summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/12756.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/12756.txt')
-rw-r--r--old/12756.txt2655
1 files changed, 2655 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/12756.txt b/old/12756.txt
new file mode 100644
index 0000000..c397601
--- /dev/null
+++ b/old/12756.txt
@@ -0,0 +1,2655 @@
+Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Vier Voordrachten over Theosofie
+
+Author: Annie Besant
+
+Release Date: June 28, 2004 [EBook #12756]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders
+Europe, http://dp.rastko.net.
+
+
+
+
+
+
+#VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE DOOR ANNIE BESANT#
+
+
+GEHOUDEN IN VERSCHILLENDE PLAATSEN VAN NEDERLAND IN JANUARI 1898
+
+
+[Illustratie]
+
+
+Gebaseerd op de uitgave gepubliceerd te Amsterdam, 1898.
+
+
+
+
+#INHOUD.#
+
+
+1. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een geschiedkundig oogpunt
+
+2. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een wetenschappelijk oogpunt
+
+3. Esoterisch Christendom
+
+4. Het verhaal van den Christus
+
+3. Aanhangsel. Inlichtingen over de Theosofische Vereeniging
+
+
+
+#VOORWOORD.#
+
+
+De vier voordrachten over Theosofie welke hierbij het Nederlandsch
+publiek worden aangeboden zijn door Mevrouw Annie Besant, L.T.V., in
+verschillende steden van ons land gehouden in den loop van de maand
+Januari, 1898.
+
+Een vijfde voordracht is, daar zij niet aansluit bij het
+aaneengeschakeld geheel van de vier in dit boekje vervatte, afzonderlijk
+uitgegeven onder den titel: Levenstoestanden na den dood.
+
+In snelschrift opgeteekend is het gesprokene woordelijk weergegeven;
+slechts in de voordracht over Esoterisch Christendom zijn enkele
+toespelingen op Bijbelplaatsen uitgelaten waar die alleen van toepassing
+waren op de Engelsche vertaling van den Bijbel (Mevrouw Besant sprak in
+het Engelsch) en niet op de van deze afwijkende Nederlandsche; die
+uitlatingen zijn alle van ondergeschikt belang.
+
+Aangehaalde werken of Bijbelplaatsen zijn in een noot aan den voet van
+de bladzijde aangeduid.
+
+Waar "goddelijk weten" staat werd door de spreekster "divine wisdom"
+gezegd.
+
+De voordracht "Het verhaal van den Christus" werd gericht tot een
+uitsluitend uit leden der Theosofische Vereeniging bestaand gehoor. De
+vragen naar aanleiding van deze voordracht gedaan worden met de daarop
+door Mevrouw Besant gegeven antwoorden opgenomen in het Maandblad
+"Theosophia". Enkele beknopte inlichtingen aangaande de Theosofische
+Vereeniging zijn ter wille van belangstellenden in een Aanhangsel aan
+dit werkje toegevoegd.
+
+J.J. HALLO JR.
+
+HAARLEM, l Maart 1898.
+
+[Illustratie: ANNIE BESANT]
+
+
+
+
+#De Theosofie en haar leeringen.#
+
+
+I
+
+
+Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond te overwinnen hebben:
+een vreemde taal is tusschen ons en zelfs voor hen die de taal kennen,
+waarin ik spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen.
+Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de taal is voor een
+spreker het instrument, dat hij bespeelt. Door de taal bereikt hij de
+harten en hoofden zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon
+voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt en vermindert de
+mogelijkheid dat hij de gedachten en gevoelens zijner hoorders bereikt.
+Toch moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen wat wij kunnen, en
+terwijl ik spreek zoo helder en eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe
+aandacht leent zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen
+en het onderwerp begrijpelijk te maken.
+
+Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare leeringen, en daar ik
+morgen te Haarlem over het zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het
+in twee deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke voordracht
+volledig zal maken. Ik zal hedenavond en morgen een verschillenden
+gedachtegang volgen, voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten
+mochten willen hooren.
+
+Diegenen onder u, die gedurende de laatste twintig jaren den
+ontwikkelingsgang van het denken in Europa hebben gevolgd, weten dat er
+een bijzondere richting van studie is, welke veel wordt gebruikt als
+een wapen tegen den godsdienst: de studie van Oostersche talen en
+Oostersche godsdiensten. De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's,
+der oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit de verschillende
+landen van Europa en bij het onderzoeken dezer godsdiensten hebben zij
+gezien hoeveel die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt, toen
+zij de verschillende Schriften der Chineezen, der Perzen, der
+Egyptenaren ter hand namen, dat deze alle dezelfde leering gaven: zij
+spreken omtrent God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van God als
+Een, het Ene Bestaan, zij spreken van God als immer geopenbaard in
+drieeenheid, in drievoudig aanzicht, terwijl iedere persoon in die
+drieeenheid zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al deze
+Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den mensch en zijnen aard;
+zij leeren dat de ziel des menschen onsterfelijk is, dat zijn aard
+samengesteld is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden begrepen;
+men zag dat in al deze Schriften der menschen ontwikkeling wordt
+geleerd, de ontwikkeling der ziel, welke de openbaring van den geest is
+in den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren dat enkele menschen
+hunne ontwikkeling hebbon voleindigd, hunnen groei als geestelijke
+wezens hebben voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch, goddelijk
+in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens van hoofd en van hart; en in
+al deze Schriften vond men geleeraard dat de menschen van heden kunnen
+groeien, gelijk die menschen uit het verleden zijn gegroeid, dat zij ook
+volmaakt kunnen worden en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen,
+stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe onontwikkeld ook, kan
+ontwikkelen tot den volmaakten, goddelijken mensch. Al deze dingen
+worden geleerd in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen
+deze vertaald waren in verschillende Europeesche talen, begreep men dat
+de wereld-godsdiensten veel gemeen hebben en dat de meeste
+leerstellingen van een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden
+worden in het Hindoeisme, het Boeddhisme, de leeringen van Confucius en
+Lao-tse. Zij hebben alle zooveel gemeen, dat wij niet een godsdienst van
+de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking door de geleerden werd
+gedaan, toen deze boeken waren vertaald in verschillende talen en de
+menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken, was het eerste
+besluit, waartoe velen kwamen, dat alle godsdiensten als zij in den
+grond hetzelfde waren, een oorsprong moesten hebben, en dat zij geen
+goddelijke openbaring konden zijn, maar dat een andere bron moest worden
+gevonden, waaruit de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele
+geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind waren, trachtten hunne
+ontdekkingen te gebruiken om allen godsdienst te vernietigen en zeiden:
+Zij zijn alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid, uit de
+wijze waarop de mensen de natuur beschouwt: hij heeft de natuur
+verpersoonlijkt en er wezens in gezien; en daar die wezens machtiger
+waren dan hij, aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken dikwijls
+vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen kon, hoewel zijn leven en
+gemak van hem afhing, daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij
+zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien, moest de mensch in
+zijn onwetendheid denken dat al deze dingen goddelijke krachten, goden
+waren; en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen, die zij
+konden geven. En die geleerden zeiden dat zoo alle godsdienst was
+opgegroeid, dat hij steeds zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of
+animisme, en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had dan de
+menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond tegen de waarde van den
+godsdienst heeft veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op
+feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde leeren, dat zij
+alle dezelfde denkbeelden verkondigen, het was waar dat de groote
+leeraars allen hetzelfde zeiden, de een na den ander. De feiten, welke
+die geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen waren
+verkeerd. In het eerst begrepen de menschen het onderscheid niet
+tusschen deze beide dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden
+worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst.
+
+Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid der verschillende
+godsdiensten van een ander standpunt en zeide: ja, het is waar dat de
+leerstellingen van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een feit dat
+door niemand, die de geschiedenis heeft bestudeerd, kan worden ontkend.
+Wij zullen als voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen nemen,
+het "Klassieke Boek van de Reinheid," [Voetnoot: Ook in het
+Nederlandsch vertaald, in het Maandblad "Theosophia". Deel 5 (1897) blz.
+206.] een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol wijsheid, vol
+diepe geestelijke leering, dat ons verklaart hoe God zich in den mensch
+geopenbaard heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als die van
+God, hoe des menschen geest dezelfde is als de goddelijke geest, hoe
+echter het menschelijk verstand troebel is door begeerten, die tusschen
+zijn verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest in hem staan,
+hoe de hartstochten van zijn lichaam zijn vooruitgang tegenhouden, en
+hoe slechts wanneer zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn
+gekomen, de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen in den
+mensch. De leeringen van dit kleine Chineesche boekje, een der oudste
+geschriften die wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als het
+beste wat wij bezitten.
+
+Van de Chineezen overgaande tot de Indiers vinden wij bij hen dezelfde
+leeringen en wanneer wij in Egypte de mummies opgraven en de banden
+loswikkelen waarin zij 10 a 20.000 jaar geleden werden gehuld, vinden
+wij geschriften die ons de bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte
+dezelfde leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid van de
+menschelijke ziel, omtrent de wijze waarop zij gaat door leven na leven,
+omtrent de lagere wereld waarin zij komt na den dood van het lichaam en
+de hemel-wereld waarin zij vertoeft na gezuiverd te zijn op lagere
+gebieden, omtrent haren daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar
+zij wederom wijsheid opdoet door ondervinding.
+
+Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden wij dezelfde leeringen,
+steeds weer door de groote leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft
+slechts een oorsprong, slechts eene bron, en die bron is het goddelijk
+weten; niet de menschelijke onwetendheid, zooals vele geleerden dachten
+maar het goddelijk weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren,
+en dat steeds door volmaakte menschen van God tot de menschheid gebracht
+is. Dit goddelijk weten bevat in zich de kennis van al wat is, en een
+gedeelte ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid geschonken. De
+hoeveelheid die gegeven wordt hangt af van de beschaving van het volk,
+hangt af van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen, hangt
+af van den aard dergenen die deze kennis bezitten en van de kracht van
+hun pogen. In overeenstemming met al deze dingen verschilt steeds de
+wijze, waarop dat weten gegeven wordt, maar in den grond is het toch
+altijd hetzelfde: altijd leert het een goddelijk Bestaan, dat zich
+openbaart als drieeenheid, altijd leert het dat de mensch drievoudig is
+in zijn wezen gelijk God, en dat hij nog verder kan worden
+onderverdeeld, drievoudig in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne
+ontwikkeling; altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij
+niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt en groeit, leven
+na leven, en dat enkele menschen de volmaking bereikten en dan leeraars
+zijn geworden van het ras. Deze volmaakte menschen waren eens gelijk aan
+ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt gelijk de mannen en vrouwen van
+thans, maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen en groeiden
+en werden sterk en bereikten eindelijk de volmaking, gelijk wij de
+volmaking kunnen bereiken. En toen zij volmaakt waren, begonnen zij
+hunnen medemenschen te leeren, en vormden een groote Broederschap van
+leeraars; en van tijd tot tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat
+aan ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat ieder ras, ieder
+volk een godsdienst zou ontvangen, geschikt om het te helpen en te
+leeren. En de reden waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat
+zij altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap heeft
+bestaan, langen, langen tijd reeds voordat de beschaving van Europa
+ontstond, voordat zelfs Indie zijn beschaving ontving. Daar, waar thans
+de wateren van den Atlantischen Oceaan zich vergaren, was eens een groot
+vastland, dat begon waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de
+plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland had zich een hooge
+beschaving ontwikkeld. Sporen van die beschaving worden nog gevonden in
+Mexico en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen zijn overblijfsels
+van zeer oude steden ontdekt en daar zijn hieroglyphen en beelden
+aangetroffen, gelijkende op die welke men in Egypte gevonden heeft,
+zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika aan den anderen kant
+hetzelfde schrift en beeldhouwwerk is ontdekt. Dit toont ons dat er
+tusschen deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een grooten
+oceaan, eens gemeenschap is geweest. In Plato scholen, waar hetzelfde
+goddelijk weten werd geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid,
+zoodat de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden goddelijken
+grondslag. In Griekenland droegen deze leeringen het eerst den naam
+Theosofie, wat niets anders is dan het Grieksche woord voor goddelijk
+weten. De Grieken nu gaven dit weten niet slechts in den vorm van
+godsdienst, maar ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in
+vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indie en China, en de wijsbegeerte
+van Plato, zooals die op de scholen wordt onderwezen, berust op het
+goddelijk weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden en van den
+Logos, wanneer hij ons zegt dat de wereld in de gedachte van den Logos
+bestond, voordat zij zich voordeed als een stoffelijke verschijning,
+wanneer hij ons spreekt van denkbeelden die, bestaande in den
+goddelijken geest, een voor een worden uitgestort om de stoffelijke
+wereld op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk weten; en wanneer
+gij de leeringen van Pythagoras bestudeert en van hem leert dat de
+geheele wereld op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de
+geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren is samengesteld,
+dat alle steenen en kristallen en planten en dieren zijn gebouwd naar
+den grondslag van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat oude goddelijk
+weten, dat hij geleerd heeft in Indie, en dat hij naar Europa heeft
+overgebracht. Evenzoo is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert
+van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk weten, maar
+in den lateren tijd is de wiskunde eng en bekrompen gemaakt en volstrekt
+niet begrepen in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het goddelijk
+aanzicht ervan is verdwenen en slechts de vorm, de gedaante wordt
+gegeven als de wiskunde, terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken
+onderwezen, een aanzicht van het goddelijk weten was; hun leerde hoe de
+wereld gemaakt is en hoe de gang is der ontwikkeling, hoe de mensch
+langzamerhand wordt opgebouwd, hoe steenen en planten en dieren zijn
+gemaakt naar getal en naar vorm; hun een begrip gaf van de
+ontwikkelingsgeschiedenis der wereld. In den laatsten tijd begint de
+wetenschap bij hare natuurstudie de wetten weer te ontdekken, die het
+goddelijk weten onder de Grieken en Indiers leerde in wijsbegeerte en
+wetenschap. En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en plantkunde
+bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen de wet leeren van getal,
+van vorm en van trilling; dat alle dingen door trilling worden
+opgebouwd, dat alle krachten door trilling hun werking voortplanten, en
+dat het aantal dezer trillingen in de sekonde den aard der kracht en
+haar werking bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder geluid
+trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen vorm, dat iedere
+noot overeenstemt met een vorm en een kleur, en naarmate wij deze
+trillingen en vormen en kleuren doorgronden, beginnen wij een begrip te
+krijgen, hoe de natuur haar opbouwend werk verricht. Uitgaande van de
+stoffelijke wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te
+ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren geleden leerde,
+terwijl het uitging van de hoogere wereld in plaats van uit de lagere,
+want het goddelijk weten daalt steeds van gedachte neder tot vorm, klimt
+niet op van vorm tot gedachte, terwijl de nieuwere wetenschap steeds
+begint met den uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de
+gedachte.
+
+Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen evengoed wijsbegeerte en
+wetenschap, als godsdienst. Het leerde den menschen niet slechts hoe de
+ziel kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden der wereld om hen
+heen, en de verborgenheden van het verstand, van de rede, van het
+begripsvermogen in den mensch.
+
+Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard, totdat vier of vijf
+eeuwen na Christus een groote verandering kwam in het Westen. Er
+ontstonden in de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij was die
+der ontwikkelde en wijze Christenen, die de oude leeringen hoog hielden
+en het goddelijk weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden,
+de groote menigte der onontwikkelden, die tot het Christendom waren
+aangetrokken door de zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid
+niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene, wat zij niet konden
+deelen, en haatten alle wijsheid, die zij niet konden begrijpen; en zij
+vormden eene groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis en
+wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat deze niets met godsdienst te
+maken hadden, dat zij niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts
+de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te begrijpen was, van
+belang was voor de menschelijke ziel. En daar er toen evenals nu veel
+meer onwetenden waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund
+werden door den val van het Romeinsche rijk, door oorlogen en invallen,
+door de staatkundige moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid van
+de groote menigte der armen, wier lot schromelijk was verwaarloosd,
+spanden al deze dingen samen tegen de kennis en voor de onwetendheid,
+zoodat de kennis uit het Christendom verloren ging en slechts de
+zedelijke en geestelijke leering bleef. Hiertoe werkte nog een andere
+oorzaak mede: in alle oude godsdiensten, en in het Christendom even goed
+als in alle andere, bestonden twee soorten van leeringen. De eene voor
+de groote menigte, eenvoudig en helder, omvatte slechts de zedelijke
+voorschriften, welke den menschen leerden een goed leven te leiden, een
+zeer eenvoudig verstandelijk onderricht, juist genoeg om de zeer
+onontwikkelden voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der
+broederschap en die der wedergeboorte, en de wet welke zegt dat des
+menschen daden hem zijn geluk of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de
+wet van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen zouden inzien, dat
+een goed leven, hier op aarde geleid, hun geluk zou brengen na den dood
+en een beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn weergekeerd.
+Deze dingen werden aan allen geleerd; maar meerdere kennis werd
+toevertrouwd aan hen, wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van
+de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk aan de wet van
+Christus gehoorzaamden, en die in hun uiterlijk leven een hoogen graad
+van reinheid hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat wij de
+mysterien van Jezus noemen en kregen daar de innerlijke leering, welke
+slechts zij die een rein leven leidden, konden deelachtig worden. Deze
+innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit dezen kring kwamen
+de leeraars en bisschoppen en de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de
+menschen, die het Christendom prediken mochten, zoodat de kerk een groep
+van wijze menschen bezat, onderricht in diepere kennis, en door die
+kennis in staat om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die
+hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen. Want dit geheime
+onderricht was steeds praktisch. Het leerde den menschen hoe zij hun
+bewustzijn konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand
+bewust konden worden op hoogere gebieden van bestaan, hoe het leven der
+ziel kan worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het lichaam kan
+verlaten en in aanraking komen met de onzichtbare wereld. Het leerde hoe
+de ziel, na het lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen en
+kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld, hoe de ziel leering kan
+ontvangen van de engelen en geestelijke verstandswezens en zoo kennis
+verkrijgen die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen, hoe de
+ziel, van het lichaam bevrijd, de toestanden kan onderzoeken van het
+leven na den dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde,
+verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in plaats van uit den mond
+van andere menschen: in deze scholen verkregen de onderzoekers
+eerste-hands kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden den aard
+van den mensen begrijpen door eigen onderzoek, in plaats van af te
+hangen van de mededeelingen van anderen. Daardoor waren zij veel beter
+in staat onderricht te geven, dan zij die hun kennis slechts uit boeken
+hadden verkregen.
