summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old')
-rw-r--r--old/7drvt10.txt4558
-rw-r--r--old/7drvt10.zipbin0 -> 94357 bytes
-rw-r--r--old/8drvt10.txt4558
-rw-r--r--old/8drvt10.zipbin0 -> 94543 bytes
4 files changed, 9116 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/7drvt10.txt b/old/7drvt10.txt
new file mode 100644
index 0000000..3a7452f
--- /dev/null
+++ b/old/7drvt10.txt
@@ -0,0 +1,4558 @@
+The Project Gutenberg EBook of Drie Vertellingen, by Gustave Flaubert
+
+Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the
+copyright laws for your country before downloading or redistributing
+this or any other Project Gutenberg eBook.
+
+This header should be the first thing seen when viewing this Project
+Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the
+header without written permission.
+
+Please read the "legal small print," and other information about the
+eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is
+important information about your specific rights and restrictions in
+how the file may be used. You can also find out about how to make a
+donation to Project Gutenberg, and how to get involved.
+
+
+**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts**
+
+**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971**
+
+*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!*****
+
+
+Title: Drie Vertellingen
+
+Author: Gustave Flaubert
+
+Release Date: September, 2005 [EBook #8804]
+[Yes, we are more than one year ahead of schedule]
+[This file was first posted on August 10, 2003]
+
+Edition: 10
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+DRIE VERTELLINGEN DOOR GUSTAVE FLAUBERT
+
+
+EEN EENVOUDIGE ZIEL
+
+DE LEGENDE VAN SINT JULIAAN DEN GASTVRIJEN
+
+HERODIAS
+
+
+VERTAALD DOOR MARIE KOENEN
+
+
+Gebaseerd op de editie gepubliceerd in 1917, te Bussum.
+
+
+
+
+
+EEN EENVOUDIGE ZIEL
+
+
+
+
+I
+
+
+Een halve eeuw lang werd mevrouw Aubain door de dames van
+Pont-l'Eveque benijd om haar meid Felicite.
+
+Voor honderd franken per jaar deed zij de keuken en het huishouden,
+naaide, waschte en streek ze, wist ze een paard op te tuigen, de
+hoenders vet te mesten, de melk te karnen, en bleef ze trouw aan haar
+meesteres, die toch geen aangename vrouw was.
+
+Mevrouw Aubain had een knappen jongen getrouwd zonder geld, die in 't
+begin van 1809 stierf, haar twee heel jonge kinderen nalatend en
+veel schulden. Ze verkocht toen haar vaste goederen, op de hoeve van
+Toucques en de hoeve van Geffosses na, die hoogstens 5,000 franken
+rente opbrachten, en ze verliet haar huis te Saint-Melaine voor een
+voordeeliger, dat had toebehoord aan haar familie en gelegen was
+achter de hallen. Dit huis, met zijn leien dak, lag tusschen een open
+gang en een steegje, uitloopend op de rivier. Binnen struikelde men
+er over het hoog-en-laag der ongelijke vloeren. Een enge vestibuul
+scheidde de keuken van de zaal, waar mevrouw Aubain den dag lang
+in een rieten fauteuil bij het openslaand raam zat. Tegen het wit
+geverfde beschot stonden in een rij acht mahoniehouten stoelen.
+Een oude piano torste, onder een barometer, een pyramide van
+opeengestapelde bussen en kartonnen doozen. Twee trijpen armzetels
+stonden ter weerszijden van den geel marmeren schoorsteen in stijl
+Louis XV. De pendule, in het midden, stelde een vestaalschen tempel
+voor,--en heel het vertrek rook wat duf, daar de plankenvloer lager
+lag dan de tuin.
+
+Op de eerste verdieping was, om te beginnen, de kamer van "mevrouw",
+zeer groot, met flets gebloemd papier behangen, en waarin zich het
+portret bevond van "mijnheer" in saletjonkersdos.
+
+Ze stond in verbinding met een kleiner vertrek, waar men twee
+kinderledikantjes zag, zonder matras. Dan kwam het salon, altijd
+gesloten, en vol meubels onder lakens. Een gang leidde vervolgens naar
+een studeerkamertje; boeken en paperassen vulden de planken van een
+bibliotheek-kast, welke langs drie zijden een groote zwart-houten
+schrijftafel omgaf. De twee achterpaneelen waren bedekt met
+penteekeningen, landschappen in waterverf en platen van Audran,
+gedachtenissen aan betere tijden en aan een vergane weelde.
+
+Een zoldervenstertje op de tweede verdieping verlichtte de kamer van
+Felicite, die uitzicht had op de weien.
+
+Heel vroeg stond ze op, om de mis niet te verzuimen, en ze werkte
+tot 's avonds zonder ophouden; dan, als het maal was afgeloopen, het
+vaatwerk opgeruimd, de deur goed gesloten, dekte ze het houtvuur met
+asch en dutte ze in voor den haard, den rozenkrans in de hand. Niemand
+bij loven en bieden zoo koppig als zij. En wat zindelijkheid aangaat,
+zoo blankgeschuurd waren haar braadpannen, dat ze de andere meiden de
+oogen verblindden. Zuinig als ze was, had ze de gewoonte heel
+langzaam te eten, en met den vinger pikte ze de broodkruimels van de
+tafel,--een brood van twaalf pond werd opzettelijk voor haar gebakken,
+en ze deed het daar twintig dagen mee.
+
+Winter en zomer droeg ze een katoenen halsdoek, met de punt in den
+rug vastgespeld, een muts die haar haren verborg, grijze kousen,
+een rooden onderrok, en over haar jak een boezelaar, zooals de
+ziekenzusters.
+
+Haar gezicht was mager en haar stem schel. Toen ze vijf-en-twintig
+was, zag men haar voor veertig aan. Na haar vijftigste viel, op haar
+uiterlijk, haar leeftijd niet meer te bepalen,--en, stil, steil,
+met haar afgemeten gebaren, leek ze een houten vrouwtje, dat zich
+automatisch bewoog.
+
+
+
+
+II
+
+
+Ze had, zoo goed als een ander, haar liefdesgeschiedenis gehad.
+
+Haar vader, een metselaar, was van een steiger doodgevallen. Daarna
+stierf haar moeder, haar zusters verspreidden zich, zij werd door een
+pachter opgenomen, voor wien ze, hoe klein ook, de koeien moest hoeden
+langs de wegen. Ze bibberde onder haar lompen, dronk plat voorover
+liggend het water uit de poelen, werd om een niemendal geslagen, en
+ten slotte joeg men haar weg om een diefstal van dertig stuivers, dien
+ze niet begaan had. Ze kwam op een andere hoeve, werd er stalmeid, en
+omdat ze in den smaak viel van haar meesters, waren haar kameraden
+jaloersch.
+
+Op een Augustusavond (ze was toen achttien jaar) namen ze haar mee
+naar de kermis van Colleville. Bij den eersten aanblik stond ze stom
+van verbazing, overbluft door het geschetter der dorpsmuzikanten,
+door de lichten in de boomen, de bonte kleeren, de kanten, de gouden
+borstkruisen, al dat hossende volk. Ze hield zich bloode achteraf,
+maar een jonkman, die er welgesteld uitzag, en die zijn pijp rookte
+met de twee ellebogen op den disselboom van een ladderwagen, kwam haar
+ten dans nooden. Hij trakteerde haar op cider, koffie en koek, kocht
+haar een zijden halsdoek, en vroeg of hij haar naar huis zou brengen.
+Onderweg greep hij haar vast. Ze werd bang en begon te roepen. Hij
+ging.
+
+Een anderen avond, wilde ze, op den weg naar Beaumont, een groote
+hooikar voorbij stappen, die langzaam voortschokte, en langs de raders
+schuivend herkende ze Theodore.
+
+Kalmpjes sprak hij haar aan, zeggend dat ze hem vergeven moest, het
+was door "den drank" gekomen.
+
+Ze wist niet, wat te antwoorden en had zin om weg te loopen.
+
+Dadelijk begon hij over den oogst en over de notabelen van de
+gemeente, want zijn vader had Colleville verlaten om de hoeve van
+Ecocs te betrekken, zoodat ze nu buren waren.
+
+--"He!" zei ze.
+
+Hij voegde er aan toe, dat men hem graag gevestigd zou zien. Maar
+overigens, haast had hij niet, en hij zou wachten tot hij een vrouw
+vond naar zijn keus. Ze boog het hoofd. Toen vroeg hij haar of ze
+dacht te trouwen. Ze antwoordde, met een glimlach, dat het niet mooi
+was, met iemand den spot te drijven.
+
+--"Wel neen, ik denk er niet aan!"
+
+En hij sloeg haar den linkerarm om het middel. Ze liep zoo voort
+gesteund door zijn arm; hun stap vertraagde. De wind was zwoel, de
+sterren schitterden, voor hen wankelde de reusachtige kar met hooi; de
+vier paarden begonnen te sleepvoeten en joegen het stof op. Toen, uit
+eigen beweging, wendden ze zich rechtsaf. Hij omhelsde haar nog eens.
+Ze verdween in het duister. De volgende week wist Theodore haar tot
+samenkomsten over te halen. Ze ontmoetten elkaar achter een erf,
+bij een muur, onder een eenzamen boom. Ze was niet onnoozel als een
+jongejuffrouw, maar haar gezond verstand en de haar ingeschapen
+eerbaarheid behoedden haar voor misstappen.
+
+Die weerstand wakkerde Theodore's liefde aan, zoodat hij om er aan te
+voldoen (of onnoozel-weg misschien) voorsloeg haar te trouwen. Ze kon
+het niet gelooven. Hij zwoer dure eeden. Weldra echter kwam hij met
+slecht nieuws voor den dag: zijn ouders hadden verleden jaar een
+remplacant voor hem genomen, maar elken dag kon hij worden opgeroepen,
+en de gedachte onder dienst te moeten, joeg hem schrik aan. Die
+lafhartigheid was voor Felicite een bewijs van liefde, en de hare werd
+er dubbel zoo groot door. Bij hun samenkomsten kwelde Theodore haar
+met zijn onrust en zijn gedwing.
+
+Eindelijk vertelde hij haar, dat hij zelf naar de prefectuur zou
+gaan om inlichtingen, die hij haar aanstaanden Zondag zou meedeelen
+tusschen elf uur en middernacht.
+
+Toen het tijd was, liep ze Theodore tegemoet.
+
+In zijn plaats vond ze een zijner vrinden, die haar zei dat ze
+Theodore niet zou weerzien.
+
+Om zich aan de lichting te onttrekken had hij een oude, heel rijke
+vrouw gehuwd, Madame Lehoussais, uit Toucques.
+
+Het was een al te groot verdriet. Ze wierp zich op den grond, stootte
+kreten uit, riep den goeden God aan, klaagde en jammerde heel alleen
+in het veld, totdat de zon opging. Dan kwam ze terug op de hoeve, zei
+haar dienst op, en toen de maand om was en ze haar loon had ontvangen,
+knoopte ze al haar hebben en houden in een zakdoek, en begaf ze zich
+naar Pont-l'Eveque.
+
+Voor het logement vroeg ze om inlichtingen aan een burgerdame met een
+weduwkap, en juist had deze een keukenmeid van noode. Het meisje kende
+niet veel, maar ze leek zooveel goeden wil te hebben en zoo weinig
+eischen, dat mevrouw Aubain eindigde met te zeggen:
+
+--"Goed, ik huur je."
+
+Een kwartier later was Felicite in haar huis opgenomen.
+
+In 't begin leefde ze er in een bevend ontzag voor "den trant van het
+huis", en de herinnering aan "mijnheer", die zweefde over alles! Paul
+en Virginie, de een zeven jaar, de andere nauwelijks vier, schenen
+haar van een kostbare materie geschapen; ze liet hen paardrijden
+op haar rug, en mevrouw Aubain zei haar, hen niet elk oogenblik te
+zoenen, hetgeen haar diep bedroefde. Toch voelde ze zich gelukkig. De
+vrindelijkheid der omgeving had haar alle verdriet doen vergeten.
+
+Alle donderdagen trouw kwamen kennissen een partij bostonneeren.
+Felicite maakte tevoren de kaarten en de stoven in orde. Klokke-acht
+kwamen ze, en op slag van elf gingen ze heen.
+
+Iederen maandagmorgen stalde de uitdrager, die in de steeg woonde,
+langs den grond zijn oud-roest uit. Dan kwam de stad vol gegons van
+stemmen, vermengd met paarden-gehinnik, schapengeblaat, varkensgeknor
+en het geratel der boerenwagentjes over de straat.
+
+Tegen twaalf uur als de marktdrukte in vollen gang was, zag men een
+ouden boer op den drempel verschijnen, een langen man met een krommen
+neus, de pet achterover, Robelin de pachter van Geffosses.
+
+Kort daarna was er Liebard, de pachter van Toucques, klein, blozig,
+zwaarlijvig, die een grijs vest droeg en slobkousen van sporen
+voorzien.
+
+Beiden kwamen ze hun eigenares kippen of kaas te koop aanbieden.
+Felicite was hun altijd weer te slim af, maar vol achting voor haar
+gingen ze heen.
+
+Op ongeregelde tijden ontving mevrouw Aubain bezoek van den markies de
+Gremanville, een harer ooms, berooid door zijn liederlijk leven, en
+die te Falaise op het laatste lapje van zijn grond woonde. Altijd kwam
+hij op het uur van het tweede ontbijt, vergezeld van een afschuwlijken
+poedel, die met zijn pooten alle meubels vuil maakte.
+
+Hoewel hij zijn pogingen een heer te schijnen zoo ver doordreef, dat
+hij bij ieder: "wijlen mijn vader", den hoed lichtte, toch was de
+slechte gewoonte hem te machtig, telkens vulde hij zijn glas, telkens
+liet hij gewaagde aardigheden los.
+
+Felicite zette hem met een zoet lijntje het huis uit: "U hebt genoeg
+voor vandaag, mijnheer de Gremanville! Tot later!" En ze sloot de deur
+achter hem.
+
+Met genoegen opende ze die voor mijnheer Bourais, oud-procureur. Zijn
+witte das en zijn kaal hoofd, de jabot van zijn overhemd, zijn wijde
+bruine pandjas, de armronding waarmee hij zijn snuifje nam, geheel
+zijn persoon maakte een verwarrenden indruk op haar, zooals de aanblik
+van buitengewone mannen dit doet.
+
+Daar hij de eigendommen van "mevrouw" beheerde, sloot hij zich
+urenlang met haar op in het kabinet van "mijnheer", was altijd bang
+voor opspraak, had een grenzenloozen eerbied voor de rechterlijke
+macht, en liet er zich op voorstaan Latijn te kennen.
+
+Om de kinderen spelend te doen leeren, gaf hij hun een serie
+aardrijkskundige prenten ten geschenke.
+
+Ze stelden verschillende tafereelen van het wereldrond voor,
+menscheneters met veeren gekroond, een aap die een juffrouw ontvoerde,
+Bedouinen in de woestijn, een walvisch dien men harpoeneerde, enz.
+
+Paul gaf aan Felicite den uitleg van die platen. Dit was al geletterde
+opvoeding, die ze kreeg.
+
+Die der kinderen was aan Guyot toevertrouwd, een armen drommel, klerk
+op het stadhuis, befaamd om zijn mooie hand van schrijven, en die zijn
+pennemes aanzette op z'n laars.
+
+Wanneer het helder weer was, begaf men zich reeds vroegtijdig naar de
+hoeve van Geffosses.
+
+Het erf helt af, het woonhuis staat in 't midden, en de zee is
+zichtbaar in de verte als een grijze vlek.
+
+Felicite haalde plakken koud vleesch uit haar karbies, en er werd
+ontbeten in een vertrek aansluitend aan de melkerij. Dit was het
+laatste overschot van een nu verdwenen zomerverblijf. Het in flarden
+gescheurd behang trilde in den tocht. Mevrouw Aubain boog het hoofd,
+overstelpt door herinneringen; de kinderen durfden niet meer te
+praten. "Ga toch spelen", zei ze; ze maakten dat ze wegkwamen.
+
+Paul klom op den hooizolder, ging vogels vangen, keilde steenen over
+den poel, of sloeg met een stok op de groote vaten, die hol opklonken
+als trommen.
+
+Virginie voerde de konijnen, vloog vooruit om korenbloemen te plukken,
+en om haar rappe beenen wipten de geborduurde strooken van haar
+broekje.
+
+Op een herfstavond keerden ze gevieren door de weilanden huiswaarts.
+
+De wassende maan verlichtte een stuk van den hemel, en een nevelstreep
+dreef als een sluier over de bochten van de Toucques. Runderen, die
+midden in het gras lagen uitgestrekt, zagen kalm die vier menschen
+voorbijgaan. In de derde wei hieven er eenige zich op, die kwamen in
+een halven kring hun den weg versperren.--"Wees maar niet bang!" zei
+Felicite, en met klagend geprevel streelde ze het dier, dat dichtstbij
+stond, over den rug; het draaide zich half om, de andere deden dit na.
+
+Maar den volgenden beemd doortrekkend, hoorden ze een ontzettend
+gebrul opgaan. Het was een stier, door den nevel onzichtbaar. Hij kwam
+de twee vrouwen al nader. Mevrouw Aubain wilde hard wegloopen. "Neen!
+neen! niet zoo vlug!" Toch versnelden ze den pas, en ze hoorden achter
+zich een steeds duidelijker ademgesnuif. De hoeven sloegen als hamers
+over het weigras; daar had hij 't, zoowaar, ook nog op een draf gezet!
+
+Felicite keerde zich om, en met beide handen rukte ze aardkluiten los,
+die ze hem in de oogen gooide. Hij dook den snuit, schudde de horens,
+rillend van woede onder afgrijselijk geloei.
+
+Mevrouw Aubain was met haar twee kinderen aan 't eind van de wei, en
+zocht, buiten zichzelf van angst, hoe over den hoogen kant te komen.
+Felicite week aldoor achterwaarts met den stier voor zich, en wierp
+almaar met graskluiten die hem blind maakten, terwijl ze bleef roepen:
+"Haast u dan toch! Haast u dan toch!"
+
+Madame Aubain stapte in de droge sloot, duwde Virginie en dan Paul
+voor zich uit, struikelde telkens terwijl ze tegen den glooienden
+wegboord trachtte op te klimmen, wat haar door moedig voltehouden ten
+laatste toch gelukte.
+
+De stier had Felicite tegen een haag geduwd; zijn kwijl spatte haar
+in 't gezicht, nog een seconde en zijn horens gingen haar het lichaam
+openrijten. Juist nog had ze den tijd tusschen twee palen door te
+glippen, en het zware dier bleef verbluft staan.
+
+Deze gebeurtenis was jarenlang een onderwerp van gesprek in
+Pont-l'Eveque. Felicite liet er zich heelemaal niets op voorstaan,
+giste zelfs niet iets heldhaftigs te hebben verricht.
+
+Virginie alleen hield haar gedachten bezig; want ten gevolge van den
+schrik had deze een zenuwaandoening gekregen, en mijnheer Poupart, de
+dokter, ried de zeebaden van Trouville aan.
+
+Ze werden nog niet bezocht in dien tijd. Mevrouw Aubain vroeg
+inlichtingen, raadpleegde Bourais, en maakte toebereidselen als voor
+een langdurige reis.
+
+Haar koffers gingen daags te voren weg, op de kar van Liebard.
+Den volgenden dag bracht hij twee paarden voor, het eene met een
+dameszadel dat een fluweelen rugleuning had; een opgerolde mantel
+vormde een zitting op het kruis van het tweede. Mevrouw Aubain steeg
+daar op, achter Liebard. Felicite nam Virginie onder haar hoede, en
+Paul zette zich schrijlings op den ezel door mijnheer Lechaptois
+afgestaan, mits men er uiterst voorzichtig mee zou zijn.
+
+De weg was zoo slecht, dat men over zijn acht kilometer twee uren
+moest doen. De paarden zakten tot over de enkels in de modder en
+schokten met de dijen om er uit te raken; ofwel ze struikelden in de
+karresporen; een andermaal weer moesten ze een sprong nemen. De merrie
+van Liebard bleef hier en daar plotseling stilstaan. Geduldig wachtte
+hij tot ze weer verder ging, en hij praatte over de menschen wier
+eigendommen langs den weg lagen, moreele beschouwingen vastknoopend
+aan hun levensgeschiedenis. Toen ze midden in Toucques, onder
+met Oost-Indische kers omrankte vensters doorreden, zei hij
+schouderophalend:--"Zoo woont hier een madame Lehoussais, die in
+plaats van een jongen man te trouwen..." Felicite verstond de rest
+niet; de paarden draafden, de ezel liep in galop; in een rij togen
+ze een voetpad langs, een hek week open, twee jongens traden te
+voorschijn, en er werd afgestegen, voor de mestvaalt, vlak bij den
+deurdrempel. Toen vrouw Liebard haar meesteres voor zich zag, kwam er
+geen eind aan haar vreugdbetuigingen. Ze zette haar een ontbijt
+voor bestaande uit runderharst, rolpens, bloedworst, gestoofde kip,
+schuimenden cider, vruchtentaart, en pruimen op brandewijn, dit alles
+kruidend met beleefdheden aan mevrouw, die er zooveel beter uitzag,
+aan de jongejuffrouw, die "allerliefst" was geworden, aan mijnheer
+Paul die zoo buitengewoon was aangesterkt, zonder hun overleden
+grootouders te vergeten, die de Liebards gekend hadden, daar ze van
+ouder tot ouder aan de familie verbonden waren. De hoeve had, zooals
+zij zelve, iets ouderwetsch over zich. De balken waren vermolmd, de
+muren zwart van rook, de vensterruiten grijs bestoven. Een eikenhouten
+aanrecht was beladen met allerlei gerief, groote kannen, schotels,
+tinnen kommen, wolfsklemmen, scharen om de schapen te scheren, een
+reusachtige klisteerspuit, waar de kinderen om lachen moesten. Niet
+een boom in de drie hoven, die geen paddenstoelen aan zijn voet had of
+in zijn kruin een bos mistel. De wind had er verschillende omgeworpen.
+Ze schoten in 't midden opnieuw uit; en alle bogen ze onder den last
+hunner appels. De stroodaken die van bruin fluweel leken en ongelijk
+van zwaarte waren, weerstonden de hevigste rukwinden. Het wagenhuis
+echter was bouwvallig. Mevrouw Aubain beloofde dit in gedachte te
+houden, en gaf bevel de rijdieren weer op te tuigen. Nog een half uur
+zou er noodig zijn om Trouville te bereiken. De kleine karavaan steeg
+af om de Ecores over te gaan, een overhangende rots waaronder schepen
+lagen; en na drie minuten kwam men, aan 't eind der kade, op de
+binnenplaats van "het gouden Lam", bij vrouw David.
+
+Vanaf de eerste dagen voelde Virginie zich minder zwak, dank zij de
+verandering van lucht en de werking der baden. Ze had geen badkostuum
+en ging in haar hemdje de zee in; Felicite kleedde haar weer aan in
+een tolhuisje, dat de baders gebruiken mochten.
+
+'s Namiddags ging men met den ezel de "Zwarte Rotsen" over, den kant
+uit van Hennequeville. Eerst steeg het voetpad tusschen weilanden die
+glooiden als het gazon van een park, en 't liep uit op een heuvelvlak
+waar grasvelden en bouwgrond elkaar afwisselden. Langs den wegrand
+groeiden hulstboompjes uit de warrende dorenranken op; hier en daar,
+trok een groote doode boom met zijn takken zigzag-lijnen tegen de
+blauwe lucht.
+
+Iederen keer bijna rustten ze uit in een kleine wei, aan wier
+linkerkant Deauville lag, Havre rechts, en die uitzag op de volle zee.
+Ze schitterde in de zon, lag effen als een spiegel, zoo kalm dat men
+nauwelijks haar ruischen hoorde; musschen piepten ergens, en het wijde
+hemelgewelf overdekte dit alles. Mevrouw Aubain zat neer, bezig
+met haar naaiwerk; naast haar was Virginie biezen aan 't vlechten;
+Felicite trok lavendelbloemen uit; Paul, die zich verveelde, wilde
+weg.
+
+Andere keeren voeren ze de Toucques voorbij, en gingen schelpen
+zoeken, 't Laag getij had zee-egels en kwallen op 't droge gelaten,
+en de kinderen liepen schuimvlokken na, die de wind meenam. De
+sluimerende golven, deinend over de zandbedding, bestreken het strand,
+dat zich uitstrekte zoo ver het oog reikte, maar dat aan de landzijde
+werd begrensd door de duinen, die het scheidden van de mars, een groot
+weiland rond als een renperk.
+
+Wanneer ze langsdaar terugkeerden, werd Trouville, ginds tegen
+de heuvelhelling, bij iederen voetstap grooter, en met zijn
+onregelmatigen huizenbouw scheen het, in een vroolijke wanordelijkheid,
+als open te luiken. Op dagen dat het te warm was, bleven ze in hun
+kamer. De verblindende klaarte daarbuiten schoof staven van licht
+tusschen de latten der zonneblinden. Niet het minste gerucht in het
+dorp. Beneden, op de stoep, niemand. Deze wijde stilte verinnigde de
+rust der dingen. In de verte klopten de breeuw-hamers op de
+scheepskielen, en een zwoele bries woei teerlucht aan.
+
+De voornaamste vermakelijkheid was de weerkomst der visscherspinken.
+Zoo gauw ze de bakens voorbij waren, begonnen ze te laveeren. Hun
+zeilen streken neer tot op twee-derde der masthoogte; en met de fok
+opgezwollen als een ballon dreven ze aan, gleden ze door het gekabbel
+der golven, tot in 't midden der haven, waar het anker ineens
+neerplonste. Dan meerde de boot aan de kade. De matrozen wierpen
+lillende visschen over de reeling; een rij wagentjes wachtte hen op,
+en vrouwen met katoenen mutsen snelden toe om de korven aan te nemen
+en hun mannen te omhelzen.
+
+Een harer sprak op zekeren dag Felicite aan, die even later heel blij
+de kamer binnenkwam. Ze had een zuster weergevonden; en daar verscheen
+Nastasie Barette, huisvrouw Leroux, met een zuigeling aan de borst,
+een ander kind aan de rechterhand, en aan haar linkerzij een
+scheepsjongetje met de handen in de zij en de platte pet op een oor.
+
+Na een kwartier zei mevrouw Aubain, dat ze moesten gaan.
+
+Sedert liep men dat groepje altijd tegen 't lijf, in de buurt van de
+keuken, of op wandeling. De man liet zich niet zien.
+
+Felicite begon van hen te houden. Ze kocht hun een deken, hemden, een
+fornuis, 't was duidelijk dat ze haar uitbuitten. Deze zwakhartigheid
+ergerde mevrouw Aubain, wie daarenboven de gemeenzaamheid van
+het neefje niet aanstond,--dat "je" en "jou" speelde tegen haar
+zoontje,--en daar Virginie hoestte en het mooie weer voorbij was, kwam
+ze in Pont-l'Eveque terug.
+
+Mijnheer Bourais hielp haar bij de keuze van een Latijnsche school.
+
+Die van Caen gold als de beste.
+
+Paul werd er heen gezonden, en met goeden moed nam hij afscheid, blij
+in een huis te gaan wonen, waar hij makkers zou vinden.
+
+Mevrouw Aubain berustte in de afwezigheid van haar zoon, daar die
+noodzakelijk was. Virginie dacht minder en minder aan hem. Felicite
+miste zijn levenmakerij. Maar een bezigheid kwam haar verstrooiing
+geven; van Kerstmis af begeleidde ze iederen dag het kleine meisje
+naar den catechismus.
+
+
+
+
+III
+
+
+Nadat ze bij de deur een kniebuiging had gemaakt, ging ze door de
+middenbeuk tusschen de dubbele rij stoelen door, opende mevrouw
+Aubains bank, ging daar zitten, en liet den blik rondwaren.
+
+De jongens zaten rechts, de meisjes links in de kanunnikenbanken. De
+pastoor bleef staan bij den koorlezenaar; in een venster van de absis
+zweefde de Heilige Geest boven de Maagd Maria; een ander toonde haar
+geknield voor het kindje Jezus, en achter het tabernakel stelde
+een houten groep Sint Michael voor die den draak verslaat. Eerst
+behandelde de priester in 't kort de bijbelsche geschiedenis. Ze
+waande het paradijs te zien, den zondvloed, den toren van Babel,
+steden die in vlammen opgingen, stervende volken, omgestorte
+afgodsbeelden; het ontzag voor den Allerhoogste bleef haar bij uit
+deze zinsbegoocheling, de vreeze voor Zijn gramschap. Daarna zat ze
+te schreien, luisterend naar het lijdensverhaal. Waarom hadden ze
+Hem gekruisigd, Hem, die de kinderen liefhad, de scharen voedde, de
+blinden genas en die uit ootmoedigheid wilde geboren worden, tusschen
+de armelieden, op het meststroo van een stal? De zaaitijd, de oogst,
+de wijnpersen, al die welbekende dingen, waarover het Evangelie
+spreekt, waren in haar leven ook; langs hen schrijdend had God ze
+geheiligd; en ze hield met meer verteedering van de lammeren uit
+liefde tot het Lam, van de duiven om den Heiligen Geest.
+
+Het kostte haar moeite zich Zijn wezen voor te stellen; want niet
+alleen was Hij een vogel, maar ook een vuur, en soms de voorbijgaande
+wind. Misschien is het Zijn licht dat 's nachts dwaalt langs de oevers
+der moerassen, Zijn adem die de wolken voortdrijft, Zijn stem die de
+klokken welluidend maakt, en ze bleef in aanbidding, genietend van de
+koelte der muren en de stilte der kerk.
+
+Van de leerstellingen begreep ze niets, deed er zelfs geen moeite toe
+te begrijpen. De pastoor sprak, de kinderen zeiden hun les op. Zij
+viel ten laatste in slaap, en werd eensklaps wakker, als, bij het
+uitgaan der leering, de klompen over de vloersteenen klapperden.
+
+Zoo, door almaar toe te luisteren, leerde ze den catechismus, dien
+ze niet kende, omdat in haar jeugd haar godsdienstige opvoeding
+verwaarloosd was, en van toen-af deed ze Virginie in alle vrome
+gewoonten na, vastte als zij, biechtte wanneer zij biechtte. Op
+Sacramentsdag maakten ze samen een rustaltaartje.
+
+De eerste communie gaf haar van te voren veel zorg. Ze maakte zich
+druk over de schoentjes, den rozenkrans, het kerkboek, over de
+handschoenen. Met wat een ontroering hielp ze de moeder het kind
+kleeden!
+
+Heel de mis door voelde ze een beklemming van angst. Aan de eene zijde
+benam mijnheer Bourais haar het gezicht op het altaar, maar recht
+tegenover haar scheen de groep der bruidjes, die witte kransen droegen
+op de neergeslagen sluiers, een sneeuwveld te vormen; en ze herkende
+van ver haar kleine lieveling aan haar fijner halsje en haar ingetogen
+houding. De bel klonk. De hoofden bogen; het werd stil. Bij 't galmen
+van het orgel zetten de koorzangers en het volk het Agnus Dei in; toen
+begonnen de jongens in rijen naar de communiebank te gaan, en na hen
+stonden de meisjes op. Met langzame schreden, de handen gevouwen,
+gingen ze naar het altaar, dat in licht baadde, knielden op de eerste
+trede, ontvingen een voor een de hostie, en keerden in dezelfde
+volgorde naar haar bidbank terug. Toen het Virginie's beurt was,
+boog Felicite zich voorover om haar te kunnen zien; en door de
+verbeeldingskracht die echte liefde ons geeft, waande ze zelf dat kind
+te zijn, het gelaat van het kind werd het hare, dat communiekleedje
+droeg zij, het hart van het kind klopte haar in den boezem, en
+toen het kind den mond moest openen, look zij de oogen en was een
+bezwijming nabij.
+
+Den volgenden morgen vroeg meldde ze zich in de sacristie aan, opdat
+mijnheer pastoor haar de communie zou uitreiken. Godvruchtig ontving
+ze die, maar niet met dezelfde zielsvervoering.
+
+Mevrouw Aubain wilde van haar dochter een echte dame maken, en daar
+Guyot haar noch Engelsch, noch muziek kon leeren, besloot ze haar op
+kostschool te doen bij de Ursulinen van Honfleur.
+
+Het kind had er niets op tegen.
+
+Felicite zuchtte over mevrouws ongevoelig hart.
+
+Maar ze bedacht, dat haar meesteres misschien gelijk kon hebben. Die
+dingen gingen haar verstand te boven.
+
+Eindelijk reed er op zekeren dag een oud tentwagentje voor, en er
+stapte een kloosterzuster uit, die de jongejuffrouw kwam halen.
+Felicite zette het reisgoed op de imperiaal, drukte den koetsier op
+het hart goed voor alles te zorgen, en borg zes potten gelei onder de
+rijtuigbank, ook een dozijn peren en een tuiltje viooltjes.
+
+Een diepe snik benam Virginie op 't laatste oogenblik den adem;
+ze omhelsde haar moeder, die haar op 't voorhoofd kuste, telkens
+zeggend:--"Komaan, moed houden, moed houden!" De tree werd opgeslagen,
+het rijtuig reed weg.
+
+Toen kreeg mevrouw Aubain een flauwte, en 's avonds kwamen al haar
+vrinden, de Lormeau's, mevrouw Lechaptois, de dames Rochefeuille,
+mijnheer de Houppeville en Bourais, om haar te troosten.
+
+In 't begin viel haar 't gemis van haar dochtertje heel smartelijk.
+Doch driemaal per week kreeg ze een brief, de andere dagen schreef zij
+zelf; ze wandelde in den tuin, las wat, en vulde zoo de leege uren.
+
+Iederen morgen ging Felicite oudergewoonte Virginie's kamer binnen, en
+staarde er naar de muren. Het verdroot haar, dat ze het kind niet meer
+de haren kon kammen, haar niet meer de schoenen kon dichtrijgen, haar
+niet meer warm kon toestoppen 's avonds, dat ze niet meer voortdurend
+haar lief gezichtje kon zien, dat ze niet meer met het kind aan een
+hand kon uitgaan. Daar ze van dit alles niets meer te doen had,
+trachtte ze zich op kantwerken toe te leggen. Haar grove vingers
+braken de draden; ze had oor naar niets, sliep niet meer, en was,
+zooals ze 't noemde "ondermijnd".
+
+"Om haar zinnen wat te verzetten", vroeg ze, of haar neef Victor nu en
+dan eens op bezoek mocht komen.
+
+Sinds kwam hij Zondags na de mis, met rozen op de wangen, de borst
+bloot, en om hem heen de geur nog der velden waardoor zijn weg hem
+geleid had. Dadelijk zette ze een bord voor hem bij. Als ze dan samen
+ontbeten, zaten ze tegenover elkaar, en terwijl ze zelf zoo min
+mogelijk at om de onkosten weer uit te sparen, stopte ze hem zoo vol
+dat hij ten slotte in slaap viel. Bij 't eerste luiden der vesperklok
+maakte ze hem wakker, borstelde zijn broek af, strikte zijn das en
+ging kerkwaarts, met moederlijken trots op zijn arm leunend.
+
+Hij moest, op aansporing van zijn ouders, elken keer probeeren
+iets van haar los te krijgen, hetzij een buil bruine suiker, zeep,
+brandewijn, soms zelfs geld. Hij bracht zijn goed mee om te doen
+verstellen, en ze nam dit werk op zich, blij dat er een reden was die
+hem tot terugkomen noopte.
+
+In Augustus nam zijn vader hem mee op de kustvaart.
+
+'t Was vacantietijd. De komst van de kinderen troostte haar. Maar Paul
+kreeg nukken, en Virginie was over den leeftijd heen dat ze met "je en
+jou" mocht aangesproken worden, dit kwam hun omgang bemoeilijken, werd
+een hinderpaal tusschen haar beiden.
+
+Victor voer achtereenvolgens naar Morlaix. naar Duinkerken en naar
+Brighton, en kwam haar na iedere reis een geschenk brengen. Den
+eersten keer was 't een schelpendoos; toen een koffiekop; den derden
+keer een groote peperkoekenman. De jongen knapte op, was welgebouwd,
+er kwam wat dons op z'n bovenlip, hij had een goedigen, vranken
+oogopslag, en droeg een leeren hoedje, achterover geschoven als dat
+van een loods. Ze had altijd plezier in zijn vertelsels doorspekt met
+zeemanstermen.
+
+Op een Maandag, 14 Juli 1819 (ze vergat dien datum niet), kwam Victor
+haar zeggen, dat hij voor de groote vaart was aangemonsterd, en dat de
+paketboot hem overmorgen-nacht van Honfleur tot bij den schoener zou
+brengen, die binnenkort van Havre uitzeilde. Misschien zou hij twee
+jaar wegblijven.
+
+Het vooruitzicht van een zoo lange afwezigheid was een groot verdriet
+voor Felicite; en om hem nog eens vaarwel te zeggen, trok ze,
+Woensdag-avond, toen mevrouw gegeten had, haar klompschoenen aan, en
+legde ze in minder dan geen tijd, de vier mijlen af die Pont-l'Eveque
+van Honfleur scheiden.
+
+Toen ze bij den Calvarieberg kwam, sloeg ze, in plaats van links,
+rechts af, verdwaalde tusschen de scheepswerven, liep terug; de
+menschen, die ze aanklampte, zeiden dat ze zich moest haasten. Ze
+liep de heele havenkom langs, die vol schepen lag, struikelde over de
+trossen; dan helde het terrein laag af, de lichten stonden schots en
+scheef door elkaar, en ze meende van de wijs te zijn, toen ze paarden
+zag in de lucht.
+
+Langs den kaderand stonden er andere te hinniken, verschrikt door de
+zee. Een takel hief hen op en liet ze neer op een boot, waar reizigers
+zich verdrongen tusschen de ciderfusten, de kaasmanden, de zakken
+met graan; men hoorde kippen kakelen; de kapitein vloekte, en een
+scheepsjongen stond, onverschillig voor dit alles, met de ellebogen
+op den ankerbalk te leunen. Felicite, die hem eerst niet herkend
+had, riep: "Victor!", hij zag op, ze wilde op hem toesnellen, toen
+eensklaps de treeplank werd ingehaald.
+
+Vrouwen trokken al zingend de paketboot de haven uit. De spanten
+kraakten, zware golven sloegen tegen den voorsteven. Het zeil was
+gekeerd, men zag niemand meer;--en op de zee in den zilverschijn der
+maan, was ze een zwarte vlek, die aldoor bleeker werd, wegdook en
+verdween.
+
+Toen Felicite langs den Calvarieberg terugging, wilde ze wat haar 't
+liefste was God aanbevelen, en ze bad langen tijd, recht staande,
+het gezicht nat van tranen, de oogen naar de wolken. De stad sliep,
+douanen wandelden op en neer, en zonder ophouden viel het water,
+ruischend als een stortvloed, door de sluisgaten. 't Sloeg twee uur.
+
+Voor het dag was, zou ze in het klooster niet terecht kunnen, 't Zou
+zeker erg lastig voor mevrouw zijn, wanneer ze te laat thuiskwam, en
+ondanks haar verlangen het andere kind aan 't hart te drukken, liet ze
+Honfleur achter zich. De meiden van het logement werden juist wakker,
+toen ze Pont-l'Eveque inkwam.
+
+De arme jongen zou dus maandenlang over de golven moeten zwalken!
+Zijn vorige reizen hadden haar niet ongerust gemaakt. Van Engeland en
+Bretagne kwam men weer terug; maar Amerika, de kolonien, de eilanden,
+dat lag verloren ergens in een geheimzinnige hemelstreek aan 't ander
+einde der wereld.
+
+Van toen af dacht Felicite uitsluitend aan haar neef. Op dagen dat de
+zon scheen, maakte ze zich bezorgd over den dorst, bij onweer was ze
+bang, dat de bliksem hem zou treffen. Als ze den wind hoorde die in
+den schoorsteen loeide en de leien van het dak rukte, zag ze hem door
+dien zelfden storm aangegrepen, zich vastklampend aan den top van een
+verbrijzelden mast, achterover uitgestrekt onder een wade van schuim,
+of wel,--herinneringen aan de aardrijkskundige prenten,--hij was
+opgegeten door de wilden, in een bosch door apen meegenomen, of liep
+te verhongeren langs een onbewoonde kust. En nooit sprak ze van haar
+angsten.
+
+Mevrouw Aubain had er andere over haar dochter.
+
+De zusters vonden haar heel lief, maar al te teer. De minste
+aandoening maakte haar zenuwachtig. Met de piano moest ze ophouden.
+
+Haar moeder wilde, dat er van 't klooster uit geregeld zou geschreven
+worden. Op een morgen toen de besteller niet was gekomen, had ze geen
+rust, en ze liep in de zaal op en neer, van haar leunstoel naar het
+venster. 't Was werkelijk iets ongewoons! in vier dagen geen tijding!
+
+Om ze te troosten door haar voorbeeld, zei Felicite:--"En ik mevrouw,
+ik hoorde in geen zes maanden iets!"
+
+--"Van wie dan toch?"
+
+De meid antwoordde zachtjes:
+
+--"Maar... van mijn neef!"
+
+--"O! je neef!" En schouderophalend begon mevrouw Aubain weer op
+en neer te wandelen, wat beteekende: "Daar dacht ik niet aan!--en
+daarenboven, 't kan me niemendal schelen! een scheepsjongen, een
+schooier, de moeite waard!... en dat terwijl mijn dochter... Verbeeld
+je toch!"...
+
+Hoewel met slaag en grove woorden grootgebracht, was Felicite
+verontwaardigd over mevrouws doen, doch ze vergat spoedig.
+
+Ze kon immers best begrijpen, dat men 't hoofd kwijt raakte, nu het
+zoo met het kleine meisje stond.
+
+De twee kinderen hadden evenveel te beduiden; ze waren een voor haar
+hart, en hun beider lot zou hetzelfde zijn.
+
+De apotheker vertelde haar, dat Victors schip te Havanna was
+aangekomen. Hij had de tijding in een krant gelezen.
+
+Ze verbeeldde zich, door de sigaren, dat Havanna een land was, waar
+men niets deed dan rooken, en Victor wandelde onder de negers in
+tabakswolken gehuld. Zou men, zoo noodig, ook over land daar vandaan
+kunnen terugkeeren? Hoe ver was 't van Pont-l'Eveque? Om er beter van
+op de hoogte te komen, sprak ze mijnheer Bourais aan.
+
+Hij zocht en vond zijn atlas, begon te praten over lengte- en
+breedtecirkels, en glimlachte echt schoolmeesterachtig bij Felicite's
+verbouwereerdheid.
+
+Op 't laatst wees hij haar met zijn potloodhouder tusschen de
+insnijdingen van een ovale vlek een bijna onzichtbare zwarte stip aan,
+er bijvoegend: "Ziehier". Ze boog zich over de kaart, het net van
+gekleurde lijnen vermoeide haar de oogen, zonder dat ze er wijzer door
+werd; en daar mijnheer Bourais haar aanmoedigde te vragen, wat ze op
+'t hart had, verzocht ze hem haar het huis te wijzen waar Victor woonde.
+Bourais sloeg de armen in de lucht, hij nieste, hij schaterde het uit,
+en had dolle pret over een zoo groote onnoozelheid. Felicite begreep
+niet waarover hij zich zoo vroolijk maakte,--zij, die misschien
+verwachtte alles te zien van haar neef, tot het portret toe. Zoo eng
+van begrip was ze!
+
+Veertien dagen later kwam Liebard, zooals naar gewoonte op het
+marktuur, de keuken binnen, en stelde haar een brief van haar zwager
+ter hand. Daar ze geen van beiden lezen konden, riep ze de hulp in van
+mevrouw.
+
+Mevrouw Aubain, die de steken van een breiwerk zat te tellen,
+legde dit naast zich neer, brak den brief open, ontstelde, en zei
+fluisterend, met een diepen blik:
+
+--"'t Is een ongeluk... dat ze je berichten. Je neef..."
+
+Hij was dood. Er stond verder niets.
+
+Felicite viel op een stoel neer, het hoofd tegen het muurbeschot, en
+sloot de oogleden die ineens rood werden. Toen, met gebukt hoofd en
+neerhangende handen, herhaalde ze bij tusschenpoozen, en star voor
+zich uit blikkend:
+
+"Arm ventje! arm ventje!"
+
+Liebard stond al zuchtend naar haar te kijken. Mevrouw Aubain beefde
+wat.
+
+Ze stelde Felicite voor, haar zuster in Trouville eens te gaan
+opzoeken. Felicite antwoordde, met een handbeweging,
+
+
+dat ze daar geen behoefte aan had.
+
+Er volgde een stilte. De goede Liebard vond het gepast zich terug te
+trekken.
+
+Toen zei ze:
+
+--"Ze geven er niets om, die!"
+
+Haar hoofd zonk weer neer, en bijwijlen lichtte haar hand,
+werktuiglijk, van het werktafeltje de lange breinaalden op.
+
+Langs de voorplaats gingen vrouwen met een berrie vol druipend
+waschgoed.
+
+Ze zag het door de ruiten, en dacht aan haar eigen wasch, die ze
+gisteren had ingezet en vandaag moest spoelen. Toen ging ze de
+kamer uit. Haar kuip en haar waschplank stonden aan den rand van de
+Toucques. Ze wierp een hoop hemden op den steilen kant, stroopte de
+mouwen op, nam den stamper, en zoo hard stampte ze, dat het in de
+aangrenzende tuinen te hooren was. De weien waren leeg, de wind
+rimpelde de rivier; ginder hing er lang gras over neer, als 't haar
+van drijvende lijken. Tot 's avonds bedwong ze zich heel moedig, maar
+eenmaal in haar kamer, wierp ze zich plat voorover met het gezicht
+in het kussen, de vuisten tegen de slapen, en liet ze haar smart den
+vrijen loop.
+
+Heel lang naderhand, hoorde ze van Victors kapitein zelf de
+bijzonderheden over zijn dood. Men had hem, tegen de gele koorts, een
+te groote aderlating gegeven. Vier dokters tegelijk hielden hem vast.
+Hij was dadelijk dood, en de gezagvoerder had gezegd:
+
+--"Mooi zoo! alweer een!"
+
+Zijn ouders hadden hem altijd barbaarsch behandeld. Ze wilde die
+liever niet meer zien; zij zelf deden geen enkele toenadering, door
+verzuim, of door harteloosheid, verstompt als ze waren door hun
+ellende.
+
+Virginie werd almaar zwakker.
+
+Benauwdheden, een hoest, aanhoudende koorts, 't blauwachtig blosje
+op haar koonen, verrieden een of andere ernstige ziekte-aandoening.
+Mijnheer Poupart had een verblijf in Provence aangeraden. Mevrouw
+Aubain wilde er wel toe overgaan, en als de lucht van Pont-l'Eveque
+beter was geweest, zou ze haar dochtertje dadelijk hebben
+thuisgehaald. Ze maakte beding met een rijtuigverhuurder, die haar
+voortaan iederen Dinsdag naar het klooster bracht. In den kloostertuin
+is een terras, vanwaar men de Seine kan zien. Steunend op haar moeders
+arm wandelde
+
+Virginie er over de afgevallen wingerdbladeren. Als ze uitzag naar de
+zeilen in de verte, of de heele kim, vanaf het kasteel van Tancarville
+tot de vuurtorens van Havre, met haar blik omvatte, deed de
+doorbrekende zon haar soms met de oogen knippen. Moe gewandeld gingen
+ze rusten in het prieel. Haar moeder had een klein fust malaga-wijn
+aangeschaft, en lachend dat ze misschien dronken zou worden, nam
+Virginie er twee teugjes van, meer niet.
+
+Ze kwam weer wat op krachten. De herfst vlood vreedzaam heen. Felicite
+stelde mevrouw Aubain gerust. Maar op een avond, na een boodschap in
+de buurt, zag ze de sjees van mijnheer Poupart voor de deur, hij zelf
+stond in de vestibuul. Mevrouw Aubain strikte haar hoed vast.
+
+--"Geef me mijn stoof, mijn beurs, mijn handschoenen; wat gauwer,
+toe!" Virginie had een bezetting op de borst; misschien was het
+hopeloos.
+
+--"Nog niet!" zei de dokter, en ze stegen beiden in het rijtuig,
+terwijl de sneeuwvlokken om hen heen dwarrelden, 't Begon nacht te
+worden. Het was heel koud.
+
+Felicite spoedde zich de kerk in, om een kaars aan te steken. Toen
+liep ze de sjees na, die ze een uur later inhaalde, wipte er achter
+op, en hield zich aan de riemen vast. Maar ineens schoot haar de
+gedachte door het hoofd: "De plaats is niet gesloten! als er eens
+dieven binnenkwamen!" En ze sprong weer op den grond.
+
+Toen het den volgenden ochtend evenmaar begon te schemeren, meldde
+ze zich bij den dokter aan. Hij was wel teruggekomen, maar opnieuw
+uitgereden naar buiten. Toen bleef ze in het logement talmen, meenend
+dat vreemde menschen een brief zouden brengen. Eindelijk, bij 't
+eerste licht van den dag, nam ze de diligence naar Lisieux.
+
+Het klooster lag aan 't eind van een steil straatje. Halverwegen dit
+straatje gekomen hoorde ze een vreemd geluid, het geklep van een
+doodsklok, "'t Is voor iemand anders," dacht ze, en hard liet ze den
+klopper neervallen.
+
+Na verloop van meerdere minuten, kwam er iemand aansloffen, de deur
+week op een kier. Het was een der zusters. Het nonnetje zei met een
+godzaligen blik, dat "het kind juist overleden was." Meteen begon de
+doodsklok der Sint-Leonarduskerk met dubbele kracht te luiden.
+
+Felicite kwam eindelijk op de tweede verdieping.
+
+Reeds toen ze over den kamerdrempel trad, zag ze Virginie liggen,
+uitgestrekt op den rug, de handen gevouwen, den mond open, en het
+hoofd achterover onder een zwart kruis, dat tot haar overgebogen hing
+tusschen de roerlooze gordijnen, minder bleek dan haar gelaat. Mevrouw
+Aubain zat aan 't voeteneind van het bedje, dat ze met haar armen
+omklemde. Ze snikte als een zieltogende. Rechts stond de overste.
+Drie luchters brandden op de latafel, de kaarsevlammen schenen roode
+vlekken, wit wolkte de nevel voor de vensters. Een paar zusters
+voerden mevrouw Aubain weg.
+
+Twee nachten lang verliet Felicite de doode niet. Ze herhaalde aldoor
+dezelfde gebeden, sprenkelde wijwater op de lakens, ging weer zitten,
+en schouwde naar haar. Op 't eind der eerste nachtwake bemerkte ze,
+dat het gelaat geel was geworden, de lippen werden blauw, de neus
+scherp, de oogen zonken in. Ze kuste die nog en weer, en groot zou
+haar verbazing niet geweest zijn, als Virginie weer had opgezien; voor
+dergelijke zielen is het bovennatuurlijke iets gewoons. Ze legde het
+kind af, hulde het in de lijkwa, kistte het, zette haar het kransje
+op het hoofd, en spreidde de haren breed uit. Deze waren blond en
+bijzonder lang voor zoo'n jong meisje. Felicite knipte er een lok
+af, waarvan ze de helft op haar hart verborg, vast besloten er nooit
+afstand van te doen.
+
+Het lijk werd naar Pont-l'Eveque overgebracht, op verlangen van
+mevrouw Aubain, die den rouwwagen volgde in een gesloten koets.
+
+Na de mis waren er nog drie kwartier noodig om het kerkhof te
+bereiken. Paul liep aan 't hoofd van den stoet en snikte. Hem volgde
+mijnheer Bourais, dan de voornaamste ingezetenen, de vrouwen, in
+zwarte mantels, en Felicite. Ze dacht aan haar neef, en hoe ze hem
+deze laatste eer niet had kunnen bewijzen, toen werd haar droefheid
+nog grooter, want het leek haar of men nu tegelijk hem met Virginie
+begraven ging.
+
+De smart van mevrouw Aubain kende geen grenzen.
+
+Eerst was ze in opstand tegen God, dien ze onrechtvaardig vond, haar
+dit kind te hebben ontnomen, dat toch nooit kwaad gedaan had en wier
+geweten zonder vlek was! Maar ach! ze had met Virginie naar 't
+Zuiden moeten gaan. Andere dokters zouden haar wel gered hebben. Ze
+beschuldigde zich zelf, wilde bij haar zijn, en 's nachts in haar
+droomen schreeuwde ze 't uit van wanhoop. Een droom vooral kwelde haar
+telkens weer. Haar man kwam als matroos gekleed van een verren tocht
+terug, en zei haar schreiend, dat hij bevel ontvangen had Virginie mee
+te nemen. Ze besloten dan samen ergens een schuilhoek te zoeken.
+
+Eens kwam ze heel ontdaan uit den tuin binnen. Zooeven (ze wees de
+plaats aan) waren vader en dochtertje haar verschenen, dicht naast
+elkaar, en ze deden niets, bleven haar aanzien.
+
+Maandenlang zat ze willoos in haar kamer. Felicite sprak haar telkens
+toe met zacht vermaan. Ze moest voor zich zelve zorgen, om wille van
+haar zoon en de nagedachtenis van "haar".
+
+--"Haar?" hernam mevrouw Aubain dan, alsof ze wakker werd. "Ach ja!...
+ja!... Ge vergeet het niet!" doelend op het kerkhof, waarvan men haar
+angstvallig verwijderd hield.
+
+Felicite ging er iederen dag heen.
+
+Klokslag vier schoof ze langs de huizen, klom de helling op, opende
+het hek en ging tot bij Virginie's grafteeken. Het was een zuiltje van
+rose marmer, rustend op een platten steen, en omgeven door kettingen
+die een tuintje insloten. De randen waren vol bloemen. Ze begoot de
+bladeren, ververschte het zand en ging op de knieen zitten om den
+grond beter te kunnen bewerken. Toen mevrouw Aubain er weer komen
+mocht, troostte haar de aanblik van dat wel-onderhouden graf, haar
+smart werd er door gelenigd.
+
+Toen gingen er jaren voorbij die alle op elkaar geleken, met geen
+andere afwisseling dan de cirkelgang der hooge feesten, Paschen,
+Maria-Hemelvaart, Allerheiligen. Huiselijke gebeurtenissen stelden
+datums vast, waarop men zich naderhand beriep. Zoo geelden in 1825
+twee glazenmakers de vestibuul; in 1827 had een stuk van het dak, dat
+op de voorplaats neerviel, bijna een man gedood. In den zomer van
+1828, was 't mevrouw Aubain's beurt om het Sint-Hubertusbrood te
+geven; omstreeks denzelfden tijd ging mijnheer Bourais uit de stad,
+en niemand wist waarheen; en de oude kennissen vielen langzaam weg:
+Guyot, Liebard, Mevrouw Lechaptois, Robelin, oom Gremanville die sinds
+jaren verlamd was.
+
+Op een nacht bracht de conducteur van de post-diligence in
+Pont-l'Eveque de tijding der Juli-omwenteling. Enkele dagen later werd
+er een nieuwe sous-prefect benoemd, baron de Larsonniere, die consul
+was geweest in Amerika, en die, behalve zijn vrouw, zijn schoonzuster
+meebracht met drie bijna volwassen freuletjes, welke in losse blouses
+gekleed, over 't gazon van haar open tuin drentelden. Ze hadden een
+neger en een papegaai. Ze legden een visite af bij mevrouw Aubain, die
+niet naliet haar een tegenbezoek te brengen. Zoo gauw Felicite haar in
+de verte zag aankomen, ging ze mevrouw haastig waarschuwen. Doch een
+ding slechts scheen deze maar ter harte te gaan: de brieven van haar
+zoon.
+
+Hij bracht zijn tijd in herbergen zoek, deugde voor geen enkele
+loopbaan. Ze betaalde zijn schulden; hij raakte er opnieuw in; en de
+zuchten die mevrouw Aubain slaakte, terwijl ze te breien zat bij het
+venster, drongen door tot Felicite, die in de keuken haar spinnewiel
+deed snorren.
+
+Ze drentelden samen langs de leiboomen en praatten aldoor over
+Virginie, zich afvragend, hoe dit of dat haar zou hebben aangestaan,
+wat ze bij deze of die gelegenheid waarschijnlijk zou gezegd hebben.
+
+In de kamer met de twee ledikantjes waren al haar kleine schatten en
+benoodigdheden in een muurkast opgeborgen. Mevrouw Aubain zag die
+dingen zoo weinig mogelijk na. Op een zomerdag ging ze er eindelijk
+eens toe over, en er vlogen vlinders de kast uit.
+
+Haar jurken hingen naast elkaar onder een plank, waarop drie poppen
+lagen, bij hoepels en een keukentje en de waschkom, die ze altijd
+gebruikt had. Ze haalden de onderrokken, zoowel als de kousen en de
+zakdoeken te voorschijn, en eer ze het opnieuw toevouwden, werd alles
+op de twee bedjes uitgespreid. De zon scheen over die arme dingen,
+deed de vlekken in 't oog vallen, en de kreuken die Virginie's
+bewegingen erin gelaten hadden. De lucht was blauw en warm, een merel
+kweelde, 't scheen alles te leven in een innige vreedzaamheid. Ze
+vonden een hoedje van langharig pluche terug, kastanjekleurig; maar 't
+was heelemaal door de mot opgegeten. Felicite vroeg of zij 't hebben
+mocht. Ze zagen elkander aan, haar starre oogen vulden zich met
+tranen; tot mevrouw de armen opende, de meid wierp zich aan haar hart,
+en ze hielden elkaar omstrengeld, leniging zoekend voor het bittere
+verdriet in een kus, die haar tot gelijken maakte.
+
+Het was den eersten keer in haar leven. Mevrouw Aubain had een zeer
+gesloten karakter. Felicite was dankbaar voor die gevoelsuiting als
+voor een weldaad, en met vrome vereering had ze haar lief voortaan,
+trouw als een hond.
+
+De goedheid van haar hart werd steeds ruimer.
+
+Wanneer ze in de straat de trommen hoorde van een langsrukkend
+regiment, ging ze met een kruik appelwijn aan de deur staan en bood
+den soldaten te drinken. Ze verpleegde choleralijders. Ze nam de Polen
+onder haar bescherming, en een hunner verklaarde zelfs, haar te willen
+trouwen. Maar ze kregen oneenigheid, want op een morgen na het angelus
+uit de kerk terugkomend, vond ze hem in de keuken: hij was er binnen
+geslopen, had er zich een azijnsausje toebereid en zat daar rustig van
+te smullen.
+
+Na de Polen, kwam de oude Colmiche aan de beurt, een grijsaard, die
+den naam had in 93 leelijke dingen te hebben uitgevoerd. Hij leefde
+aan den rivierkant in den bouwval van een varkenskot. De straatjongens
+gluurden hem af door de spleten van den muur, en gooiden naar hem met
+steenen, die op de brits vielen waar hij neerlag, aanhoudend heen en
+weer geschud door een zwaren hoest; zijn haar was heel lang gegroeid,
+zijn oogleden waren ontstoken, en op den arm had hij een gezwel nog
+grooter dan zijn hoofd. Ze verschafte hem linnengoed, trachtte zijn
+krot schoon te maken, en het werd haar droom, hem in hun wasch-huis
+onderdak te brengen, zonder dat hij mevrouw zou hinderen. Toen de
+kankerbuil was opengebroken, verbond ze hem alle dagen, soms bracht
+ze hem eigengebakken koekjes mee, of ze zette hem in de zon op een
+stroobos; zeeverend en bevend dankte de arme oude-man haar met zijn
+klanklooze stem, was bang haar te moeten missen, strekte de handen uit
+zoo gauw ze een beweging maakte om heen te gaan. Hij stierf; ze liet
+een mis lezen voor de rust zijner ziel.
+
+Dienzelfden dag viel haar een groot geluk te beurt: op 't oogenblik
+dat het diner was opgediend, stond de neger van mevrouw de Larsonniere
+aan de bel, met den papegaai in zijn kooi, den stok, den ketting en
+het hangslot. De barones deelde mevrouw Aubain per briefje mede, dat
+ze dien avond nog gingen vertrekken, daar haar man tot prefect benoemd
+was; en ze verzocht haar dien vogel aan te nemen ter gedachtenis en
+als een bewijs harer hoogachting.
+
+Hij hield sinds langen tijd Felicite's verbeelding bezig, omdat hij
+uit Amerika kwam; dit woord deed haar aan Victor denken, zoo zelfs dat
+ze den neger had aangesproken om er het hare van te weten. Eens zelfs
+had ze gezegd: "Wat zou mevrouw gelukkig zijn met dien vogel!"
+
+De neger had die uitlating aan zijn meesteres oververteld, en daar ze
+den papegaai niet kon meenemen, ontdeed ze er zich op deze wijze van.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Hij heette Loulou. Zijn romp was groen, de punt van zijn vleugels
+roset, zijn kop blauw en zijn borst goudkleurig.
