diff options
Diffstat (limited to 'old/12003.txt')
| -rw-r--r-- | old/12003.txt | 4703 |
1 files changed, 4703 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/12003.txt b/old/12003.txt new file mode 100644 index 0000000..bdd353a --- /dev/null +++ b/old/12003.txt @@ -0,0 +1,4703 @@ +The Project Gutenberg EBook of Extaze, by Louis Couperus + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Extaze + Een Boek van Geluk + +Author: Louis Couperus + +Release Date: April 12, 2004 [EBook #12003] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EXTAZE *** + + + + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe + + + + + +EXTAZE + +EEN BOEK VAN GELUK + + +Door + + +LOUIS COUPERUS + + + + +_Aan het Geluk en het Leed te Zamen_. + +HILVERSUM, L. C. + Jan.'92 + + + + +HOOFDSTUK I. + + +I. + + +Dolf van Attema was op zijne wandeling na den eten aangegaan bij de +zuster zijner vrouw, Cecile van Even, op den Scheveningschen weg, en +hij wachtte in den kleinen voor-salon, wandelend tusschen de rozenhouten +meubeltjes en de vieux roze moire cauzeuses met de drie, vier groote +passen, waarmee hij de nauwte van het vertrekje telkens en telkens +scheen over te meten. Achter de chaise-longue brandde op een onyxen +zuil eene lamp van onyx, onder hare kanten kap zacht gloeiend als eene +groote, zeshoekige lichtbloem. + +Mevrouw was nog bij de jongens, die juist naar bed gingen, had de meid +tot Van Attema gezegd en het speet hem zijn petekind, den kleinen Dolf, +dien avond niet meer te zullen zien; hij had reeds even naar boven +willen loopen om met Dolf in zijn bedje te stoeien, maar ook had hij +zich aanstonds Cecile's verzoek herinnerd, dit toch nooit meer te doen; +de jongen bleef uren wakker liggen na zoo een gedartel met oom. En +hij wachtte dus nu, met een glimlach om die gehoorzaamheid, zijne +schoonzuster af, steeds metende den kleinen salon met zijn pas van +een stevig, kort man, ineengedrongen en breed, niet jong meer en wat +ivoorachtig kalend onder zijn kort, donkerblond haar, zijne oogen +klein-vriendelijk en prettig blauw-grijs, zijn mond beslist flink,--al +glimlachte hij ook--in het rossige gekroes van zijn korten Germaan-baard. + +Een houtblok brandde met een paar kronkeltongen in het baardje van +nickel en verguld, als een vuurtje van stille intimiteit, als eene +vlam van discretie, in die schemeratmosfeer van, met kant gedekt, +lampeschijnsel en intimiteit, discretie verspreidden ook door geheel +het nauwe vertrekje iets als een aroom van viooltjes, eene nuance van +viooltjes-geur, die school in de zachtheid der tinten van behang en +meubelen,--fletsch roze moire en rozehout,--die hing in het hoekje der +kleine rozehouten schrijftafel, met hare enkele zilveren zaakjes om te +schrijven en hare portretten in gladde, glazen Mora-lijstjes; een +kleine, witte, Venetiaansche spiegel daar boven. En die zachte lucht van +bescheiden exquiziteit, vol gedemptheid, teederheid, kuischheid bijna, +die dreef tusschen het haardje, de schrijftafel en de chaise-longue, die +gleed tusschen de stille plooien der geeffaceerde behangsels, hield iets +in, dat rust gaf aan zenuwachtigheid, zoodat Dolf, in eens, zijn stap +van meten staakte, zitten ging, om zich heen zag en, eindelijk, stil, +turen bleef op het portret van Cecile's man, den minister Van Even, die +anderhalf jaar geleden gestorven was. + +Toen duurde het wachten hem niet meer lang, tot Cecile binnenkwam. Zij +trad glimlachend naar hem toe, waar hij oprees, drukkend zijne hand, +zich verontschuldigend, dat de kinderen haar hadden opgehouden. Zij +bracht ze altijd zelve naar bed, hare twee jongens, Dolf en Christie, +en ze zeiden dan naast elkaar, in hunne ledikanten naast elkander, hunne +gebedjes op. Dolf herinnerde zich nu, dat zij over de kinderen sprak, +dit dikwijls gezien te hebben. + +--Christie was niet wel, hij was zoo hangerig; als het maar geen mazelen +worden, sprak zij. + +Er was eene moederlijkheid in hare stem, maar zelve was zij niet als +eene moeder, jonkvrouwelijk tenger als zij daar nu zat, op de +chaise-longue, den zachten gloed der kanten lichtbloem op stengel van +onyx achter zich, zijzelve zwart in het krip van haren rouw, haar +dof-blond hoofd hier en daar heel eventjes aangegoud door het licht +van achteren. In dat krip--een los sleeptoilet van krip, voor in huis +--vertengerde zich hare gestalte als tot die van een maagd; zoo +teeder verbogen zich de lijnen van heur ietwat langen hals en dunne +schouders--de armen met iets looms in beweging neervallend, de handen +in den schoot--verbogen zich ook de lijnen der meisjesachtige jeugd van +buste en fijnen leest, fijn als eene vaas van tengerheid, en alle, die +lijnen, boetseerden haar bijna in een, nog wachtenden, bloei van +maagdelijkheid, of zij geene jonge vrouw ware, of zij niet hare kinderen +had, hare twee jongens, van zes en zeven. + +Haar gelaat was weggedoezeld in de schaduw--het lamplicht guldende om +heur haar--en Dolf zag haar eerst niet in de oogen, maar toen, zich +wennende aan die schaduw, bespeurde hij haren blik, zacht schitterend in +het donker van heur gelaat. Zij sprak met hare stem van zachten klank, +een beetje dof en gedempt, als een overwaasd fluisteren; zij sprak hem +nog eens over Christie, over zijn petekind, Dolf, vroeg toen naar hare +zuster, Amelie. + +--We maken het goed, dank je; je mag wel eens naar ons vragen, we zien +je bijna nooit, antwoordde hij. + +--Ik ga zoo weinig uit, verontschuldigde zij zich. + +--Dat is juist verkeerd: je komt veel te weinig in de lucht en veel te +weinig onder de menschen. Amelie zei dat van middag ook aan tafel, en +daarom ben ik eens aangeloopen om te vragen of je morgenavond bij ons +komt. + +--Een soiree? + +--Niemand. + +--Goed; ik zal komen met heel veel plezier zelfs. + +--Ja maar, waarom doe je dat nooit uit jezelve? + +--Ik kom er niet toe. + +--Wat voer je dan 's avonds uit? + +--Ik lees, ik schrijf, of ik doe niets. En dat laatste is nog het +heerlijkste: ik leef pas als ik _niets_ doe. + +Hij schudde zijn hoofd. + +--Je bent een rare meid. Je verdient eigenlijk niet, dat we zooveel van +je houden. + +--He ja! vroeg zij coquet. + +--Kom, het kan je niets schelen. Je zou even goed buiten ons kunnen. + +--Dat moet je niet zeggen, dat is niet zoo. Ik heb heel veel behoefte +aan je sympathie, maar ik verplaats me moeilijk. Als ik eenmaal zit, dan +zit ik en dan denk ik of ik denk niet, maar tot opstaan kom ik dan niet +gauw ... + +--Dat is een schandelijke luie levensopvatting! + +--Het is de mijne! Je houdt immers van me: vergeef je me die luiheid dan +ook niet? Vooral als ik beloof morgen te zullen komen? + +Hij was ingepalmd. + +--Nu goed! sprak hij lachend. Je bent natuurlijk vrij te leven, zooals +je wilt. We houden toch van je, al verwaarloos je ons. + +Zij lachte, zei, dat hij leelijke woorden gebruikte en langzaam stond +zij op, om hem aan hare kleine theetafel zijn kopje in te schenken. Hij +voelde iets als eene streelende zachtheid over zich heen komen, als zou +hij daar gaarne lang gezeten hebben, pratend en thee-drinkend, in die +viooltjes-atmosfeer van bescheiden exquiziteit: hij, de man van de daad, +de staatsman, lid van de Tweede Kamer, wiens dag uur aan uur bezet was, +met commissies hier en commissies daar. + +--Je zei, dat je las en schreef; wat schrijf je? vroeg hij. + +--Brieven. + +--Altijd brieven? + +--Ik hou heel veel van correspondeeren. Met mijn broer en mijn zuster in +Indie. + +--Maar toch niet altijd. + +--O neen. + +--Wat schrijf je dan nog meer? + +--Je wordt indiscreet, hoor! lachte zij. + +--Nu kom, ik! lachte hij terug, als mocht hij wel. Toch geen belletrie? + +--Wel neen. Mijn dagboek. + +Hij lachte luid, vroolijk op. + +--Jij een dagboek! Wat zal jij met een dagboek doen! De eene dag zal je +wel precies gelijk aan den andere zijn. + +--Maar wel neen! + +Hij haalde zijne schouders op, den kluts kwijt. Zij was hem altijd een +raadsel. Zij zag dat en had er schik in hem te laten zoeken. + +--Ik heb soms heele mooie dagen, en soms heele leelijke dagen. + +--Zoo! sprak hij, haar lang aanziende, glimlachend, met de +vriendelijkheid zijner kleine oogen. Begrijpen deed hij nog niet. + +--En daardoor heb ik soms heel veel te schrijven, in mijn dagboek, ging +zij voort. + +--Mag ik er eens wat uit lezen? + +--Jawel ... na mijn dood. + +Hij deed of hij rilde, met zijn breede schouders. + +--Brr ... wat wordt je somber! + +--Dood? Waarom is dat somber? vroeg zij, bijna vroolijk. + +Maar hij stond op. + +--Je maakt me bang, schertste hij. Ik stap op, hoor; ik heb nog veel te +werken. Dus tot morgen? + +--Heel graag: tot morgen. + +Hij gaf haar een hand, en zij sloeg op een kleinen zilveren gong, om hem +uit te laten. Even bleef hij haar nog aanzien, met een glimlach in zijn +baard. + +--Je bent een rare meid, en toch ... toch houen we van je! herhaalde hij, +alsof hij zich, voor zichzelven, wilde verontschuldigen om die +sympathie. En hij boog zich neer, gaf haar een zoen op het voorhoofd: +hij was zooveel ouder dan zij. + +--Ik ben heel blij, dat jullie van me houden! sprak zij. Tot morgen dus, +adieu. + +Hij ging, zij bleef alleen. Als atomen, die vervlogen, schenen hunne +woorden nog hier en daar te drijven in de stilte. Toen werd die stilte +volkomen en Cecile bleef roerloos zitten, leunende in de drie kussentjes +der chaise-longue, zwart in haar krip, als eene schaduw tegen het licht +der lamp, de oogen voor zich uit turend. Om haar heen zonk een vage +droomerij neer, als met lichte wolkjes, waarin gezichten even +opgluurden, waaruit gezegden zacht afklonken, zonder logischen gang, in +een doelloos warrelen van herinnering. Het was de droomerij van eene, +wie geene obsessie van wat ook op de hersens licht, obsessie noch van +geluk, noch van smart, droomerij van een geest vol stille lichtheid, als +vol van een wijd, stil grijs Nirwana, waarin alle moeite des denkens +vervloeit en de gedachte slechts wat terug-dwaalt over indrukken van +vroeger, ze plukkende hier en daar, zonder keuze. Want de toekomst voor +Cecile scheen haar eene eentonige zachtheid van onberoerde kalmte toe, +waarin de figuurtjes van Dolf en Christie opgroeiden tot aardige +jongens, tot jonge studenten, tot mannen en waarin Cecile zelve niets +dan moeder bleef, omdat zij zich niet geheel kende in het onbewuste van +haar gemoedsleven en niet wist, dat zij meer vrouw was dan moeder, hoe +lief ze ook hare kinderen had. Voelde zij, verzonken in de wolkjes van +haar gedroom, dat zij iets miste om hare verweduwing; voelde zij +eenzaamheid om zich heen, voelde zij, dat er niemand naast haar zat, en +dat de ijle lucht zonder weerstand van vast lichaam om haar heen dreef +als iets, waarin zij te vergeefs hare armen tot omhelzing zou slaan? +Neen, zij voelde dat niet, hoewel dit gevoel toch in haar lag, maar het +lag zoo diep, zoo in het onbewuste van hare ziel, dat het niet tot haar +kwam, mocht het misschien later ook langzamerhand kunnen op- en oprijzen +als eene schim van duidelijker weemoed. Want wat er ook van weemoed was +in haar gedroom, scheen haar toe: de weemoed om het verleden, om haar +lieven man, dien zij verloren had en niet, o nooit! de weemoed om het +heden, om hare eenzaamheid. + +Wie haar nu gezegd had, dat zij iets miste, zou haar verontwaardigd +hebben; zelve meende zij, dat niets haar ontbrak, en zij waardeerde het +kalme geluk, waarin zij, als in een schadeloos egoisme, ademde met hare +kinderen, als een geluk, dat compleet was. Wanneer zij droomde, zooals +nu, over niets--wolkjes van gedroom, die vervlogen, nagewolkt door +nieuwe wolkjes--dan begonnen er wel eens groote tranen te wellen in hare +oogen, tranen, die langzaam afvloeiden van hare wang, maar ze waren haar +niets dan tranen van een onzegbaar vagen weemoed: een zachte zwaarte op +heur hart, die nauwlijks drukte en daar was om zij wist niet wat, zelfs +niet om haren man om wien zij niet meer weende. + +Zoo kon zij avonden doorbrengen, alleen maar zittende en droomende, +zonder zich te vervelen, en bedenkend, hoe de menschen daarbuiten +draafden en zich vermoeiden in vele nutteloosheid, zonder gelukkig te +zijn, terwijl zij het was; gelukkig in het gewolk van haar gedroom. De +uren gingen voorbij en hare hand was te loom om het boek op het tafeltje +naast haar te grijpen: eene loomheid, die haar zoo ten laatste geheel en +al doorvloeide, dat het een uur werd en zij nog niet kon besluiten op te +staan en te gaan slapen. + + + + +II. + + +Toen Cecile den volgenden avond in den salon bij de Van Attema's +binnenkwam, langzaam, met haar slependen tred, in het soupele zwart van +haar krip, kwam Dolf aanstonds op haar toe en hij drukte haar de hand: + +--Ik hoop, dat je het niet vervelend zal vinden ... Quaerts kwam hier een +visite maken en Dina had gezegd, dat wij thuis waren. Het spijt me ... + +--Het is niets! fluisterde zij terug, toch even gekrenkt in haar +sensitivisme, door de onverwachte ontmoeting met dien vreemde, dien zij +zich niet herinnerde ooit bij Dolf gezien te hebben, en dien zij nu zag +opstaan waar hij zat met de oude mevrouw Hoze, Dolfs oud-tante met +Amelie en haar beide meisjes, Anna en Suzette. Cecile kuste de oude +dame, en zij groette verder rond, met een glimlach door hen allen +verwelkomd, omdat ze zoo veel van haar hielden. Dolf prezenteerde: + +--Mijn vriend Taco Quarts ... Mevrouw Van Even, mijn zuster. + +Zij zaten een beetje verspreid om het groote vuur in den open haard, de +piano dicht bij hen in een hoek, den rug gedrapeerd naar hen toe en +Jules zat er achter, de jongste, zoo verloren in zijn spel, terwijl hij +Rubinsteins romance in es speelde, dat hij niet had gehoord, hoe zijne +tante was binnen gekomen. + +--Jules ... riep Dolf. + +--Laat hem maar! zei Cecile. + +De jongen antwoordde niet en speelde door en Cecile zag, over de piano, +zijn verwarde haren en zijn oogen, vol weg-zijn in muziek. Eene weekheid +van melancholie rees zachtjes in haar op, als een last, als een last, +die op haar borst klom en drukte op haren adem. Van Jules' vingers +vielen soms plotseling forto-toonen af, die plotseling, haar kleine +schokjes gaven in hare keel en zij gevoelde eene stemming van +raadselachtigheid om haar heen weven als met vage mazen; eene stemming, +die zij wel eens meer gevoelde; stemming, waarin zij zich als het ware +niet bezat, als hadde zij zich verloren, als zocht zij zichzelve, als +wist zij niet wat zij nu dacht, wat zij op het oogenblik zelve zeggen +zou ... Er smolt iets in hare hersenen, als eene momenteele verweeking. +Haar hoofd zonk wat naar omlaag en, zonder goed te hooren, scheen het +haar als had zij die romance, zoo, precies zoo gespeeld, als Jules ze +speelde, nog eens gehoord, heel lang geleden, in haar zielebestaan van +vroeger, van eeuwen her, zoo, precies zoo in dien kring van menschen, +daar voor dat vuur ... De tongen van het vuur rekten zich met dezelfde +kronkelingen uit als dat vuur van eeuwen her en Suzette knipte eens met +hare oogen, even als zij het toen gedaan had, vroeger ... + +Waarom zat zij daar nu weer, te midden van hen allen? Wat was dat +noodig, zoo te zitten om een vuur en te hooren naar muziek? Wat was dat +vreemd en wat waren er vreemde dingen in de wereld ... En toch was het +aangenaam zoo te zijn met elkaar, liefjes gezellig, stil, zonder veel +woorden, de muziek achter den rug der piano wegklagende tot ze eensklaps +zweeg. En de stem van Mevrouw Hoze had een klank van sympathie, toen ze +vroeg, aan Cecile's oor: + +--We krijgen je dus weer terug, kind? Je komt dus weer uit je schulp te +voorschijn? + +Cecile drukte haar de hand, met een lachje: + +--Ik heb me toch nooit voor u verborgen. Ik ontving altijd. + +--Ja, wij moesten maar naar jou komen, maar jij bleef thuis, niet waar? + +--U is toch niet boos op me, daarom? + +--Wel neen, lieveling, je hebt zoo een verdriet gehad. + +--O, nu nog, ik mis alles. + +Waarom miste zij in eens alles? Zij had nooit dat gevoel van gemis in +haar eigen huis, in de wolkjes van haar gedroom, maar buiten, in de +wereld, onder anderen, miste zij dadelijk alles, alles ... + +--Je hebt toch je kinderen. + +--Ja ... + +Zij zeide het mat, moe, alleen, doodeenzaam, als zweefde zij in eene +wijdte moe voort, zonder steun gedragen door liohaamlooze luchten, +waardoor zij hare armen heen sloeg, zonder te grijpen. + +Mevrouw Hoze stond op: Dolf kwam ze halen om te whisten, in de andere +kamer. + +--Jij ook, Cecile? vroeg hij. + +--Neen, je weet: kaarten en ik! + +Hij drong niet verder aan; hij had nog Quaerts en de meisjes om te +spelen. + +--Wat doe je daar, Jules? vroeg hij, met een blik over de piano. + +De jongen was daar achter blijven zitten, als vergeten. Hij stond nu op, +hij kwam te voorschijn, lang, uit zijn kracht gegroeid, met vreemde +oogen. + +--Wat dee je daar? + +--Zit toch niet zoo te suffen, jongen! mopperde Dolf vriendelijk met +zijn diepe stem. Waar zijn de kaarten nu weer, Amelie? + +--Ik weet het niet! zeide zijne vrouw, zoekend met den blik in het vage. +Waar zijn de kaarten, Anna? + +--In de fichesdoos, niet? + +--Neen, mopperde Dolf. De dingen zijn nooit op hun plaats. + +Anna stond op, zocht, vond de kaarten in de la van een boule kastje. +Amelie was ook opgestaan; ze schikte de muziek op de piano recht, altijd +ordenend de zaken in hare kamers en dadelijk weer vergetend, waar zij ze +borg, opruimende alleen met hare vingers, en zijzelve altijd weg, in het +vage ... + +--Anna, trek ook eens een kaart, als rentrant! riep Dolf uit de andere +kamer. + +De beide zusters bleven alleen, met Jules. + +De jongen was op een voetenbank gaan zitten, bij Cecile: + +--Mama, laat mijn muziek toch liggen. + +Amelie zette zich bij Cecile. + +--Is Christie beter? + +--Hij is vandaag wat opgewekter. + +--Gelukkig maar ... Kende je Quaerts niet? + +--Neen. + +--Niet? He! Hij komt dikwijls hier. + +Cecile zag door de open schuifdeuren naar de speeltafel. Twee bougies +brandden er. Het roze gelaat van Mevrouw Hoze was hel verlicht, glad en +deftig; heur kapsel glom zilvergrijs. Quaerts zat over haar: Cecile zag +de ronde, weggeschaduwde silhouet van zijn kop, het haar zeer kort +geknipt, dik zwart, boven de witte glanslijn van zijn boordje. Zijn +armen hadden korte bewegingen als hij uitspeelde of opnam. Zijn figuur +had iets zeer krachtigs, iets energiek flinks, iets van het gewone +leven, dat Cecile antipathiek was. + +--De meisjes houden van spelen? + +--Suzette vooral, Anna minder: ze kan het niet goed. + +Cecile zag, dat Anna achter haar vader zat te turen met oogen, die niet +begrepen. + +--Je gaat veel met ze uit, tegenwoordig? vroeg Cecile weer. + +--Ja, het moet wel. Suzette houdt er van, maar Anna niet. Suzette wordt +mooi, he? + +--Suzette is een coquet nest! zei Jules. Verleden met dat diner hier ... + +Hij hield in eens op. + +--Neen, ik zal het maar niet vertellen. Het is niet goed kwaad te +spreken, niet waar, tante? + +Cecile glimlachte. + +--Neen, natuurlijk niet! + +--Ik zou zoo gaarne heel goed zijn, tante. + +--Dat is mooi van je. + +--Neen, neen, weerde hij af. Ik vind alles zoo slecht, weet u. Waarom is +alles toch zoo slecht, niet waar, tante? + +--Maar er is ook zoo veel goeds, Jules. + +Hij schudde zijn hoofd. + +--Neen, neen, herhaalde hij. Alles is slecht. Alles is heel slecht. +Alles is egoisme. Noem u eens iets op, dat niet egoist is? + +--Ouderliefde. + +Maar Jules schudde weer zijn hoofd. + +--Ouderliefde is gewoon egoisme. Kinderen zijn een deel van de ouders. +Die houden dus van hunzelven als ze van hun kinderen houden. + +--Maar Jules! riep Amelie. Je praat altijd veel te tranchant! Je weet, +dat ik daar niet van hou! Je bent veel te jong om zoo te praten! Je doet +net of je alles weet! + +De jongen zweeg. + +--En ik zeg juist altijd, dat we nooit iets weten ... We weten nooit +iets, vindt je ook niet, Cecile? Ik ten minste, ik weet nooit iets, +nooit ... + +Haar blik dreef weg door de kamer, in het vage ... Hare vingers streken +de franje van haar fauteuil glad, ordenend. Cecile legde haar arm +zachtjes om Jules' hals. + + + + +III. + + +Aan de speeltafel was Quaerts uitgevallen en ofschoon Dolf vroeg of hij +niet wilde doorspelen, stond hij op. + +--Ik zou gaarne mevrouw Van Even willen aanspreken, hoorde Cecile hem +zeggen. + +Zij zag hem daarop naar den grooten salon komen, waar zij steeds zat met +Amelie,--Jules aan hare voeten--, in eene conversatie van den hak op den +tak, daar Amelie nooit kon doorpraten, maar telkens afdwaalde en den +draad van een gesprek vallen liet. Zij wist niet waarom, maar Cecile +zette eensklaps een zeer ernstig gezicht, alsof zij met hare zuster over +zeer gewichtige zaken sprak en ze zeide toch niets anders dan: + +--Jules moet heusch les nemen in harmonieleer, als hij al zoo +componeert ... + +Quaerts was nader gekomen; hij was gaan zitten bij de dames, met eene +nauw merkbare verlegenheid in zijne wijze van zijn, eene zachte +weifeling in het kort krachtige zijner gebaren. + +Maar Jules vatte vlam. + +--Neen, tante, ik wil zoo min mogelijk leeren! Ik wil niet altijd namen +leeren en stelsels leeren en indeelingen leeren. Ik heb er geen kop +voor. Ik componeer zoo maar, zoo maar. + +Hij maakte eene vage beweging met zijne vingers. + +--Jules kan nauwelijks lezen, het is een schande! zei Amelie. + +--En hij speelt zoo aardig! sprak Cecile. + +--Ja, tante, ik onthoud het, ik vind het zoo op de piano ... Ach, ik kan +eigenlijk niets. Ik heb het zoo maar uit mezelven, weet u. + +--Maar dat is juist mooi! + +--Neen, neen, je moet namen kennen, en stelsels en indeelingen. Dat moet +je in alles. Ik zal ook nooit techniek krijgen, ik kan niets. + +Hij sloot even zijne oogen; eene treurigheid waasde vlugjes weg over +zijn bewegelijk gezicht. + +--Weet u, een piano is zoo ver, zoo groot, zoo een meubel, niet waar? +Maar een viool, o, wat is dat lief! Je houdt dat zoo tegen je aan, aan +je hals, bijna aan je hart, het is zoo iets van jou en je streelt het +zoo, je zou het bijna zoenen! Je voelt de ziel van een viool zoo trillen +in zijn kast. En dan, alleen maar zoo een paar snaren, die alles zingen. +O, een viool, een viool! + +--Jules ... begon Amelie. + +--En o, tante, een harp! Een harp, zoo tusschen je beenen, een harp, die +je omhelst met je beide armen, een harp is net een engel met lange +gouden haren ... O, ik heb nog nooit op een harp gespeeld! + +--Jules, schei uit! riep Amelie schel. Je maakt me zenuwachtig met dien +onzin. Schaam je toch voor meneer Quaerts! + +Jules keek vreemd op. + +--Voor Taco? Vindt je, dat ik me schamen moet, Taco? + +--Wel neen, jongen ... + +De klank van zijne stem was als eene liefkoozing. Cecile zag hem aan, +verwonderd. Zij had gedacht, dat hij Jules voor den gek zou hebben +gehouden. Ze begreep hem niet, maar ze vond hem zeer antipathiek, zoo +gezond en zoo sterk met zijn energiek gezicht en zijn mooien, +zinnelijken mond, zoo anders dan Amelie en Jules en zijzelve ... + +--Wel neen, jongen ... + +Jules zag lichtjes minachtend naar zijne moeder op, als wist hij wel. + +--Ziet u wel! Taco is een gezellige vent ... + +Hij draaide zijn voetebankje naar