diff options
Diffstat (limited to 'old/12756.txt')
| -rw-r--r-- | old/12756.txt | 2655 |
1 files changed, 2655 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/12756.txt b/old/12756.txt new file mode 100644 index 0000000..c397601 --- /dev/null +++ b/old/12756.txt @@ -0,0 +1,2655 @@ +Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Vier Voordrachten over Theosofie + +Author: Annie Besant + +Release Date: June 28, 2004 [EBook #12756] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE *** + + + + +Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders +Europe, http://dp.rastko.net. + + + + + + +#VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE DOOR ANNIE BESANT# + + +GEHOUDEN IN VERSCHILLENDE PLAATSEN VAN NEDERLAND IN JANUARI 1898 + + +[Illustratie] + + +Gebaseerd op de uitgave gepubliceerd te Amsterdam, 1898. + + + + +#INHOUD.# + + +1. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een geschiedkundig oogpunt + +2. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een wetenschappelijk oogpunt + +3. Esoterisch Christendom + +4. Het verhaal van den Christus + +3. Aanhangsel. Inlichtingen over de Theosofische Vereeniging + + + +#VOORWOORD.# + + +De vier voordrachten over Theosofie welke hierbij het Nederlandsch +publiek worden aangeboden zijn door Mevrouw Annie Besant, L.T.V., in +verschillende steden van ons land gehouden in den loop van de maand +Januari, 1898. + +Een vijfde voordracht is, daar zij niet aansluit bij het +aaneengeschakeld geheel van de vier in dit boekje vervatte, afzonderlijk +uitgegeven onder den titel: Levenstoestanden na den dood. + +In snelschrift opgeteekend is het gesprokene woordelijk weergegeven; +slechts in de voordracht over Esoterisch Christendom zijn enkele +toespelingen op Bijbelplaatsen uitgelaten waar die alleen van toepassing +waren op de Engelsche vertaling van den Bijbel (Mevrouw Besant sprak in +het Engelsch) en niet op de van deze afwijkende Nederlandsche; die +uitlatingen zijn alle van ondergeschikt belang. + +Aangehaalde werken of Bijbelplaatsen zijn in een noot aan den voet van +de bladzijde aangeduid. + +Waar "goddelijk weten" staat werd door de spreekster "divine wisdom" +gezegd. + +De voordracht "Het verhaal van den Christus" werd gericht tot een +uitsluitend uit leden der Theosofische Vereeniging bestaand gehoor. De +vragen naar aanleiding van deze voordracht gedaan worden met de daarop +door Mevrouw Besant gegeven antwoorden opgenomen in het Maandblad +"Theosophia". Enkele beknopte inlichtingen aangaande de Theosofische +Vereeniging zijn ter wille van belangstellenden in een Aanhangsel aan +dit werkje toegevoegd. + +J.J. HALLO JR. + +HAARLEM, l Maart 1898. + +[Illustratie: ANNIE BESANT] + + + + +#De Theosofie en haar leeringen.# + + +I + + +Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond te overwinnen hebben: +een vreemde taal is tusschen ons en zelfs voor hen die de taal kennen, +waarin ik spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen. +Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de taal is voor een +spreker het instrument, dat hij bespeelt. Door de taal bereikt hij de +harten en hoofden zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon +voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt en vermindert de +mogelijkheid dat hij de gedachten en gevoelens zijner hoorders bereikt. +Toch moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen wat wij kunnen, en +terwijl ik spreek zoo helder en eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe +aandacht leent zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen +en het onderwerp begrijpelijk te maken. + +Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare leeringen, en daar ik +morgen te Haarlem over het zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het +in twee deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke voordracht +volledig zal maken. Ik zal hedenavond en morgen een verschillenden +gedachtegang volgen, voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten +mochten willen hooren. + +Diegenen onder u, die gedurende de laatste twintig jaren den +ontwikkelingsgang van het denken in Europa hebben gevolgd, weten dat er +een bijzondere richting van studie is, welke veel wordt gebruikt als +een wapen tegen den godsdienst: de studie van Oostersche talen en +Oostersche godsdiensten. De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's, +der oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit de verschillende +landen van Europa en bij het onderzoeken dezer godsdiensten hebben zij +gezien hoeveel die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt, toen +zij de verschillende Schriften der Chineezen, der Perzen, der +Egyptenaren ter hand namen, dat deze alle dezelfde leering gaven: zij +spreken omtrent God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van God als +Een, het Ene Bestaan, zij spreken van God als immer geopenbaard in +drieeenheid, in drievoudig aanzicht, terwijl iedere persoon in die +drieeenheid zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al deze +Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den mensch en zijnen aard; +zij leeren dat de ziel des menschen onsterfelijk is, dat zijn aard +samengesteld is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden begrepen; +men zag dat in al deze Schriften der menschen ontwikkeling wordt +geleerd, de ontwikkeling der ziel, welke de openbaring van den geest is +in den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren dat enkele menschen +hunne ontwikkeling hebbon voleindigd, hunnen groei als geestelijke +wezens hebben voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch, goddelijk +in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens van hoofd en van hart; en in +al deze Schriften vond men geleeraard dat de menschen van heden kunnen +groeien, gelijk die menschen uit het verleden zijn gegroeid, dat zij ook +volmaakt kunnen worden en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen, +stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe onontwikkeld ook, kan +ontwikkelen tot den volmaakten, goddelijken mensch. Al deze dingen +worden geleerd in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen +deze vertaald waren in verschillende Europeesche talen, begreep men dat +de wereld-godsdiensten veel gemeen hebben en dat de meeste +leerstellingen van een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden +worden in het Hindoeisme, het Boeddhisme, de leeringen van Confucius en +Lao-tse. Zij hebben alle zooveel gemeen, dat wij niet een godsdienst van +de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking door de geleerden werd +gedaan, toen deze boeken waren vertaald in verschillende talen en de +menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken, was het eerste +besluit, waartoe velen kwamen, dat alle godsdiensten als zij in den +grond hetzelfde waren, een oorsprong moesten hebben, en dat zij geen +goddelijke openbaring konden zijn, maar dat een andere bron moest worden +gevonden, waaruit de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele +geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind waren, trachtten hunne +ontdekkingen te gebruiken om allen godsdienst te vernietigen en zeiden: +Zij zijn alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid, uit de +wijze waarop de mensen de natuur beschouwt: hij heeft de natuur +verpersoonlijkt en er wezens in gezien; en daar die wezens machtiger +waren dan hij, aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken dikwijls +vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen kon, hoewel zijn leven en +gemak van hem afhing, daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij +zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien, moest de mensch in +zijn onwetendheid denken dat al deze dingen goddelijke krachten, goden +waren; en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen, die zij +konden geven. En die geleerden zeiden dat zoo alle godsdienst was +opgegroeid, dat hij steeds zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of +animisme, en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had dan de +menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond tegen de waarde van den +godsdienst heeft veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op +feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde leeren, dat zij +alle dezelfde denkbeelden verkondigen, het was waar dat de groote +leeraars allen hetzelfde zeiden, de een na den ander. De feiten, welke +die geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen waren +verkeerd. In het eerst begrepen de menschen het onderscheid niet +tusschen deze beide dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden +worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst. + +Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid der verschillende +godsdiensten van een ander standpunt en zeide: ja, het is waar dat de +leerstellingen van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een feit dat +door niemand, die de geschiedenis heeft bestudeerd, kan worden ontkend. +Wij zullen als voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen nemen, +het "Klassieke Boek van de Reinheid," [Voetnoot: Ook in het +Nederlandsch vertaald, in het Maandblad "Theosophia". Deel 5 (1897) blz. +206.] een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol wijsheid, vol +diepe geestelijke leering, dat ons verklaart hoe God zich in den mensch +geopenbaard heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als die van +God, hoe des menschen geest dezelfde is als de goddelijke geest, hoe +echter het menschelijk verstand troebel is door begeerten, die tusschen +zijn verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest in hem staan, +hoe de hartstochten van zijn lichaam zijn vooruitgang tegenhouden, en +hoe slechts wanneer zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn +gekomen, de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen in den +mensch. De leeringen van dit kleine Chineesche boekje, een der oudste +geschriften die wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als het +beste wat wij bezitten. + +Van de Chineezen overgaande tot de Indiers vinden wij bij hen dezelfde +leeringen en wanneer wij in Egypte de mummies opgraven en de banden +loswikkelen waarin zij 10 a 20.000 jaar geleden werden gehuld, vinden +wij geschriften die ons de bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte +dezelfde leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid van de +menschelijke ziel, omtrent de wijze waarop zij gaat door leven na leven, +omtrent de lagere wereld waarin zij komt na den dood van het lichaam en +de hemel-wereld waarin zij vertoeft na gezuiverd te zijn op lagere +gebieden, omtrent haren daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar +zij wederom wijsheid opdoet door ondervinding. + +Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden wij dezelfde leeringen, +steeds weer door de groote leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft +slechts een oorsprong, slechts eene bron, en die bron is het goddelijk +weten; niet de menschelijke onwetendheid, zooals vele geleerden dachten +maar het goddelijk weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren, +en dat steeds door volmaakte menschen van God tot de menschheid gebracht +is. Dit goddelijk weten bevat in zich de kennis van al wat is, en een +gedeelte ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid geschonken. De +hoeveelheid die gegeven wordt hangt af van de beschaving van het volk, +hangt af van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen, hangt +af van den aard dergenen die deze kennis bezitten en van de kracht van +hun pogen. In overeenstemming met al deze dingen verschilt steeds de +wijze, waarop dat weten gegeven wordt, maar in den grond is het toch +altijd hetzelfde: altijd leert het een goddelijk Bestaan, dat zich +openbaart als drieeenheid, altijd leert het dat de mensch drievoudig is +in zijn wezen gelijk God, en dat hij nog verder kan worden +onderverdeeld, drievoudig in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne +ontwikkeling; altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij +niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt en groeit, leven +na leven, en dat enkele menschen de volmaking bereikten en dan leeraars +zijn geworden van het ras. Deze volmaakte menschen waren eens gelijk aan +ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt gelijk de mannen en vrouwen van +thans, maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen en groeiden +en werden sterk en bereikten eindelijk de volmaking, gelijk wij de +volmaking kunnen bereiken. En toen zij volmaakt waren, begonnen zij +hunnen medemenschen te leeren, en vormden een groote Broederschap van +leeraars; en van tijd tot tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat +aan ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat ieder ras, ieder +volk een godsdienst zou ontvangen, geschikt om het te helpen en te +leeren. En de reden waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat +zij altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap heeft +bestaan, langen, langen tijd reeds voordat de beschaving van Europa +ontstond, voordat zelfs Indie zijn beschaving ontving. Daar, waar thans +de wateren van den Atlantischen Oceaan zich vergaren, was eens een groot +vastland, dat begon waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de +plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland had zich een hooge +beschaving ontwikkeld. Sporen van die beschaving worden nog gevonden in +Mexico en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen zijn overblijfsels +van zeer oude steden ontdekt en daar zijn hieroglyphen en beelden +aangetroffen, gelijkende op die welke men in Egypte gevonden heeft, +zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika aan den anderen kant +hetzelfde schrift en beeldhouwwerk is ontdekt. Dit toont ons dat er +tusschen deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een grooten +oceaan, eens gemeenschap is geweest. In Plato scholen, waar hetzelfde +goddelijk weten werd geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid, +zoodat de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden goddelijken +grondslag. In Griekenland droegen deze leeringen het eerst den naam +Theosofie, wat niets anders is dan het Grieksche woord voor goddelijk +weten. De Grieken nu gaven dit weten niet slechts in den vorm van +godsdienst, maar ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in +vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indie en China, en de wijsbegeerte +van Plato, zooals die op de scholen wordt onderwezen, berust op het +goddelijk weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden en van den +Logos, wanneer hij ons zegt dat de wereld in de gedachte van den Logos +bestond, voordat zij zich voordeed als een stoffelijke verschijning, +wanneer hij ons spreekt van denkbeelden die, bestaande in den +goddelijken geest, een voor een worden uitgestort om de stoffelijke +wereld op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk weten; en wanneer +gij de leeringen van Pythagoras bestudeert en van hem leert dat de +geheele wereld op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de +geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren is samengesteld, +dat alle steenen en kristallen en planten en dieren zijn gebouwd naar +den grondslag van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat oude goddelijk +weten, dat hij geleerd heeft in Indie, en dat hij naar Europa heeft +overgebracht. Evenzoo is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert +van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk weten, maar +in den lateren tijd is de wiskunde eng en bekrompen gemaakt en volstrekt +niet begrepen in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het goddelijk +aanzicht ervan is verdwenen en slechts de vorm, de gedaante wordt +gegeven als de wiskunde, terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken +onderwezen, een aanzicht van het goddelijk weten was; hun leerde hoe de +wereld gemaakt is en hoe de gang is der ontwikkeling, hoe de mensch +langzamerhand wordt opgebouwd, hoe steenen en planten en dieren zijn +gemaakt naar getal en naar vorm; hun een begrip gaf van de +ontwikkelingsgeschiedenis der wereld. In den laatsten tijd begint de +wetenschap bij hare natuurstudie de wetten weer te ontdekken, die het +goddelijk weten onder de Grieken en Indiers leerde in wijsbegeerte en +wetenschap. En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en plantkunde +bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen de wet leeren van getal, +van vorm en van trilling; dat alle dingen door trilling worden +opgebouwd, dat alle krachten door trilling hun werking voortplanten, en +dat het aantal dezer trillingen in de sekonde den aard der kracht en +haar werking bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder geluid +trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen vorm, dat iedere +noot overeenstemt met een vorm en een kleur, en naarmate wij deze +trillingen en vormen en kleuren doorgronden, beginnen wij een begrip te +krijgen, hoe de natuur haar opbouwend werk verricht. Uitgaande van de +stoffelijke wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te +ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren geleden leerde, +terwijl het uitging van de hoogere wereld in plaats van uit de lagere, +want het goddelijk weten daalt steeds van gedachte neder tot vorm, klimt +niet op van vorm tot gedachte, terwijl de nieuwere wetenschap steeds +begint met den uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de +gedachte. + +Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen evengoed wijsbegeerte en +wetenschap, als godsdienst. Het leerde den menschen niet slechts hoe de +ziel kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden der wereld om hen +heen, en de verborgenheden van het verstand, van de rede, van het +begripsvermogen in den mensch. + +Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard, totdat vier of vijf +eeuwen na Christus een groote verandering kwam in het Westen. Er +ontstonden in de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij was die +der ontwikkelde en wijze Christenen, die de oude leeringen hoog hielden +en het goddelijk weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden, +de groote menigte der onontwikkelden, die tot het Christendom waren +aangetrokken door de zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid +niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene, wat zij niet konden +deelen, en haatten alle wijsheid, die zij niet konden begrijpen; en zij +vormden eene groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis en +wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat deze niets met godsdienst te +maken hadden, dat zij niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts +de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te begrijpen was, van +belang was voor de menschelijke ziel. En daar er toen evenals nu veel +meer onwetenden waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund +werden door den val van het Romeinsche rijk, door oorlogen en invallen, +door de staatkundige moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid van +de groote menigte der armen, wier lot schromelijk was verwaarloosd, +spanden al deze dingen samen tegen de kennis en voor de onwetendheid, +zoodat de kennis uit het Christendom verloren ging en slechts de +zedelijke en geestelijke leering bleef. Hiertoe werkte nog een andere +oorzaak mede: in alle oude godsdiensten, en in het Christendom even goed +als in alle andere, bestonden twee soorten van leeringen. De eene voor +de groote menigte, eenvoudig en helder, omvatte slechts de zedelijke +voorschriften, welke den menschen leerden een goed leven te leiden, een +zeer eenvoudig verstandelijk onderricht, juist genoeg om de zeer +onontwikkelden voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der +broederschap en die der wedergeboorte, en de wet welke zegt dat des +menschen daden hem zijn geluk of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de +wet van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen zouden inzien, dat +een goed leven, hier op aarde geleid, hun geluk zou brengen na den dood +en een beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn weergekeerd. +Deze dingen werden aan allen geleerd; maar meerdere kennis werd +toevertrouwd aan hen, wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van +de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk aan de wet van +Christus gehoorzaamden, en die in hun uiterlijk leven een hoogen graad +van reinheid hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat wij de +mysterien van Jezus noemen en kregen daar de innerlijke leering, welke +slechts zij die een rein leven leidden, konden deelachtig worden. Deze +innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit dezen kring kwamen +de leeraars en bisschoppen en de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de +menschen, die het Christendom prediken mochten, zoodat de kerk een groep +van wijze menschen bezat, onderricht in diepere kennis, en door die +kennis in staat om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die +hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen. Want dit geheime +onderricht was steeds praktisch. Het leerde den menschen hoe zij hun +bewustzijn konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand +bewust konden worden op hoogere gebieden van bestaan, hoe het leven der +ziel kan worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het lichaam kan +verlaten en in aanraking komen met de onzichtbare wereld. Het leerde hoe +de ziel, na het lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen en +kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld, hoe de ziel leering kan +ontvangen van de engelen en geestelijke verstandswezens en zoo kennis +verkrijgen die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen, hoe de +ziel, van het lichaam bevrijd, de toestanden kan onderzoeken van het +leven na den dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde, +verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in plaats van uit den mond +van andere menschen: in deze scholen verkregen de onderzoekers +eerste-hands kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden den aard +van den mensen begrijpen door eigen onderzoek, in plaats van af te +hangen van de mededeelingen van anderen. Daardoor waren zij veel beter +in staat onderricht te geven, dan zij die hun kennis slechts uit boeken +hadden verkregen. + +Het gevolg van het bestaan van deze scholen in de kerk was dus dat er +vele menschen waren die deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden, +zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom. In de vijfde +eeuw echter verdwenen deze scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit +gebrek aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een fout die door +vele menschen wordt begaan, is dat zij denken dat de leeraars de kennis +terughouden. In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de kennis +niet willen mededeelen, maar de leerlingen, die ze niet willen leeren, +leeren op de eenige wijze waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze +scholen van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen, want er +waren niet genoeg menschen die het leven wilden leiden dat vereischt +wordt voor leerlingen van het Occultisme; zij wilden dit leven niet +leiden, maar slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden, en +toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed waren. Zoo verdween +langzamerhand de innerlijke school en slechts een zwakke overlevering +van haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters der +Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan verscheen in de middeleeuwen +nog een heilige die door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij +iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen van deze heiligen vinden +wij in de geschiedenis der kerk vermeld; waarlijk groote, +hoog-ontwikkelde zielen, die _wisten_ omtrent de onzichtbare wereld, en +op de oude wijze onderricht geven konden, omdat zij wisten en kenden. +Nu en dan zien wij een van hen verschijnen, doch hun aantal is gering: +St. Elisabeth van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas a Kempis, +de geleerde Thomas Aqumo, deze allen zijn de groote leeraars der kerk +gedurende de middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk weten, +dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd. Dan waren er nog andere +menschen die een deel van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de +Christelijke kerk hadden verkregen. Sommigen van hen kwamen uit het +Oosten en anderen reisden als jonge menschen daarheen, en kwamen met de +verkregen kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten behoorde +Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen genomen en naar het Oosten +gevoerd. Daar leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid en +bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij de grondlegger werd van de +nieuwere geneeskunde en scheikunde, waar hij leering bracht over de +elementen der scheikunde en over het magnetisme, die voor hem aan +niemand bekend was geweest, en waar hij zieken genas, die geen ander +genezen kon. Hij bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van deze +menschen was Christian Rosenkreuz, die in de vijftiende eeuw leefde. In +zijn jeugd reisde hij naar het Oosten en ontmoette daar een der groote +leeraars, die hem iets mededeelde van het oude geheime weten, om dit +terug te brengen aan de Christelijke kerk en om deze te ontwikkelen tot +een meer geestelijk lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen en +leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte de orde der +Rozenkruisers. Zijn werk was een der pogingen om het oude weten in de +westersche wereld terug te brengen. Een andere poging was die der +alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat oude weten. Zij wisten +dat er slechts een grondstof in de natuur bestaat en dat alle dingen uit +die eene grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de scheikunde een +wetenschap is, die de eigenschappen van die eene grondstof in al hare +wijzigingen onderzoeken kan, en zij bestudeerden die wetenschap in het +licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen vervolgden hen en +lachten hen uit en noemden hen oplichters en kwakzalvers en bedriegers, +doch in den tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde tot de +ontdekking te komen van wat hun in de middeleeuwen bekend was. +Tegenwoordig begint de scheikunde enkele der waarheden in te zien, die +door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen hen nog uitlachte, +toan niemand hen geloofde. Heden begint men te begrijpen dat er slechts +eene grondstof is, en dat alle dingen van die eene grondstof gemaakt +zijn en men begint zelfs weer te spreken van de mogelijkheid goud te +maken uit zilver en zoo in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te +doen, waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen en +vervolgd,--nu drie of vierhonderd jaar geleden. + +Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult gij begrijpen dat de +Theosofie in den eenen of anderen vorm steeds in de wereld is blijven +bestaan als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap. + +Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke de behoeften van +den tijd en de omstandigheden van het volk, waaraan de leeraar gezonden +werd, medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen zij weer het oude +weten aan de wereld leeraarde niets nieuws gaf. Het was slechts een +nieuwe vorm, een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde wat +er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst, wijsbegeerte en +wetenschap. Toen zij begon hare leering te geven, gaf zij eerst den +wijsgeerigen kant, leerde zij iets van den aard van het verstand, van de +rede, en van den aard van den mensch en van het goddelijk Bestaan, de +werkelijke wijsbegeerte die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna +ging zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen God en den +mensch, hoe de mensch een uitstorting is van God, een deel van het +goddelijk leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen kan, +hoe de menschelijke ziel zich kan ontplooien; en zij leerde weer wat +vroeger in de Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het lichaam +verlaten kan en in aanraking komen met groote geestelijke +verstandswezens en met de Meesters, hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan +en kennis opdoen uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan komen +tot weten in plaats van gelooven. Toen zij dit alles leerde, gaf zij ons +slechts weer wat reeds zoo dikwijls geleerd was in de groote +godsdiensten van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken +kant en leerde ons meer dan de mannen van de wetenschap van dien tijd +wisten, en zeide zij ons welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen +weinige jaren zouden worden gedaan; en vele van deze ontdekkingen zijn +inderdaad gedaan sedert haren dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de +eene grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar uiterlijke +verschijningsvormen heeft. In haar werk "De geheime Leer" sprak zij van +een eigenschap der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke zij +doordringbaarheid noemde, en welke in verband staat met helderziendheid. +Vijf jaar na haren dood ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn, +trillingen in de stof, welke in verband staan met helderziendheid en +welke de mcnschen in staat stellen te zien wat de helderziende kan zien +zonder werktuigen en hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde +Roentgen-stralen, waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een been, als zij +willen onderzoeken of het beschadigd is, kunnen fotografeeren ofschoon +het voor het gewone oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is ook +mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen. De mensch kan in +zichzelf het vermogen ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen +van Roentgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk lichaam te zien +zonder hulp van eenig werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande de +kennis van straling, van geluid en kleur leerde zij ons. Zij heeft ons +bewezen dat de oude wijsheid beter licht kan werpen op de waarheden der +nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf kan doen, en dat deze +laatste eerst langzamerhand datgene ontdekt wat door ben die het oude +weten bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen die zich het +ontvangen van dit onderricht waardig betoonden. Zoo bracht H.P. +Blavatsky ons dit weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten had, +en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten verder moesten +verspreiden, niet als iets nieuws maar als iets ouds, niet als een +nieuwe ontdekking maar als overoud weten, door de menschen vergeten, en +thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate wij zelven +leerden, onderrichtten wij op onze beurt anderen, en wij bevonden dat +dit goddelijk weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke de +mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Wij +bevonden dat wij zonder de werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap +hare feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van de vermogens der +ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld dat vele scheikundige waarheden door de +goddelijke krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden verkregen +dan door reagentien en proefnemingen van allerlei aard. Wij bevonden dat +de mensch in zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken en dat hij +veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen zijner innerlijke krachten +dan door het gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap. Maar tevens +weten wij dit: de vermogens der menschelijke ziel zijn niet bestemd tot +het doen van ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke beroemd +te maken en rijk. Zal de kracht der menschelijke ziel worden gebruikt +tot het doen van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden gebruikt +voor het welzijn der menschheid, en niet ten voordeele van den eenen +persoon, die de ontdekking doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp +van deze krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid kan helpen, +indien het ras er rijp voor is, aan allen gelijkelijk. Is het ras er nog +niet rijp voor, dan behoort zij toe aan allen, die haar kunnen +bevatten, niet aan den eenen mensch, die haar gemaakt heeft. Deze is +slechts een pandhouder van de eigendommen der menschheid. Naarmate de +Occultist zich ontwikkelt en meer leert en begrijpt wordt hij meer en +meer een dienaar der menschheid in plaats van haar meester. Alle kracht +welke hij verkrijgt wordt gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis +welke hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner medemenschen +te verminderen en den gang der menschelijke ontwikkeling te versnellen. +Wanneer de menschen tot ons komen om met ons te studeeren, eerst de +uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan zeggen wij hun steeds: Gij +moet de broederschap der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij +een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen belangen hebt buiten +die van dat huisgezin, dat gij geen bezittingen hebt buiten die van dat +huisgezin, dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die niet +tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en wanneer gij wat ouder zult +zijn en iets meer zult hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is +dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren tot sneller +ontwikkeling, opdat zij sneller mogen worden bevrijd van de ellenden der +aarde en spoediger dan anders den vrede en het geluk mogen bereiken. +Naarmate iemand werkelijk Theosoof wordt, moet hij meer en meer +onzelfzuchtig worden; hoe meer hij leert, des te meer moet hij anderen +dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des te grooter +verantwoordelijkheid rust op hem om de lasten zijner medemenschen te +verlichten. Het Occultisme brengt juist het tegengestelde van wat de +wereld welslagen noemt. De wereld kent hem welslagen toe, die rijkdom en +welvaart verwerft voor zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen +en zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene. Hij die slaagt in +het verkrijgen van goddelijke wijsheid en kennis en kracht, bezit deze +slechts in de mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner +medemenschen. Hij gebruikt ze nooit om over anderen te heerschen, nooit +om iets te verwerven voor zichzelf, nooit om zichzelf te verrijken ten +koste van een ander, en gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe +meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren, hoe meer hij begrijpt +des te meer moet hij deelen met anderen, hoe sterker hij wordt des te +grooter aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want de kracht van +het Occultisme, van het goddelijk weten kan nooit dienen om den bezitter +te doen uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om hen op te heffen +tot eigene hoogte, slechts om hen te doen deelen in eigene kracht. Dat +is het kernverschil tusschen de kennis der wereld en die van het +goddelijk weten. De eerste