezelfde bank, +Indien gij uw broeder of liefsten vriend beschenkt vraag ik + van U hetzelfde als gij aan broeder of liefsten vriend + schenkt, +Indien uw minnaar, man, vrouw u dag en nacht lief is, moet + ik persoonlijk U even lief zijn, +Indien gij geschandvlekt, misdadig, ongelukkig wordt, zal ik + dat worden om uwentwil, +Indien gij U uwe dwaze wetschennende daden herinnert, + zult gij dan denken dat ik mij niet herinner mijne eigen + dwaze, wetschennende daden? +Indien gij in het drinkgelag aan tafel zit, zit ik in het + drinkgelag tegenover U aan die tafel, +Indien gij een vreemde ontmoet in de straten en hem of + haar uw liefde schenkt, o ik ontmoet vele vreemden en + schenk hun mijn liefde, + +Nu, wat denkt gij dan van U-zelf? +Hebt gij gering gedacht van U-zelf? +Hebt gij den President hooger gesteld dan U-zelf? +Of den rijke er beter aan toe dan gij? Of de geschoolde + wijzer dan gij? +(Omdat uw gezicht vuil of puistig is, of omdat gij eens dronken + of een dief waart, +Of omdat gij ziekelijk, of rheumatisch, of een lichtekooi zijt, +Of omdat uw kracht gering is of gebroken, of omdat gij geen + vat vol geleerdheid zijt en uw naam nooit gedrukt hebt + gezien, +Leidt gij daarvan af, dat gij iets minder onsterflijk zijt?) + + +2. + +Zielen van mannen en vrouwen! U noem ik niet onzichtbaar, + onhoorbaar, ongevoelig en onvoelbaar, +Ik zal mij niet bemoeien voor of tegen U te pleiten om uit + te maken of gij al dan niet bestaat, +Ik erken openlijk wie gij zijt, al erkent niemand anders dat. + +Volwassen, halfwassen, kind, van dit volk of elk ander volk, + in huis of buitenshuis, ik zie in den een dezelfde waarde + als in den ander, +En ik zie al het andere door hen heen en achter hen. + +Ik zie de vrouw en zij is geen zier minder dan haar man, +Ik zie de dochter en zij is even goed als de zoon, +Ik zie de moeder en zij is de volkomen gelijke van den + vader. + +Kinderen van den onwetende en den behoeftige, knapen die + opgeleid worden in een vak, +Jonge mannen die bij den boer werken en oude mannen die + bij den boer werken, +Matrozen, sjouwers, kustvaarders, landverhuizers, +Ik zie ze allen en zij zijn mij na, ik zie ver weg anderen en + zij zijn mij na, +Niet een ontgaat mij, en niet een wenscht mij te ontgaan. + +Ik breng U wat gij 't meeste behoeft en toch steeds hebt + bezeten, +Het is geen geld, amours, kleed, eten, geleerdheid, maar het + is even goed, +Ik zend geen zaakwaarnemer of tusschenman, bied U geen + wissel van de waarde aan, maar geef U de waarde zelf. + +Daar is iets dat den mensch invloeit nu en steeds, +Niet in gedrukte woorden, noch in gepreekte of gepraten + woorden kan men 't vinden, het ontsnapt aan die woorden, +Niet in een boek, niet in dit boek is 't te vinden, +Wie gij ook zijt het is 't uwe, het 'is niet verder van U dan + uw gehoor of uw gezicht, +Wat U het naaste, het gewoonste, het gereedste is spreekt er + U van en daaruit komt het U immer te gemoet. + +Lees in vele talen, toch leest gij hierover niets, +Lees de Boodschap van den President en gij leest ook + daarin niets hier over, +Niet in de rapporten van het Binnenlandsch Ministerie of + van het Ministerie van Financiën, niets in dagbladen of + weekbladen, +Niets in de belasting- of pensioenberichten, niets in de prijsnoteeringen + of de mededeelingen van de Beurs. + + +3. + +De zon en de kringloopende sterren in het firmament, +De appelvormige aarde en wij met ons leven van die aarde, + het is grootsch in zijn eeuwig gedobber, +Ik weet niet wàt het is behalve dat het grootsch is en dat + het geluk is, +En dat de beteekenis van ons leven niet ligt in een bespiegeling + of een bon-mot of eenig onderzoek, +En dat het niet iets is, dat bij geluk ten goede kan keeren + en bij ongeluk ons kan ontgaan, +En niet iets, dat wij door een of andere omstandigheid + kunnen verliezen, +Het licht en de schaduw, de wonderbare beteekenis van het + lichaam en zijn identiteit met de ziel, de tuk die met + volkomen bereidwilligheid alle aardsche dingen verslindt, +De alomvattende fierheid en het kunnen van den mensch, + zijn onuitsprekelijke vreugden en smarten, +Het wonder dat iedereen ziet in iedereen dien hij ziet en + de wonderen die elke minuut der komende tijden van zich + zullen vervullen, +Wat is het doel van dit alles, dacht gij, Camerado? +Dacht gij dat het enkel was voor uw handwerk of landwerk? + of voor de winsten van uw winkel? +Of om U aan een of andere betrekking te helpen? Of voor + een spelletje in het beuzeluur van dezen heer en die + dame? +Hebt gij gedacht dat het landschap leven, vorm en kleur had + enkel om in een schilderij geschilderd te worden? +En dat de menschen leefden enkel opdat men hun leven + konde beschrijven of bezingen, +Of dat de zwaartekracht en de natuurwetten en de harmonieuze + samenstelling van het Heelal en de luchtstroomingen + enkel waren om aan schoolmeesters geleerdheid te + verschaffen? +Of dat het bruine land en de blauwe zee waren voor de + atlassen en de landkaarten? +Of de sterren om in sterrengroepen verdeeld te worden en + dan aangeduid bij fantasie-namen? +Of dat de groei en ontluiking der zaden zijn voor landbouwkundige + tabellen of den landbouw zelf? + +Oude instellingen, kunsten, boeken, verhalen en de vaardigheid + in een beroep, zullen wij dit alles hoog stellen? +Zullen wij ons eigendom, onzen handel hoog stellen? Ik heb + er niets tegen. +Ik stel dit alles even hoog als het hoogste--maar boven dit + hoogste stel ik het kind dat geboren wordt van eene + vrouw en een man. + + +4. + +De som van al wat eerbied verdient tel ik op in U, wie gij + ook zijt, +De President bevindt zich in het Witte Huis om uwentwil, + gij zijt niet hier ter wille van hem, +De secretarissen arbeiden in hun bureaux voor U, gij arbeidt + niet voor hen, +Het Congres vergadert elke Twaalfde Maand voor U, +Wetten, hoven, staatsconstituties, stedelijke charters, het + komen en trekken van handel en verkeer, dit alles is + voor U. +Luistert goed, lieve discipelen, +Leer, staatkunde, beschaving vloeien uit U, +Standbeelden en monumenten en alle roem-inschriften waar + ook zijn gehouwen in U, +De waarde van geschiedenis en statistiek, zoo ver als haar + geest het verleden mag zijn doorgedrongen, bevindt zich + dit uur in U en die van mythen en verhalen evenzoo, +Indien gij op dit oogenblik geen adem haddet en geen + kracht, wat zou er van hen allen zijn? +Het heerlijke epos zou niets zijn en oratiën en tragediën + zouden ledig zijn. + +De paleizen zijn wat gij er van maakt als uw oog hen aanschouwt, +(Dacht gij dat hun waarde lag in den witten of grijzen steen? + Of in de lijnen hunner bogen en kroonlijsten?) + +De muziek is wat er uit uw ziel opvloeit als de instrumenten + U aan uw werkelijk leven doen denken, +Zij is niet de violen en cornetten, niet de hobo noch de + trommen, noch de klanken van den bariton-zanger die zijn + liefelijke romanza zingt, noch die van het mannenkoor, + noch die van vrouwenkoor, +Zij is dichter bij en verder dan dezen. + + +5. + +Zal dan alles eenmaal zijn weg terug afleggen? +Kan