summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:38:38 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:38:38 -0700
commite3b1273d7049afea8a6cdbd4885cb85b38f9f6ee (patch)
tree460f7c23fc0de3268ab213777da81fd669e5d7bb /old
initial commit of ebook 12003HEADmain
Diffstat (limited to 'old')
-rw-r--r--old/12003-8.txt4703
-rw-r--r--old/12003-8.zipbin0 -> 77091 bytes
-rw-r--r--old/12003-h.zipbin0 -> 79853 bytes
-rw-r--r--old/12003-h/12003-h.htm4797
-rw-r--r--old/12003.txt4703
-rw-r--r--old/12003.zipbin0 -> 76633 bytes
6 files changed, 14203 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/12003-8.txt b/old/12003-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..df7854a
--- /dev/null
+++ b/old/12003-8.txt
@@ -0,0 +1,4703 @@
+The Project Gutenberg EBook of Extaze, by Louis Couperus
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Extaze
+ Een Boek van Geluk
+
+Author: Louis Couperus
+
+Release Date: April 12, 2004 [EBook #12003]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EXTAZE ***
+
+
+
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+
+EXTAZE
+
+EEN BOEK VAN GELUK
+
+
+Door
+
+
+LOUIS COUPERUS
+
+
+
+
+_Aan het Geluk en het Leed te Zamen_.
+
+HILVERSUM, L. C.
+ Jan.'92
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+
+I.
+
+
+Dolf van Attema was op zijne wandeling na den eten aangegaan bij de
+zuster zijner vrouw, Cecile van Even, op den Scheveningschen weg, en
+hij wachtte in den kleinen voor-salon, wandelend tusschen de rozenhouten
+meubeltjes en de vieux roze moiré cauzeuses met de drie, vier groote
+passen, waarmeê hij de nauwte van het vertrekje telkens en telkens
+scheen over te meten. Achter de chaise-longue brandde op een onyxen
+zuil eene lamp van onyx, onder hare kanten kap zacht gloeiend als eene
+groote, zeshoekige lichtbloem.
+
+Mevrouw was nog bij de jongens, die juist naar bed gingen, had de meid
+tot Van Attema gezegd en het speet hem zijn petekind, den kleinen Dolf,
+dien avond niet meer te zullen zien; hij had reeds even naar boven
+willen loopen om met Dolf in zijn bedje te stoeien, maar ook had hij
+zich aanstonds Cecile's verzoek herinnerd, dit toch nooit meer te doen;
+de jongen bleef uren wakker liggen na zoo een gedartel met oom. En
+hij wachtte dus nu, met een glimlach om die gehoorzaamheid, zijne
+schoonzuster af, steeds metende den kleinen salon met zijn pas van
+een stevig, kort man, ineengedrongen en breed, niet jong meer en wat
+ivoorachtig kalend onder zijn kort, donkerblond haar, zijne oogen
+klein-vriendelijk en prettig blauw-grijs, zijn mond beslist flink,--al
+glimlachte hij ook--in het rossige gekroes van zijn korten Germaan-baard.
+
+Een houtblok brandde met een paar kronkeltongen in het baardje van
+nickel en verguld, als een vuurtje van stille intimiteit, als eene
+vlam van discretie, in die schemeratmosfeer van, met kant gedekt,
+lampeschijnsel en intimiteit, discretie verspreidden ook door geheel
+het nauwe vertrekje iets als een aroom van viooltjes, eene nuance van
+viooltjes-geur, die school in de zachtheid der tinten van behang en
+meubelen,--fletsch roze moiré en rozehout,--die hing in het hoekje der
+kleine rozehouten schrijftafel, met hare enkele zilveren zaakjes om te
+schrijven en hare portretten in gladde, glazen Mora-lijstjes; een
+kleine, witte, Venetiaansche spiegel daar boven. En die zachte lucht van
+bescheiden exquiziteit, vol gedemptheid, teederheid, kuischheid bijna,
+die dreef tusschen het haardje, de schrijftafel en de chaise-longue, die
+gleed tusschen de stille plooien der geëffaceerde behangsels, hield iets
+in, dat rust gaf aan zenuwachtigheid, zoodat Dolf, in eens, zijn stap
+van meten staakte, zitten ging, om zich heen zag en, eindelijk, stil,
+turen bleef op het portret van Cecile's man, den minister Van Even, die
+anderhalf jaar geleden gestorven was.
+
+Toen duurde het wachten hem niet meer lang, tot Cecile binnenkwam. Zij
+trad glimlachend naar hem toe, waar hij oprees, drukkend zijne hand,
+zich verontschuldigend, dat de kinderen haar hadden opgehouden. Zij
+bracht ze altijd zelve naar bed, hare twee jongens, Dolf en Christie,
+en ze zeiden dan naast elkaâr, in hunne ledikanten naast elkander, hunne
+gebedjes op. Dolf herinnerde zich nu, dat zij over de kinderen sprak,
+dit dikwijls gezien te hebben.
+
+--Christie was niet wel, hij was zoo hangerig; als het maar geen mazelen
+worden, sprak zij.
+
+Er was eene moederlijkheid in hare stem, maar zelve was zij niet als
+eene moeder, jonkvrouwelijk tenger als zij daar nu zat, op de
+chaise-longue, den zachten gloed der kanten lichtbloem op stengel van
+onyx achter zich, zijzelve zwart in het krip van haren rouw, haar
+dof-blond hoofd hier en daar heel eventjes aangegoud door het licht
+van achteren. In dat krip--een los sleeptoilet van krip, voor in huis
+--vertengerde zich hare gestalte als tot die van een maagd; zoó
+teeder verbogen zich de lijnen van heur ietwat langen hals en dunne
+schouders--de armen met iets looms in beweging neêrvallend, de handen
+in den schoot--verbogen zich ook de lijnen der meisjesachtige jeugd van
+buste en fijnen leest, fijn als eene vaas van tengerheid, en alle, die
+lijnen, boetseerden haar bijna in een, nog wachtenden, bloei van
+maagdelijkheid, of zij geene jonge vrouw ware, of zij niet hare kinderen
+had, hare twee jongens, van zes en zeven.
+
+Haar gelaat was weggedoezeld in de schaduw--het lamplicht guldende om
+heur haar--en Dolf zag haar eerst niet in de oogen, maar toen, zich
+wennende aan die schaduw, bespeurde hij haren blik, zacht schitterend in
+het donker van heur gelaat. Zij sprak met hare stem van zachten klank,
+een beetje dof en gedempt, als een overwaasd fluisteren; zij sprak hem
+nog eens over Christie, over zijn petekind, Dolf, vroeg toen naar hare
+zuster, Amélie.
+
+--We maken het goed, dank je; je mag wel eens naar ons vragen, we zien
+je bijna nooit, antwoordde hij.
+
+--Ik ga zoo weinig uit, verontschuldigde zij zich.
+
+--Dat is juist verkeerd: je komt veel te weinig in de lucht en veel te
+weinig onder de menschen. Amélie zei dat van middag ook aan tafel, en
+daarom ben ik eens aangeloopen om te vragen of je morgenavond bij ons
+komt.
+
+--Een soirée?
+
+--Niemand.
+
+--Goed; ik zal komen met heel veel plezier zelfs.
+
+--Ja maar, waarom doe je dat nooit uit jezelve?
+
+--Ik kom er niet toe.
+
+--Wat voer je dan 's avonds uit?
+
+--Ik lees, ik schrijf, of ik doe niets. En dat laatste is nog het
+heerlijkste: ik leef pas als ik _niets_ doe.
+
+Hij schudde zijn hoofd.
+
+--Je bent een rare meid. Je verdient eigenlijk niet, dat we zooveel van
+je houden.
+
+--Hé ja! vroeg zij coquet.
+
+--Kom, het kan je niets schelen. Je zoû even goed buiten ons kunnen.
+
+--Dat moet je niet zeggen, dat is niet zoo. Ik heb heel veel behoefte
+aan je sympathie, maar ik verplaats me moeilijk. Als ik eenmaal zit, dan
+zit ik en dan denk ik of ik denk niet, maar tot opstaan kom ik dan niet
+gauw ...
+
+--Dat is een schandelijke luie levensopvatting!
+
+--Het is de mijne! Je houdt immers van me: vergeef je me die luiheid dan
+ook niet? Vooral als ik beloof morgen te zullen komen?
+
+Hij was ingepalmd.
+
+--Nu goed! sprak hij lachend. Je bent natuurlijk vrij te leven, zooals
+je wilt. We houden tóch van je, al verwaarloos je ons.
+
+Zij lachte, zei, dat hij leelijke woorden gebruikte en langzaam stond
+zij op, om hem aan hare kleine theetafel zijn kopje in te schenken. Hij
+voelde iets als eene streelende zachtheid over zich heen komen, als zoû
+hij daar gaarne lang gezeten hebben, pratend en thee-drinkend, in die
+viooltjes-atmosfeer van bescheiden exquiziteit: hij, de man van de daad,
+de staatsman, lid van de Tweede Kamer, wiens dag uur aan uur bezet was,
+met commissies hier en commissies daar.
+
+--Je zei, dat je las en schreef; wat schrijf je? vroeg hij.
+
+--Brieven.
+
+--Altijd brieven?
+
+--Ik hoû heel veel van correspondeeren. Met mijn broêr en mijn zuster in
+Indië.
+
+--Maar toch niet altijd.
+
+--O neen.
+
+--Wat schrijf je dan nog meer?
+
+--Je wordt indiscreet, hoor! lachte zij.
+
+--Nu kom, ik! lachte hij terug, als mocht hij wel. Toch geen belletrie?
+
+--Wel neen. Mijn dagboek.
+
+Hij lachte luid, vroolijk op.
+
+--Jij een dagboek! Wat zal jij met een dagboek doen! De eene dag zal je
+wel precies gelijk aan den andere zijn.
+
+--Maar wel neen!
+
+Hij haalde zijne schouders op, den kluts kwijt. Zij was hem altijd een
+raadsel. Zij zag dat en had er schik in hem te laten zoeken.
+
+--Ik heb soms heele mooie dagen, en soms heele leelijke dagen.
+
+--Zoo! sprak hij, haar lang aanziende, glimlachend, met de
+vriendelijkheid zijner kleine oogen. Begrijpen deed hij nog niet.
+
+--En daardoor heb ik soms heel veel te schrijven, in mijn dagboek, ging
+zij voort.
+
+--Mag ik er eens wat uit lezen?
+
+--Jawel ... na mijn dood.
+
+Hij deed of hij rilde, met zijn breede schouders.
+
+--Brr ... wat wordt je somber!
+
+--Dood? Waarom is dat somber? vroeg zij, bijna vroolijk.
+
+Maar hij stond op.
+
+--Je maakt me bang, schertste hij. Ik stap op, hoor; ik heb nog veel te
+werken. Dus tot morgen?
+
+--Heel graag: tot morgen.
+
+Hij gaf haar een hand, en zij sloeg op een kleinen zilveren gong, om hem
+uit te laten. Even bleef hij haar nog aanzien, met een glimlach in zijn
+baard.
+
+--Je bent een rare meid, en toch ... toch hoûen we van je! herhaalde hij,
+alsof hij zich, voor zichzelven, wilde verontschuldigen om die
+sympathie. En hij boog zich neêr, gaf haar een zoen op het voorhoofd:
+hij was zooveel ouder dan zij.
+
+--Ik ben heel blij, dat jullie van me houden! sprak zij. Tot morgen dus,
+adieu.
+
+Hij ging, zij bleef alleen. Als atomen, die vervlogen, schenen hunne
+woorden nog hier en daar te drijven in de stilte. Toen werd die stilte
+volkomen en Cecile bleef roerloos zitten, leunende in de drie kussentjes
+der chaise-longue, zwart in haar krip, als eene schaduw tegen het licht
+der lamp, de oogen voor zich uit turend. Om haar heen zonk een vage
+droomerij neêr, als met lichte wolkjes, waarin gezichten even
+opgluurden, waaruit gezegden zacht afklonken, zonder logischen gang, in
+een doelloos warrelen van herinnering. Het was de droomerij van eene,
+wie geene obsessie van wat ook op de hersens licht, obsessie noch van
+geluk, noch van smart, droomerij van een geest vol stille lichtheid, als
+vol van een wijd, stil grijs Nirwana, waarin alle moeite des denkens
+vervloeit en de gedachte slechts wat terug-dwaalt over indrukken van
+vroeger, ze plukkende hier en daar, zonder keuze. Want de toekomst voor
+Cecile scheen haar eene eentonige zachtheid van onberoerde kalmte toe,
+waarin de figuurtjes van Dolf en Christie opgroeiden tot aardige
+jongens, tot jonge studenten, tot mannen en waarin Cecile zelve niets
+dan moeder bleef, omdat zij zich niet geheel kende in het onbewuste van
+haar gemoedsleven en niet wist, dat zij meer vrouw was dan moeder, hoe
+lief ze ook hare kinderen had. Voelde zij, verzonken in de wolkjes van
+haar gedroom, dat zij iets miste om hare verweduwing; voelde zij
+eenzaamheid om zich heen, voelde zij, dat er niemand naast haar zat, en
+dat de ijle lucht zonder weêrstand van vast lichaam om haar heen dreef
+als iets, waarin zij te vergeefs hare armen tot omhelzing zoû slaan?
+Neen, zij voelde dat niet, hoewel dit gevoel toch in haar lag, maar het
+lag zóo diep, zoo in het onbewuste van hare ziel, dat het niet tot haar
+kwam, mocht het misschien later ook langzamerhand kunnen op- en oprijzen
+als eene schim van duidelijker weemoed. Want wat er ook van weemoed was
+in haar gedroom, scheen haar toe: de weemoed om het verleden, om haar
+lieven man, dien zij verloren had en niet, o nooit! de weemoed om het
+heden, om hare eenzaamheid.
+
+Wie haar nu gezegd had, dat zij iets miste, zoû haar verontwaardigd
+hebben; zelve meende zij, dat niets haar ontbrak, en zij waardeerde het
+kalme geluk, waarin zij, als in een schadeloos egoïsme, ademde met hare
+kinderen, als een geluk, dat compleet was. Wanneer zij droomde, zooals
+nu, over niets--wolkjes van gedroom, die vervlogen, nagewolkt door
+nieuwe wolkjes--dan begonnen er wel eens groote tranen te wellen in hare
+oogen, tranen, die langzaam afvloeiden van hare wang, maar ze waren haar
+niets dan tranen van een onzegbaar vagen weemoed: een zachte zwaarte op
+heur hart, die nauwlijks drukte en daar was om zij wist niet wat, zelfs
+niet om haren man om wien zij niet meer weende.
+
+Zoo kon zij avonden doorbrengen, alleen maar zittende en droomende,
+zonder zich te vervelen, en bedenkend, hoe de menschen daarbuiten
+draafden en zich vermoeiden in vele nutteloosheid, zonder gelukkig te
+zijn, terwijl zij het was; gelukkig in het gewolk van haar gedroom. De
+uren gingen voorbij en hare hand was te loom om het boek op het tafeltje
+naast haar te grijpen: eene loomheid, die haar zoo ten laatste geheel en
+al doorvloeide, dat het één uur werd en zij nog niet kon besluiten op te
+staan en te gaan slapen.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Toen Cecile den volgenden avond in den salon bij de Van Attema's
+binnenkwam, langzaam, met haar slependen tred, in het soupele zwart van
+haar krip, kwam Dolf aanstonds op haar toe en hij drukte haar de hand:
+
+--Ik hoop, dat je het niet vervelend zal vinden ... Quaerts kwam hier een
+visite maken en Dina had gezegd, dat wij thuis waren. Het spijt me ...
+
+--Het is niets! fluisterde zij terug, toch even gekrenkt in haar
+sensitivisme, door de onverwachte ontmoeting met dien vreemde, dien zij
+zich niet herinnerde ooit bij Dolf gezien te hebben, en dien zij nu zag
+opstaan waar hij zat met de oude mevrouw Hoze, Dolfs oud-tante met
+Amélie en haar beide meisjes, Anna en Suzette. Cecile kuste de oude
+dame, en zij groette verder rond, met een glimlach door hen allen
+verwelkomd, omdat ze zoo veel van haar hielden. Dolf prezenteerde:
+
+--Mijn vriend Taco Quarts ... Mevrouw Van Even, mijn zuster.
+
+Zij zaten een beetje verspreid om het groote vuur in den open haard, de
+piano dicht bij hen in een hoek, den rug gedrapeerd naar hen toe en
+Jules zat er achter, de jongste, zoo verloren in zijn spel, terwijl hij
+Rubinsteins romance in es speelde, dat hij niet had gehoord, hoe zijne
+tante was binnen gekomen.
+
+--Jules ... riep Dolf.
+
+--Laat hem maar! zei Cecile.
+
+De jongen antwoordde niet en speelde door en Cecile zag, over de piano,
+zijn verwarde haren en zijn oogen, vol weg-zijn in muziek. Eene weekheid
+van melancholie rees zachtjes in haar op, als een last, als een last,
+die op haar borst klom en drukte op haren adem. Van Jules' vingers
+vielen soms plotseling forto-toonen af, die plotseling, haar kleine
+schokjes gaven in hare keel en zij gevoelde eene stemming van
+raadselachtigheid om haar heen weven als met vage mazen; eene stemming,
+die zij wel eens meer gevoelde; stemming, waarin zij zich als het ware
+niet bezat, als hadde zij zich verloren, als zocht zij zichzelve, als
+wist zij niet wat zij nu dacht, wat zij op het oogenblik zelve zeggen
+zoû ... Er smolt iets in hare hersenen, als eene momenteele verweeking.
+Haar hoofd zonk wat naar omlaag en, zonder goed te hooren, scheen het
+haar als had zij die romance, zoo, precies zoo gespeeld, als Jules ze
+speelde, nog éens gehoord, heel lang geleden, in haar zielebestaan van
+vroeger, van eeuwen her, zoo, precies zoo in dien kring van menschen,
+daar voor dat vuur ... De tongen van het vuur rekten zich met dezelfde
+kronkelingen uit als dat vuur van eeuwen her en Suzette knipte eens met
+hare oogen, even als zij het toen gedaan had, vroeger ...
+
+Waarom zat zij daar nu weêr, te midden van hen allen? Wat was dat
+noodig, zoo te zitten om een vuur en te hooren naar muziek? Wat was dat
+vreemd en wat waren er vreemde dingen in de wereld ... En toch was het
+aangenaam zoo te zijn met elkaâr, liefjes gezellig, stil, zonder veel
+woorden, de muziek achter den rug der piano wegklagende tot ze eensklaps
+zweeg. En de stem van Mevrouw Hoze had een klank van sympathie, toen ze
+vroeg, aan Cecile's oor:
+
+--We krijgen je dus weêr terug, kind? Je komt dus weêr uit je schulp te
+voorschijn?
+
+Cecile drukte haar de hand, met een lachje:
+
+--Ik heb me toch nooit voor u verborgen. Ik ontving altijd.
+
+--Ja, wij moesten maar naar jou komen, maar jij bleef thuis, niet waar?
+
+--U is toch niet boos op me, daarom?
+
+--Wel neen, lieveling, je hebt zoo een verdriet gehad.
+
+--O, nu nog, ik mis alles.
+
+Waarom miste zij in eens alles? Zij had nooit dat gevoel van gemis in
+haar eigen huis, in de wolkjes van haar gedroom, maar buiten, in de
+wereld, onder anderen, miste zij dadelijk alles, alles ...
+
+--Je hebt toch je kinderen.
+
+--Ja ...
+
+Zij zeide het mat, moê, alleen, doodeenzaam, als zweefde zij in eene
+wijdte moê voort, zonder steun gedragen door liohaamlooze luchten,
+waardoor zij hare armen heen sloeg, zonder te grijpen.
+
+Mevrouw Hoze stond op: Dolf kwam ze halen om te whisten, in de andere
+kamer.
+
+--Jij ook, Cecile? vroeg hij.
+
+--Neen, je weet: kaarten en ik!
+
+Hij drong niet verder aan; hij had nog Quaerts en de meisjes om te
+spelen.
+
+--Wat doe je daar, Jules? vroeg hij, met een blik over de piano.
+
+De jongen was daar achter blijven zitten, als vergeten. Hij stond nu op,
+hij kwam te voorschijn, lang, uit zijn kracht gegroeid, met vreemde
+oogen.
+
+--Wat deê je daar?
+
+--Zit toch niet zoo te suffen, jongen! mopperde Dolf vriendelijk met
+zijn diepe stem. Waar zijn de kaarten nu weêr, Amélie?
+
+--Ik weet het niet! zeide zijne vrouw, zoekend met den blik in het vage.
+Waar zijn de kaarten, Anna?
+
+--In de fichesdoos, niet?
+
+--Neen, mopperde Dolf. De dingen zijn nooit op hun plaats.
+
+Anna stond op, zocht, vond de kaarten in de la van een boule kastje.
+Amélie was ook opgestaan; ze schikte de muziek op de piano recht, altijd
+ordenend de zaken in hare kamers en dadelijk weêr vergetend, waar zij ze
+borg, opruimende alleen met hare vingers, en zijzelve altijd weg, in het
+vage ...
+
+--Anna, trek ook eens een kaart, als rentrant! riep Dolf uit de andere
+kamer.
+
+De beide zusters bleven alleen, met Jules.
+
+De jongen was op een voetenbank gaan zitten, bij Cecile:
+
+--Mama, laat mijn muziek toch liggen.
+
+Amélie zette zich bij Cecile.
+
+--Is Christie beter?
+
+--Hij is vandaag wat opgewekter.
+
+--Gelukkig maar ... Kende je Quaerts niet?
+
+--Neen.
+
+--Niet? Hé! Hij komt dikwijls hier.
+
+Cecile zag door de open schuifdeuren naar de speeltafel. Twee bougies
+brandden er. Het roze gelaat van Mevrouw Hoze was hel verlicht, glad en
+deftig; heur kapsel glom zilvergrijs. Quaerts zat over haar: Cecile zag
+de ronde, weggeschaduwde silhouet van zijn kop, het haar zeer kort
+geknipt, dik zwart, boven de witte glanslijn van zijn boordje. Zijn
+armen hadden korte bewegingen als hij uitspeelde of opnam. Zijn figuur
+had iets zeer krachtigs, iets energiek flinks, iets van het gewone
+leven, dat Cecile antipathiek was.
+
+--De meisjes houden van spelen?
+
+--Suzette vooral, Anna minder: ze kan het niet goed.
+
+Cecile zag, dat Anna achter haar vader zat te turen met oogen, die niet
+begrepen.
+
+--Je gaat veel met ze uit, tegenwoordig? vroeg Cecile weêr.
+
+--Ja, het moet wel. Suzette houdt er van, maar Anna niet. Suzette wordt
+mooi, hé?
+
+--Suzette is een coquet nest! zei Jules. Verleden met dat diner hier ...
+
+Hij hield in eens op.
+
+--Neen, ik zal het maar niet vertellen. Het is niet goed kwaad te
+spreken, niet waar, tante?
+
+Cecile glimlachte.
+
+--Neen, natuurlijk niet!
+
+--Ik zoû zoo gaarne heel goed zijn, tante.
+
+--Dat is mooi van je.
+
+--Neen, neen, weerde hij af. Ik vind alles zoo slecht, weet u. Waarom is
+alles toch zoo slecht, niet waar, tante?
+
+--Maar er is ook zoo veel goeds, Jules.
+
+Hij schudde zijn hoofd.
+
+--Neen, neen, herhaalde hij. Alles is slecht. Alles is heel slecht.
+Alles is egoïsme. Noem u eens iets op, dat niet egoïst is?
+
+--Ouderliefde.
+
+Maar Jules schudde weêr zijn hoofd.
+
+--Ouderliefde is gewoon egoïsme. Kinderen zijn een deel van de ouders.
+Die houden dus van hunzelven als ze van hun kinderen houden.
+
+--Maar Jules! riep Amélie. Je praat altijd veel te tranchant! Je weet,
+dat ik daar niet van hoû! Je bent veel te jong om zoo te praten! Je doet
+net of je alles weet!
+
+De jongen zweeg.
+
+--En ik zeg juist altijd, dat we nooit iets weten ... We weten nooit
+iets, vindt je ook niet, Cecile? Ik ten minste, ik weet nooit iets,
+nooit ...
+
+Haar blik dreef weg door de kamer, in het vage ... Hare vingers streken
+de franje van haar fauteuil glad, ordenend. Cecile legde haar arm
+zachtjes om Jules' hals.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Aan de speeltafel was Quaerts uitgevallen en ofschoon Dolf vroeg of hij
+niet wilde doorspelen, stond hij op.
+
+--Ik zoû gaarne mevrouw Van Even willen aanspreken, hoorde Cecile hem
+zeggen.
+
+Zij zag hem daarop naar den grooten salon komen, waar zij steeds zat met
+Amélie,--Jules aan hare voeten--, in eene conversatie van den hak op den
+tak, daar Amélie nooit kon doorpraten, maar telkens afdwaalde en den
+draad van een gesprek vallen liet. Zij wist niet waarom, maar Cecile
+zette eensklaps een zeer ernstig gezicht, alsof zij met hare zuster over
+zeer gewichtige zaken sprak en ze zeide toch niets anders dan:
+
+--Jules moet heusch les nemen in harmonieleer, als hij al zoo
+componeert ...
+
+Quaerts was nader gekomen; hij was gaan zitten bij de dames, met eene
+nauw merkbare verlegenheid in zijne wijze van zijn, eene zachte
+weifeling in het kort krachtige zijner gebaren.
+
+Maar Jules vatte vlam.
+
+--Neen, tante, ik wil zoo min mogelijk leeren! Ik wil niet altijd namen
+leeren en stelsels leeren en indeelingen leeren. Ik heb er geen kop
+voor. Ik componeer zoo maar, zoo maar.
+
+Hij maakte eene vage beweging met zijne vingers.
+
+--Jules kan nauwelijks lezen, het is een schande! zei Amélie.
+
+--En hij speelt zoo aardig! sprak Cecile.
+
+--Ja, tante, ik onthoud het, ik vind het zoo op de piano ... Ach, ik kan
+eigenlijk niets. Ik heb het zoo maar uit mezelven, weet u.
+
+--Maar dat is juist mooi!
+
+--Neen, neen, je moet namen kennen, en stelsels en indeelingen. Dat moet
+je in alles. Ik zal ook nooit techniek krijgen, ik kan niets.
+
+Hij sloot even zijne oogen; eene treurigheid waasde vlugjes weg over
+zijn bewegelijk gezicht.
+
+--Weet u, een piano is zoo ver, zoo groot, zoo een meubel, niet waar?
+Maar een viool, o, wat is dat lief! Je houdt dat zoo tegen je aan, aan
+je hals, bijna aan je hart, het is zoo iets van jou en je streelt het
+zoo, je zoû het bijna zoenen! Je voelt de ziel van een viool zoo trillen
+in zijn kast. En dan, alleen maar zoo een paar snaren, die alles zingen.
+O, een viool, een viool!
+
+--Jules ... begon Amélie.
+
+--En o, tante, een harp! Een harp, zoo tusschen je beenen, een harp, die
+je omhelst met je beide armen, een harp is net een engel met lange
+gouden haren ... O, ik heb nog nooit op een harp gespeeld!
+
+--Jules, schei uit! riep Amélie schel. Je maakt me zenuwachtig met dien
+onzin. Schaam je toch voor meneer Quaerts!
+
+Jules keek vreemd op.
+
+--Voor Taco? Vindt je, dat ik me schamen moet, Taco?
+
+--Wel neen, jongen ...
+
+De klank van zijne stem was als eene liefkoozing. Cecile zag hem aan,
+verwonderd. Zij had gedacht, dat hij Jules voor den gek zoû hebben
+gehouden. Ze begreep hem niet, maar ze vond hem zeer antipathiek, zoo
+gezond en zoo sterk met zijn energiek gezicht en zijn mooien,
+zinnelijken mond, zoo anders dan Amélie en Jules en zijzelve ...
+
+--Wel neen, jongen ...
+
+Jules zag lichtjes minachtend naar zijne moeder op, als wist hij wel.
+
+--Ziet u wel! Taco is een gezellige vent ...
+
+Hij draaide zijn voetebankje naar Quaerts en legde zijn hoofd tegen
+diens knie.
+
+--Maar Jules ...
+
+--Laat hem maar, mevrouw.
+
+--Iedereen bederft dien jongen ...
+
+--Behalve u! zei Jules.
+
+--Ik! Ik! riep Amélie verontwaardigd. O ik bederf je heelemaal!
+Heelemaal! Ik woû, dat ik je niet kon toegeven. Ik woû, dat ik je naar
+Kampen kon sturen of naar Deli! Dan zoû je wel flinker worden! Maar ik
+alleen kan niets en je vader bederft je ook ... Wat er van jou nog moet
+worden!
+
+--Wat moet er van je worden, Jules? vroeg Quaerts.
+
+--Ik weet het niet; ik mag niet studeeren, ik ben een te zwak poppetje
+om veel te werken.
+
+--Zoû je later naar Deli willen?
+
+--Ja, met jou ... Alleen niet; o, alleen te zijn, altijd alleen te zijn!
+Je zal zien: ik zal altijd alleen zijn en ik vind het vreeslijk alleen
+te zijn!
+
+--Maar Jules, je bent nu toch niet alleen! verweet Cecile.
+
+--O ja, ja, in mijn eigen ben ik alleen, altijd alleen ...
+
+Hij drukte zich tegen Quaerts' knie.
+
+--Jules, spreek nu niet meer zoo dwaas! riep Amélie zenuwachtig.
+
+--Ja, ja! kreet Jules in eens met een halven snik uit. Ik zal mijn mond
+hoûen! Maar spreken jullie niet meer over mij, o, toe, spreek dan ook
+niet meer over mij!
+
+Hij vouwde zijne handen en smeekte het hun, een angst op zijn gelaat.
+Zij zagen hem allen aan, maar hij verborg zijn gezicht in den schoot van
+Quarts als was hij doodsbang voor iets ...
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Anna speelde slecht whist tot wanhoop van Suzette; o, dat kind vergat
+zelfs de grootste troeven! en Dolf riep zijne vrouw:
+
+--Amélie val eens in, tenminste als Quaerts niet wil. Je geeft je
+dochter wel niet veel toe, maar het is toch nog een ziertje beter!
+
+--Ik zal liever mevrouw Van Even gezelschap hoûen, sprak Quaerts.
+
+--Gaat u anders gerust whisten, meneer Quaerts! sprak Cecile met de
+koude stem, die zij tegen, haar antipathieke, menschen aannam.
+
+Amélie sleepte zich met een ongelukkig gezicht weg. Ze speelde ook niet
+schitterend, en Suzette werd altijd zoo driftig als ze iets verkeerds
+deed.
+
+--Ik heb al zoo dikwijls verlangd met uw kennis te maken, mevrouw: ik
+zoû niet gaarne nu de gelegenheid laten voorbijgaan, antwoordde Quaerts.
+
+Ze zag hem aan: het ontstemde haar, dat ze hem niet begreep. Ze wist,
+dat hij nog al een Don Juan was. Ze herinnerde zich den naam eener
+getrouwde vrouw in verband met den zijne. Zoû hij meenen haar wat het
+hof te maken? Ze hield anders niet van die aardigheden; ze had nooit van
+flirt gehouden.
+
+--Waarom? vroeg ze kalm, en ze verbeet zich dadelijk, want hare vraag
+klonk als eene coquetterie en ze bedoelde alles behalve dat.
+
+--Waarom?!
+
+Hij zag haar lichtjes verrast terug aan; hij zat dicht bij haar, Jules
+tusschen hen in, op den grond, tegen zijn knie, de oogen gesloten.
+
+--Om ... om, stamelde hij, omdat u de zuster is van mijn vriend, niet
+waar, en ik zag u hier nooit ...
+
+Zij antwoordde niet: zij had in hare eenzaamheid verleerd te
+converseeren en zij gaf zich er niet de minste moeite voor.
+
+--Ik heb u vroeger dikwijls in de comedie gezien, sprak Quaerts; toen
+meneer Van Even nog leefde.
+
+--In de opera, zeide zij.
+
+--Ja.
+
+--O, ik kende u niet.
+
+--Neen.
+
+--Om mijn rouw ben ik heel lang 's avonds niet uitgegaan.
+
+--En ik kom altijd 's avonds bij Dolf mijn visites maken.
+
+--Dus logisch, dat u me nooit hier ontmoette.
+
+Ze zwegen even. Het trof hem, dat ze zeer koud sprak.
+
+--Ik zoû wel gaarne aan de opera willen gaan! murmelde Jules met
+gesloten oogen. Ach neen, eigenlijk toch niet.
+
+--Dolf zei me, dat u veel las, ging Quarts voort. Volgt u de moderne
+litteratuur?
+
+--O ... een beetje. Ik lees niet zoo heel veel.
+
+--Niet?
+
+--O neen. Ik heb twee kinderen en er dus niet veel tijd voor. En het
+boeit me nooit veel: het leven is veel romantischer dan welke roman ook.
+
+--U is dus filozoof?
+
+--Ik? O waarlijk niet, meneer Quaerts, ik ben zoo laag bij den grond
+mogelijk!
+
+Zij zeide het met haar slecht lachje en hare koude stem: hare stem en
+haar lach, als zij bang was, dat men haar verwonden zoû in heur geheim
+sensitivisme en als zij zich dus verborg, diep in het mysterie van
+zichzelve, gevende aan de buitenwereld iets geheel anders dan zij was.
+Jules had zijne oogen geopend en zag haar aan en zijn blik, dien hij
+niet meer van haar afwendde, hinderde haar.
+
+--U woont allerliefst daar op den Scheveningschen weg.
+
+--O zeker.
+
+Zij zag eensklaps, dat zij onbeleefd van koudheid was en dit wilde zij
+niet, ook al was hij haar antipathiek. Zij vleide zich achteloos wat
+achterover; ze vroeg blankweg, zonder eenige belangstelling, geheel voor
+de conversatie:
+
+--Heeft u veel familie in den Haag?
+
+--Neen; mijn ouders wonen te Velp en mijn familie meerendeel in Arnhem.
+Ik ben nooit ergens vast, ik kan nooit lang op een plaats blijven. Ik
+heb langen tijd in Brussel gewoond.
+
+--U is niet in betrekking, niet waar?
+
+--Neen, mijn illuzie van jongen was in de marine te gaan, maar ik ben
+afgekeurd geworden voor mijn oogen.
+
+Zij zag hem even onwillekeurig in zijne oogen: kleine, diep liggende
+oogen, waarvan zij de kleur niet zien kon. Zij vond er iets sluws, iets
+geslepens in.
+
+--Het heeft me altijd gespeten, ging hij voort. Ik ben een man van
+beweging. Ik voel altijd drang naar beweging in me. Ik troost me nu maar
+met veel sport.
+
+--Sport? herhaalde zij koud.
+
+--Ja.
+
+--O.
+
+--Quaerts is een Nimrod en een Centaur en een Herkules, niet waar? riep
+Jules.
+
+--Zoo, geef je me "namen"? lachte Quaerts. Waarbij "deel je me verder
+in", Jules?
+
+--Bij de heele enkele menschen, van wie ik veel hoû! riep Jules in vuur
+en vlam. Taco, je zoû me nog altijd paard leeren rijden?
+
+--Nu, wanneer je wilt, kereltje.
+
+--Ja, maar jij moet den dag bepalen, dat we naar de manege gaan. Ik
+bepaal geen dagen, daar vind ik iets angstigs in.
+
+--Morgen dan? Het is morgen Woensdag.
+
+--Goed.
+
+Cecile bespeurde, dat Jules haar steeds aanzag. Zij zag hem terug aan.
+Hoe was het mogelijk, dat de jongen van dien man hield! Hoe was het
+mogelijk, dat, als het hàar hinderde, het hèm niet hinderde: dat
+gezonde, dat sterke, die kracht van spieren, die kracht van sport!
+Had die man iets slechts voor met Jules, dat hij zich zoo quasi teeder
+voordeed tegenover dat kind? Zij begreep er niets van, zij begreep noch
+Quaerts noch Jules en zelve verzonk ze weêr in die stemming van
+zelfverlies, waarin zij niet wist wat ze dacht en op het oogenblik
+zelve zeggen zoû; stemming, waarin zij zich terug zocht, en te vergeefs.
+Verbitterd stond zij op, lang, rank, lenig; in haar krip, als eene
+koningin, die rouwde; goudspelingen in het dof blond van heur haar,
+waarin een klein gitten kroontje glom als zwart spiegel.
+
+--Ik ga eens even zien, wie er wint, sprak ze en ze ging naar de
+speeltafel in de andere kamer; ze zette zich achter Mevrouw Hoze,
+schijnbaar belangstellend in het spel en, door het licht der bougies
+heen, gluurde ze naar Quaerts en Jules. Ze zag, dat ze zachtjes met
+elkaâr spraken, vertrouwelijk, Jules met zijn arm op Quaerts' knie. Ze
+zag het glimlachend gezicht van Jules, als in aanbidding, opzien naar
+het gelaat van dien man, en ze zag, dat de jongen eensklaps zijne armen,
+tot eene woeste liefkoozing, heensloeg om zijn vriend, die hem afweerde,
+met een zacht gebaar.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Den volgenden avond genoot Cecile nog meer dan gewoonlijk van de weelde
+thuis te kunnen blijven. Het was na den eten; zij zat met Dolf en
+Christie op de chaise-longue, in haar kleinen salon, de jongens elk in
+een arm genesteld; zij, in het midden tusschen hen in, jong als eene
+oudere zuster. Zacht gedempt vertelde hare stem:
+
+--Toen zei Juda: o, heer, laat mij in de plaats van Benjamin bij u
+blijven als slaaf! Want onze vader, die al zoo oud is, zei ons, toen we
+met Benjamin weggingen: Mijn zoon Jozef heb ik al verloren: hij is zeker
+opgegeten door de wilde beesten. En als je me nu Benjamin ook nog
+afneemt, en als hém een ongeluk overkomt, dan zal ik grijs van verdriet
+worden en dood gaan. Toen zei ik tot onzen vader, dat ik hem instond
+voor Benjamin en dat ik heel stout zoû zijn, als we Benjamin niet weêr
+thuis brachten. En daarom bid ik u, o heer, laat mij uw slaaf zijn en
+laat het kind met zijn broeders teruggaan. Want hoe kan ik zonder
+Benjamin mijn vader onder oogen komen ...
+
+--En Jozef, mama, wat zei Jozef? vroeg Christie.
+
+Hij had zich vast geklemd aan zijne moeder: een klein tenger ventje van
+zes jaar, met dun blond haar, met oogen van fletsch vergeet-mij-niet-blauw,
+en zijne fijne vingertjes haakten zich krampachtig in Cecile's japon en
+verfrommelden het krip.
+
+--Toen kon Jozef zich niet meer inhouden en hij beval zijn gevolg weg te
+gaan en barstte in tranen uit, en riep: Herken je mij dan niet? Ik ben
+het, ik ben Jozef!
+
+Maar Cecile kon niet voort vertellen, want Christie had zich aan haar
+hals geworpen met eene beweging als van wanhoop en zij hoorde hem
+snikken tegen haar aan.
+
+--Christie! Mijn jongen!
+
+Zij ontstelde zeer; zelve in vuur om haar verhaal, was haar de spanning
+van Christie niet opgevallen en zij hoorde hem nu in zulk eene hevige
+kindersmart tegen haar aan weenen, dat zij geen woord vond om hem te
+stillen, te troosten, te zeggen, dat het goed afliep.
+
+--Maar Christie, huil dan toch niet! Het loopt goed af ...
+
+--En Benjamin dan, Benjamin!
+
+--Maar Benjamin ging terug naar den vader en Jacob kwam in Egypte en
+ging samen wonen met Jozef ...
+
+Het kind hief zijn nat gezicht van haren schouder op en zag haar lang
+aan.
+
+--Was het heusch zoo? Of zegt u maar wat ...
+
+--Neen heusch, mijn lieveling. O toe, huil nu niet meer ...
+
+Christie bedaarde, maar was blijkbaar teleurgesteld. Het slot van het
+verhaal voldeed hem niet; en toch: het was wel mooi zoo, veel mooier dan
+dat Jozef boos was geweest en Benjamin had gevangen gezet ...
+
+--Die Christie! Om te gaan huilen! zei Dolf. Het is immers maar een
+verhaaltje.
+
+Cecile antwoordde hem niet, dat het verhaaltje heusch gebeurd was, omdat
+het in den Bijbel stond. Ze was in eens zeer treurig geworden, in eene
+twijfeling aan zichzelve. Zeer teeder droogde zij met haar zakdoek de
+treurige oogen van het kind af.
+
+--En nu, jongens, slapen. Het is al laat geworden! zeide ze dof.
+
+Zij bracht ze naar bed: iets, dat heel lang duurde; eene plechtigheid
+met allerlei ritualiën van uitkleeden, wasschen, gebedje opzeggen,
+toedekken, zoenen. Toen zij na een uur weêr beneden zat, alleen, voelde
+ze eerst goed, hoe treurig zij was.
+
+O, neen, ze wist het niet! Amélie had wel gelijk: men wist nooit iets,
+nooit! Ze was dien dag zoo gelukkig geweest, ze had zich weêr
+teruggevonden, diep in het mysterie van haarzelve, in de essence harer
+ziel; ze had haar gedroom om zich heen zien wolken als eene apotheoze;
+ze had veel liefde voor hare kinderen in zich gevoeld. Zij had ze na den
+eten verteld uit den Bijbel, en, in eens, bij Christie's tranen, was
+twijfel bij haar opgeschoten. Was zij wel goed voor hare kinderen?
+Bedierf zij ze niet en verweekte zij ze niet in hare liefde, in de
+zachtheid van haar gevoel? Zoû zij ze niet ongeschikt maken voor het
+practische leven, waarin zij niet te doen had, maar waarin de kinderen,
+als ze groot waren zich zouden moeten bewegen? Het weêrlichtte door haar
+heen: scheiding en kostscholen, de kinderen van haar vervreemd,
+teruggekomen als groote, ruwe jongens, die rookten en vloekten, cynisch
+in hun mond en hun hart; hun mond, die haar niet meer zoû zoenen, hun
+hart, waarin ze niet meer thuis zoû zijn. Zij zag ze reeds met hunne
+blague van zeventien en achttien jaar door hare kamers stappen in
+uniform van cadet en adelborst, met breede schouders en een harden lach,
+de asch van hun sigaar wegknippend op het tapijt ... Waarom rees dwars
+door deze wreedheid in eens het beeld van Quaerts op? Was dat toeval of
+logica? Ze kon het niet inzien; ze wist niet wat hij daar deed, die man,
+rijzende door hare smart heen in zijne atmosfeer van antipathie. Maar ze
+voelde zich treurig, treurig, treurig, als zij zich sedert Van Evens
+dood niet meer gevoeld had, niet vaag weemoedig, als zij zich meermalen
+gevoelde, maar treurig, duidelijk treùrig om wat er komen zoû ... O, zij
+zoû zich van de kinderen moeten scheiden! En dan: alleen ... Eenzaamheid,
+altijd eenzaamheid! Eenzaamheid in zichzelve; dat gevoel, waar Jules zoo
+voor vreesde! Teruggetrokken van de wereld die haar niet boeide, alleen
+weggezonken in leêgte! Ze was dertig jaren, ze was oud, een oude vrouw.
+Haar huis leêg, heur hart leêg! Droomen, wolken van gedroom, die
+vervliegen, die opklaren als een rook en leêgte ontdekken. Leêgte,
+leêgte, leêgte! Hol viel het woord telkens op haar borst neêr met den
+klop van een hamer. Leêgte, leêgte ...
+
+--Waarom ben ik zoo? dacht ze. Wat heb ik dan? Wat is er veranderd?
+
+Nooit had ze dat woord leêgte zoo op zich voelen bonsen; dien zelfden
+middag nog was zij zacht gelukkig geweest, als altijd. En nu! Zij zag
+niets voor zich, geen toekomst, geen leven, niets dan éene wijde
+duisternis. Vervreemd van hare kinderen, alleen in zichzelve ...
+
+Met een licht gekreun als van pijn stond zij op, liep zij door den
+kleinen salon. Het bescheiden schemerlicht hinderde haar als eene
+benauwdheid. Zij draaide aan den sleutel der kanten lamp. Een goudglans
+gleed de roze plooien der zijden gordijnen op als glinsterend water.
+Eene vreemde koelte blies iets van den viooltjes geur, die overal hing,
+weg. In het haardje was vuur en zij had het koud.
+
+Zij bleef staan bij het lage tafeltje: zij nam eene visitekaart op,
+waarin een vouw was geknepen, en zij las: T. H. Quaerts. Een kroontje
+met vijf parelen boven dien naam. Dat Quaerts, wat was dat kort! Een
+naam als een klap van een harde hand. Er was in dien naam iets slechts,
+iets wreeds: Quaerts, Quaerts ...
+
+Zij wierp het stuk karton neêr, boos op zich zelve. Ze had het koud, en
+ze had zich verloren, zooals gisteren avond bij de Van Attema's.
+
+--Ik ga niet meer uit. Nooit meer, nooit meer! zeide zij, bijna hard op.
+Ik kan zoo tevreden zijn in mijn eigen huis. Zoo tevreden met het leven,
+zoo mooi gelukkig ... Dat kaartje! Waarom een kaartje! Wat kan mij zijn
+kaartje schelen ...
+
+Beslist zette zij zich aan hare schrijftafel en sloeg den buvard open.
+Zij dacht er over een begonnen brief naar Indië af te maken. Maar zij
+was in zoo eene andere stemming, dan toen zij dien brief begonnen had.
+Zij haalde dus uit een laadje een dik cahier te voorschijn: haar
+dagboek. Zij zette den datum neêr, dacht even na, den zilveren
+pennehouder zenuwachtig prikkende in hare tanden ...
+
+Maar toen, met een kort gebaar van drift wierp zij de pen neêr, duwde
+het cahier weg, en, het hoofd in hare handen op den buvard neêrbonsend,
+snikte zij luid.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Cecile was zoo verwonderd geweest over die, ongewoon lange, stemming
+van zelfverlies, dat het dagen duurde, eer zij weêr hare gewone rust
+binnentrad, als een lief verblijf, waaruit zij, zonder te willen, was
+weggedwaald. Maar zij dwòng zich met een zachten dwang, de schatten
+harer eenzaamheid terug te vinden en zij vond ze terug. Zij redeneerde;
+in de eerste jaren zoû zij zich toch nog niet behoeven te scheiden van
+Dolf en Christie: zij had dus allen tijd zich met dit denkbeeld van
+scheiding eigen te maken. Verder was er niets veranderd, noch om haar,
+noch in haar, en zij liet dus de dagen langzaam over zich heenglijden
+als een stil vloeiend water.
+
+Zoo, stil vloeiend, waren er twee weken verloopen na den avond, dien zij
+bij Dolf had doorgebracht. Het was Zaterdagmiddag; zij had eerst met de
+kinderen gewerkt,--ze leerde ze nog zelve--toen met ze gewandeld en nu
+wachtte zij in hare geliefkoosde kamer de Van Attema's die iederen
+Zaterdag om half vijf kwamen theedrinken, af. Zij had de meid gebeld,
+die eene blauwe spiritusvlam aanstak. Dolf en Christie waren op dat
+uur binnen; ze zaten op den grond, op bankjes, de vellen van een
+kindertijdschrift open te snijden, waarop Cecile voor hen geabonneerd
+was. Stil zaten ze, zoet en fijntjes, als kinderen, die in een week
+interieur opgroeien, tusschen te veel zachtheid, te bleek, met te lange
+blonde haren, vooral Christie, wiens slaapjes waren geaderd als met een
+azuur bloed. Cecile ging een enkelen keer langs hen heen, in het
+zorgvuldig toezien op heur theeblad, en haar blik omringde de kinderen
+als in een cirkel van warm gevoel. Zij was in hare stemming van kalm
+geluk; ze vond het aangenaam zoo straks de Van Attema's te zullen zien
+binnen komen; zij hield van die middaguren als haar zilveren bouilloir
+ziedde op de blauwe vlam. Eene exquize intimiteit dreef door het
+vertrek; ze had in hare lange fijne vrouwen vingeren dat bizondere van
+getoover, die teedere kunst van aan te raken, waardoor alles, waarover
+ze ook maar even gleden, een aanzien kreeg van haarzelve; iets
+onzegbaars van tint en plaats en verlichting, dat de dingen vóór den
+toets dier vingers niet hadden.
+
+Er werd gebeld en ze meende, dat het nog te vroeg was voor de Van
+Attema's. Maar ze zag zelden iemand anders in hare afsterving van de
+buitenwereld; dus ze zouden het toch wel zijn. Na enkele oogenblikken
+kwam Greta echter binnen, met een kaartje: of mevrouw ook ontving en of
+er belet was voor dien meneer.
+
+Al van verre herkende Cecile de kaart: zij had er onlangs een gelijke
+gezien. Toch nam zij het karton aan, bezag het even, de wenkbrauwen
+gefronsd, ontevreden.
+
+--Wat een idée, dacht ze. Waartoe? Wat beteekende dit? Maar ze vond het
+onnoodig onbeleefd te zijn en belet te geven. Hij was toch een vriend
+van Dolf. Maar zooveel indringerigheid ...
+
+--Laat meneer bovenkomen, liet zij koel van haar lippen vallen.
+
+Greta ging en het scheen Cecile toe of er iets sidderde in de
+intimiteit, die daar dreef; of de voorwerpen, waarover hare vingers
+zoo even gegleden waren, zich anders verlichteden, met een schijn van
+huivering. Maar Dolf en Christie waren niet veranderd en zaten nog
+steeds te zien naar de platen, met zachte opmerkingen tusschen hunne
+mondjes in.
+
+De deur werd geopend en Quaerts trad binnen. Hij had nog meer dan
+gewoonlijk zijne nuance van verlegenheid over zich heen, toen hij voor
+Cecile boog. Die nuance was voor Cecile iets onbegrijpelijks in hem, die
+haar zoo beslist en sterk scheen.
+
+--Ik hoop, dat u me niet onbescheiden zult vinden, mevrouw, als ik de
+vrijheid heb genomen u een visite te komen maken.
+
+--Integendeel, meneer Quaerts, sprak zij koud. Gaat u zitten.
+
+Hij zette zich, plaatste zijn hoogen hoed naast zich op den grond.
+
+--Ik stoor u niet, mevrouw?
+
+--Volstrekt niet. Ik wacht mevrouw Van Attema en haar dochters. U was
+zoo beleefd me een kaartje te brengen. Maar u weet zeker, dat ik geen
+menschen zie.
+
+--Dat wist ik, mevrouw. Misschien heeft u wel aan die wetenschap de
+indiscretie van mijn bezoek te danken.
+
+Zij zag hem koud, beleefd, glimlachend aan. Er was iets van boosheid in
+haar. Zij gevoelde lust hem kortweg te vragen, wat hij van haar wilde.
+
+--Hoedat? vroeg ze met haar glimlach van beleefdheid, die haar gezicht
+tot een masker vertrok.
+
+--Ik vreesde u in langen tijd niet te zullen zien en ik zoû het een
+bizonder groot voorrecht achten uw nadere kennis te mogen maken.
+
+Zijn toon was van den hoogsten eerbied. Zij trok hare wenkbrauwen op,
+als begreep zij niet, maar het accent zijner stem was zóo in-hoffelijk
+geweest, dat ze zelfs geen koud woord vond om hem te antwoorden.
+
+--Zijn dat uw beide kinderen? vroeg hij, met een blik naar Dolf en
+Christie.
+
+--Ja, antwoordde zij. Staat eens op, jongens, en geef meneer een hand.
+
+De kinderen kwamen langzaam nader en staken hunne handjes uit. Hij
+glimlachte, hij zag ze doordringend aan met zijne kleine diepliggende
+oogen, en even hield hij ze vast.
+
+--Vergis ik me, of lijkt de kleine niet heel veel op u?
+
+--Ze lijken beiden op hun vader, antwoordde zij.
+
+Het was haar of ze een cirkel van bescherming om zich heen trok, waar de
+kinderen buiten waren en waarbinnen zij ze niet brengen kon. Het hinderde
+haar, dat hij ze zoo vast hield, ze zoo aanzag.
+
+Maar hij liet ze nu los en ze gingen weêr op hunne bankjes zitten, zoet,
+zacht, stil.
+
+--Toch hebben ze beiden iets van u, hield hij vol.
+
+--Mogelijk! sprak ze.
+
+--Mevrouw! hernam hij, als wilde hij haar iets gewichtigs zeggen. Ik woû
+u ronduit iets vragen. Ik woû u vragen, of u me eerlijk, heel eerlijk,
+zoudt willen zeggen of u me onbescheiden vindt?
+
+--Omdat u me een visite maakt? O, waarlijk niet, meneer Quaerts. Het is
+heel beleefd van u. Alleen ... als ik oprecht mag spreken.
+
+Zij lachte even.
+
+--Natuurlijk, sprak hij.
+
+--Dan wil ik u wel bekennen, dat ik vrees, dat u weinig in mijn huis
+zult vinden, dat u zal amuzeeren. Ik zie geen menschen ...
+
+--Ik maak u geen visite om de menschen, die ik bij u zoû kunnen zien.
+
+Zij boog glimlachend, alsof hij een compliment gezegd had.
+
+--U is me natuurlijk zeer welkom. U is een heel goed vriend van Dolf,
+niet waar?
+
+Zij wilde telkens andere woorden zeggen dan zij zeide, koeler woorden,
+hartelijker woorden, maar er was te veel welopgevoedheid in haar: zij
+kon het niet doen.
+
+--Ja, antwoordde hij. Wij kennen elkaâr heel lang en we zijn altijd zeer
+bevriend geweest, ook al verschillen we heelemaal.
+
+--Ik mag hem heel gaarne, hij is altijd heel hartelijk voor ons.
+
+Zij zag hem glimlachend kijken naar het lage tafeltje. Er slingerde een
+paar tijdschriften, een paar boeken. Boven op lag een deeltje van
+Emersons Essays, met een vouwbeen er in.
+
+--U zei, dat u niet veel las! sprak hij ondeugend. Me dunkt ...
+
+En hij wees glimlachend naar de boeken.
+
+--O, zeide zij achteloos, lichtjes hare schouders bewegend. Zoo een
+beetje ...
+
+Zij vond hem zeer lastig; hoe had zij zoo gemerkt, dat ze zich voor hem
+verborgen had en waarom had ze zich ook voor hem verborgen?
+
+--"Emerson!" las hij, zich een weinig voorover buigend. Maar hij
+herstelde zich:
+
+--Pardon! Ik ben indiscreet uw lectuur te bespionneeren. Vergeeft u me,
+maar de letters waren zoo groot; ik las ze van hier.
+
+--U is vèrziend? vroeg ze, lachend.
+
+--Ja.
+
+Zijne beleefdheid, een zekere eerbied, als zoû hij zelfs niet de tippen
+van hare vingers beroeren, stelde haar meer op heur gemak. Ze vond hem
+wel antipathiek, maar hij mocht toch wel weten, dat ze las.
+
+--Houdt u veel van lezen? vroeg Cecile.
+
+--Ik lees niet veel: daarvoor is het mij een te groot genot. Ik lees zoo
+maar niet alles wat er uitkomt, en ik ben erg kieskeurig.
+
+--Kent u Emerson?
+
+--Neen ...
+
+--Ik hoû veel van Essays. Zij zijn geschreven met zoo een verren blik.
+Ze stellen je op zoo een heerlijk hoog standpunt ...
+
+Ze maakte een gebaar als een cirkel om zich heen, een glans in haar oog.
+
+Toen merkte ze, dat hij haar aandachtig aanzag, met zijn eerbied. En ze
+herwon zich weêr; ze wilde niet verder met hem over Emerson praten.
+
+--Het is heel mooi! zeide zij alleen nog, met eene stem, zoo banaal
+mogelijk, om te eindigen. Mag ik u een kop thee geven?
+
+--Dank u zeer, mevrouw; ik drink nooit thee op dit uur.
+
+--U ziet daar zeker met minachting op neêr? spotte ze.
+
+Hij wilde antwoorden, maar er werd gescheld en zij riep nu:
+
+--O, daar zullen ze zijn!
+
+Zij waren het ook, Amélie met Suzette en Anna. Zij waren lichtjes
+verbaasd Quaerts te zien. Hij sprak ervan, dat hij mevrouw Van Even een
+visite had willen maken. Er ontstond een algemeen gesprek. Suzette was
+heel vroolijk, vol van een fancy-fair, waar zij, gecostumeerd in een
+Spaansch costuum, zoû moeten verkoopen.
+
+--En jij niet, Anna?
+
+--O neen, tante, riep Anna, verschrikt in elkaâr kruipend. Ik op een
+fancy-fair! Ik zoû nooit iets slijten aan de menschen.
+
+--Ach, het is een tact! zeide Amélie, met een blik, die ver weg dreef.
+
+Quaerts was opgestaan. Hij boog met een enkel woord voor Cecile, toen de
+deur openging. Het was Jules, met een paar boeken onder zijn arm. Hij
+kwam van school.
+
+--Dag tante! Zoo dag, Taco; ga je nu heen als ik kom!
+
+--Je jaagt me weg! schertste Quaerts.
+
+--Ach, toe, Taco, blijf nu nog wat! smeekte Jules, verrukt hem te zien,
+wanhopig, dat hij juist vertrekken zoû.
+
+--Jules, Jules! vermaande Amélie, omdat ze dacht, dat ze dat zoo doen
+moest.
+
+Jules drong Quaerts, greep zijne beide handen, dwong hem als een
+bedorven kind. En Quaerts lachte maar. Door Jules' drukte gleden eenige
+boeken van het tafeltje.
+
+--Maar Jules dan toch! riep Amélie. Quaerts raapte de boeken op, terwijl
+Jules door bleef dwingen. Bij het laatste boek, dat Quaerts neêrlegde,
+draalde hij even; hij hield het in de hand, hij zag op de gouden
+letters: Emerson ...
+
+Cecile bespeurde het.
+
+--Als hij nu toch denkt, dat ik het hem leenen ga, heeft hij het mis,
+dacht ze.
+
+Maar Quaerts vroeg niets; hij had zich losgemaakt van Jules, hij nam
+afscheid. Met wat gekheid tegen Jules, ging hij heen.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+--Is dit de eerste keer, dat hij bij je aan huis komt? vroeg Amélie.
+
+--Ja, antwoordde Cecile. Een onnoodige beleefdheid, niet waar?
+
+--Ach, Taco Quaerts is altijd precies in de puntjes, verdedigde Anna.
+
+--Maar deze visite was juist nièt in de puntjes, lachte Cecile vroolijk.
+Maar Taco Quaerts schijnt bij jullie geheel en al onfeilbaar te zijn.
+
+--Hij walst heerlijk! riep Suzette. Verleden op het bal bij de
+Eekhofs ...
+
+Suzette draafde door; gedecideerd, die Suzette was niet te houden van
+middag; zij hoorde zeker al de castagnetten van haar Spaansch costuum in
+heur hersentjes klepperen.
+
+Jules was in een bui van kribbigheid geraakt, maar hij hield zich stil
+bij de jongens, in een raam.
+
+--U is niet erg gesteld op Quaerts, niet waar, tante? vroeg Anna.
+
+--Hij heeft weinig sympathieks voor mij! sprak Cecile. Je weet, ik laat
+me erg door indrukken beheerschen. Ik kan het niet helpen, maar ik hoû
+niet van die héel gezonde, sterke menschen, die er zoo héel flink en
+stevig uitzien, alsof ze dwars door het leven heen wandelen en alles
+opruimen, wat hun hindert. Het is misschien morbide in me; maar ik kan
+het niet helpen, dat overmate van gezondheid en kracht mij antipathiek
+zijn. Die sterke menschen beschouwen je, als je _niet_ zoo sterk bent
+als zij, zooals de Spartanen hun misvormde kinderen beschouwden ...
+
+Jules kon zich niet meer inhouden.
+
+--Als u denkt, dat Taco niets anders is dan een Spartaan, dan weet u
+niets van hem af, sprak hij vinnig.
+
+Cecile zag hem aan, maar voor Amélie iets zeggen kon, ging hij voort:
+
+--Taco is de eenige, met wien ik over muziek kan praten en die je
+begrijpt met een half woord. En ik geloof niet, dat ik met een Spartaan
+zoû kunnen praten.
+
+--Maar Jules, wat een toon! riep Suzette.
+
+--Het kan me niet schelen! riep hij woedend uit, in eens opstaande,
+stampvoetend. Het kan me niet schelen! Ik kan geen kwaad van Taco hooren
+en tante Cecile weet dat en ze doet het alleen om me te plagen. En ik
+vind het heel flauw een kind te plagen, heel flauw ...
+
+Zijne moeder, zijne zusters wilden hem met gezag bedaren. Maar hij greep
+zijne boeken.
+
+--Het kan me niet schelen! Ik wil het niet hebben!
+
+Woedend, in éen oogwenk, was hij weg, smijtend met de deur, die dreunde.
+Amélie beefde van zenuwachtigheid.
+
+--O, die jongen! siste zij trillend. Die Jules, die Jules ...
+
+--Het is niets! verontschuldigde Cecile zacht. Hij is wat prikkelbaar ...
+
+Zij was een beetje bleek geworden en zag naar hare jongens, naar Dolf en
+Christie, die, ontsteld, met open monden van verbazing, hadden
+opgekeken.
+
+--Is Jules stout, mama? vroeg Christie.
+
+Zij schudde, lichtjes glimlachend, van neen. Zij voelde zich heel vreemd
+te moede, onzegbaar vreemd. Zij wist niet wat dit was, maar het was haar
+of heel verre perspectieven voor hare oogen opengingen, met wegdeiningen
+van horizont, bleek, in heel veel licht. Zij wist ook niet wat dàt was,
+maar ze was niet boos op Jules, en het scheen haar toe, dat hij niet zoo
+driftig had gesproken tegen haar, maar tegen een ander. Een gevoel van
+het raadselachtig diepe van het leven, en het onbewuste van het
+zielemysterie, zweem van licht heldere oneindigheid, vér zilver licht,
+schoot door haar heen als eene stille verrukking.
+
+Toen lachte zij.
+
+--Die Jules! sprak ze. Hij kan zoo aardig opgewonden zijn.
+
+Anna en Suzette, verlegen over de scène solden wat met de jongens, over
+de platen heen. Cecile sprak alleen tot Amélie. Maar deze sidderde nog
+in hare zenuwen.
+
+--Hoe kan je toch die kuren van Jules nog excuzeeren! sprak ze met eene
+stem, die hokte.
+
+--Ik vind het aardig, dat hij zoo de partij trekt van menschen, van wie
+hij houdt. Vindt je daar ook niet iets in?
+
+Amélie bedaarde. Waarom verstoord te zijn als Cecile het niet was?
+
+--In Jules? vroeg zij vaag. Ach, ja, jawel ... Ik weet het zoo niet. Hij
+heeft wel een goed hart, geloof ik, maar hij is zoo onhandelbaar. Maar
+ach ... het ligt misschien ook aan mij; als ik beter wist, als ik meer
+tact had ...
+
+Zij verwarde zich; zij zocht, zij vond niets meer, dwalende door haar
+eigen gedachten heen als eene vreemde. Toen zeide zij eensklaps, als in
+een straal van zekere kennis:
+
+--Maar Jules is niet dom. Hij heeft een goed oog op allerlei dingen, en
+ook op menschen. Ik voor mij geloof óok, dat je Taco Quaerts verkeerd
+ziet. Hij is een heel interessant mensch, en volstrekt niet zoo alleen
+maar een sportman. Ik weet niet wat er in hem is, maar er is iets in
+hem, iets anders dan in andere menschen. Ik zoû niet kunnen zeggen
+wat ...
+
+--Zij zweeg, zoekende, afdwalend.
+
+--Ik woû, dat Jules beter leerde. Hij is niet dom, maar hij leert
+niet ... Hij zit nu al weêr twee jaar in de derde klasse. De jongen kàn
+niet doorwerken. Het is een wanhoop.
+
+Zij zweeg weêr en Cecile bleef ook zwijgen.
+
+--Ach! hernam Amélie; het zal zijn schuld wel niet zijn. Het is
+misschien wel mijn schuld! Hij heeft het misschien wel van mij ...
+
+Zij zag strak voor zich uit: plotselinge, onweêrhoudbare tranen vulden,
+in eens, beide hare oogen, en vielen neêr in haar schoot.
+
+--Amy, wat is er? vroeg Cecile lief.
+
+Maar Amélie was opgestaan, opdat de meisjes, nog spelende met de
+kinderen, hare tranen niet zouden zien. Zij kon die tranen niet
+tegenhouden, ze stroomden neêr, en zij haastte zich weg, naar den
+aangrenzenden salon, een groot vertrek, waar Cecile nooit zat.
+
+--Wat is er, Amy? Vroeg Cecile, die haar gevolgd was.
+
+Zij sloeg haar arm om Amélie heen, ze deed haar zitten, drukte Amélie's
+hoofd tegen haar schouder.
+
+--Weet ik, wat er is! snikte Amélie. Ik weet het niet, ik weet het
+niet ... Ik ben ongelukkig, om dat gevoel in mijn hoofd. Ik kan het soms
+niet uithouden. Ik ben toch niet gek, niet waar? Ik voel me heusch niet
+of ik gek ben of gek zal worden! Maar het is soms alsof alles in me
+verlamd is, of ik niet denken kan. Alles drijft altijd door me heen! Het
+is een vreeslijk gevoel!
+
+--Als je eens een dokter vroeg, ried Cecile aan.
+
+--Neen, neen, hij zoû me misschien zeggen, dat ik gek was, en dat ben ik
+niet. Of hij zoû me in een of ander gesticht willen hebben. Neen, ik wil
+geen dokter. Ik heb het anders heel goed, niet waar? Ik heb een lieven
+man en lieve kinderen. Ik heb nooit groot verdriet gehad. En toch voel
+ik me soms diep ongelukkig, radeloos ongelukkig! Het is altijd of ik
+naar iets toe wil en niet kan. Het is altijd of ik een grens voor me
+zie ...
+
+Zij snikte hevig; een regen van tranen dreef over haar gelaat. Cecile's
+oogen ook werden vochtig; ze hield van hare zuster, ze had medelijden
+met haar. Amélie was slechts tien jaar ouder dan zijzelve, en ze had al
+iets van eene oude vrouw, dor, schraal, grijzend reeds aan hare slapen,
+onder de getrokken voile van haar kapothoed.
+
+--Cecile, zeg Cecile! sprak ze in eens, door hare snikken heen. Denk je,
+dat er een God is?!
+
+--Maar zeker, Amy.
+
+--Ik ga wel eens naar de kerk, het geeft me niets ... Ik ga nu ook niet
+meer ... O, ik ben zoo ongelukkig! Het is heel ondankbaar van me. Ik heb
+toch zooveel om dankbaar voor te zijn ... Weet je: ik zoû soms zoo gaarne
+in eens naar God willen, zoo in eens!!!
+
+--Toe, Amy, wind je niet zoo op!
+
+--O, ik woû, dat ik zoo als jij was, zoo kalm. Je voelt je gelukkig?
+
+Cecile knikte van ja, glimlachend. Amélie zuchtte; ze bleef even liggen
+met haar hoofd tegen heur zusters schouder. Cecile kuste haar, maar
+eensklaps schrikte Amélie:
+
+--Stil, fluisterde zij; de meisjes kunnen hier komen. Ze ... ze hoeven
+niet te zien, dat ik gehuild heb.
+
+Opstaande, schikte zij voor den spiegel heur hoed, droogde voorzichtig
+met den zakdoek haar voile af, plooide hare brides.
+
+--Zoo, nu zullen ze het niet zien, zeide zij. Laten we maar naar binnen
+gaan. Ik ben weêr kalm. Je bent een lieve meid ...
+
+Zij gingen in de kleine kamer.
+
+--Kom meisjes, we moeten naar huis! sprak Amélie met eene, nog wat
+vreemde stem.
+
+--Heeft u gehuild, mama? vroeg Suzette, dadelijk.
+
+--Mama was wat zenuwachtig om Jules! zeide Cecile snel.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Cecile was alleen: de kinderen waren naar boven, om zich op te knappen
+voor het diner. En ze zocht terug te zien hare verre perspectieven met
+bleeken horizont; ze zocht zich de zilverige oneindigheid terug, die
+door haar heen geschoten was als eene ontvangenis van licht. Maar het
+warrelde haar te veel: een caleidoscoop van héel recente herinneringetjes:
+de kinderen, Quaerts, Emerson, Jules, Suzette, Amélie. Vreemd, vreemd
+was het leven ... Het uiterlijke leven, het komen en gaan van menschen om
+ons heen; het klinken van woorden, die zij zeggen met stemmen van
+vreemdheid; het eindeloos wisselen der verschijnselen; het schakelen van
+die verschijnselen, het een aan het ander vreemd ook, het zijn van de
+ziel ergens in ons, als een god _in_ ons, nooit te kennen voor
+zichzelven in de essence van hémzelven. Dikwijls, zooals nu, scheen het
+Cecile, dat alles, de aller-banaalste dingen, vreemd, zeer vreemd waren,
+alsof er in het geheel niets banaals in de wereld was, alsof alles
+vreemd was: de vreemde vorm en uiterlijkheid van een dieper leven, dat
+in alles school, tot in het minste voorwerp toe, alsof alles zich maar
+vertoonde met een schijnsel, masker van voordoen, terwijl daaronder het
+eigenlijke was: de waarheid. Vreemd, zoo vreemd het leven ... Want het
+scheen haar of ze, onder de heel-gewoonheid van die afternoon-tea, iets
+heel ongewoons gezien had; wat, wist ze niet, zoû ze niet kúnnen
+uìtdrukken, zelfs niet kunnen uitdènken; het was haar of er onder het
+gaan en komen van die menschen iets geschitterd had: het eigenlijke, de
+waarheid onder het verschijnsel van hun voordoen om bij haar te komen
+thee drinken.
+
+--Wat? Wat is het? dacht ze. Maak ik me dat nu wijs, of is het zoo? Ik
+voel het toch ...
+
+Het was heel vaag en toch was het heel duidelijk ... Het was haar of er
+een lichtbeeld, een schaduw van licht was achter alles wat zich daar had
+voorgedaan. Achter Amélie en Jules en Quaerts en dat gevallen boek, dat
+hij even in de hand had gehouden ... Beteekenden die luchtschaduwen iets,
+of ...
+
+Maar zij schudde het hoofd.
+
+--Ik droom, ik fantazeer! lachte ze in zichzelve. Het was heel eenvoudig.
+Ik maak het maar zoo ingewikkeld, omdat ik daar pleizier in heb.
+
+Maar zoodra ze dit dacht, voelde zij iets, dat die gedachte intens
+loochende. Eene intuïtie, die haar de essence der waarheid wilde doen
+raden en dit niet geheel en al vermocht. Zeker, er was toch iets. Iets
+achter dat alles, verscholen, schuilende als de schaduw school achter
+het ding, en die schaduw scheen haar toe van licht ...
+
+Hare gedachte dwaalde nog wat rond over die menschen; toen bleef ze
+hangen aan Taco Quaerts. Ze zag hem daar weêr zitten, een beetje zich
+buigende naar haar toe, zijne handen in elkaâr gevouwen, hangende
+tusschen zijne knieën, terwijl hij tot haar opzag. Eene scheiding van
+afkeer was als een staaf van ijzer tusschen hen geweest. Ze zag hem daar
+weêr zitten en toch was hij al weg. Dat was al weêr voorbij; wat ging
+alles spoedig heen; hoe klein was de stip van het heden!
+
+Ze stond op; ze zette zich voor het schrijftafeltje; ze schreef, in
+eens, neêr:
+
+"Onder me vloeit de zee van het verleden, boven me drijft de ether der
+toekomst, en ik sta daar tusschen-in als op een stip van werkelijkheid;
+een stip zoo klein, dat ik beide voeten pal tegen elkaâr moet drukken,
+om staande te blijven. En van af de stip van mijn heden ziet mijn
+weemoed neêr naar die zee en mijn verlangen op naar die lucht.
+
+"Ik kan niet veel leven op mijn stip: ze is zoo klein, dat ik ze
+nauwlijks zie, ze nauwlijks voel onder mijne voeten en toch is ze mijne
+eenige werkelijkheid. Ik geef niet veel om haar: mijne oogen volgen maar
+het wegrimpelen dier golven naar verre einders, het glijden dier wolken
+naar verre sferen: vage luchtschijnsels van eindelooze verandering,
+transparante ongedurigheden, lichaamloosheden, die zichtbaar zijn. Het
+heden is het eenige, dat is, of dat ten minste schijnt te zijn. De stap
+is; de stip, ten minste, schijnt; de zee niet, en die lucht niet, want
+die zee is slechts herinnering en die lucht slechts illuzie. En toch
+zijn herinnering en illuzie alles, zijn ze de wijde domeinen der ziel,
+die van de stip afvliegt en op de zee afglijdt naar de einders, die
+wijken en op de wolken wegdrijft naar de sferen, die wijken en
+wijken ..."
+
+Toen dacht ze na. Hoe had ze dat zoo geschreven, waarom? Hoe was ze er
+toe gekomen? Ze ging met hare gedachten terug: het heden, de stip van
+het heden, die zoo klein was ... Quaerts, Quaerts' houding zoo even voor
+haar heropgerezen. Had iets wat hèm betrof, haar die zinnen doen
+neêrschrijven? Het verleden, weemoed; de toekomst, illuzie ... Waarom,
+waarom, illuzie?
+
+--En Jules, die van hem houdt, dacht ze. En Amélie, die van hem sprak ...
+Maar ze wist niets ... Wat is er in hem, wat schuilt er achter hem; zijn
+lichtschaduw? Waarom kwam hij hier? Waarom voel ik toch antipathie voor
+hem? Voel ik die antipathie wel? Ik kan niet in zijn eigen oogen zien ...
+
+Ze had dat gaarne eens gedaan; ze had gaarne zeker willen zijn van die
+antipathie of: niet zeker ... Een van beiden. Ze was nieuwsgierig om hem
+nu weêr eens te zien, nieuwsgierig, wat ze dan door hem denken en voelen
+zoû ... Zij was opgestaan van hare schrijftafel, ze vlijde zich nu
+rechtuit op de chaise-longue, wond hare armen achter heur hoofd. Ze wist
+niet meer wat ze droomde maar ze voelde zich stil gelukkig. Zij hoorde
+Dolf en Christie de trap afkomen; ze kwamen binnen, het was etenstijd.
+
+--Jules was toch heusch zoo even wel stout, niet waar mama-te? vroeg
+Christie nog eens met een bedenkelijk gezicht.
+
+Ze trok het kleine, fijne ventje zacht tot zich, ze nam hem vast tegen
+zich aan, in haar armen en zacht kuste ze zijn vochtig mondje van bleek
+frambozenrood.
+
+--Neen, heusch niet, liefje! sprak ze. Hij was heusch niet stout ...
+
+
+ * * * * *
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+
+
+
+I.
+
+
+Cecile ging den langwerpigen hall, die als eene galerij was, door:
+lakeien stonden bij de portière, een gegons van stemmen suisde daar
+achter. Haar sleep ruischte even tegen een paar palmblaren aan en dit
+geluid gaf haar eene plotselinge trilling in de snaren van heur
+sensitivisme. Zij was een beetje zenuwachtig; hare oogleden knipten
+lichtjes en haar mond had een zeer ernstigen plooi.
+
+Zij trad binnen; er was veel licht, maar zacht, alleen van kaarsen. Twee
+officieren weken voor haar uit, daar zij draalde. Met de oogen zocht ze
+mevrouw Hoze; zij bespeurde haar, te midden van enkele gasten, met haar
+grijs hoofd, haar vriendelijk en toch hooghartig gezicht, glad rozig,
+bijna zonder rimpel. Mevrouw Hoze kwam haar tegemoet.
+
+--Je weet niet, hoe lief ik je vind, dat je me niet gedupeerd hebt!
+sprak ze, Cecile's hand drukkend, ontluikend in de wereldsche
+minzaamheid van heur gastvrouwschap.
+
+Zij stelde Cecile hier en daar voor: Cecile hoorde namen, waarvan de
+klank haar dadelijk weêr ontviel.
+
+--Generaal, mag ik u verzoeken ... Mevrouw Van Even, hoorde zij mevrouw
+Hoze fluisteren.
+
+Cecile haalde diep adem, onmerkbaar de hand drukkende op den rand van
+haar corsage, alsof zij iets schikte. Mevrouw Hoze verliet haar, ging
+eene dame en een heer tegemoet, en Cecile antwoordde vluchtigjes den
+generaal. Zij was zeer bleek, en meer en meer knipten hare oogleden.
+Haar blik dorst even door den salon te zoeken.
+
+Zij stond naast den generaal, zich dwingend te luisteren om niet iets
+heel dwaas te antwoorden; zij was heel lang, rank en recht, hare
+schouders blondwit als een marmer, waar zon over schijnt, bloesemend uit
+eene sombere vaas van zwart: fijne zwarte tulle, die sleepte, geheel en
+al bezaaid met kleine zwarte pailletten, als loovertjes van git: eene
+glinstering van zwart op transparant zwart, dat dof was; een koord met
+gitten kwasten, die laag afhingen, gestrikt om haar leest. Zoo stond zij
+daar blond, blondblank en zwart, een beetje somber in het licht van
+andere toiletten, en als eenige helte, in haar ooren een paar diamanten,
+die waren als droppelen dauw.
+
+Er was eene trilling in hare dunne Suède vingers, die den waaier
+bewogen: eene zwarte tulle transparentheid, waarop dezelfde loovertjes
+van git glinsterden als met een spel van glansjes zwart. Zij ademde wat
+snel achter den doorschijnenden wiek van den waaier, pratende met den
+generaal, mager en kaal, gedistingueerd, niet in uniform, maar bestard
+met een paar decoraties.
+
+De gasten van Mevrouw Hoze liepen door elkaâr, begroeteden elkander hier
+en daar, in een voortdurend gonzen van stemgeluid. Cecile zag Taco
+Quaerts naar haar toekomen; hij boog voor haar; zij boog terug, zonder
+hem de hand te geven, met haar kouden blik. Hij bleef even bij haar
+dralen met een enkel woord, toen ging hij verder, andere kennissen
+begroetend.
+
+Mevrouw Hoze had den arm van een ouden heer genomen; een defilé begon
+zich langzaam te formeeren. De lakeien hadden deuren open geschoven; een
+tafel glinsterde, half zichtbaar. De generaal boog zijn arm naar Cecile
+toe, wier blik achter zich zag met eene loome halswending. Zij sloot
+even hare oogleden, om ze niet zoo te laten knippen. Eene teleurstelling
+deed hare wenkbrauwen bewegen, maar glimlachend legde zij de tippen
+harer vingers op den arm van den generaal en streek met den dichten
+waaier een plooi weg uit de tulle van haar sleep.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Zoodra Cecile zat, bespeurde zij, dat aan hare rechterzijde Quaerts was
+gezeten. De teleurstelling, dat hij haar niet aan tafel had moeten
+brengen, wischte zich dus aanstonds uit, maar haar blik bleef koud, als
+altijd. Zij hàd echter nu wat zij wilde: de verwachting, om welke zij
+aan dit diner gekomen was, werd vervuld. Mevrouw Hoze, die Cecile bij de
+Van Attema's gezien had, had zich blij tot taak gesteld het, nog zoo
+jonge, vrouwtje opnieuw in de wereld te brengen. Cecile wist, dat Quaerts
+aan huis kwam bij mevrouw Hoze; zij hoorde door Amélie, dat hij was
+geïnviteerd en ze had aangenomen. Het lag voor de hand, dat mevrouw Hoze,
+die zich herinnerde, dat Cecile Quaerts ontmoet had, hem naast haar
+geplaatst had.
+
+En Cecile was zeer nieuwsgierig om haarzelve. Wat zoû zij voelen?
+Minstens toch belangstelling; dit kon ze zich niet ontkennen. Zij stelde
+belang in hem, om wat haar heugde, dat Jules gezegd had, dat Amélie had
+gezegd. Zij voelde reeds, dat achter dien sportman een ander school,
+dien zij zocht te kennen. Waarom, wat kon het haar schelen? Ze wist het
+niet, maar het was in alle geval een raadsel, dat haar belang inboezemde.
+En tevens bleef zij op hare hoede, want zij vond zijne visite niet zooals
+het behoorde, en ze herinnerde zich weêr den naam der getrouwde vrouw,
+dien met den zijne werd genoemd.
+
+Zij wist zich los te maken van het gesprek met den generaal, die het
+zijne roeping scheen te vinden haar bezig te houden, en zij wendde zich,
+zij het eerste, tot Quaerts.
+
+--En leert u Jules tegenwoordig paard rijden? vroeg zij, met een
+glimlach.
+
+Hij zag haar aan, blijkbaar een beetje verwonderd om haar stem en
+lachje, beiden voor hem nieuw. Hij antwoordde niet veel.
+
+--Ja, mevrouw, wij zijn gisteren nog in de manége geweest ...
+
+Zij vond hem reeds onhandig, dat hij het gesprek zoo vallen liet, maar
+hij vroeg met dat béetje verlegenheid, dat, om zijne flinkheid, hem een
+charme werd:
+
+--U gaat dus weêr uit, mevrouw?
+
+Zij vond,--zij had het verleden ook reeds gevonden,--dat hij wel eens
+vragen deed, die men niet deed. Dat was iets vreemds in hem.
+
+--Ja ... wist ze niets anders te zeggen.
+
+--Pardon ... zeide hij, ziende, dat zijne woorden haar lichtjes verlegen
+maakten. Ik vroeg dat, omdat ik ... ik ...
+
+--Omdat? herhaalde ze met groote oogen.
+
+Hij vermande zich en zeide het ronduit:
+
+--Dolf sprak altijd veel over u en zei, dat u stil leefde ... Ik kon me u
+zoo niet meer voorstellen in de wereld, onder veel menschen: ik had me
+een idee van u gemaakt en dat idee schijnt nu verkeerd te zijn.
+
+--Een idee? vroeg ze. Welk idee?
+
+--U is misschien boos, als ik u dat zeg. U is misschien toch al niet zoo
+heel tevreden over me! schertste hij.
+
+--Ik heb volstrekt niet tevreden of ontevreden over u te zijn! schertste
+zij terug. Maar vertel me nu van dat idee ...
+
+--U stelt dus daarin belang?
+
+--Als u het me oprecht vertelt, zeker. Maar dan oprecht zijn! dreigde
+zij met den vinger.
+
+--Nu dan ... begon hij. Ik dacht me u als een vrouw, heel ontwikkeld,
+heel interessant,--en dat alles denk ik nu nog--én: een vrouw, die niets
+gaf om de wereld buiten haarzelve en dat ... dat denk ik nu niet meer. En
+ik zoû bijna zeggen, op gevaar af, dat u me heel vreemd vindt: het spijt
+me, dat ik dat niet meer denk. Ik had u bijna liever niet hier willen
+ontmoeten ...
+
+Hij lachte, om wat er voor vreemds in zijne woorden was, te temperen.
+Zij zag hem aan, hare wimpers trillende van verbazing, hare lippen even
+geopend, en in eens scheen het haar toe, dat zij hem voor den eersten
+keer in zijne oogen zag. Zij zag hem in die oogen, en ze zag, dat ze
+diep grijs waren, heel diep, met eene zwarte, nog diepere, pupil. Er was
+iets in die oogen, ze wist niet wat, maar iets van magnetisme, als zoû
+zij de hare nooit meer kunnen afwenden.
+
+--U kan toch wel vreemd zijn! sprak ze werktuigelijk: woorden, die haar
+bij intuïtie ontwelden.
+
+--O, toe wees er niet boos om! smeekte hij bijna. Ik was al zoo blij,
+dat u vriendelijk met me sprak: u was verleden een beetje hoog tegen me
+en het zoû me zoo spijten als ik u ontstemd had. Ik weet wel, dat ik
+vreemd ben, maar ik kàn tegenover u onmogelijk gewoon zijn, onmogelijk,
+zelfs al werd u er boos om ... _Is_ u er boos om?
+
+--Ik zoû het eigenlijk wel moeten zijn, maar om uw franchise zal ik u
+maar vergeven! lachte zij. Galant was u anders allesbehalve.
+
+--Ik bedoelde het toch niet ongalant.
+
+--Dat zal wel! schertste zij terug.
+
+Zij herinnerde zich weêr, dat zij op een groot diner was. De gasten over
+haar en langs haar zich reiend; de lakeien, dienende daar achter: het
+licht der kaarsen tintelend op zilver en regenbogend in kristal; op
+tafel veel spiegel, als water gevat in bloemen, kleine meeren tusschen
+mosrozen en lelietjes van dalen. Zij bleef even zwijgen, nog glimlachend,
+turende op hare hand, een mooie hand, als een wit kunstvoorwerp in de
+tulle van haren schoot, met, aan een enkelen vinger, vele ringen;
+sparkelende vonkjes blauw en wit vuur. De generaal wendde zich weêr tot
+haar; zij wisselden eenige woorden, de generaal innerlijk verheugd, dat
+de rechter-buurman mevrouw Van Even bezighield, en hij voor het meerendeel
+rustig eten kon. Quaerts wendde zich tot de dame aan zijne andere zijde.
+
+En het was hun beiden aangenaam toen zij zich weêr met elkaâr konden
+bezighouden.
+
+--Waar hadden wij het zoo even over? vroeg zij.
+
+--Ik weet het nog wel! sprak hij ondeugend.
+
+--De generaal brak ons gesprek af ...
+
+--U was _niet_ boos op me! schertste hij.
+
+--O ja, lachte zij zachtjes. Uw idee over mij, niet waar? Waarom kon u
+mij zich niet meer voorstellen, in de wereld?
+
+--Ik dacht me u iemand apart geworden.
+
+--Waarom dan toch?
+
+--Om wat Dolf zei, om wat ikzelve dacht, als ik u zag.
+
+--En waarom heeft u nu spijt, dat ik niet "iemand apart" ben? lachte zij
+steeds.
