summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--12756-0.txt2266
-rw-r--r--12756-h/12756-h.htm3097
-rw-r--r--12756-h/images/anniebesant1.pngbin0 -> 6665 bytes
-rw-r--r--12756-h/images/anniebesant2.pngbin0 -> 10274 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/12756-8.txt2655
-rw-r--r--old/12756-8.zipbin0 -> 55964 bytes
-rw-r--r--old/12756-h.zipbin0 -> 75280 bytes
-rw-r--r--old/12756-h/12756-h.htm3514
-rw-r--r--old/12756-h/images/anniebesant1.pngbin0 -> 6665 bytes
-rw-r--r--old/12756-h/images/anniebesant2.pngbin0 -> 10274 bytes
-rw-r--r--old/12756.txt2655
-rw-r--r--old/12756.zipbin0 -> 55796 bytes
15 files changed, 14203 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/12756-0.txt b/12756-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..741ecaf
--- /dev/null
+++ b/12756-0.txt
@@ -0,0 +1,2266 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12756 ***
+
+#VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE DOOR ANNIE BESANT#
+
+
+GEHOUDEN IN VERSCHILLENDE PLAATSEN VAN NEDERLAND IN JANUARI 1898
+
+
+[Illustratie]
+
+
+Gebaseerd op de uitgave gepubliceerd te Amsterdam, 1898.
+
+
+
+
+#INHOUD.#
+
+
+1. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een geschiedkundig oogpunt
+
+2. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een wetenschappelijk oogpunt
+
+3. Esoterisch Christendom
+
+4. Het verhaal van den Christus
+
+3. Aanhangsel. Inlichtingen over de Theosofische Vereeniging
+
+
+
+#VOORWOORD.#
+
+
+De vier voordrachten over Theosofie welke hierbij het Nederlandsch
+publiek worden aangeboden zijn door Mevrouw Annie Besant, L.T.V., in
+verschillende steden van ons land gehouden in den loop van de maand
+Januari, 1898.
+
+Een vijfde voordracht is, daar zij niet aansluit bij het
+aaneengeschakeld geheel van de vier in dit boekje vervatte, afzonderlijk
+uitgegeven onder den titel: Levenstoestanden na den dood.
+
+In snelschrift opgeteekend is het gesprokene woordelijk weergegeven;
+slechts in de voordracht over Esoterisch Christendom zijn enkele
+toespelingen op Bijbelplaatsen uitgelaten waar die alleen van toepassing
+waren op de Engelsche vertaling van den Bijbel (Mevrouw Besant sprak in
+het Engelsch) en niet op de van deze afwijkende Nederlandsche; die
+uitlatingen zijn alle van ondergeschikt belang.
+
+Aangehaalde werken of Bijbelplaatsen zijn in een noot aan den voet van
+de bladzijde aangeduid.
+
+Waar "goddelijk weten" staat werd door de spreekster "divine wisdom"
+gezegd.
+
+De voordracht "Het verhaal van den Christus" werd gericht tot een
+uitsluitend uit leden der Theosofische Vereeniging bestaand gehoor. De
+vragen naar aanleiding van deze voordracht gedaan worden met de daarop
+door Mevrouw Besant gegeven antwoorden opgenomen in het Maandblad
+"Theosophia". Enkele beknopte inlichtingen aangaande de Theosofische
+Vereeniging zijn ter wille van belangstellenden in een Aanhangsel aan
+dit werkje toegevoegd.
+
+J.J. HALLO JR.
+
+HAARLEM, l Maart 1898.
+
+[Illustratie: ANNIE BESANT]
+
+
+
+
+#De Theosofie en haar leeringen.#
+
+
+I
+
+
+Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond te overwinnen hebben:
+een vreemde taal is tusschen ons en zelfs voor hen die de taal kennen,
+waarin ik spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen.
+Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de taal is voor een
+spreker het instrument, dat hij bespeelt. Door de taal bereikt hij de
+harten en hoofden zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon
+voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt en vermindert de
+mogelijkheid dat hij de gedachten en gevoelens zijner hoorders bereikt.
+Toch moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen wat wij kunnen, en
+terwijl ik spreek zoo helder en eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe
+aandacht leent zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen
+en het onderwerp begrijpelijk te maken.
+
+Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare leeringen, en daar ik
+morgen te Haarlem over het zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het
+in twee deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke voordracht
+volledig zal maken. Ik zal hedenavond en morgen een verschillenden
+gedachtegang volgen, voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten
+mochten willen hooren.
+
+Diegenen onder u, die gedurende de laatste twintig jaren den
+ontwikkelingsgang van het denken in Europa hebben gevolgd, weten dat er
+één bijzondere richting van studie is, welke veel wordt gebruikt als
+een wapen tegen den godsdienst: de studie van Oostersche talen en
+Oostersche godsdiensten. De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's,
+der oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit de verschillende
+landen van Europa en bij het onderzoeken dezer godsdiensten hebben zij
+gezien hoeveel die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt, toen
+zij de verschillende Schriften der Chineezen, der Perzen, der
+Egyptenaren ter hand namen, dat deze alle dezelfde leering gaven: zij
+spreken omtrent God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van God als
+Één, het Éne Bestaan, zij spreken van God als immer geopenbaard in
+drieëenheid, in drievoudig aanzicht, terwijl iedere persoon in die
+drieëenheid zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al deze
+Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den mensch en zijnen aard;
+zij leeren dat de ziel des menschen onsterfelijk is, dat zijn aard
+samengesteld is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden begrepen;
+men zag dat in al deze Schriften der menschen ontwikkeling wordt
+geleerd, de ontwikkeling der ziel, welke de openbaring van den geest is
+in den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren dat enkele menschen
+hunne ontwikkeling hebbon voleindigd, hunnen groei als geestelijke
+wezens hebben voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch, goddelijk
+in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens van hoofd en van hart; en in
+al deze Schriften vond men geleeraard dat de menschen van heden kunnen
+groeien, gelijk die menschen uit het verleden zijn gegroeid, dat zij ook
+volmaakt kunnen worden en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen,
+stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe onontwikkeld ook, kan
+ontwikkelen tot den volmaakten, goddelijken mensch. Al deze dingen
+worden geleerd in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen
+deze vertaald waren in verschillende Europeesche talen, begreep men dat
+de wereld-godsdiensten veel gemeen hebben en dat de meeste
+leerstellingen van een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden
+worden in het Hindoeïsme, het Boeddhisme, de leeringen van Confucius en
+Lao-tse. Zij hebben alle zooveel gemeen, dat wij niet één godsdienst van
+de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking door de geleerden werd
+gedaan, toen deze boeken waren vertaald in verschillende talen en de
+menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken, was het eerste
+besluit, waartoe velen kwamen, dat alle godsdiensten als zij in den
+grond hetzelfde waren, één oorsprong moesten hebben, en dat zij geen
+goddelijke openbaring konden zijn, maar dat een andere bron moest worden
+gevonden, waaruit de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele
+geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind waren, trachtten hunne
+ontdekkingen te gebruiken om allen godsdienst te vernietigen en zeiden:
+Zij zijn alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid, uit de
+wijze waarop de mensen de natuur beschouwt: hij heeft de natuur
+verpersoonlijkt en er wezens in gezien; en daar die wezens machtiger
+waren dan hij, aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken dikwijls
+vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen kon, hoewel zijn leven en
+gemak van hem afhing, daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij
+zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien, moest de mensch in
+zijn onwetendheid denken dat al deze dingen goddelijke krachten, goden
+waren; en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen, die zij
+konden geven. En die geleerden zeiden dat zóó alle godsdienst was
+opgegroeid, dat hij steeds zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of
+animisme, en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had dan de
+menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond tegen de waarde van den
+godsdienst heeft veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op
+feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde leeren, dat zij
+alle dezelfde denkbeelden verkondigen, het was waar dat de groote
+leeraars allen hetzelfde zeiden, de een na den ander. De feiten, welke
+die geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen waren
+verkeerd. In het eerst begrepen de menschen het onderscheid niet
+tusschen deze beide dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden
+worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst.
+
+Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid der verschillende
+godsdiensten van een ander standpunt en zeide: ja, het is waar dat de
+leerstellingen van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een feit dat
+door niemand, die de geschiedenis heeft bestudeerd, kan worden ontkend.
+Wij zullen als voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen nemen,
+het "Klassieke Boek van de Reinheid," [Voetnoot: Ook in het
+Nederlandsch vertaald, in het Maandblad "Theosophia". Deel 5 (1897) blz.
+206.] een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol wijsheid, vol
+diepe geestelijke leering, dat ons verklaart hoe God zich in den mensch
+geopenbaard heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als die van
+God, hoe des menschen geest dezelfde is als de goddelijke geest, hoe
+echter het menschelijk verstand troebel is door begeerten, die tusschen
+zijn verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest in hem staan,
+hoe de hartstochten van zijn lichaam zijn vooruitgang tegenhouden, en
+hoe slechts wanneer zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn
+gekomen, de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen in den
+mensch. De leeringen van dit kleine Chineesche boekje, een der oudste
+geschriften die wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als het
+beste wat wij bezitten.
+
+Van de Chineezen overgaande tot de Indiërs vinden wij bij hen dezelfde
+leeringen en wanneer wij in Egypte de mummies opgraven en de banden
+loswikkelen waarin zij 10 à 20.000 jaar geleden werden gehuld, vinden
+wij geschriften die ons de bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte
+dezelfde leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid van de
+menschelijke ziel, omtrent de wijze waarop zij gaat door leven na leven,
+omtrent de lagere wereld waarin zij komt na den dood van het lichaam en
+de hemel-wereld waarin zij vertoeft na gezuiverd te zijn op lagere
+gebieden, omtrent haren daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar
+zij wederom wijsheid opdoet door ondervinding.
+
+Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden wij dezelfde leeringen,
+steeds weer door de groote leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft
+slechts één oorsprong, slechts ééne bron, en die bron is het goddelijk
+weten; niet de menschelijke onwetendheid, zooals vele geleerden dachten
+maar het goddelijk weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren,
+en dat steeds door volmaakte menschen van God tot de menschheid gebracht
+is. Dit goddelijk weten bevat in zich de kennis van al wat is, en een
+gedeelte ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid geschonken. De
+hoeveelheid die gegeven wordt hangt af van de beschaving van het volk,
+hangt af van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen, hangt
+af van den aard dergenen die deze kennis bezitten en van de kracht van
+hun pogen. In overeenstemming met al deze dingen verschilt steeds de
+wijze, waarop dat weten gegeven wordt, maar in den grond is het toch
+altijd hetzelfde: altijd leert het één goddelijk Bestaan, dat zich
+openbaart als drieëenheid, altijd leert het dat de mensch drievoudig is
+in zijn wezen gelijk God, en dat hij nog verder kan worden
+onderverdeeld, drievoudig in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne
+ontwikkeling; altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij
+niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt en groeit, leven
+na leven, en dat enkele menschen de volmaking bereikten en dan leeraars
+zijn geworden van het ras. Deze volmaakte menschen waren eens gelijk aan
+ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt gelijk de mannen en vrouwen van
+thans, maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen en groeiden
+en werden sterk en bereikten eindelijk de volmaking, gelijk wij de
+volmaking kunnen bereiken. En toen zij volmaakt waren, begonnen zij
+hunnen medemenschen te leeren, en vormden een groote Broederschap van
+leeraars; en van tijd tot tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat
+aan ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat ieder ras, ieder
+volk een godsdienst zou ontvangen, geschikt om het te helpen en te
+leeren. En de reden waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat
+zij altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap heeft
+bestaan, langen, langen tijd reeds voordat de beschaving van Europa
+ontstond, voordat zelfs Indië zijn beschaving ontving. Daar, waar thans
+de wateren van den Atlantischen Oceaan zich vergaren, was eens een groot
+vastland, dat begon waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de
+plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland had zich een hooge
+beschaving ontwikkeld. Sporen van die beschaving worden nog gevonden in
+Mexico en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen zijn overblijfsels
+van zeer oude steden ontdekt en daar zijn hieroglyphen en beelden
+aangetroffen, gelijkende op die welke men in Egypte gevonden heeft,
+zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika aan den anderen kant
+hetzelfde schrift en beeldhouwwerk is ontdekt. Dit toont ons dat er
+tusschen deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een grooten
+oceaan, eens gemeenschap is geweest. In Plato scholen, waar hetzelfde
+goddelijk weten werd geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid,
+zoodat de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden goddelijken
+grondslag. In Griekenland droegen deze leeringen het eerst den naam
+Theosofie, wat niets anders is dan het Grieksche woord voor goddelijk
+weten. De Grieken nu gaven dit weten niet slechts in den vorm van
+godsdienst, maar ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in
+vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indië en China, en de wijsbegeerte
+van Plato, zooals die op de scholen wordt onderwezen, berust op het
+goddelijk weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden en van den
+Logos, wanneer hij ons zegt dat de wereld in de gedachte van den Logos
+bestond, voordat zij zich voordeed als een stoffelijke verschijning,
+wanneer hij ons spreekt van denkbeelden die, bestaande in den
+goddelijken geest, één voor één worden uitgestort om de stoffelijke
+wereld op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk weten; en wanneer
+gij de leeringen van Pythagoras bestudeert en van hem leert dat de
+geheele wereld op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de
+geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren is samengesteld,
+dat alle steenen en kristallen en planten en dieren zijn gebouwd naar
+den grondslag van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat oude goddelijk
+weten, dat hij geleerd heeft in Indie, en dat hij naar Europa heeft
+overgebracht. Evenzoo is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert
+van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk weten, maar
+in den lateren tijd is de wiskunde eng en bekrompen gemaakt en volstrekt
+niet begrepen in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het goddelijk
+aanzicht ervan is verdwenen en slechts de vorm, de gedaante wordt
+gegeven als de wiskunde, terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken
+onderwezen, een aanzicht van het goddelijk weten was; hun leerde hoe de
+wereld gemaakt is en hoe de gang is der ontwikkeling, hoe de mensch
+langzamerhand wordt opgebouwd, hoe steenen en planten en dieren zijn
+gemaakt naar getal en naar vorm; hun een begrip gaf van de
+ontwikkelingsgeschiedenis der wereld. In den laatsten tijd begint de
+wetenschap bij hare natuurstudie de wetten weer te ontdekken, die het
+goddelijk weten onder de Grieken en Indiërs leerde in wijsbegeerte en
+wetenschap. En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en plantkunde
+bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen de wet leeren van getal,
+van vorm en van trilling; dat alle dingen door trilling worden
+opgebouwd, dat alle krachten door trilling hun werking voortplanten, en
+dat het aantal dezer trillingen in de sekonde den aard der kracht en
+haar werking bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder geluid
+trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen vorm, dat iedere
+noot overeenstemt met een vorm en een kleur, en naarmate wij deze
+trillingen en vormen en kleuren doorgronden, beginnen wij een begrip te
+krijgen, hoe de natuur haar opbouwend werk verricht. Uitgaande van de
+stoffelijke wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te
+ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren geleden leerde,
+terwijl het uitging van de hoogere wereld in plaats van uit de lagere,
+want het goddelijk weten daalt steeds van gedachte neder tot vorm, klimt
+niet op van vorm tot gedachte, terwijl de nieuwere wetenschap steeds
+begint met den uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de
+gedachte.
+
+Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen evengoed wijsbegeerte en
+wetenschap, als godsdienst. Het leerde den menschen niet slechts hoe de
+ziel kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden der wereld om hen
+heen, en de verborgenheden van het verstand, van de rede, van het
+begripsvermogen in den mensch.
+
+Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard, totdat vier of vijf
+eeuwen na Christus een groote verandering kwam in het Westen. Er
+ontstonden in de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij was die
+der ontwikkelde en wijze Christenen, die de oude leeringen hoog hielden
+en het goddelijk weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden,
+de groote menigte der onontwikkelden, die tot het Christendom waren
+aangetrokken door de zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid
+niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene, wat zij niet konden
+deelen, en haatten alle wijsheid, die zij niet konden begrijpen; en zij
+vormden eene groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis en
+wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat deze niets met godsdienst te
+maken hadden, dat zij niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts
+de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te begrijpen was, van
+belang was voor de menschelijke ziel. En daar er toen evenals nu veel
+meer onwetenden waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund
+werden door den val van het Romeinsche rijk, door oorlogen en invallen,
+door de staatkundige moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid van
+de groote menigte der armen, wier lot schromelijk was verwaarloosd,
+spanden al deze dingen samen tegen de kennis en voor de onwetendheid,
+zoodat de kennis uit het Christendom verloren ging en slechts de
+zedelijke en geestelijke leering bleef. Hiertoe werkte nog een andere
+oorzaak mede: in alle oude godsdiensten, en in het Christendom even goed
+als in alle andere, bestonden twee soorten van leeringen. De eene voor
+de groote menigte, eenvoudig en helder, omvatte slechts de zedelijke
+voorschriften, welke den menschen leerden een goed leven te leiden, een
+zeer eenvoudig verstandelijk onderricht, juist genoeg om de zeer
+onontwikkelden voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der
+broederschap en die der wedergeboorte, en de wet welke zegt dat des
+menschen daden hem zijn geluk of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de
+wet van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen zouden inzien, dat
+een goed leven, hier op aarde geleid, hun geluk zou brengen na den dood
+en een beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn weergekeerd.
+Deze dingen werden aan allen geleerd; maar meerdere kennis werd
+toevertrouwd aan hen, wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van
+de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk aan de wet van
+Christus gehoorzaamden, en die in hun uiterlijk leven een hoogen graad
+van reinheid hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat wij de
+mysteriën van Jezus noemen en kregen daar de innerlijke leering, welke
+slechts zij die een rein leven leidden, konden deelachtig worden. Deze
+innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit dezen kring kwamen
+de leeraars en bisschoppen en de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de
+menschen, die het Christendom prediken mochten, zoodat de kerk een groep
+van wijze menschen bezat, onderricht in diepere kennis, en door die
+kennis in staat om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die
+hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen. Want dit geheime
+onderricht was steeds praktisch. Het leerde den menschen hoe zij hun
+bewustzijn konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand
+bewust konden worden op hoogere gebieden van bestaan, hoe het leven der
+ziel kan worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het lichaam kan
+verlaten en in aanraking komen met de onzichtbare wereld. Het leerde hoe
+de ziel, na het lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen en
+kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld, hoe de ziel leering kan
+ontvangen van de engelen en geestelijke verstandswezens en zoo kennis
+verkrijgen die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen, hoe de
+ziel, van het lichaam bevrijd, de toestanden kan onderzoeken van het
+leven na den dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde,
+verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in plaats van uit den mond
+van andere menschen: in deze scholen verkregen de onderzoekers
+eerste-hands kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden den aard
+van den mensen begrijpen door eigen onderzoek, in plaats van af te
+hangen van de mededeelingen van anderen. Daardoor waren zij veel beter
+in staat onderricht te geven, dan zij die hun kennis slechts uit boeken
+hadden verkregen.
+
+Het gevolg van het bestaan van deze scholen in de kerk was dus dat er
+vele menschen waren die deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden,
+zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom. In de vijfde
+eeuw echter verdwenen deze scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit
+gebrek aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een fout die door
+vele menschen wordt begaan, is dat zij denken dat de leeraars de kennis
+terughouden. In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de kennis
+niet willen mededeelen, maar de leerlingen, die ze niet willen leeren,
+leeren op de eenige wijze waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze
+scholen van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen, want er
+waren niet genoeg menschen die het leven wilden leiden dat vereischt
+wordt voor leerlingen van het Occultisme; zij wilden dit leven niet
+leiden, maar slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden, en
+toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed waren. Zoo verdween
+langzamerhand de innerlijke school en slechts een zwakke overlevering
+van haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters der
+Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan verscheen in de middeleeuwen
+nog een heilige die door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij
+iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen van deze heiligen vinden
+wij in de geschiedenis der kerk vermeld; waarlijk groote,
+hoog-ontwikkelde zielen, die _wisten_ omtrent de onzichtbare wereld, en
+op de oude wijze onderricht geven konden, omdat zij wisten en kenden.
+Nu en dan zien wij een van hen verschijnen, doch hun aantal is gering:
+St. Elisabeth van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas à Kempis,
+de geleerde Thomas Aqumo, deze allen zijn de groote leeraars der kerk
+gedurende de middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk weten,
+dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd. Dan waren er nog andere
+menschen die een deel van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de
+Christelijke kerk hadden verkregen. Sommigen van hen kwamen uit het
+Oosten en anderen reisden als jonge menschen daarheen, en kwamen met de
+verkregen kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten behoorde
+Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen genomen en naar het Oosten
+gevoerd. Daar leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid en
+bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij de grondlegger werd van de
+nieuwere geneeskunde en scheikunde, waar hij leering bracht over de
+elementen der scheikunde en over het magnetisme, die vóór hem aan
+niemand bekend was geweest, en waar hij zieken genas, die geen ander
+genezen kon. Hij bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van deze
+menschen was Christian Rosenkreuz, die in de vijftiende eeuw leefde. In
+zijn jeugd reisde hij naar het Oosten en ontmoette daar een der groote
+leeraars, die hem iets mededeelde van het oude geheime weten, om dit
+terug te brengen aan de Christelijke kerk en om deze te ontwikkelen tot
+een meer geestelijk lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen en
+leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte de orde der
+Rozenkruisers. Zijn werk was een der pogingen om het oude weten in de
+westersche wereld terug te brengen. Een andere poging was die der
+alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat oude weten. Zij wisten
+dat er slechts één grondstof in de natuur bestaat en dat alle dingen uit
+die ééne grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de scheikunde een
+wetenschap is, die de eigenschappen van die ééne grondstof in al hare
+wijzigingen onderzoeken kan, en zij bestudeerden die wetenschap in het
+licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen vervolgden hen en
+lachten hen uit en noemden hen oplichters en kwakzalvers en bedriegers,
+doch in den tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde tot de
+ontdekking te komen van wat hun in de middeleeuwen bekend was.
+Tegenwoordig begint de scheikunde enkele der waarheden in te zien, die
+door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen hen nog uitlachte,
+toan niemand hen geloofde. Heden begint men te begrijpen dat er slechts
+ééne grondstof is, en dat alle dingen van die ééne grondstof gemaakt
+zijn en men begint zelfs weer te spreken van de mogelijkheid goud te
+maken uit zilver en zoo in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te
+doen, waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen en
+vervolgd,--nu drie of vierhonderd jaar geleden.
+
+Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult gij begrijpen dat de
+Theosofie in den eenen of anderen vorm steeds in de wereld is blijven
+bestaan als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap.
+
+Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke de behoeften van
+den tijd en de omstandigheden van het volk, waaraan de leeraar gezonden
+werd, medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen zij weer het oude
+weten aan de wereld leeraarde niets nieuws gaf. Het was slechts een
+nieuwe vorm, een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde wat
+er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst, wijsbegeerte en
+wetenschap. Toen zij begon hare leering te geven, gaf zij eerst den
+wijsgeerigen kant, leerde zij iets van den aard van het verstand, van de
+rede, en van den aard van den mensch en van het goddelijk Bestaan, de
+werkelijke wijsbegeerte die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna
+ging zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen God en den
+mensch, hoe de mensch een uitstorting is van God, een deel van het
+goddelijk leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen kan,
+hoe de menschelijke ziel zich kan ontplooien; en zij leerde weer wat
+vroeger in de Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het lichaam
+verlaten kan en in aanraking komen met groote geestelijke
+verstandswezens en met de Meesters, hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan
+en kennis opdoen uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan komen
+tot weten in plaats van gelooven. Toen zij dit alles leerde, gaf zij ons
+slechts weer wat reeds zoo dikwijls geleerd was in de groote
+godsdiensten van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken
+kant en leerde ons meer dan de mannen van de wetenschap van dien tijd
+wisten, en zeide zij ons welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen
+weinige jaren zouden worden gedaan; en vele van deze ontdekkingen zijn
+inderdaad gedaan sedert haren dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de
+ééne grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar uiterlijke
+verschijningsvormen heeft. In haar werk "De geheime Leer" sprak zij van
+een eigenschap der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke zij
+doordringbaarheid noemde, en welke in verband staat met helderziendheid.
+Vijf jaar na haren dood ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn,
+trillingen in de stof, welke in verband staan met helderziendheid en
+welke de mcnschen in staat stellen te zien wat de helderziende kan zien
+zonder werktuigen en hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde
+Röntgen-stralen, waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een been, als zij
+willen onderzoeken of het beschadigd is, kunnen fotografeeren ofschoon
+het voor het gewone oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is ook
+mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen. De mensch kan in
+zichzelf het vermogen ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen
+van Röntgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk lichaam te zien
+zonder hulp van eenig werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande de
+kennis van straling, van geluid en kleur leerde zij ons. Zij heeft ons
+bewezen dat de oude wijsheid beter licht kan werpen op de waarheden der
+nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf kan doen, en dat deze
+laatste eerst langzamerhand datgene ontdekt wat door ben die het oude
+weten bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen die zich het
+ontvangen van dit onderricht waardig betoonden. Zoo bracht H.P.
+Blavatsky ons dit weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten had,
+en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten verder moesten
+verspreiden, niet als iets nieuws maar als iets ouds, niet als een
+nieuwe ontdekking maar als overoud weten, door de menschen vergeten, en
+thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate wij zelven
+leerden, onderrichtten wij op onze beurt anderen, en wij bevonden dat
+dit goddelijk weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke de
+mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Wij
+bevonden dat wij zonder de werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap
+hare feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van de vermogens der
+ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld dat vele scheikundige waarheden door de
+goddelijke krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden verkregen
+dan door reagentiën en proefnemingen van allerlei aard. Wij bevonden dat
+de mensch in zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken en dat hij
+veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen zijner innerlijke krachten
+dan door het gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap. Maar tevens
+weten wij dit: de vermogens der menschelijke ziel zijn niet bestemd tot
+het doen van ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke beroemd
+te maken en rijk. Zal de kracht der menschelijke ziel worden gebruikt
+tot het doen van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden gebruikt
+voor het welzijn der menschheid, en niet ten voordeele van den éénen
+persoon, die de ontdekking doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp
+van deze krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid kan helpen,
+indien het ras er rijp voor is, aan allen gelijkelijk. Is het ras er nog
+niet rijp voor, dan behoort zij toe aan allen, die haar kunnen
+bevatten, niet aan den éénen mensch, die haar gemaakt heeft. Deze is
+slechts een pandhouder van de eigendommen der menschheid. Naarmate de
+Occultist zich ontwikkelt en meer leert en begrijpt wordt hij meer en
+meer een dienaar der menschheid in plaats van haar meester. Alle kracht
+welke hij verkrijgt wordt gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis
+welke hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner medemenschen
+te verminderen en den gang der menschelijke ontwikkeling te versnellen.
+Wanneer de menschen tot ons komen om met ons te studeeren, eerst de
+uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan zeggen wij hun steeds: Gij
+moet de broederschap der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij
+een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen belangen hebt buiten
+die van dat huisgezin, dat gij geen bezittingen hebt buiten die van dat
+huisgezin, dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die niet
+tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en wanneer gij wat ouder zult
+zijn en iets meer zult hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is
+dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren tot sneller
+ontwikkeling, opdat zij sneller mogen worden bevrijd van de ellenden der
+aarde en spoediger dan anders den vrede en het geluk mogen bereiken.
+Naarmate iemand werkelijk Theosoof wordt, moet hij meer en meer
+onzelfzuchtig worden; hoe meer hij leert, des te meer moet hij anderen
+dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des te grooter
+verantwoordelijkheid rust op hem om de lasten zijner medemenschen te
+verlichten. Het Occultisme brengt juist het tegengestelde van wat de
+wereld welslagen noemt. De wereld kent hèm welslagen toe, die rijkdom en
+welvaart verwerft voor zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen
+en zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene. Hij die slaagt in
+het verkrijgen van goddelijke wijsheid en kennis en kracht, bezit deze
+slechts in de mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner
+medemenschen. Hij gebruikt ze nooit om over anderen te heerschen, nooit
+om iets te verwerven voor zichzelf, nooit om zichzelf te verrijken ten
+koste van een ander, en gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe
+meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren, hoe meer hij begrijpt
+des te meer moet hij deelen met anderen, hoe sterker hij wordt des te
+grooter aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want de kracht van
+het Occultisme, van het goddelijk weten kan nooit dienen om den bezitter
+te doen uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om hen op te heffen
+tot eigene hoogte, slechts om hen te doen deelen in eigene kracht. Dat
+is het kernverschil tusschen de kennis der wereld en die van het
+goddelijk weten. De eerste maakt den mensch tot heerscher, de andere tot
+dienaar. Daarom zeide Jezus: "Indien iemand wil de eerste zijn, die zal
+de laatste van allen zijn, en aller dienaar." [Voetnoot: Marcus 9, 35.]
+Waarlijk groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid gegeven
+hebben.
+
+Het voorgaande is een schets van de geschiedenis der Theosofie in het
+verleden, van de geschiedenis van het goddelijk weten in godsdienst,
+wijsbegeerte en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid steeds
+trachtte der wereld leering te schenken, en hoe zij twee vormen van
+onderwijs deed ontstaan: het openbare voor allen, het bijzondere voor
+hen die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van den vooruitgang
+van het ras.
+
+Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk. In de uiterlijke
+Theosofische Vereeniging komen de menschen om de wetten, volgens welke
+de menschheid zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij deze wetten
+hebben geleerd en trachten hun leven voor anderen nuttig te maken, komt
+het innerlijk onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet gegeven
+kan worden. Deze twee vormen bestaan nog heden als in het verleden, en
+de Theosofische Vereeniging is een vereeniging van onderzoekers, waartoe
+een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte en wetenschap
+wil bestudeeren in de richting van het goddelijk weten en daarbinnen een
+groep van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de wereld hoog stelt
+en streven naar hooger ontwikkeling, teneinde helpers te worden voor de
+menschen rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens hunner ziel te
+ontplooien. Dat is ons werk, onze plicht. Zij, die zich tot dit werk
+voelen aangetrokken, kunnen in de Loges onzer vereeniging komen om
+onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig toont, kan een
+leerling worden in den dieperen zin van het woord, om een medewerker te
+worden voor den vooruitgang van het ras. Herinner u echter steeds dat
+het goddelijk weten niets anders heeft aan te bieden dan Zich en met
+zichzelf de kracht anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het biedt
+geen belooning in rijkdom, in gewone macht of kennis, maar dien
+innerlijken schat, die den mensch in staat stelt een zegen te worden
+voor zijn broeders, een mededrager van de lasten der wereld; en tot
+diegenen onder u wien het ernst is met dit streven, tot hen wendt zich
+de Theosofische Vereeniging en biedt hun het oud, goddelijk weten,
+waardoor zij helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel zenden de
+Meesters hun boden onder de menschen. Ieder, die ernstig wil, wordt de
+gelegenheid tot leeren gegeven.
+
+
+
+
+#Theosofie en haar leeringen.#
+
+
+II.
+
+
+Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over de Theosofie en haar
+leeringen, heb ik voor zoover dat in een korte voordracht mogelijk was,
+de geschiedenis der Theosofie geschetst. Ik heb haar verband met de
+groote godsdiensten der wereld aangeduid, hare verspreiding door de
+verschillende landen beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage
+de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar openlijken als in haar
+innerlijken vorm. Ik stel mij voor hedenavond het onderwerp van een
+anderen kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen zelve
+welke de Theosofie brengt, welke zij geeft om de menschheid te helpen,
+en ik zal u trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige toepassing
+vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk en geestelijk gebied, dat
+zij betrekking hebben op ieder deel van 's menschen samengestelden aard
+en hem een helder denkbeeld geven van de wereld waarin hij leeft, van
+den menschelijken samenstel en van de mogelijkheden, welke daarin
+verborgen liggen.
+
+Vóór alles dan begint het onderricht der Theosofie, het goddelijk weten,
+te spreken over het goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke
+betrekking van den mensch tot God. Het leert dat er één goddelijk
+Bestaan is, het Leven van al wat is; dat er slechts één goddelijk Leven
+is, één goddelijke werking, ééne kracht, welke overal bestaat in het
+heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven van God zich bevindt,
+dat overal waar dieren voelen kunnen of menschen kunnen denken, het
+leven van God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en plantenrijk
+steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven alle dingen; in het geheele
+heelal is geen leven buiten het goddelijk Leven. Dit ééne Bestaan ligt
+ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de Theosofie begint met
+het leeren van een grondeenheid, een wet van eenheid, van één-zijn alom;
+en deze eenheid spruit voort uit God, die de ééne bron is van alle
+bewustzijn, waar ook dat bewustzijn worde gevonden. De ontwikkeling van
+het bewustzijn in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden hunnen
+oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend tot zelf-bewustzijn,
+komt voort uit één bron, één oorsprong. Alle bewustzijn is één, wij
+kunnen het ééne niet scheiden van het andere, en de menschen van elkaar
+vervreemden alsof zij tegenover elkander stonden--zij komen allen van
+denzelfden stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde Leven, zij zijn
+allen een uitdrukking van hetzelfde goddelijk Bestaan. Deze eenheid van
+bewustzijn is ééne uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht in
+het heelal.
+
+Maar niet alleen alle bewustzijn is één, ook alle kracht is één, en hier
+stemt de wetenschap in met de Theosofie: er is slechts één groote
+werking in het heelal; alle vormen van werking en kracht welke wij
+waarnemen, zijn in den grond één. Zij kunnen in elkander omgezet worden;
+alle vormen van werking welke de wetenschap bestudeert, alle krachten
+welke wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of plantenrijk,
+hetzij bij dier of mensch, al deze krachten zijn één in hunnen aard.
+Slechts hun uitdrukking, hun wijze van openbaring is verschillend, bij
+nader onderzoek blijken zij allen één te zijn: ééne kracht, juist zooals
+er één bewustzijn is.
+
+Een derde uitdrukking van de wet van eenheid is de eenheid van stof.
+Alle stof is één, hoe verschillend ook de vorm wezen mag welke zij
+aanneemt. Er is slechts één grondstof en alle scheikundige elementen
+zijn daaruit opgebouwd. Al wat wij om ons waarnemen: vaste lichamen,
+vloeistoffen, gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde,
+slechts verschillend in de rangschikking van zijn deelen. Wij vinden
+door de geheele wereld heen een eenheid, eenheid van bewustzijn en
+leven, eenheid van kracht, eenheid van stof, en deze drie eenheden zijn
+de uitdrukkingen van het goddelijk Bestaan, zij komen alle uit het ééne
+Leven, het Leven van God.
+
+Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en van stof kunnen wij een
+gevolgtrekking maken. Daar er slechts één stof is, slechts één kracht,
+slechts één bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een broederschap;
+zij zijn allen gemaakt uit dezelfde bouwstoffen, zij zijn allen bezield
+door dezelfde kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij
+zien dat het geheele heelal één groote broederschap vormt, waarin de
+verschillende schepselen in verschillende staten van ontwikkeling zijn,
+maar allen worden saamgebonden door de éénheid van stof, van kracht, van
+bewustzijn. In deze alomtegenwoordige grond-eenheid wortelt het begrip
+"broederschap", en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van
+hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander kunnen blijven staan.
+Er moet één gemeenschappelijk goed zijn voor ons allen, één
+gemeenschappelijke ontwikkeling waarin wij allen deelen, één
+gemeenschappelijk doel waarnaar wij allen streven, en alle gedachten van
+naijver of vijandschap, alle gedachten welke de menschen denken, alsof
+zij elkanders bestrijders zijn in plaats van elkanders helpers en
+broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande het wezen van God
+en van den mensen. De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt de
+broederschap tot een noodzakelijk feit in de natuur.
+
+Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder uitwerken, bevinden wij dat
+deze broederschap zich toont in alle betrekkingen, waarin wij tot
+elkander komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking de eenheid van
+stof heeft tot de broederschap der menschen. Onze lichamen zijn
+opgebouwd uit wat wij "stof" noemen, en wij weten, dat ons lichaam
+voortdurend zijn bouwstoffen hernieuwt, dat ons lichaam heden niet
+hetzelfde is, als het gisteren was of verleden week of de vorige maand,
+of als het morgen zijn zal of de volgende week of maand.
+
+Ons lichaam verandert voortdurend van bestanddeelen. Kleine deeltjes
+ervan, zóó klein dat zij onzichtbaar zijn voor het oog, komen en gaan
+ieder oogenblik. Wanneer wij ons lichaam zeer sterk vergroot zagen,
+zouden wij een stroom van deeltjes ervan zien uitgaan, en een stroom van
+deeltjes er heen zien komen, een stroom van komen en gaan, welke ons
+lichaam op ieder oogenblik van het leven verandert. Wanneer nu menschen
+elkaar ontmoeten, zooals wij hedenavond bijeen zijn gekomen, wisselen de
+deeltjes onzer lichamen onderling, deeltjes van uwe lichamen hechten
+zich vast aan het mijne, deeltjes van mijn lichaam gaan en worden
+opgenomen in dat van u, zoodat wij, wanneer wij de zaal verlaten, geen
+van allen hetzelfde zijn gebleven als toen wij binnenkwamen. Onze
+stoffelijke lichamen hebben een deel van de bouwstoffen waarvan zij
+gemaakt zijn, gewisseld. Ieder van u heeft iets aan zijn buren gegeven,
+ieder van u heeft iets van zijn buren ontvangen. Dit nu maakt dat er
+tusschen ons een zeer daadwerkelijke stoffelijke broederschap bestaat.
+Indien wij op deze wijze van deeltjes onzer lichamen wisselen, zijn wij
+broeders naar het lichaam, hetzij wij het willen of niet. Wij kunnen
+niet nalaten op elkander invloed te oefenen, hetzij ten goede of ten
+kwade. De gezonde persoon verspreidt zijn gezondheid, waar hij ook gaat,
+de zieke verspreidt zijne ziekte overal waar hij komt; deze wisseling,
+deze overgang legt tusschen ons allen een band, die maakt dat het
+lichamelijk welzijn onzer medemenschen van belang is voor ons allen.
+
+Nu bouwen wij ons lichaam op door voedsel, drank, lucht en door het
+leven dat wij leiden. Indien gij in uw lichaam onrein voedsel brengt,
+onreinen drank, indien gij uw huis en uw kleeding niet rein houdt,
+trekt gij tot uw lichaam deeltjes, welke gij vergiftigt en vervolgens
+zendt gij die giftige deeltjes weer uit naar uwe medemenschen, zoodat
+een mensch die slechte, onreine dingen eet of drinkt, die ongezond is of
+onrein, op al zijne medemenschen een overeenkomstigen invloed uitoefent.
+Ieder mensch die alkohol, wijn of dergelijke giftige dranken gebruikt,
+beleedigt het lichaam van zijnen medemensen even goed als zijn eigen.
+Wij kunnen ons leven niet van dat van anderen scheiden, maar zijn
+genoodzaakt te leven als één groot huisgezin; al wat een van ons
+schaadt, schaadt daardoor het geheel. Wanneer wij dit inzien, kunnen wij
+niet langer onverschillig blijven voor de armoede en ellende om ons
+heen, want wij weten dat zoolang nog één mensch in de maatschappij arm
+is en ellendig en uitgehongerd, niemand volmaakt gezond en zuiver kan
+zijn en zijn lichaam bewaren kan in den best mogelijken staat. In ieder
+volk waarin men menschen vindt die lijden door armoede en ellende en
+stoffelijke ontaarding, moet elk lichaam zijn deel ontvangen van de
+ellende dier armen. De menschen zullen het misschien niet bemerken of
+begrijpen, maar hun lichaam is minder gezond wegens de ziekte, die
+rondwaart in de armere wijken der stad, onder de lichamen hunner armere
+medemenschen. Geen volk is zoo gezond als het zijn kan, zoolang één
+zijner kinderen ziek is, van geen land kunnen de bewoners volmaakte
+lichamen hebben, zoolang er nog één honger lijdt. De stoffelijke ellende
+in de maatschappij is een zaak die allen ter harte moet gaan en niet
+slechts hun alleen die er onmiddellijk onder lijden. Wij zijn broeders
+naar het lichaam en genoodzaakt hun leed mede te dragen.
+
+De broederschap van lichaam is echter niet de eenige band tusschen ons.
+Er is een broederschap van aandoeningen en gevoelens even goed als van
+lichaam. Wij oefenen ook invloed op elkander uit door onze gevoelens. Al
+wat ik gevoel werkt ook op u in, al wat gij gevoelt, werkt op mij in. De
+geheele dampkring is vervuld van trillingen, gemaakt door de gevoelens
+en hartstochten der menschen. Ook op deze wijze oefenen wij zonder het
+te weten invloed op elkander uit en indien gij er op let, kunt gij het
+door eigen ondervinding waarnemen. Hebt gij nooit opgemerkt, hoe wanneer
+één persoon in een gezelschap slecht gehumeurd is, die stemming zich
+verspreidt over de anderen, hoe één knorrig persoon in huis iedereen min
+of meer wrevelig stemt? Hebt gij nooit waargenomen hoe wij in de
+nabijheid van sommigen een gevoel krijgen van vrede en rust, een gevoel
+alsof alles ons gemakkelijk zou vallen, terwijl anderen alleen door hun
+nabijheid ons knorrig maken en alles somber doen schijnen en zwaar? Het
+is de broederschap onzer aandoeningen, die op deze wijze voortdurend op
+ons inwerkt en de reden waarom dit mogelijk is ligt hierin, dat de
+mensch behalve het zichtbare lichaam nog een lichaam heeft van fijnere
+stof, welke wij astrale stof noemen en deze astrale stof, welke van een
+hoogeren graad van fijnheid is, trilt uiterst gemakkelijk en vlug. Door
+onze gevoelens nu wekken wij trilling op, welke die astrale stof aandoet
+en welke andere menschen in hun astraal lichaam doet beantwoorden aan
+het gevoel dat in ons astraal lichaam die trilling veroorzaakt heeft.
+Ieder van u heeft in en om zijn stoffelijk lichaam een wolk of mist van
+deze fijne astrale stof, veel schitterender dan het stoffelijk lichaam
+zelf, juist alsof zich rondom u een wolk bevindt, waardoor kleurenspel
+van elektrisch licht zichtbaar is. Het astrale lichaam is helder en vol
+kleuren, kleuren als van den horizon bij den opgang of ondergang van den
+zon. Evenals gij dan in de lucht soms wolken zien kunt, welke door den
+zon worden gekleurd, zien de menschen, die meer dan het stoffelijke
+waarnemen kunnen, rondom ieder van u een gekleurde wolk, maar in plaats
+van door den zon, wordt die wolk gekleurd door uwe gevoelens, uw
+aandoeningen, uwe hartstochten, en zoodra een gevoel, eene aandoening in
+u opkomt, kleurt zich de wolk rondom u en trilt zij met groote snelheid,
+en deze trilling straalt van u uit en wekt in het astrale lichaam van
+anderen gelijke trillingen op, zoodat zij hetzelfde gevoelen als gij.
+Wij oefenen daardoor, wanneer wij in elkanders nabijheid vertoeven,
+invloed op elkaar uit door onze gevoelens even als door onze gezondheid
+of ziekte, en wij zijn evenzeer door een broederschap van gevoelens
+verbonden als door een broederschap van het stoffelijk lichaam, en die
+broederschap van gevoelens uit zich door middel van het astrale lichaam,
+het lichaam der aandoeningen dat steeds in beweging is, steeds in
+trilling en hoe sterker onze gevoelens zijn, des te krachtiger oefenen
+wij er invloed door uit op anderen.
+
+Er is nog een derde wijze, waarop zich de broederschap openbaart en wel
+in ons denkvermogen. Wij leven evengoed in broederschap van gedachten
+als in gevoels-broederschap. Wanneer wij denken oefenen wij invloed uit
+op de gedachten der menschen om ons heen. Wanneer wij denken, zenden wij
+als het ware elektrische stroomen uit, die werken op het denken van
+anderen, en zij krijgen betere of slechtere gedachten al naar den aard
+onzer eigene gedachten. Terwijl ik tot u spreek, gebruik ik mijn
+stoffelijk lichaam, mijn stem, ook hoort gij mij met uw stoffelijk
+lichaam, met uw ooren, maar dit is niet het eenige, wat u en mij
+verbindt. Behalve mijn stem die gij hoort, gaan er van mij trillingen
+uit, gevoelstrillingen die u er toe nopen te luisteren en uwe aandacht
+te schenken. Deze trillingen worden soms magnetisch genoemd, en daar zij
+uit mijn astraal lichaam voortkomen, oefenen zij invloed uit op het uwe.
+Behalve deze wisselwerking tusschen onze stoffelijke en astrale lichamen
+is er nog wisselwerking van denkvermogen. Mijn denkvermogen zendt
+stroomen uit tot het uwe en vormt beelden welke gij met uw denkvermogen
+waarneemt, niet met uw stoffelijke oogen. Zoolang ik spreek, zend ik
+voortdurend die denk-beelden uit, zoodat de woorden gemakkelijker voor u
+zijn te begrijpen wegens den onmiddellijken invloed, dien ik uitoefen op
+uw denkvermogen. Deze inwerking der menschelijke gedachte op anderen
+vindt onophoudelijk plaats, en wanneer iemand invloed tracht uit te
+oefenen op een ander is die werking veel sterker dan wanneer hij als het
+ware slechts voor zich zelf denkt. Deze beelden welke ons denkvermogen
+vormt en welke de menschen waarnemen door het hunne, brengen het
+grootste deel onzer gedachten over aan anderen en stellen ons in staat
+elkander beter te kunnen begrijpen dan alleen door stoffelijke
+mededeeling mogelijk is. Deze invloed welken ons denkvermogen op anderen
+uitoefent bestaat steeds, niet alleen wanneer iemand tot anderen
+spreekt, maar ook in het gewone dagelijksch leven. Wanneer gij denkt,
+zijn alle menschen om u heen min of meer geneigd op dezelfde wijze te
+denken en hoe sterker uw denkkracht is, des te grooter invloed oefent
+gij op hen uit. Hebt gij wel eens opgemerkt hoe dikwijls, wanneer gij
+met iemand samenwoont, gij beiden over hetzelfde onderwerp denkt, en
+wanneer de één zijn gedachte uitspreekt, zegt de ander: "Daar dacht ik
+juist ook aan." Dit is dikwijls het geval met man en vrouw, broeder en
+zuster, vriend en vriend, en vaak beslist slechts toeval, wie het eerst
+spreekt. Wie dan het eerst zijn gedachte in woorden kleedt, bemerkt dat
+de ander in dezelfde richting gedacht heeft. Op deze wijze kunnen wij
+elkander veel goed doen en veel kwaad. Goed wanneer wij edel denken en
+rein, kwaad wanneer wij laag, gemeen en slecht denken. Vele menschen
+denken dat als zij slechts doen wat goed is, als zij maar geen grove
+woorden gebruiken, het er niet toe doet hoe zij denken: gedachten zijn
+tolvrij. Dit is onjuist: onze gedachten oefenen een veel grooteren
+invloed uit op onze medemenschen dan onze woorden, en een slecht mensch,
+die slecht denkt, vergiftigt alle menschen met wie hij in aanraking
+komt; hij oefent een slechten invloed uit zonder iets anders te doen dan
+in onze nabijheid te zijn. En evenzoo is men, indien men goede
+gedachten kweekt, overal waar men gaat tot zegen. De menschen om ons
+heen zullen zelf goede gedachten krijgen zonder te weten waarom. Onze
+invloed zal hen goed doen denken. Op deze wijze is er broederschap van
+denken evengoed als broederschap van gevoel en van lichaam.
+
+Zie dan hoe veel er voortvloeit uit dit denkbeeld van de eenheid van al
+wat is, hoe sterk deze eenheid zich doet gevoelen in het leven, hoe wij
+naarmate wij die eenheid doorgronden, nuttiger worden voor elkander dan
+te voren, hoe wij leeren dat wij invloed uitoefenen op onze medemenschen
+door onze lichamen, onze gevoelens en onze gedachten, en hoe wij op deze
+drie wijzen elkander kunnen helpen. Zoo leeren wij de natuurwet en
+passen die dan toe om onze broeders te helpen en de wereld door ons
+leven beter te maken. Deze eenheid, uitgewerkt zooals ik het thans heb
+gedaan, is één der groote leeringen van de Theosofie.
+
+Laat ik thans een tweede groote leering nemen, die welke zegt dat uit
+God de zielen der menschen zijn voortgekomen, dat het leven van God
+iederen mensch gegeven is, opdat hij zich ontwikkelen moge tot een
+volmaakt wezen, gelijk God zelf. Gij zult u herinneren dat Jezus, toen
+hij sprak tot de menigte, een merkwaardig gebod gaf: "Weest dan
+gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is."
+[Voetnoot: Mattheüs 5,48] De Vader in den hemel nu is God, het goddelijk
+Wezen, en Jezus leerde aan zijne leerlingen en aan de volksmenigte dat
+zij volmaakt moesten zijn gelijk God. Nu is God volmaakt in kennis,
+volmaakt in kracht, volmaakt in liefde. Hoe kan de mensch volmaakt zijn
+in kennis en in kracht en in liefde, gelijk God volmaakt is? Toch was
+dit het gebod dat Jezus gaf en als Jezus sprak, zeide hij slechts wat
+waar was en mogelijk. Hij zou het niet hebben gezegd als deze volmaking
+onmogelijk was voor den mensch. De vraag waartoe wij van zelf komen is
+dan deze: hoe is het mogelijk, en is het mogelijk voor ieder of slechts
+voor eenige menschen? En het antwoord dat de Theosofie geeft is: het is
+mogelijk voor ieder, niet slechts voor enkelen; voor ieder is het
+mogelijk volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, de mensch is
+werkelijk gemaakt naar het goddelijk beeld, dat wil zeggen hij is de
+juiste weerkaatsing van God. Laten wij eerst een uiterst geval
+beschouwen; een zeer onontwikkelden wilde, zoo laag ontwikkeld dat hij
+het goede nog niet kan onderscheiden van het kwaad, dat hij nog niet
+weet dat het kwaad is te stelen of te liegen of te moorden, dat hij al
+deze dingen geoorloofd vindt. Waarom zou hij niet stelen als hij iets
+noodig heeft dat hem niet toebehoort? Waarom zou hij niet liegen als hij
+daardoor kan krijgen wat hij begeert? Waarom zou hij niet moorden als
+hij sterk genoeg is het te doen en verlangt zijnen vijand te dooden? Die
+wilde ziet geen kwaad in moorden en liegen en stelen. Hij denkt dat het
+goed is, of liever: hij denkt er in het geheel niet over. Hij wil het
+doen. Derhalve doet hij het, en het komt nooit in hem op te vragen: "is
+het goed dat ik moord of lieg of steel?" Hij onderzoekt niet of wat hij
+wil doen geoorloofd is. Hij wil het doen en dat is alles waar hij om
+geeft. Waartoe zou het dienen zulk een mensch te zeggen, volmaakt te
+zijn zooals God volmaakt is? Hij is zelfs nog niet in staat, kwaad te
+onderscheiden van goed; hoe zou hij dan volmaakt kunnen zijn?
+Verstandelijke vermogens zijn in hem nog niet ontwikkeld, hij kan niet
+verder tellen dan twee, hij kan geen gevolgtrekking maken, begrijpt niet
+wat een gevolgtrekking is. Hij heeft geen geheugen en herinnert zich
+niet wat gisteren gebeurde, noch kan hij berekenen wat morgen gebeuren
+zal. Hij is in verstandelijk opzicht even dom als hij zedelijk laag
+staat. Wat wilt gij met zulk een mensch doen? Hij ziet er niet uit als
+"het beeld van God" en er schijnt niet veel kans dat hij volmaakt zou
+worden gelijk God volmaakt is. Als hij sterft, bezit hij noch verstand,
+noch zedelijk gevoel. Wat wordt er van dien mensch? Wanneer hij sterft
+en een ander leven intreedt, zonder zijn lichaam, een soort van
+middenleven tusschen deze aarde en den hemel, is er niet veel in hem dat
+omhoog kan stijgen, want zijn ziel is zwak en onontwikkeld. Zij is nog
+slechts een kiem. Hij kende het goed nog niet van het kwaad. Hij kon nog
+niet denken. De ziel nu is de kracht in den mensch die denkt en het
+goede onderscheidt van het kwaad en de ziel van zulk een wilde is
+slechts een embryo, nog volstrekt onontwikkeld. Wanneer hij sterft en
+uit het lichaam treedt, is hij in de wereld, volgende op de stoffelijke,
+in de astrale wereld, waar de dierlijke aard werkelijk thuis behoort. De
+dierlijke aard nu van den wilde is zeer sterk. Deze was het die hem deed
+moorden en liegen en stelen, omdat de dierlijke aard sterk was en de
+ziel nog zwak en jong. Wanneer hij nu na den dood deze astrale wereld
+binnentreedt, terwijl de dierlijke aard in hem nog sterk is, ondervindt
+hij dat hij ze daar niet meer kan bevredigen, zooals hij kon terwijl hij
+in het lichaam woonde, dat hij dat soort genot dat hij op aarde vond,
+daar niet verkrijgen kan, dat hij met zijn lichaam het werktuig verloren
+heeft, waardoor zijn dierlijke aard zich kon uiten. Zoo leert hij,
+wanneer hij uit het lichaam is getreden, dat hij de zucht naar genot van
+zijn dierlijken aard op den langen duur niet kan voldoen, dat datgeen
+wat hem in het lichaam genot schonk, hem daarbuiten smart geeft in
+plaats van genot. Zoo leert de jonge ziel deze eerste les door
+ondervinding in het aardleven en na den dood. Daarop gaat de ziel naar
+de hemelsche wereld. Veel is er nog niet dat deze jonge ziel in den
+hemel kan vinden, maar toch leert zij een weinig door een tijd in die
+wereld te vertoeven. Toen de wilde nog op aarde leefde, gevoelde hij
+wellicht eenige liefde voor vrouw of kind, en deze liefde leert hem een
+nuttige les. Wanneer hij de hemelsche wereld bereikt, is die liefde nog
+met hem; en hij ondervindt dat deze blijft en hem genot schenkt in die
+hoogere wereld. Hij bevindt dat de weinige goede gevoelens, dat iedere
+aandoening welke iets in zich had dat goed was en rein, bij hem is,
+wanneer al het andere achterblijft, dat de liefde blijft wanneer alle
+hartstocht is uitgestorven. Wanneer hij een tijdlang in den hemel
+vertoefd heeft, en zijn liefde in de hemelsche gebieden is toegenomen in
+kracht, komt het oogenblik, waarop de ziel terug moet keeren tot het
+aardleven, opnieuw moet worden geboren in een lichaam, een weinig beter
+dan het lichaam dat zij vroeger bezat. Want de ziel is een weinig
+gegroeid en heeft een beter lichaam noodig dan het vorige dat zij
+bewoonde. Zij is een weinig gegroeid, heeft geleerd een weinig meer
+liefde te koesteren, heeft een weinig geleerd door hare ondervinding in
+deze wereld en in de twee werelden aan gene zijde van het graf. Zij is
+een weinig ouder geworden en wijzer en heeft om nieuwe ondervinding op
+te doen een beter lichaam noodig, wanneer zij terugkomt. Na in dat beter
+lichaam geboren te zijn, leert zij een weinig meer dan in het vorige.
+Zij heeft geleerd dat stelen en moorden niet goed is, en wanneer een
+leeraar of oudere bloedverwant tot het jonge kind, dat reeds deze
+ondervinding heeft opgedaan, zegt: "Gij moet niet stelen, niet liegen,
+niet moorden," zal deze ziel, die op aarde teruggekeerd is met de
+ondervinding die zij heeft opgedaan, deze leering kunnen beantwoorden en
+zeggen: "Ja, het is waar, ik moet niet stelen, niet liegen, niet
+moorden, ik zie in dat dit alles verkeerd is." Waarom ziet die ziel nu
+in dat het verkeerd is, terwijl zij het den vorigen keer niet inzag?
+Omdat de ziel in dien tijd is gegroeid, omdat zij ondervonden heeft dat
+stelen ongelukkig maakt. En deze ondervinding bot als zedelijke
+eigenschap uit, wanneer de ziel in een stoffelijk lichaam wordt
+weergeboren. De kinderen, die thans in ons midden ter wereld komen,
+worden niet geboren zooals de volkomen onontwikkelde wilde, waarover ik
+sprak, niets wetende van goed en kwaad. Zoodra gij hen onderwijst,
+begrijpen zij het verschil tusschen kwaad en goed en het is gemakkelijk
+hun te leeren, daar hunne zielen ouder zijn en reeds vele aardlevens
+doorleefd hebben, waarin zij ondervinding hebben opgedaan en verzameld,
+en die ondervinding hebben omgezet in wat wij geweten noemen, in
+aangeboren begrip van goed en kwaad. Deze groei van de ziel gaat door,
+leven na leven, honderde keeren, zoodat de ziel, wanneer zij in een
+stoffelijk lichaam ter wereld komt, na reeds honderde levens te hebben
+doorgemaakt, vele vermogens in zich heeft. Zij komt ter wereld met
+zekere verstandelijke kracht, met zekeren aanleg voor kunst, met
+zedelijke eigenschappen. Ieder uwer werd geboren met het vermogen te
+denken, zoodat gij met vrucht kondt worden opgevoed; en misschien met
+eenige artistieke kracht, met talent voor schilderen, voor
+beeldhouwkunst of muziek. Gij bracht die vermogens met u, en toondet ze
+reeds als kind, zoodat uw opvoeding kon worden ingericht op een wijze
+die geschikt was om de vermogens die gij medebracht, te kunnen
+ontwikkelen. Deze vermogens, welke de kinderen meebrengen en in
+overeenstemming waarmede wij hun opvoeding behooren te regelen, hebben
+zij gewonnen in herhaalde aardlevens in het verleden, en telkens
+gedurende hun leven in de hemelsche wereld hebben zij die vermogens
+verbeterd en doen toenemen in kracht, en bij iedere geboorte op aarde
+brengen zij ze mede op een hoogeren trap van ontwikkeling dan den
+vorigen keer.
+
+Op deze wijze groeit de ziel door voortdurend herhaalde wedergeboorte
+op aarde en naarmate zij groeit wordt zij meer en meer gelijk God. Na
+langen, langen tijd wordt de ziel op aarde geboren als een kind met een
+zeer goed karakter, misschien als genie, misschien bijna volmaakt uit
+een zedelijk oogpunt. Enkele kinderen worden zoo goed geboren dat hunne
+opvoeding bijzonder gemakkelijk is, onzelfzuchtig, vriendelijk en
+liefdevol, anderen ter wille. In deze kinderen wonen zielen die oud
+zijn, zielen die reeds vele malen op aarde geweest zijn, en geleerd
+hebben onzelfzuchtig en vriendelijk te zijn en hunne medemenschen lief
+te hebben, zoodat zij thans bij hun geboorte zulk een karakter toonen.
+Zij behoeven niet meer te leeren wat goed is, zij weten het van de wieg
+af, juist zooals andere kinderen reeds in hun prille jeugd geniën
+blijken. Wanneer de ziel zulk een standpunt bereikt heeft, is het
+oogenblik daar waarop haar ontwikkeling zeer kan worden versneld, het
+oogenblik, waarop bijzondere leering zal komen op haren weg, waarop haar
+bijzondere gelegenheden zullen worden geboden, sneller te kunnen
+ontwikkelen en groeien; dan komt wat de "geestelijke geboorte" genoemd
+wordt, de geboorte naar den geest waarvan Jezus sprak toen hij zeide dat
+geen mensch het koninkrijk Gods kon kennen, tenzij hij was geboren naar
+den geest. De menschen worden telkens en telkens geboren naar den
+vleesche; zij worden slechts ééns geboren naar den geest en wanneer een
+mensch geboren is naar den geest, zegt men dat de Christus in hem
+geboren is. Gij zult u herinneren dat Paulus in een zijner brieven
+schreef, dat de Christus geboren moest worden in de ziel; dit nu is de
+groote "tweede" geboorte, die het begin is van de ontwikkeling van den
+Christus in den mensch. Alle vroegere ontwikkeling heeft hem slechts
+doen groeien tot een goed en knap mensch, verstandig en krachtig en
+zedelijk, maar na de geestelijke geboorte wordt hij geestelijk, en
+begint hij het leven te leiden van den Christus. Hij wordt vol
+mededoogen voor allen, vol liefde en vol van den wil zijn medemenschen
+te helpen. Hij ontwikkelt in zich den aard van den Christus, hij gevoelt
+de broederschap die hem met allen verbindt, hij gevoelt dat hij één is
+met alle menschen, dat zij allen leden zijn van zijn huisgezin, dat zij
+allen hem na-staan, als een deel van hemzelf, een deel van zijn eigen
+leven. Naarmate de Christus zich in den mensch ontwikkelt, nadert hij de
+volmaking. Hij wordt meer en meer vrij van zonden, hij verkrijgt meer en
+meer inzicht in alle geestelijke waarheid, hij omvat meer en meer van
+het goddelijk leven en drukt dit uit in zijn leven op aarde. Dit
+tijdperk in de menschelijke ontwikkeling is dat van geestelijken groei,
+niet van verstandelijken of zedelijken vooruitgang. Het komt na dezen
+vooruitgang en brengt de gelijkenis van God en den mensch tot volkomen
+volmaking. Wanneer de mensch zóó gedurende langen tijd heeft geleefd,
+vrij van zonde, terwijl hij goed doet aan ieder, allen met wie hij in
+aanraking komt helpt, vol wijsheid en inzicht in alle geestelijke
+waarheid, heeft hij het standpunt bereikt waarop Jezus doelde toen hij
+zeide: "Weest dan gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen
+is volmaakt is." Dit zou onmogelijk zijn indien de mensch niet gedurende
+honderde levens tot die hoogte kon klimmen. Voor den wilde, over wien ik
+u gesproken heb, zou het niet mogelijk geweest zijn, in één leven
+volmaakt te worden, te worden gelijk God. Maar zonder twijfel is het
+mogelijk, wanneer hij leven na leven op aarde terugkeert, leven na leven
+verbetert en groeit, totdat de ziel van een klein zaadje gegroeid is tot
+een machtigen boom, na talrijke eeuwen van levens. En evenals de eik
+door zijne bladeren die hij ontplooit, den geheelen zomer voedsel
+verzamelt, en dit voedsel uit de bladeren voert tot takken en stam, en
+in den herfst de bladeren afvallen en sterven, maar de boom door het
+opgenomen voedsel gegroeid is--- zoo ook zendt de menschelijke ziel een
+lichaam uit, gelijk de boom zijne bladeren, en verzamelt ondervinding
+door het vergankelijke lichaam, gelijk de boom door de bladeren zijn
+voedsel. Al die ondervinding neemt de ziel in zich op: het lichaam
+sterft wanneer zijn tijd daar is, maar de ziel groeit door de opgedane
+leering en nadert de volmaking.
+
+Dit is wat de Theosofie leert omtrent den groei der ziel, en gij hebt
+gezien dat wij gekomen zijn tot de gevolgtrekking, dat de mensch
+volmaakt kan worden, en de vraag zal bij u opkomen: "Wat moet de
+volmaakte mensch doen met zijne volmaking?"
+
+Hij moet zijn medemenschen helpen. Zij die volmaakt zijn geworden zijn
+degenen die wij Meesters noemen. Zij zijn de Leeraars der groote
+godsdiensten, zij zijn het die tot de wereld komen om den menschen te
+leeren hoe te leven, hoe sneller te groeien. Zelf volmaakt geworden,
+blijven zij anderen leeren hoe de volmaking te bereiken. Jezus, die
+zelf volmaakt is, bleef op aarde ten einde den menschen te leeren hoe
+zij volmaakt konden worden en gelijk aan Hemzelf. En de Theosofie leert
+dat deze volmaakte menschen nog heden bereikt kunnen worden. Zij zijn
+niet ver weg in den hemel, maar hier op aarde. En wij kunnen hen vinden,
+indien wij den juisten weg inslaan; en de eenige weg om hen te vinden is
+te trachten hun gelijk te worden. Misschien hebt gij wel eens in de
+geschriften van de heiligen der Christelijke kerk gelezen, hoe Jezus tot
+hen kwam en hun leerde; en dan hebt gij steeds gedacht dat dit droomen
+waren of verzinsels. Toch is dit niet het geval. Wat zij schreven is
+letterlijk waar, en het zou ook voor ons waar kunnen zijn zooals het
+waar was voor hen, want gij kunt een heilige worden zoo goed als ieder
+ander mensch, die leefde in de middeleeuwen of in de eerste eeuwen der
+Christelijke kerk. Waarom zouden niet de tegenwoordige Christenen heilig
+worden kunnen gelijk die van vroeger, waarom zouden zij den Christus
+niet kennen zooals Hij gekend werd in de vroegste tijden der kerk,
+waarom zouden zij niet in staat zijn Hem te spreken en van Hem te
+leeren, zooals de menschen in die oude dagen deden, toen Hij leefde
+onder de menschen en zooals zij het nog deden, vier of vijf eeuwen
+daarna? De ziel der menschen is thans niet zwakker dan toen, de ziel der
+menschen is in staat nog heden te doen, wat zij toen in staat was te
+volbrengen. Het is slechts de kennis die u ontbreekt, hoe het te doen en
+den krachtigen wil, welke u moed tot volharden kan geven. De Theosofie
+is dáár om u de kennis te geven van den weg, waarlangs wij de groote
+Leeraars kunnen bereiken, en met die kennis geeft zij ons den moed en
+den wil en het geduld tot volharden.
+
+Veel van wat ik u hedenavond heb gezegd zal voor sommigen uwer nieuw
+schijnen en vreemd. Toch is het niet nieuw maar over-oud, zóó oud dat de
+menschen het hebben vergeten; en niet vreemd, zooals gij bij nadere
+studie zult vinden. Ik heb u hedenavond niets gezegd, dat ik niet _weet_
+dat waar is en de weg dien ik gevolgd heb om tot weten te komen, is de
+weg dien de Theosofie aanwijst. Door het volgen van hare voorschriften
+ben ik in staat geweest hetzelfde te doen wat in de Christelijke kerk
+gedaan werd, vele eeuwen geleden, en wat in alle andere godsdiensten
+mogelijk is geweest, lang voordat het Christendom was gesticht. Al deze
+dingen zijn altijd bekend geweest, deze weg is altijd betreden door de
+weinigen; en zij die hem betraden waren de menschen, die de waarheden
+van den godsdienst wisten door eigen waarneming--niet uit de tweede
+hand. Het doel der Theosofische Vereeniging is, u te helpen in het
+verkrijgen van eerste-hands kennis en hoewel de dingen die ik u gezegd
+heb misschien onbekend mogen wezen en schijnen onmogelijk te kunnen
+worden bewezen, kunnen zij alle bewezen worden door ieder uwer die
+begeert te onderzoeken, en zich dezelfde moeite wil geven, welke door
+sommigen onzer is gedaan. Dan zult gij de werkelijkheid der
+wedergeboorte op aarde weten, niet slechts gelooven, dan zult gij de
+wijze kennen, waarop de ziel langzamerhand groeit tot volmaking, dan
+zult gij weten dat deze Leeraars nog levende menschen zijn en nog steeds
+leering geven willen aan leerlingen die tot hen komen. De Theosofie is
+inderdaad een studie. Ik vraag u niet haar te gelooven, ik vraag u niet
+haar aan te nemen zonder begrijpen, ik vraag u slechts te onderzoeken,
+zooals ik onderzocht heb. Gij kunt tot weten komen zooals ik ben gekomen
+tot weten. En ik weet, dat wanneer al deze dingen voor ons eerste-hands
+kennis worden, niets in de wereld ons meer werkelijk ongelukkig kan
+maken. De moeiten en zorgen, welke zoo vele menschen kwellen, worden ons
+niets, zelfs de dood, die scheiding te maken schijnt tusschen de
+menschen, kan voor ons geen scheiding meer brengen wanneer wij deze
+waarheden voor ons zelf bevestigd weten, omdat wij dan den sluier des
+doods kunnen oplichten, en de menschen aan de andere zijde kennen, even
+gemakkelijk als gij ze hier kent op aarde; zoodat de Theosofie u met de
+gelegenheid om deze dingen te onderzoeken de mogelijkheid biedt van
+grooter geluk dan den meesten menschen ten deel valt, van kennis die u
+sterk zal maken en krachtig, van een leven vol vrede en rust. Dàt is de
+uitkomst van Theosofisch onderzoek, dàt is het gevolg van het streven
+tot weten te komen, en mijn doel voor hedenavond was, eenigen van u te
+brengen tot diepere studie, opdat gij moogt komen tot de kennis der
+waarheid. En wanneer gij dan tot die kennis gekomen zult zijn, zult gij
+terugzien tot dezen avond en zeggen: Toen was het dat ik voor het eerst
+de leeringen der Theosofie vernam, waarvan de kennis in mijn geheele
+leven verandering heeft gebracht. Toen was het dat ik den grootsten
+schat vond, welken ik ooit heb gekend; want ik vond de kennis van God,
+die het eeuwige leven is, zonder welke het leven arm is en beperkt, met
+welke het leven oneindig wordt, vol van vreugde en vrede.
+
+
+
+
+#Esoterisch Christendom#
+
+
+Sommigen die niets weten van de Theosofische leeringen beschouwen de
+Theosofie als vijandig gezind jegens het Christendom. Zij denken dat
+iemand wanneer hij Theosoof wordt moet ophouden Christen te zijn. En
+wanneér zij vernemen dat de Theosofie zich in een land verspreidt, nemen
+zij als van zelf sprekend aan dat in dat land een nieuwe beweging tegen
+het Christendom is ontstaan, een beweging waarvoor geen Christen
+sympathie kan gevoeien. Deze zienswijze nu is geheel en al verkeerd. Hoe
+zou het mogelijk zijn dat de grondslag van alle godsdiensten de vijand
+was van eenigen godsdienst? Daar zij komt om het godsdienstig gevoel te
+versterken door kennis, kan de Theosofie niet ten doel hebben het geloof
+te ondermijnen, of te trachten het godsdienstig gevoel der menschen te
+doen wankelen. Integendeel: waar zij komt tot de menschen, vraagt zij
+hun niet hunnen godsdienst te verlaten, maar zij vraagt hun te pogen
+dien godsdienst te doorgronden in zijn diepere en meer geestelijke
+beteekenis. Zij komt tot den godsdienst om hem terug te geven wat hij in
+den loop der eeuwen heeft verloren, zij komt om de kennis terug te
+brengen, welke langzamerhand uit zijn gebied is geweken, zij komt om de
+zinnebeelden en riten van den godsdienst begrijpelijk te maken en aan
+hen wier geloof was geschokt door de aanvallen van het ongeloof een
+hechten en zekeren grondslag te schenken waarop hun geloof rusten kan,
+verheven boven de mogelijkheid van eenigen aanval, bekroond met goed
+gevolg.
+
+Wanneer ik dan hedenavond u toespreek uit naam der Theosofie, spreek ik
+als iemand die het Christendom beschouwt als één van de groote
+godsdiensten der wereld, die gelooft dat het in zich alles bevat wat
+noodzakelijk is voor den groei der menschelijke ziel, maar die tevens
+meent dat het algemeen verspreide Christendom van tegenwoordig zeer veel
+verloren heeft van wat het oorspronkelijk Christendom bezat, als iemand
+die gelooft dat het mogelijk is aan de kerk dat diepere, geestelijker
+inzicht in den godsdienst terug te geven, dat in den tegenwoordigen tijd
+uit het weten der Christenen verdwenen is.
+
+Reeds de naam van deze voordracht "esoterisch of innerlijk Christendom"
+zal waarschijnlijk door vele Christenen verworpen worden. Weinigen onder
+de hedendaagsche Christenen willen toegeven dat er een esoterisch
+Christendom bestaat, ja zelfs hoort men Christenen er zich dikwijls op
+beroemen dat hùn godsdienst ten minste niets heeft dat teruggehouden en
+verborgen is. Dikwijls hoort men zeggen: de Christelijke godsdienst is
+zóó eenvoudig dat zelfs een kind, dat de meest onontwikkelde hem kan
+begrijpen en ik heb soms Christenen ontmoet die verontwaardigd werden
+over het denkbeeld, dat er in verband met hun geloof eenige kennis zou
+bestaan, welke teruggehouden wordt van den onwetende, welke niet
+openlijk aan de wereld wordt verkondigd, kennis zoo moeilijk te
+omvatten, dat de gewone menigte niet in staat zou zijn haar te
+begrijpen. En toch is het duidelijk dat als het waar is dat het
+Christendom niets anders te leeren heeft dan wat begrepen kan worden
+door het kind en door den onopgevoeden mensch, dit de erkenning in zich
+zou sluiten, dat het Christendom niet de waarheid bezit, dat het niet
+voldoende is voor den wijsgeer en den wijze. Want gij kunt het verstand
+van den wijsgeer niet tevreden stellen met dezelfde opvattingen welke
+voldoende zijn voor het kind en den polderwerker. Men kan niet
+verwachten dat de man van de wetenschap, de hoogontwikkelde denker,
+tevreden zal blijven met de enge en ruwe opvattingen, welke voor den
+onwetende niet slechts voldoende zijn, maar die voor hem veel meer
+geschikt zijn dan de verklaringen van den verheven wijsgeer. Neem
+bijvoorbeeld het begrip "God". Voor een kind moet gij van God een
+konkreet denkbeeld geven, anders kan het kind het niet bevatten. Indien
+gij tot hem spreekt in de taal der metafysika, indien gij tot hem
+spreekt over het absolute, het oneindige, indien gij hem vertelt van een
+oneindig leven, dat de geheele ruimte doordringt en de tallooze zonnen
+welke zich in het heelal bewegen in wezen houdt, indien gij hem zulk een
+beschrijving van de Godheid geeft, zult gij het kind slechts in
+verwarring brengen en geenerlei opvatting, welke door hem kan worden
+bevat, zal zijn ongeoefend brein bereiken door uw wijsgeenge taal. Zal
+het kind eenig denkbeeld krijgen van God dan moet de opvatting van het
+goddelijke tot hem komen in een gewone, menschelijke gedaante. Gij kunt
+hem leeren van een Vader, die teeder is en liefhebbend, want dit geeft
+hem een denkbeeld dat hem reeds bekend is door de liefde van zijn eigen
+vader. Gij kunt hem vertellen van den mensch Jezus, vol liefde en
+mededoogen; dit geeft hem het denkbeeld van een vriend, sterker en ouder
+dan hij zelf, die hem lief heeft en beschermt. Zóó kan het kind eenig
+denkbeeld ontvangen van God. Het goddelijke moet menschelijk worden
+gemaakt, het oneindige moet worden beperkt; slechts zóó kan het
+kinderhart worden bevredigd. Maar wanneer gij staat tegenover den
+wijsgeer, die onmiddellijk de bezwaren inziet welke er zijn tegen de
+beperking van het goddelijke binnen den menschelijken vorm, wanneer gij
+staat tegenover een man van de wetenschap die zich den God dien hij
+aanbidt denkt als een Leven dat de gansche ruimte doordringt, dat alle
+zonnen en planeten beheerscht, dat tegelijk het leven is van het heelal
+en het leven van het kleinste wezentje dat bestaat, voor wien de
+beperking in den menschelijken vorm godslastering wordt en
+bespotting--wanneer gij dan nog blijft bij de opvatting van het kind,
+zal de wijsgeer, de man van de wetenschap agnostisch worden of atheïst.
+De erkenning van de waarheid, dat het godsbegrip moet beantwoorden aan
+de beperkingen van het menschelijk verstand, dat het denkbeeld dat de
+mensch van God heeft verschillend moet zijn naar gelang van de kracht
+van zijn verstand, naar den aard zijner aandoeningen, naar de diepte van
+zijn inzicht,--de erkenning van deze waarheid maakt het voor alle
+menschen mogelijk, God te aanbidden, want ieder mensch, hetzij onwetend
+of geleerd, ontvangt dan van de goddelijke kennis juist zooveel als hij
+in staat is op te nemen in hoofd en hart. Ieder mensch houdt als het
+ware het vat zijner eigene ziel tot God omhoog. Is de ziel klein en
+beperkt, dan kan zij slechts weinig van de goddelijke kennis bevatten;
+indien de ziel groot is en ontwikkeld, kan zij meer bevatten van het
+goddelijk leven. Klein waarlijk in vergelijking met dien machtigen
+oceaan is het grootste verstand, de grootste wijsheid des menschen, maar
+toch heeft dit verstand het recht een opvatting te eischen, die noch te
+hoog is noch te laag, en slechts door een esoterischen godsdienst kunnen
+de ontwikkelden en wijzen gehouden worden binnen de grenzen der kerk.
+Dit is in het verleden altijd bekend geweest. Geen godsdienst der
+oudheid gaf aan alle menschen leering in denzelfden vorm. Onder de
+Hindoes, de Chineezen, de Boeddhisten, de Egyptenaren, de Grieken,
+overal vindt gij verschil van leering voor de menigte der
+onontwikkelden, en de kleine minderheid der ontwikkelden. Toen het
+Christendom aan de wereld werd gegeven, toen Jezus kwam als een
+boodschapper der waarheid en de stichter van een nieuwen vorm van
+godsdienst, trad hij in de voetstappen zijner voorgangers en verdeelde
+zijn leer in twee deelen, het eene voor de menigte, het andere voor de
+verlichten. Ik wensch u van deze bewering het bewijs te leveren door een
+aantal bewijsgronden, wier gewicht gij voor u zelf kunt schatten. Ik zal
+u aantoonen, eerstens uit de woorden van Jezus zelf, dat hij die
+onderscheiding maakte; dan uit de woorden zijner apostelen dat ook zij
+die verdeeling erkenden, vervolgens dat die apostelen ze overdroegen
+aan het geslacht dat na hen kwam, en eindelijk dat diezelfde verdeeling
+der leeringen in tweeën door de bisschoppen en kerkvaders werd
+gehandhaafd. Wij hebben dus vier stappen te doen in de vroegste
+geschiedenis der kerk. Wij moeten de gezegden van Jezus zelf, die zijner
+apostelen, die van degenen die door de apostelen als leeraars werden
+uitverkoren, en die van de bisschoppen en kerkvaders in de eerste vijf
+eeuwen der geschiedenis van het Christendom beschouwen. Over deze vijf
+honderd jaren strekken zich de verklaringen uit, die ik u zal aanhalen
+als bewijsgronden voor het feit dat er in die eeuwen een esoterisch
+Christendom bestond, evengoed als een exoterisch, dat er een bijzonder
+onderwijs was voor de ingewijden, evengoed als een openbare leering voor
+de menigte der geloovigen. Na deze eerste reeks bewijsgronden, de
+geschiedkundige, zal ik een bewijsvoering leveren van anderen aard, en
+wel deze: dat zij die thans esoterische kennis bezitten, beter in staat
+zijn de Christelijke leeringen uit te leggen dan zij die deze kennis
+niet bezitten, en beter de beteekenis begrijpen van de vele verklaringen
+in het Nieuwe Testament, welke de gewone kerkleeraars niet in staat zijn
+uit te leggen, verklaringen, die de hedendaagsche kerk dikwijls heeft
+uitgelegd op een wijze, welke in strijd is met het geweten, zoodat die
+uitleggingen der kerk vele menschen uit het Christendom drijven, en van
+velen onder hen die slechts de exoterische verklaring ontvangen, het
+verstand beleedigen en het geweten in opstand brengen. Het gevolg
+hiervan is dat zij de kerk verlaten en onverschillig worden voor het
+Christendom, een groot verlies voor henzelf, daar zij hun geloof moeten
+opgeven, een groot verlies voor de kerk, want op deze wijze gaan de
+meest ontwikkelden verloren, en wordt de invloed van het geloof op de
+menigte verzwakt.
+
+Wij zullen thans de verschillende bewijsgronden in volgorde aanvoeren en
+beginnen met de geschiedkundige, in de eerste plaats met de woorden van
+Jezus zelf.
+
+Toen de discipelen tot Jezus kwamen en hem vroegen naar de gelijkenissen
+welke hij tot de menigte gesproken had, gaf hij hun dit merkwaardige
+antwoord: "Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het
+koninkrijk Gods, maar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze
+dingen door gelijkenissen." [Voetnoot: Marcus 4,11.] En verder: "Zonder
+gelijkenis sprak hij tot hen niet." [Voetnoot: Marcus 4,34.] Wij vinden
+hier den toestand duidelijk verklaard. Tot de menigte sprak Jezus
+slechts in gelijkenissen, in allegoriën, in verhalen in den vorm van een
+fabel, welke hun zedelijke leering gaf; maar zijnen discipelen gaf hij
+de uitlegging der gelijkenissen, verklaarde hij de verborgenheid van het
+koninkrijk Gods, en ik verzoek u deze onderscheiding, door Jezus
+gemaakt, goed in het oog te houden, omdat wij haar straks door de
+kerkvaders aangehaald zullen vinden ter rechtvaardiging van de
+handelwijze der kerk in hun eigen tijd.
+
+Jezus zeide eens tot de discipelen: "Geeft het heilige den honden
+niet." [Voetnoot: Mattheüs 7,6.] Het woord "hond" nu had bij de Joden
+een zeer bepaalde beteekenis. Het duidde iedereen aan, die geen Jood was
+en gij herinnert u dat toen een Kananeesche vrouw tot Jezus kwam om hulp
+te vragen, hij ten antwoord gaf: "Het is niet betamelijk, het brood der
+kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen." [Voetnoot: Mattheüs
+15,26.] En zij nam zonder morren die benaming aan en zeide slechts: "Ja
+Heer, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die er vallen van de
+tafel hunner heeren." Dit woord van Jezus: "Geeft het heilige den honden
+niet" is niet anders dan een bevel, niet het innerlijke te geven aan hen
+die buiten de groep der uitverkorenen stonden. Voor deze laatsten alleen
+moest het heilige worden bewaard. De apostelen, die het evangelie van
+Jezus buiten de Joden verspreidden, erkenden evenzoo een aantal
+uitverkorenen, dat waren zij die in de kerk in de mysteriën waren
+ingewijd, terwijl zij die buiten de mysteriën stonden profanen werden
+genoemd. Het woord profaan werd in de oudheid gewoonlijk gebruikt om
+deze menschen aan te duiden en wanneer wij overgaan tot de tweede soort
+van geschriften, waarvan ik u gesproken heb, tot de geschriften der
+apostelen, vinden wij dat Paulus het onderscheid, door Jezus gemaakt,
+behield en het toepaste op zijn eigene bekeerlingen. Zoo schreef hij aan
+de Corinthiërs, die als Christenen waren gedoopt, die hadden deelgenomen
+aan het Heilige Avondmaal, die lidmaten der kerk waren, zooals wij
+zeggen zouden: "En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot
+geestelijken, maar als tot vleeschelijken, als tot jonge kinderen in
+Christus. Want gij zijt nog vleeschelijk." [Voetnoot: I Corinthiërs
+3,1-3.] En elders zegt hij: "En wij spreken wijsheid onder de
+volmaakten." [Voetnoot: I Corinthiërs 2,6.] Paulus maakte dus hetzelfde
+onderscheid als de Meester: voor hen die vleeschelijk waren, voor de
+jonge kinderen in Christus, sprak hij zonder geestelijke wijsheid; die
+wijsheid werd slechts gegeven aan de volmaakten, dat is, aan hen die
+ingewijd waren in de mysteriën der kerk. Want deze uitdrukking "de
+volmaakten" is het oude woord voor de ingewijden; zij moesten volmaakt
+zijn in het uiterlijke leven, voordat zij werden toegelaten tot de
+kennis der mysteriën van Jezus. Vervolgens vinden wij dat Paulus aan
+Timotheüs, dien hij wijdde tot bisschop der kerk, beval op zijn beurt
+uit de geloovigen diegenen te kiezen, die in staat zouden zijn meer te
+leeren en dat hij aan dezen het Woord moest mededeelen, dat hij zelf had
+ontvangen voor vele getuigen. Hier hebben wij weer een uitdrukking die
+in de oudheid veel werd gebruikt: "het Woord," het Woord dat gegeven
+werd voor vele getuigen. Wat is dat Woord, dat Paulus gaf aan Timotheüs,
+in tegenwoordigheid van vele getuigen en dat hij hem beval over te geven
+aan hen die het waardig zouden zijn? Dit Woord, gesproken voor vele
+getuigen, is de geheime leering der mysteriën, welke nooit op schrift is
+gesteld, welke nooit werd gegeven in eenigen vorm, waarin zij kon worden
+verraden, maar altijd slechts gesproken werd van mond tot oor, van
+leeraar tot leerling, in tegenwoordigheid van vele getuigen, die konden
+instaan voor de nauwkeurigheid der ongeschreven overlevering, die konden
+getuigen dat de leeraar het Woord goed had overgebracht, dat hem
+gegeven was om aan anderen over te leveren. Het Woord, door Timotheüs
+van Paulus ontvangen in tegenwoordigheid van vele getuigen, is het
+esoterisch Christendom, mondeling geleerd aan hen die waardig waren zelf
+leeraars te worden.
+
+Wij hebben gezien, eerstens hoe Jezus zelf de mysteriën slechts leerde
+aan enkele leerlingen, en tot de menigte sprak in gelijkenissen,
+vervolgens hoe Paulus als apostel op dezelfde wijze te werk ging en aan
+Timotheüs beval het Woord op zijne beurt verder te geven, zoodat wij
+thans in de derde plaats komen tot de latere bisschoppen en kerkvaders,
+die verklaren dat zij de geheime leering hadden ontvangen en ze op hunne
+beurt hadden over te leveren aan hen die zich daartoe waardig toonden.
+Tot nog toe heb ik slechts aanhalingen gedaan uit het Nieuwe Testament
+dat naar ik veronderstel ieder uwer bekend zal zijn. Thans zal ik eenige
+schrijvers aanhalen uit de vroegste geschiedenis der kerk, die u
+misschien niet bekend zullen zijn, maar die gij toch ook zelf lezen
+kunt, hetzij in het Latijn of het Grieksch, zoo gij die talen verstaat,
+of anders in uw eigene taal overgezet. De kennis van de geschriften der
+oude kerkvaders is noodig voor ieder die als prediker van het
+Christendom optreedt. Zonder die kennis is hij niet geschikt zich
+leeraar van het Christendom te noemen.
+
+Een van die bisschoppen nu was Clemens van Alexandrie, een der meest
+geleerde en wijze mannen der Christelijke kerk, die het aanzien der kerk
+heeft verhoogd door de zuiverheid van zijn leven, door de diepte zijner
+wijsheid. Terecht heeft de dankbare kerk hem in latere dagen als een
+heilige beschouwd. Groot is het aantal geschriften dat hij heeft
+nagelaten tot leering der Christenen. In een van deze geschriften
+spreekt hij over de kennis, die door de kerk was overgeleverd van den
+tijd van Jezus tot op zijn tijd toe, het onderricht dat Jezus gaf aan
+zijn apostelen, en dat na hem van geslacht op geslacht was overgegaan.
+Hij zegt: "Deze leering werd van den beginne af slechts gesproken tot
+hen die begrijpen. De ongeschreven uitlegging der geschrevene woorden,
+die door den Heiland aan de apostelen gegeven werd, is tot ons
+overgeleverd." [Voetnoot: Stromata 6,15.] Hier hebben wij de getuigenis
+van een der bisschoppen van de oude kerk, dat er een onderricht van
+Jezus was, niet geschreven, maar door Jezus gegeven aan de apostelen, en
+door de kerk bewaard als een ongeschreven overlevering. Dezelfde
+getuigenis geeft Origenes, een ander kerkvader. Hij zegt dat Jezus met
+zijne discipelen in het bijzonder sprak over het evangelie Gods, dat de
+woorden welke hij sprak niet werden bewaard in geschrifte, en dat zij de
+verklaring vormden der gelijkenissen. Slechts zij ontvingen die leering,
+die waardig waren haar te ontvangen; hij zegt dat allen die deze leering
+zullen ontvangen, in bewondering zullen staan over hare wijsheid. Maar
+er is nog meer: dezelfde Clemens, die spreekt over de ongeschreven
+leering van Jezus, vertelt ons ook dat hij zelf in zijn openbare
+prediking slechts zwakke, onvolmaakte beelden kon geven, maar dat zij
+die geslagen waren met den thyrsus, de beteekenis ervan zouden
+begrijpen. Geslagen te zijn met den thyrsus nu beteekent te zijn
+ingewijd, want de thyrsus was een roede, die bij de inwijding gebruikt
+werd, bij welke gelegenheid de persoon die ingewijd werd in trance werd
+gebracht, om de ziel te bevrijden van het lichaam. Wanneer de kandidaat
+voor de inwijding voor den leeraar was gebracht, ontving hij eerst door
+mondelinge leering de kennis, waarvan ik reeds gesproken heb en daarna
+werd hij geslagen met de roede, welke als voertuig diende voor
+magnetische krachten, welke in den kandidaat de innerlijke krachten der
+ziel deden ontwaken, en de ziel in staat stelden zich vrij te maken van
+het lichaam en zoo hoogere leering te ontvangen in de onzichtbare
+wereld, vrij van den last van het lichaam. Deze uitdrukking nu:
+"Geslagen met de roede" beteekent ingewijd in de mysteriën. Clemens
+vertelt ons hiervan nog iets meer, licht een hoekje van den sluier op,
+en ontdekt ons een weinig van wat daarachter verborgen is. Hij deelt ons
+de voorwaarden mede waaronder de mensch de inwijding kan ontvangen, en
+de eerste woorden welke door den leeraar bij het begin van de
+inwijdingsplechtigheid werden gesproken. Hij vertelt ons dat uit de
+lidmaten der kerk, uit hen die gedoopt waren en aan het Heilige
+Avondmaal hadden deelgenomen, dat uit die velen zeer weinigen werden
+gekozen: "velen zijn geroepen", zegt hij, de woorden van Jezus
+aanhalende, "maar weinigen uitverkoren." Hij zegt verder van die
+uitverkorenen: wie vrij is, niet slechts van alle laagheid, maar ook van
+wat de menschen als geringere zonden beschouwen, slechts hij kan worden
+ingewijd in de mysteriën van Jezus, welke alleen door de heiligen en
+reinen worden gekend. Daarna deelt hij de eerste woorden mede, welke bij
+de inwijding gesproken werden: Hij die als inwijder optreedt,
+overeenkomstig de voorschriften van Jezus, zal zeggen tot hen die rein
+zijn van harte: "Hij wiens ziel zich gedurende langen tijd van geen
+kwaad bewust is, en in het bijzonder sinds hij zich overgaf aan de
+weldoende kracht van het Woord, laat de zoodanige hooren de leering,
+door Jezus in het geheim gesproken tot zijn waarachtige leerlingen."
+[Voetnoot: Contra Celsum 3,40.] Dit waren de eerste woorden, gesproken
+bij de Christelijke inwijdingsplechtigheid, dit was de eerste zin, door
+den hierophant tot den kandidaat gericht. Het verdere kan Clemens niet
+aanhalen, want dan begint de leering welke slechts gegeven kon worden in
+de mysteriën. Deze eerste woorden echter stellen de voorwaarde van
+reinheid en roepen den kandidaat op om te luisteren naar de leering,
+door Jezus in het geheim aan zijne leerlingen gegeven.
+
+Wat is er thans geworden van die leering? Wat heeft de kerk gedaan met
+deze heiligste nalatenschap van den Christus? Waar wordt nu het
+onderricht gevonden, dat Jezus zijnen leerlingen in het geheim gaf? Waar
+zijn nu de mysteriën van Jezus, en degenen die den kandidaat zouden
+kunnen inwijden in de kennis, die aan de vroegere Christenen werd
+meegedeeld? Is de kerk trouweloos geweest in het bewaren van haren
+schat? Heeft zij de overlevering verloren, en ook degenen aan wie deze
+was toevertrouwd? Indien dit waar is, geen wonder dan dat de
+ongeloovige instaat is het geloof der Christenen te doen wankelen, geen
+wonder dan dat honderden van de meest ontwikkelde menschen worden
+gevonden buiten de grenzen der Christelijke kerk.
+
+Is het mogelijk die verloren kennis te herwinnen? Is het mogelijk deze
+leering weer te vinden, nu ze verdwenen is uit den schoot der kerk? Ja,
+die leering is nooit werkelijk verloren gegaan, de kennis van de
+mysteriën is nooit geheel en al verdwenen. Zij is bewaard door Jezus
+zelf en door zijn trouwe leerlingen, en die leerlingen zijn nooit geheel
+en al van de aarde verdwenen. Hier en daar werd er altijd nog een
+gevonden, die de duisternis om zich verlichtte, een heilige, stralend
+als een ster aan den donkeren hemel, in het bezit van eerste-hands
+kennis, de kennis van de oude mysteriën van Jezus. Nu en dan verscheen
+zulk een leerling in den schoot der Christelijke kerk, ingewijd en
+onderwezen gelijk voorheen, evenals de Christenen van vroeger, in het
+bezit van onmiddellijke leering, welke hem in staat stelde als leeraar
+op te treden. En hiertoe zijn slechts zij in staat, die zelf de
+onmiddellijke leerlingen zijn van de Meesters. Sedert de overlevering
+van haar bestaan uit de kerk verdwenen is, wordt de geheime leering nog
+altijd overgedragen van den een op den ander, zoo vaak er iemand
+gevonden wordt die waardig is ze te ontvangen. En met die leering gaat
+samen het vermogen om wat men verkeerdelijk "wonderen" noemt te
+verrichten, het gebruiken van natuurkrachten, welke de gewone menschen
+niet kennen. Gij zult u herinneren hoe Jezus gezegd heeft dat zekere
+teekenen hen zouden vergezellen, die geloofden; dat zij vergif zouden
+drinken zonder dat het hun schaadde, dat zij door handoplegging zieken
+zouden genezen; aan deze teekenen, zeide hij, zouden waarlijk geloovigen
+worden herkend.
+
+Hoevele Christenen vertoonen thans deze teekenen van het levend geloof?
+In welke mate zijn die krachten in het bezit der Christenleeraars van
+onze hedendaagsche kerk? Hier en daar in de middeleeuwen vinden wij er
+nog sporen van, zooals de wonderen, verricht door Franciscus van Assisi
+en Elisabeth van Hongarije, wonderen, niet in den zin van een schending
+der natuurwetten, want zulk een schending is onmogelijk, maar wonderen,
+mogelijk gemaakt door de kennis eener hoogere wet, welke op lagere
+gebieden niet kan worden ontdekt, door gebruik te maken van geestelijke
+krachten welker werking de groote menigte der menschen niet kent.