dan ieder de eeuwige schoonheid zien door een blik in + den spiegel? Is daar niets hoogers of beters? +Bevat gij alles, bevat de mystiek-onzichtbare ziel alles? +En vreemd en zwaar zeker is mijn paradox; +Het ruwste ter wereld en de onzichtbare ziel der wereld + zijn één. + + +6. + +Wilt gij dan de zaligheid verre zoeken? Gij zult zeker op + uwe schreden terugkomen. +In de dingen uws dagelijkschen levens vindt gij het beste, of + zoo goed als het beste, +In de menschen uws dagelijkschen levens vindt gij de edelste, + krachtigste, liefdewaardigste! +Geluk, kennis vindt gij niet elders maar hier, niet in de + toekomst maar nu, +In den man dien gij 't eerst ziet en aanraakt vindt gij altijd + een vriend, een broeder, een naasten buur--in de vrouw + een moeder, zuster, vrouw, +De liefde en de arbeid der volken hebben de eerste plaats + in poëmen en overal, +Gij arbeidsters en arbeiders dezer Staten, gij bezit uw eigen + goddelijk en krachtvol leven, +En alles daarbuiten heeft plaats voor mannen en vrouwen + zooals gij. + +Wanneer de psalm gaat zingen in steê van den zanger, +Wanneer de Schrift zal prediken in steê van den leeraar, +Wanneer de kansel afdaalt en onder de menschen gaat in + steê van den prediker, +Wanneer ik bij dag of bij nacht het lichaam van boeken kan + beroeren en zij dan mijn lichaam beroeren in keer, +Wanneer eens professors collegie zooveel bewijst als een sluimerende + vrouw of een slapend kind, +Wanneer de goudstukken in de kelders glimlachen als des + nachtwakers dochter, +Wanneer de gevolmachtigde bazelt in den presidentsstoel en + ik zijn vriend ben en metgezel, +Dan, en niet eerder, zal ik dezen de hand reiken en hen zoo + hoog verheffen als ik U doe, mannen en vrouwen aan den + arbeid. + + + + +UIT: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE + + +1. + +Een lied van de wentelende aarde, in woorden die met haar + harmonieeren, +Dacht gij dat dit de woorden zijn, deze rechtoppe-lijntjes, + deze boogjes, hoekjes, en stipjes? +Neen, dat zijn de woorden niet, de echte woorden zijn in de + aarde en in de zee, +Zij zijn in de lucht, zij zijn in U. + +Dacht gij dat deze woorden de liefelijke klanken zijn door + den mond uws vriends gesproken? +Neen, de ware woorden zijn liefelijker dan deze. + +Menschenlijven zijn woorden, myriaden woorden, +(In de beste gedichten ziet gij altijd het lijf van man of + vrouw, altijd welgevormd, natuurlijk, levensvol, +En elk deel vol kracht om te geven of te ontvangen zonder + schaamte of reden tot schaamte.) + +Lucht, aarde, water, vuur--de elementen zijn de woorden, +Ik zelf ben een woord met dezen--mijne krachten vloeien + samen met de hunne--mijn naam is voor hen een niets, +Al wierd mijn naam ook genoemd in de drie duizend talen, + wat zouden lucht, aarde, water, vuur weten van mijn naam? +Een gezond gezicht, een vriendelijk bemoedigend gebaar zijn + woorden, en zij zijn welsprekendheid en wijsheid, +De bekoring van den oogopslag van sommige mannen en + vrouwen, ook zij is vol welsprekendheid en wijsheid. + +Het werk waaruit de ziel spreekt is het poëem dier onhoorbare + woorden der aarde, +De meesters kennen die aarde-woorden en zeggen daarin + meer dan in hoorbare woorden. +De aarde ontbloot haar schoonheid niet doch weigert ook niet + haar schoonheid te ontblooten, niettemin is haar onzichtbaar + leven het schoonste, +Dring in haar door en gij verneemt luid-hoorbare klanken, + het verheven koorgezang der helden, de weeklachten der + slaven, +De eeden der liefde, vervloekingen, doodsnikken van stervenden, + gelach van jongelieden, geschreeuw van markters, +Dring in haar door om de sleutelwoorden te kennen die + nooit missen. + +De woorden der welsprekende, stomme eeuwe-moeder tot + hare kinderen missen nooit, +De echte woorden missen nooit, want de slag mist nooit en + de terugslag mist nooit, +Aldus ook missen nimmer de dag en de nacht, evenmin als + onze reis door de eeuwigheid mist. + +Het Godsschip bevaart de Godszee, +Rondwentelend, staag, om nimmer te vergaan, +Zonneschijn, storm, koude, hitte voor altijd weerstaat, voorbij + snelt, draagt het dezen, +De waarheid en de bestemming der ziel bevat het, +Het vloeiende ledig in 't rond en vooruit klieft en doordringt + het, +En steeds voort, door geen tegenspoed opgehouden, door + geen anker vastgehouden, door geen klip geraakt, +Vlug, vroolijk, voldaan, niets dervende, niets verliezende, +Elk oogenblik in staat en bereid het logboek open te slaan, +Het Godsschip bevaart de Godszee. + + +2. + +Wie gij ook zijt! Slag en terugslag zijn bepaaldelijk voor U, +Het Godsschip bevaart de Godszee voor U. + +Wie gij ook zijt! Gij zijt de man of de vrouw voor wie de + aarde vast en vloeibaar is, +Gij zijt de man of de vrouw voor wie zon en maan daar zijn + in het firmament, +Voor niemand eerder dan voor U is het heden en het verleden, +Voor niemand zekerder dan voor U is de onsterflijkheid. + +Ieder man is voor zich en iedere vrouw is voor zich het sleutelwoord + van verleden en heden en dat der onsterflijkheid; +Niet een kan daar verwerven voor den ander--niet een, +Niet een daar leven voor den ander--niet een. +Het gezang is voor den zanger en komt tot hem terug, +Het onderwijs is voor den onderwijzer en komt tot hem terug, +De moord is voor den moordenaar en komt tot hem terug, +De diefstal is voor den dief en komt tot hem terug, +De liefde is voor hem die liefde geeft en komt tot hem terug, +De gift is voor den gever en komt tot hem terug--het + kan niet missen, +De redevoering is voor den redenaar, het spel is voor den + tooneelspeler en speelster niet voor het gehoor, +En geen mensch verstaat grootheid en goedheid dan de zijne + of die door de zijne wordt verklaard. + + +3. + +Ik zweer de aarde zal gewis hem of haar volkomen zijn die + zelf volkomen is, +En de aarde zal gehavend en gebroken blijven hem of haar + die zelf gehavend en gebroken blijft. + +Ik zweer daar is grootheid noch vermogen die wedijvert met + de grootheid en het vermogen der aarde, +Daar kan geen leer welke ook zijn, ten ware zij worde bevestigd + door die der aarde, +Geen staatkunde, poëzie, religie, zede of wat ook, tenzij + gegrondvest in de aarde, +Tenzij oog in oog met de stiptheid, levenskracht, onpartijdigheid, + rechtschapenheid dezer aarde. + +Ik zweer ik zie in de liefde liefelijker krampen dan die de + liefde oproept, +Het is zelf-bezit dat nooit lokt of afwijst. +Ik zweer ik zie weinig of niets meer in hoorbare woorden, +'t Vloeit alles opwaarts tot de ongezegde waarheden dezer + aarde, +Tot hem die zingt de zangen des lijfs en zegt de waarheden + der aarde, +Tot hem die woordenboeken maakt van de woorden die aan + den druk ontsnappen. + +Ik zweer ik zie wat daar beter is dan het beste te noemen, +Het is het beste altijd en immer ongenoemd te laten. + +Zoodra ik mij ondersta het beste te noemen merk ik mijn + krachteloosheid, +Dan ligt mijn tong verlamd onder mijn verhemelte, +Dan weigert mijn adem mijne longen te vullen, +Ik word met stomheid geslagen. +Het beste der aarde kan niet, kan nooit genoemd