Quaerts en legde zijn hoofd tegen +diens knie. + +--Maar Jules ... + +--Laat hem maar, mevrouw. + +--Iedereen bederft dien jongen ... + +--Behalve u! zei Jules. + +--Ik! Ik! riep Amelie verontwaardigd. O ik bederf je heelemaal! +Heelemaal! Ik wou, dat ik je niet kon toegeven. Ik wou, dat ik je naar +Kampen kon sturen of naar Deli! Dan zou je wel flinker worden! Maar ik +alleen kan niets en je vader bederft je ook ... Wat er van jou nog moet +worden! + +--Wat moet er van je worden, Jules? vroeg Quaerts. + +--Ik weet het niet; ik mag niet studeeren, ik ben een te zwak poppetje +om veel te werken. + +--Zou je later naar Deli willen? + +--Ja, met jou ... Alleen niet; o, alleen te zijn, altijd alleen te zijn! +Je zal zien: ik zal altijd alleen zijn en ik vind het vreeslijk alleen +te zijn! + +--Maar Jules, je bent nu toch niet alleen! verweet Cecile. + +--O ja, ja, in mijn eigen ben ik alleen, altijd alleen ... + +Hij drukte zich tegen Quaerts' knie. + +--Jules, spreek nu niet meer zoo dwaas! riep Amelie zenuwachtig. + +--Ja, ja! kreet Jules in eens met een halven snik uit. Ik zal mijn mond +houen! Maar spreken jullie niet meer over mij, o, toe, spreek dan ook +niet meer over mij! + +Hij vouwde zijne handen en smeekte het hun, een angst op zijn gelaat. +Zij zagen hem allen aan, maar hij verborg zijn gezicht in den schoot van +Quarts als was hij doodsbang voor iets ... + + + + +IV. + + +Anna speelde slecht whist tot wanhoop van Suzette; o, dat kind vergat +zelfs de grootste troeven! en Dolf riep zijne vrouw: + +--Amelie val eens in, tenminste als Quaerts niet wil. Je geeft je +dochter wel niet veel toe, maar het is toch nog een ziertje beter! + +--Ik zal liever mevrouw Van Even gezelschap houen, sprak Quaerts. + +--Gaat u anders gerust whisten, meneer Quaerts! sprak Cecile met de +koude stem, die zij tegen, haar antipathieke, menschen aannam. + +Amelie sleepte zich met een ongelukkig gezicht weg. Ze speelde ook niet +schitterend, en Suzette werd altijd zoo driftig als ze iets verkeerds +deed. + +--Ik heb al zoo dikwijls verlangd met uw kennis te maken, mevrouw: ik +zou niet gaarne nu de gelegenheid laten voorbijgaan, antwoordde Quaerts. + +Ze zag hem aan: het ontstemde haar, dat ze hem niet begreep. Ze wist, +dat hij nog al een Don Juan was. Ze herinnerde zich den naam eener +getrouwde vrouw in verband met den zijne. Zou hij meenen haar wat het +hof te maken? Ze hield anders niet van die aardigheden; ze had nooit van +flirt gehouden. + +--Waarom? vroeg ze kalm, en ze verbeet zich dadelijk, want hare vraag +klonk als eene coquetterie en ze bedoelde alles behalve dat. + +--Waarom?! + +Hij zag haar lichtjes verrast terug aan; hij zat dicht bij haar, Jules +tusschen hen in, op den grond, tegen zijn knie, de oogen gesloten. + +--Om ... om, stamelde hij, omdat u de zuster is van mijn vriend, niet +waar, en ik zag u hier nooit ... + +Zij antwoordde niet: zij had in hare eenzaamheid verleerd te +converseeren en zij gaf zich er niet de minste moeite voor. + +--Ik heb u vroeger dikwijls in de comedie gezien, sprak Quaerts; toen +meneer Van Even nog leefde. + +--In de opera, zeide zij. + +--Ja. + +--O, ik kende u niet. + +--Neen. + +--Om mijn rouw ben ik heel lang 's avonds niet uitgegaan. + +--En ik kom altijd 's avonds bij Dolf mijn visites maken. + +--Dus logisch, dat u me nooit hier ontmoette. + +Ze zwegen even. Het trof hem, dat ze zeer koud sprak. + +--Ik zou wel gaarne aan de opera willen gaan! murmelde Jules met +gesloten oogen. Ach neen, eigenlijk toch niet. + +--Dolf zei me, dat u veel las, ging Quarts voort. Volgt u de moderne +litteratuur? + +--O ... een beetje. Ik lees niet zoo heel veel. + +--Niet? + +--O neen. Ik heb twee kinderen en er dus niet veel tijd voor. En het +boeit me nooit veel: het leven is veel romantischer dan welke roman ook. + +--U is dus filozoof? + +--Ik? O waarlijk niet, meneer Quaerts, ik ben zoo laag bij den grond +mogelijk! + +Zij zeide het met haar slecht lachje en hare koude stem: hare stem en +haar lach, als zij bang was, dat men haar verwonden zou in heur geheim +sensitivisme en als zij zich dus verborg, diep in het mysterie van +zichzelve, gevende aan de buitenwereld iets geheel anders dan zij was. +Jules had zijne oogen geopend en zag haar aan en zijn blik, dien hij +niet meer van haar afwendde, hinderde haar. + +--U woont allerliefst daar op den Scheveningschen weg. + +--O zeker. + +Zij zag eensklaps, dat zij onbeleefd van koudheid was en dit wilde zij +niet, ook al was hij haar antipathiek. Zij vleide zich achteloos wat +achterover; ze vroeg blankweg, zonder eenige belangstelling, geheel voor +de conversatie: + +--Heeft u veel familie in den Haag? + +--Neen; mijn ouders wonen te Velp en mijn familie meerendeel in Arnhem. +Ik ben nooit ergens vast, ik kan nooit lang op een plaats blijven. Ik +heb langen tijd in Brussel gewoond. + +--U is niet in betrekking, niet waar? + +--Neen, mijn illuzie van jongen was in de marine te gaan, maar ik ben +afgekeurd geworden voor mijn oogen. + +Zij zag hem even onwillekeurig in zijne oogen: kleine, diep liggende +oogen, waarvan zij de kleur niet zien kon. Zij vond er iets sluws, iets +geslepens in. + +--Het heeft me altijd gespeten, ging hij voort. Ik ben een man van +beweging. Ik voel altijd drang naar beweging in me. Ik troost me nu maar +met veel sport. + +--Sport? herhaalde zij koud. + +--Ja. + +--O. + +--Quaerts is een Nimrod en een Centaur en een Herkules, niet waar? riep +Jules. + +--Zoo, geef je me "namen"? lachte Quaerts. Waarbij "deel je me verder +in", Jules? + +--Bij de heele enkele menschen, van wie ik veel hou! riep Jules in vuur +en vlam. Taco, je zou me nog altijd paard leeren rijden? + +--Nu, wanneer je wilt, kereltje. + +--Ja, maar jij moet den dag bepalen, dat we naar de manege gaan. Ik +bepaal geen dagen, daar vind ik iets angstigs in. + +--Morgen dan? Het is morgen Woensdag. + +--Goed. + +Cecile bespeurde, dat Jules haar steeds aanzag. Zij zag hem terug aan. +Hoe was het mogelijk, dat de jongen van dien man hield! Hoe was het +mogelijk, dat, als het haar hinderde, het hem niet hinderde: dat +gezonde, dat sterke, die kracht van spieren, die kracht van sport! +Had die man iets slechts voor met Jules, dat hij zich zoo quasi teeder +voordeed tegenover dat kind? Zij begreep er niets van, zij begreep noch +Quaerts noch Jules en zelve verzonk ze weer in die stemming van +zelfverlies, waarin zij niet wist wat ze dacht en op het oogenblik +zelve zeggen zou; stemming, waarin zij zich terug zocht, en te vergeefs. +Verbitterd stond zij op, lang, rank, lenig; in haar krip, als eene +koningin, die rouwde; goudspelingen in het dof blond van heur haar, +waarin een klein gitten kroontje glom als zwart spiegel. + +--Ik ga eens even zien, wie er wint, sprak ze en ze ging naar de +speeltafel in de andere kamer; ze zette zich achter Mevrouw Hoze, +schijnbaar belangstellend in het spel en, door het licht der bougies +heen, gluurde ze naar Quaerts en Jules. Ze zag, dat ze zachtjes met +elkaar spraken, vertrouwelijk, Jules met zijn arm op Quaerts' knie. Ze +zag het glimlachend gezicht van Jules, als in aanbidding, opzien naar +het gelaat van dien man, en ze zag, dat de jongen eensklaps zijne armen, +tot eene woeste liefkoozing, heensloeg om zijn vriend, die hem afweerde, +met een zacht gebaar. + + + + +V. + + +Den volgenden avond genoot Cecile nog meer dan gewoonlijk van de weelde +thuis te kunnen blijven. Het was na den eten; zij zat met Dolf en +Christie op de chaise-longue, in haar kleinen salon, de jongens elk in +een arm genesteld; zij, in het midden tusschen hen in, jong als eene +oudere zuster. Zacht gedempt vertelde hare stem: + +--Toen zei Juda: o, heer, laat mij in de plaats van Benjamin bij u +blijven als slaaf! Want onze vader, die al zoo oud is, zei ons, toen we +met Benjamin weggingen: Mijn zoon Jozef heb ik al verloren: hij is zeker +opgegeten door de wilde beesten. En als je me nu Benjamin ook nog +afneemt, en als hem een ongeluk overkomt, dan zal ik grijs van verdriet +worden en dood gaan. Toen zei ik tot onzen vader, dat ik hem instond +voor Benjamin en dat ik heel stout zou zijn, als we Benjamin niet weer +thuis brachten. En daarom bid ik u, o heer, laat mij uw slaaf zijn en +laat het kind met zijn broeders teruggaan. Want hoe kan ik zonder +Benjamin mijn vader onder oogen komen ... + +--En Jozef, mama, wat zei Jozef? vroeg Christie. + +Hij had zich vast geklemd aan zijne moeder: een klein tenger ventje van +zes jaar, met dun blond haar, met oogen van fletsch vergeet-mij-niet-blauw, +en zijne fijne vingertjes haakten zich krampachtig in Cecile's japon en +verfrommelden het krip. + +--Toen kon Jozef zich niet meer inhouden en hij beval zijn gevolg weg te +gaan en barstte in tranen uit, en riep: Herken je mij dan niet? Ik ben +het, ik ben Jozef! + +Maar Cecile kon niet voort vertellen, want Christie had zich aan haar +hals geworpen met eene beweging als van wanhoop en zij hoorde hem +snikken tegen haar aan. + +--Christie! Mijn jongen! + +Zij ontstelde zeer; zelve in vuur om haar verhaal, was haar de spanning +van Christie niet opgevallen en zij hoorde hem nu in zulk eene hevige +kindersmart tegen haar aan weenen, dat zij geen woord vond om hem te +stillen, te troosten, te zeggen, dat het goed afliep. + +--Maar Christie, huil dan toch niet! Het loopt goed af ... + +--En Benjamin dan, Benjamin! + +--Maar Benjamin ging terug naar den vader en Jacob kwam in Egypte en +ging samen wonen met Jozef ... + +Het kind hief zijn nat gezicht van haren schouder op en zag haar lang +aan. + +--Was het heusch zoo? Of zegt u maar wat ... + +--Neen heusch, mijn lieveling. O toe, huil nu niet meer ... + +Christie bedaarde, maar was blijkbaar teleurgesteld. Het slot van het +verhaal voldeed hem niet; en toch: het was wel mooi zoo, veel mooier dan +dat Jozef boos was geweest en Benjamin had gevangen gezet ... + +--Die Christie! Om te gaan huilen! zei Dolf. Het is immers maar een +verhaaltje. + +Cecile antwoordde hem niet, dat het verhaaltje heusch gebeurd was, omdat +het in den Bijbel stond. Ze was in eens zeer treurig geworden, in eene +twijfeling aan zichzelve. Zeer teeder droogde zij met haar zakdoek de +treurige oogen van het kind af. + +--En nu, jongens, slapen. Het is al laat geworden! zeide ze dof. + +Zij bracht ze naar bed: iets, dat heel lang duurde; eene plechtigheid +met allerlei ritualien van uitkleeden, wasschen, gebedje opzeggen, +toedekken, zoenen. Toen zij na een uur weer beneden zat, alleen, voelde +ze eerst goed, hoe treurig zij was. + +O, neen, ze wist het niet! Amelie had wel gelijk: men wist nooit iets, +nooit! Ze was dien dag zoo gelukkig geweest, ze had zich weer +teruggevonden, diep in het mysterie van haarzelve, in de essence harer +ziel; ze had haar gedroom om zich heen zien wolken als eene apotheoze; +ze had veel liefde voor hare kinderen in zich gevoeld. Zij had ze na den +eten verteld uit den Bijbel, en, in eens, bij Christie's tranen, was +twijfel bij haar opgeschoten. Was zij wel goed voor hare kinderen? +Bedierf zij ze niet en verweekte zij ze niet in hare liefde, in de +zachtheid van haar gevoel? Zou zij ze niet ongeschikt maken voor het +practische leven, waarin zij niet te doen had, maar waarin de kinderen, +als ze groot waren zich zouden moeten bewegen? Het weerlichtte door haar +heen: scheiding en kostscholen, de kinderen van haar vervreemd, +teruggekomen als groote, ruwe jongens, die rookten en vloekten, cynisch +in hun mond en hun hart; hun mond, die haar niet meer zou zoenen, hun +hart, waarin ze niet meer thuis zou zijn. Zij zag ze reeds met hunne +blague van zeventien en achttien jaar door hare kamers stappen in +uniform van cadet en adelborst, met breede schouders en een harden lach, +de asch van hun sigaar wegknippend op het tapijt ... Waarom rees dwars +door deze wreedheid in eens het beeld van Quaerts op? Was dat toeval of +logica? Ze kon het niet inzien; ze wist niet wat hij daar deed, die man, +rijzende door hare smart heen in zijne atmosfeer van antipathie. Maar ze +voelde zich treurig, treurig, treurig, als zij zich sedert Van Evens +dood niet meer gevoeld had, niet vaag weemoedig, als zij zich meermalen +gevoelde, maar treurig, duidelijk treurig om wat er komen zou ... O, zij +zou zich van de kinderen moeten scheiden! En dan: alleen ... Eenzaamheid, +altijd eenzaamheid! Eenzaamheid in zichzelve; dat gevoel, waar Jules zoo +voor vreesde! Teruggetrokken van de wereld die haar niet boeide, alleen +weggezonken in leegte! Ze was dertig jaren, ze was oud, een oude vrouw. +Haar huis leeg, heur hart leeg! Droomen, wolken van gedroom, die +vervliegen, die opklaren als een rook en leegte ontdekken. Leegte, +leegte, leegte! Hol viel het woord telkens op haar borst neer met den +klop van een hamer. Leegte, leegte ... + +--Waarom ben ik zoo? dacht ze. Wat heb ik dan? Wat is er veranderd? + +Nooit had ze dat woord leegte zoo op zich voelen bonsen; dien zelfden +middag nog was zij zacht gelukkig geweest, als altijd. En nu! Zij zag +niets voor zich, geen toekomst, geen leven, niets dan eene wijde +duisternis. Vervreemd van hare kinderen, alleen in zichzelve ... + +Met een licht gekreun als van pijn stond zij op, liep zij door den +kleinen salon. Het bescheiden schemerlicht hinderde haar als eene +benauwdheid. Zij draaide aan den sleutel der kanten lamp. Een goudglans +gleed de roze plooien der zijden gordijnen op als glinsterend water. +Eene vreemde koelte blies iets van den viooltjes geur, die overal hing, +weg. In het haardje was vuur en zij had het koud. + +Zij bleef staan bij het lage tafeltje: zij nam eene visitekaart op, +waarin een vouw was geknepen, en zij las: T. H. Quaerts. Een kroontje +met vijf parelen boven dien naam. Dat Quaerts, wat was dat kort! Een +naam als een klap van een harde hand. Er was in dien naam iets slechts, +iets wreeds: Quaerts, Quaerts ... + +Zij wierp het stuk karton neer, boos op zich zelve. Ze had het koud, en +ze had zich verloren, zooals gisteren avond bij de Van Attema's. + +--Ik ga niet meer uit. Nooit meer, nooit meer! zeide zij, bijna hard op. +Ik kan zoo tevreden zijn in mijn eigen huis. Zoo tevreden met het leven, +zoo mooi gelukkig ... Dat kaartje! Waarom een kaartje! Wat kan mij zijn +kaartje schelen ... + +Beslist zette zij zich aan hare schrijftafel en sloeg den buvard open. +Zij dacht er over een begonnen brief naar Indie af te maken. Maar zij +was in zoo eene andere stemming, dan toen zij dien brief begonnen had. +Zij haalde dus uit een laadje een dik cahier te voorschijn: haar +dagboek. Zij zette den datum neer, dacht even na, den zilveren +pennehouder zenuwachtig prikkende in hare tanden ... + +Maar toen, met een kort gebaar van drift wierp zij de pen neer, duwde +het cahier weg, en, het hoofd in hare handen op den buvard neerbonsend, +snikte zij luid. + + + + +VI. + + +Cecile was zoo verwonderd geweest over die, ongewoon lange, stemming +van zelfverlies, dat het dagen duurde, eer zij weer hare gewone rust +binnentrad, als een lief verblijf, waaruit zij, zonder te willen, was +weggedwaald. Maar zij dwong zich met een zachten dwang, de schatten +harer eenzaamheid terug te vinden en zij vond ze terug. Zij redeneerde; +in de eerste jaren zou zij zich toch nog niet behoeven te scheiden van +Dolf en Christie: zij had dus allen tijd zich met dit denkbeeld van +scheiding eigen te maken. Verder was er niets veranderd, noch om haar, +noch in haar, en zij liet dus de dagen langzaam over zich heenglijden +als een stil vloeiend water. + +Zoo, stil vloeiend, waren er twee weken verloopen na den avond, dien zij +bij Dolf had doorgebracht. Het was Zaterdagmiddag; zij had eerst met de +kinderen gewerkt,--ze leerde ze nog zelve--toen met ze gewandeld en nu +wachtte zij in hare geliefkoosde kamer de Van Attema's die iederen +Zaterdag om half vijf kwamen theedrinken, af. Zij had de meid gebeld, +die eene blauwe spiritusvlam aanstak. Dolf en Christie waren op dat +uur binnen; ze zaten op den grond, op bankjes, de vellen van een +kindertijdschrift open te snijden, waarop Cecile voor hen geabonneerd +was. Stil zaten ze, zoet en fijntjes, als kinderen, die in een week +interieur opgroeien, tusschen te veel zachtheid, te bleek, met te lange +blonde haren, vooral Christie, wiens slaapjes waren geaderd als met een +azuur bloed. Cecile ging een enkelen keer langs hen heen, in het +zorgvuldig toezien op heur theeblad, en haar blik omringde de kinderen +als in een cirkel van warm gevoel. Zij was in hare stemming van kalm +geluk; ze vond het aangenaam zoo straks de Van Attema's te zullen zien +binnen komen; zij hield van die middaguren als haar zilveren bouilloir +ziedde op de blauwe vlam. Eene exquize intimiteit dreef door het +vertrek; ze had in hare lange fijne vrouwen vingeren dat bizondere van +getoover, die teedere kunst van aan te raken, waardoor alles, waarover +ze ook maar even gleden, een aanzien kreeg van haarzelve; iets +onzegbaars van tint en plaats en verlichting, dat de dingen voor den +toets dier vingers niet hadden. + +Er werd gebeld en ze meende, dat het nog te vroeg was voor de Van +Attema's. Maar ze zag zelden iemand anders in hare afsterving van de +buitenwereld; dus ze zouden het toch wel zijn. Na enkele oogenblikken +kwam Greta echter binnen, met een kaartje: of mevrouw ook ontving en of +er belet was voor dien meneer. + +Al van verre herkende Cecile de kaart: zij had er onlangs een gelijke +gezien. Toch nam zij het karton aan, bezag het even, de wenkbrauwen +gefronsd, ontevreden. + +--Wat een idee, dacht ze. Waartoe? Wat beteekende dit? Maar ze vond het +onnoodig onbeleefd te zijn en belet te geven. Hij was toch een vriend +van Dolf. Maar zooveel indringerigheid ... + +--Laat meneer bovenkomen, liet zij koel van haar lippen vallen. + +Greta ging en het scheen Cecile toe of er iets sidderde in de +intimiteit, die daar dreef; of de voorwerpen, waarover hare vingers +zoo even gegleden waren, zich anders verlichteden, met een schijn van +huivering. Maar Dolf en Christie waren niet veranderd en zaten nog +steeds te zien naar de platen, met zachte opmerkingen tusschen hunne +mondjes in. + +De deur werd geopend en Quaerts trad binnen. Hij had nog meer dan +gewoonlijk zijne nuance van verlegenheid over zich heen, toen hij voor +Cecile boog. Die nuance was voor Cecile iets onbegrijpelijks in hem, die +haar zoo beslist en sterk scheen. + +--Ik hoop, dat u me niet onbescheiden zult vinden, mevrouw, als ik de +vrijheid heb genomen u een visite te komen maken. + +--Integendeel, meneer Quaerts, sprak zij koud. Gaat u zitten. + +Hij zette zich, plaatste zijn hoogen hoed naast zich op den grond. + +--Ik stoor u niet, mevrouw? + +--Volstrekt niet. Ik wacht mevrouw Van Attema en haar dochters. U was +zoo beleefd me een kaartje te brengen. Maar u weet zeker, dat ik geen +menschen zie. + +--Dat wist ik, mevrouw. Misschien heeft u wel aan die wetenschap de +indiscretie van mijn bezoek te danken. + +Zij zag hem koud, beleefd, glimlachend aan. Er was iets van boosheid in +haar. Zij gevoelde lust hem kortweg te vragen, wat hij van haar wilde. + +--Hoedat? vroeg ze met haar glimlach van beleefdheid, die haar gezicht +tot een masker vertrok. + +--Ik vreesde u in langen tijd niet te zullen zien en ik zou het een +bizonder groot voorrecht achten uw nadere kennis te mogen maken. + +Zijn toon was van den hoogsten eerbied. Zij trok hare wenkbrauwen op, +als begreep zij niet, maar het accent zijner stem was zoo in-hoffelijk +geweest, dat ze zelfs geen koud woord vond om hem te antwoorden. + +--Zijn dat uw beide kinderen? vroeg hij, met een blik naar Dolf en +Christie. + +--Ja, antwoordde zij. Staat eens op, jongens, en geef meneer een hand. + +De kinderen kwamen langzaam nader en staken hunne handjes uit. Hij +glimlachte, hij zag ze doordringend aan met zijne kleine diepliggende +oogen, en even hield hij ze vast. + +--Vergis ik me, of lijkt de kleine niet heel veel op u? + +--Ze lijken beiden op hun vader, antwoordde zij. + +Het was haar of ze een cirkel van bescherming om zich heen trok, waar de +kinderen buiten waren en waarbinnen zij ze niet brengen kon. Het hinderde +haar, dat hij ze zoo vast hield, ze zoo aanzag. + +Maar hij liet ze nu los en ze gingen weer op hunne bankjes zitten, zoet, +zacht, stil. + +--Toch hebben ze beiden iets van u, hield hij vol. + +--Mogelijk! sprak ze. + +--Mevrouw! hernam hij, als wilde hij haar iets gewichtigs zeggen. Ik wou +u ronduit iets vragen. Ik wou u vragen, of u me eerlijk, heel eerlijk, +zoudt willen zeggen of u me onbescheiden vindt? + +--Omdat u me een visite maakt? O, waarlijk niet, meneer Quaerts. Het is +heel beleefd van u. Alleen ... als ik oprecht mag spreken. + +Zij lachte even. + +--Natuurlijk, sprak hij. + +--Dan wil ik u wel bekennen, dat ik vrees, dat u weinig in mijn huis +zult vinden, dat u zal amuzeeren. Ik zie geen menschen ... + +--Ik maak u geen visite om de menschen, die ik bij u zou kunnen zien. + +Zij boog glimlachend, alsof hij een compliment gezegd had. + +--U is me natuurlijk zeer welkom. U is een heel goed vriend van Dolf, +niet waar? + +Zij wilde telkens andere woorden zeggen dan zij zeide, koeler woorden, +hartelijker woorden, maar er was te veel welopgevoedheid in haar: zij +kon het niet doen. + +--Ja, antwoordde hij. Wij kennen elkaar heel lang en we zijn altijd zeer +bevriend geweest, ook al verschillen we heelemaal. + +--Ik mag hem heel gaarne, hij is altijd heel hartelijk voor ons. + +Zij zag hem glimlachend kijken naar het lage tafeltje. Er slingerde een +paar tijdschriften, een paar boeken. Boven op lag een deeltje van +Emersons Essays, met een vouwbeen er in. + +--U zei, dat u niet veel las! sprak hij ondeugend. Me dunkt ... + +En hij wees glimlachend naar de boeken. + +--O, zeide zij achteloos, lichtjes hare schouders bewegend. Zoo een +beetje ... + +Zij vond hem zeer lastig; hoe had zij zoo gemerkt, dat ze zich voor hem +verborgen had en waarom had ze zich ook voor hem verborgen? + +--"Emerson!" las hij, zich een weinig voorover buigend. Maar hij +herstelde zich: + +--Pardon! Ik ben indiscreet uw lectuur te bespionneeren. Vergeeft u me, +maar de letters waren zoo groot; ik las ze van hier. + +--U is verziend? vroeg ze, lachend. + +--Ja. + +Zijne beleefdheid, een zekere eerbied, als zou hij zelfs niet de tippen +van hare vingers beroeren, stelde haar meer op heur gemak. Ze vond hem +wel antipathiek, maar hij mocht toch wel weten, dat ze las. + +--Houdt u veel van lezen? vroeg Cecile. + +--Ik lees niet veel: daarvoor is het mij een te groot genot. Ik lees zoo +maar niet alles wat er uitkomt, en ik ben erg kieskeurig. + +--Kent u Emerson? + +--Neen ... + +--Ik hou veel van Essays. Zij zijn geschreven met zoo een verren blik. +Ze stellen je op zoo een heerlijk hoog standpunt ... + +Ze maakte een gebaar als een cirkel om zich heen, een glans in haar oog. + +Toen merkte ze, dat hij haar aandachtig aanzag, met zijn eerbied. En ze +herwon zich weer; ze wilde niet verder met hem over Emerson praten. + +--Het is heel mooi! zeide zij alleen nog, met eene stem, zoo banaal +mogelijk, om te eindigen. Mag ik u een kop thee geven? + +--Dank u zeer, mevrouw; ik