+
+Maar hij had de onhebbelijke gewoonte in zijn stok te bijten, trok
+zich de veeren uit, maakte de kamer vuil, morste het water uit
+zijn bad; hij verveelde mevrouw Aubain, en ze gaf hem voorgoed aan
+Felicite.
+
+Deze poogde hem praten te leeren; algauw zei hij haar na: "Lieve
+jongen! Uw dienaar, mijnheer! Weesgegroet, Maria!" Hij stond dicht bij
+de voordeur, en menigeen was verwonderd dat hij niet luisterde naar
+den naam Jacquot, daar alle papegaaien toch Jacquot heeten. Men zei,
+dat hij een gans was, een domkop; het waren evenveel dolksteken door
+Felicite's hart! En die vreemde stijfhoofdigheid van Loulou, nooit te
+willen praten, als iemand naar hem keek!
+
+Toch hield hij van gezelligheid, want Zondags, als de dames
+Rochefeuille, mijnheer de Houppeville er waren en nieuwe kennissen:
+Onfroy, de apotheker, mijnheer Varin en kapitein Mathieu, om hun
+partijtje kaart te spelen, vloog hij tegen de ruiten op, en ging met
+zoo'n geweld te keer, dat men elkaar onmogelijk kon verstaan.
+
+Het gelaat van Bourais leek hem zeker heel zot toe. Zoogauw hij hem
+zag, begon hij uit alle macht te lachen. Het geschater van zijn stem
+kaatste over de plaats, de echo herhaalde het, de buren kwamen aan
+'t venster en lachten ook. Om niet gezien te worden, sloop mijnheer
+Bourais den muur langs, en zijn profiel verbergend achter zijn hoed,
+ging hij tot bij de rivier, om dan door de tuindeur weer binnen te
+komen, en de blikken die hij den papegaai toezond, waren allesbehalve
+liefelijk.
+
+Loulou had van den slagersknecht een knip voor den neus gekregen,
+omdat hij zich veroorloofd had den kop in diens korf te steken; sedert
+trachtte hij altijd hem te pikken door zijn hemdsmouwen heen. Fabu
+dreigde hem den hals om te draaien, en toch was hij, ondanks zijn
+getatoueerde armen en zijn groote bakkebaarden, niet wreed van aard.
+Integendeel! hij mocht den papegaai wel, zoo zelfs, dat hij, in goede
+luim, hem vloeken leerde zeggen. Felicite, wie zulke manieren niet
+aanstonden, zette hem in de keuken. Zijn ketting werd weggenomen, en
+hij zat het heele huis door.
+
+Wanneer hij de trap af moest, stutte hij met de kromming van zijn
+snavel op de treden, hief den rechterpoot op, dan den linker, en zij
+was bang dat dergelijke gymnastische toeren hem duizelig zouden maken.
+Hij werd ziek, kon niet meer praten of eten. Er zat hem een dikte
+onder de tong, zooals kippen dit soms hebben. Ze genas hem door dat
+vlies met haar nagels los te trekken. Mijnheer Paul was eens zoo
+onvoorzichtig, hem den rook van z'n sigaar in den neus te blazen, een
+anderen keer toen mevrouw Lormeau hem plaagde met den punt van haar
+parasol, hapte hij er het ijzeren dopje af, en ten slotte vloog hij
+kwijt.
+
+Ze had hem op het gras gezet om hem een luchtje te laten scheppen, en
+ging even weg; toen ze terugkwam, geen papegaai meer! Eerst zocht
+ze hem in de struiken, aan den waterkant, op de daken, zonder te
+luisteren naar mevrouw, die haar toeriep:--"Wees toch voorzichtig! ge
+zijt dwaas!" Toen doorspeurde ze alle tuinen van Pont-l'Eveque, en ze
+hield de voorbijgangers staande:--"Hebt u somwijlen toevallig
+mijn papegaai gezien?" Wanneer ze hem niet kenden, gaf ze hun een
+beschrijving van zijn uiterlijk. Ineens meende ze achter den molen,
+laag tegen den wal iets groens te zien rondfladderen. Maar toen ze op
+den kant kwam, was er niets! Een sjouwer beweerde, dat hij hem zooeven
+gezien had te Saint-Melaine in den winkel van vrouw Simon. Ze liep er
+heen. Men begreep daar niet wat ze bedoelde. Eindelijk kwam ze weer
+thuis, uitgeput, de sloffen vol gaten, den dood in het hart; en, juist
+zat ze midden op de bank, naast mevrouw, heel haar wedervaren te
+vertellen, toen een lichte last haar op den schouder viel. Loulou! Wat
+drommel had hij uitgevoerd? Misschien was hij een uitstapje gaan doen
+in den omtrek.
+
+Ze kon er moeilijk bovenop komen, of liever ze kwam er nooit meer
+bovenop.
+
+Ze had kou gevat en kreeg dientengevolge een keelontsteking; kort
+daarna een oorziekte. Drie jaar later was ze doof, en ze sprak heel
+luid, zelfs in de kerk. Hoewel haar zonden gerust zonder schande voor
+haar, of zonder schade voor den evenmensch, naar alle kanten van het
+bisdom mochten rondverteld, oordeelde mijnheer pastoor het gepast,
+haar niet anders meer dan in de sacristie de biecht te hooren.
+
+Een denkbeeldig, telkens weerkeerend gesuizel bracht haar voorgoed van
+de wijs. 't Gebeurde meer dan eens, dat mevrouw zei:--"Mijn hemel!
+wat ben je toch dom!" en dat zij daarop met een:--"Ja, mevrouw," iets
+zoeken ging in de kamer.
+
+Haar kleine gedachten-kring werd nog enger, en het gebeier der
+klokken, het geloei der runderen zelfs, bestond niet meer voor haar.
+Alle wezens bewogen zich als schimmen zoo stil. Slechts een enkel
+gerucht nog drong tot haar door, de stem van den papegaai.
+
+Als om haar wat afleiding te bezorgen, bootste hij het getiktak van
+het braadspit na, den schellen roep van een vischventer, de zaag van
+den schrijnwerker aan den overkant, en als 't belde, riep hij met
+mevrouw Aubain's stem: "Felicite! open doen! open doen!"
+
+Ze hielden samenspraken, hij tot vervelens toe de zinnen van zijn
+repertoire herhalend, en zij er op antwoordend met woorden zonder veel
+meer samenhang, maar waarin ze haar hart uitstortte. Loulou was haar,
+in haar afzondering, bijna een zoon, een geliefde. Hij klom langs
+haar vingers op, knabbelde op haar lippen, klauwde zich vast in haar
+omslagdoek, en wanneer ze dan het bevend hoofd voorover boog, werden
+de groote vleugels van de muts en de vleugels van den vogel door
+eenzelfde trilling bewogen.
+
+Wanneer de wolken zich opstapelden en de donder rommelde, begon hij te
+krijschen, misschien zich de stortvlagen herinnerend van de bosschen
+waar hij geboren werd. Het geruisch van het water maakte hem razend;
+hij fladderde om, buiten zich zelf van angst, klampte zich tegen de
+zoldering, gooide alles omver, en ging door het venster, in den tuin
+rondploeteren; maar al gauw kwam hij weer op een der haardijzers
+neergestreken, en heen-en-weer wippend om zijn veeren te laten drogen,
+liet hij nu eens zijn staart, dan zijn bek zien.
+
+Op een morgen in den strengen winter van 1837, toen ze hem wegens de
+koude voor den schoorsteen had gezet, vond ze hem dood midden in zijn
+kooi, de kop omlaag, de nagels in het ijzerdraad. Hij had zeker een
+congestie gehad. Zij dacht aan een vergiftiging met peterselie, en
+ondanks alle gebrek aan bewijs, vatte ze kwade vermoedens op tegen
+Fabu.
+
+Zoo schreide ze, dat mevrouw zei:--"Kom, kom! laat hem dan opzetten!"
+
+Ze ging raad vragen aan den apotheker, die altijd goed was geweest
+voor Loulou.
+
+Hij schreef naar Havre. Een zekere Fellacher nam het werk op zich. Per
+diligence raakten de pakgoederen soms kwijt, en daarom besloot ze haar
+armen Loulou zelf tot Honfleur weg te brengen.
+
+De appelboomen stonden bladerloos langs den weg. IJs dekte de
+slooten. Honden blaften bij de hoeven; ze hield de handen onder haar
+schoudermantel, en met haar zwarte klompjes en haar karbies, spoedde
+ze zich voort, midden over de keien.
+
+Ze ging dwars door het bosch, kwam Haut-Chene voorbij, en bereikte
+Saint-Gatien.
+
+Achter haar kwam in een dichte stofwolk een postdiligence met dolle
+vaart als een windhoos de helling afrollen. Toen hij daar een vrouw
+gewaar werd, die rustig bleef loopen waar ze liep, bukte de conducteur
+zich voorover uit de kap, en ook de postiljon schreeuwde, terwijl zijn
+vier paarden, die hij niet kon inhouden, hun draf versnelden; de twee
+voorste waren zoo nabij, dat ze haar raakten; met een schok van de
+teugels rukte hij het vierspan den berm op, maar woedend hief hij den
+arm, en uit alle macht striemde hij Felicite met zijn lange zweep zoo
+fel langs borst en aangezicht, dat ze achterover viel.
+
+Toen ze weer bijkwam, was het haar eerste werk, de mand te openen.
+Gelukkig, Loulou was ongedeerd! Zij voelde een brandende pijn aan de
+rechterwang; toen ze met de handen er langs streek, werden die rood.
+Er liep bloed uit.
+
+Ze ging op een kiezelhoop zitten, bette zich het gelaat met den
+zakdoek, at toen een korst brood, die ze uit voorzorg in haar mand had
+gestopt, en troostte zich over haar wonde door den vogel te bekijken.
+
+Op den heuvel van Ecquemauville gekomen, zag ze de lichten van
+Honfleur, die in den nacht tintelden, als even zooveel sterren; verder
+nog schemerde het vage vlak der zee. Toen voelde ze zich wee
+worden van uitputting. Ze moest stilstaan, en de ellende van haar
+kinderjaren, de teleurstelling harer eerste liefde, het heengaan van
+haar neefje, Virginie's dood, het kwam alles tegelijk weer op in haar
+hart, zooals bij vloed de golven opkomen, het steeg haar naar de keel
+en verstikte haar den adem.
+
+Toen wilde ze den kapitein der boot spreken, en zonder te zeggen wat
+er in de mand verpakt was, vroeg ze hem er vooral goed voor te zorgen.
+
+Fellacher hield den papegaai lang. Hij beloofde hem telkens voor de
+volgende week.
+
+Na verloop van zes maanden berichtte hij, dat er een kist afgezonden
+was; toen hoorde ze er verder niets van. Het scheen wel dat Loulou
+nooit meer zou terugkomen. "Ze hebben hem gestolen!" dacht ze.
+
+Eindelijk kwam hij,--prachtig, recht-zittend op een tak die in een
+mahoniehouten voet stond geschroefd, een poot in de lucht, den kop
+schuin, en knabbelend op een noot, door den vogelopzetter, uit
+liefhebberij voor 't indrukwekkende, verguld!
+
+Ze borg hem in haar kamer.
+
+Dit plekje van het huis, waar ze bijna niemand toeliet, leek evenveel
+op een kapelletje als op een bazaar, zooveel devotie-dingen en zooveel
+rommel waren er bijeen.
+
+De deur ging moeielijk open, omdat er een groote kast in den weg
+stond. Tegenover het venster aan de tuinzijde was een zolderraampje
+dat uitzag op de plaats voor het huis. Op een tafel naast het veldbed
+lagen, bij een lampetkan, twee kammen en een stuk blauwe zeep op
+de scherf van een schoteltje. Tegen de muren hingen: rozenkransen,
+medailles, verschillende Lieve-Vrouwtjes, een wijwaterbakje van een
+kokosnoot; op de latafel als een altaar met een witten doek bedekt,
+stond de schelpendoos die Victor haar had gegeven, en ook een gieter
+en een bolle flesch; schrijfboeken lagen er, de aardrijkskundige
+prenten, een paar schoenen, en aan den spijker van den spiegel, hing,
+aan zijn linten, het pluchen hoedje! Zoo ver dreef Felicite deze soort
+van vereering, dat ze zelfs een der pandjassen van mijnheer bewaarde.
+Alle oude prullen waar mevrouw Aubain genoeg van had, nam ze mee voor
+haar kamer. Zoo kwam het, dat er opgemaakte bloemen langs den rand der
+latafel stonden, en dat het portret van den graaf van Artois er in de
+nis van het zoldervenstertje hing.
+
+Bij middel van een plankje werd Loulou tegen een uitspringende
+schouwgang geplaatst. Iederen morgen bij haar ontwaken zag ze hem in
+het licht van den aanbrekenden dag, en zonder hartzeer, heel rustig,
+dacht ze dan aan de vervlogen jaren, en aan de onbeduidendste
+voorvallen tot in hun minste bijzonderheden.
+
+Daar ze met geen mensch meer gemeenschap kon hebben, leefde ze, als
+een slaapwandelaarster, in een durende verdooving. De processies van
+Sacramentsdag deden haar weer opleven. Ze ging bij de buren kaarsen
+en matten vragen om er het rustaltaar mee te sieren, dat in de straat
+werd opgericht.
+
+In de kerk schouwde ze altijd naar de duif, die den Heiligen Geest
+voorstelde, en vond dat ze wat geleek op haar papegaai. Die gelijkenis
+scheen haar nog treffender op een plaat van Epinal, den doop Onzes
+Heeren weergevend. Die duif met haar purperen vleugels en haar romp
+van smaragd, ze leek wezenlijk het portret van Loulou.
+
+Ze kocht die plaat en hing ze waar de graaf van Artois gehangen
+had;--zoo zag ze hen in eenen oogopslag. In haar gedachten werden ze
+een, de papegaai als gewijd door zijn overeenkomst met die duif. En ze
+bad met de oogen naar de plaat, maar een klein weinigje wendde ze zich
+nu-en-dan toch naar haar vogel toe.
+
+Ze wilde zich in de Maria-congregatie laten opnemen, doch mevrouw
+Aubain praatte haar dit uit 't hoofd.
+
+Ineens was er iets heel buitengewoons: het huwelijk van Paul.
+
+Na eerst notarisklerk te zijn geweest, was hij achtereenvolgens in den
+handel, bij de invoerrechten en bij de belastingen gegaan, en zelfs
+had hij gepoogd bij de jacht en visscherij te komen, toen, zes en
+dertig jaar oud, had hij ineens, als door een ingeving van den hemel,
+zijn weg gevonden: de registratie! een zoo grooten aanleg toonde hij
+ervoor, dat een verificateur hem zijn dochter ten huwelijk bood en hem
+zijn protectie beloofde.
+
+Paul, die 't nu ernstig meende, bracht haar bij zijn moeder. Ze
+smaalde op de gewoonten van Pont-l'Eveque, speelde de prinses,
+beleedigde Felicite. Het was mevrouw Aubain een heele verlichting toen
+ze vertrok.
+
+De week daarop kwam de tijding dat mijnheer Bourais in Neder-Bretagne
+in een herberg was dood gebleven. Het gerucht van een zelfmoord werd
+bevestigd; er rees twijfel aan zijn eerlijkheid. Mevrouw Aubain zag
+nauwkeurig haar rekeningen na, en vond al spoedig een lange reeks
+van ongerechtigheden, verduistering van achterstallige schulden,
+verdonkermaande houtverkoopen, valsche kwitanties, enz.
+
+Die schelmerijen deden haar veel verdriet. In Maart 1853 werd
+ze aangetast door een longziekte; haar tong scheen bewasemd; de
+bloedzuigers bedaarden de benauwdheid niet, en den negenden avond
+stierf ze, juist twee en zeventig jaar oud.
+
+Niemand had haar voor zoo bejaard aangezien, omdat ze nog niets grijs
+was. Ze droeg het bruine haar in platte banden tegen het bleeke, door
+de pokken geschonden gezicht. Ze liet niet veel vrinden na, die leed
+hadden over haar heengaan. Ze had iets hooghartigs over zich, dat de
+menschen op een afstand hield.
+
+Felicite treurde over haar zooals geen dienstbaren over hun meesters
+treuren. Dat mevrouw eerder stierf dan zij, bracht haar geest in de
+war, scheen haar in te druischen tegen den gewonen loop der dingen,
+het leek haar onaannemelijk en al te wreed.
+
+Tien dagen later (juist de tijd die er noodig was voor de reis van
+Besancon) kwamen ineens de erfgenamen. De schoondochter doorzocht de
+laden, koos meubels uit, verkocht de overige, daarna keerden ze samen
+naar Paul's registratie-bureau terug.
+
+Mevrouws fauteuil, haar tafeltje, haar stoof, de acht stoelen waren
+weg. De plaatsen waar de gravures hadden gehangen, teekenden zich
+als vierkante gele plekken af midden op de wanden. Ze hadden de twee
+ledikantjes meegenomen, ook de matrassen, en in de muurkast was niets
+meer te vinden van Virginie's kleinooden! Felicite klom van de eene
+verdieping naar de andere, buiten zich zelve van verdriet.
+
+Den volgenden dag zat er een plakkaat op de deur; de apotheker
+schreeuwde haar in 't oor, dat het huis te koop stond.
+
+Ze wankelde en moest gaan zitten.
+
+Het zolderkamertje te moeten verlaten, waar die arme Loulou zoo'n goed
+plaatsje had, dit was wel haar grootste verdriet. Met een angstigen
+blik op haar vogel, bad ze of de Heilige Geest hem wilde beschermen,
+en zoo vernevelden haar zinnen, dat ze langzamerhand de afgodische
+gewoonte aannam, haar gebeden te prevelen neergeknield voor den
+papegaai. Soms raakte de zon, die door het zoldervenstertje viel,
+juist zijn glazen oog, en deed er een grooten glanzenden lichtstraal
+uitschieten, die haar in vervoering bracht.
+
+Ze had een inkomen van driehonderdtachtig franken 's jaars, een legaat
+van mevrouw. De tuin leverde haar groenten op. Kleeren had ze voor
+levenslang genoeg, en door te gaan slapen, zoo gauw de avond viel,
+spaarde ze het licht uit.
+
+Ze zette nooit meer een voet op straat, om den uitdragerswinkel te
+mijden, waar eenige van de oude meubels te koop stonden. Sinds haar
+geest zoo begon te verzwakken, sleepte ze het eene been, en omdat haar
+krachten afnamen, kwam vrouw Simon, die in haar kruidenierszaakje
+alles verloren had, iederen morgen haar hout klooven en water pompen.
+
+Haar oogen werden steeds zwakker. De zonneblinden gingen niet meer
+open. Veel jaren verliepen er. En er kwamen noch huurders, noch
+koopers voor het huis.
+
+Vreezende dat men haar zou aanzeggen het huis te verlaten, vroeg
+Felicite om geen enkele reparatie. De binten van het dak waren aan
+'t rotten; een winterlang was haar peluw doortrokken van 't nat. Na
+Paschen gaf ze bloed op. Toen ging vrouw Simon een dokter roepen.
+Felicite wilde weten, wat haar scheelde. Maar ze was te doof om het
+te kunnen verstaan, een enkel woord slechts drong tot haar door:
+"Longontsteking." Ze kende dit woord, en zei zachtjes:--"O, juist als
+mevrouw," ze vond het heel natuurlijk hetzelfde te hebben als haar
+meesteres.
+
+De dag van de rustaltaartjes naderde.
+
+Het eerste stond altijd aan 't einde van den oeverwal, het tweede voor
+de post, het derde zoowat halfweg de straat. Er ontstond een wedijver
+over de plaats van dit laatste, en de vrouwen der parochie kozen ten
+slotte de voorplaats van mevrouw Aubain.
+
+De benauwdheden en de koorts namen toe. Felicite trok het zich erg
+aan, niets te kunnen doen voor het altaartje. Kon ze er tenminste nog
+iets op neerzetten! Ze dacht toen aan den pagegaai. Dat voegde
+niet, wierpen de buurvrouwen tegen. Maar de pastoor gaf toch wel
+toestemming. Ze was daar zoo gelukkig mee, dat ze hem vroeg Loulou van
+haar te willen aannemen na haar dood, Loulou haar eenigen rijkdom.
+
+Van Dinsdag tot Zaterdag voor Sacramentsdag hoestte ze veel meer.
+'s Avonds was haar gezicht vertrokken, haar lippen kleefden aan het
+tandvleesch, ze begon brakingen te krijgen, en den volgenden morgen,
+in de vroegte, voelde ze zich heel minnetjes en liet een priester
+roepen.
+
+Drie buurvrouwen waren bij haar, toen ze het heilig oliesel ontving.
+Daarop zei ze, noodig met Fabu te moeten spreken.
+
+Hij kwam in z'n zondagsche kleeren, slecht op zijn gemak in al die
+narigheid.
+
+--"Vergeef me," zei ze met een poging om den arm uit te strekken, "ik
+heb altijd gemeend, dat gij hem hadt dood gemaakt."
+
+Wat was dat voor lasterpraat? Hem verdacht te hebben van een moord,
+een man als hij! Hij maakte zich boos, begon te razen en te tieren.
+
+--"Ge ziet toch wel, dat ze niet meer bij zinnen is!"
+
+Nu en dan was Felicite met schimmen aan 't praten. De drie buurvrouwen
+gingen heen. Vrouw Simon dronk koffie.
+
+Een oogenblik later nam ze Loulou, en hem Felicite voorhoudend:
+
+--"Kom! zeg hem vaarwel!"
+
+De wormen knaagden aan hem, al was hij dan ook opgezet, een van zijn
+vleugels hing gebroken, het vulsel puilde hem uit den buik. Maar ze
+was nu blind, ze kuste hem op den kop en hield hem tegen haar wang.
+Toen nam vrouw Simon hem weer terug, om hem op 't altaartje te zetten.
+
+
+
+
+V
+
+
+Uit de weien woei de zomergeur aan; vliegen gonsden; de zon
+overglansde de rivier en blakerde de leien. Vrouw Simon was
+teruggekomen en viel zachtjes in slaap.
+
+Klokgelui maakte haar wakker; de vespers waren uit. Felicite kwam weer
+bij. Ze dacht aan de processie en zag die voor haar oogen, alsof ze er
+in meeging.
+
+Alle schoolkinderen, de zangers en de brandweergasten liepen over
+de stoepen, terwijl midden in de straat de hondenslager met zijn
+hellebaard, de onderkoster met den kruisstaf voorttogen, ook de
+onderwijzer, die een waakzaam oog hield op de schooljongens, en de
+zuster vol zorg voor haar kleine meisjes; drie van de allerliefste,
+met krullekopjes als engelen, wierpen rozeblaadjes in de lucht; de
+diaken temperde, met uitgebreide armen, de muziek, en twee knapen
+met wierookvaten keerden zich bij iedere schrede naar het Heilig
+Sacrament, dat onder een hel-rooden troonhemel, dien vier kerkmeesters
+torsten, gedragen werd door mijnheer Pastoor in zijn prachtige
+kazuifel. Een stroom van menschen volgde, tusschen het witte doek, dat
+de muur der huizen bedekte; en men kwam aan 't eind van den oeverwal.
+
+Felicite's slapen waren klam van 't koude zweet. Vrouw Simon bette ze
+met een stuk linnen, peinzend hoe ook zij eenmaal dit alles zou moeten
+doorstaan.
+
+Het gegons der menigte nam toe, was een oogenblik zeer luid, en
+verwijderde zich.
+
+Een losbarsting van geweerschoten deed de ruiten trillen. Het waren
+de postiljons die het Allerheiligste groetten. Felicite rolde met de
+oogen, en zei, zoo duidelijk ze vermocht, vol zorg voor den papegaai:
+"Staat hij goed?"
+
+Haar doodsstrijd begon. Een gereutel, dat steeds sneller werd,
+deed haar zijden schokken, 't Schuim blies tot bellen op in haar
+mondhoeken, en heel haar lichaam beefde.
+
+Niet lang, of men hoorde het geschal der koperen bashoorns, de heldere
+kinderstemmen, de zware stem der mannen. Bij tusschen-poozen was
+alles stil, en het treden der voetstappen, gedempt door het
+bloemen-strooisel, geleek op het geschuifel van een kudde, die
+voorttrekt over het gras.
+
+De schaar van priesters verscheen op de voorplaats. Vrouw Simon
+klauterde op een stoel om bij het zolderraampje te komen, en zag zoo
+vlak neer op het altaartje.
+
+Groene guirlanden hingen er over en het was versierd met een strook
+van Engelsche kant. Middenop stond een schilderijtje met relikwieen,
+twee oranjeboompjes op de hoeken, en in het rond zilveren luchters en
+porseleinen vazen, waaruit zonnebloemen oprankten, lelies, pioenen,
+campanula's, bossen hortensia's. Dit kleurgewemel daalde schuin omlaag
+van de eerste verdieping tot op het vloerkleed, dat tot ver over de
+straatsteenen lag uitgespreid; en vreemdsoortige voorwerpen trokken
+het oog. Een verguld zilveren suikerpot droeg een kroon van viooltjes,
+hangers van Alenconschen steen schitterden op een laagje mos, twee
+Chineesche horretjes stalden hun landschappen ten toon. Loulou stond
+onder rozen verborgen, en van hem was niets te bespeuren dan
+'t bovenste van zijn blauwen kop, en dit blonk als een plakje
+lazuursteen.
+
+De kerkmeesters, de zangers, de kinderen schaarden zich aan de drie
+zijden van de plaats. De priester besteeg langzaam de altaartreden, en
+zette op de kanten dwale zijn monstrans, die straalde als een
+groote gouden zon. Allen knielden. Er zonk een diepe stilte. En de
+wierookvaten gleden in breeden uitzwaai op hun kettingen weg en weder.
+
+Een azuren waas steeg naar de kamer van Felicite. Haar neusgaten
+zetten zich uit terwijl ze den wierook inademde met een mystiek
+welbehagen; dan sloot ze de oogen. Haar lippen glimlachten. De
+bewegingen van haar hart vertraagden een voor een, telkens flauwer,
+telkens zachter, zooals een fontein uitgeput neerruischt, zooals een
+echo wegsterft; en terwijl ze den laatsten adem uitblies, waande ze
+in de open hemelen een reusachtigen papegaai te zien, zwevend boven
+haar hoofd.
+
+
+
+
+
+DE LEGENDE VAN SINT-JULIAAN DEN GASTVRIJE
+
+
+I
+
+De vader en de moeder van Juliaan bewoonden een kasteel midden in
+bosschen op de helling van een heuvel.
+
+De spitsen van de vier hoektorens waren met looden schubben bedekt,
+en de voet der muren steunde op rotsen, die steil neerhelden naar de
+grachtdiepte.
+
+Het plaveisel van het binnenplein was gaaf als dat van een kerkvloer.
+Draken met den gapenden muil nederwaarts, spuwden het regenwater uit
+de dakgoten naar den put, en op ieder vensterkozijn, alle verdiepingen
+langs, bloeide in een beschilderden aarden pot, een bos balsemkruid of
+heliotroop.
+
+Een tweede omheining van steenen palen omsloot vooreerst een boomgaard
+en een tuin, waar de bloemen in bonte schikking naamletters teekenden
+op de perken; verder een wijngaard met lustprieelen, en een kolfbaan
+voor de pages. Aan de andere zijde bevonden zich de hondenhokken en
+de stallen, bakkerij en druivenpers, en de schuren. Het geheel was
+omgeven door groene weiden, die op hare beurt omsloten werden door een
+zware haag van meidoorns.
+
+De vrede duurde reeds zooveel jaren door, dat de valpoort tot vaste
+brug diende; de grachten waren vol water; de zwaluwen bouwden haar
+nest in de kanteelen, en de boogschutter die den lieven langen dag
+op den middenwal heen-en-weer moest wandelen, dook weg in het
+wachttorentje, zoodra de zon te fel begon te branden, en lag er
+met een gerust gemoed, uren lang ongestoord te slapen. Binnenshuis
+schitterde het beslag van hengsels en sloten overal als zilver;
+kostbare wandtapijten beschutten de kamers tegen de koude; de kasten
+waren overvuld van het fijnste lijnwaad; in de kelders lagen de tonnen
+met wijn hoog opgestapeld, en de eikenhouten koffers kraakten onder
+het gewicht der geldzakken.
+
+In de wapenzaal, waren tusschen ruitervanen en roofdierkoppen, wapenen
+uit alle tijden en van alle volken te vinden: van de slingers der
+Amalekieten en de werpspiesen der Garamantijnen, tot de kromzwaarden
+der Saracenen en de malienkolders der Normandiers.
+
+Aan het groote braadspit in de keuken kon wel een os geroosterd
+worden. De huiskapel was weidsch en rijk als die van een koning. In
+een achterafhoek van het kasteel was zelfs een romeinsch bad, maar de
+burchtheer maakte er nooit gebruik van, wijl hij dit een heidensche
+zede achtte.
+
+In een pelsmantel van vossevel wandelde hij door zijn huis; hij sprak
+recht onder zijn vazallen, en legde de twisten van zijn naburen bij.
+
+'s Winters keek hij naar de dwarrelende sneeuwvlokken, of hij liet
+zich verhalen voorlezen. Maar zoodra het mooie weer begon, reed hij op
+zijn muilezel langs de wegjes door het groene koren, praatte met de
+dorpers en gaf hun goeden raad.
+
+Na een zeer avontuurlijk leven had hij een jonkvrouw van hooge
+geboorte tot gemalin genomen. Ze was zeer blank, en wat trotsch
+en ernstig. De punten van haar huive raakten den bovenbalk der
+deurposten; de plooien van haar lakensch gewaad sleepten drie schreden
+achter haar aan. Haar huishouding was regelmatig als die in een
+klooster; iederen morgen verdeelde ze het werk onder haar dienstboden;
+ze hield het oog over den vruchten-inmaak en de zalven-bereiding; zat
+achter het spinnewiel of borduurde dwalen voor het altaar. Op haar
+aanhoudend bidden werd haar een zoon geboren.
+
+Toen heerschte er groote vreugde, en er werd een feestmaal aangericht.
+Dit duurde drie dagen en vier nachten bij toortslicht en harpspel, op
+strooisel van lenteloovers. Men at er de zeldzaamste specerijen, en
+hoenders zoo groot als schapen; ter opluistering kwam er een dwerg uit
+een pastei. Toen er geen bekers genoeg meer waren, wijl de menigte der
+gasten steeds aangroeide, was men genoodzaakt uit horens en helmen te
+drinken.
+
+De jonge moeder woonde deze feesten niet bij. Ze lag rustig op haar
+legerstede. Toen, in een avonduur,--ze had gesluimerd en sloeg zacht
+de oogen op,--zag ze in een manestraal, die door het venster gleed,
+iets bewegen. Schaduw of schimme? Het was een grijsaard in haren pij,
+een rozenkrans aan den gordel, den bedelzak op den schouder. Een
+kluizenaar. Hij naderde het hoofdeinde van haar bed, en zei zonder de
+lippen te ontsluiten: "Verheug u, o moeder! Uw zoon zal een heilige
+worden!"
+
+Bijna schreide ze het uit van schrik, maar de schimme gleed heen langs
+den manestraal, steeg zachtjes omhoog en verdween in het ijle licht.
+De zangen van het festijn klonken helderder op. Zij echter hoorde
+engelenstemmen. Haar hoofd viel terug in het kussen, waarboven,
+tegen den muur, een martelaarsreliek hing, gevat in een lijst van
+karbonkels.
+
+Den volgenden dag werd heel de dienaarschap ondervraagd. Allen
+verklaarden eenstemmig, geen kluizenaar gezien te hebben. Maar--droom
+of werkelijkheid--kon het anders dan een hemelboodschap zijn? De
+burchtvrouw wachtte zich echter wel, die overtuiging uit te spreken.
+Ze vreesde dat men haar van hoovaardij betichten zou.
+
+De gasten vertrokken bij het krieken van den morgen. Toen Juliaans
+vader den laatsten uitgeleide gedaan had, en eenzaam bij de
+burchtpoort achterbleef, zag hij ineens in den nevel een bedelaar voor
+zich staan. Het was een zigeuner. Hij droeg den baard gevlochten en
+had zilveren ringen aan beide armen. Zijn oogen flonkerden. En, als
+bij ingeving, mompelde hij deze onsamenhangende woorden:
+
+"Welzoo! uw zoon!... veel bloed!... veel roem!... altijd gelukkig! in
+de maagschap van een keizer!"
+
+Hij bukte naar de hem toegeworpen aalmoes, en zonder een spoor achter
+te laten, was hij tusschen het gras verdwenen.
+
+De burchtheer keek naar links en rechts, riep zoo luid hij kon.
+
+Niemand! De wind blies, de uchtendnevels verwoeien.
+
+Hij weet dit droomgezicht aan de vermoeienis van zijn hoofd, na den
+slapeloozen nacht.
+
+"Wat zouden ze lachen, zoo ik er van gewaagde!"
+
+En toch--hoe vaag de voorzegging ook scheen, en droom of
+waarheid?--ondanks zijn twijfel bleef hij almaar uitturen in de
+glanzende toekomst die zijn zoon beloofd was. Ze verblindde hem.
+
+De vader en de moeder hielden ieder voor zich hun geheim in het hart
+verborgen. Beiden droegen ze het kind een even groote liefde toe.
+Ieder voor zich beschouwden ze het als een geroepene Gods. Ze hadden
+er de vroomste zorgen voor. Zijn bedje was met het zachtste dons
+gevuld. Een lamp in den vorm eener duif brandde voortdurend er boven,
+drie voedsters moesten over hem waken. En zoo: vast in zijn doeken
+gewikkeld, met zijn roze-blozend gezichtje en zijn blauwe oogen, met
+zijn brokaten mantel en zijn kapertje vol parels, geleek hij wel
+het kindje-Jezus zelve. Hij kreeg tanden zonder een enkelen keer te
+schreien.
+
+Toen hij zeven jaar was, leerde zijn moeder hem zingen.
+
+Om hem dapper te maken tilde zijn vader hem op een groot paard. Het
+kind glimlachte van voldoening, en het duurde niet lang, of hij wist
+alles van ros en tuig.
+
+Een zeer wijze, oude monnik onderrichtte hem in de heilige Schrift,
+leerde hem de arabische cijfers en de latijnsche letters en liet hem
+aardige miniaturen schilderen op perkament. Ze werkten samen hoog in
+een toren, waar geen geluid hen kon hinderen. Na de les daalden ze
+af in den hof, waar ze voet voor voet omwandelden en de bloemen
+bestudeerden.
+
+Het gebeurde soms dat men diep uit het dal een rij lastdieren zag
+naderen, gedreven door een op oostersche wijze uitgedosten voetganger,
+in wien de burchtheer een koopman herkende. Hij liet hem door een
+dienaar ontbieden, en de vreemdeling richtte dan in goed vertrouwen
+zijn schreden burchtwaarts. In de halle binnengeleid, haalde hij
+stukken sameet en zijde uit zijn koffers, cantille-goud en reukwerken,
+en allerlei andere vreemdsoortige zaken waarvan men het gebruik niet
+kende. Ten laatste ging de man weer heen, met goede winst, en zonder
+het minste geweld verduurd te hebben. Een andermaal klopte er een
+troep pelgrims aan de poort. Hun natte kleeren dampten voor den haard.
+Wanneer hun honger gestild was, begonnen ze te verhalen van hun
+tochten, hoe ze op de schuimende zee hadden gezwalkt en te voet door
+het brandende zand der woestijnen getogen waren. Ze hadden het over de
+wreedheid der heidenen, over de Kribbe en het Heilig Graf, en gaven
+den kleinen jonker schelpen van hun mantel.
+
+Dikwijls onthaalde de burchtheer zijn oude wapenmakkers. En altijd
+weer onder het drinken, kwamen ze los over hun oorlogen, over den
+stormloop op de vestingen, als de werptuigen om hen henen raasden,
+over hun wonden zonder weerga. En Juliaan, die niet moede werd te
+luisteren, begon krijgskreten uit te stooten. School er niet een groot
+veroveraar in dien knaap? Zijn vader was er van overtuigd. Maar 's
+avonds, na de vespers, als Juliaan tusschen de eerbiedig nijgende
+armelieden de kerk uitschreed, kon hij zoo deemoedig en met een gebaar
+zoo edel in zijn gordelbeurs tasten, dat zijn moeder vast geloofde hem
+mettertijd aartsbisschop te zien.
+
+Zijn plaats in de kapel was tusschen zijn ouders in. De diensten
+duurden soms lang, maar hij bleef geknield, de baret voor de bidbank
+op den grond, de handen gevouwen.
+
+Op zekeren dag, toen hij onder de Mis even opkeek, zag hij een wit
+muisje uit een gat in den muur komen. Het trippelde over de eerste
+altaar-trede, en na twee of drie malen over-en-weer wippen, vluchtte
+het terug naar den kant vanwaar het geslopen kwam. Den volgenden
+Zondag moest Juliaan onder het bidden telkens denken, dat het muisje
+wel eens weerom kon komen. En waarlijk, het kwam.
+
+Nu wachtte hij er voortaan iederen Zondag op. Het begon hem zelf te
+vervelen. Hij vatte een haat op tegen het muisje en besloot er zich
+van te ontdoen.
+
+Op een Zondag-middag sloop hij alzoo alleen de kapel binnen, en na de
+deur behoedzaam gesloten te hebben, strooide hij zoete kruimels op
+de altaartreden, en stelde zich toen op voor het muizengat, met een
+stokje in de hand.
+
+Na heel lang wachten kwam er een roze snuitje te voorschijn, toen de
+heele muis.
+
+Hij raakte haar met een lichten slag, en bleef verstomd staan voor dat
+kleine roerlooze lichaampje.
+
+Een druppel bloed vlekte op den vloersteen. Hij wischte het schielijk
+af met de mouw, wierp de muis weg, en sprak er met niemand over.
+Korten tijd later bemerkte hij dat allerlei vogels de zaden uit den
+tuin wegpikten. Toen zocht hij een hol riet, en stopte het vol erwten.
+Wanneer hij nu voortaan piepen of kweelen hoorde in een boom, naderde
+hij heel zoetjes, richtte zijn schietbuis, blies de wangen op, en de
+diertjes regenden hem zoo overvloedig op de schouders, dat hij zich
+niet weerhouden kon te lachen om zijn sluwheid.
+
+Eens op een morgen, toen hij over den middenwal uit den hof terugkeerde,
+zag hij op de kap der borstwering een groote duif zitten, die zich
+borstte in de zon. Juliaan bleef staan om er naar te kijken. Er was een
+bres in den wal op die plaats en vlak voor de hand vond hij een diggel
+van het metselwerk. Hij hief den arm op, en de steen raakte den vogel,
+die in de gracht neerviel. Hij haastte zich naar de diepte, scheurde
+handen en kleeren in de struiken en snuffelde overal, rapper dan een
+jonge hond.
+
+De duif hing met gebroken vleugels te beven in de takken van een
+haagheester.
+
+Het ergerde den knaap, dat ze nog leefde. Hij neep haar de keel toe.
+De stuiptrekkingen van zijn gewurgde prooi deden zijn hart bonzen, ze
+riepen er een wilden en onstuimigen wellust wakker. Bij haar laatste
+doodskramp stokte zijn adem.
+
+Onder het avondeten beweerde zijn vader toevallig, dat een knaap op
+zijn leeftijd moest leeren jagen, en hij ging een oud schrijfboek
+halen, dat in vragen en antwoorden, de geheele uiteenzetting der
+jacht bevatte. Een meester onderwees er zijn leerling in de kunst der
+honden-dressuur en in het africhten van valken, hoe strikken te leggen
+en hoe een hert aan zijn lucht, een vos aan zijn spoor, een wolf aan
+zijn voetstap te onderkennen; het beste middel om hun gangen te
+weten; op welke manier men ze moet opjagen; waar zich gewoonlijk hun
+schuilplaatsen bevinden; welke de gunstigste wind is; met de opsomming
+der verschillende geluiden en de regels der buitverdeeling.
+
+Toen Juliaan al deze dingen uit het hoofd kon opzeggen, bracht zijn
+vader een troep jachthonden voor hem samen.
+
+Daar waren vooreerst vier-en-twintig barbarijsche hazewinden onder,
+vlugger dan gazellen, soms niet te weerhouden; ook zeventien koppels
+bretonsche honden, wit gevlekt op rosse huid, zeker van hun doel,
+sterk van borst en sterke blaffers. Voor de wilde-zwijnenjacht en de
+gevaarlijke achtervolging waren er veertig brakken, harig als beren.
+
+Tartaarsche bulhonden, bijna zoo hoog als ezels, vuurkleurig, breed
+gerugd en recht van knie, waren bestemd om den oeros te jagen. De
+zwarte vacht der poedels glom als satijn. Op een afzonderlijke
+binnenplaats gromden acht vlaamsche doggen, rukkend aan hun ketting
+en met de oogen rollend, ontzaglijke dieren, die paard en ruiter
+bespringen en voor een leeuw niet terugdeinzen.
+
+Allen aten weitebrood, dronken uit steenen troggen en ieder droeg een
+klinkenden naam. Zoo mogelijk was de valkerij nog volmaakter in haar
+samenstelling dan dit leger van honden. Door geen kosten te ontzien
+had de burchtheer zich kaukasische valken weten te verschaffen,
+sacervalken uit Babylonie, duitsche valkgieren, en rotsvalken,
+gevangen op de steile kusten aan verre koude zeeen; ze hadden hun
+verblijf in een huis met strooien dak, en zaten in volgorde van hun
+grootte naast elkaar op stok, met een graszode voor zich, waarop ze nu
+en dan werden neergezet, om ze lenig te houden.
+
+Weitasschen, angels, klemmen, allerlei jachttuig werd er gereed
+gemaakt.
+
+ * * * * *
+
+Toen begon men de op vogelvangst afgerichte honden naar het veld te
+brengen. Ze roken daar al spoedig buit en stonden stil.
+
+Dan kwamen de jagermeesters voet voor voet nader, en spreidden over
+hun onbeweeglijke lichamen een reusachtig net uit.
+
+Een bevelend woord deed hen blaffen; de kwartels vlogen op; en de
+edelvrouwen uit de omgeving, die met hun ridders waren uitgenoodigd,
+de kinderen, de hofdames, allen vielen er op aan, en maakten ze
+gemakkelijk buit.
+
+Een andermaal sloeg men den roffel om de hazen uit hun leger op te
+jagen; vossen vielen in hinderlagen, of wel een losspringende klemveer
+vatte een wolf bij den poot.
+
+Maar Juliaan minachtte die gemakkelijke kunstjes. Hij verkoos ver
+buiten de menschen-wereld te jagen, alleen met zijn paard en zijn
+valk. Het was bijna altijd een groote Scythische jachtvalk, zoo wit
+als sneeuw. Zijn lederen kapje was met een pluim versierd, en gouden
+belletjes rinkelden aan zijn blauwe pooten; hij zat stil en recht op
+zijns meesters arm, terwijl het paard draafde, en de landschappen
+wisselden.
+
+Juliaan maakte dan zijn lussen los en liet hem ineens vrij; recht als
+een pijl uit den boog steeg het stoutmoedige dier de lucht in, en
+men zag dan twee ongelijke stippen wenden en wentelen, saamkomen en
+verdwijnen in de diepten van het hemelblauw. De valk daalde weldra
+neer, met een of anderen vogel tot prooi, en kwam zich opnieuw maar
+met trillende vleugels, op den handschoen neerzetten. Juliaan maakte
+zoo jacht op reiger en wouw, op kraaien en gieren. Hij hield er van,
+in den horen te stooten en zijn honden te volgen, die de heuvels op
+renden, over beken sprongen, van bosch naar bosch draafden; als het
+hert begon te sterven onder de wreede beten, sloeg hij het behendig
+neer. Dan was het hem een wellust toe te zien, hoe de woedende
+buldoggen hun prooi verscheurden en bloed-rookend verslonden.
+
+Op nevelachtige dagen ging hij diep het moeras in, en lag in lage naar
+ganzen, otters en wilde eenden.
+
+In den vroegsten uchtend reeds wachtten hem drie stalknechten aan
+den voet van het bordes: en of de oude monnik zich ook-al uit zijn
+torenvenster boog en gebaarde om hem terug te roepen, Juliaan zag niet
+om. Hij ging dwars door de brandende zon, door regen en storm, dronk
+bronwater uit de holle handen; deed voortdravend zijn maal aan wilde
+appels, en als hij vermoeid was, legde hij zich onder een eik te
+rusten. In 't midden van den nacht kwam hij thuis met bloed en slijk
+bedekt, dorens in het haar en de kleeren doortrokken van de lucht
+der wilde dieren. Hij werd aan hen gelijk. Wanneer zijn moeder hem
+omhelsde, liet hij haar onverschillig begaan, alsof hij over verre en
+diepzinnige dingen mijmerde.
+
+Hij doodde beren met messteken, stieren met den bijl, everzwijnen
+met de werpspies, en eenmaal zelfs heeft hij met een stok, zijn
+laatstovergebleven wapen, een grooten troep wolven van zich
+afgeslagen, die lijken verslonden aan den voet van een galg.
+
+Zoo dan trok hij op zekeren wintermorgen uit. De dag was nog niet
+aangebroken. Hij was goed toegerust, droeg den boog over den schouder,
+den pijlenkoker aan den zadel-knop.
+
+Zijn deensche hengst, gevolgd door twee dashonden, deed den grond
+onder zijn gelijkmatigen draf opklinken.
+
+IJzeldruppels kleefden aan zijn mantel; er woei een snerpende
+Noordenwind.
+
+Langzaam werd de oosterkimme lichter.
+
+Toen zag Juliaan in den witten uchtend-schemer konijnen heen en weer
+springen bij den rand van hun hol. De twee dassen stortten er
+zich dadelijk op, beten in het wilde weg, en vermorzelden hun de
+ruggegraat.
+
+Weldra kwam hij dan in een bosch. Op het uiteinde van een tak sliep
+een korhaan met den kop onder de vleugels, versteven van kou. Juliaan
+sloeg hem met een zwaardslag de beide pooten af, en zonder hem op te
+rapen, vervolgde hij zijn weg.
+
+Drie uur later stond hij op een bergspits, zoo hoog, dat ze de wolken
+raakte. Voor hem, boven een afgrond, helde een rots neer, smal en
+kantig als een uitspringende muur; op haar uiteinde bevonden zich twee
+wilde bokken, die in de diepte tuurden.
+
+Daar hij geen pijlen had (zijn paard was achtergebleven) besloot hij
+na eenig bezinnen langs den rotskam af te dalen en hen zoo te naderen;
+gedoken en blootsvoets kwam hij ten slotte bij den eersten der twee
+bokken en stiet hem een dolk in de flanken. Opgejaagd door den schrik,
+sprong de tweede de leege diepte in. Juliaan schoot toe om hem nog te
+raken, maar zijn rechtervoet gleed uit, en hij viel voorover op het
+lijk van den eersten, het gelaat boven den afgrond en de beide armen
+wijd uit.
+
+In de vlakte reed hij langs een rij wilgen, die een rivier bezoomde.
+Van tijd tot tijd kwamen hem laag-vliegende kraanvogels boven het
+hoofd gestreken. Juliaan sloeg ze alle dood met zijn zweep, en miste
+er geen enkele.
+
+Intusschen had de luwte den rijm doen dooien. Breede nevelsluiers
+zweefden om, en de zon brak door. Heel in de verte zag hij het
+loodkleurige vlak van een bevroren meer blinken. Midden op dat ijsveld
+stond een dier, dat hij niet kende, een bever met zwarten snuit.
+Ondanks den afstand velde de eerste pijl het neer. Juliaan had grooten
+spijt de vacht niet te kunnen meenemen.
+
+Toen kwam hij door een dreef van groote boomen, wier kruinen aan den
+woud-ingang een eereboog leken te vormen.
+
+Een ree sprong uit het kreupelhout, een damhert bleef staan op een
+viersprong, een das kwam uit een hol, op een grasvlak pronkte een pauw
+met zijn staart;--en toen hij ze alle gedood had, kwamen er andere
+reeen, andere damherten, andere dassen, andere pauwen, merels en
+meerkollen, bunzings, vossen, egels, lynxen, almaar-door nieuwe
+dieren, ontelbaar en bij iedere schrede talrijker. Ze wendden en
+keerden om hem heen en zagen hem aan met zachtaardigen, smeekenden
+blik. Maar Juliaan werd het niet moe ze alle te dooden, nu eens zijn
+boog spannend, dan zijn zwaard trekkend, of stekend met zijn knijf, en
+hij had heugenis of nagedachte over niets ter wereld. Hij was op jacht
+in een of ander land, sinds onbestemden tijd, en hij jaagde omdat
+hij leefde, leefde omdat hij jaagde, alles voltrok zich zoo licht en
+gemakkelijk als in een droom. Een buitengewoon schouwspel hield hem
+echter staande. Een vallei, die den vorm had van een renperk, stond
+vol herten; dicht saamgedrongen verwarmden ze elkaar met hun adem, die
+men in den nevel zag om-wademen. Het vooruitzicht van zoo'n slachting
+versmachtte hem van lust, oogenblikken lang. Toen sprong hij van zijn
+paard, stroopte de mouwen op en begon aan te leggen. Bij het fluiten
+van den eersten pijl wendden alle herten tegelijk hem den kop toe. Er
+kwamen bressen in hun massa; klagende stemmen kermden, en een groote
+beweging ontrustte de kudde.
+
+De hellingen der vallei waren te hoog; ingesloten sprongen de dieren
+om, en zochten een uitweg. Juliaan mikte en schoot, de pijlen vielen
+als regenstralen bij een onweer. De getergde herten weerden zich,
+steigerden, sprongen op elkander, en hun lichamen met hun verwarde
+geweien vormden een breeden heuvel, die zich verplaatste en
+ineenstortte. Ten laatste stierven ze, uitgestrekt op het zand, het
+schuim op den bek en met uitpuilende ingewanden. Het zwoegen van hun
+lichaam werd zwakker en zwakker. Toen was alles stil.
+
+De nacht begon te duisteren, en achter het bosch, tusschen de takken
+door, was de hemel rood als een bloed-doordrenkte dwale.
+
+Juliaan leunde met den rug tegen een boom. Met wijd-gesperde oogen
+stond hij naar het monsterachtige bloedbad te staren, niet begrijpend,
+hoe hij het had kunnen aanrichten.
+
+Aan de andere zijde van het dal, bij den boschrand, werd hij toen
+ineens een ander hert gewaar, met een hinde en haar jong.
+
+Het hert dat zwart was en reusachtig van gestalte, droeg zestien
+takken in zijn gewei en een witte sik. De hinde, blondbruin zooals
+dorre bladers zijn, graasde, en het gevlekte reebokje volgde zijn
+moeder.
+
+Toen snorde de boog nogmaals. Het reetje was dadelijk dood. De
+moeder sloeg den blik omhoog en huilde met een diepe, menschelijke,
+hartverscheurende stem. Dit tergde Juliaan, en hij velde haar met
+een pijl in de borst. Het groote hert had dit gezien, het deed een
+zijsprong, en Juliaan schoot zijn laatsten pijl er op af. Die raakte
+het in 't voorhoofd, en bleef daar steken.
+
+Het groote hert scheen dit niet te voelen; het stapte over de doode
+hinde en het bokje heen en naderde hem steeds dichter met gebukt
+gewei, om zich op hem te werpen en hem het lichaam open te rijten.
+
+Door angst bevangen deinsde Juliaan terug. Het wonderbare dier stond
+stil; en met vlammende oogen, plechtig als een patriarch en een
+richter, herhaalde het tot driemaal toe, terwijl er een klok luidde in
+de verte:
+
+"Vervloekt! vervloekt! vervloekt! De dag zal komen, wreedaardig hart,
+dat ge uw vader en moeder vermoorden zult."
+
+Het boog de knieen, sloot zacht de oogen en stierf.
+
+Juliaan was verstomd blijven staan; toen deed een plotselinge
+vermoeienis hem ineen-zinken, en een weerzin, een eindelooze droefenis
+overstelpten hem. Met het hoofd in de handen bleef hij schreien.
+Hij was zijn paard verloren, zijn honden hadden hem verlaten, de
+eenzaamheid die hem omgaf, voelde hij dreigen met onbestemde gevaren.
+En eensklaps vluchtte hij verschrikt weg, dwars de velden door, over
+het eerste het beste voetpad, en zonder te weten hoe, stond hij ineens
+voor de burchtpoort.
+
+'s Nachts sliep hij niet. Bij het weifelig schijnsel der hanglamp zag
+hij voortdurend het donkere reuzenhert, wiens vloek hem kwellen bleef.
+Hij vocht er tegenin. "Neen! neen! neen! ik kan ze niet dooden, nooit
+of nimmer!" maar even later: "En zoo ik er toch, ondanks alles, toe
+komen zou?" Steeds grooter werd zijn angst, dat de Booze hem zou
+aandrijven.
+
+Drie maanden lang bad Juliaans moeder in doodsangst aan zijn sponde;
+en zijn vader liep aanhoudend zuchtend heen en weer door de gangen.
+De meest beroemde geneesmeesters liet hij komen. Ze schreven groote
+hoeveelheden artsenijen voor en beweerden, dat Juliaans kwaal werd
+veroorzaakt, of door een kwaden luchtstroom, of door een verlangen
+naar liefde. Maar de jonker schudde op alle vragen het hoofd.
+
+Eindelijk begon hij toch weer bij krachten te komen; en hij wandelde
+nu op het binnenplein, tusschen den ouden monnik en den burchtheer in,
+die hem ieder bij een arm ondersteunden.
+
+Toen hij geheel hersteld was, wilde hij, in halsstarrig verzet, van
+geen jagen meer hooren.
+
+Zijn vader wilde hem een genoegen doen en schonk hem een groot
+saraceensch zwaard. Het hing in een wapenrek, boven tegen een pijler.
+Er moest een ladder gehaald worden. Juliaan klom er op. Het al te
+zware zwaard viel hem uit de handen, en raakte in zijn val den
+burchtheer zoo dicht, dat het zijn mantel openscheurde. Juliaan
+meende, dat hij zijn vader had gedood en viel in onmacht.
+
+Sedert had hij een afschrik van wapens. De aanblik van een blanke
+kling deed hem bleek worden. Deze blooheid van Juliaan werd zijn
+omgeving tot groot verdriet.
+
+Ten laatste bezwoer de oude monnik hem, om Gods wil en der vaderen
+eer, ridderspel en wapenhandel weer op te vatten.
+
+De schildknapen vermaakten zich toen juist iederen dag met het
+hanteeren van den werp-schicht. Juliaan muntte weldra uit in dat spel.
+Hij mikte zijn schicht in den hals eener flesch en trof de hoogste
+windwijzers, dat hun punten versplinterden. Op honderd passen afstand
+raakte hij de nagelkoppen in de deuren.
+
+Op een zomeravond, in het uur dat de schemer de dingen doet vervagen,
+zag hij, terwijl hij in de wingerddreef aan 't wandelen was, heel
+in de verte daar twee witte vleugels fladderen, ter hoogte van het
+lat-werk. Hij meende niet anders, of 't was een ooievaar, en hij wierp
+zijn schicht.
+
+Een schelle kreet klonk op. Het was zijn moeder, wier breed geslipte
+huive aan den muur bleef vastgespietst.
+
+Juliaan vluchtte uit den burcht en keerde niet terug.
+
+
+
+
+II
+
+
+Hij sloot zich aan bij een voorbijtrekkenden troep avonturiers.
+
+Hij leerde honger en dorst kennen, koortsen en ongedierte. Hij werd
+gewoon aan het geraas der vechtpartijen en den aanblik van den dood.
+De wind taande zijn huid. Zijn leden hardden onder de wapenrusting,
+en daar hij zeer sterk, moedig, matig en wakker was, stond hij reeds
+spoedig zelf aan het hoofd van een troep.
+
+Wanneer de slag zou beginnen, bezielde hij zijn soldaten door een
+breeden zwaai met zijn zwaard.
+
+Langs een knoopladder beklauterde hij 's nachts de fortmuren, terwijl
+de storm hem heen-en-weer slingerde, terwijl de vonken van het
+grieksch vuur aan zijn kuras kleefden, en ziedend hars en gesmolten
+lood uit de schietgaten stroomden. Dikwijls werd zijn schild door een
+steenworp verbrijzeld. Bruggen stortten in onder den al te zwaren
+last zijner benden. Met een zwaai van zijn knots ontdeed hij zich van
+veertien ruiters, en in het strijdperk versloeg hij allen, die zich
+met hem dorsten meten. Meer dan twintig keer waande men hem dood. Dank
+zij de Goddelijke genade ontkwam hij het telkens; want hij beschermde
+de kerken, weduwen en weezen, en vooral de oude lieden.
+
+Wanneer er een grijsaard voor hem uitging, riep hij hem aan, om zijn
+gelaat te onderkennen, als in vreeze hem bij vergissing te dooden.
+Weggeloopen slaven, muitende boeren, verraders zonder goede kans,
+allerlei waaghalzen stroomden toe onder zijn vaandel, en hij vormde
+een steeds aangroeiend leger. Hij werd befaamd. Men dong om zijn hulp.
+
+Om beurten stond hij den Franschen dauphijn bij en den koning van
+Engeland, de tempeliers van Jeruzalem, den surena der Parthen, den
+negus van Abbessynie en den keizer van Calicuta. Hij streed tegen de
+Scandinaviers, die met vischschubben overdekt waren, tegen Negers
+op rosse muildieren en met rondassen van nijlpaardenleer; tegen
+koperkleurige Indianen, die boven hun veeren hoofdtooi breede
+spiegelblanke klingen zwaaiden. Hij verwon holbewoners en
+menschen-eters. Hij trok door zulke heete luchtstreken, dat de
+zonnehitte het haar van zijn soldaten verschroeide en vlam deed vatten
+als een fakkel. Elders heerschte zoo'n koude, dat de armen er van het
+lichaam losvroren en op den grond vielen.
+
+In andere landen hingen de nevels zoo dicht, dat zijn troepen om hem
+heen verwaasden tot stoeten van schimmen.
+
+Republieken, die in moeilijkheden waren, raadpleegden hem. Bij de
+samenkomst der afgezanten verkreeg hij onverhoopte voorwaarden.
+Wanneer een vorst zich misdroeg, verscheen hij ineens om hem te
+vermanen. Hij vocht volken vrij. Hij verloste koninginnen uit de
+torens, waar ze gekerkerd zaten. Hij, en niemand anders, doodde de
+slang van Milaan en den draak van Ober-birbach.
+
+Welnu dan: de keizer van Occitanie, die de Spaansche Muzelmannen
+overwon, had de zuster van den kalief van Cordova getrouwd; ze schonk
+den keizer een dochter, die hij in den Christelijken godsdienst
+opvoedde. Maar de kalief wendde voor, dat hij zich bekeeren wilde en
+kwam hem zoo, met talrijk geleide, een bezoek brengen. Hij
+verdelgde toen de heele bezetting, en wierp den keizer zelf in een
+onderaardschen kerker, waar hij hem zeer hardvochtig behandelde, om
+schatten als losgeld te krijgen.
+
+Juliaan snelde hem ter hulp, versloeg het leger van de verraders,
+belegerde de stad, doodde den kalief, hieuw hem het hoofd af, en rolde
+het als een bal over de wallen heen. Toen verloste hij den keizer uit
+den kerker en plaatste hem weer op den troon, in tegenwoordigheid van
+zijn geheele hof.
+
+De keizer wilde hem, tot dank voor zulk een dienst, korven vol geld
+geven. Juliaan begeerde het niet. Meenend dat hij meer verlangde, bood
+de keizer hem toen drie-vierde-deel van zijn rijkdommen aan; nieuwe
+weigering. Ten einde raad stelde de keizer hem voor het rijk met hem
+te deelen, en nog bedankte Juliaan. Toen schreide de keizer van spijt
+en wist niets meer. Maar plotseling sloeg hij zich voor het voorhoofd.
+Hij fluisterde een hoveling iets toe; een wandtapijt werd opgelicht en
+daar trad een jonkvrouw te voorschijn.
+
+Haar groote zwarte oogen blonken als twee heel stille lampen. Een
+lieve glimlach opende haar lippen. Heur lokken hechtten zich in de
+edelsteenen van haar los gewaad; de jeugd van haar gestalte lijnde
+teeder onder de luchte plooien van dat overkleed.
+
+De liefde deed Juliaan duizelen, te eer hem, die immer zoo'n ingetogen
+leven had geleid.
+
+Zoo werd hem de dochter van den keizer ten huwelijk gegeven, met een
+paleis van haar moeders erfdeel; en toen de bruiloft was afgeloopen,
+nam men afscheid met einde-looze plichtplegingen van weerszijden. Het
+was een wit-marmeren paleis, in moorschen stijl, op een voorgebergte
+en midden in een bosch van oranjeboomen. Bloemterrassen daalden af
+naar de kust van een zeegolf, waar rozige schelpen onder de voeten
+kraakten.