+
+In den aanvang van deze voordracht sprak ik u nog van een ander soort
+van bewijs dat kon worden gegeven om het bestaan van de esoterische
+kennis aan te toonen. Voor hen toch die deze kennis bezitten is het
+mogelijk de duistere en moeilijke plaatsen in de Schrift te begrijpen en
+te verklaren, plaatsen welke altijd struikelblokken zijn geweest voor
+den Christen, maar toch voor een eenvoudige verklaring vatbaar zijn,
+wanneer men slechts den esoterischen kant der godsdienstige leering
+onderzocht heeft. Laten wij bijvoorbeeld enkele plaatsen nemen uit het
+Nieuwe Testament, welke moeilijk zijn te begrijpen en waarin de
+hedendaagsche Christenen niet gelooven, en die altijd weggeredeneerd
+worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van den jongeling, die tot Jezus
+kwam en hem vroeg hoe hij het eeuwige leven beërven kon. Het eerste
+antwoord dat Jezus hem gaf was het exoterische. "Gij weet de geboden".
+Dit is juist wat thans de predikant zou zeggen tot iemand, die hem kwam
+vragen hoe hij het eeuwige leven zou kunnen verkrijgen. Zijn antwoord
+zou wezen: "leid een goed leven op aarde". Dit was ook het eerste
+antwoord dat Jezus gaf, maar de jongeling was hiermede niet tevreden.
+Hij wist dat dit slechts het exoterische antwoord was, niet het diepere
+dat hij zocht. Het wees hem den weg niet dien hij wenschte te vinden.
+Daarom antwoordde hij: "Meester, deze dingen heb ik onderhouden van
+mijne jonkheid af". Dit is het antwoord dat ieder moet kunnen geven, die
+naar de diepere wijsheid verlangt. Aan de uiterlijke wet moet zijn
+voldaan, voordat de innerlijke leering kan worden verkregen. Toen gaf
+Jezus een ander antwoord: "Eén ding ontbreekt u, ga henen, verkoop al
+wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den
+hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij". Toen ging de
+jonge man treurig heen, want hij had vele goederen; en Jezus wendde zich
+tot zijne discipelen, die alles verlaten hadden om hem te volgen, en
+sprak: "Het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan
+dat een rijke in het koninkrijk Gods inga." [Voetnoot: Marcus 10,
+17-26.]
+
+Hoe dikwijls worden tegenwoordig deze laatste woorden weggeredeneerd.
+Hoe vele predikers hebben er over gepreekt en ze van hun beteekenis
+beroofd. Hoe dikwijls hebt gij misschien in uwe jeugd aan uw leeraar
+gevraagd, gelijk ik het mijn leermeester vroeg: "wat beteekenen toch die
+woorden? Is het waar dat een rijke niet gemakkelijker het koninkrijk
+Gods binnengaan kan dan een kemel kan gaan door het oog eener naald?"
+Maar mijn leermeester redeneerde de moeilijkheid weg en zeide mij dat
+het beteekent dat een rijke even goed als een arme het eeuwige leven kan
+verwerven, dat het iets anders beteekent dan het zegt, dat het
+betrekking heeft op een poort in Jeruzalem waar een kameel slechts
+onbeladen door kon gaan; en dat het wilde zeggen dat een rijke vele
+moeilijkheden heeft en aan vele verleidingen blootstaat, maar niet dat
+hij in het geheel niet zou kunnen binnengaan in het koninkrijk Gods. De
+groote menigte der Christenen schijnt het ook niet op te vatten in den
+zin, zooals het door Jezus is gezegd, want overal ziet gij de menschen
+hard werken om rijkdommen te verwerven, en als zij dachten dat zij
+daardoor het eeuwige leven zouden verliezen, zouden zij wel niet zoo
+hard werken om in de hel te komen; zoodat wij vrij zeker kunnen zijn dat
+zij in woorden van Jezus als de aangehaalde volstrekt niet gelooven. Dit
+is het noodzakelijk gevolg van het verloren gaan der esoterische kennis.
+Wat is de beteekenis van deze uitdrukking: "het koninkrijk Gods?" Zij
+wordt altijd gebruikt voor "inwijding in de mysteriën". Zij die willen
+binnengaan in het koninkrijk Gods moeten volmaakt worden, niet zooals de
+mensch van de wereld, die na den dood in den hemel komt, om na verloop
+van tijd terug te komen, meer te leeren en meer ondervinding op te
+doen,--het eeuwige leven is niet het vertoeven in een voorbijgaanden
+hemel, het is de kennis van God, het is de vereeniging met de Godheid
+zelf. En die kennis van God die het eeuwige leven is, is het koninkrijk
+Gods, waarin slechts de volmaakte kan binnengaan. En het is altijd een
+vaste wet geweest dat ieder mensch, voordat hij wordt ingewijd, alles
+moet afstaan wat hij bezit, dat hij niets meer als zijn eigendom
+beschouwen moet, wat in de oogen der wereld het zijne is. De gelofte van
+armoede is altijd de gelofte van den ingewijde geweest; niemand kan
+inwijding bereiken die niet deze gelofte doet in haar wijdste
+beteekenis: niet slechts wat zijn aardsche goederen aangaat, maar
+aangaande alles wat hij bezit, zij het rijkdom van verstand of rijkdom
+van hart of rijkdom der aarde. Hij staat ze alle af en deelt ze met de
+wereld, hij beschouwt ze niet langer als de zijne. Indien geld in zijne
+handen komt, is het niet het zijne, moet het niet worden gebruikt voor
+zijn persoonlijke behoeften: het behoort aan het werk van zijn Meester.
+Hij bezit niets dat hij voor zichzelf gebruiken kan. Indien hij kennis
+bezit is die niet de zijne, maar hij bezit die om de wereld te
+onderwijzen. Hij bezit zijne kennis slechts om ze te kunnen geven aan
+anderen; hij heeft geen rechten, hij kent slechts plichten jegens de
+menschheid. Voor zichzelf kent hij geen rechten van eenigen aard. Hij
+staat alles af wat het zijne is. En toen Jezus zeide dat hij die
+volmaakt wil worden alles verkoopen moet wat hij heeft en hem volgen,
+zeide hij slechts wat iedere Meester zegt tot den leerling die
+inwijding bereiken wil: "Gij moet alles afstaan wat gij bezit, gij moet
+u ontdoen van al wat gij hebt." Een harde voorwaarde, zeker: hard voor
+hem wiens hart nog hangt aan de wereld, hard voor hem die nog geeft om
+de schatten der aarde; maar licht voor hem die het hoogere leven zoekt,
+die naar diepere wijsheid verlangt, die het lagere leven wil opofferen
+om het hoogere te vinden, die het vleesch wil kruisigen opdat hij in God
+met Christus vereenigd kan zijn.
+
+Wij zullen thans een tweede spreuk van Jezus nemen: "Wijd is de poort en
+breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door
+dezelve ingaan; want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven
+leidt, en weinigen zijn er die dezelve vinden." [Voetnoot: Mattheüs
+7,13.] Hoevele liefhebbende harten treuren over deze woorden, van
+hoevele vrome Christenen breekt het hart bij het denken aan deze woorden
+van Jezus. Weinigen die binnentreden, velen die ten verderve gaan,
+weinigen die redding vinden, velen die den breeden weg, weinigen die het
+smalle pad volgen! Wat is de beteekenis van deze woorden? Zij zeggen
+hetzelfde wat Jezus bedoelde toen hij sprak tot den jongeling. De breede
+en gemakkelijke weg is de gewone weg van de menschen der wereld, die
+leidt van geboorte naar dood, van dood naar geboorte, van geboorte weer
+terug naar den dood, door steeds herhaalden kringloop van dood en
+geboorte. Zulk een leven is dood, niet leven, in de oogen van den
+verlichte. De weg welke tot het leven leidt is de weg welke van
+wedergeboorte bevrijdt, is het pad der inwijding, dat leidt tot dien
+tempel Gods, welken niemand verlaat, nadat hij hem is binnengetreden.
+Weinigen inderdaad zijn er op het tegenwoordig standpunt van de
+ontwikkeling der wereld, die dezen weg betreden, weinigen worden er
+gevonden onder de millioenen der menschheid, die sterk genoeg zijn om de
+moeilijkheden van het enge pad te overwinnen. Maar in den loop der
+eeuwen zullen allen dit pad vinden en betreden, en geen menschelijke
+ziel zal vervallen tot eeuwig verderf.
+
+Er is nog een gezegde van Jezus, dat moeilijk is te begrijpen: "Weest
+dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt
+is." [Voetnoot: Mattheüs 5,48.] Dat is weer een bevel dat door de meeste
+menschen wordt weggeredeneerd, omdat zij gevoelen dat de vervulling
+onmogelijk is voor zondige menschen, voor mannen en vrouwen vol
+zwakheden en dwaasheden, alledaagsch en wereldsch, bekrompen in hun
+opvattingen, overgegeven aan de genoegens der wereld. Hoe zouden zij
+volmaakt kunnen worden gelijk God in den hemel volmaakt is? Bracht Jezus
+dan zijn leerlingen op een dwaalspoor, toen hij hun een bevel gaf dat
+zij onmogelijk uitvoeren konden? Kon hij, die de waarheid Gods zelf was,
+een gebod geven dat niet kon worden opgevolgd? Neen! Het is voor den
+mensch mogelijk, volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, niet in één
+kort leven, niet in twintig of veertig of honderd jaar, niet in het ééne
+korte tijdperk tusschen de wieg en het graf, tusschen geboorte en dood.
+Dit is slechts één stap naar een volmaking als die van God. Maar leven
+volgt op leven, groei volgt op groei. Ieder volgend leven kan dichter
+bij de volmaking worden gebracht, ieder volgend leven zamelt den oogst
+van het voorgaande in. Met steeds vermeerderende kracht, met steeds
+toenemenden groei stijgen de menschen tot de volmaking, in de
+voetstappen van den Heiland. In de lange eeuwen die voor ons zich
+uitstrekken zal de goddelijke volmaking worden bereikt.
+
+Laten wij van deze op zich zelf staande teksten afstappen en een
+leerstuk der Christelijke kerk beschouwen dat voor velen moeilijk te
+gelooven is, en dat dikwijls wordt aangevallen: de leer der drieëenheid.
+God een eenheid en toch drievoudig, drie personen en toch één God. Velen
+hebben zich over dit leerstuk verbaasd en zijn ten laatste tot de
+overtuiging gekomen, dat zij dit niet konden begrijpen, dat blind geloof
+moet aannemen wat het verstand niet begrijpen kan. Maar in de
+esoterische leering der mysteriën werd de leer der drieëenheid
+begrijpelijk gemaakt, werd zij een verheffende en helpende kracht. Deze
+geheele leering kan niet openbaar worden gemaakt, maar een deel ervan
+kan hier worden besproken; en dit kan eenig licht werpen op ons
+onderwerp. In iederen godsdienst wordt de drieëenheid geleerd: de Vader,
+die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan voorstelt, en uit den Vader
+de Zoon en de Geest. De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is.
+God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, van onbegrensd Vermogen in
+alle openbaringen voor als de Eeuwige Vader, het midden-leven van het
+heelal. Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van het aanzicht van
+liefde der Godheid, van liefde en gelukzaligheid tevens, de tweede
+persoon in de drieëenheid, de tweede Logos, zooals hij dikwijls genoemd
+wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen kant de openbaring van
+mededoogen, van alomvattende liefde, aan de andere zijde van eeuwige,
+oneindige gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is dat van
+wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard als de Geest, het goddelijk
+denkvermogen. Toen God zich openbaarde als scheppende kracht, als het
+algemeen denkvermogen, werd hij de derde Logos, de derde persoon in de
+drieëenheid. God is in wezen één, drievoudig in zijn openbaring, het
+ééne Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer wij spreken
+van de drie personen van de drieëenheid, zijn dit slechts drie
+aanzichten, waarin de godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en
+begrijpelijk voor den mensch.
+
+De drieëenheid, die in de godheid is, weerkaatst zich in den mensch, ook
+de mensch is een drieëenheid, het beeld van God. In den mensch heeft de
+goddelijke drieëenheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt in den
+voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen aard van de godheid, en
+ontwikkelt in zijn inwezen de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft
+van God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het verstand, de
+weerkaatsing van den derden persoon der goddelijke drieëenheid, daarna
+wordt de Zoon in hem geboren, de geest van den Christus, van
+alomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het kenmerk van den mensch
+in wien dit tweede aanzicht zich ontwikkelt, die van den derden trap
+tot den tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle menschen in
+zich omvat. Dit is de geest van den Christus, en naarmate de mensch
+dezen ontwikkelt wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor de
+laatste openbaring in den mensch. Niet alleen de ontwikkeling van het
+verstand, de weerkaatsing van den Geest, niet alleen de liefde, die
+wordt voorgesteld door het leven van den Zoon,--ook het leven van den
+Vader moet zich in den mensch openbaren. Hij moet gelijk worden aan de
+goddelijke Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging waarvan
+alle godsdiensten hebben geleerd, dat is het één-worden met den Vader,
+waarvan Christus tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal dien
+zij zouden bereiken. Het één-worden met den Vader is het einddoel der
+ontwikkeling van den mensch.
+
+In het grootste deel der menschen op aarde ontwikkelt zich thans het
+derde aanzicht der drie-eenheid, het verstand. Slechts hier en daar
+treffen wij menschen aan, in wie het leven van den Christus zich begint
+te ontvouwen. Wanneer dit leven volmaakt zal zijn, zal de vereeniging
+komen met den Vader, waarvan Paulus zegt: "Daarna zal het einde zijn,
+wanneer hij het koninkrijk aan God en den zij alles in allen."
+[Voetnoot: 1 Corinthiërs 16, 24-28.] Dat is de zielsverrukking waarom
+ieder heilige bad, de vereeniging met God; dat is het doel, dat de kroon
+is der menschelijke ontwikkeling. Aldus is de leering van het
+esoterisch Christendom, dieper, breeder, verheffender dan de uitwendige
+vorm, tot welken helaas de kerk zich bepaalt. Aldus leert het Goddelijk
+Weten, dat het uwe is door erfrecht, het uwe door de gave van den.
+Christus, het uwe krachtens uw geestelijke afkomst, het uwe door uw
+recht als leden eener Christelijke gemeenschap. En ik, die geleerd heb
+van die Meesters waarvan Jezus één is, ik, die door eigen ondervinding
+weet, dat deze leering kan worden verkregen, dat duizendmaal meer kan
+worden geweten dan hier mijne lippen uiten kunnen, ik kom tot u als
+bode, om u te herinneren aan uw erfrecht, ik kom tot u om u te
+herinneren aan het bestaan van goederen die de uwe zijn. Dat is de
+boodschap die ieder leerling op zijne beurt brengt aan iedere kerk, aan
+ieder geloof; niet iets nieuws brengt hij niet zich, slechts de
+herinnering aan wat oud is, maar nog steeds binnen menschelijk bereik.
+Aan u om dit pad te betreden, aan u om die kennis te verwerven, aan u om
+de gelegenheid aan te nemen, die de leering der Theosofie u brengt, de
+leering die dezelfde is als esoterisch Christendom. De gelegenheid wordt
+u geboden, aan u haar aan te nemen of te laten, gelijk gij dat wilt.
+
+
+
+
+#Het verhaal van den Christus#
+
+
+Ik zal hedenavond het verhaal van den Christus beschouwen van het
+standpunt van den Occultist, Wanneer wij enkel als Theosofen spreken,
+trachten wij het verhaal van den Christus duidelijk te maken in zijn
+geestelijke beteekenis. Wanneer wij ons echter op het standpunt van den
+Occultist plaatsen kunnen wij verder gaan. Wij kunnen terugzien naar de
+archieven van het verleden en deze onderzoeken, wij kunnen terugzien tot
+het leven, zooals dat negentien eeuwen geleden werd geleid en het stap
+voor stap bestudeeren. Maar ik moet u herinneren dat de inhoud dezer
+occulte archieven niet langs geschiedkundigen weg bewezen kan worden.
+Het is waarschijnlijk dat in de eerstvolgende twintig jaren eenige oude
+handschriften zullen worden gevonden, welke dezen inhoud tot op zekere
+hoogte zullen bevestigen, maar op het oogenblik zijn deze handschriften
+nog niet door de oudheidkundigen ontdekt. Daarom stel ik mij voor mijn
+onderwerp niet van den kant der gewone geschiedenis maar van het
+standpunt van den Occultist te beschouwen, en naarmate ik verder ga zult
+gij zien dat deze wijze van beschouwing vele moeilijkheden in de
+evangeliën uit den weg ruimt, en dat zij u in staat stelt al wat in die
+evangeliën van waarde is te redden uit de aanvallen der geschiedkundige
+kritiek. Zij stelt u in staat het Christendom te baseeren op een leven,
+meer dan op een handschrift en alles te begrijpen wat van werkelijk
+belang is in het verhaal van den Christus, beschouwd als een mystiek
+verhaal en als een feit uit de geschiedenis.
+
+Hat verhaal is vanzelf in twee deelen te splitsen, welke wij in onze
+beschouwing zullen moeten scheiden. De ééne afdeeling behandelt den
+geschiedkundigen Jezus en omvat tevens de zonnemyten welke door zijne
+levensbeschrijving geweven zijn. In de tweede afdeeling spreken wij niet
+over den geschiedkundigen Jezus maar over den mystieken Christus, en
+deze vertegenwoordigt in een opzicht den tweeden Logos, en in een ander
+de individuële ziel, welke goddelijkheid bereikt.
+
+In de evangelie-verhalen en in het geloof der kerk zijn deze beide
+gedeelten niet scherp gescheiden. Wat tot het ééne behoort wordt
+dikwijls gerekend bij het andere. Dit geeft tot veel verwarring
+aanleiding en biedt menig zwak punt voor de aanvallen van den
+ongeloovigen kritikus. Naarmate wij deze draden ontwarren zult gij
+beider waarde beter begrijpen en zult gij ook het groote belang inzien,
+dat het geheel voor de menschheid heeft.
+
+Laten wij eerst het verhaal van den geschiedkundigen Jezus nemen, en de
+zonnemyten welke daarmede zijn tezamen geweven.
+
+Jezus werd geboren uit Joodsche ouders, ongeveer honderd jaar vóór het
+tijdstip dat gewoonlijk wordt opgegeven. Hij werd opgevoed onder de
+Esseers, een Joodsche sekte van zeer rein leven en diep godsdienstig
+gevoel. Zij waren ongehuwd, zij aten geen vleesch en dronken geen wijn,
+en waren ook buitengewoon weldadig en medelijdend. Kinderen, die als
+weezen waren achtergebleven, namen zij tot zich om ze in hun midden op
+te voeden. Behalve de weezen werden dikwijls ook andere kinderen van
+goede afkomst aan hunne zorg toevertrouwd wegens de reinheid van hun
+leven en de wijsheid welke zij bezaten, en die hun groote waarde gaf als
+onderwijzers. Onder deze heilige menschen bracht Jezus zijn jeugd door.
+Hij muntte uit door zijn buitengewone reinheid en godsdienstige
+toewijding, welke zich op twee wijzen toonde: in zijne vurige aanbidding
+van God en zijn voortdurend streven om zijne medemenschen te helpen.
+Deze beide karaktertrekken waren buitengewoon sterk in hem ontwikkeld:
+de liefde tot God welke hem leidde tot lange uren van overpeinzing en de
+liefde tot de menschen welke hem krachtig werkzaam deed zijn om allen te
+helpen die smart leden. Deze toewijding ging zooals ik reeds zeide
+gepaard aan een buitengewone reinheid. Toen hij den mannelijken leeftijd
+naderde trok hij naar Egypte. Hij trok van de gemeenschap der Esseers in
+het Zuiden van Palestina tot een dergelijke gemeenschap op den berg
+Sinaï en naderhand in Egypte. In dit land bestudeerde hij de oude
+wijsheid der Egyptenaren en hij werd ingewijd in hunne mysteriën. Op
+omstreeks 27-jarigen leeftijd keerde hij naar Palestina terug, en begon
+zijnen verwanten en vrienden onderricht te geven in wat hij geleerd had.
+
+Te dien tijde nu was in de wereld een nieuwe aandrang van
+geestelijkheid noodig geworden. De tijd voor het ontstaan der westersche
+volkeren brak aan. Reeds ontwikkelden zich jonge rijken welke de kiem
+van toekomstige grootheid in zich droegen. De beschaving waartoe zij
+zich zouden ontwikkelen zou van geheel anderen aard zijn dan die van het
+Oosten. Het verstand dezer nieuwe volken zou krachtig en werkzaam van
+aard zijn. De omstandigheden van hun klimaat zouden ijver en
+krachtsontwikkeling eischen. De godsdienst welke bij de vorming van deze
+beschaving daartoe dienstig zou zijn moest ethisch en praktisch zijn,
+eenvoudig van wijsbegeerte, helder van leering. Deze godsdienst werd
+geschonken door de groote Broederschap uit welke alle godsdiensten
+voortgekomen zijn, en Jezus was het voor die taak uitgekozen werktuig.
+Hij was voor dit werk bijzonder geschikt door zijn reinheid en
+toewijding. Toen hij ongeveer dertig jaar oud was kwam voor hem de tijd
+zijn werk te beginnen. Een bijzondere nederdaling van goddelijke kracht
+kwam in hem en scheidde hem af van de overigen van zijn ras. Deze
+nederdaling maakte hem in zeer bijzonderen zin tot den
+vertegenwoordiger, tot den bode van God. Van deze nederdaling wordt
+gesproken als van zijn "doop" en gij zult u herinneren hoe in het
+verhaal van dien doop gezegd wordt dat de geest Gods op hem nederdaalde.
+Van dien tijd af, gedurende de jaren zijner prediking, kan men Jezus
+beschouwen als een vleeschwording van het goddelijk Leven. Het is
+belangrijk, in gedachte te houden dat dit een uitstorting van het
+goddelijk Leven in den mensch Jezus was, en dat de "doop" het tijdstip
+was waarop die uitstorting plaats vond. Van toen af werd hij de prediker
+van een zuiverder geloof voor de westersche wereld. Hij werd door de
+Joden wegens godslastering gedood nadat hij ongeveer drie jaren onder
+hen had gewerkt.
+
+Vele van de verhalen welke wij in de evangeliën vinden behooren niet tot
+het werkelijk leven van dezen grooten leeraar, maar zijn verhalen welke
+zich rondom dat leven hebben gegroepeerd doch ook in verband met andere
+leeraars aan de wereld bekend zijn geweest. Het is uit dit punt dat de
+aanvallen van ongeloovigen met zonnemyte-argumenten hun kracht putten.
+Enkele menschen, zooals Strauss en anderen, hebben getracht het
+geschiedkundig karakter van Jezus geheel te vernietigen. Maar dat is een
+overdrijving van ongeloovige kritiek, welke niet kan worden gehandhaafd
+door kennis welke op goede grondslagen berust. Wat hun aanval kracht
+heeft gegeven is het feit dat enkele dezer verhalen reeds sedert
+duizenden jaren bestaan hebben. Het verhaal bijvoorbeeld van de geboorte
+van Jezus uit een maagd, wat de kerk aanneemt dat plaats heeft gevonden
+op den 25e December, is een van deze zonnemyten. In de oudste
+Christelijke handschriften wordt de geboorte van Christus aangegeven op
+verschillende tijden van het jaar. In het eene verhaal wordt hij geboren
+in Mei, in een ander in Juli, in een derde in September. Eerst in de
+zevende eeuw werd de 25^e December algemeen als Kerstdag erkend, en dit
+is de datum welke reeds van de oudste tijden her genoemd is als de datum
+van de geboorte van een vleeschgeworden godheid. Het is de datum waarop
+Mithra, de zonnegod der Perzen, werd geboren, het is de dag waarop
+Osiris, de zonnegod der Egyptenaren, het licht zag. Deze dag wordt als
+feestdag beschouwd in alle groote godsdiensten welke tegenwoordig op
+aarde bestaan. Dit feit berust hierop, dat de zon beschouwd wordt als de
+vertegenwoordiger Gods. Alle licht en leven in een zonnestelsel komt van
+den zon, gelijk alle licht en leven in het heelal komt van God. En in
+alle godsdiensten der oudheid werd de zon beschouwd als het symbool voor
+God, niet als Hemzelf, maar toch als een symbool waaraan de grootste
+eerbied verschuldigd was. En daar de dag in het winter-stilstandspunt
+het kortst is, zeide men dat dan de geboorte van den zon plaats vond. De
+Christenkerk heeft dat tijdstip ook aangenomen voor de geboorte van
+Jezus, en dit feit wordt gebruikt als bewijsgrond om aan te toonen, dat
+Jezus niet anders is dan een zonnegod.
+
+Wat de datum van zijn dood betreft: het is u bekend dat de dag van de
+kruisiging niet op een vasten datum gesteld wordt, maar op een datum
+welke ieder jaar verandert en berekend wordt uit de standen van zon en
+maan, zoodat deze dag niet een geschiedkundige, maar een sterrekundige
+datum is. Een geschiedkundige verjaardag kan natuurlijk op deze wijze
+niet worden vastgesteld en zij die het Christendom vijandig gezind zijn,
+gebruiken dit als een bewijsgrond tegen dezen godsdienst. Het is daarom
+van belang op te merken dat deze datums inderdaad niet uitsluitend op
+het Christendom betrekking hebben, en dat de werkelijkheid van het leven
+en den dood van Jezus niet van deze sterrekundige gegevens afhangen.
+Ook vele andere verhalen, aan het leven van Jezus verbonden, hebben
+reeds lang voor zijn geboorte bestaan. Dit was aan de eerste kerkvaders
+en bisschoppen zeer goed bekend. Zij beschouwden het echter nooit als
+een bewijsgrond tegen de werkelijkheid van het leven van Jezus, en
+trachtten nooit den hoogeren ouderdom van die heidensche verhalen,
+zooals zij genoemd worden, in twijfel te trekken. De waarheid van de
+verhalen aangaande het leven van Jezus is deze: dat hij een man was, vol
+goddelijken geest, gezonden om een nieuwen godsdienst te stichten; dat
+hij een leven leidde van wonderbare toewijding en reinheid; dat hij de
+diepste geestelijke wijsheid leeraarde; dat hij werken van medelijden en
+liefde deed aan allen met wie hij in aanraking kwam en dat hij eindelijk
+wegens godslastering door de Joden gedood werd. Dit zijn de voornaamste
+feiten betreffende het leven van Jezus, welke geschiedkundig juist zijn.
+En zooals ik zeide bestaat de waarschijnlijkheid dat binnenkort
+handschriften zullen worden ontdekt welke aan de wetenschap
+geschiedkundige gegevens zullen verschaffen. Maar de wonderbaarlijke
+geboorte in December en de kruisiging omtrent den tijd der
+lentenachtevening behooren tot de zonnemyten, niet tot de geschiedenis.
+In de oudste handschriften welke wij thans bezitten vinden wij deze
+datums niet vermeld en onder de vroegste Christenen werden deze punten
+niet van belang geacht. Eerst gedurende de ontwikkeling der kerk hebben
+zij belang gekregen als dogmata, en een der redenen waarom het van
+belang was deze datums vast te stellen, was dat zij ook reeds
+heidensche feestdagen waren en behoorden tot de verschillende vormen
+van zonaanbidding welke in het Westen verspreid waren. De jonge kerk nam
+deze feestdagen over en schakelde ze in de geschiedenis van Jezus, daar
+men toen de vrees nog niet kende voor den ongeloovigen kritikus der
+negentiende eeuw.
+
+Het verhaal van den Christus is van geheel anderen aard. Het woord
+"Christus" is niet een naam die toebehoort aan éénen enkeling maar een
+titel welke een zekeren rang aanduidt en sedert onheuglijke tijden
+gebruikt werd om een zekeren graad van inwijding aan te duiden. Ieder
+ingewijde die voorbij een zekeren graad van inwijding is, wordt een
+Christus genoemd, welk woord "de gezalfde" beteekent. De zalving is een
+deel van de plechtigheid van die inwijding, zoodat de inwijding den
+mensch tot een "gezalfde" maakt. Ik zeide u reeds dat het verhaal van
+den Christus van tweeërlei standpunt kan worden beschouwd, en wel in de
+eerste plaats als een kosmisch verhaal, betrekking hebbende op het
+heelal. In dit kosmisch verhaal stelt Christus den tweeden Logos voor,
+den tweeden persoon in de drieëenheid. Deze tweede persoon in de
+drieëenheid wordt in het Christendom erkend als de God-mensch en de
+geschiedkundige Jezus wordt met dien God-mensch vereenzelvigd. Het
+kosmische verhaal is in het kort het volgende: De tweede Logos, de
+tweede persoon in de drieëenheid, daalde neder in de stof, om aan deze
+zijn leven te geven: hij gaf zijn leven aan ieder schepsel dat ontstond.
+Hij is het van wien Johannes schrijft: "Het Woord was bij God, en het
+Woord was God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder
+hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is". [Voetnoot: Johannes 1,
+1-3] In het oude verhaal van deze nederdaling in de stof wordt gezegd
+dat de tweede Logos in de stof gekruisigd is. Dit wil zeggen dat het
+leven van God is gegeven om het leven van alle levende wezens te zijn en
+dat God de banden der stof op zich nam, om dit leven mogelijk te maken.
+
+Deze kosmische gebeurtenis wordt herhaald in de geschiedenis van iedere
+menschelijke ziel, want wat in het heelal geschiedt, gebeurt ook in het
+kleine heelal, in den mensch. Wanneer wij het verhaal van den Christus
+toepassen op de menschelijke ziel, geven wij het in den vorm waarin het
+door de Christelijke mystieken werd beschouwd. De ziel des menschen
+wordt beschouwd als voortgekomen uit God. Door een lange reeks van
+aardlevens ontwikkelt zij de eigenschap van verstand, begripsvermogen,
+denken, de weerkaatsing van den Heiligen Geest of den derden persoon in
+de drieëenheid. De geest van den mensch wordt, van dit standpunt gezien,
+beschouwd als het beeld van God. Hij is een drieëenheid in zijn wezen
+evenals God een drieëenheid is, en de ontwikkeling van het leven, van
+die drieëenheid in den mensch vervalt vanzelf in drie onderdeelen: de
+eerste stap is die, waardoor het denkvermogen wordt ontwikkeld; deze
+stap is den Theosoof bekend als de ontwikkeling van Manas, het
+denkvermogen. Manas is in den mensch de vertegenwoordiger van Mahat in
+den Kosmos, of om de Christelijke uitdrukking te gebruiken, de
+vertegenwoordiger van den Heiligen Geest. Dit zich ontwikkelende
+verstand is het derde aanzicht der menschelijke drieëenheid. Dit
+standpunt van ontwikkeling is het standpunt waarop de menschheid zich
+tegenwoordig bevindt, en deze ontwikkeling van Manas moet vrij ver
+gevorderd zijn voordat de tweede stap kan worden gedaan, welke bestaat
+in de ontwikkeling van het tweede aanzicht der drieëenheid in den
+mensch, de ontwikkeling van den Zoon, of den Christus. Het kenmerkende
+van dit standpunt van ontwikkeling is niet gelegen in de ontvouwing van
+het verstand, maar van de liefde. Het is gelegen in de erkenning van
+alle mensch en als één, niet als een gevolgtrekking door denken, maar
+door de ontwikkeling van dit tweede aanzicht der drieëenheid, van wat
+wij Buddhi noemen. Buddhi beteekent voor den Theosoof wat Christus
+beteekent voor den Christen. Wanneer de mensch gereed is den Christus in
+zich te beginnen te ontwikkelen ontvangt hij de eerste van de groote
+inwijdingen. Bij deze inwijding zegt men dat hij geestelijk geboren
+wordt; het is de tweede geboorte of de geboorte uit den geest waarvan
+Jezus sprak. Deze inwijding wordt de tweede geboorte genoemd, omdat zij
+den tweeden persoon in de menschelijke drieëenheid in werking brengt.
+Door die inwijding ontwaakt Buddhi in den mensch en begint zich te
+uiten, of in de Christelijke symboliek: bij die inwijding wordt Jezus
+geboren uit den schoot der maagd. Deze geboorte werd steeds een
+onbevlekte genoemd, een geboorte uit een maagd, omdat zij niet is een
+geboorte uit het vleesch, maar een geboorte uit den geest. Om deze
+reden ook zeide Jezus dat een mensch gelijk een kind moest worden om het
+koninkrijk Gods binnen te gaan. In het geheele onderwijs van Jezus heeft
+de uitdrukking: "het koninkrijk Gods" de beteekenis van "inwijding" en
+de nieuw-ingewijde wordt een "kind" genoemd. Gij herinnert u ook dat
+Paulus van zijn bekeerlingen hoopte dat Christus een gestalte in hen
+mocht krijgen. Zij waren gedoopt als lidmaten der kerk, zij hadden
+deelgenomen aan het Avondmaal, en toch noemde hij het zijn hoogsten
+wensch, dat Christus in hen mocht worden geboren. Hieruit blijkt dat de
+geboorte van Christus in den mensch niet beteekent lidmaat te worden van
+de kerk, maar iets hoogers waarnaar de Christen moet streven. Een van de
+redenen waarom de inwijding "de geboorte van den Christus" werd genoemd
+is dat de mensch die deze eerste der groote inwijdingen ontvangt, voor
+de eerste maal het bewustzijn van het buddhisch gebied ondervindt. Hij
+wordt door zijnen Meester tot dat gebied gevoerd: door de aanraking van
+den Meester wordt hij voor de eerste maal bewust op dat gebied. Dan
+begrijpt hij wat eenheid beteekent: hij gevoelt dat hij één is met al
+wat bestaat, hij ondervindt dat hij niet afgescheiden is, maar een deel
+van het groote geheel; hij begrijpt het niet door verstandelijke
+inspanning, maar ondervindt het door onmiddellijk bewustzijn. Dan begint
+in den ingewijde het leven van den Christus, en langzamerhand neemt hij
+dien geest van liefde en mededoogen in zich op. Zoo ontwikkelt de
+Christus in hem. Nog twee andere inwijdingen moet hij doormaken terwijl
+hij nog altijd als onvolwassen beschouwd wordt. Dan komt de tijd voor
+den mystieken doop, die overeenkomt met den doop van den mensch Jezus.
+Deze doop is de inwijding van den Arhat. Van dien tijd af is het
+bewustzijn van den ingewijde voortdurend op het buddhisch gebied. Vóór
+deze inwijding wordt zijn bewustzijn van tijd tot tijd daarheen
+overgebracht, maar wanneer zij heeft plaats gevonden, en de doop des
+geestes ontvangen is wordt het buddhisch bewustzijn zijn gewone
+bewustzijn, en begint hij langzamerhand het nirvanisch bewustzijn te
+verwerven. Het bewustzijn op het buddhisch gebied wordt genoemd het
+leven van den Zoon, die altijd in den hemel is bij zijnen Vader, en toch
+op aarde wandelt onder de menschen als één van hen. Wanneer de mensch
+dezen trap heeft bereikt, kan hij een Heiland der menschheid worden,
+want daar zijn bewustzijn één is met dat van alle menschen kan hij met
+hen deelen al wat hij heeft, daar hij zelf zuiver is kan hij naast de
+menschen staan in hun zonde, daar hij zich zijn geheele verleden
+herinnert kan hij medevoelen met den slechtste. Alleen de Christus kan
+de vriend zijn van den laagste, want daar hij zelf tot zonde niet meer
+in staat is kan hij met den zondaar in de nauwste aanraking zijn zonder
+gevaar voor zijn eigen reinheid. Alleen de Christus kan den zondaar
+werkelijke hulp brengen, want slechts hij kan gevoelen, wat die zondaar
+gevoelt, en door de vereeniging van zijn bewustzijn die hulp brengen,
+welke noodig is. De mensch die geheel buiten den zondaar staat kan hem
+niet werkelijk helpen. Slechts hij die zijn bewustzijn kan vereenigen
+met dat van den zondaar kan geven wat noodig is. Daarom wordt zulk een
+mensch terecht een Heiland der wereld genoemd.
+
+Na al deze inwijdingen komt de mystieke kruisiging. De Arhat offert zich
+geheel en al op voor het welzijn der wereld. Hij geeft al wat hij bezit
+opdat het der menschheid ten goede moge komen. Hij verzaakt alle
+afgescheiden leven, opdat zijn leven het leven der menschen zijn moge.
+Hij neemt niets voor zichzelf opdat de menschheid alles moge ontvangen,
+en deze laatste daad van opoffering wordt de "kruisiging" genoemd. Door
+dien dood van het lagere rijst de ingewijde tot het goddelijk leven. Hij
+wordt één met den Vader, hij stijgt boven het leven der wereld. Om de
+Theosofische uitdrukking te gebruiken: Buddhi gaat op in Âtmâ; de Arhat
+wordt daardoor een Meester. In de Christelijke spreekwijze zegt men: de
+Zoon wordt één met den Vader en, in den hemel opgestegen, zit hij aan de
+rechterhand Gods. Dit "zitten aan de rechterhand Gods" is een
+zinnebeeldige uitdrukking, welke beteekent dat hij de goddelijke
+krachten bezit. Hij is in staat om een werktuig te zijn van de godheid
+voor de ontwikkeling der menschheid en iedere Zoon, die de eenheid met
+den Vader bereikt heeft wordt een van de krachten die de wereld vooruit
+helpen, zoodat door zijn ontwikkeling die der geheele menschheid wordt
+bevorderd.
+
+Aldus luidt het verhaal van den Christus, beschouwd als de geschiedenis
+van den geest in den mensch. Het is het verhaal der inwijdingen, die in
+de vroegere kerk bekend waren onder den naam: "de mysteriën van Jezus."
+Aan de oningewijden werd het gegeven in den vorm van de geschiedenis van
+den Christus. Dit verhaal van de inwijding der menschelijke ziel werd
+samengeweven met de geschiedenis van het leven van Jezus, en verloor
+zijn verheffende kracht omdat men het toepaste op het uitwendig leven
+van één mensch, in plaats van op het innerlijk leven van den geest. Maar
+bij de Christelijke mystieken is het verhaal in zijn innerlijke
+beteekenis bewaard gebleven. Wij vinden het terug in de overpeinzingen
+der heiligen, waar zij zich vereenigen met den Christus en zich één
+gevoelen met den Meester. Het gebed van Jezus dat zijn discipelen één
+mochten worden in hem en met hem één in den Vader, schijnt door de
+tegenwoordige Christenen vergeten te zijn.
+
+Het is een deel van de zending der Theosofie, aan het Christendom de
+mystiek terug te brengen welke het verloren heeft. Voor millioenen
+menschen in Europa is de Christelijke symboliek degene welke zij het
+gemakkelijkst kunnen begrijpen. Indien wij tot hen spreken van Manas,
+Buddhi en Âtmâ, begrijpen zij ons niet. Indien wij hun echter aantoonen,
+dat hun eigene woorden dezelfde beteekenis hebben, kunnen wij ons doel
+bereiken. Wanneer wij hun vertellen, dat zij Buddhi kunnen ontwikkelen,
+en dat Buddhi kan opgaan in Âtmâ, weten zij niet wat wij bedoelen. Maar
+wanneer wij hun leeren dat de Christus in hen kan worden geboren, en dat
+zij één kunnen worden in den Vader, zien zij onze bedoeling. Wij moeten
+de Christenen helpen te begrijpen: dat het verhaal van den Christus niet
+betrekking heeft op één enkel mensch, maar dat het de geschiedenis der
+ziel is, die zich tot volmaking ontwikkelt, dat ieder mensch een
+Christus moet worden, dat dit voor ieder mensch mogelijk is. Dat is
+juist de kracht van de geschiedenis van Jezus, bedoeld als een voorbeeld
+voor allen, en een groot deel der waarde van zijn leven gaat verloren,
+wanneer zijn geschiedenis wordt beschouwd als die van het uiterlijk
+leven van eenen Heiland, in plaats van als een beeld van het geestelijk
+leven.
+
+Nog één punt is er betreffende den geschiedkundigen Jezus, dat van groot
+belang is, namelijk dat hij nog leeft in een lichaam, als één van die
+groote Broederschap van Meesters waarvan de Theosofie ons leert. Hij
+vindt zijn bijzondere taak in de Christelijke kerk. Door die kerk kunnen
+nog heden de zielen hem als Meester bereiken; en zij die er toe zijn
+gekomen de Meesters te kennen, weten dat Jezus één van hen is, en dat
+hij nog thans door Christenen kan worden bereikt. Maar de voorwaarden
+hiervoor zijn nog steeds dezelfde als immer te voren. Zij zijn
+neergelegd in de woorden van Jezus in de Christelijke evangeliën,
+woorden die letterlijk moeten worden gevolgd, en niet weggeredeneerd.
+Thans, gelijk oudtijds, moet de mensch die het leven van den Christus
+wil vinden het lagere leven dooden. Thans, gelijk voorheen, moet hij
+alles opgeven, wat behoort tot het persoonlijk zelf. Nog heden, evenals
+vroeger, moet al zijn aandacht op geestelijke dingen zijn gericht en
+niet op aardsche. Wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, zal Jezus, de
+Meester, zich aan den leerling openbaren; maar zoolang zijne woorden
+worden weggeredeneerd ter wille van wereldsche begeerten, zoolang de
+mensch tracht twee meesters te dienen, in twee werelden te leven,
+zoolang zal hij Jezus, den Meester, niet vinden, zal hij het leven van
+den Christus niet bereiken.
+
+
+
+
+#Aanhangsel.#
+
+
+
+
+DE THEOSOFISCHE VEREENIGING.
+
+
+
+
+De Theosofische Vereeniging is een internationaal lichaam, den 17^{den}
+November 1875 te New-York gesticht.
+
+Haar doel is:
+
+_I. Het vormen van een kern van de algemeene broederschap der
+menschheid, zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. II. Het
+aanmoedigen van de vergelijkende studie van godsdienst, wijsbegeerte en
+wetenschap.
+
+III. Het naspeuren van onverklaarde natuurwetten en van de ongeopenbaar
+de krachten in den mensch._
+
+Van deze drie doeleinden is alleen het eerste bindend voor alle leden
+terwijl de twee andere tot hulp voor de bereiking van het eerste dienen.
+
+Het volbrengen van het tweede, dat het Oosten en het Westen aan elkander
+ontsluiert strekt om misverstanden voortspruitende uit verschil van ras
+en godsdienstvorm uit den weg te ruimen en stelt ten dienste van beiden
+de verborgen schatten van geestelijke kennis die beide bezitten. Ook het
+derde leidt tot broederschap daar het den mensch zich zelf en zijn
+omgeving leert kennen en hem ten slotte de geestelijke eenheid aantoont
+welke aan alle wezens ten grondslag ligt. Doch het nastreven van deze
+beide doeleinden vereischt bijzondere vermogens en bijzondere
+gelegenheden. Zij zijn daarom niet verplichtend voor alle leden doch
+worden naar vrije keuze nagestreefd door hen die zich daartoe
+aangetrokken gevoelen en die in staat zijn dat te doen. Daarom vindt
+iemand die hiervoor in het geheel geen belangstelling koestert, indien
+hij gelooft in menschelijke broederschap en willig is daarvoor te
+werken, een hartelijk welkom en een ruime plaats in de Theosofische
+Vereeniging.
+
+De leden der Vereeniging zijn meer verbonden door een ethischen dan door
+een verstandelijken band en hun eenheid berust op een verheven ideaal,
+niet op een omschreven geloof. De Vereeniging heeft geen
+geloofsstellingen, dringt aan op geen enkel geloof, schaart zich onder
+geen kerk, steunt geen partij, neemt geen deel aan de eindelooze
+kibbelarijen welke de maatschappij verdeelen en het nationaal,
+maatschappelijk en persoonlijk leven verbitteren. Zij tracht geen mensch
+van zijn eigen godsdienstvorm af te trekken, maar noopt hem integendeel
+in de diepten van zijn eigen godsdienst het geestelijk voedsel te zoeken
+dat hij noodig heeft. De uitkomsten der studie welke in het tweede
+doeleinde genoemd wordt biedt zij aan als voorwerpen van onderzoek, niet
+als geloofsstellingen waaraan blind geloof moet worden geslagen. Dat
+ieder eens anders godsdienstige gevoelens evenzeer eerbiedigen zal als
+hij dat voor de zijne verwacht wordt gerekend tot een eervolle
+verplichting in de Vereeniging, en volkomen wederkeerige hoffelijkheid
+hierover wordt van de leden verwacht. Dit alles leidt meer en meer tot
+samenwerking in het zoeken naar waarheid, tot verzachting van
+vooroordeelen, tot vrijmaking van den geest en tot groei eener
+welwillende vriendelijkheid en gewilligheid te leeren. Zoo is de
+Vereeniging een beschermende muur tegen den tweelingsvijand van den
+mensch: bijgeloof en materialisme, en behoort zij waar zij ook komt een
+zachten en louterenden invloed van vrede en goeden wil te verspreiden en
+zoodoende een van de krachten te zijn die het betere willen te midden
+van den strijd der tegenwoordige beschaving.
+
+
+
+
+LIDMAATSCHAP.
+
+
+Lidmaatschap kan worden verkregen op aanvrage aan den Algemeenen
+Secretaris eener Afdeeling of door middel van een der Loges of Centra
+der Vereeniging. Nadere inlichtingen hieromtrent worden op aanvrage
+gaarne verstrekt. Een exemplaar van de "Wet en Regels" der Theosofische
+Vereeniging en der Nederlandsche Afdeeling wordt, op verzoek aan den
+Algemeenen Secretaris, toegezonden.
+
+
+
+
+LIDMAATSCHAPSKOSTEN.
+
+
+De kosten van het lidmaatschap der Nederlandsche Afdeeling (insluitende
+het lidmaatschap der Theosofische Vereeniging) bedragen f 3.--per jaar
+en f 3.--intreegeld (éénmaal). Deze bedragen moeten bij de aanvrage tot
+lidmaatschap worden voldaan.
+
+In bijzondere gevallen kan ontheffing van geldelijke verplichtingen
+worden verleend.
+
+
+
+
+ADMINISTRATIEVE INDEELING.
+
+
+In verschillende landen voor zooverre die een voldoend aantal leden
+tellen zijn Afdeelingen der Vereeniging gevormd. Deze Afdeelingen worden
+vertegenwoordigd door een Algemeenen Secretaris. Iedere Afdeeling is
+onderverdeeld in Loges en Centra. De Nederlandsche Afdeeling telt zeven
+Loges en twee Centra.
+
+President der Vereeniging is Col. H. S. Olcott te Adyar, Madras,
+Engelsch-Indië.
+
+De Algemeene Secretarissen van de Afdeelingen der Vereeniging zijn:
+
+#Nederland#: W. B. Fricke, Amsterdam, 76, Amsteldijk.
+
+#Amerika#: Alexander Fullerton; New-York, 5, University Place.
+
+#Europa#: G. R. S. Mead, B. A.; London, N. W. 19, Avenue Road.
+#Indië#: Bertram Keightley, M. A.; Upendranath Basu, M. A., LL. B.,
+Benares.
+
+#Australië#: J. Scott, M. A.; Sydney, N. S. W., 42, Margaret
+Street.
+
+#Scandinavië#: A. Zettersten, Stockholm, 30, Nybrogatan.
+
+#Nieuw-Zeeland#: Dr. C. W. Sanders; Auckland, Mutual Life
+Buildings, Lower Queen Street.
+
+
+
+
+LIJST VAN LOGES EN CENTRA DER NEDERLANDSCHE AFDEELING.
+
+
+-----------------------------------------------------------------------------
+PLAATS. VOORZITTER. SECRETARIS.
+-----------------------------------------------------------------------------
+AMSTERDAM. W. B. Fricke, Amsteldijk 76. H. Wierts van Coehoorn,
+ Amsteld. 76
+*Amsterd. Loge. K.P.C. de Baxel, Nic. Mej. Cato E. Gruntke,
+ Beetsstr. 118. Overtoom 206
+*Vâhana Loge. J. W. Boissevain, J. J. Hallo Jr.,
+ Tesselschadestraat 4. Schotersingel 69, Haarlem.
+StudentenCentrum.
+*GOUDA (Centrum). H. Reijnders, Lange
+ Groenendaal 99.
+*'s GRAVENHAGE. E.J.B. van der Beek, Mej. C.J. de Prez,
+ Wilhelminastr. 35 Wilhelminastr. 35
+
+*HAARLEM. Johan van Manen. J. J. Hallo Jr.,
+ Schotersingel 69
+*HELDER. T. van Zuylen, Spoorstraat S. Gazan, Kanaalweg 121
+ 138.
+ROTTERDAM. H. W. Hagenberg, Noordsingel J. A. Terwiel, 2e
+ 140. Crooswijksche Dwarsstraat 6.
+VLAARDINGEN. D. de Lange Dz., Oosthavenkade.
+------------------------------------------------------------------------------
+
+
+* De met een sterretje geteekende Loges bezitten boekerijen.
+
+
+
+
+BOEKEN OVER THEOSOFIE.
+
+
+Daar de Theosofische Vereeniging gesticht is in Engelsch sprekende
+landen en zich voornamelijk daar heeft verbreid gedurende de eerste 20
+jaren van haar bestaan zijn de meeste en beste boeken over Theosofie in
+het Engelsen geschreven. Deze, meest uitgegeven door de "_Theosophical
+Publishing Society_" te Londen, zijn alle te verkrijgen van haren
+uitsluitenden vertegenwoordiger voor Nederland, de "_Theosofische
+Uitgeversmaatschappij_" (Afdeeling Boekhandel), Amsterdam, Amsteldijk
+76. Uitgebreide catalogi worden op aanvrage toegezonden.
+
+In het Nederlandsch zijn door de "Theosofische Uitgeversmaatschappij" de
+volgende werkjes uitgegeven welke tegen overmaking van den bijvermelden
+prijs van haar verkrijgbaar zijn.
+
+
+THEOSOPHIA Maandblad, Prijs per jaargang f 2,50
+ Vorige jaargangen zijn in beperkt
+ aantal nog verkrijgbaar tegen
+ f2.50 per jaargang.
+ Kaarten van Atlantis behoorende
+ bij den 6en Jaargang
+ van "Theosophia", per stel
+ (vier stuks) - 1.50
+A. BESANT Kort begrip der Theosofie - 0.15
+H. SNOWDEN WARD Karma en Reïncarnatie - 0.10
+MULTASPERO Eerste kennismaking met de
+ Theosofie - 0.25
+AFRA Eenvoudige schets der Theosofie - 0.25
+A. BESANT De evolutie der ziel, het doel
+ van 't leven - 0.10
+A. BESANT Yoga voor den mensch in de
+ maatschappij - 0.10
+A. BESANT Vier voordrachten over Theosofie,
+ gebonden - 0.60
+A. BESANT Levenstoestanden na den dood - 0.20
+A. BESANT De Zeven Beginselen van den
+ mensch, gebonden - 0.60
+JOHAN VAN MANEN Korte levensschets van Annie
+ Besant - 0.10
+
+
+Vele vertalingen van belangrijke Theosofische werken zijn in
+voorbereiding, terwijl in den loop van het jaar nog verscheidene
+kleinere en grootere werken zullen verschijnen.
+
+
+
+
+FOTOGRAFIEËN.
+
+
+"H. P. B.", Kabinetformaat f 1.--
+ANNIE BESANT, Salonformaat (18 X 24) - 3.--
+ " " Kabinetformaat - 1.--
+
+Bestellingen en betalingen te richten aan de "_Theosofische
+Uitgeversmaatschappij_", Amsteldijk 76, Amsterdam.
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12756 ***
diff --git a/12756-h/12756-h.htm b/12756-h/12756-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..79f3912
--- /dev/null
+++ b/12756-h/12756-h.htm
@@ -0,0 +1,3097 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content=
+ "text/html; charset=UTF-8">
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Vier Voordrachten, by AUTHOR.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+ <!--
+ P { text-indent: 1em;
+ margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em; }
+ H1,H2,H3,H4,H5,H6 { text-align: center; }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;}
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;}
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* block indent */
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; right: 100%; font-size: 8pt;} /* page numbers */
+ // -->
+ </style>
+ </head>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12756 ***</div>
+
+ <!-- Page 1 -->
+<h1><!-- Page 2 -->
+<!-- Page 3 -->VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE</h1>
+
+<p><h2><i>DOOR ANNIE BESANT </i></h2><p></p>
+
+<br>
+
+<p><h3>GEHOUDEN IN VERSCHILLENDE PLAATSEN
+VAN NEDERLAND IN JANUARI 1898</h3><p></p>
+<br>
+
+<center> <img src="images/anniebesant1.png" alt="Satyan Na'stie Paro Dharmah" width="150" align="middle"> </center>
+<br>
+
+<p><h4><i>Gebaseerd op de uitgave gepubliceerd in Amsterdam, 1898. </i></h4><p></p>
+
+
+<!-- Page 4 -->
+<hr style="width: 65%;">
+<h2>INHOUD.</h2>
+
+<!-- Page 5 -->
+<br>
+
+<p> <a href="#De_Theosofie_en_haar_leeringen">1. De Leeringen der Theosofie beschouwd
+uit een geschiedkundig oogpunt </a></p>
+
+<p> <a href="#Theosofie_en_haar_leeringen"> 2. De Leeringen der Theosofie beschouwd
+uit een wetenschappelijk oogpunt </a></p>
+
+<p> <a href="#Esoterisch_Christendom"> 3. Esoterisch Christendom </a></p>
+
+<p> <a href="#Het_verhaal_van_den_Christus">4. Het verhaal van den Christus </a></p>
+
+<p> <a href="#Aanhangsel">5. Aanhangsel. Inlichtingen over de
+Theosofische Vereeniging </a> </p>
+
+
+<!-- Page 6 -->
+<hr style="width: 65%;">
+<h2>VOORWOORD.</h2><!-- Page 7 -->
+<br>
+
+<p>De vier voordrachten over Theosofie welke
+hierbij het Nederlandsch publiek worden aangeboden
+zijn door Mevrouw Annie Besant, L.T.V., in verschillende
+steden van ons land gehouden in den
+loop van de maand Januari, 1898.</p>
+
+<p>Een vijfde voordracht is, daar zij niet aansluit
+bij het aaneengeschakeld geheel van de vier in dit
+boekje vervatte, afzonderlijk uitgegeven onder den
+titel: Levenstoestanden na den dood.</p>
+
+<p>In snelschrift opgeteekend is het gesprokene
+woordelijk weergegeven; slechts in de voordracht
+over Esoterisch Christendom zijn enkele toespelingen
+op Bijbelplaatsen uitgelaten waar die alleen van
+toepassing waren op de Engelsche vertaling van den
+Bijbel (Mevrouw Besant sprak in het Engelsch) en
+niet op de van deze afwijkende Nederlandsche; die
+uitlatingen zijn alle van ondergeschikt belang.</p>
+
+<p>Aangehaalde werken of Bijbelplaatsen zijn in
+een noot aan den voet van de bladzijde aangeduid.</p>
+
+<p>Waar &quot;goddelijk weten&quot; staat werd door de
+spreekster &quot;divine wisdom&quot; gezegd.</p>
+
+<p>De voordracht &quot;Het verhaal van den Christus&quot;
+werd gericht tot een uitsluitend uit leden der Theosofische
+Vereeniging bestaand gehoor. De vragen
+naar aanleiding van deze voordracht gedaan worden
+met de daarop door Mevrouw Besant gegeven antwoorden
+opgenomen in het Maandblad &quot;Theosophia&quot;.</p>
+
+<p>Enkele beknopte inlichtingen aangaande de Theosofische
+Vereeniging zijn ter wille van belangstellenden
+in een Aanhangsel aan dit werkje toegevoegd.</p>
+
+<p>J.J. HALLO JR.</p>
+
+<p>HAARLEM, l Maart 1898.</p>
+
+<hr style="width: 65%;">
+
+<center> <img src="images/anniebesant2.png" alt="Annie Besant. Lichtdruk van H. Kleinmann en Co., Haarlem"> </center> <!-- Page 8 -->
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="De_Theosofie_en_haar_leeringen"></a><h2><b>De Theosofie en haar leeringen.</b></h2><!-- Page 9 -->
+<br>
+
+<p><h4>I</h4><p></p>
+<br>
+
+<p>Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond
+te overwinnen hebben: een vreemde taal is tusschen
+ons en zelfs voor hen die de taal kennen, waarin ik
+spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen.
+Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de
+taal is voor een spreker het instrument, dat hij bespeelt.
+Door de taal bereikt hij de harten en hoofden
+zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon
+voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt
+en vermindert de mogelijkheid dat hij de gedachten
+en gevoelens zijner hoorders bereikt. Toch
+moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen
+wat wij kunnen, en terwijl ik spreek zoo helder en
+eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe aandacht leent
+zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen
+en het onderwerp begrijpelijk te maken.</p>
+
+<p>Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare
+leeringen, en daar ik morgen te Haarlem over het
+zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het in twee
+deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke
+voordracht volledig zal maken. Ik zal hedenavond
+<!-- Page 10 -->en morgen een verschillenden gedachtegang volgen,
+voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten
+mochten willen hooren.</p>
+
+<p>Diegenen onder u, die gedurende de laatste
+twintig jaren den ontwikkelingsgang van het denken
+in Europa hebben gevolgd, weten dat er &eacute;&eacute;n bijzondere
+richting van studie is, welke veel wordt gebruikt
+als een wapen tegen den godsdienst: de studie
+van Oostersche talen en Oostersche godsdiensten.
+De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's, der
+oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit
+de verschillende landen van Europa en bij het onderzoeken
+dezer godsdiensten hebben zij gezien hoeveel
+die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt,
+toen zij de verschillende Schriften der Chineezen,
+der Perzen, der Egyptenaren ter hand namen, dat
+deze alle dezelfde leering gaven: zij spreken omtrent
+God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van
+God als &Eacute;&eacute;n, het &Eacute;ne Bestaan, zij spreken van God
+als immer geopenbaard in drie&euml;enheid, in drievoudig
+aanzicht, terwijl iedere persoon in die drie&euml;enheid
+zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al
+deze Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den
+mensch en zijnen aard; zij leeren dat de ziel des
+menschen onsterfelijk is, dat zijn aard samengesteld
+is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden
+begrepen; men zag dat in al deze Schriften der
+menschen ontwikkeling wordt geleerd, de ontwikkeling
+der ziel, welke de openbaring van den geest is in
+den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren
+dat enkele menschen hunne ontwikkeling hebbon
+voleindigd, hunnen groei als geestelijke wezens heb<!-- Page 11 -->ben
+voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch,
+goddelijk in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens
+van hoofd en van hart; en in al deze Schriften
+vond men geleeraard dat de menschen van heden
+kunnen groeien, gelijk die menschen uit het verleden
+zijn gegroeid, dat zij ook volmaakt kunnen worden
+en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen,
+stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe
+onontwikkeld ook, kan ontwikkelen tot den volmaakten,
+goddelijken mensch. Al deze dingen worden geleerd
+in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen
+deze vertaald waren in verschillende Europeesche
+talen, begreep men dat de wereld-godsdiensten veel
+gemeen hebben en dat de meeste leerstellingen van
+een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden
+worden in het Hindoe&iuml;sme, het Boeddhisme, de
+leeringen van Confucius en Lao-tse. Zij hebben
+alle zooveel gemeen, dat wij niet &eacute;&eacute;n godsdienst
+van de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking
+door de geleerden werd gedaan, toen deze
+boeken waren vertaald in verschillende talen en de
+menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken,
+was het eerste besluit, waartoe velen kwamen, dat
+alle godsdiensten als zij in den grond hetzelfde
+waren, &eacute;&eacute;n oorsprong moesten hebben, en dat zij
+geen goddelijke openbaring konden zijn, maar dat
+een andere bron moest worden gevonden, waaruit
+de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele
+geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind
+waren, trachtten hunne ontdekkingen te gebruiken
+om allen godsdienst te vernietigen en zeiden: Zij zijn
+alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid,
+<!-- Page 12 -->uit de wijze waarop de mensen de natuur beschouwt:
+hij heeft de natuur verpersoonlijkt en er wezens in
+gezien; en daar die wezens machtiger waren dan hij,
+aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken
+dikwijls vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen
+kon, hoewel zijn leven en gemak van hem afhing,
+daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij
+zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien,
+moest de mensch in zijn onwetendheid denken dat
+al deze dingen goddelijke krachten, goden waren;
+en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen,
+die zij konden geven. En die geleerden zeiden dat
+z&oacute;&oacute; alle godsdienst was opgegroeid, dat hij steeds
+zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of animisme,
+en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had
+dan de menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond
+tegen de waarde van den godsdienst heeft
+veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op
+feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde
+leeren, dat zij alle dezelfde denkbeelden verkondigen,
+het was waar dat de groote leeraars allen hetzelfde
+zeiden, de een na den ander. De feiten, welke die
+geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen
+waren verkeerd. In het eerst begrepen
+de menschen het onderscheid niet tusschen deze beide
+dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden
+worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst.</p>
+
+<p>Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid
+der verschillende godsdiensten van een ander
+standpunt en zeide: ja, het is waar dat de leerstellingen
+van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een
+feit dat door niemand, die de geschiedenis heeft
+<!-- Page 13 -->bestudeerd, kan worden ontkend. Wij zullen als
+voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen
+nemen, het &quot;Klassieke Boek van de Reinheid,&quot;
+[Footnote: Ook in het Nederlandsch vertaald, in het Maandblad
+&quot;Theosophia&quot;. Deel 5 (1897) blz. 206.]
+een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol
+wijsheid, vol diepe geestelijke leering, dat ons verklaart
+hoe God zich in den mensch geopenbaard
+heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als
+die van God, hoe des menschen geest dezelfde is
+als de goddelijke geest, hoe echter het menschelijk
+verstand troebel is door begeerten, die tusschen zijn
+verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest
+in hem staan, hoe de hartstochten van zijn lichaam
+zijn vooruitgang tegenhouden, en hoe slechts wanneer
+zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn gekomen,
+de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen
+in den mensch. De leeringen van dit kleine
+Chineesche boekje, een der oudste geschriften die
+wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als
+het beste wat wij bezitten.</p>
+
+<p>Van de Chineezen overgaande tot de Indi&euml;rs
+vinden wij bij hen dezelfde leeringen en wanneer
+wij in Egypte de mummies opgraven en de banden
+loswikkelen waarin zij 10 &agrave; 20.000 jaar geleden
+werden gehuld, vinden wij geschriften die ons de
+bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte dezelfde
+leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid
+van de menschelijke ziel, omtrent de wijze
+waarop zij gaat door leven na leven, omtrent de
+lagere wereld waarin zij komt na den dood van het
+lichaam en de hemel-wereld waarin zij vertoeft na
+<!-- Page 14 -->gezuiverd te zijn op lagere gebieden, omtrent haren
+daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar zij
+wederom wijsheid opdoet door ondervinding.</p>
+
+<p>Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden
+wij dezelfde leeringen, steeds weer door de groote
+leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft slechts &eacute;&eacute;n
+oorsprong, slechts &eacute;&eacute;ne bron, en die bron is het
+goddelijk weten; niet de menschelijke onwetendheid,
+zooals vele geleerden dachten maar het goddelijk
+weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren,
+en dat steeds door volmaakte menschen van God
+tot de menschheid gebracht is. Dit goddelijk weten
+bevat in zich de kennis van al wat is, en een gedeelte
+ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid
+geschonken. De hoeveelheid die gegeven wordt
+hangt af van de beschaving van het volk, hangt af
+van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen,
+hangt af van den aard dergenen die deze
+kennis bezitten en van de kracht van hun pogen.
+In overeenstemming met al deze dingen verschilt
+steeds de wijze, waarop dat weten gegeven wordt,
+maar in den grond is het toch altijd hetzelfde: altijd
+leert het &eacute;&eacute;n goddelijk Bestaan, dat zich openbaart
+als drie&euml;enheid, altijd leert het dat de mensch
+drievoudig is in zijn wezen gelijk God, en dat hij
+nog verder kan worden onderverdeeld, drievoudig
+in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne ontwikkeling;
+altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij
+niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt
+en groeit, leven na leven, en dat enkele menschen
+de volmaking bereikten en dan leeraars zijn geworden
+van het ras. Deze volmaakte menschen waren
+<!-- Page 15 -->eens gelijk aan ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt
+gelijk de mannen en vrouwen van thans,
+maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen
+en groeiden en werden sterk en bereikten eindelijk
+de volmaking, gelijk wij de volmaking kunnen bereiken.
+En toen zij volmaakt waren, begonnen zij
+hunnen medemenschen te leeren, en vormden een
+groote Broederschap van leeraars; en van tijd tot
+tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat aan
+ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat
+ieder ras, ieder volk een godsdienst zou ontvangen,
+geschikt om het te helpen en te leeren. En de reden
+waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat zij
+altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap
+heeft bestaan, langen, langen tijd reeds
+voordat de beschaving van Europa ontstond, voordat
+zelfs Indi&euml; zijn beschaving ontving. Daar, waar
+thans de wateren van den Atlantischen Oceaan zich
+vergaren, was eens een groot vastland, dat begon
+waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de
+plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland
+had zich een hooge beschaving ontwikkeld. Sporen
+van die beschaving worden nog gevonden in Mexico
+en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen
+zijn overblijfsels van zeer oude steden ontdekt en
+daar zijn hieroglyphen en beelden aangetroffen, gelijkende
+op die welke men in Egypte gevonden heeft,
+zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika
+aan den anderen kant hetzelfde schrift en beeldhouwwerk
+is ontdekt. Dit toont ons dat er tusschen
+deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een
+grooten oceaan, eens gemeenschap is geweest. In
+<!-- Page 16 -->Plato scholen, waar hetzelfde goddelijk weten werd
+geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid, zoodat
+de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden
+goddelijken grondslag. In Griekenland
+droegen deze leeringen het eerst den naam Theosofie,
+wat niets anders is dan het Grieksche woord
+voor goddelijk weten. De Grieken nu gaven dit
+weten niet slechts in den vorm van godsdienst, maar
+ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in
+vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indi&euml; en
+China, en de wijsbegeerte van Plato, zooals die op
+de scholen wordt onderwezen, berust op het goddelijk
+weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden
+en van den Logos, wanneer hij ons zegt
+dat de wereld in de gedachte van den Logos bestond,
+voordat zij zich voordeed als een stoffelijke
+verschijning, wanneer hij ons spreekt van denkbeelden
+die, bestaande in den goddelijken geest, &eacute;&eacute;n
+voor &eacute;&eacute;n worden uitgestort om de stoffelijke wereld
+op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk
+weten; en wanneer gij de leeringen van Pythagoras
+bestudeert en van hem leert dat de geheele wereld
+op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de
+geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren
+is samengesteld, dat alle steenen en kristallen
+en planten en dieren zijn gebouwd naar den grondslag
+van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat
+oude goddelijk weten, dat hij geleerd heeft in Indie,
+en dat hij naar Europa heeft overgebracht. Evenzoo
+is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert
+van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk
+weten, maar in den lateren tijd is de wiskunde
+<!-- Page 17 -->eng en bekrompen gemaakt en volstrekt niet begrepen
+in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het
+goddelijk aanzicht ervan is verdwenen en slechts de
+vorm, de gedaante wordt gegeven als de wiskunde,
+terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken onderwezen,
+een aanzicht van het goddelijk weten was;
+hun leerde hoe de wereld gemaakt is en hoe de
+gang is der ontwikkeling, hoe de mensch langzamerhand
+wordt opgebouwd, hoe steenen en planten
+en dieren zijn gemaakt naar getal en naar vorm;
+hun een begrip gaf van de ontwikkelingsgeschiedenis
+der wereld. In den laatsten tijd begint de wetenschap
+bij hare natuurstudie de wetten weer te
+ontdekken, die het goddelijk weten onder de Grieken
+en Indi&euml;rs leerde in wijsbegeerte en wetenschap.
+En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en
+plantkunde bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen
+de wet leeren van getal, van vorm en van
+trilling; dat alle dingen door trilling worden opgebouwd,
+dat alle krachten door trilling hun werking
+voortplanten, en dat het aantal dezer trillingen in
+de sekonde den aard der kracht en haar werking
+bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder
+geluid trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen
+vorm, dat iedere noot overeenstemt met
+een vorm en een kleur, en naarmate wij deze trillingen
+en vormen en kleuren doorgronden, beginnen
+wij een begrip te krijgen, hoe de natuur haar opbouwend
+werk verricht. Uitgaande van de stoffelijke
+wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te
+ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren
+geleden leerde, terwijl het uitging van de hoogere
+<!-- Page 18 -->wereld in plaats van uit de lagere, want het goddelijk
+weten daalt steeds van gedachte neder tot
+vorm, klimt niet op van vorm tot gedachte, terwijl
+de nieuwere wetenschap steeds begint met den
+uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de
+gedachte.</p>
+
+<p>Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen
+evengoed wijsbegeerte en wetenschap, als godsdienst.
+Het leerde den menschen niet slechts hoe de ziel
+kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden
+der wereld om hen heen, en de verborgenheden
+van het verstand, van de rede, van het begripsvermogen
+in den mensch.</p>
+
+<p>Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard,
+totdat vier of vijf eeuwen na Christus een groote
+verandering kwam in het Westen. Er ontstonden in
+de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij
+was die der ontwikkelde en wijze Christenen, die
+de oude leeringen hoog hielden en het goddelijk
+weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden,
+de groote menigte der onontwikkelden, die
+tot het Christendom waren aangetrokken door de
+zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid
+niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene,
+wat zij niet konden deelen, en haatten alle wijsheid,
+die zij niet konden begrijpen; en zij vormden eene
+groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis
+en wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat
+deze niets met godsdienst te maken hadden, dat zij
+niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts
+de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te
+begrijpen was, van belang was voor de menschelijke
+<!-- Page 19 -->ziel. En daar er toen evenals nu veel meer onwetenden
+waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund
+werden door den val van het Romeinsche
+rijk, door oorlogen en invallen, door de staatkundige
+moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid
+van de groote menigte der armen, wier lot schromelijk
+was verwaarloosd, spanden al deze dingen samen
+tegen de kennis en voor de onwetendheid, zoodat
+de kennis uit het Christendom verloren ging en
+slechts de zedelijke en geestelijke leering bleef.
+Hiertoe werkte nog een andere oorzaak mede: in
+alle oude godsdiensten, en in het Christendom even
+goed als in alle andere, bestonden twee soorten van
+leeringen. De eene voor de groote menigte, eenvoudig
+en helder, omvatte slechts de zedelijke voorschriften,
+welke den menschen leerden een goed
+leven te leiden, een zeer eenvoudig verstandelijk
+onderricht, juist genoeg om de zeer onontwikkelden
+voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der
+broederschap en die der wedergeboorte, en de wet
+welke zegt dat des menschen daden hem zijn geluk
+of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de wet
+van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen
+zouden inzien, dat een goed leven, hier op aarde
+geleid, hun geluk zou brengen na den dood en een
+beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn
+weergekeerd. Deze dingen werden aan allen geleerd;
+maar meerdere kennis werd toevertrouwd aan hen,
+wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van
+de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk
+aan de wet van Christus gehoorzaamden, en die
+in hun uiterlijk leven een hoogen graad van rein<!-- Page 20 -->heid
+hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat
+wij de mysteri&euml;n van Jezus noemen en kregen daar
+de innerlijke leering, welke slechts zij die een rein
+leven leidden, konden deelachtig worden. Deze
+innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit
+dezen kring kwamen de leeraars en bisschoppen en
+de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de menschen,
+die het Christendom prediken mochten, zoodat de
+kerk een groep van wijze menschen bezat, onderricht
+in diepere kennis, en door die kennis in staat
+om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die
+hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen.
+Want dit geheime onderricht was steeds praktisch.
+Het leerde den menschen hoe zij hun bewustzijn
+konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand
+bewust konden worden op hoogere gebieden
+van bestaan, hoe het leven der ziel kan
+worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het
+lichaam kan verlaten en in aanraking komen met de
+onzichtbare wereld. Het leerde hoe de ziel, na het
+lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen
+en kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld,
+hoe de ziel leering kan ontvangen van de engelen
+en geestelijke verstandswezens en zoo kennis verkrijgen
+die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen,
+hoe de ziel, van het lichaam bevrijd, de
+toestanden kan onderzoeken van het leven na den
+dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde,
+verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in
+plaats van uit den mond van andere menschen: in
+deze scholen verkregen de onderzoekers eerste-hands
+kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden
+<!-- Page 21 -->den aard van den mensen begrijpen door eigen
+onderzoek, in plaats van af te hangen van de mededeelingen
+van anderen. Daardoor waren zij veel
+beter in staat onderricht te geven, dan zij die hun
+kennis slechts uit boeken hadden verkregen.</p>
+
+<p>Het gevolg van het bestaan van deze scholen
+in de kerk was dus dat er vele menschen waren die
+deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden,
+zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom.
+In de vijfde eeuw echter verdwenen deze
+scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit gebrek
+aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een
+fout die door vele menschen wordt begaan, is dat
+zij denken dat de leeraars de kennis terughouden.
+In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de
+kennis niet willen mededeelen, maar de leerlingen,
+die ze niet willen leeren, leeren op de eenige wijze
+waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze scholen
+van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen,
+want er waren niet genoeg menschen die het leven
+wilden leiden dat vereischt wordt voor leerlingen van
+het Occultisme; zij wilden dit leven niet leiden, maar
+slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden,
+en toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed
+waren. Zoo verdween langzamerhand de innerlijke
+school en slechts een zwakke overlevering van
+haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters
+der Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan
+verscheen in de middeleeuwen nog een heilige die
+door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij
+iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen
+van deze heiligen vinden wij in de geschiedenis der
+<!-- Page 22 -->kerk vermeld; waarlijk groote, hoog-ontwikkelde
+zielen, die <i>wisten</i> omtrent de onzichtbare wereld, en
+op de oude wijze onderricht geven konden, omdat
+zij wisten en kenden. Nu en dan zien wij een van
+hen verschijnen, doch hun aantal is gering: St. Elisabeth
+van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas
+&agrave; Kempis, de geleerde Thomas Aqumo, deze
+allen zijn de groote leeraars der kerk gedurende de
+middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk
+weten, dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd.
+Dan waren er nog andere menschen die een deel
+van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de Christelijke
+kerk hadden verkregen. Sommigen van hen
+kwamen uit het Oosten en anderen reisden als jonge
+menschen daarheen, en kwamen met de verkregen
+kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten
+behoorde Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen
+genomen en naar het Oosten gevoerd. Daar
+leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid
+en bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij
+de grondlegger werd van de nieuwere geneeskunde
+en scheikunde, waar hij leering bracht over de elementen
+der scheikunde en over het magnetisme, die
+v&oacute;&oacute;r hem aan niemand bekend was geweest, en waar
+hij zieken genas, die geen ander genezen kon. Hij
+bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van
+deze menschen was Christian Rosenkreuz, die in de
+vijftiende eeuw leefde. In zijn jeugd reisde hij naar
+het Oosten en ontmoette daar een der groote leeraars,
+die hem iets mededeelde van het oude geheime
+weten, om dit terug te brengen aan de Christelijke
+kerk en om deze te ontwikkelen tot een meer geeste<!-- Page 23 -->lijk
+lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen
+en leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte
+de orde der Rozenkruisers. Zijn werk was een der
+pogingen om het oude weten in de westersche wereld
+terug te brengen. Een andere poging was die der
+alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat
+oude weten. Zij wisten dat er slechts &eacute;&eacute;n grondstof
+in de natuur bestaat en dat alle dingen uit die
+&eacute;&eacute;ne grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de
+scheikunde een wetenschap is, die de eigenschappen
+van die &eacute;&eacute;ne grondstof in al hare wijzigingen onderzoeken
+kan, en zij bestudeerden die wetenschap in
+het licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen
+vervolgden hen en lachten hen uit en noemden hen
+oplichters en kwakzalvers en bedriegers, doch in den
+tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde
+tot de ontdekking te komen van wat hun in de
+middeleeuwen bekend was. Tegenwoordig begint de
+scheikunde enkele der waarheden in te zien, die
+door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen
+hen nog uitlachte, toan niemand hen geloofde.
+Heden begint men te begrijpen dat er slechts &eacute;&eacute;ne
+grondstof is, en dat alle dingen van die &eacute;&eacute;ne grondstof
+gemaakt zijn en men begint zelfs weer te spreken
+van de mogelijkheid goud te maken uit zilver en zoo
+in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te doen,
+waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen
+en vervolgd,&mdash;nu drie of vierhonderd jaar geleden.</p>
+
+<p>Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult
+gij begrijpen dat de Theosofie in den eenen of
+anderen vorm steeds in de wereld is blijven bestaan
+als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap.</p>
+
+<p><!-- Page 24 -->Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke
+de behoeften van den tijd en de omstandigheden
+van het volk, waaraan de leeraar gezonden werd,
+medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen
+zij weer het oude weten aan de wereld leeraarde
+niets nieuws gaf. Het was slechts een nieuwe vorm,
+een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde
+wat er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst,
+wijsbegeerte en wetenschap. Toen zij begon
+hare leering te geven, gaf zij eerst den wijsgeerigen
+kant, leerde zij iets van den aard van het verstand,
+van de rede, en van den aard van den mensch en
+van het goddelijk Bestaan, de werkelijke wijsbegeerte
+die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna ging
+zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen
+God en den mensch, hoe de mensch een uitstorting
+is van God, een deel van het goddelijk
+leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen
+kan, hoe de menschelijke ziel zich kan
+ontplooien; en zij leerde weer wat vroeger in de
+Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het
+lichaam verlaten kan en in aanraking komen met
+groote geestelijke verstandswezens en met de Meesters,
+hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan en kennis opdoen
+uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan
+komen tot weten in plaats van gelooven. Toen zij
+dit alles leerde, gaf zij ons slechts weer wat reeds
+zoo dikwijls geleerd was in de groote godsdiensten
+van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken
+kant en leerde ons meer dan de mannen van
+de wetenschap van dien tijd wisten, en zeide zij ons
+welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen weinige
+<!-- Page 25 -->jaren zouden worden gedaan; en vele van deze
+ontdekkingen zijn inderdaad gedaan sedert haren
+dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de &eacute;&eacute;ne
+grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar
+uiterlijke verschijningsvormen heeft. In haar werk
+&quot;De geheime Leer&quot; sprak zij van een eigenschap
+der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke
+zij doordringbaarheid noemde, en welke in verband
+staat met helderziendheid. Vijf jaar na haren dood
+ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn, trillingen
+in de stof, welke in verband staan met helderziendheid
+en welke de mcnschen in staat stellen te zien
+wat de helderziende kan zien zonder werktuigen en
+hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde R&ouml;ntgen-stralen,
+waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een
+been, als zij willen onderzoeken of het beschadigd is,
+kunnen fotografeeren ofschoon het voor het gewone
+oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is
+ook mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen.
+De mensch kan in zichzelf het vermogen
+ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen
+van R&ouml;ntgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk
+lichaam te zien zonder hulp van eenig
+werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande
+de kennis van straling, van geluid en kleur leerde
+zij ons. Zij heeft ons bewezen dat de oude wijsheid
+beter licht kan werpen op de waarheden der
+nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf
+kan doen, en dat deze laatste eerst langzamerhand
+datgene ontdekt wat door ben die het oude weten
+bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen
+die zich het ontvangen van dit onderricht waardig
+<!-- Page 26 -->betoonden. Zoo bracht H.P. Blavatsky ons dit
+weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten
+had, en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten
+verder moesten verspreiden, niet als iets nieuws maar
+als iets ouds, niet als een nieuwe ontdekking maar
+als overoud weten, door de menschen vergeten, en
+thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate
+wij zelven leerden, onderrichtten wij op onze
+beurt anderen, en wij bevonden dat dit goddelijk
+weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke
+de mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte
+en wetenschap. Wij bevonden dat wij zonder de
+werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap hare
+feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van
+de vermogens der ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld
+dat vele scheikundige waarheden door de goddelijke
+krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden
+verkregen dan door reagenti&euml;n en proefnemingen
+van allerlei aard. Wij bevonden dat de mensch in
+zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken
+en dat hij veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen
+zijner innerlijke krachten dan door het
+gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap.
+Maar tevens weten wij dit: de vermogens der menschelijke
+ziel zijn niet bestemd tot het doen van
+ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke
+beroemd te maken en rijk. Zal de kracht
+der menschelijke ziel worden gebruikt tot het doen
+van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden
+gebruikt voor het welzijn der menschheid, en niet ten
+voordeele van den &eacute;&eacute;nen persoon, die de ontdekking
+doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp van deze
+<!-- Page 27 -->krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid
+kan helpen, indien het ras er rijp voor is, aan allen
+gelijkelijk. Is het ras er nog niet rijp voor, dan
+behoort zij toe aan allen, die haar kunnen bevatten,
+niet aan den &eacute;&eacute;nen mensch, die haar gemaakt heeft.
+Deze is slechts een pandhouder van de eigendommen
+der menschheid. Naarmate de Occultist zich ontwikkelt
+en meer leert en begrijpt wordt hij meer en
+meer een dienaar der menschheid in plaats van
+haar meester. Alle kracht welke hij verkrijgt wordt
+gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis welke
+hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner
+medemenschen te verminderen en den gang der
+menschelijke ontwikkeling te versnellen. Wanneer
+de menschen tot ons komen om met ons te studeeren,
+eerst de uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan
+zeggen wij hun steeds: Gij moet de broederschap
+der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij
+een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen
+belangen hebt buiten die van dat huisgezin, dat gij
+geen bezittingen hebt buiten die van dat huisgezin,
+dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die
+niet tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en
+wanneer gij wat ouder zult zijn en iets meer zult
+hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is
+dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren
+tot sneller ontwikkeling, opdat zij sneller
+mogen worden bevrijd van de ellenden der aarde
+en spoediger dan anders den vrede en het geluk
+mogen bereiken. Naarmate iemand werkelijk
+Theosoof wordt, moet hij meer en meer onzelfzuchtig
+worden; hoe meer hij leert, des te meer moet
+<!-- Page 28 -->hij anderen dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des
+te grooter verantwoordelijkheid rust op hem om de
+lasten zijner medemenschen te verlichten. Het Occultisme
+brengt juist het tegengestelde van wat de
+wereld welslagen noemt. De wereld kent h&egrave;m welslagen
+toe, die rijkdom en welvaart verwerft voor
+zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen en
+zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene.
+Hij die slaagt in het verkrijgen van goddelijke wijsheid
+en kennis en kracht, bezit deze slechts in de
+mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner medemenschen.
+Hij gebruikt ze nooit om over anderen te
+heerschen, nooit om iets te verwerven voor zichzelf, nooit
+om zichzelf te verrijken ten koste van een ander, en
+gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe
+meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren,
+hoe meer hij begrijpt des te meer moet hij deelen
+met anderen, hoe sterker hij wordt des te grooter
+aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want
+de kracht van het Occultisme, van het goddelijk
+weten kan nooit dienen om den bezitter te doen
+uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om
+hen op te heffen tot eigene hoogte, slechts om
+hen te doen deelen in eigene kracht. Dat is het
+kernverschil tusschen de kennis der wereld en die
+van het goddelijk weten. De eerste maakt den mensch
+tot heerscher, de andere tot dienaar. Daarom zeide
+Jezus: &quot;Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de
+laatste van allen zijn, en aller dienaar.&quot;
+[Footnote: Marcus 9, 35.] Waarlijk
+groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid
+gegeven hebben.</p>
+
+<p><!-- Page 29 -->Het voorgaande is een schets van de geschiedenis
+der Theosofie in het verleden, van de geschiedenis
+van het goddelijk weten in godsdienst, wijsbegeerte
+en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid
+steeds trachtte der wereld leering te schenken,
+en hoe zij twee vormen van onderwijs deed ontstaan:
+het openbare voor allen, het bijzondere voor hen
+die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van
+den vooruitgang van het ras.</p>
+
+<p>Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk.
+In de uiterlijke Theosofische Vereeniging komen de
+menschen om de wetten, volgens welke de menschheid
+zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij
+deze wetten hebben geleerd en trachten hun leven
+voor anderen nuttig te maken, komt het innerlijk
+onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet
+gegeven kan worden. Deze twee vormen bestaan
+nog heden als in het verleden, en de Theosofische
+Vereeniging is een vereeniging van onderzoekers, waartoe
+een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte
+en wetenschap wil bestudeeren in de richting
+van het goddelijk weten en daarbinnen een groep
+van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de
+wereld hoog stelt en streven naar hooger ontwikkeling,
+teneinde helpers te worden voor de menschen
+rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens
+hunner ziel te ontplooien. Dat is ons werk, onze
+plicht. Zij, die zich tot dit werk voelen aangetrokken,
+kunnen in de Loges onzer vereeniging komen om
+onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig
+toont, kan een leerling worden in den dieperen zin
+van het woord, om een medewerker te worden voor
+<!-- Page 30 -->den vooruitgang van het ras. Herinner u echter
+steeds dat het goddelijk weten niets anders heeft
+aan te bieden dan Zich en met zichzelf de kracht
+anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het
+biedt geen belooning in rijkdom, in gewone macht
+of kennis, maar dien innerlijken schat, die den mensch
+in staat stelt een zegen te worden voor zijn broeders,
+een mededrager van de lasten der wereld; en tot
+diegenen onder u wien het ernst is met dit streven,
+tot hen wendt zich de Theosofische Vereeniging en
+biedt hun het oud, goddelijk weten, waardoor zij
+helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel
+zenden de Meesters hun boden onder de menschen.
+Ieder, die ernstig wil, wordt de gelegenheid tot
+leeren gegeven.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="Theosofie_en_haar_leeringen"></a><h2><b><!-- Page 31 -->Theosofie en haar leeringen.</b></h2>
+<br>
+
+<p><h4>II.</h4><p></p>
+<br>
+
+<p>Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over
+de Theosofie en haar leeringen, heb ik voor zoover
+dat in een korte voordracht mogelijk was, de geschiedenis
+der Theosofie geschetst. Ik heb haar
+verband met de groote godsdiensten der wereld aangeduid,
+hare verspreiding door de verschillende landen
+beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage
+de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar
+openlijken als in haar innerlijken vorm. Ik stel mij
+voor hedenavond het onderwerp van een anderen
+kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen
+zelve welke de Theosofie brengt, welke zij
+geeft om de menschheid te helpen, en ik zal u
+trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige
+toepassing vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk
+en geestelijk gebied, dat zij betrekking hebben op
+ieder deel van 's menschen samengestelden aard en
+hem een helder denkbeeld geven van de wereld
+waarin hij leeft, van den menschelijken samenstel en
+van de mogelijkheden, welke daarin verborgen liggen.</p>
+
+<p>V&oacute;&oacute;r alles dan begint het onderricht der Theo<!-- Page 32 -->sofie,
+het goddelijk weten, te spreken over het
+goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke betrekking
+van den mensch tot God. Het leert dat er &eacute;&eacute;n
+goddelijk Bestaan is, het Leven van al wat is; dat
+er slechts &eacute;&eacute;n goddelijk Leven is, &eacute;&eacute;n goddelijke
+werking, &eacute;&eacute;ne kracht, welke overal bestaat in het
+heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven
+van God zich bevindt, dat overal waar dieren voelen
+kunnen of menschen kunnen denken, het leven van
+God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en
+plantenrijk steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven
+alle dingen; in het geheele heelal is geen leven
+buiten het goddelijk Leven. Dit &eacute;&eacute;ne Bestaan ligt
+ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de
+Theosofie begint met het leeren van een grondeenheid,
+een wet van eenheid, van &eacute;&eacute;n-zijn alom;
+en deze eenheid spruit voort uit God, die de &eacute;&eacute;ne
+bron is van alle bewustzijn, waar ook dat bewustzijn
+worde gevonden. De ontwikkeling van het bewustzijn
+in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden
+hunnen oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend
+tot zelf-bewustzijn, komt voort uit &eacute;&eacute;n
+bron, &eacute;&eacute;n oorsprong. Alle bewustzijn is &eacute;&eacute;n, wij
+kunnen het &eacute;&eacute;ne niet scheiden van het andere, en
+de menschen van elkaar vervreemden alsof zij tegenover
+elkander stonden&mdash;zij komen allen van denzelfden
+stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde
+Leven, zij zijn allen een uitdrukking van hetzelfde
+goddelijk Bestaan. Deze eenheid van bewustzijn is
+&eacute;&eacute;ne uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht
+in het heelal.</p>
+
+<p>Maar niet alleen alle bewustzijn is &eacute;&eacute;n, ook alle
+<!-- Page 33 -->kracht is &eacute;&eacute;n, en hier stemt de wetenschap in met
+de Theosofie: er is slechts &eacute;&eacute;n groote werking in
+het heelal; alle vormen van werking en kracht welke
+wij waarnemen, zijn in den grond &eacute;&eacute;n. Zij kunnen
+in elkander omgezet worden; alle vormen van werking
+welke de wetenschap bestudeert, alle krachten welke
+wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of
+plantenrijk, hetzij bij dier of mensch, al deze krachten
+zijn &eacute;&eacute;n in hunnen aard. Slechts hun uitdrukking, hun
+wijze van openbaring is verschillend, bij nader onderzoek
+blijken zij allen &eacute;&eacute;n te zijn: &eacute;&eacute;ne kracht,
+juist zooals er &eacute;&eacute;n bewustzijn is.</p>
+
+<p>Een derde uitdrukking van de wet van eenheid
+is de eenheid van stof. Alle stof is &eacute;&eacute;n, hoe verschillend
+ook de vorm wezen mag welke zij aanneemt.
+Er is slechts &eacute;&eacute;n grondstof en alle scheikundige
+elementen zijn daaruit opgebouwd. Al wat
+wij om ons waarnemen: vaste lichamen, vloeistoffen,
+gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde,
+slechts verschillend in de rangschikking van zijn
+deelen. Wij vinden door de geheele wereld heen
+een eenheid, eenheid van bewustzijn en leven, eenheid
+van kracht, eenheid van stof, en deze drie
+eenheden zijn de uitdrukkingen van het goddelijk
+Bestaan, zij komen alle uit het &eacute;&eacute;ne Leven, het
+Leven van God.</p>
+
+<p>Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en
+van stof kunnen wij een gevolgtrekking maken. Daar
+er slechts &eacute;&eacute;n stof is, slechts &eacute;&eacute;n kracht, slechts &eacute;&eacute;n
+bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een
+broederschap; zij zijn allen gemaakt uit dezelfde
+bouwstoffen, zij zijn allen bezield door dezelfde
+<!-- Page 34 -->kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij
+zien dat het geheele heelal &eacute;&eacute;n groote broederschap
+vormt, waarin de verschillende schepselen in verschillende
+staten van ontwikkeling zijn, maar allen
+worden saamgebonden door de &eacute;&eacute;nheid van stof,
+van kracht, van bewustzijn. In deze alomtegenwoordige
+grond-eenheid wortelt het begrip &quot;broederschap&quot;,
+en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van
+hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander
+kunnen blijven staan. Er moet &eacute;&eacute;n gemeenschappelijk
+goed zijn voor ons allen, &eacute;&eacute;n gemeenschappelijke
+ontwikkeling waarin wij allen deelen, &eacute;&eacute;n gemeenschappelijk
+doel waarnaar wij allen streven, en alle
+gedachten van naijver of vijandschap, alle gedachten
+welke de menschen denken, alsof zij elkanders bestrijders
+zijn in plaats van elkanders helpers en
+broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande
+het wezen van God en van den mensen.
+De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt
+de broederschap tot een noodzakelijk feit in de
+natuur.</p>
+
+<p>Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder
+uitwerken, bevinden wij dat deze broederschap zich
+toont in alle betrekkingen, waarin wij tot elkander
+komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking
+de eenheid van stof heeft tot de broederschap der
+menschen. Onze lichamen zijn opgebouwd uit wat
+wij &quot;stof&quot; noemen, en wij weten, dat ons lichaam
+voortdurend zijn bouwstoffen hernieuwt, dat ons
+lichaam heden niet hetzelfde is, als het gisteren was
+of verleden week of de vorige maand, of als het
+morgen zijn zal of de volgende week of maand.</p>
+
+<p><!-- Page 35 -->Ons lichaam verandert voortdurend van bestanddeelen.
+Kleine deeltjes ervan, z&oacute;&oacute; klein dat zij
+onzichtbaar zijn voor het oog, komen en gaan ieder
+oogenblik. Wanneer wij ons lichaam zeer sterk vergroot
+zagen, zouden wij een stroom van deeltjes
+ervan zien uitgaan, en een stroom van deeltjes er
+heen zien komen, een stroom van komen en gaan,
+welke ons lichaam op ieder oogenblik van het leven
+verandert. Wanneer nu menschen elkaar ontmoeten,
+zooals wij hedenavond bijeen zijn gekomen, wisselen
+de deeltjes onzer lichamen onderling, deeltjes van
+uwe lichamen hechten zich vast aan het mijne,
+deeltjes van mijn lichaam gaan en worden opgenomen
+in dat van u, zoodat wij, wanneer wij de zaal verlaten,
+geen van allen hetzelfde zijn gebleven als toen
+wij binnenkwamen. Onze stoffelijke lichamen hebben
+een deel van de bouwstoffen waarvan zij gemaakt
+zijn, gewisseld. Ieder van u heeft iets aan zijn buren
+gegeven, ieder van u heeft iets van zijn buren ontvangen.
+Dit nu maakt dat er tusschen ons een zeer
+daadwerkelijke stoffelijke broederschap bestaat. Indien
+wij op deze wijze van deeltjes onzer lichamen
+wisselen, zijn wij broeders naar het lichaam, hetzij
+wij het willen of niet. Wij kunnen niet nalaten op
+elkander invloed te oefenen, hetzij ten goede of ten
+kwade. De gezonde persoon verspreidt zijn gezondheid,
+waar hij ook gaat, de zieke verspreidt zijne
+ziekte overal waar hij komt; deze wisseling, deze
+overgang legt tusschen ons allen een band, die maakt
+dat het lichamelijk welzijn onzer medemenschen
+van belang is voor ons allen.</p>
+
+<p>Nu bouwen wij ons lichaam op door voedsel,
+<!-- Page 36 -->drank, lucht en door het leven dat wij leiden. Indien
+gij in uw lichaam onrein voedsel brengt, onreinen
+drank, indien gij uw huis en uw kleeding
+niet rein houdt, trekt gij tot uw lichaam deeltjes,
+welke gij vergiftigt en vervolgens zendt gij die
+giftige deeltjes weer uit naar uwe medemenschen,
+zoodat een mensch die slechte, onreine dingen eet
+of drinkt, die ongezond is of onrein, op al zijne
+medemenschen een overeenkomstigen invloed uitoefent.