maakt den mensch tot heerscher, de andere tot +dienaar. Daarom zeide Jezus: "Indien iemand wil de eerste zijn, die zal +de laatste van allen zijn, en aller dienaar." [Voetnoot: Marcus 9, 35.] +Waarlijk groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid gegeven +hebben. + +Het voorgaande is een schets van de geschiedenis der Theosofie in het +verleden, van de geschiedenis van het goddelijk weten in godsdienst, +wijsbegeerte en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid steeds +trachtte der wereld leering te schenken, en hoe zij twee vormen van +onderwijs deed ontstaan: het openbare voor allen, het bijzondere voor +hen die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van den vooruitgang +van het ras. + +Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk. In de uiterlijke +Theosofische Vereeniging komen de menschen om de wetten, volgens welke +de menschheid zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij deze wetten +hebben geleerd en trachten hun leven voor anderen nuttig te maken, komt +het innerlijk onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet gegeven +kan worden. Deze twee vormen bestaan nog heden als in het verleden, en +de Theosofische Vereeniging is een vereeniging van onderzoekers, waartoe +een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte en wetenschap +wil bestudeeren in de richting van het goddelijk weten en daarbinnen een +groep van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de wereld hoog stelt +en streven naar hooger ontwikkeling, teneinde helpers te worden voor de +menschen rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens hunner ziel te +ontplooien. Dat is ons werk, onze plicht. Zij, die zich tot dit werk +voelen aangetrokken, kunnen in de Loges onzer vereeniging komen om +onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig toont, kan een +leerling worden in den dieperen zin van het woord, om een medewerker te +worden voor den vooruitgang van het ras. Herinner u echter steeds dat +het goddelijk weten niets anders heeft aan te bieden dan Zich en met +zichzelf de kracht anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het biedt +geen belooning in rijkdom, in gewone macht of kennis, maar dien +innerlijken schat, die den mensch in staat stelt een zegen te worden +voor zijn broeders, een mededrager van de lasten der wereld; en tot +diegenen onder u wien het ernst is met dit streven, tot hen wendt zich +de Theosofische Vereeniging en biedt hun het oud, goddelijk weten, +waardoor zij helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel zenden de +Meesters hun boden onder de menschen. Ieder, die ernstig wil, wordt de +gelegenheid tot leeren gegeven. + + + + +#Theosofie en haar leeringen.# + + +II. + + +Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over de Theosofie en haar +leeringen, heb ik voor zoover dat in een korte voordracht mogelijk was, +de geschiedenis der Theosofie geschetst. Ik heb haar verband met de +groote godsdiensten der wereld aangeduid, hare verspreiding door de +verschillende landen beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage +de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar openlijken als in haar +innerlijken vorm. Ik stel mij voor hedenavond het onderwerp van een +anderen kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen zelve +welke de Theosofie brengt, welke zij geeft om de menschheid te helpen, +en ik zal u trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige toepassing +vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk en geestelijk gebied, dat +zij betrekking hebben op ieder deel van 's menschen samengestelden aard +en hem een helder denkbeeld geven van de wereld waarin hij leeft, van +den menschelijken samenstel en van de mogelijkheden, welke daarin +verborgen liggen. + +Voor alles dan begint het onderricht der Theosofie, het goddelijk weten, +te spreken over het goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke +betrekking van den mensch tot God. Het leert dat er een goddelijk +Bestaan is, het Leven van al wat is; dat er slechts een goddelijk Leven +is, een goddelijke werking, eene kracht, welke overal bestaat in het +heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven van God zich bevindt, +dat overal waar dieren voelen kunnen of menschen kunnen denken, het +leven van God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en plantenrijk +steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven alle dingen; in het geheele +heelal is geen leven buiten het goddelijk Leven. Dit eene Bestaan ligt +ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de Theosofie begint met +het leeren van een grondeenheid, een wet van eenheid, van een-zijn alom; +en deze eenheid spruit voort uit God, die de eene bron is van alle +bewustzijn, waar ook dat bewustzijn worde gevonden. De ontwikkeling van +het bewustzijn in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden hunnen +oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend tot zelf-bewustzijn, +komt voort uit een bron, een oorsprong. Alle bewustzijn is een, wij +kunnen het eene niet scheiden van het andere, en de menschen van elkaar +vervreemden alsof zij tegenover elkander stonden--zij komen allen van +denzelfden stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde Leven, zij zijn +allen een uitdrukking van hetzelfde goddelijk Bestaan. Deze eenheid van +bewustzijn is eene uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht in +het heelal. + +Maar niet alleen alle bewustzijn is een, ook alle kracht is een, en hier +stemt de wetenschap in met de Theosofie: er is slechts een groote +werking in het heelal; alle vormen van werking en kracht welke wij +waarnemen, zijn in den grond een. Zij kunnen in elkander omgezet worden; +alle vormen van werking welke de wetenschap bestudeert, alle krachten +welke wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of plantenrijk, +hetzij bij dier of mensch, al deze krachten zijn een in hunnen aard. +Slechts hun uitdrukking, hun wijze van openbaring is verschillend, bij +nader onderzoek blijken zij allen een te zijn: eene kracht, juist zooals +er een bewustzijn is. + +Een derde uitdrukking van de wet van eenheid is de eenheid van stof. +Alle stof is een, hoe verschillend ook de vorm wezen mag welke zij +aanneemt. Er is slechts een grondstof en alle scheikundige elementen +zijn daaruit opgebouwd. Al wat wij om ons waarnemen: vaste lichamen, +vloeistoffen, gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde, +slechts verschillend in de rangschikking van zijn deelen. Wij vinden +door de geheele wereld heen een eenheid, eenheid van bewustzijn en +leven, eenheid van kracht, eenheid van stof, en deze drie eenheden zijn +de uitdrukkingen van het goddelijk Bestaan, zij komen alle uit het eene +Leven, het Leven van God. + +Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en van stof kunnen wij een +gevolgtrekking maken. Daar er slechts een stof is, slechts een kracht, +slechts een bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een broederschap; +zij zijn allen gemaakt uit dezelfde bouwstoffen, zij zijn allen bezield +door dezelfde kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij +zien dat het geheele heelal een groote broederschap vormt, waarin de +verschillende schepselen in verschillende staten van ontwikkeling zijn, +maar allen worden saamgebonden door de eenheid van stof, van kracht, van +bewustzijn. In deze alomtegenwoordige grond-eenheid wortelt het begrip +"broederschap", en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van +hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander kunnen blijven staan. +Er moet een gemeenschappelijk goed zijn voor ons allen, een +gemeenschappelijke ontwikkeling waarin wij allen deelen, een +gemeenschappelijk doel waarnaar wij allen streven, en alle gedachten van +naijver of vijandschap, alle gedachten welke de menschen denken, alsof +zij elkanders bestrijders zijn in plaats van elkanders helpers en +broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande het wezen van God +en van den mensen. De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt de +broederschap tot een noodzakelijk feit in de natuur. + +Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder uitwerken, bevinden wij dat +deze broederschap zich toont in alle betrekkingen, waarin wij tot +elkander komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking de eenheid van +stof heeft tot de broederschap der menschen. Onze lichamen zijn +opgebouwd uit wat wij "stof" noemen, en wij weten, dat ons lichaam +voortdurend zijn bouwstoffen hernieuwt, dat ons lichaam heden niet +hetzelfde is, als het gisteren was of verleden week of de vorige maand, +of als het morgen zijn zal of de volgende week of maand. + +Ons lichaam verandert voortdurend van bestanddeelen. Kleine deeltjes +ervan, zoo klein dat zij onzichtbaar zijn voor het oog, komen en gaan +ieder oogenblik. Wanneer wij ons lichaam zeer sterk vergroot zagen, +zouden wij een stroom van deeltjes ervan zien uitgaan, en een stroom van +deeltjes er heen zien komen, een stroom van komen en gaan, welke ons +lichaam op ieder oogenblik van het leven verandert. Wanneer nu menschen +elkaar ontmoeten, zooals wij hedenavond bijeen zijn gekomen, wisselen de +deeltjes onzer lichamen onderling, deeltjes van uwe lichamen hechten +zich vast aan het mijne, deeltjes van mijn lichaam gaan en worden +opgenomen in dat van u, zoodat wij, wanneer wij de zaal verlaten, geen +van allen hetzelfde zijn gebleven als toen wij binnenkwamen. Onze +stoffelijke lichamen hebben een deel van de bouwstoffen waarvan zij +gemaakt zijn, gewisseld. Ieder van u heeft iets aan zijn buren gegeven, +ieder van u heeft iets van zijn buren ontvangen. Dit nu maakt dat er +tusschen ons een zeer daadwerkelijke stoffelijke broederschap bestaat. +Indien wij op deze wijze van deeltjes onzer lichamen wisselen, zijn wij +broeders naar het lichaam, hetzij wij het willen of niet. Wij kunnen +niet nalaten op elkander invloed te oefenen, hetzij ten goede of ten +kwade. De gezonde persoon verspreidt zijn gezondheid, waar hij ook gaat, +de zieke verspreidt zijne ziekte overal waar hij komt; deze wisseling, +deze overgang legt tusschen ons allen een band, die maakt dat het +lichamelijk welzijn onzer medemenschen van belang is voor ons allen. + +Nu bouwen wij ons lichaam op door voedsel, drank, lucht en door het +leven dat wij leiden. Indien gij in uw lichaam onrein voedsel brengt, +onreinen drank, indien gij uw huis en uw kleeding niet rein houdt, +trekt gij tot uw lichaam deeltjes, welke gij vergiftigt en vervolgens +zendt gij die giftige deeltjes weer uit naar uwe medemenschen, zoodat +een mensch die slechte, onreine dingen eet of drinkt, die ongezond is of +onrein, op al zijne medemenschen een overeenkomstigen invloed uitoefent. +Ieder mensch die alkohol, wijn of dergelijke giftige dranken gebruikt, +beleedigt het lichaam van zijnen medemensen even goed als zijn eigen. +Wij kunnen ons leven niet van dat van anderen scheiden, maar zijn +genoodzaakt te leven als een groot huisgezin; al wat een van ons +schaadt, schaadt daardoor het geheel. Wanneer wij dit inzien, kunnen wij +niet langer onverschillig blijven voor de armoede en ellende om ons +heen, want wij weten dat zoolang nog een mensch in de maatschappij arm +is en ellendig en uitgehongerd, niemand volmaakt gezond en zuiver kan +zijn en zijn lichaam bewaren kan in den best mogelijken staat. In ieder +volk waarin men menschen vindt die lijden door armoede en ellende en +stoffelijke ontaarding, moet elk lichaam zijn deel ontvangen van de +ellende dier armen. De menschen zullen het misschien niet bemerken of +begrijpen, maar hun lichaam is minder gezond wegens de ziekte, die +rondwaart in de armere wijken der stad, onder de lichamen hunner armere +medemenschen. Geen volk is zoo gezond als het zijn kan, zoolang een +zijner kinderen ziek is, van geen land kunnen de bewoners volmaakte +lichamen hebben, zoolang er nog een honger lijdt. De stoffelijke ellende +in de maatschappij is een zaak die allen ter harte moet gaan en niet +slechts hun alleen die er onmiddellijk onder lijden. Wij zijn broeders +naar het lichaam en genoodzaakt hun leed mede te dragen. + +De broederschap van lichaam is echter niet de eenige band tusschen ons. +Er is een broederschap van aandoeningen en gevoelens even goed als van +lichaam. Wij oefenen ook invloed op elkander uit door onze gevoelens. Al +wat ik gevoel werkt ook op u in, al wat gij gevoelt, werkt op mij in. De +geheele dampkring is vervuld van trillingen, gemaakt door de gevoelens +en hartstochten der menschen. Ook op deze wijze oefenen wij zonder het +te weten invloed op elkander uit en indien gij er op let, kunt gij het +door eigen ondervinding waarnemen. Hebt gij nooit opgemerkt, hoe wanneer +een persoon in een gezelschap slecht gehumeurd is, die stemming zich +verspreidt over de anderen, hoe een knorrig persoon in huis iedereen min +of meer wrevelig stemt? Hebt gij nooit waargenomen hoe wij in de +nabijheid van sommigen een gevoel krijgen van vrede en rust, een gevoel +alsof alles ons gemakkelijk zou vallen, terwijl anderen alleen door hun +nabijheid ons knorrig maken en alles somber doen schijnen en zwaar? Het +is de broederschap onzer aandoeningen, die op deze wijze voortdurend op +ons inwerkt en de reden waarom dit mogelijk is ligt hierin, dat de +mensch behalve het zichtbare lichaam nog een lichaam heeft van fijnere +stof, welke wij astrale stof noemen en deze astrale stof, welke van een +hoogeren graad van fijnheid is, trilt uiterst gemakkelijk en vlug. Door +onze gevoelens nu wekken wij trilling op, welke die astrale stof aandoet +en welke andere menschen in hun astraal lichaam doet beantwoorden aan +het gevoel dat in ons astraal lichaam die trilling veroorzaakt heeft. +Ieder van u heeft in en om zijn stoffelijk lichaam een wolk of mist van +deze fijne astrale stof, veel schitterender dan het stoffelijk lichaam +zelf, juist alsof zich rondom u een wolk bevindt, waardoor kleurenspel +van elektrisch licht zichtbaar is. Het astrale lichaam is helder en vol +kleuren, kleuren als van den horizon bij den opgang of ondergang van den +zon. Evenals gij dan in de lucht soms wolken zien kunt, welke door den +zon worden gekleurd, zien de menschen, die meer dan het stoffelijke +waarnemen kunnen, rondom ieder van u een gekleurde wolk, maar in plaats +van door den zon, wordt die wolk gekleurd door uwe gevoelens, uw +aandoeningen, uwe hartstochten, en zoodra een gevoel, eene aandoening in +u opkomt, kleurt zich de wolk rondom u en trilt zij met groote snelheid, +en deze trilling straalt van u uit en wekt in het astrale lichaam van +anderen gelijke trillingen op, zoodat zij hetzelfde gevoelen als gij. +Wij oefenen daardoor, wanneer wij in elkanders nabijheid vertoeven, +invloed op elkaar uit door onze gevoelens even als door onze gezondheid +of ziekte, en wij zijn evenzeer door een broederschap van gevoelens +verbonden als door een broederschap van het stoffelijk lichaam, en die +broederschap van gevoelens uit zich door middel van het astrale lichaam, +het lichaam der aandoeningen dat steeds in beweging is, steeds in +trilling en hoe sterker onze gevoelens zijn, des te krachtiger oefenen +wij er invloed door uit op anderen. + +Er is nog een derde wijze, waarop zich de broederschap openbaart en wel +in ons denkvermogen. Wij leven evengoed in broederschap van gedachten +als in gevoels-broederschap. Wanneer wij denken oefenen wij invloed uit +op de gedachten der menschen om ons heen. Wanneer wij denken, zenden wij +als het ware elektrische stroomen uit, die werken op het denken van +anderen, en zij krijgen betere of slechtere gedachten al naar den aard +onzer eigene gedachten. Terwijl ik tot u spreek, gebruik ik mijn +stoffelijk lichaam, mijn stem, ook hoort gij mij met uw stoffelijk +lichaam, met uw ooren, maar dit is niet het eenige, wat u en mij +verbindt. Behalve mijn stem die gij hoort, gaan er van mij trillingen +uit, gevoelstrillingen die u er toe nopen te luisteren en uwe aandacht +te schenken. Deze trillingen worden soms magnetisch genoemd, en daar zij +uit mijn astraal lichaam voortkomen, oefenen zij invloed uit op het uwe. +Behalve deze wisselwerking tusschen onze stoffelijke en astrale lichamen +is er nog wisselwerking van denkvermogen. Mijn denkvermogen zendt +stroomen uit tot het uwe en vormt beelden welke gij met uw denkvermogen +waarneemt, niet met uw stoffelijke oogen. Zoolang ik spreek, zend ik +voortdurend die denk-beelden uit, zoodat de woorden gemakkelijker voor u +zijn te begrijpen wegens den onmiddellijken invloed, dien ik uitoefen op +uw denkvermogen. Deze inwerking der menschelijke gedachte op anderen +vindt onophoudelijk plaats, en wanneer iemand invloed tracht uit te +oefenen op een ander is die werking veel sterker dan wanneer hij als het +ware slechts voor zich zelf denkt. Deze beelden welke ons denkvermogen +vormt en welke de menschen waarnemen door het hunne, brengen het +grootste deel onzer gedachten over aan anderen en stellen ons in staat +elkander beter te kunnen begrijpen dan alleen door stoffelijke +mededeeling mogelijk is. Deze invloed welken ons denkvermogen op anderen +uitoefent bestaat steeds, niet alleen wanneer iemand tot anderen +spreekt, maar ook in het gewone dagelijksch leven. Wanneer gij denkt, +zijn alle menschen om u heen min of meer geneigd op dezelfde wijze te +denken en hoe sterker uw denkkracht is, des te grooter invloed oefent +gij op hen uit. Hebt gij wel eens opgemerkt hoe dikwijls, wanneer gij +met iemand samenwoont, gij beiden over hetzelfde onderwerp denkt, en +wanneer de een zijn gedachte uitspreekt, zegt de ander: "Daar dacht ik +juist ook aan." Dit is dikwijls het geval met man en vrouw, broeder en +zuster, vriend en vriend, en vaak beslist slechts toeval, wie het eerst +spreekt. Wie dan het eerst zijn gedachte in woorden kleedt, bemerkt dat +de ander in dezelfde richting gedacht heeft. Op deze wijze kunnen wij +elkander veel goed doen en veel