+
+--Uit ijdelheid; omdat ik verkeerd dacht. En toch: misschien dacht ik
+ook niet verkeerd ...
+
+Zij zagen elkaâr aan en beiden, hoewel ze het anders dachten, dachten
+zij het zelfde: namelijk, dat zij voorzichtig met hunne woorden moesten
+zijn, want dat ze over iets zeer fijns en teeders spraken, iets broos
+als een zeepbel, dat breken kon als zij er te hard over spraken, alleen
+reeds door adem van woorden. Toch dorst zij nog vragen:
+
+--En waarom ... gelooft ... u, dat u toch wel ... goed gedacht kan hebben?
+
+--Dat weet ik niet precies. Misschien omdat ik het verlang. Misschien
+ook, om dat het zóó waar is, dat het geen twijfel meer toelaat. O ja,
+ik weet bijna zeker, dat ik goed gedacht heb. Weet u waarom? Omdat ik
+me anders had verborgen en gewoon was geweest en dat ik dat tegenover u
+niet heb kunnen doen. Ik heb u al zoo veel van me gegeven in dit korte
+oogenblik als ik menschen, die ik jaren ken, in al die jaren niet
+gegeven heb. Daarom moet u zeker iemand apart zijn.
+
+--Maar wat bedoelt u met "iemand apart"?
+
+Hij glimlachte, hij opende zijne oogen, ze zag hem er in, diep in.
+
+--Dat begrijpt u wel! sprak hij.
+
+De angst voor het teedere, dat breken kon, was weêr tusschen hen. Zij
+begrepen elkaâr als met eene vrijmetselarij van gevoel. Een magnetisme
+ketende haren blik aan den zijne.
+
+--U is toch wel vreemd! sprak ze weêr, werktuigelijk.
+
+--Neen, zeide hij kalm, zijn hoofd schuddend, zijn blik op den hare. Ik
+weet zeker, dat ik voor u niet vreemd ben, ook al denkt u dat nu.
+
+Zij zweeg.
+
+--Wat ben ik blij, zoo met u te mogen spreken! fluisterde hij. Ik ben er
+heel gelukkig om. En ziet u eens, niemand merkt er iets van. We zitten
+hier aan een groot diner: naast ons kunnen ze zelfs onze woorden hooren,
+en niemand, die ons begrijpen zoû en zoû vatten, waarover wij het
+hadden. Weet u waarom dat is?
+
+--Neen, murmelde zij.
+
+--Dat zal ik u eens zeggen: ten minste, ik geloof, dat het zoo is.
+Misschien weet u het beter, want u móet de dingen beter weten dan ik,
+omdat u zooveel fijner is. Maar ik voor mij geloof, dat ieder mensch een
+cirkel om zich heeft, een atmosfeer, en dat hij andere menschen ontmoet,
+die cirkels of atmosferen om zich hebben, sympathiek of antipathiek aan
+de zijne.
+
+--Dat is mystiek? zeide zij.
+
+--Neen! antwoordde hij. Het is heel eenvoudig. Als nu de cirkels
+antipathiek zijn, stuiten ze elkaâr af, maar als ze sympathiek zijn,
+glijden ze over elkaâr met kleinere of grootere bogen van sympathie. In
+sommige gevallen bedekken de cirkels elkaâr bijna geheel en al, maar ze
+blijven toch altijd twee ... Vindt u dat alles heusch zoo mystiek?
+
+--Men zoû het gevoelsmystiek kunnen noemen. Maar ... ik heb ook wel eens
+zoo iets gedacht ...
+
+--Jawel, dat begrijp ik! ging hij kalm door, als wist hij dat wel. Nu:
+ik geloof, dat de anderen ons niet zouden vatten, omdat wij alleen hier
+sympathieke cirkels hebben. Maar mijn kring is van een veel inferieurder
+substantie dan de uwe, die heel mooi is.
+
+Ze zweeg weêr, ze dacht aan hare antipathie voor hem: voelde ze die nu
+wel?
+
+--Wat denkt u er van? vroeg hij.
+
+Ze zag op, hare witte vingers trilden in de tulle van haar schoot. Zij
+poogde vaag te glimlachen.
+
+--U gaat te ver, geloof ik! stamelde zij.
+
+--U vind, dat ik dweep?
+
+Zij had iets als ja willen zeggen, zij kon niet.
+
+--Neen, antwoordde zij. Dat niet ...
+
+--Ik verveel u...?
+
+Zij zag hem aan, diep in zijne oogen. Zij knikte van neen. Zij had iets
+willen zeggen, dat hij te weinig conventioneel sprak op dit oogenblik,
+zij kon dat ook niet. Door haar geheele wezen smolt eene zachtheid. De
+tafel, die menschen, dat geheele diner, scheen haar door een waas van
+licht. Toen zij zich weêr geheel bewust was, zag zij, dat aan den
+overkant eene dame zat, wier blik haar vast aanzag en zich nu uit
+beleefdheid afwendde. Zij wist niet wat het haar schelen kon, maar ze
+vroeg aan Quaerts:
+
+--Wie is toch die dame, daar, in het lichtblauw, met dat donkere haar?
+
+En zij zag, dat hij schrikte.
+
+--Dat is de jonge mevrouw Hijdrecht! sprak hij toen, rustig, een beetje
+hoog.
+
+Ook zij ontstelde nu; zij werd bleek, hare vingers sloegen zenuwachtig
+den waaier op en neêr.
+
+Hij had den naam gezegd van haar, die zijne maîtresse werd genoemd.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Toen was het Cecile alsof het gebroken was, dat teedere, dat broze, die
+zeepbel. Ze dacht of hij wellicht tegen die vrouw met het donkere haar
+ook gesproken had over cirkels van sympathie. Zoodra zij kon, nam Cecile
+mevrouw Hijdrecht op. Zij had een warm teint van mat goud, donkere
+brandende oogen, een mond als van frisch bloed. Zij was laag
+gedecolleteerd; haar hals en de glooiing van heur borst vertoonden zich
+brutaal mooi, zinnelijk vol. Een enkele ris diamanten omvatte haar nek
+in een nauw snoer van blank gevlam.
+
+Cecile voelde een malaise. Het scheen haar toe of ze met vuur speelde.
+Zij wendde haar blik van de jonge vrouw af en zag Quaerts aan,
+magnetisch gedwongen. Zij zag, dat er eene melancholie heentrok over het
+bovenste gedeelte van zijn gelaat: zijn voorhoofd en zijne oogen, waarin
+soms iets ouds was. En zij hoorde hem zeggen:
+
+--Wat kon u nu de naam van die dame schelen; we waren juist in zoo een
+mooi gesprek ...
+
+Ook zij voelde zich nu treurig. Treurig om haar gebarsten zeepbel.
+Waarom, wist ze niet, maar ze had medelijden met hem: plotseling, diep,
+zielediep medelijden.
+
+--We kunnen ons gesprek hervatten! zeide zij zacht.
+
+--Ach neen, laten we liever niet opnemen, waar we gebleven zijn! hernam
+hij, quasi luchtig. Ik word lang van stof ...
+
+En hij sprak over andere zaken. Zij antwoordde weinig, en hun gesprek
+kwijnde. Beiden hielden zij zich met hunne buren bezig. Het diner liep
+ten einde. Mevrouw Hoze rees op, nam den arm van den heer naast haar. De
+generaal geleidde Cecile naar den salon, door het langzaam voortwandelen
+der anderen heen.
+
+De dames bleven alleen; de heeren gingen met den jongen Hoze rooken. En
+Cecile zag mevrouw Hoze naar haar toe komen. Zij vroeg of ze zich niet
+verveeld had aan haar diner, zij gingen samen zitten, in een
+vertrouwelijk tête-à-tête.
+
+Cecile dwong zich mevrouw Hoze te antwoorden, maar gaarne was ze ergens
+zachtjes gaan weenen, omdat alles zoo gauw voorbij ging, omdat de stip
+van het heden zoo klein was. Voorbij alweêr, de lieve bekoring van hun
+beider gesprek over sympathie aan dat diner van zoo even: eene broze
+intimiteit te midden der wereldsche schijnsels om hen heen. Voorbij,
+dat oogenblik, en nooit, nóoit zoû het weêr terug komen: het leven
+overstroomde het met zijn verder-vloeien als met een water, dat alles
+uitwischte. O, de melancholie dat te bedenken; te bedenken hoe gauw,
+als een geur, die niet te grijpen is, alles vervliegt, dat lief is ...
+
+Mevrouw Hoze verliet haar; Suzette van Attema kwam Cecile aanspreken.
+Ze was in het roze en ze tintelde van iets schitterends, alsof er veel
+stofgoud over haar heen was gevallen, over hare bewegingen, hare oogen,
+hare woorden. Zij sprak druk met Cecile, vertelde lange verhalen
+waarnaar Cecile niet altijd luisterde. Op eens hoorde Cecile, door
+Suzette's gekakel heen, achter zich twee vrouwenstemmen, fluisterend en
+vertrouwelijk: zij verstond slechts ten deele:
+
+--...Emilie Hijdrecht, daar ...
+
+--...Praatjes misschien en mevrouw Hoze schijnt er zich niet aan te
+storen.
+
+--...O, ik weet het zeker!
+
+De stemmen verloren zich in het gegons der anderen. Cecile ving alleen
+nog even een klank als den naam van Quaerts op. Maar Suzette vroeg
+eensklaps:
+
+--Kent u de jonge mevrouw Hijdrecht, tante?
+
+--Neen.
+
+--Daar, met die diamanten. U weet, ze zeggen van Quaerts. Mama gelooft
+het niet. Hij is anders wel een flirt. U heeft naast hem gezeten?
+
+In de geheimste snaren van haar sensitivisme leed Cecile zeer. Zij trok
+zich geheel en al terug in zichzelve; zij deed alle moeite iets anders
+te schijnen dan zij was. Suzette merkte niets van haar malaise.
+
+De heeren kwamen weêr binnen. Cecile lette op of Quaerts mevrouw
+Hijdrecht zoû aanspreken. Maar hij nieerde haar geheel en zelfs, toen
+hij Suzette naast Cecile zag, wendde hij zich tot haarbeiden, om met
+Suzette, wie hij nog niet gesproken had, te schertsen.
+
+En het was Cecile een verlichting, toen zij kon vertrekken. Zij snakte
+naar eenzaamheid; zij had zich geheel en al verloren, zij smachtte er
+naar zich terug te vinden. In haren coupé dorst zij bijna niet ademen,
+bang voor iets, dat zij niet had kunnen zeggen. Thuis gekomen voelde zij
+eene lauwe loomte, die haar als verlamde en zij sleepte zich de trap op,
+naar hare kleedkamer.
+
+En toch, op die trap, als van de zoldering van heur thuis, viel als een
+waas van beschermende veiligheid over haar heen. Langzaam steeg zij,
+heur hand, die den langen handschoen vasthield, telkens drukkende op de
+fluweelen leuning der trap. Het was haar of ze flauw zoû vallen.
+
+--Maar, mijn God ... ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief!
+fluisterde zij, in eene plotselinge zelfverbazing, tusschen hare bevende
+lippen in.
+
+Het was als een rythme van verwondering, waarop ze, moê, hooger de trap
+op ging, hooger en hooger, in eene stille overrassing van plotselingen
+lichtschijn.
+
+--Maar ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief!
+
+Het klonk door hare vermoeidheid heen als eene melodie.
+
+Ze had nu hare kleedkamer bereikt, waar Greta het gas had opgestoken: ze
+sleepte zich naar binnen. De deur der kinderslaapkamer stond half open;
+ze ging er even in, sloeg den gordijn van Christie's bedje op, zonk neêr
+op hare knieën en zag naar het kind. Het ontwaakte half, nog in een
+lauwen dommel; het kroop een beetje uit de lakens, lachte, sloeg zijne
+handjes om Cecile's blooten hals.
+
+--Mama-te!
+
+Zij knelde hem vast tegen zich aan in de omhelzing harer tengere, witte
+armen; ze zoende hem op zijn frambozenmondje, op zijne lodderige oogjes,
+en intusschen zong het voort in haar hart, dwars door hare vermoeidheid
+heen, die haar als brak, daar, voor het bed van haar kindje:
+
+--Maar ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief, lief, lief ...
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Mysterie! Het was in eens, daar op die trap, voor haar opengestraald in
+hare ziel, als eene groote bloem van licht, mystieke roos met glanzende
+bladen, die zij nu, in eens, in het gouden hart zag. Dat was niet meer
+te analyzeeren, zooals zij altijd zoo gaarne deed, dat was het Raadsel
+der Liefde, het eeuwige Raadsel, dat in haar opengestraald was,
+doorschietende met zijne stralen geheel de wijdte harer ziel, waarin het
+midden-in ontloken was als eene zon in een heelal; daar was niet meer
+aan te vragen: waarom, waarom; daar was niet meer over te peinzen en
+droomen, dat was alleen áan te nemen als het onverklaarbare
+zielefenomeen; dat was een Schepping van Gevoel, waarvan de god, die
+geschapen had, evenmin óoit zoû zijn te vinden in de intime essence
+zijner waarheid, als de God te vinden was, die de wereld had geschapen
+uit den chaos. Dat was het Licht, brekende uit de Duisternis, dat was de
+hemel, ontsloten boven de aarde!
+
+En dat bestond, dat was realiteit en geen sprookje! Want dat was geheel
+en al in haar; eene plotseling onloochenbare, bliksemsnel uitgeschoten,
+Waarheid, een Feit van Voelen, zoo reëel in zijne etherische
+lichaamloosheid, dat het haar toescheen, of zij, vóor dit oogenblik,
+nooit had geweten, had gedacht, had gevoeld. Dat was het begin: aanvang
+van haarzelve, dageraad van haar zielleven, heilig mirakel der
+onbevlekte geboorte van Liefde, midden-in, in hare ziel, als haar
+zonne-middenpunt.
+
+En zij leefde de dagen, die kwamen, in hare zelfverwondering voort,
+dwalende door haar gedroom als door een nieuw land, waar veel licht
+scheen, met verre, in licht verbleekte landschappen, die waren als
+luchtverhevelingen, in glanstrillingen sidderende aan den horizont. Het
+was haar of ze, als een vrome, blijde pelgrim, langs oazen van paradijs
+naar die verre oorden voorttoog, om dáar te vinden nog meer: het Doel
+harer reize ... Kort geleden nog had zij weinig voor zich gezien--hare
+kinderen weg, hare eenzaamheid om zich heen als een nacht--en nu, nu zag
+ze voor zich een langen weg, een wijde kim, wegglansend in licht, alles
+licht ...
+
+Dat wàs, dat alles wàs! Dat was geen mooie leugen van dichters; het
+bestond, het straalde in haar hart als een heilig juweel, als eene
+mystieke roos met meeldraden lichts! En frischheid, als een dauw, viel
+over haar neêr, op geheel het leven: op het leven der zinnen; het leven
+der uiterlijke schijnsels; op het leven der ziel; het leven der
+in-waarheid. De wereld was nieuw, frisch van nieuwen dauw, de wereld was
+het Eden van Genesis en hare ziel zelve was eene ziel van nieuwheid, uit
+zich herboren, in eene metempsychoze van meer volmaking, van dichter
+genaken tot het doel, dat verre Doel, dáar vèr weg, als eene onzichtbare
+god verscholen in de heiligheid van zijne lichtextaze, als in de
+uitstraling van zichzelven.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Cecile was enkele dagen niet uitgegaan en zij had niemand gezien; op een
+morgen ontving zij een briefje; het luidde:
+
+
+Mevrouw!
+
+Ik weet niet of u mijn mystieke woorden heeft kwalijk genomen. Ik weet
+niet juist meer wat ik gezegd heb, maar ik herinner me hoe u tot me zei
+dat ik te ver ging. Ik hoop dat u om dat te ver gaan niet boos is. Het
+zoû mij een groot geluk zijn, zoo ik u mocht komen zien. Mag ik hopen,
+dat u me toestaat u van middag een bezoek te komen brengen?
+
+Met mijn eerbiedigste groeten,
+
+QUAERTS.
+
+
+Daar men op antwoord wachtte, schreef zij dadelijk terug:
+
+
+Geachte Heer!
+
+Het zal mij aangenaam zijn u vanmiddag te ontvangen.
+
+CECILE VAN EVEN.
+
+
+Toen zij daarop alleen was las ze zijn briefje over en nog eens over,
+bezag zij met een glimlach het papier, bezag zij de letters van het
+schrift.
+
+--Hoe vreemd! dacht ze. Dat briefje, en dat dit alles zoo is. Wat is
+alles vreemd, alles, alles!
+
+Lang bleef zij droomen, het briefje in de hand. Toen vouwde zij het met
+zorg dicht; zij stond op, liep de kamer op en neêr, zocht met hare fijne
+vingers in een coupe vol visitekaartjes en nam er twee uit, die zij lang
+bezag. Quaerts ... Die naam had een anderen klank dan vroeger ... Hoe
+vreemd dat alles! En ze sloot eindelijk het briefje en de twee kaartjes
+weg in een klein, leêg loketje van hare schrijftafel.
+
+Zij wilde thuis blijven en liet de kinderen wandelen met de kindermeid.
+Zij hoopte, dat er geene andere visite komen zoû, noch mevrouw Hoze,
+noch de Van Attema's. En voor zich uit turende dacht zij na, lang, lang
+na. Er was zooveel, dat ze niet begreep: eigenlijk begreep ze niets.
+Wat haarzelve betrof, zij had hem lief gekregen, dat was niet meer te
+doorgronden, dat was alleen aan te nemen. Maar hij, hoe was hij en wat,
+wat was er in hem?
+
+Hare antipathie in den aanvang? Sport ... hij deed veel aan sport,
+herinnerde zij zich ... Zijne visite, die eene indiscretie was geweest ...
+Hij scheen dat nu te willen goed maken en haar niet meer te komen
+bezoeken zonder hare toestemming. Zijn mystiek gesprek aan dat diner ...
+En mevrouw Hijdrecht ...
+
+--Wat is hij vreemd, dacht ze. Ik begrijp hem niet. Maar ik heb hem
+lief; ik kan niet anders. Lief lief ... wat vreemd dat dat bestaat! Ik
+wist nog niet, dat dat bestond! Ik ben niet meer mezelve: ik word een
+ander! Wat zoû hij van mij willen...? En hoe zonderling: ik ben getrouwd
+geweest, ik heb twee kinderen? Wat zonderling, dat ik twee kinderen heb!
+Het is me of dat niet zoo is. Ach, en ik hoû toch zoo van ze, mijn
+ventjes! Maar dàt, dat is zoo mooi, zoo helder, zoo doorzichtig, alsof
+dát alleen de waarheid is. Misschien is liefde alleen de waarheid ...
+Het is alsof alles kristal in en om me wordt!
+
+Zij zag om zich heen en het verwonderde haar, het hinderde haar, dat
+in die dagen hare omgeving de zelfde was gebleven: de rozenhouten
+meubeltjes, de plooien der behangsels, het dorre boomlandschap van den
+Scheveningschen weg daar buiten. Maar het sneeuwde, stil en zacht, met
+langzame, groote vlokken, die zwaar neêrvielen of zij de wereld wilden
+rein maken. Die sneeuw was frisch en nieuw, maar toch was die sneeuw
+niet de eigenlijke natuur voor haar, die steeds hare verre landschappen
+zag, als fata morgana's, sidderend in trillingen van licht.
+
+Om vier uur trad hij binnen. Zij zag hem dus nu voor den eersten keer na
+de zelfkennis, die door haar was geschoten, als eene verwondering. En
+toen hij binnentrad voelde zij de zonderling zalige gewaarwording, dat
+hij zich voor haar vergoedde, dat hij zich volmaakte voor hare
+verbeelding, dat alles in hem goed was. Nu hij daar voor haar gezeten
+was, zag zij hem voor het eerst, en zij zag, dat hij mooi was. De kracht
+van zijn lichaam verheerlijkte zich tot de kracht van een jongen god,
+breed toch slank, en gespierd als met de marmeren spieren van een beeld,
+vreemd dat alles onder de moderniteit van zijn half gekleed kostuum.
+Voor het eerst zag ze zijn gelaat, zag ze het geheel en al. De snit
+ervan was Romeinsch, als van een keizerskop, met zijn zinnelijk profiel,
+zijn kleinen, vollen mond, levend rood onder het goudbruin van zijn
+kroessnor. Laag het voorhoofd--het haar zeer kort geknipt, als een rond
+zwart vlies--, en over dat voorhoofd, met zijn enkele groef, eene
+treurigheid als een waas van ouderdom, vreemd in tegenstelling met de
+wulpsche jeugd van zijn mond en kin. En dan zijne oogen, die zij reeds
+kende, zijne oogen van geheimenis, klein en diep liggend, met de diepte
+van hunne pupil, die zich nu scheen te sluieren en dan weêr openblonk.
+
+Maar het vreemdste was, dat van geheel zijn mooi, van geheel zijn wezen,
+van geheel zijn zitten daar, met zijne handen gevouwen tusschen zijne
+knieën, een magnetisme tot haar uitging, dat haar als tot hem trok,
+onwederstaanbaar, als was ze, in eens, van haar eerste moment van
+zelfkennis af, zijn ding geworden, dat hem in alles zoû dienstbaar zijn.
+Zij voelde dat magnetisme haar zoo hevig aantrekken, dat alles in haar
+smolt tot loomheid en zwakte. Eene zwakte, als zoû hij haar kunnen nemen
+en wegdragen, ergens heen, waar hij wilde; eene zwakte, als had zij
+geene eigen gedachte meer, als was ze niets dan hèm geworden.
+
+Dit voelde zij intens en toen, toen was het állervreemdste, dat hij daar
+zitten bleef als op een afstand van eerbied, dat zijn oog tot haar opzag
+met eerbied, dat zijne stem klonk in eerbied. Toen was het
+állervreemdste, dat zij hem beneden zich zag, terwijl zij hem boven zich
+voelde; dat zij zijne mindere wilde zijn en hij haar eene hoogere scheen
+te achten. Zij wist niet hoe zij dit alles in eens zoo intens doordrong,
+maar zij dròng het door en het was de eerste pijn, die haar om heure
+liefde trof.
+
+--U is toch wel lief, dat u niet boos op me is! begon hij.
+
+In zijne stem klonk vaak iets vleiends; ze was niet helder en zelfs nu
+en dan wat gebroken, maar dit gaf er juist eene bekoring van timbre aan.
+
+--Waarom? vroeg ze.
+
+--Ik ben ten eerste indiscreet geweest met mijn visite. Ten tweede ben
+ik ongalant geweest op het diner van mevrouw Hoze.
+
+--Een heel zondenregister! lachte zij.
+
+--Zeker! ging hij voort, en u is wel goed dit alles niet kwalijk te
+nemen.
+
+--Misschien heb ik dat niet gedaan omdat ik altijd zooveel goeds van u
+hoor bij Dolf.
+
+--Heeft u nooit iets vreemds in Dolf gezien? vroeg hij.
+
+--Neen, wat dan?
+
+--Heeft het u nooit gefrappeerd, dat hij meer oog heeft voor de groote
+ensembles van politieke vraagstukken, dan voor de détails van zijn eigen
+omgeving?
+
+Zij zag hem aan, glimlachend verbaasd.
+
+--Ja, zeide zij. Dat merkt u juist op. U kent hem goed.
+
+--O, we kennen elkaâr al lang, van jongens af. Het is curieus: hij ziet
+nooit de dingen, die vlak bij hem liggen; hij doordringt ze niet. Hij is
+intellectueel vérziende.
+
+--Ja, beaamde zij.
+
+--Hij kent zijn vrouw niet, zijn dochters niet en Jules niet. Hij
+begrijpt niet wat er in ze is. Hij maakt zich van ieder vaste beeldjes
+en zet die in zijn geest vast, en die beeldjes vormt hij naar twee
+karaktertrekken, die vooruitspringen en elkaâr wat opbouwen en afbreken.
+Mevrouw Van Attema schijnt hem een coeur d'or, màar onpractisch: en
+daarmeê uit. Jules: een muzikaal genie, màar een onhandelbare jongen:
+uit.
+
+--Ja, hij denkt niet ver na over karakters, zeide zij. Want er is nog
+veel meer in Amélie ...
+
+--En Jules heeft hij heelemaal mis! meende Quaerts. Jules is zeer
+handelbaar en niets geniaal. Jules is niets dan aanhankelijkheid met wat
+rudimentair talent. En u, ... u heeft hij ook mis!
+
+--Mij?
+
+--Geheel en al! Weet u hoe hij u vindt?
+
+--Neen.
+
+--Hij vindt u,--laat me dit vooraf zeggen,--zéer, zeer sympathiek en een
+lief mama-tje voor haar jongens. Maar hij meent verder, dat u onbekwaam
+is heel veel van iemand te houden; hij vindt u een vrouw zonder passie
+en melancholiek zonder reden, alleen uit wat verveling. Hij denkt, dat u
+zich verveelt!
+
+Zij zag hem geheel en al ontsteld aan, en ze zag hem ondeugend lachen.
+
+--Ik verveel me nooit! sprak ze, ook lachend en met volle overtuiging.
+
+--Neen, natuurlijk niet! antwoordde hij.
+
+--Hoe weet _u_ dat! vroeg ze.
+
+--Dat voel ik, hernam hij. En ik voel nog meer. Ik weet ook, dat het
+fond van uw karakter niet melancholiek is, niet donker, maar heel licht.
+
+--Dat weet ik zelf zoo niet! murmelde zij bijna, loom, met die zwakte in
+haar, gelukkig, dat hij haar zoo doorzag. En, ging zij, heel luchtigjes,
+voort, zoû u ook gelooven, dat ik niet in staat ben veel van iemand te
+houden?
+
+--Dat is nu iets, dat _ik_ niet weet! zeide hij, met zooveel
+oprechtheid, dat zijn geheele gelaat zich in eens verjeugdigde en de
+groef van zijn voorhoofd weg was. Dat weet _ik_ niet.
+
+--U weet anders wel veel van me! schertste zij.
+
+--Ik heb u al zoo dikwijls gezien.
+
+--Nauwlijks vier maal!
+
+--Dat is heel veel!
+
+Zij lachte helder.
+
+--Is dàt nu galant? vroeg ze vroolijk.
+
+--Het is zoo bedoeld, sprak hij terug. U weet niet hoeveel het voor me
+is, als ik u zie.
+
+Het was veel voor hem haar te zien! En zij voelde zichzelve zoo klein,
+zoo weinig, en hem zoo groot, zoo veel. Wat sprak hij beslist, wat wist
+hij dat alles zeker! Ze was er bijna treurig om, dat hij zooveel vond in
+eene enkele maal haar te zien. Hij stelde haar te hoog; zij wenschte
+niet zoo hoog gesteld te worden.
+
+En dat teeder-broze hing weêr tusschen hen, zooals het aan het diner
+tusschen hen gehangen had. Daar was het gebroken door éen ongelukkig
+woord, o, dat het nu toch niet zoû breken!
+
+--Laten we nu eens over _u_ spreken! zeide zij met eene aangenomen
+luchtigheid. Weet u wel, dat u alle moeite doet mij te doorgronden, en
+dat ik niets weet van u! Dat is niet eerlijk.
+
+--Als u wist, hoeveel ik u al gegeven heb. Ik geef me u geheel en al:
+voor anderen verberg ik me altijd.
+
+--Waarom?
+
+--Omdat ik bang voor die anderen ben!
+
+--_U_ bang?
+
+--Zeker. U vindt, dat ik er niet naar uit zie om bang te zijn? Ik bezit
+iets ...
+
+Hij aarzelde.
+
+--Nu? vroeg ze.
+
+--Ik bezit iets, dat me heel dierbaar is en waarvoor ik heel bang ben,
+dat de menschen het zullen aanraken.
+
+--En wat is dat?
+
+--Mijn ziel. En ik ben niet bang, dat u dàt zal aanraken want u zal het
+geen pijn doen. Integendeel: het voelt zich juist heel veilig bij u.
+
+Ze had hem weêr, werktuigelijk, zijne vreemdheid willen verwijten: zij
+kon niet. Maar hij ried hare gedachte.
+
+--U vindt me een heel zonderling mensch, niet waar? Ik kan niet anders
+zijn tegenover u!
+
+Zij voelde hare liefde zich in haar hart als uitspannen, het als
+verwijden tot alomwijdte in haar. Haar liefde was als eene ruimte,
+waarin hij dwaalde.
+
+--Ik begrijp u nog niet, ik ken u nog niet! sprak ze zachtjes. Ik zie u
+nog niet ...
+
+--Zoû u er éenigszins belang in stellen mij te zien?!
+
+--Zeker.
+
+--Mag ik u dan van mij vertellen? Ik zoû het gaarne doen, het zoû mij
+een groot geluk zijn.
+
+--Ik zal heel graag naar u hooren.
+
+--Een vraag vooraf: u houdt niet van menschen, die aan sport doen?
+
+--Zeker wel; ik hoû er veel van krachtsontwikkeling te zien, als ik er
+zelve buiten ben. Daarom hoû ik ook van naar een storm te hooren, als ik
+zelve thuis ben. En ik kijk zelfs heel gaarne naar acrobaten.
+
+Hij lachte even.
+
+--Die sport was u toch in mij antipathiek?
+
+--Waarom denkt u dat?
+
+--Dat heb ik gevoeld.
+
+--U voelt alles! zeide zij, bijna bang. U is een gevaarlijk mensch,
+hoor.
+
+--Dat denken er heel veel. Mag ik u zeggen, waarom ik geloof, dat mijn
+sport u antipathiek was?
+
+--Ja.
+
+--Omdat u dien niet in _mij_ begreep; ook al zag u me misschien aan, dat
+ik er veel aan doe.
+
+--Ik begrijp u in het geheel niet.
+
+--Juist ... Maar laat me toch niet zoo over mezelven praten; ik praat
+liever over u.
+
+--En ik liever over u. Wees dus nu voor de eerste maal galant tegenover
+me en spreek ... over uzelven.
+
+Hij boog met een lachje.
+
+Als u me dan niet pedant vindt.
+
+--Ach wel neen. U zoû me van u vertellen. U begon met te spreken over
+sport ...
+
+--U helpt me op den goeden weg ... Zoû u kunnen begrijpen, dat er twee
+menschen in me zijn?
+
+--Twee menschen?...
+
+--Ja. Mijn ziel, die ik beschouw als mijn eigenlijke mensch en dan ...
+dan nog iets anders.
+
+--En wat is dat andere?
+
+--Iets leelijks, iets gemeens, iets brutaal primitiefs. Het beest, in
+een woord.
+
+Zij haalde lichtjes hare schouders op.
+
+--Wat maakt u uzelven zwart. Zoo iets is er in iedereen!
+
+--Ja maar, mij hindert het meer dan ik u zeggen kan. Ik lijd er onder;
+dat beest doet mijn ziel pijn, nog meer pijn, dan de heele wereld haar
+pijn doet. En weet u nu waarom ik me vooral bij u voel, alsof ik veilig
+ben? Omdat ik bij u dat beest niet voel ... Laat mij nog even praten,
+laat me even biechten, het doet me zoo weldadig aan, u dat alles te
+vertellen. U dacht, dat ik u maar viermaal gezien heb? Maar ik heb u zoo
+dikwijls gezien, vroeger, in de comedie, op straat, overal. Het was me
+altijd wel vreemd, dat ik u zag in het leven. En als ik dan naar u keek,
+dan voelde ik iets, alsof ik tot iets mooiers werd opgenomen. Ik kan het
+niet beter uitleggen. Er is iets in uw gezicht, in uw oogen, in uw
+bewegingen, ik weet niet wat, maar iets beters dan in andere menschen,
+iets, dat, heel welsprekend, alleen tot mijn ziel sprak. Dat alles is
+zoo fijn en zoo vreemd; ik kan daar nauwlijks duidelijker over praten.
+Maar u zal weêr vinden, dat ik te ver ga, niet waar? Of dat ik dweep?
+
+--Ik zoû zeker nooit gedacht hebben dat u zoo een idealist, en zoo een
+sensitivist was, sprak Cecile zacht.
+
+--Mag ik wel zoo tot u spreken?
+
+--Waarom niet? vroeg zij, om niet te behoeven te antwoorden.
+
+--Omdat u misschien bang is, dat ik u zoû kunnen compromitteeren ...
+
+--Ik ben daar geen oogenblik bang voor! hernam zij hoog, als minachtende
+de menschen.
+
+Zij zwegen even. Dat teeder-broze, dat zoo licht breken kon, hing nog
+tusschen hen, fijn, als een herfstdraad, die hen vereenigde. Eene
+atmosfeer van verlegenheid was om hen. Zij voelden, dat er
+beteekenisvolle woorden tusschen hen gewisseld waren. Cecile wachtte
+even, tot hij weêr spreken zoû. Maar, toen hij zwijgen bleef, begon zij,
+dapper:
+
+--Ik stel het op hooge waarde, dat u zoo tot me gesproken heeft. U heeft
+gelijk: u heeft me wel heel veel van u gegeven. Ik woû u nu verzekeren,
+dat alles wat u me gegeven heeft, heel veilig bij me zal zijn. En ik
+geloof, dat ik u nu beter begrijp, dat ik u beter zie.
+
+--Ik zoû u gaarne iets vragen, maar ik durf niet! sprak hij.
+
+Zij glimlachte om hem aan te moedigen.
+
+--Neen heusch, ik durf niet! herhaalde hij.
+
+--Wil ik er dan naar raden? schertste Cecile.
+
+--Ja, wat denkt u?
+
+Zij zag even de kamer rond, toen naar het kleine tafeltje met de boeken.
+
+--Emersons Essays? ried ze ten laatste.
+
+Maar Quaerts schudde zijn hoofd en lachte.
+
+--Neen, dank u! sprak hij. Die heb ik me al aangeschaft. O, neen, ik zoû
+u veel meer willen vragen dan een boek te leen.
+
+--Wees dan dapper en vraag het! schertste Cecile voort.
+
+--Ik durf niet! herhaalde hij. Ik zoû het ook niet onder woorden kunnen
+brengen.
+
+Ze zag hem ernstig aan, in zijne oogen, die haar geheel openblonken, en
+toen sprak ze:
+
+--Ik weet, wat u me vragen wil, maar ik zal het niet zeggen. Dat moet
+_u_ doen: zóek dus uw woorden.
+
+--Als u het dan weet, vergunt u me dan het u te zeggen?
+
+--Ja, want als ik het goèd weet, is het niets wat u niet zoû kunnen
+vragen.
+
+--Het zoû toch een heele groote gunst zijn ... Want laat me u vooraf
+zeggen, dat ik me geheel en al als iemand van lager orde beschouw dan u!
+
+Eene schaduw waasde over heur gelaat; haar mond had een trekje van pijn,
+en ze drong hem, lichtjes ontzenuwd:
+
+--Toe, vraag het nu. Eenvoudig weg.
+
+--Zoû u dan sympathie met me willen sluiten? Zoû u me willen toestaan
+bij u te komen, als ik me ongelukkig voel? Ik voel me bij u altijd zoo
+gelukkig, zoo mooi, zoo anders dan in het gewone leven, want ik leef bij
+u alleen mijn eene mensch, mijn eigenlijke, u weet wel.
+
+Alles smolt weêr in haar tot loome zwakte; o, hij stelde haar te hoog,
+en ze was heel gelukkig om wat hij vroeg, maar treurig, dat hij zich zoo
+minder voelde dan zij.
+
+--Goed! sprak zij toch met eene stem van klank. Laten we sympathie
+sluiten.
+
+En zij stak hem hare hand toe, hare mooie, witte, lange hand, met aan
+dien eénen vinger de witte en blauwe vonkjes van juweel, en hij drukte
+de tippen dier vingers even heel eerbiedig tusschen de zijne.
+
+--Dank u! sprak hij zacht met zijne stem; die wat gebroken was.
+
+--Is u dikwijls ongelukkig? vroeg Cecile.
+
+--Altijd ... antwoordde hij, bijna nederig en verlegen, dat hij dit
+zeggen moest. Ik weet niet, wat dat is; ik ben altijd zoo geweest. En
+van kind af aan, heb ik toch veel bezeten, dat de menschen geluk noemen.
+Maar toch, toch ... Ik lijd door mezelven. Ik doe mezelven het meeste
+pijn. En daarna de wereld ... en ik moet me altijd verbergen. Ik geef aan
+de wereld alleen een meneer, die paard rijdt en schermt en jaagt, een
+meneer, die in de wereld komt en gevaarlijk is voor jonge vrouwen ... Hij
+lachte met zijn slecht lachje en hij keek haar schuin in de oogen; zij
+bleef kalm naar hem opzien.
+
+--Verder geef ik ze niets, aan die menschen. Ik haat ze; ik ben niet als
+zij, Goddank!
+
+--U is te trotsch! sprak Cecile. Ieder van die menschen heeft weêr zijn
+verdriet, evenals u; de een lijdt wat fijner, en de ander wat grover,
+maar ze lijden allemaal. En daarom staan ze u allemaal nabij.
+
+--Ieder op zichzelf, misschien! Maar zoo zie ik ze niet, ik zie ze en
+bloc en zoo haat ik ze. U dan niet?
+
+--Neen, zeide zij kalm. Ik geloof niet, dat ik haten kan.
+
+--U is heel sterk, in uzelve. U heeft aan uzelve genoeg.
+
+--O neen, dat niet, heusch niet, maar u ... u is onrechtvaardig tegenover
+de wereld.
+
+--Mogelijk: ze doet me ook altijd pijn. Alleen bij u, daar vergeet ik,
+dat ze bestaat, die wereld daar buiten. Begrijpt u nu, waarom ik u zoo
+ongaarne bij mevrouw Hoze zag? Het was me of u zich verlaagd had. En
+om ... om dit vreemde, dat ik in u zag, heb ik ook niet vroeger uw
+kennismaking gezocht. Die kennismaking moest noodlottig gebeuren; daarom
+wachtte ik maar ...
+
+Het Noodlot, wat zoû het haar brengen? dacht Cecile. Maar ze kon niet
+doordenken: het was haar of ze maar droomde van heele mooie, fijne
+dingen, die niet bestonden bij andere menschen en alleen zweefden
+tusschen henbeiden, en die mooie dingen wáren er al: zij behoefde ze
+zich niet meer als illuzie te bespiegelen: het was of zij de toekomst
+had ingehaald! Een kort oogenblik slechts dit geluk; toen weêr voelde
+zij pijn, om zijn eerbied.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Hij was heen en ze was alleen, wachtende de kinderen. Zij vergat te
+bellen, om de lamp te laten aansteken, en de schemering van den laten
+namiddag duisterde naar binnen. Zij zat roerloos en keek voor zich uit,
+naar de dorre boomen.
+
+--Waarom ben ik dan niet gelukkig? dacht ze. Hij voelt zich gelukkig bij
+mij; bij mij alleen is hij zichzelve, wat hij in de wereld niet zijn
+kan. Waarom kan _ik_ dan niet gelukkig zijn.
+
+Zij had pijn, hare ziel leed, en het scheen haar toe, dat hare ziel leed
+voor het éerst, misschien omdat, voor het eerst, die ziel niet zichzelve
+was geweest maar een ander. Het scheen haar toe, dat eene andere vrouw
+te voren met hem, Quaerts, gesproken had. Eene hooge vrouw: eene vrouw
+van illuzie--de vrouw, die hij in haar zag;--en niet de vrouw, die zij
+wàs: eene nederige vrouw, eene vrouw van liefde. O, zij had zich moeten
+beheerschen, om hem niet te vragen: Waarom spreek je zoo tot mij? Waarom
+voer je je mooie gedachten zoo òp tot mij, en waarom laat je ze niet
+neêrdauwen òver me, want zie, ik sta niet zoo hoog als je meent, en zie,
+ik lig aan je voeten en mijn blik zoekt je boven me!
+
+Had zij hem moeten zeggen, dat hij zich bedroog? Had zij hem moeten
+vragen: Waarom verlaag ik me door me te mengen met andere menschen? Wie
+dan toch zie je in me? Zie, ik ben alleen eene vrouw, eene vrouw van
+zachtheid en gedroom, en zie, ik heb je lief gekregen, ik weet niet
+waarom! Had zij dan zijne oogen moeten openen en hem moeten zeggen: zie
+in een spiegel je eigen ziel en zie jezelven en zie, dat je een god bent
+op aarde: een god, die alles weet, omdat hij het voelt, voelt, omdat hij
+het weet ... Alles!... Neen ... niet alles, want hij bedroog zich, die god
+en hij meende in haar, die slechts schepsel was van hem, zijne gelijke
+te zien. Had zij dit alles moeten verklaren, zoo ten koste van hare
+schuchterheid als van zijn geluk? Want zijn geluk--ze wist dat nu--was
+haar te zien, zooals hij haar zag.
+
+--Bij mij voelt hij zich gelukkig! dacht ze. En hij heeft sympathie met
+me gesloten ... Geen vriendschap sloot hij, en hij sprak niet van liefde,
+maar hij noemde dat: sympathie ... Bij mij voelt hij alleen zijn
+eigenlijke mensch en niet dat andere ... zijn beest! Zijn beest...!!
+
+Toen kwam iets over haar drijven als eene somberheid van wolken en zij
+huiverde voor wat eensklaps door haar heen klotste: een breede stroom
+van zwartheid, als lag er veel modder op de bedding van dien stroom, als
+borrelde die modder naar boven in troebele kringen, die grooter werden
+en grooter! En zij schrikte voor dien stroom en wilde hem niet zien,
+maar hij gulpte over hare landschappen--vroeger zoo helder met kimmen
+van licht!--nu, met een lucht van inkt daarboven gesmeerd als vuile
+nacht.
+
+--Wat denkt hij hoog, en wat is zijn gedachte edel! dwong Cecile zich
+nog te verbeelden, ondanks dat alles ...
+
+Maar het ging niet meer: ùit haar heen duizelde de bewondering van de
+hoogheid zijner gedachte weg in een afgrond en toen, in eens, als met
+een bliksem door den nacht van die inktlucht heen, zag ze duidelijk, dat
+zij die hoogheid van gedachte betreurde, betreurde in hèm!
+
+Het was geheel donker in de kamer geworden. Cecile had zich, ontzet voor
+het weêrlicht, dat haar aan zichzelve openbaarde, achterover gegooid in
+de kussens der bank. Zij verborg haar gelaat in hare handen, persende
+hare oogen, als wenschte zij nu, na die zelfopenbaring, blind te worden.
+
+Maar demonisch woedde het door haar heen als een orkaan van de hel,
+stormvlaag van zinnenpassie, die opblies uit de donkerte van het
+landschap en de troebele golven van den stroom zweepte òp naar die lucht
+van inkt.
+
+--Oh! kreunde zij. Ik ben hem onwaardig...!
+
+
+ * * * * *
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+
+
+
+I.
+
+
+Quaerts bewoonde op het Plein, boven een kleêrmaker, twee kamers, klein
+en allerbanaalst van gemeubel. Hij had veel beter kunnen wonen, maar
+comfort kon hem niet schelen: hij dacht daar nooit voor zijn eigen
+intérieur aan; bij een ander zelfs trof het hem niet, Jules had het
+intusschen gehinderd, dat Quaerts zoo woonde en de jongen had die kamer
+al lang willen verfraaien. Hij was nu bezig eenige wapens op een
+wapenrek te hangen, staande op een trap, een deun uit een opera tusschen
+de lippen. Maar Quaerts sloeg er geen acht op; onbewegelijk lag hij op
+de canapé, rechtuit, in zijn flanellen hemd, ongeschoren, en zijne oogen
+turende naar de renaissance van het Paleis van Justitie, dat achter de
+dorre boomen van het Plein een fond van architectuur teekende.
+
+--Zie dan eens, Taco, of het zoo goed is? vroeg Jules, die een
+Marokkaansche sabel tusschen een paar krissen had geplaatst en er de
+draperie van een sarong tusschen door trok.
+
+--Ja, zeker, antwoordde Quaerts.
+
+Maar hij zag niet op naar de wapens en hij bleef turen naar het Paleis.
+Onbewegelijk lag hij daar. Gedachte was er niet in hem; alleen
+gedachtelooze zelfontevredenheid en daarom treurigheid. Drie weken lang
+had hij geleefd het leven van een roes, om zich te verdooven. Om wàt te
+verdooven wist bij niet precies. Misschien iets, dat in hem was: dat
+mooi was, maar lastig in de gewone wereld. Die roes was begonnen met een
+jacht in Noord-Brabant, op het buiten van een vriend. Een week lang met
+hun achten, veel sport in de open lucht, gevolgd door jachtdiners met
+niet alleen veel fijnen wijn, maar nog meer jenever, ook heele fijne,
+als likeur. Rospartijen te paard in den omtrek; baldadigheden bedreven
+op een boerderij--de boerin rondgedragen in een ton en opgesloten in de
+koeienstal--stoute streken als van kwâjongens en wildemannen tegelijk;
+proces-verbaal tegen dat alles met politie en schadevergoeding.
+Opgewonden als door te veel sport, te veel zuurstof en te veel sterken
+drank waren er daarna vijf van het troepje, waaronder Quaerts, naar
+Brussel getogen; een had er daar zijn maitresse. Zij hadden er gelogeerd
+bijna twee weken lang, in een leven als een voortdurend bacchanaal, met
+veel champagne en veel baldadigheid; eene wilde vreugde om te leven, die
+eerst natuurlijk, weldra werd opgeschroefd en hooger opgeschroefd om ze
+nog een paar dagen langer, te laten duren; de laatste nachten, moê, met
+écarté doorgebracht, zonder meer aan iets anders te kunnen denken dan
+aan het idée fixe om te winnen, de uitputting van al hun geweld reeds
+vloeiende door hunne lichamen als verslapping en hunne oogen wezenloos
+turende op de poppetjes van het spel.
+
+Quaerts had in dien tijd eene enkele maal aan Cecile gedacht, zonder die
+opkomende gedachte door te denken. Zij was wellicht drie, viermaal
+verschenen in zijne hersenen als een vaag beeld, wit en doorglazig: eene
+schim. Dan was ze weêr verdwenen, zonder invloed. In al dien tijd had
+hij haar ook niets van zich laten hooren en slechts éenmaal had hij
+bedacht, dat een stilzwijgen van drie weken, na hun laatste gesprek,
+haar vreemd moest voorkomen. Daarbij was het gebleven. Hij was nu terug,
+had drie dagen thuis gelegen op zijn bed, op zijne bank, moê, koortsig,
+ontevreden, in eene walging van alles, àlles; toen des morgens,
+bedenkende, dat het Woensdag was, had hij om Jules gedacht en diens
+rijles.
+
+Hij had Jules laten komen, maar te lui om zich te scheeren en te
+kleeden, was hij blijven liggen. En hij lag nog, niet wetende hoe en
+wat. Daar voor hem was het Paleis. Daar naast de Hooge Raad. Op zij zag
+hij de Witte en de Zwijger stond in het midden van het Plein: dat alles
+was heel interessant. En Jules hing wapens op. Ook interessant. En het
+interessantste van alles was dat domme leven, dat hij geleid had. Wat
+een opschroeving om zijne verveling voor den gek te houden. Had hij zich
+in dien tijd geamuzeerd? Neen. Hij had zich aangesteld of hij zich
+geamuzeerd had: hij had zich opgewonden met die boerin en met dat
+écarté. De jacht was slecht geweest. De wijn goed, maar hij had er te
+veel van gedronken. En dan de smerige champagne van die cocotte ...
+
+Wat dan? Hij had daar regelmatig behoefte aan, aan zulk een leven, aan
+een leven van sport en woest pleizier; het hield hem in evenwicht met
+dat andere, dat in hem was, en dat hem tot onmogelijkheid werd in het
+leven van iederen dag. Maar waarom kon hij dan ook geen maat houden,
+zoowel in het een als in het ander! Hij had geschiktheid voor het gewone
+leven en daarbij iets heel moois in zijne ziel; waarom kon hij niet in
+evenwicht blijven wiegelen tusschen die twee sferen in hemzelven, en
+waarom werd hij altijd geslingerd van de eene naar de andere sfeer, als
+iets, dat eigenlijk in geen van beiden element werd? Wat had hij niet
+met een klein beetje tact, een klein beetje zelfleiding, zijn leven
+tot iets moois kunnen maken, en kunnen bestaan in eene gezonde
+levensvreugde, gelouterd door een hooge zieleblijdschap! Maar die tact
+tot zelfleiding, ontbrak hem geheel en al; hij leefde zooals hij voelde:
+geheel in uitersten; er was geen halfheid in hem. En dit was zoowel zijn
+trots als zijn levensleed; zijn trots, dat hij "geheel" voelde of dit of
+dat, dat hij niet schipperen kon met zijne gevoelens; en zijn leed: dàt
+hij niet schipperen kon en niet tot harmonie kon brengen, wat telkens in
+hem tegen elkander stiet.
+
+Toen hij Cecile had ontmoet, had weêrgezien en nog eens weêrgezien, had
+hij zich geheel en al voelen verheffen naar dat éene uiterste, top van
+hoogheid, top van louter kristallen sympathie, waar zijn cirkel van
+atmosfeer--zooals hij zeide--sympathetisch had geschoven over de hare,
+als met eene liefkozing van louter kuischheid en spiritualiteit, zooals
+twee sterren, die, nader wentelend, hare dampkringen wellicht even
+mengen, als adems. Hoe glimlachend gelukkig had hij zich toen niet mogen
+voelen, als met eene gratie van Hooger! Toen, toen had hij zich weêr
+voelen tuimelen naar omlaag, als had hij zijn punt van evenwicht
+overwiegeld, en had hij gesmacht naar het aardsche, naar veel eenvoud
+van gevoelen, naar primitief levensgenot, naar vleesch en bloed. Hij
+herinnerde zich nu, hoe hij, twee dagen na zijn laatste gesprek met
+Cecile, Emilie Hijdrecht had gezien, hier bij hem op zijne kamer, waar
+zij, verwaarloosd, hem eindelijk had durven komen zien, op een avond,
+alles vergetende. Met een trek van wreedheid om zijn mond herinnerde hij
+zich hoe zij geweend had aan zijne knieën, hoe zij jaloersch gejammerd
+had van Cecile, hoe hij ze haar mond had doen houden en haar verboden
+had dien naam uit te spreken. En toen, hunne dolle omhelzing, omhelzing
+van wreedheid: wreedheid van haar tegen dien man, dien zij telkens
+verloor als zij hem voorgoed meende gevonden te hebben, dien zij niet
+begreep en wien zij aanhing met al het geweld harer brutale passie, als
+met eene passie uit primitieve tijden van louter zin; wreedheid van hem
+tegen die vrouw, die hij verachtte, terwijl hij haar in zijne armen, in
+hartstocht, bijna stikte!
+
+
+
+
+II.
+
+
+Ja, wat dan? Hoe dat evenwicht tusschen zijne twee polen te vinden! Hij
+haalde zijne schouders op; hij wist, dat hij het niet vinden kon. Hij
+miste een zeker element of een zekere kracht om dat te vinden. Hij kon
+zich slechts laten slingeren. Goed dan: hij zóû zich laten slingeren:
+er was niets aan te doen. Want nu, in die moêheid na zijn woest geweld,
+begon hij weêr een hevig verlangen te voelen, als iemand, die na een
+langen avond in een feestzaal vol bedorven lucht van gaslicht en
+stoffige mufheid en benauwdheid van menschenadem te hebben doorgebracht,
+haakt naar eenen hoogen hemel en wijdte van atmosfeer: een hevig
+verlangen naar Cecile. En hij glimlachte, blij, dat hij haar kende, dat
+hij tot haar kon gaan, dat het hem nu vergund was door te dringen in het
+kuische heiligdom harer omgeving, als in een tempel; hij glimlachte,
+blij, dat hij dit verlangen voelde, en trotsch daarom, zich verheffend
+boven andere menschen ... Hij stelde zich reeds voor zijn genot haar
+oprecht te biechten hoe hij geleefd had, die drie weken lang, en hij
+hoorde al hare stem, ofschoon hij niet hare woorden verstond ...
+
+Jules klom van de ladder af. Hij was treurig, dat Quaerts niet gevolgd
+had zijn schikken van de wapens op het rek en zijn drapeeren van het
+doek er om heen. Maar hij was stil door gegaan met zijn werk en nu het
+klaar was, klom hij af en ging hij, stil, zitten op den grond, met zijn
+hoofd tegen het voeteneind aan van de bank, waar zijn vriend lag te
+denken. Jules sprak geen woord; zijne oogen zagen recht voor zich uit,
+met iets van boudeeren, voelende, dat Quaerts nu naar hem keek.
+
+--Jules! zei Quaerts.
+
+Maar Jules antwoordde niet, starende.
+
+--Zeg Jules! Waarom hoû je toch zooveel van me?
+
+--Weet ik het! sprak Jules met dunne lippen.
+
+--Weet je het niet?
+
+--Neen. Hoe weet je nu, waarom je van iemand houdt.
+
+--Je moet niet zooveel van me houden, Jules. Dat is niet goed.
+
+--Goed dan. Dan zal ik het minder doen, sprak Jules.
+
+Hij stond in eens op en nam zijn hoed. Hij gaf Quaerts eene hand, maar
+Quaerts hield hem vast, met een glimlach.
+
+--Zie je, bijna niemand houdt van me, alleen ... je papa en jij. Van je
+papa weet ik het, maar van jou niet, waarom je van me houdt.
+
+--Je wilt ook alles weten.
+
+--En is het een ongeluk om dat te willen?
+
+--Natuurlijk. Je zal zoo nooit tevreden zijn. Mama zegt altijd, dat men
+niets weet.
+
+--En jij?
+
+--Ik ... niets ...
+
+--Wat niets?
+
+--Ik weet niets ... Laat me nu gaan.
+
+--Ben je boos, Jules?
+
+--Neen, maar ik heb een afspraak.
+
+--Kan je wachten, tot ik me gekleed heb, dan gaan we samen. Ik ga naar
+tante Cecile.
+
+Jules streed.
+
+--Goed dan. Maar haast je.
+
+Quaerts stond op. Hij zag nu de wapens hangen, die hij geheel vergeten
+had.
+
+--Dat heb je netjes gedaan, Jules! sprak hij bewonderend. Dank je wel,
+hoor.
+
+Jules antwoordde niet en Quaerts ging zijne kleedkamer in. De jongen
+zette zich op de bank, strakrecht, en zag naar het Paleis, tusschen de
+dorre boomen door. Zijne oogen vulden zich met dikke ronde tranen, die
+neêrvielen; onbewegelijk, strakrecht, weende hij.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Cecile leefde deze drie weken in eene onwetendheid, die haar pijnlijk
+aandeed. Door Dolf had zij wel gehoord, dat Quaerts jaagde, maar verder
+niets. Een schok van blijdschap electrizeerde haar, toen nu de deur
+achter den paravent openging en zij hem voelde binnenkomen. Hij stond
+voor haar, eer zij zich herwinnen kon en daar zij wat beefde, rees zij
+niet op en reikte zij, zittende, hem hare hand, met eene onzichtbare
+trilling der vingeren.
+
+--Ik ben uit de stad geweest, begon hij.
+
+--Dat hoorde ik ...
+
+--Heeft u het goed gemaakt, al dien tijd?
+
+--Dank u, heel goed.
+
+Hij vond haar wat bleek, met een zweem van lichtblauw onder hare oogen
+en eene matheid in hare bewegingen. Maar hij besloot, dat het misschien
+niets bizonders was of dat zij bleek schéen in de melkblankheid dier
+zacht-witte stof, als zijdige wol, zooals haar middel nog tengerder was
+in het getrek der écharpe om hare leest, met eene lange, witte franje,
+die voor hare voeten viel. Zij zat alleen met Christie, op zijn bankje,
+zijn hoofdje in haar japon, een prentenboek op zijne knietjes.
+
+--U is net een madonna met een Kindje! zei Quaerts.
+
+--Mijn kleine Dolf is gaan wandelen met zijn peetoom, sprak zij,
+stralend ziende op haar kind en het lichtjes wenkend ...
+
+Het stond op en, verlegen, ging het naar Quaerts en bood, met zijn
+schuin hoofd, een handje. Quaerts tilde hem op en zette hem op zijn
+knie.
+
+--Wat is hij licht, ce petit Jésus!
+
+--Hij is niet sterk, sprak Cecile.
+
+--U verwent hem te veel.
+
+Zij lachte weêr.
+
+--Paedagoog! schertste zij. Waarom verwen ik hem?
+
+--Ik vind hem altijd in uw rokken. Hij moest maar eens met me meêkomen:
+ik zoû hem gymnastiek laten doen.
+
+--Jules paardrijden, en Christie gymnastiek! lachte zij door.
+
+--Ja ... sport, u weet het! schertste hij terug met een blik van
+beteekenis.
+
+Zij zag hem terug aan en sympathie lachte uit de diepte harer goudgrijze
+oogen. Hij voelde zich gelukkig, en, met het kind op zijne knie:
+
+--Ik kom u biechten ... madonna!
+
+Toen, schrikkende, zette hij het kind in eens van zich af.
+
+--Biechten?
+
+--Ja ... Christie, ga terug naar mama. Ik mag je niet bij mij houden.
+
+--Jawel! riep Christie met verwonderd groote oogen en greep het koordje
+van zijn lorgnet.
+
+--Le petit Jésus vergeeft te vroeg! sprak Quaerts.
+
+--En ik, heb ik iets te vergeven? vroeg zij.
+
+--Ik zoû gelukkig zijn, als u het zoo beschouwde.
+
+--Biecht dan.
+
+Le petit Jésus ... aarzelde hij.
+
+Cecile stond op; zij nam het kind, kuste het en deed het zitten op een
+stoel bij het raam, met zijn prentenboek. Toen kwam zij terug naar de
+chaise-longue:
+
+--Hij zal niet hooren ...
+
+En Quaerts begon zijn verhaal, kiezende zijne woorden; hij sprak van de
+jacht, van de rospartijen en de boerin, en van Brussel. Zij luisterde
+vol aandacht, in hare oogen een angst voor dat levensgeweld, waarvan de
+echo zijne woorden doorbruiste, ware het dan ook eene echo door eerbied
+getemperd.
+
+--En was dat alles zonde, die vergeven moet worden? vroeg zij nu.
+
+--Niet?
+
+--Ik ben geen madonna, maar ... een vrouw met nog al geëmancipeerde
+denkbeelden. Als u gelukkig is geweest met dat leven, was het geen
+zonde, want geluk is goed ... Is u dus gelukkig geweest, dan was dat
+leven ... goed.
+
+--Gelukkig!? vroeg hij.
+
+--Ja?
+
+--Neen ... Ik heb dus zonde gepleegd, zonde aan mijzelven, niet waar?
+Vergeef me ... madonna.
+
+Zij ontroerde zeer om den klank zijner stem, die, zacht gebroken, haar
+als in bekoring omwikkelde; zij ontroerde van hem daar te zien zitten,
+vullende met hemzelven, met zijn lichaam, zijn wezen, zijn bestaan, eene
+ruimte in hare kamer, vlak in hare nabijheid. In éene seconde doorleefde
+zij uren, voelde zij hare stille liefde zwaar in haar als een zoet
+gewicht, voelde zij lust hare armen om zijn borst te slaan en hem te
+zeggen, dat zij hem aanbad, en voelde zij een innig leed, om wat hij
+haar bekende: dat hij weêr zich niet gelukkig had gevoeld. En zij kon
+zich nauwelijks bedwingen in haar medelijden, stond op, trad op hem toe
+en legde hem eene hand op zijn schouder.
+
+--Zeg me, meent u dat alles? Is dit alles waarheid? Is het waarheid, dat
+u zoo geleefd heeft en u toch niet gelukkig heeft gevoeld?
+
+--Volle waarheid, op het woord van mijn ziel.
+
+--Maar waarom heeft u het dan gedaan?
+
+--Ik kon niet anders.
+
+--U kon u niet tot maat dwingen?
+
+--Nooit ...
+
+--Dan zoû ik u dat gaarne willen leeren.
+
+--Ik niet, van _u_. Want het geluk is voor mij, en zal altijd voor mij
+zijn, onmatig te zijn ook bij u, onmatig in het leven van mijn
+eigenlijken mensch, mijn zielemensch, zooals ik nu pas onmatig ben
+geweest in het leven van mijn schijnmensch.
+
+Hare oogen werden vochtig; ze schudde haar hoofd, steeds met die hand op
+zijn schouder.
+
+--Dat is niet goed! sprak ze, diep weemoedig.
+
+--Het is genot ... voor beide die menschen. Ik moèt zoo zijn ... onmatig
+voor beiden.
+
+--Maar dat is niet goed! drong zij door. Louter genot ...
+
+--Het laagste, maar ook het hoogste ...
+
+Eene huivering overviel haar, eene doodelijke angst voor hem.
+
+--Neen, neen, drong ze aan. Denk zoo niet. Doe zoo niet. Noch het een,
+noch het ander. Heusch, dat alles is niet goed. Louter genot en onmatig
+genot, ook het hoogste, is niet goed.
+
+Zoo forceert u het leven. Zoo ... ben ik bang voor u. Zoek maat te
+krijgen. U heeft zooveel elementen om gelukkig te zijn.
+
+--O, ja ...
+
+--Ja, maar ik meen: dwéep niet. En ... en hol ook zoo woest niet door,
+om Godswil!
+
+Hij zag tot haar op; hij zag het haar smeeken, met hare oogen, met de
+uitdrukking van haar gelaat, met geheel haar, even voorover buigend,
+staan. Hij zàg het haar smeeken, zooals hij het haar hòorde doen, en
+toen zag hij, dat zij hem liefhad. Eene lichte verrukking kwam over hem,
+als daalde iets hoogs tot hem neêr om hem te leiden. Hij verroerde zich
+niet,--hij voelde hare hand trillen op zijn schouder--bang, die
+verrukking bij de minste beweging te zullen doen vervliegen. Het kwam
+geen oogenblik in hem op, haar te zeggen een woord van teederheid, of
+haar te nemen in zijn armen en te drukken tegen zich aan: zij
+verheerlijkte zich zóó voor zijn oog, dat zulk profaan verlangen ver van
+hem af bleef. En toch voelde hij op dit oogenblik, dat hij haar liefhad,
+maar zóó, als hij nog nooit had liefgehad, zoo geheel en alleen met het
+edelste, dat in eene ziel, vaak voor zichzelve zelfs onzichtbaar,
+verscholen is: voelde hij, dat hij haar liefhad met allernieuwste
+gevoelens van reine jeugd en nieuwe frischheid en klare belangeloosheid.
+En het werd hem, alsof dat alles een droom was, die niet wàs, een droom
+van lichtgeweef om hem heen als met mazen van zonneschijn.
+
+--Madonna! fluisterde hij. Vergeef me ...
+
+--Beloof me dan ...
+
+--Ik wil wel beloven, maar ik zal niet kunnen houden. Ik ben zwak ...
+
+--Neen.
+
+--O ja. Maar ik beloof en beloof mijn belofte te zullen pògen te houden.
+Vergeeft u dan?
+
+Zij knikte hem toe; zij wierp haar glimlach op hem neêr als een straal.
+Toen ging zij naar het kind, nam het in hare armen en bracht het tot
+hem:
+
+--Christie omhels hem en geef hem een zoen.
+
+Hij nam het kind van haar over en het kuste hem op zijn voorhoofd, en
+sloeg de armpjes om zijn hals.
+
+--Le petit Jésus! fluisterde hij.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Zij bleven toen lang met elkander praten en er kwam niemand, die hen
+stoorde. Het kind was weêr gaan zitten bij het raam. De schemering begon
+hare asch naar binnen te strooien. Zacht wit zag hij Cecile daar zitten,
+in de melodie harer woorden van halve stem, die weldadig tot hem
+aanklonken. Zij spraken over veel; over Emerson; over een gedicht van
+Van Eeden, in den Nieuwen Gids; over hunne levensopvattingen. Hij had
+een kop thee willen aannemen, alleen om haar zich te zien bewegen met de
+weeke lijnen harer bevalligheid, staande voor het theetafeltje in den
+hoek. In haar wit toilet, had zij iets van marmer, dat week zoû zijn van
+bezieling en leven. En onbewegelijk bleef hij zitten, luisterend met
+eerbied, opgenomen in eene teedere verrukking van geluk. Het was eene
+stemming, niet te analyzeeren, zonder zichtbaren oorzaak, alleen
+wordende uit hun sympathetisch samenzijn, zooals eene bloem wordt uit
+een onzichtbaar zaad, na een regendrop en wat zonneschijn. Ook zij, ze
+was gelukkig; ze voelde niet hare pijn om zijn eerbied. Ze was wel een
+beetje weemoedig, dat hij zoo geleefd had, maar toch was ze gelukkig om
+het geluk van die stip van het heden. Ze zag nu ook niet haren donkeren
+stroom, hare inktlucht, haar nalatenschap; ze zag nu alles licht, in
+kalmte. En het geluk ademde om hen heen, tastbaar, als met eene
+liefkoozing. Soms zwegen zij, en zagen beiden naar het kind, dat las, of
+het vroeg hun iets en zij antwoordden. Dan glimlachten zij elkander toe,
+omdat het zoo zoet was en niet hinderde.
+
+--Ik wilde, dat dit nu altijd zoo bleef! dorst hij te zeggen, toch nog
+vreezende; dat zulk een woord de kristallen transparantheid van hun
+geluk zoû breken. Als u nu in me zien kon, hoe goed ik me voel. Ik weet
+niet waarom, maar ik voel me zoo. Misschien om uw vergeving. Het Roomsche
+geloof is toch heerlijk met zijn absolutie. Wat een troost voor zwakke
+menschen.
+
+--Maar u mag u niet zwak vinden. U is dat ook niet. U zegt me, dat u
+zich soms boven het gewone leven kan stellen, dat u kan neêrzien op de
+smart van het leven als op een comedie, die maar eventjes droef doet
+glimlachen, maar niet de waarheid is. Ik geloof ook, dat het leven,
+zooals wij het zien, alleen maar symbool is van een leven van waarheid,
+dat er onder schuilt en dat we niet zien. Maar ik kan me niet boven het
+symbool stellen en u wel. Daarom is u heel sterk en voelt u heel groot.
+
+--Hoe zonderling! en ik voel juist mijzelven zwak en u groot en krachtig.
+U durft te zijn, die u is, in al uw harmonie en ik verberg me altijd en
+ben bang voor de menschen, persoonlijk, ook al stel ik me soms boven het
+leven, als massa. Maar dat zijn raadsels, die ik toch niet kan oplossen,
+en al mis ik de macht ze op te lossen, ik voel op dit oogenblik niets dan
+geluk. Ik mag dat wel eens hoorbaar zeggen, nietwaar hóorbaar?
+
+Zij glimlachte hem toe, zalig, dat zij hem het geluk gaf.
+
+--Het is de eerste maal, dat ik zóo het geluk voel, ging hij voort.
+Eigenlijk is het de eerste maal, dat ik het voel ...
+
+--Analyzeer het dan niet.
+
+--Ik hoef het niet te analyzeeren: ik zie het in al zijn eenvoud voor
+mij staan. Weet u waarom ik gelukkig ben?
+
+--Analyzeer niet ... herhaalde zij bang.
+
+--Neen, sprak hij, maar mag ik het zeggen zonder analyze?
+
+--Doe dat niet, stamelde zij, want ... want ik weet het ...
+
+Zij smeekte het, zeer bleek, met gevouwen vingers, die trilden. Het kind
+sloeg acht op hen; het had zijn boek gesloten, het kwam naar zijne
+moeder en zette zich op zijn plaatsje, met een blik van prille wijsheid
+in zijne bleekblauwe oogjes.
+
+--Dan gehoorzaam ik! sprak Quaerts met eenige moeite.
+
+En zij zwegen beiden, hunne oogen vergroot als door den glans van een
+vizioen. Om hen heen scheen het zacht te stralen, door de asch der
+schemering heen.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Zij had dien avond lang geschreven in haar dagboek, en ze liep nu de
+kamer op en neêr, hare handen gevouwen neêrhangende, haar hoofd een
+weinig gebogen, met een blik, die staarde. Er was ernst om haren mond.
+Vóór zich zag zij het vizioen; dat wat zij geraden had. Hij had haar
+lief, met alleen zijne ziel, niet lief als eene vrouw die mooi is en
+goed, maar hooger lief dan dat, lief met de fijnste zielezenuwtrillingen
+van zijn mensch,--zijn eigenlijke--lief met de supreme Aandoening der
+essence zijns wezens. Zóó voelde zij, dat hij haar liefhad, met
+contemplatie en aanbidding, en zoo voelde zij het in waarheid door een
+raadvermogen van sympathie dat hun elkanders in-wezen deed raden naar
+waarheid. En dàt was zijn geluk--zijn eerste, zooals hij zeide,--haar
+zóó lief te hebben en niet anders. O zij begreep hem! Ze begreep zijne
+illuzie, die hij zag in haar en ze wist nu, dat zoo ze hem in waarheid
+lief wilde hebben, om hèm en niet om zich, ze voor hèm niets anders
+mocht zijn en blijven dan illuzie, dan eene vrouw, die geen vleesch was,
+die niets verlangde van de aarde, welke hij vond in andere vrouwen, die
+alleen ziel zoû wezen, zusterziel der zijne. En zooals ze het vizioen
+zijner liefde voor zich zag, kalm en stralend, zoo zag ze ook voor zich
+den eigen strijd, die haar wachtte: strijd met zichzelve, strijd met
+haar eigen smart: smart, omdat hij zoo hoog van haar dacht en ze madonna
+noemde, terwijl zij laag wilde zijn en slavin. Zij zoû moeten schijnen,
+die hij zag in haar, om zijn geluk, en die rol zoû haar zwáar vallen,
+want ze had hem lief met o zooveel eenvoud, met geheel haar vrouwewezen,
+dat zich geheel wilde geven, zóo geven als eene vrouw zich slechts aan
+éen in haar leven geeft, wat en wie ze ook geven mocht daarvoor, uit
+onwetendheid van zichzelve, en geven moge daarna in bitterheid en leed.
+De uiterlijkheid van dien rol en de innerlijkheid van haar zijn: het
+conflict daartusschen zoû haar zwaar vallen, maar ze dacht aan die
+zwaarte met een glimlach en met een geluk, stralende door haar hart,
+want dien zwaren strijd zoû ze strijden voor hèm, ter wille van hem en
+alleen voor hem. O, de weelde te lijden voor een, dien ze liefhad al ze
+had hèm; in zich gefolterd te zullen worden van verlangen, dat hij niet
+tot haar komen zoû met de omhelzing zijner armen en den zoen van zijn
+mond, en te voelen, dat ze zoo gefolterd zoû worden om zijn geluk, het
+zijne! Te voelen, dat ze genoeg hem liefhad om tot hem te gaan met open
+armen en hem den aalmoes zijner liefkoozingen vragen, maar ook te
+voelen, dat ze hem meer liefhad dan dat en hooger, en--niet uit fierheid
+en kuischheid, die toch nog egoïsme zijn--maar alleen uit zelfopoffering
+aan zijn geluk--niet vragen wilde en nooit vragen zoû.
+
+Pijn, pijn om hem! Een zwaard door hare ziel voor hem! Martyre te zijn
+voor haar god, die op aarde niet gelukkig kon zijn, dan alleen in hare
+marteling! En ze was door het leven gegaan, jaren lang, zonder tot op
+dezen dag gevoeld te hebben, dat zulke weelde bestaan kan, niet als
+verbeelding in verzen, maar als realiteit in haar hart. Ze was jong
+meisje geweest en ze had hare dichters gelezen en wat zij rijmden over
+liefde en ze had gemeend dat alles te begrijpen, fijn te begrijpen en
+toch: zonder ooit het minste voorgeraden te hebben van het Gevoel zelve.
+En--jonge vrouw was ze geweest, ze was gehuwd geweest, kinderen had ze!
+Door haren geest flitste heur huwelijksleven in een bliksem van
+herinneringen en ze bleef staan voor het portret van haren overleden
+man, dat daar op een ezel stond in een draperie van somber peluche. Het
+was een masker van heerschzucht: een streng fijn gelaat met scherpe
+trekken als gegraveerd in fijn staal; koud-verstandige oogen met een
+strakken portretblik: dunne, baardelooze lippen, beslist op elkaâr
+gesloten als een slot. Haar man! En ze woonde nog in het zelfde huis,
+waar ze met hem gewoond had, waar ze hare vele gasten had moeten
+ontvangen, toen hij minister was geweest van Buitenlandsche Zaken. Hare
+recepties en diners schitterden als wereldsche tafereelen in haar geest
+op en ze zag nog duidelijk het oog weêr van haren man, die in een korten
+cirkelblik van goed- of afkeuring alles opnam: het arrangement harer
+kamers, hare tafels en haar eigen toilet. Haar huwelijk was niet
+ongelukkig geweest: haar man was wat koud en zonder expansie, geheel
+opgenomen in zijne eerzucht, maar hij hield van haar op zijne wijze,
+en dat zelfs met teederheid: ook zij, ze had van hem gehouden; zij had
+gemeend hem uit liefde te trouwen: hare aanhankelijke vrouwelijkheid
+beminde heerschers. Delicaat van gestel, ondermijnd misschien door de
+te groote energie der gedachte, was hij na eene korte ziekte overleden;
+Cecile herinnerde zich hare treurigheid, hare eenzaamheid met de twee
+kinderen, van wie hij reeds gevreesd had, dat zij ze bederven zoû. En
+hare eenzaamheid was haar zoet geweest, met het gewolk van haar
+gedroom ...
+
+Waarom had ze dit portret--eene mooie levensgroote fotografie; een
+koolafdruk, donker van eene Rembrandtsche schaduw--nooit laten
+naschilderen in olieverf, zooals ze eerst had willen doen? Het voornemen
+was uit haar weggebleekt; ze had er in maanden niet meer aan gedacht; nù
+eensklaps dacht zij er aan ... En er was geen zelfverwijt en wroeging in
+haar. Ze zoû de schilderij niet laten maken. Het was goed, zoo. Zij
+dacht zonder weemoed aan den doode. Zij had zich niet over hem te
+beklagen gehad, hij had haar nooit iets kunnen verwijten. En nu, ze was
+vrij; zij werd er zich bewust van met eene wijde blijdschap. Vrij, te
+voelen wat ze wilde. Hare vrijheid welfde zich als boven haar uit met
+blauwe uitspansels, waarin hare nieuwe liefde opsteeg in de immaculate
+vlucht van een duif. Vrijheid, lucht, licht! Ze wendde zich met een
+glimlach van verrukking af van het portret; heure armen sloegen zich
+boven haar uit als wilde zij hare vrijheid, de wijdte van hare lucht,
+meten, als wilde zij het licht tegemoet. Lief, ze had lief! Er was
+alleen liefde; er was alleen de harmonie van zielen, de harmonie harer
+ziel van dienares met die van heur, op aarde verbannen, god. O, wat een
+gratie, dat die harmonie bestaan kon, tusschen zoo iets hoogs als hij en
+laags als zij! Maar hij mocht het niet zien, dat ze laag was; madonna
+moest ze blijven, om hem moest zij die blijven, om hem, in de marteling
+van zijn eerbied, en de duizeling van het hooge punt, troon van
+vergoding, waarop hij haar tot zich verhief. Om haar heen voelde zij die
+duizeling draaien als met ringen van glans. En ze viel neêr op hare
+bank, hare vingers vouwden zich, hare oogleden knipten; toen bleven hare
+oogen zelve voor zich uit turen, heel ver weg ...
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Jules was een paar dagen niet naar school gegaan, om zware hoofdpijnen,
+die hem heel bleek maakten en hem een trek van groote treurigheid gaven;
+maar hij was nu wat beter, en, zich vervelende op zijn eigen kamertje,
+ging hij naar beneden, naar den leêgen salon en zette zich voor de
+piano. Papa zat wel te werken in zijn kantoor, maar het zoû papa zeker
+niet hinderen, dat hij speelde. Dolf bedierf hem, in zijn jongen iets
+ziende, dat hemzelven vreemd was en hem daardoor aantrok, zooals hem dit
+misschien vroeger in zijne vrouw ook had aangetrokken; kwaad kon Jules
+in zijn oogen niet doen en als de jongen maar gewild had, zoû Dolf geen
+geld gespaard hebben om hem eene zorgvuldige muzikale opvoeding te laten
+geven, maar Jules kantte zich met handen en voeten tegen alles wat naar
+lessen zweemde en beweerde bovendien, dat het niet de moeite waard zoû
+zijn. Eerzucht was er niet in hem; het streelde hem niet, dat Dolf
+zooveel in hem zag, zooveel meende te hooren in zijn spel: hij speelde
+alleen voor zichzelven, hij speelde om zich te uiten in de vage taal van
+muziekklank. Op dit oogenblik voelde hij zich alleen, verlaten in het
+groote huis, al wist hij, dat papa twee kamers àf zat te werken en dat
+hij zijn toevlucht zoû kunnen nemen op papa's groote bank; in zijn borst
+was op dit oogenblik een bijna fyziek gevoel van angst voor die
+eenzaamheid, welke iets als eene wijdte van in-alleen zijn om hem deed
+ronddraaien. Hij was veertien jaar, maar hij gevoelde zich niet als een
+kind, niet als een jongen; iets weeks, behoefte aan bijna vrouwelijke
+aanhankelijkheid, toewijding aan een, die hem alles zoû zijn, had hem
+reeds van zijne kleine-kind zijn als in zijne viriliteit getroffen en
+het doorhuiverde hem met die angst voor in-eenzaamheid, alsof hij
+zichzelven niet begreep, alsof hij bang was voor zichzelven. Zoo leed
+hij veel aan vage stemmingen, waarin dat vreemde hem beknelde en op de
+borst klom, waarin hij niet wist waar hij zijn in-wezen zoû verschuilen
+en waarin hij spelen ging, om zich te verliezen in de groote klankziel
+van muziek. Zijne dunne, nerveuze vingers tokkelden tastende over de
+toetsen; zelve leed hij van valsche akkoorden, die hij zoekende
+aansloeg; dan liet hij zich gaan, vond een enkel motief, heel kort, van
+klagende mineur-melancholie, en liefkoosde dat motief, liefkoosde het in
+vreugde dàt gevonden te hebben, dat te kúnnen vinden, liefkoosde het tot
+het als eene monotonie van verdriet ieder oogenblik terugkwam. Hij vond
+het motief zoo mooi, en kon er niet van scheiden; ze zongen zoo goed
+weêr wat hij voelde, die vier, vijf tonen en hij speelde ze weêr en
+speelde ze weêr, tot Suzette binnen vloog en hem zei, dat ze dol werd en
+hem vroeg of hij ophield.
+
+Zoo ook speelde hij nu, en het was erbarmelijk eerst; hij kende
+nauwelijks de noten weêr; verscheurende cacofoniën kermden op en
+doorsneden hemzelven zijn arm, nauw van hoofdpijn genezen, brein;
+hij kreunde of hij weêr pijn had, maar zijne vingers waren als
+gehypnotizeerd, ze konden niet uitscheiden, ze zochten door en de
+klanken zuiverden zich; eene korte fraze klaarde los als met een kreet,
+een kreet, die telkens terugkwam op éen zelfden toon, plotseling hoog na
+de doffe laagte, die als gepreludeerd had. En die toon was Jules eene
+verrassing: hij schrikte van ze--ze klonk zoo mooi van verdriet--en hij
+was nu blij ze gevonden te hebben en blij zoo een mooi verdriet te
+hebben. Toen bezat hij zich niet meer, en hij speelde door en het was
+hem of hij niet speelde maar een ander, die in hem was en hem dwong; hij
+vond de volle accoorden zuiver als bij intuïtie: door het geween der
+klanken heen liep die zelfde muzikale figuur hooger en hooger op als met
+zilveren voeten van reinheid, tegen luchtig omhooggeblazen regenbogen
+van kristal en bereikte ze het hoogste van den glasboog, dan stiet ze
+haar kreet, maar nu met dronkenschap, uit in majeur, als sloeg ze hare
+wijde armen blijde op naar hemelen van ontastbaar blauw. En het werden
+als menschenzielen, die eerst leven en lijden en uitstooten haar klacht,
+die dan sterven, beginnen te stralen met lichamen van klaarte, wien
+lange vleugelen ontschieten als weêrlichten van zilver, hunne
+zieleschouders uit; ze trippelen achter elkaâr de regenbogen over als
+over bruggen van glazen blauw en rose en geel getintel, en er komen al
+meer en meer; het zijn volken van zielen en ze reppen en reppen hare
+zilveren voeten, ze dringen zich over den regenboog, ze lachen en zingen
+en duwen elkaâr; in hun gedrang stooten hare vleugels elkaâr, verstuift
+er zilverdons. Op den top van den boog staan ze nu en zien op gróote
+naïveteit van lachende kinderoogen en ze durven niet, ze durven niet,
+maar achter hen dringen de zielen; ontèlbare komen ze, meerdere,
+meerdere altijd door; ze duwen op naar den hoogsten top, hunne vleugels
+recht in de lucht, vlak tegen elkaâr. En nu, het moet: ze mogen niet
+meer aarzelen: éen haalt er diep adem, geeft een schok, spreidt open
+zijn vlucht en slaat zich met éen slag uit den dichten drom, de lucht
+in. Hem volgen er dadelijk vele, de een na den ander; ze stijgen in
+blauw in bezwijmeling; het glanst alles om hen rond. Nu, diep onder
+hen, welft zich, dun als een draad, de boog, maar ze zien er niet naar:
+stralen vallen er hun te gemoet; zielen zijn het, die ze omhelzen;
+in omhelzingen nemen zij ze meê. En dan het licht; het licht, dat
+overstraalt; oplossingen in het supreme licht; niets dan het licht, de
+klanken zingen het licht, de klanken zijn het licht, er is niets meer
+dan het Licht, eeuwig ...
+
+--Jules!
+
+Hij zag met een blik, die niet herkende.
+
+--Jules! Jules!
+
+Hij glimlachte nu, als gewekt uit een slaap van droomen; hij stond op,
+ging naar haar toe, Cecile. Zij stond voor de deur; zij was daar blijven
+staan, terwijl hij speelde: het was haar geweest of hij iets van hàar
+speelde.
+
+--Wat speelde je daar, Jules? vroeg zij. En hij was nu geheel wakker en
+verlegen, omdat hij dacht, dat hij zeker heel veel geluid had gemaakt
+door het huis, door hun huis ...
+
+--Ik weet niet, tante! zeide hij.
+
+Maar zij omhelsde hem, in een, onstuimig, met dankbaarheid ... Zij was
+hem Hèt, het Mysterie! verschuldigd, omdat hij eens op haar was boos
+geweest ...
+
+
+ * * * * *
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+
+
+
+I.
+
+
+"O, dat wat niet te zeggen is, omdat woorden zoo weinige zijn, altijd de
+zelfde, combinaties van enkele letters en klanken; o, dat wat niet te
+denken is in de enge grenzen van het verstand; dat wat alleen aan te
+zweemen is met nauwlijks voelhorens van ziel: Essence der essences der
+dingen van onszelve ..."
+
+Maar ze schreef niet verder, zij wist niet meer: schreef ze, dat ze geen
+woorden had en zocht zij ze toch?
+
+Zij verwachtte hem en ze zag nu uit het open venster, of hij kwam. Lang
+bleef zij daar; toen wist ze, dat hij dadelijk komen zoû en hij kwam
+ook; ze zag hem naderen langs den Scheveningschen weg; hij duwde het
+ijzeren hek der villa open, glimlachte haar toe en groette met den hoed.
+
+--Wacht! riep ze. Wacht daar ...
+
+Ze ging vlug de trap af, in den tuin, waar hij gebleven was. Hij zag
+haar hem tegemoet komen, vreugdig van geluk, en zoo broos bevallig; haar
+blonde hoofd zoo fijn in het jonge groen van Mei; als van een jong
+meisje haar figuur in het heel licht grijze toilet met wat zwart fluweel
+lint en iets van zilverkant hier en daar.
+
+--Ik ben blij je te zien. Je bent in zoo lang niet bij me geweest! sprak
+ze en gaf hem de hand.
+
+Hij antwoordde nog niet, glimlachend.
+
+--We zullen in den tuin gaan zitten, achter, het weêr is zoo mooi.
+
+--Ja, sprak hij.
+
+Zij wandelden den tuin in, langs de arabesken der paden; de jasmijnen
+sterrelden wit langs hen heen. In een andere villa speelde men piano, de
+klanken dwaalden over: het was Rubinsteins romance in es.
+
+--Hoor! zeide Cecile, opschrikkend. Wat is dat?
+
+--Wat? vroeg hij.
+
+--Wat daar gespeeld wordt?
+
+--Rubinstein, geloof ik! sprak hij.
+
+--Rubinstein...? herhaalde zij vaag. Ja ...
+
+En zij smolt weg in de weelde der herinnering van ... wat? Nog éens, zoo,
+langs die zelfde paden had zij gewandeld, langs zulke jasmijnen, nog
+eens, heel lang, zoo lang geleden, gewandeld met hem, hem ... Waarom?
+Keerde dan het zelfde terug, na eeuwen ...
+
+--Je bent in geen drie weken bij me geweest? sprak ze gewoon weg, zich
+terugwinnende.
+
+--Vergeef me, antwoordde hij.
+
+--Wat was er?
+
+Er kwam weifeling in zijn geheele wezen, het scheen als zocht hij iets.
+
+--Ik weet het niet, sprak hij zacht. U moet het me vergeven, niet waar?
+Den eenen dag was er dit, en den anderen dat. En dan ... ik weet het
+niet. Veel redenen bij elkaâr. Het is niet goed, dat ik u veel zie. Niet
+goed voor u en niet goed voor mij.
+
+--Laten wij eens eerst over het eerste spreken. Waarom niet voor
+jezelven?
+
+--Laten wij liever over het tweede spreken: dat wat u aangaat. De
+menschen ...
+
+--De menschen?
+
+--De menschen spreken over ons. Ik ben nu eenmaal een mauvais sujet. Ik
+wil niet maken, dat uw naam op een profane wijze genoemd wordt met den
+mijne.