+Ieder mensch die alkohol, wijn of dergelijke
+giftige dranken gebruikt, beleedigt het lichaam van
+zijnen medemensen even goed als zijn eigen. Wij
+kunnen ons leven niet van dat van anderen scheiden,
+maar zijn genoodzaakt te leven als &eacute;&eacute;n groot huisgezin;
+al wat een van ons schaadt, schaadt daardoor
+het geheel. Wanneer wij dit inzien, kunnen wij niet
+langer onverschillig blijven voor de armoede en
+ellende om ons heen, want wij weten dat zoolang
+nog &eacute;&eacute;n mensch in de maatschappij arm is en ellendig
+en uitgehongerd, niemand volmaakt gezond en zuiver
+kan zijn en zijn lichaam bewaren kan in den best
+mogelijken staat. In ieder volk waarin men menschen
+vindt die lijden door armoede en ellende en stoffelijke
+ontaarding, moet elk lichaam zijn deel ontvangen
+van de ellende dier armen. De menschen zullen
+het misschien niet bemerken of begrijpen, maar hun
+lichaam is minder gezond wegens de ziekte, die
+rondwaart in de armere wijken der stad, onder de
+lichamen hunner armere medemenschen. Geen volk
+is zoo gezond als het zijn kan, zoolang &eacute;&eacute;n zijner
+kinderen ziek is, van geen land kunnen de bewoners
+volmaakte lichamen hebben, zoolang er nog &eacute;&eacute;n
+<!-- Page 37 -->honger lijdt. De stoffelijke ellende in de maatschappij
+is een zaak die allen ter harte moet gaan en niet
+slechts hun alleen die er onmiddellijk onder lijden.
+Wij zijn broeders naar het lichaam en genoodzaakt
+hun leed mede te dragen.</p>
+
+<p>De broederschap van lichaam is echter niet de
+eenige band tusschen ons. Er is een broederschap
+van aandoeningen en gevoelens even goed als van
+lichaam. Wij oefenen ook invloed op elkander uit
+door onze gevoelens. Al wat ik gevoel werkt ook
+op u in, al wat gij gevoelt, werkt op mij in. De
+geheele dampkring is vervuld van trillingen, gemaakt
+door de gevoelens en hartstochten der menschen.
+Ook op deze wijze oefenen wij zonder het te weten
+invloed op elkander uit en indien gij er op let,
+kunt gij het door eigen ondervinding waarnemen.
+Hebt gij nooit opgemerkt, hoe wanneer &eacute;&eacute;n persoon
+in een gezelschap slecht gehumeurd is, die stemming
+zich verspreidt over de anderen, hoe &eacute;&eacute;n knorrig
+persoon in huis iedereen min of meer wrevelig stemt?
+Hebt gij nooit waargenomen hoe wij in de nabijheid
+van sommigen een gevoel krijgen van vrede en rust,
+een gevoel alsof alles ons gemakkelijk zou vallen,
+terwijl anderen alleen door hun nabijheid ons knorrig
+maken en alles somber doen schijnen en zwaar?
+Het is de broederschap onzer aandoeningen, die op
+deze wijze voortdurend op ons inwerkt en de reden
+waarom dit mogelijk is ligt hierin, dat de mensch behalve
+het zichtbare lichaam nog een lichaam heeft van
+fijnere stof, welke wij astrale stof noemen en deze
+astrale stof, welke van een hoogeren graad van fijnheid
+is, trilt uiterst gemakkelijk en vlug. Door onze
+<!-- Page 38 -->gevoelens nu wekken wij trilling op, welke die
+astrale stof aandoet en welke andere menschen in
+hun astraal lichaam doet beantwoorden aan het gevoel
+dat in ons astraal lichaam die trilling veroorzaakt
+heeft. Ieder van u heeft in en om zijn stoffelijk
+lichaam een wolk of mist van deze fijne astrale stof,
+veel schitterender dan het stoffelijk lichaam zelf,
+juist alsof zich rondom u een wolk bevindt, waardoor
+kleurenspel van elektrisch licht zichtbaar is.
+Het astrale lichaam is helder en vol kleuren, kleuren
+als van den horizon bij den opgang of ondergang
+van den zon. Evenals gij dan in de lucht soms
+wolken zien kunt, welke door den zon worden gekleurd,
+zien de menschen, die meer dan het stoffelijke
+waarnemen kunnen, rondom ieder van u een gekleurde
+wolk, maar in plaats van door den zon,
+wordt die wolk gekleurd door uwe gevoelens, uw
+aandoeningen, uwe hartstochten, en zoodra een gevoel,
+eene aandoening in u opkomt, kleurt zich de
+wolk rondom u en trilt zij met groote snelheid, en
+deze trilling straalt van u uit en wekt in het
+astrale lichaam van anderen gelijke trillingen op,
+zoodat zij hetzelfde gevoelen als gij. Wij oefenen
+daardoor, wanneer wij in elkanders nabijheid vertoeven,
+invloed op elkaar uit door onze gevoelens
+even als door onze gezondheid of ziekte, en wij
+zijn evenzeer door een broederschap van gevoelens
+verbonden als door een broederschap van het stoffelijk
+lichaam, en die broederschap van gevoelens
+uit zich door middel van het astrale lichaam, het
+lichaam der aandoeningen dat steeds in beweging is,
+steeds in trilling en hoe sterker onze gevoelens zijn,
+<!-- Page 39 -->des te krachtiger oefenen wij er invloed door uit op
+anderen.</p>
+
+<p>Er is nog een derde wijze, waarop zich de
+broederschap openbaart en wel in ons denkvermogen.
+Wij leven evengoed in broederschap van gedachten
+als in gevoels-broederschap. Wanneer wij denken
+oefenen wij invloed uit op de gedachten der menschen
+om ons heen. Wanneer wij denken, zenden wij als
+het ware elektrische stroomen uit, die werken op het
+denken van anderen, en zij krijgen betere of slechtere
+gedachten al naar den aard onzer eigene gedachten.
+Terwijl ik tot u spreek, gebruik ik mijn stoffelijk
+lichaam, mijn stem, ook hoort gij mij met uw stoffelijk
+lichaam, met uw ooren, maar dit is niet het
+eenige, wat u en mij verbindt. Behalve mijn stem
+die gij hoort, gaan er van mij trillingen uit, gevoelstrillingen
+die u er toe nopen te luisteren en uwe
+aandacht te schenken. Deze trillingen worden soms
+magnetisch genoemd, en daar zij uit mijn astraal
+lichaam voortkomen, oefenen zij invloed uit op het
+uwe. Behalve deze wisselwerking tusschen onze
+stoffelijke en astrale lichamen is er nog wisselwerking
+van denkvermogen. Mijn denkvermogen zendt stroomen
+uit tot het uwe en vormt beelden welke gij met uw
+denkvermogen waarneemt, niet met uw stoffelijke
+oogen. Zoolang ik spreek, zend ik voortdurend die
+denk-beelden uit, zoodat de woorden gemakkelijker
+voor u zijn te begrijpen wegens den onmiddellijken
+invloed, dien ik uitoefen op uw denkvermogen. Deze
+inwerking der menschelijke gedachte op anderen
+vindt onophoudelijk plaats, en wanneer iemand invloed
+tracht uit te oefenen op een ander is die wer<!-- Page 40 -->king
+veel sterker dan wanneer hij als het ware slechts
+voor zich zelf denkt. Deze beelden welke ons denkvermogen
+vormt en welke de menschen waarnemen
+door het hunne, brengen het grootste deel onzer
+gedachten over aan anderen en stellen ons in staat
+elkander beter te kunnen begrijpen dan alleen door
+stoffelijke mededeeling mogelijk is. Deze invloed
+welken ons denkvermogen op anderen uitoefent bestaat
+steeds, niet alleen wanneer iemand tot anderen
+spreekt, maar ook in het gewone dagelijksch leven.
+Wanneer gij denkt, zijn alle menschen om u heen
+min of meer geneigd op dezelfde wijze te denken
+en hoe sterker uw denkkracht is, des te grooter
+invloed oefent gij op hen uit. Hebt gij wel eens
+opgemerkt hoe dikwijls, wanneer gij met iemand
+samenwoont, gij beiden over hetzelfde onderwerp
+denkt, en wanneer de &eacute;&eacute;n zijn gedachte uitspreekt,
+zegt de ander: &quot;Daar dacht ik juist ook aan.&quot; Dit
+is dikwijls het geval met man en vrouw, broeder en
+zuster, vriend en vriend, en vaak beslist slechts toeval,
+wie het eerst spreekt. Wie dan het eerst zijn
+gedachte in woorden kleedt, bemerkt dat de ander
+in dezelfde richting gedacht heeft. Op deze wijze
+kunnen wij elkander veel goed doen en veel kwaad.
+Goed wanneer wij edel denken en rein, kwaad wanneer
+wij laag, gemeen en slecht denken. Vele menschen
+denken dat als zij slechts doen wat goed is,
+als zij maar geen grove woorden gebruiken, het er
+niet toe doet hoe zij denken: gedachten zijn tolvrij.
+Dit is onjuist: onze gedachten oefenen een veel
+grooteren invloed uit op onze medemenschen dan
+onze woorden, en een slecht mensch, die slecht
+<!-- Page 41 -->denkt, vergiftigt alle menschen met wie hij in aanraking
+komt; hij oefent een slechten invloed uit
+zonder iets anders te doen dan in onze nabijheid te
+zijn. En evenzoo is men, indien men goede gedachten
+kweekt, overal waar men gaat tot zegen. De
+menschen om ons heen zullen zelf goede gedachten
+krijgen zonder te weten waarom. Onze invloed zal
+hen goed doen denken. Op deze wijze is er broederschap
+van denken evengoed als broederschap van
+gevoel en van lichaam.</p>
+
+<p>Zie dan hoe veel er voortvloeit uit dit denkbeeld
+van de eenheid van al wat is, hoe sterk deze
+eenheid zich doet gevoelen in het leven, hoe wij
+naarmate wij die eenheid doorgronden, nuttiger
+worden voor elkander dan te voren, hoe wij leeren
+dat wij invloed uitoefenen op onze medemenschen
+door onze lichamen, onze gevoelens en onze gedachten,
+en hoe wij op deze drie wijzen elkander
+kunnen helpen. Zoo leeren wij de natuurwet en
+passen die dan toe om onze broeders te helpen en
+de wereld door ons leven beter te maken. Deze
+eenheid, uitgewerkt zooals ik het thans heb gedaan,
+is &eacute;&eacute;n der groote leeringen van de Theosofie.</p>
+
+<p>Laat ik thans een tweede groote leering nemen,
+die welke zegt dat uit God de zielen der menschen zijn
+voortgekomen, dat het leven van God iederen mensch
+gegeven is, opdat hij zich ontwikkelen moge tot een
+volmaakt wezen, gelijk God zelf. Gij zult u herinneren
+dat Jezus, toen hij sprak tot de menigte, een merkwaardig
+gebod gaf: &quot;Weest dan gijlieden volmaakt
+gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is.&quot;
+[Footnote: Matthe&uuml;s 5,48] De
+<!-- Page 42 -->Vader in den hemel nu is God, het goddelijk Wezen,
+en Jezus leerde aan zijne leerlingen en aan de volksmenigte
+dat zij volmaakt moesten zijn gelijk God.
+Nu is God volmaakt in kennis, volmaakt in kracht,
+volmaakt in liefde. Hoe kan de mensch volmaakt
+zijn in kennis en in kracht en in liefde, gelijk God
+volmaakt is? Toch was dit het gebod dat Jezus gaf
+en als Jezus sprak, zeide hij slechts wat waar was
+en mogelijk. Hij zou het niet hebben gezegd als
+deze volmaking onmogelijk was voor den mensch.
+De vraag waartoe wij van zelf komen is dan deze:
+hoe is het mogelijk, en is het mogelijk voor ieder
+of slechts voor eenige menschen? En het antwoord
+dat de Theosofie geeft is: het is mogelijk voor ieder,
+niet slechts voor enkelen; voor ieder is het mogelijk
+volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, de
+mensch is werkelijk gemaakt naar het goddelijk
+beeld, dat wil zeggen hij is de juiste weerkaatsing
+van God. Laten wij eerst een uiterst geval beschouwen;
+een zeer onontwikkelden wilde, zoo laag ontwikkeld
+dat hij het goede nog niet kan onderscheiden
+van het kwaad, dat hij nog niet weet dat het kwaad is
+te stelen of te liegen of te moorden, dat hij al
+deze dingen geoorloofd vindt. Waarom zou hij niet
+stelen als hij iets noodig heeft dat hem niet toebehoort?
+Waarom zou hij niet liegen als hij daardoor
+kan krijgen wat hij begeert? Waarom zou hij niet
+moorden als hij sterk genoeg is het te doen en
+verlangt zijnen vijand te dooden? Die wilde ziet
+geen kwaad in moorden en liegen en stelen. Hij
+denkt dat het goed is, of liever: hij denkt er in
+het geheel niet over. Hij wil het doen. Derhalve
+<!-- Page 43 -->doet hij het, en het komt nooit in hem op te vragen:
+&quot;is het goed dat ik moord of lieg of steel?&quot; Hij onderzoekt
+niet of wat hij wil doen geoorloofd is. Hij
+wil het doen en dat is alles waar hij om geeft.
+Waartoe zou het dienen zulk een mensch te zeggen,
+volmaakt te zijn zooals God volmaakt is? Hij is
+zelfs nog niet in staat, kwaad te onderscheiden van
+goed; hoe zou hij dan volmaakt kunnen zijn? Verstandelijke
+vermogens zijn in hem nog niet ontwikkeld,
+hij kan niet verder tellen dan twee, hij kan
+geen gevolgtrekking maken, begrijpt niet wat een
+gevolgtrekking is. Hij heeft geen geheugen en herinnert
+zich niet wat gisteren gebeurde, noch kan hij
+berekenen wat morgen gebeuren zal. Hij is in verstandelijk
+opzicht even dom als hij zedelijk laag
+staat. Wat wilt gij met zulk een mensch doen? Hij
+ziet er niet uit als &quot;het beeld van God&quot; en er schijnt
+niet veel kans dat hij volmaakt zou worden gelijk
+God volmaakt is. Als hij sterft, bezit hij noch verstand,
+noch zedelijk gevoel. Wat wordt er van dien
+mensch? Wanneer hij sterft en een ander leven
+intreedt, zonder zijn lichaam, een soort van middenleven
+tusschen deze aarde en den hemel, is er niet
+veel in hem dat omhoog kan stijgen, want zijn ziel
+is zwak en onontwikkeld. Zij is nog slechts een
+kiem. Hij kende het goed nog niet van het kwaad.
+Hij kon nog niet denken. De ziel nu is de kracht
+in den mensch die denkt en het goede onderscheidt
+van het kwaad en de ziel van zulk een wilde is
+slechts een embryo, nog volstrekt onontwikkeld.
+Wanneer hij sterft en uit het lichaam treedt, is hij
+in de wereld, volgende op de stoffelijke, in de astrale
+<!-- Page 44 -->wereld, waar de dierlijke aard werkelijk thuis behoort.
+De dierlijke aard nu van den wilde is zeer sterk.
+Deze was het die hem deed moorden en liegen en
+stelen, omdat de dierlijke aard sterk was en de ziel
+nog zwak en jong. Wanneer hij nu na den dood
+deze astrale wereld binnentreedt, terwijl de dierlijke
+aard in hem nog sterk is, ondervindt hij dat hij ze
+daar niet meer kan bevredigen, zooals hij kon terwijl
+hij in het lichaam woonde, dat hij dat soort
+genot dat hij op aarde vond, daar niet verkrijgen
+kan, dat hij met zijn lichaam het werktuig verloren
+heeft, waardoor zijn dierlijke aard zich kon uiten.
+Zoo leert hij, wanneer hij uit het lichaam is getreden,
+dat hij de zucht naar genot van zijn dierlijken
+aard op den langen duur niet kan voldoen, dat
+datgeen wat hem in het lichaam genot schonk, hem
+daarbuiten smart geeft in plaats van genot. Zoo
+leert de jonge ziel deze eerste les door ondervinding
+in het aardleven en na den dood. Daarop gaat de
+ziel naar de hemelsche wereld. Veel is er nog niet
+dat deze jonge ziel in den hemel kan vinden, maar
+toch leert zij een weinig door een tijd in die wereld
+te vertoeven. Toen de wilde nog op aarde leefde,
+gevoelde hij wellicht eenige liefde voor vrouw of
+kind, en deze liefde leert hem een nuttige les.
+Wanneer hij de hemelsche wereld bereikt, is die
+liefde nog met hem; en hij ondervindt dat deze
+blijft en hem genot schenkt in die hoogere wereld.
+Hij bevindt dat de weinige goede gevoelens, dat
+iedere aandoening welke iets in zich had dat goed
+was en rein, bij hem is, wanneer al het andere
+achterblijft, dat de liefde blijft wanneer alle harts<!-- Page 45 -->tocht
+is uitgestorven. Wanneer hij een tijdlang in
+den hemel vertoefd heeft, en zijn liefde in de hemelsche
+gebieden is toegenomen in kracht, komt
+het oogenblik, waarop de ziel terug moet keeren
+tot het aardleven, opnieuw moet worden geboren
+in een lichaam, een weinig beter dan het lichaam
+dat zij vroeger bezat. Want de ziel is een weinig
+gegroeid en heeft een beter lichaam noodig dan
+het vorige dat zij bewoonde. Zij is een weinig gegroeid,
+heeft geleerd een weinig meer liefde
+te koesteren, heeft een weinig geleerd door
+hare ondervinding in deze wereld en in de twee
+werelden aan gene zijde van het graf. Zij is een
+weinig ouder geworden en wijzer en heeft om nieuwe
+ondervinding op te doen een beter lichaam noodig,
+wanneer zij terugkomt. Na in dat beter lichaam geboren
+te zijn, leert zij een weinig meer dan in het
+vorige. Zij heeft geleerd dat stelen en moorden
+niet goed is, en wanneer een leeraar of oudere
+bloedverwant tot het jonge kind, dat reeds deze
+ondervinding heeft opgedaan, zegt: &quot;Gij moet niet
+stelen, niet liegen, niet moorden,&quot; zal deze ziel, die
+op aarde teruggekeerd is met de ondervinding die
+zij heeft opgedaan, deze leering kunnen beantwoorden
+en zeggen: &quot;Ja, het is waar, ik moet niet
+stelen, niet liegen, niet moorden, ik zie in dat dit
+alles verkeerd is.&quot; Waarom ziet die ziel nu in dat
+het verkeerd is, terwijl zij het den vorigen keer niet
+inzag? Omdat de ziel in dien tijd is gegroeid,
+omdat zij ondervonden heeft dat stelen ongelukkig
+maakt. En deze ondervinding bot als zedelijke
+eigenschap uit, wanneer de ziel in een stoffelijk
+<!-- Page 46 -->lichaam wordt weergeboren. De kinderen, die thans
+in ons midden ter wereld komen, worden niet geboren
+zooals de volkomen onontwikkelde wilde,
+waarover ik sprak, niets wetende van goed en kwaad.
+Zoodra gij hen onderwijst, begrijpen zij het verschil
+tusschen kwaad en goed en het is gemakkelijk hun
+te leeren, daar hunne zielen ouder zijn en reeds vele
+aardlevens doorleefd hebben, waarin zij ondervinding
+hebben opgedaan en verzameld, en die ondervinding
+hebben omgezet in wat wij geweten noemen, in
+aangeboren begrip van goed en kwaad. Deze groei
+van de ziel gaat door, leven na leven, honderde
+keeren, zoodat de ziel, wanneer zij in een stoffelijk
+lichaam ter wereld komt, na reeds honderde levens
+te hebben doorgemaakt, vele vermogens in zich heeft.
+Zij komt ter wereld met zekere verstandelijke kracht,
+met zekeren aanleg voor kunst, met zedelijke eigenschappen.
+Ieder uwer werd geboren met het vermogen
+te denken, zoodat gij met vrucht kondt worden
+opgevoed; en misschien met eenige artistieke kracht,
+met talent voor schilderen, voor beeldhouwkunst of
+muziek. Gij bracht die vermogens met u, en toondet
+ze reeds als kind, zoodat uw opvoeding kon worden
+ingericht op een wijze die geschikt was om de vermogens
+die gij medebracht, te kunnen ontwikkelen.
+Deze vermogens, welke de kinderen meebrengen en
+in overeenstemming waarmede wij hun opvoeding
+behooren te regelen, hebben zij gewonnen in herhaalde
+aardlevens in het verleden, en telkens gedurende
+hun leven in de hemelsche wereld hebben zij
+die vermogens verbeterd en doen toenemen in kracht,
+en bij iedere geboorte op aarde brengen zij ze mede op een
+<!-- Page 47 -->hoogeren trap van ontwikkeling dan den vorigen keer.</p>
+
+<p>Op deze wijze groeit de ziel door voortdurend
+herhaalde wedergeboorte op aarde en naarmate zij
+groeit wordt zij meer en meer gelijk God. Na langen,
+langen tijd wordt de ziel op aarde geboren als een
+kind met een zeer goed karakter, misschien als genie,
+misschien bijna volmaakt uit een zedelijk oogpunt.
+Enkele kinderen worden zoo goed geboren dat
+hunne opvoeding bijzonder gemakkelijk is, onzelfzuchtig,
+vriendelijk en liefdevol, anderen ter wille.
+In deze kinderen wonen zielen die oud zijn, zielen
+die reeds vele malen op aarde geweest zijn, en geleerd
+hebben onzelfzuchtig en vriendelijk te zijn en
+hunne medemenschen lief te hebben, zoodat zij
+thans bij hun geboorte zulk een karakter toonen.
+Zij behoeven niet meer te leeren wat goed is, zij
+weten het van de wieg af, juist zooals andere kinderen
+reeds in hun prille jeugd geni&euml;n blijken.
+Wanneer de ziel zulk een standpunt bereikt heeft,
+is het oogenblik daar waarop haar ontwikkeling zeer
+kan worden versneld, het oogenblik, waarop bijzondere
+leering zal komen op haren weg, waarop haar
+bijzondere gelegenheden zullen worden geboden,
+sneller te kunnen ontwikkelen en groeien; dan komt wat
+de &quot;geestelijke geboorte&quot; genoemd wordt, de geboorte
+naar den geest waarvan Jezus sprak toen hij zeide
+dat geen mensch het koninkrijk Gods kon kennen,
+tenzij hij was geboren naar den geest. De menschen
+worden telkens en telkens geboren naar den vleesche;
+zij worden slechts &eacute;&eacute;ns geboren naar den geest en
+wanneer een mensch geboren is naar den geest,
+zegt men dat de Christus in hem geboren is. Gij
+<!-- Page 48 -->zult u herinneren dat Paulus in een zijner brieven
+schreef, dat de Christus geboren moest worden in
+de ziel; dit nu is de groote &quot;tweede&quot; geboorte, die
+het begin is van de ontwikkeling van den Christus
+in den mensch. Alle vroegere ontwikkeling heeft
+hem slechts doen groeien tot een goed en
+knap mensch, verstandig en krachtig en zedelijk,
+maar na de geestelijke geboorte wordt hij geestelijk,
+en begint hij het leven te leiden van den Christus.
+Hij wordt vol mededoogen voor allen, vol liefde en
+vol van den wil zijn medemenschen te helpen. Hij
+ontwikkelt in zich den aard van den Christus, hij
+gevoelt de broederschap die hem met allen verbindt,
+hij gevoelt dat hij &eacute;&eacute;n is met alle menschen, dat zij
+allen leden zijn van zijn huisgezin, dat zij allen hem
+na-staan, als een deel van hemzelf, een deel van zijn
+eigen leven. Naarmate de Christus zich in den mensch
+ontwikkelt, nadert hij de volmaking. Hij wordt meer
+en meer vrij van zonden, hij verkrijgt meer en meer
+inzicht in alle geestelijke waarheid, hij omvat meer
+en meer van het goddelijk leven en drukt dit uit in
+zijn leven op aarde. Dit tijdperk in de menschelijke
+ontwikkeling is dat van geestelijken groei, niet van
+verstandelijken of zedelijken vooruitgang. Het komt
+na dezen vooruitgang en brengt de gelijkenis
+van God en den mensch tot volkomen volmaking.
+Wanneer de mensch z&oacute;&oacute; gedurende langen tijd heeft
+geleefd, vrij van zonde, terwijl hij goed doet aan
+ieder, allen met wie hij in aanraking komt helpt,
+vol wijsheid en inzicht in alle geestelijke waarheid,
+heeft hij het standpunt bereikt waarop Jezus doelde
+toen hij zeide: &quot;Weest dan gijlieden volmaakt gelijk
+<!-- Page 49 -->uw Vader die in de hemelen is volmaakt is.&quot; Dit zou onmogelijk
+zijn indien de mensch niet gedurende honderde
+levens tot die hoogte kon klimmen. Voor den wilde,
+over wien ik u gesproken heb, zou het niet mogelijk
+geweest zijn, in &eacute;&eacute;n leven volmaakt te worden, te
+worden gelijk God. Maar zonder twijfel is het mogelijk,
+wanneer hij leven na leven op aarde terugkeert,
+leven na leven verbetert en groeit, totdat de
+ziel van een klein zaadje gegroeid is tot een machtigen
+boom, na talrijke eeuwen van levens. En evenals
+de eik door zijne bladeren die hij ontplooit, den
+geheelen zomer voedsel verzamelt, en dit voedsel uit
+de bladeren voert tot takken en stam, en in den
+herfst de bladeren afvallen en sterven, maar de boom
+door het opgenomen voedsel gegroeid is--- zoo ook
+zendt de menschelijke ziel een lichaam uit, gelijk de
+boom zijne bladeren, en verzamelt ondervinding
+door het vergankelijke lichaam, gelijk de boom door
+de bladeren zijn voedsel. Al die ondervinding neemt
+de ziel in zich op: het lichaam sterft wanneer zijn
+tijd daar is, maar de ziel groeit door de opgedane
+leering en nadert de volmaking.</p>
+
+<p>Dit is wat de Theosofie leert omtrent den groei
+der ziel, en gij hebt gezien dat wij gekomen zijn tot
+de gevolgtrekking, dat de mensch volmaakt kan
+worden, en de vraag zal bij u opkomen: &quot;Wat moet
+de volmaakte mensch doen met zijne volmaking?&quot;</p>
+
+<p>Hij moet zijn medemenschen helpen. Zij die
+volmaakt zijn geworden zijn degenen die wij Meesters
+noemen. Zij zijn de Leeraars der groote godsdiensten,
+zij zijn het die tot de wereld komen om
+den menschen te leeren hoe te leven, hoe sneller te
+<!-- Page 50 -->groeien. Zelf volmaakt geworden, blijven zij anderen
+leeren hoe de volmaking te bereiken. Jezus, die
+zelf volmaakt is, bleef op aarde ten einde den menschen
+te leeren hoe zij volmaakt konden worden en
+gelijk aan Hemzelf. En de Theosofie leert dat deze
+volmaakte menschen nog heden bereikt kunnen
+worden. Zij zijn niet ver weg in den hemel, maar
+hier op aarde. En wij kunnen hen vinden, indien
+wij den juisten weg inslaan; en de eenige weg om
+hen te vinden is te trachten hun gelijk te worden.
+Misschien hebt gij wel eens in de geschriften van
+de heiligen der Christelijke kerk gelezen, hoe Jezus
+tot hen kwam en hun leerde; en dan hebt gij steeds
+gedacht dat dit droomen waren of verzinsels. Toch
+is dit niet het geval. Wat zij schreven is letterlijk
+waar, en het zou ook voor ons waar kunnen zijn
+zooals het waar was voor hen, want gij kunt een
+heilige worden zoo goed als ieder ander mensch,
+die leefde in de middeleeuwen of in de eerste eeuwen
+der Christelijke kerk. Waarom zouden niet de tegenwoordige
+Christenen heilig worden kunnen gelijk die
+van vroeger, waarom zouden zij den Christus niet
+kennen zooals Hij gekend werd in de vroegste tijden
+der kerk, waarom zouden zij niet in staat zijn Hem
+te spreken en van Hem te leeren, zooals de menschen
+in die oude dagen deden, toen Hij leefde
+onder de menschen en zooals zij het nog deden,
+vier of vijf eeuwen daarna? De ziel der menschen
+is thans niet zwakker dan toen, de ziel der menschen
+is in staat nog heden te doen, wat zij toen in staat
+was te volbrengen. Het is slechts de kennis die u
+ontbreekt, hoe het te doen en den krachtigen wil,
+<!-- Page 51 -->welke u moed tot volharden kan geven. De Theosofie
+is d&aacute;&aacute;r om u de kennis te geven van den weg,
+waarlangs wij de groote Leeraars kunnen bereiken,
+en met die kennis geeft zij ons den moed en den
+wil en het geduld tot volharden.</p>
+
+<p>Veel van wat ik u hedenavond heb gezegd zal
+voor sommigen uwer nieuw schijnen en vreemd. Toch
+is het niet nieuw maar over-oud, z&oacute;&oacute; oud dat de
+menschen het hebben vergeten; en niet vreemd, zooals
+gij bij nadere studie zult vinden. Ik heb u
+hedenavond niets gezegd, dat ik niet <i>weet</i> dat waar
+is en de weg dien ik gevolgd heb om tot weten te
+komen, is de weg dien de Theosofie aanwijst. Door
+het volgen van hare voorschriften ben ik in staat
+geweest hetzelfde te doen wat in de Christelijke kerk
+gedaan werd, vele eeuwen geleden, en wat in alle
+andere godsdiensten mogelijk is geweest, lang voordat
+het Christendom was gesticht. Al deze dingen
+zijn altijd bekend geweest, deze weg is altijd betreden
+door de weinigen; en zij die hem betraden waren
+de menschen, die de waarheden van den godsdienst
+wisten door eigen waarneming&mdash;niet uit de tweede
+hand. Het doel der Theosofische Vereeniging is, u
+te helpen in het verkrijgen van eerste-hands kennis
+en hoewel de dingen die ik u gezegd heb misschien
+onbekend mogen wezen en schijnen onmogelijk te
+kunnen worden bewezen, kunnen zij alle bewezen
+worden door ieder uwer die begeert te onderzoeken, en
+zich dezelfde moeite wil geven, welke door sommigen
+onzer is gedaan. Dan zult gij de werkelijkheid der
+wedergeboorte op aarde weten, niet slechts gelooven,
+dan zult gij de wijze kennen, waarop de ziel lang<!-- Page 52 -->zamerhand
+groeit tot volmaking, dan zult gij weten
+dat deze Leeraars nog levende menschen zijn en nog
+steeds leering geven willen aan leerlingen die tot
+hen komen. De Theosofie is inderdaad een studie.
+Ik vraag u niet haar te gelooven, ik vraag u niet
+haar aan te nemen zonder begrijpen, ik vraag u
+slechts te onderzoeken, zooals ik onderzocht heb.
+Gij kunt tot weten komen zooals ik ben gekomen
+tot weten. En ik weet, dat wanneer al deze dingen
+voor ons eerste-hands kennis worden, niets in de
+wereld ons meer werkelijk ongelukkig kan maken.
+De moeiten en zorgen, welke zoo vele menschen
+kwellen, worden ons niets, zelfs de dood, die scheiding
+te maken schijnt tusschen de menschen, kan
+voor ons geen scheiding meer brengen wanneer
+wij deze waarheden voor ons zelf bevestigd weten,
+omdat wij dan den sluier des doods kunnen oplichten,
+en de menschen aan de andere zijde kennen,
+even gemakkelijk als gij ze hier kent op aarde;
+zoodat de Theosofie u met de gelegenheid om deze
+dingen te onderzoeken de mogelijkheid biedt van
+grooter geluk dan den meesten menschen ten deel
+valt, van kennis die u sterk zal maken en krachtig,
+van een leven vol vrede en rust. D&agrave;t is de uitkomst
+van Theosofisch onderzoek, d&agrave;t is het gevolg
+van het streven tot weten te komen, en mijn
+doel voor hedenavond was, eenigen van u te brengen
+tot diepere studie, opdat gij moogt komen tot de
+kennis der waarheid. En wanneer gij dan tot die
+kennis gekomen zult zijn, zult gij terugzien tot dezen
+avond en zeggen: Toen was het dat ik voor het
+eerst de leeringen der Theosofie vernam, waarvan
+<!-- Page 53 -->de kennis in mijn geheele leven verandering heeft gebracht.
+Toen was het dat ik den grootsten schat
+vond, welken ik ooit heb gekend; want ik vond de
+kennis van God, die het eeuwige leven is, zonder
+welke het leven arm is en beperkt, met welke het
+leven oneindig wordt, vol van vreugde en vrede.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="Esoterisch_Christendom"></a><h2><!-- Page 54 --><b>Esoterisch Christendom</b></h2>
+<br>
+
+<p>Sommigen die niets weten van de Theosofische
+leeringen beschouwen de Theosofie als vijandig gezind
+jegens het Christendom. Zij denken dat iemand
+wanneer hij Theosoof wordt moet ophouden Christen
+te zijn. En wanne&eacute;r zij vernemen dat de Theosofie
+zich in een land verspreidt, nemen zij als van zelf
+sprekend aan dat in dat land een nieuwe beweging
+tegen het Christendom is ontstaan, een beweging
+waarvoor geen Christen sympathie kan gevoeien.
+Deze zienswijze nu is geheel en al verkeerd. Hoe
+zou het mogelijk zijn dat de grondslag van alle
+godsdiensten de vijand was van eenigen godsdienst?
+Daar zij komt om het godsdienstig gevoel te versterken
+door kennis, kan de Theosofie niet ten doel
+hebben het geloof te ondermijnen, of te trachten
+het godsdienstig gevoel der menschen te doen wankelen.
+Integendeel: waar zij komt tot de menschen,
+vraagt zij hun niet hunnen godsdienst te verlaten,
+maar zij vraagt hun te pogen dien godsdienst te
+doorgronden in zijn diepere en meer geestelijke beteekenis.
+Zij komt tot den godsdienst om hem terug
+te geven wat hij in den loop der eeuwen heeft verloren,
+zij komt om de kennis terug te brengen, welke
+<!-- Page 55 -->langzamerhand uit zijn gebied is geweken, zij komt
+om de zinnebeelden en riten van den godsdienst
+begrijpelijk te maken en aan hen wier geloof was
+geschokt door de aanvallen van het ongeloof een
+hechten en zekeren grondslag te schenken waarop
+hun geloof rusten kan, verheven boven de mogelijkheid
+van eenigen aanval, bekroond met goed gevolg.</p>
+
+<p>Wanneer ik dan hedenavond u toespreek uit
+naam der Theosofie, spreek ik als iemand die het
+Christendom beschouwt als &eacute;&eacute;n van de groote godsdiensten
+der wereld, die gelooft dat het in zich alles
+bevat wat noodzakelijk is voor den groei der menschelijke
+ziel, maar die tevens meent dat het algemeen
+verspreide Christendom van tegenwoordig zeer
+veel verloren heeft van wat het oorspronkelijk
+Christendom bezat, als iemand die gelooft dat het
+mogelijk is aan de kerk dat diepere, geestelijker inzicht
+in den godsdienst terug te geven, dat in den
+tegenwoordigen tijd uit het weten der Christenen
+verdwenen is.</p>
+
+<p>Reeds de naam van deze voordracht &quot;esoterisch
+of innerlijk Christendom&quot; zal waarschijnlijk door vele
+Christenen verworpen worden. Weinigen onder de
+hedendaagsche Christenen willen toegeven dat er een
+esoterisch Christendom bestaat, ja zelfs hoort men
+Christenen er zich dikwijls op beroemen dat h&ugrave;n
+godsdienst ten minste niets heeft dat teruggehouden
+en verborgen is. Dikwijls hoort men zeggen: de
+Christelijke godsdienst is z&oacute;&oacute; eenvoudig dat zelfs een
+kind, dat de meest onontwikkelde hem kan begrijpen
+en ik heb soms Christenen ontmoet die verontwaardigd
+werden over het denkbeeld, dat er in
+<!-- Page 56 -->verband met hun geloof eenige kennis zou bestaan,
+welke teruggehouden wordt van den onwetende, welke
+niet openlijk aan de wereld wordt verkondigd, kennis
+zoo moeilijk te omvatten, dat de gewone menigte
+niet in staat zou zijn haar te begrijpen. En toch
+is het duidelijk dat als het waar is dat het Christendom
+niets anders te leeren heeft dan wat begrepen
+kan worden door het kind en door den onopgevoeden
+mensch, dit de erkenning in zich zou sluiten,
+dat het Christendom niet de waarheid bezit, dat het
+niet voldoende is voor den wijsgeer en den wijze.
+Want gij kunt het verstand van den wijsgeer niet tevreden
+stellen met dezelfde opvattingen welke voldoende
+zijn voor het kind en den polderwerker. Men kan
+niet verwachten dat de man van de wetenschap, de
+hoogontwikkelde denker, tevreden zal blijven met de
+enge en ruwe opvattingen, welke voor den onwetende
+niet slechts voldoende zijn, maar die voor hem veel
+meer geschikt zijn dan de verklaringen van den
+verheven wijsgeer. Neem bijvoorbeeld het begrip
+&quot;God&quot;. Voor een kind moet gij van God een konkreet
+denkbeeld geven, anders kan het kind het niet
+bevatten. Indien gij tot hem spreekt in de taal der
+metafysika, indien gij tot hem spreekt over het absolute,
+het oneindige, indien gij hem vertelt van een
+oneindig leven, dat de geheele ruimte doordringt en
+de tallooze zonnen welke zich in het heelal bewegen
+in wezen houdt, indien gij hem zulk een beschrijving
+van de Godheid geeft, zult gij het kind slechts
+in verwarring brengen en geenerlei opvatting, welke
+door hem kan worden bevat, zal zijn ongeoefend
+brein bereiken door uw wijsgeenge taal. Zal het
+<!-- Page 57 -->kind eenig denkbeeld krijgen van God dan moet
+de opvatting van het goddelijke tot hem komen in
+een gewone, menschelijke gedaante. Gij kunt hem
+leeren van een Vader, die teeder is en liefhebbend,
+want dit geeft hem een denkbeeld dat hem reeds
+bekend is door de liefde van zijn eigen vader.
+Gij kunt hem vertellen van den mensch Jezus, vol
+liefde en mededoogen; dit geeft hem het denkbeeld
+van een vriend, sterker en ouder dan hij zelf, die
+hem lief heeft en beschermt. Z&oacute;&oacute; kan het kind
+eenig denkbeeld ontvangen van God. Het goddelijke
+moet menschelijk worden gemaakt, het oneindige
+moet worden beperkt; slechts z&oacute;&oacute; kan het kinderhart
+worden bevredigd. Maar wanneer gij staat
+tegenover den wijsgeer, die onmiddellijk de bezwaren
+inziet welke er zijn tegen de beperking van het goddelijke
+binnen den menschelijken vorm, wanneer gij
+staat tegenover een man van de wetenschap die zich
+den God dien hij aanbidt denkt als een Leven dat
+de gansche ruimte doordringt, dat alle zonnen en
+planeten beheerscht, dat tegelijk het leven is van
+het heelal en het leven van het kleinste wezentje
+dat bestaat, voor wien de beperking in den menschelijken
+vorm godslastering wordt en bespotting&mdash;wanneer gij dan nog blijft bij de opvatting van
+het kind, zal de wijsgeer, de man van de wetenschap
+agnostisch worden of athe&iuml;st. De erkenning
+van de waarheid, dat het godsbegrip moet beantwoorden
+aan de beperkingen van het menschelijk
+verstand, dat het denkbeeld dat de mensch van
+God heeft verschillend moet zijn naar gelang van
+de kracht van zijn verstand, naar den aard zijner
+<!-- Page 58 -->aandoeningen, naar de diepte van zijn inzicht,&mdash;
+de erkenning van deze waarheid maakt het voor
+alle menschen mogelijk, God te aanbidden, want
+ieder mensch, hetzij onwetend of geleerd, ontvangt
+dan van de goddelijke kennis juist zooveel als hij
+in staat is op te nemen in hoofd en hart. Ieder
+mensch houdt als het ware het vat zijner eigene ziel
+tot God omhoog. Is de ziel klein en beperkt, dan
+kan zij slechts weinig van de goddelijke kennis bevatten;
+indien de ziel groot is en ontwikkeld, kan
+zij meer bevatten van het goddelijk leven. Klein
+waarlijk in vergelijking met dien machtigen oceaan is
+het grootste verstand, de grootste wijsheid des menschen,
+maar toch heeft dit verstand het recht een
+opvatting te eischen, die noch te hoog is noch te
+laag, en slechts door een esoterischen godsdienst
+kunnen de ontwikkelden en wijzen gehouden worden
+binnen de grenzen der kerk. Dit is in het verleden
+altijd bekend geweest. Geen godsdienst der oudheid
+gaf aan alle menschen leering in denzelfden vorm.
+Onder de Hindoes, de Chineezen, de Boeddhisten, de
+Egyptenaren, de Grieken, overal vindt gij verschil
+van leering voor de menigte der onontwikkelden, en
+de kleine minderheid der ontwikkelden. Toen het
+Christendom aan de wereld werd gegeven, toen Jezus
+kwam als een boodschapper der waarheid en de
+stichter van een nieuwen vorm van godsdienst, trad
+hij in de voetstappen zijner voorgangers en verdeelde
+zijn leer in twee deelen, het eene voor de
+menigte, het andere voor de verlichten. Ik wensch
+u van deze bewering het bewijs te leveren door een
+aantal bewijsgronden, wier gewicht gij voor u zelf
+<!-- Page 59 -->kunt schatten. Ik zal u aantoonen, eerstens uit de
+woorden van Jezus zelf, dat hij die onderscheiding
+maakte; dan uit de woorden zijner apostelen dat ook
+zij die verdeeling erkenden, vervolgens dat die apostelen
+ze overdroegen aan het geslacht dat na hen
+kwam, en eindelijk dat diezelfde verdeeling der leeringen
+in twee&euml;n door de bisschoppen en kerkvaders
+werd gehandhaafd. Wij hebben dus vier stappen
+te doen in de vroegste geschiedenis der kerk. Wij
+moeten de gezegden van Jezus zelf, die zijner apostelen,
+die van degenen die door de apostelen als
+leeraars werden uitverkoren, en die van de bisschoppen
+en kerkvaders in de eerste vijf eeuwen der geschiedenis
+van het Christendom beschouwen. Over
+deze vijf honderd jaren strekken zich de verklaringen
+uit, die ik u zal aanhalen als bewijsgronden voor
+het feit dat er in die eeuwen een esoterisch Christendom
+bestond, evengoed als een exoterisch, dat er
+een bijzonder onderwijs was voor de ingewijden,
+evengoed als een openbare leering voor de menigte
+der geloovigen. Na deze eerste reeks bewijsgronden,
+de geschiedkundige, zal ik een bewijsvoering leveren
+van anderen aard, en wel deze: dat zij die thans
+esoterische kennis bezitten, beter in staat zijn de
+Christelijke leeringen uit te leggen dan zij die deze
+kennis niet bezitten, en beter de beteekenis begrijpen
+van de vele verklaringen in het Nieuwe Testament,
+welke de gewone kerkleeraars niet in staat
+zijn uit te leggen, verklaringen, die de hedendaagsche
+kerk dikwijls heeft uitgelegd op een wijze, welke in
+strijd is met het geweten, zoodat die uitleggingen der
+kerk vele menschen uit het Christendom drijven, en
+<!-- Page 60 -->van velen onder hen die slechts de exoterische verklaring
+ontvangen, het verstand beleedigen en het
+geweten in opstand brengen. Het gevolg hiervan
+is dat zij de kerk verlaten en onverschillig worden
+voor het Christendom, een groot verlies voor henzelf,
+daar zij hun geloof moeten opgeven, een groot
+verlies voor de kerk, want op deze wijze gaan de
+meest ontwikkelden verloren, en wordt de invloed
+van het geloof op de menigte verzwakt.</p>
+
+<p>Wij zullen thans de verschillende bewijsgronden
+in volgorde aanvoeren en beginnen met de geschiedkundige,
+in de eerste plaats met de woorden van
+Jezus zelf.</p>
+
+<p>Toen de discipelen tot Jezus kwamen en hem
+vroegen naar de gelijkenissen welke hij tot de menigte
+gesproken had, gaf hij hun dit merkwaardige
+antwoord: &quot;Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid
+van het koninkrijk Gods, maar dengenen
+die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen.&quot;
+[Footnote: Marcus 4,11.]
+En verder: &quot;Zonder gelijkenis sprak
+hij tot hen niet.&quot; [Footnote: Marcus 4,34.] Wij vinden hier den toestand
+duidelijk verklaard. Tot de menigte sprak Jezus
+slechts in gelijkenissen, in allegori&euml;n, in verhalen in
+den vorm van een fabel, welke hun zedelijke leering
+gaf; maar zijnen discipelen gaf hij de uitlegging der
+gelijkenissen, verklaarde hij de verborgenheid van
+het koninkrijk Gods, en ik verzoek u deze onderscheiding,
+door Jezus gemaakt, goed in het oog te
+houden, omdat wij haar straks door de kerkvaders
+aangehaald zullen vinden ter rechtvaardiging van de
+handelwijze der kerk in hun eigen tijd.</p>
+
+<p><!-- Page 61 -->Jezus zeide eens tot de discipelen: &quot;Geeft het
+heilige den honden niet.&quot; [Footnote: Matthe&uuml;s 7,6.] Het woord &quot;hond&quot;
+nu had bij de Joden een zeer bepaalde beteekenis.
+Het duidde iedereen aan, die geen Jood was en gij herinnert
+u dat toen een Kananeesche vrouw tot Jezus
+kwam om hulp te vragen, hij ten antwoord gaf:
+&quot;Het is niet betamelijk, het brood der kinderen te
+nemen en den hondekens voor te werpen.&quot;
+[Footnote: Matthe&uuml;s 15,26.]
+En zij nam zonder morren die benaming aan en
+zeide slechts: &quot;Ja Heer, doch de hondekens eten
+ook van de brokskens, die er vallen van de tafel
+hunner heeren.&quot; Dit woord van Jezus: &quot;Geeft het
+heilige den honden niet&quot; is niet anders dan een bevel,
+niet het innerlijke te geven aan hen die buiten de
+groep der uitverkorenen stonden. Voor deze laatsten
+alleen moest het heilige worden bewaard. De apostelen,
+die het evangelie van Jezus buiten de Joden verspreidden,
+erkenden evenzoo een aantal uitverkorenen,
+dat waren zij die in de kerk in de mysteri&euml;n waren
+ingewijd, terwijl zij die buiten de mysteri&euml;n stonden
+profanen werden genoemd. Het woord profaan werd
+in de oudheid gewoonlijk gebruikt om deze menschen
+aan te duiden en wanneer wij overgaan tot de tweede
+soort van geschriften, waarvan ik u gesproken heb,
+tot de geschriften der apostelen, vinden wij dat Paulus
+het onderscheid, door Jezus gemaakt, behield en het
+toepaste op zijn eigene bekeerlingen. Zoo schreef
+hij aan de Corinthi&euml;rs, die als Christenen waren
+gedoopt, die hadden deelgenomen aan het Heilige
+Avondmaal, die lidmaten der kerk waren, zooals wij
+<!-- Page 62 -->zeggen zouden: &quot;En ik, broeders, kon tot u niet
+spreken als tot geestelijken, maar als tot vleeschelijken,
+als tot jonge kinderen in Christus. Want gij
+zijt nog vleeschelijk.&quot; [Footnote: I Corinthi&euml;rs 3,1-3.] En elders zegt hij: &quot;En wij
+spreken wijsheid onder de volmaakten.&quot; [Footnote: I Corinthi&euml;rs 2,6.] Paulus
+maakte dus hetzelfde onderscheid als de Meester:
+voor hen die vleeschelijk waren, voor de jonge
+kinderen in Christus, sprak hij zonder geestelijke
+wijsheid; die wijsheid werd slechts gegeven aan de
+volmaakten, dat is, aan hen die ingewijd waren in
+de mysteri&euml;n der kerk. Want deze uitdrukking &quot;de
+volmaakten&quot; is het oude woord voor de ingewijden;
+zij moesten volmaakt zijn in het uiterlijke leven,
+voordat zij werden toegelaten tot de kennis der
+mysteri&euml;n van Jezus. Vervolgens vinden wij dat
+Paulus aan Timothe&uuml;s, dien hij wijdde tot bisschop
+der kerk, beval op zijn beurt uit de geloovigen diegenen
+te kiezen, die in staat zouden zijn meer te
+leeren en dat hij aan dezen het Woord moest mededeelen,
+dat hij zelf had ontvangen voor vele getuigen.
+Hier hebben wij weer een uitdrukking die
+in de oudheid veel werd gebruikt: &quot;het Woord,&quot;
+het Woord dat gegeven werd voor vele getuigen.
+Wat is dat Woord, dat Paulus gaf aan Timothe&uuml;s,
+in tegenwoordigheid van vele getuigen en dat hij
+hem beval over te geven aan hen die het waardig
+zouden zijn? Dit Woord, gesproken voor vele getuigen,
+is de geheime leering der mysteri&euml;n, welke
+nooit op schrift is gesteld, welke nooit werd gegeven
+in eenigen vorm, waarin zij kon worden verraden,
+<!-- Page 63 -->maar altijd slechts gesproken werd van mond tot
+oor, van leeraar tot leerling, in tegenwoordigheid
+van vele getuigen, die konden instaan voor de
+nauwkeurigheid der ongeschreven overlevering, die
+konden getuigen dat de leeraar het Woord goed had
+overgebracht, dat hem gegeven was om aan anderen
+over te leveren. Het Woord, door Timothe&uuml;s van
+Paulus ontvangen in tegenwoordigheid van vele getuigen,
+is het esoterisch Christendom, mondeling geleerd
+aan hen die waardig waren zelf leeraars te worden.</p>
+
+<p>Wij hebben gezien, eerstens hoe Jezus zelf de
+mysteri&euml;n slechts leerde aan enkele leerlingen, en
+tot de menigte sprak in gelijkenissen, vervolgens hoe
+Paulus als apostel op dezelfde wijze te werk ging
+en aan Timothe&uuml;s beval het Woord op zijne beurt
+verder te geven, zoodat wij thans in de derde plaats
+komen tot de latere bisschoppen en kerkvaders,
+die verklaren dat zij de geheime leering hadden
+ontvangen en ze op hunne beurt hadden over te leveren
+aan hen die zich daartoe waardig toonden. Tot
+nog toe heb ik slechts aanhalingen gedaan uit het
+Nieuwe Testament dat naar ik veronderstel ieder
+uwer bekend zal zijn. Thans zal ik eenige schrijvers
+aanhalen uit de vroegste geschiedenis der kerk, die
+u misschien niet bekend zullen zijn, maar die gij
+toch ook zelf lezen kunt, hetzij in het Latijn of het
+Grieksch, zoo gij die talen verstaat, of anders in
+uw eigene taal overgezet. De kennis van de geschriften
+der oude kerkvaders is noodig voor ieder
+die als prediker van het Christendom optreedt.
+Zonder die kennis is hij niet geschikt zich leeraar
+van het Christendom te noemen.</p>
+
+<p><!-- Page 64 -->Een van die bisschoppen nu was Clemens van
+Alexandrie, een der meest geleerde en wijze mannen
+der Christelijke kerk, die het aanzien der kerk heeft
+verhoogd door de zuiverheid van zijn leven, door
+de diepte zijner wijsheid. Terecht heeft de dankbare
+kerk hem in latere dagen als een heilige beschouwd.
+Groot is het aantal geschriften dat hij
+heeft nagelaten tot leering der Christenen. In een
+van deze geschriften spreekt hij over de kennis, die
+door de kerk was overgeleverd van den tijd van
+Jezus tot op zijn tijd toe, het onderricht dat Jezus
+gaf aan zijn apostelen, en dat na hem van geslacht
+op geslacht was overgegaan. Hij zegt: &quot;Deze leering
+werd van den beginne af slechts gesproken tot hen
+die begrijpen. De ongeschreven uitlegging der geschrevene
+woorden, die door den Heiland aan de
+apostelen gegeven werd, is tot ons overgeleverd.&quot;
+[Footnote: Stromata 6,15.]
+Hier hebben wij de getuigenis van een der bisschoppen
+van de oude kerk, dat er een onderricht van
+Jezus was, niet geschreven, maar door Jezus gegeven
+aan de apostelen, en door de kerk bewaard als een
+ongeschreven overlevering. Dezelfde getuigenis geeft
+Origenes, een ander kerkvader. Hij zegt dat Jezus
+met zijne discipelen in het bijzonder sprak over het
+evangelie Gods, dat de woorden welke hij sprak
+niet werden bewaard in geschrifte, en dat zij de
+verklaring vormden der gelijkenissen. Slechts zij ontvingen
+die leering, die waardig waren haar te ontvangen;
+hij zegt dat allen die deze leering zullen ontvangen,
+in bewondering zullen staan over hare wijsheid.
+Maar er is nog meer: dezelfde Clemens, die spreekt
+<!-- Page 65 -->over de ongeschreven leering van Jezus, vertelt ons
+ook dat hij zelf in zijn openbare prediking slechts
+zwakke, onvolmaakte beelden kon geven, maar dat zij
+die geslagen waren met den thyrsus, de beteekenis
+ervan zouden begrijpen. Geslagen te zijn met den
+thyrsus nu beteekent te zijn ingewijd, want de thyrsus
+was een roede, die bij de inwijding gebruikt werd,
+bij welke gelegenheid de persoon die ingewijd werd in
+trance werd gebracht, om de ziel te bevrijden van het
+lichaam. Wanneer de kandidaat voor de inwijding
+voor den leeraar was gebracht, ontving hij eerst
+door mondelinge leering de kennis, waarvan ik reeds
+gesproken heb en daarna werd hij geslagen met de
+roede, welke als voertuig diende voor magnetische
+krachten, welke in den kandidaat de innerlijke
+krachten der ziel deden ontwaken, en de ziel in
+staat stelden zich vrij te maken van het lichaam en
+zoo hoogere leering te ontvangen in de onzichtbare
+wereld, vrij van den last van het lichaam. Deze
+uitdrukking nu: &quot;Geslagen met de roede&quot; beteekent
+ingewijd in de mysteri&euml;n. Clemens vertelt ons hiervan
+nog iets meer, licht een hoekje van den sluier
+op, en ontdekt ons een weinig van wat daarachter
+verborgen is. Hij deelt ons de voorwaarden mede
+waaronder de mensch de inwijding kan ontvangen,
+en de eerste woorden welke door den leeraar bij
+het begin van de inwijdingsplechtigheid werden
+gesproken. Hij vertelt ons dat uit de lidmaten der kerk,
+uit hen die gedoopt waren en aan het Heilige Avondmaal
+hadden deelgenomen, dat uit die velen zeer weinigen
+werden gekozen: &quot;velen zijn geroepen&quot;, zegt hij,
+de woorden van Jezus aanhalende, &quot;maar weinigen
+<!-- Page 66 -->uitverkoren.&quot; Hij zegt verder van die uitverkorenen:
+wie vrij is, niet slechts van alle laagheid, maar ook
+van wat de menschen als geringere zonden beschouwen,
+slechts hij kan worden ingewijd in de mysteri&euml;n
+van Jezus, welke alleen door de heiligen en reinen
+worden gekend. Daarna deelt hij de eerste woorden
+mede, welke bij de inwijding gesproken werden:
+Hij die als inwijder optreedt, overeenkomstig de
+voorschriften van Jezus, zal zeggen tot hen die rein
+zijn van harte: &quot;Hij wiens ziel zich gedurende langen
+tijd van geen kwaad bewust is, en in het bijzonder
+sinds hij zich overgaf aan de weldoende kracht van
+het Woord, laat de zoodanige hooren de leering, door
+Jezus in het geheim gesproken tot zijn waarachtige
+leerlingen.&quot; [Footnote: Contra Celsum 3,40.] Dit waren de eerste woorden, gesproken
+bij de Christelijke inwijdingsplechtigheid, dit was de
+eerste zin, door den hierophant tot den kandidaat
+gericht. Het verdere kan Clemens niet aanhalen,
+want dan begint de leering welke slechts gegeven kon
+worden in de mysteri&euml;n. Deze eerste woorden echter
+stellen de voorwaarde van reinheid en roepen den
+kandidaat op om te luisteren naar de leering, door
+Jezus in het geheim aan zijne leerlingen gegeven.</p>
+
+<p>Wat is er thans geworden van die leering?
+Wat heeft de kerk gedaan met deze heiligste nalatenschap
+van den Christus? Waar wordt nu het
+onderricht gevonden, dat Jezus zijnen leerlingen in
+het geheim gaf? Waar zijn nu de mysteri&euml;n van
+Jezus, en degenen die den kandidaat zouden kunnen
+inwijden in de kennis, die aan de vroegere Christenen
+werd meegedeeld? Is de kerk trouweloos ge<!-- Page 67 -->weest
+in het bewaren van haren schat? Heeft zij
+de overlevering verloren, en ook degenen aan wie
+deze was toevertrouwd? Indien dit waar is, geen
+wonder dan dat de ongeloovige instaat is het geloof
+der Christenen te doen wankelen, geen wonder dan
+dat honderden van de meest ontwikkelde menschen
+worden gevonden buiten de grenzen der Christelijke
+kerk.</p>
+
+<p>Is het mogelijk die verloren kennis te herwinnen?
+Is het mogelijk deze leering weer te vinden,
+nu ze verdwenen is uit den schoot der kerk? Ja,
+die leering is nooit werkelijk verloren gegaan, de
+kennis van de mysteri&euml;n is nooit geheel en al verdwenen.
+Zij is bewaard door Jezus zelf en door
+zijn trouwe leerlingen, en die leerlingen zijn nooit
+geheel en al van de aarde verdwenen. Hier en daar
+werd er altijd nog een gevonden, die de duisternis
+om zich verlichtte, een heilige, stralend als een ster
+aan den donkeren hemel, in het bezit van eerste-hands
+kennis, de kennis van de oude mysteri&euml;n van Jezus.
+Nu en dan verscheen zulk een leerling in den schoot
+der Christelijke kerk, ingewijd en onderwezen gelijk
+voorheen, evenals de Christenen van vroeger, in het
+bezit van onmiddellijke leering, welke hem in staat
+stelde als leeraar op te treden. En hiertoe zijn
+slechts zij in staat, die zelf de onmiddellijke leerlingen
+zijn van de Meesters. Sedert de overlevering
+van haar bestaan uit de kerk verdwenen is, wordt
+de geheime leering nog altijd overgedragen van den
+een op den ander, zoo vaak er iemand gevonden
+wordt die waardig is ze te ontvangen. En met die
+leering gaat samen het vermogen om wat men ver<!-- Page 68 -->keerdelijk
+&quot;wonderen&quot; noemt te verrichten, het gebruiken
+van natuurkrachten, welke de gewone menschen
+niet kennen. Gij zult u herinneren hoe Jezus
+gezegd heeft dat zekere teekenen hen zouden vergezellen,
+die geloofden; dat zij vergif zouden drinken
+zonder dat het hun schaadde, dat zij door handoplegging
+zieken zouden genezen; aan deze teekenen,
+zeide hij, zouden waarlijk geloovigen worden herkend.</p>
+
+<p>Hoevele Christenen vertoonen thans deze teekenen
+van het levend geloof? In welke mate zijn die
+krachten in het bezit der Christenleeraars van onze
+hedendaagsche kerk? Hier en daar in de middeleeuwen
+vinden wij er nog sporen van, zooals de
+wonderen, verricht door Franciscus van Assisi en
+Elisabeth van Hongarije, wonderen, niet in den zin
+van een schending der natuurwetten, want zulk een
+schending is onmogelijk, maar wonderen, mogelijk
+gemaakt door de kennis eener hoogere wet, welke
+op lagere gebieden niet kan worden ontdekt, door
+gebruik te maken van geestelijke krachten welker
+werking de groote menigte der menschen niet kent.</p>
+
+<p>In den aanvang van deze voordracht sprak ik
+u nog van een ander soort van bewijs dat kon
+worden gegeven om het bestaan van de esoterische
+kennis aan te toonen. Voor hen toch die deze
+kennis bezitten is het mogelijk de duistere en moeilijke
+plaatsen in de Schrift te begrijpen en te verklaren,
+plaatsen welke altijd struikelblokken zijn geweest
+voor den Christen, maar toch voor een eenvoudige
+verklaring vatbaar zijn, wanneer men slechts
+den esoterischen kant der godsdienstige leering onderzocht
+heeft. Laten wij bijvoorbeeld enkele plaat<!-- Page 69 -->sen
+nemen uit het Nieuwe Testament, welke moeilijk
+zijn te begrijpen en waarin de hedendaagsche Christenen
+niet gelooven, en die altijd weggeredeneerd
+worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van den
+jongeling, die tot Jezus kwam en hem vroeg hoe hij
+het eeuwige leven be&euml;rven kon. Het eerste antwoord
+dat Jezus hem gaf was het exoterische. &quot;Gij
+weet de geboden&quot;. Dit is juist wat thans de predikant
+zou zeggen tot iemand, die hem kwam vragen
+hoe hij het eeuwige leven zou kunnen verkrijgen.
+Zijn antwoord zou wezen: &quot;leid een goed leven op
+aarde&quot;. Dit was ook het eerste antwoord dat Jezus
+gaf, maar de jongeling was hiermede niet tevreden.
+Hij wist dat dit slechts het exoterische antwoord
+was, niet het diepere dat hij zocht. Het wees hem
+den weg niet dien hij wenschte te vinden. Daarom
+antwoordde hij: &quot;Meester, deze dingen heb ik onderhouden
+van mijne jonkheid af&quot;. Dit is het antwoord
+dat ieder moet kunnen geven, die naar de diepere
+wijsheid verlangt. Aan de uiterlijke wet moet zijn
+voldaan, voordat de innerlijke leering kan worden
+verkregen. Toen gaf Jezus een ander antwoord:
+&quot;E&eacute;n ding ontbreekt u, ga henen, verkoop al wat
+gij hebt en geef het den armen, en gij zult een
+schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem
+het kruis op en volg mij&quot;. Toen ging de jonge man
+treurig heen, want hij had vele goederen; en Jezus
+wendde zich tot zijne discipelen, die alles verlaten
+hadden om hem te volgen, en sprak: &quot;Het is lichter
+dat een kemel ga door het oog van een naald, dan
+dat een rijke in het koninkrijk Gods inga.&quot;
+[Footnote: Marcus 10, 17-26.]</p>
+
+<p><!-- Page 70 -->Hoe dikwijls worden tegenwoordig deze laatste
+woorden weggeredeneerd. Hoe vele predikers hebben
+er over gepreekt en ze van hun beteekenis
+beroofd. Hoe dikwijls hebt gij misschien in uwe
+jeugd aan uw leeraar gevraagd, gelijk ik het mijn
+leermeester vroeg: &quot;wat beteekenen toch die woorden?
+Is het waar dat een rijke niet gemakkelijker het
+koninkrijk Gods binnengaan kan dan een kemel kan
+gaan door het oog eener naald?&quot; Maar mijn leermeester
+redeneerde de moeilijkheid weg en zeide
+mij dat het beteekent dat een rijke even goed als
+een arme het eeuwige leven kan verwerven, dat het
+iets anders beteekent dan het zegt, dat het betrekking
+heeft op een poort in Jeruzalem waar een
+kameel slechts onbeladen door kon gaan; en dat
+het wilde zeggen dat een rijke vele moeilijkheden
+heeft en aan vele verleidingen blootstaat, maar niet
+dat hij in het geheel niet zou kunnen binnengaan
+in het koninkrijk Gods. De groote menigte der
+Christenen schijnt het ook niet op te vatten in den
+zin, zooals het door Jezus is gezegd, want overal
+ziet gij de menschen hard werken om rijkdommen
+te verwerven, en als zij dachten dat zij daardoor
+het eeuwige leven zouden verliezen, zouden zij wel
+niet zoo hard werken om in de hel te komen; zoodat
+wij vrij zeker kunnen zijn dat zij in woorden
+van Jezus als de aangehaalde volstrekt niet gelooven.
+Dit is het noodzakelijk gevolg van het verloren gaan
+der esoterische kennis. Wat is de beteekenis van
+deze uitdrukking: &quot;het koninkrijk Gods?&quot; Zij wordt
+altijd gebruikt voor &quot;inwijding in de mysteri&euml;n&quot;. Zij
+die willen binnengaan in het koninkrijk Gods moeten
+<!-- Page 71 -->volmaakt worden, niet zooals de mensch van de
+wereld, die na den dood in den hemel komt, om
+na verloop van tijd terug te komen, meer te leeren
+en meer ondervinding op te doen,&mdash;het eeuwige
+leven is niet het vertoeven in een voorbijgaanden
+hemel, het is de kennis van God, het is de vereeniging
+met de Godheid zelf. En die kennis van
+God die het eeuwige leven is, is het koninkrijk
+Gods, waarin slechts de volmaakte kan binnengaan.
+En het is altijd een vaste wet geweest dat ieder
+mensch, voordat hij wordt ingewijd, alles moet afstaan
+wat hij bezit, dat hij niets meer als zijn eigendom
+beschouwen moet, wat in de oogen der wereld
+het zijne is. De gelofte van armoede is altijd de
+gelofte van den ingewijde geweest; niemand kan
+inwijding bereiken die niet deze gelofte doet in haar
+wijdste beteekenis: niet slechts wat zijn aardsche
+goederen aangaat, maar aangaande alles wat hij
+bezit, zij het rijkdom van verstand of rijkdom van
+hart of rijkdom der aarde. Hij staat ze alle af en
+deelt ze met de wereld, hij beschouwt ze niet langer
+als de zijne. Indien geld in zijne handen komt, is
+het niet het zijne, moet het niet worden gebruikt
+voor zijn persoonlijke behoeften: het behoort aan
+het werk van zijn Meester. Hij bezit niets dat hij
+voor zichzelf gebruiken kan. Indien hij kennis
+bezit is die niet de zijne, maar hij bezit die om de
+wereld te onderwijzen. Hij bezit zijne kennis slechts
+om ze te kunnen geven aan anderen; hij heeft geen
+rechten, hij kent slechts plichten jegens de menschheid.
+Voor zichzelf kent hij geen rechten van eenigen
+aard. Hij staat alles af wat het zijne is. En
+<!-- Page 72 -->toen Jezus zeide dat hij die volmaakt wil worden
+alles verkoopen moet wat hij heeft en hem volgen,
+zeide hij slechts wat iedere Meester zegt tot den
+leerling die inwijding bereiken wil: &quot;Gij moet alles
+afstaan wat gij bezit, gij moet u ontdoen van al
+wat gij hebt.&quot; Een harde voorwaarde, zeker: hard
+voor hem wiens hart nog hangt aan de wereld,
+hard voor hem die nog geeft om de schatten der
+aarde; maar licht voor hem die het hoogere leven
+zoekt, die naar diepere wijsheid verlangt, die het
+lagere leven wil opofferen om het hoogere te vinden,
+die het vleesch wil kruisigen opdat hij in God met
+Christus vereenigd kan zijn.</p>
+
+<p>Wij zullen thans een tweede spreuk van Jezus
+nemen: &quot;Wijd is de poort en breed is de weg die
+tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve
+ingaan; want de poort is eng en de weg is
+nauw die tot het leven leidt, en weinigen zijn er
+die dezelve vinden.&quot; [Footnote: Matthe&uuml;s 7,13.] Hoevele liefhebbende harten
+treuren over deze woorden, van hoevele vrome
+Christenen breekt het hart bij het denken aan deze
+woorden van Jezus. Weinigen die binnentreden,
+velen die ten verderve gaan, weinigen die redding
+vinden, velen die den breeden weg, weinigen die
+het smalle pad volgen! Wat is de beteekenis van
+deze woorden? Zij zeggen hetzelfde wat Jezus bedoelde
+toen hij sprak tot den jongeling. De breede
+en gemakkelijke weg is de gewone weg van de
+menschen der wereld, die leidt van geboorte naar
+dood, van dood naar geboorte, van geboorte weer
+terug naar den dood, door steeds herhaalden kring<!-- Page 73 -->loop
+van dood en geboorte. Zulk een leven is dood,
+niet leven, in de oogen van den verlichte. De weg
+welke tot het leven leidt is de weg welke van wedergeboorte
+bevrijdt, is het pad der inwijding, dat leidt
+tot dien tempel Gods, welken niemand verlaat, nadat
+hij hem is binnengetreden. Weinigen inderdaad zijn
+er op het tegenwoordig standpunt van de ontwikkeling
+der wereld, die dezen weg betreden, weinigen
+worden er gevonden onder de millioenen der menschheid,
+die sterk genoeg zijn om de moeilijkheden
+van het enge pad te overwinnen. Maar in den loop
+der eeuwen zullen allen dit pad vinden en betreden,
+en geen menschelijke ziel zal vervallen tot
+eeuwig verderf.</p>
+
+<p>Er is nog een gezegde van Jezus, dat moeilijk
+is te begrijpen: &quot;Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk
+uw Vader die in de hemelen is volmaakt is.&quot;
+[Footnote: Matthe&uuml;s 5,48.]
+Dat is weer een bevel dat door de meeste menschen
+wordt weggeredeneerd, omdat zij gevoelen dat de
+vervulling onmogelijk is voor zondige menschen, voor
+mannen en vrouwen vol zwakheden en dwaasheden,
+alledaagsch en wereldsch, bekrompen in hun opvattingen,
+overgegeven aan de genoegens der wereld.
+Hoe zouden zij volmaakt kunnen worden gelijk God
+in den hemel volmaakt is? Bracht Jezus dan zijn leerlingen
+op een dwaalspoor, toen hij hun een bevel gaf
+dat zij onmogelijk uitvoeren konden? Kon hij, die de
+waarheid Gods zelf was, een gebod geven dat niet
+kon worden opgevolgd? Neen! Het is voor den
+mensch mogelijk, volmaakt te worden gelijk God
+volmaakt is, niet in &eacute;&eacute;n kort leven, niet in twintig
+<!-- Page 74 -->of veertig of honderd jaar, niet in het &eacute;&eacute;ne korte
+tijdperk tusschen de wieg en het graf, tusschen geboorte
+en dood. Dit is slechts &eacute;&eacute;n stap naar een
+volmaking als die van God. Maar leven volgt op
+leven, groei volgt op groei. Ieder volgend leven kan
+dichter bij de volmaking worden gebracht, ieder volgend
+leven zamelt den oogst van het voorgaande in.
+Met steeds vermeerderende kracht, met steeds toenemenden
+groei stijgen de menschen tot de volmaking,
+in de voetstappen van den Heiland. In de lange
+eeuwen die voor ons zich uitstrekken zal de goddelijke
+volmaking worden bereikt.</p>
+
+<p>Laten wij van deze op zich zelf staande teksten
+afstappen en een leerstuk der Christelijke kerk beschouwen
+dat voor velen moeilijk te gelooven is,
+en dat dikwijls wordt aangevallen: de leer der drie&euml;enheid.
+God een eenheid en toch drievoudig, drie
+personen en toch &eacute;&eacute;n God. Velen hebben zich over
+dit leerstuk verbaasd en zijn ten laatste tot de overtuiging
+gekomen, dat zij dit niet konden begrijpen,
+dat blind geloof moet aannemen wat het verstand niet
+begrijpen kan. Maar in de esoterische leering der
+mysteri&euml;n werd de leer der drie&euml;enheid begrijpelijk
+gemaakt, werd zij een verheffende en helpende kracht.
+Deze geheele leering kan niet openbaar worden gemaakt,
+maar een deel ervan kan hier worden besproken;
+en dit kan eenig licht werpen op ons onderwerp. In
+iederen godsdienst wordt de drie&euml;enheid geleerd:
+de Vader, die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan
+voorstelt, en uit den Vader de Zoon en de Geest.
+De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is.
+God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, van
+<!-- Page 75 -->onbegrensd Vermogen in alle openbaringen voor als
+de Eeuwige Vader, het midden-leven van het heelal.
+Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van
+het aanzicht van liefde der Godheid, van liefde en
+gelukzaligheid tevens, de tweede persoon in de drie&euml;enheid,
+de tweede Logos, zooals hij dikwijls genoemd
+wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen
+kant de openbaring van mededoogen, van alomvattende
+liefde, aan de andere zijde van eeuwige, oneindige
+gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is
+dat van wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard
+als de Geest, het goddelijk denkvermogen. Toen
+God zich openbaarde als scheppende kracht, als het
+algemeen denkvermogen, werd hij de derde Logos,
+de derde persoon in de drie&euml;enheid. God is in
+wezen &eacute;&eacute;n, drievoudig in zijn openbaring, het &eacute;&eacute;ne
+Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer
+wij spreken van de drie personen van de drie&euml;enheid,
+zijn dit slechts drie aanzichten, waarin de
+godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en begrijpelijk
+voor den mensch.</p>
+
+<p>De drie&euml;enheid, die in de godheid is, weerkaatst
+zich in den mensch, ook de mensch is een drie&euml;enheid,
+het beeld van God. In den mensch heeft de goddelijke
+drie&euml;enheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt
+in den voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen
+aard van de godheid, en ontwikkelt in zijn inwezen
+de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft van
+God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het
+verstand, de weerkaatsing van den derden persoon
+der goddelijke drie&euml;enheid, daarna wordt de Zoon
+in hem geboren, de geest van den Christus, van
+<!-- Page 76 -->alomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het
+kenmerk van den mensch in wien dit tweede aanzicht
+zich ontwikkelt, die van den derden trap tot den
+tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle
+menschen in zich omvat. Dit is de geest van den
+Christus, en naarmate de mensch dezen ontwikkelt
+wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor
+de laatste openbaring in den mensch. Niet alleen
+de ontwikkeling van het verstand, de weerkaatsing
+van den Geest, niet alleen de liefde, die wordt voorgesteld
+door het leven van den Zoon,&mdash;ook het
+leven van den Vader moet zich in den mensch openbaren.
+Hij moet gelijk worden aan de goddelijke
+Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging
+waarvan alle godsdiensten hebben geleerd, dat
+is het &eacute;&eacute;n-worden met den Vader, waarvan Christus
+tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal
+dien zij zouden bereiken. Het &eacute;&eacute;n-worden met den
+Vader is het einddoel der ontwikkeling van den
+mensch.</p>
+
+<p>In het grootste deel der menschen op aarde
+ontwikkelt zich thans het derde aanzicht der drie-eenheid,
+het verstand. Slechts hier en daar treffen
+wij menschen aan, in wie het leven van den Christus
+zich begint te ontvouwen. Wanneer dit leven
+volmaakt zal zijn, zal de vereeniging komen met den
+Vader, waarvan Paulus zegt: &quot;Daarna zal het einde
+zijn, wanneer hij het koninkrijk aan God en den
+zij alles in allen.&quot;[Footnote: 1 Corinthi&euml;rs 16, 24-28.] Dat is de zielsverrukking waarom
+ieder heilige bad, de vereeniging met God; dat is het</p>
+
+<br>
+
+<p><!-- Page 77 -->doel, dat de kroon is der menschelijke ontwikkeling.
+Aldus is de leering van het esoterisch Christendom,
+dieper, breeder, verheffender dan de uitwendige
+vorm, tot welken helaas de kerk zich bepaalt.
+Aldus leert het Goddelijk Weten, dat het uwe is
+door erfrecht, het uwe door de gave van den.
+Christus, het uwe krachtens uw geestelijke afkomst,
+het uwe door uw recht als leden eener Christelijke
+gemeenschap. En ik, die geleerd heb van die Meesters
+waarvan Jezus &eacute;&eacute;n is, ik, die door eigen ondervinding
+weet, dat deze leering kan worden verkregen, dat
+duizendmaal meer kan worden geweten dan hier
+mijne lippen uiten kunnen, ik kom tot u als bode,
+om u te herinneren aan uw erfrecht, ik kom tot u
+om u te herinneren aan het bestaan van goederen
+die de uwe zijn. Dat is de boodschap die ieder
+leerling op zijne beurt brengt aan iedere kerk, aan
+ieder geloof; niet iets nieuws brengt hij niet zich,
+slechts de herinnering aan wat oud is, maar nog
+steeds binnen menschelijk bereik. Aan u om dit
+pad te betreden, aan u om die kennis te verwerven,
+aan u om de gelegenheid aan te nemen, die de
+leering der Theosofie u brengt, de leering die dezelfde
+is als esoterisch Christendom. De gelegenheid wordt
+u geboden, aan u haar aan te nemen of te laten,
+gelijk gij dat wilt.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="Het_verhaal_van_den_Christus"></a><h2><!-- Page 78 --><b>Het verhaal van den Christus</b></h2>
+<br>
+
+<p>Ik zal hedenavond het verhaal van den Christus
+beschouwen van het standpunt van den Occultist,
+Wanneer wij enkel als Theosofen spreken, trachten
+wij het verhaal van den Christus duidelijk te maken
+in zijn geestelijke beteekenis. Wanneer wij ons
+echter op het standpunt van den Occultist plaatsen
+kunnen wij verder gaan. Wij kunnen terugzien
+naar de archieven van het verleden en deze onderzoeken,
+wij kunnen terugzien tot het leven, zooals
+dat negentien eeuwen geleden werd geleid en het
+stap voor stap bestudeeren. Maar ik moet u herinneren
+dat de inhoud dezer occulte archieven niet
+langs geschiedkundigen weg bewezen kan worden.
+Het is waarschijnlijk dat in de eerstvolgende twintig
+jaren eenige oude handschriften zullen worden gevonden,
+welke dezen inhoud tot op zekere hoogte
+zullen bevestigen, maar op het oogenblik zijn deze
+handschriften nog niet door de oudheidkundigen
+ontdekt. Daarom stel ik mij voor mijn onderwerp
+niet van den kant der gewone geschiedenis maar
+van het standpunt van den Occultist te beschouwen,
+en naarmate ik verder ga zult gij zien dat deze
+wijze van beschouwing vele moeilijkheden in de
+<!-- Page 79 -->evangeli&euml;n uit den weg ruimt, en dat zij u in staat
+stelt al wat in die evangeli&euml;n van waarde is te
+redden uit de aanvallen der geschiedkundige kritiek.
+Zij stelt u in staat het Christendom te baseeren op
+een leven, meer dan op een handschrift en alles te
+begrijpen wat van werkelijk belang is in het verhaal
+van den Christus, beschouwd als een mystiek verhaal
+en als een feit uit de geschiedenis.</p>
+
+<p>Hat verhaal is vanzelf in twee deelen te splitsen,
+welke wij in onze beschouwing zullen moeten
+scheiden. De &eacute;&eacute;ne afdeeling behandelt den geschiedkundigen
+Jezus en omvat tevens de zonnemyten
+welke door zijne levensbeschrijving geweven zijn.
+In de tweede afdeeling spreken wij niet over den
+geschiedkundigen Jezus maar over den mystieken
+Christus, en deze vertegenwoordigt in een opzicht
+den tweeden Logos, en in een ander de individu&euml;le
+ziel, welke goddelijkheid bereikt.</p>
+
+<p>In de evangelie-verhalen en in het geloof der
+kerk zijn deze beide gedeelten niet scherp gescheiden.
+Wat tot het &eacute;&eacute;ne behoort wordt dikwijls gerekend
+bij het andere. Dit geeft tot veel verwarring aanleiding
+en biedt menig zwak punt voor de aanvallen
+van den ongeloovigen kritikus. Naarmate wij deze
+draden ontwarren zult gij beider waarde beter begrijpen
+en zult gij ook het groote belang inzien, dat
+het geheel voor de menschheid heeft.</p>
+
+<p>Laten wij eerst het verhaal van den geschiedkundigen
+Jezus nemen, en de zonnemyten welke
+daarmede zijn tezamen geweven.</p>
+
+<p>Jezus werd geboren uit Joodsche ouders, ongeveer
+honderd jaar v&oacute;&oacute;r het tijdstip dat gewoon<!-- Page 80 -->lijk
+wordt opgegeven. Hij werd opgevoed onder
+de Esseers, een Joodsche sekte van zeer rein leven
+en diep godsdienstig gevoel. Zij waren ongehuwd,
+zij aten geen vleesch en dronken geen wijn, en
+waren ook buitengewoon weldadig en medelijdend.
+Kinderen, die als weezen waren achtergebleven, namen
+zij tot zich om ze in hun midden op te voeden.
+Behalve de weezen werden dikwijls ook andere kinderen
+van goede afkomst aan hunne zorg toevertrouwd
+wegens de reinheid van hun leven en de
+wijsheid welke zij bezaten, en die hun groote waarde
+gaf als onderwijzers. Onder deze heilige menschen
+bracht Jezus zijn jeugd door. Hij muntte uit door
+zijn buitengewone reinheid en godsdienstige toewijding,
+welke zich op twee wijzen toonde: in zijne
+vurige aanbidding van God en zijn voortdurend
+streven om zijne medemenschen te helpen. Deze
+beide karaktertrekken waren buitengewoon sterk in
+hem ontwikkeld: de liefde tot God welke hem
+leidde tot lange uren van overpeinzing en de liefde
+tot de menschen welke hem krachtig werkzaam deed
+zijn om allen te helpen die smart leden. Deze
+toewijding ging zooals ik reeds zeide gepaard aan
+een buitengewone reinheid. Toen hij den mannelijken
+leeftijd naderde trok hij naar Egypte. Hij trok van
+de gemeenschap der Esseers in het Zuiden van
+Palestina tot een dergelijke gemeenschap op den
+berg Sina&iuml; en naderhand in Egypte. In dit land
+bestudeerde hij de oude wijsheid der Egyptenaren
+en hij werd ingewijd in hunne mysteri&euml;n. Op
+omstreeks 27-jarigen leeftijd keerde hij naar Palestina
+terug, en begon zijnen verwanten en vrien<!-- Page 81 -->den
+onderricht te geven in wat hij geleerd had.</p>
+
+<p>Te dien tijde nu was in de wereld een nieuwe
+aandrang van geestelijkheid noodig geworden. De
+tijd voor het ontstaan der westersche volkeren brak
+aan. Reeds ontwikkelden zich jonge rijken welke
+de kiem van toekomstige grootheid in zich droegen.
+De beschaving waartoe zij zich zouden ontwikkelen
+zou van geheel anderen aard zijn dan die van het
+Oosten. Het verstand dezer nieuwe volken zou
+krachtig en werkzaam van aard zijn. De omstandigheden
+van hun klimaat zouden ijver en krachtsontwikkeling
+eischen. De godsdienst welke bij de
+vorming van deze beschaving daartoe dienstig zou
+zijn moest ethisch en praktisch zijn, eenvoudig van
+wijsbegeerte, helder van leering. Deze godsdienst
+werd geschonken door de groote Broederschap
+uit welke alle godsdiensten voortgekomen zijn, en
+Jezus was het voor die taak uitgekozen werktuig.
+Hij was voor dit werk bijzonder geschikt door zijn
+reinheid en toewijding. Toen hij ongeveer dertig
+jaar oud was kwam voor hem de tijd zijn werk te
+beginnen. Een bijzondere nederdaling van goddelijke
+kracht kwam in hem en scheidde hem af van
+de overigen van zijn ras. Deze nederdaling maakte
+hem in zeer bijzonderen zin tot den vertegenwoordiger,
+tot den bode van God. Van deze nederdaling
+wordt gesproken als van zijn &quot;doop&quot; en gij
+zult u herinneren hoe in het verhaal van dien doop
+gezegd wordt dat de geest Gods op hem nederdaalde.
+Van dien tijd af, gedurende de jaren zijner
+prediking, kan men Jezus beschouwen als een vleeschwording
+van het goddelijk Leven. Het is belangrijk,
+<!-- Page 82 -->in gedachte te houden dat dit een uitstorting van
+het goddelijk Leven in den mensch Jezus was, en
+dat de &quot;doop&quot; het tijdstip was waarop die uitstorting
+plaats vond. Van toen af werd hij de prediker
+van een zuiverder geloof voor de westersche wereld.
+Hij werd door de Joden wegens godslastering gedood
+nadat hij ongeveer drie jaren onder hen had gewerkt.</p>
+
+<p>Vele van de verhalen welke wij in de evangeli&euml;n
+vinden behooren niet tot het werkelijk leven van
+dezen grooten leeraar, maar zijn verhalen welke zich
+rondom dat leven hebben gegroepeerd doch ook in
+verband met andere leeraars aan de wereld bekend
+zijn geweest. Het is uit dit punt dat de aanvallen van
+ongeloovigen met zonnemyte-argumenten hun kracht
+putten. Enkele menschen, zooals Strauss en anderen,
+hebben getracht het geschiedkundig karakter van
+Jezus geheel te vernietigen. Maar dat is een overdrijving
+van ongeloovige kritiek, welke niet kan
+worden gehandhaafd door kennis welke op goede
+grondslagen berust. Wat hun aanval kracht heeft
+gegeven is het feit dat enkele dezer verhalen reeds
+sedert duizenden jaren bestaan hebben. Het verhaal
+bijvoorbeeld van de geboorte van Jezus uit een
+maagd, wat de kerk aanneemt dat plaats heeft gevonden
+op den 25e December, is een van deze
+zonnemyten. In de oudste Christelijke handschriften
+wordt de geboorte van Christus aangegeven op verschillende
+tijden van het jaar. In het eene verhaal
+wordt hij geboren in Mei, in een ander in Juli, in
+een derde in September. Eerst in de zevende eeuw
+werd de 25^e December algemeen als Kerstdag erkend,
+en dit is de datum welke reeds van de oudste tijden
+<!-- Page 83 -->her genoemd is als de datum van de geboorte van
+een vleeschgeworden godheid. Het is de datum
+waarop Mithra, de zonnegod der Perzen, werd geboren,
+het is de dag waarop Osiris, de zonnegod
+der Egyptenaren, het licht zag. Deze dag wordt als
+feestdag beschouwd in alle groote godsdiensten
+welke tegenwoordig op aarde bestaan. Dit feit berust
+hierop, dat de zon beschouwd wordt als de
+vertegenwoordiger Gods. Alle licht en leven in een
+zonnestelsel komt van den zon, gelijk alle licht en
+leven in het heelal komt van God. En in alle godsdiensten
+der oudheid werd de zon beschouwd als
+het symbool voor God, niet als Hemzelf, maar toch
+als een symbool waaraan de grootste eerbied verschuldigd
+was. En daar de dag in het winter-stilstandspunt
+het kortst is, zeide men dat dan de geboorte
+van den zon plaats vond. De Christenkerk
+heeft dat tijdstip ook aangenomen voor de geboorte
+van Jezus, en dit feit wordt gebruikt als bewijsgrond
+om aan te toonen, dat Jezus niet anders is dan een
+zonnegod.</p>
+
+<p>Wat de datum van zijn dood betreft: het is
+u bekend dat de dag van de kruisiging niet op een
+vasten datum gesteld wordt, maar op een datum
+welke ieder jaar verandert en berekend wordt uit de
+standen van zon en maan, zoodat deze dag niet een
+geschiedkundige, maar een sterrekundige datum is.
+Een geschiedkundige verjaardag kan natuurlijk op
+deze wijze niet worden vastgesteld en zij die het
+Christendom vijandig gezind zijn, gebruiken dit als
+een bewijsgrond tegen dezen godsdienst. Het is
+daarom van belang op te merken dat deze datums
+<!-- Page 84 -->inderdaad niet uitsluitend op het Christendom betrekking
+hebben, en dat de werkelijkheid van het
+leven en den dood van Jezus niet van deze sterrekundige
+gegevens afhangen. Ook vele andere verhalen,
+aan het leven van Jezus verbonden, hebben
+reeds lang voor zijn geboorte bestaan. Dit was
+aan de eerste kerkvaders en bisschoppen zeer goed
+bekend. Zij beschouwden het echter nooit als een
+bewijsgrond tegen de werkelijkheid van het leven
+van Jezus, en trachtten nooit den hoogeren ouderdom
+van die heidensche verhalen, zooals zij genoemd
+worden, in twijfel te trekken. De waarheid van de
+verhalen aangaande het leven van Jezus is deze:
+dat hij een man was, vol goddelijken geest, gezonden
+om een nieuwen godsdienst te stichten; dat hij een
+leven leidde van wonderbare toewijding en reinheid;
+dat hij de diepste geestelijke wijsheid leeraarde; dat
+hij werken van medelijden en liefde deed aan allen
+met wie hij in aanraking kwam en dat hij eindelijk
+wegens godslastering door de Joden gedood werd.
+Dit zijn de voornaamste feiten betreffende het leven
+van Jezus, welke geschiedkundig juist zijn. En zooals
+ik zeide bestaat de waarschijnlijkheid dat binnenkort
+handschriften zullen worden ontdekt welke aan
+de wetenschap geschiedkundige gegevens zullen verschaffen.
+Maar de wonderbaarlijke geboorte in December
+en de kruisiging omtrent den tijd der lentenachtevening
+behooren tot de zonnemyten, niet tot
+de geschiedenis. In de oudste handschriften welke
+wij thans bezitten vinden wij deze datums niet vermeld
+en onder de vroegste Christenen werden deze
+punten niet van belang geacht. Eerst gedurende de
+<!-- Page 85 -->ontwikkeling der kerk hebben zij belang gekregen als
+dogmata, en een der redenen waarom het van belang
+was deze datums vast te stellen, was dat zij ook
+reeds heidensche feestdagen waren en behoorden tot
+de verschillende vormen van zonaanbidding welke
+in het Westen verspreid waren. De jonge kerk nam
+deze feestdagen over en schakelde ze in de geschiedenis
+van Jezus, daar men toen de vrees nog niet
+kende voor den ongeloovigen kritikus der negentiende
+eeuw.</p>
+
+<p>Het verhaal van den Christus is van geheel
+anderen aard. Het woord &quot;Christus&quot; is niet een
+naam die toebehoort aan &eacute;&eacute;nen enkeling maar een
+titel welke een zekeren rang aanduidt en sedert
+onheuglijke tijden gebruikt werd om een zekeren
+graad van inwijding aan te duiden. Ieder ingewijde
+die voorbij een zekeren graad van inwijding is,
+wordt een Christus genoemd, welk woord &quot;de gezalfde&quot;
+beteekent. De zalving is een deel van de
+plechtigheid van die inwijding, zoodat de inwijding
+den mensch tot een &quot;gezalfde&quot; maakt. Ik zeide u
+reeds dat het verhaal van den Christus van twee&euml;rlei
+standpunt kan worden beschouwd, en wel in de
+eerste plaats als een kosmisch verhaal, betrekking
+hebbende op het heelal. In dit kosmisch verhaal
+stelt Christus den tweeden Logos voor, den tweeden
+persoon in de drie&euml;enheid. Deze tweede persoon in
+de drie&euml;enheid wordt in het Christendom erkend
+als de God-mensch en de geschiedkundige Jezus
+wordt met dien God-mensch vereenzelvigd. Het
+kosmische verhaal is in het kort het volgende:
+De tweede Logos, de tweede persoon in de drie&euml;en<!-- Page 86 -->heid,
+daalde neder in de stof, om aan deze zijn
+leven te geven: hij gaf zijn leven aan ieder schepsel
+dat ontstond. Hij is het van wien Johannes schrijft:
+&quot;Het Woord was bij God, en het Woord was God.
+Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder
+hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is&quot;. [Footnote: Johannes 1, 1&mdash;3] In
+het oude verhaal van deze nederdaling in de stof
+wordt gezegd dat de tweede Logos in de stof gekruisigd
+is. Dit wil zeggen dat het leven van God
+is gegeven om het leven van alle levende wezens te
+zijn en dat God de banden der stof op zich nam,
+om dit leven mogelijk te maken.</p>
+
+<p>Deze kosmische gebeurtenis wordt herhaald in
+de geschiedenis van iedere menschelijke ziel, want
+wat in het heelal geschiedt, gebeurt ook in het
+kleine heelal, in den mensch. Wanneer wij het verhaal
+van den Christus toepassen op de menschelijke
+ziel, geven wij het in den vorm waarin het door de
+Christelijke mystieken werd beschouwd. De ziel
+des menschen wordt beschouwd als voortgekomen
+uit God. Door een lange reeks van aardlevens ontwikkelt
+zij de eigenschap van verstand, begripsvermogen,
+denken, de weerkaatsing van den Heiligen
+Geest of den derden persoon in de drie&euml;enheid.
+De geest van den mensch wordt, van dit standpunt
+gezien, beschouwd als het beeld van God. Hij is
+een drie&euml;enheid in zijn wezen evenals God een
+drie&euml;enheid is, en de ontwikkeling van het leven,
+van die drie&euml;enheid in den mensch vervalt vanzelf
+in drie onderdeelen: de eerste stap is die, waardoor
+het denkvermogen wordt ontwikkeld; deze stap
+<!-- Page 87 -->is den Theosoof bekend als de ontwikkeling van
+Manas, het denkvermogen. Manas is in den mensch
+de vertegenwoordiger van Mahat in den Kosmos, of
+om de Christelijke uitdrukking te gebruiken, de
+vertegenwoordiger van den Heiligen Geest. Dit zich
+ontwikkelende verstand is het derde aanzicht der
+menschelijke drie&euml;enheid. Dit standpunt van ontwikkeling
+is het standpunt waarop de menschheid
+zich tegenwoordig bevindt, en deze ontwikkeling van
+Manas moet vrij ver gevorderd zijn voordat de tweede
+stap kan worden gedaan, welke bestaat in de ontwikkeling
+van het tweede aanzicht der drie&euml;enheid
+in den mensch, de ontwikkeling van den Zoon, of
+den Christus. Het kenmerkende van dit standpunt
+van ontwikkeling is niet gelegen in de ontvouwing van
+het verstand, maar van de liefde. Het is gelegen in
+de erkenning van alle mensch en als &eacute;&eacute;n, niet als een
+gevolgtrekking door denken, maar door de ontwikkeling
+van dit tweede aanzicht der drie&euml;enheid, van
+wat wij Buddhi noemen. Buddhi beteekent voor den
+Theosoof wat Christus beteekent voor den Christen.
+Wanneer de mensch gereed is den Christus in zich
+te beginnen te ontwikkelen ontvangt hij de eerste
+van de groote inwijdingen. Bij deze inwijding zegt
+men dat hij geestelijk geboren wordt; het is de tweede
+geboorte of de geboorte uit den geest waarvan Jezus
+sprak. Deze inwijding wordt de tweede geboorte
+genoemd, omdat zij den tweeden persoon in de
+menschelijke drie&euml;enheid in werking brengt. Door
+die inwijding ontwaakt Buddhi in den mensch en
+begint zich te uiten, of in de Christelijke symboliek:
+bij die inwijding wordt Jezus geboren uit den schoot
+<!-- Page 88 -->der maagd. Deze geboorte werd steeds een onbevlekte
+genoemd, een geboorte uit een maagd, omdat
+zij niet is een geboorte uit het vleesch, maar
+een geboorte uit den geest. Om deze reden ook
+zeide Jezus dat een mensch gelijk een kind moest
+worden om het koninkrijk Gods binnen te gaan. In
+het geheele onderwijs van Jezus heeft de uitdrukking:
+&quot;het koninkrijk Gods&quot; de beteekenis van &quot;inwijding&quot;
+en de nieuw-ingewijde wordt een &quot;kind&quot; genoemd.