drink nooit thee op dit uur. + +--U ziet daar zeker met minachting op neer? spotte ze. + +Hij wilde antwoorden, maar er werd gescheld en zij riep nu: + +--O, daar zullen ze zijn! + +Zij waren het ook, Amelie met Suzette en Anna. Zij waren lichtjes +verbaasd Quaerts te zien. Hij sprak ervan, dat hij mevrouw Van Even een +visite had willen maken. Er ontstond een algemeen gesprek. Suzette was +heel vroolijk, vol van een fancy-fair, waar zij, gecostumeerd in een +Spaansch costuum, zou moeten verkoopen. + +--En jij niet, Anna? + +--O neen, tante, riep Anna, verschrikt in elkaar kruipend. Ik op een +fancy-fair! Ik zou nooit iets slijten aan de menschen. + +--Ach, het is een tact! zeide Amelie, met een blik, die ver weg dreef. + +Quaerts was opgestaan. Hij boog met een enkel woord voor Cecile, toen de +deur openging. Het was Jules, met een paar boeken onder zijn arm. Hij +kwam van school. + +--Dag tante! Zoo dag, Taco; ga je nu heen als ik kom! + +--Je jaagt me weg! schertste Quaerts. + +--Ach, toe, Taco, blijf nu nog wat! smeekte Jules, verrukt hem te zien, +wanhopig, dat hij juist vertrekken zou. + +--Jules, Jules! vermaande Amelie, omdat ze dacht, dat ze dat zoo doen +moest. + +Jules drong Quaerts, greep zijne beide handen, dwong hem als een +bedorven kind. En Quaerts lachte maar. Door Jules' drukte gleden eenige +boeken van het tafeltje. + +--Maar Jules dan toch! riep Amelie. Quaerts raapte de boeken op, terwijl +Jules door bleef dwingen. Bij het laatste boek, dat Quaerts neerlegde, +draalde hij even; hij hield het in de hand, hij zag op de gouden +letters: Emerson ... + +Cecile bespeurde het. + +--Als hij nu toch denkt, dat ik het hem leenen ga, heeft hij het mis, +dacht ze. + +Maar Quaerts vroeg niets; hij had zich losgemaakt van Jules, hij nam +afscheid. Met wat gekheid tegen Jules, ging hij heen. + + + + +VII. + + +--Is dit de eerste keer, dat hij bij je aan huis komt? vroeg Amelie. + +--Ja, antwoordde Cecile. Een onnoodige beleefdheid, niet waar? + +--Ach, Taco Quaerts is altijd precies in de puntjes, verdedigde Anna. + +--Maar deze visite was juist niet in de puntjes, lachte Cecile vroolijk. +Maar Taco Quaerts schijnt bij jullie geheel en al onfeilbaar te zijn. + +--Hij walst heerlijk! riep Suzette. Verleden op het bal bij de +Eekhofs ... + +Suzette draafde door; gedecideerd, die Suzette was niet te houden van +middag; zij hoorde zeker al de castagnetten van haar Spaansch costuum in +heur hersentjes klepperen. + +Jules was in een bui van kribbigheid geraakt, maar hij hield zich stil +bij de jongens, in een raam. + +--U is niet erg gesteld op Quaerts, niet waar, tante? vroeg Anna. + +--Hij heeft weinig sympathieks voor mij! sprak Cecile. Je weet, ik laat +me erg door indrukken beheerschen. Ik kan het niet helpen, maar ik hou +niet van die heel gezonde, sterke menschen, die er zoo heel flink en +stevig uitzien, alsof ze dwars door het leven heen wandelen en alles +opruimen, wat hun hindert. Het is misschien morbide in me; maar ik kan +het niet helpen, dat overmate van gezondheid en kracht mij antipathiek +zijn. Die sterke menschen beschouwen je, als je _niet_ zoo sterk bent +als zij, zooals de Spartanen hun misvormde kinderen beschouwden ... + +Jules kon zich niet meer inhouden. + +--Als u denkt, dat Taco niets anders is dan een Spartaan, dan weet u +niets van hem af, sprak hij vinnig. + +Cecile zag hem aan, maar voor Amelie iets zeggen kon, ging hij voort: + +--Taco is de eenige, met wien ik over muziek kan praten en die je +begrijpt met een half woord. En ik geloof niet, dat ik met een Spartaan +zou kunnen praten. + +--Maar Jules, wat een toon! riep Suzette. + +--Het kan me niet schelen! riep hij woedend uit, in eens opstaande, +stampvoetend. Het kan me niet schelen! Ik kan geen kwaad van Taco hooren +en tante Cecile weet dat en ze doet het alleen om me te plagen. En ik +vind het heel flauw een kind te plagen, heel flauw ... + +Zijne moeder, zijne zusters wilden hem met gezag bedaren. Maar hij greep +zijne boeken. + +--Het kan me niet schelen! Ik wil het niet hebben! + +Woedend, in een oogwenk, was hij weg, smijtend met de deur, die dreunde. +Amelie beefde van zenuwachtigheid. + +--O, die jongen! siste zij trillend. Die Jules, die Jules ... + +--Het is niets! verontschuldigde Cecile zacht. Hij is wat prikkelbaar ... + +Zij was een beetje bleek geworden en zag naar hare jongens, naar Dolf en +Christie, die, ontsteld, met open monden van verbazing, hadden +opgekeken. + +--Is Jules stout, mama? vroeg Christie. + +Zij schudde, lichtjes glimlachend, van neen. Zij voelde zich heel vreemd +te moede, onzegbaar vreemd. Zij wist niet wat dit was, maar het was haar +of heel verre perspectieven voor hare oogen opengingen, met wegdeiningen +van horizont, bleek, in heel veel licht. Zij wist ook niet wat dat was, +maar ze was niet boos op Jules, en het scheen haar toe, dat hij niet zoo +driftig had gesproken tegen haar, maar tegen een ander. Een gevoel van +het raadselachtig diepe van het leven, en het onbewuste van het +zielemysterie, zweem van licht heldere oneindigheid, ver zilver licht, +schoot door haar heen als eene stille verrukking. + +Toen lachte zij. + +--Die Jules! sprak ze. Hij kan zoo aardig opgewonden zijn. + +Anna en Suzette, verlegen over de scene solden wat met de jongens, over +de platen heen. Cecile sprak alleen tot Amelie. Maar deze sidderde nog +in hare zenuwen. + +--Hoe kan je toch die kuren van Jules nog excuzeeren! sprak ze met eene +stem, die hokte. + +--Ik vind het aardig, dat hij zoo de partij trekt van menschen, van wie +hij houdt. Vindt je daar ook niet iets in? + +Amelie bedaarde. Waarom verstoord te zijn als Cecile het niet was? + +--In Jules? vroeg zij vaag. Ach, ja, jawel ... Ik weet het zoo niet. Hij +heeft wel een goed hart, geloof ik, maar hij is zoo onhandelbaar. Maar +ach ... het ligt misschien ook aan mij; als ik beter wist, als ik meer +tact had ... + +Zij verwarde zich; zij zocht, zij vond niets meer, dwalende door haar +eigen gedachten heen als eene vreemde. Toen zeide zij eensklaps, als in +een straal van zekere kennis: + +--Maar Jules is niet dom. Hij heeft een goed oog op allerlei dingen, en +ook op menschen. Ik voor mij geloof ook, dat je Taco Quaerts verkeerd +ziet. Hij is een heel interessant mensch, en volstrekt niet zoo alleen +maar een sportman. Ik weet niet wat er in hem is, maar er is iets in +hem, iets anders dan in andere menschen. Ik zou niet kunnen zeggen +wat ... + +--Zij zweeg, zoekende, afdwalend. + +--Ik wou, dat Jules beter leerde. Hij is niet dom, maar hij leert +niet ... Hij zit nu al weer twee jaar in de derde klasse. De jongen kan +niet doorwerken. Het is een wanhoop. + +Zij zweeg weer en Cecile bleef ook zwijgen. + +--Ach! hernam Amelie; het zal zijn schuld wel niet zijn. Het is +misschien wel mijn schuld! Hij heeft het misschien wel van mij ... + +Zij zag strak voor zich uit: plotselinge, onweerhoudbare tranen vulden, +in eens, beide hare oogen, en vielen neer in haar schoot. + +--Amy, wat is er? vroeg Cecile lief. + +Maar Amelie was opgestaan, opdat de meisjes, nog spelende met de +kinderen, hare tranen niet zouden zien. Zij kon die tranen niet +tegenhouden, ze stroomden neer, en zij haastte zich weg, naar den +aangrenzenden salon, een groot vertrek, waar Cecile nooit zat. + +--Wat is er, Amy? Vroeg Cecile, die haar gevolgd was. + +Zij sloeg haar arm om Amelie heen, ze deed haar zitten, drukte Amelie's +hoofd tegen haar schouder. + +--Weet ik, wat er is! snikte Amelie. Ik weet het niet, ik weet het +niet ... Ik ben ongelukkig, om dat gevoel in mijn hoofd. Ik kan het soms +niet uithouden. Ik ben toch niet gek, niet waar? Ik voel me heusch niet +of ik gek ben of gek zal worden! Maar het is soms alsof alles in me +verlamd is, of ik niet denken kan. Alles drijft altijd door me heen! Het +is een vreeslijk gevoel! + +--Als je eens een dokter vroeg, ried Cecile aan. + +--Neen, neen, hij zou me misschien zeggen, dat ik gek was, en dat ben ik +niet. Of hij zou me in een of ander gesticht willen hebben. Neen, ik wil +geen dokter. Ik heb het anders heel goed, niet waar? Ik heb een lieven +man en lieve kinderen. Ik heb nooit groot verdriet gehad. En toch voel +ik me soms diep ongelukkig, radeloos ongelukkig! Het is altijd of ik +naar iets toe wil en niet kan. Het is altijd of ik een grens voor me +zie ... + +Zij snikte hevig; een regen van tranen dreef over haar gelaat. Cecile's +oogen ook werden vochtig; ze hield van hare zuster, ze had medelijden +met haar. Amelie was slechts tien jaar ouder dan zijzelve, en ze had al +iets van eene oude vrouw, dor, schraal, grijzend reeds aan hare slapen, +onder de getrokken voile van haar kapothoed. + +--Cecile, zeg Cecile! sprak ze in eens, door hare snikken heen. Denk je, +dat er een God is?! + +--Maar zeker, Amy. + +--Ik ga wel eens naar de kerk, het geeft me niets ... Ik ga nu ook niet +meer ... O, ik ben zoo ongelukkig! Het is heel ondankbaar van me. Ik heb +toch zooveel om dankbaar voor te zijn ... Weet je: ik zou soms zoo gaarne +in eens naar God willen, zoo in eens!!! + +--Toe, Amy, wind je niet zoo op! + +--O, ik wou, dat ik zoo als jij was, zoo kalm. Je voelt je gelukkig? + +Cecile knikte van ja, glimlachend. Amelie zuchtte; ze bleef even liggen +met haar hoofd tegen heur zusters schouder. Cecile kuste haar, maar +eensklaps schrikte Amelie: + +--Stil, fluisterde zij; de meisjes kunnen hier komen. Ze ... ze hoeven +niet te zien, dat ik gehuild heb. + +Opstaande, schikte zij voor den spiegel heur hoed, droogde voorzichtig +met den zakdoek haar voile af, plooide hare brides. + +--Zoo, nu zullen ze het niet zien, zeide zij. Laten we maar naar binnen +gaan. Ik ben weer kalm. Je bent een lieve meid ... + +Zij gingen in de kleine kamer. + +--Kom meisjes, we moeten naar huis! sprak Amelie met eene, nog wat +vreemde stem. + +--Heeft u gehuild, mama? vroeg Suzette, dadelijk. + +--Mama was wat zenuwachtig om Jules! zeide Cecile snel. + + + + +VIII. + + +Cecile was alleen: de kinderen waren naar boven, om zich op te knappen +voor het diner. En ze zocht terug te zien hare verre perspectieven met +bleeken horizont; ze zocht zich de zilverige oneindigheid terug, die +door haar heen geschoten was als eene ontvangenis van licht. Maar het +warrelde haar te veel: een caleidoscoop van heel recente herinneringetjes: +de kinderen, Quaerts, Emerson, Jules, Suzette, Amelie. Vreemd, vreemd +was het leven ... Het uiterlijke leven, het komen en gaan van menschen om +ons heen; het klinken van woorden, die zij zeggen met stemmen van +vreemdheid; het eindeloos wisselen der verschijnselen; het schakelen van +die verschijnselen, het een aan het ander vreemd ook, het zijn van de +ziel ergens in ons, als een god _in_ ons, nooit te kennen voor +zichzelven in de essence van hemzelven. Dikwijls, zooals nu, scheen het +Cecile, dat alles, de aller-banaalste dingen, vreemd, zeer vreemd waren, +alsof er in het geheel niets banaals in de wereld was, alsof alles +vreemd was: de vreemde vorm en uiterlijkheid van een dieper leven, dat +in alles school, tot in het minste voorwerp toe, alsof alles zich maar +vertoonde met een schijnsel, masker van voordoen, terwijl daaronder het +eigenlijke was: de waarheid. Vreemd, zoo vreemd het leven ... Want het +scheen haar of ze, onder de heel-gewoonheid van die afternoon-tea, iets +heel ongewoons gezien had; wat, wist ze niet, zou ze niet kunnen +uitdrukken, zelfs niet kunnen uitdenken; het was haar of er onder het +gaan en komen van die menschen iets geschitterd had: het eigenlijke, de +waarheid onder het verschijnsel van hun voordoen om bij haar te komen +thee drinken. + +--Wat? Wat is het? dacht ze. Maak ik me dat nu wijs, of is het zoo? Ik +voel het toch ... + +Het was heel vaag en toch was het heel duidelijk ... Het was haar of er +een lichtbeeld, een schaduw van licht was achter alles wat zich daar had +voorgedaan. Achter Amelie en Jules en Quaerts en dat gevallen boek, dat +hij even in de hand had gehouden ... Beteekenden die luchtschaduwen iets, +of ... + +Maar zij schudde het hoofd. + +--Ik droom, ik fantazeer! lachte ze in zichzelve. Het was heel eenvoudig. +Ik maak het maar zoo ingewikkeld, omdat ik daar pleizier in heb. + +Maar zoodra ze dit dacht, voelde zij iets, dat die gedachte intens +loochende. Eene intuitie, die haar de essence der waarheid wilde doen +raden en dit niet geheel en al vermocht. Zeker, er was toch iets. Iets +achter dat alles, verscholen, schuilende als de schaduw school achter +het ding, en die schaduw scheen haar toe van licht ... + +Hare gedachte dwaalde nog wat rond over die menschen; toen bleef ze +hangen aan Taco Quaerts. Ze zag hem daar weer zitten, een beetje zich +buigende naar haar toe, zijne handen in elkaar gevouwen, hangende +tusschen zijne knieen, terwijl hij tot haar opzag. Eene scheiding van +afkeer was als een staaf van ijzer tusschen hen geweest. Ze zag hem daar +weer zitten en toch was hij al weg. Dat was al weer voorbij; wat ging +alles spoedig heen; hoe klein was de stip van het heden! + +Ze stond op; ze zette zich voor het schrijftafeltje; ze schreef, in +eens, neer: + +"Onder me vloeit de zee van het verleden, boven me drijft de ether der +toekomst, en ik sta daar tusschen-in als op een stip van werkelijkheid; +een stip zoo klein, dat ik beide voeten pal tegen elkaar moet drukken, +om staande te blijven. En van af de stip van mijn heden ziet mijn +weemoed neer naar die zee en mijn verlangen op naar die lucht. + +"Ik kan niet veel leven op mijn stip: ze is zoo klein, dat ik ze +nauwlijks zie, ze nauwlijks voel onder mijne voeten en toch is ze mijne +eenige werkelijkheid. Ik geef niet veel om haar: mijne oogen volgen maar +het wegrimpelen dier golven naar verre einders, het glijden dier wolken +naar verre sferen: vage luchtschijnsels van eindelooze verandering, +transparante ongedurigheden, lichaamloosheden, die zichtbaar zijn. Het +heden is het eenige, dat is, of dat ten minste schijnt te zijn. De stap +is; de stip, ten minste, schijnt; de zee niet, en die lucht niet, want +die zee is slechts herinnering en die lucht slechts illuzie. En toch +zijn herinnering en illuzie alles, zijn ze de wijde domeinen der ziel, +die van de stip afvliegt en op de zee afglijdt naar de einders, die +wijken en op de wolken wegdrijft naar de sferen, die wijken en +wijken ..." + +Toen dacht ze na. Hoe had ze dat zoo geschreven, waarom? Hoe was ze er +toe gekomen? Ze ging met hare gedachten terug: het heden, de stip van +het heden, die zoo klein was ... Quaerts, Quaerts' houding zoo even voor +haar heropgerezen. Had iets wat hem betrof, haar die zinnen doen +neerschrijven? Het verleden, weemoed; de toekomst, illuzie ... Waarom, +waarom, illuzie? + +--En Jules, die van hem houdt, dacht ze. En Amelie, die van hem sprak ... +Maar ze wist niets ... Wat is er in hem, wat schuilt er achter hem; zijn +lichtschaduw? Waarom kwam hij hier? Waarom voel ik toch antipathie voor +hem? Voel ik die antipathie wel? Ik kan niet in zijn eigen oogen zien ... + +Ze had dat gaarne eens gedaan; ze had gaarne zeker willen zijn van die +antipathie of: niet zeker ... Een van beiden. Ze was nieuwsgierig om hem +nu weer eens te zien, nieuwsgierig, wat ze dan door hem denken en voelen +zou ... Zij was opgestaan van hare schrijftafel, ze vlijde zich nu +rechtuit op de chaise-longue, wond hare armen achter heur hoofd. Ze wist +niet meer wat ze droomde maar ze voelde zich stil gelukkig. Zij hoorde +Dolf en Christie de trap afkomen; ze kwamen binnen, het was etenstijd. + +--Jules was toch heusch zoo even wel stout, niet waar mama-te? vroeg +Christie nog eens met een bedenkelijk gezicht. + +Ze trok het kleine, fijne ventje zacht tot zich, ze nam hem vast tegen +zich aan, in haar armen en zacht kuste ze zijn vochtig mondje van bleek +frambozenrood. + +--Neen, heusch niet, liefje! sprak ze. Hij was heusch niet stout ... + + + * * * * * + + +HOOFDSTUK II. + + + + +I. + + +Cecile ging den langwerpigen hall, die als eene galerij was, door: +lakeien stonden bij de portiere, een gegons van stemmen suisde daar +achter. Haar sleep ruischte even tegen een paar palmblaren aan en dit +geluid gaf haar eene plotselinge trilling in de snaren van heur +sensitivisme. Zij was een beetje zenuwachtig; hare oogleden knipten +lichtjes en haar mond had een zeer ernstigen plooi. + +Zij trad binnen; er was veel licht, maar zacht, alleen van kaarsen. Twee +officieren weken voor haar uit, daar zij draalde. Met de oogen zocht ze +mevrouw Hoze; zij bespeurde haar, te midden van enkele gasten, met haar +grijs hoofd, haar vriendelijk en toch hooghartig gezicht, glad rozig, +bijna zonder rimpel. Mevrouw Hoze kwam haar tegemoet. + +--Je weet niet, hoe lief ik je vind, dat je me niet gedupeerd hebt! +sprak ze, Cecile's hand drukkend, ontluikend in de wereldsche +minzaamheid van heur gastvrouwschap. + +Zij stelde Cecile hier en daar voor: Cecile hoorde namen, waarvan de +klank haar dadelijk weer ontviel. + +--Generaal, mag ik u verzoeken ... Mevrouw Van Even, hoorde zij mevrouw +Hoze fluisteren. + +Cecile haalde diep adem, onmerkbaar de hand drukkende op den rand van +haar corsage, alsof zij iets schikte. Mevrouw Hoze verliet haar, ging +eene dame en een heer tegemoet, en Cecile antwoordde vluchtigjes den +generaal. Zij was zeer bleek, en meer en meer knipten hare oogleden. +Haar blik dorst even door den salon te zoeken. + +Zij stond naast den generaal, zich dwingend te luisteren om niet iets +heel dwaas te antwoorden; zij was heel lang, rank en recht, hare +schouders blondwit als een marmer, waar zon over schijnt, bloesemend uit +eene sombere vaas van zwart: fijne zwarte tulle, die sleepte, geheel en +al bezaaid met kleine zwarte pailletten, als loovertjes van git: eene +glinstering van zwart op transparant zwart, dat dof was; een koord met +gitten kwasten, die laag afhingen, gestrikt om haar leest. Zoo stond zij +daar blond, blondblank en zwart, een beetje somber in het licht van +andere toiletten, en als eenige helte, in haar ooren een paar diamanten, +die waren als droppelen dauw. + +Er was eene trilling in hare dunne Suede vingers, die den waaier +bewogen: eene zwarte tulle transparentheid, waarop dezelfde loovertjes +van git glinsterden als met een spel van glansjes zwart. Zij ademde wat +snel achter den doorschijnenden wiek van den waaier, pratende met den +generaal, mager en kaal, gedistingueerd, niet in uniform, maar bestard +met een paar decoraties. + +De gasten van Mevrouw Hoze liepen door elkaar, begroeteden elkander hier +en daar, in een voortdurend gonzen van stemgeluid. Cecile zag Taco +Quaerts naar haar toekomen; hij boog voor haar; zij boog terug, zonder +hem de hand te geven, met haar kouden blik. Hij bleef even bij haar +dralen met een enkel woord, toen ging hij verder, andere kennissen +begroetend. + +Mevrouw Hoze had den arm van een ouden heer genomen; een defile begon +zich langzaam te formeeren. De lakeien hadden deuren open geschoven; een +tafel glinsterde, half zichtbaar. De generaal boog zijn arm naar Cecile +toe, wier blik achter zich zag met eene loome halswending. Zij sloot +even hare oogleden, om ze niet zoo te laten knippen. Eene teleurstelling +deed hare wenkbrauwen bewegen, maar glimlachend legde zij de tippen +harer vingers op den arm van den generaal en streek met den dichten +waaier een plooi weg uit de tulle van haar sleep. + + + + +II. + + +Zoodra Cecile zat, bespeurde zij, dat aan hare rechterzijde Quaerts was +gezeten. De teleurstelling, dat hij haar niet aan tafel had moeten +brengen, wischte zich dus aanstonds uit, maar haar blik bleef koud, als +altijd. Zij had echter nu wat zij wilde: de verwachting, om welke zij +aan dit diner gekomen was, werd vervuld. Mevrouw Hoze, die Cecile bij de +Van Attema's gezien had, had zich blij tot taak gesteld het, nog zoo +jonge, vrouwtje opnieuw in de wereld te brengen. Cecile wist, dat Quaerts +aan huis kwam bij mevrouw Hoze; zij hoorde door Amelie, dat hij was +geinviteerd en ze had aangenomen. Het lag voor de hand, dat mevrouw Hoze, +die zich herinnerde, dat Cecile Quaerts ontmoet had, hem naast haar +geplaatst had. + +En Cecile was zeer nieuwsgierig om haarzelve. Wat zou zij voelen? +Minstens toch belangstelling; dit kon ze zich niet ontkennen. Zij stelde +belang in hem, om wat haar heugde, dat Jules gezegd had, dat Amelie had +gezegd. Zij voelde reeds, dat achter dien sportman een ander school, +dien zij zocht te kennen. Waarom, wat kon het haar schelen? Ze wist het +niet, maar het was in alle geval een raadsel, dat haar belang inboezemde. +En tevens bleef zij op hare hoede, want zij vond zijne visite niet zooals +het behoorde, en ze herinnerde zich weer den naam der getrouwde vrouw, +dien met den zijne werd genoemd. + +Zij wist zich los te maken van het gesprek met den generaal, die het +zijne roeping scheen te vinden haar bezig te houden, en zij wendde zich, +zij het eerste, tot Quaerts. + +--En leert u Jules tegenwoordig paard rijden? vroeg zij, met een +glimlach. + +Hij zag haar aan, blijkbaar een beetje verwonderd om haar stem en +lachje, beiden voor hem nieuw. Hij antwoordde niet veel. + +--Ja, mevrouw, wij zijn gisteren nog in de manege geweest ... + +Zij vond hem reeds onhandig, dat hij het gesprek zoo vallen liet, maar +hij vroeg met dat beetje verlegenheid, dat, om zijne flinkheid, hem een +charme werd: + +--U gaat dus weer uit, mevrouw? + +Zij vond,--zij had het verleden ook reeds gevonden,--dat hij wel eens +vragen deed, die men niet deed. Dat was iets vreemds in hem. + +--Ja ... wist ze niets anders te zeggen. + +--Pardon ... zeide hij, ziende, dat zijne woorden haar lichtjes verlegen +maakten. Ik vroeg dat, omdat ik ... ik ... + +--Omdat? herhaalde ze met groote oogen. + +Hij vermande zich en zeide het ronduit: + +--Dolf sprak altijd veel over u en zei, dat u stil leefde ... Ik kon me u +zoo niet meer voorstellen in de wereld, onder veel menschen: ik had me +een idee van u gemaakt en dat idee schijnt nu verkeerd te zijn. + +--Een idee? vroeg ze. Welk idee? + +--U is misschien boos, als ik u dat zeg. U is misschien toch al niet zoo +heel tevreden over me! schertste hij. + +--Ik heb volstrekt niet tevreden of ontevreden over u te zijn! schertste +zij terug. Maar vertel me nu van dat idee ... + +--U stelt dus daarin belang? + +--Als u het me oprecht vertelt, zeker. Maar dan oprecht zijn! dreigde +zij met den vinger. + +--Nu dan ... begon hij. Ik dacht me u als een vrouw, heel ontwikkeld, +heel interessant,--en dat alles denk ik nu nog--en: een vrouw, die niets +gaf om de wereld buiten haarzelve en dat ... dat denk ik nu niet meer. En +ik zou bijna zeggen, op gevaar af, dat u me heel vreemd vindt: het spijt +me, dat ik dat niet meer denk. Ik had u bijna liever niet hier willen +ontmoeten ... + +Hij lachte, om wat er voor vreemds in zijne woorden was, te temperen. +Zij zag hem aan, hare wimpers trillende van verbazing, hare lippen even +geopend, en in eens scheen het haar toe, dat zij hem voor den eersten +keer in zijne oogen zag. Zij zag hem in die oogen, en ze zag, dat ze +diep grijs waren, heel diep, met eene zwarte, nog diepere, pupil. Er was +iets in die oogen, ze