worden, + alles en ieder is het beste, +Dat beste is niet wat gij vermoeddet, het is veiler, lichter, + nader, +Niets behoeft er voor uit zijn natuurlijke voegen te worden + gelicht, +De aarde is even zeker en direct nu als zij was voorheen, +Feiten, religiën, vooruitgang, beleid, handel en wandel zijn + nu zoo reëel als voorheen, +En ook de ziel is reëel, ook zij is zeker en direct, +Geen preek of proef heeft haar bewezen, +Onloochenbare vooruitgang bewijst haar. + + +4. + +Dat dan in deze zangen weergalmen de klanken der ziel en + de melodieën der ziel, +(Indien zij niet den weergalm bevatten van de melodieën der + ziel, wat zouden zij dan zijn? +Indien zij niet leven waren direct van uw leven, wat zouden + zij dan zijn?) + +Ik zweer voortaan zal ik niets meer gemeen hebben met den + godsdienst die het beste noemt, +Ik wil enkel gemeen hebben met den godsdienst die het beste + ongemoeid laat. + +Spreekt sprekers, zingt zangers! +Delft diep, vormt groot, stapelt hoog de woorden der aarde! +Arbeidt, eeuwen na eeuwen, want niets zal verloren gaan, +Misschien zal uw arbeid lang hebben te wachten, maar zeker + zult gij er de wel-daad van zien, +Wanneer de bouwstoffen allen bereid en gereed zijn, zullen + de bouwmeesters verschijnen. + +Ik zweer U, de bouwmeesters zullen verschijnen onafwijsbaar, +Ik zweer U, dat zij U zullen verstaan en rechtvaardigen, +De verhevenste onder hen zal hij zijn die U het beste van + allen verstaat, en die allen verklaart en allen getrouw is, +Hij en zijne makkers zullen U niet vergeten, zij zullen inzien, + dat gij niet een jota minder zijt dan zij zelven, +In hen en door hen zult gij volkomen verheerlijkt worden. + + + + +LIED DES HEELALS + + +1. + +Kom, zei de Muze, +Zing thans een lied door geen dichter nog gezongen, +Zing thans het lied des Heelals. +In deze onze ruwe aarde, +Middenin den onpeilbaren chaos, +Verborgen en veilig in haar hart, +Kiemt het zaad der volmaaktheid. +In allen leven kiemt dit zaad, +Geen geboorte zonder de ontkieming van dit zaad, verborgen + of zichtbaar, dit zaad ontvangt bloei. + + +2. + +Heil U, waakzame, hoogstrevende wetenschap, +Gij die, als van hooge bergtoppen, het jonge leven overziet, +En verder steeds en verder Uw uitkomsten bevestigt. +Maar heil, heil, heil der ziele, die alle wetenschap overtreft, +Voor haar heeft de wereldgeschiedenis zich als een schel om + den aardkloot gelegd, +Voor haar wentelen alle sterren-myriaden door 't Heelal. +Voor haar, spiralend omhoog en breed van slagen, +(Of als een schip op zee, dat vaak boegseert) +Vloeit wat vergankelijk is uit in het Eeuwige +En strekt de realiteit zich uit naar 't ideaal. +Voor haar de ontwikkeling van het al, die niet in wezen, wèl + in schijn wordt gekend, +En rechtvaardiging is niet enkel van het goede, maar van + wat wij slecht noemen tevens. +Eenmaal werpt ieder den mom af, wat deze ook waard zij, +Eenmaal bloeit er heil uit alle verzwering, eenmaal vreugde + uit list, bedrog en tranen, +Heil waar de kracht aan ontspringt en vreugde, vreugde des + Heelals. +Uit het gros, uit het ongezonde, uit het onbeteekenende, +Uit de middelmatige meerderheid, het talloos-vake bedrog + van menschen en volken, +Ontspringt het goede, +Alom dan het goede, electrisch, bederfwerend, alles doordringend, + alles vervullend. + + +3. + +Boven de berghoogten van kwalen en smarten, +Fladdert, fladdert en zweeft een nooit-gelamde vogel +Hoog in de reine sferen des geluks, +Door de duisterste wolken der onvolkomenheid, +Breekt altijd een glimp van 't reinste licht der zon, +Een straal der hemel-heerlijkheid-zelve. +In de wangeluiden van zeden en gebruiken +In het dolle Babyloonsch geraas, in oorverdoovende orgiën, +Elk getier overruischende, wordt een toon gehoord, en niet + meer dan vernomen, +Van 't koorgezang der eeuwen in verre hemelgewesten gezongen. +O, de zegenvolle oogen, o, de gelukkige harten +Die in 't geweldig labyrinth, +Den teederen leiddraad zien en volgen kunnen. + + +4. + +En gij, Amerika, +Als bekroning van het godsplan, in zijn overleg en in zijn + uitvoering, +Zijt gij--en niet om U zelfs wil--tot leven geroepen. +Want ook gij omvat alles, +Gij torscht en ontvangt alles en begroet alles, ook langs + paden breed en nieuw +Wendt gij U naar 't Ideaal. +De tamme idealen van andere landen, de grandeurs van het + verleden, +Zijn niet voor U, gij hebt Uw eigen grandeurs van dezen dag. +Goddelijk vertrouwen en grootheid die alles omvatten en + verklaren, +En dit alles bereikbaar voor allen. + +Alles en allen om der wille der onsterflijkheid, +Liefde evenals licht verwint het Al stilzwijgend, +En de voortdurende verheffing der natuur beschenkt het Al + met haar zegeningen, +De bloesem draagt vrucht, de vrucht der eeuwen rijpt, de + gaarden worden godstuinen, de oogst is zeker, +Aldus rijpt alles: vormen, voorwerpen, ontwikkeling, menschheid + tot het leven der zaligheid, + +Geef dan, o God, mij altijd die gedachte, opdat altijd mijn + ziel hoog zij en zinge, +Geef mij, geef hem of haar, die ik liefheb dit onvernietigbaar + geloof, +In Uw Heelal, wat gij ons ook onthoudt, onthoud ons niet + het geloof in Uw Godsplan, dat tijd en ruimte vervult, +Het geloof in Heil, Vrede, volkomen Verlossing! + +Is dit een droom? +Neen, het ongeloof is een droom, +En in de ontkenning is de leer en rijkdom des levens een + droom, +En de geheele wereld een droom. + + + + +PIONIERS! O PIONIERS! + + +Komt mijn zon-gebruinde kinderen, +Volgt mij nu in dichte drommen, houdt Uw wapens blank en + vaardig, +Hebt gij allen Uw pistolen? Hebt ge Uw scherpgewette bijlen? + Pioniers! O Pioniers! + +Want wij kunnen hier niet dralen, +Vòòrt wij moeten, lieve vrienden, moeten het gevaar trotseeren, +Wij zijn het jonge sterkgespierde ras, alles rust op onze + armen, + Pioniers! O Pioniers! + +O, gij knapen, Westerknapen, +Krachten-ziedend, strijdbegeerig, rijk aan mannentrots en + vriendschap, +'k Zie U duidelijk, Westerknapen, 'k zie U der beschaving + voorgaan, + Pioniers! O Pioniers! + +Rusten thans de oude volken, +Laten zij het hoofd nu hangen na een half-volbrachte taak, + zijn zij moê daar ginds over de wijde zeeën? +De eeuwige taak dan vatten wij op, en haar lasten en haar + wijsheid, + Pioniers! O Pioniers! + +Wat verleën is moeit ons niet, +Nieùw een wereld, groòtsch een wereld, dat is de wereld van + ons streven, +Ons is frisch en kloek de wereld, en zij roept ons aan den + arbeid + Pioniers! O Pioniers! + +Rotsen rukken we uit de voegen, +Over afgrond, door valleien, langs de hooge bergenklippen, +Waar wij gaan, wij overwinnen, moedig, wagend en vermetel, + langs nog onbetreden paden, + Pioniers! O Pioniers! + +'t Dichte oerwoud wordt geveld, +Stroomen stuiten we en doen wij keeren, wij dringen door + in de aderen der moeder en brengen haar onrust, +Delvend in den maagd-grond brengen wij er weeldevollen + waschdom, + Pioniers! O Pioniers! + +Colorado-mannen zijn we, +Ons het land der hooge bergen, òns het land der breede + sierra's en der hooge bergenvlakten, +Van de mijnen, van de stroomen komen wij langs