+Gij herinnert u ook dat Paulus van zijn bekeerlingen
+hoopte dat Christus een gestalte in hen mocht
+krijgen. Zij waren gedoopt als lidmaten der kerk,
+zij hadden deelgenomen aan het Avondmaal, en
+toch noemde hij het zijn hoogsten wensch, dat Christus
+in hen mocht worden geboren. Hieruit blijkt dat
+de geboorte van Christus in den mensch niet beteekent
+lidmaat te worden van de kerk, maar iets
+hoogers waarnaar de Christen moet streven. Een
+van de redenen waarom de inwijding &quot;de geboorte
+van den Christus&quot; werd genoemd is dat de mensch
+die deze eerste der groote inwijdingen ontvangt,
+voor de eerste maal het bewustzijn van het buddhisch
+gebied ondervindt. Hij wordt door zijnen
+Meester tot dat gebied gevoerd: door de aanraking
+van den Meester wordt hij voor de eerste maal
+bewust op dat gebied. Dan begrijpt hij wat eenheid
+beteekent: hij gevoelt dat hij &eacute;&eacute;n is met al wat
+bestaat, hij ondervindt dat hij niet afgescheiden
+is, maar een deel van het groote geheel; hij begrijpt
+het niet door verstandelijke inspanning, maar ondervindt
+het door onmiddellijk bewustzijn. Dan begint
+in den ingewijde het leven van den Christus, en
+<!-- Page 89 -->langzamerhand neemt hij dien geest van liefde en
+mededoogen in zich op. Zoo ontwikkelt de Christus
+in hem. Nog twee andere inwijdingen moet hij
+doormaken terwijl hij nog altijd als onvolwassen beschouwd
+wordt. Dan komt de tijd voor den mystieken
+doop, die overeenkomt met den doop van den
+mensch Jezus. Deze doop is de inwijding van den
+Arhat. Van dien tijd af is het bewustzijn van den
+ingewijde voortdurend op het buddhisch gebied.
+V&oacute;&oacute;r deze inwijding wordt zijn bewustzijn van tijd
+tot tijd daarheen overgebracht, maar wanneer zij
+heeft plaats gevonden, en de doop des geestes ontvangen
+is wordt het buddhisch bewustzijn zijn gewone
+bewustzijn, en begint hij langzamerhand het
+nirvanisch bewustzijn te verwerven. Het bewustzijn
+op het buddhisch gebied wordt genoemd het leven
+van den Zoon, die altijd in den hemel is bij zijnen
+Vader, en toch op aarde wandelt onder de menschen
+als &eacute;&eacute;n van hen. Wanneer de mensch dezen trap
+heeft bereikt, kan hij een Heiland der menschheid
+worden, want daar zijn bewustzijn &eacute;&eacute;n is met dat
+van alle menschen kan hij met hen deelen al wat
+hij heeft, daar hij zelf zuiver is kan hij naast de
+menschen staan in hun zonde, daar hij zich zijn
+geheele verleden herinnert kan hij medevoelen met
+den slechtste. Alleen de Christus kan de vriend
+zijn van den laagste, want daar hij zelf tot zonde
+niet meer in staat is kan hij met den zondaar in
+de nauwste aanraking zijn zonder gevaar voor zijn
+eigen reinheid. Alleen de Christus kan den zondaar
+werkelijke hulp brengen, want slechts hij kan
+gevoelen, wat die zondaar gevoelt, en door de ver<!-- Page 90 -->eeniging
+van zijn bewustzijn die hulp brengen, welke
+noodig is. De mensch die geheel buiten den zondaar
+staat kan hem niet werkelijk helpen. Slechts
+hij die zijn bewustzijn kan vereenigen met dat van
+den zondaar kan geven wat noodig is. Daarom
+wordt zulk een mensch terecht een Heiland der
+wereld genoemd.</p>
+
+<p>Na al deze inwijdingen komt de mystieke kruisiging.
+De Arhat offert zich geheel en al op voor
+het welzijn der wereld. Hij geeft al wat hij bezit
+opdat het der menschheid ten goede moge komen.
+Hij verzaakt alle afgescheiden leven, opdat zijn leven
+het leven der menschen zijn moge. Hij neemt niets
+voor zichzelf opdat de menschheid alles moge ontvangen,
+en deze laatste daad van opoffering wordt
+de &quot;kruisiging&quot; genoemd. Door dien dood van het
+lagere rijst de ingewijde tot het goddelijk leven.
+Hij wordt &eacute;&eacute;n met den Vader, hij stijgt boven het
+leven der wereld. Om de Theosofische uitdrukking
+te gebruiken: Buddhi gaat op in &Acirc;tm&acirc;; de Arhat
+wordt daardoor een Meester. In de Christelijke
+spreekwijze zegt men: de Zoon wordt &eacute;&eacute;n met den
+Vader en, in den hemel opgestegen, zit hij aan de
+rechterhand Gods. Dit &quot;zitten aan de rechterhand
+Gods&quot; is een zinnebeeldige uitdrukking, welke
+beteekent dat hij de goddelijke krachten bezit. Hij
+is in staat om een werktuig te zijn van de godheid
+voor de ontwikkeling der menschheid en iedere
+Zoon, die de eenheid met den Vader bereikt heeft
+wordt een van de krachten die de wereld vooruit
+helpen, zoodat door zijn ontwikkeling die der geheele
+menschheid wordt bevorderd.</p>
+
+<p><!-- Page 91 -->Aldus luidt het verhaal van den Christus, beschouwd
+als de geschiedenis van den geest in den
+mensch. Het is het verhaal der inwijdingen, die in
+de vroegere kerk bekend waren onder den naam:
+&quot;de mysteri&euml;n van Jezus.&quot; Aan de oningewijden
+werd het gegeven in den vorm van de geschiedenis
+van den Christus. Dit verhaal van de inwijding der
+menschelijke ziel werd samengeweven met de geschiedenis
+van het leven van Jezus, en verloor zijn
+verheffende kracht omdat men het toepaste op het
+uitwendig leven van &eacute;&eacute;n mensch, in plaats van op
+het innerlijk leven van den geest. Maar bij de
+Christelijke mystieken is het verhaal in zijn innerlijke
+beteekenis bewaard gebleven. Wij vinden het
+terug in de overpeinzingen der heiligen, waar zij
+zich vereenigen met den Christus en zich &eacute;&eacute;n gevoelen
+met den Meester. Het gebed van Jezus dat
+zijn discipelen &eacute;&eacute;n mochten worden in hem en met
+hem &eacute;&eacute;n in den Vader, schijnt door de tegenwoordige
+Christenen vergeten te zijn.</p>
+
+<p>Het is een deel van de zending der Theosofie,
+aan het Christendom de mystiek terug te brengen
+welke het verloren heeft. Voor millioenen menschen
+in Europa is de Christelijke symboliek degene welke
+zij het gemakkelijkst kunnen begrijpen. Indien wij
+tot hen spreken van Manas, Buddhi en &Acirc;tm&acirc;, begrijpen
+zij ons niet. Indien wij hun echter aantoonen,
+dat hun eigene woorden dezelfde beteekenis
+hebben, kunnen wij ons doel bereiken. Wanneer
+wij hun vertellen, dat zij Buddhi kunnen ontwikkelen,
+en dat Buddhi kan opgaan in &Acirc;tm&acirc;, weten zij niet
+wat wij bedoelen. Maar wanneer wij hun leeren
+<!-- Page 92 -->dat de Christus in hen kan worden geboren, en
+dat zij &eacute;&eacute;n kunnen worden in den Vader, zien zij
+onze bedoeling. Wij moeten de Christenen helpen
+te begrijpen: dat het verhaal van den Christus niet
+betrekking heeft op &eacute;&eacute;n enkel mensch, maar dat
+het de geschiedenis der ziel is, die zich tot volmaking
+ontwikkelt, dat ieder mensch een Christus
+moet worden, dat dit voor ieder mensch mogelijk is.
+Dat is juist de kracht van de geschiedenis van Jezus,
+bedoeld als een voorbeeld voor allen, en een groot
+deel der waarde van zijn leven gaat verloren, wanneer
+zijn geschiedenis wordt beschouwd als die van het
+uiterlijk leven van eenen Heiland, in plaats van als
+een beeld van het geestelijk leven.</p>
+
+<p>Nog &eacute;&eacute;n punt is er betreffende den geschiedkundigen
+Jezus, dat van groot belang is, namelijk
+dat hij nog leeft in een lichaam, als &eacute;&eacute;n van die
+groote Broederschap van Meesters waarvan de Theosofie
+ons leert. Hij vindt zijn bijzondere taak in
+de Christelijke kerk. Door die kerk kunnen nog
+heden de zielen hem als Meester bereiken; en zij
+die er toe zijn gekomen de Meesters te kennen,
+weten dat Jezus &eacute;&eacute;n van hen is, en dat hij nog
+thans door Christenen kan worden bereikt. Maar
+de voorwaarden hiervoor zijn nog steeds dezelfde
+als immer te voren. Zij zijn neergelegd in de
+woorden van Jezus in de Christelijke evangeli&euml;n,
+woorden die letterlijk moeten worden gevolgd, en
+niet weggeredeneerd. Thans, gelijk oudtijds, moet
+de mensch die het leven van den Christus wil vinden
+het lagere leven dooden. Thans, gelijk voorheen,
+moet hij alles opgeven, wat behoort tot het per<!-- Page 93 -->soonlijk
+zelf. Nog heden, evenals vroeger, moet
+al zijn aandacht op geestelijke dingen zijn gericht
+en niet op aardsche. Wanneer deze voorwaarden
+vervuld zijn, zal Jezus, de Meester, zich aan den
+leerling openbaren; maar zoolang zijne woorden
+worden weggeredeneerd ter wille van wereldsche
+begeerten, zoolang de mensch tracht twee meesters
+te dienen, in twee werelden te leven, zoolang zal hij
+Jezus, den Meester, niet vinden, zal hij het leven
+van den Christus niet bereiken.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="Aanhangsel"></a><h2><b><!-- Page 94 -->Aanhangsel.</b></h2>
+
+
+
+<h4>DE THEOSOFISCHE VEREENIGING.</h4>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<p>De Theosofische Vereeniging is een internationaal
+lichaam, den 17<sup>den</sup> November 1875 te New-York
+gesticht.</p>
+
+<p>Haar doel is:</p>
+
+<p><i>
+I. Het vormen van een kern van de algemeene
+broederschap der menschheid, zonder aanzien
+van ras, geslacht, kaste of kleur.</i></p>
+
+<p><i>II. Het aanmoedigen van de vergelijkende studie
+van godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap.</i></p>
+
+<p><i>III. Het naspeuren van onverklaarde natuurwetten
+en van de ongeopenbaar de krachten in den
+mensch.
+</i></p>
+
+<p>Van deze drie doeleinden is alleen het eerste
+bindend voor alle leden terwijl de twee andere tot
+hulp voor de bereiking van het eerste dienen.</p>
+
+<p>Het volbrengen van het tweede, dat het Oosten
+en het Westen aan elkander ontsluiert strekt om misverstanden
+voortspruitende uit verschil van ras en godsdienstvorm
+uit den weg te ruimen en stelt ten dienste
+<!-- Page 95 -->van beiden de verborgen schatten van geestelijke
+kennis die beide bezitten. Ook het derde leidt tot
+broederschap daar het den mensch zich zelf en zijn
+omgeving leert kennen en hem ten slotte de geestelijke
+eenheid aantoont welke aan alle wezens ten
+grondslag ligt. Doch het nastreven van deze beide
+doeleinden vereischt bijzondere vermogens en bijzondere
+gelegenheden. Zij zijn daarom niet verplichtend
+voor alle leden doch worden naar vrije
+keuze nagestreefd door hen die zich daartoe aangetrokken
+gevoelen en die in staat zijn dat te doen.
+Daarom vindt iemand die hiervoor in het geheel
+geen belangstelling koestert, indien hij gelooft in
+menschelijke broederschap en willig is daarvoor te
+werken, een hartelijk welkom en een ruime plaats
+in de Theosofische Vereeniging.</p>
+
+<p>De leden der Vereeniging zijn meer verbonden
+door een ethischen dan door een verstandelijken
+band en hun eenheid berust op een verheven ideaal,
+niet op een omschreven geloof. De Vereeniging
+heeft geen geloofsstellingen, dringt aan op geen enkel
+geloof, schaart zich onder geen kerk, steunt geen
+partij, neemt geen deel aan de eindelooze kibbelarijen
+welke de maatschappij verdeelen en het nationaal,
+maatschappelijk en persoonlijk leven verbitteren. Zij
+tracht geen mensch van zijn eigen godsdienstvorm
+af te trekken, maar noopt hem integendeel in de
+diepten van zijn eigen godsdienst het geestelijk
+voedsel te zoeken dat hij noodig heeft. De uitkomsten
+der studie welke in het tweede doeleinde
+genoemd wordt biedt zij aan als voorwerpen van
+onderzoek, niet als geloofsstellingen waaraan blind
+<!-- Page 96 -->geloof moet worden geslagen. Dat ieder eens anders
+godsdienstige gevoelens evenzeer eerbiedigen zal als
+hij dat voor de zijne verwacht wordt gerekend tot
+een eervolle verplichting in de Vereeniging, en
+volkomen wederkeerige hoffelijkheid hierover wordt
+van de leden verwacht. Dit alles leidt meer en
+meer tot samenwerking in het zoeken naar waarheid,
+tot verzachting van vooroordeelen, tot vrijmaking
+van den geest en tot groei eener welwillende vriendelijkheid
+en gewilligheid te leeren. Zoo is de Vereeniging
+een beschermende muur tegen den tweelingsvijand
+van den mensch: bijgeloof en materialisme,
+en behoort zij waar zij ook komt een zachten en
+louterenden invloed van vrede en goeden wil te
+verspreiden en zoodoende een van de krachten te
+zijn die het betere willen te midden van den strijd
+der tegenwoordige beschaving.</p>
+
+
+
+<h4>LIDMAATSCHAP.</h4>
+<br>
+
+<p>Lidmaatschap kan worden verkregen op aanvrage
+aan den Algemeenen Secretaris eener Afdeeling
+of door middel van een der Loges of Centra der
+Vereeniging. Nadere inlichtingen hieromtrent worden
+op aanvrage gaarne verstrekt. Een exemplaar van
+de &quot;Wet en Regels&quot; der Theosofische Vereeniging
+en der Nederlandsche Afdeeling wordt, op verzoek
+aan den Algemeenen Secretaris, toegezonden.</p>
+
+<br>
+
+<p><h4>LIDMAATSCHAPSKOSTEN.</h4><p></p>
+<br>
+
+<p>De kosten van het lidmaatschap der Nederlandsche
+Afdeeling (insluitende het lidmaatschap der
+Theosofische Vereeniging) bedragen f 3.&mdash;per jaar
+en f 3.&mdash;intreegeld (&eacute;&eacute;nmaal). Deze bedragen
+<!-- Page 97 -->moeten bij de aanvrage tot lidmaatschap worden voldaan.</p>
+
+<p>In bijzondere gevallen kan ontheffing van geldelijke
+verplichtingen worden verleend.</p>
+
+
+
+<h4>ADMINISTRATIEVE INDEELING.</h4>
+<br>
+
+<p>In verschillende landen voor zooverre die een
+voldoend aantal leden tellen zijn Afdeelingen der
+Vereeniging gevormd. Deze Afdeelingen worden
+vertegenwoordigd door een Algemeenen Secretaris.
+Iedere Afdeeling is onderverdeeld in Loges en
+Centra. De Nederlandsche Afdeeling telt zeven
+Loges en twee Centra.</p>
+
+<p>President der Vereeniging is Col. H. S. Olcott
+te Adyar, Madras, Engelsch-Indi&euml;.</p>
+
+<p>De Algemeene Secretarissen van de Afdeelingen
+der Vereeniging zijn:</p>
+
+<p><u>Nederland</u>: W. B. Fricke, Amsterdam, 76,
+Amsteldijk.</p>
+
+<p><u>Amerika</u>: Alexander Fullerton; New-York,
+5, University Place.</p>
+
+<p><u>Europa</u>: G. R. S. Mead, B. A.; London, N. W.
+19, Avenue Road.</p>
+
+<p><u>Indi&euml;</u>: Bertram Keightley, M. A.; Upendranath
+Basu, M. A., LL. B., Benares.</p>
+
+<p><u>Australi&euml;</u>: J. Scott, M. A.; Sydney, N. S. W.,
+42, Margaret Street.</p>
+
+<p><u>Scandinavi&euml;</u>: A. Zettersten, Stockholm, 30,
+Nybrogatan.</p>
+
+<p><u>Nieuw-Zeeland</u>: Dr. C. W. Sanders;
+Auckland, Mutual Life Buildings, Lower Queen
+Street.</p>
+
+
+
+<h4><!-- Page 98 -->LIJST VAN LOGES EN CENTRA DER NEDERLANDSCHE AFDEELING.</h4>
+
+<p> <table border="1" align="left" width="100%">
+
+
+<tr>
+<th>PLAATS.</th> <th> VOORZITTER.</th> <th> SECRETARIS.</th> </tr>
+
+<tr> <td>AMSTERDAM:<br> *Amsterd. Loge. </td> <td><br> W. B. Fricke, Amsteldijk 76. </td> <td><br> H. Wierts van Coehoorn, Amsteld. 76. </td> </tr>
+
+<tr> <td>*V&acirc;hana Loge. </td> <td> K.P.C. de Bazel, Nic. Beetsstr. 118. </td> <td> Mej. Cato E. Gruntke, Overtoom 206. </td> </tr>
+
+
+<tr> <td>StudentenCentrum. </td> <td>J. W. Boissevain, Tesselschadestraat 4 </td> <td> J. J. Hallo Jr., Schotersingel 69, Haarlem. </td> </tr>
+
+<tr> <td>*GOUDA (Centrum). </td> <td>H. Reijnders, Lange Groenendaal 99</td> <td>&nbsp; </td> </tr>
+
+
+<tr> <td>*'s GRAVENHAGE. </td> <td> F.J.B. van der Beek, Wilhelminastr. 35.</td> <td> Mej. C.J. de Prez, Wilhelminastr. 35. </td> </tr>
+
+
+<tr> <td>*HAARLEM. </td> <td> Johan van Manen. </td> <td> J. J. Hallo Jr., Schotersingel 69. </td> </tr>
+
+<tr> <td>*HELDER. </td> <td> T. van Zuylen, Spoorstraat 138 </td> <td>S. Gazan, Kanaalweg 121. </td> </tr>
+
+
+<tr><td>ROTTERDAM. </td> <td>H. W. Hagenberg, Noordsingel 140 </td> <td> J. A. Terwiel, 2e Crooswijksche Dwarsstraat 6</td> </tr>
+
+
+<tr> <td> VLAARDINGEN. </td> <td> D. de Lange Dz., Oosthavenkade. </td> <td>&nbsp; </td> </tr>
+</table>
+
+&nbsp;
+
+ <p></p>
+
+
+<p>&nbsp; </p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>* De met een sterretje geteekende Loges bezitten boekerijen. </p>
+
+<hr style="width: 65%;">
+<p><h4><!-- Page 99 -->BOEKEN OVER THEOSOFIE.</h4><p></p>
+<br>
+
+<p>Daar de Theosofische Vereeniging gesticht is in Engelsch
+sprekende landen en zich voornamelijk daar heeft verbreid gedurende
+de eerste 20 jaren van haar bestaan zijn de meeste
+en beste boeken over Theosofie in het Engelsen geschreven.
+Deze, meest uitgegeven door de &quot;<i>Theosophical Publishing Society</i>&quot;
+te Londen, zijn alle te verkrijgen van haren uitsluitenden
+vertegenwoordiger voor Nederland, de &quot;<i>Theosofische Uitgeversmaatschappij</i>&quot;
+(Afdeeling Boekhandel), Amsterdam, Amsteldijk
+76. Uitgebreide catalogi worden op aanvrage toegezonden.</p>
+
+<p>In het Nederlandsch zijn door de &quot;Theosofische Uitgeversmaatschappij&quot;
+de volgende werkjes uitgegeven welke tegen overmaking
+van den bijvermelden prijs van haar verkrijgbaar zijn.</p>
+
+
+<p>THEOSOPHIA, Maandblad, prijs per jaargang f 2,50 </p>
+<p>.......... Vorige jaargangen zijn in beperkt aantal nog verkrijgbaar tegen f .50 per jaargang.</p>
+<p>.......... Kaarten van Atlantis behoorende bij den 6en Jaargang van "Theosophia", per stel (vier stuks), f 1.50.</p>
+
+<p>A. BESANT, Kort begrip der Theosofie (f 0.15)</p>
+
+<p>SNOWDEN WARD, Karma en Re&iuml;ncarnatie (f 0.10)</p>
+
+<p>MULTASPERO, Eerste kennismaking met de Theosofie (f 0.25)</p>
+
+<p>AFRA, Eenvoudige schets der Theosofie (f 0.25)</p>
+
+<p>A. BESANT, De evolutie der ziel, het doel van 't leven (f 0.10)</p>
+
+<p>A. BESANT, Yoga voor den mensch in de maatschappij (f 0.10)</p>
+<!-- Page 100 -->
+
+<p>A. BESANT, Vier voordrachten over Theosofie, gebonden (f 0.60)</p>
+
+<p>A. BESANT, Levenstoestanden na den dood (f 0.20)</p>
+
+<p>A. BESANT, De Zeven Beginselen van den mensch, gebonden (f 0.60)</p>
+
+<p>JOHAN VAN MANEN, Korte levensschets van Annie Besant (f 0.10)</p>
+
+
+<p>Vele vertalingen van belangrijke Theosofische werken zijn
+in voorbereiding, terwijl in den loop van het jaar nog verscheidene
+kleinere en grootere werken zullen verschijnen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<h2>FOTOGRAFIËEN.</h2>
+
+
+<p>"H. P. B.&quot;,
+
+<p>........... Kabinetformaat (f 1.--) </p>
+
+<p>ANNIE BESANT,
+
+<p>........... Salonformaat (18 X 24) (f 3.--)
+
+<p>........... Kabinetformaat (f.1,--)
+
+<p>Bestellingen en betalingen te richten aan de &quot;<i>Theosofische
+Uitgeversmaatschappij</i>&quot;, Amsteldijk 76, Amsterdam.</p>
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12756 ***</div>
+</body>
+</html>
+
+
+
diff --git a/12756-h/images/anniebesant1.png b/12756-h/images/anniebesant1.png
new file mode 100644
index 0000000..70a9b5e
--- /dev/null
+++ b/12756-h/images/anniebesant1.png
Binary files differ
diff --git a/12756-h/images/anniebesant2.png b/12756-h/images/anniebesant2.png
new file mode 100644
index 0000000..de05626
--- /dev/null
+++ b/12756-h/images/anniebesant2.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..502dfad
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #12756 (https://www.gutenberg.org/ebooks/12756)
diff --git a/old/12756-8.txt b/old/12756-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..39c3cc3
--- /dev/null
+++ b/old/12756-8.txt
@@ -0,0 +1,2655 @@
+Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Vier Voordrachten over Theosofie
+
+Author: Annie Besant
+
+Release Date: June 28, 2004 [EBook #12756]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders
+Europe, http://dp.rastko.net.
+
+
+
+
+
+
+#VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE DOOR ANNIE BESANT#
+
+
+GEHOUDEN IN VERSCHILLENDE PLAATSEN VAN NEDERLAND IN JANUARI 1898
+
+
+[Illustratie]
+
+
+Gebaseerd op de uitgave gepubliceerd te Amsterdam, 1898.
+
+
+
+
+#INHOUD.#
+
+
+1. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een geschiedkundig oogpunt
+
+2. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een wetenschappelijk oogpunt
+
+3. Esoterisch Christendom
+
+4. Het verhaal van den Christus
+
+3. Aanhangsel. Inlichtingen over de Theosofische Vereeniging
+
+
+
+#VOORWOORD.#
+
+
+De vier voordrachten over Theosofie welke hierbij het Nederlandsch
+publiek worden aangeboden zijn door Mevrouw Annie Besant, L.T.V., in
+verschillende steden van ons land gehouden in den loop van de maand
+Januari, 1898.
+
+Een vijfde voordracht is, daar zij niet aansluit bij het
+aaneengeschakeld geheel van de vier in dit boekje vervatte, afzonderlijk
+uitgegeven onder den titel: Levenstoestanden na den dood.
+
+In snelschrift opgeteekend is het gesprokene woordelijk weergegeven;
+slechts in de voordracht over Esoterisch Christendom zijn enkele
+toespelingen op Bijbelplaatsen uitgelaten waar die alleen van toepassing
+waren op de Engelsche vertaling van den Bijbel (Mevrouw Besant sprak in
+het Engelsch) en niet op de van deze afwijkende Nederlandsche; die
+uitlatingen zijn alle van ondergeschikt belang.
+
+Aangehaalde werken of Bijbelplaatsen zijn in een noot aan den voet van
+de bladzijde aangeduid.
+
+Waar "goddelijk weten" staat werd door de spreekster "divine wisdom"
+gezegd.
+
+De voordracht "Het verhaal van den Christus" werd gericht tot een
+uitsluitend uit leden der Theosofische Vereeniging bestaand gehoor. De
+vragen naar aanleiding van deze voordracht gedaan worden met de daarop
+door Mevrouw Besant gegeven antwoorden opgenomen in het Maandblad
+"Theosophia". Enkele beknopte inlichtingen aangaande de Theosofische
+Vereeniging zijn ter wille van belangstellenden in een Aanhangsel aan
+dit werkje toegevoegd.
+
+J.J. HALLO JR.
+
+HAARLEM, l Maart 1898.
+
+[Illustratie: ANNIE BESANT]
+
+
+
+
+#De Theosofie en haar leeringen.#
+
+
+I
+
+
+Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond te overwinnen hebben:
+een vreemde taal is tusschen ons en zelfs voor hen die de taal kennen,
+waarin ik spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen.
+Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de taal is voor een
+spreker het instrument, dat hij bespeelt. Door de taal bereikt hij de
+harten en hoofden zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon
+voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt en vermindert de
+mogelijkheid dat hij de gedachten en gevoelens zijner hoorders bereikt.
+Toch moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen wat wij kunnen, en
+terwijl ik spreek zoo helder en eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe
+aandacht leent zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen
+en het onderwerp begrijpelijk te maken.
+
+Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare leeringen, en daar ik
+morgen te Haarlem over het zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het
+in twee deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke voordracht
+volledig zal maken. Ik zal hedenavond en morgen een verschillenden
+gedachtegang volgen, voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten
+mochten willen hooren.
+
+Diegenen onder u, die gedurende de laatste twintig jaren den
+ontwikkelingsgang van het denken in Europa hebben gevolgd, weten dat er
+één bijzondere richting van studie is, welke veel wordt gebruikt als
+een wapen tegen den godsdienst: de studie van Oostersche talen en
+Oostersche godsdiensten. De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's,
+der oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit de verschillende
+landen van Europa en bij het onderzoeken dezer godsdiensten hebben zij
+gezien hoeveel die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt, toen
+zij de verschillende Schriften der Chineezen, der Perzen, der
+Egyptenaren ter hand namen, dat deze alle dezelfde leering gaven: zij
+spreken omtrent God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van God als
+Één, het Éne Bestaan, zij spreken van God als immer geopenbaard in
+drieëenheid, in drievoudig aanzicht, terwijl iedere persoon in die
+drieëenheid zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al deze
+Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den mensch en zijnen aard;
+zij leeren dat de ziel des menschen onsterfelijk is, dat zijn aard
+samengesteld is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden begrepen;
+men zag dat in al deze Schriften der menschen ontwikkeling wordt
+geleerd, de ontwikkeling der ziel, welke de openbaring van den geest is
+in den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren dat enkele menschen
+hunne ontwikkeling hebbon voleindigd, hunnen groei als geestelijke
+wezens hebben voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch, goddelijk
+in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens van hoofd en van hart; en in
+al deze Schriften vond men geleeraard dat de menschen van heden kunnen
+groeien, gelijk die menschen uit het verleden zijn gegroeid, dat zij ook
+volmaakt kunnen worden en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen,
+stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe onontwikkeld ook, kan
+ontwikkelen tot den volmaakten, goddelijken mensch. Al deze dingen
+worden geleerd in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen
+deze vertaald waren in verschillende Europeesche talen, begreep men dat
+de wereld-godsdiensten veel gemeen hebben en dat de meeste
+leerstellingen van een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden
+worden in het Hindoeïsme, het Boeddhisme, de leeringen van Confucius en
+Lao-tse. Zij hebben alle zooveel gemeen, dat wij niet één godsdienst van
+de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking door de geleerden werd
+gedaan, toen deze boeken waren vertaald in verschillende talen en de
+menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken, was het eerste
+besluit, waartoe velen kwamen, dat alle godsdiensten als zij in den
+grond hetzelfde waren, één oorsprong moesten hebben, en dat zij geen
+goddelijke openbaring konden zijn, maar dat een andere bron moest worden
+gevonden, waaruit de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele
+geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind waren, trachtten hunne
+ontdekkingen te gebruiken om allen godsdienst te vernietigen en zeiden:
+Zij zijn alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid, uit de
+wijze waarop de mensen de natuur beschouwt: hij heeft de natuur
+verpersoonlijkt en er wezens in gezien; en daar die wezens machtiger
+waren dan hij, aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken dikwijls
+vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen kon, hoewel zijn leven en
+gemak van hem afhing, daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij
+zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien, moest de mensch in
+zijn onwetendheid denken dat al deze dingen goddelijke krachten, goden
+waren; en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen, die zij
+konden geven. En die geleerden zeiden dat zóó alle godsdienst was
+opgegroeid, dat hij steeds zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of
+animisme, en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had dan de
+menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond tegen de waarde van den
+godsdienst heeft veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op
+feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde leeren, dat zij
+alle dezelfde denkbeelden verkondigen, het was waar dat de groote
+leeraars allen hetzelfde zeiden, de een na den ander. De feiten, welke
+die geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen waren
+verkeerd. In het eerst begrepen de menschen het onderscheid niet
+tusschen deze beide dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden
+worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst.
+
+Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid der verschillende
+godsdiensten van een ander standpunt en zeide: ja, het is waar dat de
+leerstellingen van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een feit dat
+door niemand, die de geschiedenis heeft bestudeerd, kan worden ontkend.
+Wij zullen als voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen nemen,
+het "Klassieke Boek van de Reinheid," [Voetnoot: Ook in het
+Nederlandsch vertaald, in het Maandblad "Theosophia". Deel 5 (1897) blz.
+206.] een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol wijsheid, vol
+diepe geestelijke leering, dat ons verklaart hoe God zich in den mensch
+geopenbaard heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als die van
+God, hoe des menschen geest dezelfde is als de goddelijke geest, hoe
+echter het menschelijk verstand troebel is door begeerten, die tusschen
+zijn verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest in hem staan,
+hoe de hartstochten van zijn lichaam zijn vooruitgang tegenhouden, en
+hoe slechts wanneer zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn
+gekomen, de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen in den
+mensch. De leeringen van dit kleine Chineesche boekje, een der oudste
+geschriften die wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als het
+beste wat wij bezitten.
+
+Van de Chineezen overgaande tot de Indiërs vinden wij bij hen dezelfde
+leeringen en wanneer wij in Egypte de mummies opgraven en de banden
+loswikkelen waarin zij 10 à 20.000 jaar geleden werden gehuld, vinden
+wij geschriften die ons de bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte
+dezelfde leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid van de
+menschelijke ziel, omtrent de wijze waarop zij gaat door leven na leven,
+omtrent de lagere wereld waarin zij komt na den dood van het lichaam en
+de hemel-wereld waarin zij vertoeft na gezuiverd te zijn op lagere
+gebieden, omtrent haren daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar
+zij wederom wijsheid opdoet door ondervinding.
+
+Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden wij dezelfde leeringen,
+steeds weer door de groote leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft
+slechts één oorsprong, slechts ééne bron, en die bron is het goddelijk
+weten; niet de menschelijke onwetendheid, zooals vele geleerden dachten
+maar het goddelijk weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren,
+en dat steeds door volmaakte menschen van God tot de menschheid gebracht
+is. Dit goddelijk weten bevat in zich de kennis van al wat is, en een
+gedeelte ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid geschonken. De
+hoeveelheid die gegeven wordt hangt af van de beschaving van het volk,
+hangt af van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen, hangt
+af van den aard dergenen die deze kennis bezitten en van de kracht van
+hun pogen. In overeenstemming met al deze dingen verschilt steeds de
+wijze, waarop dat weten gegeven wordt, maar in den grond is het toch
+altijd hetzelfde: altijd leert het één goddelijk Bestaan, dat zich
+openbaart als drieëenheid, altijd leert het dat de mensch drievoudig is
+in zijn wezen gelijk God, en dat hij nog verder kan worden
+onderverdeeld, drievoudig in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne
+ontwikkeling; altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij
+niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt en groeit, leven
+na leven, en dat enkele menschen de volmaking bereikten en dan leeraars
+zijn geworden van het ras. Deze volmaakte menschen waren eens gelijk aan
+ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt gelijk de mannen en vrouwen van
+thans, maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen en groeiden
+en werden sterk en bereikten eindelijk de volmaking, gelijk wij de
+volmaking kunnen bereiken. En toen zij volmaakt waren, begonnen zij
+hunnen medemenschen te leeren, en vormden een groote Broederschap van
+leeraars; en van tijd tot tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat
+aan ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat ieder ras, ieder
+volk een godsdienst zou ontvangen, geschikt om het te helpen en te
+leeren. En de reden waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat
+zij altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap heeft
+bestaan, langen, langen tijd reeds voordat de beschaving van Europa
+ontstond, voordat zelfs Indië zijn beschaving ontving. Daar, waar thans
+de wateren van den Atlantischen Oceaan zich vergaren, was eens een groot
+vastland, dat begon waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de
+plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland had zich een hooge
+beschaving ontwikkeld. Sporen van die beschaving worden nog gevonden in
+Mexico en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen zijn overblijfsels
+van zeer oude steden ontdekt en daar zijn hieroglyphen en beelden
+aangetroffen, gelijkende op die welke men in Egypte gevonden heeft,
+zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika aan den anderen kant
+hetzelfde schrift en beeldhouwwerk is ontdekt. Dit toont ons dat er
+tusschen deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een grooten
+oceaan, eens gemeenschap is geweest. In Plato scholen, waar hetzelfde
+goddelijk weten werd geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid,
+zoodat de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden goddelijken
+grondslag. In Griekenland droegen deze leeringen het eerst den naam
+Theosofie, wat niets anders is dan het Grieksche woord voor goddelijk
+weten. De Grieken nu gaven dit weten niet slechts in den vorm van
+godsdienst, maar ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in
+vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indië en China, en de wijsbegeerte
+van Plato, zooals die op de scholen wordt onderwezen, berust op het
+goddelijk weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden en van den
+Logos, wanneer hij ons zegt dat de wereld in de gedachte van den Logos
+bestond, voordat zij zich voordeed als een stoffelijke verschijning,
+wanneer hij ons spreekt van denkbeelden die, bestaande in den
+goddelijken geest, één voor één worden uitgestort om de stoffelijke
+wereld op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk weten; en wanneer
+gij de leeringen van Pythagoras bestudeert en van hem leert dat de
+geheele wereld op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de
+geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren is samengesteld,
+dat alle steenen en kristallen en planten en dieren zijn gebouwd naar
+den grondslag van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat oude goddelijk
+weten, dat hij geleerd heeft in Indie, en dat hij naar Europa heeft
+overgebracht. Evenzoo is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert
+van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk weten, maar
+in den lateren tijd is de wiskunde eng en bekrompen gemaakt en volstrekt
+niet begrepen in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het goddelijk
+aanzicht ervan is verdwenen en slechts de vorm, de gedaante wordt
+gegeven als de wiskunde, terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken
+onderwezen, een aanzicht van het goddelijk weten was; hun leerde hoe de
+wereld gemaakt is en hoe de gang is der ontwikkeling, hoe de mensch
+langzamerhand wordt opgebouwd, hoe steenen en planten en dieren zijn
+gemaakt naar getal en naar vorm; hun een begrip gaf van de
+ontwikkelingsgeschiedenis der wereld. In den laatsten tijd begint de
+wetenschap bij hare natuurstudie de wetten weer te ontdekken, die het
+goddelijk weten onder de Grieken en Indiërs leerde in wijsbegeerte en
+wetenschap. En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en plantkunde
+bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen de wet leeren van getal,
+van vorm en van trilling; dat alle dingen door trilling worden
+opgebouwd, dat alle krachten door trilling hun werking voortplanten, en
+dat het aantal dezer trillingen in de sekonde den aard der kracht en
+haar werking bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder geluid
+trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen vorm, dat iedere
+noot overeenstemt met een vorm en een kleur, en naarmate wij deze
+trillingen en vormen en kleuren doorgronden, beginnen wij een begrip te
+krijgen, hoe de natuur haar opbouwend werk verricht. Uitgaande van de
+stoffelijke wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te
+ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren geleden leerde,
+terwijl het uitging van de hoogere wereld in plaats van uit de lagere,
+want het goddelijk weten daalt steeds van gedachte neder tot vorm, klimt
+niet op van vorm tot gedachte, terwijl de nieuwere wetenschap steeds
+begint met den uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de
+gedachte.
+
+Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen evengoed wijsbegeerte en
+wetenschap, als godsdienst. Het leerde den menschen niet slechts hoe de
+ziel kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden der wereld om hen
+heen, en de verborgenheden van het verstand, van de rede, van het
+begripsvermogen in den mensch.
+
+Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard, totdat vier of vijf
+eeuwen na Christus een groote verandering kwam in het Westen. Er
+ontstonden in de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij was die
+der ontwikkelde en wijze Christenen, die de oude leeringen hoog hielden
+en het goddelijk weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden,
+de groote menigte der onontwikkelden, die tot het Christendom waren
+aangetrokken door de zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid
+niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene, wat zij niet konden
+deelen, en haatten alle wijsheid, die zij niet konden begrijpen; en zij
+vormden eene groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis en
+wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat deze niets met godsdienst te
+maken hadden, dat zij niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts
+de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te begrijpen was, van
+belang was voor de menschelijke ziel. En daar er toen evenals nu veel
+meer onwetenden waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund
+werden door den val van het Romeinsche rijk, door oorlogen en invallen,
+door de staatkundige moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid van
+de groote menigte der armen, wier lot schromelijk was verwaarloosd,
+spanden al deze dingen samen tegen de kennis en voor de onwetendheid,
+zoodat de kennis uit het Christendom verloren ging en slechts de
+zedelijke en geestelijke leering bleef. Hiertoe werkte nog een andere
+oorzaak mede: in alle oude godsdiensten, en in het Christendom even goed
+als in alle andere, bestonden twee soorten van leeringen. De eene voor
+de groote menigte, eenvoudig en helder, omvatte slechts de zedelijke
+voorschriften, welke den menschen leerden een goed leven te leiden, een
+zeer eenvoudig verstandelijk onderricht, juist genoeg om de zeer
+onontwikkelden voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der
+broederschap en die der wedergeboorte, en de wet welke zegt dat des
+menschen daden hem zijn geluk of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de
+wet van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen zouden inzien, dat
+een goed leven, hier op aarde geleid, hun geluk zou brengen na den dood
+en een beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn weergekeerd.
+Deze dingen werden aan allen geleerd; maar meerdere kennis werd
+toevertrouwd aan hen, wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van
+de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk aan de wet van
+Christus gehoorzaamden, en die in hun uiterlijk leven een hoogen graad
+van reinheid hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat wij de
+mysteriën van Jezus noemen en kregen daar de innerlijke leering, welke
+slechts zij die een rein leven leidden, konden deelachtig worden. Deze
+innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit dezen kring kwamen
+de leeraars en bisschoppen en de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de
+menschen, die het Christendom prediken mochten, zoodat de kerk een groep
+van wijze menschen bezat, onderricht in diepere kennis, en door die
+kennis in staat om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die
+hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen. Want dit geheime
+onderricht was steeds praktisch. Het leerde den menschen hoe zij hun
+bewustzijn konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand
+bewust konden worden op hoogere gebieden van bestaan, hoe het leven der
+ziel kan worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het lichaam kan
+verlaten en in aanraking komen met de onzichtbare wereld. Het leerde hoe
+de ziel, na het lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen en
+kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld, hoe de ziel leering kan
+ontvangen van de engelen en geestelijke verstandswezens en zoo kennis
+verkrijgen die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen, hoe de
+ziel, van het lichaam bevrijd, de toestanden kan onderzoeken van het
+leven na den dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde,
+verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in plaats van uit den mond
+van andere menschen: in deze scholen verkregen de onderzoekers
+eerste-hands kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden den aard
+van den mensen begrijpen door eigen onderzoek, in plaats van af te
+hangen van de mededeelingen van anderen. Daardoor waren zij veel beter
+in staat onderricht te geven, dan zij die hun kennis slechts uit boeken
+hadden verkregen.
+
+Het gevolg van het bestaan van deze scholen in de kerk was dus dat er
+vele menschen waren die deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden,
+zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom. In de vijfde
+eeuw echter verdwenen deze scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit
+gebrek aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een fout die door
+vele menschen wordt begaan, is dat zij denken dat de leeraars de kennis
+terughouden. In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de kennis
+niet willen mededeelen, maar de leerlingen, die ze niet willen leeren,
+leeren op de eenige wijze waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze
+scholen van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen, want er
+waren niet genoeg menschen die het leven wilden leiden dat vereischt
+wordt voor leerlingen van het Occultisme; zij wilden dit leven niet
+leiden, maar slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden, en
+toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed waren. Zoo verdween
+langzamerhand de innerlijke school en slechts een zwakke overlevering
+van haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters der
+Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan verscheen in de middeleeuwen
+nog een heilige die door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij
+iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen van deze heiligen vinden
+wij in de geschiedenis der kerk vermeld; waarlijk groote,
+hoog-ontwikkelde zielen, die _wisten_ omtrent de onzichtbare wereld, en
+op de oude wijze onderricht geven konden, omdat zij wisten en kenden.
+Nu en dan zien wij een van hen verschijnen, doch hun aantal is gering:
+St. Elisabeth van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas à Kempis,
+de geleerde Thomas Aqumo, deze allen zijn de groote leeraars der kerk
+gedurende de middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk weten,
+dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd. Dan waren er nog andere
+menschen die een deel van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de
+Christelijke kerk hadden verkregen. Sommigen van hen kwamen uit het
+Oosten en anderen reisden als jonge menschen daarheen, en kwamen met de
+verkregen kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten behoorde
+Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen genomen en naar het Oosten
+gevoerd. Daar leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid en
+bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij de grondlegger werd van de
+nieuwere geneeskunde en scheikunde, waar hij leering bracht over de
+elementen der scheikunde en over het magnetisme, die vóór hem aan
+niemand bekend was geweest, en waar hij zieken genas, die geen ander
+genezen kon. Hij bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van deze
+menschen was Christian Rosenkreuz, die in de vijftiende eeuw leefde. In
+zijn jeugd reisde hij naar het Oosten en ontmoette daar een der groote
+leeraars, die hem iets mededeelde van het oude geheime weten, om dit
+terug te brengen aan de Christelijke kerk en om deze te ontwikkelen tot
+een meer geestelijk lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen en
+leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte de orde der
+Rozenkruisers. Zijn werk was een der pogingen om het oude weten in de
+westersche wereld terug te brengen. Een andere poging was die der
+alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat oude weten. Zij wisten
+dat er slechts één grondstof in de natuur bestaat en dat alle dingen uit
+die ééne grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de scheikunde een
+wetenschap is, die de eigenschappen van die ééne grondstof in al hare
+wijzigingen onderzoeken kan, en zij bestudeerden die wetenschap in het
+licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen vervolgden hen en
+lachten hen uit en noemden hen oplichters en kwakzalvers en bedriegers,
+doch in den tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde tot de
+ontdekking te komen van wat hun in de middeleeuwen bekend was.
+Tegenwoordig begint de scheikunde enkele der waarheden in te zien, die
+door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen hen nog uitlachte,
+toan niemand hen geloofde. Heden begint men te begrijpen dat er slechts
+ééne grondstof is, en dat alle dingen van die ééne grondstof gemaakt
+zijn en men begint zelfs weer te spreken van de mogelijkheid goud te
+maken uit zilver en zoo in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te
+doen, waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen en
+vervolgd,--nu drie of vierhonderd jaar geleden.
+
+Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult gij begrijpen dat de
+Theosofie in den eenen of anderen vorm steeds in de wereld is blijven
+bestaan als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap.
+
+Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke de behoeften van
+den tijd en de omstandigheden van het volk, waaraan de leeraar gezonden
+werd, medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen zij weer het oude
+weten aan de wereld leeraarde niets nieuws gaf. Het was slechts een
+nieuwe vorm, een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde wat
+er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst, wijsbegeerte en
+wetenschap. Toen zij begon hare leering te geven, gaf zij eerst den
+wijsgeerigen kant, leerde zij iets van den aard van het verstand, van de
+rede, en van den aard van den mensch en van het goddelijk Bestaan, de
+werkelijke wijsbegeerte die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna
+ging zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen God en den
+mensch, hoe de mensch een uitstorting is van God, een deel van het
+goddelijk leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen kan,
+hoe de menschelijke ziel zich kan ontplooien; en zij leerde weer wat
+vroeger in de Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het lichaam
+verlaten kan en in aanraking komen met groote geestelijke
+verstandswezens en met de Meesters, hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan
+en kennis opdoen uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan komen
+tot weten in plaats van gelooven. Toen zij dit alles leerde, gaf zij ons
+slechts weer wat reeds zoo dikwijls geleerd was in de groote
+godsdiensten van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken
+kant en leerde ons meer dan de mannen van de wetenschap van dien tijd
+wisten, en zeide zij ons welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen
+weinige jaren zouden worden gedaan; en vele van deze ontdekkingen zijn
+inderdaad gedaan sedert haren dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de
+ééne grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar uiterlijke
+verschijningsvormen heeft. In haar werk "De geheime Leer" sprak zij van
+een eigenschap der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke zij
+doordringbaarheid noemde, en welke in verband staat met helderziendheid.
+Vijf jaar na haren dood ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn,
+trillingen in de stof, welke in verband staan met helderziendheid en
+welke de mcnschen in staat stellen te zien wat de helderziende kan zien
+zonder werktuigen en hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde
+Röntgen-stralen, waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een been, als zij
+willen onderzoeken of het beschadigd is, kunnen fotografeeren ofschoon
+het voor het gewone oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is ook
+mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen. De mensch kan in
+zichzelf het vermogen ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen
+van Röntgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk lichaam te zien
+zonder hulp van eenig werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande de
+kennis van straling, van geluid en kleur leerde zij ons. Zij heeft ons
+bewezen dat de oude wijsheid beter licht kan werpen op de waarheden der
+nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf kan doen, en dat deze
+laatste eerst langzamerhand datgene ontdekt wat door ben die het oude
+weten bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen die zich het
+ontvangen van dit onderricht waardig betoonden. Zoo bracht H.P.
+Blavatsky ons dit weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten had,
+en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten verder moesten
+verspreiden, niet als iets nieuws maar als iets ouds, niet als een
+nieuwe ontdekking maar als overoud weten, door de menschen vergeten, en
+thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate wij zelven
+leerden, onderrichtten wij op onze beurt anderen, en wij bevonden dat
+dit goddelijk weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke de
+mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Wij
+bevonden dat wij zonder de werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap
+hare feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van de vermogens der
+ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld dat vele scheikundige waarheden door de
+goddelijke krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden verkregen
+dan door reagentiën en proefnemingen van allerlei aard. Wij bevonden dat
+de mensch in zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken en dat hij
+veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen zijner innerlijke krachten
+dan door het gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap. Maar tevens
+weten wij dit: de vermogens der menschelijke ziel zijn niet bestemd tot
+het doen van ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke beroemd
+te maken en rijk. Zal de kracht der menschelijke ziel worden gebruikt
+tot het doen van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden gebruikt
+voor het welzijn der menschheid, en niet ten voordeele van den éénen
+persoon, die de ontdekking doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp
+van deze krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid kan helpen,
+indien het ras er rijp voor is, aan allen gelijkelijk. Is het ras er nog
+niet rijp voor, dan behoort zij toe aan allen, die haar kunnen
+bevatten, niet aan den éénen mensch, die haar gemaakt heeft. Deze is
+slechts een pandhouder van de eigendommen der menschheid. Naarmate de
+Occultist zich ontwikkelt en meer leert en begrijpt wordt hij meer en
+meer een dienaar der menschheid in plaats van haar meester. Alle kracht
+welke hij verkrijgt wordt gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis
+welke hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner medemenschen
+te verminderen en den gang der menschelijke ontwikkeling te versnellen.
+Wanneer de menschen tot ons komen om met ons te studeeren, eerst de
+uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan zeggen wij hun steeds: Gij
+moet de broederschap der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij
+een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen belangen hebt buiten
+die van dat huisgezin, dat gij geen bezittingen hebt buiten die van dat
+huisgezin, dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die niet
+tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en wanneer gij wat ouder zult
+zijn en iets meer zult hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is
+dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren tot sneller
+ontwikkeling, opdat zij sneller mogen worden bevrijd van de ellenden der
+aarde en spoediger dan anders den vrede en het geluk mogen bereiken.
+Naarmate iemand werkelijk Theosoof wordt, moet hij meer en meer
+onzelfzuchtig worden; hoe meer hij leert, des te meer moet hij anderen
+dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des te grooter
+verantwoordelijkheid rust op hem om de lasten zijner medemenschen te
+verlichten. Het Occultisme brengt juist het tegengestelde van wat de
+wereld welslagen noemt. De wereld kent hèm welslagen toe, die rijkdom en
+welvaart verwerft voor zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen
+en zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene. Hij die slaagt in
+het verkrijgen van goddelijke wijsheid en kennis en kracht, bezit deze
+slechts in de mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner
+medemenschen. Hij gebruikt ze nooit om over anderen te heerschen, nooit
+om iets te verwerven voor zichzelf, nooit om zichzelf te verrijken ten
+koste van een ander, en gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe
+meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren, hoe meer hij begrijpt
+des te meer moet hij deelen met anderen, hoe sterker hij wordt des te
+grooter aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want de kracht van
+het Occultisme, van het goddelijk weten kan nooit dienen om den bezitter
+te doen uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om hen op te heffen
+tot eigene hoogte, slechts om hen te doen deelen in eigene kracht. Dat
+is het kernverschil tusschen de kennis der wereld en die van het
+goddelijk weten. De eerste maakt den mensch tot heerscher, de andere tot
+dienaar. Daarom zeide Jezus: "Indien iemand wil de eerste zijn, die zal
+de laatste van allen zijn, en aller dienaar." [Voetnoot: Marcus 9, 35.]
+Waarlijk groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid gegeven
+hebben.
+
+Het voorgaande is een schets van de geschiedenis der Theosofie in het
+verleden, van de geschiedenis van het goddelijk weten in godsdienst,
+wijsbegeerte en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid steeds
+trachtte der wereld leering te schenken, en hoe zij twee vormen van
+onderwijs deed ontstaan: het openbare voor allen, het bijzondere voor
+hen die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van den vooruitgang
+van het ras.
+
+Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk. In de uiterlijke
+Theosofische Vereeniging komen de menschen om de wetten, volgens welke
+de menschheid zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij deze wetten
+hebben geleerd en trachten hun leven voor anderen nuttig te maken, komt
+het innerlijk onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet gegeven
+kan worden. Deze twee vormen bestaan nog heden als in het verleden, en
+de Theosofische Vereeniging is een vereeniging van onderzoekers, waartoe
+een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte en wetenschap
+wil bestudeeren in de richting van het goddelijk weten en daarbinnen een
+groep van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de wereld hoog stelt
+en streven naar hooger ontwikkeling, teneinde helpers te worden voor de
+menschen rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens hunner ziel te
+ontplooien. Dat is ons werk, onze plicht. Zij, die zich tot dit werk
+voelen aangetrokken, kunnen in de Loges onzer vereeniging komen om
+onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig toont, kan een
+leerling worden in den dieperen zin van het woord, om een medewerker te
+worden voor den vooruitgang van het ras. Herinner u echter steeds dat
+het goddelijk weten niets anders heeft aan te bieden dan Zich en met
+zichzelf de kracht anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het biedt
+geen belooning in rijkdom, in gewone macht of kennis, maar dien
+innerlijken schat, die den mensch in staat stelt een zegen te worden
+voor zijn broeders, een mededrager van de lasten der wereld; en tot
+diegenen onder u wien het ernst is met dit streven, tot hen wendt zich
+de Theosofische Vereeniging en biedt hun het oud, goddelijk weten,
+waardoor zij helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel zenden de
+Meesters hun boden onder de menschen. Ieder, die ernstig wil, wordt de
+gelegenheid tot leeren gegeven.
+
+
+
+
+#Theosofie en haar leeringen.#
+
+
+II.
+
+
+Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over de Theosofie en haar
+leeringen, heb ik voor zoover dat in een korte voordracht mogelijk was,
+de geschiedenis der Theosofie geschetst. Ik heb haar verband met de
+groote godsdiensten der wereld aangeduid, hare verspreiding door de
+verschillende landen beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage
+de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar openlijken als in haar
+innerlijken vorm. Ik stel mij voor hedenavond het onderwerp van een
+anderen kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen zelve
+welke de Theosofie brengt, welke zij geeft om de menschheid te helpen,
+en ik zal u trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige toepassing
+vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk en geestelijk gebied, dat
+zij betrekking hebben op ieder deel van 's menschen samengestelden aard
+en hem een helder denkbeeld geven van de wereld waarin hij leeft, van
+den menschelijken samenstel en van de mogelijkheden, welke daarin
+verborgen liggen.
+
+Vóór alles dan begint het onderricht der Theosofie, het goddelijk weten,
+te spreken over het goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke
+betrekking van den mensch tot God. Het leert dat er één goddelijk
+Bestaan is, het Leven van al wat is; dat er slechts één goddelijk Leven
+is, één goddelijke werking, ééne kracht, welke overal bestaat in het
+heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven van God zich bevindt,
+dat overal waar dieren voelen kunnen of menschen kunnen denken, het
+leven van God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en plantenrijk
+steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven alle dingen; in het geheele
+heelal is geen leven buiten het goddelijk Leven. Dit ééne Bestaan ligt
+ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de Theosofie begint met
+het leeren van een grondeenheid, een wet van eenheid, van één-zijn alom;
+en deze eenheid spruit voort uit God, die de ééne bron is van alle
+bewustzijn, waar ook dat bewustzijn worde gevonden. De ontwikkeling van
+het bewustzijn in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden hunnen
+oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend tot zelf-bewustzijn,
+komt voort uit één bron, één oorsprong. Alle bewustzijn is één, wij
+kunnen het ééne niet scheiden van het andere, en de menschen van elkaar
+vervreemden alsof zij tegenover elkander stonden--zij komen allen van
+denzelfden stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde Leven, zij zijn
+allen een uitdrukking van hetzelfde goddelijk Bestaan. Deze eenheid van
+bewustzijn is ééne uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht in
+het heelal.
+
+Maar niet alleen alle bewustzijn is één, ook alle kracht is één, en hier
+stemt de wetenschap in met de Theosofie: er is slechts één groote
+werking in het heelal; alle vormen van werking en kracht welke wij
+waarnemen, zijn in den grond één. Zij kunnen in elkander omgezet worden;
+alle vormen van werking welke de wetenschap bestudeert, alle krachten
+welke wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of plantenrijk,
+hetzij bij dier of mensch, al deze krachten zijn één in hunnen aard.
+Slechts hun uitdrukking, hun wijze van openbaring is verschillend, bij
+nader onderzoek blijken zij allen één te zijn: ééne kracht, juist zooals
+er één bewustzijn is.
+
+Een derde uitdrukking van de wet van eenheid is de eenheid van stof.
+Alle stof is één, hoe verschillend ook de vorm wezen mag welke zij
+aanneemt. Er is slechts één grondstof en alle scheikundige elementen
+zijn daaruit opgebouwd. Al wat wij om ons waarnemen: vaste lichamen,
+vloeistoffen, gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde,
+slechts verschillend in de rangschikking van zijn deelen. Wij vinden
+door de geheele wereld heen een eenheid, eenheid van bewustzijn en
+leven, eenheid van kracht, eenheid van stof, en deze drie eenheden zijn
+de uitdrukkingen van het goddelijk Bestaan, zij komen alle uit het ééne
+Leven, het Leven van God.
+
+Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en van stof kunnen wij een
+gevolgtrekking maken. Daar er slechts één stof is, slechts één kracht,
+slechts één bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een broederschap;
+zij zijn allen gemaakt uit dezelfde bouwstoffen, zij zijn allen bezield
+door dezelfde kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij
+zien dat het geheele heelal één groote broederschap vormt, waarin de
+verschillende schepselen in verschillende staten van ontwikkeling zijn,
+maar allen worden saamgebonden door de éénheid van stof, van kracht, van
+bewustzijn. In deze alomtegenwoordige grond-eenheid wortelt het begrip
+"broederschap", en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van
+hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander kunnen blijven staan.
+Er moet één gemeenschappelijk goed zijn voor ons allen, één
+gemeenschappelijke ontwikkeling waarin wij allen deelen, één
+gemeenschappelijk doel waarnaar wij allen streven, en alle gedachten van
+naijver of vijandschap, alle gedachten welke de menschen denken, alsof
+zij elkanders bestrijders zijn in plaats van elkanders helpers en
+broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande het wezen van God
+en van den mensen. De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt de
+broederschap tot een noodzakelijk feit in de natuur.
+
+Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder uitwerken, bevinden wij dat
+deze broederschap zich toont in alle betrekkingen, waarin wij tot
+elkander komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking de eenheid van
+stof heeft tot de broederschap der menschen. Onze lichamen zijn
+opgebouwd uit wat wij "stof" noemen, en wij weten, dat ons lichaam
+voortdurend zijn bouwstoffen hernieuwt, dat ons lichaam heden niet
+hetzelfde is, als het gisteren was of verleden week of de vorige maand,
+of als het morgen zijn zal of de volgende week of maand.
+
+Ons lichaam verandert voortdurend van bestanddeelen. Kleine deeltjes
+ervan, zóó klein dat zij onzichtbaar zijn voor het oog, komen en gaan
+ieder oogenblik. Wanneer wij ons lichaam zeer sterk vergroot zagen,
+zouden wij een stroom van deeltjes ervan zien uitgaan, en een stroom van
+deeltjes er heen zien komen, een stroom van komen en gaan, welke ons
+lichaam op ieder oogenblik van het leven verandert. Wanneer nu menschen
+elkaar ontmoeten, zooals wij hedenavond bijeen zijn gekomen, wisselen de
+deeltjes onzer lichamen onderling, deeltjes van uwe lichamen hechten
+zich vast aan het mijne, deeltjes van mijn lichaam gaan en worden
+opgenomen in dat van u, zoodat wij, wanneer wij de zaal verlaten, geen
+van allen hetzelfde zijn gebleven als toen wij binnenkwamen. Onze
+stoffelijke lichamen hebben een deel van de bouwstoffen waarvan zij
+gemaakt zijn, gewisseld. Ieder van u heeft iets aan zijn buren gegeven,
+ieder van u heeft iets van zijn buren ontvangen. Dit nu maakt dat er
+tusschen ons een zeer daadwerkelijke stoffelijke broederschap bestaat.
+Indien wij op deze wijze van deeltjes onzer lichamen wisselen, zijn wij
+broeders naar het lichaam, hetzij wij het willen of niet. Wij kunnen
+niet nalaten op elkander invloed te oefenen, hetzij ten goede of ten
+kwade. De gezonde persoon verspreidt zijn gezondheid, waar hij ook gaat,
+de zieke verspreidt zijne ziekte overal waar hij komt; deze wisseling,
+deze overgang legt tusschen ons allen een band, die maakt dat het
+lichamelijk welzijn onzer medemenschen van belang is voor ons allen.
+
+Nu bouwen wij ons lichaam op door voedsel, drank, lucht en door het
+leven dat wij leiden. Indien gij in uw lichaam onrein voedsel brengt,
+onreinen drank, indien gij uw huis en uw kleeding niet rein houdt,
+trekt gij tot uw lichaam deeltjes, welke gij vergiftigt en vervolgens
+zendt gij die giftige deeltjes weer uit naar uwe medemenschen, zoodat
+een mensch die slechte, onreine dingen eet of drinkt, die ongezond is of
+onrein, op al zijne medemenschen een overeenkomstigen invloed uitoefent.
+Ieder mensch die alkohol, wijn of dergelijke giftige dranken gebruikt,
+beleedigt het lichaam van zijnen medemensen even goed als zijn eigen.
+Wij kunnen ons leven niet van dat van anderen scheiden, maar zijn
+genoodzaakt te leven als één groot huisgezin; al wat een van ons
+schaadt, schaadt daardoor het geheel. Wanneer wij dit inzien, kunnen wij
+niet langer onverschillig blijven voor de armoede en ellende om ons
+heen, want wij weten dat zoolang nog één mensch in de maatschappij arm
+is en ellendig en uitgehongerd, niemand volmaakt gezond en zuiver kan
+zijn en zijn lichaam bewaren kan in den best mogelijken staat. In ieder
+volk waarin men menschen vindt die lijden door armoede en ellende en
+stoffelijke ontaarding, moet elk lichaam zijn deel ontvangen van de
+ellende dier armen. De menschen zullen het misschien niet bemerken of
+begrijpen, maar hun lichaam is minder gezond wegens de ziekte, die
+rondwaart in de armere wijken der stad, onder de lichamen hunner armere
+medemenschen. Geen volk is zoo gezond als het zijn kan, zoolang één
+zijner kinderen ziek is, van geen land kunnen de bewoners volmaakte
+lichamen hebben, zoolang er nog één honger lijdt. De stoffelijke ellende
+in de maatschappij is een zaak die allen ter harte moet gaan en niet
+slechts hun alleen die er onmiddellijk onder lijden. Wij zijn broeders
+naar het lichaam en genoodzaakt hun leed mede te dragen.
+
+De broederschap van lichaam is echter niet de eenige band tusschen ons.
+Er is een broederschap van aandoeningen en gevoelens even goed als van
+lichaam. Wij oefenen ook invloed op elkander uit door onze gevoelens. Al
+wat ik gevoel werkt ook op u in, al wat gij gevoelt, werkt op mij in. De
+geheele dampkring is vervuld van trillingen, gemaakt door de gevoelens
+en hartstochten der menschen. Ook op deze wijze oefenen wij zonder het
+te weten invloed op elkander uit en indien gij er op let, kunt gij het
+door eigen ondervinding waarnemen. Hebt gij nooit opgemerkt, hoe wanneer
+één persoon in een gezelschap slecht gehumeurd is, die stemming zich
+verspreidt over de anderen, hoe één knorrig persoon in huis iedereen min
+of meer wrevelig stemt? Hebt gij nooit waargenomen hoe wij in de
+nabijheid van sommigen een gevoel krijgen van vrede en rust, een gevoel
+alsof alles ons gemakkelijk zou vallen, terwijl anderen alleen door hun
+nabijheid ons knorrig maken en alles somber doen schijnen en zwaar? Het
+is de broederschap onzer aandoeningen, die op deze wijze voortdurend op
+ons inwerkt en de reden waarom dit mogelijk is ligt hierin, dat de
+mensch behalve het zichtbare lichaam nog een lichaam heeft van fijnere
+stof, welke wij astrale stof noemen en deze astrale stof, welke van een
+hoogeren graad van fijnheid is, trilt uiterst gemakkelijk en vlug. Door
+onze gevoelens nu wekken wij trilling op, welke die astrale stof aandoet
+en welke andere menschen in hun astraal lichaam doet beantwoorden aan
+het gevoel dat in ons astraal lichaam die trilling veroorzaakt heeft.
+Ieder van u heeft in en om zijn stoffelijk lichaam een wolk of mist van
+deze fijne astrale stof, veel schitterender dan het stoffelijk lichaam
+zelf, juist alsof zich rondom u een wolk bevindt, waardoor kleurenspel
+van elektrisch licht zichtbaar is. Het astrale lichaam is helder en vol
+kleuren, kleuren als van den horizon bij den opgang of ondergang van den
+zon. Evenals gij dan in de lucht soms wolken zien kunt, welke door den
+zon worden gekleurd, zien de menschen, die meer dan het stoffelijke
+waarnemen kunnen, rondom ieder van u een gekleurde wolk, maar in plaats
+van door den zon, wordt die wolk gekleurd door uwe gevoelens, uw
+aandoeningen, uwe hartstochten, en zoodra een gevoel, eene aandoening in
+u opkomt, kleurt zich de wolk rondom u en trilt zij met groote snelheid,
+en deze trilling straalt van u uit en wekt in het astrale lichaam van
+anderen gelijke trillingen op, zoodat zij hetzelfde gevoelen als gij.
+Wij oefenen daardoor, wanneer wij in elkanders nabijheid vertoeven,
+invloed op elkaar uit door onze gevoelens even als door onze gezondheid
+of ziekte, en wij zijn evenzeer door een broederschap van gevoelens
+verbonden als door een broederschap van het stoffelijk lichaam, en die
+broederschap van gevoelens uit zich door middel van het astrale lichaam,
+het lichaam der aandoeningen dat steeds in beweging is, steeds in
+trilling en hoe sterker onze gevoelens zijn, des te krachtiger oefenen
+wij er invloed door uit op anderen.
+
+Er is nog een derde wijze, waarop zich de broederschap openbaart en wel
+in ons denkvermogen. Wij leven evengoed in broederschap van gedachten
+als in gevoels-broederschap. Wanneer wij denken oefenen wij invloed uit
+op de gedachten der menschen om ons heen. Wanneer wij denken, zenden wij
+als het ware elektrische stroomen uit, die werken op het denken van
+anderen, en zij krijgen betere of slechtere gedachten al naar den aard
+onzer eigene gedachten. Terwijl ik tot u spreek, gebruik ik mijn
+stoffelijk lichaam, mijn stem, ook hoort gij mij met uw stoffelijk
+lichaam, met uw ooren, maar dit is niet het eenige, wat u en mij
+verbindt. Behalve mijn stem die gij hoort, gaan er van mij trillingen
+uit, gevoelstrillingen die u er toe nopen te luisteren en uwe aandacht
+te schenken. Deze trillingen worden soms magnetisch genoemd, en daar zij
+uit mijn astraal lichaam voortkomen, oefenen zij invloed uit op het uwe.
+Behalve deze wisselwerking tusschen onze stoffelijke en astrale lichamen
+is er nog wisselwerking van denkvermogen. Mijn denkvermogen zendt
+stroomen uit tot het uwe en vormt beelden welke gij met uw denkvermogen
+waarneemt, niet met uw stoffelijke oogen. Zoolang ik spreek, zend ik
+voortdurend die denk-beelden uit, zoodat de woorden gemakkelijker voor u
+zijn te begrijpen wegens den onmiddellijken invloed, dien ik uitoefen op
+uw denkvermogen. Deze inwerking der menschelijke gedachte op anderen
+vindt onophoudelijk plaats, en wanneer iemand invloed tracht uit te
+oefenen op een ander is die werking veel sterker dan wanneer hij als het
+ware slechts voor zich zelf denkt. Deze beelden welke ons denkvermogen
+vormt en welke de menschen waarnemen door het hunne, brengen het
+grootste deel onzer gedachten over aan anderen en stellen ons in staat
+elkander beter te kunnen begrijpen dan alleen door stoffelijke
+mededeeling mogelijk is. Deze invloed welken ons denkvermogen op anderen
+uitoefent bestaat steeds, niet alleen wanneer iemand tot anderen
+spreekt, maar ook in het gewone dagelijksch leven. Wanneer gij denkt,
+zijn alle menschen om u heen min of meer geneigd op dezelfde wijze te
+denken en hoe sterker uw denkkracht is, des te grooter invloed oefent
+gij op hen uit. Hebt gij wel eens opgemerkt hoe dikwijls, wanneer gij
+met iemand samenwoont, gij beiden over hetzelfde onderwerp denkt, en
+wanneer de één zijn gedachte uitspreekt, zegt de ander: "Daar dacht ik
+juist ook aan." Dit is dikwijls het geval met man en vrouw, broeder en
+zuster, vriend en vriend, en vaak beslist slechts toeval, wie het eerst
+spreekt. Wie dan het eerst zijn gedachte in woorden kleedt, bemerkt dat
+de ander in dezelfde richting gedacht heeft. Op deze wijze kunnen wij
+elkander veel goed doen en veel kwaad. Goed wanneer wij edel denken en
+rein, kwaad wanneer wij laag, gemeen en slecht denken. Vele menschen
+denken dat als zij slechts doen wat goed is, als zij maar geen grove
+woorden gebruiken, het er niet toe doet hoe zij denken: gedachten zijn
+tolvrij. Dit is onjuist: onze gedachten oefenen een veel grooteren
+invloed uit op onze medemenschen dan onze woorden, en een slecht mensch,
+die slecht denkt, vergiftigt alle menschen met wie hij in aanraking
+komt; hij oefent een slechten invloed uit zonder iets anders te doen dan
+in onze nabijheid te zijn. En evenzoo is men, indien men goede
+gedachten kweekt, overal waar men gaat tot zegen. De menschen om ons
+heen zullen zelf goede gedachten krijgen zonder te weten waarom. Onze
+invloed zal hen goed doen denken. Op deze wijze is er broederschap van
+denken evengoed als broederschap van gevoel en van lichaam.
+
+Zie dan hoe veel er voortvloeit uit dit denkbeeld van de eenheid van al
+wat is, hoe sterk deze eenheid zich doet gevoelen in het leven, hoe wij
+naarmate wij die eenheid doorgronden, nuttiger worden voor elkander dan
+te voren, hoe wij leeren dat wij invloed uitoefenen op onze medemenschen
+door onze lichamen, onze gevoelens en onze gedachten, en hoe wij op deze
+drie wijzen elkander kunnen helpen. Zoo leeren wij de natuurwet en
+passen die dan toe om onze broeders te helpen en de wereld door ons
+leven beter te maken. Deze eenheid, uitgewerkt zooals ik het thans heb
+gedaan, is één der groote leeringen van de Theosofie.
+
+Laat ik thans een tweede groote leering nemen, die welke zegt dat uit
+God de zielen der menschen zijn voortgekomen, dat het leven van God
+iederen mensch gegeven is, opdat hij zich ontwikkelen moge tot een
+volmaakt wezen, gelijk God zelf. Gij zult u herinneren dat Jezus, toen
+hij sprak tot de menigte, een merkwaardig gebod gaf: "Weest dan
+gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is."
+[Voetnoot: Mattheüs 5,48] De Vader in den hemel nu is God, het goddelijk
+Wezen, en Jezus leerde aan zijne leerlingen en aan de volksmenigte dat
+zij volmaakt moesten zijn gelijk God. Nu is God volmaakt in kennis,
+volmaakt in kracht, volmaakt in liefde. Hoe kan de mensch volmaakt zijn
+in kennis en in kracht en in liefde, gelijk God volmaakt is? Toch was
+dit het gebod dat Jezus gaf en als Jezus sprak, zeide hij slechts wat
+waar was en mogelijk. Hij zou het niet hebben gezegd als deze volmaking
+onmogelijk was voor den mensch. De vraag waartoe wij van zelf komen is
+dan deze: hoe is het mogelijk, en is het mogelijk voor ieder of slechts
+voor eenige menschen? En het antwoord dat de Theosofie geeft is: het is
+mogelijk voor ieder, niet slechts voor enkelen; voor ieder is het
+mogelijk volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, de mensch is
+werkelijk gemaakt naar het goddelijk beeld, dat wil zeggen hij is de
+juiste weerkaatsing van God. Laten wij eerst een uiterst geval
+beschouwen; een zeer onontwikkelden wilde, zoo laag ontwikkeld dat hij
+het goede nog niet kan onderscheiden van het kwaad, dat hij nog niet
+weet dat het kwaad is te stelen of te liegen of te moorden, dat hij al
+deze dingen geoorloofd vindt. Waarom zou hij niet stelen als hij iets
+noodig heeft dat hem niet toebehoort? Waarom zou hij niet liegen als hij
+daardoor kan krijgen wat hij begeert? Waarom zou hij niet moorden als
+hij sterk genoeg is het te doen en verlangt zijnen vijand te dooden? Die
+wilde ziet geen kwaad in moorden en liegen en stelen. Hij denkt dat het
+goed is, of liever: hij denkt er in het geheel niet over. Hij wil het
+doen. Derhalve doet hij het, en het komt nooit in hem op te vragen: "is
+het goed dat ik moord of lieg of steel?" Hij onderzoekt niet of wat hij
+wil doen geoorloofd is. Hij wil het doen en dat is alles waar hij om
+geeft. Waartoe zou het dienen zulk een mensch te zeggen, volmaakt te
+zijn zooals God volmaakt is? Hij is zelfs nog niet in staat, kwaad te
+onderscheiden van goed; hoe zou hij dan volmaakt kunnen zijn?
+Verstandelijke vermogens zijn in hem nog niet ontwikkeld, hij kan niet
+verder tellen dan twee, hij kan geen gevolgtrekking maken, begrijpt niet
+wat een gevolgtrekking is. Hij heeft geen geheugen en herinnert zich
+niet wat gisteren gebeurde, noch kan hij berekenen wat morgen gebeuren
+zal. Hij is in verstandelijk opzicht even dom als hij zedelijk laag
+staat. Wat wilt gij met zulk een mensch doen? Hij ziet er niet uit als
+"het beeld van God" en er schijnt niet veel kans dat hij volmaakt zou
+worden gelijk God volmaakt is. Als hij sterft, bezit hij noch verstand,
+noch zedelijk gevoel. Wat wordt er van dien mensch? Wanneer hij sterft
+en een ander leven intreedt, zonder zijn lichaam, een soort van
+middenleven tusschen deze aarde en den hemel, is er niet veel in hem dat
+omhoog kan stijgen, want zijn ziel is zwak en onontwikkeld. Zij is nog
+slechts een kiem. Hij kende het goed nog niet van het kwaad. Hij kon nog
+niet denken. De ziel nu is de kracht in den mensch die denkt en het
+goede onderscheidt van het kwaad en de ziel van zulk een wilde is
+slechts een embryo, nog volstrekt onontwikkeld. Wanneer hij sterft en
+uit het lichaam treedt, is hij in de wereld, volgende op de stoffelijke,
+in de astrale wereld, waar de dierlijke aard werkelijk thuis behoort. De
+dierlijke aard nu van den wilde is zeer sterk. Deze was het die hem deed
+moorden en liegen en stelen, omdat de dierlijke aard sterk was en de
+ziel nog zwak en jong. Wanneer hij nu na den dood deze astrale wereld
+binnentreedt, terwijl de dierlijke aard in hem nog sterk is, ondervindt
+hij dat hij ze daar niet meer kan bevredigen, zooals hij kon terwijl hij
+in het lichaam woonde, dat hij dat soort genot dat hij op aarde vond,
+daar niet verkrijgen kan, dat hij met zijn lichaam het werktuig verloren
+heeft, waardoor zijn dierlijke aard zich kon uiten. Zoo leert hij,
+wanneer hij uit het lichaam is getreden, dat hij de zucht naar genot van
+zijn dierlijken aard op den langen duur niet kan voldoen, dat datgeen
+wat hem in het lichaam genot schonk, hem daarbuiten smart geeft in
+plaats van genot. Zoo leert de jonge ziel deze eerste les door
+ondervinding in het aardleven en na den dood. Daarop gaat de ziel naar
+de hemelsche wereld. Veel is er nog niet dat deze jonge ziel in den
+hemel kan vinden, maar toch leert zij een weinig door een tijd in die
+wereld te vertoeven. Toen de wilde nog op aarde leefde, gevoelde hij
+wellicht eenige liefde voor vrouw of kind, en deze liefde leert hem een
+nuttige les. Wanneer hij de hemelsche wereld bereikt, is die liefde nog
+met hem; en hij ondervindt dat deze blijft en hem genot schenkt in die
+hoogere wereld. Hij bevindt dat de weinige goede gevoelens, dat iedere
+aandoening welke iets in zich had dat goed was en rein, bij hem is,
+wanneer al het andere achterblijft, dat de liefde blijft wanneer alle
+hartstocht is uitgestorven. Wanneer hij een tijdlang in den hemel
+vertoefd heeft, en zijn liefde in de hemelsche gebieden is toegenomen in
+kracht, komt het oogenblik, waarop de ziel terug moet keeren tot het
+aardleven, opnieuw moet worden geboren in een lichaam, een weinig beter
+dan het lichaam dat zij vroeger bezat. Want de ziel is een weinig
+gegroeid en heeft een beter lichaam noodig dan het vorige dat zij
+bewoonde. Zij is een weinig gegroeid, heeft geleerd een weinig meer
+liefde te koesteren, heeft een weinig geleerd door hare ondervinding in
+deze wereld en in de twee werelden aan gene zijde van het graf. Zij is
+een weinig ouder geworden en wijzer en heeft om nieuwe ondervinding op
+te doen een beter lichaam noodig, wanneer zij terugkomt. Na in dat beter
+lichaam geboren te zijn, leert zij een weinig meer dan in het vorige.
+Zij heeft geleerd dat stelen en moorden niet goed is, en wanneer een
+leeraar of oudere bloedverwant tot het jonge kind, dat reeds deze
+ondervinding heeft opgedaan, zegt: "Gij moet niet stelen, niet liegen,
+niet moorden," zal deze ziel, die op aarde teruggekeerd is met de
+ondervinding die zij heeft opgedaan, deze leering kunnen beantwoorden en
+zeggen: "Ja, het is waar, ik moet niet stelen, niet liegen, niet
+moorden, ik zie in dat dit alles verkeerd is." Waarom ziet die ziel nu
+in dat het verkeerd is, terwijl zij het den vorigen keer niet inzag?
+Omdat de ziel in dien tijd is gegroeid, omdat zij ondervonden heeft dat
+stelen ongelukkig maakt. En deze ondervinding bot als zedelijke
+eigenschap uit, wanneer de ziel in een stoffelijk lichaam wordt
+weergeboren. De kinderen, die thans in ons midden ter wereld komen,
+worden niet geboren zooals de volkomen onontwikkelde wilde, waarover ik
+sprak, niets wetende van goed en kwaad. Zoodra gij hen onderwijst,
+begrijpen zij het verschil tusschen kwaad en goed en het is gemakkelijk
+hun te leeren, daar hunne zielen ouder zijn en reeds vele aardlevens
+doorleefd hebben, waarin zij ondervinding hebben opgedaan en verzameld,
+en die ondervinding hebben omgezet in wat wij geweten noemen, in
+aangeboren begrip van goed en kwaad. Deze groei van de ziel gaat door,
+leven na leven, honderde keeren, zoodat de ziel, wanneer zij in een
+stoffelijk lichaam ter wereld komt, na reeds honderde levens te hebben
+doorgemaakt, vele vermogens in zich heeft. Zij komt ter wereld met
+zekere verstandelijke kracht, met zekeren aanleg voor kunst, met
+zedelijke eigenschappen. Ieder uwer werd geboren met het vermogen te
+denken, zoodat gij met vrucht kondt worden opgevoed; en misschien met
+eenige artistieke kracht, met talent voor schilderen, voor
+beeldhouwkunst of muziek. Gij bracht die vermogens met u, en toondet ze
+reeds als kind, zoodat uw opvoeding kon worden ingericht op een wijze
+die geschikt was om de vermogens die gij medebracht, te kunnen
+ontwikkelen. Deze vermogens, welke de kinderen meebrengen en in
+overeenstemming waarmede wij hun opvoeding behooren te regelen, hebben
+zij gewonnen in herhaalde aardlevens in het verleden, en telkens
+gedurende hun leven in de hemelsche wereld hebben zij die vermogens
+verbeterd en doen toenemen in kracht, en bij iedere geboorte op aarde
+brengen zij ze mede op een hoogeren trap van ontwikkeling dan den
+vorigen keer.
+
+Op deze wijze groeit de ziel door voortdurend herhaalde wedergeboorte
+op aarde en naarmate zij groeit wordt zij meer en meer gelijk God. Na
+langen, langen tijd wordt de ziel op aarde geboren als een kind met een
+zeer goed karakter, misschien als genie, misschien bijna volmaakt uit
+een zedelijk oogpunt. Enkele kinderen worden zoo goed geboren dat hunne
+opvoeding bijzonder gemakkelijk is, onzelfzuchtig, vriendelijk en
+liefdevol, anderen ter wille. In deze kinderen wonen zielen die oud
+zijn, zielen die reeds vele malen op aarde geweest zijn, en geleerd
+hebben onzelfzuchtig en vriendelijk te zijn en hunne medemenschen lief
+te hebben, zoodat zij thans bij hun geboorte zulk een karakter toonen.
+Zij behoeven niet meer te leeren wat goed is, zij weten het van de wieg
+af, juist zooals andere kinderen reeds in hun prille jeugd geniën
+blijken. Wanneer de ziel zulk een standpunt bereikt heeft, is het
+oogenblik daar waarop haar ontwikkeling zeer kan worden versneld, het
+oogenblik, waarop bijzondere leering zal komen op haren weg, waarop haar
+bijzondere gelegenheden zullen worden geboden, sneller te kunnen
+ontwikkelen en groeien; dan komt wat de "geestelijke geboorte" genoemd
+wordt, de geboorte naar den geest waarvan Jezus sprak toen hij zeide dat
+geen mensch het koninkrijk Gods kon kennen, tenzij hij was geboren naar
+den geest. De menschen worden telkens en telkens geboren naar den
+vleesche; zij worden slechts ééns geboren naar den geest en wanneer een
+mensch geboren is naar den geest, zegt men dat de Christus in hem
+geboren is. Gij zult u herinneren dat Paulus in een zijner brieven
+schreef, dat de Christus geboren moest worden in de ziel; dit nu is de
+groote "tweede" geboorte, die het begin is van de ontwikkeling van den
+Christus in den mensch. Alle vroegere ontwikkeling heeft hem slechts
+doen groeien tot een goed en knap mensch, verstandig en krachtig en
+zedelijk, maar na de geestelijke geboorte wordt hij geestelijk, en
+begint hij het leven te leiden van den Christus. Hij wordt vol
+mededoogen voor allen, vol liefde en vol van den wil zijn medemenschen
+te helpen. Hij ontwikkelt in zich den aard van den Christus, hij gevoelt
+de broederschap die hem met allen verbindt, hij gevoelt dat hij één is
+met alle menschen, dat zij allen leden zijn van zijn huisgezin, dat zij
+allen hem na-staan, als een deel van hemzelf, een deel van zijn eigen
+leven. Naarmate de Christus zich in den mensch ontwikkelt, nadert hij de
+volmaking. Hij wordt meer en meer vrij van zonden, hij verkrijgt meer en
+meer inzicht in alle geestelijke waarheid, hij omvat meer en meer van
+het goddelijk leven en drukt dit uit in zijn leven op aarde. Dit
+tijdperk in de menschelijke ontwikkeling is dat van geestelijken groei,
+niet van verstandelijken of zedelijken vooruitgang. Het komt na dezen
+vooruitgang en brengt de gelijkenis van God en den mensch tot volkomen
+volmaking. Wanneer de mensch zóó gedurende langen tijd heeft geleefd,
+vrij van zonde, terwijl hij goed doet aan ieder, allen met wie hij in
+aanraking komt helpt, vol wijsheid en inzicht in alle geestelijke
+waarheid, heeft hij het standpunt bereikt waarop Jezus doelde toen hij
+zeide: "Weest dan gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen
+is volmaakt is." Dit zou onmogelijk zijn indien de mensch niet gedurende
+honderde levens tot die hoogte kon klimmen. Voor den wilde, over wien ik
+u gesproken heb, zou het niet mogelijk geweest zijn, in één leven
+volmaakt te worden, te worden gelijk God. Maar zonder twijfel is het
+mogelijk, wanneer hij leven na leven op aarde terugkeert, leven na leven
+verbetert en groeit, totdat de ziel van een klein zaadje gegroeid is tot
+een machtigen boom, na talrijke eeuwen van levens. En evenals de eik
+door zijne bladeren die hij ontplooit, den geheelen zomer voedsel
+verzamelt, en dit voedsel uit de bladeren voert tot takken en stam, en
+in den herfst de bladeren afvallen en sterven, maar de boom door het
+opgenomen voedsel gegroeid is--- zoo ook zendt de menschelijke ziel een
+lichaam uit, gelijk de boom zijne bladeren, en verzamelt ondervinding
+door het vergankelijke lichaam, gelijk de boom door de bladeren zijn
+voedsel. Al die ondervinding neemt de ziel in zich op: het lichaam
+sterft wanneer zijn tijd daar is, maar de ziel groeit door de opgedane
+leering en nadert de volmaking.
+
+Dit is wat de Theosofie leert omtrent den groei der ziel, en gij hebt
+gezien dat wij gekomen zijn tot de gevolgtrekking, dat de mensch
+volmaakt kan worden, en de vraag zal bij u opkomen: "Wat moet de
+volmaakte mensch doen met zijne volmaking?"
+
+Hij moet zijn medemenschen helpen. Zij die volmaakt zijn geworden zijn
+degenen die wij Meesters noemen. Zij zijn de Leeraars der groote
+godsdiensten, zij zijn het die tot de wereld komen om den menschen te
+leeren hoe te leven, hoe sneller te groeien. Zelf volmaakt geworden,
+blijven zij anderen leeren hoe de volmaking te bereiken. Jezus, die
+zelf volmaakt is, bleef op aarde ten einde den menschen te leeren hoe
+zij volmaakt konden worden en gelijk aan Hemzelf. En de Theosofie leert
+dat deze volmaakte menschen nog heden bereikt kunnen worden. Zij zijn
+niet ver weg in den hemel, maar hier op aarde. En wij kunnen hen vinden,
+indien wij den juisten weg inslaan; en de eenige weg om hen te vinden is
+te trachten hun gelijk te worden. Misschien hebt gij wel eens in de
+geschriften van de heiligen der Christelijke kerk gelezen, hoe Jezus tot
+hen kwam en hun leerde; en dan hebt gij steeds gedacht dat dit droomen
+waren of verzinsels. Toch is dit niet het geval. Wat zij schreven is
+letterlijk waar, en het zou ook voor ons waar kunnen zijn zooals het
+waar was voor hen, want gij kunt een heilige worden zoo goed als ieder
+ander mensch, die leefde in de middeleeuwen of in de eerste eeuwen der
+Christelijke kerk. Waarom zouden niet de tegenwoordige Christenen heilig
+worden kunnen gelijk die van vroeger, waarom zouden zij den Christus
+niet kennen zooals Hij gekend werd in de vroegste tijden der kerk,
+waarom zouden zij niet in staat zijn Hem te spreken en van Hem te
+leeren, zooals de menschen in die oude dagen deden, toen Hij leefde
+onder de menschen en zooals zij het nog deden, vier of vijf eeuwen
+daarna? De ziel der menschen is thans niet zwakker dan toen, de ziel der
+menschen is in staat nog heden te doen, wat zij toen in staat was te
+volbrengen. Het is slechts de kennis die u ontbreekt, hoe het te doen en
+den krachtigen wil, welke u moed tot volharden kan geven. De Theosofie
+is dáár om u de kennis te geven van den weg, waarlangs wij de groote
+Leeraars kunnen bereiken, en met die kennis geeft zij ons den moed en
+den wil en het geduld tot volharden.
+
+Veel van wat ik u hedenavond heb gezegd zal voor sommigen uwer nieuw
+schijnen en vreemd. Toch is het niet nieuw maar over-oud, zóó oud dat de
+menschen het hebben vergeten; en niet vreemd, zooals gij bij nadere
+studie zult vinden. Ik heb u hedenavond niets gezegd, dat ik niet _weet_
+dat waar is en de weg dien ik gevolgd heb om tot weten te komen, is de
+weg dien de Theosofie aanwijst. Door het volgen van hare voorschriften
+ben ik in staat geweest hetzelfde te doen wat in de Christelijke kerk
+gedaan werd, vele eeuwen geleden, en wat in alle andere godsdiensten
+mogelijk is geweest, lang voordat het Christendom was gesticht. Al deze
+dingen zijn altijd bekend geweest, deze weg is altijd betreden door de
+weinigen; en zij die hem betraden waren de menschen, die de waarheden
+van den godsdienst wisten door eigen waarneming--niet uit de tweede
+hand. Het doel der Theosofische Vereeniging is, u te helpen in het
+verkrijgen van eerste-hands kennis en hoewel de dingen die ik u gezegd
+heb misschien onbekend mogen wezen en schijnen onmogelijk te kunnen
+worden bewezen, kunnen zij alle bewezen worden door ieder uwer die
+begeert te onderzoeken, en zich dezelfde moeite wil geven, welke door
+sommigen onzer is gedaan. Dan zult gij de werkelijkheid der
+wedergeboorte op aarde weten, niet slechts gelooven, dan zult gij de
+wijze kennen, waarop de ziel langzamerhand groeit tot volmaking, dan
+zult gij weten dat deze Leeraars nog levende menschen zijn en nog steeds
+leering geven willen aan leerlingen die tot hen komen. De Theosofie is
+inderdaad een studie. Ik vraag u niet haar te gelooven, ik vraag u niet
+haar aan te nemen zonder begrijpen, ik vraag u slechts te onderzoeken,
+zooals ik onderzocht heb. Gij kunt tot weten komen zooals ik ben gekomen
+tot weten. En ik weet, dat wanneer al deze dingen voor ons eerste-hands
+kennis worden, niets in de wereld ons meer werkelijk ongelukkig kan
+maken. De moeiten en zorgen, welke zoo vele menschen kwellen, worden ons
+niets, zelfs de dood, die scheiding te maken schijnt tusschen de
+menschen, kan voor ons geen scheiding meer brengen wanneer wij deze
+waarheden voor ons zelf bevestigd weten, omdat wij dan den sluier des
+doods kunnen oplichten, en de menschen aan de andere zijde kennen, even
+gemakkelijk als gij ze hier kent op aarde; zoodat de Theosofie u met de
+gelegenheid om deze dingen te onderzoeken de mogelijkheid biedt van
+grooter geluk dan den meesten menschen ten deel valt, van kennis die u
+sterk zal maken en krachtig, van een leven vol vrede en rust. Dàt is de
+uitkomst van Theosofisch onderzoek, dàt is het gevolg van het streven
+tot weten te komen, en mijn doel voor hedenavond was, eenigen van u te
+brengen tot diepere studie, opdat gij moogt komen tot de kennis der
+waarheid. En wanneer gij dan tot die kennis gekomen zult zijn, zult gij
+terugzien tot dezen avond en zeggen: Toen was het dat ik voor het eerst
+de leeringen der Theosofie vernam, waarvan de kennis in mijn geheele
+leven verandering heeft gebracht. Toen was het dat ik den grootsten
+schat vond, welken ik ooit heb gekend; want ik vond de kennis van God,
+die het eeuwige leven is, zonder welke het leven arm is en beperkt, met
+welke het leven oneindig wordt, vol van vreugde en vrede.
+
+
+
+
+#Esoterisch Christendom#
+
+
+Sommigen die niets weten van de Theosofische leeringen beschouwen de
+Theosofie als vijandig gezind jegens het Christendom. Zij denken dat
+iemand wanneer hij Theosoof wordt moet ophouden Christen te zijn. En
+wanneér zij vernemen dat de Theosofie zich in een land verspreidt, nemen
+zij als van zelf sprekend aan dat in dat land een nieuwe beweging tegen
+het Christendom is ontstaan, een beweging waarvoor geen Christen
+sympathie kan gevoeien. Deze zienswijze nu is geheel en al verkeerd. Hoe
+zou het mogelijk zijn dat de grondslag van alle godsdiensten de vijand
+was van eenigen godsdienst? Daar zij komt om het godsdienstig gevoel te
+versterken door kennis, kan de Theosofie niet ten doel hebben het geloof
+te ondermijnen, of te trachten het godsdienstig gevoel der menschen te
+doen wankelen. Integendeel: waar zij komt tot de menschen, vraagt zij
+hun niet hunnen godsdienst te verlaten, maar zij vraagt hun te pogen
+dien godsdienst te doorgronden in zijn diepere en meer geestelijke
+beteekenis. Zij komt tot den godsdienst om hem terug te geven wat hij in
+den loop der eeuwen heeft verloren, zij komt om de kennis terug te
+brengen, welke langzamerhand uit zijn gebied is geweken, zij komt om de
+zinnebeelden en riten van den godsdienst begrijpelijk te maken en aan
+hen wier geloof was geschokt door de aanvallen van het ongeloof een
+hechten en zekeren grondslag te schenken waarop hun geloof rusten kan,
+verheven boven de mogelijkheid van eenigen aanval, bekroond met goed
+gevolg.
+
+Wanneer ik dan hedenavond u toespreek uit naam der Theosofie, spreek ik
+als iemand die het Christendom beschouwt als één van de groote
+godsdiensten der wereld, die gelooft dat het in zich alles bevat wat
+noodzakelijk is voor den groei der menschelijke ziel, maar die tevens
+meent dat het algemeen verspreide Christendom van tegenwoordig zeer veel
+verloren heeft van wat het oorspronkelijk Christendom bezat, als iemand
+die gelooft dat het mogelijk is aan de kerk dat diepere, geestelijker
+inzicht in den godsdienst terug te geven, dat in den tegenwoordigen tijd
+uit het weten der Christenen verdwenen is.