wist niet wat, maar iets van magnetisme, als zou +zij de hare nooit meer kunnen afwenden. + +--U kan toch wel vreemd zijn! sprak ze werktuigelijk: woorden, die haar +bij intuitie ontwelden. + +--O, toe wees er niet boos om! smeekte hij bijna. Ik was al zoo blij, +dat u vriendelijk met me sprak: u was verleden een beetje hoog tegen me +en het zou me zoo spijten als ik u ontstemd had. Ik weet wel, dat ik +vreemd ben, maar ik kan tegenover u onmogelijk gewoon zijn, onmogelijk, +zelfs al werd u er boos om ... _Is_ u er boos om? + +--Ik zou het eigenlijk wel moeten zijn, maar om uw franchise zal ik u +maar vergeven! lachte zij. Galant was u anders allesbehalve. + +--Ik bedoelde het toch niet ongalant. + +--Dat zal wel! schertste zij terug. + +Zij herinnerde zich weer, dat zij op een groot diner was. De gasten over +haar en langs haar zich reiend; de lakeien, dienende daar achter: het +licht der kaarsen tintelend op zilver en regenbogend in kristal; op +tafel veel spiegel, als water gevat in bloemen, kleine meeren tusschen +mosrozen en lelietjes van dalen. Zij bleef even zwijgen, nog glimlachend, +turende op hare hand, een mooie hand, als een wit kunstvoorwerp in de +tulle van haren schoot, met, aan een enkelen vinger, vele ringen; +sparkelende vonkjes blauw en wit vuur. De generaal wendde zich weer tot +haar; zij wisselden eenige woorden, de generaal innerlijk verheugd, dat +de rechter-buurman mevrouw Van Even bezighield, en hij voor het meerendeel +rustig eten kon. Quaerts wendde zich tot de dame aan zijne andere zijde. + +En het was hun beiden aangenaam toen zij zich weer met elkaar konden +bezighouden. + +--Waar hadden wij het zoo even over? vroeg zij. + +--Ik weet het nog wel! sprak hij ondeugend. + +--De generaal brak ons gesprek af ... + +--U was _niet_ boos op me! schertste hij. + +--O ja, lachte zij zachtjes. Uw idee over mij, niet waar? Waarom kon u +mij zich niet meer voorstellen, in de wereld? + +--Ik dacht me u iemand apart geworden. + +--Waarom dan toch? + +--Om wat Dolf zei, om wat ikzelve dacht, als ik u zag. + +--En waarom heeft u nu spijt, dat ik niet "iemand apart" ben? lachte zij +steeds. + +--Uit ijdelheid; omdat ik verkeerd dacht. En toch: misschien dacht ik +ook niet verkeerd ... + +Zij zagen elkaar aan en beiden, hoewel ze het anders dachten, dachten +zij het zelfde: namelijk, dat zij voorzichtig met hunne woorden moesten +zijn, want dat ze over iets zeer fijns en teeders spraken, iets broos +als een zeepbel, dat breken kon als zij er te hard over spraken, alleen +reeds door adem van woorden. Toch dorst zij nog vragen: + +--En waarom ... gelooft ... u, dat u toch wel ... goed gedacht kan hebben? + +--Dat weet ik niet precies. Misschien omdat ik het verlang. Misschien +ook, om dat het zoo waar is, dat het geen twijfel meer toelaat. O ja, +ik weet bijna zeker, dat ik goed gedacht heb. Weet u waarom? Omdat ik +me anders had verborgen en gewoon was geweest en dat ik dat tegenover u +niet heb kunnen doen. Ik heb u al zoo veel van me gegeven in dit korte +oogenblik als ik menschen, die ik jaren ken, in al die jaren niet +gegeven heb. Daarom moet u zeker iemand apart zijn. + +--Maar wat bedoelt u met "iemand apart"? + +Hij glimlachte, hij opende zijne oogen, ze zag hem er in, diep in. + +--Dat begrijpt u wel! sprak hij. + +De angst voor het teedere, dat breken kon, was weer tusschen hen. Zij +begrepen elkaar als met eene vrijmetselarij van gevoel. Een magnetisme +ketende haren blik aan den zijne. + +--U is toch wel vreemd! sprak ze weer, werktuigelijk. + +--Neen, zeide hij kalm, zijn hoofd schuddend, zijn blik op den hare. Ik +weet zeker, dat ik voor u niet vreemd ben, ook al denkt u dat nu. + +Zij zweeg. + +--Wat ben ik blij, zoo met u te mogen spreken! fluisterde hij. Ik ben er +heel gelukkig om. En ziet u eens, niemand merkt er iets van. We zitten +hier aan een groot diner: naast ons kunnen ze zelfs onze woorden hooren, +en niemand, die ons begrijpen zou en zou vatten, waarover wij het +hadden. Weet u waarom dat is? + +--Neen, murmelde zij. + +--Dat zal ik u eens zeggen: ten minste, ik geloof, dat het zoo is. +Misschien weet u het beter, want u moet de dingen beter weten dan ik, +omdat u zooveel fijner is. Maar ik voor mij geloof, dat ieder mensch een +cirkel om zich heeft, een atmosfeer, en dat hij andere menschen ontmoet, +die cirkels of atmosferen om zich hebben, sympathiek of antipathiek aan +de zijne. + +--Dat is mystiek? zeide zij. + +--Neen! antwoordde hij. Het is heel eenvoudig. Als nu de cirkels +antipathiek zijn, stuiten ze elkaar af, maar als ze sympathiek zijn, +glijden ze over elkaar met kleinere of grootere bogen van sympathie. In +sommige gevallen bedekken de cirkels elkaar bijna geheel en al, maar ze +blijven toch altijd twee ... Vindt u dat alles heusch zoo mystiek? + +--Men zou het gevoelsmystiek kunnen noemen. Maar ... ik heb ook wel eens +zoo iets gedacht ... + +--Jawel, dat begrijp ik! ging hij kalm door, als wist hij dat wel. Nu: +ik geloof, dat de anderen ons niet zouden vatten, omdat wij alleen hier +sympathieke cirkels hebben. Maar mijn kring is van een veel inferieurder +substantie dan de uwe, die heel mooi is. + +Ze zweeg weer, ze dacht aan hare antipathie voor hem: voelde ze die nu +wel? + +--Wat denkt u er van? vroeg hij. + +Ze zag op, hare witte vingers trilden in de tulle van haar schoot. Zij +poogde vaag te glimlachen. + +--U gaat te ver, geloof ik! stamelde zij. + +--U vind, dat ik dweep? + +Zij had iets als ja willen zeggen, zij kon niet. + +--Neen, antwoordde zij. Dat niet ... + +--Ik verveel u...? + +Zij zag hem aan, diep in zijne oogen. Zij knikte van neen. Zij had iets +willen zeggen, dat hij te weinig conventioneel sprak op dit oogenblik, +zij kon dat ook niet. Door haar geheele wezen smolt eene zachtheid. De +tafel, die menschen, dat geheele diner, scheen haar door een waas van +licht. Toen zij zich weer geheel bewust was, zag zij, dat aan den +overkant eene dame zat, wier blik haar vast aanzag en zich nu uit +beleefdheid afwendde. Zij wist niet wat het haar schelen kon, maar ze +vroeg aan Quaerts: + +--Wie is toch die dame, daar, in het lichtblauw, met dat donkere haar? + +En zij zag, dat hij schrikte. + +--Dat is de jonge mevrouw Hijdrecht! sprak hij toen, rustig, een beetje +hoog. + +Ook zij ontstelde nu; zij werd bleek, hare vingers sloegen zenuwachtig +den waaier op en neer. + +Hij had den naam gezegd van haar, die zijne maitresse werd genoemd. + + + + +III. + + +Toen was het Cecile alsof het gebroken was, dat teedere, dat broze, die +zeepbel. Ze dacht of hij wellicht tegen die vrouw met het donkere haar +ook gesproken had over cirkels van sympathie. Zoodra zij kon, nam Cecile +mevrouw Hijdrecht op. Zij had een warm teint van mat goud, donkere +brandende oogen, een mond als van frisch bloed. Zij was laag +gedecolleteerd; haar hals en de glooiing van heur borst vertoonden zich +brutaal mooi, zinnelijk vol. Een enkele ris diamanten omvatte haar nek +in een nauw snoer van blank gevlam. + +Cecile voelde een malaise. Het scheen haar toe of ze met vuur speelde. +Zij wendde haar blik van de jonge vrouw af en zag Quaerts aan, +magnetisch gedwongen. Zij zag, dat er eene melancholie heentrok over het +bovenste gedeelte van zijn gelaat: zijn voorhoofd en zijne oogen, waarin +soms iets ouds was. En zij hoorde hem zeggen: + +--Wat kon u nu de naam van die dame schelen; we waren juist in zoo een +mooi gesprek ... + +Ook zij voelde zich nu treurig. Treurig om haar gebarsten zeepbel. +Waarom, wist ze niet, maar ze had medelijden met hem: plotseling, diep, +zielediep medelijden. + +--We kunnen ons gesprek hervatten! zeide zij zacht. + +--Ach neen, laten we liever niet opnemen, waar we gebleven zijn! hernam +hij, quasi luchtig. Ik word lang van stof ... + +En hij sprak over andere zaken. Zij antwoordde weinig, en hun gesprek +kwijnde. Beiden hielden zij zich met hunne buren bezig. Het diner liep +ten einde. Mevrouw Hoze rees op, nam den arm van den heer naast haar. De +generaal geleidde Cecile naar den salon, door het langzaam voortwandelen +der anderen heen. + +De dames bleven alleen; de heeren gingen met den jongen Hoze rooken. En +Cecile zag mevrouw Hoze naar haar toe komen. Zij vroeg of ze zich niet +verveeld had aan haar diner, zij gingen samen zitten, in een +vertrouwelijk tete-a-tete. + +Cecile dwong zich mevrouw Hoze te antwoorden, maar gaarne was ze ergens +zachtjes gaan weenen, omdat alles zoo gauw voorbij ging, omdat de stip +van het heden zoo klein was. Voorbij alweer, de lieve bekoring van hun +beider gesprek over sympathie aan dat diner van zoo even: eene broze +intimiteit te midden der wereldsche schijnsels om hen heen. Voorbij, +dat oogenblik, en nooit, nooit zou het weer terug komen: het leven +overstroomde het met zijn verder-vloeien als met een water, dat alles +uitwischte. O, de melancholie dat te bedenken; te bedenken hoe gauw, +als een geur, die niet te grijpen is, alles vervliegt, dat lief is ... + +Mevrouw Hoze verliet haar; Suzette van Attema kwam Cecile aanspreken. +Ze was in het roze en ze tintelde van iets schitterends, alsof er veel +stofgoud over haar heen was gevallen, over hare bewegingen, hare oogen, +hare woorden. Zij sprak druk met Cecile, vertelde lange verhalen +waarnaar Cecile niet altijd luisterde. Op eens hoorde Cecile, door +Suzette's gekakel heen, achter zich twee vrouwenstemmen, fluisterend en +vertrouwelijk: zij verstond slechts ten deele: + +--...Emilie Hijdrecht, daar ... + +--...Praatjes misschien en mevrouw Hoze schijnt er zich niet aan te +storen. + +--...O, ik weet het zeker! + +De stemmen verloren zich in het gegons der anderen. Cecile ving alleen +nog even een klank als den naam van Quaerts op. Maar Suzette vroeg +eensklaps: + +--Kent u de jonge mevrouw Hijdrecht, tante? + +--Neen. + +--Daar, met die diamanten. U weet, ze zeggen van Quaerts. Mama gelooft +het niet. Hij is anders wel een flirt. U heeft naast hem gezeten? + +In de geheimste snaren van haar sensitivisme leed Cecile zeer. Zij trok +zich geheel en al terug in zichzelve; zij deed alle moeite iets anders +te schijnen dan zij was. Suzette merkte niets van haar malaise. + +De heeren kwamen weer binnen. Cecile lette op of Quaerts mevrouw +Hijdrecht zou aanspreken. Maar hij nieerde haar geheel en zelfs, toen +hij Suzette naast Cecile zag, wendde hij zich tot haarbeiden, om met +Suzette, wie hij nog niet gesproken had, te schertsen. + +En het was Cecile een verlichting, toen zij kon vertrekken. Zij snakte +naar eenzaamheid; zij had zich geheel en al verloren, zij smachtte er +naar zich terug te vinden. In haren coupe dorst zij bijna niet ademen, +bang voor iets, dat zij niet had kunnen zeggen. Thuis gekomen voelde zij +eene lauwe loomte, die haar als verlamde en zij sleepte zich de trap op, +naar hare kleedkamer. + +En toch, op die trap, als van de zoldering van heur thuis, viel als een +waas van beschermende veiligheid over haar heen. Langzaam steeg zij, +heur hand, die den langen handschoen vasthield, telkens drukkende op de +fluweelen leuning der trap. Het was haar of ze flauw zou vallen. + +--Maar, mijn God ... ik hou van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief! +fluisterde zij, in eene plotselinge zelfverbazing, tusschen hare bevende +lippen in. + +Het was als een rythme van verwondering, waarop ze, moe, hooger de trap +op ging, hooger en hooger, in eene stille overrassing van plotselingen +lichtschijn. + +--Maar ik hou van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief! + +Het klonk door hare vermoeidheid heen als eene melodie. + +Ze had nu hare kleedkamer bereikt, waar Greta het gas had opgestoken: ze +sleepte zich naar binnen. De deur der kinderslaapkamer stond half open; +ze ging er even in, sloeg den gordijn van Christie's bedje op, zonk neer +op hare knieen en zag naar het kind. Het ontwaakte half, nog in een +lauwen dommel; het kroop een beetje uit de lakens, lachte, sloeg zijne +handjes om Cecile's blooten hals. + +--Mama-te! + +Zij knelde hem vast tegen zich aan in de omhelzing harer tengere, witte +armen; ze zoende hem op zijn frambozenmondje, op zijne lodderige oogjes, +en intusschen zong het voort in haar hart, dwars door hare vermoeidheid +heen, die haar als brak, daar, voor het bed van haar kindje: + +--Maar ik hou van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief, lief, lief ... + + + + +IV. + + +Mysterie! Het was in eens, daar op die trap, voor haar opengestraald in +hare ziel, als eene groote bloem van licht, mystieke roos met glanzende +bladen, die zij nu, in eens, in het gouden hart zag. Dat was niet meer +te analyzeeren, zooals zij altijd zoo gaarne deed, dat was het Raadsel +der Liefde, het eeuwige Raadsel, dat in haar opengestraald was, +doorschietende met zijne stralen geheel de wijdte harer ziel, waarin het +midden-in ontloken was als eene zon in een heelal; daar was niet meer +aan te vragen: waarom, waarom; daar was niet meer over te peinzen en +droomen, dat was alleen aan te nemen als het onverklaarbare +zielefenomeen; dat was een Schepping van Gevoel, waarvan de god, die +geschapen had, evenmin ooit zou zijn te vinden in de intime essence +zijner waarheid, als de God te vinden was, die de wereld had geschapen +uit den chaos. Dat was het Licht, brekende uit de Duisternis, dat was de +hemel, ontsloten boven de aarde! + +En dat bestond, dat was realiteit en geen sprookje! Want dat was geheel +en al in haar; eene plotseling onloochenbare, bliksemsnel uitgeschoten, +Waarheid, een Feit van Voelen, zoo reeel in zijne etherische +lichaamloosheid, dat het haar toescheen, of zij, voor dit oogenblik, +nooit had geweten, had gedacht, had gevoeld. Dat was het begin: aanvang +van haarzelve, dageraad van haar zielleven, heilig mirakel der +onbevlekte geboorte van Liefde, midden-in, in hare ziel, als haar +zonne-middenpunt. + +En zij leefde de dagen, die kwamen, in hare zelfverwondering voort, +dwalende door haar gedroom als door een nieuw land, waar veel licht +scheen, met verre, in licht verbleekte landschappen, die waren als +luchtverhevelingen, in glanstrillingen sidderende aan den horizont. Het +was haar of ze, als een vrome, blijde pelgrim, langs oazen van paradijs +naar die verre oorden voorttoog, om daar te vinden nog meer: het Doel +harer reize ... Kort geleden nog had zij weinig voor zich gezien--hare +kinderen weg, hare eenzaamheid om zich heen als een nacht--en nu, nu zag +ze voor zich een langen weg, een wijde kim, wegglansend in licht, alles +licht ... + +Dat was, dat alles was! Dat was geen mooie leugen van dichters; het +bestond, het straalde in haar hart als een heilig juweel, als eene +mystieke roos met meeldraden lichts! En frischheid, als een dauw, viel +over haar neer, op geheel het leven: op het leven der zinnen; het leven +der uiterlijke schijnsels; op het leven der ziel; het leven der +in-waarheid. De wereld was nieuw, frisch van nieuwen dauw, de wereld was +het Eden van Genesis en hare ziel zelve was eene ziel van nieuwheid, uit +zich herboren, in eene metempsychoze van meer volmaking, van dichter +genaken tot het doel, dat verre Doel, daar ver weg, als eene onzichtbare +god verscholen in de heiligheid van zijne lichtextaze, als in de +uitstraling van zichzelven. + + + + +V. + + +Cecile was enkele dagen niet uitgegaan en zij had niemand gezien; op een +morgen ontving zij een briefje; het luidde: + + +Mevrouw! + +Ik weet niet of u mijn mystieke woorden heeft kwalijk genomen. Ik weet +niet juist meer wat ik gezegd heb, maar ik herinner me hoe u tot me zei +dat ik te ver ging. Ik hoop dat u om dat te ver gaan niet boos is. Het +zou mij een groot geluk zijn, zoo ik u mocht komen zien. Mag ik hopen, +dat u me toestaat u van middag een bezoek te komen brengen? + +Met mijn eerbiedigste groeten, + +QUAERTS. + + +Daar men op antwoord wachtte, schreef zij dadelijk terug: + + +Geachte Heer! + +Het zal mij aangenaam zijn u vanmiddag te ontvangen. + +CECILE VAN EVEN. + + +Toen zij daarop alleen was las ze zijn briefje over en nog eens over, +bezag zij met een glimlach het papier, bezag zij de letters van het +schrift. + +--Hoe vreemd! dacht ze. Dat briefje, en dat dit alles zoo is. Wat is +alles vreemd, alles, alles! + +Lang bleef zij droomen, het briefje in de hand. Toen vouwde zij het met +zorg dicht; zij stond op, liep de kamer op en neer, zocht met hare fijne +vingers in een coupe vol visitekaartjes en nam er twee uit, die zij lang +bezag. Quaerts ... Die naam had een anderen klank dan vroeger ... Hoe +vreemd dat alles! En ze sloot eindelijk het briefje en de twee kaartjes +weg in een klein, leeg loketje van hare schrijftafel. + +Zij wilde thuis blijven en liet de kinderen wandelen met de kindermeid. +Zij hoopte, dat er geene andere visite komen zou, noch mevrouw Hoze, +noch de Van Attema's. En voor zich uit turende dacht zij na, lang, lang +na. Er was zooveel, dat ze niet begreep: eigenlijk begreep ze niets. +Wat haarzelve betrof, zij had hem lief gekregen, dat was niet meer te +doorgronden, dat was alleen aan te nemen. Maar hij, hoe was hij en wat, +wat was er in hem? + +Hare antipathie in den aanvang? Sport ... hij deed veel aan sport, +herinnerde zij zich ... Zijne visite, die eene indiscretie was geweest ... +Hij scheen dat nu te willen goed maken en haar niet meer te komen +bezoeken zonder hare toestemming. Zijn mystiek gesprek aan dat diner ... +En mevrouw Hijdrecht ... + +--Wat is hij vreemd, dacht ze. Ik begrijp hem niet. Maar ik heb hem +lief; ik kan niet anders. Lief lief ... wat vreemd dat dat bestaat! Ik +wist nog niet, dat dat bestond! Ik ben niet meer mezelve: ik word een +ander! Wat zou hij van mij willen...? En hoe zonderling: ik ben getrouwd +geweest, ik heb twee kinderen? Wat zonderling, dat ik twee kinderen heb! +Het is me of dat niet zoo is. Ach, en ik hou toch zoo van ze, mijn +ventjes! Maar dat, dat is zoo mooi, zoo helder, zoo doorzichtig, alsof +dat alleen de waarheid is. Misschien is liefde alleen de waarheid ... +Het is alsof alles kristal in en om me wordt! + +Zij zag om zich heen en het verwonderde haar, het hinderde haar, dat +in die dagen hare omgeving de zelfde was gebleven: de rozenhouten +meubeltjes, de plooien der behangsels, het dorre boomlandschap van den +Scheveningschen weg daar buiten. Maar het sneeuwde, stil en zacht, met +langzame, groote vlokken, die zwaar neervielen of zij de wereld wilden +rein maken. Die sneeuw was frisch en nieuw, maar toch was die sneeuw +niet de eigenlijke natuur voor haar, die steeds hare verre landschappen +zag, als fata morgana's, sidderend in trillingen van licht. + +Om vier uur trad hij binnen. Zij zag hem dus nu voor den eersten keer na +de zelfkennis, die door haar was geschoten, als eene verwondering. En +toen hij binnentrad voelde zij de zonderling zalige gewaarwording, dat +hij zich voor haar vergoedde, dat hij zich volmaakte voor hare +verbeelding, dat alles in hem goed was. Nu hij daar voor haar gezeten +was, zag zij hem voor het eerst, en zij zag, dat hij mooi was. De kracht +van zijn lichaam verheerlijkte zich tot de kracht van een jongen god, +breed toch slank, en gespierd als met de marmeren spieren van een beeld, +vreemd dat alles onder de moderniteit van zijn half gekleed kostuum. +Voor het eerst zag ze zijn gelaat, zag ze het geheel en al. De snit +ervan was Romeinsch, als van een keizerskop, met zijn zinnelijk profiel, +zijn kleinen, vollen mond, levend rood onder het goudbruin van zijn +kroessnor. Laag het voorhoofd--het haar zeer kort geknipt, als een rond +zwart vlies--, en over dat voorhoofd, met zijn enkele groef, eene +treurigheid als een waas van ouderdom, vreemd in tegenstelling met de +wulpsche jeugd van zijn mond en kin. En dan zijne oogen, die zij reeds +kende, zijne oogen van geheimenis, klein en diep liggend, met de diepte +van hunne pupil, die zich nu scheen te sluieren en dan weer openblonk. + +Maar het vreemdste was, dat van geheel zijn mooi, van geheel zijn wezen, +van geheel zijn zitten daar, met zijne handen gevouwen tusschen zijne +knieen, een magnetisme tot haar uitging, dat haar als tot hem trok, +onwederstaanbaar, als was ze, in eens, van haar eerste moment van +zelfkennis af, zijn ding geworden, dat hem in alles zou dienstbaar zijn. +Zij voelde dat magnetisme haar zoo hevig aantrekken, dat alles in haar +smolt tot loomheid en zwakte. Eene zwakte, als zou hij haar kunnen nemen +en wegdragen, ergens heen, waar hij wilde; eene zwakte, als had zij +geene eigen gedachte meer, als was ze niets dan hem geworden. + +Dit voelde zij intens en toen, toen was het allervreemdste, dat hij daar +zitten bleef als op een afstand van eerbied, dat zijn oog tot haar opzag +met eerbied, dat zijne stem klonk in eerbied. Toen was het +allervreemdste, dat zij hem beneden zich zag, terwijl zij hem boven zich +voelde; dat zij zijne mindere wilde zijn en hij haar eene hoogere scheen +te achten. Zij wist niet hoe zij dit alles in eens zoo intens doordrong, +maar zij drong het door en het was de eerste pijn, die haar om heure +liefde trof. + +--U is toch wel lief, dat u niet boos op me is! begon hij. + +In zijne stem klonk vaak iets vleiends; ze was niet helder en zelfs nu +en dan wat gebroken, maar dit gaf er juist eene bekoring van timbre aan. + +--Waarom? vroeg ze. + +--Ik ben ten eerste indiscreet geweest met mijn visite. Ten tweede ben +ik ongalant geweest op het diner van mevrouw Hoze. + +--Een heel zondenregister! lachte zij. + +--Zeker! ging hij voort, en u is wel goed dit alles niet kwalijk te +nemen. + +--Misschien heb ik dat niet gedaan omdat ik altijd zooveel goeds van u +hoor bij Dolf. + +--Heeft u nooit iets vreemds in Dolf gezien? vroeg hij. + +--Neen, wat dan? + +--Heeft het u nooit gefrappeerd, dat hij meer oog heeft voor de groote +ensembles van politieke vraagstukken, dan voor de details van zijn eigen +omgeving? + +Zij zag hem aan, glimlachend verbaasd. + +--Ja, zeide zij. Dat merkt u juist op. U kent hem goed. + +--O, we kennen elkaar al lang, van jongens af. Het is curieus: hij ziet +nooit de dingen, die vlak bij hem liggen; hij doordringt ze niet. Hij is +intellectueel verziende. + +--Ja, beaamde zij. + +--Hij kent zijn vrouw niet, zijn dochters niet en Jules niet. Hij +begrijpt niet wat er in ze is. Hij maakt zich van ieder vaste beeldjes +en zet die in zijn geest vast, en die beeldjes vormt hij naar twee +karaktertrekken, die vooruitspringen en elkaar wat opbouwen en afbreken. +Mevrouw Van Attema schijnt hem een coeur d'or, maar onpractisch: en +daarmee uit. Jules: een muzikaal genie, maar een onhandelbare jongen: +uit. + +--Ja, hij denkt niet ver na over karakters, zeide zij. Want er is nog +veel meer in Amelie ... + +--En Jules heeft hij heelemaal mis! meende Quaerts. Jules is zeer +handelbaar en niets geniaal. Jules is niets dan aanhankelijkheid met wat +rudimentair talent. En u, ... u heeft hij ook mis! + +--Mij? + +--Geheel en al! Weet u hoe hij u vindt? + +--Neen. + +--Hij vindt u,--laat me dit vooraf zeggen,--zeer, zeer sympathiek en een +lief mama-tje voor haar jongens. Maar hij meent verder, dat u onbekwaam +is heel veel van iemand te houden; hij vindt u een vrouw zonder passie +en melancholiek