kwaad. Goed wanneer wij edel denken en +rein, kwaad wanneer wij laag, gemeen en slecht denken. Vele menschen +denken dat als zij slechts doen wat goed is, als zij maar geen grove +woorden gebruiken, het er niet toe doet hoe zij denken: gedachten zijn +tolvrij. Dit is onjuist: onze gedachten oefenen een veel grooteren +invloed uit op onze medemenschen dan onze woorden, en een slecht mensch, +die slecht denkt, vergiftigt alle menschen met wie hij in aanraking +komt; hij oefent een slechten invloed uit zonder iets anders te doen dan +in onze nabijheid te zijn. En evenzoo is men, indien men goede +gedachten kweekt, overal waar men gaat tot zegen. De menschen om ons +heen zullen zelf goede gedachten krijgen zonder te weten waarom. Onze +invloed zal hen goed doen denken. Op deze wijze is er broederschap van +denken evengoed als broederschap van gevoel en van lichaam. + +Zie dan hoe veel er voortvloeit uit dit denkbeeld van de eenheid van al +wat is, hoe sterk deze eenheid zich doet gevoelen in het leven, hoe wij +naarmate wij die eenheid doorgronden, nuttiger worden voor elkander dan +te voren, hoe wij leeren dat wij invloed uitoefenen op onze medemenschen +door onze lichamen, onze gevoelens en onze gedachten, en hoe wij op deze +drie wijzen elkander kunnen helpen. Zoo leeren wij de natuurwet en +passen die dan toe om onze broeders te helpen en de wereld door ons +leven beter te maken. Deze eenheid, uitgewerkt zooals ik het thans heb +gedaan, is een der groote leeringen van de Theosofie. + +Laat ik thans een tweede groote leering nemen, die welke zegt dat uit +God de zielen der menschen zijn voortgekomen, dat het leven van God +iederen mensch gegeven is, opdat hij zich ontwikkelen moge tot een +volmaakt wezen, gelijk God zelf. Gij zult u herinneren dat Jezus, toen +hij sprak tot de menigte, een merkwaardig gebod gaf: "Weest dan +gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is." +[Voetnoot: Mattheues 5,48] De Vader in den hemel nu is God, het goddelijk +Wezen, en Jezus leerde aan zijne leerlingen en aan de volksmenigte dat +zij volmaakt moesten zijn gelijk God. Nu is God volmaakt in kennis, +volmaakt in kracht, volmaakt in liefde. Hoe kan de mensch volmaakt zijn +in kennis en in kracht en in liefde, gelijk God volmaakt is? Toch was +dit het gebod dat Jezus gaf en als Jezus sprak, zeide hij slechts wat +waar was en mogelijk. Hij zou het niet hebben gezegd als deze volmaking +onmogelijk was voor den mensch. De vraag waartoe wij van zelf komen is +dan deze: hoe is het mogelijk, en is het mogelijk voor ieder of slechts +voor eenige menschen? En het antwoord dat de Theosofie geeft is: het is +mogelijk voor ieder, niet slechts voor enkelen; voor ieder is het +mogelijk volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, de mensch is +werkelijk gemaakt naar het goddelijk beeld, dat wil zeggen hij is de +juiste weerkaatsing van God. Laten wij eerst een uiterst geval +beschouwen; een zeer onontwikkelden wilde, zoo laag ontwikkeld dat hij +het goede nog niet kan onderscheiden van het kwaad, dat hij nog niet +weet dat het kwaad is te stelen of te liegen of te moorden, dat hij al +deze dingen geoorloofd vindt. Waarom zou hij niet stelen als hij iets +noodig heeft dat hem niet toebehoort? Waarom zou hij niet liegen als hij +daardoor kan krijgen wat hij begeert? Waarom zou hij niet moorden als +hij sterk genoeg is het te doen en verlangt zijnen vijand te dooden? Die +wilde ziet geen kwaad in moorden en liegen en stelen. Hij denkt dat het +goed is, of liever: hij denkt er in het geheel niet over. Hij wil het +doen. Derhalve doet hij het, en het komt nooit in hem op te vragen: "is +het goed dat ik moord of lieg of steel?" Hij onderzoekt niet of wat hij +wil doen geoorloofd is. Hij wil het doen en dat is alles waar hij om +geeft. Waartoe zou het dienen zulk een mensch te zeggen, volmaakt te +zijn zooals God volmaakt is? Hij is zelfs nog niet in staat, kwaad te +onderscheiden van goed; hoe zou hij dan volmaakt kunnen zijn? +Verstandelijke vermogens zijn in hem nog niet ontwikkeld, hij kan niet +verder tellen dan twee, hij kan geen gevolgtrekking maken, begrijpt niet +wat een gevolgtrekking is. Hij heeft geen geheugen en herinnert zich +niet wat gisteren gebeurde, noch kan hij berekenen wat morgen gebeuren +zal. Hij is in verstandelijk opzicht even dom als hij zedelijk laag +staat. Wat wilt gij met zulk een mensch doen? Hij ziet er niet uit als +"het beeld van God" en er schijnt niet veel kans dat hij volmaakt zou +worden gelijk God volmaakt is. Als hij sterft, bezit hij noch verstand, +noch zedelijk gevoel. Wat wordt er van dien mensch? Wanneer hij sterft +en een ander leven intreedt, zonder zijn lichaam, een soort van +middenleven tusschen deze aarde en den hemel, is er niet veel in hem dat +omhoog kan stijgen, want zijn ziel is zwak en onontwikkeld. Zij is nog +slechts een kiem. Hij kende het goed nog niet van het kwaad. Hij kon nog +niet denken. De ziel nu is de kracht in den mensch die denkt en het +goede onderscheidt van het kwaad en de ziel van zulk een wilde is +slechts een embryo, nog volstrekt onontwikkeld. Wanneer hij sterft en +uit het lichaam treedt, is hij in de wereld, volgende op de stoffelijke, +in de astrale wereld, waar de dierlijke aard werkelijk thuis behoort. De +dierlijke aard nu van den wilde is zeer sterk. Deze was het die hem deed +moorden en liegen en stelen, omdat de dierlijke aard sterk was en de +ziel nog zwak en jong. Wanneer hij nu na den dood deze astrale wereld +binnentreedt, terwijl de dierlijke aard in hem nog sterk is, ondervindt +hij dat hij ze daar niet meer kan bevredigen, zooals hij kon terwijl hij +in het lichaam woonde, dat hij dat soort genot dat hij op aarde vond, +daar niet verkrijgen kan, dat hij met zijn lichaam het werktuig verloren +heeft, waardoor zijn dierlijke aard zich kon uiten. Zoo leert hij, +wanneer hij uit het lichaam is getreden, dat hij de zucht naar genot van +zijn dierlijken aard op den langen duur niet kan voldoen, dat datgeen +wat hem in het lichaam genot schonk, hem daarbuiten smart geeft in +plaats van genot. Zoo leert de jonge ziel deze eerste les door +ondervinding in het aardleven en na den dood. Daarop gaat de ziel naar +de hemelsche wereld. Veel is er nog niet dat deze jonge ziel in den +hemel kan vinden, maar toch leert zij een weinig door een tijd in die +wereld te vertoeven. Toen de wilde nog op aarde leefde, gevoelde hij +wellicht eenige liefde voor vrouw of kind, en deze liefde leert hem een +nuttige les. Wanneer hij de hemelsche wereld bereikt, is die liefde nog +met hem; en hij ondervindt dat deze blijft en hem genot schenkt in die +hoogere wereld. Hij bevindt dat de weinige goede gevoelens, dat iedere +aandoening welke iets in zich had dat goed was en rein, bij hem is, +wanneer al het andere achterblijft, dat de liefde blijft wanneer alle +hartstocht is uitgestorven. Wanneer hij een tijdlang in den hemel +vertoefd heeft, en zijn liefde in de hemelsche gebieden is toegenomen in +kracht, komt het oogenblik, waarop de ziel terug moet keeren tot het +aardleven, opnieuw moet worden geboren in een lichaam, een weinig beter +dan het lichaam dat zij vroeger bezat. Want de ziel is een weinig +gegroeid en heeft een beter lichaam noodig dan het vorige dat zij +bewoonde. Zij is een weinig gegroeid, heeft geleerd een weinig meer +liefde te koesteren, heeft een weinig geleerd door hare ondervinding in +deze wereld en in de twee werelden aan gene zijde van het graf. Zij is +een weinig ouder geworden en wijzer en heeft om nieuwe ondervinding op +te doen een beter lichaam noodig, wanneer zij terugkomt. Na in dat beter +lichaam geboren te zijn, leert zij een weinig meer dan in het vorige. +Zij heeft geleerd dat stelen en moorden niet goed is, en wanneer een +leeraar of oudere bloedverwant tot het jonge kind, dat reeds deze +ondervinding heeft opgedaan, zegt: "Gij moet niet stelen, niet liegen, +niet moorden," zal deze ziel, die op aarde teruggekeerd is met de +ondervinding die zij heeft opgedaan, deze leering kunnen beantwoorden en +zeggen: "Ja, het is waar, ik moet niet stelen, niet liegen, niet +moorden, ik zie in dat dit alles verkeerd is." Waarom ziet die ziel nu +in dat het verkeerd is, terwijl zij het den vorigen keer niet inzag? +Omdat de ziel in dien tijd is gegroeid, omdat zij ondervonden heeft dat +stelen ongelukkig maakt. En deze ondervinding bot als zedelijke +eigenschap uit, wanneer de ziel in een stoffelijk lichaam wordt +weergeboren. De kinderen, die thans in ons midden ter wereld komen, +worden niet geboren zooals de volkomen onontwikkelde wilde, waarover ik +sprak, niets wetende van goed en kwaad. Zoodra gij hen onderwijst, +begrijpen zij het verschil tusschen kwaad en goed en het is gemakkelijk +hun te leeren, daar hunne zielen ouder zijn en reeds vele aardlevens +doorleefd hebben, waarin zij ondervinding hebben opgedaan en verzameld, +en die ondervinding hebben omgezet in wat wij geweten noemen, in +aangeboren begrip van goed en kwaad. Deze groei van de ziel gaat door, +leven na leven, honderde keeren, zoodat de ziel, wanneer zij in een +stoffelijk lichaam ter wereld komt, na reeds honderde levens te hebben +doorgemaakt, vele vermogens in zich heeft. Zij komt ter wereld met +zekere verstandelijke kracht, met zekeren aanleg voor kunst, met +zedelijke eigenschappen. Ieder uwer werd geboren met het vermogen te +denken, zoodat gij met vrucht kondt worden opgevoed; en misschien met +eenige artistieke kracht, met talent voor schilderen, voor +beeldhouwkunst of muziek. Gij bracht die vermogens met u, en toondet ze +reeds als kind, zoodat uw opvoeding kon worden ingericht op een wijze +die geschikt was om de vermogens die gij medebracht, te kunnen +ontwikkelen. Deze vermogens, welke de kinderen meebrengen en in +overeenstemming waarmede wij hun opvoeding behooren te regelen, hebben +zij gewonnen in herhaalde aardlevens in het verleden, en telkens +gedurende hun leven in de hemelsche wereld hebben zij die vermogens +verbeterd en doen toenemen in kracht, en bij iedere geboorte op aarde +brengen zij ze mede op een hoogeren trap van ontwikkeling dan den +vorigen keer. + +Op deze wijze groeit de ziel door voortdurend herhaalde wedergeboorte +op aarde en naarmate zij groeit wordt zij meer en meer gelijk God. Na +langen, langen tijd wordt de ziel op aarde geboren als een kind met een +zeer goed karakter, misschien als genie, misschien bijna volmaakt uit +een zedelijk oogpunt. Enkele kinderen worden zoo goed geboren dat hunne +opvoeding bijzonder gemakkelijk is, onzelfzuchtig, vriendelijk en +liefdevol, anderen ter wille. In deze kinderen wonen zielen die oud +zijn, zielen die reeds vele malen op aarde geweest zijn, en geleerd +hebben onzelfzuchtig en vriendelijk te zijn en hunne medemenschen lief +te hebben, zoodat zij thans bij hun geboorte zulk een karakter toonen. +Zij behoeven niet meer te leeren wat goed is, zij weten het van de wieg +af, juist zooals andere kinderen reeds in hun prille jeugd genien +blijken. Wanneer de ziel zulk een standpunt bereikt heeft, is het +oogenblik daar waarop haar ontwikkeling zeer kan worden versneld, het +oogenblik, waarop bijzondere leering zal komen op haren weg, waarop haar +bijzondere gelegenheden zullen worden geboden, sneller te kunnen +ontwikkelen en groeien; dan komt wat de "geestelijke geboorte" genoemd +wordt, de geboorte naar den geest waarvan Jezus sprak toen hij zeide dat +geen mensch het koninkrijk Gods kon kennen, tenzij hij was geboren naar +den geest. De menschen worden telkens en telkens geboren naar den +vleesche; zij worden slechts eens geboren naar den geest en wanneer een +mensch geboren is naar den geest, zegt men dat de Christus in hem +geboren is. Gij zult u herinneren dat Paulus in een zijner brieven +schreef, dat de Christus geboren moest worden in de ziel; dit nu is de +groote "tweede" geboorte, die het begin is van de ontwikkeling van den +Christus in den mensch. Alle vroegere ontwikkeling heeft hem slechts +doen groeien tot een goed en knap mensch, verstandig en krachtig en +zedelijk, maar na de geestelijke geboorte wordt hij geestelijk, en +begint hij het leven te leiden van den Christus. Hij wordt vol +mededoogen voor allen, vol liefde en vol van den wil zijn medemenschen +te helpen. Hij ontwikkelt in zich den aard van den Christus, hij gevoelt +de broederschap die hem met allen verbindt, hij gevoelt dat hij een is +met alle menschen, dat zij allen leden zijn van zijn huisgezin, dat zij +allen hem na-staan, als een deel van hemzelf, een deel van zijn eigen +leven. Naarmate de Christus zich in den mensch ontwikkelt, nadert hij de +volmaking. Hij wordt meer en meer vrij van zonden, hij verkrijgt meer en +meer inzicht in alle geestelijke waarheid, hij omvat meer en meer van +het goddelijk leven en drukt dit uit in zijn leven op aarde. Dit +tijdperk in de menschelijke ontwikkeling is dat van geestelijken groei, +niet van verstandelijken of zedelijken vooruitgang. Het komt na dezen +vooruitgang en brengt de gelijkenis van God en den mensch tot volkomen +volmaking. Wanneer de mensch zoo gedurende langen tijd heeft geleefd, +vrij van zonde, terwijl hij goed doet aan ieder, allen met wie hij in +aanraking komt helpt, vol wijsheid en inzicht in alle geestelijke +waarheid, heeft hij het standpunt bereikt waarop Jezus doelde toen hij +zeide: "Weest dan gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen +is volmaakt is." Dit zou onmogelijk zijn indien de mensch niet gedurende +honderde levens tot die hoogte kon klimmen. Voor den wilde, over wien ik +u gesproken heb, zou het niet mogelijk geweest zijn, in een leven +volmaakt te worden, te worden gelijk God. Maar zonder twijfel is het +mogelijk, wanneer hij leven na leven op aarde terugkeert, leven na leven +verbetert en groeit, totdat de ziel van een klein zaadje gegroeid is tot +een machtigen boom, na talrijke eeuwen van levens. En evenals de eik +door zijne bladeren die hij ontplooit, den geheelen zomer voedsel +verzamelt, en dit voedsel uit de bladeren voert tot takken en stam, en +in den herfst de bladeren afvallen en sterven, maar de boom door het +opgenomen voedsel gegroeid is--- zoo ook zendt de menschelijke ziel een +lichaam uit, gelijk de boom zijne bladeren, en verzamelt ondervinding +door het vergankelijke lichaam, gelijk de boom door de bladeren zijn +voedsel. Al die ondervinding neemt de ziel in zich op: het lichaam +sterft wanneer zijn tijd daar is, maar de ziel groeit door de opgedane +leering en nadert de volmaking. + +Dit is wat de Theosofie leert omtrent den groei der ziel, en gij hebt +gezien dat wij gekomen zijn tot de gevolgtrekking, dat de mensch +volmaakt kan worden, en de vraag zal bij u opkomen: "Wat moet de +volmaakte mensch doen met zijne volmaking?" + +Hij moet zijn medemenschen helpen. Zij die volmaakt zijn geworden zijn +degenen die wij Meesters noemen. Zij zijn de Leeraars der groote +godsdiensten, zij zijn het die tot de wereld komen om den menschen te +leeren hoe te leven, hoe sneller te groeien. Zelf volmaakt geworden, +blijven zij anderen leeren hoe de volmaking te bereiken. Jezus, die +zelf volmaakt is, bleef op aarde ten einde den menschen te leeren hoe +zij volmaakt konden worden en gelijk aan Hemzelf. En de Theosofie leert +dat deze volmaakte menschen nog heden bereikt kunnen worden. Zij zijn +niet ver weg in den hemel, maar hier op aarde. En wij kunnen hen vinden, +indien wij den juisten weg inslaan; en de eenige weg om hen te vinden is +te trachten hun gelijk te worden. Misschien hebt gij wel eens in de +geschriften van de heiligen der Christelijke kerk gelezen, hoe Jezus tot +hen kwam en hun leerde; en dan hebt gij steeds gedacht dat dit droomen +waren of verzinsels. Toch is dit niet het geval. Wat zij schreven is +letterlijk waar, en het zou ook voor ons waar kunnen zijn zooals het +waar was voor hen, want gij kunt een heilige worden zoo goed als ieder +ander mensch, die leefde in de middeleeuwen of in de eerste eeuwen der +Christelijke kerk. Waarom zouden niet de tegenwoordige Christenen heilig +worden kunnen gelijk die van vroeger, waarom zouden zij den Christus +niet kennen zooals Hij gekend werd in de vroegste tijden der kerk, +waarom zouden zij niet in staat zijn Hem te spreken en van Hem te +leeren, zooals de menschen in die oude dagen deden, toen Hij leefde +onder de menschen en zooals zij het nog deden, vier of vijf eeuwen +daarna? De ziel der menschen is thans niet zwakker dan toen, de ziel der +menschen is in staat nog heden te doen, wat zij toen in staat was te +volbrengen. Het is slechts de kennis die u ontbreekt, hoe het te doen en +den krachtigen wil, welke u moed tot volharden kan geven. De Theosofie +is daar om u de kennis te geven van den weg, waarlangs wij de groote +Leeraars kunnen bereiken, en met die kennis geeft zij ons den moed en +den wil en het geduld tot volharden. + +Veel van wat ik u hedenavond heb gezegd zal voor sommigen uwer nieuw +schijnen en vreemd. Toch is het niet nieuw maar over-oud, zoo oud dat de +menschen het hebben vergeten; en niet vreemd, zooals gij bij nadere +studie zult vinden. Ik heb u hedenavond niets gezegd, dat ik niet _weet_ +dat waar is en de weg dien ik gevolgd heb om tot weten te komen, is de +weg dien de Theosofie aanwijst. Door het volgen van hare voorschriften +ben ik in staat geweest hetzelfde te doen wat in de Christelijke kerk +gedaan werd, vele eeuwen geleden, en wat in alle andere godsdiensten +mogelijk is geweest, lang voordat het Christendom was gesticht. Al deze +dingen zijn altijd bekend geweest, deze weg is altijd betreden door de +weinigen; en zij die hem betraden waren de menschen, die de waarheden +van den godsdienst wisten door eigen waarneming--niet uit de tweede +hand. Het doel der Theosofische Vereeniging is, u te helpen in het +verkrijgen van eerste-hands kennis en hoewel de dingen die ik u gezegd +heb misschien onbekend mogen wezen en schijnen onmogelijk te kunnen +worden bewezen, kunnen zij alle bewezen worden door ieder uwer die +begeert te onderzoeken, en zich dezelfde moeite wil geven, welke