+
+Achter het paleis strekte zich een waaier-vormig woud uit. De hemel
+was altijd blauw. De toppen der boomen wuifden zachtjes onder de
+luchtige zeebries, of onder den zefier, die aanwoei uit de bergen aan
+den horizon.
+
+Het inlegwerk van de wanden scheen een lichtglans uit door de
+schemerige zalen. Tengere zuiltjes, rank als riethalmen, droegen
+het gewelf der koepels, die versierd waren met nagebootste
+grotstalactieten.
+
+Er waren springbronnen in de zalen, mozaiekvloeren op de
+binnenpleinen. Er waren bebeeldhouwde beschotten met randen van
+looverwerk, en duizenderlei andere verfijningen van bouwkunst, en een
+zoo diepe stilte, dat het geritsel van een sjerp over de vloeren reeds
+groot gerucht was; een zucht deed zijn echo ademen.
+
+Juliaan voerde geen oorlog meer. Hij rustte, omgeven door een vredig
+volk, dat dagelijks in stoeten aan hem voorbijtoog, met kniebuiging en
+handkus naar Oostersche zede.
+
+In purper gehuld lag Juliaan in een vensternis te leunen, terwijl zijn
+gedachten aldoor bezig waren met zijn vroeger jagersleven. Het liefst
+zou hij, dwars de woestijn door, gazellen en struisvogels vervolgd
+hebben, of, tusschen het bamboe verborgen, luipaarden hebben belaagd,
+de wouden vol neushoorns doorkruist, of voor de arendjacht de
+moeilijkst bereikbare bergtoppen bestegen hebben, en in zee op
+ijsschotsen met de witte beren zijn gaan vechten.
+
+Somwijlen zag hij zichzelf in een droom midden tusschen alle dieren,
+zooals Adam, onze vader, in het Paradijs. Met het strekken van zijn
+hand deed hij ze sterven. Of wel ze trokken paarsgewijze voorbij,
+volgens hun grootte, olifanten en leeuwen voorop, hermelijnen en
+eenden achteraan, zooals ten dage toen ze de arke Noachs binnentogen.
+Uit een grot, waar hij zich schuil hield, wierp hij naar hen met zijn
+nimmer-missende schichten; andere dieren doken op; het nam geen einde
+meer; en hij ontwaakte met woest-rollende oogen.
+
+Bevriende vorsten noodigden hem ter jacht. Hij bedankte altijd, in de
+hoop, door deze versterving zijn ongeluk nog te kunnen afwenden; want
+het docht hem, dat van het al of niet vermoorden van dieren het lot
+zijner ouders afhing. Hen niet te mogen weerzien, en ook het ander
+verlangen, het werd hem ondragelijk.
+
+Zijn vrouw deed goochelaars en danseressen komen, om hem wat
+verstrooiing te geven.
+
+Ze liet zich met hem in een open draagkoets door de velden omvoeren;
+andere keeren lagen ze op de banken van een bark naar de visschen te
+zien die door het zilverklare water doolden. Dikwijls wierp ze hem
+spelend met bloemen in het gelaat en aan zijn voeten tokkelde zij
+liedjes op een drie-snarige mandoline; maar altijd weer, haar gevouwen
+handen op zijn schouder, vroeg ze ten laatste met bloode stem: "Wat
+houdt u toch bezig, mijn lieve gemaal?"
+
+Hij antwoordde niet, of wel hij barstte in snikken uit; op zekeren dag
+echter bekende hij haar zijn afschuwelijke gedachte.
+
+Ze streed er tegen, met drang van zeer goede redenen:
+hoogstwaarschijnlijk immers waren zijn vader en moeder dood, en mocht
+hij ze ook ooit weerzien bijgeval, hoe dan nog, door welk toeval, of
+met welke bedoeling zou hij tot zulk een zoo heilig-schennende misdaad
+kunnen komen? Zijn vrees was alzoo ongegrond, en hij moest maar gerust
+weer gaan jagen.
+
+Juliaan hoorde haar aan met een mijmerenden glimlach, maar hij kon
+nimmer besluiten aan haar verlangen te voldoen.
+
+Een avond in Augustus, toen ze op hun kamer waren--zij had zich juist
+ter ruste gelegd, en hij knielde neer om te bidden--hoorde hij het
+keffen van een vos, toen sluippassen onder het venster, en door het
+duister zag hij schimmen van dieren bewegen.
+
+De bekoring was hem te sterk. Hij nam den pijlenkoker van den wand.
+Zijn vrouw scheen verrast.
+
+"Eindelijk dan zal ik doen wat ge altijd verlangd hebt", sprak hij,
+"bij zonsopgang ben ik terug."
+
+Maar ze was bang, als voor dreigend kwaad.
+
+Hij stelde haar gerust, en ging heen, verwonderd over haar
+wisselvallige stemmingen.
+
+Even later kwam een page haar kond doen, dat twee onbekenden, daar de
+slotheer afwezig was, oorlof vroegen onmiddellijk tot de vrouwe te
+worden toegelaten.
+
+En weldra traden een oude man en een oude vrouw de kamer binnen, diep
+gebogen, met stof bedekt, in linnen gekleed, en ieder steunend op een
+stok.
+
+Ze vatten moed, en zeiden dat ze Juliaan tijding van zijn ouders
+kwamen brengen. De vrouwe neeg voorover om hen beter te verstaan.
+
+De twee oudelieden wisselden een raadplegenden blik, en begonnen haar
+toen te vragen of hij zijn ouders nog liefhad, of hij wel eens over
+zijn ouders sprak.
+
+"O, zeker!" was het antwoord. Toen konden zij zich niet langer
+inhouden:
+
+"We zijn het zelve, wij!".--en ze zonken in hun zetels, afgemat van
+vermoeienis.
+
+Wat evenwel kon de jonge vrouwe zekerheid geven, dat haar gemaal hun
+zoon zou zijn?
+
+Maar ze bewezen het, door de bijzondere teekenen te beschrijven, die
+hij op de huid had. Toen stond ze op van haar legerstee, riep den
+page, en liet hun een maal opdienen.
+
+Hoewel ze grooten honger hadden, konden ze niet eten; en van terzijde
+zag ze, hoe hun dorre handen beefden wanneer ze den beker opnamen. Ze
+vroegen duizend uit over Juliaan. Ze beantwoordde al die vragen een
+voor een, maar vermeed angstvallig over de doodsgedachte te spreken,
+die hen zelve betrof.
+
+Ze waren van hun kasteel weggetrokken, toen ze hem niet terug zagen
+keeren en sedert vele jaren zwierven ze om, vage aanduidingen volgend,
+maar zonder de hoop te verliezen. Ze hadden zooveel geld noodig
+gehad aan veerpenningen bij de rivieren, aan verblijfkosten in de
+logementen, aan schatting voor de landsvorsten en aan losprijs voor de
+roovers, dat hun beurs tot op den bodem leeg was, zoodat ze nu moesten
+bedelen. Maar wat hinderde dat, nu ze welhaast hun zoon aan het hart
+konden drukken? En ze prezen hem gelukkig met een zoo aanminnige
+vrouwe, werden niet moe haar aan te zien en te liefkoozen.
+
+De weelde van het slaapvertrek verbaasde hen uitermate; en de oude
+man, die zijn blik langs de wanden had laten weiden, vroeg waarom er
+het blazoen des keizers van Occitanie was aangebracht. Juliaans vrouwe
+antwoordde:
+
+"Dat is mijn vader!"
+
+Het deed den grijsaard huiveren van ontroering, want hij herinnerde
+zich de voorspelling van den zigeuner; en de oude moeder mijmerde over
+de woorden van den heremiet, overtuigd, dat deze aardsche glorie van
+haar zoon slechts een opgang was naar eeuwige heerlijkheden; beiden
+bleven ze star van verwondering daar zitten in den schijn van den
+luchter, die de tafel verlichtte.
+
+Ze moesten wel heel mooie menschen geweest zijn in hun jeugd. De
+moeder had heur volle haar nog, ze droeg het in twee gladde strooken,
+fijn en wit als bladen van sneeuw langs slapen en wangen; en de
+vader, met zijn hooge gestalte en zijn langen baard geleek op een
+heiligebeeld uit de kerk.
+
+Juliaans vrouwe echter sprak, dat ze niet zoo wakend zijn thuiskomst
+moesten verbeiden, en met lieven dwang deed zij hen in haar eigen
+sponde slapen gaan; toen sloot ze het raam; ze sluimerden in. Het werd
+zacht-aan morgen, en achter het vensterglas begonnen de vogels te
+zingen.
+
+Juliaan was dwars door het park gegaan; en hij liep met krachtigen
+tred het bosch door, genietend van de milde lucht en van het dauwige
+gras, koel en zacht onder zijn voeten.
+
+De slagschaduwen der boomen lagen over het mos. Over de open plekken
+deed de maan wel hier en daar blanke lichtglimpen glanzen; dan bleef
+hij aarzelend talmen, in de meening dat er een vijverspiegel lag;
+elders weer ging de kleur van een stil watervlak onmerkbaar over in
+die van het gras der oeverranden. Er heerschte alom een diepe rust, en
+hij vond nergens een der dieren, die voor eenige oogenblikken nog het
+kasteel omdwaalden.
+
+Het bosch werd dichter, de duisternis steeds dieper. Warme
+windzwoelten woeien om, loom en zwaar van geuren. Zijn voeten zonken
+weg in lagen dorre bladers, en hij ging tegen een eikestam leunen om
+wat te verademen.
+
+Eensklaps sprong er achter hem een logge schaduw op, duisterder uit
+het duister, een everzwijn. Juliaan had den tijd niet zijn boog te
+grijpen, en hij bejammerde dit als een ongeluk.
+
+Kort daarna, toen hij buiten het bosch was gekomen, zag hij een wolf
+langs een hegge sluipen.
+
+Juliaan schoot een pijl op hem af. De wolf stond stil, wendde het
+hoofd even om en liep toen door. Hij draafde voort, maar bleef altijd
+op denzelfden afstand, hield van tijd tot tijd in, en zoogauw Juliaan
+op hem aanlegde, vluchtte hij weer verder.
+
+Juliaan liep op deze wijze een eindelooze vlakte door, kwam toen over
+lage zandheuvels en ten laatste stond hij op een hoogte, die uitzag
+over een wijde landstreek. Platte zerksteenen lagen hierboven
+verstrooid tusschen bouwvallige gewelven; men struikelde er over
+doodsbeenderen; vermolmde graf-kruisen hingen klaaglijk omgevallen.
+Maar er bewogen gedaanten in de onwezenlijke schaduw tusschen de
+graven, en hyena's kwamen er uit opgedoken, rillend van angst. Hun
+nagels schraafden over de zerken, nu ze snuffelend op hem afkwamen met
+een grijns, die hun tandvleesch ontblootte. Hij trok zijn zwaard. Ze
+stoven ineens uit elkaar, naar alle windstreken heen, almaar voort
+in overijlden en struikeligen draf, tot ze ver-weg in een stofwolk
+verdwenen.
+
+Een uur later vond hij in een ravijn een dollen stier, die, met
+dreigende horens, den hoef in het zand schraapte. Juliaan wierp hem de
+speer in de halskwab. De speer versplinterde, alsof het dier van brons
+was. Juliaan sloot de oogen, en wachtte op den dood. Toen hij weer
+opzag was de stier verdwenen.
+
+Zijn ziel verkromp van schaamte. Een bovennatuurlijke wil verwoestte
+zijn kracht; en hij ging terug door het bosch om zich thuis te
+verschuilen.
+
+De boschwegen waren overward door slingerplanten; en toen hij zich
+met zijn zwaard een doortocht baande, kwam er ineens een steenmarter
+tusschen zijn beenen doorglijden; een panter sprong hem over den
+schouder, een slang kronkelde zich om een esschestam. In het loover
+zat een monsterachtige kraai naar Juliaan te staroogen; en hier
+en daar flonkerden er groote vonken tusschen de takken, alsof het
+uitspansel al zijn sterren in het bosch had laten neerregenen. Het
+waren dieren-oogen, oogen van boschkatten, van eekhorens en uilen, van
+papegaaien en apen.
+
+Juliaan schoot almaar pijlen; de pijlen bleven met hun veders als
+witte vlinders tusschen de bladeren zitten. Hij wierp met steenen; de
+steenen vielen neer zonder iets te raken; hij verwenschte zich zelven,
+en had zich wel willen geeselen, hij brieschte vervloekingen en
+verstikte in zijn razernij.
+
+En alle dieren, die hij vervolgd had, daagden weer op en kwamen hem in
+een nauwen kring omsluiten. Sommige zaten neergehurkt, andere stonden
+recht. Hij bleef in het midden, verstard van angst en onbekwaam tot de
+minste beweging. Door uiterste wilsinspanning verzette hij een voet;
+die in de boomen openden hun vleugels, die langs den grond deden een
+schrede, en alle vergezelden ze hem. De hyena's voor hem uit; de
+wolf en het everzwijn achter hem aan. De stier aan zijn rechterzijde
+schudde den kop; links kronkelde de slang door het boschkruid, terwijl
+de panter met opgezetten rug voorging, met wijde fluweel-zachte
+gluip-passen. Juliaan liep zoo langzaam mogelijk om ze niet op te
+hitsen; en hij zag uit de diepten van het kreupelhout egels opduiken,
+vossen, adders, jakhalzen en beren. Juliaan begon hard te loopen, alle
+liepen ze hard. De slang sijfelde, de viervoeters kwijlden, de ever
+schraafde hem de hielen met zijn slagtanden; de wolf wreef zijn
+snorharen in den palm van zijn handen. Grimmend en grijnzend kwamen de
+apen hem knijpen; de egel rolde over zijn voeten; een beer sloeg
+hem de muts af met een zwaai van zijn poot; en de panter liet voor
+evenveel een pijl neervallen, dien hij meedroeg in zijn bek.
+
+Er gluurde spotzucht achter hun heimelijk doen. En terwijl ze hem uit
+hun ooghoeken bespiedden, leken ze wraakplannen te overwegen. Juliaan
+liep voort met uitgebreide armen, de oogleden neer als een blinde,
+verdoofd door het gegons der insecten, gezweept door de staartpennen
+van de vogels, verstikt door al die adems, zonder zelfs de kracht te
+hebben om "genade" te roepen.
+
+Het gekraai van een haan schrilde door de lucht. Andere hanen gaven
+daar antwoord op; het was de morgen, en achter de oranje-boomen
+daagden de tinnen van zijn paleis.
+
+Maar voortschrijdend hier langs den akker-kant zag hij op drie
+schreden afstand roode patrijzen fladderen in de stoppels. Hij gespte
+zijn mantel los en wierp dien op de vogels als een net.
+
+Toen hij naar zijn buit tastte, vond hij slechts een enkelen patrijs,
+die daar sedert langen tijd moest dood gelegen hebben, een rottend
+aas.
+
+Deze teleurstelling verbitterde hem nog meer dan alle overige. Zijn
+bloeddorst werd hem meester, zoo zelfs dat hij menschen zou gemoord
+hebben, als er geen dieren meer waren. Hij klom de drie terrassen op,
+beukte de deur open met een vuistslag; maar aan den voet van de trap
+deed de gedachte aan zijn geliefde vrouw hem het hart week worden. Ze
+sliep nu zeker en ze zou verrast ontwaken. Nadat hij zich van zijn
+sandalen had ontdaan, draaide hij zachtjes het slot open en schreed
+binnen.
+
+De met lood dooraderde vensters verduisterden den bleeken uchtend.
+Juliaans voeten verwarden zich in kleeren, die over den grond lagen;
+wat verder stootte hij tegen een credens-tafel vol vaatwerk. "Ze
+zal zeker gegeten hebben," dacht hij, en trad op het bed toe, dat
+verschaduwd stond in de kamerdiepte.
+
+Toen hij den spondekant genaderd was, boog hij zich, om zijn vrouwe
+te omhelzen, over de peluw neer, waar de twee hoofden rustten dicht
+nevens een. Daar raakten zijn lippen de ruwheid van een baard. Hij
+week ontzet terug, en geloofde waanzinnig te zijn; maar hij wendde
+zich opnieuw naar het bed, en zijn tastende vingers nu raakten de zeer
+lange haren. Om zich te overtuigen, dat hij ijlde, streek hij langzaam
+met de hand de peluw over. En het was wel wezenlijk een baard, dien
+hij voelde ditmaal, en een man! een man met zijn vrouw!...
+
+Uitbarstend in matelooze woede stortte hij zich met dolksteken op hen;
+en hij trapte en brieschte, brullend als een wild dier. Toen hield
+hij in. De dooden, die recht in het hart getroffen waren, hadden zich
+zelfs niet meer verroerd. Hij luisterde oplettend naar hun beider
+bijna gelijkmatig doodsgereutel, en naar gelang dit zwakker en
+zwakker werd, begon een ander gekreun meer hoorbaar te worden. Het
+lang-aanhoudende geluid van die klaaglijke stem, onduidelijk eerst,
+kwam nader en nader, zette zich uit, werd hard en wreed, en ontzet
+herkende Juliaan den schreeuw van het groote zwarte hert.
+
+En toen hij zich omwendde om te weten, meende hij in het open deurvak
+de schaduw van zijn vrouwe te zien, die daar stond met een licht in
+de hand. Het geraas van den moord had haar doen naderen. Met een blik
+begreep ze alles. In afgrijzen vluchtte ze weg, en liet de toorts
+vallen. Hij raapte die op.
+
+Zijn vader en zijn moeder lagen daar voor hem, recht uitgestrekt, met
+een gapende wonde in de borst, en hun beider aangezicht geleek in
+verheven zachtmoedigheid een eeuwig geheim te zwijgen. Droppels en
+sprenkels bloed lagen over hun blanke huid gespat, over de lakens en
+het bed, over den grond, en langs het ivoren kruisbeeld dat in
+de bedstede hing. De vuurroode weerschijn der zon-doorstraalde
+vensterruiten kwam die bloedige sprenkels nu verlichten en wierp er
+zelve steeds nog meerdere door geheel het vertrek. En Juliaan liep
+weer op de twee dooden toe, meenend en zich diets makend, dat het een
+onmogelijkheid was, dat hij verkeerd had gezien, dat er somwijlen
+onverklaarbare gelijkenissen zijn. Ten laatste boog hij angstvallig
+voorover om den grijsaard van nabij te beschouwen; en hij zag,
+tusschen die halfopen wimpers, een uitgedoofden oogappel, die hem als
+vuur pijnde. Toen wendde hij zich naar den anderen spondekant, waar
+het tweede lichaam lag; de witte haren verborgen gedeeltelijk het
+gelaat. Juliaan streek die lokken weg en lichtte dat hoofd op; en hij
+staarde haar aan, ze steunend met zijn krampachtig gestrekten arm,
+terwijl hij in de andere hand de toorts hield om zich bij te lichten.
+
+Bloeddruppels sijpelden van de matras en vielen een voor een op den
+vloer neer.
+
+Aan den avond van dien dag stond hij voor zijn vrouwe, en met een
+stem, die zijn eigene niet was, gebood hij haar vooreerst hem niet te
+antwoorden, hem niet te naderen, en zelfs hem niet meer aan te zien,
+en dat ze, onder straffe van eeuwige verdoemenis, al zijn bevelen had
+uit te voeren, die onherroepelijk waren.
+
+De begrafenis moest geregeld worden naar voorschriften die hij op een
+bidstoel in de dooden-kamer had achtergelaten. Hij stond zijn vrouwe
+het paleis af, zijn vazallen, al zijn have en goed, zonder zelfs zijns
+lijfs-kleeren te behouden, noch zijn sandalen; men zou die boven op
+de trappen weervinden. Zij was het werktuig geweest van Gods wil,
+onschuldige oorzaak van zijn misdaad, en ze had te bidden voor zijn
+ziel, want voortaan bestond hij niet meer.
+
+De dooden werden met groote praal begraven in de kerk van een
+klooster, dat op drie dagreizen afstand lag van het kasteel. Een
+monnik met neergeslagen boetekap volgde den stoet, afgescheiden van
+alle overigen en zonder dat iemand hem dorst aanspreken.
+
+Gedurende de Mis bleef hij midden voor de poort plat-uitgestrekt ter
+aarde liggen, de armen gekruist en het voorhoofd in het stof. Na de
+begrafenis zag men hem den weg inslaan naar de bergen. Hij wendde zich
+herhaaldelijk om, en verdween ten laatste.
+
+
+
+
+III
+
+
+Hij toog heen, een zwerver, bedelend om zijn brood.
+
+Hij hield de hand op voor de ruiters langs de wegen, naderde met een
+knieval de oogstende landlieden, of bleef roerloos wachten voor het
+hek van hun erf; zoo droef was zijn aangezicht, dat men hem nimmer een
+aalmoes weigerde.
+
+In vermorzeling des harten deed hij dan zijn levensverhaal, en allen
+vluchtten ze heen en sloegen ze kruisteekens. In de dorpen, waar hij
+reeds eenmaal doorgetogen was, wierp men de deuren toe, zoodra men hem
+herkende, men riep hem bedreigingen na en gooide hem met steenen. Zij,
+die het liefdadigst waren, zetten eene nap op het vensterkozijn, maar
+sloten dan de luiken om hem niet te zien. Een verstooteling was hij
+overal, en hij begon de menschen te schuwen; hij voedde zich met
+wortels, met planten, met afgevallen vruchten, en met schelpdieren die
+hij zocht langs den zee-oever.
+
+Somwijlen zag hij van een heuvelkant ineens een stapeling van daken
+onder zijn oogen, met steenen spitsen, met bruggen en torens, hars en
+dwars doorkruist met zwarte straten, waaruit een aanhoudend gegons tot
+hem opsteeg.
+
+Een drang om met de anderen deel te hebben in het leven, deed hem naar
+de stad afdalen.
+
+Maar de dierlijke uitdrukking der gezichten, het geraas van het werk,
+het leege gepraat, deden zijn hart verstarren. Op hoogtij-dagen, als
+de groote klokken van de kathedraal, van zonsopgang af, het geheele
+volk in feeststemming brachten, zag hij het aan, hoe de poorters uit
+hun deur kwamen; stond als toeschouwer bij den dans op de pleinen,
+liep te kijken naar de bier-fonteinen op den viersprong der straten,
+naar de behangsels van zijden damast voor der vorsten woonsteden, en
+als de avond gevallen was, gluurde hij door de ruitjes der onderhuizen
+over de gezellige feesttafels heen, waar grootouders mede aanzaten met
+kleine kinderen op hun knieen. Dan verstikte hij in zijn tranen, en
+hij zwierf weer henen, naar buiten, de velden door.
+
+In opwellingen van verteedering kon hij ineens stilstaan, om te kijken
+naar veulens in een wei, naar vogels in hun nest, naar insecten op de
+bloemen; alle vluchtten ze weg, wanneer hij nabij was: verborgen zich
+angstig, of vlogen snel heen.
+
+En weer zocht hij de eenzaamheid. Maar de wind kwam hem met
+doodsgereutel langs de ooren kreunen; dauwdroppels die neervielen,
+herinnerden hem aan andere droppels; die waren zwaarder. Iederen avond
+deed de zon rood bloed vlieten door de wolken; iederen nacht herbegon
+hij den oudermoord in zijn droomen.
+
+Hij maakte zich een boetekleed met ijzeren stekels. Op zijn twee
+knieen kroop hij tegen alle heuvels op, waar een bedehuis waakte
+omhoog. Maar de onverbiddelijke gedachte verduisterde den glans der
+tabernakels, en bleef hem kwellen door zijn boeten en zelf-kastijden
+heen.
+
+Hij toornde niet tegen God, die hem deze daad had opgelegd, maar was
+radeloos ze bedreven te hebben.
+
+Hij had zoo'n afschuw van zichzelf, dat hij, om er los van te worden,
+zich in allerlei gevaren waagde. Hij redde verlamden uit huizen in
+lichter laaie, en kinderen uit de diepte van den afgrond. De afgrond
+wierp hem weer op, het vuur spaarde hem.
+
+De tijd heelde zijn zielspijnen niet. Ze werden ondraaglijk. En hij
+wilde den dood zoeken. Eens stond hij aan een vijverkant; en boog over
+om de diepte van het water te peilen. Toen zag hij onder zijn oogen
+het ingevallen gelaat van een grijsaard met witten baard, zoo droef
+een gelaat, dat hij zijn tranen niet weerhouden kon. Ook de grijsaard
+weende. Juliaan herkende zijn eigen spiegelbeeld niet. Maar er leefde
+in hem een vage herinnering aan een gelaat, dat gelijkenis had met
+dit. Hij schreeuwde het uit; zijn vader was het! Toen dacht hij er
+niet meer over, zich den dood te doen.
+
+Zoo doolde hij vele landen door, overal den last van het verledene
+meesleepend; en hij kwam bij een rivier, wier overtocht gevaarlijk
+was, door de onstuimigheid van den stroom en door het slib dat
+de vlakke oevers bedekte. Sedert lang durfde niemand hier meer
+oversteken.
+
+Een oude bark, wier spiegel weggezonken zat in het slijk, hief haar
+steven op uit het riet.
+
+Bij nader onderzoek vond Juliaan een paar roeiriemen; en de gedachte
+werd hem ingegeven zijn leven te wijden aan den dienst zijner
+medemenschen. Hij begon met over den oever een soort weg aan te leggen
+naar het vaarwater; en hij scheurde zich de nagels bij zijn pogingen
+om reusachtige steenbrokken los te woelen; hij droeg die tegen zijn
+lichaam gedrukt naar het pad, gleed uit in de slib, zonk er in weg, en
+meer-dan-eens dreigde hij om te komen.
+
+Toen kalfaatte hij de boot met stukken wrakhout, en bouwde zich een
+hut van leem en boomstronken.
+
+Weldra kwamen er reizigers, die van het veer gehoord hadden.
+
+Met een vlag wenkten ze hem van den overkant. Juliaan sprong dan
+haastig in zijn boot. Ze was heel log, en men stapelde ze overvol met
+allerlei goederen en vrachten, zonder de lastdieren te rekenen, die
+achteruittrapten van angst en de lading nog verzwaarden. Hij vroeg
+niets voor zijn gezwoeg. Sommigen diepten overschot van eetwaren voor
+hem uit hun reiszak, of gaven hem versleten kleeren, die ze zelve niet
+meer wilden dragen. Er waren vlegels, die vloeken uitbraakten. Juliaan
+vermaande hen zachtzinnig; ze hoonden en verguisden hem tot antwoord.
+En zwijgend zegende hij hen.
+
+Een kleine tafel, een bankje, een bed van dorre bladers en drie aarden
+kroezen,--ziedaar heel zijn have. Twee gaten in den muur dienden
+tot vensters. Aan de eene zijde strekten zich de eindelooze naakte
+vlakten, met hier en daar neveling van bleeke plassen; en voor hem
+stuwde de groote stroom zijn groenige golven.
+
+In het voorjaar sloeg er een vunze lucht van verrotting uit de
+vochtige aarde. Daarna deden wervelwinden het zand in hoozen
+omstuiven. Het drong overal door, verslijkte het water en kraakte
+tusschen de tanden. Wat later zwermden er wolken muskieten om, dag
+en nacht door, met gonzen en steken. Eindelijk kwam weer de bijtende
+koude, die alles tot steen deed verstarren en een fellen honger wekte
+naar vleeschspijze.
+
+Maanden verliepen er, zonder dat Juliaan iemand zag. Dikwijls sloot
+hij de oogen opdat de herinnering hem terug mocht voeren naar zijn
+jeugd, en daar daagde het binnenhof van een kasteel. Hazewinden
+lagen er te rusten op een bordes. Dienaren gingen af en aan door de
+wapenzalen, en in de wingerddreef schreed een blonde knaap, tusschen
+een in bont gehulden grijsaard en een edelvrouwe met groote huive;
+eensklaps was daar niets meer, dan de twee lijken. Hij wierp zich plat
+voorover op zijn leger, en bleef schreien:
+
+"Ach! arme vader! arme, arme moeder!" tot hij insliep. Maar de
+doodsvisioenen duurden.
+
+In een nacht, toen hij zoo lag te slapen, meende hij iemand te hooren
+roepen. Hij luisterde scherp, maar vernam niets meer dan het geloei
+der golven. Maar dezelfde stem riep weer: "Juliaan!" Ze kwam van den
+anderen oever, en dit bevreemdde hem te meer, daar de stroom zeer
+breed was.
+
+En ten derden male riep men: "Juliaan".
+
+Het leek of er klokgelui doorklonk in die hooge stem.
+
+Nadat Juliaan zijn lantaarn ontstoken had, trad hij buiten de hut. De
+nacht was een woedende orkaan. Zwaar hingen de duisternissen neer,
+hier en daar door de onstuimigheid der wilde golven in flarden
+verscheurd.
+
+Even weifelde Juliaan, toen knoopte hij het meertouw los. Dadelijk
+werd het water rustig, de boot gleed er over en bereikte den anderen
+oever. Daar wachtte een mensch.
+
+Hij was gehuld in een verrafeld linnen kleed. Zijn gelaat leek een
+pleisteren dooden-masker, zijn oogen rooder dan vurige kolen. Toen
+Juliaan de lantaarn naar hem ophief, zag hij dat een afzichtelijke
+melaatschheid hem overdekte; toch lag er in zijn houding iets van de
+waardigheid eens konings. Zoodra hij in de boot trad, zonk deze neer,
+zoo diep alsof ze bezweek onder zijn zwaarte; een schok wierp haar
+weer op, en Juliaan begon te roeien.
+
+Bij iederen slag met de riemen lichtte de branding den boeg omhoog.
+Het inktzwarte water stuwde woest aan van beide oevers. Er groeven
+zich afgronden, er stapelden zich bergen op. De sloep sprong er
+overheen, en tuimelde dan weer weg in de diepten, waar ze, door den
+storm gestuwd en gestooten, bleef omwervelen.
+
+Juliaan boog voorover, strekte de armen, en met de voeten zich
+schragend, wierp hij zijn wringend lijf achteruit om meer kracht te
+hebben. De hagel striemde hem de handen, de regen stroomde over zijn
+rug, de wilde storm verstikte hem, en hij hield in. Toen werd de sloep
+meegesleept door den stroom. Maar Juliaan begreep, dat het ging om
+iets zeer gewichtigs, om een gebod waaraan hij niet weerstaan mocht,
+en hij greep weer naar de riemen. Toen werd de groote stem van den
+storm onderbroken door het geklapper der roeipinnen. Daar voor hem
+brandde het lantaarntje. Rondfladderende vogels deden het bijwijlen
+schuil gaan. Maar de oogen van den Melaatsche wendden zich niet van
+hem af, en hij zag hem staan, hoog opgericht bij den achtersteven,
+roerloos als een zuil.
+
+En dit alles duurde zeer, zeer lang.
+
+Toen ze in de hut gekomen waren, sloot Juliaan de deur, en hij zag den
+Melaatsche op het bankje zitten. De lijkwa die hem omhuld had, was
+neergezakt tot op de heupen; en zijn schouders, zijn borst, zijn
+magere armen waren overdekt met roven en zweren. Ontzaglijke rimpels
+doorgroefden zijn voorhoofd. Op de plaats van den neus was, als in een
+bekkeneel, een zwarte holte, en van zijn blauwige lippen ademde een
+zware wan-riekende walm.
+
+"Ik heb honger", sprak hij.
+
+Juliaan bood hem, wat hij bezat: een stuk ranzig spek en korsten
+roggebrood.
+
+Toen hij ze verorberd had, droegen tafel, nap, en het heft van zijn
+mes, eendere plek-als zijn lichaam.
+
+En hij sprak: "Ik heb dorst".
+
+Juliaan haalde zijn kruik en toen hij ze opnam, steeg er een geur uit,
+die zijn reuk en zijn hart streelde. Het was wijn; wat een vondst!
+Maar de Melaatsche strekte den arm, en ledigde de kruik in een teug.
+
+Toen sprak hij: "Ik heb het koud!"
+
+Juliaan deed met zijn toorts, midden in de hut, een bos varens
+aanvlammen.
+
+De Melaatsche kwam er zich bij warmen; en zooals hij daar zat,
+neergehurkt op de hielen, huiverde hij over al zijn leden en scheen
+zwakker en zwakker te worden. Zijn oogen schitterden niet meer, zijn
+wonden etterden, en met bijna klanklooze stem fluisterde hij; "Je
+bed". Hij sleepte zich er heen, Juliaan hielp hem zacht, en spreidde
+zelfs, om hem onder te dekken, het zeil van zijn bark over hem heen.
+
+De Melaatsche steende. Zijn mondhoeken trokken weg en lieten de tanden
+bloot. Een heftig gehijg schokte zijn borst, en bij iederen ademtocht
+sloeg het onderlijf holler in, alsof het wegkromp naar de ruggegraat.
+
+Toen sloot hij de oogen.
+
+"Als ijs, als ijs zoo koud! Kom dichter bij me!"
+
+En Juliaan schoof het zeil weg, en legde zich dicht naast hem op de
+dorre bladers, zijde aan zijde.
+
+De Melaatsche wendde het hoofd naar hem toe: "Ik wil de warmte van je
+lichaam voelen,--trek je kleeren uit!"
+
+Juliaan ontkleedde zich en legde zich zoo weer op het leger, hij
+voelde de huid van den Melaatsche tegen de zijne, killer dan die van
+een slang en ruw als een rasp.
+
+Hij poogde hem moed in te spreken; en de andere antwoordde
+hijgend:--"O, ik ga sterven! kom dan toch dichter bij me, verwarm
+me dan toch. Neen, niet met je handen, met geheel je lichaam".--En
+Juliaan legde zich lijdzaam neer, borst tegen borst met den
+Melaatsche, aangezicht tegen aangezicht.
+
+En dit was het oogenblik dat de Melaatsche hem in de armen sloot; dat
+zijn oogen plotseling begonnen te lichten als starren, dat zijn haren
+neergolfden als zonnestralen; en zijn adem kreeg een geur van rozen.
+Een wierookwolk wademde op uit den haard, de golven zongen, en een
+overmaat van geluk, een bovenaardsche zaligheid, daalde als een
+overvloeiende zegening in Juliaans zwijmelende ziel, en degene wiens
+armen hem omstrengelden, werd aldoor grooter en grooter, raakte
+met hoofd en voeten de beide wanden der hut. Het dak verzwond. Het
+uitspansel ontrolde zich als een tente; en Juliaan steeg de blauwe
+ruimten in, borst tegen borst, aangezicht tegen aangezicht met Jezus
+onzen Heer, Die hem ten hemel droeg.
+
+En ziedaar de geschiedenis van Sint Juliaan den gastvrije, zooals men
+ze vindt tennaastenbij op een kerkraam in mijn land.
+
+
+
+
+
+HERODIAS
+
+
+I
+
+De citadel van Machaerous verhief zich ten oosten van de Doode Zee op
+een kegelvormige bazalt-rots. Vier diepe dalen lagen er omheen, twee
+bezijden, een er tegenover, het vierde aan den achterkant. De huizen,
+opgestapeld aan haar voet, werden ingesloten door een ringmuur, die
+met de oneffenheden van den grond meegolfde.
+
+Een weg, zig-zag uitgehouwen in de rots, verbond de stad met de
+sterkte, wier muren honderd-twintig elleboogslengten hoog waren en
+talrijke uitsprongen hadden, kanteelen langs hun rand, en hier en daar
+ook torens: het starre lofwerk aan die kroon van steenen hangend boven
+den afgrond.
+
+Het binnenste der citadel was een met zuilengangen versierd paleis,
+bedekt met een platform, dat omgeven werd door een leuning van
+sycomore-hout, en waar staken stonden opgericht om een velarium uit te
+spannen.
+
+Op zekeren uchtend--de zon was nog niet opgegaan--kwam de viervorst
+Hero-des-Antipas zich over de balustrade heenbuigen, en zag-uit.
+
+De bergen aan zijn voeten begonnen hun kam op te heffen uit de
+schaduwen waarin hun logge gevaarten, tot in de diepte der afgronden
+die ze scheidden, nog verhuld lagen. Nevels zwierven om, scheurden
+open, en de omtrekken der Doode Zee werden zichtbaar. De dageraad
+die achter Machaerous rees, verspreidde een roodigen schijn. Deze
+verlichtte weldra den zandigen zeeoever, de heuvelen, de woestijn,
+en in verder verschiet, de bergen van Judea met hun grillige grijze
+glooiingen.
+
+Engaddi trok door het midden zijn zware zwarte lijn; Hebron in de
+diepte rondde zich koepelvormig, Esquol droeg granaatboomen, Sorek
+wijnstokken, Karmel sesamkruid, en het reusachtig blok van den toren
+Antonia bestreek Jeruzalem. De Viervorst wendde den blik af om te
+rechterzijde de palmen van Jericho te beschouwen; en hij peinsde
+over de andere steden van Galilea: Capharnauem, Endor, Nazareth,
+Tiberias--waar hij waarschijnlijk nimmer meer komen zou.
+
+En almaar stroomde de Jordaan door de barre vlakte, die in haar witte
+dorheid verblindend was als een sneeuwveld. Het meer scheen, in deze
+stonde, van vloeiend lazuur; en aan zijn zuidelijke punt, naar de
+richting van Yemen, werd Antipas gewaar, wat hij vreesde te zien:
+Bruine tenten stonden daar verspreid, mannen met lansen schreden heen
+en weer tusschen de paarden, en smeulende vuren twinkelden als vonken
+laag tegen den grond.
+
+Het waren de troepen van den Arabischen koning, wiens dochter hij
+verstooten had voor Herodias, de vrouw van een zijner broeders, die in
+Italie woonde zonder te streven naar macht.
+
+Antipas wachtte hulp van de Romeinen, en hij werd door onrust
+verteerd, omdat Vitellius, stedehouder in Syrie, nog steeds niet kwam
+opdagen.
+
+Agrippa zou hem ongetwijfeld bij den keizer in ongenade hebben
+gebracht. Philippus, zijn derde broeder, vorst van Batanea, wapende
+zich zeker in 't geheim. De Joden hadden genoeg van zijn afgodische
+zeden, de anderen van zijn overheersching; zoodat hij weifelde
+tusschen twee plannen: of de Arabieren tot vrede te stemmen, of een
+verbond te sluiten met de Parthen; en, onder voorwendsel van zijn
+geboortefeest te vieren, had hij voor dezen zelfden dag nog, de
+aanvoerders van zijn troepen, al zijn rentmeesters en de oppersten van
+Galilea, op een groot gastmaal genoodigd.
+
+Hij liet zijn blik spiedend weiden over de wegen: ze waren nog leeg.
+Arenden vlogen boven zijn hoofd om: de soldaten langs de wallen
+sliepen tegen den muur, en binnen het paleis bewoog niets.
+
+Maar eensklaps deed een verre stem, die uit de diepten der aarde
+scheen te komen, den Viervorst verbleeken. Hij boog zich voorover om
+te luisteren. De stem zweeg.
+
+Maar toen ze herbegon, klapte hij in de handen, en riep:
+
+"Mannaei! Mannaei!"
+
+Een man trad te voorschijn, naakt tot den gordel, zooals de masseurs
+bij de baden. Hij was zeer groot, oud, uitgemergeld, en droeg op de
+heup een korte kling in bronzen scheede. Zijn haardos door een
+kam opgehouden verhoogde nog de gerektheid van zijn voorhoofd.
+Slaperigheid verdoofde nu de kleur zijner oogen, maar zijn tanden
+glinsterden. Zijn geheele gestalte had een aapachtige lenigheid, en
+licht drukten zijn teenen den vloer. Zijn gelaat was ondoorgrondelijk
+als dat eener mummie.
+
+--Waar is hij? vroeg de Viervorst.
+
+Mannaei antwoordde, terwijl hij met den duim iets achter hen aanwees:
+"Ginds! Altijd-door!"
+
+"Ik meende hem te hooren".
+
+En na een diepe ademhaling vroeg Antipas berichten over Jaokanann,
+denzelfden dien de Latijnen Sint Joannes den Dooper noemen. Had men de
+twee mannen nog weergezien, die men uit welwillendheid verleden maand
+had toegelaten in zijn kerker? en wist men nu ten laatste, waartoe ze
+gekomen waren?
+
+Mannaei antwoordde:
+
+"Ze hebben geheimzinnige woorden gewisseld, zooals dieven doen, 's
+avonds op den viersprong der wegen. Daarna zijn ze heengetogen naar
+Noord-Galilea, aankondigend dat ze een groot nieuws zouden brengen."
+
+Antipas boog het hoofd. Toen als in angst:
+
+"Bewaak hem! bewaak hem! En laat niemand binnen. Sluit de deur goed!
+Bedek den put! Men mag niet vermoeden dat hij leeft!"
+
+Zonder die bevelen ontvangen te hebben, had Mannaei ze toch steeds
+uitgevoerd, want Jaokanann was een Jood, en, zooals alle Samaritanen,
+verfoeide hij de Joden. Hun tempel van Garizim door Mozes als hart
+en middelpunt van Israel aangewezen, bestond niet meer sinds koning
+Hyrcan, en die van Jeruzalem deed hen, als een blijvend en hoonend
+onrecht, in wrok en woede leven. Mannaei was er binnengedrongen om
+er het outer met doodsbeenderen te schennen. Zijn gezellen, minder
+behendig dan hij, waren onthoofd geworden. Hij zag op dit oogenblik
+dien tempel, door de inzinking tusschen twee heuvels heen. De zon deed
+de wit-marmeren muren weerglanzen, en de gouden platen van het dakwerk
+schitterden. Het geleek een berg van licht, iets bovenaardsch, dat
+alles overheerschte door zijn rijkdom en zijn trots.
+
+Toen strekte Mannaei de armen uit naar Sion, en, hoog opgericht, het
+gelaat geheven, de vuisten gebald wierp hij zijn vervloeking naar die
+stad, wanend dat zijn woorden een werkelijke macht in zich hadden.
+
+Antipas hoorde het aan, en leek in 't minst niet geergerd.
+
+Toen hervatte de Samaritaan: "Bij wijlen is hij onrustig. Hij zou dan
+'t liefst willen ontvluchten, en hoopt op verlossing. Andere keeren
+lijkt hij kalm als een ziek dier, en ook wel heb ik hem heen en weer
+zien loopen in het donker, voor-zich-heen herhalend: "Wat deert het?
+Hij moet grooter, maar ik kleiner worden."
+
+Antipas en Mannaei zagen elkander aan. Maar de Viervorst was het moe
+verder na te denken.
+
+Al die bergen om hem heen, opstapelingen gelijk van versteende golven,
+de zwarte draaikolken langs de rotsige kusten, de eindeloosheid van
+den blauwen hemel, het schelle glanzen van den dag, de diepte der
+afgronden verbijsterden hem; en toen zijn oogen weiden gingen over
+de woestijn, werd hij nog mistroostiger, bij het zien van die woest
+doorwoelde gronden met hun bouwvallen van amphitheaters en paleizen.
+
+Op de heete windademen dreef een zwavelreuk aan, als een uitwaseming
+van de vervloekte steden, die, dieper dan de oevervlakten, bedolven
+liggen onder de zware wateren.
+
+Deze teekenen van een eeuwige gramschap joegen zijn gedachten
+verschrikt op, en hij bleef met de ellebogen op de balustrade, het
+hoofd in de handen, staroogend staan.
+
+Iemand raakte hem aan.
+
+Hij wendde zich om.
+
+Herodias stond daar.
+
+Een licht purperen samaar omhulde haar tot op de sandalen.
+
+Ze was overhaast uit haar kamer getreden en droeg noch parelsnoeren,
+noch oorhangers; een vlecht van heur zwarte haren viel haar over den
+arm op den boezem. Haar hoog opgetrokken neusvleugels trilden; de
+vreugde van een triomf glansde over haar gelaat, en met forsche stem
+begon ze, terwijl ze den arm van den Viervorst schudde:
+
+"Cesar is ons welgezind! Agrippa is gekerkerd!"
+
+"Wie heeft het u gezegd?"
+
+"Ik weet het!"
+
+En ze voegde erbij:
+
+"'t Is wijl hij het keizerschap wenschte voor Cajus."
+
+Hij die van hun aalmoezen leefde, had gestaan naar den koningstitel,
+dien zij-zelve even begeerig najoegen als hij!
+
+Maar voortaan geen vrees meer!
+
+"De kerkers van Tiberius worden moeielijk ontsloten, en men is er niet
+altijd zeker van zijn leven!"
+
+Antipas begreep haar, en hoewel zij Agrippa's zuster was, leek haar
+wreedaardige bedoeling hem gerechtvaardigd. Die moorden volgden uit
+den samenloop der dingen, en waren een noodlot van de Koningshuizen.
+In dat van Herodes was hun aantal niet te tellen.
+
+Toen begon ze haar welgeslaagden toeleg uiteen te zetten; de
+omgekochte clienten, de gevonden brieven, de verspieders aan alle
+deuren, en hoe ze erin geslaagd was Eutyches tot aanklacht te
+verleiden.
+
+"Het viel me niet moeielijk, ik heb immers wel andere dingen gedaan
+voor U? Verliet ik zelfs mijn dochter niet?"
+
+Na haar echtscheiding, hopend in haar huwelijk met den Viervorst wel
+moeder te worden van andere kinderen, had ze dat dochtertje in Rome
+gelaten. Ze sprak er nimmer over.
+
+Daarom zocht de Viervorst nu naar de beweegreden van die opwelling van
+teederheid.
+
+Men had het velarium ontplooid en, gedienstig, groote kussens bij
+gebracht. Herodias zonk er in neder, en weende met afgewend gelaat.
+Toen streek ze met de hand over de oogleden, en zeide dat ze verder
+niet meer eraan denken wilde; dat ze zich gelukkig voelde; en ze
+herinnerde hem hun gesprekken ginds in het atrium, hun ontmoetingen
+bij de baden, hun wandelingen langs den Via Sacra en in de groote
+villa's des avonds bij het murmelen der fonteinen, terwijl ze uitzagen
+onder de bloemenbogen door over de Romeinsche Campagna. En ze blikte
+naar hem op als toen ter tijd, met streelerige gebaren zich vlijend
+aan zijn borst. Hij stootte haar van zich af. De liefde, die zij
+wilde doen herleven, was zoo verre thans. Al zijn rampen waren er uit
+voortgekomen, want reeds twaalf jaar duurde de oorlog. De Viervorst
+was er door verouderd. Zijn rug was gedoken in de donkere, paarsom
+rande toga; zijn witte haren golfden samen met die van zijn grijzenden
+baard, en de zon, die door den baldakijn drong, stortte een stroom van
+licht over zijn wrevelend voorhoofd. Ook Herodias' voorhoofd zette
+rimpels. Aangezicht tegenover aangezicht stonden ze, en in wrokkende
+kwaadaardigheid maten ze elkander met den blik.
+
+Er begon beweging te komen op de bergpaden. Herders dreven ossen
+voort, kinderen trokken ezels mee aan den toom, stalknechten leidden
+hun paarden. Zij die afdaalden van de hoogten voorbij Machaerous,
+verdwenen achter in den burcht, anderen togen door de rotsklove aan
+den voorkant verder, en in de stad gekomen zetten ze hun pakken en
+lasten op de binnenplaatsen neer. Dit waren de hofmeesters van den
+Viervorst en knechten die de gasten voorafgingen.
+
+Doch daar trad plotseling aan den linkeropgang van het terras een
+Esseer te voorschijn, geheel in 't wit gekleed, blootsvoets, en met
+het uiterlijk van een Stoicijn. Tegelijkertijd stortte Mannaei, van
+tegenovergestelde zijde uitschietend, zich met getrokken zwaard op hem.
+
+"Steek hem dood!" riep Herodias den beul toe.
+
+"Houd in!" beval de Viervorst.
+
+Manaei bleef onbeweeglijk staan; de andere evenzoo.
+
+Toen trokken ze zich terug, achteruittredend, ieder langs een andere
+trap, en zonder elkaar uit het oog te verliezen.
+
+"Ik ken hem!" zei Herodias, "zijn naam is Phanuel, en hij tracht tot
+Jaokanann door te dringen, wiens leven door uw dwaasheid zoo veilig
+bewaard blijft".
+
+Antipas wierp haar tegen, dat Jaokanann hun vandaag of morgen van
+dienst zou kunnen zijn. Zijn aanvallen tegen Jeruzalem zouden de rest
+der Joden tot hen doen overloopen.
+
+"Neen!" hernam zij. "Ze buigen zich onder alle meesters en zijn niet
+in staat een eigen rijk te vormen!" En wat dengene betrof, die de
+gemoederen in beweging bracht door een hoop op te wekken, die sinds
+Nehemias voortleefde onder het Joodsche volk, was het niet 't meest
+doeltreffend hem uit den weg te ruimen?
+
+Volstrekt geen haast had dit, volgens den Viervorst: Jaokanann
+gevaarlijk! Komaan nu! en hij deed alsof hij erom lachen moest.
+"Zwijg!" En zij herbegon het verhaal van de diepe vernedering, welke
+ze ondergaan had, op den dag toen ze naar Galaaed was getogen voor den
+balsem-oogst.
+
+Er waren aan de rivier menschen die zich herkleedden. Terzijde, op een
+lagen heuvel, stond een man te spreken. Hij droeg een kemelshuid om
+de lenden, en zijn hoofd leek op dat van een leeuw. "Van 't eerste
+oogenblik dat hij me gewaar werd, wierp hij me alle vervloekingen der
+profeten toe. Zijn oogen schoten vlammen, zijn stem huilde, hij hief
+de armen als om den bliksem neer te halen. Geen mogelijkheid hem te
+ontvluchten, de raderen van mijn wagen waren tot de assen in het zand
+gezonken; en langzaam ging ik heen, me beschuttend met mijn mantel,
+verbijsterd door zijn hoon, die op me viel als een stortvlaag." Zij
+kon niet verder leven, zoolang Jaokanann bestond. Toen hij gevangen
+werd genomen en met koorden gebonden, was den soldaten bevolen hem te
+dooden, zoo hij zich verweren mocht; hij had zich zachtmoedig betoond.
+Men had slangen in zijn kerker gezet; ze waren er doodgegaan.
+
+De nutteloosheid van die verraderlijke lagen bracht Herodias' geduld
+ten einde. En daarenboven, waarom zijn strijd tegen haar? Welk belang
+dreef hem aan? Zijn predikingen tot het volk hadden zich verspreid,
+gingen van mond tot mond; alom hoorde zij ze fluisteren, ze vervulden
+de lucht. Legioenen zou ze getrotseerd hebben. Maar deze macht, feller
+dan een tweesnijdend zwaard, en die zich niet aangrijpen liet, ze
+werkte geestverlammend. Bleek van woede, geen woorden meer vindend om
+uit te stooten wat haar den adem benam, schreed ze heen en weer over
+het terras.
+
+En tegelijkertijd kwelde haar de gedachte, dat de Viervorst wellicht
+bezwijken zou voor des volks oordeel, en zoo ertoe gebracht worden
+haar te verstooten. Dan ware alles verloren! Sinds haar kinderjaren
+koesterde ze den droom van een groot keizerrijk. En om er toe te
+geraken, had ze haar eersten gemaal verlaten, om zich met Antipas te
+verbinden in wien ze zich bedrogen had, dacht ze.
+
+"Ik koos een hechten steun, toen ik in uw familie trad!"
+
+"Ze staat met de uwe gelijk!" zei de Viervorst kalm-weg.
+
+Herodias voelde in haar aderen het bloed koken van de priesters en
+koningen, die haar voorvaders waren.
+
+"Maar uw grootvader veegde den tempel van Ascalon! De anderen waren
+herders, roovers, karavaanleiders, een zwervende stam, schatplichtig
+aan Judea sinds koning David! Al mijn voorvaders hebben de uwe
+verslagen. De eerste der Makkabieten heeft u verjaagd van Hebron,
+Hyrcan dwong u tot de besnijdenis!" Het was de patricische vrouw die
+den peblejer haar verachting in 't aangezicht wierp, den haat van
+Jacob tegen Edom. Ze verweet hem zijn gevoelloosheid voor smaad en
+hoon, zijn lankmoedigheid jegens de Farizeers die hem verrieden, zijn
+lafheid jegens het volk dat haar haatte.
+
+"Ge zijt als zij, beken het! en ge betreurt het Arabische meisje dat
+rondom steenen danst. Neem haar weer tot u! Keer tot haar weer in haar
+linnen huis; verorber haar brood, dat onder de asch gebakken werd,
+zwelg de gestremde melk van haar schapen! kus haar blauwe wangen! en
+vergeet mij!"
+
+De Viervorst luisterde niet meer. Hij tuurde uit naar het platform van
+een huis, waar zich een jong meisje bevond met een oude vrouw, die een
+zonnescherm ophield aan een rieten stok zoo lang als de hengelroe van
+een visscher. Midden op het vloer-tapijt stond een groote reismand met
+open deksel. Gordels en sluiers, hangers en ketens van goud warden er
+uit. Bij tusschenpoozen boog het meisje zich over die dingen heen om
+ze uit te slaan in de open lucht. Ze was als een Romeinsche gekleed,
+in een tunica die overplooid werd door een peplum, afgezet met akers
+van smaragd. Blauwe banden omsloten haar kapsel, dat te zwaar leek,
+want van tijd tot tijd bracht ze er de hand aan. De schaduw van het
+zonnescherm bewoog zich boven haar, en verhulde haar ten deele.
+Antipas onderscheidde twee of drie keeren de fijne lijnen van haar
+hals, den winkel van haar oog, den hoek van een kleinen mond. En
+geheel haar gestalte, van de heupen tot het hoofd, zag hij buigen en
+zich oprichten met veerkrachtige bewegingen. Nog eenmaal wilde hij dat
+gebaar zien, en terwijl hij het afwachtte, ging zijn adem zwaarder, en
+zijn oogen schitterden.
+
+Herodias bespiedde hem.
+
+Hij vroeg: "Wie is dat?" Ze zeide er niets vanaf te weten, en ging,
+plotseling gerustgesteld heen. Onder de zuilengangen werd de Viervorst
+door Galileers opgewacht, zijn griffier, den opzichter van den
+veestapel, den rentmeester der zoutpannen, en een Babylonischen Jood
+die het bevel voerde over zijn ruiters. Hij werd met gejuich begroet,
+maar wendde zich af, heenschrijdend in de richting, der binnenzalen.
+
+Phanuel dook op uit een hoek in een der gangen.
+
+"Wat! nog hier? Ge komt zeker voor Jaokanann?"
+
+"En voor U! ik moet U iets gewichtigs mededeelen."
+
+En, zonder Antipas meer te verlaten, drong hij achter hem aan een
+duisterig vertrek binnen.
+
+Het licht viel door tralies, die, onder de kroonlijst, den geheelen
+lengtekant innamen. De muren waren beschilderd in granaat-tint, op
+zwart af. In de kamerdiepte stond een ebbenhouten bed, welks ligmat
+uit riemen van ossenleder was gevlochten.
+
+Er boven hing een gouden beukelaar, die glansde als een zon. Antipas
+ging dwars de zaal door en strekte zich uit op het bed.
+
+Phanuel bleef opgericht staan. Hij hief den arm en sprak, als in
+bezieling:
+
+"De Allerhoogste zendt bijwijlen een zijner zonen. Jaokanann is een
+van hen. Indien gij hem verdrukt, zult ge gestraft worden."
+
+"Ik word door hem vervolgd!" riep Antipas uit. "Hij heeft van mij het
+onmogelijke gevergd! Sinds dat oogenblik kwelt hij me. En waarlijk, ik
+was niet hardvochtig in den beginne. Zelfs van Machaerous zendt hij
+mannen uit, die mijn provincies in beroering brengen. Vloek over zijn
+bestaan! Ik verweer me, waar hij me aanrandt!"
+
+"Wat geeft het, al moge zijn gramschap te heftig zijn? Ge moet hem
+vrijlaten."
+
+"Men laat geen dolle beesten los!" zei de Viervorst.
+
+De Esseer antwoordde: "Verontrust u niet! Hij zal naar de Arabieren
+gaan, naar de Galliers of de Scythen. Zijn arbeid moet zich
+uitstrekken tot des aardrijks einden!"
+
+Antipas scheen verloren in een droomgezicht. "Wel groot is zijn
+macht!... ondanks me-zelf, heb ik hem lief."
+
+"Welnu dan, laat hem!"
+
+De Viervorst schudde het hoofd. Hij was bang voor Herodias, voor
+Mannaei, en voor den onbekende.
+
+Phanuel trachtte hem te overtuigen, door hem, ten rugsteun voor
+zijn plannen, de onderwerping der Esseers aan de koningen voor te
+spiegelen.
+
+Men had ontzag voor die mannen, arm aan aardsche goederen, die in ruw
+linnen gekleed gingen, door lijfstraffen niet te buigen waren en die
+de toekomst lazen uit de sterren.
+
+Antipas herinnerde zich daar het woord van straks.
+
+"En welk nu is het gewichtig nieuws, dat ge me zoudt mededeelen?"
+
+Op hetzelfde oogenblik trad een neger het vertrek binnen. Zijn lichaam
+was wit bestoven. Hij hijgde schor en kon niets anders uitbrengen,
+dan:
+
+"Vitellius!"
+
+"Wat? Komt Vitellius?" "Ik heb hem gezien. Voor het derde middaguur is
+hij hier."
+
+Het was alsof een windvlaag door zalen en gangen toog en de
+voorhangsels in beweging bracht. Een luid gerucht vulde het paleis,
+geraas van af- en aandravende lieden, van versleepte meubelen, van
+ineen-rinkelende stapels zilverwerk, en hoog van de torens schalden de
+bazuinen, om de verspreide slaven te waarschuwen.
+
+
+
+
+II
+
+
+De wallen wemelden van menschen, toen Vitellius op het binnenplein
+kwam. Hij steunde op den arm van zijn tolk. Een groote roode
+draagstoel, met pluimen en spiegels versierd, volgde hem. Hij droeg
+de toga-laticlava en de sandalen der consuls en werd door bijldragers
+omgeven. Ze zetten hun roeden-bundels tegen de poort, twaalf door
+een riem saamgehouden staven, met een bijl in 't midden. En allen
+sidderden voor de majesteit van het Romeinsche volk.
+
+De draagstoel, die door acht mannen gehanteerd werd, stond stil. Een
+zwaarlijvige jongeman steeg er uit, het gelaat vol puisten en de
+vingers vol paarlen. Hem werd een drinkschaal met wijn en aroma's
+aangeboden. Na ze geledigd te hebben, vroeg hij er nog eene.
+
+De Viervorst had zich aan de knieen van den Proconsul neergeworpen,
+bejammerend, naar hij zeide, niet vroeger de gunst van zijn komst te
+hebben vernomen, anders zou hij zich beijverd hebben dat er op de
+wegen alles geweest ware, wat een Vitellius toekwam! Het geslacht
+Vitellius immers stamde af van de godin Vitellia. Een weg, die van den
+Janiculus naar zee leidde, droeg nog hun naam. Ontelbare keeren
+was aan de hunnen het quaestor-schap of het consulaat toevertrouwd
+geweest; en wat Lucius aanging, die thans zijn gast was, hem was men
+grooten dank verschuldigd als overwinnaar der Cliten, en als vader van
+den jongen Aulus, die hier in zijn eigen rijk scheen terug te keeren:
+want was het Oosten niet het vaderland der goden?
+
+Deze hyperbolen werden in 't Latijn uitgesproken. Vitellius hoorde ze
+onbewogen aan. Hij antwoordde dat Herodes de Groote volstond voor den
+roem eener natie. Hem hadden de Atheners het oppertoezicht gegeven
+over de Olympische spelen. Tempels had hij gebouwd, Augustus ter eere,
+geduldig, vindingrijk en onverzettelijk was hij geweest, en altijd den
+Cesar getrouw.
+
+Tusschen de zuilen met koperen kapiteelen zag men Herodias te
+voorschijn treden, fier als een keizerin, te midden harer vrouwen en
+eunuchen, die op vergulde schotels brandende reukwerken droegen.
+
+De Proconsul trad haar drie schreden te gemoet, en toen hij haar met
+een hoofdbuiging begroet had, riep zij uit:
+
+"Welk een geluk, dat het Agrippa, den vijand van Tiberius, voortaan
+onmogelijk is, kwaad te stichten!"
+
+Vitellius wist niets van het gebeurde, en het leek hem gevaarlijk.
+Toen Antipas onder eeden begon te verzekeren, alles voor den Keizer
+veil te hebben, voegde Vitellius er aan toe:
+
+"Zelfs ten koste van anderen?" Hij, Vitellius, had eens losgeld geind
+van den koning der Parthen, en de Keizer dacht er niet verder aan.