+
+--En gebeurt dat?
+
+--Ja ...
+
+Zij glimlachte.
+
+--Dat kan mij niet schelen.
+
+--Maar dat moet u kunnen schelen; al is het niet voor uzelve, dan
+voor ...
+
+Hij zweeg; zij begreep hem, hij bedoelde hare kinderen, zij haalde hare
+schouders op.
+
+--En waarom nu niet goed voor u?
+
+--Omdat men niet zoo dikwijls gelukkig mag zijn.
+
+--Wat een sofisme! Waarom niet?
+
+--Ik weet niet: dat voel ik zoo. Het verwent te veel. Het is te veel.
+
+--Is u dan hier gelukkig?
+
+Hij glimlachte en maakte eene zachte beweging van ja met zijn hoofd.
+
+Zij zwegen, heel lang. Zij waren gaan zitten achter in den tuin op eene
+bank, die in eene halfrondte van bloeiende rhododendrons stond: de
+bloemen, satijnig paars en zacht getijgerd in den kelk, omringden hen in
+een hooge haag van dichte bouquetten, die opgingen van het pad tot boven
+hunne hoofden; stamrozen wierookten voor hen geur. Stil zaten ze nu,
+gelukkig bij elkaâr, gelukkig in de sympathie hunner atmosferen, die
+zich mengden, en toch in dat geluk de onoverkomelijke weemoed, die is in
+alles van het leven, zelfs in geluk.
+
+--Ik weet niet hoe ik het u zeggen kan! sprak hij. Maar stel eens, dat
+ik u iederen dag zag, ieder oogenblik, dat ik aan u dacht ... Dat zoû
+niet gaan. Ik zoû dan zoo verfijnd, zoo subtiel worden, dat ik van
+louter geluk niet leven kon, want mijn andere mensch zoû niets
+ontvangen, zooals een dier, dat honger lijdt. Ik ben slecht, ik ben
+egoïst, dat ik zoo spreken kan, maar ik moet u de waarheid zeggen, opdat
+u niet te goed van mij denkt. En zoo zoek ik uw gezelschap alleen als
+iets heel moois, dat ik me een enkele maal vergun te genieten.
+
+Zij zweeg.
+
+--Soms ... dan denk ik, dat ik ook zoo niet goed doe, voor u. Dat ik op
+de eene of andere manier u beleedig en pijn doe. Dan zit ik altijd
+daarover te denken en dan geloof ik, dat het goed zoû zijn voor altijd
+afscheid van u te nemen.
+
+Zij zweeg nog; roerloos zat ze, hare handen slap in den schoot, haar
+hoofd lichtjes neigend, een glimlach om haren mond.
+
+--Zeg me iets ... vroeg hij.
+
+--Je beleedigt me niet en pijn doe je me ook niet, sprak zij. Kom bij
+me, wanneer je er behoefte toe voelt. Doe dat alles zoo als je wilt. Zoo
+vind ik het ook goed en daar moet je niet aan twijfelen.
+
+--Ik zoû zoo gaarne weten hoè u van me hield ...
+
+--Hoe? Zooals een madonna houdt van een zondaar, die berouw heeft en
+haar zijn ziel geeft, sprak zij schalk. Ik ben immers een madonna?
+
+--Wil u dat gaarne zijn?
+
+--Kent u zoo weinig de vrouwen, dat u niet weet, hoe er in elk van ons
+iets als een verlangen is te troosten, weldadig te zijn en madonna te
+spelen?
+
+--Spreek zoo niet, vroeg hij met iets als pijn.
+
+--Ik spreek in ernst ...
+
+Hij zag haar aan; twijfel rees in hem op, maar ze glimlachte hem toe;
+een kalme glans was om haar; in de bouquetten der rhododendrons zat zij
+daar als in de bloesemteederheid van éene groote mystieke bloem. Zijn
+twijfel werd toen als eene wond, die gebalsemd wordt. Hij gaf zich
+geheel over aan het geluk; het weefde eene atmosfeer om hem heen van
+zachte levens-kalmte, eene atmosfeer, waarin het leven kalm en
+hartstochteloos en rustig glimlachend wordt, als de lucht, die fijn is
+om goden. Het begon te donkeren: een violet geduister viel uit den hemel
+neêr als floers, dat viel op floers; stil lichtteden de sterren op. De
+schaduwen in den tuin, tusschen de heesters, waar zij zaten, vloeiden
+samen; de piano in de andere villa was stil geworden. En het Geluk trok
+als een sluier tusschen zijne ziel en de wereld daarbuiten: den tuin met
+zijn aanleg van paden en perken; de villa met gordijnen aan vensters en
+ijzeren hek; den weg daarachter met geknars van rijtuigen en van trams.
+Vèr trok zich dat alles terug, het geheele leven der gewoonheid trok
+zich ver van hem terug, het waasde weg achter den sluier, het stierf af.
+En het was hem geen gedroom of verzinsel; de werkelijkheid was hem het
+Geluk, dat gekomen was, terwijl de wereld afstierf; het Geluk, dat ijl
+was, niet te zien en niet aan te raken, gekomen als het was uit de
+Liefde, die alleen is sympathie, in kalmte en zonder hartstocht, de
+Liefde, die loùter is en slechts is om zichzelve, zonder bijgedachte van
+iets te nemen, zelfs niet van iets te geven, de liefde der goden, die is
+de ziel der Liefde zelve. Hoog voelde hij zich: de gelijke der illuzie,
+die hij zag in haar, die ze wezen wilde om hem, die hij nu óok zien
+bleef in haar, zonder twijfel. Want hij kon niet weten, dat wat hem zóo
+het Geluk gaf--zijne illuzie,--zoo volkomen en zóo kristalhelder, iets
+van leed zoû zijn voor haar; hij kon op dit oogenblik zonder zonde niet
+doordringen in de waarheid der wet, die wil het evenwicht, die wegneemt
+aan de eene wat zij den andere biedt en die het Geluk geeft met het Leed
+samen; hij kon niet weten, dat zoo het Geluk was aan hem, aan haar was
+de smart, de smart, dat ze zich moest voordoen en hem bedriegen om hèm;
+de smart, dat zij het aardsche wilde, dat zij het aardsche miste, dat
+zij smachtte naar het aardsche...! En nog minder kon hij weten, dat
+niettegenstaande dit alles, toch deze wellust was in hare smart: te
+lijden door hem, te lijden voor hem, kon hij weten, dat geheel hare
+smart wellust was.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Het werd donker, laat, en zij zaten er nog, toen ze vroeg:
+
+--Willen we wat wandelen?
+
+Hij aarzelde, glimlachend, maar zij vroeg nog eens:
+
+--Waarom niet, als je wilt?
+
+En hij kòn niet meer weigeren.
+
+Zij stonden op, zij gingen langs den achterkant van het huis, en Cecile
+vroeg aan de meid, die ze bij de deur der keuken zag zitten naaien:
+
+--Greta, haal even mijn kleinen zwarten hoed, mijn zwarte fichu en een
+paar handschoenen.
+
+De meid stond op en ging het huis in. Cecile merkte hoe een beetje
+verlegenheid zich sterker uitteekende in Quaerts' geweifel terwijl zij
+nu wat dralend wachteden tusschen de bloemenperken. Zij glimlachte,
+plukte eene roos, die ze zich in den ceintuur stak.
+
+--Zijn de jongens naar bed? vroeg hij.
+
+--Ja, antwoordde ze, steeds glimlachend; al lang.
+
+De meid kwam terug; zonder spiegel zette Cecile zich het zwarte tulle
+hoedje op, sloeg de kant om haar hals, maar nu Greta de handschoenen
+aanbood, sprak zij:
+
+--Neen, niet deze; haal een paar grijze ...
+
+De meid ging opnieuw en toen Cecile naar Quaerts zag, werd haar glimlach
+grooter; ze lachte even.
+
+--Wat is er toch? vroeg zij ondeugend, hoewel ze het wel wist.
+
+--Niets, niets! sprak hij vaag en hij moest geduldig wachten, tot Greta
+terug was gekomen.
+
+Toen gingen zij door het achterhek van den tuin de Boschjes in. Zij
+liepen langzaam, zonder woorden, Cecile wat spelende met de lange
+handschoenen, die zij niet aanschoof.
+
+--Heusch ... begon hij, aarzelend.
+
+--Wat dan toch?
+
+--U weet het wel; wat ik u verleden ook zei: het is niet goed ...
+
+--Niet goed?
+
+--Wat we doen. U risqueert te veel.
+
+--Te veel, met u?
+
+--Als iemand ons zag ...
+
+--Nu wat dan?
+
+Hij schudde zijn hoofd.
+
+--U is ondeugend; u weet het heel goed.
+
+Zij knipte met hare oogen; haar mond werd ernstig; ze deed alsof ze zich
+een beetje boos maakte.
+
+--Hoor eens, u mag niet zoo bang zijn, als _ik_ het niet ben. Ik doe
+niets slechts. Onze wandelingen zijn geen geheim. Greta ten minste weet
+er van. En dan: ik ben vrij, ik doe en laat wat ik wil.
+
+--Het is mijn schuld: den eersten keer, dat we 's avonds wandelden, was
+het op mijn verzoek ...
+
+--Doe dan nu boete en ga zonder scrupules zoet met me meê op _mijn_
+verzoek ... schertste zij.
+
+Hij gaf zich over, te gelukkig als hij was om aan conventie, aan dat wat
+op dit oogenblik afgestorven was, te offeren.
+
+Zij gingen verder en zij zwegen. En zooals ze meestal hare gevoelens bij
+schokken van verbazing ontving--zooals zij ze ontvangen had toen Jules
+was boos geworden, en toen ze hare trap was opgegaan na hun gesprek aan
+het diner, over cirkels van sympathie,--bij schokken van verbazing, zoo
+ontving ze ook nu, met een schok, dit gevoel: dat ze toch niet zoo erg
+leed, als ze eerst meende; dat hare smart, die wellust was, geene
+marteling kon zijn, dat ze gelukkig was, dat het Geluk om haar heen kwam
+als de fijne lucht zijner eigene atmosfeer, omdat zij samen waren,
+samen ... O, waarom te wenschen, nog meer, en dingen, die niet zoo louter
+waren? Had hij haar niet lief, en was zijne liefde niet een feit, en zoû
+zijne liefde haar dan niet aardsch genoeg zijn, als ze toch feit was?
+Had hij haar niet lief met teederheid, die vreesde voor wat haar
+hinderen mocht in de wereld, zoo ze die wereld vergat en 's avonds met
+hem dwaalde in het donker? Had hij haar lief met teederheid, maar ook
+niet met glans, met den glans van het goddelijke zijner ziel, omdat hij
+haar madonna noemde, dus--zich misschien onbewust in zijn eenvoud--haar
+met dien naam gelijke maakte aan wat goddelijk in hem was. Had hij haar
+niet lief? God, had hij haar dan niet lief? En wat wilde ze meer? Neen,
+o neen, ze wilde niets meer; ze was gelukkig, ze had het Geluk met hem
+samen; hij gaf het haar, zooals zij het hem gaf; het was een sfeer, die
+met hen meêtrok, waar zij ook gingen, zoekende hunnen weg, langs de
+weggedonkerde paden der Boschjes, zij nu aan zijn arm, hij haar leidende,
+daar ze niets zag in het donker, dat toch louter licht was van hun Geluk.
+En zoo was het of het niet avond was, maar dag. Middag, middag in den
+nacht, ure van licht in het duister!
+
+
+
+
+III.
+
+
+En het donker was het licht; de nacht daagde van het Licht, dat straalde
+alom. Stil straalde het, het Licht, als éene enkele zonnester, die
+straalt met zachten glans van klaarheid, hel in een hemel van stil wit
+zilver licht; hemel, waar zij liepen over melkwegen van licht en muziek;
+het straalde en het klonk onder hunne voeten en in zeeën van ether
+verhief het zich hoog boven hunne hoofden en straalde daar weêr en klonk
+er weêr, hoog en zuiver. Zij waren er alleen, in hunnen hemel, in hunne
+hemelwijdte, die was als de Ruimte, eindeloos onder hen en boven hen en
+om hen rond, met eindelooze ruimten van licht en muziek; van licht, dat
+muziek was. Eeuwigheden lang mat zich hun hemel uit, naar alle zijden
+mat zich die uit, met zalige verschieten van witte zonneglansen, in
+glans verschoten en weggeglansde landouwen, als oazen van bloemen en
+planten aan wateren van licht, stil en klaar en geruischloos van vrede.
+Want de vrede was er de lucht, waarin alle verlangen oplost en tot
+kristallen transparantheid wordt en hun leven was er het limpide zijn in
+verlangenloozen vrede; zij wandelden er voort, in goddelijke sympathie
+van samenzijn, nauw aan elkaâr, als in éen engen ring omgeven, éen ring
+van glans, die hen omgaf. Nauwlijks in hen was er herinnering aan de
+wereld, die was afgestorven en afgeschitterd in het stralen van hunnen
+hemel; niets was er in hen dan de extaze van hunne liefde, die hunne
+ziel was geworden, alsof zij geene ziel meer hadden en slechts liefde
+waren; en toen zij om zich heen zagen en zagen in het Licht, zagen zij,
+dat hun hemel, waarin hun Geluk het Licht was, niets was dan hunne
+liefde en zagen zij, dat de landouwen,--de bloemen en planten aan
+wateren van licht,--niets waren dan hunne liefde, en dat de eindelooze
+Ruimte, de eeuwigheden van glans en ruimte, van ruimten vol glans en
+muziek, die zich uitmaten naar alle zijden, onder hen en boven hen en om
+hen rond, niets waren dan hunne liefde, die geworden was tot hemel en
+geluk.
+
+En het Doel, dat Cecile eens had vóórgeraden, verscholen in de verte, in
+de uitstraling van eigen goddelijkheid, traden zij nu middenin, in zijn
+zonnekern; midden in het Doel traden zij en rondom hen schoot het zijne
+eindelooze stralen naar alle eeuwigheden heen, alsof hunne Liefde werd
+tot middenpunt des Heelals ...
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Maar zij zaten op eene bank, in het donker, niet wetende, dat het donker
+was, daar hunne oogen vol waren van het Licht. Zij zaten er naast
+elkander, eerst zwijgende, en toen hij zich herinnerde, dat hij eene
+stem had en woorden kon zeggen sprak hij:
+
+--Ik heb nooit zoo een oogenblik doorleefd als dit. Ik vergeet waar we
+zijn en wie we zijn en dat we menschen zijn. We zijn dat geweest, niet
+waar; ik herinner me, dat we dat geweest zijn?
+
+--Ja, we zijn nu geen menschen! sprak zij glimlachend en hare vergroote
+oogen zagen in het donker, dat Licht was.
+
+--Eens, toen waren we menschen, menschen, die leden en verlangden op een
+wereld, waar heel veel moois was maar ook heel veel leelijks.
+
+--Waarom spreek je daar nu van? vroeg ze en hare stem klonk haarzelve
+als komende van heel ver en laag onder haar.
+
+--Ik herinnerde me dat ...
+
+--Ik wilde het vergeten.
+
+--Dan zal ik het ook doen. Maar ik mag u toch wel in menschenwoorden
+danken, dat u mij maakte tot niet meer mensch?
+
+--Deed ik dat?
+
+--Ja; mag ik daarvoor danken, op mijn knieën?
+
+Hij knielde neêr en nam eerbiedig hare handen. Hij zag slechts even den
+omtrek harer gestalte, stil, onbewegelijk gezeten op de bank; er was
+iets als het parelgrijze doorschemeren van een sterrenlucht boven hen,
+tusschen de zwarte takken. Zij voelde hare handen in de zijne, en toen
+zijn mond zijn zoen op hare hand. Heel zacht maakte zij zich los, en
+daarna was het met een groote ziel van kuischheid, vol verlangenloos
+geluk, dat zij hare armen heel zacht boog om zijn hals, zijn hoofd tegen
+zich nam en hem kuste op het voorhoofd.
+
+--En ik, ik dank je ook! fluisterde zij verrukt.
+
+Hij bleef stil en zij hield hem zacht vast in hare omarming.
+
+--Ik dank je, sprak ze, dat je me dit geleerd hebt en me geleerd hebt
+zóo gelukkig te zijn als we zijn en niet anders. Zie je, toen ik nog
+leefde, toen ik een mensch was, een vrouw, meende ik al geleefd te
+hebben, vóór ik je ontmoette, want ik had een man gehad en ik had
+kinderen van wie ik heel veel hield. Maar ik leerde pas het leven van
+jou, het leven zonder egoïsme en zonder verlangen; ik leerde dat van je
+dezen avond, of ... dezen dag, wat is het? O, je hebt me het leven
+gegeven en het geluk, en alles! En ik dank je, ik dank je! Zie je, je
+bent zoo groot en zoo sterk en zoo klaar en je hebt me gedragen naar je
+eigen Geluk, dat ook het mijne moest zijn, maar dat zoo hoog boven me
+was, dat ik het zonder je nooit bereikt zoû hebben! Want er was een
+grens voor me, die er niet voor jou was. Zie je, toen ik nog mensch
+was--en zij lachte, terwijl zij hem vaster nam--had ik een zuster en die
+voelde òok, dat ze een grens had tusschen haar en haar geluk, en ze
+voelde, dat ze dien grens niet kon overschrijden en was daar zoo
+ongelukkig om, dat ze vreesde gek te zullen worden. Maar ik, ik weet het
+niet: ik droomde, ik dacht, ik hoopte, ik wachtte, o ik wachtte en toen
+ben je gekomen, en je hebt me dadelijk doen verstaan, dat je geen
+mensch, geen man voor me mocht zijn, maar dat je méer voor me kon zijn:
+mijn engel, o mijn heiland, die me in zijn arm nam en me over den grens
+opdroeg naar zijn eigen hemel, waar hijzelve god was en mij madonna
+maakte. O, ik dank je, ik dank je! Ik weet niet hoe ik je danken kan,
+maar ik kan je alleen zeggen, dat ik van je hoû, dat ik je aanbid, dat
+ik mijn ziel neêrleg aan je voeten. Blijf zoo en laat me je aanbidden,
+terwijl je zoo knielt. Zoo mag ik je wel aanbidden, niet waar, terwijl
+jezelve knielt? Zie je, ik moet je ook biechten, zooals je mij wel eens
+deed,--ging zij voort, en zij kón nu niet anders dan biechten,--ik ben
+niet altijd eerlijk tegenover je geweest, ik heb me wel eens moeten
+voordoen àls een madonna, terwijl ik toen nog gewoon vrouw was, vrouw,
+die eenvoudig-weg van je hield. Maar ik was oneerlijk voor je eigen
+geluk, niet waar? Je wilde mij zoo hebben, je was gelukkig als ik zóo
+was en niet anders. En nu, nu kan je mij het ook vergeven, omdat ik mij
+nu niet meer behoef voor te doen, omdat dat het verleden is, omdat dat
+is afgestorven, omdat ikzelve ben afgestorven van mezelve, omdat ik nu
+geen vrouw en geen mensch meer ben voor mezelve, maar alleen dat wat je
+me hebben wilt: madonna en schepsel van je, een atoom van je eigen
+essence en goddelijkheid. Vergeef je me dus het verleden...? En mag ik
+je danken voor mijn geluk, voor mijn hemel, mijn licht, o mijn God, voor
+mijn geluk, mijn groot, onmetelijk groot geluk?
+
+Hij was opgestaan, hij zette zich naast haar en nam haar zacht in zijn
+armen.
+
+--Is u gelukkig? vroeg hij.
+
+--Ja, sprak zij, haar hoofd op zijn schouder leggende in eene zwijmeling
+van glans. En jij?
+
+--Ja, antwoordde ook hij en hij vroeg verder:
+
+--En verlangt u nu ... niets anders?
+
+--Neen, niets! stamelde zij. Ik wil niets dan dit, niets dan wat ik heb,
+o niets, niets anders!
+
+--Zweer me dat dan ... bij iets heiligs! vroeg hij.
+
+--Ik zweer het je ... bij jezelven! zwoer zij.
+
+Hij drukte haar hoofd weêr neêr op zijn schouder. Hij glimlachte en zij
+zag niet, dat er weemoed was in zijn lach, want zij was verblind van
+glans.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Zij zwegen lang, zoo zittende. Zij herinnerde zich vele woorden gezegd
+te hebben, ze wist niet meer welke. Om haar heen zag zij, dat het donker
+was, met alleen dat geschemer van parelgrijs boven hunne hoofden, door
+de zwarte takken door. Ze voelde, dat ze met haar hoofd op zijn schouder
+lag; ze hoorde zijn adem. Iets als kilte liep haar langs de schouders,
+niettegenstaande de warmte zijner omhelzing; ze trok de kant dichter om
+haar hals en voelde, dat de bank, waarop zij zaten, wat vochtig van dauw
+was.
+
+--Ik dank je, ik heb je zoo lief, je maakt me zoo gelukkig, herhaalde
+zij.
+
+Hij zweeg, drukte zeer zacht, met enkel teederheid, haar tegen zich aan.
+Heure laatste woorden klonken haar nog in de ooren nadat zij ze gezegd
+had. Toen moest ze zich erkennen, dat ze niet spontaan waren geweest,
+als alles wat zij hem te voren gezegd had, terwijl hij voor haar
+geknield lag, met zijn hoofd aan hare borst. Zij had ze gezegd, om hun
+stilzwijgen te vullen: vroeger had dit stilzwijgen haar nooit gehinderd,
+waarom dan nu?
+
+--Kom! sprak hij zacht en ze hoorde nog niet den weemoed zijner stem, in
+dit enkele woord.
+
+Zij stonden op en liepen verder. Hij dacht er aan, dat het laat was, dat
+ze door dit pad naar huis zouden kunnen gaan: verder dacht hij aan veel
+treurigs, dat hij niet had kunnen zeggen; het was alleen als schemering,
+die om hem heen kwam na de verbinding van het Licht hunner hemelen van
+zoo even. En hij moest voorzichtig zijn: het was hier zeer donker, en
+maar heel bleek zag hij het pad schemeren voor hunne voeten; boomstammen
+schuurden zij rakelings aan.
+
+--Ik zie niets! sprak Cecile lachend. Ziet u den weg?
+
+--Vertrouw maar op me: ik zie heel goed in het donker, antwoordde hij.
+Ik heb de oogen van een lynx ...
+
+Stap voor stap gingen zij voort en zij gevoelde eene zoete vreugde zich
+te laten leiden door hem; zij klemde zich vaster aan zijn arm, zeide
+lachend dat ze bang was en dat ze heel bang zoû zijn, als hij haar nu in
+eens losliet.
+
+--En als ik nu in eens wegliep en u liet staan? schertste Quaerts.
+
+Zij lachte, zij smeekte lachend, dat hij het niet doen zoû. Toen zweeg
+ze, boos op zichzelve, dat ze gelachen had; een last van weemoed
+bezwaarde haar om haren scherts en gelach. Ze gevoelde iets, als was ze
+dàt onwaardig, waarvan zij zoo even in glanzen lichts ontvangen was
+geworden.
+
+En ook in hem was weemoed: de weemoed, dat hij haar leiden moest door
+duisternis, over onzichtbare paden, langs rijen van onzichtbare
+boomstammen, die haar schrammen en kneuzen konden, dat hij haar leiden
+moest door een donker bosch, door eene zee van zwart, door eene
+inkt-duistere sfeer, terwijl zij terugkwamen van den hemel, waar alles
+licht en alles geluk was geweest, zonder weemoed, en duister.
+
+En zoo, in dien weemoed, zwegen zij, tot zij op den grooten weg waren,
+den ouden Scheveningschen weg. Zij naderden de villa.
+
+Er ging een tram voorbij; twee, drie wandelaars liepen daar: het was een
+mooie avond. Hij bracht haar thuis en wachtte, tot, op zijn bel, geopend
+zoû worden. De deur bleef lang dicht, hij drukte intusschen vast hare
+hand en onwillekeurig deed hij haar een beetje pijn. Greta was zeker in
+slaap gevallen, meende ze:
+
+--Bel nog eens, wil u?
+
+Hij belde weêr en luider; de deur werd nu na een oogenblik geopend. Zij
+bood hem ten tweede male de hand, met een glimlach.
+
+--Adieu, mevrouw! groette hij, terwijl hij nu heure vingers eerbiedig
+aannam en zijn hoed oplichtte, en nu, nu hoorde zij den klank zijner
+stem, den klank van weemoed ...
+
+
+ * * * * *
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+
+
+
+I.
+
+
+Toen wist zij het, den volgenden dag, toen zij alleen zat en nadacht,
+dat de sfeer van het geluk, van het hoogste en lichtste, niet betreden,
+mag worden, dat ze slechts tot ons stralen mag als eene zon en dat wij
+er niet in mogen gaan, in hare heilige zonnekern. Zij hadden dat
+gedaan ...
+
+Lusteloos zat zij; de kinderen waren bij haar, Christie hing en zag
+bleek. O ja, ze verweekte ze, maar wat kon ze aan zich veranderen?
+
+Weken gingen er voorbij en Cecile hoorde niets van Quaerts; dat was
+altijd zoo: nadat ze hem gezien had, gingen er zoo, slepend, weken
+voorbij, dat ze hem niet zag. Hij was immers tè gelukkig bij haar, dat
+verwende hem te veel. Hij beschouwde haar als een zeldzaam genot,
+waarvan men maar weinig genoeg heeft ... En zij, ze had hem eenvoudig
+lief, met de innigste essence harer ziel, gewoon lief als eene vrouw een
+man lief heeft ... Zij had hem altijd noodig, iederen dag, ieder uur, bij
+iederen ademtocht van haar leven.
+
+Bij toeval ontmoette zij hem toen, te Scheveningen, waar zij op een
+avond was met Amélie en Suzette. Toen weêr eens, bij toeval, op eene
+receptie, van Mevrouw Hoze. Hij had iets verlegens tegenover haar en zij
+gevoelde eenigen trots en vroeg hem niet te komen. Ja, er was iets
+veranderd in wat zich tusschen hen had geweven. Maar zij leed zeer, ook
+om dien dwazen trots, en dat zij hem niet met nederigheid smeekte, dat
+hij komen zoû. Hij was immers haar god: wat hij deed was goed.
+
+Zoo zag zij hem niet gedurende weken, weken. Het leven ging voort; zij
+had iederen dag kleine bezigheden, in haar huishouden, voor heure
+kinderen; mevrouw Hoze berispte haar om hare afsterving van de wereld en
+zij dacht voortaan meer aan hare visites, terwille van mevrouw Hoze, die
+dat gevraagd had. In hare herinnering waren stralen; in die stralen zag
+zij het diner, hunne gesprekken en wandelingen, geheel hare liefde,
+geheel zijn opzien tot haar, die hij madonna noemde; hunnen laatsten
+avond van licht en extaze. Dan glimlachte zij en die glimlach zelve
+straalde over hare smart heen; hare smart, dat zij hem niet meer zag, en
+zich trotsch gevoelde en wat bitterheid in zich had. Alles moest immers
+goed zijn, zooals hij het wilde.
+
+O, de avonden, de zomeravonden, die koelden na warme dagen, de avonden,
+die zij alleen zat, turende van uit hare kamer, waar de onyxen lamp met
+halve vlam brandde, turende van uit de open vensterdeuren naar de
+trammen, die, rinkelend met bellen, kwamen en gingen naar Scheveningen,
+vol, vol menschen! Het wachten, het eindeloos lange wachten avonden,
+avonden lang, in eenzaamheid, als de kinderen waren gaan slapen! Het
+wachten, als zij maar stil zat, de oogen strak voor zich uit, kijkende
+naar de trammen, die eindelooze, die vervelende trammen. Waar was haar
+vroegere gelijkmatige zachtheid van droomend geluk? En waar, waar was
+haar zonnestralend geluk? En waar was haar strijd in zichzelve tusschen
+wat zij was en wat hij in haar zag? Ook die strijd was niet meer,
+overwonnen was die strijd; ze voelde niet meer die hevigheid van
+hartstocht; zij verlangde alleen naar hem, zooals hij altijd gekomen
+was, zooals hij nu niet meer kwam. Waarom kwam hij niet? Het geluk
+verwende, de menschen spraken over hen ... Het was niet goed, dat zij
+veel elkaâr zagen--hij had dat gezegd op den vooravond van hun hoogste
+geluk--niet goed voor hem en niet goed voor haar.
+
+Zoo zat zij en dacht zij, en stille groote tranen vielen haar uit de
+oogen, want zij wist, dat al kwam hij ook een beetje om zichzelven niet
+bij haar, hij vooral niet kwam om haar. Wat had zij niet gezegd, 's
+avonds op die bank in de Boschjes, met haar armen om zijn hals! O, zij
+had moeten zwijgen, dat voelde ze nu. Zij had hare verrukking niet
+moeten uiten, maar ze stil in zichzelve moeten genieten, als een geheim;
+zij had hèm zich moeten laten uiten: zijzelve had madonna moeten
+gebleven zijn. Maar het was haar toen te vol, te gelukkig geweest en,
+in die overmate van geluk, had zij niet anders kunnen zijn dan waar en
+klaar als een heldere spiegel. Hij had in haar geblikt, hij had haar
+geheel gezien: zij wist dat, ze was daar zeker van.
+
+Hij wist nu, hòe zij hem liefhad; zij had hem dat zelve geopenbaard.
+Maar zij had hem immers ook geopenbaard, dat dit alles het verleden was,
+dat zij _nu_ was, die hij wilde! Toen, toen was dat óók waar geweest,
+klaar en waar ... Maar nu? Duurt extaze dan maar één oogenblik en wist
+hij dat? Wist hij, dat hare zielevlucht heur hoogste bereikt had en nu
+weêr dalen moest tot gewonere sfeer? Wist hij, dat zij hem nu weêr
+liefhad, gewoon weg, met alles, geheel en al, niet zoo wijd meer als de
+hemelen, en nu weêr zoo wijd maar als hare armen konden uitslaan en
+omvademen? En kon hij haar die liefde zoo klein niet teruggeven en kwam
+hij daarom niet bij haar?
+
+
+
+
+II.
+
+
+Toen ontving ze zijn brief.
+
+"Vergeef me, zoo ik van dag tot dag uitstelde u te komen zien; vergeef
+me, zoo ik van daag nog niet daartoe besluiten kon en u schrijf. Vergeef
+me zoo ik u zelfs durf te vragen, of het niet zal moeten zijn, dat wij
+elkander niet meer zien. Zoo ik u pijn doe en beleedig, zoo ik--God geve
+van niet--doe lijden, vergeef me, vergeef me! Ik heb misschien uitgesteld
+uit een beetje besluiteloosheid, maar veel meer omdat ik meende niet
+anders te mogen doen.
+
+"Er is tusschen onze beide levens, tusschen onze beide zielen, eene
+ontmoeting van geluk geweest, die eene bizondere zaligheid, eene
+bizondere gunst van den hemel was. Gelooft u dat ook niet? O, als ik
+maar de woorden had u te zeggen hoe dankbaar ik in mijn innigste ziel
+ben voor dat geluk. Als ik ooit later op mijn leven terugzie, dan zal ik
+er altijd tusschen veel leelijks en zwarts dàt geluk in blijven zien,
+als een ster van licht. Wij hebben dat zoo gekregen: een geschenk van
+licht. En ik durf u te vragen of u met mij dat geschenk bewaren wil, als
+iets heiligs.
+
+"Zullen wij dat kunnen doen, als ik u blijf bezoeken? O, u zeker, ik
+twijfel niet aan u, u zal sterk zijn en het heilig bewaren, ons heilig
+geluk, vooral omdat u al gestreden heeft, zooals uzelve mij op onzen
+heiligen avond toevertrouwde. Maar, ik, zal ik ook sterk kunnen zijn,
+vooral nu ik wéet, dàt u gestreden heeft? Aan mij twijfel ik, aan mijn
+eigen kracht; voor mijzelven ben ik bang! Er is iets wreeds in mij, iets
+vernielzuchtigs, iets van een barbaar. Als jongen had ik er plezier
+in mooie dingen en kunstvoorwerpen te vernielen, ze te kerven en te
+bezoedelen. Verleden had Jules mij wat rozen gebracht, op mijn kamer;
+'s avonds, toen ik alleen zat, mijmerend over u en over ons geluk--zelfs
+op dàt oogenblik--frommelden mijne vingers aan een roos, die uitbladerde,
+en toen ik die eene roos ontbladerd zag, was het in mij eene wreedheid
+om ze allen te ontbladeren, en ik verfrommelde ze allemaal. Ik noem u
+maar een klein bewijs op, omdat ik u geen groote bewijzen noemen wil,
+uit ijdelheid, opdat u niet wete, hoe slecht ik ben. Ik ben bang voor
+mezelven. Als ik u weêr zag, en weêr zag, en weêr, wat zoû ik gaan
+gevoelen en denken en willen, zonder te willen? Wat zoû sterker in mij
+zijn, mijn ziel of mijn beest? Vergeef me, dat ik mijn angst u bloot leg
+en minacht mij er niet om. Tot nog toe heb ik _niet_ gestreden in onze
+heilige wereld van geluk. Ik heb u gezien, veel gezien voor ik u kende;
+ik heb u geraden, zooals u was; ik heb u mogen spreken, ik heb u mogen
+liefhebben met mijn ziel alleen: ik smeek u, o laat het zoo blijven.
+Laat me mijn geluk zoo blijven bewaren, heilig, duizendmalen heilig! Ik
+vind het nu waard geleefd te hebben, nu ik dàt gekend heb: geluk, het
+hoogste: En voor den strijd, die waarschijnlijk zoû komen en dat heilige
+bezoedelen zoû, ben ik bang.
+
+"Gelooft u mij, als ik u zweer, veel over dit alles te hebben nagedacht;
+gelooft u mij, als ik u zweer, dat ik lijd bij de gedachte u nooit weêr
+terug te zullen mogen zien? En vooral: vergeeft u mij, als ik u zweer,
+dat ik zoo doe, omdat ik denk goed te doen? O, ik ben u dankbaar, en ik
+heb u lief als een ziel van licht alleen, alleen licht!
+
+"Misschien doe ik niet goed u dezen brief te zenden. Ik weet het niet.
+Misschien verscheur ik deze woorden straks ..."
+
+Maar hij hàd haar den brief gezonden.
+
+Er was veel bitterheid in haar. Zij had eens gestreden, zich overwonnen
+en, in een heilig oogenblik dien strijd en die overwinning gebiecht: zij
+wist, dat zij dit noodlottig had moeten doen; zij wist nu, wat zij door
+die biecht verliezen zoû. Een kort oogenblik slechts, een enkelen avond
+misschien, was zij haren god waardig en gelijk geweest. Nu was zij dat
+niet meer; ook dàarom was zij bitter. En het bitterst was zij, omdat de
+gedachte in haar dorst oprijzen:
+
+--Een god! Is hij een god? Vreest een god voor strijd?
+
+Toen werd hare driedubbele bitterheid tot wanhoop, de zwarte wanhoop, de
+nacht, waardoor hare oogen zochten te dringen om iets te zien, waarin
+zij niets zagen, niets, en zij kermde zacht, en wrong hare handen,
+ineengezonken voor het venster en turende naar de trammen, die,
+onbarmhartig, met hun gerinkel van bellen, reden, heen en weêr.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Zij sloot zich op; zij zag hare kinderen niet veel; aan hare kennissen
+zeide zij, dat zij ziek was. Voor bezoeken gaf zij belet. Uit intuïtie
+ried zij, dat men in hunne kringen sprak over haar en Quaerts. Het leven
+was dof om haar heen: een dicht ineengeweven net van lastige, vervelende
+mazen en zij bleef als roerloos in heur hoekje om zich niet in die mazen
+te behoeven verwarren. Eens drong Jules tot haar door; hij ging,
+niettegenstaande Greta hem weêrhouden wilde, naar boven; hij zocht haar
+in het boudoirtje, vond haar niet en ging beslist naar hare slaapkamer.
+Hij klopte maar kreeg geen antwoord en trad toch binnen. De kamer was
+half duister door de dicht gehouden stores; in de schaduw van den
+baldakijn, die over het ledekant oprees met draperieën van een oud-blauw
+brokaat, lag Cecile te slapen. Haar peignoir was open op de borst, de
+sleep slierde van het bed af, verkreukeld over het tapijt; over het
+kussen lagen heure haren; hare eene hand hield zich krampachtig in de
+tulle ondergordijnen vast.
+
+--Tante! riep Jules, tante!
+
+Hij schudde haar even bij den arm en zij werd loom wakker, met zware,
+blauw omcirkelde oogen. Zij herkende hem niet dadelijk en dacht, dat hij
+kleine Dolf was.
+
+--Ik ben het, tante; Jules ...
+
+Zij herkende, vroeg hem, hoe hij hier kwam, wat er was en of hij niet
+wist, dat zij ziek was.
+
+--Ik wist het, maar ik moest u spreken. Ik kwam u spreken over ... hem ...
+
+--Hem?
+
+--Over Taco. Hij vroeg mij het u te zeggen. Hij kon u niet schrijven,
+zei hij. Hij gaat een groote reis doen, met zijn vriend uit Brussel; hij
+blijft heel lang weg en hij woû ... hij woû afscheid van u nemen.
+
+--Afscheid?
+
+--Ja, en hij vroeg mij het u te vragen, of hij u nog eens zien mocht.
+
+Zij had zich half opgericht en zag den jongen wezenloos aan. In eene
+seconde gingen de herinneringen door haar brein van den langen blik,
+dien Jules vreemd op haar geslagen had, toen zij Quaerts voor het eerst
+gezien had, toen zij, koel, op een laatdunkenden afstand, tot hem
+gesproken had: Heeft u familie in den Haag? Heeft u een betrekking?
+Sport? O!...
+
+De herinneringen van Jules' spelen op de piano van Rubinsteins romance
+in es, van de extaze zijner fantazie: de glanzende regenbogen en de
+engel-wordende zielen.
+
+--Afscheid? herhaalde zij.
+
+Jules knikte.
+
+--Ja tante, hij gaat weg, voor zoo lang.
+
+Hij had zelve kunnen huilen en huilen was ook in zijne stem, maar hij
+wilde niet en alleen werden zijne oogen vochtig.
+
+--Hij vroeg mij, het u te vragen, herhaalde hij moeilijk.
+
+--Of hij afscheid kan nemen?
+
+--Ja, Tante.
+
+Zij antwoordde niet, maar bleef voor zich uit turen. Om haar heen begon
+eene leêgte zich uit te meten, met perspectieven van oneindigheid. Het
+was als een schaduwbeeld van hunnen avond van verrukking, maar het
+lichtstraalde niet uit die schaduw.
+
+--Leêgte ... sprak zij tusschen hare lippen.
+
+Wat tante?
+
+Zij had hem willen vragen of hij nog als vroeger bang was voor leêgte in
+zich, maar eene zachtheid van medelijden, een week gevoel, als eene
+verzoeting van de bitterheid, die zoo vol in haar was, weêrhield haar.
+
+--Afscheid? herhaalde zij, met een glimlach van weemoed, en groote
+tranen vielen zwaar, drop, op drop, op hare, in elkaâr gewrongen,
+vingers neêr.
+
+--Ja, tante ...
+
+Hij kon zich niet meer inhouden: een enkele snik hokte in zijne keel,
+maar hij kuchte even na, om te doen gelooven, dat het geen snik was.
+Cecile sloeg haar arm om zijn hals.
+
+--Je houdt heel veel van ... Taco, niet waar? vroeg ze en het trof haar,
+dat het de allereerste maal was, dat zij dien naam uitsprak, want zij
+had Quaerts nooit zoo genoemd: zij had nooit een naam tegen hem gezegd.
+
+Nu antwoordde hij niet, maar hij voegde zich in haren arm, in hare
+omhelzing en begon te weenen.
+
+--Ja, ik kan u niet zeggen, hoeveel! begon hij.
+
+--Ik weet het! sprak ze en ze dacht aan de regenbogen en de engelen; hij
+had gespeeld als uit hare eigen ziel.
+
+--Mag hij komen? vroeg Jules trouw gedachtig aan wat hem was opgedragen.
+
+--Ja.
+
+--Hij vraagt, of hij van avond komen mag?
+
+--Goed.
+
+--Tante, gaat hij weg om ... om ...
+
+--Om wat, Jules?
+
+--Om u; omdat u niet van hem houdt en niet met hem trouwen wil? Mama
+zegt dat ...
+
+Zij antwoordde niet; zij snikte, haar hoofd op Jules' hoofd.
+
+--Is het zoo, tante? Neen, nietwaar...?
+
+--Neen.
+
+--Maar waarom dan?
+
+Zij richtte zich in eens op, zich winnende en zag hem vast aan.
+
+--Hij gaat weg, omdat hij weg moet, Jules. Ik, kan je niet zeggen,
+waarom. Maar wat hij doet, is goed. Alles wat hij doet, is goed.
+
+De jongen zag haar roerloos aan, met groote natte oogen, vol
+verwondering.
+
+--Is goed? herhaalde hij.
+
+--Ja. Hij is beter dan een van ons allen. Als je van hem houden blijft,
+Jules, zal je dat geluk aanbrengen, zelfs al ... al zie je hem niet meer.
+
+--Gelooft u? glimlachte hij. Brengt hij geluk aan? Zelfs dan ...
+
+--Zelfs dan ...
+
+Zij hoorde zich aan, terwijl zij zoo sprak; het was haar of een ander
+sprak; een ander, die niet alleen Jules troostte, maar ook haarzelve en
+die haar misschien kracht zoû geven afscheid van Taco te nemen zooals
+het goed zoû zijn: zonder wanhoop.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+--U gaat dus een lange reis maken? vroeg ze.
+
+Hij zat over haar, roerloos, met eene smart over zijn gelaat. Zij was
+uiterlijk zeer kalm, alleen was er een weemoed in haren blik en hare
+stem; in haar wit toilet, met de écharpe, die haar voor de voeten viel,
+lag zij achterover in de drie kussentjes der roze moiré chaise-longue;
+de punten van hare schoentjes verloren zich in de witte schapen vacht.
+Voor haar op het tafeltje lag een groote bouquet losse rozen, roze,
+witte en gele, met een breed lint samengestrikt. Hij had ze haar
+meêgebracht en zij had ze nog niet in eene vaas gezet. Er was veel
+kalmte om hen heen; de exquize atmosfeer van het boudoirtje scheen de
+zelfde.
+
+--Zeg me, doe ik u niet erg verdriet? vroeg hij, met die smart in zijne
+oogen, zijne oogen, die zij nu zoo goed kende.
+
+Zij glimlachte.
+
+--Neen ... sprak ze. Ik zal eerlijk zijn met u. Ik heb verdriet gehàd, ik
+heb het nu niet meer. Ik heb me voor de tweede maal bestreden en ik heb
+mezelve overwonnen. Zal u dat gelooven?
+
+--Als u wist hoeveel wroeging ik voel ...
+
+Zij stond op en trad op hem toe.
+
+--Waarom? sprak ze, met eene stem van klaarte. Omdat u mij geraden
+heeft, en me geluk heeft gegeven?
+
+--Heb ik dat dan?
+
+--Is u dat dan vergeten?
+
+--Neen, maar ik dacht ...
+
+--Wat?
+
+--Ik weet het niet; ik dacht, dat u zoo lijden zoû, ik ... ik vervloekte
+mezelven...!
+
+Zij schudde zachtjes het hoofd, met eene glimlachende afkeuring.
+
+--Foei! sprak ze. U profaneert ...
+
+--Vergeeft u me?
+
+--Ik heb u niets te vergeven. Hoor eens. Zweer me, dat u me gelooft, dat
+u gelooft, dat u mij gelùk heeft gegeven en dat ik niet lijd.
+
+--Ik ... ik zweer het u.
+
+--Ik vertrouw, dat u niet alleen zweert om aan mijn verlangen te
+voldoen.
+
+--U is het hoogste in mijn leven geweest, sprak hij zacht.
+
+Eene verrukking schoot door hare ziel.
+
+--Zeg me alleen ... begon ze.
+
+--Wat?
+
+--Zeg me, of u gelooft, dat ik, ik, _ik_ ... altijd het hoogste in uw
+leven blijven zal.
+
+Zij stond voor hem, lang, in haar slepend wit. Zij scheen te stralen;
+zij was zoo mooi als hij haar nog nooit gezien had.
+
+--Ik weet dat zeker! sprak hij. Zeker, o zeker ... God, hoe kan ik u
+daarvan zekerheid geven?!
+
+--Maar ik geloof u al! riep zij uit.
+
+Zij lachte met een lach van verrukking. In hare ziel scheen eene zon
+naar alle zijden stralen uit te schieten. De oneindigheid harer
+ziele-leêgte vulde zich met licht. Zij wond haren arm zacht om zijnen
+hals en kuste hem op het voorhoofd met eene liefkoozing van kuischheid.
+
+Een oogenblik scheen hij alles te vergeten. Hij stond ook op, nam haar
+in zijn armen, bijna woest, en klemde haar in eens tegen zich aan, als
+wilde hij haar verpletteren aan zijne borst. Zij zag even nog zijne
+treurige oogen; toen zag zij niet meer, verblind door de zoenen van zijn
+mond, die geheel haar gelaat schroeiden als vonken vuur. In de
+zonne-verrukking van hare ziel mengde zich eene zaligheid van de aarde,
+een toegeven aan het geweld zijner omhelzing. Maar het bliksemde door
+haar heen, wat zij verliezen zoû, zóo zij toegaf. Zij dwong zich los,
+weerde hem af en sprak:
+
+--En nu ... ga.
+
+Het duizelde hem, hij begreep, dat het moest.
+
+--Ja, ja, ik ga, sprak hij. Ik mag u schrijven, niet waar?
+
+Zij knikte van ja, met haren glimlach.
+
+--Schrijf me, ik zal u ook schrijven, zeide zij. Laat mij altijd van u
+weten ...
+
+--Dit zijn dus niet de laatste woorden, die er tusschen ons zijn? Dit ...
+dit alles ... was niet het laatste?
+
+--Neen ...
+
+--Ik dank u. Adieu, mevrouw, adieu ... Cecile. O, als u wist, wat dit
+oogenblik mij kost!
+
+--Het moet. Het mag niet anders. Ga, ga. U doet goed te gaan. Toe, ga ...
+
+Zij reikte hem nog de hand, voor het laatst. Eene seconde daarna was hij
+verdwenen.
+
+Zij zag vreemd om zich rond, met verwilderde oogen, met ineengedrongen
+handen. Ga, ga ... herhaalde zij, als ijlend. Toen merkte zij de rozen
+op. Met iets als een zachten schreeuw zonk zij neêr voor het tafeltje en
+begroef haar gezicht in zijn geschenk, tot de dorens haar schramden. Die
+pijn--twee druppels bloed, die van haar voorhoofd vielen--ze bracht haar
+tot bezinning. Voor den kleinen Venetiaanschen spiegel, boven hare
+schrijftafel, wischte zij zich met den zakdoek de roode vlekjes af.
+
+--Het geluk! stamelde zij in zichzelve. Zijn geluk! Het hoogste van zijn
+leven! Hij heeft dus geluk gekend, al was het ook maar kort. Maar nu ...
+nu lijdt hij. Nu zal hij weêr veel lijden, weêr als vroeger. De
+herinnering aan ons geluk zal niet alles kunnen doen. O, kon het dat
+maar, dan was alles goed, alles ... Ik wil niets meer, ik heb mijn leven
+gehad, mijn kinderen; ik ben nu alles voor hen. Voor hem mocht ik niet
+méer zijn ...
+
+Zij wendde zich van den spiegel af en zonk neêr op de bank, als was zij
+vermoeid van heel veel ruimte, die zij doordwaald had, en zij sloot de
+oogen, als was zij verblind van heel veel licht. Hare handen vouwden
+zich als om te bidden; heur gelaat straalde, in zijn moêheid, van
+glimlach op glimlach.
+
+--Het geluk! herhaalde zij, stamelend in dat geglimlach. Het hoogste van
+zijn leven! O God, het geluk! Ik dank u, God, ik dank u ...
+
+
+
+_Den Haag-Wiesbaden-Hilversum_,
+
+Jan.'91-Oct.'91.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Extaze, by Louis Couperus
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EXTAZE ***
+
+***** This file should be named 12003-8.txt or 12003-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/0/0/12003/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/12003-8.zip b/old/12003-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..037a585
--- /dev/null
+++ b/old/12003-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/12003-h.zip b/old/12003-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..bd8ba39
--- /dev/null
+++ b/old/12003-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/12003-h/12003-h.htm b/old/12003-h/12003-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..df2296b
--- /dev/null
+++ b/old/12003-h/12003-h.htm
@@ -0,0 +1,4797 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content=
+ "text/html; charset=iso-8859-1">
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Extaze, by AUTHOR.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+ <!--
+ * { font-family: Times;}
+ P { text-indent: em;
+ margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em; }
+ H1 { text-align: center; color: maroon; }
+ H2,H3,H4,H5,H6 { text-align: left; }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;}
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;}
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */
+ .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; right: 100%; font-size: 8pt; justify: right;} /* page numbers */
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem p {margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem p.i2 {margin-left: 2em;}
+ .poem p.i4 {margin-left: 4em;}
+ .poem .caesura {vertical-align: -200%;}
+ // -->
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Extaze, by Louis Couperus
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Extaze
+ Een Boek van Geluk
+
+Author: Louis Couperus
+
+Release Date: April 12, 2004 [EBook #12003]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EXTAZE ***
+
+
+
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<!-- Autogenerated TOC. Modify or delete as required. -->
+
+<h4>Hoofdstuk I</h4>
+<a href="#I"><b>I</b></a><br>
+ <a href="#II"><b>II.</b></a><br>
+ <a href="#III"><b>III.</b></a><br>
+ <a href="#IV"><b>IV.</b></a><br>
+ <a href="#V"><b>V.</b></a><br>
+ <a href="#VI"><b>VI.</b></a><br>
+ <a href="#VII"><b>VII.</b></a><br>
+ <a href="#VIII"><b>VIII.</b></a><br><br>
+<h4>Hoofdstuk II</h4>
+ <a href="#I"><b>I.</b></a><br>
+ <a href="#II"><b>II.</b></a><br>
+ <a href="#III"><b>III.</b></a><br>
+ <a href="#IV"><b>IV.</b></a><br>
+ <a href="#V"><b>V.</b></a><br>
+ <a href="#VI"><b>VI.</b></a><br><br>
+<h4>HoofdstukIII</h4>
+ <a href="#I"><b>I.</b></a><br>
+ <a href="#II"><b>II.</b></a><br>
+ <a href="#III"><b>III.</b></a><br>
+ <a href="#IV"><b>IV.</b></a><br>
+ <a href="#V"><b>V.</b></a><br>
+ <a href="#VI"><b>VI.</b></a><br><br>
+<h4>Hoofdstuk IV</h4>
+ <a href="#I"><b>I.</b></a><br>
+ <a href="#II"><b>II.</b></a><br>
+ <a href="#III"><b>III.</b></a><br>
+ <a href="#IV"><b>IV.</b></a><br>
+ <a href="#V"><b>V.</b></a><br><br>
+<h4>Hoofdstuk V</h4>
+ <a href="#I"><b>I.</b></a><br>
+ <a href="#II"><b>II.</b></a><br>
+ <a href="#III"><b>III.</b></a><br>
+ <a href="#IV"><b>IV.</b></a><br>
+
+<!-- End Autogenerated TOC. -->
+
+<h1>EXTAZE</h1>
+
+<center><h2>EEN BOEK VAN GELUK</h2></center>
+<br>
+
+<p>Door</p>
+<br>
+
+<h2>LOUIS COUPERUS</h2>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<h3><i>Aan het Geluk en het Leed te Zamen</i>.</h3>
+
+<p>HILVERSUM, L. C.
+Jan. '92</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+
+<p>HOOFDSTUK I.</p>
+<br>
+
+<p>I.</p>
+<br>
+
+<p>Dolf van Attema was op zijne wandeling na den eten aangegaan bij de
+zuster zijner vrouw, Cecile van Even, op den Scheveningschen weg, en
+hij wachtte in den kleinen voor-salon, wandelend tusschen de rozenhouten
+meubeltjes en de vieux roze moir&eacute; cauzeuses met de drie, vier groote
+passen, waarme&ecirc; hij de nauwte van het vertrekje telkens en telkens
+scheen over te meten. Achter de chaise-longue brandde op een onyxen
+zuil eene lamp van onyx, onder hare kanten kap zacht gloeiend als eene
+groote, zeshoekige lichtbloem.</p>
+
+<p>Mevrouw was nog bij de jongens, die juist naar bed gingen, had de meid
+tot Van Attema gezegd en het speet hem zijn petekind, den kleinen Dolf,
+dien avond niet meer te zullen zien; hij had reeds even naar boven
+willen loopen om met Dolf in zijn bedje te stoeien, maar ook had hij
+zich aanstonds Cecile's verzoek herinnerd, dit toch nooit meer te doen;
+de jongen bleef uren wakker liggen na zoo een gedartel met oom. En
+hij wachtte dus nu, met een glimlach om die gehoorzaamheid, zijne
+schoonzuster af, steeds metende den kleinen salon met zijn pas van
+een stevig, kort man, ineengedrongen en breed, niet jong meer en wat
+ivoorachtig kalend onder zijn kort, donkerblond haar, zijne oogen
+klein-vriendelijk en prettig blauw-grijs, zijn mond beslist flink,&mdash;al
+glimlachte hij ook&mdash;in het rossige gekroes van zijn korten Germaan-baard.</p>
+
+<p>Een houtblok brandde met een paar kronkeltongen in het baardje van
+nickel en verguld, als een vuurtje van stille intimiteit, als eene
+vlam van discretie, in die schemeratmosfeer van, met kant gedekt,
+lampeschijnsel en intimiteit, discretie verspreidden ook door geheel
+het nauwe vertrekje iets als een aroom van viooltjes, eene nuance van
+viooltjes-geur, die school in de zachtheid der tinten van behang en
+meubelen,&mdash;fletsch roze moir&eacute; en rozehout,&mdash;die hing in het hoekje der
+kleine rozehouten schrijftafel, met hare enkele zilveren zaakjes om te
+schrijven en hare portretten in gladde, glazen Mora-lijstjes; een
+kleine, witte, Venetiaansche spiegel daar boven. En die zachte lucht van
+bescheiden exquiziteit, vol gedemptheid, teederheid, kuischheid bijna,
+die dreef tusschen het haardje, de schrijftafel en de chaise-longue, die
+gleed tusschen de stille plooien der ge&euml;ffaceerde behangsels, hield iets
+in, dat rust gaf aan zenuwachtigheid, zoodat Dolf, in eens, zijn stap
+van meten staakte, zitten ging, om zich heen zag en, eindelijk, stil,
+turen bleef op het portret van Cecile's man, den minister Van Even, die
+anderhalf jaar geleden gestorven was.</p>
+
+<p>Toen duurde het wachten hem niet meer lang, tot Cecile binnenkwam. Zij
+trad glimlachend naar hem toe, waar hij oprees, drukkend zijne hand,
+zich verontschuldigend, dat de kinderen haar hadden opgehouden. Zij
+bracht ze altijd zelve naar bed, hare twee jongens, Dolf en Christie,
+en ze zeiden dan naast elka&acirc;r, in hunne ledikanten naast elkander, hunne
+gebedjes op. Dolf herinnerde zich nu, dat zij over de kinderen sprak,
+dit dikwijls gezien te hebben.</p>
+
+<p>&mdash;Christie was niet wel, hij was zoo hangerig; als het maar geen mazelen
+worden, sprak zij.</p>
+
+<p>Er was eene moederlijkheid in hare stem, maar zelve was zij niet als
+eene moeder, jonkvrouwelijk tenger als zij daar nu zat, op de
+chaise-longue, den zachten gloed der kanten lichtbloem op stengel van
+onyx achter zich, zijzelve zwart in het krip van haren rouw, haar
+dof-blond hoofd hier en daar heel eventjes aangegoud door het licht
+van achteren. In dat krip&mdash;een los sleeptoilet van krip, voor in huis
+&mdash;vertengerde zich hare gestalte als tot die van een maagd; zo&oacute;
+teeder verbogen zich de lijnen van heur ietwat langen hals en dunne
+schouders&mdash;de armen met iets looms in beweging ne&ecirc;rvallend, de handen
+in den schoot&mdash;verbogen zich ook de lijnen der meisjesachtige jeugd van
+buste en fijnen leest, fijn als eene vaas van tengerheid, en alle, die
+lijnen, boetseerden haar bijna in een, nog wachtenden, bloei van
+maagdelijkheid, of zij geene jonge vrouw ware, of zij niet hare kinderen
+had, hare twee jongens, van zes en zeven.</p>
+
+<p>Haar gelaat was weggedoezeld in de schaduw&mdash;het lamplicht guldende om
+heur haar&mdash;en Dolf zag haar eerst niet in de oogen, maar toen, zich
+wennende aan die schaduw, bespeurde hij haren blik, zacht schitterend in
+het donker van heur gelaat. Zij sprak met hare stem van zachten klank,
+een beetje dof en gedempt, als een overwaasd fluisteren; zij sprak hem
+nog eens over Christie, over zijn petekind, Dolf, vroeg toen naar hare
+zuster, Am&eacute;lie.</p>
+
+<p>&mdash;We maken het goed, dank je; je mag wel eens naar ons vragen, we zien
+je bijna nooit, antwoordde hij.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ga zoo weinig uit, verontschuldigde zij zich.</p>
+
+<p>&mdash;Dat is juist verkeerd: je komt veel te weinig in de lucht en veel te
+weinig onder de menschen. Am&eacute;lie zei dat van middag ook aan tafel, en
+daarom ben ik eens aangeloopen om te vragen of je morgenavond bij ons
+komt.</p>
+
+<p>&mdash;Een soir&eacute;e?</p>
+
+<p>&mdash;Niemand.</p>
+
+<p>&mdash;Goed; ik zal komen met heel veel plezier zelfs.</p>
+
+<p>&mdash;Ja maar, waarom doe je dat nooit uit jezelve?</p>
+
+<p>&mdash;Ik kom er niet toe.</p>
+
+<p>&mdash;Wat voer je dan 's avonds uit?</p>
+
+<p>&mdash;Ik lees, ik schrijf, of ik doe niets. En dat laatste is nog het
+heerlijkste: ik leef pas als ik <i>niets</i> doe.</p>
+
+<p>Hij schudde zijn hoofd.</p>
+
+<p>&mdash;Je bent een rare meid. Je verdient eigenlijk niet, dat we zooveel van
+je houden.</p>
+
+<p>&mdash;H&eacute; ja! vroeg zij coquet.</p>
+
+<p>&mdash;Kom, het kan je niets schelen. Je zo&ucirc; even goed buiten ons kunnen.</p>
+
+<p>&mdash;Dat moet je niet zeggen, dat is niet zoo. Ik heb heel veel behoefte
+aan je sympathie, maar ik verplaats me moeilijk. Als ik eenmaal zit, dan
+zit ik en dan denk ik of ik denk niet, maar tot opstaan kom ik dan niet
+gauw ...</p>
+
+<p>&mdash;Dat is een schandelijke luie levensopvatting!</p>
+
+<p>&mdash;Het is de mijne! Je houdt immers van me: vergeef je me die luiheid dan
+ook niet? Vooral als ik beloof morgen te zullen komen?</p>
+
+<p>Hij was ingepalmd.</p>
+
+<p>&mdash;Nu goed! sprak hij lachend. Je bent natuurlijk vrij te leven, zooals
+je wilt. We houden t&oacute;ch van je, al verwaarloos je ons.</p>
+
+<p>Zij lachte, zei, dat hij leelijke woorden gebruikte en langzaam stond
+zij op, om hem aan hare kleine theetafel zijn kopje in te schenken. Hij
+voelde iets als eene streelende zachtheid over zich heen komen, als zo&ucirc;
+hij daar gaarne lang gezeten hebben, pratend en thee-drinkend, in die
+viooltjes-atmosfeer van bescheiden exquiziteit: hij, de man van de daad,
+de staatsman, lid van de Tweede Kamer, wiens dag uur aan uur bezet was,
+met commissies hier en commissies daar.</p>
+
+<p>&mdash;Je zei, dat je las en schreef; wat schrijf je? vroeg hij.</p>
+
+<p>&mdash;Brieven.</p>
+
+<p>&mdash;Altijd brieven?</p>
+
+<p>&mdash;Ik ho&ucirc; heel veel van correspondeeren. Met mijn bro&ecirc;r en mijn zuster in
+Indi&euml;.</p>
+
+<p>&mdash;Maar toch niet altijd.</p>
+
+<p>&mdash;O neen.</p>
+
+<p>&mdash;Wat schrijf je dan nog meer?</p>
+
+<p>&mdash;Je wordt indiscreet, hoor! lachte zij.</p>
+
+<p>&mdash;Nu kom, ik! lachte hij terug, als mocht hij wel. Toch geen belletrie?</p>
+
+<p>&mdash;Wel neen. Mijn dagboek.</p>
+
+<p>Hij lachte luid, vroolijk op.</p>
+
+<p>&mdash;Jij een dagboek! Wat zal jij met een dagboek doen! De eene dag zal je
+wel precies gelijk aan den andere zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Maar wel neen!</p>
+
+<p>Hij haalde zijne schouders op, den kluts kwijt. Zij was hem altijd een
+raadsel. Zij zag dat en had er schik in hem te laten zoeken.</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb soms heele mooie dagen, en soms heele leelijke dagen.</p>
+
+<p>&mdash;Zoo! sprak hij, haar lang aanziende, glimlachend, met de
+vriendelijkheid zijner kleine oogen. Begrijpen deed hij nog niet.</p>
+
+<p>&mdash;En daardoor heb ik soms heel veel te schrijven, in mijn dagboek, ging
+zij voort.</p>
+
+<p>&mdash;Mag ik er eens wat uit lezen?</p>
+
+<p>&mdash;Jawel ... na mijn dood.</p>
+
+<p>Hij deed of hij rilde, met zijn breede schouders.</p>
+
+<p>&mdash;Brr ... wat wordt je somber!</p>
+
+<p>&mdash;Dood? Waarom is dat somber? vroeg zij, bijna vroolijk.</p>
+
+<p>Maar hij stond op.</p>
+
+<p>&mdash;Je maakt me bang, schertste hij. Ik stap op, hoor; ik heb nog veel te
+werken. Dus tot morgen?</p>
+
+<p>&mdash;Heel graag: tot morgen.</p>
+
+<p>Hij gaf haar een hand, en zij sloeg op een kleinen zilveren gong, om hem
+uit te laten. Even bleef hij haar nog aanzien, met een glimlach in zijn
+baard.</p>
+
+<p>&mdash;Je bent een rare meid, en toch ... toch ho&ucirc;en we van je! herhaalde hij,
+alsof hij zich, voor zichzelven, wilde verontschuldigen om die
+sympathie. En hij boog zich ne&ecirc;r, gaf haar een zoen op het voorhoofd:
+hij was zooveel ouder dan zij.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben heel blij, dat jullie van me houden! sprak zij. Tot morgen dus,
+adieu.</p>
+
+<p>Hij ging, zij bleef alleen. Als atomen, die vervlogen, schenen hunne
+woorden nog hier en daar te drijven in de stilte. Toen werd die stilte
+volkomen en Cecile bleef roerloos zitten, leunende in de drie kussentjes
+der chaise-longue, zwart in haar krip, als eene schaduw tegen het licht
+der lamp, de oogen voor zich uit turend. Om haar heen zonk een vage
+droomerij ne&ecirc;r, als met lichte wolkjes, waarin gezichten even
+opgluurden, waaruit gezegden zacht afklonken, zonder logischen gang, in
+een doelloos warrelen van herinnering. Het was de droomerij van eene,
+wie geene obsessie van wat ook op de hersens licht, obsessie noch van
+geluk, noch van smart, droomerij van een geest vol stille lichtheid, als
+vol van een wijd, stil grijs Nirwana, waarin alle moeite des denkens
+vervloeit en de gedachte slechts wat terug-dwaalt over indrukken van
+vroeger, ze plukkende hier en daar, zonder keuze. Want de toekomst voor
+Cecile scheen haar eene eentonige zachtheid van onberoerde kalmte toe,
+waarin de figuurtjes van Dolf en Christie opgroeiden tot aardige
+jongens, tot jonge studenten, tot mannen en waarin Cecile zelve niets
+dan moeder bleef, omdat zij zich niet geheel kende in het onbewuste van
+haar gemoedsleven en niet wist, dat zij meer vrouw was dan moeder, hoe
+lief ze ook hare kinderen had. Voelde zij, verzonken in de wolkjes van
+haar gedroom, dat zij iets miste om hare verweduwing; voelde zij
+eenzaamheid om zich heen, voelde zij, dat er niemand naast haar zat, en
+dat de ijle lucht zonder we&ecirc;rstand van vast lichaam om haar heen dreef
+als iets, waarin zij te vergeefs hare armen tot omhelzing zo&ucirc; slaan?
+Neen, zij voelde dat niet, hoewel dit gevoel toch in haar lag, maar het
+lag z&oacute;o diep, zoo in het onbewuste van hare ziel, dat het niet tot haar
+kwam, mocht het misschien later ook langzamerhand kunnen op- en oprijzen
+als eene schim van duidelijker weemoed. Want wat er ook van weemoed was
+in haar gedroom, scheen haar toe: de weemoed om het verleden, om haar
+lieven man, dien zij verloren had en niet, o nooit! de weemoed om het
+heden, om hare eenzaamheid.</p>
+
+<p>Wie haar nu gezegd had, dat zij iets miste, zo&ucirc; haar verontwaardigd
+hebben; zelve meende zij, dat niets haar ontbrak, en zij waardeerde het
+kalme geluk, waarin zij, als in een schadeloos ego&iuml;sme, ademde met hare
+kinderen, als een geluk, dat compleet was. Wanneer zij droomde, zooals
+nu, over niets&mdash;wolkjes van gedroom, die vervlogen, nagewolkt door
+nieuwe wolkjes&mdash;dan begonnen er wel eens groote tranen te wellen in hare
+oogen, tranen, die langzaam afvloeiden van hare wang, maar ze waren haar
+niets dan tranen van een onzegbaar vagen weemoed: een zachte zwaarte op
+heur hart, die nauwlijks drukte en daar was om zij wist niet wat, zelfs
+niet om haren man om wien zij niet meer weende.</p>
+
+<p>Zoo kon zij avonden doorbrengen, alleen maar zittende en droomende,
+zonder zich te vervelen, en bedenkend, hoe de menschen daarbuiten
+draafden en zich vermoeiden in vele nutteloosheid, zonder gelukkig te
+zijn, terwijl zij het was; gelukkig in het gewolk van haar gedroom. De
+uren gingen voorbij en hare hand was te loom om het boek op het tafeltje
+naast haar te grijpen: eene loomheid, die haar zoo ten laatste geheel en
+al doorvloeide, dat het &eacute;&eacute;n uur werd en zij nog niet kon besluiten op te
+staan en te gaan slapen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="II"></a><h2>II.</h2>
+<br>
+
+<p>Toen Cecile den volgenden avond in den salon bij de Van Attema's
+binnenkwam, langzaam, met haar slependen tred, in het soupele zwart van
+haar krip, kwam Dolf aanstonds op haar toe en hij drukte haar de hand:</p>
+
+<p>&mdash;Ik hoop, dat je het niet vervelend zal vinden ... Quaerts kwam hier een
+visite maken en Dina had gezegd, dat wij thuis waren. Het spijt me ...</p>
+
+<p>&mdash;Het is niets! fluisterde zij terug, toch even gekrenkt in haar
+sensitivisme, door de onverwachte ontmoeting met dien vreemde, dien zij
+zich niet herinnerde ooit bij Dolf gezien te hebben, en dien zij nu zag
+opstaan waar hij zat met de oude mevrouw Hoze, Dolfs oud-tante met
+Am&eacute;lie en haar beide meisjes, Anna en Suzette. Cecile kuste de oude
+dame, en zij groette verder rond, met een glimlach door hen allen
+verwelkomd, omdat ze zoo veel van haar hielden. Dolf prezenteerde:</p>
+
+<p>&mdash;Mijn vriend Taco Quarts ... Mevrouw Van Even, mijn zuster.</p>
+
+<p>Zij zaten een beetje verspreid om het groote vuur in den open haard, de
+piano dicht bij hen in een hoek, den rug gedrapeerd naar hen toe en
+Jules zat er achter, de jongste, zoo verloren in zijn spel, terwijl hij
+Rubinsteins romance in es speelde, dat hij niet had gehoord, hoe zijne
+tante was binnen gekomen.</p>
+
+<p>&mdash;Jules ... riep Dolf.</p>
+
+<p>&mdash;Laat hem maar! zei Cecile.</p>
+
+<p>De jongen antwoordde niet en speelde door en Cecile zag, over de piano,
+zijn verwarde haren en zijn oogen, vol weg-zijn in muziek. Eene weekheid
+van melancholie rees zachtjes in haar op, als een last, als een last,
+die op haar borst klom en drukte op haren adem. Van Jules' vingers
+vielen soms plotseling forto-toonen af, die plotseling, haar kleine
+schokjes gaven in hare keel en zij gevoelde eene stemming van
+raadselachtigheid om haar heen weven als met vage mazen; eene stemming,
+die zij wel eens meer gevoelde; stemming, waarin zij zich als het ware
+niet bezat, als hadde zij zich verloren, als zocht zij zichzelve, als
+wist zij niet wat zij nu dacht, wat zij op het oogenblik zelve zeggen
+zo&ucirc; ... Er smolt iets in hare hersenen, als eene momenteele verweeking.
+Haar hoofd zonk wat naar omlaag en, zonder goed te hooren, scheen het
+haar als had zij die romance, zoo, precies zoo gespeeld, als Jules ze
+speelde, nog &eacute;ens gehoord, heel lang geleden, in haar zielebestaan van
+vroeger, van eeuwen her, zoo, precies zoo in dien kring van menschen,
+daar voor dat vuur ... De tongen van het vuur rekten zich met dezelfde
+kronkelingen uit als dat vuur van eeuwen her en Suzette knipte eens met
+hare oogen, even als zij het toen gedaan had, vroeger ...</p>
+
+<p>Waarom zat zij daar nu we&ecirc;r, te midden van hen allen? Wat was dat
+noodig, zoo te zitten om een vuur en te hooren naar muziek? Wat was dat
+vreemd en wat waren er vreemde dingen in de wereld ... En toch was het
+aangenaam zoo te zijn met elka&acirc;r, liefjes gezellig, stil, zonder veel
+woorden, de muziek achter den rug der piano wegklagende tot ze eensklaps
+zweeg. En de stem van Mevrouw Hoze had een klank van sympathie, toen ze
+vroeg, aan Cecile's oor:</p>
+
+<p>&mdash;We krijgen je dus we&ecirc;r terug, kind? Je komt dus we&ecirc;r uit je schulp te
+voorschijn?</p>
+
+<p>Cecile drukte haar de hand, met een lachje:</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb me toch nooit voor u verborgen. Ik ontving altijd.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, wij moesten maar naar jou komen, maar jij bleef thuis, niet waar?</p>
+
+<p>&mdash;U is toch niet boos op me, daarom?</p>
+
+<p>&mdash;Wel neen, lieveling, je hebt zoo een verdriet gehad.</p>
+
+<p>&mdash;O, nu nog, ik mis alles.</p>
+
+<p>Waarom miste zij in eens alles? Zij had nooit dat gevoel van gemis in
+haar eigen huis, in de wolkjes van haar gedroom, maar buiten, in de
+wereld, onder anderen, miste zij dadelijk alles, alles ...</p>
+
+<p>&mdash;Je hebt toch je kinderen.</p>
+
+<p>&mdash;Ja ...</p>
+
+<p>Zij zeide het mat, mo&ecirc;, alleen, doodeenzaam, als zweefde zij in eene
+wijdte mo&ecirc; voort, zonder steun gedragen door liohaamlooze luchten,
+waardoor zij hare armen heen sloeg, zonder te grijpen.</p>
+
+<p>Mevrouw Hoze stond op: Dolf kwam ze halen om te whisten, in de andere
+kamer.</p>
+
+<p>&mdash;Jij ook, Cecile? vroeg hij.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, je weet: kaarten en ik!</p>
+
+<p>Hij drong niet verder aan; hij had nog Quaerts en de meisjes om te
+spelen.</p>
+
+<p>&mdash;Wat doe je daar, Jules? vroeg hij, met een blik over de piano.</p>
+
+<p>De jongen was daar achter blijven zitten, als vergeten. Hij stond nu op,
+hij kwam te voorschijn, lang, uit zijn kracht gegroeid, met vreemde
+oogen.</p>
+
+<p>&mdash;Wat de&ecirc; je daar?</p>
+
+<p>&mdash;Zit toch niet zoo te suffen, jongen! mopperde Dolf vriendelijk met
+zijn diepe stem. Waar zijn de kaarten nu we&ecirc;r, Am&eacute;lie?</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet het niet! zeide zijne vrouw, zoekend met den blik in het vage.
+Waar zijn de kaarten, Anna?</p>
+
+<p>&mdash;In de fichesdoos, niet?</p>
+
+<p>&mdash;Neen, mopperde Dolf. De dingen zijn nooit op hun plaats.</p>
+
+<p>Anna stond op, zocht, vond de kaarten in de la van een boule kastje.
+Am&eacute;lie was ook opgestaan; ze schikte de muziek op de piano recht, altijd
+ordenend de zaken in hare kamers en dadelijk we&ecirc;r vergetend, waar zij ze
+borg, opruimende alleen met hare vingers, en zijzelve altijd weg, in het
+vage ...</p>
+
+<p>&mdash;Anna, trek ook eens een kaart, als rentrant! riep Dolf uit de andere
+kamer.</p>
+
+<p>De beide zusters bleven alleen, met Jules.</p>
+
+<p>De jongen was op een voetenbank gaan zitten, bij Cecile:</p>
+
+<p>&mdash;Mama, laat mijn muziek toch liggen.</p>
+
+<p>Am&eacute;lie zette zich bij Cecile.</p>
+
+<p>&mdash;Is Christie beter?</p>
+
+<p>&mdash;Hij is vandaag wat opgewekter.</p>
+
+<p>&mdash;Gelukkig maar ... Kende je Quaerts niet?</p>
+
+<p>&mdash;Neen.</p>
+
+<p>&mdash;Niet? H&eacute;! Hij komt dikwijls hier.</p>
+
+<p>Cecile zag door de open schuifdeuren naar de speeltafel. Twee bougies
+brandden er. Het roze gelaat van Mevrouw Hoze was hel verlicht, glad en
+deftig; heur kapsel glom zilvergrijs. Quaerts zat over haar: Cecile zag
+de ronde, weggeschaduwde silhouet van zijn kop, het haar zeer kort
+geknipt, dik zwart, boven de witte glanslijn van zijn boordje. Zijn
+armen hadden korte bewegingen als hij uitspeelde of opnam. Zijn figuur
+had iets zeer krachtigs, iets energiek flinks, iets van het gewone
+leven, dat Cecile antipathiek was.</p>
+
+<p>&mdash;De meisjes houden van spelen?</p>
+
+<p>&mdash;Suzette vooral, Anna minder: ze kan het niet goed.</p>
+
+<p>Cecile zag, dat Anna achter haar vader zat te turen met oogen, die niet
+begrepen.</p>
+
+<p>&mdash;Je gaat veel met ze uit, tegenwoordig? vroeg Cecile we&ecirc;r.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, het moet wel. Suzette houdt er van, maar Anna niet. Suzette wordt
+mooi, h&eacute;?</p>
+
+<p>&mdash;Suzette is een coquet nest! zei Jules. Verleden met dat diner hier ...</p>
+
+<p>Hij hield in eens op.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, ik zal het maar niet vertellen. Het is niet goed kwaad te
+spreken, niet waar, tante?</p>
+
+<p>Cecile glimlachte.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, natuurlijk niet!</p>
+
+<p>&mdash;Ik zo&ucirc; zoo gaarne heel goed zijn, tante.</p>
+
+<p>&mdash;Dat is mooi van je.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, neen, weerde hij af. Ik vind alles zoo slecht, weet u. Waarom is
+alles toch zoo slecht, niet waar, tante?</p>
+
+<p>&mdash;Maar er is ook zoo veel goeds, Jules.</p>
+
+<p>Hij schudde zijn hoofd.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, neen, herhaalde hij. Alles is slecht. Alles is heel slecht.
+Alles is ego&iuml;sme. Noem u eens iets op, dat niet ego&iuml;st is?</p>
+
+<p>&mdash;Ouderliefde.</p>
+
+<p>Maar Jules schudde we&ecirc;r zijn hoofd.</p>
+
+<p>&mdash;Ouderliefde is gewoon ego&iuml;sme. Kinderen zijn een deel van de ouders.
+Die houden dus van hunzelven als ze van hun kinderen houden.</p>
+
+<p>&mdash;Maar Jules! riep Am&eacute;lie. Je praat altijd veel te tranchant! Je weet,
+dat ik daar niet van ho&ucirc;! Je bent veel te jong om zoo te praten! Je doet
+net of je alles weet!</p>
+
+<p>De jongen zweeg.</p>
+
+<p>&mdash;En ik zeg juist altijd, dat we nooit iets weten ... We weten nooit
+iets, vindt je ook niet, Cecile? Ik ten minste, ik weet nooit iets,
+nooit ...</p>
+
+<p>Haar blik dreef weg door de kamer, in het vage ... Hare vingers streken
+de franje van haar fauteuil glad, ordenend. Cecile legde haar arm
+zachtjes om Jules' hals.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="III"></a><h2>III.</h2>
+<br>
+
+<p>Aan de speeltafel was Quaerts uitgevallen en ofschoon Dolf vroeg of hij
+niet wilde doorspelen, stond hij op.</p>
+
+<p>&mdash;Ik zo&ucirc; gaarne mevrouw Van Even willen aanspreken, hoorde Cecile hem
+zeggen.</p>
+
+<p>Zij zag hem daarop naar den grooten salon komen, waar zij steeds zat met
+Am&eacute;lie,&mdash;Jules aan hare voeten&mdash;, in eene conversatie van den hak op den
+tak, daar Am&eacute;lie nooit kon doorpraten, maar telkens afdwaalde en den
+draad van een gesprek vallen liet. Zij wist niet waarom, maar Cecile
+zette eensklaps een zeer ernstig gezicht, alsof zij met hare zuster over
+zeer gewichtige zaken sprak en ze zeide toch niets anders dan:</p>
+
+<p>&mdash;Jules moet heusch les nemen in harmonieleer, als hij al zoo
+componeert ...</p>
+
+<p>Quaerts was nader gekomen; hij was gaan zitten bij de dames, met eene
+nauw merkbare verlegenheid in zijne wijze van zijn, eene zachte
+weifeling in het kort krachtige zijner gebaren.</p>
+
+<p>Maar Jules vatte vlam.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, tante, ik wil zoo min mogelijk leeren! Ik wil niet altijd namen
+leeren en stelsels leeren en indeelingen leeren. Ik heb er geen kop
+voor. Ik componeer zoo maar, zoo maar.</p>
+
+<p>Hij maakte eene vage beweging met zijne vingers.</p>
+
+<p>&mdash;Jules kan nauwelijks lezen, het is een schande! zei Am&eacute;lie.</p>
+
+<p>&mdash;En hij speelt zoo aardig! sprak Cecile.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, tante, ik onthoud het, ik vind het zoo op de piano ... Ach, ik kan
+eigenlijk niets. Ik heb het zoo maar uit mezelven, weet u.</p>
+
+<p>&mdash;Maar dat is juist mooi!</p>
+
+<p>&mdash;Neen, neen, je moet namen kennen, en stelsels en indeelingen. Dat moet
+je in alles. Ik zal ook nooit techniek krijgen, ik kan niets.</p>
+
+<p>Hij sloot even zijne oogen; eene treurigheid waasde vlugjes weg over
+zijn bewegelijk gezicht.</p>
+
+<p>&mdash;Weet u, een piano is zoo ver, zoo groot, zoo een meubel, niet waar?
+Maar een viool, o, wat is dat lief! Je houdt dat zoo tegen je aan, aan
+je hals, bijna aan je hart, het is zoo iets van jou en je streelt het
+zoo, je zo&ucirc; het bijna zoenen! Je voelt de ziel van een viool zoo trillen
+in zijn kast. En dan, alleen maar zoo een paar snaren, die alles zingen.
+O, een viool, een viool!</p>
+
+<p>&mdash;Jules ... begon Am&eacute;lie.</p>
+
+<p>&mdash;En o, tante, een harp! Een harp, zoo tusschen je beenen, een harp, die
+je omhelst met je beide armen, een harp is net een engel met lange
+gouden haren ... O, ik heb nog nooit op een harp gespeeld!</p>
+
+<p>&mdash;Jules, schei uit! riep Am&eacute;lie schel. Je maakt me zenuwachtig met dien
+onzin. Schaam je toch voor meneer Quaerts!</p>
+
+<p>Jules keek vreemd op.</p>
+
+<p>&mdash;Voor Taco? Vindt je, dat ik me schamen moet, Taco?</p>
+
+<p>&mdash;Wel neen, jongen ...</p>
+
+<p>De klank van zijne stem was als eene liefkoozing. Cecile zag hem aan,
+verwonderd. Zij had gedacht, dat hij Jules voor den gek zo&ucirc; hebben
+gehouden. Ze begreep hem niet, maar ze vond hem zeer antipathiek, zoo
+gezond en zoo sterk met zijn energiek gezicht en zijn mooien,
+zinnelijken mond, zoo anders dan Am&eacute;lie en Jules en zijzelve ...</p>
+
+<p>&mdash;Wel neen, jongen ...</p>
+
+<p>Jules zag lichtjes minachtend naar zijne moeder op, als wist hij wel.</p>
+
+<p>&mdash;Ziet u wel! Taco is een gezellige vent ...</p>
+
+<p>Hij draaide zijn voetebankje naar Quaerts en legde zijn hoofd tegen
+diens knie.</p>
+
+<p>&mdash;Maar Jules ...</p>
+
+<p>&mdash;Laat hem maar, mevrouw.</p>
+
+<p>&mdash;Iedereen bederft dien jongen ...</p>
+
+<p>&mdash;Behalve u! zei Jules.</p>
+
+<p>&mdash;Ik! Ik! riep Am&eacute;lie verontwaardigd. O ik bederf je heelemaal!
+Heelemaal! Ik wo&ucirc;, dat ik je niet kon toegeven. Ik wo&ucirc;, dat ik je naar
+Kampen kon sturen of naar Deli! Dan zo&ucirc; je wel flinker worden! Maar ik
+alleen kan niets en je vader bederft je ook ... Wat er van jou nog moet
+worden!</p>
+
+<p>&mdash;Wat moet er van je worden, Jules? vroeg Quaerts.</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet het niet; ik mag niet studeeren, ik ben een te zwak poppetje
+om veel te werken.</p>
+
+<p>&mdash;Zo&ucirc; je later naar Deli willen?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, met jou ... Alleen niet; o, alleen te zijn, altijd alleen te zijn!
+Je zal zien: ik zal altijd alleen zijn en ik vind het vreeslijk alleen
+te zijn!</p>
+
+<p>&mdash;Maar Jules, je bent nu toch niet alleen! verweet Cecile.</p>
+
+<p>&mdash;O ja, ja, in mijn eigen ben ik alleen, altijd alleen ...</p>
+
+<p>Hij drukte zich tegen Quaerts' knie.</p>
+
+<p>&mdash;Jules, spreek nu niet meer zoo dwaas! riep Am&eacute;lie zenuwachtig.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, ja! kreet Jules in eens met een halven snik uit. Ik zal mijn mond
+ho&ucirc;en! Maar spreken jullie niet meer over mij, o, toe, spreek dan ook
+niet meer over mij!</p>
+
+<p>Hij vouwde zijne handen en smeekte het hun, een angst op zijn gelaat.