jagersporen, + Pioniers! O Pioniers! + +Van Nebraska, Van Arkansas, +Van het midden dezer Staten, van Missouri zijn wij zonen, + zonen van Amerika, +Handslag geven we allen broeder, òf van 't Zuiden, òf van + 't Noorden, + Pioniers! O Pioniers! + +Onweerstaanbaar--wak're mannen, +Lieve broeders, kameraden! In mijn borst gloeit voor U allen + wonderteêre, sterke liefde! +O ik treur, en nochtans juich ik! Voor U allen gloei ik + van liefde, + Pioniers! O Pioniers! + +Heft dan hoog de moeder-liefste +Wapp're hoog de lieve liefste, de beste en de schoone liefste, + wuiv' beheerschend boven alles (buig Uw hoofd) +Hoog de vreesbre-sterke liefste, majesteitelijk rein die + liefste, + Pioniers! O Pioniers! + +Ziet dan kinderen, onvertsaagde kinderen, +Bij den strijd van onze vaadren, nimmer weif'len wij of + wijken, +Uit het schimmenrijk voorheen dringen ons millioenen voorwaarts, + Pioniers! O Pioniers! + +Voorwaarts, voorwaarts trekt ons leger, +Jonge kracht brengt ons versterking, zij die in den veldtocht + vallen worden spoedig weer vervangen, +Somtijds in den strijd de neerlaag, maar toch voorwaarts, + altijd voorwaarts, + Pioniers! O Pioniers! + +Al der wereld levenspolsen +Slaan voor ons den opmarschroffel in den kracht'gen Westermaat, +Maar wij, enkel of tezamen, dringen, werken ons vooruit. + Pioniers! O Pioniers! + +'t Is àl voor ons ideaal, +Al wat is bereikt in 't leven, al wie denkt of doet in 't leven, + al de werkers, al hun werk, +Die ter zee zijn, die te land zijn, al de meesters, al de slaven, + Pioniers! O Pioniers! + +Al die liefde's helvuur kennen, +De gevangnen in 't gevang, al de braven, al de boeven, +Al de blijden, al de droeven, al de levenden en dooden, + Pioniers! O Pioniers! + +En ook ik met lijf en ziele, +Wij, aldus een trio vreemd, saamlend al wat wij ervaren, + gaan ge-drieën onzen weg, +Door de landen, over zeeën, door het licht en door den + schemer, door verledens spokenheiren, + Pioniers! O Pioniers! + +Zie deez' wentelenden aardbol! +Zie in 't rond de broeder-bollen, al de zonnen, de planeten, + samenhangende als trossen, +In de schit'rend-lichte dagen, in de droom-mystieke nachten, + Pioniers! O Pioniers! + +Al die werelden zijn ons, +Zijn voor 't groot ontginningswerk, wijl de volgers ongeboren + in die werelden ons wachten, +Wij gaan slechts aan 't hoofd des hedens en bereiden hun + den weg, + Pioniers! O Pioniers! + +O gij dochters van het Westen! +O gij jonge en oud're dochters! O gij moeders en gij vrouwen! +Nimmer moet gij van ons wijken! Uwe plaats is in ons leger + Pioniers! O Pioniers! + +Prairiedichters ongeboren! +(Dichters van de oude landen, gij moogt rusten in Uw doodskleed, + want ook gij deedt eens uw arbeid,) +Spoedig zal 'k Uw krijgslied hooren, spoedig trekt gij met + ons op, + Pioniers! O Pioniers! + +Niet de zoete minneliedjes, +Niet op kussens, niet op muilen, niet het vredige, niet het + lieve, +Niet de vadse rust der rijkaards, niet voor ons het tam + vermaak, + Pioniers! O Pioniers! + +Laat dan anderen gulzig fuiven, +Laat de dikke slapers slapen, laat hen in hun rust verroesten, +Karig, spaarzaam, zij ons voedsel, hard ons bed en zwaar de + arbeid, + Pioniers! O Pioniers! + +Is de nacht voor ons gekomen? +Was de weg ons heden moeilijk? Vielen wij soms moedloos + neder? +Laat ons dan een wijle rusten, voor een uur den strijd + vergeten, + Pioniers! O Pioniers! + +Op! met schaat'rend een trompetschal, +Roept ons de ochtendstond--hoort!-- +Luide en gebiedend klinkt zijn: + "ontwaakt!" +Op! Op! naar de voorhoede des legers! +Op! Dat ieder naar zijn plaats snelle, + Pioniers! O Pioniers! + + + + +AAN U + + +Wie gij ook zijt, ik vrees gij gaat den weg der droomen, +Ik weet, dat de werkelijkheid waarop gij meent te rusten + sneeuw is, die U onder handen en voeten wegsmelt, +Zelfs op dit oogenblik zie ik alles wat gij 't Uwe meent + verdwijnen: Uw gezicht, Uw vreugden, woorden, huis, handel, + wandel, verdriet, dwaasheden, gewoonten, misdaden, +Uw ware ziel, Uw ware lichaam verschijnt mij, +Verschijnt mij, opkomende uit Uw bedrijf, Uw zaken, Uw + winkel, arbeid, hofsteê, kleed, uit uw koop en verkoop, + eten, drinken, lijden en doodgaan. + +Wie gij ook zijt, ik leg nu de hand op Uw hoofd, opdat gij + mijn gedicht moogt zijn, +En met mijne lippen dicht aan Uwe ooren fluister ik: +Ik heb vele vrouwen en mannen innig liefgehad, maar voor + geen hunner was mijn liefde inniger dan voor U. + +O, wel traag en wel dom ben ik geweest, +Reeds veel vroeger had ik zonder omwegen mijn weg recht + op U toe moeten nemen, +Wat ik tot nu heb gezegd was gebabbel omdat ik 't niet tot + U zei; wat ik tot dusver heb gezongen was het lied der + zotheid, omdat ik U niet bezong. + +Nu wil ik alles wegwerpen en tot U komen en de hymnen + zingen van U, +Niemand heeft U ooit begrepen, maar ik begrijp U, +Niemand heeft U ooit recht laten wedervaren, ook gij deedt + U zelf onrecht, +Niemand, of hij zag gebreken in U, ik alleen vind in U geen + gebrek, +Niemand, of hij wilde èèn boven U stellen, _ik_ ben de man, + die nimmer zal toestaan, dat er èèn boven U worde gesteld, +Ik ben de eenige, die noch heer, meester, betere, noch zelfs + God, hooger stel dan wat in U leeft. +Schilders hebben zwevende engelen geschilderd en in hun + midden het godsbeeld, +En om het hoofd van het godsbeeld deden zij een nimbus + stralen van goudzonnig licht. +Maar ik schilder myriaden hoofden en schilder geen hoofd + zonder dien nimbus van goud-zonnig licht, +Uit mijn vingertoppen, uit het brein van iederen man en + vrouw stroomt dat licht voor eeuwig zijn stralen uit. + +O, ik zou zulke verheven roemzangen van U kunnen zingen! +Gij kendet U-zelf niet, heel U leven hebt gij in U-zelf + liggen slapen, +Uw oogen zijn heel Uw leven zoo goed als gesloten geweest, +Al uw daden komen reeds nu tot U terug en zij bespotten U, +(Uw streven, weten, bidden, indien zij niet terugkomen om + U te bespotten, hoe zullen zij dan tot U terug komen?) + +Die spot geldt niet Uw ware leven, +Achter dien spot en er doorheen zie ik Uw ziel onbevredigd + staren, +Ik volg U in Uw geheimste schuilhoeken, waar nog nooit + iemand U volgde, +Indien Uw zwijgen, Uw voorovergebogen zitten aan Uw lessenaar, + Uw onverschillig doen, de nacht, het wijde kleed + der gewoonte U verhullen voor anderen, zij verhullen U + niet voor mij, +Indien Uw glad geschoren gelaat, Uw dwalend oog, Uw + puistig voorhoofd anderen afstooten, mij doen zij dat niet, +Uw bemorst kleed, lichaamseuvel, dronkenschap, gulzigheid, + of vroegtijdige onmatigheidsdood, dat alles wordt door + mij ter zijde geschoven. + +Daar wordt geen talent of gave in eenigen man of vrouw + gevonden, of in U kan gelijkwaardigs gevonden worden. +Daar is geen deugd, geen schoonheid in eenigen man of + vrouw, of het even goede is in U, +Daar is geen zaligheid bereid voor anderen, of gelijke zaligheid + wacht U, + +Wat mij betreft: ik zal niemand beschenken, tenzij ik volkomen + hetzelfde U schenken kan, +Niet eerder zal ik Gods of iemand glorie zingen dan ik Uw + glorie zing. +Wie gij ook zijt! Gij