door +sommigen onzer is gedaan. Dan zult gij de werkelijkheid der +wedergeboorte op aarde weten, niet slechts gelooven, dan zult gij de +wijze kennen, waarop de ziel langzamerhand groeit tot volmaking, dan +zult gij weten dat deze Leeraars nog levende menschen zijn en nog steeds +leering geven willen aan leerlingen die tot hen komen. De Theosofie is +inderdaad een studie. Ik vraag u niet haar te gelooven, ik vraag u niet +haar aan te nemen zonder begrijpen, ik vraag u slechts te onderzoeken, +zooals ik onderzocht heb. Gij kunt tot weten komen zooals ik ben gekomen +tot weten. En ik weet, dat wanneer al deze dingen voor ons eerste-hands +kennis worden, niets in de wereld ons meer werkelijk ongelukkig kan +maken. De moeiten en zorgen, welke zoo vele menschen kwellen, worden ons +niets, zelfs de dood, die scheiding te maken schijnt tusschen de +menschen, kan voor ons geen scheiding meer brengen wanneer wij deze +waarheden voor ons zelf bevestigd weten, omdat wij dan den sluier des +doods kunnen oplichten, en de menschen aan de andere zijde kennen, even +gemakkelijk als gij ze hier kent op aarde; zoodat de Theosofie u met de +gelegenheid om deze dingen te onderzoeken de mogelijkheid biedt van +grooter geluk dan den meesten menschen ten deel valt, van kennis die u +sterk zal maken en krachtig, van een leven vol vrede en rust. Dat is de +uitkomst van Theosofisch onderzoek, dat is het gevolg van het streven +tot weten te komen, en mijn doel voor hedenavond was, eenigen van u te +brengen tot diepere studie, opdat gij moogt komen tot de kennis der +waarheid. En wanneer gij dan tot die kennis gekomen zult zijn, zult gij +terugzien tot dezen avond en zeggen: Toen was het dat ik voor het eerst +de leeringen der Theosofie vernam, waarvan de kennis in mijn geheele +leven verandering heeft gebracht. Toen was het dat ik den grootsten +schat vond, welken ik ooit heb gekend; want ik vond de kennis van God, +die het eeuwige leven is, zonder welke het leven arm is en beperkt, met +welke het leven oneindig wordt, vol van vreugde en vrede. + + + + +#Esoterisch Christendom# + + +Sommigen die niets weten van de Theosofische leeringen beschouwen de +Theosofie als vijandig gezind jegens het Christendom. Zij denken dat +iemand wanneer hij Theosoof wordt moet ophouden Christen te zijn. En +wanneer zij vernemen dat de Theosofie zich in een land verspreidt, nemen +zij als van zelf sprekend aan dat in dat land een nieuwe beweging tegen +het Christendom is ontstaan, een beweging waarvoor geen Christen +sympathie kan gevoeien. Deze zienswijze nu is geheel en al verkeerd. Hoe +zou het mogelijk zijn dat de grondslag van alle godsdiensten de vijand +was van eenigen godsdienst? Daar zij komt om het godsdienstig gevoel te +versterken door kennis, kan de Theosofie niet ten doel hebben het geloof +te ondermijnen, of te trachten het godsdienstig gevoel der menschen te +doen wankelen. Integendeel: waar zij komt tot de menschen, vraagt zij +hun niet hunnen godsdienst te verlaten, maar zij vraagt hun te pogen +dien godsdienst te doorgronden in zijn diepere en meer geestelijke +beteekenis. Zij komt tot den godsdienst om hem terug te geven wat hij in +den loop der eeuwen heeft verloren, zij komt om de kennis terug te +brengen, welke langzamerhand uit zijn gebied is geweken, zij komt om de +zinnebeelden en riten van den godsdienst begrijpelijk te maken en aan +hen wier geloof was geschokt door de aanvallen van het ongeloof een +hechten en zekeren grondslag te schenken waarop hun geloof rusten kan, +verheven boven de mogelijkheid van eenigen aanval, bekroond met goed +gevolg. + +Wanneer ik dan hedenavond u toespreek uit naam der Theosofie, spreek ik +als iemand die het Christendom beschouwt als een van de groote +godsdiensten der wereld, die gelooft dat het in zich alles bevat wat +noodzakelijk is voor den groei der menschelijke ziel, maar die tevens +meent dat het algemeen verspreide Christendom van tegenwoordig zeer veel +verloren heeft van wat het oorspronkelijk Christendom bezat, als iemand +die gelooft dat het mogelijk is aan de kerk dat diepere, geestelijker +inzicht in den godsdienst terug te geven, dat in den tegenwoordigen tijd +uit het weten der Christenen verdwenen is. + +Reeds de naam van deze voordracht "esoterisch of innerlijk Christendom" +zal waarschijnlijk door vele Christenen verworpen worden. Weinigen onder +de hedendaagsche Christenen willen toegeven dat er een esoterisch +Christendom bestaat, ja zelfs hoort men Christenen er zich dikwijls op +beroemen dat hun godsdienst ten minste niets heeft dat teruggehouden en +verborgen is. Dikwijls hoort men zeggen: de Christelijke godsdienst is +zoo eenvoudig dat zelfs een kind, dat de meest onontwikkelde hem kan +begrijpen en ik heb soms Christenen ontmoet die verontwaardigd werden +over het denkbeeld, dat er in verband met hun geloof eenige kennis zou +bestaan, welke teruggehouden wordt van den onwetende, welke niet +openlijk aan de wereld wordt verkondigd, kennis zoo moeilijk te +omvatten, dat de gewone menigte niet in staat zou zijn haar te +begrijpen. En toch is het duidelijk dat als het waar is dat het +Christendom niets anders te leeren heeft dan wat begrepen kan worden +door het kind en door den onopgevoeden mensch, dit de erkenning in zich +zou sluiten, dat het Christendom niet de waarheid bezit, dat het niet +voldoende is voor den wijsgeer en den wijze. Want gij kunt het verstand +van den wijsgeer niet tevreden stellen met dezelfde opvattingen welke +voldoende zijn voor het kind en den polderwerker. Men kan niet +verwachten dat de man van de wetenschap, de hoogontwikkelde denker, +tevreden zal blijven met de enge en ruwe opvattingen, welke voor den +onwetende niet slechts voldoende zijn, maar die voor hem veel meer +geschikt zijn dan de verklaringen van den verheven wijsgeer. Neem +bijvoorbeeld het begrip "God". Voor een kind moet gij van God een +konkreet denkbeeld geven, anders kan het kind het niet bevatten. Indien +gij tot hem spreekt in de taal der metafysika, indien gij tot hem +spreekt over het absolute, het oneindige, indien gij hem vertelt van een +oneindig leven, dat de geheele ruimte doordringt en de tallooze zonnen +welke zich in het heelal bewegen in wezen houdt, indien gij hem zulk een +beschrijving van de Godheid geeft, zult gij het kind slechts in +verwarring brengen en geenerlei opvatting, welke door hem kan worden +bevat, zal zijn ongeoefend brein bereiken door uw wijsgeenge taal. Zal +het kind eenig denkbeeld krijgen van God dan moet de opvatting van het +goddelijke tot hem komen in een gewone, menschelijke gedaante. Gij kunt +hem leeren van een Vader, die teeder is en liefhebbend, want dit geeft +hem een denkbeeld dat hem reeds bekend is door de liefde van zijn eigen +vader. Gij kunt hem vertellen van den mensch Jezus, vol liefde en +mededoogen; dit geeft hem het denkbeeld van een vriend, sterker en ouder +dan hij zelf, die hem lief heeft en beschermt. Zoo kan het kind eenig +denkbeeld ontvangen van God. Het goddelijke moet menschelijk worden +gemaakt, het oneindige moet worden beperkt; slechts zoo kan het +kinderhart worden bevredigd. Maar wanneer gij staat tegenover den +wijsgeer, die onmiddellijk de bezwaren inziet welke er zijn tegen de +beperking van het goddelijke binnen den menschelijken vorm, wanneer gij +staat tegenover een man van de wetenschap die zich den God dien hij +aanbidt denkt als een Leven dat de gansche ruimte doordringt, dat alle +zonnen en planeten beheerscht, dat tegelijk het leven is van het heelal +en het leven van het kleinste wezentje dat bestaat, voor wien de +beperking in den menschelijken vorm godslastering wordt en +bespotting--wanneer gij dan nog blijft bij de opvatting van het kind, +zal de wijsgeer, de man van de wetenschap agnostisch worden of atheist. +De erkenning van de waarheid, dat het godsbegrip moet beantwoorden aan +de beperkingen van het menschelijk verstand, dat het denkbeeld dat de +mensch van God heeft verschillend moet zijn naar gelang van de kracht +van zijn verstand, naar den aard zijner aandoeningen, naar de diepte van +zijn inzicht,--de erkenning van deze waarheid maakt het voor alle +menschen mogelijk, God te aanbidden, want ieder mensch, hetzij onwetend +of geleerd, ontvangt dan van de goddelijke kennis juist zooveel als hij +in staat is op te nemen in hoofd en hart. Ieder mensch houdt als het +ware het vat zijner eigene ziel tot God omhoog. Is de ziel klein en +beperkt, dan kan zij slechts weinig van de goddelijke kennis bevatten; +indien de ziel groot is en ontwikkeld, kan zij meer bevatten van het +goddelijk leven. Klein waarlijk in vergelijking met dien machtigen +oceaan is het grootste verstand, de grootste wijsheid des menschen, maar +toch heeft dit verstand het recht een opvatting te eischen, die noch te +hoog is noch te laag, en slechts door een esoterischen godsdienst kunnen +de ontwikkelden en wijzen gehouden worden binnen de grenzen der kerk. +Dit is in het verleden altijd bekend geweest. Geen godsdienst der +oudheid gaf aan alle menschen leering in denzelfden vorm. Onder de +Hindoes, de Chineezen, de Boeddhisten, de Egyptenaren, de Grieken, +overal vindt gij verschil van leering voor de menigte der +onontwikkelden, en de kleine minderheid der ontwikkelden. Toen het +Christendom aan de wereld werd gegeven, toen Jezus kwam als een +boodschapper der waarheid en de stichter van een nieuwen vorm van +godsdienst, trad hij in de voetstappen zijner voorgangers en verdeelde +zijn leer in twee deelen, het eene voor de menigte, het andere voor de +verlichten. Ik wensch u van deze bewering het bewijs te leveren door een +aantal bewijsgronden, wier gewicht gij voor u zelf kunt schatten. Ik zal +u aantoonen, eerstens uit de woorden van Jezus zelf, dat hij die +onderscheiding maakte; dan uit de woorden zijner apostelen dat ook zij +die verdeeling erkenden, vervolgens dat die apostelen ze overdroegen +aan het geslacht dat na hen kwam, en eindelijk dat diezelfde verdeeling +der leeringen in tweeen door de bisschoppen en kerkvaders werd +gehandhaafd. Wij hebben dus vier stappen te doen in de vroegste +geschiedenis der kerk. Wij moeten de gezegden van Jezus zelf, die zijner +apostelen, die van degenen die door de apostelen als leeraars werden +uitverkoren, en die van de bisschoppen en kerkvaders in de eerste vijf +eeuwen der geschiedenis van het Christendom beschouwen. Over deze vijf +honderd jaren strekken zich de verklaringen uit, die ik u zal aanhalen +als bewijsgronden voor het feit dat er in die eeuwen een esoterisch +Christendom bestond, evengoed als een exoterisch, dat er een bijzonder +onderwijs was voor de ingewijden, evengoed als een openbare leering voor +de menigte der geloovigen. Na deze eerste reeks bewijsgronden, de +geschiedkundige, zal ik een bewijsvoering leveren van anderen aard, en +wel deze: dat zij die thans esoterische kennis bezitten, beter in staat +zijn de Christelijke leeringen uit te leggen dan zij die deze kennis +niet bezitten, en beter de beteekenis begrijpen van de vele verklaringen +in het Nieuwe Testament, welke de gewone kerkleeraars niet in staat zijn +uit te leggen, verklaringen, die de hedendaagsche kerk dikwijls heeft +uitgelegd op een wijze, welke in strijd is met het geweten, zoodat die +uitleggingen der kerk vele menschen uit het Christendom drijven, en van +velen onder hen die slechts de exoterische verklaring ontvangen, het +verstand beleedigen en het geweten in opstand brengen. Het gevolg +hiervan is dat zij de kerk verlaten en onverschillig worden voor het +Christendom, een groot verlies voor henzelf, daar zij hun geloof moeten +opgeven, een groot verlies voor de kerk, want op deze wijze gaan de +meest ontwikkelden verloren, en wordt de invloed van het geloof op de +menigte verzwakt. + +Wij zullen thans de verschillende bewijsgronden in volgorde aanvoeren en +beginnen met de geschiedkundige, in de eerste plaats met de woorden van +Jezus zelf. + +Toen de discipelen tot Jezus kwamen en hem vroegen naar de gelijkenissen +welke hij tot de menigte gesproken had, gaf hij hun dit merkwaardige +antwoord: "Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het +koninkrijk Gods, maar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze +dingen door gelijkenissen." [Voetnoot: Marcus 4,11.] En verder: "Zonder +gelijkenis sprak hij tot hen niet." [Voetnoot: Marcus 4,34.] Wij vinden +hier den toestand duidelijk verklaard. Tot de menigte sprak Jezus +slechts in gelijkenissen, in allegorien, in verhalen in den vorm van een +fabel, welke hun zedelijke leering gaf; maar zijnen discipelen gaf hij +de uitlegging der gelijkenissen, verklaarde hij de verborgenheid van het +koninkrijk Gods, en ik verzoek u deze onderscheiding, door Jezus +gemaakt, goed in het oog te houden, omdat wij haar straks door de +kerkvaders aangehaald zullen vinden ter rechtvaardiging van de +handelwijze der kerk in hun eigen tijd. + +Jezus zeide eens tot de discipelen: "Geeft het heilige den honden +niet." [Voetnoot: Mattheues 7,6.] Het woord "hond" nu had bij de Joden +een zeer bepaalde beteekenis. Het duidde iedereen aan, die geen Jood was +en gij herinnert u dat toen een Kananeesche vrouw tot Jezus kwam om hulp +te vragen, hij ten antwoord gaf: "Het is niet betamelijk, het brood der +kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen." [Voetnoot: Mattheues +15,26.] En zij nam zonder morren die benaming aan en zeide slechts: "Ja +Heer, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die er vallen van de +tafel hunner heeren." Dit woord van Jezus: "Geeft het heilige den honden +niet" is niet anders dan een bevel, niet het innerlijke te geven aan hen +die buiten de groep der uitverkorenen stonden. Voor deze laatsten alleen +moest het heilige worden bewaard. De apostelen, die het evangelie van +Jezus buiten de Joden verspreidden, erkenden evenzoo een aantal +uitverkorenen, dat waren zij die in de kerk in de mysterien waren +ingewijd, terwijl zij die buiten de mysterien stonden profanen werden +genoemd. Het woord profaan werd in de oudheid gewoonlijk gebruikt om +deze menschen aan te duiden en wanneer wij overgaan tot de tweede soort +van geschriften, waarvan ik u gesproken heb, tot de geschriften der +apostelen, vinden wij dat Paulus het onderscheid, door Jezus gemaakt, +behield en het toepaste op zijn eigene bekeerlingen. Zoo schreef hij aan +de Corinthiers, die als Christenen waren gedoopt, die hadden deelgenomen +aan het Heilige Avondmaal, die lidmaten der kerk waren, zooals wij +zeggen zouden: "En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot +geestelijken, maar als tot vleeschelijken, als tot jonge kinderen in +Christus. Want gij zijt nog vleeschelijk." [Voetnoot: I Corinthiers +3,1-3.] En elders zegt hij: "En wij spreken wijsheid onder de +volmaakten." [Voetnoot: I Corinthiers 2,6.] Paulus maakte dus hetzelfde +onderscheid als de Meester: voor hen die vleeschelijk waren, voor de +jonge kinderen in Christus, sprak hij zonder geestelijke wijsheid; die +wijsheid werd slechts gegeven aan de volmaakten, dat is, aan hen die +ingewijd waren in de mysterien der kerk. Want deze uitdrukking "de +volmaakten" is het oude woord voor de ingewijden; zij moesten volmaakt +zijn in het uiterlijke leven, voordat zij werden toegelaten tot de +kennis der mysterien van Jezus. Vervolgens vinden wij dat Paulus aan +Timotheues, dien hij wijdde tot bisschop der kerk, beval op zijn beurt +uit de geloovigen diegenen te kiezen, die in staat zouden zijn meer te +leeren en dat hij aan dezen het Woord moest mededeelen, dat hij zelf had +ontvangen voor vele getuigen. Hier hebben wij weer een uitdrukking die +in de oudheid veel werd gebruikt: "het Woord," het Woord dat gegeven +werd voor vele getuigen. Wat is dat Woord, dat Paulus gaf aan Timotheues, +in tegenwoordigheid van vele getuigen en dat hij hem beval over te geven +aan hen die het waardig zouden zijn? Dit Woord, gesproken voor vele +getuigen, is de geheime leering der mysterien, welke nooit op schrift is +gesteld, welke nooit werd gegeven in eenigen vorm, waarin zij kon worden +verraden, maar altijd slechts gesproken werd van mond tot oor, van +leeraar tot leerling, in tegenwoordigheid van vele getuigen, die konden +instaan voor de nauwkeurigheid der ongeschreven overlevering, die konden +getuigen dat de leeraar het Woord goed had overgebracht, dat hem +gegeven was om aan anderen over te leveren. Het Woord, door Timotheues +van Paulus ontvangen in tegenwoordigheid van vele getuigen, is het +esoterisch Christendom, mondeling geleerd aan hen die waardig waren zelf +leeraars te worden. + +Wij hebben gezien, eerstens hoe Jezus zelf de mysterien slechts leerde +aan enkele leerlingen, en tot de menigte sprak in gelijkenissen, +vervolgens hoe Paulus als apostel op dezelfde wijze te werk ging en aan +Timotheues beval het Woord op zijne beurt verder te geven, zoodat wij +thans in de derde plaats komen tot de latere bisschoppen en kerkvaders, +die verklaren dat zij de geheime leering hadden ontvangen en ze op hunne +beurt hadden over te leveren aan hen die zich daartoe waardig toonden. +Tot nog toe heb ik slechts aanhalingen gedaan uit het Nieuwe Testament +dat naar ik veronderstel ieder uwer bekend zal zijn. Thans zal ik eenige +schrijvers aanhalen uit de vroegste geschiedenis der kerk, die u +misschien niet bekend zullen zijn, maar die gij toch ook zelf lezen +kunt, hetzij in het Latijn of het Grieksch, zoo gij die talen verstaat, +of anders in uw eigene taal overgezet. De kennis van de geschriften der +oude kerkvaders is noodig voor ieder die als prediker van het +Christendom optreedt. Zonder die kennis is hij niet geschikt zich +leeraar van het Christendom te noemen. + +Een van die bisschoppen nu was Clemens van Alexandrie, een der meest +geleerde en wijze mannen der Christelijke kerk, die het aanzien der kerk +heeft verhoogd door de zuiverheid van zijn leven, door de diepte zijner +wijsheid. Terecht heeft de dankbare kerk hem in latere dagen als een +heilige beschouwd. Groot is het aantal geschriften dat hij heeft +nagelaten tot leering der