+Maar Antipas, die met hem aan een zelfde vergadering deelnam, begon er
+dadelijk ruchtbaarheid aan te geven. Vandaar een diepe wrok, en het
+getalm met den bijstand.
+
+De Viervorst stotterde iets. Maar Aulus kwam er lachend tusschen:
+
+"Wees maar bedaard, ik zal je beschermen!"
+
+De Proconsul deed, alsof hij 't niet hoorde.
+
+Het welslagen des vaders hing af van de verdorvenheid van den zoon; en
+die bloem van Capri's slijk gaf hem zulke aanzienlijke voordeelen, dat
+hij haar met zorgen omringde, hoe hij haar overigens ook wantrouwde om
+haar vergiftigheid.
+
+Er ontstond gedruisch bij de poort. Men leidde een rij witte
+muildieren binnen, waarop mannen zaten in priestergewaad. Het waren
+Sadduceers en Farizeers, die door eenzelfde eerzucht naar Machaerous
+gedreven werden, de eersten om de waardigheid van offerpriester te
+erlangen, de anderen om die waardigheid te behouden. Hun gelaat stond
+somber, vooral dat der Farizeers, want ze waren Rome en den Viervorst
+zeer vijandig gezind. De slippen van hun opperkleed hinderden hen
+in het gedrang, en de tiara waggelde hun op het voorhoofd, boven de
+perkamenten letterbanden.
+
+Bijna tegelijkertijd kwamen de soldaten der voorhoede aanrukken. Ze
+hadden hun schilden, om ze te beschutten tegen het stof, in hoezen
+gehuld.
+
+Achter hen volgde Marcellus, luitenant van den Proconsul, met
+verschillende tollenaars die houten schrijftabula's onder den arm
+droegen. Antipas noemde de voornaamsten zijner hofhouding: Tolmai,
+Kanthera, Sehon, Amonius van Alexandrie, die aardpek voor hem
+aankocht, Naaman, hoofdman zijner lichte troepen, Jacim den
+Babylonier.
+
+Vitellius had Mannaei opgemerkt.
+
+"Wie is die man?"
+
+De Viervorst gaf door een gebaar te kennen, dat het de beul was.
+
+Toen stelde hij de Sadduceers voor.
+
+Jonathas, klein van gestalte en los van beweging, smeekte den
+meester, in 't Grieksch, hen in Jeruzalem met een bezoek te vereeren.
+Waarschijnlijk zou Vitellius aan die bede gehoor geven.
+
+Eleazar met zijn krommen neus en zijn langen baard, eischte voor de
+Farizeers den mantel van den Hoogepriester op, dien het burgerlijk
+bestuur binnen den toren Antonia in beslag hield.
+
+Vervolgens klaagden de Galileers Pontius-Pilatus aan. Om wille van een
+bezetene, die Davids gouden kannen zocht in een hol dicht bij Samaria,
+had hij verscheidene landslieden gedood. Ze spraken allen gelijk,
+Mannaei nog heftiger dan de anderen. Vitellius verzekerde dat de
+misdadigers zouden gestraft worden.
+
+Er ging geschreeuw op bij een poortnis, waar de soldaten hun schilden
+hadden opgehangen. De hoezen waren losgeraakt, en men zag op de
+schildknoppen Cesars beeltenis.
+
+Voor de Joden was dit afgoderij.
+
+Antipas sprak hun toe. En, van zijn verhoogden zetel tusschen de
+zuilen, zag Vitellius verwonderd hun gramstorigheid aan. Wel had
+Tiberius gelijk gehad, vierhonderd van dezen naar Sardinie te
+verbannen! Maar in hun eigen land waren ze machtig, en hij gaf bevel
+de schilden weg te nemen.
+
+Toen drongen ze om den Proconsul heen, rechtvaardiging afsmeekend,
+privileges en giften. Dringend en duwend scheurden ze elkaar de
+kleederen van 't lijf, en om ruimte te maken, stonden slaven met hun
+stokken naar rechts en links te slaan. Zij, die het dichtst bij de
+poort stonden, werden langs het voetpad teruggedrongen, anderen kwamen
+dat pad opklimmen, en moesten wijken; twee stroomen stuwden tegen
+elkaar in, en die ontzaglijke menschenmenigte saamgehoopt binnen de
+omwalling, deinde als een woelige zee heen en weer.
+
+Vitellius vroeg waarvandaan die toevloed van menschen.
+
+Toen verklaarde Antipas hem de oorzaak: zijn geboortefeest. En hij
+wees de lieden aan, een groot aantal van zijn dienaren, die, over de
+borstwering heengebogen, reusachtige manden ophaalden, gevuld met
+vruchten en groenten, met antilopen, reigers en groote azuurkleurige
+visschen met druiven, meloenen en tot pyramiden opgetaste
+granaatappels.
+
+Aulus kon het niet lijdelijk meer aanzien. Hij haastte zich naar de
+keukens, gedreven door die gulzigheid, waardoor hij eenmaal de wereld
+zou verbazen.
+
+Langs een der kelders gaande zag hij vleeschketels, die wel pantsers
+geleken. Ook Vitellius kwam er naar kijken; en hij gebood, dat men hem
+de krochten van het fort zou ontsluiten.
+
+Ze waren hoog gewelfd in de rots uitgehouwen, en werden van afstand
+tot afstand door pijlers geschraagd.
+
+De eerste bevatte oude harnassen, maar de tweede was overvol van
+speren, die dreigend haar punt uit een bos van pluimen opstaken. De
+muren der derde schenen wel met rietmatten bedekt, zooveel pijlen
+hingen er loodrecht naast elkaar. Lemmers van kromzwaarden verborgen
+de wanden der vierde krocht. In het midden der vijfde leek een leger
+van roode slangen te kruipen: het waren lange rijen helmen met kammen
+van scharlaat.
+
+In de zesde: niets dan pijlenkokers, in de zevende beenplaten, in de
+achtste armstukken, in de vele die nog volgden: gaffels, enterhaken,
+ladders en touwwerk, tot staken voor catapulten, tot rinkelbellen voor
+het borsttuig der dromedarissen toe.
+
+Wijl de berg naar zijn voet zich steeds verbreedde, en in zijn
+binnenste uitgehold was als een bijenkorf, bevonden er zich onder deze
+vertrekken weer andere, talrijker en nog dieper.
+
+Vitellius, Phineus zijn tolk, en Sisenna hoofd der tollenaars,
+doorschreden ze bij het licht der door eunuchen gedragen flambouwen.
+Uit het duister doemden de afgrijselijkste dingen op die de barbaren
+ooit uitvonden; knotsen met stekels van spijker-punten, werpschichten
+die vergift in de wonden brachten, tangen gruwbaar als de muil van
+krokodillen, kortom: de Viervorst bezat binnen Machaerous oorlogstuig
+voor wel veertig-duizend manschappen.
+
+Hij had dat verzameld met het oog op een verbond tusschen zijn
+vijanden. Maar de Proconsul zou kunnen meenen, of zeggen, dat het
+dienen moest om de Romeinen te bestrijden, en daarom zocht Antipas
+verklaringen te geven:
+
+Het behoorde hem niet toe; veel ervan diende tot verweer tegen de
+rooverbenden; daarenboven was er zoo iets noodig tegen de Arabieren,
+of wel: dit alles was het bezit geweest van zijn vader. En, in plaats
+van achter den Consul aan te schrijden, ging hij hem met haastige
+stappen voor. Toen bleef hij staan tegen een muur, wel zorgend ze te
+bedekken met zijn toga, de ellebogen ver van 't lichaam af. Maar de
+kroonlijst van een deur stak boven zijn hoofd uit. Vitellius werd dat
+gewaar en wilde weten wat die deur verborg.
+
+Alleen de Babylonier kon haar openen.
+
+"Roep den Babylonier."
+
+Men wachtte.
+
+Zijn vader was zich, met vijfhonderd ruiters, van den oever van den
+Euphraat, bij Herodes den Grooten komen aanbieden, om de oostergrenzen
+te verdedigen. Na de verdeeling van het rijk was Jacim bij Philippus
+gebleven, en thans diende hij Antipas, Hij trad voor met een boog over
+den schouder, een zweep in de hand. Bonte koorden waren vast om zijn
+verwrongen beenen gesnoerd. Zijn zware armen staken uit een overkleed
+zonder mouwen, een muts van dierenpels overschaduwde zijn gelaat met
+den in ringen gekrulden baard.
+
+In 't begin veinsde hij den tolk niet te verstaan. Maar Vitellius
+wierp een scherpen blik op Antipas, die het bevel onmiddellijk
+herhaalde.
+
+Toen duwde Jacim zijn beide handen tegen de deur, en ze gleed weg in
+den muur.
+
+Een warme wadem sloeg hun uit de duisternissen tegen.
+
+Met breede bochten daalde daar een weg omlaag. Ze volgden dien en
+kwamen op den drempel eener grot, die veel grooter was dan de andere
+krochten.
+
+Achter de boog-opening in de verste diepte lag de afgrond, die aan
+deze zijde de citadel tot verdediging strekte. Een kamperfoeliestruik
+die zich vasthechtte aan het gewelf liet zijn bloemen in het volle
+licht neertrossen. Langs den grond liep een ijle water-ader, lichtend
+en murmelend.
+
+Witte paarden stonden daar. Het waren er wel honderd. Ze aten gerst
+van een plank, die ter hoogte van hun bek was aangebracht. Hun manen
+waren blauw geschilderd, en de hoeven staken in wanten van fijn
+vlechtwerk. Tusschen de ooren bolde als een pruik een bos van hun
+blesharen op. Met den zeer langen staart sloegen ze zich streelerig
+langs de kniebogen.
+
+De Proconsul was stil van bewondering.
+
+Het waren wonderschoone dieren, lenig als slangen, licht als vogels.
+Ze vlogen weg met de pijlen van hun berijder, wierpen den vijand omver
+en beten hem in het onderlijf, vonden zonder struikelen een uitweg
+tusschen de rotsblokken, sprongen over afgronden heen, en hielden heel
+den dag hun dollen draf door de vlakten vol; een woord echter deed hen
+stilstaan. Toen Jacim binnentrad kwamen ze naar hem toe, als schapen
+naar hun herder; ze strekten den hals en zagen hem met hun kinderoogen
+onrustig aan. Uit gewoonte stiet hij diep uit zijn keel een rauwen
+schreeuw uit, die hen ineens opmonterde. Ze steigerden ongeduldig,
+hunkerend naar ruimte, en smachtend om weg te rennen.
+
+Alleen uit vrees dat Vitellius hem er van berooven zou, had Antipas ze
+gevangen gezet in deze grot, die uitsluitend diende tot berging van
+dieren in tijd van oorlog.
+
+"'t Is een slechte stalling hier," zei de Proconsul, "en ge loopt
+gevaar dat ze omkomen! Maak de schatting op, Sisenna".
+
+De tollenaar haalde het schrijfplankje uit zijn gordel, telde de
+paarden en schreef ze in.
+
+Het was de gewoonte der belastinggaarders de landvoogden ertoe te
+brengen hun gewesten uit te plunderen. Deze snuffelde overal met zijn
+wezel-snuit, en zijn oogleden knipten.
+
+Eindelijk steeg men weer terug naar het binnenplein.
+
+Ronde bronzen platen midden in het plaveisel bedekten van afstand tot
+afstand de putten. Sisenna bekeek een dezer deksels nauwlettender dan
+de andere, het was grooter en gaf een doffen klank onder zijn
+voeten. Nog eens ging hij de overige bekloppen een voor een, en toen
+schreeuwde hij, trappelend van blijdschap:
+
+"Gevonden! Hier zit hij, de schat van Herodes!"
+
+Het zoeken naar dien schat was een dwaze hartstocht onder de Romeinen.
+
+De Viervorst zwoer, dat er geen schatten bestonden.
+
+"Ondertusschen, wat zit hier dan verborgen?"
+
+"Niemendal! een man, een gevangene."
+
+"Laat zien!" zei Vitellius.
+
+De Viervorst gehoorzaamde niet. De Joden behoefden zijn geheim niet te
+weten. Zijn weerzinnig gedraai om dat deksel te openen, deed Vitellius
+ongeduldig worden.
+
+"Sla het in!" riep hij den bijldragers toe.
+
+Mannaei had geraden waarover ze 't hadden. Toen hij een bijl zag,
+meende hij dat ze Jaokanann gingen onthoofden; en hij weerhield den
+lictor bij den eersten slag op de plaat, stak behoedzaam een soort van
+haak tusschen haar rand en het plaveisel, en zijn lange magere armen
+strammend lichtte hij haar langzaam op. Ze wentelde weg; allen
+bewonderden de kracht van dien grijsaard.
+
+Onder dat met hout betimmerd deksel was een valluik van gelijke
+afmetingen. Een vuistslag deed het openklappen; toen zag men een
+reusachtigen hollen koker, waarin zich een trap zonder leuning
+wentelde. Zij, die zich over den rand heenbogen, onderscheidden in de
+diepte iets vaags en verschrikkelijks.
+
+Een menschelijk wezen lag op den grond uitgestrekt, geheel verborgen
+in zijn eigen lang haar, dat zich warde in de harige dierenvacht die
+zijn lenden dekte. Hij richtte zich op, en zijn voorhoofd stootte
+tegen den rooster die daar plat lag ingemetseld. Van tijd tot tijd
+verdween hij weer in de diepte van zijn hol.
+
+De zon weerglansde in de punten der tiara's, in de gevesten der
+zwaarden, en gloeide over de vloertegels. Van de dakranden vlogen
+duiven op die dansten en duizelden boven het binnenplein, 't Was het
+uur waarin Mannaei gewoon was graankorrels voor haar te strooien. Hij
+zat neergehurkt voor den Viervorst, die naast Vitellius stond. De
+Galileers, de priesters, de soldaten vormden een kring achter hen;
+allen zwegen in angstige afwachting van wat komen zou.
+
+Eerst was het een diepe zucht, door een holle stem uitgestooten.
+
+Herodias hoorde dat zuchten aan het ander einde van het paleis.
+Aangetrokken door een macht sterker dan zij-zelve, drong ze door de
+menigte heen, en voorovergebogen, met de hand op Mannaei's schouder,
+luisterde ze toe.
+
+De stem verhief zich:
+
+"Vloek over u, Farizeers en Sadduceers, gij, adderengebroed, gezwollen
+wijnzakken, holklinkende cymbalen!"
+
+Men had Jaokanann herkend. Zijn naam ging van mond tot mond. Vele
+anderen kwamen toeloopen.
+
+"Vloek over U, o volk! en over de verraders van Judea, over de
+dronkenen van Ephraim, over hen die in het vette dal wonen en die
+waggelen door den geest van den wijn! "Dat ze verspreid worden
+als stroomend water, als de slak die smelt waar ze kruipt, als de
+misgeboorte eener vrouw die geen daglicht ziet.
+
+"Gij, Moab, ge zult u moeten verschuilen in de cypressen als de
+trekvogels, als de springmuizen in de holen. Lichter dan notenschalen
+zullen de poorten der sterkten verbrijzeld worden, de muren zullen
+instorten, de steden in vlammen opgaan, en de geeselroede van den
+Eeuwige zal niet ophouden. Als de wol in de kuip van den verver, zoo
+zal Hij uwe ledematen spoelen in uw bloed. Als een nieuwe egge zal
+Hij u verscheuren; over de bergen zal Hij de flarden van uw vleesch
+uitstrooien!"
+
+Van welken veroveraar sprak hij? Was het Vitellius? De Romeinen
+alleen konden zulk eene verdelging aanrichten. Klachten werden
+geslaakt:--"Genoeg! genoeg! doe hem ophouden!"
+
+Maar nog luider ging hij voort:
+
+"Naast het lijk hunner moeders zullen de kleine kinderen door de asch
+kruipen. In den nacht zal men brood gaan zoeken tusschen de puinen,
+zich blootgevend aan de dolken.
+
+"Jakhalzen zullen elkaar de doodsknekels betwisten op de pleinen waar
+de grijsaards saamkwamen tot den avondkout. Aan der vreemdelingen
+gastmaal zullen uwe dochters op de luit spelen, en haar tranen
+drinken. De kloeksten uwer zonen zullen den rug bukken, gekneusd onder
+al te zware vrachten!"
+
+Voor de oogen van het volk doemden de dagen der ballingschap weer op,
+alle rampen hunner geschiedenis.
+
+Het waren de woorden der oude Profeten. Jaokanann zond ze, het een na
+het andere, over hen als harde slagen.
+
+Maar de stem werd zachter, welluidender en zangerig. Hij boodschapte
+een verlossing, glanzende verheerlijking aan het uitspansel, den
+nieuw-geborene die een arm stak in het hol van den draak, goud voor
+leem, de woestijn openbloeiend als een roos.
+
+"En wat nu zestig sikkels waard is, zal geen obool meer kosten.
+Melkbronnen zullen uit de rotsen vloeien; in de wijnpersen zal men
+zich verzadigd te slapen leggen! Wanneer komt gij, gij die de hope
+zijt van mijn hart? Reeds knielen alle volkeren, en uw heerschappij
+duurt in eeuwigheid, Zoon van David!"
+
+De Viervorst deinsde verschrikt terug, het bestaan van een Zoon
+Davids bedreigde hem als een smaad. Jaokanann tastte hem aan in zijn
+koningschap.
+
+"Geen andere Koning bestaat er dan Hij, die eeuwig is! en met uw
+tuinen, met uw standbeelden, met uw meubels van ivoor, zal het u
+vergaan als den goddeloozen Achab!"
+
+Antipas rukte het koord stuk van het zegel op zijn borst, en wierp het
+in den put, zwijgen gebiedend.
+
+De stem antwoordde:
+
+"Als een beer zal ik roepen, als een woudezel, als een vrouw in
+barensnood!
+
+"Reeds treft de straffe uw bloedschande. God straft met
+onvruchtbaarheid den bastaard."
+
+Gelach ging er op, dat geleek op gekabbel van water tegen den
+oeverrand.
+
+Vitellius bleef halsstarrig staan. Onbewogen herhaalde de tolk, in de
+taal der Romeinen, al de hoon-schreeuwen, die Jaokanann in zijn eigen
+taal uitstootte. De Viervorst en Herodias waren genoodzaakt ze twee
+keeren aan te hooren. Zijn borst zwoegde, terwijl zij staroogend bleef
+neerzien naar de diepte van den put.
+
+De verschrikkelijke man wierp het hoofd achterover, en de tralies
+vastgrijpend, hief hij het vlakke gelaat tegen den rooster, het geleek
+een warrige ruigte, waarin twee vurige kolen gloeiden.
+
+"Ha! zijt gij het, Jezabel! Ge hebt zijn hart u toegeeigend met het
+gekraak uwer schoenzolen. Als een merrie hebt ge gehinnikt. Uwe
+legerstede spreidet ge op de bergen, om uw offeranden te volbrengen.
+Afrukken zal de Heer u uwe oorhangers, uwe purperen gewaden, uw linnen
+sluiers, de gouden banden uwer armen, de ringen uwer voeten, de kleine
+gouden maansikkels die op uw voorhoofd trillen, uw zilveren spiegels,
+uw waaiers van struisvederen, de parelmoeren zolen die uw gestalte
+verhoogen, den pronk uwer edelsteenen, het reukwerk van uw haren,
+de beschildering uwer nagels, al de kunstige verzinsels uwer
+weelderigheid, en keien zullen er niet genoeg gevonden worden om de
+echtbreukige te steenigen!"
+
+Haar blik zocht-om naar hulpe. De Farizeers sloegen huichelachtig de
+oogen neer. De Sadduceers, die vreesden den Pronconsul te beleedigen,
+wendden het hoofd af. Antipas scheen den dood nabij. De stem werd
+sterker, zette zich uit, bulderde als het geweld van den donder, en
+door de echo der bergen weergalmd, deed ze Machaerous in haar telkens
+herhaalde uitbarstingen op zijn grondvesten schudden.
+
+"Strek u uit in het stof, dochter van Babylon! Laat koren tot meel
+malen! Maak uw schoenen los, schort uw kleeren op, en doorwaad de
+stroomen! uw smaad zal aan den dag komen! uw snikken zullen u de
+tanden verbrijzelen. De Eeuwige verafschuwt de walg uwer misdaden!
+Vervloekte! vervloekte! Kom om als een hond!"
+
+Het luik viel toe, het deksel sloot zich. Manaei zou Jaokanann willen
+verworgen.
+
+Herodias verdween. De Farizeers waren geergerd. In hun midden stond
+Antipas zich te verdedigen.
+
+"Ongetwijfeld", begon Cleazar, "men moet zijn broeders vrouw huwen,
+maar Herodias was geen weduwe, en had daarenboven een kind,--daarin is
+de schande!"
+
+"Dwaling! dwaling!" wierp de Sadduceer Jonathas er tegen in. "De wet
+veroordeelt dergelijke huwelijken, zonder ze met duidelijke termen te
+verbieden."
+
+"Het doet er niet toe! Men oordeelt over mij zeer onrechtvaardig," zei
+Antipas.
+
+Aulus die geslapen had, kwam op dit oogenblik ook naderschrijden. Toen
+hij van de zaak op de hoogte was gesteld, viel hij den Viervorst bij.
+Over dergelijke dwaasheden moest men geen drukte maken, en hij lachte
+luid over den hoon der priesters en den toorn van Jaokanann.
+
+Herodias, die midden op het terras stond, keerde zich tot hem.
+
+"Ge hebt ongelijk, Heer! Hij gebiedt het volk de belasting te
+weigeren!"
+
+"Is dat waar?" vroeg toen de tollenaar dadelijk.
+
+De antwoorden waren eenstemmig bevestigend. De Viervorst bekrachtigde
+ze.
+
+Vitellius meende, dat de gevangene wel eens kon ontsnappen; en daar
+het gedrag van Antipas hem onbetrouwbaar toescheen, zette hij wachten
+uit bij de poorten en langs de muren van het binnenplein.
+
+Toen ging hij naar zijn vertrekken. De afgevaardigden der priesters
+vergezelden hem, en zonder de vraag van de offer-waardigheid aan te
+roeren, legde ieder zijn grieven bloot.
+
+Ze verveelden hem allen te saam. Hij zond ze weg.
+
+Toen Jonathas hem verliet, zag hij op de borstwering, tusschen twee
+kanteelen door, Antipas in gesprek met een man, die het haar lang
+droeg en in het wit gekleed ging, een Esseer, en hij had spijt den
+Viervorst te hebben verdedigd.
+
+De Viervorst had zich met de gedachte getroost, dat Jaokanann nu niet
+meer van hem afhing: de Romeinen hadden zich met hem belast! wat een
+verlichting!
+
+Juist toen had hij Phanuel over den omgang der wallen zien drentelen.
+Hij riep hem, en zeide, terwijl hij naar de soldaten wees:
+
+"Zij daar hebben de macht, ik kan hem niet loslaten! 't Is mijn schuld
+niet!"
+
+Het binnenplein was ledig.
+
+De slaven lagen te rusten. Tegen het avond-rood, dat de kim in vlammen
+deed oplaaien, teekenden de kleinste rechtstandige voorwerpen zich
+zwart af. Antipas onderscheidde de zoutpannen aan de overzijde der
+Doode Zee, maar de tenten der Arabieren zag hij niet meer. Waren ze
+wellicht heengetogen?
+
+De maan ging op. Rust daalde in zijn hart.
+
+Phanuel bleef neerslachtig staan, met de kin op de borst. Eindelijk
+uitte hij, wat hem op het het hart lag:
+
+Sinds het begin der maand bestudeerde hij, voor den dageraad, het
+uitspansel wijl het sterrenbeeld van Perseus het zenith had bereikt.
+Agalah was nauwelijks te onderscheiden, Algol flikkerde zwakker,
+Mira-Coeti was verdwenen; hieruit las hij den dood van een man van
+beteekenis, dezen nacht nog, en binnen Machaerous.
+
+"Wie zou dat kunnen zijn? Vitellius werd te goed bewaakt. Jaokanann
+zou men niet ter dood brengen.
+
+"Aldus ben ik het zelf!" dacht de Viervorst.
+
+Zouden de Arabieren misschien weerkeeren? De Proconsul zou zijn
+betrekkingen met de Parthen kunnen ontdekken! Of sluipmoordenaars
+uit Jeruzalem waren wellicht met de priesters meegekomen; ze droegen
+dolken onder hun kleeren; de Viervorst twijfelde niet aan Phanuels
+kunde.
+
+Het viel hem in zijn toevlucht te zoeken bij Herodias. Toch haatte hij
+haar. Maar ze zou hem moed inspreken, en de tooverbanden waarin ze hem
+vroeger verstrikt had waren nog niet alle gebroken! Myrrhe rookte er
+in een kom van porfier toen hij haar kamer binnentrad, en poeders,
+zalven, wolken van luchtige weefsels, ragfijne borduursels lichter dan
+veeren, lagen er verspreid.
+
+Hij zei niets van Phanuels voorzegging, noch van zijn vrees voor de
+Joden of de Arabieren: een lafaard zou ze hem noemen!
+
+Alleen over de Romeinen sprak hij; Vitellius had hem niets
+toevertrouwd van zijn krijgs-plannen. Hij veronderstelde dat hij met
+Cajus bevriend was, die op zijn beurt weer omgang had met Agrippa;
+en hij, Antipas, zou in ballingschap worden gezonden, waar ze hem
+misschien zouden verwurgen.
+
+Herodias trachtte hem met kleinachtende welwillendheid gerust te
+stellen. Eindelijk haalde ze uit een kistje een vreemdsoortige
+medaille, die den beeldenaar van Tiberius droeg. Dat volstond om de
+lictoren te doen verbleeken, en de aanklachten te smoren.
+
+Ontroerd van dankbaarheid vroeg Antipas haar, hoe ze dien talisman
+verworven had.
+
+"Hij werd me gegeven!" hernam ze.
+
+Onder een voorhang, vlak tegenover hen, strekte zich een arm uit, een
+jeugdige arm, bekoorlijk en zoo schoon alsof Polycletus zelf hem uit
+ivoor gerond had. Met een wat linksch maar toch bevallig gebaar,
+wiekte die arm in de lucht, om een tunica te grijpen, welke op een
+bankje was blijven liggen.
+
+Een oude vrouw gaf ze zachtjes over, den voorhang terzijde schuivend.
+
+De Viervorst had een vage herinnering, aan iets dat hij zich niet
+omschrijven kon.
+
+"Is dat eene van uw slavinnen?"
+
+"Wat kan u dat schelen?" antwoordde Herodias.
+
+
+
+
+III
+
+
+De gasten vulden de feestzaal.
+
+Ze had, als een basiliek, drie beuken die door zuilen van algumimhout
+met gebeeldhouwde bronzen kapiteelen gescheiden werden. Ze schraagden
+twee open galerijen, en een derde van gouden filigraan rondde
+zich achter in de zaal-diepte, recht tegenover een reusachtige
+wulfsel-poort, open in den voorwand.
+
+Op de tafels, die door de geheele lengte van het middenschip stonden
+aaneengerijd, brandden de luchters als kleine bosschen van vuur,
+midden tusschen de beschilderde aarden schalen en de koperen schotels,
+de sneeuw-blokken en de opgetaste druiven. Maar onder het hooge gewelf
+zweemde die roode klaarte langzaam in schemers weg, en lichtpunten
+tintelden daar, als des nachts de sterren door takken heen. Door den
+boog van het wijd-open poortvak kon men de toortsen zien vlammen op de
+huis-terrassen,--want Antipas onthaalde zijn volk, en allen die zich
+aangemeld hadden. Slaven, geschoeid met vilten sandalen, liepen rap
+als honden om, en droegen de schotels.
+
+De tafel van den Proconsul stond onder de vergulde galerij, op een
+verhevenheid van sycomore-planken, Babylonische tapijten omsloten haar
+als met een tente.
+
+Vitellius, diens zoon en Antipas namen de drie ivoren ligbedden in,
+die daar opgesteld stonden, een recht in 't midden, met de twee andere
+terzijde; de Proconsul lag links, dicht bij de deur, Aulus aan den
+rechterkant, de Viervorst op het middelste.
+
+Hij was gehuld in een zwaren zwarten mantel, welks weefsel geheel
+schuil ging onder kleurige ophechtsels. Hij droeg den baard
+waaiervormig, had blanketsel op de kaken, en azuurpoeder in het haar,
+dat omsloten werd door een diadeem van edelsteenen. Vitellius had
+den purperen bandelier niet afgelegd, die schuin over de linnen toga
+plooide.
+
+Aulus had de mouwen van zijn paars-zijden met zilverdraad doorweven
+opperkleed op den rug laten vastknoopen. Zijn tot rollen gekamde
+haren waren trapsgewijze op zijn hoofd getast, en een halssnoer van
+saffieren glinsterde op zijn borst, rond en blank als die eener vrouw.
+Dicht naast hem zat een heel mooi knaapje neergehurkt op een mat. Het
+glimlachte aldoor. Aulus die het straks in de keukens voor 't eerst
+had gezien, kon niet meer buiten hem, en daar hij moeielijk zijn
+Chaldeeuwschen naam kon onthouden, noemde hij hem eenvoudig-weg "den
+Aziaat". Van tijd tot tijd strekte Aulus zich in zijn volle lengte uit
+op het triclinium. Dan zagen de mede-aanliggenden tegen zijn naakte
+voetzolen op.
+
+Aan dat tafeleinde waren de priesters en Antipas' officieren
+geplaatst, de oppersten uit de Grieksche steden; aan des Proconsuls
+zijde: Marcellus met de tollenaars, vrienden van den Viervorst,
+aanzienlijke lieden uit Cana, uit Ptolemaide en Jericho, dan in bonte
+rijen: bergbewoners van den Libanon en de oude soldaten van Herodes:
+twaalf Thraciers, een Gallier, twee Germanen, gazellen-jagers,
+Idumeesche herders, de sultan van Palmyra, zeelieden van Eziongaber.
+Ieder had een weeken deeg-koek voor zich om de vingers af te wisschen,
+en de armen, die zich als gieren-halzen rekten, namen olijven,
+pistaches en amandelen. Aller aangezicht glansde blij onder een krans
+van bloemen.
+
+De Farizeers hadden hun kransen weggestooten als een Romeinsche
+onbetamelijkheid. En ze huiverden wanneer men ook hen met galbanum
+en rosmarijn besproeide, een mengsel dat uitsluitend gebruikt mocht
+worden in den Tempel.
+
+Aulus wreef er zich de oksels mede, en Antipas beloofde hem er een
+heele lading van, met drie zakken vol van dien onvervalschten balsem,
+die Cleopatra's begeerte naar het bezit van Palestina had opgewekt.
+
+Een hoofdman van zijn Tiberiaansch garnizoen, kwam tot achter zijn
+ligbed getreden, om hem over buitengewone gebeurtenissen te spreken.
+Maar zijn aandacht werd verdeeld tusschen den Proconsul en de
+gesprekken aan de nabije tafels.
+
+Men praatte daar over Jaokanann en lieden van zijn soort; Simon van
+Gittoi louterde de zondaars met vuur. Een zekere Jezus...
+
+"De ergste van allen," riep Eleazar uit "wat een lage goochelaar!"
+Achter den Viervorst richtte een man zich op, bleek als de rand van
+zijn chlamys. Hij daalde van de estrade, den Farizeers toeroepend:
+"Leugens! Jezus doet wonderen!"
+
+Antipas zou er willen zien.
+
+"Ge had hem mede moeten brengen! Vertel ons eens alles over hem!"
+
+Toen verhaalde hij, dat hij-zelf, Jacob, zich naar Capharnauem begeven
+had toen zijn dochtertje ziek lag, om den Meester te vragen haar te
+genezen.
+
+De Meester had geantwoord: "Keer terug naar uwe woning, uw dochtertje
+is genezen!" En hij had haar op den drempel gevonden, opgestaan
+van haar sponde, toen de zonne-wijzer van het paleis het derde uur
+aanwees, het eigen oogenblik, waarop hij Jezus had aangesproken.
+
+"Natuurlijk," wierpen de Farizeers hem tegen, "er bestaan zekere
+praktijken en geneeskrachtige kruiden. Hier op de eigen plek, te
+Machaerous, vond men wel de baaeras, die onkwetsbaar maakt. Maar
+genezen zonder zien of aanraken, was een onmogelijkheid, zoo Jezus ten
+minste niet de booze geesten tot handlangers had.
+
+En de vrienden van Antipas, de oppersten van Galilea, herhaalden
+hoofdschuddend:
+
+"De booze geesten,--dat is klaarblijkelijk!"
+
+Jacob, die tusschen hun tafels en die der priesters stond, bleef
+hooghartig maar zachtmoedig zwijgen. Ze vorderden hem tot spreken op:
+
+"Rechtvaardig zijn macht!"
+
+Hij boog zich wat voorover en met gedempte stem begon hij langzaam als
+verschrikt door zijn eigen woorden:
+
+"Weet ge dan niet, dat hij de Messias is?" Alle priesters blikten
+elkaar aan, en Vitellius vroeg uitleg van het woord. Zijn tolk draalde
+een wijle met antwoorden.
+
+Ze noemden zoo een verlosser, die het volle bezit van alle goed en de
+onderwerping van alle volkeren zou brengen. Eenigen zelfs beweerden
+dat men op twee zulken moest rekenen. De eerste zou door Gog en Magog,
+de booze geesten van het Noorden, overwonnen worden; maar de tweede
+zou den vorst van het kwade verdelgen; en sinds eeuwen wachtten zij
+hem ieder oogenblik.
+
+Toen de priesters beraadslaagd hadden, nam Eleazar het woord.
+Vooreerst zou de Messias de zoon van David zijn, en niet die van een
+timmerman; hij zou de wet bevestigen. Die Nazarener schond ze. En wat
+nog sterker bewijs was, de komst van Elias moest aan hem voorafgaan.
+
+Jacob antwoordde: "Elias! maar die is reeds gekomen!"
+
+"Elias! Elias!" herhaalde de menigte, tot in het andere einde der
+zaal. In hun verbeelding zagen allen een grijsaard oprijzen, een
+vlucht raven streek om zijn hoofd. Een bliksemschicht zette een altaar
+in vlammen; afgodendienaars werden meegesleept door een stroom. De
+vrouwen op de galerijen dachten aan de weduwe van Sarepta.
+
+Jacob werd niet moede te herhalen, dat hij hem kende! Hij zelf had hem
+gezien! en het volk ook had hem gezien!
+
+"Zijn naam?"
+
+Toen riep hij zoo luid hij vermocht: "Jaokanann!"
+
+Antipas viel achterover als door een stoot midden in het hart. De
+Sadduceers hadden zich op Jacob gestort. Eleazar begon een redevoering
+om gehoor te krijgen.
+
+Toen de stilte gezonken was, plooide hij zijn mantel terecht, en
+stelde als een rechter zijn vragen:
+
+"Daar de Profeet dood is..."
+
+Gemompel onderbrak hem. Men geloofde dat Elias slechts tijdelijk ten
+hemel opgenomen was.
+
+Eleazar toornde tegen de menigte, en zette zijn ondervraging voort:
+
+"Meent ge, dat hij verrezen is?
+
+"Waarom niet?" zei Jacob.
+
+De Sadduceers haalden de schouders op. Jonathas sperde zijn oogjes
+wijd open en deed moeite om als een nar te lachen:
+
+"Niets dwazer dan de aanspraak van het lichaam op de
+onsterfelijkheid;" en, voor den Proconsul, haalde hij een vers aan van
+een toenmalig dichter:
+
+ Nec crescit, nec post mortem durare videtur.
+
+Maar Aulus had zich over den rand van het ligbed heengebogen, het
+zweet stond hem op het voorhoofd, zijn gelaat was groen, de vuisten
+drukte hij tegen de maag.
+
+De Sadduceers veinsden groote ontroering; (den volgenden dag kregen
+ze de offer-waardigheid terug), Antipas deed alsof hij wanhopig was;
+Vitellius leek onbewogen. Toch doorstond hij groote angsten; met zijn
+zoon immers zou hij zijn schoone kans verliezen. Nauwelijks had Aulus
+met braken opgehouden, of hij wilde weer aan 't eten.
+
+"Laat ze me raspsel van marmer geven, aardolie van Naxos, zeewater, of
+wat dan ook! Als ik eens een bad nam?"
+
+Hij kauwde sneeuw, weifelde voor een schotel rose merels, en nam ten
+laatste honingpompoenen. De kleine Aziaat zag bewonderend naar hem op;
+die zwelgers-aanleg verried een wonderbaar en bovenaardsch wezen.
+
+Men diende stier-nieren op, marmotten, nachtegalen, gehakt vleesch in
+wingerdbladeren; en de priesters redetwistten over de verrijzenis.
+Ammonius, leerling van den Platonicus Philon, vond dat ze dwazen
+waren, en zei het tot eenige Grieken die over de orakels lachten.
+Marcellus en Jacob hadden elkaars gezelschap gezocht. De eerste
+verhaalde aan den tweede over zijn geluk bij het doopsel van Mithra,
+en Jacob ried hem Jezus te volgen.
+
+Wijn uit palmsap en tamariskenschors getrokken, wijnen van Safet en
+Byblos stroomden uit de amphoren in de mengvaten, uit de mengvaten in
+de drinkschalen, uit de drinkschalen de kelen in.
+
+Er werd druk gepraat, en de harten begonnen zich te openen.
+
+Jacim was een Jood, maar hij hield het niet langer geheim dat hij de
+sterren aanbad. Een koopman uit Aphaka verblufte de nomaden door
+hun de wonderen van den tempel van Hierapolis, in de kleinste
+bijzonderheden, voor oogen te tooveren. Ze vroegen hem hoeveel een
+beevaart daar heen zou kosten. Anderen hielden het bij den godsdienst
+waarin ze geboren waren. Een bijna blinde Germaan zong een hymne ter
+eere van dat Scandinavische voorgebergte, waar de goden verschijnen
+omstraald door den glans van hun aangezicht, en lieden van Sichem aten
+geen tortels uit eerbied voor de duif Azima. Verschillende gasten
+stonden midden in de zaal te praten, en hun adem wademde, met den rook
+der luchters, als een nevel in de ruimte. Phanuel kwam langs de muren
+gegleden. Nogmaals had hij zooeven het uitspansel bestudeerd, maar
+hij durfde den Viervorst niet naderen, bang voor olievlekken, die de
+Esseers als een groote smet beschouwden.
+
+Er vielen slagen op de burchtpoort.
+
+Men wist thans dat Jaokanann hier gevangen werd gehouden. Mannen met
+flambouwen klommen het bergpad op, een zwarte menigte krioelde in het
+ravijn, en van tijd tot tijd schreeuwden ze daar:
+
+"Jaokanann! Jaokanann!"
+
+"Alles brengt hij in de war!" zei Jonathas.
+
+"Als hij doorgaat, krijgt het rijk geen geld meer!" voegden de
+Farizeers er aan toe.
+
+De verwijten kwamen los: "Bescherm ons!"
+
+"Laat ze ophouden!"
+
+"Ge zijt een afvallige!"
+
+"Goddeloos als Herodes en de zijnen!"
+
+"Minder goddeloos dan gij!" antwoordde Antipas. "Mijn vader was het,
+die uw tempel bouwde!"
+
+Toen begonnen de Farizeers, de zonen der bannelingen, aanhangers van
+Matathias, den Viervorst te beschuldigen van de misdaden, door zijn
+verwanten bedreven.
+
+Ze hadden spitse schedels, een stekeligen baard, slappe en boosaardige
+handen, of wel een plat gelaat, dog-achtig, met groote ronde oogen.
+Een twaalftal schriftgeleerden en tempeldienaars, gevoed door den
+afval der offeranden, sprongen op de estrade aan, en dreigden Antipas
+met messen. Hij sprak hen toe, terwijl de Sadduceers hem zwak
+verdedigden. Hij zag Mannaei wel, maar gaf hem een teeken liever maar
+weer heen te gaan, daar Vitellius door zijn houding deed uitkomen, dat
+de dingen hem niet aangingen.
+
+De Farizeers, die nog op hun ligbedden gebleven waren, raasden in
+duivelsche woede, ze sloegen de schotels stuk die voor hen stonden.
+Men had hun Mecena's geliefkoosd gerecht opgediend, vleesch van den
+woudezel, een onreine spijze.
+
+Aulus dreef den spot over den ezelskop, dien zij, volgens de verhalen,
+zouden vereeren, en verkocht ook geestigheden over hun weerzin tegen
+varkens. Zeker was die haat ontstaan omdat dit vette beest hun Bacchus
+gedood had, en daar men in den tempel een gouden wijnstok ontdekt had,
+hielden ze zooveel van wijn!
+
+De priesters begrepen zijn woorden niet. Phineas, een Galileer van
+afkomst, wilde ze niet vertolken. Toen kende de toorn van Aulus geen
+grenzen meer, te erger omdat de kleine Aziaat, door vrees bevangen
+verdwenen was; en het maal stond hem niet aan, de spijzen waren te
+alledaagsch, niet kunstig genoeg verwerkt! Hij kwam tot kalmte, toen
+hij staarten van Syrische schapen zag opdragen, louter rollen van vet.
+
+De aard der Joden leek Vitellius een gruwel. Moloch, wien hij langs
+den weg altaren had zien opgericht, kon best hun god zijn; en het viel
+hem te binnen, hoe ze den naam hadden kinderen ten offer te brengen.
+Ook de geschiedenis van den man, dien ze op geheimzinnige wijze zouden
+vetmesten, kwam hem in de gedachten. Hij, de Latijn, voelde zijn hart
+walgen van hun onverdraagzaamheid, hun beelden-vernielende furie, hun
+afstuitende ruwheid.
+
+De Proconsul wilde heengaan. Aulus weigerde hem te vergezellen.
+
+Hij lag achter een hoop etenswaren, te verzadigd om er nog van te
+gebruiken, maar te koppig om ze in den steek te laten.
+
+De opwinding van het volk werd steeds grooter. Ze gingen op in plannen
+voor hun onafhankelijkheid. De herinnering aan Israels glorie werd
+opgeroepen. Alle veroveraars hadden ze afgeslagen: Antigonus, Crassus,
+Varus...
+
+"Ellendelingen!" zei de Proconsul. Want wel verstond hij de Syrische
+taal: zijn tolk diende slechts om hem tijd tot antwoorden te laten.
+
+Antipas trok haastig de medaille van den Keizer te voorschijn, en,
+bevend hem bespiedend, hief hij haar op, den beeldenaar naar hem
+toewendend.
+
+Daar plotseling werden de vleugels der gouden galerij opengeworpen; en
+in den luister der toortsen, tusschen haar slaven die festoenen van
+anemonen droegen, trad Herodias te voorschijn,--een Assyrische
+mijter stond, met een kinneband, op haar hoofd bevestigd; haar
+spiraal-vormige lokken hingen over een scharlaken peplum, waaruit door
+wijde armsgaten de mouwen plooiden. Twee steenen monsters, gelijk aan
+die bij den schat der Atriden, stonden tegen de deurposten opgesteld,
+en ze geleek op Cybele tusschen haar leeuwen. Hoog van de balustrade
+boven Antipas' hoofd, de offerschaal op de handen, riep ze: "Dat Cesar
+leve!"
+
+Die hulde werd herhaald door Vitellius, Antipas en de priesters.
+Maar uit de diepte der zaal drong een gemompel aan van verrassing en
+bewondering. Een jong meisje was zooeven binnengekomen.
+
+Onder een blauwachtigen sluier, die haar de borst en het
+hoofd verhulde, onderscheidde men den boog harer oogen, de
+chalcedoon-steenen in haar ooren, de blankheid harer huid. Een lap
+van weerschijnende zijde bedekte haar schouders en was op de
+heupen bevestigd door een fijn-gesmeden gouden gordel. Haar zwarte
+beenbekleedsels waren met mandragoren bezaaid, en als voor evenveel
+liet ze haar muiltjes van colibri-dons over den grond klapperen.
+
+Op de estrade gekomen wierp ze haar sluier af: het scheen Herodias,
+zooals die was in haar jeugd. Ze begon te dansen.
+
+Haar voeten hieven zich, de een voor den ander, op het rhythme van een
+fluit en een paar ratels. Haar gebogen armen riepen iemand, die altijd
+weer vluchtte. Lichter dan een vlinder achtervolgde ze hem, als een
+nieuwsgierige Psyche, als een zwervende geest, en ze scheen gereed om
+weg te vliegen.
+
+De rouwklanken van den gingras vervingen de ratels. Neerslachtigheid
+had de hoop vervangen. Haar gebaren werden als verzuchtingen, en in
+geheel haar wezen lag zulk een smachtend verlangen, dat men niet weten
+kon of ze een god beweende of duizelde in een droom van liefde.
+
+Met half-geloken wimpers boog ze en wiegde ze zich met deinende
+golvingen, haar boezem trilde, haar gelaat bleef onbewogen en haar
+voeten hielden niet stil. Vitellius vergeleek haar bij Mnester.
+
+Aulus braakte nog altijd.
+
+De Viervorst zat in een droom verloren en dacht niet meer aan
+Herodias. Toen hij haar meende te zien, in de nabijheid der
+Sadduceers, verzwond zijn visioen.
+
+Het was geen visioen.
+
+Ver van Machaerous had ze Salome, haar dochter,--die de Viervorst
+eenmaal lief moest hebben,--laten opvoeden. En het was een goede
+toeleg geweest. Thans wist ze het zeker!
+
+Nu werd het de vervoering der liefde die bevrediging zoekt. Ze danste
+zooals de Indische priesteressen, gelijk de Nubische vrouwen die bij
+de watervallen wonen, als de bacchanten van Lydie. Ze wierp zich naar
+alle zijden om, gelijk een bloem, die door den storm wordt bewogen. De
+schitter-steenen in haar ooren dansten mede, de glanzende kleuren der
+zijden stoffe, die haar rug verhulde, wisselden; uit haar armen, haar
+voeten, uit haar gewaad, sprongen onzichtbare vonken, die het hart
+der mannen deden ontvlammen. Een harp zong; de menigte jubelde ze
+na, ontsteld van bewondering, zoowel de nomaden, die aan versterving
+gewoon waren, als de Romeinsche soldaten zoo deskundig in
+uitspattingen, de gierige tollenaars en de oude priesters verbitterd
+door 't levenslang redetwisten.
+
+Zonder de knieen te buigen bukte ze zich zoo diep dat haar kin den
+vloer raakte. Vervolgens wentelde ze om Antipas' tafel heen in dolle
+vaart, wervelend als de draaischijf der tooverkollen, en met een stem,
+door snikken van wellust onderbroken, riep hij haar toe:
+
+"Kom! Kom!" Ze wendde en wentelde al voort; zoo luid klonken de
+tympans alsof ze scheuren zouden, de menigte joelde. Maar nog luider
+riep de Viervorst: "Kom! Kom! Capharnauem zult ge hebben, de vlakte van
+Tiberias! mijn burchten! de helft van mijn koninkrijk!" Ze wierp zich
+op de handen, de hielen omhoog, liep zoo als een groote tor de estrade
+over, en hield plotseling stil.
+
+Haar nek en haar rug vormden een rechten hoek. De kleurige schachten
+die haar beenen omsloten, rondden als regenbogen boven haar schouders
+uit, en gingen, een armlengte hoog van den bodem, met haar gelaat in
+eene richting mede. Haar lippen waren gekleurd, haar wenkbrauwen zeer
+zwart, haar oogen bijna verschrikkelijk, en de zweetparels op haar
+gelaat schenen een dauw over wit marmer.
+
+Ze sprak niet. Ze zagen elkaar aan.
+
+Een vinger-klap klonk van de tribune. Ze klom daarheen, kwam weer te
+voorschijn, en met eene wat lispelende stem zei ze kinderlijk:
+
+"Ik wil, dat ge me op een schotel, het hoofd geeft van..." Ze was
+den naam vergeten, maar met een glimlach hernam ze: "het hoofd van
+Jaokanann!"
+
+De Viervorst zakte ineen van ontzetting.
+
+Zijn woord moest hij gestand doen, en het volk wachtte.
+
+Maar zoo de dood, die voorspeld was, een ander werd aangedaan,--zou
+de zijne dan niet afgewend worden?
+
+Indien Jaokanann wezenlijk Elias was, kon hij zelf er zich aan
+onttrekken, zoo niet dan beduidde de moord niet veel! Mannaei stond
+naast hem en begreep zijn bedoeling.
+
+Vitellius riep hem terug om hem het wachtwoord te geven, daar er
+soldaten bij het kerkerhol stonden opgesteld.
+
+Het was een verademing: binnen een oogenblik zou alles gedaan zijn.
+
+Maar het werk ging Mannaei niet vlug van de hand.
+
+Ontdaan kwam hij weer binnen.
+
+Sinds veertig jaar oefende hij het beuls-bedrijf uit. Hij was het
+die Aristobulos verdronken had, Alexander gewurgd, Matathias levend
+verbrand, die Zosima, Pappus, Josephus en Antipater onthoofd had; en
+Jaokanann durfde hij niet dooden! Hij klappertandde, en rilde over
+zijn geheele lichaam.
+
+Voor den kerker-kuil had hij den grooten Engel der Samaritanen zien
+staan geheel met oogen overdekt, zwaaiend met een reusachtig zwaard,
+rood en gekarteld als een vuurvlam.
+
+De twee wachten tot getuigen meegebracht, zouden het staven.
+
+Ze hadden niets gezien, dan alleen een Joodschen legerhoofdman, die
+zich op hen gestort had, en die thans niet meer tot de levenden
+behoorde.
+
+De toorn van Herodias barstte los in een stortvloed van platte en
+bloeddorstige verwenschingen. Ze scheurde zich de nagels aan de
+tralies der tribune, en de twee gebeeldhouwde leeuwen leken in haar
+schouders te bijten en te brullen als zij.
+
+Antipas schreeuwde, de priesters, de soldaten, de Farizeers, allen
+riepen ze om wraak en ook de anderen, verontwaardigd dat men hen op
+dat nieuwe tijdverdrijf liet wachten.
+
+Mannaei ging heen met bedekt gelaat.
+
+Den gasten viel de tijd nog langer dan eerst. Ze verveelden zich.
+
+Eensklaps klonken er voetstappen op in de gangen. Het weee ongeduld
+werd onhoudbaar!
+
+Het hoofd kwam.
+
+Mannaei hield het bij de haren aan zijn gestrekten arm, trotsch op het
+gejubel.
+
+Hij legde het op een schotel en bood het Salome aan.
+
+Snel klom ze de tribune op. Na een lange pooze werd het hoofd
+teruggebracht door de oude vrouw, die de Viervorst's morgens was
+gewaar geworden op het platform van een huis, en straks in Herodias'
+kamer.
+
+Hij deinsde terug om het niet te zien. Vitellius wierp er een
+onverschilligen blik op.
+
+Mannaei daalde van de estrade af, en toonde het aan de Romeinsche
+hoofdlieden, die langs deze zijde aanzaten.
+
+Ze bekeken het met onderzoekende blikken.
+
+De scherpe snede van den bijl had het van boven naar beneden gekloofd,
+en de kaak gespleten. Een stuiptrekking trok de mondhoeken neer.
+Stollend bloed vlekte den baard. De gesloten oogleden waren bleek als
+schelpen; rondom straalden de luchters. Het hoofd kwam bij de tafel
+der priesters. Een Farizeer keerde het nieuwsgierig om en om, en
+Mannaei zette het weer stevig recht en plaatste het voor Aulus, die
+er door ontwaakte. Tusschen hun even open wimpers schenen de doode
+oogappels en de verwaterde oogappels elkaar iets te zeggen.
+
+Toen bood Mannaei het Antipas aan. Tranen stroomden den Viervorst over
+de wangen.
+
+De toortsen smeulden uit. De gasten vertrokken, en niemand bleef er in
+de zaal dan Antipas, die met de handen tegen de slapen staag naar
+het afgehouwen hoofd zat te staren, terwijl Phanuel, halverwegen het
+groote middenschip, met uitgestrekte armen gebeden stond te prevelen.
+
+In het uur van zonsopgang, kwamen de twee mannen, die laatst door
+Jaokanann uitgezonden waren, met het lang verhoopte antwoord.
+
+Ze vertrouwden het Phanuel toe, die het in zielsvervoering aanhoorde.
+
+Toen toonde hij hun het gruwelijk voorwerp op den schotel, tusschen de
+resten van het feestmaal.
+
+Een der mannen zeide:
+
+"Troost u! Hij is nedergedaald tot de dooden, om Christus te
+verkondigen!"
+
+Thans begreep de Esseer de woorden: "Hij moet grooter, maar ik kleiner
+worden!"
+
+En het hoofd van Jaokanann met zich nemend, gingen ze met hun drieen
+den kant van Galilea uit.
+
+Daar het zeer zwaar was, droeg ieder het op zijn beurt.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Drie Vertellingen, by Gustave Flaubert
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN ***
+
+This file should be named 7drvt10.txt or 7drvt10.zip
+Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 7drvt11.txt
+VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 7drvt10a.txt
+
+Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team.
+
+Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US
+unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+We are now trying to release all our eBooks one year in advance
+of the official release dates, leaving time for better editing.
+Please be encouraged to tell us about any error or corrections,
+even years after the official publication date.
+
+Please note neither this listing nor its contents are final til
+midnight of the last day of the month of any such announcement.
+The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at
+Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A
+preliminary version may often be posted for suggestion, comment
+and editing by those who wish to do so.
+
+Most people start at our Web sites at:
+http://gutenberg.net or
+http://promo.net/pg
+
+These Web sites include award-winning information about Project
+Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new
+eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!).
+
+
+Those of you who want to download any eBook before announcement
+can get to them as follows, and just download by date. This is
+also a good way to get them instantly upon announcement, as the
+indexes our cataloguers produce obviously take a while after an
+announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter.
+
+http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext03 or
+ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext03
+
+Or /etext02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90
+
+Just search by the first five letters of the filename you want,
+as it appears in our Newsletters.
+
+
+Information about Project Gutenberg (one page)
+
+We produce about two million dollars for each hour we work. The
+time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours
+to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright
+searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our
+projected audience is one hundred million readers. If the value
+per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2
+million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text
+files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+
+We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002
+If they reach just 1-2% of the world's population then the total
+will reach over half a trillion eBooks given away by year's end.
+
+The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks!
+This is ten thousand titles each to one hundred million readers,
+which is only about 4% of the present number of computer users.
+
+Here is the briefest record of our progress (* means estimated):
+
+eBooks Year Month
+
+ 1 1971 July
+ 10 1991 January
+ 100 1994 January
+ 1000 1997 August
+ 1500 1998 October
+ 2000 1999 December
+ 2500 2000 December
+ 3000 2001 November
+ 4000 2001 October/November
+ 6000 2002 December*
+ 9000 2003 November*
+10000 2004 January*
+
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created
+to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium.
+
+We need your donations more than ever!
+
+As of February, 2002, contributions are being solicited from people
+and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut,
+Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois,
+Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts,
+Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New
+Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio,
+Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South
+Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West
+Virginia, Wisconsin, and Wyoming.
+
+We have filed in all 50 states now, but these are the only ones
+that have responded.
+
+As the requirements for other states are met, additions to this list
+will be made and fund raising will begin in the additional states.
+Please feel free to ask to check the status of your state.
+
+In answer to various questions we have received on this:
+
+We are constantly working on finishing the paperwork to legally
+request donations in all 50 states. If your state is not listed and
+you would like to know if we have added it since the list you have,
+just ask.
+
+While we cannot solicit donations from people in states where we are
+not yet registered, we know of no prohibition against accepting
+donations from donors in these states who approach us with an offer to
+donate.
+
+International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about
+how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made
+deductible, and don't have the staff to handle it even if there are
+ways.
+
+Donations by check or money order may be sent to:
+
+Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+PMB 113
+1739 University Ave.
+Oxford, MS 38655-4109
+
+Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment
+method other than by check or money order.
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by
+the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN
+[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are
+tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising
+requirements for other states are met, additions to this list will be
+made and fund-raising will begin in the additional states.
+
+We need your donations more than ever!
+
+You can get up to date donation information online at:
+
+http://www.gutenberg.net/donation.html
+
+
+***
+
+If you can't reach Project Gutenberg,
+you can always email directly to:
+
+Michael S. Hart <hart@pobox.com>
+
+Prof. Hart will answer or forward your message.
+
+We would prefer to send you information by email.
+
+
+**The Legal Small Print**
+
+
+(Three Pages)
+
+***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START***
+Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers.
+They tell us you might sue us if there is something wrong with
+your copy of this eBook, even if you got it for free from
+someone other than us, and even if what's wrong is not our
+fault. So, among other things, this "Small Print!" statement
+disclaims most of our liability to you. It also tells you how
+you may distribute copies of this eBook if you want to.
+
+*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK
+By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm
+eBook, you indicate that you understand, agree to and accept
+this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive
+a refund of the money (if any) you paid for this eBook by
+sending a request within 30 days of receiving it to the person
+you got it from. If you received this eBook on a physical
+medium (such as a disk), you must return it with your request.
+
+ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS
+This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks,
+is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart
+through the Project Gutenberg Association (the "Project").
+Among other things, this means that no one owns a United States copyright
+on or for this work, so the Project (and you!) can copy and
+distribute it in the United States without permission and
+without paying copyright royalties. Special rules, set forth
+below, apply if you wish to copy and distribute this eBook
+under the "PROJECT GUTENBERG" trademark.
+
+Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market
+any commercial products without permission.
+
+To create these eBooks, the Project expends considerable
+efforts to identify, transcribe and proofread public domain
+works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any
+medium they may be on may contain "Defects". Among other
+things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged
+disk or other eBook medium, a computer virus, or computer
+codes that damage or cannot be read by your equipment.
+
+LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES
+But for the "Right of Replacement or Refund" described below,
+[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may
+receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims
+all liability to you for damages, costs and expenses, including
+legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR
+UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT,
+INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE
+OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE
+POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES.
+
+If you discover a Defect in this eBook within 90 days of
+receiving it, you can receive a refund of the money (if any)
+you paid for it by sending an explanatory note within that
+time to the person you received it from. If you received it
+on a physical medium, you must return it with your note, and
+such person may choose to alternatively give you a replacement
+copy. If you received it electronically, such person may
+choose to alternatively give you a second opportunity to
+receive it electronically.
+
+THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS
+TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A
+PARTICULAR PURPOSE.
+
+Some states do not allow disclaimers of implied warranties or
+the exclusion or limitation of consequential damages, so the
+above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you
+may have other legal rights.
+
+INDEMNITY
+You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation,
+and its trustees and agents, and any volunteers associated
+with the production and distribution of Project Gutenberg-tm
+texts harmless, from all liability, cost and expense, including
+legal fees, that arise directly or indirectly from any of the
+following that you do or cause: [1] distribution of this eBook,
+[2] alteration, modification, or addition to the eBook,
+or [3] any Defect.
+
+DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm"
+You may distribute copies of this eBook electronically, or by
+disk, book or any other medium if you either delete this
+"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg,
+or:
+
+[1] Only give exact copies of it. Among other things, this
+ requires that you do not remove, alter or modify the
+ eBook or this "small print!" statement. You may however,
+ if you wish, distribute this eBook in machine readable
+ binary, compressed, mark-up, or proprietary form,
+ including any form resulting from conversion by word
+ processing or hypertext software, but only so long as
+ *EITHER*:
+
+ [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and
+ does *not* contain characters other than those
+ intended by the author of the work, although tilde
+ (~), asterisk (*) and underline (_) characters may
+ be used to convey punctuation intended by the
+ author, and additional characters may be used to
+ indicate hypertext links; OR
+
+ [*] The eBook may be readily converted by the reader at
+ no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent
+ form by the program that displays the eBook (as is
+ the case, for instance, with most word processors);
+ OR
+
+ [*] You provide, or agree to also provide on request at
+ no additional cost, fee or expense, a copy of the
+ eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC
+ or other equivalent proprietary form).
+
+[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this
+ "Small Print!" statement.
+
+[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the
+ gross profits you derive calculated using the method you
+ already use to calculate your applicable taxes. If you
+ don't derive profits, no royalty is due. Royalties are
+ payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation"
+ the 60 days following each date you prepare (or were
+ legally required to prepare) your annual (or equivalent
+ periodic) tax return. Please contact us beforehand to
+ let us know your plans and to work out the details.
+
+WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO?
+Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of
+public domain and licensed works that can be freely distributed
+in machine readable form.
+
+The Project gratefully accepts contributions of money, time,
+public domain materials, or royalty free copyright licenses.
+Money should be paid to the:
+"Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+If you are interested in contributing scanning equipment or
+software or other items, please contact Michael Hart at:
+hart@pobox.com
+
+[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only
+when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by
+Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be
+used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be
+they hardware or software or any other related product without
+express permission.]