zonder reden, alleen uit wat verveling. Hij denkt, dat u +zich verveelt! + +Zij zag hem geheel en al ontsteld aan, en ze zag hem ondeugend lachen. + +--Ik verveel me nooit! sprak ze, ook lachend en met volle overtuiging. + +--Neen, natuurlijk niet! antwoordde hij. + +--Hoe weet _u_ dat! vroeg ze. + +--Dat voel ik, hernam hij. En ik voel nog meer. Ik weet ook, dat het +fond van uw karakter niet melancholiek is, niet donker, maar heel licht. + +--Dat weet ik zelf zoo niet! murmelde zij bijna, loom, met die zwakte in +haar, gelukkig, dat hij haar zoo doorzag. En, ging zij, heel luchtigjes, +voort, zou u ook gelooven, dat ik niet in staat ben veel van iemand te +houden? + +--Dat is nu iets, dat _ik_ niet weet! zeide hij, met zooveel +oprechtheid, dat zijn geheele gelaat zich in eens verjeugdigde en de +groef van zijn voorhoofd weg was. Dat weet _ik_ niet. + +--U weet anders wel veel van me! schertste zij. + +--Ik heb u al zoo dikwijls gezien. + +--Nauwlijks vier maal! + +--Dat is heel veel! + +Zij lachte helder. + +--Is dat nu galant? vroeg ze vroolijk. + +--Het is zoo bedoeld, sprak hij terug. U weet niet hoeveel het voor me +is, als ik u zie. + +Het was veel voor hem haar te zien! En zij voelde zichzelve zoo klein, +zoo weinig, en hem zoo groot, zoo veel. Wat sprak hij beslist, wat wist +hij dat alles zeker! Ze was er bijna treurig om, dat hij zooveel vond in +eene enkele maal haar te zien. Hij stelde haar te hoog; zij wenschte +niet zoo hoog gesteld te worden. + +En dat teeder-broze hing weer tusschen hen, zooals het aan het diner +tusschen hen gehangen had. Daar was het gebroken door een ongelukkig +woord, o, dat het nu toch niet zou breken! + +--Laten we nu eens over _u_ spreken! zeide zij met eene aangenomen +luchtigheid. Weet u wel, dat u alle moeite doet mij te doorgronden, en +dat ik niets weet van u! Dat is niet eerlijk. + +--Als u wist, hoeveel ik u al gegeven heb. Ik geef me u geheel en al: +voor anderen verberg ik me altijd. + +--Waarom? + +--Omdat ik bang voor die anderen ben! + +--_U_ bang? + +--Zeker. U vindt, dat ik er niet naar uit zie om bang te zijn? Ik bezit +iets ... + +Hij aarzelde. + +--Nu? vroeg ze. + +--Ik bezit iets, dat me heel dierbaar is en waarvoor ik heel bang ben, +dat de menschen het zullen aanraken. + +--En wat is dat? + +--Mijn ziel. En ik ben niet bang, dat u dat zal aanraken want u zal het +geen pijn doen. Integendeel: het voelt zich juist heel veilig bij u. + +Ze had hem weer, werktuigelijk, zijne vreemdheid willen verwijten: zij +kon niet. Maar hij ried hare gedachte. + +--U vindt me een heel zonderling mensch, niet waar? Ik kan niet anders +zijn tegenover u! + +Zij voelde hare liefde zich in haar hart als uitspannen, het als +verwijden tot alomwijdte in haar. Haar liefde was als eene ruimte, +waarin hij dwaalde. + +--Ik begrijp u nog niet, ik ken u nog niet! sprak ze zachtjes. Ik zie u +nog niet ... + +--Zou u er eenigszins belang in stellen mij te zien?! + +--Zeker. + +--Mag ik u dan van mij vertellen? Ik zou het gaarne doen, het zou mij +een groot geluk zijn. + +--Ik zal heel graag naar u hooren. + +--Een vraag vooraf: u houdt niet van menschen, die aan sport doen? + +--Zeker wel; ik hou er veel van krachtsontwikkeling te zien, als ik er +zelve buiten ben. Daarom hou ik ook van naar een storm te hooren, als ik +zelve thuis ben. En ik kijk zelfs heel gaarne naar acrobaten. + +Hij lachte even. + +--Die sport was u toch in mij antipathiek? + +--Waarom denkt u dat? + +--Dat heb ik gevoeld. + +--U voelt alles! zeide zij, bijna bang. U is een gevaarlijk mensch, +hoor. + +--Dat denken er heel veel. Mag ik u zeggen, waarom ik geloof, dat mijn +sport u antipathiek was? + +--Ja. + +--Omdat u dien niet in _mij_ begreep; ook al zag u me misschien aan, dat +ik er veel aan doe. + +--Ik begrijp u in het geheel niet. + +--Juist ... Maar laat me toch niet zoo over mezelven praten; ik praat +liever over u. + +--En ik liever over u. Wees dus nu voor de eerste maal galant tegenover +me en spreek ... over uzelven. + +Hij boog met een lachje. + +Als u me dan niet pedant vindt. + +--Ach wel neen. U zou me van u vertellen. U begon met te spreken over +sport ... + +--U helpt me op den goeden weg ... Zou u kunnen begrijpen, dat er twee +menschen in me zijn? + +--Twee menschen?... + +--Ja. Mijn ziel, die ik beschouw als mijn eigenlijke mensch en dan ... +dan nog iets anders. + +--En wat is dat andere? + +--Iets leelijks, iets gemeens, iets brutaal primitiefs. Het beest, in +een woord. + +Zij haalde lichtjes hare schouders op. + +--Wat maakt u uzelven zwart. Zoo iets is er in iedereen! + +--Ja maar, mij hindert het meer dan ik u zeggen kan. Ik lijd er onder; +dat beest doet mijn ziel pijn, nog meer pijn, dan de heele wereld haar +pijn doet. En weet u nu waarom ik me vooral bij u voel, alsof ik veilig +ben? Omdat ik bij u dat beest niet voel ... Laat mij nog even praten, +laat me even biechten, het doet me zoo weldadig aan, u dat alles te +vertellen. U dacht, dat ik u maar viermaal gezien heb? Maar ik heb u zoo +dikwijls gezien, vroeger, in de comedie, op straat, overal. Het was me +altijd wel vreemd, dat ik u zag in het leven. En als ik dan naar u keek, +dan voelde ik iets, alsof ik tot iets mooiers werd opgenomen. Ik kan het +niet beter uitleggen. Er is iets in uw gezicht, in uw oogen, in uw +bewegingen, ik weet niet wat, maar iets beters dan in andere menschen, +iets, dat, heel welsprekend, alleen tot mijn ziel sprak. Dat alles is +zoo fijn en zoo vreemd; ik kan daar nauwlijks duidelijker over praten. +Maar u zal weer vinden, dat ik te ver ga, niet waar? Of dat ik dweep? + +--Ik zou zeker nooit gedacht hebben dat u zoo een idealist, en zoo een +sensitivist was, sprak Cecile zacht. + +--Mag ik wel zoo tot u spreken? + +--Waarom niet? vroeg zij, om niet te behoeven te antwoorden. + +--Omdat u misschien bang is, dat ik u zou kunnen compromitteeren ... + +--Ik ben daar geen oogenblik bang voor! hernam zij hoog, als minachtende +de menschen. + +Zij zwegen even. Dat teeder-broze, dat zoo licht breken kon, hing nog +tusschen hen, fijn, als een herfstdraad, die hen vereenigde. Eene +atmosfeer van verlegenheid was om hen. Zij voelden, dat er +beteekenisvolle woorden tusschen hen gewisseld waren. Cecile wachtte +even, tot hij weer spreken zou. Maar, toen hij zwijgen bleef, begon zij, +dapper: + +--Ik stel het op hooge waarde, dat u zoo tot me gesproken heeft. U heeft +gelijk: u heeft me wel heel veel van u gegeven. Ik wou u nu verzekeren, +dat alles wat u me gegeven heeft, heel veilig bij me zal zijn. En ik +geloof, dat ik u nu beter begrijp, dat ik u beter zie. + +--Ik zou u gaarne iets vragen, maar ik durf niet! sprak hij. + +Zij glimlachte om hem aan te moedigen. + +--Neen heusch, ik durf niet! herhaalde hij. + +--Wil ik er dan naar raden? schertste Cecile. + +--Ja, wat denkt u? + +Zij zag even de kamer rond, toen naar het kleine tafeltje met de boeken. + +--Emersons Essays? ried ze ten laatste. + +Maar Quaerts schudde zijn hoofd en lachte. + +--Neen, dank u! sprak hij. Die heb ik me al aangeschaft. O, neen, ik zou +u veel meer willen vragen dan een boek te leen. + +--Wees dan dapper en vraag het! schertste Cecile voort. + +--Ik durf niet! herhaalde hij. Ik zou het ook niet onder woorden kunnen +brengen. + +Ze zag hem ernstig aan, in zijne oogen, die haar geheel openblonken, en +toen sprak ze: + +--Ik weet, wat u me vragen wil, maar ik zal het niet zeggen. Dat moet +_u_ doen: zoek dus uw woorden. + +--Als u het dan weet, vergunt u me dan het u te zeggen? + +--Ja, want als ik het goed weet, is het niets wat u niet zou kunnen +vragen. + +--Het zou toch een heele groote gunst zijn ... Want laat me u vooraf +zeggen, dat ik me geheel en al als iemand van lager orde beschouw dan u! + +Eene schaduw waasde over heur gelaat; haar mond had een trekje van pijn, +en ze drong hem, lichtjes ontzenuwd: + +--Toe, vraag het nu. Eenvoudig weg. + +--Zou u dan sympathie met me willen sluiten? Zou u me willen toestaan +bij u te komen, als ik me ongelukkig voel? Ik voel me bij u altijd zoo +gelukkig, zoo mooi, zoo anders dan in het gewone leven, want ik leef bij +u alleen mijn eene mensch, mijn eigenlijke, u weet wel. + +Alles smolt weer in haar tot loome zwakte; o, hij stelde haar te hoog, +en ze was heel gelukkig om wat hij vroeg, maar treurig, dat hij zich zoo +minder voelde dan zij. + +--Goed! sprak zij toch met eene stem van klank. Laten we sympathie +sluiten. + +En zij stak hem hare hand toe, hare mooie, witte, lange hand, met aan +dien eenen vinger de witte en blauwe vonkjes van juweel, en hij drukte +de tippen dier vingers even heel eerbiedig tusschen de zijne. + +--Dank u! sprak hij zacht met zijne stem; die wat gebroken was. + +--Is u dikwijls ongelukkig? vroeg Cecile. + +--Altijd ... antwoordde hij, bijna nederig en verlegen, dat hij dit +zeggen moest. Ik weet niet, wat dat is; ik ben altijd zoo geweest. En +van kind af aan, heb ik toch veel bezeten, dat de menschen geluk noemen. +Maar toch, toch ... Ik lijd door mezelven. Ik doe mezelven het meeste +pijn. En daarna de wereld ... en ik moet me altijd verbergen. Ik geef aan +de wereld alleen een meneer, die paard rijdt en schermt en jaagt, een +meneer, die in de wereld komt en gevaarlijk is voor jonge vrouwen ... Hij +lachte met zijn slecht lachje en hij keek haar schuin in de oogen; zij +bleef kalm naar hem opzien. + +--Verder geef ik ze niets, aan die menschen. Ik haat ze; ik ben niet als +zij, Goddank! + +--U is te trotsch! sprak Cecile. Ieder van die menschen heeft weer zijn +verdriet, evenals u; de een lijdt wat fijner, en de ander wat grover, +maar ze lijden allemaal. En daarom staan ze u allemaal nabij. + +--Ieder op zichzelf, misschien! Maar zoo zie ik ze niet, ik zie ze en +bloc en zoo haat ik ze. U dan niet? + +--Neen, zeide zij kalm. Ik geloof niet, dat ik haten kan. + +--U is heel sterk, in uzelve. U heeft aan uzelve genoeg. + +--O neen, dat niet, heusch niet, maar u ... u is onrechtvaardig tegenover +de wereld. + +--Mogelijk: ze doet me ook altijd pijn. Alleen bij u, daar vergeet ik, +dat ze bestaat, die wereld daar buiten. Begrijpt u nu, waarom ik u zoo +ongaarne bij mevrouw Hoze zag? Het was me of u zich verlaagd had. En +om ... om dit vreemde, dat ik in u zag, heb ik ook niet vroeger uw +kennismaking gezocht. Die kennismaking moest noodlottig gebeuren; daarom +wachtte ik maar ... + +Het Noodlot, wat zou het haar brengen? dacht Cecile. Maar ze kon niet +doordenken: het was haar of ze maar droomde van heele mooie, fijne +dingen, die niet bestonden bij andere menschen en alleen zweefden +tusschen henbeiden, en die mooie dingen waren er al: zij behoefde ze +zich niet meer als illuzie te bespiegelen: het was of zij de toekomst +had ingehaald! Een kort oogenblik slechts dit geluk; toen weer voelde +zij pijn, om zijn eerbied. + + + + +VI. + + +Hij was heen en ze was alleen, wachtende de kinderen. Zij vergat te +bellen, om de lamp te laten aansteken, en de schemering van den laten +namiddag duisterde naar binnen. Zij zat roerloos en keek voor zich uit, +naar de dorre boomen. + +--Waarom ben ik dan niet gelukkig? dacht ze. Hij voelt zich gelukkig bij +mij; bij mij alleen is hij zichzelve, wat hij in de wereld niet zijn +kan. Waarom kan _ik_ dan niet gelukkig zijn. + +Zij had pijn, hare ziel leed, en het scheen haar toe, dat hare ziel leed +voor het eerst, misschien omdat, voor het eerst, die ziel niet zichzelve +was geweest maar een ander. Het scheen haar toe, dat eene andere vrouw +te voren met hem, Quaerts, gesproken had. Eene hooge vrouw: eene vrouw +van illuzie--de vrouw, die hij in haar zag;--en niet de vrouw, die zij +was: eene nederige vrouw, eene vrouw van liefde. O, zij had zich moeten +beheerschen, om hem niet te vragen: Waarom spreek je zoo tot mij? Waarom +voer je je mooie gedachten zoo op tot mij, en waarom laat je ze niet +neerdauwen over me, want zie, ik sta niet zoo hoog als je meent, en zie, +ik lig aan je voeten en mijn blik zoekt je boven me! + +Had zij hem moeten zeggen, dat hij zich bedroog? Had zij hem moeten +vragen: Waarom verlaag ik me door me te mengen met andere menschen? Wie +dan toch zie je in me? Zie, ik ben alleen eene vrouw, eene vrouw van +zachtheid en gedroom, en zie, ik heb je lief gekregen, ik weet niet +waarom! Had zij dan zijne oogen moeten openen en hem moeten zeggen: zie +in een spiegel je eigen ziel en zie jezelven en zie, dat je een god bent +op aarde: een god, die alles weet, omdat hij het voelt, voelt, omdat hij +het weet ... Alles!... Neen ... niet alles, want hij bedroog zich, die god +en hij meende in haar, die slechts schepsel was van hem, zijne gelijke +te zien. Had zij dit alles moeten verklaren, zoo ten koste van hare +schuchterheid als van zijn geluk? Want zijn geluk--ze wist dat nu--was +haar te zien, zooals hij haar zag. + +--Bij mij voelt hij zich gelukkig! dacht ze. En hij heeft sympathie met +me gesloten ... Geen vriendschap sloot hij, en hij sprak niet van liefde, +maar hij noemde dat: sympathie ... Bij mij voelt hij alleen zijn +eigenlijke mensch en niet dat andere ... zijn beest! Zijn beest...!! + +Toen kwam iets over haar drijven als eene somberheid van wolken en zij +huiverde voor wat eensklaps door haar heen klotste: een breede stroom +van zwartheid, als lag er veel modder op de bedding van dien stroom, als +borrelde die modder naar boven in troebele kringen, die grooter werden +en grooter! En zij schrikte voor dien stroom en wilde hem niet zien, +maar hij gulpte over hare landschappen--vroeger zoo helder met kimmen +van licht!--nu, met een lucht van inkt daarboven gesmeerd als vuile +nacht. + +--Wat denkt hij hoog, en wat is zijn gedachte edel! dwong Cecile zich +nog te verbeelden, ondanks dat alles ... + +Maar het ging niet meer: uit haar heen duizelde de bewondering van de +hoogheid zijner gedachte weg in een afgrond en toen, in eens, als met +een bliksem door den nacht van die inktlucht heen, zag ze duidelijk, dat +zij die hoogheid van gedachte betreurde, betreurde in hem! + +Het was geheel donker in de kamer geworden. Cecile had zich, ontzet voor +het weerlicht, dat haar aan zichzelve openbaarde, achterover gegooid in +de kussens der bank. Zij verborg haar gelaat in hare handen, persende +hare oogen, als wenschte zij nu, na die zelfopenbaring, blind te worden. + +Maar demonisch woedde het door haar heen als een orkaan van de hel, +stormvlaag van zinnenpassie, die opblies uit de donkerte van het +landschap en de troebele golven van den stroom zweepte op naar die lucht +van inkt. + +--Oh! kreunde zij. Ik ben hem onwaardig...! + + + * * * * * + + +HOOFDSTUK III. + + + + +I. + + +Quaerts bewoonde op het Plein, boven een kleermaker, twee kamers, klein +en allerbanaalst van gemeubel. Hij had veel beter kunnen wonen, maar +comfort kon hem niet schelen: hij dacht daar nooit voor zijn eigen +interieur aan; bij een ander zelfs trof het hem niet, Jules had het +intusschen gehinderd, dat Quaerts zoo woonde en de jongen had die kamer +al lang willen verfraaien. Hij was nu bezig eenige wapens op een +wapenrek te hangen, staande op een trap, een deun uit een opera tusschen +de lippen. Maar Quaerts sloeg er geen acht op; onbewegelijk lag hij op +de canape, rechtuit, in zijn flanellen hemd, ongeschoren, en zijne oogen +turende naar de renaissance van het Paleis van Justitie, dat achter de +dorre boomen van het Plein een fond van architectuur teekende. + +--Zie dan eens, Taco, of het zoo goed is? vroeg Jules, die een +Marokkaansche sabel tusschen een paar krissen had geplaatst en er de +draperie van een sarong tusschen door trok. + +--Ja, zeker, antwoordde Quaerts. + +Maar hij zag niet op naar de wapens en hij bleef turen naar het Paleis. +Onbewegelijk lag hij daar. Gedachte was er niet in hem; alleen +gedachtelooze zelfontevredenheid en daarom treurigheid. Drie weken lang +had hij geleefd het leven van een roes, om zich te verdooven. Om wat te +verdooven wist bij niet precies. Misschien iets, dat in hem was: dat +mooi was, maar lastig in de gewone wereld. Die roes was begonnen met een +jacht in Noord-Brabant, op het buiten van een vriend. Een week lang met +hun achten, veel sport in de open lucht, gevolgd door jachtdiners met +niet alleen veel fijnen wijn, maar nog meer jenever, ook heele fijne, +als likeur. Rospartijen te paard in den omtrek; baldadigheden bedreven +op een boerderij--de boerin rondgedragen in een ton en opgesloten in de +koeienstal--stoute streken als van kwajongens en wildemannen tegelijk; +proces-verbaal tegen dat alles met politie en schadevergoeding. +Opgewonden als door te veel sport, te veel zuurstof en te veel sterken +drank waren er daarna vijf van het troepje, waaronder Quaerts, naar +Brussel getogen; een had er daar zijn maitresse. Zij hadden er gelogeerd +bijna twee weken lang, in een leven als een voortdurend bacchanaal, met +veel champagne en veel baldadigheid; eene wilde vreugde om te leven, die +eerst natuurlijk, weldra werd opgeschroefd en hooger opgeschroefd om ze +nog een paar dagen langer, te laten duren; de laatste nachten, moe, met +ecarte doorgebracht, zonder meer aan iets anders te kunnen denken dan +aan het idee fixe om te winnen, de uitputting van al hun geweld reeds +vloeiende door hunne lichamen als verslapping en hunne oogen wezenloos +turende op de poppetjes van het spel. + +Quaerts had in dien tijd eene enkele maal aan Cecile gedacht, zonder die +opkomende gedachte door te denken. Zij was wellicht drie, viermaal +verschenen in zijne hersenen als een vaag beeld, wit en doorglazig: eene +schim. Dan was ze weer verdwenen, zonder invloed. In al dien tijd had +hij haar ook niets van zich laten hooren en slechts eenmaal had hij +bedacht, dat een stilzwijgen van drie weken, na hun laatste gesprek, +haar vreemd moest voorkomen. Daarbij was het gebleven. Hij was nu terug, +had drie dagen thuis gelegen op zijn bed, op zijne bank, moe, koortsig, +ontevreden, in eene walging van alles, alles; toen des morgens, +bedenkende, dat het Woensdag was, had hij om Jules gedacht en diens +rijles. + +Hij had Jules laten komen, maar te lui om zich te scheeren en te +kleeden, was hij blijven liggen. En hij lag nog, niet wetende hoe en +wat. Daar voor hem was het Paleis. Daar naast de Hooge Raad. Op zij zag +hij de Witte en de Zwijger stond in het midden van het Plein: dat alles +was heel interessant. En Jules hing wapens op. Ook interessant. En het +interessantste van alles was dat domme leven, dat hij geleid had. Wat +een opschroeving om zijne verveling voor den gek te houden. Had hij zich +in dien tijd geamuzeerd? Neen. Hij had zich aangesteld of hij zich +geamuzeerd had: hij had zich opgewonden met die boerin en met dat +ecarte. De jacht was slecht geweest. De wijn goed, maar hij had er te +veel van gedronken. En dan de smerige champagne van die cocotte ... + +Wat dan? Hij had daar regelmatig behoefte aan, aan zulk een leven, aan +een leven van sport en woest pleizier; het hield hem in evenwicht met +dat andere, dat in hem was, en dat hem tot onmogelijkheid werd in het +leven van iederen dag. Maar waarom kon hij dan ook geen maat houden, +zoowel in het een als in het ander! Hij had geschiktheid voor het gewone +leven en daarbij iets heel moois in zijne ziel; waarom kon hij niet in +evenwicht blijven wiegelen tusschen die twee sferen in hemzelven, en +waarom werd hij altijd geslingerd van de eene naar de andere sfeer, als +iets, dat eigenlijk in geen van beiden element werd? Wat had hij niet +met een klein beetje tact, een klein beetje zelfleiding, zijn leven +tot iets moois kunnen maken, en kunnen bestaan in eene gezonde +levensvreugde, gelouterd door een hooge zieleblijdschap! Maar die tact +tot zelfleiding, ontbrak hem geheel en al; hij leefde zooals hij voelde: +geheel in uitersten; er was geen halfheid in hem. En dit was zoowel zijn +trots als zijn levensleed; zijn trots, dat hij "geheel" voelde of dit of +dat, dat hij niet schipperen kon met zijne gevoelens; en zijn leed: dat +hij niet schipperen kon en niet tot harmonie kon brengen, wat telkens in +hem tegen elkander stiet. + +Toen hij Cecile had ontmoet, had weergezien en nog eens weergezien, had +hij zich geheel en al voelen verheffen naar dat eene uiterste, top van +hoogheid, top van louter kristallen sympathie, waar zijn cirkel van +atmosfeer--zooals hij zeide--sympathetisch had geschoven over de hare, +als met eene liefkozing van louter kuischheid en spiritualiteit, zooals +twee sterren, die, nader wentelend, hare dampkringen wellicht even +mengen, als adems. Hoe glimlachend gelukkig had hij zich toen niet mogen +voelen, als met eene gratie van Hooger! Toen, toen had hij zich weer +voelen tuimelen naar omlaag, als had hij zijn punt van evenwicht +overwiegeld, en had hij gesmacht naar het aardsche, naar veel eenvoud +van gevoelen, naar primitief levensgenot, naar vleesch en bloed. Hij +herinnerde zich nu, hoe hij, twee dagen na zijn laatste gesprek met +Cecile, Emilie Hijdrecht had gezien, hier bij hem op zijne kamer, waar +zij, verwaarloosd, hem eindelijk had durven komen zien, op een avond, +alles vergetende. Met een trek van wreedheid om zijn mond herinnerde hij +zich hoe zij geweend had aan zijne knieen, hoe zij jaloersch gejammerd +had van Cecile, hoe hij ze haar mond had doen houden en haar verboden +had dien naam uit te spreken. En toen, hunne dolle omhelzing, omhelzing +van wreedheid: wreedheid van haar tegen dien man, dien zij telkens +verloor als zij hem voorgoed meende gevonden te hebben, dien zij niet +begreep en wien zij aanhing met al het geweld harer brutale passie, als +met eene passie uit primitieve tijden van louter zin; wreedheid van hem +tegen die vrouw, die hij verachtte, terwijl hij haar in zijne armen, in +hartstocht, bijna stikte! + + + + +II. + + +Ja, wat dan? Hoe dat evenwicht tusschen zijne twee polen te vinden! Hij +haalde zijne schouders op; hij wist, dat hij het niet vinden kon. Hij +miste een zeker element of een zekere kracht om dat te vinden. Hij kon +zich slechts laten slingeren. Goed dan: hij zou zich laten slingeren: +er was niets aan te doen. Want nu, in die moeheid na zijn woest geweld, +begon hij weer een hevig verlangen te voelen, als iemand, die na een +langen avond in een feestzaal vol bedorven lucht van gaslicht en +stoffige mufheid en benauwdheid van menschenadem te hebben doorgebracht, +haakt naar eenen hoogen hemel en wijdte van atmosfeer: een hevig +verlangen naar Cecile. En hij glimlachte, blij, dat hij haar kende, dat +hij tot haar kon gaan, dat het hem nu vergund was door te dringen in het +kuische heiligdom harer omgeving, als in een tempel; hij glimlachte, +blij, dat hij dit verlangen voelde, en trotsch daarom, zich verheffend +boven andere menschen ... Hij stelde zich reeds voor zijn genot haar +oprecht te biechten hoe hij geleefd had, die drie weken lang, en hij +hoorde al hare stem, ofschoon hij niet hare woorden verstond ... + +Jules klom van de ladder af. Hij was treurig, dat Quaerts niet gevolgd +had zijn schikken van de wapens op het rek en zijn drapeeren van het +doek er om heen. Maar hij was stil door gegaan met zijn werk en nu het +klaar was, klom hij af en ging