+Zij zagen hem allen aan, maar hij verborg zijn gezicht in den schoot van
+Quarts als was hij doodsbang voor iets ...</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="IV"></a><h2>IV.</h2>
+<br>
+
+<p>Anna speelde slecht whist tot wanhoop van Suzette; o, dat kind vergat
+zelfs de grootste troeven! en Dolf riep zijne vrouw:</p>
+
+<p>&mdash;Am&eacute;lie val eens in, tenminste als Quaerts niet wil. Je geeft je
+dochter wel niet veel toe, maar het is toch nog een ziertje beter!</p>
+
+<p>&mdash;Ik zal liever mevrouw Van Even gezelschap ho&ucirc;en, sprak Quaerts.</p>
+
+<p>&mdash;Gaat u anders gerust whisten, meneer Quaerts! sprak Cecile met de
+koude stem, die zij tegen, haar antipathieke, menschen aannam.</p>
+
+<p>Am&eacute;lie sleepte zich met een ongelukkig gezicht weg. Ze speelde ook niet
+schitterend, en Suzette werd altijd zoo driftig als ze iets verkeerds
+deed.</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb al zoo dikwijls verlangd met uw kennis te maken, mevrouw: ik
+zo&ucirc; niet gaarne nu de gelegenheid laten voorbijgaan, antwoordde Quaerts.</p>
+
+<p>Ze zag hem aan: het ontstemde haar, dat ze hem niet begreep. Ze wist,
+dat hij nog al een Don Juan was. Ze herinnerde zich den naam eener
+getrouwde vrouw in verband met den zijne. Zo&ucirc; hij meenen haar wat het
+hof te maken? Ze hield anders niet van die aardigheden; ze had nooit van
+flirt gehouden.</p>
+
+<p>&mdash;Waarom? vroeg ze kalm, en ze verbeet zich dadelijk, want hare vraag
+klonk als eene coquetterie en ze bedoelde alles behalve dat.</p>
+
+<p>&mdash;Waarom?!</p>
+
+<p>Hij zag haar lichtjes verrast terug aan; hij zat dicht bij haar, Jules
+tusschen hen in, op den grond, tegen zijn knie, de oogen gesloten.</p>
+
+<p>&mdash;Om ... om, stamelde hij, omdat u de zuster is van mijn vriend, niet
+waar, en ik zag u hier nooit ...</p>
+
+<p>Zij antwoordde niet: zij had in hare eenzaamheid verleerd te
+converseeren en zij gaf zich er niet de minste moeite voor.</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb u vroeger dikwijls in de comedie gezien, sprak Quaerts; toen
+meneer Van Even nog leefde.</p>
+
+<p>&mdash;In de opera, zeide zij.</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>&mdash;O, ik kende u niet.</p>
+
+<p>&mdash;Neen.</p>
+
+<p>&mdash;Om mijn rouw ben ik heel lang 's avonds niet uitgegaan.</p>
+
+<p>&mdash;En ik kom altijd 's avonds bij Dolf mijn visites maken.</p>
+
+<p>&mdash;Dus logisch, dat u me nooit hier ontmoette.</p>
+
+<p>Ze zwegen even. Het trof hem, dat ze zeer koud sprak.</p>
+
+<p>&mdash;Ik zo&ucirc; wel gaarne aan de opera willen gaan! murmelde Jules met
+gesloten oogen. Ach neen, eigenlijk toch niet.</p>
+
+<p>&mdash;Dolf zei me, dat u veel las, ging Quarts voort. Volgt u de moderne
+litteratuur?</p>
+
+<p>&mdash;O ... een beetje. Ik lees niet zoo heel veel.</p>
+
+<p>&mdash;Niet?</p>
+
+<p>&mdash;O neen. Ik heb twee kinderen en er dus niet veel tijd voor. En het
+boeit me nooit veel: het leven is veel romantischer dan welke roman ook.</p>
+
+<p>&mdash;U is dus filozoof?</p>
+
+<p>&mdash;Ik? O waarlijk niet, meneer Quaerts, ik ben zoo laag bij den grond
+mogelijk!</p>
+
+<p>Zij zeide het met haar slecht lachje en hare koude stem: hare stem en
+haar lach, als zij bang was, dat men haar verwonden zo&ucirc; in heur geheim
+sensitivisme en als zij zich dus verborg, diep in het mysterie van
+zichzelve, gevende aan de buitenwereld iets geheel anders dan zij was.
+Jules had zijne oogen geopend en zag haar aan en zijn blik, dien hij
+niet meer van haar afwendde, hinderde haar.</p>
+
+<p>&mdash;U woont allerliefst daar op den Scheveningschen weg.</p>
+
+<p>&mdash;O zeker.</p>
+
+<p>Zij zag eensklaps, dat zij onbeleefd van koudheid was en dit wilde zij
+niet, ook al was hij haar antipathiek. Zij vleide zich achteloos wat
+achterover; ze vroeg blankweg, zonder eenige belangstelling, geheel voor
+de conversatie:</p>
+
+<p>&mdash;Heeft u veel familie in den Haag?</p>
+
+<p>&mdash;Neen; mijn ouders wonen te Velp en mijn familie meerendeel in Arnhem.
+Ik ben nooit ergens vast, ik kan nooit lang op een plaats blijven. Ik
+heb langen tijd in Brussel gewoond.</p>
+
+<p>&mdash;U is niet in betrekking, niet waar?</p>
+
+<p>&mdash;Neen, mijn illuzie van jongen was in de marine te gaan, maar ik ben
+afgekeurd geworden voor mijn oogen.</p>
+
+<p>Zij zag hem even onwillekeurig in zijne oogen: kleine, diep liggende
+oogen, waarvan zij de kleur niet zien kon. Zij vond er iets sluws, iets
+geslepens in.</p>
+
+<p>&mdash;Het heeft me altijd gespeten, ging hij voort. Ik ben een man van
+beweging. Ik voel altijd drang naar beweging in me. Ik troost me nu maar
+met veel sport.</p>
+
+<p>&mdash;Sport? herhaalde zij koud.</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>&mdash;O.</p>
+
+<p>&mdash;Quaerts is een Nimrod en een Centaur en een Herkules, niet waar? riep
+Jules.</p>
+
+<p>&mdash;Zoo, geef je me &quot;namen&quot;? lachte Quaerts. Waarbij &quot;deel je me verder
+in&quot;, Jules?</p>
+
+<p>&mdash;Bij de heele enkele menschen, van wie ik veel ho&ucirc;! riep Jules in vuur
+en vlam. Taco, je zo&ucirc; me nog altijd paard leeren rijden?</p>
+
+<p>&mdash;Nu, wanneer je wilt, kereltje.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, maar jij moet den dag bepalen, dat we naar de manege gaan. Ik
+bepaal geen dagen, daar vind ik iets angstigs in.</p>
+
+<p>&mdash;Morgen dan? Het is morgen Woensdag.</p>
+
+<p>&mdash;Goed.</p>
+
+<p>Cecile bespeurde, dat Jules haar steeds aanzag. Zij zag hem terug aan.
+Hoe was het mogelijk, dat de jongen van dien man hield! Hoe was het
+mogelijk, dat, als het h&agrave;ar hinderde, het h&egrave;m niet hinderde: dat
+gezonde, dat sterke, die kracht van spieren, die kracht van sport!
+Had die man iets slechts voor met Jules, dat hij zich zoo quasi teeder
+voordeed tegenover dat kind? Zij begreep er niets van, zij begreep noch
+Quaerts noch Jules en zelve verzonk ze we&ecirc;r in die stemming van
+zelfverlies, waarin zij niet wist wat ze dacht en op het oogenblik
+zelve zeggen zo&ucirc;; stemming, waarin zij zich terug zocht, en te vergeefs.
+Verbitterd stond zij op, lang, rank, lenig; in haar krip, als eene
+koningin, die rouwde; goudspelingen in het dof blond van heur haar,
+waarin een klein gitten kroontje glom als zwart spiegel.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ga eens even zien, wie er wint, sprak ze en ze ging naar de
+speeltafel in de andere kamer; ze zette zich achter Mevrouw Hoze,
+schijnbaar belangstellend in het spel en, door het licht der bougies
+heen, gluurde ze naar Quaerts en Jules. Ze zag, dat ze zachtjes met
+elka&acirc;r spraken, vertrouwelijk, Jules met zijn arm op Quaerts' knie. Ze
+zag het glimlachend gezicht van Jules, als in aanbidding, opzien naar
+het gelaat van dien man, en ze zag, dat de jongen eensklaps zijne armen,
+tot eene woeste liefkoozing, heensloeg om zijn vriend, die hem afweerde,
+met een zacht gebaar.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="V"></a><h2>V.</h2>
+<br>
+
+<p>Den volgenden avond genoot Cecile nog meer dan gewoonlijk van de weelde
+thuis te kunnen blijven. Het was na den eten; zij zat met Dolf en
+Christie op de chaise-longue, in haar kleinen salon, de jongens elk in
+een arm genesteld; zij, in het midden tusschen hen in, jong als eene
+oudere zuster. Zacht gedempt vertelde hare stem:</p>
+
+<p>&mdash;Toen zei Juda: o, heer, laat mij in de plaats van Benjamin bij u
+blijven als slaaf! Want onze vader, die al zoo oud is, zei ons, toen we
+met Benjamin weggingen: Mijn zoon Jozef heb ik al verloren: hij is zeker
+opgegeten door de wilde beesten. En als je me nu Benjamin ook nog
+afneemt, en als h&eacute;m een ongeluk overkomt, dan zal ik grijs van verdriet
+worden en dood gaan. Toen zei ik tot onzen vader, dat ik hem instond
+voor Benjamin en dat ik heel stout zo&ucirc; zijn, als we Benjamin niet we&ecirc;r
+thuis brachten. En daarom bid ik u, o heer, laat mij uw slaaf zijn en
+laat het kind met zijn broeders teruggaan. Want hoe kan ik zonder
+Benjamin mijn vader onder oogen komen ...</p>
+
+<p>&mdash;En Jozef, mama, wat zei Jozef? vroeg Christie.</p>
+
+<p>Hij had zich vast geklemd aan zijne moeder: een klein tenger ventje van
+zes jaar, met dun blond haar, met oogen van fletsch vergeet-mij-niet-blauw,
+en zijne fijne vingertjes haakten zich krampachtig in Cecile's japon en
+verfrommelden het krip.</p>
+
+<p>&mdash;Toen kon Jozef zich niet meer inhouden en hij beval zijn gevolg weg te
+gaan en barstte in tranen uit, en riep: Herken je mij dan niet? Ik ben
+het, ik ben Jozef!</p>
+
+<p>Maar Cecile kon niet voort vertellen, want Christie had zich aan haar
+hals geworpen met eene beweging als van wanhoop en zij hoorde hem
+snikken tegen haar aan.</p>
+
+<p>&mdash;Christie! Mijn jongen!</p>
+
+<p>Zij ontstelde zeer; zelve in vuur om haar verhaal, was haar de spanning
+van Christie niet opgevallen en zij hoorde hem nu in zulk eene hevige
+kindersmart tegen haar aan weenen, dat zij geen woord vond om hem te
+stillen, te troosten, te zeggen, dat het goed afliep.</p>
+
+<p>&mdash;Maar Christie, huil dan toch niet! Het loopt goed af ...</p>
+
+<p>&mdash;En Benjamin dan, Benjamin!</p>
+
+<p>&mdash;Maar Benjamin ging terug naar den vader en Jacob kwam in Egypte en
+ging samen wonen met Jozef ...</p>
+
+<p>Het kind hief zijn nat gezicht van haren schouder op en zag haar lang
+aan.</p>
+
+<p>&mdash;Was het heusch zoo? Of zegt u maar wat ...</p>
+
+<p>&mdash;Neen heusch, mijn lieveling. O toe, huil nu niet meer ...</p>
+
+<p>Christie bedaarde, maar was blijkbaar teleurgesteld. Het slot van het
+verhaal voldeed hem niet; en toch: het was wel mooi zoo, veel mooier dan
+dat Jozef boos was geweest en Benjamin had gevangen gezet ...</p>
+
+<p>&mdash;Die Christie! Om te gaan huilen! zei Dolf. Het is immers maar een
+verhaaltje.</p>
+
+<p>Cecile antwoordde hem niet, dat het verhaaltje heusch gebeurd was, omdat
+het in den Bijbel stond. Ze was in eens zeer treurig geworden, in eene
+twijfeling aan zichzelve. Zeer teeder droogde zij met haar zakdoek de
+treurige oogen van het kind af.</p>
+
+<p>&mdash;En nu, jongens, slapen. Het is al laat geworden! zeide ze dof.</p>
+
+<p>Zij bracht ze naar bed: iets, dat heel lang duurde; eene plechtigheid
+met allerlei rituali&euml;n van uitkleeden, wasschen, gebedje opzeggen,
+toedekken, zoenen. Toen zij na een uur we&ecirc;r beneden zat, alleen, voelde
+ze eerst goed, hoe treurig zij was.</p>
+
+<p>O, neen, ze wist het niet! Am&eacute;lie had wel gelijk: men wist nooit iets,
+nooit! Ze was dien dag zoo gelukkig geweest, ze had zich we&ecirc;r
+teruggevonden, diep in het mysterie van haarzelve, in de essence harer
+ziel; ze had haar gedroom om zich heen zien wolken als eene apotheoze;
+ze had veel liefde voor hare kinderen in zich gevoeld. Zij had ze na den
+eten verteld uit den Bijbel, en, in eens, bij Christie's tranen, was
+twijfel bij haar opgeschoten. Was zij wel goed voor hare kinderen?
+Bedierf zij ze niet en verweekte zij ze niet in hare liefde, in de
+zachtheid van haar gevoel? Zo&ucirc; zij ze niet ongeschikt maken voor het
+practische leven, waarin zij niet te doen had, maar waarin de kinderen,
+als ze groot waren zich zouden moeten bewegen? Het we&ecirc;rlichtte door haar
+heen: scheiding en kostscholen, de kinderen van haar vervreemd,
+teruggekomen als groote, ruwe jongens, die rookten en vloekten, cynisch
+in hun mond en hun hart; hun mond, die haar niet meer zo&ucirc; zoenen, hun
+hart, waarin ze niet meer thuis zo&ucirc; zijn. Zij zag ze reeds met hunne
+blague van zeventien en achttien jaar door hare kamers stappen in
+uniform van cadet en adelborst, met breede schouders en een harden lach,
+de asch van hun sigaar wegknippend op het tapijt ... Waarom rees dwars
+door deze wreedheid in eens het beeld van Quaerts op? Was dat toeval of
+logica? Ze kon het niet inzien; ze wist niet wat hij daar deed, die man,
+rijzende door hare smart heen in zijne atmosfeer van antipathie. Maar ze
+voelde zich treurig, treurig, treurig, als zij zich sedert Van Evens
+dood niet meer gevoeld had, niet vaag weemoedig, als zij zich meermalen
+gevoelde, maar treurig, duidelijk tre&ugrave;rig om wat er komen zo&ucirc; ... O, zij
+zo&ucirc; zich van de kinderen moeten scheiden! En dan: alleen ... Eenzaamheid,
+altijd eenzaamheid! Eenzaamheid in zichzelve; dat gevoel, waar Jules zoo
+voor vreesde! Teruggetrokken van de wereld die haar niet boeide, alleen
+weggezonken in le&ecirc;gte! Ze was dertig jaren, ze was oud, een oude vrouw.
+Haar huis le&ecirc;g, heur hart le&ecirc;g! Droomen, wolken van gedroom, die
+vervliegen, die opklaren als een rook en le&ecirc;gte ontdekken. Le&ecirc;gte,
+le&ecirc;gte, le&ecirc;gte! Hol viel het woord telkens op haar borst ne&ecirc;r met den
+klop van een hamer. Le&ecirc;gte, le&ecirc;gte ...</p>
+
+<p>&mdash;Waarom ben ik zoo? dacht ze. Wat heb ik dan? Wat is er veranderd?</p>
+
+<p>Nooit had ze dat woord le&ecirc;gte zoo op zich voelen bonsen; dien zelfden
+middag nog was zij zacht gelukkig geweest, als altijd. En nu! Zij zag
+niets voor zich, geen toekomst, geen leven, niets dan &eacute;ene wijde
+duisternis. Vervreemd van hare kinderen, alleen in zichzelve ...</p>
+
+<p>Met een licht gekreun als van pijn stond zij op, liep zij door den
+kleinen salon. Het bescheiden schemerlicht hinderde haar als eene
+benauwdheid. Zij draaide aan den sleutel der kanten lamp. Een goudglans
+gleed de roze plooien der zijden gordijnen op als glinsterend water.
+Eene vreemde koelte blies iets van den viooltjes geur, die overal hing,
+weg. In het haardje was vuur en zij had het koud.</p>
+
+<p>Zij bleef staan bij het lage tafeltje: zij nam eene visitekaart op,
+waarin een vouw was geknepen, en zij las: T. H. Quaerts. Een kroontje
+met vijf parelen boven dien naam. Dat Quaerts, wat was dat kort! Een
+naam als een klap van een harde hand. Er was in dien naam iets slechts,
+iets wreeds: Quaerts, Quaerts ...</p>
+
+<p>Zij wierp het stuk karton ne&ecirc;r, boos op zich zelve. Ze had het koud, en
+ze had zich verloren, zooals gisteren avond bij de Van Attema's.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ga niet meer uit. Nooit meer, nooit meer! zeide zij, bijna hard op.
+Ik kan zoo tevreden zijn in mijn eigen huis. Zoo tevreden met het leven,
+zoo mooi gelukkig ... Dat kaartje! Waarom een kaartje! Wat kan mij zijn
+kaartje schelen ...</p>
+
+<p>Beslist zette zij zich aan hare schrijftafel en sloeg den buvard open.
+Zij dacht er over een begonnen brief naar Indi&euml; af te maken. Maar zij
+was in zoo eene andere stemming, dan toen zij dien brief begonnen had.
+Zij haalde dus uit een laadje een dik cahier te voorschijn: haar
+dagboek. Zij zette den datum ne&ecirc;r, dacht even na, den zilveren
+pennehouder zenuwachtig prikkende in hare tanden ...</p>
+
+<p>Maar toen, met een kort gebaar van drift wierp zij de pen ne&ecirc;r, duwde
+het cahier weg, en, het hoofd in hare handen op den buvard ne&ecirc;rbonsend,
+snikte zij luid.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="VI"></a><h2>VI.</h2>
+<br>
+
+<p>Cecile was zoo verwonderd geweest over die, ongewoon lange, stemming
+van zelfverlies, dat het dagen duurde, eer zij we&ecirc;r hare gewone rust
+binnentrad, als een lief verblijf, waaruit zij, zonder te willen, was
+weggedwaald. Maar zij dw&ograve;ng zich met een zachten dwang, de schatten
+harer eenzaamheid terug te vinden en zij vond ze terug. Zij redeneerde;
+in de eerste jaren zo&ucirc; zij zich toch nog niet behoeven te scheiden van
+Dolf en Christie: zij had dus allen tijd zich met dit denkbeeld van
+scheiding eigen te maken. Verder was er niets veranderd, noch om haar,
+noch in haar, en zij liet dus de dagen langzaam over zich heenglijden
+als een stil vloeiend water.</p>
+
+<p>Zoo, stil vloeiend, waren er twee weken verloopen na den avond, dien zij
+bij Dolf had doorgebracht. Het was Zaterdagmiddag; zij had eerst met de
+kinderen gewerkt,&mdash;ze leerde ze nog zelve&mdash;toen met ze gewandeld en nu
+wachtte zij in hare geliefkoosde kamer de Van Attema's die iederen
+Zaterdag om half vijf kwamen theedrinken, af. Zij had de meid gebeld,
+die eene blauwe spiritusvlam aanstak. Dolf en Christie waren op dat
+uur binnen; ze zaten op den grond, op bankjes, de vellen van een
+kindertijdschrift open te snijden, waarop Cecile voor hen geabonneerd
+was. Stil zaten ze, zoet en fijntjes, als kinderen, die in een week
+interieur opgroeien, tusschen te veel zachtheid, te bleek, met te lange
+blonde haren, vooral Christie, wiens slaapjes waren geaderd als met een
+azuur bloed. Cecile ging een enkelen keer langs hen heen, in het
+zorgvuldig toezien op heur theeblad, en haar blik omringde de kinderen
+als in een cirkel van warm gevoel. Zij was in hare stemming van kalm
+geluk; ze vond het aangenaam zoo straks de Van Attema's te zullen zien
+binnen komen; zij hield van die middaguren als haar zilveren bouilloir
+ziedde op de blauwe vlam. Eene exquize intimiteit dreef door het
+vertrek; ze had in hare lange fijne vrouwen vingeren dat bizondere van
+getoover, die teedere kunst van aan te raken, waardoor alles, waarover
+ze ook maar even gleden, een aanzien kreeg van haarzelve; iets
+onzegbaars van tint en plaats en verlichting, dat de dingen v&oacute;&oacute;r den
+toets dier vingers niet hadden.</p>
+
+<p>Er werd gebeld en ze meende, dat het nog te vroeg was voor de Van
+Attema's. Maar ze zag zelden iemand anders in hare afsterving van de
+buitenwereld; dus ze zouden het toch wel zijn. Na enkele oogenblikken
+kwam Greta echter binnen, met een kaartje: of mevrouw ook ontving en of
+er belet was voor dien meneer.</p>
+
+<p>Al van verre herkende Cecile de kaart: zij had er onlangs een gelijke
+gezien. Toch nam zij het karton aan, bezag het even, de wenkbrauwen
+gefronsd, ontevreden.</p>
+
+<p>&mdash;Wat een id&eacute;e, dacht ze. Waartoe? Wat beteekende dit? Maar ze vond het
+onnoodig onbeleefd te zijn en belet te geven. Hij was toch een vriend
+van Dolf. Maar zooveel indringerigheid ...</p>
+
+<p>&mdash;Laat meneer bovenkomen, liet zij koel van haar lippen vallen.</p>
+
+<p>Greta ging en het scheen Cecile toe of er iets sidderde in de
+intimiteit, die daar dreef; of de voorwerpen, waarover hare vingers
+zoo even gegleden waren, zich anders verlichteden, met een schijn van
+huivering. Maar Dolf en Christie waren niet veranderd en zaten nog
+steeds te zien naar de platen, met zachte opmerkingen tusschen hunne
+mondjes in.</p>
+
+<p>De deur werd geopend en Quaerts trad binnen. Hij had nog meer dan
+gewoonlijk zijne nuance van verlegenheid over zich heen, toen hij voor
+Cecile boog. Die nuance was voor Cecile iets onbegrijpelijks in hem, die
+haar zoo beslist en sterk scheen.</p>
+
+<p>&mdash;Ik hoop, dat u me niet onbescheiden zult vinden, mevrouw, als ik de
+vrijheid heb genomen u een visite te komen maken.</p>
+
+<p>&mdash;Integendeel, meneer Quaerts, sprak zij koud. Gaat u zitten.</p>
+
+<p>Hij zette zich, plaatste zijn hoogen hoed naast zich op den grond.</p>
+
+<p>&mdash;Ik stoor u niet, mevrouw?</p>
+
+<p>&mdash;Volstrekt niet. Ik wacht mevrouw Van Attema en haar dochters. U was
+zoo beleefd me een kaartje te brengen. Maar u weet zeker, dat ik geen
+menschen zie.</p>
+
+<p>&mdash;Dat wist ik, mevrouw. Misschien heeft u wel aan die wetenschap de
+indiscretie van mijn bezoek te danken.</p>
+
+<p>Zij zag hem koud, beleefd, glimlachend aan. Er was iets van boosheid in
+haar. Zij gevoelde lust hem kortweg te vragen, wat hij van haar wilde.</p>
+
+<p>&mdash;Hoedat? vroeg ze met haar glimlach van beleefdheid, die haar gezicht
+tot een masker vertrok.</p>
+
+<p>&mdash;Ik vreesde u in langen tijd niet te zullen zien en ik zo&ucirc; het een
+bizonder groot voorrecht achten uw nadere kennis te mogen maken.</p>
+
+<p>Zijn toon was van den hoogsten eerbied. Zij trok hare wenkbrauwen op,
+als begreep zij niet, maar het accent zijner stem was z&oacute;o in-hoffelijk
+geweest, dat ze zelfs geen koud woord vond om hem te antwoorden.</p>
+
+<p>&mdash;Zijn dat uw beide kinderen? vroeg hij, met een blik naar Dolf en
+Christie.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, antwoordde zij. Staat eens op, jongens, en geef meneer een hand.</p>
+
+<p>De kinderen kwamen langzaam nader en staken hunne handjes uit. Hij
+glimlachte, hij zag ze doordringend aan met zijne kleine diepliggende
+oogen, en even hield hij ze vast.</p>
+
+<p>&mdash;Vergis ik me, of lijkt de kleine niet heel veel op u?</p>
+
+<p>&mdash;Ze lijken beiden op hun vader, antwoordde zij.</p>
+
+<p>Het was haar of ze een cirkel van bescherming om zich heen trok, waar de
+kinderen buiten waren en waarbinnen zij ze niet brengen kon. Het hinderde
+haar, dat hij ze zoo vast hield, ze zoo aanzag.</p>
+
+<p>Maar hij liet ze nu los en ze gingen we&ecirc;r op hunne bankjes zitten, zoet,
+zacht, stil.</p>
+
+<p>&mdash;Toch hebben ze beiden iets van u, hield hij vol.</p>
+
+<p>&mdash;Mogelijk! sprak ze.</p>
+
+<p>&mdash;Mevrouw! hernam hij, als wilde hij haar iets gewichtigs zeggen. Ik wo&ucirc;
+u ronduit iets vragen. Ik wo&ucirc; u vragen, of u me eerlijk, heel eerlijk,
+zoudt willen zeggen of u me onbescheiden vindt?</p>
+
+<p>&mdash;Omdat u me een visite maakt? O, waarlijk niet, meneer Quaerts. Het is
+heel beleefd van u. Alleen ... als ik oprecht mag spreken.</p>
+
+<p>Zij lachte even.</p>
+
+<p>&mdash;Natuurlijk, sprak hij.</p>
+
+<p>&mdash;Dan wil ik u wel bekennen, dat ik vrees, dat u weinig in mijn huis
+zult vinden, dat u zal amuzeeren. Ik zie geen menschen ...</p>
+
+<p>&mdash;Ik maak u geen visite om de menschen, die ik bij u zo&ucirc; kunnen zien.</p>
+
+<p>Zij boog glimlachend, alsof hij een compliment gezegd had.</p>
+
+<p>&mdash;U is me natuurlijk zeer welkom. U is een heel goed vriend van Dolf,
+niet waar?</p>
+
+<p>Zij wilde telkens andere woorden zeggen dan zij zeide, koeler woorden,
+hartelijker woorden, maar er was te veel welopgevoedheid in haar: zij
+kon het niet doen.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, antwoordde hij. Wij kennen elka&acirc;r heel lang en we zijn altijd zeer
+bevriend geweest, ook al verschillen we heelemaal.</p>
+
+<p>&mdash;Ik mag hem heel gaarne, hij is altijd heel hartelijk voor ons.</p>
+
+<p>Zij zag hem glimlachend kijken naar het lage tafeltje. Er slingerde een
+paar tijdschriften, een paar boeken. Boven op lag een deeltje van
+Emersons Essays, met een vouwbeen er in.</p>
+
+<p>&mdash;U zei, dat u niet veel las! sprak hij ondeugend. Me dunkt ...</p>
+
+<p>En hij wees glimlachend naar de boeken.</p>
+
+<p>&mdash;O, zeide zij achteloos, lichtjes hare schouders bewegend. Zoo een
+beetje ...</p>
+
+<p>Zij vond hem zeer lastig; hoe had zij zoo gemerkt, dat ze zich voor hem
+verborgen had en waarom had ze zich ook voor hem verborgen?</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Emerson!&quot; las hij, zich een weinig voorover buigend. Maar hij
+herstelde zich:</p>
+
+<p>&mdash;Pardon! Ik ben indiscreet uw lectuur te bespionneeren. Vergeeft u me,
+maar de letters waren zoo groot; ik las ze van hier.</p>
+
+<p>&mdash;U is v&egrave;rziend? vroeg ze, lachend.</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>Zijne beleefdheid, een zekere eerbied, als zo&ucirc; hij zelfs niet de tippen
+van hare vingers beroeren, stelde haar meer op heur gemak. Ze vond hem
+wel antipathiek, maar hij mocht toch wel weten, dat ze las.</p>
+
+<p>&mdash;Houdt u veel van lezen? vroeg Cecile.</p>
+
+<p>&mdash;Ik lees niet veel: daarvoor is het mij een te groot genot. Ik lees zoo
+maar niet alles wat er uitkomt, en ik ben erg kieskeurig.</p>
+
+<p>&mdash;Kent u Emerson?</p>
+
+<p>&mdash;Neen ...</p>
+
+<p>&mdash;Ik ho&ucirc; veel van Essays. Zij zijn geschreven met zoo een verren blik.
+Ze stellen je op zoo een heerlijk hoog standpunt ...</p>
+
+<p>Ze maakte een gebaar als een cirkel om zich heen, een glans in haar oog.</p>
+
+<p>Toen merkte ze, dat hij haar aandachtig aanzag, met zijn eerbied. En ze
+herwon zich we&ecirc;r; ze wilde niet verder met hem over Emerson praten.</p>
+
+<p>&mdash;Het is heel mooi! zeide zij alleen nog, met eene stem, zoo banaal
+mogelijk, om te eindigen. Mag ik u een kop thee geven?</p>
+
+<p>&mdash;Dank u zeer, mevrouw; ik drink nooit thee op dit uur.</p>
+
+<p>&mdash;U ziet daar zeker met minachting op ne&ecirc;r? spotte ze.</p>
+
+<p>Hij wilde antwoorden, maar er werd gescheld en zij riep nu:</p>
+
+<p>&mdash;O, daar zullen ze zijn!</p>
+
+<p>Zij waren het ook, Am&eacute;lie met Suzette en Anna. Zij waren lichtjes
+verbaasd Quaerts te zien. Hij sprak ervan, dat hij mevrouw Van Even een
+visite had willen maken. Er ontstond een algemeen gesprek. Suzette was
+heel vroolijk, vol van een fancy-fair, waar zij, gecostumeerd in een
+Spaansch costuum, zo&ucirc; moeten verkoopen.</p>
+
+<p>&mdash;En jij niet, Anna?</p>
+
+<p>&mdash;O neen, tante, riep Anna, verschrikt in elka&acirc;r kruipend. Ik op een
+fancy-fair! Ik zo&ucirc; nooit iets slijten aan de menschen.</p>
+
+<p>&mdash;Ach, het is een tact! zeide Am&eacute;lie, met een blik, die ver weg dreef.</p>
+
+<p>Quaerts was opgestaan. Hij boog met een enkel woord voor Cecile, toen de
+deur openging. Het was Jules, met een paar boeken onder zijn arm. Hij
+kwam van school.</p>
+
+<p>&mdash;Dag tante! Zoo dag, Taco; ga je nu heen als ik kom!</p>
+
+<p>&mdash;Je jaagt me weg! schertste Quaerts.</p>
+
+<p>&mdash;Ach, toe, Taco, blijf nu nog wat! smeekte Jules, verrukt hem te zien,
+wanhopig, dat hij juist vertrekken zo&ucirc;.</p>
+
+<p>&mdash;Jules, Jules! vermaande Am&eacute;lie, omdat ze dacht, dat ze dat zoo doen
+moest.</p>
+
+<p>Jules drong Quaerts, greep zijne beide handen, dwong hem als een
+bedorven kind. En Quaerts lachte maar. Door Jules' drukte gleden eenige
+boeken van het tafeltje.</p>
+
+<p>&mdash;Maar Jules dan toch! riep Am&eacute;lie. Quaerts raapte de boeken op, terwijl
+Jules door bleef dwingen. Bij het laatste boek, dat Quaerts ne&ecirc;rlegde,
+draalde hij even; hij hield het in de hand, hij zag op de gouden
+letters: Emerson ...</p>
+
+<p>Cecile bespeurde het.</p>
+
+<p>&mdash;Als hij nu toch denkt, dat ik het hem leenen ga, heeft hij het mis,
+dacht ze.</p>
+
+<p>Maar Quaerts vroeg niets; hij had zich losgemaakt van Jules, hij nam
+afscheid. Met wat gekheid tegen Jules, ging hij heen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="VII"></a><h2>VII.</h2>
+<br>
+
+<p>&mdash;Is dit de eerste keer, dat hij bij je aan huis komt? vroeg Am&eacute;lie.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, antwoordde Cecile. Een onnoodige beleefdheid, niet waar?</p>
+
+<p>&mdash;Ach, Taco Quaerts is altijd precies in de puntjes, verdedigde Anna.</p>
+
+<p>&mdash;Maar deze visite was juist ni&egrave;t in de puntjes, lachte Cecile vroolijk.
+Maar Taco Quaerts schijnt bij jullie geheel en al onfeilbaar te zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Hij walst heerlijk! riep Suzette. Verleden op het bal bij de
+Eekhofs ...</p>
+
+<p>Suzette draafde door; gedecideerd, die Suzette was niet te houden van
+middag; zij hoorde zeker al de castagnetten van haar Spaansch costuum in
+heur hersentjes klepperen.</p>
+
+<p>Jules was in een bui van kribbigheid geraakt, maar hij hield zich stil
+bij de jongens, in een raam.</p>
+
+<p>&mdash;U is niet erg gesteld op Quaerts, niet waar, tante? vroeg Anna.</p>
+
+<p>&mdash;Hij heeft weinig sympathieks voor mij! sprak Cecile. Je weet, ik laat
+me erg door indrukken beheerschen. Ik kan het niet helpen, maar ik ho&ucirc;
+niet van die h&eacute;el gezonde, sterke menschen, die er zoo h&eacute;el flink en
+stevig uitzien, alsof ze dwars door het leven heen wandelen en alles
+opruimen, wat hun hindert. Het is misschien morbide in me; maar ik kan
+het niet helpen, dat overmate van gezondheid en kracht mij antipathiek
+zijn. Die sterke menschen beschouwen je, als je <i>niet</i> zoo sterk bent
+als zij, zooals de Spartanen hun misvormde kinderen beschouwden ...</p>
+
+<p>Jules kon zich niet meer inhouden.</p>
+
+<p>&mdash;Als u denkt, dat Taco niets anders is dan een Spartaan, dan weet u
+niets van hem af, sprak hij vinnig.</p>
+
+<p>Cecile zag hem aan, maar voor Am&eacute;lie iets zeggen kon, ging hij voort:</p>
+
+<p>&mdash;Taco is de eenige, met wien ik over muziek kan praten en die je
+begrijpt met een half woord. En ik geloof niet, dat ik met een Spartaan
+zo&ucirc; kunnen praten.</p>
+
+<p>&mdash;Maar Jules, wat een toon! riep Suzette.</p>
+
+<p>&mdash;Het kan me niet schelen! riep hij woedend uit, in eens opstaande,
+stampvoetend. Het kan me niet schelen! Ik kan geen kwaad van Taco hooren
+en tante Cecile weet dat en ze doet het alleen om me te plagen. En ik
+vind het heel flauw een kind te plagen, heel flauw ...</p>
+
+<p>Zijne moeder, zijne zusters wilden hem met gezag bedaren. Maar hij greep
+zijne boeken.</p>
+
+<p>&mdash;Het kan me niet schelen! Ik wil het niet hebben!</p>
+
+<p>Woedend, in &eacute;en oogwenk, was hij weg, smijtend met de deur, die dreunde.
+Am&eacute;lie beefde van zenuwachtigheid.</p>
+
+<p>&mdash;O, die jongen! siste zij trillend. Die Jules, die Jules ...</p>
+
+<p>&mdash;Het is niets! verontschuldigde Cecile zacht. Hij is wat prikkelbaar ...</p>
+
+<p>Zij was een beetje bleek geworden en zag naar hare jongens, naar Dolf en
+Christie, die, ontsteld, met open monden van verbazing, hadden
+opgekeken.</p>
+
+<p>&mdash;Is Jules stout, mama? vroeg Christie.</p>
+
+<p>Zij schudde, lichtjes glimlachend, van neen. Zij voelde zich heel vreemd
+te moede, onzegbaar vreemd. Zij wist niet wat dit was, maar het was haar
+of heel verre perspectieven voor hare oogen opengingen, met wegdeiningen
+van horizont, bleek, in heel veel licht. Zij wist ook niet wat d&agrave;t was,
+maar ze was niet boos op Jules, en het scheen haar toe, dat hij niet zoo
+driftig had gesproken tegen haar, maar tegen een ander. Een gevoel van
+het raadselachtig diepe van het leven, en het onbewuste van het
+zielemysterie, zweem van licht heldere oneindigheid, v&eacute;r zilver licht,
+schoot door haar heen als eene stille verrukking.</p>
+
+<p>Toen lachte zij.</p>
+
+<p>&mdash;Die Jules! sprak ze. Hij kan zoo aardig opgewonden zijn.</p>
+
+<p>Anna en Suzette, verlegen over de sc&egrave;ne solden wat met de jongens, over
+de platen heen. Cecile sprak alleen tot Am&eacute;lie. Maar deze sidderde nog
+in hare zenuwen.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe kan je toch die kuren van Jules nog excuzeeren! sprak ze met eene
+stem, die hokte.</p>
+
+<p>&mdash;Ik vind het aardig, dat hij zoo de partij trekt van menschen, van wie
+hij houdt. Vindt je daar ook niet iets in?</p>
+
+<p>Am&eacute;lie bedaarde. Waarom verstoord te zijn als Cecile het niet was?</p>
+
+<p>&mdash;In Jules? vroeg zij vaag. Ach, ja, jawel ... Ik weet het zoo niet. Hij
+heeft wel een goed hart, geloof ik, maar hij is zoo onhandelbaar. Maar
+ach ... het ligt misschien ook aan mij; als ik beter wist, als ik meer
+tact had ...</p>
+
+<p>Zij verwarde zich; zij zocht, zij vond niets meer, dwalende door haar
+eigen gedachten heen als eene vreemde. Toen zeide zij eensklaps, als in
+een straal van zekere kennis:</p>
+
+<p>&mdash;Maar Jules is niet dom. Hij heeft een goed oog op allerlei dingen, en
+ook op menschen. Ik voor mij geloof &oacute;ok, dat je Taco Quaerts verkeerd
+ziet. Hij is een heel interessant mensch, en volstrekt niet zoo alleen
+maar een sportman. Ik weet niet wat er in hem is, maar er is iets in
+hem, iets anders dan in andere menschen. Ik zo&ucirc; niet kunnen zeggen
+wat ...</p>
+
+<p>&mdash;Zij zweeg, zoekende, afdwalend.</p>
+
+<p>&mdash;Ik wo&ucirc;, dat Jules beter leerde. Hij is niet dom, maar hij leert
+niet ... Hij zit nu al we&ecirc;r twee jaar in de derde klasse. De jongen k&agrave;n
+niet doorwerken. Het is een wanhoop.</p>
+
+<p>Zij zweeg we&ecirc;r en Cecile bleef ook zwijgen.</p>
+
+<p>&mdash;Ach! hernam Am&eacute;lie; het zal zijn schuld wel niet zijn. Het is
+misschien wel mijn schuld! Hij heeft het misschien wel van mij ...</p>
+
+<p>Zij zag strak voor zich uit: plotselinge, onwe&ecirc;rhoudbare tranen vulden,
+in eens, beide hare oogen, en vielen ne&ecirc;r in haar schoot.</p>
+
+<p>&mdash;Amy, wat is er? vroeg Cecile lief.</p>
+
+<p>Maar Am&eacute;lie was opgestaan, opdat de meisjes, nog spelende met de
+kinderen, hare tranen niet zouden zien. Zij kon die tranen niet
+tegenhouden, ze stroomden ne&ecirc;r, en zij haastte zich weg, naar den
+aangrenzenden salon, een groot vertrek, waar Cecile nooit zat.</p>
+
+<p>&mdash;Wat is er, Amy? Vroeg Cecile, die haar gevolgd was.</p>
+
+<p>Zij sloeg haar arm om Am&eacute;lie heen, ze deed haar zitten, drukte Am&eacute;lie's
+hoofd tegen haar schouder.</p>
+
+<p>&mdash;Weet ik, wat er is! snikte Am&eacute;lie. Ik weet het niet, ik weet het
+niet ... Ik ben ongelukkig, om dat gevoel in mijn hoofd. Ik kan het soms
+niet uithouden. Ik ben toch niet gek, niet waar? Ik voel me heusch niet
+of ik gek ben of gek zal worden! Maar het is soms alsof alles in me
+verlamd is, of ik niet denken kan. Alles drijft altijd door me heen! Het
+is een vreeslijk gevoel!</p>
+
+<p>&mdash;Als je eens een dokter vroeg, ried Cecile aan.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, neen, hij zo&ucirc; me misschien zeggen, dat ik gek was, en dat ben ik
+niet. Of hij zo&ucirc; me in een of ander gesticht willen hebben. Neen, ik wil
+geen dokter. Ik heb het anders heel goed, niet waar? Ik heb een lieven
+man en lieve kinderen. Ik heb nooit groot verdriet gehad. En toch voel
+ik me soms diep ongelukkig, radeloos ongelukkig! Het is altijd of ik
+naar iets toe wil en niet kan. Het is altijd of ik een grens voor me
+zie ...</p>
+
+<p>Zij snikte hevig; een regen van tranen dreef over haar gelaat. Cecile's
+oogen ook werden vochtig; ze hield van hare zuster, ze had medelijden
+met haar. Am&eacute;lie was slechts tien jaar ouder dan zijzelve, en ze had al
+iets van eene oude vrouw, dor, schraal, grijzend reeds aan hare slapen,
+onder de getrokken voile van haar kapothoed.</p>
+
+<p>&mdash;Cecile, zeg Cecile! sprak ze in eens, door hare snikken heen. Denk je,
+dat er een God is?!</p>
+
+<p>&mdash;Maar zeker, Amy.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ga wel eens naar de kerk, het geeft me niets ... Ik ga nu ook niet
+meer ... O, ik ben zoo ongelukkig! Het is heel ondankbaar van me. Ik heb
+toch zooveel om dankbaar voor te zijn ... Weet je: ik zo&ucirc; soms zoo gaarne
+in eens naar God willen, zoo in eens!!!</p>
+
+<p>&mdash;Toe, Amy, wind je niet zoo op!</p>
+
+<p>&mdash;O, ik wo&ucirc;, dat ik zoo als jij was, zoo kalm. Je voelt je gelukkig?</p>
+
+<p>Cecile knikte van ja, glimlachend. Am&eacute;lie zuchtte; ze bleef even liggen
+met haar hoofd tegen heur zusters schouder. Cecile kuste haar, maar
+eensklaps schrikte Am&eacute;lie:</p>
+
+<p>&mdash;Stil, fluisterde zij; de meisjes kunnen hier komen. Ze ... ze hoeven
+niet te zien, dat ik gehuild heb.</p>
+
+<p>Opstaande, schikte zij voor den spiegel heur hoed, droogde voorzichtig
+met den zakdoek haar voile af, plooide hare brides.</p>
+
+<p>&mdash;Zoo, nu zullen ze het niet zien, zeide zij. Laten we maar naar binnen
+gaan. Ik ben we&ecirc;r kalm. Je bent een lieve meid ...</p>
+
+<p>Zij gingen in de kleine kamer.</p>
+
+<p>&mdash;Kom meisjes, we moeten naar huis! sprak Am&eacute;lie met eene, nog wat
+vreemde stem.</p>
+
+<p>&mdash;Heeft u gehuild, mama? vroeg Suzette, dadelijk.</p>
+
+<p>&mdash;Mama was wat zenuwachtig om Jules! zeide Cecile snel.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="VIII"></a><h2>VIII.</h2>
+<br>
+
+<p>Cecile was alleen: de kinderen waren naar boven, om zich op te knappen
+voor het diner. En ze zocht terug te zien hare verre perspectieven met
+bleeken horizont; ze zocht zich de zilverige oneindigheid terug, die
+door haar heen geschoten was als eene ontvangenis van licht. Maar het
+warrelde haar te veel: een caleidoscoop van h&eacute;el recente herinneringetjes:
+de kinderen, Quaerts, Emerson, Jules, Suzette, Am&eacute;lie. Vreemd, vreemd
+was het leven ... Het uiterlijke leven, het komen en gaan van menschen om
+ons heen; het klinken van woorden, die zij zeggen met stemmen van
+vreemdheid; het eindeloos wisselen der verschijnselen; het schakelen van
+die verschijnselen, het een aan het ander vreemd ook, het zijn van de
+ziel ergens in ons, als een god <i>in</i> ons, nooit te kennen voor
+zichzelven in de essence van h&eacute;mzelven. Dikwijls, zooals nu, scheen het
+Cecile, dat alles, de aller-banaalste dingen, vreemd, zeer vreemd waren,
+alsof er in het geheel niets banaals in de wereld was, alsof alles
+vreemd was: de vreemde vorm en uiterlijkheid van een dieper leven, dat
+in alles school, tot in het minste voorwerp toe, alsof alles zich maar
+vertoonde met een schijnsel, masker van voordoen, terwijl daaronder het
+eigenlijke was: de waarheid. Vreemd, zoo vreemd het leven ... Want het
+scheen haar of ze, onder de heel-gewoonheid van die afternoon-tea, iets
+heel ongewoons gezien had; wat, wist ze niet, zo&ucirc; ze niet k&uacute;nnen
+u&igrave;tdrukken, zelfs niet kunnen uitd&egrave;nken; het was haar of er onder het
+gaan en komen van die menschen iets geschitterd had: het eigenlijke, de
+waarheid onder het verschijnsel van hun voordoen om bij haar te komen
+thee drinken.</p>
+
+<p>&mdash;Wat? Wat is het? dacht ze. Maak ik me dat nu wijs, of is het zoo? Ik
+voel het toch ...</p>
+
+<p>Het was heel vaag en toch was het heel duidelijk ... Het was haar of er
+een lichtbeeld, een schaduw van licht was achter alles wat zich daar had
+voorgedaan. Achter Am&eacute;lie en Jules en Quaerts en dat gevallen boek, dat
+hij even in de hand had gehouden ... Beteekenden die luchtschaduwen iets,
+of ...</p>
+
+<p>Maar zij schudde het hoofd.</p>
+
+<p>&mdash;Ik droom, ik fantazeer! lachte ze in zichzelve. Het was heel eenvoudig.
+Ik maak het maar zoo ingewikkeld, omdat ik daar pleizier in heb.</p>
+
+<p>Maar zoodra ze dit dacht, voelde zij iets, dat die gedachte intens
+loochende. Eene intu&iuml;tie, die haar de essence der waarheid wilde doen
+raden en dit niet geheel en al vermocht. Zeker, er was toch iets. Iets
+achter dat alles, verscholen, schuilende als de schaduw school achter
+het ding, en die schaduw scheen haar toe van licht ...</p>
+
+<p>Hare gedachte dwaalde nog wat rond over die menschen; toen bleef ze
+hangen aan Taco Quaerts. Ze zag hem daar we&ecirc;r zitten, een beetje zich
+buigende naar haar toe, zijne handen in elka&acirc;r gevouwen, hangende
+tusschen zijne knie&euml;n, terwijl hij tot haar opzag. Eene scheiding van
+afkeer was als een staaf van ijzer tusschen hen geweest. Ze zag hem daar
+we&ecirc;r zitten en toch was hij al weg. Dat was al we&ecirc;r voorbij; wat ging
+alles spoedig heen; hoe klein was de stip van het heden!</p>
+
+<p>Ze stond op; ze zette zich voor het schrijftafeltje; ze schreef, in
+eens, ne&ecirc;r:</p>
+
+<p>&quot;Onder me vloeit de zee van het verleden, boven me drijft de ether der
+toekomst, en ik sta daar tusschen-in als op een stip van werkelijkheid;
+een stip zoo klein, dat ik beide voeten pal tegen elka&acirc;r moet drukken,
+om staande te blijven. En van af de stip van mijn heden ziet mijn
+weemoed ne&ecirc;r naar die zee en mijn verlangen op naar die lucht.</p>
+
+<p>&quot;Ik kan niet veel leven op mijn stip: ze is zoo klein, dat ik ze
+nauwlijks zie, ze nauwlijks voel onder mijne voeten en toch is ze mijne
+eenige werkelijkheid. Ik geef niet veel om haar: mijne oogen volgen maar
+het wegrimpelen dier golven naar verre einders, het glijden dier wolken
+naar verre sferen: vage luchtschijnsels van eindelooze verandering,
+transparante ongedurigheden, lichaamloosheden, die zichtbaar zijn. Het
+heden is het eenige, dat is, of dat ten minste schijnt te zijn. De stap
+is; de stip, ten minste, schijnt; de zee niet, en die lucht niet, want
+die zee is slechts herinnering en die lucht slechts illuzie. En toch
+zijn herinnering en illuzie alles, zijn ze de wijde domeinen der ziel,
+die van de stip afvliegt en op de zee afglijdt naar de einders, die
+wijken en op de wolken wegdrijft naar de sferen, die wijken en
+wijken ...&quot;</p>
+
+<p>Toen dacht ze na. Hoe had ze dat zoo geschreven, waarom? Hoe was ze er
+toe gekomen? Ze ging met hare gedachten terug: het heden, de stip van
+het heden, die zoo klein was ... Quaerts, Quaerts' houding zoo even voor
+haar heropgerezen. Had iets wat h&egrave;m betrof, haar die zinnen doen
+ne&ecirc;rschrijven? Het verleden, weemoed; de toekomst, illuzie ... Waarom,
+waarom, illuzie?</p>
+
+<p>&mdash;En Jules, die van hem houdt, dacht ze. En Am&eacute;lie, die van hem sprak ...
+Maar ze wist niets ... Wat is er in hem, wat schuilt er achter hem; zijn
+lichtschaduw? Waarom kwam hij hier? Waarom voel ik toch antipathie voor
+hem? Voel ik die antipathie wel? Ik kan niet in zijn eigen oogen zien ...</p>
+
+<p>Ze had dat gaarne eens gedaan; ze had gaarne zeker willen zijn van die
+antipathie of: niet zeker ... Een van beiden. Ze was nieuwsgierig om hem
+nu we&ecirc;r eens te zien, nieuwsgierig, wat ze dan door hem denken en voelen
+zo&ucirc; ... Zij was opgestaan van hare schrijftafel, ze vlijde zich nu
+rechtuit op de chaise-longue, wond hare armen achter heur hoofd. Ze wist
+niet meer wat ze droomde maar ze voelde zich stil gelukkig. Zij hoorde
+Dolf en Christie de trap afkomen; ze kwamen binnen, het was etenstijd.</p>
+
+<p>&mdash;Jules was toch heusch zoo even wel stout, niet waar mama-te? vroeg
+Christie nog eens met een bedenkelijk gezicht.</p>
+
+<p>Ze trok het kleine, fijne ventje zacht tot zich, ze nam hem vast tegen
+zich aan, in haar armen en zacht kuste ze zijn vochtig mondje van bleek
+frambozenrood.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, heusch niet, liefje! sprak ze. Hij was heusch niet stout ...</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+
+<p>HOOFDSTUK II.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="I"></a><h2>I.</h2>
+<br>
+
+<p>Cecile ging den langwerpigen hall, die als eene galerij was, door:
+lakeien stonden bij de porti&egrave;re, een gegons van stemmen suisde daar
+achter. Haar sleep ruischte even tegen een paar palmblaren aan en dit
+geluid gaf haar eene plotselinge trilling in de snaren van heur
+sensitivisme. Zij was een beetje zenuwachtig; hare oogleden knipten
+lichtjes en haar mond had een zeer ernstigen plooi.</p>
+
+<p>Zij trad binnen; er was veel licht, maar zacht, alleen van kaarsen. Twee
+officieren weken voor haar uit, daar zij draalde. Met de oogen zocht ze
+mevrouw Hoze; zij bespeurde haar, te midden van enkele gasten, met haar
+grijs hoofd, haar vriendelijk en toch hooghartig gezicht, glad rozig,
+bijna zonder rimpel. Mevrouw Hoze kwam haar tegemoet.</p>
+
+<p>&mdash;Je weet niet, hoe lief ik je vind, dat je me niet gedupeerd hebt!
+sprak ze, Cecile's hand drukkend, ontluikend in de wereldsche
+minzaamheid van heur gastvrouwschap.</p>
+
+<p>Zij stelde Cecile hier en daar voor: Cecile hoorde namen, waarvan de
+klank haar dadelijk we&ecirc;r ontviel.</p>
+
+<p>&mdash;Generaal, mag ik u verzoeken ... Mevrouw Van Even, hoorde zij mevrouw
+Hoze fluisteren.</p>
+
+<p>Cecile haalde diep adem, onmerkbaar de hand drukkende op den rand van
+haar corsage, alsof zij iets schikte. Mevrouw Hoze verliet haar, ging
+eene dame en een heer tegemoet, en Cecile antwoordde vluchtigjes den
+generaal. Zij was zeer bleek, en meer en meer knipten hare oogleden.
+Haar blik dorst even door den salon te zoeken.</p>
+
+<p>Zij stond naast den generaal, zich dwingend te luisteren om niet iets
+heel dwaas te antwoorden; zij was heel lang, rank en recht, hare
+schouders blondwit als een marmer, waar zon over schijnt, bloesemend uit
+eene sombere vaas van zwart: fijne zwarte tulle, die sleepte, geheel en
+al bezaaid met kleine zwarte pailletten, als loovertjes van git: eene
+glinstering van zwart op transparant zwart, dat dof was; een koord met
+gitten kwasten, die laag afhingen, gestrikt om haar leest. Zoo stond zij
+daar blond, blondblank en zwart, een beetje somber in het licht van
+andere toiletten, en als eenige helte, in haar ooren een paar diamanten,
+die waren als droppelen dauw.</p>
+
+<p>Er was eene trilling in hare dunne Su&egrave;de vingers, die den waaier
+bewogen: eene zwarte tulle transparentheid, waarop dezelfde loovertjes
+van git glinsterden als met een spel van glansjes zwart. Zij ademde wat
+snel achter den doorschijnenden wiek van den waaier, pratende met den
+generaal, mager en kaal, gedistingueerd, niet in uniform, maar bestard
+met een paar decoraties.</p>
+
+<p>De gasten van Mevrouw Hoze liepen door elka&acirc;r, begroeteden elkander hier
+en daar, in een voortdurend gonzen van stemgeluid. Cecile zag Taco
+Quaerts naar haar toekomen; hij boog voor haar; zij boog terug, zonder
+hem de hand te geven, met haar kouden blik. Hij bleef even bij haar
+dralen met een enkel woord, toen ging hij verder, andere kennissen
+begroetend.</p>
+
+<p>Mevrouw Hoze had den arm van een ouden heer genomen; een defil&eacute; begon
+zich langzaam te formeeren. De lakeien hadden deuren open geschoven; een
+tafel glinsterde, half zichtbaar. De generaal boog zijn arm naar Cecile
+toe, wier blik achter zich zag met eene loome halswending. Zij sloot
+even hare oogleden, om ze niet zoo te laten knippen. Eene teleurstelling
+deed hare wenkbrauwen bewegen, maar glimlachend legde zij de tippen
+harer vingers op den arm van den generaal en streek met den dichten
+waaier een plooi weg uit de tulle van haar sleep.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="II"></a><h2>II.</h2>
+<br>
+
+<p>Zoodra Cecile zat, bespeurde zij, dat aan hare rechterzijde Quaerts was
+gezeten. De teleurstelling, dat hij haar niet aan tafel had moeten
+brengen, wischte zich dus aanstonds uit, maar haar blik bleef koud, als
+altijd. Zij h&agrave;d echter nu wat zij wilde: de verwachting, om welke zij
+aan dit diner gekomen was, werd vervuld. Mevrouw Hoze, die Cecile bij de
+Van Attema's gezien had, had zich blij tot taak gesteld het, nog zoo
+jonge, vrouwtje opnieuw in de wereld te brengen. Cecile wist, dat Quaerts
+aan huis kwam bij mevrouw Hoze; zij hoorde door Am&eacute;lie, dat hij was
+ge&iuml;nviteerd en ze had aangenomen. Het lag voor de hand, dat mevrouw Hoze,
+die zich herinnerde, dat Cecile Quaerts ontmoet had, hem naast haar
+geplaatst had.</p>
+
+<p>En Cecile was zeer nieuwsgierig om haarzelve. Wat zo&ucirc; zij voelen?
+Minstens toch belangstelling; dit kon ze zich niet ontkennen. Zij stelde
+belang in hem, om wat haar heugde, dat Jules gezegd had, dat Am&eacute;lie had
+gezegd. Zij voelde reeds, dat achter dien sportman een ander school,
+dien zij zocht te kennen. Waarom, wat kon het haar schelen? Ze wist het
+niet, maar het was in alle geval een raadsel, dat haar belang inboezemde.
+En tevens bleef zij op hare hoede, want zij vond zijne visite niet zooals
+het behoorde, en ze herinnerde zich we&ecirc;r den naam der getrouwde vrouw,
+dien met den zijne werd genoemd.</p>
+
+<p>Zij wist zich los te maken van het gesprek met den generaal, die het
+zijne roeping scheen te vinden haar bezig te houden, en zij wendde zich,
+zij het eerste, tot Quaerts.</p>
+
+<p>&mdash;En leert u Jules tegenwoordig paard rijden? vroeg zij, met een
+glimlach.</p>
+
+<p>Hij zag haar aan, blijkbaar een beetje verwonderd om haar stem en
+lachje, beiden voor hem nieuw. Hij antwoordde niet veel.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, mevrouw, wij zijn gisteren nog in de man&eacute;ge geweest ...</p>
+
+<p>Zij vond hem reeds onhandig, dat hij het gesprek zoo vallen liet, maar
+hij vroeg met dat b&eacute;etje verlegenheid, dat, om zijne flinkheid, hem een
+charme werd:</p>
+
+<p>&mdash;U gaat dus we&ecirc;r uit, mevrouw?</p>
+
+<p>Zij vond,&mdash;zij had het verleden ook reeds gevonden,&mdash;dat hij wel eens
+vragen deed, die men niet deed. Dat was iets vreemds in hem.</p>
+
+<p>&mdash;Ja ... wist ze niets anders te zeggen.</p>
+
+<p>&mdash;Pardon ... zeide hij, ziende, dat zijne woorden haar lichtjes verlegen
+maakten. Ik vroeg dat, omdat ik ... ik ...</p>
+
+<p>&mdash;Omdat? herhaalde ze met groote oogen.</p>
+
+<p>Hij vermande zich en zeide het ronduit:</p>
+
+<p>&mdash;Dolf sprak altijd veel over u en zei, dat u stil leefde ... Ik kon me u
+zoo niet meer voorstellen in de wereld, onder veel menschen: ik had me
+een idee van u gemaakt en dat idee schijnt nu verkeerd te zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Een idee? vroeg ze. Welk idee?</p>
+
+<p>&mdash;U is misschien boos, als ik u dat zeg. U is misschien toch al niet zoo
+heel tevreden over me! schertste hij.</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb volstrekt niet tevreden of ontevreden over u te zijn! schertste
+zij terug. Maar vertel me nu van dat idee ...</p>
+
+<p>&mdash;U stelt dus daarin belang?</p>
+
+<p>&mdash;Als u het me oprecht vertelt, zeker. Maar dan oprecht zijn! dreigde
+zij met den vinger.</p>
+
+<p>&mdash;Nu dan ... begon hij. Ik dacht me u als een vrouw, heel ontwikkeld,
+heel interessant,&mdash;en dat alles denk ik nu nog&mdash;&eacute;n: een vrouw, die niets
+gaf om de wereld buiten haarzelve en dat ... dat denk ik nu niet meer. En
+ik zo&ucirc; bijna zeggen, op gevaar af, dat u me heel vreemd vindt: het spijt
+me, dat ik dat niet meer denk. Ik had u bijna liever niet hier willen
+ontmoeten ...</p>
+
+<p>Hij lachte, om wat er voor vreemds in zijne woorden was, te temperen.
+Zij zag hem aan, hare wimpers trillende van verbazing, hare lippen even
+geopend, en in eens scheen het haar toe, dat zij hem voor den eersten
+keer in zijne oogen zag. Zij zag hem in die oogen, en ze zag, dat ze
+diep grijs waren, heel diep, met eene zwarte, nog diepere, pupil. Er was
+iets in die oogen, ze wist niet wat, maar iets van magnetisme, als zo&ucirc;
+zij de hare nooit meer kunnen afwenden.</p>
+
+<p>&mdash;U kan toch wel vreemd zijn! sprak ze werktuigelijk: woorden, die haar
+bij intu&iuml;tie ontwelden.</p>
+
+<p>&mdash;O, toe wees er niet boos om! smeekte hij bijna. Ik was al zoo blij,
+dat u vriendelijk met me sprak: u was verleden een beetje hoog tegen me
+en het zo&ucirc; me zoo spijten als ik u ontstemd had. Ik weet wel, dat ik
+vreemd ben, maar ik k&agrave;n tegenover u onmogelijk gewoon zijn, onmogelijk,
+zelfs al werd u er boos om ... <i>Is</i> u er boos om?</p>
+
+<p>&mdash;Ik zo&ucirc; het eigenlijk wel moeten zijn, maar om uw franchise zal ik u
+maar vergeven! lachte zij. Galant was u anders allesbehalve.</p>
+
+<p>&mdash;Ik bedoelde het toch niet ongalant.</p>
+
+<p>&mdash;Dat zal wel! schertste zij terug.</p>
+
+<p>Zij herinnerde zich we&ecirc;r, dat zij op een groot diner was. De gasten over
+haar en langs haar zich reiend; de lakeien, dienende daar achter: het
+licht der kaarsen tintelend op zilver en regenbogend in kristal; op
+tafel veel spiegel, als water gevat in bloemen, kleine meeren tusschen
+mosrozen en lelietjes van dalen. Zij bleef even zwijgen, nog glimlachend,
+turende op hare hand, een mooie hand, als een wit kunstvoorwerp in de
+tulle van haren schoot, met, aan een enkelen vinger, vele ringen;
+sparkelende vonkjes blauw en wit vuur. De generaal wendde zich we&ecirc;r tot
+haar; zij wisselden eenige woorden, de generaal innerlijk verheugd, dat
+de rechter-buurman mevrouw Van Even bezighield, en hij voor het meerendeel
+rustig eten kon. Quaerts wendde zich tot de dame aan zijne andere zijde.</p>
+
+<p>En het was hun beiden aangenaam toen zij zich we&ecirc;r met elka&acirc;r konden
+bezighouden.</p>
+
+<p>&mdash;Waar hadden wij het zoo even over? vroeg zij.</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet het nog wel! sprak hij ondeugend.</p>
+
+<p>&mdash;De generaal brak ons gesprek af ...</p>
+
+<p>&mdash;U was <i>niet</i> boos op me! schertste hij.</p>
+
+<p>&mdash;O ja, lachte zij zachtjes. Uw idee over mij, niet waar? Waarom kon u
+mij zich niet meer voorstellen, in de wereld?</p>
+
+<p>&mdash;Ik dacht me u iemand apart geworden.</p>
+
+<p>&mdash;Waarom dan toch?</p>
+
+<p>&mdash;Om wat Dolf zei, om wat ikzelve dacht, als ik u zag.</p>
+
+<p>&mdash;En waarom heeft u nu spijt, dat ik niet &quot;iemand apart&quot; ben? lachte zij
+steeds.</p>
+
+<p>&mdash;Uit ijdelheid; omdat ik verkeerd dacht. En toch: misschien dacht ik
+ook niet verkeerd ...</p>
+
+<p>Zij zagen elka&acirc;r aan en beiden, hoewel ze het anders dachten, dachten
+zij het zelfde: namelijk, dat zij voorzichtig met hunne woorden moesten
+zijn, want dat ze over iets zeer fijns en teeders spraken, iets broos
+als een zeepbel, dat breken kon als zij er te hard over spraken, alleen
+reeds door adem van woorden. Toch dorst zij nog vragen:</p>
+
+<p>&mdash;En waarom ... gelooft ... u, dat u toch wel ... goed gedacht kan hebben?</p>
+
+<p>&mdash;Dat weet ik niet precies. Misschien omdat ik het verlang. Misschien
+ook, om dat het z&oacute;&oacute; waar is, dat het geen twijfel meer toelaat. O ja,
+ik weet bijna zeker, dat ik goed gedacht heb. Weet u waarom? Omdat ik
+me anders had verborgen en gewoon was geweest en dat ik dat tegenover u
+niet heb kunnen doen. Ik heb u al zoo veel van me gegeven in dit korte
+oogenblik als ik menschen, die ik jaren ken, in al die jaren niet
+gegeven heb. Daarom moet u zeker iemand apart zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Maar wat bedoelt u met &quot;iemand apart&quot;?</p>
+
+<p>Hij glimlachte, hij opende zijne oogen, ze zag hem er in, diep in.</p>
+
+<p>&mdash;Dat begrijpt u wel! sprak hij.</p>
+
+<p>De angst voor het teedere, dat breken kon, was we&ecirc;r tusschen hen. Zij
+begrepen elka&acirc;r als met eene vrijmetselarij van gevoel. Een magnetisme
+ketende haren blik aan den zijne.</p>
+
+<p>&mdash;U is toch wel vreemd! sprak ze we&ecirc;r, werktuigelijk.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, zeide hij kalm, zijn hoofd schuddend, zijn blik op den hare. Ik
+weet zeker, dat ik voor u niet vreemd ben, ook al denkt u dat nu.</p>
+
+<p>Zij zweeg.</p>
+
+<p>&mdash;Wat ben ik blij, zoo met u te mogen spreken! fluisterde hij. Ik ben er
+heel gelukkig om. En ziet u eens, niemand merkt er iets van. We zitten
+hier aan een groot diner: naast ons kunnen ze zelfs onze woorden hooren,
+en niemand, die ons begrijpen zo&ucirc; en zo&ucirc; vatten, waarover wij het
+hadden. Weet u waarom dat is?</p>
+
+<p>&mdash;Neen, murmelde zij.</p>
+
+<p>&mdash;Dat zal ik u eens zeggen: ten minste, ik geloof, dat het zoo is.
+Misschien weet u het beter, want u m&oacute;et de dingen beter weten dan ik,
+omdat u zooveel fijner is. Maar ik voor mij geloof, dat ieder mensch een
+cirkel om zich heeft, een atmosfeer, en dat hij andere menschen ontmoet,
+die cirkels of atmosferen om zich hebben, sympathiek of antipathiek aan
+de zijne.</p>
+
+<p>&mdash;Dat is mystiek? zeide zij.</p>
+
+<p>&mdash;Neen! antwoordde hij. Het is heel eenvoudig. Als nu de cirkels
+antipathiek zijn, stuiten ze elka&acirc;r af, maar als ze sympathiek zijn,
+glijden ze over elka&acirc;r met kleinere of grootere bogen van sympathie. In
+sommige gevallen bedekken de cirkels elka&acirc;r bijna geheel en al, maar ze
+blijven toch altijd twee ... Vindt u dat alles heusch zoo mystiek?</p>
+
+<p>&mdash;Men zo&ucirc; het gevoelsmystiek kunnen noemen. Maar ... ik heb ook wel eens
+zoo iets gedacht ...</p>
+
+<p>&mdash;Jawel, dat begrijp ik! ging hij kalm door, als wist hij dat wel. Nu:
+ik geloof, dat de anderen ons niet zouden vatten, omdat wij alleen hier
+sympathieke cirkels hebben. Maar mijn kring is van een veel inferieurder
+substantie dan de uwe, die heel mooi is.</p>
+
+<p>Ze zweeg we&ecirc;r, ze dacht aan hare antipathie voor hem: voelde ze die nu
+wel?</p>
+
+<p>&mdash;Wat denkt u er van? vroeg hij.</p>
+
+<p>Ze zag op, hare witte vingers trilden in de tulle van haar schoot. Zij
+poogde vaag te glimlachen.</p>
+
+<p>&mdash;U gaat te ver, geloof ik! stamelde zij.</p>
+
+<p>&mdash;U vind, dat ik dweep?</p>
+
+<p>Zij had iets als ja willen zeggen, zij kon niet.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, antwoordde zij. Dat niet ...</p>
+
+<p>&mdash;Ik verveel u...?</p>
+
+<p>Zij zag hem aan, diep in zijne oogen. Zij knikte van neen. Zij had iets
+willen zeggen, dat hij te weinig conventioneel sprak op dit oogenblik,
+zij kon dat ook niet. Door haar geheele wezen smolt eene zachtheid. De
+tafel, die menschen, dat geheele diner, scheen haar door een waas van
+licht. Toen zij zich we&ecirc;r geheel bewust was, zag zij, dat aan den
+overkant eene dame zat, wier blik haar vast aanzag en zich nu uit
+beleefdheid afwendde. Zij wist niet wat het haar schelen kon, maar ze
+vroeg aan Quaerts:</p>
+
+<p>&mdash;Wie is toch die dame, daar, in het lichtblauw, met dat donkere haar?</p>
+
+<p>En zij zag, dat hij schrikte.</p>
+
+<p>&mdash;Dat is de jonge mevrouw Hijdrecht! sprak hij toen, rustig, een beetje
+hoog.</p>
+
+<p>Ook zij ontstelde nu; zij werd bleek, hare vingers sloegen zenuwachtig
+den waaier op en ne&ecirc;r.</p>
+
+<p>Hij had den naam gezegd van haar, die zijne ma&icirc;tresse werd genoemd.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="III"></a><h2>III.</h2>
+<br>
+
+<p>Toen was het Cecile alsof het gebroken was, dat teedere, dat broze, die
+zeepbel. Ze dacht of hij wellicht tegen die vrouw met het donkere haar
+ook gesproken had over cirkels van sympathie. Zoodra zij kon, nam Cecile
+mevrouw Hijdrecht op. Zij had een warm teint van mat goud, donkere
+brandende oogen, een mond als van frisch bloed. Zij was laag
+gedecolleteerd; haar hals en de glooiing van heur borst vertoonden zich
+brutaal mooi, zinnelijk vol. Een enkele ris diamanten omvatte haar nek
+in een nauw snoer van blank gevlam.</p>
+
+<p>Cecile voelde een malaise. Het scheen haar toe of ze met vuur speelde.
+Zij wendde haar blik van de jonge vrouw af en zag Quaerts aan,
+magnetisch gedwongen. Zij zag, dat er eene melancholie heentrok over het
+bovenste gedeelte van zijn gelaat: zijn voorhoofd en zijne oogen, waarin
+soms iets ouds was. En zij hoorde hem zeggen:</p>
+
+<p>&mdash;Wat kon u nu de naam van die dame schelen; we waren juist in zoo een
+mooi gesprek ...</p>
+
+<p>Ook zij voelde zich nu treurig. Treurig om haar gebarsten zeepbel.
+Waarom, wist ze niet, maar ze had medelijden met hem: plotseling, diep,
+zielediep medelijden.</p>
+
+<p>&mdash;We kunnen ons gesprek hervatten! zeide zij zacht.</p>
+
+<p>&mdash;Ach neen, laten we liever niet opnemen, waar we gebleven zijn! hernam
+hij, quasi luchtig. Ik word lang van stof ...</p>
+
+<p>En hij sprak over andere zaken. Zij antwoordde weinig, en hun gesprek
+kwijnde. Beiden hielden zij zich met hunne buren bezig. Het diner liep
+ten einde. Mevrouw Hoze rees op, nam den arm van den heer naast haar. De
+generaal geleidde Cecile naar den salon, door het langzaam voortwandelen
+der anderen heen.</p>
+
+<p>De dames bleven alleen; de heeren gingen met den jongen Hoze rooken. En
+Cecile zag mevrouw Hoze naar haar toe komen. Zij vroeg of ze zich niet
+verveeld had aan haar diner, zij gingen samen zitten, in een
+vertrouwelijk t&ecirc;te-&agrave;-t&ecirc;te.</p>
+
+<p>Cecile dwong zich mevrouw Hoze te antwoorden, maar gaarne was ze ergens
+zachtjes gaan weenen, omdat alles zoo gauw voorbij ging, omdat de stip
+van het heden zoo klein was. Voorbij alwe&ecirc;r, de lieve bekoring van hun
+beider gesprek over sympathie aan dat diner van zoo even: eene broze
+intimiteit te midden der wereldsche schijnsels om hen heen. Voorbij,
+dat oogenblik, en nooit, n&oacute;oit zo&ucirc; het we&ecirc;r terug komen: het leven
+overstroomde het met zijn verder-vloeien als met een water, dat alles
+uitwischte. O, de melancholie dat te bedenken; te bedenken hoe gauw,
+als een geur, die niet te grijpen is, alles vervliegt, dat lief is ...</p>
+
+<p>Mevrouw Hoze verliet haar; Suzette van Attema kwam Cecile aanspreken.
+Ze was in het roze en ze tintelde van iets schitterends, alsof er veel
+stofgoud over haar heen was gevallen, over hare bewegingen, hare oogen,
+hare woorden. Zij sprak druk met Cecile, vertelde lange verhalen
+waarnaar Cecile niet altijd luisterde. Op eens hoorde Cecile, door
+Suzette's gekakel heen, achter zich twee vrouwenstemmen, fluisterend en
+vertrouwelijk: zij verstond slechts ten deele:</p>
+
+<p>&mdash; ...Emilie Hijdrecht, daar ...</p>
+
+<p>&mdash; ...Praatjes misschien en mevrouw Hoze schijnt er zich niet aan te
+storen.</p>
+
+<p>&mdash; ...O, ik weet het zeker!</p>
+
+<p>De stemmen verloren zich in het gegons der anderen. Cecile ving alleen
+nog even een klank als den naam van Quaerts op. Maar Suzette vroeg
+eensklaps:</p>
+
+<p>&mdash;Kent u de jonge mevrouw Hijdrecht, tante?</p>
+
+<p>&mdash;Neen.</p>
+
+<p>&mdash;Daar, met die diamanten. U weet, ze zeggen van Quaerts. Mama gelooft
+het niet. Hij is anders wel een flirt. U heeft naast hem gezeten?</p>
+
+<p>In de geheimste snaren van haar sensitivisme leed Cecile zeer. Zij trok
+zich geheel en al terug in zichzelve; zij deed alle moeite iets anders
+te schijnen dan zij was. Suzette merkte niets van haar malaise.</p>
+
+<p>De heeren kwamen we&ecirc;r binnen. Cecile lette op of Quaerts mevrouw
+Hijdrecht zo&ucirc; aanspreken. Maar hij nieerde haar geheel en zelfs, toen
+hij Suzette naast Cecile zag, wendde hij zich tot haarbeiden, om met
+Suzette, wie hij nog niet gesproken had, te schertsen.</p>
+
+<p>En het was Cecile een verlichting, toen zij kon vertrekken. Zij snakte
+naar eenzaamheid; zij had zich geheel en al verloren, zij smachtte er
+naar zich terug te vinden. In haren coup&eacute; dorst zij bijna niet ademen,
+bang voor iets, dat zij niet had kunnen zeggen. Thuis gekomen voelde zij
+eene lauwe loomte, die haar als verlamde en zij sleepte zich de trap op,
+naar hare kleedkamer.</p>
+
+<p>En toch, op die trap, als van de zoldering van heur thuis, viel als een
+waas van beschermende veiligheid over haar heen. Langzaam steeg zij,
+heur hand, die den langen handschoen vasthield, telkens drukkende op de
+fluweelen leuning der trap. Het was haar of ze flauw zo&ucirc; vallen.</p>
+
+<p>&mdash;Maar, mijn God ... ik ho&ucirc; van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief!
+fluisterde zij, in eene plotselinge zelfverbazing, tusschen hare bevende
+lippen in.</p>
+
+<p>Het was als een rythme van verwondering, waarop ze, mo&ecirc;, hooger de trap
+op ging, hooger en hooger, in eene stille overrassing van plotselingen
+lichtschijn.</p>
+
+<p>&mdash;Maar ik ho&ucirc; van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief!</p>
+
+<p>Het klonk door hare vermoeidheid heen als eene melodie.</p>
+
+<p>Ze had nu hare kleedkamer bereikt, waar Greta het gas had opgestoken: ze
+sleepte zich naar binnen. De deur der kinderslaapkamer stond half open;
+ze ging er even in, sloeg den gordijn van Christie's bedje op, zonk ne&ecirc;r
+op hare knie&euml;n en zag naar het kind. Het ontwaakte half, nog in een
+lauwen dommel; het kroop een beetje uit de lakens, lachte, sloeg zijne
+handjes om Cecile's blooten hals.</p>
+
+<p>&mdash;Mama-te!</p>
+
+<p>Zij knelde hem vast tegen zich aan in de omhelzing harer tengere, witte
+armen; ze zoende hem op zijn frambozenmondje, op zijne lodderige oogjes,
+en intusschen zong het voort in haar hart, dwars door hare vermoeidheid
+heen, die haar als brak, daar, voor het bed van haar kindje:</p>
+
+<p>&mdash;Maar ik ho&ucirc; van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief, lief, lief ...</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="IV"></a><h2>IV.</h2>
+<br>
+
+<p>Mysterie! Het was in eens, daar op die trap, voor haar opengestraald in
+hare ziel, als eene groote bloem van licht, mystieke roos met glanzende
+bladen, die zij nu, in eens, in het gouden hart zag. Dat was niet meer
+te analyzeeren, zooals zij altijd zoo gaarne deed, dat was het Raadsel
+der Liefde, het eeuwige Raadsel, dat in haar opengestraald was,
+doorschietende met zijne stralen geheel de wijdte harer ziel, waarin het
+midden-in ontloken was als eene zon in een heelal; daar was niet meer
+aan te vragen: waarom, waarom; daar was niet meer over te peinzen en
+droomen, dat was alleen &aacute;an te nemen als het onverklaarbare
+zielefenomeen; dat was een Schepping van Gevoel, waarvan de god, die
+geschapen had, evenmin &oacute;oit zo&ucirc; zijn te vinden in de intime essence
+zijner waarheid, als de God te vinden was, die de wereld had geschapen
+uit den chaos. Dat was het Licht, brekende uit de Duisternis, dat was de
+hemel, ontsloten boven de aarde!</p>
+
+<p>En dat bestond, dat was realiteit en geen sprookje! Want dat was geheel
+en al in haar; eene plotseling onloochenbare, bliksemsnel uitgeschoten,
+Waarheid, een Feit van Voelen, zoo re&euml;el in zijne etherische
+lichaamloosheid, dat het haar toescheen, of zij, v&oacute;or dit oogenblik,
+nooit had geweten, had gedacht, had gevoeld. Dat was het begin: aanvang
+van haarzelve, dageraad van haar zielleven, heilig mirakel der
+onbevlekte geboorte van Liefde, midden-in, in hare ziel, als haar
+zonne-middenpunt.</p>
+
+<p>En zij leefde de dagen, die kwamen, in hare zelfverwondering voort,
+dwalende door haar gedroom als door een nieuw land, waar veel licht
+scheen, met verre, in licht verbleekte landschappen, die waren als
+luchtverhevelingen, in glanstrillingen sidderende aan den horizont. Het
+was haar of ze, als een vrome, blijde pelgrim, langs oazen van paradijs
+naar die verre oorden voorttoog, om d&aacute;ar te vinden nog meer: het Doel
+harer reize ... Kort geleden nog had zij weinig voor zich gezien&mdash;hare
+kinderen weg, hare eenzaamheid om zich heen als een nacht&mdash;en nu, nu zag
+ze voor zich een langen weg, een wijde kim, wegglansend in licht, alles
+licht ...</p>
+
+<p>Dat w&agrave;s, dat alles w&agrave;s! Dat was geen mooie leugen van dichters; het
+bestond, het straalde in haar hart als een heilig juweel, als eene
+mystieke roos met meeldraden lichts! En frischheid, als een dauw, viel
+over haar ne&ecirc;r, op geheel het leven: op het leven der zinnen; het leven
+der uiterlijke schijnsels; op het leven der ziel; het leven der
+in-waarheid. De wereld was nieuw, frisch van nieuwen dauw, de wereld was
+het Eden van Genesis en hare ziel zelve was eene ziel van nieuwheid, uit
+zich herboren, in eene metempsychoze van meer volmaking, van dichter
+genaken tot het doel, dat verre Doel, d&aacute;ar v&egrave;r weg, als eene onzichtbare
+god verscholen in de heiligheid van zijne lichtextaze, als in de
+uitstraling van zichzelven.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="V"></a><h2>V.</h2>
+<br>
+
+<p>Cecile was enkele dagen niet uitgegaan en zij had niemand gezien; op een
+morgen ontving zij een briefje; het luidde:</p>
+<br>
+
+<p>Mevrouw!</p>
+
+<p>Ik weet niet of u mijn mystieke woorden heeft kwalijk genomen. Ik weet
+niet juist meer wat ik gezegd heb, maar ik herinner me hoe u tot me zei
+dat ik te ver ging. Ik hoop dat u om dat te ver gaan niet boos is. Het
+zo&ucirc; mij een groot geluk zijn, zoo ik u mocht komen zien. Mag ik hopen,
+dat u me toestaat u van middag een bezoek te komen brengen?</p>
+
+<p>Met mijn eerbiedigste groeten,</p>
+
+<p>QUAERTS.</p>
+<br>
+
+<p>Daar men op antwoord wachtte, schreef zij dadelijk terug:</p>
+<br>
+
+<p>Geachte Heer!</p>
+
+<p>Het zal mij aangenaam zijn u vanmiddag te ontvangen.</p>
+
+<p>CECILE VAN EVEN.</p>
+<br>
+
+<p>Toen zij daarop alleen was las ze zijn briefje over en nog eens over,
+bezag zij met een glimlach het papier, bezag zij de letters van het
+schrift.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe vreemd! dacht ze. Dat briefje, en dat dit alles zoo is. Wat is
+alles vreemd, alles, alles!</p>
+
+<p>Lang bleef zij droomen, het briefje in de hand. Toen vouwde zij het met
+zorg dicht; zij stond op, liep de kamer op en ne&ecirc;r, zocht met hare fijne
+vingers in een coupe vol visitekaartjes en nam er twee uit, die zij lang
+bezag. Quaerts ... Die naam had een anderen klank dan vroeger ... Hoe
+vreemd dat alles! En ze sloot eindelijk het briefje en de twee kaartjes
+weg in een klein, le&ecirc;g loketje van hare schrijftafel.</p>
+
+<p>Zij wilde thuis blijven en liet de kinderen wandelen met de kindermeid.
+Zij hoopte, dat er geene andere visite komen zo&ucirc;, noch mevrouw Hoze,
+noch de Van Attema's. En voor zich uit turende dacht zij na, lang, lang
+na. Er was zooveel, dat ze niet begreep: eigenlijk begreep ze niets.
+Wat haarzelve betrof, zij had hem lief gekregen, dat was niet meer te
+doorgronden, dat was alleen aan te nemen. Maar hij, hoe was hij en wat,
+wat was er in hem?</p>
+
+<p>Hare antipathie in den aanvang? Sport ... hij deed veel aan sport,
+herinnerde zij zich ... Zijne visite, die eene indiscretie was geweest ...
+Hij scheen dat nu te willen goed maken en haar niet meer te komen
+bezoeken zonder hare toestemming. Zijn mystiek gesprek aan dat diner ...
+En mevrouw Hijdrecht ...</p>
+
+<p>&mdash;Wat is hij vreemd, dacht ze. Ik begrijp hem niet. Maar ik heb hem
+lief; ik kan niet anders. Lief lief ... wat vreemd dat dat bestaat! Ik
+wist nog niet, dat dat bestond! Ik ben niet meer mezelve: ik word een
+ander! Wat zo&ucirc; hij van mij willen...? En hoe zonderling: ik ben getrouwd
+geweest, ik heb twee kinderen? Wat zonderling, dat ik twee kinderen heb!
+Het is me of dat niet zoo is. Ach, en ik ho&ucirc; toch zoo van ze, mijn
+ventjes! Maar d&agrave;t, dat is zoo mooi, zoo helder, zoo doorzichtig, alsof
+d&aacute;t alleen de waarheid is. Misschien is liefde alleen de waarheid ...
+Het is alsof alles kristal in en om me wordt!</p>
+
+<p>Zij zag om zich heen en het verwonderde haar, het hinderde haar, dat
+in die dagen hare omgeving de zelfde was gebleven: de rozenhouten
+meubeltjes, de plooien der behangsels, het dorre boomlandschap van den
+Scheveningschen weg daar buiten. Maar het sneeuwde, stil en zacht, met
+langzame, groote vlokken, die zwaar ne&ecirc;rvielen of zij de wereld wilden
+rein maken. Die sneeuw was frisch en nieuw, maar toch was die sneeuw
+niet de eigenlijke natuur voor haar, die steeds hare verre landschappen
+zag, als fata morgana's, sidderend in trillingen van licht.</p>
+
+<p>Om vier uur trad hij binnen. Zij zag hem dus nu voor den eersten keer na
+de zelfkennis, die door haar was geschoten, als eene verwondering. En
+toen hij binnentrad voelde zij de zonderling zalige gewaarwording, dat
+hij zich voor haar vergoedde, dat hij zich volmaakte voor hare
+verbeelding, dat alles in hem goed was. Nu hij daar voor haar gezeten
+was, zag zij hem voor het eerst, en zij zag, dat hij mooi was. De kracht
+van zijn lichaam verheerlijkte zich tot de kracht van een jongen god,
+breed toch slank, en gespierd als met de marmeren spieren van een beeld,
+vreemd dat alles onder de moderniteit van zijn half gekleed kostuum.
+Voor het eerst zag ze zijn gelaat, zag ze het geheel en al. De snit
+ervan was Romeinsch, als van een keizerskop, met zijn zinnelijk profiel,
+zijn kleinen, vollen mond, levend rood onder het goudbruin van zijn
+kroessnor. Laag het voorhoofd&mdash;het haar zeer kort geknipt, als een rond
+zwart vlies&mdash;, en over dat voorhoofd, met zijn enkele groef, eene
+treurigheid als een waas van ouderdom, vreemd in tegenstelling met de
+wulpsche jeugd van zijn mond en kin. En dan zijne oogen, die zij reeds
+kende, zijne oogen van geheimenis, klein en diep liggend, met de diepte
+van hunne pupil, die zich nu scheen te sluieren en dan we&ecirc;r openblonk.</p>
+
+<p>Maar het vreemdste was, dat van geheel zijn mooi, van geheel zijn wezen,
+van geheel zijn zitten daar, met zijne handen gevouwen tusschen zijne
+knie&euml;n, een magnetisme tot haar uitging, dat haar als tot hem trok,
+onwederstaanbaar, als was ze, in eens, van haar eerste moment van
+zelfkennis af, zijn ding geworden, dat hem in alles zo&ucirc; dienstbaar zijn.