+
+Reeds de naam van deze voordracht "esoterisch of innerlijk Christendom"
+zal waarschijnlijk door vele Christenen verworpen worden. Weinigen onder
+de hedendaagsche Christenen willen toegeven dat er een esoterisch
+Christendom bestaat, ja zelfs hoort men Christenen er zich dikwijls op
+beroemen dat hùn godsdienst ten minste niets heeft dat teruggehouden en
+verborgen is. Dikwijls hoort men zeggen: de Christelijke godsdienst is
+zóó eenvoudig dat zelfs een kind, dat de meest onontwikkelde hem kan
+begrijpen en ik heb soms Christenen ontmoet die verontwaardigd werden
+over het denkbeeld, dat er in verband met hun geloof eenige kennis zou
+bestaan, welke teruggehouden wordt van den onwetende, welke niet
+openlijk aan de wereld wordt verkondigd, kennis zoo moeilijk te
+omvatten, dat de gewone menigte niet in staat zou zijn haar te
+begrijpen. En toch is het duidelijk dat als het waar is dat het
+Christendom niets anders te leeren heeft dan wat begrepen kan worden
+door het kind en door den onopgevoeden mensch, dit de erkenning in zich
+zou sluiten, dat het Christendom niet de waarheid bezit, dat het niet
+voldoende is voor den wijsgeer en den wijze. Want gij kunt het verstand
+van den wijsgeer niet tevreden stellen met dezelfde opvattingen welke
+voldoende zijn voor het kind en den polderwerker. Men kan niet
+verwachten dat de man van de wetenschap, de hoogontwikkelde denker,
+tevreden zal blijven met de enge en ruwe opvattingen, welke voor den
+onwetende niet slechts voldoende zijn, maar die voor hem veel meer
+geschikt zijn dan de verklaringen van den verheven wijsgeer. Neem
+bijvoorbeeld het begrip "God". Voor een kind moet gij van God een
+konkreet denkbeeld geven, anders kan het kind het niet bevatten. Indien
+gij tot hem spreekt in de taal der metafysika, indien gij tot hem
+spreekt over het absolute, het oneindige, indien gij hem vertelt van een
+oneindig leven, dat de geheele ruimte doordringt en de tallooze zonnen
+welke zich in het heelal bewegen in wezen houdt, indien gij hem zulk een
+beschrijving van de Godheid geeft, zult gij het kind slechts in
+verwarring brengen en geenerlei opvatting, welke door hem kan worden
+bevat, zal zijn ongeoefend brein bereiken door uw wijsgeenge taal. Zal
+het kind eenig denkbeeld krijgen van God dan moet de opvatting van het
+goddelijke tot hem komen in een gewone, menschelijke gedaante. Gij kunt
+hem leeren van een Vader, die teeder is en liefhebbend, want dit geeft
+hem een denkbeeld dat hem reeds bekend is door de liefde van zijn eigen
+vader. Gij kunt hem vertellen van den mensch Jezus, vol liefde en
+mededoogen; dit geeft hem het denkbeeld van een vriend, sterker en ouder
+dan hij zelf, die hem lief heeft en beschermt. Zóó kan het kind eenig
+denkbeeld ontvangen van God. Het goddelijke moet menschelijk worden
+gemaakt, het oneindige moet worden beperkt; slechts zóó kan het
+kinderhart worden bevredigd. Maar wanneer gij staat tegenover den
+wijsgeer, die onmiddellijk de bezwaren inziet welke er zijn tegen de
+beperking van het goddelijke binnen den menschelijken vorm, wanneer gij
+staat tegenover een man van de wetenschap die zich den God dien hij
+aanbidt denkt als een Leven dat de gansche ruimte doordringt, dat alle
+zonnen en planeten beheerscht, dat tegelijk het leven is van het heelal
+en het leven van het kleinste wezentje dat bestaat, voor wien de
+beperking in den menschelijken vorm godslastering wordt en
+bespotting--wanneer gij dan nog blijft bij de opvatting van het kind,
+zal de wijsgeer, de man van de wetenschap agnostisch worden of atheïst.
+De erkenning van de waarheid, dat het godsbegrip moet beantwoorden aan
+de beperkingen van het menschelijk verstand, dat het denkbeeld dat de
+mensch van God heeft verschillend moet zijn naar gelang van de kracht
+van zijn verstand, naar den aard zijner aandoeningen, naar de diepte van
+zijn inzicht,--de erkenning van deze waarheid maakt het voor alle
+menschen mogelijk, God te aanbidden, want ieder mensch, hetzij onwetend
+of geleerd, ontvangt dan van de goddelijke kennis juist zooveel als hij
+in staat is op te nemen in hoofd en hart. Ieder mensch houdt als het
+ware het vat zijner eigene ziel tot God omhoog. Is de ziel klein en
+beperkt, dan kan zij slechts weinig van de goddelijke kennis bevatten;
+indien de ziel groot is en ontwikkeld, kan zij meer bevatten van het
+goddelijk leven. Klein waarlijk in vergelijking met dien machtigen
+oceaan is het grootste verstand, de grootste wijsheid des menschen, maar
+toch heeft dit verstand het recht een opvatting te eischen, die noch te
+hoog is noch te laag, en slechts door een esoterischen godsdienst kunnen
+de ontwikkelden en wijzen gehouden worden binnen de grenzen der kerk.
+Dit is in het verleden altijd bekend geweest. Geen godsdienst der
+oudheid gaf aan alle menschen leering in denzelfden vorm. Onder de
+Hindoes, de Chineezen, de Boeddhisten, de Egyptenaren, de Grieken,
+overal vindt gij verschil van leering voor de menigte der
+onontwikkelden, en de kleine minderheid der ontwikkelden. Toen het
+Christendom aan de wereld werd gegeven, toen Jezus kwam als een
+boodschapper der waarheid en de stichter van een nieuwen vorm van
+godsdienst, trad hij in de voetstappen zijner voorgangers en verdeelde
+zijn leer in twee deelen, het eene voor de menigte, het andere voor de
+verlichten. Ik wensch u van deze bewering het bewijs te leveren door een
+aantal bewijsgronden, wier gewicht gij voor u zelf kunt schatten. Ik zal
+u aantoonen, eerstens uit de woorden van Jezus zelf, dat hij die
+onderscheiding maakte; dan uit de woorden zijner apostelen dat ook zij
+die verdeeling erkenden, vervolgens dat die apostelen ze overdroegen
+aan het geslacht dat na hen kwam, en eindelijk dat diezelfde verdeeling
+der leeringen in tweeën door de bisschoppen en kerkvaders werd
+gehandhaafd. Wij hebben dus vier stappen te doen in de vroegste
+geschiedenis der kerk. Wij moeten de gezegden van Jezus zelf, die zijner
+apostelen, die van degenen die door de apostelen als leeraars werden
+uitverkoren, en die van de bisschoppen en kerkvaders in de eerste vijf
+eeuwen der geschiedenis van het Christendom beschouwen. Over deze vijf
+honderd jaren strekken zich de verklaringen uit, die ik u zal aanhalen
+als bewijsgronden voor het feit dat er in die eeuwen een esoterisch
+Christendom bestond, evengoed als een exoterisch, dat er een bijzonder
+onderwijs was voor de ingewijden, evengoed als een openbare leering voor
+de menigte der geloovigen. Na deze eerste reeks bewijsgronden, de
+geschiedkundige, zal ik een bewijsvoering leveren van anderen aard, en
+wel deze: dat zij die thans esoterische kennis bezitten, beter in staat
+zijn de Christelijke leeringen uit te leggen dan zij die deze kennis
+niet bezitten, en beter de beteekenis begrijpen van de vele verklaringen
+in het Nieuwe Testament, welke de gewone kerkleeraars niet in staat zijn
+uit te leggen, verklaringen, die de hedendaagsche kerk dikwijls heeft
+uitgelegd op een wijze, welke in strijd is met het geweten, zoodat die
+uitleggingen der kerk vele menschen uit het Christendom drijven, en van
+velen onder hen die slechts de exoterische verklaring ontvangen, het
+verstand beleedigen en het geweten in opstand brengen. Het gevolg
+hiervan is dat zij de kerk verlaten en onverschillig worden voor het
+Christendom, een groot verlies voor henzelf, daar zij hun geloof moeten
+opgeven, een groot verlies voor de kerk, want op deze wijze gaan de
+meest ontwikkelden verloren, en wordt de invloed van het geloof op de
+menigte verzwakt.
+
+Wij zullen thans de verschillende bewijsgronden in volgorde aanvoeren en
+beginnen met de geschiedkundige, in de eerste plaats met de woorden van
+Jezus zelf.
+
+Toen de discipelen tot Jezus kwamen en hem vroegen naar de gelijkenissen
+welke hij tot de menigte gesproken had, gaf hij hun dit merkwaardige
+antwoord: "Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het
+koninkrijk Gods, maar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze
+dingen door gelijkenissen." [Voetnoot: Marcus 4,11.] En verder: "Zonder
+gelijkenis sprak hij tot hen niet." [Voetnoot: Marcus 4,34.] Wij vinden
+hier den toestand duidelijk verklaard. Tot de menigte sprak Jezus
+slechts in gelijkenissen, in allegoriën, in verhalen in den vorm van een
+fabel, welke hun zedelijke leering gaf; maar zijnen discipelen gaf hij
+de uitlegging der gelijkenissen, verklaarde hij de verborgenheid van het
+koninkrijk Gods, en ik verzoek u deze onderscheiding, door Jezus
+gemaakt, goed in het oog te houden, omdat wij haar straks door de
+kerkvaders aangehaald zullen vinden ter rechtvaardiging van de
+handelwijze der kerk in hun eigen tijd.
+
+Jezus zeide eens tot de discipelen: "Geeft het heilige den honden
+niet." [Voetnoot: Mattheüs 7,6.] Het woord "hond" nu had bij de Joden
+een zeer bepaalde beteekenis. Het duidde iedereen aan, die geen Jood was
+en gij herinnert u dat toen een Kananeesche vrouw tot Jezus kwam om hulp
+te vragen, hij ten antwoord gaf: "Het is niet betamelijk, het brood der
+kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen." [Voetnoot: Mattheüs
+15,26.] En zij nam zonder morren die benaming aan en zeide slechts: "Ja
+Heer, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die er vallen van de
+tafel hunner heeren." Dit woord van Jezus: "Geeft het heilige den honden
+niet" is niet anders dan een bevel, niet het innerlijke te geven aan hen
+die buiten de groep der uitverkorenen stonden. Voor deze laatsten alleen
+moest het heilige worden bewaard. De apostelen, die het evangelie van
+Jezus buiten de Joden verspreidden, erkenden evenzoo een aantal
+uitverkorenen, dat waren zij die in de kerk in de mysteriën waren
+ingewijd, terwijl zij die buiten de mysteriën stonden profanen werden
+genoemd. Het woord profaan werd in de oudheid gewoonlijk gebruikt om
+deze menschen aan te duiden en wanneer wij overgaan tot de tweede soort
+van geschriften, waarvan ik u gesproken heb, tot de geschriften der
+apostelen, vinden wij dat Paulus het onderscheid, door Jezus gemaakt,
+behield en het toepaste op zijn eigene bekeerlingen. Zoo schreef hij aan
+de Corinthiërs, die als Christenen waren gedoopt, die hadden deelgenomen
+aan het Heilige Avondmaal, die lidmaten der kerk waren, zooals wij
+zeggen zouden: "En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot
+geestelijken, maar als tot vleeschelijken, als tot jonge kinderen in
+Christus. Want gij zijt nog vleeschelijk." [Voetnoot: I Corinthiërs
+3,1-3.] En elders zegt hij: "En wij spreken wijsheid onder de
+volmaakten." [Voetnoot: I Corinthiërs 2,6.] Paulus maakte dus hetzelfde
+onderscheid als de Meester: voor hen die vleeschelijk waren, voor de
+jonge kinderen in Christus, sprak hij zonder geestelijke wijsheid; die
+wijsheid werd slechts gegeven aan de volmaakten, dat is, aan hen die
+ingewijd waren in de mysteriën der kerk. Want deze uitdrukking "de
+volmaakten" is het oude woord voor de ingewijden; zij moesten volmaakt
+zijn in het uiterlijke leven, voordat zij werden toegelaten tot de
+kennis der mysteriën van Jezus. Vervolgens vinden wij dat Paulus aan
+Timotheüs, dien hij wijdde tot bisschop der kerk, beval op zijn beurt
+uit de geloovigen diegenen te kiezen, die in staat zouden zijn meer te
+leeren en dat hij aan dezen het Woord moest mededeelen, dat hij zelf had
+ontvangen voor vele getuigen. Hier hebben wij weer een uitdrukking die
+in de oudheid veel werd gebruikt: "het Woord," het Woord dat gegeven
+werd voor vele getuigen. Wat is dat Woord, dat Paulus gaf aan Timotheüs,
+in tegenwoordigheid van vele getuigen en dat hij hem beval over te geven
+aan hen die het waardig zouden zijn? Dit Woord, gesproken voor vele
+getuigen, is de geheime leering der mysteriën, welke nooit op schrift is
+gesteld, welke nooit werd gegeven in eenigen vorm, waarin zij kon worden
+verraden, maar altijd slechts gesproken werd van mond tot oor, van
+leeraar tot leerling, in tegenwoordigheid van vele getuigen, die konden
+instaan voor de nauwkeurigheid der ongeschreven overlevering, die konden
+getuigen dat de leeraar het Woord goed had overgebracht, dat hem
+gegeven was om aan anderen over te leveren. Het Woord, door Timotheüs
+van Paulus ontvangen in tegenwoordigheid van vele getuigen, is het
+esoterisch Christendom, mondeling geleerd aan hen die waardig waren zelf
+leeraars te worden.
+
+Wij hebben gezien, eerstens hoe Jezus zelf de mysteriën slechts leerde
+aan enkele leerlingen, en tot de menigte sprak in gelijkenissen,
+vervolgens hoe Paulus als apostel op dezelfde wijze te werk ging en aan
+Timotheüs beval het Woord op zijne beurt verder te geven, zoodat wij
+thans in de derde plaats komen tot de latere bisschoppen en kerkvaders,
+die verklaren dat zij de geheime leering hadden ontvangen en ze op hunne
+beurt hadden over te leveren aan hen die zich daartoe waardig toonden.
+Tot nog toe heb ik slechts aanhalingen gedaan uit het Nieuwe Testament
+dat naar ik veronderstel ieder uwer bekend zal zijn. Thans zal ik eenige
+schrijvers aanhalen uit de vroegste geschiedenis der kerk, die u
+misschien niet bekend zullen zijn, maar die gij toch ook zelf lezen
+kunt, hetzij in het Latijn of het Grieksch, zoo gij die talen verstaat,
+of anders in uw eigene taal overgezet. De kennis van de geschriften der
+oude kerkvaders is noodig voor ieder die als prediker van het
+Christendom optreedt. Zonder die kennis is hij niet geschikt zich
+leeraar van het Christendom te noemen.
+
+Een van die bisschoppen nu was Clemens van Alexandrie, een der meest
+geleerde en wijze mannen der Christelijke kerk, die het aanzien der kerk
+heeft verhoogd door de zuiverheid van zijn leven, door de diepte zijner
+wijsheid. Terecht heeft de dankbare kerk hem in latere dagen als een
+heilige beschouwd. Groot is het aantal geschriften dat hij heeft
+nagelaten tot leering der Christenen. In een van deze geschriften
+spreekt hij over de kennis, die door de kerk was overgeleverd van den
+tijd van Jezus tot op zijn tijd toe, het onderricht dat Jezus gaf aan
+zijn apostelen, en dat na hem van geslacht op geslacht was overgegaan.
+Hij zegt: "Deze leering werd van den beginne af slechts gesproken tot
+hen die begrijpen. De ongeschreven uitlegging der geschrevene woorden,
+die door den Heiland aan de apostelen gegeven werd, is tot ons
+overgeleverd." [Voetnoot: Stromata 6,15.] Hier hebben wij de getuigenis
+van een der bisschoppen van de oude kerk, dat er een onderricht van
+Jezus was, niet geschreven, maar door Jezus gegeven aan de apostelen, en
+door de kerk bewaard als een ongeschreven overlevering. Dezelfde
+getuigenis geeft Origenes, een ander kerkvader. Hij zegt dat Jezus met
+zijne discipelen in het bijzonder sprak over het evangelie Gods, dat de
+woorden welke hij sprak niet werden bewaard in geschrifte, en dat zij de
+verklaring vormden der gelijkenissen. Slechts zij ontvingen die leering,
+die waardig waren haar te ontvangen; hij zegt dat allen die deze leering
+zullen ontvangen, in bewondering zullen staan over hare wijsheid. Maar
+er is nog meer: dezelfde Clemens, die spreekt over de ongeschreven
+leering van Jezus, vertelt ons ook dat hij zelf in zijn openbare
+prediking slechts zwakke, onvolmaakte beelden kon geven, maar dat zij
+die geslagen waren met den thyrsus, de beteekenis ervan zouden
+begrijpen. Geslagen te zijn met den thyrsus nu beteekent te zijn
+ingewijd, want de thyrsus was een roede, die bij de inwijding gebruikt
+werd, bij welke gelegenheid de persoon die ingewijd werd in trance werd
+gebracht, om de ziel te bevrijden van het lichaam. Wanneer de kandidaat
+voor de inwijding voor den leeraar was gebracht, ontving hij eerst door
+mondelinge leering de kennis, waarvan ik reeds gesproken heb en daarna
+werd hij geslagen met de roede, welke als voertuig diende voor
+magnetische krachten, welke in den kandidaat de innerlijke krachten der
+ziel deden ontwaken, en de ziel in staat stelden zich vrij te maken van
+het lichaam en zoo hoogere leering te ontvangen in de onzichtbare
+wereld, vrij van den last van het lichaam. Deze uitdrukking nu:
+"Geslagen met de roede" beteekent ingewijd in de mysteriën. Clemens
+vertelt ons hiervan nog iets meer, licht een hoekje van den sluier op,
+en ontdekt ons een weinig van wat daarachter verborgen is. Hij deelt ons
+de voorwaarden mede waaronder de mensch de inwijding kan ontvangen, en
+de eerste woorden welke door den leeraar bij het begin van de
+inwijdingsplechtigheid werden gesproken. Hij vertelt ons dat uit de
+lidmaten der kerk, uit hen die gedoopt waren en aan het Heilige
+Avondmaal hadden deelgenomen, dat uit die velen zeer weinigen werden
+gekozen: "velen zijn geroepen", zegt hij, de woorden van Jezus
+aanhalende, "maar weinigen uitverkoren." Hij zegt verder van die
+uitverkorenen: wie vrij is, niet slechts van alle laagheid, maar ook van
+wat de menschen als geringere zonden beschouwen, slechts hij kan worden
+ingewijd in de mysteriën van Jezus, welke alleen door de heiligen en
+reinen worden gekend. Daarna deelt hij de eerste woorden mede, welke bij
+de inwijding gesproken werden: Hij die als inwijder optreedt,
+overeenkomstig de voorschriften van Jezus, zal zeggen tot hen die rein
+zijn van harte: "Hij wiens ziel zich gedurende langen tijd van geen
+kwaad bewust is, en in het bijzonder sinds hij zich overgaf aan de
+weldoende kracht van het Woord, laat de zoodanige hooren de leering,
+door Jezus in het geheim gesproken tot zijn waarachtige leerlingen."
+[Voetnoot: Contra Celsum 3,40.] Dit waren de eerste woorden, gesproken
+bij de Christelijke inwijdingsplechtigheid, dit was de eerste zin, door
+den hierophant tot den kandidaat gericht. Het verdere kan Clemens niet
+aanhalen, want dan begint de leering welke slechts gegeven kon worden in
+de mysteriën. Deze eerste woorden echter stellen de voorwaarde van
+reinheid en roepen den kandidaat op om te luisteren naar de leering,
+door Jezus in het geheim aan zijne leerlingen gegeven.
+
+Wat is er thans geworden van die leering? Wat heeft de kerk gedaan met
+deze heiligste nalatenschap van den Christus? Waar wordt nu het
+onderricht gevonden, dat Jezus zijnen leerlingen in het geheim gaf? Waar
+zijn nu de mysteriën van Jezus, en degenen die den kandidaat zouden
+kunnen inwijden in de kennis, die aan de vroegere Christenen werd
+meegedeeld? Is de kerk trouweloos geweest in het bewaren van haren
+schat? Heeft zij de overlevering verloren, en ook degenen aan wie deze
+was toevertrouwd? Indien dit waar is, geen wonder dan dat de
+ongeloovige instaat is het geloof der Christenen te doen wankelen, geen
+wonder dan dat honderden van de meest ontwikkelde menschen worden
+gevonden buiten de grenzen der Christelijke kerk.
+
+Is het mogelijk die verloren kennis te herwinnen? Is het mogelijk deze
+leering weer te vinden, nu ze verdwenen is uit den schoot der kerk? Ja,
+die leering is nooit werkelijk verloren gegaan, de kennis van de
+mysteriën is nooit geheel en al verdwenen. Zij is bewaard door Jezus
+zelf en door zijn trouwe leerlingen, en die leerlingen zijn nooit geheel
+en al van de aarde verdwenen. Hier en daar werd er altijd nog een
+gevonden, die de duisternis om zich verlichtte, een heilige, stralend
+als een ster aan den donkeren hemel, in het bezit van eerste-hands
+kennis, de kennis van de oude mysteriën van Jezus. Nu en dan verscheen
+zulk een leerling in den schoot der Christelijke kerk, ingewijd en
+onderwezen gelijk voorheen, evenals de Christenen van vroeger, in het
+bezit van onmiddellijke leering, welke hem in staat stelde als leeraar
+op te treden. En hiertoe zijn slechts zij in staat, die zelf de
+onmiddellijke leerlingen zijn van de Meesters. Sedert de overlevering
+van haar bestaan uit de kerk verdwenen is, wordt de geheime leering nog
+altijd overgedragen van den een op den ander, zoo vaak er iemand
+gevonden wordt die waardig is ze te ontvangen. En met die leering gaat
+samen het vermogen om wat men verkeerdelijk "wonderen" noemt te
+verrichten, het gebruiken van natuurkrachten, welke de gewone menschen
+niet kennen. Gij zult u herinneren hoe Jezus gezegd heeft dat zekere
+teekenen hen zouden vergezellen, die geloofden; dat zij vergif zouden
+drinken zonder dat het hun schaadde, dat zij door handoplegging zieken
+zouden genezen; aan deze teekenen, zeide hij, zouden waarlijk geloovigen
+worden herkend.
+
+Hoevele Christenen vertoonen thans deze teekenen van het levend geloof?
+In welke mate zijn die krachten in het bezit der Christenleeraars van
+onze hedendaagsche kerk? Hier en daar in de middeleeuwen vinden wij er
+nog sporen van, zooals de wonderen, verricht door Franciscus van Assisi
+en Elisabeth van Hongarije, wonderen, niet in den zin van een schending
+der natuurwetten, want zulk een schending is onmogelijk, maar wonderen,
+mogelijk gemaakt door de kennis eener hoogere wet, welke op lagere
+gebieden niet kan worden ontdekt, door gebruik te maken van geestelijke
+krachten welker werking de groote menigte der menschen niet kent.
+
+In den aanvang van deze voordracht sprak ik u nog van een ander soort
+van bewijs dat kon worden gegeven om het bestaan van de esoterische
+kennis aan te toonen. Voor hen toch die deze kennis bezitten is het
+mogelijk de duistere en moeilijke plaatsen in de Schrift te begrijpen en
+te verklaren, plaatsen welke altijd struikelblokken zijn geweest voor
+den Christen, maar toch voor een eenvoudige verklaring vatbaar zijn,
+wanneer men slechts den esoterischen kant der godsdienstige leering
+onderzocht heeft. Laten wij bijvoorbeeld enkele plaatsen nemen uit het
+Nieuwe Testament, welke moeilijk zijn te begrijpen en waarin de
+hedendaagsche Christenen niet gelooven, en die altijd weggeredeneerd
+worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van den jongeling, die tot Jezus
+kwam en hem vroeg hoe hij het eeuwige leven beërven kon. Het eerste
+antwoord dat Jezus hem gaf was het exoterische. "Gij weet de geboden".
+Dit is juist wat thans de predikant zou zeggen tot iemand, die hem kwam
+vragen hoe hij het eeuwige leven zou kunnen verkrijgen. Zijn antwoord
+zou wezen: "leid een goed leven op aarde". Dit was ook het eerste
+antwoord dat Jezus gaf, maar de jongeling was hiermede niet tevreden.
+Hij wist dat dit slechts het exoterische antwoord was, niet het diepere
+dat hij zocht. Het wees hem den weg niet dien hij wenschte te vinden.
+Daarom antwoordde hij: "Meester, deze dingen heb ik onderhouden van
+mijne jonkheid af". Dit is het antwoord dat ieder moet kunnen geven, die
+naar de diepere wijsheid verlangt. Aan de uiterlijke wet moet zijn
+voldaan, voordat de innerlijke leering kan worden verkregen. Toen gaf
+Jezus een ander antwoord: "Eén ding ontbreekt u, ga henen, verkoop al
+wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den
+hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij". Toen ging de
+jonge man treurig heen, want hij had vele goederen; en Jezus wendde zich
+tot zijne discipelen, die alles verlaten hadden om hem te volgen, en
+sprak: "Het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan
+dat een rijke in het koninkrijk Gods inga." [Voetnoot: Marcus 10,
+17-26.]
+
+Hoe dikwijls worden tegenwoordig deze laatste woorden weggeredeneerd.
+Hoe vele predikers hebben er over gepreekt en ze van hun beteekenis
+beroofd. Hoe dikwijls hebt gij misschien in uwe jeugd aan uw leeraar
+gevraagd, gelijk ik het mijn leermeester vroeg: "wat beteekenen toch die
+woorden? Is het waar dat een rijke niet gemakkelijker het koninkrijk
+Gods binnengaan kan dan een kemel kan gaan door het oog eener naald?"
+Maar mijn leermeester redeneerde de moeilijkheid weg en zeide mij dat
+het beteekent dat een rijke even goed als een arme het eeuwige leven kan
+verwerven, dat het iets anders beteekent dan het zegt, dat het
+betrekking heeft op een poort in Jeruzalem waar een kameel slechts
+onbeladen door kon gaan; en dat het wilde zeggen dat een rijke vele
+moeilijkheden heeft en aan vele verleidingen blootstaat, maar niet dat
+hij in het geheel niet zou kunnen binnengaan in het koninkrijk Gods. De
+groote menigte der Christenen schijnt het ook niet op te vatten in den
+zin, zooals het door Jezus is gezegd, want overal ziet gij de menschen
+hard werken om rijkdommen te verwerven, en als zij dachten dat zij
+daardoor het eeuwige leven zouden verliezen, zouden zij wel niet zoo
+hard werken om in de hel te komen; zoodat wij vrij zeker kunnen zijn dat
+zij in woorden van Jezus als de aangehaalde volstrekt niet gelooven. Dit
+is het noodzakelijk gevolg van het verloren gaan der esoterische kennis.
+Wat is de beteekenis van deze uitdrukking: "het koninkrijk Gods?" Zij
+wordt altijd gebruikt voor "inwijding in de mysteriën". Zij die willen
+binnengaan in het koninkrijk Gods moeten volmaakt worden, niet zooals de
+mensch van de wereld, die na den dood in den hemel komt, om na verloop
+van tijd terug te komen, meer te leeren en meer ondervinding op te
+doen,--het eeuwige leven is niet het vertoeven in een voorbijgaanden
+hemel, het is de kennis van God, het is de vereeniging met de Godheid
+zelf. En die kennis van God die het eeuwige leven is, is het koninkrijk
+Gods, waarin slechts de volmaakte kan binnengaan. En het is altijd een
+vaste wet geweest dat ieder mensch, voordat hij wordt ingewijd, alles
+moet afstaan wat hij bezit, dat hij niets meer als zijn eigendom
+beschouwen moet, wat in de oogen der wereld het zijne is. De gelofte van
+armoede is altijd de gelofte van den ingewijde geweest; niemand kan
+inwijding bereiken die niet deze gelofte doet in haar wijdste
+beteekenis: niet slechts wat zijn aardsche goederen aangaat, maar
+aangaande alles wat hij bezit, zij het rijkdom van verstand of rijkdom
+van hart of rijkdom der aarde. Hij staat ze alle af en deelt ze met de
+wereld, hij beschouwt ze niet langer als de zijne. Indien geld in zijne
+handen komt, is het niet het zijne, moet het niet worden gebruikt voor
+zijn persoonlijke behoeften: het behoort aan het werk van zijn Meester.
+Hij bezit niets dat hij voor zichzelf gebruiken kan. Indien hij kennis
+bezit is die niet de zijne, maar hij bezit die om de wereld te
+onderwijzen. Hij bezit zijne kennis slechts om ze te kunnen geven aan
+anderen; hij heeft geen rechten, hij kent slechts plichten jegens de
+menschheid. Voor zichzelf kent hij geen rechten van eenigen aard. Hij
+staat alles af wat het zijne is. En toen Jezus zeide dat hij die
+volmaakt wil worden alles verkoopen moet wat hij heeft en hem volgen,
+zeide hij slechts wat iedere Meester zegt tot den leerling die
+inwijding bereiken wil: "Gij moet alles afstaan wat gij bezit, gij moet
+u ontdoen van al wat gij hebt." Een harde voorwaarde, zeker: hard voor
+hem wiens hart nog hangt aan de wereld, hard voor hem die nog geeft om
+de schatten der aarde; maar licht voor hem die het hoogere leven zoekt,
+die naar diepere wijsheid verlangt, die het lagere leven wil opofferen
+om het hoogere te vinden, die het vleesch wil kruisigen opdat hij in God
+met Christus vereenigd kan zijn.
+
+Wij zullen thans een tweede spreuk van Jezus nemen: "Wijd is de poort en
+breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door
+dezelve ingaan; want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven
+leidt, en weinigen zijn er die dezelve vinden." [Voetnoot: Mattheüs
+7,13.] Hoevele liefhebbende harten treuren over deze woorden, van
+hoevele vrome Christenen breekt het hart bij het denken aan deze woorden
+van Jezus. Weinigen die binnentreden, velen die ten verderve gaan,
+weinigen die redding vinden, velen die den breeden weg, weinigen die het
+smalle pad volgen! Wat is de beteekenis van deze woorden? Zij zeggen
+hetzelfde wat Jezus bedoelde toen hij sprak tot den jongeling. De breede
+en gemakkelijke weg is de gewone weg van de menschen der wereld, die
+leidt van geboorte naar dood, van dood naar geboorte, van geboorte weer
+terug naar den dood, door steeds herhaalden kringloop van dood en
+geboorte. Zulk een leven is dood, niet leven, in de oogen van den
+verlichte. De weg welke tot het leven leidt is de weg welke van
+wedergeboorte bevrijdt, is het pad der inwijding, dat leidt tot dien
+tempel Gods, welken niemand verlaat, nadat hij hem is binnengetreden.
+Weinigen inderdaad zijn er op het tegenwoordig standpunt van de
+ontwikkeling der wereld, die dezen weg betreden, weinigen worden er
+gevonden onder de millioenen der menschheid, die sterk genoeg zijn om de
+moeilijkheden van het enge pad te overwinnen. Maar in den loop der
+eeuwen zullen allen dit pad vinden en betreden, en geen menschelijke
+ziel zal vervallen tot eeuwig verderf.
+
+Er is nog een gezegde van Jezus, dat moeilijk is te begrijpen: "Weest
+dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt
+is." [Voetnoot: Mattheüs 5,48.] Dat is weer een bevel dat door de meeste
+menschen wordt weggeredeneerd, omdat zij gevoelen dat de vervulling
+onmogelijk is voor zondige menschen, voor mannen en vrouwen vol
+zwakheden en dwaasheden, alledaagsch en wereldsch, bekrompen in hun
+opvattingen, overgegeven aan de genoegens der wereld. Hoe zouden zij
+volmaakt kunnen worden gelijk God in den hemel volmaakt is? Bracht Jezus
+dan zijn leerlingen op een dwaalspoor, toen hij hun een bevel gaf dat
+zij onmogelijk uitvoeren konden? Kon hij, die de waarheid Gods zelf was,
+een gebod geven dat niet kon worden opgevolgd? Neen! Het is voor den
+mensch mogelijk, volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, niet in één
+kort leven, niet in twintig of veertig of honderd jaar, niet in het ééne
+korte tijdperk tusschen de wieg en het graf, tusschen geboorte en dood.
+Dit is slechts één stap naar een volmaking als die van God. Maar leven
+volgt op leven, groei volgt op groei. Ieder volgend leven kan dichter
+bij de volmaking worden gebracht, ieder volgend leven zamelt den oogst
+van het voorgaande in. Met steeds vermeerderende kracht, met steeds
+toenemenden groei stijgen de menschen tot de volmaking, in de
+voetstappen van den Heiland. In de lange eeuwen die voor ons zich
+uitstrekken zal de goddelijke volmaking worden bereikt.
+
+Laten wij van deze op zich zelf staande teksten afstappen en een
+leerstuk der Christelijke kerk beschouwen dat voor velen moeilijk te
+gelooven is, en dat dikwijls wordt aangevallen: de leer der drieëenheid.
+God een eenheid en toch drievoudig, drie personen en toch één God. Velen
+hebben zich over dit leerstuk verbaasd en zijn ten laatste tot de
+overtuiging gekomen, dat zij dit niet konden begrijpen, dat blind geloof
+moet aannemen wat het verstand niet begrijpen kan. Maar in de
+esoterische leering der mysteriën werd de leer der drieëenheid
+begrijpelijk gemaakt, werd zij een verheffende en helpende kracht. Deze
+geheele leering kan niet openbaar worden gemaakt, maar een deel ervan
+kan hier worden besproken; en dit kan eenig licht werpen op ons
+onderwerp. In iederen godsdienst wordt de drieëenheid geleerd: de Vader,
+die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan voorstelt, en uit den Vader
+de Zoon en de Geest. De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is.
+God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, van onbegrensd Vermogen in
+alle openbaringen voor als de Eeuwige Vader, het midden-leven van het
+heelal. Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van het aanzicht van
+liefde der Godheid, van liefde en gelukzaligheid tevens, de tweede
+persoon in de drieëenheid, de tweede Logos, zooals hij dikwijls genoemd
+wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen kant de openbaring van
+mededoogen, van alomvattende liefde, aan de andere zijde van eeuwige,
+oneindige gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is dat van
+wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard als de Geest, het goddelijk
+denkvermogen. Toen God zich openbaarde als scheppende kracht, als het
+algemeen denkvermogen, werd hij de derde Logos, de derde persoon in de
+drieëenheid. God is in wezen één, drievoudig in zijn openbaring, het
+ééne Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer wij spreken
+van de drie personen van de drieëenheid, zijn dit slechts drie
+aanzichten, waarin de godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en
+begrijpelijk voor den mensch.
+
+De drieëenheid, die in de godheid is, weerkaatst zich in den mensch, ook
+de mensch is een drieëenheid, het beeld van God. In den mensch heeft de
+goddelijke drieëenheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt in den
+voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen aard van de godheid, en
+ontwikkelt in zijn inwezen de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft
+van God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het verstand, de
+weerkaatsing van den derden persoon der goddelijke drieëenheid, daarna
+wordt de Zoon in hem geboren, de geest van den Christus, van
+alomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het kenmerk van den mensch
+in wien dit tweede aanzicht zich ontwikkelt, die van den derden trap
+tot den tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle menschen in
+zich omvat. Dit is de geest van den Christus, en naarmate de mensch
+dezen ontwikkelt wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor de
+laatste openbaring in den mensch. Niet alleen de ontwikkeling van het
+verstand, de weerkaatsing van den Geest, niet alleen de liefde, die
+wordt voorgesteld door het leven van den Zoon,--ook het leven van den
+Vader moet zich in den mensch openbaren. Hij moet gelijk worden aan de
+goddelijke Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging waarvan
+alle godsdiensten hebben geleerd, dat is het één-worden met den Vader,
+waarvan Christus tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal dien
+zij zouden bereiken. Het één-worden met den Vader is het einddoel der
+ontwikkeling van den mensch.
+
+In het grootste deel der menschen op aarde ontwikkelt zich thans het
+derde aanzicht der drie-eenheid, het verstand. Slechts hier en daar
+treffen wij menschen aan, in wie het leven van den Christus zich begint
+te ontvouwen. Wanneer dit leven volmaakt zal zijn, zal de vereeniging
+komen met den Vader, waarvan Paulus zegt: "Daarna zal het einde zijn,
+wanneer hij het koninkrijk aan God en den zij alles in allen."
+[Voetnoot: 1 Corinthiërs 16, 24-28.] Dat is de zielsverrukking waarom
+ieder heilige bad, de vereeniging met God; dat is het doel, dat de kroon
+is der menschelijke ontwikkeling. Aldus is de leering van het
+esoterisch Christendom, dieper, breeder, verheffender dan de uitwendige
+vorm, tot welken helaas de kerk zich bepaalt. Aldus leert het Goddelijk
+Weten, dat het uwe is door erfrecht, het uwe door de gave van den.
+Christus, het uwe krachtens uw geestelijke afkomst, het uwe door uw
+recht als leden eener Christelijke gemeenschap. En ik, die geleerd heb
+van die Meesters waarvan Jezus één is, ik, die door eigen ondervinding
+weet, dat deze leering kan worden verkregen, dat duizendmaal meer kan
+worden geweten dan hier mijne lippen uiten kunnen, ik kom tot u als
+bode, om u te herinneren aan uw erfrecht, ik kom tot u om u te
+herinneren aan het bestaan van goederen die de uwe zijn. Dat is de
+boodschap die ieder leerling op zijne beurt brengt aan iedere kerk, aan
+ieder geloof; niet iets nieuws brengt hij niet zich, slechts de
+herinnering aan wat oud is, maar nog steeds binnen menschelijk bereik.
+Aan u om dit pad te betreden, aan u om die kennis te verwerven, aan u om
+de gelegenheid aan te nemen, die de leering der Theosofie u brengt, de
+leering die dezelfde is als esoterisch Christendom. De gelegenheid wordt
+u geboden, aan u haar aan te nemen of te laten, gelijk gij dat wilt.
+
+
+
+
+#Het verhaal van den Christus#
+
+
+Ik zal hedenavond het verhaal van den Christus beschouwen van het
+standpunt van den Occultist, Wanneer wij enkel als Theosofen spreken,
+trachten wij het verhaal van den Christus duidelijk te maken in zijn
+geestelijke beteekenis. Wanneer wij ons echter op het standpunt van den
+Occultist plaatsen kunnen wij verder gaan. Wij kunnen terugzien naar de
+archieven van het verleden en deze onderzoeken, wij kunnen terugzien tot
+het leven, zooals dat negentien eeuwen geleden werd geleid en het stap
+voor stap bestudeeren. Maar ik moet u herinneren dat de inhoud dezer
+occulte archieven niet langs geschiedkundigen weg bewezen kan worden.
+Het is waarschijnlijk dat in de eerstvolgende twintig jaren eenige oude
+handschriften zullen worden gevonden, welke dezen inhoud tot op zekere
+hoogte zullen bevestigen, maar op het oogenblik zijn deze handschriften
+nog niet door de oudheidkundigen ontdekt. Daarom stel ik mij voor mijn
+onderwerp niet van den kant der gewone geschiedenis maar van het
+standpunt van den Occultist te beschouwen, en naarmate ik verder ga zult
+gij zien dat deze wijze van beschouwing vele moeilijkheden in de
+evangeliën uit den weg ruimt, en dat zij u in staat stelt al wat in die
+evangeliën van waarde is te redden uit de aanvallen der geschiedkundige
+kritiek. Zij stelt u in staat het Christendom te baseeren op een leven,
+meer dan op een handschrift en alles te begrijpen wat van werkelijk
+belang is in het verhaal van den Christus, beschouwd als een mystiek
+verhaal en als een feit uit de geschiedenis.
+
+Hat verhaal is vanzelf in twee deelen te splitsen, welke wij in onze
+beschouwing zullen moeten scheiden. De ééne afdeeling behandelt den
+geschiedkundigen Jezus en omvat tevens de zonnemyten welke door zijne
+levensbeschrijving geweven zijn. In de tweede afdeeling spreken wij niet
+over den geschiedkundigen Jezus maar over den mystieken Christus, en
+deze vertegenwoordigt in een opzicht den tweeden Logos, en in een ander
+de individuële ziel, welke goddelijkheid bereikt.
+
+In de evangelie-verhalen en in het geloof der kerk zijn deze beide
+gedeelten niet scherp gescheiden. Wat tot het ééne behoort wordt
+dikwijls gerekend bij het andere. Dit geeft tot veel verwarring
+aanleiding en biedt menig zwak punt voor de aanvallen van den
+ongeloovigen kritikus. Naarmate wij deze draden ontwarren zult gij
+beider waarde beter begrijpen en zult gij ook het groote belang inzien,
+dat het geheel voor de menschheid heeft.
+
+Laten wij eerst het verhaal van den geschiedkundigen Jezus nemen, en de
+zonnemyten welke daarmede zijn tezamen geweven.
+
+Jezus werd geboren uit Joodsche ouders, ongeveer honderd jaar vóór het
+tijdstip dat gewoonlijk wordt opgegeven. Hij werd opgevoed onder de
+Esseers, een Joodsche sekte van zeer rein leven en diep godsdienstig
+gevoel. Zij waren ongehuwd, zij aten geen vleesch en dronken geen wijn,
+en waren ook buitengewoon weldadig en medelijdend. Kinderen, die als
+weezen waren achtergebleven, namen zij tot zich om ze in hun midden op
+te voeden. Behalve de weezen werden dikwijls ook andere kinderen van
+goede afkomst aan hunne zorg toevertrouwd wegens de reinheid van hun
+leven en de wijsheid welke zij bezaten, en die hun groote waarde gaf als
+onderwijzers. Onder deze heilige menschen bracht Jezus zijn jeugd door.
+Hij muntte uit door zijn buitengewone reinheid en godsdienstige
+toewijding, welke zich op twee wijzen toonde: in zijne vurige aanbidding
+van God en zijn voortdurend streven om zijne medemenschen te helpen.
+Deze beide karaktertrekken waren buitengewoon sterk in hem ontwikkeld:
+de liefde tot God welke hem leidde tot lange uren van overpeinzing en de
+liefde tot de menschen welke hem krachtig werkzaam deed zijn om allen te
+helpen die smart leden. Deze toewijding ging zooals ik reeds zeide
+gepaard aan een buitengewone reinheid. Toen hij den mannelijken leeftijd
+naderde trok hij naar Egypte. Hij trok van de gemeenschap der Esseers in
+het Zuiden van Palestina tot een dergelijke gemeenschap op den berg
+Sinaï en naderhand in Egypte. In dit land bestudeerde hij de oude
+wijsheid der Egyptenaren en hij werd ingewijd in hunne mysteriën. Op
+omstreeks 27-jarigen leeftijd keerde hij naar Palestina terug, en begon
+zijnen verwanten en vrienden onderricht te geven in wat hij geleerd had.
+
+Te dien tijde nu was in de wereld een nieuwe aandrang van
+geestelijkheid noodig geworden. De tijd voor het ontstaan der westersche
+volkeren brak aan. Reeds ontwikkelden zich jonge rijken welke de kiem
+van toekomstige grootheid in zich droegen. De beschaving waartoe zij
+zich zouden ontwikkelen zou van geheel anderen aard zijn dan die van het
+Oosten. Het verstand dezer nieuwe volken zou krachtig en werkzaam van
+aard zijn. De omstandigheden van hun klimaat zouden ijver en
+krachtsontwikkeling eischen. De godsdienst welke bij de vorming van deze
+beschaving daartoe dienstig zou zijn moest ethisch en praktisch zijn,
+eenvoudig van wijsbegeerte, helder van leering. Deze godsdienst werd
+geschonken door de groote Broederschap uit welke alle godsdiensten
+voortgekomen zijn, en Jezus was het voor die taak uitgekozen werktuig.
+Hij was voor dit werk bijzonder geschikt door zijn reinheid en
+toewijding. Toen hij ongeveer dertig jaar oud was kwam voor hem de tijd
+zijn werk te beginnen. Een bijzondere nederdaling van goddelijke kracht
+kwam in hem en scheidde hem af van de overigen van zijn ras. Deze
+nederdaling maakte hem in zeer bijzonderen zin tot den
+vertegenwoordiger, tot den bode van God. Van deze nederdaling wordt
+gesproken als van zijn "doop" en gij zult u herinneren hoe in het
+verhaal van dien doop gezegd wordt dat de geest Gods op hem nederdaalde.
+Van dien tijd af, gedurende de jaren zijner prediking, kan men Jezus
+beschouwen als een vleeschwording van het goddelijk Leven. Het is
+belangrijk, in gedachte te houden dat dit een uitstorting van het
+goddelijk Leven in den mensch Jezus was, en dat de "doop" het tijdstip
+was waarop die uitstorting plaats vond. Van toen af werd hij de prediker
+van een zuiverder geloof voor de westersche wereld. Hij werd door de
+Joden wegens godslastering gedood nadat hij ongeveer drie jaren onder
+hen had gewerkt.
+
+Vele van de verhalen welke wij in de evangeliën vinden behooren niet tot
+het werkelijk leven van dezen grooten leeraar, maar zijn verhalen welke
+zich rondom dat leven hebben gegroepeerd doch ook in verband met andere
+leeraars aan de wereld bekend zijn geweest. Het is uit dit punt dat de
+aanvallen van ongeloovigen met zonnemyte-argumenten hun kracht putten.
+Enkele menschen, zooals Strauss en anderen, hebben getracht het
+geschiedkundig karakter van Jezus geheel te vernietigen. Maar dat is een
+overdrijving van ongeloovige kritiek, welke niet kan worden gehandhaafd
+door kennis welke op goede grondslagen berust. Wat hun aanval kracht
+heeft gegeven is het feit dat enkele dezer verhalen reeds sedert
+duizenden jaren bestaan hebben. Het verhaal bijvoorbeeld van de geboorte
+van Jezus uit een maagd, wat de kerk aanneemt dat plaats heeft gevonden
+op den 25e December, is een van deze zonnemyten. In de oudste
+Christelijke handschriften wordt de geboorte van Christus aangegeven op
+verschillende tijden van het jaar. In het eene verhaal wordt hij geboren
+in Mei, in een ander in Juli, in een derde in September. Eerst in de
+zevende eeuw werd de 25^e December algemeen als Kerstdag erkend, en dit
+is de datum welke reeds van de oudste tijden her genoemd is als de datum
+van de geboorte van een vleeschgeworden godheid. Het is de datum waarop
+Mithra, de zonnegod der Perzen, werd geboren, het is de dag waarop
+Osiris, de zonnegod der Egyptenaren, het licht zag. Deze dag wordt als
+feestdag beschouwd in alle groote godsdiensten welke tegenwoordig op
+aarde bestaan. Dit feit berust hierop, dat de zon beschouwd wordt als de
+vertegenwoordiger Gods. Alle licht en leven in een zonnestelsel komt van
+den zon, gelijk alle licht en leven in het heelal komt van God. En in
+alle godsdiensten der oudheid werd de zon beschouwd als het symbool voor
+God, niet als Hemzelf, maar toch als een symbool waaraan de grootste
+eerbied verschuldigd was. En daar de dag in het winter-stilstandspunt
+het kortst is, zeide men dat dan de geboorte van den zon plaats vond. De
+Christenkerk heeft dat tijdstip ook aangenomen voor de geboorte van
+Jezus, en dit feit wordt gebruikt als bewijsgrond om aan te toonen, dat
+Jezus niet anders is dan een zonnegod.
+
+Wat de datum van zijn dood betreft: het is u bekend dat de dag van de
+kruisiging niet op een vasten datum gesteld wordt, maar op een datum
+welke ieder jaar verandert en berekend wordt uit de standen van zon en
+maan, zoodat deze dag niet een geschiedkundige, maar een sterrekundige
+datum is. Een geschiedkundige verjaardag kan natuurlijk op deze wijze
+niet worden vastgesteld en zij die het Christendom vijandig gezind zijn,
+gebruiken dit als een bewijsgrond tegen dezen godsdienst. Het is daarom
+van belang op te merken dat deze datums inderdaad niet uitsluitend op
+het Christendom betrekking hebben, en dat de werkelijkheid van het leven
+en den dood van Jezus niet van deze sterrekundige gegevens afhangen.
+Ook vele andere verhalen, aan het leven van Jezus verbonden, hebben
+reeds lang voor zijn geboorte bestaan. Dit was aan de eerste kerkvaders
+en bisschoppen zeer goed bekend. Zij beschouwden het echter nooit als
+een bewijsgrond tegen de werkelijkheid van het leven van Jezus, en
+trachtten nooit den hoogeren ouderdom van die heidensche verhalen,
+zooals zij genoemd worden, in twijfel te trekken. De waarheid van de
+verhalen aangaande het leven van Jezus is deze: dat hij een man was, vol
+goddelijken geest, gezonden om een nieuwen godsdienst te stichten; dat
+hij een leven leidde van wonderbare toewijding en reinheid; dat hij de
+diepste geestelijke wijsheid leeraarde; dat hij werken van medelijden en
+liefde deed aan allen met wie hij in aanraking kwam en dat hij eindelijk
+wegens godslastering door de Joden gedood werd. Dit zijn de voornaamste
+feiten betreffende het leven van Jezus, welke geschiedkundig juist zijn.
+En zooals ik zeide bestaat de waarschijnlijkheid dat binnenkort
+handschriften zullen worden ontdekt welke aan de wetenschap
+geschiedkundige gegevens zullen verschaffen. Maar de wonderbaarlijke
+geboorte in December en de kruisiging omtrent den tijd der
+lentenachtevening behooren tot de zonnemyten, niet tot de geschiedenis.
+In de oudste handschriften welke wij thans bezitten vinden wij deze
+datums niet vermeld en onder de vroegste Christenen werden deze punten
+niet van belang geacht. Eerst gedurende de ontwikkeling der kerk hebben
+zij belang gekregen als dogmata, en een der redenen waarom het van
+belang was deze datums vast te stellen, was dat zij ook reeds
+heidensche feestdagen waren en behoorden tot de verschillende vormen
+van zonaanbidding welke in het Westen verspreid waren. De jonge kerk nam
+deze feestdagen over en schakelde ze in de geschiedenis van Jezus, daar
+men toen de vrees nog niet kende voor den ongeloovigen kritikus der
+negentiende eeuw.
+
+Het verhaal van den Christus is van geheel anderen aard. Het woord
+"Christus" is niet een naam die toebehoort aan éénen enkeling maar een
+titel welke een zekeren rang aanduidt en sedert onheuglijke tijden
+gebruikt werd om een zekeren graad van inwijding aan te duiden. Ieder
+ingewijde die voorbij een zekeren graad van inwijding is, wordt een
+Christus genoemd, welk woord "de gezalfde" beteekent. De zalving is een
+deel van de plechtigheid van die inwijding, zoodat de inwijding den
+mensch tot een "gezalfde" maakt. Ik zeide u reeds dat het verhaal van
+den Christus van tweeërlei standpunt kan worden beschouwd, en wel in de
+eerste plaats als een kosmisch verhaal, betrekking hebbende op het
+heelal. In dit kosmisch verhaal stelt Christus den tweeden Logos voor,
+den tweeden persoon in de drieëenheid. Deze tweede persoon in de
+drieëenheid wordt in het Christendom erkend als de God-mensch en de
+geschiedkundige Jezus wordt met dien God-mensch vereenzelvigd. Het
+kosmische verhaal is in het kort het volgende: De tweede Logos, de
+tweede persoon in de drieëenheid, daalde neder in de stof, om aan deze
+zijn leven te geven: hij gaf zijn leven aan ieder schepsel dat ontstond.
+Hij is het van wien Johannes schrijft: "Het Woord was bij God, en het
+Woord was God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder
+hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is". [Voetnoot: Johannes 1,
+1-3] In het oude verhaal van deze nederdaling in de stof wordt gezegd
+dat de tweede Logos in de stof gekruisigd is. Dit wil zeggen dat het
+leven van God is gegeven om het leven van alle levende wezens te zijn en
+dat God de banden der stof op zich nam, om dit leven mogelijk te maken.
+
+Deze kosmische gebeurtenis wordt herhaald in de geschiedenis van iedere
+menschelijke ziel, want wat in het heelal geschiedt, gebeurt ook in het
+kleine heelal, in den mensch. Wanneer wij het verhaal van den Christus
+toepassen op de menschelijke ziel, geven wij het in den vorm waarin het
+door de Christelijke mystieken werd beschouwd. De ziel des menschen
+wordt beschouwd als voortgekomen uit God. Door een lange reeks van
+aardlevens ontwikkelt zij de eigenschap van verstand, begripsvermogen,
+denken, de weerkaatsing van den Heiligen Geest of den derden persoon in
+de drieëenheid. De geest van den mensch wordt, van dit standpunt gezien,
+beschouwd als het beeld van God. Hij is een drieëenheid in zijn wezen
+evenals God een drieëenheid is, en de ontwikkeling van het leven, van
+die drieëenheid in den mensch vervalt vanzelf in drie onderdeelen: de
+eerste stap is die, waardoor het denkvermogen wordt ontwikkeld; deze
+stap is den Theosoof bekend als de ontwikkeling van Manas, het
+denkvermogen. Manas is in den mensch de vertegenwoordiger van Mahat in
+den Kosmos, of om de Christelijke uitdrukking te gebruiken, de
+vertegenwoordiger van den Heiligen Geest. Dit zich ontwikkelende
+verstand is het derde aanzicht der menschelijke drieëenheid. Dit
+standpunt van ontwikkeling is het standpunt waarop de menschheid zich
+tegenwoordig bevindt, en deze ontwikkeling van Manas moet vrij ver
+gevorderd zijn voordat de tweede stap kan worden gedaan, welke bestaat
+in de ontwikkeling van het tweede aanzicht der drieëenheid in den
+mensch, de ontwikkeling van den Zoon, of den Christus. Het kenmerkende
+van dit standpunt van ontwikkeling is niet gelegen in de ontvouwing van
+het verstand, maar van de liefde. Het is gelegen in de erkenning van
+alle mensch en als één, niet als een gevolgtrekking door denken, maar
+door de ontwikkeling van dit tweede aanzicht der drieëenheid, van wat
+wij Buddhi noemen. Buddhi beteekent voor den Theosoof wat Christus
+beteekent voor den Christen. Wanneer de mensch gereed is den Christus in
+zich te beginnen te ontwikkelen ontvangt hij de eerste van de groote
+inwijdingen. Bij deze inwijding zegt men dat hij geestelijk geboren
+wordt; het is de tweede geboorte of de geboorte uit den geest waarvan
+Jezus sprak. Deze inwijding wordt de tweede geboorte genoemd, omdat zij
+den tweeden persoon in de menschelijke drieëenheid in werking brengt.
+Door die inwijding ontwaakt Buddhi in den mensch en begint zich te
+uiten, of in de Christelijke symboliek: bij die inwijding wordt Jezus
+geboren uit den schoot der maagd. Deze geboorte werd steeds een
+onbevlekte genoemd, een geboorte uit een maagd, omdat zij niet is een
+geboorte uit het vleesch, maar een geboorte uit den geest. Om deze
+reden ook zeide Jezus dat een mensch gelijk een kind moest worden om het
+koninkrijk Gods binnen te gaan. In het geheele onderwijs van Jezus heeft
+de uitdrukking: "het koninkrijk Gods" de beteekenis van "inwijding" en
+de nieuw-ingewijde wordt een "kind" genoemd. Gij herinnert u ook dat
+Paulus van zijn bekeerlingen hoopte dat Christus een gestalte in hen
+mocht krijgen. Zij waren gedoopt als lidmaten der kerk, zij hadden
+deelgenomen aan het Avondmaal, en toch noemde hij het zijn hoogsten
+wensch, dat Christus in hen mocht worden geboren. Hieruit blijkt dat de
+geboorte van Christus in den mensch niet beteekent lidmaat te worden van
+de kerk, maar iets hoogers waarnaar de Christen moet streven. Een van de
+redenen waarom de inwijding "de geboorte van den Christus" werd genoemd
+is dat de mensch die deze eerste der groote inwijdingen ontvangt, voor
+de eerste maal het bewustzijn van het buddhisch gebied ondervindt. Hij
+wordt door zijnen Meester tot dat gebied gevoerd: door de aanraking van
+den Meester wordt hij voor de eerste maal bewust op dat gebied. Dan
+begrijpt hij wat eenheid beteekent: hij gevoelt dat hij één is met al
+wat bestaat, hij ondervindt dat hij niet afgescheiden is, maar een deel
+van het groote geheel; hij begrijpt het niet door verstandelijke
+inspanning, maar ondervindt het door onmiddellijk bewustzijn. Dan begint
+in den ingewijde het leven van den Christus, en langzamerhand neemt hij
+dien geest van liefde en mededoogen in zich op. Zoo ontwikkelt de
+Christus in hem. Nog twee andere inwijdingen moet hij doormaken terwijl
+hij nog altijd als onvolwassen beschouwd wordt. Dan komt de tijd voor
+den mystieken doop, die overeenkomt met den doop van den mensch Jezus.
+Deze doop is de inwijding van den Arhat. Van dien tijd af is het
+bewustzijn van den ingewijde voortdurend op het buddhisch gebied. Vóór
+deze inwijding wordt zijn bewustzijn van tijd tot tijd daarheen
+overgebracht, maar wanneer zij heeft plaats gevonden, en de doop des
+geestes ontvangen is wordt het buddhisch bewustzijn zijn gewone
+bewustzijn, en begint hij langzamerhand het nirvanisch bewustzijn te
+verwerven. Het bewustzijn op het buddhisch gebied wordt genoemd het
+leven van den Zoon, die altijd in den hemel is bij zijnen Vader, en toch
+op aarde wandelt onder de menschen als één van hen. Wanneer de mensch
+dezen trap heeft bereikt, kan hij een Heiland der menschheid worden,
+want daar zijn bewustzijn één is met dat van alle menschen kan hij met
+hen deelen al wat hij heeft, daar hij zelf zuiver is kan hij naast de
+menschen staan in hun zonde, daar hij zich zijn geheele verleden
+herinnert kan hij medevoelen met den slechtste. Alleen de Christus kan
+de vriend zijn van den laagste, want daar hij zelf tot zonde niet meer
+in staat is kan hij met den zondaar in de nauwste aanraking zijn zonder
+gevaar voor zijn eigen reinheid. Alleen de Christus kan den zondaar
+werkelijke hulp brengen, want slechts hij kan gevoelen, wat die zondaar
+gevoelt, en door de vereeniging van zijn bewustzijn die hulp brengen,
+welke noodig is. De mensch die geheel buiten den zondaar staat kan hem
+niet werkelijk helpen. Slechts hij die zijn bewustzijn kan vereenigen
+met dat van den zondaar kan geven wat noodig is. Daarom wordt zulk een
+mensch terecht een Heiland der wereld genoemd.
+
+Na al deze inwijdingen komt de mystieke kruisiging. De Arhat offert zich
+geheel en al op voor het welzijn der wereld. Hij geeft al wat hij bezit
+opdat het der menschheid ten goede moge komen. Hij verzaakt alle
+afgescheiden leven, opdat zijn leven het leven der menschen zijn moge.
+Hij neemt niets voor zichzelf opdat de menschheid alles moge ontvangen,
+en deze laatste daad van opoffering wordt de "kruisiging" genoemd. Door
+dien dood van het lagere rijst de ingewijde tot het goddelijk leven. Hij
+wordt één met den Vader, hij stijgt boven het leven der wereld. Om de
+Theosofische uitdrukking te gebruiken: Buddhi gaat op in Âtmâ; de Arhat
+wordt daardoor een Meester. In de Christelijke spreekwijze zegt men: de
+Zoon wordt één met den Vader en, in den hemel opgestegen, zit hij aan de
+rechterhand Gods. Dit "zitten aan de rechterhand Gods" is een
+zinnebeeldige uitdrukking, welke beteekent dat hij de goddelijke
+krachten bezit. Hij is in staat om een werktuig te zijn van de godheid
+voor de ontwikkeling der menschheid en iedere Zoon, die de eenheid met
+den Vader bereikt heeft wordt een van de krachten die de wereld vooruit
+helpen, zoodat door zijn ontwikkeling die der geheele menschheid wordt
+bevorderd.
+
+Aldus luidt het verhaal van den Christus, beschouwd als de geschiedenis
+van den geest in den mensch. Het is het verhaal der inwijdingen, die in
+de vroegere kerk bekend waren onder den naam: "de mysteriën van Jezus."
+Aan de oningewijden werd het gegeven in den vorm van de geschiedenis van
+den Christus. Dit verhaal van de inwijding der menschelijke ziel werd
+samengeweven met de geschiedenis van het leven van Jezus, en verloor
+zijn verheffende kracht omdat men het toepaste op het uitwendig leven
+van één mensch, in plaats van op het innerlijk leven van den geest. Maar
+bij de Christelijke mystieken is het verhaal in zijn innerlijke
+beteekenis bewaard gebleven. Wij vinden het terug in de overpeinzingen
+der heiligen, waar zij zich vereenigen met den Christus en zich één
+gevoelen met den Meester. Het gebed van Jezus dat zijn discipelen één
+mochten worden in hem en met hem één in den Vader, schijnt door de
+tegenwoordige Christenen vergeten te zijn.
+
+Het is een deel van de zending der Theosofie, aan het Christendom de
+mystiek terug te brengen welke het verloren heeft. Voor millioenen
+menschen in Europa is de Christelijke symboliek degene welke zij het
+gemakkelijkst kunnen begrijpen. Indien wij tot hen spreken van Manas,
+Buddhi en Âtmâ, begrijpen zij ons niet. Indien wij hun echter aantoonen,
+dat hun eigene woorden dezelfde beteekenis hebben, kunnen wij ons doel
+bereiken. Wanneer wij hun vertellen, dat zij Buddhi kunnen ontwikkelen,
+en dat Buddhi kan opgaan in Âtmâ, weten zij niet wat wij bedoelen. Maar
+wanneer wij hun leeren dat de Christus in hen kan worden geboren, en dat
+zij één kunnen worden in den Vader, zien zij onze bedoeling. Wij moeten
+de Christenen helpen te begrijpen: dat het verhaal van den Christus niet
+betrekking heeft op één enkel mensch, maar dat het de geschiedenis der
+ziel is, die zich tot volmaking ontwikkelt, dat ieder mensch een
+Christus moet worden, dat dit voor ieder mensch mogelijk is. Dat is
+juist de kracht van de geschiedenis van Jezus, bedoeld als een voorbeeld
+voor allen, en een groot deel der waarde van zijn leven gaat verloren,
+wanneer zijn geschiedenis wordt beschouwd als die van het uiterlijk
+leven van eenen Heiland, in plaats van als een beeld van het geestelijk
+leven.
+
+Nog één punt is er betreffende den geschiedkundigen Jezus, dat van groot
+belang is, namelijk dat hij nog leeft in een lichaam, als één van die
+groote Broederschap van Meesters waarvan de Theosofie ons leert. Hij
+vindt zijn bijzondere taak in de Christelijke kerk. Door die kerk kunnen
+nog heden de zielen hem als Meester bereiken; en zij die er toe zijn
+gekomen de Meesters te kennen, weten dat Jezus één van hen is, en dat
+hij nog thans door Christenen kan worden bereikt. Maar de voorwaarden
+hiervoor zijn nog steeds dezelfde als immer te voren. Zij zijn
+neergelegd in de woorden van Jezus in de Christelijke evangeliën,
+woorden die letterlijk moeten worden gevolgd, en niet weggeredeneerd.
+Thans, gelijk oudtijds, moet de mensch die het leven van den Christus
+wil vinden het lagere leven dooden. Thans, gelijk voorheen, moet hij
+alles opgeven, wat behoort tot het persoonlijk zelf. Nog heden, evenals
+vroeger, moet al zijn aandacht op geestelijke dingen zijn gericht en
+niet op aardsche. Wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, zal Jezus, de
+Meester, zich aan den leerling openbaren; maar zoolang zijne woorden
+worden weggeredeneerd ter wille van wereldsche begeerten, zoolang de
+mensch tracht twee meesters te dienen, in twee werelden te leven,
+zoolang zal hij Jezus, den Meester, niet vinden, zal hij het leven van
+den Christus niet bereiken.
+
+
+
+
+#Aanhangsel.#
+
+
+
+
+DE THEOSOFISCHE VEREENIGING.
+
+
+
+
+De Theosofische Vereeniging is een internationaal lichaam, den 17^{den}
+November 1875 te New-York gesticht.
+
+Haar doel is:
+
+_I. Het vormen van een kern van de algemeene broederschap der
+menschheid, zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. II. Het
+aanmoedigen van de vergelijkende studie van godsdienst, wijsbegeerte en
+wetenschap.
+
+III. Het naspeuren van onverklaarde natuurwetten en van de ongeopenbaar
+de krachten in den mensch._
+
+Van deze drie doeleinden is alleen het eerste bindend voor alle leden
+terwijl de twee andere tot hulp voor de bereiking van het eerste dienen.
+
+Het volbrengen van het tweede, dat het Oosten en het Westen aan elkander
+ontsluiert strekt om misverstanden voortspruitende uit verschil van ras
+en godsdienstvorm uit den weg te ruimen en stelt ten dienste van beiden
+de verborgen schatten van geestelijke kennis die beide bezitten. Ook het
+derde leidt tot broederschap daar het den mensch zich zelf en zijn
+omgeving leert kennen en hem ten slotte de geestelijke eenheid aantoont
+welke aan alle wezens ten grondslag ligt. Doch het nastreven van deze
+beide doeleinden vereischt bijzondere vermogens en bijzondere
+gelegenheden. Zij zijn daarom niet verplichtend voor alle leden doch
+worden naar vrije keuze nagestreefd door hen die zich daartoe
+aangetrokken gevoelen en die in staat zijn dat te doen. Daarom vindt
+iemand die hiervoor in het geheel geen belangstelling koestert, indien
+hij gelooft in menschelijke broederschap en willig is daarvoor te
+werken, een hartelijk welkom en een ruime plaats in de Theosofische
+Vereeniging.
+
+De leden der Vereeniging zijn meer verbonden door een ethischen dan door
+een verstandelijken band en hun eenheid berust op een verheven ideaal,
+niet op een omschreven geloof. De Vereeniging heeft geen
+geloofsstellingen, dringt aan op geen enkel geloof, schaart zich onder
+geen kerk, steunt geen partij, neemt geen deel aan de eindelooze
+kibbelarijen welke de maatschappij verdeelen en het nationaal,
+maatschappelijk en persoonlijk leven verbitteren. Zij tracht geen mensch
+van zijn eigen godsdienstvorm af te trekken, maar noopt hem integendeel
+in de diepten van zijn eigen godsdienst het geestelijk voedsel te zoeken
+dat hij noodig heeft. De uitkomsten der studie welke in het tweede
+doeleinde genoemd wordt biedt zij aan als voorwerpen van onderzoek, niet
+als geloofsstellingen waaraan blind geloof moet worden geslagen. Dat
+ieder eens anders godsdienstige gevoelens evenzeer eerbiedigen zal als
+hij dat voor de zijne verwacht wordt gerekend tot een eervolle
+verplichting in de Vereeniging, en volkomen wederkeerige hoffelijkheid
+hierover wordt van de leden verwacht. Dit alles leidt meer en meer tot
+samenwerking in het zoeken naar waarheid, tot verzachting van
+vooroordeelen, tot vrijmaking van den geest en tot groei eener
+welwillende vriendelijkheid en gewilligheid te leeren. Zoo is de
+Vereeniging een beschermende muur tegen den tweelingsvijand van den
+mensch: bijgeloof en materialisme, en behoort zij waar zij ook komt een
+zachten en louterenden invloed van vrede en goeden wil te verspreiden en
+zoodoende een van de krachten te zijn die het betere willen te midden
+van den strijd der tegenwoordige beschaving.
+
+
+
+
+LIDMAATSCHAP.
+
+
+Lidmaatschap kan worden verkregen op aanvrage aan den Algemeenen
+Secretaris eener Afdeeling of door middel van een der Loges of Centra
+der Vereeniging. Nadere inlichtingen hieromtrent worden op aanvrage
+gaarne verstrekt. Een exemplaar van de "Wet en Regels" der Theosofische
+Vereeniging en der Nederlandsche Afdeeling wordt, op verzoek aan den
+Algemeenen Secretaris, toegezonden.
+
+
+
+
+LIDMAATSCHAPSKOSTEN.
+
+
+De kosten van het lidmaatschap der Nederlandsche Afdeeling (insluitende
+het lidmaatschap der Theosofische Vereeniging) bedragen f 3.--per jaar
+en f 3.--intreegeld (éénmaal). Deze bedragen moeten bij de aanvrage tot
+lidmaatschap worden voldaan.
+
+In bijzondere gevallen kan ontheffing van geldelijke verplichtingen
+worden verleend.
+
+
+
+
+ADMINISTRATIEVE INDEELING.
+
+
+In verschillende landen voor zooverre die een voldoend aantal leden
+tellen zijn Afdeelingen der Vereeniging gevormd. Deze Afdeelingen worden
+vertegenwoordigd door een Algemeenen Secretaris. Iedere Afdeeling is
+onderverdeeld in Loges en Centra. De Nederlandsche Afdeeling telt zeven
+Loges en twee Centra.
+
+President der Vereeniging is Col. H. S. Olcott te Adyar, Madras,
+Engelsch-Indië.
+
+De Algemeene Secretarissen van de Afdeelingen der Vereeniging zijn:
+
+#Nederland#: W. B. Fricke, Amsterdam, 76, Amsteldijk.
+
+#Amerika#: Alexander Fullerton; New-York, 5, University Place.
+
+#Europa#: G. R. S. Mead, B. A.; London, N. W. 19, Avenue Road.
+#Indië#: Bertram Keightley, M. A.; Upendranath Basu, M. A., LL. B.,
+Benares.
+
+#Australië#: J. Scott, M. A.; Sydney, N. S. W., 42, Margaret
+Street.
+
+#Scandinavië#: A. Zettersten, Stockholm, 30, Nybrogatan.
+
+#Nieuw-Zeeland#: Dr. C. W. Sanders; Auckland, Mutual Life
+Buildings, Lower Queen Street.
+
+
+
+
+LIJST VAN LOGES EN CENTRA DER NEDERLANDSCHE AFDEELING.
+
+
+-----------------------------------------------------------------------------
+PLAATS. VOORZITTER. SECRETARIS.
+-----------------------------------------------------------------------------
+AMSTERDAM. W. B. Fricke, Amsteldijk 76. H. Wierts van Coehoorn,
+ Amsteld. 76
+*Amsterd. Loge. K.P.C. de Baxel, Nic. Mej. Cato E. Gruntke,
+ Beetsstr. 118. Overtoom 206
+*Vâhana Loge. J. W. Boissevain, J. J. Hallo Jr.,
+ Tesselschadestraat 4. Schotersingel 69, Haarlem.
+StudentenCentrum.
+*GOUDA (Centrum). H. Reijnders, Lange
+ Groenendaal 99.
+*'s GRAVENHAGE. E.J.B. van der Beek, Mej. C.J. de Prez,
+ Wilhelminastr. 35 Wilhelminastr. 35
+
+*HAARLEM. Johan van Manen. J. J. Hallo Jr.,
+ Schotersingel 69
+*HELDER. T. van Zuylen, Spoorstraat S. Gazan, Kanaalweg 121
+ 138.
+ROTTERDAM. H. W. Hagenberg, Noordsingel J. A. Terwiel, 2e
+ 140. Crooswijksche Dwarsstraat 6.
+VLAARDINGEN. D. de Lange Dz., Oosthavenkade.
+------------------------------------------------------------------------------
+
+
+* De met een sterretje geteekende Loges bezitten boekerijen.
+
+
+
+
+BOEKEN OVER THEOSOFIE.
+
+
+Daar de Theosofische Vereeniging gesticht is in Engelsch sprekende
+landen en zich voornamelijk daar heeft verbreid gedurende de eerste 20
+jaren van haar bestaan zijn de meeste en beste boeken over Theosofie in
+het Engelsen geschreven. Deze, meest uitgegeven door de "_Theosophical
+Publishing Society_" te Londen, zijn alle te verkrijgen van haren
+uitsluitenden vertegenwoordiger voor Nederland, de "_Theosofische
+Uitgeversmaatschappij_" (Afdeeling Boekhandel), Amsterdam, Amsteldijk
+76. Uitgebreide catalogi worden op aanvrage toegezonden.
+
+In het Nederlandsch zijn door de "Theosofische Uitgeversmaatschappij" de
+volgende werkjes uitgegeven welke tegen overmaking van den bijvermelden
+prijs van haar verkrijgbaar zijn.
+
+
+THEOSOPHIA Maandblad, Prijs per jaargang f 2,50
+ Vorige jaargangen zijn in beperkt
+ aantal nog verkrijgbaar tegen
+ f2.50 per jaargang.
+ Kaarten van Atlantis behoorende
+ bij den 6en Jaargang
+ van "Theosophia", per stel
+ (vier stuks) - 1.50
+A. BESANT Kort begrip der Theosofie - 0.15
+H. SNOWDEN WARD Karma en Reïncarnatie - 0.10
+MULTASPERO Eerste kennismaking met de
+ Theosofie - 0.25
+AFRA Eenvoudige schets der Theosofie - 0.25
+A. BESANT De evolutie der ziel, het doel
+ van 't leven - 0.10
+A. BESANT Yoga voor den mensch in de
+ maatschappij - 0.10
+A. BESANT Vier voordrachten over Theosofie,
+ gebonden - 0.60
+A. BESANT Levenstoestanden na den dood - 0.20
+A. BESANT De Zeven Beginselen van den
+ mensch, gebonden - 0.60
+JOHAN VAN MANEN Korte levensschets van Annie
+ Besant - 0.10
+
+
+Vele vertalingen van belangrijke Theosofische werken zijn in
+voorbereiding, terwijl in den loop van het jaar nog verscheidene
+kleinere en grootere werken zullen verschijnen.
+
+
+
+
+FOTOGRAFIEËN.
+
+
+"H. P. B.", Kabinetformaat f 1.--
+ANNIE BESANT, Salonformaat (18 X 24) - 3.--
+ " " Kabinetformaat - 1.--
+
+Bestellingen en betalingen te richten aan de "_Theosofische
+Uitgeversmaatschappij_", Amsteldijk 76, Amsterdam.
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE ***
+
+***** This file should be named 12756-8.txt or 12756-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/7/5/12756/
+
+Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders
+Europe, http://dp.rastko.net.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/12756-8.zip b/old/12756-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..136d2b8
--- /dev/null
+++ b/old/12756-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/12756-h.zip b/old/12756-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..9f34655
--- /dev/null
+++ b/old/12756-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/12756-h/12756-h.htm b/old/12756-h/12756-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..cadcf09
--- /dev/null
+++ b/old/12756-h/12756-h.htm
@@ -0,0 +1,3514 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content=
+ "text/html; charset=iso-8859-1">
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Vier Voordrachten, by AUTHOR.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+ <!--
+ P { text-indent: 1em;
+ margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em; }
+ H1,H2,H3,H4,H5,H6 { text-align: center; }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;}
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;}
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* block indent */
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; right: 100%; font-size: 8pt;} /* page numbers */
+ // -->
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Vier Voordrachten over Theosofie
+
+Author: Annie Besant
+
+Release Date: June 28, 2004 [EBook #12756]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders
+Europe, http://dp.rastko.net.
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+
+ <!-- Page 1 -->
+<h1><!-- Page 2 -->
+<!-- Page 3 -->VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE</h1>
+
+<p><h2><i>DOOR ANNIE BESANT </i></h2><p></p>
+
+<br>
+
+<p><h3>GEHOUDEN IN VERSCHILLENDE PLAATSEN
+VAN NEDERLAND IN JANUARI 1898</h3><p></p>
+<br>
+
+<center> <img src="images/anniebesant1.png" alt="Satyan Na'stie Paro Dharmah" width="150" align="middle"> </center>
+<br>
+
+<p><h4><i>Gebaseerd op de uitgave gepubliceerd in Amsterdam, 1898. </i></h4><p></p>
+
+
+<!-- Page 4 -->
+<hr style="width: 65%;">
+<h2>INHOUD.</h2>
+
+<!-- Page 5 -->
+<br>
+
+<p> <a href="#De_Theosofie_en_haar_leeringen">1. De Leeringen der Theosofie beschouwd
+uit een geschiedkundig oogpunt </a></p>
+
+<p> <a href="#Theosofie_en_haar_leeringen"> 2. De Leeringen der Theosofie beschouwd
+uit een wetenschappelijk oogpunt </a></p>
+
+<p> <a href="#Esoterisch_Christendom"> 3. Esoterisch Christendom </a></p>
+
+<p> <a href="#Het_verhaal_van_den_Christus">4. Het verhaal van den Christus </a></p>
+
+<p> <a href="#Aanhangsel">5. Aanhangsel. Inlichtingen over de
+Theosofische Vereeniging </a> </p>
+
+
+<!-- Page 6 -->
+<hr style="width: 65%;">
+<h2>VOORWOORD.</h2><!-- Page 7 -->
+<br>
+
+<p>De vier voordrachten over Theosofie welke
+hierbij het Nederlandsch publiek worden aangeboden
+zijn door Mevrouw Annie Besant, L.T.V., in verschillende
+steden van ons land gehouden in den
+loop van de maand Januari, 1898.</p>
+
+<p>Een vijfde voordracht is, daar zij niet aansluit
+bij het aaneengeschakeld geheel van de vier in dit
+boekje vervatte, afzonderlijk uitgegeven onder den
+titel: Levenstoestanden na den dood.</p>
+
+<p>In snelschrift opgeteekend is het gesprokene
+woordelijk weergegeven; slechts in de voordracht
+over Esoterisch Christendom zijn enkele toespelingen
+op Bijbelplaatsen uitgelaten waar die alleen van
+toepassing waren op de Engelsche vertaling van den
+Bijbel (Mevrouw Besant sprak in het Engelsch) en
+niet op de van deze afwijkende Nederlandsche; die
+uitlatingen zijn alle van ondergeschikt belang.</p>
+
+<p>Aangehaalde werken of Bijbelplaatsen zijn in
+een noot aan den voet van de bladzijde aangeduid.</p>
+
+<p>Waar &quot;goddelijk weten&quot; staat werd door de
+spreekster &quot;divine wisdom&quot; gezegd.</p>
+
+<p>De voordracht &quot;Het verhaal van den Christus&quot;
+werd gericht tot een uitsluitend uit leden der Theosofische
+Vereeniging bestaand gehoor. De vragen
+naar aanleiding van deze voordracht gedaan worden
+met de daarop door Mevrouw Besant gegeven antwoorden
+opgenomen in het Maandblad &quot;Theosophia&quot;.</p>
+
+<p>Enkele beknopte inlichtingen aangaande de Theosofische
+Vereeniging zijn ter wille van belangstellenden
+in een Aanhangsel aan dit werkje toegevoegd.</p>
+
+<p>J.J. HALLO JR.</p>
+
+<p>HAARLEM, l Maart 1898.</p>
+
+<hr style="width: 65%;">
+
+<center> <img src="images/anniebesant2.png" alt="Annie Besant. Lichtdruk van H. Kleinmann en Co., Haarlem"> </center> <!-- Page 8 -->
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="De_Theosofie_en_haar_leeringen"></a><h2><b>De Theosofie en haar leeringen.</b></h2><!-- Page 9 -->
+<br>
+
+<p><h4>I</h4><p></p>
+<br>
+
+<p>Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond
+te overwinnen hebben: een vreemde taal is tusschen
+ons en zelfs voor hen die de taal kennen, waarin ik
+spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen.
+Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de
+taal is voor een spreker het instrument, dat hij bespeelt.
+Door de taal bereikt hij de harten en hoofden
+zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon
+voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt
+en vermindert de mogelijkheid dat hij de gedachten
+en gevoelens zijner hoorders bereikt. Toch
+moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen
+wat wij kunnen, en terwijl ik spreek zoo helder en
+eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe aandacht leent
+zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen
+en het onderwerp begrijpelijk te maken.</p>
+
+<p>Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare
+leeringen, en daar ik morgen te Haarlem over het
+zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het in twee
+deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke
+voordracht volledig zal maken. Ik zal hedenavond
+<!-- Page 10 -->en morgen een verschillenden gedachtegang volgen,
+voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten
+mochten willen hooren.</p>
+
+<p>Diegenen onder u, die gedurende de laatste
+twintig jaren den ontwikkelingsgang van het denken
+in Europa hebben gevolgd, weten dat er &eacute;&eacute;n bijzondere
+richting van studie is, welke veel wordt gebruikt
+als een wapen tegen den godsdienst: de studie
+van Oostersche talen en Oostersche godsdiensten.
+De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's, der
+oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit
+de verschillende landen van Europa en bij het onderzoeken
+dezer godsdiensten hebben zij gezien hoeveel
+die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt,
+toen zij de verschillende Schriften der Chineezen,
+der Perzen, der Egyptenaren ter hand namen, dat
+deze alle dezelfde leering gaven: zij spreken omtrent
+God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van
+God als &Eacute;&eacute;n, het &Eacute;ne Bestaan, zij spreken van God
+als immer geopenbaard in drie&euml;enheid, in drievoudig
+aanzicht, terwijl iedere persoon in die drie&euml;enheid
+zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al
+deze Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den
+mensch en zijnen aard; zij leeren dat de ziel des
+menschen onsterfelijk is, dat zijn aard samengesteld
+is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden
+begrepen; men zag dat in al deze Schriften der
+menschen ontwikkeling wordt geleerd, de ontwikkeling
+der ziel, welke de openbaring van den geest is in
+den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren
+dat enkele menschen hunne ontwikkeling hebbon
+voleindigd, hunnen groei als geestelijke wezens heb<!-- Page 11 -->ben
+voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch,
+goddelijk in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens
+van hoofd en van hart; en in al deze Schriften
+vond men geleeraard dat de menschen van heden
+kunnen groeien, gelijk die menschen uit het verleden
+zijn gegroeid, dat zij ook volmaakt kunnen worden
+en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen,
+stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe
+onontwikkeld ook, kan ontwikkelen tot den volmaakten,
+goddelijken mensch. Al deze dingen worden geleerd
+in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen
+deze vertaald waren in verschillende Europeesche
+talen, begreep men dat de wereld-godsdiensten veel
+gemeen hebben en dat de meeste leerstellingen van
+een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden
+worden in het Hindoe&iuml;sme, het Boeddhisme, de
+leeringen van Confucius en Lao-tse. Zij hebben
+alle zooveel gemeen, dat wij niet &eacute;&eacute;n godsdienst
+van de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking
+door de geleerden werd gedaan, toen deze
+boeken waren vertaald in verschillende talen en de
+menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken,
+was het eerste besluit, waartoe velen kwamen, dat
+alle godsdiensten als zij in den grond hetzelfde
+waren, &eacute;&eacute;n oorsprong moesten hebben, en dat zij
+geen goddelijke openbaring konden zijn, maar dat
+een andere bron moest worden gevonden, waaruit
+de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele
+geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind
+waren, trachtten hunne ontdekkingen te gebruiken
+om allen godsdienst te vernietigen en zeiden: Zij zijn
+alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid,
+<!-- Page 12 -->uit de wijze waarop de mensen de natuur beschouwt:
+hij heeft de natuur verpersoonlijkt en er wezens in
+gezien; en daar die wezens machtiger waren dan hij,
+aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken
+dikwijls vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen
+kon, hoewel zijn leven en gemak van hem afhing,
+daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij
+zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien,
+moest de mensch in zijn onwetendheid denken dat
+al deze dingen goddelijke krachten, goden waren;
+en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen,
+die zij konden geven. En die geleerden zeiden dat
+z&oacute;&oacute; alle godsdienst was opgegroeid, dat hij steeds
+zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of animisme,
+en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had
+dan de menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond
+tegen de waarde van den godsdienst heeft
+veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op
+feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde
+leeren, dat zij alle dezelfde denkbeelden verkondigen,
+het was waar dat de groote leeraars allen hetzelfde
+zeiden, de een na den ander. De feiten, welke die
+geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen
+waren verkeerd. In het eerst begrepen
+de menschen het onderscheid niet tusschen deze beide
+dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden
+worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst.</p>
+
+<p>Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid
+der verschillende godsdiensten van een ander
+standpunt en zeide: ja, het is waar dat de leerstellingen
+van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een
+feit dat door niemand, die de geschiedenis heeft
+<!-- Page 13 -->bestudeerd, kan worden ontkend. Wij zullen als
+voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen
+nemen, het &quot;Klassieke Boek van de Reinheid,&quot;
+[Footnote: Ook in het Nederlandsch vertaald, in het Maandblad
+&quot;Theosophia&quot;. Deel 5 (1897) blz. 206.]
+een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol
+wijsheid, vol diepe geestelijke leering, dat ons verklaart
+hoe God zich in den mensch geopenbaard
+heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als
+die van God, hoe des menschen geest dezelfde is
+als de goddelijke geest, hoe echter het menschelijk
+verstand troebel is door begeerten, die tusschen zijn
+verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest
+in hem staan, hoe de hartstochten van zijn lichaam
+zijn vooruitgang tegenhouden, en hoe slechts wanneer
+zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn gekomen,
+de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen
+in den mensch. De leeringen van dit kleine
+Chineesche boekje, een der oudste geschriften die
+wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als
+het beste wat wij bezitten.</p>
+
+<p>Van de Chineezen overgaande tot de Indi&euml;rs
+vinden wij bij hen dezelfde leeringen en wanneer
+wij in Egypte de mummies opgraven en de banden
+loswikkelen waarin zij 10 &agrave; 20.000 jaar geleden
+werden gehuld, vinden wij geschriften die ons de
+bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte dezelfde
+leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid
+van de menschelijke ziel, omtrent de wijze
+waarop zij gaat door leven na leven, omtrent de
+lagere wereld waarin zij komt na den dood van het
+lichaam en de hemel-wereld waarin zij vertoeft na
+<!-- Page 14 -->gezuiverd te zijn op lagere gebieden, omtrent haren
+daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar zij
+wederom wijsheid opdoet door ondervinding.</p>
+
+<p>Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden
+wij dezelfde leeringen, steeds weer door de groote
+leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft slechts &eacute;&eacute;n
+oorsprong, slechts &eacute;&eacute;ne bron, en die bron is het
+goddelijk weten; niet de menschelijke onwetendheid,
+zooals vele geleerden dachten maar het goddelijk
+weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren,
+en dat steeds door volmaakte menschen van God
+tot de menschheid gebracht is. Dit goddelijk weten
+bevat in zich de kennis van al wat is, en een gedeelte
+ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid
+geschonken. De hoeveelheid die gegeven wordt
+hangt af van de beschaving van het volk, hangt af
+van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen,
+hangt af van den aard dergenen die deze
+kennis bezitten en van de kracht van hun pogen.
+In overeenstemming met al deze dingen verschilt
+steeds de wijze, waarop dat weten gegeven wordt,
+maar in den grond is het toch altijd hetzelfde: altijd
+leert het &eacute;&eacute;n goddelijk Bestaan, dat zich openbaart
+als drie&euml;enheid, altijd leert het dat de mensch
+drievoudig is in zijn wezen gelijk God, en dat hij
+nog verder kan worden onderverdeeld, drievoudig
+in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne ontwikkeling;
+altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij
+niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt
+en groeit, leven na leven, en dat enkele menschen
+de volmaking bereikten en dan leeraars zijn geworden
+van het ras. Deze volmaakte menschen waren
+<!-- Page 15 -->eens gelijk aan ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt
+gelijk de mannen en vrouwen van thans,
+maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen
+en groeiden en werden sterk en bereikten eindelijk
+de volmaking, gelijk wij de volmaking kunnen bereiken.
+En toen zij volmaakt waren, begonnen zij
+hunnen medemenschen te leeren, en vormden een
+groote Broederschap van leeraars; en van tijd tot
+tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat aan
+ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat
+ieder ras, ieder volk een godsdienst zou ontvangen,
+geschikt om het te helpen en te leeren. En de reden
+waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat zij
+altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap
+heeft bestaan, langen, langen tijd reeds
+voordat de beschaving van Europa ontstond, voordat
+zelfs Indi&euml; zijn beschaving ontving. Daar, waar
+thans de wateren van den Atlantischen Oceaan zich
+vergaren, was eens een groot vastland, dat begon
+waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de
+plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland
+had zich een hooge beschaving ontwikkeld. Sporen
+van die beschaving worden nog gevonden in Mexico
+en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen
+zijn overblijfsels van zeer oude steden ontdekt en
+daar zijn hieroglyphen en beelden aangetroffen, gelijkende
+op die welke men in Egypte gevonden heeft,
+zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika
+aan den anderen kant hetzelfde schrift en beeldhouwwerk
+is ontdekt. Dit toont ons dat er tusschen
+deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een
+grooten oceaan, eens gemeenschap is geweest. In
+<!-- Page 16 -->Plato scholen, waar hetzelfde goddelijk weten werd
+geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid, zoodat
+de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden
+goddelijken grondslag. In Griekenland
+droegen deze leeringen het eerst den naam Theosofie,
+wat niets anders is dan het Grieksche woord
+voor goddelijk weten. De Grieken nu gaven dit
+weten niet slechts in den vorm van godsdienst, maar
+ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in
+vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indi&euml; en
+China, en de wijsbegeerte van Plato, zooals die op
+de scholen wordt onderwezen, berust op het goddelijk
+weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden
+en van den Logos, wanneer hij ons zegt
+dat de wereld in de gedachte van den Logos bestond,
+voordat zij zich voordeed als een stoffelijke
+verschijning, wanneer hij ons spreekt van denkbeelden
+die, bestaande in den goddelijken geest, &eacute;&eacute;n
+voor &eacute;&eacute;n worden uitgestort om de stoffelijke wereld
+op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk
+weten; en wanneer gij de leeringen van Pythagoras
+bestudeert en van hem leert dat de geheele wereld
+op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de
+geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren
+is samengesteld, dat alle steenen en kristallen
+en planten en dieren zijn gebouwd naar den grondslag
+van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat
+oude goddelijk weten, dat hij geleerd heeft in Indie,
+en dat hij naar Europa heeft overgebracht. Evenzoo
+is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert
+van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk
+weten, maar in den lateren tijd is de wiskunde
+<!-- Page 17 -->eng en bekrompen gemaakt en volstrekt niet begrepen
+in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het
+goddelijk aanzicht ervan is verdwenen en slechts de
+vorm, de gedaante wordt gegeven als de wiskunde,
+terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken onderwezen,
+een aanzicht van het goddelijk weten was;
+hun leerde hoe de wereld gemaakt is en hoe de
+gang is der ontwikkeling, hoe de mensch langzamerhand
+wordt opgebouwd, hoe steenen en planten
+en dieren zijn gemaakt naar getal en naar vorm;
+hun een begrip gaf van de ontwikkelingsgeschiedenis
+der wereld. In den laatsten tijd begint de wetenschap
+bij hare natuurstudie de wetten weer te
+ontdekken, die het goddelijk weten onder de Grieken
+en Indi&euml;rs leerde in wijsbegeerte en wetenschap.
+En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en
+plantkunde bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen
+de wet leeren van getal, van vorm en van
+trilling; dat alle dingen door trilling worden opgebouwd,
+dat alle krachten door trilling hun werking
+voortplanten, en dat het aantal dezer trillingen in
+de sekonde den aard der kracht en haar werking
+bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder
+geluid trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen
+vorm, dat iedere noot overeenstemt met
+een vorm en een kleur, en naarmate wij deze trillingen
+en vormen en kleuren doorgronden, beginnen
+wij een begrip te krijgen, hoe de natuur haar opbouwend
+werk verricht. Uitgaande van de stoffelijke
+wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te
+ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren
+geleden leerde, terwijl het uitging van de hoogere
+<!-- Page 18 -->wereld in plaats van uit de lagere, want het goddelijk
+weten daalt steeds van gedachte neder tot
+vorm, klimt niet op van vorm tot gedachte, terwijl
+de nieuwere wetenschap steeds begint met den
+uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de
+gedachte.</p>
+
+<p>Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen
+evengoed wijsbegeerte en wetenschap, als godsdienst.
+Het leerde den menschen niet slechts hoe de ziel
+kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden
+der wereld om hen heen, en de verborgenheden
+van het verstand, van de rede, van het begripsvermogen
+in den mensch.</p>
+
+<p>Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard,
+totdat vier of vijf eeuwen na Christus een groote
+verandering kwam in het Westen. Er ontstonden in
+de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij
+was die der ontwikkelde en wijze Christenen, die
+de oude leeringen hoog hielden en het goddelijk
+weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden,
+de groote menigte der onontwikkelden, die
+tot het Christendom waren aangetrokken door de
+zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid
+niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene,
+wat zij niet konden deelen, en haatten alle wijsheid,
+die zij niet konden begrijpen; en zij vormden eene
+groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis
+en wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat
+deze niets met godsdienst te maken hadden, dat zij
+niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts
+de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te
+begrijpen was, van belang was voor de menschelijke
+<!-- Page 19 -->ziel. En daar er toen evenals nu veel meer onwetenden
+waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund
+werden door den val van het Romeinsche
+rijk, door oorlogen en invallen, door de staatkundige
+moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid
+van de groote menigte der armen, wier lot schromelijk
+was verwaarloosd, spanden al deze dingen samen
+tegen de kennis en voor de onwetendheid, zoodat
+de kennis uit het Christendom verloren ging en
+slechts de zedelijke en geestelijke leering bleef.
+Hiertoe werkte nog een andere oorzaak mede: in
+alle oude godsdiensten, en in het Christendom even
+goed als in alle andere, bestonden twee soorten van
+leeringen. De eene voor de groote menigte, eenvoudig
+en helder, omvatte slechts de zedelijke voorschriften,
+welke den menschen leerden een goed
+leven te leiden, een zeer eenvoudig verstandelijk
+onderricht, juist genoeg om de zeer onontwikkelden
+voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der
+broederschap en die der wedergeboorte, en de wet
+welke zegt dat des menschen daden hem zijn geluk
+of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de wet
+van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen
+zouden inzien, dat een goed leven, hier op aarde
+geleid, hun geluk zou brengen na den dood en een
+beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn
+weergekeerd. Deze dingen werden aan allen geleerd;
+maar meerdere kennis werd toevertrouwd aan hen,
+wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van
+de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk
+aan de wet van Christus gehoorzaamden, en die
+in hun uiterlijk leven een hoogen graad van rein<!-- Page 20 -->heid
+hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat
+wij de mysteri&euml;n van Jezus noemen en kregen daar
+de innerlijke leering, welke slechts zij die een rein
+leven leidden, konden deelachtig worden. Deze
+innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit
+dezen kring kwamen de leeraars en bisschoppen en
+de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de menschen,
+die het Christendom prediken mochten, zoodat de
+kerk een groep van wijze menschen bezat, onderricht
+in diepere kennis, en door die kennis in staat
+om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die
+hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen.
+Want dit geheime onderricht was steeds praktisch.
+Het leerde den menschen hoe zij hun bewustzijn
+konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand
+bewust konden worden op hoogere gebieden
+van bestaan, hoe het leven der ziel kan
+worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het
+lichaam kan verlaten en in aanraking komen met de
+onzichtbare wereld. Het leerde hoe de ziel, na het
+lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen
+en kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld,
+hoe de ziel leering kan ontvangen van de engelen
+en geestelijke verstandswezens en zoo kennis verkrijgen
+die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen,
+hoe de ziel, van het lichaam bevrijd, de
+toestanden kan onderzoeken van het leven na den
+dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde,
+verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in
+plaats van uit den mond van andere menschen: in
+deze scholen verkregen de onderzoekers eerste-hands
+kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden
+<!-- Page 21 -->den aard van den mensen begrijpen door eigen
+onderzoek, in plaats van af te hangen van de mededeelingen
+van anderen. Daardoor waren zij veel
+beter in staat onderricht te geven, dan zij die hun
+kennis slechts uit boeken hadden verkregen.</p>
+
+<p>Het gevolg van het bestaan van deze scholen
+in de kerk was dus dat er vele menschen waren die
+deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden,
+zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom.
+In de vijfde eeuw echter verdwenen deze
+scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit gebrek
+aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een
+fout die door vele menschen wordt begaan, is dat
+zij denken dat de leeraars de kennis terughouden.