hij, stil, zitten op den grond, met zijn +hoofd tegen het voeteneind aan van de bank, waar zijn vriend lag te +denken. Jules sprak geen woord; zijne oogen zagen recht voor zich uit, +met iets van boudeeren, voelende, dat Quaerts nu naar hem keek. + +--Jules! zei Quaerts. + +Maar Jules antwoordde niet, starende. + +--Zeg Jules! Waarom hou je toch zooveel van me? + +--Weet ik het! sprak Jules met dunne lippen. + +--Weet je het niet? + +--Neen. Hoe weet je nu, waarom je van iemand houdt. + +--Je moet niet zooveel van me houden, Jules. Dat is niet goed. + +--Goed dan. Dan zal ik het minder doen, sprak Jules. + +Hij stond in eens op en nam zijn hoed. Hij gaf Quaerts eene hand, maar +Quaerts hield hem vast, met een glimlach. + +--Zie je, bijna niemand houdt van me, alleen ... je papa en jij. Van je +papa weet ik het, maar van jou niet, waarom je van me houdt. + +--Je wilt ook alles weten. + +--En is het een ongeluk om dat te willen? + +--Natuurlijk. Je zal zoo nooit tevreden zijn. Mama zegt altijd, dat men +niets weet. + +--En jij? + +--Ik ... niets ... + +--Wat niets? + +--Ik weet niets ... Laat me nu gaan. + +--Ben je boos, Jules? + +--Neen, maar ik heb een afspraak. + +--Kan je wachten, tot ik me gekleed heb, dan gaan we samen. Ik ga naar +tante Cecile. + +Jules streed. + +--Goed dan. Maar haast je. + +Quaerts stond op. Hij zag nu de wapens hangen, die hij geheel vergeten +had. + +--Dat heb je netjes gedaan, Jules! sprak hij bewonderend. Dank je wel, +hoor. + +Jules antwoordde niet en Quaerts ging zijne kleedkamer in. De jongen +zette zich op de bank, strakrecht, en zag naar het Paleis, tusschen de +dorre boomen door. Zijne oogen vulden zich met dikke ronde tranen, die +neervielen; onbewegelijk, strakrecht, weende hij. + + + + +III. + + +Cecile leefde deze drie weken in eene onwetendheid, die haar pijnlijk +aandeed. Door Dolf had zij wel gehoord, dat Quaerts jaagde, maar verder +niets. Een schok van blijdschap electrizeerde haar, toen nu de deur +achter den paravent openging en zij hem voelde binnenkomen. Hij stond +voor haar, eer zij zich herwinnen kon en daar zij wat beefde, rees zij +niet op en reikte zij, zittende, hem hare hand, met eene onzichtbare +trilling der vingeren. + +--Ik ben uit de stad geweest, begon hij. + +--Dat hoorde ik ... + +--Heeft u het goed gemaakt, al dien tijd? + +--Dank u, heel goed. + +Hij vond haar wat bleek, met een zweem van lichtblauw onder hare oogen +en eene matheid in hare bewegingen. Maar hij besloot, dat het misschien +niets bizonders was of dat zij bleek scheen in de melkblankheid dier +zacht-witte stof, als zijdige wol, zooals haar middel nog tengerder was +in het getrek der echarpe om hare leest, met eene lange, witte franje, +die voor hare voeten viel. Zij zat alleen met Christie, op zijn bankje, +zijn hoofdje in haar japon, een prentenboek op zijne knietjes. + +--U is net een madonna met een Kindje! zei Quaerts. + +--Mijn kleine Dolf is gaan wandelen met zijn peetoom, sprak zij, +stralend ziende op haar kind en het lichtjes wenkend ... + +Het stond op en, verlegen, ging het naar Quaerts en bood, met zijn +schuin hoofd, een handje. Quaerts tilde hem op en zette hem op zijn +knie. + +--Wat is hij licht, ce petit Jesus! + +--Hij is niet sterk, sprak Cecile. + +--U verwent hem te veel. + +Zij lachte weer. + +--Paedagoog! schertste zij. Waarom verwen ik hem? + +--Ik vind hem altijd in uw rokken. Hij moest maar eens met me meekomen: +ik zou hem gymnastiek laten doen. + +--Jules paardrijden, en Christie gymnastiek! lachte zij door. + +--Ja ... sport, u weet het! schertste hij terug met een blik van +beteekenis. + +Zij zag hem terug aan en sympathie lachte uit de diepte harer goudgrijze +oogen. Hij voelde zich gelukkig, en, met het kind op zijne knie: + +--Ik kom u biechten ... madonna! + +Toen, schrikkende, zette hij het kind in eens van zich af. + +--Biechten? + +--Ja ... Christie, ga terug naar mama. Ik mag je niet bij mij houden. + +--Jawel! riep Christie met verwonderd groote oogen en greep het koordje +van zijn lorgnet. + +--Le petit Jesus vergeeft te vroeg! sprak Quaerts. + +--En ik, heb ik iets te vergeven? vroeg zij. + +--Ik zou gelukkig zijn, als u het zoo beschouwde. + +--Biecht dan. + +Le petit Jesus ... aarzelde hij. + +Cecile stond op; zij nam het kind, kuste het en deed het zitten op een +stoel bij het raam, met zijn prentenboek. Toen kwam zij terug naar de +chaise-longue: + +--Hij zal niet hooren ... + +En Quaerts begon zijn verhaal, kiezende zijne woorden; hij sprak van de +jacht, van de rospartijen en de boerin, en van Brussel. Zij luisterde +vol aandacht, in hare oogen een angst voor dat levensgeweld, waarvan de +echo zijne woorden doorbruiste, ware het dan ook eene echo door eerbied +getemperd. + +--En was dat alles zonde, die vergeven moet worden? vroeg zij nu. + +--Niet? + +--Ik ben geen madonna, maar ... een vrouw met nog al geemancipeerde +denkbeelden. Als u gelukkig is geweest met dat leven, was het geen +zonde, want geluk is goed ... Is u dus gelukkig geweest, dan was dat +leven ... goed. + +--Gelukkig!? vroeg hij. + +--Ja? + +--Neen ... Ik heb dus zonde gepleegd, zonde aan mijzelven, niet waar? +Vergeef me ... madonna. + +Zij ontroerde zeer om den klank zijner stem, die, zacht gebroken, haar +als in bekoring omwikkelde; zij ontroerde van hem daar te zien zitten, +vullende met hemzelven, met zijn lichaam, zijn wezen, zijn bestaan, eene +ruimte in hare kamer, vlak in hare nabijheid. In eene seconde doorleefde +zij uren, voelde zij hare stille liefde zwaar in haar als een zoet +gewicht, voelde zij lust hare armen om zijn borst te slaan en hem te +zeggen, dat zij hem aanbad, en voelde zij een innig leed, om wat hij +haar bekende: dat hij weer zich niet gelukkig had gevoeld. En zij kon +zich nauwelijks bedwingen in haar medelijden, stond op, trad op hem toe +en legde hem eene hand op zijn schouder. + +--Zeg me, meent u dat alles? Is dit alles waarheid? Is het waarheid, dat +u zoo geleefd heeft en u toch niet gelukkig heeft gevoeld? + +--Volle waarheid, op het woord van mijn ziel. + +--Maar waarom heeft u het dan gedaan? + +--Ik kon niet anders. + +--U kon u niet tot maat dwingen? + +--Nooit ... + +--Dan zou ik u dat gaarne willen leeren. + +--Ik niet, van _u_. Want het geluk is voor mij, en zal altijd voor mij +zijn, onmatig te zijn ook bij u, onmatig in het leven van mijn +eigenlijken mensch, mijn zielemensch, zooals ik nu pas onmatig ben +geweest in het leven van mijn schijnmensch. + +Hare oogen werden vochtig; ze schudde haar hoofd, steeds met die hand op +zijn schouder. + +--Dat is niet goed! sprak ze, diep weemoedig. + +--Het is genot ... voor beide die menschen. Ik moet zoo zijn ... onmatig +voor beiden. + +--Maar dat is niet goed! drong zij door. Louter genot ... + +--Het laagste, maar ook het hoogste ... + +Eene huivering overviel haar, eene doodelijke angst voor hem. + +--Neen, neen, drong ze aan. Denk zoo niet. Doe zoo niet. Noch het een, +noch het ander. Heusch, dat alles is niet goed. Louter genot en onmatig +genot, ook het hoogste, is niet goed. + +Zoo forceert u het leven. Zoo ... ben ik bang voor u. Zoek maat te +krijgen. U heeft zooveel elementen om gelukkig te zijn. + +--O, ja ... + +--Ja, maar ik meen: dweep niet. En ... en hol ook zoo woest niet door, +om Godswil! + +Hij zag tot haar op; hij zag het haar smeeken, met hare oogen, met de +uitdrukking van haar gelaat, met geheel haar, even voorover buigend, +staan. Hij zag het haar smeeken, zooals hij het haar hoorde doen, en +toen zag hij, dat zij hem liefhad. Eene lichte verrukking kwam over hem, +als daalde iets hoogs tot hem neer om hem te leiden. Hij verroerde zich +niet,--hij voelde hare hand trillen op zijn schouder--bang, die +verrukking bij de minste beweging te zullen doen vervliegen. Het kwam +geen oogenblik in hem op, haar te zeggen een woord van teederheid, of +haar te nemen in zijn armen en te drukken tegen zich aan: zij +verheerlijkte zich zoo voor zijn oog, dat zulk profaan verlangen ver van +hem af bleef. En toch voelde hij op dit oogenblik, dat hij haar liefhad, +maar zoo, als hij nog nooit had liefgehad, zoo geheel en alleen met het +edelste, dat in eene ziel, vaak voor zichzelve zelfs onzichtbaar, +verscholen is: voelde hij, dat hij haar liefhad met allernieuwste +gevoelens van reine jeugd en nieuwe frischheid en klare belangeloosheid. +En het werd hem, alsof dat alles een droom was, die niet was, een droom +van lichtgeweef om hem heen als met mazen van zonneschijn. + +--Madonna! fluisterde hij. Vergeef me ... + +--Beloof me dan ... + +--Ik wil wel beloven, maar ik zal niet kunnen houden. Ik ben zwak ... + +--Neen. + +--O ja. Maar ik beloof en beloof mijn belofte te zullen pogen te houden. +Vergeeft u dan? + +Zij knikte hem toe; zij wierp haar glimlach op hem neer als een straal. +Toen ging zij naar het kind, nam het in hare armen en bracht het tot +hem: + +--Christie omhels hem en geef hem een zoen. + +Hij nam het kind van haar over en het kuste hem op zijn voorhoofd, en +sloeg de armpjes om zijn hals. + +--Le petit Jesus! fluisterde hij. + + + + +IV. + + +Zij bleven toen lang met elkander praten en er kwam niemand, die hen +stoorde. Het kind was weer gaan zitten bij het raam. De schemering begon +hare asch naar binnen te strooien. Zacht wit zag hij Cecile daar zitten, +in de melodie harer woorden van halve stem, die weldadig tot hem +aanklonken. Zij spraken over veel; over Emerson; over een gedicht van +Van Eeden, in den Nieuwen Gids; over hunne levensopvattingen. Hij had +een kop thee willen aannemen, alleen om haar zich te zien bewegen met de +weeke lijnen harer bevalligheid, staande voor het theetafeltje in den +hoek. In haar wit toilet, had zij iets van marmer, dat week zou zijn van +bezieling en leven. En onbewegelijk bleef hij zitten, luisterend met +eerbied, opgenomen in eene teedere verrukking van geluk. Het was eene +stemming, niet te analyzeeren, zonder zichtbaren oorzaak, alleen +wordende uit hun sympathetisch samenzijn, zooals eene bloem wordt uit +een onzichtbaar zaad, na een regendrop en wat zonneschijn. Ook zij, ze +was gelukkig; ze voelde niet hare pijn om zijn eerbied. Ze was wel een +beetje weemoedig, dat hij zoo geleefd had, maar toch was ze gelukkig om +het geluk van die stip van het heden. Ze zag nu ook niet haren donkeren +stroom, hare inktlucht, haar nalatenschap; ze zag nu alles licht, in +kalmte. En het geluk ademde om hen heen, tastbaar, als met eene +liefkoozing. Soms zwegen zij, en zagen beiden naar het kind, dat las, of +het vroeg hun iets en zij antwoordden. Dan glimlachten zij elkander toe, +omdat het zoo zoet was en niet hinderde. + +--Ik wilde, dat dit nu altijd zoo bleef! dorst hij te zeggen, toch nog +vreezende; dat zulk een woord de kristallen transparantheid van hun +geluk zou breken. Als u nu in me zien kon, hoe goed ik me voel. Ik weet +niet waarom, maar ik voel me zoo. Misschien om uw vergeving. Het Roomsche +geloof is toch heerlijk met zijn absolutie. Wat een troost voor zwakke +menschen. + +--Maar u mag u niet zwak vinden. U is dat ook niet. U zegt me, dat u +zich soms boven het gewone leven kan stellen, dat u kan neerzien op de +smart van het leven als op een comedie, die maar eventjes droef doet +glimlachen, maar niet de waarheid is. Ik geloof ook, dat het leven, +zooals wij het zien, alleen maar symbool is van een leven van waarheid, +dat er onder schuilt en dat we niet zien. Maar ik kan me niet boven het +symbool stellen en u wel. Daarom is u heel sterk en voelt u heel groot. + +--Hoe zonderling! en ik voel juist mijzelven zwak en u groot en krachtig. +U durft te zijn, die u is, in al uw harmonie en ik verberg me altijd en +ben bang voor de menschen, persoonlijk, ook al stel ik me soms boven het +leven, als massa. Maar dat zijn raadsels, die ik toch niet kan oplossen, +en al mis ik de macht ze op te lossen, ik voel op dit oogenblik niets dan +geluk. Ik mag dat wel eens hoorbaar zeggen, nietwaar hoorbaar? + +Zij glimlachte hem toe, zalig, dat zij hem het geluk gaf. + +--Het is de eerste maal, dat ik zoo het geluk voel, ging hij voort. +Eigenlijk is het de eerste maal, dat ik het voel ... + +--Analyzeer het dan niet. + +--Ik hoef het niet te analyzeeren: ik zie het in al zijn eenvoud voor +mij staan. Weet u waarom ik gelukkig ben? + +--Analyzeer niet ... herhaalde zij bang. + +--Neen, sprak hij, maar mag ik het zeggen zonder analyze? + +--Doe dat niet, stamelde zij, want ... want ik weet het ... + +Zij smeekte het, zeer bleek, met gevouwen vingers, die trilden. Het kind +sloeg acht op hen; het had zijn boek gesloten, het kwam naar zijne +moeder en zette zich op zijn plaatsje, met een blik van prille wijsheid +in zijne bleekblauwe oogjes. + +--Dan gehoorzaam ik! sprak Quaerts met eenige moeite. + +En zij zwegen beiden, hunne oogen vergroot als door den glans van een +vizioen. Om hen heen scheen het zacht te stralen, door de asch der +schemering heen. + + + + +V. + + +Zij had dien avond lang geschreven in haar dagboek, en ze liep nu de +kamer op en neer, hare handen gevouwen neerhangende, haar hoofd een +weinig gebogen, met een blik, die staarde. Er was ernst om haren mond. +Voor zich zag zij het vizioen; dat wat zij geraden had. Hij had haar +lief, met alleen zijne ziel, niet lief als eene vrouw die mooi is en +goed, maar hooger lief dan dat, lief met de fijnste zielezenuwtrillingen +van zijn mensch,--zijn eigenlijke--lief met de supreme Aandoening der +essence zijns wezens. Zoo voelde zij, dat hij haar liefhad, met +contemplatie en aanbidding, en zoo voelde zij het in waarheid door een +raadvermogen van sympathie dat hun elkanders in-wezen deed raden naar +waarheid. En dat was zijn geluk--zijn eerste, zooals hij zeide,--haar +zoo lief te hebben en niet anders. O zij begreep hem! Ze begreep zijne +illuzie, die hij zag in haar en ze wist nu, dat zoo ze hem in waarheid +lief wilde hebben, om hem en niet om zich, ze voor hem niets anders +mocht zijn en blijven dan illuzie, dan eene vrouw, die geen vleesch was, +die niets verlangde van de aarde, welke hij vond in andere vrouwen, die +alleen ziel zou wezen, zusterziel der zijne. En zooals ze het vizioen +zijner liefde voor zich zag, kalm en stralend, zoo zag ze ook voor zich +den eigen strijd, die haar wachtte: strijd met zichzelve, strijd met +haar eigen smart: smart, omdat hij zoo hoog van haar dacht en ze madonna +noemde, terwijl zij laag wilde zijn en slavin. Zij zou moeten schijnen, +die hij zag in haar, om zijn geluk, en die rol zou haar zwaar vallen, +want ze had hem lief met o zooveel eenvoud, met geheel haar vrouwewezen, +dat zich geheel wilde geven, zoo geven als eene vrouw zich slechts aan +een in haar leven geeft, wat en wie ze ook geven mocht daarvoor, uit +onwetendheid van zichzelve, en geven moge daarna in bitterheid en leed. +De uiterlijkheid van dien rol en de innerlijkheid van haar zijn: het +conflict daartusschen zou haar zwaar vallen, maar ze dacht aan die +zwaarte met een glimlach en met een geluk, stralende door haar hart, +want dien zwaren strijd zou ze strijden voor hem, ter wille van hem en +alleen voor hem. O, de weelde te lijden voor een, dien ze liefhad al ze +had hem; in zich gefolterd te zullen worden van verlangen, dat hij niet +tot haar komen zou met de omhelzing zijner armen en den zoen van zijn +mond, en te voelen, dat ze zoo gefolterd zou worden om zijn geluk, het +zijne! Te voelen, dat ze genoeg hem liefhad om tot hem te gaan met open +armen en hem den aalmoes zijner liefkoozingen vragen, maar ook te +voelen, dat ze hem meer liefhad dan dat en hooger, en--niet uit fierheid +en kuischheid, die toch nog egoisme zijn--maar alleen uit zelfopoffering +aan zijn geluk--niet vragen wilde en nooit vragen zou. + +Pijn, pijn om hem! Een zwaard door hare ziel voor hem! Martyre te zijn +voor haar god, die op aarde niet gelukkig kon zijn, dan alleen in hare +marteling! En ze was door het leven gegaan, jaren lang, zonder tot op +dezen dag gevoeld te hebben, dat zulke weelde bestaan kan, niet als +verbeelding in verzen, maar als realiteit in haar hart. Ze was jong +meisje geweest en ze had hare dichters gelezen en wat zij rijmden over +liefde en ze had gemeend dat alles te begrijpen, fijn te begrijpen en +toch: zonder ooit het minste voorgeraden te hebben van het Gevoel zelve. +En--jonge vrouw was ze geweest, ze was gehuwd geweest, kinderen had ze! +Door haren geest flitste heur huwelijksleven in een bliksem van +herinneringen en ze bleef staan voor het portret van haren overleden +man, dat daar op een ezel stond in een draperie van somber peluche. Het +was een masker van heerschzucht: een streng fijn gelaat met scherpe +trekken als gegraveerd in fijn staal; koud-verstandige oogen met een +strakken portretblik: dunne, baardelooze lippen, beslist op elkaar +gesloten als een slot. Haar man! En ze woonde nog in het zelfde huis, +waar ze met hem gewoond had, waar ze hare vele gasten had moeten +ontvangen, toen hij minister was geweest van Buitenlandsche Zaken. Hare +recepties en diners schitterden als wereldsche tafereelen in haar geest +op en ze zag nog duidelijk het oog weer van haren man, die in een korten +cirkelblik van goed- of afkeuring alles opnam: het arrangement harer +kamers, hare tafels en haar eigen toilet. Haar huwelijk was niet +ongelukkig geweest: haar man was wat koud en zonder expansie, geheel +opgenomen in zijne eerzucht, maar hij hield van haar op zijne wijze, +en dat zelfs met teederheid: ook zij, ze had van hem gehouden; zij had +gemeend hem uit liefde te trouwen: hare aanhankelijke vrouwelijkheid +beminde heerschers. Delicaat van gestel, ondermijnd misschien door de +te groote energie der gedachte, was hij na eene korte ziekte overleden; +Cecile herinnerde zich hare treurigheid, hare eenzaamheid met de twee +kinderen, van wie hij reeds gevreesd had, dat zij ze bederven zou. En +hare eenzaamheid was haar zoet geweest, met het gewolk van haar +gedroom ... + +Waarom had ze dit portret--eene mooie levensgroote fotografie; een +koolafdruk, donker van eene Rembrandtsche schaduw--nooit laten +naschilderen in olieverf, zooals ze eerst had willen doen? Het voornemen +was uit haar weggebleekt; ze had er in maanden niet meer aan gedacht; nu +eensklaps dacht zij er aan ... En er was geen zelfverwijt en wroeging in +haar. Ze zou de schilderij niet laten maken. Het was goed, zoo. Zij +dacht zonder weemoed aan den doode. Zij had zich niet over hem te +beklagen gehad, hij had haar nooit iets kunnen verwijten. En nu, ze was +vrij; zij werd er zich bewust van met eene wijde blijdschap. Vrij, te +voelen wat ze wilde. Hare vrijheid welfde zich als boven haar uit met +blauwe uitspansels, waarin hare nieuwe liefde opsteeg in de immaculate +vlucht van een duif. Vrijheid, lucht, licht! Ze wendde zich met een +glimlach van verrukking af van het portret; heure armen sloegen zich +boven haar uit als wilde zij hare vrijheid, de wijdte van hare lucht, +meten, als wilde zij het licht tegemoet. Lief, ze had lief! Er was +alleen liefde; er was alleen de harmonie van zielen, de harmonie harer +ziel van dienares met die van heur, op aarde verbannen, god. O, wat een +gratie, dat die harmonie bestaan kon, tusschen zoo iets hoogs als hij en +laags als zij! Maar hij mocht het niet zien, dat ze laag was; madonna +moest ze blijven, om hem moest zij die blijven, om hem, in de marteling +van zijn eerbied, en de duizeling van het hooge punt, troon van +vergoding, waarop hij haar tot zich verhief. Om haar heen voelde zij die +duizeling draaien als met ringen van glans. En ze viel neer op hare +bank, hare vingers vouwden zich, hare oogleden knipten; toen bleven hare +oogen zelve voor zich uit turen, heel ver weg ... + + + + +VI. + + +Jules was een paar dagen niet naar school gegaan, om zware hoofdpijnen, +die hem heel bleek maakten en hem een trek van groote treurigheid gaven; +maar hij was nu wat beter, en, zich vervelende op zijn eigen kamertje, +ging hij naar beneden, naar den leegen salon en zette zich voor de +piano. Papa zat wel te werken in zijn kantoor, maar het zou papa zeker +niet hinderen, dat hij speelde. Dolf bedierf hem, in zijn jongen iets +ziende, dat hemzelven vreemd was en hem daardoor aantrok, zooals hem dit +misschien vroeger in zijne vrouw ook had aangetrokken; kwaad kon Jules +in zijn oogen niet doen en als de jongen maar gewild had, zou Dolf geen +geld gespaard hebben om hem eene zorgvuldige muzikale opvoeding te laten +geven, maar Jules kantte zich met handen en voeten tegen alles wat naar +lessen zweemde en beweerde bovendien, dat het niet de moeite waard zou +zijn. Eerzucht was er niet in hem; het streelde hem niet, dat Dolf +zooveel in hem zag, zooveel meende te hooren in zijn spel: hij speelde +alleen voor zichzelven, hij speelde om zich te uiten in de vage taal van +muziekklank. Op dit oogenblik voelde hij zich alleen, verlaten in het +groote huis, al wist hij, dat papa twee kamers af zat te werken en dat +hij zijn toevlucht zou kunnen nemen op papa's groote bank; in zijn borst +was op dit oogenblik een bijna fyziek gevoel van angst voor die +eenzaamheid, welke iets als eene wijdte van in-alleen zijn om hem deed +ronddraaien. Hij was veertien jaar, maar hij gevoelde zich niet als een +kind, niet als een jongen; iets weeks, behoefte aan bijna vrouwelijke +aanhankelijkheid, toewijding aan een, die hem alles zou zijn, had hem +reeds van zijne kleine-kind zijn als in zijne viriliteit getroffen en +het doorhuiverde hem met die angst voor in-eenzaamheid, alsof hij +zichzelven niet begreep, alsof hij bang was voor zichzelven. Zoo leed +hij veel aan vage stemmingen, waarin dat vreemde hem beknelde en op de +borst klom, waarin hij niet wist waar hij zijn in-wezen zou verschuilen +en waarin hij spelen ging, om zich te verliezen in de groote klankziel +van muziek. Zijne dunne, nerveuze vingers tokkelden tastende over de +toetsen; zelve leed hij van valsche akkoorden, die hij zoekende +aansloeg; dan liet hij zich gaan, vond een enkel motief, heel kort, van +klagende mineur-melancholie, en liefkoosde dat motief, liefkoosde het in +vreugde dat gevonden te hebben, dat te kunnen vinden, liefkoosde het tot +het als eene monotonie van verdriet ieder oogenblik terugkwam. Hij vond +het motief zoo mooi, en kon er niet van scheiden; ze zongen zoo goed +weer wat hij voelde, die vier, vijf tonen en hij speelde ze weer en +speelde ze weer, tot Suzette binnen vloog en hem zei, dat ze dol werd en +hem vroeg of hij ophield. + +Zoo ook speelde hij nu, en het was erbarmelijk eerst; hij kende +nauwelijks de noten weer; verscheurende cacofonien kermden op en +doorsneden hemzelven zijn arm, nauw van hoofdpijn genezen, brein; +hij kreunde of hij weer pijn had, maar zijne vingers waren als +gehypnotizeerd, ze konden niet uitscheiden, ze zochten door en de +klanken zuiverden zich; eene korte fraze klaarde los als met een kreet, +een kreet, die telkens terugkwam op een zelfden toon, plotseling hoog na +de doffe laagte, die als gepreludeerd had. En die toon was Jules eene +verrassing: hij schrikte van ze--ze klonk zoo mooi van verdriet--en hij +was nu blij ze gevonden te hebben en blij zoo een mooi verdriet