+
+*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END*
+
diff --git a/old/7drvt10.zip b/old/7drvt10.zip
new file mode 100644
index 0000000..4934792
--- /dev/null
+++ b/old/7drvt10.zip
Binary files differ
diff --git a/old/8drvt10.txt b/old/8drvt10.txt
new file mode 100644
index 0000000..d5d20be
--- /dev/null
+++ b/old/8drvt10.txt
@@ -0,0 +1,4558 @@
+The Project Gutenberg EBook of Drie Vertellingen, by Gustave Flaubert
+
+Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the
+copyright laws for your country before downloading or redistributing
+this or any other Project Gutenberg eBook.
+
+This header should be the first thing seen when viewing this Project
+Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the
+header without written permission.
+
+Please read the "legal small print," and other information about the
+eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is
+important information about your specific rights and restrictions in
+how the file may be used. You can also find out about how to make a
+donation to Project Gutenberg, and how to get involved.
+
+
+**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts**
+
+**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971**
+
+*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!*****
+
+
+Title: Drie Vertellingen
+
+Author: Gustave Flaubert
+
+Release Date: September, 2005 [EBook #8804]
+[Yes, we are more than one year ahead of schedule]
+[This file was first posted on August 10, 2003]
+
+Edition: 10
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+DRIE VERTELLINGEN DOOR GUSTAVE FLAUBERT
+
+
+EEN EENVOUDIGE ZIEL
+
+DE LEGENDE VAN SINT JULIAAN DEN GASTVRIJEN
+
+HERODIAS
+
+
+VERTAALD DOOR MARIE KOENEN
+
+
+Gebaseerd op de editie gepubliceerd in 1917, te Bussum.
+
+
+
+
+
+EEN EENVOUDIGE ZIEL
+
+
+
+
+I
+
+
+Een halve eeuw lang werd mevrouw Aubain door de dames van
+Pont-l'Évêque benijd om haar meid Félicité.
+
+Voor honderd franken per jaar deed zij de keuken en het huishouden,
+naaide, waschte en streek ze, wist ze een paard op te tuigen, de
+hoenders vet te mesten, de melk te karnen, en bleef ze trouw aan haar
+meesteres, die toch geen aangename vrouw was.
+
+Mevrouw Aubain had een knappen jongen getrouwd zonder geld, die in 't
+begin van 1809 stierf, haar twee heel jonge kinderen nalatend en
+veel schulden. Ze verkocht toen haar vaste goederen, op de hoeve van
+Toucques en de hoeve van Geffosses na, die hoogstens 5,000 franken
+rente opbrachten, en ze verliet haar huis te Saint-Melaine voor een
+voordeeliger, dat had toebehoord aan haar familie en gelegen was
+achter de hallen. Dit huis, met zijn leien dak, lag tusschen een open
+gang en een steegje, uitloopend op de rivier. Binnen struikelde men
+er over het hoog-en-laag der ongelijke vloeren. Een enge vestibuul
+scheidde de keuken van de zaal, waar mevrouw Aubain den dag lang
+in een rieten fauteuil bij het openslaand raam zat. Tegen het wit
+geverfde beschot stonden in een rij acht mahoniehouten stoelen.
+Een oude piano torste, onder een barometer, een pyramide van
+opeengestapelde bussen en kartonnen doozen. Twee trijpen armzetels
+stonden ter weerszijden van den geel marmeren schoorsteen in stijl
+Louis XV. De pendule, in het midden, stelde een vestaalschen tempel
+voor,--en heel het vertrek rook wat duf, daar de plankenvloer lager
+lag dan de tuin.
+
+Op de eerste verdieping was, om te beginnen, de kamer van "mevrouw",
+zeer groot, met flets gebloemd papier behangen, en waarin zich het
+portret bevond van "mijnheer" in saletjonkersdos.
+
+Ze stond in verbinding met een kleiner vertrek, waar men twee
+kinderledikantjes zag, zonder matras. Dan kwam het salon, altijd
+gesloten, en vol meubels onder lakens. Een gang leidde vervolgens naar
+een studeerkamertje; boeken en paperassen vulden de planken van een
+bibliotheek-kast, welke langs drie zijden een groote zwart-houten
+schrijftafel omgaf. De twee achterpaneelen waren bedekt met
+penteekeningen, landschappen in waterverf en platen van Audran,
+gedachtenissen aan betere tijden en aan een vergane weelde.
+
+Een zoldervenstertje op de tweede verdieping verlichtte de kamer van
+Félicité, die uitzicht had op de weien.
+
+Heel vroeg stond ze op, om de mis niet te verzuimen, en ze werkte
+tot 's avonds zonder ophouden; dan, als het maal was afgeloopen, het
+vaatwerk opgeruimd, de deur goed gesloten, dekte ze het houtvuur met
+asch en dutte ze in voor den haard, den rozenkrans in de hand. Niemand
+bij loven en bieden zoo koppig als zij. En wat zindelijkheid aangaat,
+zóó blankgeschuurd waren haar braadpannen, dat ze de andere meiden de
+oogen verblindden. Zuinig als ze was, had ze de gewoonte heel
+langzaam te eten, en met den vinger pikte ze de broodkruimels van de
+tafel,--een brood van twaalf pond werd opzettelijk voor haar gebakken,
+en ze deed het daar twintig dagen mee.
+
+Winter en zomer droeg ze een katoenen halsdoek, met de punt in den
+rug vastgespeld, een muts die haar haren verborg, grijze kousen,
+een rooden onderrok, en over haar jak een boezelaar, zooals de
+ziekenzusters.
+
+Haar gezicht was mager en haar stem schel. Toen ze vijf-en-twintig
+was, zag men haar voor veertig aan. Na haar vijftigste viel, op haar
+uiterlijk, haar leeftijd niet meer te bepalen,--en, stil, steil,
+met haar afgemeten gebaren, leek ze een houten vrouwtje, dat zich
+automatisch bewoog.
+
+
+
+
+II
+
+
+Ze had, zoo goed als een ander, haar liefdesgeschiedenis gehad.
+
+Haar vader, een metselaar, was van een steiger doodgevallen. Daarna
+stierf haar moeder, haar zusters verspreidden zich, zij werd door een
+pachter opgenomen, voor wien ze, hoe klein ook, de koeien moest hoeden
+langs de wegen. Ze bibberde onder haar lompen, dronk plat voorover
+liggend het water uit de poelen, werd om een niemendal geslagen, en
+ten slotte joeg men haar weg om een diefstal van dertig stuivers, dien
+ze niet begaan had. Ze kwam op een andere hoeve, werd er stalmeid, en
+omdat ze in den smaak viel van haar meesters, waren haar kameraden
+jaloersch.
+
+Op een Augustusavond (ze was toen achttien jaar) namen ze haar mee
+naar de kermis van Colleville. Bij den eersten aanblik stond ze stom
+van verbazing, overbluft door het geschetter der dorpsmuzikanten,
+door de lichten in de boomen, de bonte kleeren, de kanten, de gouden
+borstkruisen, al dat hossende volk. Ze hield zich bloode achteraf,
+maar een jonkman, die er welgesteld uitzag, en die zijn pijp rookte
+met de twee ellebogen op den disselboom van een ladderwagen, kwam haar
+ten dans nooden. Hij trakteerde haar op cider, koffie en koek, kocht
+haar een zijden halsdoek, en vroeg of hij haar naar huis zou brengen.
+Onderweg greep hij haar vast. Ze werd bang en begon te roepen. Hij
+ging.
+
+Een anderen avond, wilde ze, op den weg naar Beaumont, een groote
+hooikar voorbij stappen, die langzaam voortschokte, en langs de raders
+schuivend herkende ze Theodore.
+
+Kalmpjes sprak hij haar aan, zeggend dat ze hem vergeven moest, het
+was door "den drank" gekomen.
+
+Ze wist niet, wat te antwoorden en had zin om weg te loopen.
+
+Dadelijk begon hij over den oogst en over de notabelen van de
+gemeente, want zijn vader had Colleville verlaten om de hoeve van
+Ecocs te betrekken, zoodat ze nu buren waren.
+
+--"Hé!" zei ze.
+
+Hij voegde er aan toe, dat men hem graag gevestigd zou zien. Maar
+overigens, haast had hij niet, en hij zou wachten tot hij een vrouw
+vond naar zijn keus. Ze boog het hoofd. Toen vroeg hij haar of ze
+dacht te trouwen. Ze antwoordde, met een glimlach, dat het niet mooi
+was, met iemand den spot te drijven.
+
+--"Wel neen, ik denk er niet aan!"
+
+En hij sloeg haar den linkerarm om het middel. Ze liep zoo voort
+gesteund door zijn arm; hun stap vertraagde. De wind was zwoel, de
+sterren schitterden, vóór hen wankelde de reusachtige kar met hooi; de
+vier paarden begonnen te sleepvoeten en joegen het stof op. Toen, uit
+eigen beweging, wendden ze zich rechtsaf. Hij omhelsde haar nog eens.
+Ze verdween in het duister. De volgende week wist Theodore haar tot
+samenkomsten over te halen. Ze ontmoetten elkaar achter een erf,
+bij een muur, onder een eenzamen boom. Ze was niet onnoozel als een
+jongejuffrouw, maar haar gezond verstand en de haar ingeschapen
+eerbaarheid behoedden haar voor misstappen.
+
+Die weerstand wakkerde Theodore's liefde aan, zoodat hij om er aan te
+voldoen (of onnoozel-weg misschien) voorsloeg haar te trouwen. Ze kon
+het niet gelooven. Hij zwoer dure eeden. Weldra echter kwam hij met
+slecht nieuws voor den dag: zijn ouders hadden verleden jaar een
+remplaçant voor hem genomen, maar elken dag kon hij worden opgeroepen,
+en de gedachte onder dienst te moeten, joeg hem schrik aan. Die
+lafhartigheid was voor Félicité een bewijs van liefde, en de hare werd
+er dubbel zoo groot door. Bij hun samenkomsten kwelde Theodore haar
+met zijn onrust en zijn gedwing.
+
+Eindelijk vertelde hij haar, dat hij zelf naar de prefectuur zou
+gaan om inlichtingen, die hij haar aanstaanden Zondag zou meedeelen
+tusschen elf uur en middernacht.
+
+Toen het tijd was, liep ze Theodore tegemoet.
+
+In zijn plaats vond ze een zijner vrinden, die haar zei dat ze
+Theodore niet zou weerzien.
+
+Om zich aan de lichting te onttrekken had hij een oude, heel rijke
+vrouw gehuwd, Madame Lehoussais, uit Toucques.
+
+Het was een al te groot verdriet. Ze wierp zich op den grond, stootte
+kreten uit, riep den goeden God aan, klaagde en jammerde heel alleen
+in het veld, totdat de zon opging. Dan kwam ze terug op de hoeve, zei
+haar dienst op, en toen de maand om was en ze haar loon had ontvangen,
+knoopte ze al haar hebben en houden in een zakdoek, en begaf ze zich
+naar Pont-l'Évêque.
+
+Vóór het logement vroeg ze om inlichtingen aan een burgerdame met een
+weduwkap, en juist had deze een keukenmeid van noode. Het meisje kende
+niet veel, maar ze leek zooveel goeden wil te hebben en zoo weinig
+eischen, dat mevrouw Aubain eindigde met te zeggen:
+
+--"Goed, ik huur je."
+
+Een kwartier later was Félicité in haar huis opgenomen.
+
+In 't begin leefde ze er in een bevend ontzag voor "den trant van het
+huis", en de herinnering aan "mijnheer", die zweefde over alles! Paul
+en Virginie, de een zeven jaar, de andere nauwelijks vier, schenen
+haar van een kostbare materie geschapen; ze liet hen paardrijden
+op haar rug, en mevrouw Aubain zei haar, hen niet elk oogenblik te
+zoenen, hetgeen haar diep bedroefde. Toch voelde ze zich gelukkig. De
+vrindelijkheid der omgeving had haar alle verdriet doen vergeten.
+
+Alle donderdagen trouw kwamen kennissen een partij bostonneeren.
+Félicité maakte tevoren de kaarten en de stoven in orde. Klokke-acht
+kwamen ze, en op slag van elf gingen ze heen.
+
+Iederen maandagmorgen stalde de uitdrager, die in de steeg woonde,
+langs den grond zijn oud-roest uit. Dan kwam de stad vol gegons van
+stemmen, vermengd met paarden-gehinnik, schapengeblaat, varkensgeknor
+en het geratel der boerenwagentjes over de straat.
+
+Tegen twaalf uur als de marktdrukte in vollen gang was, zag men een
+ouden boer op den drempel verschijnen, een langen man met een krommen
+neus, de pet achterover, Robelin de pachter van Geffosses.
+
+Kort daarna was er Liébard, de pachter van Toucques, klein, blozig,
+zwaarlijvig, die een grijs vest droeg en slobkousen van sporen
+voorzien.
+
+Beiden kwamen ze hun eigenares kippen of kaas te koop aanbieden.
+Félicité was hun altijd weer te slim af, maar vol achting voor haar
+gingen ze heen.
+
+Op ongeregelde tijden ontving mevrouw Aubain bezoek van den markies de
+Gremanville, een harer ooms, berooid door zijn liederlijk leven, en
+die te Falaise op het laatste lapje van zijn grond woonde. Altijd kwam
+hij op het uur van het tweede ontbijt, vergezeld van een afschuwlijken
+poedel, die met zijn pooten alle meubels vuil maakte.
+
+Hoewel hij zijn pogingen een heer te schijnen zóó ver doordreef, dat
+hij bij ieder: "wijlen mijn vader", den hoed lichtte, toch was de
+slechte gewoonte hem te machtig, telkens vulde hij zijn glas, telkens
+liet hij gewaagde aardigheden los.
+
+Félicité zette hem met een zoet lijntje het huis uit: "U hebt genoeg
+voor vandaag, mijnheer de Gremanville! Tot later!" En ze sloot de deur
+achter hem.
+
+Met genoegen opende ze die voor mijnheer Bourais, oud-procureur. Zijn
+witte das en zijn kaal hoofd, de jabot van zijn overhemd, zijn wijde
+bruine pandjas, de armronding waarmee hij zijn snuifje nam, geheel
+zijn persoon maakte een verwarrenden indruk op haar, zooals de aanblik
+van buitengewone mannen dit doet.
+
+Daar hij de eigendommen van "mevrouw" beheerde, sloot hij zich
+urenlang met haar op in het kabinet van "mijnheer", was altijd bang
+voor opspraak, had een grenzenloozen eerbied voor de rechterlijke
+macht, en liet er zich op voorstaan Latijn te kennen.
+
+Om de kinderen spelend te doen leeren, gaf hij hun een serie
+aardrijkskundige prenten ten geschenke.
+
+Ze stelden verschillende tafereelen van het wereldrond voor,
+menscheneters met veeren gekroond, een aap die een juffrouw ontvoerde,
+Bedouïnen in de woestijn, een walvisch dien men harpoeneerde, enz.
+
+Paul gaf aan Félicité den uitleg van die platen. Dit was al geletterde
+opvoeding, die ze kreeg.
+
+Die der kinderen was aan Guyot toevertrouwd, een armen drommel, klerk
+op het stadhuis, befaamd om zijn mooie hand van schrijven, en die zijn
+pennemes aanzette op z'n laars.
+
+Wanneer het helder weer was, begaf men zich reeds vroegtijdig naar de
+hoeve van Geffosses.
+
+Het erf helt af, het woonhuis staat in 't midden, en de zee is
+zichtbaar in de verte als een grijze vlek.
+
+Félicité haalde plakken koud vleesch uit haar karbies, en er werd
+ontbeten in een vertrek aansluitend aan de melkerij. Dit was het
+laatste overschot van een nu verdwenen zomerverblijf. Het in flarden
+gescheurd behang trilde in den tocht. Mevrouw Aubain boog het hoofd,
+overstelpt door herinneringen; de kinderen durfden niet meer te
+praten. "Ga toch spelen", zei ze; ze maakten dat ze wegkwamen.
+
+Paul klom op den hooizolder, ging vogels vangen, keilde steenen over
+den poel, of sloeg met een stok op de groote vaten, die hol opklonken
+als trommen.
+
+Virginie voerde de konijnen, vloog vooruit om korenbloemen te plukken,
+en om haar rappe beenen wipten de geborduurde strooken van haar
+broekje.
+
+Op een herfstavond keerden ze gevieren door de weilanden huiswaarts.
+
+De wassende maan verlichtte een stuk van den hemel, en een nevelstreep
+dreef als een sluier over de bochten van de Toucques. Runderen, die
+midden in het gras lagen uitgestrekt, zagen kalm die vier menschen
+voorbijgaan. In de derde wei hieven er eenige zich op, die kwamen in
+een halven kring hun den weg versperren.--"Wees maar niet bang!" zei
+Félicité, en met klagend geprevel streelde ze het dier, dat dichtstbij
+stond, over den rug; het draaide zich half om, de andere deden dit na.
+
+Maar den volgenden beemd doortrekkend, hoorden ze een ontzettend
+gebrul opgaan. Het was een stier, door den nevel onzichtbaar. Hij kwam
+de twee vrouwen al nader. Mevrouw Aubain wilde hard wegloopen. "Neen!
+neen! niet zoo vlug!" Toch versnelden ze den pas, en ze hoorden achter
+zich een steeds duidelijker ademgesnuif. De hoeven sloegen als hamers
+over het weigras; daar had hij 't, zoowaar, ook nog op een draf gezet!
+
+Félicité keerde zich om, en met beide handen rukte ze aardkluiten los,
+die ze hem in de oogen gooide. Hij dook den snuit, schudde de horens,
+rillend van woede onder afgrijselijk geloei.
+
+Mevrouw Aubain was met haar twee kinderen aan 't eind van de wei, en
+zocht, buiten zichzelf van angst, hoe over den hoogen kant te komen.
+Félicité week aldoor achterwaarts met den stier vóór zich, en wierp
+almaar met graskluiten die hem blind maakten, terwijl ze bleef roepen:
+"Haast u dan toch! Haast u dan toch!"
+
+Madame Aubain stapte in de droge sloot, duwde Virginie en dan Paul
+voor zich uit, struikelde telkens terwijl ze tegen den glooienden
+wegboord trachtte op te klimmen, wat haar door moedig voltehouden ten
+laatste toch gelukte.
+
+De stier had Félicité tegen een haag geduwd; zijn kwijl spatte haar
+in 't gezicht, nog één seconde en zijn horens gingen haar het lichaam
+openrijten. Juist nog had ze den tijd tusschen twee palen door te
+glippen, en het zware dier bleef verbluft staan.
+
+Deze gebeurtenis was jarenlang een onderwerp van gesprek in
+Pont-l'Évêque. Félicité liet er zich heelemaal niets op voorstaan,
+giste zelfs niet iets heldhaftigs te hebben verricht.
+
+Virginie alleen hield haar gedachten bezig; want ten gevolge van den
+schrik had deze een zenuwaandoening gekregen, en mijnheer Poupart, de
+dokter, ried de zeebaden van Trouville aan.
+
+Ze werden nog niet bezocht in dien tijd. Mevrouw Aubain vroeg
+inlichtingen, raadpleegde Bourais, en maakte toebereidselen als voor
+een langdurige reis.
+
+Haar koffers gingen daags te voren weg, op de kar van Liébard.
+Den volgenden dag bracht hij twee paarden voor, het eene met een
+dameszadel dat een fluweelen rugleuning had; een opgerolde mantel
+vormde een zitting op het kruis van het tweede. Mevrouw Aubain steeg
+daar op, achter Liébard. Félicité nam Virginie onder haar hoede, en
+Paul zette zich schrijlings op den ezel door mijnheer Lechaptois
+afgestaan, mits men er uiterst voorzichtig mee zou zijn.
+
+De weg was zóó slecht, dat men over zijn acht kilometer twee uren
+moest doen. De paarden zakten tot over de enkels in de modder en
+schokten met de dijen om er uit te raken; ofwel ze struikelden in de
+karresporen; een andermaal weer moesten ze een sprong nemen. De merrie
+van Liébard bleef hier en daar plotseling stilstaan. Geduldig wachtte
+hij tot ze weer verder ging, en hij praatte over de menschen wier
+eigendommen langs den weg lagen, moreele beschouwingen vastknoopend
+aan hun levensgeschiedenis. Toen ze midden in Toucques, onder
+met Oost-Indische kers omrankte vensters doorreden, zei hij
+schouderophalend:--"Zoo woont hier een madame Lehoussais, die in
+plaats van een jongen man te trouwen..." Félicité verstond de rest
+niet; de paarden draafden, de ezel liep in galop; in een rij togen
+ze een voetpad langs, een hek week open, twee jongens traden te
+voorschijn, en er werd afgestegen, vóór de mestvaalt, vlak bij den
+deurdrempel. Toen vrouw Liébard haar meesteres voor zich zag, kwam er
+geen eind aan haar vreugdbetuigingen. Ze zette haar een ontbijt
+voor bestaande uit runderharst, rolpens, bloedworst, gestoofde kip,
+schuimenden cider, vruchtentaart, en pruimen op brandewijn, dit alles
+kruidend met beleefdheden aan mevrouw, die er zooveel beter uitzag,
+aan de jongejuffrouw, die "allerliefst" was geworden, aan mijnheer
+Paul die zoo buitengewoon was aangesterkt, zonder hun overleden
+grootouders te vergeten, die de Liébards gekend hadden, daar ze van
+ouder tot ouder aan de familie verbonden waren. De hoeve had, zooals
+zij zelve, iets ouderwetsch over zich. De balken waren vermolmd, de
+muren zwart van rook, de vensterruiten grijs bestoven. Een eikenhouten
+aanrecht was beladen met allerlei gerief, groote kannen, schotels,
+tinnen kommen, wolfsklemmen, scharen om de schapen te scheren, een
+reusachtige klisteerspuit, waar de kinderen om lachen moesten. Niet
+één boom in de drie hoven, die geen paddenstoelen aan zijn voet had of
+in zijn kruin een bos mistel. De wind had er verschillende omgeworpen.
+Ze schoten in 't midden opnieuw uit; en alle bogen ze onder den last
+hunner appels. De stroodaken die van bruin fluweel leken en ongelijk
+van zwaarte waren, weerstonden de hevigste rukwinden. Het wagenhuis
+echter was bouwvallig. Mevrouw Aubain beloofde dit in gedachte te
+houden, en gaf bevel de rijdieren weer op te tuigen. Nog een half uur
+zou er noodig zijn om Trouville te bereiken. De kleine karavaan steeg
+af om de Écores over te gaan, een overhangende rots waaronder schepen
+lagen; en na drie minuten kwam men, aan 't eind der kade, op de
+binnenplaats van "het gouden Lam", bij vrouw David.
+
+Vanaf de eerste dagen voelde Virginie zich minder zwak, dank zij de
+verandering van lucht en de werking der baden. Ze had geen badkostuum
+en ging in haar hemdje de zee in; Félicité kleedde haar weer aan in
+een tolhuisje, dat de baders gebruiken mochten.
+
+'s Namiddags ging men met den ezel de "Zwarte Rotsen" over, den kant
+uit van Hennequeville. Eerst steeg het voetpad tusschen weilanden die
+glooiden als het gazon van een park, en 't liep uit op een heuvelvlak
+waar grasvelden en bouwgrond elkaar afwisselden. Langs den wegrand
+groeiden hulstboompjes uit de warrende dorenranken op; hier en daar,
+trok een groote doode boom met zijn takken zigzag-lijnen tegen de
+blauwe lucht.
+
+Iederen keer bijna rustten ze uit in een kleine wei, aan wier
+linkerkant Deauville lag, Hâvre rechts, en die uitzag op de volle zee.
+Ze schitterde in de zon, lag effen als een spiegel, zóó kalm dat men
+nauwelijks haar ruischen hoorde; musschen piepten ergens, en het wijde
+hemelgewelf overdekte dit alles. Mevrouw Aubain zat neer, bezig
+met haar naaiwerk; naast haar was Virginie biezen aan 't vlechten;
+Félicité trok lavendelbloemen uit; Paul, die zich verveelde, wilde
+weg.
+
+Andere keeren voeren ze de Toucques voorbij, en gingen schelpen
+zoeken, 't Laag getij had zee-egels en kwallen op 't droge gelaten,
+en de kinderen liepen schuimvlokken na, die de wind meenam. De
+sluimerende golven, deinend over de zandbedding, bestreken het strand,
+dat zich uitstrekte zoo ver het oog reikte, maar dat aan de landzijde
+werd begrensd door de duinen, die het scheidden van de mars, een groot
+weiland rond als een renperk.
+
+Wanneer ze langsdaar terugkeerden, werd Trouville, ginds tegen
+de heuvelhelling, bij iederen voetstap grooter, en met zijn
+onregelmatigen huizenbouw scheen het, in een vroolijke wanordelijkheid,
+als open te luiken. Op dagen dat het te warm was, bleven ze in hun
+kamer. De verblindende klaarte daarbuiten schoof staven van licht
+tusschen de latten der zonneblinden. Niet het minste gerucht in het
+dorp. Beneden, op de stoep, niemand. Deze wijde stilte verinnigde de
+rust der dingen. In de verte klopten de breeuw-hamers op de
+scheepskielen, en een zwoele bries woei teerlucht aan.
+
+De voornaamste vermakelijkheid was de weerkomst der visscherspinken.
+Zoo gauw ze de bakens voorbij waren, begonnen ze te laveeren. Hun
+zeilen streken neer tot op twee-derde der masthoogte; en met de fok
+opgezwollen als een ballon dreven ze aan, gleden ze door het gekabbel
+der golven, tot in 't midden der haven, waar het anker ineens
+neerplonste. Dan meerde de boot aan de kade. De matrozen wierpen
+lillende visschen over de reeling; een rij wagentjes wachtte hen op,
+en vrouwen met katoenen mutsen snelden toe om de korven aan te nemen
+en hun mannen te omhelzen.
+
+Een harer sprak op zekeren dag Félicité aan, die even later heel blij
+de kamer binnenkwam. Ze had een zuster weergevonden; en daar verscheen
+Nastasie Barette, huisvrouw Leroux, met een zuigeling aan de borst,
+een ander kind aan de rechterhand, en aan haar linkerzij een
+scheepsjongetje met de handen in de zij en de platte pet op één oor.
+
+Na een kwartier zei mevrouw Aubain, dat ze moesten gaan.
+
+Sedert liep men dat groepje altijd tegen 't lijf, in de buurt van de
+keuken, of op wandeling. De man liet zich niet zien.
+
+Félicité begon van hen te houden. Ze kocht hun een deken, hemden, een
+fornuis, 't was duidelijk dat ze haar uitbuitten. Deze zwakhartigheid
+ergerde mevrouw Aubain, wie daarenboven de gemeenzaamheid van
+het neefje niet aanstond,--dat "je" en "jou" speelde tegen haar
+zoontje,--en daar Virginie hoestte en het mooie weer voorbij was, kwam
+ze in Pont-l'Évêque terug.
+
+Mijnheer Bourais hielp haar bij de keuze van een Latijnsche school.
+
+Die van Caen gold als de beste.
+
+Paul werd er heen gezonden, en met goeden moed nam hij afscheid, blij
+in een huis te gaan wonen, waar hij makkers zou vinden.
+
+Mevrouw Aubain berustte in de afwezigheid van haar zoon, daar die
+noodzakelijk was. Virginie dacht minder en minder aan hem. Félicité
+miste zijn levenmakerij. Maar een bezigheid kwam haar verstrooiing
+geven; van Kerstmis af begeleidde ze iederen dag het kleine meisje
+naar den catechismus.
+
+
+
+
+III
+
+
+Nadat ze bij de deur een kniebuiging had gemaakt, ging ze door de
+middenbeuk tusschen de dubbele rij stoelen door, opende mevrouw
+Aubains bank, ging daar zitten, en liet den blik rondwaren.
+
+De jongens zaten rechts, de meisjes links in de kanunnikenbanken. De
+pastoor bleef staan bij den koorlezenaar; in een venster van de absis
+zweefde de Heilige Geest boven de Maagd Maria; een ander toonde haar
+geknield voor het kindje Jezus, en achter het tabernakel stelde
+een houten groep Sint Michaël voor die den draak verslaat. Eerst
+behandelde de priester in 't kort de bijbelsche geschiedenis. Ze
+waande het paradijs te zien, den zondvloed, den toren van Babel,
+steden die in vlammen opgingen, stervende volken, omgestorte
+afgodsbeelden; het ontzag voor den Allerhoogste bleef haar bij uit
+deze zinsbegoocheling, de vreeze voor Zijn gramschap. Daarna zat ze
+te schreien, luisterend naar het lijdensverhaal. Waarom hadden ze
+Hem gekruisigd, Hem, die de kinderen liefhad, de scharen voedde, de
+blinden genas en die uit ootmoedigheid wilde geboren worden, tusschen
+de armelieden, op het meststroo van een stal? De zaaitijd, de oogst,
+de wijnpersen, al die welbekende dingen, waarover het Evangelie
+spreekt, waren in haar leven ook; langs hen schrijdend had God ze
+geheiligd; en ze hield met meer verteedering van de lammeren uit
+liefde tot het Lam, van de duiven om den Heiligen Geest.
+
+Het kostte haar moeite zich Zijn wezen voor te stellen; want niet
+alleen was Hij een vogel, maar ook een vuur, en soms de voorbijgaande
+wind. Misschien is het Zijn licht dat 's nachts dwaalt langs de oevers
+der moerassen, Zijn adem die de wolken voortdrijft, Zijn stem die de
+klokken welluidend maakt, en ze bleef in aanbidding, genietend van de
+koelte der muren en de stilte der kerk.
+
+Van de leerstellingen begreep ze niets, deed er zelfs geen moeite toe
+te begrijpen. De pastoor sprak, de kinderen zeiden hun les op. Zij
+viel ten laatste in slaap, en werd eensklaps wakker, als, bij het
+uitgaan der leering, de klompen over de vloersteenen klapperden.
+
+Zoo, door almaar toe te luisteren, leerde ze den catechismus, dien
+ze niet kende, omdat in haar jeugd haar godsdienstige opvoeding
+verwaarloosd was, en van toen-af deed ze Virginie in alle vrome
+gewoonten na, vastte als zij, biechtte wanneer zij biechtte. Op
+Sacramentsdag maakten ze samen een rustaltaartje.
+
+De eerste communie gaf haar van te voren veel zorg. Ze maakte zich
+druk over de schoentjes, den rozenkrans, het kerkboek, over de
+handschoenen. Met wat een ontroering hielp ze de moeder het kind
+kleeden!
+
+Heel de mis door voelde ze een beklemming van angst. Aan de ééne zijde
+benam mijnheer Bourais haar het gezicht op het altaar, maar recht
+tegenover haar scheen de groep der bruidjes, die witte kransen droegen
+op de neergeslagen sluiers, een sneeuwveld te vormen; en ze herkende
+van ver haar kleine lieveling aan haar fijner halsje en haar ingetogen
+houding. De bel klonk. De hoofden bogen; het werd stil. Bij 't galmen
+van het orgel zetten de koorzangers en het volk het Agnus Dei in; toen
+begonnen de jongens in rijen naar de communiebank te gaan, en na hen
+stonden de meisjes op. Met langzame schreden, de handen gevouwen,
+gingen ze naar het altaar, dat in licht baadde, knielden op de eerste
+trede, ontvingen een voor een de hostie, en keerden in dezelfde
+volgorde naar haar bidbank terug. Toen het Virginie's beurt was,
+boog Félicité zich voorover om haar te kunnen zien; en door de
+verbeeldingskracht die echte liefde ons geeft, waande ze zelf dat kind
+te zijn, het gelaat van het kind werd het hare, dat communiekleedje
+droeg zij, het hart van het kind klopte haar in den boezem, en
+toen het kind den mond moest openen, look zij de oogen en was een
+bezwijming nabij.
+
+Den volgenden morgen vroeg meldde ze zich in de sacristie aan, opdat
+mijnheer pastoor haar de communie zou uitreiken. Godvruchtig ontving
+ze die, maar niet met dezelfde zielsvervoering.
+
+Mevrouw Aubain wilde van haar dochter een echte dame maken, en daar
+Guyot haar noch Engelsch, noch muziek kon leeren, besloot ze haar op
+kostschool te doen bij de Ursulinen van Honfleur.
+
+Het kind had er niets op tegen.
+
+Félicité zuchtte over mevrouws ongevoelig hart.
+
+Maar ze bedacht, dat haar meesteres misschien gelijk kon hebben. Die
+dingen gingen haar verstand te boven.
+
+Eindelijk reed er op zekeren dag een oud tentwagentje voor, en er
+stapte een kloosterzuster uit, die de jongejuffrouw kwam halen.
+Félicité zette het reisgoed op de imperiaal, drukte den koetsier op
+het hart goed voor alles te zorgen, en borg zes potten gelei onder de
+rijtuigbank, ook een dozijn peren en een tuiltje viooltjes.
+
+Een diepe snik benam Virginie op 't laatste oogenblik den adem;
+ze omhelsde haar moeder, die haar op 't voorhoofd kuste, telkens
+zeggend:--"Komaan, moed houden, moed houden!" De tree werd opgeslagen,
+het rijtuig reed weg.
+
+Toen kreeg mevrouw Aubain een flauwte, en 's avonds kwamen al haar
+vrinden, de Lormeau's, mevrouw Lechaptois, de dames Rochefeuille,
+mijnheer de Houppeville en Bourais, om haar te troosten.
+
+In 't begin viel haar 't gemis van haar dochtertje heel smartelijk.
+Doch driemaal per week kreeg ze een brief, de andere dagen schreef zij
+zelf; ze wandelde in den tuin, las wat, en vulde zoo de leege uren.
+
+Iederen morgen ging Félicité oudergewoonte Virginie's kamer binnen, en
+staarde er naar de muren. Het verdroot haar, dat ze het kind niet meer
+de haren kon kammen, haar niet meer de schoenen kon dichtrijgen, haar
+niet meer warm kon toestoppen 's avonds, dat ze niet meer voortdurend
+haar lief gezichtje kon zien, dat ze niet meer met het kind aan een
+hand kon uitgaan. Daar ze van dit alles niets meer te doen had,
+trachtte ze zich op kantwerken toe te leggen. Haar grove vingers
+braken de draden; ze had oor naar niets, sliep niet meer, en was,
+zooals ze 't noemde "ondermijnd".
+
+"Om haar zinnen wat te verzetten", vroeg ze, of haar neef Victor nu en
+dan eens op bezoek mocht komen.
+
+Sinds kwam hij Zondags na de mis, met rozen op de wangen, de borst
+bloot, en om hem heen de geur nog der velden waardoor zijn weg hem
+geleid had. Dadelijk zette ze een bord voor hem bij. Als ze dan samen
+ontbeten, zaten ze tegenover elkaar, en terwijl ze zelf zoo min
+mogelijk at om de onkosten weer uit te sparen, stopte ze hem zóó vol
+dat hij ten slotte in slaap viel. Bij 't eerste luiden der vesperklok
+maakte ze hem wakker, borstelde zijn broek af, strikte zijn das en
+ging kerkwaarts, met moederlijken trots op zijn arm leunend.
+
+Hij moest, op aansporing van zijn ouders, elken keer probeeren
+iets van haar los te krijgen, hetzij een buil bruine suiker, zeep,
+brandewijn, soms zelfs geld. Hij bracht zijn goed mee om te doen
+verstellen, en ze nam dit werk op zich, blij dat er een reden was die
+hem tot terugkomen noopte.
+
+In Augustus nam zijn vader hem mee op de kustvaart.
+
+'t Was vacantietijd. De komst van de kinderen troostte haar. Maar Paul
+kreeg nukken, en Virginie was over den leeftijd heen dat ze met "je en
+jou" mocht aangesproken worden, dit kwam hun omgang bemoeilijken, werd
+een hinderpaal tusschen haar beiden.
+
+Victor voer achtereenvolgens naar Morlaix. naar Duinkerken en naar
+Brighton, en kwam haar na iedere reis een geschenk brengen. Den
+eersten keer was 't een schelpendoos; toen een koffiekop; den derden
+keer een groote peperkoekenman. De jongen knapte op, was welgebouwd,
+er kwam wat dons op z'n bovenlip, hij had een goedigen, vranken
+oogopslag, en droeg een leeren hoedje, achterover geschoven als dat
+van een loods. Ze had altijd plezier in zijn vertelsels doorspekt met
+zeemanstermen.
+
+Op een Maandag, 14 Juli 1819 (ze vergat dien datum niet), kwam Victor
+haar zeggen, dat hij voor de groote vaart was aangemonsterd, en dat de
+paketboot hem overmorgen-nacht van Honfleur tot bij den schoener zou
+brengen, die binnenkort van Havre uitzeilde. Misschien zou hij twee
+jaar wegblijven.
+
+Het vooruitzicht van een zoo lange afwezigheid was een groot verdriet
+voor Félicité; en om hem nog eens vaarwel te zeggen, trok ze,
+Woensdag-avond, toen mevrouw gegeten had, haar klompschoenen aan, en
+legde ze in minder dan geen tijd, de vier mijlen af die Pont-l'Évêque
+van Honfleur scheiden.
+
+Toen ze bij den Calvarieberg kwam, sloeg ze, in plaats van links,
+rechts af, verdwaalde tusschen de scheepswerven, liep terug; de
+menschen, die ze aanklampte, zeiden dat ze zich moest haasten. Ze
+liep de heele havenkom langs, die vol schepen lag, struikelde over de
+trossen; dan helde het terrein laag af, de lichten stonden schots en
+scheef door elkaar, en ze meende van de wijs te zijn, toen ze paarden
+zag in de lucht.
+
+Langs den kaderand stonden er andere te hinniken, verschrikt door de
+zee. Een takel hief hen op en liet ze neer op een boot, waar reizigers
+zich verdrongen tusschen de ciderfusten, de kaasmanden, de zakken
+met graan; men hoorde kippen kakelen; de kapitein vloekte, en een
+scheepsjongen stond, onverschillig voor dit alles, met de ellebogen
+op den ankerbalk te leunen. Félicité, die hem eerst niet herkend
+had, riep: "Victor!", hij zag op, ze wilde op hem toesnellen, toen
+eensklaps de treeplank werd ingehaald.
+
+Vrouwen trokken al zingend de paketboot de haven uit. De spanten
+kraakten, zware golven sloegen tegen den voorsteven. Het zeil was
+gekeerd, men zag niemand meer;--en op de zee in den zilverschijn der
+maan, was ze een zwarte vlek, die aldoor bleeker werd, wegdook en
+verdween.
+
+Toen Félicité langs den Calvarieberg terugging, wilde ze wat haar 't
+liefste was God aanbevelen, en ze bad langen tijd, recht staande,
+het gezicht nat van tranen, de oogen naar de wolken. De stad sliep,
+douanen wandelden op en neer, en zonder ophouden viel het water,
+ruischend als een stortvloed, door de sluisgaten. 't Sloeg twee uur.
+
+Vóór het dag was, zou ze in het klooster niet terecht kunnen, 't Zou
+zeker erg lastig voor mevrouw zijn, wanneer ze te laat thuiskwam, en
+ondanks haar verlangen het andere kind aan 't hart te drukken, liet ze
+Honfleur achter zich. De meiden van het logement werden juist wakker,
+toen ze Pont-l'Évêque inkwam.
+
+De arme jongen zou dus maandenlang over de golven moeten zwalken!
+Zijn vorige reizen hadden haar niet ongerust gemaakt. Van Engeland en
+Bretagne kwam men weer terug; maar Amerika, de koloniën, de eilanden,
+dat lag verloren ergens in een geheimzinnige hemelstreek aan 't ander
+einde der wereld.
+
+Van toen af dacht Félicité uitsluitend aan haar neef. Op dagen dat de
+zon scheen, maakte ze zich bezorgd over den dorst, bij onweer was ze
+bang, dat de bliksem hem zou treffen. Als ze den wind hoorde die in
+den schoorsteen loeide en de leien van het dak rukte, zag ze hem door
+dien zelfden storm aangegrepen, zich vastklampend aan den top van een
+verbrijzelden mast, achterover uitgestrekt onder een wade van schuim,
+of wel,--herinneringen aan de aardrijkskundige prenten,--hij was
+opgegeten door de wilden, in een bosch door apen meegenomen, of liep
+te verhongeren langs een onbewoonde kust. En nooit sprak ze van haar
+angsten.
+
+Mevrouw Aubain had er andere over haar dochter.
+
+De zusters vonden haar heel lief, maar al te teer. De minste
+aandoening maakte haar zenuwachtig. Met de piano moest ze ophouden.
+
+Haar moeder wilde, dat er van 't klooster uit geregeld zou geschreven
+worden. Op een morgen toen de besteller niet was gekomen, had ze geen
+rust, en ze liep in de zaal op en neer, van haar leunstoel naar het
+venster. 't Was werkelijk iets ongewoons! in vier dagen geen tijding!
+
+Om ze te troosten door háár voorbeeld, zei Félicité:--"En ik mevrouw,
+ik hoorde in geen zes maanden iets!"
+
+--"Van wie dan toch?"
+
+De meid antwoordde zachtjes:
+
+--"Maar... van mijn neef!"
+
+--"O! je neef!" En schouderophalend begon mevrouw Aubain weer op
+en neer te wandelen, wat beteekende: "Dáár dacht ik niet aan!--en
+daarenboven, 't kan me niemendal schelen! een scheepsjongen, een
+schooier, de moeite waard!... en dat terwijl mijn dochter... Verbeeld
+je toch!"...
+
+Hoewel met slaag en grove woorden grootgebracht, was Félicité
+verontwaardigd over mevrouws doen, doch ze vergat spoedig.
+
+Ze kon immers best begrijpen, dat men 't hoofd kwijt raakte, nu het
+zoo met het kleine meisje stond.
+
+De twee kinderen hadden evenveel te beduiden; ze waren één voor haar
+hart, en hun beider lot zou hetzelfde zijn.
+
+De apotheker vertelde haar, dat Victors schip te Havanna was
+aangekomen. Hij had de tijding in een krant gelezen.
+
+Ze verbeeldde zich, door de sigaren, dat Havanna een land was, waar
+men niets deed dan rooken, en Victor wandelde onder de negers in
+tabakswolken gehuld. Zou men, zoo noodig, ook over land daar vandaan
+kunnen terugkeeren? Hoe ver was 't van Pont-l'Évêque? Om er beter van
+op de hoogte te komen, sprak ze mijnheer Bourais aan.
+
+Hij zocht en vond zijn atlas, begon te praten over lengte- en
+breedtecirkels, en glimlachte echt schoolmeesterachtig bij Félicité's
+verbouwereerdheid.
+
+Op 't laatst wees hij haar met zijn potloodhouder tusschen de
+insnijdingen van een ovale vlek een bijna onzichtbare zwarte stip aan,
+er bijvoegend: "Ziehier". Ze boog zich over de kaart, het net van
+gekleurde lijnen vermoeide haar de oogen, zonder dat ze er wijzer door
+werd; en daar mijnheer Bourais haar aanmoedigde te vragen, wat ze op
+'t hart had, verzocht ze hem haar het huis te wijzen waar Victor woonde.
+Bourais sloeg de armen in de lucht, hij nieste, hij schaterde het uit,
+en had dolle pret over een zoo groote onnoozelheid. Félicité begreep
+niet waarover hij zich zoo vroolijk maakte,--zij, die misschien
+verwachtte alles te zien van haar neef, tot het portret toe. Zoo eng
+van begrip was ze!
+
+Veertien dagen later kwam Liébard, zooals naar gewoonte op het
+marktuur, de keuken binnen, en stelde haar een brief van haar zwager
+ter hand. Daar ze geen van beiden lezen konden, riep ze de hulp in van
+mevrouw.
+
+Mevrouw Aubain, die de steken van een breiwerk zat te tellen,
+legde dit naast zich neer, brak den brief open, ontstelde, en zei
+fluisterend, met een diepen blik:
+
+--"'t Is een ongeluk... dat ze je berichten. Je neef..."
+
+Hij was dood. Er stond verder niets.
+
+Félicité viel op een stoel neer, het hoofd tegen het muurbeschot, en
+sloot de oogleden die ineens rood werden. Toen, met gebukt hoofd en
+neerhangende handen, herhaalde ze bij tusschenpoozen, en star voor
+zich uit blikkend:
+
+"Arm ventje! arm ventje!"
+
+Liébard stond al zuchtend naar haar te kijken. Mevrouw Aubain beefde
+wat.
+
+Ze stelde Félicité voor, haar zuster in Trouville eens te gaan
+opzoeken. Félicité antwoordde, met een handbeweging,
+
+
+dat ze daar geen behoefte aan had.
+
+Er volgde een stilte. De goede Liébard vond het gepast zich terug te
+trekken.
+
+Toen zei ze:
+
+--"Ze geven er niets om, die!"
+
+Haar hoofd zonk weer neer, en bijwijlen lichtte haar hand,
+werktuiglijk, van het werktafeltje de lange breinaalden op.
+
+Langs de voorplaats gingen vrouwen met een berrie vol druipend
+waschgoed.
+
+Ze zag het door de ruiten, en dacht aan haar eigen wasch, die ze
+gisteren had ingezet en vandaag moest spoelen. Toen ging ze de
+kamer uit. Haar kuip en haar waschplank stonden aan den rand van de
+Toucques. Ze wierp een hoop hemden op den steilen kant, stroopte de
+mouwen op, nam den stamper, en zóó hard stampte ze, dat het in de
+aangrenzende tuinen te hooren was. De weien waren leeg, de wind
+rimpelde de rivier; ginder hing er lang gras over neer, als 't haar
+van drijvende lijken. Tot 's avonds bedwong ze zich heel moedig, maar
+eenmaal in haar kamer, wierp ze zich plat voorover met het gezicht
+in het kussen, de vuisten tegen de slapen, en liet ze haar smart den
+vrijen loop.
+
+Heel lang naderhand, hoorde ze van Victors kapitein zelf de
+bijzonderheden over zijn dood. Men had hem, tegen de gele koorts, een
+te groote aderlating gegeven. Vier dokters tegelijk hielden hem vast.
+Hij was dadelijk dood, en de gezagvoerder had gezegd:
+
+--"Mooi zoo! alweer een!"
+
+Zijn ouders hadden hem altijd barbaarsch behandeld. Ze wilde die
+liever niet meer zien; zij zelf deden geen enkele toenadering, door
+verzuim, of door harteloosheid, verstompt als ze waren door hun
+ellende.
+
+Virginie werd almaar zwakker.
+
+Benauwdheden, een hoest, aanhoudende koorts, 't blauwachtig blosje
+op haar koonen, verrieden een of andere ernstige ziekte-aandoening.
+Mijnheer Poupart had een verblijf in Provence aangeraden. Mevrouw
+Aubain wilde er wel toe overgaan, en als de lucht van Pont-l'Évêque
+beter was geweest, zou ze haar dochtertje dadelijk hebben
+thuisgehaald. Ze maakte beding met een rijtuigverhuurder, die haar
+voortaan iederen Dinsdag naar het klooster bracht. In den kloostertuin
+is een terras, vanwaar men de Seine kan zien. Steunend op haar moeders
+arm wandelde
+
+Virginie er over de afgevallen wingerdbladeren. Als ze uitzag naar de
+zeilen in de verte, of de heele kim, vanaf het kasteel van Tancarville
+tot de vuurtorens van Havre, met haar blik omvatte, deed de
+doorbrekende zon haar soms met de oogen knippen. Moe gewandeld gingen
+ze rusten in het priëel. Haar moeder had een klein fust malaga-wijn
+aangeschaft, en lachend dat ze misschien dronken zou worden, nam
+Virginie er twee teugjes van, meer niet.
+
+Ze kwam weer wat op krachten. De herfst vlood vreedzaam heen. Félicité
+stelde mevrouw Aubain gerust. Maar op een avond, na een boodschap in
+de buurt, zag ze de sjees van mijnheer Poupart voor de deur, hij zelf
+stond in de vestibuul. Mevrouw Aubain strikte haar hoed vast.
+
+--"Geef me mijn stoof, mijn beurs, mijn handschoenen; wat gauwer,
+toe!" Virginie had een bezetting op de borst; misschien was het
+hopeloos.
+
+--"Nog niet!" zei de dokter, en ze stegen beiden in het rijtuig,
+terwijl de sneeuwvlokken om hen heen dwarrelden, 't Begon nacht te
+worden. Het was heel koud.
+
+Félicité spoedde zich de kerk in, om een kaars aan te steken. Toen
+liep ze de sjees na, die ze een uur later inhaalde, wipte er achter
+op, en hield zich aan de riemen vast. Maar ineens schoot haar de
+gedachte door het hoofd: "De plaats is niet gesloten! als er eens
+dieven binnenkwamen!" En ze sprong weer op den grond.
+
+Toen het den volgenden ochtend evenmaar begon te schemeren, meldde
+ze zich bij den dokter aan. Hij was wel teruggekomen, maar opnieuw
+uitgereden naar buiten. Toen bleef ze in het logement talmen, meenend
+dat vreemde menschen een brief zouden brengen. Eindelijk, bij 't
+eerste licht van den dag, nam ze de diligence naar Lisieux.
+
+Het klooster lag aan 't eind van een steil straatje. Halverwegen dit
+straatje gekomen hoorde ze een vreemd geluid, het geklep van een
+doodsklok, "'t Is voor iemand anders," dacht ze, en hard liet ze den
+klopper neervallen.
+
+Na verloop van meerdere minuten, kwam er iemand aansloffen, de deur
+week op een kier. Het was een der zusters. Het nonnetje zei met een
+godzaligen blik, dat "het kind juist overleden was." Meteen begon de
+doodsklok der Sint-Leonarduskerk met dubbele kracht te luiden.
+
+Félicité kwam eindelijk op de tweede verdieping.
+
+Reeds toen ze over den kamerdrempel trad, zag ze Virginie liggen,
+uitgestrekt op den rug, de handen gevouwen, den mond open, en het
+hoofd achterover onder een zwart kruis, dat tot haar overgebogen hing
+tusschen de roerlooze gordijnen, minder bleek dan haar gelaat. Mevrouw
+Aubain zat aan 't voeteneind van het bedje, dat ze met haar armen
+omklemde. Ze snikte als een zieltogende. Rechts stond de overste.
+Drie luchters brandden op de latafel, de kaarsevlammen schenen roode
+vlekken, wit wolkte de nevel voor de vensters. Een paar zusters
+voerden mevrouw Aubain weg.
+
+Twee nachten lang verliet Félicité de doode niet. Ze herhaalde aldoor
+dezelfde gebeden, sprenkelde wijwater op de lakens, ging weer zitten,
+en schouwde naar haar. Op 't eind der eerste nachtwake bemerkte ze,
+dat het gelaat geel was geworden, de lippen werden blauw, de neus
+scherp, de oogen zonken in. Ze kuste die nog en weer, en groot zou
+haar verbazing niet geweest zijn, als Virginie weer had opgezien; voor
+dergelijke zielen is het bovennatuurlijke iets gewoons. Ze legde het
+kind af, hulde het in de lijkwa, kistte het, zette haar het kransje
+op het hoofd, en spreidde de haren breed uit. Deze waren blond en
+bijzonder lang voor zoo'n jong meisje. Félicité knipte er een lok
+af, waarvan ze de helft op haar hart verborg, vast besloten er nooit
+afstand van te doen.
+
+Het lijk werd naar Pont-l'Évéque overgebracht, op verlangen van
+mevrouw Aubain, die den rouwwagen volgde in een gesloten koets.
+
+Na de mis waren er nog drie kwartier noodig om het kerkhof te
+bereiken. Paul liep aan 't hoofd van den stoet en snikte. Hem volgde
+mijnheer Bourais, dan de voornaamste ingezetenen, de vrouwen, in
+zwarte mantels, en Félicité. Ze dacht aan haar neef, en hoe ze hem
+deze laatste eer niet had kunnen bewijzen, toen werd haar droefheid
+nog grooter, want het leek haar of men nu tegelijk hem met Virginie
+begraven ging.
+
+De smart van mevrouw Aubain kende geen grenzen.
+
+Eerst was ze in opstand tegen God, dien ze onrechtvaardig vond, haar
+dit kind te hebben ontnomen, dat toch nooit kwaad gedaan had en wier
+geweten zonder vlek was! Maar ach! ze had met Virginie naar 't
+Zuiden moeten gaan. Andere dokters zouden haar wel gered hebben. Ze
+beschuldigde zich zelf, wilde bij haar zijn, en 's nachts in haar
+droomen schreeuwde ze 't uit van wanhoop. Eén droom vooral kwelde haar
+telkens weer. Haar man kwam als matroos gekleed van een verren tocht
+terug, en zei haar schreiend, dat hij bevel ontvangen had Virginie mee
+te nemen. Ze besloten dan samen ergens een schuilhoek te zoeken.
+
+Eens kwam ze heel ontdaan uit den tuin binnen. Zooeven (ze wees de
+plaats aan) waren vader en dochtertje haar verschenen, dicht naast
+elkaar, en ze deden niets, bleven haar aanzien.
+
+Maandenlang zat ze willoos in haar kamer. Félicité sprak haar telkens
+toe met zacht vermaan. Ze moest voor zich zelve zorgen, om wille van
+haar zoon en de nagedachtenis van "haar".
+
+--"Haar?" hernam mevrouw Aubain dan, alsof ze wakker werd. "Ach ja!...
+ja!... Ge vergeet het niet!" doelend op het kerkhof, waarvan men haar
+angstvallig verwijderd hield.
+
+Félicité ging er iederen dag heen.
+
+Klokslag vier schoof ze langs de huizen, klom de helling op, opende
+het hek en ging tot bij Virginie's grafteeken. Het was een zuiltje van
+rose marmer, rustend op een platten steen, en omgeven door kettingen
+die een tuintje insloten. De randen waren vol bloemen. Ze begoot de
+bladeren, ververschte het zand en ging op de knieën zitten om den
+grond beter te kunnen bewerken. Toen mevrouw Aubain er weer komen
+mocht, troostte haar de aanblik van dat wel-onderhouden graf, haar
+smart werd er door gelenigd.
+
+Toen gingen er jaren voorbij die alle op elkaar geleken, met geen
+andere afwisseling dan de cirkelgang der hooge feesten, Paschen,
+Maria-Hemelvaart, Allerheiligen. Huiselijke gebeurtenissen stelden
+datums vast, waarop men zich naderhand beriep. Zoo geelden in 1825
+twee glazenmakers de vestibuul; in 1827 had een stuk van het dak, dat
+op de voorplaats neerviel, bijna een man gedood. In den zomer van
+1828, was 't mevrouw Aubain's beurt om het Sint-Hubertusbrood te
+geven; omstreeks denzelfden tijd ging mijnheer Bourais uit de stad,
+en niemand wist waarheen; en de oude kennissen vielen langzaam weg:
+Guyot, Liébard, Mevrouw Lechaptois, Robelin, oom Gremanville die sinds
+jaren verlamd was.
+
+Op een nacht bracht de conducteur van de post-diligence in
+Pont-l'Évêque de tijding der Juli-omwenteling. Enkele dagen later werd
+er een nieuwe sous-prefect benoemd, baron de Larsonnière, die consul
+was geweest in Amerika, en die, behalve zijn vrouw, zijn schoonzuster
+meebracht met drie bijna volwassen freuletjes, welke in losse blouses
+gekleed, over 't gazon van haar open tuin drentelden. Ze hadden een
+neger en een papegaai. Ze legden een visite af bij mevrouw Aubain, die
+niet naliet haar een tegenbezoek te brengen. Zoo gauw Félicité haar in
+de verte zag aankomen, ging ze mevrouw haastig waarschuwen. Doch één
+ding slechts scheen deze maar ter harte te gaan: de brieven van haar
+zoon.
+
+Hij bracht zijn tijd in herbergen zoek, deugde voor geen enkele
+loopbaan. Ze betaalde zijn schulden; hij raakte er opnieuw in; en de
+zuchten die mevrouw Aubain slaakte, terwijl ze te breien zat bij het
+venster, drongen door tot Félicité, die in de keuken haar spinnewiel
+deed snorren.
+
+Ze drentelden samen langs de leiboomen en praatten aldoor over
+Virginie, zich afvragend, hoe dit of dat haar zou hebben aangestaan,
+wat ze bij deze of die gelegenheid waarschijnlijk zou gezegd hebben.
+
+In de kamer met de twee ledikantjes waren al haar kleine schatten en
+benoodigdheden in een muurkast opgeborgen. Mevrouw Aubain zag die
+dingen zoo weinig mogelijk na. Op een zomerdag ging ze er eindelijk
+eens toe over, en er vlogen vlinders de kast uit.
+
+Haar jurken hingen naast elkaar onder een plank, waarop drie poppen
+lagen, bij hoepels en een keukentje en de waschkom, die ze altijd
+gebruikt had. Ze haalden de onderrokken, zoowel als de kousen en de
+zakdoeken te voorschijn, en eer ze het opnieuw toevouwden, werd alles
+op de twee bedjes uitgespreid. De zon scheen over die arme dingen,
+deed de vlekken in 't oog vallen, en de kreuken die Virginie's
+bewegingen erin gelaten hadden. De lucht was blauw en warm, een merel
+kweelde, 't scheen alles te leven in een innige vreedzaamheid. Ze
+vonden een hoedje van langharig pluche terug, kastanjekleurig; maar 't
+was heelemaal door de mot opgegeten. Félicité vroeg of zij 't hebben
+mocht. Ze zagen elkander aan, haar starre oogen vulden zich met
+tranen; tot mevrouw de armen opende, de meid wierp zich aan haar hart,
+en ze hielden elkaar omstrengeld, leniging zoekend voor het bittere
+verdriet in een kus, die haar tot gelijken maakte.
+
+Het was den eersten keer in haar leven. Mevrouw Aubain had een zeer
+gesloten karakter. Félicité was dankbaar voor die gevoelsuiting als
+voor een weldaad, en met vrome vereering had ze haar lief voortaan,
+trouw als een hond.
+
+De goedheid van haar hart werd steeds ruimer.
+
+Wanneer ze in de straat de trommen hoorde van een langsrukkend
+regiment, ging ze met een kruik appelwijn aan de deur staan en bood
+den soldaten te drinken. Ze verpleegde choleralijders. Ze nam de Polen
+onder haar bescherming, en een hunner verklaarde zelfs, haar te willen
+trouwen. Maar ze kregen oneenigheid, want op een morgen na het angelus
+uit de kerk terugkomend, vond ze hem in de keuken: hij was er binnen
+geslopen, had er zich een azijnsausje toebereid en zat daar rustig van
+te smullen.
+
+Na de Polen, kwam de oude Colmiche aan de beurt, een grijsaard, die
+den naam had in 93 leelijke dingen te hebben uitgevoerd. Hij leefde
+aan den rivierkant in den bouwval van een varkenskot. De straatjongens
+gluurden hem af door de spleten van den muur, en gooiden naar hem met
+steenen, die op de brits vielen waar hij neerlag, aanhoudend heen en
+weer geschud door een zwaren hoest; zijn haar was heel lang gegroeid,
+zijn oogleden waren ontstoken, en op den arm had hij een gezwel nog
+grooter dan zijn hoofd. Ze verschafte hem linnengoed, trachtte zijn
+krot schoon te maken, en het werd haar droom, hem in hun wasch-huis
+onderdak te brengen, zonder dat hij mevrouw zou hinderen. Toen de
+kankerbuil was opengebroken, verbond ze hem alle dagen, soms bracht
+ze hem eigengebakken koekjes mee, of ze zette hem in de zon op een
+stroobos; zeeverend en bevend dankte de arme oude-man haar met zijn
+klanklooze stem, was bang haar te moeten missen, strekte de handen uit
+zoo gauw ze een beweging maakte om heen te gaan. Hij stierf; ze liet
+een mis lezen voor de rust zijner ziel.
+
+Dienzelfden dag viel haar een groot geluk te beurt: op 't oogenblik
+dat het diner was opgediend, stond de neger van mevrouw de Larsonnière
+aan de bel, met den papegaai in zijn kooi, den stok, den ketting en
+het hangslot. De barones deelde mevrouw Aubain per briefje mede, dat
+ze dien avond nog gingen vertrekken, daar haar man tot prefect benoemd
+was; en ze verzocht haar dien vogel aan te nemen ter gedachtenis en
+als een bewijs harer hoogachting.
+
+Hij hield sinds langen tijd Félicité's verbeelding bezig, omdat hij
+uit Amerika kwam; dit woord deed haar aan Victor denken, zóó zelfs dat
+ze den neger had aangesproken om er het hare van te weten. Eens zelfs
+had ze gezegd: "Wat zou mevrouw gelukkig zijn met dien vogel!"
+
+De neger had die uitlating aan zijn meesteres oververteld, en daar ze
+den papegaai niet kon meenemen, ontdeed ze er zich op deze wijze van.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Hij heette Loulou. Zijn romp was groen, de punt van zijn vleugels
+roset, zijn kop blauw en zijn borst goudkleurig.
+
+Maar hij had de onhebbelijke gewoonte in zijn stok te bijten, trok
+zich de veeren uit, maakte de kamer vuil, morste het water uit
+zijn bad; hij verveelde mevrouw Aubain, en ze gaf hem voorgoed aan
+Félicité.