+
+Het gevolg van het bestaan van deze scholen in de kerk was dus dat er
+vele menschen waren die deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden,
+zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom. In de vijfde
+eeuw echter verdwenen deze scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit
+gebrek aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een fout die door
+vele menschen wordt begaan, is dat zij denken dat de leeraars de kennis
+terughouden. In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de kennis
+niet willen mededeelen, maar de leerlingen, die ze niet willen leeren,
+leeren op de eenige wijze waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze
+scholen van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen, want er
+waren niet genoeg menschen die het leven wilden leiden dat vereischt
+wordt voor leerlingen van het Occultisme; zij wilden dit leven niet
+leiden, maar slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden, en
+toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed waren. Zoo verdween
+langzamerhand de innerlijke school en slechts een zwakke overlevering
+van haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters der
+Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan verscheen in de middeleeuwen
+nog een heilige die door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij
+iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen van deze heiligen vinden
+wij in de geschiedenis der kerk vermeld; waarlijk groote,
+hoog-ontwikkelde zielen, die _wisten_ omtrent de onzichtbare wereld, en
+op de oude wijze onderricht geven konden, omdat zij wisten en kenden.
+Nu en dan zien wij een van hen verschijnen, doch hun aantal is gering:
+St. Elisabeth van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas a Kempis,
+de geleerde Thomas Aqumo, deze allen zijn de groote leeraars der kerk
+gedurende de middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk weten,
+dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd. Dan waren er nog andere
+menschen die een deel van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de
+Christelijke kerk hadden verkregen. Sommigen van hen kwamen uit het
+Oosten en anderen reisden als jonge menschen daarheen, en kwamen met de
+verkregen kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten behoorde
+Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen genomen en naar het Oosten
+gevoerd. Daar leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid en
+bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij de grondlegger werd van de
+nieuwere geneeskunde en scheikunde, waar hij leering bracht over de
+elementen der scheikunde en over het magnetisme, die voor hem aan
+niemand bekend was geweest, en waar hij zieken genas, die geen ander
+genezen kon. Hij bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van deze
+menschen was Christian Rosenkreuz, die in de vijftiende eeuw leefde. In
+zijn jeugd reisde hij naar het Oosten en ontmoette daar een der groote
+leeraars, die hem iets mededeelde van het oude geheime weten, om dit
+terug te brengen aan de Christelijke kerk en om deze te ontwikkelen tot
+een meer geestelijk lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen en
+leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte de orde der
+Rozenkruisers. Zijn werk was een der pogingen om het oude weten in de
+westersche wereld terug te brengen. Een andere poging was die der
+alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat oude weten. Zij wisten
+dat er slechts een grondstof in de natuur bestaat en dat alle dingen uit
+die eene grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de scheikunde een
+wetenschap is, die de eigenschappen van die eene grondstof in al hare
+wijzigingen onderzoeken kan, en zij bestudeerden die wetenschap in het
+licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen vervolgden hen en
+lachten hen uit en noemden hen oplichters en kwakzalvers en bedriegers,
+doch in den tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde tot de
+ontdekking te komen van wat hun in de middeleeuwen bekend was.
+Tegenwoordig begint de scheikunde enkele der waarheden in te zien, die
+door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen hen nog uitlachte,
+toan niemand hen geloofde. Heden begint men te begrijpen dat er slechts
+eene grondstof is, en dat alle dingen van die eene grondstof gemaakt
+zijn en men begint zelfs weer te spreken van de mogelijkheid goud te
+maken uit zilver en zoo in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te
+doen, waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen en
+vervolgd,--nu drie of vierhonderd jaar geleden.
+
+Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult gij begrijpen dat de
+Theosofie in den eenen of anderen vorm steeds in de wereld is blijven
+bestaan als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap.
+
+Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke de behoeften van
+den tijd en de omstandigheden van het volk, waaraan de leeraar gezonden
+werd, medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen zij weer het oude
+weten aan de wereld leeraarde niets nieuws gaf. Het was slechts een
+nieuwe vorm, een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde wat
+er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst, wijsbegeerte en
+wetenschap. Toen zij begon hare leering te geven, gaf zij eerst den
+wijsgeerigen kant, leerde zij iets van den aard van het verstand, van de
+rede, en van den aard van den mensch en van het goddelijk Bestaan, de
+werkelijke wijsbegeerte die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna
+ging zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen God en den
+mensch, hoe de mensch een uitstorting is van God, een deel van het
+goddelijk leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen kan,
+hoe de menschelijke ziel zich kan ontplooien; en zij leerde weer wat
+vroeger in de Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het lichaam
+verlaten kan en in aanraking komen met groote geestelijke
+verstandswezens en met de Meesters, hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan
+en kennis opdoen uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan komen
+tot weten in plaats van gelooven. Toen zij dit alles leerde, gaf zij ons
+slechts weer wat reeds zoo dikwijls geleerd was in de groote
+godsdiensten van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken
+kant en leerde ons meer dan de mannen van de wetenschap van dien tijd
+wisten, en zeide zij ons welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen
+weinige jaren zouden worden gedaan; en vele van deze ontdekkingen zijn
+inderdaad gedaan sedert haren dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de
+eene grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar uiterlijke
+verschijningsvormen heeft. In haar werk "De geheime Leer" sprak zij van
+een eigenschap der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke zij
+doordringbaarheid noemde, en welke in verband staat met helderziendheid.
+Vijf jaar na haren dood ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn,
+trillingen in de stof, welke in verband staan met helderziendheid en
+welke de mcnschen in staat stellen te zien wat de helderziende kan zien
+zonder werktuigen en hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde
+Roentgen-stralen, waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een been, als zij
+willen onderzoeken of het beschadigd is, kunnen fotografeeren ofschoon
+het voor het gewone oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is ook
+mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen. De mensch kan in
+zichzelf het vermogen ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen
+van Roentgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk lichaam te zien
+zonder hulp van eenig werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande de
+kennis van straling, van geluid en kleur leerde zij ons. Zij heeft ons
+bewezen dat de oude wijsheid beter licht kan werpen op de waarheden der
+nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf kan doen, en dat deze
+laatste eerst langzamerhand datgene ontdekt wat door ben die het oude
+weten bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen die zich het
+ontvangen van dit onderricht waardig betoonden. Zoo bracht H.P.
+Blavatsky ons dit weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten had,
+en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten verder moesten
+verspreiden, niet als iets nieuws maar als iets ouds, niet als een
+nieuwe ontdekking maar als overoud weten, door de menschen vergeten, en
+thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate wij zelven
+leerden, onderrichtten wij op onze beurt anderen, en wij bevonden dat
+dit goddelijk weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke de
+mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Wij
+bevonden dat wij zonder de werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap
+hare feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van de vermogens der
+ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld dat vele scheikundige waarheden door de
+goddelijke krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden verkregen
+dan door reagentien en proefnemingen van allerlei aard. Wij bevonden dat
+de mensch in zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken en dat hij
+veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen zijner innerlijke krachten
+dan door het gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap. Maar tevens
+weten wij dit: de vermogens der menschelijke ziel zijn niet bestemd tot
+het doen van ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke beroemd
+te maken en rijk. Zal de kracht der menschelijke ziel worden gebruikt
+tot het doen van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden gebruikt
+voor het welzijn der menschheid, en niet ten voordeele van den eenen
+persoon, die de ontdekking doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp
+van deze krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid kan helpen,
+indien het ras er rijp voor is, aan allen gelijkelijk. Is het ras er nog
+niet rijp voor, dan behoort zij toe aan allen, die haar kunnen
+bevatten, niet aan den eenen mensch, die haar gemaakt heeft. Deze is
+slechts een pandhouder van de eigendommen der menschheid. Naarmate de
+Occultist zich ontwikkelt en meer leert en begrijpt wordt hij meer en
+meer een dienaar der menschheid in plaats van haar meester. Alle kracht
+welke hij verkrijgt wordt gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis
+welke hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner medemenschen
+te verminderen en den gang der menschelijke ontwikkeling te versnellen.
+Wanneer de menschen tot ons komen om met ons te studeeren, eerst de
+uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan zeggen wij hun steeds: Gij
+moet de broederschap der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij
+een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen belangen hebt buiten
+die van dat huisgezin, dat gij geen bezittingen hebt buiten die van dat
+huisgezin, dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die niet
+tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en wanneer gij wat ouder zult
+zijn en iets meer zult hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is
+dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren tot sneller
+ontwikkeling, opdat zij sneller mogen worden bevrijd van de ellenden der
+aarde en spoediger dan anders den vrede en het geluk mogen bereiken.
+Naarmate iemand werkelijk Theosoof wordt, moet hij meer en meer
+onzelfzuchtig worden; hoe meer hij leert, des te meer moet hij anderen
+dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des te grooter
+verantwoordelijkheid rust op hem om de lasten zijner medemenschen te
+verlichten. Het Occultisme brengt juist het tegengestelde van wat de
+wereld welslagen noemt. De wereld kent hem welslagen toe, die rijkdom en
+welvaart verwerft voor zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen
+en zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene. Hij die slaagt in
+het verkrijgen van goddelijke wijsheid en kennis en kracht, bezit deze
+slechts in de mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner
+medemenschen. Hij gebruikt ze nooit om over anderen te heerschen, nooit
+om iets te verwerven voor zichzelf, nooit om zichzelf te verrijken ten
+koste van een ander, en gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe
+meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren, hoe meer hij begrijpt
+des te meer moet hij deelen met anderen, hoe sterker hij wordt des te
+grooter aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want de kracht van
+het Occultisme, van het goddelijk weten kan nooit dienen om den bezitter
+te doen uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om hen op te heffen
+tot eigene hoogte, slechts om hen te doen deelen in eigene kracht. Dat
+is het kernverschil tusschen de kennis der wereld en die van het
+goddelijk weten. De eerste maakt den mensch tot heerscher, de andere tot
+dienaar. Daarom zeide Jezus: "Indien iemand wil de eerste zijn, die zal
+de laatste van allen zijn, en aller dienaar." [Voetnoot: Marcus 9, 35.]
+Waarlijk groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid gegeven
+hebben.
+
+Het voorgaande is een schets van de geschiedenis der Theosofie in het
+verleden, van de geschiedenis van het goddelijk weten in godsdienst,
+wijsbegeerte en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid steeds
+trachtte der wereld leering te schenken, en hoe zij twee vormen van
+onderwijs deed ontstaan: het openbare voor allen, het bijzondere voor
+hen die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van den vooruitgang
+van het ras.
+
+Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk. In de uiterlijke
+Theosofische Vereeniging komen de menschen om de wetten, volgens welke
+de menschheid zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij deze wetten
+hebben geleerd en trachten hun leven voor anderen nuttig te maken, komt
+het innerlijk onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet gegeven
+kan worden. Deze twee vormen bestaan nog heden als in het verleden, en
+de Theosofische Vereeniging is een vereeniging van onderzoekers, waartoe
+een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte en wetenschap
+wil bestudeeren in de richting van het goddelijk weten en daarbinnen een
+groep van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de wereld hoog stelt
+en streven naar hooger ontwikkeling, teneinde helpers te worden voor de
+menschen rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens hunner ziel te
+ontplooien. Dat is ons werk, onze plicht. Zij, die zich tot dit werk
+voelen aangetrokken, kunnen in de Loges onzer vereeniging komen om
+onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig toont, kan een
+leerling worden in den dieperen zin van het woord, om een medewerker te
+worden voor den vooruitgang van het ras. Herinner u echter steeds dat
+het goddelijk weten niets anders heeft aan te bieden dan Zich en met
+zichzelf de kracht anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het biedt
+geen belooning in rijkdom, in gewone macht of kennis, maar dien
+innerlijken schat, die den mensch in staat stelt een zegen te worden
+voor zijn broeders, een mededrager van de lasten der wereld; en tot
+diegenen onder u wien het ernst is met dit streven, tot hen wendt zich
+de Theosofische Vereeniging en biedt hun het oud, goddelijk weten,
+waardoor zij helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel zenden de
+Meesters hun boden onder de menschen. Ieder, die ernstig wil, wordt de
+gelegenheid tot leeren gegeven.
+
+
+
+
+#Theosofie en haar leeringen.#
+
+
+II.
+
+
+Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over de Theosofie en haar
+leeringen, heb ik voor zoover dat in een korte voordracht mogelijk was,
+de geschiedenis der Theosofie geschetst. Ik heb haar verband met de
+groote godsdiensten der wereld aangeduid, hare verspreiding door de
+verschillende landen beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage
+de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar openlijken als in haar
+innerlijken vorm. Ik stel mij voor hedenavond het onderwerp van een
+anderen kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen zelve
+welke de Theosofie brengt, welke zij geeft om de menschheid te helpen,
+en ik zal u trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige toepassing
+vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk en geestelijk gebied, dat
+zij betrekking hebben op ieder deel van 's menschen samengestelden aard
+en hem een helder denkbeeld geven van de wereld waarin hij leeft, van
+den menschelijken samenstel en van de mogelijkheden, welke daarin
+verborgen liggen.
+
+Voor alles dan begint het onderricht der Theosofie, het goddelijk weten,
+te spreken over het goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke
+betrekking van den mensch tot God. Het leert dat er een goddelijk
+Bestaan is, het Leven van al wat is; dat er slechts een goddelijk Leven
+is, een goddelijke werking, eene kracht, welke overal bestaat in het
+heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven van God zich bevindt,
+dat overal waar dieren voelen kunnen of menschen kunnen denken, het
+leven van God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en plantenrijk
+steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven alle dingen; in het geheele
+heelal is geen leven buiten het goddelijk Leven. Dit eene Bestaan ligt
+ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de Theosofie begint met
+het leeren van een grondeenheid, een wet van eenheid, van een-zijn alom;
+en deze eenheid spruit voort uit God, die de eene bron is van alle
+bewustzijn, waar ook dat bewustzijn worde gevonden. De ontwikkeling van
+het bewustzijn in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden hunnen
+oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend tot zelf-bewustzijn,
+komt voort uit een bron, een oorsprong. Alle bewustzijn is een, wij
+kunnen het eene niet scheiden van het andere, en de menschen van elkaar
+vervreemden alsof zij tegenover elkander stonden--zij komen allen van
+denzelfden stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde Leven, zij zijn
+allen een uitdrukking van hetzelfde goddelijk Bestaan. Deze eenheid van
+bewustzijn is eene uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht in
+het heelal.
+
+Maar niet alleen alle bewustzijn is een, ook alle kracht is een, en hier
+stemt de wetenschap in met de Theosofie: er is slechts een groote
+werking in het heelal; alle vormen van werking en kracht welke wij
+waarnemen, zijn in den grond een. Zij kunnen in elkander omgezet worden;
+alle vormen van werking welke de wetenschap bestudeert, alle krachten
+welke wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of plantenrijk,
+hetzij bij dier of mensch, al deze krachten zijn een in hunnen aard.
+Slechts hun uitdrukking, hun wijze van openbaring is verschillend, bij
+nader onderzoek blijken zij allen een te zijn: eene kracht, juist zooals
+er een bewustzijn is.
+
+Een derde uitdrukking van de wet van eenheid is de eenheid van stof.
+Alle stof is een, hoe verschillend ook de vorm wezen mag welke zij
+aanneemt. Er is slechts een grondstof en alle scheikundige elementen
+zijn daaruit opgebouwd. Al wat wij om ons waarnemen: vaste lichamen,
+vloeistoffen, gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde,
+slechts verschillend in de rangschikking van zijn deelen. Wij vinden
+door de geheele wereld heen een eenheid, eenheid van bewustzijn en
+leven, eenheid van kracht, eenheid van stof, en deze drie eenheden zijn
+de uitdrukkingen van het goddelijk Bestaan, zij komen alle uit het eene
+Leven, het Leven van God.
+
+Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en van stof kunnen wij een
+gevolgtrekking maken. Daar er slechts een stof is, slechts een kracht,
+slechts een bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een broederschap;
+zij zijn allen gemaakt uit dezelfde bouwstoffen, zij zijn allen bezield
+door dezelfde kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij
+zien dat het geheele heelal een groote broederschap vormt, waarin de
+verschillende schepselen in verschillende staten van ontwikkeling zijn,
+maar allen worden saamgebonden door de eenheid van stof, van kracht, van
+bewustzijn. In deze alomtegenwoordige grond-eenheid wortelt het begrip
+"broederschap", en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van
+hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander kunnen blijven staan.
+Er moet een gemeenschappelijk goed zijn voor ons allen, een
+gemeenschappelijke ontwikkeling waarin wij allen deelen, een
+gemeenschappelijk doel waarnaar wij allen streven, en alle gedachten van
+naijver of vijandschap, alle gedachten welke de menschen denken, alsof
+zij elkanders bestrijders zijn in plaats van elkanders helpers en
+broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande het wezen van God
+en van den mensen. De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt de
+broederschap tot een noodzakelijk feit in de natuur.
+
+Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder uitwerken, bevinden wij dat
+deze broederschap zich toont in alle betrekkingen, waarin wij tot
+elkander komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking de eenheid van
+stof heeft tot de broederschap der menschen. Onze lichamen zijn
+opgebouwd uit wat wij "stof" noemen, en wij weten, dat ons lichaam
+voortdurend zijn bouwstoffen hernieuwt, dat ons lichaam heden niet
+hetzelfde is, als het gisteren was of verleden week of de vorige maand,
+of als het morgen zijn zal of de volgende week of maand.
+
+Ons lichaam verandert voortdurend van bestanddeelen. Kleine deeltjes
+ervan, zoo klein dat zij onzichtbaar zijn voor het oog, komen en gaan
+ieder oogenblik. Wanneer wij ons lichaam zeer sterk vergroot zagen,
+zouden wij een stroom van deeltjes ervan zien uitgaan, en een stroom van
+deeltjes er heen zien komen, een stroom van komen en gaan, welke ons
+lichaam op ieder oogenblik van het leven verandert. Wanneer nu menschen
+elkaar ontmoeten, zooals wij hedenavond bijeen zijn gekomen, wisselen de
+deeltjes onzer lichamen onderling, deeltjes van uwe lichamen hechten
+zich vast aan het mijne, deeltjes van mijn lichaam gaan en worden
+opgenomen in dat van u, zoodat wij, wanneer wij de zaal verlaten, geen
+van allen hetzelfde zijn gebleven als toen wij binnenkwamen. Onze
+stoffelijke lichamen hebben een deel van de bouwstoffen waarvan zij
+gemaakt zijn, gewisseld. Ieder van u heeft iets aan zijn buren gegeven,
+ieder van u heeft iets van zijn buren ontvangen. Dit nu maakt dat er
+tusschen ons een zeer daadwerkelijke stoffelijke broederschap bestaat.