hebt recht aanspraak te maken op alles! +De heerlijke landen van Oost en West zijn erbarmelijk een + schouwspel, vergeleken bij U, +Zie deze onmetelijke weiden, deze eindelooze rivieren, gij zijt + onmetelijk en eindeloos als zij, +Deze furiën, elementen, stormen, het geweld der ontketende + natuur, weeën van schijnbare ontbinding: gij zijt de man, + gij zijt de vrouw die hen kan bedwingen, +In Uw eigen recht zijt gij gebieder over de natuur, de elementen, + pijnen, passiën, ontbinding. + +Uw kluisters vallen van Uw enkels, er is in U een nooit + falend vermogen, +Oud of jong, man of vrouw, ongeschoold en laag, door anderen + uitgebannen, wat er in U is openbaart zich, +Door geboorte, leven, dood, aardlegging heen zijn Uw wegen + gebaand en niets is veronachtzaamd, +Door bittere ervaring, verlies, eerzucht, onwetendheid, verdriet + heen, volgt wat in U is zijn weg. + + + + +TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN 'S LEVENS OCEAAN + + +1. + +Terwijl ik wegdreef met de eb van 's levens Oceaan, +Terwijl ik terug ging langs de kust, die ik zoo goed ken, +Terwijl ik wandelde in Uw vochtig rimpel-zand, Paumanok, + door de golven bespoeld, +Waar het sissend en dreigend geruisch der baren wordt + gehoord, +Waar de woeste oude moeder eindeloos krijt om haar verloren + telgen, +Ik, op den laten herfstdag, ging peinzend, zuidwaarts + starende, +Door mijn electrische Ikheid-zelve vervreemd van den hoogmoed, + die mij mijn poëmen doet zeggen, +Ik ging, en was vervuld van den geest, die onder mijn + voeten in het zand zijn lijnen had getrokken, +Ik dacht aan het bezinksel op den bodem van alles, ook + op den bodem van alle zee, alle land, alle leven der + wereld. + +Mijn aandacht geboeid, mijn oogen afgedwaald van het zuiden, + aangetrokken door die rimpels in het zand, volgden + het spoor der ebbegolven, +Kaf, stroo, houtsplinters, zeegras en kwallen, +Schuim, schilvers van glimmende rotsen, zeegras, dit alles + had de vloed achtergelaten op het strand, +Mijlen ver wandelde ik, steeds met het geruisch der brekende + golven naast mij, +Daar op Paumanok's kust, en in mij de oude gedachte, dat + alles buiten mij wordt weerspiegeld door alles in mijn + binnenste, +Die gedachte kwam door U opnieuw in mij op, gij vischvormig + eiland, +Terwijl ik terugging langs de kust, die ik zoo goed ken, +Terwijl mijn electrische Ik-heid mij deed zoeken naar mijn + evenbeeld. + + +2. + +Terwijl ik de kusten van het onbekende zoek, +Terwijl ik luister naar het lijklied, de stemmen van mannen + en vrouwen, die schipbreuk leden, +Terwijl ik de invloeden adem, die als windstroomen op mij + instormen, +Terwijl de geheimzinnige Oceaan dichter en dichter op mij + aanvloeit, +Komt de gedachte in mij, dat ook ik ten hoogste een nietig + aanspoelsel ben van d'Oceaan, +Een handvol zand en doode zeegrassen, die men kan oprapen, +Die wòrden opgeraapt, of misschien wel straks weêr worden + weggespoeld. + +O, teleurgesteld, vernietigd, het hoofd op de borst, de oogen + zoekende diep in de aarde, +Gedrukt door het weten, dat ik heb dùrven openen mijn + mond, +Nu wetende, dat te midden van allen die hun niet uitklappen + en mij de holle echo's hunner woorden in het oor + blazen, ik zelf nièt het geringste denkbeeld heb gehad + van het wat en wie mijner Ik-heid, +Dat uit al mijn verwaten poëemen nu mijn werkelijke Ik-heid + opstaat, nog altijd ongezegd, onbegrepen, onverklaard, + onbereikt, +Ik zie haar voor mij uit, mij bespottende met spot-beleefde + groeten en buigingen, +Met de galmen van uit de verte gehoord spotgelach, om elk + woord dat ik heb geschreven, +Zwijgend wijzen naar deze zangen èèrst, dan naar het zand + onder mijn voeten. +Nu wordt het mij duidelijk, dat ik niets in zijn echten zin heb + kunnen bevatten, niet het geringste, en dat niemand dit + vermag, +Hier, in het gezicht van d'Oceaan, neemt de Natuur de gelegenheid + waar om mij neer te vellen tot mijn Niets, +Omdat ik gewaagd heb ooit den mond te openen om te + spreken. + + +3. + +Gij Oceanen beide, gij en ik, wij dicht bijeen, +Wij murmelen beiden het zelfde droeve lied, en spoelen zand + en slib aan, en weten niet waarom, +Gij, ik en allen hebben in onze ziel, gelijk dit zand de dunne + kerven van het weggespoelde leven. +Gij, broze kust bedekt met wrakhout, +Gij, visch-vormig eiland, ik aanvaard wat nu aan mijn voeten + ligt, +Wat het Uwe is, is het mijne òok, vader. +Paumanok, ook ik, +Ook ik blies mij op als waterbellen in mijn najagen van + hersenschimmen, dobberde op de onmetelijke golven des + levens, werd aangespoeld op Uw kusten, +Ook ik ben niet anders dan een op het zand geslingerd wrak, +Ook ik laat mijn splinters op U achter, gij visch-vormig + eiland. +Ik werp mij aan Uw borst, vader, +Ik omklem U zoo, dat gij U niet uit mijn omarming kunt + losmaken, +Ik houd innig vast, zoolang tot gij mij het antwoord geeft, + dat ik begeer. +Kus mij, kus mij, vader, +Beroer mij met Uw lippen, zooals ik hen beroer, die ik + liefheb, +Laat, terwijl ik U aan mijn borst klem, Uw adem mij het + lieflijk geheim influisteren van dat murmelen, waar ik naar + smacht. + + +4. + +Eb, Oceaan des Levens, (de vloed zal terugkomen) +Staak niet Uw gejammer, woeste moeder oud, +Krijt eindeloos om Uw verloren telgen, doch vrees niet en + verloochen mij niet, +Ook ik ben Uw zoon, ruìsch niet zoo heesch en toornig aan + mijn voeten als ik U beroer, of wat gij wegwerpt, verzamel, +U en allen heb ik teeder lief, +Wat ik verzamel is zoowel voor mij-zelf als voor dien geest, + die op ons neerziet waar wij gaan, en mij en wat het mijne + is volgt, +Ik en het mijne, ebberimpels in het zand, wat waardelooze + wrakhout, +Sneeuwwit schuim, ledige waterbellen, +(Zie, hoe eindelijk door mijn doode lippen den stervensdroesem + wordt uitgeworpen, +Zie, de prismatieke kleuren glinsteren en bewegen,) +Stroohalmen, spoelzand, splinters, +Op het doodstrand gespoeld uit velerlei Niets van 's levens + droefheid en vreugd. Niets altijd Niets, en toch het een in + strijd met het ander, +Uit stroomen, kalmten, duisternis en deining, +Uit gepeins en nadenken, altijd Niets, ten hoogste een ademtocht, + een traan, een spat waters of modders, +En Niets altijd uit ons bodemloos gestreef, dat opgist en + wegvloeit, +Niets, ten hoogste een of twee teedere maar geschonden + bloesembladeren dobberende op de golven en lichtelijk aangespoeld, +Niets! en ook om ònzentwil die snikkende lijkzang der natuur, +Ook voor ons, wat ook onze oorsprong zij, dat geloei der + wolkbazuinen, +Wij, als nietswaardig aangespoeld, vanwaar is ons onbekend, + en neergeworpen aan Uw voeten, +Gij die daar zit of gaat, aan Uw voeten, +Wie gij ook zijt, ook wij liggen als wrakken aan Uw voeten. + + + +ZEKERHEID + + +Ik heb geen zekerheid noodig, ik ben een mensch wiens ziel + zijn geheele aandacht vraagt; +Ik twijfel niet of van onder de voeten en naast de handen en + het gezicht, die ik van mij ken, zien nu reeds andere gezichten + uìt, die ik niet ken, schoone tastbare gezichten, +Ik twijfel niet of de majesteit en schoonheid der wereld