+Zij voelde dat magnetisme haar zoo hevig aantrekken, dat alles in haar
+smolt tot loomheid en zwakte. Eene zwakte, als zo&ucirc; hij haar kunnen nemen
+en wegdragen, ergens heen, waar hij wilde; eene zwakte, als had zij
+geene eigen gedachte meer, als was ze niets dan h&egrave;m geworden.</p>
+
+<p>Dit voelde zij intens en toen, toen was het &aacute;llervreemdste, dat hij daar
+zitten bleef als op een afstand van eerbied, dat zijn oog tot haar opzag
+met eerbied, dat zijne stem klonk in eerbied. Toen was het
+&aacute;llervreemdste, dat zij hem beneden zich zag, terwijl zij hem boven zich
+voelde; dat zij zijne mindere wilde zijn en hij haar eene hoogere scheen
+te achten. Zij wist niet hoe zij dit alles in eens zoo intens doordrong,
+maar zij dr&ograve;ng het door en het was de eerste pijn, die haar om heure
+liefde trof.</p>
+
+<p>&mdash;U is toch wel lief, dat u niet boos op me is! begon hij.</p>
+
+<p>In zijne stem klonk vaak iets vleiends; ze was niet helder en zelfs nu
+en dan wat gebroken, maar dit gaf er juist eene bekoring van timbre aan.</p>
+
+<p>&mdash;Waarom? vroeg ze.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben ten eerste indiscreet geweest met mijn visite. Ten tweede ben
+ik ongalant geweest op het diner van mevrouw Hoze.</p>
+
+<p>&mdash;Een heel zondenregister! lachte zij.</p>
+
+<p>&mdash;Zeker! ging hij voort, en u is wel goed dit alles niet kwalijk te
+nemen.</p>
+
+<p>&mdash;Misschien heb ik dat niet gedaan omdat ik altijd zooveel goeds van u
+hoor bij Dolf.</p>
+
+<p>&mdash;Heeft u nooit iets vreemds in Dolf gezien? vroeg hij.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, wat dan?</p>
+
+<p>&mdash;Heeft het u nooit gefrappeerd, dat hij meer oog heeft voor de groote
+ensembles van politieke vraagstukken, dan voor de d&eacute;tails van zijn eigen
+omgeving?</p>
+
+<p>Zij zag hem aan, glimlachend verbaasd.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, zeide zij. Dat merkt u juist op. U kent hem goed.</p>
+
+<p>&mdash;O, we kennen elka&acirc;r al lang, van jongens af. Het is curieus: hij ziet
+nooit de dingen, die vlak bij hem liggen; hij doordringt ze niet. Hij is
+intellectueel v&eacute;rziende.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, beaamde zij.</p>
+
+<p>&mdash;Hij kent zijn vrouw niet, zijn dochters niet en Jules niet. Hij
+begrijpt niet wat er in ze is. Hij maakt zich van ieder vaste beeldjes
+en zet die in zijn geest vast, en die beeldjes vormt hij naar twee
+karaktertrekken, die vooruitspringen en elka&acirc;r wat opbouwen en afbreken.
+Mevrouw Van Attema schijnt hem een coeur d'or, m&agrave;ar onpractisch: en
+daarme&ecirc; uit. Jules: een muzikaal genie, m&agrave;ar een onhandelbare jongen:
+uit.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, hij denkt niet ver na over karakters, zeide zij. Want er is nog
+veel meer in Am&eacute;lie ...</p>
+
+<p>&mdash;En Jules heeft hij heelemaal mis! meende Quaerts. Jules is zeer
+handelbaar en niets geniaal. Jules is niets dan aanhankelijkheid met wat
+rudimentair talent. En u, ... u heeft hij ook mis!</p>
+
+<p>&mdash;Mij?</p>
+
+<p>&mdash;Geheel en al! Weet u hoe hij u vindt?</p>
+
+<p>&mdash;Neen.</p>
+
+<p>&mdash;Hij vindt u,&mdash;laat me dit vooraf zeggen,&mdash;z&eacute;er, zeer sympathiek en een
+lief mama-tje voor haar jongens. Maar hij meent verder, dat u onbekwaam
+is heel veel van iemand te houden; hij vindt u een vrouw zonder passie
+en melancholiek zonder reden, alleen uit wat verveling. Hij denkt, dat u
+zich verveelt!</p>
+
+<p>Zij zag hem geheel en al ontsteld aan, en ze zag hem ondeugend lachen.</p>
+
+<p>&mdash;Ik verveel me nooit! sprak ze, ook lachend en met volle overtuiging.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, natuurlijk niet! antwoordde hij.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe weet <i>u</i> dat! vroeg ze.</p>
+
+<p>&mdash;Dat voel ik, hernam hij. En ik voel nog meer. Ik weet ook, dat het
+fond van uw karakter niet melancholiek is, niet donker, maar heel licht.</p>
+
+<p>&mdash;Dat weet ik zelf zoo niet! murmelde zij bijna, loom, met die zwakte in
+haar, gelukkig, dat hij haar zoo doorzag. En, ging zij, heel luchtigjes,
+voort, zo&ucirc; u ook gelooven, dat ik niet in staat ben veel van iemand te
+houden?</p>
+
+<p>&mdash;Dat is nu iets, dat <i>ik</i> niet weet! zeide hij, met zooveel
+oprechtheid, dat zijn geheele gelaat zich in eens verjeugdigde en de
+groef van zijn voorhoofd weg was. Dat weet <i>ik</i> niet.</p>
+
+<p>&mdash;U weet anders wel veel van me! schertste zij.</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb u al zoo dikwijls gezien.</p>
+
+<p>&mdash;Nauwlijks vier maal!</p>
+
+<p>&mdash;Dat is heel veel!</p>
+
+<p>Zij lachte helder.</p>
+
+<p>&mdash;Is d&agrave;t nu galant? vroeg ze vroolijk.</p>
+
+<p>&mdash;Het is zoo bedoeld, sprak hij terug. U weet niet hoeveel het voor me
+is, als ik u zie.</p>
+
+<p>Het was veel voor hem haar te zien! En zij voelde zichzelve zoo klein,
+zoo weinig, en hem zoo groot, zoo veel. Wat sprak hij beslist, wat wist
+hij dat alles zeker! Ze was er bijna treurig om, dat hij zooveel vond in
+eene enkele maal haar te zien. Hij stelde haar te hoog; zij wenschte
+niet zoo hoog gesteld te worden.</p>
+
+<p>En dat teeder-broze hing we&ecirc;r tusschen hen, zooals het aan het diner
+tusschen hen gehangen had. Daar was het gebroken door &eacute;en ongelukkig
+woord, o, dat het nu toch niet zo&ucirc; breken!</p>
+
+<p>&mdash;Laten we nu eens over <i>u</i> spreken! zeide zij met eene aangenomen
+luchtigheid. Weet u wel, dat u alle moeite doet mij te doorgronden, en
+dat ik niets weet van u! Dat is niet eerlijk.</p>
+
+<p>&mdash;Als u wist, hoeveel ik u al gegeven heb. Ik geef me u geheel en al:
+voor anderen verberg ik me altijd.</p>
+
+<p>&mdash;Waarom?</p>
+
+<p>&mdash;Omdat ik bang voor die anderen ben!</p>
+
+<p>&mdash;<i>U</i> bang?</p>
+
+<p>&mdash;Zeker. U vindt, dat ik er niet naar uit zie om bang te zijn? Ik bezit
+iets ...</p>
+
+<p>Hij aarzelde.</p>
+
+<p>&mdash;Nu? vroeg ze.</p>
+
+<p>&mdash;Ik bezit iets, dat me heel dierbaar is en waarvoor ik heel bang ben,
+dat de menschen het zullen aanraken.</p>
+
+<p>&mdash;En wat is dat?</p>
+
+<p>&mdash;Mijn ziel. En ik ben niet bang, dat u d&agrave;t zal aanraken want u zal het
+geen pijn doen. Integendeel: het voelt zich juist heel veilig bij u.</p>
+
+<p>Ze had hem we&ecirc;r, werktuigelijk, zijne vreemdheid willen verwijten: zij
+kon niet. Maar hij ried hare gedachte.</p>
+
+<p>&mdash;U vindt me een heel zonderling mensch, niet waar? Ik kan niet anders
+zijn tegenover u!</p>
+
+<p>Zij voelde hare liefde zich in haar hart als uitspannen, het als
+verwijden tot alomwijdte in haar. Haar liefde was als eene ruimte,
+waarin hij dwaalde.</p>
+
+<p>&mdash;Ik begrijp u nog niet, ik ken u nog niet! sprak ze zachtjes. Ik zie u
+nog niet ...</p>
+
+<p>&mdash;Zo&ucirc; u er &eacute;enigszins belang in stellen mij te zien?!</p>
+
+<p>&mdash;Zeker.</p>
+
+<p>&mdash;Mag ik u dan van mij vertellen? Ik zo&ucirc; het gaarne doen, het zo&ucirc; mij
+een groot geluk zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Ik zal heel graag naar u hooren.</p>
+
+<p>&mdash;Een vraag vooraf: u houdt niet van menschen, die aan sport doen?</p>
+
+<p>&mdash;Zeker wel; ik ho&ucirc; er veel van krachtsontwikkeling te zien, als ik er
+zelve buiten ben. Daarom ho&ucirc; ik ook van naar een storm te hooren, als ik
+zelve thuis ben. En ik kijk zelfs heel gaarne naar acrobaten.</p>
+
+<p>Hij lachte even.</p>
+
+<p>&mdash;Die sport was u toch in mij antipathiek?</p>
+
+<p>&mdash;Waarom denkt u dat?</p>
+
+<p>&mdash;Dat heb ik gevoeld.</p>
+
+<p>&mdash;U voelt alles! zeide zij, bijna bang. U is een gevaarlijk mensch,
+hoor.</p>
+
+<p>&mdash;Dat denken er heel veel. Mag ik u zeggen, waarom ik geloof, dat mijn
+sport u antipathiek was?</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>&mdash;Omdat u dien niet in <i>mij</i> begreep; ook al zag u me misschien aan, dat
+ik er veel aan doe.</p>
+
+<p>&mdash;Ik begrijp u in het geheel niet.</p>
+
+<p>&mdash;Juist ... Maar laat me toch niet zoo over mezelven praten; ik praat
+liever over u.</p>
+
+<p>&mdash;En ik liever over u. Wees dus nu voor de eerste maal galant tegenover
+me en spreek ... over uzelven.</p>
+
+<p>Hij boog met een lachje.</p>
+
+<p>Als u me dan niet pedant vindt.</p>
+
+<p>&mdash;Ach wel neen. U zo&ucirc; me van u vertellen. U begon met te spreken over
+sport ...</p>
+
+<p>&mdash;U helpt me op den goeden weg ... Zo&ucirc; u kunnen begrijpen, dat er twee
+menschen in me zijn?</p>
+
+<p>&mdash;Twee menschen?...</p>
+
+<p>&mdash;Ja. Mijn ziel, die ik beschouw als mijn eigenlijke mensch en dan ...
+dan nog iets anders.</p>
+
+<p>&mdash;En wat is dat andere?</p>
+
+<p>&mdash;Iets leelijks, iets gemeens, iets brutaal primitiefs. Het beest, in
+een woord.</p>
+
+<p>Zij haalde lichtjes hare schouders op.</p>
+
+<p>&mdash;Wat maakt u uzelven zwart. Zoo iets is er in iedereen!</p>
+
+<p>&mdash;Ja maar, mij hindert het meer dan ik u zeggen kan. Ik lijd er onder;
+dat beest doet mijn ziel pijn, nog meer pijn, dan de heele wereld haar
+pijn doet. En weet u nu waarom ik me vooral bij u voel, alsof ik veilig
+ben? Omdat ik bij u dat beest niet voel ... Laat mij nog even praten,
+laat me even biechten, het doet me zoo weldadig aan, u dat alles te
+vertellen. U dacht, dat ik u maar viermaal gezien heb? Maar ik heb u zoo
+dikwijls gezien, vroeger, in de comedie, op straat, overal. Het was me
+altijd wel vreemd, dat ik u zag in het leven. En als ik dan naar u keek,
+dan voelde ik iets, alsof ik tot iets mooiers werd opgenomen. Ik kan het
+niet beter uitleggen. Er is iets in uw gezicht, in uw oogen, in uw
+bewegingen, ik weet niet wat, maar iets beters dan in andere menschen,
+iets, dat, heel welsprekend, alleen tot mijn ziel sprak. Dat alles is
+zoo fijn en zoo vreemd; ik kan daar nauwlijks duidelijker over praten.
+Maar u zal we&ecirc;r vinden, dat ik te ver ga, niet waar? Of dat ik dweep?</p>
+
+<p>&mdash;Ik zo&ucirc; zeker nooit gedacht hebben dat u zoo een idealist, en zoo een
+sensitivist was, sprak Cecile zacht.</p>
+
+<p>&mdash;Mag ik wel zoo tot u spreken?</p>
+
+<p>&mdash;Waarom niet? vroeg zij, om niet te behoeven te antwoorden.</p>
+
+<p>&mdash;Omdat u misschien bang is, dat ik u zo&ucirc; kunnen compromitteeren ...</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben daar geen oogenblik bang voor! hernam zij hoog, als minachtende
+de menschen.</p>
+
+<p>Zij zwegen even. Dat teeder-broze, dat zoo licht breken kon, hing nog
+tusschen hen, fijn, als een herfstdraad, die hen vereenigde. Eene
+atmosfeer van verlegenheid was om hen. Zij voelden, dat er
+beteekenisvolle woorden tusschen hen gewisseld waren. Cecile wachtte
+even, tot hij we&ecirc;r spreken zo&ucirc;. Maar, toen hij zwijgen bleef, begon zij,
+dapper:</p>
+
+<p>&mdash;Ik stel het op hooge waarde, dat u zoo tot me gesproken heeft. U heeft
+gelijk: u heeft me wel heel veel van u gegeven. Ik wo&ucirc; u nu verzekeren,
+dat alles wat u me gegeven heeft, heel veilig bij me zal zijn. En ik
+geloof, dat ik u nu beter begrijp, dat ik u beter zie.</p>
+
+<p>&mdash;Ik zo&ucirc; u gaarne iets vragen, maar ik durf niet! sprak hij.</p>
+
+<p>Zij glimlachte om hem aan te moedigen.</p>
+
+<p>&mdash;Neen heusch, ik durf niet! herhaalde hij.</p>
+
+<p>&mdash;Wil ik er dan naar raden? schertste Cecile.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, wat denkt u?</p>
+
+<p>Zij zag even de kamer rond, toen naar het kleine tafeltje met de boeken.</p>
+
+<p>&mdash;Emersons Essays? ried ze ten laatste.</p>
+
+<p>Maar Quaerts schudde zijn hoofd en lachte.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, dank u! sprak hij. Die heb ik me al aangeschaft. O, neen, ik zo&ucirc;
+u veel meer willen vragen dan een boek te leen.</p>
+
+<p>&mdash;Wees dan dapper en vraag het! schertste Cecile voort.</p>
+
+<p>&mdash;Ik durf niet! herhaalde hij. Ik zo&ucirc; het ook niet onder woorden kunnen
+brengen.</p>
+
+<p>Ze zag hem ernstig aan, in zijne oogen, die haar geheel openblonken, en
+toen sprak ze:</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet, wat u me vragen wil, maar ik zal het niet zeggen. Dat moet
+<i>u</i> doen: z&oacute;ek dus uw woorden.</p>
+
+<p>&mdash; Als u het dan weet, vergunt u me dan het u te zeggen?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, want als ik het go&egrave;d weet, is het niets wat u niet zo&ucirc; kunnen
+vragen.</p>
+
+<p>&mdash;Het zo&ucirc; toch een heele groote gunst zijn ... Want laat me u vooraf
+zeggen, dat ik me geheel en al als iemand van lager orde beschouw dan u!</p>
+
+<p>Eene schaduw waasde over heur gelaat; haar mond had een trekje van pijn,
+en ze drong hem, lichtjes ontzenuwd:</p>
+
+<p>&mdash;Toe, vraag het nu. Eenvoudig weg.</p>
+
+<p>&mdash;Zo&ucirc; u dan sympathie met me willen sluiten? Zo&ucirc; u me willen toestaan
+bij u te komen, als ik me ongelukkig voel? Ik voel me bij u altijd zoo
+gelukkig, zoo mooi, zoo anders dan in het gewone leven, want ik leef bij
+u alleen mijn eene mensch, mijn eigenlijke, u weet wel.</p>
+
+<p>Alles smolt we&ecirc;r in haar tot loome zwakte; o, hij stelde haar te hoog,
+en ze was heel gelukkig om wat hij vroeg, maar treurig, dat hij zich zoo
+minder voelde dan zij.</p>
+
+<p>&mdash;Goed! sprak zij toch met eene stem van klank. Laten we sympathie
+sluiten.</p>
+
+<p>En zij stak hem hare hand toe, hare mooie, witte, lange hand, met aan
+dien e&eacute;nen vinger de witte en blauwe vonkjes van juweel, en hij drukte
+de tippen dier vingers even heel eerbiedig tusschen de zijne.</p>
+
+<p>&mdash;Dank u! sprak hij zacht met zijne stem; die wat gebroken was.</p>
+
+<p>&mdash;Is u dikwijls ongelukkig? vroeg Cecile.</p>
+
+<p>&mdash;Altijd ... antwoordde hij, bijna nederig en verlegen, dat hij dit
+zeggen moest. Ik weet niet, wat dat is; ik ben altijd zoo geweest. En
+van kind af aan, heb ik toch veel bezeten, dat de menschen geluk noemen.
+Maar toch, toch ... Ik lijd door mezelven. Ik doe mezelven het meeste
+pijn. En daarna de wereld ... en ik moet me altijd verbergen. Ik geef aan
+de wereld alleen een meneer, die paard rijdt en schermt en jaagt, een
+meneer, die in de wereld komt en gevaarlijk is voor jonge vrouwen ... Hij
+lachte met zijn slecht lachje en hij keek haar schuin in de oogen; zij
+bleef kalm naar hem opzien.</p>
+
+<p>&mdash;Verder geef ik ze niets, aan die menschen. Ik haat ze; ik ben niet als
+zij, Goddank!</p>
+
+<p>&mdash;U is te trotsch! sprak Cecile. Ieder van die menschen heeft we&ecirc;r zijn
+verdriet, evenals u; de een lijdt wat fijner, en de ander wat grover,
+maar ze lijden allemaal. En daarom staan ze u allemaal nabij.</p>
+
+<p>&mdash;Ieder op zichzelf, misschien! Maar zoo zie ik ze niet, ik zie ze en
+bloc en zoo haat ik ze. U dan niet?</p>
+
+<p>&mdash;Neen, zeide zij kalm. Ik geloof niet, dat ik haten kan.</p>
+
+<p>&mdash;U is heel sterk, in uzelve. U heeft aan uzelve genoeg.</p>
+
+<p>&mdash;O neen, dat niet, heusch niet, maar u ... u is onrechtvaardig tegenover
+de wereld.</p>
+
+<p>&mdash;Mogelijk: ze doet me ook altijd pijn. Alleen bij u, daar vergeet ik,
+dat ze bestaat, die wereld daar buiten. Begrijpt u nu, waarom ik u zoo
+ongaarne bij mevrouw Hoze zag? Het was me of u zich verlaagd had. En
+om ... om dit vreemde, dat ik in u zag, heb ik ook niet vroeger uw
+kennismaking gezocht. Die kennismaking moest noodlottig gebeuren; daarom
+wachtte ik maar ...</p>
+
+<p>Het Noodlot, wat zo&ucirc; het haar brengen? dacht Cecile. Maar ze kon niet
+doordenken: het was haar of ze maar droomde van heele mooie, fijne
+dingen, die niet bestonden bij andere menschen en alleen zweefden
+tusschen henbeiden, en die mooie dingen w&aacute;ren er al: zij behoefde ze
+zich niet meer als illuzie te bespiegelen: het was of zij de toekomst
+had ingehaald! Een kort oogenblik slechts dit geluk; toen we&ecirc;r voelde
+zij pijn, om zijn eerbied.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="VI"></a><h2>VI.</h2>
+<br>
+
+<p>Hij was heen en ze was alleen, wachtende de kinderen. Zij vergat te
+bellen, om de lamp te laten aansteken, en de schemering van den laten
+namiddag duisterde naar binnen. Zij zat roerloos en keek voor zich uit,
+naar de dorre boomen.</p>
+
+<p>&mdash;Waarom ben ik dan niet gelukkig? dacht ze. Hij voelt zich gelukkig bij
+mij; bij mij alleen is hij zichzelve, wat hij in de wereld niet zijn
+kan. Waarom kan <i>ik</i> dan niet gelukkig zijn.</p>
+
+<p>Zij had pijn, hare ziel leed, en het scheen haar toe, dat hare ziel leed
+voor het &eacute;erst, misschien omdat, voor het eerst, die ziel niet zichzelve
+was geweest maar een ander. Het scheen haar toe, dat eene andere vrouw
+te voren met hem, Quaerts, gesproken had. Eene hooge vrouw: eene vrouw
+van illuzie&mdash;de vrouw, die hij in haar zag;&mdash;en niet de vrouw, die zij
+w&agrave;s: eene nederige vrouw, eene vrouw van liefde. O, zij had zich moeten
+beheerschen, om hem niet te vragen: Waarom spreek je zoo tot mij? Waarom
+voer je je mooie gedachten zoo &ograve;p tot mij, en waarom laat je ze niet
+ne&ecirc;rdauwen &ograve;ver me, want zie, ik sta niet zoo hoog als je meent, en zie,
+ik lig aan je voeten en mijn blik zoekt je boven me!</p>
+
+<p>Had zij hem moeten zeggen, dat hij zich bedroog? Had zij hem moeten
+vragen: Waarom verlaag ik me door me te mengen met andere menschen? Wie
+dan toch zie je in me? Zie, ik ben alleen eene vrouw, eene vrouw van
+zachtheid en gedroom, en zie, ik heb je lief gekregen, ik weet niet
+waarom! Had zij dan zijne oogen moeten openen en hem moeten zeggen: zie
+in een spiegel je eigen ziel en zie jezelven en zie, dat je een god bent
+op aarde: een god, die alles weet, omdat hij het voelt, voelt, omdat hij
+het weet ... Alles!... Neen ... niet alles, want hij bedroog zich, die god
+en hij meende in haar, die slechts schepsel was van hem, zijne gelijke
+te zien. Had zij dit alles moeten verklaren, zoo ten koste van hare
+schuchterheid als van zijn geluk? Want zijn geluk&mdash;ze wist dat nu&mdash;was
+haar te zien, zooals hij haar zag.</p>
+
+<p>&mdash;Bij mij voelt hij zich gelukkig! dacht ze. En hij heeft sympathie met
+me gesloten ... Geen vriendschap sloot hij, en hij sprak niet van liefde,
+maar hij noemde dat: sympathie ... Bij mij voelt hij alleen zijn
+eigenlijke mensch en niet dat andere ... zijn beest! Zijn beest...!!</p>
+
+<p>Toen kwam iets over haar drijven als eene somberheid van wolken en zij
+huiverde voor wat eensklaps door haar heen klotste: een breede stroom
+van zwartheid, als lag er veel modder op de bedding van dien stroom, als
+borrelde die modder naar boven in troebele kringen, die grooter werden
+en grooter! En zij schrikte voor dien stroom en wilde hem niet zien,
+maar hij gulpte over hare landschappen&mdash;vroeger zoo helder met kimmen
+van licht!--nu, met een lucht van inkt daarboven gesmeerd als vuile
+nacht.</p>
+
+<p>&mdash;Wat denkt hij hoog, en wat is zijn gedachte edel! dwong Cecile zich
+nog te verbeelden, ondanks dat alles ...</p>
+
+<p>Maar het ging niet meer: &ugrave;it haar heen duizelde de bewondering van de
+hoogheid zijner gedachte weg in een afgrond en toen, in eens, als met
+een bliksem door den nacht van die inktlucht heen, zag ze duidelijk, dat
+zij die hoogheid van gedachte betreurde, betreurde in h&egrave;m!</p>
+
+<p>Het was geheel donker in de kamer geworden. Cecile had zich, ontzet voor
+het we&ecirc;rlicht, dat haar aan zichzelve openbaarde, achterover gegooid in
+de kussens der bank. Zij verborg haar gelaat in hare handen, persende
+hare oogen, als wenschte zij nu, na die zelfopenbaring, blind te worden.</p>
+
+<p>Maar demonisch woedde het door haar heen als een orkaan van de hel,
+stormvlaag van zinnenpassie, die opblies uit de donkerte van het
+landschap en de troebele golven van den stroom zweepte &ograve;p naar die lucht
+van inkt.</p>
+
+<p>&mdash;Oh! kreunde zij. Ik ben hem onwaardig...!</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+
+<p>HOOFDSTUK III.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="I"></a><h2>I.</h2>
+<br>
+
+<p>Quaerts bewoonde op het Plein, boven een kle&ecirc;rmaker, twee kamers, klein
+en allerbanaalst van gemeubel. Hij had veel beter kunnen wonen, maar
+comfort kon hem niet schelen: hij dacht daar nooit voor zijn eigen
+int&eacute;rieur aan; bij een ander zelfs trof het hem niet, Jules had het
+intusschen gehinderd, dat Quaerts zoo woonde en de jongen had die kamer
+al lang willen verfraaien. Hij was nu bezig eenige wapens op een
+wapenrek te hangen, staande op een trap, een deun uit een opera tusschen
+de lippen. Maar Quaerts sloeg er geen acht op; onbewegelijk lag hij op
+de canap&eacute;, rechtuit, in zijn flanellen hemd, ongeschoren, en zijne oogen
+turende naar de renaissance van het Paleis van Justitie, dat achter de
+dorre boomen van het Plein een fond van architectuur teekende.</p>
+
+<p>&mdash;Zie dan eens, Taco, of het zoo goed is? vroeg Jules, die een
+Marokkaansche sabel tusschen een paar krissen had geplaatst en er de
+draperie van een sarong tusschen door trok.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, zeker, antwoordde Quaerts.</p>
+
+<p>Maar hij zag niet op naar de wapens en hij bleef turen naar het Paleis.
+Onbewegelijk lag hij daar. Gedachte was er niet in hem; alleen
+gedachtelooze zelfontevredenheid en daarom treurigheid. Drie weken lang
+had hij geleefd het leven van een roes, om zich te verdooven. Om w&agrave;t te
+verdooven wist bij niet precies. Misschien iets, dat in hem was: dat
+mooi was, maar lastig in de gewone wereld. Die roes was begonnen met een
+jacht in Noord-Brabant, op het buiten van een vriend. Een week lang met
+hun achten, veel sport in de open lucht, gevolgd door jachtdiners met
+niet alleen veel fijnen wijn, maar nog meer jenever, ook heele fijne,
+als likeur. Rospartijen te paard in den omtrek; baldadigheden bedreven
+op een boerderij&mdash;de boerin rondgedragen in een ton en opgesloten in de
+koeienstal&mdash;stoute streken als van kw&acirc;jongens en wildemannen tegelijk;
+proces-verbaal tegen dat alles met politie en schadevergoeding.
+Opgewonden als door te veel sport, te veel zuurstof en te veel sterken
+drank waren er daarna vijf van het troepje, waaronder Quaerts, naar
+Brussel getogen; een had er daar zijn maitresse. Zij hadden er gelogeerd
+bijna twee weken lang, in een leven als een voortdurend bacchanaal, met
+veel champagne en veel baldadigheid; eene wilde vreugde om te leven, die
+eerst natuurlijk, weldra werd opgeschroefd en hooger opgeschroefd om ze
+nog een paar dagen langer, te laten duren; de laatste nachten, mo&ecirc;, met
+&eacute;cart&eacute; doorgebracht, zonder meer aan iets anders te kunnen denken dan
+aan het id&eacute;e fixe om te winnen, de uitputting van al hun geweld reeds
+vloeiende door hunne lichamen als verslapping en hunne oogen wezenloos
+turende op de poppetjes van het spel.</p>
+
+<p>Quaerts had in dien tijd eene enkele maal aan Cecile gedacht, zonder die
+opkomende gedachte door te denken. Zij was wellicht drie, viermaal
+verschenen in zijne hersenen als een vaag beeld, wit en doorglazig: eene
+schim. Dan was ze we&ecirc;r verdwenen, zonder invloed. In al dien tijd had
+hij haar ook niets van zich laten hooren en slechts &eacute;enmaal had hij
+bedacht, dat een stilzwijgen van drie weken, na hun laatste gesprek,
+haar vreemd moest voorkomen. Daarbij was het gebleven. Hij was nu terug,
+had drie dagen thuis gelegen op zijn bed, op zijne bank, mo&ecirc;, koortsig,
+ontevreden, in eene walging van alles, &agrave;lles; toen des morgens,
+bedenkende, dat het Woensdag was, had hij om Jules gedacht en diens
+rijles.</p>
+
+<p>Hij had Jules laten komen, maar te lui om zich te scheeren en te
+kleeden, was hij blijven liggen. En hij lag nog, niet wetende hoe en
+wat. Daar voor hem was het Paleis. Daar naast de Hooge Raad. Op zij zag
+hij de Witte en de Zwijger stond in het midden van het Plein: dat alles
+was heel interessant. En Jules hing wapens op. Ook interessant. En het
+interessantste van alles was dat domme leven, dat hij geleid had. Wat
+een opschroeving om zijne verveling voor den gek te houden. Had hij zich
+in dien tijd geamuzeerd? Neen. Hij had zich aangesteld of hij zich
+geamuzeerd had: hij had zich opgewonden met die boerin en met dat
+&eacute;cart&eacute;. De jacht was slecht geweest. De wijn goed, maar hij had er te
+veel van gedronken. En dan de smerige champagne van die cocotte ...</p>
+
+<p>Wat dan? Hij had daar regelmatig behoefte aan, aan zulk een leven, aan
+een leven van sport en woest pleizier; het hield hem in evenwicht met
+dat andere, dat in hem was, en dat hem tot onmogelijkheid werd in het
+leven van iederen dag. Maar waarom kon hij dan ook geen maat houden,
+zoowel in het een als in het ander! Hij had geschiktheid voor het gewone
+leven en daarbij iets heel moois in zijne ziel; waarom kon hij niet in
+evenwicht blijven wiegelen tusschen die twee sferen in hemzelven, en
+waarom werd hij altijd geslingerd van de eene naar de andere sfeer, als
+iets, dat eigenlijk in geen van beiden element werd? Wat had hij niet
+met een klein beetje tact, een klein beetje zelfleiding, zijn leven
+tot iets moois kunnen maken, en kunnen bestaan in eene gezonde
+levensvreugde, gelouterd door een hooge zieleblijdschap! Maar die tact
+tot zelfleiding, ontbrak hem geheel en al; hij leefde zooals hij voelde:
+geheel in uitersten; er was geen halfheid in hem. En dit was zoowel zijn
+trots als zijn levensleed; zijn trots, dat hij &quot;geheel&quot; voelde of dit of
+dat, dat hij niet schipperen kon met zijne gevoelens; en zijn leed: d&agrave;t
+hij niet schipperen kon en niet tot harmonie kon brengen, wat telkens in
+hem tegen elkander stiet.</p>
+
+<p>Toen hij Cecile had ontmoet, had we&ecirc;rgezien en nog eens we&ecirc;rgezien, had
+hij zich geheel en al voelen verheffen naar dat &eacute;ene uiterste, top van
+hoogheid, top van louter kristallen sympathie, waar zijn cirkel van
+atmosfeer&mdash;zooals hij zeide&mdash;sympathetisch had geschoven over de hare,
+als met eene liefkozing van louter kuischheid en spiritualiteit, zooals
+twee sterren, die, nader wentelend, hare dampkringen wellicht even
+mengen, als adems. Hoe glimlachend gelukkig had hij zich toen niet mogen
+voelen, als met eene gratie van Hooger! Toen, toen had hij zich we&ecirc;r
+voelen tuimelen naar omlaag, als had hij zijn punt van evenwicht
+overwiegeld, en had hij gesmacht naar het aardsche, naar veel eenvoud
+van gevoelen, naar primitief levensgenot, naar vleesch en bloed. Hij
+herinnerde zich nu, hoe hij, twee dagen na zijn laatste gesprek met
+Cecile, Emilie Hijdrecht had gezien, hier bij hem op zijne kamer, waar
+zij, verwaarloosd, hem eindelijk had durven komen zien, op een avond,
+alles vergetende. Met een trek van wreedheid om zijn mond herinnerde hij
+zich hoe zij geweend had aan zijne knie&euml;n, hoe zij jaloersch gejammerd
+had van Cecile, hoe hij ze haar mond had doen houden en haar verboden
+had dien naam uit te spreken. En toen, hunne dolle omhelzing, omhelzing
+van wreedheid: wreedheid van haar tegen dien man, dien zij telkens
+verloor als zij hem voorgoed meende gevonden te hebben, dien zij niet
+begreep en wien zij aanhing met al het geweld harer brutale passie, als
+met eene passie uit primitieve tijden van louter zin; wreedheid van hem
+tegen die vrouw, die hij verachtte, terwijl hij haar in zijne armen, in
+hartstocht, bijna stikte!</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="II"></a><h2>II.</h2>
+<br>
+
+<p>Ja, wat dan? Hoe dat evenwicht tusschen zijne twee polen te vinden! Hij
+haalde zijne schouders op; hij wist, dat hij het niet vinden kon. Hij
+miste een zeker element of een zekere kracht om dat te vinden. Hij kon
+zich slechts laten slingeren. Goed dan: hij z&oacute;&ucirc; zich laten slingeren:
+er was niets aan te doen. Want nu, in die mo&ecirc;heid na zijn woest geweld,
+begon hij we&ecirc;r een hevig verlangen te voelen, als iemand, die na een
+langen avond in een feestzaal vol bedorven lucht van gaslicht en
+stoffige mufheid en benauwdheid van menschenadem te hebben doorgebracht,
+haakt naar eenen hoogen hemel en wijdte van atmosfeer: een hevig
+verlangen naar Cecile. En hij glimlachte, blij, dat hij haar kende, dat
+hij tot haar kon gaan, dat het hem nu vergund was door te dringen in het
+kuische heiligdom harer omgeving, als in een tempel; hij glimlachte,
+blij, dat hij dit verlangen voelde, en trotsch daarom, zich verheffend
+boven andere menschen ... Hij stelde zich reeds voor zijn genot haar
+oprecht te biechten hoe hij geleefd had, die drie weken lang, en hij
+hoorde al hare stem, ofschoon hij niet hare woorden verstond ...</p>
+
+<p>Jules klom van de ladder af. Hij was treurig, dat Quaerts niet gevolgd
+had zijn schikken van de wapens op het rek en zijn drapeeren van het
+doek er om heen. Maar hij was stil door gegaan met zijn werk en nu het
+klaar was, klom hij af en ging hij, stil, zitten op den grond, met zijn
+hoofd tegen het voeteneind aan van de bank, waar zijn vriend lag te
+denken. Jules sprak geen woord; zijne oogen zagen recht voor zich uit,
+met iets van boudeeren, voelende, dat Quaerts nu naar hem keek.</p>
+
+<p>&mdash;Jules! zei Quaerts.</p>
+
+<p>Maar Jules antwoordde niet, starende.</p>
+
+<p>&mdash;Zeg Jules! Waarom ho&ucirc; je toch zooveel van me?</p>
+
+<p>&mdash;Weet ik het! sprak Jules met dunne lippen.</p>
+
+<p>&mdash;Weet je het niet?</p>
+
+<p>&mdash;Neen. Hoe weet je nu, waarom je van iemand houdt.</p>
+
+<p>&mdash;Je moet niet zooveel van me houden, Jules. Dat is niet goed.</p>
+
+<p>&mdash;Goed dan. Dan zal ik het minder doen, sprak Jules.</p>
+
+<p>Hij stond in eens op en nam zijn hoed. Hij gaf Quaerts eene hand, maar
+Quaerts hield hem vast, met een glimlach.</p>
+
+<p>&mdash;Zie je, bijna niemand houdt van me, alleen ... je papa en jij. Van je
+papa weet ik het, maar van jou niet, waarom je van me houdt.</p>
+
+<p>&mdash;Je wilt ook alles weten.</p>
+
+<p>&mdash;En is het een ongeluk om dat te willen?</p>
+
+<p>&mdash;Natuurlijk. Je zal zoo nooit tevreden zijn. Mama zegt altijd, dat men
+niets weet.</p>
+
+<p>&mdash;En jij?</p>
+
+<p>&mdash;Ik ... niets ...</p>
+
+<p>&mdash;Wat niets?</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet niets ... Laat me nu gaan.</p>
+
+<p>&mdash;Ben je boos, Jules?</p>
+
+<p>&mdash;Neen, maar ik heb een afspraak.</p>
+
+<p>&mdash;Kan je wachten, tot ik me gekleed heb, dan gaan we samen. Ik ga naar
+tante Cecile.</p>
+
+<p>Jules streed.</p>
+
+<p>&mdash;Goed dan. Maar haast je.</p>
+
+<p>Quaerts stond op. Hij zag nu de wapens hangen, die hij geheel vergeten
+had.</p>
+
+<p>&mdash;Dat heb je netjes gedaan, Jules! sprak hij bewonderend. Dank je wel,
+hoor.</p>
+
+<p>Jules antwoordde niet en Quaerts ging zijne kleedkamer in. De jongen
+zette zich op de bank, strakrecht, en zag naar het Paleis, tusschen de
+dorre boomen door. Zijne oogen vulden zich met dikke ronde tranen, die
+ne&ecirc;rvielen; onbewegelijk, strakrecht, weende hij.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="III"></a><h2>III.</h2>
+<br>
+
+<p>Cecile leefde deze drie weken in eene onwetendheid, die haar pijnlijk
+aandeed. Door Dolf had zij wel gehoord, dat Quaerts jaagde, maar verder
+niets. Een schok van blijdschap electrizeerde haar, toen nu de deur
+achter den paravent openging en zij hem voelde binnenkomen. Hij stond
+voor haar, eer zij zich herwinnen kon en daar zij wat beefde, rees zij
+niet op en reikte zij, zittende, hem hare hand, met eene onzichtbare
+trilling der vingeren.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben uit de stad geweest, begon hij.</p>
+
+<p>&mdash;Dat hoorde ik ...</p>
+
+<p>&mdash;Heeft u het goed gemaakt, al dien tijd?</p>
+
+<p>&mdash;Dank u, heel goed.</p>
+
+<p>Hij vond haar wat bleek, met een zweem van lichtblauw onder hare oogen
+en eene matheid in hare bewegingen. Maar hij besloot, dat het misschien
+niets bizonders was of dat zij bleek sch&eacute;en in de melkblankheid dier
+zacht-witte stof, als zijdige wol, zooals haar middel nog tengerder was
+in het getrek der &eacute;charpe om hare leest, met eene lange, witte franje,
+die voor hare voeten viel. Zij zat alleen met Christie, op zijn bankje,
+zijn hoofdje in haar japon, een prentenboek op zijne knietjes.</p>
+
+<p>&mdash;U is net een madonna met een Kindje! zei Quaerts.</p>
+
+<p>&mdash;Mijn kleine Dolf is gaan wandelen met zijn peetoom, sprak zij,
+stralend ziende op haar kind en het lichtjes wenkend ...</p>
+
+<p>Het stond op en, verlegen, ging het naar Quaerts en bood, met zijn
+schuin hoofd, een handje. Quaerts tilde hem op en zette hem op zijn
+knie.</p>
+
+<p>&mdash;Wat is hij licht, ce petit J&eacute;sus!</p>
+
+<p>&mdash;Hij is niet sterk, sprak Cecile.</p>
+
+<p>&mdash;U verwent hem te veel.</p>
+
+<p>Zij lachte we&ecirc;r.</p>
+
+<p>&mdash;Paedagoog! schertste zij. Waarom verwen ik hem?</p>
+
+<p>&mdash;Ik vind hem altijd in uw rokken. Hij moest maar eens met me me&ecirc;komen:
+ik zo&ucirc; hem gymnastiek laten doen.</p>
+
+<p>&mdash;Jules paardrijden, en Christie gymnastiek! lachte zij door.</p>
+
+<p>&mdash;Ja ... sport, u weet het! schertste hij terug met een blik van
+beteekenis.</p>
+
+<p>Zij zag hem terug aan en sympathie lachte uit de diepte harer goudgrijze
+oogen. Hij voelde zich gelukkig, en, met het kind op zijne knie:</p>
+
+<p>&mdash;Ik kom u biechten ... madonna!</p>
+
+<p>Toen, schrikkende, zette hij het kind in eens van zich af.</p>
+
+<p>&mdash;Biechten?</p>
+
+<p>&mdash;Ja ... Christie, ga terug naar mama. Ik mag je niet bij mij houden.</p>
+
+<p>&mdash;Jawel! riep Christie met verwonderd groote oogen en greep het koordje
+van zijn lorgnet.</p>
+
+<p>&mdash;Le petit J&eacute;sus vergeeft te vroeg! sprak Quaerts.</p>
+
+<p>&mdash;En ik, heb ik iets te vergeven? vroeg zij.</p>
+
+<p>&mdash;Ik zo&ucirc; gelukkig zijn, als u het zoo beschouwde.</p>
+
+<p>&mdash;Biecht dan.</p>
+
+<p>Le petit J&eacute;sus ... aarzelde hij.</p>
+
+<p>Cecile stond op; zij nam het kind, kuste het en deed het zitten op een
+stoel bij het raam, met zijn prentenboek. Toen kwam zij terug naar de
+chaise-longue:</p>
+
+<p>&mdash;Hij zal niet hooren ...</p>
+
+<p>En Quaerts begon zijn verhaal, kiezende zijne woorden; hij sprak van de
+jacht, van de rospartijen en de boerin, en van Brussel. Zij luisterde
+vol aandacht, in hare oogen een angst voor dat levensgeweld, waarvan de
+echo zijne woorden doorbruiste, ware het dan ook eene echo door eerbied
+getemperd.</p>
+
+<p>&mdash;En was dat alles zonde, die vergeven moet worden? vroeg zij nu.</p>
+
+<p>&mdash;Niet?</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben geen madonna, maar ... een vrouw met nog al ge&euml;mancipeerde
+denkbeelden. Als u gelukkig is geweest met dat leven, was het geen
+zonde, want geluk is goed ... Is u dus gelukkig geweest, dan was dat
+leven ... goed.</p>
+
+<p>&mdash;Gelukkig!? vroeg hij.</p>
+
+<p>&mdash;Ja?</p>
+
+<p>&mdash;Neen ... Ik heb dus zonde gepleegd, zonde aan mijzelven, niet waar?
+Vergeef me ... madonna.</p>
+
+<p>Zij ontroerde zeer om den klank zijner stem, die, zacht gebroken, haar
+als in bekoring omwikkelde; zij ontroerde van hem daar te zien zitten,
+vullende met hemzelven, met zijn lichaam, zijn wezen, zijn bestaan, eene
+ruimte in hare kamer, vlak in hare nabijheid. In &eacute;ene seconde doorleefde
+zij uren, voelde zij hare stille liefde zwaar in haar als een zoet
+gewicht, voelde zij lust hare armen om zijn borst te slaan en hem te
+zeggen, dat zij hem aanbad, en voelde zij een innig leed, om wat hij
+haar bekende: dat hij we&ecirc;r zich niet gelukkig had gevoeld. En zij kon
+zich nauwelijks bedwingen in haar medelijden, stond op, trad op hem toe
+en legde hem eene hand op zijn schouder.</p>
+
+<p>&mdash;Zeg me, meent u dat alles? Is dit alles waarheid? Is het waarheid, dat
+u zoo geleefd heeft en u toch niet gelukkig heeft gevoeld?</p>
+
+<p>&mdash;Volle waarheid, op het woord van mijn ziel.</p>
+
+<p>&mdash;Maar waarom heeft u het dan gedaan?</p>
+
+<p>&mdash;Ik kon niet anders.</p>
+
+<p>&mdash;U kon u niet tot maat dwingen?</p>
+
+<p>&mdash;Nooit ...</p>
+
+<p>&mdash;Dan zo&ucirc; ik u dat gaarne willen leeren.</p>
+
+<p>&mdash;Ik niet, van <i>u</i>. Want het geluk is voor mij, en zal altijd voor mij
+zijn, onmatig te zijn ook bij u, onmatig in het leven van mijn
+eigenlijken mensch, mijn zielemensch, zooals ik nu pas onmatig ben
+geweest in het leven van mijn schijnmensch.</p>
+
+<p>Hare oogen werden vochtig; ze schudde haar hoofd, steeds met die hand op
+zijn schouder.</p>
+
+<p>&mdash;Dat is niet goed! sprak ze, diep weemoedig.</p>
+
+<p>&mdash;Het is genot ... voor beide die menschen. Ik mo&egrave;t zoo zijn ... onmatig
+voor beiden.</p>
+
+<p>&mdash;Maar dat is niet goed! drong zij door. Louter genot ...</p>
+
+<p>&mdash;Het laagste, maar ook het hoogste ...</p>
+
+<p>Eene huivering overviel haar, eene doodelijke angst voor hem.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, neen, drong ze aan. Denk zoo niet. Doe zoo niet. Noch het een,
+noch het ander. Heusch, dat alles is niet goed. Louter genot en onmatig
+genot, ook het hoogste, is niet goed.</p>
+
+<p>Zoo forceert u het leven. Zoo ... ben ik bang voor u. Zoek maat te
+krijgen. U heeft zooveel elementen om gelukkig te zijn.</p>
+
+<p>&mdash;O, ja ...</p>
+
+<p>&mdash;Ja, maar ik meen: dw&eacute;ep niet. En ... en hol ook zoo woest niet door,
+om Godswil!</p>
+
+<p>Hij zag tot haar op; hij zag het haar smeeken, met hare oogen, met de
+uitdrukking van haar gelaat, met geheel haar, even voorover buigend,
+staan. Hij z&agrave;g het haar smeeken, zooals hij het haar h&ograve;orde doen, en
+toen zag hij, dat zij hem liefhad. Eene lichte verrukking kwam over hem,
+als daalde iets hoogs tot hem ne&ecirc;r om hem te leiden. Hij verroerde zich
+niet,&mdash;hij voelde hare hand trillen op zijn schouder&mdash;bang, die
+verrukking bij de minste beweging te zullen doen vervliegen. Het kwam
+geen oogenblik in hem op, haar te zeggen een woord van teederheid, of
+haar te nemen in zijn armen en te drukken tegen zich aan: zij
+verheerlijkte zich z&oacute;&oacute; voor zijn oog, dat zulk profaan verlangen ver van
+hem af bleef. En toch voelde hij op dit oogenblik, dat hij haar liefhad,
+maar z&oacute;&oacute;, als hij nog nooit had liefgehad, zoo geheel en alleen met het
+edelste, dat in eene ziel, vaak voor zichzelve zelfs onzichtbaar,
+verscholen is: voelde hij, dat hij haar liefhad met allernieuwste
+gevoelens van reine jeugd en nieuwe frischheid en klare belangeloosheid.
+En het werd hem, alsof dat alles een droom was, die niet w&agrave;s, een droom
+van lichtgeweef om hem heen als met mazen van zonneschijn.</p>
+
+<p>&mdash;Madonna! fluisterde hij. Vergeef me ...</p>
+
+<p>&mdash;Beloof me dan ...</p>
+
+<p>&mdash;Ik wil wel beloven, maar ik zal niet kunnen houden. Ik ben zwak ...</p>
+
+<p>&mdash;Neen.</p>
+
+<p>&mdash;O ja. Maar ik beloof en beloof mijn belofte te zullen p&ograve;gen te houden.
+Vergeeft u dan?</p>
+
+<p>Zij knikte hem toe; zij wierp haar glimlach op hem ne&ecirc;r als een straal.
+Toen ging zij naar het kind, nam het in hare armen en bracht het tot
+hem:</p>
+
+<p>&mdash;Christie omhels hem en geef hem een zoen.</p>
+
+<p>Hij nam het kind van haar over en het kuste hem op zijn voorhoofd, en
+sloeg de armpjes om zijn hals.</p>
+
+<p>&mdash;Le petit J&eacute;sus! fluisterde hij.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="IV"></a><h2>IV.</h2>
+<br>
+
+<p>Zij bleven toen lang met elkander praten en er kwam niemand, die hen
+stoorde. Het kind was we&ecirc;r gaan zitten bij het raam. De schemering begon
+hare asch naar binnen te strooien. Zacht wit zag hij Cecile daar zitten,
+in de melodie harer woorden van halve stem, die weldadig tot hem
+aanklonken. Zij spraken over veel; over Emerson; over een gedicht van
+Van Eeden, in den Nieuwen Gids; over hunne levensopvattingen. Hij had
+een kop thee willen aannemen, alleen om haar zich te zien bewegen met de
+weeke lijnen harer bevalligheid, staande voor het theetafeltje in den
+hoek. In haar wit toilet, had zij iets van marmer, dat week zo&ucirc; zijn van
+bezieling en leven. En onbewegelijk bleef hij zitten, luisterend met
+eerbied, opgenomen in eene teedere verrukking van geluk. Het was eene
+stemming, niet te analyzeeren, zonder zichtbaren oorzaak, alleen
+wordende uit hun sympathetisch samenzijn, zooals eene bloem wordt uit
+een onzichtbaar zaad, na een regendrop en wat zonneschijn. Ook zij, ze
+was gelukkig; ze voelde niet hare pijn om zijn eerbied. Ze was wel een
+beetje weemoedig, dat hij zoo geleefd had, maar toch was ze gelukkig om
+het geluk van die stip van het heden. Ze zag nu ook niet haren donkeren
+stroom, hare inktlucht, haar nalatenschap; ze zag nu alles licht, in
+kalmte. En het geluk ademde om hen heen, tastbaar, als met eene
+liefkoozing. Soms zwegen zij, en zagen beiden naar het kind, dat las, of
+het vroeg hun iets en zij antwoordden. Dan glimlachten zij elkander toe,
+omdat het zoo zoet was en niet hinderde.</p>
+
+<p>&mdash;Ik wilde, dat dit nu altijd zoo bleef! dorst hij te zeggen, toch nog
+vreezende; dat zulk een woord de kristallen transparantheid van hun
+geluk zo&ucirc; breken. Als u nu in me zien kon, hoe goed ik me voel. Ik weet
+niet waarom, maar ik voel me zoo. Misschien om uw vergeving. Het Roomsche
+geloof is toch heerlijk met zijn absolutie. Wat een troost voor zwakke
+menschen.</p>
+
+<p>&mdash;Maar u mag u niet zwak vinden. U is dat ook niet. U zegt me, dat u
+zich soms boven het gewone leven kan stellen, dat u kan ne&ecirc;rzien op de
+smart van het leven als op een comedie, die maar eventjes droef doet
+glimlachen, maar niet de waarheid is. Ik geloof ook, dat het leven,
+zooals wij het zien, alleen maar symbool is van een leven van waarheid,
+dat er onder schuilt en dat we niet zien. Maar ik kan me niet boven het
+symbool stellen en u wel. Daarom is u heel sterk en voelt u heel groot.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe zonderling! en ik voel juist mijzelven zwak en u groot en krachtig.
+U durft te zijn, die u is, in al uw harmonie en ik verberg me altijd en
+ben bang voor de menschen, persoonlijk, ook al stel ik me soms boven het
+leven, als massa. Maar dat zijn raadsels, die ik toch niet kan oplossen,
+en al mis ik de macht ze op te lossen, ik voel op dit oogenblik niets dan
+geluk. Ik mag dat wel eens hoorbaar zeggen, nietwaar h&oacute;orbaar?</p>
+
+<p>Zij glimlachte hem toe, zalig, dat zij hem het geluk gaf.</p>
+
+<p>&mdash;Het is de eerste maal, dat ik z&oacute;o het geluk voel, ging hij voort.
+Eigenlijk is het de eerste maal, dat ik het voel ...</p>
+
+<p>&mdash;Analyzeer het dan niet.</p>
+
+<p>&mdash;Ik hoef het niet te analyzeeren: ik zie het in al zijn eenvoud voor
+mij staan. Weet u waarom ik gelukkig ben?</p>
+
+<p>&mdash;Analyzeer niet ... herhaalde zij bang.</p>
+
+<p>&mdash;Neen, sprak hij, maar mag ik het zeggen zonder analyze?</p>
+
+<p>&mdash;Doe dat niet, stamelde zij, want ... want ik weet het ...</p>
+
+<p>Zij smeekte het, zeer bleek, met gevouwen vingers, die trilden. Het kind
+sloeg acht op hen; het had zijn boek gesloten, het kwam naar zijne
+moeder en zette zich op zijn plaatsje, met een blik van prille wijsheid
+in zijne bleekblauwe oogjes.</p>
+
+<p>&mdash;Dan gehoorzaam ik! sprak Quaerts met eenige moeite.</p>
+
+<p>En zij zwegen beiden, hunne oogen vergroot als door den glans van een
+vizioen. Om hen heen scheen het zacht te stralen, door de asch der
+schemering heen.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="V"></a><h2>V.</h2>
+<br>
+
+<p>Zij had dien avond lang geschreven in haar dagboek, en ze liep nu de
+kamer op en ne&ecirc;r, hare handen gevouwen ne&ecirc;rhangende, haar hoofd een
+weinig gebogen, met een blik, die staarde. Er was ernst om haren mond.
+V&oacute;&oacute;r zich zag zij het vizioen; dat wat zij geraden had. Hij had haar
+lief, met alleen zijne ziel, niet lief als eene vrouw die mooi is en
+goed, maar hooger lief dan dat, lief met de fijnste zielezenuwtrillingen
+van zijn mensch,&mdash;zijn eigenlijke&mdash;lief met de supreme Aandoening der
+essence zijns wezens. Z&oacute;&oacute; voelde zij, dat hij haar liefhad, met
+contemplatie en aanbidding, en zoo voelde zij het in waarheid door een
+raadvermogen van sympathie dat hun elkanders in-wezen deed raden naar
+waarheid. En d&agrave;t was zijn geluk&mdash;zijn eerste, zooals hij zeide,&mdash;haar
+z&oacute;&oacute; lief te hebben en niet anders. O zij begreep hem! Ze begreep zijne
+illuzie, die hij zag in haar en ze wist nu, dat zoo ze hem in waarheid
+lief wilde hebben, om h&egrave;m en niet om zich, ze voor h&egrave;m niets anders
+mocht zijn en blijven dan illuzie, dan eene vrouw, die geen vleesch was,
+die niets verlangde van de aarde, welke hij vond in andere vrouwen, die
+alleen ziel zo&ucirc; wezen, zusterziel der zijne. En zooals ze het vizioen
+zijner liefde voor zich zag, kalm en stralend, zoo zag ze ook voor zich
+den eigen strijd, die haar wachtte: strijd met zichzelve, strijd met
+haar eigen smart: smart, omdat hij zoo hoog van haar dacht en ze madonna
+noemde, terwijl zij laag wilde zijn en slavin. Zij zo&ucirc; moeten schijnen,
+die hij zag in haar, om zijn geluk, en die rol zo&ucirc; haar zw&aacute;ar vallen,
+want ze had hem lief met o zooveel eenvoud, met geheel haar vrouwewezen,
+dat zich geheel wilde geven, z&oacute;o geven als eene vrouw zich slechts aan
+&eacute;en in haar leven geeft, wat en wie ze ook geven mocht daarvoor, uit
+onwetendheid van zichzelve, en geven moge daarna in bitterheid en leed.
+De uiterlijkheid van dien rol en de innerlijkheid van haar zijn: het
+conflict daartusschen zo&ucirc; haar zwaar vallen, maar ze dacht aan die
+zwaarte met een glimlach en met een geluk, stralende door haar hart,
+want dien zwaren strijd zo&ucirc; ze strijden voor h&egrave;m, ter wille van hem en
+alleen voor hem. O, de weelde te lijden voor een, dien ze liefhad al ze
+had h&egrave;m; in zich gefolterd te zullen worden van verlangen, dat hij niet
+tot haar komen zo&ucirc; met de omhelzing zijner armen en den zoen van zijn
+mond, en te voelen, dat ze zoo gefolterd zo&ucirc; worden om zijn geluk, het
+zijne! Te voelen, dat ze genoeg hem liefhad om tot hem te gaan met open
+armen en hem den aalmoes zijner liefkoozingen vragen, maar ook te
+voelen, dat ze hem meer liefhad dan dat en hooger, en&mdash;niet uit fierheid
+en kuischheid, die toch nog ego&iuml;sme zijn&mdash;maar alleen uit zelfopoffering
+aan zijn geluk&mdash;niet vragen wilde en nooit vragen zo&ucirc;.</p>
+
+<p>Pijn, pijn om hem! Een zwaard door hare ziel voor hem! Martyre te zijn
+voor haar god, die op aarde niet gelukkig kon zijn, dan alleen in hare
+marteling! En ze was door het leven gegaan, jaren lang, zonder tot op
+dezen dag gevoeld te hebben, dat zulke weelde bestaan kan, niet als
+verbeelding in verzen, maar als realiteit in haar hart. Ze was jong
+meisje geweest en ze had hare dichters gelezen en wat zij rijmden over
+liefde en ze had gemeend dat alles te begrijpen, fijn te begrijpen en
+toch: zonder ooit het minste voorgeraden te hebben van het Gevoel zelve.
+En&mdash;jonge vrouw was ze geweest, ze was gehuwd geweest, kinderen had ze!
+Door haren geest flitste heur huwelijksleven in een bliksem van
+herinneringen en ze bleef staan voor het portret van haren overleden
+man, dat daar op een ezel stond in een draperie van somber peluche. Het
+was een masker van heerschzucht: een streng fijn gelaat met scherpe
+trekken als gegraveerd in fijn staal; koud-verstandige oogen met een
+strakken portretblik: dunne, baardelooze lippen, beslist op elka&acirc;r
+gesloten als een slot. Haar man! En ze woonde nog in het zelfde huis,
+waar ze met hem gewoond had, waar ze hare vele gasten had moeten
+ontvangen, toen hij minister was geweest van Buitenlandsche Zaken. Hare
+recepties en diners schitterden als wereldsche tafereelen in haar geest
+op en ze zag nog duidelijk het oog we&ecirc;r van haren man, die in een korten
+cirkelblik van goed- of afkeuring alles opnam: het arrangement harer
+kamers, hare tafels en haar eigen toilet. Haar huwelijk was niet
+ongelukkig geweest: haar man was wat koud en zonder expansie, geheel
+opgenomen in zijne eerzucht, maar hij hield van haar op zijne wijze,
+en dat zelfs met teederheid: ook zij, ze had van hem gehouden; zij had
+gemeend hem uit liefde te trouwen: hare aanhankelijke vrouwelijkheid
+beminde heerschers. Delicaat van gestel, ondermijnd misschien door de
+te groote energie der gedachte, was hij na eene korte ziekte overleden;
+Cecile herinnerde zich hare treurigheid, hare eenzaamheid met de twee
+kinderen, van wie hij reeds gevreesd had, dat zij ze bederven zo&ucirc;. En
+hare eenzaamheid was haar zoet geweest, met het gewolk van haar
+gedroom ...</p>
+
+<p>Waarom had ze dit portret&mdash;eene mooie levensgroote fotografie; een
+koolafdruk, donker van eene Rembrandtsche schaduw&mdash;nooit laten
+naschilderen in olieverf, zooals ze eerst had willen doen? Het voornemen
+was uit haar weggebleekt; ze had er in maanden niet meer aan gedacht; n&ugrave;
+eensklaps dacht zij er aan ... En er was geen zelfverwijt en wroeging in
+haar. Ze zo&ucirc; de schilderij niet laten maken. Het was goed, zoo. Zij
+dacht zonder weemoed aan den doode. Zij had zich niet over hem te
+beklagen gehad, hij had haar nooit iets kunnen verwijten. En nu, ze was
+vrij; zij werd er zich bewust van met eene wijde blijdschap. Vrij, te
+voelen wat ze wilde. Hare vrijheid welfde zich als boven haar uit met
+blauwe uitspansels, waarin hare nieuwe liefde opsteeg in de immaculate
+vlucht van een duif. Vrijheid, lucht, licht! Ze wendde zich met een
+glimlach van verrukking af van het portret; heure armen sloegen zich
+boven haar uit als wilde zij hare vrijheid, de wijdte van hare lucht,
+meten, als wilde zij het licht tegemoet. Lief, ze had lief! Er was
+alleen liefde; er was alleen de harmonie van zielen, de harmonie harer
+ziel van dienares met die van heur, op aarde verbannen, god. O, wat een
+gratie, dat die harmonie bestaan kon, tusschen zoo iets hoogs als hij en
+laags als zij! Maar hij mocht het niet zien, dat ze laag was; madonna
+moest ze blijven, om hem moest zij die blijven, om hem, in de marteling
+van zijn eerbied, en de duizeling van het hooge punt, troon van
+vergoding, waarop hij haar tot zich verhief. Om haar heen voelde zij die
+duizeling draaien als met ringen van glans. En ze viel ne&ecirc;r op hare
+bank, hare vingers vouwden zich, hare oogleden knipten; toen bleven hare
+oogen zelve voor zich uit turen, heel ver weg ...</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="VI"></a><h2>VI.</h2>
+<br>
+
+<p>Jules was een paar dagen niet naar school gegaan, om zware hoofdpijnen,
+die hem heel bleek maakten en hem een trek van groote treurigheid gaven;
+maar hij was nu wat beter, en, zich vervelende op zijn eigen kamertje,
+ging hij naar beneden, naar den le&ecirc;gen salon en zette zich voor de
+piano. Papa zat wel te werken in zijn kantoor, maar het zo&ucirc; papa zeker
+niet hinderen, dat hij speelde. Dolf bedierf hem, in zijn jongen iets
+ziende, dat hemzelven vreemd was en hem daardoor aantrok, zooals hem dit
+misschien vroeger in zijne vrouw ook had aangetrokken; kwaad kon Jules
+in zijn oogen niet doen en als de jongen maar gewild had, zo&ucirc; Dolf geen
+geld gespaard hebben om hem eene zorgvuldige muzikale opvoeding te laten
+geven, maar Jules kantte zich met handen en voeten tegen alles wat naar
+lessen zweemde en beweerde bovendien, dat het niet de moeite waard zo&ucirc;
+zijn. Eerzucht was er niet in hem; het streelde hem niet, dat Dolf
+zooveel in hem zag, zooveel meende te hooren in zijn spel: hij speelde
+alleen voor zichzelven, hij speelde om zich te uiten in de vage taal van
+muziekklank. Op dit oogenblik voelde hij zich alleen, verlaten in het
+groote huis, al wist hij, dat papa twee kamers &agrave;f zat te werken en dat
+hij zijn toevlucht zo&ucirc; kunnen nemen op papa's groote bank; in zijn borst
+was op dit oogenblik een bijna fyziek gevoel van angst voor die
+eenzaamheid, welke iets als eene wijdte van in-alleen zijn om hem deed
+ronddraaien. Hij was veertien jaar, maar hij gevoelde zich niet als een
+kind, niet als een jongen; iets weeks, behoefte aan bijna vrouwelijke
+aanhankelijkheid, toewijding aan een, die hem alles zo&ucirc; zijn, had hem
+reeds van zijne kleine-kind zijn als in zijne viriliteit getroffen en
+het doorhuiverde hem met die angst voor in-eenzaamheid, alsof hij
+zichzelven niet begreep, alsof hij bang was voor zichzelven. Zoo leed
+hij veel aan vage stemmingen, waarin dat vreemde hem beknelde en op de
+borst klom, waarin hij niet wist waar hij zijn in-wezen zo&ucirc; verschuilen
+en waarin hij spelen ging, om zich te verliezen in de groote klankziel
+van muziek. Zijne dunne, nerveuze vingers tokkelden tastende over de
+toetsen; zelve leed hij van valsche akkoorden, die hij zoekende
+aansloeg; dan liet hij zich gaan, vond een enkel motief, heel kort, van
+klagende mineur-melancholie, en liefkoosde dat motief, liefkoosde het in
+vreugde d&agrave;t gevonden te hebben, dat te k&uacute;nnen vinden, liefkoosde het tot
+het als eene monotonie van verdriet ieder oogenblik terugkwam. Hij vond
+het motief zoo mooi, en kon er niet van scheiden; ze zongen zoo goed
+we&ecirc;r wat hij voelde, die vier, vijf tonen en hij speelde ze we&ecirc;r en
+speelde ze we&ecirc;r, tot Suzette binnen vloog en hem zei, dat ze dol werd en
+hem vroeg of hij ophield.</p>
+
+<p>Zoo ook speelde hij nu, en het was erbarmelijk eerst; hij kende
+nauwelijks de noten we&ecirc;r; verscheurende cacofoni&euml;n kermden op en
+doorsneden hemzelven zijn arm, nauw van hoofdpijn genezen, brein;
+hij kreunde of hij we&ecirc;r pijn had, maar zijne vingers waren als
+gehypnotizeerd, ze konden niet uitscheiden, ze zochten door en de
+klanken zuiverden zich; eene korte fraze klaarde los als met een kreet,
+een kreet, die telkens terugkwam op &eacute;en zelfden toon, plotseling hoog na
+de doffe laagte, die als gepreludeerd had. En die toon was Jules eene
+verrassing: hij schrikte van ze&mdash;ze klonk zoo mooi van verdriet&mdash;en hij
+was nu blij ze gevonden te hebben en blij zoo een mooi verdriet te
+hebben. Toen bezat hij zich niet meer, en hij speelde door en het was
+hem of hij niet speelde maar een ander, die in hem was en hem dwong; hij
+vond de volle accoorden zuiver als bij intu&iuml;tie: door het geween der
+klanken heen liep die zelfde muzikale figuur hooger en hooger op als met
+zilveren voeten van reinheid, tegen luchtig omhooggeblazen regenbogen
+van kristal en bereikte ze het hoogste van den glasboog, dan stiet ze
+haar kreet, maar nu met dronkenschap, uit in majeur, als sloeg ze hare
+wijde armen blijde op naar hemelen van ontastbaar blauw. En het werden
+als menschenzielen, die eerst leven en lijden en uitstooten haar klacht,
+die dan sterven, beginnen te stralen met lichamen van klaarte, wien
+lange vleugelen ontschieten als we&ecirc;rlichten van zilver, hunne
+zieleschouders uit; ze trippelen achter elka&acirc;r de regenbogen over als
+over bruggen van glazen blauw en rose en geel getintel, en er komen al
+meer en meer; het zijn volken van zielen en ze reppen en reppen hare
+zilveren voeten, ze dringen zich over den regenboog, ze lachen en zingen
+en duwen elka&acirc;r; in hun gedrang stooten hare vleugels elka&acirc;r, verstuift
+er zilverdons. Op den top van den boog staan ze nu en zien op gr&oacute;ote
+na&iuml;veteit van lachende kinderoogen en ze durven niet, ze durven niet,
+maar achter hen dringen de zielen; ont&egrave;lbare komen ze, meerdere,
+meerdere altijd door; ze duwen op naar den hoogsten top, hunne vleugels
+recht in de lucht, vlak tegen elka&acirc;r. En nu, het moet: ze mogen niet
+meer aarzelen: &eacute;en haalt er diep adem, geeft een schok, spreidt open
+zijn vlucht en slaat zich met &eacute;en slag uit den dichten drom, de lucht
+in. Hem volgen er dadelijk vele, de een na den ander; ze stijgen in
+blauw in bezwijmeling; het glanst alles om hen rond. Nu, diep onder
+hen, welft zich, dun als een draad, de boog, maar ze zien er niet naar:
+stralen vallen er hun te gemoet; zielen zijn het, die ze omhelzen;
+in omhelzingen nemen zij ze me&ecirc;. En dan het licht; het licht, dat
+overstraalt; oplossingen in het supreme licht; niets dan het licht, de
+klanken zingen het licht, de klanken zijn het licht, er is niets meer
+dan het Licht, eeuwig ...</p>
+
+<p>&mdash;Jules!</p>
+
+<p>Hij zag met een blik, die niet herkende.</p>
+
+<p>&mdash;Jules! Jules!</p>
+
+<p>Hij glimlachte nu, als gewekt uit een slaap van droomen; hij stond op,
+ging naar haar toe, Cecile. Zij stond voor de deur; zij was daar blijven
+staan, terwijl hij speelde: het was haar geweest of hij iets van h&agrave;ar
+speelde.</p>
+
+<p>&mdash;Wat speelde je daar, Jules? vroeg zij. En hij was nu geheel wakker en
+verlegen, omdat hij dacht, dat hij zeker heel veel geluid had gemaakt
+door het huis, door hun huis ...</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet niet, tante! zeide hij.</p>
+
+<p>Maar zij omhelsde hem, in een, onstuimig, met dankbaarheid ... Zij was
+hem H&egrave;t, het Mysterie! verschuldigd, omdat hij eens op haar was boos
+geweest ...</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+
+<p>HOOFDSTUK IV.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="I"></a><h2>I.</h2>
+<br>
+
+<p>&quot;O, dat wat niet te zeggen is, omdat woorden zoo weinige zijn, altijd de
+zelfde, combinaties van enkele letters en klanken; o, dat wat niet te
+denken is in de enge grenzen van het verstand; dat wat alleen aan te
+zweemen is met nauwlijks voelhorens van ziel: Essence der essences der
+dingen van onszelve ...&quot;</p>
+
+<p>Maar ze schreef niet verder, zij wist niet meer: schreef ze, dat ze geen
+woorden had en zocht zij ze toch?</p>
+
+<p>Zij verwachtte hem en ze zag nu uit het open venster, of hij kwam. Lang
+bleef zij daar; toen wist ze, dat hij dadelijk komen zo&ucirc; en hij kwam
+ook; ze zag hem naderen langs den Scheveningschen weg; hij duwde het
+ijzeren hek der villa open, glimlachte haar toe en groette met den hoed.</p>
+
+<p>&mdash;Wacht! riep ze. Wacht daar ...</p>
+
+<p>Ze ging vlug de trap af, in den tuin, waar hij gebleven was. Hij zag
+haar hem tegemoet komen, vreugdig van geluk, en zoo broos bevallig; haar
+blonde hoofd zoo fijn in het jonge groen van Mei; als van een jong
+meisje haar figuur in het heel licht grijze toilet met wat zwart fluweel
+lint en iets van zilverkant hier en daar.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben blij je te zien. Je bent in zoo lang niet bij me geweest! sprak
+ze en gaf hem de hand.</p>
+
+<p>Hij antwoordde nog niet, glimlachend.</p>
+
+<p>&mdash;We zullen in den tuin gaan zitten, achter, het we&ecirc;r is zoo mooi.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, sprak hij.</p>
+
+<p>Zij wandelden den tuin in, langs de arabesken der paden; de jasmijnen
+sterrelden wit langs hen heen. In een andere villa speelde men piano, de
+klanken dwaalden over: het was Rubinsteins romance in es.</p>
+
+<p>&mdash;Hoor! zeide Cecile, opschrikkend. Wat is dat?</p>
+
+<p>&mdash;Wat? vroeg hij.</p>
+
+<p>&mdash;Wat daar gespeeld wordt?</p>
+
+<p>&mdash;Rubinstein, geloof ik! sprak hij.</p>
+
+<p>&mdash;Rubinstein...? herhaalde zij vaag. Ja ...</p>
+
+<p>En zij smolt weg in de weelde der herinnering van ... wat? Nog &eacute;ens, zoo,
+langs die zelfde paden had zij gewandeld, langs zulke jasmijnen, nog
+eens, heel lang, zoo lang geleden, gewandeld met hem, hem ... Waarom?
+Keerde dan het zelfde terug, na eeuwen ...</p>
+
+<p>&mdash;Je bent in geen drie weken bij me geweest? sprak ze gewoon weg, zich
+terugwinnende.</p>
+
+<p>&mdash;Vergeef me, antwoordde hij.</p>
+
+<p>&mdash;Wat was er?</p>
+
+<p>Er kwam weifeling in zijn geheele wezen, het scheen als zocht hij iets.</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet het niet, sprak hij zacht. U moet het me vergeven, niet waar?
+Den eenen dag was er dit, en den anderen dat. En dan ... ik weet het
+niet. Veel redenen bij elka&acirc;r. Het is niet goed, dat ik u veel zie. Niet
+goed voor u en niet goed voor mij.</p>
+
+<p>&mdash;Laten wij eens eerst over het eerste spreken. Waarom niet voor
+jezelven?</p>
+
+<p>&mdash;Laten wij liever over het tweede spreken: dat wat u aangaat. De
+menschen ...</p>
+
+<p>&mdash;De menschen?</p>
+
+<p>&mdash;De menschen spreken over ons. Ik ben nu eenmaal een mauvais sujet. Ik
+wil niet maken, dat uw naam op een profane wijze genoemd wordt met den
+mijne.</p>
+
+<p>&mdash;En gebeurt dat?</p>
+
+<p>&mdash;Ja ...</p>
+
+<p>Zij glimlachte.</p>
+
+<p>&mdash;Dat kan mij niet schelen.</p>
+
+<p>&mdash;Maar dat moet u kunnen schelen; al is het niet voor uzelve, dan
+voor ...</p>
+
+<p>Hij zweeg; zij begreep hem, hij bedoelde hare kinderen, zij haalde hare
+schouders op.</p>
+
+<p>&mdash;En waarom nu niet goed voor u?</p>
+
+<p>&mdash;Omdat men niet zoo dikwijls gelukkig mag zijn.</p>
+
+<p>&mdash;Wat een sofisme! Waarom niet?</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet niet: dat voel ik zoo. Het verwent te veel. Het is te veel.</p>
+
+<p>&mdash;Is u dan hier gelukkig?</p>
+
+<p>Hij glimlachte en maakte eene zachte beweging van ja met zijn hoofd.</p>
+
+<p>Zij zwegen, heel lang. Zij waren gaan zitten achter in den tuin op eene
+bank, die in eene halfrondte van bloeiende rhododendrons stond: de
+bloemen, satijnig paars en zacht getijgerd in den kelk, omringden hen in
+een hooge haag van dichte bouquetten, die opgingen van het pad tot boven
+hunne hoofden; stamrozen wierookten voor hen geur. Stil zaten ze nu,
+gelukkig bij elka&acirc;r, gelukkig in de sympathie hunner atmosferen, die
+zich mengden, en toch in dat geluk de onoverkomelijke weemoed, die is in
+alles van het leven, zelfs in geluk.</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet niet hoe ik het u zeggen kan! sprak hij. Maar stel eens, dat
+ik u iederen dag zag, ieder oogenblik, dat ik aan u dacht ... Dat zo&ucirc;
+niet gaan. Ik zo&ucirc; dan zoo verfijnd, zoo subtiel worden, dat ik van
+louter geluk niet leven kon, want mijn andere mensch zo&ucirc; niets
+ontvangen, zooals een dier, dat honger lijdt. Ik ben slecht, ik ben
+ego&iuml;st, dat ik zoo spreken kan, maar ik moet u de waarheid zeggen, opdat
+u niet te goed van mij denkt. En zoo zoek ik uw gezelschap alleen als
+iets heel moois, dat ik me een enkele maal vergun te genieten.</p>
+
+<p>Zij zweeg.</p>
+
+<p>&mdash;Soms ... dan denk ik, dat ik ook zoo niet goed doe, voor u. Dat ik op
+de eene of andere manier u beleedig en pijn doe. Dan zit ik altijd
+daarover te denken en dan geloof ik, dat het goed zo&ucirc; zijn voor altijd
+afscheid van u te nemen.</p>
+
+<p>Zij zweeg nog; roerloos zat ze, hare handen slap in den schoot, haar
+hoofd lichtjes neigend, een glimlach om haren mond.</p>
+
+<p>&mdash;Zeg me iets ... vroeg hij.</p>
+
+<p>&mdash;Je beleedigt me niet en pijn doe je me ook niet, sprak zij. Kom bij
+me, wanneer je er behoefte toe voelt. Doe dat alles zoo als je wilt. Zoo
+vind ik het ook goed en daar moet je niet aan twijfelen.</p>
+
+<p>&mdash;Ik zo&ucirc; zoo gaarne weten ho&egrave; u van me hield ...</p>
+
+<p>&mdash;Hoe? Zooals een madonna houdt van een zondaar, die berouw heeft en
+haar zijn ziel geeft, sprak zij schalk. Ik ben immers een madonna?</p>
+
+<p>&mdash;Wil u dat gaarne zijn?</p>
+
+<p>&mdash;Kent u zoo weinig de vrouwen, dat u niet weet, hoe er in elk van ons
+iets als een verlangen is te troosten, weldadig te zijn en madonna te
+spelen?</p>
+
+<p>&mdash;Spreek zoo niet, vroeg hij met iets als pijn.</p>
+
+<p>&mdash;Ik spreek in ernst ...</p>
+
+<p>Hij zag haar aan; twijfel rees in hem op, maar ze glimlachte hem toe;
+een kalme glans was om haar; in de bouquetten der rhododendrons zat zij
+daar als in de bloesemteederheid van &eacute;ene groote mystieke bloem. Zijn
+twijfel werd toen als eene wond, die gebalsemd wordt. Hij gaf zich
+geheel over aan het geluk; het weefde eene atmosfeer om hem heen van
+zachte levens-kalmte, eene atmosfeer, waarin het leven kalm en
+hartstochteloos en rustig glimlachend wordt, als de lucht, die fijn is
+om goden. Het begon te donkeren: een violet geduister viel uit den hemel
+ne&ecirc;r als floers, dat viel op floers; stil lichtteden de sterren op. De
+schaduwen in den tuin, tusschen de heesters, waar zij zaten, vloeiden
+samen; de piano in de andere villa was stil geworden. En het Geluk trok
+als een sluier tusschen zijne ziel en de wereld daarbuiten: den tuin met
+zijn aanleg van paden en perken; de villa met gordijnen aan vensters en
+ijzeren hek; den weg daarachter met geknars van rijtuigen en van trams.
+V&egrave;r trok zich dat alles terug, het geheele leven der gewoonheid trok
+zich ver van hem terug, het waasde weg achter den sluier, het stierf af.
+En het was hem geen gedroom of verzinsel; de werkelijkheid was hem het
+Geluk, dat gekomen was, terwijl de wereld afstierf; het Geluk, dat ijl
+was, niet te zien en niet aan te raken, gekomen als het was uit de
+Liefde, die alleen is sympathie, in kalmte en zonder hartstocht, de
+Liefde, die lo&ugrave;ter is en slechts is om zichzelve, zonder bijgedachte van
+iets te nemen, zelfs niet van iets te geven, de liefde der goden, die is
+de ziel der Liefde zelve. Hoog voelde hij zich: de gelijke der illuzie,
+die hij zag in haar, die ze wezen wilde om hem, die hij nu &oacute;ok zien
+bleef in haar, zonder twijfel. Want hij kon niet weten, dat wat hem z&oacute;o
+het Geluk gaf&mdash;zijne illuzie,&mdash;zoo volkomen en z&oacute;o kristalhelder, iets
+van leed zo&ucirc; zijn voor haar; hij kon op dit oogenblik zonder zonde niet
+doordringen in de waarheid der wet, die wil het evenwicht, die wegneemt
+aan de eene wat zij den andere biedt en die het Geluk geeft met het Leed
+samen; hij kon niet weten, dat zoo het Geluk was aan hem, aan haar was
+de smart, de smart, dat ze zich moest voordoen en hem bedriegen om h&egrave;m;
+de smart, dat zij het aardsche wilde, dat zij het aardsche miste, dat
+zij smachtte naar het aardsche...! En nog minder kon hij weten, dat
+niettegenstaande dit alles, toch deze wellust was in hare smart: te
+lijden door hem, te lijden voor hem, kon hij weten, dat geheel hare
+smart wellust was.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="II"></a><h2>II.</h2>
+<br>
+
+<p>Het werd donker, laat, en zij zaten er nog, toen ze vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Willen we wat wandelen?</p>
+
+<p>Hij aarzelde, glimlachend, maar zij vroeg nog eens:</p>
+
+<p>&mdash;Waarom niet, als je wilt?</p>
+
+<p>En hij k&ograve;n niet meer weigeren.</p>
+
+<p>Zij stonden op, zij gingen langs den achterkant van het huis, en Cecile
+vroeg aan de meid, die ze bij de deur der keuken zag zitten naaien:</p>
+
+<p>&mdash;Greta, haal even mijn kleinen zwarten hoed, mijn zwarte fichu en een
+paar handschoenen.</p>
+
+<p>De meid stond op en ging het huis in. Cecile merkte hoe een beetje
+verlegenheid zich sterker uitteekende in Quaerts' geweifel terwijl zij
+nu wat dralend wachteden tusschen de bloemenperken. Zij glimlachte,
+plukte eene roos, die ze zich in den ceintuur stak.</p>
+
+<p>&mdash;Zijn de jongens naar bed? vroeg hij.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, antwoordde ze, steeds glimlachend; al lang.</p>
+
+<p>De meid kwam terug; zonder spiegel zette Cecile zich het zwarte tulle
+hoedje op, sloeg de kant om haar hals, maar nu Greta de handschoenen
+aanbood, sprak zij:</p>
+
+<p>&mdash;Neen, niet deze; haal een paar grijze ...</p>
+
+<p>De meid ging opnieuw en toen Cecile naar Quaerts zag, werd haar glimlach
+grooter; ze lachte even.</p>
+
+<p>&mdash;Wat is er toch? vroeg zij ondeugend, hoewel ze het wel wist.</p>
+
+<p>&mdash;Niets, niets! sprak hij vaag en hij moest geduldig wachten, tot Greta
+terug was gekomen.</p>
+
+<p>Toen gingen zij door het achterhek van den tuin de Boschjes in. Zij
+liepen langzaam, zonder woorden, Cecile wat spelende met de lange
+handschoenen, die zij niet aanschoof.</p>
+
+<p>&mdash;Heusch ... begon hij, aarzelend.</p>
+
+<p>&mdash;Wat dan toch?</p>
+
+<p>&mdash;U weet het wel; wat ik u verleden ook zei: het is niet goed ...</p>
+
+<p>&mdash;Niet goed?</p>
+
+<p>&mdash;Wat we doen. U risqueert te veel.</p>
+
+<p>&mdash;Te veel, met u?</p>
+
+<p>&mdash;Als iemand ons zag ...</p>
+
+<p>&mdash;Nu wat dan?</p>
+
+<p>Hij schudde zijn hoofd.</p>
+
+<p>&mdash;U is ondeugend; u weet het heel goed.</p>
+
+<p>Zij knipte met hare oogen; haar mond werd ernstig; ze deed alsof ze zich
+een beetje boos maakte.</p>
+
+<p>&mdash;Hoor eens, u mag niet zoo bang zijn, als <i>ik</i> het niet ben. Ik doe
+niets slechts. Onze wandelingen zijn geen geheim. Greta ten minste weet
+er van. En dan: ik ben vrij, ik doe en laat wat ik wil.</p>
+
+<p>&mdash;Het is mijn schuld: den eersten keer, dat we 's avonds wandelden, was
+het op mijn verzoek ...</p>
+
+<p>&mdash;Doe dan nu boete en ga zonder scrupules zoet met me me&ecirc; op <i>mijn</i>
+verzoek ... schertste zij.</p>
+
+<p>Hij gaf zich over, te gelukkig als hij was om aan conventie, aan dat wat
+op dit oogenblik afgestorven was, te offeren.</p>
+
+<p>Zij gingen verder en zij zwegen. En zooals ze meestal hare gevoelens bij
+schokken van verbazing ontving&mdash;zooals zij ze ontvangen had toen Jules
+was boos geworden, en toen ze hare trap was opgegaan na hun gesprek aan
+het diner, over cirkels van sympathie,&mdash;bij schokken van verbazing, zoo
+ontving ze ook nu, met een schok, dit gevoel: dat ze toch niet zoo erg
+leed, als ze eerst meende; dat hare smart, die wellust was, geene
+marteling kon zijn, dat ze gelukkig was, dat het Geluk om haar heen kwam
+als de fijne lucht zijner eigene atmosfeer, omdat zij samen waren,
+samen ... O, waarom te wenschen, nog meer, en dingen, die niet zoo louter
+waren? Had hij haar niet lief, en was zijne liefde niet een feit, en zo&ucirc;
+zijne liefde haar dan niet aardsch genoeg zijn, als ze toch feit was?
+Had hij haar niet lief met teederheid, die vreesde voor wat haar
+hinderen mocht in de wereld, zoo ze die wereld vergat en 's avonds met
+hem dwaalde in het donker? Had hij haar lief met teederheid, maar ook
+niet met glans, met den glans van het goddelijke zijner ziel, omdat hij
+haar madonna noemde, dus&mdash;zich misschien onbewust in zijn eenvoud&mdash;haar
+met dien naam gelijke maakte aan wat goddelijk in hem was. Had hij haar
+niet lief? God, had hij haar dan niet lief? En wat wilde ze meer? Neen,
+o neen, ze wilde niets meer; ze was gelukkig, ze had het Geluk met hem
+samen; hij gaf het haar, zooals zij het hem gaf; het was een sfeer, die
+met hen me&ecirc;trok, waar zij ook gingen, zoekende hunnen weg, langs de
+weggedonkerde paden der Boschjes, zij nu aan zijn arm, hij haar leidende,
+daar ze niets zag in het donker, dat toch louter licht was van hun Geluk.
+En zoo was het of het niet avond was, maar dag. Middag, middag in den
+nacht, ure van licht in het duister!</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="III"></a><h2>III.</h2>
+<br>
+
+<p>En het donker was het licht; de nacht daagde van het Licht, dat straalde
+alom. Stil straalde het, het Licht, als &eacute;ene enkele zonnester, die
+straalt met zachten glans van klaarheid, hel in een hemel van stil wit
+zilver licht; hemel, waar zij liepen over melkwegen van licht en muziek;
+het straalde en het klonk onder hunne voeten en in zee&euml;n van ether
+verhief het zich hoog boven hunne hoofden en straalde daar we&ecirc;r en klonk
+er we&ecirc;r, hoog en zuiver. Zij waren er alleen, in hunnen hemel, in hunne
+hemelwijdte, die was als de Ruimte, eindeloos onder hen en boven hen en
+om hen rond, met eindelooze ruimten van licht en muziek; van licht, dat
+muziek was. Eeuwigheden lang mat zich hun hemel uit, naar alle zijden
+mat zich die uit, met zalige verschieten van witte zonneglansen, in
+glans verschoten en weggeglansde landouwen, als oazen van bloemen en
+planten aan wateren van licht, stil en klaar en geruischloos van vrede.