+Indien wij op deze wijze van deeltjes onzer lichamen wisselen, zijn wij
+broeders naar het lichaam, hetzij wij het willen of niet. Wij kunnen
+niet nalaten op elkander invloed te oefenen, hetzij ten goede of ten
+kwade. De gezonde persoon verspreidt zijn gezondheid, waar hij ook gaat,
+de zieke verspreidt zijne ziekte overal waar hij komt; deze wisseling,
+deze overgang legt tusschen ons allen een band, die maakt dat het
+lichamelijk welzijn onzer medemenschen van belang is voor ons allen.
+
+Nu bouwen wij ons lichaam op door voedsel, drank, lucht en door het
+leven dat wij leiden. Indien gij in uw lichaam onrein voedsel brengt,
+onreinen drank, indien gij uw huis en uw kleeding niet rein houdt,
+trekt gij tot uw lichaam deeltjes, welke gij vergiftigt en vervolgens
+zendt gij die giftige deeltjes weer uit naar uwe medemenschen, zoodat
+een mensch die slechte, onreine dingen eet of drinkt, die ongezond is of
+onrein, op al zijne medemenschen een overeenkomstigen invloed uitoefent.
+Ieder mensch die alkohol, wijn of dergelijke giftige dranken gebruikt,
+beleedigt het lichaam van zijnen medemensen even goed als zijn eigen.
+Wij kunnen ons leven niet van dat van anderen scheiden, maar zijn
+genoodzaakt te leven als een groot huisgezin; al wat een van ons
+schaadt, schaadt daardoor het geheel. Wanneer wij dit inzien, kunnen wij
+niet langer onverschillig blijven voor de armoede en ellende om ons
+heen, want wij weten dat zoolang nog een mensch in de maatschappij arm
+is en ellendig en uitgehongerd, niemand volmaakt gezond en zuiver kan
+zijn en zijn lichaam bewaren kan in den best mogelijken staat. In ieder
+volk waarin men menschen vindt die lijden door armoede en ellende en
+stoffelijke ontaarding, moet elk lichaam zijn deel ontvangen van de
+ellende dier armen. De menschen zullen het misschien niet bemerken of
+begrijpen, maar hun lichaam is minder gezond wegens de ziekte, die
+rondwaart in de armere wijken der stad, onder de lichamen hunner armere
+medemenschen. Geen volk is zoo gezond als het zijn kan, zoolang een
+zijner kinderen ziek is, van geen land kunnen de bewoners volmaakte
+lichamen hebben, zoolang er nog een honger lijdt. De stoffelijke ellende
+in de maatschappij is een zaak die allen ter harte moet gaan en niet
+slechts hun alleen die er onmiddellijk onder lijden. Wij zijn broeders
+naar het lichaam en genoodzaakt hun leed mede te dragen.
+
+De broederschap van lichaam is echter niet de eenige band tusschen ons.
+Er is een broederschap van aandoeningen en gevoelens even goed als van
+lichaam. Wij oefenen ook invloed op elkander uit door onze gevoelens. Al
+wat ik gevoel werkt ook op u in, al wat gij gevoelt, werkt op mij in. De
+geheele dampkring is vervuld van trillingen, gemaakt door de gevoelens
+en hartstochten der menschen. Ook op deze wijze oefenen wij zonder het
+te weten invloed op elkander uit en indien gij er op let, kunt gij het
+door eigen ondervinding waarnemen. Hebt gij nooit opgemerkt, hoe wanneer
+een persoon in een gezelschap slecht gehumeurd is, die stemming zich
+verspreidt over de anderen, hoe een knorrig persoon in huis iedereen min
+of meer wrevelig stemt? Hebt gij nooit waargenomen hoe wij in de
+nabijheid van sommigen een gevoel krijgen van vrede en rust, een gevoel
+alsof alles ons gemakkelijk zou vallen, terwijl anderen alleen door hun
+nabijheid ons knorrig maken en alles somber doen schijnen en zwaar? Het
+is de broederschap onzer aandoeningen, die op deze wijze voortdurend op
+ons inwerkt en de reden waarom dit mogelijk is ligt hierin, dat de
+mensch behalve het zichtbare lichaam nog een lichaam heeft van fijnere
+stof, welke wij astrale stof noemen en deze astrale stof, welke van een
+hoogeren graad van fijnheid is, trilt uiterst gemakkelijk en vlug. Door
+onze gevoelens nu wekken wij trilling op, welke die astrale stof aandoet
+en welke andere menschen in hun astraal lichaam doet beantwoorden aan
+het gevoel dat in ons astraal lichaam die trilling veroorzaakt heeft.
+Ieder van u heeft in en om zijn stoffelijk lichaam een wolk of mist van
+deze fijne astrale stof, veel schitterender dan het stoffelijk lichaam
+zelf, juist alsof zich rondom u een wolk bevindt, waardoor kleurenspel
+van elektrisch licht zichtbaar is. Het astrale lichaam is helder en vol
+kleuren, kleuren als van den horizon bij den opgang of ondergang van den
+zon. Evenals gij dan in de lucht soms wolken zien kunt, welke door den
+zon worden gekleurd, zien de menschen, die meer dan het stoffelijke
+waarnemen kunnen, rondom ieder van u een gekleurde wolk, maar in plaats
+van door den zon, wordt die wolk gekleurd door uwe gevoelens, uw
+aandoeningen, uwe hartstochten, en zoodra een gevoel, eene aandoening in
+u opkomt, kleurt zich de wolk rondom u en trilt zij met groote snelheid,
+en deze trilling straalt van u uit en wekt in het astrale lichaam van
+anderen gelijke trillingen op, zoodat zij hetzelfde gevoelen als gij.
+Wij oefenen daardoor, wanneer wij in elkanders nabijheid vertoeven,
+invloed op elkaar uit door onze gevoelens even als door onze gezondheid
+of ziekte, en wij zijn evenzeer door een broederschap van gevoelens
+verbonden als door een broederschap van het stoffelijk lichaam, en die
+broederschap van gevoelens uit zich door middel van het astrale lichaam,
+het lichaam der aandoeningen dat steeds in beweging is, steeds in
+trilling en hoe sterker onze gevoelens zijn, des te krachtiger oefenen
+wij er invloed door uit op anderen.
+
+Er is nog een derde wijze, waarop zich de broederschap openbaart en wel
+in ons denkvermogen. Wij leven evengoed in broederschap van gedachten
+als in gevoels-broederschap. Wanneer wij denken oefenen wij invloed uit
+op de gedachten der menschen om ons heen. Wanneer wij denken, zenden wij
+als het ware elektrische stroomen uit, die werken op het denken van
+anderen, en zij krijgen betere of slechtere gedachten al naar den aard
+onzer eigene gedachten. Terwijl ik tot u spreek, gebruik ik mijn
+stoffelijk lichaam, mijn stem, ook hoort gij mij met uw stoffelijk
+lichaam, met uw ooren, maar dit is niet het eenige, wat u en mij
+verbindt. Behalve mijn stem die gij hoort, gaan er van mij trillingen
+uit, gevoelstrillingen die u er toe nopen te luisteren en uwe aandacht
+te schenken. Deze trillingen worden soms magnetisch genoemd, en daar zij
+uit mijn astraal lichaam voortkomen, oefenen zij invloed uit op het uwe.
+Behalve deze wisselwerking tusschen onze stoffelijke en astrale lichamen
+is er nog wisselwerking van denkvermogen. Mijn denkvermogen zendt
+stroomen uit tot het uwe en vormt beelden welke gij met uw denkvermogen
+waarneemt, niet met uw stoffelijke oogen. Zoolang ik spreek, zend ik
+voortdurend die denk-beelden uit, zoodat de woorden gemakkelijker voor u
+zijn te begrijpen wegens den onmiddellijken invloed, dien ik uitoefen op
+uw denkvermogen. Deze inwerking der menschelijke gedachte op anderen
+vindt onophoudelijk plaats, en wanneer iemand invloed tracht uit te
+oefenen op een ander is die werking veel sterker dan wanneer hij als het
+ware slechts voor zich zelf denkt. Deze beelden welke ons denkvermogen
+vormt en welke de menschen waarnemen door het hunne, brengen het
+grootste deel onzer gedachten over aan anderen en stellen ons in staat
+elkander beter te kunnen begrijpen dan alleen door stoffelijke
+mededeeling mogelijk is. Deze invloed welken ons denkvermogen op anderen
+uitoefent bestaat steeds, niet alleen wanneer iemand tot anderen
+spreekt, maar ook in het gewone dagelijksch leven. Wanneer gij denkt,
+zijn alle menschen om u heen min of meer geneigd op dezelfde wijze te
+denken en hoe sterker uw denkkracht is, des te grooter invloed oefent
+gij op hen uit. Hebt gij wel eens opgemerkt hoe dikwijls, wanneer gij
+met iemand samenwoont, gij beiden over hetzelfde onderwerp denkt, en
+wanneer de een zijn gedachte uitspreekt, zegt de ander: "Daar dacht ik
+juist ook aan." Dit is dikwijls het geval met man en vrouw, broeder en
+zuster, vriend en vriend, en vaak beslist slechts toeval, wie het eerst
+spreekt. Wie dan het eerst zijn gedachte in woorden kleedt, bemerkt dat
+de ander in dezelfde richting gedacht heeft. Op deze wijze kunnen wij
+elkander veel goed doen en veel kwaad. Goed wanneer wij edel denken en
+rein, kwaad wanneer wij laag, gemeen en slecht denken. Vele menschen
+denken dat als zij slechts doen wat goed is, als zij maar geen grove
+woorden gebruiken, het er niet toe doet hoe zij denken: gedachten zijn
+tolvrij. Dit is onjuist: onze gedachten oefenen een veel grooteren
+invloed uit op onze medemenschen dan onze woorden, en een slecht mensch,
+die slecht denkt, vergiftigt alle menschen met wie hij in aanraking
+komt; hij oefent een slechten invloed uit zonder iets anders te doen dan
+in onze nabijheid te zijn. En evenzoo is men, indien men goede
+gedachten kweekt, overal waar men gaat tot zegen. De menschen om ons
+heen zullen zelf goede gedachten krijgen zonder te weten waarom. Onze
+invloed zal hen goed doen denken. Op deze wijze is er broederschap van
+denken evengoed als broederschap van gevoel en van lichaam.
+
+Zie dan hoe veel er voortvloeit uit dit denkbeeld van de eenheid van al
+wat is, hoe sterk deze eenheid zich doet gevoelen in het leven, hoe wij
+naarmate wij die eenheid doorgronden, nuttiger worden voor elkander dan
+te voren, hoe wij leeren dat wij invloed uitoefenen op onze medemenschen
+door onze lichamen, onze gevoelens en onze gedachten, en hoe wij op deze
+drie wijzen elkander kunnen helpen. Zoo leeren wij de natuurwet en
+passen die dan toe om onze broeders te helpen en de wereld door ons
+leven beter te maken. Deze eenheid, uitgewerkt zooals ik het thans heb
+gedaan, is een der groote leeringen van de Theosofie.
+
+Laat ik thans een tweede groote leering nemen, die welke zegt dat uit
+God de zielen der menschen zijn voortgekomen, dat het leven van God
+iederen mensch gegeven is, opdat hij zich ontwikkelen moge tot een
+volmaakt wezen, gelijk God zelf. Gij zult u herinneren dat Jezus, toen
+hij sprak tot de menigte, een merkwaardig gebod gaf: "Weest dan
+gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is."
+[Voetnoot: Mattheues 5,48] De Vader in den hemel nu is God, het goddelijk
+Wezen, en Jezus leerde aan zijne leerlingen en aan de volksmenigte dat
+zij volmaakt moesten zijn gelijk God. Nu is God volmaakt in kennis,
+volmaakt in kracht, volmaakt in liefde. Hoe kan de mensch volmaakt zijn
+in kennis en in kracht en in liefde, gelijk God volmaakt is? Toch was
+dit het gebod dat Jezus gaf en als Jezus sprak, zeide hij slechts wat
+waar was en mogelijk. Hij zou het niet hebben gezegd als deze volmaking
+onmogelijk was voor den mensch. De vraag waartoe wij van zelf komen is
+dan deze: hoe is het mogelijk, en is het mogelijk voor ieder of slechts
+voor eenige menschen? En het antwoord dat de Theosofie geeft is: het is
+mogelijk voor ieder, niet slechts voor enkelen; voor ieder is het
+mogelijk volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, de mensch is
+werkelijk gemaakt naar het goddelijk beeld, dat wil zeggen hij is de
+juiste weerkaatsing van God. Laten wij eerst een uiterst geval
+beschouwen; een zeer onontwikkelden wilde, zoo laag ontwikkeld dat hij
+het goede nog niet kan onderscheiden van het kwaad, dat hij nog niet
+weet dat het kwaad is te stelen of te liegen of te moorden, dat hij al
+deze dingen geoorloofd vindt. Waarom zou hij niet stelen als hij iets
+noodig heeft dat hem niet toebehoort? Waarom zou hij niet liegen als hij
+daardoor kan krijgen wat hij begeert? Waarom zou hij niet moorden als
+hij sterk genoeg is het te doen en verlangt zijnen vijand te dooden? Die
+wilde ziet geen kwaad in moorden en liegen en stelen. Hij denkt dat het
+goed is, of liever: hij denkt er in het geheel niet over. Hij wil het
+doen. Derhalve doet hij het, en het komt nooit in hem op te vragen: "is
+het goed dat ik moord of lieg of steel?" Hij onderzoekt niet of wat hij
+wil doen geoorloofd is. Hij wil het doen en dat is alles waar hij om
+geeft. Waartoe zou het dienen zulk een mensch te zeggen, volmaakt te
+zijn zooals God volmaakt is? Hij is zelfs nog niet in staat, kwaad te
+onderscheiden van goed; hoe zou hij dan volmaakt kunnen zijn?
+Verstandelijke vermogens zijn in hem nog niet ontwikkeld, hij kan niet
+verder tellen dan twee, hij kan geen gevolgtrekking maken, begrijpt niet
+wat een gevolgtrekking is. Hij heeft geen geheugen en herinnert zich
+niet wat gisteren gebeurde, noch kan hij berekenen wat morgen gebeuren
+zal. Hij is in verstandelijk opzicht even dom als hij zedelijk laag
+staat. Wat wilt gij met zulk een mensch doen? Hij ziet er niet uit als
+"het beeld van God" en er schijnt niet veel kans dat hij volmaakt zou
+worden gelijk God volmaakt is. Als hij sterft, bezit hij noch verstand,
+noch zedelijk gevoel. Wat wordt er van dien mensch? Wanneer hij sterft
+en een ander leven intreedt, zonder zijn lichaam, een soort van
+middenleven tusschen deze aarde en den hemel, is er niet veel in hem dat
+omhoog kan stijgen, want zijn ziel is zwak en onontwikkeld. Zij is nog
+slechts een kiem. Hij kende het goed nog niet van het kwaad. Hij kon nog
+niet denken. De ziel nu is de kracht in den mensch die denkt en het
+goede onderscheidt van het kwaad en de ziel van zulk een wilde is
+slechts een embryo, nog volstrekt onontwikkeld. Wanneer hij sterft en
+uit het lichaam treedt, is hij in de wereld, volgende op de stoffelijke,
+in de astrale wereld, waar de dierlijke aard werkelijk thuis behoort. De
+dierlijke aard nu van den wilde is zeer sterk. Deze was het die hem deed
+moorden en liegen en stelen, omdat de dierlijke aard sterk was en de
+ziel nog zwak en jong. Wanneer hij nu na den dood deze astrale wereld
+binnentreedt, terwijl de dierlijke aard in hem nog sterk is, ondervindt
+hij dat hij ze daar niet meer kan bevredigen, zooals hij kon terwijl hij
+in het lichaam woonde, dat hij dat soort genot dat hij op aarde vond,
+daar niet verkrijgen kan, dat hij met zijn lichaam het werktuig verloren
+heeft, waardoor zijn dierlijke aard zich kon uiten. Zoo leert hij,
+wanneer hij uit het lichaam is getreden, dat hij de zucht naar genot van
+zijn dierlijken aard op den langen duur niet kan voldoen, dat datgeen
+wat hem in het lichaam genot schonk, hem daarbuiten smart geeft in
+plaats van genot. Zoo leert de jonge ziel deze eerste les door
+ondervinding in het aardleven en na den dood. Daarop gaat de ziel naar
+de hemelsche wereld. Veel is er nog niet dat deze jonge ziel in den
+hemel kan vinden, maar toch leert zij een weinig door een tijd in die
+wereld te vertoeven. Toen de wilde nog op aarde leefde, gevoelde hij
+wellicht eenige liefde voor vrouw of kind, en deze liefde leert hem een
+nuttige les. Wanneer hij de hemelsche wereld bereikt, is die liefde nog
+met hem; en hij ondervindt dat deze blijft en hem genot schenkt in die
+hoogere wereld. Hij bevindt dat de weinige goede gevoelens, dat iedere
+aandoening welke iets in zich had dat goed was en rein, bij hem is,
+wanneer al het andere achterblijft, dat de liefde blijft wanneer alle
+hartstocht is uitgestorven. Wanneer hij een tijdlang in den hemel
+vertoefd heeft, en zijn liefde in de hemelsche gebieden is toegenomen in
+kracht, komt het oogenblik, waarop de ziel terug moet keeren tot het
+aardleven, opnieuw moet worden geboren in een lichaam, een weinig beter
+dan het lichaam dat zij vroeger bezat. Want de ziel is een weinig
+gegroeid en heeft een beter lichaam noodig dan het vorige dat zij
+bewoonde. Zij is een weinig gegroeid, heeft geleerd een weinig meer
+liefde te koesteren, heeft een weinig geleerd door hare ondervinding in
+deze wereld en in de twee werelden aan gene zijde van het graf. Zij is
+een weinig ouder geworden en wijzer en heeft om nieuwe ondervinding op
+te doen een beter lichaam noodig, wanneer zij terugkomt. Na in dat beter
+lichaam geboren te zijn, leert zij een weinig meer dan in het vorige.