zijn + verborgen in iedere iota der wereld, +Ik twijfel niet of ik ben oneindig en het Universum is + oneindig, vergeefs tracht ik mij voor te stellen hoe oneindig, +Ik twijfel niet of de werelden en hun zonnestelsels snellen + met een goddelijk doel zoo harmonisch door het ruim, en + dat ik eenmaal in staat zal zijn te doen als zij, en mèèr + dan zij, +Ik twijfel niet of het tijdelijke heeft een duur van millioenen + jaren, +Ik twijfel niet of het binnenste heeft zijn binnenste en het + buitenste zijn buitenste en het oogenlicht heeft een ander + oogenlicht en het gehoor heeft een ander gehoor en de + stem een andere stem, +Ik twijfel niet of de dood van de jonge mannen, die zoo innig + wordt beweend, heeft zijn levensbloei, en de dood van + jonge vrouwen en de dood van kindertjes heeft zijn + levensbloei, +(Of denkt gij, dat het leven kan bloeien, en dat de dood, het + doel des levens, niet zijn bloei heeft?) +Ik twijfel niet of de wrakken in de zee ('t doet er niet toe + welke verschrikkingen zij gezien hebben, 't doet er niet + toe wiens vrouw, kind, man, vader, vriend er ook mede is + onder gegaan) bloeien dààr, des levens vol, +Ik twijfel niet of wat daar ooit en ergens gebeurt, heeft in + den samenhang der dingen zijn levensbloei, +Ik denk niet, dat Leven de bloeitijd is van het Al, van Tijd + en Ruimte, maar ik geloof, dat Zalige Dood die bloeitijd is. + + + + +EEN STILLE GEDULDIGE SPIN + + +Een stille geduldige spin, +Zag ik, waar zij op een kleinen vooruitspringenden hoek + alleen zat, +En ik zag, hoe zij, om de ledige groote ruimte rond zich + heen te onderzoeken, +Zich spinnende, spinnende, spinnende langzaam liet afzakken + aan onzichtbare draden, +Die zij steeds effende, die zij onvermoeid verlengde. +En gij, o mijn ziel, waar zijt gij, +Omgeven, los, in matelooze oceanen van Ruimte, +Eindeloos peinzend, wagend, spinnend zoekt gij de sferen + om U er mee te verbinden, +Tot de tijd, tot de brug, die gij behoeft, zal gelegd zijn, tot + het slepende anker vasthoudt, +Tot de herfstdraad, die gij uitlaat, ergens aan vastblijft, + o ziel. + + + + +AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN + + +Te midden van alle anderen richt ik mij tot U: ik heb U iets + te zeggen, +Gij zult sterven--Laat anderen U vertellen wat zij willen, ik + zoek geen uitvluchten, +Zonder genade zeg ik U de waarheid, want ik heb U lief, en + daarom zeg ik, dat geen ontkomen U mogelijk is. +Zachtkens leg ik op U mijn rechterhand, als een liefkoozing + voelt gij 't, Ik praat niet met U, ik buig mijn hoofd zoo + dicht over het Uwe, dat gij enkel mijn oogen ziet. +Rustig zit ik aan Uw zijde, ik blijf U trouw, +Ik ben U meer dan verpleegster, meer dan verwant of buur, +Ik ontbind U van alles en allen behalve van Uw eigen ziel, + Uw eeuwige ziel, Uw echte ik, dat zekerlijk den dood + ontkomt, +Het lijk, dat gij achter zult laten, zal de droesem zijn van + het echte goud Uwer ziel. +Nu breekt de zon door de wolken, die gij den dood-zelf + waandet, +Fiere gedachten vervullen U, vertrouwen vervult U, gij + glimlacht, +Gij vergeet, dat gij ziek zijt, zooals ik vergeet, dat gij + ziek zijt, +Gij ziet Uw geneesmiddelen niet meer, gij let niet meer op + Uw weenende vrienden, ik zit aan Uw zijde, +Anderen weer ik van U af, daar valt niet te weeklagen, daar + is niemand te beklagen, +Ik beklaag U niet, ik benijd U, want meer dan het geluk, dat + wij kennen is U bereid. + + + + +GEZICHTEN + + +1. + +Drentelende door de straten of rijdende op den rijweg buiten, + o wat al gezichten! +Gezichten van vriendschap, stelligheid, borgtocht, lieflijkheid, + ideaal, +Het gezicht van den toekomst-droomer, het overal welkome + alledaags-vriendelijke gezicht, +Het gezicht van een die zingt, de indrukwekkende gezichten + van natuurwetkenners, en van rechters met breede jukbeenderen, +Het gezicht van jagers en visschers met knobbels van opmerkzaamheid + boven de wenkbrauwen, de geschoren witte gezichten + van vrome burgers, +De nobele, ongewone, verlangende, vragende kunstenaarsgezichten, +Het leelijke gezicht, dat een majesteitelijke ziel soms bedekt, + het mooie gezicht van een, die verfoeid of veracht wordt, +De heilige gezichten van kleine kinderen, het lichtstralende + gezicht van de moeder van vele kinderen, +Het gezicht van een mignon, het gezicht van vereering, +Het gezicht vaag als een droom, het gezicht streng als een + eeuwig verstijfde rots, +Het gezicht ontdaan van zijn goed of zijn kwaad, het gezicht + van den ontmande, +Een wilde valk, zijn vleugels door den snoeier gekortwiekt. +Een hengst, overgegeven aan riemen en mes van den snijder. +Dus, drentelende door de straten of overstekende met de + steeds heen en weer varende veerboot, gezichten en gezichten + en gezichten, +Ik zie hen, klaag niet, en ben tevreden met allen. + + +2. + +Denkt gij, dat ik tevreden ben, zou kunnen zijn, indien ik + dacht, dat deze gezichten d'eindvorm des levens waren? +Dit gezicht is te jammerlijk om van een man te kunnen zijn, +Een verworpen luis, die kruipend soebat om te leven, +Een witgemuilde made, blij als zij in haar gat mag wegkruipen. +Dit gezicht is een hondensnuit, snuffelend naar afval, +Adders nestelen in dien muil, ik hoor de sissende bedreiging. +Dit gezicht is mist, kouder dan de Poolzee, +De slaperige en waggelende ijsbergen kreunen onder het + voortdrijven. +Dit is een gezicht van bittere kruiden, dàt van een laxeermiddel: + zij hebben geen etiket noodig, +En nog meer van den apotheker: een gezicht van laudanum, + caoutchouc, duveltjesdrek, +Dit gezicht is een toeval: de sprakelooze tong uit een onmenschelijken + kreet, +De aderen aan den nek zwellen op, de oogen rollen tot enkel + hun wit wordt gezien, +De tanden knarsen, de handpalmen zijn opengereten door de + ingedrukte nagels, +De man valt strijdende tegen zijn ziekte schuimbekkend + neer, terwijl zijn oogen staren. +Dit gezicht is opgevreten van ongedierte en wormen, +En dit is het mes van een moordenaar, half uit de schede. +Dit gezicht is den doodgraver zijn vreeselijk loon schuldig, +Een nooit-stille doodsklok wordt daarin geluid. + + +3. + +Gelaatstrekken van mijn evennaasten, wildet gij mij misleiden + in Uw kronkelenden doodendans? +O, misleiden kunt gij mij niet! +Ik zie Uw bochtigen nimmer afgebroken stoet, +Ik zie beneden het oppervlak van Uw woeste en lage + mommen. +Vertrekt en verdraait Uw gezicht, zooveel gij wilt, tast met + het fijne voel-instituut van visschen of ratten, +Eenmaal zult gij zekerlijk Uw ware gezicht moeten toonen. + +Ik zag het gezicht van den smerigsten, slobberendsten idioot + in het gesticht, +En ik wist tot mijn troost wat de doctors daar niet wisten, +Ik kende de krachten, die het denken van mijn broeder hadden + verlamd en gebroken, +En diezelfde krachten zullen eens het vuil voor het vervallen + huis opruimen, +En ik zal opnieuw uitzien, als wij twee geslachten verder zijn, +Dan zal ik den echten huisheer ontmoeten, volkomen en + ongedeerd, elke atoom van hem zoo goed als een van de + mijne. + + +4. + +De Heer komt nader en steeds