+In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de
+kennis niet willen mededeelen, maar de leerlingen,
+die ze niet willen leeren, leeren op de eenige wijze
+waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze scholen
+van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen,
+want er waren niet genoeg menschen die het leven
+wilden leiden dat vereischt wordt voor leerlingen van
+het Occultisme; zij wilden dit leven niet leiden, maar
+slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden,
+en toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed
+waren. Zoo verdween langzamerhand de innerlijke
+school en slechts een zwakke overlevering van
+haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters
+der Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan
+verscheen in de middeleeuwen nog een heilige die
+door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij
+iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen
+van deze heiligen vinden wij in de geschiedenis der
+<!-- Page 22 -->kerk vermeld; waarlijk groote, hoog-ontwikkelde
+zielen, die <i>wisten</i> omtrent de onzichtbare wereld, en
+op de oude wijze onderricht geven konden, omdat
+zij wisten en kenden. Nu en dan zien wij een van
+hen verschijnen, doch hun aantal is gering: St. Elisabeth
+van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas
+&agrave; Kempis, de geleerde Thomas Aqumo, deze
+allen zijn de groote leeraars der kerk gedurende de
+middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk
+weten, dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd.
+Dan waren er nog andere menschen die een deel
+van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de Christelijke
+kerk hadden verkregen. Sommigen van hen
+kwamen uit het Oosten en anderen reisden als jonge
+menschen daarheen, en kwamen met de verkregen
+kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten
+behoorde Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen
+genomen en naar het Oosten gevoerd. Daar
+leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid
+en bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij
+de grondlegger werd van de nieuwere geneeskunde
+en scheikunde, waar hij leering bracht over de elementen
+der scheikunde en over het magnetisme, die
+v&oacute;&oacute;r hem aan niemand bekend was geweest, en waar
+hij zieken genas, die geen ander genezen kon. Hij
+bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van
+deze menschen was Christian Rosenkreuz, die in de
+vijftiende eeuw leefde. In zijn jeugd reisde hij naar
+het Oosten en ontmoette daar een der groote leeraars,
+die hem iets mededeelde van het oude geheime
+weten, om dit terug te brengen aan de Christelijke
+kerk en om deze te ontwikkelen tot een meer geeste<!-- Page 23 -->lijk
+lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen
+en leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte
+de orde der Rozenkruisers. Zijn werk was een der
+pogingen om het oude weten in de westersche wereld
+terug te brengen. Een andere poging was die der
+alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat
+oude weten. Zij wisten dat er slechts &eacute;&eacute;n grondstof
+in de natuur bestaat en dat alle dingen uit die
+&eacute;&eacute;ne grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de
+scheikunde een wetenschap is, die de eigenschappen
+van die &eacute;&eacute;ne grondstof in al hare wijzigingen onderzoeken
+kan, en zij bestudeerden die wetenschap in
+het licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen
+vervolgden hen en lachten hen uit en noemden hen
+oplichters en kwakzalvers en bedriegers, doch in den
+tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde
+tot de ontdekking te komen van wat hun in de
+middeleeuwen bekend was. Tegenwoordig begint de
+scheikunde enkele der waarheden in te zien, die
+door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen
+hen nog uitlachte, toan niemand hen geloofde.
+Heden begint men te begrijpen dat er slechts &eacute;&eacute;ne
+grondstof is, en dat alle dingen van die &eacute;&eacute;ne grondstof
+gemaakt zijn en men begint zelfs weer te spreken
+van de mogelijkheid goud te maken uit zilver en zoo
+in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te doen,
+waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen
+en vervolgd,&mdash;nu drie of vierhonderd jaar geleden.</p>
+
+<p>Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult
+gij begrijpen dat de Theosofie in den eenen of
+anderen vorm steeds in de wereld is blijven bestaan
+als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap.</p>
+
+<p><!-- Page 24 -->Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke
+de behoeften van den tijd en de omstandigheden
+van het volk, waaraan de leeraar gezonden werd,
+medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen
+zij weer het oude weten aan de wereld leeraarde
+niets nieuws gaf. Het was slechts een nieuwe vorm,
+een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde
+wat er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst,
+wijsbegeerte en wetenschap. Toen zij begon
+hare leering te geven, gaf zij eerst den wijsgeerigen
+kant, leerde zij iets van den aard van het verstand,
+van de rede, en van den aard van den mensch en
+van het goddelijk Bestaan, de werkelijke wijsbegeerte
+die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna ging
+zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen
+God en den mensch, hoe de mensch een uitstorting
+is van God, een deel van het goddelijk
+leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen
+kan, hoe de menschelijke ziel zich kan
+ontplooien; en zij leerde weer wat vroeger in de
+Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het
+lichaam verlaten kan en in aanraking komen met
+groote geestelijke verstandswezens en met de Meesters,
+hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan en kennis opdoen
+uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan
+komen tot weten in plaats van gelooven. Toen zij
+dit alles leerde, gaf zij ons slechts weer wat reeds
+zoo dikwijls geleerd was in de groote godsdiensten
+van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken
+kant en leerde ons meer dan de mannen van
+de wetenschap van dien tijd wisten, en zeide zij ons
+welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen weinige
+<!-- Page 25 -->jaren zouden worden gedaan; en vele van deze
+ontdekkingen zijn inderdaad gedaan sedert haren
+dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de &eacute;&eacute;ne
+grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar
+uiterlijke verschijningsvormen heeft. In haar werk
+&quot;De geheime Leer&quot; sprak zij van een eigenschap
+der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke
+zij doordringbaarheid noemde, en welke in verband
+staat met helderziendheid. Vijf jaar na haren dood
+ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn, trillingen
+in de stof, welke in verband staan met helderziendheid
+en welke de mcnschen in staat stellen te zien
+wat de helderziende kan zien zonder werktuigen en
+hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde R&ouml;ntgen-stralen,
+waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een
+been, als zij willen onderzoeken of het beschadigd is,
+kunnen fotografeeren ofschoon het voor het gewone
+oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is
+ook mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen.
+De mensch kan in zichzelf het vermogen
+ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen
+van R&ouml;ntgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk
+lichaam te zien zonder hulp van eenig
+werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande
+de kennis van straling, van geluid en kleur leerde
+zij ons. Zij heeft ons bewezen dat de oude wijsheid
+beter licht kan werpen op de waarheden der
+nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf
+kan doen, en dat deze laatste eerst langzamerhand
+datgene ontdekt wat door ben die het oude weten
+bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen
+die zich het ontvangen van dit onderricht waardig
+<!-- Page 26 -->betoonden. Zoo bracht H.P. Blavatsky ons dit
+weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten
+had, en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten
+verder moesten verspreiden, niet als iets nieuws maar
+als iets ouds, niet als een nieuwe ontdekking maar
+als overoud weten, door de menschen vergeten, en
+thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate
+wij zelven leerden, onderrichtten wij op onze
+beurt anderen, en wij bevonden dat dit goddelijk
+weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke
+de mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte
+en wetenschap. Wij bevonden dat wij zonder de
+werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap hare
+feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van
+de vermogens der ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld
+dat vele scheikundige waarheden door de goddelijke
+krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden
+verkregen dan door reagenti&euml;n en proefnemingen
+van allerlei aard. Wij bevonden dat de mensch in
+zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken
+en dat hij veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen
+zijner innerlijke krachten dan door het
+gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap.
+Maar tevens weten wij dit: de vermogens der menschelijke
+ziel zijn niet bestemd tot het doen van
+ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke
+beroemd te maken en rijk. Zal de kracht
+der menschelijke ziel worden gebruikt tot het doen
+van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden
+gebruikt voor het welzijn der menschheid, en niet ten
+voordeele van den &eacute;&eacute;nen persoon, die de ontdekking
+doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp van deze
+<!-- Page 27 -->krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid
+kan helpen, indien het ras er rijp voor is, aan allen
+gelijkelijk. Is het ras er nog niet rijp voor, dan
+behoort zij toe aan allen, die haar kunnen bevatten,
+niet aan den &eacute;&eacute;nen mensch, die haar gemaakt heeft.
+Deze is slechts een pandhouder van de eigendommen
+der menschheid. Naarmate de Occultist zich ontwikkelt
+en meer leert en begrijpt wordt hij meer en
+meer een dienaar der menschheid in plaats van
+haar meester. Alle kracht welke hij verkrijgt wordt
+gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis welke
+hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner
+medemenschen te verminderen en den gang der
+menschelijke ontwikkeling te versnellen. Wanneer
+de menschen tot ons komen om met ons te studeeren,
+eerst de uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan
+zeggen wij hun steeds: Gij moet de broederschap
+der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij
+een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen
+belangen hebt buiten die van dat huisgezin, dat gij
+geen bezittingen hebt buiten die van dat huisgezin,
+dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die
+niet tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en
+wanneer gij wat ouder zult zijn en iets meer zult
+hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is
+dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren
+tot sneller ontwikkeling, opdat zij sneller
+mogen worden bevrijd van de ellenden der aarde
+en spoediger dan anders den vrede en het geluk
+mogen bereiken. Naarmate iemand werkelijk
+Theosoof wordt, moet hij meer en meer onzelfzuchtig
+worden; hoe meer hij leert, des te meer moet
+<!-- Page 28 -->hij anderen dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des
+te grooter verantwoordelijkheid rust op hem om de
+lasten zijner medemenschen te verlichten. Het Occultisme
+brengt juist het tegengestelde van wat de
+wereld welslagen noemt. De wereld kent h&egrave;m welslagen
+toe, die rijkdom en welvaart verwerft voor
+zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen en
+zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene.
+Hij die slaagt in het verkrijgen van goddelijke wijsheid
+en kennis en kracht, bezit deze slechts in de
+mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner medemenschen.
+Hij gebruikt ze nooit om over anderen te
+heerschen, nooit om iets te verwerven voor zichzelf, nooit
+om zichzelf te verrijken ten koste van een ander, en
+gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe
+meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren,
+hoe meer hij begrijpt des te meer moet hij deelen
+met anderen, hoe sterker hij wordt des te grooter
+aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want
+de kracht van het Occultisme, van het goddelijk
+weten kan nooit dienen om den bezitter te doen
+uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om
+hen op te heffen tot eigene hoogte, slechts om
+hen te doen deelen in eigene kracht. Dat is het
+kernverschil tusschen de kennis der wereld en die
+van het goddelijk weten. De eerste maakt den mensch
+tot heerscher, de andere tot dienaar. Daarom zeide
+Jezus: &quot;Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de
+laatste van allen zijn, en aller dienaar.&quot;
+[Footnote: Marcus 9, 35.] Waarlijk
+groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid
+gegeven hebben.</p>
+
+<p><!-- Page 29 -->Het voorgaande is een schets van de geschiedenis
+der Theosofie in het verleden, van de geschiedenis
+van het goddelijk weten in godsdienst, wijsbegeerte
+en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid
+steeds trachtte der wereld leering te schenken,
+en hoe zij twee vormen van onderwijs deed ontstaan:
+het openbare voor allen, het bijzondere voor hen
+die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van
+den vooruitgang van het ras.</p>
+
+<p>Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk.
+In de uiterlijke Theosofische Vereeniging komen de
+menschen om de wetten, volgens welke de menschheid
+zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij
+deze wetten hebben geleerd en trachten hun leven
+voor anderen nuttig te maken, komt het innerlijk
+onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet
+gegeven kan worden. Deze twee vormen bestaan
+nog heden als in het verleden, en de Theosofische
+Vereeniging is een vereeniging van onderzoekers, waartoe
+een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte
+en wetenschap wil bestudeeren in de richting
+van het goddelijk weten en daarbinnen een groep
+van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de
+wereld hoog stelt en streven naar hooger ontwikkeling,
+teneinde helpers te worden voor de menschen
+rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens
+hunner ziel te ontplooien. Dat is ons werk, onze
+plicht. Zij, die zich tot dit werk voelen aangetrokken,
+kunnen in de Loges onzer vereeniging komen om
+onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig
+toont, kan een leerling worden in den dieperen zin
+van het woord, om een medewerker te worden voor
+<!-- Page 30 -->den vooruitgang van het ras. Herinner u echter
+steeds dat het goddelijk weten niets anders heeft
+aan te bieden dan Zich en met zichzelf de kracht
+anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het
+biedt geen belooning in rijkdom, in gewone macht
+of kennis, maar dien innerlijken schat, die den mensch
+in staat stelt een zegen te worden voor zijn broeders,
+een mededrager van de lasten der wereld; en tot
+diegenen onder u wien het ernst is met dit streven,
+tot hen wendt zich de Theosofische Vereeniging en
+biedt hun het oud, goddelijk weten, waardoor zij
+helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel
+zenden de Meesters hun boden onder de menschen.
+Ieder, die ernstig wil, wordt de gelegenheid tot
+leeren gegeven.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="Theosofie_en_haar_leeringen"></a><h2><b><!-- Page 31 -->Theosofie en haar leeringen.</b></h2>
+<br>
+
+<p><h4>II.</h4><p></p>
+<br>
+
+<p>Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over
+de Theosofie en haar leeringen, heb ik voor zoover
+dat in een korte voordracht mogelijk was, de geschiedenis
+der Theosofie geschetst. Ik heb haar
+verband met de groote godsdiensten der wereld aangeduid,
+hare verspreiding door de verschillende landen
+beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage
+de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar
+openlijken als in haar innerlijken vorm. Ik stel mij
+voor hedenavond het onderwerp van een anderen
+kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen
+zelve welke de Theosofie brengt, welke zij
+geeft om de menschheid te helpen, en ik zal u
+trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige
+toepassing vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk
+en geestelijk gebied, dat zij betrekking hebben op
+ieder deel van 's menschen samengestelden aard en
+hem een helder denkbeeld geven van de wereld
+waarin hij leeft, van den menschelijken samenstel en
+van de mogelijkheden, welke daarin verborgen liggen.</p>
+
+<p>V&oacute;&oacute;r alles dan begint het onderricht der Theo<!-- Page 32 -->sofie,
+het goddelijk weten, te spreken over het
+goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke betrekking
+van den mensch tot God. Het leert dat er &eacute;&eacute;n
+goddelijk Bestaan is, het Leven van al wat is; dat
+er slechts &eacute;&eacute;n goddelijk Leven is, &eacute;&eacute;n goddelijke
+werking, &eacute;&eacute;ne kracht, welke overal bestaat in het
+heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven
+van God zich bevindt, dat overal waar dieren voelen
+kunnen of menschen kunnen denken, het leven van
+God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en
+plantenrijk steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven
+alle dingen; in het geheele heelal is geen leven
+buiten het goddelijk Leven. Dit &eacute;&eacute;ne Bestaan ligt
+ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de
+Theosofie begint met het leeren van een grondeenheid,
+een wet van eenheid, van &eacute;&eacute;n-zijn alom;
+en deze eenheid spruit voort uit God, die de &eacute;&eacute;ne
+bron is van alle bewustzijn, waar ook dat bewustzijn
+worde gevonden. De ontwikkeling van het bewustzijn
+in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden
+hunnen oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend
+tot zelf-bewustzijn, komt voort uit &eacute;&eacute;n
+bron, &eacute;&eacute;n oorsprong. Alle bewustzijn is &eacute;&eacute;n, wij
+kunnen het &eacute;&eacute;ne niet scheiden van het andere, en
+de menschen van elkaar vervreemden alsof zij tegenover
+elkander stonden&mdash;zij komen allen van denzelfden
+stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde
+Leven, zij zijn allen een uitdrukking van hetzelfde
+goddelijk Bestaan. Deze eenheid van bewustzijn is
+&eacute;&eacute;ne uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht
+in het heelal.</p>
+
+<p>Maar niet alleen alle bewustzijn is &eacute;&eacute;n, ook alle
+<!-- Page 33 -->kracht is &eacute;&eacute;n, en hier stemt de wetenschap in met
+de Theosofie: er is slechts &eacute;&eacute;n groote werking in
+het heelal; alle vormen van werking en kracht welke
+wij waarnemen, zijn in den grond &eacute;&eacute;n. Zij kunnen
+in elkander omgezet worden; alle vormen van werking
+welke de wetenschap bestudeert, alle krachten welke
+wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of
+plantenrijk, hetzij bij dier of mensch, al deze krachten
+zijn &eacute;&eacute;n in hunnen aard. Slechts hun uitdrukking, hun
+wijze van openbaring is verschillend, bij nader onderzoek
+blijken zij allen &eacute;&eacute;n te zijn: &eacute;&eacute;ne kracht,
+juist zooals er &eacute;&eacute;n bewustzijn is.</p>
+
+<p>Een derde uitdrukking van de wet van eenheid
+is de eenheid van stof. Alle stof is &eacute;&eacute;n, hoe verschillend
+ook de vorm wezen mag welke zij aanneemt.
+Er is slechts &eacute;&eacute;n grondstof en alle scheikundige
+elementen zijn daaruit opgebouwd. Al wat
+wij om ons waarnemen: vaste lichamen, vloeistoffen,
+gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde,
+slechts verschillend in de rangschikking van zijn
+deelen. Wij vinden door de geheele wereld heen
+een eenheid, eenheid van bewustzijn en leven, eenheid
+van kracht, eenheid van stof, en deze drie
+eenheden zijn de uitdrukkingen van het goddelijk
+Bestaan, zij komen alle uit het &eacute;&eacute;ne Leven, het
+Leven van God.</p>
+
+<p>Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en
+van stof kunnen wij een gevolgtrekking maken. Daar
+er slechts &eacute;&eacute;n stof is, slechts &eacute;&eacute;n kracht, slechts &eacute;&eacute;n
+bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een
+broederschap; zij zijn allen gemaakt uit dezelfde
+bouwstoffen, zij zijn allen bezield door dezelfde
+<!-- Page 34 -->kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij
+zien dat het geheele heelal &eacute;&eacute;n groote broederschap
+vormt, waarin de verschillende schepselen in verschillende
+staten van ontwikkeling zijn, maar allen
+worden saamgebonden door de &eacute;&eacute;nheid van stof,
+van kracht, van bewustzijn. In deze alomtegenwoordige
+grond-eenheid wortelt het begrip &quot;broederschap&quot;,
+en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van
+hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander
+kunnen blijven staan. Er moet &eacute;&eacute;n gemeenschappelijk
+goed zijn voor ons allen, &eacute;&eacute;n gemeenschappelijke
+ontwikkeling waarin wij allen deelen, &eacute;&eacute;n gemeenschappelijk
+doel waarnaar wij allen streven, en alle
+gedachten van naijver of vijandschap, alle gedachten
+welke de menschen denken, alsof zij elkanders bestrijders
+zijn in plaats van elkanders helpers en
+broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande
+het wezen van God en van den mensen.
+De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt
+de broederschap tot een noodzakelijk feit in de
+natuur.</p>
+
+<p>Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder
+uitwerken, bevinden wij dat deze broederschap zich
+toont in alle betrekkingen, waarin wij tot elkander
+komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking
+de eenheid van stof heeft tot de broederschap der
+menschen. Onze lichamen zijn opgebouwd uit wat
+wij &quot;stof&quot; noemen, en wij weten, dat ons lichaam
+voortdurend zijn bouwstoffen hernieuwt, dat ons
+lichaam heden niet hetzelfde is, als het gisteren was
+of verleden week of de vorige maand, of als het
+morgen zijn zal of de volgende week of maand.</p>
+
+<p><!-- Page 35 -->Ons lichaam verandert voortdurend van bestanddeelen.
+Kleine deeltjes ervan, z&oacute;&oacute; klein dat zij
+onzichtbaar zijn voor het oog, komen en gaan ieder
+oogenblik. Wanneer wij ons lichaam zeer sterk vergroot
+zagen, zouden wij een stroom van deeltjes
+ervan zien uitgaan, en een stroom van deeltjes er
+heen zien komen, een stroom van komen en gaan,
+welke ons lichaam op ieder oogenblik van het leven
+verandert. Wanneer nu menschen elkaar ontmoeten,
+zooals wij hedenavond bijeen zijn gekomen, wisselen
+de deeltjes onzer lichamen onderling, deeltjes van
+uwe lichamen hechten zich vast aan het mijne,
+deeltjes van mijn lichaam gaan en worden opgenomen
+in dat van u, zoodat wij, wanneer wij de zaal verlaten,
+geen van allen hetzelfde zijn gebleven als toen
+wij binnenkwamen. Onze stoffelijke lichamen hebben
+een deel van de bouwstoffen waarvan zij gemaakt
+zijn, gewisseld. Ieder van u heeft iets aan zijn buren
+gegeven, ieder van u heeft iets van zijn buren ontvangen.
+Dit nu maakt dat er tusschen ons een zeer
+daadwerkelijke stoffelijke broederschap bestaat. Indien
+wij op deze wijze van deeltjes onzer lichamen
+wisselen, zijn wij broeders naar het lichaam, hetzij
+wij het willen of niet. Wij kunnen niet nalaten op
+elkander invloed te oefenen, hetzij ten goede of ten
+kwade. De gezonde persoon verspreidt zijn gezondheid,
+waar hij ook gaat, de zieke verspreidt zijne
+ziekte overal waar hij komt; deze wisseling, deze
+overgang legt tusschen ons allen een band, die maakt
+dat het lichamelijk welzijn onzer medemenschen
+van belang is voor ons allen.</p>
+
+<p>Nu bouwen wij ons lichaam op door voedsel,
+<!-- Page 36 -->drank, lucht en door het leven dat wij leiden. Indien
+gij in uw lichaam onrein voedsel brengt, onreinen
+drank, indien gij uw huis en uw kleeding
+niet rein houdt, trekt gij tot uw lichaam deeltjes,
+welke gij vergiftigt en vervolgens zendt gij die
+giftige deeltjes weer uit naar uwe medemenschen,
+zoodat een mensch die slechte, onreine dingen eet
+of drinkt, die ongezond is of onrein, op al zijne
+medemenschen een overeenkomstigen invloed uitoefent.
+Ieder mensch die alkohol, wijn of dergelijke
+giftige dranken gebruikt, beleedigt het lichaam van
+zijnen medemensen even goed als zijn eigen. Wij
+kunnen ons leven niet van dat van anderen scheiden,
+maar zijn genoodzaakt te leven als &eacute;&eacute;n groot huisgezin;
+al wat een van ons schaadt, schaadt daardoor
+het geheel. Wanneer wij dit inzien, kunnen wij niet
+langer onverschillig blijven voor de armoede en
+ellende om ons heen, want wij weten dat zoolang
+nog &eacute;&eacute;n mensch in de maatschappij arm is en ellendig
+en uitgehongerd, niemand volmaakt gezond en zuiver
+kan zijn en zijn lichaam bewaren kan in den best
+mogelijken staat. In ieder volk waarin men menschen
+vindt die lijden door armoede en ellende en stoffelijke
+ontaarding, moet elk lichaam zijn deel ontvangen
+van de ellende dier armen. De menschen zullen
+het misschien niet bemerken of begrijpen, maar hun
+lichaam is minder gezond wegens de ziekte, die
+rondwaart in de armere wijken der stad, onder de
+lichamen hunner armere medemenschen. Geen volk
+is zoo gezond als het zijn kan, zoolang &eacute;&eacute;n zijner
+kinderen ziek is, van geen land kunnen de bewoners
+volmaakte lichamen hebben, zoolang er nog &eacute;&eacute;n
+<!-- Page 37 -->honger lijdt. De stoffelijke ellende in de maatschappij
+is een zaak die allen ter harte moet gaan en niet
+slechts hun alleen die er onmiddellijk onder lijden.
+Wij zijn broeders naar het lichaam en genoodzaakt
+hun leed mede te dragen.</p>
+
+<p>De broederschap van lichaam is echter niet de
+eenige band tusschen ons. Er is een broederschap
+van aandoeningen en gevoelens even goed als van
+lichaam. Wij oefenen ook invloed op elkander uit
+door onze gevoelens. Al wat ik gevoel werkt ook
+op u in, al wat gij gevoelt, werkt op mij in. De
+geheele dampkring is vervuld van trillingen, gemaakt
+door de gevoelens en hartstochten der menschen.
+Ook op deze wijze oefenen wij zonder het te weten
+invloed op elkander uit en indien gij er op let,
+kunt gij het door eigen ondervinding waarnemen.
+Hebt gij nooit opgemerkt, hoe wanneer &eacute;&eacute;n persoon
+in een gezelschap slecht gehumeurd is, die stemming
+zich verspreidt over de anderen, hoe &eacute;&eacute;n knorrig
+persoon in huis iedereen min of meer wrevelig stemt?
+Hebt gij nooit waargenomen hoe wij in de nabijheid
+van sommigen een gevoel krijgen van vrede en rust,
+een gevoel alsof alles ons gemakkelijk zou vallen,
+terwijl anderen alleen door hun nabijheid ons knorrig
+maken en alles somber doen schijnen en zwaar?
+Het is de broederschap onzer aandoeningen, die op
+deze wijze voortdurend op ons inwerkt en de reden
+waarom dit mogelijk is ligt hierin, dat de mensch behalve
+het zichtbare lichaam nog een lichaam heeft van
+fijnere stof, welke wij astrale stof noemen en deze
+astrale stof, welke van een hoogeren graad van fijnheid
+is, trilt uiterst gemakkelijk en vlug. Door onze
+<!-- Page 38 -->gevoelens nu wekken wij trilling op, welke die
+astrale stof aandoet en welke andere menschen in
+hun astraal lichaam doet beantwoorden aan het gevoel
+dat in ons astraal lichaam die trilling veroorzaakt
+heeft. Ieder van u heeft in en om zijn stoffelijk
+lichaam een wolk of mist van deze fijne astrale stof,
+veel schitterender dan het stoffelijk lichaam zelf,
+juist alsof zich rondom u een wolk bevindt, waardoor
+kleurenspel van elektrisch licht zichtbaar is.
+Het astrale lichaam is helder en vol kleuren, kleuren
+als van den horizon bij den opgang of ondergang
+van den zon. Evenals gij dan in de lucht soms
+wolken zien kunt, welke door den zon worden gekleurd,
+zien de menschen, die meer dan het stoffelijke
+waarnemen kunnen, rondom ieder van u een gekleurde
+wolk, maar in plaats van door den zon,
+wordt die wolk gekleurd door uwe gevoelens, uw
+aandoeningen, uwe hartstochten, en zoodra een gevoel,
+eene aandoening in u opkomt, kleurt zich de
+wolk rondom u en trilt zij met groote snelheid, en
+deze trilling straalt van u uit en wekt in het
+astrale lichaam van anderen gelijke trillingen op,
+zoodat zij hetzelfde gevoelen als gij. Wij oefenen
+daardoor, wanneer wij in elkanders nabijheid vertoeven,
+invloed op elkaar uit door onze gevoelens
+even als door onze gezondheid of ziekte, en wij
+zijn evenzeer door een broederschap van gevoelens
+verbonden als door een broederschap van het stoffelijk
+lichaam, en die broederschap van gevoelens
+uit zich door middel van het astrale lichaam, het
+lichaam der aandoeningen dat steeds in beweging is,
+steeds in trilling en hoe sterker onze gevoelens zijn,
+<!-- Page 39 -->des te krachtiger oefenen wij er invloed door uit op
+anderen.</p>
+
+<p>Er is nog een derde wijze, waarop zich de
+broederschap openbaart en wel in ons denkvermogen.
+Wij leven evengoed in broederschap van gedachten
+als in gevoels-broederschap. Wanneer wij denken
+oefenen wij invloed uit op de gedachten der menschen
+om ons heen. Wanneer wij denken, zenden wij als
+het ware elektrische stroomen uit, die werken op het
+denken van anderen, en zij krijgen betere of slechtere
+gedachten al naar den aard onzer eigene gedachten.
+Terwijl ik tot u spreek, gebruik ik mijn stoffelijk
+lichaam, mijn stem, ook hoort gij mij met uw stoffelijk
+lichaam, met uw ooren, maar dit is niet het
+eenige, wat u en mij verbindt. Behalve mijn stem
+die gij hoort, gaan er van mij trillingen uit, gevoelstrillingen
+die u er toe nopen te luisteren en uwe
+aandacht te schenken. Deze trillingen worden soms
+magnetisch genoemd, en daar zij uit mijn astraal
+lichaam voortkomen, oefenen zij invloed uit op het
+uwe. Behalve deze wisselwerking tusschen onze
+stoffelijke en astrale lichamen is er nog wisselwerking
+van denkvermogen. Mijn denkvermogen zendt stroomen
+uit tot het uwe en vormt beelden welke gij met uw
+denkvermogen waarneemt, niet met uw stoffelijke
+oogen. Zoolang ik spreek, zend ik voortdurend die
+denk-beelden uit, zoodat de woorden gemakkelijker
+voor u zijn te begrijpen wegens den onmiddellijken
+invloed, dien ik uitoefen op uw denkvermogen. Deze
+inwerking der menschelijke gedachte op anderen
+vindt onophoudelijk plaats, en wanneer iemand invloed
+tracht uit te oefenen op een ander is die wer<!-- Page 40 -->king
+veel sterker dan wanneer hij als het ware slechts
+voor zich zelf denkt. Deze beelden welke ons denkvermogen
+vormt en welke de menschen waarnemen
+door het hunne, brengen het grootste deel onzer
+gedachten over aan anderen en stellen ons in staat
+elkander beter te kunnen begrijpen dan alleen door
+stoffelijke mededeeling mogelijk is. Deze invloed
+welken ons denkvermogen op anderen uitoefent bestaat
+steeds, niet alleen wanneer iemand tot anderen
+spreekt, maar ook in het gewone dagelijksch leven.
+Wanneer gij denkt, zijn alle menschen om u heen
+min of meer geneigd op dezelfde wijze te denken
+en hoe sterker uw denkkracht is, des te grooter
+invloed oefent gij op hen uit. Hebt gij wel eens
+opgemerkt hoe dikwijls, wanneer gij met iemand
+samenwoont, gij beiden over hetzelfde onderwerp
+denkt, en wanneer de &eacute;&eacute;n zijn gedachte uitspreekt,
+zegt de ander: &quot;Daar dacht ik juist ook aan.&quot; Dit
+is dikwijls het geval met man en vrouw, broeder en
+zuster, vriend en vriend, en vaak beslist slechts toeval,
+wie het eerst spreekt. Wie dan het eerst zijn
+gedachte in woorden kleedt, bemerkt dat de ander
+in dezelfde richting gedacht heeft. Op deze wijze
+kunnen wij elkander veel goed doen en veel kwaad.
+Goed wanneer wij edel denken en rein, kwaad wanneer
+wij laag, gemeen en slecht denken. Vele menschen
+denken dat als zij slechts doen wat goed is,
+als zij maar geen grove woorden gebruiken, het er
+niet toe doet hoe zij denken: gedachten zijn tolvrij.
+Dit is onjuist: onze gedachten oefenen een veel
+grooteren invloed uit op onze medemenschen dan
+onze woorden, en een slecht mensch, die slecht
+<!-- Page 41 -->denkt, vergiftigt alle menschen met wie hij in aanraking
+komt; hij oefent een slechten invloed uit
+zonder iets anders te doen dan in onze nabijheid te
+zijn. En evenzoo is men, indien men goede gedachten
+kweekt, overal waar men gaat tot zegen. De
+menschen om ons heen zullen zelf goede gedachten
+krijgen zonder te weten waarom. Onze invloed zal
+hen goed doen denken. Op deze wijze is er broederschap
+van denken evengoed als broederschap van
+gevoel en van lichaam.</p>
+
+<p>Zie dan hoe veel er voortvloeit uit dit denkbeeld
+van de eenheid van al wat is, hoe sterk deze
+eenheid zich doet gevoelen in het leven, hoe wij
+naarmate wij die eenheid doorgronden, nuttiger
+worden voor elkander dan te voren, hoe wij leeren
+dat wij invloed uitoefenen op onze medemenschen
+door onze lichamen, onze gevoelens en onze gedachten,
+en hoe wij op deze drie wijzen elkander
+kunnen helpen. Zoo leeren wij de natuurwet en
+passen die dan toe om onze broeders te helpen en
+de wereld door ons leven beter te maken. Deze
+eenheid, uitgewerkt zooals ik het thans heb gedaan,
+is &eacute;&eacute;n der groote leeringen van de Theosofie.</p>
+
+<p>Laat ik thans een tweede groote leering nemen,
+die welke zegt dat uit God de zielen der menschen zijn
+voortgekomen, dat het leven van God iederen mensch
+gegeven is, opdat hij zich ontwikkelen moge tot een
+volmaakt wezen, gelijk God zelf. Gij zult u herinneren
+dat Jezus, toen hij sprak tot de menigte, een merkwaardig
+gebod gaf: &quot;Weest dan gijlieden volmaakt
+gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is.&quot;
+[Footnote: Matthe&uuml;s 5,48] De
+<!-- Page 42 -->Vader in den hemel nu is God, het goddelijk Wezen,
+en Jezus leerde aan zijne leerlingen en aan de volksmenigte
+dat zij volmaakt moesten zijn gelijk God.
+Nu is God volmaakt in kennis, volmaakt in kracht,
+volmaakt in liefde. Hoe kan de mensch volmaakt
+zijn in kennis en in kracht en in liefde, gelijk God
+volmaakt is? Toch was dit het gebod dat Jezus gaf
+en als Jezus sprak, zeide hij slechts wat waar was
+en mogelijk. Hij zou het niet hebben gezegd als
+deze volmaking onmogelijk was voor den mensch.
+De vraag waartoe wij van zelf komen is dan deze:
+hoe is het mogelijk, en is het mogelijk voor ieder
+of slechts voor eenige menschen? En het antwoord
+dat de Theosofie geeft is: het is mogelijk voor ieder,
+niet slechts voor enkelen; voor ieder is het mogelijk
+volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, de
+mensch is werkelijk gemaakt naar het goddelijk
+beeld, dat wil zeggen hij is de juiste weerkaatsing
+van God. Laten wij eerst een uiterst geval beschouwen;
+een zeer onontwikkelden wilde, zoo laag ontwikkeld
+dat hij het goede nog niet kan onderscheiden
+van het kwaad, dat hij nog niet weet dat het kwaad is
+te stelen of te liegen of te moorden, dat hij al
+deze dingen geoorloofd vindt. Waarom zou hij niet
+stelen als hij iets noodig heeft dat hem niet toebehoort?
+Waarom zou hij niet liegen als hij daardoor
+kan krijgen wat hij begeert? Waarom zou hij niet
+moorden als hij sterk genoeg is het te doen en
+verlangt zijnen vijand te dooden? Die wilde ziet
+geen kwaad in moorden en liegen en stelen. Hij
+denkt dat het goed is, of liever: hij denkt er in
+het geheel niet over. Hij wil het doen. Derhalve
+<!-- Page 43 -->doet hij het, en het komt nooit in hem op te vragen:
+&quot;is het goed dat ik moord of lieg of steel?&quot; Hij onderzoekt
+niet of wat hij wil doen geoorloofd is. Hij
+wil het doen en dat is alles waar hij om geeft.
+Waartoe zou het dienen zulk een mensch te zeggen,
+volmaakt te zijn zooals God volmaakt is? Hij is
+zelfs nog niet in staat, kwaad te onderscheiden van
+goed; hoe zou hij dan volmaakt kunnen zijn? Verstandelijke
+vermogens zijn in hem nog niet ontwikkeld,
+hij kan niet verder tellen dan twee, hij kan
+geen gevolgtrekking maken, begrijpt niet wat een
+gevolgtrekking is. Hij heeft geen geheugen en herinnert
+zich niet wat gisteren gebeurde, noch kan hij
+berekenen wat morgen gebeuren zal. Hij is in verstandelijk
+opzicht even dom als hij zedelijk laag
+staat. Wat wilt gij met zulk een mensch doen? Hij
+ziet er niet uit als &quot;het beeld van God&quot; en er schijnt
+niet veel kans dat hij volmaakt zou worden gelijk
+God volmaakt is. Als hij sterft, bezit hij noch verstand,
+noch zedelijk gevoel. Wat wordt er van dien
+mensch? Wanneer hij sterft en een ander leven
+intreedt, zonder zijn lichaam, een soort van middenleven
+tusschen deze aarde en den hemel, is er niet
+veel in hem dat omhoog kan stijgen, want zijn ziel
+is zwak en onontwikkeld. Zij is nog slechts een
+kiem. Hij kende het goed nog niet van het kwaad.
+Hij kon nog niet denken. De ziel nu is de kracht
+in den mensch die denkt en het goede onderscheidt
+van het kwaad en de ziel van zulk een wilde is
+slechts een embryo, nog volstrekt onontwikkeld.
+Wanneer hij sterft en uit het lichaam treedt, is hij
+in de wereld, volgende op de stoffelijke, in de astrale
+<!-- Page 44 -->wereld, waar de dierlijke aard werkelijk thuis behoort.
+De dierlijke aard nu van den wilde is zeer sterk.
+Deze was het die hem deed moorden en liegen en
+stelen, omdat de dierlijke aard sterk was en de ziel
+nog zwak en jong. Wanneer hij nu na den dood
+deze astrale wereld binnentreedt, terwijl de dierlijke
+aard in hem nog sterk is, ondervindt hij dat hij ze
+daar niet meer kan bevredigen, zooals hij kon terwijl
+hij in het lichaam woonde, dat hij dat soort
+genot dat hij op aarde vond, daar niet verkrijgen
+kan, dat hij met zijn lichaam het werktuig verloren
+heeft, waardoor zijn dierlijke aard zich kon uiten.
+Zoo leert hij, wanneer hij uit het lichaam is getreden,
+dat hij de zucht naar genot van zijn dierlijken
+aard op den langen duur niet kan voldoen, dat
+datgeen wat hem in het lichaam genot schonk, hem
+daarbuiten smart geeft in plaats van genot. Zoo
+leert de jonge ziel deze eerste les door ondervinding
+in het aardleven en na den dood. Daarop gaat de
+ziel naar de hemelsche wereld. Veel is er nog niet
+dat deze jonge ziel in den hemel kan vinden, maar
+toch leert zij een weinig door een tijd in die wereld
+te vertoeven. Toen de wilde nog op aarde leefde,
+gevoelde hij wellicht eenige liefde voor vrouw of
+kind, en deze liefde leert hem een nuttige les.
+Wanneer hij de hemelsche wereld bereikt, is die
+liefde nog met hem; en hij ondervindt dat deze
+blijft en hem genot schenkt in die hoogere wereld.
+Hij bevindt dat de weinige goede gevoelens, dat
+iedere aandoening welke iets in zich had dat goed
+was en rein, bij hem is, wanneer al het andere
+achterblijft, dat de liefde blijft wanneer alle harts<!-- Page 45 -->tocht
+is uitgestorven. Wanneer hij een tijdlang in
+den hemel vertoefd heeft, en zijn liefde in de hemelsche
+gebieden is toegenomen in kracht, komt
+het oogenblik, waarop de ziel terug moet keeren
+tot het aardleven, opnieuw moet worden geboren
+in een lichaam, een weinig beter dan het lichaam
+dat zij vroeger bezat. Want de ziel is een weinig
+gegroeid en heeft een beter lichaam noodig dan
+het vorige dat zij bewoonde. Zij is een weinig gegroeid,
+heeft geleerd een weinig meer liefde
+te koesteren, heeft een weinig geleerd door
+hare ondervinding in deze wereld en in de twee
+werelden aan gene zijde van het graf. Zij is een
+weinig ouder geworden en wijzer en heeft om nieuwe
+ondervinding op te doen een beter lichaam noodig,
+wanneer zij terugkomt. Na in dat beter lichaam geboren
+te zijn, leert zij een weinig meer dan in het
+vorige. Zij heeft geleerd dat stelen en moorden
+niet goed is, en wanneer een leeraar of oudere
+bloedverwant tot het jonge kind, dat reeds deze
+ondervinding heeft opgedaan, zegt: &quot;Gij moet niet
+stelen, niet liegen, niet moorden,&quot; zal deze ziel, die
+op aarde teruggekeerd is met de ondervinding die
+zij heeft opgedaan, deze leering kunnen beantwoorden
+en zeggen: &quot;Ja, het is waar, ik moet niet
+stelen, niet liegen, niet moorden, ik zie in dat dit
+alles verkeerd is.&quot; Waarom ziet die ziel nu in dat
+het verkeerd is, terwijl zij het den vorigen keer niet
+inzag? Omdat de ziel in dien tijd is gegroeid,
+omdat zij ondervonden heeft dat stelen ongelukkig
+maakt. En deze ondervinding bot als zedelijke
+eigenschap uit, wanneer de ziel in een stoffelijk
+<!-- Page 46 -->lichaam wordt weergeboren. De kinderen, die thans
+in ons midden ter wereld komen, worden niet geboren
+zooals de volkomen onontwikkelde wilde,
+waarover ik sprak, niets wetende van goed en kwaad.
+Zoodra gij hen onderwijst, begrijpen zij het verschil
+tusschen kwaad en goed en het is gemakkelijk hun
+te leeren, daar hunne zielen ouder zijn en reeds vele
+aardlevens doorleefd hebben, waarin zij ondervinding
+hebben opgedaan en verzameld, en die ondervinding
+hebben omgezet in wat wij geweten noemen, in
+aangeboren begrip van goed en kwaad. Deze groei
+van de ziel gaat door, leven na leven, honderde
+keeren, zoodat de ziel, wanneer zij in een stoffelijk
+lichaam ter wereld komt, na reeds honderde levens
+te hebben doorgemaakt, vele vermogens in zich heeft.
+Zij komt ter wereld met zekere verstandelijke kracht,
+met zekeren aanleg voor kunst, met zedelijke eigenschappen.
+Ieder uwer werd geboren met het vermogen
+te denken, zoodat gij met vrucht kondt worden
+opgevoed; en misschien met eenige artistieke kracht,
+met talent voor schilderen, voor beeldhouwkunst of
+muziek. Gij bracht die vermogens met u, en toondet
+ze reeds als kind, zoodat uw opvoeding kon worden
+ingericht op een wijze die geschikt was om de vermogens
+die gij medebracht, te kunnen ontwikkelen.
+Deze vermogens, welke de kinderen meebrengen en
+in overeenstemming waarmede wij hun opvoeding
+behooren te regelen, hebben zij gewonnen in herhaalde
+aardlevens in het verleden, en telkens gedurende
+hun leven in de hemelsche wereld hebben zij
+die vermogens verbeterd en doen toenemen in kracht,
+en bij iedere geboorte op aarde brengen zij ze mede op een
+<!-- Page 47 -->hoogeren trap van ontwikkeling dan den vorigen keer.</p>
+
+<p>Op deze wijze groeit de ziel door voortdurend
+herhaalde wedergeboorte op aarde en naarmate zij
+groeit wordt zij meer en meer gelijk God. Na langen,
+langen tijd wordt de ziel op aarde geboren als een
+kind met een zeer goed karakter, misschien als genie,
+misschien bijna volmaakt uit een zedelijk oogpunt.
+Enkele kinderen worden zoo goed geboren dat
+hunne opvoeding bijzonder gemakkelijk is, onzelfzuchtig,
+vriendelijk en liefdevol, anderen ter wille.
+In deze kinderen wonen zielen die oud zijn, zielen
+die reeds vele malen op aarde geweest zijn, en geleerd
+hebben onzelfzuchtig en vriendelijk te zijn en
+hunne medemenschen lief te hebben, zoodat zij
+thans bij hun geboorte zulk een karakter toonen.
+Zij behoeven niet meer te leeren wat goed is, zij
+weten het van de wieg af, juist zooals andere kinderen
+reeds in hun prille jeugd geni&euml;n blijken.
+Wanneer de ziel zulk een standpunt bereikt heeft,
+is het oogenblik daar waarop haar ontwikkeling zeer
+kan worden versneld, het oogenblik, waarop bijzondere
+leering zal komen op haren weg, waarop haar
+bijzondere gelegenheden zullen worden geboden,
+sneller te kunnen ontwikkelen en groeien; dan komt wat
+de &quot;geestelijke geboorte&quot; genoemd wordt, de geboorte
+naar den geest waarvan Jezus sprak toen hij zeide
+dat geen mensch het koninkrijk Gods kon kennen,
+tenzij hij was geboren naar den geest. De menschen
+worden telkens en telkens geboren naar den vleesche;
+zij worden slechts &eacute;&eacute;ns geboren naar den geest en
+wanneer een mensch geboren is naar den geest,
+zegt men dat de Christus in hem geboren is. Gij
+<!-- Page 48 -->zult u herinneren dat Paulus in een zijner brieven
+schreef, dat de Christus geboren moest worden in
+de ziel; dit nu is de groote &quot;tweede&quot; geboorte, die
+het begin is van de ontwikkeling van den Christus
+in den mensch. Alle vroegere ontwikkeling heeft
+hem slechts doen groeien tot een goed en
+knap mensch, verstandig en krachtig en zedelijk,
+maar na de geestelijke geboorte wordt hij geestelijk,
+en begint hij het leven te leiden van den Christus.
+Hij wordt vol mededoogen voor allen, vol liefde en
+vol van den wil zijn medemenschen te helpen. Hij
+ontwikkelt in zich den aard van den Christus, hij
+gevoelt de broederschap die hem met allen verbindt,
+hij gevoelt dat hij &eacute;&eacute;n is met alle menschen, dat zij
+allen leden zijn van zijn huisgezin, dat zij allen hem
+na-staan, als een deel van hemzelf, een deel van zijn
+eigen leven. Naarmate de Christus zich in den mensch
+ontwikkelt, nadert hij de volmaking. Hij wordt meer
+en meer vrij van zonden, hij verkrijgt meer en meer
+inzicht in alle geestelijke waarheid, hij omvat meer
+en meer van het goddelijk leven en drukt dit uit in
+zijn leven op aarde. Dit tijdperk in de menschelijke
+ontwikkeling is dat van geestelijken groei, niet van
+verstandelijken of zedelijken vooruitgang. Het komt
+na dezen vooruitgang en brengt de gelijkenis
+van God en den mensch tot volkomen volmaking.
+Wanneer de mensch z&oacute;&oacute; gedurende langen tijd heeft
+geleefd, vrij van zonde, terwijl hij goed doet aan
+ieder, allen met wie hij in aanraking komt helpt,
+vol wijsheid en inzicht in alle geestelijke waarheid,
+heeft hij het standpunt bereikt waarop Jezus doelde
+toen hij zeide: &quot;Weest dan gijlieden volmaakt gelijk
+<!-- Page 49 -->uw Vader die in de hemelen is volmaakt is.&quot; Dit zou onmogelijk
+zijn indien de mensch niet gedurende honderde
+levens tot die hoogte kon klimmen. Voor den wilde,
+over wien ik u gesproken heb, zou het niet mogelijk
+geweest zijn, in &eacute;&eacute;n leven volmaakt te worden, te
+worden gelijk God. Maar zonder twijfel is het mogelijk,
+wanneer hij leven na leven op aarde terugkeert,
+leven na leven verbetert en groeit, totdat de
+ziel van een klein zaadje gegroeid is tot een machtigen
+boom, na talrijke eeuwen van levens. En evenals
+de eik door zijne bladeren die hij ontplooit, den
+geheelen zomer voedsel verzamelt, en dit voedsel uit
+de bladeren voert tot takken en stam, en in den
+herfst de bladeren afvallen en sterven, maar de boom
+door het opgenomen voedsel gegroeid is--- zoo ook
+zendt de menschelijke ziel een lichaam uit, gelijk de
+boom zijne bladeren, en verzamelt ondervinding
+door het vergankelijke lichaam, gelijk de boom door
+de bladeren zijn voedsel. Al die ondervinding neemt
+de ziel in zich op: het lichaam sterft wanneer zijn
+tijd daar is, maar de ziel groeit door de opgedane
+leering en nadert de volmaking.</p>
+
+<p>Dit is wat de Theosofie leert omtrent den groei
+der ziel, en gij hebt gezien dat wij gekomen zijn tot
+de gevolgtrekking, dat de mensch volmaakt kan
+worden, en de vraag zal bij u opkomen: &quot;Wat moet
+de volmaakte mensch doen met zijne volmaking?&quot;</p>
+
+<p>Hij moet zijn medemenschen helpen. Zij die
+volmaakt zijn geworden zijn degenen die wij Meesters
+noemen. Zij zijn de Leeraars der groote godsdiensten,
+zij zijn het die tot de wereld komen om
+den menschen te leeren hoe te leven, hoe sneller te
+<!-- Page 50 -->groeien. Zelf volmaakt geworden, blijven zij anderen
+leeren hoe de volmaking te bereiken. Jezus, die
+zelf volmaakt is, bleef op aarde ten einde den menschen
+te leeren hoe zij volmaakt konden worden en
+gelijk aan Hemzelf. En de Theosofie leert dat deze
+volmaakte menschen nog heden bereikt kunnen
+worden. Zij zijn niet ver weg in den hemel, maar
+hier op aarde. En wij kunnen hen vinden, indien
+wij den juisten weg inslaan; en de eenige weg om
+hen te vinden is te trachten hun gelijk te worden.
+Misschien hebt gij wel eens in de geschriften van
+de heiligen der Christelijke kerk gelezen, hoe Jezus
+tot hen kwam en hun leerde; en dan hebt gij steeds
+gedacht dat dit droomen waren of verzinsels. Toch
+is dit niet het geval. Wat zij schreven is letterlijk
+waar, en het zou ook voor ons waar kunnen zijn
+zooals het waar was voor hen, want gij kunt een
+heilige worden zoo goed als ieder ander mensch,
+die leefde in de middeleeuwen of in de eerste eeuwen
+der Christelijke kerk. Waarom zouden niet de tegenwoordige
+Christenen heilig worden kunnen gelijk die
+van vroeger, waarom zouden zij den Christus niet
+kennen zooals Hij gekend werd in de vroegste tijden
+der kerk, waarom zouden zij niet in staat zijn Hem
+te spreken en van Hem te leeren, zooals de menschen
+in die oude dagen deden, toen Hij leefde
+onder de menschen en zooals zij het nog deden,
+vier of vijf eeuwen daarna? De ziel der menschen
+is thans niet zwakker dan toen, de ziel der menschen
+is in staat nog heden te doen, wat zij toen in staat
+was te volbrengen. Het is slechts de kennis die u
+ontbreekt, hoe het te doen en den krachtigen wil,
+<!-- Page 51 -->welke u moed tot volharden kan geven. De Theosofie
+is d&aacute;&aacute;r om u de kennis te geven van den weg,
+waarlangs wij de groote Leeraars kunnen bereiken,
+en met die kennis geeft zij ons den moed en den
+wil en het geduld tot volharden.</p>
+
+<p>Veel van wat ik u hedenavond heb gezegd zal
+voor sommigen uwer nieuw schijnen en vreemd. Toch
+is het niet nieuw maar over-oud, z&oacute;&oacute; oud dat de
+menschen het hebben vergeten; en niet vreemd, zooals
+gij bij nadere studie zult vinden. Ik heb u
+hedenavond niets gezegd, dat ik niet <i>weet</i> dat waar
+is en de weg dien ik gevolgd heb om tot weten te
+komen, is de weg dien de Theosofie aanwijst. Door
+het volgen van hare voorschriften ben ik in staat
+geweest hetzelfde te doen wat in de Christelijke kerk
+gedaan werd, vele eeuwen geleden, en wat in alle
+andere godsdiensten mogelijk is geweest, lang voordat
+het Christendom was gesticht. Al deze dingen
+zijn altijd bekend geweest, deze weg is altijd betreden
+door de weinigen; en zij die hem betraden waren
+de menschen, die de waarheden van den godsdienst
+wisten door eigen waarneming&mdash;niet uit de tweede
+hand. Het doel der Theosofische Vereeniging is, u
+te helpen in het verkrijgen van eerste-hands kennis
+en hoewel de dingen die ik u gezegd heb misschien
+onbekend mogen wezen en schijnen onmogelijk te
+kunnen worden bewezen, kunnen zij alle bewezen
+worden door ieder uwer die begeert te onderzoeken, en
+zich dezelfde moeite wil geven, welke door sommigen
+onzer is gedaan. Dan zult gij de werkelijkheid der
+wedergeboorte op aarde weten, niet slechts gelooven,
+dan zult gij de wijze kennen, waarop de ziel lang<!-- Page 52 -->zamerhand
+groeit tot volmaking, dan zult gij weten
+dat deze Leeraars nog levende menschen zijn en nog
+steeds leering geven willen aan leerlingen die tot
+hen komen. De Theosofie is inderdaad een studie.
+Ik vraag u niet haar te gelooven, ik vraag u niet
+haar aan te nemen zonder begrijpen, ik vraag u
+slechts te onderzoeken, zooals ik onderzocht heb.
+Gij kunt tot weten komen zooals ik ben gekomen
+tot weten. En ik weet, dat wanneer al deze dingen
+voor ons eerste-hands kennis worden, niets in de
+wereld ons meer werkelijk ongelukkig kan maken.
+De moeiten en zorgen, welke zoo vele menschen
+kwellen, worden ons niets, zelfs de dood, die scheiding
+te maken schijnt tusschen de menschen, kan
+voor ons geen scheiding meer brengen wanneer
+wij deze waarheden voor ons zelf bevestigd weten,
+omdat wij dan den sluier des doods kunnen oplichten,
+en de menschen aan de andere zijde kennen,
+even gemakkelijk als gij ze hier kent op aarde;
+zoodat de Theosofie u met de gelegenheid om deze
+dingen te onderzoeken de mogelijkheid biedt van
+grooter geluk dan den meesten menschen ten deel
+valt, van kennis die u sterk zal maken en krachtig,
+van een leven vol vrede en rust. D&agrave;t is de uitkomst
+van Theosofisch onderzoek, d&agrave;t is het gevolg
+van het streven tot weten te komen, en mijn
+doel voor hedenavond was, eenigen van u te brengen
+tot diepere studie, opdat gij moogt komen tot de
+kennis der waarheid. En wanneer gij dan tot die
+kennis gekomen zult zijn, zult gij terugzien tot dezen
+avond en zeggen: Toen was het dat ik voor het
+eerst de leeringen der Theosofie vernam, waarvan
+<!-- Page 53 -->de kennis in mijn geheele leven verandering heeft gebracht.
+Toen was het dat ik den grootsten schat
+vond, welken ik ooit heb gekend; want ik vond de
+kennis van God, die het eeuwige leven is, zonder
+welke het leven arm is en beperkt, met welke het
+leven oneindig wordt, vol van vreugde en vrede.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="Esoterisch_Christendom"></a><h2><!-- Page 54 --><b>Esoterisch Christendom</b></h2>
+<br>
+
+<p>Sommigen die niets weten van de Theosofische
+leeringen beschouwen de Theosofie als vijandig gezind
+jegens het Christendom. Zij denken dat iemand
+wanneer hij Theosoof wordt moet ophouden Christen
+te zijn. En wanne&eacute;r zij vernemen dat de Theosofie
+zich in een land verspreidt, nemen zij als van zelf
+sprekend aan dat in dat land een nieuwe beweging
+tegen het Christendom is ontstaan, een beweging
+waarvoor geen Christen sympathie kan gevoeien.
+Deze zienswijze nu is geheel en al verkeerd. Hoe
+zou het mogelijk zijn dat de grondslag van alle
+godsdiensten de vijand was van eenigen godsdienst?
+Daar zij komt om het godsdienstig gevoel te versterken
+door kennis, kan de Theosofie niet ten doel
+hebben het geloof te ondermijnen, of te trachten
+het godsdienstig gevoel der menschen te doen wankelen.
+Integendeel: waar zij komt tot de menschen,
+vraagt zij hun niet hunnen godsdienst te verlaten,
+maar zij vraagt hun te pogen dien godsdienst te
+doorgronden in zijn diepere en meer geestelijke beteekenis.
+Zij komt tot den godsdienst om hem terug
+te geven wat hij in den loop der eeuwen heeft verloren,
+zij komt om de kennis terug te brengen, welke
+<!-- Page 55 -->langzamerhand uit zijn gebied is geweken, zij komt
+om de zinnebeelden en riten van den godsdienst
+begrijpelijk te maken en aan hen wier geloof was
+geschokt door de aanvallen van het ongeloof een
+hechten en zekeren grondslag te schenken waarop
+hun geloof rusten kan, verheven boven de mogelijkheid
+van eenigen aanval, bekroond met goed gevolg.</p>
+
+<p>Wanneer ik dan hedenavond u toespreek uit
+naam der Theosofie, spreek ik als iemand die het
+Christendom beschouwt als &eacute;&eacute;n van de groote godsdiensten
+der wereld, die gelooft dat het in zich alles
+bevat wat noodzakelijk is voor den groei der menschelijke
+ziel, maar die tevens meent dat het algemeen
+verspreide Christendom van tegenwoordig zeer
+veel verloren heeft van wat het oorspronkelijk
+Christendom bezat, als iemand die gelooft dat het
+mogelijk is aan de kerk dat diepere, geestelijker inzicht
+in den godsdienst terug te geven, dat in den
+tegenwoordigen tijd uit het weten der Christenen
+verdwenen is.</p>
+
+<p>Reeds de naam van deze voordracht &quot;esoterisch
+of innerlijk Christendom&quot; zal waarschijnlijk door vele
+Christenen verworpen worden. Weinigen onder de
+hedendaagsche Christenen willen toegeven dat er een
+esoterisch Christendom bestaat, ja zelfs hoort men
+Christenen er zich dikwijls op beroemen dat h&ugrave;n
+godsdienst ten minste niets heeft dat teruggehouden
+en verborgen is. Dikwijls hoort men zeggen: de
+Christelijke godsdienst is z&oacute;&oacute; eenvoudig dat zelfs een
+kind, dat de meest onontwikkelde hem kan begrijpen
+en ik heb soms Christenen ontmoet die verontwaardigd
+werden over het denkbeeld, dat er in
+<!-- Page 56 -->verband met hun geloof eenige kennis zou bestaan,
+welke teruggehouden wordt van den onwetende, welke
+niet openlijk aan de wereld wordt verkondigd, kennis
+zoo moeilijk te omvatten, dat de gewone menigte
+niet in staat zou zijn haar te begrijpen. En toch
+is het duidelijk dat als het waar is dat het Christendom
+niets anders te leeren heeft dan wat begrepen
+kan worden door het kind en door den onopgevoeden
+mensch, dit de erkenning in zich zou sluiten,
+dat het Christendom niet de waarheid bezit, dat het
+niet voldoende is voor den wijsgeer en den wijze.
+Want gij kunt het verstand van den wijsgeer niet tevreden
+stellen met dezelfde opvattingen welke voldoende
+zijn voor het kind en den polderwerker. Men kan
+niet verwachten dat de man van de wetenschap, de
+hoogontwikkelde denker, tevreden zal blijven met de
+enge en ruwe opvattingen, welke voor den onwetende
+niet slechts voldoende zijn, maar die voor hem veel
+meer geschikt zijn dan de verklaringen van den
+verheven wijsgeer. Neem bijvoorbeeld het begrip
+&quot;God&quot;. Voor een kind moet gij van God een konkreet
+denkbeeld geven, anders kan het kind het niet
+bevatten. Indien gij tot hem spreekt in de taal der
+metafysika, indien gij tot hem spreekt over het absolute,
+het oneindige, indien gij hem vertelt van een
+oneindig leven, dat de geheele ruimte doordringt en
+de tallooze zonnen welke zich in het heelal bewegen
+in wezen houdt, indien gij hem zulk een beschrijving
+van de Godheid geeft, zult gij het kind slechts
+in verwarring brengen en geenerlei opvatting, welke
+door hem kan worden bevat, zal zijn ongeoefend
+brein bereiken door uw wijsgeenge taal. Zal het
+<!-- Page 57 -->kind eenig denkbeeld krijgen van God dan moet
+de opvatting van het goddelijke tot hem komen in
+een gewone, menschelijke gedaante. Gij kunt hem
+leeren van een Vader, die teeder is en liefhebbend,
+want dit geeft hem een denkbeeld dat hem reeds
+bekend is door de liefde van zijn eigen vader.
+Gij kunt hem vertellen van den mensch Jezus, vol
+liefde en mededoogen; dit geeft hem het denkbeeld
+van een vriend, sterker en ouder dan hij zelf, die
+hem lief heeft en beschermt. Z&oacute;&oacute; kan het kind
+eenig denkbeeld ontvangen van God. Het goddelijke
+moet menschelijk worden gemaakt, het oneindige
+moet worden beperkt; slechts z&oacute;&oacute; kan het kinderhart
+worden bevredigd. Maar wanneer gij staat
+tegenover den wijsgeer, die onmiddellijk de bezwaren
+inziet welke er zijn tegen de beperking van het goddelijke
+binnen den menschelijken vorm, wanneer gij
+staat tegenover een man van de wetenschap die zich
+den God dien hij aanbidt denkt als een Leven dat
+de gansche ruimte doordringt, dat alle zonnen en
+planeten beheerscht, dat tegelijk het leven is van
+het heelal en het leven van het kleinste wezentje
+dat bestaat, voor wien de beperking in den menschelijken
+vorm godslastering wordt en bespotting&mdash;wanneer gij dan nog blijft bij de opvatting van
+het kind, zal de wijsgeer, de man van de wetenschap
+agnostisch worden of athe&iuml;st. De erkenning
+van de waarheid, dat het godsbegrip moet beantwoorden
+aan de beperkingen van het menschelijk
+verstand, dat het denkbeeld dat de mensch van
+God heeft verschillend moet zijn naar gelang van
+de kracht van zijn verstand, naar den aard zijner
+<!-- Page 58 -->aandoeningen, naar de diepte van zijn inzicht,&mdash;
+de erkenning van deze waarheid maakt het voor
+alle menschen mogelijk, God te aanbidden, want
+ieder mensch, hetzij onwetend of geleerd, ontvangt
+dan van de goddelijke kennis juist zooveel als hij
+in staat is op te nemen in hoofd en hart. Ieder
+mensch houdt als het ware het vat zijner eigene ziel
+tot God omhoog. Is de ziel klein en beperkt, dan
+kan zij slechts weinig van de goddelijke kennis bevatten;
+indien de ziel groot is en ontwikkeld, kan
+zij meer bevatten van het goddelijk leven. Klein
+waarlijk in vergelijking met dien machtigen oceaan is
+het grootste verstand, de grootste wijsheid des menschen,
+maar toch heeft dit verstand het recht een
+opvatting te eischen, die noch te hoog is noch te
+laag, en slechts door een esoterischen godsdienst
+kunnen de ontwikkelden en wijzen gehouden worden
+binnen de grenzen der kerk. Dit is in het verleden
+altijd bekend geweest. Geen godsdienst der oudheid
+gaf aan alle menschen leering in denzelfden vorm.
+Onder de Hindoes, de Chineezen, de Boeddhisten, de
+Egyptenaren, de Grieken, overal vindt gij verschil
+van leering voor de menigte der onontwikkelden, en
+de kleine minderheid der ontwikkelden. Toen het
+Christendom aan de wereld werd gegeven, toen Jezus
+kwam als een boodschapper der waarheid en de
+stichter van een nieuwen vorm van godsdienst, trad
+hij in de voetstappen zijner voorgangers en verdeelde
+zijn leer in twee deelen, het eene voor de
+menigte, het andere voor de verlichten. Ik wensch
+u van deze bewering het bewijs te leveren door een
+aantal bewijsgronden, wier gewicht gij voor u zelf
+<!-- Page 59 -->kunt schatten. Ik zal u aantoonen, eerstens uit de
+woorden van Jezus zelf, dat hij die onderscheiding
+maakte; dan uit de woorden zijner apostelen dat ook
+zij die verdeeling erkenden, vervolgens dat die apostelen
+ze overdroegen aan het geslacht dat na hen
+kwam, en eindelijk dat diezelfde verdeeling der leeringen
+in twee&euml;n door de bisschoppen en kerkvaders
+werd gehandhaafd. Wij hebben dus vier stappen
+te doen in de vroegste geschiedenis der kerk. Wij
+moeten de gezegden van Jezus zelf, die zijner apostelen,
+die van degenen die door de apostelen als
+leeraars werden uitverkoren, en die van de bisschoppen
+en kerkvaders in de eerste vijf eeuwen der geschiedenis
+van het Christendom beschouwen. Over
+deze vijf honderd jaren strekken zich de verklaringen
+uit, die ik u zal aanhalen als bewijsgronden voor
+het feit dat er in die eeuwen een esoterisch Christendom
+bestond, evengoed als een exoterisch, dat er
+een bijzonder onderwijs was voor de ingewijden,
+evengoed als een openbare leering voor de menigte
+der geloovigen. Na deze eerste reeks bewijsgronden,
+de geschiedkundige, zal ik een bewijsvoering leveren
+van anderen aard, en wel deze: dat zij die thans
+esoterische kennis bezitten, beter in staat zijn de
+Christelijke leeringen uit te leggen dan zij die deze
+kennis niet bezitten, en beter de beteekenis begrijpen
+van de vele verklaringen in het Nieuwe Testament,
+welke de gewone kerkleeraars niet in staat
+zijn uit te leggen, verklaringen, die de hedendaagsche
+kerk dikwijls heeft uitgelegd op een wijze, welke in
+strijd is met het geweten, zoodat die uitleggingen der
+kerk vele menschen uit het Christendom drijven, en
+<!-- Page 60 -->van velen onder hen die slechts de exoterische verklaring
+ontvangen, het verstand beleedigen en het
+geweten in opstand brengen. Het gevolg hiervan
+is dat zij de kerk verlaten en onverschillig worden
+voor het Christendom, een groot verlies voor henzelf,
+daar zij hun geloof moeten opgeven, een groot
+verlies voor de kerk, want op deze wijze gaan de
+meest ontwikkelden verloren, en wordt de invloed
+van het geloof op de menigte verzwakt.</p>
+
+<p>Wij zullen thans de verschillende bewijsgronden
+in volgorde aanvoeren en beginnen met de geschiedkundige,
+in de eerste plaats met de woorden van
+Jezus zelf.</p>
+
+<p>Toen de discipelen tot Jezus kwamen en hem
+vroegen naar de gelijkenissen welke hij tot de menigte
+gesproken had, gaf hij hun dit merkwaardige
+antwoord: &quot;Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid
+van het koninkrijk Gods, maar dengenen
+die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen.&quot;
+[Footnote: Marcus 4,11.]
+En verder: &quot;Zonder gelijkenis sprak
+hij tot hen niet.&quot; [Footnote: Marcus 4,34.] Wij vinden hier den toestand
+duidelijk verklaard. Tot de menigte sprak Jezus
+slechts in gelijkenissen, in allegori&euml;n, in verhalen in
+den vorm van een fabel, welke hun zedelijke leering
+gaf; maar zijnen discipelen gaf hij de uitlegging der
+gelijkenissen, verklaarde hij de verborgenheid van
+het koninkrijk Gods, en ik verzoek u deze onderscheiding,
+door Jezus gemaakt, goed in het oog te
+houden, omdat wij haar straks door de kerkvaders
+aangehaald zullen vinden ter rechtvaardiging van de
+handelwijze der kerk in hun eigen tijd.</p>
+
+<p><!-- Page 61 -->Jezus zeide eens tot de discipelen: &quot;Geeft het
+heilige den honden niet.&quot; [Footnote: Matthe&uuml;s 7,6.] Het woord &quot;hond&quot;
+nu had bij de Joden een zeer bepaalde beteekenis.
+Het duidde iedereen aan, die geen Jood was en gij herinnert
+u dat toen een Kananeesche vrouw tot Jezus
+kwam om hulp te vragen, hij ten antwoord gaf:
+&quot;Het is niet betamelijk, het brood der kinderen te
+nemen en den hondekens voor te werpen.&quot;
+[Footnote: Matthe&uuml;s 15,26.]
+En zij nam zonder morren die benaming aan en
+zeide slechts: &quot;Ja Heer, doch de hondekens eten
+ook van de brokskens, die er vallen van de tafel
+hunner heeren.&quot; Dit woord van Jezus: &quot;Geeft het
+heilige den honden niet&quot; is niet anders dan een bevel,
+niet het innerlijke te geven aan hen die buiten de
+groep der uitverkorenen stonden. Voor deze laatsten
+alleen moest het heilige worden bewaard. De apostelen,
+die het evangelie van Jezus buiten de Joden verspreidden,
+erkenden evenzoo een aantal uitverkorenen,
+dat waren zij die in de kerk in de mysteri&euml;n waren
+ingewijd, terwijl zij die buiten de mysteri&euml;n stonden
+profanen werden genoemd. Het woord profaan werd
+in de oudheid gewoonlijk gebruikt om deze menschen
+aan te duiden en wanneer wij overgaan tot de tweede
+soort van geschriften, waarvan ik u gesproken heb,
+tot de geschriften der apostelen, vinden wij dat Paulus
+het onderscheid, door Jezus gemaakt, behield en het
+toepaste op zijn eigene bekeerlingen. Zoo schreef
+hij aan de Corinthi&euml;rs, die als Christenen waren
+gedoopt, die hadden deelgenomen aan het Heilige
+Avondmaal, die lidmaten der kerk waren, zooals wij
+<!-- Page 62 -->zeggen zouden: &quot;En ik, broeders, kon tot u niet
+spreken als tot geestelijken, maar als tot vleeschelijken,
+als tot jonge kinderen in Christus. Want gij
+zijt nog vleeschelijk.&quot; [Footnote: I Corinthi&euml;rs 3,1-3.] En elders zegt hij: &quot;En wij
+spreken wijsheid onder de volmaakten.&quot; [Footnote: I Corinthi&euml;rs 2,6.] Paulus
+maakte dus hetzelfde onderscheid als de Meester:
+voor hen die vleeschelijk waren, voor de jonge
+kinderen in Christus, sprak hij zonder geestelijke
+wijsheid; die wijsheid werd slechts gegeven aan de
+volmaakten, dat is, aan hen die ingewijd waren in
+de mysteri&euml;n der kerk. Want deze uitdrukking &quot;de
+volmaakten&quot; is het oude woord voor de ingewijden;
+zij moesten volmaakt zijn in het uiterlijke leven,
+voordat zij werden toegelaten tot de kennis der
+mysteri&euml;n van Jezus. Vervolgens vinden wij dat
+Paulus aan Timothe&uuml;s, dien hij wijdde tot bisschop
+der kerk, beval op zijn beurt uit de geloovigen diegenen
+te kiezen, die in staat zouden zijn meer te
+leeren en dat hij aan dezen het Woord moest mededeelen,
+dat hij zelf had ontvangen voor vele getuigen.
+Hier hebben wij weer een uitdrukking die
+in de oudheid veel werd gebruikt: &quot;het Woord,&quot;
+het Woord dat gegeven werd voor vele getuigen.
+Wat is dat Woord, dat Paulus gaf aan Timothe&uuml;s,
+in tegenwoordigheid van vele getuigen en dat hij
+hem beval over te geven aan hen die het waardig
+zouden zijn? Dit Woord, gesproken voor vele getuigen,
+is de geheime leering der mysteri&euml;n, welke
+nooit op schrift is gesteld, welke nooit werd gegeven
+in eenigen vorm, waarin zij kon worden verraden,
+<!-- Page 63 -->maar altijd slechts gesproken werd van mond tot
+oor, van leeraar tot leerling, in tegenwoordigheid
+van vele getuigen, die konden instaan voor de
+nauwkeurigheid der ongeschreven overlevering, die
+konden getuigen dat de leeraar het Woord goed had
+overgebracht, dat hem gegeven was om aan anderen
+over te leveren. Het Woord, door Timothe&uuml;s van
+Paulus ontvangen in tegenwoordigheid van vele getuigen,
+is het esoterisch Christendom, mondeling geleerd
+aan hen die waardig waren zelf leeraars te worden.</p>
+
+<p>Wij hebben gezien, eerstens hoe Jezus zelf de
+mysteri&euml;n slechts leerde aan enkele leerlingen, en
+tot de menigte sprak in gelijkenissen, vervolgens hoe
+Paulus als apostel op dezelfde wijze te werk ging
+en aan Timothe&uuml;s beval het Woord op zijne beurt
+verder te geven, zoodat wij thans in de derde plaats
+komen tot de latere bisschoppen en kerkvaders,
+die verklaren dat zij de geheime leering hadden
+ontvangen en ze op hunne beurt hadden over te leveren
+aan hen die zich daartoe waardig toonden. Tot
+nog toe heb ik slechts aanhalingen gedaan uit het
+Nieuwe Testament dat naar ik veronderstel ieder
+uwer bekend zal zijn. Thans zal ik eenige schrijvers
+aanhalen uit de vroegste geschiedenis der kerk, die
+u misschien niet bekend zullen zijn, maar die gij
+toch ook zelf lezen kunt, hetzij in het Latijn of het
+Grieksch, zoo gij die talen verstaat, of anders in
+uw eigene taal overgezet. De kennis van de geschriften
+der oude kerkvaders is noodig voor ieder
+die als prediker van het Christendom optreedt.
+Zonder die kennis is hij niet geschikt zich leeraar
+van het Christendom te noemen.</p>
+
+<p><!-- Page 64 -->Een van die bisschoppen nu was Clemens van
+Alexandrie, een der meest geleerde en wijze mannen
+der Christelijke kerk, die het aanzien der kerk heeft
+verhoogd door de zuiverheid van zijn leven, door
+de diepte zijner wijsheid. Terecht heeft de dankbare
+kerk hem in latere dagen als een heilige beschouwd.
+Groot is het aantal geschriften dat hij
+heeft nagelaten tot leering der Christenen. In een
+van deze geschriften spreekt hij over de kennis, die
+door de kerk was overgeleverd van den tijd van
+Jezus tot op zijn tijd toe, het onderricht dat Jezus
+gaf aan zijn apostelen, en dat na hem van geslacht
+op geslacht was overgegaan. Hij zegt: &quot;Deze leering
+werd van den beginne af slechts gesproken tot hen
+die begrijpen. De ongeschreven uitlegging der geschrevene
+woorden, die door den Heiland aan de
+apostelen gegeven werd, is tot ons overgeleverd.&quot;
+[Footnote: Stromata 6,15.]
+Hier hebben wij de getuigenis van een der bisschoppen
+van de oude kerk, dat er een onderricht van
+Jezus was, niet geschreven, maar door Jezus gegeven
+aan de apostelen, en door de kerk bewaard als een
+ongeschreven overlevering. Dezelfde getuigenis geeft
+Origenes, een ander kerkvader. Hij zegt dat Jezus
+met zijne discipelen in het bijzonder sprak over het
+evangelie Gods, dat de woorden welke hij sprak
+niet werden bewaard in geschrifte, en dat zij de
+verklaring vormden der gelijkenissen. Slechts zij ontvingen
+die leering, die waardig waren haar te ontvangen;
+hij zegt dat allen die deze leering zullen ontvangen,
+in bewondering zullen staan over hare wijsheid.
+Maar er is nog meer: dezelfde Clemens, die spreekt
+<!-- Page 65 -->over de ongeschreven leering van Jezus, vertelt ons
+ook dat hij zelf in zijn openbare prediking slechts
+zwakke, onvolmaakte beelden kon geven, maar dat zij
+die geslagen waren met den thyrsus, de beteekenis
+ervan zouden begrijpen. Geslagen te zijn met den
+thyrsus nu beteekent te zijn ingewijd, want de thyrsus
+was een roede, die bij de inwijding gebruikt werd,
+bij welke gelegenheid de persoon die ingewijd werd in
+trance werd gebracht, om de ziel te bevrijden van het
+lichaam. Wanneer de kandidaat voor de inwijding
+voor den leeraar was gebracht, ontving hij eerst
+door mondelinge leering de kennis, waarvan ik reeds
+gesproken heb en daarna werd hij geslagen met de
+roede, welke als voertuig diende voor magnetische
+krachten, welke in den kandidaat de innerlijke
+krachten der ziel deden ontwaken, en de ziel in
+staat stelden zich vrij te maken van het lichaam en
+zoo hoogere leering te ontvangen in de onzichtbare
+wereld, vrij van den last van het lichaam. Deze
+uitdrukking nu: &quot;Geslagen met de roede&quot; beteekent
+ingewijd in de mysteri&euml;n. Clemens vertelt ons hiervan
+nog iets meer, licht een hoekje van den sluier
+op, en ontdekt ons een weinig van wat daarachter
+verborgen is. Hij deelt ons de voorwaarden mede
+waaronder de mensch de inwijding kan ontvangen,
+en de eerste woorden welke door den leeraar bij
+het begin van de inwijdingsplechtigheid werden
+gesproken. Hij vertelt ons dat uit de lidmaten der kerk,
+uit hen die gedoopt waren en aan het Heilige Avondmaal
+hadden deelgenomen, dat uit die velen zeer weinigen
+werden gekozen: &quot;velen zijn geroepen&quot;, zegt hij,
+de woorden van Jezus aanhalende, &quot;maar weinigen
+<!-- Page 66 -->uitverkoren.&quot; Hij zegt verder van die uitverkorenen:
+wie vrij is, niet slechts van alle laagheid, maar ook
+van wat de menschen als geringere zonden beschouwen,
+slechts hij kan worden ingewijd in de mysteri&euml;n
+van Jezus, welke alleen door de heiligen en reinen
+worden gekend. Daarna deelt hij de eerste woorden
+mede, welke bij de inwijding gesproken werden:
+Hij die als inwijder optreedt, overeenkomstig de
+voorschriften van Jezus, zal zeggen tot hen die rein
+zijn van harte: &quot;Hij wiens ziel zich gedurende langen
+tijd van geen kwaad bewust is, en in het bijzonder
+sinds hij zich overgaf aan de weldoende kracht van
+het Woord, laat de zoodanige hooren de leering, door
+Jezus in het geheim gesproken tot zijn waarachtige
+leerlingen.&quot; [Footnote: Contra Celsum 3,40.] Dit waren de eerste woorden, gesproken
+bij de Christelijke inwijdingsplechtigheid, dit was de
+eerste zin, door den hierophant tot den kandidaat
+gericht. Het verdere kan Clemens niet aanhalen,
+want dan begint de leering welke slechts gegeven kon
+worden in de mysteri&euml;n. Deze eerste woorden echter
+stellen de voorwaarde van reinheid en roepen den
+kandidaat op om te luisteren naar de leering, door
+Jezus in het geheim aan zijne leerlingen gegeven.</p>
+
+<p>Wat is er thans geworden van die leering?
+Wat heeft de kerk gedaan met deze heiligste nalatenschap
+van den Christus? Waar wordt nu het
+onderricht gevonden, dat Jezus zijnen leerlingen in
+het geheim gaf? Waar zijn nu de mysteri&euml;n van
+Jezus, en degenen die den kandidaat zouden kunnen
+inwijden in de kennis, die aan de vroegere Christenen
+werd meegedeeld? Is de kerk trouweloos ge<!-- Page 67 -->weest
+in het bewaren van haren schat? Heeft zij
+de overlevering verloren, en ook degenen aan wie
+deze was toevertrouwd? Indien dit waar is, geen
+wonder dan dat de ongeloovige instaat is het geloof
+der Christenen te doen wankelen, geen wonder dan
+dat honderden van de meest ontwikkelde menschen
+worden gevonden buiten de grenzen der Christelijke
+kerk.</p>
+
+<p>Is het mogelijk die verloren kennis te herwinnen?
+Is het mogelijk deze leering weer te vinden,
+nu ze verdwenen is uit den schoot der kerk? Ja,
+die leering is nooit werkelijk verloren gegaan, de
+kennis van de mysteri&euml;n is nooit geheel en al verdwenen.
+Zij is bewaard door Jezus zelf en door
+zijn trouwe leerlingen, en die leerlingen zijn nooit
+geheel en al van de aarde verdwenen. Hier en daar
+werd er altijd nog een gevonden, die de duisternis
+om zich verlichtte, een heilige, stralend als een ster
+aan den donkeren hemel, in het bezit van eerste-hands
+kennis, de kennis van de oude mysteri&euml;n van Jezus.
+Nu en dan verscheen zulk een leerling in den schoot
+der Christelijke kerk, ingewijd en onderwezen gelijk
+voorheen, evenals de Christenen van vroeger, in het
+bezit van onmiddellijke leering, welke hem in staat
+stelde als leeraar op te treden. En hiertoe zijn
+slechts zij in staat, die zelf de onmiddellijke leerlingen
+zijn van de Meesters. Sedert de overlevering
+van haar bestaan uit de kerk verdwenen is, wordt
+de geheime leering nog altijd overgedragen van den
+een op den ander, zoo vaak er iemand gevonden
+wordt die waardig is ze te ontvangen. En met die
+leering gaat samen het vermogen om wat men ver<!-- Page 68 -->keerdelijk
+&quot;wonderen&quot; noemt te verrichten, het gebruiken
+van natuurkrachten, welke de gewone menschen
+niet kennen. Gij zult u herinneren hoe Jezus
+gezegd heeft dat zekere teekenen hen zouden vergezellen,
+die geloofden; dat zij vergif zouden drinken
+zonder dat het hun schaadde, dat zij door handoplegging
+zieken zouden genezen; aan deze teekenen,
+zeide hij, zouden waarlijk geloovigen worden herkend.</p>
+
+<p>Hoevele Christenen vertoonen thans deze teekenen
+van het levend geloof? In welke mate zijn die
+krachten in het bezit der Christenleeraars van onze
+hedendaagsche kerk? Hier en daar in de middeleeuwen
+vinden wij er nog sporen van, zooals de
+wonderen, verricht door Franciscus van Assisi en
+Elisabeth van Hongarije, wonderen, niet in den zin
+van een schending der natuurwetten, want zulk een
+schending is onmogelijk, maar wonderen, mogelijk
+gemaakt door de kennis eener hoogere wet, welke
+op lagere gebieden niet kan worden ontdekt, door
+gebruik te maken van geestelijke krachten welker
+werking de groote menigte der menschen niet kent.</p>
+
+<p>In den aanvang van deze voordracht sprak ik
+u nog van een ander soort van bewijs dat kon
+worden gegeven om het bestaan van de esoterische
+kennis aan te toonen. Voor hen toch die deze
+kennis bezitten is het mogelijk de duistere en moeilijke
+plaatsen in de Schrift te begrijpen en te verklaren,
+plaatsen welke altijd struikelblokken zijn geweest
+voor den Christen, maar toch voor een eenvoudige
+verklaring vatbaar zijn, wanneer men slechts
+den esoterischen kant der godsdienstige leering onderzocht
+heeft. Laten wij bijvoorbeeld enkele plaat<!-- Page 69 -->sen
+nemen uit het Nieuwe Testament, welke moeilijk
+zijn te begrijpen en waarin de hedendaagsche Christenen
+niet gelooven, en die altijd weggeredeneerd
+worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van den
+jongeling, die tot Jezus kwam en hem vroeg hoe hij
+het eeuwige leven be&euml;rven kon. Het eerste antwoord
+dat Jezus hem gaf was het exoterische. &quot;Gij
+weet de geboden&quot;. Dit is juist wat thans de predikant
+zou zeggen tot iemand, die hem kwam vragen
+hoe hij het eeuwige leven zou kunnen verkrijgen.
+Zijn antwoord zou wezen: &quot;leid een goed leven op
+aarde&quot;. Dit was ook het eerste antwoord dat Jezus
+gaf, maar de jongeling was hiermede niet tevreden.
+Hij wist dat dit slechts het exoterische antwoord
+was, niet het diepere dat hij zocht. Het wees hem
+den weg niet dien hij wenschte te vinden. Daarom
+antwoordde hij: &quot;Meester, deze dingen heb ik onderhouden
+van mijne jonkheid af&quot;. Dit is het antwoord
+dat ieder moet kunnen geven, die naar de diepere
+wijsheid verlangt. Aan de uiterlijke wet moet zijn
+voldaan, voordat de innerlijke leering kan worden
+verkregen. Toen gaf Jezus een ander antwoord:
+&quot;E&eacute;n ding ontbreekt u, ga henen, verkoop al wat
+gij hebt en geef het den armen, en gij zult een
+schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem
+het kruis op en volg mij&quot;. Toen ging de jonge man
+treurig heen, want hij had vele goederen; en Jezus
+wendde zich tot zijne discipelen, die alles verlaten
+hadden om hem te volgen, en sprak: &quot;Het is lichter
+dat een kemel ga door het oog van een naald, dan
+dat een rijke in het koninkrijk Gods inga.&quot;
+[Footnote: Marcus 10, 17-26.]</p>
+
+<p><!-- Page 70 -->Hoe dikwijls worden tegenwoordig deze laatste
+woorden weggeredeneerd. Hoe vele predikers hebben
+er over gepreekt en ze van hun beteekenis
+beroofd. Hoe dikwijls hebt gij misschien in uwe
+jeugd aan uw leeraar gevraagd, gelijk ik het mijn
+leermeester vroeg: &quot;wat beteekenen toch die woorden?
+Is het waar dat een rijke niet gemakkelijker het
+koninkrijk Gods binnengaan kan dan een kemel kan
+gaan door het oog eener naald?&quot; Maar mijn leermeester
+redeneerde de moeilijkheid weg en zeide
+mij dat het beteekent dat een rijke even goed als
+een arme het eeuwige leven kan verwerven, dat het
+iets anders beteekent dan het zegt, dat het betrekking
+heeft op een poort in Jeruzalem waar een
+kameel slechts onbeladen door kon gaan; en dat
+het wilde zeggen dat een rijke vele moeilijkheden
+heeft en aan vele verleidingen blootstaat, maar niet
+dat hij in het geheel niet zou kunnen binnengaan
+in het koninkrijk Gods. De groote menigte der
+Christenen schijnt het ook niet op te vatten in den
+zin, zooals het door Jezus is gezegd, want overal
+ziet gij de menschen hard werken om rijkdommen
+te verwerven, en als zij dachten dat zij daardoor
+het eeuwige leven zouden verliezen, zouden zij wel
+niet zoo hard werken om in de hel te komen; zoodat
+wij vrij zeker kunnen zijn dat zij in woorden
+van Jezus als de aangehaalde volstrekt niet gelooven.
+Dit is het noodzakelijk gevolg van het verloren gaan
+der esoterische kennis. Wat is de beteekenis van
+deze uitdrukking: &quot;het koninkrijk Gods?&quot; Zij wordt
+altijd gebruikt voor &quot;inwijding in de mysteri&euml;n&quot;. Zij
+die willen binnengaan in het koninkrijk Gods moeten
+<!-- Page 71 -->volmaakt worden, niet zooals de mensch van de
+wereld, die na den dood in den hemel komt, om
+na verloop van tijd terug te komen, meer te leeren
+en meer ondervinding op te doen,&mdash;het eeuwige
+leven is niet het vertoeven in een voorbijgaanden
+hemel, het is de kennis van God, het is de vereeniging
+met de Godheid zelf. En die kennis van
+God die het eeuwige leven is, is het koninkrijk
+Gods, waarin slechts de volmaakte kan binnengaan.
+En het is altijd een vaste wet geweest dat ieder
+mensch, voordat hij wordt ingewijd, alles moet afstaan
+wat hij bezit, dat hij niets meer als zijn eigendom
+beschouwen moet, wat in de oogen der wereld
+het zijne is. De gelofte van armoede is altijd de
+gelofte van den ingewijde geweest; niemand kan
+inwijding bereiken die niet deze gelofte doet in haar
+wijdste beteekenis: niet slechts wat zijn aardsche
+goederen aangaat, maar aangaande alles wat hij
+bezit, zij het rijkdom van verstand of rijkdom van
+hart of rijkdom der aarde. Hij staat ze alle af en
+deelt ze met de wereld, hij beschouwt ze niet langer
+als de zijne. Indien geld in zijne handen komt, is
+het niet het zijne, moet het niet worden gebruikt
+voor zijn persoonlijke behoeften: het behoort aan
+het werk van zijn Meester. Hij bezit niets dat hij
+voor zichzelf gebruiken kan. Indien hij kennis
+bezit is die niet de zijne, maar hij bezit die om de
+wereld te onderwijzen. Hij bezit zijne kennis slechts
+om ze te kunnen geven aan anderen; hij heeft geen
+rechten, hij kent slechts plichten jegens de menschheid.
+Voor zichzelf kent hij geen rechten van eenigen
+aard. Hij staat alles af wat het zijne is. En
+<!-- Page 72 -->toen Jezus zeide dat hij die volmaakt wil worden
+alles verkoopen moet wat hij heeft en hem volgen,
+zeide hij slechts wat iedere Meester zegt tot den
+leerling die inwijding bereiken wil: &quot;Gij moet alles
+afstaan wat gij bezit, gij moet u ontdoen van al
+wat gij hebt.&quot; Een harde voorwaarde, zeker: hard
+voor hem wiens hart nog hangt aan de wereld,
+hard voor hem die nog geeft om de schatten der
+aarde; maar licht voor hem die het hoogere leven
+zoekt, die naar diepere wijsheid verlangt, die het
+lagere leven wil opofferen om het hoogere te vinden,
+die het vleesch wil kruisigen opdat hij in God met
+Christus vereenigd kan zijn.</p>
+
+<p>Wij zullen thans een tweede spreuk van Jezus
+nemen: &quot;Wijd is de poort en breed is de weg die
+tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve
+ingaan; want de poort is eng en de weg is
+nauw die tot het leven leidt, en weinigen zijn er
+die dezelve vinden.&quot; [Footnote: Matthe&uuml;s 7,13.] Hoevele liefhebbende harten
+treuren over deze woorden, van hoevele vrome
+Christenen breekt het hart bij het denken aan deze
+woorden van Jezus. Weinigen die binnentreden,
+velen die ten verderve gaan, weinigen die redding
+vinden, velen die den breeden weg, weinigen die
+het smalle pad volgen! Wat is de beteekenis van
+deze woorden? Zij zeggen hetzelfde wat Jezus bedoelde
+toen hij sprak tot den jongeling. De breede
+en gemakkelijke weg is de gewone weg van de
+menschen der wereld, die leidt van geboorte naar
+dood, van dood naar geboorte, van geboorte weer
+terug naar den dood, door steeds herhaalden kring<!-- Page 73 -->loop
+van dood en geboorte. Zulk een leven is dood,
+niet leven, in de oogen van den verlichte. De weg
+welke tot het leven leidt is de weg welke van wedergeboorte
+bevrijdt, is het pad der inwijding, dat leidt
+tot dien tempel Gods, welken niemand verlaat, nadat
+hij hem is binnengetreden. Weinigen inderdaad zijn
+er op het tegenwoordig standpunt van de ontwikkeling
+der wereld, die dezen weg betreden, weinigen
+worden er gevonden onder de millioenen der menschheid,
+die sterk genoeg zijn om de moeilijkheden
+van het enge pad te overwinnen. Maar in den loop
+der eeuwen zullen allen dit pad vinden en betreden,
+en geen menschelijke ziel zal vervallen tot
+eeuwig verderf.</p>
+
+<p>Er is nog een gezegde van Jezus, dat moeilijk
+is te begrijpen: &quot;Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk
+uw Vader die in de hemelen is volmaakt is.&quot;
+[Footnote: Matthe&uuml;s 5,48.]
+Dat is weer een bevel dat door de meeste menschen
+wordt weggeredeneerd, omdat zij gevoelen dat de
+vervulling onmogelijk is voor zondige menschen, voor
+mannen en vrouwen vol zwakheden en dwaasheden,
+alledaagsch en wereldsch, bekrompen in hun opvattingen,
+overgegeven aan de genoegens der wereld.
+Hoe zouden zij volmaakt kunnen worden gelijk God
+in den hemel volmaakt is? Bracht Jezus dan zijn leerlingen
+op een dwaalspoor, toen hij hun een bevel gaf
+dat zij onmogelijk uitvoeren konden? Kon hij, die de
+waarheid Gods zelf was, een gebod geven dat niet
+kon worden opgevolgd? Neen! Het is voor den
+mensch mogelijk, volmaakt te worden gelijk God
+volmaakt is, niet in &eacute;&eacute;n kort leven, niet in twintig
+<!-- Page 74 -->of veertig of honderd jaar, niet in het &eacute;&eacute;ne korte
+tijdperk tusschen de wieg en het graf, tusschen geboorte
+en dood. Dit is slechts &eacute;&eacute;n stap naar een
+volmaking als die van God. Maar leven volgt op
+leven, groei volgt op groei. Ieder volgend leven kan
+dichter bij de volmaking worden gebracht, ieder volgend
+leven zamelt den oogst van het voorgaande in.
+Met steeds vermeerderende kracht, met steeds toenemenden
+groei stijgen de menschen tot de volmaking,
+in de voetstappen van den Heiland. In de lange
+eeuwen die voor ons zich uitstrekken zal de goddelijke
+volmaking worden bereikt.</p>
+
+<p>Laten wij van deze op zich zelf staande teksten
+afstappen en een leerstuk der Christelijke kerk beschouwen
+dat voor velen moeilijk te gelooven is,
+en dat dikwijls wordt aangevallen: de leer der drie&euml;enheid.
+God een eenheid en toch drievoudig, drie
+personen en toch &eacute;&eacute;n God. Velen hebben zich over
+dit leerstuk verbaasd en zijn ten laatste tot de overtuiging
+gekomen, dat zij dit niet konden begrijpen,
+dat blind geloof moet aannemen wat het verstand niet
+begrijpen kan. Maar in de esoterische leering der
+mysteri&euml;n werd de leer der drie&euml;enheid begrijpelijk
+gemaakt, werd zij een verheffende en helpende kracht.
+Deze geheele leering kan niet openbaar worden gemaakt,
+maar een deel ervan kan hier worden besproken;
+en dit kan eenig licht werpen op ons onderwerp. In
+iederen godsdienst wordt de drie&euml;enheid geleerd:
+de Vader, die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan
+voorstelt, en uit den Vader de Zoon en de Geest.
+De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is.
+God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, van
+<!-- Page 75 -->onbegrensd Vermogen in alle openbaringen voor als
+de Eeuwige Vader, het midden-leven van het heelal.
+Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van
+het aanzicht van liefde der Godheid, van liefde en
+gelukzaligheid tevens, de tweede persoon in de drie&euml;enheid,
+de tweede Logos, zooals hij dikwijls genoemd
+wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen
+kant de openbaring van mededoogen, van alomvattende
+liefde, aan de andere zijde van eeuwige, oneindige
+gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is
+dat van wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard
+als de Geest, het goddelijk denkvermogen. Toen
+God zich openbaarde als scheppende kracht, als het
+algemeen denkvermogen, werd hij de derde Logos,
+de derde persoon in de drie&euml;enheid. God is in
+wezen &eacute;&eacute;n, drievoudig in zijn openbaring, het &eacute;&eacute;ne
+Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer
+wij spreken van de drie personen van de drie&euml;enheid,
+zijn dit slechts drie aanzichten, waarin de
+godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en begrijpelijk
+voor den mensch.</p>
+
+<p>De drie&euml;enheid, die in de godheid is, weerkaatst
+zich in den mensch, ook de mensch is een drie&euml;enheid,
+het beeld van God. In den mensch heeft de goddelijke
+drie&euml;enheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt
+in den voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen
+aard van de godheid, en ontwikkelt in zijn inwezen
+de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft van
+God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het
+verstand, de weerkaatsing van den derden persoon
+der goddelijke drie&euml;enheid, daarna wordt de Zoon
+in hem geboren, de geest van den Christus, van
+<!-- Page 76 -->alomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het
+kenmerk van den mensch in wien dit tweede aanzicht
+zich ontwikkelt, die van den derden trap tot den
+tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle
+menschen in zich omvat. Dit is de geest van den
+Christus, en naarmate de mensch dezen ontwikkelt
+wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor
+de laatste openbaring in den mensch. Niet alleen
+de ontwikkeling van het verstand, de weerkaatsing
+van den Geest, niet alleen de liefde, die wordt voorgesteld
+door het leven van den Zoon,&mdash;ook het
+leven van den Vader moet zich in den mensch openbaren.