+Zij heeft geleerd dat stelen en moorden niet goed is, en wanneer een
+leeraar of oudere bloedverwant tot het jonge kind, dat reeds deze
+ondervinding heeft opgedaan, zegt: "Gij moet niet stelen, niet liegen,
+niet moorden," zal deze ziel, die op aarde teruggekeerd is met de
+ondervinding die zij heeft opgedaan, deze leering kunnen beantwoorden en
+zeggen: "Ja, het is waar, ik moet niet stelen, niet liegen, niet
+moorden, ik zie in dat dit alles verkeerd is." Waarom ziet die ziel nu
+in dat het verkeerd is, terwijl zij het den vorigen keer niet inzag?
+Omdat de ziel in dien tijd is gegroeid, omdat zij ondervonden heeft dat
+stelen ongelukkig maakt. En deze ondervinding bot als zedelijke
+eigenschap uit, wanneer de ziel in een stoffelijk lichaam wordt
+weergeboren. De kinderen, die thans in ons midden ter wereld komen,
+worden niet geboren zooals de volkomen onontwikkelde wilde, waarover ik
+sprak, niets wetende van goed en kwaad. Zoodra gij hen onderwijst,
+begrijpen zij het verschil tusschen kwaad en goed en het is gemakkelijk
+hun te leeren, daar hunne zielen ouder zijn en reeds vele aardlevens
+doorleefd hebben, waarin zij ondervinding hebben opgedaan en verzameld,
+en die ondervinding hebben omgezet in wat wij geweten noemen, in
+aangeboren begrip van goed en kwaad. Deze groei van de ziel gaat door,
+leven na leven, honderde keeren, zoodat de ziel, wanneer zij in een
+stoffelijk lichaam ter wereld komt, na reeds honderde levens te hebben
+doorgemaakt, vele vermogens in zich heeft. Zij komt ter wereld met
+zekere verstandelijke kracht, met zekeren aanleg voor kunst, met
+zedelijke eigenschappen. Ieder uwer werd geboren met het vermogen te
+denken, zoodat gij met vrucht kondt worden opgevoed; en misschien met
+eenige artistieke kracht, met talent voor schilderen, voor
+beeldhouwkunst of muziek. Gij bracht die vermogens met u, en toondet ze
+reeds als kind, zoodat uw opvoeding kon worden ingericht op een wijze
+die geschikt was om de vermogens die gij medebracht, te kunnen
+ontwikkelen. Deze vermogens, welke de kinderen meebrengen en in
+overeenstemming waarmede wij hun opvoeding behooren te regelen, hebben
+zij gewonnen in herhaalde aardlevens in het verleden, en telkens
+gedurende hun leven in de hemelsche wereld hebben zij die vermogens
+verbeterd en doen toenemen in kracht, en bij iedere geboorte op aarde
+brengen zij ze mede op een hoogeren trap van ontwikkeling dan den
+vorigen keer.
+
+Op deze wijze groeit de ziel door voortdurend herhaalde wedergeboorte
+op aarde en naarmate zij groeit wordt zij meer en meer gelijk God. Na
+langen, langen tijd wordt de ziel op aarde geboren als een kind met een
+zeer goed karakter, misschien als genie, misschien bijna volmaakt uit
+een zedelijk oogpunt. Enkele kinderen worden zoo goed geboren dat hunne
+opvoeding bijzonder gemakkelijk is, onzelfzuchtig, vriendelijk en
+liefdevol, anderen ter wille. In deze kinderen wonen zielen die oud
+zijn, zielen die reeds vele malen op aarde geweest zijn, en geleerd
+hebben onzelfzuchtig en vriendelijk te zijn en hunne medemenschen lief
+te hebben, zoodat zij thans bij hun geboorte zulk een karakter toonen.
+Zij behoeven niet meer te leeren wat goed is, zij weten het van de wieg
+af, juist zooals andere kinderen reeds in hun prille jeugd genien
+blijken. Wanneer de ziel zulk een standpunt bereikt heeft, is het
+oogenblik daar waarop haar ontwikkeling zeer kan worden versneld, het
+oogenblik, waarop bijzondere leering zal komen op haren weg, waarop haar
+bijzondere gelegenheden zullen worden geboden, sneller te kunnen
+ontwikkelen en groeien; dan komt wat de "geestelijke geboorte" genoemd
+wordt, de geboorte naar den geest waarvan Jezus sprak toen hij zeide dat
+geen mensch het koninkrijk Gods kon kennen, tenzij hij was geboren naar
+den geest. De menschen worden telkens en telkens geboren naar den
+vleesche; zij worden slechts eens geboren naar den geest en wanneer een
+mensch geboren is naar den geest, zegt men dat de Christus in hem
+geboren is. Gij zult u herinneren dat Paulus in een zijner brieven
+schreef, dat de Christus geboren moest worden in de ziel; dit nu is de
+groote "tweede" geboorte, die het begin is van de ontwikkeling van den
+Christus in den mensch. Alle vroegere ontwikkeling heeft hem slechts
+doen groeien tot een goed en knap mensch, verstandig en krachtig en
+zedelijk, maar na de geestelijke geboorte wordt hij geestelijk, en
+begint hij het leven te leiden van den Christus. Hij wordt vol
+mededoogen voor allen, vol liefde en vol van den wil zijn medemenschen
+te helpen. Hij ontwikkelt in zich den aard van den Christus, hij gevoelt
+de broederschap die hem met allen verbindt, hij gevoelt dat hij een is
+met alle menschen, dat zij allen leden zijn van zijn huisgezin, dat zij
+allen hem na-staan, als een deel van hemzelf, een deel van zijn eigen
+leven. Naarmate de Christus zich in den mensch ontwikkelt, nadert hij de
+volmaking. Hij wordt meer en meer vrij van zonden, hij verkrijgt meer en
+meer inzicht in alle geestelijke waarheid, hij omvat meer en meer van
+het goddelijk leven en drukt dit uit in zijn leven op aarde. Dit
+tijdperk in de menschelijke ontwikkeling is dat van geestelijken groei,
+niet van verstandelijken of zedelijken vooruitgang. Het komt na dezen
+vooruitgang en brengt de gelijkenis van God en den mensch tot volkomen
+volmaking. Wanneer de mensch zoo gedurende langen tijd heeft geleefd,
+vrij van zonde, terwijl hij goed doet aan ieder, allen met wie hij in
+aanraking komt helpt, vol wijsheid en inzicht in alle geestelijke
+waarheid, heeft hij het standpunt bereikt waarop Jezus doelde toen hij
+zeide: "Weest dan gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen
+is volmaakt is." Dit zou onmogelijk zijn indien de mensch niet gedurende
+honderde levens tot die hoogte kon klimmen. Voor den wilde, over wien ik
+u gesproken heb, zou het niet mogelijk geweest zijn, in een leven
+volmaakt te worden, te worden gelijk God. Maar zonder twijfel is het
+mogelijk, wanneer hij leven na leven op aarde terugkeert, leven na leven
+verbetert en groeit, totdat de ziel van een klein zaadje gegroeid is tot
+een machtigen boom, na talrijke eeuwen van levens. En evenals de eik
+door zijne bladeren die hij ontplooit, den geheelen zomer voedsel
+verzamelt, en dit voedsel uit de bladeren voert tot takken en stam, en
+in den herfst de bladeren afvallen en sterven, maar de boom door het
+opgenomen voedsel gegroeid is--- zoo ook zendt de menschelijke ziel een
+lichaam uit, gelijk de boom zijne bladeren, en verzamelt ondervinding
+door het vergankelijke lichaam, gelijk de boom door de bladeren zijn
+voedsel. Al die ondervinding neemt de ziel in zich op: het lichaam
+sterft wanneer zijn tijd daar is, maar de ziel groeit door de opgedane
+leering en nadert de volmaking.
+
+Dit is wat de Theosofie leert omtrent den groei der ziel, en gij hebt
+gezien dat wij gekomen zijn tot de gevolgtrekking, dat de mensch
+volmaakt kan worden, en de vraag zal bij u opkomen: "Wat moet de
+volmaakte mensch doen met zijne volmaking?"
+
+Hij moet zijn medemenschen helpen. Zij die volmaakt zijn geworden zijn
+degenen die wij Meesters noemen. Zij zijn de Leeraars der groote
+godsdiensten, zij zijn het die tot de wereld komen om den menschen te
+leeren hoe te leven, hoe sneller te groeien. Zelf volmaakt geworden,
+blijven zij anderen leeren hoe de volmaking te bereiken. Jezus, die
+zelf volmaakt is, bleef op aarde ten einde den menschen te leeren hoe
+zij volmaakt konden worden en gelijk aan Hemzelf. En de Theosofie leert
+dat deze volmaakte menschen nog heden bereikt kunnen worden. Zij zijn
+niet ver weg in den hemel, maar hier op aarde. En wij kunnen hen vinden,
+indien wij den juisten weg inslaan; en de eenige weg om hen te vinden is
+te trachten hun gelijk te worden. Misschien hebt gij wel eens in de
+geschriften van de heiligen der Christelijke kerk gelezen, hoe Jezus tot
+hen kwam en hun leerde; en dan hebt gij steeds gedacht dat dit droomen
+waren of verzinsels. Toch is dit niet het geval. Wat zij schreven is
+letterlijk waar, en het zou ook voor ons waar kunnen zijn zooals het
+waar was voor hen, want gij kunt een heilige worden zoo goed als ieder
+ander mensch, die leefde in de middeleeuwen of in de eerste eeuwen der
+Christelijke kerk. Waarom zouden niet de tegenwoordige Christenen heilig
+worden kunnen gelijk die van vroeger, waarom zouden zij den Christus
+niet kennen zooals Hij gekend werd in de vroegste tijden der kerk,
+waarom zouden zij niet in staat zijn Hem te spreken en van Hem te
+leeren, zooals de menschen in die oude dagen deden, toen Hij leefde
+onder de menschen en zooals zij het nog deden, vier of vijf eeuwen
+daarna? De ziel der menschen is thans niet zwakker dan toen, de ziel der
+menschen is in staat nog heden te doen, wat zij toen in staat was te
+volbrengen. Het is slechts de kennis die u ontbreekt, hoe het te doen en
+den krachtigen wil, welke u moed tot volharden kan geven. De Theosofie
+is daar om u de kennis te geven van den weg, waarlangs wij de groote
+Leeraars kunnen bereiken, en met die kennis geeft zij ons den moed en
+den wil en het geduld tot volharden.
+
+Veel van wat ik u hedenavond heb gezegd zal voor sommigen uwer nieuw
+schijnen en vreemd. Toch is het niet nieuw maar over-oud, zoo oud dat de
+menschen het hebben vergeten; en niet vreemd, zooals gij bij nadere
+studie zult vinden. Ik heb u hedenavond niets gezegd, dat ik niet _weet_
+dat waar is en de weg dien ik gevolgd heb om tot weten te komen, is de
+weg dien de Theosofie aanwijst. Door het volgen van hare voorschriften
+ben ik in staat geweest hetzelfde te doen wat in de Christelijke kerk
+gedaan werd, vele eeuwen geleden, en wat in alle andere godsdiensten
+mogelijk is geweest, lang voordat het Christendom was gesticht. Al deze
+dingen zijn altijd bekend geweest, deze weg is altijd betreden door de
+weinigen; en zij die hem betraden waren de menschen, die de waarheden
+van den godsdienst wisten door eigen waarneming--niet uit de tweede
+hand. Het doel der Theosofische Vereeniging is, u te helpen in het
+verkrijgen van eerste-hands kennis en hoewel de dingen die ik u gezegd
+heb misschien onbekend mogen wezen en schijnen onmogelijk te kunnen
+worden bewezen, kunnen zij alle bewezen worden door ieder uwer die
+begeert te onderzoeken, en zich dezelfde moeite wil geven, welke door
+sommigen onzer is gedaan. Dan zult gij de werkelijkheid der
+wedergeboorte op aarde weten, niet slechts gelooven, dan zult gij de
+wijze kennen, waarop de ziel langzamerhand groeit tot volmaking, dan
+zult gij weten dat deze Leeraars nog levende menschen zijn en nog steeds
+leering geven willen aan leerlingen die tot hen komen. De Theosofie is
+inderdaad een studie. Ik vraag u niet haar te gelooven, ik vraag u niet
+haar aan te nemen zonder begrijpen, ik vraag u slechts te onderzoeken,
+zooals ik onderzocht heb. Gij kunt tot weten komen zooals ik ben gekomen
+tot weten. En ik weet, dat wanneer al deze dingen voor ons eerste-hands
+kennis worden, niets in de wereld ons meer werkelijk ongelukkig kan
+maken. De moeiten en zorgen, welke zoo vele menschen kwellen, worden ons
+niets, zelfs de dood, die scheiding te maken schijnt tusschen de
+menschen, kan voor ons geen scheiding meer brengen wanneer wij deze
+waarheden voor ons zelf bevestigd weten, omdat wij dan den sluier des
+doods kunnen oplichten, en de menschen aan de andere zijde kennen, even
+gemakkelijk als gij ze hier kent op aarde; zoodat de Theosofie u met de
+gelegenheid om deze dingen te onderzoeken de mogelijkheid biedt van
+grooter geluk dan den meesten menschen ten deel valt, van kennis die u
+sterk zal maken en krachtig, van een leven vol vrede en rust. Dat is de
+uitkomst van Theosofisch onderzoek, dat is het gevolg van het streven
+tot weten te komen, en mijn doel voor hedenavond was, eenigen van u te
+brengen tot diepere studie, opdat gij moogt komen tot de kennis der
+waarheid. En wanneer gij dan tot die kennis gekomen zult zijn, zult gij
+terugzien tot dezen avond en zeggen: Toen was het dat ik voor het eerst
+de leeringen der Theosofie vernam, waarvan de kennis in mijn geheele
+leven verandering heeft gebracht. Toen was het dat ik den grootsten
+schat vond, welken ik ooit heb gekend; want ik vond de kennis van God,
+die het eeuwige leven is, zonder welke het leven arm is en beperkt, met
+welke het leven oneindig wordt, vol van vreugde en vrede.
+
+
+
+
+#Esoterisch Christendom#
+
+
+Sommigen die niets weten van de Theosofische leeringen beschouwen de
+Theosofie als vijandig gezind jegens het Christendom. Zij denken dat
+iemand wanneer hij Theosoof wordt moet ophouden Christen te zijn. En
+wanneer zij vernemen dat de Theosofie zich in een land verspreidt, nemen
+zij als van zelf sprekend aan dat in dat land een nieuwe beweging tegen
+het Christendom is ontstaan, een beweging waarvoor geen Christen
+sympathie kan gevoeien. Deze zienswijze nu is geheel en al verkeerd. Hoe
+zou het mogelijk zijn dat de grondslag van alle godsdiensten de vijand
+was van eenigen godsdienst? Daar zij komt om het godsdienstig gevoel te
+versterken door kennis, kan de Theosofie niet ten doel hebben het geloof
+te ondermijnen, of te trachten het godsdienstig gevoel der menschen te
+doen wankelen. Integendeel: waar zij komt tot de menschen, vraagt zij
+hun niet hunnen godsdienst te verlaten, maar zij vraagt hun te pogen
+dien godsdienst te doorgronden in zijn diepere en meer geestelijke
+beteekenis. Zij komt tot den godsdienst om hem terug te geven wat hij in
+den loop der eeuwen heeft verloren, zij komt om de kennis terug te
+brengen, welke langzamerhand uit zijn gebied is geweken, zij komt om de
+zinnebeelden en riten van den godsdienst begrijpelijk te maken en aan
+hen wier geloof was geschokt door de aanvallen van het ongeloof een
+hechten en zekeren grondslag te schenken waarop hun geloof rusten kan,
+verheven boven de mogelijkheid van eenigen aanval, bekroond met goed
+gevolg.
+
+Wanneer ik dan hedenavond u toespreek uit naam der Theosofie, spreek ik
+als iemand die het Christendom beschouwt als een van de groote
+godsdiensten der wereld, die gelooft dat het in zich alles bevat wat
+noodzakelijk is voor den groei der menschelijke ziel, maar die tevens
+meent dat het algemeen verspreide Christendom van tegenwoordig zeer veel
+verloren heeft van wat het oorspronkelijk Christendom bezat, als iemand
+die gelooft dat het mogelijk is aan de kerk dat diepere, geestelijker
+inzicht in den godsdienst terug te geven, dat in den tegenwoordigen tijd
+uit het weten der Christenen verdwenen is.