te +hebben. Toen bezat hij zich niet meer, en hij speelde door en het was +hem of hij niet speelde maar een ander, die in hem was en hem dwong; hij +vond de volle accoorden zuiver als bij intuitie: door het geween der +klanken heen liep die zelfde muzikale figuur hooger en hooger op als met +zilveren voeten van reinheid, tegen luchtig omhooggeblazen regenbogen +van kristal en bereikte ze het hoogste van den glasboog, dan stiet ze +haar kreet, maar nu met dronkenschap, uit in majeur, als sloeg ze hare +wijde armen blijde op naar hemelen van ontastbaar blauw. En het werden +als menschenzielen, die eerst leven en lijden en uitstooten haar klacht, +die dan sterven, beginnen te stralen met lichamen van klaarte, wien +lange vleugelen ontschieten als weerlichten van zilver, hunne +zieleschouders uit; ze trippelen achter elkaar de regenbogen over als +over bruggen van glazen blauw en rose en geel getintel, en er komen al +meer en meer; het zijn volken van zielen en ze reppen en reppen hare +zilveren voeten, ze dringen zich over den regenboog, ze lachen en zingen +en duwen elkaar; in hun gedrang stooten hare vleugels elkaar, verstuift +er zilverdons. Op den top van den boog staan ze nu en zien op groote +naiveteit van lachende kinderoogen en ze durven niet, ze durven niet, +maar achter hen dringen de zielen; ontelbare komen ze, meerdere, +meerdere altijd door; ze duwen op naar den hoogsten top, hunne vleugels +recht in de lucht, vlak tegen elkaar. En nu, het moet: ze mogen niet +meer aarzelen: een haalt er diep adem, geeft een schok, spreidt open +zijn vlucht en slaat zich met een slag uit den dichten drom, de lucht +in. Hem volgen er dadelijk vele, de een na den ander; ze stijgen in +blauw in bezwijmeling; het glanst alles om hen rond. Nu, diep onder +hen, welft zich, dun als een draad, de boog, maar ze zien er niet naar: +stralen vallen er hun te gemoet; zielen zijn het, die ze omhelzen; +in omhelzingen nemen zij ze mee. En dan het licht; het licht, dat +overstraalt; oplossingen in het supreme licht; niets dan het licht, de +klanken zingen het licht, de klanken zijn het licht, er is niets meer +dan het Licht, eeuwig ... + +--Jules! + +Hij zag met een blik, die niet herkende. + +--Jules! Jules! + +Hij glimlachte nu, als gewekt uit een slaap van droomen; hij stond op, +ging naar haar toe, Cecile. Zij stond voor de deur; zij was daar blijven +staan, terwijl hij speelde: het was haar geweest of hij iets van haar +speelde. + +--Wat speelde je daar, Jules? vroeg zij. En hij was nu geheel wakker en +verlegen, omdat hij dacht, dat hij zeker heel veel geluid had gemaakt +door het huis, door hun huis ... + +--Ik weet niet, tante! zeide hij. + +Maar zij omhelsde hem, in een, onstuimig, met dankbaarheid ... Zij was +hem Het, het Mysterie! verschuldigd, omdat hij eens op haar was boos +geweest ... + + + * * * * * + + +HOOFDSTUK IV. + + + + +I. + + +"O, dat wat niet te zeggen is, omdat woorden zoo weinige zijn, altijd de +zelfde, combinaties van enkele letters en klanken; o, dat wat niet te +denken is in de enge grenzen van het verstand; dat wat alleen aan te +zweemen is met nauwlijks voelhorens van ziel: Essence der essences der +dingen van onszelve ..." + +Maar ze schreef niet verder, zij wist niet meer: schreef ze, dat ze geen +woorden had en zocht zij ze toch? + +Zij verwachtte hem en ze zag nu uit het open venster, of hij kwam. Lang +bleef zij daar; toen wist ze, dat hij dadelijk komen zou en hij kwam +ook; ze zag hem naderen langs den Scheveningschen weg; hij duwde het +ijzeren hek der villa open, glimlachte haar toe en groette met den hoed. + +--Wacht! riep ze. Wacht daar ... + +Ze ging vlug de trap af, in den tuin, waar hij gebleven was. Hij zag +haar hem tegemoet komen, vreugdig van geluk, en zoo broos bevallig; haar +blonde hoofd zoo fijn in het jonge groen van Mei; als van een jong +meisje haar figuur in het heel licht grijze toilet met wat zwart fluweel +lint en iets van zilverkant hier en daar. + +--Ik ben blij je te zien. Je bent in zoo lang niet bij me geweest! sprak +ze en gaf hem de hand. + +Hij antwoordde nog niet, glimlachend. + +--We zullen in den tuin gaan zitten, achter, het weer is zoo mooi. + +--Ja, sprak hij. + +Zij wandelden den tuin in, langs de arabesken der paden; de jasmijnen +sterrelden wit langs hen heen. In een andere villa speelde men piano, de +klanken dwaalden over: het was Rubinsteins romance in es. + +--Hoor! zeide Cecile, opschrikkend. Wat is dat? + +--Wat? vroeg hij. + +--Wat daar gespeeld wordt? + +--Rubinstein, geloof ik! sprak hij. + +--Rubinstein...? herhaalde zij vaag. Ja ... + +En zij smolt weg in de weelde der herinnering van ... wat? Nog eens, zoo, +langs die zelfde paden had zij gewandeld, langs zulke jasmijnen, nog +eens, heel lang, zoo lang geleden, gewandeld met hem, hem ... Waarom? +Keerde dan het zelfde terug, na eeuwen ... + +--Je bent in geen drie weken bij me geweest? sprak ze gewoon weg, zich +terugwinnende. + +--Vergeef me, antwoordde hij. + +--Wat was er? + +Er kwam weifeling in zijn geheele wezen, het scheen als zocht hij iets. + +--Ik weet het niet, sprak hij zacht. U moet het me vergeven, niet waar? +Den eenen dag was er dit, en den anderen dat. En dan ... ik weet het +niet. Veel redenen bij elkaar. Het is niet goed, dat ik u veel zie. Niet +goed voor u en niet goed voor mij. + +--Laten wij eens eerst over het eerste spreken. Waarom niet voor +jezelven? + +--Laten wij liever over het tweede spreken: dat wat u aangaat. De +menschen ... + +--De menschen? + +--De menschen spreken over ons. Ik ben nu eenmaal een mauvais sujet. Ik +wil niet maken, dat uw naam op een profane wijze genoemd wordt met den +mijne. + +--En gebeurt dat? + +--Ja ... + +Zij glimlachte. + +--Dat kan mij niet schelen. + +--Maar dat moet u kunnen schelen; al is het niet voor uzelve, dan +voor ... + +Hij zweeg; zij begreep hem, hij bedoelde hare kinderen, zij haalde hare +schouders op. + +--En waarom nu niet goed voor u? + +--Omdat men niet zoo dikwijls gelukkig mag zijn. + +--Wat een sofisme! Waarom niet? + +--Ik weet niet: dat voel ik zoo. Het verwent te veel. Het is te veel. + +--Is u dan hier gelukkig? + +Hij glimlachte en maakte eene zachte beweging van ja met zijn hoofd. + +Zij zwegen, heel lang. Zij waren gaan zitten achter in den tuin op eene +bank, die in eene halfrondte van bloeiende rhododendrons stond: de +bloemen, satijnig paars en zacht getijgerd in den kelk, omringden hen in +een hooge haag van dichte bouquetten, die opgingen van het pad tot boven +hunne hoofden; stamrozen wierookten voor hen geur. Stil zaten ze nu, +gelukkig bij elkaar, gelukkig in de sympathie hunner atmosferen, die +zich mengden, en toch in dat geluk de onoverkomelijke weemoed, die is in +alles van het leven, zelfs in geluk. + +--Ik weet niet hoe ik het u zeggen kan! sprak hij. Maar stel eens, dat +ik u iederen dag zag, ieder oogenblik, dat ik aan u dacht ... Dat zou +niet gaan. Ik zou dan zoo verfijnd, zoo subtiel worden, dat ik van +louter geluk niet leven kon, want mijn andere mensch zou niets +ontvangen, zooals een dier, dat honger lijdt. Ik ben slecht, ik ben +egoist, dat ik zoo spreken kan, maar ik moet u de waarheid zeggen, opdat +u niet te goed van mij denkt. En zoo zoek ik uw gezelschap alleen als +iets heel moois, dat ik me een enkele maal vergun te genieten. + +Zij zweeg. + +--Soms ... dan denk ik, dat ik ook zoo niet goed doe, voor u. Dat ik op +de eene of andere manier u beleedig en pijn doe. Dan zit ik altijd +daarover te denken en dan geloof ik, dat het goed zou zijn voor altijd +afscheid van u te nemen. + +Zij zweeg nog; roerloos zat ze, hare handen slap in den schoot, haar +hoofd lichtjes neigend, een glimlach om haren mond. + +--Zeg me iets ... vroeg hij. + +--Je beleedigt me niet en pijn doe je me ook niet, sprak zij. Kom bij +me, wanneer je er behoefte toe voelt. Doe dat alles zoo als je wilt. Zoo +vind ik het ook goed en daar moet je niet aan twijfelen. + +--Ik zou zoo gaarne weten hoe u van me hield ... + +--Hoe? Zooals een madonna houdt van een zondaar, die berouw heeft en +haar zijn ziel geeft, sprak zij schalk. Ik ben immers een madonna? + +--Wil u dat gaarne zijn? + +--Kent u zoo weinig de vrouwen, dat u niet weet, hoe er in elk van ons +iets als een verlangen is te troosten, weldadig te zijn en madonna te +spelen? + +--Spreek zoo niet, vroeg hij met iets als pijn. + +--Ik spreek in ernst ... + +Hij zag haar aan; twijfel rees in hem op, maar ze glimlachte hem toe; +een kalme glans was om haar; in de bouquetten der rhododendrons zat zij +daar als in de bloesemteederheid van eene groote mystieke bloem. Zijn +twijfel werd toen als eene wond, die gebalsemd wordt. Hij gaf zich +geheel over aan het geluk; het weefde eene atmosfeer om hem heen van +zachte levens-kalmte, eene atmosfeer, waarin het leven kalm en +hartstochteloos en rustig glimlachend wordt, als de lucht, die fijn is +om goden. Het begon te donkeren: een violet geduister viel uit den hemel +neer als floers, dat viel op floers; stil lichtteden de sterren op. De +schaduwen in den tuin, tusschen de heesters, waar zij zaten, vloeiden +samen; de piano in de andere villa was stil geworden. En het Geluk trok +als een sluier tusschen zijne ziel en de wereld daarbuiten: den tuin met +zijn aanleg van paden en perken; de villa met gordijnen aan vensters en +ijzeren hek; den weg daarachter met geknars van rijtuigen en van trams. +Ver trok zich dat alles terug, het geheele leven der gewoonheid trok +zich ver van hem terug, het waasde weg achter den sluier, het stierf af. +En het was hem geen gedroom of verzinsel; de werkelijkheid was hem het +Geluk, dat gekomen was, terwijl de wereld afstierf; het Geluk, dat ijl +was, niet te zien en niet aan te raken, gekomen als het was uit de +Liefde, die alleen is sympathie, in kalmte en zonder hartstocht, de +Liefde, die louter is en slechts is om zichzelve, zonder bijgedachte van +iets te nemen, zelfs niet van iets te geven, de liefde der goden, die is +de ziel der Liefde zelve. Hoog voelde hij zich: de gelijke der illuzie, +die hij zag in haar, die ze wezen wilde om hem, die hij nu ook zien +bleef in haar, zonder twijfel. Want hij kon niet weten, dat wat hem zoo +het Geluk gaf--zijne illuzie,--zoo volkomen en zoo kristalhelder, iets +van leed zou zijn voor haar; hij kon op dit oogenblik zonder zonde niet +doordringen in de waarheid der wet, die wil het evenwicht, die wegneemt +aan de eene wat zij den andere biedt en die het Geluk geeft met het Leed +samen; hij kon niet weten, dat zoo het Geluk was aan hem, aan haar was +de smart, de smart, dat ze zich moest voordoen en hem bedriegen om hem; +de smart, dat zij het aardsche wilde, dat zij het aardsche miste, dat +zij smachtte naar het aardsche...! En nog minder kon hij weten, dat +niettegenstaande dit alles, toch deze wellust was in hare smart: te +lijden door hem, te lijden voor hem, kon hij weten, dat geheel hare +smart wellust was. + + + + +II. + + +Het werd donker, laat, en zij zaten er nog, toen ze vroeg: + +--Willen we wat wandelen? + +Hij aarzelde, glimlachend, maar zij vroeg nog eens: + +--Waarom niet, als je wilt? + +En hij kon niet meer weigeren. + +Zij stonden op, zij gingen langs den achterkant van het huis, en Cecile +vroeg aan de meid, die ze bij de deur der keuken zag zitten naaien: + +--Greta, haal even mijn kleinen zwarten hoed, mijn zwarte fichu en een +paar handschoenen. + +De meid stond op en ging het huis in. Cecile merkte hoe een beetje +verlegenheid zich sterker uitteekende in Quaerts' geweifel terwijl zij +nu wat dralend wachteden tusschen de bloemenperken. Zij glimlachte, +plukte eene roos, die ze zich in den ceintuur stak. + +--Zijn de jongens naar bed? vroeg hij. + +--Ja, antwoordde ze, steeds glimlachend; al lang. + +De meid kwam terug; zonder spiegel zette Cecile zich het zwarte tulle +hoedje op, sloeg de kant om haar hals, maar nu Greta de handschoenen +aanbood, sprak zij: + +--Neen, niet deze; haal een paar grijze ... + +De meid ging opnieuw en toen Cecile naar Quaerts zag, werd haar glimlach +grooter; ze lachte even. + +--Wat is er toch? vroeg zij ondeugend, hoewel ze het wel wist. + +--Niets, niets! sprak hij vaag en hij moest geduldig wachten, tot Greta +terug was gekomen. + +Toen gingen zij door het achterhek van den tuin de Boschjes in. Zij +liepen langzaam, zonder woorden, Cecile wat spelende met de lange +handschoenen, die zij niet aanschoof. + +--Heusch ... begon hij, aarzelend. + +--Wat dan toch? + +--U weet het wel; wat ik u verleden ook zei: het is niet goed ... + +--Niet goed? + +--Wat we doen. U risqueert te veel. + +--Te veel, met u? + +--Als iemand ons zag ... + +--Nu wat dan? + +Hij schudde zijn hoofd. + +--U is ondeugend; u weet het heel goed. + +Zij knipte met hare oogen; haar mond werd ernstig; ze deed alsof ze zich +een beetje boos maakte. + +--Hoor eens, u mag niet zoo bang zijn, als _ik_ het niet ben. Ik doe +niets slechts. Onze wandelingen zijn geen geheim. Greta ten minste weet +er van. En dan: ik ben vrij, ik doe en laat wat ik wil. + +--Het is mijn schuld: den eersten keer, dat we 's avonds wandelden, was +het op mijn verzoek ... + +--Doe dan nu boete en ga zonder scrupules zoet met me mee op _mijn_ +verzoek ... schertste zij. + +Hij gaf zich over, te gelukkig als hij was om aan conventie, aan dat wat +op dit oogenblik afgestorven was, te offeren. + +Zij gingen verder en zij zwegen. En zooals ze meestal hare gevoelens bij +schokken van verbazing ontving--zooals zij ze ontvangen had toen Jules +was boos geworden, en toen ze hare trap was opgegaan na hun gesprek aan +het diner, over cirkels van sympathie,--bij schokken van verbazing, zoo +ontving ze ook nu, met een schok, dit gevoel: dat ze toch niet zoo erg +leed, als ze eerst meende; dat hare smart, die wellust was, geene +marteling kon zijn, dat ze gelukkig was, dat het Geluk om haar heen kwam +als de fijne lucht zijner eigene atmosfeer, omdat zij samen waren, +samen ... O, waarom te wenschen, nog meer, en dingen, die niet zoo louter +waren? Had hij haar niet lief, en was zijne liefde niet een feit, en zou +zijne liefde haar dan niet aardsch genoeg zijn, als ze toch feit was? +Had hij haar niet lief met teederheid, die vreesde voor wat haar +hinderen mocht in de wereld, zoo ze die wereld vergat en 's avonds met +hem dwaalde in het donker? Had hij haar lief met teederheid, maar ook +niet met glans, met den glans van het goddelijke zijner ziel, omdat hij +haar madonna noemde, dus--zich misschien onbewust in zijn eenvoud--haar +met dien naam gelijke maakte aan wat goddelijk in hem was. Had hij haar +niet lief? God, had hij haar dan niet lief? En wat wilde ze meer? Neen, +o neen, ze wilde niets meer; ze was gelukkig, ze had het Geluk met hem +samen; hij gaf het haar, zooals zij het hem gaf; het was een sfeer, die +met hen meetrok, waar zij ook gingen, zoekende hunnen weg, langs de +weggedonkerde paden der Boschjes, zij nu aan zijn arm, hij haar leidende, +daar ze niets zag in het donker, dat toch louter licht was van hun Geluk. +En zoo was het of het niet avond was, maar dag. Middag, middag in den +nacht, ure van licht in het duister! + + + + +III. + + +En het donker was het licht; de nacht daagde van het Licht, dat straalde +alom. Stil straalde het, het Licht, als eene enkele zonnester, die +straalt met zachten glans van klaarheid, hel in een hemel van stil wit +zilver licht; hemel, waar zij liepen over melkwegen van licht en muziek; +het straalde en het klonk onder hunne voeten en in zeeen van ether +verhief het zich hoog boven hunne hoofden en straalde daar weer en klonk +er weer, hoog en zuiver. Zij waren er alleen, in hunnen hemel, in hunne +hemelwijdte, die was als de Ruimte, eindeloos onder hen en boven hen en +om hen rond, met eindelooze ruimten van licht en muziek; van licht, dat +muziek was. Eeuwigheden lang mat zich hun hemel uit, naar alle zijden +mat zich die uit, met zalige verschieten van witte zonneglansen, in +glans verschoten en weggeglansde landouwen, als oazen van bloemen en +planten aan wateren van licht, stil en klaar en geruischloos van vrede. +Want de vrede was er de lucht, waarin alle verlangen oplost en tot +kristallen transparantheid wordt en hun leven was er het limpide zijn in +verlangenloozen vrede; zij wandelden er voort, in goddelijke sympathie +van samenzijn, nauw aan elkaar, als in een engen ring omgeven, een ring +van glans, die hen omgaf. Nauwlijks in hen was er herinnering aan de +wereld, die was afgestorven en afgeschitterd in het stralen van hunnen +hemel; niets was er in hen dan de extaze van hunne liefde, die hunne +ziel was geworden, alsof zij geene ziel meer hadden en slechts liefde +waren; en toen zij om zich heen zagen en zagen in het Licht, zagen zij, +dat hun hemel, waarin hun Geluk het Licht was, niets was dan hunne +liefde en zagen zij, dat de landouwen,--de bloemen en planten aan +wateren van licht,--niets waren dan hunne liefde, en dat de eindelooze +Ruimte, de eeuwigheden van glans en ruimte, van ruimten vol glans en +muziek, die zich uitmaten naar alle zijden, onder hen en boven hen en om +hen rond, niets waren dan hunne liefde, die geworden was tot hemel en +geluk. + +En het Doel, dat Cecile eens had voorgeraden, verscholen in de verte, in +de uitstraling van eigen goddelijkheid, traden zij nu middenin, in zijn +zonnekern; midden in het Doel traden zij en rondom hen schoot het zijne +eindelooze stralen naar alle eeuwigheden heen, alsof hunne Liefde werd +tot middenpunt des Heelals ... + + + + +IV. + + +Maar zij zaten op eene bank, in het donker, niet wetende, dat het donker +was, daar hunne oogen vol waren van het Licht. Zij zaten er naast +elkander, eerst zwijgende, en toen hij zich herinnerde, dat hij eene +stem had en woorden kon zeggen sprak hij: + +--Ik heb nooit zoo een oogenblik doorleefd als dit. Ik vergeet waar we +zijn en wie we zijn en dat we menschen zijn. We zijn dat geweest, niet +waar; ik herinner me, dat we dat geweest zijn? + +--Ja, we zijn nu geen menschen! sprak zij glimlachend en hare vergroote +oogen zagen in het donker, dat Licht was. + +--Eens, toen waren we menschen, menschen, die leden en verlangden op een +wereld, waar heel veel moois was maar ook heel veel leelijks. + +--Waarom spreek je daar nu van? vroeg ze en hare stem klonk haarzelve +als komende van heel ver en laag onder haar. + +--Ik herinnerde me dat ... + +--Ik wilde het vergeten. + +--Dan zal ik het ook doen. Maar ik mag u toch wel in menschenwoorden +danken, dat u mij maakte tot niet meer mensch? + +--Deed ik dat? + +--Ja; mag ik daarvoor danken, op mijn knieen? + +Hij knielde neer en nam eerbiedig hare handen. Hij zag slechts even den +omtrek harer gestalte, stil, onbewegelijk gezeten op de bank; er was +iets als het parelgrijze doorschemeren van een sterrenlucht boven hen, +tusschen de zwarte takken. Zij voelde hare handen in de zijne, en toen +zijn mond zijn zoen op hare hand. Heel zacht maakte zij zich los, en +daarna was het met een groote ziel van kuischheid, vol verlangenloos +geluk, dat zij hare armen heel zacht boog om zijn hals, zijn hoofd tegen +zich nam en hem kuste op het voorhoofd. + +--En ik, ik dank je ook! fluisterde zij verrukt. + +Hij bleef stil en zij hield hem zacht vast in hare omarming. + +--Ik dank je, sprak ze, dat je me dit geleerd hebt en me geleerd hebt +zoo gelukkig te zijn als we zijn en niet anders. Zie je, toen ik nog +leefde, toen ik een mensch was, een vrouw, meende ik al geleefd te +hebben, voor ik je ontmoette, want ik had een man gehad en ik had +kinderen van wie ik heel veel hield. Maar ik leerde pas het leven van +jou, het leven zonder egoisme en zonder verlangen; ik leerde dat van je +dezen avond, of ... dezen dag, wat is het? O, je hebt me het leven +gegeven en het geluk, en alles! En ik dank je, ik dank je! Zie je, je +bent zoo groot en zoo sterk en zoo klaar en je hebt me gedragen naar je +eigen Geluk, dat ook het mijne moest zijn, maar dat zoo hoog boven me +was, dat ik het zonder je nooit bereikt zou hebben! Want er was een +grens voor me, die er niet voor jou was. Zie je, toen ik nog mensch +was--en zij lachte, terwijl zij hem vaster nam--had ik een zuster en die +voelde ook, dat ze een grens had tusschen haar en haar geluk, en ze +voelde, dat ze dien grens niet kon overschrijden en was daar zoo +ongelukkig om, dat ze vreesde gek te zullen worden. Maar ik, ik weet het +niet: ik droomde, ik dacht, ik hoopte, ik wachtte, o ik wachtte en toen +ben je gekomen, en je hebt me dadelijk doen verstaan, dat je geen +mensch, geen man voor me mocht zijn, maar dat je meer voor me kon zijn: +mijn engel, o mijn heiland, die me in zijn arm nam en me over den grens +opdroeg naar zijn eigen hemel, waar hijzelve god was en mij madonna +maakte. O, ik dank je, ik dank je! Ik weet niet hoe ik je danken kan, +maar ik kan je alleen zeggen, dat ik van je hou, dat ik je aanbid, dat +ik mijn ziel neerleg aan je voeten. Blijf zoo en laat me je aanbidden, +terwijl je zoo knielt. Zoo mag ik je wel aanbidden, niet waar, terwijl +jezelve knielt? Zie je, ik moet je ook biechten, zooals je mij wel eens +deed,--ging zij voort, en zij kon nu niet anders dan biechten,--ik ben +niet altijd eerlijk tegenover je geweest, ik heb me wel eens moeten +voordoen als een madonna, terwijl ik toen nog gewoon vrouw was, vrouw, +die eenvoudig-weg van je hield. Maar ik was oneerlijk voor je eigen +geluk, niet waar? Je wilde mij zoo hebben, je was gelukkig als ik zoo +was en niet anders. En nu, nu kan je mij het ook vergeven, omdat ik mij +nu niet meer behoef voor te doen, omdat dat het verleden is, omdat dat +is afgestorven, omdat ikzelve ben afgestorven van mezelve, omdat ik nu +geen vrouw en geen mensch meer ben voor mezelve, maar alleen dat wat je +me hebben wilt: madonna en schepsel van je, een atoom van je eigen +essence en goddelijkheid. Vergeef je me dus het verleden...? En mag ik +je danken voor mijn geluk, voor mijn hemel, mijn licht, o mijn God, voor +mijn geluk, mijn groot, onmetelijk groot geluk? + +Hij was opgestaan, hij zette zich naast haar en nam haar zacht in zijn +armen. + +--Is u gelukkig? vroeg hij. + +--Ja, sprak zij, haar hoofd op zijn schouder leggende in eene zwijmeling +van glans. En jij? + +--Ja, antwoordde ook hij en hij vroeg verder: + +--En verlangt u nu ... niets anders? + +--Neen, niets! stamelde zij. Ik wil niets dan dit, niets dan wat ik heb, +o niets, niets anders! + +--Zweer me dat dan ... bij iets heiligs! vroeg hij. + +--Ik zweer het je ... bij jezelven! zwoer zij. + +Hij drukte haar hoofd weer neer op zijn schouder. Hij glimlachte en zij +zag niet, dat er weemoed was in zijn lach, want zij was verblind van +glans. + + + + +V. + + +Zij zwegen lang, zoo zittende. Zij herinnerde zich vele woorden gezegd +te hebben, ze wist niet meer welke. Om haar heen zag zij, dat het donker +was, met alleen dat geschemer van parelgrijs boven hunne hoofden, door +de zwarte takken door. Ze voelde, dat ze met haar hoofd op zijn schouder +lag; ze hoorde zijn adem. Iets als kilte liep haar langs de schouders, +niettegenstaande de warmte zijner omhelzing; ze trok de kant dichter om +haar hals en voelde, dat de