+
+Deze poogde hem praten te leeren; algauw zei hij haar na: "Lieve
+jongen! Uw dienaar, mijnheer! Weesgegroet, Maria!" Hij stond dicht bij
+de voordeur, en menigeen was verwonderd dat hij niet luisterde naar
+den naam Jacquot, daar alle papegaaien toch Jacquot heeten. Men zei,
+dat hij een gans was, een domkop; het waren evenveel dolksteken door
+Félicité's hart! En die vreemde stijfhoofdigheid van Loulou, nooit te
+willen praten, als iemand naar hem keek!
+
+Toch hield hij van gezelligheid, want Zondags, als de dames
+Rochefeuille, mijnheer de Houppeville er waren en nieuwe kennissen:
+Onfroy, de apotheker, mijnheer Varin en kapitein Mathieu, om hun
+partijtje kaart te spelen, vloog hij tegen de ruiten op, en ging met
+zoo'n geweld te keer, dat men elkaar onmogelijk kon verstaan.
+
+Het gelaat van Bourais leek hem zeker heel zot toe. Zoogauw hij hem
+zag, begon hij uit alle macht te lachen. Het geschater van zijn stem
+kaatste over de plaats, de echo herhaalde het, de buren kwamen aan
+'t venster en lachten ook. Om niet gezien te worden, sloop mijnheer
+Bourais den muur langs, en zijn profiel verbergend achter zijn hoed,
+ging hij tot bij de rivier, om dan door de tuindeur weer binnen te
+komen, en de blikken die hij den papegaai toezond, waren allesbehalve
+liefelijk.
+
+Loulou had van den slagersknecht een knip voor den neus gekregen,
+omdat hij zich veroorloofd had den kop in diens korf te steken; sedert
+trachtte hij altijd hem te pikken door zijn hemdsmouwen heen. Fabu
+dreigde hem den hals om te draaien, en toch was hij, ondanks zijn
+getatoueerde armen en zijn groote bakkebaarden, niet wreed van aard.
+Integendeel! hij mocht den papegaai wel, zoo zelfs, dat hij, in goede
+luim, hem vloeken leerde zeggen. Félicité, wie zulke manieren niet
+aanstonden, zette hem in de keuken. Zijn ketting werd weggenomen, en
+hij zat het heele huis door.
+
+Wanneer hij de trap af moest, stutte hij met de kromming van zijn
+snavel op de treden, hief den rechterpoot op, dan den linker, en zij
+was bang dat dergelijke gymnastische toeren hem duizelig zouden maken.
+Hij werd ziek, kon niet meer praten of eten. Er zat hem een dikte
+onder de tong, zooals kippen dit soms hebben. Ze genas hem door dat
+vlies met haar nagels los te trekken. Mijnheer Paul was eens zoo
+onvoorzichtig, hem den rook van z'n sigaar in den neus te blazen, een
+anderen keer toen mevrouw Lormeau hem plaagde met den punt van haar
+parasol, hapte hij er het ijzeren dopje af, en ten slotte vloog hij
+kwijt.
+
+Ze had hem op het gras gezet om hem een luchtje te laten scheppen, en
+ging even weg; toen ze terugkwam, geen papegaai meer! Eerst zocht
+ze hem in de struiken, aan den waterkant, op de daken, zonder te
+luisteren naar mevrouw, die haar toeriep:--"Wees toch voorzichtig! ge
+zijt dwaas!" Toen doorspeurde ze alle tuinen van Pont-l'Évêque, en ze
+hield de voorbijgangers staande:--"Hebt u somwijlen toevallig
+mijn papegaai gezien?" Wanneer ze hem niet kenden, gaf ze hun een
+beschrijving van zijn uiterlijk. Ineens meende ze achter den molen,
+laag tegen den wal iets groens te zien rondfladderen. Maar toen ze op
+den kant kwam, was er niets! Een sjouwer beweerde, dat hij hem zooeven
+gezien had te Saint-Melaine in den winkel van vrouw Simon. Ze liep er
+heen. Men begreep daar niet wat ze bedoelde. Eindelijk kwam ze weer
+thuis, uitgeput, de sloffen vol gaten, den dood in het hart; en, juist
+zat ze midden op de bank, naast mevrouw, heel haar wedervaren te
+vertellen, toen een lichte last haar op den schouder viel. Loulou! Wat
+drommel had hij uitgevoerd? Misschien was hij een uitstapje gaan doen
+in den omtrek.
+
+Ze kon er moeilijk bovenop komen, of liever ze kwam er nooit meer
+bovenop.
+
+Ze had kou gevat en kreeg dientengevolge een keelontsteking; kort
+daarna een oorziekte. Drie jaar later was ze doof, en ze sprak heel
+luid, zelfs in de kerk. Hoewel haar zonden gerust zonder schande voor
+haar, of zonder schade voor den evenmensch, naar alle kanten van het
+bisdom mochten rondverteld, oordeelde mijnheer pastoor het gepast,
+haar niet anders meer dan in de sacristie de biecht te hooren.
+
+Een denkbeeldig, telkens weerkeerend gesuizel bracht haar voorgoed van
+de wijs. 't Gebeurde meer dan eens, dat mevrouw zei:--"Mijn hemel!
+wat ben je toch dom!" en dat zij daarop met een:--"Ja, mevrouw," iets
+zoeken ging in de kamer.
+
+Haar kleine gedachten-kring werd nog enger, en het gebeier der
+klokken, het geloei der runderen zelfs, bestond niet meer voor haar.
+Alle wezens bewogen zich als schimmen zoo stil. Slechts een enkel
+gerucht nog drong tot haar door, de stem van den papegaai.
+
+Als om haar wat afleiding te bezorgen, bootste hij het getiktak van
+het braadspit na, den schellen roep van een vischventer, de zaag van
+den schrijnwerker aan den overkant, en als 't belde, riep hij met
+mevrouw Aubain's stem: "Félicité! open doen! open doen!"
+
+Ze hielden samenspraken, hij tot vervelens toe de zinnen van zijn
+repertoire herhalend, en zij er op antwoordend met woorden zonder veel
+meer samenhang, maar waarin ze haar hart uitstortte. Loulou was haar,
+in haar afzondering, bijna een zoon, een geliefde. Hij klom langs
+haar vingers op, knabbelde op haar lippen, klauwde zich vast in haar
+omslagdoek, en wanneer ze dan het bevend hoofd voorover boog, werden
+de groote vleugels van de muts en de vleugels van den vogel door
+eenzelfde trilling bewogen.
+
+Wanneer de wolken zich opstapelden en de donder rommelde, begon hij te
+krijschen, misschien zich de stortvlagen herinnerend van de bosschen
+waar hij geboren werd. Het geruisch van het water maakte hem razend;
+hij fladderde om, buiten zich zelf van angst, klampte zich tegen de
+zoldering, gooide alles omver, en ging door het venster, in den tuin
+rondploeteren; maar al gauw kwam hij weer op een der haardijzers
+neergestreken, en heen-en-weer wippend om zijn veeren te laten drogen,
+liet hij nu eens zijn staart, dan zijn bek zien.
+
+Op een morgen in den strengen winter van 1837, toen ze hem wegens de
+koude voor den schoorsteen had gezet, vond ze hem dood midden in zijn
+kooi, de kop omlaag, de nagels in het ijzerdraad. Hij had zeker een
+congestie gehad. Zij dacht aan een vergiftiging met peterselie, en
+ondanks alle gebrek aan bewijs, vatte ze kwade vermoedens op tegen
+Fabu.
+
+Zòò schreide ze, dat mevrouw zei:--"Kom, kom! laat hem dan opzetten!"
+
+Ze ging raad vragen aan den apotheker, die altijd goed was geweest
+voor Loulou.
+
+Hij schreef naar Havre. Een zekere Fellacher nam het werk op zich. Per
+diligence raakten de pakgoederen soms kwijt, en daarom besloot ze haar
+armen Loulou zelf tot Honfleur weg te brengen.
+
+De appelboomen stonden bladerloos langs den weg. IJs dekte de
+slooten. Honden blaften bij de hoeven; ze hield de handen onder haar
+schoudermantel, en met haar zwarte klompjes en haar karbies, spoedde
+ze zich voort, midden over de keien.
+
+Ze ging dwars door het bosch, kwam Haut-Chêne voorbij, en bereikte
+Saint-Gatien.
+
+Achter haar kwam in een dichte stofwolk een postdiligence met dolle
+vaart als een windhoos de helling afrollen. Toen hij daar een vrouw
+gewaar werd, die rustig bleef loopen waar ze liep, bukte de conducteur
+zich voorover uit de kap, en ook de postiljon schreeuwde, terwijl zijn
+vier paarden, die hij niet kon inhouden, hun draf versnelden; de twee
+voorste waren zoo nabij, dat ze haar raakten; met een schok van de
+teugels rukte hij het vierspan den berm op, maar woedend hief hij den
+arm, en uit alle macht striemde hij Félicité met zijn lange zweep zóó
+fel langs borst en aangezicht, dat ze achterover viel.
+
+Toen ze weer bijkwam, was het haar eerste werk, de mand te openen.
+Gelukkig, Loulou was ongedeerd! Zij voelde een brandende pijn aan de
+rechterwang; toen ze met de handen er langs streek, werden die rood.
+Er liep bloed uit.
+
+Ze ging op een kiezelhoop zitten, bette zich het gelaat met den
+zakdoek, at toen een korst brood, die ze uit voorzorg in haar mand had
+gestopt, en troostte zich over haar wonde door den vogel te bekijken.
+
+Op den heuvel van Ecquemauville gekomen, zag ze de lichten van
+Honfleur, die in den nacht tintelden, als even zooveel sterren; verder
+nog schemerde het vage vlak der zee. Toen voelde ze zich wee
+worden van uitputting. Ze moest stilstaan, en de ellende van haar
+kinderjaren, de teleurstelling harer eerste liefde, het heengaan van
+haar neefje, Virginie's dood, het kwam alles tegelijk weer op in haar
+hart, zooals bij vloed de golven opkomen, het steeg haar naar de keel
+en verstikte haar den adem.
+
+Toen wilde ze den kapitein der boot spreken, en zonder te zeggen wat
+er in de mand verpakt was, vroeg ze hem er vooral goed voor te zorgen.
+
+Fellacher hield den papegaai lang. Hij beloofde hem telkens voor de
+volgende week.
+
+Na verloop van zes maanden berichtte hij, dat er een kist afgezonden
+was; toen hoorde ze er verder niets van. Het scheen wel dat Loulou
+nooit meer zou terugkomen. "Ze hebben hem gestolen!" dacht ze.
+
+Eindelijk kwam hij,--prachtig, recht-zittend op een tak die in een
+mahoniehouten voet stond geschroefd, één poot in de lucht, den kop
+schuin, en knabbelend op een noot, door den vogelopzetter, uit
+liefhebberij voor 't indrukwekkende, verguld!
+
+Ze borg hem in haar kamer.
+
+Dit plekje van het huis, waar ze bijna niemand toeliet, leek evenveel
+op een kapelletje als op een bazaar, zooveel devotie-dingen en zooveel
+rommel waren er bijeen.
+
+De deur ging moeielijk open, omdat er een groote kast in den weg
+stond. Tegenover het venster aan de tuinzijde was een zolderraampje
+dat uitzag op de plaats vóór het huis. Op een tafel naast het veldbed
+lagen, bij een lampetkan, twee kammen en een stuk blauwe zeep op
+de scherf van een schoteltje. Tegen de muren hingen: rozenkransen,
+medailles, verschillende Lieve-Vrouwtjes, een wijwaterbakje van een
+kokosnoot; op de latafel als een altaar met een witten doek bedekt,
+stond de schelpendoos die Victor haar had gegeven, en ook een gieter
+en een bolle flesch; schrijfboeken lagen er, de aardrijkskundige
+prenten, een paar schoenen, en aan den spijker van den spiegel, hing,
+aan zijn linten, het pluchen hoedje! Zóó ver dreef Félicité deze soort
+van vereering, dat ze zelfs een der pandjassen van mijnheer bewaarde.
+Alle oude prullen waar mevrouw Aubain genoeg van had, nam ze mee voor
+haar kamer. Zoo kwam het, dat er opgemaakte bloemen langs den rand der
+latafel stonden, en dat het portret van den graaf van Artois er in de
+nis van het zoldervenstertje hing.
+
+Bij middel van een plankje werd Loulou tegen een uitspringende
+schouwgang geplaatst. Iederen morgen bij haar ontwaken zag ze hem in
+het licht van den aanbrekenden dag, en zonder hartzeer, heel rustig,
+dacht ze dan aan de vervlogen jaren, en aan de onbeduidendste
+voorvallen tot in hun minste bijzonderheden.
+
+Daar ze met geen mensch meer gemeenschap kon hebben, leefde ze, als
+een slaapwandelaarster, in een durende verdooving. De processies van
+Sacramentsdag deden haar weer opleven. Ze ging bij de buren kaarsen
+en matten vragen om er het rustaltaar mee te sieren, dat in de straat
+werd opgericht.
+
+In de kerk schouwde ze altijd naar de duif, die den Heiligen Geest
+voorstelde, en vond dat ze wat geleek op haar papegaai. Die gelijkenis
+scheen haar nog treffender op een plaat van Epinal, den doop Onzes
+Heeren weergevend. Die duif met haar purperen vleugels en haar romp
+van smaragd, ze leek wezenlijk het portret van Loulou.
+
+Ze kocht die plaat en hing ze waar de graaf van Artois gehangen
+had;--zoo zag ze hen in éénen oogopslag. In haar gedachten werden ze
+één, de papegaai als gewijd door zijn overeenkomst met die duif. En ze
+bad met de oogen naar de plaat, maar een klein weinigje wendde ze zich
+nu-en-dan toch naar hààr vogel toe.
+
+Ze wilde zich in de Maria-congregatie laten opnemen, doch mevrouw
+Aubain praatte haar dit uit 't hoofd.
+
+Ineens was er iets heel buitengewoons: het huwelijk van Paul.
+
+Na eerst notarisklerk te zijn geweest, was hij achtereenvolgens in den
+handel, bij de invoerrechten en bij de belastingen gegaan, en zelfs
+had hij gepoogd bij de jacht en visscherij te komen, toen, zes en
+dertig jaar oud, had hij ineens, als door een ingeving van den hemel,
+zijn weg gevonden: de registratie! een zoo grooten aanleg toonde hij
+ervoor, dat een verificateur hem zijn dochter ten huwelijk bood en hem
+zijn protectie beloofde.
+
+Paul, die 't nu ernstig meende, bracht haar bij zijn moeder. Ze
+smaalde op de gewoonten van Pont-l'Évêque, speelde de prinses,
+beleedigde Félicité. Het was mevrouw Aubain een heele verlichting toen
+ze vertrok.
+
+De week daarop kwam de tijding dat mijnheer Bourais in Neder-Bretagne
+in een herberg was dood gebleven. Het gerucht van een zelfmoord werd
+bevestigd; er rees twijfel aan zijn eerlijkheid. Mevrouw Aubain zag
+nauwkeurig haar rekeningen na, en vond al spoedig een lange reeks
+van ongerechtigheden, verduistering van achterstallige schulden,
+verdonkermaande houtverkoopen, valsche kwitanties, enz.
+
+Die schelmerijen deden haar veel verdriet. In Maart 1853 werd
+ze aangetast door een longziekte; haar tong scheen bewasemd; de
+bloedzuigers bedaarden de benauwdheid niet, en den negenden avond
+stierf ze, juist twee en zeventig jaar oud.
+
+Niemand had haar voor zóó bejaard aangezien, omdat ze nog niets grijs
+was. Ze droeg het bruine haar in platte banden tegen het bleeke, door
+de pokken geschonden gezicht. Ze liet niet veel vrinden na, die leed
+hadden over haar heengaan. Ze had iets hooghartigs over zich, dat de
+menschen op een afstand hield.
+
+Félicité treurde over haar zooals geen dienstbaren over hun meesters
+treuren. Dat mevrouw eerder stierf dan zij, bracht haar geest in de
+war, scheen haar in te druischen tegen den gewonen loop der dingen,
+het leek haar onaannemelijk en al te wreed.
+
+Tien dagen later (juist de tijd die er noodig was voor de reis van
+Besançon) kwamen ineens de erfgenamen. De schoondochter doorzocht de
+laden, koos meubels uit, verkocht de overige, daarna keerden ze samen
+naar Paul's registratie-bureau terug.
+
+Mevrouws fauteuil, haar tafeltje, haar stoof, de acht stoelen waren
+weg. De plaatsen waar de gravures hadden gehangen, teekenden zich
+als vierkante gele plekken af midden op de wanden. Ze hadden de twee
+ledikantjes meegenomen, ook de matrassen, en in de muurkast was niets
+meer te vinden van Virginie's kleinooden! Félicité klom van de eene
+verdieping naar de andere, buiten zich zelve van verdriet.
+
+Den volgenden dag zat er een plakkaat op de deur; de apotheker
+schreeuwde haar in 't oor, dat het huis te koop stond.
+
+Ze wankelde en moest gaan zitten.
+
+Het zolderkamertje te moeten verlaten, waar die arme Loulou zoo'n goed
+plaatsje had, dit was wel haar grootste verdriet. Met een angstigen
+blik op haar vogel, bad ze of de Heilige Geest hem wilde beschermen,
+en zóó vernevelden haar zinnen, dat ze langzamerhand de afgodische
+gewoonte aannam, haar gebeden te prevelen neergeknield voor den
+papegaai. Soms raakte de zon, die door het zoldervenstertje viel,
+juist zijn glazen oog, en deed er een grooten glanzenden lichtstraal
+uitschieten, die haar in vervoering bracht.
+
+Ze had een inkomen van driehonderdtachtig franken 's jaars, een legaat
+van mevrouw. De tuin leverde haar groenten op. Kleeren had ze voor
+levenslang genoeg, en door te gaan slapen, zoo gauw de avond viel,
+spaarde ze het licht uit.
+
+Ze zette nooit meer een voet op straat, om den uitdragerswinkel te
+mijden, waar eenige van de oude meubels te koop stonden. Sinds haar
+geest zoo begon te verzwakken, sleepte ze het ééne been, en omdat haar
+krachten afnamen, kwam vrouw Simon, die in haar kruidenierszaakje
+alles verloren had, iederen morgen haar hout klooven en water pompen.
+
+Haar oogen werden steeds zwakker. De zonneblinden gingen niet meer
+open. Veel jaren verliepen er. En er kwamen noch huurders, noch
+koopers voor het huis.
+
+Vreezende dat men haar zou aanzeggen het huis te verlaten, vroeg
+Félicité om geen enkele reparatie. De binten van het dak waren aan
+'t rotten; een winterlang was haar peluw doortrokken van 't nat. Na
+Paschen gaf ze bloed op. Toen ging vrouw Simon een dokter roepen.
+Félicité wilde weten, wat haar scheelde. Maar ze was te doof om het
+te kunnen verstaan, een enkel woord slechts drong tot haar door:
+"Longontsteking." Ze kende dit woord, en zei zachtjes:--"O, juist als
+mevrouw," ze vond het heel natuurlijk hetzelfde te hebben als haar
+meesteres.
+
+De dag van de rustaltaartjes naderde.
+
+Het eerste stond altijd aan 't einde van den oeverwal, het tweede voor
+de post, het derde zoowat halfweg de straat. Er ontstond een wedijver
+over de plaats van dit laatste, en de vrouwen der parochie kozen ten
+slotte de voorplaats van mevrouw Aubain.
+
+De benauwdheden en de koorts namen toe. Félicité trok het zich erg
+aan, niets te kunnen doen voor het altaartje. Kon ze er tenminste nog
+iets op neerzetten! Ze dacht toen aan den pagegaai. Dat voegde
+niet, wierpen de buurvrouwen tegen. Maar de pastoor gaf toch wel
+toestemming. Ze was daar zoo gelukkig mee, dat ze hem vroeg Loulou van
+haar te willen aannemen na haar dood, Loulou haar eenigen rijkdom.
+
+Van Dinsdag tot Zaterdag vóór Sacramentsdag hoestte ze veel meer.
+'s Avonds was haar gezicht vertrokken, haar lippen kleefden aan het
+tandvleesch, ze begon brakingen te krijgen, en den volgenden morgen,
+in de vroegte, voelde ze zich heel minnetjes en liet een priester
+roepen.
+
+Drie buurvrouwen waren bij haar, toen ze het heilig oliesel ontving.
+Daarop zei ze, noodig met Fabu te moeten spreken.
+
+Hij kwam in z'n zondagsche kleeren, slecht op zijn gemak in al die
+narigheid.
+
+--"Vergeef me," zei ze met een poging om den arm uit te strekken, "ik
+heb altijd gemeend, dat gij hem hadt dood gemaakt."
+
+Wat was dat voor lasterpraat? Hem verdacht te hebben van een moord,
+een man als hij! Hij maakte zich boos, begon te razen en te tieren.
+
+--"Ge ziet toch wel, dat ze niet meer bij zinnen is!"
+
+Nu en dan was Félicité met schimmen aan 't praten. De drie buurvrouwen
+gingen heen. Vrouw Simon dronk koffie.
+
+Een oogenblik later nam ze Loulou, en hem Félicité voorhoudend:
+
+--"Kom! zeg hem vaarwel!"
+
+De wormen knaagden aan hem, al was hij dan ook opgezet, een van zijn
+vleugels hing gebroken, het vulsel puilde hem uit den buik. Maar ze
+was nu blind, ze kuste hem op den kop en hield hem tegen haar wang.
+Toen nam vrouw Simon hem weer terug, om hem op 't altaartje te zetten.
+
+
+
+
+V
+
+
+Uit de weien woei de zomergeur aan; vliegen gonsden; de zon
+overglansde de rivier en blakerde de leien. Vrouw Simon was
+teruggekomen en viel zachtjes in slaap.
+
+Klokgelui maakte haar wakker; de vespers waren uit. Félicité kwam weer
+bij. Ze dacht aan de processie en zag die voor haar oogen, alsof ze er
+in meeging.
+
+Alle schoolkinderen, de zangers en de brandweergasten liepen over
+de stoepen, terwijl midden in de straat de hondenslager met zijn
+hellebaard, de onderkoster met den kruisstaf voorttogen, ook de
+onderwijzer, die een waakzaam oog hield op de schooljongens, en de
+zuster vol zorg voor haar kleine meisjes; drie van de allerliefste,
+met krullekopjes als engelen, wierpen rozeblaadjes in de lucht; de
+diaken temperde, met uitgebreide armen, de muziek, en twee knapen
+met wierookvaten keerden zich bij iedere schrede naar het Heilig
+Sacrament, dat onder een hel-rooden troonhemel, dien vier kerkmeesters
+torsten, gedragen werd door mijnheer Pastoor in zijn prachtige
+kazuifel. Een stroom van menschen volgde, tusschen het witte doek, dat
+de muur der huizen bedekte; en men kwam aan 't eind van den oeverwal.
+
+Félicité's slapen waren klam van 't koude zweet. Vrouw Simon bette ze
+met een stuk linnen, peinzend hoe ook zij eenmaal dit alles zou moeten
+doorstaan.
+
+Het gegons der menigte nam toe, was een oogenblik zeer luid, en
+verwijderde zich.
+
+Een losbarsting van geweerschoten deed de ruiten trillen. Het waren
+de postiljons die het Allerheiligste groetten. Félicité rolde met de
+oogen, en zei, zoo duidelijk ze vermocht, vol zorg voor den papegaai:
+"Staat hij goed?"
+
+Haar doodsstrijd begon. Een gereutel, dat steeds sneller werd,
+deed haar zijden schokken, 't Schuim blies tot bellen op in haar
+mondhoeken, en heel haar lichaam beefde.
+
+Niet lang, of men hoorde het geschal der koperen bashoorns, de heldere
+kinderstemmen, de zware stem der mannen. Bij tusschen-poozen was
+alles stil, en het treden der voetstappen, gedempt door het
+bloemen-strooisel, geleek op het geschuifel van een kudde, die
+voorttrekt over het gras.
+
+De schaar van priesters verscheen op de voorplaats. Vrouw Simon
+klauterde op een stoel om bij het zolderraampje te komen, en zag zoo
+vlak neer op het altaartje.
+
+Groene guirlanden hingen er over en het was versierd met een strook
+van Engelsche kant. Middenop stond een schilderijtje met relikwieën,
+twee oranjeboompjes op de hoeken, en in het rond zilveren luchters en
+porseleinen vazen, waaruit zonnebloemen oprankten, lelies, pioenen,
+campanula's, bossen hortensia's. Dit kleurgewemel daalde schuin omlaag
+van de eerste verdieping tot op het vloerkleed, dat tot ver over de
+straatsteenen lag uitgespreid; en vreemdsoortige voorwerpen trokken
+het oog. Een verguld zilveren suikerpot droeg een kroon van viooltjes,
+hangers van Alençonschen steen schitterden op een laagje mos, twee
+Chineesche horretjes stalden hun landschappen ten toon. Loulou stond
+onder rozen verborgen, en van hem was niets te bespeuren dan
+'t bovenste van zijn blauwen kop, en dit blonk als een plakje
+lazuursteen.
+
+De kerkmeesters, de zangers, de kinderen schaarden zich aan de drie
+zijden van de plaats. De priester besteeg langzaam de altaartreden, en
+zette op de kanten dwale zijn monstrans, die straalde als een
+groote gouden zon. Allen knielden. Er zonk een diepe stilte. En de
+wierookvaten gleden in breeden uitzwaai op hun kettingen weg en weder.
+
+Een azuren waas steeg naar de kamer van Félicité. Haar neusgaten
+zetten zich uit terwijl ze den wierook inademde met een mystiek
+welbehagen; dan sloot ze de oogen. Haar lippen glimlachten. De
+bewegingen van haar hart vertraagden een voor een, telkens flauwer,
+telkens zachter, zooals een fontein uitgeput neerruischt, zooals een
+echo wegsterft; en terwijl ze den laatsten adem uitblies, waande ze
+in de open hemelen een reusachtigen papegaai te zien, zwevend boven
+haar hoofd.
+
+
+
+
+
+DE LEGENDE VAN SINT-JULIAAN DEN GASTVRIJE
+
+
+I
+
+De vader en de moeder van Juliaan bewoonden een kasteel midden in
+bosschen op de helling van een heuvel.
+
+De spitsen van de vier hoektorens waren met looden schubben bedekt,
+en de voet der muren steunde op rotsen, die steil neerhelden naar de
+grachtdiepte.
+
+Het plaveisel van het binnenplein was gaaf als dat van een kerkvloer.
+Draken met den gapenden muil nederwaarts, spuwden het regenwater uit
+de dakgoten naar den put, en op ieder vensterkozijn, alle verdiepingen
+langs, bloeide in een beschilderden aarden pot, een bos balsemkruid of
+heliotroop.
+
+Een tweede omheining van steenen palen omsloot vooreerst een boomgaard
+en een tuin, waar de bloemen in bonte schikking naamletters teekenden
+op de perken; verder een wijngaard met lustpriëelen, en een kolfbaan
+voor de pages. Aan de andere zijde bevonden zich de hondenhokken en
+de stallen, bakkerij en druivenpers, en de schuren. Het geheel was
+omgeven door groene weiden, die op hare beurt omsloten werden door een
+zware haag van meidoorns.
+
+De vrede duurde reeds zooveel jaren door, dat de valpoort tot vaste
+brug diende; de grachten waren vol water; de zwaluwen bouwden haar
+nest in de kanteelen, en de boogschutter die den lieven langen dag
+op den middenwal heen-en-weer moest wandelen, dook weg in het
+wachttorentje, zoodra de zon te fel begon te branden, en lag er
+met een gerust gemoed, uren lang ongestoord te slapen. Binnenshuis
+schitterde het beslag van hengsels en sloten overal als zilver;
+kostbare wandtapijten beschutten de kamers tegen de koude; de kasten
+waren overvuld van het fijnste lijnwaad; in de kelders lagen de tonnen
+met wijn hoog opgestapeld, en de eikenhouten koffers kraakten onder
+het gewicht der geldzakken.
+
+In de wapenzaal, waren tusschen ruitervanen en roofdierkoppen, wapenen
+uit alle tijden en van alle volken te vinden: van de slingers der
+Amalekieten en de werpspiesen der Garamantijnen, tot de kromzwaarden
+der Saracenen en de maliënkolders der Normandiërs.
+
+Aan het groote braadspit in de keuken kon wel een os geroosterd
+worden. De huiskapel was weidsch en rijk als die van een koning. In
+een achterafhoek van het kasteel was zelfs een romeinsch bad, maar de
+burchtheer maakte er nooit gebruik van, wijl hij dit een heidensche
+zede achtte.
+
+In een pelsmantel van vossevel wandelde hij door zijn huis; hij sprak
+recht onder zijn vazallen, en legde de twisten van zijn naburen bij.
+
+'s Winters keek hij naar de dwarrelende sneeuwvlokken, of hij liet
+zich verhalen voorlezen. Maar zoodra het mooie weer begon, reed hij op
+zijn muilezel langs de wegjes door het groene koren, praatte met de
+dorpers en gaf hun goeden raad.
+
+Na een zeer avontuurlijk leven had hij een jonkvrouw van hooge
+geboorte tot gemalin genomen. Ze was zeer blank, en wat trotsch
+en ernstig. De punten van haar huive raakten den bovenbalk der
+deurposten; de plooien van haar lakensch gewaad sleepten drie schreden
+achter haar aan. Haar huishouding was regelmatig als die in een
+klooster; iederen morgen verdeelde ze het werk onder haar dienstboden;
+ze hield het oog over den vruchten-inmaak en de zalven-bereiding; zat
+achter het spinnewiel of borduurde dwalen voor het altaar. Op haar
+aanhoudend bidden werd haar een zoon geboren.
+
+Toen heerschte er groote vreugde, en er werd een feestmaal aangericht.
+Dit duurde drie dagen en vier nachten bij toortslicht en harpspel, op
+strooisel van lenteloovers. Men at er de zeldzaamste specerijen, en
+hoenders zoo groot als schapen; ter opluistering kwam er een dwerg uit
+een pastei. Toen er geen bekers genoeg meer waren, wijl de menigte der
+gasten steeds aangroeide, was men genoodzaakt uit horens en helmen te
+drinken.
+
+De jonge moeder woonde deze feesten niet bij. Ze lag rustig op haar
+legerstede. Toen, in een avonduur,--ze had gesluimerd en sloeg zacht
+de oogen op,--zag ze in een manestraal, die door het venster gleed,
+iets bewegen. Schaduw of schimme? Het was een grijsaard in haren pij,
+een rozenkrans aan den gordel, den bedelzak op den schouder. Een
+kluizenaar. Hij naderde het hoofdeinde van haar bed, en zei zonder de
+lippen te ontsluiten: "Verheug u, o moeder! Uw zoon zal een heilige
+worden!"
+
+Bijna schreide ze het uit van schrik, maar de schimme gleed heen langs
+den manestraal, steeg zachtjes omhoog en verdween in het ijle licht.
+De zangen van het festijn klonken helderder op. Zij echter hoorde
+engelenstemmen. Haar hoofd viel terug in het kussen, waarboven,
+tegen den muur, een martelaarsreliek hing, gevat in een lijst van
+karbonkels.
+
+Den volgenden dag werd heel de dienaarschap ondervraagd. Allen
+verklaarden eenstemmig, geen kluizenaar gezien te hebben. Maar--droom
+of werkelijkheid--kon het anders dan een hemelboodschap zijn? De
+burchtvrouw wachtte zich echter wel, die overtuiging uit te spreken.
+Ze vreesde dat men haar van hoovaardij betichten zou.
+
+De gasten vertrokken bij het krieken van den morgen. Toen Juliaans
+vader den laatsten uitgeleide gedaan had, en eenzaam bij de
+burchtpoort achterbleef, zag hij ineens in den nevel een bedelaar voor
+zich staan. Het was een zigeuner. Hij droeg den baard gevlochten en
+had zilveren ringen aan beide armen. Zijn oogen flonkerden. En, als
+bij ingeving, mompelde hij deze onsamenhangende woorden:
+
+"Welzoo! uw zoon!... veel bloed!... veel roem!... altijd gelukkig! in
+de maagschap van een keizer!"
+
+Hij bukte naar de hem toegeworpen aalmoes, en zonder een spoor achter
+te laten, was hij tusschen het gras verdwenen.
+
+De burchtheer keek naar links en rechts, riep zoo luid hij kon.
+
+Niemand! De wind blies, de uchtendnevels verwoeien.
+
+Hij weet dit droomgezicht aan de vermoeienis van zijn hoofd, na den
+slapeloozen nacht.
+
+"Wat zouden ze lachen, zoo ik er van gewaagde!"
+
+En toch--hoe vaag de voorzegging ook scheen, en droom of
+waarheid?--ondanks zijn twijfel bleef hij almaar uitturen in de
+glanzende toekomst die zijn zoon beloofd was. Ze verblindde hem.
+
+De vader en de moeder hielden ieder voor zich hun geheim in het hart
+verborgen. Beiden droegen ze het kind een even groote liefde toe.
+Ieder voor zich beschouwden ze het als een geroepene Gods. Ze hadden
+er de vroomste zorgen voor. Zijn bedje was met het zachtste dons
+gevuld. Een lamp in den vorm eener duif brandde voortdurend er boven,
+drie voedsters moesten over hem waken. En zoo: vast in zijn doeken
+gewikkeld, met zijn roze-blozend gezichtje en zijn blauwe oogen, met
+zijn brokaten mantel en zijn kapertje vol parels, geleek hij wel
+het kindje-Jezus zelve. Hij kreeg tanden zonder een enkelen keer te
+schreien.
+
+Toen hij zeven jaar was, leerde zijn moeder hem zingen.
+
+Om hem dapper te maken tilde zijn vader hem op een groot paard. Het
+kind glimlachte van voldoening, en het duurde niet lang, of hij wist
+alles van ros en tuig.
+
+Een zeer wijze, oude monnik onderrichtte hem in de heilige Schrift,
+leerde hem de arabische cijfers en de latijnsche letters en liet hem
+aardige miniaturen schilderen op perkament. Ze werkten samen hoog in
+een toren, waar geen geluid hen kon hinderen. Na de les daalden ze
+af in den hof, waar ze voet voor voet omwandelden en de bloemen
+bestudeerden.
+
+Het gebeurde soms dat men diep uit het dal een rij lastdieren zag
+naderen, gedreven door een op oostersche wijze uitgedosten voetganger,
+in wien de burchtheer een koopman herkende. Hij liet hem door een
+dienaar ontbieden, en de vreemdeling richtte dan in goed vertrouwen
+zijn schreden burchtwaarts. In de halle binnengeleid, haalde hij
+stukken sameet en zijde uit zijn koffers, cantille-goud en reukwerken,
+en allerlei andere vreemdsoortige zaken waarvan men het gebruik niet
+kende. Ten laatste ging de man weer heen, met goede winst, en zonder
+het minste geweld verduurd te hebben. Een andermaal klopte er een
+troep pelgrims aan de poort. Hun natte kleeren dampten voor den haard.
+Wanneer hun honger gestild was, begonnen ze te verhalen van hun
+tochten, hoe ze op de schuimende zee hadden gezwalkt en te voet door
+het brandende zand der woestijnen getogen waren. Ze hadden het over de
+wreedheid der heidenen, over de Kribbe en het Heilig Graf, en gaven
+den kleinen jonker schelpen van hun mantel.
+
+Dikwijls onthaalde de burchtheer zijn oude wapenmakkers. En altijd
+weer onder het drinken, kwamen ze los over hun oorlogen, over den
+stormloop op de vestingen, als de werptuigen om hen henen raasden,
+over hun wonden zonder weerga. En Juliaan, die niet moede werd te
+luisteren, begon krijgskreten uit te stooten. School er niet een groot
+veroveraar in dien knaap? Zijn vader was er van overtuigd. Maar 's
+avonds, na de vespers, als Juliaan tusschen de eerbiedig nijgende
+armelieden de kerk uitschreed, kon hij zoo deemoedig en met een gebaar
+zoo edel in zijn gordelbeurs tasten, dat zijn moeder vast geloofde hem
+mettertijd aartsbisschop te zien.
+
+Zijn plaats in de kapel was tusschen zijn ouders in. De diensten
+duurden soms lang, maar hij bleef geknield, de baret voor de bidbank
+op den grond, de handen gevouwen.
+
+Op zekeren dag, toen hij onder de Mis even opkeek, zag hij een wit
+muisje uit een gat in den muur komen. Het trippelde over de eerste
+altaar-trede, en na twee of drie malen over-en-weer wippen, vluchtte
+het terug naar den kant vanwaar het geslopen kwam. Den volgenden
+Zondag moest Juliaan onder het bidden telkens denken, dat het muisje
+wel eens weerom kon komen. En waarlijk, het kwam.
+
+Nu wachtte hij er voortaan iederen Zondag op. Het begon hem zelf te
+vervelen. Hij vatte een haat op tegen het muisje en besloot er zich
+van te ontdoen.
+
+Op een Zondag-middag sloop hij alzoo alleen de kapel binnen, en na de
+deur behoedzaam gesloten te hebben, strooide hij zoete kruimels op
+de altaartreden, en stelde zich toen op voor het muizengat, met een
+stokje in de hand.
+
+Na heel lang wachten kwam er een roze snuitje te voorschijn, toen de
+heele muis.
+
+Hij raakte haar met een lichten slag, en bleef verstomd staan voor dat
+kleine roerlooze lichaampje.
+
+Een druppel bloed vlekte op den vloersteen. Hij wischte het schielijk
+af met de mouw, wierp de muis weg, en sprak er met niemand over.
+Korten tijd later bemerkte hij dat allerlei vogels de zaden uit den
+tuin wegpikten. Toen zocht hij een hol riet, en stopte het vol erwten.
+Wanneer hij nu voortaan piepen of kweelen hoorde in een boom, naderde
+hij heel zoetjes, richtte zijn schietbuis, blies de wangen op, en de
+diertjes regenden hem zoo overvloedig op de schouders, dat hij zich
+niet weerhouden kon te lachen om zijn sluwheid.
+
+Eens op een morgen, toen hij over den middenwal uit den hof terugkeerde,
+zag hij op de kap der borstwering een groote duif zitten, die zich
+borstte in de zon. Juliaan bleef staan om er naar te kijken. Er was een
+bres in den wal op die plaats en vlak voor de hand vond hij een diggel
+van het metselwerk. Hij hief den arm op, en de steen raakte den vogel,
+die in de gracht neerviel. Hij haastte zich naar de diepte, scheurde
+handen en kleeren in de struiken en snuffelde overal, rapper dan een
+jonge hond.
+
+De duif hing met gebroken vleugels te beven in de takken van een
+haagheester.
+
+Het ergerde den knaap, dat ze nog leefde. Hij neep haar de keel toe.
+De stuiptrekkingen van zijn gewurgde prooi deden zijn hart bonzen, ze
+riepen er een wilden en onstuimigen wellust wakker. Bij haar laatste
+doodskramp stokte zijn adem.
+
+Onder het avondeten beweerde zijn vader toevallig, dat een knaap op
+zijn leeftijd moest leeren jagen, en hij ging een oud schrijfboek
+halen, dat in vragen en antwoorden, de geheele uiteenzetting der
+jacht bevatte. Een meester onderwees er zijn leerling in de kunst der
+honden-dressuur en in het africhten van valken, hoe strikken te leggen
+en hoe een hert aan zijn lucht, een vos aan zijn spoor, een wolf aan
+zijn voetstap te onderkennen; het beste middel om hun gangen te
+weten; op welke manier men ze moet opjagen; waar zich gewoonlijk hun
+schuilplaatsen bevinden; welke de gunstigste wind is; met de opsomming
+der verschillende geluiden en de regels der buitverdeeling.
+
+Toen Juliaan al deze dingen uit het hoofd kon opzeggen, bracht zijn
+vader een troep jachthonden voor hem samen.
+
+Daar waren vooreerst vier-en-twintig barbarijsche hazewinden onder,
+vlugger dan gazellen, soms niet te weerhouden; ook zeventien koppels
+bretonsche honden, wit gevlekt op rosse huid, zeker van hun doel,
+sterk van borst en sterke blaffers. Voor de wilde-zwijnenjacht en de
+gevaarlijke achtervolging waren er veertig brakken, harig als beren.
+
+Tartaarsche bulhonden, bijna zoo hoog als ezels, vuurkleurig, breed
+gerugd en recht van knie, waren bestemd om den oeros te jagen. De
+zwarte vacht der poedels glom als satijn. Op een afzonderlijke
+binnenplaats gromden acht vlaamsche doggen, rukkend aan hun ketting
+en met de oogen rollend, ontzaglijke dieren, die paard en ruiter
+bespringen en voor een leeuw niet terugdeinzen.
+
+Allen aten weitebrood, dronken uit steenen troggen en ieder droeg een
+klinkenden naam. Zoo mogelijk was de valkerij nog volmaakter in haar
+samenstelling dan dit leger van honden. Door geen kosten te ontzien
+had de burchtheer zich kaukasische valken weten te verschaffen,
+sacervalken uit Babylonië, duitsche valkgieren, en rotsvalken,
+gevangen op de steile kusten aan verre koude zeeën; ze hadden hun
+verblijf in een huis met strooien dak, en zaten in volgorde van hun
+grootte naast elkaar op stok, met een graszode vóór zich, waarop ze nu
+en dan werden neergezet, om ze lenig te houden.
+
+Weitasschen, angels, klemmen, allerlei jachttuig werd er gereed
+gemaakt.
+
+ * * * * *
+
+Toen begon men de op vogelvangst afgerichte honden naar het veld te
+brengen. Ze roken daar al spoedig buit en stonden stil.
+
+Dan kwamen de jagermeesters voet voor voet nader, en spreidden over
+hun onbeweeglijke lichamen een reusachtig net uit.
+
+Een bevelend woord deed hen blaffen; de kwartels vlogen op; en de
+edelvrouwen uit de omgeving, die met hun ridders waren uitgenoodigd,
+de kinderen, de hofdames, allen vielen er op aan, en maakten ze
+gemakkelijk buit.
+
+Een andermaal sloeg men den roffel om de hazen uit hun leger op te
+jagen; vossen vielen in hinderlagen, of wel een losspringende klemveer
+vatte een wolf bij den poot.
+
+Maar Juliaan minachtte die gemakkelijke kunstjes. Hij verkoos ver
+buiten de menschen-wereld te jagen, alleen met zijn paard en zijn
+valk. Het was bijna altijd een groote Scythische jachtvalk, zoo wit
+als sneeuw. Zijn lederen kapje was met een pluim versierd, en gouden
+belletjes rinkelden aan zijn blauwe pooten; hij zat stil en recht op
+zijns meesters arm, terwijl het paard draafde, en de landschappen
+wisselden.
+
+Juliaan maakte dan zijn lussen los en liet hem ineens vrij; recht als
+een pijl uit den boog steeg het stoutmoedige dier de lucht in, en
+men zag dan twee ongelijke stippen wenden en wentelen, saamkomen en
+verdwijnen in de diepten van het hemelblauw. De valk daalde weldra
+neer, met een of anderen vogel tot prooi, en kwam zich opnieuw maar
+met trillende vleugels, op den handschoen neerzetten. Juliaan maakte
+zoo jacht op reiger en wouw, op kraaien en gieren. Hij hield er van,
+in den horen te stooten en zijn honden te volgen, die de heuvels op
+renden, over beken sprongen, van bosch naar bosch draafden; als het
+hert begon te sterven onder de wreede beten, sloeg hij het behendig
+neer. Dan was het hem een wellust toe te zien, hoe de woedende
+buldoggen hun prooi verscheurden en bloed-rookend verslonden.
+
+Op nevelachtige dagen ging hij diep het moeras in, en lag in lage naar
+ganzen, otters en wilde eenden.
+
+In den vroegsten uchtend reeds wachtten hem drie stalknechten aan
+den voet van het bordes: en of de oude monnik zich ook-al uit zijn
+torenvenster boog en gebaarde om hem terug te roepen, Juliaan zag niet
+om. Hij ging dwars door de brandende zon, door regen en storm, dronk
+bronwater uit de holle handen; deed voortdravend zijn maal aan wilde
+appels, en als hij vermoeid was, legde hij zich onder een eik te
+rusten. In 't midden van den nacht kwam hij thuis met bloed en slijk
+bedekt, dorens in het haar en de kleeren doortrokken van de lucht
+der wilde dieren. Hij werd aan hen gelijk. Wanneer zijn moeder hem
+omhelsde, liet hij haar onverschillig begaan, alsof hij over verre en
+diepzinnige dingen mijmerde.
+
+Hij doodde beren met messteken, stieren met den bijl, everzwijnen
+met de werpspies, en eenmaal zelfs heeft hij met een stok, zijn
+laatstovergebleven wapen, een grooten troep wolven van zich
+afgeslagen, die lijken verslonden aan den voet van een galg.
+
+Zoo dan trok hij op zekeren wintermorgen uit. De dag was nog niet
+aangebroken. Hij was goed toegerust, droeg den boog over den schouder,
+den pijlenkoker aan den zadel-knop.
+
+Zijn deensche hengst, gevolgd door twee dashonden, deed den grond
+onder zijn gelijkmatigen draf opklinken.
+
+IJzeldruppels kleefden aan zijn mantel; er woei een snerpende
+Noordenwind.
+
+Langzaam werd de oosterkimme lichter.
+
+Toen zag Juliaan in den witten uchtend-schemer konijnen heen en weer
+springen bij den rand van hun hol. De twee dassen stortten er
+zich dadelijk op, beten in het wilde weg, en vermorzelden hun de
+ruggegraat.
+
+Weldra kwam hij dan in een bosch. Op het uiteinde van een tak sliep
+een korhaan met den kop onder de vleugels, versteven van kou. Juliaan
+sloeg hem met een zwaardslag de beide pooten af, en zonder hem op te
+rapen, vervolgde hij zijn weg.
+
+Drie uur later stond hij op een bergspits, zóó hoog, dat ze de wolken
+raakte. Vóór hem, boven een afgrond, helde een rots neer, smal en
+kantig als een uitspringende muur; op haar uiteinde bevonden zich twee
+wilde bokken, die in de diepte tuurden.
+
+Daar hij geen pijlen had (zijn paard was achtergebleven) besloot hij
+na eenig bezinnen langs den rotskam af te dalen en hen zoo te naderen;
+gedoken en blootsvoets kwam hij ten slotte bij den eersten der twee
+bokken en stiet hem een dolk in de flanken. Opgejaagd door den schrik,
+sprong de tweede de leege diepte in. Juliaan schoot toe om hem nog te
+raken, maar zijn rechtervoet gleed uit, en hij viel voorover op het
+lijk van den eersten, het gelaat boven den afgrond en de beide armen
+wijd uit.
+
+In de vlakte reed hij langs een rij wilgen, die een rivier bezoomde.
+Van tijd tot tijd kwamen hem laag-vliegende kraanvogels boven het
+hoofd gestreken. Juliaan sloeg ze alle dood met zijn zweep, en miste
+er geen enkele.
+
+Intusschen had de luwte den rijm doen dooien. Breede nevelsluiers
+zweefden om, en de zon brak door. Heel in de verte zag hij het
+loodkleurige vlak van een bevroren meer blinken. Midden op dat ijsveld
+stond een dier, dat hij niet kende, een bever met zwarten snuit.
+Ondanks den afstand velde de eerste pijl het neer. Juliaan had grooten
+spijt de vacht niet te kunnen meenemen.
+
+Toen kwam hij door een dreef van groote boomen, wier kruinen aan den
+woud-ingang een eereboog leken te vormen.
+
+Een ree sprong uit het kreupelhout, een damhert bleef staan op een
+viersprong, een das kwam uit een hol, op een grasvlak pronkte een pauw
+met zijn staart;--en toen hij ze alle gedood had, kwamen er andere
+reeën, andere damherten, andere dassen, andere pauwen, merels en
+meerkollen, bunzings, vossen, egels, lynxen, almaar-door nieuwe
+dieren, ontelbaar en bij iedere schrede talrijker. Ze wendden en
+keerden om hem heen en zagen hem aan met zachtaardigen, smeekenden
+blik. Maar Juliaan werd het niet moe ze alle te dooden, nu eens zijn
+boog spannend, dan zijn zwaard trekkend, of stekend met zijn knijf, en
+hij had heugenis of nagedachte over niets ter wereld. Hij was op jacht
+in een of ander land, sinds onbestemden tijd, en hij jaagde omdat
+hij leefde, leefde omdat hij jaagde, alles voltrok zich zoo licht en
+gemakkelijk als in een droom. Een buitengewoon schouwspel hield hem
+echter staande. Een vallei, die den vorm had van een renperk, stond
+vol herten; dicht saamgedrongen verwarmden ze elkaar met hun adem, die
+men in den nevel zag om-wademen. Het vooruitzicht van zoo'n slachting
+versmachtte hem van lust, oogenblikken lang. Toen sprong hij van zijn
+paard, stroopte de mouwen op en begon aan te leggen. Bij het fluiten
+van den eersten pijl wendden alle herten tegelijk hem den kop toe. Er
+kwamen bressen in hun massa; klagende stemmen kermden, en een groote
+beweging ontrustte de kudde.
+
+De hellingen der vallei waren te hoog; ingesloten sprongen de dieren
+om, en zochten een uitweg. Juliaan mikte en schoot, de pijlen vielen
+als regenstralen bij een onweer. De getergde herten weerden zich,
+steigerden, sprongen op elkander, en hun lichamen met hun verwarde
+geweien vormden een breeden heuvel, die zich verplaatste en
+ineenstortte. Ten laatste stierven ze, uitgestrekt op het zand, het
+schuim op den bek en met uitpuilende ingewanden. Het zwoegen van hun
+lichaam werd zwakker en zwakker. Toen was alles stil.
+
+De nacht begon te duisteren, en achter het bosch, tusschen de takken
+door, was de hemel rood als een bloed-doordrenkte dwale.
+
+Juliaan leunde met den rug tegen een boom. Met wijd-gesperde oogen
+stond hij naar het monsterachtige bloedbad te staren, niet begrijpend,
+hoe hij het had kunnen aanrichten.
+
+Aan de andere zijde van het dal, bij den boschrand, werd hij toen
+ineens een ander hert gewaar, met een hinde en haar jong.
+
+Het hert dat zwart was en reusachtig van gestalte, droeg zestien
+takken in zijn gewei en een witte sik. De hinde, blondbruin zooals
+dorre bladers zijn, graasde, en het gevlekte reebokje volgde zijn
+moeder.
+
+Toen snorde de boog nogmaals. Het reetje was dadelijk dood. De
+moeder sloeg den blik omhoog en huilde met een diepe, menschelijke,
+hartverscheurende stem. Dit tergde Juliaan, en hij velde haar met
+een pijl in de borst. Het groote hert had dit gezien, het deed een
+zijsprong, en Juliaan schoot zijn laatsten pijl er op af. Die raakte
+het in 't voorhoofd, en bleef daar steken.
+
+Het groote hert scheen dit niet te voelen; het stapte over de doode
+hinde en het bokje heen en naderde hem steeds dichter met gebukt
+gewei, om zich op hem te werpen en hem het lichaam open te rijten.
+
+Door angst bevangen deinsde Juliaan terug. Het wonderbare dier stond
+stil; en met vlammende oogen, plechtig als een patriarch en een
+richter, herhaalde het tot driemaal toe, terwijl er een klok luidde in
+de verte:
+
+"Vervloekt! vervloekt! vervloekt! De dag zal komen, wreedaardig hart,
+dat ge uw vader en moeder vermoorden zult."
+
+Het boog de knieën, sloot zacht de oogen en stierf.
+
+Juliaan was verstomd blijven staan; toen deed een plotselinge
+vermoeienis hem ineen-zinken, en een weerzin, een eindelooze droefenis
+overstelpten hem. Met het hoofd in de handen bleef hij schreien.
+Hij was zijn paard verloren, zijn honden hadden hem verlaten, de
+eenzaamheid die hem omgaf, voelde hij dreigen met onbestemde gevaren.
+En eensklaps vluchtte hij verschrikt weg, dwars de velden door, over
+het eerste het beste voetpad, en zonder te weten hoe, stond hij ineens
+voor de burchtpoort.
+
+'s Nachts sliep hij niet. Bij het weifelig schijnsel der hanglamp zag
+hij voortdurend het donkere reuzenhert, wiens vloek hem kwellen bleef.
+Hij vocht er tegenin. "Neen! neen! neen! ik kan ze niet dooden, nooit
+of nimmer!" maar even later: "En zoo ik er toch, ondanks alles, toe
+komen zou?" Steeds grooter werd zijn angst, dat de Booze hem zou
+aandrijven.
+
+Drie maanden lang bad Juliaans moeder in doodsangst aan zijn sponde;
+en zijn vader liep aanhoudend zuchtend heen en weer door de gangen.
+De meest beroemde geneesmeesters liet hij komen. Ze schreven groote
+hoeveelheden artsenijen voor en beweerden, dat Juliaans kwaal werd
+veroorzaakt, of door een kwaden luchtstroom, of door een verlangen
+naar liefde. Maar de jonker schudde op alle vragen het hoofd.
+
+Eindelijk begon hij toch weer bij krachten te komen; en hij wandelde
+nu op het binnenplein, tusschen den ouden monnik en den burchtheer in,
+die hem ieder bij een arm ondersteunden.
+
+Toen hij geheel hersteld was, wilde hij, in halsstarrig verzet, van
+geen jagen meer hooren.
+
+Zijn vader wilde hem een genoegen doen en schonk hem een groot
+saraceensch zwaard. Het hing in een wapenrek, boven tegen een pijler.
+Er moest een ladder gehaald worden. Juliaan klom er op. Het al te
+zware zwaard viel hem uit de handen, en raakte in zijn val den
+burchtheer zoo dicht, dat het zijn mantel openscheurde. Juliaan
+meende, dat hij zijn vader had gedood en viel in onmacht.
+
+Sedert had hij een afschrik van wapens. De aanblik van een blanke
+kling deed hem bleek worden. Deze blooheid van Juliaan werd zijn
+omgeving tot groot verdriet.
+
+Ten laatste bezwoer de oude monnik hem, om Gods wil en der vaderen
+eer, ridderspel en wapenhandel weer op te vatten.
+
+De schildknapen vermaakten zich toen juist iederen dag met het
+hanteeren van den werp-schicht. Juliaan muntte weldra uit in dat spel.
+Hij mikte zijn schicht in den hals eener flesch en trof de hoogste
+windwijzers, dat hun punten versplinterden. Op honderd passen afstand
+raakte hij de nagelkoppen in de deuren.
+
+Op een zomeravond, in het uur dat de schemer de dingen doet vervagen,
+zag hij, terwijl hij in de wingerddreef aan 't wandelen was, heel
+in de verte daar twee witte vleugels fladderen, ter hoogte van het
+lat-werk. Hij meende niet anders, of 't was een ooievaar, en hij wierp
+zijn schicht.
+
+Een schelle kreet klonk op. Het was zijn moeder, wier breed geslipte
+huive aan den muur bleef vastgespietst.
+
+Juliaan vluchtte uit den burcht en keerde niet terug.
+
+
+
+
+II
+
+
+Hij sloot zich aan bij een voorbijtrekkenden troep avonturiers.
+
+Hij leerde honger en dorst kennen, koortsen en ongedierte. Hij werd
+gewoon aan het geraas der vechtpartijen en den aanblik van den dood.
+De wind taande zijn huid. Zijn leden hardden onder de wapenrusting,
+en daar hij zeer sterk, moedig, matig en wakker was, stond hij reeds
+spoedig zelf aan het hoofd van een troep.
+
+Wanneer de slag zou beginnen, bezielde hij zijn soldaten door een
+breeden zwaai met zijn zwaard.
+
+Langs een knoopladder beklauterde hij 's nachts de fortmuren, terwijl
+de storm hem heen-en-weer slingerde, terwijl de vonken van het
+grieksch vuur aan zijn kuras kleefden, en ziedend hars en gesmolten
+lood uit de schietgaten stroomden. Dikwijls werd zijn schild door een
+steenworp verbrijzeld. Bruggen stortten in onder den al te zwaren
+last zijner benden. Met één zwaai van zijn knots ontdeed hij zich van
+veertien ruiters, en in het strijdperk versloeg hij allen, die zich
+met hem dorsten meten. Meer dan twintig keer waande men hem dood. Dank
+zij de Goddelijke genade ontkwam hij het telkens; want hij beschermde
+de kerken, weduwen en weezen, en vooral de oude lieden.
+
+Wanneer er een grijsaard voor hem uitging, riep hij hem aan, om zijn
+gelaat te onderkennen, als in vreeze hem bij vergissing te dooden.
+Weggeloopen slaven, muitende boeren, verraders zonder goede kans,
+allerlei waaghalzen stroomden toe onder zijn vaandel, en hij vormde
+een steeds aangroeiend leger. Hij werd befaamd. Men dong om zijn hulp.
+
+Om beurten stond hij den Franschen dauphijn bij en den koning van
+Engeland, de tempeliers van Jeruzalem, den surena der Parthen, den
+negus van Abbessynië en den keizer van Calicuta. Hij streed tegen de
+Scandinaviërs, die met vischschubben overdekt waren, tegen Negers
+op rosse muildieren en met rondassen van nijlpaardenleer; tegen
+koperkleurige Indianen, die boven hun veeren hoofdtooi breede
+spiegelblanke klingen zwaaiden. Hij verwon holbewoners en
+menschen-eters. Hij trok door zulke heete luchtstreken, dat de
+zonnehitte het haar van zijn soldaten verschroeide en vlam deed vatten
+als een fakkel. Elders heerschte zoo'n koude, dat de armen er van het
+lichaam losvroren en op den grond vielen.
+
+In andere landen hingen de nevels zoo dicht, dat zijn troepen om hem
+heen verwaasden tot stoeten van schimmen.
+
+Republieken, die in moeilijkheden waren, raadpleegden hem. Bij de
+samenkomst der afgezanten verkreeg hij onverhoopte voorwaarden.
+Wanneer een vorst zich misdroeg, verscheen hij ineens om hem te
+vermanen. Hij vocht volken vrij. Hij verloste koninginnen uit de
+torens, waar ze gekerkerd zaten. Hij, en niemand anders, doodde de
+slang van Milaan en den draak van Ober-birbach.
+
+Welnu dan: de keizer van Occitanië, die de Spaansche Muzelmannen
+overwon, had de zuster van den kalief van Cordova getrouwd; ze schonk
+den keizer een dochter, die hij in den Christelijken godsdienst
+opvoedde. Maar de kalief wendde voor, dat hij zich bekeeren wilde en
+kwam hem zoo, met talrijk geleide, een bezoek brengen. Hij
+verdelgde toen de heele bezetting, en wierp den keizer zelf in een
+onderaardschen kerker, waar hij hem zeer hardvochtig behandelde, om
+schatten als losgeld te krijgen.
+
+Juliaan snelde hem ter hulp, versloeg het leger van de verraders,
+belegerde de stad, doodde den kalief, hieuw hem het hoofd af, en rolde
+het als een bal over de wallen heen. Toen verloste hij den keizer uit
+den kerker en plaatste hem weer op den troon, in tegenwoordigheid van
+zijn geheele hof.
+
+De keizer wilde hem, tot dank voor zulk een dienst, korven vol geld
+geven. Juliaan begeerde het niet. Meenend dat hij meer verlangde, bood
+de keizer hem toen drie-vierde-deel van zijn rijkdommen aan; nieuwe
+weigering. Ten einde raad stelde de keizer hem voor het rijk met hem
+te deelen, en nog bedankte Juliaan. Toen schreide de keizer van spijt
+en wist niets meer. Maar plotseling sloeg hij zich voor het voorhoofd.
+Hij fluisterde een hoveling iets toe; een wandtapijt werd opgelicht en
+daar trad een jonkvrouw te voorschijn.
+
+Haar groote zwarte oogen blonken als twee heel stille lampen. Een
+lieve glimlach opende haar lippen. Heur lokken hechtten zich in de
+edelsteenen van haar los gewaad; de jeugd van haar gestalte lijnde
+teeder onder de luchte plooien van dat overkleed.
+
+De liefde deed Juliaan duizelen, te eer hem, die immer zoo'n ingetogen
+leven had geleid.
+
+Zoo werd hem de dochter van den keizer ten huwelijk gegeven, met een
+paleis van haar moeders erfdeel; en toen de bruiloft was afgeloopen,
+nam men afscheid met einde-looze plichtplegingen van weerszijden. Het
+was een wit-marmeren paleis, in moorschen stijl, op een voorgebergte
+en midden in een bosch van oranjeboomen. Bloemterrassen daalden af
+naar de kust van een zeegolf, waar rozige schelpen onder de voeten
+kraakten.