+
+Reeds de naam van deze voordracht "esoterisch of innerlijk Christendom"
+zal waarschijnlijk door vele Christenen verworpen worden. Weinigen onder
+de hedendaagsche Christenen willen toegeven dat er een esoterisch
+Christendom bestaat, ja zelfs hoort men Christenen er zich dikwijls op
+beroemen dat hun godsdienst ten minste niets heeft dat teruggehouden en
+verborgen is. Dikwijls hoort men zeggen: de Christelijke godsdienst is
+zoo eenvoudig dat zelfs een kind, dat de meest onontwikkelde hem kan
+begrijpen en ik heb soms Christenen ontmoet die verontwaardigd werden
+over het denkbeeld, dat er in verband met hun geloof eenige kennis zou
+bestaan, welke teruggehouden wordt van den onwetende, welke niet
+openlijk aan de wereld wordt verkondigd, kennis zoo moeilijk te
+omvatten, dat de gewone menigte niet in staat zou zijn haar te
+begrijpen. En toch is het duidelijk dat als het waar is dat het
+Christendom niets anders te leeren heeft dan wat begrepen kan worden
+door het kind en door den onopgevoeden mensch, dit de erkenning in zich
+zou sluiten, dat het Christendom niet de waarheid bezit, dat het niet
+voldoende is voor den wijsgeer en den wijze. Want gij kunt het verstand
+van den wijsgeer niet tevreden stellen met dezelfde opvattingen welke
+voldoende zijn voor het kind en den polderwerker. Men kan niet
+verwachten dat de man van de wetenschap, de hoogontwikkelde denker,
+tevreden zal blijven met de enge en ruwe opvattingen, welke voor den
+onwetende niet slechts voldoende zijn, maar die voor hem veel meer
+geschikt zijn dan de verklaringen van den verheven wijsgeer. Neem
+bijvoorbeeld het begrip "God". Voor een kind moet gij van God een
+konkreet denkbeeld geven, anders kan het kind het niet bevatten. Indien
+gij tot hem spreekt in de taal der metafysika, indien gij tot hem
+spreekt over het absolute, het oneindige, indien gij hem vertelt van een
+oneindig leven, dat de geheele ruimte doordringt en de tallooze zonnen
+welke zich in het heelal bewegen in wezen houdt, indien gij hem zulk een
+beschrijving van de Godheid geeft, zult gij het kind slechts in
+verwarring brengen en geenerlei opvatting, welke door hem kan worden
+bevat, zal zijn ongeoefend brein bereiken door uw wijsgeenge taal. Zal
+het kind eenig denkbeeld krijgen van God dan moet de opvatting van het
+goddelijke tot hem komen in een gewone, menschelijke gedaante. Gij kunt
+hem leeren van een Vader, die teeder is en liefhebbend, want dit geeft
+hem een denkbeeld dat hem reeds bekend is door de liefde van zijn eigen
+vader. Gij kunt hem vertellen van den mensch Jezus, vol liefde en
+mededoogen; dit geeft hem het denkbeeld van een vriend, sterker en ouder
+dan hij zelf, die hem lief heeft en beschermt. Zoo kan het kind eenig
+denkbeeld ontvangen van God. Het goddelijke moet menschelijk worden
+gemaakt, het oneindige moet worden beperkt; slechts zoo kan het
+kinderhart worden bevredigd. Maar wanneer gij staat tegenover den
+wijsgeer, die onmiddellijk de bezwaren inziet welke er zijn tegen de
+beperking van het goddelijke binnen den menschelijken vorm, wanneer gij
+staat tegenover een man van de wetenschap die zich den God dien hij
+aanbidt denkt als een Leven dat de gansche ruimte doordringt, dat alle
+zonnen en planeten beheerscht, dat tegelijk het leven is van het heelal
+en het leven van het kleinste wezentje dat bestaat, voor wien de
+beperking in den menschelijken vorm godslastering wordt en
+bespotting--wanneer gij dan nog blijft bij de opvatting van het kind,
+zal de wijsgeer, de man van de wetenschap agnostisch worden of atheist.
+De erkenning van de waarheid, dat het godsbegrip moet beantwoorden aan
+de beperkingen van het menschelijk verstand, dat het denkbeeld dat de
+mensch van God heeft verschillend moet zijn naar gelang van de kracht
+van zijn verstand, naar den aard zijner aandoeningen, naar de diepte van
+zijn inzicht,--de erkenning van deze waarheid maakt het voor alle
+menschen mogelijk, God te aanbidden, want ieder mensch, hetzij onwetend
+of geleerd, ontvangt dan van de goddelijke kennis juist zooveel als hij
+in staat is op te nemen in hoofd en hart. Ieder mensch houdt als het
+ware het vat zijner eigene ziel tot God omhoog. Is de ziel klein en
+beperkt, dan kan zij slechts weinig van de goddelijke kennis bevatten;
+indien de ziel groot is en ontwikkeld, kan zij meer bevatten van het
+goddelijk leven. Klein waarlijk in vergelijking met dien machtigen
+oceaan is het grootste verstand, de grootste wijsheid des menschen, maar
+toch heeft dit verstand het recht een opvatting te eischen, die noch te
+hoog is noch te laag, en slechts door een esoterischen godsdienst kunnen
+de ontwikkelden en wijzen gehouden worden binnen de grenzen der kerk.
+Dit is in het verleden altijd bekend geweest. Geen godsdienst der
+oudheid gaf aan alle menschen leering in denzelfden vorm. Onder de
+Hindoes, de Chineezen, de Boeddhisten, de Egyptenaren, de Grieken,
+overal vindt gij verschil van leering voor de menigte der
+onontwikkelden, en de kleine minderheid der ontwikkelden. Toen het
+Christendom aan de wereld werd gegeven, toen Jezus kwam als een
+boodschapper der waarheid en de stichter van een nieuwen vorm van
+godsdienst, trad hij in de voetstappen zijner voorgangers en verdeelde
+zijn leer in twee deelen, het eene voor de menigte, het andere voor de
+verlichten. Ik wensch u van deze bewering het bewijs te leveren door een
+aantal bewijsgronden, wier gewicht gij voor u zelf kunt schatten. Ik zal
+u aantoonen, eerstens uit de woorden van Jezus zelf, dat hij die
+onderscheiding maakte; dan uit de woorden zijner apostelen dat ook zij
+die verdeeling erkenden, vervolgens dat die apostelen ze overdroegen
+aan het geslacht dat na hen kwam, en eindelijk dat diezelfde verdeeling
+der leeringen in tweeen door de bisschoppen en kerkvaders werd
+gehandhaafd. Wij hebben dus vier stappen te doen in de vroegste
+geschiedenis der kerk. Wij moeten de gezegden van Jezus zelf, die zijner
+apostelen, die van degenen die door de apostelen als leeraars werden
+uitverkoren, en die van de bisschoppen en kerkvaders in de eerste vijf
+eeuwen der geschiedenis van het Christendom beschouwen. Over deze vijf
+honderd jaren strekken zich de verklaringen uit, die ik u zal aanhalen
+als bewijsgronden voor het feit dat er in die eeuwen een esoterisch
+Christendom bestond, evengoed als een exoterisch, dat er een bijzonder
+onderwijs was voor de ingewijden, evengoed als een openbare leering voor
+de menigte der geloovigen. Na deze eerste reeks bewijsgronden, de
+geschiedkundige, zal ik een bewijsvoering leveren van anderen aard, en
+wel deze: dat zij die thans esoterische kennis bezitten, beter in staat
+zijn de Christelijke leeringen uit te leggen dan zij die deze kennis
+niet bezitten, en beter de beteekenis begrijpen van de vele verklaringen
+in het Nieuwe Testament, welke de gewone kerkleeraars niet in staat zijn
+uit te leggen, verklaringen, die de hedendaagsche kerk dikwijls heeft
+uitgelegd op een wijze, welke in strijd is met het geweten, zoodat die
+uitleggingen der kerk vele menschen uit het Christendom drijven, en van
+velen onder hen die slechts de exoterische verklaring ontvangen, het
+verstand beleedigen en het geweten in opstand brengen. Het gevolg
+hiervan is dat zij de kerk verlaten en onverschillig worden voor het
+Christendom, een groot verlies voor henzelf, daar zij hun geloof moeten
+opgeven, een groot verlies voor de kerk, want op deze wijze gaan de
+meest ontwikkelden verloren, en wordt de invloed van het geloof op de
+menigte verzwakt.
+
+Wij zullen thans de verschillende bewijsgronden in volgorde aanvoeren en
+beginnen met de geschiedkundige, in de eerste plaats met de woorden van
+Jezus zelf.
+
+Toen de discipelen tot Jezus kwamen en hem vroegen naar de gelijkenissen
+welke hij tot de menigte gesproken had, gaf hij hun dit merkwaardige
+antwoord: "Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het
+koninkrijk Gods, maar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze
+dingen door gelijkenissen." [Voetnoot: Marcus 4,11.] En verder: "Zonder
+gelijkenis sprak hij tot hen niet." [Voetnoot: Marcus 4,34.] Wij vinden
+hier den toestand duidelijk verklaard. Tot de menigte sprak Jezus
+slechts in gelijkenissen, in allegorien, in verhalen in den vorm van een
+fabel, welke hun zedelijke leering gaf; maar zijnen discipelen gaf hij
+de uitlegging der gelijkenissen, verklaarde hij de verborgenheid van het
+koninkrijk Gods, en ik verzoek u deze onderscheiding, door Jezus
+gemaakt, goed in het oog te houden, omdat wij haar straks door de
+kerkvaders aangehaald zullen vinden ter rechtvaardiging van de
+handelwijze der kerk in hun eigen tijd.
+
+Jezus zeide eens tot de discipelen: "Geeft het heilige den honden
+niet." [Voetnoot: Mattheues 7,6.] Het woord "hond" nu had bij de Joden
+een zeer bepaalde beteekenis. Het duidde iedereen aan, die geen Jood was
+en gij herinnert u dat toen een Kananeesche vrouw tot Jezus kwam om hulp
+te vragen, hij ten antwoord gaf: "Het is niet betamelijk, het brood der
+kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen." [Voetnoot: Mattheues
+15,26.] En zij nam zonder morren die benaming aan en zeide slechts: "Ja
+Heer, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die er vallen van de
+tafel hunner heeren." Dit woord van Jezus: "Geeft het heilige den honden
+niet" is niet anders dan een bevel, niet het innerlijke te geven aan hen
+die buiten de groep der uitverkorenen stonden. Voor deze laatsten alleen
+moest het heilige worden bewaard. De apostelen, die het evangelie van
+Jezus buiten de Joden verspreidden, erkenden evenzoo een aantal
+uitverkorenen, dat waren zij die in de kerk in de mysterien waren
+ingewijd, terwijl zij die buiten de mysterien stonden profanen werden
+genoemd. Het woord profaan werd in de oudheid gewoonlijk gebruikt om
+deze menschen aan te duiden en wanneer wij overgaan tot de tweede soort
+van geschriften, waarvan ik u gesproken heb, tot de geschriften der
+apostelen, vinden wij dat Paulus het onderscheid, door Jezus gemaakt,
+behield en het toepaste op zijn eigene bekeerlingen. Zoo schreef hij aan
+de Corinthiers, die als Christenen waren gedoopt, die hadden deelgenomen
+aan het Heilige Avondmaal, die lidmaten der kerk waren, zooals wij
+zeggen zouden: "En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot
+geestelijken, maar als tot vleeschelijken, als tot jonge kinderen in
+Christus. Want gij zijt nog vleeschelijk." [Voetnoot: I Corinthiers
+3,1-3.] En elders zegt hij: "En wij spreken wijsheid onder de
+volmaakten." [Voetnoot: I Corinthiers 2,6.] Paulus maakte dus hetzelfde
+onderscheid als de Meester: voor hen die vleeschelijk waren, voor de
+jonge kinderen in Christus, sprak hij zonder geestelijke wijsheid; die
+wijsheid werd slechts gegeven aan de volmaakten, dat is, aan hen die
+ingewijd waren in de mysterien der kerk. Want deze uitdrukking "de
+volmaakten" is het oude woord voor de ingewijden; zij moesten volmaakt
+zijn in het uiterlijke leven, voordat zij werden toegelaten tot de
+kennis der mysterien van Jezus. Vervolgens vinden wij dat Paulus aan
+Timotheues, dien hij wijdde tot bisschop der kerk, beval op zijn beurt
+uit de geloovigen diegenen te kiezen, die in staat zouden zijn meer te
+leeren en dat hij aan dezen het Woord moest mededeelen, dat hij zelf had
+ontvangen voor vele getuigen. Hier hebben wij weer een uitdrukking die
+in de oudheid veel werd gebruikt: "het Woord," het Woord dat gegeven
+werd voor vele getuigen. Wat is dat Woord, dat Paulus gaf aan Timotheues,
+in tegenwoordigheid van vele getuigen en dat hij hem beval over te geven
+aan hen die het waardig zouden zijn? Dit Woord, gesproken voor vele
+getuigen, is de geheime leering der mysterien, welke nooit op schrift is
+gesteld, welke nooit werd gegeven in eenigen vorm, waarin zij kon worden
+verraden, maar altijd slechts gesproken werd van mond tot oor, van
+leeraar tot leerling, in tegenwoordigheid van vele getuigen, die konden
+instaan voor de nauwkeurigheid der ongeschreven overlevering, die konden
+getuigen dat de leeraar het Woord goed had overgebracht, dat hem
+gegeven was om aan anderen over te leveren. Het Woord, door Timotheues
+van Paulus ontvangen in tegenwoordigheid van vele getuigen, is het
+esoterisch Christendom, mondeling geleerd aan hen die waardig waren zelf
+leeraars te worden.
+
+Wij hebben gezien, eerstens hoe Jezus zelf de mysterien slechts leerde
+aan enkele leerlingen, en tot de menigte sprak in gelijkenissen,
+vervolgens hoe Paulus als apostel op dezelfde wijze te werk ging en aan
+Timotheues beval het Woord op zijne beurt verder te geven, zoodat wij
+thans in de derde plaats komen tot de latere bisschoppen en kerkvaders,
+die verklaren dat zij de geheime leering hadden ontvangen en ze op hunne
+beurt hadden over te leveren aan hen die zich daartoe waardig toonden.
+Tot nog toe heb ik slechts aanhalingen gedaan uit het Nieuwe Testament
+dat naar ik veronderstel ieder uwer bekend zal zijn. Thans zal ik eenige
+schrijvers aanhalen uit de vroegste geschiedenis der kerk, die u
+misschien niet bekend zullen zijn, maar die gij toch ook zelf lezen
+kunt, hetzij in het Latijn of het Grieksch, zoo gij die talen verstaat,
+of anders in uw eigene taal overgezet. De kennis van de geschriften der
+oude kerkvaders is noodig voor ieder die als prediker van het
+Christendom optreedt. Zonder die kennis is hij niet geschikt zich
+leeraar van het Christendom te noemen.
+
+Een van die bisschoppen nu was Clemens van Alexandrie, een der meest
+geleerde en wijze mannen der Christelijke kerk, die het aanzien der kerk
+heeft verhoogd door de zuiverheid van zijn leven, door de diepte zijner
+wijsheid. Terecht heeft de dankbare kerk hem in latere dagen als een
+heilige beschouwd. Groot is het aantal geschriften dat hij heeft
+nagelaten tot leering der Christenen. In een van deze geschriften
+spreekt hij over de kennis, die door de kerk was overgeleverd van den
+tijd van Jezus tot op zijn tijd toe, het onderricht dat Jezus gaf aan
+zijn apostelen, en dat na hem van geslacht op geslacht was overgegaan.
+Hij zegt: "Deze leering werd van den beginne af slechts gesproken tot
+hen die begrijpen. De ongeschreven uitlegging der geschrevene woorden,
+die door den Heiland aan de apostelen gegeven werd, is tot ons
+overgeleverd." [Voetnoot: Stromata 6,15.] Hier hebben wij de getuigenis
+van een der bisschoppen van de oude kerk, dat er een onderricht van
+Jezus was, niet geschreven, maar door Jezus gegeven aan de apostelen, en
+door de kerk bewaard als een ongeschreven overlevering. Dezelfde
+getuigenis geeft Origenes, een ander kerkvader. Hij zegt dat Jezus met
+zijne discipelen in het bijzonder sprak over het evangelie Gods, dat de
+woorden welke hij sprak niet werden bewaard in geschrifte, en dat zij de
+verklaring vormden der gelijkenissen. Slechts zij ontvingen die leering,
+die waardig waren haar te ontvangen; hij zegt dat allen die deze leering
+zullen ontvangen, in bewondering zullen staan over hare wijsheid. Maar
+er is nog meer: dezelfde Clemens, die spreekt over de ongeschreven
+leering van Jezus, vertelt ons ook dat hij zelf in zijn openbare
+prediking slechts zwakke, onvolmaakte beelden kon geven, maar dat zij
+die geslagen waren met den thyrsus, de beteekenis ervan zouden
+begrijpen. Geslagen te zijn met den thyrsus nu beteekent te zijn
+ingewijd, want de thyrsus was een roede, die bij de inwijding gebruikt
+werd, bij welke gelegenheid de persoon die ingewijd werd in trance werd
+gebracht, om de ziel te bevrijden van het lichaam. Wanneer de kandidaat
+voor de inwijding voor den leeraar was gebracht, ontving hij eerst door
+mondelinge leering de kennis, waarvan ik reeds gesproken heb en daarna
+werd hij geslagen met de roede, welke als voertuig diende voor
+magnetische krachten, welke in den kandidaat de innerlijke krachten der
+ziel deden ontwaken, en de ziel in staat stelden zich vrij te maken van
+het lichaam en zoo hoogere leering te ontvangen in de onzichtbare
+wereld, vrij van den last van het lichaam. Deze uitdrukking nu:
+"Geslagen met de roede" beteekent ingewijd in de mysterien. Clemens
+vertelt ons hiervan nog iets meer, licht een hoekje van den sluier op,
+en ontdekt ons een weinig van wat daarachter verborgen is. Hij deelt ons
+de voorwaarden mede waaronder de mensch de inwijding kan ontvangen, en
+de eerste woorden welke door den leeraar bij het begin van de
+inwijdingsplechtigheid werden gesproken. Hij vertelt ons dat uit de
+lidmaten der kerk, uit hen die gedoopt waren en aan het Heilige
+Avondmaal hadden deelgenomen, dat uit die velen zeer weinigen werden
+gekozen: "velen zijn geroepen", zegt hij, de woorden van Jezus
+aanhalende, "maar weinigen uitverkoren." Hij zegt verder van die
+uitverkorenen: wie vrij is, niet slechts van alle laagheid, maar ook van
+wat de menschen als geringere zonden beschouwen, slechts hij kan worden
+ingewijd in de mysterien van Jezus, welke alleen door de heiligen en
+reinen worden gekend. Daarna deelt hij de eerste woorden mede, welke bij
+de inwijding gesproken werden: Hij die als inwijder optreedt,
+overeenkomstig de voorschriften van Jezus, zal zeggen tot hen die rein
+zijn van harte: "Hij wiens ziel zich gedurende langen tijd van geen
+kwaad bewust is, en in het bijzonder sinds hij zich overgaf aan de
+weldoende kracht van het Woord, laat de zoodanige hooren de leering,
+door Jezus in het geheim gesproken tot zijn waarachtige leerlingen."
+[Voetnoot: Contra Celsum 3,40.] Dit waren de eerste woorden, gesproken
+bij de Christelijke inwijdingsplechtigheid, dit was de eerste zin, door
+den hierophant tot den kandidaat gericht. Het verdere kan Clemens niet
+aanhalen, want dan begint de leering welke slechts gegeven kon worden in
+de mysterien. Deze eerste woorden echter stellen de voorwaarde van
+reinheid en roepen den kandidaat op om te luisteren naar de leering,
+door Jezus in het geheim aan zijne leerlingen gegeven.