nader, +Overal strijdende tegen de duisternis, de tragen meevoerende + met krachtigen arm. +Uit dit gezicht dagen banieren en ruiterij op--O, heerlijk! + Ik zie wat verschijnt, +Ik zie de hooge mutsen van pioniers, ik zie de staven der + voorloopers ruim baan maken, +Ik hoor het tromgeroffel der overwinning. +Dit gezicht is een reddingsboot, +Dit is het gebaarde gezicht, dat het bevel geeft, het ontleent + gezag aan zich-zelf; +Dit gezicht is een geurige vrucht, rijp om genoten te worden, +Dit gezicht van een gezonden, eerlijken knaap is de belofte + van al wat goed is. +Deze gezichten getuigen of zij slapen of waken, +Zij bewijzen hun afkomst van den Meester zelf. +Het woord, dat ik sprak, kome in vervulling, niet èèn sluit + ik uit--rood, wit, zwart, allen zijn goddelijk, +In elk huis is het Ovum, na duizenden jaren zal het bewezen + worden. +Vlekken of barsten in de vensters schrikken mij niet af, +Verheven en volkomen menschen staan daar achter, en wenken + mij toe, +Ik hoor de belofte en heb tijd om te wachten. +Dit is het gezicht van een volbloeide lelie, +Zij spreekt tot den hinkenden man dicht aan het tuinhek, +_Kom hier_, roept zij blozend, _kom heel dicht bij me, hinkende +man,_ +_Blijf naast mij staan tot ik zoo hoog ik maar kan tegen U kan +aanleunen,_ +_Vervul mij met witten honig, buig U over mij heen,_ +_Beroer mij met Uw baard, beroer mij aan borst en schouders._ + + +5. + +Het oude gezicht van de moeder van vele kinderen, +Stil! Nu is 't mij zeer liefelijk. +Laag en laat is de rook op den Eersten-dagmorgen, +Hij hangt vlak boven de boomen-rijen aan de schuttingen, +Hij hangt dun bij de sassafras en de wilde kers, en in de + katstruiken omlaag. +Ik zag de rijke dames prachtig gekleed op de soirée, +Ik hoorde wat de zangers zoo lang zongen, +Leerde wie in karmozijne jeugd opkwam uit het witte schuim + en het waterblauw. +Zie een vrouw! +Haar gezicht komt half uit haar kwaker-muts, haar gezicht + is reiner en schooner dan de hemel. +Zij zit in een armstoel onder de beschaduwde deur van de + boerderij, +De zon streelt haar oude witte hoofd, +Haar ruim gewaad is van roomkleurig linnen, +Haar kleinzonen teelden het vlas en haar kleindochters + sponnen 't met het rokken en het wiel. +Het melodieuze karakter der aarde, +Het einde waar voorbij het denken niet kan gaan, en ook niet + wenscht te gaan, +De gerechtvaardigde moeder der menschen. + + + + +LIED VAN ZONSONDERGANG + + +Pracht van den vallenden dag, die mij verheft en vervult, +Uur van profetische kracht, uur dat het verleden doet herleven, +Het leven stijgt op in mijn keel, U, goddelijke middenmensch, +U, aarde en leven, zal ik bezingen tot den laatsten zonnegloor. + +Open mond mijner ziel, die blijheid uit, +Oogen mijner ziel, die volmaaktheid zien, +Mijn grashalmen, die de dingen des levens trouwelijk roemen, +En de triumf der dingen des levens bevestigen. + +Schoon iedereen! +Schoon, wat wij Ruimte noemen, sfeer van ongetelde geesten, +Schoon het voortbrengings-mysterie van het Zijn zelfs in het + onnaspeurlijke insect, +Schoon het vermogen der spraak, de zinnen, het lijf, +Schoon het verdwijnende licht, schoon de bleeke weerglans + der nieuwe maan aan den Westerhemel, +Schoon wat ik ook zie of hoor of voel tot het einde. + +Grootheid, in alles, +In de voldoening en de zekerheid der dieren, +In den jaarlijkschen terugkeer der seizoenen, +In de vreugden der jonkheid, +In de kracht en den bloei des mannelijken levens, +In de grandeur en de uitgelezenheid van den ouderdom, +In het heerlijke uitzien op den Dood. +Wonderbaarlijk, het heengaan! +Wonderbaarlijk, het leven! +Het hart, de drijfkracht van 't overal-gelijke en onschuldige + bloed! +Hoe liefelijk, de lucht te ademen! +Te spreken--te gaan--iets met de hand aan te vatten! +Zich voor te bereiden op den slaap, op het naar bed gaan, + neer te zien op mijn rooskleurig lijf! +Bewustzijn te bezitten van dit lijf, zoo voldaan, zoo grootsch! +Deze ongelooflijke God te zijn, die ik ben! +Te hebben gewandeld onder andere Goden, deze mannen + en vrouwen, die ik liefheb. +Wonderbaarlijk, hoe ik U en mij-zelf roem! +Hoe mijn gedachten zachtkens spelen over de dingen, die ik + zie om mij heen! +Hoe de aarde op haar baan voort en voort schiet! Hoe de + zon, maan, sterren voort en voort schieten op hun baan! +Hoe het water wegsnelt en zingt! (Daar is leven overal en in + alles!) +Hoe de boomen oprijzen en opstaan met sterke stammen, met + takken en bladeren! +(Daar is meer dan wij zien in elk dier boomen, daar is een + levende ziel!) +O wonder van alle dingen--wonder van het kleinste atoom + zelfs! +O spiritualiteit der dingen! +O levensaccoord, dat lieflijk vloeit door menschengeslachten, + en nu mij en Amerika bezielt! +Ik voel Uw sterke trilling, doe haar uit mij vloeien, en blijde + van mij uitgaan in anderen. +Ik ook bezing de zon, in opkomst of ter noen, of, gelijk nu, in + haar ondergaan, +Ik ook weerklop het brein en de schoonheid der aarde, en + van heel het leven der aarde, +Ik heb ook den onweerstaanbaren drang gevoeld van mijn + Ik-heid. + +Toen ik den Missisippi afdreef, +Toen mijn gang ging over de prairiën, +Toen ik volop leefde, toen ik uitkeek door mijn vensters, + deze oogen, +Toen ik uitging in den morgen, toen ik het licht in het + Oosten zag doorbreken, +Toen ik baadde aan het strand der Oosterzee en dan weer + aan het strand der Westerzee, +Toen ik zwierf in de straten van Chicago, diep-in-'t-land, of + waar ik ook omzwierf in de straten, +Of steden, of zwijgende wouden, of zelfs midden in het + schouwspel van oorlog, +Waar ik ook was, steeds heb ik mij vervuld van tevredenheid + en overwinning. + +Tot het einde bezing ik het twee-een-zijn, nieuw of oud, +Ik bezing het eindeloos einde der dingen, +Ik zeg de natuur blijft, licht blijft, +Wat ik bezing, bezing ik met bezielende stem, +Want niet één onvolmaaktheid zie ik in gansch het Heelal, +En ik zie aan het Einde niet eenig ding, niet eenige uitkomst, + die treuren doet in het Heelal. + +O, ondergaande zon! hoewel Uw tijd is gekomen, +Blijf ik voortgaan onder U te zingen, en zoo anderen niet, ik + zing in onverzwakte aanbidding voor U! + + + + +TOT WEERZIENS! + + +Om te besluiten kondig ik aan wat na mij komt. +Ik herinner U, dat ik, voor dit boek tot leven kwam, heb + gezegd, +Ik zou mijn stem blijde en krachtig doen getuigen, dat er + volmaaktheid is in alles. +Wanneer Amerika volbrengt wat beloofd is, +Wanneer door deze Staten honderd-millioen voortreffelijke + menschen gaan, +Wanneer de overigen voor hen ter zijde gaan en voor hen + leven, +Wanneer de kinderen van de volmaakte moeders bewijzen + wat Amerika is, +Dan komt voor mij en het mijne d'echte blijdschap. + +Ik ben doorgedrongen sterk in mijn eigen recht, +Ik heb lijf en ziel, vrede en oorlog bezongen, en de zangen + van leven en dood doen hooren, +En de zangen van geboorte, en laten zien dat daar vele geboorten + zijn. +Ik heb mijn leer opengelegd voor ieder, met vasten tred ben + ik het leven doorgegaan; +Terwijl mijn levensvreugde nu volmaakt is, fluister ik: _Tot + weerziens!