+Want de vrede was er de lucht, waarin alle verlangen oplost en tot
+kristallen transparantheid wordt en hun leven was er het limpide zijn in
+verlangenloozen vrede; zij wandelden er voort, in goddelijke sympathie
+van samenzijn, nauw aan elka&acirc;r, als in &eacute;en engen ring omgeven, &eacute;en ring
+van glans, die hen omgaf. Nauwlijks in hen was er herinnering aan de
+wereld, die was afgestorven en afgeschitterd in het stralen van hunnen
+hemel; niets was er in hen dan de extaze van hunne liefde, die hunne
+ziel was geworden, alsof zij geene ziel meer hadden en slechts liefde
+waren; en toen zij om zich heen zagen en zagen in het Licht, zagen zij,
+dat hun hemel, waarin hun Geluk het Licht was, niets was dan hunne
+liefde en zagen zij, dat de landouwen,&mdash;de bloemen en planten aan
+wateren van licht,&mdash;niets waren dan hunne liefde, en dat de eindelooze
+Ruimte, de eeuwigheden van glans en ruimte, van ruimten vol glans en
+muziek, die zich uitmaten naar alle zijden, onder hen en boven hen en om
+hen rond, niets waren dan hunne liefde, die geworden was tot hemel en
+geluk.</p>
+
+<p>En het Doel, dat Cecile eens had v&oacute;&oacute;rgeraden, verscholen in de verte, in
+de uitstraling van eigen goddelijkheid, traden zij nu middenin, in zijn
+zonnekern; midden in het Doel traden zij en rondom hen schoot het zijne
+eindelooze stralen naar alle eeuwigheden heen, alsof hunne Liefde werd
+tot middenpunt des Heelals ...</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="IV"></a><h2>IV.</h2>
+<br>
+
+<p>Maar zij zaten op eene bank, in het donker, niet wetende, dat het donker
+was, daar hunne oogen vol waren van het Licht. Zij zaten er naast
+elkander, eerst zwijgende, en toen hij zich herinnerde, dat hij eene
+stem had en woorden kon zeggen sprak hij:</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb nooit zoo een oogenblik doorleefd als dit. Ik vergeet waar we
+zijn en wie we zijn en dat we menschen zijn. We zijn dat geweest, niet
+waar; ik herinner me, dat we dat geweest zijn?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, we zijn nu geen menschen! sprak zij glimlachend en hare vergroote
+oogen zagen in het donker, dat Licht was.</p>
+
+<p>&mdash;Eens, toen waren we menschen, menschen, die leden en verlangden op een
+wereld, waar heel veel moois was maar ook heel veel leelijks.</p>
+
+<p>&mdash;Waarom spreek je daar nu van? vroeg ze en hare stem klonk haarzelve
+als komende van heel ver en laag onder haar.</p>
+
+<p>&mdash;Ik herinnerde me dat ...</p>
+
+<p>&mdash;Ik wilde het vergeten.</p>
+
+<p>&mdash;Dan zal ik het ook doen. Maar ik mag u toch wel in menschenwoorden
+danken, dat u mij maakte tot niet meer mensch?</p>
+
+<p>&mdash;Deed ik dat?</p>
+
+<p>&mdash;Ja; mag ik daarvoor danken, op mijn knie&euml;n?</p>
+
+<p>Hij knielde ne&ecirc;r en nam eerbiedig hare handen. Hij zag slechts even den
+omtrek harer gestalte, stil, onbewegelijk gezeten op de bank; er was
+iets als het parelgrijze doorschemeren van een sterrenlucht boven hen,
+tusschen de zwarte takken. Zij voelde hare handen in de zijne, en toen
+zijn mond zijn zoen op hare hand. Heel zacht maakte zij zich los, en
+daarna was het met een groote ziel van kuischheid, vol verlangenloos
+geluk, dat zij hare armen heel zacht boog om zijn hals, zijn hoofd tegen
+zich nam en hem kuste op het voorhoofd.</p>
+
+<p>&mdash;En ik, ik dank je ook! fluisterde zij verrukt.</p>
+
+<p>Hij bleef stil en zij hield hem zacht vast in hare omarming.</p>
+
+<p>&mdash;Ik dank je, sprak ze, dat je me dit geleerd hebt en me geleerd hebt
+z&oacute;o gelukkig te zijn als we zijn en niet anders. Zie je, toen ik nog
+leefde, toen ik een mensch was, een vrouw, meende ik al geleefd te
+hebben, v&oacute;&oacute;r ik je ontmoette, want ik had een man gehad en ik had
+kinderen van wie ik heel veel hield. Maar ik leerde pas het leven van
+jou, het leven zonder ego&iuml;sme en zonder verlangen; ik leerde dat van je
+dezen avond, of ... dezen dag, wat is het? O, je hebt me het leven
+gegeven en het geluk, en alles! En ik dank je, ik dank je! Zie je, je
+bent zoo groot en zoo sterk en zoo klaar en je hebt me gedragen naar je
+eigen Geluk, dat ook het mijne moest zijn, maar dat zoo hoog boven me
+was, dat ik het zonder je nooit bereikt zo&ucirc; hebben! Want er was een
+grens voor me, die er niet voor jou was. Zie je, toen ik nog mensch
+was&mdash;en zij lachte, terwijl zij hem vaster nam&mdash;had ik een zuster en die
+voelde &ograve;ok, dat ze een grens had tusschen haar en haar geluk, en ze
+voelde, dat ze dien grens niet kon overschrijden en was daar zoo
+ongelukkig om, dat ze vreesde gek te zullen worden. Maar ik, ik weet het
+niet: ik droomde, ik dacht, ik hoopte, ik wachtte, o ik wachtte en toen
+ben je gekomen, en je hebt me dadelijk doen verstaan, dat je geen
+mensch, geen man voor me mocht zijn, maar dat je m&eacute;er voor me kon zijn:
+mijn engel, o mijn heiland, die me in zijn arm nam en me over den grens
+opdroeg naar zijn eigen hemel, waar hijzelve god was en mij madonna
+maakte. O, ik dank je, ik dank je! Ik weet niet hoe ik je danken kan,
+maar ik kan je alleen zeggen, dat ik van je ho&ucirc;, dat ik je aanbid, dat
+ik mijn ziel ne&ecirc;rleg aan je voeten. Blijf zoo en laat me je aanbidden,
+terwijl je zoo knielt. Zoo mag ik je wel aanbidden, niet waar, terwijl
+jezelve knielt? Zie je, ik moet je ook biechten, zooals je mij wel eens
+deed,&mdash;ging zij voort, en zij k&oacute;n nu niet anders dan biechten,&mdash;ik ben
+niet altijd eerlijk tegenover je geweest, ik heb me wel eens moeten
+voordoen &agrave;ls een madonna, terwijl ik toen nog gewoon vrouw was, vrouw,
+die eenvoudig-weg van je hield. Maar ik was oneerlijk voor je eigen
+geluk, niet waar? Je wilde mij zoo hebben, je was gelukkig als ik z&oacute;o
+was en niet anders. En nu, nu kan je mij het ook vergeven, omdat ik mij
+nu niet meer behoef voor te doen, omdat dat het verleden is, omdat dat
+is afgestorven, omdat ikzelve ben afgestorven van mezelve, omdat ik nu
+geen vrouw en geen mensch meer ben voor mezelve, maar alleen dat wat je
+me hebben wilt: madonna en schepsel van je, een atoom van je eigen
+essence en goddelijkheid. Vergeef je me dus het verleden...? En mag ik
+je danken voor mijn geluk, voor mijn hemel, mijn licht, o mijn God, voor
+mijn geluk, mijn groot, onmetelijk groot geluk?</p>
+
+<p>Hij was opgestaan, hij zette zich naast haar en nam haar zacht in zijn
+armen.</p>
+
+<p>&mdash;Is u gelukkig? vroeg hij.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, sprak zij, haar hoofd op zijn schouder leggende in eene zwijmeling
+van glans. En jij?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, antwoordde ook hij en hij vroeg verder:</p>
+
+<p>&mdash;En verlangt u nu ... niets anders?</p>
+
+<p>&mdash;Neen, niets! stamelde zij. Ik wil niets dan dit, niets dan wat ik heb,
+o niets, niets anders!</p>
+
+<p>&mdash;Zweer me dat dan ... bij iets heiligs! vroeg hij.</p>
+
+<p>&mdash;Ik zweer het je ... bij jezelven! zwoer zij.</p>
+
+<p>Hij drukte haar hoofd we&ecirc;r ne&ecirc;r op zijn schouder. Hij glimlachte en zij
+zag niet, dat er weemoed was in zijn lach, want zij was verblind van
+glans.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="V"></a><h2>V.</h2>
+<br>
+
+<p>Zij zwegen lang, zoo zittende. Zij herinnerde zich vele woorden gezegd
+te hebben, ze wist niet meer welke. Om haar heen zag zij, dat het donker
+was, met alleen dat geschemer van parelgrijs boven hunne hoofden, door
+de zwarte takken door. Ze voelde, dat ze met haar hoofd op zijn schouder
+lag; ze hoorde zijn adem. Iets als kilte liep haar langs de schouders,
+niettegenstaande de warmte zijner omhelzing; ze trok de kant dichter om
+haar hals en voelde, dat de bank, waarop zij zaten, wat vochtig van dauw
+was.</p>
+
+<p>&mdash;Ik dank je, ik heb je zoo lief, je maakt me zoo gelukkig, herhaalde
+zij.</p>
+
+<p>Hij zweeg, drukte zeer zacht, met enkel teederheid, haar tegen zich aan.
+Heure laatste woorden klonken haar nog in de ooren nadat zij ze gezegd
+had. Toen moest ze zich erkennen, dat ze niet spontaan waren geweest,
+als alles wat zij hem te voren gezegd had, terwijl hij voor haar
+geknield lag, met zijn hoofd aan hare borst. Zij had ze gezegd, om hun
+stilzwijgen te vullen: vroeger had dit stilzwijgen haar nooit gehinderd,
+waarom dan nu?</p>
+
+<p>&mdash;Kom! sprak hij zacht en ze hoorde nog niet den weemoed zijner stem, in
+dit enkele woord.</p>
+
+<p>Zij stonden op en liepen verder. Hij dacht er aan, dat het laat was, dat
+ze door dit pad naar huis zouden kunnen gaan: verder dacht hij aan veel
+treurigs, dat hij niet had kunnen zeggen; het was alleen als schemering,
+die om hem heen kwam na de verbinding van het Licht hunner hemelen van
+zoo even. En hij moest voorzichtig zijn: het was hier zeer donker, en
+maar heel bleek zag hij het pad schemeren voor hunne voeten; boomstammen
+schuurden zij rakelings aan.</p>
+
+<p>&mdash;Ik zie niets! sprak Cecile lachend. Ziet u den weg?</p>
+
+<p>&mdash;Vertrouw maar op me: ik zie heel goed in het donker, antwoordde hij.
+Ik heb de oogen van een lynx ...</p>
+
+<p>Stap voor stap gingen zij voort en zij gevoelde eene zoete vreugde zich
+te laten leiden door hem; zij klemde zich vaster aan zijn arm, zeide
+lachend dat ze bang was en dat ze heel bang zo&ucirc; zijn, als hij haar nu in
+eens losliet.</p>
+
+<p>&mdash;En als ik nu in eens wegliep en u liet staan? schertste Quaerts.</p>
+
+<p>Zij lachte, zij smeekte lachend, dat hij het niet doen zo&ucirc;. Toen zweeg
+ze, boos op zichzelve, dat ze gelachen had; een last van weemoed
+bezwaarde haar om haren scherts en gelach. Ze gevoelde iets, als was ze
+d&agrave;t onwaardig, waarvan zij zoo even in glanzen lichts ontvangen was
+geworden.</p>
+
+<p>En ook in hem was weemoed: de weemoed, dat hij haar leiden moest door
+duisternis, over onzichtbare paden, langs rijen van onzichtbare
+boomstammen, die haar schrammen en kneuzen konden, dat hij haar leiden
+moest door een donker bosch, door eene zee van zwart, door eene
+inkt-duistere sfeer, terwijl zij terugkwamen van den hemel, waar alles
+licht en alles geluk was geweest, zonder weemoed, en duister.</p>
+
+<p>En zoo, in dien weemoed, zwegen zij, tot zij op den grooten weg waren,
+den ouden Scheveningschen weg. Zij naderden de villa.</p>
+
+<p>Er ging een tram voorbij; twee, drie wandelaars liepen daar: het was een
+mooie avond. Hij bracht haar thuis en wachtte, tot, op zijn bel, geopend
+zo&ucirc; worden. De deur bleef lang dicht, hij drukte intusschen vast hare
+hand en onwillekeurig deed hij haar een beetje pijn. Greta was zeker in
+slaap gevallen, meende ze:</p>
+
+<p>&mdash;Bel nog eens, wil u?</p>
+
+<p>Hij belde we&ecirc;r en luider; de deur werd nu na een oogenblik geopend. Zij
+bood hem ten tweede male de hand, met een glimlach.</p>
+
+<p>&mdash;Adieu, mevrouw! groette hij, terwijl hij nu heure vingers eerbiedig
+aannam en zijn hoed oplichtte, en nu, nu hoorde zij den klank zijner
+stem, den klank van weemoed ...</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+
+<p>HOOFDSTUK V.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="I"></a><h2>I.</h2>
+<br>
+
+<p>Toen wist zij het, den volgenden dag, toen zij alleen zat en nadacht,
+dat de sfeer van het geluk, van het hoogste en lichtste, niet betreden,
+mag worden, dat ze slechts tot ons stralen mag als eene zon en dat wij
+er niet in mogen gaan, in hare heilige zonnekern. Zij hadden dat
+gedaan ...</p>
+
+<p>Lusteloos zat zij; de kinderen waren bij haar, Christie hing en zag
+bleek. O ja, ze verweekte ze, maar wat kon ze aan zich veranderen?</p>
+
+<p>Weken gingen er voorbij en Cecile hoorde niets van Quaerts; dat was
+altijd zoo: nadat ze hem gezien had, gingen er zoo, slepend, weken
+voorbij, dat ze hem niet zag. Hij was immers t&egrave; gelukkig bij haar, dat
+verwende hem te veel. Hij beschouwde haar als een zeldzaam genot,
+waarvan men maar weinig genoeg heeft ... En zij, ze had hem eenvoudig
+lief, met de innigste essence harer ziel, gewoon lief als eene vrouw een
+man lief heeft ... Zij had hem altijd noodig, iederen dag, ieder uur, bij
+iederen ademtocht van haar leven.</p>
+
+<p>Bij toeval ontmoette zij hem toen, te Scheveningen, waar zij op een
+avond was met Am&eacute;lie en Suzette. Toen we&ecirc;r eens, bij toeval, op eene
+receptie, van Mevrouw Hoze. Hij had iets verlegens tegenover haar en zij
+gevoelde eenigen trots en vroeg hem niet te komen. Ja, er was iets
+veranderd in wat zich tusschen hen had geweven. Maar zij leed zeer, ook
+om dien dwazen trots, en dat zij hem niet met nederigheid smeekte, dat
+hij komen zo&ucirc;. Hij was immers haar god: wat hij deed was goed.</p>
+
+<p>Zoo zag zij hem niet gedurende weken, weken. Het leven ging voort; zij
+had iederen dag kleine bezigheden, in haar huishouden, voor heure
+kinderen; mevrouw Hoze berispte haar om hare afsterving van de wereld en
+zij dacht voortaan meer aan hare visites, terwille van mevrouw Hoze, die
+dat gevraagd had. In hare herinnering waren stralen; in die stralen zag
+zij het diner, hunne gesprekken en wandelingen, geheel hare liefde,
+geheel zijn opzien tot haar, die hij madonna noemde; hunnen laatsten
+avond van licht en extaze. Dan glimlachte zij en die glimlach zelve
+straalde over hare smart heen; hare smart, dat zij hem niet meer zag, en
+zich trotsch gevoelde en wat bitterheid in zich had. Alles moest immers
+goed zijn, zooals hij het wilde.</p>
+
+<p>O, de avonden, de zomeravonden, die koelden na warme dagen, de avonden,
+die zij alleen zat, turende van uit hare kamer, waar de onyxen lamp met
+halve vlam brandde, turende van uit de open vensterdeuren naar de
+trammen, die, rinkelend met bellen, kwamen en gingen naar Scheveningen,
+vol, vol menschen! Het wachten, het eindeloos lange wachten avonden,
+avonden lang, in eenzaamheid, als de kinderen waren gaan slapen! Het
+wachten, als zij maar stil zat, de oogen strak voor zich uit, kijkende
+naar de trammen, die eindelooze, die vervelende trammen. Waar was haar
+vroegere gelijkmatige zachtheid van droomend geluk? En waar, waar was
+haar zonnestralend geluk? En waar was haar strijd in zichzelve tusschen
+wat zij was en wat hij in haar zag? Ook die strijd was niet meer,
+overwonnen was die strijd; ze voelde niet meer die hevigheid van
+hartstocht; zij verlangde alleen naar hem, zooals hij altijd gekomen
+was, zooals hij nu niet meer kwam. Waarom kwam hij niet? Het geluk
+verwende, de menschen spraken over hen ... Het was niet goed, dat zij
+veel elka&acirc;r zagen&mdash;hij had dat gezegd op den vooravond van hun hoogste
+geluk&mdash;niet goed voor hem en niet goed voor haar.</p>
+
+<p>Zoo zat zij en dacht zij, en stille groote tranen vielen haar uit de
+oogen, want zij wist, dat al kwam hij ook een beetje om zichzelven niet
+bij haar, hij vooral niet kwam om haar. Wat had zij niet gezegd, 's
+avonds op die bank in de Boschjes, met haar armen om zijn hals! O, zij
+had moeten zwijgen, dat voelde ze nu. Zij had hare verrukking niet
+moeten uiten, maar ze stil in zichzelve moeten genieten, als een geheim;
+zij had h&egrave;m zich moeten laten uiten: zijzelve had madonna moeten
+gebleven zijn. Maar het was haar toen te vol, te gelukkig geweest en,
+in die overmate van geluk, had zij niet anders kunnen zijn dan waar en
+klaar als een heldere spiegel. Hij had in haar geblikt, hij had haar
+geheel gezien: zij wist dat, ze was daar zeker van.</p>
+
+<p>Hij wist nu, h&ograve;e zij hem liefhad; zij had hem dat zelve geopenbaard.
+Maar zij had hem immers ook geopenbaard, dat dit alles het verleden was,
+dat zij <i>nu</i> was, die hij wilde! Toen, toen was dat &oacute;&oacute;k waar geweest,
+klaar en waar ... Maar nu? Duurt extaze dan maar &eacute;&eacute;n oogenblik en wist
+hij dat? Wist hij, dat hare zielevlucht heur hoogste bereikt had en nu
+we&ecirc;r dalen moest tot gewonere sfeer? Wist hij, dat zij hem nu we&ecirc;r
+liefhad, gewoon weg, met alles, geheel en al, niet zoo wijd meer als de
+hemelen, en nu we&ecirc;r zoo wijd maar als hare armen konden uitslaan en
+omvademen? En kon hij haar die liefde zoo klein niet teruggeven en kwam
+hij daarom niet bij haar?</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="II"></a><h2>II.</h2>
+<br>
+
+<p>Toen ontving ze zijn brief.</p>
+
+<p>&quot;Vergeef me, zoo ik van dag tot dag uitstelde u te komen zien; vergeef
+me, zoo ik van daag nog niet daartoe besluiten kon en u schrijf. Vergeef
+me zoo ik u zelfs durf te vragen, of het niet zal moeten zijn, dat wij
+elkander niet meer zien. Zoo ik u pijn doe en beleedig, zoo ik&mdash;God geve
+van niet&mdash;doe lijden, vergeef me, vergeef me! Ik heb misschien uitgesteld
+uit een beetje besluiteloosheid, maar veel meer omdat ik meende niet
+anders te mogen doen.</p>
+
+<p>&quot;Er is tusschen onze beide levens, tusschen onze beide zielen, eene
+ontmoeting van geluk geweest, die eene bizondere zaligheid, eene
+bizondere gunst van den hemel was. Gelooft u dat ook niet? O, als ik
+maar de woorden had u te zeggen hoe dankbaar ik in mijn innigste ziel
+ben voor dat geluk. Als ik ooit later op mijn leven terugzie, dan zal ik
+er altijd tusschen veel leelijks en zwarts d&agrave;t geluk in blijven zien,
+als een ster van licht. Wij hebben dat zoo gekregen: een geschenk van
+licht. En ik durf u te vragen of u met mij dat geschenk bewaren wil, als
+iets heiligs.</p>
+
+<p>&quot;Zullen wij dat kunnen doen, als ik u blijf bezoeken? O, u zeker, ik
+twijfel niet aan u, u zal sterk zijn en het heilig bewaren, ons heilig
+geluk, vooral omdat u al gestreden heeft, zooals uzelve mij op onzen
+heiligen avond toevertrouwde. Maar, ik, zal ik ook sterk kunnen zijn,
+vooral nu ik w&eacute;et, d&agrave;t u gestreden heeft? Aan mij twijfel ik, aan mijn
+eigen kracht; voor mijzelven ben ik bang! Er is iets wreeds in mij, iets
+vernielzuchtigs, iets van een barbaar. Als jongen had ik er plezier
+in mooie dingen en kunstvoorwerpen te vernielen, ze te kerven en te
+bezoedelen. Verleden had Jules mij wat rozen gebracht, op mijn kamer;
+'s avonds, toen ik alleen zat, mijmerend over u en over ons geluk&mdash;zelfs
+op d&agrave;t oogenblik&mdash;frommelden mijne vingers aan een roos, die uitbladerde,
+en toen ik die eene roos ontbladerd zag, was het in mij eene wreedheid
+om ze allen te ontbladeren, en ik verfrommelde ze allemaal. Ik noem u
+maar een klein bewijs op, omdat ik u geen groote bewijzen noemen wil,
+uit ijdelheid, opdat u niet wete, hoe slecht ik ben. Ik ben bang voor
+mezelven. Als ik u we&ecirc;r zag, en we&ecirc;r zag, en we&ecirc;r, wat zo&ucirc; ik gaan
+gevoelen en denken en willen, zonder te willen? Wat zo&ucirc; sterker in mij
+zijn, mijn ziel of mijn beest? Vergeef me, dat ik mijn angst u bloot leg
+en minacht mij er niet om. Tot nog toe heb ik <i>niet</i> gestreden in onze
+heilige wereld van geluk. Ik heb u gezien, veel gezien voor ik u kende;
+ik heb u geraden, zooals u was; ik heb u mogen spreken, ik heb u mogen
+liefhebben met mijn ziel alleen: ik smeek u, o laat het zoo blijven.
+Laat me mijn geluk zoo blijven bewaren, heilig, duizendmalen heilig! Ik
+vind het nu waard geleefd te hebben, nu ik d&agrave;t gekend heb: geluk, het
+hoogste: En voor den strijd, die waarschijnlijk zo&ucirc; komen en dat heilige
+bezoedelen zo&ucirc;, ben ik bang.</p>
+
+<p>&quot;Gelooft u mij, als ik u zweer, veel over dit alles te hebben nagedacht;
+gelooft u mij, als ik u zweer, dat ik lijd bij de gedachte u nooit we&ecirc;r
+terug te zullen mogen zien? En vooral: vergeeft u mij, als ik u zweer,
+dat ik zoo doe, omdat ik denk goed te doen? O, ik ben u dankbaar, en ik
+heb u lief als een ziel van licht alleen, alleen licht!</p>
+
+<p>&quot;Misschien doe ik niet goed u dezen brief te zenden. Ik weet het niet.
+Misschien verscheur ik deze woorden straks ...&quot;</p>
+
+<p>Maar hij h&agrave;d haar den brief gezonden.</p>
+
+<p>Er was veel bitterheid in haar. Zij had eens gestreden, zich overwonnen
+en, in een heilig oogenblik dien strijd en die overwinning gebiecht: zij
+wist, dat zij dit noodlottig had moeten doen; zij wist nu, wat zij door
+die biecht verliezen zo&ucirc;. Een kort oogenblik slechts, een enkelen avond
+misschien, was zij haren god waardig en gelijk geweest. Nu was zij dat
+niet meer; ook d&agrave;arom was zij bitter. En het bitterst was zij, omdat de
+gedachte in haar dorst oprijzen:</p>
+
+<p>&mdash;Een god! Is hij een god? Vreest een god voor strijd?</p>
+
+<p>Toen werd hare driedubbele bitterheid tot wanhoop, de zwarte wanhoop, de
+nacht, waardoor hare oogen zochten te dringen om iets te zien, waarin
+zij niets zagen, niets, en zij kermde zacht, en wrong hare handen,
+ineengezonken voor het venster en turende naar de trammen, die,
+onbarmhartig, met hun gerinkel van bellen, reden, heen en we&ecirc;r.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="III"></a><h2>III.</h2>
+<br>
+
+<p>Zij sloot zich op; zij zag hare kinderen niet veel; aan hare kennissen
+zeide zij, dat zij ziek was. Voor bezoeken gaf zij belet. Uit intu&iuml;tie
+ried zij, dat men in hunne kringen sprak over haar en Quaerts. Het leven
+was dof om haar heen: een dicht ineengeweven net van lastige, vervelende
+mazen en zij bleef als roerloos in heur hoekje om zich niet in die mazen
+te behoeven verwarren. Eens drong Jules tot haar door; hij ging,
+niettegenstaande Greta hem we&ecirc;rhouden wilde, naar boven; hij zocht haar
+in het boudoirtje, vond haar niet en ging beslist naar hare slaapkamer.
+Hij klopte maar kreeg geen antwoord en trad toch binnen. De kamer was
+half duister door de dicht gehouden stores; in de schaduw van den
+baldakijn, die over het ledekant oprees met draperie&euml;n van een oud-blauw
+brokaat, lag Cecile te slapen. Haar peignoir was open op de borst, de
+sleep slierde van het bed af, verkreukeld over het tapijt; over het
+kussen lagen heure haren; hare eene hand hield zich krampachtig in de
+tulle ondergordijnen vast.</p>
+
+<p>&mdash;Tante! riep Jules, tante!</p>
+
+<p>Hij schudde haar even bij den arm en zij werd loom wakker, met zware,
+blauw omcirkelde oogen. Zij herkende hem niet dadelijk en dacht, dat hij
+kleine Dolf was.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ben het, tante; Jules ...</p>
+
+<p>Zij herkende, vroeg hem, hoe hij hier kwam, wat er was en of hij niet
+wist, dat zij ziek was.</p>
+
+<p>&mdash;Ik wist het, maar ik moest u spreken. Ik kwam u spreken over ... hem ...</p>
+
+<p>&mdash;Hem?</p>
+
+<p>&mdash;Over Taco. Hij vroeg mij het u te zeggen. Hij kon u niet schrijven,
+zei hij. Hij gaat een groote reis doen, met zijn vriend uit Brussel; hij
+blijft heel lang weg en hij wo&ucirc; ... hij wo&ucirc; afscheid van u nemen.</p>
+
+<p>&mdash;Afscheid?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, en hij vroeg mij het u te vragen, of hij u nog eens zien mocht.</p>
+
+<p>Zij had zich half opgericht en zag den jongen wezenloos aan. In eene
+seconde gingen de herinneringen door haar brein van den langen blik,
+dien Jules vreemd op haar geslagen had, toen zij Quaerts voor het eerst
+gezien had, toen zij, koel, op een laatdunkenden afstand, tot hem
+gesproken had: Heeft u familie in den Haag? Heeft u een betrekking?
+Sport? O!...</p>
+
+<p>De herinneringen van Jules' spelen op de piano van Rubinsteins romance
+in es, van de extaze zijner fantazie: de glanzende regenbogen en de
+engel-wordende zielen.</p>
+
+<p>&mdash;Afscheid? herhaalde zij.</p>
+
+<p>Jules knikte.</p>
+
+<p>&mdash;Ja tante, hij gaat weg, voor zoo lang.</p>
+
+<p>Hij had zelve kunnen huilen en huilen was ook in zijne stem, maar hij
+wilde niet en alleen werden zijne oogen vochtig.</p>
+
+<p>&mdash;Hij vroeg mij, het u te vragen, herhaalde hij moeilijk.</p>
+
+<p>&mdash;Of hij afscheid kan nemen?</p>
+
+<p>&mdash;Ja, Tante.</p>
+
+<p>Zij antwoordde niet, maar bleef voor zich uit turen. Om haar heen begon
+eene le&ecirc;gte zich uit te meten, met perspectieven van oneindigheid. Het
+was als een schaduwbeeld van hunnen avond van verrukking, maar het
+lichtstraalde niet uit die schaduw.</p>
+
+<p>&mdash;Le&ecirc;gte ... sprak zij tusschen hare lippen.</p>
+
+<p>Wat tante?</p>
+
+<p>Zij had hem willen vragen of hij nog als vroeger bang was voor le&ecirc;gte in
+zich, maar eene zachtheid van medelijden, een week gevoel, als eene
+verzoeting van de bitterheid, die zoo vol in haar was, we&ecirc;rhield haar.</p>
+
+<p>&mdash;Afscheid? herhaalde zij, met een glimlach van weemoed, en groote
+tranen vielen zwaar, drop, op drop, op hare, in elka&acirc;r gewrongen,
+vingers ne&ecirc;r.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, tante ...</p>
+
+<p>Hij kon zich niet meer inhouden: een enkele snik hokte in zijne keel,
+maar hij kuchte even na, om te doen gelooven, dat het geen snik was.
+Cecile sloeg haar arm om zijn hals.</p>
+
+<p>&mdash;Je houdt heel veel van ... Taco, niet waar? vroeg ze en het trof haar,
+dat het de allereerste maal was, dat zij dien naam uitsprak, want zij
+had Quaerts nooit zoo genoemd: zij had nooit een naam tegen hem gezegd.</p>
+
+<p>Nu antwoordde hij niet, maar hij voegde zich in haren arm, in hare
+omhelzing en begon te weenen.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, ik kan u niet zeggen, hoeveel! begon hij.</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet het! sprak ze en ze dacht aan de regenbogen en de engelen; hij
+had gespeeld als uit hare eigen ziel.</p>
+
+<p>&mdash;Mag hij komen? vroeg Jules trouw gedachtig aan wat hem was opgedragen.</p>
+
+<p>&mdash;Ja.</p>
+
+<p>&mdash;Hij vraagt, of hij van avond komen mag?</p>
+
+<p>&mdash;Goed.</p>
+
+<p>&mdash;Tante, gaat hij weg om ... om ...</p>
+
+<p>&mdash;Om wat, Jules?</p>
+
+<p>&mdash;Om u; omdat u niet van hem houdt en niet met hem trouwen wil? Mama
+zegt dat ...</p>
+
+<p>Zij antwoordde niet; zij snikte, haar hoofd op Jules' hoofd.</p>
+
+<p>&mdash;Is het zoo, tante? Neen, nietwaar...?</p>
+
+<p>&mdash;Neen.</p>
+
+<p>&mdash;Maar waarom dan?</p>
+
+<p>Zij richtte zich in eens op, zich winnende en zag hem vast aan.</p>
+
+<p>&mdash;Hij gaat weg, omdat hij weg moet, Jules. Ik, kan je niet zeggen,
+waarom. Maar wat hij doet, is goed. Alles wat hij doet, is goed.</p>
+
+<p>De jongen zag haar roerloos aan, met groote natte oogen, vol
+verwondering.</p>
+
+<p>&mdash;Is goed? herhaalde hij.</p>
+
+<p>&mdash;Ja. Hij is beter dan een van ons allen. Als je van hem houden blijft,
+Jules, zal je dat geluk aanbrengen, zelfs al ... al zie je hem niet meer.</p>
+
+<p>&mdash;Gelooft u? glimlachte hij. Brengt hij geluk aan? Zelfs dan ...</p>
+
+<p>&mdash;Zelfs dan ...</p>
+
+<p>Zij hoorde zich aan, terwijl zij zoo sprak; het was haar of een ander
+sprak; een ander, die niet alleen Jules troostte, maar ook haarzelve en
+die haar misschien kracht zo&ucirc; geven afscheid van Taco te nemen zooals
+het goed zo&ucirc; zijn: zonder wanhoop.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="IV"></a><h2>IV.</h2>
+<br>
+
+<p>&mdash;U gaat dus een lange reis maken? vroeg ze.</p>
+
+<p>Hij zat over haar, roerloos, met eene smart over zijn gelaat. Zij was
+uiterlijk zeer kalm, alleen was er een weemoed in haren blik en hare
+stem; in haar wit toilet, met de &eacute;charpe, die haar voor de voeten viel,
+lag zij achterover in de drie kussentjes der roze moir&eacute; chaise-longue;
+de punten van hare schoentjes verloren zich in de witte schapen vacht.
+Voor haar op het tafeltje lag een groote bouquet losse rozen, roze,
+witte en gele, met een breed lint samengestrikt. Hij had ze haar
+me&ecirc;gebracht en zij had ze nog niet in eene vaas gezet. Er was veel
+kalmte om hen heen; de exquize atmosfeer van het boudoirtje scheen de
+zelfde.</p>
+
+<p>&mdash;Zeg me, doe ik u niet erg verdriet? vroeg hij, met die smart in zijne
+oogen, zijne oogen, die zij nu zoo goed kende.</p>
+
+<p>Zij glimlachte.</p>
+
+<p>&mdash;Neen ... sprak ze. Ik zal eerlijk zijn met u. Ik heb verdriet geh&agrave;d, ik
+heb het nu niet meer. Ik heb me voor de tweede maal bestreden en ik heb
+mezelve overwonnen. Zal u dat gelooven?</p>
+
+<p>&mdash;Als u wist hoeveel wroeging ik voel ...</p>
+
+<p>Zij stond op en trad op hem toe.</p>
+
+<p>&mdash;Waarom? sprak ze, met eene stem van klaarte. Omdat u mij geraden
+heeft, en me geluk heeft gegeven?</p>
+
+<p>&mdash;Heb ik dat dan?</p>
+
+<p>&mdash;Is u dat dan vergeten?</p>
+
+<p>&mdash;Neen, maar ik dacht ...</p>
+
+<p>&mdash;Wat?</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet het niet; ik dacht, dat u zoo lijden zo&ucirc;, ik ... ik vervloekte
+mezelven...!</p>
+
+<p>Zij schudde zachtjes het hoofd, met eene glimlachende afkeuring.</p>
+
+<p>&mdash;Foei! sprak ze. U profaneert ...</p>
+
+<p>&mdash;Vergeeft u me?</p>
+
+<p>&mdash;Ik heb u niets te vergeven. Hoor eens. Zweer me, dat u me gelooft, dat
+u gelooft, dat u mij gel&ugrave;k heeft gegeven en dat ik niet lijd.</p>
+
+<p>&mdash;Ik ... ik zweer het u.</p>
+
+<p>&mdash;Ik vertrouw, dat u niet alleen zweert om aan mijn verlangen te
+voldoen.</p>
+
+<p>&mdash;U is het hoogste in mijn leven geweest, sprak hij zacht.</p>
+
+<p>Eene verrukking schoot door hare ziel.</p>
+
+<p>&mdash;Zeg me alleen ... begon ze.</p>
+
+<p>&mdash;Wat?</p>
+
+<p>&mdash;Zeg me, of u gelooft, dat ik, ik, <i>ik</i> ... altijd het hoogste in uw
+leven blijven zal.</p>
+
+<p>Zij stond voor hem, lang, in haar slepend wit. Zij scheen te stralen;
+zij was zoo mooi als hij haar nog nooit gezien had.</p>
+
+<p>&mdash;Ik weet dat zeker! sprak hij. Zeker, o zeker ... God, hoe kan ik u
+daarvan zekerheid geven?!</p>
+
+<p>&mdash;Maar ik geloof u al! riep zij uit.</p>
+
+<p>Zij lachte met een lach van verrukking. In hare ziel scheen eene zon
+naar alle zijden stralen uit te schieten. De oneindigheid harer
+ziele-le&ecirc;gte vulde zich met licht. Zij wond haren arm zacht om zijnen
+hals en kuste hem op het voorhoofd met eene liefkoozing van kuischheid.</p>
+
+<p>Een oogenblik scheen hij alles te vergeten. Hij stond ook op, nam haar
+in zijn armen, bijna woest, en klemde haar in eens tegen zich aan, als
+wilde hij haar verpletteren aan zijne borst. Zij zag even nog zijne
+treurige oogen; toen zag zij niet meer, verblind door de zoenen van zijn
+mond, die geheel haar gelaat schroeiden als vonken vuur. In de
+zonne-verrukking van hare ziel mengde zich eene zaligheid van de aarde,
+een toegeven aan het geweld zijner omhelzing. Maar het bliksemde door
+haar heen, wat zij verliezen zo&ucirc;, z&oacute;o zij toegaf. Zij dwong zich los,
+weerde hem af en sprak:</p>
+
+<p>&mdash;En nu ... ga.</p>
+
+<p>Het duizelde hem, hij begreep, dat het moest.</p>
+
+<p>&mdash;Ja, ja, ik ga, sprak hij. Ik mag u schrijven, niet waar?</p>
+
+<p>Zij knikte van ja, met haren glimlach.</p>
+
+<p>&mdash;Schrijf me, ik zal u ook schrijven, zeide zij. Laat mij altijd van u
+weten ...</p>
+
+<p>&mdash;Dit zijn dus niet de laatste woorden, die er tusschen ons zijn? Dit ...
+dit alles ... was niet het laatste?</p>
+
+<p>&mdash;Neen ...</p>
+
+<p>&mdash;Ik dank u. Adieu, mevrouw, adieu ... Cecile. O, als u wist, wat dit
+oogenblik mij kost!</p>
+
+<p>&mdash;Het moet. Het mag niet anders. Ga, ga. U doet goed te gaan. Toe, ga ...</p>
+
+<p>Zij reikte hem nog de hand, voor het laatst. Eene seconde daarna was hij
+verdwenen.</p>
+
+<p>Zij zag vreemd om zich rond, met verwilderde oogen, met ineengedrongen
+handen. Ga, ga ... herhaalde zij, als ijlend. Toen merkte zij de rozen
+op. Met iets als een zachten schreeuw zonk zij ne&ecirc;r voor het tafeltje en
+begroef haar gezicht in zijn geschenk, tot de dorens haar schramden. Die
+pijn&mdash;twee druppels bloed, die van haar voorhoofd vielen&mdash;ze bracht haar
+tot bezinning. Voor den kleinen Venetiaanschen spiegel, boven hare
+schrijftafel, wischte zij zich met den zakdoek de roode vlekjes af.</p>
+
+<p>&mdash;Het geluk! stamelde zij in zichzelve. Zijn geluk! Het hoogste van zijn
+leven! Hij heeft dus geluk gekend, al was het ook maar kort. Maar nu ...
+nu lijdt hij. Nu zal hij we&ecirc;r veel lijden, we&ecirc;r als vroeger. De
+herinnering aan ons geluk zal niet alles kunnen doen. O, kon het dat
+maar, dan was alles goed, alles ... Ik wil niets meer, ik heb mijn leven
+gehad, mijn kinderen; ik ben nu alles voor hen. Voor hem mocht ik niet
+m&eacute;er zijn ...</p>
+
+<p>Zij wendde zich van den spiegel af en zonk ne&ecirc;r op de bank, als was zij
+vermoeid van heel veel ruimte, die zij doordwaald had, en zij sloot de
+oogen, als was zij verblind van heel veel licht. Hare handen vouwden
+zich als om te bidden; heur gelaat straalde, in zijn mo&ecirc;heid, van
+glimlach op glimlach.</p>
+
+<p>&mdash;Het geluk! herhaalde zij, stamelend in dat geglimlach. Het hoogste van
+zijn leven! O God, het geluk! Ik dank u, God, ik dank u ...</p>
+
+<br>
+
+<p><i>Den Haag</i>
+<i>Wiesbaden-Hilversum</i>,</p>
+
+<p>Jan. '91-Oct. '91.</p>
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Extaze, by Louis Couperus
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EXTAZE ***
+
+***** This file should be named 12003-h.htm or 12003-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/0/0/12003/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/old/12003.txt b/old/12003.txt
new file mode 100644
index 0000000..bdd353a
--- /dev/null
+++ b/old/12003.txt
@@ -0,0 +1,4703 @@
+The Project Gutenberg EBook of Extaze, by Louis Couperus
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Extaze
+ Een Boek van Geluk
+
+Author: Louis Couperus
+
+Release Date: April 12, 2004 [EBook #12003]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EXTAZE ***
+
+
+
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+
+EXTAZE
+
+EEN BOEK VAN GELUK
+
+
+Door
+
+
+LOUIS COUPERUS
+
+
+
+
+_Aan het Geluk en het Leed te Zamen_.
+
+HILVERSUM, L. C.
+ Jan.'92
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+
+I.
+
+
+Dolf van Attema was op zijne wandeling na den eten aangegaan bij de
+zuster zijner vrouw, Cecile van Even, op den Scheveningschen weg, en
+hij wachtte in den kleinen voor-salon, wandelend tusschen de rozenhouten
+meubeltjes en de vieux roze moire cauzeuses met de drie, vier groote
+passen, waarmee hij de nauwte van het vertrekje telkens en telkens
+scheen over te meten. Achter de chaise-longue brandde op een onyxen
+zuil eene lamp van onyx, onder hare kanten kap zacht gloeiend als eene
+groote, zeshoekige lichtbloem.
+
+Mevrouw was nog bij de jongens, die juist naar bed gingen, had de meid
+tot Van Attema gezegd en het speet hem zijn petekind, den kleinen Dolf,
+dien avond niet meer te zullen zien; hij had reeds even naar boven
+willen loopen om met Dolf in zijn bedje te stoeien, maar ook had hij
+zich aanstonds Cecile's verzoek herinnerd, dit toch nooit meer te doen;
+de jongen bleef uren wakker liggen na zoo een gedartel met oom. En
+hij wachtte dus nu, met een glimlach om die gehoorzaamheid, zijne
+schoonzuster af, steeds metende den kleinen salon met zijn pas van
+een stevig, kort man, ineengedrongen en breed, niet jong meer en wat
+ivoorachtig kalend onder zijn kort, donkerblond haar, zijne oogen
+klein-vriendelijk en prettig blauw-grijs, zijn mond beslist flink,--al
+glimlachte hij ook--in het rossige gekroes van zijn korten Germaan-baard.
+
+Een houtblok brandde met een paar kronkeltongen in het baardje van
+nickel en verguld, als een vuurtje van stille intimiteit, als eene
+vlam van discretie, in die schemeratmosfeer van, met kant gedekt,
+lampeschijnsel en intimiteit, discretie verspreidden ook door geheel
+het nauwe vertrekje iets als een aroom van viooltjes, eene nuance van
+viooltjes-geur, die school in de zachtheid der tinten van behang en
+meubelen,--fletsch roze moire en rozehout,--die hing in het hoekje der
+kleine rozehouten schrijftafel, met hare enkele zilveren zaakjes om te
+schrijven en hare portretten in gladde, glazen Mora-lijstjes; een
+kleine, witte, Venetiaansche spiegel daar boven. En die zachte lucht van
+bescheiden exquiziteit, vol gedemptheid, teederheid, kuischheid bijna,
+die dreef tusschen het haardje, de schrijftafel en de chaise-longue, die
+gleed tusschen de stille plooien der geeffaceerde behangsels, hield iets
+in, dat rust gaf aan zenuwachtigheid, zoodat Dolf, in eens, zijn stap
+van meten staakte, zitten ging, om zich heen zag en, eindelijk, stil,
+turen bleef op het portret van Cecile's man, den minister Van Even, die
+anderhalf jaar geleden gestorven was.
+
+Toen duurde het wachten hem niet meer lang, tot Cecile binnenkwam. Zij
+trad glimlachend naar hem toe, waar hij oprees, drukkend zijne hand,
+zich verontschuldigend, dat de kinderen haar hadden opgehouden. Zij
+bracht ze altijd zelve naar bed, hare twee jongens, Dolf en Christie,
+en ze zeiden dan naast elkaar, in hunne ledikanten naast elkander, hunne
+gebedjes op. Dolf herinnerde zich nu, dat zij over de kinderen sprak,
+dit dikwijls gezien te hebben.
+
+--Christie was niet wel, hij was zoo hangerig; als het maar geen mazelen
+worden, sprak zij.
+
+Er was eene moederlijkheid in hare stem, maar zelve was zij niet als
+eene moeder, jonkvrouwelijk tenger als zij daar nu zat, op de
+chaise-longue, den zachten gloed der kanten lichtbloem op stengel van
+onyx achter zich, zijzelve zwart in het krip van haren rouw, haar
+dof-blond hoofd hier en daar heel eventjes aangegoud door het licht
+van achteren. In dat krip--een los sleeptoilet van krip, voor in huis
+--vertengerde zich hare gestalte als tot die van een maagd; zoo
+teeder verbogen zich de lijnen van heur ietwat langen hals en dunne
+schouders--de armen met iets looms in beweging neervallend, de handen
+in den schoot--verbogen zich ook de lijnen der meisjesachtige jeugd van
+buste en fijnen leest, fijn als eene vaas van tengerheid, en alle, die
+lijnen, boetseerden haar bijna in een, nog wachtenden, bloei van
+maagdelijkheid, of zij geene jonge vrouw ware, of zij niet hare kinderen
+had, hare twee jongens, van zes en zeven.
+
+Haar gelaat was weggedoezeld in de schaduw--het lamplicht guldende om
+heur haar--en Dolf zag haar eerst niet in de oogen, maar toen, zich
+wennende aan die schaduw, bespeurde hij haren blik, zacht schitterend in
+het donker van heur gelaat. Zij sprak met hare stem van zachten klank,
+een beetje dof en gedempt, als een overwaasd fluisteren; zij sprak hem
+nog eens over Christie, over zijn petekind, Dolf, vroeg toen naar hare
+zuster, Amelie.
+
+--We maken het goed, dank je; je mag wel eens naar ons vragen, we zien
+je bijna nooit, antwoordde hij.
+
+--Ik ga zoo weinig uit, verontschuldigde zij zich.
+
+--Dat is juist verkeerd: je komt veel te weinig in de lucht en veel te
+weinig onder de menschen. Amelie zei dat van middag ook aan tafel, en
+daarom ben ik eens aangeloopen om te vragen of je morgenavond bij ons
+komt.
+
+--Een soiree?
+
+--Niemand.
+
+--Goed; ik zal komen met heel veel plezier zelfs.
+
+--Ja maar, waarom doe je dat nooit uit jezelve?
+
+--Ik kom er niet toe.
+
+--Wat voer je dan 's avonds uit?
+
+--Ik lees, ik schrijf, of ik doe niets. En dat laatste is nog het
+heerlijkste: ik leef pas als ik _niets_ doe.
+
+Hij schudde zijn hoofd.
+
+--Je bent een rare meid. Je verdient eigenlijk niet, dat we zooveel van
+je houden.
+
+--He ja! vroeg zij coquet.
+
+--Kom, het kan je niets schelen. Je zou even goed buiten ons kunnen.
+
+--Dat moet je niet zeggen, dat is niet zoo. Ik heb heel veel behoefte
+aan je sympathie, maar ik verplaats me moeilijk. Als ik eenmaal zit, dan
+zit ik en dan denk ik of ik denk niet, maar tot opstaan kom ik dan niet
+gauw ...
+
+--Dat is een schandelijke luie levensopvatting!
+
+--Het is de mijne! Je houdt immers van me: vergeef je me die luiheid dan
+ook niet? Vooral als ik beloof morgen te zullen komen?
+
+Hij was ingepalmd.
+
+--Nu goed! sprak hij lachend. Je bent natuurlijk vrij te leven, zooals
+je wilt. We houden toch van je, al verwaarloos je ons.
+
+Zij lachte, zei, dat hij leelijke woorden gebruikte en langzaam stond
+zij op, om hem aan hare kleine theetafel zijn kopje in te schenken. Hij
+voelde iets als eene streelende zachtheid over zich heen komen, als zou
+hij daar gaarne lang gezeten hebben, pratend en thee-drinkend, in die
+viooltjes-atmosfeer van bescheiden exquiziteit: hij, de man van de daad,
+de staatsman, lid van de Tweede Kamer, wiens dag uur aan uur bezet was,
+met commissies hier en commissies daar.
+
+--Je zei, dat je las en schreef; wat schrijf je? vroeg hij.
+
+--Brieven.
+
+--Altijd brieven?
+
+--Ik hou heel veel van correspondeeren. Met mijn broer en mijn zuster in
+Indie.
+
+--Maar toch niet altijd.
+
+--O neen.
+
+--Wat schrijf je dan nog meer?
+
+--Je wordt indiscreet, hoor! lachte zij.
+
+--Nu kom, ik! lachte hij terug, als mocht hij wel. Toch geen belletrie?
+
+--Wel neen. Mijn dagboek.
+
+Hij lachte luid, vroolijk op.
+
+--Jij een dagboek! Wat zal jij met een dagboek doen! De eene dag zal je
+wel precies gelijk aan den andere zijn.
+
+--Maar wel neen!
+
+Hij haalde zijne schouders op, den kluts kwijt. Zij was hem altijd een
+raadsel. Zij zag dat en had er schik in hem te laten zoeken.
+
+--Ik heb soms heele mooie dagen, en soms heele leelijke dagen.
+
+--Zoo! sprak hij, haar lang aanziende, glimlachend, met de
+vriendelijkheid zijner kleine oogen. Begrijpen deed hij nog niet.
+
+--En daardoor heb ik soms heel veel te schrijven, in mijn dagboek, ging
+zij voort.
+
+--Mag ik er eens wat uit lezen?
+
+--Jawel ... na mijn dood.
+
+Hij deed of hij rilde, met zijn breede schouders.
+
+--Brr ... wat wordt je somber!
+
+--Dood? Waarom is dat somber? vroeg zij, bijna vroolijk.
+
+Maar hij stond op.
+
+--Je maakt me bang, schertste hij. Ik stap op, hoor; ik heb nog veel te
+werken. Dus tot morgen?
+
+--Heel graag: tot morgen.
+
+Hij gaf haar een hand, en zij sloeg op een kleinen zilveren gong, om hem
+uit te laten. Even bleef hij haar nog aanzien, met een glimlach in zijn
+baard.
+
+--Je bent een rare meid, en toch ... toch houen we van je! herhaalde hij,
+alsof hij zich, voor zichzelven, wilde verontschuldigen om die
+sympathie. En hij boog zich neer, gaf haar een zoen op het voorhoofd:
+hij was zooveel ouder dan zij.
+
+--Ik ben heel blij, dat jullie van me houden! sprak zij. Tot morgen dus,
+adieu.
+
+Hij ging, zij bleef alleen. Als atomen, die vervlogen, schenen hunne
+woorden nog hier en daar te drijven in de stilte. Toen werd die stilte
+volkomen en Cecile bleef roerloos zitten, leunende in de drie kussentjes
+der chaise-longue, zwart in haar krip, als eene schaduw tegen het licht
+der lamp, de oogen voor zich uit turend. Om haar heen zonk een vage
+droomerij neer, als met lichte wolkjes, waarin gezichten even
+opgluurden, waaruit gezegden zacht afklonken, zonder logischen gang, in
+een doelloos warrelen van herinnering. Het was de droomerij van eene,
+wie geene obsessie van wat ook op de hersens licht, obsessie noch van
+geluk, noch van smart, droomerij van een geest vol stille lichtheid, als
+vol van een wijd, stil grijs Nirwana, waarin alle moeite des denkens
+vervloeit en de gedachte slechts wat terug-dwaalt over indrukken van
+vroeger, ze plukkende hier en daar, zonder keuze. Want de toekomst voor
+Cecile scheen haar eene eentonige zachtheid van onberoerde kalmte toe,
+waarin de figuurtjes van Dolf en Christie opgroeiden tot aardige
+jongens, tot jonge studenten, tot mannen en waarin Cecile zelve niets
+dan moeder bleef, omdat zij zich niet geheel kende in het onbewuste van
+haar gemoedsleven en niet wist, dat zij meer vrouw was dan moeder, hoe
+lief ze ook hare kinderen had. Voelde zij, verzonken in de wolkjes van
+haar gedroom, dat zij iets miste om hare verweduwing; voelde zij
+eenzaamheid om zich heen, voelde zij, dat er niemand naast haar zat, en
+dat de ijle lucht zonder weerstand van vast lichaam om haar heen dreef
+als iets, waarin zij te vergeefs hare armen tot omhelzing zou slaan?
+Neen, zij voelde dat niet, hoewel dit gevoel toch in haar lag, maar het
+lag zoo diep, zoo in het onbewuste van hare ziel, dat het niet tot haar
+kwam, mocht het misschien later ook langzamerhand kunnen op- en oprijzen
+als eene schim van duidelijker weemoed. Want wat er ook van weemoed was
+in haar gedroom, scheen haar toe: de weemoed om het verleden, om haar
+lieven man, dien zij verloren had en niet, o nooit! de weemoed om het
+heden, om hare eenzaamheid.
+
+Wie haar nu gezegd had, dat zij iets miste, zou haar verontwaardigd
+hebben; zelve meende zij, dat niets haar ontbrak, en zij waardeerde het
+kalme geluk, waarin zij, als in een schadeloos egoisme, ademde met hare
+kinderen, als een geluk, dat compleet was. Wanneer zij droomde, zooals
+nu, over niets--wolkjes van gedroom, die vervlogen, nagewolkt door
+nieuwe wolkjes--dan begonnen er wel eens groote tranen te wellen in hare
+oogen, tranen, die langzaam afvloeiden van hare wang, maar ze waren haar
+niets dan tranen van een onzegbaar vagen weemoed: een zachte zwaarte op
+heur hart, die nauwlijks drukte en daar was om zij wist niet wat, zelfs
+niet om haren man om wien zij niet meer weende.
+
+Zoo kon zij avonden doorbrengen, alleen maar zittende en droomende,
+zonder zich te vervelen, en bedenkend, hoe de menschen daarbuiten
+draafden en zich vermoeiden in vele nutteloosheid, zonder gelukkig te
+zijn, terwijl zij het was; gelukkig in het gewolk van haar gedroom. De
+uren gingen voorbij en hare hand was te loom om het boek op het tafeltje
+naast haar te grijpen: eene loomheid, die haar zoo ten laatste geheel en
+al doorvloeide, dat het een uur werd en zij nog niet kon besluiten op te
+staan en te gaan slapen.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Toen Cecile den volgenden avond in den salon bij de Van Attema's
+binnenkwam, langzaam, met haar slependen tred, in het soupele zwart van
+haar krip, kwam Dolf aanstonds op haar toe en hij drukte haar de hand:
+
+--Ik hoop, dat je het niet vervelend zal vinden ... Quaerts kwam hier een
+visite maken en Dina had gezegd, dat wij thuis waren. Het spijt me ...
+
+--Het is niets! fluisterde zij terug, toch even gekrenkt in haar
+sensitivisme, door de onverwachte ontmoeting met dien vreemde, dien zij
+zich niet herinnerde ooit bij Dolf gezien te hebben, en dien zij nu zag
+opstaan waar hij zat met de oude mevrouw Hoze, Dolfs oud-tante met
+Amelie en haar beide meisjes, Anna en Suzette. Cecile kuste de oude
+dame, en zij groette verder rond, met een glimlach door hen allen
+verwelkomd, omdat ze zoo veel van haar hielden. Dolf prezenteerde:
+
+--Mijn vriend Taco Quarts ... Mevrouw Van Even, mijn zuster.
+
+Zij zaten een beetje verspreid om het groote vuur in den open haard, de
+piano dicht bij hen in een hoek, den rug gedrapeerd naar hen toe en
+Jules zat er achter, de jongste, zoo verloren in zijn spel, terwijl hij
+Rubinsteins romance in es speelde, dat hij niet had gehoord, hoe zijne
+tante was binnen gekomen.
+
+--Jules ... riep Dolf.
+
+--Laat hem maar! zei Cecile.
+
+De jongen antwoordde niet en speelde door en Cecile zag, over de piano,
+zijn verwarde haren en zijn oogen, vol weg-zijn in muziek. Eene weekheid
+van melancholie rees zachtjes in haar op, als een last, als een last,
+die op haar borst klom en drukte op haren adem. Van Jules' vingers
+vielen soms plotseling forto-toonen af, die plotseling, haar kleine
+schokjes gaven in hare keel en zij gevoelde eene stemming van
+raadselachtigheid om haar heen weven als met vage mazen; eene stemming,
+die zij wel eens meer gevoelde; stemming, waarin zij zich als het ware
+niet bezat, als hadde zij zich verloren, als zocht zij zichzelve, als
+wist zij niet wat zij nu dacht, wat zij op het oogenblik zelve zeggen
+zou ... Er smolt iets in hare hersenen, als eene momenteele verweeking.
+Haar hoofd zonk wat naar omlaag en, zonder goed te hooren, scheen het
+haar als had zij die romance, zoo, precies zoo gespeeld, als Jules ze
+speelde, nog eens gehoord, heel lang geleden, in haar zielebestaan van
+vroeger, van eeuwen her, zoo, precies zoo in dien kring van menschen,
+daar voor dat vuur ... De tongen van het vuur rekten zich met dezelfde
+kronkelingen uit als dat vuur van eeuwen her en Suzette knipte eens met
+hare oogen, even als zij het toen gedaan had, vroeger ...
+
+Waarom zat zij daar nu weer, te midden van hen allen? Wat was dat
+noodig, zoo te zitten om een vuur en te hooren naar muziek? Wat was dat
+vreemd en wat waren er vreemde dingen in de wereld ... En toch was het
+aangenaam zoo te zijn met elkaar, liefjes gezellig, stil, zonder veel
+woorden, de muziek achter den rug der piano wegklagende tot ze eensklaps
+zweeg. En de stem van Mevrouw Hoze had een klank van sympathie, toen ze
+vroeg, aan Cecile's oor:
+
+--We krijgen je dus weer terug, kind? Je komt dus weer uit je schulp te
+voorschijn?
+
+Cecile drukte haar de hand, met een lachje:
+
+--Ik heb me toch nooit voor u verborgen. Ik ontving altijd.
+
+--Ja, wij moesten maar naar jou komen, maar jij bleef thuis, niet waar?
+
+--U is toch niet boos op me, daarom?
+
+--Wel neen, lieveling, je hebt zoo een verdriet gehad.
+
+--O, nu nog, ik mis alles.
+
+Waarom miste zij in eens alles? Zij had nooit dat gevoel van gemis in
+haar eigen huis, in de wolkjes van haar gedroom, maar buiten, in de
+wereld, onder anderen, miste zij dadelijk alles, alles ...
+
+--Je hebt toch je kinderen.
+
+--Ja ...
+
+Zij zeide het mat, moe, alleen, doodeenzaam, als zweefde zij in eene
+wijdte moe voort, zonder steun gedragen door liohaamlooze luchten,
+waardoor zij hare armen heen sloeg, zonder te grijpen.
+
+Mevrouw Hoze stond op: Dolf kwam ze halen om te whisten, in de andere
+kamer.
+
+--Jij ook, Cecile? vroeg hij.
+
+--Neen, je weet: kaarten en ik!
+
+Hij drong niet verder aan; hij had nog Quaerts en de meisjes om te
+spelen.
+
+--Wat doe je daar, Jules? vroeg hij, met een blik over de piano.
+
+De jongen was daar achter blijven zitten, als vergeten. Hij stond nu op,
+hij kwam te voorschijn, lang, uit zijn kracht gegroeid, met vreemde
+oogen.
+
+--Wat dee je daar?
+
+--Zit toch niet zoo te suffen, jongen! mopperde Dolf vriendelijk met
+zijn diepe stem. Waar zijn de kaarten nu weer, Amelie?
+
+--Ik weet het niet! zeide zijne vrouw, zoekend met den blik in het vage.
+Waar zijn de kaarten, Anna?
+
+--In de fichesdoos, niet?
+
+--Neen, mopperde Dolf. De dingen zijn nooit op hun plaats.
+
+Anna stond op, zocht, vond de kaarten in de la van een boule kastje.
+Amelie was ook opgestaan; ze schikte de muziek op de piano recht, altijd
+ordenend de zaken in hare kamers en dadelijk weer vergetend, waar zij ze
+borg, opruimende alleen met hare vingers, en zijzelve altijd weg, in het
+vage ...
+
+--Anna, trek ook eens een kaart, als rentrant! riep Dolf uit de andere
+kamer.
+
+De beide zusters bleven alleen, met Jules.
+
+De jongen was op een voetenbank gaan zitten, bij Cecile:
+
+--Mama, laat mijn muziek toch liggen.
+
+Amelie zette zich bij Cecile.
+
+--Is Christie beter?
+
+--Hij is vandaag wat opgewekter.
+
+--Gelukkig maar ... Kende je Quaerts niet?
+
+--Neen.
+
+--Niet? He! Hij komt dikwijls hier.
+
+Cecile zag door de open schuifdeuren naar de speeltafel. Twee bougies
+brandden er. Het roze gelaat van Mevrouw Hoze was hel verlicht, glad en
+deftig; heur kapsel glom zilvergrijs. Quaerts zat over haar: Cecile zag
+de ronde, weggeschaduwde silhouet van zijn kop, het haar zeer kort
+geknipt, dik zwart, boven de witte glanslijn van zijn boordje. Zijn
+armen hadden korte bewegingen als hij uitspeelde of opnam. Zijn figuur
+had iets zeer krachtigs, iets energiek flinks, iets van het gewone
+leven, dat Cecile antipathiek was.
+
+--De meisjes houden van spelen?
+
+--Suzette vooral, Anna minder: ze kan het niet goed.
+
+Cecile zag, dat Anna achter haar vader zat te turen met oogen, die niet
+begrepen.
+
+--Je gaat veel met ze uit, tegenwoordig? vroeg Cecile weer.
+
+--Ja, het moet wel. Suzette houdt er van, maar Anna niet. Suzette wordt
+mooi, he?
+
+--Suzette is een coquet nest! zei Jules. Verleden met dat diner hier ...
+
+Hij hield in eens op.
+
+--Neen, ik zal het maar niet vertellen. Het is niet goed kwaad te
+spreken, niet waar, tante?
+
+Cecile glimlachte.
+
+--Neen, natuurlijk niet!
+
+--Ik zou zoo gaarne heel goed zijn, tante.
+
+--Dat is mooi van je.
+
+--Neen, neen, weerde hij af. Ik vind alles zoo slecht, weet u. Waarom is
+alles toch zoo slecht, niet waar, tante?
+
+--Maar er is ook zoo veel goeds, Jules.
+
+Hij schudde zijn hoofd.
+
+--Neen, neen, herhaalde hij. Alles is slecht. Alles is heel slecht.
+Alles is egoisme. Noem u eens iets op, dat niet egoist is?
+
+--Ouderliefde.
+
+Maar Jules schudde weer zijn hoofd.
+
+--Ouderliefde is gewoon egoisme. Kinderen zijn een deel van de ouders.
+Die houden dus van hunzelven als ze van hun kinderen houden.
+
+--Maar Jules! riep Amelie. Je praat altijd veel te tranchant! Je weet,
+dat ik daar niet van hou! Je bent veel te jong om zoo te praten! Je doet
+net of je alles weet!
+
+De jongen zweeg.
+
+--En ik zeg juist altijd, dat we nooit iets weten ... We weten nooit
+iets, vindt je ook niet, Cecile? Ik ten minste, ik weet nooit iets,
+nooit ...
+
+Haar blik dreef weg door de kamer, in het vage ... Hare vingers streken
+de franje van haar fauteuil glad, ordenend. Cecile legde haar arm
+zachtjes om Jules' hals.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Aan de speeltafel was Quaerts uitgevallen en ofschoon Dolf vroeg of hij
+niet wilde doorspelen, stond hij op.
+
+--Ik zou gaarne mevrouw Van Even willen aanspreken, hoorde Cecile hem
+zeggen.
+
+Zij zag hem daarop naar den grooten salon komen, waar zij steeds zat met
+Amelie,--Jules aan hare voeten--, in eene conversatie van den hak op den
+tak, daar Amelie nooit kon doorpraten, maar telkens afdwaalde en den
+draad van een gesprek vallen liet. Zij wist niet waarom, maar Cecile
+zette eensklaps een zeer ernstig gezicht, alsof zij met hare zuster over
+zeer gewichtige zaken sprak en ze zeide toch niets anders dan:
+
+--Jules moet heusch les nemen in harmonieleer, als hij al zoo
+componeert ...
+
+Quaerts was nader gekomen; hij was gaan zitten bij de dames, met eene
+nauw merkbare verlegenheid in zijne wijze van zijn, eene zachte
+weifeling in het kort krachtige zijner gebaren.
+
+Maar Jules vatte vlam.
+
+--Neen, tante, ik wil zoo min mogelijk leeren! Ik wil niet altijd namen
+leeren en stelsels leeren en indeelingen leeren. Ik heb er geen kop
+voor. Ik componeer zoo maar, zoo maar.
+
+Hij maakte eene vage beweging met zijne vingers.
+
+--Jules kan nauwelijks lezen, het is een schande! zei Amelie.
+
+--En hij speelt zoo aardig! sprak Cecile.
+
+--Ja, tante, ik onthoud het, ik vind het zoo op de piano ... Ach, ik kan
+eigenlijk niets. Ik heb het zoo maar uit mezelven, weet u.
+
+--Maar dat is juist mooi!
+
+--Neen, neen, je moet namen kennen, en stelsels en indeelingen. Dat moet
+je in alles. Ik zal ook nooit techniek krijgen, ik kan niets.
+
+Hij sloot even zijne oogen; eene treurigheid waasde vlugjes weg over
+zijn bewegelijk gezicht.
+
+--Weet u, een piano is zoo ver, zoo groot, zoo een meubel, niet waar?
+Maar een viool, o, wat is dat lief! Je houdt dat zoo tegen je aan, aan
+je hals, bijna aan je hart, het is zoo iets van jou en je streelt het
+zoo, je zou het bijna zoenen! Je voelt de ziel van een viool zoo trillen
+in zijn kast. En dan, alleen maar zoo een paar snaren, die alles zingen.
+O, een viool, een viool!
+
+--Jules ... begon Amelie.
+
+--En o, tante, een harp! Een harp, zoo tusschen je beenen, een harp, die
+je omhelst met je beide armen, een harp is net een engel met lange
+gouden haren ... O, ik heb nog nooit op een harp gespeeld!
+
+--Jules, schei uit! riep Amelie schel. Je maakt me zenuwachtig met dien
+onzin. Schaam je toch voor meneer Quaerts!
+
+Jules keek vreemd op.
+
+--Voor Taco? Vindt je, dat ik me schamen moet, Taco?
+
+--Wel neen, jongen ...
+
+De klank van zijne stem was als eene liefkoozing. Cecile zag hem aan,
+verwonderd. Zij had gedacht, dat hij Jules voor den gek zou hebben
+gehouden. Ze begreep hem niet, maar ze vond hem zeer antipathiek, zoo
+gezond en zoo sterk met zijn energiek gezicht en zijn mooien,
+zinnelijken mond, zoo anders dan Amelie en Jules en zijzelve ...
+
+--Wel neen, jongen ...
+
+Jules zag lichtjes minachtend naar zijne moeder op, als wist hij wel.
+
+--Ziet u wel! Taco is een gezellige vent ...
+
+Hij draaide zijn voetebankje naar Quaerts en legde zijn hoofd tegen
+diens knie.
+
+--Maar Jules ...
+
+--Laat hem maar, mevrouw.
+
+--Iedereen bederft dien jongen ...
+
+--Behalve u! zei Jules.
+
+--Ik! Ik! riep Amelie verontwaardigd. O ik bederf je heelemaal!
+Heelemaal! Ik wou, dat ik je niet kon toegeven. Ik wou, dat ik je naar
+Kampen kon sturen of naar Deli! Dan zou je wel flinker worden! Maar ik
+alleen kan niets en je vader bederft je ook ... Wat er van jou nog moet
+worden!
+
+--Wat moet er van je worden, Jules? vroeg Quaerts.
+
+--Ik weet het niet; ik mag niet studeeren, ik ben een te zwak poppetje
+om veel te werken.
+
+--Zou je later naar Deli willen?
+
+--Ja, met jou ... Alleen niet; o, alleen te zijn, altijd alleen te zijn!
+Je zal zien: ik zal altijd alleen zijn en ik vind het vreeslijk alleen
+te zijn!
+
+--Maar Jules, je bent nu toch niet alleen! verweet Cecile.
+
+--O ja, ja, in mijn eigen ben ik alleen, altijd alleen ...
+
+Hij drukte zich tegen Quaerts' knie.
+
+--Jules, spreek nu niet meer zoo dwaas! riep Amelie zenuwachtig.
+
+--Ja, ja! kreet Jules in eens met een halven snik uit. Ik zal mijn mond
+houen! Maar spreken jullie niet meer over mij, o, toe, spreek dan ook
+niet meer over mij!
+
+Hij vouwde zijne handen en smeekte het hun, een angst op zijn gelaat.
+Zij zagen hem allen aan, maar hij verborg zijn gezicht in den schoot van
+Quarts als was hij doodsbang voor iets ...
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Anna speelde slecht whist tot wanhoop van Suzette; o, dat kind vergat
+zelfs de grootste troeven! en Dolf riep zijne vrouw:
+
+--Amelie val eens in, tenminste als Quaerts niet wil. Je geeft je
+dochter wel niet veel toe, maar het is toch nog een ziertje beter!
+
+--Ik zal liever mevrouw Van Even gezelschap houen, sprak Quaerts.
+
+--Gaat u anders gerust whisten, meneer Quaerts! sprak Cecile met de
+koude stem, die zij tegen, haar antipathieke, menschen aannam.
+
+Amelie sleepte zich met een ongelukkig gezicht weg. Ze speelde ook niet
+schitterend, en Suzette werd altijd zoo driftig als ze iets verkeerds
+deed.
+
+--Ik heb al zoo dikwijls verlangd met uw kennis te maken, mevrouw: ik
+zou niet gaarne nu de gelegenheid laten voorbijgaan, antwoordde Quaerts.
+
+Ze zag hem aan: het ontstemde haar, dat ze hem niet begreep. Ze wist,
+dat hij nog al een Don Juan was. Ze herinnerde zich den naam eener
+getrouwde vrouw in verband met den zijne. Zou hij meenen haar wat het
+hof te maken? Ze hield anders niet van die aardigheden; ze had nooit van
+flirt gehouden.
+
+--Waarom? vroeg ze kalm, en ze verbeet zich dadelijk, want hare vraag
+klonk als eene coquetterie en ze bedoelde alles behalve dat.
+
+--Waarom?!
+
+Hij zag haar lichtjes verrast terug aan; hij zat dicht bij haar, Jules
+tusschen hen in, op den grond, tegen zijn knie, de oogen gesloten.
+
+--Om ... om, stamelde hij, omdat u de zuster is van mijn vriend, niet
+waar, en ik zag u hier nooit ...
+
+Zij antwoordde niet: zij had in hare eenzaamheid verleerd te
+converseeren en zij gaf zich er niet de minste moeite voor.
+
+--Ik heb u vroeger dikwijls in de comedie gezien, sprak Quaerts; toen
+meneer Van Even nog leefde.
+
+--In de opera, zeide zij.
+
+--Ja.
+
+--O, ik kende u niet.
+
+--Neen.
+
+--Om mijn rouw ben ik heel lang 's avonds niet uitgegaan.
+
+--En ik kom altijd 's avonds bij Dolf mijn visites maken.
+
+--Dus logisch, dat u me nooit hier ontmoette.
+
+Ze zwegen even. Het trof hem, dat ze zeer koud sprak.
+
+--Ik zou wel gaarne aan de opera willen gaan! murmelde Jules met
+gesloten oogen. Ach neen, eigenlijk toch niet.
+
+--Dolf zei me, dat u veel las, ging Quarts voort. Volgt u de moderne
+litteratuur?
+
+--O ... een beetje. Ik lees niet zoo heel veel.
+
+--Niet?
+
+--O neen. Ik heb twee kinderen en er dus niet veel tijd voor. En het
+boeit me nooit veel: het leven is veel romantischer dan welke roman ook.
+
+--U is dus filozoof?
+
+--Ik? O waarlijk niet, meneer Quaerts, ik ben zoo laag bij den grond
+mogelijk!
+
+Zij zeide het met haar slecht lachje en hare koude stem: hare stem en
+haar lach, als zij bang was, dat men haar verwonden zou in heur geheim
+sensitivisme en als zij zich dus verborg, diep in het mysterie van
+zichzelve, gevende aan de buitenwereld iets geheel anders dan zij was.
+Jules had zijne oogen geopend en zag haar aan en zijn blik, dien hij
+niet meer van haar afwendde, hinderde haar.
+
+--U woont allerliefst daar op den Scheveningschen weg.
+
+--O zeker.
+
+Zij zag eensklaps, dat zij onbeleefd van koudheid was en dit wilde zij
+niet, ook al was hij haar antipathiek. Zij vleide zich achteloos wat
+achterover; ze vroeg blankweg, zonder eenige belangstelling, geheel voor
+de conversatie:
+
+--Heeft u veel familie in den Haag?
+
+--Neen; mijn ouders wonen te Velp en mijn familie meerendeel in Arnhem.
+Ik ben nooit ergens vast, ik kan nooit lang op een plaats blijven. Ik
+heb langen tijd in Brussel gewoond.
+
+--U is niet in betrekking, niet waar?
+
+--Neen, mijn illuzie van jongen was in de marine te gaan, maar ik ben
+afgekeurd geworden voor mijn oogen.
+
+Zij zag hem even onwillekeurig in zijne oogen: kleine, diep liggende
+oogen, waarvan zij de kleur niet zien kon. Zij vond er iets sluws, iets
+geslepens in.
+
+--Het heeft me altijd gespeten, ging hij voort. Ik ben een man van
+beweging. Ik voel altijd drang naar beweging in me. Ik troost me nu maar
+met veel sport.
+
+--Sport? herhaalde zij koud.
+
+--Ja.
+
+--O.
+
+--Quaerts is een Nimrod en een Centaur en een Herkules, niet waar? riep
+Jules.
+
+--Zoo, geef je me "namen"? lachte Quaerts. Waarbij "deel je me verder
+in", Jules?
+
+--Bij de heele enkele menschen, van wie ik veel hou! riep Jules in vuur
+en vlam. Taco, je zou me nog altijd paard leeren rijden?
+
+--Nu, wanneer je wilt, kereltje.
+
+--Ja, maar jij moet den dag bepalen, dat we naar de manege gaan. Ik
+bepaal geen dagen, daar vind ik iets angstigs in.
+
+--Morgen dan? Het is morgen Woensdag.
+
+--Goed.
+
+Cecile bespeurde, dat Jules haar steeds aanzag. Zij zag hem terug aan.
+Hoe was het mogelijk, dat de jongen van dien man hield! Hoe was het
+mogelijk, dat, als het haar hinderde, het hem niet hinderde: dat
+gezonde, dat sterke, die kracht van spieren, die kracht van sport!
+Had die man iets slechts voor met Jules, dat hij zich zoo quasi teeder
+voordeed tegenover dat kind? Zij begreep er niets van, zij begreep noch
+Quaerts noch Jules en zelve verzonk ze weer in die stemming van
+zelfverlies, waarin zij niet wist wat ze dacht en op het oogenblik
+zelve zeggen zou; stemming, waarin zij zich terug zocht, en te vergeefs.
+Verbitterd stond zij op, lang, rank, lenig; in haar krip, als eene
+koningin, die rouwde; goudspelingen in het dof blond van heur haar,
+waarin een klein gitten kroontje glom als zwart spiegel.
+
+--Ik ga eens even zien, wie er wint, sprak ze en ze ging naar de
+speeltafel in de andere kamer; ze zette zich achter Mevrouw Hoze,
+schijnbaar belangstellend in het spel en, door het licht der bougies
+heen, gluurde ze naar Quaerts en Jules. Ze zag, dat ze zachtjes met
+elkaar spraken, vertrouwelijk, Jules met zijn arm op Quaerts' knie. Ze
+zag het glimlachend gezicht van Jules, als in aanbidding, opzien naar
+het gelaat van dien man, en ze zag, dat de jongen eensklaps zijne armen,
+tot eene woeste liefkoozing, heensloeg om zijn vriend, die hem afweerde,
+met een zacht gebaar.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Den volgenden avond genoot Cecile nog meer dan gewoonlijk van de weelde
+thuis te kunnen blijven. Het was na den eten; zij zat met Dolf en
+Christie op de chaise-longue, in haar kleinen salon, de jongens elk in
+een arm genesteld; zij, in het midden tusschen hen in, jong als eene
+oudere zuster. Zacht gedempt vertelde hare stem:
+
+--Toen zei Juda: o, heer, laat mij in de plaats van Benjamin bij u
+blijven als slaaf! Want onze vader, die al zoo oud is, zei ons, toen we
+met Benjamin weggingen: Mijn zoon Jozef heb ik al verloren: hij is zeker
+opgegeten door de wilde beesten. En als je me nu Benjamin ook nog
+afneemt, en als hem een ongeluk overkomt, dan zal ik grijs van verdriet
+worden en dood gaan. Toen zei ik tot onzen vader, dat ik hem instond
+voor Benjamin en dat ik heel stout zou zijn, als we Benjamin niet weer
+thuis brachten. En daarom bid ik u, o heer, laat mij uw slaaf zijn en
+laat het kind met zijn broeders teruggaan. Want hoe kan ik zonder
+Benjamin mijn vader onder oogen komen ...
+
+--En Jozef, mama, wat zei Jozef? vroeg Christie.
+
+Hij had zich vast geklemd aan zijne moeder: een klein tenger ventje van
+zes jaar, met dun blond haar, met oogen van fletsch vergeet-mij-niet-blauw,
+en zijne fijne vingertjes haakten zich krampachtig in Cecile's japon en
+verfrommelden het krip.
+
+--Toen kon Jozef zich niet meer inhouden en hij beval zijn gevolg weg te
+gaan en barstte in tranen uit, en riep: Herken je mij dan niet? Ik ben
+het, ik ben Jozef!
+
+Maar Cecile kon niet voort vertellen, want Christie had zich aan haar
+hals geworpen met eene beweging als van wanhoop en zij hoorde hem
+snikken tegen haar aan.
+
+--Christie! Mijn jongen!
+
+Zij ontstelde zeer; zelve in vuur om haar verhaal, was haar de spanning
+van Christie niet opgevallen en zij hoorde hem nu in zulk eene hevige
+kindersmart tegen haar aan weenen, dat zij geen woord vond om hem te
+stillen, te troosten, te zeggen, dat het goed afliep.
+
+--Maar Christie, huil dan toch niet! Het loopt goed af ...
+
+--En Benjamin dan, Benjamin!
+
+--Maar Benjamin ging terug naar den vader en Jacob kwam in Egypte en
+ging samen wonen met Jozef ...
+
+Het kind hief zijn nat gezicht van haren schouder op en zag haar lang
+aan.
+
+--Was het heusch zoo? Of zegt u maar wat ...
+
+--Neen heusch, mijn lieveling. O toe, huil nu niet meer ...
+
+Christie bedaarde, maar was blijkbaar teleurgesteld. Het slot van het
+verhaal voldeed hem niet; en toch: het was wel mooi zoo, veel mooier dan
+dat Jozef boos was geweest en Benjamin had gevangen gezet ...
+
+--Die Christie! Om te gaan huilen! zei Dolf. Het is immers maar een
+verhaaltje.
+
+Cecile antwoordde hem niet, dat het verhaaltje heusch gebeurd was, omdat
+het in den Bijbel stond. Ze was in eens zeer treurig geworden, in eene
+twijfeling aan zichzelve. Zeer teeder droogde zij met haar zakdoek de
+treurige oogen van het kind af.
+
+--En nu, jongens, slapen. Het is al laat geworden! zeide ze dof.
+
+Zij bracht ze naar bed: iets, dat heel lang duurde; eene plechtigheid
+met allerlei ritualien van uitkleeden, wasschen, gebedje opzeggen,
+toedekken, zoenen. Toen zij na een uur weer beneden zat, alleen, voelde
+ze eerst goed, hoe treurig zij was.
+
+O, neen, ze wist het niet! Amelie had wel gelijk: men wist nooit iets,
+nooit! Ze was dien dag zoo gelukkig geweest, ze had zich weer
+teruggevonden, diep in het mysterie van haarzelve, in de essence harer
+ziel; ze had haar gedroom om zich heen zien wolken als eene apotheoze;
+ze had veel liefde voor hare kinderen in zich gevoeld. Zij had ze na den
+eten verteld uit den Bijbel, en, in eens, bij Christie's tranen, was
+twijfel bij haar opgeschoten. Was zij wel goed voor hare kinderen?
+Bedierf zij ze niet en verweekte zij ze niet in hare liefde, in de
+zachtheid van haar gevoel? Zou zij ze niet ongeschikt maken voor het
+practische leven, waarin zij niet te doen had, maar waarin de kinderen,
+als ze groot waren zich zouden moeten bewegen? Het weerlichtte door haar
+heen: scheiding en kostscholen, de kinderen van haar vervreemd,
+teruggekomen als groote, ruwe jongens, die rookten en vloekten, cynisch
+in hun mond en hun hart; hun mond, die haar niet meer zou zoenen, hun
+hart, waarin ze niet meer thuis zou zijn. Zij zag ze reeds met hunne
+blague van zeventien en achttien jaar door hare kamers stappen in
+uniform van cadet en adelborst, met breede schouders en een harden lach,
+de asch van hun sigaar wegknippend op het tapijt ... Waarom rees dwars
+door deze wreedheid in eens het beeld van Quaerts op? Was dat toeval of
+logica? Ze kon het niet inzien; ze wist niet wat hij daar deed, die man,
+rijzende door hare smart heen in zijne atmosfeer van antipathie. Maar ze
+voelde zich treurig, treurig, treurig, als zij zich sedert Van Evens
+dood niet meer gevoeld had, niet vaag weemoedig, als zij zich meermalen
+gevoelde, maar treurig, duidelijk treurig om wat er komen zou ... O, zij
+zou zich van de kinderen moeten scheiden! En dan: alleen ... Eenzaamheid,
+altijd eenzaamheid! Eenzaamheid in zichzelve; dat gevoel, waar Jules zoo
+voor vreesde! Teruggetrokken van de wereld die haar niet boeide, alleen
+weggezonken in leegte! Ze was dertig jaren, ze was oud, een oude vrouw.
+Haar huis leeg, heur hart leeg! Droomen, wolken van gedroom, die
+vervliegen, die opklaren als een rook en leegte ontdekken. Leegte,
+leegte, leegte! Hol viel het woord telkens op haar borst neer met den
+klop van een hamer. Leegte, leegte ...
+
+--Waarom ben ik zoo? dacht ze. Wat heb ik dan? Wat is er veranderd?
+
+Nooit had ze dat woord leegte zoo op zich voelen bonsen; dien zelfden
+middag nog was zij zacht gelukkig geweest, als altijd. En nu! Zij zag
+niets voor zich, geen toekomst, geen leven, niets dan eene wijde
+duisternis. Vervreemd van hare kinderen, alleen in zichzelve ...
+
+Met een licht gekreun als van pijn stond zij op, liep zij door den
+kleinen salon. Het bescheiden schemerlicht hinderde haar als eene
+benauwdheid. Zij draaide aan den sleutel der kanten lamp. Een goudglans
+gleed de roze plooien der zijden gordijnen op als glinsterend water.
+Eene vreemde koelte blies iets van den viooltjes geur, die overal hing,
+weg. In het haardje was vuur en zij had het koud.
+
+Zij bleef staan bij het lage tafeltje: zij nam eene visitekaart op,
+waarin een vouw was geknepen, en zij las: T. H. Quaerts. Een kroontje
+met vijf parelen boven dien naam. Dat Quaerts, wat was dat kort! Een
+naam als een klap van een harde hand. Er was in dien naam iets slechts,
+iets wreeds: Quaerts, Quaerts ...
+
+Zij wierp het stuk karton neer, boos op zich zelve. Ze had het koud, en
+ze had zich verloren, zooals gisteren avond bij de Van Attema's.
+
+--Ik ga niet meer uit. Nooit meer, nooit meer! zeide zij, bijna hard op.
+Ik kan zoo tevreden zijn in mijn eigen huis. Zoo tevreden met het leven,
+zoo mooi gelukkig ... Dat kaartje! Waarom een kaartje! Wat kan mij zijn
+kaartje schelen ...
+
+Beslist zette zij zich aan hare schrijftafel en sloeg den buvard open.
+Zij dacht er over een begonnen brief naar Indie af te maken. Maar zij
+was in zoo eene andere stemming, dan toen zij dien brief begonnen had.
+Zij haalde dus uit een laadje een dik cahier te voorschijn: haar
+dagboek. Zij zette den datum neer, dacht even na, den zilveren
+pennehouder zenuwachtig prikkende in hare tanden ...
+
+Maar toen, met een kort gebaar van drift wierp zij de pen neer, duwde
+het cahier weg, en, het hoofd in hare handen op den buvard neerbonsend,
+snikte zij luid.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Cecile was zoo verwonderd geweest over die, ongewoon lange, stemming
+van zelfverlies, dat het dagen duurde, eer zij weer hare gewone rust
+binnentrad, als een lief verblijf, waaruit zij, zonder te willen, was
+weggedwaald. Maar zij dwong zich met een zachten dwang, de schatten
+harer eenzaamheid terug te vinden en zij vond ze terug. Zij redeneerde;
+in de eerste jaren zou zij zich toch nog niet behoeven te scheiden van
+Dolf en Christie: zij had dus allen tijd zich met dit denkbeeld van
+scheiding eigen te maken. Verder was er niets veranderd, noch om haar,
+noch in haar, en zij liet dus de dagen langzaam over zich heenglijden
+als een stil vloeiend water.
+
+Zoo, stil vloeiend, waren er twee weken verloopen na den avond, dien zij
+bij Dolf had doorgebracht. Het was Zaterdagmiddag; zij had eerst met de
+kinderen gewerkt,--ze leerde ze nog zelve--toen met ze gewandeld en nu
+wachtte zij in hare geliefkoosde kamer de Van Attema's die iederen
+Zaterdag om half vijf kwamen theedrinken, af. Zij had de meid gebeld,
+die eene blauwe spiritusvlam aanstak. Dolf en Christie waren op dat
+uur binnen; ze zaten op den grond, op bankjes, de vellen van een
+kindertijdschrift open te snijden, waarop Cecile voor hen geabonneerd
+was. Stil zaten ze, zoet en fijntjes, als kinderen, die in een week
+interieur opgroeien, tusschen te veel zachtheid, te bleek, met te lange
+blonde haren, vooral Christie, wiens slaapjes waren geaderd als met een
+azuur bloed. Cecile ging een enkelen keer langs hen heen, in het
+zorgvuldig toezien op heur theeblad, en haar blik omringde de kinderen
+als in een cirkel van warm gevoel. Zij was in hare stemming van kalm
+geluk; ze vond het aangenaam zoo straks de Van Attema's te zullen zien
+binnen komen; zij hield van die middaguren als haar zilveren bouilloir
+ziedde op de blauwe vlam. Eene exquize intimiteit dreef door het
+vertrek; ze had in hare lange fijne vrouwen vingeren dat bizondere van
+getoover, die teedere kunst van aan te raken, waardoor alles, waarover
+ze ook maar even gleden, een aanzien kreeg van haarzelve; iets
+onzegbaars van tint en plaats en verlichting, dat de dingen voor den
+toets dier vingers niet hadden.