+Hij moet gelijk worden aan de goddelijke
+Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging
+waarvan alle godsdiensten hebben geleerd, dat
+is het &eacute;&eacute;n-worden met den Vader, waarvan Christus
+tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal
+dien zij zouden bereiken. Het &eacute;&eacute;n-worden met den
+Vader is het einddoel der ontwikkeling van den
+mensch.</p>
+
+<p>In het grootste deel der menschen op aarde
+ontwikkelt zich thans het derde aanzicht der drie-eenheid,
+het verstand. Slechts hier en daar treffen
+wij menschen aan, in wie het leven van den Christus
+zich begint te ontvouwen. Wanneer dit leven
+volmaakt zal zijn, zal de vereeniging komen met den
+Vader, waarvan Paulus zegt: &quot;Daarna zal het einde
+zijn, wanneer hij het koninkrijk aan God en den
+zij alles in allen.&quot;[Footnote: 1 Corinthi&euml;rs 16, 24-28.] Dat is de zielsverrukking waarom
+ieder heilige bad, de vereeniging met God; dat is het</p>
+
+<br>
+
+<p><!-- Page 77 -->doel, dat de kroon is der menschelijke ontwikkeling.
+Aldus is de leering van het esoterisch Christendom,
+dieper, breeder, verheffender dan de uitwendige
+vorm, tot welken helaas de kerk zich bepaalt.
+Aldus leert het Goddelijk Weten, dat het uwe is
+door erfrecht, het uwe door de gave van den.
+Christus, het uwe krachtens uw geestelijke afkomst,
+het uwe door uw recht als leden eener Christelijke
+gemeenschap. En ik, die geleerd heb van die Meesters
+waarvan Jezus &eacute;&eacute;n is, ik, die door eigen ondervinding
+weet, dat deze leering kan worden verkregen, dat
+duizendmaal meer kan worden geweten dan hier
+mijne lippen uiten kunnen, ik kom tot u als bode,
+om u te herinneren aan uw erfrecht, ik kom tot u
+om u te herinneren aan het bestaan van goederen
+die de uwe zijn. Dat is de boodschap die ieder
+leerling op zijne beurt brengt aan iedere kerk, aan
+ieder geloof; niet iets nieuws brengt hij niet zich,
+slechts de herinnering aan wat oud is, maar nog
+steeds binnen menschelijk bereik. Aan u om dit
+pad te betreden, aan u om die kennis te verwerven,
+aan u om de gelegenheid aan te nemen, die de
+leering der Theosofie u brengt, de leering die dezelfde
+is als esoterisch Christendom. De gelegenheid wordt
+u geboden, aan u haar aan te nemen of te laten,
+gelijk gij dat wilt.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="Het_verhaal_van_den_Christus"></a><h2><!-- Page 78 --><b>Het verhaal van den Christus</b></h2>
+<br>
+
+<p>Ik zal hedenavond het verhaal van den Christus
+beschouwen van het standpunt van den Occultist,
+Wanneer wij enkel als Theosofen spreken, trachten
+wij het verhaal van den Christus duidelijk te maken
+in zijn geestelijke beteekenis. Wanneer wij ons
+echter op het standpunt van den Occultist plaatsen
+kunnen wij verder gaan. Wij kunnen terugzien
+naar de archieven van het verleden en deze onderzoeken,
+wij kunnen terugzien tot het leven, zooals
+dat negentien eeuwen geleden werd geleid en het
+stap voor stap bestudeeren. Maar ik moet u herinneren
+dat de inhoud dezer occulte archieven niet
+langs geschiedkundigen weg bewezen kan worden.
+Het is waarschijnlijk dat in de eerstvolgende twintig
+jaren eenige oude handschriften zullen worden gevonden,
+welke dezen inhoud tot op zekere hoogte
+zullen bevestigen, maar op het oogenblik zijn deze
+handschriften nog niet door de oudheidkundigen
+ontdekt. Daarom stel ik mij voor mijn onderwerp
+niet van den kant der gewone geschiedenis maar
+van het standpunt van den Occultist te beschouwen,
+en naarmate ik verder ga zult gij zien dat deze
+wijze van beschouwing vele moeilijkheden in de
+<!-- Page 79 -->evangeli&euml;n uit den weg ruimt, en dat zij u in staat
+stelt al wat in die evangeli&euml;n van waarde is te
+redden uit de aanvallen der geschiedkundige kritiek.
+Zij stelt u in staat het Christendom te baseeren op
+een leven, meer dan op een handschrift en alles te
+begrijpen wat van werkelijk belang is in het verhaal
+van den Christus, beschouwd als een mystiek verhaal
+en als een feit uit de geschiedenis.</p>
+
+<p>Hat verhaal is vanzelf in twee deelen te splitsen,
+welke wij in onze beschouwing zullen moeten
+scheiden. De &eacute;&eacute;ne afdeeling behandelt den geschiedkundigen
+Jezus en omvat tevens de zonnemyten
+welke door zijne levensbeschrijving geweven zijn.
+In de tweede afdeeling spreken wij niet over den
+geschiedkundigen Jezus maar over den mystieken
+Christus, en deze vertegenwoordigt in een opzicht
+den tweeden Logos, en in een ander de individu&euml;le
+ziel, welke goddelijkheid bereikt.</p>
+
+<p>In de evangelie-verhalen en in het geloof der
+kerk zijn deze beide gedeelten niet scherp gescheiden.
+Wat tot het &eacute;&eacute;ne behoort wordt dikwijls gerekend
+bij het andere. Dit geeft tot veel verwarring aanleiding
+en biedt menig zwak punt voor de aanvallen
+van den ongeloovigen kritikus. Naarmate wij deze
+draden ontwarren zult gij beider waarde beter begrijpen
+en zult gij ook het groote belang inzien, dat
+het geheel voor de menschheid heeft.</p>
+
+<p>Laten wij eerst het verhaal van den geschiedkundigen
+Jezus nemen, en de zonnemyten welke
+daarmede zijn tezamen geweven.</p>
+
+<p>Jezus werd geboren uit Joodsche ouders, ongeveer
+honderd jaar v&oacute;&oacute;r het tijdstip dat gewoon<!-- Page 80 -->lijk
+wordt opgegeven. Hij werd opgevoed onder
+de Esseers, een Joodsche sekte van zeer rein leven
+en diep godsdienstig gevoel. Zij waren ongehuwd,
+zij aten geen vleesch en dronken geen wijn, en
+waren ook buitengewoon weldadig en medelijdend.
+Kinderen, die als weezen waren achtergebleven, namen
+zij tot zich om ze in hun midden op te voeden.
+Behalve de weezen werden dikwijls ook andere kinderen
+van goede afkomst aan hunne zorg toevertrouwd
+wegens de reinheid van hun leven en de
+wijsheid welke zij bezaten, en die hun groote waarde
+gaf als onderwijzers. Onder deze heilige menschen
+bracht Jezus zijn jeugd door. Hij muntte uit door
+zijn buitengewone reinheid en godsdienstige toewijding,
+welke zich op twee wijzen toonde: in zijne
+vurige aanbidding van God en zijn voortdurend
+streven om zijne medemenschen te helpen. Deze
+beide karaktertrekken waren buitengewoon sterk in
+hem ontwikkeld: de liefde tot God welke hem
+leidde tot lange uren van overpeinzing en de liefde
+tot de menschen welke hem krachtig werkzaam deed
+zijn om allen te helpen die smart leden. Deze
+toewijding ging zooals ik reeds zeide gepaard aan
+een buitengewone reinheid. Toen hij den mannelijken
+leeftijd naderde trok hij naar Egypte. Hij trok van
+de gemeenschap der Esseers in het Zuiden van
+Palestina tot een dergelijke gemeenschap op den
+berg Sina&iuml; en naderhand in Egypte. In dit land
+bestudeerde hij de oude wijsheid der Egyptenaren
+en hij werd ingewijd in hunne mysteri&euml;n. Op
+omstreeks 27-jarigen leeftijd keerde hij naar Palestina
+terug, en begon zijnen verwanten en vrien<!-- Page 81 -->den
+onderricht te geven in wat hij geleerd had.</p>
+
+<p>Te dien tijde nu was in de wereld een nieuwe
+aandrang van geestelijkheid noodig geworden. De
+tijd voor het ontstaan der westersche volkeren brak
+aan. Reeds ontwikkelden zich jonge rijken welke
+de kiem van toekomstige grootheid in zich droegen.
+De beschaving waartoe zij zich zouden ontwikkelen
+zou van geheel anderen aard zijn dan die van het
+Oosten. Het verstand dezer nieuwe volken zou
+krachtig en werkzaam van aard zijn. De omstandigheden
+van hun klimaat zouden ijver en krachtsontwikkeling
+eischen. De godsdienst welke bij de
+vorming van deze beschaving daartoe dienstig zou
+zijn moest ethisch en praktisch zijn, eenvoudig van
+wijsbegeerte, helder van leering. Deze godsdienst
+werd geschonken door de groote Broederschap
+uit welke alle godsdiensten voortgekomen zijn, en
+Jezus was het voor die taak uitgekozen werktuig.
+Hij was voor dit werk bijzonder geschikt door zijn
+reinheid en toewijding. Toen hij ongeveer dertig
+jaar oud was kwam voor hem de tijd zijn werk te
+beginnen. Een bijzondere nederdaling van goddelijke
+kracht kwam in hem en scheidde hem af van
+de overigen van zijn ras. Deze nederdaling maakte
+hem in zeer bijzonderen zin tot den vertegenwoordiger,
+tot den bode van God. Van deze nederdaling
+wordt gesproken als van zijn &quot;doop&quot; en gij
+zult u herinneren hoe in het verhaal van dien doop
+gezegd wordt dat de geest Gods op hem nederdaalde.
+Van dien tijd af, gedurende de jaren zijner
+prediking, kan men Jezus beschouwen als een vleeschwording
+van het goddelijk Leven. Het is belangrijk,
+<!-- Page 82 -->in gedachte te houden dat dit een uitstorting van
+het goddelijk Leven in den mensch Jezus was, en
+dat de &quot;doop&quot; het tijdstip was waarop die uitstorting
+plaats vond. Van toen af werd hij de prediker
+van een zuiverder geloof voor de westersche wereld.
+Hij werd door de Joden wegens godslastering gedood
+nadat hij ongeveer drie jaren onder hen had gewerkt.</p>
+
+<p>Vele van de verhalen welke wij in de evangeli&euml;n
+vinden behooren niet tot het werkelijk leven van
+dezen grooten leeraar, maar zijn verhalen welke zich
+rondom dat leven hebben gegroepeerd doch ook in
+verband met andere leeraars aan de wereld bekend
+zijn geweest. Het is uit dit punt dat de aanvallen van
+ongeloovigen met zonnemyte-argumenten hun kracht
+putten. Enkele menschen, zooals Strauss en anderen,
+hebben getracht het geschiedkundig karakter van
+Jezus geheel te vernietigen. Maar dat is een overdrijving
+van ongeloovige kritiek, welke niet kan
+worden gehandhaafd door kennis welke op goede
+grondslagen berust. Wat hun aanval kracht heeft
+gegeven is het feit dat enkele dezer verhalen reeds
+sedert duizenden jaren bestaan hebben. Het verhaal
+bijvoorbeeld van de geboorte van Jezus uit een
+maagd, wat de kerk aanneemt dat plaats heeft gevonden
+op den 25e December, is een van deze
+zonnemyten. In de oudste Christelijke handschriften
+wordt de geboorte van Christus aangegeven op verschillende
+tijden van het jaar. In het eene verhaal
+wordt hij geboren in Mei, in een ander in Juli, in
+een derde in September. Eerst in de zevende eeuw
+werd de 25^e December algemeen als Kerstdag erkend,
+en dit is de datum welke reeds van de oudste tijden
+<!-- Page 83 -->her genoemd is als de datum van de geboorte van
+een vleeschgeworden godheid. Het is de datum
+waarop Mithra, de zonnegod der Perzen, werd geboren,
+het is de dag waarop Osiris, de zonnegod
+der Egyptenaren, het licht zag. Deze dag wordt als
+feestdag beschouwd in alle groote godsdiensten
+welke tegenwoordig op aarde bestaan. Dit feit berust
+hierop, dat de zon beschouwd wordt als de
+vertegenwoordiger Gods. Alle licht en leven in een
+zonnestelsel komt van den zon, gelijk alle licht en
+leven in het heelal komt van God. En in alle godsdiensten
+der oudheid werd de zon beschouwd als
+het symbool voor God, niet als Hemzelf, maar toch
+als een symbool waaraan de grootste eerbied verschuldigd
+was. En daar de dag in het winter-stilstandspunt
+het kortst is, zeide men dat dan de geboorte
+van den zon plaats vond. De Christenkerk
+heeft dat tijdstip ook aangenomen voor de geboorte
+van Jezus, en dit feit wordt gebruikt als bewijsgrond
+om aan te toonen, dat Jezus niet anders is dan een
+zonnegod.</p>
+
+<p>Wat de datum van zijn dood betreft: het is
+u bekend dat de dag van de kruisiging niet op een
+vasten datum gesteld wordt, maar op een datum
+welke ieder jaar verandert en berekend wordt uit de
+standen van zon en maan, zoodat deze dag niet een
+geschiedkundige, maar een sterrekundige datum is.
+Een geschiedkundige verjaardag kan natuurlijk op
+deze wijze niet worden vastgesteld en zij die het
+Christendom vijandig gezind zijn, gebruiken dit als
+een bewijsgrond tegen dezen godsdienst. Het is
+daarom van belang op te merken dat deze datums
+<!-- Page 84 -->inderdaad niet uitsluitend op het Christendom betrekking
+hebben, en dat de werkelijkheid van het
+leven en den dood van Jezus niet van deze sterrekundige
+gegevens afhangen. Ook vele andere verhalen,
+aan het leven van Jezus verbonden, hebben
+reeds lang voor zijn geboorte bestaan. Dit was
+aan de eerste kerkvaders en bisschoppen zeer goed
+bekend. Zij beschouwden het echter nooit als een
+bewijsgrond tegen de werkelijkheid van het leven
+van Jezus, en trachtten nooit den hoogeren ouderdom
+van die heidensche verhalen, zooals zij genoemd
+worden, in twijfel te trekken. De waarheid van de
+verhalen aangaande het leven van Jezus is deze:
+dat hij een man was, vol goddelijken geest, gezonden
+om een nieuwen godsdienst te stichten; dat hij een
+leven leidde van wonderbare toewijding en reinheid;
+dat hij de diepste geestelijke wijsheid leeraarde; dat
+hij werken van medelijden en liefde deed aan allen
+met wie hij in aanraking kwam en dat hij eindelijk
+wegens godslastering door de Joden gedood werd.
+Dit zijn de voornaamste feiten betreffende het leven
+van Jezus, welke geschiedkundig juist zijn. En zooals
+ik zeide bestaat de waarschijnlijkheid dat binnenkort
+handschriften zullen worden ontdekt welke aan
+de wetenschap geschiedkundige gegevens zullen verschaffen.
+Maar de wonderbaarlijke geboorte in December
+en de kruisiging omtrent den tijd der lentenachtevening
+behooren tot de zonnemyten, niet tot
+de geschiedenis. In de oudste handschriften welke
+wij thans bezitten vinden wij deze datums niet vermeld
+en onder de vroegste Christenen werden deze
+punten niet van belang geacht. Eerst gedurende de
+<!-- Page 85 -->ontwikkeling der kerk hebben zij belang gekregen als
+dogmata, en een der redenen waarom het van belang
+was deze datums vast te stellen, was dat zij ook
+reeds heidensche feestdagen waren en behoorden tot
+de verschillende vormen van zonaanbidding welke
+in het Westen verspreid waren. De jonge kerk nam
+deze feestdagen over en schakelde ze in de geschiedenis
+van Jezus, daar men toen de vrees nog niet
+kende voor den ongeloovigen kritikus der negentiende
+eeuw.</p>
+
+<p>Het verhaal van den Christus is van geheel
+anderen aard. Het woord &quot;Christus&quot; is niet een
+naam die toebehoort aan &eacute;&eacute;nen enkeling maar een
+titel welke een zekeren rang aanduidt en sedert
+onheuglijke tijden gebruikt werd om een zekeren
+graad van inwijding aan te duiden. Ieder ingewijde
+die voorbij een zekeren graad van inwijding is,
+wordt een Christus genoemd, welk woord &quot;de gezalfde&quot;
+beteekent. De zalving is een deel van de
+plechtigheid van die inwijding, zoodat de inwijding
+den mensch tot een &quot;gezalfde&quot; maakt. Ik zeide u
+reeds dat het verhaal van den Christus van twee&euml;rlei
+standpunt kan worden beschouwd, en wel in de
+eerste plaats als een kosmisch verhaal, betrekking
+hebbende op het heelal. In dit kosmisch verhaal
+stelt Christus den tweeden Logos voor, den tweeden
+persoon in de drie&euml;enheid. Deze tweede persoon in
+de drie&euml;enheid wordt in het Christendom erkend
+als de God-mensch en de geschiedkundige Jezus
+wordt met dien God-mensch vereenzelvigd. Het
+kosmische verhaal is in het kort het volgende:
+De tweede Logos, de tweede persoon in de drie&euml;en<!-- Page 86 -->heid,
+daalde neder in de stof, om aan deze zijn
+leven te geven: hij gaf zijn leven aan ieder schepsel
+dat ontstond. Hij is het van wien Johannes schrijft:
+&quot;Het Woord was bij God, en het Woord was God.
+Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder
+hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is&quot;. [Footnote: Johannes 1, 1&mdash;3] In
+het oude verhaal van deze nederdaling in de stof
+wordt gezegd dat de tweede Logos in de stof gekruisigd
+is. Dit wil zeggen dat het leven van God
+is gegeven om het leven van alle levende wezens te
+zijn en dat God de banden der stof op zich nam,
+om dit leven mogelijk te maken.</p>
+
+<p>Deze kosmische gebeurtenis wordt herhaald in
+de geschiedenis van iedere menschelijke ziel, want
+wat in het heelal geschiedt, gebeurt ook in het
+kleine heelal, in den mensch. Wanneer wij het verhaal
+van den Christus toepassen op de menschelijke
+ziel, geven wij het in den vorm waarin het door de
+Christelijke mystieken werd beschouwd. De ziel
+des menschen wordt beschouwd als voortgekomen
+uit God. Door een lange reeks van aardlevens ontwikkelt
+zij de eigenschap van verstand, begripsvermogen,
+denken, de weerkaatsing van den Heiligen
+Geest of den derden persoon in de drie&euml;enheid.
+De geest van den mensch wordt, van dit standpunt
+gezien, beschouwd als het beeld van God. Hij is
+een drie&euml;enheid in zijn wezen evenals God een
+drie&euml;enheid is, en de ontwikkeling van het leven,
+van die drie&euml;enheid in den mensch vervalt vanzelf
+in drie onderdeelen: de eerste stap is die, waardoor
+het denkvermogen wordt ontwikkeld; deze stap
+<!-- Page 87 -->is den Theosoof bekend als de ontwikkeling van
+Manas, het denkvermogen. Manas is in den mensch
+de vertegenwoordiger van Mahat in den Kosmos, of
+om de Christelijke uitdrukking te gebruiken, de
+vertegenwoordiger van den Heiligen Geest. Dit zich
+ontwikkelende verstand is het derde aanzicht der
+menschelijke drie&euml;enheid. Dit standpunt van ontwikkeling
+is het standpunt waarop de menschheid
+zich tegenwoordig bevindt, en deze ontwikkeling van
+Manas moet vrij ver gevorderd zijn voordat de tweede
+stap kan worden gedaan, welke bestaat in de ontwikkeling
+van het tweede aanzicht der drie&euml;enheid
+in den mensch, de ontwikkeling van den Zoon, of
+den Christus. Het kenmerkende van dit standpunt
+van ontwikkeling is niet gelegen in de ontvouwing van
+het verstand, maar van de liefde. Het is gelegen in
+de erkenning van alle mensch en als &eacute;&eacute;n, niet als een
+gevolgtrekking door denken, maar door de ontwikkeling
+van dit tweede aanzicht der drie&euml;enheid, van
+wat wij Buddhi noemen. Buddhi beteekent voor den
+Theosoof wat Christus beteekent voor den Christen.
+Wanneer de mensch gereed is den Christus in zich
+te beginnen te ontwikkelen ontvangt hij de eerste
+van de groote inwijdingen. Bij deze inwijding zegt
+men dat hij geestelijk geboren wordt; het is de tweede
+geboorte of de geboorte uit den geest waarvan Jezus
+sprak. Deze inwijding wordt de tweede geboorte
+genoemd, omdat zij den tweeden persoon in de
+menschelijke drie&euml;enheid in werking brengt. Door
+die inwijding ontwaakt Buddhi in den mensch en
+begint zich te uiten, of in de Christelijke symboliek:
+bij die inwijding wordt Jezus geboren uit den schoot
+<!-- Page 88 -->der maagd. Deze geboorte werd steeds een onbevlekte
+genoemd, een geboorte uit een maagd, omdat
+zij niet is een geboorte uit het vleesch, maar
+een geboorte uit den geest. Om deze reden ook
+zeide Jezus dat een mensch gelijk een kind moest
+worden om het koninkrijk Gods binnen te gaan. In
+het geheele onderwijs van Jezus heeft de uitdrukking:
+&quot;het koninkrijk Gods&quot; de beteekenis van &quot;inwijding&quot;
+en de nieuw-ingewijde wordt een &quot;kind&quot; genoemd.
+Gij herinnert u ook dat Paulus van zijn bekeerlingen
+hoopte dat Christus een gestalte in hen mocht
+krijgen. Zij waren gedoopt als lidmaten der kerk,
+zij hadden deelgenomen aan het Avondmaal, en
+toch noemde hij het zijn hoogsten wensch, dat Christus
+in hen mocht worden geboren. Hieruit blijkt dat
+de geboorte van Christus in den mensch niet beteekent
+lidmaat te worden van de kerk, maar iets
+hoogers waarnaar de Christen moet streven. Een
+van de redenen waarom de inwijding &quot;de geboorte
+van den Christus&quot; werd genoemd is dat de mensch
+die deze eerste der groote inwijdingen ontvangt,
+voor de eerste maal het bewustzijn van het buddhisch
+gebied ondervindt. Hij wordt door zijnen
+Meester tot dat gebied gevoerd: door de aanraking
+van den Meester wordt hij voor de eerste maal
+bewust op dat gebied. Dan begrijpt hij wat eenheid
+beteekent: hij gevoelt dat hij &eacute;&eacute;n is met al wat
+bestaat, hij ondervindt dat hij niet afgescheiden
+is, maar een deel van het groote geheel; hij begrijpt
+het niet door verstandelijke inspanning, maar ondervindt
+het door onmiddellijk bewustzijn. Dan begint
+in den ingewijde het leven van den Christus, en
+<!-- Page 89 -->langzamerhand neemt hij dien geest van liefde en
+mededoogen in zich op. Zoo ontwikkelt de Christus
+in hem. Nog twee andere inwijdingen moet hij
+doormaken terwijl hij nog altijd als onvolwassen beschouwd
+wordt. Dan komt de tijd voor den mystieken
+doop, die overeenkomt met den doop van den
+mensch Jezus. Deze doop is de inwijding van den
+Arhat. Van dien tijd af is het bewustzijn van den
+ingewijde voortdurend op het buddhisch gebied.
+V&oacute;&oacute;r deze inwijding wordt zijn bewustzijn van tijd
+tot tijd daarheen overgebracht, maar wanneer zij
+heeft plaats gevonden, en de doop des geestes ontvangen
+is wordt het buddhisch bewustzijn zijn gewone
+bewustzijn, en begint hij langzamerhand het
+nirvanisch bewustzijn te verwerven. Het bewustzijn
+op het buddhisch gebied wordt genoemd het leven
+van den Zoon, die altijd in den hemel is bij zijnen
+Vader, en toch op aarde wandelt onder de menschen
+als &eacute;&eacute;n van hen. Wanneer de mensch dezen trap
+heeft bereikt, kan hij een Heiland der menschheid
+worden, want daar zijn bewustzijn &eacute;&eacute;n is met dat
+van alle menschen kan hij met hen deelen al wat
+hij heeft, daar hij zelf zuiver is kan hij naast de
+menschen staan in hun zonde, daar hij zich zijn
+geheele verleden herinnert kan hij medevoelen met
+den slechtste. Alleen de Christus kan de vriend
+zijn van den laagste, want daar hij zelf tot zonde
+niet meer in staat is kan hij met den zondaar in
+de nauwste aanraking zijn zonder gevaar voor zijn
+eigen reinheid. Alleen de Christus kan den zondaar
+werkelijke hulp brengen, want slechts hij kan
+gevoelen, wat die zondaar gevoelt, en door de ver<!-- Page 90 -->eeniging
+van zijn bewustzijn die hulp brengen, welke
+noodig is. De mensch die geheel buiten den zondaar
+staat kan hem niet werkelijk helpen. Slechts
+hij die zijn bewustzijn kan vereenigen met dat van
+den zondaar kan geven wat noodig is. Daarom
+wordt zulk een mensch terecht een Heiland der
+wereld genoemd.</p>
+
+<p>Na al deze inwijdingen komt de mystieke kruisiging.
+De Arhat offert zich geheel en al op voor
+het welzijn der wereld. Hij geeft al wat hij bezit
+opdat het der menschheid ten goede moge komen.
+Hij verzaakt alle afgescheiden leven, opdat zijn leven
+het leven der menschen zijn moge. Hij neemt niets
+voor zichzelf opdat de menschheid alles moge ontvangen,
+en deze laatste daad van opoffering wordt
+de &quot;kruisiging&quot; genoemd. Door dien dood van het
+lagere rijst de ingewijde tot het goddelijk leven.
+Hij wordt &eacute;&eacute;n met den Vader, hij stijgt boven het
+leven der wereld. Om de Theosofische uitdrukking
+te gebruiken: Buddhi gaat op in &Acirc;tm&acirc;; de Arhat
+wordt daardoor een Meester. In de Christelijke
+spreekwijze zegt men: de Zoon wordt &eacute;&eacute;n met den
+Vader en, in den hemel opgestegen, zit hij aan de
+rechterhand Gods. Dit &quot;zitten aan de rechterhand
+Gods&quot; is een zinnebeeldige uitdrukking, welke
+beteekent dat hij de goddelijke krachten bezit. Hij
+is in staat om een werktuig te zijn van de godheid
+voor de ontwikkeling der menschheid en iedere
+Zoon, die de eenheid met den Vader bereikt heeft
+wordt een van de krachten die de wereld vooruit
+helpen, zoodat door zijn ontwikkeling die der geheele
+menschheid wordt bevorderd.</p>
+
+<p><!-- Page 91 -->Aldus luidt het verhaal van den Christus, beschouwd
+als de geschiedenis van den geest in den
+mensch. Het is het verhaal der inwijdingen, die in
+de vroegere kerk bekend waren onder den naam:
+&quot;de mysteri&euml;n van Jezus.&quot; Aan de oningewijden
+werd het gegeven in den vorm van de geschiedenis
+van den Christus. Dit verhaal van de inwijding der
+menschelijke ziel werd samengeweven met de geschiedenis
+van het leven van Jezus, en verloor zijn
+verheffende kracht omdat men het toepaste op het
+uitwendig leven van &eacute;&eacute;n mensch, in plaats van op
+het innerlijk leven van den geest. Maar bij de
+Christelijke mystieken is het verhaal in zijn innerlijke
+beteekenis bewaard gebleven. Wij vinden het
+terug in de overpeinzingen der heiligen, waar zij
+zich vereenigen met den Christus en zich &eacute;&eacute;n gevoelen
+met den Meester. Het gebed van Jezus dat
+zijn discipelen &eacute;&eacute;n mochten worden in hem en met
+hem &eacute;&eacute;n in den Vader, schijnt door de tegenwoordige
+Christenen vergeten te zijn.</p>
+
+<p>Het is een deel van de zending der Theosofie,
+aan het Christendom de mystiek terug te brengen
+welke het verloren heeft. Voor millioenen menschen
+in Europa is de Christelijke symboliek degene welke
+zij het gemakkelijkst kunnen begrijpen. Indien wij
+tot hen spreken van Manas, Buddhi en &Acirc;tm&acirc;, begrijpen
+zij ons niet. Indien wij hun echter aantoonen,
+dat hun eigene woorden dezelfde beteekenis
+hebben, kunnen wij ons doel bereiken. Wanneer
+wij hun vertellen, dat zij Buddhi kunnen ontwikkelen,
+en dat Buddhi kan opgaan in &Acirc;tm&acirc;, weten zij niet
+wat wij bedoelen. Maar wanneer wij hun leeren
+<!-- Page 92 -->dat de Christus in hen kan worden geboren, en
+dat zij &eacute;&eacute;n kunnen worden in den Vader, zien zij
+onze bedoeling. Wij moeten de Christenen helpen
+te begrijpen: dat het verhaal van den Christus niet
+betrekking heeft op &eacute;&eacute;n enkel mensch, maar dat
+het de geschiedenis der ziel is, die zich tot volmaking
+ontwikkelt, dat ieder mensch een Christus
+moet worden, dat dit voor ieder mensch mogelijk is.
+Dat is juist de kracht van de geschiedenis van Jezus,
+bedoeld als een voorbeeld voor allen, en een groot
+deel der waarde van zijn leven gaat verloren, wanneer
+zijn geschiedenis wordt beschouwd als die van het
+uiterlijk leven van eenen Heiland, in plaats van als
+een beeld van het geestelijk leven.</p>
+
+<p>Nog &eacute;&eacute;n punt is er betreffende den geschiedkundigen
+Jezus, dat van groot belang is, namelijk
+dat hij nog leeft in een lichaam, als &eacute;&eacute;n van die
+groote Broederschap van Meesters waarvan de Theosofie
+ons leert. Hij vindt zijn bijzondere taak in
+de Christelijke kerk. Door die kerk kunnen nog
+heden de zielen hem als Meester bereiken; en zij
+die er toe zijn gekomen de Meesters te kennen,
+weten dat Jezus &eacute;&eacute;n van hen is, en dat hij nog
+thans door Christenen kan worden bereikt. Maar
+de voorwaarden hiervoor zijn nog steeds dezelfde
+als immer te voren. Zij zijn neergelegd in de
+woorden van Jezus in de Christelijke evangeli&euml;n,
+woorden die letterlijk moeten worden gevolgd, en
+niet weggeredeneerd. Thans, gelijk oudtijds, moet
+de mensch die het leven van den Christus wil vinden
+het lagere leven dooden. Thans, gelijk voorheen,
+moet hij alles opgeven, wat behoort tot het per<!-- Page 93 -->soonlijk
+zelf. Nog heden, evenals vroeger, moet
+al zijn aandacht op geestelijke dingen zijn gericht
+en niet op aardsche. Wanneer deze voorwaarden
+vervuld zijn, zal Jezus, de Meester, zich aan den
+leerling openbaren; maar zoolang zijne woorden
+worden weggeredeneerd ter wille van wereldsche
+begeerten, zoolang de mensch tracht twee meesters
+te dienen, in twee werelden te leven, zoolang zal hij
+Jezus, den Meester, niet vinden, zal hij het leven
+van den Christus niet bereiken.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="Aanhangsel"></a><h2><b><!-- Page 94 -->Aanhangsel.</b></h2>
+
+
+
+<h4>DE THEOSOFISCHE VEREENIGING.</h4>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<p>De Theosofische Vereeniging is een internationaal
+lichaam, den 17<sup>den</sup> November 1875 te New-York
+gesticht.</p>
+
+<p>Haar doel is:</p>
+
+<p><i>
+I. Het vormen van een kern van de algemeene
+broederschap der menschheid, zonder aanzien
+van ras, geslacht, kaste of kleur.</i></p>
+
+<p><i>II. Het aanmoedigen van de vergelijkende studie
+van godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap.</i></p>
+
+<p><i>III. Het naspeuren van onverklaarde natuurwetten
+en van de ongeopenbaar de krachten in den
+mensch.
+</i></p>
+
+<p>Van deze drie doeleinden is alleen het eerste
+bindend voor alle leden terwijl de twee andere tot
+hulp voor de bereiking van het eerste dienen.</p>
+
+<p>Het volbrengen van het tweede, dat het Oosten
+en het Westen aan elkander ontsluiert strekt om misverstanden
+voortspruitende uit verschil van ras en godsdienstvorm
+uit den weg te ruimen en stelt ten dienste
+<!-- Page 95 -->van beiden de verborgen schatten van geestelijke
+kennis die beide bezitten. Ook het derde leidt tot
+broederschap daar het den mensch zich zelf en zijn
+omgeving leert kennen en hem ten slotte de geestelijke
+eenheid aantoont welke aan alle wezens ten
+grondslag ligt. Doch het nastreven van deze beide
+doeleinden vereischt bijzondere vermogens en bijzondere
+gelegenheden. Zij zijn daarom niet verplichtend
+voor alle leden doch worden naar vrije
+keuze nagestreefd door hen die zich daartoe aangetrokken
+gevoelen en die in staat zijn dat te doen.
+Daarom vindt iemand die hiervoor in het geheel
+geen belangstelling koestert, indien hij gelooft in
+menschelijke broederschap en willig is daarvoor te
+werken, een hartelijk welkom en een ruime plaats
+in de Theosofische Vereeniging.</p>
+
+<p>De leden der Vereeniging zijn meer verbonden
+door een ethischen dan door een verstandelijken
+band en hun eenheid berust op een verheven ideaal,
+niet op een omschreven geloof. De Vereeniging
+heeft geen geloofsstellingen, dringt aan op geen enkel
+geloof, schaart zich onder geen kerk, steunt geen
+partij, neemt geen deel aan de eindelooze kibbelarijen
+welke de maatschappij verdeelen en het nationaal,
+maatschappelijk en persoonlijk leven verbitteren. Zij
+tracht geen mensch van zijn eigen godsdienstvorm
+af te trekken, maar noopt hem integendeel in de
+diepten van zijn eigen godsdienst het geestelijk
+voedsel te zoeken dat hij noodig heeft. De uitkomsten
+der studie welke in het tweede doeleinde
+genoemd wordt biedt zij aan als voorwerpen van
+onderzoek, niet als geloofsstellingen waaraan blind
+<!-- Page 96 -->geloof moet worden geslagen. Dat ieder eens anders
+godsdienstige gevoelens evenzeer eerbiedigen zal als
+hij dat voor de zijne verwacht wordt gerekend tot
+een eervolle verplichting in de Vereeniging, en
+volkomen wederkeerige hoffelijkheid hierover wordt
+van de leden verwacht. Dit alles leidt meer en
+meer tot samenwerking in het zoeken naar waarheid,
+tot verzachting van vooroordeelen, tot vrijmaking
+van den geest en tot groei eener welwillende vriendelijkheid
+en gewilligheid te leeren. Zoo is de Vereeniging
+een beschermende muur tegen den tweelingsvijand
+van den mensch: bijgeloof en materialisme,
+en behoort zij waar zij ook komt een zachten en
+louterenden invloed van vrede en goeden wil te
+verspreiden en zoodoende een van de krachten te
+zijn die het betere willen te midden van den strijd
+der tegenwoordige beschaving.</p>
+
+
+
+<h4>LIDMAATSCHAP.</h4>
+<br>
+
+<p>Lidmaatschap kan worden verkregen op aanvrage
+aan den Algemeenen Secretaris eener Afdeeling
+of door middel van een der Loges of Centra der
+Vereeniging. Nadere inlichtingen hieromtrent worden
+op aanvrage gaarne verstrekt. Een exemplaar van
+de &quot;Wet en Regels&quot; der Theosofische Vereeniging
+en der Nederlandsche Afdeeling wordt, op verzoek
+aan den Algemeenen Secretaris, toegezonden.</p>
+
+<br>
+
+<p><h4>LIDMAATSCHAPSKOSTEN.</h4><p></p>
+<br>
+
+<p>De kosten van het lidmaatschap der Nederlandsche
+Afdeeling (insluitende het lidmaatschap der
+Theosofische Vereeniging) bedragen f 3.&mdash;per jaar
+en f 3.&mdash;intreegeld (&eacute;&eacute;nmaal). Deze bedragen
+<!-- Page 97 -->moeten bij de aanvrage tot lidmaatschap worden voldaan.</p>
+
+<p>In bijzondere gevallen kan ontheffing van geldelijke
+verplichtingen worden verleend.</p>
+
+
+
+<h4>ADMINISTRATIEVE INDEELING.</h4>
+<br>
+
+<p>In verschillende landen voor zooverre die een
+voldoend aantal leden tellen zijn Afdeelingen der
+Vereeniging gevormd. Deze Afdeelingen worden
+vertegenwoordigd door een Algemeenen Secretaris.
+Iedere Afdeeling is onderverdeeld in Loges en
+Centra. De Nederlandsche Afdeeling telt zeven
+Loges en twee Centra.</p>
+
+<p>President der Vereeniging is Col. H. S. Olcott
+te Adyar, Madras, Engelsch-Indi&euml;.</p>
+
+<p>De Algemeene Secretarissen van de Afdeelingen
+der Vereeniging zijn:</p>
+
+<p><u>Nederland</u>: W. B. Fricke, Amsterdam, 76,
+Amsteldijk.</p>
+
+<p><u>Amerika</u>: Alexander Fullerton; New-York,
+5, University Place.</p>
+
+<p><u>Europa</u>: G. R. S. Mead, B. A.; London, N. W.
+19, Avenue Road.</p>
+
+<p><u>Indi&euml;</u>: Bertram Keightley, M. A.; Upendranath
+Basu, M. A., LL. B., Benares.</p>
+
+<p><u>Australi&euml;</u>: J. Scott, M. A.; Sydney, N. S. W.,
+42, Margaret Street.</p>
+
+<p><u>Scandinavi&euml;</u>: A. Zettersten, Stockholm, 30,
+Nybrogatan.</p>
+
+<p><u>Nieuw-Zeeland</u>: Dr. C. W. Sanders;
+Auckland, Mutual Life Buildings, Lower Queen
+Street.</p>
+
+
+
+<h4><!-- Page 98 -->LIJST VAN LOGES EN CENTRA DER NEDERLANDSCHE AFDEELING.</h4>
+
+<p> <table border="1" align="left" width="100%">
+
+
+<tr>
+<th>PLAATS.</th> <th> VOORZITTER.</th> <th> SECRETARIS.</th> </tr>
+
+<tr> <td>AMSTERDAM:<br> *Amsterd. Loge. </td> <td><br> W. B. Fricke, Amsteldijk 76. </td> <td><br> H. Wierts van Coehoorn, Amsteld. 76. </td> </tr>
+
+<tr> <td>*V&acirc;hana Loge. </td> <td> K.P.C. de Bazel, Nic. Beetsstr. 118. </td> <td> Mej. Cato E. Gruntke, Overtoom 206. </td> </tr>
+
+
+<tr> <td>StudentenCentrum. </td> <td>J. W. Boissevain, Tesselschadestraat 4 </td> <td> J. J. Hallo Jr., Schotersingel 69, Haarlem. </td> </tr>
+
+<tr> <td>*GOUDA (Centrum). </td> <td>H. Reijnders, Lange Groenendaal 99</td> <td>&nbsp; </td> </tr>
+
+
+<tr> <td>*'s GRAVENHAGE. </td> <td> F.J.B. van der Beek, Wilhelminastr. 35.</td> <td> Mej. C.J. de Prez, Wilhelminastr. 35. </td> </tr>
+
+
+<tr> <td>*HAARLEM. </td> <td> Johan van Manen. </td> <td> J. J. Hallo Jr., Schotersingel 69. </td> </tr>
+
+<tr> <td>*HELDER. </td> <td> T. van Zuylen, Spoorstraat 138 </td> <td>S. Gazan, Kanaalweg 121. </td> </tr>
+
+
+<tr><td>ROTTERDAM. </td> <td>H. W. Hagenberg, Noordsingel 140 </td> <td> J. A. Terwiel, 2e Crooswijksche Dwarsstraat 6</td> </tr>
+
+
+<tr> <td> VLAARDINGEN. </td> <td> D. de Lange Dz., Oosthavenkade. </td> <td>&nbsp; </td> </tr>
+</table>
+
+&nbsp;
+
+ <p></p>
+
+
+<p>&nbsp; </p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>* De met een sterretje geteekende Loges bezitten boekerijen. </p>
+
+<hr style="width: 65%;">
+<p><h4><!-- Page 99 -->BOEKEN OVER THEOSOFIE.</h4><p></p>
+<br>
+
+<p>Daar de Theosofische Vereeniging gesticht is in Engelsch
+sprekende landen en zich voornamelijk daar heeft verbreid gedurende
+de eerste 20 jaren van haar bestaan zijn de meeste
+en beste boeken over Theosofie in het Engelsen geschreven.
+Deze, meest uitgegeven door de &quot;<i>Theosophical Publishing Society</i>&quot;
+te Londen, zijn alle te verkrijgen van haren uitsluitenden
+vertegenwoordiger voor Nederland, de &quot;<i>Theosofische Uitgeversmaatschappij</i>&quot;
+(Afdeeling Boekhandel), Amsterdam, Amsteldijk
+76. Uitgebreide catalogi worden op aanvrage toegezonden.</p>
+
+<p>In het Nederlandsch zijn door de &quot;Theosofische Uitgeversmaatschappij&quot;
+de volgende werkjes uitgegeven welke tegen overmaking
+van den bijvermelden prijs van haar verkrijgbaar zijn.</p>
+
+
+<p>THEOSOPHIA, Maandblad, prijs per jaargang f 2,50 </p>
+<p>.......... Vorige jaargangen zijn in beperkt aantal nog verkrijgbaar tegen f .50 per jaargang.</p>
+<p>.......... Kaarten van Atlantis behoorende bij den 6en Jaargang van "Theosophia", per stel (vier stuks), f 1.50.</p>
+
+<p>A. BESANT, Kort begrip der Theosofie (f 0.15)</p>
+
+<p>SNOWDEN WARD, Karma en Re&iuml;ncarnatie (f 0.10)</p>
+
+<p>MULTASPERO, Eerste kennismaking met de Theosofie (f 0.25)</p>
+
+<p>AFRA, Eenvoudige schets der Theosofie (f 0.25)</p>
+
+<p>A. BESANT, De evolutie der ziel, het doel van 't leven (f 0.10)</p>
+
+<p>A. BESANT, Yoga voor den mensch in de maatschappij (f 0.10)</p>
+<!-- Page 100 -->
+
+<p>A. BESANT, Vier voordrachten over Theosofie, gebonden (f 0.60)</p>
+
+<p>A. BESANT, Levenstoestanden na den dood (f 0.20)</p>
+
+<p>A. BESANT, De Zeven Beginselen van den mensch, gebonden (f 0.60)</p>
+
+<p>JOHAN VAN MANEN, Korte levensschets van Annie Besant (f 0.10)</p>
+
+
+<p>Vele vertalingen van belangrijke Theosofische werken zijn
+in voorbereiding, terwijl in den loop van het jaar nog verscheidene
+kleinere en grootere werken zullen verschijnen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<h2>FOTOGRAFIËEN.</h2>
+
+
+<p>"H. P. B.&quot;,
+
+<p>........... Kabinetformaat (f 1.--) </p>
+
+<p>ANNIE BESANT,
+
+<p>........... Salonformaat (18 X 24) (f 3.--)
+
+<p>........... Kabinetformaat (f.1,--)
+
+<p>Bestellingen en betalingen te richten aan de &quot;<i>Theosofische
+Uitgeversmaatschappij</i>&quot;, Amsteldijk 76, Amsterdam.</p>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE ***
+
+***** This file should be named 12756-h.htm or 12756-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/7/5/12756/
+
+Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders
+Europe, http://dp.rastko.net.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
+
+
+
diff --git a/old/12756-h/images/anniebesant1.png b/old/12756-h/images/anniebesant1.png
new file mode 100644
index 0000000..70a9b5e
--- /dev/null
+++ b/old/12756-h/images/anniebesant1.png
Binary files differ
diff --git a/old/12756-h/images/anniebesant2.png b/old/12756-h/images/anniebesant2.png
new file mode 100644
index 0000000..de05626
--- /dev/null
+++ b/old/12756-h/images/anniebesant2.png
Binary files differ
diff --git a/old/12756.txt b/old/12756.txt
new file mode 100644
index 0000000..c397601
--- /dev/null
+++ b/old/12756.txt
@@ -0,0 +1,2655 @@
+Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Vier Voordrachten over Theosofie
+
+Author: Annie Besant
+
+Release Date: June 28, 2004 [EBook #12756]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders
+Europe, http://dp.rastko.net.
+
+
+
+
+
+
+#VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE DOOR ANNIE BESANT#
+
+
+GEHOUDEN IN VERSCHILLENDE PLAATSEN VAN NEDERLAND IN JANUARI 1898
+
+
+[Illustratie]
+
+
+Gebaseerd op de uitgave gepubliceerd te Amsterdam, 1898.
+
+
+
+
+#INHOUD.#
+
+
+1. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een geschiedkundig oogpunt
+
+2. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een wetenschappelijk oogpunt
+
+3. Esoterisch Christendom
+
+4. Het verhaal van den Christus
+
+3. Aanhangsel. Inlichtingen over de Theosofische Vereeniging
+
+
+
+#VOORWOORD.#
+
+
+De vier voordrachten over Theosofie welke hierbij het Nederlandsch
+publiek worden aangeboden zijn door Mevrouw Annie Besant, L.T.V., in
+verschillende steden van ons land gehouden in den loop van de maand
+Januari, 1898.
+
+Een vijfde voordracht is, daar zij niet aansluit bij het
+aaneengeschakeld geheel van de vier in dit boekje vervatte, afzonderlijk
+uitgegeven onder den titel: Levenstoestanden na den dood.
+
+In snelschrift opgeteekend is het gesprokene woordelijk weergegeven;
+slechts in de voordracht over Esoterisch Christendom zijn enkele
+toespelingen op Bijbelplaatsen uitgelaten waar die alleen van toepassing
+waren op de Engelsche vertaling van den Bijbel (Mevrouw Besant sprak in
+het Engelsch) en niet op de van deze afwijkende Nederlandsche; die
+uitlatingen zijn alle van ondergeschikt belang.
+
+Aangehaalde werken of Bijbelplaatsen zijn in een noot aan den voet van
+de bladzijde aangeduid.
+
+Waar "goddelijk weten" staat werd door de spreekster "divine wisdom"
+gezegd.
+
+De voordracht "Het verhaal van den Christus" werd gericht tot een
+uitsluitend uit leden der Theosofische Vereeniging bestaand gehoor. De
+vragen naar aanleiding van deze voordracht gedaan worden met de daarop
+door Mevrouw Besant gegeven antwoorden opgenomen in het Maandblad
+"Theosophia". Enkele beknopte inlichtingen aangaande de Theosofische
+Vereeniging zijn ter wille van belangstellenden in een Aanhangsel aan
+dit werkje toegevoegd.
+
+J.J. HALLO JR.
+
+HAARLEM, l Maart 1898.
+
+[Illustratie: ANNIE BESANT]
+
+
+
+
+#De Theosofie en haar leeringen.#
+
+
+I
+
+
+Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond te overwinnen hebben:
+een vreemde taal is tusschen ons en zelfs voor hen die de taal kennen,
+waarin ik spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen.
+Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de taal is voor een
+spreker het instrument, dat hij bespeelt. Door de taal bereikt hij de
+harten en hoofden zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon
+voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt en vermindert de
+mogelijkheid dat hij de gedachten en gevoelens zijner hoorders bereikt.
+Toch moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen wat wij kunnen, en
+terwijl ik spreek zoo helder en eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe
+aandacht leent zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen
+en het onderwerp begrijpelijk te maken.
+
+Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare leeringen, en daar ik
+morgen te Haarlem over het zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het
+in twee deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke voordracht
+volledig zal maken. Ik zal hedenavond en morgen een verschillenden
+gedachtegang volgen, voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten
+mochten willen hooren.
+
+Diegenen onder u, die gedurende de laatste twintig jaren den
+ontwikkelingsgang van het denken in Europa hebben gevolgd, weten dat er
+een bijzondere richting van studie is, welke veel wordt gebruikt als
+een wapen tegen den godsdienst: de studie van Oostersche talen en
+Oostersche godsdiensten. De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's,
+der oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit de verschillende
+landen van Europa en bij het onderzoeken dezer godsdiensten hebben zij
+gezien hoeveel die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt, toen
+zij de verschillende Schriften der Chineezen, der Perzen, der
+Egyptenaren ter hand namen, dat deze alle dezelfde leering gaven: zij
+spreken omtrent God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van God als
+Een, het Ene Bestaan, zij spreken van God als immer geopenbaard in
+drieeenheid, in drievoudig aanzicht, terwijl iedere persoon in die
+drieeenheid zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al deze
+Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den mensch en zijnen aard;
+zij leeren dat de ziel des menschen onsterfelijk is, dat zijn aard
+samengesteld is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden begrepen;
+men zag dat in al deze Schriften der menschen ontwikkeling wordt
+geleerd, de ontwikkeling der ziel, welke de openbaring van den geest is
+in den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren dat enkele menschen
+hunne ontwikkeling hebbon voleindigd, hunnen groei als geestelijke
+wezens hebben voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch, goddelijk
+in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens van hoofd en van hart; en in
+al deze Schriften vond men geleeraard dat de menschen van heden kunnen
+groeien, gelijk die menschen uit het verleden zijn gegroeid, dat zij ook
+volmaakt kunnen worden en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen,
+stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe onontwikkeld ook, kan
+ontwikkelen tot den volmaakten, goddelijken mensch. Al deze dingen
+worden geleerd in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen
+deze vertaald waren in verschillende Europeesche talen, begreep men dat
+de wereld-godsdiensten veel gemeen hebben en dat de meeste
+leerstellingen van een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden
+worden in het Hindoeisme, het Boeddhisme, de leeringen van Confucius en
+Lao-tse. Zij hebben alle zooveel gemeen, dat wij niet een godsdienst van
+de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking door de geleerden werd
+gedaan, toen deze boeken waren vertaald in verschillende talen en de
+menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken, was het eerste
+besluit, waartoe velen kwamen, dat alle godsdiensten als zij in den
+grond hetzelfde waren, een oorsprong moesten hebben, en dat zij geen
+goddelijke openbaring konden zijn, maar dat een andere bron moest worden
+gevonden, waaruit de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele
+geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind waren, trachtten hunne
+ontdekkingen te gebruiken om allen godsdienst te vernietigen en zeiden:
+Zij zijn alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid, uit de
+wijze waarop de mensen de natuur beschouwt: hij heeft de natuur
+verpersoonlijkt en er wezens in gezien; en daar die wezens machtiger
+waren dan hij, aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken dikwijls
+vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen kon, hoewel zijn leven en
+gemak van hem afhing, daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij
+zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien, moest de mensch in
+zijn onwetendheid denken dat al deze dingen goddelijke krachten, goden
+waren; en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen, die zij
+konden geven. En die geleerden zeiden dat zoo alle godsdienst was
+opgegroeid, dat hij steeds zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of
+animisme, en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had dan de
+menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond tegen de waarde van den
+godsdienst heeft veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op
+feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde leeren, dat zij
+alle dezelfde denkbeelden verkondigen, het was waar dat de groote
+leeraars allen hetzelfde zeiden, de een na den ander. De feiten, welke
+die geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen waren
+verkeerd. In het eerst begrepen de menschen het onderscheid niet
+tusschen deze beide dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden
+worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst.
+
+Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid der verschillende
+godsdiensten van een ander standpunt en zeide: ja, het is waar dat de
+leerstellingen van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een feit dat
+door niemand, die de geschiedenis heeft bestudeerd, kan worden ontkend.
+Wij zullen als voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen nemen,
+het "Klassieke Boek van de Reinheid," [Voetnoot: Ook in het
+Nederlandsch vertaald, in het Maandblad "Theosophia". Deel 5 (1897) blz.
+206.] een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol wijsheid, vol
+diepe geestelijke leering, dat ons verklaart hoe God zich in den mensch
+geopenbaard heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als die van
+God, hoe des menschen geest dezelfde is als de goddelijke geest, hoe
+echter het menschelijk verstand troebel is door begeerten, die tusschen
+zijn verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest in hem staan,
+hoe de hartstochten van zijn lichaam zijn vooruitgang tegenhouden, en
+hoe slechts wanneer zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn
+gekomen, de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen in den
+mensch. De leeringen van dit kleine Chineesche boekje, een der oudste
+geschriften die wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als het
+beste wat wij bezitten.
+
+Van de Chineezen overgaande tot de Indiers vinden wij bij hen dezelfde
+leeringen en wanneer wij in Egypte de mummies opgraven en de banden
+loswikkelen waarin zij 10 a 20.000 jaar geleden werden gehuld, vinden
+wij geschriften die ons de bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte
+dezelfde leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid van de
+menschelijke ziel, omtrent de wijze waarop zij gaat door leven na leven,
+omtrent de lagere wereld waarin zij komt na den dood van het lichaam en
+de hemel-wereld waarin zij vertoeft na gezuiverd te zijn op lagere
+gebieden, omtrent haren daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar
+zij wederom wijsheid opdoet door ondervinding.
+
+Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden wij dezelfde leeringen,
+steeds weer door de groote leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft
+slechts een oorsprong, slechts eene bron, en die bron is het goddelijk
+weten; niet de menschelijke onwetendheid, zooals vele geleerden dachten
+maar het goddelijk weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren,
+en dat steeds door volmaakte menschen van God tot de menschheid gebracht
+is. Dit goddelijk weten bevat in zich de kennis van al wat is, en een
+gedeelte ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid geschonken. De
+hoeveelheid die gegeven wordt hangt af van de beschaving van het volk,
+hangt af van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen, hangt
+af van den aard dergenen die deze kennis bezitten en van de kracht van
+hun pogen. In overeenstemming met al deze dingen verschilt steeds de
+wijze, waarop dat weten gegeven wordt, maar in den grond is het toch
+altijd hetzelfde: altijd leert het een goddelijk Bestaan, dat zich
+openbaart als drieeenheid, altijd leert het dat de mensch drievoudig is
+in zijn wezen gelijk God, en dat hij nog verder kan worden
+onderverdeeld, drievoudig in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne
+ontwikkeling; altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij
+niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt en groeit, leven
+na leven, en dat enkele menschen de volmaking bereikten en dan leeraars
+zijn geworden van het ras. Deze volmaakte menschen waren eens gelijk aan
+ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt gelijk de mannen en vrouwen van
+thans, maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen en groeiden
+en werden sterk en bereikten eindelijk de volmaking, gelijk wij de
+volmaking kunnen bereiken. En toen zij volmaakt waren, begonnen zij
+hunnen medemenschen te leeren, en vormden een groote Broederschap van
+leeraars; en van tijd tot tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat
+aan ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat ieder ras, ieder
+volk een godsdienst zou ontvangen, geschikt om het te helpen en te
+leeren. En de reden waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat
+zij altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap heeft
+bestaan, langen, langen tijd reeds voordat de beschaving van Europa
+ontstond, voordat zelfs Indie zijn beschaving ontving. Daar, waar thans
+de wateren van den Atlantischen Oceaan zich vergaren, was eens een groot
+vastland, dat begon waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de
+plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland had zich een hooge
+beschaving ontwikkeld. Sporen van die beschaving worden nog gevonden in
+Mexico en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen zijn overblijfsels
+van zeer oude steden ontdekt en daar zijn hieroglyphen en beelden
+aangetroffen, gelijkende op die welke men in Egypte gevonden heeft,
+zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika aan den anderen kant
+hetzelfde schrift en beeldhouwwerk is ontdekt. Dit toont ons dat er
+tusschen deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een grooten
+oceaan, eens gemeenschap is geweest. In Plato scholen, waar hetzelfde
+goddelijk weten werd geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid,
+zoodat de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden goddelijken
+grondslag. In Griekenland droegen deze leeringen het eerst den naam
+Theosofie, wat niets anders is dan het Grieksche woord voor goddelijk
+weten. De Grieken nu gaven dit weten niet slechts in den vorm van
+godsdienst, maar ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in
+vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indie en China, en de wijsbegeerte
+van Plato, zooals die op de scholen wordt onderwezen, berust op het
+goddelijk weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden en van den
+Logos, wanneer hij ons zegt dat de wereld in de gedachte van den Logos
+bestond, voordat zij zich voordeed als een stoffelijke verschijning,
+wanneer hij ons spreekt van denkbeelden die, bestaande in den
+goddelijken geest, een voor een worden uitgestort om de stoffelijke
+wereld op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk weten; en wanneer
+gij de leeringen van Pythagoras bestudeert en van hem leert dat de
+geheele wereld op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de
+geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren is samengesteld,
+dat alle steenen en kristallen en planten en dieren zijn gebouwd naar
+den grondslag van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat oude goddelijk
+weten, dat hij geleerd heeft in Indie, en dat hij naar Europa heeft
+overgebracht. Evenzoo is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert
+van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk weten, maar
+in den lateren tijd is de wiskunde eng en bekrompen gemaakt en volstrekt
+niet begrepen in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het goddelijk
+aanzicht ervan is verdwenen en slechts de vorm, de gedaante wordt
+gegeven als de wiskunde, terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken
+onderwezen, een aanzicht van het goddelijk weten was; hun leerde hoe de
+wereld gemaakt is en hoe de gang is der ontwikkeling, hoe de mensch
+langzamerhand wordt opgebouwd, hoe steenen en planten en dieren zijn
+gemaakt naar getal en naar vorm; hun een begrip gaf van de
+ontwikkelingsgeschiedenis der wereld. In den laatsten tijd begint de
+wetenschap bij hare natuurstudie de wetten weer te ontdekken, die het
+goddelijk weten onder de Grieken en Indiers leerde in wijsbegeerte en
+wetenschap. En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en plantkunde
+bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen de wet leeren van getal,
+van vorm en van trilling; dat alle dingen door trilling worden
+opgebouwd, dat alle krachten door trilling hun werking voortplanten, en
+dat het aantal dezer trillingen in de sekonde den aard der kracht en
+haar werking bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder geluid
+trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen vorm, dat iedere
+noot overeenstemt met een vorm en een kleur, en naarmate wij deze
+trillingen en vormen en kleuren doorgronden, beginnen wij een begrip te
+krijgen, hoe de natuur haar opbouwend werk verricht. Uitgaande van de
+stoffelijke wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te
+ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren geleden leerde,
+terwijl het uitging van de hoogere wereld in plaats van uit de lagere,
+want het goddelijk weten daalt steeds van gedachte neder tot vorm, klimt
+niet op van vorm tot gedachte, terwijl de nieuwere wetenschap steeds
+begint met den uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de
+gedachte.
+
+Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen evengoed wijsbegeerte en
+wetenschap, als godsdienst. Het leerde den menschen niet slechts hoe de
+ziel kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden der wereld om hen
+heen, en de verborgenheden van het verstand, van de rede, van het
+begripsvermogen in den mensch.
+
+Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard, totdat vier of vijf
+eeuwen na Christus een groote verandering kwam in het Westen. Er
+ontstonden in de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij was die
+der ontwikkelde en wijze Christenen, die de oude leeringen hoog hielden
+en het goddelijk weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden,
+de groote menigte der onontwikkelden, die tot het Christendom waren
+aangetrokken door de zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid
+niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene, wat zij niet konden
+deelen, en haatten alle wijsheid, die zij niet konden begrijpen; en zij
+vormden eene groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis en
+wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat deze niets met godsdienst te
+maken hadden, dat zij niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts
+de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te begrijpen was, van
+belang was voor de menschelijke ziel. En daar er toen evenals nu veel
+meer onwetenden waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund
+werden door den val van het Romeinsche rijk, door oorlogen en invallen,
+door de staatkundige moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid van
+de groote menigte der armen, wier lot schromelijk was verwaarloosd,
+spanden al deze dingen samen tegen de kennis en voor de onwetendheid,
+zoodat de kennis uit het Christendom verloren ging en slechts de
+zedelijke en geestelijke leering bleef. Hiertoe werkte nog een andere
+oorzaak mede: in alle oude godsdiensten, en in het Christendom even goed
+als in alle andere, bestonden twee soorten van leeringen. De eene voor
+de groote menigte, eenvoudig en helder, omvatte slechts de zedelijke
+voorschriften, welke den menschen leerden een goed leven te leiden, een
+zeer eenvoudig verstandelijk onderricht, juist genoeg om de zeer
+onontwikkelden voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der
+broederschap en die der wedergeboorte, en de wet welke zegt dat des
+menschen daden hem zijn geluk of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de
+wet van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen zouden inzien, dat
+een goed leven, hier op aarde geleid, hun geluk zou brengen na den dood
+en een beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn weergekeerd.
+Deze dingen werden aan allen geleerd; maar meerdere kennis werd
+toevertrouwd aan hen, wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van
+de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk aan de wet van
+Christus gehoorzaamden, en die in hun uiterlijk leven een hoogen graad
+van reinheid hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat wij de
+mysterien van Jezus noemen en kregen daar de innerlijke leering, welke
+slechts zij die een rein leven leidden, konden deelachtig worden. Deze
+innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit dezen kring kwamen
+de leeraars en bisschoppen en de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de
+menschen, die het Christendom prediken mochten, zoodat de kerk een groep
+van wijze menschen bezat, onderricht in diepere kennis, en door die
+kennis in staat om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die
+hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen. Want dit geheime
+onderricht was steeds praktisch. Het leerde den menschen hoe zij hun
+bewustzijn konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand
+bewust konden worden op hoogere gebieden van bestaan, hoe het leven der
+ziel kan worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het lichaam kan
+verlaten en in aanraking komen met de onzichtbare wereld. Het leerde hoe
+de ziel, na het lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen en
+kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld, hoe de ziel leering kan
+ontvangen van de engelen en geestelijke verstandswezens en zoo kennis
+verkrijgen die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen, hoe de
+ziel, van het lichaam bevrijd, de toestanden kan onderzoeken van het
+leven na den dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde,
+verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in plaats van uit den mond
+van andere menschen: in deze scholen verkregen de onderzoekers
+eerste-hands kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden den aard
+van den mensen begrijpen door eigen onderzoek, in plaats van af te
+hangen van de mededeelingen van anderen. Daardoor waren zij veel beter
+in staat onderricht te geven, dan zij die hun kennis slechts uit boeken
+hadden verkregen.
+
+Het gevolg van het bestaan van deze scholen in de kerk was dus dat er
+vele menschen waren die deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden,
+zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom. In de vijfde
+eeuw echter verdwenen deze scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit
+gebrek aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een fout die door
+vele menschen wordt begaan, is dat zij denken dat de leeraars de kennis
+terughouden. In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de kennis
+niet willen mededeelen, maar de leerlingen, die ze niet willen leeren,
+leeren op de eenige wijze waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze
+scholen van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen, want er
+waren niet genoeg menschen die het leven wilden leiden dat vereischt
+wordt voor leerlingen van het Occultisme; zij wilden dit leven niet
+leiden, maar slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden, en
+toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed waren. Zoo verdween
+langzamerhand de innerlijke school en slechts een zwakke overlevering
+van haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters der
+Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan verscheen in de middeleeuwen
+nog een heilige die door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij
+iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen van deze heiligen vinden
+wij in de geschiedenis der kerk vermeld; waarlijk groote,
+hoog-ontwikkelde zielen, die _wisten_ omtrent de onzichtbare wereld, en
+op de oude wijze onderricht geven konden, omdat zij wisten en kenden.
+Nu en dan zien wij een van hen verschijnen, doch hun aantal is gering:
+St. Elisabeth van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas a Kempis,
+de geleerde Thomas Aqumo, deze allen zijn de groote leeraars der kerk
+gedurende de middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk weten,
+dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd. Dan waren er nog andere
+menschen die een deel van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de
+Christelijke kerk hadden verkregen. Sommigen van hen kwamen uit het
+Oosten en anderen reisden als jonge menschen daarheen, en kwamen met de
+verkregen kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten behoorde
+Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen genomen en naar het Oosten
+gevoerd. Daar leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid en
+bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij de grondlegger werd van de
+nieuwere geneeskunde en scheikunde, waar hij leering bracht over de
+elementen der scheikunde en over het magnetisme, die voor hem aan
+niemand bekend was geweest, en waar hij zieken genas, die geen ander
+genezen kon. Hij bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van deze
+menschen was Christian Rosenkreuz, die in de vijftiende eeuw leefde. In
+zijn jeugd reisde hij naar het Oosten en ontmoette daar een der groote
+leeraars, die hem iets mededeelde van het oude geheime weten, om dit
+terug te brengen aan de Christelijke kerk en om deze te ontwikkelen tot
+een meer geestelijk lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen en
+leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte de orde der
+Rozenkruisers. Zijn werk was een der pogingen om het oude weten in de
+westersche wereld terug te brengen. Een andere poging was die der
+alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat oude weten. Zij wisten
+dat er slechts een grondstof in de natuur bestaat en dat alle dingen uit
+die eene grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de scheikunde een
+wetenschap is, die de eigenschappen van die eene grondstof in al hare
+wijzigingen onderzoeken kan, en zij bestudeerden die wetenschap in het
+licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen vervolgden hen en
+lachten hen uit en noemden hen oplichters en kwakzalvers en bedriegers,
+doch in den tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde tot de
+ontdekking te komen van wat hun in de middeleeuwen bekend was.
+Tegenwoordig begint de scheikunde enkele der waarheden in te zien, die
+door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen hen nog uitlachte,
+toan niemand hen geloofde. Heden begint men te begrijpen dat er slechts
+eene grondstof is, en dat alle dingen van die eene grondstof gemaakt
+zijn en men begint zelfs weer te spreken van de mogelijkheid goud te
+maken uit zilver en zoo in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te
+doen, waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen en
+vervolgd,--nu drie of vierhonderd jaar geleden.
+
+Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult gij begrijpen dat de
+Theosofie in den eenen of anderen vorm steeds in de wereld is blijven
+bestaan als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap.
+
+Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke de behoeften van
+den tijd en de omstandigheden van het volk, waaraan de leeraar gezonden
+werd, medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen zij weer het oude
+weten aan de wereld leeraarde niets nieuws gaf. Het was slechts een
+nieuwe vorm, een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde wat
+er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst, wijsbegeerte en
+wetenschap. Toen zij begon hare leering te geven, gaf zij eerst den
+wijsgeerigen kant, leerde zij iets van den aard van het verstand, van de
+rede, en van den aard van den mensch en van het goddelijk Bestaan, de
+werkelijke wijsbegeerte die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna
+ging zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen God en den
+mensch, hoe de mensch een uitstorting is van God, een deel van het
+goddelijk leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen kan,
+hoe de menschelijke ziel zich kan ontplooien; en zij leerde weer wat
+vroeger in de Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het lichaam
+verlaten kan en in aanraking komen met groote geestelijke
+verstandswezens en met de Meesters, hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan
+en kennis opdoen uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan komen
+tot weten in plaats van gelooven. Toen zij dit alles leerde, gaf zij ons
+slechts weer wat reeds zoo dikwijls geleerd was in de groote
+godsdiensten van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken
+kant en leerde ons meer dan de mannen van de wetenschap van dien tijd
+wisten, en zeide zij ons welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen
+weinige jaren zouden worden gedaan; en vele van deze ontdekkingen zijn
+inderdaad gedaan sedert haren dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de
+eene grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar uiterlijke
+verschijningsvormen heeft. In haar werk "De geheime Leer" sprak zij van
+een eigenschap der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke zij
+doordringbaarheid noemde, en welke in verband staat met helderziendheid.
+Vijf jaar na haren dood ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn,
+trillingen in de stof, welke in verband staan met helderziendheid en
+welke de mcnschen in staat stellen te zien wat de helderziende kan zien
+zonder werktuigen en hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde
+Roentgen-stralen, waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een been, als zij
+willen onderzoeken of het beschadigd is, kunnen fotografeeren ofschoon
+het voor het gewone oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is ook
+mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen. De mensch kan in
+zichzelf het vermogen ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen
+van Roentgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk lichaam te zien
+zonder hulp van eenig werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande de
+kennis van straling, van geluid en kleur leerde zij ons. Zij heeft ons
+bewezen dat de oude wijsheid beter licht kan werpen op de waarheden der
+nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf kan doen, en dat deze
+laatste eerst langzamerhand datgene ontdekt wat door ben die het oude
+weten bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen die zich het
+ontvangen van dit onderricht waardig betoonden. Zoo bracht H.P.
+Blavatsky ons dit weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten had,
+en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten verder moesten
+verspreiden, niet als iets nieuws maar als iets ouds, niet als een
+nieuwe ontdekking maar als overoud weten, door de menschen vergeten, en
+thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate wij zelven
+leerden, onderrichtten wij op onze beurt anderen, en wij bevonden dat
+dit goddelijk weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke de
+mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Wij
+bevonden dat wij zonder de werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap
+hare feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van de vermogens der
+ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld dat vele scheikundige waarheden door de
+goddelijke krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden verkregen
+dan door reagentien en proefnemingen van allerlei aard. Wij bevonden dat
+de mensch in zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken en dat hij
+veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen zijner innerlijke krachten
+dan door het gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap. Maar tevens
+weten wij dit: de vermogens der menschelijke ziel zijn niet bestemd tot
+het doen van ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke beroemd
+te maken en rijk. Zal de kracht der menschelijke ziel worden gebruikt
+tot het doen van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden gebruikt
+voor het welzijn der menschheid, en niet ten voordeele van den eenen
+persoon, die de ontdekking doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp
+van deze krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid kan helpen,
+indien het ras er rijp voor is, aan allen gelijkelijk. Is het ras er nog
+niet rijp voor, dan behoort zij toe aan allen, die haar kunnen
+bevatten, niet aan den eenen mensch, die haar gemaakt heeft. Deze is
+slechts een pandhouder van de eigendommen der menschheid. Naarmate de
+Occultist zich ontwikkelt en meer leert en begrijpt wordt hij meer en
+meer een dienaar der menschheid in plaats van haar meester. Alle kracht
+welke hij verkrijgt wordt gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis
+welke hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner medemenschen
+te verminderen en den gang der menschelijke ontwikkeling te versnellen.
+Wanneer de menschen tot ons komen om met ons te studeeren, eerst de
+uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan zeggen wij hun steeds: Gij
+moet de broederschap der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij
+een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen belangen hebt buiten
+die van dat huisgezin, dat gij geen bezittingen hebt buiten die van dat
+huisgezin, dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die niet
+tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en wanneer gij wat ouder zult
+zijn en iets meer zult hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is
+dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren tot sneller
+ontwikkeling, opdat zij sneller mogen worden bevrijd van de ellenden der
+aarde en spoediger dan anders den vrede en het geluk mogen bereiken.
+Naarmate iemand werkelijk Theosoof wordt, moet hij meer en meer
+onzelfzuchtig worden; hoe meer hij leert, des te meer moet hij anderen
+dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des te grooter
+verantwoordelijkheid rust op hem om de lasten zijner medemenschen te
+verlichten. Het Occultisme brengt juist het tegengestelde van wat de
+wereld welslagen noemt. De wereld kent hem welslagen toe, die rijkdom en
+welvaart verwerft voor zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen
+en zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene. Hij die slaagt in
+het verkrijgen van goddelijke wijsheid en kennis en kracht, bezit deze
+slechts in de mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner
+medemenschen. Hij gebruikt ze nooit om over anderen te heerschen, nooit
+om iets te verwerven voor zichzelf, nooit om zichzelf te verrijken ten
+koste van een ander, en gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe
+meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren, hoe meer hij begrijpt
+des te meer moet hij deelen met anderen, hoe sterker hij wordt des te
+grooter aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want de kracht van
+het Occultisme, van het goddelijk weten kan nooit dienen om den bezitter
+te doen uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om hen op te heffen
+tot eigene hoogte, slechts om hen te doen deelen in eigene kracht. Dat
+is het kernverschil tusschen de kennis der wereld en die van het
+goddelijk weten. De eerste maakt den mensch tot heerscher, de andere tot
+dienaar. Daarom zeide Jezus: "Indien iemand wil de eerste zijn, die zal
+de laatste van allen zijn, en aller dienaar." [Voetnoot: Marcus 9, 35.]
+Waarlijk groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid gegeven
+hebben.
+
+Het voorgaande is een schets van de geschiedenis der Theosofie in het
+verleden, van de geschiedenis van het goddelijk weten in godsdienst,
+wijsbegeerte en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid steeds
+trachtte der wereld leering te schenken, en hoe zij twee vormen van
+onderwijs deed ontstaan: het openbare voor allen, het bijzondere voor
+hen die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van den vooruitgang
+van het ras.
+
+Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk. In de uiterlijke
+Theosofische Vereeniging komen de menschen om de wetten, volgens welke
+de menschheid zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij deze wetten
+hebben geleerd en trachten hun leven voor anderen nuttig te maken, komt
+het innerlijk onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet gegeven
+kan worden. Deze twee vormen bestaan nog heden als in het verleden, en
+de Theosofische Vereeniging is een vereeniging van onderzoekers, waartoe
+een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte en wetenschap
+wil bestudeeren in de richting van het goddelijk weten en daarbinnen een
+groep van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de wereld hoog stelt
+en streven naar hooger ontwikkeling, teneinde helpers te worden voor de
+menschen rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens hunner ziel te
+ontplooien. Dat is ons werk, onze plicht. Zij, die zich tot dit werk
+voelen aangetrokken, kunnen in de Loges onzer vereeniging komen om
+onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig toont, kan een
+leerling worden in den dieperen zin van het woord, om een medewerker te
+worden voor den vooruitgang van het ras. Herinner u echter steeds dat
+het goddelijk weten niets anders heeft aan te bieden dan Zich en met
+zichzelf de kracht anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het biedt
+geen belooning in rijkdom, in gewone macht of kennis, maar dien
+innerlijken schat, die den mensch in staat stelt een zegen te worden
+voor zijn broeders, een mededrager van de lasten der wereld; en tot
+diegenen onder u wien het ernst is met dit streven, tot hen wendt zich
+de Theosofische Vereeniging en biedt hun het oud, goddelijk weten,
+waardoor zij helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel zenden de
+Meesters hun boden onder de menschen. Ieder, die ernstig wil, wordt de
+gelegenheid tot leeren gegeven.
+
+
+
+
+#Theosofie en haar leeringen.#
+
+
+II.
+
+
+Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over de Theosofie en haar
+leeringen, heb ik voor zoover dat in een korte voordracht mogelijk was,
+de geschiedenis der Theosofie geschetst. Ik heb haar verband met de
+groote godsdiensten der wereld aangeduid, hare verspreiding door de
+verschillende landen beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage
+de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar openlijken als in haar
+innerlijken vorm. Ik stel mij voor hedenavond het onderwerp van een
+anderen kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen zelve
+welke de Theosofie brengt, welke zij geeft om de menschheid te helpen,
+en ik zal u trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige toepassing
+vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk en geestelijk gebied, dat
+zij betrekking hebben op ieder deel van 's menschen samengestelden aard
+en hem een helder denkbeeld geven van de wereld waarin hij leeft, van
+den menschelijken samenstel en van de mogelijkheden, welke daarin
+verborgen liggen.
+
+Voor alles dan begint het onderricht der Theosofie, het goddelijk weten,
+te spreken over het goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke
+betrekking van den mensch tot God. Het leert dat er een goddelijk
+Bestaan is, het Leven van al wat is; dat er slechts een goddelijk Leven
+is, een goddelijke werking, eene kracht, welke overal bestaat in het
+heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven van God zich bevindt,
+dat overal waar dieren voelen kunnen of menschen kunnen denken, het
+leven van God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en plantenrijk
+steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven alle dingen; in het geheele
+heelal is geen leven buiten het goddelijk Leven. Dit eene Bestaan ligt
+ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de Theosofie begint met
+het leeren van een grondeenheid, een wet van eenheid, van een-zijn alom;
+en deze eenheid spruit voort uit God, die de eene bron is van alle
+bewustzijn, waar ook dat bewustzijn worde gevonden. De ontwikkeling van
+het bewustzijn in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden hunnen
+oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend tot zelf-bewustzijn,
+komt voort uit een bron, een oorsprong. Alle bewustzijn is een, wij
+kunnen het eene niet scheiden van het andere, en de menschen van elkaar
+vervreemden alsof zij tegenover elkander stonden--zij komen allen van
+denzelfden stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde Leven, zij zijn
+allen een uitdrukking van hetzelfde goddelijk Bestaan. Deze eenheid van
+bewustzijn is eene uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht in
+het heelal.
+
+Maar niet alleen alle bewustzijn is een, ook alle kracht is een, en hier
+stemt de wetenschap in met de Theosofie: er is slechts een groote
+werking in het heelal; alle vormen van werking en kracht welke wij
+waarnemen, zijn in den grond een. Zij kunnen in elkander omgezet worden;
+alle vormen van werking welke de wetenschap bestudeert, alle krachten
+welke wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of plantenrijk,
+hetzij bij dier of mensch, al deze krachten zijn een in hunnen aard.
+Slechts hun uitdrukking, hun wijze van openbaring is verschillend, bij
+nader onderzoek blijken zij allen een te zijn: eene kracht, juist zooals
+er een bewustzijn is.
+
+Een derde uitdrukking van de wet van eenheid is de eenheid van stof.
+Alle stof is een, hoe verschillend ook de vorm wezen mag welke zij
+aanneemt. Er is slechts een grondstof en alle scheikundige elementen
+zijn daaruit opgebouwd. Al wat wij om ons waarnemen: vaste lichamen,
+vloeistoffen, gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde,
+slechts verschillend in de rangschikking van zijn deelen. Wij vinden
+door de geheele wereld heen een eenheid, eenheid van bewustzijn en
+leven, eenheid van kracht, eenheid van stof, en deze drie eenheden zijn
+de uitdrukkingen van het goddelijk Bestaan, zij komen alle uit het eene
+Leven, het Leven van God.
+
+Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en van stof kunnen wij een
+gevolgtrekking maken. Daar er slechts een stof is, slechts een kracht,
+slechts een bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een broederschap;
+zij zijn allen gemaakt uit dezelfde bouwstoffen, zij zijn allen bezield
+door dezelfde kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij
+zien dat het geheele heelal een groote broederschap vormt, waarin de
+verschillende schepselen in verschillende staten van ontwikkeling zijn,
+maar allen worden saamgebonden door de eenheid van stof, van kracht, van
+bewustzijn. In deze alomtegenwoordige grond-eenheid wortelt het begrip
+"broederschap", en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van
+hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander kunnen blijven staan.
+Er moet een gemeenschappelijk goed zijn voor ons allen, een
+gemeenschappelijke ontwikkeling waarin wij allen deelen, een
+gemeenschappelijk doel waarnaar wij allen streven, en alle gedachten van
+naijver of vijandschap, alle gedachten welke de menschen denken, alsof
+zij elkanders bestrijders zijn in plaats van elkanders helpers en
+broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande het wezen van God
+en van den mensen. De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt de
+broederschap tot een noodzakelijk feit in de natuur.
+
+Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder uitwerken, bevinden wij dat
+deze broederschap zich toont in alle betrekkingen, waarin wij tot
+elkander komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking de eenheid van
+stof heeft tot de broederschap der menschen. Onze lichamen zijn
+opgebouwd uit wat wij "stof" noemen, en wij weten, dat ons lichaam
+voortdurend zijn bouwstoffen hernieuwt, dat ons lichaam heden niet
+hetzelfde is, als het gisteren was of verleden week of de vorige maand,
+of als het morgen zijn zal of de volgende week of maand.
+
+Ons lichaam verandert voortdurend van bestanddeelen. Kleine deeltjes
+ervan, zoo klein dat zij onzichtbaar zijn voor het oog, komen en gaan
+ieder oogenblik. Wanneer wij ons lichaam zeer sterk vergroot zagen,
+zouden wij een stroom van deeltjes ervan zien uitgaan, en een stroom van
+deeltjes er heen zien komen, een stroom van komen en gaan, welke ons
+lichaam op ieder oogenblik van het leven verandert. Wanneer nu menschen
+elkaar ontmoeten, zooals wij hedenavond bijeen zijn gekomen, wisselen de
+deeltjes onzer lichamen onderling, deeltjes van uwe lichamen hechten
+zich vast aan het mijne, deeltjes van mijn lichaam gaan en worden
+opgenomen in dat van u, zoodat wij, wanneer wij de zaal verlaten, geen
+van allen hetzelfde zijn gebleven als toen wij binnenkwamen. Onze
+stoffelijke lichamen hebben een deel van de bouwstoffen waarvan zij
+gemaakt zijn, gewisseld. Ieder van u heeft iets aan zijn buren gegeven,
+ieder van u heeft iets van zijn buren ontvangen. Dit nu maakt dat er
+tusschen ons een zeer daadwerkelijke stoffelijke broederschap bestaat.
+Indien wij op deze wijze van deeltjes onzer lichamen wisselen, zijn wij
+broeders naar het lichaam, hetzij wij het willen of niet. Wij kunnen
+niet nalaten op elkander invloed te oefenen, hetzij ten goede of ten
+kwade. De gezonde persoon verspreidt zijn gezondheid, waar hij ook gaat,
+de zieke verspreidt zijne ziekte overal waar hij komt; deze wisseling,
+deze overgang legt tusschen ons allen een band, die maakt dat het
+lichamelijk welzijn onzer medemenschen van belang is voor ons allen.
+
+Nu bouwen wij ons lichaam op door voedsel, drank, lucht en door het
+leven dat wij leiden. Indien gij in uw lichaam onrein voedsel brengt,
+onreinen drank, indien gij uw huis en uw kleeding niet rein houdt,
+trekt gij tot uw lichaam deeltjes, welke gij vergiftigt en vervolgens
+zendt gij die giftige deeltjes weer uit naar uwe medemenschen, zoodat
+een mensch die slechte, onreine dingen eet of drinkt, die ongezond is of
+onrein, op al zijne medemenschen een overeenkomstigen invloed uitoefent.
+Ieder mensch die alkohol, wijn of dergelijke giftige dranken gebruikt,
+beleedigt het lichaam van zijnen medemensen even goed als zijn eigen.
+Wij kunnen ons leven niet van dat van anderen scheiden, maar zijn
+genoodzaakt te leven als een groot huisgezin; al wat een van ons
+schaadt, schaadt daardoor het geheel. Wanneer wij dit inzien, kunnen wij
+niet langer onverschillig blijven voor de armoede en ellende om ons
+heen, want wij weten dat zoolang nog een mensch in de maatschappij arm
+is en ellendig en uitgehongerd, niemand volmaakt gezond en zuiver kan
+zijn en zijn lichaam bewaren kan in den best mogelijken staat. In ieder
+volk waarin men menschen vindt die lijden door armoede en ellende en
+stoffelijke ontaarding, moet elk lichaam zijn deel ontvangen van de
+ellende dier armen. De menschen zullen het misschien niet bemerken of
+begrijpen, maar hun lichaam is minder gezond wegens de ziekte, die
+rondwaart in de armere wijken der stad, onder de lichamen hunner armere
+medemenschen. Geen volk is zoo gezond als het zijn kan, zoolang een
+zijner kinderen ziek is, van geen land kunnen de bewoners volmaakte
+lichamen hebben, zoolang er nog een honger lijdt. De stoffelijke ellende
+in de maatschappij is een zaak die allen ter harte moet gaan en niet
+slechts hun alleen die er onmiddellijk onder lijden. Wij zijn broeders
+naar het lichaam en genoodzaakt hun leed mede te dragen.
+
+De broederschap van lichaam is echter niet de eenige band tusschen ons.
+Er is een broederschap van aandoeningen en gevoelens even goed als van
+lichaam. Wij oefenen ook invloed op elkander uit door onze gevoelens. Al
+wat ik gevoel werkt ook op u in, al wat gij gevoelt, werkt op mij in. De
+geheele dampkring is vervuld van trillingen, gemaakt door de gevoelens
+en hartstochten der menschen. Ook op deze wijze oefenen wij zonder het
+te weten invloed op elkander uit en indien gij er op let, kunt gij het
+door eigen ondervinding waarnemen. Hebt gij nooit opgemerkt, hoe wanneer
+een persoon in een gezelschap slecht gehumeurd is, die stemming zich
+verspreidt over de anderen, hoe een knorrig persoon in huis iedereen min
+of meer wrevelig stemt? Hebt gij nooit waargenomen hoe wij in de
+nabijheid van sommigen een gevoel krijgen van vrede en rust, een gevoel
+alsof alles ons gemakkelijk zou vallen, terwijl anderen alleen door hun
+nabijheid ons knorrig maken en alles somber doen schijnen en zwaar? Het
+is de broederschap onzer aandoeningen, die op deze wijze voortdurend op
+ons inwerkt en de reden waarom dit mogelijk is ligt hierin, dat de
+mensch behalve het zichtbare lichaam nog een lichaam heeft van fijnere
+stof, welke wij astrale stof noemen en deze astrale stof, welke van een
+hoogeren graad van fijnheid is, trilt uiterst gemakkelijk en vlug. Door
+onze gevoelens nu wekken wij trilling op, welke die astrale stof aandoet
+en welke andere menschen in hun astraal lichaam doet beantwoorden aan
+het gevoel dat in ons astraal lichaam die trilling veroorzaakt heeft.
+Ieder van u heeft in en om zijn stoffelijk lichaam een wolk of mist van
+deze fijne astrale stof, veel schitterender dan het stoffelijk lichaam
+zelf, juist alsof zich rondom u een wolk bevindt, waardoor kleurenspel
+van elektrisch licht zichtbaar is. Het astrale lichaam is helder en vol
+kleuren, kleuren als van den horizon bij den opgang of ondergang van den
+zon. Evenals gij dan in de lucht soms wolken zien kunt, welke door den
+zon worden gekleurd, zien de menschen, die meer dan het stoffelijke
+waarnemen kunnen, rondom ieder van u een gekleurde wolk, maar in plaats
+van door den zon, wordt die wolk gekleurd door uwe gevoelens, uw
+aandoeningen, uwe hartstochten, en zoodra een gevoel, eene aandoening in
+u opkomt, kleurt zich de wolk rondom u en trilt zij met groote snelheid,
+en deze trilling straalt van u uit en wekt in het astrale lichaam van
+anderen gelijke trillingen op, zoodat zij hetzelfde gevoelen als gij.
+Wij oefenen daardoor, wanneer wij in elkanders nabijheid vertoeven,
+invloed op elkaar uit door onze gevoelens even als door onze gezondheid
+of ziekte, en wij zijn evenzeer door een broederschap van gevoelens
+verbonden als door een broederschap van het stoffelijk lichaam, en die
+broederschap van gevoelens uit zich door middel van het astrale lichaam,
+het lichaam der aandoeningen dat steeds in beweging is, steeds in
+trilling en hoe sterker onze gevoelens zijn, des te krachtiger oefenen
+wij er invloed door uit op anderen.
+
+Er is nog een derde wijze, waarop zich de broederschap openbaart en wel
+in ons denkvermogen. Wij leven evengoed in broederschap van gedachten
+als in gevoels-broederschap. Wanneer wij denken oefenen wij invloed uit
+op de gedachten der menschen om ons heen. Wanneer wij denken, zenden wij
+als het ware elektrische stroomen uit, die werken op het denken van
+anderen, en zij krijgen betere of slechtere gedachten al naar den aard
+onzer eigene gedachten. Terwijl ik tot u spreek, gebruik ik mijn
+stoffelijk lichaam, mijn stem, ook hoort gij mij met uw stoffelijk
+lichaam, met uw ooren, maar dit is niet het eenige, wat u en mij
+verbindt. Behalve mijn stem die gij hoort, gaan er van mij trillingen
+uit, gevoelstrillingen die u er toe nopen te luisteren en uwe aandacht
+te schenken. Deze trillingen worden soms magnetisch genoemd, en daar zij
+uit mijn astraal lichaam voortkomen, oefenen zij invloed uit op het uwe.
+Behalve deze wisselwerking tusschen onze stoffelijke en astrale lichamen
+is er nog wisselwerking van denkvermogen. Mijn denkvermogen zendt
+stroomen uit tot het uwe en vormt beelden welke gij met uw denkvermogen
+waarneemt, niet met uw stoffelijke oogen. Zoolang ik spreek, zend ik
+voortdurend die denk-beelden uit, zoodat de woorden gemakkelijker voor u
+zijn te begrijpen wegens den onmiddellijken invloed, dien ik uitoefen op
+uw denkvermogen. Deze inwerking der menschelijke gedachte op anderen
+vindt onophoudelijk plaats, en wanneer iemand invloed tracht uit te
+oefenen op een ander is die werking veel sterker dan wanneer hij als het
+ware slechts voor zich zelf denkt. Deze beelden welke ons denkvermogen
+vormt en welke de menschen waarnemen door het hunne, brengen het
+grootste deel onzer gedachten over aan anderen en stellen ons in staat
+elkander beter te kunnen begrijpen dan alleen door stoffelijke
+mededeeling mogelijk is. Deze invloed welken ons denkvermogen op anderen
+uitoefent bestaat steeds, niet alleen wanneer iemand tot anderen
+spreekt, maar ook in het gewone dagelijksch leven. Wanneer gij denkt,
+zijn alle menschen om u heen min of meer geneigd op dezelfde wijze te
+denken en hoe sterker uw denkkracht is, des te grooter invloed oefent
+gij op hen uit. Hebt gij wel eens opgemerkt hoe dikwijls, wanneer gij
+met iemand samenwoont, gij beiden over hetzelfde onderwerp denkt, en
+wanneer de een zijn gedachte uitspreekt, zegt de ander: "Daar dacht ik
+juist ook aan." Dit is dikwijls het geval met man en vrouw, broeder en
+zuster, vriend en vriend, en vaak beslist slechts toeval, wie het eerst
+spreekt. Wie dan het eerst zijn gedachte in woorden kleedt, bemerkt dat
+de ander in dezelfde richting gedacht heeft. Op deze wijze kunnen wij
+elkander veel goed doen en veel kwaad. Goed wanneer wij edel denken en
+rein, kwaad wanneer wij laag, gemeen en slecht denken. Vele menschen
+denken dat als zij slechts doen wat goed is, als zij maar geen grove
+woorden gebruiken, het er niet toe doet hoe zij denken: gedachten zijn
+tolvrij. Dit is onjuist: onze gedachten oefenen een veel grooteren
+invloed uit op onze medemenschen dan onze woorden, en een slecht mensch,
+die slecht denkt, vergiftigt alle menschen met wie hij in aanraking
+komt; hij oefent een slechten invloed uit zonder iets anders te doen dan
+in onze nabijheid te zijn. En evenzoo is men, indien men goede
+gedachten kweekt, overal waar men gaat tot zegen. De menschen om ons
+heen zullen zelf goede gedachten krijgen zonder te weten waarom. Onze
+invloed zal hen goed doen denken. Op deze wijze is er broederschap van
+denken evengoed als broederschap van gevoel en van lichaam.
+
+Zie dan hoe veel er voortvloeit uit dit denkbeeld van de eenheid van al
+wat is, hoe sterk deze eenheid zich doet gevoelen in het leven, hoe wij
+naarmate wij die eenheid doorgronden, nuttiger worden voor elkander dan
+te voren, hoe wij leeren dat wij invloed uitoefenen op onze medemenschen
+door onze lichamen, onze gevoelens en onze gedachten, en hoe wij op deze
+drie wijzen elkander kunnen helpen. Zoo leeren wij de natuurwet en
+passen die dan toe om onze broeders te helpen en de wereld door ons
+leven beter te maken. Deze eenheid, uitgewerkt zooals ik het thans heb
+gedaan, is een der groote leeringen van de Theosofie.
+
+Laat ik thans een tweede groote leering nemen, die welke zegt dat uit
+God de zielen der menschen zijn voortgekomen, dat het leven van God
+iederen mensch gegeven is, opdat hij zich ontwikkelen moge tot een
+volmaakt wezen, gelijk God zelf. Gij zult u herinneren dat Jezus, toen
+hij sprak tot de menigte, een merkwaardig gebod gaf: "Weest dan
+gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is."
+[Voetnoot: Mattheues 5,48] De Vader in den hemel nu is God, het goddelijk
+Wezen, en Jezus leerde aan zijne leerlingen en aan de volksmenigte dat
+zij volmaakt moesten zijn gelijk God. Nu is God volmaakt in kennis,
+volmaakt in kracht, volmaakt in liefde. Hoe kan de mensch volmaakt zijn
+in kennis en in kracht en in liefde, gelijk God volmaakt is? Toch was
+dit het gebod dat Jezus gaf en als Jezus sprak, zeide hij slechts wat
+waar was en mogelijk. Hij zou het niet hebben gezegd als deze volmaking
+onmogelijk was voor den mensch. De vraag waartoe wij van zelf komen is
+dan deze: hoe is het mogelijk, en is het mogelijk voor ieder of slechts
+voor eenige menschen? En het antwoord dat de Theosofie geeft is: het is
+mogelijk voor ieder, niet slechts voor enkelen; voor ieder is het
+mogelijk volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, de mensch is
+werkelijk gemaakt naar het goddelijk beeld, dat wil zeggen hij is de
+juiste weerkaatsing van God. Laten wij eerst een uiterst geval
+beschouwen; een zeer onontwikkelden wilde, zoo laag ontwikkeld dat hij
+het goede nog niet kan onderscheiden van het kwaad, dat hij nog niet
+weet dat het kwaad is te stelen of te liegen of te moorden, dat hij al
+deze dingen geoorloofd vindt. Waarom zou hij niet stelen als hij iets
+noodig heeft dat hem niet toebehoort? Waarom zou hij niet liegen als hij
+daardoor kan krijgen wat hij begeert? Waarom zou hij niet moorden als
+hij sterk genoeg is het te doen en verlangt zijnen vijand te dooden? Die
+wilde ziet geen kwaad in moorden en liegen en stelen. Hij denkt dat het
+goed is, of liever: hij denkt er in het geheel niet over. Hij wil het
+doen. Derhalve doet hij het, en het komt nooit in hem op te vragen: "is
+het goed dat ik moord of lieg of steel?" Hij onderzoekt niet of wat hij
+wil doen geoorloofd is. Hij wil het doen en dat is alles waar hij om
+geeft. Waartoe zou het dienen zulk een mensch te zeggen, volmaakt te
+zijn zooals God volmaakt is? Hij is zelfs nog niet in staat, kwaad te
+onderscheiden van goed; hoe zou hij dan volmaakt kunnen zijn?