+
+Achter het paleis strekte zich een waaier-vormig woud uit. De hemel
+was altijd blauw. De toppen der boomen wuifden zachtjes onder de
+luchtige zeebries, of onder den zefier, die aanwoei uit de bergen aan
+den horizon.
+
+Het inlegwerk van de wanden scheen een lichtglans uit door de
+schemerige zalen. Tengere zuiltjes, rank als riethalmen, droegen
+het gewelf der koepels, die versierd waren met nagebootste
+grotstalactieten.
+
+Er waren springbronnen in de zalen, mozaïekvloeren op de
+binnenpleinen. Er waren bebeeldhouwde beschotten met randen van
+looverwerk, en duizenderlei andere verfijningen van bouwkunst, en een
+zoo diepe stilte, dat het geritsel van een sjerp over de vloeren reeds
+groot gerucht was; een zucht deed zijn echo ademen.
+
+Juliaan voerde geen oorlog meer. Hij rustte, omgeven door een vredig
+volk, dat dagelijks in stoeten aan hem voorbijtoog, met kniebuiging en
+handkus naar Oostersche zede.
+
+In purper gehuld lag Juliaan in een vensternis te leunen, terwijl zijn
+gedachten aldoor bezig waren met zijn vroeger jagersleven. Het liefst
+zou hij, dwars de woestijn door, gazellen en struisvogels vervolgd
+hebben, of, tusschen het bamboe verborgen, luipaarden hebben belaagd,
+de wouden vol neushoorns doorkruist, of voor de arendjacht de
+moeilijkst bereikbare bergtoppen bestegen hebben, en in zee op
+ijsschotsen met de witte beren zijn gaan vechten.
+
+Somwijlen zag hij zichzelf in een droom midden tusschen alle dieren,
+zooals Adam, onze vader, in het Paradijs. Met het strekken van zijn
+hand deed hij ze sterven. Of wel ze trokken paarsgewijze voorbij,
+volgens hun grootte, olifanten en leeuwen voorop, hermelijnen en
+eenden achteraan, zooals ten dage toen ze de arke Noachs binnentogen.
+Uit een grot, waar hij zich schuil hield, wierp hij naar hen met zijn
+nimmer-missende schichten; andere dieren doken op; het nam geen einde
+meer; en hij ontwaakte met woest-rollende oogen.
+
+Bevriende vorsten noodigden hem ter jacht. Hij bedankte altijd, in de
+hoop, door deze versterving zijn ongeluk nog te kunnen afwenden; want
+het docht hem, dat van het al of niet vermoorden van dieren het lot
+zijner ouders afhing. Hen niet te mogen weerzien, en ook het ander
+verlangen, het werd hem ondragelijk.
+
+Zijn vrouw deed goochelaars en danseressen komen, om hem wat
+verstrooiing te geven.
+
+Ze liet zich met hem in een open draagkoets door de velden omvoeren;
+andere keeren lagen ze op de banken van een bark naar de visschen te
+zien die door het zilverklare water doolden. Dikwijls wierp ze hem
+spelend met bloemen in het gelaat en aan zijn voeten tokkelde zij
+liedjes op een drie-snarige mandoline; maar altijd weer, haar gevouwen
+handen op zijn schouder, vroeg ze ten laatste met bloode stem: "Wat
+houdt u toch bezig, mijn lieve gemaal?"
+
+Hij antwoordde niet, of wel hij barstte in snikken uit; op zekeren dag
+echter bekende hij haar zijn afschuwelijke gedachte.
+
+Ze streed er tegen, met drang van zeer goede redenen:
+hoogstwaarschijnlijk immers waren zijn vader en moeder dood, en mocht
+hij ze ook ooit weerzien bijgeval, hoe dan nog, door welk toeval, of
+met welke bedoeling zou hij tot zulk een zoo heilig-schennende misdaad
+kunnen komen? Zijn vrees was alzoo ongegrond, en hij moest maar gerust
+weer gaan jagen.
+
+Juliaan hoorde haar aan met een mijmerenden glimlach, maar hij kon
+nimmer besluiten aan haar verlangen te voldoen.
+
+Een avond in Augustus, toen ze op hun kamer waren--zij had zich juist
+ter ruste gelegd, en hij knielde neer om te bidden--hoorde hij het
+keffen van een vos, toen sluippassen onder het venster, en door het
+duister zag hij schimmen van dieren bewegen.
+
+De bekoring was hem te sterk. Hij nam den pijlenkoker van den wand.
+Zijn vrouw scheen verrast.
+
+"Eindelijk dan zal ik doen wat ge altijd verlangd hebt", sprak hij,
+"bij zonsopgang ben ik terug."
+
+Maar ze was bang, als voor dreigend kwaad.
+
+Hij stelde haar gerust, en ging heen, verwonderd over haar
+wisselvallige stemmingen.
+
+Even later kwam een page haar kond doen, dat twee onbekenden, daar de
+slotheer afwezig was, oorlof vroegen onmiddellijk tot de vrouwe te
+worden toegelaten.
+
+En weldra traden een oude man en een oude vrouw de kamer binnen, diep
+gebogen, met stof bedekt, in linnen gekleed, en ieder steunend op een
+stok.
+
+Ze vatten moed, en zeiden dat ze Juliaan tijding van zijn ouders
+kwamen brengen. De vrouwe neeg voorover om hen beter te verstaan.
+
+De twee oudelieden wisselden een raadplegenden blik, en begonnen haar
+toen te vragen of hij zijn ouders nog liefhad, of hij wel eens over
+zijn ouders sprak.
+
+"O, zeker!" was het antwoord. Toen konden zij zich niet langer
+inhouden:
+
+"We zijn het zelve, wij!".--en ze zonken in hun zetels, afgemat van
+vermoeienis.
+
+Wat evenwel kon de jonge vrouwe zekerheid geven, dat haar gemaal hun
+zoon zou zijn?
+
+Maar ze bewezen het, door de bijzondere teekenen te beschrijven, die
+hij op de huid had. Toen stond ze op van haar legerstee, riep den
+page, en liet hun een maal opdienen.
+
+Hoewel ze grooten honger hadden, konden ze niet eten; en van terzijde
+zag ze, hoe hun dorre handen beefden wanneer ze den beker opnamen. Ze
+vroegen duizend uit over Juliaan. Ze beantwoordde al die vragen één
+voor één, maar vermeed angstvallig over de doodsgedachte te spreken,
+die hen zelve betrof.
+
+Ze waren van hun kasteel weggetrokken, toen ze hem niet terug zagen
+keeren en sedert vele jaren zwierven ze om, vage aanduidingen volgend,
+maar zonder de hoop te verliezen. Ze hadden zooveel geld noodig
+gehad aan veerpenningen bij de rivieren, aan verblijfkosten in de
+logementen, aan schatting voor de landsvorsten en aan losprijs voor de
+roovers, dat hun beurs tot op den bodem leeg was, zoodat ze nu moesten
+bedelen. Maar wat hinderde dat, nu ze welhaast hun zoon aan het hart
+konden drukken? En ze prezen hem gelukkig met een zoo aanminnige
+vrouwe, werden niet moe haar aan te zien en te liefkoozen.
+
+De weelde van het slaapvertrek verbaasde hen uitermate; en de oude
+man, die zijn blik langs de wanden had laten weiden, vroeg waarom er
+het blazoen des keizers van Occitanië was aangebracht. Juliaans vrouwe
+antwoordde:
+
+"Dat is mijn vader!"
+
+Het deed den grijsaard huiveren van ontroering, want hij herinnerde
+zich de voorspelling van den zigeuner; en de oude moeder mijmerde over
+de woorden van den heremiet, overtuigd, dat deze aardsche glorie van
+haar zoon slechts een opgang was naar eeuwige heerlijkheden; beiden
+bleven ze star van verwondering daar zitten in den schijn van den
+luchter, die de tafel verlichtte.
+
+Ze moesten wel heel mooie menschen geweest zijn in hun jeugd. De
+moeder had heur volle haar nog, ze droeg het in twee gladde strooken,
+fijn en wit als bladen van sneeuw langs slapen en wangen; en de
+vader, met zijn hooge gestalte en zijn langen baard geleek op een
+heiligebeeld uit de kerk.
+
+Juliaans vrouwe echter sprak, dat ze niet zoo wakend zijn thuiskomst
+moesten verbeiden, en met lieven dwang deed zij hen in haar eigen
+sponde slapen gaan; toen sloot ze het raam; ze sluimerden in. Het werd
+zacht-aan morgen, en achter het vensterglas begonnen de vogels te
+zingen.
+
+Juliaan was dwars door het park gegaan; en hij liep met krachtigen
+tred het bosch door, genietend van de milde lucht en van het dauwige
+gras, koel en zacht onder zijn voeten.
+
+De slagschaduwen der boomen lagen over het mos. Over de open plekken
+deed de maan wel hier en daar blanke lichtglimpen glanzen; dan bleef
+hij aarzelend talmen, in de meening dat er een vijverspiegel lag;
+elders weer ging de kleur van een stil watervlak onmerkbaar over in
+die van het gras der oeverranden. Er heerschte alom een diepe rust, en
+hij vond nergens een der dieren, die voor eenige oogenblikken nog het
+kasteel omdwaalden.
+
+Het bosch werd dichter, de duisternis steeds dieper. Warme
+windzwoelten woeien om, loom en zwaar van geuren. Zijn voeten zonken
+weg in lagen dorre bladers, en hij ging tegen een eikestam leunen om
+wat te verademen.
+
+Eensklaps sprong er achter hem een logge schaduw op, duisterder uit
+het duister, een everzwijn. Juliaan had den tijd niet zijn boog te
+grijpen, en hij bejammerde dit als een ongeluk.
+
+Kort daarna, toen hij buiten het bosch was gekomen, zag hij een wolf
+langs een hegge sluipen.
+
+Juliaan schoot een pijl op hem af. De wolf stond stil, wendde het
+hoofd even om en liep toen door. Hij draafde voort, maar bleef altijd
+op denzelfden afstand, hield van tijd tot tijd in, en zoogauw Juliaan
+op hem aanlegde, vluchtte hij weer verder.
+
+Juliaan liep op deze wijze een eindelooze vlakte door, kwam toen over
+lage zandheuvels en ten laatste stond hij op een hoogte, die uitzag
+over een wijde landstreek. Platte zerksteenen lagen hierboven
+verstrooid tusschen bouwvallige gewelven; men struikelde er over
+doodsbeenderen; vermolmde graf-kruisen hingen klaaglijk omgevallen.
+Maar er bewogen gedaanten in de onwezenlijke schaduw tusschen de
+graven, en hyena's kwamen er uit opgedoken, rillend van angst. Hun
+nagels schraafden over de zerken, nu ze snuffelend op hem afkwamen met
+een grijns, die hun tandvleesch ontblootte. Hij trok zijn zwaard. Ze
+stoven ineens uit elkaar, naar alle windstreken heen, almaar voort
+in overijlden en struikeligen draf, tot ze ver-weg in een stofwolk
+verdwenen.
+
+Een uur later vond hij in een ravijn een dollen stier, die, met
+dreigende horens, den hoef in het zand schraapte. Juliaan wierp hem de
+speer in de halskwab. De speer versplinterde, alsof het dier van brons
+was. Juliaan sloot de oogen, en wachtte op den dood. Toen hij weer
+opzag was de stier verdwenen.
+
+Zijn ziel verkromp van schaamte. Een bovennatuurlijke wil verwoestte
+zijn kracht; en hij ging terug door het bosch om zich thuis te
+verschuilen.
+
+De boschwegen waren overward door slingerplanten; en toen hij zich
+met zijn zwaard een doortocht baande, kwam er ineens een steenmarter
+tusschen zijn beenen doorglijden; een panter sprong hem over den
+schouder, een slang kronkelde zich om een esschestam. In het loover
+zat een monsterachtige kraai naar Juliaan te staroogen; en hier
+en daar flonkerden er groote vonken tusschen de takken, alsof het
+uitspansel al zijn sterren in het bosch had laten neerregenen. Het
+waren dieren-oogen, oogen van boschkatten, van eekhorens en uilen, van
+papegaaien en apen.
+
+Juliaan schoot almaar pijlen; de pijlen bleven met hun veders als
+witte vlinders tusschen de bladeren zitten. Hij wierp met steenen; de
+steenen vielen neer zonder iets te raken; hij verwenschte zich zelven,
+en had zich wel willen geeselen, hij brieschte vervloekingen en
+verstikte in zijn razernij.
+
+En alle dieren, die hij vervolgd had, daagden weer op en kwamen hem in
+een nauwen kring omsluiten. Sommige zaten neergehurkt, andere stonden
+recht. Hij bleef in het midden, verstard van angst en onbekwaam tot de
+minste beweging. Door uiterste wilsinspanning verzette hij een voet;
+die in de boomen openden hun vleugels, die langs den grond deden een
+schrede, en alle vergezelden ze hem. De hyena's voor hem uit; de
+wolf en het everzwijn achter hem aan. De stier aan zijn rechterzijde
+schudde den kop; links kronkelde de slang door het boschkruid, terwijl
+de panter met opgezetten rug voorging, met wijde fluweel-zachte
+gluip-passen. Juliaan liep zoo langzaam mogelijk om ze niet op te
+hitsen; en hij zag uit de diepten van het kreupelhout egels opduiken,
+vossen, adders, jakhalzen en beren. Juliaan begon hard te loopen, alle
+liepen ze hard. De slang sijfelde, de viervoeters kwijlden, de ever
+schraafde hem de hielen met zijn slagtanden; de wolf wreef zijn
+snorharen in den palm van zijn handen. Grimmend en grijnzend kwamen de
+apen hem knijpen; de egel rolde over zijn voeten; een beer sloeg
+hem de muts af met een zwaai van zijn poot; en de panter liet voor
+evenveel een pijl neervallen, dien hij meedroeg in zijn bek.
+
+Er gluurde spotzucht achter hun heimelijk doen. En terwijl ze hem uit
+hun ooghoeken bespiedden, leken ze wraakplannen te overwegen. Juliaan
+liep voort met uitgebreide armen, de oogleden neer als een blinde,
+verdoofd door het gegons der insecten, gezweept door de staartpennen
+van de vogels, verstikt door al die adems, zonder zelfs de kracht te
+hebben om "genade" te roepen.
+
+Het gekraai van een haan schrilde door de lucht. Andere hanen gaven
+daar antwoord op; het was de morgen, en achter de oranje-boomen
+daagden de tinnen van zijn paleis.
+
+Maar voortschrijdend hier langs den akker-kant zag hij op drie
+schreden afstand roode patrijzen fladderen in de stoppels. Hij gespte
+zijn mantel los en wierp dien op de vogels als een net.
+
+Toen hij naar zijn buit tastte, vond hij slechts één enkelen patrijs,
+die daar sedert langen tijd moest dood gelegen hebben, een rottend
+aas.
+
+Deze teleurstelling verbitterde hem nog meer dan alle overige. Zijn
+bloeddorst werd hem meester, zóó zelfs dat hij menschen zou gemoord
+hebben, als er geen dieren meer waren. Hij klom de drie terrassen op,
+beukte de deur open met een vuistslag; maar aan den voet van de trap
+deed de gedachte aan zijn geliefde vrouw hem het hart week worden. Ze
+sliep nu zeker en ze zou verrast ontwaken. Nadat hij zich van zijn
+sandalen had ontdaan, draaide hij zachtjes het slot open en schreed
+binnen.
+
+De met lood dooraderde vensters verduisterden den bleeken uchtend.
+Juliaans voeten verwarden zich in kleeren, die over den grond lagen;
+wat verder stootte hij tegen een credens-tafel vol vaatwerk. "Ze
+zal zeker gegeten hebben," dacht hij, en trad op het bed toe, dat
+verschaduwd stond in de kamerdiepte.
+
+Toen hij den spondekant genaderd was, boog hij zich, om zijn vrouwe
+te omhelzen, over de peluw neer, waar de twee hoofden rustten dicht
+nevens een. Daar raakten zijn lippen de ruwheid van een baard. Hij
+week ontzet terug, en geloofde waanzinnig te zijn; maar hij wendde
+zich opnieuw naar het bed, en zijn tastende vingers nu raakten de zeer
+lange haren. Om zich te overtuigen, dat hij ijlde, streek hij langzaam
+met de hand de peluw over. En het was wel wezenlijk een baard, dien
+hij voelde ditmaal, en een man! een man met zijn vrouw!...
+
+Uitbarstend in matelooze woede stortte hij zich met dolksteken op hen;
+en hij trapte en brieschte, brullend als een wild dier. Toen hield
+hij in. De dooden, die recht in het hart getroffen waren, hadden zich
+zelfs niet meer verroerd. Hij luisterde oplettend naar hun beider
+bijna gelijkmatig doodsgereutel, en naar gelang dit zwakker en
+zwakker werd, begon een ander gekreun meer hoorbaar te worden. Het
+lang-aanhoudende geluid van die klaaglijke stem, onduidelijk eerst,
+kwam nader en nader, zette zich uit, werd hard en wreed, en ontzet
+herkende Juliaan den schreeuw van het groote zwarte hert.
+
+En toen hij zich omwendde om te weten, meende hij in het open deurvak
+de schaduw van zijn vrouwe te zien, die daar stond met een licht in
+de hand. Het geraas van den moord had haar doen naderen. Met één blik
+begreep ze alles. In afgrijzen vluchtte ze weg, en liet de toorts
+vallen. Hij raapte die op.
+
+Zijn vader en zijn moeder lagen daar voor hem, recht uitgestrekt, met
+een gapende wonde in de borst, en hun beider aangezicht geleek in
+verheven zachtmoedigheid een eeuwig geheim te zwijgen. Droppels en
+sprenkels bloed lagen over hun blanke huid gespat, over de lakens en
+het bed, over den grond, en langs het ivoren kruisbeeld dat in
+de bedstede hing. De vuurroode weerschijn der zon-doorstraalde
+vensterruiten kwam die bloedige sprenkels nu verlichten en wierp er
+zelve steeds nog meerdere door geheel het vertrek. En Juliaan liep
+weer op de twee dooden toe, meenend en zich diets makend, dat het een
+onmogelijkheid was, dat hij verkeerd had gezien, dat er somwijlen
+onverklaarbare gelijkenissen zijn. Ten laatste boog hij angstvallig
+voorover om den grijsaard van nabij te beschouwen; en hij zag,
+tusschen die halfopen wimpers, een uitgedoofden oogappel, die hem als
+vuur pijnde. Toen wendde hij zich naar den anderen spondekant, waar
+het tweede lichaam lag; de witte haren verborgen gedeeltelijk het
+gelaat. Juliaan streek die lokken weg en lichtte dat hoofd op; en hij
+staarde haar aan, ze steunend met zijn krampachtig gestrekten arm,
+terwijl hij in de andere hand de toorts hield om zich bij te lichten.
+
+Bloeddruppels sijpelden van de matras en vielen één voor één op den
+vloer neer.
+
+Aan den avond van dien dag stond hij voor zijn vrouwe, en met een
+stem, die zijn eigene niet was, gebood hij haar vooreerst hem niet te
+antwoorden, hem niet te naderen, en zelfs hem niet meer aan te zien,
+en dat ze, onder straffe van eeuwige verdoemenis, al zijn bevelen had
+uit te voeren, die onherroepelijk waren.
+
+De begrafenis moest geregeld worden naar voorschriften die hij op een
+bidstoel in de dooden-kamer had achtergelaten. Hij stond zijn vrouwe
+het paleis af, zijn vazallen, al zijn have en goed, zonder zelfs zijns
+lijfs-kleeren te behouden, noch zijn sandalen; men zou die boven op
+de trappen weervinden. Zij was het werktuig geweest van Gods wil,
+onschuldige oorzaak van zijn misdaad, en ze had te bidden voor zijn
+ziel, want voortaan bestond hij niet meer.
+
+De dooden werden met groote praal begraven in de kerk van een
+klooster, dat op drie dagreizen afstand lag van het kasteel. Een
+monnik met neergeslagen boetekap volgde den stoet, afgescheiden van
+alle overigen en zonder dat iemand hem dorst aanspreken.
+
+Gedurende de Mis bleef hij midden voor de poort plat-uitgestrekt ter
+aarde liggen, de armen gekruist en het voorhoofd in het stof. Na de
+begrafenis zag men hem den weg inslaan naar de bergen. Hij wendde zich
+herhaaldelijk om, en verdween ten laatste.
+
+
+
+
+III
+
+
+Hij toog heen, een zwerver, bedelend om zijn brood.
+
+Hij hield de hand op voor de ruiters langs de wegen, naderde met een
+knieval de oogstende landlieden, of bleef roerloos wachten voor het
+hek van hun erf; zoo droef was zijn aangezicht, dat men hem nimmer een
+aalmoes weigerde.
+
+In vermorzeling des harten deed hij dan zijn levensverhaal, en allen
+vluchtten ze heen en sloegen ze kruisteekens. In de dorpen, waar hij
+reeds eenmaal doorgetogen was, wierp men de deuren toe, zoodra men hem
+herkende, men riep hem bedreigingen na en gooide hem met steenen. Zij,
+die het liefdadigst waren, zetten eene nap op het vensterkozijn, maar
+sloten dan de luiken om hem niet te zien. Een verstooteling was hij
+overal, en hij begon de menschen te schuwen; hij voedde zich met
+wortels, met planten, met afgevallen vruchten, en met schelpdieren die
+hij zocht langs den zee-oever.
+
+Somwijlen zag hij van een heuvelkant ineens een stapeling van daken
+onder zijn oogen, met steenen spitsen, met bruggen en torens, hars en
+dwars doorkruist met zwarte straten, waaruit een aanhoudend gegons tot
+hem opsteeg.
+
+Een drang om met de anderen deel te hebben in het leven, deed hem naar
+de stad afdalen.
+
+Maar de dierlijke uitdrukking der gezichten, het geraas van het werk,
+het leege gepraat, deden zijn hart verstarren. Op hoogtij-dagen, als
+de groote klokken van de kathedraal, van zonsopgang af, het geheele
+volk in feeststemming brachten, zag hij het aan, hoe de poorters uit
+hun deur kwamen; stond als toeschouwer bij den dans op de pleinen,
+liep te kijken naar de bier-fonteinen op den viersprong der straten,
+naar de behangsels van zijden damast voor der vorsten woonsteden, en
+als de avond gevallen was, gluurde hij door de ruitjes der onderhuizen
+over de gezellige feesttafels heen, waar grootouders mede aanzaten met
+kleine kinderen op hun knieën. Dan verstikte hij in zijn tranen, en
+hij zwierf weer henen, naar buiten, de velden door.
+
+In opwellingen van verteedering kon hij ineens stilstaan, om te kijken
+naar veulens in een wei, naar vogels in hun nest, naar insecten op de
+bloemen; alle vluchtten ze weg, wanneer hij nabij was: verborgen zich
+angstig, of vlogen snel heen.
+
+En weer zocht hij de eenzaamheid. Maar de wind kwam hem met
+doodsgereutel langs de ooren kreunen; dauwdroppels die neervielen,
+herinnerden hem aan andere droppels; die waren zwaarder. Iederen avond
+deed de zon rood bloed vlieten door de wolken; iederen nacht herbegon
+hij den oudermoord in zijn droomen.
+
+Hij maakte zich een boetekleed met ijzeren stekels. Op zijn twee
+knieën kroop hij tegen alle heuvels op, waar een bedehuis waakte
+omhoog. Maar de onverbiddelijke gedachte verduisterde den glans der
+tabernakels, en bleef hem kwellen door zijn boeten en zelf-kastijden
+heen.
+
+Hij toornde niet tegen God, die hem deze daad had opgelegd, maar was
+radeloos ze bedreven te hebben.
+
+Hij had zoo'n afschuw van zichzelf, dat hij, om er los van te worden,
+zich in allerlei gevaren waagde. Hij redde verlamden uit huizen in
+lichter laaie, en kinderen uit de diepte van den afgrond. De afgrond
+wierp hem weer op, het vuur spaarde hem.
+
+De tijd heelde zijn zielspijnen niet. Ze werden ondraaglijk. En hij
+wilde den dood zoeken. Eens stond hij aan een vijverkant; en boog over
+om de diepte van het water te peilen. Toen zag hij onder zijn oogen
+het ingevallen gelaat van een grijsaard met witten baard, zoo droef
+een gelaat, dat hij zijn tranen niet weerhouden kon. Ook de grijsaard
+weende. Juliaan herkende zijn eigen spiegelbeeld niet. Maar er leefde
+in hem een vage herinnering aan een gelaat, dat gelijkenis had met
+dit. Hij schreeuwde het uit; zijn vader was het! Toen dacht hij er
+niet meer over, zich den dood te doen.
+
+Zoo doolde hij vele landen door, overal den last van het verledene
+meesleepend; en hij kwam bij een rivier, wier overtocht gevaarlijk
+was, door de onstuimigheid van den stroom en door het slib dat
+de vlakke oevers bedekte. Sedert lang durfde niemand hier meer
+oversteken.
+
+Een oude bark, wier spiegel weggezonken zat in het slijk, hief haar
+steven op uit het riet.
+
+Bij nader onderzoek vond Juliaan een paar roeiriemen; en de gedachte
+werd hem ingegeven zijn leven te wijden aan den dienst zijner
+medemenschen. Hij begon met over den oever een soort weg aan te leggen
+naar het vaarwater; en hij scheurde zich de nagels bij zijn pogingen
+om reusachtige steenbrokken los te woelen; hij droeg die tegen zijn
+lichaam gedrukt naar het pad, gleed uit in de slib, zonk er in weg, en
+meer-dan-eens dreigde hij om te komen.
+
+Toen kalfaatte hij de boot met stukken wrakhout, en bouwde zich een
+hut van leem en boomstronken.
+
+Weldra kwamen er reizigers, die van het veer gehoord hadden.
+
+Met een vlag wenkten ze hem van den overkant. Juliaan sprong dan
+haastig in zijn boot. Ze was heel log, en men stapelde ze overvol met
+allerlei goederen en vrachten, zonder de lastdieren te rekenen, die
+achteruittrapten van angst en de lading nog verzwaarden. Hij vroeg
+niets voor zijn gezwoeg. Sommigen diepten overschot van eetwaren voor
+hem uit hun reiszak, of gaven hem versleten kleeren, die ze zelve niet
+meer wilden dragen. Er waren vlegels, die vloeken uitbraakten. Juliaan
+vermaande hen zachtzinnig; ze hoonden en verguisden hem tot antwoord.
+En zwijgend zegende hij hen.
+
+Een kleine tafel, een bankje, een bed van dorre bladers en drie aarden
+kroezen,--ziedaar heel zijn have. Twee gaten in den muur dienden
+tot vensters. Aan de eene zijde strekten zich de eindelooze naakte
+vlakten, met hier en daar neveling van bleeke plassen; en vóór hem
+stuwde de groote stroom zijn groenige golven.
+
+In het voorjaar sloeg er een vunze lucht van verrotting uit de
+vochtige aarde. Daarna deden wervelwinden het zand in hoozen
+omstuiven. Het drong overal door, verslijkte het water en kraakte
+tusschen de tanden. Wat later zwermden er wolken muskieten om, dag
+en nacht door, met gonzen en steken. Eindelijk kwam weer de bijtende
+koude, die alles tot steen deed verstarren en een fellen honger wekte
+naar vleeschspijze.
+
+Maanden verliepen er, zonder dat Juliaan iemand zag. Dikwijls sloot
+hij de oogen opdat de herinnering hem terug mocht voeren naar zijn
+jeugd, en daar daagde het binnenhof van een kasteel. Hazewinden
+lagen er te rusten op een bordes. Dienaren gingen af en aan door de
+wapenzalen, en in de wingerddreef schreed een blonde knaap, tusschen
+een in bont gehulden grijsaard en een edelvrouwe met groote huive;
+eensklaps was daar niets meer, dan de twee lijken. Hij wierp zich plat
+voorover op zijn leger, en bleef schreien:
+
+"Ach! arme vader! arme, arme moeder!" tot hij insliep. Maar de
+doodsvisioenen duurden.
+
+In een nacht, toen hij zoo lag te slapen, meende hij iemand te hooren
+roepen. Hij luisterde scherp, maar vernam niets meer dan het geloei
+der golven. Maar dezelfde stem riep weer: "Juliaan!" Ze kwam van den
+anderen oever, en dit bevreemdde hem te meer, daar de stroom zeer
+breed was.
+
+En ten derden male riep men: "Juliaan".
+
+Het leek of er klokgelui doorklonk in die hooge stem.
+
+Nadat Juliaan zijn lantaarn ontstoken had, trad hij buiten de hut. De
+nacht was één woedende orkaan. Zwaar hingen de duisternissen neer,
+hier en daar door de onstuimigheid der wilde golven in flarden
+verscheurd.
+
+Even weifelde Juliaan, toen knoopte hij het meertouw los. Dadelijk
+werd het water rustig, de boot gleed er over en bereikte den anderen
+oever. Daar wachtte een mensch.
+
+Hij was gehuld in een verrafeld linnen kleed. Zijn gelaat leek een
+pleisteren dooden-masker, zijn oogen rooder dan vurige kolen. Toen
+Juliaan de lantaarn naar hem ophief, zag hij dat een afzichtelijke
+melaatschheid hem overdekte; toch lag er in zijn houding iets van de
+waardigheid eens konings. Zoodra hij in de boot trad, zonk deze neer,
+zóó diep alsof ze bezweek onder zijn zwaarte; een schok wierp haar
+weer op, en Juliaan begon te roeien.
+
+Bij iederen slag met de riemen lichtte de branding den boeg omhoog.
+Het inktzwarte water stuwde woest aan van beide oevers. Er groeven
+zich afgronden, er stapelden zich bergen op. De sloep sprong er
+overheen, en tuimelde dan weer weg in de diepten, waar ze, door den
+storm gestuwd en gestooten, bleef omwervelen.
+
+Juliaan boog voorover, strekte de armen, en met de voeten zich
+schragend, wierp hij zijn wringend lijf achteruit om meer kracht te
+hebben. De hagel striemde hem de handen, de regen stroomde over zijn
+rug, de wilde storm verstikte hem, en hij hield in. Toen werd de sloep
+meegesleept door den stroom. Maar Juliaan begreep, dat het ging om
+iets zeer gewichtigs, om een gebod waaraan hij niet weerstaan mocht,
+en hij greep weer naar de riemen. Toen werd de groote stem van den
+storm onderbroken door het geklapper der roeipinnen. Daar vóór hem
+brandde het lantaarntje. Rondfladderende vogels deden het bijwijlen
+schuil gaan. Maar de oogen van den Melaatsche wendden zich niet van
+hem af, en hij zag hem staan, hoog opgericht bij den achtersteven,
+roerloos als een zuil.
+
+En dit alles duurde zeer, zeer lang.
+
+Toen ze in de hut gekomen waren, sloot Juliaan de deur, en hij zag den
+Melaatsche op het bankje zitten. De lijkwa die hem omhuld had, was
+neergezakt tot op de heupen; en zijn schouders, zijn borst, zijn
+magere armen waren overdekt met roven en zweren. Ontzaglijke rimpels
+doorgroefden zijn voorhoofd. Op de plaats van den neus was, als in een
+bekkeneel, een zwarte holte, en van zijn blauwige lippen ademde een
+zware wan-riekende walm.
+
+"Ik heb honger", sprak hij.
+
+Juliaan bood hem, wat hij bezat: een stuk ranzig spek en korsten
+roggebrood.
+
+Toen hij ze verorberd had, droegen tafel, nap, en het heft van zijn
+mes, eendere plek-als zijn lichaam.
+
+En hij sprak: "Ik heb dorst".
+
+Juliaan haalde zijn kruik en toen hij ze opnam, steeg er een geur uit,
+die zijn reuk en zijn hart streelde. Het was wijn; wat een vondst!
+Maar de Melaatsche strekte den arm, en ledigde de kruik in één teug.
+
+Toen sprak hij: "Ik heb het koud!"
+
+Juliaan deed met zijn toorts, midden in de hut, een bos varens
+aanvlammen.
+
+De Melaatsche kwam er zich bij warmen; en zooals hij daar zat,
+neergehurkt op de hielen, huiverde hij over al zijn leden en scheen
+zwakker en zwakker te worden. Zijn oogen schitterden niet meer, zijn
+wonden etterden, en met bijna klanklooze stem fluisterde hij; "Je
+bed". Hij sleepte zich er heen, Juliaan hielp hem zacht, en spreidde
+zelfs, om hem onder te dekken, het zeil van zijn bark over hem heen.
+
+De Melaatsche steende. Zijn mondhoeken trokken weg en lieten de tanden
+bloot. Een heftig gehijg schokte zijn borst, en bij iederen ademtocht
+sloeg het onderlijf holler in, alsof het wegkromp naar de ruggegraat.
+
+Toen sloot hij de oogen.
+
+"Als ijs, als ijs zoo koud! Kom dichter bij me!"
+
+En Juliaan schoof het zeil weg, en legde zich dicht naast hem op de
+dorre bladers, zijde aan zijde.
+
+De Melaatsche wendde het hoofd naar hem toe: "Ik wil de warmte van je
+lichaam voelen,--trek je kleeren uit!"
+
+Juliaan ontkleedde zich en legde zich zoo weer op het leger, hij
+voelde de huid van den Melaatsche tegen de zijne, killer dan die van
+een slang en ruw als een rasp.
+
+Hij poogde hem moed in te spreken; en de andere antwoordde
+hijgend:--"O, ik ga sterven! kom dan toch dichter bij me, verwarm
+me dan toch. Neen, niet met je handen, met geheel je lichaam".--En
+Juliaan legde zich lijdzaam neer, borst tegen borst met den
+Melaatsche, aangezicht tegen aangezicht.
+
+En dit was het oogenblik dat de Melaatsche hem in de armen sloot; dat
+zijn oogen plotseling begonnen te lichten als starren, dat zijn haren
+neergolfden als zonnestralen; en zijn adem kreeg een geur van rozen.
+Een wierookwolk wademde op uit den haard, de golven zongen, en een
+overmaat van geluk, een bovenaardsche zaligheid, daalde als een
+overvloeiende zegening in Juliaans zwijmelende ziel, en degene wiens
+armen hem omstrengelden, werd aldoor grooter en grooter, raakte
+met hoofd en voeten de beide wanden der hut. Het dak verzwond. Het
+uitspansel ontrolde zich als een tente; en Juliaan steeg de blauwe
+ruimten in, borst tegen borst, aangezicht tegen aangezicht met Jezus
+onzen Heer, Die hem ten hemel droeg.
+
+En ziedaar de geschiedenis van Sint Juliaan den gastvrije, zooals men
+ze vindt tennaastenbij op een kerkraam in mijn land.
+
+
+
+
+
+HERODIAS
+
+
+I
+
+De citadel van Machaerous verhief zich ten oosten van de Doode Zee op
+een kegelvormige bazalt-rots. Vier diepe dalen lagen er omheen, twee
+bezijden, een er tegenover, het vierde aan den achterkant. De huizen,
+opgestapeld aan haar voet, werden ingesloten door een ringmuur, die
+met de oneffenheden van den grond meegolfde.
+
+Een weg, zig-zag uitgehouwen in de rots, verbond de stad met de
+sterkte, wier muren honderd-twintig elleboogslengten hoog waren en
+talrijke uitsprongen hadden, kanteelen langs hun rand, en hier en daar
+ook torens: het starre lofwerk aan die kroon van steenen hangend boven
+den afgrond.
+
+Het binnenste der citadel was een met zuilengangen versierd paleis,
+bedekt met een platform, dat omgeven werd door een leuning van
+sycomore-hout, en waar staken stonden opgericht om een velarium uit te
+spannen.
+
+Op zekeren uchtend--de zon was nog niet opgegaan--kwam de viervorst
+Hero-des-Antipas zich over de balustrade heenbuigen, en zag-uit.
+
+De bergen aan zijn voeten begonnen hun kam op te heffen uit de
+schaduwen waarin hun logge gevaarten, tot in de diepte der afgronden
+die ze scheidden, nog verhuld lagen. Nevels zwierven om, scheurden
+open, en de omtrekken der Doode Zee werden zichtbaar. De dageraad
+die achter Machaerous rees, verspreidde een roodigen schijn. Deze
+verlichtte weldra den zandigen zeeoever, de heuvelen, de woestijn,
+en in verder verschiet, de bergen van Judea met hun grillige grijze
+glooiingen.
+
+Engaddi trok door het midden zijn zware zwarte lijn; Hebron in de
+diepte rondde zich koepelvormig, Esquol droeg granaatboomen, Sorek
+wijnstokken, Karmel sesamkruid, en het reusachtig blok van den toren
+Antonia bestreek Jeruzalem. De Viervorst wendde den blik af om te
+rechterzijde de palmen van Jericho te beschouwen; en hij peinsde
+over de andere steden van Galilea: Capharnaüm, Endor, Nazareth,
+Tiberias--waar hij waarschijnlijk nimmer meer komen zou.
+
+En almaar stroomde de Jordaan door de barre vlakte, die in haar witte
+dorheid verblindend was als een sneeuwveld. Het meer scheen, in deze
+stonde, van vloeiend lazuur; en aan zijn zuidelijke punt, naar de
+richting van Yemen, werd Antipas gewaar, wat hij vreesde te zien:
+Bruine tenten stonden daar verspreid, mannen met lansen schreden heen
+en weer tusschen de paarden, en smeulende vuren twinkelden als vonken
+laag tegen den grond.
+
+Het waren de troepen van den Arabischen koning, wiens dochter hij
+verstooten had voor Herodias, de vrouw van een zijner broeders, die in
+Italië woonde zonder te streven naar macht.
+
+Antipas wachtte hulp van de Romeinen, en hij werd door onrust
+verteerd, omdat Vitellius, stedehouder in Syrië, nog steeds niet kwam
+opdagen.
+
+Agrippa zou hem ongetwijfeld bij den keizer in ongenade hebben
+gebracht. Philippus, zijn derde broeder, vorst van Batanéa, wapende
+zich zeker in 't geheim. De Joden hadden genoeg van zijn afgodische
+zeden, de anderen van zijn overheersching; zoodat hij weifelde
+tusschen twee plannen: of de Arabieren tot vrede te stemmen, of een
+verbond te sluiten met de Parthen; en, onder voorwendsel van zijn
+geboortefeest te vieren, had hij voor dezen zelfden dag nog, de
+aanvoerders van zijn troepen, al zijn rentmeesters en de oppersten van
+Galilea, op een groot gastmaal genoodigd.
+
+Hij liet zijn blik spiedend weiden over de wegen: ze waren nog leeg.
+Arenden vlogen boven zijn hoofd om: de soldaten langs de wallen
+sliepen tegen den muur, en binnen het paleis bewoog niets.
+
+Maar eensklaps deed een verre stem, die uit de diepten der aarde
+scheen te komen, den Viervorst verbleeken. Hij boog zich voorover om
+te luisteren. De stem zweeg.
+
+Maar toen ze herbegon, klapte hij in de handen, en riep:
+
+"Mannaëi! Mannaëi!"
+
+Een man trad te voorschijn, naakt tot den gordel, zooals de masseurs
+bij de baden. Hij was zeer groot, oud, uitgemergeld, en droeg op de
+heup een korte kling in bronzen scheede. Zijn haardos door een
+kam opgehouden verhoogde nog de gerektheid van zijn voorhoofd.
+Slaperigheid verdoofde nu de kleur zijner oogen, maar zijn tanden
+glinsterden. Zijn geheele gestalte had een aapachtige lenigheid, en
+licht drukten zijn teenen den vloer. Zijn gelaat was ondoorgrondelijk
+als dat eener mummie.
+
+--Waar is hij? vroeg de Viervorst.
+
+Mannaëi antwoordde, terwijl hij met den duim iets achter hen aanwees:
+"Ginds! Altijd-door!"
+
+"Ik meende hem te hooren".
+
+En na een diepe ademhaling vroeg Antipas berichten over Jaokanann,
+denzelfden dien de Latijnen Sint Joannes den Dooper noemen. Had men de
+twee mannen nog weergezien, die men uit welwillendheid verleden maand
+had toegelaten in zijn kerker? en wist men nu ten laatste, waartoe ze
+gekomen waren?
+
+Mannaëi antwoordde:
+
+"Ze hebben geheimzinnige woorden gewisseld, zooals dieven doen, 's
+avonds op den viersprong der wegen. Daarna zijn ze heengetogen naar
+Noord-Galilea, aankondigend dat ze een groot nieuws zouden brengen."
+
+Antipas boog het hoofd. Toen als in angst:
+
+"Bewaak hem! bewaak hem! En laat niemand binnen. Sluit de deur goed!
+Bedek den put! Men mag niet vermoeden dat hij leeft!"
+
+Zonder die bevelen ontvangen te hebben, had Mannaëi ze toch steeds
+uitgevoerd, want Jaokanann was een Jood, en, zooals alle Samaritanen,
+verfoeide hij de Joden. Hun tempel van Garizim door Mozes als hart
+en middelpunt van Israël aangewezen, bestond niet meer sinds koning
+Hyrcan, en die van Jeruzalem deed hen, als een blijvend en hoonend
+onrecht, in wrok en woede leven. Mannaëi was er binnengedrongen om
+er het outer met doodsbeenderen te schennen. Zijn gezellen, minder
+behendig dan hij, waren onthoofd geworden. Hij zag op dit oogenblik
+dien tempel, door de inzinking tusschen twee heuvels heen. De zon deed
+de wit-marmeren muren weerglanzen, en de gouden platen van het dakwerk
+schitterden. Het geleek een berg van licht, iets bovenaardsch, dat
+alles overheerschte door zijn rijkdom en zijn trots.
+
+Toen strekte Mannaëi de armen uit naar Sion, en, hoog opgericht, het
+gelaat geheven, de vuisten gebald wierp hij zijn vervloeking naar die
+stad, wanend dat zijn woorden een werkelijke macht in zich hadden.
+
+Antipas hoorde het aan, en leek in 't minst niet geërgerd.
+
+Toen hervatte de Samaritaan: "Bij wijlen is hij onrustig. Hij zou dan
+'t liefst willen ontvluchten, en hoopt op verlossing. Andere keeren
+lijkt hij kalm als een ziek dier, en ook wel heb ik hem heen en weer
+zien loopen in het donker, voor-zich-heen herhalend: "Wat deert het?
+Hij moet grooter, maar ik kleiner worden."
+
+Antipas en Mannaëi zagen elkander aan. Maar de Viervorst was het moe
+verder na te denken.
+
+Al die bergen om hem heen, opstapelingen gelijk van versteende golven,
+de zwarte draaikolken langs de rotsige kusten, de eindeloosheid van
+den blauwen hemel, het schelle glanzen van den dag, de diepte der
+afgronden verbijsterden hem; en toen zijn oogen weiden gingen over
+de woestijn, werd hij nog mistroostiger, bij het zien van die woest
+doorwoelde gronden met hun bouwvallen van amphitheaters en paleizen.
+
+Op de heete windademen dreef een zwavelreuk aan, als een uitwaseming
+van de vervloekte steden, die, dieper dan de oevervlakten, bedolven
+liggen onder de zware wateren.
+
+Deze teekenen van een eeuwige gramschap joegen zijn gedachten
+verschrikt op, en hij bleef met de ellebogen op de balustrade, het
+hoofd in de handen, staroogend staan.
+
+Iemand raakte hem aan.
+
+Hij wendde zich om.
+
+Herodias stond daar.
+
+Een licht purperen samaar omhulde haar tot op de sandalen.
+
+Ze was overhaast uit haar kamer getreden en droeg noch parelsnoeren,
+noch oorhangers; een vlecht van heur zwarte haren viel haar over den
+arm op den boezem. Haar hoog opgetrokken neusvleugels trilden; de
+vreugde van een triomf glansde over haar gelaat, en met forsche stem
+begon ze, terwijl ze den arm van den Viervorst schudde:
+
+"Cesar is ons welgezind! Agrippa is gekerkerd!"
+
+"Wie heeft het u gezegd?"
+
+"Ik weet het!"
+
+En ze voegde erbij:
+
+"'t Is wijl hij het keizerschap wenschte voor Cajus."
+
+Hij die van hun aalmoezen leefde, had gestaan naar den koningstitel,
+dien zij-zelve even begeerig najoegen als hij!
+
+Maar voortaan geen vrees meer!
+
+"De kerkers van Tiberius worden moeielijk ontsloten, en men is er niet
+altijd zeker van zijn leven!"
+
+Antipas begreep haar, en hoewel zij Agrippa's zuster was, leek haar
+wreedaardige bedoeling hem gerechtvaardigd. Die moorden volgden uit
+den samenloop der dingen, en waren een noodlot van de Koningshuizen.
+In dat van Herodes was hun aantal niet te tellen.
+
+Toen begon ze haar welgeslaagden toeleg uiteen te zetten; de
+omgekochte cliënten, de gevonden brieven, de verspieders aan alle
+deuren, en hoe ze erin geslaagd was Eutyches tot aanklacht te
+verleiden.
+
+"Het viel me niet moeielijk, ik heb immers wel andere dingen gedaan
+voor U? Verliet ik zelfs mijn dochter niet?"
+
+Na haar echtscheiding, hopend in haar huwelijk met den Viervorst wel
+moeder te worden van andere kinderen, had ze dat dochtertje in Rome
+gelaten. Ze sprak er nimmer over.
+
+Daarom zocht de Viervorst nu naar de beweegreden van die opwelling van
+teederheid.
+
+Men had het velarium ontplooid en, gedienstig, groote kussens bij
+gebracht. Herodias zonk er in neder, en weende met afgewend gelaat.
+Toen streek ze met de hand over de oogleden, en zeide dat ze verder
+niet meer eraan denken wilde; dat ze zich gelukkig voelde; en ze
+herinnerde hem hun gesprekken ginds in het atrium, hun ontmoetingen
+bij de baden, hun wandelingen langs den Via Sacra en in de groote
+villa's des avonds bij het murmelen der fonteinen, terwijl ze uitzagen
+onder de bloemenbogen door over de Romeinsche Campagna. En ze blikte
+naar hem op als toen ter tijd, met streelerige gebaren zich vlijend
+aan zijn borst. Hij stootte haar van zich af. De liefde, die zij
+wilde doen herleven, was zoo verre thans. Al zijn rampen waren er uit
+voortgekomen, want reeds twaalf jaar duurde de oorlog. De Viervorst
+was er door verouderd. Zijn rug was gedoken in de donkere, paarsom
+rande toga; zijn witte haren golfden samen met die van zijn grijzenden
+baard, en de zon, die door den baldakijn drong, stortte een stroom van
+licht over zijn wrevelend voorhoofd. Ook Herodias' voorhoofd zette
+rimpels. Aangezicht tegenover aangezicht stonden ze, en in wrokkende
+kwaadaardigheid maten ze elkander met den blik.
+
+Er begon beweging te komen op de bergpaden. Herders dreven ossen
+voort, kinderen trokken ezels mee aan den toom, stalknechten leidden
+hun paarden. Zij die afdaalden van de hoogten voorbij Machaerous,
+verdwenen achter in den burcht, anderen togen door de rotsklove aan
+den voorkant verder, en in de stad gekomen zetten ze hun pakken en
+lasten op de binnenplaatsen neer. Dit waren de hofmeesters van den
+Viervorst en knechten die de gasten voorafgingen.
+
+Doch daar trad plotseling aan den linkeropgang van het terras een
+Esseër te voorschijn, geheel in 't wit gekleed, blootsvoets, en met
+het uiterlijk van een Stoïcijn. Tegelijkertijd stortte Mannaëi, van
+tegenovergestelde zijde uitschietend, zich met getrokken zwaard op hem.
+
+"Steek hem dood!" riep Herodias den beul toe.
+
+"Houd in!" beval de Viervorst.
+
+Manaëi bleef onbeweeglijk staan; de andere evenzoo.
+
+Toen trokken ze zich terug, achteruittredend, ieder langs een andere
+trap, en zonder elkaar uit het oog te verliezen.
+
+"Ik ken hem!" zei Herodias, "zijn naam is Phanuel, en hij tracht tot
+Jaokanann door te dringen, wiens leven door uw dwaasheid zoo veilig
+bewaard blijft".
+
+Antipas wierp haar tegen, dat Jaokanann hun vandaag of morgen van
+dienst zou kunnen zijn. Zijn aanvallen tegen Jeruzalem zouden de rest
+der Joden tot hen doen overloopen.
+
+"Neen!" hernam zij. "Ze buigen zich onder alle meesters en zijn niet
+in staat een eigen rijk te vormen!" En wat dengene betrof, die de
+gemoederen in beweging bracht door een hoop op te wekken, die sinds
+Nehemias voortleefde onder het Joodsche volk, was het niet 't meest
+doeltreffend hem uit den weg te ruimen?
+
+Volstrekt geen haast had dit, volgens den Viervorst: Jaokanann
+gevaarlijk! Komaan nu! en hij deed alsof hij erom lachen moest.
+"Zwijg!" En zij herbegon het verhaal van de diepe vernedering, welke
+ze ondergaan had, op den dag toen ze naar Galaäd was getogen voor den
+balsem-oogst.
+
+Er waren aan de rivier menschen die zich herkleedden. Terzijde, op een
+lagen heuvel, stond een man te spreken. Hij droeg een kemelshuid om
+de lenden, en zijn hoofd leek op dat van een leeuw. "Van 't eerste
+oogenblik dat hij me gewaar werd, wierp hij me alle vervloekingen der
+profeten toe. Zijn oogen schoten vlammen, zijn stem huilde, hij hief
+de armen als om den bliksem neer te halen. Geen mogelijkheid hem te
+ontvluchten, de raderen van mijn wagen waren tot de assen in het zand
+gezonken; en langzaam ging ik heen, me beschuttend met mijn mantel,
+verbijsterd door zijn hoon, die op me viel als een stortvlaag." Zij
+kon niet verder leven, zoolang Jaokanann bestond. Toen hij gevangen
+werd genomen en met koorden gebonden, was den soldaten bevolen hem te
+dooden, zoo hij zich verweren mocht; hij had zich zachtmoedig betoond.
+Men had slangen in zijn kerker gezet; ze waren er doodgegaan.
+
+De nutteloosheid van die verraderlijke lagen bracht Herodias' geduld
+ten einde. En daarenboven, waarom zijn strijd tegen haar? Welk belang
+dreef hem aan? Zijn predikingen tot het volk hadden zich verspreid,
+gingen van mond tot mond; alom hoorde zij ze fluisteren, ze vervulden
+de lucht. Legioenen zou ze getrotseerd hebben. Maar deze macht, feller
+dan een tweesnijdend zwaard, en die zich niet aangrijpen liet, ze
+werkte geestverlammend. Bleek van woede, geen woorden meer vindend om
+uit te stooten wat haar den adem benam, schreed ze heen en weer over
+het terras.
+
+En tegelijkertijd kwelde haar de gedachte, dat de Viervorst wellicht
+bezwijken zou voor des volks oordeel, en zoo ertoe gebracht worden
+haar te verstooten. Dan ware alles verloren! Sinds haar kinderjaren
+koesterde ze den droom van een groot keizerrijk. En om er toe te
+geraken, had ze haar eersten gemaal verlaten, om zich met Antipas te
+verbinden in wien ze zich bedrogen had, dacht ze.
+
+"Ik koos een hechten steun, toen ik in uw familie trad!"
+
+"Ze staat met de uwe gelijk!" zei de Viervorst kalm-weg.
+
+Herodias voelde in haar aderen het bloed koken van de priesters en
+koningen, die haar voorvaders waren.
+
+"Maar uw grootvader veegde den tempel van Ascalon! De anderen waren
+herders, roovers, karavaanleiders, een zwervende stam, schatplichtig
+aan Judea sinds koning David! Al mijn voorvaders hebben de uwe
+verslagen. De eerste der Makkabieten heeft u verjaagd van Hebron,
+Hyrcan dwong u tot de besnijdenis!" Het was de patricische vrouw die
+den peblejer haar verachting in 't aangezicht wierp, den haat van
+Jacob tegen Edom. Ze verweet hem zijn gevoelloosheid voor smaad en
+hoon, zijn lankmoedigheid jegens de Farizeërs die hem verrieden, zijn
+lafheid jegens het volk dat haar haatte.
+
+"Ge zijt als zij, beken het! en ge betreurt het Arabische meisje dat
+rondom steenen danst. Neem haar weer tot u! Keer tot haar weer in haar
+linnen huis; verorber haar brood, dat onder de asch gebakken werd,
+zwelg de gestremde melk van haar schapen! kus haar blauwe wangen! en
+vergeet mij!"
+
+De Viervorst luisterde niet meer. Hij tuurde uit naar het platform van
+een huis, waar zich een jong meisje bevond met een oude vrouw, die een
+zonnescherm ophield aan een rieten stok zoo lang als de hengelroe van
+een visscher. Midden op het vloer-tapijt stond een groote reismand met
+open deksel. Gordels en sluiers, hangers en ketens van goud warden er
+uit. Bij tusschenpoozen boog het meisje zich over die dingen heen om
+ze uit te slaan in de open lucht. Ze was als een Romeinsche gekleed,
+in een tunica die overplooid werd door een peplum, afgezet met akers
+van smaragd. Blauwe banden omsloten haar kapsel, dat te zwaar leek,
+want van tijd tot tijd bracht ze er de hand aan. De schaduw van het
+zonnescherm bewoog zich boven haar, en verhulde haar ten deele.
+Antipas onderscheidde twee of drie keeren de fijne lijnen van haar
+hals, den winkel van haar oog, den hoek van een kleinen mond. En
+geheel haar gestalte, van de heupen tot het hoofd, zag hij buigen en
+zich oprichten met veerkrachtige bewegingen. Nog eenmaal wilde hij dat
+gebaar zien, en terwijl hij het afwachtte, ging zijn adem zwaarder, en
+zijn oogen schitterden.
+
+Herodias bespiedde hem.
+
+Hij vroeg: "Wie is dat?" Ze zeide er niets vanaf te weten, en ging,
+plotseling gerustgesteld heen. Onder de zuilengangen werd de Viervorst
+door Galileërs opgewacht, zijn griffier, den opzichter van den
+veestapel, den rentmeester der zoutpannen, en een Babylonischen Jood
+die het bevel voerde over zijn ruiters. Hij werd met gejuich begroet,
+maar wendde zich af, heenschrijdend in de richting, der binnenzalen.
+
+Phanuel dook op uit een hoek in een der gangen.
+
+"Wat! nog hier? Ge komt zeker voor Jaokanann?"
+
+"En voor U! ik moet U iets gewichtigs mededeelen."
+
+En, zonder Antipas meer te verlaten, drong hij achter hem aan een
+duisterig vertrek binnen.
+
+Het licht viel door tralies, die, onder de kroonlijst, den geheelen
+lengtekant innamen. De muren waren beschilderd in granaat-tint, op
+zwart af. In de kamerdiepte stond een ebbenhouten bed, welks ligmat
+uit riemen van ossenleder was gevlochten.
+
+Er boven hing een gouden beukelaar, die glansde als een zon. Antipas
+ging dwars de zaal door en strekte zich uit op het bed.
+
+Phanuel bleef opgericht staan. Hij hief den arm en sprak, als in
+bezieling:
+
+"De Allerhoogste zendt bijwijlen een zijner zonen. Jaokanann is een
+van hen. Indien gij hem verdrukt, zult ge gestraft worden."
+
+"Ik word door hém vervolgd!" riep Antipas uit. "Hij heeft van mij het
+onmogelijke gevergd! Sinds dat oogenblik kwelt hij me. En waarlijk, ik
+was niet hardvochtig in den beginne. Zelfs van Machaerous zendt hij
+mannen uit, die mijn provincies in beroering brengen. Vloek over zijn
+bestaan! Ik verweer me, waar hij me aanrandt!"
+
+"Wat geeft het, al moge zijn gramschap te heftig zijn? Ge moet hem
+vrijlaten."
+
+"Men laat geen dolle beesten los!" zei de Viervorst.
+
+De Esseër antwoordde: "Verontrust u niet! Hij zal naar de Arabieren
+gaan, naar de Galliërs of de Scythen. Zijn arbeid moet zich
+uitstrekken tot des aardrijks einden!"
+
+Antipas scheen verloren in een droomgezicht. "Wel groot is zijn
+macht!... ondanks me-zelf, heb ik hem lief."
+
+"Welnu dan, laat hem!"
+
+De Viervorst schudde het hoofd. Hij was bang voor Herodias, voor
+Mannaëi, en voor den onbekende.
+
+Phanuel trachtte hem te overtuigen, door hem, ten rugsteun voor
+zijn plannen, de onderwerping der Esseërs aan de koningen voor te
+spiegelen.
+
+Men had ontzag voor die mannen, arm aan aardsche goederen, die in ruw
+linnen gekleed gingen, door lijfstraffen niet te buigen waren en die
+de toekomst lazen uit de sterren.
+
+Antipas herinnerde zich daar het woord van straks.
+
+"En welk nu is het gewichtig nieuws, dat ge me zoudt mededeelen?"
+
+Op hetzelfde oogenblik trad een neger het vertrek binnen. Zijn lichaam
+was wit bestoven. Hij hijgde schor en kon niets anders uitbrengen,
+dan:
+
+"Vitellius!"
+
+"Wat? Komt Vitellius?" "Ik heb hem gezien. Vóór het derde middaguur is
+hij hier."
+
+Het was alsof een windvlaag door zalen en gangen toog en de
+voorhangsels in beweging bracht. Een luid gerucht vulde het paleis,
+geraas van af- en aandravende lieden, van versleepte meubelen, van
+ineen-rinkelende stapels zilverwerk, en hoog van de torens schalden de
+bazuinen, om de verspreide slaven te waarschuwen.
+
+
+
+
+II
+
+
+De wallen wemelden van menschen, toen Vitellius op het binnenplein
+kwam. Hij steunde op den arm van zijn tolk. Een groote roode
+draagstoel, met pluimen en spiegels versierd, volgde hem. Hij droeg
+de toga-laticlava en de sandalen der consuls en werd door bijldragers
+omgeven. Ze zetten hun roeden-bundels tegen de poort, twaalf door
+een riem saamgehouden staven, met een bijl in 't midden. En allen
+sidderden voor de majesteit van het Romeinsche volk.
+
+De draagstoel, die door acht mannen gehanteerd werd, stond stil. Een
+zwaarlijvige jongeman steeg er uit, het gelaat vol puisten en de
+vingers vol paarlen. Hem werd een drinkschaal met wijn en aroma's
+aangeboden. Na ze geledigd te hebben, vroeg hij er nog eene.
+
+De Viervorst had zich aan de knieën van den Proconsul neergeworpen,
+bejammerend, naar hij zeide, niet vroeger de gunst van zijn komst te
+hebben vernomen, anders zou hij zich beijverd hebben dat er op de
+wegen alles geweest ware, wat een Vitellius toekwam! Het geslacht
+Vitellius immers stamde af van de godin Vitellia. Een weg, die van den
+Janiculus naar zee leidde, droeg nog hun naam. Ontelbare keeren
+was aan de hunnen het quaestor-schap of het consulaat toevertrouwd
+geweest; en wat Lucius aanging, die thans zijn gast was, hem was men
+grooten dank verschuldigd als overwinnaar der Cliten, en als vader van
+den jongen Aulus, die hier in zijn eigen rijk scheen terug te keeren:
+want was het Oosten niet het vaderland der goden?
+
+Deze hyperbolen werden in 't Latijn uitgesproken. Vitellius hoorde ze
+onbewogen aan. Hij antwoordde dat Herodes de Groote volstond voor den
+roem eener natie. Hem hadden de Atheners het oppertoezicht gegeven
+over de Olympische spelen. Tempels had hij gebouwd, Augustus ter eere,
+geduldig, vindingrijk en onverzettelijk was hij geweest, en altijd den
+Cesar getrouw.
+
+Tusschen de zuilen met koperen kapiteelen zag men Herodias te
+voorschijn treden, fier als een keizerin, te midden harer vrouwen en
+eunuchen, die op vergulde schotels brandende reukwerken droegen.
+
+De Proconsul trad haar drie schreden te gemoet, en toen hij haar met
+een hoofdbuiging begroet had, riep zij uit:
+
+"Welk een geluk, dat het Agrippa, den vijand van Tiberius, voortaan
+onmogelijk is, kwaad te stichten!"
+
+Vitellius wist niets van het gebeurde, en het leek hem gevaarlijk.
+Toen Antipas onder eeden begon te verzekeren, alles voor den Keizer
+veil te hebben, voegde Vitellius er aan toe:
+
+"Zelfs ten koste van anderen?" Hij, Vitellius, had eens losgeld geïnd
+van den koning der Parthen, en de Keizer dacht er niet verder aan.
+Maar Antipas, die met hem aan een zelfde vergadering deelnam, begon er
+dadelijk ruchtbaarheid aan te geven. Vandaar een diepe wrok, en het
+getalm met den bijstand.