+
+Wat is er thans geworden van die leering? Wat heeft de kerk gedaan met
+deze heiligste nalatenschap van den Christus? Waar wordt nu het
+onderricht gevonden, dat Jezus zijnen leerlingen in het geheim gaf? Waar
+zijn nu de mysterien van Jezus, en degenen die den kandidaat zouden
+kunnen inwijden in de kennis, die aan de vroegere Christenen werd
+meegedeeld? Is de kerk trouweloos geweest in het bewaren van haren
+schat? Heeft zij de overlevering verloren, en ook degenen aan wie deze
+was toevertrouwd? Indien dit waar is, geen wonder dan dat de
+ongeloovige instaat is het geloof der Christenen te doen wankelen, geen
+wonder dan dat honderden van de meest ontwikkelde menschen worden
+gevonden buiten de grenzen der Christelijke kerk.
+
+Is het mogelijk die verloren kennis te herwinnen? Is het mogelijk deze
+leering weer te vinden, nu ze verdwenen is uit den schoot der kerk? Ja,
+die leering is nooit werkelijk verloren gegaan, de kennis van de
+mysterien is nooit geheel en al verdwenen. Zij is bewaard door Jezus
+zelf en door zijn trouwe leerlingen, en die leerlingen zijn nooit geheel
+en al van de aarde verdwenen. Hier en daar werd er altijd nog een
+gevonden, die de duisternis om zich verlichtte, een heilige, stralend
+als een ster aan den donkeren hemel, in het bezit van eerste-hands
+kennis, de kennis van de oude mysterien van Jezus. Nu en dan verscheen
+zulk een leerling in den schoot der Christelijke kerk, ingewijd en
+onderwezen gelijk voorheen, evenals de Christenen van vroeger, in het
+bezit van onmiddellijke leering, welke hem in staat stelde als leeraar
+op te treden. En hiertoe zijn slechts zij in staat, die zelf de
+onmiddellijke leerlingen zijn van de Meesters. Sedert de overlevering
+van haar bestaan uit de kerk verdwenen is, wordt de geheime leering nog
+altijd overgedragen van den een op den ander, zoo vaak er iemand
+gevonden wordt die waardig is ze te ontvangen. En met die leering gaat
+samen het vermogen om wat men verkeerdelijk "wonderen" noemt te
+verrichten, het gebruiken van natuurkrachten, welke de gewone menschen
+niet kennen. Gij zult u herinneren hoe Jezus gezegd heeft dat zekere
+teekenen hen zouden vergezellen, die geloofden; dat zij vergif zouden
+drinken zonder dat het hun schaadde, dat zij door handoplegging zieken
+zouden genezen; aan deze teekenen, zeide hij, zouden waarlijk geloovigen
+worden herkend.
+
+Hoevele Christenen vertoonen thans deze teekenen van het levend geloof?
+In welke mate zijn die krachten in het bezit der Christenleeraars van
+onze hedendaagsche kerk? Hier en daar in de middeleeuwen vinden wij er
+nog sporen van, zooals de wonderen, verricht door Franciscus van Assisi
+en Elisabeth van Hongarije, wonderen, niet in den zin van een schending
+der natuurwetten, want zulk een schending is onmogelijk, maar wonderen,
+mogelijk gemaakt door de kennis eener hoogere wet, welke op lagere
+gebieden niet kan worden ontdekt, door gebruik te maken van geestelijke
+krachten welker werking de groote menigte der menschen niet kent.
+
+In den aanvang van deze voordracht sprak ik u nog van een ander soort
+van bewijs dat kon worden gegeven om het bestaan van de esoterische
+kennis aan te toonen. Voor hen toch die deze kennis bezitten is het
+mogelijk de duistere en moeilijke plaatsen in de Schrift te begrijpen en
+te verklaren, plaatsen welke altijd struikelblokken zijn geweest voor
+den Christen, maar toch voor een eenvoudige verklaring vatbaar zijn,
+wanneer men slechts den esoterischen kant der godsdienstige leering
+onderzocht heeft. Laten wij bijvoorbeeld enkele plaatsen nemen uit het
+Nieuwe Testament, welke moeilijk zijn te begrijpen en waarin de
+hedendaagsche Christenen niet gelooven, en die altijd weggeredeneerd
+worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van den jongeling, die tot Jezus
+kwam en hem vroeg hoe hij het eeuwige leven beerven kon. Het eerste
+antwoord dat Jezus hem gaf was het exoterische. "Gij weet de geboden".
+Dit is juist wat thans de predikant zou zeggen tot iemand, die hem kwam
+vragen hoe hij het eeuwige leven zou kunnen verkrijgen. Zijn antwoord
+zou wezen: "leid een goed leven op aarde". Dit was ook het eerste
+antwoord dat Jezus gaf, maar de jongeling was hiermede niet tevreden.
+Hij wist dat dit slechts het exoterische antwoord was, niet het diepere
+dat hij zocht. Het wees hem den weg niet dien hij wenschte te vinden.
+Daarom antwoordde hij: "Meester, deze dingen heb ik onderhouden van
+mijne jonkheid af". Dit is het antwoord dat ieder moet kunnen geven, die
+naar de diepere wijsheid verlangt. Aan de uiterlijke wet moet zijn
+voldaan, voordat de innerlijke leering kan worden verkregen. Toen gaf
+Jezus een ander antwoord: "Een ding ontbreekt u, ga henen, verkoop al
+wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den
+hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij". Toen ging de
+jonge man treurig heen, want hij had vele goederen; en Jezus wendde zich
+tot zijne discipelen, die alles verlaten hadden om hem te volgen, en
+sprak: "Het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan
+dat een rijke in het koninkrijk Gods inga." [Voetnoot: Marcus 10,
+17-26.]
+
+Hoe dikwijls worden tegenwoordig deze laatste woorden weggeredeneerd.
+Hoe vele predikers hebben er over gepreekt en ze van hun beteekenis
+beroofd. Hoe dikwijls hebt gij misschien in uwe jeugd aan uw leeraar
+gevraagd, gelijk ik het mijn leermeester vroeg: "wat beteekenen toch die
+woorden? Is het waar dat een rijke niet gemakkelijker het koninkrijk
+Gods binnengaan kan dan een kemel kan gaan door het oog eener naald?"
+Maar mijn leermeester redeneerde de moeilijkheid weg en zeide mij dat
+het beteekent dat een rijke even goed als een arme het eeuwige leven kan
+verwerven, dat het iets anders beteekent dan het zegt, dat het
+betrekking heeft op een poort in Jeruzalem waar een kameel slechts
+onbeladen door kon gaan; en dat het wilde zeggen dat een rijke vele
+moeilijkheden heeft en aan vele verleidingen blootstaat, maar niet dat
+hij in het geheel niet zou kunnen binnengaan in het koninkrijk Gods. De
+groote menigte der Christenen schijnt het ook niet op te vatten in den
+zin, zooals het door Jezus is gezegd, want overal ziet gij de menschen
+hard werken om rijkdommen te verwerven, en als zij dachten dat zij
+daardoor het eeuwige leven zouden verliezen, zouden zij wel niet zoo
+hard werken om in de hel te komen; zoodat wij vrij zeker kunnen zijn dat
+zij in woorden van Jezus als de aangehaalde volstrekt niet gelooven. Dit
+is het noodzakelijk gevolg van het verloren gaan der esoterische kennis.
+Wat is de beteekenis van deze uitdrukking: "het koninkrijk Gods?" Zij
+wordt altijd gebruikt voor "inwijding in de mysterien". Zij die willen
+binnengaan in het koninkrijk Gods moeten volmaakt worden, niet zooals de
+mensch van de wereld, die na den dood in den hemel komt, om na verloop
+van tijd terug te komen, meer te leeren en meer ondervinding op te
+doen,--het eeuwige leven is niet het vertoeven in een voorbijgaanden
+hemel, het is de kennis van God, het is de vereeniging met de Godheid
+zelf. En die kennis van God die het eeuwige leven is, is het koninkrijk
+Gods, waarin slechts de volmaakte kan binnengaan. En het is altijd een
+vaste wet geweest dat ieder mensch, voordat hij wordt ingewijd, alles
+moet afstaan wat hij bezit, dat hij niets meer als zijn eigendom
+beschouwen moet, wat in de oogen der wereld het zijne is. De gelofte van
+armoede is altijd de gelofte van den ingewijde geweest; niemand kan
+inwijding bereiken die niet deze gelofte doet in haar wijdste
+beteekenis: niet slechts wat zijn aardsche goederen aangaat, maar
+aangaande alles wat hij bezit, zij het rijkdom van verstand of rijkdom
+van hart of rijkdom der aarde. Hij staat ze alle af en deelt ze met de
+wereld, hij beschouwt ze niet langer als de zijne. Indien geld in zijne
+handen komt, is het niet het zijne, moet het niet worden gebruikt voor
+zijn persoonlijke behoeften: het behoort aan het werk van zijn Meester.
+Hij bezit niets dat hij voor zichzelf gebruiken kan. Indien hij kennis
+bezit is die niet de zijne, maar hij bezit die om de wereld te
+onderwijzen. Hij bezit zijne kennis slechts om ze te kunnen geven aan
+anderen; hij heeft geen rechten, hij kent slechts plichten jegens de
+menschheid. Voor zichzelf kent hij geen rechten van eenigen aard. Hij
+staat alles af wat het zijne is. En toen Jezus zeide dat hij die
+volmaakt wil worden alles verkoopen moet wat hij heeft en hem volgen,
+zeide hij slechts wat iedere Meester zegt tot den leerling die
+inwijding bereiken wil: "Gij moet alles afstaan wat gij bezit, gij moet
+u ontdoen van al wat gij hebt." Een harde voorwaarde, zeker: hard voor
+hem wiens hart nog hangt aan de wereld, hard voor hem die nog geeft om
+de schatten der aarde; maar licht voor hem die het hoogere leven zoekt,
+die naar diepere wijsheid verlangt, die het lagere leven wil opofferen
+om het hoogere te vinden, die het vleesch wil kruisigen opdat hij in God
+met Christus vereenigd kan zijn.
+
+Wij zullen thans een tweede spreuk van Jezus nemen: "Wijd is de poort en
+breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door
+dezelve ingaan; want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven
+leidt, en weinigen zijn er die dezelve vinden." [Voetnoot: Mattheues
+7,13.] Hoevele liefhebbende harten treuren over deze woorden, van
+hoevele vrome Christenen breekt het hart bij het denken aan deze woorden
+van Jezus. Weinigen die binnentreden, velen die ten verderve gaan,
+weinigen die redding vinden, velen die den breeden weg, weinigen die het
+smalle pad volgen! Wat is de beteekenis van deze woorden? Zij zeggen
+hetzelfde wat Jezus bedoelde toen hij sprak tot den jongeling. De breede
+en gemakkelijke weg is de gewone weg van de menschen der wereld, die
+leidt van geboorte naar dood, van dood naar geboorte, van geboorte weer
+terug naar den dood, door steeds herhaalden kringloop van dood en
+geboorte. Zulk een leven is dood, niet leven, in de oogen van den
+verlichte. De weg welke tot het leven leidt is de weg welke van
+wedergeboorte bevrijdt, is het pad der inwijding, dat leidt tot dien
+tempel Gods, welken niemand verlaat, nadat hij hem is binnengetreden.
+Weinigen inderdaad zijn er op het tegenwoordig standpunt van de
+ontwikkeling der wereld, die dezen weg betreden, weinigen worden er
+gevonden onder de millioenen der menschheid, die sterk genoeg zijn om de
+moeilijkheden van het enge pad te overwinnen. Maar in den loop der
+eeuwen zullen allen dit pad vinden en betreden, en geen menschelijke
+ziel zal vervallen tot eeuwig verderf.
+
+Er is nog een gezegde van Jezus, dat moeilijk is te begrijpen: "Weest
+dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt
+is." [Voetnoot: Mattheues 5,48.] Dat is weer een bevel dat door de meeste
+menschen wordt weggeredeneerd, omdat zij gevoelen dat de vervulling
+onmogelijk is voor zondige menschen, voor mannen en vrouwen vol
+zwakheden en dwaasheden, alledaagsch en wereldsch, bekrompen in hun
+opvattingen, overgegeven aan de genoegens der wereld. Hoe zouden zij
+volmaakt kunnen worden gelijk God in den hemel volmaakt is? Bracht Jezus
+dan zijn leerlingen op een dwaalspoor, toen hij hun een bevel gaf dat
+zij onmogelijk uitvoeren konden? Kon hij, die de waarheid Gods zelf was,
+een gebod geven dat niet kon worden opgevolgd? Neen! Het is voor den
+mensch mogelijk, volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, niet in een
+kort leven, niet in twintig of veertig of honderd jaar, niet in het eene
+korte tijdperk tusschen de wieg en het graf, tusschen geboorte en dood.
+Dit is slechts een stap naar een volmaking als die van God. Maar leven
+volgt op leven, groei volgt op groei. Ieder volgend leven kan dichter
+bij de volmaking worden gebracht, ieder volgend leven zamelt den oogst
+van het voorgaande in. Met steeds vermeerderende kracht, met steeds
+toenemenden groei stijgen de menschen tot de volmaking, in de
+voetstappen van den Heiland. In de lange eeuwen die voor ons zich
+uitstrekken zal de goddelijke volmaking worden bereikt.
+
+Laten wij van deze op zich zelf staande teksten afstappen en een
+leerstuk der Christelijke kerk beschouwen dat voor velen moeilijk te
+gelooven is, en dat dikwijls wordt aangevallen: de leer der drieeenheid.
+God een eenheid en toch drievoudig, drie personen en toch een God. Velen
+hebben zich over dit leerstuk verbaasd en zijn ten laatste tot de
+overtuiging gekomen, dat zij dit niet konden begrijpen, dat blind geloof
+moet aannemen wat het verstand niet begrijpen kan. Maar in de
+esoterische leering der mysterien werd de leer der drieeenheid
+begrijpelijk gemaakt, werd zij een verheffende en helpende kracht. Deze
+geheele leering kan niet openbaar worden gemaakt, maar een deel ervan
+kan hier worden besproken; en dit kan eenig licht werpen op ons
+onderwerp. In iederen godsdienst wordt de drieeenheid geleerd: de Vader,
+die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan voorstelt, en uit den Vader
+de Zoon en de Geest. De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is.
+God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, van onbegrensd Vermogen in
+alle openbaringen voor als de Eeuwige Vader, het midden-leven van het
+heelal. Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van het aanzicht van
+liefde der Godheid, van liefde en gelukzaligheid tevens, de tweede
+persoon in de drieeenheid, de tweede Logos, zooals hij dikwijls genoemd
+wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen kant de openbaring van
+mededoogen, van alomvattende liefde, aan de andere zijde van eeuwige,
+oneindige gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is dat van
+wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard als de Geest, het goddelijk
+denkvermogen. Toen God zich openbaarde als scheppende kracht, als het
+algemeen denkvermogen, werd hij de derde Logos, de derde persoon in de
+drieeenheid. God is in wezen een, drievoudig in zijn openbaring, het
+eene Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer wij spreken
+van de drie personen van de drieeenheid, zijn dit slechts drie
+aanzichten, waarin de godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en
+begrijpelijk voor den mensch.
+
+De drieeenheid, die in de godheid is, weerkaatst zich in den mensch, ook
+de mensch is een drieeenheid, het beeld van God. In den mensch heeft de
+goddelijke drieeenheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt in den
+voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen aard van de godheid, en
+ontwikkelt in zijn inwezen de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft
+van God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het verstand, de
+weerkaatsing van den derden persoon der goddelijke drieeenheid, daarna
+wordt de Zoon in hem geboren, de geest van den Christus, van
+alomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het kenmerk van den mensch
+in wien dit tweede aanzicht zich ontwikkelt, die van den derden trap
+tot den tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle menschen in
+zich omvat. Dit is de geest van den Christus, en naarmate de mensch
+dezen ontwikkelt wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor de
+laatste openbaring in den mensch. Niet alleen de ontwikkeling van het
+verstand, de weerkaatsing van den Geest, niet alleen de liefde, die
+wordt voorgesteld door het leven van den Zoon,--ook het leven van den
+Vader moet zich in den mensch openbaren. Hij moet gelijk worden aan de
+goddelijke Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging waarvan
+alle godsdiensten hebben geleerd, dat is het een-worden met den Vader,
+waarvan Christus tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal dien
+zij zouden bereiken. Het een-worden met den Vader is het einddoel der
+ontwikkeling van den mensch.
+
+In het grootste deel der menschen op aarde ontwikkelt zich thans het
+derde aanzicht der drie-eenheid, het verstand. Slechts hier en daar
+treffen wij menschen aan, in wie het leven van den Christus zich begint
+te ontvouwen. Wanneer dit leven volmaakt zal zijn, zal de vereeniging
+komen met den Vader, waarvan Paulus zegt: "Daarna zal het einde zijn,
+wanneer hij het koninkrijk aan God en den zij alles in allen."
+[Voetnoot: 1 Corinthiers 16, 24-28.] Dat is de zielsverrukking waarom
+ieder heilige bad, de vereeniging met God; dat is het doel, dat de kroon
+is der menschelijke ontwikkeling. Aldus is de leering van het
+esoterisch Christendom, dieper, breeder, verheffender dan de uitwendige
+vorm, tot welken helaas de kerk zich bepaalt. Aldus leert het Goddelijk
+Weten, dat het uwe is door erfrecht, het uwe door de gave van den.
+Christus, het uwe krachtens uw geestelijke afkomst, het uwe door uw
+recht als leden eener Christelijke gemeenschap. En ik, die geleerd heb
+van die Meesters waarvan Jezus een is, ik, die door eigen ondervinding
+weet, dat deze leering kan worden verkregen, dat duizendmaal meer kan
+worden geweten dan hier mijne lippen uiten kunnen, ik kom tot u als
+bode, om u te herinneren aan uw erfrecht, ik kom tot u om u te
+herinneren aan het bestaan van goederen die de uwe zijn. Dat is de
+boodschap die ieder leerling op zijne beurt brengt aan iedere kerk, aan
+ieder geloof; niet iets nieuws brengt hij niet zich, slechts de
+herinnering aan wat oud is, maar nog steeds binnen menschelijk bereik.
+Aan u om dit pad te betreden, aan u om die kennis te verwerven, aan u om
+de gelegenheid aan te nemen, die de leering der Theosofie u brengt, de
+leering die dezelfde is als esoterisch Christendom. De gelegenheid wordt
+u geboden, aan u haar aan te nemen of te laten, gelijk gij dat wilt.