+
+Er werd gebeld en ze meende, dat het nog te vroeg was voor de Van
+Attema's. Maar ze zag zelden iemand anders in hare afsterving van de
+buitenwereld; dus ze zouden het toch wel zijn. Na enkele oogenblikken
+kwam Greta echter binnen, met een kaartje: of mevrouw ook ontving en of
+er belet was voor dien meneer.
+
+Al van verre herkende Cecile de kaart: zij had er onlangs een gelijke
+gezien. Toch nam zij het karton aan, bezag het even, de wenkbrauwen
+gefronsd, ontevreden.
+
+--Wat een idee, dacht ze. Waartoe? Wat beteekende dit? Maar ze vond het
+onnoodig onbeleefd te zijn en belet te geven. Hij was toch een vriend
+van Dolf. Maar zooveel indringerigheid ...
+
+--Laat meneer bovenkomen, liet zij koel van haar lippen vallen.
+
+Greta ging en het scheen Cecile toe of er iets sidderde in de
+intimiteit, die daar dreef; of de voorwerpen, waarover hare vingers
+zoo even gegleden waren, zich anders verlichteden, met een schijn van
+huivering. Maar Dolf en Christie waren niet veranderd en zaten nog
+steeds te zien naar de platen, met zachte opmerkingen tusschen hunne
+mondjes in.
+
+De deur werd geopend en Quaerts trad binnen. Hij had nog meer dan
+gewoonlijk zijne nuance van verlegenheid over zich heen, toen hij voor
+Cecile boog. Die nuance was voor Cecile iets onbegrijpelijks in hem, die
+haar zoo beslist en sterk scheen.
+
+--Ik hoop, dat u me niet onbescheiden zult vinden, mevrouw, als ik de
+vrijheid heb genomen u een visite te komen maken.
+
+--Integendeel, meneer Quaerts, sprak zij koud. Gaat u zitten.
+
+Hij zette zich, plaatste zijn hoogen hoed naast zich op den grond.
+
+--Ik stoor u niet, mevrouw?
+
+--Volstrekt niet. Ik wacht mevrouw Van Attema en haar dochters. U was
+zoo beleefd me een kaartje te brengen. Maar u weet zeker, dat ik geen
+menschen zie.
+
+--Dat wist ik, mevrouw. Misschien heeft u wel aan die wetenschap de
+indiscretie van mijn bezoek te danken.
+
+Zij zag hem koud, beleefd, glimlachend aan. Er was iets van boosheid in
+haar. Zij gevoelde lust hem kortweg te vragen, wat hij van haar wilde.
+
+--Hoedat? vroeg ze met haar glimlach van beleefdheid, die haar gezicht
+tot een masker vertrok.
+
+--Ik vreesde u in langen tijd niet te zullen zien en ik zou het een
+bizonder groot voorrecht achten uw nadere kennis te mogen maken.
+
+Zijn toon was van den hoogsten eerbied. Zij trok hare wenkbrauwen op,
+als begreep zij niet, maar het accent zijner stem was zoo in-hoffelijk
+geweest, dat ze zelfs geen koud woord vond om hem te antwoorden.
+
+--Zijn dat uw beide kinderen? vroeg hij, met een blik naar Dolf en
+Christie.
+
+--Ja, antwoordde zij. Staat eens op, jongens, en geef meneer een hand.
+
+De kinderen kwamen langzaam nader en staken hunne handjes uit. Hij
+glimlachte, hij zag ze doordringend aan met zijne kleine diepliggende
+oogen, en even hield hij ze vast.
+
+--Vergis ik me, of lijkt de kleine niet heel veel op u?
+
+--Ze lijken beiden op hun vader, antwoordde zij.
+
+Het was haar of ze een cirkel van bescherming om zich heen trok, waar de
+kinderen buiten waren en waarbinnen zij ze niet brengen kon. Het hinderde
+haar, dat hij ze zoo vast hield, ze zoo aanzag.
+
+Maar hij liet ze nu los en ze gingen weer op hunne bankjes zitten, zoet,
+zacht, stil.
+
+--Toch hebben ze beiden iets van u, hield hij vol.
+
+--Mogelijk! sprak ze.
+
+--Mevrouw! hernam hij, als wilde hij haar iets gewichtigs zeggen. Ik wou
+u ronduit iets vragen. Ik wou u vragen, of u me eerlijk, heel eerlijk,
+zoudt willen zeggen of u me onbescheiden vindt?
+
+--Omdat u me een visite maakt? O, waarlijk niet, meneer Quaerts. Het is
+heel beleefd van u. Alleen ... als ik oprecht mag spreken.
+
+Zij lachte even.
+
+--Natuurlijk, sprak hij.
+
+--Dan wil ik u wel bekennen, dat ik vrees, dat u weinig in mijn huis
+zult vinden, dat u zal amuzeeren. Ik zie geen menschen ...
+
+--Ik maak u geen visite om de menschen, die ik bij u zou kunnen zien.
+
+Zij boog glimlachend, alsof hij een compliment gezegd had.
+
+--U is me natuurlijk zeer welkom. U is een heel goed vriend van Dolf,
+niet waar?
+
+Zij wilde telkens andere woorden zeggen dan zij zeide, koeler woorden,
+hartelijker woorden, maar er was te veel welopgevoedheid in haar: zij
+kon het niet doen.
+
+--Ja, antwoordde hij. Wij kennen elkaar heel lang en we zijn altijd zeer
+bevriend geweest, ook al verschillen we heelemaal.
+
+--Ik mag hem heel gaarne, hij is altijd heel hartelijk voor ons.
+
+Zij zag hem glimlachend kijken naar het lage tafeltje. Er slingerde een
+paar tijdschriften, een paar boeken. Boven op lag een deeltje van
+Emersons Essays, met een vouwbeen er in.
+
+--U zei, dat u niet veel las! sprak hij ondeugend. Me dunkt ...
+
+En hij wees glimlachend naar de boeken.
+
+--O, zeide zij achteloos, lichtjes hare schouders bewegend. Zoo een
+beetje ...
+
+Zij vond hem zeer lastig; hoe had zij zoo gemerkt, dat ze zich voor hem
+verborgen had en waarom had ze zich ook voor hem verborgen?
+
+--"Emerson!" las hij, zich een weinig voorover buigend. Maar hij
+herstelde zich:
+
+--Pardon! Ik ben indiscreet uw lectuur te bespionneeren. Vergeeft u me,
+maar de letters waren zoo groot; ik las ze van hier.
+
+--U is verziend? vroeg ze, lachend.
+
+--Ja.
+
+Zijne beleefdheid, een zekere eerbied, als zou hij zelfs niet de tippen
+van hare vingers beroeren, stelde haar meer op heur gemak. Ze vond hem
+wel antipathiek, maar hij mocht toch wel weten, dat ze las.
+
+--Houdt u veel van lezen? vroeg Cecile.
+
+--Ik lees niet veel: daarvoor is het mij een te groot genot. Ik lees zoo
+maar niet alles wat er uitkomt, en ik ben erg kieskeurig.
+
+--Kent u Emerson?
+
+--Neen ...
+
+--Ik hou veel van Essays. Zij zijn geschreven met zoo een verren blik.
+Ze stellen je op zoo een heerlijk hoog standpunt ...
+
+Ze maakte een gebaar als een cirkel om zich heen, een glans in haar oog.
+
+Toen merkte ze, dat hij haar aandachtig aanzag, met zijn eerbied. En ze
+herwon zich weer; ze wilde niet verder met hem over Emerson praten.
+
+--Het is heel mooi! zeide zij alleen nog, met eene stem, zoo banaal
+mogelijk, om te eindigen. Mag ik u een kop thee geven?
+
+--Dank u zeer, mevrouw; ik drink nooit thee op dit uur.
+
+--U ziet daar zeker met minachting op neer? spotte ze.
+
+Hij wilde antwoorden, maar er werd gescheld en zij riep nu:
+
+--O, daar zullen ze zijn!
+
+Zij waren het ook, Amelie met Suzette en Anna. Zij waren lichtjes
+verbaasd Quaerts te zien. Hij sprak ervan, dat hij mevrouw Van Even een
+visite had willen maken. Er ontstond een algemeen gesprek. Suzette was
+heel vroolijk, vol van een fancy-fair, waar zij, gecostumeerd in een
+Spaansch costuum, zou moeten verkoopen.
+
+--En jij niet, Anna?
+
+--O neen, tante, riep Anna, verschrikt in elkaar kruipend. Ik op een
+fancy-fair! Ik zou nooit iets slijten aan de menschen.
+
+--Ach, het is een tact! zeide Amelie, met een blik, die ver weg dreef.
+
+Quaerts was opgestaan. Hij boog met een enkel woord voor Cecile, toen de
+deur openging. Het was Jules, met een paar boeken onder zijn arm. Hij
+kwam van school.
+
+--Dag tante! Zoo dag, Taco; ga je nu heen als ik kom!
+
+--Je jaagt me weg! schertste Quaerts.
+
+--Ach, toe, Taco, blijf nu nog wat! smeekte Jules, verrukt hem te zien,
+wanhopig, dat hij juist vertrekken zou.
+
+--Jules, Jules! vermaande Amelie, omdat ze dacht, dat ze dat zoo doen
+moest.
+
+Jules drong Quaerts, greep zijne beide handen, dwong hem als een
+bedorven kind. En Quaerts lachte maar. Door Jules' drukte gleden eenige
+boeken van het tafeltje.
+
+--Maar Jules dan toch! riep Amelie. Quaerts raapte de boeken op, terwijl
+Jules door bleef dwingen. Bij het laatste boek, dat Quaerts neerlegde,
+draalde hij even; hij hield het in de hand, hij zag op de gouden
+letters: Emerson ...
+
+Cecile bespeurde het.
+
+--Als hij nu toch denkt, dat ik het hem leenen ga, heeft hij het mis,
+dacht ze.
+
+Maar Quaerts vroeg niets; hij had zich losgemaakt van Jules, hij nam
+afscheid. Met wat gekheid tegen Jules, ging hij heen.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+--Is dit de eerste keer, dat hij bij je aan huis komt? vroeg Amelie.
+
+--Ja, antwoordde Cecile. Een onnoodige beleefdheid, niet waar?
+
+--Ach, Taco Quaerts is altijd precies in de puntjes, verdedigde Anna.
+
+--Maar deze visite was juist niet in de puntjes, lachte Cecile vroolijk.
+Maar Taco Quaerts schijnt bij jullie geheel en al onfeilbaar te zijn.
+
+--Hij walst heerlijk! riep Suzette. Verleden op het bal bij de
+Eekhofs ...
+
+Suzette draafde door; gedecideerd, die Suzette was niet te houden van
+middag; zij hoorde zeker al de castagnetten van haar Spaansch costuum in
+heur hersentjes klepperen.
+
+Jules was in een bui van kribbigheid geraakt, maar hij hield zich stil
+bij de jongens, in een raam.
+
+--U is niet erg gesteld op Quaerts, niet waar, tante? vroeg Anna.
+
+--Hij heeft weinig sympathieks voor mij! sprak Cecile. Je weet, ik laat
+me erg door indrukken beheerschen. Ik kan het niet helpen, maar ik hou
+niet van die heel gezonde, sterke menschen, die er zoo heel flink en
+stevig uitzien, alsof ze dwars door het leven heen wandelen en alles
+opruimen, wat hun hindert. Het is misschien morbide in me; maar ik kan
+het niet helpen, dat overmate van gezondheid en kracht mij antipathiek
+zijn. Die sterke menschen beschouwen je, als je _niet_ zoo sterk bent
+als zij, zooals de Spartanen hun misvormde kinderen beschouwden ...
+
+Jules kon zich niet meer inhouden.
+
+--Als u denkt, dat Taco niets anders is dan een Spartaan, dan weet u
+niets van hem af, sprak hij vinnig.
+
+Cecile zag hem aan, maar voor Amelie iets zeggen kon, ging hij voort:
+
+--Taco is de eenige, met wien ik over muziek kan praten en die je
+begrijpt met een half woord. En ik geloof niet, dat ik met een Spartaan
+zou kunnen praten.
+
+--Maar Jules, wat een toon! riep Suzette.
+
+--Het kan me niet schelen! riep hij woedend uit, in eens opstaande,
+stampvoetend. Het kan me niet schelen! Ik kan geen kwaad van Taco hooren
+en tante Cecile weet dat en ze doet het alleen om me te plagen. En ik
+vind het heel flauw een kind te plagen, heel flauw ...
+
+Zijne moeder, zijne zusters wilden hem met gezag bedaren. Maar hij greep
+zijne boeken.
+
+--Het kan me niet schelen! Ik wil het niet hebben!
+
+Woedend, in een oogwenk, was hij weg, smijtend met de deur, die dreunde.
+Amelie beefde van zenuwachtigheid.
+
+--O, die jongen! siste zij trillend. Die Jules, die Jules ...
+
+--Het is niets! verontschuldigde Cecile zacht. Hij is wat prikkelbaar ...
+
+Zij was een beetje bleek geworden en zag naar hare jongens, naar Dolf en
+Christie, die, ontsteld, met open monden van verbazing, hadden
+opgekeken.
+
+--Is Jules stout, mama? vroeg Christie.
+
+Zij schudde, lichtjes glimlachend, van neen. Zij voelde zich heel vreemd
+te moede, onzegbaar vreemd. Zij wist niet wat dit was, maar het was haar
+of heel verre perspectieven voor hare oogen opengingen, met wegdeiningen
+van horizont, bleek, in heel veel licht. Zij wist ook niet wat dat was,
+maar ze was niet boos op Jules, en het scheen haar toe, dat hij niet zoo
+driftig had gesproken tegen haar, maar tegen een ander. Een gevoel van
+het raadselachtig diepe van het leven, en het onbewuste van het
+zielemysterie, zweem van licht heldere oneindigheid, ver zilver licht,
+schoot door haar heen als eene stille verrukking.
+
+Toen lachte zij.
+
+--Die Jules! sprak ze. Hij kan zoo aardig opgewonden zijn.
+
+Anna en Suzette, verlegen over de scene solden wat met de jongens, over
+de platen heen. Cecile sprak alleen tot Amelie. Maar deze sidderde nog
+in hare zenuwen.
+
+--Hoe kan je toch die kuren van Jules nog excuzeeren! sprak ze met eene
+stem, die hokte.
+
+--Ik vind het aardig, dat hij zoo de partij trekt van menschen, van wie
+hij houdt. Vindt je daar ook niet iets in?
+
+Amelie bedaarde. Waarom verstoord te zijn als Cecile het niet was?
+
+--In Jules? vroeg zij vaag. Ach, ja, jawel ... Ik weet het zoo niet. Hij
+heeft wel een goed hart, geloof ik, maar hij is zoo onhandelbaar. Maar
+ach ... het ligt misschien ook aan mij; als ik beter wist, als ik meer
+tact had ...
+
+Zij verwarde zich; zij zocht, zij vond niets meer, dwalende door haar
+eigen gedachten heen als eene vreemde. Toen zeide zij eensklaps, als in
+een straal van zekere kennis:
+
+--Maar Jules is niet dom. Hij heeft een goed oog op allerlei dingen, en
+ook op menschen. Ik voor mij geloof ook, dat je Taco Quaerts verkeerd
+ziet. Hij is een heel interessant mensch, en volstrekt niet zoo alleen
+maar een sportman. Ik weet niet wat er in hem is, maar er is iets in
+hem, iets anders dan in andere menschen. Ik zou niet kunnen zeggen
+wat ...
+
+--Zij zweeg, zoekende, afdwalend.
+
+--Ik wou, dat Jules beter leerde. Hij is niet dom, maar hij leert
+niet ... Hij zit nu al weer twee jaar in de derde klasse. De jongen kan
+niet doorwerken. Het is een wanhoop.
+
+Zij zweeg weer en Cecile bleef ook zwijgen.
+
+--Ach! hernam Amelie; het zal zijn schuld wel niet zijn. Het is
+misschien wel mijn schuld! Hij heeft het misschien wel van mij ...
+
+Zij zag strak voor zich uit: plotselinge, onweerhoudbare tranen vulden,
+in eens, beide hare oogen, en vielen neer in haar schoot.
+
+--Amy, wat is er? vroeg Cecile lief.
+
+Maar Amelie was opgestaan, opdat de meisjes, nog spelende met de
+kinderen, hare tranen niet zouden zien. Zij kon die tranen niet
+tegenhouden, ze stroomden neer, en zij haastte zich weg, naar den
+aangrenzenden salon, een groot vertrek, waar Cecile nooit zat.
+
+--Wat is er, Amy? Vroeg Cecile, die haar gevolgd was.
+
+Zij sloeg haar arm om Amelie heen, ze deed haar zitten, drukte Amelie's
+hoofd tegen haar schouder.
+
+--Weet ik, wat er is! snikte Amelie. Ik weet het niet, ik weet het
+niet ... Ik ben ongelukkig, om dat gevoel in mijn hoofd. Ik kan het soms
+niet uithouden. Ik ben toch niet gek, niet waar? Ik voel me heusch niet
+of ik gek ben of gek zal worden! Maar het is soms alsof alles in me
+verlamd is, of ik niet denken kan. Alles drijft altijd door me heen! Het
+is een vreeslijk gevoel!
+
+--Als je eens een dokter vroeg, ried Cecile aan.
+
+--Neen, neen, hij zou me misschien zeggen, dat ik gek was, en dat ben ik
+niet. Of hij zou me in een of ander gesticht willen hebben. Neen, ik wil
+geen dokter. Ik heb het anders heel goed, niet waar? Ik heb een lieven
+man en lieve kinderen. Ik heb nooit groot verdriet gehad. En toch voel
+ik me soms diep ongelukkig, radeloos ongelukkig! Het is altijd of ik
+naar iets toe wil en niet kan. Het is altijd of ik een grens voor me
+zie ...
+
+Zij snikte hevig; een regen van tranen dreef over haar gelaat. Cecile's
+oogen ook werden vochtig; ze hield van hare zuster, ze had medelijden
+met haar. Amelie was slechts tien jaar ouder dan zijzelve, en ze had al
+iets van eene oude vrouw, dor, schraal, grijzend reeds aan hare slapen,
+onder de getrokken voile van haar kapothoed.
+
+--Cecile, zeg Cecile! sprak ze in eens, door hare snikken heen. Denk je,
+dat er een God is?!
+
+--Maar zeker, Amy.
+
+--Ik ga wel eens naar de kerk, het geeft me niets ... Ik ga nu ook niet
+meer ... O, ik ben zoo ongelukkig! Het is heel ondankbaar van me. Ik heb
+toch zooveel om dankbaar voor te zijn ... Weet je: ik zou soms zoo gaarne
+in eens naar God willen, zoo in eens!!!
+
+--Toe, Amy, wind je niet zoo op!
+
+--O, ik wou, dat ik zoo als jij was, zoo kalm. Je voelt je gelukkig?
+
+Cecile knikte van ja, glimlachend. Amelie zuchtte; ze bleef even liggen
+met haar hoofd tegen heur zusters schouder. Cecile kuste haar, maar
+eensklaps schrikte Amelie:
+
+--Stil, fluisterde zij; de meisjes kunnen hier komen. Ze ... ze hoeven
+niet te zien, dat ik gehuild heb.
+
+Opstaande, schikte zij voor den spiegel heur hoed, droogde voorzichtig
+met den zakdoek haar voile af, plooide hare brides.
+
+--Zoo, nu zullen ze het niet zien, zeide zij. Laten we maar naar binnen
+gaan. Ik ben weer kalm. Je bent een lieve meid ...
+
+Zij gingen in de kleine kamer.
+
+--Kom meisjes, we moeten naar huis! sprak Amelie met eene, nog wat
+vreemde stem.
+
+--Heeft u gehuild, mama? vroeg Suzette, dadelijk.
+
+--Mama was wat zenuwachtig om Jules! zeide Cecile snel.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Cecile was alleen: de kinderen waren naar boven, om zich op te knappen
+voor het diner. En ze zocht terug te zien hare verre perspectieven met
+bleeken horizont; ze zocht zich de zilverige oneindigheid terug, die
+door haar heen geschoten was als eene ontvangenis van licht. Maar het
+warrelde haar te veel: een caleidoscoop van heel recente herinneringetjes:
+de kinderen, Quaerts, Emerson, Jules, Suzette, Amelie. Vreemd, vreemd
+was het leven ... Het uiterlijke leven, het komen en gaan van menschen om
+ons heen; het klinken van woorden, die zij zeggen met stemmen van
+vreemdheid; het eindeloos wisselen der verschijnselen; het schakelen van
+die verschijnselen, het een aan het ander vreemd ook, het zijn van de
+ziel ergens in ons, als een god _in_ ons, nooit te kennen voor
+zichzelven in de essence van hemzelven. Dikwijls, zooals nu, scheen het
+Cecile, dat alles, de aller-banaalste dingen, vreemd, zeer vreemd waren,
+alsof er in het geheel niets banaals in de wereld was, alsof alles
+vreemd was: de vreemde vorm en uiterlijkheid van een dieper leven, dat
+in alles school, tot in het minste voorwerp toe, alsof alles zich maar
+vertoonde met een schijnsel, masker van voordoen, terwijl daaronder het
+eigenlijke was: de waarheid. Vreemd, zoo vreemd het leven ... Want het
+scheen haar of ze, onder de heel-gewoonheid van die afternoon-tea, iets
+heel ongewoons gezien had; wat, wist ze niet, zou ze niet kunnen
+uitdrukken, zelfs niet kunnen uitdenken; het was haar of er onder het
+gaan en komen van die menschen iets geschitterd had: het eigenlijke, de
+waarheid onder het verschijnsel van hun voordoen om bij haar te komen
+thee drinken.
+
+--Wat? Wat is het? dacht ze. Maak ik me dat nu wijs, of is het zoo? Ik
+voel het toch ...
+
+Het was heel vaag en toch was het heel duidelijk ... Het was haar of er
+een lichtbeeld, een schaduw van licht was achter alles wat zich daar had
+voorgedaan. Achter Amelie en Jules en Quaerts en dat gevallen boek, dat
+hij even in de hand had gehouden ... Beteekenden die luchtschaduwen iets,
+of ...
+
+Maar zij schudde het hoofd.
+
+--Ik droom, ik fantazeer! lachte ze in zichzelve. Het was heel eenvoudig.
+Ik maak het maar zoo ingewikkeld, omdat ik daar pleizier in heb.
+
+Maar zoodra ze dit dacht, voelde zij iets, dat die gedachte intens
+loochende. Eene intuitie, die haar de essence der waarheid wilde doen
+raden en dit niet geheel en al vermocht. Zeker, er was toch iets. Iets
+achter dat alles, verscholen, schuilende als de schaduw school achter
+het ding, en die schaduw scheen haar toe van licht ...
+
+Hare gedachte dwaalde nog wat rond over die menschen; toen bleef ze
+hangen aan Taco Quaerts. Ze zag hem daar weer zitten, een beetje zich
+buigende naar haar toe, zijne handen in elkaar gevouwen, hangende
+tusschen zijne knieen, terwijl hij tot haar opzag. Eene scheiding van
+afkeer was als een staaf van ijzer tusschen hen geweest. Ze zag hem daar
+weer zitten en toch was hij al weg. Dat was al weer voorbij; wat ging
+alles spoedig heen; hoe klein was de stip van het heden!
+
+Ze stond op; ze zette zich voor het schrijftafeltje; ze schreef, in
+eens, neer:
+
+"Onder me vloeit de zee van het verleden, boven me drijft de ether der
+toekomst, en ik sta daar tusschen-in als op een stip van werkelijkheid;
+een stip zoo klein, dat ik beide voeten pal tegen elkaar moet drukken,
+om staande te blijven. En van af de stip van mijn heden ziet mijn
+weemoed neer naar die zee en mijn verlangen op naar die lucht.
+
+"Ik kan niet veel leven op mijn stip: ze is zoo klein, dat ik ze
+nauwlijks zie, ze nauwlijks voel onder mijne voeten en toch is ze mijne
+eenige werkelijkheid. Ik geef niet veel om haar: mijne oogen volgen maar
+het wegrimpelen dier golven naar verre einders, het glijden dier wolken
+naar verre sferen: vage luchtschijnsels van eindelooze verandering,
+transparante ongedurigheden, lichaamloosheden, die zichtbaar zijn. Het
+heden is het eenige, dat is, of dat ten minste schijnt te zijn. De stap
+is; de stip, ten minste, schijnt; de zee niet, en die lucht niet, want
+die zee is slechts herinnering en die lucht slechts illuzie. En toch
+zijn herinnering en illuzie alles, zijn ze de wijde domeinen der ziel,
+die van de stip afvliegt en op de zee afglijdt naar de einders, die
+wijken en op de wolken wegdrijft naar de sferen, die wijken en
+wijken ..."
+
+Toen dacht ze na. Hoe had ze dat zoo geschreven, waarom? Hoe was ze er
+toe gekomen? Ze ging met hare gedachten terug: het heden, de stip van
+het heden, die zoo klein was ... Quaerts, Quaerts' houding zoo even voor
+haar heropgerezen. Had iets wat hem betrof, haar die zinnen doen
+neerschrijven? Het verleden, weemoed; de toekomst, illuzie ... Waarom,
+waarom, illuzie?
+
+--En Jules, die van hem houdt, dacht ze. En Amelie, die van hem sprak ...
+Maar ze wist niets ... Wat is er in hem, wat schuilt er achter hem; zijn
+lichtschaduw? Waarom kwam hij hier? Waarom voel ik toch antipathie voor
+hem? Voel ik die antipathie wel? Ik kan niet in zijn eigen oogen zien ...
+
+Ze had dat gaarne eens gedaan; ze had gaarne zeker willen zijn van die
+antipathie of: niet zeker ... Een van beiden. Ze was nieuwsgierig om hem
+nu weer eens te zien, nieuwsgierig, wat ze dan door hem denken en voelen
+zou ... Zij was opgestaan van hare schrijftafel, ze vlijde zich nu
+rechtuit op de chaise-longue, wond hare armen achter heur hoofd. Ze wist
+niet meer wat ze droomde maar ze voelde zich stil gelukkig. Zij hoorde
+Dolf en Christie de trap afkomen; ze kwamen binnen, het was etenstijd.
+
+--Jules was toch heusch zoo even wel stout, niet waar mama-te? vroeg
+Christie nog eens met een bedenkelijk gezicht.
+
+Ze trok het kleine, fijne ventje zacht tot zich, ze nam hem vast tegen
+zich aan, in haar armen en zacht kuste ze zijn vochtig mondje van bleek
+frambozenrood.
+
+--Neen, heusch niet, liefje! sprak ze. Hij was heusch niet stout ...
+
+
+ * * * * *
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+
+
+
+I.
+
+
+Cecile ging den langwerpigen hall, die als eene galerij was, door:
+lakeien stonden bij de portiere, een gegons van stemmen suisde daar
+achter. Haar sleep ruischte even tegen een paar palmblaren aan en dit
+geluid gaf haar eene plotselinge trilling in de snaren van heur
+sensitivisme. Zij was een beetje zenuwachtig; hare oogleden knipten
+lichtjes en haar mond had een zeer ernstigen plooi.
+
+Zij trad binnen; er was veel licht, maar zacht, alleen van kaarsen. Twee
+officieren weken voor haar uit, daar zij draalde. Met de oogen zocht ze
+mevrouw Hoze; zij bespeurde haar, te midden van enkele gasten, met haar
+grijs hoofd, haar vriendelijk en toch hooghartig gezicht, glad rozig,
+bijna zonder rimpel. Mevrouw Hoze kwam haar tegemoet.
+
+--Je weet niet, hoe lief ik je vind, dat je me niet gedupeerd hebt!
+sprak ze, Cecile's hand drukkend, ontluikend in de wereldsche
+minzaamheid van heur gastvrouwschap.
+
+Zij stelde Cecile hier en daar voor: Cecile hoorde namen, waarvan de
+klank haar dadelijk weer ontviel.
+
+--Generaal, mag ik u verzoeken ... Mevrouw Van Even, hoorde zij mevrouw
+Hoze fluisteren.
+
+Cecile haalde diep adem, onmerkbaar de hand drukkende op den rand van
+haar corsage, alsof zij iets schikte. Mevrouw Hoze verliet haar, ging
+eene dame en een heer tegemoet, en Cecile antwoordde vluchtigjes den
+generaal. Zij was zeer bleek, en meer en meer knipten hare oogleden.
+Haar blik dorst even door den salon te zoeken.
+
+Zij stond naast den generaal, zich dwingend te luisteren om niet iets
+heel dwaas te antwoorden; zij was heel lang, rank en recht, hare
+schouders blondwit als een marmer, waar zon over schijnt, bloesemend uit
+eene sombere vaas van zwart: fijne zwarte tulle, die sleepte, geheel en
+al bezaaid met kleine zwarte pailletten, als loovertjes van git: eene
+glinstering van zwart op transparant zwart, dat dof was; een koord met
+gitten kwasten, die laag afhingen, gestrikt om haar leest. Zoo stond zij
+daar blond, blondblank en zwart, een beetje somber in het licht van
+andere toiletten, en als eenige helte, in haar ooren een paar diamanten,
+die waren als droppelen dauw.
+
+Er was eene trilling in hare dunne Suede vingers, die den waaier
+bewogen: eene zwarte tulle transparentheid, waarop dezelfde loovertjes
+van git glinsterden als met een spel van glansjes zwart. Zij ademde wat
+snel achter den doorschijnenden wiek van den waaier, pratende met den
+generaal, mager en kaal, gedistingueerd, niet in uniform, maar bestard
+met een paar decoraties.
+
+De gasten van Mevrouw Hoze liepen door elkaar, begroeteden elkander hier
+en daar, in een voortdurend gonzen van stemgeluid. Cecile zag Taco
+Quaerts naar haar toekomen; hij boog voor haar; zij boog terug, zonder
+hem de hand te geven, met haar kouden blik. Hij bleef even bij haar
+dralen met een enkel woord, toen ging hij verder, andere kennissen
+begroetend.
+
+Mevrouw Hoze had den arm van een ouden heer genomen; een defile begon
+zich langzaam te formeeren. De lakeien hadden deuren open geschoven; een
+tafel glinsterde, half zichtbaar. De generaal boog zijn arm naar Cecile
+toe, wier blik achter zich zag met eene loome halswending. Zij sloot
+even hare oogleden, om ze niet zoo te laten knippen. Eene teleurstelling
+deed hare wenkbrauwen bewegen, maar glimlachend legde zij de tippen
+harer vingers op den arm van den generaal en streek met den dichten
+waaier een plooi weg uit de tulle van haar sleep.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Zoodra Cecile zat, bespeurde zij, dat aan hare rechterzijde Quaerts was
+gezeten. De teleurstelling, dat hij haar niet aan tafel had moeten
+brengen, wischte zich dus aanstonds uit, maar haar blik bleef koud, als
+altijd. Zij had echter nu wat zij wilde: de verwachting, om welke zij
+aan dit diner gekomen was, werd vervuld. Mevrouw Hoze, die Cecile bij de
+Van Attema's gezien had, had zich blij tot taak gesteld het, nog zoo
+jonge, vrouwtje opnieuw in de wereld te brengen. Cecile wist, dat Quaerts
+aan huis kwam bij mevrouw Hoze; zij hoorde door Amelie, dat hij was
+geinviteerd en ze had aangenomen. Het lag voor de hand, dat mevrouw Hoze,
+die zich herinnerde, dat Cecile Quaerts ontmoet had, hem naast haar
+geplaatst had.
+
+En Cecile was zeer nieuwsgierig om haarzelve. Wat zou zij voelen?
+Minstens toch belangstelling; dit kon ze zich niet ontkennen. Zij stelde
+belang in hem, om wat haar heugde, dat Jules gezegd had, dat Amelie had
+gezegd. Zij voelde reeds, dat achter dien sportman een ander school,
+dien zij zocht te kennen. Waarom, wat kon het haar schelen? Ze wist het
+niet, maar het was in alle geval een raadsel, dat haar belang inboezemde.
+En tevens bleef zij op hare hoede, want zij vond zijne visite niet zooals
+het behoorde, en ze herinnerde zich weer den naam der getrouwde vrouw,
+dien met den zijne werd genoemd.
+
+Zij wist zich los te maken van het gesprek met den generaal, die het
+zijne roeping scheen te vinden haar bezig te houden, en zij wendde zich,
+zij het eerste, tot Quaerts.
+
+--En leert u Jules tegenwoordig paard rijden? vroeg zij, met een
+glimlach.
+
+Hij zag haar aan, blijkbaar een beetje verwonderd om haar stem en
+lachje, beiden voor hem nieuw. Hij antwoordde niet veel.
+
+--Ja, mevrouw, wij zijn gisteren nog in de manege geweest ...
+
+Zij vond hem reeds onhandig, dat hij het gesprek zoo vallen liet, maar
+hij vroeg met dat beetje verlegenheid, dat, om zijne flinkheid, hem een
+charme werd:
+
+--U gaat dus weer uit, mevrouw?
+
+Zij vond,--zij had het verleden ook reeds gevonden,--dat hij wel eens
+vragen deed, die men niet deed. Dat was iets vreemds in hem.
+
+--Ja ... wist ze niets anders te zeggen.
+
+--Pardon ... zeide hij, ziende, dat zijne woorden haar lichtjes verlegen
+maakten. Ik vroeg dat, omdat ik ... ik ...
+
+--Omdat? herhaalde ze met groote oogen.
+
+Hij vermande zich en zeide het ronduit:
+
+--Dolf sprak altijd veel over u en zei, dat u stil leefde ... Ik kon me u
+zoo niet meer voorstellen in de wereld, onder veel menschen: ik had me
+een idee van u gemaakt en dat idee schijnt nu verkeerd te zijn.
+
+--Een idee? vroeg ze. Welk idee?
+
+--U is misschien boos, als ik u dat zeg. U is misschien toch al niet zoo
+heel tevreden over me! schertste hij.
+
+--Ik heb volstrekt niet tevreden of ontevreden over u te zijn! schertste
+zij terug. Maar vertel me nu van dat idee ...
+
+--U stelt dus daarin belang?
+
+--Als u het me oprecht vertelt, zeker. Maar dan oprecht zijn! dreigde
+zij met den vinger.
+
+--Nu dan ... begon hij. Ik dacht me u als een vrouw, heel ontwikkeld,
+heel interessant,--en dat alles denk ik nu nog--en: een vrouw, die niets
+gaf om de wereld buiten haarzelve en dat ... dat denk ik nu niet meer. En
+ik zou bijna zeggen, op gevaar af, dat u me heel vreemd vindt: het spijt
+me, dat ik dat niet meer denk. Ik had u bijna liever niet hier willen
+ontmoeten ...
+
+Hij lachte, om wat er voor vreemds in zijne woorden was, te temperen.
+Zij zag hem aan, hare wimpers trillende van verbazing, hare lippen even
+geopend, en in eens scheen het haar toe, dat zij hem voor den eersten
+keer in zijne oogen zag. Zij zag hem in die oogen, en ze zag, dat ze
+diep grijs waren, heel diep, met eene zwarte, nog diepere, pupil. Er was
+iets in die oogen, ze wist niet wat, maar iets van magnetisme, als zou
+zij de hare nooit meer kunnen afwenden.
+
+--U kan toch wel vreemd zijn! sprak ze werktuigelijk: woorden, die haar
+bij intuitie ontwelden.
+
+--O, toe wees er niet boos om! smeekte hij bijna. Ik was al zoo blij,
+dat u vriendelijk met me sprak: u was verleden een beetje hoog tegen me
+en het zou me zoo spijten als ik u ontstemd had. Ik weet wel, dat ik
+vreemd ben, maar ik kan tegenover u onmogelijk gewoon zijn, onmogelijk,
+zelfs al werd u er boos om ... _Is_ u er boos om?
+
+--Ik zou het eigenlijk wel moeten zijn, maar om uw franchise zal ik u
+maar vergeven! lachte zij. Galant was u anders allesbehalve.
+
+--Ik bedoelde het toch niet ongalant.
+
+--Dat zal wel! schertste zij terug.
+
+Zij herinnerde zich weer, dat zij op een groot diner was. De gasten over
+haar en langs haar zich reiend; de lakeien, dienende daar achter: het
+licht der kaarsen tintelend op zilver en regenbogend in kristal; op
+tafel veel spiegel, als water gevat in bloemen, kleine meeren tusschen
+mosrozen en lelietjes van dalen. Zij bleef even zwijgen, nog glimlachend,
+turende op hare hand, een mooie hand, als een wit kunstvoorwerp in de
+tulle van haren schoot, met, aan een enkelen vinger, vele ringen;
+sparkelende vonkjes blauw en wit vuur. De generaal wendde zich weer tot
+haar; zij wisselden eenige woorden, de generaal innerlijk verheugd, dat
+de rechter-buurman mevrouw Van Even bezighield, en hij voor het meerendeel
+rustig eten kon. Quaerts wendde zich tot de dame aan zijne andere zijde.
+
+En het was hun beiden aangenaam toen zij zich weer met elkaar konden
+bezighouden.
+
+--Waar hadden wij het zoo even over? vroeg zij.
+
+--Ik weet het nog wel! sprak hij ondeugend.
+
+--De generaal brak ons gesprek af ...
+
+--U was _niet_ boos op me! schertste hij.
+
+--O ja, lachte zij zachtjes. Uw idee over mij, niet waar? Waarom kon u
+mij zich niet meer voorstellen, in de wereld?
+
+--Ik dacht me u iemand apart geworden.
+
+--Waarom dan toch?
+
+--Om wat Dolf zei, om wat ikzelve dacht, als ik u zag.
+
+--En waarom heeft u nu spijt, dat ik niet "iemand apart" ben? lachte zij
+steeds.
+
+--Uit ijdelheid; omdat ik verkeerd dacht. En toch: misschien dacht ik
+ook niet verkeerd ...
+
+Zij zagen elkaar aan en beiden, hoewel ze het anders dachten, dachten
+zij het zelfde: namelijk, dat zij voorzichtig met hunne woorden moesten
+zijn, want dat ze over iets zeer fijns en teeders spraken, iets broos
+als een zeepbel, dat breken kon als zij er te hard over spraken, alleen
+reeds door adem van woorden. Toch dorst zij nog vragen:
+
+--En waarom ... gelooft ... u, dat u toch wel ... goed gedacht kan hebben?
+
+--Dat weet ik niet precies. Misschien omdat ik het verlang. Misschien
+ook, om dat het zoo waar is, dat het geen twijfel meer toelaat. O ja,
+ik weet bijna zeker, dat ik goed gedacht heb. Weet u waarom? Omdat ik
+me anders had verborgen en gewoon was geweest en dat ik dat tegenover u
+niet heb kunnen doen. Ik heb u al zoo veel van me gegeven in dit korte
+oogenblik als ik menschen, die ik jaren ken, in al die jaren niet
+gegeven heb. Daarom moet u zeker iemand apart zijn.
+
+--Maar wat bedoelt u met "iemand apart"?
+
+Hij glimlachte, hij opende zijne oogen, ze zag hem er in, diep in.
+
+--Dat begrijpt u wel! sprak hij.
+
+De angst voor het teedere, dat breken kon, was weer tusschen hen. Zij
+begrepen elkaar als met eene vrijmetselarij van gevoel. Een magnetisme
+ketende haren blik aan den zijne.
+
+--U is toch wel vreemd! sprak ze weer, werktuigelijk.
+
+--Neen, zeide hij kalm, zijn hoofd schuddend, zijn blik op den hare. Ik
+weet zeker, dat ik voor u niet vreemd ben, ook al denkt u dat nu.
+
+Zij zweeg.
+
+--Wat ben ik blij, zoo met u te mogen spreken! fluisterde hij. Ik ben er
+heel gelukkig om. En ziet u eens, niemand merkt er iets van. We zitten
+hier aan een groot diner: naast ons kunnen ze zelfs onze woorden hooren,
+en niemand, die ons begrijpen zou en zou vatten, waarover wij het
+hadden. Weet u waarom dat is?
+
+--Neen, murmelde zij.
+
+--Dat zal ik u eens zeggen: ten minste, ik geloof, dat het zoo is.
+Misschien weet u het beter, want u moet de dingen beter weten dan ik,
+omdat u zooveel fijner is. Maar ik voor mij geloof, dat ieder mensch een
+cirkel om zich heeft, een atmosfeer, en dat hij andere menschen ontmoet,
+die cirkels of atmosferen om zich hebben, sympathiek of antipathiek aan
+de zijne.
+
+--Dat is mystiek? zeide zij.
+
+--Neen! antwoordde hij. Het is heel eenvoudig. Als nu de cirkels
+antipathiek zijn, stuiten ze elkaar af, maar als ze sympathiek zijn,
+glijden ze over elkaar met kleinere of grootere bogen van sympathie. In
+sommige gevallen bedekken de cirkels elkaar bijna geheel en al, maar ze
+blijven toch altijd twee ... Vindt u dat alles heusch zoo mystiek?
+
+--Men zou het gevoelsmystiek kunnen noemen. Maar ... ik heb ook wel eens
+zoo iets gedacht ...
+
+--Jawel, dat begrijp ik! ging hij kalm door, als wist hij dat wel. Nu:
+ik geloof, dat de anderen ons niet zouden vatten, omdat wij alleen hier
+sympathieke cirkels hebben. Maar mijn kring is van een veel inferieurder
+substantie dan de uwe, die heel mooi is.
+
+Ze zweeg weer, ze dacht aan hare antipathie voor hem: voelde ze die nu
+wel?
+
+--Wat denkt u er van? vroeg hij.
+
+Ze zag op, hare witte vingers trilden in de tulle van haar schoot. Zij
+poogde vaag te glimlachen.
+
+--U gaat te ver, geloof ik! stamelde zij.
+
+--U vind, dat ik dweep?
+
+Zij had iets als ja willen zeggen, zij kon niet.
+
+--Neen, antwoordde zij. Dat niet ...
+
+--Ik verveel u...?
+
+Zij zag hem aan, diep in zijne oogen. Zij knikte van neen. Zij had iets
+willen zeggen, dat hij te weinig conventioneel sprak op dit oogenblik,
+zij kon dat ook niet. Door haar geheele wezen smolt eene zachtheid. De
+tafel, die menschen, dat geheele diner, scheen haar door een waas van
+licht. Toen zij zich weer geheel bewust was, zag zij, dat aan den
+overkant eene dame zat, wier blik haar vast aanzag en zich nu uit
+beleefdheid afwendde. Zij wist niet wat het haar schelen kon, maar ze
+vroeg aan Quaerts:
+
+--Wie is toch die dame, daar, in het lichtblauw, met dat donkere haar?
+
+En zij zag, dat hij schrikte.
+
+--Dat is de jonge mevrouw Hijdrecht! sprak hij toen, rustig, een beetje
+hoog.
+
+Ook zij ontstelde nu; zij werd bleek, hare vingers sloegen zenuwachtig
+den waaier op en neer.
+
+Hij had den naam gezegd van haar, die zijne maitresse werd genoemd.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Toen was het Cecile alsof het gebroken was, dat teedere, dat broze, die
+zeepbel. Ze dacht of hij wellicht tegen die vrouw met het donkere haar
+ook gesproken had over cirkels van sympathie. Zoodra zij kon, nam Cecile
+mevrouw Hijdrecht op. Zij had een warm teint van mat goud, donkere
+brandende oogen, een mond als van frisch bloed. Zij was laag
+gedecolleteerd; haar hals en de glooiing van heur borst vertoonden zich
+brutaal mooi, zinnelijk vol. Een enkele ris diamanten omvatte haar nek
+in een nauw snoer van blank gevlam.
+
+Cecile voelde een malaise. Het scheen haar toe of ze met vuur speelde.
+Zij wendde haar blik van de jonge vrouw af en zag Quaerts aan,
+magnetisch gedwongen. Zij zag, dat er eene melancholie heentrok over het
+bovenste gedeelte van zijn gelaat: zijn voorhoofd en zijne oogen, waarin
+soms iets ouds was. En zij hoorde hem zeggen:
+
+--Wat kon u nu de naam van die dame schelen; we waren juist in zoo een
+mooi gesprek ...
+
+Ook zij voelde zich nu treurig. Treurig om haar gebarsten zeepbel.
+Waarom, wist ze niet, maar ze had medelijden met hem: plotseling, diep,
+zielediep medelijden.
+
+--We kunnen ons gesprek hervatten! zeide zij zacht.
+
+--Ach neen, laten we liever niet opnemen, waar we gebleven zijn! hernam
+hij, quasi luchtig. Ik word lang van stof ...
+
+En hij sprak over andere zaken. Zij antwoordde weinig, en hun gesprek
+kwijnde. Beiden hielden zij zich met hunne buren bezig. Het diner liep
+ten einde. Mevrouw Hoze rees op, nam den arm van den heer naast haar. De
+generaal geleidde Cecile naar den salon, door het langzaam voortwandelen
+der anderen heen.
+
+De dames bleven alleen; de heeren gingen met den jongen Hoze rooken. En
+Cecile zag mevrouw Hoze naar haar toe komen. Zij vroeg of ze zich niet
+verveeld had aan haar diner, zij gingen samen zitten, in een
+vertrouwelijk tete-a-tete.
+
+Cecile dwong zich mevrouw Hoze te antwoorden, maar gaarne was ze ergens
+zachtjes gaan weenen, omdat alles zoo gauw voorbij ging, omdat de stip
+van het heden zoo klein was. Voorbij alweer, de lieve bekoring van hun
+beider gesprek over sympathie aan dat diner van zoo even: eene broze
+intimiteit te midden der wereldsche schijnsels om hen heen. Voorbij,
+dat oogenblik, en nooit, nooit zou het weer terug komen: het leven
+overstroomde het met zijn verder-vloeien als met een water, dat alles
+uitwischte. O, de melancholie dat te bedenken; te bedenken hoe gauw,
+als een geur, die niet te grijpen is, alles vervliegt, dat lief is ...
+
+Mevrouw Hoze verliet haar; Suzette van Attema kwam Cecile aanspreken.
+Ze was in het roze en ze tintelde van iets schitterends, alsof er veel
+stofgoud over haar heen was gevallen, over hare bewegingen, hare oogen,
+hare woorden. Zij sprak druk met Cecile, vertelde lange verhalen
+waarnaar Cecile niet altijd luisterde. Op eens hoorde Cecile, door
+Suzette's gekakel heen, achter zich twee vrouwenstemmen, fluisterend en
+vertrouwelijk: zij verstond slechts ten deele:
+
+--...Emilie Hijdrecht, daar ...
+
+--...Praatjes misschien en mevrouw Hoze schijnt er zich niet aan te
+storen.
+
+--...O, ik weet het zeker!
+
+De stemmen verloren zich in het gegons der anderen. Cecile ving alleen
+nog even een klank als den naam van Quaerts op. Maar Suzette vroeg
+eensklaps:
+
+--Kent u de jonge mevrouw Hijdrecht, tante?
+
+--Neen.
+
+--Daar, met die diamanten. U weet, ze zeggen van Quaerts. Mama gelooft
+het niet. Hij is anders wel een flirt. U heeft naast hem gezeten?
+
+In de geheimste snaren van haar sensitivisme leed Cecile zeer. Zij trok
+zich geheel en al terug in zichzelve; zij deed alle moeite iets anders
+te schijnen dan zij was. Suzette merkte niets van haar malaise.
+
+De heeren kwamen weer binnen. Cecile lette op of Quaerts mevrouw
+Hijdrecht zou aanspreken. Maar hij nieerde haar geheel en zelfs, toen
+hij Suzette naast Cecile zag, wendde hij zich tot haarbeiden, om met
+Suzette, wie hij nog niet gesproken had, te schertsen.
+
+En het was Cecile een verlichting, toen zij kon vertrekken. Zij snakte
+naar eenzaamheid; zij had zich geheel en al verloren, zij smachtte er
+naar zich terug te vinden. In haren coupe dorst zij bijna niet ademen,
+bang voor iets, dat zij niet had kunnen zeggen. Thuis gekomen voelde zij
+eene lauwe loomte, die haar als verlamde en zij sleepte zich de trap op,
+naar hare kleedkamer.
+
+En toch, op die trap, als van de zoldering van heur thuis, viel als een
+waas van beschermende veiligheid over haar heen. Langzaam steeg zij,
+heur hand, die den langen handschoen vasthield, telkens drukkende op de
+fluweelen leuning der trap. Het was haar of ze flauw zou vallen.
+
+--Maar, mijn God ... ik hou van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief!
+fluisterde zij, in eene plotselinge zelfverbazing, tusschen hare bevende
+lippen in.
+
+Het was als een rythme van verwondering, waarop ze, moe, hooger de trap
+op ging, hooger en hooger, in eene stille overrassing van plotselingen
+lichtschijn.
+
+--Maar ik hou van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief!
+
+Het klonk door hare vermoeidheid heen als eene melodie.
+
+Ze had nu hare kleedkamer bereikt, waar Greta het gas had opgestoken: ze
+sleepte zich naar binnen. De deur der kinderslaapkamer stond half open;
+ze ging er even in, sloeg den gordijn van Christie's bedje op, zonk neer
+op hare knieen en zag naar het kind. Het ontwaakte half, nog in een
+lauwen dommel; het kroop een beetje uit de lakens, lachte, sloeg zijne
+handjes om Cecile's blooten hals.
+
+--Mama-te!
+
+Zij knelde hem vast tegen zich aan in de omhelzing harer tengere, witte
+armen; ze zoende hem op zijn frambozenmondje, op zijne lodderige oogjes,
+en intusschen zong het voort in haar hart, dwars door hare vermoeidheid
+heen, die haar als brak, daar, voor het bed van haar kindje:
+
+--Maar ik hou van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief, lief, lief ...
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Mysterie! Het was in eens, daar op die trap, voor haar opengestraald in
+hare ziel, als eene groote bloem van licht, mystieke roos met glanzende
+bladen, die zij nu, in eens, in het gouden hart zag. Dat was niet meer
+te analyzeeren, zooals zij altijd zoo gaarne deed, dat was het Raadsel
+der Liefde, het eeuwige Raadsel, dat in haar opengestraald was,
+doorschietende met zijne stralen geheel de wijdte harer ziel, waarin het
+midden-in ontloken was als eene zon in een heelal; daar was niet meer
+aan te vragen: waarom, waarom; daar was niet meer over te peinzen en
+droomen, dat was alleen aan te nemen als het onverklaarbare
+zielefenomeen; dat was een Schepping van Gevoel, waarvan de god, die
+geschapen had, evenmin ooit zou zijn te vinden in de intime essence
+zijner waarheid, als de God te vinden was, die de wereld had geschapen
+uit den chaos. Dat was het Licht, brekende uit de Duisternis, dat was de
+hemel, ontsloten boven de aarde!
+
+En dat bestond, dat was realiteit en geen sprookje! Want dat was geheel
+en al in haar; eene plotseling onloochenbare, bliksemsnel uitgeschoten,
+Waarheid, een Feit van Voelen, zoo reeel in zijne etherische
+lichaamloosheid, dat het haar toescheen, of zij, voor dit oogenblik,
+nooit had geweten, had gedacht, had gevoeld. Dat was het begin: aanvang
+van haarzelve, dageraad van haar zielleven, heilig mirakel der
+onbevlekte geboorte van Liefde, midden-in, in hare ziel, als haar
+zonne-middenpunt.
+
+En zij leefde de dagen, die kwamen, in hare zelfverwondering voort,
+dwalende door haar gedroom als door een nieuw land, waar veel licht
+scheen, met verre, in licht verbleekte landschappen, die waren als
+luchtverhevelingen, in glanstrillingen sidderende aan den horizont. Het
+was haar of ze, als een vrome, blijde pelgrim, langs oazen van paradijs
+naar die verre oorden voorttoog, om daar te vinden nog meer: het Doel
+harer reize ... Kort geleden nog had zij weinig voor zich gezien--hare
+kinderen weg, hare eenzaamheid om zich heen als een nacht--en nu, nu zag
+ze voor zich een langen weg, een wijde kim, wegglansend in licht, alles
+licht ...
+
+Dat was, dat alles was! Dat was geen mooie leugen van dichters; het
+bestond, het straalde in haar hart als een heilig juweel, als eene
+mystieke roos met meeldraden lichts! En frischheid, als een dauw, viel
+over haar neer, op geheel het leven: op het leven der zinnen; het leven
+der uiterlijke schijnsels; op het leven der ziel; het leven der
+in-waarheid. De wereld was nieuw, frisch van nieuwen dauw, de wereld was
+het Eden van Genesis en hare ziel zelve was eene ziel van nieuwheid, uit
+zich herboren, in eene metempsychoze van meer volmaking, van dichter
+genaken tot het doel, dat verre Doel, daar ver weg, als eene onzichtbare
+god verscholen in de heiligheid van zijne lichtextaze, als in de
+uitstraling van zichzelven.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Cecile was enkele dagen niet uitgegaan en zij had niemand gezien; op een
+morgen ontving zij een briefje; het luidde:
+
+
+Mevrouw!
+
+Ik weet niet of u mijn mystieke woorden heeft kwalijk genomen. Ik weet
+niet juist meer wat ik gezegd heb, maar ik herinner me hoe u tot me zei
+dat ik te ver ging. Ik hoop dat u om dat te ver gaan niet boos is. Het
+zou mij een groot geluk zijn, zoo ik u mocht komen zien. Mag ik hopen,
+dat u me toestaat u van middag een bezoek te komen brengen?
+
+Met mijn eerbiedigste groeten,
+
+QUAERTS.
+
+
+Daar men op antwoord wachtte, schreef zij dadelijk terug:
+
+
+Geachte Heer!
+
+Het zal mij aangenaam zijn u vanmiddag te ontvangen.
+
+CECILE VAN EVEN.
+
+
+Toen zij daarop alleen was las ze zijn briefje over en nog eens over,
+bezag zij met een glimlach het papier, bezag zij de letters van het
+schrift.
+
+--Hoe vreemd! dacht ze. Dat briefje, en dat dit alles zoo is. Wat is
+alles vreemd, alles, alles!
+
+Lang bleef zij droomen, het briefje in de hand. Toen vouwde zij het met
+zorg dicht; zij stond op, liep de kamer op en neer, zocht met hare fijne
+vingers in een coupe vol visitekaartjes en nam er twee uit, die zij lang
+bezag. Quaerts ... Die naam had een anderen klank dan vroeger ... Hoe
+vreemd dat alles! En ze sloot eindelijk het briefje en de twee kaartjes
+weg in een klein, leeg loketje van hare schrijftafel.
+
+Zij wilde thuis blijven en liet de kinderen wandelen met de kindermeid.
+Zij hoopte, dat er geene andere visite komen zou, noch mevrouw Hoze,
+noch de Van Attema's. En voor zich uit turende dacht zij na, lang, lang
+na. Er was zooveel, dat ze niet begreep: eigenlijk begreep ze niets.
+Wat haarzelve betrof, zij had hem lief gekregen, dat was niet meer te
+doorgronden, dat was alleen aan te nemen. Maar hij, hoe was hij en wat,
+wat was er in hem?
+
+Hare antipathie in den aanvang? Sport ... hij deed veel aan sport,
+herinnerde zij zich ... Zijne visite, die eene indiscretie was geweest ...
+Hij scheen dat nu te willen goed maken en haar niet meer te komen
+bezoeken zonder hare toestemming. Zijn mystiek gesprek aan dat diner ...
+En mevrouw Hijdrecht ...
+
+--Wat is hij vreemd, dacht ze. Ik begrijp hem niet. Maar ik heb hem
+lief; ik kan niet anders. Lief lief ... wat vreemd dat dat bestaat! Ik
+wist nog niet, dat dat bestond! Ik ben niet meer mezelve: ik word een
+ander! Wat zou hij van mij willen...? En hoe zonderling: ik ben getrouwd
+geweest, ik heb twee kinderen? Wat zonderling, dat ik twee kinderen heb!
+Het is me of dat niet zoo is. Ach, en ik hou toch zoo van ze, mijn
+ventjes! Maar dat, dat is zoo mooi, zoo helder, zoo doorzichtig, alsof
+dat alleen de waarheid is. Misschien is liefde alleen de waarheid ...
+Het is alsof alles kristal in en om me wordt!
+
+Zij zag om zich heen en het verwonderde haar, het hinderde haar, dat
+in die dagen hare omgeving de zelfde was gebleven: de rozenhouten
+meubeltjes, de plooien der behangsels, het dorre boomlandschap van den
+Scheveningschen weg daar buiten. Maar het sneeuwde, stil en zacht, met
+langzame, groote vlokken, die zwaar neervielen of zij de wereld wilden
+rein maken. Die sneeuw was frisch en nieuw, maar toch was die sneeuw
+niet de eigenlijke natuur voor haar, die steeds hare verre landschappen
+zag, als fata morgana's, sidderend in trillingen van licht.
+
+Om vier uur trad hij binnen. Zij zag hem dus nu voor den eersten keer na
+de zelfkennis, die door haar was geschoten, als eene verwondering. En
+toen hij binnentrad voelde zij de zonderling zalige gewaarwording, dat
+hij zich voor haar vergoedde, dat hij zich volmaakte voor hare
+verbeelding, dat alles in hem goed was. Nu hij daar voor haar gezeten
+was, zag zij hem voor het eerst, en zij zag, dat hij mooi was. De kracht
+van zijn lichaam verheerlijkte zich tot de kracht van een jongen god,
+breed toch slank, en gespierd als met de marmeren spieren van een beeld,
+vreemd dat alles onder de moderniteit van zijn half gekleed kostuum.
+Voor het eerst zag ze zijn gelaat, zag ze het geheel en al. De snit
+ervan was Romeinsch, als van een keizerskop, met zijn zinnelijk profiel,
+zijn kleinen, vollen mond, levend rood onder het goudbruin van zijn
+kroessnor. Laag het voorhoofd--het haar zeer kort geknipt, als een rond
+zwart vlies--, en over dat voorhoofd, met zijn enkele groef, eene
+treurigheid als een waas van ouderdom, vreemd in tegenstelling met de
+wulpsche jeugd van zijn mond en kin. En dan zijne oogen, die zij reeds
+kende, zijne oogen van geheimenis, klein en diep liggend, met de diepte
+van hunne pupil, die zich nu scheen te sluieren en dan weer openblonk.
+
+Maar het vreemdste was, dat van geheel zijn mooi, van geheel zijn wezen,
+van geheel zijn zitten daar, met zijne handen gevouwen tusschen zijne
+knieen, een magnetisme tot haar uitging, dat haar als tot hem trok,
+onwederstaanbaar, als was ze, in eens, van haar eerste moment van
+zelfkennis af, zijn ding geworden, dat hem in alles zou dienstbaar zijn.
+Zij voelde dat magnetisme haar zoo hevig aantrekken, dat alles in haar
+smolt tot loomheid en zwakte. Eene zwakte, als zou hij haar kunnen nemen
+en wegdragen, ergens heen, waar hij wilde; eene zwakte, als had zij
+geene eigen gedachte meer, als was ze niets dan hem geworden.
+
+Dit voelde zij intens en toen, toen was het allervreemdste, dat hij daar
+zitten bleef als op een afstand van eerbied, dat zijn oog tot haar opzag
+met eerbied, dat zijne stem klonk in eerbied. Toen was het
+allervreemdste, dat zij hem beneden zich zag, terwijl zij hem boven zich
+voelde; dat zij zijne mindere wilde zijn en hij haar eene hoogere scheen
+te achten. Zij wist niet hoe zij dit alles in eens zoo intens doordrong,
+maar zij drong het door en het was de eerste pijn, die haar om heure
+liefde trof.
+
+--U is toch wel lief, dat u niet boos op me is! begon hij.
+
+In zijne stem klonk vaak iets vleiends; ze was niet helder en zelfs nu
+en dan wat gebroken, maar dit gaf er juist eene bekoring van timbre aan.
+
+--Waarom? vroeg ze.
+
+--Ik ben ten eerste indiscreet geweest met mijn visite. Ten tweede ben
+ik ongalant geweest op het diner van mevrouw Hoze.
+
+--Een heel zondenregister! lachte zij.
+
+--Zeker! ging hij voort, en u is wel goed dit alles niet kwalijk te
+nemen.
+
+--Misschien heb ik dat niet gedaan omdat ik altijd zooveel goeds van u
+hoor bij Dolf.
+
+--Heeft u nooit iets vreemds in Dolf gezien? vroeg hij.
+
+--Neen, wat dan?
+
+--Heeft het u nooit gefrappeerd, dat hij meer oog heeft voor de groote
+ensembles van politieke vraagstukken, dan voor de details van zijn eigen
+omgeving?
+
+Zij zag hem aan, glimlachend verbaasd.
+
+--Ja, zeide zij. Dat merkt u juist op. U kent hem goed.
+
+--O, we kennen elkaar al lang, van jongens af. Het is curieus: hij ziet
+nooit de dingen, die vlak bij hem liggen; hij doordringt ze niet. Hij is
+intellectueel verziende.
+
+--Ja, beaamde zij.
+
+--Hij kent zijn vrouw niet, zijn dochters niet en Jules niet. Hij
+begrijpt niet wat er in ze is. Hij maakt zich van ieder vaste beeldjes
+en zet die in zijn geest vast, en die beeldjes vormt hij naar twee
+karaktertrekken, die vooruitspringen en elkaar wat opbouwen en afbreken.
+Mevrouw Van Attema schijnt hem een coeur d'or, maar onpractisch: en
+daarmee uit. Jules: een muzikaal genie, maar een onhandelbare jongen:
+uit.
+
+--Ja, hij denkt niet ver na over karakters, zeide zij. Want er is nog
+veel meer in Amelie ...
+
+--En Jules heeft hij heelemaal mis! meende Quaerts. Jules is zeer
+handelbaar en niets geniaal. Jules is niets dan aanhankelijkheid met wat
+rudimentair talent. En u, ... u heeft hij ook mis!
+
+--Mij?
+
+--Geheel en al! Weet u hoe hij u vindt?
+
+--Neen.
+
+--Hij vindt u,--laat me dit vooraf zeggen,--zeer, zeer sympathiek en een
+lief mama-tje voor haar jongens. Maar hij meent verder, dat u onbekwaam
+is heel veel van iemand te houden; hij vindt u een vrouw zonder passie
+en melancholiek zonder reden, alleen uit wat verveling. Hij denkt, dat u
+zich verveelt!
+
+Zij zag hem geheel en al ontsteld aan, en ze zag hem ondeugend lachen.
+
+--Ik verveel me nooit! sprak ze, ook lachend en met volle overtuiging.
+
+--Neen, natuurlijk niet! antwoordde hij.
+
+--Hoe weet _u_ dat! vroeg ze.
+
+--Dat voel ik, hernam hij. En ik voel nog meer. Ik weet ook, dat het
+fond van uw karakter niet melancholiek is, niet donker, maar heel licht.
+
+--Dat weet ik zelf zoo niet! murmelde zij bijna, loom, met die zwakte in
+haar, gelukkig, dat hij haar zoo doorzag. En, ging zij, heel luchtigjes,
+voort, zou u ook gelooven, dat ik niet in staat ben veel van iemand te
+houden?
+
+--Dat is nu iets, dat _ik_ niet weet! zeide hij, met zooveel
+oprechtheid, dat zijn geheele gelaat zich in eens verjeugdigde en de
+groef van zijn voorhoofd weg was. Dat weet _ik_ niet.
+
+--U weet anders wel veel van me! schertste zij.
+
+--Ik heb u al zoo dikwijls gezien.
+
+--Nauwlijks vier maal!
+
+--Dat is heel veel!
+
+Zij lachte helder.
+
+--Is dat nu galant? vroeg ze vroolijk.
+
+--Het is zoo bedoeld, sprak hij terug. U weet niet hoeveel het voor me
+is, als ik u zie.
+
+Het was veel voor hem haar te zien! En zij voelde zichzelve zoo klein,
+zoo weinig, en hem zoo groot, zoo veel. Wat sprak hij beslist, wat wist
+hij dat alles zeker! Ze was er bijna treurig om, dat hij zooveel vond in
+eene enkele maal haar te zien. Hij stelde haar te hoog; zij wenschte
+niet zoo hoog gesteld te worden.
+
+En dat teeder-broze hing weer tusschen hen, zooals het aan het diner
+tusschen hen gehangen had. Daar was het gebroken door een ongelukkig
+woord, o, dat het nu toch niet zou breken!
+
+--Laten we nu eens over _u_ spreken! zeide zij met eene aangenomen
+luchtigheid. Weet u wel, dat u alle moeite doet mij te doorgronden, en
+dat ik niets weet van u! Dat is niet eerlijk.
+
+--Als u wist, hoeveel ik u al gegeven heb. Ik geef me u geheel en al:
+voor anderen verberg ik me altijd.
+
+--Waarom?
+
+--Omdat ik bang voor die anderen ben!
+
+--_U_ bang?
+
+--Zeker. U vindt, dat ik er niet naar uit zie om bang te zijn? Ik bezit
+iets ...
+
+Hij aarzelde.
+
+--Nu? vroeg ze.
+
+--Ik bezit iets, dat me heel dierbaar is en waarvoor ik heel bang ben,
+dat de menschen het zullen aanraken.
+
+--En wat is dat?
+
+--Mijn ziel. En ik ben niet bang, dat u dat zal aanraken want u zal het
+geen pijn doen. Integendeel: het voelt zich juist heel veilig bij u.
+
+Ze had hem weer, werktuigelijk, zijne vreemdheid willen verwijten: zij
+kon niet. Maar hij ried hare gedachte.
+
+--U vindt me een heel zonderling mensch, niet waar? Ik kan niet anders
+zijn tegenover u!
+
+Zij voelde hare liefde zich in haar hart als uitspannen, het als
+verwijden tot alomwijdte in haar. Haar liefde was als eene ruimte,
+waarin hij dwaalde.
+
+--Ik begrijp u nog niet, ik ken u nog niet! sprak ze zachtjes. Ik zie u
+nog niet ...
+
+--Zou u er eenigszins belang in stellen mij te zien?!
+
+--Zeker.
+
+--Mag ik u dan van mij vertellen? Ik zou het gaarne doen, het zou mij
+een groot geluk zijn.
+
+--Ik zal heel graag naar u hooren.
+
+--Een vraag vooraf: u houdt niet van menschen, die aan sport doen?
+
+--Zeker wel; ik hou er veel van krachtsontwikkeling te zien, als ik er
+zelve buiten ben. Daarom hou ik ook van naar een storm te hooren, als ik
+zelve thuis ben. En ik kijk zelfs heel gaarne naar acrobaten.
+
+Hij lachte even.
+
+--Die sport was u toch in mij antipathiek?
+
+--Waarom denkt u dat?
+
+--Dat heb ik gevoeld.
+
+--U voelt alles! zeide zij, bijna bang. U is een gevaarlijk mensch,
+hoor.
+
+--Dat denken er heel veel. Mag ik u zeggen, waarom ik geloof, dat mijn
+sport u antipathiek was?
+
+--Ja.
+
+--Omdat u dien niet in _mij_ begreep; ook al zag u me misschien aan, dat
+ik er veel aan doe.
+
+--Ik begrijp u in het geheel niet.
+
+--Juist ... Maar laat me toch niet zoo over mezelven praten; ik praat
+liever over u.
+
+--En ik liever over u. Wees dus nu voor de eerste maal galant tegenover
+me en spreek ... over uzelven.
+
+Hij boog met een lachje.
+
+Als u me dan niet pedant vindt.
+
+--Ach wel neen. U zou me van u vertellen. U begon met te spreken over
+sport ...
+
+--U helpt me op den goeden weg ... Zou u kunnen begrijpen, dat er twee
+menschen in me zijn?
+
+--Twee menschen?...
+
+--Ja. Mijn ziel, die ik beschouw als mijn eigenlijke mensch en dan ...
+dan nog iets anders.
+
+--En wat is dat andere?
+
+--Iets leelijks, iets gemeens, iets brutaal primitiefs. Het beest, in
+een woord.
+
+Zij haalde lichtjes hare schouders op.
+
+--Wat maakt u uzelven zwart. Zoo iets is er in iedereen!
+
+--Ja maar, mij hindert het meer dan ik u zeggen kan. Ik lijd er onder;
+dat beest doet mijn ziel pijn, nog meer pijn, dan de heele wereld haar
+pijn doet. En weet u nu waarom ik me vooral bij u voel, alsof ik veilig
+ben? Omdat ik bij u dat beest niet voel ... Laat mij nog even praten,
+laat me even biechten, het doet me zoo weldadig aan, u dat alles te
+vertellen. U dacht, dat ik u maar viermaal gezien heb? Maar ik heb u zoo
+dikwijls gezien, vroeger, in de comedie, op straat, overal. Het was me
+altijd wel vreemd, dat ik u zag in het leven. En als ik dan naar u keek,
+dan voelde ik iets, alsof ik tot iets mooiers werd opgenomen. Ik kan het
+niet beter uitleggen. Er is iets in uw gezicht, in uw oogen, in uw
+bewegingen, ik weet niet wat, maar iets beters dan in andere menschen,
+iets, dat, heel welsprekend, alleen tot mijn ziel sprak. Dat alles is
+zoo fijn en zoo vreemd; ik kan daar nauwlijks duidelijker over praten.
+Maar u zal weer vinden, dat ik te ver ga, niet waar? Of dat ik dweep?
+
+--Ik zou zeker nooit gedacht hebben dat u zoo een idealist, en zoo een
+sensitivist was, sprak Cecile zacht.
+
+--Mag ik wel zoo tot u spreken?
+
+--Waarom niet? vroeg zij, om niet te behoeven te antwoorden.
+
+--Omdat u misschien bang is, dat ik u zou kunnen compromitteeren ...
+
+--Ik ben daar geen oogenblik bang voor! hernam zij hoog, als minachtende
+de menschen.
+
+Zij zwegen even. Dat teeder-broze, dat zoo licht breken kon, hing nog
+tusschen hen, fijn, als een herfstdraad, die hen vereenigde. Eene
+atmosfeer van verlegenheid was om hen. Zij voelden, dat er
+beteekenisvolle woorden tusschen hen gewisseld waren. Cecile wachtte
+even, tot hij weer spreken zou. Maar, toen hij zwijgen bleef, begon zij,
+dapper:
+
+--Ik stel het op hooge waarde, dat u zoo tot me gesproken heeft. U heeft
+gelijk: u heeft me wel heel veel van u gegeven. Ik wou u nu verzekeren,
+dat alles wat u me gegeven heeft, heel veilig bij me zal zijn. En ik
+geloof, dat ik u nu beter begrijp, dat ik u beter zie.
+
+--Ik zou u gaarne iets vragen, maar ik durf niet! sprak hij.
+
+Zij glimlachte om hem aan te moedigen.
+
+--Neen heusch, ik durf niet! herhaalde hij.
+
+--Wil ik er dan naar raden? schertste Cecile.
+
+--Ja, wat denkt u?
+
+Zij zag even de kamer rond, toen naar het kleine tafeltje met de boeken.
+
+--Emersons Essays? ried ze ten laatste.
+
+Maar Quaerts schudde zijn hoofd en lachte.
+
+--Neen, dank u! sprak hij. Die heb ik me al aangeschaft. O, neen, ik zou
+u veel meer willen vragen dan een boek te leen.
+
+--Wees dan dapper en vraag het! schertste Cecile voort.
+
+--Ik durf niet! herhaalde hij. Ik zou het ook niet onder woorden kunnen
+brengen.
+
+Ze zag hem ernstig aan, in zijne oogen, die haar geheel openblonken, en
+toen sprak ze:
+
+--Ik weet, wat u me vragen wil, maar ik zal het niet zeggen. Dat moet
+_u_ doen: zoek dus uw woorden.
+
+--Als u het dan weet, vergunt u me dan het u te zeggen?
+
+--Ja, want als ik het goed weet, is het niets wat u niet zou kunnen
+vragen.
+
+--Het zou toch een heele groote gunst zijn ... Want laat me u vooraf
+zeggen, dat ik me geheel en al als iemand van lager orde beschouw dan u!
+
+Eene schaduw waasde over heur gelaat; haar mond had een trekje van pijn,
+en ze drong hem, lichtjes ontzenuwd:
+
+--Toe, vraag het nu. Eenvoudig weg.
+
+--Zou u dan sympathie met me willen sluiten? Zou u me willen toestaan
+bij u te komen, als ik me ongelukkig voel? Ik voel me bij u altijd zoo
+gelukkig, zoo mooi, zoo anders dan in het gewone leven, want ik leef bij
+u alleen mijn eene mensch, mijn eigenlijke, u weet wel.
+
+Alles smolt weer in haar tot loome zwakte; o, hij stelde haar te hoog,
+en ze was heel gelukkig om wat hij vroeg, maar treurig, dat hij zich zoo
+minder voelde dan zij.
+
+--Goed! sprak zij toch met eene stem van klank. Laten we sympathie
+sluiten.
+
+En zij stak hem hare hand toe, hare mooie, witte, lange hand, met aan
+dien eenen vinger de witte en blauwe vonkjes van juweel, en hij drukte
+de tippen dier vingers even heel eerbiedig tusschen de zijne.
+
+--Dank u! sprak hij zacht met zijne stem; die wat gebroken was.
+
+--Is u dikwijls ongelukkig? vroeg Cecile.
+
+--Altijd ... antwoordde hij, bijna nederig en verlegen, dat hij dit
+zeggen moest. Ik weet niet, wat dat is; ik ben altijd zoo geweest. En
+van kind af aan, heb ik toch veel bezeten, dat de menschen geluk noemen.
+Maar toch, toch ... Ik lijd door mezelven. Ik doe mezelven het meeste
+pijn. En daarna de wereld ... en ik moet me altijd verbergen. Ik geef aan
+de wereld alleen een meneer, die paard rijdt en schermt en jaagt, een
+meneer, die in de wereld komt en gevaarlijk is voor jonge vrouwen ... Hij
+lachte met zijn slecht lachje en hij keek haar schuin in de oogen; zij
+bleef kalm naar hem opzien.
+
+--Verder geef ik ze niets, aan die menschen. Ik haat ze; ik ben niet als
+zij, Goddank!
+
+--U is te trotsch! sprak Cecile. Ieder van die menschen heeft weer zijn
+verdriet, evenals u; de een lijdt wat fijner, en de ander wat grover,
+maar ze lijden allemaal. En daarom staan ze u allemaal nabij.
+
+--Ieder op zichzelf, misschien! Maar zoo zie ik ze niet, ik zie ze en
+bloc en zoo haat ik ze. U dan niet?
+
+--Neen, zeide zij kalm. Ik geloof niet, dat ik haten kan.
+
+--U is heel sterk, in uzelve. U heeft aan uzelve genoeg.
+
+--O neen, dat niet, heusch niet, maar u ... u is onrechtvaardig tegenover
+de wereld.
+
+--Mogelijk: ze doet me ook altijd pijn. Alleen bij u, daar vergeet ik,
+dat ze bestaat, die wereld daar buiten. Begrijpt u nu, waarom ik u zoo
+ongaarne bij mevrouw Hoze zag? Het was me of u zich verlaagd had. En
+om ... om dit vreemde, dat ik in u zag, heb ik ook niet vroeger uw
+kennismaking gezocht. Die kennismaking moest noodlottig gebeuren; daarom
+wachtte ik maar ...
+
+Het Noodlot, wat zou het haar brengen? dacht Cecile. Maar ze kon niet
+doordenken: het was haar of ze maar droomde van heele mooie, fijne
+dingen, die niet bestonden bij andere menschen en alleen zweefden
+tusschen henbeiden, en die mooie dingen waren er al: zij behoefde ze
+zich niet meer als illuzie te bespiegelen: het was of zij de toekomst
+had ingehaald! Een kort oogenblik slechts dit geluk; toen weer voelde
+zij pijn, om zijn eerbied.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Hij was heen en ze was alleen, wachtende de kinderen. Zij vergat te
+bellen, om de lamp te laten aansteken, en de schemering van den laten
+namiddag duisterde naar binnen. Zij zat roerloos en keek voor zich uit,
+naar de dorre boomen.
+
+--Waarom ben ik dan niet gelukkig? dacht ze. Hij voelt zich gelukkig bij
+mij; bij mij alleen is hij zichzelve, wat hij in de wereld niet zijn
+kan. Waarom kan _ik_ dan niet gelukkig zijn.
+
+Zij had pijn, hare ziel leed, en het scheen haar toe, dat hare ziel leed
+voor het eerst, misschien omdat, voor het eerst, die ziel niet zichzelve
+was geweest maar een ander. Het scheen haar toe, dat eene andere vrouw
+te voren met hem, Quaerts, gesproken had. Eene hooge vrouw: eene vrouw
+van illuzie--de vrouw, die hij in haar zag;--en niet de vrouw, die zij
+was: eene nederige vrouw, eene vrouw van liefde. O, zij had zich moeten
+beheerschen, om hem niet te vragen: Waarom spreek je zoo tot mij? Waarom
+voer je je mooie gedachten zoo op tot mij, en waarom laat je ze niet
+neerdauwen over me, want zie, ik sta niet zoo hoog als je meent, en zie,
+ik lig aan je voeten en mijn blik zoekt je boven me!
+
+Had zij hem moeten zeggen, dat hij zich bedroog? Had zij hem moeten
+vragen: Waarom verlaag ik me door me te mengen met andere menschen? Wie
+dan toch zie je in me? Zie, ik ben alleen eene vrouw, eene vrouw van
+zachtheid en gedroom, en zie, ik heb je lief gekregen, ik weet niet
+waarom! Had zij dan zijne oogen moeten openen en hem moeten zeggen: zie
+in een spiegel je eigen ziel en zie jezelven en zie, dat je een god bent
+op aarde: een god, die alles weet, omdat hij het voelt, voelt, omdat hij
+het weet ... Alles!... Neen ... niet alles, want hij bedroog zich, die god
+en hij meende in haar, die slechts schepsel was van hem, zijne gelijke
+te zien. Had zij dit alles moeten verklaren, zoo ten koste van hare
+schuchterheid als van zijn geluk? Want zijn geluk--ze wist dat nu--was
+haar te zien, zooals hij haar zag.
+
+--Bij mij voelt hij zich gelukkig! dacht ze. En hij heeft sympathie met
+me gesloten ... Geen vriendschap sloot hij, en hij sprak niet van liefde,
+maar hij noemde dat: sympathie ... Bij mij voelt hij alleen zijn
+eigenlijke mensch en niet dat andere ... zijn beest! Zijn beest...!!
+
+Toen kwam iets over haar drijven als eene somberheid van wolken en zij
+huiverde voor wat eensklaps door haar heen klotste: een breede stroom
+van zwartheid, als lag er veel modder op de bedding van dien stroom, als
+borrelde die modder naar boven in troebele kringen, die grooter werden
+en grooter! En zij schrikte voor dien stroom en wilde hem niet zien,
+maar hij gulpte over hare landschappen--vroeger zoo helder met kimmen
+van licht!--nu, met een lucht van inkt daarboven gesmeerd als vuile
+nacht.
+
+--Wat denkt hij hoog, en wat is zijn gedachte edel! dwong Cecile zich
+nog te verbeelden, ondanks dat alles ...
+
+Maar het ging niet meer: uit haar heen duizelde de bewondering van de
+hoogheid zijner gedachte weg in een afgrond en toen, in eens, als met
+een bliksem door den nacht van die inktlucht heen, zag ze duidelijk, dat
+zij die hoogheid van gedachte betreurde, betreurde in hem!
+
+Het was geheel donker in de kamer geworden. Cecile had zich, ontzet voor
+het weerlicht, dat haar aan zichzelve openbaarde, achterover gegooid in
+de kussens der bank. Zij verborg haar gelaat in hare handen, persende
+hare oogen, als wenschte zij nu, na die zelfopenbaring, blind te worden.
+
+Maar demonisch woedde het door haar heen als een orkaan van de hel,
+stormvlaag van zinnenpassie, die opblies uit de donkerte van het
+landschap en de troebele golven van den stroom zweepte op naar die lucht
+van inkt.
+
+--Oh! kreunde zij. Ik ben hem onwaardig...!
+
+
+ * * * * *
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+
+
+
+I.
+
+
+Quaerts bewoonde op het Plein, boven een kleermaker, twee kamers, klein
+en allerbanaalst van gemeubel. Hij had veel beter kunnen wonen, maar
+comfort kon hem niet schelen: hij dacht daar nooit voor zijn eigen
+interieur aan; bij een ander zelfs trof het hem niet, Jules had het
+intusschen gehinderd, dat Quaerts zoo woonde en de jongen had die kamer
+al lang willen verfraaien. Hij was nu bezig eenige wapens op een
+wapenrek te hangen, staande op een trap, een deun uit een opera tusschen
+de lippen. Maar Quaerts sloeg er geen acht op; onbewegelijk lag hij op
+de canape, rechtuit, in zijn flanellen hemd, ongeschoren, en zijne oogen
+turende naar de renaissance van het Paleis van Justitie, dat achter de
+dorre boomen van het Plein een fond van architectuur teekende.
+
+--Zie dan eens, Taco, of het zoo goed is? vroeg Jules, die een
+Marokkaansche sabel tusschen een paar krissen had geplaatst en er de
+draperie van een sarong tusschen door trok.
+
+--Ja, zeker, antwoordde Quaerts.
+
+Maar hij zag niet op naar de wapens en hij bleef turen naar het Paleis.
+Onbewegelijk lag hij daar. Gedachte was er niet in hem; alleen
+gedachtelooze zelfontevredenheid en daarom treurigheid. Drie weken lang
+had hij geleefd het leven van een roes, om zich te verdooven. Om wat te
+verdooven wist bij niet precies. Misschien iets, dat in hem was: dat
+mooi was, maar lastig in de gewone wereld. Die roes was begonnen met een
+jacht in Noord-Brabant, op het buiten van een vriend. Een week lang met
+hun achten, veel sport in de open lucht, gevolgd door jachtdiners met
+niet alleen veel fijnen wijn, maar nog meer jenever, ook heele fijne,
+als likeur. Rospartijen te paard in den omtrek; baldadigheden bedreven
+op een boerderij--de boerin rondgedragen in een ton en opgesloten in de
+koeienstal--stoute streken als van kwajongens en wildemannen tegelijk;
+proces-verbaal tegen dat alles met politie en schadevergoeding.
+Opgewonden als door te veel sport, te veel zuurstof en te veel sterken
+drank waren er daarna vijf van het troepje, waaronder Quaerts, naar
+Brussel getogen; een had er daar zijn maitresse. Zij hadden er gelogeerd
+bijna twee weken lang, in een leven als een voortdurend bacchanaal, met
+veel champagne en veel baldadigheid; eene wilde vreugde om te leven, die
+eerst natuurlijk, weldra werd opgeschroefd en hooger opgeschroefd om ze
+nog een paar dagen langer, te laten duren; de laatste nachten, moe, met
+ecarte doorgebracht, zonder meer aan iets anders te kunnen denken dan
+aan het idee fixe om te winnen, de uitputting van al hun geweld reeds
+vloeiende door hunne lichamen als verslapping en hunne oogen wezenloos
+turende op de poppetjes van het spel.
+
+Quaerts had in dien tijd eene enkele maal aan Cecile gedacht, zonder die
+opkomende gedachte door te denken. Zij was wellicht drie, viermaal
+verschenen in zijne hersenen als een vaag beeld, wit en doorglazig: eene
+schim. Dan was ze weer verdwenen, zonder invloed. In al dien tijd had
+hij haar ook niets van zich laten hooren en slechts eenmaal had hij
+bedacht, dat een stilzwijgen van drie weken, na hun laatste gesprek,
+haar vreemd moest voorkomen. Daarbij was het gebleven. Hij was nu terug,
+had drie dagen thuis gelegen op zijn bed, op zijne bank, moe, koortsig,
+ontevreden, in eene walging van alles, alles; toen des morgens,
+bedenkende, dat het Woensdag was, had hij om Jules gedacht en diens
+rijles.
+
+Hij had Jules laten komen, maar te lui om zich te scheeren en te
+kleeden, was hij blijven liggen. En hij lag nog, niet wetende hoe en
+wat. Daar voor hem was het Paleis. Daar naast de Hooge Raad. Op zij zag
+hij de Witte en de Zwijger stond in het midden van het Plein: dat alles
+was heel interessant. En Jules hing wapens op. Ook interessant. En het
+interessantste van alles was dat domme leven, dat hij geleid had. Wat
+een opschroeving om zijne verveling voor den gek te houden. Had hij zich
+in dien tijd geamuzeerd? Neen. Hij had zich aangesteld of hij zich
+geamuzeerd had: hij had zich opgewonden met die boerin en met dat
+ecarte. De jacht was slecht geweest. De wijn goed, maar hij had er te
+veel van gedronken. En dan de smerige champagne van die cocotte ...