Christenen. In een van deze geschriften +spreekt hij over de kennis, die door de kerk was overgeleverd van den +tijd van Jezus tot op zijn tijd toe, het onderricht dat Jezus gaf aan +zijn apostelen, en dat na hem van geslacht op geslacht was overgegaan. +Hij zegt: "Deze leering werd van den beginne af slechts gesproken tot +hen die begrijpen. De ongeschreven uitlegging der geschrevene woorden, +die door den Heiland aan de apostelen gegeven werd, is tot ons +overgeleverd." [Voetnoot: Stromata 6,15.] Hier hebben wij de getuigenis +van een der bisschoppen van de oude kerk, dat er een onderricht van +Jezus was, niet geschreven, maar door Jezus gegeven aan de apostelen, en +door de kerk bewaard als een ongeschreven overlevering. Dezelfde +getuigenis geeft Origenes, een ander kerkvader. Hij zegt dat Jezus met +zijne discipelen in het bijzonder sprak over het evangelie Gods, dat de +woorden welke hij sprak niet werden bewaard in geschrifte, en dat zij de +verklaring vormden der gelijkenissen. Slechts zij ontvingen die leering, +die waardig waren haar te ontvangen; hij zegt dat allen die deze leering +zullen ontvangen, in bewondering zullen staan over hare wijsheid. Maar +er is nog meer: dezelfde Clemens, die spreekt over de ongeschreven +leering van Jezus, vertelt ons ook dat hij zelf in zijn openbare +prediking slechts zwakke, onvolmaakte beelden kon geven, maar dat zij +die geslagen waren met den thyrsus, de beteekenis ervan zouden +begrijpen. Geslagen te zijn met den thyrsus nu beteekent te zijn +ingewijd, want de thyrsus was een roede, die bij de inwijding gebruikt +werd, bij welke gelegenheid de persoon die ingewijd werd in trance werd +gebracht, om de ziel te bevrijden van het lichaam. Wanneer de kandidaat +voor de inwijding voor den leeraar was gebracht, ontving hij eerst door +mondelinge leering de kennis, waarvan ik reeds gesproken heb en daarna +werd hij geslagen met de roede, welke als voertuig diende voor +magnetische krachten, welke in den kandidaat de innerlijke krachten der +ziel deden ontwaken, en de ziel in staat stelden zich vrij te maken van +het lichaam en zoo hoogere leering te ontvangen in de onzichtbare +wereld, vrij van den last van het lichaam. Deze uitdrukking nu: +"Geslagen met de roede" beteekent ingewijd in de mysterien. Clemens +vertelt ons hiervan nog iets meer, licht een hoekje van den sluier op, +en ontdekt ons een weinig van wat daarachter verborgen is. Hij deelt ons +de voorwaarden mede waaronder de mensch de inwijding kan ontvangen, en +de eerste woorden welke door den leeraar bij het begin van de +inwijdingsplechtigheid werden gesproken. Hij vertelt ons dat uit de +lidmaten der kerk, uit hen die gedoopt waren en aan het Heilige +Avondmaal hadden deelgenomen, dat uit die velen zeer weinigen werden +gekozen: "velen zijn geroepen", zegt hij, de woorden van Jezus +aanhalende, "maar weinigen uitverkoren." Hij zegt verder van die +uitverkorenen: wie vrij is, niet slechts van alle laagheid, maar ook van +wat de menschen als geringere zonden beschouwen, slechts hij kan worden +ingewijd in de mysterien van Jezus, welke alleen door de heiligen en +reinen worden gekend. Daarna deelt hij de eerste woorden mede, welke bij +de inwijding gesproken werden: Hij die als inwijder optreedt, +overeenkomstig de voorschriften van Jezus, zal zeggen tot hen die rein +zijn van harte: "Hij wiens ziel zich gedurende langen tijd van geen +kwaad bewust is, en in het bijzonder sinds hij zich overgaf aan de +weldoende kracht van het Woord, laat de zoodanige hooren de leering, +door Jezus in het geheim gesproken tot zijn waarachtige leerlingen." +[Voetnoot: Contra Celsum 3,40.] Dit waren de eerste woorden, gesproken +bij de Christelijke inwijdingsplechtigheid, dit was de eerste zin, door +den hierophant tot den kandidaat gericht. Het verdere kan Clemens niet +aanhalen, want dan begint de leering welke slechts gegeven kon worden in +de mysterien. Deze eerste woorden echter stellen de voorwaarde van +reinheid en roepen den kandidaat op om te luisteren naar de leering, +door Jezus in het geheim aan zijne leerlingen gegeven. + +Wat is er thans geworden van die leering? Wat heeft de kerk gedaan met +deze heiligste nalatenschap van den Christus? Waar wordt nu het +onderricht gevonden, dat Jezus zijnen leerlingen in het geheim gaf? Waar +zijn nu de mysterien van Jezus, en degenen die den kandidaat zouden +kunnen inwijden in de kennis, die aan de vroegere Christenen werd +meegedeeld? Is de kerk trouweloos geweest in het bewaren van haren +schat? Heeft zij de overlevering verloren, en ook degenen aan wie deze +was toevertrouwd? Indien dit waar is, geen wonder dan dat de +ongeloovige instaat is het geloof der Christenen te doen wankelen, geen +wonder dan dat honderden van de meest ontwikkelde menschen worden +gevonden buiten de grenzen der Christelijke kerk. + +Is het mogelijk die verloren kennis te herwinnen? Is het mogelijk deze +leering weer te vinden, nu ze verdwenen is uit den schoot der kerk? Ja, +die leering is nooit werkelijk verloren gegaan, de kennis van de +mysterien is nooit geheel en al verdwenen. Zij is bewaard door Jezus +zelf en door zijn trouwe leerlingen, en die leerlingen zijn nooit geheel +en al van de aarde verdwenen. Hier en daar werd er altijd nog een +gevonden, die de duisternis om zich verlichtte, een heilige, stralend +als een ster aan den donkeren hemel, in het bezit van eerste-hands +kennis, de kennis van de oude mysterien van Jezus. Nu en dan verscheen +zulk een leerling in den schoot der Christelijke kerk, ingewijd en +onderwezen gelijk voorheen, evenals de Christenen van vroeger, in het +bezit van onmiddellijke leering, welke hem in staat stelde als leeraar +op te treden. En hiertoe zijn slechts zij in staat, die zelf de +onmiddellijke leerlingen zijn van de Meesters. Sedert de overlevering +van haar bestaan uit de kerk verdwenen is, wordt de geheime leering nog +altijd overgedragen van den een op den ander, zoo vaak er iemand +gevonden wordt die waardig is ze te ontvangen. En met die leering gaat +samen het vermogen om wat men verkeerdelijk "wonderen" noemt te +verrichten, het gebruiken van natuurkrachten, welke de gewone menschen +niet kennen. Gij zult u herinneren hoe Jezus gezegd heeft dat zekere +teekenen hen zouden vergezellen, die geloofden; dat zij vergif zouden +drinken zonder dat het hun schaadde, dat zij door handoplegging zieken +zouden genezen; aan deze teekenen, zeide hij, zouden waarlijk geloovigen +worden herkend. + +Hoevele Christenen vertoonen thans deze teekenen van het levend geloof? +In welke mate zijn die krachten in het bezit der Christenleeraars van +onze hedendaagsche kerk? Hier en daar in de middeleeuwen vinden wij er +nog sporen van, zooals de wonderen, verricht door Franciscus van Assisi +en Elisabeth van Hongarije, wonderen, niet in den zin van een schending +der natuurwetten, want zulk een schending is onmogelijk, maar wonderen, +mogelijk gemaakt door de kennis eener hoogere wet, welke op lagere +gebieden niet kan worden ontdekt, door gebruik te maken van geestelijke +krachten welker werking de groote menigte der menschen niet kent. + +In den aanvang van deze voordracht sprak ik u nog van een ander soort +van bewijs dat kon worden gegeven om het bestaan van de esoterische +kennis aan te toonen. Voor hen toch die deze kennis bezitten is het +mogelijk de duistere en moeilijke plaatsen in de Schrift te begrijpen en +te verklaren, plaatsen welke altijd struikelblokken zijn geweest voor +den Christen, maar toch voor een eenvoudige verklaring vatbaar zijn, +wanneer men slechts den esoterischen kant der godsdienstige leering +onderzocht heeft. Laten wij bijvoorbeeld enkele plaatsen nemen uit het +Nieuwe Testament, welke moeilijk zijn te begrijpen en waarin de +hedendaagsche Christenen niet gelooven, en die altijd weggeredeneerd +worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van den jongeling, die tot Jezus +kwam en hem vroeg hoe hij het eeuwige leven beerven kon. Het eerste +antwoord dat Jezus hem gaf was het exoterische. "Gij weet de geboden". +Dit is juist wat thans de predikant zou zeggen tot iemand, die hem kwam +vragen hoe hij het eeuwige leven zou kunnen verkrijgen. Zijn antwoord +zou wezen: "leid een goed leven op aarde". Dit was ook het eerste +antwoord dat Jezus gaf, maar de jongeling was hiermede niet tevreden. +Hij wist dat dit slechts het exoterische antwoord was, niet het diepere +dat hij zocht. Het wees hem den weg niet dien hij wenschte te vinden. +Daarom antwoordde hij: "Meester, deze dingen heb ik onderhouden van +mijne jonkheid af". Dit is het antwoord dat ieder moet kunnen geven, die +naar de diepere wijsheid verlangt. Aan de uiterlijke wet moet zijn +voldaan, voordat de innerlijke leering kan worden verkregen. Toen gaf +Jezus een ander antwoord: "Een ding ontbreekt u, ga henen, verkoop al +wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den +hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij". Toen ging de +jonge man treurig heen, want hij had vele goederen; en Jezus wendde zich +tot zijne discipelen, die alles verlaten hadden om hem te volgen, en +sprak: "Het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan +dat een rijke in het koninkrijk Gods inga." [Voetnoot: Marcus 10, +17-26.] + +Hoe dikwijls worden tegenwoordig deze laatste woorden weggeredeneerd. +Hoe vele predikers hebben er over gepreekt en ze van hun beteekenis +beroofd. Hoe dikwijls hebt gij misschien in uwe jeugd aan uw leeraar +gevraagd, gelijk ik het mijn leermeester vroeg: "wat beteekenen toch die +woorden? Is het waar dat een rijke niet gemakkelijker het koninkrijk +Gods binnengaan kan dan een kemel kan gaan door het oog eener naald?" +Maar mijn leermeester redeneerde de moeilijkheid weg en zeide mij dat +het beteekent dat een rijke even goed als een arme het eeuwige leven kan +verwerven, dat het iets anders beteekent dan het zegt, dat het +betrekking heeft op een poort in Jeruzalem waar een kameel slechts +onbeladen door kon gaan; en dat het wilde zeggen dat een rijke vele +moeilijkheden heeft en aan vele verleidingen blootstaat, maar niet dat +hij in het geheel niet zou kunnen binnengaan in het koninkrijk Gods. De +groote menigte der Christenen schijnt het ook niet op te vatten in den +zin, zooals het door Jezus is gezegd, want overal ziet gij de menschen +hard werken om rijkdommen te verwerven, en als zij dachten dat zij +daardoor het eeuwige leven zouden verliezen, zouden zij wel niet zoo +hard werken om in de hel te komen; zoodat wij vrij zeker kunnen zijn dat +zij in woorden van Jezus als de aangehaalde volstrekt niet gelooven. Dit +is het noodzakelijk gevolg van het verloren gaan der esoterische kennis. +Wat is de beteekenis van deze uitdrukking: "het koninkrijk Gods?" Zij +wordt altijd gebruikt voor "inwijding in de mysterien". Zij die willen +binnengaan in het koninkrijk Gods moeten volmaakt worden, niet zooals de +mensch van de wereld, die na den dood in den hemel komt, om na verloop +van tijd terug te komen, meer te leeren en meer ondervinding op te +doen,--het eeuwige leven is niet het vertoeven in een voorbijgaanden +hemel, het is de kennis van God, het is de vereeniging met de Godheid +zelf. En die kennis van God die het eeuwige leven is, is het koninkrijk +Gods, waarin slechts de volmaakte kan binnengaan. En het is altijd een +vaste wet geweest dat ieder mensch, voordat hij wordt ingewijd, alles +moet afstaan wat hij bezit, dat hij niets meer als zijn eigendom +beschouwen moet, wat in de oogen der wereld het zijne is. De gelofte van +armoede is altijd de gelofte van den ingewijde geweest; niemand kan +inwijding bereiken die niet deze gelofte doet in haar wijdste +beteekenis: niet slechts wat zijn aardsche goederen aangaat, maar +aangaande alles wat hij bezit, zij het rijkdom van verstand of rijkdom +van hart of rijkdom der aarde. Hij staat ze alle af en deelt ze met de +wereld, hij beschouwt ze niet langer als de zijne. Indien geld in zijne +handen komt, is het niet het zijne, moet het niet worden gebruikt voor +zijn persoonlijke behoeften: het behoort aan het werk van zijn Meester. +Hij bezit niets dat hij voor zichzelf gebruiken kan. Indien hij kennis +bezit is die niet de zijne, maar hij bezit die om de wereld te +onderwijzen. Hij bezit zijne kennis slechts om ze te kunnen geven aan +anderen; hij heeft geen rechten, hij kent slechts plichten jegens de +menschheid. Voor zichzelf kent hij geen rechten van eenigen aard. Hij +staat alles af wat het zijne is. En toen Jezus zeide dat hij die +volmaakt wil worden alles verkoopen moet wat hij heeft en hem volgen, +zeide hij slechts wat iedere Meester zegt tot den leerling die +inwijding bereiken wil: "Gij moet alles afstaan wat gij bezit, gij moet +u ontdoen van al wat gij hebt." Een harde voorwaarde, zeker: hard voor +hem wiens hart nog hangt aan de wereld, hard voor hem die nog geeft om +de schatten der aarde; maar licht voor hem die het hoogere leven zoekt, +die naar diepere wijsheid verlangt, die het lagere leven wil opofferen +om het hoogere te vinden, die het vleesch wil kruisigen opdat hij in God +met Christus vereenigd kan zijn. + +Wij zullen thans een tweede spreuk van Jezus nemen: "Wijd is de poort en +breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door +dezelve ingaan; want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven +leidt, en weinigen zijn er die dezelve vinden." [Voetnoot: Mattheues +7,13.] Hoevele liefhebbende harten treuren over deze woorden, van +hoevele vrome Christenen breekt het hart bij het denken aan deze woorden +van Jezus. Weinigen die binnentreden, velen die ten verderve gaan, +weinigen die redding vinden, velen die den breeden weg, weinigen die het +smalle pad volgen! Wat is de beteekenis van deze woorden? Zij zeggen +hetzelfde wat Jezus bedoelde toen hij sprak tot den jongeling. De breede +en gemakkelijke weg is de gewone weg van de menschen der wereld, die +leidt van geboorte naar dood, van dood naar geboorte, van geboorte weer +terug naar den dood, door steeds herhaalden kringloop van dood en +geboorte. Zulk een leven is dood, niet leven, in de oogen van den +verlichte. De weg welke tot het leven leidt is de weg welke van +wedergeboorte bevrijdt, is het pad der inwijding, dat leidt tot dien +tempel Gods, welken niemand verlaat, nadat hij hem is binnengetreden. +Weinigen inderdaad zijn er op het tegenwoordig standpunt van de +ontwikkeling der wereld, die dezen weg betreden, weinigen worden er +gevonden onder de millioenen der menschheid, die sterk genoeg zijn om de +moeilijkheden van het enge pad te overwinnen. Maar in den loop der +eeuwen zullen allen dit pad vinden en betreden, en geen menschelijke +ziel zal vervallen tot eeuwig verderf. + +Er is nog een gezegde van Jezus, dat moeilijk is te begrijpen: "Weest +dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt +is." [Voetnoot: Mattheues 5,48.] Dat is weer een bevel dat door de meeste +menschen wordt weggeredeneerd, omdat zij gevoelen dat de vervulling +onmogelijk is voor zondige menschen, voor mannen en vrouwen vol +zwakheden en dwaasheden, alledaagsch en wereldsch, bekrompen in hun +opvattingen, overgegeven aan de genoegens der wereld. Hoe zouden zij +volmaakt kunnen worden gelijk God in den hemel volmaakt is? Bracht Jezus +dan zijn leerlingen op een dwaalspoor, toen hij hun een bevel gaf dat +zij onmogelijk uitvoeren konden? Kon hij, die de waarheid Gods zelf was, +een gebod geven dat niet kon worden opgevolgd? Neen! Het is voor den +mensch mogelijk, volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, niet in een +kort leven, niet in twintig of veertig of honderd jaar, niet in het eene +korte tijdperk tusschen de wieg en het graf, tusschen geboorte en dood. +Dit is slechts een stap naar een volmaking als die van God. Maar leven +volgt op leven, groei volgt op groei. Ieder volgend leven kan dichter +bij de volmaking worden gebracht, ieder volgend leven zamelt den oogst +van het voorgaande in. Met steeds vermeerderende kracht, met steeds +toenemenden groei stijgen de menschen tot de volmaking, in de +voetstappen van den Heiland. In de lange eeuwen die voor ons zich +uitstrekken zal de goddelijke volmaking worden bereikt. + +Laten wij van deze op zich zelf staande teksten afstappen en een +leerstuk der Christelijke kerk beschouwen dat voor velen moeilijk te +gelooven is, en dat dikwijls wordt aangevallen: de leer der drieeenheid. +God een eenheid en toch drievoudig, drie personen en toch een God. Velen +hebben zich over dit leerstuk verbaasd en zijn ten laatste tot de +overtuiging gekomen, dat zij dit niet konden begrijpen, dat blind geloof +moet aannemen wat het verstand niet begrijpen kan. Maar in de +esoterische leering der mysterien werd de leer der drieeenheid +begrijpelijk gemaakt, werd zij een verheffende en helpende kracht. Deze +geheele leering kan niet openbaar worden gemaakt, maar een deel ervan +kan hier worden besproken; en dit kan eenig licht werpen op ons +onderwerp. In iederen godsdienst wordt de drieeenheid geleerd: de Vader, +die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan voorstelt, en uit den Vader +de Zoon en de Geest. De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is. +God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, van onbegrensd Vermogen in +alle openbaringen voor als de Eeuwige Vader, het midden-leven van het +heelal. Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van het aanzicht van +liefde der Godheid, van liefde en gelukzaligheid tevens, de tweede +persoon in de drieeenheid, de tweede Logos, zooals hij dikwijls genoemd +wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen kant de openbaring van +mededoogen, van alomvattende liefde, aan de andere zijde van eeuwige, +oneindige gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is dat van +wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard als de Geest, het goddelijk +denkvermogen. Toen God zich openbaarde als scheppende kracht, als het +algemeen denkvermogen, werd hij de derde Logos, de derde persoon in de +drieeenheid. God is in wezen een, drievoudig in zijn openbaring, het +eene Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer wij spreken +van de drie personen van de drieeenheid, zijn dit slechts drie +aanzichten, waarin de godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en +begrijpelijk voor den mensch. + +De drieeenheid, die in de godheid is, weerkaatst zich in den mensch, ook +de mensch is een drieeenheid, het beeld van God. In den mensch heeft de +goddelijke drieeenheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt in den +voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen aard van de godheid, en +ontwikkelt in zijn inwezen de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft +van God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het verstand, de +weerkaatsing van den derden persoon der goddelijke drieeenheid, daarna +wordt de Zoon in hem geboren, de geest van den Christus, van +alomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het kenmerk van den mensch +in wien dit tweede aanzicht zich ontwikkelt, die van den derden trap +tot den tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle menschen in +zich omvat. Dit is de geest van den Christus, en naarmate de mensch +dezen ontwikkelt wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor de +laatste openbaring in den mensch. Niet alleen de ontwikkeling van het +verstand, de weerkaatsing van den Geest, niet alleen de liefde, die +wordt voorgesteld door het leven van den Zoon,--ook het leven van den +Vader moet zich in den mensch openbaren. Hij moet gelijk worden aan de +goddelijke Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging waarvan +alle godsdiensten hebben geleerd, dat is het een-worden met den Vader, +waarvan Christus tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal dien +zij zouden bereiken. Het een-worden met den Vader is het einddoel der +ontwikkeling van den mensch. + +In het grootste deel der menschen op aarde ontwikkelt zich thans het +derde aanzicht der drie-eenheid, het verstand. Slechts hier en daar +treffen wij menschen aan, in wie het leven van den Christus zich begint +te ontvouwen. Wanneer dit leven volmaakt zal zijn, zal de vereeniging +komen met den Vader, waarvan Paulus zegt: "Daarna zal het einde zijn, +wanneer hij het koninkrijk aan God en den zij alles in allen." +[Voetnoot: 1 Corinthiers 16, 24-28.] Dat is de zielsverrukking waarom +ieder heilige bad, de vereeniging met God; dat is het doel, dat de kroon +is der menschelijke ontwikkeling. Aldus is de leering van het +esoterisch Christendom, dieper, breeder, verheffender dan de uitwendige +vorm, tot welken helaas de kerk zich bepaalt. Aldus leert het Goddelijk +Weten, dat het uwe is door erfrecht, het uwe door de gave van den. +Christus, het uwe krachtens uw geestelijke afkomst, het uwe door uw +recht als leden eener Christelijke gemeenschap. En ik, die geleerd heb +van die Meesters waarvan Jezus een is, ik, die door eigen ondervinding +weet, dat deze leering kan worden verkregen, dat duizendmaal meer kan +worden geweten dan hier mijne lippen uiten kunnen, ik kom tot u als +bode, om u te herinneren aan uw erfrecht, ik kom tot u om u te +herinneren aan het bestaan van goederen die de uwe zijn. Dat is de +boodschap die ieder leerling op zijne beurt brengt aan iedere kerk, aan +ieder geloof; niet iets nieuws brengt hij niet zich, slechts de +herinnering aan wat oud is, maar nog steeds binnen menschelijk bereik. +Aan u om dit pad te betreden, aan u om die kennis te verwerven, aan u om +de gelegenheid aan te nemen, die de leering der Theosofie u brengt, de +leering die dezelfde is als esoterisch Christendom. De gelegenheid wordt +u geboden, aan u haar aan te nemen of te laten, gelijk gij dat wilt. + + + + +#Het verhaal van den Christus# + + +Ik zal hedenavond het verhaal van den Christus beschouwen van het +standpunt van den Occultist, Wanneer wij enkel als Theosofen spreken, +trachten wij het verhaal van den Christus duidelijk te maken in zijn +geestelijke beteekenis. Wanneer wij ons echter op het standpunt van den +Occultist plaatsen kunnen wij verder gaan. Wij kunnen terugzien naar de +archieven van het verleden en deze onderzoeken, wij kunnen terugzien tot +het leven, zooals dat negentien eeuwen geleden werd geleid en het stap +voor stap bestudeeren. Maar ik moet u herinneren dat de inhoud dezer +occulte archieven niet langs geschiedkundigen weg bewezen kan worden. +Het is waarschijnlijk dat in de eerstvolgende twintig jaren eenige oude +handschriften zullen worden gevonden, welke dezen inhoud tot op zekere +hoogte zullen bevestigen, maar op het oogenblik zijn deze handschriften +nog niet door de oudheidkundigen ontdekt. Daarom stel ik mij voor mijn +onderwerp niet van den kant der gewone geschiedenis maar van het +standpunt van den Occultist te beschouwen, en naarmate ik verder ga zult +gij zien dat deze wijze van beschouwing vele moeilijkheden in de +evangelien uit den weg ruimt, en dat zij u in staat stelt al wat in die +evangelien van waarde is te redden uit de aanvallen der geschiedkundige +kritiek. Zij stelt u in staat het Christendom te baseeren op een leven, +meer dan op een handschrift en alles te begrijpen wat van werkelijk +belang is in het verhaal van den Christus, beschouwd als een mystiek +verhaal en als een feit uit de geschiedenis. + +Hat verhaal is vanzelf in twee deelen te splitsen, welke wij in onze +beschouwing zullen moeten scheiden. De eene afdeeling behandelt den +geschiedkundigen Jezus en omvat tevens de zonnemyten welke door zijne +levensbeschrijving geweven zijn. In de tweede afdeeling spreken wij niet +over den geschiedkundigen Jezus maar over den mystieken Christus, en +deze vertegenwoordigt in een opzicht den tweeden Logos, en in een ander +de individuele ziel, welke goddelijkheid bereikt. + +In de evangelie-verhalen en in het geloof der kerk zijn deze beide +gedeelten niet scherp gescheiden. Wat tot het eene behoort wordt +dikwijls gerekend bij het andere. Dit geeft tot veel verwarring +aanleiding en biedt menig zwak punt voor de aanvallen van den +ongeloovigen kritikus. Naarmate wij deze draden ontwarren zult gij +beider waarde beter begrijpen en zult gij ook het groote belang inzien, +dat het geheel voor de menschheid heeft. + +Laten wij eerst het verhaal van den geschiedkundigen Jezus nemen, en de +zonnemyten welke daarmede zijn tezamen geweven. + +Jezus werd geboren uit Joodsche ouders, ongeveer honderd jaar voor het +tijdstip dat gewoonlijk wordt opgegeven. Hij werd opgevoed onder de +Esseers, een Joodsche sekte van zeer rein leven en diep godsdienstig +gevoel. Zij waren ongehuwd, zij aten geen vleesch en dronken geen wijn, +en waren ook buitengewoon weldadig en medelijdend. Kinderen, die als +weezen waren achtergebleven, namen zij tot zich om ze in hun midden op +te voeden. Behalve de weezen werden dikwijls ook andere kinderen van +goede afkomst aan hunne zorg toevertrouwd wegens de reinheid van hun +leven en de wijsheid welke zij bezaten, en die hun groote waarde gaf als +onderwijzers. Onder deze heilige menschen bracht Jezus zijn jeugd door. +Hij muntte uit door zijn buitengewone reinheid en godsdienstige +toewijding, welke zich op twee wijzen toonde: in zijne vurige aanbidding +van God en zijn voortdurend streven om zijne medemenschen te helpen. +Deze beide karaktertrekken waren buitengewoon sterk in hem ontwikkeld: +de liefde tot God welke hem leidde tot lange uren van overpeinzing en de +liefde tot de menschen welke hem krachtig werkzaam deed zijn om allen te +helpen die smart leden. Deze toewijding ging zooals ik reeds zeide +gepaard aan een buitengewone reinheid. Toen hij den mannelijken leeftijd +naderde trok hij naar Egypte. Hij trok van de gemeenschap der Esseers in +het Zuiden van Palestina tot een dergelijke gemeenschap op den berg +Sinai en naderhand in Egypte. In dit land bestudeerde hij de oude +wijsheid der Egyptenaren en hij werd ingewijd in hunne mysterien. Op +omstreeks 27-jarigen leeftijd keerde hij naar Palestina terug, en begon +zijnen verwanten en vrienden onderricht te geven in wat hij geleerd had. + +Te dien tijde nu was in de wereld een nieuwe aandrang van +geestelijkheid noodig geworden. De tijd voor het ontstaan der westersche +volkeren brak aan. Reeds ontwikkelden zich jonge rijken welke de kiem +van toekomstige grootheid in zich droegen. De beschaving waartoe zij +zich zouden ontwikkelen zou van geheel anderen aard zijn dan die van het +Oosten. Het verstand dezer nieuwe volken zou krachtig en werkzaam van +aard zijn. De omstandigheden van hun klimaat zouden ijver en +krachtsontwikkeling eischen. De godsdienst welke bij de vorming van deze +beschaving daartoe dienstig zou zijn moest ethisch en praktisch zijn, +eenvoudig van wijsbegeerte, helder van leering. Deze godsdienst werd +geschonken door de groote Broederschap uit welke alle godsdiensten +voortgekomen zijn, en Jezus was het voor die taak uitgekozen werktuig. +Hij was voor dit werk bijzonder geschikt door zijn reinheid en +toewijding. Toen hij ongeveer dertig jaar oud was kwam voor hem de tijd +zijn werk te beginnen. Een bijzondere nederdaling van goddelijke kracht +kwam in hem en scheidde hem af van de overigen van zijn ras. Deze +nederdaling maakte hem in zeer bijzonderen zin tot den +vertegenwoordiger, tot den bode van God. Van deze nederdaling wordt +gesproken als van zijn "doop" en gij zult u herinneren hoe in het +verhaal van dien doop gezegd wordt dat de geest Gods op hem nederdaalde. +Van dien tijd af, gedurende de jaren zijner prediking, kan men Jezus +beschouwen als een vleeschwording van het goddelijk Leven. Het is +belangrijk, in gedachte te houden dat dit een uitstorting van het +goddelijk Leven in den mensch Jezus was, en dat de "doop" het tijdstip +was waarop die uitstorting plaats vond. Van toen af werd hij de prediker +van een zuiverder geloof voor de westersche wereld. Hij werd door de +Joden wegens godslastering gedood nadat hij ongeveer drie jaren onder +hen had gewerkt. + +Vele van de verhalen welke wij in de evangelien vinden behooren niet tot +het werkelijk leven van dezen grooten leeraar, maar zijn verhalen welke +zich rondom dat leven hebben gegroepeerd doch ook in verband met andere +leeraars aan de wereld bekend zijn geweest. Het is uit dit punt dat de +aanvallen van ongeloovigen met zonnemyte-argumenten hun kracht putten. +Enkele menschen, zooals Strauss en anderen, hebben getracht het +geschiedkundig karakter van Jezus geheel te vernietigen. Maar dat is een +overdrijving van ongeloovige kritiek, welke niet kan worden gehandhaafd +door kennis welke op goede grondslagen berust. Wat hun aanval kracht +heeft gegeven is het feit dat enkele dezer verhalen reeds sedert +duizenden jaren bestaan hebben. Het verhaal bijvoorbeeld van de geboorte +van Jezus uit een maagd, wat de kerk aanneemt dat plaats heeft gevonden +op den 25e December, is een van deze zonnemyten. In de oudste +Christelijke handschriften wordt de geboorte van Christus aangegeven op +verschillende tijden van het jaar. In het eene verhaal wordt hij geboren +in Mei, in een ander in Juli, in een derde in September. Eerst in de +zevende eeuw werd de 25^e December algemeen als Kerstdag erkend, en dit +is de datum welke reeds van de oudste tijden her genoemd is als de datum +van de geboorte van een vleeschgeworden godheid. Het is de datum waarop +Mithra, de zonnegod der Perzen, werd geboren, het is de dag waarop +Osiris, de zonnegod der Egyptenaren, het licht zag. Deze dag wordt als +feestdag beschouwd in alle groote godsdiensten welke tegenwoordig op +aarde bestaan. Dit feit berust hierop, dat de zon beschouwd wordt als de +vertegenwoordiger Gods. Alle licht en leven in een zonnestelsel komt van +den zon, gelijk alle licht en leven in het heelal komt van God. En in +alle godsdiensten der oudheid werd de zon beschouwd als het symbool voor +God, niet als Hemzelf, maar toch als een symbool waaraan de grootste +eerbied verschuldigd was. En daar de dag in het winter-stilstandspunt +het kortst is, zeide men dat dan de geboorte van den zon plaats vond. De +Christenkerk heeft dat tijdstip ook aangenomen voor de geboorte van +Jezus, en dit feit wordt gebruikt als bewijsgrond om aan te toonen, dat +Jezus niet anders is dan een zonnegod. + +Wat de datum van zijn dood betreft: het is u bekend dat de dag van de +kruisiging niet op een vasten datum gesteld wordt, maar op een datum +welke ieder jaar verandert en berekend wordt uit de standen van zon en +maan, zoodat deze dag niet een geschiedkundige, maar een sterrekundige +datum is. Een geschiedkundige verjaardag kan natuurlijk op deze wijze +niet worden vastgesteld en zij die het Christendom vijandig gezind zijn, +gebruiken dit als een bewijsgrond tegen dezen godsdienst. Het is daarom +van belang op te merken dat deze datums inderdaad niet uitsluitend op +het Christendom betrekking hebben, en dat de werkelijkheid van het leven +en den dood van Jezus niet van deze sterrekundige gegevens afhangen. +Ook vele andere verhalen, aan het leven van Jezus verbonden, hebben +reeds lang voor zijn geboorte bestaan. Dit was aan de eerste kerkvaders +en bisschoppen zeer goed bekend. Zij beschouwden het echter nooit als +een bewijsgrond tegen de werkelijkheid van het leven van Jezus, en +trachtten nooit den hoogeren ouderdom van die heidensche verhalen, +zooals zij genoemd worden, in twijfel te trekken. De waarheid van de +verhalen aangaande het leven van Jezus is deze: dat hij een man was, vol +goddelijken geest, gezonden om een nieuwen godsdienst te stichten; dat +hij een leven leidde van wonderbare toewijding en reinheid; dat hij de +diepste geestelijke wijsheid leeraarde; dat hij werken van medelijden en +liefde deed aan allen met wie hij in aanraking kwam en dat hij eindelijk +wegens godslastering door de Joden gedood werd. Dit zijn de voornaamste +feiten betreffende het leven van Jezus, welke geschiedkundig juist zijn. +En zooals ik zeide bestaat de waarschijnlijkheid dat binnenkort +handschriften zullen worden ontdekt welke aan de wetenschap +geschiedkundige gegevens zullen verschaffen. Maar de wonderbaarlijke +geboorte in December en de kruisiging omtrent den tijd der +lentenachtevening behooren tot de zonnemyten, niet tot de geschiedenis. +In de oudste handschriften welke wij thans bezitten vinden wij deze +datums niet vermeld en onder de vroegste Christenen werden deze punten +niet van belang geacht. Eerst gedurende de ontwikkeling der kerk hebben +zij belang gekregen als dogmata, en een der redenen waarom het van +belang was deze datums vast te stellen, was dat zij ook reeds +heidensche feestdagen waren en behoorden tot de verschillende vormen +van zonaanbidding welke in het Westen verspreid waren. De jonge kerk nam +deze feestdagen over en schakelde ze in de geschiedenis van Jezus, daar +men toen de vrees nog niet kende voor den ongeloovigen kritikus der +negentiende eeuw. + +Het verhaal van den Christus is van geheel anderen aard. Het woord +"Christus" is niet een naam die toebehoort aan eenen enkeling maar een +titel welke een zekeren rang aanduidt en sedert onheuglijke tijden +gebruikt werd om een zekeren graad van inwijding aan te duiden. Ieder +ingewijde die voorbij een zekeren graad van inwijding is, wordt een +Christus genoemd, welk woord "de gezalfde" beteekent. De zalving is een +deel van de plechtigheid van die inwijding, zoodat de inwijding den +mensch tot een "gezalfde" maakt. Ik zeide u reeds dat het verhaal van +den Christus van tweeerlei standpunt kan worden beschouwd, en wel in de +eerste plaats als een kosmisch verhaal, betrekking hebbende op het +heelal. In dit kosmisch verhaal stelt Christus den tweeden Logos voor, +den tweeden persoon in de drieeenheid. Deze tweede persoon in de +drieeenheid wordt in het Christendom erkend als de God-mensch en de +geschiedkundige Jezus wordt met dien God-mensch vereenzelvigd. Het +kosmische verhaal is in het kort het volgende: De tweede Logos, de +tweede persoon in de drieeenheid, daalde neder in de stof, om aan deze +zijn leven te geven: hij gaf zijn leven aan ieder schepsel dat ontstond. +Hij is het van wien Johannes schrijft: "Het Woord was bij God, en het +Woord was God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder +hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is". [Voetnoot: Johannes 1, +1-3] In het oude verhaal van deze nederdaling in de stof wordt gezegd +dat de tweede Logos in de stof gekruisigd is. Dit wil zeggen dat het +leven van God is gegeven om het leven van alle levende wezens te zijn en +dat God de banden der stof op zich nam, om dit leven mogelijk te maken. + +Deze kosmische gebeurtenis wordt herhaald in de geschiedenis van iedere +menschelijke ziel, want wat in het heelal geschiedt, gebeurt ook in het +kleine heelal, in den mensch. Wanneer wij het verhaal van den Christus +toepassen op de menschelijke ziel, geven wij het in den vorm waarin het +door de Christelijke mystieken werd beschouwd. De ziel des menschen +wordt beschouwd als voortgekomen uit God. Door een lange reeks van +aardlevens ontwikkelt zij de eigenschap van verstand, begripsvermogen, +denken, de weerkaatsing van den Heiligen Geest of den derden persoon in +de drieeenheid. De geest van den mensch wordt, van dit standpunt gezien, +beschouwd als het beeld van God. Hij is een drieeenheid in zijn wezen +evenals God een drieeenheid is, en de ontwikkeling van het leven, van +die drieeenheid in den mensch vervalt vanzelf in drie onderdeelen: de +eerste stap is die, waardoor het denkvermogen wordt ontwikkeld; deze +stap is den Theosoof bekend als de ontwikkeling van Manas, het +denkvermogen. Manas is in den mensch de vertegenwoordiger van Mahat in +den Kosmos, of om de Christelijke uitdrukking te gebruiken, de +vertegenwoordiger van den Heiligen Geest. Dit zich ontwikkelende +verstand is het derde aanzicht der menschelijke drieeenheid. Dit +standpunt van ontwikkeling is het standpunt waarop de menschheid zich +tegenwoordig bevindt, en deze ontwikkeling van Manas moet vrij ver +gevorderd zijn voordat de tweede stap kan worden