+
+
+
+
+#Het verhaal van den Christus#
+
+
+Ik zal hedenavond het verhaal van den Christus beschouwen van het
+standpunt van den Occultist, Wanneer wij enkel als Theosofen spreken,
+trachten wij het verhaal van den Christus duidelijk te maken in zijn
+geestelijke beteekenis. Wanneer wij ons echter op het standpunt van den
+Occultist plaatsen kunnen wij verder gaan. Wij kunnen terugzien naar de
+archieven van het verleden en deze onderzoeken, wij kunnen terugzien tot
+het leven, zooals dat negentien eeuwen geleden werd geleid en het stap
+voor stap bestudeeren. Maar ik moet u herinneren dat de inhoud dezer
+occulte archieven niet langs geschiedkundigen weg bewezen kan worden.
+Het is waarschijnlijk dat in de eerstvolgende twintig jaren eenige oude
+handschriften zullen worden gevonden, welke dezen inhoud tot op zekere
+hoogte zullen bevestigen, maar op het oogenblik zijn deze handschriften
+nog niet door de oudheidkundigen ontdekt. Daarom stel ik mij voor mijn
+onderwerp niet van den kant der gewone geschiedenis maar van het
+standpunt van den Occultist te beschouwen, en naarmate ik verder ga zult
+gij zien dat deze wijze van beschouwing vele moeilijkheden in de
+evangelien uit den weg ruimt, en dat zij u in staat stelt al wat in die
+evangelien van waarde is te redden uit de aanvallen der geschiedkundige
+kritiek. Zij stelt u in staat het Christendom te baseeren op een leven,
+meer dan op een handschrift en alles te begrijpen wat van werkelijk
+belang is in het verhaal van den Christus, beschouwd als een mystiek
+verhaal en als een feit uit de geschiedenis.
+
+Hat verhaal is vanzelf in twee deelen te splitsen, welke wij in onze
+beschouwing zullen moeten scheiden. De eene afdeeling behandelt den
+geschiedkundigen Jezus en omvat tevens de zonnemyten welke door zijne
+levensbeschrijving geweven zijn. In de tweede afdeeling spreken wij niet
+over den geschiedkundigen Jezus maar over den mystieken Christus, en
+deze vertegenwoordigt in een opzicht den tweeden Logos, en in een ander
+de individuele ziel, welke goddelijkheid bereikt.
+
+In de evangelie-verhalen en in het geloof der kerk zijn deze beide
+gedeelten niet scherp gescheiden. Wat tot het eene behoort wordt
+dikwijls gerekend bij het andere. Dit geeft tot veel verwarring
+aanleiding en biedt menig zwak punt voor de aanvallen van den
+ongeloovigen kritikus. Naarmate wij deze draden ontwarren zult gij
+beider waarde beter begrijpen en zult gij ook het groote belang inzien,
+dat het geheel voor de menschheid heeft.
+
+Laten wij eerst het verhaal van den geschiedkundigen Jezus nemen, en de
+zonnemyten welke daarmede zijn tezamen geweven.
+
+Jezus werd geboren uit Joodsche ouders, ongeveer honderd jaar voor het
+tijdstip dat gewoonlijk wordt opgegeven. Hij werd opgevoed onder de
+Esseers, een Joodsche sekte van zeer rein leven en diep godsdienstig
+gevoel. Zij waren ongehuwd, zij aten geen vleesch en dronken geen wijn,
+en waren ook buitengewoon weldadig en medelijdend. Kinderen, die als
+weezen waren achtergebleven, namen zij tot zich om ze in hun midden op
+te voeden. Behalve de weezen werden dikwijls ook andere kinderen van
+goede afkomst aan hunne zorg toevertrouwd wegens de reinheid van hun
+leven en de wijsheid welke zij bezaten, en die hun groote waarde gaf als
+onderwijzers. Onder deze heilige menschen bracht Jezus zijn jeugd door.
+Hij muntte uit door zijn buitengewone reinheid en godsdienstige
+toewijding, welke zich op twee wijzen toonde: in zijne vurige aanbidding
+van God en zijn voortdurend streven om zijne medemenschen te helpen.
+Deze beide karaktertrekken waren buitengewoon sterk in hem ontwikkeld:
+de liefde tot God welke hem leidde tot lange uren van overpeinzing en de
+liefde tot de menschen welke hem krachtig werkzaam deed zijn om allen te
+helpen die smart leden. Deze toewijding ging zooals ik reeds zeide
+gepaard aan een buitengewone reinheid. Toen hij den mannelijken leeftijd
+naderde trok hij naar Egypte. Hij trok van de gemeenschap der Esseers in
+het Zuiden van Palestina tot een dergelijke gemeenschap op den berg
+Sinai en naderhand in Egypte. In dit land bestudeerde hij de oude
+wijsheid der Egyptenaren en hij werd ingewijd in hunne mysterien. Op
+omstreeks 27-jarigen leeftijd keerde hij naar Palestina terug, en begon
+zijnen verwanten en vrienden onderricht te geven in wat hij geleerd had.
+
+Te dien tijde nu was in de wereld een nieuwe aandrang van
+geestelijkheid noodig geworden. De tijd voor het ontstaan der westersche
+volkeren brak aan. Reeds ontwikkelden zich jonge rijken welke de kiem
+van toekomstige grootheid in zich droegen. De beschaving waartoe zij
+zich zouden ontwikkelen zou van geheel anderen aard zijn dan die van het
+Oosten. Het verstand dezer nieuwe volken zou krachtig en werkzaam van
+aard zijn. De omstandigheden van hun klimaat zouden ijver en
+krachtsontwikkeling eischen. De godsdienst welke bij de vorming van deze
+beschaving daartoe dienstig zou zijn moest ethisch en praktisch zijn,
+eenvoudig van wijsbegeerte, helder van leering. Deze godsdienst werd
+geschonken door de groote Broederschap uit welke alle godsdiensten
+voortgekomen zijn, en Jezus was het voor die taak uitgekozen werktuig.
+Hij was voor dit werk bijzonder geschikt door zijn reinheid en
+toewijding. Toen hij ongeveer dertig jaar oud was kwam voor hem de tijd
+zijn werk te beginnen. Een bijzondere nederdaling van goddelijke kracht
+kwam in hem en scheidde hem af van de overigen van zijn ras. Deze
+nederdaling maakte hem in zeer bijzonderen zin tot den
+vertegenwoordiger, tot den bode van God. Van deze nederdaling wordt
+gesproken als van zijn "doop" en gij zult u herinneren hoe in het
+verhaal van dien doop gezegd wordt dat de geest Gods op hem nederdaalde.
+Van dien tijd af, gedurende de jaren zijner prediking, kan men Jezus
+beschouwen als een vleeschwording van het goddelijk Leven. Het is
+belangrijk, in gedachte te houden dat dit een uitstorting van het
+goddelijk Leven in den mensch Jezus was, en dat de "doop" het tijdstip
+was waarop die uitstorting plaats vond. Van toen af werd hij de prediker
+van een zuiverder geloof voor de westersche wereld. Hij werd door de
+Joden wegens godslastering gedood nadat hij ongeveer drie jaren onder
+hen had gewerkt.
+
+Vele van de verhalen welke wij in de evangelien vinden behooren niet tot
+het werkelijk leven van dezen grooten leeraar, maar zijn verhalen welke
+zich rondom dat leven hebben gegroepeerd doch ook in verband met andere
+leeraars aan de wereld bekend zijn geweest. Het is uit dit punt dat de
+aanvallen van ongeloovigen met zonnemyte-argumenten hun kracht putten.
+Enkele menschen, zooals Strauss en anderen, hebben getracht het
+geschiedkundig karakter van Jezus geheel te vernietigen. Maar dat is een
+overdrijving van ongeloovige kritiek, welke niet kan worden gehandhaafd
+door kennis welke op goede grondslagen berust. Wat hun aanval kracht
+heeft gegeven is het feit dat enkele dezer verhalen reeds sedert
+duizenden jaren bestaan hebben. Het verhaal bijvoorbeeld van de geboorte
+van Jezus uit een maagd, wat de kerk aanneemt dat plaats heeft gevonden
+op den 25e December, is een van deze zonnemyten. In de oudste
+Christelijke handschriften wordt de geboorte van Christus aangegeven op
+verschillende tijden van het jaar. In het eene verhaal wordt hij geboren
+in Mei, in een ander in Juli, in een derde in September. Eerst in de
+zevende eeuw werd de 25^e December algemeen als Kerstdag erkend, en dit
+is de datum welke reeds van de oudste tijden her genoemd is als de datum
+van de geboorte van een vleeschgeworden godheid. Het is de datum waarop
+Mithra, de zonnegod der Perzen, werd geboren, het is de dag waarop
+Osiris, de zonnegod der Egyptenaren, het licht zag. Deze dag wordt als
+feestdag beschouwd in alle groote godsdiensten welke tegenwoordig op
+aarde bestaan. Dit feit berust hierop, dat de zon beschouwd wordt als de
+vertegenwoordiger Gods. Alle licht en leven in een zonnestelsel komt van
+den zon, gelijk alle licht en leven in het heelal komt van God. En in
+alle godsdiensten der oudheid werd de zon beschouwd als het symbool voor
+God, niet als Hemzelf, maar toch als een symbool waaraan de grootste
+eerbied verschuldigd was. En daar de dag in het winter-stilstandspunt
+het kortst is, zeide men dat dan de geboorte van den zon plaats vond. De
+Christenkerk heeft dat tijdstip ook aangenomen voor de geboorte van
+Jezus, en dit feit wordt gebruikt als bewijsgrond om aan te toonen, dat
+Jezus niet anders is dan een zonnegod.
+
+Wat de datum van zijn dood betreft: het is u bekend dat de dag van de
+kruisiging niet op een vasten datum gesteld wordt, maar op een datum
+welke ieder jaar verandert en berekend wordt uit de standen van zon en
+maan, zoodat deze dag niet een geschiedkundige, maar een sterrekundige
+datum is. Een geschiedkundige verjaardag kan natuurlijk op deze wijze
+niet worden vastgesteld en zij die het Christendom vijandig gezind zijn,
+gebruiken dit als een bewijsgrond tegen dezen godsdienst. Het is daarom
+van belang op te merken dat deze datums inderdaad niet uitsluitend op
+het Christendom betrekking hebben, en dat de werkelijkheid van het leven
+en den dood van Jezus niet van deze sterrekundige gegevens afhangen.
+Ook vele andere verhalen, aan het leven van Jezus verbonden, hebben
+reeds lang voor zijn geboorte bestaan. Dit was aan de eerste kerkvaders
+en bisschoppen zeer goed bekend. Zij beschouwden het echter nooit als
+een bewijsgrond tegen de werkelijkheid van het leven van Jezus, en
+trachtten nooit den hoogeren ouderdom van die heidensche verhalen,
+zooals zij genoemd worden, in twijfel te trekken. De waarheid van de
+verhalen aangaande het leven van Jezus is deze: dat hij een man was, vol
+goddelijken geest, gezonden om een nieuwen godsdienst te stichten; dat
+hij een leven leidde van wonderbare toewijding en reinheid; dat hij de
+diepste geestelijke wijsheid leeraarde; dat hij werken van medelijden en
+liefde deed aan allen met wie hij in aanraking kwam en dat hij eindelijk
+wegens godslastering door de Joden gedood werd. Dit zijn de voornaamste
+feiten betreffende het leven van Jezus, welke geschiedkundig juist zijn.
+En zooals ik zeide bestaat de waarschijnlijkheid dat binnenkort
+handschriften zullen worden ontdekt welke aan de wetenschap
+geschiedkundige gegevens zullen verschaffen. Maar de wonderbaarlijke
+geboorte in December en de kruisiging omtrent den tijd der
+lentenachtevening behooren tot de zonnemyten, niet tot de geschiedenis.
+In de oudste handschriften welke wij thans bezitten vinden wij deze
+datums niet vermeld en onder de vroegste Christenen werden deze punten
+niet van belang geacht. Eerst gedurende de ontwikkeling der kerk hebben
+zij belang gekregen als dogmata, en een der redenen waarom het van
+belang was deze datums vast te stellen, was dat zij ook reeds
+heidensche feestdagen waren en behoorden tot de verschillende vormen
+van zonaanbidding welke in het Westen verspreid waren. De jonge kerk nam
+deze feestdagen over en schakelde ze in de geschiedenis van Jezus, daar
+men toen de vrees nog niet kende voor den ongeloovigen kritikus der
+negentiende eeuw.
+
+Het verhaal van den Christus is van geheel anderen aard. Het woord
+"Christus" is niet een naam die toebehoort aan eenen enkeling maar een
+titel welke een zekeren rang aanduidt en sedert onheuglijke tijden
+gebruikt werd om een zekeren graad van inwijding aan te duiden. Ieder
+ingewijde die voorbij een zekeren graad van inwijding is, wordt een
+Christus genoemd, welk woord "de gezalfde" beteekent. De zalving is een
+deel van de plechtigheid van die inwijding, zoodat de inwijding den
+mensch tot een "gezalfde" maakt. Ik zeide u reeds dat het verhaal van
+den Christus van tweeerlei standpunt kan worden beschouwd, en wel in de
+eerste plaats als een kosmisch verhaal, betrekking hebbende op het
+heelal. In dit kosmisch verhaal stelt Christus den tweeden Logos voor,
+den tweeden persoon in de drieeenheid. Deze tweede persoon in de
+drieeenheid wordt in het Christendom erkend als de God-mensch en de
+geschiedkundige Jezus wordt met dien God-mensch vereenzelvigd. Het
+kosmische verhaal is in het kort het volgende: De tweede Logos, de
+tweede persoon in de drieeenheid, daalde neder in de stof, om aan deze
+zijn leven te geven: hij gaf zijn leven aan ieder schepsel dat ontstond.
+Hij is het van wien Johannes schrijft: "Het Woord was bij God, en het
+Woord was God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder
+hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is". [Voetnoot: Johannes 1,
+1-3] In het oude verhaal van deze nederdaling in de stof wordt gezegd
+dat de tweede Logos in de stof gekruisigd is. Dit wil zeggen dat het
+leven van God is gegeven om het leven van alle levende wezens te zijn en
+dat God de banden der stof op zich nam, om dit leven mogelijk te maken.
+
+Deze kosmische gebeurtenis wordt herhaald in de geschiedenis van iedere
+menschelijke ziel, want wat in het heelal geschiedt, gebeurt ook in het
+kleine heelal, in den mensch. Wanneer wij het verhaal van den Christus
+toepassen op de menschelijke ziel, geven wij het in den vorm waarin het
+door de Christelijke mystieken werd beschouwd. De ziel des menschen
+wordt beschouwd als voortgekomen uit God. Door een lange reeks van
+aardlevens ontwikkelt zij de eigenschap van verstand, begripsvermogen,
+denken, de weerkaatsing van den Heiligen Geest of den derden persoon in
+de drieeenheid. De geest van den mensch wordt, van dit standpunt gezien,
+beschouwd als het beeld van God. Hij is een drieeenheid in zijn wezen
+evenals God een drieeenheid is, en de ontwikkeling van het leven, van
+die drieeenheid in den mensch vervalt vanzelf in drie onderdeelen: de
+eerste stap is die, waardoor het denkvermogen wordt ontwikkeld; deze
+stap is den Theosoof bekend als de ontwikkeling van Manas, het
+denkvermogen. Manas is in den mensch de vertegenwoordiger van Mahat in
+den Kosmos, of om de Christelijke uitdrukking te gebruiken, de
+vertegenwoordiger van den Heiligen Geest. Dit zich ontwikkelende
+verstand is het derde aanzicht der menschelijke drieeenheid. Dit
+standpunt van ontwikkeling is het standpunt waarop de menschheid zich
+tegenwoordig bevindt, en deze ontwikkeling van Manas moet vrij ver
+gevorderd zijn voordat de tweede stap kan worden gedaan, welke bestaat
+in de ontwikkeling van het tweede aanzicht der drieeenheid in den
+mensch, de ontwikkeling van den Zoon, of den Christus. Het kenmerkende
+van dit standpunt van ontwikkeling is niet gelegen in de ontvouwing van
+het verstand, maar van de liefde. Het is gelegen in de erkenning van
+alle mensch en als een, niet als een gevolgtrekking door denken, maar
+door de ontwikkeling van dit tweede aanzicht der drieeenheid, van wat
+wij Buddhi noemen. Buddhi beteekent voor den Theosoof wat Christus
+beteekent voor den Christen. Wanneer de mensch gereed is den Christus in
+zich te beginnen te ontwikkelen ontvangt hij de eerste van de groote
+inwijdingen. Bij deze inwijding zegt men dat hij geestelijk geboren
+wordt; het is de tweede geboorte of de geboorte uit den geest waarvan
+Jezus sprak. Deze inwijding wordt de tweede geboorte genoemd, omdat zij
+den tweeden persoon in de menschelijke drieeenheid in werking brengt.
+Door die inwijding ontwaakt Buddhi in den mensch en begint zich te
+uiten, of in de Christelijke symboliek: bij die inwijding wordt Jezus
+geboren uit den schoot der maagd. Deze geboorte werd steeds een
+onbevlekte genoemd, een geboorte uit een maagd, omdat zij niet is een
+geboorte uit het vleesch, maar een geboorte uit den geest. Om deze
+reden ook zeide Jezus dat een mensch gelijk een kind moest worden om het
+koninkrijk Gods binnen te gaan. In het geheele onderwijs van Jezus heeft
+de uitdrukking: "het koninkrijk Gods" de beteekenis van "inwijding" en
+de nieuw-ingewijde wordt een "kind" genoemd. Gij herinnert u ook dat
+Paulus van zijn bekeerlingen hoopte dat Christus een gestalte in hen
+mocht krijgen. Zij waren gedoopt als lidmaten der kerk, zij hadden
+deelgenomen aan het Avondmaal, en toch noemde hij het zijn hoogsten
+wensch, dat Christus in hen mocht worden geboren. Hieruit blijkt dat de
+geboorte van Christus in den mensch niet beteekent lidmaat te worden van
+de kerk, maar iets hoogers waarnaar de Christen moet streven. Een van de
+redenen waarom de inwijding "de geboorte van den Christus" werd genoemd
+is dat de mensch die deze eerste der groote inwijdingen ontvangt, voor
+de eerste maal het bewustzijn van het buddhisch gebied ondervindt. Hij
+wordt door zijnen Meester tot dat gebied gevoerd: door de aanraking van
+den Meester wordt hij voor de eerste maal bewust op dat gebied. Dan
+begrijpt hij wat eenheid beteekent: hij gevoelt dat hij een is met al
+wat bestaat, hij ondervindt dat hij niet afgescheiden is, maar een deel
+van het groote geheel; hij begrijpt het niet door verstandelijke
+inspanning, maar ondervindt het door onmiddellijk bewustzijn. Dan begint
+in den ingewijde het leven van den Christus, en langzamerhand neemt hij
+dien geest van liefde en mededoogen in zich op. Zoo ontwikkelt de
+Christus in hem. Nog twee andere inwijdingen moet hij doormaken terwijl
+hij nog altijd als onvolwassen beschouwd wordt. Dan komt de tijd voor
+den mystieken doop, die overeenkomt met den doop van den mensch Jezus.