_ +En neem de hand van de jonge vrouw en de hand van den + jongen man voor den laatsten keer. + +Ik verkondig de opkomst van natuurlijke menschen, +Ik verkondig de triomfantelijke rechtvaardigheid, +Ik verkondig ongedeerde vrijheid en gelijkheid, +Ik verkondig de rechtvaardiging van oprechtheid en de + rechtvaardiging van zelfbewustheid, +Ik verkondig, dat de identiteit dezer Staten een enkele + identiteit is, +Ik verkondig, dat de Unie steeds vaster en onverbrekelijker + wordt, +Ik verkondig zooveel heerlijkheid en zooveel Majesteit, dat + al wat daar voorheen schoon was op aarde er bij verbleekt. + +Ik verkondig verknochtheid, ik zeg: zij zal eindeloos en onoplosbaar + zijn, +Ik zeg: gij zult den vriend vinden naar wien gij gezocht hebt. + +Ik verkondig de komst van een man of een vrouw, misschien + zijt gij dat _(Tot ziens dan!)_ +Ik verkondig den grooten Mensch, vloeizaam als de Natuur, + kuisch, liefdevol, deelnemend, welgewapend. + +Ik verkondig een leven, dat overvloedig, vurig, goddelijk, + stoutmoedig zal zijn, +Ik verkondig het Einde, dat lichtvol en blijde zich zal passen + aan den overgang. + +Ik verkondig myriaden van jeugd, schoonheid, kracht en + lieflijk bloed, +Ik verkondig een geslacht van heerlijke en wijze grijsheid. + +O geweldiger en heviger--_(Tot ziens!)_ +O myriaden, die te dicht mij omgeeft, +Ik voorzie te veel, ik zie de goddelijke toekomst helderder + dan ooit te voren, +Dit is, geloof ik, de helderziendheid van het sterven. + +Spoed U dan, o stem, klink op voor 't laatst, +Groet, groet nog eens het licht, galm nog eens den ouden + kreet uit. + +Bezield schalt mijn roep, het luchtruim is mijn, +Ik zie om mij heen vrijelijk, neem wat ik zie in mij op, +Snel voorwaarts, maar nu een wijl afgestegen, +Vreemd klinkend nieuws breng ik, +Gloeiende vonken, hemelsche zaden werp ik neer in den + droesem, +Ik zelf, onkundig, vervul mijn opdracht, en verlies nooit den + moed van het Waarom? +En den groei en den bloei van het zaad laat ik over aan + geslacht na geslacht, +Aan troepen, die in den strijd-zelf opkomen, zij zullen de + taak, die ik opgelegd heb, volbrengen, +Aan vrouwen vermaak ik enkele fluisteringen van mijn Ikheid, + haar liefde verklaar ik mij duidelijker, +Aan jonge mannen geef ik de vragen des levens--geen + zwetser, ik--en beproef de kracht van hun brein, +Zoo ga ik voort, korten tijd sprekende, zichtbaar, vol tegenstrijdigheid, +Hierna een welluidende echo, waar gretig naar zal geluisterd + worden (sterven maakt mij waarlijk onsterflijk) +Het beste van mijn leven, wanneer ik niet langer zichtbaar + zal zijn, en waartoe ik mij onophoudelijk heb voorbereid. + +Wat dan nog meer, dat ik draal en wijl en voortkruip met + ongesloten mond? +Is er wel eenig beslissend vaarwel? + +Mijn zangen zijn hiermee geëindigd, ik laat hen na, +Van achter het scherm, dat mij verborgen hield, kom ik nu + naar voren, en ga regelrecht op U toe. + +Camerado, dit is geen boek, +Wie het aanraakt, raakt een mensch aan, +(Is 't nacht? Zijn wij hier tezamen alleen?) +Ik ben 't, dien gij vasthoudt en die U vasthoudt, +Ik snel uit deze bladeren in Uw armen--de Dood roept + mij weg. + +O, hoe Uw handen mij verzaligen, +Uw adem omringt mij als morgendauw, Uw hartslag zingt in + mijne ooren, en doet mij sluimeren, +Van hoofd tot voeten is 't mij lieflijk, +Is 't mij wel--genoeg! + +Genoeg van den wellust der toekomstmaking, toekomst plotseling + en geheim, +Genoeg, o wegglijdend heden--genoeg, o herinnerd verleden. + +Lieve vriend, wie gij ook zijt, ontvang deze kus, +In 't bijzonder U kus ik, vergeet mij niet, +Ik voel mij als een, die zijn dagwerk gedaan heeft, en + moede is, +Ik ontvang nu opnieuw den heiligen geest van den Overgang, + uit mijn mensch-gewordenheid vaar ik op, heenwaarts, waar + anderen mij zekerlijk wachten, +Een ongekende Sfeer, werkelijker nog dan ik waande, onmiddellijker + nog, schiet oproepende dageraadstralen door mij + heen. _Tot ziens!_ +Herinner U mijn woorden: ik kan terug komen, +Ik heb U lief, ik ga uit van de stof, +Ik ben als een ontlichaamde, het is de Dood, het is de Overwinning. + + + + +VAARWEL DAN, FANCY! + + +Vaarwel dan, Fancy! +Voortaan zij God met U, lieve droom, lieve lief! +Ik ga heen, waarheen weet ik niet, +Noch wat mijn lot zij, noch of ik U ooit terug zal zien, +Vaarwel dus, mijn zoete droom, mijn Fancy. + +Toch, voor 't laatst--laat m'een oogenblik nog terugzien; +Langzamer en zwakker tikt in mij de klok, +Exit, het vallen van den nacht, spoedig zal het hart zwijgen. + +Langen tijd hebben wij te zamen geleefd, te zamen liefgehad, + te zamen de vreugde des levens genoten; +O Heerlijkheid!--Nu is de scheiding daar--Vaarwel dus, + Fancy. + +Maar niet te haastig toch, +Ja waarlijk, langen tijd was ons leven èèn, ons slapen en + ontwaken èèn, wij zijn samengevloeid tot èèn, in waarheid + vermengeld tot èèn; +Dus indien sterven moet zijn, sterven wij te zamen, ja, èèn + zullen wij blijven, +Indien wij ergens heengaan, zullen wij er samen heengaan, + om samen het onbekende te gemoet te gaan, +Misschien zullen wij een nog schooner, een nog blijder leven + leven, misschien zullen wij iets leeren, +Misschien zijt gij-zelf de onsterflijkheid wel, en leidt gij mij + nu op om het Lied van onsterflijke schoonheid te zingen + (Wie weet?) +Misschien zijt gij 't zelf, die de banden, welke ons aan de + aarde hechten, loswikkelt, ongeduldig om Uw ballingschap + te ontvlieden--dan, nu voor 't laatst: +Vaarwel--en wees gezegend, Fancy! + + + + +INHOUD + + + +INLEIDING + +Uit: INSCRIPTIES: + Mijn lied is voor het Ik + Toen ik het boek gelezen had + Werpt voor mij niet uw deuren dicht +VAN PAUMANOK UIT (fragmenten) + +Uit: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK + +Uit: ADAMSKINDEREN: + Een uur van woest genot + Oer-momenten + +Uit: CALAMUS: + Op onbetreden paden + Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt + Niet enkel in wat ik mij van de borst werp + De vreeselijke twijfel van den schijn + Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen + Toen ik den avondstond hoorde + Vind ik in u opnieuw een hart dat zich door mij + voelt aangetrokken? + Ik zag in Louisiana een levenseik + Aan een vreemde + Ik hoor daar werd tegen mij getuigd + Als ik eens naga wat roem is + Soms, in mijn liefde + +Uit: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG + +Uit: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT + +Uit: LIED VAN DE BREEDE BIJL + +Uit: HET TENTOONSTELLINGSLIED + +Uit: EEN LIED VOOR DEN ARBEID + +Uit: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE + +LIED DES HEELALS + +PIONIERS! O PIONIERS + +AAN U + +TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN + 's LEVENS OCEAAN + +ZEKERHEID + +EEN STILLE GEDULDIGE SPIN + +AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN + +GEZICHTEN + +LIED VAN ZONSONDERGANG + +TOT WEERZIENS! + +VAARWEL DAN, FANCY! + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Grashalmen (Leaves of Grass), by Walt Whitman + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 14281 *** |