+Verstandelijke vermogens zijn in hem nog niet ontwikkeld, hij kan niet
+verder tellen dan twee, hij kan geen gevolgtrekking maken, begrijpt niet
+wat een gevolgtrekking is. Hij heeft geen geheugen en herinnert zich
+niet wat gisteren gebeurde, noch kan hij berekenen wat morgen gebeuren
+zal. Hij is in verstandelijk opzicht even dom als hij zedelijk laag
+staat. Wat wilt gij met zulk een mensch doen? Hij ziet er niet uit als
+"het beeld van God" en er schijnt niet veel kans dat hij volmaakt zou
+worden gelijk God volmaakt is. Als hij sterft, bezit hij noch verstand,
+noch zedelijk gevoel. Wat wordt er van dien mensch? Wanneer hij sterft
+en een ander leven intreedt, zonder zijn lichaam, een soort van
+middenleven tusschen deze aarde en den hemel, is er niet veel in hem dat
+omhoog kan stijgen, want zijn ziel is zwak en onontwikkeld. Zij is nog
+slechts een kiem. Hij kende het goed nog niet van het kwaad. Hij kon nog
+niet denken. De ziel nu is de kracht in den mensch die denkt en het
+goede onderscheidt van het kwaad en de ziel van zulk een wilde is
+slechts een embryo, nog volstrekt onontwikkeld. Wanneer hij sterft en
+uit het lichaam treedt, is hij in de wereld, volgende op de stoffelijke,
+in de astrale wereld, waar de dierlijke aard werkelijk thuis behoort. De
+dierlijke aard nu van den wilde is zeer sterk. Deze was het die hem deed
+moorden en liegen en stelen, omdat de dierlijke aard sterk was en de
+ziel nog zwak en jong. Wanneer hij nu na den dood deze astrale wereld
+binnentreedt, terwijl de dierlijke aard in hem nog sterk is, ondervindt
+hij dat hij ze daar niet meer kan bevredigen, zooals hij kon terwijl hij
+in het lichaam woonde, dat hij dat soort genot dat hij op aarde vond,
+daar niet verkrijgen kan, dat hij met zijn lichaam het werktuig verloren
+heeft, waardoor zijn dierlijke aard zich kon uiten. Zoo leert hij,
+wanneer hij uit het lichaam is getreden, dat hij de zucht naar genot van
+zijn dierlijken aard op den langen duur niet kan voldoen, dat datgeen
+wat hem in het lichaam genot schonk, hem daarbuiten smart geeft in
+plaats van genot. Zoo leert de jonge ziel deze eerste les door
+ondervinding in het aardleven en na den dood. Daarop gaat de ziel naar
+de hemelsche wereld. Veel is er nog niet dat deze jonge ziel in den
+hemel kan vinden, maar toch leert zij een weinig door een tijd in die
+wereld te vertoeven. Toen de wilde nog op aarde leefde, gevoelde hij
+wellicht eenige liefde voor vrouw of kind, en deze liefde leert hem een
+nuttige les. Wanneer hij de hemelsche wereld bereikt, is die liefde nog
+met hem; en hij ondervindt dat deze blijft en hem genot schenkt in die
+hoogere wereld. Hij bevindt dat de weinige goede gevoelens, dat iedere
+aandoening welke iets in zich had dat goed was en rein, bij hem is,
+wanneer al het andere achterblijft, dat de liefde blijft wanneer alle
+hartstocht is uitgestorven. Wanneer hij een tijdlang in den hemel
+vertoefd heeft, en zijn liefde in de hemelsche gebieden is toegenomen in
+kracht, komt het oogenblik, waarop de ziel terug moet keeren tot het
+aardleven, opnieuw moet worden geboren in een lichaam, een weinig beter
+dan het lichaam dat zij vroeger bezat. Want de ziel is een weinig
+gegroeid en heeft een beter lichaam noodig dan het vorige dat zij
+bewoonde. Zij is een weinig gegroeid, heeft geleerd een weinig meer
+liefde te koesteren, heeft een weinig geleerd door hare ondervinding in
+deze wereld en in de twee werelden aan gene zijde van het graf. Zij is
+een weinig ouder geworden en wijzer en heeft om nieuwe ondervinding op
+te doen een beter lichaam noodig, wanneer zij terugkomt. Na in dat beter
+lichaam geboren te zijn, leert zij een weinig meer dan in het vorige.
+Zij heeft geleerd dat stelen en moorden niet goed is, en wanneer een
+leeraar of oudere bloedverwant tot het jonge kind, dat reeds deze
+ondervinding heeft opgedaan, zegt: "Gij moet niet stelen, niet liegen,
+niet moorden," zal deze ziel, die op aarde teruggekeerd is met de
+ondervinding die zij heeft opgedaan, deze leering kunnen beantwoorden en
+zeggen: "Ja, het is waar, ik moet niet stelen, niet liegen, niet
+moorden, ik zie in dat dit alles verkeerd is." Waarom ziet die ziel nu
+in dat het verkeerd is, terwijl zij het den vorigen keer niet inzag?
+Omdat de ziel in dien tijd is gegroeid, omdat zij ondervonden heeft dat
+stelen ongelukkig maakt. En deze ondervinding bot als zedelijke
+eigenschap uit, wanneer de ziel in een stoffelijk lichaam wordt
+weergeboren. De kinderen, die thans in ons midden ter wereld komen,
+worden niet geboren zooals de volkomen onontwikkelde wilde, waarover ik
+sprak, niets wetende van goed en kwaad. Zoodra gij hen onderwijst,
+begrijpen zij het verschil tusschen kwaad en goed en het is gemakkelijk
+hun te leeren, daar hunne zielen ouder zijn en reeds vele aardlevens
+doorleefd hebben, waarin zij ondervinding hebben opgedaan en verzameld,
+en die ondervinding hebben omgezet in wat wij geweten noemen, in
+aangeboren begrip van goed en kwaad. Deze groei van de ziel gaat door,
+leven na leven, honderde keeren, zoodat de ziel, wanneer zij in een
+stoffelijk lichaam ter wereld komt, na reeds honderde levens te hebben
+doorgemaakt, vele vermogens in zich heeft. Zij komt ter wereld met
+zekere verstandelijke kracht, met zekeren aanleg voor kunst, met
+zedelijke eigenschappen. Ieder uwer werd geboren met het vermogen te
+denken, zoodat gij met vrucht kondt worden opgevoed; en misschien met
+eenige artistieke kracht, met talent voor schilderen, voor
+beeldhouwkunst of muziek. Gij bracht die vermogens met u, en toondet ze
+reeds als kind, zoodat uw opvoeding kon worden ingericht op een wijze
+die geschikt was om de vermogens die gij medebracht, te kunnen
+ontwikkelen. Deze vermogens, welke de kinderen meebrengen en in
+overeenstemming waarmede wij hun opvoeding behooren te regelen, hebben
+zij gewonnen in herhaalde aardlevens in het verleden, en telkens
+gedurende hun leven in de hemelsche wereld hebben zij die vermogens
+verbeterd en doen toenemen in kracht, en bij iedere geboorte op aarde
+brengen zij ze mede op een hoogeren trap van ontwikkeling dan den
+vorigen keer.
+
+Op deze wijze groeit de ziel door voortdurend herhaalde wedergeboorte
+op aarde en naarmate zij groeit wordt zij meer en meer gelijk God. Na
+langen, langen tijd wordt de ziel op aarde geboren als een kind met een
+zeer goed karakter, misschien als genie, misschien bijna volmaakt uit
+een zedelijk oogpunt. Enkele kinderen worden zoo goed geboren dat hunne
+opvoeding bijzonder gemakkelijk is, onzelfzuchtig, vriendelijk en
+liefdevol, anderen ter wille. In deze kinderen wonen zielen die oud
+zijn, zielen die reeds vele malen op aarde geweest zijn, en geleerd
+hebben onzelfzuchtig en vriendelijk te zijn en hunne medemenschen lief
+te hebben, zoodat zij thans bij hun geboorte zulk een karakter toonen.
+Zij behoeven niet meer te leeren wat goed is, zij weten het van de wieg
+af, juist zooals andere kinderen reeds in hun prille jeugd genien
+blijken. Wanneer de ziel zulk een standpunt bereikt heeft, is het
+oogenblik daar waarop haar ontwikkeling zeer kan worden versneld, het
+oogenblik, waarop bijzondere leering zal komen op haren weg, waarop haar
+bijzondere gelegenheden zullen worden geboden, sneller te kunnen
+ontwikkelen en groeien; dan komt wat de "geestelijke geboorte" genoemd
+wordt, de geboorte naar den geest waarvan Jezus sprak toen hij zeide dat
+geen mensch het koninkrijk Gods kon kennen, tenzij hij was geboren naar
+den geest. De menschen worden telkens en telkens geboren naar den
+vleesche; zij worden slechts eens geboren naar den geest en wanneer een
+mensch geboren is naar den geest, zegt men dat de Christus in hem
+geboren is. Gij zult u herinneren dat Paulus in een zijner brieven
+schreef, dat de Christus geboren moest worden in de ziel; dit nu is de
+groote "tweede" geboorte, die het begin is van de ontwikkeling van den
+Christus in den mensch. Alle vroegere ontwikkeling heeft hem slechts
+doen groeien tot een goed en knap mensch, verstandig en krachtig en
+zedelijk, maar na de geestelijke geboorte wordt hij geestelijk, en
+begint hij het leven te leiden van den Christus. Hij wordt vol
+mededoogen voor allen, vol liefde en vol van den wil zijn medemenschen
+te helpen. Hij ontwikkelt in zich den aard van den Christus, hij gevoelt
+de broederschap die hem met allen verbindt, hij gevoelt dat hij een is
+met alle menschen, dat zij allen leden zijn van zijn huisgezin, dat zij
+allen hem na-staan, als een deel van hemzelf, een deel van zijn eigen
+leven. Naarmate de Christus zich in den mensch ontwikkelt, nadert hij de
+volmaking. Hij wordt meer en meer vrij van zonden, hij verkrijgt meer en
+meer inzicht in alle geestelijke waarheid, hij omvat meer en meer van
+het goddelijk leven en drukt dit uit in zijn leven op aarde. Dit
+tijdperk in de menschelijke ontwikkeling is dat van geestelijken groei,
+niet van verstandelijken of zedelijken vooruitgang. Het komt na dezen
+vooruitgang en brengt de gelijkenis van God en den mensch tot volkomen
+volmaking. Wanneer de mensch zoo gedurende langen tijd heeft geleefd,
+vrij van zonde, terwijl hij goed doet aan ieder, allen met wie hij in
+aanraking komt helpt, vol wijsheid en inzicht in alle geestelijke
+waarheid, heeft hij het standpunt bereikt waarop Jezus doelde toen hij
+zeide: "Weest dan gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen
+is volmaakt is." Dit zou onmogelijk zijn indien de mensch niet gedurende
+honderde levens tot die hoogte kon klimmen. Voor den wilde, over wien ik
+u gesproken heb, zou het niet mogelijk geweest zijn, in een leven
+volmaakt te worden, te worden gelijk God. Maar zonder twijfel is het
+mogelijk, wanneer hij leven na leven op aarde terugkeert, leven na leven
+verbetert en groeit, totdat de ziel van een klein zaadje gegroeid is tot
+een machtigen boom, na talrijke eeuwen van levens. En evenals de eik
+door zijne bladeren die hij ontplooit, den geheelen zomer voedsel
+verzamelt, en dit voedsel uit de bladeren voert tot takken en stam, en
+in den herfst de bladeren afvallen en sterven, maar de boom door het
+opgenomen voedsel gegroeid is--- zoo ook zendt de menschelijke ziel een
+lichaam uit, gelijk de boom zijne bladeren, en verzamelt ondervinding
+door het vergankelijke lichaam, gelijk de boom door de bladeren zijn
+voedsel. Al die ondervinding neemt de ziel in zich op: het lichaam
+sterft wanneer zijn tijd daar is, maar de ziel groeit door de opgedane
+leering en nadert de volmaking.
+
+Dit is wat de Theosofie leert omtrent den groei der ziel, en gij hebt
+gezien dat wij gekomen zijn tot de gevolgtrekking, dat de mensch
+volmaakt kan worden, en de vraag zal bij u opkomen: "Wat moet de
+volmaakte mensch doen met zijne volmaking?"
+
+Hij moet zijn medemenschen helpen. Zij die volmaakt zijn geworden zijn
+degenen die wij Meesters noemen. Zij zijn de Leeraars der groote
+godsdiensten, zij zijn het die tot de wereld komen om den menschen te
+leeren hoe te leven, hoe sneller te groeien. Zelf volmaakt geworden,
+blijven zij anderen leeren hoe de volmaking te bereiken. Jezus, die
+zelf volmaakt is, bleef op aarde ten einde den menschen te leeren hoe
+zij volmaakt konden worden en gelijk aan Hemzelf. En de Theosofie leert
+dat deze volmaakte menschen nog heden bereikt kunnen worden. Zij zijn
+niet ver weg in den hemel, maar hier op aarde. En wij kunnen hen vinden,
+indien wij den juisten weg inslaan; en de eenige weg om hen te vinden is
+te trachten hun gelijk te worden. Misschien hebt gij wel eens in de
+geschriften van de heiligen der Christelijke kerk gelezen, hoe Jezus tot
+hen kwam en hun leerde; en dan hebt gij steeds gedacht dat dit droomen
+waren of verzinsels. Toch is dit niet het geval. Wat zij schreven is
+letterlijk waar, en het zou ook voor ons waar kunnen zijn zooals het
+waar was voor hen, want gij kunt een heilige worden zoo goed als ieder
+ander mensch, die leefde in de middeleeuwen of in de eerste eeuwen der
+Christelijke kerk. Waarom zouden niet de tegenwoordige Christenen heilig
+worden kunnen gelijk die van vroeger, waarom zouden zij den Christus
+niet kennen zooals Hij gekend werd in de vroegste tijden der kerk,
+waarom zouden zij niet in staat zijn Hem te spreken en van Hem te
+leeren, zooals de menschen in die oude dagen deden, toen Hij leefde
+onder de menschen en zooals zij het nog deden, vier of vijf eeuwen
+daarna? De ziel der menschen is thans niet zwakker dan toen, de ziel der
+menschen is in staat nog heden te doen, wat zij toen in staat was te
+volbrengen. Het is slechts de kennis die u ontbreekt, hoe het te doen en
+den krachtigen wil, welke u moed tot volharden kan geven. De Theosofie
+is daar om u de kennis te geven van den weg, waarlangs wij de groote
+Leeraars kunnen bereiken, en met die kennis geeft zij ons den moed en
+den wil en het geduld tot volharden.
+
+Veel van wat ik u hedenavond heb gezegd zal voor sommigen uwer nieuw
+schijnen en vreemd. Toch is het niet nieuw maar over-oud, zoo oud dat de
+menschen het hebben vergeten; en niet vreemd, zooals gij bij nadere
+studie zult vinden. Ik heb u hedenavond niets gezegd, dat ik niet _weet_
+dat waar is en de weg dien ik gevolgd heb om tot weten te komen, is de
+weg dien de Theosofie aanwijst. Door het volgen van hare voorschriften
+ben ik in staat geweest hetzelfde te doen wat in de Christelijke kerk
+gedaan werd, vele eeuwen geleden, en wat in alle andere godsdiensten
+mogelijk is geweest, lang voordat het Christendom was gesticht. Al deze
+dingen zijn altijd bekend geweest, deze weg is altijd betreden door de
+weinigen; en zij die hem betraden waren de menschen, die de waarheden
+van den godsdienst wisten door eigen waarneming--niet uit de tweede
+hand. Het doel der Theosofische Vereeniging is, u te helpen in het
+verkrijgen van eerste-hands kennis en hoewel de dingen die ik u gezegd
+heb misschien onbekend mogen wezen en schijnen onmogelijk te kunnen
+worden bewezen, kunnen zij alle bewezen worden door ieder uwer die
+begeert te onderzoeken, en zich dezelfde moeite wil geven, welke door
+sommigen onzer is gedaan. Dan zult gij de werkelijkheid der
+wedergeboorte op aarde weten, niet slechts gelooven, dan zult gij de
+wijze kennen, waarop de ziel langzamerhand groeit tot volmaking, dan
+zult gij weten dat deze Leeraars nog levende menschen zijn en nog steeds
+leering geven willen aan leerlingen die tot hen komen. De Theosofie is
+inderdaad een studie. Ik vraag u niet haar te gelooven, ik vraag u niet
+haar aan te nemen zonder begrijpen, ik vraag u slechts te onderzoeken,
+zooals ik onderzocht heb. Gij kunt tot weten komen zooals ik ben gekomen
+tot weten. En ik weet, dat wanneer al deze dingen voor ons eerste-hands
+kennis worden, niets in de wereld ons meer werkelijk ongelukkig kan
+maken. De moeiten en zorgen, welke zoo vele menschen kwellen, worden ons
+niets, zelfs de dood, die scheiding te maken schijnt tusschen de
+menschen, kan voor ons geen scheiding meer brengen wanneer wij deze
+waarheden voor ons zelf bevestigd weten, omdat wij dan den sluier des
+doods kunnen oplichten, en de menschen aan de andere zijde kennen, even
+gemakkelijk als gij ze hier kent op aarde; zoodat de Theosofie u met de
+gelegenheid om deze dingen te onderzoeken de mogelijkheid biedt van
+grooter geluk dan den meesten menschen ten deel valt, van kennis die u
+sterk zal maken en krachtig, van een leven vol vrede en rust. Dat is de
+uitkomst van Theosofisch onderzoek, dat is het gevolg van het streven
+tot weten te komen, en mijn doel voor hedenavond was, eenigen van u te
+brengen tot diepere studie, opdat gij moogt komen tot de kennis der
+waarheid. En wanneer gij dan tot die kennis gekomen zult zijn, zult gij
+terugzien tot dezen avond en zeggen: Toen was het dat ik voor het eerst
+de leeringen der Theosofie vernam, waarvan de kennis in mijn geheele
+leven verandering heeft gebracht. Toen was het dat ik den grootsten
+schat vond, welken ik ooit heb gekend; want ik vond de kennis van God,
+die het eeuwige leven is, zonder welke het leven arm is en beperkt, met
+welke het leven oneindig wordt, vol van vreugde en vrede.
+
+
+
+
+#Esoterisch Christendom#
+
+
+Sommigen die niets weten van de Theosofische leeringen beschouwen de
+Theosofie als vijandig gezind jegens het Christendom. Zij denken dat
+iemand wanneer hij Theosoof wordt moet ophouden Christen te zijn. En
+wanneer zij vernemen dat de Theosofie zich in een land verspreidt, nemen
+zij als van zelf sprekend aan dat in dat land een nieuwe beweging tegen
+het Christendom is ontstaan, een beweging waarvoor geen Christen
+sympathie kan gevoeien. Deze zienswijze nu is geheel en al verkeerd. Hoe
+zou het mogelijk zijn dat de grondslag van alle godsdiensten de vijand
+was van eenigen godsdienst? Daar zij komt om het godsdienstig gevoel te
+versterken door kennis, kan de Theosofie niet ten doel hebben het geloof
+te ondermijnen, of te trachten het godsdienstig gevoel der menschen te
+doen wankelen. Integendeel: waar zij komt tot de menschen, vraagt zij
+hun niet hunnen godsdienst te verlaten, maar zij vraagt hun te pogen
+dien godsdienst te doorgronden in zijn diepere en meer geestelijke
+beteekenis. Zij komt tot den godsdienst om hem terug te geven wat hij in
+den loop der eeuwen heeft verloren, zij komt om de kennis terug te
+brengen, welke langzamerhand uit zijn gebied is geweken, zij komt om de
+zinnebeelden en riten van den godsdienst begrijpelijk te maken en aan
+hen wier geloof was geschokt door de aanvallen van het ongeloof een
+hechten en zekeren grondslag te schenken waarop hun geloof rusten kan,
+verheven boven de mogelijkheid van eenigen aanval, bekroond met goed
+gevolg.
+
+Wanneer ik dan hedenavond u toespreek uit naam der Theosofie, spreek ik
+als iemand die het Christendom beschouwt als een van de groote
+godsdiensten der wereld, die gelooft dat het in zich alles bevat wat
+noodzakelijk is voor den groei der menschelijke ziel, maar die tevens
+meent dat het algemeen verspreide Christendom van tegenwoordig zeer veel
+verloren heeft van wat het oorspronkelijk Christendom bezat, als iemand
+die gelooft dat het mogelijk is aan de kerk dat diepere, geestelijker
+inzicht in den godsdienst terug te geven, dat in den tegenwoordigen tijd
+uit het weten der Christenen verdwenen is.
+
+Reeds de naam van deze voordracht "esoterisch of innerlijk Christendom"
+zal waarschijnlijk door vele Christenen verworpen worden. Weinigen onder
+de hedendaagsche Christenen willen toegeven dat er een esoterisch
+Christendom bestaat, ja zelfs hoort men Christenen er zich dikwijls op
+beroemen dat hun godsdienst ten minste niets heeft dat teruggehouden en
+verborgen is. Dikwijls hoort men zeggen: de Christelijke godsdienst is
+zoo eenvoudig dat zelfs een kind, dat de meest onontwikkelde hem kan
+begrijpen en ik heb soms Christenen ontmoet die verontwaardigd werden
+over het denkbeeld, dat er in verband met hun geloof eenige kennis zou
+bestaan, welke teruggehouden wordt van den onwetende, welke niet
+openlijk aan de wereld wordt verkondigd, kennis zoo moeilijk te
+omvatten, dat de gewone menigte niet in staat zou zijn haar te
+begrijpen. En toch is het duidelijk dat als het waar is dat het
+Christendom niets anders te leeren heeft dan wat begrepen kan worden
+door het kind en door den onopgevoeden mensch, dit de erkenning in zich
+zou sluiten, dat het Christendom niet de waarheid bezit, dat het niet
+voldoende is voor den wijsgeer en den wijze. Want gij kunt het verstand
+van den wijsgeer niet tevreden stellen met dezelfde opvattingen welke
+voldoende zijn voor het kind en den polderwerker. Men kan niet
+verwachten dat de man van de wetenschap, de hoogontwikkelde denker,
+tevreden zal blijven met de enge en ruwe opvattingen, welke voor den
+onwetende niet slechts voldoende zijn, maar die voor hem veel meer
+geschikt zijn dan de verklaringen van den verheven wijsgeer. Neem
+bijvoorbeeld het begrip "God". Voor een kind moet gij van God een
+konkreet denkbeeld geven, anders kan het kind het niet bevatten. Indien
+gij tot hem spreekt in de taal der metafysika, indien gij tot hem
+spreekt over het absolute, het oneindige, indien gij hem vertelt van een
+oneindig leven, dat de geheele ruimte doordringt en de tallooze zonnen
+welke zich in het heelal bewegen in wezen houdt, indien gij hem zulk een
+beschrijving van de Godheid geeft, zult gij het kind slechts in
+verwarring brengen en geenerlei opvatting, welke door hem kan worden
+bevat, zal zijn ongeoefend brein bereiken door uw wijsgeenge taal. Zal
+het kind eenig denkbeeld krijgen van God dan moet de opvatting van het
+goddelijke tot hem komen in een gewone, menschelijke gedaante. Gij kunt
+hem leeren van een Vader, die teeder is en liefhebbend, want dit geeft
+hem een denkbeeld dat hem reeds bekend is door de liefde van zijn eigen
+vader. Gij kunt hem vertellen van den mensch Jezus, vol liefde en
+mededoogen; dit geeft hem het denkbeeld van een vriend, sterker en ouder
+dan hij zelf, die hem lief heeft en beschermt. Zoo kan het kind eenig
+denkbeeld ontvangen van God. Het goddelijke moet menschelijk worden
+gemaakt, het oneindige moet worden beperkt; slechts zoo kan het
+kinderhart worden bevredigd. Maar wanneer gij staat tegenover den
+wijsgeer, die onmiddellijk de bezwaren inziet welke er zijn tegen de
+beperking van het goddelijke binnen den menschelijken vorm, wanneer gij
+staat tegenover een man van de wetenschap die zich den God dien hij
+aanbidt denkt als een Leven dat de gansche ruimte doordringt, dat alle
+zonnen en planeten beheerscht, dat tegelijk het leven is van het heelal
+en het leven van het kleinste wezentje dat bestaat, voor wien de
+beperking in den menschelijken vorm godslastering wordt en
+bespotting--wanneer gij dan nog blijft bij de opvatting van het kind,
+zal de wijsgeer, de man van de wetenschap agnostisch worden of atheist.
+De erkenning van de waarheid, dat het godsbegrip moet beantwoorden aan
+de beperkingen van het menschelijk verstand, dat het denkbeeld dat de
+mensch van God heeft verschillend moet zijn naar gelang van de kracht
+van zijn verstand, naar den aard zijner aandoeningen, naar de diepte van
+zijn inzicht,--de erkenning van deze waarheid maakt het voor alle
+menschen mogelijk, God te aanbidden, want ieder mensch, hetzij onwetend
+of geleerd, ontvangt dan van de goddelijke kennis juist zooveel als hij
+in staat is op te nemen in hoofd en hart. Ieder mensch houdt als het
+ware het vat zijner eigene ziel tot God omhoog. Is de ziel klein en
+beperkt, dan kan zij slechts weinig van de goddelijke kennis bevatten;
+indien de ziel groot is en ontwikkeld, kan zij meer bevatten van het
+goddelijk leven. Klein waarlijk in vergelijking met dien machtigen
+oceaan is het grootste verstand, de grootste wijsheid des menschen, maar
+toch heeft dit verstand het recht een opvatting te eischen, die noch te
+hoog is noch te laag, en slechts door een esoterischen godsdienst kunnen
+de ontwikkelden en wijzen gehouden worden binnen de grenzen der kerk.
+Dit is in het verleden altijd bekend geweest. Geen godsdienst der
+oudheid gaf aan alle menschen leering in denzelfden vorm. Onder de
+Hindoes, de Chineezen, de Boeddhisten, de Egyptenaren, de Grieken,
+overal vindt gij verschil van leering voor de menigte der
+onontwikkelden, en de kleine minderheid der ontwikkelden. Toen het
+Christendom aan de wereld werd gegeven, toen Jezus kwam als een
+boodschapper der waarheid en de stichter van een nieuwen vorm van
+godsdienst, trad hij in de voetstappen zijner voorgangers en verdeelde
+zijn leer in twee deelen, het eene voor de menigte, het andere voor de
+verlichten. Ik wensch u van deze bewering het bewijs te leveren door een
+aantal bewijsgronden, wier gewicht gij voor u zelf kunt schatten. Ik zal
+u aantoonen, eerstens uit de woorden van Jezus zelf, dat hij die
+onderscheiding maakte; dan uit de woorden zijner apostelen dat ook zij
+die verdeeling erkenden, vervolgens dat die apostelen ze overdroegen
+aan het geslacht dat na hen kwam, en eindelijk dat diezelfde verdeeling
+der leeringen in tweeen door de bisschoppen en kerkvaders werd
+gehandhaafd. Wij hebben dus vier stappen te doen in de vroegste
+geschiedenis der kerk. Wij moeten de gezegden van Jezus zelf, die zijner
+apostelen, die van degenen die door de apostelen als leeraars werden
+uitverkoren, en die van de bisschoppen en kerkvaders in de eerste vijf
+eeuwen der geschiedenis van het Christendom beschouwen. Over deze vijf
+honderd jaren strekken zich de verklaringen uit, die ik u zal aanhalen
+als bewijsgronden voor het feit dat er in die eeuwen een esoterisch
+Christendom bestond, evengoed als een exoterisch, dat er een bijzonder
+onderwijs was voor de ingewijden, evengoed als een openbare leering voor
+de menigte der geloovigen. Na deze eerste reeks bewijsgronden, de
+geschiedkundige, zal ik een bewijsvoering leveren van anderen aard, en
+wel deze: dat zij die thans esoterische kennis bezitten, beter in staat
+zijn de Christelijke leeringen uit te leggen dan zij die deze kennis
+niet bezitten, en beter de beteekenis begrijpen van de vele verklaringen
+in het Nieuwe Testament, welke de gewone kerkleeraars niet in staat zijn
+uit te leggen, verklaringen, die de hedendaagsche kerk dikwijls heeft
+uitgelegd op een wijze, welke in strijd is met het geweten, zoodat die
+uitleggingen der kerk vele menschen uit het Christendom drijven, en van
+velen onder hen die slechts de exoterische verklaring ontvangen, het
+verstand beleedigen en het geweten in opstand brengen. Het gevolg
+hiervan is dat zij de kerk verlaten en onverschillig worden voor het
+Christendom, een groot verlies voor henzelf, daar zij hun geloof moeten
+opgeven, een groot verlies voor de kerk, want op deze wijze gaan de
+meest ontwikkelden verloren, en wordt de invloed van het geloof op de
+menigte verzwakt.
+
+Wij zullen thans de verschillende bewijsgronden in volgorde aanvoeren en
+beginnen met de geschiedkundige, in de eerste plaats met de woorden van
+Jezus zelf.
+
+Toen de discipelen tot Jezus kwamen en hem vroegen naar de gelijkenissen
+welke hij tot de menigte gesproken had, gaf hij hun dit merkwaardige
+antwoord: "Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het
+koninkrijk Gods, maar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze
+dingen door gelijkenissen." [Voetnoot: Marcus 4,11.] En verder: "Zonder
+gelijkenis sprak hij tot hen niet." [Voetnoot: Marcus 4,34.] Wij vinden
+hier den toestand duidelijk verklaard. Tot de menigte sprak Jezus
+slechts in gelijkenissen, in allegorien, in verhalen in den vorm van een
+fabel, welke hun zedelijke leering gaf; maar zijnen discipelen gaf hij
+de uitlegging der gelijkenissen, verklaarde hij de verborgenheid van het
+koninkrijk Gods, en ik verzoek u deze onderscheiding, door Jezus
+gemaakt, goed in het oog te houden, omdat wij haar straks door de
+kerkvaders aangehaald zullen vinden ter rechtvaardiging van de
+handelwijze der kerk in hun eigen tijd.
+
+Jezus zeide eens tot de discipelen: "Geeft het heilige den honden
+niet." [Voetnoot: Mattheues 7,6.] Het woord "hond" nu had bij de Joden
+een zeer bepaalde beteekenis. Het duidde iedereen aan, die geen Jood was
+en gij herinnert u dat toen een Kananeesche vrouw tot Jezus kwam om hulp
+te vragen, hij ten antwoord gaf: "Het is niet betamelijk, het brood der
+kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen." [Voetnoot: Mattheues
+15,26.] En zij nam zonder morren die benaming aan en zeide slechts: "Ja
+Heer, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die er vallen van de
+tafel hunner heeren." Dit woord van Jezus: "Geeft het heilige den honden
+niet" is niet anders dan een bevel, niet het innerlijke te geven aan hen
+die buiten de groep der uitverkorenen stonden. Voor deze laatsten alleen
+moest het heilige worden bewaard. De apostelen, die het evangelie van
+Jezus buiten de Joden verspreidden, erkenden evenzoo een aantal
+uitverkorenen, dat waren zij die in de kerk in de mysterien waren
+ingewijd, terwijl zij die buiten de mysterien stonden profanen werden
+genoemd. Het woord profaan werd in de oudheid gewoonlijk gebruikt om
+deze menschen aan te duiden en wanneer wij overgaan tot de tweede soort
+van geschriften, waarvan ik u gesproken heb, tot de geschriften der
+apostelen, vinden wij dat Paulus het onderscheid, door Jezus gemaakt,
+behield en het toepaste op zijn eigene bekeerlingen. Zoo schreef hij aan
+de Corinthiers, die als Christenen waren gedoopt, die hadden deelgenomen
+aan het Heilige Avondmaal, die lidmaten der kerk waren, zooals wij
+zeggen zouden: "En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot
+geestelijken, maar als tot vleeschelijken, als tot jonge kinderen in
+Christus. Want gij zijt nog vleeschelijk." [Voetnoot: I Corinthiers
+3,1-3.] En elders zegt hij: "En wij spreken wijsheid onder de
+volmaakten." [Voetnoot: I Corinthiers 2,6.] Paulus maakte dus hetzelfde
+onderscheid als de Meester: voor hen die vleeschelijk waren, voor de
+jonge kinderen in Christus, sprak hij zonder geestelijke wijsheid; die
+wijsheid werd slechts gegeven aan de volmaakten, dat is, aan hen die
+ingewijd waren in de mysterien der kerk. Want deze uitdrukking "de
+volmaakten" is het oude woord voor de ingewijden; zij moesten volmaakt
+zijn in het uiterlijke leven, voordat zij werden toegelaten tot de
+kennis der mysterien van Jezus. Vervolgens vinden wij dat Paulus aan
+Timotheues, dien hij wijdde tot bisschop der kerk, beval op zijn beurt
+uit de geloovigen diegenen te kiezen, die in staat zouden zijn meer te
+leeren en dat hij aan dezen het Woord moest mededeelen, dat hij zelf had
+ontvangen voor vele getuigen. Hier hebben wij weer een uitdrukking die
+in de oudheid veel werd gebruikt: "het Woord," het Woord dat gegeven
+werd voor vele getuigen. Wat is dat Woord, dat Paulus gaf aan Timotheues,
+in tegenwoordigheid van vele getuigen en dat hij hem beval over te geven
+aan hen die het waardig zouden zijn? Dit Woord, gesproken voor vele
+getuigen, is de geheime leering der mysterien, welke nooit op schrift is
+gesteld, welke nooit werd gegeven in eenigen vorm, waarin zij kon worden
+verraden, maar altijd slechts gesproken werd van mond tot oor, van
+leeraar tot leerling, in tegenwoordigheid van vele getuigen, die konden
+instaan voor de nauwkeurigheid der ongeschreven overlevering, die konden
+getuigen dat de leeraar het Woord goed had overgebracht, dat hem
+gegeven was om aan anderen over te leveren. Het Woord, door Timotheues
+van Paulus ontvangen in tegenwoordigheid van vele getuigen, is het
+esoterisch Christendom, mondeling geleerd aan hen die waardig waren zelf
+leeraars te worden.
+
+Wij hebben gezien, eerstens hoe Jezus zelf de mysterien slechts leerde
+aan enkele leerlingen, en tot de menigte sprak in gelijkenissen,
+vervolgens hoe Paulus als apostel op dezelfde wijze te werk ging en aan
+Timotheues beval het Woord op zijne beurt verder te geven, zoodat wij
+thans in de derde plaats komen tot de latere bisschoppen en kerkvaders,
+die verklaren dat zij de geheime leering hadden ontvangen en ze op hunne
+beurt hadden over te leveren aan hen die zich daartoe waardig toonden.
+Tot nog toe heb ik slechts aanhalingen gedaan uit het Nieuwe Testament
+dat naar ik veronderstel ieder uwer bekend zal zijn. Thans zal ik eenige
+schrijvers aanhalen uit de vroegste geschiedenis der kerk, die u
+misschien niet bekend zullen zijn, maar die gij toch ook zelf lezen
+kunt, hetzij in het Latijn of het Grieksch, zoo gij die talen verstaat,
+of anders in uw eigene taal overgezet. De kennis van de geschriften der
+oude kerkvaders is noodig voor ieder die als prediker van het
+Christendom optreedt. Zonder die kennis is hij niet geschikt zich
+leeraar van het Christendom te noemen.
+
+Een van die bisschoppen nu was Clemens van Alexandrie, een der meest
+geleerde en wijze mannen der Christelijke kerk, die het aanzien der kerk
+heeft verhoogd door de zuiverheid van zijn leven, door de diepte zijner
+wijsheid. Terecht heeft de dankbare kerk hem in latere dagen als een
+heilige beschouwd. Groot is het aantal geschriften dat hij heeft
+nagelaten tot leering der Christenen. In een van deze geschriften
+spreekt hij over de kennis, die door de kerk was overgeleverd van den
+tijd van Jezus tot op zijn tijd toe, het onderricht dat Jezus gaf aan
+zijn apostelen, en dat na hem van geslacht op geslacht was overgegaan.
+Hij zegt: "Deze leering werd van den beginne af slechts gesproken tot
+hen die begrijpen. De ongeschreven uitlegging der geschrevene woorden,
+die door den Heiland aan de apostelen gegeven werd, is tot ons
+overgeleverd." [Voetnoot: Stromata 6,15.] Hier hebben wij de getuigenis
+van een der bisschoppen van de oude kerk, dat er een onderricht van
+Jezus was, niet geschreven, maar door Jezus gegeven aan de apostelen, en
+door de kerk bewaard als een ongeschreven overlevering. Dezelfde
+getuigenis geeft Origenes, een ander kerkvader. Hij zegt dat Jezus met
+zijne discipelen in het bijzonder sprak over het evangelie Gods, dat de
+woorden welke hij sprak niet werden bewaard in geschrifte, en dat zij de
+verklaring vormden der gelijkenissen. Slechts zij ontvingen die leering,
+die waardig waren haar te ontvangen; hij zegt dat allen die deze leering
+zullen ontvangen, in bewondering zullen staan over hare wijsheid. Maar
+er is nog meer: dezelfde Clemens, die spreekt over de ongeschreven
+leering van Jezus, vertelt ons ook dat hij zelf in zijn openbare
+prediking slechts zwakke, onvolmaakte beelden kon geven, maar dat zij
+die geslagen waren met den thyrsus, de beteekenis ervan zouden
+begrijpen. Geslagen te zijn met den thyrsus nu beteekent te zijn
+ingewijd, want de thyrsus was een roede, die bij de inwijding gebruikt
+werd, bij welke gelegenheid de persoon die ingewijd werd in trance werd
+gebracht, om de ziel te bevrijden van het lichaam. Wanneer de kandidaat
+voor de inwijding voor den leeraar was gebracht, ontving hij eerst door
+mondelinge leering de kennis, waarvan ik reeds gesproken heb en daarna
+werd hij geslagen met de roede, welke als voertuig diende voor
+magnetische krachten, welke in den kandidaat de innerlijke krachten der
+ziel deden ontwaken, en de ziel in staat stelden zich vrij te maken van
+het lichaam en zoo hoogere leering te ontvangen in de onzichtbare
+wereld, vrij van den last van het lichaam. Deze uitdrukking nu:
+"Geslagen met de roede" beteekent ingewijd in de mysterien. Clemens
+vertelt ons hiervan nog iets meer, licht een hoekje van den sluier op,
+en ontdekt ons een weinig van wat daarachter verborgen is. Hij deelt ons
+de voorwaarden mede waaronder de mensch de inwijding kan ontvangen, en
+de eerste woorden welke door den leeraar bij het begin van de
+inwijdingsplechtigheid werden gesproken. Hij vertelt ons dat uit de
+lidmaten der kerk, uit hen die gedoopt waren en aan het Heilige
+Avondmaal hadden deelgenomen, dat uit die velen zeer weinigen werden
+gekozen: "velen zijn geroepen", zegt hij, de woorden van Jezus
+aanhalende, "maar weinigen uitverkoren." Hij zegt verder van die
+uitverkorenen: wie vrij is, niet slechts van alle laagheid, maar ook van
+wat de menschen als geringere zonden beschouwen, slechts hij kan worden
+ingewijd in de mysterien van Jezus, welke alleen door de heiligen en
+reinen worden gekend. Daarna deelt hij de eerste woorden mede, welke bij
+de inwijding gesproken werden: Hij die als inwijder optreedt,
+overeenkomstig de voorschriften van Jezus, zal zeggen tot hen die rein
+zijn van harte: "Hij wiens ziel zich gedurende langen tijd van geen
+kwaad bewust is, en in het bijzonder sinds hij zich overgaf aan de
+weldoende kracht van het Woord, laat de zoodanige hooren de leering,
+door Jezus in het geheim gesproken tot zijn waarachtige leerlingen."
+[Voetnoot: Contra Celsum 3,40.] Dit waren de eerste woorden, gesproken
+bij de Christelijke inwijdingsplechtigheid, dit was de eerste zin, door
+den hierophant tot den kandidaat gericht. Het verdere kan Clemens niet
+aanhalen, want dan begint de leering welke slechts gegeven kon worden in
+de mysterien. Deze eerste woorden echter stellen de voorwaarde van
+reinheid en roepen den kandidaat op om te luisteren naar de leering,
+door Jezus in het geheim aan zijne leerlingen gegeven.
+
+Wat is er thans geworden van die leering? Wat heeft de kerk gedaan met
+deze heiligste nalatenschap van den Christus? Waar wordt nu het
+onderricht gevonden, dat Jezus zijnen leerlingen in het geheim gaf? Waar
+zijn nu de mysterien van Jezus, en degenen die den kandidaat zouden
+kunnen inwijden in de kennis, die aan de vroegere Christenen werd
+meegedeeld? Is de kerk trouweloos geweest in het bewaren van haren
+schat? Heeft zij de overlevering verloren, en ook degenen aan wie deze
+was toevertrouwd? Indien dit waar is, geen wonder dan dat de
+ongeloovige instaat is het geloof der Christenen te doen wankelen, geen
+wonder dan dat honderden van de meest ontwikkelde menschen worden
+gevonden buiten de grenzen der Christelijke kerk.
+
+Is het mogelijk die verloren kennis te herwinnen? Is het mogelijk deze
+leering weer te vinden, nu ze verdwenen is uit den schoot der kerk? Ja,
+die leering is nooit werkelijk verloren gegaan, de kennis van de
+mysterien is nooit geheel en al verdwenen. Zij is bewaard door Jezus
+zelf en door zijn trouwe leerlingen, en die leerlingen zijn nooit geheel
+en al van de aarde verdwenen. Hier en daar werd er altijd nog een
+gevonden, die de duisternis om zich verlichtte, een heilige, stralend
+als een ster aan den donkeren hemel, in het bezit van eerste-hands
+kennis, de kennis van de oude mysterien van Jezus. Nu en dan verscheen
+zulk een leerling in den schoot der Christelijke kerk, ingewijd en
+onderwezen gelijk voorheen, evenals de Christenen van vroeger, in het
+bezit van onmiddellijke leering, welke hem in staat stelde als leeraar
+op te treden. En hiertoe zijn slechts zij in staat, die zelf de
+onmiddellijke leerlingen zijn van de Meesters. Sedert de overlevering
+van haar bestaan uit de kerk verdwenen is, wordt de geheime leering nog
+altijd overgedragen van den een op den ander, zoo vaak er iemand
+gevonden wordt die waardig is ze te ontvangen. En met die leering gaat
+samen het vermogen om wat men verkeerdelijk "wonderen" noemt te
+verrichten, het gebruiken van natuurkrachten, welke de gewone menschen
+niet kennen. Gij zult u herinneren hoe Jezus gezegd heeft dat zekere
+teekenen hen zouden vergezellen, die geloofden; dat zij vergif zouden
+drinken zonder dat het hun schaadde, dat zij door handoplegging zieken
+zouden genezen; aan deze teekenen, zeide hij, zouden waarlijk geloovigen
+worden herkend.
+
+Hoevele Christenen vertoonen thans deze teekenen van het levend geloof?
+In welke mate zijn die krachten in het bezit der Christenleeraars van
+onze hedendaagsche kerk? Hier en daar in de middeleeuwen vinden wij er
+nog sporen van, zooals de wonderen, verricht door Franciscus van Assisi
+en Elisabeth van Hongarije, wonderen, niet in den zin van een schending
+der natuurwetten, want zulk een schending is onmogelijk, maar wonderen,
+mogelijk gemaakt door de kennis eener hoogere wet, welke op lagere
+gebieden niet kan worden ontdekt, door gebruik te maken van geestelijke
+krachten welker werking de groote menigte der menschen niet kent.
+
+In den aanvang van deze voordracht sprak ik u nog van een ander soort
+van bewijs dat kon worden gegeven om het bestaan van de esoterische
+kennis aan te toonen. Voor hen toch die deze kennis bezitten is het
+mogelijk de duistere en moeilijke plaatsen in de Schrift te begrijpen en
+te verklaren, plaatsen welke altijd struikelblokken zijn geweest voor
+den Christen, maar toch voor een eenvoudige verklaring vatbaar zijn,
+wanneer men slechts den esoterischen kant der godsdienstige leering
+onderzocht heeft. Laten wij bijvoorbeeld enkele plaatsen nemen uit het
+Nieuwe Testament, welke moeilijk zijn te begrijpen en waarin de
+hedendaagsche Christenen niet gelooven, en die altijd weggeredeneerd
+worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van den jongeling, die tot Jezus
+kwam en hem vroeg hoe hij het eeuwige leven beerven kon. Het eerste
+antwoord dat Jezus hem gaf was het exoterische. "Gij weet de geboden".
+Dit is juist wat thans de predikant zou zeggen tot iemand, die hem kwam
+vragen hoe hij het eeuwige leven zou kunnen verkrijgen. Zijn antwoord
+zou wezen: "leid een goed leven op aarde". Dit was ook het eerste
+antwoord dat Jezus gaf, maar de jongeling was hiermede niet tevreden.
+Hij wist dat dit slechts het exoterische antwoord was, niet het diepere
+dat hij zocht. Het wees hem den weg niet dien hij wenschte te vinden.
+Daarom antwoordde hij: "Meester, deze dingen heb ik onderhouden van
+mijne jonkheid af". Dit is het antwoord dat ieder moet kunnen geven, die
+naar de diepere wijsheid verlangt. Aan de uiterlijke wet moet zijn
+voldaan, voordat de innerlijke leering kan worden verkregen. Toen gaf
+Jezus een ander antwoord: "Een ding ontbreekt u, ga henen, verkoop al
+wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den
+hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij". Toen ging de
+jonge man treurig heen, want hij had vele goederen; en Jezus wendde zich
+tot zijne discipelen, die alles verlaten hadden om hem te volgen, en
+sprak: "Het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan
+dat een rijke in het koninkrijk Gods inga." [Voetnoot: Marcus 10,
+17-26.]
+
+Hoe dikwijls worden tegenwoordig deze laatste woorden weggeredeneerd.
+Hoe vele predikers hebben er over gepreekt en ze van hun beteekenis
+beroofd. Hoe dikwijls hebt gij misschien in uwe jeugd aan uw leeraar
+gevraagd, gelijk ik het mijn leermeester vroeg: "wat beteekenen toch die
+woorden? Is het waar dat een rijke niet gemakkelijker het koninkrijk
+Gods binnengaan kan dan een kemel kan gaan door het oog eener naald?"
+Maar mijn leermeester redeneerde de moeilijkheid weg en zeide mij dat
+het beteekent dat een rijke even goed als een arme het eeuwige leven kan
+verwerven, dat het iets anders beteekent dan het zegt, dat het
+betrekking heeft op een poort in Jeruzalem waar een kameel slechts
+onbeladen door kon gaan; en dat het wilde zeggen dat een rijke vele
+moeilijkheden heeft en aan vele verleidingen blootstaat, maar niet dat
+hij in het geheel niet zou kunnen binnengaan in het koninkrijk Gods. De
+groote menigte der Christenen schijnt het ook niet op te vatten in den
+zin, zooals het door Jezus is gezegd, want overal ziet gij de menschen
+hard werken om rijkdommen te verwerven, en als zij dachten dat zij
+daardoor het eeuwige leven zouden verliezen, zouden zij wel niet zoo
+hard werken om in de hel te komen; zoodat wij vrij zeker kunnen zijn dat
+zij in woorden van Jezus als de aangehaalde volstrekt niet gelooven. Dit
+is het noodzakelijk gevolg van het verloren gaan der esoterische kennis.
+Wat is de beteekenis van deze uitdrukking: "het koninkrijk Gods?" Zij
+wordt altijd gebruikt voor "inwijding in de mysterien". Zij die willen
+binnengaan in het koninkrijk Gods moeten volmaakt worden, niet zooals de
+mensch van de wereld, die na den dood in den hemel komt, om na verloop
+van tijd terug te komen, meer te leeren en meer ondervinding op te
+doen,--het eeuwige leven is niet het vertoeven in een voorbijgaanden
+hemel, het is de kennis van God, het is de vereeniging met de Godheid
+zelf. En die kennis van God die het eeuwige leven is, is het koninkrijk
+Gods, waarin slechts de volmaakte kan binnengaan. En het is altijd een
+vaste wet geweest dat ieder mensch, voordat hij wordt ingewijd, alles
+moet afstaan wat hij bezit, dat hij niets meer als zijn eigendom
+beschouwen moet, wat in de oogen der wereld het zijne is. De gelofte van
+armoede is altijd de gelofte van den ingewijde geweest; niemand kan
+inwijding bereiken die niet deze gelofte doet in haar wijdste
+beteekenis: niet slechts wat zijn aardsche goederen aangaat, maar
+aangaande alles wat hij bezit, zij het rijkdom van verstand of rijkdom
+van hart of rijkdom der aarde. Hij staat ze alle af en deelt ze met de
+wereld, hij beschouwt ze niet langer als de zijne. Indien geld in zijne
+handen komt, is het niet het zijne, moet het niet worden gebruikt voor
+zijn persoonlijke behoeften: het behoort aan het werk van zijn Meester.
+Hij bezit niets dat hij voor zichzelf gebruiken kan. Indien hij kennis
+bezit is die niet de zijne, maar hij bezit die om de wereld te
+onderwijzen. Hij bezit zijne kennis slechts om ze te kunnen geven aan
+anderen; hij heeft geen rechten, hij kent slechts plichten jegens de
+menschheid. Voor zichzelf kent hij geen rechten van eenigen aard. Hij
+staat alles af wat het zijne is. En toen Jezus zeide dat hij die
+volmaakt wil worden alles verkoopen moet wat hij heeft en hem volgen,
+zeide hij slechts wat iedere Meester zegt tot den leerling die
+inwijding bereiken wil: "Gij moet alles afstaan wat gij bezit, gij moet
+u ontdoen van al wat gij hebt." Een harde voorwaarde, zeker: hard voor
+hem wiens hart nog hangt aan de wereld, hard voor hem die nog geeft om
+de schatten der aarde; maar licht voor hem die het hoogere leven zoekt,
+die naar diepere wijsheid verlangt, die het lagere leven wil opofferen
+om het hoogere te vinden, die het vleesch wil kruisigen opdat hij in God
+met Christus vereenigd kan zijn.
+
+Wij zullen thans een tweede spreuk van Jezus nemen: "Wijd is de poort en
+breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door
+dezelve ingaan; want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven
+leidt, en weinigen zijn er die dezelve vinden." [Voetnoot: Mattheues
+7,13.] Hoevele liefhebbende harten treuren over deze woorden, van
+hoevele vrome Christenen breekt het hart bij het denken aan deze woorden
+van Jezus. Weinigen die binnentreden, velen die ten verderve gaan,
+weinigen die redding vinden, velen die den breeden weg, weinigen die het
+smalle pad volgen! Wat is de beteekenis van deze woorden? Zij zeggen
+hetzelfde wat Jezus bedoelde toen hij sprak tot den jongeling. De breede
+en gemakkelijke weg is de gewone weg van de menschen der wereld, die
+leidt van geboorte naar dood, van dood naar geboorte, van geboorte weer
+terug naar den dood, door steeds herhaalden kringloop van dood en
+geboorte. Zulk een leven is dood, niet leven, in de oogen van den
+verlichte. De weg welke tot het leven leidt is de weg welke van
+wedergeboorte bevrijdt, is het pad der inwijding, dat leidt tot dien
+tempel Gods, welken niemand verlaat, nadat hij hem is binnengetreden.
+Weinigen inderdaad zijn er op het tegenwoordig standpunt van de
+ontwikkeling der wereld, die dezen weg betreden, weinigen worden er
+gevonden onder de millioenen der menschheid, die sterk genoeg zijn om de
+moeilijkheden van het enge pad te overwinnen. Maar in den loop der
+eeuwen zullen allen dit pad vinden en betreden, en geen menschelijke
+ziel zal vervallen tot eeuwig verderf.
+
+Er is nog een gezegde van Jezus, dat moeilijk is te begrijpen: "Weest
+dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt
+is." [Voetnoot: Mattheues 5,48.] Dat is weer een bevel dat door de meeste
+menschen wordt weggeredeneerd, omdat zij gevoelen dat de vervulling
+onmogelijk is voor zondige menschen, voor mannen en vrouwen vol
+zwakheden en dwaasheden, alledaagsch en wereldsch, bekrompen in hun
+opvattingen, overgegeven aan de genoegens der wereld. Hoe zouden zij
+volmaakt kunnen worden gelijk God in den hemel volmaakt is? Bracht Jezus
+dan zijn leerlingen op een dwaalspoor, toen hij hun een bevel gaf dat
+zij onmogelijk uitvoeren konden? Kon hij, die de waarheid Gods zelf was,
+een gebod geven dat niet kon worden opgevolgd? Neen! Het is voor den
+mensch mogelijk, volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, niet in een
+kort leven, niet in twintig of veertig of honderd jaar, niet in het eene
+korte tijdperk tusschen de wieg en het graf, tusschen geboorte en dood.
+Dit is slechts een stap naar een volmaking als die van God. Maar leven
+volgt op leven, groei volgt op groei. Ieder volgend leven kan dichter
+bij de volmaking worden gebracht, ieder volgend leven zamelt den oogst
+van het voorgaande in. Met steeds vermeerderende kracht, met steeds
+toenemenden groei stijgen de menschen tot de volmaking, in de
+voetstappen van den Heiland. In de lange eeuwen die voor ons zich
+uitstrekken zal de goddelijke volmaking worden bereikt.
+
+Laten wij van deze op zich zelf staande teksten afstappen en een
+leerstuk der Christelijke kerk beschouwen dat voor velen moeilijk te
+gelooven is, en dat dikwijls wordt aangevallen: de leer der drieeenheid.
+God een eenheid en toch drievoudig, drie personen en toch een God. Velen
+hebben zich over dit leerstuk verbaasd en zijn ten laatste tot de
+overtuiging gekomen, dat zij dit niet konden begrijpen, dat blind geloof
+moet aannemen wat het verstand niet begrijpen kan. Maar in de
+esoterische leering der mysterien werd de leer der drieeenheid
+begrijpelijk gemaakt, werd zij een verheffende en helpende kracht. Deze
+geheele leering kan niet openbaar worden gemaakt, maar een deel ervan
+kan hier worden besproken; en dit kan eenig licht werpen op ons
+onderwerp. In iederen godsdienst wordt de drieeenheid geleerd: de Vader,
+die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan voorstelt, en uit den Vader
+de Zoon en de Geest. De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is.
+God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, van onbegrensd Vermogen in
+alle openbaringen voor als de Eeuwige Vader, het midden-leven van het
+heelal. Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van het aanzicht van
+liefde der Godheid, van liefde en gelukzaligheid tevens, de tweede
+persoon in de drieeenheid, de tweede Logos, zooals hij dikwijls genoemd
+wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen kant de openbaring van
+mededoogen, van alomvattende liefde, aan de andere zijde van eeuwige,
+oneindige gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is dat van
+wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard als de Geest, het goddelijk
+denkvermogen. Toen God zich openbaarde als scheppende kracht, als het
+algemeen denkvermogen, werd hij de derde Logos, de derde persoon in de
+drieeenheid. God is in wezen een, drievoudig in zijn openbaring, het
+eene Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer wij spreken
+van de drie personen van de drieeenheid, zijn dit slechts drie
+aanzichten, waarin de godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en
+begrijpelijk voor den mensch.
+
+De drieeenheid, die in de godheid is, weerkaatst zich in den mensch, ook
+de mensch is een drieeenheid, het beeld van God. In den mensch heeft de
+goddelijke drieeenheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt in den
+voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen aard van de godheid, en
+ontwikkelt in zijn inwezen de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft
+van God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het verstand, de
+weerkaatsing van den derden persoon der goddelijke drieeenheid, daarna
+wordt de Zoon in hem geboren, de geest van den Christus, van
+alomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het kenmerk van den mensch
+in wien dit tweede aanzicht zich ontwikkelt, die van den derden trap
+tot den tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle menschen in
+zich omvat. Dit is de geest van den Christus, en naarmate de mensch
+dezen ontwikkelt wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor de
+laatste openbaring in den mensch. Niet alleen de ontwikkeling van het
+verstand, de weerkaatsing van den Geest, niet alleen de liefde, die
+wordt voorgesteld door het leven van den Zoon,--ook het leven van den
+Vader moet zich in den mensch openbaren. Hij moet gelijk worden aan de
+goddelijke Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging waarvan
+alle godsdiensten hebben geleerd, dat is het een-worden met den Vader,
+waarvan Christus tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal dien
+zij zouden bereiken. Het een-worden met den Vader is het einddoel der
+ontwikkeling van den mensch.
+
+In het grootste deel der menschen op aarde ontwikkelt zich thans het
+derde aanzicht der drie-eenheid, het verstand. Slechts hier en daar
+treffen wij menschen aan, in wie het leven van den Christus zich begint
+te ontvouwen. Wanneer dit leven volmaakt zal zijn, zal de vereeniging
+komen met den Vader, waarvan Paulus zegt: "Daarna zal het einde zijn,
+wanneer hij het koninkrijk aan God en den zij alles in allen."
+[Voetnoot: 1 Corinthiers 16, 24-28.] Dat is de zielsverrukking waarom
+ieder heilige bad, de vereeniging met God; dat is het doel, dat de kroon
+is der menschelijke ontwikkeling. Aldus is de leering van het
+esoterisch Christendom, dieper, breeder, verheffender dan de uitwendige
+vorm, tot welken helaas de kerk zich bepaalt. Aldus leert het Goddelijk
+Weten, dat het uwe is door erfrecht, het uwe door de gave van den.
+Christus, het uwe krachtens uw geestelijke afkomst, het uwe door uw
+recht als leden eener Christelijke gemeenschap. En ik, die geleerd heb
+van die Meesters waarvan Jezus een is, ik, die door eigen ondervinding
+weet, dat deze leering kan worden verkregen, dat duizendmaal meer kan
+worden geweten dan hier mijne lippen uiten kunnen, ik kom tot u als
+bode, om u te herinneren aan uw erfrecht, ik kom tot u om u te
+herinneren aan het bestaan van goederen die de uwe zijn. Dat is de
+boodschap die ieder leerling op zijne beurt brengt aan iedere kerk, aan
+ieder geloof; niet iets nieuws brengt hij niet zich, slechts de
+herinnering aan wat oud is, maar nog steeds binnen menschelijk bereik.
+Aan u om dit pad te betreden, aan u om die kennis te verwerven, aan u om
+de gelegenheid aan te nemen, die de leering der Theosofie u brengt, de
+leering die dezelfde is als esoterisch Christendom. De gelegenheid wordt
+u geboden, aan u haar aan te nemen of te laten, gelijk gij dat wilt.
+
+
+
+
+#Het verhaal van den Christus#
+
+
+Ik zal hedenavond het verhaal van den Christus beschouwen van het
+standpunt van den Occultist, Wanneer wij enkel als Theosofen spreken,
+trachten wij het verhaal van den Christus duidelijk te maken in zijn
+geestelijke beteekenis. Wanneer wij ons echter op het standpunt van den
+Occultist plaatsen kunnen wij verder gaan. Wij kunnen terugzien naar de
+archieven van het verleden en deze onderzoeken, wij kunnen terugzien tot
+het leven, zooals dat negentien eeuwen geleden werd geleid en het stap
+voor stap bestudeeren. Maar ik moet u herinneren dat de inhoud dezer
+occulte archieven niet langs geschiedkundigen weg bewezen kan worden.
+Het is waarschijnlijk dat in de eerstvolgende twintig jaren eenige oude
+handschriften zullen worden gevonden, welke dezen inhoud tot op zekere
+hoogte zullen bevestigen, maar op het oogenblik zijn deze handschriften
+nog niet door de oudheidkundigen ontdekt. Daarom stel ik mij voor mijn
+onderwerp niet van den kant der gewone geschiedenis maar van het
+standpunt van den Occultist te beschouwen, en naarmate ik verder ga zult
+gij zien dat deze wijze van beschouwing vele moeilijkheden in de
+evangelien uit den weg ruimt, en dat zij u in staat stelt al wat in die
+evangelien van waarde is te redden uit de aanvallen der geschiedkundige
+kritiek. Zij stelt u in staat het Christendom te baseeren op een leven,
+meer dan op een handschrift en alles te begrijpen wat van werkelijk
+belang is in het verhaal van den Christus, beschouwd als een mystiek
+verhaal en als een feit uit de geschiedenis.
+
+Hat verhaal is vanzelf in twee deelen te splitsen, welke wij in onze
+beschouwing zullen moeten scheiden. De eene afdeeling behandelt den
+geschiedkundigen Jezus en omvat tevens de zonnemyten welke door zijne
+levensbeschrijving geweven zijn. In de tweede afdeeling spreken wij niet
+over den geschiedkundigen Jezus maar over den mystieken Christus, en
+deze vertegenwoordigt in een opzicht den tweeden Logos, en in een ander
+de individuele ziel, welke goddelijkheid bereikt.
+
+In de evangelie-verhalen en in het geloof der kerk zijn deze beide
+gedeelten niet scherp gescheiden. Wat tot het eene behoort wordt
+dikwijls gerekend bij het andere. Dit geeft tot veel verwarring
+aanleiding en biedt menig zwak punt voor de aanvallen van den
+ongeloovigen kritikus. Naarmate wij deze draden ontwarren zult gij
+beider waarde beter begrijpen en zult gij ook het groote belang inzien,
+dat het geheel voor de menschheid heeft.
+
+Laten wij eerst het verhaal van den geschiedkundigen Jezus nemen, en de
+zonnemyten welke daarmede zijn tezamen geweven.
+
+Jezus werd geboren uit Joodsche ouders, ongeveer honderd jaar voor het
+tijdstip dat gewoonlijk wordt opgegeven. Hij werd opgevoed onder de
+Esseers, een Joodsche sekte van zeer rein leven en diep godsdienstig
+gevoel. Zij waren ongehuwd, zij aten geen vleesch en dronken geen wijn,
+en waren ook buitengewoon weldadig en medelijdend. Kinderen, die als
+weezen waren achtergebleven, namen zij tot zich om ze in hun midden op
+te voeden. Behalve de weezen werden dikwijls ook andere kinderen van
+goede afkomst aan hunne zorg toevertrouwd wegens de reinheid van hun
+leven en de wijsheid welke zij bezaten, en die hun groote waarde gaf als
+onderwijzers. Onder deze heilige menschen bracht Jezus zijn jeugd door.
+Hij muntte uit door zijn buitengewone reinheid en godsdienstige
+toewijding, welke zich op twee wijzen toonde: in zijne vurige aanbidding
+van God en zijn voortdurend streven om zijne medemenschen te helpen.
+Deze beide karaktertrekken waren buitengewoon sterk in hem ontwikkeld:
+de liefde tot God welke hem leidde tot lange uren van overpeinzing en de
+liefde tot de menschen welke hem krachtig werkzaam deed zijn om allen te
+helpen die smart leden. Deze toewijding ging zooals ik reeds zeide
+gepaard aan een buitengewone reinheid. Toen hij den mannelijken leeftijd
+naderde trok hij naar Egypte. Hij trok van de gemeenschap der Esseers in
+het Zuiden van Palestina tot een dergelijke gemeenschap op den berg
+Sinai en naderhand in Egypte. In dit land bestudeerde hij de oude
+wijsheid der Egyptenaren en hij werd ingewijd in hunne mysterien. Op
+omstreeks 27-jarigen leeftijd keerde hij naar Palestina terug, en begon
+zijnen verwanten en vrienden onderricht te geven in wat hij geleerd had.
+
+Te dien tijde nu was in de wereld een nieuwe aandrang van
+geestelijkheid noodig geworden. De tijd voor het ontstaan der westersche
+volkeren brak aan. Reeds ontwikkelden zich jonge rijken welke de kiem
+van toekomstige grootheid in zich droegen. De beschaving waartoe zij
+zich zouden ontwikkelen zou van geheel anderen aard zijn dan die van het
+Oosten. Het verstand dezer nieuwe volken zou krachtig en werkzaam van
+aard zijn. De omstandigheden van hun klimaat zouden ijver en
+krachtsontwikkeling eischen. De godsdienst welke bij de vorming van deze
+beschaving daartoe dienstig zou zijn moest ethisch en praktisch zijn,
+eenvoudig van wijsbegeerte, helder van leering. Deze godsdienst werd
+geschonken door de groote Broederschap uit welke alle godsdiensten
+voortgekomen zijn, en Jezus was het voor die taak uitgekozen werktuig.
+Hij was voor dit werk bijzonder geschikt door zijn reinheid en
+toewijding. Toen hij ongeveer dertig jaar oud was kwam voor hem de tijd
+zijn werk te beginnen. Een bijzondere nederdaling van goddelijke kracht
+kwam in hem en scheidde hem af van de overigen van zijn ras. Deze
+nederdaling maakte hem in zeer bijzonderen zin tot den
+vertegenwoordiger, tot den bode van God. Van deze nederdaling wordt
+gesproken als van zijn "doop" en gij zult u herinneren hoe in het
+verhaal van dien doop gezegd wordt dat de geest Gods op hem nederdaalde.
+Van dien tijd af, gedurende de jaren zijner prediking, kan men Jezus
+beschouwen als een vleeschwording van het goddelijk Leven. Het is
+belangrijk, in gedachte te houden dat dit een uitstorting van het
+goddelijk Leven in den mensch Jezus was, en dat de "doop" het tijdstip
+was waarop die uitstorting plaats vond. Van toen af werd hij de prediker
+van een zuiverder geloof voor de westersche wereld. Hij werd door de
+Joden wegens godslastering gedood nadat hij ongeveer drie jaren onder
+hen had gewerkt.
+
+Vele van de verhalen welke wij in de evangelien vinden behooren niet tot
+het werkelijk leven van dezen grooten leeraar, maar zijn verhalen welke
+zich rondom dat leven hebben gegroepeerd doch ook in verband met andere
+leeraars aan de wereld bekend zijn geweest. Het is uit dit punt dat de
+aanvallen van ongeloovigen met zonnemyte-argumenten hun kracht putten.
+Enkele menschen, zooals Strauss en anderen, hebben getracht het
+geschiedkundig karakter van Jezus geheel te vernietigen. Maar dat is een
+overdrijving van ongeloovige kritiek, welke niet kan worden gehandhaafd
+door kennis welke op goede grondslagen berust. Wat hun aanval kracht
+heeft gegeven is het feit dat enkele dezer verhalen reeds sedert
+duizenden jaren bestaan hebben. Het verhaal bijvoorbeeld van de geboorte
+van Jezus uit een maagd, wat de kerk aanneemt dat plaats heeft gevonden
+op den 25e December, is een van deze zonnemyten. In de oudste
+Christelijke handschriften wordt de geboorte van Christus aangegeven op
+verschillende tijden van het jaar. In het eene verhaal wordt hij geboren
+in Mei, in een ander in Juli, in een derde in September. Eerst in de
+zevende eeuw werd de 25^e December algemeen als Kerstdag erkend, en dit
+is de datum welke reeds van de oudste tijden her genoemd is als de datum
+van de geboorte van een vleeschgeworden godheid. Het is de datum waarop
+Mithra, de zonnegod der Perzen, werd geboren, het is de dag waarop
+Osiris, de zonnegod der Egyptenaren, het licht zag. Deze dag wordt als
+feestdag beschouwd in alle groote godsdiensten welke tegenwoordig op
+aarde bestaan. Dit feit berust hierop, dat de zon beschouwd wordt als de
+vertegenwoordiger Gods. Alle licht en leven in een zonnestelsel komt van
+den zon, gelijk alle licht en leven in het heelal komt van God. En in
+alle godsdiensten der oudheid werd de zon beschouwd als het symbool voor
+God, niet als Hemzelf, maar toch als een symbool waaraan de grootste
+eerbied verschuldigd was. En daar de dag in het winter-stilstandspunt
+het kortst is, zeide men dat dan de geboorte van den zon plaats vond. De
+Christenkerk heeft dat tijdstip ook aangenomen voor de geboorte van
+Jezus, en dit feit wordt gebruikt als bewijsgrond om aan te toonen, dat
+Jezus niet anders is dan een zonnegod.
+
+Wat de datum van zijn dood betreft: het is u bekend dat de dag van de
+kruisiging niet op een vasten datum gesteld wordt, maar op een datum
+welke ieder jaar verandert en berekend wordt uit de standen van zon en
+maan, zoodat deze dag niet een geschiedkundige, maar een sterrekundige
+datum is. Een geschiedkundige verjaardag kan natuurlijk op deze wijze
+niet worden vastgesteld en zij die het Christendom vijandig gezind zijn,
+gebruiken dit als een bewijsgrond tegen dezen godsdienst. Het is daarom
+van belang op te merken dat deze datums inderdaad niet uitsluitend op
+het Christendom betrekking hebben, en dat de werkelijkheid van het leven
+en den dood van Jezus niet van deze sterrekundige gegevens afhangen.
+Ook vele andere verhalen, aan het leven van Jezus verbonden, hebben
+reeds lang voor zijn geboorte bestaan. Dit was aan de eerste kerkvaders
+en bisschoppen zeer goed bekend. Zij beschouwden het echter nooit als
+een bewijsgrond tegen de werkelijkheid van het leven van Jezus, en
+trachtten nooit den hoogeren ouderdom van die heidensche verhalen,
+zooals zij genoemd worden, in twijfel te trekken. De waarheid van de
+verhalen aangaande het leven van Jezus is deze: dat hij een man was, vol
+goddelijken geest, gezonden om een nieuwen godsdienst te stichten; dat
+hij een leven leidde van wonderbare toewijding en reinheid; dat hij de
+diepste geestelijke wijsheid leeraarde; dat hij werken van medelijden en
+liefde deed aan allen met wie hij in aanraking kwam en dat hij eindelijk
+wegens godslastering door de Joden gedood werd. Dit zijn de voornaamste
+feiten betreffende het leven van Jezus, welke geschiedkundig juist zijn.
+En zooals ik zeide bestaat de waarschijnlijkheid dat binnenkort
+handschriften zullen worden ontdekt welke aan de wetenschap
+geschiedkundige gegevens zullen verschaffen. Maar de wonderbaarlijke
+geboorte in December en de kruisiging omtrent den tijd der
+lentenachtevening behooren tot de zonnemyten, niet tot de geschiedenis.
+In de oudste handschriften welke wij thans bezitten vinden wij deze
+datums niet vermeld en onder de vroegste Christenen werden deze punten
+niet van belang geacht. Eerst gedurende de ontwikkeling der kerk hebben
+zij belang gekregen als dogmata, en een der redenen waarom het van
+belang was deze datums vast te stellen, was dat zij ook reeds
+heidensche feestdagen waren en behoorden tot de verschillende vormen
+van zonaanbidding welke in het Westen verspreid waren. De jonge kerk nam
+deze feestdagen over en schakelde ze in de geschiedenis van Jezus, daar
+men toen de vrees nog niet kende voor den ongeloovigen kritikus der
+negentiende eeuw.
+
+Het verhaal van den Christus is van geheel anderen aard. Het woord
+"Christus" is niet een naam die toebehoort aan eenen enkeling maar een
+titel welke een zekeren rang aanduidt en sedert onheuglijke tijden
+gebruikt werd om een zekeren graad van inwijding aan te duiden. Ieder
+ingewijde die voorbij een zekeren graad van inwijding is, wordt een
+Christus genoemd, welk woord "de gezalfde" beteekent. De zalving is een
+deel van de plechtigheid van die inwijding, zoodat de inwijding den
+mensch tot een "gezalfde" maakt. Ik zeide u reeds dat het verhaal van
+den Christus van tweeerlei standpunt kan worden beschouwd, en wel in de
+eerste plaats als een kosmisch verhaal, betrekking hebbende op het
+heelal. In dit kosmisch verhaal stelt Christus den tweeden Logos voor,
+den tweeden persoon in de drieeenheid. Deze tweede persoon in de
+drieeenheid wordt in het Christendom erkend als de God-mensch en de
+geschiedkundige Jezus wordt met dien God-mensch vereenzelvigd. Het
+kosmische verhaal is in het kort het volgende: De tweede Logos, de
+tweede persoon in de drieeenheid, daalde neder in de stof, om aan deze
+zijn leven te geven: hij gaf zijn leven aan ieder schepsel dat ontstond.
+Hij is het van wien Johannes schrijft: "Het Woord was bij God, en het
+Woord was God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder
+hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is". [Voetnoot: Johannes 1,
+1-3] In het oude verhaal van deze nederdaling in de stof wordt gezegd
+dat de tweede Logos in de stof gekruisigd is. Dit wil zeggen dat het
+leven van God is gegeven om het leven van alle levende wezens te zijn en
+dat God de banden der stof op zich nam, om dit leven mogelijk te maken.
+
+Deze kosmische gebeurtenis wordt herhaald in de geschiedenis van iedere
+menschelijke ziel, want wat in het heelal geschiedt, gebeurt ook in het
+kleine heelal, in den mensch. Wanneer wij het verhaal van den Christus
+toepassen op de menschelijke ziel, geven wij het in den vorm waarin het
+door de Christelijke mystieken werd beschouwd. De ziel des menschen
+wordt beschouwd als voortgekomen uit God. Door een lange reeks van
+aardlevens ontwikkelt zij de eigenschap van verstand, begripsvermogen,
+denken, de weerkaatsing van den Heiligen Geest of den derden persoon in
+de drieeenheid. De geest van den mensch wordt, van dit standpunt gezien,
+beschouwd als het beeld van God. Hij is een drieeenheid in zijn wezen
+evenals God een drieeenheid is, en de ontwikkeling van het leven, van
+die drieeenheid in den mensch vervalt vanzelf in drie onderdeelen: de
+eerste stap is die, waardoor het denkvermogen wordt ontwikkeld; deze
+stap is den Theosoof bekend als de ontwikkeling van Manas, het
+denkvermogen. Manas is in den mensch de vertegenwoordiger van Mahat in
+den Kosmos, of om de Christelijke uitdrukking te gebruiken, de
+vertegenwoordiger van den Heiligen Geest. Dit zich ontwikkelende
+verstand is het derde aanzicht der menschelijke drieeenheid. Dit
+standpunt van ontwikkeling is het standpunt waarop de menschheid zich
+tegenwoordig bevindt, en deze ontwikkeling van Manas moet vrij ver
+gevorderd zijn voordat de tweede stap kan worden gedaan, welke bestaat
+in de ontwikkeling van het tweede aanzicht der drieeenheid in den
+mensch, de ontwikkeling van den Zoon, of den Christus. Het kenmerkende
+van dit standpunt van ontwikkeling is niet gelegen in de ontvouwing van
+het verstand, maar van de liefde. Het is gelegen in de erkenning van
+alle mensch en als een, niet als een gevolgtrekking door denken, maar
+door de ontwikkeling van dit tweede aanzicht der drieeenheid, van wat
+wij Buddhi noemen. Buddhi beteekent voor den Theosoof wat Christus
+beteekent voor den Christen. Wanneer de mensch gereed is den Christus in
+zich te beginnen te ontwikkelen ontvangt hij de eerste van de groote
+inwijdingen. Bij deze inwijding zegt men dat hij geestelijk geboren
+wordt; het is de tweede geboorte of de geboorte uit den geest waarvan
+Jezus sprak. Deze inwijding wordt de tweede geboorte genoemd, omdat zij
+den tweeden persoon in de menschelijke drieeenheid in werking brengt.
+Door die inwijding ontwaakt Buddhi in den mensch en begint zich te
+uiten, of in de Christelijke symboliek: bij die inwijding wordt Jezus
+geboren uit den schoot der maagd. Deze geboorte werd steeds een
+onbevlekte genoemd, een geboorte uit een maagd, omdat zij niet is een
+geboorte uit het vleesch, maar een geboorte uit den geest. Om deze
+reden ook zeide Jezus dat een mensch gelijk een kind moest worden om het
+koninkrijk Gods binnen te gaan. In het geheele onderwijs van Jezus heeft
+de uitdrukking: "het koninkrijk Gods" de beteekenis van "inwijding" en
+de nieuw-ingewijde wordt een "kind" genoemd. Gij herinnert u ook dat
+Paulus van zijn bekeerlingen hoopte dat Christus een gestalte in hen
+mocht krijgen. Zij waren gedoopt als lidmaten der kerk, zij hadden
+deelgenomen aan het Avondmaal, en toch noemde hij het zijn hoogsten
+wensch, dat Christus in hen mocht worden geboren. Hieruit blijkt dat de
+geboorte van Christus in den mensch niet beteekent lidmaat te worden van
+de kerk, maar iets hoogers waarnaar de Christen moet streven. Een van de
+redenen waarom de inwijding "de geboorte van den Christus" werd genoemd
+is dat de mensch die deze eerste der groote inwijdingen ontvangt, voor
+de eerste maal het bewustzijn van het buddhisch gebied ondervindt. Hij
+wordt door zijnen Meester tot dat gebied gevoerd: door de aanraking van
+den Meester wordt hij voor de eerste maal bewust op dat gebied. Dan
+begrijpt hij wat eenheid beteekent: hij gevoelt dat hij een is met al
+wat bestaat, hij ondervindt dat hij niet afgescheiden is, maar een deel
+van het groote geheel; hij begrijpt het niet door verstandelijke
+inspanning, maar ondervindt het door onmiddellijk bewustzijn. Dan begint
+in den ingewijde het leven van den Christus, en langzamerhand neemt hij
+dien geest van liefde en mededoogen in zich op. Zoo ontwikkelt de
+Christus in hem. Nog twee andere inwijdingen moet hij doormaken terwijl
+hij nog altijd als onvolwassen beschouwd wordt. Dan komt de tijd voor
+den mystieken doop, die overeenkomt met den doop van den mensch Jezus.
+Deze doop is de inwijding van den Arhat. Van dien tijd af is het
+bewustzijn van den ingewijde voortdurend op het buddhisch gebied. Voor
+deze inwijding wordt zijn bewustzijn van tijd tot tijd daarheen
+overgebracht, maar wanneer zij heeft plaats gevonden, en de doop des
+geestes ontvangen is wordt het buddhisch bewustzijn zijn gewone
+bewustzijn, en begint hij langzamerhand het nirvanisch bewustzijn te
+verwerven. Het bewustzijn op het buddhisch gebied wordt genoemd het
+leven van den Zoon, die altijd in den hemel is bij zijnen Vader, en toch
+op aarde wandelt onder de menschen als een van hen. Wanneer de mensch
+dezen trap heeft bereikt, kan hij een Heiland der menschheid worden,
+want daar zijn bewustzijn een is met dat van alle menschen kan hij met
+hen deelen al wat hij heeft, daar hij zelf zuiver is kan hij naast de
+menschen staan in hun zonde, daar hij zich zijn geheele verleden
+herinnert kan hij medevoelen met den slechtste. Alleen de Christus kan
+de vriend zijn van den laagste, want daar hij zelf tot zonde niet meer
+in staat is kan hij met den zondaar in de nauwste aanraking zijn zonder
+gevaar voor zijn eigen reinheid. Alleen de Christus kan den zondaar
+werkelijke hulp brengen, want slechts hij kan gevoelen, wat die zondaar
+gevoelt, en door de vereeniging van zijn bewustzijn die hulp brengen,
+welke noodig is. De mensch die geheel buiten den zondaar staat kan hem
+niet werkelijk helpen. Slechts hij die zijn bewustzijn kan vereenigen
+met dat van den zondaar kan geven wat noodig is. Daarom wordt zulk een
+mensch terecht een Heiland der wereld genoemd.
+
+Na al deze inwijdingen komt de mystieke kruisiging. De Arhat offert zich
+geheel en al op voor het welzijn der wereld. Hij geeft al wat hij bezit
+opdat het der menschheid ten goede moge komen. Hij verzaakt alle
+afgescheiden leven, opdat zijn leven het leven der menschen zijn moge.
+Hij neemt niets voor zichzelf opdat de menschheid alles moge ontvangen,
+en deze laatste daad van opoffering wordt de "kruisiging" genoemd. Door
+dien dood van het lagere rijst de ingewijde tot het goddelijk leven. Hij
+wordt een met den Vader, hij stijgt boven het leven der wereld. Om de
+Theosofische uitdrukking te gebruiken: Buddhi gaat op in Atma; de Arhat
+wordt daardoor een Meester. In de Christelijke spreekwijze zegt men: de
+Zoon wordt een met den Vader en, in den hemel opgestegen, zit hij aan de
+rechterhand Gods. Dit "zitten aan de rechterhand Gods" is een
+zinnebeeldige uitdrukking, welke beteekent dat hij de goddelijke
+krachten bezit. Hij is in staat om een werktuig te zijn van de godheid
+voor de ontwikkeling der menschheid en iedere Zoon, die de eenheid met
+den Vader bereikt heeft wordt een van de krachten die de wereld vooruit
+helpen, zoodat door zijn ontwikkeling die der geheele menschheid wordt
+bevorderd.
+
+Aldus luidt het verhaal van den Christus, beschouwd als de geschiedenis
+van den geest in den mensch. Het is het verhaal der inwijdingen, die in
+de vroegere kerk bekend waren onder den naam: "de mysterien van Jezus."
+Aan de oningewijden werd het gegeven in den vorm van de geschiedenis van
+den Christus. Dit verhaal van de inwijding der menschelijke ziel werd
+samengeweven met de geschiedenis van het leven van Jezus, en verloor
+zijn verheffende kracht omdat men het toepaste op het uitwendig leven
+van een mensch, in plaats van op het innerlijk leven van den geest. Maar
+bij de Christelijke mystieken is het verhaal in zijn innerlijke
+beteekenis bewaard gebleven. Wij vinden het terug in de overpeinzingen
+der heiligen, waar zij zich vereenigen met den Christus en zich een
+gevoelen met den Meester. Het gebed van Jezus dat zijn discipelen een
+mochten worden in hem en met hem een in den Vader, schijnt door de
+tegenwoordige Christenen vergeten te zijn.
+
+Het is een deel van de zending der Theosofie, aan het Christendom de
+mystiek terug te brengen welke het verloren heeft. Voor millioenen
+menschen in Europa is de Christelijke symboliek degene welke zij het
+gemakkelijkst kunnen begrijpen. Indien wij tot hen spreken van Manas,
+Buddhi en Atma, begrijpen zij ons niet. Indien wij hun echter aantoonen,
+dat hun eigene woorden dezelfde beteekenis hebben, kunnen wij ons doel
+bereiken. Wanneer wij hun vertellen, dat zij Buddhi kunnen ontwikkelen,
+en dat Buddhi kan opgaan in Atma, weten zij niet wat wij bedoelen. Maar
+wanneer wij hun leeren dat de Christus in hen kan worden geboren, en dat
+zij een kunnen worden in den Vader, zien zij onze bedoeling. Wij moeten
+de Christenen helpen te begrijpen: dat het verhaal van den Christus niet
+betrekking heeft op een enkel mensch, maar dat het de geschiedenis der
+ziel is, die zich tot volmaking ontwikkelt, dat ieder mensch een
+Christus moet worden, dat dit voor ieder mensch mogelijk is. Dat is
+juist de kracht van de geschiedenis van Jezus, bedoeld als een voorbeeld
+voor allen, en een groot deel der waarde van zijn leven gaat verloren,
+wanneer zijn geschiedenis wordt beschouwd als die van het uiterlijk
+leven van eenen Heiland, in plaats van als een beeld van het geestelijk
+leven.
+
+Nog een punt is er betreffende den geschiedkundigen Jezus, dat van groot
+belang is, namelijk dat hij nog leeft in een lichaam, als een van die
+groote Broederschap van Meesters waarvan de Theosofie ons leert. Hij
+vindt zijn bijzondere taak in de Christelijke kerk. Door die kerk kunnen
+nog heden de zielen hem als Meester bereiken; en zij die er toe zijn
+gekomen de Meesters te kennen, weten dat Jezus een van hen is, en dat
+hij nog thans door Christenen kan worden bereikt. Maar de voorwaarden
+hiervoor zijn nog steeds dezelfde als immer te voren. Zij zijn
+neergelegd in de woorden van Jezus in de Christelijke evangelien,
+woorden die letterlijk moeten worden gevolgd, en niet weggeredeneerd.
+Thans, gelijk oudtijds, moet de mensch die het leven van den Christus
+wil vinden het lagere leven dooden. Thans, gelijk voorheen, moet hij
+alles opgeven, wat behoort tot het persoonlijk zelf. Nog heden, evenals
+vroeger, moet al zijn aandacht op geestelijke dingen zijn gericht en
+niet op aardsche. Wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, zal Jezus, de
+Meester, zich aan den leerling openbaren; maar zoolang zijne woorden
+worden weggeredeneerd ter wille van wereldsche begeerten, zoolang de
+mensch tracht twee meesters te dienen, in twee werelden te leven,
+zoolang zal hij Jezus, den Meester, niet vinden, zal hij het leven van
+den Christus niet bereiken.
+
+
+
+
+#Aanhangsel.#
+
+
+
+
+DE THEOSOFISCHE VEREENIGING.
+
+
+
+
+De Theosofische Vereeniging is een internationaal lichaam, den 17^{den}
+November 1875 te New-York gesticht.
+
+Haar doel is:
+
+_I. Het vormen van een kern van de algemeene broederschap der
+menschheid, zonder aanzien van ras, geslacht, kaste of kleur. II. Het
+aanmoedigen van de vergelijkende studie van godsdienst, wijsbegeerte en
+wetenschap.
+
+III. Het naspeuren van onverklaarde natuurwetten en van de ongeopenbaar
+de krachten in den mensch._
+
+Van deze drie doeleinden is alleen het eerste bindend voor alle leden
+terwijl de twee andere tot hulp voor de bereiking van het eerste dienen.
+
+Het volbrengen van het tweede, dat het Oosten en het Westen aan elkander
+ontsluiert strekt om misverstanden voortspruitende uit verschil van ras
+en godsdienstvorm uit den weg te ruimen en stelt ten dienste van beiden
+de verborgen schatten van geestelijke kennis die beide bezitten. Ook het
+derde leidt tot broederschap daar het den mensch zich zelf en zijn
+omgeving leert kennen en hem ten slotte de geestelijke eenheid aantoont
+welke aan alle wezens ten grondslag ligt. Doch het nastreven van deze
+beide doeleinden vereischt bijzondere vermogens en bijzondere
+gelegenheden. Zij zijn daarom niet verplichtend voor alle leden doch
+worden naar vrije keuze nagestreefd door hen die zich daartoe
+aangetrokken gevoelen en die in staat zijn dat te doen. Daarom vindt
+iemand die hiervoor in het geheel geen belangstelling koestert, indien
+hij gelooft in menschelijke broederschap en willig is daarvoor te
+werken, een hartelijk welkom en een ruime plaats in de Theosofische
+Vereeniging.
+
+De leden der Vereeniging zijn meer verbonden door een ethischen dan door
+een verstandelijken band en hun eenheid berust op een verheven ideaal,
+niet op een omschreven geloof. De Vereeniging heeft geen
+geloofsstellingen, dringt aan op geen enkel geloof, schaart zich onder
+geen kerk, steunt geen partij, neemt geen deel aan de eindelooze
+kibbelarijen welke de maatschappij verdeelen en het nationaal,
+maatschappelijk en persoonlijk leven verbitteren. Zij tracht geen mensch
+van zijn eigen godsdienstvorm af te trekken, maar noopt hem integendeel
+in de diepten van zijn eigen godsdienst het geestelijk voedsel te zoeken
+dat hij noodig heeft. De uitkomsten der studie welke in het tweede
+doeleinde genoemd wordt biedt zij aan als voorwerpen van onderzoek, niet
+als geloofsstellingen waaraan blind geloof moet worden geslagen. Dat
+ieder eens anders godsdienstige gevoelens evenzeer eerbiedigen zal als
+hij dat voor de zijne verwacht wordt gerekend tot een eervolle
+verplichting in de Vereeniging, en volkomen wederkeerige hoffelijkheid
+hierover wordt van de leden verwacht. Dit alles leidt meer en meer tot
+samenwerking in het zoeken naar waarheid, tot verzachting van
+vooroordeelen, tot vrijmaking van den geest en tot groei eener
+welwillende vriendelijkheid en gewilligheid te leeren. Zoo is de
+Vereeniging een beschermende muur tegen den tweelingsvijand van den
+mensch: bijgeloof en materialisme, en behoort zij waar zij ook komt een
+zachten en louterenden invloed van vrede en goeden wil te verspreiden en
+zoodoende een van de krachten te zijn die het betere willen te midden
+van den strijd der tegenwoordige beschaving.
+
+
+
+
+LIDMAATSCHAP.
+
+
+Lidmaatschap kan worden verkregen op aanvrage aan den Algemeenen
+Secretaris eener Afdeeling of door middel van een der Loges of Centra
+der Vereeniging. Nadere inlichtingen hieromtrent worden op aanvrage
+gaarne verstrekt. Een exemplaar van de "Wet en Regels" der Theosofische
+Vereeniging en der Nederlandsche Afdeeling wordt, op verzoek aan den
+Algemeenen Secretaris, toegezonden.
+
+
+
+
+LIDMAATSCHAPSKOSTEN.
+
+
+De kosten van het lidmaatschap der Nederlandsche Afdeeling (insluitende
+het lidmaatschap der Theosofische Vereeniging) bedragen f 3.--per jaar
+en f 3.--intreegeld (eenmaal). Deze bedragen moeten bij de aanvrage tot
+lidmaatschap worden voldaan.
+
+In bijzondere gevallen kan ontheffing van geldelijke verplichtingen
+worden verleend.
+
+
+
+
+ADMINISTRATIEVE INDEELING.
+
+
+In verschillende landen voor zooverre die een voldoend aantal leden
+tellen zijn Afdeelingen der Vereeniging gevormd. Deze Afdeelingen worden
+vertegenwoordigd door een Algemeenen Secretaris. Iedere Afdeeling is
+onderverdeeld in Loges en Centra. De Nederlandsche Afdeeling telt zeven
+Loges en twee Centra.
+
+President der Vereeniging is Col. H. S. Olcott te Adyar, Madras,
+Engelsch-Indie.
+
+De Algemeene Secretarissen van de Afdeelingen der Vereeniging zijn:
+
+#Nederland#: W. B. Fricke, Amsterdam, 76, Amsteldijk.
+
+#Amerika#: Alexander Fullerton; New-York, 5, University Place.
+
+#Europa#: G. R. S. Mead, B. A.; London, N. W. 19, Avenue Road.
+#Indie#: Bertram Keightley, M. A.; Upendranath Basu, M. A., LL. B.,
+Benares.
+
+#Australie#: J. Scott, M. A.; Sydney, N. S. W., 42, Margaret
+Street.
+
+#Scandinavie#: A. Zettersten, Stockholm, 30, Nybrogatan.
+
+#Nieuw-Zeeland#: Dr. C. W. Sanders; Auckland, Mutual Life
+Buildings, Lower Queen Street.
+
+
+
+
+LIJST VAN LOGES EN CENTRA DER NEDERLANDSCHE AFDEELING.
+
+
+-----------------------------------------------------------------------------
+PLAATS. VOORZITTER. SECRETARIS.
+-----------------------------------------------------------------------------
+AMSTERDAM. W. B. Fricke, Amsteldijk 76. H. Wierts van Coehoorn,
+ Amsteld. 76
+*Amsterd. Loge. K.P.C. de Baxel, Nic. Mej. Cato E. Gruntke,
+ Beetsstr. 118. Overtoom 206
+*Vahana Loge. J. W. Boissevain, J. J. Hallo Jr.,
+ Tesselschadestraat 4. Schotersingel 69, Haarlem.
+StudentenCentrum.
+*GOUDA (Centrum). H. Reijnders, Lange
+ Groenendaal 99.
+*'s GRAVENHAGE. E.J.B. van der Beek, Mej. C.J. de Prez,
+ Wilhelminastr. 35 Wilhelminastr. 35
+
+*HAARLEM. Johan van Manen. J. J. Hallo Jr.,
+ Schotersingel 69
+*HELDER. T. van Zuylen, Spoorstraat S. Gazan, Kanaalweg 121
+ 138.
+ROTTERDAM. H. W. Hagenberg, Noordsingel J. A. Terwiel, 2e
+ 140. Crooswijksche Dwarsstraat 6.
+VLAARDINGEN. D. de Lange Dz., Oosthavenkade.
+------------------------------------------------------------------------------
+
+
+* De met een sterretje geteekende Loges bezitten boekerijen.
+
+
+
+
+BOEKEN OVER THEOSOFIE.
+
+
+Daar de Theosofische Vereeniging gesticht is in Engelsch sprekende
+landen en zich voornamelijk daar heeft verbreid gedurende de eerste 20
+jaren van haar bestaan zijn de meeste en beste boeken over Theosofie in
+het Engelsen geschreven. Deze, meest uitgegeven door de "_Theosophical
+Publishing Society_" te Londen, zijn alle te verkrijgen van haren
+uitsluitenden vertegenwoordiger voor Nederland, de "_Theosofische
+Uitgeversmaatschappij_" (Afdeeling Boekhandel), Amsterdam, Amsteldijk
+76. Uitgebreide catalogi worden op aanvrage toegezonden.
+
+In het Nederlandsch zijn door de "Theosofische Uitgeversmaatschappij" de
+volgende werkjes uitgegeven welke tegen overmaking van den bijvermelden
+prijs van haar verkrijgbaar zijn.
+
+
+THEOSOPHIA Maandblad, Prijs per jaargang f 2,50
+ Vorige jaargangen zijn in beperkt
+ aantal nog verkrijgbaar tegen
+ f2.50 per jaargang.
+ Kaarten van Atlantis behoorende
+ bij den 6en Jaargang
+ van "Theosophia", per stel
+ (vier stuks) - 1.50
+A. BESANT Kort begrip der Theosofie - 0.15
+H. SNOWDEN WARD Karma en Reincarnatie - 0.10
+MULTASPERO Eerste kennismaking met de
+ Theosofie - 0.25
+AFRA Eenvoudige schets der Theosofie - 0.25
+A. BESANT De evolutie der ziel, het doel
+ van 't leven - 0.10
+A. BESANT Yoga voor den mensch in de
+ maatschappij - 0.10
+A. BESANT Vier voordrachten over Theosofie,
+ gebonden - 0.60
+A. BESANT Levenstoestanden na den dood - 0.20
+A. BESANT De Zeven Beginselen van den
+ mensch, gebonden - 0.60
+JOHAN VAN MANEN Korte levensschets van Annie
+ Besant - 0.10
+
+
+Vele vertalingen van belangrijke Theosofische werken zijn in
+voorbereiding, terwijl in den loop van het jaar nog verscheidene
+kleinere en grootere werken zullen verschijnen.
+
+
+
+
+FOTOGRAFIEEN.
+
+
+"H. P. B.", Kabinetformaat f 1.--
+ANNIE BESANT, Salonformaat (18 X 24) - 3.--
+ " " Kabinetformaat - 1.--
+
+Bestellingen en betalingen te richten aan de "_Theosofische
+Uitgeversmaatschappij_", Amsteldijk 76, Amsterdam.
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Vier Voordrachten over Theosofie, by Annie Besant
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE ***
+
+***** This file should be named 12756.txt or 12756.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/7/5/12756/
+
+Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders
+Europe, http://dp.rastko.net.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/12756.zip b/old/12756.zip
new file mode 100644
index 0000000..e009948
--- /dev/null
+++ b/old/12756.zip
Binary files differ