+
+Wat dan? Hij had daar regelmatig behoefte aan, aan zulk een leven, aan
+een leven van sport en woest pleizier; het hield hem in evenwicht met
+dat andere, dat in hem was, en dat hem tot onmogelijkheid werd in het
+leven van iederen dag. Maar waarom kon hij dan ook geen maat houden,
+zoowel in het een als in het ander! Hij had geschiktheid voor het gewone
+leven en daarbij iets heel moois in zijne ziel; waarom kon hij niet in
+evenwicht blijven wiegelen tusschen die twee sferen in hemzelven, en
+waarom werd hij altijd geslingerd van de eene naar de andere sfeer, als
+iets, dat eigenlijk in geen van beiden element werd? Wat had hij niet
+met een klein beetje tact, een klein beetje zelfleiding, zijn leven
+tot iets moois kunnen maken, en kunnen bestaan in eene gezonde
+levensvreugde, gelouterd door een hooge zieleblijdschap! Maar die tact
+tot zelfleiding, ontbrak hem geheel en al; hij leefde zooals hij voelde:
+geheel in uitersten; er was geen halfheid in hem. En dit was zoowel zijn
+trots als zijn levensleed; zijn trots, dat hij "geheel" voelde of dit of
+dat, dat hij niet schipperen kon met zijne gevoelens; en zijn leed: dat
+hij niet schipperen kon en niet tot harmonie kon brengen, wat telkens in
+hem tegen elkander stiet.
+
+Toen hij Cecile had ontmoet, had weergezien en nog eens weergezien, had
+hij zich geheel en al voelen verheffen naar dat eene uiterste, top van
+hoogheid, top van louter kristallen sympathie, waar zijn cirkel van
+atmosfeer--zooals hij zeide--sympathetisch had geschoven over de hare,
+als met eene liefkozing van louter kuischheid en spiritualiteit, zooals
+twee sterren, die, nader wentelend, hare dampkringen wellicht even
+mengen, als adems. Hoe glimlachend gelukkig had hij zich toen niet mogen
+voelen, als met eene gratie van Hooger! Toen, toen had hij zich weer
+voelen tuimelen naar omlaag, als had hij zijn punt van evenwicht
+overwiegeld, en had hij gesmacht naar het aardsche, naar veel eenvoud
+van gevoelen, naar primitief levensgenot, naar vleesch en bloed. Hij
+herinnerde zich nu, hoe hij, twee dagen na zijn laatste gesprek met
+Cecile, Emilie Hijdrecht had gezien, hier bij hem op zijne kamer, waar
+zij, verwaarloosd, hem eindelijk had durven komen zien, op een avond,
+alles vergetende. Met een trek van wreedheid om zijn mond herinnerde hij
+zich hoe zij geweend had aan zijne knieen, hoe zij jaloersch gejammerd
+had van Cecile, hoe hij ze haar mond had doen houden en haar verboden
+had dien naam uit te spreken. En toen, hunne dolle omhelzing, omhelzing
+van wreedheid: wreedheid van haar tegen dien man, dien zij telkens
+verloor als zij hem voorgoed meende gevonden te hebben, dien zij niet
+begreep en wien zij aanhing met al het geweld harer brutale passie, als
+met eene passie uit primitieve tijden van louter zin; wreedheid van hem
+tegen die vrouw, die hij verachtte, terwijl hij haar in zijne armen, in
+hartstocht, bijna stikte!
+
+
+
+
+II.
+
+
+Ja, wat dan? Hoe dat evenwicht tusschen zijne twee polen te vinden! Hij
+haalde zijne schouders op; hij wist, dat hij het niet vinden kon. Hij
+miste een zeker element of een zekere kracht om dat te vinden. Hij kon
+zich slechts laten slingeren. Goed dan: hij zou zich laten slingeren:
+er was niets aan te doen. Want nu, in die moeheid na zijn woest geweld,
+begon hij weer een hevig verlangen te voelen, als iemand, die na een
+langen avond in een feestzaal vol bedorven lucht van gaslicht en
+stoffige mufheid en benauwdheid van menschenadem te hebben doorgebracht,
+haakt naar eenen hoogen hemel en wijdte van atmosfeer: een hevig
+verlangen naar Cecile. En hij glimlachte, blij, dat hij haar kende, dat
+hij tot haar kon gaan, dat het hem nu vergund was door te dringen in het
+kuische heiligdom harer omgeving, als in een tempel; hij glimlachte,
+blij, dat hij dit verlangen voelde, en trotsch daarom, zich verheffend
+boven andere menschen ... Hij stelde zich reeds voor zijn genot haar
+oprecht te biechten hoe hij geleefd had, die drie weken lang, en hij
+hoorde al hare stem, ofschoon hij niet hare woorden verstond ...
+
+Jules klom van de ladder af. Hij was treurig, dat Quaerts niet gevolgd
+had zijn schikken van de wapens op het rek en zijn drapeeren van het
+doek er om heen. Maar hij was stil door gegaan met zijn werk en nu het
+klaar was, klom hij af en ging hij, stil, zitten op den grond, met zijn
+hoofd tegen het voeteneind aan van de bank, waar zijn vriend lag te
+denken. Jules sprak geen woord; zijne oogen zagen recht voor zich uit,
+met iets van boudeeren, voelende, dat Quaerts nu naar hem keek.
+
+--Jules! zei Quaerts.
+
+Maar Jules antwoordde niet, starende.
+
+--Zeg Jules! Waarom hou je toch zooveel van me?
+
+--Weet ik het! sprak Jules met dunne lippen.
+
+--Weet je het niet?
+
+--Neen. Hoe weet je nu, waarom je van iemand houdt.
+
+--Je moet niet zooveel van me houden, Jules. Dat is niet goed.
+
+--Goed dan. Dan zal ik het minder doen, sprak Jules.
+
+Hij stond in eens op en nam zijn hoed. Hij gaf Quaerts eene hand, maar
+Quaerts hield hem vast, met een glimlach.
+
+--Zie je, bijna niemand houdt van me, alleen ... je papa en jij. Van je
+papa weet ik het, maar van jou niet, waarom je van me houdt.
+
+--Je wilt ook alles weten.
+
+--En is het een ongeluk om dat te willen?
+
+--Natuurlijk. Je zal zoo nooit tevreden zijn. Mama zegt altijd, dat men
+niets weet.
+
+--En jij?
+
+--Ik ... niets ...
+
+--Wat niets?
+
+--Ik weet niets ... Laat me nu gaan.
+
+--Ben je boos, Jules?
+
+--Neen, maar ik heb een afspraak.
+
+--Kan je wachten, tot ik me gekleed heb, dan gaan we samen. Ik ga naar
+tante Cecile.
+
+Jules streed.
+
+--Goed dan. Maar haast je.
+
+Quaerts stond op. Hij zag nu de wapens hangen, die hij geheel vergeten
+had.
+
+--Dat heb je netjes gedaan, Jules! sprak hij bewonderend. Dank je wel,
+hoor.
+
+Jules antwoordde niet en Quaerts ging zijne kleedkamer in. De jongen
+zette zich op de bank, strakrecht, en zag naar het Paleis, tusschen de
+dorre boomen door. Zijne oogen vulden zich met dikke ronde tranen, die
+neervielen; onbewegelijk, strakrecht, weende hij.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Cecile leefde deze drie weken in eene onwetendheid, die haar pijnlijk
+aandeed. Door Dolf had zij wel gehoord, dat Quaerts jaagde, maar verder
+niets. Een schok van blijdschap electrizeerde haar, toen nu de deur
+achter den paravent openging en zij hem voelde binnenkomen. Hij stond
+voor haar, eer zij zich herwinnen kon en daar zij wat beefde, rees zij
+niet op en reikte zij, zittende, hem hare hand, met eene onzichtbare
+trilling der vingeren.
+
+--Ik ben uit de stad geweest, begon hij.
+
+--Dat hoorde ik ...
+
+--Heeft u het goed gemaakt, al dien tijd?
+
+--Dank u, heel goed.
+
+Hij vond haar wat bleek, met een zweem van lichtblauw onder hare oogen
+en eene matheid in hare bewegingen. Maar hij besloot, dat het misschien
+niets bizonders was of dat zij bleek scheen in de melkblankheid dier
+zacht-witte stof, als zijdige wol, zooals haar middel nog tengerder was
+in het getrek der echarpe om hare leest, met eene lange, witte franje,
+die voor hare voeten viel. Zij zat alleen met Christie, op zijn bankje,
+zijn hoofdje in haar japon, een prentenboek op zijne knietjes.
+
+--U is net een madonna met een Kindje! zei Quaerts.
+
+--Mijn kleine Dolf is gaan wandelen met zijn peetoom, sprak zij,
+stralend ziende op haar kind en het lichtjes wenkend ...
+
+Het stond op en, verlegen, ging het naar Quaerts en bood, met zijn
+schuin hoofd, een handje. Quaerts tilde hem op en zette hem op zijn
+knie.
+
+--Wat is hij licht, ce petit Jesus!
+
+--Hij is niet sterk, sprak Cecile.
+
+--U verwent hem te veel.
+
+Zij lachte weer.
+
+--Paedagoog! schertste zij. Waarom verwen ik hem?
+
+--Ik vind hem altijd in uw rokken. Hij moest maar eens met me meekomen:
+ik zou hem gymnastiek laten doen.
+
+--Jules paardrijden, en Christie gymnastiek! lachte zij door.
+
+--Ja ... sport, u weet het! schertste hij terug met een blik van
+beteekenis.
+
+Zij zag hem terug aan en sympathie lachte uit de diepte harer goudgrijze
+oogen. Hij voelde zich gelukkig, en, met het kind op zijne knie:
+
+--Ik kom u biechten ... madonna!
+
+Toen, schrikkende, zette hij het kind in eens van zich af.
+
+--Biechten?
+
+--Ja ... Christie, ga terug naar mama. Ik mag je niet bij mij houden.
+
+--Jawel! riep Christie met verwonderd groote oogen en greep het koordje
+van zijn lorgnet.
+
+--Le petit Jesus vergeeft te vroeg! sprak Quaerts.
+
+--En ik, heb ik iets te vergeven? vroeg zij.
+
+--Ik zou gelukkig zijn, als u het zoo beschouwde.
+
+--Biecht dan.
+
+Le petit Jesus ... aarzelde hij.
+
+Cecile stond op; zij nam het kind, kuste het en deed het zitten op een
+stoel bij het raam, met zijn prentenboek. Toen kwam zij terug naar de
+chaise-longue:
+
+--Hij zal niet hooren ...
+
+En Quaerts begon zijn verhaal, kiezende zijne woorden; hij sprak van de
+jacht, van de rospartijen en de boerin, en van Brussel. Zij luisterde
+vol aandacht, in hare oogen een angst voor dat levensgeweld, waarvan de
+echo zijne woorden doorbruiste, ware het dan ook eene echo door eerbied
+getemperd.
+
+--En was dat alles zonde, die vergeven moet worden? vroeg zij nu.
+
+--Niet?
+
+--Ik ben geen madonna, maar ... een vrouw met nog al geemancipeerde
+denkbeelden. Als u gelukkig is geweest met dat leven, was het geen
+zonde, want geluk is goed ... Is u dus gelukkig geweest, dan was dat
+leven ... goed.
+
+--Gelukkig!? vroeg hij.
+
+--Ja?
+
+--Neen ... Ik heb dus zonde gepleegd, zonde aan mijzelven, niet waar?
+Vergeef me ... madonna.
+
+Zij ontroerde zeer om den klank zijner stem, die, zacht gebroken, haar
+als in bekoring omwikkelde; zij ontroerde van hem daar te zien zitten,
+vullende met hemzelven, met zijn lichaam, zijn wezen, zijn bestaan, eene
+ruimte in hare kamer, vlak in hare nabijheid. In eene seconde doorleefde
+zij uren, voelde zij hare stille liefde zwaar in haar als een zoet
+gewicht, voelde zij lust hare armen om zijn borst te slaan en hem te
+zeggen, dat zij hem aanbad, en voelde zij een innig leed, om wat hij
+haar bekende: dat hij weer zich niet gelukkig had gevoeld. En zij kon
+zich nauwelijks bedwingen in haar medelijden, stond op, trad op hem toe
+en legde hem eene hand op zijn schouder.
+
+--Zeg me, meent u dat alles? Is dit alles waarheid? Is het waarheid, dat
+u zoo geleefd heeft en u toch niet gelukkig heeft gevoeld?
+
+--Volle waarheid, op het woord van mijn ziel.
+
+--Maar waarom heeft u het dan gedaan?
+
+--Ik kon niet anders.
+
+--U kon u niet tot maat dwingen?
+
+--Nooit ...
+
+--Dan zou ik u dat gaarne willen leeren.
+
+--Ik niet, van _u_. Want het geluk is voor mij, en zal altijd voor mij
+zijn, onmatig te zijn ook bij u, onmatig in het leven van mijn
+eigenlijken mensch, mijn zielemensch, zooals ik nu pas onmatig ben
+geweest in het leven van mijn schijnmensch.
+
+Hare oogen werden vochtig; ze schudde haar hoofd, steeds met die hand op
+zijn schouder.
+
+--Dat is niet goed! sprak ze, diep weemoedig.
+
+--Het is genot ... voor beide die menschen. Ik moet zoo zijn ... onmatig
+voor beiden.
+
+--Maar dat is niet goed! drong zij door. Louter genot ...
+
+--Het laagste, maar ook het hoogste ...
+
+Eene huivering overviel haar, eene doodelijke angst voor hem.
+
+--Neen, neen, drong ze aan. Denk zoo niet. Doe zoo niet. Noch het een,
+noch het ander. Heusch, dat alles is niet goed. Louter genot en onmatig
+genot, ook het hoogste, is niet goed.
+
+Zoo forceert u het leven. Zoo ... ben ik bang voor u. Zoek maat te
+krijgen. U heeft zooveel elementen om gelukkig te zijn.
+
+--O, ja ...
+
+--Ja, maar ik meen: dweep niet. En ... en hol ook zoo woest niet door,
+om Godswil!
+
+Hij zag tot haar op; hij zag het haar smeeken, met hare oogen, met de
+uitdrukking van haar gelaat, met geheel haar, even voorover buigend,
+staan. Hij zag het haar smeeken, zooals hij het haar hoorde doen, en
+toen zag hij, dat zij hem liefhad. Eene lichte verrukking kwam over hem,
+als daalde iets hoogs tot hem neer om hem te leiden. Hij verroerde zich
+niet,--hij voelde hare hand trillen op zijn schouder--bang, die
+verrukking bij de minste beweging te zullen doen vervliegen. Het kwam
+geen oogenblik in hem op, haar te zeggen een woord van teederheid, of
+haar te nemen in zijn armen en te drukken tegen zich aan: zij
+verheerlijkte zich zoo voor zijn oog, dat zulk profaan verlangen ver van
+hem af bleef. En toch voelde hij op dit oogenblik, dat hij haar liefhad,
+maar zoo, als hij nog nooit had liefgehad, zoo geheel en alleen met het
+edelste, dat in eene ziel, vaak voor zichzelve zelfs onzichtbaar,
+verscholen is: voelde hij, dat hij haar liefhad met allernieuwste
+gevoelens van reine jeugd en nieuwe frischheid en klare belangeloosheid.
+En het werd hem, alsof dat alles een droom was, die niet was, een droom
+van lichtgeweef om hem heen als met mazen van zonneschijn.
+
+--Madonna! fluisterde hij. Vergeef me ...
+
+--Beloof me dan ...
+
+--Ik wil wel beloven, maar ik zal niet kunnen houden. Ik ben zwak ...
+
+--Neen.
+
+--O ja. Maar ik beloof en beloof mijn belofte te zullen pogen te houden.
+Vergeeft u dan?
+
+Zij knikte hem toe; zij wierp haar glimlach op hem neer als een straal.
+Toen ging zij naar het kind, nam het in hare armen en bracht het tot
+hem:
+
+--Christie omhels hem en geef hem een zoen.
+
+Hij nam het kind van haar over en het kuste hem op zijn voorhoofd, en
+sloeg de armpjes om zijn hals.
+
+--Le petit Jesus! fluisterde hij.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Zij bleven toen lang met elkander praten en er kwam niemand, die hen
+stoorde. Het kind was weer gaan zitten bij het raam. De schemering begon
+hare asch naar binnen te strooien. Zacht wit zag hij Cecile daar zitten,
+in de melodie harer woorden van halve stem, die weldadig tot hem
+aanklonken. Zij spraken over veel; over Emerson; over een gedicht van
+Van Eeden, in den Nieuwen Gids; over hunne levensopvattingen. Hij had
+een kop thee willen aannemen, alleen om haar zich te zien bewegen met de
+weeke lijnen harer bevalligheid, staande voor het theetafeltje in den
+hoek. In haar wit toilet, had zij iets van marmer, dat week zou zijn van
+bezieling en leven. En onbewegelijk bleef hij zitten, luisterend met
+eerbied, opgenomen in eene teedere verrukking van geluk. Het was eene
+stemming, niet te analyzeeren, zonder zichtbaren oorzaak, alleen
+wordende uit hun sympathetisch samenzijn, zooals eene bloem wordt uit
+een onzichtbaar zaad, na een regendrop en wat zonneschijn. Ook zij, ze
+was gelukkig; ze voelde niet hare pijn om zijn eerbied. Ze was wel een
+beetje weemoedig, dat hij zoo geleefd had, maar toch was ze gelukkig om
+het geluk van die stip van het heden. Ze zag nu ook niet haren donkeren
+stroom, hare inktlucht, haar nalatenschap; ze zag nu alles licht, in
+kalmte. En het geluk ademde om hen heen, tastbaar, als met eene
+liefkoozing. Soms zwegen zij, en zagen beiden naar het kind, dat las, of
+het vroeg hun iets en zij antwoordden. Dan glimlachten zij elkander toe,
+omdat het zoo zoet was en niet hinderde.
+
+--Ik wilde, dat dit nu altijd zoo bleef! dorst hij te zeggen, toch nog
+vreezende; dat zulk een woord de kristallen transparantheid van hun
+geluk zou breken. Als u nu in me zien kon, hoe goed ik me voel. Ik weet
+niet waarom, maar ik voel me zoo. Misschien om uw vergeving. Het Roomsche
+geloof is toch heerlijk met zijn absolutie. Wat een troost voor zwakke
+menschen.
+
+--Maar u mag u niet zwak vinden. U is dat ook niet. U zegt me, dat u
+zich soms boven het gewone leven kan stellen, dat u kan neerzien op de
+smart van het leven als op een comedie, die maar eventjes droef doet
+glimlachen, maar niet de waarheid is. Ik geloof ook, dat het leven,
+zooals wij het zien, alleen maar symbool is van een leven van waarheid,
+dat er onder schuilt en dat we niet zien. Maar ik kan me niet boven het
+symbool stellen en u wel. Daarom is u heel sterk en voelt u heel groot.
+
+--Hoe zonderling! en ik voel juist mijzelven zwak en u groot en krachtig.
+U durft te zijn, die u is, in al uw harmonie en ik verberg me altijd en
+ben bang voor de menschen, persoonlijk, ook al stel ik me soms boven het
+leven, als massa. Maar dat zijn raadsels, die ik toch niet kan oplossen,
+en al mis ik de macht ze op te lossen, ik voel op dit oogenblik niets dan
+geluk. Ik mag dat wel eens hoorbaar zeggen, nietwaar hoorbaar?
+
+Zij glimlachte hem toe, zalig, dat zij hem het geluk gaf.
+
+--Het is de eerste maal, dat ik zoo het geluk voel, ging hij voort.
+Eigenlijk is het de eerste maal, dat ik het voel ...
+
+--Analyzeer het dan niet.
+
+--Ik hoef het niet te analyzeeren: ik zie het in al zijn eenvoud voor
+mij staan. Weet u waarom ik gelukkig ben?
+
+--Analyzeer niet ... herhaalde zij bang.
+
+--Neen, sprak hij, maar mag ik het zeggen zonder analyze?
+
+--Doe dat niet, stamelde zij, want ... want ik weet het ...
+
+Zij smeekte het, zeer bleek, met gevouwen vingers, die trilden. Het kind
+sloeg acht op hen; het had zijn boek gesloten, het kwam naar zijne
+moeder en zette zich op zijn plaatsje, met een blik van prille wijsheid
+in zijne bleekblauwe oogjes.
+
+--Dan gehoorzaam ik! sprak Quaerts met eenige moeite.
+
+En zij zwegen beiden, hunne oogen vergroot als door den glans van een
+vizioen. Om hen heen scheen het zacht te stralen, door de asch der
+schemering heen.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Zij had dien avond lang geschreven in haar dagboek, en ze liep nu de
+kamer op en neer, hare handen gevouwen neerhangende, haar hoofd een
+weinig gebogen, met een blik, die staarde. Er was ernst om haren mond.
+Voor zich zag zij het vizioen; dat wat zij geraden had. Hij had haar
+lief, met alleen zijne ziel, niet lief als eene vrouw die mooi is en
+goed, maar hooger lief dan dat, lief met de fijnste zielezenuwtrillingen
+van zijn mensch,--zijn eigenlijke--lief met de supreme Aandoening der
+essence zijns wezens. Zoo voelde zij, dat hij haar liefhad, met
+contemplatie en aanbidding, en zoo voelde zij het in waarheid door een
+raadvermogen van sympathie dat hun elkanders in-wezen deed raden naar
+waarheid. En dat was zijn geluk--zijn eerste, zooals hij zeide,--haar
+zoo lief te hebben en niet anders. O zij begreep hem! Ze begreep zijne
+illuzie, die hij zag in haar en ze wist nu, dat zoo ze hem in waarheid
+lief wilde hebben, om hem en niet om zich, ze voor hem niets anders
+mocht zijn en blijven dan illuzie, dan eene vrouw, die geen vleesch was,
+die niets verlangde van de aarde, welke hij vond in andere vrouwen, die
+alleen ziel zou wezen, zusterziel der zijne. En zooals ze het vizioen
+zijner liefde voor zich zag, kalm en stralend, zoo zag ze ook voor zich
+den eigen strijd, die haar wachtte: strijd met zichzelve, strijd met
+haar eigen smart: smart, omdat hij zoo hoog van haar dacht en ze madonna
+noemde, terwijl zij laag wilde zijn en slavin. Zij zou moeten schijnen,
+die hij zag in haar, om zijn geluk, en die rol zou haar zwaar vallen,
+want ze had hem lief met o zooveel eenvoud, met geheel haar vrouwewezen,
+dat zich geheel wilde geven, zoo geven als eene vrouw zich slechts aan
+een in haar leven geeft, wat en wie ze ook geven mocht daarvoor, uit
+onwetendheid van zichzelve, en geven moge daarna in bitterheid en leed.
+De uiterlijkheid van dien rol en de innerlijkheid van haar zijn: het
+conflict daartusschen zou haar zwaar vallen, maar ze dacht aan die
+zwaarte met een glimlach en met een geluk, stralende door haar hart,
+want dien zwaren strijd zou ze strijden voor hem, ter wille van hem en
+alleen voor hem. O, de weelde te lijden voor een, dien ze liefhad al ze
+had hem; in zich gefolterd te zullen worden van verlangen, dat hij niet
+tot haar komen zou met de omhelzing zijner armen en den zoen van zijn
+mond, en te voelen, dat ze zoo gefolterd zou worden om zijn geluk, het
+zijne! Te voelen, dat ze genoeg hem liefhad om tot hem te gaan met open
+armen en hem den aalmoes zijner liefkoozingen vragen, maar ook te
+voelen, dat ze hem meer liefhad dan dat en hooger, en--niet uit fierheid
+en kuischheid, die toch nog egoisme zijn--maar alleen uit zelfopoffering
+aan zijn geluk--niet vragen wilde en nooit vragen zou.
+
+Pijn, pijn om hem! Een zwaard door hare ziel voor hem! Martyre te zijn
+voor haar god, die op aarde niet gelukkig kon zijn, dan alleen in hare
+marteling! En ze was door het leven gegaan, jaren lang, zonder tot op
+dezen dag gevoeld te hebben, dat zulke weelde bestaan kan, niet als
+verbeelding in verzen, maar als realiteit in haar hart. Ze was jong
+meisje geweest en ze had hare dichters gelezen en wat zij rijmden over
+liefde en ze had gemeend dat alles te begrijpen, fijn te begrijpen en
+toch: zonder ooit het minste voorgeraden te hebben van het Gevoel zelve.
+En--jonge vrouw was ze geweest, ze was gehuwd geweest, kinderen had ze!
+Door haren geest flitste heur huwelijksleven in een bliksem van
+herinneringen en ze bleef staan voor het portret van haren overleden
+man, dat daar op een ezel stond in een draperie van somber peluche. Het
+was een masker van heerschzucht: een streng fijn gelaat met scherpe
+trekken als gegraveerd in fijn staal; koud-verstandige oogen met een
+strakken portretblik: dunne, baardelooze lippen, beslist op elkaar
+gesloten als een slot. Haar man! En ze woonde nog in het zelfde huis,
+waar ze met hem gewoond had, waar ze hare vele gasten had moeten
+ontvangen, toen hij minister was geweest van Buitenlandsche Zaken. Hare
+recepties en diners schitterden als wereldsche tafereelen in haar geest
+op en ze zag nog duidelijk het oog weer van haren man, die in een korten
+cirkelblik van goed- of afkeuring alles opnam: het arrangement harer
+kamers, hare tafels en haar eigen toilet. Haar huwelijk was niet
+ongelukkig geweest: haar man was wat koud en zonder expansie, geheel
+opgenomen in zijne eerzucht, maar hij hield van haar op zijne wijze,
+en dat zelfs met teederheid: ook zij, ze had van hem gehouden; zij had
+gemeend hem uit liefde te trouwen: hare aanhankelijke vrouwelijkheid
+beminde heerschers. Delicaat van gestel, ondermijnd misschien door de
+te groote energie der gedachte, was hij na eene korte ziekte overleden;
+Cecile herinnerde zich hare treurigheid, hare eenzaamheid met de twee
+kinderen, van wie hij reeds gevreesd had, dat zij ze bederven zou. En
+hare eenzaamheid was haar zoet geweest, met het gewolk van haar
+gedroom ...
+
+Waarom had ze dit portret--eene mooie levensgroote fotografie; een
+koolafdruk, donker van eene Rembrandtsche schaduw--nooit laten
+naschilderen in olieverf, zooals ze eerst had willen doen? Het voornemen
+was uit haar weggebleekt; ze had er in maanden niet meer aan gedacht; nu
+eensklaps dacht zij er aan ... En er was geen zelfverwijt en wroeging in
+haar. Ze zou de schilderij niet laten maken. Het was goed, zoo. Zij
+dacht zonder weemoed aan den doode. Zij had zich niet over hem te
+beklagen gehad, hij had haar nooit iets kunnen verwijten. En nu, ze was
+vrij; zij werd er zich bewust van met eene wijde blijdschap. Vrij, te
+voelen wat ze wilde. Hare vrijheid welfde zich als boven haar uit met
+blauwe uitspansels, waarin hare nieuwe liefde opsteeg in de immaculate
+vlucht van een duif. Vrijheid, lucht, licht! Ze wendde zich met een
+glimlach van verrukking af van het portret; heure armen sloegen zich
+boven haar uit als wilde zij hare vrijheid, de wijdte van hare lucht,
+meten, als wilde zij het licht tegemoet. Lief, ze had lief! Er was
+alleen liefde; er was alleen de harmonie van zielen, de harmonie harer
+ziel van dienares met die van heur, op aarde verbannen, god. O, wat een
+gratie, dat die harmonie bestaan kon, tusschen zoo iets hoogs als hij en
+laags als zij! Maar hij mocht het niet zien, dat ze laag was; madonna
+moest ze blijven, om hem moest zij die blijven, om hem, in de marteling
+van zijn eerbied, en de duizeling van het hooge punt, troon van
+vergoding, waarop hij haar tot zich verhief. Om haar heen voelde zij die
+duizeling draaien als met ringen van glans. En ze viel neer op hare
+bank, hare vingers vouwden zich, hare oogleden knipten; toen bleven hare
+oogen zelve voor zich uit turen, heel ver weg ...
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Jules was een paar dagen niet naar school gegaan, om zware hoofdpijnen,
+die hem heel bleek maakten en hem een trek van groote treurigheid gaven;
+maar hij was nu wat beter, en, zich vervelende op zijn eigen kamertje,
+ging hij naar beneden, naar den leegen salon en zette zich voor de
+piano. Papa zat wel te werken in zijn kantoor, maar het zou papa zeker
+niet hinderen, dat hij speelde. Dolf bedierf hem, in zijn jongen iets
+ziende, dat hemzelven vreemd was en hem daardoor aantrok, zooals hem dit
+misschien vroeger in zijne vrouw ook had aangetrokken; kwaad kon Jules
+in zijn oogen niet doen en als de jongen maar gewild had, zou Dolf geen
+geld gespaard hebben om hem eene zorgvuldige muzikale opvoeding te laten
+geven, maar Jules kantte zich met handen en voeten tegen alles wat naar
+lessen zweemde en beweerde bovendien, dat het niet de moeite waard zou
+zijn. Eerzucht was er niet in hem; het streelde hem niet, dat Dolf
+zooveel in hem zag, zooveel meende te hooren in zijn spel: hij speelde
+alleen voor zichzelven, hij speelde om zich te uiten in de vage taal van
+muziekklank. Op dit oogenblik voelde hij zich alleen, verlaten in het
+groote huis, al wist hij, dat papa twee kamers af zat te werken en dat
+hij zijn toevlucht zou kunnen nemen op papa's groote bank; in zijn borst
+was op dit oogenblik een bijna fyziek gevoel van angst voor die
+eenzaamheid, welke iets als eene wijdte van in-alleen zijn om hem deed
+ronddraaien. Hij was veertien jaar, maar hij gevoelde zich niet als een
+kind, niet als een jongen; iets weeks, behoefte aan bijna vrouwelijke
+aanhankelijkheid, toewijding aan een, die hem alles zou zijn, had hem
+reeds van zijne kleine-kind zijn als in zijne viriliteit getroffen en
+het doorhuiverde hem met die angst voor in-eenzaamheid, alsof hij
+zichzelven niet begreep, alsof hij bang was voor zichzelven. Zoo leed
+hij veel aan vage stemmingen, waarin dat vreemde hem beknelde en op de
+borst klom, waarin hij niet wist waar hij zijn in-wezen zou verschuilen
+en waarin hij spelen ging, om zich te verliezen in de groote klankziel
+van muziek. Zijne dunne, nerveuze vingers tokkelden tastende over de
+toetsen; zelve leed hij van valsche akkoorden, die hij zoekende
+aansloeg; dan liet hij zich gaan, vond een enkel motief, heel kort, van
+klagende mineur-melancholie, en liefkoosde dat motief, liefkoosde het in
+vreugde dat gevonden te hebben, dat te kunnen vinden, liefkoosde het tot
+het als eene monotonie van verdriet ieder oogenblik terugkwam. Hij vond
+het motief zoo mooi, en kon er niet van scheiden; ze zongen zoo goed
+weer wat hij voelde, die vier, vijf tonen en hij speelde ze weer en
+speelde ze weer, tot Suzette binnen vloog en hem zei, dat ze dol werd en
+hem vroeg of hij ophield.
+
+Zoo ook speelde hij nu, en het was erbarmelijk eerst; hij kende
+nauwelijks de noten weer; verscheurende cacofonien kermden op en
+doorsneden hemzelven zijn arm, nauw van hoofdpijn genezen, brein;
+hij kreunde of hij weer pijn had, maar zijne vingers waren als
+gehypnotizeerd, ze konden niet uitscheiden, ze zochten door en de
+klanken zuiverden zich; eene korte fraze klaarde los als met een kreet,
+een kreet, die telkens terugkwam op een zelfden toon, plotseling hoog na
+de doffe laagte, die als gepreludeerd had. En die toon was Jules eene
+verrassing: hij schrikte van ze--ze klonk zoo mooi van verdriet--en hij
+was nu blij ze gevonden te hebben en blij zoo een mooi verdriet te
+hebben. Toen bezat hij zich niet meer, en hij speelde door en het was
+hem of hij niet speelde maar een ander, die in hem was en hem dwong; hij
+vond de volle accoorden zuiver als bij intuitie: door het geween der
+klanken heen liep die zelfde muzikale figuur hooger en hooger op als met
+zilveren voeten van reinheid, tegen luchtig omhooggeblazen regenbogen
+van kristal en bereikte ze het hoogste van den glasboog, dan stiet ze
+haar kreet, maar nu met dronkenschap, uit in majeur, als sloeg ze hare
+wijde armen blijde op naar hemelen van ontastbaar blauw. En het werden
+als menschenzielen, die eerst leven en lijden en uitstooten haar klacht,
+die dan sterven, beginnen te stralen met lichamen van klaarte, wien
+lange vleugelen ontschieten als weerlichten van zilver, hunne
+zieleschouders uit; ze trippelen achter elkaar de regenbogen over als
+over bruggen van glazen blauw en rose en geel getintel, en er komen al
+meer en meer; het zijn volken van zielen en ze reppen en reppen hare
+zilveren voeten, ze dringen zich over den regenboog, ze lachen en zingen
+en duwen elkaar; in hun gedrang stooten hare vleugels elkaar, verstuift
+er zilverdons. Op den top van den boog staan ze nu en zien op groote
+naiveteit van lachende kinderoogen en ze durven niet, ze durven niet,
+maar achter hen dringen de zielen; ontelbare komen ze, meerdere,
+meerdere altijd door; ze duwen op naar den hoogsten top, hunne vleugels
+recht in de lucht, vlak tegen elkaar. En nu, het moet: ze mogen niet
+meer aarzelen: een haalt er diep adem, geeft een schok, spreidt open
+zijn vlucht en slaat zich met een slag uit den dichten drom, de lucht
+in. Hem volgen er dadelijk vele, de een na den ander; ze stijgen in
+blauw in bezwijmeling; het glanst alles om hen rond. Nu, diep onder
+hen, welft zich, dun als een draad, de boog, maar ze zien er niet naar:
+stralen vallen er hun te gemoet; zielen zijn het, die ze omhelzen;
+in omhelzingen nemen zij ze mee. En dan het licht; het licht, dat
+overstraalt; oplossingen in het supreme licht; niets dan het licht, de
+klanken zingen het licht, de klanken zijn het licht, er is niets meer
+dan het Licht, eeuwig ...
+
+--Jules!
+
+Hij zag met een blik, die niet herkende.
+
+--Jules! Jules!
+
+Hij glimlachte nu, als gewekt uit een slaap van droomen; hij stond op,
+ging naar haar toe, Cecile. Zij stond voor de deur; zij was daar blijven
+staan, terwijl hij speelde: het was haar geweest of hij iets van haar
+speelde.
+
+--Wat speelde je daar, Jules? vroeg zij. En hij was nu geheel wakker en
+verlegen, omdat hij dacht, dat hij zeker heel veel geluid had gemaakt
+door het huis, door hun huis ...
+
+--Ik weet niet, tante! zeide hij.
+
+Maar zij omhelsde hem, in een, onstuimig, met dankbaarheid ... Zij was
+hem Het, het Mysterie! verschuldigd, omdat hij eens op haar was boos
+geweest ...
+
+
+ * * * * *
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+
+
+
+I.
+
+
+"O, dat wat niet te zeggen is, omdat woorden zoo weinige zijn, altijd de
+zelfde, combinaties van enkele letters en klanken; o, dat wat niet te
+denken is in de enge grenzen van het verstand; dat wat alleen aan te
+zweemen is met nauwlijks voelhorens van ziel: Essence der essences der
+dingen van onszelve ..."
+
+Maar ze schreef niet verder, zij wist niet meer: schreef ze, dat ze geen
+woorden had en zocht zij ze toch?
+
+Zij verwachtte hem en ze zag nu uit het open venster, of hij kwam. Lang
+bleef zij daar; toen wist ze, dat hij dadelijk komen zou en hij kwam
+ook; ze zag hem naderen langs den Scheveningschen weg; hij duwde het
+ijzeren hek der villa open, glimlachte haar toe en groette met den hoed.
+
+--Wacht! riep ze. Wacht daar ...
+
+Ze ging vlug de trap af, in den tuin, waar hij gebleven was. Hij zag
+haar hem tegemoet komen, vreugdig van geluk, en zoo broos bevallig; haar
+blonde hoofd zoo fijn in het jonge groen van Mei; als van een jong
+meisje haar figuur in het heel licht grijze toilet met wat zwart fluweel
+lint en iets van zilverkant hier en daar.
+
+--Ik ben blij je te zien. Je bent in zoo lang niet bij me geweest! sprak
+ze en gaf hem de hand.
+
+Hij antwoordde nog niet, glimlachend.
+
+--We zullen in den tuin gaan zitten, achter, het weer is zoo mooi.
+
+--Ja, sprak hij.
+
+Zij wandelden den tuin in, langs de arabesken der paden; de jasmijnen
+sterrelden wit langs hen heen. In een andere villa speelde men piano, de
+klanken dwaalden over: het was Rubinsteins romance in es.
+
+--Hoor! zeide Cecile, opschrikkend. Wat is dat?
+
+--Wat? vroeg hij.
+
+--Wat daar gespeeld wordt?
+
+--Rubinstein, geloof ik! sprak hij.
+
+--Rubinstein...? herhaalde zij vaag. Ja ...
+
+En zij smolt weg in de weelde der herinnering van ... wat? Nog eens, zoo,
+langs die zelfde paden had zij gewandeld, langs zulke jasmijnen, nog
+eens, heel lang, zoo lang geleden, gewandeld met hem, hem ... Waarom?
+Keerde dan het zelfde terug, na eeuwen ...
+
+--Je bent in geen drie weken bij me geweest? sprak ze gewoon weg, zich
+terugwinnende.
+
+--Vergeef me, antwoordde hij.
+
+--Wat was er?
+
+Er kwam weifeling in zijn geheele wezen, het scheen als zocht hij iets.
+
+--Ik weet het niet, sprak hij zacht. U moet het me vergeven, niet waar?
+Den eenen dag was er dit, en den anderen dat. En dan ... ik weet het
+niet. Veel redenen bij elkaar. Het is niet goed, dat ik u veel zie. Niet
+goed voor u en niet goed voor mij.
+
+--Laten wij eens eerst over het eerste spreken. Waarom niet voor
+jezelven?
+
+--Laten wij liever over het tweede spreken: dat wat u aangaat. De
+menschen ...
+
+--De menschen?
+
+--De menschen spreken over ons. Ik ben nu eenmaal een mauvais sujet. Ik
+wil niet maken, dat uw naam op een profane wijze genoemd wordt met den
+mijne.
+
+--En gebeurt dat?
+
+--Ja ...
+
+Zij glimlachte.
+
+--Dat kan mij niet schelen.
+
+--Maar dat moet u kunnen schelen; al is het niet voor uzelve, dan
+voor ...
+
+Hij zweeg; zij begreep hem, hij bedoelde hare kinderen, zij haalde hare
+schouders op.
+
+--En waarom nu niet goed voor u?
+
+--Omdat men niet zoo dikwijls gelukkig mag zijn.
+
+--Wat een sofisme! Waarom niet?
+
+--Ik weet niet: dat voel ik zoo. Het verwent te veel. Het is te veel.
+
+--Is u dan hier gelukkig?
+
+Hij glimlachte en maakte eene zachte beweging van ja met zijn hoofd.
+
+Zij zwegen, heel lang. Zij waren gaan zitten achter in den tuin op eene
+bank, die in eene halfrondte van bloeiende rhododendrons stond: de
+bloemen, satijnig paars en zacht getijgerd in den kelk, omringden hen in
+een hooge haag van dichte bouquetten, die opgingen van het pad tot boven
+hunne hoofden; stamrozen wierookten voor hen geur. Stil zaten ze nu,
+gelukkig bij elkaar, gelukkig in de sympathie hunner atmosferen, die
+zich mengden, en toch in dat geluk de onoverkomelijke weemoed, die is in
+alles van het leven, zelfs in geluk.
+
+--Ik weet niet hoe ik het u zeggen kan! sprak hij. Maar stel eens, dat
+ik u iederen dag zag, ieder oogenblik, dat ik aan u dacht ... Dat zou
+niet gaan. Ik zou dan zoo verfijnd, zoo subtiel worden, dat ik van
+louter geluk niet leven kon, want mijn andere mensch zou niets
+ontvangen, zooals een dier, dat honger lijdt. Ik ben slecht, ik ben
+egoist, dat ik zoo spreken kan, maar ik moet u de waarheid zeggen, opdat
+u niet te goed van mij denkt. En zoo zoek ik uw gezelschap alleen als
+iets heel moois, dat ik me een enkele maal vergun te genieten.
+
+Zij zweeg.
+
+--Soms ... dan denk ik, dat ik ook zoo niet goed doe, voor u. Dat ik op
+de eene of andere manier u beleedig en pijn doe. Dan zit ik altijd
+daarover te denken en dan geloof ik, dat het goed zou zijn voor altijd
+afscheid van u te nemen.
+
+Zij zweeg nog; roerloos zat ze, hare handen slap in den schoot, haar
+hoofd lichtjes neigend, een glimlach om haren mond.
+
+--Zeg me iets ... vroeg hij.
+
+--Je beleedigt me niet en pijn doe je me ook niet, sprak zij. Kom bij
+me, wanneer je er behoefte toe voelt. Doe dat alles zoo als je wilt. Zoo
+vind ik het ook goed en daar moet je niet aan twijfelen.
+
+--Ik zou zoo gaarne weten hoe u van me hield ...
+
+--Hoe? Zooals een madonna houdt van een zondaar, die berouw heeft en
+haar zijn ziel geeft, sprak zij schalk. Ik ben immers een madonna?
+
+--Wil u dat gaarne zijn?
+
+--Kent u zoo weinig de vrouwen, dat u niet weet, hoe er in elk van ons
+iets als een verlangen is te troosten, weldadig te zijn en madonna te
+spelen?
+
+--Spreek zoo niet, vroeg hij met iets als pijn.
+
+--Ik spreek in ernst ...
+
+Hij zag haar aan; twijfel rees in hem op, maar ze glimlachte hem toe;
+een kalme glans was om haar; in de bouquetten der rhododendrons zat zij
+daar als in de bloesemteederheid van eene groote mystieke bloem. Zijn
+twijfel werd toen als eene wond, die gebalsemd wordt. Hij gaf zich
+geheel over aan het geluk; het weefde eene atmosfeer om hem heen van
+zachte levens-kalmte, eene atmosfeer, waarin het leven kalm en
+hartstochteloos en rustig glimlachend wordt, als de lucht, die fijn is
+om goden. Het begon te donkeren: een violet geduister viel uit den hemel
+neer als floers, dat viel op floers; stil lichtteden de sterren op. De
+schaduwen in den tuin, tusschen de heesters, waar zij zaten, vloeiden
+samen; de piano in de andere villa was stil geworden. En het Geluk trok
+als een sluier tusschen zijne ziel en de wereld daarbuiten: den tuin met
+zijn aanleg van paden en perken; de villa met gordijnen aan vensters en
+ijzeren hek; den weg daarachter met geknars van rijtuigen en van trams.
+Ver trok zich dat alles terug, het geheele leven der gewoonheid trok
+zich ver van hem terug, het waasde weg achter den sluier, het stierf af.
+En het was hem geen gedroom of verzinsel; de werkelijkheid was hem het
+Geluk, dat gekomen was, terwijl de wereld afstierf; het Geluk, dat ijl
+was, niet te zien en niet aan te raken, gekomen als het was uit de
+Liefde, die alleen is sympathie, in kalmte en zonder hartstocht, de
+Liefde, die louter is en slechts is om zichzelve, zonder bijgedachte van
+iets te nemen, zelfs niet van iets te geven, de liefde der goden, die is
+de ziel der Liefde zelve. Hoog voelde hij zich: de gelijke der illuzie,
+die hij zag in haar, die ze wezen wilde om hem, die hij nu ook zien
+bleef in haar, zonder twijfel. Want hij kon niet weten, dat wat hem zoo
+het Geluk gaf--zijne illuzie,--zoo volkomen en zoo kristalhelder, iets
+van leed zou zijn voor haar; hij kon op dit oogenblik zonder zonde niet
+doordringen in de waarheid der wet, die wil het evenwicht, die wegneemt
+aan de eene wat zij den andere biedt en die het Geluk geeft met het Leed
+samen; hij kon niet weten, dat zoo het Geluk was aan hem, aan haar was
+de smart, de smart, dat ze zich moest voordoen en hem bedriegen om hem;
+de smart, dat zij het aardsche wilde, dat zij het aardsche miste, dat
+zij smachtte naar het aardsche...! En nog minder kon hij weten, dat
+niettegenstaande dit alles, toch deze wellust was in hare smart: te
+lijden door hem, te lijden voor hem, kon hij weten, dat geheel hare
+smart wellust was.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Het werd donker, laat, en zij zaten er nog, toen ze vroeg:
+
+--Willen we wat wandelen?
+
+Hij aarzelde, glimlachend, maar zij vroeg nog eens:
+
+--Waarom niet, als je wilt?
+
+En hij kon niet meer weigeren.
+
+Zij stonden op, zij gingen langs den achterkant van het huis, en Cecile
+vroeg aan de meid, die ze bij de deur der keuken zag zitten naaien:
+
+--Greta, haal even mijn kleinen zwarten hoed, mijn zwarte fichu en een
+paar handschoenen.
+
+De meid stond op en ging het huis in. Cecile merkte hoe een beetje
+verlegenheid zich sterker uitteekende in Quaerts' geweifel terwijl zij
+nu wat dralend wachteden tusschen de bloemenperken. Zij glimlachte,
+plukte eene roos, die ze zich in den ceintuur stak.
+
+--Zijn de jongens naar bed? vroeg hij.
+
+--Ja, antwoordde ze, steeds glimlachend; al lang.
+
+De meid kwam terug; zonder spiegel zette Cecile zich het zwarte tulle
+hoedje op, sloeg de kant om haar hals, maar nu Greta de handschoenen
+aanbood, sprak zij:
+
+--Neen, niet deze; haal een paar grijze ...
+
+De meid ging opnieuw en toen Cecile naar Quaerts zag, werd haar glimlach
+grooter; ze lachte even.
+
+--Wat is er toch? vroeg zij ondeugend, hoewel ze het wel wist.
+
+--Niets, niets! sprak hij vaag en hij moest geduldig wachten, tot Greta
+terug was gekomen.
+
+Toen gingen zij door het achterhek van den tuin de Boschjes in. Zij
+liepen langzaam, zonder woorden, Cecile wat spelende met de lange
+handschoenen, die zij niet aanschoof.
+
+--Heusch ... begon hij, aarzelend.
+
+--Wat dan toch?
+
+--U weet het wel; wat ik u verleden ook zei: het is niet goed ...
+
+--Niet goed?
+
+--Wat we doen. U risqueert te veel.
+
+--Te veel, met u?
+
+--Als iemand ons zag ...
+
+--Nu wat dan?
+
+Hij schudde zijn hoofd.
+
+--U is ondeugend; u weet het heel goed.
+
+Zij knipte met hare oogen; haar mond werd ernstig; ze deed alsof ze zich
+een beetje boos maakte.
+
+--Hoor eens, u mag niet zoo bang zijn, als _ik_ het niet ben. Ik doe
+niets slechts. Onze wandelingen zijn geen geheim. Greta ten minste weet
+er van. En dan: ik ben vrij, ik doe en laat wat ik wil.
+
+--Het is mijn schuld: den eersten keer, dat we 's avonds wandelden, was
+het op mijn verzoek ...
+
+--Doe dan nu boete en ga zonder scrupules zoet met me mee op _mijn_
+verzoek ... schertste zij.
+
+Hij gaf zich over, te gelukkig als hij was om aan conventie, aan dat wat
+op dit oogenblik afgestorven was, te offeren.
+
+Zij gingen verder en zij zwegen. En zooals ze meestal hare gevoelens bij
+schokken van verbazing ontving--zooals zij ze ontvangen had toen Jules
+was boos geworden, en toen ze hare trap was opgegaan na hun gesprek aan
+het diner, over cirkels van sympathie,--bij schokken van verbazing, zoo
+ontving ze ook nu, met een schok, dit gevoel: dat ze toch niet zoo erg
+leed, als ze eerst meende; dat hare smart, die wellust was, geene
+marteling kon zijn, dat ze gelukkig was, dat het Geluk om haar heen kwam
+als de fijne lucht zijner eigene atmosfeer, omdat zij samen waren,
+samen ... O, waarom te wenschen, nog meer, en dingen, die niet zoo louter
+waren? Had hij haar niet lief, en was zijne liefde niet een feit, en zou
+zijne liefde haar dan niet aardsch genoeg zijn, als ze toch feit was?
+Had hij haar niet lief met teederheid, die vreesde voor wat haar
+hinderen mocht in de wereld, zoo ze die wereld vergat en 's avonds met
+hem dwaalde in het donker? Had hij haar lief met teederheid, maar ook
+niet met glans, met den glans van het goddelijke zijner ziel, omdat hij
+haar madonna noemde, dus--zich misschien onbewust in zijn eenvoud--haar
+met dien naam gelijke maakte aan wat goddelijk in hem was. Had hij haar
+niet lief? God, had hij haar dan niet lief? En wat wilde ze meer? Neen,
+o neen, ze wilde niets meer; ze was gelukkig, ze had het Geluk met hem
+samen; hij gaf het haar, zooals zij het hem gaf; het was een sfeer, die
+met hen meetrok, waar zij ook gingen, zoekende hunnen weg, langs de
+weggedonkerde paden der Boschjes, zij nu aan zijn arm, hij haar leidende,
+daar ze niets zag in het donker, dat toch louter licht was van hun Geluk.
+En zoo was het of het niet avond was, maar dag. Middag, middag in den
+nacht, ure van licht in het duister!
+
+
+
+
+III.
+
+
+En het donker was het licht; de nacht daagde van het Licht, dat straalde
+alom. Stil straalde het, het Licht, als eene enkele zonnester, die
+straalt met zachten glans van klaarheid, hel in een hemel van stil wit
+zilver licht; hemel, waar zij liepen over melkwegen van licht en muziek;
+het straalde en het klonk onder hunne voeten en in zeeen van ether
+verhief het zich hoog boven hunne hoofden en straalde daar weer en klonk
+er weer, hoog en zuiver. Zij waren er alleen, in hunnen hemel, in hunne
+hemelwijdte, die was als de Ruimte, eindeloos onder hen en boven hen en
+om hen rond, met eindelooze ruimten van licht en muziek; van licht, dat
+muziek was. Eeuwigheden lang mat zich hun hemel uit, naar alle zijden
+mat zich die uit, met zalige verschieten van witte zonneglansen, in
+glans verschoten en weggeglansde landouwen, als oazen van bloemen en
+planten aan wateren van licht, stil en klaar en geruischloos van vrede.
+Want de vrede was er de lucht, waarin alle verlangen oplost en tot
+kristallen transparantheid wordt en hun leven was er het limpide zijn in
+verlangenloozen vrede; zij wandelden er voort, in goddelijke sympathie
+van samenzijn, nauw aan elkaar, als in een engen ring omgeven, een ring
+van glans, die hen omgaf. Nauwlijks in hen was er herinnering aan de
+wereld, die was afgestorven en afgeschitterd in het stralen van hunnen
+hemel; niets was er in hen dan de extaze van hunne liefde, die hunne
+ziel was geworden, alsof zij geene ziel meer hadden en slechts liefde
+waren; en toen zij om zich heen zagen en zagen in het Licht, zagen zij,
+dat hun hemel, waarin hun Geluk het Licht was, niets was dan hunne
+liefde en zagen zij, dat de landouwen,--de bloemen en planten aan
+wateren van licht,--niets waren dan hunne liefde, en dat de eindelooze
+Ruimte, de eeuwigheden van glans en ruimte, van ruimten vol glans en
+muziek, die zich uitmaten naar alle zijden, onder hen en boven hen en om
+hen rond, niets waren dan hunne liefde, die geworden was tot hemel en
+geluk.
+
+En het Doel, dat Cecile eens had voorgeraden, verscholen in de verte, in
+de uitstraling van eigen goddelijkheid, traden zij nu middenin, in zijn
+zonnekern; midden in het Doel traden zij en rondom hen schoot het zijne
+eindelooze stralen naar alle eeuwigheden heen, alsof hunne Liefde werd
+tot middenpunt des Heelals ...
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Maar zij zaten op eene bank, in het donker, niet wetende, dat het donker
+was, daar hunne oogen vol waren van het Licht. Zij zaten er naast
+elkander, eerst zwijgende, en toen hij zich herinnerde, dat hij eene
+stem had en woorden kon zeggen sprak hij:
+
+--Ik heb nooit zoo een oogenblik doorleefd als dit. Ik vergeet waar we
+zijn en wie we zijn en dat we menschen zijn. We zijn dat geweest, niet
+waar; ik herinner me, dat we dat geweest zijn?
+
+--Ja, we zijn nu geen menschen! sprak zij glimlachend en hare vergroote
+oogen zagen in het donker, dat Licht was.
+
+--Eens, toen waren we menschen, menschen, die leden en verlangden op een
+wereld, waar heel veel moois was maar ook heel veel leelijks.
+
+--Waarom spreek je daar nu van? vroeg ze en hare stem klonk haarzelve
+als komende van heel ver en laag onder haar.
+
+--Ik herinnerde me dat ...
+
+--Ik wilde het vergeten.
+
+--Dan zal ik het ook doen. Maar ik mag u toch wel in menschenwoorden
+danken, dat u mij maakte tot niet meer mensch?
+
+--Deed ik dat?
+
+--Ja; mag ik daarvoor danken, op mijn knieen?
+
+Hij knielde neer en nam eerbiedig hare handen. Hij zag slechts even den
+omtrek harer gestalte, stil, onbewegelijk gezeten op de bank; er was
+iets als het parelgrijze doorschemeren van een sterrenlucht boven hen,
+tusschen de zwarte takken. Zij voelde hare handen in de zijne, en toen
+zijn mond zijn zoen op hare hand. Heel zacht maakte zij zich los, en
+daarna was het met een groote ziel van kuischheid, vol verlangenloos
+geluk, dat zij hare armen heel zacht boog om zijn hals, zijn hoofd tegen
+zich nam en hem kuste op het voorhoofd.
+
+--En ik, ik dank je ook! fluisterde zij verrukt.
+
+Hij bleef stil en zij hield hem zacht vast in hare omarming.
+
+--Ik dank je, sprak ze, dat je me dit geleerd hebt en me geleerd hebt
+zoo gelukkig te zijn als we zijn en niet anders. Zie je, toen ik nog
+leefde, toen ik een mensch was, een vrouw, meende ik al geleefd te
+hebben, voor ik je ontmoette, want ik had een man gehad en ik had
+kinderen van wie ik heel veel hield. Maar ik leerde pas het leven van
+jou, het leven zonder egoisme en zonder verlangen; ik leerde dat van je
+dezen avond, of ... dezen dag, wat is het? O, je hebt me het leven
+gegeven en het geluk, en alles! En ik dank je, ik dank je! Zie je, je
+bent zoo groot en zoo sterk en zoo klaar en je hebt me gedragen naar je
+eigen Geluk, dat ook het mijne moest zijn, maar dat zoo hoog boven me
+was, dat ik het zonder je nooit bereikt zou hebben! Want er was een
+grens voor me, die er niet voor jou was. Zie je, toen ik nog mensch
+was--en zij lachte, terwijl zij hem vaster nam--had ik een zuster en die
+voelde ook, dat ze een grens had tusschen haar en haar geluk, en ze
+voelde, dat ze dien grens niet kon overschrijden en was daar zoo
+ongelukkig om, dat ze vreesde gek te zullen worden. Maar ik, ik weet het
+niet: ik droomde, ik dacht, ik hoopte, ik wachtte, o ik wachtte en toen
+ben je gekomen, en je hebt me dadelijk doen verstaan, dat je geen
+mensch, geen man voor me mocht zijn, maar dat je meer voor me kon zijn:
+mijn engel, o mijn heiland, die me in zijn arm nam en me over den grens
+opdroeg naar zijn eigen hemel, waar hijzelve god was en mij madonna
+maakte. O, ik dank je, ik dank je! Ik weet niet hoe ik je danken kan,
+maar ik kan je alleen zeggen, dat ik van je hou, dat ik je aanbid, dat
+ik mijn ziel neerleg aan je voeten. Blijf zoo en laat me je aanbidden,
+terwijl je zoo knielt. Zoo mag ik je wel aanbidden, niet waar, terwijl
+jezelve knielt? Zie je, ik moet je ook biechten, zooals je mij wel eens
+deed,--ging zij voort, en zij kon nu niet anders dan biechten,--ik ben
+niet altijd eerlijk tegenover je geweest, ik heb me wel eens moeten
+voordoen als een madonna, terwijl ik toen nog gewoon vrouw was, vrouw,
+die eenvoudig-weg van je hield. Maar ik was oneerlijk voor je eigen
+geluk, niet waar? Je wilde mij zoo hebben, je was gelukkig als ik zoo
+was en niet anders. En nu, nu kan je mij het ook vergeven, omdat ik mij
+nu niet meer behoef voor te doen, omdat dat het verleden is, omdat dat
+is afgestorven, omdat ikzelve ben afgestorven van mezelve, omdat ik nu
+geen vrouw en geen mensch meer ben voor mezelve, maar alleen dat wat je
+me hebben wilt: madonna en schepsel van je, een atoom van je eigen
+essence en goddelijkheid. Vergeef je me dus het verleden...? En mag ik
+je danken voor mijn geluk, voor mijn hemel, mijn licht, o mijn God, voor
+mijn geluk, mijn groot, onmetelijk groot geluk?
+
+Hij was opgestaan, hij zette zich naast haar en nam haar zacht in zijn
+armen.
+
+--Is u gelukkig? vroeg hij.
+
+--Ja, sprak zij, haar hoofd op zijn schouder leggende in eene zwijmeling
+van glans. En jij?
+
+--Ja, antwoordde ook hij en hij vroeg verder:
+
+--En verlangt u nu ... niets anders?
+
+--Neen, niets! stamelde zij. Ik wil niets dan dit, niets dan wat ik heb,
+o niets, niets anders!
+
+--Zweer me dat dan ... bij iets heiligs! vroeg hij.
+
+--Ik zweer het je ... bij jezelven! zwoer zij.
+
+Hij drukte haar hoofd weer neer op zijn schouder. Hij glimlachte en zij
+zag niet, dat er weemoed was in zijn lach, want zij was verblind van
+glans.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Zij zwegen lang, zoo zittende. Zij herinnerde zich vele woorden gezegd
+te hebben, ze wist niet meer welke. Om haar heen zag zij, dat het donker
+was, met alleen dat geschemer van parelgrijs boven hunne hoofden, door
+de zwarte takken door. Ze voelde, dat ze met haar hoofd op zijn schouder
+lag; ze hoorde zijn adem. Iets als kilte liep haar langs de schouders,
+niettegenstaande de warmte zijner omhelzing; ze trok de kant dichter om
+haar hals en voelde, dat de bank, waarop zij zaten, wat vochtig van dauw
+was.
+
+--Ik dank je, ik heb je zoo lief, je maakt me zoo gelukkig, herhaalde
+zij.
+
+Hij zweeg, drukte zeer zacht, met enkel teederheid, haar tegen zich aan.
+Heure laatste woorden klonken haar nog in de ooren nadat zij ze gezegd
+had. Toen moest ze zich erkennen, dat ze niet spontaan waren geweest,
+als alles wat zij hem te voren gezegd had, terwijl hij voor haar
+geknield lag, met zijn hoofd aan hare borst. Zij had ze gezegd, om hun
+stilzwijgen te vullen: vroeger had dit stilzwijgen haar nooit gehinderd,
+waarom dan nu?
+
+--Kom! sprak hij zacht en ze hoorde nog niet den weemoed zijner stem, in
+dit enkele woord.
+
+Zij stonden op en liepen verder. Hij dacht er aan, dat het laat was, dat
+ze door dit pad naar huis zouden kunnen gaan: verder dacht hij aan veel
+treurigs, dat hij niet had kunnen zeggen; het was alleen als schemering,
+die om hem heen kwam na de verbinding van het Licht hunner hemelen van
+zoo even. En hij moest voorzichtig zijn: het was hier zeer donker, en
+maar heel bleek zag hij het pad schemeren voor hunne voeten; boomstammen
+schuurden zij rakelings aan.
+
+--Ik zie niets! sprak Cecile lachend. Ziet u den weg?
+
+--Vertrouw maar op me: ik zie heel goed in het donker, antwoordde hij.
+Ik heb de oogen van een lynx ...
+
+Stap voor stap gingen zij voort en zij gevoelde eene zoete vreugde zich
+te laten leiden door hem; zij klemde zich vaster aan zijn arm, zeide
+lachend dat ze bang was en dat ze heel bang zou zijn, als hij haar nu in
+eens losliet.
+
+--En als ik nu in eens wegliep en u liet staan? schertste Quaerts.
+
+Zij lachte, zij smeekte lachend, dat hij het niet doen zou. Toen zweeg
+ze, boos op zichzelve, dat ze gelachen had; een last van weemoed
+bezwaarde haar om haren scherts en gelach. Ze gevoelde iets, als was ze
+dat onwaardig, waarvan zij zoo even in glanzen lichts ontvangen was
+geworden.
+
+En ook in hem was weemoed: de weemoed, dat hij haar leiden moest door
+duisternis, over onzichtbare paden, langs rijen van onzichtbare
+boomstammen, die haar schrammen en kneuzen konden, dat hij haar leiden
+moest door een donker bosch, door eene zee van zwart, door eene
+inkt-duistere sfeer, terwijl zij terugkwamen van den hemel, waar alles
+licht en alles geluk was geweest, zonder weemoed, en duister.
+
+En zoo, in dien weemoed, zwegen zij, tot zij op den grooten weg waren,
+den ouden Scheveningschen weg. Zij naderden de villa.
+
+Er ging een tram voorbij; twee, drie wandelaars liepen daar: het was een
+mooie avond. Hij bracht haar thuis en wachtte, tot, op zijn bel, geopend
+zou worden. De deur bleef lang dicht, hij drukte intusschen vast hare
+hand en onwillekeurig deed hij haar een beetje pijn. Greta was zeker in
+slaap gevallen, meende ze:
+
+--Bel nog eens, wil u?
+
+Hij belde weer en luider; de deur werd nu na een oogenblik geopend. Zij
+bood hem ten tweede male de hand, met een glimlach.
+
+--Adieu, mevrouw! groette hij, terwijl hij nu heure vingers eerbiedig
+aannam en zijn hoed oplichtte, en nu, nu hoorde zij den klank zijner
+stem, den klank van weemoed ...
+
+
+ * * * * *
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+
+
+
+I.
+
+
+Toen wist zij het, den volgenden dag, toen zij alleen zat en nadacht,
+dat de sfeer van het geluk, van het hoogste en lichtste, niet betreden,
+mag worden, dat ze slechts tot ons stralen mag als eene zon en dat wij
+er niet in mogen gaan, in hare heilige zonnekern. Zij hadden dat
+gedaan ...
+
+Lusteloos zat zij; de kinderen waren bij haar, Christie hing en zag
+bleek. O ja, ze verweekte ze, maar wat kon ze aan zich veranderen?
+
+Weken gingen er voorbij en Cecile hoorde niets van Quaerts; dat was
+altijd zoo: nadat ze hem gezien had, gingen er zoo, slepend, weken
+voorbij, dat ze hem niet zag. Hij was immers te gelukkig bij haar, dat
+verwende hem te veel. Hij beschouwde haar als een zeldzaam genot,
+waarvan men maar weinig genoeg heeft ... En zij, ze had hem eenvoudig
+lief, met de innigste essence harer ziel, gewoon lief als eene vrouw een
+man lief heeft ... Zij had hem altijd noodig, iederen dag, ieder uur, bij
+iederen ademtocht van haar leven.
+
+Bij toeval ontmoette zij hem toen, te Scheveningen, waar zij op een
+avond was met Amelie en Suzette. Toen weer eens, bij toeval, op eene
+receptie, van Mevrouw Hoze. Hij had iets verlegens tegenover haar en zij
+gevoelde eenigen trots en vroeg hem niet te komen. Ja, er was iets
+veranderd in wat zich tusschen hen had geweven. Maar zij leed zeer, ook
+om dien dwazen trots, en dat zij hem niet met nederigheid smeekte, dat
+hij komen zou. Hij was immers haar god: wat hij deed was goed.
+
+Zoo zag zij hem niet gedurende weken, weken. Het leven ging voort; zij
+had iederen dag kleine bezigheden, in haar huishouden, voor heure
+kinderen; mevrouw Hoze berispte haar om hare afsterving van de wereld en
+zij dacht voortaan meer aan hare visites, terwille van mevrouw Hoze, die
+dat gevraagd had. In hare herinnering waren stralen; in die stralen zag
+zij het diner, hunne gesprekken en wandelingen, geheel hare liefde,
+geheel zijn opzien tot haar, die hij madonna noemde; hunnen laatsten
+avond van licht en extaze. Dan glimlachte zij en die glimlach zelve
+straalde over hare smart heen; hare smart, dat zij hem niet meer zag, en
+zich trotsch gevoelde en wat bitterheid in zich had. Alles moest immers
+goed zijn, zooals hij het wilde.
+
+O, de avonden, de zomeravonden, die koelden na warme dagen, de avonden,
+die zij alleen zat, turende van uit hare kamer, waar de onyxen lamp met
+halve vlam brandde, turende van uit de open vensterdeuren naar de
+trammen, die, rinkelend met bellen, kwamen en gingen naar Scheveningen,
+vol, vol menschen! Het wachten, het eindeloos lange wachten avonden,
+avonden lang, in eenzaamheid, als de kinderen waren gaan slapen! Het
+wachten, als zij maar stil zat, de oogen strak voor zich uit, kijkende
+naar de trammen, die eindelooze, die vervelende trammen. Waar was haar
+vroegere gelijkmatige zachtheid van droomend geluk? En waar, waar was
+haar zonnestralend geluk? En waar was haar strijd in zichzelve tusschen
+wat zij was en wat hij in haar zag? Ook die strijd was niet meer,
+overwonnen was die strijd; ze voelde niet meer die hevigheid van
+hartstocht; zij verlangde alleen naar hem, zooals hij altijd gekomen
+was, zooals hij nu niet meer kwam. Waarom kwam hij niet? Het geluk
+verwende, de menschen spraken over hen ... Het was niet goed, dat zij
+veel elkaar zagen--hij had dat gezegd op den vooravond van hun hoogste
+geluk--niet goed voor hem en niet goed voor haar.
+
+Zoo zat zij en dacht zij, en stille groote tranen vielen haar uit de
+oogen, want zij wist, dat al kwam hij ook een beetje om zichzelven niet
+bij haar, hij vooral niet kwam om haar. Wat had zij niet gezegd, 's
+avonds op die bank in de Boschjes, met haar armen om zijn hals! O, zij
+had moeten zwijgen, dat voelde ze nu. Zij had hare verrukking niet
+moeten uiten, maar ze stil in zichzelve moeten genieten, als een geheim;
+zij had hem zich moeten laten uiten: zijzelve had madonna moeten
+gebleven zijn. Maar het was haar toen te vol, te gelukkig geweest en,
+in die overmate van geluk, had zij niet anders kunnen zijn dan waar en
+klaar als een heldere spiegel. Hij had in haar geblikt, hij had haar
+geheel gezien: zij wist dat, ze was daar zeker van.
+
+Hij wist nu, hoe zij hem liefhad; zij had hem dat zelve geopenbaard.
+Maar zij had hem immers ook geopenbaard, dat dit alles het verleden was,
+dat zij _nu_ was, die hij wilde! Toen, toen was dat ook waar geweest,
+klaar en waar ... Maar nu? Duurt extaze dan maar een oogenblik en wist
+hij dat? Wist hij, dat hare zielevlucht heur hoogste bereikt had en nu
+weer dalen moest tot gewonere sfeer? Wist hij, dat zij hem nu weer
+liefhad, gewoon weg, met alles, geheel en al, niet zoo wijd meer als de
+hemelen, en nu weer zoo wijd maar als hare armen konden uitslaan en
+omvademen? En kon hij haar die liefde zoo klein niet teruggeven en kwam
+hij daarom niet bij haar?
+
+
+
+
+II.
+
+
+Toen ontving ze zijn brief.
+
+"Vergeef me, zoo ik van dag tot dag uitstelde u te komen zien; vergeef
+me, zoo ik van daag nog niet daartoe besluiten kon en u schrijf. Vergeef
+me zoo ik u zelfs durf te vragen, of het niet zal moeten zijn, dat wij
+elkander niet meer zien. Zoo ik u pijn doe en beleedig, zoo ik--God geve
+van niet--doe lijden, vergeef me, vergeef me! Ik heb misschien uitgesteld
+uit een beetje besluiteloosheid, maar veel meer omdat ik meende niet
+anders te mogen doen.
+
+"Er is tusschen onze beide levens, tusschen onze beide zielen, eene
+ontmoeting van geluk geweest, die eene bizondere zaligheid, eene
+bizondere gunst van den hemel was. Gelooft u dat ook niet? O, als ik
+maar de woorden had u te zeggen hoe dankbaar ik in mijn innigste ziel
+ben voor dat geluk. Als ik ooit later op mijn leven terugzie, dan zal ik
+er altijd tusschen veel leelijks en zwarts dat geluk in blijven zien,
+als een ster van licht. Wij hebben dat zoo gekregen: een geschenk van
+licht. En ik durf u te vragen of u met mij dat geschenk bewaren wil, als
+iets heiligs.
+
+"Zullen wij dat kunnen doen, als ik u blijf bezoeken? O, u zeker, ik
+twijfel niet aan u, u zal sterk zijn en het heilig bewaren, ons heilig
+geluk, vooral omdat u al gestreden heeft, zooals uzelve mij op onzen
+heiligen avond toevertrouwde. Maar, ik, zal ik ook sterk kunnen zijn,
+vooral nu ik weet, dat u gestreden heeft? Aan mij twijfel ik, aan mijn
+eigen kracht; voor mijzelven ben ik bang! Er is iets wreeds in mij, iets
+vernielzuchtigs, iets van een barbaar. Als jongen had ik er plezier
+in mooie dingen en kunstvoorwerpen te vernielen, ze te kerven en te
+bezoedelen. Verleden had Jules mij wat rozen gebracht, op mijn kamer;
+'s avonds, toen ik alleen zat, mijmerend over u en over ons geluk--zelfs
+op dat oogenblik--frommelden mijne vingers aan een roos, die uitbladerde,
+en toen ik die eene roos ontbladerd zag, was het in mij eene wreedheid
+om ze allen te ontbladeren, en ik verfrommelde ze allemaal. Ik noem u
+maar een klein bewijs op, omdat ik u geen groote bewijzen noemen wil,
+uit ijdelheid, opdat u niet wete, hoe slecht ik ben. Ik ben bang voor
+mezelven. Als ik u weer zag, en weer zag, en weer, wat zou ik gaan
+gevoelen en denken en willen, zonder te willen? Wat zou sterker in mij
+zijn, mijn ziel of mijn beest? Vergeef me, dat ik mijn angst u bloot leg
+en minacht mij er niet om. Tot nog toe heb ik _niet_ gestreden in onze
+heilige wereld van geluk. Ik heb u gezien, veel gezien voor ik u kende;
+ik heb u geraden, zooals u was; ik heb u mogen spreken, ik heb u mogen
+liefhebben met mijn ziel alleen: ik smeek u, o laat het zoo blijven.
+Laat me mijn geluk zoo blijven bewaren, heilig, duizendmalen heilig! Ik
+vind het nu waard geleefd te hebben, nu ik dat gekend heb: geluk, het
+hoogste: En voor den strijd, die waarschijnlijk zou komen en dat heilige
+bezoedelen zou, ben ik bang.
+
+"Gelooft u mij, als ik u zweer, veel over dit alles te hebben nagedacht;
+gelooft u mij, als ik u zweer, dat ik lijd bij de gedachte u nooit weer
+terug te zullen mogen zien? En vooral: vergeeft u mij, als ik u zweer,
+dat ik zoo doe, omdat ik denk goed te doen? O, ik ben u dankbaar, en ik
+heb u lief als een ziel van licht alleen, alleen licht!
+
+"Misschien doe ik niet goed u dezen brief te zenden. Ik weet het niet.
+Misschien verscheur ik deze woorden straks ..."
+
+Maar hij had haar den brief gezonden.
+
+Er was veel bitterheid in haar. Zij had eens gestreden, zich overwonnen
+en, in een heilig oogenblik dien strijd en die overwinning gebiecht: zij
+wist, dat zij dit noodlottig had moeten doen; zij wist nu, wat zij door
+die biecht verliezen zou. Een kort oogenblik slechts, een enkelen avond
+misschien, was zij haren god waardig en gelijk geweest. Nu was zij dat
+niet meer; ook daarom was zij bitter. En het bitterst was zij, omdat de
+gedachte in haar dorst oprijzen:
+
+--Een god! Is hij een god? Vreest een god voor strijd?
+
+Toen werd hare driedubbele bitterheid tot wanhoop, de zwarte wanhoop, de
+nacht, waardoor hare oogen zochten te dringen om iets te zien, waarin
+zij niets zagen, niets, en zij kermde zacht, en wrong hare handen,
+ineengezonken voor het venster en turende naar de trammen, die,
+onbarmhartig, met hun gerinkel van bellen, reden, heen en weer.
+
+
+
+
+III.
+
+
+Zij sloot zich op; zij zag hare kinderen niet veel; aan hare kennissen
+zeide zij, dat zij ziek was. Voor bezoeken gaf zij belet. Uit intuitie
+ried zij, dat men in hunne kringen sprak over haar en Quaerts. Het leven
+was dof om haar heen: een dicht ineengeweven net van lastige, vervelende
+mazen en zij bleef als roerloos in heur hoekje om zich niet in die mazen
+te behoeven verwarren. Eens drong Jules tot haar door; hij ging,
+niettegenstaande Greta hem weerhouden wilde, naar boven; hij zocht haar
+in het boudoirtje, vond haar niet en ging beslist naar hare slaapkamer.
+Hij klopte maar kreeg geen antwoord en trad toch binnen. De kamer was
+half duister door de dicht gehouden stores; in de schaduw van den
+baldakijn, die over het ledekant oprees met draperieen van een oud-blauw
+brokaat, lag Cecile te slapen. Haar peignoir was open op de borst, de
+sleep slierde van het bed af, verkreukeld over het tapijt; over het
+kussen lagen heure haren; hare eene hand hield zich krampachtig in de
+tulle ondergordijnen vast.
+
+--Tante! riep Jules, tante!
+
+Hij schudde haar even bij den arm en zij werd loom wakker, met zware,
+blauw omcirkelde oogen. Zij herkende hem niet dadelijk en dacht, dat hij
+kleine Dolf was.
+
+--Ik ben het, tante; Jules ...
+
+Zij herkende, vroeg hem, hoe hij hier kwam, wat er was en of hij niet
+wist, dat zij ziek was.
+
+--Ik wist het, maar ik moest u spreken. Ik kwam u spreken over ... hem ...
+
+--Hem?
+
+--Over Taco. Hij vroeg mij het u te zeggen. Hij kon u niet schrijven,
+zei hij. Hij gaat een groote reis doen, met zijn vriend uit Brussel; hij
+blijft heel lang weg en hij wou ... hij wou afscheid van u nemen.
+
+--Afscheid?
+
+--Ja, en hij vroeg mij het u te vragen, of hij u nog eens zien mocht.
+
+Zij had zich half opgericht en zag den jongen wezenloos aan. In eene
+seconde gingen de herinneringen door haar brein van den langen blik,
+dien Jules vreemd op haar geslagen had, toen zij Quaerts voor het eerst
+gezien had, toen zij, koel, op een laatdunkenden afstand, tot hem
+gesproken had: Heeft u familie in den Haag? Heeft u een betrekking?
+Sport? O!...
+
+De herinneringen van Jules' spelen op de piano van Rubinsteins romance
+in es, van de extaze zijner fantazie: de glanzende regenbogen en de
+engel-wordende zielen.
+
+--Afscheid? herhaalde zij.
+
+Jules knikte.
+
+--Ja tante, hij gaat weg, voor zoo lang.
+
+Hij had zelve kunnen huilen en huilen was ook in zijne stem, maar hij
+wilde niet en alleen werden zijne oogen vochtig.
+
+--Hij vroeg mij, het u te vragen, herhaalde hij moeilijk.
+
+--Of hij afscheid kan nemen?
+
+--Ja, Tante.
+
+Zij antwoordde niet, maar bleef voor zich uit turen. Om haar heen begon
+eene leegte zich uit te meten, met perspectieven van oneindigheid. Het
+was als een schaduwbeeld van hunnen avond van verrukking, maar het
+lichtstraalde niet uit die schaduw.
+
+--Leegte ... sprak zij tusschen hare lippen.
+
+Wat tante?
+
+Zij had hem willen vragen of hij nog als vroeger bang was voor leegte in
+zich, maar eene zachtheid van medelijden, een week gevoel, als eene
+verzoeting van de bitterheid, die zoo vol in haar was, weerhield haar.
+
+--Afscheid? herhaalde zij, met een glimlach van weemoed, en groote
+tranen vielen zwaar, drop, op drop, op hare, in elkaar gewrongen,
+vingers neer.
+
+--Ja, tante ...
+
+Hij kon zich niet meer inhouden: een enkele snik hokte in zijne keel,
+maar hij kuchte even na, om te doen gelooven, dat het geen snik was.
+Cecile sloeg haar arm om zijn hals.
+
+--Je houdt heel veel van ... Taco, niet waar? vroeg ze en het trof haar,
+dat het de allereerste maal was, dat zij dien naam uitsprak, want zij
+had Quaerts nooit zoo genoemd: zij had nooit een naam tegen hem gezegd.
+
+Nu antwoordde hij niet, maar hij voegde zich in haren arm, in hare
+omhelzing en begon te weenen.
+
+--Ja, ik kan u niet zeggen, hoeveel! begon hij.
+
+--Ik weet het! sprak ze en ze dacht aan de regenbogen en de engelen; hij
+had gespeeld als uit hare eigen ziel.
+
+--Mag hij komen? vroeg Jules trouw gedachtig aan wat hem was opgedragen.
+
+--Ja.
+
+--Hij vraagt, of hij van avond komen mag?
+
+--Goed.
+
+--Tante, gaat hij weg om ... om ...
+
+--Om wat, Jules?
+
+--Om u; omdat u niet van hem houdt en niet met hem trouwen wil? Mama
+zegt dat ...
+
+Zij antwoordde niet; zij snikte, haar hoofd op Jules' hoofd.
+
+--Is het zoo, tante? Neen, nietwaar...?
+
+--Neen.
+
+--Maar waarom dan?
+
+Zij richtte zich in eens op, zich winnende en zag hem vast aan.
+
+--Hij gaat weg, omdat hij weg moet, Jules. Ik, kan je niet zeggen,
+waarom. Maar wat hij doet, is goed. Alles wat hij doet, is goed.
+
+De jongen zag haar roerloos aan, met groote natte oogen, vol
+verwondering.
+
+--Is goed? herhaalde hij.
+
+--Ja. Hij is beter dan een van ons allen. Als je van hem houden blijft,
+Jules, zal je dat geluk aanbrengen, zelfs al ... al zie je hem niet meer.
+
+--Gelooft u? glimlachte hij. Brengt hij geluk aan? Zelfs dan ...
+
+--Zelfs dan ...
+
+Zij hoorde zich aan, terwijl zij zoo sprak; het was haar of een ander
+sprak; een ander, die niet alleen Jules troostte, maar ook haarzelve en
+die haar misschien kracht zou geven afscheid van Taco te nemen zooals
+het goed zou zijn: zonder wanhoop.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+--U gaat dus een lange reis maken? vroeg ze.
+
+Hij zat over haar, roerloos, met eene smart over zijn gelaat. Zij was
+uiterlijk zeer kalm, alleen was er een weemoed in haren blik en hare
+stem; in haar wit toilet, met de echarpe, die haar voor de voeten viel,
+lag zij achterover in de drie kussentjes der roze moire chaise-longue;
+de punten van hare schoentjes verloren zich in de witte schapen vacht.
+Voor haar op het tafeltje lag een groote bouquet losse rozen, roze,
+witte en gele, met een breed lint samengestrikt. Hij had ze haar
+meegebracht en zij had ze nog niet in eene vaas gezet. Er was veel
+kalmte om hen heen; de exquize atmosfeer van het boudoirtje scheen de
+zelfde.
+
+--Zeg me, doe ik u niet erg verdriet? vroeg hij, met die smart in zijne
+oogen, zijne oogen, die zij nu zoo goed kende.
+
+Zij glimlachte.
+
+--Neen ... sprak ze. Ik zal eerlijk zijn met u. Ik heb verdriet gehad, ik
+heb het nu niet meer. Ik heb me voor de tweede maal bestreden en ik heb
+mezelve overwonnen. Zal u dat gelooven?
+
+--Als u wist hoeveel wroeging ik voel ...
+
+Zij stond op en trad op hem toe.
+
+--Waarom? sprak ze, met eene stem van klaarte. Omdat u mij geraden
+heeft, en me geluk heeft gegeven?
+
+--Heb ik dat dan?
+
+--Is u dat dan vergeten?
+
+--Neen, maar ik dacht ...
+
+--Wat?
+
+--Ik weet het niet; ik dacht, dat u zoo lijden zou, ik ... ik vervloekte
+mezelven...!
+
+Zij schudde zachtjes het hoofd, met eene glimlachende afkeuring.
+
+--Foei! sprak ze. U profaneert ...
+
+--Vergeeft u me?
+
+--Ik heb u niets te vergeven. Hoor eens. Zweer me, dat u me gelooft, dat
+u gelooft, dat u mij geluk heeft gegeven en dat ik niet lijd.
+
+--Ik ... ik zweer het u.
+
+--Ik vertrouw, dat u niet alleen zweert om aan mijn verlangen te
+voldoen.
+
+--U is het hoogste in mijn leven geweest, sprak hij zacht.
+
+Eene verrukking schoot door hare ziel.
+
+--Zeg me alleen ... begon ze.
+
+--Wat?
+
+--Zeg me, of u gelooft, dat ik, ik, _ik_ ... altijd het hoogste in uw
+leven blijven zal.
+
+Zij stond voor hem, lang, in haar slepend wit. Zij scheen te stralen;
+zij was zoo mooi als hij haar nog nooit gezien had.
+
+--Ik weet dat zeker! sprak hij. Zeker, o zeker ... God, hoe kan ik u
+daarvan zekerheid geven?!
+
+--Maar ik geloof u al! riep zij uit.
+
+Zij lachte met een lach van verrukking. In hare ziel scheen eene zon
+naar alle zijden stralen uit te schieten. De oneindigheid harer
+ziele-leegte vulde zich met licht. Zij wond haren arm zacht om zijnen
+hals en kuste hem op het voorhoofd met eene liefkoozing van kuischheid.
+
+Een oogenblik scheen hij alles te vergeten. Hij stond ook op, nam haar
+in zijn armen, bijna woest, en klemde haar in eens tegen zich aan, als
+wilde hij haar verpletteren aan zijne borst. Zij zag even nog zijne
+treurige oogen; toen zag zij niet meer, verblind door de zoenen van zijn
+mond, die geheel haar gelaat schroeiden als vonken vuur. In de
+zonne-verrukking van hare ziel mengde zich eene zaligheid van de aarde,
+een toegeven aan het geweld zijner omhelzing. Maar het bliksemde door
+haar heen, wat zij verliezen zou, zoo zij toegaf. Zij dwong zich los,
+weerde hem af en sprak:
+
+--En nu ... ga.
+
+Het duizelde hem, hij begreep, dat het moest.
+
+--Ja, ja, ik ga, sprak hij. Ik mag u schrijven, niet waar?
+
+Zij knikte van ja, met haren glimlach.
+
+--Schrijf me, ik zal u ook schrijven, zeide zij. Laat mij altijd van u
+weten ...
+
+--Dit zijn dus niet de laatste woorden, die er tusschen ons zijn? Dit ...
+dit alles ... was niet het laatste?
+
+--Neen ...
+
+--Ik dank u. Adieu, mevrouw, adieu ... Cecile. O, als u wist, wat dit
+oogenblik mij kost!
+
+--Het moet. Het mag niet anders. Ga, ga. U doet goed te gaan. Toe, ga ...
+
+Zij reikte hem nog de hand, voor het laatst. Eene seconde daarna was hij
+verdwenen.
+
+Zij zag vreemd om zich rond, met verwilderde oogen, met ineengedrongen
+handen. Ga, ga ... herhaalde zij, als ijlend. Toen merkte zij de rozen
+op. Met iets als een zachten schreeuw zonk zij neer voor het tafeltje en
+begroef haar gezicht in zijn geschenk, tot de dorens haar schramden. Die
+pijn--twee druppels bloed, die van haar voorhoofd vielen--ze bracht haar
+tot bezinning. Voor den kleinen Venetiaanschen spiegel, boven hare
+schrijftafel, wischte zij zich met den zakdoek de roode vlekjes af.
+
+--Het geluk! stamelde zij in zichzelve. Zijn geluk! Het hoogste van zijn
+leven! Hij heeft dus geluk gekend, al was het ook maar kort. Maar nu ...
+nu lijdt hij. Nu zal hij weer veel lijden, weer als vroeger. De
+herinnering aan ons geluk zal niet alles kunnen doen. O, kon het dat
+maar, dan was alles goed, alles ... Ik wil niets meer, ik heb mijn leven
+gehad, mijn kinderen; ik ben nu alles voor hen. Voor hem mocht ik niet
+meer zijn ...
+
+Zij wendde zich van den spiegel af en zonk neer op de bank, als was zij
+vermoeid van heel veel ruimte, die zij doordwaald had, en zij sloot de
+oogen, als was zij verblind van heel veel licht. Hare handen vouwden
+zich als om te bidden; heur gelaat straalde, in zijn moeheid, van
+glimlach op glimlach.
+
+--Het geluk! herhaalde zij, stamelend in dat geglimlach. Het hoogste van
+zijn leven! O God, het geluk! Ik dank u, God, ik dank u ...
+
+
+
+_Den Haag-Wiesbaden-Hilversum_,
+
+Jan.'91-Oct.'91.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Extaze, by Louis Couperus
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EXTAZE ***
+
+***** This file should be named 12003.txt or 12003.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/0/0/12003/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/12003.zip b/old/12003.zip
new file mode 100644
index 0000000..d322ec9
--- /dev/null
+++ b/old/12003.zip
Binary files differ