+
+De Viervorst stotterde iets. Maar Aulus kwam er lachend tusschen:
+
+"Wees maar bedaard, ik zal je beschermen!"
+
+De Proconsul deed, alsof hij 't niet hoorde.
+
+Het welslagen des vaders hing af van de verdorvenheid van den zoon; en
+die bloem van Capri's slijk gaf hem zulke aanzienlijke voordeelen, dat
+hij haar met zorgen omringde, hoe hij haar overigens ook wantrouwde om
+haar vergiftigheid.
+
+Er ontstond gedruisch bij de poort. Men leidde een rij witte
+muildieren binnen, waarop mannen zaten in priestergewaad. Het waren
+Sadduceërs en Farizeërs, die door eenzelfde eerzucht naar Machaerous
+gedreven werden, de eersten om de waardigheid van offerpriester te
+erlangen, de anderen om die waardigheid te behouden. Hun gelaat stond
+somber, vooral dat der Farizeërs, want ze waren Rome en den Viervorst
+zeer vijandig gezind. De slippen van hun opperkleed hinderden hen
+in het gedrang, en de tiara waggelde hun op het voorhoofd, boven de
+perkamenten letterbanden.
+
+Bijna tegelijkertijd kwamen de soldaten der voorhoede aanrukken. Ze
+hadden hun schilden, om ze te beschutten tegen het stof, in hoezen
+gehuld.
+
+Achter hen volgde Marcellus, luitenant van den Proconsul, met
+verschillende tollenaars die houten schrijftabula's onder den arm
+droegen. Antipas noemde de voornaamsten zijner hofhouding: Tolmaï,
+Kanthera, Sehon, Amonius van Alexandrië, die aardpek voor hem
+aankocht, Naâman, hoofdman zijner lichte troepen, Jacim den
+Babyloniër.
+
+Vitellius had Mannaeï opgemerkt.
+
+"Wie is die man?"
+
+De Viervorst gaf door een gebaar te kennen, dat het de beul was.
+
+Toen stelde hij de Sadduceërs voor.
+
+Jonathas, klein van gestalte en los van beweging, smeekte den
+meester, in 't Grieksch, hen in Jeruzalem met een bezoek te vereeren.
+Waarschijnlijk zou Vitellius aan die bede gehoor geven.
+
+Eleazar met zijn krommen neus en zijn langen baard, eischte voor de
+Farizeërs den mantel van den Hoogepriester op, dien het burgerlijk
+bestuur binnen den toren Antonia in beslag hield.
+
+Vervolgens klaagden de Galileërs Pontius-Pilatus aan. Om wille van een
+bezetene, die Davids gouden kannen zocht in een hol dicht bij Samaria,
+had hij verscheidene landslieden gedood. Ze spraken allen gelijk,
+Mannaeï nog heftiger dan de anderen. Vitellius verzekerde dat de
+misdadigers zouden gestraft worden.
+
+Er ging geschreeuw op bij een poortnis, waar de soldaten hun schilden
+hadden opgehangen. De hoezen waren losgeraakt, en men zag op de
+schildknoppen Cesars beeltenis.
+
+Voor de Joden was dit afgoderij.
+
+Antipas sprak hun toe. En, van zijn verhoogden zetel tusschen de
+zuilen, zag Vitellius verwonderd hun gramstorigheid aan. Wel had
+Tiberius gelijk gehad, vierhonderd van dezen naar Sardinië te
+verbannen! Maar in hun eigen land waren ze machtig, en hij gaf bevel
+de schilden weg te nemen.
+
+Toen drongen ze om den Proconsul heen, rechtvaardiging afsmeekend,
+privileges en giften. Dringend en duwend scheurden ze elkaar de
+kleederen van 't lijf, en om ruimte te maken, stonden slaven met hun
+stokken naar rechts en links te slaan. Zij, die het dichtst bij de
+poort stonden, werden langs het voetpad teruggedrongen, anderen kwamen
+dat pad opklimmen, en moesten wijken; twee stroomen stuwden tegen
+elkaar in, en die ontzaglijke menschenmenigte saamgehoopt binnen de
+omwalling, deinde als een woelige zee heen en weer.
+
+Vitellius vroeg waarvandaan die toevloed van menschen.
+
+Toen verklaarde Antipas hem de oorzaak: zijn geboortefeest. En hij
+wees de lieden aan, een groot aantal van zijn dienaren, die, over de
+borstwering heengebogen, reusachtige manden ophaalden, gevuld met
+vruchten en groenten, met antilopen, reigers en groote azuurkleurige
+visschen met druiven, meloenen en tot pyramiden opgetaste
+granaatappels.
+
+Aulus kon het niet lijdelijk meer aanzien. Hij haastte zich naar de
+keukens, gedreven door die gulzigheid, waardoor hij eenmaal de wereld
+zou verbazen.
+
+Langs een der kelders gaande zag hij vleeschketels, die wel pantsers
+geleken. Ook Vitellius kwam er naar kijken; en hij gebood, dat men hem
+de krochten van het fort zou ontsluiten.
+
+Ze waren hoog gewelfd in de rots uitgehouwen, en werden van afstand
+tot afstand door pijlers geschraagd.
+
+De eerste bevatte oude harnassen, maar de tweede was overvol van
+speren, die dreigend haar punt uit een bos van pluimen opstaken. De
+muren der derde schenen wel met rietmatten bedekt, zooveel pijlen
+hingen er loodrecht naast elkaar. Lemmers van kromzwaarden verborgen
+de wanden der vierde krocht. In het midden der vijfde leek een leger
+van roode slangen te kruipen: het waren lange rijen helmen met kammen
+van scharlaat.
+
+In de zesde: niets dan pijlenkokers, in de zevende beenplaten, in de
+achtste armstukken, in de vele die nog volgden: gaffels, enterhaken,
+ladders en touwwerk, tot staken voor catapulten, tot rinkelbellen voor
+het borsttuig der dromedarissen toe.
+
+Wijl de berg naar zijn voet zich steeds verbreedde, en in zijn
+binnenste uitgehold was als een bijenkorf, bevonden er zich onder deze
+vertrekken weer andere, talrijker en nog dieper.
+
+Vitellius, Phineus zijn tolk, en Sisenna hoofd der tollenaars,
+doorschreden ze bij het licht der door eunuchen gedragen flambouwen.
+Uit het duister doemden de afgrijselijkste dingen op die de barbaren
+ooit uitvonden; knotsen met stekels van spijker-punten, werpschichten
+die vergift in de wonden brachten, tangen gruwbaar als de muil van
+krokodillen, kortom: de Viervorst bezat binnen Machaerous oorlogstuig
+voor wel veertig-duizend manschappen.
+
+Hij had dat verzameld met het oog op een verbond tusschen zijn
+vijanden. Maar de Proconsul zou kunnen meenen, of zeggen, dat het
+dienen moest om de Romeinen te bestrijden, en daarom zocht Antipas
+verklaringen te geven:
+
+Het behoorde hem niet toe; veel ervan diende tot verweer tegen de
+rooverbenden; daarenboven was er zoo iets noodig tegen de Arabieren,
+of wel: dit alles was het bezit geweest van zijn vader. En, in plaats
+van achter den Consul aan te schrijden, ging hij hem met haastige
+stappen voor. Toen bleef hij staan tegen een muur, wel zorgend ze te
+bedekken met zijn toga, de ellebogen ver van 't lichaam af. Maar de
+kroonlijst van een deur stak boven zijn hoofd uit. Vitellius werd dat
+gewaar en wilde weten wat die deur verborg.
+
+Alleen de Babyloniër kon haar openen.
+
+"Roep den Babyloniër."
+
+Men wachtte.
+
+Zijn vader was zich, met vijfhonderd ruiters, van den oever van den
+Euphraat, bij Herodes den Grooten komen aanbieden, om de oostergrenzen
+te verdedigen. Na de verdeeling van het rijk was Jacim bij Philippus
+gebleven, en thans diende hij Antipas, Hij trad voor met een boog over
+den schouder, een zweep in de hand. Bonte koorden waren vast om zijn
+verwrongen beenen gesnoerd. Zijn zware armen staken uit een overkleed
+zonder mouwen, een muts van dierenpels overschaduwde zijn gelaat met
+den in ringen gekrulden baard.
+
+In 't begin veinsde hij den tolk niet te verstaan. Maar Vitellius
+wierp een scherpen blik op Antipas, die het bevel onmiddellijk
+herhaalde.
+
+Toen duwde Jacim zijn beide handen tegen de deur, en ze gleed weg in
+den muur.
+
+Een warme wadem sloeg hun uit de duisternissen tegen.
+
+Met breede bochten daalde daar een weg omlaag. Ze volgden dien en
+kwamen op den drempel eener grot, die veel grooter was dan de andere
+krochten.
+
+Achter de boog-opening in de verste diepte lag de afgrond, die aan
+deze zijde de citadel tot verdediging strekte. Een kamperfoeliestruik
+die zich vasthechtte aan het gewelf liet zijn bloemen in het volle
+licht neertrossen. Langs den grond liep een ijle water-ader, lichtend
+en murmelend.
+
+Witte paarden stonden daar. Het waren er wel honderd. Ze aten gerst
+van een plank, die ter hoogte van hun bek was aangebracht. Hun manen
+waren blauw geschilderd, en de hoeven staken in wanten van fijn
+vlechtwerk. Tusschen de ooren bolde als een pruik een bos van hun
+blesharen op. Met den zeer langen staart sloegen ze zich streelerig
+langs de kniebogen.
+
+De Proconsul was stil van bewondering.
+
+Het waren wonderschoone dieren, lenig als slangen, licht als vogels.
+Ze vlogen weg met de pijlen van hun berijder, wierpen den vijand omver
+en beten hem in het onderlijf, vonden zonder struikelen een uitweg
+tusschen de rotsblokken, sprongen over afgronden heen, en hielden heel
+den dag hun dollen draf door de vlakten vol; één woord echter deed hen
+stilstaan. Toen Jacim binnentrad kwamen ze naar hem toe, als schapen
+naar hun herder; ze strekten den hals en zagen hem met hun kinderoogen
+onrustig aan. Uit gewoonte stiet hij diep uit zijn keel een rauwen
+schreeuw uit, die hen ineens opmonterde. Ze steigerden ongeduldig,
+hunkerend naar ruimte, en smachtend om weg te rennen.
+
+Alleen uit vrees dat Vitellius hem er van berooven zou, had Antipas ze
+gevangen gezet in deze grot, die uitsluitend diende tot berging van
+dieren in tijd van oorlog.
+
+"'t Is een slechte stalling hier," zei de Proconsul, "en ge loopt
+gevaar dat ze omkomen! Maak de schatting op, Sisenna".
+
+De tollenaar haalde het schrijfplankje uit zijn gordel, telde de
+paarden en schreef ze in.
+
+Het was de gewoonte der belastinggaarders de landvoogden ertoe te
+brengen hun gewesten uit te plunderen. Deze snuffelde overal met zijn
+wezel-snuit, en zijn oogleden knipten.
+
+Eindelijk steeg men weer terug naar het binnenplein.
+
+Ronde bronzen platen midden in het plaveisel bedekten van afstand tot
+afstand de putten. Sisenna bekeek een dezer deksels nauwlettender dan
+de andere, het was grooter en gaf een doffen klank onder zijn
+voeten. Nog eens ging hij de overige bekloppen één voor één, en toen
+schreeuwde hij, trappelend van blijdschap:
+
+"Gevonden! Hier zit hij, de schat van Herodes!"
+
+Het zoeken naar dien schat was een dwaze hartstocht onder de Romeinen.
+
+De Viervorst zwoer, dat er geen schatten bestonden.
+
+"Ondertusschen, wat zit hier dan verborgen?"
+
+"Niemendal! een man, een gevangene."
+
+"Laat zien!" zei Vitellius.
+
+De Viervorst gehoorzaamde niet. De Joden behoefden zijn geheim niet te
+weten. Zijn weerzinnig gedraai om dat deksel te openen, deed Vitellius
+ongeduldig worden.
+
+"Sla het in!" riep hij den bijldragers toe.
+
+Mannaeï had geraden waarover ze 't hadden. Toen hij een bijl zag,
+meende hij dat ze Jaokanann gingen onthoofden; en hij weerhield den
+lictor bij den eersten slag op de plaat, stak behoedzaam een soort van
+haak tusschen haar rand en het plaveisel, en zijn lange magere armen
+strammend lichtte hij haar langzaam op. Ze wentelde weg; allen
+bewonderden de kracht van dien grijsaard.
+
+Onder dat met hout betimmerd deksel was een valluik van gelijke
+afmetingen. Een vuistslag deed het openklappen; toen zag men een
+reusachtigen hollen koker, waarin zich een trap zonder leuning
+wentelde. Zij, die zich over den rand heenbogen, onderscheidden in de
+diepte iets vaags en verschrikkelijks.
+
+Een menschelijk wezen lag op den grond uitgestrekt, geheel verborgen
+in zijn eigen lang haar, dat zich warde in de harige dierenvacht die
+zijn lenden dekte. Hij richtte zich op, en zijn voorhoofd stootte
+tegen den rooster die daar plat lag ingemetseld. Van tijd tot tijd
+verdween hij weer in de diepte van zijn hol.
+
+De zon weerglansde in de punten der tiara's, in de gevesten der
+zwaarden, en gloeide over de vloertegels. Van de dakranden vlogen
+duiven op die dansten en duizelden boven het binnenplein, 't Was het
+uur waarin Mannaeï gewoon was graankorrels voor haar te strooien. Hij
+zat neergehurkt voor den Viervorst, die naast Vitellius stond. De
+Galileërs, de priesters, de soldaten vormden een kring achter hen;
+allen zwegen in angstige afwachting van wat komen zou.
+
+Eerst was het een diepe zucht, door een holle stem uitgestooten.
+
+Herodias hoorde dat zuchten aan het ander einde van het paleis.
+Aangetrokken door een macht sterker dan zij-zelve, drong ze door de
+menigte heen, en voorovergebogen, met de hand op Mannaeï's schouder,
+luisterde ze toe.
+
+De stem verhief zich:
+
+"Vloek over u, Farizeërs en Sadduceërs, gij, adderengebroed, gezwollen
+wijnzakken, holklinkende cymbalen!"
+
+Men had Jaokanann herkend. Zijn naam ging van mond tot mond. Vele
+anderen kwamen toeloopen.
+
+"Vloek over U, o volk! en over de verraders van Judea, over de
+dronkenen van Ephraïm, over hen die in het vette dal wonen en die
+waggelen door den geest van den wijn! "Dat ze verspreid worden
+als stroomend water, als de slak die smelt waar ze kruipt, als de
+misgeboorte eener vrouw die geen daglicht ziet.
+
+"Gij, Moab, ge zult u moeten verschuilen in de cypressen als de
+trekvogels, als de springmuizen in de holen. Lichter dan notenschalen
+zullen de poorten der sterkten verbrijzeld worden, de muren zullen
+instorten, de steden in vlammen opgaan, en de geeselroede van den
+Eeuwige zal niet ophouden. Als de wol in de kuip van den verver, zoo
+zal Hij uwe ledematen spoelen in uw bloed. Als een nieuwe egge zal
+Hij u verscheuren; over de bergen zal Hij de flarden van uw vleesch
+uitstrooien!"
+
+Van welken veroveraar sprak hij? Was het Vitellius? De Romeinen
+alleen konden zulk eene verdelging aanrichten. Klachten werden
+geslaakt:--"Genoeg! genoeg! doe hem ophouden!"
+
+Maar nog luider ging hij voort:
+
+"Naast het lijk hunner moeders zullen de kleine kinderen door de asch
+kruipen. In den nacht zal men brood gaan zoeken tusschen de puinen,
+zich blootgevend aan de dolken.
+
+"Jakhalzen zullen elkaar de doodsknekels betwisten op de pleinen waar
+de grijsaards saamkwamen tot den avondkout. Aan der vreemdelingen
+gastmaal zullen uwe dochters op de luit spelen, en haar tranen
+drinken. De kloeksten uwer zonen zullen den rug bukken, gekneusd onder
+al te zware vrachten!"
+
+Voor de oogen van het volk doemden de dagen der ballingschap weer op,
+alle rampen hunner geschiedenis.
+
+Het waren de woorden der oude Profeten. Jaokanann zond ze, het een na
+het andere, over hen als harde slagen.
+
+Maar de stem werd zachter, welluidender en zangerig. Hij boodschapte
+een verlossing, glanzende verheerlijking aan het uitspansel, den
+nieuw-geborene die een arm stak in het hol van den draak, goud voor
+leem, de woestijn openbloeiend als een roos.
+
+"En wat nu zestig sikkels waard is, zal geen obool meer kosten.
+Melkbronnen zullen uit de rotsen vloeien; in de wijnpersen zal men
+zich verzadigd te slapen leggen! Wanneer komt gij, gij die de hope
+zijt van mijn hart? Reeds knielen alle volkeren, en uw heerschappij
+duurt in eeuwigheid, Zoon van David!"
+
+De Viervorst deinsde verschrikt terug, het bestaan van een Zoon
+Davids bedreigde hem als een smaad. Jaokanann tastte hem aan in zijn
+koningschap.
+
+"Geen andere Koning bestaat er dan Hij, die eeuwig is! en met uw
+tuinen, met uw standbeelden, met uw meubels van ivoor, zal het u
+vergaan als den goddeloozen Achab!"
+
+Antipas rukte het koord stuk van het zegel op zijn borst, en wierp het
+in den put, zwijgen gebiedend.
+
+De stem antwoordde:
+
+"Als een beer zal ik roepen, als een woudezel, als een vrouw in
+barensnood!
+
+"Reeds treft de straffe uw bloedschande. God straft met
+onvruchtbaarheid den bastaard."
+
+Gelach ging er op, dat geleek op gekabbel van water tegen den
+oeverrand.
+
+Vitellius bleef halsstarrig staan. Onbewogen herhaalde de tolk, in de
+taal der Romeinen, al de hoon-schreeuwen, die Jaokanann in zijn eigen
+taal uitstootte. De Viervorst en Herodias waren genoodzaakt ze twee
+keeren aan te hooren. Zijn borst zwoegde, terwijl zij staroogend bleef
+neerzien naar de diepte van den put.
+
+De verschrikkelijke man wierp het hoofd achterover, en de tralies
+vastgrijpend, hief hij het vlakke gelaat tegen den rooster, het geleek
+een warrige ruigte, waarin twee vurige kolen gloeiden.
+
+"Ha! zijt gij het, Jezabel! Ge hebt zijn hart u toegeëigend met het
+gekraak uwer schoenzolen. Als een merrie hebt ge gehinnikt. Uwe
+legerstede spreidet ge op de bergen, om uw offeranden te volbrengen.
+Afrukken zal de Heer u uwe oorhangers, uwe purperen gewaden, uw linnen
+sluiers, de gouden banden uwer armen, de ringen uwer voeten, de kleine
+gouden maansikkels die op uw voorhoofd trillen, uw zilveren spiegels,
+uw waaiers van struisvederen, de parelmoeren zolen die uw gestalte
+verhoogen, den pronk uwer edelsteenen, het reukwerk van uw haren,
+de beschildering uwer nagels, al de kunstige verzinsels uwer
+weelderigheid, en keien zullen er niet genoeg gevonden worden om de
+echtbreukige te steenigen!"
+
+Haar blik zocht-om naar hulpe. De Farizeërs sloegen huichelachtig de
+oogen neer. De Sadduceërs, die vreesden den Pronconsul te beleedigen,
+wendden het hoofd af. Antipas scheen den dood nabij. De stem werd
+sterker, zette zich uit, bulderde als het geweld van den donder, en
+door de echo der bergen weergalmd, deed ze Machaerous in haar telkens
+herhaalde uitbarstingen op zijn grondvesten schudden.
+
+"Strek u uit in het stof, dochter van Babylon! Laat koren tot meel
+malen! Maak uw schoenen los, schort uw kleeren op, en doorwaad de
+stroomen! uw smaad zal aan den dag komen! uw snikken zullen u de
+tanden verbrijzelen. De Eeuwige verafschuwt de walg uwer misdaden!
+Vervloekte! vervloekte! Kom om als een hond!"
+
+Het luik viel toe, het deksel sloot zich. Manaeï zou Jaokanann willen
+verworgen.
+
+Herodias verdween. De Farizeërs waren geërgerd. In hun midden stond
+Antipas zich te verdedigen.
+
+"Ongetwijfeld", begon Cleazar, "men moet zijn broeders vrouw huwen,
+maar Herodias was geen weduwe, en had daarenboven een kind,--daarin is
+de schande!"
+
+"Dwaling! dwaling!" wierp de Sadduceër Jonathas er tegen in. "De wet
+veroordeelt dergelijke huwelijken, zonder ze met duidelijke termen te
+verbieden."
+
+"Het doet er niet toe! Men oordeelt over mij zeer onrechtvaardig," zei
+Antipas.
+
+Aulus die geslapen had, kwam op dit oogenblik ook naderschrijden. Toen
+hij van de zaak op de hoogte was gesteld, viel hij den Viervorst bij.
+Over dergelijke dwaasheden moest men geen drukte maken, en hij lachte
+luid over den hoon der priesters en den toorn van Jaokanann.
+
+Herodias, die midden op het terras stond, keerde zich tot hem.
+
+"Ge hebt ongelijk, Heer! Hij gebiedt het volk de belasting te
+weigeren!"
+
+"Is dat waar?" vroeg toen de tollenaar dadelijk.
+
+De antwoorden waren eenstemmig bevestigend. De Viervorst bekrachtigde
+ze.
+
+Vitellius meende, dat de gevangene wel eens kon ontsnappen; en daar
+het gedrag van Antipas hem onbetrouwbaar toescheen, zette hij wachten
+uit bij de poorten en langs de muren van het binnenplein.
+
+Toen ging hij naar zijn vertrekken. De afgevaardigden der priesters
+vergezelden hem, en zonder de vraag van de offer-waardigheid aan te
+roeren, legde ieder zijn grieven bloot.
+
+Ze verveelden hem allen te saam. Hij zond ze weg.
+
+Toen Jonathas hem verliet, zag hij op de borstwering, tusschen twee
+kanteelen door, Antipas in gesprek met een man, die het haar lang
+droeg en in het wit gekleed ging, een Esseër, en hij had spijt den
+Viervorst te hebben verdedigd.
+
+De Viervorst had zich met de gedachte getroost, dat Jaokanann nu niet
+meer van hém afhing: de Romeinen hadden zich met hem belast! wat een
+verlichting!
+
+Juist toen had hij Phanuel over den omgang der wallen zien drentelen.
+Hij riep hem, en zeide, terwijl hij naar de soldaten wees:
+
+"Zij daar hebben de macht, ik kan hem niet loslaten! 't Is mijn schuld
+niet!"
+
+Het binnenplein was ledig.
+
+De slaven lagen te rusten. Tegen het avond-rood, dat de kim in vlammen
+deed oplaaien, teekenden de kleinste rechtstandige voorwerpen zich
+zwart af. Antipas onderscheidde de zoutpannen aan de overzijde der
+Doode Zee, maar de tenten der Arabieren zag hij niet meer. Waren ze
+wellicht heengetogen?
+
+De maan ging op. Rust daalde in zijn hart.
+
+Phanuel bleef neerslachtig staan, met de kin op de borst. Eindelijk
+uitte hij, wat hem op het het hart lag:
+
+Sinds het begin der maand bestudeerde hij, vóór den dageraad, het
+uitspansel wijl het sterrenbeeld van Perseus het zenith had bereikt.
+Agalah was nauwelijks te onderscheiden, Algol flikkerde zwakker,
+Mira-Coeti was verdwenen; hieruit las hij den dood van een man van
+beteekenis, dezen nacht nog, en binnen Machaerous.
+
+"Wie zou dat kunnen zijn? Vitellius werd te goed bewaakt. Jaokanann
+zou men niet ter dood brengen.
+
+"Aldus ben ik het zelf!" dacht de Viervorst.
+
+Zouden de Arabieren misschien weerkeeren? De Proconsul zou zijn
+betrekkingen met de Parthen kunnen ontdekken! Of sluipmoordenaars
+uit Jeruzalem waren wellicht met de priesters meegekomen; ze droegen
+dolken onder hun kleeren; de Viervorst twijfelde niet aan Phanuels
+kunde.
+
+Het viel hem in zijn toevlucht te zoeken bij Herodias. Toch haatte hij
+haar. Maar ze zou hem moed inspreken, en de tooverbanden waarin ze hem
+vroeger verstrikt had waren nog niet alle gebroken! Myrrhe rookte er
+in een kom van porfier toen hij haar kamer binnentrad, en poeders,
+zalven, wolken van luchtige weefsels, ragfijne borduursels lichter dan
+veeren, lagen er verspreid.
+
+Hij zei niets van Phanuels voorzegging, noch van zijn vrees voor de
+Joden of de Arabieren: een lafaard zou ze hem noemen!
+
+Alleen over de Romeinen sprak hij; Vitellius had hem niets
+toevertrouwd van zijn krijgs-plannen. Hij veronderstelde dat hij met
+Cajus bevriend was, die op zijn beurt weer omgang had met Agrippa;
+en hij, Antipas, zou in ballingschap worden gezonden, waar ze hem
+misschien zouden verwurgen.
+
+Herodias trachtte hem met kleinachtende welwillendheid gerust te
+stellen. Eindelijk haalde ze uit een kistje een vreemdsoortige
+medaille, die den beeldenaar van Tiberius droeg. Dat volstond om de
+lictoren te doen verbleeken, en de aanklachten te smoren.
+
+Ontroerd van dankbaarheid vroeg Antipas haar, hoe ze dien talisman
+verworven had.
+
+"Hij werd me gegeven!" hernam ze.
+
+Onder een voorhang, vlak tegenover hen, strekte zich een arm uit, een
+jeugdige arm, bekoorlijk en zoo schoon alsof Polycletus zelf hem uit
+ivoor gerond had. Met een wat linksch maar toch bevallig gebaar,
+wiekte die arm in de lucht, om een tunica te grijpen, welke op een
+bankje was blijven liggen.
+
+Een oude vrouw gaf ze zachtjes over, den voorhang terzijde schuivend.
+
+De Viervorst had een vage herinnering, aan iets dat hij zich niet
+omschrijven kon.
+
+"Is dat eene van uw slavinnen?"
+
+"Wat kan u dat schelen?" antwoordde Herodias.
+
+
+
+
+III
+
+
+De gasten vulden de feestzaal.
+
+Ze had, als een basiliek, drie beuken die door zuilen van algumimhout
+met gebeeldhouwde bronzen kapiteelen gescheiden werden. Ze schraagden
+twee open galerijen, en een derde van gouden filigraan rondde
+zich achter in de zaal-diepte, recht tegenover een reusachtige
+wulfsel-poort, open in den voorwand.
+
+Op de tafels, die door de geheele lengte van het middenschip stonden
+aaneengerijd, brandden de luchters als kleine bosschen van vuur,
+midden tusschen de beschilderde aarden schalen en de koperen schotels,
+de sneeuw-blokken en de opgetaste druiven. Maar onder het hooge gewelf
+zweemde die roode klaarte langzaam in schemers weg, en lichtpunten
+tintelden daar, als des nachts de sterren door takken heen. Door den
+boog van het wijd-open poortvak kon men de toortsen zien vlammen op de
+huis-terrassen,--want Antipas onthaalde zijn volk, en allen die zich
+aangemeld hadden. Slaven, geschoeid met vilten sandalen, liepen rap
+als honden om, en droegen de schotels.
+
+De tafel van den Proconsul stond onder de vergulde galerij, op een
+verhevenheid van sycomore-planken, Babylonische tapijten omsloten haar
+als met een tente.
+
+Vitellius, diens zoon en Antipas namen de drie ivoren ligbedden in,
+die daar opgesteld stonden, één recht in 't midden, met de twee andere
+terzijde; de Proconsul lag links, dicht bij de deur, Aulus aan den
+rechterkant, de Viervorst op het middelste.
+
+Hij was gehuld in een zwaren zwarten mantel, welks weefsel geheel
+schuil ging onder kleurige ophechtsels. Hij droeg den baard
+waaiervormig, had blanketsel op de kaken, en azuurpoeder in het haar,
+dat omsloten werd door een diadeem van edelsteenen. Vitellius had
+den purperen bandelier niet afgelegd, die schuin over de linnen toga
+plooide.
+
+Aulus had de mouwen van zijn paars-zijden met zilverdraad doorweven
+opperkleed op den rug laten vastknoopen. Zijn tot rollen gekamde
+haren waren trapsgewijze op zijn hoofd getast, en een halssnoer van
+saffieren glinsterde op zijn borst, rond en blank als die eener vrouw.
+Dicht naast hem zat een heel mooi knaapje neergehurkt op een mat. Het
+glimlachte aldoor. Aulus die het straks in de keukens voor 't eerst
+had gezien, kon niet meer buiten hem, en daar hij moeielijk zijn
+Chaldeeuwschen naam kon onthouden, noemde hij hem eenvoudig-weg "den
+Aziaat". Van tijd tot tijd strekte Aulus zich in zijn volle lengte uit
+op het triclinium. Dan zagen de mede-aanliggenden tegen zijn naakte
+voetzolen op.
+
+Aan dat tafeleinde waren de priesters en Antipas' officieren
+geplaatst, de oppersten uit de Grieksche steden; aan des Proconsuls
+zijde: Marcellus met de tollenaars, vrienden van den Viervorst,
+aanzienlijke lieden uit Cana, uit Ptolemaïde en Jericho, dan in bonte
+rijen: bergbewoners van den Libanon en de oude soldaten van Herodes:
+twaalf Thraciërs, een Galliër, twee Germanen, gazellen-jagers,
+Idumeesche herders, de sultan van Palmyra, zeelieden van Eziongaber.
+Ieder had een weeken deeg-koek vóór zich om de vingers af te wisschen,
+en de armen, die zich als gieren-halzen rekten, namen olijven,
+pistaches en amandelen. Aller aangezicht glansde blij onder een krans
+van bloemen.
+
+De Farizeërs hadden hun kransen weggestooten als een Romeinsche
+onbetamelijkheid. En ze huiverden wanneer men ook hen met galbanum
+en rosmarijn besproeide, een mengsel dat uitsluitend gebruikt mocht
+worden in den Tempel.
+
+Aulus wreef er zich de oksels mede, en Antipas beloofde hem er een
+heele lading van, met drie zakken vol van dien onvervalschten balsem,
+die Cleopatra's begeerte naar het bezit van Palestina had opgewekt.
+
+Een hoofdman van zijn Tiberiaansch garnizoen, kwam tot achter zijn
+ligbed getreden, om hem over buitengewone gebeurtenissen te spreken.
+Maar zijn aandacht werd verdeeld tusschen den Proconsul en de
+gesprekken aan de nabije tafels.
+
+Men praatte daar over Jaokanann en lieden van zijn soort; Simon van
+Gittoï louterde de zondaars met vuur. Een zekere Jezus...
+
+"De ergste van allen," riep Eleazar uit "wat een lage goochelaar!"
+Achter den Viervorst richtte een man zich op, bleek als de rand van
+zijn chlamys. Hij daalde van de estrade, den Farizeërs toeroepend:
+"Leugens! Jezus doet wonderen!"
+
+Antipas zou er willen zien.
+
+"Ge had hem mede moeten brengen! Vertel ons eens alles over hem!"
+
+Toen verhaalde hij, dat hij-zelf, Jacob, zich naar Capharnaüm begeven
+had toen zijn dochtertje ziek lag, om den Meester te vragen haar te
+genezen.
+
+De Meester had geantwoord: "Keer terug naar uwe woning, uw dochtertje
+is genezen!" En hij had haar op den drempel gevonden, opgestaan
+van haar sponde, toen de zonne-wijzer van het paleis het derde uur
+aanwees, het eigen oogenblik, waarop hij Jezus had aangesproken.
+
+"Natuurlijk," wierpen de Farizeërs hem tegen, "er bestaan zekere
+praktijken en geneeskrachtige kruiden. Hier op de eigen plek, te
+Machaerous, vond men wel de baäras, die onkwetsbaar maakt. Maar
+genezen zonder zien of aanraken, was een onmogelijkheid, zoo Jezus ten
+minste niet de booze geesten tot handlangers had.
+
+En de vrienden van Antipas, de oppersten van Galilea, herhaalden
+hoofdschuddend:
+
+"De booze geesten,--dat is klaarblijkelijk!"
+
+Jacob, die tusschen hun tafels en die der priesters stond, bleef
+hooghartig maar zachtmoedig zwijgen. Ze vorderden hem tot spreken op:
+
+"Rechtvaardig zijn macht!"
+
+Hij boog zich wat voorover en met gedempte stem begon hij langzaam als
+verschrikt door zijn eigen woorden:
+
+"Weet ge dan niet, dat hij de Messias is?" Alle priesters blikten
+elkaar aan, en Vitellius vroeg uitleg van het woord. Zijn tolk draalde
+een wijle met antwoorden.
+
+Ze noemden zoo een verlosser, die het volle bezit van alle goed en de
+onderwerping van alle volkeren zou brengen. Eenigen zelfs beweerden
+dat men op twee zulken moest rekenen. De eerste zou door Gog en Magog,
+de booze geesten van het Noorden, overwonnen worden; maar de tweede
+zou den vorst van het kwade verdelgen; en sinds eeuwen wachtten zij
+hem ieder oogenblik.
+
+Toen de priesters beraadslaagd hadden, nam Eleazar het woord.
+Vooreerst zou de Messias de zoon van David zijn, en niet die van een
+timmerman; hij zou de wet bevestigen. Die Nazarener schond ze. En wat
+nog sterker bewijs was, de komst van Elias moest aan hem voorafgaan.
+
+Jacob antwoordde: "Elias! maar die is reeds gekomen!"
+
+"Elias! Elias!" herhaalde de menigte, tot in het andere einde der
+zaal. In hun verbeelding zagen allen een grijsaard oprijzen, een
+vlucht raven streek om zijn hoofd. Een bliksemschicht zette een altaar
+in vlammen; afgodendienaars werden meegesleept door een stroom. De
+vrouwen op de galerijen dachten aan de weduwe van Sarepta.
+
+Jacob werd niet moede te herhalen, dat hij hem kende! Hij zelf had hem
+gezien! en het volk ook had hem gezien!
+
+"Zijn naam?"
+
+Toen riep hij zoo luid hij vermocht: "Jaokanann!"
+
+Antipas viel achterover als door een stoot midden in het hart. De
+Sadduceërs hadden zich op Jacob gestort. Eleazar begon een redevoering
+om gehoor te krijgen.
+
+Toen de stilte gezonken was, plooide hij zijn mantel terecht, en
+stelde als een rechter zijn vragen:
+
+"Daar de Profeet dood is..."
+
+Gemompel onderbrak hem. Men geloofde dat Elias slechts tijdelijk ten
+hemel opgenomen was.
+
+Eleazar toornde tegen de menigte, en zette zijn ondervraging voort:
+
+"Meent ge, dat hij verrezen is?
+
+"Waarom niet?" zei Jacob.
+
+De Sadduceërs haalden de schouders op. Jonathas sperde zijn oogjes
+wijd open en deed moeite om als een nar te lachen:
+
+"Niets dwazer dan de aanspraak van het lichaam op de
+onsterfelijkheid;" en, voor den Proconsul, haalde hij een vers aan van
+een toenmalig dichter:
+
+ Nec crescit, nec post mortem durare videtur.
+
+Maar Aulus had zich over den rand van het ligbed heengebogen, het
+zweet stond hem op het voorhoofd, zijn gelaat was groen, de vuisten
+drukte hij tegen de maag.
+
+De Sadduceërs veinsden groote ontroering; (den volgenden dag kregen
+ze de offer-waardigheid terug), Antipas deed alsof hij wanhopig was;
+Vitellius leek onbewogen. Toch doorstond hij groote angsten; met zijn
+zoon immers zou hij zijn schoone kans verliezen. Nauwelijks had Aulus
+met braken opgehouden, of hij wilde weer aan 't eten.
+
+"Laat ze me raspsel van marmer geven, aardolie van Naxos, zeewater, of
+wat dan ook! Als ik eens een bad nam?"
+
+Hij kauwde sneeuw, weifelde voor een schotel rose merels, en nam ten
+laatste honingpompoenen. De kleine Aziaat zag bewonderend naar hem op;
+die zwelgers-aanleg verried een wonderbaar en bovenaardsch wezen.
+
+Men diende stier-nieren op, marmotten, nachtegalen, gehakt vleesch in
+wingerdbladeren; en de priesters redetwistten over de verrijzenis.
+Ammonius, leerling van den Platonicus Philon, vond dat ze dwazen
+waren, en zei het tot eenige Grieken die over de orakels lachten.
+Marcellus en Jacob hadden elkaars gezelschap gezocht. De eerste
+verhaalde aan den tweede over zijn geluk bij het doopsel van Mithra,
+en Jacob ried hem Jezus te volgen.
+
+Wijn uit palmsap en tamariskenschors getrokken, wijnen van Safet en
+Byblos stroomden uit de amphoren in de mengvaten, uit de mengvaten in
+de drinkschalen, uit de drinkschalen de kelen in.
+
+Er werd druk gepraat, en de harten begonnen zich te openen.
+
+Jacim was een Jood, maar hij hield het niet langer geheim dat hij de
+sterren aanbad. Een koopman uit Aphaka verblufte de nomaden door
+hun de wonderen van den tempel van Hiërapolis, in de kleinste
+bijzonderheden, voor oogen te tooveren. Ze vroegen hem hoeveel een
+beevaart daar heen zou kosten. Anderen hielden het bij den godsdienst
+waarin ze geboren waren. Een bijna blinde Germaan zong een hymne ter
+eere van dat Scandinavische voorgebergte, waar de goden verschijnen
+omstraald door den glans van hun aangezicht, en lieden van Sichem aten
+geen tortels uit eerbied voor de duif Azima. Verschillende gasten
+stonden midden in de zaal te praten, en hun adem wademde, met den rook
+der luchters, als een nevel in de ruimte. Phanuel kwam langs de muren
+gegleden. Nogmaals had hij zooeven het uitspansel bestudeerd, maar
+hij durfde den Viervorst niet naderen, bang voor olievlekken, die de
+Esseërs als een groote smet beschouwden.
+
+Er vielen slagen op de burchtpoort.
+
+Men wist thans dat Jaokanann hier gevangen werd gehouden. Mannen met
+flambouwen klommen het bergpad op, een zwarte menigte krioelde in het
+ravijn, en van tijd tot tijd schreeuwden ze daar:
+
+"Jaokanann! Jaokanann!"
+
+"Alles brengt hij in de war!" zei Jonathas.
+
+"Als hij doorgaat, krijgt het rijk geen geld meer!" voegden de
+Farizeërs er aan toe.
+
+De verwijten kwamen los: "Bescherm ons!"
+
+"Laat ze ophouden!"
+
+"Ge zijt een afvallige!"
+
+"Goddeloos als Herodes en de zijnen!"
+
+"Minder goddeloos dan gij!" antwoordde Antipas. "Mijn vader was het,
+die uw tempel bouwde!"
+
+Toen begonnen de Farizeërs, de zonen der bannelingen, aanhangers van
+Matathias, den Viervorst te beschuldigen van de misdaden, door zijn
+verwanten bedreven.
+
+Ze hadden spitse schedels, een stekeligen baard, slappe en boosaardige
+handen, of wel een plat gelaat, dog-achtig, met groote ronde oogen.
+Een twaalftal schriftgeleerden en tempeldienaars, gevoed door den
+afval der offeranden, sprongen op de estrade aan, en dreigden Antipas
+met messen. Hij sprak hen toe, terwijl de Sadduceërs hem zwak
+verdedigden. Hij zag Mannaeï wel, maar gaf hem een teeken liever maar
+weer heen te gaan, daar Vitellius door zijn houding deed uitkomen, dat
+de dingen hem niet aangingen.
+
+De Farizeërs, die nog op hun ligbedden gebleven waren, raasden in
+duivelsche woede, ze sloegen de schotels stuk die vóór hen stonden.
+Men had hun Mecena's geliefkoosd gerecht opgediend, vleesch van den
+woudezel, een onreine spijze.
+
+Aulus dreef den spot over den ezelskop, dien zij, volgens de verhalen,
+zouden vereeren, en verkocht ook geestigheden over hun weerzin tegen
+varkens. Zeker was die haat ontstaan omdat dit vette beest hun Bacchus
+gedood had, en daar men in den tempel een gouden wijnstok ontdekt had,
+hielden ze zooveel van wijn!
+
+De priesters begrepen zijn woorden niet. Phineas, een Galileër van
+afkomst, wilde ze niet vertolken. Toen kende de toorn van Aulus geen
+grenzen meer, te erger omdat de kleine Aziaat, door vrees bevangen
+verdwenen was; en het maal stond hem niet aan, de spijzen waren te
+alledaagsch, niet kunstig genoeg verwerkt! Hij kwam tot kalmte, toen
+hij staarten van Syrische schapen zag opdragen, louter rollen van vet.
+
+De aard der Joden leek Vitellius een gruwel. Moloch, wien hij langs
+den weg altaren had zien opgericht, kon best hun god zijn; en het viel
+hem te binnen, hoe ze den naam hadden kinderen ten offer te brengen.
+Ook de geschiedenis van den man, dien ze op geheimzinnige wijze zouden
+vetmesten, kwam hem in de gedachten. Hij, de Latijn, voelde zijn hart
+walgen van hun onverdraagzaamheid, hun beelden-vernielende furie, hun
+afstuitende ruwheid.
+
+De Proconsul wilde heengaan. Aulus weigerde hem te vergezellen.
+
+Hij lag achter een hoop etenswaren, te verzadigd om er nog van te
+gebruiken, maar te koppig om ze in den steek te laten.
+
+De opwinding van het volk werd steeds grooter. Ze gingen op in plannen
+voor hun onafhankelijkheid. De herinnering aan Israëls glorie werd
+opgeroepen. Alle veroveraars hadden ze afgeslagen: Antigonus, Crassus,
+Varus...
+
+"Ellendelingen!" zei de Proconsul. Want wel verstond hij de Syrische
+taal: zijn tolk diende slechts om hem tijd tot antwoorden te laten.
+
+Antipas trok haastig de medaille van den Keizer te voorschijn, en,
+bevend hem bespiedend, hief hij haar op, den beeldenaar naar hem
+toewendend.
+
+Daar plotseling werden de vleugels der gouden galerij opengeworpen; en
+in den luister der toortsen, tusschen haar slaven die festoenen van
+anemonen droegen, trad Herodias te voorschijn,--een Assyrische
+mijter stond, met een kinneband, op haar hoofd bevestigd; haar
+spiraal-vormige lokken hingen over een scharlaken peplum, waaruit door
+wijde armsgaten de mouwen plooiden. Twee steenen monsters, gelijk aan
+die bij den schat der Atriden, stonden tegen de deurposten opgesteld,
+en ze geleek op Cybele tusschen haar leeuwen. Hoog van de balustrade
+boven Antipas' hoofd, de offerschaal op de handen, riep ze: "Dat Cesar
+leve!"
+
+Die hulde werd herhaald door Vitellius, Antipas en de priesters.
+Maar uit de diepte der zaal drong een gemompel aan van verrassing en
+bewondering. Een jong meisje was zooeven binnengekomen.
+
+Onder een blauwachtigen sluier, die haar de borst en het
+hoofd verhulde, onderscheidde men den boog harer oogen, de
+chalcedoon-steenen in haar ooren, de blankheid harer huid. Een lap
+van weerschijnende zijde bedekte haar schouders en was op de
+heupen bevestigd door een fijn-gesmeden gouden gordel. Haar zwarte
+beenbekleedsels waren met mandragoren bezaaid, en als voor evenveel
+liet ze haar muiltjes van colibri-dons over den grond klapperen.
+
+Op de estrade gekomen wierp ze haar sluier af: het scheen Herodias,
+zooals die was in haar jeugd. Ze begon te dansen.
+
+Haar voeten hieven zich, de een voor den ander, op het rhythme van een
+fluit en een paar ratels. Haar gebogen armen riepen iemand, die altijd
+weer vluchtte. Lichter dan een vlinder achtervolgde ze hem, als een
+nieuwsgierige Psyche, als een zwervende geest, en ze scheen gereed om
+weg te vliegen.
+
+De rouwklanken van den gingras vervingen de ratels. Neerslachtigheid
+had de hoop vervangen. Haar gebaren werden als verzuchtingen, en in
+geheel haar wezen lag zulk een smachtend verlangen, dat men niet weten
+kon of ze een god beweende of duizelde in een droom van liefde.
+
+Met half-geloken wimpers boog ze en wiegde ze zich met deinende
+golvingen, haar boezem trilde, haar gelaat bleef onbewogen en haar
+voeten hielden niet stil. Vitellius vergeleek haar bij Mnester.
+
+Aulus braakte nog altijd.
+
+De Viervorst zat in een droom verloren en dacht niet meer aan
+Herodias. Toen hij haar meende te zien, in de nabijheid der
+Sadduceërs, verzwond zijn visioen.
+
+Het was geen visioen.
+
+Ver van Machaerous had ze Salome, haar dochter,--die de Viervorst
+eenmaal lief moest hebben,--laten opvoeden. En het was een goede
+toeleg geweest. Thans wist ze het zeker!
+
+Nu werd het de vervoering der liefde die bevrediging zoekt. Ze danste
+zooals de Indische priesteressen, gelijk de Nubische vrouwen die bij
+de watervallen wonen, als de bacchanten van Lydië. Ze wierp zich naar
+alle zijden om, gelijk een bloem, die door den storm wordt bewogen. De
+schitter-steenen in haar ooren dansten mede, de glanzende kleuren der
+zijden stoffe, die haar rug verhulde, wisselden; uit haar armen, haar
+voeten, uit haar gewaad, sprongen onzichtbare vonken, die het hart
+der mannen deden ontvlammen. Een harp zong; de menigte jubelde ze
+na, ontsteld van bewondering, zoowel de nomaden, die aan versterving
+gewoon waren, als de Romeinsche soldaten zoo deskundig in
+uitspattingen, de gierige tollenaars en de oude priesters verbitterd
+door 't levenslang redetwisten.
+
+Zonder de knieën te buigen bukte ze zich zoo diep dat haar kin den
+vloer raakte. Vervolgens wentelde ze om Antipas' tafel heen in dolle
+vaart, wervelend als de draaischijf der tooverkollen, en met een stem,
+door snikken van wellust onderbroken, riep hij haar toe:
+
+"Kom! Kom!" Ze wendde en wentelde al voort; zoo luid klonken de
+tympans alsof ze scheuren zouden, de menigte joelde. Maar nog luider
+riep de Viervorst: "Kom! Kom! Capharnaüm zult ge hebben, de vlakte van
+Tiberias! mijn burchten! de helft van mijn koninkrijk!" Ze wierp zich
+op de handen, de hielen omhoog, liep zoo als een groote tor de estrade
+over, en hield plotseling stil.
+
+Haar nek en haar rug vormden een rechten hoek. De kleurige schachten
+die haar beenen omsloten, rondden als regenbogen boven haar schouders
+uit, en gingen, een armlengte hoog van den bodem, met haar gelaat in
+ééne richting mede. Haar lippen waren gekleurd, haar wenkbrauwen zeer
+zwart, haar oogen bijna verschrikkelijk, en de zweetparels op haar
+gelaat schenen een dauw over wit marmer.
+
+Ze sprak niet. Ze zagen elkaar aan.
+
+Een vinger-klap klonk van de tribune. Ze klom daarheen, kwam weer te
+voorschijn, en met eene wat lispelende stem zei ze kinderlijk:
+
+"Ik wil, dat ge me op een schotel, het hoofd geeft van..." Ze was
+den naam vergeten, maar met een glimlach hernam ze: "het hoofd van
+Jaokanann!"
+
+De Viervorst zakte ineen van ontzetting.
+
+Zijn woord moest hij gestand doen, en het volk wachtte.
+
+Maar zoo de dood, die voorspeld was, een ander werd aangedaan,--zou
+de zijne dan niet afgewend worden?
+
+Indien Jaokanann wezenlijk Elias was, kon hij zelf er zich aan
+onttrekken, zoo niet dan beduidde de moord niet veel! Mannaeï stond
+naast hem en begreep zijn bedoeling.
+
+Vitellius riep hem terug om hem het wachtwoord te geven, daar er
+soldaten bij het kerkerhol stonden opgesteld.
+
+Het was een verademing: binnen een oogenblik zou alles gedaan zijn.
+
+Maar het werk ging Mannaeï niet vlug van de hand.
+
+Ontdaan kwam hij weer binnen.
+
+Sinds veertig jaar oefende hij het beuls-bedrijf uit. Hij was het
+die Aristobulos verdronken had, Alexander gewurgd, Matathias levend
+verbrand, die Zosima, Pappus, Josephus en Antipater onthoofd had; en
+Jaokanann durfde hij niet dooden! Hij klappertandde, en rilde over
+zijn geheele lichaam.
+
+Vóór den kerker-kuil had hij den grooten Engel der Samaritanen zien
+staan geheel met oogen overdekt, zwaaiend met een reusachtig zwaard,
+rood en gekarteld als een vuurvlam.
+
+De twee wachten tot getuigen meegebracht, zouden het staven.
+
+Ze hadden niets gezien, dan alleen een Joodschen legerhoofdman, die
+zich op hen gestort had, en die thans niet meer tot de levenden
+behoorde.
+
+De toorn van Herodias barstte los in een stortvloed van platte en
+bloeddorstige verwenschingen. Ze scheurde zich de nagels aan de
+tralies der tribune, en de twee gebeeldhouwde leeuwen leken in haar
+schouders te bijten en te brullen als zij.
+
+Antipas schreeuwde, de priesters, de soldaten, de Farizeërs, allen
+riepen ze om wraak en ook de anderen, verontwaardigd dat men hen op
+dat nieuwe tijdverdrijf liet wachten.
+
+Mannaeï ging heen met bedekt gelaat.
+
+Den gasten viel de tijd nog langer dan eerst. Ze verveelden zich.
+
+Eensklaps klonken er voetstappen op in de gangen. Het weeë ongeduld
+werd onhoudbaar!
+
+Het hoofd kwam.
+
+Mannaeï hield het bij de haren aan zijn gestrekten arm, trotsch op het
+gejubel.
+
+Hij legde het op een schotel en bood het Salome aan.
+
+Snel klom ze de tribune op. Na een lange pooze werd het hoofd
+teruggebracht door de oude vrouw, die de Viervorst's morgens was
+gewaar geworden op het platform van een huis, en straks in Herodias'
+kamer.
+
+Hij deinsde terug om het niet te zien. Vitellius wierp er een
+onverschilligen blik op.
+
+Mannaeï daalde van de estrade af, en toonde het aan de Romeinsche
+hoofdlieden, die langs deze zijde aanzaten.
+
+Ze bekeken het met onderzoekende blikken.
+
+De scherpe snede van den bijl had het van boven naar beneden gekloofd,
+en de kaak gespleten. Een stuiptrekking trok de mondhoeken neer.
+Stollend bloed vlekte den baard. De gesloten oogleden waren bleek als
+schelpen; rondom straalden de luchters. Het hoofd kwam bij de tafel
+der priesters. Een Farizeër keerde het nieuwsgierig om en om, en
+Mannaeï zette het weer stevig recht en plaatste het vóór Aulus, die
+er door ontwaakte. Tusschen hun even open wimpers schenen de doode
+oogappels en de verwaterde oogappels elkaar iets te zeggen.
+
+Toen bood Mannaeï het Antipas aan. Tranen stroomden den Viervorst over
+de wangen.
+
+De toortsen smeulden uit. De gasten vertrokken, en niemand bleef er in
+de zaal dan Antipas, die met de handen tegen de slapen staag naar
+het afgehouwen hoofd zat te staren, terwijl Phanuel, halverwegen het
+groote middenschip, met uitgestrekte armen gebeden stond te prevelen.
+
+In het uur van zonsopgang, kwamen de twee mannen, die laatst door
+Jaokanann uitgezonden waren, met het lang verhoopte antwoord.
+
+Ze vertrouwden het Phanuel toe, die het in zielsvervoering aanhoorde.
+
+Toen toonde hij hun het gruwelijk voorwerp op den schotel, tusschen de
+resten van het feestmaal.
+
+Een der mannen zeide:
+
+"Troost u! Hij is nedergedaald tot de dooden, om Christus te
+verkondigen!"
+
+Thans begreep de Esseër de woorden: "Hij moet grooter, maar ik kleiner
+worden!"
+
+En het hoofd van Jaokanann met zich nemend, gingen ze met hun drieën
+den kant van Galilea uit.
+
+Daar het zeer zwaar was, droeg ieder het op zijn beurt.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Drie Vertellingen, by Gustave Flaubert
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN ***
+
+This file should be named 8drvt10.txt or 8drvt10.zip
+Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 8drvt11.txt
+VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 8drvt10a.txt
+
+Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team.
+
+Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US
+unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+We are now trying to release all our eBooks one year in advance
+of the official release dates, leaving time for better editing.
+Please be encouraged to tell us about any error or corrections,
+even years after the official publication date.
+
+Please note neither this listing nor its contents are final til
+midnight of the last day of the month of any such announcement.
+The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at
+Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A
+preliminary version may often be posted for suggestion, comment
+and editing by those who wish to do so.
+
+Most people start at our Web sites at:
+http://gutenberg.net or
+http://promo.net/pg
+
+These Web sites include award-winning information about Project
+Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new
+eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!).
+
+
+Those of you who want to download any eBook before announcement
+can get to them as follows, and just download by date. This is
+also a good way to get them instantly upon announcement, as the
+indexes our cataloguers produce obviously take a while after an
+announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter.
+
+http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext03 or
+ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext03
+
+Or /etext02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90
+
+Just search by the first five letters of the filename you want,
+as it appears in our Newsletters.
+
+
+Information about Project Gutenberg (one page)
+
+We produce about two million dollars for each hour we work. The
+time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours
+to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright
+searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our
+projected audience is one hundred million readers. If the value
+per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2
+million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text
+files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+
+We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002
+If they reach just 1-2% of the world's population then the total
+will reach over half a trillion eBooks given away by year's end.
+
+The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks!
+This is ten thousand titles each to one hundred million readers,
+which is only about 4% of the present number of computer users.
+
+Here is the briefest record of our progress (* means estimated):
+
+eBooks Year Month
+
+ 1 1971 July
+ 10 1991 January
+ 100 1994 January
+ 1000 1997 August
+ 1500 1998 October
+ 2000 1999 December
+ 2500 2000 December
+ 3000 2001 November
+ 4000 2001 October/November
+ 6000 2002 December*
+ 9000 2003 November*
+10000 2004 January*
+
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created
+to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium.
+
+We need your donations more than ever!
+
+As of February, 2002, contributions are being solicited from people
+and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut,
+Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois,
+Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts,
+Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New
+Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio,
+Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South
+Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West
+Virginia, Wisconsin, and Wyoming.
+
+We have filed in all 50 states now, but these are the only ones
+that have responded.
+
+As the requirements for other states are met, additions to this list
+will be made and fund raising will begin in the additional states.
+Please feel free to ask to check the status of your state.
+
+In answer to various questions we have received on this:
+
+We are constantly working on finishing the paperwork to legally
+request donations in all 50 states. If your state is not listed and
+you would like to know if we have added it since the list you have,
+just ask.
+
+While we cannot solicit donations from people in states where we are
+not yet registered, we know of no prohibition against accepting
+donations from donors in these states who approach us with an offer to
+donate.
+
+International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about
+how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made
+deductible, and don't have the staff to handle it even if there are
+ways.
+
+Donations by check or money order may be sent to:
+
+Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+PMB 113
+1739 University Ave.
+Oxford, MS 38655-4109
+
+Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment
+method other than by check or money order.
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by
+the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN
+[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are
+tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising
+requirements for other states are met, additions to this list will be
+made and fund-raising will begin in the additional states.
+
+We need your donations more than ever!
+
+You can get up to date donation information online at:
+
+http://www.gutenberg.net/donation.html
+
+
+***
+
+If you can't reach Project Gutenberg,
+you can always email directly to:
+
+Michael S. Hart <hart@pobox.com>
+
+Prof. Hart will answer or forward your message.
+
+We would prefer to send you information by email.
+
+
+**The Legal Small Print**
+
+
+(Three Pages)
+
+***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START***
+Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers.
+They tell us you might sue us if there is something wrong with
+your copy of this eBook, even if you got it for free from
+someone other than us, and even if what's wrong is not our
+fault. So, among other things, this "Small Print!" statement
+disclaims most of our liability to you. It also tells you how
+you may distribute copies of this eBook if you want to.
+
+*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK
+By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm
+eBook, you indicate that you understand, agree to and accept
+this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive
+a refund of the money (if any) you paid for this eBook by
+sending a request within 30 days of receiving it to the person
+you got it from. If you received this eBook on a physical
+medium (such as a disk), you must return it with your request.
+
+ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS
+This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks,
+is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart
+through the Project Gutenberg Association (the "Project").
+Among other things, this means that no one owns a United States copyright
+on or for this work, so the Project (and you!) can copy and
+distribute it in the United States without permission and
+without paying copyright royalties. Special rules, set forth
+below, apply if you wish to copy and distribute this eBook
+under the "PROJECT GUTENBERG" trademark.
+
+Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market
+any commercial products without permission.
+
+To create these eBooks, the Project expends considerable
+efforts to identify, transcribe and proofread public domain
+works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any
+medium they may be on may contain "Defects". Among other
+things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged
+disk or other eBook medium, a computer virus, or computer
+codes that damage or cannot be read by your equipment.
+
+LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES
+But for the "Right of Replacement or Refund" described below,
+[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may
+receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims
+all liability to you for damages, costs and expenses, including
+legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR
+UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT,
+INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE
+OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE
+POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES.
+
+If you discover a Defect in this eBook within 90 days of
+receiving it, you can receive a refund of the money (if any)
+you paid for it by sending an explanatory note within that
+time to the person you received it from. If you received it
+on a physical medium, you must return it with your note, and
+such person may choose to alternatively give you a replacement
+copy. If you received it electronically, such person may
+choose to alternatively give you a second opportunity to
+receive it electronically.
+
+THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS
+TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A
+PARTICULAR PURPOSE.
+
+Some states do not allow disclaimers of implied warranties or
+the exclusion or limitation of consequential damages, so the
+above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you
+may have other legal rights.
+
+INDEMNITY
+You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation,
+and its trustees and agents, and any volunteers associated
+with the production and distribution of Project Gutenberg-tm
+texts harmless, from all liability, cost and expense, including
+legal fees, that arise directly or indirectly from any of the
+following that you do or cause: [1] distribution of this eBook,
+[2] alteration, modification, or addition to the eBook,
+or [3] any Defect.
+
+DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm"
+You may distribute copies of this eBook electronically, or by
+disk, book or any other medium if you either delete this
+"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg,
+or:
+
+[1] Only give exact copies of it. Among other things, this
+ requires that you do not remove, alter or modify the
+ eBook or this "small print!" statement. You may however,
+ if you wish, distribute this eBook in machine readable
+ binary, compressed, mark-up, or proprietary form,
+ including any form resulting from conversion by word
+ processing or hypertext software, but only so long as
+ *EITHER*:
+
+ [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and
+ does *not* contain characters other than those
+ intended by the author of the work, although tilde
+ (~), asterisk (*) and underline (_) characters may
+ be used to convey punctuation intended by the
+ author, and additional characters may be used to
+ indicate hypertext links; OR
+
+ [*] The eBook may be readily converted by the reader at
+ no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent
+ form by the program that displays the eBook (as is
+ the case, for instance, with most word processors);
+ OR
+
+ [*] You provide, or agree to also provide on request at
+ no additional cost, fee or expense, a copy of the
+ eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC
+ or other equivalent proprietary form).
+
+[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this
+ "Small Print!" statement.
+
+[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the
+ gross profits you derive calculated using the method you
+ already use to calculate your applicable taxes. If you
+ don't derive profits, no royalty is due. Royalties are
+ payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation"
+ the 60 days following each date you prepare (or were
+ legally required to prepare) your annual (or equivalent
+ periodic) tax return. Please contact us beforehand to
+ let us know your plans and to work out the details.
+
+WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO?
+Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of
+public domain and licensed works that can be freely distributed
+in machine readable form.
+
+The Project gratefully accepts contributions of money, time,
+public domain materials, or royalty free copyright licenses.
+Money should be paid to the:
+"Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+If you are interested in contributing scanning equipment or
+software or other items, please contact Michael Hart at:
+hart@pobox.com
+
+[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only
+when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by
+Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be
+used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be
+they hardware or software or any other related product without
+express permission.]
+
+*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END*
+
diff --git a/old/8drvt10.zip b/old/8drvt10.zip
new file mode 100644
index 0000000..b68e9d9
--- /dev/null
+++ b/old/8drvt10.zip
Binary files differ