gedaan, welke bestaat +in de ontwikkeling van het tweede aanzicht der drieeenheid in den +mensch, de ontwikkeling van den Zoon, of den Christus. Het kenmerkende +van dit standpunt van ontwikkeling is niet gelegen in de ontvouwing van +het verstand, maar van de liefde. Het is gelegen in de erkenning van +alle mensch en als een, niet als een gevolgtrekking door denken, maar +door de ontwikkeling van dit tweede aanzicht der drieeenheid, van wat +wij Buddhi noemen. Buddhi beteekent voor den Theosoof wat Christus +beteekent voor den Christen. Wanneer de mensch gereed is den Christus in +zich te beginnen te ontwikkelen ontvangt hij de eerste van de groote +inwijdingen. Bij deze inwijding zegt men dat hij geestelijk geboren +wordt; het is de tweede geboorte of de geboorte uit den geest waarvan +Jezus sprak. Deze inwijding wordt de tweede geboorte genoemd, omdat zij +den tweeden persoon in de menschelijke drieeenheid in werking brengt. +Door die inwijding ontwaakt Buddhi in den mensch en begint zich te +uiten, of in de Christelijke symboliek: bij die inwijding wordt Jezus +geboren uit den schoot der maagd. Deze geboorte werd steeds een +onbevlekte genoemd, een geboorte uit een maagd, omdat zij niet is een +geboorte uit het vleesch, maar een geboorte uit den geest. Om deze +reden ook zeide Jezus dat een mensch gelijk een kind moest worden om het +koninkrijk Gods binnen te gaan. In het geheele onderwijs van Jezus heeft +de uitdrukking: "het koninkrijk Gods" de beteekenis van "inwijding" en +de nieuw-ingewijde wordt een "kind" genoemd. Gij herinnert u ook dat +Paulus van zijn bekeerlingen hoopte dat Christus een gestalte in hen +mocht krijgen. Zij waren gedoopt als lidmaten der kerk, zij hadden +deelgenomen aan het Avondmaal, en toch noemde hij het zijn hoogsten +wensch, dat Christus in hen mocht worden geboren. Hieruit blijkt dat de +geboorte van Christus in den mensch niet beteekent lidmaat te worden van +de kerk, maar iets hoogers waarnaar de Christen moet streven. Een van de +redenen waarom de inwijding "de geboorte van den Christus" werd genoemd +is dat de mensch die deze eerste der groote inwijdingen ontvangt, voor +de eerste maal het bewustzijn van het buddhisch gebied ondervindt. Hij +wordt door zijnen Meester tot dat gebied gevoerd: door de aanraking van +den Meester wordt hij voor de eerste maal bewust op dat gebied. Dan +begrijpt hij wat eenheid beteekent: hij gevoelt dat hij een is met al +wat bestaat, hij ondervindt dat hij niet afgescheiden is, maar een deel +van het groote geheel; hij begrijpt het niet door verstandelijke +inspanning, maar ondervindt het door onmiddellijk bewustzijn. Dan begint +in den ingewijde het leven van den Christus, en langzamerhand neemt hij +dien geest van liefde en mededoogen in zich op. Zoo ontwikkelt de +Christus in hem. Nog twee andere inwijdingen moet hij doormaken terwijl +hij nog altijd als onvolwassen beschouwd wordt. Dan komt de tijd voor +den mystieken doop, die overeenkomt met den doop van den mensch Jezus. +Deze doop is de inwijding van den Arhat. Van dien tijd af is het +bewustzijn van den ingewijde voortdurend op het buddhisch gebied. Voor +deze inwijding wordt zijn bewustzijn van tijd tot tijd daarheen +overgebracht, maar wanneer zij heeft plaats gevonden, en de doop des +geestes ontvangen is wordt het buddhisch bewustzijn zijn gewone +bewustzijn, en begint hij langzamerhand het nirvanisch bewustzijn te +verwerven. Het bewustzijn op het buddhisch gebied wordt genoemd het +leven van den Zoon, die altijd in den hemel is bij zijnen Vader, en toch +op aarde wandelt onder de menschen als een van hen. Wanneer de mensch +dezen trap heeft bereikt, kan hij een Heiland der menschheid worden, +want daar zijn bewustzijn een is met dat van alle menschen kan hij met +hen deelen al wat hij heeft, daar hij zelf zuiver is kan hij naast de +menschen staan in hun zonde, daar hij zich zijn geheele verleden +herinnert kan hij medevoelen met den slechtste. Alleen de Christus kan +de vriend zijn van den laagste, want daar hij zelf tot zonde niet meer +in staat is kan hij met den zondaar in de nauwste aanraking zijn zonder +gevaar voor zijn eigen reinheid. Alleen de Christus kan den zondaar +werkelijke hulp brengen, want slechts hij kan gevoelen, wat die zondaar +gevoelt, en door de vereeniging van zijn bewustzijn die hulp brengen, +welke noodig is. De mensch die geheel buiten den zondaar staat kan hem +niet werkelijk helpen. Slechts hij die zijn bewustzijn kan vereenigen +met dat van den zondaar kan geven wat noodig is. Daarom wordt zulk een +mensch terecht een Heiland der wereld genoemd. + +Na al deze inwijdingen komt de mystieke kruisiging. De Arhat offert zich +geheel en al op voor het welzijn der wereld. Hij geeft al wat hij bezit +opdat het der menschheid ten goede moge komen. Hij verzaakt alle +afgescheiden leven, opdat zijn leven het leven der menschen zijn moge. +Hij neemt niets voor zichzelf opdat de menschheid alles moge ontvangen, +en deze laatste daad van opoffering wordt de "kruisiging" genoemd. Door +dien dood van het lagere rijst de ingewijde tot het goddelijk leven. Hij +wordt een met den Vader, hij stijgt boven het leven der wereld. Om de +Theosofische uitdrukking te gebruiken: Buddhi gaat op in Atma; de Arhat +wordt daardoor een Meester. In de Christelijke spreekwijze zegt men: de +Zoon wordt een met den Vader en, in den hemel opgestegen, zit hij aan de +rechterhand Gods. Dit "zitten aan de rechterhand Gods" is een +zinnebeeldige uitdrukking, welke beteekent dat hij de goddelijke +krachten bezit. Hij is in staat om een werktuig te zijn van de godheid +voor de ontwikkeling der menschheid en iedere Zoon, die de eenheid met +den Vader bereikt heeft wordt een van de krachten die de wereld vooruit +helpen, zoodat door zijn ontwikkeling die der geheele menschheid wordt +bevorderd. + +Aldus luidt het verhaal van den Christus, beschouwd als de geschiedenis +van den geest in den mensch. Het is het verhaal der inwijdingen, die in +de vroegere kerk bekend waren onder den naam: "de mysterien van Jezus." +Aan de oningewijden werd het gegeven in den vorm van de geschiedenis van +den Christus. Dit verhaal van de inwijding der menschelijke ziel werd +samengeweven met de geschiedenis van het leven van Jezus, en verloor +zijn verheffende kracht omdat men het toepaste op het uitwendig leven +van een mensch, in plaats van op het innerlijk leven van den geest. Maar +bij de Christelijke mystieken is het verhaal in zijn innerlijke +beteekenis bewaard gebleven. Wij vinden het terug in de overpeinzingen +der heiligen, waar zij zich vereenigen met den Christus en zich een +gevoelen met den Meester. Het gebed van Jezus dat zijn discipelen een +mochten worden in hem en met hem een in den Vader, schijnt door de +tegenwoordige Christenen vergeten te zijn. + +Het is een deel van de zending der Theosofie, aan het Christendom de +mystiek terug te brengen welke het verloren heeft. Voor millioenen +menschen in Europa is de Christelijke symboliek degene welke zij het +gemakkelijkst kunnen begrijpen. Indien wij tot hen spreken van Manas, +Buddhi en Atma, begrijpen zij ons niet. Indien wij hun echter aantoonen, +dat hun eigene woorden dezelfde beteekenis hebben, kunnen wij ons doel +bereiken. Wanneer wij hun vertellen, dat zij Buddhi kunnen ontwikkelen, +en dat Buddhi kan opgaan in Atma, weten zij niet wat wij bedoelen. Maar +wanneer wij hun leeren dat de Christus in hen kan worden geboren, en dat +zij een kunnen worden in den Vader, zien zij onze bedoeling. Wij moeten +de Christenen helpen te begrijpen: dat het verhaal van den Christus niet +betrekking heeft op een enkel mensch, maar dat het de geschiedenis der +ziel is, die zich tot volmaking ontwikkelt, dat ieder mensch een +Christus moet worden, dat dit voor ieder mensch mogelijk is. Dat is +juist de kracht van de geschiedenis van Jezus, bedoeld als een voorbeeld +voor allen, en een groot deel der waarde van zijn leven gaat verloren, +wanneer zijn geschiedenis wordt beschouwd als die van het uiterlijk +leven van eenen Heiland, in plaats van als een beeld van het geestelijk +leven. + +Nog een punt is er betreffende den geschiedkundigen Jezus, dat van groot +belang is, namelijk dat hij nog leeft in een lichaam, als een van die +groote Broederschap van Meesters waarvan de Theosofie ons leert. Hij +vindt zijn bijzondere taak in de Christelijke kerk. Door die kerk kunnen +nog heden de zielen hem als Meester bereiken; en zij die er toe zijn +gekomen de Meesters te kennen, weten dat Jezus een van hen is, en dat +hij nog thans door Christenen kan worden bereikt. Maar de voorwaarden +hiervoor zijn nog steeds dezelfde als immer te voren. Zij zijn +neergelegd in de woorden van Jezus in de Christelijke evangelien, +woorden die letterlijk moeten worden gevolgd, en niet weggeredeneerd. +Thans, gelijk oudtijds, moet de mensch die het leven van den Christus +wil vinden het lagere leven dooden. Thans, gelijk voorheen, moet hij +alles opgeven, wat behoort tot het persoonlijk zelf. Nog heden, evenals +vroeger, moet al zijn aandacht op geestelijke dingen zijn gericht en +niet op aardsche. Wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, zal Jezus, de +Meester, zich aan den leerling openbaren; maar zoolang zijne woorden +worden weggeredeneerd ter wille van wereldsche begeerten, zoolang de +mensch tracht twee meesters te dienen, in twee werelden te leven, +zoolang zal hij Jezus, den Meester, niet vinden, zal hij het leven van +den Christus niet bereiken. + + + + +#Aanhangsel.# + + + + +DE THEOSOFISCHE VEREENIGING. + + + + +De Theosofische Vereeniging is een internationaal lichaam, den 17^{den} +November 1875 te New-York gesticht. + +Haar doel is: + +_I. Het vormen van een kern van de algemeene broederschap der +menschheid, zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. II. Het +aanmoedigen van de vergelijkende studie van godsdienst, wijsbegeerte en +wetenschap. + +III. Het naspeuren van onverklaarde natuurwetten en van de ongeopenbaar +de krachten in den mensch._ + +Van deze drie doeleinden is alleen het eerste bindend voor alle leden +terwijl de twee andere tot hulp voor de bereiking van het eerste dienen. + +Het volbrengen van het tweede, dat het Oosten en het Westen aan elkander +ontsluiert strekt om misverstanden voortspruitende uit verschil van ras +en godsdienstvorm uit den weg te ruimen en stelt ten dienste van beiden +de verborgen schatten van geestelijke kennis die beide bezitten. Ook het +derde leidt tot broederschap daar het den mensch zich zelf en zijn +omgeving leert kennen en hem ten slotte de geestelijke eenheid aantoont +welke aan alle wezens ten grondslag ligt. Doch het nastreven van deze +beide doeleinden vereischt bijzondere vermogens en bijzondere +gelegenheden. Zij zijn daarom niet verplichtend voor alle leden doch +worden naar vrije keuze nagestreefd door hen die zich daartoe +aangetrokken gevoelen en die in staat zijn dat te doen. Daarom vindt +iemand die hiervoor in het geheel geen belangstelling koestert, indien +hij gelooft in menschelijke broederschap en willig is daarvoor te +werken, een hartelijk welkom en een ruime plaats in de Theosofische +Vereeniging. + +De leden der Vereeniging zijn meer verbonden door een ethischen dan door +een verstandelijken band en hun eenheid berust op een verheven ideaal, +niet op een omschreven geloof. De Vereeniging heeft geen +geloofsstellingen, dringt aan op geen enkel geloof, schaart zich onder +geen kerk, steunt geen partij, neemt geen deel aan de eindelooze +kibbelarijen welke de maatschappij verdeelen en het nationaal, +maatschappelijk en persoonlijk leven verbitteren. Zij tracht geen mensch +van zijn eigen godsdienstvorm af te trekken, maar noopt hem integendeel +in de diepten van zijn eigen godsdienst het geestelijk voedsel te zoeken +dat hij noodig heeft. De uitkomsten der studie welke in het tweede +doeleinde genoemd wordt biedt zij aan als voorwerpen van onderzoek, niet +als geloofsstellingen waaraan blind geloof moet worden geslagen. Dat +ieder eens anders godsdienstige gevoelens evenzeer eerbiedigen zal als +hij dat voor de zijne verwacht wordt gerekend tot een eervolle +verplichting in de Vereeniging, en volkomen wederkeerige hoffelijkheid +hierover wordt van de leden verwacht. Dit alles leidt meer en meer tot +samenwerking in het zoeken naar waarheid, tot verzachting van +vooroordeelen, tot vrijmaking van den geest en tot groei eener +welwillende vriendelijkheid en gewilligheid te leeren. Zoo is de +Vereeniging een beschermende muur tegen den tweelingsvijand van den +mensch: bijgeloof en materialisme, en behoort zij waar zij ook komt een +zachten en louterenden invloed van vrede en goeden wil te verspreiden en +zoodoende een van de krachten te zijn die het betere willen te midden +van den strijd der tegenwoordige beschaving. + + + + +LIDMAATSCHAP. + + +Lidmaatschap kan worden verkregen op aanvrage aan den Algemeenen +Secretaris eener Afdeeling of door middel van een der Loges of Centra +der Vereeniging. Nadere inlichtingen hieromtrent worden op aanvrage +gaarne verstrekt. Een exemplaar van de "Wet en Regels" der Theosofische +Vereeniging en der Nederlandsche Afdeeling wordt, op verzoek aan den +Algemeenen Secretaris, toegezonden. + + + + +LIDMAATSCHAPSKOSTEN. + + +De kosten van het lidmaatschap der Nederlandsche Afdeeling (insluitende +het lidmaatschap der Theosofische Vereeniging) bedragen f 3.--per jaar +en f 3.--intreegeld (eenmaal). Deze bedragen moeten bij de aanvrage tot +lidmaatschap worden voldaan. + +In bijzondere gevallen kan ontheffing van geldelijke verplichtingen +worden verleend. + + + + +ADMINISTRATIEVE INDEELING. + + +In verschillende landen voor zooverre die een voldoend aantal leden +tellen zijn Afdeelingen der Vereeniging gevormd. Deze Afdeelingen worden +vertegenwoordigd door een Algemeenen Secretaris. Iedere Afdeeling is +onderverdeeld in Loges en Centra. De Nederlandsche Afdeeling telt zeven +Loges en twee Centra. + +President der Vereeniging is Col. H. S. Olcott te Adyar, Madras, +Engelsch-Indie. + +De Algemeene Secretarissen van de Afdeelingen der Vereeniging zijn: + +#Nederland#: W. B. Fricke, Amsterdam, 76, Amsteldijk. + +#Amerika#: Alexander Fullerton; New-York, 5, University Place. + +#Europa#: G. R. S. Mead, B. A.; London, N. W. 19, Avenue Road. +#Indie#: Bertram Keightley, M. A.; Upendranath Basu, M. A., LL. B., +Benares. + +#Australie#: J. Scott, M. A.; Sydney, N. S. W., 42, Margaret +Street. + +#Scandinavie#: A. Zettersten, Stockholm, 30, Nybrogatan. + +#Nieuw-Zeeland#: Dr. C. W. Sanders; Auckland, Mutual Life +Buildings, Lower Queen Street. + + + + +LIJST VAN LOGES EN CENTRA DER NEDERLANDSCHE AFDEELING. + + +----------------------------------------------------------------------------- +PLAATS. VOORZITTER. SECRETARIS. +----------------------------------------------------------------------------- +AMSTERDAM. W. B. Fricke, Amsteldijk 76. H. Wierts van Coehoorn, + Amsteld. 76 +*Amsterd. Loge. K.P.C. de Baxel, Nic. Mej. Cato E. Gruntke, + Beetsstr. 118. Overtoom 206 +*Vahana Loge. J. W. Boissevain, J. J. Hallo Jr., + Tesselschadestraat 4. Schotersingel 69, Haarlem. +StudentenCentrum. +*GOUDA (Centrum). H. Reijnders, Lange + Groenendaal 99. +*'s GRAVENHAGE. E.J.B. van der Beek, Mej. C.J. de Prez, + Wilhelminastr. 35 Wilhelminastr. 35 + +*HAARLEM. Johan van Manen. J. J. Hallo Jr., + Schotersingel 69 +*HELDER. T. van Zuylen, Spoorstraat S. Gazan, Kanaalweg 121 + 138. +ROTTERDAM. H. W. Hagenberg, Noordsingel J. A. Terwiel, 2e + 140. Crooswijksche Dwarsstraat 6. +VLAARDINGEN. D. de Lange Dz., Oosthavenkade. +------------------------------------------------------------------------------ + + +* De met een sterretje geteekende Loges bezitten boekerijen. + + + + +BOEKEN OVER THEOSOFIE. + + +Daar de Theosofische Vereeniging gesticht is in Engelsch sprekende +landen en zich voornamelijk daar heeft verbreid gedurende de eerste 20 +jaren van haar bestaan zijn de meeste en beste boeken over Theosofie in +het Engelsen geschreven. Deze, meest uitgegeven door de "_Theosophical +Publishing Society_" te Londen, zijn alle te verkrijgen van haren +uitsluitenden vertegenwoordiger voor Nederland, de "_Theosofische +Uitgeversmaatschappij_" (Afdeeling Boekhandel), Amsterdam, Amsteldijk +76. Uitgebreide catalogi worden op aanvrage toegezonden. + +In het Nederlandsch zijn door de "Theosofische Uitgeversmaatschappij" de +volgende werkjes uitgegeven welke tegen overmaking van den bijvermelden +prijs van haar verkrijgbaar zijn. + + +THEOSOPHIA Maandblad, Prijs per jaargang f 2,50 + Vorige jaargangen zijn in beperkt + aantal nog verkrijgbaar tegen + f2.50 per jaargang. + Kaarten van Atlantis behoorende + bij den 6en Jaargang + van "Theosophia", per stel + (vier stuks) - 1.50 +A. BESANT Kort begrip der Theosofie - 0.15 +H. SNOWDEN WARD Karma en Reincarnatie - 0.10 +MULTASPERO Eerste kennismaking met de + Theosofie - 0.25 +AFRA Eenvoudige schets der Theosofie - 0.25 +A. BESANT De evolutie der ziel, het doel + van 't leven - 0.10 +A. BESANT Yoga voor den mensch in de + maatschappij - 0.10 +A. BESANT Vier voordrachten over Theosofie, + gebonden - 0.60 +A. BESANT Levenstoestanden na den dood - 0.20 +A. BESANT De Zeven Beginselen van den + mensch, gebonden - 0.60 +JOHAN VAN MANEN Korte levensschets van Annie + Besant - 0.10 + + +Vele vertalingen van belangrijke Theosofische werken zijn in +voorbereiding, terwijl in den loop van het jaar nog verscheidene +kleinere en grootere werken zullen verschijnen. + + + + +FOTOGRAFIEEN. + + +"H. P. B.", Kabinetformaat f 1.-- +ANNIE BESANT, Salonformaat (18 X 24) - 3.-- + " " Kabinetformaat - 1.-- + +Bestellingen en betalingen te richten aan de "_Theosofische +Uitgeversmaatschappij_", Amsteldijk 76, Amsterdam. + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE *** + +***** This file should be named 12756.txt or 12756.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/2/7/5/12756/ + +Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders +Europe, http://dp.rastko.net. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