+Deze doop is de inwijding van den Arhat. Van dien tijd af is het
+bewustzijn van den ingewijde voortdurend op het buddhisch gebied. Voor
+deze inwijding wordt zijn bewustzijn van tijd tot tijd daarheen
+overgebracht, maar wanneer zij heeft plaats gevonden, en de doop des
+geestes ontvangen is wordt het buddhisch bewustzijn zijn gewone
+bewustzijn, en begint hij langzamerhand het nirvanisch bewustzijn te
+verwerven. Het bewustzijn op het buddhisch gebied wordt genoemd het
+leven van den Zoon, die altijd in den hemel is bij zijnen Vader, en toch
+op aarde wandelt onder de menschen als een van hen. Wanneer de mensch
+dezen trap heeft bereikt, kan hij een Heiland der menschheid worden,
+want daar zijn bewustzijn een is met dat van alle menschen kan hij met
+hen deelen al wat hij heeft, daar hij zelf zuiver is kan hij naast de
+menschen staan in hun zonde, daar hij zich zijn geheele verleden
+herinnert kan hij medevoelen met den slechtste. Alleen de Christus kan
+de vriend zijn van den laagste, want daar hij zelf tot zonde niet meer
+in staat is kan hij met den zondaar in de nauwste aanraking zijn zonder
+gevaar voor zijn eigen reinheid. Alleen de Christus kan den zondaar
+werkelijke hulp brengen, want slechts hij kan gevoelen, wat die zondaar
+gevoelt, en door de vereeniging van zijn bewustzijn die hulp brengen,
+welke noodig is. De mensch die geheel buiten den zondaar staat kan hem
+niet werkelijk helpen. Slechts hij die zijn bewustzijn kan vereenigen
+met dat van den zondaar kan geven wat noodig is. Daarom wordt zulk een
+mensch terecht een Heiland der wereld genoemd.
+
+Na al deze inwijdingen komt de mystieke kruisiging. De Arhat offert zich
+geheel en al op voor het welzijn der wereld. Hij geeft al wat hij bezit
+opdat het der menschheid ten goede moge komen. Hij verzaakt alle
+afgescheiden leven, opdat zijn leven het leven der menschen zijn moge.
+Hij neemt niets voor zichzelf opdat de menschheid alles moge ontvangen,
+en deze laatste daad van opoffering wordt de "kruisiging" genoemd. Door
+dien dood van het lagere rijst de ingewijde tot het goddelijk leven. Hij
+wordt een met den Vader, hij stijgt boven het leven der wereld. Om de
+Theosofische uitdrukking te gebruiken: Buddhi gaat op in Atma; de Arhat
+wordt daardoor een Meester. In de Christelijke spreekwijze zegt men: de
+Zoon wordt een met den Vader en, in den hemel opgestegen, zit hij aan de
+rechterhand Gods. Dit "zitten aan de rechterhand Gods" is een
+zinnebeeldige uitdrukking, welke beteekent dat hij de goddelijke
+krachten bezit. Hij is in staat om een werktuig te zijn van de godheid
+voor de ontwikkeling der menschheid en iedere Zoon, die de eenheid met
+den Vader bereikt heeft wordt een van de krachten die de wereld vooruit
+helpen, zoodat door zijn ontwikkeling die der geheele menschheid wordt
+bevorderd.
+
+Aldus luidt het verhaal van den Christus, beschouwd als de geschiedenis
+van den geest in den mensch. Het is het verhaal der inwijdingen, die in
+de vroegere kerk bekend waren onder den naam: "de mysterien van Jezus."
+Aan de oningewijden werd het gegeven in den vorm van de geschiedenis van
+den Christus. Dit verhaal van de inwijding der menschelijke ziel werd
+samengeweven met de geschiedenis van het leven van Jezus, en verloor
+zijn verheffende kracht omdat men het toepaste op het uitwendig leven
+van een mensch, in plaats van op het innerlijk leven van den geest. Maar
+bij de Christelijke mystieken is het verhaal in zijn innerlijke
+beteekenis bewaard gebleven. Wij vinden het terug in de overpeinzingen
+der heiligen, waar zij zich vereenigen met den Christus en zich een
+gevoelen met den Meester. Het gebed van Jezus dat zijn discipelen een
+mochten worden in hem en met hem een in den Vader, schijnt door de
+tegenwoordige Christenen vergeten te zijn.
+
+Het is een deel van de zending der Theosofie, aan het Christendom de
+mystiek terug te brengen welke het verloren heeft. Voor millioenen
+menschen in Europa is de Christelijke symboliek degene welke zij het
+gemakkelijkst kunnen begrijpen. Indien wij tot hen spreken van Manas,
+Buddhi en Atma, begrijpen zij ons niet. Indien wij hun echter aantoonen,
+dat hun eigene woorden dezelfde beteekenis hebben, kunnen wij ons doel
+bereiken. Wanneer wij hun vertellen, dat zij Buddhi kunnen ontwikkelen,
+en dat Buddhi kan opgaan in Atma, weten zij niet wat wij bedoelen. Maar
+wanneer wij hun leeren dat de Christus in hen kan worden geboren, en dat
+zij een kunnen worden in den Vader, zien zij onze bedoeling. Wij moeten
+de Christenen helpen te begrijpen: dat het verhaal van den Christus niet
+betrekking heeft op een enkel mensch, maar dat het de geschiedenis der
+ziel is, die zich tot volmaking ontwikkelt, dat ieder mensch een
+Christus moet worden, dat dit voor ieder mensch mogelijk is. Dat is
+juist de kracht van de geschiedenis van Jezus, bedoeld als een voorbeeld
+voor allen, en een groot deel der waarde van zijn leven gaat verloren,
+wanneer zijn geschiedenis wordt beschouwd als die van het uiterlijk
+leven van eenen Heiland, in plaats van als een beeld van het geestelijk
+leven.
+
+Nog een punt is er betreffende den geschiedkundigen Jezus, dat van groot
+belang is, namelijk dat hij nog leeft in een lichaam, als een van die
+groote Broederschap van Meesters waarvan de Theosofie ons leert. Hij
+vindt zijn bijzondere taak in de Christelijke kerk. Door die kerk kunnen
+nog heden de zielen hem als Meester bereiken; en zij die er toe zijn
+gekomen de Meesters te kennen, weten dat Jezus een van hen is, en dat
+hij nog thans door Christenen kan worden bereikt. Maar de voorwaarden
+hiervoor zijn nog steeds dezelfde als immer te voren. Zij zijn
+neergelegd in de woorden van Jezus in de Christelijke evangelien,
+woorden die letterlijk moeten worden gevolgd, en niet weggeredeneerd.
+Thans, gelijk oudtijds, moet de mensch die het leven van den Christus
+wil vinden het lagere leven dooden. Thans, gelijk voorheen, moet hij
+alles opgeven, wat behoort tot het persoonlijk zelf. Nog heden, evenals
+vroeger, moet al zijn aandacht op geestelijke dingen zijn gericht en
+niet op aardsche. Wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, zal Jezus, de
+Meester, zich aan den leerling openbaren; maar zoolang zijne woorden
+worden weggeredeneerd ter wille van wereldsche begeerten, zoolang de
+mensch tracht twee meesters te dienen, in twee werelden te leven,
+zoolang zal hij Jezus, den Meester, niet vinden, zal hij het leven van
+den Christus niet bereiken.
+
+
+
+
+#Aanhangsel.#
+
+
+
+
+DE THEOSOFISCHE VEREENIGING.
+
+
+
+
+De Theosofische Vereeniging is een internationaal lichaam, den 17^{den}
+November 1875 te New-York gesticht.
+
+Haar doel is:
+
+_I. Het vormen van een kern van de algemeene broederschap der
+menschheid, zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. II. Het
+aanmoedigen van de vergelijkende studie van godsdienst, wijsbegeerte en
+wetenschap.
+
+III. Het naspeuren van onverklaarde natuurwetten en van de ongeopenbaar
+de krachten in den mensch._
+
+Van deze drie doeleinden is alleen het eerste bindend voor alle leden
+terwijl de twee andere tot hulp voor de bereiking van het eerste dienen.
+
+Het volbrengen van het tweede, dat het Oosten en het Westen aan elkander
+ontsluiert strekt om misverstanden voortspruitende uit verschil van ras
+en godsdienstvorm uit den weg te ruimen en stelt ten dienste van beiden
+de verborgen schatten van geestelijke kennis die beide bezitten. Ook het
+derde leidt tot broederschap daar het den mensch zich zelf en zijn
+omgeving leert kennen en hem ten slotte de geestelijke eenheid aantoont
+welke aan alle wezens ten grondslag ligt. Doch het nastreven van deze
+beide doeleinden vereischt bijzondere vermogens en bijzondere
+gelegenheden. Zij zijn daarom niet verplichtend voor alle leden doch
+worden naar vrije keuze nagestreefd door hen die zich daartoe
+aangetrokken gevoelen en die in staat zijn dat te doen. Daarom vindt
+iemand die hiervoor in het geheel geen belangstelling koestert, indien
+hij gelooft in menschelijke broederschap en willig is daarvoor te
+werken, een hartelijk welkom en een ruime plaats in de Theosofische
+Vereeniging.
+
+De leden der Vereeniging zijn meer verbonden door een ethischen dan door
+een verstandelijken band en hun eenheid berust op een verheven ideaal,
+niet op een omschreven geloof. De Vereeniging heeft geen
+geloofsstellingen, dringt aan op geen enkel geloof, schaart zich onder
+geen kerk, steunt geen partij, neemt geen deel aan de eindelooze
+kibbelarijen welke de maatschappij verdeelen en het nationaal,
+maatschappelijk en persoonlijk leven verbitteren. Zij tracht geen mensch
+van zijn eigen godsdienstvorm af te trekken, maar noopt hem integendeel
+in de diepten van zijn eigen godsdienst het geestelijk voedsel te zoeken
+dat hij noodig heeft. De uitkomsten der studie welke in het tweede
+doeleinde genoemd wordt biedt zij aan als voorwerpen van onderzoek, niet
+als geloofsstellingen waaraan blind geloof moet worden geslagen. Dat
+ieder eens anders godsdienstige gevoelens evenzeer eerbiedigen zal als
+hij dat voor de zijne verwacht wordt gerekend tot een eervolle
+verplichting in de Vereeniging, en volkomen wederkeerige hoffelijkheid
+hierover wordt van de leden verwacht. Dit alles leidt meer en meer tot
+samenwerking in het zoeken naar waarheid, tot verzachting van
+vooroordeelen, tot vrijmaking van den geest en tot groei eener
+welwillende vriendelijkheid en gewilligheid te leeren. Zoo is de
+Vereeniging een beschermende muur tegen den tweelingsvijand van den
+mensch: bijgeloof en materialisme, en behoort zij waar zij ook komt een
+zachten en louterenden invloed van vrede en goeden wil te verspreiden en
+zoodoende een van de krachten te zijn die het betere willen te midden
+van den strijd der tegenwoordige beschaving.
+
+
+
+
+LIDMAATSCHAP.
+
+
+Lidmaatschap kan worden verkregen op aanvrage aan den Algemeenen
+Secretaris eener Afdeeling of door middel van een der Loges of Centra
+der Vereeniging. Nadere inlichtingen hieromtrent worden op aanvrage
+gaarne verstrekt. Een exemplaar van de "Wet en Regels" der Theosofische
+Vereeniging en der Nederlandsche Afdeeling wordt, op verzoek aan den
+Algemeenen Secretaris, toegezonden.
+
+
+
+
+LIDMAATSCHAPSKOSTEN.
+
+
+De kosten van het lidmaatschap der Nederlandsche Afdeeling (insluitende
+het lidmaatschap der Theosofische Vereeniging) bedragen f 3.--per jaar
+en f 3.--intreegeld (eenmaal). Deze bedragen moeten bij de aanvrage tot
+lidmaatschap worden voldaan.
+
+In bijzondere gevallen kan ontheffing van geldelijke verplichtingen
+worden verleend.
+
+
+
+
+ADMINISTRATIEVE INDEELING.
+
+
+In verschillende landen voor zooverre die een voldoend aantal leden
+tellen zijn Afdeelingen der Vereeniging gevormd. Deze Afdeelingen worden
+vertegenwoordigd door een Algemeenen Secretaris. Iedere Afdeeling is
+onderverdeeld in Loges en Centra. De Nederlandsche Afdeeling telt zeven
+Loges en twee Centra.
+
+President der Vereeniging is Col. H. S. Olcott te Adyar, Madras,
+Engelsch-Indie.
+
+De Algemeene Secretarissen van de Afdeelingen der Vereeniging zijn:
+
+#Nederland#: W. B. Fricke, Amsterdam, 76, Amsteldijk.
+
+#Amerika#: Alexander Fullerton; New-York, 5, University Place.
+
+#Europa#: G. R. S. Mead, B. A.; London, N. W. 19, Avenue Road.
+#Indie#: Bertram Keightley, M. A.; Upendranath Basu, M. A., LL. B.,
+Benares.
+
+#Australie#: J. Scott, M. A.; Sydney, N. S. W., 42, Margaret
+Street.
+
+#Scandinavie#: A. Zettersten, Stockholm, 30, Nybrogatan.
+
+#Nieuw-Zeeland#: Dr. C. W. Sanders; Auckland, Mutual Life
+Buildings, Lower Queen Street.
+
+
+
+
+LIJST VAN LOGES EN CENTRA DER NEDERLANDSCHE AFDEELING.
+
+
+-----------------------------------------------------------------------------
+PLAATS. VOORZITTER. SECRETARIS.
+-----------------------------------------------------------------------------
+AMSTERDAM. W. B. Fricke, Amsteldijk 76. H. Wierts van Coehoorn,
+ Amsteld. 76
+*Amsterd. Loge. K.P.C. de Baxel, Nic. Mej. Cato E. Gruntke,
+ Beetsstr. 118. Overtoom 206
+*Vahana Loge. J. W. Boissevain, J. J. Hallo Jr.,
+ Tesselschadestraat 4. Schotersingel 69, Haarlem.
+StudentenCentrum.
+*GOUDA (Centrum). H. Reijnders, Lange
+ Groenendaal 99.
+*'s GRAVENHAGE. E.J.B. van der Beek, Mej. C.J. de Prez,
+ Wilhelminastr. 35 Wilhelminastr. 35
+
+*HAARLEM. Johan van Manen. J. J. Hallo Jr.,
+ Schotersingel 69
+*HELDER. T. van Zuylen, Spoorstraat S. Gazan, Kanaalweg 121
+ 138.
+ROTTERDAM. H. W. Hagenberg, Noordsingel J. A. Terwiel, 2e
+ 140. Crooswijksche Dwarsstraat 6.
+VLAARDINGEN. D. de Lange Dz., Oosthavenkade.
+------------------------------------------------------------------------------
+
+
+* De met een sterretje geteekende Loges bezitten boekerijen.
+
+
+
+
+BOEKEN OVER THEOSOFIE.
+
+
+Daar de Theosofische Vereeniging gesticht is in Engelsch sprekende
+landen en zich voornamelijk daar heeft verbreid gedurende de eerste 20
+jaren van haar bestaan zijn de meeste en beste boeken over Theosofie in
+het Engelsen geschreven. Deze, meest uitgegeven door de "_Theosophical
+Publishing Society_" te Londen, zijn alle te verkrijgen van haren
+uitsluitenden vertegenwoordiger voor Nederland, de "_Theosofische
+Uitgeversmaatschappij_" (Afdeeling Boekhandel), Amsterdam, Amsteldijk
+76. Uitgebreide catalogi worden op aanvrage toegezonden.
+
+In het Nederlandsch zijn door de "Theosofische Uitgeversmaatschappij" de
+volgende werkjes uitgegeven welke tegen overmaking van den bijvermelden
+prijs van haar verkrijgbaar zijn.
+
+
+THEOSOPHIA Maandblad, Prijs per jaargang f 2,50
+ Vorige jaargangen zijn in beperkt
+ aantal nog verkrijgbaar tegen
+ f2.50 per jaargang.
+ Kaarten van Atlantis behoorende
+ bij den 6en Jaargang
+ van "Theosophia", per stel
+ (vier stuks) - 1.50
+A. BESANT Kort begrip der Theosofie - 0.15
+H. SNOWDEN WARD Karma en Reincarnatie - 0.10
+MULTASPERO Eerste kennismaking met de
+ Theosofie - 0.25
+AFRA Eenvoudige schets der Theosofie - 0.25
+A. BESANT De evolutie der ziel, het doel
+ van 't leven - 0.10
+A. BESANT Yoga voor den mensch in de
+ maatschappij - 0.10
+A. BESANT Vier voordrachten over Theosofie,
+ gebonden - 0.60
+A. BESANT Levenstoestanden na den dood - 0.20
+A. BESANT De Zeven Beginselen van den
+ mensch, gebonden - 0.60
+JOHAN VAN MANEN Korte levensschets van Annie
+ Besant - 0.10
+
+
+Vele vertalingen van belangrijke Theosofische werken zijn in
+voorbereiding, terwijl in den loop van het jaar nog verscheidene
+kleinere en grootere werken zullen verschijnen.
+
+
+
+
+FOTOGRAFIEEN.
+
+
+"H. P. B.", Kabinetformaat f 1.--
+ANNIE BESANT, Salonformaat (18 X 24) - 3.--
+ " " Kabinetformaat - 1.--
+
+Bestellingen en betalingen te richten aan de "_Theosofische
+Uitgeversmaatschappij_", Amsteldijk 76, Amsterdam.
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE ***
+
+***** This file should be named 12756.txt or 12756.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/7/5/12756/
+
+Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders
+Europe, http://dp.rastko.net.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.