bank, waarop zij zaten, wat vochtig van dauw +was. + +--Ik dank je, ik heb je zoo lief, je maakt me zoo gelukkig, herhaalde +zij. + +Hij zweeg, drukte zeer zacht, met enkel teederheid, haar tegen zich aan. +Heure laatste woorden klonken haar nog in de ooren nadat zij ze gezegd +had. Toen moest ze zich erkennen, dat ze niet spontaan waren geweest, +als alles wat zij hem te voren gezegd had, terwijl hij voor haar +geknield lag, met zijn hoofd aan hare borst. Zij had ze gezegd, om hun +stilzwijgen te vullen: vroeger had dit stilzwijgen haar nooit gehinderd, +waarom dan nu? + +--Kom! sprak hij zacht en ze hoorde nog niet den weemoed zijner stem, in +dit enkele woord. + +Zij stonden op en liepen verder. Hij dacht er aan, dat het laat was, dat +ze door dit pad naar huis zouden kunnen gaan: verder dacht hij aan veel +treurigs, dat hij niet had kunnen zeggen; het was alleen als schemering, +die om hem heen kwam na de verbinding van het Licht hunner hemelen van +zoo even. En hij moest voorzichtig zijn: het was hier zeer donker, en +maar heel bleek zag hij het pad schemeren voor hunne voeten; boomstammen +schuurden zij rakelings aan. + +--Ik zie niets! sprak Cecile lachend. Ziet u den weg? + +--Vertrouw maar op me: ik zie heel goed in het donker, antwoordde hij. +Ik heb de oogen van een lynx ... + +Stap voor stap gingen zij voort en zij gevoelde eene zoete vreugde zich +te laten leiden door hem; zij klemde zich vaster aan zijn arm, zeide +lachend dat ze bang was en dat ze heel bang zou zijn, als hij haar nu in +eens losliet. + +--En als ik nu in eens wegliep en u liet staan? schertste Quaerts. + +Zij lachte, zij smeekte lachend, dat hij het niet doen zou. Toen zweeg +ze, boos op zichzelve, dat ze gelachen had; een last van weemoed +bezwaarde haar om haren scherts en gelach. Ze gevoelde iets, als was ze +dat onwaardig, waarvan zij zoo even in glanzen lichts ontvangen was +geworden. + +En ook in hem was weemoed: de weemoed, dat hij haar leiden moest door +duisternis, over onzichtbare paden, langs rijen van onzichtbare +boomstammen, die haar schrammen en kneuzen konden, dat hij haar leiden +moest door een donker bosch, door eene zee van zwart, door eene +inkt-duistere sfeer, terwijl zij terugkwamen van den hemel, waar alles +licht en alles geluk was geweest, zonder weemoed, en duister. + +En zoo, in dien weemoed, zwegen zij, tot zij op den grooten weg waren, +den ouden Scheveningschen weg. Zij naderden de villa. + +Er ging een tram voorbij; twee, drie wandelaars liepen daar: het was een +mooie avond. Hij bracht haar thuis en wachtte, tot, op zijn bel, geopend +zou worden. De deur bleef lang dicht, hij drukte intusschen vast hare +hand en onwillekeurig deed hij haar een beetje pijn. Greta was zeker in +slaap gevallen, meende ze: + +--Bel nog eens, wil u? + +Hij belde weer en luider; de deur werd nu na een oogenblik geopend. Zij +bood hem ten tweede male de hand, met een glimlach. + +--Adieu, mevrouw! groette hij, terwijl hij nu heure vingers eerbiedig +aannam en zijn hoed oplichtte, en nu, nu hoorde zij den klank zijner +stem, den klank van weemoed ... + + + * * * * * + + +HOOFDSTUK V. + + + + +I. + + +Toen wist zij het, den volgenden dag, toen zij alleen zat en nadacht, +dat de sfeer van het geluk, van het hoogste en lichtste, niet betreden, +mag worden, dat ze slechts tot ons stralen mag als eene zon en dat wij +er niet in mogen gaan, in hare heilige zonnekern. Zij hadden dat +gedaan ... + +Lusteloos zat zij; de kinderen waren bij haar, Christie hing en zag +bleek. O ja, ze verweekte ze, maar wat kon ze aan zich veranderen? + +Weken gingen er voorbij en Cecile hoorde niets van Quaerts; dat was +altijd zoo: nadat ze hem gezien had, gingen er zoo, slepend, weken +voorbij, dat ze hem niet zag. Hij was immers te gelukkig bij haar, dat +verwende hem te veel. Hij beschouwde haar als een zeldzaam genot, +waarvan men maar weinig genoeg heeft ... En zij, ze had hem eenvoudig +lief, met de innigste essence harer ziel, gewoon lief als eene vrouw een +man lief heeft ... Zij had hem altijd noodig, iederen dag, ieder uur, bij +iederen ademtocht van haar leven. + +Bij toeval ontmoette zij hem toen, te Scheveningen, waar zij op een +avond was met Amelie en Suzette. Toen weer eens, bij toeval, op eene +receptie, van Mevrouw Hoze. Hij had iets verlegens tegenover haar en zij +gevoelde eenigen trots en vroeg hem niet te komen. Ja, er was iets +veranderd in wat zich tusschen hen had geweven. Maar zij leed zeer, ook +om dien dwazen trots, en dat zij hem niet met nederigheid smeekte, dat +hij komen zou. Hij was immers haar god: wat hij deed was goed. + +Zoo zag zij hem niet gedurende weken, weken. Het leven ging voort; zij +had iederen dag kleine bezigheden, in haar huishouden, voor heure +kinderen; mevrouw Hoze berispte haar om hare afsterving van de wereld en +zij dacht voortaan meer aan hare visites, terwille van mevrouw Hoze, die +dat gevraagd had. In hare herinnering waren stralen; in die stralen zag +zij het diner, hunne gesprekken en wandelingen, geheel hare liefde, +geheel zijn opzien tot haar, die hij madonna noemde; hunnen laatsten +avond van licht en extaze. Dan glimlachte zij en die glimlach zelve +straalde over hare smart heen; hare smart, dat zij hem niet meer zag, en +zich trotsch gevoelde en wat bitterheid in zich had. Alles moest immers +goed zijn, zooals hij het wilde. + +O, de avonden, de zomeravonden, die koelden na warme dagen, de avonden, +die zij alleen zat, turende van uit hare kamer, waar de onyxen lamp met +halve vlam brandde, turende van uit de open vensterdeuren naar de +trammen, die, rinkelend met bellen, kwamen en gingen naar Scheveningen, +vol, vol menschen! Het wachten, het eindeloos lange wachten avonden, +avonden lang, in eenzaamheid, als de kinderen waren gaan slapen! Het +wachten, als zij maar stil zat, de oogen strak voor zich uit, kijkende +naar de trammen, die eindelooze, die vervelende trammen. Waar was haar +vroegere gelijkmatige zachtheid van droomend geluk? En waar, waar was +haar zonnestralend geluk? En waar was haar strijd in zichzelve tusschen +wat zij was en wat hij in haar zag? Ook die strijd was niet meer, +overwonnen was die strijd; ze voelde niet meer die hevigheid van +hartstocht; zij verlangde alleen naar hem, zooals hij altijd gekomen +was, zooals hij nu niet meer kwam. Waarom kwam hij niet? Het geluk +verwende, de menschen spraken over hen ... Het was niet goed, dat zij +veel elkaar zagen--hij had dat gezegd op den vooravond van hun hoogste +geluk--niet goed voor hem en niet goed voor haar. + +Zoo zat zij en dacht zij, en stille groote tranen vielen haar uit de +oogen, want zij wist, dat al kwam hij ook een beetje om zichzelven niet +bij haar, hij vooral niet kwam om haar. Wat had zij niet gezegd, 's +avonds op die bank in de Boschjes, met haar armen om zijn hals! O, zij +had moeten zwijgen, dat voelde ze nu. Zij had hare verrukking niet +moeten uiten, maar ze stil in zichzelve moeten genieten, als een geheim; +zij had hem zich moeten laten uiten: zijzelve had madonna moeten +gebleven zijn. Maar het was haar toen te vol, te gelukkig geweest en, +in die overmate van geluk, had zij niet anders kunnen zijn dan waar en +klaar als een heldere spiegel. Hij had in haar geblikt, hij had haar +geheel gezien: zij wist dat, ze was daar zeker van. + +Hij wist nu, hoe zij hem liefhad; zij had hem dat zelve geopenbaard. +Maar zij had hem immers ook geopenbaard, dat dit alles het verleden was, +dat zij _nu_ was, die hij wilde! Toen, toen was dat ook waar geweest, +klaar en waar ... Maar nu? Duurt extaze dan maar een oogenblik en wist +hij dat? Wist hij, dat hare zielevlucht heur hoogste bereikt had en nu +weer dalen moest tot gewonere sfeer? Wist hij, dat zij hem nu weer +liefhad, gewoon weg, met alles, geheel en al, niet zoo wijd meer als de +hemelen, en nu weer zoo wijd maar als hare armen konden uitslaan en +omvademen? En kon hij haar die liefde zoo klein niet teruggeven en kwam +hij daarom niet bij haar? + + + + +II. + + +Toen ontving ze zijn brief. + +"Vergeef me, zoo ik van dag tot dag uitstelde u te komen zien; vergeef +me, zoo ik van daag nog niet daartoe besluiten kon en u schrijf. Vergeef +me zoo ik u zelfs durf te vragen, of het niet zal moeten zijn, dat wij +elkander niet meer zien. Zoo ik u pijn doe en beleedig, zoo ik--God geve +van niet--doe lijden, vergeef me, vergeef me! Ik heb misschien uitgesteld +uit een beetje besluiteloosheid, maar veel meer omdat ik meende niet +anders te mogen doen. + +"Er is tusschen onze beide levens, tusschen onze beide zielen, eene +ontmoeting van geluk geweest, die eene bizondere zaligheid, eene +bizondere gunst van den hemel was. Gelooft u dat ook niet? O, als ik +maar de woorden had u te zeggen hoe dankbaar ik in mijn innigste ziel +ben voor dat geluk. Als ik ooit later op mijn leven terugzie, dan zal ik +er altijd tusschen veel leelijks en zwarts dat geluk in blijven zien, +als een ster van licht. Wij hebben dat zoo gekregen: een geschenk van +licht. En ik durf u te vragen of u met mij dat geschenk bewaren wil, als +iets heiligs. + +"Zullen wij dat kunnen doen, als ik u blijf bezoeken? O, u zeker, ik +twijfel niet aan u, u zal sterk zijn en het heilig bewaren, ons heilig +geluk, vooral omdat u al gestreden heeft, zooals uzelve mij op onzen +heiligen avond toevertrouwde. Maar, ik, zal ik ook sterk kunnen zijn, +vooral nu ik weet, dat u gestreden heeft? Aan mij twijfel ik, aan mijn +eigen kracht; voor mijzelven ben ik bang! Er is iets wreeds in mij, iets +vernielzuchtigs, iets van een barbaar. Als jongen had ik er plezier +in mooie dingen en kunstvoorwerpen te vernielen, ze te kerven en te +bezoedelen. Verleden had Jules mij wat rozen gebracht, op mijn kamer; +'s avonds, toen ik alleen zat, mijmerend over u en over ons geluk--zelfs +op dat oogenblik--frommelden mijne vingers aan een roos, die uitbladerde, +en toen ik die eene roos ontbladerd zag, was het in mij eene wreedheid +om ze allen te ontbladeren, en ik verfrommelde ze allemaal. Ik noem u +maar een klein bewijs op, omdat ik u geen groote bewijzen noemen wil, +uit ijdelheid, opdat u niet wete, hoe slecht ik ben. Ik ben bang voor +mezelven. Als ik u weer zag, en weer zag, en weer, wat zou ik gaan +gevoelen en denken en willen, zonder te willen? Wat zou sterker in mij +zijn, mijn ziel of mijn beest? Vergeef me, dat ik mijn angst u bloot leg +en minacht mij er niet om. Tot nog toe heb ik _niet_ gestreden in onze +heilige wereld van geluk. Ik heb u gezien, veel gezien voor ik u kende; +ik heb u geraden, zooals u was; ik heb u mogen spreken, ik heb u mogen +liefhebben met mijn ziel alleen: ik smeek u, o laat het zoo blijven. +Laat me mijn geluk zoo blijven bewaren, heilig, duizendmalen heilig! Ik +vind het nu waard geleefd te hebben, nu ik dat gekend heb: geluk, het +hoogste: En voor den strijd, die waarschijnlijk zou komen en dat heilige +bezoedelen zou, ben ik bang. + +"Gelooft u mij, als ik u zweer, veel over dit alles te hebben nagedacht; +gelooft u mij, als ik u zweer, dat ik lijd bij de gedachte u nooit weer +terug te zullen mogen zien? En vooral: vergeeft u mij, als ik u zweer, +dat ik zoo doe, omdat ik denk goed te doen? O, ik ben u dankbaar, en ik +heb u lief als een ziel van licht alleen, alleen licht! + +"Misschien doe ik niet goed u dezen brief te zenden. Ik weet het niet. +Misschien verscheur ik deze woorden straks ..." + +Maar hij had haar den brief gezonden. + +Er was veel bitterheid in haar. Zij had eens gestreden, zich overwonnen +en, in een heilig oogenblik dien strijd en die overwinning gebiecht: zij +wist, dat zij dit noodlottig had moeten doen; zij wist nu, wat zij door +die biecht verliezen zou. Een kort oogenblik slechts, een enkelen avond +misschien, was zij haren god waardig en gelijk geweest. Nu was zij dat +niet meer; ook daarom was zij bitter. En het bitterst was zij, omdat de +gedachte in haar dorst oprijzen: + +--Een god! Is hij een god? Vreest een god voor strijd? + +Toen werd hare driedubbele bitterheid tot wanhoop, de zwarte wanhoop, de +nacht, waardoor hare oogen zochten te dringen om iets te zien, waarin +zij niets zagen, niets, en zij kermde zacht, en wrong hare handen, +ineengezonken voor het venster en turende naar de trammen, die, +onbarmhartig, met hun gerinkel van bellen, reden, heen en weer. + + + + +III. + + +Zij sloot zich op; zij zag hare kinderen niet veel; aan hare kennissen +zeide zij, dat zij ziek was. Voor bezoeken gaf zij belet. Uit intuitie +ried zij, dat men in hunne kringen sprak over haar en Quaerts. Het leven +was dof om haar heen: een dicht ineengeweven net van lastige, vervelende +mazen en zij bleef als roerloos in heur hoekje om zich niet in die mazen +te behoeven verwarren. Eens drong Jules tot haar door; hij ging, +niettegenstaande Greta hem weerhouden wilde, naar boven; hij zocht haar +in het boudoirtje, vond haar niet en ging beslist naar hare slaapkamer. +Hij klopte maar kreeg geen antwoord en trad toch binnen. De kamer was +half duister door de dicht gehouden stores; in de schaduw van den +baldakijn, die over het ledekant oprees met draperieen van een oud-blauw +brokaat, lag Cecile te slapen. Haar peignoir was open op de borst, de +sleep slierde van het bed af, verkreukeld over het tapijt; over het +kussen lagen heure haren; hare eene hand hield zich krampachtig in de +tulle ondergordijnen vast. + +--Tante! riep Jules, tante! + +Hij schudde haar even bij den arm en zij werd loom wakker, met zware, +blauw omcirkelde oogen. Zij herkende hem niet dadelijk en dacht, dat hij +kleine Dolf was. + +--Ik ben het, tante; Jules ... + +Zij herkende, vroeg hem, hoe hij hier kwam, wat er was en of hij niet +wist, dat zij ziek was. + +--Ik wist het, maar ik moest u spreken. Ik kwam u spreken over ... hem ... + +--Hem? + +--Over Taco. Hij vroeg mij het u te zeggen. Hij kon u niet schrijven, +zei hij. Hij gaat een groote reis doen, met zijn vriend uit Brussel; hij +blijft heel lang weg en hij wou ... hij wou afscheid van u nemen. + +--Afscheid? + +--Ja, en hij vroeg mij het u te vragen, of hij u nog eens zien mocht. + +Zij had zich half opgericht en zag den jongen wezenloos aan. In eene +seconde gingen de herinneringen door haar brein van den langen blik, +dien Jules vreemd op haar geslagen had, toen zij Quaerts voor het eerst +gezien had, toen zij, koel, op een laatdunkenden afstand, tot hem +gesproken had: Heeft u familie in den Haag? Heeft u een betrekking? +Sport? O!... + +De herinneringen van Jules' spelen op de piano van Rubinsteins romance +in es, van de extaze zijner fantazie: de glanzende regenbogen en de +engel-wordende zielen. + +--Afscheid? herhaalde zij. + +Jules knikte. + +--Ja tante, hij gaat weg, voor zoo lang. + +Hij had zelve kunnen huilen en huilen was ook in zijne stem, maar hij +wilde niet en alleen werden zijne oogen vochtig. + +--Hij vroeg mij, het u te vragen, herhaalde hij moeilijk. + +--Of hij afscheid kan nemen? + +--Ja, Tante. + +Zij antwoordde niet, maar bleef voor zich uit turen. Om haar heen begon +eene leegte zich uit te meten, met perspectieven van oneindigheid. Het +was als een schaduwbeeld van hunnen avond van verrukking, maar het +lichtstraalde niet uit die schaduw. + +--Leegte ... sprak zij tusschen hare lippen. + +Wat tante? + +Zij had hem willen vragen of hij nog als vroeger bang was voor leegte in +zich, maar eene zachtheid van medelijden, een week gevoel, als eene +verzoeting van de bitterheid, die zoo vol in haar was, weerhield haar. + +--Afscheid? herhaalde zij, met een glimlach van weemoed, en groote +tranen vielen zwaar, drop, op drop, op hare, in elkaar gewrongen, +vingers neer. + +--Ja, tante ... + +Hij kon zich niet meer inhouden: een enkele snik hokte in zijne keel, +maar hij kuchte even na, om te doen gelooven, dat het geen snik was. +Cecile sloeg haar arm om zijn hals. + +--Je houdt heel veel van ... Taco, niet waar? vroeg ze en het trof haar, +dat het de allereerste maal was, dat zij dien naam uitsprak, want zij +had Quaerts nooit zoo genoemd: zij had nooit een naam tegen hem gezegd. + +Nu antwoordde hij niet, maar hij voegde zich in haren arm, in hare +omhelzing en begon te weenen. + +--Ja, ik kan u niet zeggen, hoeveel! begon hij. + +--Ik weet het! sprak ze en ze dacht aan de regenbogen en de engelen; hij +had gespeeld als uit hare eigen ziel. + +--Mag hij komen? vroeg Jules trouw gedachtig aan wat hem was opgedragen. + +--Ja. + +--Hij vraagt, of hij van avond komen mag? + +--Goed. + +--Tante, gaat hij weg om ... om ... + +--Om wat, Jules? + +--Om u; omdat u niet van hem houdt en niet met hem trouwen wil? Mama +zegt dat ... + +Zij antwoordde niet; zij snikte, haar hoofd op Jules' hoofd. + +--Is het zoo, tante? Neen, nietwaar...? + +--Neen. + +--Maar waarom dan? + +Zij richtte zich in eens op, zich winnende en zag hem vast aan. + +--Hij gaat weg, omdat hij weg moet, Jules. Ik, kan je niet zeggen, +waarom. Maar wat hij doet, is goed. Alles wat hij doet, is goed. + +De jongen zag haar roerloos aan, met groote natte oogen, vol +verwondering. + +--Is goed? herhaalde hij. + +--Ja. Hij is beter dan een van ons allen. Als je van hem houden blijft, +Jules, zal je dat geluk aanbrengen, zelfs al ... al zie je hem niet meer. + +--Gelooft u? glimlachte hij. Brengt hij geluk aan? Zelfs dan ... + +--Zelfs dan ... + +Zij hoorde zich aan, terwijl zij zoo sprak; het was haar of een ander +sprak; een ander, die niet alleen Jules troostte, maar ook haarzelve en +die haar misschien kracht zou geven afscheid van Taco te nemen zooals +het goed zou zijn: zonder wanhoop. + + + + +IV. + + +--U gaat dus een lange reis maken? vroeg ze. + +Hij zat over haar, roerloos, met eene smart over zijn gelaat. Zij was +uiterlijk zeer kalm, alleen was er een weemoed in haren blik en hare +stem; in haar wit toilet, met de echarpe, die haar voor de voeten viel, +lag zij achterover in de drie kussentjes der roze moire chaise-longue; +de punten van hare schoentjes verloren zich in de witte schapen vacht. +Voor haar op het tafeltje lag een groote bouquet losse rozen, roze, +witte en gele, met een breed lint samengestrikt. Hij had ze haar +meegebracht en zij had ze nog niet in eene vaas gezet. Er was veel +kalmte om hen heen; de exquize atmosfeer van het boudoirtje scheen de +zelfde. + +--Zeg me, doe ik u niet erg verdriet? vroeg hij, met die smart in zijne +oogen, zijne oogen, die zij nu zoo goed kende. + +Zij glimlachte. + +--Neen ... sprak ze. Ik zal eerlijk zijn met u. Ik heb verdriet gehad, ik +heb het nu niet meer. Ik heb me voor de tweede maal bestreden en ik heb +mezelve overwonnen. Zal u dat gelooven? + +--Als u wist hoeveel wroeging ik voel ... + +Zij stond op en trad op hem toe. + +--Waarom? sprak ze, met eene stem van klaarte. Omdat u mij geraden +heeft, en me geluk heeft gegeven? + +--Heb ik dat dan? + +--Is u dat dan vergeten? + +--Neen, maar ik dacht ... + +--Wat? + +--Ik weet het niet; ik dacht, dat u zoo lijden zou, ik ... ik vervloekte +mezelven...! + +Zij schudde zachtjes het hoofd, met eene glimlachende afkeuring. + +--Foei! sprak ze. U profaneert ... + +--Vergeeft u me? + +--Ik heb u niets te vergeven. Hoor eens. Zweer me, dat u me gelooft, dat +u gelooft, dat u mij geluk heeft gegeven en dat ik niet lijd. + +--Ik ... ik zweer het u. + +--Ik vertrouw, dat u niet alleen zweert om aan mijn verlangen te +voldoen. + +--U is het hoogste in mijn leven geweest, sprak hij zacht. + +Eene verrukking schoot door hare ziel. + +--Zeg me alleen ... begon ze. + +--Wat? + +--Zeg me, of u gelooft, dat ik, ik, _ik_ ... altijd het hoogste in uw +leven blijven zal. + +Zij stond voor hem, lang, in haar slepend wit. Zij scheen te stralen; +zij was zoo mooi als hij haar nog nooit gezien had. + +--Ik weet dat zeker! sprak hij. Zeker, o zeker ... God, hoe kan ik u +daarvan zekerheid geven?! + +--Maar ik geloof u al! riep zij uit. + +Zij lachte met een lach van verrukking. In hare ziel scheen eene zon +naar alle zijden stralen uit te schieten. De oneindigheid harer +ziele-leegte vulde zich met licht. Zij wond haren arm zacht om zijnen +hals en kuste hem op het voorhoofd met eene liefkoozing van kuischheid. + +Een oogenblik scheen hij alles te vergeten. Hij stond ook op, nam haar +in zijn armen, bijna woest, en klemde haar in eens tegen zich aan, als +wilde hij haar verpletteren aan zijne borst. Zij zag even nog zijne +treurige oogen; toen zag zij niet meer, verblind door de zoenen van zijn +mond, die geheel haar gelaat schroeiden als vonken vuur. In de +zonne-verrukking van hare ziel mengde zich eene zaligheid van de aarde, +een toegeven aan het geweld zijner omhelzing. Maar het bliksemde door +haar heen, wat zij verliezen zou, zoo zij toegaf. Zij dwong zich los, +weerde hem af en sprak: + +--En nu ... ga. + +Het duizelde hem, hij begreep, dat het moest. + +--Ja, ja, ik ga, sprak hij. Ik mag u schrijven, niet waar? + +Zij knikte van ja, met haren glimlach. + +--Schrijf me, ik zal u ook schrijven, zeide zij. Laat mij altijd van u +weten ... + +--Dit zijn dus niet de laatste woorden, die er tusschen ons zijn? Dit ... +dit alles ... was niet het laatste? + +--Neen ... + +--Ik dank u. Adieu, mevrouw, adieu ... Cecile. O, als u wist, wat dit +oogenblik mij kost! + +--Het moet. Het mag niet anders. Ga, ga. U doet goed te gaan. Toe, ga ... + +Zij reikte hem nog de hand, voor het laatst. Eene seconde daarna was hij +verdwenen. + +Zij zag vreemd om zich rond, met verwilderde oogen, met ineengedrongen +handen. Ga, ga ... herhaalde zij, als ijlend. Toen merkte zij de rozen +op. Met iets als een zachten schreeuw zonk zij neer voor het tafeltje en +begroef haar gezicht in zijn geschenk, tot de dorens haar schramden. Die +pijn--twee druppels bloed, die van haar voorhoofd vielen--ze bracht haar +tot bezinning. Voor den kleinen Venetiaanschen spiegel, boven hare +schrijftafel, wischte zij zich met den zakdoek de roode vlekjes af. + +--Het geluk! stamelde zij in zichzelve. Zijn geluk! Het hoogste van zijn +leven! Hij heeft dus geluk gekend, al was het ook maar kort. Maar nu ... +nu lijdt hij. Nu zal hij weer veel lijden, weer als vroeger. De +herinnering aan ons geluk zal niet alles kunnen doen. O, kon het dat +maar, dan was alles goed, alles ... Ik wil niets meer, ik heb mijn leven +gehad, mijn kinderen; ik ben nu alles voor hen. Voor hem mocht ik niet +meer zijn ... + +Zij wendde zich van den spiegel af en zonk neer op de bank, als was zij +vermoeid van heel veel ruimte, die zij doordwaald had, en zij sloot de +oogen, als was zij verblind van heel veel licht. Hare handen vouwden +zich als om te bidden; heur gelaat straalde, in zijn moeheid, van +glimlach op glimlach. + +--Het geluk! herhaalde zij, stamelend in dat geglimlach. Het hoogste van +zijn leven! O God, het geluk! Ik dank u, God, ik dank u ... + + + +_Den Haag-Wiesbaden-Hilversum_, + +Jan.'91-Oct.'91. + + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Extaze, by Louis Couperus + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EXTAZE *** + +***** This file should be named 12003.txt or 12003.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/2/0/0/12003/ + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + |
