diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 05:32:17 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 05:32:17 -0700 |
| commit | 81c57de43bdaad1c35bc9a16fa0adfb14ebaf80a (patch) | |
| tree | 58e0d4310d2c573c919b499f75e89547b82b0dd9 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 8804-8.txt | 4592 | ||||
| -rw-r--r-- | 8804-8.zip | bin | 0 -> 88835 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/7drvt10.txt | 4558 | ||||
| -rw-r--r-- | old/7drvt10.zip | bin | 0 -> 94357 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/8drvt10.txt | 4558 | ||||
| -rw-r--r-- | old/8drvt10.zip | bin | 0 -> 94543 bytes |
9 files changed, 13724 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/8804-8.txt b/8804-8.txt new file mode 100644 index 0000000..d7daa8c --- /dev/null +++ b/8804-8.txt @@ -0,0 +1,4592 @@ +The Project Gutenberg EBook of Drie Vertellingen, by Gustave Flaubert + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most +other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of +the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have +to check the laws of the country where you are located before using this ebook. + +Title: Drie Vertellingen + +Author: Gustave Flaubert + +Posting Date: September 26, 2014 [EBook #8804] +Release Date: September, 2005 +First Posted: August 10, 2003 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN *** + + + + +Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online +Proofreading Team. + + + + + + + + + + + +DRIE VERTELLINGEN DOOR GUSTAVE FLAUBERT + + +EEN EENVOUDIGE ZIEL + +DE LEGENDE VAN SINT JULIAAN DEN GASTVRIJEN + +HERODIAS + + +VERTAALD DOOR MARIE KOENEN + + +Gebaseerd op de editie gepubliceerd in 1917, te Bussum. + + + + + +EEN EENVOUDIGE ZIEL + + + + +I + + +Een halve eeuw lang werd mevrouw Aubain door de dames van +Pont-l'Évêque benijd om haar meid Félicité. + +Voor honderd franken per jaar deed zij de keuken en het huishouden, +naaide, waschte en streek ze, wist ze een paard op te tuigen, de +hoenders vet te mesten, de melk te karnen, en bleef ze trouw aan haar +meesteres, die toch geen aangename vrouw was. + +Mevrouw Aubain had een knappen jongen getrouwd zonder geld, die in 't +begin van 1809 stierf, haar twee heel jonge kinderen nalatend en +veel schulden. Ze verkocht toen haar vaste goederen, op de hoeve van +Toucques en de hoeve van Geffosses na, die hoogstens 5,000 franken +rente opbrachten, en ze verliet haar huis te Saint-Melaine voor een +voordeeliger, dat had toebehoord aan haar familie en gelegen was +achter de hallen. Dit huis, met zijn leien dak, lag tusschen een open +gang en een steegje, uitloopend op de rivier. Binnen struikelde men +er over het hoog-en-laag der ongelijke vloeren. Een enge vestibuul +scheidde de keuken van de zaal, waar mevrouw Aubain den dag lang +in een rieten fauteuil bij het openslaand raam zat. Tegen het wit +geverfde beschot stonden in een rij acht mahoniehouten stoelen. +Een oude piano torste, onder een barometer, een pyramide van +opeengestapelde bussen en kartonnen doozen. Twee trijpen armzetels +stonden ter weerszijden van den geel marmeren schoorsteen in stijl +Louis XV. De pendule, in het midden, stelde een vestaalschen tempel +voor,--en heel het vertrek rook wat duf, daar de plankenvloer lager +lag dan de tuin. + +Op de eerste verdieping was, om te beginnen, de kamer van "mevrouw", +zeer groot, met flets gebloemd papier behangen, en waarin zich het +portret bevond van "mijnheer" in saletjonkersdos. + +Ze stond in verbinding met een kleiner vertrek, waar men twee +kinderledikantjes zag, zonder matras. Dan kwam het salon, altijd +gesloten, en vol meubels onder lakens. Een gang leidde vervolgens naar +een studeerkamertje; boeken en paperassen vulden de planken van een +bibliotheek-kast, welke langs drie zijden een groote zwart-houten +schrijftafel omgaf. De twee achterpaneelen waren bedekt met +penteekeningen, landschappen in waterverf en platen van Audran, +gedachtenissen aan betere tijden en aan een vergane weelde. + +Een zoldervenstertje op de tweede verdieping verlichtte de kamer van +Félicité, die uitzicht had op de weien. + +Heel vroeg stond ze op, om de mis niet te verzuimen, en ze werkte +tot 's avonds zonder ophouden; dan, als het maal was afgeloopen, het +vaatwerk opgeruimd, de deur goed gesloten, dekte ze het houtvuur met +asch en dutte ze in voor den haard, den rozenkrans in de hand. Niemand +bij loven en bieden zoo koppig als zij. En wat zindelijkheid aangaat, +zóó blankgeschuurd waren haar braadpannen, dat ze de andere meiden de +oogen verblindden. Zuinig als ze was, had ze de gewoonte heel +langzaam te eten, en met den vinger pikte ze de broodkruimels van de +tafel,--een brood van twaalf pond werd opzettelijk voor haar gebakken, +en ze deed het daar twintig dagen mee. + +Winter en zomer droeg ze een katoenen halsdoek, met de punt in den +rug vastgespeld, een muts die haar haren verborg, grijze kousen, +een rooden onderrok, en over haar jak een boezelaar, zooals de +ziekenzusters. + +Haar gezicht was mager en haar stem schel. Toen ze vijf-en-twintig +was, zag men haar voor veertig aan. Na haar vijftigste viel, op haar +uiterlijk, haar leeftijd niet meer te bepalen,--en, stil, steil, +met haar afgemeten gebaren, leek ze een houten vrouwtje, dat zich +automatisch bewoog. + + + + +II + + +Ze had, zoo goed als een ander, haar liefdesgeschiedenis gehad. + +Haar vader, een metselaar, was van een steiger doodgevallen. Daarna +stierf haar moeder, haar zusters verspreidden zich, zij werd door een +pachter opgenomen, voor wien ze, hoe klein ook, de koeien moest hoeden +langs de wegen. Ze bibberde onder haar lompen, dronk plat voorover +liggend het water uit de poelen, werd om een niemendal geslagen, en +ten slotte joeg men haar weg om een diefstal van dertig stuivers, dien +ze niet begaan had. Ze kwam op een andere hoeve, werd er stalmeid, en +omdat ze in den smaak viel van haar meesters, waren haar kameraden +jaloersch. + +Op een Augustusavond (ze was toen achttien jaar) namen ze haar mee +naar de kermis van Colleville. Bij den eersten aanblik stond ze stom +van verbazing, overbluft door het geschetter der dorpsmuzikanten, +door de lichten in de boomen, de bonte kleeren, de kanten, de gouden +borstkruisen, al dat hossende volk. Ze hield zich bloode achteraf, +maar een jonkman, die er welgesteld uitzag, en die zijn pijp rookte +met de twee ellebogen op den disselboom van een ladderwagen, kwam haar +ten dans nooden. Hij trakteerde haar op cider, koffie en koek, kocht +haar een zijden halsdoek, en vroeg of hij haar naar huis zou brengen. +Onderweg greep hij haar vast. Ze werd bang en begon te roepen. Hij +ging. + +Een anderen avond, wilde ze, op den weg naar Beaumont, een groote +hooikar voorbij stappen, die langzaam voortschokte, en langs de raders +schuivend herkende ze Theodore. + +Kalmpjes sprak hij haar aan, zeggend dat ze hem vergeven moest, het +was door "den drank" gekomen. + +Ze wist niet, wat te antwoorden en had zin om weg te loopen. + +Dadelijk begon hij over den oogst en over de notabelen van de +gemeente, want zijn vader had Colleville verlaten om de hoeve van +Ecocs te betrekken, zoodat ze nu buren waren. + +--"Hé!" zei ze. + +Hij voegde er aan toe, dat men hem graag gevestigd zou zien. Maar +overigens, haast had hij niet, en hij zou wachten tot hij een vrouw +vond naar zijn keus. Ze boog het hoofd. Toen vroeg hij haar of ze +dacht te trouwen. Ze antwoordde, met een glimlach, dat het niet mooi +was, met iemand den spot te drijven. + +--"Wel neen, ik denk er niet aan!" + +En hij sloeg haar den linkerarm om het middel. Ze liep zoo voort +gesteund door zijn arm; hun stap vertraagde. De wind was zwoel, de +sterren schitterden, vóór hen wankelde de reusachtige kar met hooi; de +vier paarden begonnen te sleepvoeten en joegen het stof op. Toen, uit +eigen beweging, wendden ze zich rechtsaf. Hij omhelsde haar nog eens. +Ze verdween in het duister. De volgende week wist Theodore haar tot +samenkomsten over te halen. Ze ontmoetten elkaar achter een erf, +bij een muur, onder een eenzamen boom. Ze was niet onnoozel als een +jongejuffrouw, maar haar gezond verstand en de haar ingeschapen +eerbaarheid behoedden haar voor misstappen. + +Die weerstand wakkerde Theodore's liefde aan, zoodat hij om er aan te +voldoen (of onnoozel-weg misschien) voorsloeg haar te trouwen. Ze kon +het niet gelooven. Hij zwoer dure eeden. Weldra echter kwam hij met +slecht nieuws voor den dag: zijn ouders hadden verleden jaar een +remplaçant voor hem genomen, maar elken dag kon hij worden opgeroepen, +en de gedachte onder dienst te moeten, joeg hem schrik aan. Die +lafhartigheid was voor Félicité een bewijs van liefde, en de hare werd +er dubbel zoo groot door. Bij hun samenkomsten kwelde Theodore haar +met zijn onrust en zijn gedwing. + +Eindelijk vertelde hij haar, dat hij zelf naar de prefectuur zou +gaan om inlichtingen, die hij haar aanstaanden Zondag zou meedeelen +tusschen elf uur en middernacht. + +Toen het tijd was, liep ze Theodore tegemoet. + +In zijn plaats vond ze een zijner vrinden, die haar zei dat ze +Theodore niet zou weerzien. + +Om zich aan de lichting te onttrekken had hij een oude, heel rijke +vrouw gehuwd, Madame Lehoussais, uit Toucques. + +Het was een al te groot verdriet. Ze wierp zich op den grond, stootte +kreten uit, riep den goeden God aan, klaagde en jammerde heel alleen +in het veld, totdat de zon opging. Dan kwam ze terug op de hoeve, zei +haar dienst op, en toen de maand om was en ze haar loon had ontvangen, +knoopte ze al haar hebben en houden in een zakdoek, en begaf ze zich +naar Pont-l'Évêque. + +Vóór het logement vroeg ze om inlichtingen aan een burgerdame met een +weduwkap, en juist had deze een keukenmeid van noode. Het meisje kende +niet veel, maar ze leek zooveel goeden wil te hebben en zoo weinig +eischen, dat mevrouw Aubain eindigde met te zeggen: + +--"Goed, ik huur je." + +Een kwartier later was Félicité in haar huis opgenomen. + +In 't begin leefde ze er in een bevend ontzag voor "den trant van het +huis", en de herinnering aan "mijnheer", die zweefde over alles! Paul +en Virginie, de een zeven jaar, de andere nauwelijks vier, schenen +haar van een kostbare materie geschapen; ze liet hen paardrijden +op haar rug, en mevrouw Aubain zei haar, hen niet elk oogenblik te +zoenen, hetgeen haar diep bedroefde. Toch voelde ze zich gelukkig. De +vrindelijkheid der omgeving had haar alle verdriet doen vergeten. + +Alle donderdagen trouw kwamen kennissen een partij bostonneeren. +Félicité maakte tevoren de kaarten en de stoven in orde. Klokke-acht +kwamen ze, en op slag van elf gingen ze heen. + +Iederen maandagmorgen stalde de uitdrager, die in de steeg woonde, +langs den grond zijn oud-roest uit. Dan kwam de stad vol gegons van +stemmen, vermengd met paarden-gehinnik, schapengeblaat, varkensgeknor +en het geratel der boerenwagentjes over de straat. + +Tegen twaalf uur als de marktdrukte in vollen gang was, zag men een +ouden boer op den drempel verschijnen, een langen man met een krommen +neus, de pet achterover, Robelin de pachter van Geffosses. + +Kort daarna was er Liébard, de pachter van Toucques, klein, blozig, +zwaarlijvig, die een grijs vest droeg en slobkousen van sporen +voorzien. + +Beiden kwamen ze hun eigenares kippen of kaas te koop aanbieden. +Félicité was hun altijd weer te slim af, maar vol achting voor haar +gingen ze heen. + +Op ongeregelde tijden ontving mevrouw Aubain bezoek van den markies de +Gremanville, een harer ooms, berooid door zijn liederlijk leven, en +die te Falaise op het laatste lapje van zijn grond woonde. Altijd kwam +hij op het uur van het tweede ontbijt, vergezeld van een afschuwlijken +poedel, die met zijn pooten alle meubels vuil maakte. + +Hoewel hij zijn pogingen een heer te schijnen zóó ver doordreef, dat +hij bij ieder: "wijlen mijn vader", den hoed lichtte, toch was de +slechte gewoonte hem te machtig, telkens vulde hij zijn glas, telkens +liet hij gewaagde aardigheden los. + +Félicité zette hem met een zoet lijntje het huis uit: "U hebt genoeg +voor vandaag, mijnheer de Gremanville! Tot later!" En ze sloot de deur +achter hem. + +Met genoegen opende ze die voor mijnheer Bourais, oud-procureur. Zijn +witte das en zijn kaal hoofd, de jabot van zijn overhemd, zijn wijde +bruine pandjas, de armronding waarmee hij zijn snuifje nam, geheel +zijn persoon maakte een verwarrenden indruk op haar, zooals de aanblik +van buitengewone mannen dit doet. + +Daar hij de eigendommen van "mevrouw" beheerde, sloot hij zich +urenlang met haar op in het kabinet van "mijnheer", was altijd bang +voor opspraak, had een grenzenloozen eerbied voor de rechterlijke +macht, en liet er zich op voorstaan Latijn te kennen. + +Om de kinderen spelend te doen leeren, gaf hij hun een serie +aardrijkskundige prenten ten geschenke. + +Ze stelden verschillende tafereelen van het wereldrond voor, +menscheneters met veeren gekroond, een aap die een juffrouw ontvoerde, +Bedouïnen in de woestijn, een walvisch dien men harpoeneerde, enz. + +Paul gaf aan Félicité den uitleg van die platen. Dit was al geletterde +opvoeding, die ze kreeg. + +Die der kinderen was aan Guyot toevertrouwd, een armen drommel, klerk +op het stadhuis, befaamd om zijn mooie hand van schrijven, en die zijn +pennemes aanzette op z'n laars. + +Wanneer het helder weer was, begaf men zich reeds vroegtijdig naar de +hoeve van Geffosses. + +Het erf helt af, het woonhuis staat in 't midden, en de zee is +zichtbaar in de verte als een grijze vlek. + +Félicité haalde plakken koud vleesch uit haar karbies, en er werd +ontbeten in een vertrek aansluitend aan de melkerij. Dit was het +laatste overschot van een nu verdwenen zomerverblijf. Het in flarden +gescheurd behang trilde in den tocht. Mevrouw Aubain boog het hoofd, +overstelpt door herinneringen; de kinderen durfden niet meer te +praten. "Ga toch spelen", zei ze; ze maakten dat ze wegkwamen. + +Paul klom op den hooizolder, ging vogels vangen, keilde steenen over +den poel, of sloeg met een stok op de groote vaten, die hol opklonken +als trommen. + +Virginie voerde de konijnen, vloog vooruit om korenbloemen te plukken, +en om haar rappe beenen wipten de geborduurde strooken van haar +broekje. + +Op een herfstavond keerden ze gevieren door de weilanden huiswaarts. + +De wassende maan verlichtte een stuk van den hemel, en een nevelstreep +dreef als een sluier over de bochten van de Toucques. Runderen, die +midden in het gras lagen uitgestrekt, zagen kalm die vier menschen +voorbijgaan. In de derde wei hieven er eenige zich op, die kwamen in +een halven kring hun den weg versperren.--"Wees maar niet bang!" zei +Félicité, en met klagend geprevel streelde ze het dier, dat dichtstbij +stond, over den rug; het draaide zich half om, de andere deden dit na. + +Maar den volgenden beemd doortrekkend, hoorden ze een ontzettend +gebrul opgaan. Het was een stier, door den nevel onzichtbaar. Hij kwam +de twee vrouwen al nader. Mevrouw Aubain wilde hard wegloopen. "Neen! +neen! niet zoo vlug!" Toch versnelden ze den pas, en ze hoorden achter +zich een steeds duidelijker ademgesnuif. De hoeven sloegen als hamers +over het weigras; daar had hij 't, zoowaar, ook nog op een draf gezet! + +Félicité keerde zich om, en met beide handen rukte ze aardkluiten los, +die ze hem in de oogen gooide. Hij dook den snuit, schudde de horens, +rillend van woede onder afgrijselijk geloei. + +Mevrouw Aubain was met haar twee kinderen aan 't eind van de wei, en +zocht, buiten zichzelf van angst, hoe over den hoogen kant te komen. +Félicité week aldoor achterwaarts met den stier vóór zich, en wierp +almaar met graskluiten die hem blind maakten, terwijl ze bleef roepen: +"Haast u dan toch! Haast u dan toch!" + +Madame Aubain stapte in de droge sloot, duwde Virginie en dan Paul +voor zich uit, struikelde telkens terwijl ze tegen den glooienden +wegboord trachtte op te klimmen, wat haar door moedig voltehouden ten +laatste toch gelukte. + +De stier had Félicité tegen een haag geduwd; zijn kwijl spatte haar +in 't gezicht, nog één seconde en zijn horens gingen haar het lichaam +openrijten. Juist nog had ze den tijd tusschen twee palen door te +glippen, en het zware dier bleef verbluft staan. + +Deze gebeurtenis was jarenlang een onderwerp van gesprek in +Pont-l'Évêque. Félicité liet er zich heelemaal niets op voorstaan, +giste zelfs niet iets heldhaftigs te hebben verricht. + +Virginie alleen hield haar gedachten bezig; want ten gevolge van den +schrik had deze een zenuwaandoening gekregen, en mijnheer Poupart, de +dokter, ried de zeebaden van Trouville aan. + +Ze werden nog niet bezocht in dien tijd. Mevrouw Aubain vroeg +inlichtingen, raadpleegde Bourais, en maakte toebereidselen als voor +een langdurige reis. + +Haar koffers gingen daags te voren weg, op de kar van Liébard. +Den volgenden dag bracht hij twee paarden voor, het eene met een +dameszadel dat een fluweelen rugleuning had; een opgerolde mantel +vormde een zitting op het kruis van het tweede. Mevrouw Aubain steeg +daar op, achter Liébard. Félicité nam Virginie onder haar hoede, en +Paul zette zich schrijlings op den ezel door mijnheer Lechaptois +afgestaan, mits men er uiterst voorzichtig mee zou zijn. + +De weg was zóó slecht, dat men over zijn acht kilometer twee uren +moest doen. De paarden zakten tot over de enkels in de modder en +schokten met de dijen om er uit te raken; ofwel ze struikelden in de +karresporen; een andermaal weer moesten ze een sprong nemen. De merrie +van Liébard bleef hier en daar plotseling stilstaan. Geduldig wachtte +hij tot ze weer verder ging, en hij praatte over de menschen wier +eigendommen langs den weg lagen, moreele beschouwingen vastknoopend +aan hun levensgeschiedenis. Toen ze midden in Toucques, onder +met Oost-Indische kers omrankte vensters doorreden, zei hij +schouderophalend:--"Zoo woont hier een madame Lehoussais, die in +plaats van een jongen man te trouwen..." Félicité verstond de rest +niet; de paarden draafden, de ezel liep in galop; in een rij togen +ze een voetpad langs, een hek week open, twee jongens traden te +voorschijn, en er werd afgestegen, vóór de mestvaalt, vlak bij den +deurdrempel. Toen vrouw Liébard haar meesteres voor zich zag, kwam er +geen eind aan haar vreugdbetuigingen. Ze zette haar een ontbijt +voor bestaande uit runderharst, rolpens, bloedworst, gestoofde kip, +schuimenden cider, vruchtentaart, en pruimen op brandewijn, dit alles +kruidend met beleefdheden aan mevrouw, die er zooveel beter uitzag, +aan de jongejuffrouw, die "allerliefst" was geworden, aan mijnheer +Paul die zoo buitengewoon was aangesterkt, zonder hun overleden +grootouders te vergeten, die de Liébards gekend hadden, daar ze van +ouder tot ouder aan de familie verbonden waren. De hoeve had, zooals +zij zelve, iets ouderwetsch over zich. De balken waren vermolmd, de +muren zwart van rook, de vensterruiten grijs bestoven. Een eikenhouten +aanrecht was beladen met allerlei gerief, groote kannen, schotels, +tinnen kommen, wolfsklemmen, scharen om de schapen te scheren, een +reusachtige klisteerspuit, waar de kinderen om lachen moesten. Niet +één boom in de drie hoven, die geen paddenstoelen aan zijn voet had of +in zijn kruin een bos mistel. De wind had er verschillende omgeworpen. +Ze schoten in 't midden opnieuw uit; en alle bogen ze onder den last +hunner appels. De stroodaken die van bruin fluweel leken en ongelijk +van zwaarte waren, weerstonden de hevigste rukwinden. Het wagenhuis +echter was bouwvallig. Mevrouw Aubain beloofde dit in gedachte te +houden, en gaf bevel de rijdieren weer op te tuigen. Nog een half uur +zou er noodig zijn om Trouville te bereiken. De kleine karavaan steeg +af om de Écores over te gaan, een overhangende rots waaronder schepen +lagen; en na drie minuten kwam men, aan 't eind der kade, op de +binnenplaats van "het gouden Lam", bij vrouw David. + +Vanaf de eerste dagen voelde Virginie zich minder zwak, dank zij de +verandering van lucht en de werking der baden. Ze had geen badkostuum +en ging in haar hemdje de zee in; Félicité kleedde haar weer aan in +een tolhuisje, dat de baders gebruiken mochten. + +'s Namiddags ging men met den ezel de "Zwarte Rotsen" over, den kant +uit van Hennequeville. Eerst steeg het voetpad tusschen weilanden die +glooiden als het gazon van een park, en 't liep uit op een heuvelvlak +waar grasvelden en bouwgrond elkaar afwisselden. Langs den wegrand +groeiden hulstboompjes uit de warrende dorenranken op; hier en daar, +trok een groote doode boom met zijn takken zigzag-lijnen tegen de +blauwe lucht. + +Iederen keer bijna rustten ze uit in een kleine wei, aan wier +linkerkant Deauville lag, Hâvre rechts, en die uitzag op de volle zee. +Ze schitterde in de zon, lag effen als een spiegel, zóó kalm dat men +nauwelijks haar ruischen hoorde; musschen piepten ergens, en het wijde +hemelgewelf overdekte dit alles. Mevrouw Aubain zat neer, bezig +met haar naaiwerk; naast haar was Virginie biezen aan 't vlechten; +Félicité trok lavendelbloemen uit; Paul, die zich verveelde, wilde +weg. + +Andere keeren voeren ze de Toucques voorbij, en gingen schelpen +zoeken, 't Laag getij had zee-egels en kwallen op 't droge gelaten, +en de kinderen liepen schuimvlokken na, die de wind meenam. De +sluimerende golven, deinend over de zandbedding, bestreken het strand, +dat zich uitstrekte zoo ver het oog reikte, maar dat aan de landzijde +werd begrensd door de duinen, die het scheidden van de mars, een groot +weiland rond als een renperk. + +Wanneer ze langsdaar terugkeerden, werd Trouville, ginds tegen +de heuvelhelling, bij iederen voetstap grooter, en met zijn +onregelmatigen huizenbouw scheen het, in een vroolijke wanordelijkheid, +als open te luiken. Op dagen dat het te warm was, bleven ze in hun +kamer. De verblindende klaarte daarbuiten schoof staven van licht +tusschen de latten der zonneblinden. Niet het minste gerucht in het +dorp. Beneden, op de stoep, niemand. Deze wijde stilte verinnigde de +rust der dingen. In de verte klopten de breeuw-hamers op de +scheepskielen, en een zwoele bries woei teerlucht aan. + +De voornaamste vermakelijkheid was de weerkomst der visscherspinken. +Zoo gauw ze de bakens voorbij waren, begonnen ze te laveeren. Hun +zeilen streken neer tot op twee-derde der masthoogte; en met de fok +opgezwollen als een ballon dreven ze aan, gleden ze door het gekabbel +der golven, tot in 't midden der haven, waar het anker ineens +neerplonste. Dan meerde de boot aan de kade. De matrozen wierpen +lillende visschen over de reeling; een rij wagentjes wachtte hen op, +en vrouwen met katoenen mutsen snelden toe om de korven aan te nemen +en hun mannen te omhelzen. + +Een harer sprak op zekeren dag Félicité aan, die even later heel blij +de kamer binnenkwam. Ze had een zuster weergevonden; en daar verscheen +Nastasie Barette, huisvrouw Leroux, met een zuigeling aan de borst, +een ander kind aan de rechterhand, en aan haar linkerzij een +scheepsjongetje met de handen in de zij en de platte pet op één oor. + +Na een kwartier zei mevrouw Aubain, dat ze moesten gaan. + +Sedert liep men dat groepje altijd tegen 't lijf, in de buurt van de +keuken, of op wandeling. De man liet zich niet zien. + +Félicité begon van hen te houden. Ze kocht hun een deken, hemden, een +fornuis, 't was duidelijk dat ze haar uitbuitten. Deze zwakhartigheid +ergerde mevrouw Aubain, wie daarenboven de gemeenzaamheid van +het neefje niet aanstond,--dat "je" en "jou" speelde tegen haar +zoontje,--en daar Virginie hoestte en het mooie weer voorbij was, kwam +ze in Pont-l'Évêque terug. + +Mijnheer Bourais hielp haar bij de keuze van een Latijnsche school. + +Die van Caen gold als de beste. + +Paul werd er heen gezonden, en met goeden moed nam hij afscheid, blij +in een huis te gaan wonen, waar hij makkers zou vinden. + +Mevrouw Aubain berustte in de afwezigheid van haar zoon, daar die +noodzakelijk was. Virginie dacht minder en minder aan hem. Félicité +miste zijn levenmakerij. Maar een bezigheid kwam haar verstrooiing +geven; van Kerstmis af begeleidde ze iederen dag het kleine meisje +naar den catechismus. + + + + +III + + +Nadat ze bij de deur een kniebuiging had gemaakt, ging ze door de +middenbeuk tusschen de dubbele rij stoelen door, opende mevrouw +Aubains bank, ging daar zitten, en liet den blik rondwaren. + +De jongens zaten rechts, de meisjes links in de kanunnikenbanken. De +pastoor bleef staan bij den koorlezenaar; in een venster van de absis +zweefde de Heilige Geest boven de Maagd Maria; een ander toonde haar +geknield voor het kindje Jezus, en achter het tabernakel stelde +een houten groep Sint Michaël voor die den draak verslaat. Eerst +behandelde de priester in 't kort de bijbelsche geschiedenis. Ze +waande het paradijs te zien, den zondvloed, den toren van Babel, +steden die in vlammen opgingen, stervende volken, omgestorte +afgodsbeelden; het ontzag voor den Allerhoogste bleef haar bij uit +deze zinsbegoocheling, de vreeze voor Zijn gramschap. Daarna zat ze +te schreien, luisterend naar het lijdensverhaal. Waarom hadden ze +Hem gekruisigd, Hem, die de kinderen liefhad, de scharen voedde, de +blinden genas en die uit ootmoedigheid wilde geboren worden, tusschen +de armelieden, op het meststroo van een stal? De zaaitijd, de oogst, +de wijnpersen, al die welbekende dingen, waarover het Evangelie +spreekt, waren in haar leven ook; langs hen schrijdend had God ze +geheiligd; en ze hield met meer verteedering van de lammeren uit +liefde tot het Lam, van de duiven om den Heiligen Geest. + +Het kostte haar moeite zich Zijn wezen voor te stellen; want niet +alleen was Hij een vogel, maar ook een vuur, en soms de voorbijgaande +wind. Misschien is het Zijn licht dat 's nachts dwaalt langs de oevers +der moerassen, Zijn adem die de wolken voortdrijft, Zijn stem die de +klokken welluidend maakt, en ze bleef in aanbidding, genietend van de +koelte der muren en de stilte der kerk. + +Van de leerstellingen begreep ze niets, deed er zelfs geen moeite toe +te begrijpen. De pastoor sprak, de kinderen zeiden hun les op. Zij +viel ten laatste in slaap, en werd eensklaps wakker, als, bij het +uitgaan der leering, de klompen over de vloersteenen klapperden. + +Zoo, door almaar toe te luisteren, leerde ze den catechismus, dien +ze niet kende, omdat in haar jeugd haar godsdienstige opvoeding +verwaarloosd was, en van toen-af deed ze Virginie in alle vrome +gewoonten na, vastte als zij, biechtte wanneer zij biechtte. Op +Sacramentsdag maakten ze samen een rustaltaartje. + +De eerste communie gaf haar van te voren veel zorg. Ze maakte zich +druk over de schoentjes, den rozenkrans, het kerkboek, over de +handschoenen. Met wat een ontroering hielp ze de moeder het kind +kleeden! + +Heel de mis door voelde ze een beklemming van angst. Aan de ééne zijde +benam mijnheer Bourais haar het gezicht op het altaar, maar recht +tegenover haar scheen de groep der bruidjes, die witte kransen droegen +op de neergeslagen sluiers, een sneeuwveld te vormen; en ze herkende +van ver haar kleine lieveling aan haar fijner halsje en haar ingetogen +houding. De bel klonk. De hoofden bogen; het werd stil. Bij 't galmen +van het orgel zetten de koorzangers en het volk het Agnus Dei in; toen +begonnen de jongens in rijen naar de communiebank te gaan, en na hen +stonden de meisjes op. Met langzame schreden, de handen gevouwen, +gingen ze naar het altaar, dat in licht baadde, knielden op de eerste +trede, ontvingen een voor een de hostie, en keerden in dezelfde +volgorde naar haar bidbank terug. Toen het Virginie's beurt was, +boog Félicité zich voorover om haar te kunnen zien; en door de +verbeeldingskracht die echte liefde ons geeft, waande ze zelf dat kind +te zijn, het gelaat van het kind werd het hare, dat communiekleedje +droeg zij, het hart van het kind klopte haar in den boezem, en +toen het kind den mond moest openen, look zij de oogen en was een +bezwijming nabij. + +Den volgenden morgen vroeg meldde ze zich in de sacristie aan, opdat +mijnheer pastoor haar de communie zou uitreiken. Godvruchtig ontving +ze die, maar niet met dezelfde zielsvervoering. + +Mevrouw Aubain wilde van haar dochter een echte dame maken, en daar +Guyot haar noch Engelsch, noch muziek kon leeren, besloot ze haar op +kostschool te doen bij de Ursulinen van Honfleur. + +Het kind had er niets op tegen. + +Félicité zuchtte over mevrouws ongevoelig hart. + +Maar ze bedacht, dat haar meesteres misschien gelijk kon hebben. Die +dingen gingen haar verstand te boven. + +Eindelijk reed er op zekeren dag een oud tentwagentje voor, en er +stapte een kloosterzuster uit, die de jongejuffrouw kwam halen. +Félicité zette het reisgoed op de imperiaal, drukte den koetsier op +het hart goed voor alles te zorgen, en borg zes potten gelei onder de +rijtuigbank, ook een dozijn peren en een tuiltje viooltjes. + +Een diepe snik benam Virginie op 't laatste oogenblik den adem; +ze omhelsde haar moeder, die haar op 't voorhoofd kuste, telkens +zeggend:--"Komaan, moed houden, moed houden!" De tree werd opgeslagen, +het rijtuig reed weg. + +Toen kreeg mevrouw Aubain een flauwte, en 's avonds kwamen al haar +vrinden, de Lormeau's, mevrouw Lechaptois, de dames Rochefeuille, +mijnheer de Houppeville en Bourais, om haar te troosten. + +In 't begin viel haar 't gemis van haar dochtertje heel smartelijk. +Doch driemaal per week kreeg ze een brief, de andere dagen schreef zij +zelf; ze wandelde in den tuin, las wat, en vulde zoo de leege uren. + +Iederen morgen ging Félicité oudergewoonte Virginie's kamer binnen, en +staarde er naar de muren. Het verdroot haar, dat ze het kind niet meer +de haren kon kammen, haar niet meer de schoenen kon dichtrijgen, haar +niet meer warm kon toestoppen 's avonds, dat ze niet meer voortdurend +haar lief gezichtje kon zien, dat ze niet meer met het kind aan een +hand kon uitgaan. Daar ze van dit alles niets meer te doen had, +trachtte ze zich op kantwerken toe te leggen. Haar grove vingers +braken de draden; ze had oor naar niets, sliep niet meer, en was, +zooals ze 't noemde "ondermijnd". + +"Om haar zinnen wat te verzetten", vroeg ze, of haar neef Victor nu en +dan eens op bezoek mocht komen. + +Sinds kwam hij Zondags na de mis, met rozen op de wangen, de borst +bloot, en om hem heen de geur nog der velden waardoor zijn weg hem +geleid had. Dadelijk zette ze een bord voor hem bij. Als ze dan samen +ontbeten, zaten ze tegenover elkaar, en terwijl ze zelf zoo min +mogelijk at om de onkosten weer uit te sparen, stopte ze hem zóó vol +dat hij ten slotte in slaap viel. Bij 't eerste luiden der vesperklok +maakte ze hem wakker, borstelde zijn broek af, strikte zijn das en +ging kerkwaarts, met moederlijken trots op zijn arm leunend. + +Hij moest, op aansporing van zijn ouders, elken keer probeeren +iets van haar los te krijgen, hetzij een buil bruine suiker, zeep, +brandewijn, soms zelfs geld. Hij bracht zijn goed mee om te doen +verstellen, en ze nam dit werk op zich, blij dat er een reden was die +hem tot terugkomen noopte. + +In Augustus nam zijn vader hem mee op de kustvaart. + +'t Was vacantietijd. De komst van de kinderen troostte haar. Maar Paul +kreeg nukken, en Virginie was over den leeftijd heen dat ze met "je en +jou" mocht aangesproken worden, dit kwam hun omgang bemoeilijken, werd +een hinderpaal tusschen haar beiden. + +Victor voer achtereenvolgens naar Morlaix. naar Duinkerken en naar +Brighton, en kwam haar na iedere reis een geschenk brengen. Den +eersten keer was 't een schelpendoos; toen een koffiekop; den derden +keer een groote peperkoekenman. De jongen knapte op, was welgebouwd, +er kwam wat dons op z'n bovenlip, hij had een goedigen, vranken +oogopslag, en droeg een leeren hoedje, achterover geschoven als dat +van een loods. Ze had altijd plezier in zijn vertelsels doorspekt met +zeemanstermen. + +Op een Maandag, 14 Juli 1819 (ze vergat dien datum niet), kwam Victor +haar zeggen, dat hij voor de groote vaart was aangemonsterd, en dat de +paketboot hem overmorgen-nacht van Honfleur tot bij den schoener zou +brengen, die binnenkort van Havre uitzeilde. Misschien zou hij twee +jaar wegblijven. + +Het vooruitzicht van een zoo lange afwezigheid was een groot verdriet +voor Félicité; en om hem nog eens vaarwel te zeggen, trok ze, +Woensdag-avond, toen mevrouw gegeten had, haar klompschoenen aan, en +legde ze in minder dan geen tijd, de vier mijlen af die Pont-l'Évêque +van Honfleur scheiden. + +Toen ze bij den Calvarieberg kwam, sloeg ze, in plaats van links, +rechts af, verdwaalde tusschen de scheepswerven, liep terug; de +menschen, die ze aanklampte, zeiden dat ze zich moest haasten. Ze +liep de heele havenkom langs, die vol schepen lag, struikelde over de +trossen; dan helde het terrein laag af, de lichten stonden schots en +scheef door elkaar, en ze meende van de wijs te zijn, toen ze paarden +zag in de lucht. + +Langs den kaderand stonden er andere te hinniken, verschrikt door de +zee. Een takel hief hen op en liet ze neer op een boot, waar reizigers +zich verdrongen tusschen de ciderfusten, de kaasmanden, de zakken +met graan; men hoorde kippen kakelen; de kapitein vloekte, en een +scheepsjongen stond, onverschillig voor dit alles, met de ellebogen +op den ankerbalk te leunen. Félicité, die hem eerst niet herkend +had, riep: "Victor!", hij zag op, ze wilde op hem toesnellen, toen +eensklaps de treeplank werd ingehaald. + +Vrouwen trokken al zingend de paketboot de haven uit. De spanten +kraakten, zware golven sloegen tegen den voorsteven. Het zeil was +gekeerd, men zag niemand meer;--en op de zee in den zilverschijn der +maan, was ze een zwarte vlek, die aldoor bleeker werd, wegdook en +verdween. + +Toen Félicité langs den Calvarieberg terugging, wilde ze wat haar 't +liefste was God aanbevelen, en ze bad langen tijd, recht staande, +het gezicht nat van tranen, de oogen naar de wolken. De stad sliep, +douanen wandelden op en neer, en zonder ophouden viel het water, +ruischend als een stortvloed, door de sluisgaten. 't Sloeg twee uur. + +Vóór het dag was, zou ze in het klooster niet terecht kunnen, 't Zou +zeker erg lastig voor mevrouw zijn, wanneer ze te laat thuiskwam, en +ondanks haar verlangen het andere kind aan 't hart te drukken, liet ze +Honfleur achter zich. De meiden van het logement werden juist wakker, +toen ze Pont-l'Évêque inkwam. + +De arme jongen zou dus maandenlang over de golven moeten zwalken! +Zijn vorige reizen hadden haar niet ongerust gemaakt. Van Engeland en +Bretagne kwam men weer terug; maar Amerika, de koloniën, de eilanden, +dat lag verloren ergens in een geheimzinnige hemelstreek aan 't ander +einde der wereld. + +Van toen af dacht Félicité uitsluitend aan haar neef. Op dagen dat de +zon scheen, maakte ze zich bezorgd over den dorst, bij onweer was ze +bang, dat de bliksem hem zou treffen. Als ze den wind hoorde die in +den schoorsteen loeide en de leien van het dak rukte, zag ze hem door +dien zelfden storm aangegrepen, zich vastklampend aan den top van een +verbrijzelden mast, achterover uitgestrekt onder een wade van schuim, +of wel,--herinneringen aan de aardrijkskundige prenten,--hij was +opgegeten door de wilden, in een bosch door apen meegenomen, of liep +te verhongeren langs een onbewoonde kust. En nooit sprak ze van haar +angsten. + +Mevrouw Aubain had er andere over haar dochter. + +De zusters vonden haar heel lief, maar al te teer. De minste +aandoening maakte haar zenuwachtig. Met de piano moest ze ophouden. + +Haar moeder wilde, dat er van 't klooster uit geregeld zou geschreven +worden. Op een morgen toen de besteller niet was gekomen, had ze geen +rust, en ze liep in de zaal op en neer, van haar leunstoel naar het +venster. 't Was werkelijk iets ongewoons! in vier dagen geen tijding! + +Om ze te troosten door háár voorbeeld, zei Félicité:--"En ik mevrouw, +ik hoorde in geen zes maanden iets!" + +--"Van wie dan toch?" + +De meid antwoordde zachtjes: + +--"Maar... van mijn neef!" + +--"O! je neef!" En schouderophalend begon mevrouw Aubain weer op +en neer te wandelen, wat beteekende: "Dáár dacht ik niet aan!--en +daarenboven, 't kan me niemendal schelen! een scheepsjongen, een +schooier, de moeite waard!... en dat terwijl mijn dochter... Verbeeld +je toch!"... + +Hoewel met slaag en grove woorden grootgebracht, was Félicité +verontwaardigd over mevrouws doen, doch ze vergat spoedig. + +Ze kon immers best begrijpen, dat men 't hoofd kwijt raakte, nu het +zoo met het kleine meisje stond. + +De twee kinderen hadden evenveel te beduiden; ze waren één voor haar +hart, en hun beider lot zou hetzelfde zijn. + +De apotheker vertelde haar, dat Victors schip te Havanna was +aangekomen. Hij had de tijding in een krant gelezen. + +Ze verbeeldde zich, door de sigaren, dat Havanna een land was, waar +men niets deed dan rooken, en Victor wandelde onder de negers in +tabakswolken gehuld. Zou men, zoo noodig, ook over land daar vandaan +kunnen terugkeeren? Hoe ver was 't van Pont-l'Évêque? Om er beter van +op de hoogte te komen, sprak ze mijnheer Bourais aan. + +Hij zocht en vond zijn atlas, begon te praten over lengte- en +breedtecirkels, en glimlachte echt schoolmeesterachtig bij Félicité's +verbouwereerdheid. + +Op 't laatst wees hij haar met zijn potloodhouder tusschen de +insnijdingen van een ovale vlek een bijna onzichtbare zwarte stip aan, +er bijvoegend: "Ziehier". Ze boog zich over de kaart, het net van +gekleurde lijnen vermoeide haar de oogen, zonder dat ze er wijzer door +werd; en daar mijnheer Bourais haar aanmoedigde te vragen, wat ze op +'t hart had, verzocht ze hem haar het huis te wijzen waar Victor woonde. +Bourais sloeg de armen in de lucht, hij nieste, hij schaterde het uit, +en had dolle pret over een zoo groote onnoozelheid. Félicité begreep +niet waarover hij zich zoo vroolijk maakte,--zij, die misschien +verwachtte alles te zien van haar neef, tot het portret toe. Zoo eng +van begrip was ze! + +Veertien dagen later kwam Liébard, zooals naar gewoonte op het +marktuur, de keuken binnen, en stelde haar een brief van haar zwager +ter hand. Daar ze geen van beiden lezen konden, riep ze de hulp in van +mevrouw. + +Mevrouw Aubain, die de steken van een breiwerk zat te tellen, +legde dit naast zich neer, brak den brief open, ontstelde, en zei +fluisterend, met een diepen blik: + +--"'t Is een ongeluk... dat ze je berichten. Je neef..." + +Hij was dood. Er stond verder niets. + +Félicité viel op een stoel neer, het hoofd tegen het muurbeschot, en +sloot de oogleden die ineens rood werden. Toen, met gebukt hoofd en +neerhangende handen, herhaalde ze bij tusschenpoozen, en star voor +zich uit blikkend: + +"Arm ventje! arm ventje!" + +Liébard stond al zuchtend naar haar te kijken. Mevrouw Aubain beefde +wat. + +Ze stelde Félicité voor, haar zuster in Trouville eens te gaan +opzoeken. Félicité antwoordde, met een handbeweging, + + +dat ze daar geen behoefte aan had. + +Er volgde een stilte. De goede Liébard vond het gepast zich terug te +trekken. + +Toen zei ze: + +--"Ze geven er niets om, die!" + +Haar hoofd zonk weer neer, en bijwijlen lichtte haar hand, +werktuiglijk, van het werktafeltje de lange breinaalden op. + +Langs de voorplaats gingen vrouwen met een berrie vol druipend +waschgoed. + +Ze zag het door de ruiten, en dacht aan haar eigen wasch, die ze +gisteren had ingezet en vandaag moest spoelen. Toen ging ze de +kamer uit. Haar kuip en haar waschplank stonden aan den rand van de +Toucques. Ze wierp een hoop hemden op den steilen kant, stroopte de +mouwen op, nam den stamper, en zóó hard stampte ze, dat het in de +aangrenzende tuinen te hooren was. De weien waren leeg, de wind +rimpelde de rivier; ginder hing er lang gras over neer, als 't haar +van drijvende lijken. Tot 's avonds bedwong ze zich heel moedig, maar +eenmaal in haar kamer, wierp ze zich plat voorover met het gezicht +in het kussen, de vuisten tegen de slapen, en liet ze haar smart den +vrijen loop. + +Heel lang naderhand, hoorde ze van Victors kapitein zelf de +bijzonderheden over zijn dood. Men had hem, tegen de gele koorts, een +te groote aderlating gegeven. Vier dokters tegelijk hielden hem vast. +Hij was dadelijk dood, en de gezagvoerder had gezegd: + +--"Mooi zoo! alweer een!" + +Zijn ouders hadden hem altijd barbaarsch behandeld. Ze wilde die +liever niet meer zien; zij zelf deden geen enkele toenadering, door +verzuim, of door harteloosheid, verstompt als ze waren door hun +ellende. + +Virginie werd almaar zwakker. + +Benauwdheden, een hoest, aanhoudende koorts, 't blauwachtig blosje +op haar koonen, verrieden een of andere ernstige ziekte-aandoening. +Mijnheer Poupart had een verblijf in Provence aangeraden. Mevrouw +Aubain wilde er wel toe overgaan, en als de lucht van Pont-l'Évêque +beter was geweest, zou ze haar dochtertje dadelijk hebben +thuisgehaald. Ze maakte beding met een rijtuigverhuurder, die haar +voortaan iederen Dinsdag naar het klooster bracht. In den kloostertuin +is een terras, vanwaar men de Seine kan zien. Steunend op haar moeders +arm wandelde + +Virginie er over de afgevallen wingerdbladeren. Als ze uitzag naar de +zeilen in de verte, of de heele kim, vanaf het kasteel van Tancarville +tot de vuurtorens van Havre, met haar blik omvatte, deed de +doorbrekende zon haar soms met de oogen knippen. Moe gewandeld gingen +ze rusten in het priëel. Haar moeder had een klein fust malaga-wijn +aangeschaft, en lachend dat ze misschien dronken zou worden, nam +Virginie er twee teugjes van, meer niet. + +Ze kwam weer wat op krachten. De herfst vlood vreedzaam heen. Félicité +stelde mevrouw Aubain gerust. Maar op een avond, na een boodschap in +de buurt, zag ze de sjees van mijnheer Poupart voor de deur, hij zelf +stond in de vestibuul. Mevrouw Aubain strikte haar hoed vast. + +--"Geef me mijn stoof, mijn beurs, mijn handschoenen; wat gauwer, +toe!" Virginie had een bezetting op de borst; misschien was het +hopeloos. + +--"Nog niet!" zei de dokter, en ze stegen beiden in het rijtuig, +terwijl de sneeuwvlokken om hen heen dwarrelden, 't Begon nacht te +worden. Het was heel koud. + +Félicité spoedde zich de kerk in, om een kaars aan te steken. Toen +liep ze de sjees na, die ze een uur later inhaalde, wipte er achter +op, en hield zich aan de riemen vast. Maar ineens schoot haar de +gedachte door het hoofd: "De plaats is niet gesloten! als er eens +dieven binnenkwamen!" En ze sprong weer op den grond. + +Toen het den volgenden ochtend evenmaar begon te schemeren, meldde +ze zich bij den dokter aan. Hij was wel teruggekomen, maar opnieuw +uitgereden naar buiten. Toen bleef ze in het logement talmen, meenend +dat vreemde menschen een brief zouden brengen. Eindelijk, bij 't +eerste licht van den dag, nam ze de diligence naar Lisieux. + +Het klooster lag aan 't eind van een steil straatje. Halverwegen dit +straatje gekomen hoorde ze een vreemd geluid, het geklep van een +doodsklok, "'t Is voor iemand anders," dacht ze, en hard liet ze den +klopper neervallen. + +Na verloop van meerdere minuten, kwam er iemand aansloffen, de deur +week op een kier. Het was een der zusters. Het nonnetje zei met een +godzaligen blik, dat "het kind juist overleden was." Meteen begon de +doodsklok der Sint-Leonarduskerk met dubbele kracht te luiden. + +Félicité kwam eindelijk op de tweede verdieping. + +Reeds toen ze over den kamerdrempel trad, zag ze Virginie liggen, +uitgestrekt op den rug, de handen gevouwen, den mond open, en het +hoofd achterover onder een zwart kruis, dat tot haar overgebogen hing +tusschen de roerlooze gordijnen, minder bleek dan haar gelaat. Mevrouw +Aubain zat aan 't voeteneind van het bedje, dat ze met haar armen +omklemde. Ze snikte als een zieltogende. Rechts stond de overste. +Drie luchters brandden op de latafel, de kaarsevlammen schenen roode +vlekken, wit wolkte de nevel voor de vensters. Een paar zusters +voerden mevrouw Aubain weg. + +Twee nachten lang verliet Félicité de doode niet. Ze herhaalde aldoor +dezelfde gebeden, sprenkelde wijwater op de lakens, ging weer zitten, +en schouwde naar haar. Op 't eind der eerste nachtwake bemerkte ze, +dat het gelaat geel was geworden, de lippen werden blauw, de neus +scherp, de oogen zonken in. Ze kuste die nog en weer, en groot zou +haar verbazing niet geweest zijn, als Virginie weer had opgezien; voor +dergelijke zielen is het bovennatuurlijke iets gewoons. Ze legde het +kind af, hulde het in de lijkwa, kistte het, zette haar het kransje +op het hoofd, en spreidde de haren breed uit. Deze waren blond en +bijzonder lang voor zoo'n jong meisje. Félicité knipte er een lok +af, waarvan ze de helft op haar hart verborg, vast besloten er nooit +afstand van te doen. + +Het lijk werd naar Pont-l'Évéque overgebracht, op verlangen van +mevrouw Aubain, die den rouwwagen volgde in een gesloten koets. + +Na de mis waren er nog drie kwartier noodig om het kerkhof te +bereiken. Paul liep aan 't hoofd van den stoet en snikte. Hem volgde +mijnheer Bourais, dan de voornaamste ingezetenen, de vrouwen, in +zwarte mantels, en Félicité. Ze dacht aan haar neef, en hoe ze hem +deze laatste eer niet had kunnen bewijzen, toen werd haar droefheid +nog grooter, want het leek haar of men nu tegelijk hem met Virginie +begraven ging. + +De smart van mevrouw Aubain kende geen grenzen. + +Eerst was ze in opstand tegen God, dien ze onrechtvaardig vond, haar +dit kind te hebben ontnomen, dat toch nooit kwaad gedaan had en wier +geweten zonder vlek was! Maar ach! ze had met Virginie naar 't +Zuiden moeten gaan. Andere dokters zouden haar wel gered hebben. Ze +beschuldigde zich zelf, wilde bij haar zijn, en 's nachts in haar +droomen schreeuwde ze 't uit van wanhoop. Eén droom vooral kwelde haar +telkens weer. Haar man kwam als matroos gekleed van een verren tocht +terug, en zei haar schreiend, dat hij bevel ontvangen had Virginie mee +te nemen. Ze besloten dan samen ergens een schuilhoek te zoeken. + +Eens kwam ze heel ontdaan uit den tuin binnen. Zooeven (ze wees de +plaats aan) waren vader en dochtertje haar verschenen, dicht naast +elkaar, en ze deden niets, bleven haar aanzien. + +Maandenlang zat ze willoos in haar kamer. Félicité sprak haar telkens +toe met zacht vermaan. Ze moest voor zich zelve zorgen, om wille van +haar zoon en de nagedachtenis van "haar". + +--"Haar?" hernam mevrouw Aubain dan, alsof ze wakker werd. "Ach ja!... +ja!... Ge vergeet het niet!" doelend op het kerkhof, waarvan men haar +angstvallig verwijderd hield. + +Félicité ging er iederen dag heen. + +Klokslag vier schoof ze langs de huizen, klom de helling op, opende +het hek en ging tot bij Virginie's grafteeken. Het was een zuiltje van +rose marmer, rustend op een platten steen, en omgeven door kettingen +die een tuintje insloten. De randen waren vol bloemen. Ze begoot de +bladeren, ververschte het zand en ging op de knieën zitten om den +grond beter te kunnen bewerken. Toen mevrouw Aubain er weer komen +mocht, troostte haar de aanblik van dat wel-onderhouden graf, haar +smart werd er door gelenigd. + +Toen gingen er jaren voorbij die alle op elkaar geleken, met geen +andere afwisseling dan de cirkelgang der hooge feesten, Paschen, +Maria-Hemelvaart, Allerheiligen. Huiselijke gebeurtenissen stelden +datums vast, waarop men zich naderhand beriep. Zoo geelden in 1825 +twee glazenmakers de vestibuul; in 1827 had een stuk van het dak, dat +op de voorplaats neerviel, bijna een man gedood. In den zomer van +1828, was 't mevrouw Aubain's beurt om het Sint-Hubertusbrood te +geven; omstreeks denzelfden tijd ging mijnheer Bourais uit de stad, +en niemand wist waarheen; en de oude kennissen vielen langzaam weg: +Guyot, Liébard, Mevrouw Lechaptois, Robelin, oom Gremanville die sinds +jaren verlamd was. + +Op een nacht bracht de conducteur van de post-diligence in +Pont-l'Évêque de tijding der Juli-omwenteling. Enkele dagen later werd +er een nieuwe sous-prefect benoemd, baron de Larsonnière, die consul +was geweest in Amerika, en die, behalve zijn vrouw, zijn schoonzuster +meebracht met drie bijna volwassen freuletjes, welke in losse blouses +gekleed, over 't gazon van haar open tuin drentelden. Ze hadden een +neger en een papegaai. Ze legden een visite af bij mevrouw Aubain, die +niet naliet haar een tegenbezoek te brengen. Zoo gauw Félicité haar in +de verte zag aankomen, ging ze mevrouw haastig waarschuwen. Doch één +ding slechts scheen deze maar ter harte te gaan: de brieven van haar +zoon. + +Hij bracht zijn tijd in herbergen zoek, deugde voor geen enkele +loopbaan. Ze betaalde zijn schulden; hij raakte er opnieuw in; en de +zuchten die mevrouw Aubain slaakte, terwijl ze te breien zat bij het +venster, drongen door tot Félicité, die in de keuken haar spinnewiel +deed snorren. + +Ze drentelden samen langs de leiboomen en praatten aldoor over +Virginie, zich afvragend, hoe dit of dat haar zou hebben aangestaan, +wat ze bij deze of die gelegenheid waarschijnlijk zou gezegd hebben. + +In de kamer met de twee ledikantjes waren al haar kleine schatten en +benoodigdheden in een muurkast opgeborgen. Mevrouw Aubain zag die +dingen zoo weinig mogelijk na. Op een zomerdag ging ze er eindelijk +eens toe over, en er vlogen vlinders de kast uit. + +Haar jurken hingen naast elkaar onder een plank, waarop drie poppen +lagen, bij hoepels en een keukentje en de waschkom, die ze altijd +gebruikt had. Ze haalden de onderrokken, zoowel als de kousen en de +zakdoeken te voorschijn, en eer ze het opnieuw toevouwden, werd alles +op de twee bedjes uitgespreid. De zon scheen over die arme dingen, +deed de vlekken in 't oog vallen, en de kreuken die Virginie's +bewegingen erin gelaten hadden. De lucht was blauw en warm, een merel +kweelde, 't scheen alles te leven in een innige vreedzaamheid. Ze +vonden een hoedje van langharig pluche terug, kastanjekleurig; maar 't +was heelemaal door de mot opgegeten. Félicité vroeg of zij 't hebben +mocht. Ze zagen elkander aan, haar starre oogen vulden zich met +tranen; tot mevrouw de armen opende, de meid wierp zich aan haar hart, +en ze hielden elkaar omstrengeld, leniging zoekend voor het bittere +verdriet in een kus, die haar tot gelijken maakte. + +Het was den eersten keer in haar leven. Mevrouw Aubain had een zeer +gesloten karakter. Félicité was dankbaar voor die gevoelsuiting als +voor een weldaad, en met vrome vereering had ze haar lief voortaan, +trouw als een hond. + +De goedheid van haar hart werd steeds ruimer. + +Wanneer ze in de straat de trommen hoorde van een langsrukkend +regiment, ging ze met een kruik appelwijn aan de deur staan en bood +den soldaten te drinken. Ze verpleegde choleralijders. Ze nam de Polen +onder haar bescherming, en een hunner verklaarde zelfs, haar te willen +trouwen. Maar ze kregen oneenigheid, want op een morgen na het angelus +uit de kerk terugkomend, vond ze hem in de keuken: hij was er binnen +geslopen, had er zich een azijnsausje toebereid en zat daar rustig van +te smullen. + +Na de Polen, kwam de oude Colmiche aan de beurt, een grijsaard, die +den naam had in 93 leelijke dingen te hebben uitgevoerd. Hij leefde +aan den rivierkant in den bouwval van een varkenskot. De straatjongens +gluurden hem af door de spleten van den muur, en gooiden naar hem met +steenen, die op de brits vielen waar hij neerlag, aanhoudend heen en +weer geschud door een zwaren hoest; zijn haar was heel lang gegroeid, +zijn oogleden waren ontstoken, en op den arm had hij een gezwel nog +grooter dan zijn hoofd. Ze verschafte hem linnengoed, trachtte zijn +krot schoon te maken, en het werd haar droom, hem in hun wasch-huis +onderdak te brengen, zonder dat hij mevrouw zou hinderen. Toen de +kankerbuil was opengebroken, verbond ze hem alle dagen, soms bracht +ze hem eigengebakken koekjes mee, of ze zette hem in de zon op een +stroobos; zeeverend en bevend dankte de arme oude-man haar met zijn +klanklooze stem, was bang haar te moeten missen, strekte de handen uit +zoo gauw ze een beweging maakte om heen te gaan. Hij stierf; ze liet +een mis lezen voor de rust zijner ziel. + +Dienzelfden dag viel haar een groot geluk te beurt: op 't oogenblik +dat het diner was opgediend, stond de neger van mevrouw de Larsonnière +aan de bel, met den papegaai in zijn kooi, den stok, den ketting en +het hangslot. De barones deelde mevrouw Aubain per briefje mede, dat +ze dien avond nog gingen vertrekken, daar haar man tot prefect benoemd +was; en ze verzocht haar dien vogel aan te nemen ter gedachtenis en +als een bewijs harer hoogachting. + +Hij hield sinds langen tijd Félicité's verbeelding bezig, omdat hij +uit Amerika kwam; dit woord deed haar aan Victor denken, zóó zelfs dat +ze den neger had aangesproken om er het hare van te weten. Eens zelfs +had ze gezegd: "Wat zou mevrouw gelukkig zijn met dien vogel!" + +De neger had die uitlating aan zijn meesteres oververteld, en daar ze +den papegaai niet kon meenemen, ontdeed ze er zich op deze wijze van. + + + + +IV + + +Hij heette Loulou. Zijn romp was groen, de punt van zijn vleugels +roset, zijn kop blauw en zijn borst goudkleurig. + +Maar hij had de onhebbelijke gewoonte in zijn stok te bijten, trok +zich de veeren uit, maakte de kamer vuil, morste het water uit +zijn bad; hij verveelde mevrouw Aubain, en ze gaf hem voorgoed aan +Félicité. + +Deze poogde hem praten te leeren; algauw zei hij haar na: "Lieve +jongen! Uw dienaar, mijnheer! Weesgegroet, Maria!" Hij stond dicht bij +de voordeur, en menigeen was verwonderd dat hij niet luisterde naar +den naam Jacquot, daar alle papegaaien toch Jacquot heeten. Men zei, +dat hij een gans was, een domkop; het waren evenveel dolksteken door +Félicité's hart! En die vreemde stijfhoofdigheid van Loulou, nooit te +willen praten, als iemand naar hem keek! + +Toch hield hij van gezelligheid, want Zondags, als de dames +Rochefeuille, mijnheer de Houppeville er waren en nieuwe kennissen: +Onfroy, de apotheker, mijnheer Varin en kapitein Mathieu, om hun +partijtje kaart te spelen, vloog hij tegen de ruiten op, en ging met +zoo'n geweld te keer, dat men elkaar onmogelijk kon verstaan. + +Het gelaat van Bourais leek hem zeker heel zot toe. Zoogauw hij hem +zag, begon hij uit alle macht te lachen. Het geschater van zijn stem +kaatste over de plaats, de echo herhaalde het, de buren kwamen aan +'t venster en lachten ook. Om niet gezien te worden, sloop mijnheer +Bourais den muur langs, en zijn profiel verbergend achter zijn hoed, +ging hij tot bij de rivier, om dan door de tuindeur weer binnen te +komen, en de blikken die hij den papegaai toezond, waren allesbehalve +liefelijk. + +Loulou had van den slagersknecht een knip voor den neus gekregen, +omdat hij zich veroorloofd had den kop in diens korf te steken; sedert +trachtte hij altijd hem te pikken door zijn hemdsmouwen heen. Fabu +dreigde hem den hals om te draaien, en toch was hij, ondanks zijn +getatoueerde armen en zijn groote bakkebaarden, niet wreed van aard. +Integendeel! hij mocht den papegaai wel, zoo zelfs, dat hij, in goede +luim, hem vloeken leerde zeggen. Félicité, wie zulke manieren niet +aanstonden, zette hem in de keuken. Zijn ketting werd weggenomen, en +hij zat het heele huis door. + +Wanneer hij de trap af moest, stutte hij met de kromming van zijn +snavel op de treden, hief den rechterpoot op, dan den linker, en zij +was bang dat dergelijke gymnastische toeren hem duizelig zouden maken. +Hij werd ziek, kon niet meer praten of eten. Er zat hem een dikte +onder de tong, zooals kippen dit soms hebben. Ze genas hem door dat +vlies met haar nagels los te trekken. Mijnheer Paul was eens zoo +onvoorzichtig, hem den rook van z'n sigaar in den neus te blazen, een +anderen keer toen mevrouw Lormeau hem plaagde met den punt van haar +parasol, hapte hij er het ijzeren dopje af, en ten slotte vloog hij +kwijt. + +Ze had hem op het gras gezet om hem een luchtje te laten scheppen, en +ging even weg; toen ze terugkwam, geen papegaai meer! Eerst zocht +ze hem in de struiken, aan den waterkant, op de daken, zonder te +luisteren naar mevrouw, die haar toeriep:--"Wees toch voorzichtig! ge +zijt dwaas!" Toen doorspeurde ze alle tuinen van Pont-l'Évêque, en ze +hield de voorbijgangers staande:--"Hebt u somwijlen toevallig +mijn papegaai gezien?" Wanneer ze hem niet kenden, gaf ze hun een +beschrijving van zijn uiterlijk. Ineens meende ze achter den molen, +laag tegen den wal iets groens te zien rondfladderen. Maar toen ze op +den kant kwam, was er niets! Een sjouwer beweerde, dat hij hem zooeven +gezien had te Saint-Melaine in den winkel van vrouw Simon. Ze liep er +heen. Men begreep daar niet wat ze bedoelde. Eindelijk kwam ze weer +thuis, uitgeput, de sloffen vol gaten, den dood in het hart; en, juist +zat ze midden op de bank, naast mevrouw, heel haar wedervaren te +vertellen, toen een lichte last haar op den schouder viel. Loulou! Wat +drommel had hij uitgevoerd? Misschien was hij een uitstapje gaan doen +in den omtrek. + +Ze kon er moeilijk bovenop komen, of liever ze kwam er nooit meer +bovenop. + +Ze had kou gevat en kreeg dientengevolge een keelontsteking; kort +daarna een oorziekte. Drie jaar later was ze doof, en ze sprak heel +luid, zelfs in de kerk. Hoewel haar zonden gerust zonder schande voor +haar, of zonder schade voor den evenmensch, naar alle kanten van het +bisdom mochten rondverteld, oordeelde mijnheer pastoor het gepast, +haar niet anders meer dan in de sacristie de biecht te hooren. + +Een denkbeeldig, telkens weerkeerend gesuizel bracht haar voorgoed van +de wijs. 't Gebeurde meer dan eens, dat mevrouw zei:--"Mijn hemel! +wat ben je toch dom!" en dat zij daarop met een:--"Ja, mevrouw," iets +zoeken ging in de kamer. + +Haar kleine gedachten-kring werd nog enger, en het gebeier der +klokken, het geloei der runderen zelfs, bestond niet meer voor haar. +Alle wezens bewogen zich als schimmen zoo stil. Slechts een enkel +gerucht nog drong tot haar door, de stem van den papegaai. + +Als om haar wat afleiding te bezorgen, bootste hij het getiktak van +het braadspit na, den schellen roep van een vischventer, de zaag van +den schrijnwerker aan den overkant, en als 't belde, riep hij met +mevrouw Aubain's stem: "Félicité! open doen! open doen!" + +Ze hielden samenspraken, hij tot vervelens toe de zinnen van zijn +repertoire herhalend, en zij er op antwoordend met woorden zonder veel +meer samenhang, maar waarin ze haar hart uitstortte. Loulou was haar, +in haar afzondering, bijna een zoon, een geliefde. Hij klom langs +haar vingers op, knabbelde op haar lippen, klauwde zich vast in haar +omslagdoek, en wanneer ze dan het bevend hoofd voorover boog, werden +de groote vleugels van de muts en de vleugels van den vogel door +eenzelfde trilling bewogen. + +Wanneer de wolken zich opstapelden en de donder rommelde, begon hij te +krijschen, misschien zich de stortvlagen herinnerend van de bosschen +waar hij geboren werd. Het geruisch van het water maakte hem razend; +hij fladderde om, buiten zich zelf van angst, klampte zich tegen de +zoldering, gooide alles omver, en ging door het venster, in den tuin +rondploeteren; maar al gauw kwam hij weer op een der haardijzers +neergestreken, en heen-en-weer wippend om zijn veeren te laten drogen, +liet hij nu eens zijn staart, dan zijn bek zien. + +Op een morgen in den strengen winter van 1837, toen ze hem wegens de +koude voor den schoorsteen had gezet, vond ze hem dood midden in zijn +kooi, de kop omlaag, de nagels in het ijzerdraad. Hij had zeker een +congestie gehad. Zij dacht aan een vergiftiging met peterselie, en +ondanks alle gebrek aan bewijs, vatte ze kwade vermoedens op tegen +Fabu. + +Zòò schreide ze, dat mevrouw zei:--"Kom, kom! laat hem dan opzetten!" + +Ze ging raad vragen aan den apotheker, die altijd goed was geweest +voor Loulou. + +Hij schreef naar Havre. Een zekere Fellacher nam het werk op zich. Per +diligence raakten de pakgoederen soms kwijt, en daarom besloot ze haar +armen Loulou zelf tot Honfleur weg te brengen. + +De appelboomen stonden bladerloos langs den weg. IJs dekte de +slooten. Honden blaften bij de hoeven; ze hield de handen onder haar +schoudermantel, en met haar zwarte klompjes en haar karbies, spoedde +ze zich voort, midden over de keien. + +Ze ging dwars door het bosch, kwam Haut-Chêne voorbij, en bereikte +Saint-Gatien. + +Achter haar kwam in een dichte stofwolk een postdiligence met dolle +vaart als een windhoos de helling afrollen. Toen hij daar een vrouw +gewaar werd, die rustig bleef loopen waar ze liep, bukte de conducteur +zich voorover uit de kap, en ook de postiljon schreeuwde, terwijl zijn +vier paarden, die hij niet kon inhouden, hun draf versnelden; de twee +voorste waren zoo nabij, dat ze haar raakten; met een schok van de +teugels rukte hij het vierspan den berm op, maar woedend hief hij den +arm, en uit alle macht striemde hij Félicité met zijn lange zweep zóó +fel langs borst en aangezicht, dat ze achterover viel. + +Toen ze weer bijkwam, was het haar eerste werk, de mand te openen. +Gelukkig, Loulou was ongedeerd! Zij voelde een brandende pijn aan de +rechterwang; toen ze met de handen er langs streek, werden die rood. +Er liep bloed uit. + +Ze ging op een kiezelhoop zitten, bette zich het gelaat met den +zakdoek, at toen een korst brood, die ze uit voorzorg in haar mand had +gestopt, en troostte zich over haar wonde door den vogel te bekijken. + +Op den heuvel van Ecquemauville gekomen, zag ze de lichten van +Honfleur, die in den nacht tintelden, als even zooveel sterren; verder +nog schemerde het vage vlak der zee. Toen voelde ze zich wee +worden van uitputting. Ze moest stilstaan, en de ellende van haar +kinderjaren, de teleurstelling harer eerste liefde, het heengaan van +haar neefje, Virginie's dood, het kwam alles tegelijk weer op in haar +hart, zooals bij vloed de golven opkomen, het steeg haar naar de keel +en verstikte haar den adem. + +Toen wilde ze den kapitein der boot spreken, en zonder te zeggen wat +er in de mand verpakt was, vroeg ze hem er vooral goed voor te zorgen. + +Fellacher hield den papegaai lang. Hij beloofde hem telkens voor de +volgende week. + +Na verloop van zes maanden berichtte hij, dat er een kist afgezonden +was; toen hoorde ze er verder niets van. Het scheen wel dat Loulou +nooit meer zou terugkomen. "Ze hebben hem gestolen!" dacht ze. + +Eindelijk kwam hij,--prachtig, recht-zittend op een tak die in een +mahoniehouten voet stond geschroefd, één poot in de lucht, den kop +schuin, en knabbelend op een noot, door den vogelopzetter, uit +liefhebberij voor 't indrukwekkende, verguld! + +Ze borg hem in haar kamer. + +Dit plekje van het huis, waar ze bijna niemand toeliet, leek evenveel +op een kapelletje als op een bazaar, zooveel devotie-dingen en zooveel +rommel waren er bijeen. + +De deur ging moeielijk open, omdat er een groote kast in den weg +stond. Tegenover het venster aan de tuinzijde was een zolderraampje +dat uitzag op de plaats vóór het huis. Op een tafel naast het veldbed +lagen, bij een lampetkan, twee kammen en een stuk blauwe zeep op +de scherf van een schoteltje. Tegen de muren hingen: rozenkransen, +medailles, verschillende Lieve-Vrouwtjes, een wijwaterbakje van een +kokosnoot; op de latafel als een altaar met een witten doek bedekt, +stond de schelpendoos die Victor haar had gegeven, en ook een gieter +en een bolle flesch; schrijfboeken lagen er, de aardrijkskundige +prenten, een paar schoenen, en aan den spijker van den spiegel, hing, +aan zijn linten, het pluchen hoedje! Zóó ver dreef Félicité deze soort +van vereering, dat ze zelfs een der pandjassen van mijnheer bewaarde. +Alle oude prullen waar mevrouw Aubain genoeg van had, nam ze mee voor +haar kamer. Zoo kwam het, dat er opgemaakte bloemen langs den rand der +latafel stonden, en dat het portret van den graaf van Artois er in de +nis van het zoldervenstertje hing. + +Bij middel van een plankje werd Loulou tegen een uitspringende +schouwgang geplaatst. Iederen morgen bij haar ontwaken zag ze hem in +het licht van den aanbrekenden dag, en zonder hartzeer, heel rustig, +dacht ze dan aan de vervlogen jaren, en aan de onbeduidendste +voorvallen tot in hun minste bijzonderheden. + +Daar ze met geen mensch meer gemeenschap kon hebben, leefde ze, als +een slaapwandelaarster, in een durende verdooving. De processies van +Sacramentsdag deden haar weer opleven. Ze ging bij de buren kaarsen +en matten vragen om er het rustaltaar mee te sieren, dat in de straat +werd opgericht. + +In de kerk schouwde ze altijd naar de duif, die den Heiligen Geest +voorstelde, en vond dat ze wat geleek op haar papegaai. Die gelijkenis +scheen haar nog treffender op een plaat van Epinal, den doop Onzes +Heeren weergevend. Die duif met haar purperen vleugels en haar romp +van smaragd, ze leek wezenlijk het portret van Loulou. + +Ze kocht die plaat en hing ze waar de graaf van Artois gehangen +had;--zoo zag ze hen in éénen oogopslag. In haar gedachten werden ze +één, de papegaai als gewijd door zijn overeenkomst met die duif. En ze +bad met de oogen naar de plaat, maar een klein weinigje wendde ze zich +nu-en-dan toch naar hààr vogel toe. + +Ze wilde zich in de Maria-congregatie laten opnemen, doch mevrouw +Aubain praatte haar dit uit 't hoofd. + +Ineens was er iets heel buitengewoons: het huwelijk van Paul. + +Na eerst notarisklerk te zijn geweest, was hij achtereenvolgens in den +handel, bij de invoerrechten en bij de belastingen gegaan, en zelfs +had hij gepoogd bij de jacht en visscherij te komen, toen, zes en +dertig jaar oud, had hij ineens, als door een ingeving van den hemel, +zijn weg gevonden: de registratie! een zoo grooten aanleg toonde hij +ervoor, dat een verificateur hem zijn dochter ten huwelijk bood en hem +zijn protectie beloofde. + +Paul, die 't nu ernstig meende, bracht haar bij zijn moeder. Ze +smaalde op de gewoonten van Pont-l'Évêque, speelde de prinses, +beleedigde Félicité. Het was mevrouw Aubain een heele verlichting toen +ze vertrok. + +De week daarop kwam de tijding dat mijnheer Bourais in Neder-Bretagne +in een herberg was dood gebleven. Het gerucht van een zelfmoord werd +bevestigd; er rees twijfel aan zijn eerlijkheid. Mevrouw Aubain zag +nauwkeurig haar rekeningen na, en vond al spoedig een lange reeks +van ongerechtigheden, verduistering van achterstallige schulden, +verdonkermaande houtverkoopen, valsche kwitanties, enz. + +Die schelmerijen deden haar veel verdriet. In Maart 1853 werd +ze aangetast door een longziekte; haar tong scheen bewasemd; de +bloedzuigers bedaarden de benauwdheid niet, en den negenden avond +stierf ze, juist twee en zeventig jaar oud. + +Niemand had haar voor zóó bejaard aangezien, omdat ze nog niets grijs +was. Ze droeg het bruine haar in platte banden tegen het bleeke, door +de pokken geschonden gezicht. Ze liet niet veel vrinden na, die leed +hadden over haar heengaan. Ze had iets hooghartigs over zich, dat de +menschen op een afstand hield. + +Félicité treurde over haar zooals geen dienstbaren over hun meesters +treuren. Dat mevrouw eerder stierf dan zij, bracht haar geest in de +war, scheen haar in te druischen tegen den gewonen loop der dingen, +het leek haar onaannemelijk en al te wreed. + +Tien dagen later (juist de tijd die er noodig was voor de reis van +Besançon) kwamen ineens de erfgenamen. De schoondochter doorzocht de +laden, koos meubels uit, verkocht de overige, daarna keerden ze samen +naar Paul's registratie-bureau terug. + +Mevrouws fauteuil, haar tafeltje, haar stoof, de acht stoelen waren +weg. De plaatsen waar de gravures hadden gehangen, teekenden zich +als vierkante gele plekken af midden op de wanden. Ze hadden de twee +ledikantjes meegenomen, ook de matrassen, en in de muurkast was niets +meer te vinden van Virginie's kleinooden! Félicité klom van de eene +verdieping naar de andere, buiten zich zelve van verdriet. + +Den volgenden dag zat er een plakkaat op de deur; de apotheker +schreeuwde haar in 't oor, dat het huis te koop stond. + +Ze wankelde en moest gaan zitten. + +Het zolderkamertje te moeten verlaten, waar die arme Loulou zoo'n goed +plaatsje had, dit was wel haar grootste verdriet. Met een angstigen +blik op haar vogel, bad ze of de Heilige Geest hem wilde beschermen, +en zóó vernevelden haar zinnen, dat ze langzamerhand de afgodische +gewoonte aannam, haar gebeden te prevelen neergeknield voor den +papegaai. Soms raakte de zon, die door het zoldervenstertje viel, +juist zijn glazen oog, en deed er een grooten glanzenden lichtstraal +uitschieten, die haar in vervoering bracht. + +Ze had een inkomen van driehonderdtachtig franken 's jaars, een legaat +van mevrouw. De tuin leverde haar groenten op. Kleeren had ze voor +levenslang genoeg, en door te gaan slapen, zoo gauw de avond viel, +spaarde ze het licht uit. + +Ze zette nooit meer een voet op straat, om den uitdragerswinkel te +mijden, waar eenige van de oude meubels te koop stonden. Sinds haar +geest zoo begon te verzwakken, sleepte ze het ééne been, en omdat haar +krachten afnamen, kwam vrouw Simon, die in haar kruidenierszaakje +alles verloren had, iederen morgen haar hout klooven en water pompen. + +Haar oogen werden steeds zwakker. De zonneblinden gingen niet meer +open. Veel jaren verliepen er. En er kwamen noch huurders, noch +koopers voor het huis. + +Vreezende dat men haar zou aanzeggen het huis te verlaten, vroeg +Félicité om geen enkele reparatie. De binten van het dak waren aan +'t rotten; een winterlang was haar peluw doortrokken van 't nat. Na +Paschen gaf ze bloed op. Toen ging vrouw Simon een dokter roepen. +Félicité wilde weten, wat haar scheelde. Maar ze was te doof om het +te kunnen verstaan, een enkel woord slechts drong tot haar door: +"Longontsteking." Ze kende dit woord, en zei zachtjes:--"O, juist als +mevrouw," ze vond het heel natuurlijk hetzelfde te hebben als haar +meesteres. + +De dag van de rustaltaartjes naderde. + +Het eerste stond altijd aan 't einde van den oeverwal, het tweede voor +de post, het derde zoowat halfweg de straat. Er ontstond een wedijver +over de plaats van dit laatste, en de vrouwen der parochie kozen ten +slotte de voorplaats van mevrouw Aubain. + +De benauwdheden en de koorts namen toe. Félicité trok het zich erg +aan, niets te kunnen doen voor het altaartje. Kon ze er tenminste nog +iets op neerzetten! Ze dacht toen aan den pagegaai. Dat voegde +niet, wierpen de buurvrouwen tegen. Maar de pastoor gaf toch wel +toestemming. Ze was daar zoo gelukkig mee, dat ze hem vroeg Loulou van +haar te willen aannemen na haar dood, Loulou haar eenigen rijkdom. + +Van Dinsdag tot Zaterdag vóór Sacramentsdag hoestte ze veel meer. +'s Avonds was haar gezicht vertrokken, haar lippen kleefden aan het +tandvleesch, ze begon brakingen te krijgen, en den volgenden morgen, +in de vroegte, voelde ze zich heel minnetjes en liet een priester +roepen. + +Drie buurvrouwen waren bij haar, toen ze het heilig oliesel ontving. +Daarop zei ze, noodig met Fabu te moeten spreken. + +Hij kwam in z'n zondagsche kleeren, slecht op zijn gemak in al die +narigheid. + +--"Vergeef me," zei ze met een poging om den arm uit te strekken, "ik +heb altijd gemeend, dat gij hem hadt dood gemaakt." + +Wat was dat voor lasterpraat? Hem verdacht te hebben van een moord, +een man als hij! Hij maakte zich boos, begon te razen en te tieren. + +--"Ge ziet toch wel, dat ze niet meer bij zinnen is!" + +Nu en dan was Félicité met schimmen aan 't praten. De drie buurvrouwen +gingen heen. Vrouw Simon dronk koffie. + +Een oogenblik later nam ze Loulou, en hem Félicité voorhoudend: + +--"Kom! zeg hem vaarwel!" + +De wormen knaagden aan hem, al was hij dan ook opgezet, een van zijn +vleugels hing gebroken, het vulsel puilde hem uit den buik. Maar ze +was nu blind, ze kuste hem op den kop en hield hem tegen haar wang. +Toen nam vrouw Simon hem weer terug, om hem op 't altaartje te zetten. + + + + +V + + +Uit de weien woei de zomergeur aan; vliegen gonsden; de zon +overglansde de rivier en blakerde de leien. Vrouw Simon was +teruggekomen en viel zachtjes in slaap. + +Klokgelui maakte haar wakker; de vespers waren uit. Félicité kwam weer +bij. Ze dacht aan de processie en zag die voor haar oogen, alsof ze er +in meeging. + +Alle schoolkinderen, de zangers en de brandweergasten liepen over +de stoepen, terwijl midden in de straat de hondenslager met zijn +hellebaard, de onderkoster met den kruisstaf voorttogen, ook de +onderwijzer, die een waakzaam oog hield op de schooljongens, en de +zuster vol zorg voor haar kleine meisjes; drie van de allerliefste, +met krullekopjes als engelen, wierpen rozeblaadjes in de lucht; de +diaken temperde, met uitgebreide armen, de muziek, en twee knapen +met wierookvaten keerden zich bij iedere schrede naar het Heilig +Sacrament, dat onder een hel-rooden troonhemel, dien vier kerkmeesters +torsten, gedragen werd door mijnheer Pastoor in zijn prachtige +kazuifel. Een stroom van menschen volgde, tusschen het witte doek, dat +de muur der huizen bedekte; en men kwam aan 't eind van den oeverwal. + +Félicité's slapen waren klam van 't koude zweet. Vrouw Simon bette ze +met een stuk linnen, peinzend hoe ook zij eenmaal dit alles zou moeten +doorstaan. + +Het gegons der menigte nam toe, was een oogenblik zeer luid, en +verwijderde zich. + +Een losbarsting van geweerschoten deed de ruiten trillen. Het waren +de postiljons die het Allerheiligste groetten. Félicité rolde met de +oogen, en zei, zoo duidelijk ze vermocht, vol zorg voor den papegaai: +"Staat hij goed?" + +Haar doodsstrijd begon. Een gereutel, dat steeds sneller werd, +deed haar zijden schokken, 't Schuim blies tot bellen op in haar +mondhoeken, en heel haar lichaam beefde. + +Niet lang, of men hoorde het geschal der koperen bashoorns, de heldere +kinderstemmen, de zware stem der mannen. Bij tusschen-poozen was +alles stil, en het treden der voetstappen, gedempt door het +bloemen-strooisel, geleek op het geschuifel van een kudde, die +voorttrekt over het gras. + +De schaar van priesters verscheen op de voorplaats. Vrouw Simon +klauterde op een stoel om bij het zolderraampje te komen, en zag zoo +vlak neer op het altaartje. + +Groene guirlanden hingen er over en het was versierd met een strook +van Engelsche kant. Middenop stond een schilderijtje met relikwieën, +twee oranjeboompjes op de hoeken, en in het rond zilveren luchters en +porseleinen vazen, waaruit zonnebloemen oprankten, lelies, pioenen, +campanula's, bossen hortensia's. Dit kleurgewemel daalde schuin omlaag +van de eerste verdieping tot op het vloerkleed, dat tot ver over de +straatsteenen lag uitgespreid; en vreemdsoortige voorwerpen trokken +het oog. Een verguld zilveren suikerpot droeg een kroon van viooltjes, +hangers van Alençonschen steen schitterden op een laagje mos, twee +Chineesche horretjes stalden hun landschappen ten toon. Loulou stond +onder rozen verborgen, en van hem was niets te bespeuren dan +'t bovenste van zijn blauwen kop, en dit blonk als een plakje +lazuursteen. + +De kerkmeesters, de zangers, de kinderen schaarden zich aan de drie +zijden van de plaats. De priester besteeg langzaam de altaartreden, en +zette op de kanten dwale zijn monstrans, die straalde als een +groote gouden zon. Allen knielden. Er zonk een diepe stilte. En de +wierookvaten gleden in breeden uitzwaai op hun kettingen weg en weder. + +Een azuren waas steeg naar de kamer van Félicité. Haar neusgaten +zetten zich uit terwijl ze den wierook inademde met een mystiek +welbehagen; dan sloot ze de oogen. Haar lippen glimlachten. De +bewegingen van haar hart vertraagden een voor een, telkens flauwer, +telkens zachter, zooals een fontein uitgeput neerruischt, zooals een +echo wegsterft; en terwijl ze den laatsten adem uitblies, waande ze +in de open hemelen een reusachtigen papegaai te zien, zwevend boven +haar hoofd. + + + + + +DE LEGENDE VAN SINT-JULIAAN DEN GASTVRIJE + + +I + +De vader en de moeder van Juliaan bewoonden een kasteel midden in +bosschen op de helling van een heuvel. + +De spitsen van de vier hoektorens waren met looden schubben bedekt, +en de voet der muren steunde op rotsen, die steil neerhelden naar de +grachtdiepte. + +Het plaveisel van het binnenplein was gaaf als dat van een kerkvloer. +Draken met den gapenden muil nederwaarts, spuwden het regenwater uit +de dakgoten naar den put, en op ieder vensterkozijn, alle verdiepingen +langs, bloeide in een beschilderden aarden pot, een bos balsemkruid of +heliotroop. + +Een tweede omheining van steenen palen omsloot vooreerst een boomgaard +en een tuin, waar de bloemen in bonte schikking naamletters teekenden +op de perken; verder een wijngaard met lustpriëelen, en een kolfbaan +voor de pages. Aan de andere zijde bevonden zich de hondenhokken en +de stallen, bakkerij en druivenpers, en de schuren. Het geheel was +omgeven door groene weiden, die op hare beurt omsloten werden door een +zware haag van meidoorns. + +De vrede duurde reeds zooveel jaren door, dat de valpoort tot vaste +brug diende; de grachten waren vol water; de zwaluwen bouwden haar +nest in de kanteelen, en de boogschutter die den lieven langen dag +op den middenwal heen-en-weer moest wandelen, dook weg in het +wachttorentje, zoodra de zon te fel begon te branden, en lag er +met een gerust gemoed, uren lang ongestoord te slapen. Binnenshuis +schitterde het beslag van hengsels en sloten overal als zilver; +kostbare wandtapijten beschutten de kamers tegen de koude; de kasten +waren overvuld van het fijnste lijnwaad; in de kelders lagen de tonnen +met wijn hoog opgestapeld, en de eikenhouten koffers kraakten onder +het gewicht der geldzakken. + +In de wapenzaal, waren tusschen ruitervanen en roofdierkoppen, wapenen +uit alle tijden en van alle volken te vinden: van de slingers der +Amalekieten en de werpspiesen der Garamantijnen, tot de kromzwaarden +der Saracenen en de maliënkolders der Normandiërs. + +Aan het groote braadspit in de keuken kon wel een os geroosterd +worden. De huiskapel was weidsch en rijk als die van een koning. In +een achterafhoek van het kasteel was zelfs een romeinsch bad, maar de +burchtheer maakte er nooit gebruik van, wijl hij dit een heidensche +zede achtte. + +In een pelsmantel van vossevel wandelde hij door zijn huis; hij sprak +recht onder zijn vazallen, en legde de twisten van zijn naburen bij. + +'s Winters keek hij naar de dwarrelende sneeuwvlokken, of hij liet +zich verhalen voorlezen. Maar zoodra het mooie weer begon, reed hij op +zijn muilezel langs de wegjes door het groene koren, praatte met de +dorpers en gaf hun goeden raad. + +Na een zeer avontuurlijk leven had hij een jonkvrouw van hooge +geboorte tot gemalin genomen. Ze was zeer blank, en wat trotsch +en ernstig. De punten van haar huive raakten den bovenbalk der +deurposten; de plooien van haar lakensch gewaad sleepten drie schreden +achter haar aan. Haar huishouding was regelmatig als die in een +klooster; iederen morgen verdeelde ze het werk onder haar dienstboden; +ze hield het oog over den vruchten-inmaak en de zalven-bereiding; zat +achter het spinnewiel of borduurde dwalen voor het altaar. Op haar +aanhoudend bidden werd haar een zoon geboren. + +Toen heerschte er groote vreugde, en er werd een feestmaal aangericht. +Dit duurde drie dagen en vier nachten bij toortslicht en harpspel, op +strooisel van lenteloovers. Men at er de zeldzaamste specerijen, en +hoenders zoo groot als schapen; ter opluistering kwam er een dwerg uit +een pastei. Toen er geen bekers genoeg meer waren, wijl de menigte der +gasten steeds aangroeide, was men genoodzaakt uit horens en helmen te +drinken. + +De jonge moeder woonde deze feesten niet bij. Ze lag rustig op haar +legerstede. Toen, in een avonduur,--ze had gesluimerd en sloeg zacht +de oogen op,--zag ze in een manestraal, die door het venster gleed, +iets bewegen. Schaduw of schimme? Het was een grijsaard in haren pij, +een rozenkrans aan den gordel, den bedelzak op den schouder. Een +kluizenaar. Hij naderde het hoofdeinde van haar bed, en zei zonder de +lippen te ontsluiten: "Verheug u, o moeder! Uw zoon zal een heilige +worden!" + +Bijna schreide ze het uit van schrik, maar de schimme gleed heen langs +den manestraal, steeg zachtjes omhoog en verdween in het ijle licht. +De zangen van het festijn klonken helderder op. Zij echter hoorde +engelenstemmen. Haar hoofd viel terug in het kussen, waarboven, +tegen den muur, een martelaarsreliek hing, gevat in een lijst van +karbonkels. + +Den volgenden dag werd heel de dienaarschap ondervraagd. Allen +verklaarden eenstemmig, geen kluizenaar gezien te hebben. Maar--droom +of werkelijkheid--kon het anders dan een hemelboodschap zijn? De +burchtvrouw wachtte zich echter wel, die overtuiging uit te spreken. +Ze vreesde dat men haar van hoovaardij betichten zou. + +De gasten vertrokken bij het krieken van den morgen. Toen Juliaans +vader den laatsten uitgeleide gedaan had, en eenzaam bij de +burchtpoort achterbleef, zag hij ineens in den nevel een bedelaar voor +zich staan. Het was een zigeuner. Hij droeg den baard gevlochten en +had zilveren ringen aan beide armen. Zijn oogen flonkerden. En, als +bij ingeving, mompelde hij deze onsamenhangende woorden: + +"Welzoo! uw zoon!... veel bloed!... veel roem!... altijd gelukkig! in +de maagschap van een keizer!" + +Hij bukte naar de hem toegeworpen aalmoes, en zonder een spoor achter +te laten, was hij tusschen het gras verdwenen. + +De burchtheer keek naar links en rechts, riep zoo luid hij kon. + +Niemand! De wind blies, de uchtendnevels verwoeien. + +Hij weet dit droomgezicht aan de vermoeienis van zijn hoofd, na den +slapeloozen nacht. + +"Wat zouden ze lachen, zoo ik er van gewaagde!" + +En toch--hoe vaag de voorzegging ook scheen, en droom of +waarheid?--ondanks zijn twijfel bleef hij almaar uitturen in de +glanzende toekomst die zijn zoon beloofd was. Ze verblindde hem. + +De vader en de moeder hielden ieder voor zich hun geheim in het hart +verborgen. Beiden droegen ze het kind een even groote liefde toe. +Ieder voor zich beschouwden ze het als een geroepene Gods. Ze hadden +er de vroomste zorgen voor. Zijn bedje was met het zachtste dons +gevuld. Een lamp in den vorm eener duif brandde voortdurend er boven, +drie voedsters moesten over hem waken. En zoo: vast in zijn doeken +gewikkeld, met zijn roze-blozend gezichtje en zijn blauwe oogen, met +zijn brokaten mantel en zijn kapertje vol parels, geleek hij wel +het kindje-Jezus zelve. Hij kreeg tanden zonder een enkelen keer te +schreien. + +Toen hij zeven jaar was, leerde zijn moeder hem zingen. + +Om hem dapper te maken tilde zijn vader hem op een groot paard. Het +kind glimlachte van voldoening, en het duurde niet lang, of hij wist +alles van ros en tuig. + +Een zeer wijze, oude monnik onderrichtte hem in de heilige Schrift, +leerde hem de arabische cijfers en de latijnsche letters en liet hem +aardige miniaturen schilderen op perkament. Ze werkten samen hoog in +een toren, waar geen geluid hen kon hinderen. Na de les daalden ze +af in den hof, waar ze voet voor voet omwandelden en de bloemen +bestudeerden. + +Het gebeurde soms dat men diep uit het dal een rij lastdieren zag +naderen, gedreven door een op oostersche wijze uitgedosten voetganger, +in wien de burchtheer een koopman herkende. Hij liet hem door een +dienaar ontbieden, en de vreemdeling richtte dan in goed vertrouwen +zijn schreden burchtwaarts. In de halle binnengeleid, haalde hij +stukken sameet en zijde uit zijn koffers, cantille-goud en reukwerken, +en allerlei andere vreemdsoortige zaken waarvan men het gebruik niet +kende. Ten laatste ging de man weer heen, met goede winst, en zonder +het minste geweld verduurd te hebben. Een andermaal klopte er een +troep pelgrims aan de poort. Hun natte kleeren dampten voor den haard. +Wanneer hun honger gestild was, begonnen ze te verhalen van hun +tochten, hoe ze op de schuimende zee hadden gezwalkt en te voet door +het brandende zand der woestijnen getogen waren. Ze hadden het over de +wreedheid der heidenen, over de Kribbe en het Heilig Graf, en gaven +den kleinen jonker schelpen van hun mantel. + +Dikwijls onthaalde de burchtheer zijn oude wapenmakkers. En altijd +weer onder het drinken, kwamen ze los over hun oorlogen, over den +stormloop op de vestingen, als de werptuigen om hen henen raasden, +over hun wonden zonder weerga. En Juliaan, die niet moede werd te +luisteren, begon krijgskreten uit te stooten. School er niet een groot +veroveraar in dien knaap? Zijn vader was er van overtuigd. Maar 's +avonds, na de vespers, als Juliaan tusschen de eerbiedig nijgende +armelieden de kerk uitschreed, kon hij zoo deemoedig en met een gebaar +zoo edel in zijn gordelbeurs tasten, dat zijn moeder vast geloofde hem +mettertijd aartsbisschop te zien. + +Zijn plaats in de kapel was tusschen zijn ouders in. De diensten +duurden soms lang, maar hij bleef geknield, de baret voor de bidbank +op den grond, de handen gevouwen. + +Op zekeren dag, toen hij onder de Mis even opkeek, zag hij een wit +muisje uit een gat in den muur komen. Het trippelde over de eerste +altaar-trede, en na twee of drie malen over-en-weer wippen, vluchtte +het terug naar den kant vanwaar het geslopen kwam. Den volgenden +Zondag moest Juliaan onder het bidden telkens denken, dat het muisje +wel eens weerom kon komen. En waarlijk, het kwam. + +Nu wachtte hij er voortaan iederen Zondag op. Het begon hem zelf te +vervelen. Hij vatte een haat op tegen het muisje en besloot er zich +van te ontdoen. + +Op een Zondag-middag sloop hij alzoo alleen de kapel binnen, en na de +deur behoedzaam gesloten te hebben, strooide hij zoete kruimels op +de altaartreden, en stelde zich toen op voor het muizengat, met een +stokje in de hand. + +Na heel lang wachten kwam er een roze snuitje te voorschijn, toen de +heele muis. + +Hij raakte haar met een lichten slag, en bleef verstomd staan voor dat +kleine roerlooze lichaampje. + +Een druppel bloed vlekte op den vloersteen. Hij wischte het schielijk +af met de mouw, wierp de muis weg, en sprak er met niemand over. +Korten tijd later bemerkte hij dat allerlei vogels de zaden uit den +tuin wegpikten. Toen zocht hij een hol riet, en stopte het vol erwten. +Wanneer hij nu voortaan piepen of kweelen hoorde in een boom, naderde +hij heel zoetjes, richtte zijn schietbuis, blies de wangen op, en de +diertjes regenden hem zoo overvloedig op de schouders, dat hij zich +niet weerhouden kon te lachen om zijn sluwheid. + +Eens op een morgen, toen hij over den middenwal uit den hof terugkeerde, +zag hij op de kap der borstwering een groote duif zitten, die zich +borstte in de zon. Juliaan bleef staan om er naar te kijken. Er was een +bres in den wal op die plaats en vlak voor de hand vond hij een diggel +van het metselwerk. Hij hief den arm op, en de steen raakte den vogel, +die in de gracht neerviel. Hij haastte zich naar de diepte, scheurde +handen en kleeren in de struiken en snuffelde overal, rapper dan een +jonge hond. + +De duif hing met gebroken vleugels te beven in de takken van een +haagheester. + +Het ergerde den knaap, dat ze nog leefde. Hij neep haar de keel toe. +De stuiptrekkingen van zijn gewurgde prooi deden zijn hart bonzen, ze +riepen er een wilden en onstuimigen wellust wakker. Bij haar laatste +doodskramp stokte zijn adem. + +Onder het avondeten beweerde zijn vader toevallig, dat een knaap op +zijn leeftijd moest leeren jagen, en hij ging een oud schrijfboek +halen, dat in vragen en antwoorden, de geheele uiteenzetting der +jacht bevatte. Een meester onderwees er zijn leerling in de kunst der +honden-dressuur en in het africhten van valken, hoe strikken te leggen +en hoe een hert aan zijn lucht, een vos aan zijn spoor, een wolf aan +zijn voetstap te onderkennen; het beste middel om hun gangen te +weten; op welke manier men ze moet opjagen; waar zich gewoonlijk hun +schuilplaatsen bevinden; welke de gunstigste wind is; met de opsomming +der verschillende geluiden en de regels der buitverdeeling. + +Toen Juliaan al deze dingen uit het hoofd kon opzeggen, bracht zijn +vader een troep jachthonden voor hem samen. + +Daar waren vooreerst vier-en-twintig barbarijsche hazewinden onder, +vlugger dan gazellen, soms niet te weerhouden; ook zeventien koppels +bretonsche honden, wit gevlekt op rosse huid, zeker van hun doel, +sterk van borst en sterke blaffers. Voor de wilde-zwijnenjacht en de +gevaarlijke achtervolging waren er veertig brakken, harig als beren. + +Tartaarsche bulhonden, bijna zoo hoog als ezels, vuurkleurig, breed +gerugd en recht van knie, waren bestemd om den oeros te jagen. De +zwarte vacht der poedels glom als satijn. Op een afzonderlijke +binnenplaats gromden acht vlaamsche doggen, rukkend aan hun ketting +en met de oogen rollend, ontzaglijke dieren, die paard en ruiter +bespringen en voor een leeuw niet terugdeinzen. + +Allen aten weitebrood, dronken uit steenen troggen en ieder droeg een +klinkenden naam. Zoo mogelijk was de valkerij nog volmaakter in haar +samenstelling dan dit leger van honden. Door geen kosten te ontzien +had de burchtheer zich kaukasische valken weten te verschaffen, +sacervalken uit Babylonië, duitsche valkgieren, en rotsvalken, +gevangen op de steile kusten aan verre koude zeeën; ze hadden hun +verblijf in een huis met strooien dak, en zaten in volgorde van hun +grootte naast elkaar op stok, met een graszode vóór zich, waarop ze nu +en dan werden neergezet, om ze lenig te houden. + +Weitasschen, angels, klemmen, allerlei jachttuig werd er gereed +gemaakt. + + * * * * * + +Toen begon men de op vogelvangst afgerichte honden naar het veld te +brengen. Ze roken daar al spoedig buit en stonden stil. + +Dan kwamen de jagermeesters voet voor voet nader, en spreidden over +hun onbeweeglijke lichamen een reusachtig net uit. + +Een bevelend woord deed hen blaffen; de kwartels vlogen op; en de +edelvrouwen uit de omgeving, die met hun ridders waren uitgenoodigd, +de kinderen, de hofdames, allen vielen er op aan, en maakten ze +gemakkelijk buit. + +Een andermaal sloeg men den roffel om de hazen uit hun leger op te +jagen; vossen vielen in hinderlagen, of wel een losspringende klemveer +vatte een wolf bij den poot. + +Maar Juliaan minachtte die gemakkelijke kunstjes. Hij verkoos ver +buiten de menschen-wereld te jagen, alleen met zijn paard en zijn +valk. Het was bijna altijd een groote Scythische jachtvalk, zoo wit +als sneeuw. Zijn lederen kapje was met een pluim versierd, en gouden +belletjes rinkelden aan zijn blauwe pooten; hij zat stil en recht op +zijns meesters arm, terwijl het paard draafde, en de landschappen +wisselden. + +Juliaan maakte dan zijn lussen los en liet hem ineens vrij; recht als +een pijl uit den boog steeg het stoutmoedige dier de lucht in, en +men zag dan twee ongelijke stippen wenden en wentelen, saamkomen en +verdwijnen in de diepten van het hemelblauw. De valk daalde weldra +neer, met een of anderen vogel tot prooi, en kwam zich opnieuw maar +met trillende vleugels, op den handschoen neerzetten. Juliaan maakte +zoo jacht op reiger en wouw, op kraaien en gieren. Hij hield er van, +in den horen te stooten en zijn honden te volgen, die de heuvels op +renden, over beken sprongen, van bosch naar bosch draafden; als het +hert begon te sterven onder de wreede beten, sloeg hij het behendig +neer. Dan was het hem een wellust toe te zien, hoe de woedende +buldoggen hun prooi verscheurden en bloed-rookend verslonden. + +Op nevelachtige dagen ging hij diep het moeras in, en lag in lage naar +ganzen, otters en wilde eenden. + +In den vroegsten uchtend reeds wachtten hem drie stalknechten aan +den voet van het bordes: en of de oude monnik zich ook-al uit zijn +torenvenster boog en gebaarde om hem terug te roepen, Juliaan zag niet +om. Hij ging dwars door de brandende zon, door regen en storm, dronk +bronwater uit de holle handen; deed voortdravend zijn maal aan wilde +appels, en als hij vermoeid was, legde hij zich onder een eik te +rusten. In 't midden van den nacht kwam hij thuis met bloed en slijk +bedekt, dorens in het haar en de kleeren doortrokken van de lucht +der wilde dieren. Hij werd aan hen gelijk. Wanneer zijn moeder hem +omhelsde, liet hij haar onverschillig begaan, alsof hij over verre en +diepzinnige dingen mijmerde. + +Hij doodde beren met messteken, stieren met den bijl, everzwijnen +met de werpspies, en eenmaal zelfs heeft hij met een stok, zijn +laatstovergebleven wapen, een grooten troep wolven van zich +afgeslagen, die lijken verslonden aan den voet van een galg. + +Zoo dan trok hij op zekeren wintermorgen uit. De dag was nog niet +aangebroken. Hij was goed toegerust, droeg den boog over den schouder, +den pijlenkoker aan den zadel-knop. + +Zijn deensche hengst, gevolgd door twee dashonden, deed den grond +onder zijn gelijkmatigen draf opklinken. + +IJzeldruppels kleefden aan zijn mantel; er woei een snerpende +Noordenwind. + +Langzaam werd de oosterkimme lichter. + +Toen zag Juliaan in den witten uchtend-schemer konijnen heen en weer +springen bij den rand van hun hol. De twee dassen stortten er +zich dadelijk op, beten in het wilde weg, en vermorzelden hun de +ruggegraat. + +Weldra kwam hij dan in een bosch. Op het uiteinde van een tak sliep +een korhaan met den kop onder de vleugels, versteven van kou. Juliaan +sloeg hem met een zwaardslag de beide pooten af, en zonder hem op te +rapen, vervolgde hij zijn weg. + +Drie uur later stond hij op een bergspits, zóó hoog, dat ze de wolken +raakte. Vóór hem, boven een afgrond, helde een rots neer, smal en +kantig als een uitspringende muur; op haar uiteinde bevonden zich twee +wilde bokken, die in de diepte tuurden. + +Daar hij geen pijlen had (zijn paard was achtergebleven) besloot hij +na eenig bezinnen langs den rotskam af te dalen en hen zoo te naderen; +gedoken en blootsvoets kwam hij ten slotte bij den eersten der twee +bokken en stiet hem een dolk in de flanken. Opgejaagd door den schrik, +sprong de tweede de leege diepte in. Juliaan schoot toe om hem nog te +raken, maar zijn rechtervoet gleed uit, en hij viel voorover op het +lijk van den eersten, het gelaat boven den afgrond en de beide armen +wijd uit. + +In de vlakte reed hij langs een rij wilgen, die een rivier bezoomde. +Van tijd tot tijd kwamen hem laag-vliegende kraanvogels boven het +hoofd gestreken. Juliaan sloeg ze alle dood met zijn zweep, en miste +er geen enkele. + +Intusschen had de luwte den rijm doen dooien. Breede nevelsluiers +zweefden om, en de zon brak door. Heel in de verte zag hij het +loodkleurige vlak van een bevroren meer blinken. Midden op dat ijsveld +stond een dier, dat hij niet kende, een bever met zwarten snuit. +Ondanks den afstand velde de eerste pijl het neer. Juliaan had grooten +spijt de vacht niet te kunnen meenemen. + +Toen kwam hij door een dreef van groote boomen, wier kruinen aan den +woud-ingang een eereboog leken te vormen. + +Een ree sprong uit het kreupelhout, een damhert bleef staan op een +viersprong, een das kwam uit een hol, op een grasvlak pronkte een pauw +met zijn staart;--en toen hij ze alle gedood had, kwamen er andere +reeën, andere damherten, andere dassen, andere pauwen, merels en +meerkollen, bunzings, vossen, egels, lynxen, almaar-door nieuwe +dieren, ontelbaar en bij iedere schrede talrijker. Ze wendden en +keerden om hem heen en zagen hem aan met zachtaardigen, smeekenden +blik. Maar Juliaan werd het niet moe ze alle te dooden, nu eens zijn +boog spannend, dan zijn zwaard trekkend, of stekend met zijn knijf, en +hij had heugenis of nagedachte over niets ter wereld. Hij was op jacht +in een of ander land, sinds onbestemden tijd, en hij jaagde omdat +hij leefde, leefde omdat hij jaagde, alles voltrok zich zoo licht en +gemakkelijk als in een droom. Een buitengewoon schouwspel hield hem +echter staande. Een vallei, die den vorm had van een renperk, stond +vol herten; dicht saamgedrongen verwarmden ze elkaar met hun adem, die +men in den nevel zag om-wademen. Het vooruitzicht van zoo'n slachting +versmachtte hem van lust, oogenblikken lang. Toen sprong hij van zijn +paard, stroopte de mouwen op en begon aan te leggen. Bij het fluiten +van den eersten pijl wendden alle herten tegelijk hem den kop toe. Er +kwamen bressen in hun massa; klagende stemmen kermden, en een groote +beweging ontrustte de kudde. + +De hellingen der vallei waren te hoog; ingesloten sprongen de dieren +om, en zochten een uitweg. Juliaan mikte en schoot, de pijlen vielen +als regenstralen bij een onweer. De getergde herten weerden zich, +steigerden, sprongen op elkander, en hun lichamen met hun verwarde +geweien vormden een breeden heuvel, die zich verplaatste en +ineenstortte. Ten laatste stierven ze, uitgestrekt op het zand, het +schuim op den bek en met uitpuilende ingewanden. Het zwoegen van hun +lichaam werd zwakker en zwakker. Toen was alles stil. + +De nacht begon te duisteren, en achter het bosch, tusschen de takken +door, was de hemel rood als een bloed-doordrenkte dwale. + +Juliaan leunde met den rug tegen een boom. Met wijd-gesperde oogen +stond hij naar het monsterachtige bloedbad te staren, niet begrijpend, +hoe hij het had kunnen aanrichten. + +Aan de andere zijde van het dal, bij den boschrand, werd hij toen +ineens een ander hert gewaar, met een hinde en haar jong. + +Het hert dat zwart was en reusachtig van gestalte, droeg zestien +takken in zijn gewei en een witte sik. De hinde, blondbruin zooals +dorre bladers zijn, graasde, en het gevlekte reebokje volgde zijn +moeder. + +Toen snorde de boog nogmaals. Het reetje was dadelijk dood. De +moeder sloeg den blik omhoog en huilde met een diepe, menschelijke, +hartverscheurende stem. Dit tergde Juliaan, en hij velde haar met +een pijl in de borst. Het groote hert had dit gezien, het deed een +zijsprong, en Juliaan schoot zijn laatsten pijl er op af. Die raakte +het in 't voorhoofd, en bleef daar steken. + +Het groote hert scheen dit niet te voelen; het stapte over de doode +hinde en het bokje heen en naderde hem steeds dichter met gebukt +gewei, om zich op hem te werpen en hem het lichaam open te rijten. + +Door angst bevangen deinsde Juliaan terug. Het wonderbare dier stond +stil; en met vlammende oogen, plechtig als een patriarch en een +richter, herhaalde het tot driemaal toe, terwijl er een klok luidde in +de verte: + +"Vervloekt! vervloekt! vervloekt! De dag zal komen, wreedaardig hart, +dat ge uw vader en moeder vermoorden zult." + +Het boog de knieën, sloot zacht de oogen en stierf. + +Juliaan was verstomd blijven staan; toen deed een plotselinge +vermoeienis hem ineen-zinken, en een weerzin, een eindelooze droefenis +overstelpten hem. Met het hoofd in de handen bleef hij schreien. +Hij was zijn paard verloren, zijn honden hadden hem verlaten, de +eenzaamheid die hem omgaf, voelde hij dreigen met onbestemde gevaren. +En eensklaps vluchtte hij verschrikt weg, dwars de velden door, over +het eerste het beste voetpad, en zonder te weten hoe, stond hij ineens +voor de burchtpoort. + +'s Nachts sliep hij niet. Bij het weifelig schijnsel der hanglamp zag +hij voortdurend het donkere reuzenhert, wiens vloek hem kwellen bleef. +Hij vocht er tegenin. "Neen! neen! neen! ik kan ze niet dooden, nooit +of nimmer!" maar even later: "En zoo ik er toch, ondanks alles, toe +komen zou?" Steeds grooter werd zijn angst, dat de Booze hem zou +aandrijven. + +Drie maanden lang bad Juliaans moeder in doodsangst aan zijn sponde; +en zijn vader liep aanhoudend zuchtend heen en weer door de gangen. +De meest beroemde geneesmeesters liet hij komen. Ze schreven groote +hoeveelheden artsenijen voor en beweerden, dat Juliaans kwaal werd +veroorzaakt, of door een kwaden luchtstroom, of door een verlangen +naar liefde. Maar de jonker schudde op alle vragen het hoofd. + +Eindelijk begon hij toch weer bij krachten te komen; en hij wandelde +nu op het binnenplein, tusschen den ouden monnik en den burchtheer in, +die hem ieder bij een arm ondersteunden. + +Toen hij geheel hersteld was, wilde hij, in halsstarrig verzet, van +geen jagen meer hooren. + +Zijn vader wilde hem een genoegen doen en schonk hem een groot +saraceensch zwaard. Het hing in een wapenrek, boven tegen een pijler. +Er moest een ladder gehaald worden. Juliaan klom er op. Het al te +zware zwaard viel hem uit de handen, en raakte in zijn val den +burchtheer zoo dicht, dat het zijn mantel openscheurde. Juliaan +meende, dat hij zijn vader had gedood en viel in onmacht. + +Sedert had hij een afschrik van wapens. De aanblik van een blanke +kling deed hem bleek worden. Deze blooheid van Juliaan werd zijn +omgeving tot groot verdriet. + +Ten laatste bezwoer de oude monnik hem, om Gods wil en der vaderen +eer, ridderspel en wapenhandel weer op te vatten. + +De schildknapen vermaakten zich toen juist iederen dag met het +hanteeren van den werp-schicht. Juliaan muntte weldra uit in dat spel. +Hij mikte zijn schicht in den hals eener flesch en trof de hoogste +windwijzers, dat hun punten versplinterden. Op honderd passen afstand +raakte hij de nagelkoppen in de deuren. + +Op een zomeravond, in het uur dat de schemer de dingen doet vervagen, +zag hij, terwijl hij in de wingerddreef aan 't wandelen was, heel +in de verte daar twee witte vleugels fladderen, ter hoogte van het +lat-werk. Hij meende niet anders, of 't was een ooievaar, en hij wierp +zijn schicht. + +Een schelle kreet klonk op. Het was zijn moeder, wier breed geslipte +huive aan den muur bleef vastgespietst. + +Juliaan vluchtte uit den burcht en keerde niet terug. + + + + +II + + +Hij sloot zich aan bij een voorbijtrekkenden troep avonturiers. + +Hij leerde honger en dorst kennen, koortsen en ongedierte. Hij werd +gewoon aan het geraas der vechtpartijen en den aanblik van den dood. +De wind taande zijn huid. Zijn leden hardden onder de wapenrusting, +en daar hij zeer sterk, moedig, matig en wakker was, stond hij reeds +spoedig zelf aan het hoofd van een troep. + +Wanneer de slag zou beginnen, bezielde hij zijn soldaten door een +breeden zwaai met zijn zwaard. + +Langs een knoopladder beklauterde hij 's nachts de fortmuren, terwijl +de storm hem heen-en-weer slingerde, terwijl de vonken van het +grieksch vuur aan zijn kuras kleefden, en ziedend hars en gesmolten +lood uit de schietgaten stroomden. Dikwijls werd zijn schild door een +steenworp verbrijzeld. Bruggen stortten in onder den al te zwaren +last zijner benden. Met één zwaai van zijn knots ontdeed hij zich van +veertien ruiters, en in het strijdperk versloeg hij allen, die zich +met hem dorsten meten. Meer dan twintig keer waande men hem dood. Dank +zij de Goddelijke genade ontkwam hij het telkens; want hij beschermde +de kerken, weduwen en weezen, en vooral de oude lieden. + +Wanneer er een grijsaard voor hem uitging, riep hij hem aan, om zijn +gelaat te onderkennen, als in vreeze hem bij vergissing te dooden. +Weggeloopen slaven, muitende boeren, verraders zonder goede kans, +allerlei waaghalzen stroomden toe onder zijn vaandel, en hij vormde +een steeds aangroeiend leger. Hij werd befaamd. Men dong om zijn hulp. + +Om beurten stond hij den Franschen dauphijn bij en den koning van +Engeland, de tempeliers van Jeruzalem, den surena der Parthen, den +negus van Abbessynië en den keizer van Calicuta. Hij streed tegen de +Scandinaviërs, die met vischschubben overdekt waren, tegen Negers +op rosse muildieren en met rondassen van nijlpaardenleer; tegen +koperkleurige Indianen, die boven hun veeren hoofdtooi breede +spiegelblanke klingen zwaaiden. Hij verwon holbewoners en +menschen-eters. Hij trok door zulke heete luchtstreken, dat de +zonnehitte het haar van zijn soldaten verschroeide en vlam deed vatten +als een fakkel. Elders heerschte zoo'n koude, dat de armen er van het +lichaam losvroren en op den grond vielen. + +In andere landen hingen de nevels zoo dicht, dat zijn troepen om hem +heen verwaasden tot stoeten van schimmen. + +Republieken, die in moeilijkheden waren, raadpleegden hem. Bij de +samenkomst der afgezanten verkreeg hij onverhoopte voorwaarden. +Wanneer een vorst zich misdroeg, verscheen hij ineens om hem te +vermanen. Hij vocht volken vrij. Hij verloste koninginnen uit de +torens, waar ze gekerkerd zaten. Hij, en niemand anders, doodde de +slang van Milaan en den draak van Ober-birbach. + +Welnu dan: de keizer van Occitanië, die de Spaansche Muzelmannen +overwon, had de zuster van den kalief van Cordova getrouwd; ze schonk +den keizer een dochter, die hij in den Christelijken godsdienst +opvoedde. Maar de kalief wendde voor, dat hij zich bekeeren wilde en +kwam hem zoo, met talrijk geleide, een bezoek brengen. Hij +verdelgde toen de heele bezetting, en wierp den keizer zelf in een +onderaardschen kerker, waar hij hem zeer hardvochtig behandelde, om +schatten als losgeld te krijgen. + +Juliaan snelde hem ter hulp, versloeg het leger van de verraders, +belegerde de stad, doodde den kalief, hieuw hem het hoofd af, en rolde +het als een bal over de wallen heen. Toen verloste hij den keizer uit +den kerker en plaatste hem weer op den troon, in tegenwoordigheid van +zijn geheele hof. + +De keizer wilde hem, tot dank voor zulk een dienst, korven vol geld +geven. Juliaan begeerde het niet. Meenend dat hij meer verlangde, bood +de keizer hem toen drie-vierde-deel van zijn rijkdommen aan; nieuwe +weigering. Ten einde raad stelde de keizer hem voor het rijk met hem +te deelen, en nog bedankte Juliaan. Toen schreide de keizer van spijt +en wist niets meer. Maar plotseling sloeg hij zich voor het voorhoofd. +Hij fluisterde een hoveling iets toe; een wandtapijt werd opgelicht en +daar trad een jonkvrouw te voorschijn. + +Haar groote zwarte oogen blonken als twee heel stille lampen. Een +lieve glimlach opende haar lippen. Heur lokken hechtten zich in de +edelsteenen van haar los gewaad; de jeugd van haar gestalte lijnde +teeder onder de luchte plooien van dat overkleed. + +De liefde deed Juliaan duizelen, te eer hem, die immer zoo'n ingetogen +leven had geleid. + +Zoo werd hem de dochter van den keizer ten huwelijk gegeven, met een +paleis van haar moeders erfdeel; en toen de bruiloft was afgeloopen, +nam men afscheid met einde-looze plichtplegingen van weerszijden. Het +was een wit-marmeren paleis, in moorschen stijl, op een voorgebergte +en midden in een bosch van oranjeboomen. Bloemterrassen daalden af +naar de kust van een zeegolf, waar rozige schelpen onder de voeten +kraakten. + +Achter het paleis strekte zich een waaier-vormig woud uit. De hemel +was altijd blauw. De toppen der boomen wuifden zachtjes onder de +luchtige zeebries, of onder den zefier, die aanwoei uit de bergen aan +den horizon. + +Het inlegwerk van de wanden scheen een lichtglans uit door de +schemerige zalen. Tengere zuiltjes, rank als riethalmen, droegen +het gewelf der koepels, die versierd waren met nagebootste +grotstalactieten. + +Er waren springbronnen in de zalen, mozaïekvloeren op de +binnenpleinen. Er waren bebeeldhouwde beschotten met randen van +looverwerk, en duizenderlei andere verfijningen van bouwkunst, en een +zoo diepe stilte, dat het geritsel van een sjerp over de vloeren reeds +groot gerucht was; een zucht deed zijn echo ademen. + +Juliaan voerde geen oorlog meer. Hij rustte, omgeven door een vredig +volk, dat dagelijks in stoeten aan hem voorbijtoog, met kniebuiging en +handkus naar Oostersche zede. + +In purper gehuld lag Juliaan in een vensternis te leunen, terwijl zijn +gedachten aldoor bezig waren met zijn vroeger jagersleven. Het liefst +zou hij, dwars de woestijn door, gazellen en struisvogels vervolgd +hebben, of, tusschen het bamboe verborgen, luipaarden hebben belaagd, +de wouden vol neushoorns doorkruist, of voor de arendjacht de +moeilijkst bereikbare bergtoppen bestegen hebben, en in zee op +ijsschotsen met de witte beren zijn gaan vechten. + +Somwijlen zag hij zichzelf in een droom midden tusschen alle dieren, +zooals Adam, onze vader, in het Paradijs. Met het strekken van zijn +hand deed hij ze sterven. Of wel ze trokken paarsgewijze voorbij, +volgens hun grootte, olifanten en leeuwen voorop, hermelijnen en +eenden achteraan, zooals ten dage toen ze de arke Noachs binnentogen. +Uit een grot, waar hij zich schuil hield, wierp hij naar hen met zijn +nimmer-missende schichten; andere dieren doken op; het nam geen einde +meer; en hij ontwaakte met woest-rollende oogen. + +Bevriende vorsten noodigden hem ter jacht. Hij bedankte altijd, in de +hoop, door deze versterving zijn ongeluk nog te kunnen afwenden; want +het docht hem, dat van het al of niet vermoorden van dieren het lot +zijner ouders afhing. Hen niet te mogen weerzien, en ook het ander +verlangen, het werd hem ondragelijk. + +Zijn vrouw deed goochelaars en danseressen komen, om hem wat +verstrooiing te geven. + +Ze liet zich met hem in een open draagkoets door de velden omvoeren; +andere keeren lagen ze op de banken van een bark naar de visschen te +zien die door het zilverklare water doolden. Dikwijls wierp ze hem +spelend met bloemen in het gelaat en aan zijn voeten tokkelde zij +liedjes op een drie-snarige mandoline; maar altijd weer, haar gevouwen +handen op zijn schouder, vroeg ze ten laatste met bloode stem: "Wat +houdt u toch bezig, mijn lieve gemaal?" + +Hij antwoordde niet, of wel hij barstte in snikken uit; op zekeren dag +echter bekende hij haar zijn afschuwelijke gedachte. + +Ze streed er tegen, met drang van zeer goede redenen: +hoogstwaarschijnlijk immers waren zijn vader en moeder dood, en mocht +hij ze ook ooit weerzien bijgeval, hoe dan nog, door welk toeval, of +met welke bedoeling zou hij tot zulk een zoo heilig-schennende misdaad +kunnen komen? Zijn vrees was alzoo ongegrond, en hij moest maar gerust +weer gaan jagen. + +Juliaan hoorde haar aan met een mijmerenden glimlach, maar hij kon +nimmer besluiten aan haar verlangen te voldoen. + +Een avond in Augustus, toen ze op hun kamer waren--zij had zich juist +ter ruste gelegd, en hij knielde neer om te bidden--hoorde hij het +keffen van een vos, toen sluippassen onder het venster, en door het +duister zag hij schimmen van dieren bewegen. + +De bekoring was hem te sterk. Hij nam den pijlenkoker van den wand. +Zijn vrouw scheen verrast. + +"Eindelijk dan zal ik doen wat ge altijd verlangd hebt", sprak hij, +"bij zonsopgang ben ik terug." + +Maar ze was bang, als voor dreigend kwaad. + +Hij stelde haar gerust, en ging heen, verwonderd over haar +wisselvallige stemmingen. + +Even later kwam een page haar kond doen, dat twee onbekenden, daar de +slotheer afwezig was, oorlof vroegen onmiddellijk tot de vrouwe te +worden toegelaten. + +En weldra traden een oude man en een oude vrouw de kamer binnen, diep +gebogen, met stof bedekt, in linnen gekleed, en ieder steunend op een +stok. + +Ze vatten moed, en zeiden dat ze Juliaan tijding van zijn ouders +kwamen brengen. De vrouwe neeg voorover om hen beter te verstaan. + +De twee oudelieden wisselden een raadplegenden blik, en begonnen haar +toen te vragen of hij zijn ouders nog liefhad, of hij wel eens over +zijn ouders sprak. + +"O, zeker!" was het antwoord. Toen konden zij zich niet langer +inhouden: + +"We zijn het zelve, wij!".--en ze zonken in hun zetels, afgemat van +vermoeienis. + +Wat evenwel kon de jonge vrouwe zekerheid geven, dat haar gemaal hun +zoon zou zijn? + +Maar ze bewezen het, door de bijzondere teekenen te beschrijven, die +hij op de huid had. Toen stond ze op van haar legerstee, riep den +page, en liet hun een maal opdienen. + +Hoewel ze grooten honger hadden, konden ze niet eten; en van terzijde +zag ze, hoe hun dorre handen beefden wanneer ze den beker opnamen. Ze +vroegen duizend uit over Juliaan. Ze beantwoordde al die vragen één +voor één, maar vermeed angstvallig over de doodsgedachte te spreken, +die hen zelve betrof. + +Ze waren van hun kasteel weggetrokken, toen ze hem niet terug zagen +keeren en sedert vele jaren zwierven ze om, vage aanduidingen volgend, +maar zonder de hoop te verliezen. Ze hadden zooveel geld noodig +gehad aan veerpenningen bij de rivieren, aan verblijfkosten in de +logementen, aan schatting voor de landsvorsten en aan losprijs voor de +roovers, dat hun beurs tot op den bodem leeg was, zoodat ze nu moesten +bedelen. Maar wat hinderde dat, nu ze welhaast hun zoon aan het hart +konden drukken? En ze prezen hem gelukkig met een zoo aanminnige +vrouwe, werden niet moe haar aan te zien en te liefkoozen. + +De weelde van het slaapvertrek verbaasde hen uitermate; en de oude +man, die zijn blik langs de wanden had laten weiden, vroeg waarom er +het blazoen des keizers van Occitanië was aangebracht. Juliaans vrouwe +antwoordde: + +"Dat is mijn vader!" + +Het deed den grijsaard huiveren van ontroering, want hij herinnerde +zich de voorspelling van den zigeuner; en de oude moeder mijmerde over +de woorden van den heremiet, overtuigd, dat deze aardsche glorie van +haar zoon slechts een opgang was naar eeuwige heerlijkheden; beiden +bleven ze star van verwondering daar zitten in den schijn van den +luchter, die de tafel verlichtte. + +Ze moesten wel heel mooie menschen geweest zijn in hun jeugd. De +moeder had heur volle haar nog, ze droeg het in twee gladde strooken, +fijn en wit als bladen van sneeuw langs slapen en wangen; en de +vader, met zijn hooge gestalte en zijn langen baard geleek op een +heiligebeeld uit de kerk. + +Juliaans vrouwe echter sprak, dat ze niet zoo wakend zijn thuiskomst +moesten verbeiden, en met lieven dwang deed zij hen in haar eigen +sponde slapen gaan; toen sloot ze het raam; ze sluimerden in. Het werd +zacht-aan morgen, en achter het vensterglas begonnen de vogels te +zingen. + +Juliaan was dwars door het park gegaan; en hij liep met krachtigen +tred het bosch door, genietend van de milde lucht en van het dauwige +gras, koel en zacht onder zijn voeten. + +De slagschaduwen der boomen lagen over het mos. Over de open plekken +deed de maan wel hier en daar blanke lichtglimpen glanzen; dan bleef +hij aarzelend talmen, in de meening dat er een vijverspiegel lag; +elders weer ging de kleur van een stil watervlak onmerkbaar over in +die van het gras der oeverranden. Er heerschte alom een diepe rust, en +hij vond nergens een der dieren, die voor eenige oogenblikken nog het +kasteel omdwaalden. + +Het bosch werd dichter, de duisternis steeds dieper. Warme +windzwoelten woeien om, loom en zwaar van geuren. Zijn voeten zonken +weg in lagen dorre bladers, en hij ging tegen een eikestam leunen om +wat te verademen. + +Eensklaps sprong er achter hem een logge schaduw op, duisterder uit +het duister, een everzwijn. Juliaan had den tijd niet zijn boog te +grijpen, en hij bejammerde dit als een ongeluk. + +Kort daarna, toen hij buiten het bosch was gekomen, zag hij een wolf +langs een hegge sluipen. + +Juliaan schoot een pijl op hem af. De wolf stond stil, wendde het +hoofd even om en liep toen door. Hij draafde voort, maar bleef altijd +op denzelfden afstand, hield van tijd tot tijd in, en zoogauw Juliaan +op hem aanlegde, vluchtte hij weer verder. + +Juliaan liep op deze wijze een eindelooze vlakte door, kwam toen over +lage zandheuvels en ten laatste stond hij op een hoogte, die uitzag +over een wijde landstreek. Platte zerksteenen lagen hierboven +verstrooid tusschen bouwvallige gewelven; men struikelde er over +doodsbeenderen; vermolmde graf-kruisen hingen klaaglijk omgevallen. +Maar er bewogen gedaanten in de onwezenlijke schaduw tusschen de +graven, en hyena's kwamen er uit opgedoken, rillend van angst. Hun +nagels schraafden over de zerken, nu ze snuffelend op hem afkwamen met +een grijns, die hun tandvleesch ontblootte. Hij trok zijn zwaard. Ze +stoven ineens uit elkaar, naar alle windstreken heen, almaar voort +in overijlden en struikeligen draf, tot ze ver-weg in een stofwolk +verdwenen. + +Een uur later vond hij in een ravijn een dollen stier, die, met +dreigende horens, den hoef in het zand schraapte. Juliaan wierp hem de +speer in de halskwab. De speer versplinterde, alsof het dier van brons +was. Juliaan sloot de oogen, en wachtte op den dood. Toen hij weer +opzag was de stier verdwenen. + +Zijn ziel verkromp van schaamte. Een bovennatuurlijke wil verwoestte +zijn kracht; en hij ging terug door het bosch om zich thuis te +verschuilen. + +De boschwegen waren overward door slingerplanten; en toen hij zich +met zijn zwaard een doortocht baande, kwam er ineens een steenmarter +tusschen zijn beenen doorglijden; een panter sprong hem over den +schouder, een slang kronkelde zich om een esschestam. In het loover +zat een monsterachtige kraai naar Juliaan te staroogen; en hier +en daar flonkerden er groote vonken tusschen de takken, alsof het +uitspansel al zijn sterren in het bosch had laten neerregenen. Het +waren dieren-oogen, oogen van boschkatten, van eekhorens en uilen, van +papegaaien en apen. + +Juliaan schoot almaar pijlen; de pijlen bleven met hun veders als +witte vlinders tusschen de bladeren zitten. Hij wierp met steenen; de +steenen vielen neer zonder iets te raken; hij verwenschte zich zelven, +en had zich wel willen geeselen, hij brieschte vervloekingen en +verstikte in zijn razernij. + +En alle dieren, die hij vervolgd had, daagden weer op en kwamen hem in +een nauwen kring omsluiten. Sommige zaten neergehurkt, andere stonden +recht. Hij bleef in het midden, verstard van angst en onbekwaam tot de +minste beweging. Door uiterste wilsinspanning verzette hij een voet; +die in de boomen openden hun vleugels, die langs den grond deden een +schrede, en alle vergezelden ze hem. De hyena's voor hem uit; de +wolf en het everzwijn achter hem aan. De stier aan zijn rechterzijde +schudde den kop; links kronkelde de slang door het boschkruid, terwijl +de panter met opgezetten rug voorging, met wijde fluweel-zachte +gluip-passen. Juliaan liep zoo langzaam mogelijk om ze niet op te +hitsen; en hij zag uit de diepten van het kreupelhout egels opduiken, +vossen, adders, jakhalzen en beren. Juliaan begon hard te loopen, alle +liepen ze hard. De slang sijfelde, de viervoeters kwijlden, de ever +schraafde hem de hielen met zijn slagtanden; de wolf wreef zijn +snorharen in den palm van zijn handen. Grimmend en grijnzend kwamen de +apen hem knijpen; de egel rolde over zijn voeten; een beer sloeg +hem de muts af met een zwaai van zijn poot; en de panter liet voor +evenveel een pijl neervallen, dien hij meedroeg in zijn bek. + +Er gluurde spotzucht achter hun heimelijk doen. En terwijl ze hem uit +hun ooghoeken bespiedden, leken ze wraakplannen te overwegen. Juliaan +liep voort met uitgebreide armen, de oogleden neer als een blinde, +verdoofd door het gegons der insecten, gezweept door de staartpennen +van de vogels, verstikt door al die adems, zonder zelfs de kracht te +hebben om "genade" te roepen. + +Het gekraai van een haan schrilde door de lucht. Andere hanen gaven +daar antwoord op; het was de morgen, en achter de oranje-boomen +daagden de tinnen van zijn paleis. + +Maar voortschrijdend hier langs den akker-kant zag hij op drie +schreden afstand roode patrijzen fladderen in de stoppels. Hij gespte +zijn mantel los en wierp dien op de vogels als een net. + +Toen hij naar zijn buit tastte, vond hij slechts één enkelen patrijs, +die daar sedert langen tijd moest dood gelegen hebben, een rottend +aas. + +Deze teleurstelling verbitterde hem nog meer dan alle overige. Zijn +bloeddorst werd hem meester, zóó zelfs dat hij menschen zou gemoord +hebben, als er geen dieren meer waren. Hij klom de drie terrassen op, +beukte de deur open met een vuistslag; maar aan den voet van de trap +deed de gedachte aan zijn geliefde vrouw hem het hart week worden. Ze +sliep nu zeker en ze zou verrast ontwaken. Nadat hij zich van zijn +sandalen had ontdaan, draaide hij zachtjes het slot open en schreed +binnen. + +De met lood dooraderde vensters verduisterden den bleeken uchtend. +Juliaans voeten verwarden zich in kleeren, die over den grond lagen; +wat verder stootte hij tegen een credens-tafel vol vaatwerk. "Ze +zal zeker gegeten hebben," dacht hij, en trad op het bed toe, dat +verschaduwd stond in de kamerdiepte. + +Toen hij den spondekant genaderd was, boog hij zich, om zijn vrouwe +te omhelzen, over de peluw neer, waar de twee hoofden rustten dicht +nevens een. Daar raakten zijn lippen de ruwheid van een baard. Hij +week ontzet terug, en geloofde waanzinnig te zijn; maar hij wendde +zich opnieuw naar het bed, en zijn tastende vingers nu raakten de zeer +lange haren. Om zich te overtuigen, dat hij ijlde, streek hij langzaam +met de hand de peluw over. En het was wel wezenlijk een baard, dien +hij voelde ditmaal, en een man! een man met zijn vrouw!... + +Uitbarstend in matelooze woede stortte hij zich met dolksteken op hen; +en hij trapte en brieschte, brullend als een wild dier. Toen hield +hij in. De dooden, die recht in het hart getroffen waren, hadden zich +zelfs niet meer verroerd. Hij luisterde oplettend naar hun beider +bijna gelijkmatig doodsgereutel, en naar gelang dit zwakker en +zwakker werd, begon een ander gekreun meer hoorbaar te worden. Het +lang-aanhoudende geluid van die klaaglijke stem, onduidelijk eerst, +kwam nader en nader, zette zich uit, werd hard en wreed, en ontzet +herkende Juliaan den schreeuw van het groote zwarte hert. + +En toen hij zich omwendde om te weten, meende hij in het open deurvak +de schaduw van zijn vrouwe te zien, die daar stond met een licht in +de hand. Het geraas van den moord had haar doen naderen. Met één blik +begreep ze alles. In afgrijzen vluchtte ze weg, en liet de toorts +vallen. Hij raapte die op. + +Zijn vader en zijn moeder lagen daar voor hem, recht uitgestrekt, met +een gapende wonde in de borst, en hun beider aangezicht geleek in +verheven zachtmoedigheid een eeuwig geheim te zwijgen. Droppels en +sprenkels bloed lagen over hun blanke huid gespat, over de lakens en +het bed, over den grond, en langs het ivoren kruisbeeld dat in +de bedstede hing. De vuurroode weerschijn der zon-doorstraalde +vensterruiten kwam die bloedige sprenkels nu verlichten en wierp er +zelve steeds nog meerdere door geheel het vertrek. En Juliaan liep +weer op de twee dooden toe, meenend en zich diets makend, dat het een +onmogelijkheid was, dat hij verkeerd had gezien, dat er somwijlen +onverklaarbare gelijkenissen zijn. Ten laatste boog hij angstvallig +voorover om den grijsaard van nabij te beschouwen; en hij zag, +tusschen die halfopen wimpers, een uitgedoofden oogappel, die hem als +vuur pijnde. Toen wendde hij zich naar den anderen spondekant, waar +het tweede lichaam lag; de witte haren verborgen gedeeltelijk het +gelaat. Juliaan streek die lokken weg en lichtte dat hoofd op; en hij +staarde haar aan, ze steunend met zijn krampachtig gestrekten arm, +terwijl hij in de andere hand de toorts hield om zich bij te lichten. + +Bloeddruppels sijpelden van de matras en vielen één voor één op den +vloer neer. + +Aan den avond van dien dag stond hij voor zijn vrouwe, en met een +stem, die zijn eigene niet was, gebood hij haar vooreerst hem niet te +antwoorden, hem niet te naderen, en zelfs hem niet meer aan te zien, +en dat ze, onder straffe van eeuwige verdoemenis, al zijn bevelen had +uit te voeren, die onherroepelijk waren. + +De begrafenis moest geregeld worden naar voorschriften die hij op een +bidstoel in de dooden-kamer had achtergelaten. Hij stond zijn vrouwe +het paleis af, zijn vazallen, al zijn have en goed, zonder zelfs zijns +lijfs-kleeren te behouden, noch zijn sandalen; men zou die boven op +de trappen weervinden. Zij was het werktuig geweest van Gods wil, +onschuldige oorzaak van zijn misdaad, en ze had te bidden voor zijn +ziel, want voortaan bestond hij niet meer. + +De dooden werden met groote praal begraven in de kerk van een +klooster, dat op drie dagreizen afstand lag van het kasteel. Een +monnik met neergeslagen boetekap volgde den stoet, afgescheiden van +alle overigen en zonder dat iemand hem dorst aanspreken. + +Gedurende de Mis bleef hij midden voor de poort plat-uitgestrekt ter +aarde liggen, de armen gekruist en het voorhoofd in het stof. Na de +begrafenis zag men hem den weg inslaan naar de bergen. Hij wendde zich +herhaaldelijk om, en verdween ten laatste. + + + + +III + + +Hij toog heen, een zwerver, bedelend om zijn brood. + +Hij hield de hand op voor de ruiters langs de wegen, naderde met een +knieval de oogstende landlieden, of bleef roerloos wachten voor het +hek van hun erf; zoo droef was zijn aangezicht, dat men hem nimmer een +aalmoes weigerde. + +In vermorzeling des harten deed hij dan zijn levensverhaal, en allen +vluchtten ze heen en sloegen ze kruisteekens. In de dorpen, waar hij +reeds eenmaal doorgetogen was, wierp men de deuren toe, zoodra men hem +herkende, men riep hem bedreigingen na en gooide hem met steenen. Zij, +die het liefdadigst waren, zetten eene nap op het vensterkozijn, maar +sloten dan de luiken om hem niet te zien. Een verstooteling was hij +overal, en hij begon de menschen te schuwen; hij voedde zich met +wortels, met planten, met afgevallen vruchten, en met schelpdieren die +hij zocht langs den zee-oever. + +Somwijlen zag hij van een heuvelkant ineens een stapeling van daken +onder zijn oogen, met steenen spitsen, met bruggen en torens, hars en +dwars doorkruist met zwarte straten, waaruit een aanhoudend gegons tot +hem opsteeg. + +Een drang om met de anderen deel te hebben in het leven, deed hem naar +de stad afdalen. + +Maar de dierlijke uitdrukking der gezichten, het geraas van het werk, +het leege gepraat, deden zijn hart verstarren. Op hoogtij-dagen, als +de groote klokken van de kathedraal, van zonsopgang af, het geheele +volk in feeststemming brachten, zag hij het aan, hoe de poorters uit +hun deur kwamen; stond als toeschouwer bij den dans op de pleinen, +liep te kijken naar de bier-fonteinen op den viersprong der straten, +naar de behangsels van zijden damast voor der vorsten woonsteden, en +als de avond gevallen was, gluurde hij door de ruitjes der onderhuizen +over de gezellige feesttafels heen, waar grootouders mede aanzaten met +kleine kinderen op hun knieën. Dan verstikte hij in zijn tranen, en +hij zwierf weer henen, naar buiten, de velden door. + +In opwellingen van verteedering kon hij ineens stilstaan, om te kijken +naar veulens in een wei, naar vogels in hun nest, naar insecten op de +bloemen; alle vluchtten ze weg, wanneer hij nabij was: verborgen zich +angstig, of vlogen snel heen. + +En weer zocht hij de eenzaamheid. Maar de wind kwam hem met +doodsgereutel langs de ooren kreunen; dauwdroppels die neervielen, +herinnerden hem aan andere droppels; die waren zwaarder. Iederen avond +deed de zon rood bloed vlieten door de wolken; iederen nacht herbegon +hij den oudermoord in zijn droomen. + +Hij maakte zich een boetekleed met ijzeren stekels. Op zijn twee +knieën kroop hij tegen alle heuvels op, waar een bedehuis waakte +omhoog. Maar de onverbiddelijke gedachte verduisterde den glans der +tabernakels, en bleef hem kwellen door zijn boeten en zelf-kastijden +heen. + +Hij toornde niet tegen God, die hem deze daad had opgelegd, maar was +radeloos ze bedreven te hebben. + +Hij had zoo'n afschuw van zichzelf, dat hij, om er los van te worden, +zich in allerlei gevaren waagde. Hij redde verlamden uit huizen in +lichter laaie, en kinderen uit de diepte van den afgrond. De afgrond +wierp hem weer op, het vuur spaarde hem. + +De tijd heelde zijn zielspijnen niet. Ze werden ondraaglijk. En hij +wilde den dood zoeken. Eens stond hij aan een vijverkant; en boog over +om de diepte van het water te peilen. Toen zag hij onder zijn oogen +het ingevallen gelaat van een grijsaard met witten baard, zoo droef +een gelaat, dat hij zijn tranen niet weerhouden kon. Ook de grijsaard +weende. Juliaan herkende zijn eigen spiegelbeeld niet. Maar er leefde +in hem een vage herinnering aan een gelaat, dat gelijkenis had met +dit. Hij schreeuwde het uit; zijn vader was het! Toen dacht hij er +niet meer over, zich den dood te doen. + +Zoo doolde hij vele landen door, overal den last van het verledene +meesleepend; en hij kwam bij een rivier, wier overtocht gevaarlijk +was, door de onstuimigheid van den stroom en door het slib dat +de vlakke oevers bedekte. Sedert lang durfde niemand hier meer +oversteken. + +Een oude bark, wier spiegel weggezonken zat in het slijk, hief haar +steven op uit het riet. + +Bij nader onderzoek vond Juliaan een paar roeiriemen; en de gedachte +werd hem ingegeven zijn leven te wijden aan den dienst zijner +medemenschen. Hij begon met over den oever een soort weg aan te leggen +naar het vaarwater; en hij scheurde zich de nagels bij zijn pogingen +om reusachtige steenbrokken los te woelen; hij droeg die tegen zijn +lichaam gedrukt naar het pad, gleed uit in de slib, zonk er in weg, en +meer-dan-eens dreigde hij om te komen. + +Toen kalfaatte hij de boot met stukken wrakhout, en bouwde zich een +hut van leem en boomstronken. + +Weldra kwamen er reizigers, die van het veer gehoord hadden. + +Met een vlag wenkten ze hem van den overkant. Juliaan sprong dan +haastig in zijn boot. Ze was heel log, en men stapelde ze overvol met +allerlei goederen en vrachten, zonder de lastdieren te rekenen, die +achteruittrapten van angst en de lading nog verzwaarden. Hij vroeg +niets voor zijn gezwoeg. Sommigen diepten overschot van eetwaren voor +hem uit hun reiszak, of gaven hem versleten kleeren, die ze zelve niet +meer wilden dragen. Er waren vlegels, die vloeken uitbraakten. Juliaan +vermaande hen zachtzinnig; ze hoonden en verguisden hem tot antwoord. +En zwijgend zegende hij hen. + +Een kleine tafel, een bankje, een bed van dorre bladers en drie aarden +kroezen,--ziedaar heel zijn have. Twee gaten in den muur dienden +tot vensters. Aan de eene zijde strekten zich de eindelooze naakte +vlakten, met hier en daar neveling van bleeke plassen; en vóór hem +stuwde de groote stroom zijn groenige golven. + +In het voorjaar sloeg er een vunze lucht van verrotting uit de +vochtige aarde. Daarna deden wervelwinden het zand in hoozen +omstuiven. Het drong overal door, verslijkte het water en kraakte +tusschen de tanden. Wat later zwermden er wolken muskieten om, dag +en nacht door, met gonzen en steken. Eindelijk kwam weer de bijtende +koude, die alles tot steen deed verstarren en een fellen honger wekte +naar vleeschspijze. + +Maanden verliepen er, zonder dat Juliaan iemand zag. Dikwijls sloot +hij de oogen opdat de herinnering hem terug mocht voeren naar zijn +jeugd, en daar daagde het binnenhof van een kasteel. Hazewinden +lagen er te rusten op een bordes. Dienaren gingen af en aan door de +wapenzalen, en in de wingerddreef schreed een blonde knaap, tusschen +een in bont gehulden grijsaard en een edelvrouwe met groote huive; +eensklaps was daar niets meer, dan de twee lijken. Hij wierp zich plat +voorover op zijn leger, en bleef schreien: + +"Ach! arme vader! arme, arme moeder!" tot hij insliep. Maar de +doodsvisioenen duurden. + +In een nacht, toen hij zoo lag te slapen, meende hij iemand te hooren +roepen. Hij luisterde scherp, maar vernam niets meer dan het geloei +der golven. Maar dezelfde stem riep weer: "Juliaan!" Ze kwam van den +anderen oever, en dit bevreemdde hem te meer, daar de stroom zeer +breed was. + +En ten derden male riep men: "Juliaan". + +Het leek of er klokgelui doorklonk in die hooge stem. + +Nadat Juliaan zijn lantaarn ontstoken had, trad hij buiten de hut. De +nacht was één woedende orkaan. Zwaar hingen de duisternissen neer, +hier en daar door de onstuimigheid der wilde golven in flarden +verscheurd. + +Even weifelde Juliaan, toen knoopte hij het meertouw los. Dadelijk +werd het water rustig, de boot gleed er over en bereikte den anderen +oever. Daar wachtte een mensch. + +Hij was gehuld in een verrafeld linnen kleed. Zijn gelaat leek een +pleisteren dooden-masker, zijn oogen rooder dan vurige kolen. Toen +Juliaan de lantaarn naar hem ophief, zag hij dat een afzichtelijke +melaatschheid hem overdekte; toch lag er in zijn houding iets van de +waardigheid eens konings. Zoodra hij in de boot trad, zonk deze neer, +zóó diep alsof ze bezweek onder zijn zwaarte; een schok wierp haar +weer op, en Juliaan begon te roeien. + +Bij iederen slag met de riemen lichtte de branding den boeg omhoog. +Het inktzwarte water stuwde woest aan van beide oevers. Er groeven +zich afgronden, er stapelden zich bergen op. De sloep sprong er +overheen, en tuimelde dan weer weg in de diepten, waar ze, door den +storm gestuwd en gestooten, bleef omwervelen. + +Juliaan boog voorover, strekte de armen, en met de voeten zich +schragend, wierp hij zijn wringend lijf achteruit om meer kracht te +hebben. De hagel striemde hem de handen, de regen stroomde over zijn +rug, de wilde storm verstikte hem, en hij hield in. Toen werd de sloep +meegesleept door den stroom. Maar Juliaan begreep, dat het ging om +iets zeer gewichtigs, om een gebod waaraan hij niet weerstaan mocht, +en hij greep weer naar de riemen. Toen werd de groote stem van den +storm onderbroken door het geklapper der roeipinnen. Daar vóór hem +brandde het lantaarntje. Rondfladderende vogels deden het bijwijlen +schuil gaan. Maar de oogen van den Melaatsche wendden zich niet van +hem af, en hij zag hem staan, hoog opgericht bij den achtersteven, +roerloos als een zuil. + +En dit alles duurde zeer, zeer lang. + +Toen ze in de hut gekomen waren, sloot Juliaan de deur, en hij zag den +Melaatsche op het bankje zitten. De lijkwa die hem omhuld had, was +neergezakt tot op de heupen; en zijn schouders, zijn borst, zijn +magere armen waren overdekt met roven en zweren. Ontzaglijke rimpels +doorgroefden zijn voorhoofd. Op de plaats van den neus was, als in een +bekkeneel, een zwarte holte, en van zijn blauwige lippen ademde een +zware wan-riekende walm. + +"Ik heb honger", sprak hij. + +Juliaan bood hem, wat hij bezat: een stuk ranzig spek en korsten +roggebrood. + +Toen hij ze verorberd had, droegen tafel, nap, en het heft van zijn +mes, eendere plek-als zijn lichaam. + +En hij sprak: "Ik heb dorst". + +Juliaan haalde zijn kruik en toen hij ze opnam, steeg er een geur uit, +die zijn reuk en zijn hart streelde. Het was wijn; wat een vondst! +Maar de Melaatsche strekte den arm, en ledigde de kruik in één teug. + +Toen sprak hij: "Ik heb het koud!" + +Juliaan deed met zijn toorts, midden in de hut, een bos varens +aanvlammen. + +De Melaatsche kwam er zich bij warmen; en zooals hij daar zat, +neergehurkt op de hielen, huiverde hij over al zijn leden en scheen +zwakker en zwakker te worden. Zijn oogen schitterden niet meer, zijn +wonden etterden, en met bijna klanklooze stem fluisterde hij; "Je +bed". Hij sleepte zich er heen, Juliaan hielp hem zacht, en spreidde +zelfs, om hem onder te dekken, het zeil van zijn bark over hem heen. + +De Melaatsche steende. Zijn mondhoeken trokken weg en lieten de tanden +bloot. Een heftig gehijg schokte zijn borst, en bij iederen ademtocht +sloeg het onderlijf holler in, alsof het wegkromp naar de ruggegraat. + +Toen sloot hij de oogen. + +"Als ijs, als ijs zoo koud! Kom dichter bij me!" + +En Juliaan schoof het zeil weg, en legde zich dicht naast hem op de +dorre bladers, zijde aan zijde. + +De Melaatsche wendde het hoofd naar hem toe: "Ik wil de warmte van je +lichaam voelen,--trek je kleeren uit!" + +Juliaan ontkleedde zich en legde zich zoo weer op het leger, hij +voelde de huid van den Melaatsche tegen de zijne, killer dan die van +een slang en ruw als een rasp. + +Hij poogde hem moed in te spreken; en de andere antwoordde +hijgend:--"O, ik ga sterven! kom dan toch dichter bij me, verwarm +me dan toch. Neen, niet met je handen, met geheel je lichaam".--En +Juliaan legde zich lijdzaam neer, borst tegen borst met den +Melaatsche, aangezicht tegen aangezicht. + +En dit was het oogenblik dat de Melaatsche hem in de armen sloot; dat +zijn oogen plotseling begonnen te lichten als starren, dat zijn haren +neergolfden als zonnestralen; en zijn adem kreeg een geur van rozen. +Een wierookwolk wademde op uit den haard, de golven zongen, en een +overmaat van geluk, een bovenaardsche zaligheid, daalde als een +overvloeiende zegening in Juliaans zwijmelende ziel, en degene wiens +armen hem omstrengelden, werd aldoor grooter en grooter, raakte +met hoofd en voeten de beide wanden der hut. Het dak verzwond. Het +uitspansel ontrolde zich als een tente; en Juliaan steeg de blauwe +ruimten in, borst tegen borst, aangezicht tegen aangezicht met Jezus +onzen Heer, Die hem ten hemel droeg. + +En ziedaar de geschiedenis van Sint Juliaan den gastvrije, zooals men +ze vindt tennaastenbij op een kerkraam in mijn land. + + + + + +HERODIAS + + +I + +De citadel van Machaerous verhief zich ten oosten van de Doode Zee op +een kegelvormige bazalt-rots. Vier diepe dalen lagen er omheen, twee +bezijden, een er tegenover, het vierde aan den achterkant. De huizen, +opgestapeld aan haar voet, werden ingesloten door een ringmuur, die +met de oneffenheden van den grond meegolfde. + +Een weg, zig-zag uitgehouwen in de rots, verbond de stad met de +sterkte, wier muren honderd-twintig elleboogslengten hoog waren en +talrijke uitsprongen hadden, kanteelen langs hun rand, en hier en daar +ook torens: het starre lofwerk aan die kroon van steenen hangend boven +den afgrond. + +Het binnenste der citadel was een met zuilengangen versierd paleis, +bedekt met een platform, dat omgeven werd door een leuning van +sycomore-hout, en waar staken stonden opgericht om een velarium uit te +spannen. + +Op zekeren uchtend--de zon was nog niet opgegaan--kwam de viervorst +Hero-des-Antipas zich over de balustrade heenbuigen, en zag-uit. + +De bergen aan zijn voeten begonnen hun kam op te heffen uit de +schaduwen waarin hun logge gevaarten, tot in de diepte der afgronden +die ze scheidden, nog verhuld lagen. Nevels zwierven om, scheurden +open, en de omtrekken der Doode Zee werden zichtbaar. De dageraad +die achter Machaerous rees, verspreidde een roodigen schijn. Deze +verlichtte weldra den zandigen zeeoever, de heuvelen, de woestijn, +en in verder verschiet, de bergen van Judea met hun grillige grijze +glooiingen. + +Engaddi trok door het midden zijn zware zwarte lijn; Hebron in de +diepte rondde zich koepelvormig, Esquol droeg granaatboomen, Sorek +wijnstokken, Karmel sesamkruid, en het reusachtig blok van den toren +Antonia bestreek Jeruzalem. De Viervorst wendde den blik af om te +rechterzijde de palmen van Jericho te beschouwen; en hij peinsde +over de andere steden van Galilea: Capharnaüm, Endor, Nazareth, +Tiberias--waar hij waarschijnlijk nimmer meer komen zou. + +En almaar stroomde de Jordaan door de barre vlakte, die in haar witte +dorheid verblindend was als een sneeuwveld. Het meer scheen, in deze +stonde, van vloeiend lazuur; en aan zijn zuidelijke punt, naar de +richting van Yemen, werd Antipas gewaar, wat hij vreesde te zien: +Bruine tenten stonden daar verspreid, mannen met lansen schreden heen +en weer tusschen de paarden, en smeulende vuren twinkelden als vonken +laag tegen den grond. + +Het waren de troepen van den Arabischen koning, wiens dochter hij +verstooten had voor Herodias, de vrouw van een zijner broeders, die in +Italië woonde zonder te streven naar macht. + +Antipas wachtte hulp van de Romeinen, en hij werd door onrust +verteerd, omdat Vitellius, stedehouder in Syrië, nog steeds niet kwam +opdagen. + +Agrippa zou hem ongetwijfeld bij den keizer in ongenade hebben +gebracht. Philippus, zijn derde broeder, vorst van Batanéa, wapende +zich zeker in 't geheim. De Joden hadden genoeg van zijn afgodische +zeden, de anderen van zijn overheersching; zoodat hij weifelde +tusschen twee plannen: of de Arabieren tot vrede te stemmen, of een +verbond te sluiten met de Parthen; en, onder voorwendsel van zijn +geboortefeest te vieren, had hij voor dezen zelfden dag nog, de +aanvoerders van zijn troepen, al zijn rentmeesters en de oppersten van +Galilea, op een groot gastmaal genoodigd. + +Hij liet zijn blik spiedend weiden over de wegen: ze waren nog leeg. +Arenden vlogen boven zijn hoofd om: de soldaten langs de wallen +sliepen tegen den muur, en binnen het paleis bewoog niets. + +Maar eensklaps deed een verre stem, die uit de diepten der aarde +scheen te komen, den Viervorst verbleeken. Hij boog zich voorover om +te luisteren. De stem zweeg. + +Maar toen ze herbegon, klapte hij in de handen, en riep: + +"Mannaëi! Mannaëi!" + +Een man trad te voorschijn, naakt tot den gordel, zooals de masseurs +bij de baden. Hij was zeer groot, oud, uitgemergeld, en droeg op de +heup een korte kling in bronzen scheede. Zijn haardos door een +kam opgehouden verhoogde nog de gerektheid van zijn voorhoofd. +Slaperigheid verdoofde nu de kleur zijner oogen, maar zijn tanden +glinsterden. Zijn geheele gestalte had een aapachtige lenigheid, en +licht drukten zijn teenen den vloer. Zijn gelaat was ondoorgrondelijk +als dat eener mummie. + +--Waar is hij? vroeg de Viervorst. + +Mannaëi antwoordde, terwijl hij met den duim iets achter hen aanwees: +"Ginds! Altijd-door!" + +"Ik meende hem te hooren". + +En na een diepe ademhaling vroeg Antipas berichten over Jaokanann, +denzelfden dien de Latijnen Sint Joannes den Dooper noemen. Had men de +twee mannen nog weergezien, die men uit welwillendheid verleden maand +had toegelaten in zijn kerker? en wist men nu ten laatste, waartoe ze +gekomen waren? + +Mannaëi antwoordde: + +"Ze hebben geheimzinnige woorden gewisseld, zooals dieven doen, 's +avonds op den viersprong der wegen. Daarna zijn ze heengetogen naar +Noord-Galilea, aankondigend dat ze een groot nieuws zouden brengen." + +Antipas boog het hoofd. Toen als in angst: + +"Bewaak hem! bewaak hem! En laat niemand binnen. Sluit de deur goed! +Bedek den put! Men mag niet vermoeden dat hij leeft!" + +Zonder die bevelen ontvangen te hebben, had Mannaëi ze toch steeds +uitgevoerd, want Jaokanann was een Jood, en, zooals alle Samaritanen, +verfoeide hij de Joden. Hun tempel van Garizim door Mozes als hart +en middelpunt van Israël aangewezen, bestond niet meer sinds koning +Hyrcan, en die van Jeruzalem deed hen, als een blijvend en hoonend +onrecht, in wrok en woede leven. Mannaëi was er binnengedrongen om +er het outer met doodsbeenderen te schennen. Zijn gezellen, minder +behendig dan hij, waren onthoofd geworden. Hij zag op dit oogenblik +dien tempel, door de inzinking tusschen twee heuvels heen. De zon deed +de wit-marmeren muren weerglanzen, en de gouden platen van het dakwerk +schitterden. Het geleek een berg van licht, iets bovenaardsch, dat +alles overheerschte door zijn rijkdom en zijn trots. + +Toen strekte Mannaëi de armen uit naar Sion, en, hoog opgericht, het +gelaat geheven, de vuisten gebald wierp hij zijn vervloeking naar die +stad, wanend dat zijn woorden een werkelijke macht in zich hadden. + +Antipas hoorde het aan, en leek in 't minst niet geërgerd. + +Toen hervatte de Samaritaan: "Bij wijlen is hij onrustig. Hij zou dan +'t liefst willen ontvluchten, en hoopt op verlossing. Andere keeren +lijkt hij kalm als een ziek dier, en ook wel heb ik hem heen en weer +zien loopen in het donker, voor-zich-heen herhalend: "Wat deert het? +Hij moet grooter, maar ik kleiner worden." + +Antipas en Mannaëi zagen elkander aan. Maar de Viervorst was het moe +verder na te denken. + +Al die bergen om hem heen, opstapelingen gelijk van versteende golven, +de zwarte draaikolken langs de rotsige kusten, de eindeloosheid van +den blauwen hemel, het schelle glanzen van den dag, de diepte der +afgronden verbijsterden hem; en toen zijn oogen weiden gingen over +de woestijn, werd hij nog mistroostiger, bij het zien van die woest +doorwoelde gronden met hun bouwvallen van amphitheaters en paleizen. + +Op de heete windademen dreef een zwavelreuk aan, als een uitwaseming +van de vervloekte steden, die, dieper dan de oevervlakten, bedolven +liggen onder de zware wateren. + +Deze teekenen van een eeuwige gramschap joegen zijn gedachten +verschrikt op, en hij bleef met de ellebogen op de balustrade, het +hoofd in de handen, staroogend staan. + +Iemand raakte hem aan. + +Hij wendde zich om. + +Herodias stond daar. + +Een licht purperen samaar omhulde haar tot op de sandalen. + +Ze was overhaast uit haar kamer getreden en droeg noch parelsnoeren, +noch oorhangers; een vlecht van heur zwarte haren viel haar over den +arm op den boezem. Haar hoog opgetrokken neusvleugels trilden; de +vreugde van een triomf glansde over haar gelaat, en met forsche stem +begon ze, terwijl ze den arm van den Viervorst schudde: + +"Cesar is ons welgezind! Agrippa is gekerkerd!" + +"Wie heeft het u gezegd?" + +"Ik weet het!" + +En ze voegde erbij: + +"'t Is wijl hij het keizerschap wenschte voor Cajus." + +Hij die van hun aalmoezen leefde, had gestaan naar den koningstitel, +dien zij-zelve even begeerig najoegen als hij! + +Maar voortaan geen vrees meer! + +"De kerkers van Tiberius worden moeielijk ontsloten, en men is er niet +altijd zeker van zijn leven!" + +Antipas begreep haar, en hoewel zij Agrippa's zuster was, leek haar +wreedaardige bedoeling hem gerechtvaardigd. Die moorden volgden uit +den samenloop der dingen, en waren een noodlot van de Koningshuizen. +In dat van Herodes was hun aantal niet te tellen. + +Toen begon ze haar welgeslaagden toeleg uiteen te zetten; de +omgekochte cliënten, de gevonden brieven, de verspieders aan alle +deuren, en hoe ze erin geslaagd was Eutyches tot aanklacht te +verleiden. + +"Het viel me niet moeielijk, ik heb immers wel andere dingen gedaan +voor U? Verliet ik zelfs mijn dochter niet?" + +Na haar echtscheiding, hopend in haar huwelijk met den Viervorst wel +moeder te worden van andere kinderen, had ze dat dochtertje in Rome +gelaten. Ze sprak er nimmer over. + +Daarom zocht de Viervorst nu naar de beweegreden van die opwelling van +teederheid. + +Men had het velarium ontplooid en, gedienstig, groote kussens bij +gebracht. Herodias zonk er in neder, en weende met afgewend gelaat. +Toen streek ze met de hand over de oogleden, en zeide dat ze verder +niet meer eraan denken wilde; dat ze zich gelukkig voelde; en ze +herinnerde hem hun gesprekken ginds in het atrium, hun ontmoetingen +bij de baden, hun wandelingen langs den Via Sacra en in de groote +villa's des avonds bij het murmelen der fonteinen, terwijl ze uitzagen +onder de bloemenbogen door over de Romeinsche Campagna. En ze blikte +naar hem op als toen ter tijd, met streelerige gebaren zich vlijend +aan zijn borst. Hij stootte haar van zich af. De liefde, die zij +wilde doen herleven, was zoo verre thans. Al zijn rampen waren er uit +voortgekomen, want reeds twaalf jaar duurde de oorlog. De Viervorst +was er door verouderd. Zijn rug was gedoken in de donkere, paarsom +rande toga; zijn witte haren golfden samen met die van zijn grijzenden +baard, en de zon, die door den baldakijn drong, stortte een stroom van +licht over zijn wrevelend voorhoofd. Ook Herodias' voorhoofd zette +rimpels. Aangezicht tegenover aangezicht stonden ze, en in wrokkende +kwaadaardigheid maten ze elkander met den blik. + +Er begon beweging te komen op de bergpaden. Herders dreven ossen +voort, kinderen trokken ezels mee aan den toom, stalknechten leidden +hun paarden. Zij die afdaalden van de hoogten voorbij Machaerous, +verdwenen achter in den burcht, anderen togen door de rotsklove aan +den voorkant verder, en in de stad gekomen zetten ze hun pakken en +lasten op de binnenplaatsen neer. Dit waren de hofmeesters van den +Viervorst en knechten die de gasten voorafgingen. + +Doch daar trad plotseling aan den linkeropgang van het terras een +Esseër te voorschijn, geheel in 't wit gekleed, blootsvoets, en met +het uiterlijk van een Stoïcijn. Tegelijkertijd stortte Mannaëi, van +tegenovergestelde zijde uitschietend, zich met getrokken zwaard op hem. + +"Steek hem dood!" riep Herodias den beul toe. + +"Houd in!" beval de Viervorst. + +Manaëi bleef onbeweeglijk staan; de andere evenzoo. + +Toen trokken ze zich terug, achteruittredend, ieder langs een andere +trap, en zonder elkaar uit het oog te verliezen. + +"Ik ken hem!" zei Herodias, "zijn naam is Phanuel, en hij tracht tot +Jaokanann door te dringen, wiens leven door uw dwaasheid zoo veilig +bewaard blijft". + +Antipas wierp haar tegen, dat Jaokanann hun vandaag of morgen van +dienst zou kunnen zijn. Zijn aanvallen tegen Jeruzalem zouden de rest +der Joden tot hen doen overloopen. + +"Neen!" hernam zij. "Ze buigen zich onder alle meesters en zijn niet +in staat een eigen rijk te vormen!" En wat dengene betrof, die de +gemoederen in beweging bracht door een hoop op te wekken, die sinds +Nehemias voortleefde onder het Joodsche volk, was het niet 't meest +doeltreffend hem uit den weg te ruimen? + +Volstrekt geen haast had dit, volgens den Viervorst: Jaokanann +gevaarlijk! Komaan nu! en hij deed alsof hij erom lachen moest. +"Zwijg!" En zij herbegon het verhaal van de diepe vernedering, welke +ze ondergaan had, op den dag toen ze naar Galaäd was getogen voor den +balsem-oogst. + +Er waren aan de rivier menschen die zich herkleedden. Terzijde, op een +lagen heuvel, stond een man te spreken. Hij droeg een kemelshuid om +de lenden, en zijn hoofd leek op dat van een leeuw. "Van 't eerste +oogenblik dat hij me gewaar werd, wierp hij me alle vervloekingen der +profeten toe. Zijn oogen schoten vlammen, zijn stem huilde, hij hief +de armen als om den bliksem neer te halen. Geen mogelijkheid hem te +ontvluchten, de raderen van mijn wagen waren tot de assen in het zand +gezonken; en langzaam ging ik heen, me beschuttend met mijn mantel, +verbijsterd door zijn hoon, die op me viel als een stortvlaag." Zij +kon niet verder leven, zoolang Jaokanann bestond. Toen hij gevangen +werd genomen en met koorden gebonden, was den soldaten bevolen hem te +dooden, zoo hij zich verweren mocht; hij had zich zachtmoedig betoond. +Men had slangen in zijn kerker gezet; ze waren er doodgegaan. + +De nutteloosheid van die verraderlijke lagen bracht Herodias' geduld +ten einde. En daarenboven, waarom zijn strijd tegen haar? Welk belang +dreef hem aan? Zijn predikingen tot het volk hadden zich verspreid, +gingen van mond tot mond; alom hoorde zij ze fluisteren, ze vervulden +de lucht. Legioenen zou ze getrotseerd hebben. Maar deze macht, feller +dan een tweesnijdend zwaard, en die zich niet aangrijpen liet, ze +werkte geestverlammend. Bleek van woede, geen woorden meer vindend om +uit te stooten wat haar den adem benam, schreed ze heen en weer over +het terras. + +En tegelijkertijd kwelde haar de gedachte, dat de Viervorst wellicht +bezwijken zou voor des volks oordeel, en zoo ertoe gebracht worden +haar te verstooten. Dan ware alles verloren! Sinds haar kinderjaren +koesterde ze den droom van een groot keizerrijk. En om er toe te +geraken, had ze haar eersten gemaal verlaten, om zich met Antipas te +verbinden in wien ze zich bedrogen had, dacht ze. + +"Ik koos een hechten steun, toen ik in uw familie trad!" + +"Ze staat met de uwe gelijk!" zei de Viervorst kalm-weg. + +Herodias voelde in haar aderen het bloed koken van de priesters en +koningen, die haar voorvaders waren. + +"Maar uw grootvader veegde den tempel van Ascalon! De anderen waren +herders, roovers, karavaanleiders, een zwervende stam, schatplichtig +aan Judea sinds koning David! Al mijn voorvaders hebben de uwe +verslagen. De eerste der Makkabieten heeft u verjaagd van Hebron, +Hyrcan dwong u tot de besnijdenis!" Het was de patricische vrouw die +den peblejer haar verachting in 't aangezicht wierp, den haat van +Jacob tegen Edom. Ze verweet hem zijn gevoelloosheid voor smaad en +hoon, zijn lankmoedigheid jegens de Farizeërs die hem verrieden, zijn +lafheid jegens het volk dat haar haatte. + +"Ge zijt als zij, beken het! en ge betreurt het Arabische meisje dat +rondom steenen danst. Neem haar weer tot u! Keer tot haar weer in haar +linnen huis; verorber haar brood, dat onder de asch gebakken werd, +zwelg de gestremde melk van haar schapen! kus haar blauwe wangen! en +vergeet mij!" + +De Viervorst luisterde niet meer. Hij tuurde uit naar het platform van +een huis, waar zich een jong meisje bevond met een oude vrouw, die een +zonnescherm ophield aan een rieten stok zoo lang als de hengelroe van +een visscher. Midden op het vloer-tapijt stond een groote reismand met +open deksel. Gordels en sluiers, hangers en ketens van goud warden er +uit. Bij tusschenpoozen boog het meisje zich over die dingen heen om +ze uit te slaan in de open lucht. Ze was als een Romeinsche gekleed, +in een tunica die overplooid werd door een peplum, afgezet met akers +van smaragd. Blauwe banden omsloten haar kapsel, dat te zwaar leek, +want van tijd tot tijd bracht ze er de hand aan. De schaduw van het +zonnescherm bewoog zich boven haar, en verhulde haar ten deele. +Antipas onderscheidde twee of drie keeren de fijne lijnen van haar +hals, den winkel van haar oog, den hoek van een kleinen mond. En +geheel haar gestalte, van de heupen tot het hoofd, zag hij buigen en +zich oprichten met veerkrachtige bewegingen. Nog eenmaal wilde hij dat +gebaar zien, en terwijl hij het afwachtte, ging zijn adem zwaarder, en +zijn oogen schitterden. + +Herodias bespiedde hem. + +Hij vroeg: "Wie is dat?" Ze zeide er niets vanaf te weten, en ging, +plotseling gerustgesteld heen. Onder de zuilengangen werd de Viervorst +door Galileërs opgewacht, zijn griffier, den opzichter van den +veestapel, den rentmeester der zoutpannen, en een Babylonischen Jood +die het bevel voerde over zijn ruiters. Hij werd met gejuich begroet, +maar wendde zich af, heenschrijdend in de richting, der binnenzalen. + +Phanuel dook op uit een hoek in een der gangen. + +"Wat! nog hier? Ge komt zeker voor Jaokanann?" + +"En voor U! ik moet U iets gewichtigs mededeelen." + +En, zonder Antipas meer te verlaten, drong hij achter hem aan een +duisterig vertrek binnen. + +Het licht viel door tralies, die, onder de kroonlijst, den geheelen +lengtekant innamen. De muren waren beschilderd in granaat-tint, op +zwart af. In de kamerdiepte stond een ebbenhouten bed, welks ligmat +uit riemen van ossenleder was gevlochten. + +Er boven hing een gouden beukelaar, die glansde als een zon. Antipas +ging dwars de zaal door en strekte zich uit op het bed. + +Phanuel bleef opgericht staan. Hij hief den arm en sprak, als in +bezieling: + +"De Allerhoogste zendt bijwijlen een zijner zonen. Jaokanann is een +van hen. Indien gij hem verdrukt, zult ge gestraft worden." + +"Ik word door hém vervolgd!" riep Antipas uit. "Hij heeft van mij het +onmogelijke gevergd! Sinds dat oogenblik kwelt hij me. En waarlijk, ik +was niet hardvochtig in den beginne. Zelfs van Machaerous zendt hij +mannen uit, die mijn provincies in beroering brengen. Vloek over zijn +bestaan! Ik verweer me, waar hij me aanrandt!" + +"Wat geeft het, al moge zijn gramschap te heftig zijn? Ge moet hem +vrijlaten." + +"Men laat geen dolle beesten los!" zei de Viervorst. + +De Esseër antwoordde: "Verontrust u niet! Hij zal naar de Arabieren +gaan, naar de Galliërs of de Scythen. Zijn arbeid moet zich +uitstrekken tot des aardrijks einden!" + +Antipas scheen verloren in een droomgezicht. "Wel groot is zijn +macht!... ondanks me-zelf, heb ik hem lief." + +"Welnu dan, laat hem!" + +De Viervorst schudde het hoofd. Hij was bang voor Herodias, voor +Mannaëi, en voor den onbekende. + +Phanuel trachtte hem te overtuigen, door hem, ten rugsteun voor +zijn plannen, de onderwerping der Esseërs aan de koningen voor te +spiegelen. + +Men had ontzag voor die mannen, arm aan aardsche goederen, die in ruw +linnen gekleed gingen, door lijfstraffen niet te buigen waren en die +de toekomst lazen uit de sterren. + +Antipas herinnerde zich daar het woord van straks. + +"En welk nu is het gewichtig nieuws, dat ge me zoudt mededeelen?" + +Op hetzelfde oogenblik trad een neger het vertrek binnen. Zijn lichaam +was wit bestoven. Hij hijgde schor en kon niets anders uitbrengen, +dan: + +"Vitellius!" + +"Wat? Komt Vitellius?" "Ik heb hem gezien. Vóór het derde middaguur is +hij hier." + +Het was alsof een windvlaag door zalen en gangen toog en de +voorhangsels in beweging bracht. Een luid gerucht vulde het paleis, +geraas van af- en aandravende lieden, van versleepte meubelen, van +ineen-rinkelende stapels zilverwerk, en hoog van de torens schalden de +bazuinen, om de verspreide slaven te waarschuwen. + + + + +II + + +De wallen wemelden van menschen, toen Vitellius op het binnenplein +kwam. Hij steunde op den arm van zijn tolk. Een groote roode +draagstoel, met pluimen en spiegels versierd, volgde hem. Hij droeg +de toga-laticlava en de sandalen der consuls en werd door bijldragers +omgeven. Ze zetten hun roeden-bundels tegen de poort, twaalf door +een riem saamgehouden staven, met een bijl in 't midden. En allen +sidderden voor de majesteit van het Romeinsche volk. + +De draagstoel, die door acht mannen gehanteerd werd, stond stil. Een +zwaarlijvige jongeman steeg er uit, het gelaat vol puisten en de +vingers vol paarlen. Hem werd een drinkschaal met wijn en aroma's +aangeboden. Na ze geledigd te hebben, vroeg hij er nog eene. + +De Viervorst had zich aan de knieën van den Proconsul neergeworpen, +bejammerend, naar hij zeide, niet vroeger de gunst van zijn komst te +hebben vernomen, anders zou hij zich beijverd hebben dat er op de +wegen alles geweest ware, wat een Vitellius toekwam! Het geslacht +Vitellius immers stamde af van de godin Vitellia. Een weg, die van den +Janiculus naar zee leidde, droeg nog hun naam. Ontelbare keeren +was aan de hunnen het quaestor-schap of het consulaat toevertrouwd +geweest; en wat Lucius aanging, die thans zijn gast was, hem was men +grooten dank verschuldigd als overwinnaar der Cliten, en als vader van +den jongen Aulus, die hier in zijn eigen rijk scheen terug te keeren: +want was het Oosten niet het vaderland der goden? + +Deze hyperbolen werden in 't Latijn uitgesproken. Vitellius hoorde ze +onbewogen aan. Hij antwoordde dat Herodes de Groote volstond voor den +roem eener natie. Hem hadden de Atheners het oppertoezicht gegeven +over de Olympische spelen. Tempels had hij gebouwd, Augustus ter eere, +geduldig, vindingrijk en onverzettelijk was hij geweest, en altijd den +Cesar getrouw. + +Tusschen de zuilen met koperen kapiteelen zag men Herodias te +voorschijn treden, fier als een keizerin, te midden harer vrouwen en +eunuchen, die op vergulde schotels brandende reukwerken droegen. + +De Proconsul trad haar drie schreden te gemoet, en toen hij haar met +een hoofdbuiging begroet had, riep zij uit: + +"Welk een geluk, dat het Agrippa, den vijand van Tiberius, voortaan +onmogelijk is, kwaad te stichten!" + +Vitellius wist niets van het gebeurde, en het leek hem gevaarlijk. +Toen Antipas onder eeden begon te verzekeren, alles voor den Keizer +veil te hebben, voegde Vitellius er aan toe: + +"Zelfs ten koste van anderen?" Hij, Vitellius, had eens losgeld geïnd +van den koning der Parthen, en de Keizer dacht er niet verder aan. +Maar Antipas, die met hem aan een zelfde vergadering deelnam, begon er +dadelijk ruchtbaarheid aan te geven. Vandaar een diepe wrok, en het +getalm met den bijstand. + +De Viervorst stotterde iets. Maar Aulus kwam er lachend tusschen: + +"Wees maar bedaard, ik zal je beschermen!" + +De Proconsul deed, alsof hij 't niet hoorde. + +Het welslagen des vaders hing af van de verdorvenheid van den zoon; en +die bloem van Capri's slijk gaf hem zulke aanzienlijke voordeelen, dat +hij haar met zorgen omringde, hoe hij haar overigens ook wantrouwde om +haar vergiftigheid. + +Er ontstond gedruisch bij de poort. Men leidde een rij witte +muildieren binnen, waarop mannen zaten in priestergewaad. Het waren +Sadduceërs en Farizeërs, die door eenzelfde eerzucht naar Machaerous +gedreven werden, de eersten om de waardigheid van offerpriester te +erlangen, de anderen om die waardigheid te behouden. Hun gelaat stond +somber, vooral dat der Farizeërs, want ze waren Rome en den Viervorst +zeer vijandig gezind. De slippen van hun opperkleed hinderden hen +in het gedrang, en de tiara waggelde hun op het voorhoofd, boven de +perkamenten letterbanden. + +Bijna tegelijkertijd kwamen de soldaten der voorhoede aanrukken. Ze +hadden hun schilden, om ze te beschutten tegen het stof, in hoezen +gehuld. + +Achter hen volgde Marcellus, luitenant van den Proconsul, met +verschillende tollenaars die houten schrijftabula's onder den arm +droegen. Antipas noemde de voornaamsten zijner hofhouding: Tolmaï, +Kanthera, Sehon, Amonius van Alexandrië, die aardpek voor hem +aankocht, Naâman, hoofdman zijner lichte troepen, Jacim den +Babyloniër. + +Vitellius had Mannaeï opgemerkt. + +"Wie is die man?" + +De Viervorst gaf door een gebaar te kennen, dat het de beul was. + +Toen stelde hij de Sadduceërs voor. + +Jonathas, klein van gestalte en los van beweging, smeekte den +meester, in 't Grieksch, hen in Jeruzalem met een bezoek te vereeren. +Waarschijnlijk zou Vitellius aan die bede gehoor geven. + +Eleazar met zijn krommen neus en zijn langen baard, eischte voor de +Farizeërs den mantel van den Hoogepriester op, dien het burgerlijk +bestuur binnen den toren Antonia in beslag hield. + +Vervolgens klaagden de Galileërs Pontius-Pilatus aan. Om wille van een +bezetene, die Davids gouden kannen zocht in een hol dicht bij Samaria, +had hij verscheidene landslieden gedood. Ze spraken allen gelijk, +Mannaeï nog heftiger dan de anderen. Vitellius verzekerde dat de +misdadigers zouden gestraft worden. + +Er ging geschreeuw op bij een poortnis, waar de soldaten hun schilden +hadden opgehangen. De hoezen waren losgeraakt, en men zag op de +schildknoppen Cesars beeltenis. + +Voor de Joden was dit afgoderij. + +Antipas sprak hun toe. En, van zijn verhoogden zetel tusschen de +zuilen, zag Vitellius verwonderd hun gramstorigheid aan. Wel had +Tiberius gelijk gehad, vierhonderd van dezen naar Sardinië te +verbannen! Maar in hun eigen land waren ze machtig, en hij gaf bevel +de schilden weg te nemen. + +Toen drongen ze om den Proconsul heen, rechtvaardiging afsmeekend, +privileges en giften. Dringend en duwend scheurden ze elkaar de +kleederen van 't lijf, en om ruimte te maken, stonden slaven met hun +stokken naar rechts en links te slaan. Zij, die het dichtst bij de +poort stonden, werden langs het voetpad teruggedrongen, anderen kwamen +dat pad opklimmen, en moesten wijken; twee stroomen stuwden tegen +elkaar in, en die ontzaglijke menschenmenigte saamgehoopt binnen de +omwalling, deinde als een woelige zee heen en weer. + +Vitellius vroeg waarvandaan die toevloed van menschen. + +Toen verklaarde Antipas hem de oorzaak: zijn geboortefeest. En hij +wees de lieden aan, een groot aantal van zijn dienaren, die, over de +borstwering heengebogen, reusachtige manden ophaalden, gevuld met +vruchten en groenten, met antilopen, reigers en groote azuurkleurige +visschen met druiven, meloenen en tot pyramiden opgetaste +granaatappels. + +Aulus kon het niet lijdelijk meer aanzien. Hij haastte zich naar de +keukens, gedreven door die gulzigheid, waardoor hij eenmaal de wereld +zou verbazen. + +Langs een der kelders gaande zag hij vleeschketels, die wel pantsers +geleken. Ook Vitellius kwam er naar kijken; en hij gebood, dat men hem +de krochten van het fort zou ontsluiten. + +Ze waren hoog gewelfd in de rots uitgehouwen, en werden van afstand +tot afstand door pijlers geschraagd. + +De eerste bevatte oude harnassen, maar de tweede was overvol van +speren, die dreigend haar punt uit een bos van pluimen opstaken. De +muren der derde schenen wel met rietmatten bedekt, zooveel pijlen +hingen er loodrecht naast elkaar. Lemmers van kromzwaarden verborgen +de wanden der vierde krocht. In het midden der vijfde leek een leger +van roode slangen te kruipen: het waren lange rijen helmen met kammen +van scharlaat. + +In de zesde: niets dan pijlenkokers, in de zevende beenplaten, in de +achtste armstukken, in de vele die nog volgden: gaffels, enterhaken, +ladders en touwwerk, tot staken voor catapulten, tot rinkelbellen voor +het borsttuig der dromedarissen toe. + +Wijl de berg naar zijn voet zich steeds verbreedde, en in zijn +binnenste uitgehold was als een bijenkorf, bevonden er zich onder deze +vertrekken weer andere, talrijker en nog dieper. + +Vitellius, Phineus zijn tolk, en Sisenna hoofd der tollenaars, +doorschreden ze bij het licht der door eunuchen gedragen flambouwen. +Uit het duister doemden de afgrijselijkste dingen op die de barbaren +ooit uitvonden; knotsen met stekels van spijker-punten, werpschichten +die vergift in de wonden brachten, tangen gruwbaar als de muil van +krokodillen, kortom: de Viervorst bezat binnen Machaerous oorlogstuig +voor wel veertig-duizend manschappen. + +Hij had dat verzameld met het oog op een verbond tusschen zijn +vijanden. Maar de Proconsul zou kunnen meenen, of zeggen, dat het +dienen moest om de Romeinen te bestrijden, en daarom zocht Antipas +verklaringen te geven: + +Het behoorde hem niet toe; veel ervan diende tot verweer tegen de +rooverbenden; daarenboven was er zoo iets noodig tegen de Arabieren, +of wel: dit alles was het bezit geweest van zijn vader. En, in plaats +van achter den Consul aan te schrijden, ging hij hem met haastige +stappen voor. Toen bleef hij staan tegen een muur, wel zorgend ze te +bedekken met zijn toga, de ellebogen ver van 't lichaam af. Maar de +kroonlijst van een deur stak boven zijn hoofd uit. Vitellius werd dat +gewaar en wilde weten wat die deur verborg. + +Alleen de Babyloniër kon haar openen. + +"Roep den Babyloniër." + +Men wachtte. + +Zijn vader was zich, met vijfhonderd ruiters, van den oever van den +Euphraat, bij Herodes den Grooten komen aanbieden, om de oostergrenzen +te verdedigen. Na de verdeeling van het rijk was Jacim bij Philippus +gebleven, en thans diende hij Antipas, Hij trad voor met een boog over +den schouder, een zweep in de hand. Bonte koorden waren vast om zijn +verwrongen beenen gesnoerd. Zijn zware armen staken uit een overkleed +zonder mouwen, een muts van dierenpels overschaduwde zijn gelaat met +den in ringen gekrulden baard. + +In 't begin veinsde hij den tolk niet te verstaan. Maar Vitellius +wierp een scherpen blik op Antipas, die het bevel onmiddellijk +herhaalde. + +Toen duwde Jacim zijn beide handen tegen de deur, en ze gleed weg in +den muur. + +Een warme wadem sloeg hun uit de duisternissen tegen. + +Met breede bochten daalde daar een weg omlaag. Ze volgden dien en +kwamen op den drempel eener grot, die veel grooter was dan de andere +krochten. + +Achter de boog-opening in de verste diepte lag de afgrond, die aan +deze zijde de citadel tot verdediging strekte. Een kamperfoeliestruik +die zich vasthechtte aan het gewelf liet zijn bloemen in het volle +licht neertrossen. Langs den grond liep een ijle water-ader, lichtend +en murmelend. + +Witte paarden stonden daar. Het waren er wel honderd. Ze aten gerst +van een plank, die ter hoogte van hun bek was aangebracht. Hun manen +waren blauw geschilderd, en de hoeven staken in wanten van fijn +vlechtwerk. Tusschen de ooren bolde als een pruik een bos van hun +blesharen op. Met den zeer langen staart sloegen ze zich streelerig +langs de kniebogen. + +De Proconsul was stil van bewondering. + +Het waren wonderschoone dieren, lenig als slangen, licht als vogels. +Ze vlogen weg met de pijlen van hun berijder, wierpen den vijand omver +en beten hem in het onderlijf, vonden zonder struikelen een uitweg +tusschen de rotsblokken, sprongen over afgronden heen, en hielden heel +den dag hun dollen draf door de vlakten vol; één woord echter deed hen +stilstaan. Toen Jacim binnentrad kwamen ze naar hem toe, als schapen +naar hun herder; ze strekten den hals en zagen hem met hun kinderoogen +onrustig aan. Uit gewoonte stiet hij diep uit zijn keel een rauwen +schreeuw uit, die hen ineens opmonterde. Ze steigerden ongeduldig, +hunkerend naar ruimte, en smachtend om weg te rennen. + +Alleen uit vrees dat Vitellius hem er van berooven zou, had Antipas ze +gevangen gezet in deze grot, die uitsluitend diende tot berging van +dieren in tijd van oorlog. + +"'t Is een slechte stalling hier," zei de Proconsul, "en ge loopt +gevaar dat ze omkomen! Maak de schatting op, Sisenna". + +De tollenaar haalde het schrijfplankje uit zijn gordel, telde de +paarden en schreef ze in. + +Het was de gewoonte der belastinggaarders de landvoogden ertoe te +brengen hun gewesten uit te plunderen. Deze snuffelde overal met zijn +wezel-snuit, en zijn oogleden knipten. + +Eindelijk steeg men weer terug naar het binnenplein. + +Ronde bronzen platen midden in het plaveisel bedekten van afstand tot +afstand de putten. Sisenna bekeek een dezer deksels nauwlettender dan +de andere, het was grooter en gaf een doffen klank onder zijn +voeten. Nog eens ging hij de overige bekloppen één voor één, en toen +schreeuwde hij, trappelend van blijdschap: + +"Gevonden! Hier zit hij, de schat van Herodes!" + +Het zoeken naar dien schat was een dwaze hartstocht onder de Romeinen. + +De Viervorst zwoer, dat er geen schatten bestonden. + +"Ondertusschen, wat zit hier dan verborgen?" + +"Niemendal! een man, een gevangene." + +"Laat zien!" zei Vitellius. + +De Viervorst gehoorzaamde niet. De Joden behoefden zijn geheim niet te +weten. Zijn weerzinnig gedraai om dat deksel te openen, deed Vitellius +ongeduldig worden. + +"Sla het in!" riep hij den bijldragers toe. + +Mannaeï had geraden waarover ze 't hadden. Toen hij een bijl zag, +meende hij dat ze Jaokanann gingen onthoofden; en hij weerhield den +lictor bij den eersten slag op de plaat, stak behoedzaam een soort van +haak tusschen haar rand en het plaveisel, en zijn lange magere armen +strammend lichtte hij haar langzaam op. Ze wentelde weg; allen +bewonderden de kracht van dien grijsaard. + +Onder dat met hout betimmerd deksel was een valluik van gelijke +afmetingen. Een vuistslag deed het openklappen; toen zag men een +reusachtigen hollen koker, waarin zich een trap zonder leuning +wentelde. Zij, die zich over den rand heenbogen, onderscheidden in de +diepte iets vaags en verschrikkelijks. + +Een menschelijk wezen lag op den grond uitgestrekt, geheel verborgen +in zijn eigen lang haar, dat zich warde in de harige dierenvacht die +zijn lenden dekte. Hij richtte zich op, en zijn voorhoofd stootte +tegen den rooster die daar plat lag ingemetseld. Van tijd tot tijd +verdween hij weer in de diepte van zijn hol. + +De zon weerglansde in de punten der tiara's, in de gevesten der +zwaarden, en gloeide over de vloertegels. Van de dakranden vlogen +duiven op die dansten en duizelden boven het binnenplein, 't Was het +uur waarin Mannaeï gewoon was graankorrels voor haar te strooien. Hij +zat neergehurkt voor den Viervorst, die naast Vitellius stond. De +Galileërs, de priesters, de soldaten vormden een kring achter hen; +allen zwegen in angstige afwachting van wat komen zou. + +Eerst was het een diepe zucht, door een holle stem uitgestooten. + +Herodias hoorde dat zuchten aan het ander einde van het paleis. +Aangetrokken door een macht sterker dan zij-zelve, drong ze door de +menigte heen, en voorovergebogen, met de hand op Mannaeï's schouder, +luisterde ze toe. + +De stem verhief zich: + +"Vloek over u, Farizeërs en Sadduceërs, gij, adderengebroed, gezwollen +wijnzakken, holklinkende cymbalen!" + +Men had Jaokanann herkend. Zijn naam ging van mond tot mond. Vele +anderen kwamen toeloopen. + +"Vloek over U, o volk! en over de verraders van Judea, over de +dronkenen van Ephraïm, over hen die in het vette dal wonen en die +waggelen door den geest van den wijn! "Dat ze verspreid worden +als stroomend water, als de slak die smelt waar ze kruipt, als de +misgeboorte eener vrouw die geen daglicht ziet. + +"Gij, Moab, ge zult u moeten verschuilen in de cypressen als de +trekvogels, als de springmuizen in de holen. Lichter dan notenschalen +zullen de poorten der sterkten verbrijzeld worden, de muren zullen +instorten, de steden in vlammen opgaan, en de geeselroede van den +Eeuwige zal niet ophouden. Als de wol in de kuip van den verver, zoo +zal Hij uwe ledematen spoelen in uw bloed. Als een nieuwe egge zal +Hij u verscheuren; over de bergen zal Hij de flarden van uw vleesch +uitstrooien!" + +Van welken veroveraar sprak hij? Was het Vitellius? De Romeinen +alleen konden zulk eene verdelging aanrichten. Klachten werden +geslaakt:--"Genoeg! genoeg! doe hem ophouden!" + +Maar nog luider ging hij voort: + +"Naast het lijk hunner moeders zullen de kleine kinderen door de asch +kruipen. In den nacht zal men brood gaan zoeken tusschen de puinen, +zich blootgevend aan de dolken. + +"Jakhalzen zullen elkaar de doodsknekels betwisten op de pleinen waar +de grijsaards saamkwamen tot den avondkout. Aan der vreemdelingen +gastmaal zullen uwe dochters op de luit spelen, en haar tranen +drinken. De kloeksten uwer zonen zullen den rug bukken, gekneusd onder +al te zware vrachten!" + +Voor de oogen van het volk doemden de dagen der ballingschap weer op, +alle rampen hunner geschiedenis. + +Het waren de woorden der oude Profeten. Jaokanann zond ze, het een na +het andere, over hen als harde slagen. + +Maar de stem werd zachter, welluidender en zangerig. Hij boodschapte +een verlossing, glanzende verheerlijking aan het uitspansel, den +nieuw-geborene die een arm stak in het hol van den draak, goud voor +leem, de woestijn openbloeiend als een roos. + +"En wat nu zestig sikkels waard is, zal geen obool meer kosten. +Melkbronnen zullen uit de rotsen vloeien; in de wijnpersen zal men +zich verzadigd te slapen leggen! Wanneer komt gij, gij die de hope +zijt van mijn hart? Reeds knielen alle volkeren, en uw heerschappij +duurt in eeuwigheid, Zoon van David!" + +De Viervorst deinsde verschrikt terug, het bestaan van een Zoon +Davids bedreigde hem als een smaad. Jaokanann tastte hem aan in zijn +koningschap. + +"Geen andere Koning bestaat er dan Hij, die eeuwig is! en met uw +tuinen, met uw standbeelden, met uw meubels van ivoor, zal het u +vergaan als den goddeloozen Achab!" + +Antipas rukte het koord stuk van het zegel op zijn borst, en wierp het +in den put, zwijgen gebiedend. + +De stem antwoordde: + +"Als een beer zal ik roepen, als een woudezel, als een vrouw in +barensnood! + +"Reeds treft de straffe uw bloedschande. God straft met +onvruchtbaarheid den bastaard." + +Gelach ging er op, dat geleek op gekabbel van water tegen den +oeverrand. + +Vitellius bleef halsstarrig staan. Onbewogen herhaalde de tolk, in de +taal der Romeinen, al de hoon-schreeuwen, die Jaokanann in zijn eigen +taal uitstootte. De Viervorst en Herodias waren genoodzaakt ze twee +keeren aan te hooren. Zijn borst zwoegde, terwijl zij staroogend bleef +neerzien naar de diepte van den put. + +De verschrikkelijke man wierp het hoofd achterover, en de tralies +vastgrijpend, hief hij het vlakke gelaat tegen den rooster, het geleek +een warrige ruigte, waarin twee vurige kolen gloeiden. + +"Ha! zijt gij het, Jezabel! Ge hebt zijn hart u toegeëigend met het +gekraak uwer schoenzolen. Als een merrie hebt ge gehinnikt. Uwe +legerstede spreidet ge op de bergen, om uw offeranden te volbrengen. +Afrukken zal de Heer u uwe oorhangers, uwe purperen gewaden, uw linnen +sluiers, de gouden banden uwer armen, de ringen uwer voeten, de kleine +gouden maansikkels die op uw voorhoofd trillen, uw zilveren spiegels, +uw waaiers van struisvederen, de parelmoeren zolen die uw gestalte +verhoogen, den pronk uwer edelsteenen, het reukwerk van uw haren, +de beschildering uwer nagels, al de kunstige verzinsels uwer +weelderigheid, en keien zullen er niet genoeg gevonden worden om de +echtbreukige te steenigen!" + +Haar blik zocht-om naar hulpe. De Farizeërs sloegen huichelachtig de +oogen neer. De Sadduceërs, die vreesden den Pronconsul te beleedigen, +wendden het hoofd af. Antipas scheen den dood nabij. De stem werd +sterker, zette zich uit, bulderde als het geweld van den donder, en +door de echo der bergen weergalmd, deed ze Machaerous in haar telkens +herhaalde uitbarstingen op zijn grondvesten schudden. + +"Strek u uit in het stof, dochter van Babylon! Laat koren tot meel +malen! Maak uw schoenen los, schort uw kleeren op, en doorwaad de +stroomen! uw smaad zal aan den dag komen! uw snikken zullen u de +tanden verbrijzelen. De Eeuwige verafschuwt de walg uwer misdaden! +Vervloekte! vervloekte! Kom om als een hond!" + +Het luik viel toe, het deksel sloot zich. Manaeï zou Jaokanann willen +verworgen. + +Herodias verdween. De Farizeërs waren geërgerd. In hun midden stond +Antipas zich te verdedigen. + +"Ongetwijfeld", begon Cleazar, "men moet zijn broeders vrouw huwen, +maar Herodias was geen weduwe, en had daarenboven een kind,--daarin is +de schande!" + +"Dwaling! dwaling!" wierp de Sadduceër Jonathas er tegen in. "De wet +veroordeelt dergelijke huwelijken, zonder ze met duidelijke termen te +verbieden." + +"Het doet er niet toe! Men oordeelt over mij zeer onrechtvaardig," zei +Antipas. + +Aulus die geslapen had, kwam op dit oogenblik ook naderschrijden. Toen +hij van de zaak op de hoogte was gesteld, viel hij den Viervorst bij. +Over dergelijke dwaasheden moest men geen drukte maken, en hij lachte +luid over den hoon der priesters en den toorn van Jaokanann. + +Herodias, die midden op het terras stond, keerde zich tot hem. + +"Ge hebt ongelijk, Heer! Hij gebiedt het volk de belasting te +weigeren!" + +"Is dat waar?" vroeg toen de tollenaar dadelijk. + +De antwoorden waren eenstemmig bevestigend. De Viervorst bekrachtigde +ze. + +Vitellius meende, dat de gevangene wel eens kon ontsnappen; en daar +het gedrag van Antipas hem onbetrouwbaar toescheen, zette hij wachten +uit bij de poorten en langs de muren van het binnenplein. + +Toen ging hij naar zijn vertrekken. De afgevaardigden der priesters +vergezelden hem, en zonder de vraag van de offer-waardigheid aan te +roeren, legde ieder zijn grieven bloot. + +Ze verveelden hem allen te saam. Hij zond ze weg. + +Toen Jonathas hem verliet, zag hij op de borstwering, tusschen twee +kanteelen door, Antipas in gesprek met een man, die het haar lang +droeg en in het wit gekleed ging, een Esseër, en hij had spijt den +Viervorst te hebben verdedigd. + +De Viervorst had zich met de gedachte getroost, dat Jaokanann nu niet +meer van hém afhing: de Romeinen hadden zich met hem belast! wat een +verlichting! + +Juist toen had hij Phanuel over den omgang der wallen zien drentelen. +Hij riep hem, en zeide, terwijl hij naar de soldaten wees: + +"Zij daar hebben de macht, ik kan hem niet loslaten! 't Is mijn schuld +niet!" + +Het binnenplein was ledig. + +De slaven lagen te rusten. Tegen het avond-rood, dat de kim in vlammen +deed oplaaien, teekenden de kleinste rechtstandige voorwerpen zich +zwart af. Antipas onderscheidde de zoutpannen aan de overzijde der +Doode Zee, maar de tenten der Arabieren zag hij niet meer. Waren ze +wellicht heengetogen? + +De maan ging op. Rust daalde in zijn hart. + +Phanuel bleef neerslachtig staan, met de kin op de borst. Eindelijk +uitte hij, wat hem op het het hart lag: + +Sinds het begin der maand bestudeerde hij, vóór den dageraad, het +uitspansel wijl het sterrenbeeld van Perseus het zenith had bereikt. +Agalah was nauwelijks te onderscheiden, Algol flikkerde zwakker, +Mira-Coeti was verdwenen; hieruit las hij den dood van een man van +beteekenis, dezen nacht nog, en binnen Machaerous. + +"Wie zou dat kunnen zijn? Vitellius werd te goed bewaakt. Jaokanann +zou men niet ter dood brengen. + +"Aldus ben ik het zelf!" dacht de Viervorst. + +Zouden de Arabieren misschien weerkeeren? De Proconsul zou zijn +betrekkingen met de Parthen kunnen ontdekken! Of sluipmoordenaars +uit Jeruzalem waren wellicht met de priesters meegekomen; ze droegen +dolken onder hun kleeren; de Viervorst twijfelde niet aan Phanuels +kunde. + +Het viel hem in zijn toevlucht te zoeken bij Herodias. Toch haatte hij +haar. Maar ze zou hem moed inspreken, en de tooverbanden waarin ze hem +vroeger verstrikt had waren nog niet alle gebroken! Myrrhe rookte er +in een kom van porfier toen hij haar kamer binnentrad, en poeders, +zalven, wolken van luchtige weefsels, ragfijne borduursels lichter dan +veeren, lagen er verspreid. + +Hij zei niets van Phanuels voorzegging, noch van zijn vrees voor de +Joden of de Arabieren: een lafaard zou ze hem noemen! + +Alleen over de Romeinen sprak hij; Vitellius had hem niets +toevertrouwd van zijn krijgs-plannen. Hij veronderstelde dat hij met +Cajus bevriend was, die op zijn beurt weer omgang had met Agrippa; +en hij, Antipas, zou in ballingschap worden gezonden, waar ze hem +misschien zouden verwurgen. + +Herodias trachtte hem met kleinachtende welwillendheid gerust te +stellen. Eindelijk haalde ze uit een kistje een vreemdsoortige +medaille, die den beeldenaar van Tiberius droeg. Dat volstond om de +lictoren te doen verbleeken, en de aanklachten te smoren. + +Ontroerd van dankbaarheid vroeg Antipas haar, hoe ze dien talisman +verworven had. + +"Hij werd me gegeven!" hernam ze. + +Onder een voorhang, vlak tegenover hen, strekte zich een arm uit, een +jeugdige arm, bekoorlijk en zoo schoon alsof Polycletus zelf hem uit +ivoor gerond had. Met een wat linksch maar toch bevallig gebaar, +wiekte die arm in de lucht, om een tunica te grijpen, welke op een +bankje was blijven liggen. + +Een oude vrouw gaf ze zachtjes over, den voorhang terzijde schuivend. + +De Viervorst had een vage herinnering, aan iets dat hij zich niet +omschrijven kon. + +"Is dat eene van uw slavinnen?" + +"Wat kan u dat schelen?" antwoordde Herodias. + + + + +III + + +De gasten vulden de feestzaal. + +Ze had, als een basiliek, drie beuken die door zuilen van algumimhout +met gebeeldhouwde bronzen kapiteelen gescheiden werden. Ze schraagden +twee open galerijen, en een derde van gouden filigraan rondde +zich achter in de zaal-diepte, recht tegenover een reusachtige +wulfsel-poort, open in den voorwand. + +Op de tafels, die door de geheele lengte van het middenschip stonden +aaneengerijd, brandden de luchters als kleine bosschen van vuur, +midden tusschen de beschilderde aarden schalen en de koperen schotels, +de sneeuw-blokken en de opgetaste druiven. Maar onder het hooge gewelf +zweemde die roode klaarte langzaam in schemers weg, en lichtpunten +tintelden daar, als des nachts de sterren door takken heen. Door den +boog van het wijd-open poortvak kon men de toortsen zien vlammen op de +huis-terrassen,--want Antipas onthaalde zijn volk, en allen die zich +aangemeld hadden. Slaven, geschoeid met vilten sandalen, liepen rap +als honden om, en droegen de schotels. + +De tafel van den Proconsul stond onder de vergulde galerij, op een +verhevenheid van sycomore-planken, Babylonische tapijten omsloten haar +als met een tente. + +Vitellius, diens zoon en Antipas namen de drie ivoren ligbedden in, +die daar opgesteld stonden, één recht in 't midden, met de twee andere +terzijde; de Proconsul lag links, dicht bij de deur, Aulus aan den +rechterkant, de Viervorst op het middelste. + +Hij was gehuld in een zwaren zwarten mantel, welks weefsel geheel +schuil ging onder kleurige ophechtsels. Hij droeg den baard +waaiervormig, had blanketsel op de kaken, en azuurpoeder in het haar, +dat omsloten werd door een diadeem van edelsteenen. Vitellius had +den purperen bandelier niet afgelegd, die schuin over de linnen toga +plooide. + +Aulus had de mouwen van zijn paars-zijden met zilverdraad doorweven +opperkleed op den rug laten vastknoopen. Zijn tot rollen gekamde +haren waren trapsgewijze op zijn hoofd getast, en een halssnoer van +saffieren glinsterde op zijn borst, rond en blank als die eener vrouw. +Dicht naast hem zat een heel mooi knaapje neergehurkt op een mat. Het +glimlachte aldoor. Aulus die het straks in de keukens voor 't eerst +had gezien, kon niet meer buiten hem, en daar hij moeielijk zijn +Chaldeeuwschen naam kon onthouden, noemde hij hem eenvoudig-weg "den +Aziaat". Van tijd tot tijd strekte Aulus zich in zijn volle lengte uit +op het triclinium. Dan zagen de mede-aanliggenden tegen zijn naakte +voetzolen op. + +Aan dat tafeleinde waren de priesters en Antipas' officieren +geplaatst, de oppersten uit de Grieksche steden; aan des Proconsuls +zijde: Marcellus met de tollenaars, vrienden van den Viervorst, +aanzienlijke lieden uit Cana, uit Ptolemaïde en Jericho, dan in bonte +rijen: bergbewoners van den Libanon en de oude soldaten van Herodes: +twaalf Thraciërs, een Galliër, twee Germanen, gazellen-jagers, +Idumeesche herders, de sultan van Palmyra, zeelieden van Eziongaber. +Ieder had een weeken deeg-koek vóór zich om de vingers af te wisschen, +en de armen, die zich als gieren-halzen rekten, namen olijven, +pistaches en amandelen. Aller aangezicht glansde blij onder een krans +van bloemen. + +De Farizeërs hadden hun kransen weggestooten als een Romeinsche +onbetamelijkheid. En ze huiverden wanneer men ook hen met galbanum +en rosmarijn besproeide, een mengsel dat uitsluitend gebruikt mocht +worden in den Tempel. + +Aulus wreef er zich de oksels mede, en Antipas beloofde hem er een +heele lading van, met drie zakken vol van dien onvervalschten balsem, +die Cleopatra's begeerte naar het bezit van Palestina had opgewekt. + +Een hoofdman van zijn Tiberiaansch garnizoen, kwam tot achter zijn +ligbed getreden, om hem over buitengewone gebeurtenissen te spreken. +Maar zijn aandacht werd verdeeld tusschen den Proconsul en de +gesprekken aan de nabije tafels. + +Men praatte daar over Jaokanann en lieden van zijn soort; Simon van +Gittoï louterde de zondaars met vuur. Een zekere Jezus... + +"De ergste van allen," riep Eleazar uit "wat een lage goochelaar!" +Achter den Viervorst richtte een man zich op, bleek als de rand van +zijn chlamys. Hij daalde van de estrade, den Farizeërs toeroepend: +"Leugens! Jezus doet wonderen!" + +Antipas zou er willen zien. + +"Ge had hem mede moeten brengen! Vertel ons eens alles over hem!" + +Toen verhaalde hij, dat hij-zelf, Jacob, zich naar Capharnaüm begeven +had toen zijn dochtertje ziek lag, om den Meester te vragen haar te +genezen. + +De Meester had geantwoord: "Keer terug naar uwe woning, uw dochtertje +is genezen!" En hij had haar op den drempel gevonden, opgestaan +van haar sponde, toen de zonne-wijzer van het paleis het derde uur +aanwees, het eigen oogenblik, waarop hij Jezus had aangesproken. + +"Natuurlijk," wierpen de Farizeërs hem tegen, "er bestaan zekere +praktijken en geneeskrachtige kruiden. Hier op de eigen plek, te +Machaerous, vond men wel de baäras, die onkwetsbaar maakt. Maar +genezen zonder zien of aanraken, was een onmogelijkheid, zoo Jezus ten +minste niet de booze geesten tot handlangers had. + +En de vrienden van Antipas, de oppersten van Galilea, herhaalden +hoofdschuddend: + +"De booze geesten,--dat is klaarblijkelijk!" + +Jacob, die tusschen hun tafels en die der priesters stond, bleef +hooghartig maar zachtmoedig zwijgen. Ze vorderden hem tot spreken op: + +"Rechtvaardig zijn macht!" + +Hij boog zich wat voorover en met gedempte stem begon hij langzaam als +verschrikt door zijn eigen woorden: + +"Weet ge dan niet, dat hij de Messias is?" Alle priesters blikten +elkaar aan, en Vitellius vroeg uitleg van het woord. Zijn tolk draalde +een wijle met antwoorden. + +Ze noemden zoo een verlosser, die het volle bezit van alle goed en de +onderwerping van alle volkeren zou brengen. Eenigen zelfs beweerden +dat men op twee zulken moest rekenen. De eerste zou door Gog en Magog, +de booze geesten van het Noorden, overwonnen worden; maar de tweede +zou den vorst van het kwade verdelgen; en sinds eeuwen wachtten zij +hem ieder oogenblik. + +Toen de priesters beraadslaagd hadden, nam Eleazar het woord. +Vooreerst zou de Messias de zoon van David zijn, en niet die van een +timmerman; hij zou de wet bevestigen. Die Nazarener schond ze. En wat +nog sterker bewijs was, de komst van Elias moest aan hem voorafgaan. + +Jacob antwoordde: "Elias! maar die is reeds gekomen!" + +"Elias! Elias!" herhaalde de menigte, tot in het andere einde der +zaal. In hun verbeelding zagen allen een grijsaard oprijzen, een +vlucht raven streek om zijn hoofd. Een bliksemschicht zette een altaar +in vlammen; afgodendienaars werden meegesleept door een stroom. De +vrouwen op de galerijen dachten aan de weduwe van Sarepta. + +Jacob werd niet moede te herhalen, dat hij hem kende! Hij zelf had hem +gezien! en het volk ook had hem gezien! + +"Zijn naam?" + +Toen riep hij zoo luid hij vermocht: "Jaokanann!" + +Antipas viel achterover als door een stoot midden in het hart. De +Sadduceërs hadden zich op Jacob gestort. Eleazar begon een redevoering +om gehoor te krijgen. + +Toen de stilte gezonken was, plooide hij zijn mantel terecht, en +stelde als een rechter zijn vragen: + +"Daar de Profeet dood is..." + +Gemompel onderbrak hem. Men geloofde dat Elias slechts tijdelijk ten +hemel opgenomen was. + +Eleazar toornde tegen de menigte, en zette zijn ondervraging voort: + +"Meent ge, dat hij verrezen is? + +"Waarom niet?" zei Jacob. + +De Sadduceërs haalden de schouders op. Jonathas sperde zijn oogjes +wijd open en deed moeite om als een nar te lachen: + +"Niets dwazer dan de aanspraak van het lichaam op de +onsterfelijkheid;" en, voor den Proconsul, haalde hij een vers aan van +een toenmalig dichter: + + Nec crescit, nec post mortem durare videtur. + +Maar Aulus had zich over den rand van het ligbed heengebogen, het +zweet stond hem op het voorhoofd, zijn gelaat was groen, de vuisten +drukte hij tegen de maag. + +De Sadduceërs veinsden groote ontroering; (den volgenden dag kregen +ze de offer-waardigheid terug), Antipas deed alsof hij wanhopig was; +Vitellius leek onbewogen. Toch doorstond hij groote angsten; met zijn +zoon immers zou hij zijn schoone kans verliezen. Nauwelijks had Aulus +met braken opgehouden, of hij wilde weer aan 't eten. + +"Laat ze me raspsel van marmer geven, aardolie van Naxos, zeewater, of +wat dan ook! Als ik eens een bad nam?" + +Hij kauwde sneeuw, weifelde voor een schotel rose merels, en nam ten +laatste honingpompoenen. De kleine Aziaat zag bewonderend naar hem op; +die zwelgers-aanleg verried een wonderbaar en bovenaardsch wezen. + +Men diende stier-nieren op, marmotten, nachtegalen, gehakt vleesch in +wingerdbladeren; en de priesters redetwistten over de verrijzenis. +Ammonius, leerling van den Platonicus Philon, vond dat ze dwazen +waren, en zei het tot eenige Grieken die over de orakels lachten. +Marcellus en Jacob hadden elkaars gezelschap gezocht. De eerste +verhaalde aan den tweede over zijn geluk bij het doopsel van Mithra, +en Jacob ried hem Jezus te volgen. + +Wijn uit palmsap en tamariskenschors getrokken, wijnen van Safet en +Byblos stroomden uit de amphoren in de mengvaten, uit de mengvaten in +de drinkschalen, uit de drinkschalen de kelen in. + +Er werd druk gepraat, en de harten begonnen zich te openen. + +Jacim was een Jood, maar hij hield het niet langer geheim dat hij de +sterren aanbad. Een koopman uit Aphaka verblufte de nomaden door +hun de wonderen van den tempel van Hiërapolis, in de kleinste +bijzonderheden, voor oogen te tooveren. Ze vroegen hem hoeveel een +beevaart daar heen zou kosten. Anderen hielden het bij den godsdienst +waarin ze geboren waren. Een bijna blinde Germaan zong een hymne ter +eere van dat Scandinavische voorgebergte, waar de goden verschijnen +omstraald door den glans van hun aangezicht, en lieden van Sichem aten +geen tortels uit eerbied voor de duif Azima. Verschillende gasten +stonden midden in de zaal te praten, en hun adem wademde, met den rook +der luchters, als een nevel in de ruimte. Phanuel kwam langs de muren +gegleden. Nogmaals had hij zooeven het uitspansel bestudeerd, maar +hij durfde den Viervorst niet naderen, bang voor olievlekken, die de +Esseërs als een groote smet beschouwden. + +Er vielen slagen op de burchtpoort. + +Men wist thans dat Jaokanann hier gevangen werd gehouden. Mannen met +flambouwen klommen het bergpad op, een zwarte menigte krioelde in het +ravijn, en van tijd tot tijd schreeuwden ze daar: + +"Jaokanann! Jaokanann!" + +"Alles brengt hij in de war!" zei Jonathas. + +"Als hij doorgaat, krijgt het rijk geen geld meer!" voegden de +Farizeërs er aan toe. + +De verwijten kwamen los: "Bescherm ons!" + +"Laat ze ophouden!" + +"Ge zijt een afvallige!" + +"Goddeloos als Herodes en de zijnen!" + +"Minder goddeloos dan gij!" antwoordde Antipas. "Mijn vader was het, +die uw tempel bouwde!" + +Toen begonnen de Farizeërs, de zonen der bannelingen, aanhangers van +Matathias, den Viervorst te beschuldigen van de misdaden, door zijn +verwanten bedreven. + +Ze hadden spitse schedels, een stekeligen baard, slappe en boosaardige +handen, of wel een plat gelaat, dog-achtig, met groote ronde oogen. +Een twaalftal schriftgeleerden en tempeldienaars, gevoed door den +afval der offeranden, sprongen op de estrade aan, en dreigden Antipas +met messen. Hij sprak hen toe, terwijl de Sadduceërs hem zwak +verdedigden. Hij zag Mannaeï wel, maar gaf hem een teeken liever maar +weer heen te gaan, daar Vitellius door zijn houding deed uitkomen, dat +de dingen hem niet aangingen. + +De Farizeërs, die nog op hun ligbedden gebleven waren, raasden in +duivelsche woede, ze sloegen de schotels stuk die vóór hen stonden. +Men had hun Mecena's geliefkoosd gerecht opgediend, vleesch van den +woudezel, een onreine spijze. + +Aulus dreef den spot over den ezelskop, dien zij, volgens de verhalen, +zouden vereeren, en verkocht ook geestigheden over hun weerzin tegen +varkens. Zeker was die haat ontstaan omdat dit vette beest hun Bacchus +gedood had, en daar men in den tempel een gouden wijnstok ontdekt had, +hielden ze zooveel van wijn! + +De priesters begrepen zijn woorden niet. Phineas, een Galileër van +afkomst, wilde ze niet vertolken. Toen kende de toorn van Aulus geen +grenzen meer, te erger omdat de kleine Aziaat, door vrees bevangen +verdwenen was; en het maal stond hem niet aan, de spijzen waren te +alledaagsch, niet kunstig genoeg verwerkt! Hij kwam tot kalmte, toen +hij staarten van Syrische schapen zag opdragen, louter rollen van vet. + +De aard der Joden leek Vitellius een gruwel. Moloch, wien hij langs +den weg altaren had zien opgericht, kon best hun god zijn; en het viel +hem te binnen, hoe ze den naam hadden kinderen ten offer te brengen. +Ook de geschiedenis van den man, dien ze op geheimzinnige wijze zouden +vetmesten, kwam hem in de gedachten. Hij, de Latijn, voelde zijn hart +walgen van hun onverdraagzaamheid, hun beelden-vernielende furie, hun +afstuitende ruwheid. + +De Proconsul wilde heengaan. Aulus weigerde hem te vergezellen. + +Hij lag achter een hoop etenswaren, te verzadigd om er nog van te +gebruiken, maar te koppig om ze in den steek te laten. + +De opwinding van het volk werd steeds grooter. Ze gingen op in plannen +voor hun onafhankelijkheid. De herinnering aan Israëls glorie werd +opgeroepen. Alle veroveraars hadden ze afgeslagen: Antigonus, Crassus, +Varus... + +"Ellendelingen!" zei de Proconsul. Want wel verstond hij de Syrische +taal: zijn tolk diende slechts om hem tijd tot antwoorden te laten. + +Antipas trok haastig de medaille van den Keizer te voorschijn, en, +bevend hem bespiedend, hief hij haar op, den beeldenaar naar hem +toewendend. + +Daar plotseling werden de vleugels der gouden galerij opengeworpen; en +in den luister der toortsen, tusschen haar slaven die festoenen van +anemonen droegen, trad Herodias te voorschijn,--een Assyrische +mijter stond, met een kinneband, op haar hoofd bevestigd; haar +spiraal-vormige lokken hingen over een scharlaken peplum, waaruit door +wijde armsgaten de mouwen plooiden. Twee steenen monsters, gelijk aan +die bij den schat der Atriden, stonden tegen de deurposten opgesteld, +en ze geleek op Cybele tusschen haar leeuwen. Hoog van de balustrade +boven Antipas' hoofd, de offerschaal op de handen, riep ze: "Dat Cesar +leve!" + +Die hulde werd herhaald door Vitellius, Antipas en de priesters. +Maar uit de diepte der zaal drong een gemompel aan van verrassing en +bewondering. Een jong meisje was zooeven binnengekomen. + +Onder een blauwachtigen sluier, die haar de borst en het +hoofd verhulde, onderscheidde men den boog harer oogen, de +chalcedoon-steenen in haar ooren, de blankheid harer huid. Een lap +van weerschijnende zijde bedekte haar schouders en was op de +heupen bevestigd door een fijn-gesmeden gouden gordel. Haar zwarte +beenbekleedsels waren met mandragoren bezaaid, en als voor evenveel +liet ze haar muiltjes van colibri-dons over den grond klapperen. + +Op de estrade gekomen wierp ze haar sluier af: het scheen Herodias, +zooals die was in haar jeugd. Ze begon te dansen. + +Haar voeten hieven zich, de een voor den ander, op het rhythme van een +fluit en een paar ratels. Haar gebogen armen riepen iemand, die altijd +weer vluchtte. Lichter dan een vlinder achtervolgde ze hem, als een +nieuwsgierige Psyche, als een zwervende geest, en ze scheen gereed om +weg te vliegen. + +De rouwklanken van den gingras vervingen de ratels. Neerslachtigheid +had de hoop vervangen. Haar gebaren werden als verzuchtingen, en in +geheel haar wezen lag zulk een smachtend verlangen, dat men niet weten +kon of ze een god beweende of duizelde in een droom van liefde. + +Met half-geloken wimpers boog ze en wiegde ze zich met deinende +golvingen, haar boezem trilde, haar gelaat bleef onbewogen en haar +voeten hielden niet stil. Vitellius vergeleek haar bij Mnester. + +Aulus braakte nog altijd. + +De Viervorst zat in een droom verloren en dacht niet meer aan +Herodias. Toen hij haar meende te zien, in de nabijheid der +Sadduceërs, verzwond zijn visioen. + +Het was geen visioen. + +Ver van Machaerous had ze Salome, haar dochter,--die de Viervorst +eenmaal lief moest hebben,--laten opvoeden. En het was een goede +toeleg geweest. Thans wist ze het zeker! + +Nu werd het de vervoering der liefde die bevrediging zoekt. Ze danste +zooals de Indische priesteressen, gelijk de Nubische vrouwen die bij +de watervallen wonen, als de bacchanten van Lydië. Ze wierp zich naar +alle zijden om, gelijk een bloem, die door den storm wordt bewogen. De +schitter-steenen in haar ooren dansten mede, de glanzende kleuren der +zijden stoffe, die haar rug verhulde, wisselden; uit haar armen, haar +voeten, uit haar gewaad, sprongen onzichtbare vonken, die het hart +der mannen deden ontvlammen. Een harp zong; de menigte jubelde ze +na, ontsteld van bewondering, zoowel de nomaden, die aan versterving +gewoon waren, als de Romeinsche soldaten zoo deskundig in +uitspattingen, de gierige tollenaars en de oude priesters verbitterd +door 't levenslang redetwisten. + +Zonder de knieën te buigen bukte ze zich zoo diep dat haar kin den +vloer raakte. Vervolgens wentelde ze om Antipas' tafel heen in dolle +vaart, wervelend als de draaischijf der tooverkollen, en met een stem, +door snikken van wellust onderbroken, riep hij haar toe: + +"Kom! Kom!" Ze wendde en wentelde al voort; zoo luid klonken de +tympans alsof ze scheuren zouden, de menigte joelde. Maar nog luider +riep de Viervorst: "Kom! Kom! Capharnaüm zult ge hebben, de vlakte van +Tiberias! mijn burchten! de helft van mijn koninkrijk!" Ze wierp zich +op de handen, de hielen omhoog, liep zoo als een groote tor de estrade +over, en hield plotseling stil. + +Haar nek en haar rug vormden een rechten hoek. De kleurige schachten +die haar beenen omsloten, rondden als regenbogen boven haar schouders +uit, en gingen, een armlengte hoog van den bodem, met haar gelaat in +ééne richting mede. Haar lippen waren gekleurd, haar wenkbrauwen zeer +zwart, haar oogen bijna verschrikkelijk, en de zweetparels op haar +gelaat schenen een dauw over wit marmer. + +Ze sprak niet. Ze zagen elkaar aan. + +Een vinger-klap klonk van de tribune. Ze klom daarheen, kwam weer te +voorschijn, en met eene wat lispelende stem zei ze kinderlijk: + +"Ik wil, dat ge me op een schotel, het hoofd geeft van..." Ze was +den naam vergeten, maar met een glimlach hernam ze: "het hoofd van +Jaokanann!" + +De Viervorst zakte ineen van ontzetting. + +Zijn woord moest hij gestand doen, en het volk wachtte. + +Maar zoo de dood, die voorspeld was, een ander werd aangedaan,--zou +de zijne dan niet afgewend worden? + +Indien Jaokanann wezenlijk Elias was, kon hij zelf er zich aan +onttrekken, zoo niet dan beduidde de moord niet veel! Mannaeï stond +naast hem en begreep zijn bedoeling. + +Vitellius riep hem terug om hem het wachtwoord te geven, daar er +soldaten bij het kerkerhol stonden opgesteld. + +Het was een verademing: binnen een oogenblik zou alles gedaan zijn. + +Maar het werk ging Mannaeï niet vlug van de hand. + +Ontdaan kwam hij weer binnen. + +Sinds veertig jaar oefende hij het beuls-bedrijf uit. Hij was het +die Aristobulos verdronken had, Alexander gewurgd, Matathias levend +verbrand, die Zosima, Pappus, Josephus en Antipater onthoofd had; en +Jaokanann durfde hij niet dooden! Hij klappertandde, en rilde over +zijn geheele lichaam. + +Vóór den kerker-kuil had hij den grooten Engel der Samaritanen zien +staan geheel met oogen overdekt, zwaaiend met een reusachtig zwaard, +rood en gekarteld als een vuurvlam. + +De twee wachten tot getuigen meegebracht, zouden het staven. + +Ze hadden niets gezien, dan alleen een Joodschen legerhoofdman, die +zich op hen gestort had, en die thans niet meer tot de levenden +behoorde. + +De toorn van Herodias barstte los in een stortvloed van platte en +bloeddorstige verwenschingen. Ze scheurde zich de nagels aan de +tralies der tribune, en de twee gebeeldhouwde leeuwen leken in haar +schouders te bijten en te brullen als zij. + +Antipas schreeuwde, de priesters, de soldaten, de Farizeërs, allen +riepen ze om wraak en ook de anderen, verontwaardigd dat men hen op +dat nieuwe tijdverdrijf liet wachten. + +Mannaeï ging heen met bedekt gelaat. + +Den gasten viel de tijd nog langer dan eerst. Ze verveelden zich. + +Eensklaps klonken er voetstappen op in de gangen. Het weeë ongeduld +werd onhoudbaar! + +Het hoofd kwam. + +Mannaeï hield het bij de haren aan zijn gestrekten arm, trotsch op het +gejubel. + +Hij legde het op een schotel en bood het Salome aan. + +Snel klom ze de tribune op. Na een lange pooze werd het hoofd +teruggebracht door de oude vrouw, die de Viervorst's morgens was +gewaar geworden op het platform van een huis, en straks in Herodias' +kamer. + +Hij deinsde terug om het niet te zien. Vitellius wierp er een +onverschilligen blik op. + +Mannaeï daalde van de estrade af, en toonde het aan de Romeinsche +hoofdlieden, die langs deze zijde aanzaten. + +Ze bekeken het met onderzoekende blikken. + +De scherpe snede van den bijl had het van boven naar beneden gekloofd, +en de kaak gespleten. Een stuiptrekking trok de mondhoeken neer. +Stollend bloed vlekte den baard. De gesloten oogleden waren bleek als +schelpen; rondom straalden de luchters. Het hoofd kwam bij de tafel +der priesters. Een Farizeër keerde het nieuwsgierig om en om, en +Mannaeï zette het weer stevig recht en plaatste het vóór Aulus, die +er door ontwaakte. Tusschen hun even open wimpers schenen de doode +oogappels en de verwaterde oogappels elkaar iets te zeggen. + +Toen bood Mannaeï het Antipas aan. Tranen stroomden den Viervorst over +de wangen. + +De toortsen smeulden uit. De gasten vertrokken, en niemand bleef er in +de zaal dan Antipas, die met de handen tegen de slapen staag naar +het afgehouwen hoofd zat te staren, terwijl Phanuel, halverwegen het +groote middenschip, met uitgestrekte armen gebeden stond te prevelen. + +In het uur van zonsopgang, kwamen de twee mannen, die laatst door +Jaokanann uitgezonden waren, met het lang verhoopte antwoord. + +Ze vertrouwden het Phanuel toe, die het in zielsvervoering aanhoorde. + +Toen toonde hij hun het gruwelijk voorwerp op den schotel, tusschen de +resten van het feestmaal. + +Een der mannen zeide: + +"Troost u! Hij is nedergedaald tot de dooden, om Christus te +verkondigen!" + +Thans begreep de Esseër de woorden: "Hij moet grooter, maar ik kleiner +worden!" + +En het hoofd van Jaokanann met zich nemend, gingen ze met hun drieën +den kant van Galilea uit. + +Daar het zeer zwaar was, droeg ieder het op zijn beurt. + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Drie Vertellingen, by Gustave Flaubert + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN *** + +***** This file should be named 8804-8.txt or 8804-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/8/8/0/8804/ + +Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online +Proofreading Team. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United +States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive +specific permission. If you do not charge anything for copies of this +eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook +for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, +performances and research. They may be modified and printed and given +away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks +not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the +trademark license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country outside the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you'll have to check the laws of the country where you + are located before using this ebook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm web site +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The +Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm +trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the +mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its +volunteers and employees are scattered throughout numerous +locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt +Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to +date contact information can be found at the Foundation's web site and +official page at www.gutenberg.org/contact + +For additional contact information: + + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + diff --git a/8804-8.zip b/8804-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6a653ba --- /dev/null +++ b/8804-8.zip diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..20db257 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #8804 (https://www.gutenberg.org/ebooks/8804) diff --git a/old/7drvt10.txt b/old/7drvt10.txt new file mode 100644 index 0000000..3a7452f --- /dev/null +++ b/old/7drvt10.txt @@ -0,0 +1,4558 @@ +The Project Gutenberg EBook of Drie Vertellingen, by Gustave Flaubert + +Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the +copyright laws for your country before downloading or redistributing +this or any other Project Gutenberg eBook. + +This header should be the first thing seen when viewing this Project +Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the +header without written permission. + +Please read the "legal small print," and other information about the +eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is +important information about your specific rights and restrictions in +how the file may be used. You can also find out about how to make a +donation to Project Gutenberg, and how to get involved. + + +**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** + +**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** + +*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** + + +Title: Drie Vertellingen + +Author: Gustave Flaubert + +Release Date: September, 2005 [EBook #8804] +[Yes, we are more than one year ahead of schedule] +[This file was first posted on August 10, 2003] + +Edition: 10 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN *** + + + + +Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team. + + + + + +DRIE VERTELLINGEN DOOR GUSTAVE FLAUBERT + + +EEN EENVOUDIGE ZIEL + +DE LEGENDE VAN SINT JULIAAN DEN GASTVRIJEN + +HERODIAS + + +VERTAALD DOOR MARIE KOENEN + + +Gebaseerd op de editie gepubliceerd in 1917, te Bussum. + + + + + +EEN EENVOUDIGE ZIEL + + + + +I + + +Een halve eeuw lang werd mevrouw Aubain door de dames van +Pont-l'Eveque benijd om haar meid Felicite. + +Voor honderd franken per jaar deed zij de keuken en het huishouden, +naaide, waschte en streek ze, wist ze een paard op te tuigen, de +hoenders vet te mesten, de melk te karnen, en bleef ze trouw aan haar +meesteres, die toch geen aangename vrouw was. + +Mevrouw Aubain had een knappen jongen getrouwd zonder geld, die in 't +begin van 1809 stierf, haar twee heel jonge kinderen nalatend en +veel schulden. Ze verkocht toen haar vaste goederen, op de hoeve van +Toucques en de hoeve van Geffosses na, die hoogstens 5,000 franken +rente opbrachten, en ze verliet haar huis te Saint-Melaine voor een +voordeeliger, dat had toebehoord aan haar familie en gelegen was +achter de hallen. Dit huis, met zijn leien dak, lag tusschen een open +gang en een steegje, uitloopend op de rivier. Binnen struikelde men +er over het hoog-en-laag der ongelijke vloeren. Een enge vestibuul +scheidde de keuken van de zaal, waar mevrouw Aubain den dag lang +in een rieten fauteuil bij het openslaand raam zat. Tegen het wit +geverfde beschot stonden in een rij acht mahoniehouten stoelen. +Een oude piano torste, onder een barometer, een pyramide van +opeengestapelde bussen en kartonnen doozen. Twee trijpen armzetels +stonden ter weerszijden van den geel marmeren schoorsteen in stijl +Louis XV. De pendule, in het midden, stelde een vestaalschen tempel +voor,--en heel het vertrek rook wat duf, daar de plankenvloer lager +lag dan de tuin. + +Op de eerste verdieping was, om te beginnen, de kamer van "mevrouw", +zeer groot, met flets gebloemd papier behangen, en waarin zich het +portret bevond van "mijnheer" in saletjonkersdos. + +Ze stond in verbinding met een kleiner vertrek, waar men twee +kinderledikantjes zag, zonder matras. Dan kwam het salon, altijd +gesloten, en vol meubels onder lakens. Een gang leidde vervolgens naar +een studeerkamertje; boeken en paperassen vulden de planken van een +bibliotheek-kast, welke langs drie zijden een groote zwart-houten +schrijftafel omgaf. De twee achterpaneelen waren bedekt met +penteekeningen, landschappen in waterverf en platen van Audran, +gedachtenissen aan betere tijden en aan een vergane weelde. + +Een zoldervenstertje op de tweede verdieping verlichtte de kamer van +Felicite, die uitzicht had op de weien. + +Heel vroeg stond ze op, om de mis niet te verzuimen, en ze werkte +tot 's avonds zonder ophouden; dan, als het maal was afgeloopen, het +vaatwerk opgeruimd, de deur goed gesloten, dekte ze het houtvuur met +asch en dutte ze in voor den haard, den rozenkrans in de hand. Niemand +bij loven en bieden zoo koppig als zij. En wat zindelijkheid aangaat, +zoo blankgeschuurd waren haar braadpannen, dat ze de andere meiden de +oogen verblindden. Zuinig als ze was, had ze de gewoonte heel +langzaam te eten, en met den vinger pikte ze de broodkruimels van de +tafel,--een brood van twaalf pond werd opzettelijk voor haar gebakken, +en ze deed het daar twintig dagen mee. + +Winter en zomer droeg ze een katoenen halsdoek, met de punt in den +rug vastgespeld, een muts die haar haren verborg, grijze kousen, +een rooden onderrok, en over haar jak een boezelaar, zooals de +ziekenzusters. + +Haar gezicht was mager en haar stem schel. Toen ze vijf-en-twintig +was, zag men haar voor veertig aan. Na haar vijftigste viel, op haar +uiterlijk, haar leeftijd niet meer te bepalen,--en, stil, steil, +met haar afgemeten gebaren, leek ze een houten vrouwtje, dat zich +automatisch bewoog. + + + + +II + + +Ze had, zoo goed als een ander, haar liefdesgeschiedenis gehad. + +Haar vader, een metselaar, was van een steiger doodgevallen. Daarna +stierf haar moeder, haar zusters verspreidden zich, zij werd door een +pachter opgenomen, voor wien ze, hoe klein ook, de koeien moest hoeden +langs de wegen. Ze bibberde onder haar lompen, dronk plat voorover +liggend het water uit de poelen, werd om een niemendal geslagen, en +ten slotte joeg men haar weg om een diefstal van dertig stuivers, dien +ze niet begaan had. Ze kwam op een andere hoeve, werd er stalmeid, en +omdat ze in den smaak viel van haar meesters, waren haar kameraden +jaloersch. + +Op een Augustusavond (ze was toen achttien jaar) namen ze haar mee +naar de kermis van Colleville. Bij den eersten aanblik stond ze stom +van verbazing, overbluft door het geschetter der dorpsmuzikanten, +door de lichten in de boomen, de bonte kleeren, de kanten, de gouden +borstkruisen, al dat hossende volk. Ze hield zich bloode achteraf, +maar een jonkman, die er welgesteld uitzag, en die zijn pijp rookte +met de twee ellebogen op den disselboom van een ladderwagen, kwam haar +ten dans nooden. Hij trakteerde haar op cider, koffie en koek, kocht +haar een zijden halsdoek, en vroeg of hij haar naar huis zou brengen. +Onderweg greep hij haar vast. Ze werd bang en begon te roepen. Hij +ging. + +Een anderen avond, wilde ze, op den weg naar Beaumont, een groote +hooikar voorbij stappen, die langzaam voortschokte, en langs de raders +schuivend herkende ze Theodore. + +Kalmpjes sprak hij haar aan, zeggend dat ze hem vergeven moest, het +was door "den drank" gekomen. + +Ze wist niet, wat te antwoorden en had zin om weg te loopen. + +Dadelijk begon hij over den oogst en over de notabelen van de +gemeente, want zijn vader had Colleville verlaten om de hoeve van +Ecocs te betrekken, zoodat ze nu buren waren. + +--"He!" zei ze. + +Hij voegde er aan toe, dat men hem graag gevestigd zou zien. Maar +overigens, haast had hij niet, en hij zou wachten tot hij een vrouw +vond naar zijn keus. Ze boog het hoofd. Toen vroeg hij haar of ze +dacht te trouwen. Ze antwoordde, met een glimlach, dat het niet mooi +was, met iemand den spot te drijven. + +--"Wel neen, ik denk er niet aan!" + +En hij sloeg haar den linkerarm om het middel. Ze liep zoo voort +gesteund door zijn arm; hun stap vertraagde. De wind was zwoel, de +sterren schitterden, voor hen wankelde de reusachtige kar met hooi; de +vier paarden begonnen te sleepvoeten en joegen het stof op. Toen, uit +eigen beweging, wendden ze zich rechtsaf. Hij omhelsde haar nog eens. +Ze verdween in het duister. De volgende week wist Theodore haar tot +samenkomsten over te halen. Ze ontmoetten elkaar achter een erf, +bij een muur, onder een eenzamen boom. Ze was niet onnoozel als een +jongejuffrouw, maar haar gezond verstand en de haar ingeschapen +eerbaarheid behoedden haar voor misstappen. + +Die weerstand wakkerde Theodore's liefde aan, zoodat hij om er aan te +voldoen (of onnoozel-weg misschien) voorsloeg haar te trouwen. Ze kon +het niet gelooven. Hij zwoer dure eeden. Weldra echter kwam hij met +slecht nieuws voor den dag: zijn ouders hadden verleden jaar een +remplacant voor hem genomen, maar elken dag kon hij worden opgeroepen, +en de gedachte onder dienst te moeten, joeg hem schrik aan. Die +lafhartigheid was voor Felicite een bewijs van liefde, en de hare werd +er dubbel zoo groot door. Bij hun samenkomsten kwelde Theodore haar +met zijn onrust en zijn gedwing. + +Eindelijk vertelde hij haar, dat hij zelf naar de prefectuur zou +gaan om inlichtingen, die hij haar aanstaanden Zondag zou meedeelen +tusschen elf uur en middernacht. + +Toen het tijd was, liep ze Theodore tegemoet. + +In zijn plaats vond ze een zijner vrinden, die haar zei dat ze +Theodore niet zou weerzien. + +Om zich aan de lichting te onttrekken had hij een oude, heel rijke +vrouw gehuwd, Madame Lehoussais, uit Toucques. + +Het was een al te groot verdriet. Ze wierp zich op den grond, stootte +kreten uit, riep den goeden God aan, klaagde en jammerde heel alleen +in het veld, totdat de zon opging. Dan kwam ze terug op de hoeve, zei +haar dienst op, en toen de maand om was en ze haar loon had ontvangen, +knoopte ze al haar hebben en houden in een zakdoek, en begaf ze zich +naar Pont-l'Eveque. + +Voor het logement vroeg ze om inlichtingen aan een burgerdame met een +weduwkap, en juist had deze een keukenmeid van noode. Het meisje kende +niet veel, maar ze leek zooveel goeden wil te hebben en zoo weinig +eischen, dat mevrouw Aubain eindigde met te zeggen: + +--"Goed, ik huur je." + +Een kwartier later was Felicite in haar huis opgenomen. + +In 't begin leefde ze er in een bevend ontzag voor "den trant van het +huis", en de herinnering aan "mijnheer", die zweefde over alles! Paul +en Virginie, de een zeven jaar, de andere nauwelijks vier, schenen +haar van een kostbare materie geschapen; ze liet hen paardrijden +op haar rug, en mevrouw Aubain zei haar, hen niet elk oogenblik te +zoenen, hetgeen haar diep bedroefde. Toch voelde ze zich gelukkig. De +vrindelijkheid der omgeving had haar alle verdriet doen vergeten. + +Alle donderdagen trouw kwamen kennissen een partij bostonneeren. +Felicite maakte tevoren de kaarten en de stoven in orde. Klokke-acht +kwamen ze, en op slag van elf gingen ze heen. + +Iederen maandagmorgen stalde de uitdrager, die in de steeg woonde, +langs den grond zijn oud-roest uit. Dan kwam de stad vol gegons van +stemmen, vermengd met paarden-gehinnik, schapengeblaat, varkensgeknor +en het geratel der boerenwagentjes over de straat. + +Tegen twaalf uur als de marktdrukte in vollen gang was, zag men een +ouden boer op den drempel verschijnen, een langen man met een krommen +neus, de pet achterover, Robelin de pachter van Geffosses. + +Kort daarna was er Liebard, de pachter van Toucques, klein, blozig, +zwaarlijvig, die een grijs vest droeg en slobkousen van sporen +voorzien. + +Beiden kwamen ze hun eigenares kippen of kaas te koop aanbieden. +Felicite was hun altijd weer te slim af, maar vol achting voor haar +gingen ze heen. + +Op ongeregelde tijden ontving mevrouw Aubain bezoek van den markies de +Gremanville, een harer ooms, berooid door zijn liederlijk leven, en +die te Falaise op het laatste lapje van zijn grond woonde. Altijd kwam +hij op het uur van het tweede ontbijt, vergezeld van een afschuwlijken +poedel, die met zijn pooten alle meubels vuil maakte. + +Hoewel hij zijn pogingen een heer te schijnen zoo ver doordreef, dat +hij bij ieder: "wijlen mijn vader", den hoed lichtte, toch was de +slechte gewoonte hem te machtig, telkens vulde hij zijn glas, telkens +liet hij gewaagde aardigheden los. + +Felicite zette hem met een zoet lijntje het huis uit: "U hebt genoeg +voor vandaag, mijnheer de Gremanville! Tot later!" En ze sloot de deur +achter hem. + +Met genoegen opende ze die voor mijnheer Bourais, oud-procureur. Zijn +witte das en zijn kaal hoofd, de jabot van zijn overhemd, zijn wijde +bruine pandjas, de armronding waarmee hij zijn snuifje nam, geheel +zijn persoon maakte een verwarrenden indruk op haar, zooals de aanblik +van buitengewone mannen dit doet. + +Daar hij de eigendommen van "mevrouw" beheerde, sloot hij zich +urenlang met haar op in het kabinet van "mijnheer", was altijd bang +voor opspraak, had een grenzenloozen eerbied voor de rechterlijke +macht, en liet er zich op voorstaan Latijn te kennen. + +Om de kinderen spelend te doen leeren, gaf hij hun een serie +aardrijkskundige prenten ten geschenke. + +Ze stelden verschillende tafereelen van het wereldrond voor, +menscheneters met veeren gekroond, een aap die een juffrouw ontvoerde, +Bedouinen in de woestijn, een walvisch dien men harpoeneerde, enz. + +Paul gaf aan Felicite den uitleg van die platen. Dit was al geletterde +opvoeding, die ze kreeg. + +Die der kinderen was aan Guyot toevertrouwd, een armen drommel, klerk +op het stadhuis, befaamd om zijn mooie hand van schrijven, en die zijn +pennemes aanzette op z'n laars. + +Wanneer het helder weer was, begaf men zich reeds vroegtijdig naar de +hoeve van Geffosses. + +Het erf helt af, het woonhuis staat in 't midden, en de zee is +zichtbaar in de verte als een grijze vlek. + +Felicite haalde plakken koud vleesch uit haar karbies, en er werd +ontbeten in een vertrek aansluitend aan de melkerij. Dit was het +laatste overschot van een nu verdwenen zomerverblijf. Het in flarden +gescheurd behang trilde in den tocht. Mevrouw Aubain boog het hoofd, +overstelpt door herinneringen; de kinderen durfden niet meer te +praten. "Ga toch spelen", zei ze; ze maakten dat ze wegkwamen. + +Paul klom op den hooizolder, ging vogels vangen, keilde steenen over +den poel, of sloeg met een stok op de groote vaten, die hol opklonken +als trommen. + +Virginie voerde de konijnen, vloog vooruit om korenbloemen te plukken, +en om haar rappe beenen wipten de geborduurde strooken van haar +broekje. + +Op een herfstavond keerden ze gevieren door de weilanden huiswaarts. + +De wassende maan verlichtte een stuk van den hemel, en een nevelstreep +dreef als een sluier over de bochten van de Toucques. Runderen, die +midden in het gras lagen uitgestrekt, zagen kalm die vier menschen +voorbijgaan. In de derde wei hieven er eenige zich op, die kwamen in +een halven kring hun den weg versperren.--"Wees maar niet bang!" zei +Felicite, en met klagend geprevel streelde ze het dier, dat dichtstbij +stond, over den rug; het draaide zich half om, de andere deden dit na. + +Maar den volgenden beemd doortrekkend, hoorden ze een ontzettend +gebrul opgaan. Het was een stier, door den nevel onzichtbaar. Hij kwam +de twee vrouwen al nader. Mevrouw Aubain wilde hard wegloopen. "Neen! +neen! niet zoo vlug!" Toch versnelden ze den pas, en ze hoorden achter +zich een steeds duidelijker ademgesnuif. De hoeven sloegen als hamers +over het weigras; daar had hij 't, zoowaar, ook nog op een draf gezet! + +Felicite keerde zich om, en met beide handen rukte ze aardkluiten los, +die ze hem in de oogen gooide. Hij dook den snuit, schudde de horens, +rillend van woede onder afgrijselijk geloei. + +Mevrouw Aubain was met haar twee kinderen aan 't eind van de wei, en +zocht, buiten zichzelf van angst, hoe over den hoogen kant te komen. +Felicite week aldoor achterwaarts met den stier voor zich, en wierp +almaar met graskluiten die hem blind maakten, terwijl ze bleef roepen: +"Haast u dan toch! Haast u dan toch!" + +Madame Aubain stapte in de droge sloot, duwde Virginie en dan Paul +voor zich uit, struikelde telkens terwijl ze tegen den glooienden +wegboord trachtte op te klimmen, wat haar door moedig voltehouden ten +laatste toch gelukte. + +De stier had Felicite tegen een haag geduwd; zijn kwijl spatte haar +in 't gezicht, nog een seconde en zijn horens gingen haar het lichaam +openrijten. Juist nog had ze den tijd tusschen twee palen door te +glippen, en het zware dier bleef verbluft staan. + +Deze gebeurtenis was jarenlang een onderwerp van gesprek in +Pont-l'Eveque. Felicite liet er zich heelemaal niets op voorstaan, +giste zelfs niet iets heldhaftigs te hebben verricht. + +Virginie alleen hield haar gedachten bezig; want ten gevolge van den +schrik had deze een zenuwaandoening gekregen, en mijnheer Poupart, de +dokter, ried de zeebaden van Trouville aan. + +Ze werden nog niet bezocht in dien tijd. Mevrouw Aubain vroeg +inlichtingen, raadpleegde Bourais, en maakte toebereidselen als voor +een langdurige reis. + +Haar koffers gingen daags te voren weg, op de kar van Liebard. +Den volgenden dag bracht hij twee paarden voor, het eene met een +dameszadel dat een fluweelen rugleuning had; een opgerolde mantel +vormde een zitting op het kruis van het tweede. Mevrouw Aubain steeg +daar op, achter Liebard. Felicite nam Virginie onder haar hoede, en +Paul zette zich schrijlings op den ezel door mijnheer Lechaptois +afgestaan, mits men er uiterst voorzichtig mee zou zijn. + +De weg was zoo slecht, dat men over zijn acht kilometer twee uren +moest doen. De paarden zakten tot over de enkels in de modder en +schokten met de dijen om er uit te raken; ofwel ze struikelden in de +karresporen; een andermaal weer moesten ze een sprong nemen. De merrie +van Liebard bleef hier en daar plotseling stilstaan. Geduldig wachtte +hij tot ze weer verder ging, en hij praatte over de menschen wier +eigendommen langs den weg lagen, moreele beschouwingen vastknoopend +aan hun levensgeschiedenis. Toen ze midden in Toucques, onder +met Oost-Indische kers omrankte vensters doorreden, zei hij +schouderophalend:--"Zoo woont hier een madame Lehoussais, die in +plaats van een jongen man te trouwen..." Felicite verstond de rest +niet; de paarden draafden, de ezel liep in galop; in een rij togen +ze een voetpad langs, een hek week open, twee jongens traden te +voorschijn, en er werd afgestegen, voor de mestvaalt, vlak bij den +deurdrempel. Toen vrouw Liebard haar meesteres voor zich zag, kwam er +geen eind aan haar vreugdbetuigingen. Ze zette haar een ontbijt +voor bestaande uit runderharst, rolpens, bloedworst, gestoofde kip, +schuimenden cider, vruchtentaart, en pruimen op brandewijn, dit alles +kruidend met beleefdheden aan mevrouw, die er zooveel beter uitzag, +aan de jongejuffrouw, die "allerliefst" was geworden, aan mijnheer +Paul die zoo buitengewoon was aangesterkt, zonder hun overleden +grootouders te vergeten, die de Liebards gekend hadden, daar ze van +ouder tot ouder aan de familie verbonden waren. De hoeve had, zooals +zij zelve, iets ouderwetsch over zich. De balken waren vermolmd, de +muren zwart van rook, de vensterruiten grijs bestoven. Een eikenhouten +aanrecht was beladen met allerlei gerief, groote kannen, schotels, +tinnen kommen, wolfsklemmen, scharen om de schapen te scheren, een +reusachtige klisteerspuit, waar de kinderen om lachen moesten. Niet +een boom in de drie hoven, die geen paddenstoelen aan zijn voet had of +in zijn kruin een bos mistel. De wind had er verschillende omgeworpen. +Ze schoten in 't midden opnieuw uit; en alle bogen ze onder den last +hunner appels. De stroodaken die van bruin fluweel leken en ongelijk +van zwaarte waren, weerstonden de hevigste rukwinden. Het wagenhuis +echter was bouwvallig. Mevrouw Aubain beloofde dit in gedachte te +houden, en gaf bevel de rijdieren weer op te tuigen. Nog een half uur +zou er noodig zijn om Trouville te bereiken. De kleine karavaan steeg +af om de Ecores over te gaan, een overhangende rots waaronder schepen +lagen; en na drie minuten kwam men, aan 't eind der kade, op de +binnenplaats van "het gouden Lam", bij vrouw David. + +Vanaf de eerste dagen voelde Virginie zich minder zwak, dank zij de +verandering van lucht en de werking der baden. Ze had geen badkostuum +en ging in haar hemdje de zee in; Felicite kleedde haar weer aan in +een tolhuisje, dat de baders gebruiken mochten. + +'s Namiddags ging men met den ezel de "Zwarte Rotsen" over, den kant +uit van Hennequeville. Eerst steeg het voetpad tusschen weilanden die +glooiden als het gazon van een park, en 't liep uit op een heuvelvlak +waar grasvelden en bouwgrond elkaar afwisselden. Langs den wegrand +groeiden hulstboompjes uit de warrende dorenranken op; hier en daar, +trok een groote doode boom met zijn takken zigzag-lijnen tegen de +blauwe lucht. + +Iederen keer bijna rustten ze uit in een kleine wei, aan wier +linkerkant Deauville lag, Havre rechts, en die uitzag op de volle zee. +Ze schitterde in de zon, lag effen als een spiegel, zoo kalm dat men +nauwelijks haar ruischen hoorde; musschen piepten ergens, en het wijde +hemelgewelf overdekte dit alles. Mevrouw Aubain zat neer, bezig +met haar naaiwerk; naast haar was Virginie biezen aan 't vlechten; +Felicite trok lavendelbloemen uit; Paul, die zich verveelde, wilde +weg. + +Andere keeren voeren ze de Toucques voorbij, en gingen schelpen +zoeken, 't Laag getij had zee-egels en kwallen op 't droge gelaten, +en de kinderen liepen schuimvlokken na, die de wind meenam. De +sluimerende golven, deinend over de zandbedding, bestreken het strand, +dat zich uitstrekte zoo ver het oog reikte, maar dat aan de landzijde +werd begrensd door de duinen, die het scheidden van de mars, een groot +weiland rond als een renperk. + +Wanneer ze langsdaar terugkeerden, werd Trouville, ginds tegen +de heuvelhelling, bij iederen voetstap grooter, en met zijn +onregelmatigen huizenbouw scheen het, in een vroolijke wanordelijkheid, +als open te luiken. Op dagen dat het te warm was, bleven ze in hun +kamer. De verblindende klaarte daarbuiten schoof staven van licht +tusschen de latten der zonneblinden. Niet het minste gerucht in het +dorp. Beneden, op de stoep, niemand. Deze wijde stilte verinnigde de +rust der dingen. In de verte klopten de breeuw-hamers op de +scheepskielen, en een zwoele bries woei teerlucht aan. + +De voornaamste vermakelijkheid was de weerkomst der visscherspinken. +Zoo gauw ze de bakens voorbij waren, begonnen ze te laveeren. Hun +zeilen streken neer tot op twee-derde der masthoogte; en met de fok +opgezwollen als een ballon dreven ze aan, gleden ze door het gekabbel +der golven, tot in 't midden der haven, waar het anker ineens +neerplonste. Dan meerde de boot aan de kade. De matrozen wierpen +lillende visschen over de reeling; een rij wagentjes wachtte hen op, +en vrouwen met katoenen mutsen snelden toe om de korven aan te nemen +en hun mannen te omhelzen. + +Een harer sprak op zekeren dag Felicite aan, die even later heel blij +de kamer binnenkwam. Ze had een zuster weergevonden; en daar verscheen +Nastasie Barette, huisvrouw Leroux, met een zuigeling aan de borst, +een ander kind aan de rechterhand, en aan haar linkerzij een +scheepsjongetje met de handen in de zij en de platte pet op een oor. + +Na een kwartier zei mevrouw Aubain, dat ze moesten gaan. + +Sedert liep men dat groepje altijd tegen 't lijf, in de buurt van de +keuken, of op wandeling. De man liet zich niet zien. + +Felicite begon van hen te houden. Ze kocht hun een deken, hemden, een +fornuis, 't was duidelijk dat ze haar uitbuitten. Deze zwakhartigheid +ergerde mevrouw Aubain, wie daarenboven de gemeenzaamheid van +het neefje niet aanstond,--dat "je" en "jou" speelde tegen haar +zoontje,--en daar Virginie hoestte en het mooie weer voorbij was, kwam +ze in Pont-l'Eveque terug. + +Mijnheer Bourais hielp haar bij de keuze van een Latijnsche school. + +Die van Caen gold als de beste. + +Paul werd er heen gezonden, en met goeden moed nam hij afscheid, blij +in een huis te gaan wonen, waar hij makkers zou vinden. + +Mevrouw Aubain berustte in de afwezigheid van haar zoon, daar die +noodzakelijk was. Virginie dacht minder en minder aan hem. Felicite +miste zijn levenmakerij. Maar een bezigheid kwam haar verstrooiing +geven; van Kerstmis af begeleidde ze iederen dag het kleine meisje +naar den catechismus. + + + + +III + + +Nadat ze bij de deur een kniebuiging had gemaakt, ging ze door de +middenbeuk tusschen de dubbele rij stoelen door, opende mevrouw +Aubains bank, ging daar zitten, en liet den blik rondwaren. + +De jongens zaten rechts, de meisjes links in de kanunnikenbanken. De +pastoor bleef staan bij den koorlezenaar; in een venster van de absis +zweefde de Heilige Geest boven de Maagd Maria; een ander toonde haar +geknield voor het kindje Jezus, en achter het tabernakel stelde +een houten groep Sint Michael voor die den draak verslaat. Eerst +behandelde de priester in 't kort de bijbelsche geschiedenis. Ze +waande het paradijs te zien, den zondvloed, den toren van Babel, +steden die in vlammen opgingen, stervende volken, omgestorte +afgodsbeelden; het ontzag voor den Allerhoogste bleef haar bij uit +deze zinsbegoocheling, de vreeze voor Zijn gramschap. Daarna zat ze +te schreien, luisterend naar het lijdensverhaal. Waarom hadden ze +Hem gekruisigd, Hem, die de kinderen liefhad, de scharen voedde, de +blinden genas en die uit ootmoedigheid wilde geboren worden, tusschen +de armelieden, op het meststroo van een stal? De zaaitijd, de oogst, +de wijnpersen, al die welbekende dingen, waarover het Evangelie +spreekt, waren in haar leven ook; langs hen schrijdend had God ze +geheiligd; en ze hield met meer verteedering van de lammeren uit +liefde tot het Lam, van de duiven om den Heiligen Geest. + +Het kostte haar moeite zich Zijn wezen voor te stellen; want niet +alleen was Hij een vogel, maar ook een vuur, en soms de voorbijgaande +wind. Misschien is het Zijn licht dat 's nachts dwaalt langs de oevers +der moerassen, Zijn adem die de wolken voortdrijft, Zijn stem die de +klokken welluidend maakt, en ze bleef in aanbidding, genietend van de +koelte der muren en de stilte der kerk. + +Van de leerstellingen begreep ze niets, deed er zelfs geen moeite toe +te begrijpen. De pastoor sprak, de kinderen zeiden hun les op. Zij +viel ten laatste in slaap, en werd eensklaps wakker, als, bij het +uitgaan der leering, de klompen over de vloersteenen klapperden. + +Zoo, door almaar toe te luisteren, leerde ze den catechismus, dien +ze niet kende, omdat in haar jeugd haar godsdienstige opvoeding +verwaarloosd was, en van toen-af deed ze Virginie in alle vrome +gewoonten na, vastte als zij, biechtte wanneer zij biechtte. Op +Sacramentsdag maakten ze samen een rustaltaartje. + +De eerste communie gaf haar van te voren veel zorg. Ze maakte zich +druk over de schoentjes, den rozenkrans, het kerkboek, over de +handschoenen. Met wat een ontroering hielp ze de moeder het kind +kleeden! + +Heel de mis door voelde ze een beklemming van angst. Aan de eene zijde +benam mijnheer Bourais haar het gezicht op het altaar, maar recht +tegenover haar scheen de groep der bruidjes, die witte kransen droegen +op de neergeslagen sluiers, een sneeuwveld te vormen; en ze herkende +van ver haar kleine lieveling aan haar fijner halsje en haar ingetogen +houding. De bel klonk. De hoofden bogen; het werd stil. Bij 't galmen +van het orgel zetten de koorzangers en het volk het Agnus Dei in; toen +begonnen de jongens in rijen naar de communiebank te gaan, en na hen +stonden de meisjes op. Met langzame schreden, de handen gevouwen, +gingen ze naar het altaar, dat in licht baadde, knielden op de eerste +trede, ontvingen een voor een de hostie, en keerden in dezelfde +volgorde naar haar bidbank terug. Toen het Virginie's beurt was, +boog Felicite zich voorover om haar te kunnen zien; en door de +verbeeldingskracht die echte liefde ons geeft, waande ze zelf dat kind +te zijn, het gelaat van het kind werd het hare, dat communiekleedje +droeg zij, het hart van het kind klopte haar in den boezem, en +toen het kind den mond moest openen, look zij de oogen en was een +bezwijming nabij. + +Den volgenden morgen vroeg meldde ze zich in de sacristie aan, opdat +mijnheer pastoor haar de communie zou uitreiken. Godvruchtig ontving +ze die, maar niet met dezelfde zielsvervoering. + +Mevrouw Aubain wilde van haar dochter een echte dame maken, en daar +Guyot haar noch Engelsch, noch muziek kon leeren, besloot ze haar op +kostschool te doen bij de Ursulinen van Honfleur. + +Het kind had er niets op tegen. + +Felicite zuchtte over mevrouws ongevoelig hart. + +Maar ze bedacht, dat haar meesteres misschien gelijk kon hebben. Die +dingen gingen haar verstand te boven. + +Eindelijk reed er op zekeren dag een oud tentwagentje voor, en er +stapte een kloosterzuster uit, die de jongejuffrouw kwam halen. +Felicite zette het reisgoed op de imperiaal, drukte den koetsier op +het hart goed voor alles te zorgen, en borg zes potten gelei onder de +rijtuigbank, ook een dozijn peren en een tuiltje viooltjes. + +Een diepe snik benam Virginie op 't laatste oogenblik den adem; +ze omhelsde haar moeder, die haar op 't voorhoofd kuste, telkens +zeggend:--"Komaan, moed houden, moed houden!" De tree werd opgeslagen, +het rijtuig reed weg. + +Toen kreeg mevrouw Aubain een flauwte, en 's avonds kwamen al haar +vrinden, de Lormeau's, mevrouw Lechaptois, de dames Rochefeuille, +mijnheer de Houppeville en Bourais, om haar te troosten. + +In 't begin viel haar 't gemis van haar dochtertje heel smartelijk. +Doch driemaal per week kreeg ze een brief, de andere dagen schreef zij +zelf; ze wandelde in den tuin, las wat, en vulde zoo de leege uren. + +Iederen morgen ging Felicite oudergewoonte Virginie's kamer binnen, en +staarde er naar de muren. Het verdroot haar, dat ze het kind niet meer +de haren kon kammen, haar niet meer de schoenen kon dichtrijgen, haar +niet meer warm kon toestoppen 's avonds, dat ze niet meer voortdurend +haar lief gezichtje kon zien, dat ze niet meer met het kind aan een +hand kon uitgaan. Daar ze van dit alles niets meer te doen had, +trachtte ze zich op kantwerken toe te leggen. Haar grove vingers +braken de draden; ze had oor naar niets, sliep niet meer, en was, +zooals ze 't noemde "ondermijnd". + +"Om haar zinnen wat te verzetten", vroeg ze, of haar neef Victor nu en +dan eens op bezoek mocht komen. + +Sinds kwam hij Zondags na de mis, met rozen op de wangen, de borst +bloot, en om hem heen de geur nog der velden waardoor zijn weg hem +geleid had. Dadelijk zette ze een bord voor hem bij. Als ze dan samen +ontbeten, zaten ze tegenover elkaar, en terwijl ze zelf zoo min +mogelijk at om de onkosten weer uit te sparen, stopte ze hem zoo vol +dat hij ten slotte in slaap viel. Bij 't eerste luiden der vesperklok +maakte ze hem wakker, borstelde zijn broek af, strikte zijn das en +ging kerkwaarts, met moederlijken trots op zijn arm leunend. + +Hij moest, op aansporing van zijn ouders, elken keer probeeren +iets van haar los te krijgen, hetzij een buil bruine suiker, zeep, +brandewijn, soms zelfs geld. Hij bracht zijn goed mee om te doen +verstellen, en ze nam dit werk op zich, blij dat er een reden was die +hem tot terugkomen noopte. + +In Augustus nam zijn vader hem mee op de kustvaart. + +'t Was vacantietijd. De komst van de kinderen troostte haar. Maar Paul +kreeg nukken, en Virginie was over den leeftijd heen dat ze met "je en +jou" mocht aangesproken worden, dit kwam hun omgang bemoeilijken, werd +een hinderpaal tusschen haar beiden. + +Victor voer achtereenvolgens naar Morlaix. naar Duinkerken en naar +Brighton, en kwam haar na iedere reis een geschenk brengen. Den +eersten keer was 't een schelpendoos; toen een koffiekop; den derden +keer een groote peperkoekenman. De jongen knapte op, was welgebouwd, +er kwam wat dons op z'n bovenlip, hij had een goedigen, vranken +oogopslag, en droeg een leeren hoedje, achterover geschoven als dat +van een loods. Ze had altijd plezier in zijn vertelsels doorspekt met +zeemanstermen. + +Op een Maandag, 14 Juli 1819 (ze vergat dien datum niet), kwam Victor +haar zeggen, dat hij voor de groote vaart was aangemonsterd, en dat de +paketboot hem overmorgen-nacht van Honfleur tot bij den schoener zou +brengen, die binnenkort van Havre uitzeilde. Misschien zou hij twee +jaar wegblijven. + +Het vooruitzicht van een zoo lange afwezigheid was een groot verdriet +voor Felicite; en om hem nog eens vaarwel te zeggen, trok ze, +Woensdag-avond, toen mevrouw gegeten had, haar klompschoenen aan, en +legde ze in minder dan geen tijd, de vier mijlen af die Pont-l'Eveque +van Honfleur scheiden. + +Toen ze bij den Calvarieberg kwam, sloeg ze, in plaats van links, +rechts af, verdwaalde tusschen de scheepswerven, liep terug; de +menschen, die ze aanklampte, zeiden dat ze zich moest haasten. Ze +liep de heele havenkom langs, die vol schepen lag, struikelde over de +trossen; dan helde het terrein laag af, de lichten stonden schots en +scheef door elkaar, en ze meende van de wijs te zijn, toen ze paarden +zag in de lucht. + +Langs den kaderand stonden er andere te hinniken, verschrikt door de +zee. Een takel hief hen op en liet ze neer op een boot, waar reizigers +zich verdrongen tusschen de ciderfusten, de kaasmanden, de zakken +met graan; men hoorde kippen kakelen; de kapitein vloekte, en een +scheepsjongen stond, onverschillig voor dit alles, met de ellebogen +op den ankerbalk te leunen. Felicite, die hem eerst niet herkend +had, riep: "Victor!", hij zag op, ze wilde op hem toesnellen, toen +eensklaps de treeplank werd ingehaald. + +Vrouwen trokken al zingend de paketboot de haven uit. De spanten +kraakten, zware golven sloegen tegen den voorsteven. Het zeil was +gekeerd, men zag niemand meer;--en op de zee in den zilverschijn der +maan, was ze een zwarte vlek, die aldoor bleeker werd, wegdook en +verdween. + +Toen Felicite langs den Calvarieberg terugging, wilde ze wat haar 't +liefste was God aanbevelen, en ze bad langen tijd, recht staande, +het gezicht nat van tranen, de oogen naar de wolken. De stad sliep, +douanen wandelden op en neer, en zonder ophouden viel het water, +ruischend als een stortvloed, door de sluisgaten. 't Sloeg twee uur. + +Voor het dag was, zou ze in het klooster niet terecht kunnen, 't Zou +zeker erg lastig voor mevrouw zijn, wanneer ze te laat thuiskwam, en +ondanks haar verlangen het andere kind aan 't hart te drukken, liet ze +Honfleur achter zich. De meiden van het logement werden juist wakker, +toen ze Pont-l'Eveque inkwam. + +De arme jongen zou dus maandenlang over de golven moeten zwalken! +Zijn vorige reizen hadden haar niet ongerust gemaakt. Van Engeland en +Bretagne kwam men weer terug; maar Amerika, de kolonien, de eilanden, +dat lag verloren ergens in een geheimzinnige hemelstreek aan 't ander +einde der wereld. + +Van toen af dacht Felicite uitsluitend aan haar neef. Op dagen dat de +zon scheen, maakte ze zich bezorgd over den dorst, bij onweer was ze +bang, dat de bliksem hem zou treffen. Als ze den wind hoorde die in +den schoorsteen loeide en de leien van het dak rukte, zag ze hem door +dien zelfden storm aangegrepen, zich vastklampend aan den top van een +verbrijzelden mast, achterover uitgestrekt onder een wade van schuim, +of wel,--herinneringen aan de aardrijkskundige prenten,--hij was +opgegeten door de wilden, in een bosch door apen meegenomen, of liep +te verhongeren langs een onbewoonde kust. En nooit sprak ze van haar +angsten. + +Mevrouw Aubain had er andere over haar dochter. + +De zusters vonden haar heel lief, maar al te teer. De minste +aandoening maakte haar zenuwachtig. Met de piano moest ze ophouden. + +Haar moeder wilde, dat er van 't klooster uit geregeld zou geschreven +worden. Op een morgen toen de besteller niet was gekomen, had ze geen +rust, en ze liep in de zaal op en neer, van haar leunstoel naar het +venster. 't Was werkelijk iets ongewoons! in vier dagen geen tijding! + +Om ze te troosten door haar voorbeeld, zei Felicite:--"En ik mevrouw, +ik hoorde in geen zes maanden iets!" + +--"Van wie dan toch?" + +De meid antwoordde zachtjes: + +--"Maar... van mijn neef!" + +--"O! je neef!" En schouderophalend begon mevrouw Aubain weer op +en neer te wandelen, wat beteekende: "Daar dacht ik niet aan!--en +daarenboven, 't kan me niemendal schelen! een scheepsjongen, een +schooier, de moeite waard!... en dat terwijl mijn dochter... Verbeeld +je toch!"... + +Hoewel met slaag en grove woorden grootgebracht, was Felicite +verontwaardigd over mevrouws doen, doch ze vergat spoedig. + +Ze kon immers best begrijpen, dat men 't hoofd kwijt raakte, nu het +zoo met het kleine meisje stond. + +De twee kinderen hadden evenveel te beduiden; ze waren een voor haar +hart, en hun beider lot zou hetzelfde zijn. + +De apotheker vertelde haar, dat Victors schip te Havanna was +aangekomen. Hij had de tijding in een krant gelezen. + +Ze verbeeldde zich, door de sigaren, dat Havanna een land was, waar +men niets deed dan rooken, en Victor wandelde onder de negers in +tabakswolken gehuld. Zou men, zoo noodig, ook over land daar vandaan +kunnen terugkeeren? Hoe ver was 't van Pont-l'Eveque? Om er beter van +op de hoogte te komen, sprak ze mijnheer Bourais aan. + +Hij zocht en vond zijn atlas, begon te praten over lengte- en +breedtecirkels, en glimlachte echt schoolmeesterachtig bij Felicite's +verbouwereerdheid. + +Op 't laatst wees hij haar met zijn potloodhouder tusschen de +insnijdingen van een ovale vlek een bijna onzichtbare zwarte stip aan, +er bijvoegend: "Ziehier". Ze boog zich over de kaart, het net van +gekleurde lijnen vermoeide haar de oogen, zonder dat ze er wijzer door +werd; en daar mijnheer Bourais haar aanmoedigde te vragen, wat ze op +'t hart had, verzocht ze hem haar het huis te wijzen waar Victor woonde. +Bourais sloeg de armen in de lucht, hij nieste, hij schaterde het uit, +en had dolle pret over een zoo groote onnoozelheid. Felicite begreep +niet waarover hij zich zoo vroolijk maakte,--zij, die misschien +verwachtte alles te zien van haar neef, tot het portret toe. Zoo eng +van begrip was ze! + +Veertien dagen later kwam Liebard, zooals naar gewoonte op het +marktuur, de keuken binnen, en stelde haar een brief van haar zwager +ter hand. Daar ze geen van beiden lezen konden, riep ze de hulp in van +mevrouw. + +Mevrouw Aubain, die de steken van een breiwerk zat te tellen, +legde dit naast zich neer, brak den brief open, ontstelde, en zei +fluisterend, met een diepen blik: + +--"'t Is een ongeluk... dat ze je berichten. Je neef..." + +Hij was dood. Er stond verder niets. + +Felicite viel op een stoel neer, het hoofd tegen het muurbeschot, en +sloot de oogleden die ineens rood werden. Toen, met gebukt hoofd en +neerhangende handen, herhaalde ze bij tusschenpoozen, en star voor +zich uit blikkend: + +"Arm ventje! arm ventje!" + +Liebard stond al zuchtend naar haar te kijken. Mevrouw Aubain beefde +wat. + +Ze stelde Felicite voor, haar zuster in Trouville eens te gaan +opzoeken. Felicite antwoordde, met een handbeweging, + + +dat ze daar geen behoefte aan had. + +Er volgde een stilte. De goede Liebard vond het gepast zich terug te +trekken. + +Toen zei ze: + +--"Ze geven er niets om, die!" + +Haar hoofd zonk weer neer, en bijwijlen lichtte haar hand, +werktuiglijk, van het werktafeltje de lange breinaalden op. + +Langs de voorplaats gingen vrouwen met een berrie vol druipend +waschgoed. + +Ze zag het door de ruiten, en dacht aan haar eigen wasch, die ze +gisteren had ingezet en vandaag moest spoelen. Toen ging ze de +kamer uit. Haar kuip en haar waschplank stonden aan den rand van de +Toucques. Ze wierp een hoop hemden op den steilen kant, stroopte de +mouwen op, nam den stamper, en zoo hard stampte ze, dat het in de +aangrenzende tuinen te hooren was. De weien waren leeg, de wind +rimpelde de rivier; ginder hing er lang gras over neer, als 't haar +van drijvende lijken. Tot 's avonds bedwong ze zich heel moedig, maar +eenmaal in haar kamer, wierp ze zich plat voorover met het gezicht +in het kussen, de vuisten tegen de slapen, en liet ze haar smart den +vrijen loop. + +Heel lang naderhand, hoorde ze van Victors kapitein zelf de +bijzonderheden over zijn dood. Men had hem, tegen de gele koorts, een +te groote aderlating gegeven. Vier dokters tegelijk hielden hem vast. +Hij was dadelijk dood, en de gezagvoerder had gezegd: + +--"Mooi zoo! alweer een!" + +Zijn ouders hadden hem altijd barbaarsch behandeld. Ze wilde die +liever niet meer zien; zij zelf deden geen enkele toenadering, door +verzuim, of door harteloosheid, verstompt als ze waren door hun +ellende. + +Virginie werd almaar zwakker. + +Benauwdheden, een hoest, aanhoudende koorts, 't blauwachtig blosje +op haar koonen, verrieden een of andere ernstige ziekte-aandoening. +Mijnheer Poupart had een verblijf in Provence aangeraden. Mevrouw +Aubain wilde er wel toe overgaan, en als de lucht van Pont-l'Eveque +beter was geweest, zou ze haar dochtertje dadelijk hebben +thuisgehaald. Ze maakte beding met een rijtuigverhuurder, die haar +voortaan iederen Dinsdag naar het klooster bracht. In den kloostertuin +is een terras, vanwaar men de Seine kan zien. Steunend op haar moeders +arm wandelde + +Virginie er over de afgevallen wingerdbladeren. Als ze uitzag naar de +zeilen in de verte, of de heele kim, vanaf het kasteel van Tancarville +tot de vuurtorens van Havre, met haar blik omvatte, deed de +doorbrekende zon haar soms met de oogen knippen. Moe gewandeld gingen +ze rusten in het prieel. Haar moeder had een klein fust malaga-wijn +aangeschaft, en lachend dat ze misschien dronken zou worden, nam +Virginie er twee teugjes van, meer niet. + +Ze kwam weer wat op krachten. De herfst vlood vreedzaam heen. Felicite +stelde mevrouw Aubain gerust. Maar op een avond, na een boodschap in +de buurt, zag ze de sjees van mijnheer Poupart voor de deur, hij zelf +stond in de vestibuul. Mevrouw Aubain strikte haar hoed vast. + +--"Geef me mijn stoof, mijn beurs, mijn handschoenen; wat gauwer, +toe!" Virginie had een bezetting op de borst; misschien was het +hopeloos. + +--"Nog niet!" zei de dokter, en ze stegen beiden in het rijtuig, +terwijl de sneeuwvlokken om hen heen dwarrelden, 't Begon nacht te +worden. Het was heel koud. + +Felicite spoedde zich de kerk in, om een kaars aan te steken. Toen +liep ze de sjees na, die ze een uur later inhaalde, wipte er achter +op, en hield zich aan de riemen vast. Maar ineens schoot haar de +gedachte door het hoofd: "De plaats is niet gesloten! als er eens +dieven binnenkwamen!" En ze sprong weer op den grond. + +Toen het den volgenden ochtend evenmaar begon te schemeren, meldde +ze zich bij den dokter aan. Hij was wel teruggekomen, maar opnieuw +uitgereden naar buiten. Toen bleef ze in het logement talmen, meenend +dat vreemde menschen een brief zouden brengen. Eindelijk, bij 't +eerste licht van den dag, nam ze de diligence naar Lisieux. + +Het klooster lag aan 't eind van een steil straatje. Halverwegen dit +straatje gekomen hoorde ze een vreemd geluid, het geklep van een +doodsklok, "'t Is voor iemand anders," dacht ze, en hard liet ze den +klopper neervallen. + +Na verloop van meerdere minuten, kwam er iemand aansloffen, de deur +week op een kier. Het was een der zusters. Het nonnetje zei met een +godzaligen blik, dat "het kind juist overleden was." Meteen begon de +doodsklok der Sint-Leonarduskerk met dubbele kracht te luiden. + +Felicite kwam eindelijk op de tweede verdieping. + +Reeds toen ze over den kamerdrempel trad, zag ze Virginie liggen, +uitgestrekt op den rug, de handen gevouwen, den mond open, en het +hoofd achterover onder een zwart kruis, dat tot haar overgebogen hing +tusschen de roerlooze gordijnen, minder bleek dan haar gelaat. Mevrouw +Aubain zat aan 't voeteneind van het bedje, dat ze met haar armen +omklemde. Ze snikte als een zieltogende. Rechts stond de overste. +Drie luchters brandden op de latafel, de kaarsevlammen schenen roode +vlekken, wit wolkte de nevel voor de vensters. Een paar zusters +voerden mevrouw Aubain weg. + +Twee nachten lang verliet Felicite de doode niet. Ze herhaalde aldoor +dezelfde gebeden, sprenkelde wijwater op de lakens, ging weer zitten, +en schouwde naar haar. Op 't eind der eerste nachtwake bemerkte ze, +dat het gelaat geel was geworden, de lippen werden blauw, de neus +scherp, de oogen zonken in. Ze kuste die nog en weer, en groot zou +haar verbazing niet geweest zijn, als Virginie weer had opgezien; voor +dergelijke zielen is het bovennatuurlijke iets gewoons. Ze legde het +kind af, hulde het in de lijkwa, kistte het, zette haar het kransje +op het hoofd, en spreidde de haren breed uit. Deze waren blond en +bijzonder lang voor zoo'n jong meisje. Felicite knipte er een lok +af, waarvan ze de helft op haar hart verborg, vast besloten er nooit +afstand van te doen. + +Het lijk werd naar Pont-l'Eveque overgebracht, op verlangen van +mevrouw Aubain, die den rouwwagen volgde in een gesloten koets. + +Na de mis waren er nog drie kwartier noodig om het kerkhof te +bereiken. Paul liep aan 't hoofd van den stoet en snikte. Hem volgde +mijnheer Bourais, dan de voornaamste ingezetenen, de vrouwen, in +zwarte mantels, en Felicite. Ze dacht aan haar neef, en hoe ze hem +deze laatste eer niet had kunnen bewijzen, toen werd haar droefheid +nog grooter, want het leek haar of men nu tegelijk hem met Virginie +begraven ging. + +De smart van mevrouw Aubain kende geen grenzen. + +Eerst was ze in opstand tegen God, dien ze onrechtvaardig vond, haar +dit kind te hebben ontnomen, dat toch nooit kwaad gedaan had en wier +geweten zonder vlek was! Maar ach! ze had met Virginie naar 't +Zuiden moeten gaan. Andere dokters zouden haar wel gered hebben. Ze +beschuldigde zich zelf, wilde bij haar zijn, en 's nachts in haar +droomen schreeuwde ze 't uit van wanhoop. Een droom vooral kwelde haar +telkens weer. Haar man kwam als matroos gekleed van een verren tocht +terug, en zei haar schreiend, dat hij bevel ontvangen had Virginie mee +te nemen. Ze besloten dan samen ergens een schuilhoek te zoeken. + +Eens kwam ze heel ontdaan uit den tuin binnen. Zooeven (ze wees de +plaats aan) waren vader en dochtertje haar verschenen, dicht naast +elkaar, en ze deden niets, bleven haar aanzien. + +Maandenlang zat ze willoos in haar kamer. Felicite sprak haar telkens +toe met zacht vermaan. Ze moest voor zich zelve zorgen, om wille van +haar zoon en de nagedachtenis van "haar". + +--"Haar?" hernam mevrouw Aubain dan, alsof ze wakker werd. "Ach ja!... +ja!... Ge vergeet het niet!" doelend op het kerkhof, waarvan men haar +angstvallig verwijderd hield. + +Felicite ging er iederen dag heen. + +Klokslag vier schoof ze langs de huizen, klom de helling op, opende +het hek en ging tot bij Virginie's grafteeken. Het was een zuiltje van +rose marmer, rustend op een platten steen, en omgeven door kettingen +die een tuintje insloten. De randen waren vol bloemen. Ze begoot de +bladeren, ververschte het zand en ging op de knieen zitten om den +grond beter te kunnen bewerken. Toen mevrouw Aubain er weer komen +mocht, troostte haar de aanblik van dat wel-onderhouden graf, haar +smart werd er door gelenigd. + +Toen gingen er jaren voorbij die alle op elkaar geleken, met geen +andere afwisseling dan de cirkelgang der hooge feesten, Paschen, +Maria-Hemelvaart, Allerheiligen. Huiselijke gebeurtenissen stelden +datums vast, waarop men zich naderhand beriep. Zoo geelden in 1825 +twee glazenmakers de vestibuul; in 1827 had een stuk van het dak, dat +op de voorplaats neerviel, bijna een man gedood. In den zomer van +1828, was 't mevrouw Aubain's beurt om het Sint-Hubertusbrood te +geven; omstreeks denzelfden tijd ging mijnheer Bourais uit de stad, +en niemand wist waarheen; en de oude kennissen vielen langzaam weg: +Guyot, Liebard, Mevrouw Lechaptois, Robelin, oom Gremanville die sinds +jaren verlamd was. + +Op een nacht bracht de conducteur van de post-diligence in +Pont-l'Eveque de tijding der Juli-omwenteling. Enkele dagen later werd +er een nieuwe sous-prefect benoemd, baron de Larsonniere, die consul +was geweest in Amerika, en die, behalve zijn vrouw, zijn schoonzuster +meebracht met drie bijna volwassen freuletjes, welke in losse blouses +gekleed, over 't gazon van haar open tuin drentelden. Ze hadden een +neger en een papegaai. Ze legden een visite af bij mevrouw Aubain, die +niet naliet haar een tegenbezoek te brengen. Zoo gauw Felicite haar in +de verte zag aankomen, ging ze mevrouw haastig waarschuwen. Doch een +ding slechts scheen deze maar ter harte te gaan: de brieven van haar +zoon. + +Hij bracht zijn tijd in herbergen zoek, deugde voor geen enkele +loopbaan. Ze betaalde zijn schulden; hij raakte er opnieuw in; en de +zuchten die mevrouw Aubain slaakte, terwijl ze te breien zat bij het +venster, drongen door tot Felicite, die in de keuken haar spinnewiel +deed snorren. + +Ze drentelden samen langs de leiboomen en praatten aldoor over +Virginie, zich afvragend, hoe dit of dat haar zou hebben aangestaan, +wat ze bij deze of die gelegenheid waarschijnlijk zou gezegd hebben. + +In de kamer met de twee ledikantjes waren al haar kleine schatten en +benoodigdheden in een muurkast opgeborgen. Mevrouw Aubain zag die +dingen zoo weinig mogelijk na. Op een zomerdag ging ze er eindelijk +eens toe over, en er vlogen vlinders de kast uit. + +Haar jurken hingen naast elkaar onder een plank, waarop drie poppen +lagen, bij hoepels en een keukentje en de waschkom, die ze altijd +gebruikt had. Ze haalden de onderrokken, zoowel als de kousen en de +zakdoeken te voorschijn, en eer ze het opnieuw toevouwden, werd alles +op de twee bedjes uitgespreid. De zon scheen over die arme dingen, +deed de vlekken in 't oog vallen, en de kreuken die Virginie's +bewegingen erin gelaten hadden. De lucht was blauw en warm, een merel +kweelde, 't scheen alles te leven in een innige vreedzaamheid. Ze +vonden een hoedje van langharig pluche terug, kastanjekleurig; maar 't +was heelemaal door de mot opgegeten. Felicite vroeg of zij 't hebben +mocht. Ze zagen elkander aan, haar starre oogen vulden zich met +tranen; tot mevrouw de armen opende, de meid wierp zich aan haar hart, +en ze hielden elkaar omstrengeld, leniging zoekend voor het bittere +verdriet in een kus, die haar tot gelijken maakte. + +Het was den eersten keer in haar leven. Mevrouw Aubain had een zeer +gesloten karakter. Felicite was dankbaar voor die gevoelsuiting als +voor een weldaad, en met vrome vereering had ze haar lief voortaan, +trouw als een hond. + +De goedheid van haar hart werd steeds ruimer. + +Wanneer ze in de straat de trommen hoorde van een langsrukkend +regiment, ging ze met een kruik appelwijn aan de deur staan en bood +den soldaten te drinken. Ze verpleegde choleralijders. Ze nam de Polen +onder haar bescherming, en een hunner verklaarde zelfs, haar te willen +trouwen. Maar ze kregen oneenigheid, want op een morgen na het angelus +uit de kerk terugkomend, vond ze hem in de keuken: hij was er binnen +geslopen, had er zich een azijnsausje toebereid en zat daar rustig van +te smullen. + +Na de Polen, kwam de oude Colmiche aan de beurt, een grijsaard, die +den naam had in 93 leelijke dingen te hebben uitgevoerd. Hij leefde +aan den rivierkant in den bouwval van een varkenskot. De straatjongens +gluurden hem af door de spleten van den muur, en gooiden naar hem met +steenen, die op de brits vielen waar hij neerlag, aanhoudend heen en +weer geschud door een zwaren hoest; zijn haar was heel lang gegroeid, +zijn oogleden waren ontstoken, en op den arm had hij een gezwel nog +grooter dan zijn hoofd. Ze verschafte hem linnengoed, trachtte zijn +krot schoon te maken, en het werd haar droom, hem in hun wasch-huis +onderdak te brengen, zonder dat hij mevrouw zou hinderen. Toen de +kankerbuil was opengebroken, verbond ze hem alle dagen, soms bracht +ze hem eigengebakken koekjes mee, of ze zette hem in de zon op een +stroobos; zeeverend en bevend dankte de arme oude-man haar met zijn +klanklooze stem, was bang haar te moeten missen, strekte de handen uit +zoo gauw ze een beweging maakte om heen te gaan. Hij stierf; ze liet +een mis lezen voor de rust zijner ziel. + +Dienzelfden dag viel haar een groot geluk te beurt: op 't oogenblik +dat het diner was opgediend, stond de neger van mevrouw de Larsonniere +aan de bel, met den papegaai in zijn kooi, den stok, den ketting en +het hangslot. De barones deelde mevrouw Aubain per briefje mede, dat +ze dien avond nog gingen vertrekken, daar haar man tot prefect benoemd +was; en ze verzocht haar dien vogel aan te nemen ter gedachtenis en +als een bewijs harer hoogachting. + +Hij hield sinds langen tijd Felicite's verbeelding bezig, omdat hij +uit Amerika kwam; dit woord deed haar aan Victor denken, zoo zelfs dat +ze den neger had aangesproken om er het hare van te weten. Eens zelfs +had ze gezegd: "Wat zou mevrouw gelukkig zijn met dien vogel!" + +De neger had die uitlating aan zijn meesteres oververteld, en daar ze +den papegaai niet kon meenemen, ontdeed ze er zich op deze wijze van. + + + + +IV + + +Hij heette Loulou. Zijn romp was groen, de punt van zijn vleugels +roset, zijn kop blauw en zijn borst goudkleurig. + +Maar hij had de onhebbelijke gewoonte in zijn stok te bijten, trok +zich de veeren uit, maakte de kamer vuil, morste het water uit +zijn bad; hij verveelde mevrouw Aubain, en ze gaf hem voorgoed aan +Felicite. + +Deze poogde hem praten te leeren; algauw zei hij haar na: "Lieve +jongen! Uw dienaar, mijnheer! Weesgegroet, Maria!" Hij stond dicht bij +de voordeur, en menigeen was verwonderd dat hij niet luisterde naar +den naam Jacquot, daar alle papegaaien toch Jacquot heeten. Men zei, +dat hij een gans was, een domkop; het waren evenveel dolksteken door +Felicite's hart! En die vreemde stijfhoofdigheid van Loulou, nooit te +willen praten, als iemand naar hem keek! + +Toch hield hij van gezelligheid, want Zondags, als de dames +Rochefeuille, mijnheer de Houppeville er waren en nieuwe kennissen: +Onfroy, de apotheker, mijnheer Varin en kapitein Mathieu, om hun +partijtje kaart te spelen, vloog hij tegen de ruiten op, en ging met +zoo'n geweld te keer, dat men elkaar onmogelijk kon verstaan. + +Het gelaat van Bourais leek hem zeker heel zot toe. Zoogauw hij hem +zag, begon hij uit alle macht te lachen. Het geschater van zijn stem +kaatste over de plaats, de echo herhaalde het, de buren kwamen aan +'t venster en lachten ook. Om niet gezien te worden, sloop mijnheer +Bourais den muur langs, en zijn profiel verbergend achter zijn hoed, +ging hij tot bij de rivier, om dan door de tuindeur weer binnen te +komen, en de blikken die hij den papegaai toezond, waren allesbehalve +liefelijk. + +Loulou had van den slagersknecht een knip voor den neus gekregen, +omdat hij zich veroorloofd had den kop in diens korf te steken; sedert +trachtte hij altijd hem te pikken door zijn hemdsmouwen heen. Fabu +dreigde hem den hals om te draaien, en toch was hij, ondanks zijn +getatoueerde armen en zijn groote bakkebaarden, niet wreed van aard. +Integendeel! hij mocht den papegaai wel, zoo zelfs, dat hij, in goede +luim, hem vloeken leerde zeggen. Felicite, wie zulke manieren niet +aanstonden, zette hem in de keuken. Zijn ketting werd weggenomen, en +hij zat het heele huis door. + +Wanneer hij de trap af moest, stutte hij met de kromming van zijn +snavel op de treden, hief den rechterpoot op, dan den linker, en zij +was bang dat dergelijke gymnastische toeren hem duizelig zouden maken. +Hij werd ziek, kon niet meer praten of eten. Er zat hem een dikte +onder de tong, zooals kippen dit soms hebben. Ze genas hem door dat +vlies met haar nagels los te trekken. Mijnheer Paul was eens zoo +onvoorzichtig, hem den rook van z'n sigaar in den neus te blazen, een +anderen keer toen mevrouw Lormeau hem plaagde met den punt van haar +parasol, hapte hij er het ijzeren dopje af, en ten slotte vloog hij +kwijt. + +Ze had hem op het gras gezet om hem een luchtje te laten scheppen, en +ging even weg; toen ze terugkwam, geen papegaai meer! Eerst zocht +ze hem in de struiken, aan den waterkant, op de daken, zonder te +luisteren naar mevrouw, die haar toeriep:--"Wees toch voorzichtig! ge +zijt dwaas!" Toen doorspeurde ze alle tuinen van Pont-l'Eveque, en ze +hield de voorbijgangers staande:--"Hebt u somwijlen toevallig +mijn papegaai gezien?" Wanneer ze hem niet kenden, gaf ze hun een +beschrijving van zijn uiterlijk. Ineens meende ze achter den molen, +laag tegen den wal iets groens te zien rondfladderen. Maar toen ze op +den kant kwam, was er niets! Een sjouwer beweerde, dat hij hem zooeven +gezien had te Saint-Melaine in den winkel van vrouw Simon. Ze liep er +heen. Men begreep daar niet wat ze bedoelde. Eindelijk kwam ze weer +thuis, uitgeput, de sloffen vol gaten, den dood in het hart; en, juist +zat ze midden op de bank, naast mevrouw, heel haar wedervaren te +vertellen, toen een lichte last haar op den schouder viel. Loulou! Wat +drommel had hij uitgevoerd? Misschien was hij een uitstapje gaan doen +in den omtrek. + +Ze kon er moeilijk bovenop komen, of liever ze kwam er nooit meer +bovenop. + +Ze had kou gevat en kreeg dientengevolge een keelontsteking; kort +daarna een oorziekte. Drie jaar later was ze doof, en ze sprak heel +luid, zelfs in de kerk. Hoewel haar zonden gerust zonder schande voor +haar, of zonder schade voor den evenmensch, naar alle kanten van het +bisdom mochten rondverteld, oordeelde mijnheer pastoor het gepast, +haar niet anders meer dan in de sacristie de biecht te hooren. + +Een denkbeeldig, telkens weerkeerend gesuizel bracht haar voorgoed van +de wijs. 't Gebeurde meer dan eens, dat mevrouw zei:--"Mijn hemel! +wat ben je toch dom!" en dat zij daarop met een:--"Ja, mevrouw," iets +zoeken ging in de kamer. + +Haar kleine gedachten-kring werd nog enger, en het gebeier der +klokken, het geloei der runderen zelfs, bestond niet meer voor haar. +Alle wezens bewogen zich als schimmen zoo stil. Slechts een enkel +gerucht nog drong tot haar door, de stem van den papegaai. + +Als om haar wat afleiding te bezorgen, bootste hij het getiktak van +het braadspit na, den schellen roep van een vischventer, de zaag van +den schrijnwerker aan den overkant, en als 't belde, riep hij met +mevrouw Aubain's stem: "Felicite! open doen! open doen!" + +Ze hielden samenspraken, hij tot vervelens toe de zinnen van zijn +repertoire herhalend, en zij er op antwoordend met woorden zonder veel +meer samenhang, maar waarin ze haar hart uitstortte. Loulou was haar, +in haar afzondering, bijna een zoon, een geliefde. Hij klom langs +haar vingers op, knabbelde op haar lippen, klauwde zich vast in haar +omslagdoek, en wanneer ze dan het bevend hoofd voorover boog, werden +de groote vleugels van de muts en de vleugels van den vogel door +eenzelfde trilling bewogen. + +Wanneer de wolken zich opstapelden en de donder rommelde, begon hij te +krijschen, misschien zich de stortvlagen herinnerend van de bosschen +waar hij geboren werd. Het geruisch van het water maakte hem razend; +hij fladderde om, buiten zich zelf van angst, klampte zich tegen de +zoldering, gooide alles omver, en ging door het venster, in den tuin +rondploeteren; maar al gauw kwam hij weer op een der haardijzers +neergestreken, en heen-en-weer wippend om zijn veeren te laten drogen, +liet hij nu eens zijn staart, dan zijn bek zien. + +Op een morgen in den strengen winter van 1837, toen ze hem wegens de +koude voor den schoorsteen had gezet, vond ze hem dood midden in zijn +kooi, de kop omlaag, de nagels in het ijzerdraad. Hij had zeker een +congestie gehad. Zij dacht aan een vergiftiging met peterselie, en +ondanks alle gebrek aan bewijs, vatte ze kwade vermoedens op tegen +Fabu. + +Zoo schreide ze, dat mevrouw zei:--"Kom, kom! laat hem dan opzetten!" + +Ze ging raad vragen aan den apotheker, die altijd goed was geweest +voor Loulou. + +Hij schreef naar Havre. Een zekere Fellacher nam het werk op zich. Per +diligence raakten de pakgoederen soms kwijt, en daarom besloot ze haar +armen Loulou zelf tot Honfleur weg te brengen. + +De appelboomen stonden bladerloos langs den weg. IJs dekte de +slooten. Honden blaften bij de hoeven; ze hield de handen onder haar +schoudermantel, en met haar zwarte klompjes en haar karbies, spoedde +ze zich voort, midden over de keien. + +Ze ging dwars door het bosch, kwam Haut-Chene voorbij, en bereikte +Saint-Gatien. + +Achter haar kwam in een dichte stofwolk een postdiligence met dolle +vaart als een windhoos de helling afrollen. Toen hij daar een vrouw +gewaar werd, die rustig bleef loopen waar ze liep, bukte de conducteur +zich voorover uit de kap, en ook de postiljon schreeuwde, terwijl zijn +vier paarden, die hij niet kon inhouden, hun draf versnelden; de twee +voorste waren zoo nabij, dat ze haar raakten; met een schok van de +teugels rukte hij het vierspan den berm op, maar woedend hief hij den +arm, en uit alle macht striemde hij Felicite met zijn lange zweep zoo +fel langs borst en aangezicht, dat ze achterover viel. + +Toen ze weer bijkwam, was het haar eerste werk, de mand te openen. +Gelukkig, Loulou was ongedeerd! Zij voelde een brandende pijn aan de +rechterwang; toen ze met de handen er langs streek, werden die rood. +Er liep bloed uit. + +Ze ging op een kiezelhoop zitten, bette zich het gelaat met den +zakdoek, at toen een korst brood, die ze uit voorzorg in haar mand had +gestopt, en troostte zich over haar wonde door den vogel te bekijken. + +Op den heuvel van Ecquemauville gekomen, zag ze de lichten van +Honfleur, die in den nacht tintelden, als even zooveel sterren; verder +nog schemerde het vage vlak der zee. Toen voelde ze zich wee +worden van uitputting. Ze moest stilstaan, en de ellende van haar +kinderjaren, de teleurstelling harer eerste liefde, het heengaan van +haar neefje, Virginie's dood, het kwam alles tegelijk weer op in haar +hart, zooals bij vloed de golven opkomen, het steeg haar naar de keel +en verstikte haar den adem. + +Toen wilde ze den kapitein der boot spreken, en zonder te zeggen wat +er in de mand verpakt was, vroeg ze hem er vooral goed voor te zorgen. + +Fellacher hield den papegaai lang. Hij beloofde hem telkens voor de +volgende week. + +Na verloop van zes maanden berichtte hij, dat er een kist afgezonden +was; toen hoorde ze er verder niets van. Het scheen wel dat Loulou +nooit meer zou terugkomen. "Ze hebben hem gestolen!" dacht ze. + +Eindelijk kwam hij,--prachtig, recht-zittend op een tak die in een +mahoniehouten voet stond geschroefd, een poot in de lucht, den kop +schuin, en knabbelend op een noot, door den vogelopzetter, uit +liefhebberij voor 't indrukwekkende, verguld! + +Ze borg hem in haar kamer. + +Dit plekje van het huis, waar ze bijna niemand toeliet, leek evenveel +op een kapelletje als op een bazaar, zooveel devotie-dingen en zooveel +rommel waren er bijeen. + +De deur ging moeielijk open, omdat er een groote kast in den weg +stond. Tegenover het venster aan de tuinzijde was een zolderraampje +dat uitzag op de plaats voor het huis. Op een tafel naast het veldbed +lagen, bij een lampetkan, twee kammen en een stuk blauwe zeep op +de scherf van een schoteltje. Tegen de muren hingen: rozenkransen, +medailles, verschillende Lieve-Vrouwtjes, een wijwaterbakje van een +kokosnoot; op de latafel als een altaar met een witten doek bedekt, +stond de schelpendoos die Victor haar had gegeven, en ook een gieter +en een bolle flesch; schrijfboeken lagen er, de aardrijkskundige +prenten, een paar schoenen, en aan den spijker van den spiegel, hing, +aan zijn linten, het pluchen hoedje! Zoo ver dreef Felicite deze soort +van vereering, dat ze zelfs een der pandjassen van mijnheer bewaarde. +Alle oude prullen waar mevrouw Aubain genoeg van had, nam ze mee voor +haar kamer. Zoo kwam het, dat er opgemaakte bloemen langs den rand der +latafel stonden, en dat het portret van den graaf van Artois er in de +nis van het zoldervenstertje hing. + +Bij middel van een plankje werd Loulou tegen een uitspringende +schouwgang geplaatst. Iederen morgen bij haar ontwaken zag ze hem in +het licht van den aanbrekenden dag, en zonder hartzeer, heel rustig, +dacht ze dan aan de vervlogen jaren, en aan de onbeduidendste +voorvallen tot in hun minste bijzonderheden. + +Daar ze met geen mensch meer gemeenschap kon hebben, leefde ze, als +een slaapwandelaarster, in een durende verdooving. De processies van +Sacramentsdag deden haar weer opleven. Ze ging bij de buren kaarsen +en matten vragen om er het rustaltaar mee te sieren, dat in de straat +werd opgericht. + +In de kerk schouwde ze altijd naar de duif, die den Heiligen Geest +voorstelde, en vond dat ze wat geleek op haar papegaai. Die gelijkenis +scheen haar nog treffender op een plaat van Epinal, den doop Onzes +Heeren weergevend. Die duif met haar purperen vleugels en haar romp +van smaragd, ze leek wezenlijk het portret van Loulou. + +Ze kocht die plaat en hing ze waar de graaf van Artois gehangen +had;--zoo zag ze hen in eenen oogopslag. In haar gedachten werden ze +een, de papegaai als gewijd door zijn overeenkomst met die duif. En ze +bad met de oogen naar de plaat, maar een klein weinigje wendde ze zich +nu-en-dan toch naar haar vogel toe. + +Ze wilde zich in de Maria-congregatie laten opnemen, doch mevrouw +Aubain praatte haar dit uit 't hoofd. + +Ineens was er iets heel buitengewoons: het huwelijk van Paul. + +Na eerst notarisklerk te zijn geweest, was hij achtereenvolgens in den +handel, bij de invoerrechten en bij de belastingen gegaan, en zelfs +had hij gepoogd bij de jacht en visscherij te komen, toen, zes en +dertig jaar oud, had hij ineens, als door een ingeving van den hemel, +zijn weg gevonden: de registratie! een zoo grooten aanleg toonde hij +ervoor, dat een verificateur hem zijn dochter ten huwelijk bood en hem +zijn protectie beloofde. + +Paul, die 't nu ernstig meende, bracht haar bij zijn moeder. Ze +smaalde op de gewoonten van Pont-l'Eveque, speelde de prinses, +beleedigde Felicite. Het was mevrouw Aubain een heele verlichting toen +ze vertrok. + +De week daarop kwam de tijding dat mijnheer Bourais in Neder-Bretagne +in een herberg was dood gebleven. Het gerucht van een zelfmoord werd +bevestigd; er rees twijfel aan zijn eerlijkheid. Mevrouw Aubain zag +nauwkeurig haar rekeningen na, en vond al spoedig een lange reeks +van ongerechtigheden, verduistering van achterstallige schulden, +verdonkermaande houtverkoopen, valsche kwitanties, enz. + +Die schelmerijen deden haar veel verdriet. In Maart 1853 werd +ze aangetast door een longziekte; haar tong scheen bewasemd; de +bloedzuigers bedaarden de benauwdheid niet, en den negenden avond +stierf ze, juist twee en zeventig jaar oud. + +Niemand had haar voor zoo bejaard aangezien, omdat ze nog niets grijs +was. Ze droeg het bruine haar in platte banden tegen het bleeke, door +de pokken geschonden gezicht. Ze liet niet veel vrinden na, die leed +hadden over haar heengaan. Ze had iets hooghartigs over zich, dat de +menschen op een afstand hield. + +Felicite treurde over haar zooals geen dienstbaren over hun meesters +treuren. Dat mevrouw eerder stierf dan zij, bracht haar geest in de +war, scheen haar in te druischen tegen den gewonen loop der dingen, +het leek haar onaannemelijk en al te wreed. + +Tien dagen later (juist de tijd die er noodig was voor de reis van +Besancon) kwamen ineens de erfgenamen. De schoondochter doorzocht de +laden, koos meubels uit, verkocht de overige, daarna keerden ze samen +naar Paul's registratie-bureau terug. + +Mevrouws fauteuil, haar tafeltje, haar stoof, de acht stoelen waren +weg. De plaatsen waar de gravures hadden gehangen, teekenden zich +als vierkante gele plekken af midden op de wanden. Ze hadden de twee +ledikantjes meegenomen, ook de matrassen, en in de muurkast was niets +meer te vinden van Virginie's kleinooden! Felicite klom van de eene +verdieping naar de andere, buiten zich zelve van verdriet. + +Den volgenden dag zat er een plakkaat op de deur; de apotheker +schreeuwde haar in 't oor, dat het huis te koop stond. + +Ze wankelde en moest gaan zitten. + +Het zolderkamertje te moeten verlaten, waar die arme Loulou zoo'n goed +plaatsje had, dit was wel haar grootste verdriet. Met een angstigen +blik op haar vogel, bad ze of de Heilige Geest hem wilde beschermen, +en zoo vernevelden haar zinnen, dat ze langzamerhand de afgodische +gewoonte aannam, haar gebeden te prevelen neergeknield voor den +papegaai. Soms raakte de zon, die door het zoldervenstertje viel, +juist zijn glazen oog, en deed er een grooten glanzenden lichtstraal +uitschieten, die haar in vervoering bracht. + +Ze had een inkomen van driehonderdtachtig franken 's jaars, een legaat +van mevrouw. De tuin leverde haar groenten op. Kleeren had ze voor +levenslang genoeg, en door te gaan slapen, zoo gauw de avond viel, +spaarde ze het licht uit. + +Ze zette nooit meer een voet op straat, om den uitdragerswinkel te +mijden, waar eenige van de oude meubels te koop stonden. Sinds haar +geest zoo begon te verzwakken, sleepte ze het eene been, en omdat haar +krachten afnamen, kwam vrouw Simon, die in haar kruidenierszaakje +alles verloren had, iederen morgen haar hout klooven en water pompen. + +Haar oogen werden steeds zwakker. De zonneblinden gingen niet meer +open. Veel jaren verliepen er. En er kwamen noch huurders, noch +koopers voor het huis. + +Vreezende dat men haar zou aanzeggen het huis te verlaten, vroeg +Felicite om geen enkele reparatie. De binten van het dak waren aan +'t rotten; een winterlang was haar peluw doortrokken van 't nat. Na +Paschen gaf ze bloed op. Toen ging vrouw Simon een dokter roepen. +Felicite wilde weten, wat haar scheelde. Maar ze was te doof om het +te kunnen verstaan, een enkel woord slechts drong tot haar door: +"Longontsteking." Ze kende dit woord, en zei zachtjes:--"O, juist als +mevrouw," ze vond het heel natuurlijk hetzelfde te hebben als haar +meesteres. + +De dag van de rustaltaartjes naderde. + +Het eerste stond altijd aan 't einde van den oeverwal, het tweede voor +de post, het derde zoowat halfweg de straat. Er ontstond een wedijver +over de plaats van dit laatste, en de vrouwen der parochie kozen ten +slotte de voorplaats van mevrouw Aubain. + +De benauwdheden en de koorts namen toe. Felicite trok het zich erg +aan, niets te kunnen doen voor het altaartje. Kon ze er tenminste nog +iets op neerzetten! Ze dacht toen aan den pagegaai. Dat voegde +niet, wierpen de buurvrouwen tegen. Maar de pastoor gaf toch wel +toestemming. Ze was daar zoo gelukkig mee, dat ze hem vroeg Loulou van +haar te willen aannemen na haar dood, Loulou haar eenigen rijkdom. + +Van Dinsdag tot Zaterdag voor Sacramentsdag hoestte ze veel meer. +'s Avonds was haar gezicht vertrokken, haar lippen kleefden aan het +tandvleesch, ze begon brakingen te krijgen, en den volgenden morgen, +in de vroegte, voelde ze zich heel minnetjes en liet een priester +roepen. + +Drie buurvrouwen waren bij haar, toen ze het heilig oliesel ontving. +Daarop zei ze, noodig met Fabu te moeten spreken. + +Hij kwam in z'n zondagsche kleeren, slecht op zijn gemak in al die +narigheid. + +--"Vergeef me," zei ze met een poging om den arm uit te strekken, "ik +heb altijd gemeend, dat gij hem hadt dood gemaakt." + +Wat was dat voor lasterpraat? Hem verdacht te hebben van een moord, +een man als hij! Hij maakte zich boos, begon te razen en te tieren. + +--"Ge ziet toch wel, dat ze niet meer bij zinnen is!" + +Nu en dan was Felicite met schimmen aan 't praten. De drie buurvrouwen +gingen heen. Vrouw Simon dronk koffie. + +Een oogenblik later nam ze Loulou, en hem Felicite voorhoudend: + +--"Kom! zeg hem vaarwel!" + +De wormen knaagden aan hem, al was hij dan ook opgezet, een van zijn +vleugels hing gebroken, het vulsel puilde hem uit den buik. Maar ze +was nu blind, ze kuste hem op den kop en hield hem tegen haar wang. +Toen nam vrouw Simon hem weer terug, om hem op 't altaartje te zetten. + + + + +V + + +Uit de weien woei de zomergeur aan; vliegen gonsden; de zon +overglansde de rivier en blakerde de leien. Vrouw Simon was +teruggekomen en viel zachtjes in slaap. + +Klokgelui maakte haar wakker; de vespers waren uit. Felicite kwam weer +bij. Ze dacht aan de processie en zag die voor haar oogen, alsof ze er +in meeging. + +Alle schoolkinderen, de zangers en de brandweergasten liepen over +de stoepen, terwijl midden in de straat de hondenslager met zijn +hellebaard, de onderkoster met den kruisstaf voorttogen, ook de +onderwijzer, die een waakzaam oog hield op de schooljongens, en de +zuster vol zorg voor haar kleine meisjes; drie van de allerliefste, +met krullekopjes als engelen, wierpen rozeblaadjes in de lucht; de +diaken temperde, met uitgebreide armen, de muziek, en twee knapen +met wierookvaten keerden zich bij iedere schrede naar het Heilig +Sacrament, dat onder een hel-rooden troonhemel, dien vier kerkmeesters +torsten, gedragen werd door mijnheer Pastoor in zijn prachtige +kazuifel. Een stroom van menschen volgde, tusschen het witte doek, dat +de muur der huizen bedekte; en men kwam aan 't eind van den oeverwal. + +Felicite's slapen waren klam van 't koude zweet. Vrouw Simon bette ze +met een stuk linnen, peinzend hoe ook zij eenmaal dit alles zou moeten +doorstaan. + +Het gegons der menigte nam toe, was een oogenblik zeer luid, en +verwijderde zich. + +Een losbarsting van geweerschoten deed de ruiten trillen. Het waren +de postiljons die het Allerheiligste groetten. Felicite rolde met de +oogen, en zei, zoo duidelijk ze vermocht, vol zorg voor den papegaai: +"Staat hij goed?" + +Haar doodsstrijd begon. Een gereutel, dat steeds sneller werd, +deed haar zijden schokken, 't Schuim blies tot bellen op in haar +mondhoeken, en heel haar lichaam beefde. + +Niet lang, of men hoorde het geschal der koperen bashoorns, de heldere +kinderstemmen, de zware stem der mannen. Bij tusschen-poozen was +alles stil, en het treden der voetstappen, gedempt door het +bloemen-strooisel, geleek op het geschuifel van een kudde, die +voorttrekt over het gras. + +De schaar van priesters verscheen op de voorplaats. Vrouw Simon +klauterde op een stoel om bij het zolderraampje te komen, en zag zoo +vlak neer op het altaartje. + +Groene guirlanden hingen er over en het was versierd met een strook +van Engelsche kant. Middenop stond een schilderijtje met relikwieen, +twee oranjeboompjes op de hoeken, en in het rond zilveren luchters en +porseleinen vazen, waaruit zonnebloemen oprankten, lelies, pioenen, +campanula's, bossen hortensia's. Dit kleurgewemel daalde schuin omlaag +van de eerste verdieping tot op het vloerkleed, dat tot ver over de +straatsteenen lag uitgespreid; en vreemdsoortige voorwerpen trokken +het oog. Een verguld zilveren suikerpot droeg een kroon van viooltjes, +hangers van Alenconschen steen schitterden op een laagje mos, twee +Chineesche horretjes stalden hun landschappen ten toon. Loulou stond +onder rozen verborgen, en van hem was niets te bespeuren dan +'t bovenste van zijn blauwen kop, en dit blonk als een plakje +lazuursteen. + +De kerkmeesters, de zangers, de kinderen schaarden zich aan de drie +zijden van de plaats. De priester besteeg langzaam de altaartreden, en +zette op de kanten dwale zijn monstrans, die straalde als een +groote gouden zon. Allen knielden. Er zonk een diepe stilte. En de +wierookvaten gleden in breeden uitzwaai op hun kettingen weg en weder. + +Een azuren waas steeg naar de kamer van Felicite. Haar neusgaten +zetten zich uit terwijl ze den wierook inademde met een mystiek +welbehagen; dan sloot ze de oogen. Haar lippen glimlachten. De +bewegingen van haar hart vertraagden een voor een, telkens flauwer, +telkens zachter, zooals een fontein uitgeput neerruischt, zooals een +echo wegsterft; en terwijl ze den laatsten adem uitblies, waande ze +in de open hemelen een reusachtigen papegaai te zien, zwevend boven +haar hoofd. + + + + + +DE LEGENDE VAN SINT-JULIAAN DEN GASTVRIJE + + +I + +De vader en de moeder van Juliaan bewoonden een kasteel midden in +bosschen op de helling van een heuvel. + +De spitsen van de vier hoektorens waren met looden schubben bedekt, +en de voet der muren steunde op rotsen, die steil neerhelden naar de +grachtdiepte. + +Het plaveisel van het binnenplein was gaaf als dat van een kerkvloer. +Draken met den gapenden muil nederwaarts, spuwden het regenwater uit +de dakgoten naar den put, en op ieder vensterkozijn, alle verdiepingen +langs, bloeide in een beschilderden aarden pot, een bos balsemkruid of +heliotroop. + +Een tweede omheining van steenen palen omsloot vooreerst een boomgaard +en een tuin, waar de bloemen in bonte schikking naamletters teekenden +op de perken; verder een wijngaard met lustprieelen, en een kolfbaan +voor de pages. Aan de andere zijde bevonden zich de hondenhokken en +de stallen, bakkerij en druivenpers, en de schuren. Het geheel was +omgeven door groene weiden, die op hare beurt omsloten werden door een +zware haag van meidoorns. + +De vrede duurde reeds zooveel jaren door, dat de valpoort tot vaste +brug diende; de grachten waren vol water; de zwaluwen bouwden haar +nest in de kanteelen, en de boogschutter die den lieven langen dag +op den middenwal heen-en-weer moest wandelen, dook weg in het +wachttorentje, zoodra de zon te fel begon te branden, en lag er +met een gerust gemoed, uren lang ongestoord te slapen. Binnenshuis +schitterde het beslag van hengsels en sloten overal als zilver; +kostbare wandtapijten beschutten de kamers tegen de koude; de kasten +waren overvuld van het fijnste lijnwaad; in de kelders lagen de tonnen +met wijn hoog opgestapeld, en de eikenhouten koffers kraakten onder +het gewicht der geldzakken. + +In de wapenzaal, waren tusschen ruitervanen en roofdierkoppen, wapenen +uit alle tijden en van alle volken te vinden: van de slingers der +Amalekieten en de werpspiesen der Garamantijnen, tot de kromzwaarden +der Saracenen en de malienkolders der Normandiers. + +Aan het groote braadspit in de keuken kon wel een os geroosterd +worden. De huiskapel was weidsch en rijk als die van een koning. In +een achterafhoek van het kasteel was zelfs een romeinsch bad, maar de +burchtheer maakte er nooit gebruik van, wijl hij dit een heidensche +zede achtte. + +In een pelsmantel van vossevel wandelde hij door zijn huis; hij sprak +recht onder zijn vazallen, en legde de twisten van zijn naburen bij. + +'s Winters keek hij naar de dwarrelende sneeuwvlokken, of hij liet +zich verhalen voorlezen. Maar zoodra het mooie weer begon, reed hij op +zijn muilezel langs de wegjes door het groene koren, praatte met de +dorpers en gaf hun goeden raad. + +Na een zeer avontuurlijk leven had hij een jonkvrouw van hooge +geboorte tot gemalin genomen. Ze was zeer blank, en wat trotsch +en ernstig. De punten van haar huive raakten den bovenbalk der +deurposten; de plooien van haar lakensch gewaad sleepten drie schreden +achter haar aan. Haar huishouding was regelmatig als die in een +klooster; iederen morgen verdeelde ze het werk onder haar dienstboden; +ze hield het oog over den vruchten-inmaak en de zalven-bereiding; zat +achter het spinnewiel of borduurde dwalen voor het altaar. Op haar +aanhoudend bidden werd haar een zoon geboren. + +Toen heerschte er groote vreugde, en er werd een feestmaal aangericht. +Dit duurde drie dagen en vier nachten bij toortslicht en harpspel, op +strooisel van lenteloovers. Men at er de zeldzaamste specerijen, en +hoenders zoo groot als schapen; ter opluistering kwam er een dwerg uit +een pastei. Toen er geen bekers genoeg meer waren, wijl de menigte der +gasten steeds aangroeide, was men genoodzaakt uit horens en helmen te +drinken. + +De jonge moeder woonde deze feesten niet bij. Ze lag rustig op haar +legerstede. Toen, in een avonduur,--ze had gesluimerd en sloeg zacht +de oogen op,--zag ze in een manestraal, die door het venster gleed, +iets bewegen. Schaduw of schimme? Het was een grijsaard in haren pij, +een rozenkrans aan den gordel, den bedelzak op den schouder. Een +kluizenaar. Hij naderde het hoofdeinde van haar bed, en zei zonder de +lippen te ontsluiten: "Verheug u, o moeder! Uw zoon zal een heilige +worden!" + +Bijna schreide ze het uit van schrik, maar de schimme gleed heen langs +den manestraal, steeg zachtjes omhoog en verdween in het ijle licht. +De zangen van het festijn klonken helderder op. Zij echter hoorde +engelenstemmen. Haar hoofd viel terug in het kussen, waarboven, +tegen den muur, een martelaarsreliek hing, gevat in een lijst van +karbonkels. + +Den volgenden dag werd heel de dienaarschap ondervraagd. Allen +verklaarden eenstemmig, geen kluizenaar gezien te hebben. Maar--droom +of werkelijkheid--kon het anders dan een hemelboodschap zijn? De +burchtvrouw wachtte zich echter wel, die overtuiging uit te spreken. +Ze vreesde dat men haar van hoovaardij betichten zou. + +De gasten vertrokken bij het krieken van den morgen. Toen Juliaans +vader den laatsten uitgeleide gedaan had, en eenzaam bij de +burchtpoort achterbleef, zag hij ineens in den nevel een bedelaar voor +zich staan. Het was een zigeuner. Hij droeg den baard gevlochten en +had zilveren ringen aan beide armen. Zijn oogen flonkerden. En, als +bij ingeving, mompelde hij deze onsamenhangende woorden: + +"Welzoo! uw zoon!... veel bloed!... veel roem!... altijd gelukkig! in +de maagschap van een keizer!" + +Hij bukte naar de hem toegeworpen aalmoes, en zonder een spoor achter +te laten, was hij tusschen het gras verdwenen. + +De burchtheer keek naar links en rechts, riep zoo luid hij kon. + +Niemand! De wind blies, de uchtendnevels verwoeien. + +Hij weet dit droomgezicht aan de vermoeienis van zijn hoofd, na den +slapeloozen nacht. + +"Wat zouden ze lachen, zoo ik er van gewaagde!" + +En toch--hoe vaag de voorzegging ook scheen, en droom of +waarheid?--ondanks zijn twijfel bleef hij almaar uitturen in de +glanzende toekomst die zijn zoon beloofd was. Ze verblindde hem. + +De vader en de moeder hielden ieder voor zich hun geheim in het hart +verborgen. Beiden droegen ze het kind een even groote liefde toe. +Ieder voor zich beschouwden ze het als een geroepene Gods. Ze hadden +er de vroomste zorgen voor. Zijn bedje was met het zachtste dons +gevuld. Een lamp in den vorm eener duif brandde voortdurend er boven, +drie voedsters moesten over hem waken. En zoo: vast in zijn doeken +gewikkeld, met zijn roze-blozend gezichtje en zijn blauwe oogen, met +zijn brokaten mantel en zijn kapertje vol parels, geleek hij wel +het kindje-Jezus zelve. Hij kreeg tanden zonder een enkelen keer te +schreien. + +Toen hij zeven jaar was, leerde zijn moeder hem zingen. + +Om hem dapper te maken tilde zijn vader hem op een groot paard. Het +kind glimlachte van voldoening, en het duurde niet lang, of hij wist +alles van ros en tuig. + +Een zeer wijze, oude monnik onderrichtte hem in de heilige Schrift, +leerde hem de arabische cijfers en de latijnsche letters en liet hem +aardige miniaturen schilderen op perkament. Ze werkten samen hoog in +een toren, waar geen geluid hen kon hinderen. Na de les daalden ze +af in den hof, waar ze voet voor voet omwandelden en de bloemen +bestudeerden. + +Het gebeurde soms dat men diep uit het dal een rij lastdieren zag +naderen, gedreven door een op oostersche wijze uitgedosten voetganger, +in wien de burchtheer een koopman herkende. Hij liet hem door een +dienaar ontbieden, en de vreemdeling richtte dan in goed vertrouwen +zijn schreden burchtwaarts. In de halle binnengeleid, haalde hij +stukken sameet en zijde uit zijn koffers, cantille-goud en reukwerken, +en allerlei andere vreemdsoortige zaken waarvan men het gebruik niet +kende. Ten laatste ging de man weer heen, met goede winst, en zonder +het minste geweld verduurd te hebben. Een andermaal klopte er een +troep pelgrims aan de poort. Hun natte kleeren dampten voor den haard. +Wanneer hun honger gestild was, begonnen ze te verhalen van hun +tochten, hoe ze op de schuimende zee hadden gezwalkt en te voet door +het brandende zand der woestijnen getogen waren. Ze hadden het over de +wreedheid der heidenen, over de Kribbe en het Heilig Graf, en gaven +den kleinen jonker schelpen van hun mantel. + +Dikwijls onthaalde de burchtheer zijn oude wapenmakkers. En altijd +weer onder het drinken, kwamen ze los over hun oorlogen, over den +stormloop op de vestingen, als de werptuigen om hen henen raasden, +over hun wonden zonder weerga. En Juliaan, die niet moede werd te +luisteren, begon krijgskreten uit te stooten. School er niet een groot +veroveraar in dien knaap? Zijn vader was er van overtuigd. Maar 's +avonds, na de vespers, als Juliaan tusschen de eerbiedig nijgende +armelieden de kerk uitschreed, kon hij zoo deemoedig en met een gebaar +zoo edel in zijn gordelbeurs tasten, dat zijn moeder vast geloofde hem +mettertijd aartsbisschop te zien. + +Zijn plaats in de kapel was tusschen zijn ouders in. De diensten +duurden soms lang, maar hij bleef geknield, de baret voor de bidbank +op den grond, de handen gevouwen. + +Op zekeren dag, toen hij onder de Mis even opkeek, zag hij een wit +muisje uit een gat in den muur komen. Het trippelde over de eerste +altaar-trede, en na twee of drie malen over-en-weer wippen, vluchtte +het terug naar den kant vanwaar het geslopen kwam. Den volgenden +Zondag moest Juliaan onder het bidden telkens denken, dat het muisje +wel eens weerom kon komen. En waarlijk, het kwam. + +Nu wachtte hij er voortaan iederen Zondag op. Het begon hem zelf te +vervelen. Hij vatte een haat op tegen het muisje en besloot er zich +van te ontdoen. + +Op een Zondag-middag sloop hij alzoo alleen de kapel binnen, en na de +deur behoedzaam gesloten te hebben, strooide hij zoete kruimels op +de altaartreden, en stelde zich toen op voor het muizengat, met een +stokje in de hand. + +Na heel lang wachten kwam er een roze snuitje te voorschijn, toen de +heele muis. + +Hij raakte haar met een lichten slag, en bleef verstomd staan voor dat +kleine roerlooze lichaampje. + +Een druppel bloed vlekte op den vloersteen. Hij wischte het schielijk +af met de mouw, wierp de muis weg, en sprak er met niemand over. +Korten tijd later bemerkte hij dat allerlei vogels de zaden uit den +tuin wegpikten. Toen zocht hij een hol riet, en stopte het vol erwten. +Wanneer hij nu voortaan piepen of kweelen hoorde in een boom, naderde +hij heel zoetjes, richtte zijn schietbuis, blies de wangen op, en de +diertjes regenden hem zoo overvloedig op de schouders, dat hij zich +niet weerhouden kon te lachen om zijn sluwheid. + +Eens op een morgen, toen hij over den middenwal uit den hof terugkeerde, +zag hij op de kap der borstwering een groote duif zitten, die zich +borstte in de zon. Juliaan bleef staan om er naar te kijken. Er was een +bres in den wal op die plaats en vlak voor de hand vond hij een diggel +van het metselwerk. Hij hief den arm op, en de steen raakte den vogel, +die in de gracht neerviel. Hij haastte zich naar de diepte, scheurde +handen en kleeren in de struiken en snuffelde overal, rapper dan een +jonge hond. + +De duif hing met gebroken vleugels te beven in de takken van een +haagheester. + +Het ergerde den knaap, dat ze nog leefde. Hij neep haar de keel toe. +De stuiptrekkingen van zijn gewurgde prooi deden zijn hart bonzen, ze +riepen er een wilden en onstuimigen wellust wakker. Bij haar laatste +doodskramp stokte zijn adem. + +Onder het avondeten beweerde zijn vader toevallig, dat een knaap op +zijn leeftijd moest leeren jagen, en hij ging een oud schrijfboek +halen, dat in vragen en antwoorden, de geheele uiteenzetting der +jacht bevatte. Een meester onderwees er zijn leerling in de kunst der +honden-dressuur en in het africhten van valken, hoe strikken te leggen +en hoe een hert aan zijn lucht, een vos aan zijn spoor, een wolf aan +zijn voetstap te onderkennen; het beste middel om hun gangen te +weten; op welke manier men ze moet opjagen; waar zich gewoonlijk hun +schuilplaatsen bevinden; welke de gunstigste wind is; met de opsomming +der verschillende geluiden en de regels der buitverdeeling. + +Toen Juliaan al deze dingen uit het hoofd kon opzeggen, bracht zijn +vader een troep jachthonden voor hem samen. + +Daar waren vooreerst vier-en-twintig barbarijsche hazewinden onder, +vlugger dan gazellen, soms niet te weerhouden; ook zeventien koppels +bretonsche honden, wit gevlekt op rosse huid, zeker van hun doel, +sterk van borst en sterke blaffers. Voor de wilde-zwijnenjacht en de +gevaarlijke achtervolging waren er veertig brakken, harig als beren. + +Tartaarsche bulhonden, bijna zoo hoog als ezels, vuurkleurig, breed +gerugd en recht van knie, waren bestemd om den oeros te jagen. De +zwarte vacht der poedels glom als satijn. Op een afzonderlijke +binnenplaats gromden acht vlaamsche doggen, rukkend aan hun ketting +en met de oogen rollend, ontzaglijke dieren, die paard en ruiter +bespringen en voor een leeuw niet terugdeinzen. + +Allen aten weitebrood, dronken uit steenen troggen en ieder droeg een +klinkenden naam. Zoo mogelijk was de valkerij nog volmaakter in haar +samenstelling dan dit leger van honden. Door geen kosten te ontzien +had de burchtheer zich kaukasische valken weten te verschaffen, +sacervalken uit Babylonie, duitsche valkgieren, en rotsvalken, +gevangen op de steile kusten aan verre koude zeeen; ze hadden hun +verblijf in een huis met strooien dak, en zaten in volgorde van hun +grootte naast elkaar op stok, met een graszode voor zich, waarop ze nu +en dan werden neergezet, om ze lenig te houden. + +Weitasschen, angels, klemmen, allerlei jachttuig werd er gereed +gemaakt. + + * * * * * + +Toen begon men de op vogelvangst afgerichte honden naar het veld te +brengen. Ze roken daar al spoedig buit en stonden stil. + +Dan kwamen de jagermeesters voet voor voet nader, en spreidden over +hun onbeweeglijke lichamen een reusachtig net uit. + +Een bevelend woord deed hen blaffen; de kwartels vlogen op; en de +edelvrouwen uit de omgeving, die met hun ridders waren uitgenoodigd, +de kinderen, de hofdames, allen vielen er op aan, en maakten ze +gemakkelijk buit. + +Een andermaal sloeg men den roffel om de hazen uit hun leger op te +jagen; vossen vielen in hinderlagen, of wel een losspringende klemveer +vatte een wolf bij den poot. + +Maar Juliaan minachtte die gemakkelijke kunstjes. Hij verkoos ver +buiten de menschen-wereld te jagen, alleen met zijn paard en zijn +valk. Het was bijna altijd een groote Scythische jachtvalk, zoo wit +als sneeuw. Zijn lederen kapje was met een pluim versierd, en gouden +belletjes rinkelden aan zijn blauwe pooten; hij zat stil en recht op +zijns meesters arm, terwijl het paard draafde, en de landschappen +wisselden. + +Juliaan maakte dan zijn lussen los en liet hem ineens vrij; recht als +een pijl uit den boog steeg het stoutmoedige dier de lucht in, en +men zag dan twee ongelijke stippen wenden en wentelen, saamkomen en +verdwijnen in de diepten van het hemelblauw. De valk daalde weldra +neer, met een of anderen vogel tot prooi, en kwam zich opnieuw maar +met trillende vleugels, op den handschoen neerzetten. Juliaan maakte +zoo jacht op reiger en wouw, op kraaien en gieren. Hij hield er van, +in den horen te stooten en zijn honden te volgen, die de heuvels op +renden, over beken sprongen, van bosch naar bosch draafden; als het +hert begon te sterven onder de wreede beten, sloeg hij het behendig +neer. Dan was het hem een wellust toe te zien, hoe de woedende +buldoggen hun prooi verscheurden en bloed-rookend verslonden. + +Op nevelachtige dagen ging hij diep het moeras in, en lag in lage naar +ganzen, otters en wilde eenden. + +In den vroegsten uchtend reeds wachtten hem drie stalknechten aan +den voet van het bordes: en of de oude monnik zich ook-al uit zijn +torenvenster boog en gebaarde om hem terug te roepen, Juliaan zag niet +om. Hij ging dwars door de brandende zon, door regen en storm, dronk +bronwater uit de holle handen; deed voortdravend zijn maal aan wilde +appels, en als hij vermoeid was, legde hij zich onder een eik te +rusten. In 't midden van den nacht kwam hij thuis met bloed en slijk +bedekt, dorens in het haar en de kleeren doortrokken van de lucht +der wilde dieren. Hij werd aan hen gelijk. Wanneer zijn moeder hem +omhelsde, liet hij haar onverschillig begaan, alsof hij over verre en +diepzinnige dingen mijmerde. + +Hij doodde beren met messteken, stieren met den bijl, everzwijnen +met de werpspies, en eenmaal zelfs heeft hij met een stok, zijn +laatstovergebleven wapen, een grooten troep wolven van zich +afgeslagen, die lijken verslonden aan den voet van een galg. + +Zoo dan trok hij op zekeren wintermorgen uit. De dag was nog niet +aangebroken. Hij was goed toegerust, droeg den boog over den schouder, +den pijlenkoker aan den zadel-knop. + +Zijn deensche hengst, gevolgd door twee dashonden, deed den grond +onder zijn gelijkmatigen draf opklinken. + +IJzeldruppels kleefden aan zijn mantel; er woei een snerpende +Noordenwind. + +Langzaam werd de oosterkimme lichter. + +Toen zag Juliaan in den witten uchtend-schemer konijnen heen en weer +springen bij den rand van hun hol. De twee dassen stortten er +zich dadelijk op, beten in het wilde weg, en vermorzelden hun de +ruggegraat. + +Weldra kwam hij dan in een bosch. Op het uiteinde van een tak sliep +een korhaan met den kop onder de vleugels, versteven van kou. Juliaan +sloeg hem met een zwaardslag de beide pooten af, en zonder hem op te +rapen, vervolgde hij zijn weg. + +Drie uur later stond hij op een bergspits, zoo hoog, dat ze de wolken +raakte. Voor hem, boven een afgrond, helde een rots neer, smal en +kantig als een uitspringende muur; op haar uiteinde bevonden zich twee +wilde bokken, die in de diepte tuurden. + +Daar hij geen pijlen had (zijn paard was achtergebleven) besloot hij +na eenig bezinnen langs den rotskam af te dalen en hen zoo te naderen; +gedoken en blootsvoets kwam hij ten slotte bij den eersten der twee +bokken en stiet hem een dolk in de flanken. Opgejaagd door den schrik, +sprong de tweede de leege diepte in. Juliaan schoot toe om hem nog te +raken, maar zijn rechtervoet gleed uit, en hij viel voorover op het +lijk van den eersten, het gelaat boven den afgrond en de beide armen +wijd uit. + +In de vlakte reed hij langs een rij wilgen, die een rivier bezoomde. +Van tijd tot tijd kwamen hem laag-vliegende kraanvogels boven het +hoofd gestreken. Juliaan sloeg ze alle dood met zijn zweep, en miste +er geen enkele. + +Intusschen had de luwte den rijm doen dooien. Breede nevelsluiers +zweefden om, en de zon brak door. Heel in de verte zag hij het +loodkleurige vlak van een bevroren meer blinken. Midden op dat ijsveld +stond een dier, dat hij niet kende, een bever met zwarten snuit. +Ondanks den afstand velde de eerste pijl het neer. Juliaan had grooten +spijt de vacht niet te kunnen meenemen. + +Toen kwam hij door een dreef van groote boomen, wier kruinen aan den +woud-ingang een eereboog leken te vormen. + +Een ree sprong uit het kreupelhout, een damhert bleef staan op een +viersprong, een das kwam uit een hol, op een grasvlak pronkte een pauw +met zijn staart;--en toen hij ze alle gedood had, kwamen er andere +reeen, andere damherten, andere dassen, andere pauwen, merels en +meerkollen, bunzings, vossen, egels, lynxen, almaar-door nieuwe +dieren, ontelbaar en bij iedere schrede talrijker. Ze wendden en +keerden om hem heen en zagen hem aan met zachtaardigen, smeekenden +blik. Maar Juliaan werd het niet moe ze alle te dooden, nu eens zijn +boog spannend, dan zijn zwaard trekkend, of stekend met zijn knijf, en +hij had heugenis of nagedachte over niets ter wereld. Hij was op jacht +in een of ander land, sinds onbestemden tijd, en hij jaagde omdat +hij leefde, leefde omdat hij jaagde, alles voltrok zich zoo licht en +gemakkelijk als in een droom. Een buitengewoon schouwspel hield hem +echter staande. Een vallei, die den vorm had van een renperk, stond +vol herten; dicht saamgedrongen verwarmden ze elkaar met hun adem, die +men in den nevel zag om-wademen. Het vooruitzicht van zoo'n slachting +versmachtte hem van lust, oogenblikken lang. Toen sprong hij van zijn +paard, stroopte de mouwen op en begon aan te leggen. Bij het fluiten +van den eersten pijl wendden alle herten tegelijk hem den kop toe. Er +kwamen bressen in hun massa; klagende stemmen kermden, en een groote +beweging ontrustte de kudde. + +De hellingen der vallei waren te hoog; ingesloten sprongen de dieren +om, en zochten een uitweg. Juliaan mikte en schoot, de pijlen vielen +als regenstralen bij een onweer. De getergde herten weerden zich, +steigerden, sprongen op elkander, en hun lichamen met hun verwarde +geweien vormden een breeden heuvel, die zich verplaatste en +ineenstortte. Ten laatste stierven ze, uitgestrekt op het zand, het +schuim op den bek en met uitpuilende ingewanden. Het zwoegen van hun +lichaam werd zwakker en zwakker. Toen was alles stil. + +De nacht begon te duisteren, en achter het bosch, tusschen de takken +door, was de hemel rood als een bloed-doordrenkte dwale. + +Juliaan leunde met den rug tegen een boom. Met wijd-gesperde oogen +stond hij naar het monsterachtige bloedbad te staren, niet begrijpend, +hoe hij het had kunnen aanrichten. + +Aan de andere zijde van het dal, bij den boschrand, werd hij toen +ineens een ander hert gewaar, met een hinde en haar jong. + +Het hert dat zwart was en reusachtig van gestalte, droeg zestien +takken in zijn gewei en een witte sik. De hinde, blondbruin zooals +dorre bladers zijn, graasde, en het gevlekte reebokje volgde zijn +moeder. + +Toen snorde de boog nogmaals. Het reetje was dadelijk dood. De +moeder sloeg den blik omhoog en huilde met een diepe, menschelijke, +hartverscheurende stem. Dit tergde Juliaan, en hij velde haar met +een pijl in de borst. Het groote hert had dit gezien, het deed een +zijsprong, en Juliaan schoot zijn laatsten pijl er op af. Die raakte +het in 't voorhoofd, en bleef daar steken. + +Het groote hert scheen dit niet te voelen; het stapte over de doode +hinde en het bokje heen en naderde hem steeds dichter met gebukt +gewei, om zich op hem te werpen en hem het lichaam open te rijten. + +Door angst bevangen deinsde Juliaan terug. Het wonderbare dier stond +stil; en met vlammende oogen, plechtig als een patriarch en een +richter, herhaalde het tot driemaal toe, terwijl er een klok luidde in +de verte: + +"Vervloekt! vervloekt! vervloekt! De dag zal komen, wreedaardig hart, +dat ge uw vader en moeder vermoorden zult." + +Het boog de knieen, sloot zacht de oogen en stierf. + +Juliaan was verstomd blijven staan; toen deed een plotselinge +vermoeienis hem ineen-zinken, en een weerzin, een eindelooze droefenis +overstelpten hem. Met het hoofd in de handen bleef hij schreien. +Hij was zijn paard verloren, zijn honden hadden hem verlaten, de +eenzaamheid die hem omgaf, voelde hij dreigen met onbestemde gevaren. +En eensklaps vluchtte hij verschrikt weg, dwars de velden door, over +het eerste het beste voetpad, en zonder te weten hoe, stond hij ineens +voor de burchtpoort. + +'s Nachts sliep hij niet. Bij het weifelig schijnsel der hanglamp zag +hij voortdurend het donkere reuzenhert, wiens vloek hem kwellen bleef. +Hij vocht er tegenin. "Neen! neen! neen! ik kan ze niet dooden, nooit +of nimmer!" maar even later: "En zoo ik er toch, ondanks alles, toe +komen zou?" Steeds grooter werd zijn angst, dat de Booze hem zou +aandrijven. + +Drie maanden lang bad Juliaans moeder in doodsangst aan zijn sponde; +en zijn vader liep aanhoudend zuchtend heen en weer door de gangen. +De meest beroemde geneesmeesters liet hij komen. Ze schreven groote +hoeveelheden artsenijen voor en beweerden, dat Juliaans kwaal werd +veroorzaakt, of door een kwaden luchtstroom, of door een verlangen +naar liefde. Maar de jonker schudde op alle vragen het hoofd. + +Eindelijk begon hij toch weer bij krachten te komen; en hij wandelde +nu op het binnenplein, tusschen den ouden monnik en den burchtheer in, +die hem ieder bij een arm ondersteunden. + +Toen hij geheel hersteld was, wilde hij, in halsstarrig verzet, van +geen jagen meer hooren. + +Zijn vader wilde hem een genoegen doen en schonk hem een groot +saraceensch zwaard. Het hing in een wapenrek, boven tegen een pijler. +Er moest een ladder gehaald worden. Juliaan klom er op. Het al te +zware zwaard viel hem uit de handen, en raakte in zijn val den +burchtheer zoo dicht, dat het zijn mantel openscheurde. Juliaan +meende, dat hij zijn vader had gedood en viel in onmacht. + +Sedert had hij een afschrik van wapens. De aanblik van een blanke +kling deed hem bleek worden. Deze blooheid van Juliaan werd zijn +omgeving tot groot verdriet. + +Ten laatste bezwoer de oude monnik hem, om Gods wil en der vaderen +eer, ridderspel en wapenhandel weer op te vatten. + +De schildknapen vermaakten zich toen juist iederen dag met het +hanteeren van den werp-schicht. Juliaan muntte weldra uit in dat spel. +Hij mikte zijn schicht in den hals eener flesch en trof de hoogste +windwijzers, dat hun punten versplinterden. Op honderd passen afstand +raakte hij de nagelkoppen in de deuren. + +Op een zomeravond, in het uur dat de schemer de dingen doet vervagen, +zag hij, terwijl hij in de wingerddreef aan 't wandelen was, heel +in de verte daar twee witte vleugels fladderen, ter hoogte van het +lat-werk. Hij meende niet anders, of 't was een ooievaar, en hij wierp +zijn schicht. + +Een schelle kreet klonk op. Het was zijn moeder, wier breed geslipte +huive aan den muur bleef vastgespietst. + +Juliaan vluchtte uit den burcht en keerde niet terug. + + + + +II + + +Hij sloot zich aan bij een voorbijtrekkenden troep avonturiers. + +Hij leerde honger en dorst kennen, koortsen en ongedierte. Hij werd +gewoon aan het geraas der vechtpartijen en den aanblik van den dood. +De wind taande zijn huid. Zijn leden hardden onder de wapenrusting, +en daar hij zeer sterk, moedig, matig en wakker was, stond hij reeds +spoedig zelf aan het hoofd van een troep. + +Wanneer de slag zou beginnen, bezielde hij zijn soldaten door een +breeden zwaai met zijn zwaard. + +Langs een knoopladder beklauterde hij 's nachts de fortmuren, terwijl +de storm hem heen-en-weer slingerde, terwijl de vonken van het +grieksch vuur aan zijn kuras kleefden, en ziedend hars en gesmolten +lood uit de schietgaten stroomden. Dikwijls werd zijn schild door een +steenworp verbrijzeld. Bruggen stortten in onder den al te zwaren +last zijner benden. Met een zwaai van zijn knots ontdeed hij zich van +veertien ruiters, en in het strijdperk versloeg hij allen, die zich +met hem dorsten meten. Meer dan twintig keer waande men hem dood. Dank +zij de Goddelijke genade ontkwam hij het telkens; want hij beschermde +de kerken, weduwen en weezen, en vooral de oude lieden. + +Wanneer er een grijsaard voor hem uitging, riep hij hem aan, om zijn +gelaat te onderkennen, als in vreeze hem bij vergissing te dooden. +Weggeloopen slaven, muitende boeren, verraders zonder goede kans, +allerlei waaghalzen stroomden toe onder zijn vaandel, en hij vormde +een steeds aangroeiend leger. Hij werd befaamd. Men dong om zijn hulp. + +Om beurten stond hij den Franschen dauphijn bij en den koning van +Engeland, de tempeliers van Jeruzalem, den surena der Parthen, den +negus van Abbessynie en den keizer van Calicuta. Hij streed tegen de +Scandinaviers, die met vischschubben overdekt waren, tegen Negers +op rosse muildieren en met rondassen van nijlpaardenleer; tegen +koperkleurige Indianen, die boven hun veeren hoofdtooi breede +spiegelblanke klingen zwaaiden. Hij verwon holbewoners en +menschen-eters. Hij trok door zulke heete luchtstreken, dat de +zonnehitte het haar van zijn soldaten verschroeide en vlam deed vatten +als een fakkel. Elders heerschte zoo'n koude, dat de armen er van het +lichaam losvroren en op den grond vielen. + +In andere landen hingen de nevels zoo dicht, dat zijn troepen om hem +heen verwaasden tot stoeten van schimmen. + +Republieken, die in moeilijkheden waren, raadpleegden hem. Bij de +samenkomst der afgezanten verkreeg hij onverhoopte voorwaarden. +Wanneer een vorst zich misdroeg, verscheen hij ineens om hem te +vermanen. Hij vocht volken vrij. Hij verloste koninginnen uit de +torens, waar ze gekerkerd zaten. Hij, en niemand anders, doodde de +slang van Milaan en den draak van Ober-birbach. + +Welnu dan: de keizer van Occitanie, die de Spaansche Muzelmannen +overwon, had de zuster van den kalief van Cordova getrouwd; ze schonk +den keizer een dochter, die hij in den Christelijken godsdienst +opvoedde. Maar de kalief wendde voor, dat hij zich bekeeren wilde en +kwam hem zoo, met talrijk geleide, een bezoek brengen. Hij +verdelgde toen de heele bezetting, en wierp den keizer zelf in een +onderaardschen kerker, waar hij hem zeer hardvochtig behandelde, om +schatten als losgeld te krijgen. + +Juliaan snelde hem ter hulp, versloeg het leger van de verraders, +belegerde de stad, doodde den kalief, hieuw hem het hoofd af, en rolde +het als een bal over de wallen heen. Toen verloste hij den keizer uit +den kerker en plaatste hem weer op den troon, in tegenwoordigheid van +zijn geheele hof. + +De keizer wilde hem, tot dank voor zulk een dienst, korven vol geld +geven. Juliaan begeerde het niet. Meenend dat hij meer verlangde, bood +de keizer hem toen drie-vierde-deel van zijn rijkdommen aan; nieuwe +weigering. Ten einde raad stelde de keizer hem voor het rijk met hem +te deelen, en nog bedankte Juliaan. Toen schreide de keizer van spijt +en wist niets meer. Maar plotseling sloeg hij zich voor het voorhoofd. +Hij fluisterde een hoveling iets toe; een wandtapijt werd opgelicht en +daar trad een jonkvrouw te voorschijn. + +Haar groote zwarte oogen blonken als twee heel stille lampen. Een +lieve glimlach opende haar lippen. Heur lokken hechtten zich in de +edelsteenen van haar los gewaad; de jeugd van haar gestalte lijnde +teeder onder de luchte plooien van dat overkleed. + +De liefde deed Juliaan duizelen, te eer hem, die immer zoo'n ingetogen +leven had geleid. + +Zoo werd hem de dochter van den keizer ten huwelijk gegeven, met een +paleis van haar moeders erfdeel; en toen de bruiloft was afgeloopen, +nam men afscheid met einde-looze plichtplegingen van weerszijden. Het +was een wit-marmeren paleis, in moorschen stijl, op een voorgebergte +en midden in een bosch van oranjeboomen. Bloemterrassen daalden af +naar de kust van een zeegolf, waar rozige schelpen onder de voeten +kraakten. + +Achter het paleis strekte zich een waaier-vormig woud uit. De hemel +was altijd blauw. De toppen der boomen wuifden zachtjes onder de +luchtige zeebries, of onder den zefier, die aanwoei uit de bergen aan +den horizon. + +Het inlegwerk van de wanden scheen een lichtglans uit door de +schemerige zalen. Tengere zuiltjes, rank als riethalmen, droegen +het gewelf der koepels, die versierd waren met nagebootste +grotstalactieten. + +Er waren springbronnen in de zalen, mozaiekvloeren op de +binnenpleinen. Er waren bebeeldhouwde beschotten met randen van +looverwerk, en duizenderlei andere verfijningen van bouwkunst, en een +zoo diepe stilte, dat het geritsel van een sjerp over de vloeren reeds +groot gerucht was; een zucht deed zijn echo ademen. + +Juliaan voerde geen oorlog meer. Hij rustte, omgeven door een vredig +volk, dat dagelijks in stoeten aan hem voorbijtoog, met kniebuiging en +handkus naar Oostersche zede. + +In purper gehuld lag Juliaan in een vensternis te leunen, terwijl zijn +gedachten aldoor bezig waren met zijn vroeger jagersleven. Het liefst +zou hij, dwars de woestijn door, gazellen en struisvogels vervolgd +hebben, of, tusschen het bamboe verborgen, luipaarden hebben belaagd, +de wouden vol neushoorns doorkruist, of voor de arendjacht de +moeilijkst bereikbare bergtoppen bestegen hebben, en in zee op +ijsschotsen met de witte beren zijn gaan vechten. + +Somwijlen zag hij zichzelf in een droom midden tusschen alle dieren, +zooals Adam, onze vader, in het Paradijs. Met het strekken van zijn +hand deed hij ze sterven. Of wel ze trokken paarsgewijze voorbij, +volgens hun grootte, olifanten en leeuwen voorop, hermelijnen en +eenden achteraan, zooals ten dage toen ze de arke Noachs binnentogen. +Uit een grot, waar hij zich schuil hield, wierp hij naar hen met zijn +nimmer-missende schichten; andere dieren doken op; het nam geen einde +meer; en hij ontwaakte met woest-rollende oogen. + +Bevriende vorsten noodigden hem ter jacht. Hij bedankte altijd, in de +hoop, door deze versterving zijn ongeluk nog te kunnen afwenden; want +het docht hem, dat van het al of niet vermoorden van dieren het lot +zijner ouders afhing. Hen niet te mogen weerzien, en ook het ander +verlangen, het werd hem ondragelijk. + +Zijn vrouw deed goochelaars en danseressen komen, om hem wat +verstrooiing te geven. + +Ze liet zich met hem in een open draagkoets door de velden omvoeren; +andere keeren lagen ze op de banken van een bark naar de visschen te +zien die door het zilverklare water doolden. Dikwijls wierp ze hem +spelend met bloemen in het gelaat en aan zijn voeten tokkelde zij +liedjes op een drie-snarige mandoline; maar altijd weer, haar gevouwen +handen op zijn schouder, vroeg ze ten laatste met bloode stem: "Wat +houdt u toch bezig, mijn lieve gemaal?" + +Hij antwoordde niet, of wel hij barstte in snikken uit; op zekeren dag +echter bekende hij haar zijn afschuwelijke gedachte. + +Ze streed er tegen, met drang van zeer goede redenen: +hoogstwaarschijnlijk immers waren zijn vader en moeder dood, en mocht +hij ze ook ooit weerzien bijgeval, hoe dan nog, door welk toeval, of +met welke bedoeling zou hij tot zulk een zoo heilig-schennende misdaad +kunnen komen? Zijn vrees was alzoo ongegrond, en hij moest maar gerust +weer gaan jagen. + +Juliaan hoorde haar aan met een mijmerenden glimlach, maar hij kon +nimmer besluiten aan haar verlangen te voldoen. + +Een avond in Augustus, toen ze op hun kamer waren--zij had zich juist +ter ruste gelegd, en hij knielde neer om te bidden--hoorde hij het +keffen van een vos, toen sluippassen onder het venster, en door het +duister zag hij schimmen van dieren bewegen. + +De bekoring was hem te sterk. Hij nam den pijlenkoker van den wand. +Zijn vrouw scheen verrast. + +"Eindelijk dan zal ik doen wat ge altijd verlangd hebt", sprak hij, +"bij zonsopgang ben ik terug." + +Maar ze was bang, als voor dreigend kwaad. + +Hij stelde haar gerust, en ging heen, verwonderd over haar +wisselvallige stemmingen. + +Even later kwam een page haar kond doen, dat twee onbekenden, daar de +slotheer afwezig was, oorlof vroegen onmiddellijk tot de vrouwe te +worden toegelaten. + +En weldra traden een oude man en een oude vrouw de kamer binnen, diep +gebogen, met stof bedekt, in linnen gekleed, en ieder steunend op een +stok. + +Ze vatten moed, en zeiden dat ze Juliaan tijding van zijn ouders +kwamen brengen. De vrouwe neeg voorover om hen beter te verstaan. + +De twee oudelieden wisselden een raadplegenden blik, en begonnen haar +toen te vragen of hij zijn ouders nog liefhad, of hij wel eens over +zijn ouders sprak. + +"O, zeker!" was het antwoord. Toen konden zij zich niet langer +inhouden: + +"We zijn het zelve, wij!".--en ze zonken in hun zetels, afgemat van +vermoeienis. + +Wat evenwel kon de jonge vrouwe zekerheid geven, dat haar gemaal hun +zoon zou zijn? + +Maar ze bewezen het, door de bijzondere teekenen te beschrijven, die +hij op de huid had. Toen stond ze op van haar legerstee, riep den +page, en liet hun een maal opdienen. + +Hoewel ze grooten honger hadden, konden ze niet eten; en van terzijde +zag ze, hoe hun dorre handen beefden wanneer ze den beker opnamen. Ze +vroegen duizend uit over Juliaan. Ze beantwoordde al die vragen een +voor een, maar vermeed angstvallig over de doodsgedachte te spreken, +die hen zelve betrof. + +Ze waren van hun kasteel weggetrokken, toen ze hem niet terug zagen +keeren en sedert vele jaren zwierven ze om, vage aanduidingen volgend, +maar zonder de hoop te verliezen. Ze hadden zooveel geld noodig +gehad aan veerpenningen bij de rivieren, aan verblijfkosten in de +logementen, aan schatting voor de landsvorsten en aan losprijs voor de +roovers, dat hun beurs tot op den bodem leeg was, zoodat ze nu moesten +bedelen. Maar wat hinderde dat, nu ze welhaast hun zoon aan het hart +konden drukken? En ze prezen hem gelukkig met een zoo aanminnige +vrouwe, werden niet moe haar aan te zien en te liefkoozen. + +De weelde van het slaapvertrek verbaasde hen uitermate; en de oude +man, die zijn blik langs de wanden had laten weiden, vroeg waarom er +het blazoen des keizers van Occitanie was aangebracht. Juliaans vrouwe +antwoordde: + +"Dat is mijn vader!" + +Het deed den grijsaard huiveren van ontroering, want hij herinnerde +zich de voorspelling van den zigeuner; en de oude moeder mijmerde over +de woorden van den heremiet, overtuigd, dat deze aardsche glorie van +haar zoon slechts een opgang was naar eeuwige heerlijkheden; beiden +bleven ze star van verwondering daar zitten in den schijn van den +luchter, die de tafel verlichtte. + +Ze moesten wel heel mooie menschen geweest zijn in hun jeugd. De +moeder had heur volle haar nog, ze droeg het in twee gladde strooken, +fijn en wit als bladen van sneeuw langs slapen en wangen; en de +vader, met zijn hooge gestalte en zijn langen baard geleek op een +heiligebeeld uit de kerk. + +Juliaans vrouwe echter sprak, dat ze niet zoo wakend zijn thuiskomst +moesten verbeiden, en met lieven dwang deed zij hen in haar eigen +sponde slapen gaan; toen sloot ze het raam; ze sluimerden in. Het werd +zacht-aan morgen, en achter het vensterglas begonnen de vogels te +zingen. + +Juliaan was dwars door het park gegaan; en hij liep met krachtigen +tred het bosch door, genietend van de milde lucht en van het dauwige +gras, koel en zacht onder zijn voeten. + +De slagschaduwen der boomen lagen over het mos. Over de open plekken +deed de maan wel hier en daar blanke lichtglimpen glanzen; dan bleef +hij aarzelend talmen, in de meening dat er een vijverspiegel lag; +elders weer ging de kleur van een stil watervlak onmerkbaar over in +die van het gras der oeverranden. Er heerschte alom een diepe rust, en +hij vond nergens een der dieren, die voor eenige oogenblikken nog het +kasteel omdwaalden. + +Het bosch werd dichter, de duisternis steeds dieper. Warme +windzwoelten woeien om, loom en zwaar van geuren. Zijn voeten zonken +weg in lagen dorre bladers, en hij ging tegen een eikestam leunen om +wat te verademen. + +Eensklaps sprong er achter hem een logge schaduw op, duisterder uit +het duister, een everzwijn. Juliaan had den tijd niet zijn boog te +grijpen, en hij bejammerde dit als een ongeluk. + +Kort daarna, toen hij buiten het bosch was gekomen, zag hij een wolf +langs een hegge sluipen. + +Juliaan schoot een pijl op hem af. De wolf stond stil, wendde het +hoofd even om en liep toen door. Hij draafde voort, maar bleef altijd +op denzelfden afstand, hield van tijd tot tijd in, en zoogauw Juliaan +op hem aanlegde, vluchtte hij weer verder. + +Juliaan liep op deze wijze een eindelooze vlakte door, kwam toen over +lage zandheuvels en ten laatste stond hij op een hoogte, die uitzag +over een wijde landstreek. Platte zerksteenen lagen hierboven +verstrooid tusschen bouwvallige gewelven; men struikelde er over +doodsbeenderen; vermolmde graf-kruisen hingen klaaglijk omgevallen. +Maar er bewogen gedaanten in de onwezenlijke schaduw tusschen de +graven, en hyena's kwamen er uit opgedoken, rillend van angst. Hun +nagels schraafden over de zerken, nu ze snuffelend op hem afkwamen met +een grijns, die hun tandvleesch ontblootte. Hij trok zijn zwaard. Ze +stoven ineens uit elkaar, naar alle windstreken heen, almaar voort +in overijlden en struikeligen draf, tot ze ver-weg in een stofwolk +verdwenen. + +Een uur later vond hij in een ravijn een dollen stier, die, met +dreigende horens, den hoef in het zand schraapte. Juliaan wierp hem de +speer in de halskwab. De speer versplinterde, alsof het dier van brons +was. Juliaan sloot de oogen, en wachtte op den dood. Toen hij weer +opzag was de stier verdwenen. + +Zijn ziel verkromp van schaamte. Een bovennatuurlijke wil verwoestte +zijn kracht; en hij ging terug door het bosch om zich thuis te +verschuilen. + +De boschwegen waren overward door slingerplanten; en toen hij zich +met zijn zwaard een doortocht baande, kwam er ineens een steenmarter +tusschen zijn beenen doorglijden; een panter sprong hem over den +schouder, een slang kronkelde zich om een esschestam. In het loover +zat een monsterachtige kraai naar Juliaan te staroogen; en hier +en daar flonkerden er groote vonken tusschen de takken, alsof het +uitspansel al zijn sterren in het bosch had laten neerregenen. Het +waren dieren-oogen, oogen van boschkatten, van eekhorens en uilen, van +papegaaien en apen. + +Juliaan schoot almaar pijlen; de pijlen bleven met hun veders als +witte vlinders tusschen de bladeren zitten. Hij wierp met steenen; de +steenen vielen neer zonder iets te raken; hij verwenschte zich zelven, +en had zich wel willen geeselen, hij brieschte vervloekingen en +verstikte in zijn razernij. + +En alle dieren, die hij vervolgd had, daagden weer op en kwamen hem in +een nauwen kring omsluiten. Sommige zaten neergehurkt, andere stonden +recht. Hij bleef in het midden, verstard van angst en onbekwaam tot de +minste beweging. Door uiterste wilsinspanning verzette hij een voet; +die in de boomen openden hun vleugels, die langs den grond deden een +schrede, en alle vergezelden ze hem. De hyena's voor hem uit; de +wolf en het everzwijn achter hem aan. De stier aan zijn rechterzijde +schudde den kop; links kronkelde de slang door het boschkruid, terwijl +de panter met opgezetten rug voorging, met wijde fluweel-zachte +gluip-passen. Juliaan liep zoo langzaam mogelijk om ze niet op te +hitsen; en hij zag uit de diepten van het kreupelhout egels opduiken, +vossen, adders, jakhalzen en beren. Juliaan begon hard te loopen, alle +liepen ze hard. De slang sijfelde, de viervoeters kwijlden, de ever +schraafde hem de hielen met zijn slagtanden; de wolf wreef zijn +snorharen in den palm van zijn handen. Grimmend en grijnzend kwamen de +apen hem knijpen; de egel rolde over zijn voeten; een beer sloeg +hem de muts af met een zwaai van zijn poot; en de panter liet voor +evenveel een pijl neervallen, dien hij meedroeg in zijn bek. + +Er gluurde spotzucht achter hun heimelijk doen. En terwijl ze hem uit +hun ooghoeken bespiedden, leken ze wraakplannen te overwegen. Juliaan +liep voort met uitgebreide armen, de oogleden neer als een blinde, +verdoofd door het gegons der insecten, gezweept door de staartpennen +van de vogels, verstikt door al die adems, zonder zelfs de kracht te +hebben om "genade" te roepen. + +Het gekraai van een haan schrilde door de lucht. Andere hanen gaven +daar antwoord op; het was de morgen, en achter de oranje-boomen +daagden de tinnen van zijn paleis. + +Maar voortschrijdend hier langs den akker-kant zag hij op drie +schreden afstand roode patrijzen fladderen in de stoppels. Hij gespte +zijn mantel los en wierp dien op de vogels als een net. + +Toen hij naar zijn buit tastte, vond hij slechts een enkelen patrijs, +die daar sedert langen tijd moest dood gelegen hebben, een rottend +aas. + +Deze teleurstelling verbitterde hem nog meer dan alle overige. Zijn +bloeddorst werd hem meester, zoo zelfs dat hij menschen zou gemoord +hebben, als er geen dieren meer waren. Hij klom de drie terrassen op, +beukte de deur open met een vuistslag; maar aan den voet van de trap +deed de gedachte aan zijn geliefde vrouw hem het hart week worden. Ze +sliep nu zeker en ze zou verrast ontwaken. Nadat hij zich van zijn +sandalen had ontdaan, draaide hij zachtjes het slot open en schreed +binnen. + +De met lood dooraderde vensters verduisterden den bleeken uchtend. +Juliaans voeten verwarden zich in kleeren, die over den grond lagen; +wat verder stootte hij tegen een credens-tafel vol vaatwerk. "Ze +zal zeker gegeten hebben," dacht hij, en trad op het bed toe, dat +verschaduwd stond in de kamerdiepte. + +Toen hij den spondekant genaderd was, boog hij zich, om zijn vrouwe +te omhelzen, over de peluw neer, waar de twee hoofden rustten dicht +nevens een. Daar raakten zijn lippen de ruwheid van een baard. Hij +week ontzet terug, en geloofde waanzinnig te zijn; maar hij wendde +zich opnieuw naar het bed, en zijn tastende vingers nu raakten de zeer +lange haren. Om zich te overtuigen, dat hij ijlde, streek hij langzaam +met de hand de peluw over. En het was wel wezenlijk een baard, dien +hij voelde ditmaal, en een man! een man met zijn vrouw!... + +Uitbarstend in matelooze woede stortte hij zich met dolksteken op hen; +en hij trapte en brieschte, brullend als een wild dier. Toen hield +hij in. De dooden, die recht in het hart getroffen waren, hadden zich +zelfs niet meer verroerd. Hij luisterde oplettend naar hun beider +bijna gelijkmatig doodsgereutel, en naar gelang dit zwakker en +zwakker werd, begon een ander gekreun meer hoorbaar te worden. Het +lang-aanhoudende geluid van die klaaglijke stem, onduidelijk eerst, +kwam nader en nader, zette zich uit, werd hard en wreed, en ontzet +herkende Juliaan den schreeuw van het groote zwarte hert. + +En toen hij zich omwendde om te weten, meende hij in het open deurvak +de schaduw van zijn vrouwe te zien, die daar stond met een licht in +de hand. Het geraas van den moord had haar doen naderen. Met een blik +begreep ze alles. In afgrijzen vluchtte ze weg, en liet de toorts +vallen. Hij raapte die op. + +Zijn vader en zijn moeder lagen daar voor hem, recht uitgestrekt, met +een gapende wonde in de borst, en hun beider aangezicht geleek in +verheven zachtmoedigheid een eeuwig geheim te zwijgen. Droppels en +sprenkels bloed lagen over hun blanke huid gespat, over de lakens en +het bed, over den grond, en langs het ivoren kruisbeeld dat in +de bedstede hing. De vuurroode weerschijn der zon-doorstraalde +vensterruiten kwam die bloedige sprenkels nu verlichten en wierp er +zelve steeds nog meerdere door geheel het vertrek. En Juliaan liep +weer op de twee dooden toe, meenend en zich diets makend, dat het een +onmogelijkheid was, dat hij verkeerd had gezien, dat er somwijlen +onverklaarbare gelijkenissen zijn. Ten laatste boog hij angstvallig +voorover om den grijsaard van nabij te beschouwen; en hij zag, +tusschen die halfopen wimpers, een uitgedoofden oogappel, die hem als +vuur pijnde. Toen wendde hij zich naar den anderen spondekant, waar +het tweede lichaam lag; de witte haren verborgen gedeeltelijk het +gelaat. Juliaan streek die lokken weg en lichtte dat hoofd op; en hij +staarde haar aan, ze steunend met zijn krampachtig gestrekten arm, +terwijl hij in de andere hand de toorts hield om zich bij te lichten. + +Bloeddruppels sijpelden van de matras en vielen een voor een op den +vloer neer. + +Aan den avond van dien dag stond hij voor zijn vrouwe, en met een +stem, die zijn eigene niet was, gebood hij haar vooreerst hem niet te +antwoorden, hem niet te naderen, en zelfs hem niet meer aan te zien, +en dat ze, onder straffe van eeuwige verdoemenis, al zijn bevelen had +uit te voeren, die onherroepelijk waren. + +De begrafenis moest geregeld worden naar voorschriften die hij op een +bidstoel in de dooden-kamer had achtergelaten. Hij stond zijn vrouwe +het paleis af, zijn vazallen, al zijn have en goed, zonder zelfs zijns +lijfs-kleeren te behouden, noch zijn sandalen; men zou die boven op +de trappen weervinden. Zij was het werktuig geweest van Gods wil, +onschuldige oorzaak van zijn misdaad, en ze had te bidden voor zijn +ziel, want voortaan bestond hij niet meer. + +De dooden werden met groote praal begraven in de kerk van een +klooster, dat op drie dagreizen afstand lag van het kasteel. Een +monnik met neergeslagen boetekap volgde den stoet, afgescheiden van +alle overigen en zonder dat iemand hem dorst aanspreken. + +Gedurende de Mis bleef hij midden voor de poort plat-uitgestrekt ter +aarde liggen, de armen gekruist en het voorhoofd in het stof. Na de +begrafenis zag men hem den weg inslaan naar de bergen. Hij wendde zich +herhaaldelijk om, en verdween ten laatste. + + + + +III + + +Hij toog heen, een zwerver, bedelend om zijn brood. + +Hij hield de hand op voor de ruiters langs de wegen, naderde met een +knieval de oogstende landlieden, of bleef roerloos wachten voor het +hek van hun erf; zoo droef was zijn aangezicht, dat men hem nimmer een +aalmoes weigerde. + +In vermorzeling des harten deed hij dan zijn levensverhaal, en allen +vluchtten ze heen en sloegen ze kruisteekens. In de dorpen, waar hij +reeds eenmaal doorgetogen was, wierp men de deuren toe, zoodra men hem +herkende, men riep hem bedreigingen na en gooide hem met steenen. Zij, +die het liefdadigst waren, zetten eene nap op het vensterkozijn, maar +sloten dan de luiken om hem niet te zien. Een verstooteling was hij +overal, en hij begon de menschen te schuwen; hij voedde zich met +wortels, met planten, met afgevallen vruchten, en met schelpdieren die +hij zocht langs den zee-oever. + +Somwijlen zag hij van een heuvelkant ineens een stapeling van daken +onder zijn oogen, met steenen spitsen, met bruggen en torens, hars en +dwars doorkruist met zwarte straten, waaruit een aanhoudend gegons tot +hem opsteeg. + +Een drang om met de anderen deel te hebben in het leven, deed hem naar +de stad afdalen. + +Maar de dierlijke uitdrukking der gezichten, het geraas van het werk, +het leege gepraat, deden zijn hart verstarren. Op hoogtij-dagen, als +de groote klokken van de kathedraal, van zonsopgang af, het geheele +volk in feeststemming brachten, zag hij het aan, hoe de poorters uit +hun deur kwamen; stond als toeschouwer bij den dans op de pleinen, +liep te kijken naar de bier-fonteinen op den viersprong der straten, +naar de behangsels van zijden damast voor der vorsten woonsteden, en +als de avond gevallen was, gluurde hij door de ruitjes der onderhuizen +over de gezellige feesttafels heen, waar grootouders mede aanzaten met +kleine kinderen op hun knieen. Dan verstikte hij in zijn tranen, en +hij zwierf weer henen, naar buiten, de velden door. + +In opwellingen van verteedering kon hij ineens stilstaan, om te kijken +naar veulens in een wei, naar vogels in hun nest, naar insecten op de +bloemen; alle vluchtten ze weg, wanneer hij nabij was: verborgen zich +angstig, of vlogen snel heen. + +En weer zocht hij de eenzaamheid. Maar de wind kwam hem met +doodsgereutel langs de ooren kreunen; dauwdroppels die neervielen, +herinnerden hem aan andere droppels; die waren zwaarder. Iederen avond +deed de zon rood bloed vlieten door de wolken; iederen nacht herbegon +hij den oudermoord in zijn droomen. + +Hij maakte zich een boetekleed met ijzeren stekels. Op zijn twee +knieen kroop hij tegen alle heuvels op, waar een bedehuis waakte +omhoog. Maar de onverbiddelijke gedachte verduisterde den glans der +tabernakels, en bleef hem kwellen door zijn boeten en zelf-kastijden +heen. + +Hij toornde niet tegen God, die hem deze daad had opgelegd, maar was +radeloos ze bedreven te hebben. + +Hij had zoo'n afschuw van zichzelf, dat hij, om er los van te worden, +zich in allerlei gevaren waagde. Hij redde verlamden uit huizen in +lichter laaie, en kinderen uit de diepte van den afgrond. De afgrond +wierp hem weer op, het vuur spaarde hem. + +De tijd heelde zijn zielspijnen niet. Ze werden ondraaglijk. En hij +wilde den dood zoeken. Eens stond hij aan een vijverkant; en boog over +om de diepte van het water te peilen. Toen zag hij onder zijn oogen +het ingevallen gelaat van een grijsaard met witten baard, zoo droef +een gelaat, dat hij zijn tranen niet weerhouden kon. Ook de grijsaard +weende. Juliaan herkende zijn eigen spiegelbeeld niet. Maar er leefde +in hem een vage herinnering aan een gelaat, dat gelijkenis had met +dit. Hij schreeuwde het uit; zijn vader was het! Toen dacht hij er +niet meer over, zich den dood te doen. + +Zoo doolde hij vele landen door, overal den last van het verledene +meesleepend; en hij kwam bij een rivier, wier overtocht gevaarlijk +was, door de onstuimigheid van den stroom en door het slib dat +de vlakke oevers bedekte. Sedert lang durfde niemand hier meer +oversteken. + +Een oude bark, wier spiegel weggezonken zat in het slijk, hief haar +steven op uit het riet. + +Bij nader onderzoek vond Juliaan een paar roeiriemen; en de gedachte +werd hem ingegeven zijn leven te wijden aan den dienst zijner +medemenschen. Hij begon met over den oever een soort weg aan te leggen +naar het vaarwater; en hij scheurde zich de nagels bij zijn pogingen +om reusachtige steenbrokken los te woelen; hij droeg die tegen zijn +lichaam gedrukt naar het pad, gleed uit in de slib, zonk er in weg, en +meer-dan-eens dreigde hij om te komen. + +Toen kalfaatte hij de boot met stukken wrakhout, en bouwde zich een +hut van leem en boomstronken. + +Weldra kwamen er reizigers, die van het veer gehoord hadden. + +Met een vlag wenkten ze hem van den overkant. Juliaan sprong dan +haastig in zijn boot. Ze was heel log, en men stapelde ze overvol met +allerlei goederen en vrachten, zonder de lastdieren te rekenen, die +achteruittrapten van angst en de lading nog verzwaarden. Hij vroeg +niets voor zijn gezwoeg. Sommigen diepten overschot van eetwaren voor +hem uit hun reiszak, of gaven hem versleten kleeren, die ze zelve niet +meer wilden dragen. Er waren vlegels, die vloeken uitbraakten. Juliaan +vermaande hen zachtzinnig; ze hoonden en verguisden hem tot antwoord. +En zwijgend zegende hij hen. + +Een kleine tafel, een bankje, een bed van dorre bladers en drie aarden +kroezen,--ziedaar heel zijn have. Twee gaten in den muur dienden +tot vensters. Aan de eene zijde strekten zich de eindelooze naakte +vlakten, met hier en daar neveling van bleeke plassen; en voor hem +stuwde de groote stroom zijn groenige golven. + +In het voorjaar sloeg er een vunze lucht van verrotting uit de +vochtige aarde. Daarna deden wervelwinden het zand in hoozen +omstuiven. Het drong overal door, verslijkte het water en kraakte +tusschen de tanden. Wat later zwermden er wolken muskieten om, dag +en nacht door, met gonzen en steken. Eindelijk kwam weer de bijtende +koude, die alles tot steen deed verstarren en een fellen honger wekte +naar vleeschspijze. + +Maanden verliepen er, zonder dat Juliaan iemand zag. Dikwijls sloot +hij de oogen opdat de herinnering hem terug mocht voeren naar zijn +jeugd, en daar daagde het binnenhof van een kasteel. Hazewinden +lagen er te rusten op een bordes. Dienaren gingen af en aan door de +wapenzalen, en in de wingerddreef schreed een blonde knaap, tusschen +een in bont gehulden grijsaard en een edelvrouwe met groote huive; +eensklaps was daar niets meer, dan de twee lijken. Hij wierp zich plat +voorover op zijn leger, en bleef schreien: + +"Ach! arme vader! arme, arme moeder!" tot hij insliep. Maar de +doodsvisioenen duurden. + +In een nacht, toen hij zoo lag te slapen, meende hij iemand te hooren +roepen. Hij luisterde scherp, maar vernam niets meer dan het geloei +der golven. Maar dezelfde stem riep weer: "Juliaan!" Ze kwam van den +anderen oever, en dit bevreemdde hem te meer, daar de stroom zeer +breed was. + +En ten derden male riep men: "Juliaan". + +Het leek of er klokgelui doorklonk in die hooge stem. + +Nadat Juliaan zijn lantaarn ontstoken had, trad hij buiten de hut. De +nacht was een woedende orkaan. Zwaar hingen de duisternissen neer, +hier en daar door de onstuimigheid der wilde golven in flarden +verscheurd. + +Even weifelde Juliaan, toen knoopte hij het meertouw los. Dadelijk +werd het water rustig, de boot gleed er over en bereikte den anderen +oever. Daar wachtte een mensch. + +Hij was gehuld in een verrafeld linnen kleed. Zijn gelaat leek een +pleisteren dooden-masker, zijn oogen rooder dan vurige kolen. Toen +Juliaan de lantaarn naar hem ophief, zag hij dat een afzichtelijke +melaatschheid hem overdekte; toch lag er in zijn houding iets van de +waardigheid eens konings. Zoodra hij in de boot trad, zonk deze neer, +zoo diep alsof ze bezweek onder zijn zwaarte; een schok wierp haar +weer op, en Juliaan begon te roeien. + +Bij iederen slag met de riemen lichtte de branding den boeg omhoog. +Het inktzwarte water stuwde woest aan van beide oevers. Er groeven +zich afgronden, er stapelden zich bergen op. De sloep sprong er +overheen, en tuimelde dan weer weg in de diepten, waar ze, door den +storm gestuwd en gestooten, bleef omwervelen. + +Juliaan boog voorover, strekte de armen, en met de voeten zich +schragend, wierp hij zijn wringend lijf achteruit om meer kracht te +hebben. De hagel striemde hem de handen, de regen stroomde over zijn +rug, de wilde storm verstikte hem, en hij hield in. Toen werd de sloep +meegesleept door den stroom. Maar Juliaan begreep, dat het ging om +iets zeer gewichtigs, om een gebod waaraan hij niet weerstaan mocht, +en hij greep weer naar de riemen. Toen werd de groote stem van den +storm onderbroken door het geklapper der roeipinnen. Daar voor hem +brandde het lantaarntje. Rondfladderende vogels deden het bijwijlen +schuil gaan. Maar de oogen van den Melaatsche wendden zich niet van +hem af, en hij zag hem staan, hoog opgericht bij den achtersteven, +roerloos als een zuil. + +En dit alles duurde zeer, zeer lang. + +Toen ze in de hut gekomen waren, sloot Juliaan de deur, en hij zag den +Melaatsche op het bankje zitten. De lijkwa die hem omhuld had, was +neergezakt tot op de heupen; en zijn schouders, zijn borst, zijn +magere armen waren overdekt met roven en zweren. Ontzaglijke rimpels +doorgroefden zijn voorhoofd. Op de plaats van den neus was, als in een +bekkeneel, een zwarte holte, en van zijn blauwige lippen ademde een +zware wan-riekende walm. + +"Ik heb honger", sprak hij. + +Juliaan bood hem, wat hij bezat: een stuk ranzig spek en korsten +roggebrood. + +Toen hij ze verorberd had, droegen tafel, nap, en het heft van zijn +mes, eendere plek-als zijn lichaam. + +En hij sprak: "Ik heb dorst". + +Juliaan haalde zijn kruik en toen hij ze opnam, steeg er een geur uit, +die zijn reuk en zijn hart streelde. Het was wijn; wat een vondst! +Maar de Melaatsche strekte den arm, en ledigde de kruik in een teug. + +Toen sprak hij: "Ik heb het koud!" + +Juliaan deed met zijn toorts, midden in de hut, een bos varens +aanvlammen. + +De Melaatsche kwam er zich bij warmen; en zooals hij daar zat, +neergehurkt op de hielen, huiverde hij over al zijn leden en scheen +zwakker en zwakker te worden. Zijn oogen schitterden niet meer, zijn +wonden etterden, en met bijna klanklooze stem fluisterde hij; "Je +bed". Hij sleepte zich er heen, Juliaan hielp hem zacht, en spreidde +zelfs, om hem onder te dekken, het zeil van zijn bark over hem heen. + +De Melaatsche steende. Zijn mondhoeken trokken weg en lieten de tanden +bloot. Een heftig gehijg schokte zijn borst, en bij iederen ademtocht +sloeg het onderlijf holler in, alsof het wegkromp naar de ruggegraat. + +Toen sloot hij de oogen. + +"Als ijs, als ijs zoo koud! Kom dichter bij me!" + +En Juliaan schoof het zeil weg, en legde zich dicht naast hem op de +dorre bladers, zijde aan zijde. + +De Melaatsche wendde het hoofd naar hem toe: "Ik wil de warmte van je +lichaam voelen,--trek je kleeren uit!" + +Juliaan ontkleedde zich en legde zich zoo weer op het leger, hij +voelde de huid van den Melaatsche tegen de zijne, killer dan die van +een slang en ruw als een rasp. + +Hij poogde hem moed in te spreken; en de andere antwoordde +hijgend:--"O, ik ga sterven! kom dan toch dichter bij me, verwarm +me dan toch. Neen, niet met je handen, met geheel je lichaam".--En +Juliaan legde zich lijdzaam neer, borst tegen borst met den +Melaatsche, aangezicht tegen aangezicht. + +En dit was het oogenblik dat de Melaatsche hem in de armen sloot; dat +zijn oogen plotseling begonnen te lichten als starren, dat zijn haren +neergolfden als zonnestralen; en zijn adem kreeg een geur van rozen. +Een wierookwolk wademde op uit den haard, de golven zongen, en een +overmaat van geluk, een bovenaardsche zaligheid, daalde als een +overvloeiende zegening in Juliaans zwijmelende ziel, en degene wiens +armen hem omstrengelden, werd aldoor grooter en grooter, raakte +met hoofd en voeten de beide wanden der hut. Het dak verzwond. Het +uitspansel ontrolde zich als een tente; en Juliaan steeg de blauwe +ruimten in, borst tegen borst, aangezicht tegen aangezicht met Jezus +onzen Heer, Die hem ten hemel droeg. + +En ziedaar de geschiedenis van Sint Juliaan den gastvrije, zooals men +ze vindt tennaastenbij op een kerkraam in mijn land. + + + + + +HERODIAS + + +I + +De citadel van Machaerous verhief zich ten oosten van de Doode Zee op +een kegelvormige bazalt-rots. Vier diepe dalen lagen er omheen, twee +bezijden, een er tegenover, het vierde aan den achterkant. De huizen, +opgestapeld aan haar voet, werden ingesloten door een ringmuur, die +met de oneffenheden van den grond meegolfde. + +Een weg, zig-zag uitgehouwen in de rots, verbond de stad met de +sterkte, wier muren honderd-twintig elleboogslengten hoog waren en +talrijke uitsprongen hadden, kanteelen langs hun rand, en hier en daar +ook torens: het starre lofwerk aan die kroon van steenen hangend boven +den afgrond. + +Het binnenste der citadel was een met zuilengangen versierd paleis, +bedekt met een platform, dat omgeven werd door een leuning van +sycomore-hout, en waar staken stonden opgericht om een velarium uit te +spannen. + +Op zekeren uchtend--de zon was nog niet opgegaan--kwam de viervorst +Hero-des-Antipas zich over de balustrade heenbuigen, en zag-uit. + +De bergen aan zijn voeten begonnen hun kam op te heffen uit de +schaduwen waarin hun logge gevaarten, tot in de diepte der afgronden +die ze scheidden, nog verhuld lagen. Nevels zwierven om, scheurden +open, en de omtrekken der Doode Zee werden zichtbaar. De dageraad +die achter Machaerous rees, verspreidde een roodigen schijn. Deze +verlichtte weldra den zandigen zeeoever, de heuvelen, de woestijn, +en in verder verschiet, de bergen van Judea met hun grillige grijze +glooiingen. + +Engaddi trok door het midden zijn zware zwarte lijn; Hebron in de +diepte rondde zich koepelvormig, Esquol droeg granaatboomen, Sorek +wijnstokken, Karmel sesamkruid, en het reusachtig blok van den toren +Antonia bestreek Jeruzalem. De Viervorst wendde den blik af om te +rechterzijde de palmen van Jericho te beschouwen; en hij peinsde +over de andere steden van Galilea: Capharnauem, Endor, Nazareth, +Tiberias--waar hij waarschijnlijk nimmer meer komen zou. + +En almaar stroomde de Jordaan door de barre vlakte, die in haar witte +dorheid verblindend was als een sneeuwveld. Het meer scheen, in deze +stonde, van vloeiend lazuur; en aan zijn zuidelijke punt, naar de +richting van Yemen, werd Antipas gewaar, wat hij vreesde te zien: +Bruine tenten stonden daar verspreid, mannen met lansen schreden heen +en weer tusschen de paarden, en smeulende vuren twinkelden als vonken +laag tegen den grond. + +Het waren de troepen van den Arabischen koning, wiens dochter hij +verstooten had voor Herodias, de vrouw van een zijner broeders, die in +Italie woonde zonder te streven naar macht. + +Antipas wachtte hulp van de Romeinen, en hij werd door onrust +verteerd, omdat Vitellius, stedehouder in Syrie, nog steeds niet kwam +opdagen. + +Agrippa zou hem ongetwijfeld bij den keizer in ongenade hebben +gebracht. Philippus, zijn derde broeder, vorst van Batanea, wapende +zich zeker in 't geheim. De Joden hadden genoeg van zijn afgodische +zeden, de anderen van zijn overheersching; zoodat hij weifelde +tusschen twee plannen: of de Arabieren tot vrede te stemmen, of een +verbond te sluiten met de Parthen; en, onder voorwendsel van zijn +geboortefeest te vieren, had hij voor dezen zelfden dag nog, de +aanvoerders van zijn troepen, al zijn rentmeesters en de oppersten van +Galilea, op een groot gastmaal genoodigd. + +Hij liet zijn blik spiedend weiden over de wegen: ze waren nog leeg. +Arenden vlogen boven zijn hoofd om: de soldaten langs de wallen +sliepen tegen den muur, en binnen het paleis bewoog niets. + +Maar eensklaps deed een verre stem, die uit de diepten der aarde +scheen te komen, den Viervorst verbleeken. Hij boog zich voorover om +te luisteren. De stem zweeg. + +Maar toen ze herbegon, klapte hij in de handen, en riep: + +"Mannaei! Mannaei!" + +Een man trad te voorschijn, naakt tot den gordel, zooals de masseurs +bij de baden. Hij was zeer groot, oud, uitgemergeld, en droeg op de +heup een korte kling in bronzen scheede. Zijn haardos door een +kam opgehouden verhoogde nog de gerektheid van zijn voorhoofd. +Slaperigheid verdoofde nu de kleur zijner oogen, maar zijn tanden +glinsterden. Zijn geheele gestalte had een aapachtige lenigheid, en +licht drukten zijn teenen den vloer. Zijn gelaat was ondoorgrondelijk +als dat eener mummie. + +--Waar is hij? vroeg de Viervorst. + +Mannaei antwoordde, terwijl hij met den duim iets achter hen aanwees: +"Ginds! Altijd-door!" + +"Ik meende hem te hooren". + +En na een diepe ademhaling vroeg Antipas berichten over Jaokanann, +denzelfden dien de Latijnen Sint Joannes den Dooper noemen. Had men de +twee mannen nog weergezien, die men uit welwillendheid verleden maand +had toegelaten in zijn kerker? en wist men nu ten laatste, waartoe ze +gekomen waren? + +Mannaei antwoordde: + +"Ze hebben geheimzinnige woorden gewisseld, zooals dieven doen, 's +avonds op den viersprong der wegen. Daarna zijn ze heengetogen naar +Noord-Galilea, aankondigend dat ze een groot nieuws zouden brengen." + +Antipas boog het hoofd. Toen als in angst: + +"Bewaak hem! bewaak hem! En laat niemand binnen. Sluit de deur goed! +Bedek den put! Men mag niet vermoeden dat hij leeft!" + +Zonder die bevelen ontvangen te hebben, had Mannaei ze toch steeds +uitgevoerd, want Jaokanann was een Jood, en, zooals alle Samaritanen, +verfoeide hij de Joden. Hun tempel van Garizim door Mozes als hart +en middelpunt van Israel aangewezen, bestond niet meer sinds koning +Hyrcan, en die van Jeruzalem deed hen, als een blijvend en hoonend +onrecht, in wrok en woede leven. Mannaei was er binnengedrongen om +er het outer met doodsbeenderen te schennen. Zijn gezellen, minder +behendig dan hij, waren onthoofd geworden. Hij zag op dit oogenblik +dien tempel, door de inzinking tusschen twee heuvels heen. De zon deed +de wit-marmeren muren weerglanzen, en de gouden platen van het dakwerk +schitterden. Het geleek een berg van licht, iets bovenaardsch, dat +alles overheerschte door zijn rijkdom en zijn trots. + +Toen strekte Mannaei de armen uit naar Sion, en, hoog opgericht, het +gelaat geheven, de vuisten gebald wierp hij zijn vervloeking naar die +stad, wanend dat zijn woorden een werkelijke macht in zich hadden. + +Antipas hoorde het aan, en leek in 't minst niet geergerd. + +Toen hervatte de Samaritaan: "Bij wijlen is hij onrustig. Hij zou dan +'t liefst willen ontvluchten, en hoopt op verlossing. Andere keeren +lijkt hij kalm als een ziek dier, en ook wel heb ik hem heen en weer +zien loopen in het donker, voor-zich-heen herhalend: "Wat deert het? +Hij moet grooter, maar ik kleiner worden." + +Antipas en Mannaei zagen elkander aan. Maar de Viervorst was het moe +verder na te denken. + +Al die bergen om hem heen, opstapelingen gelijk van versteende golven, +de zwarte draaikolken langs de rotsige kusten, de eindeloosheid van +den blauwen hemel, het schelle glanzen van den dag, de diepte der +afgronden verbijsterden hem; en toen zijn oogen weiden gingen over +de woestijn, werd hij nog mistroostiger, bij het zien van die woest +doorwoelde gronden met hun bouwvallen van amphitheaters en paleizen. + +Op de heete windademen dreef een zwavelreuk aan, als een uitwaseming +van de vervloekte steden, die, dieper dan de oevervlakten, bedolven +liggen onder de zware wateren. + +Deze teekenen van een eeuwige gramschap joegen zijn gedachten +verschrikt op, en hij bleef met de ellebogen op de balustrade, het +hoofd in de handen, staroogend staan. + +Iemand raakte hem aan. + +Hij wendde zich om. + +Herodias stond daar. + +Een licht purperen samaar omhulde haar tot op de sandalen. + +Ze was overhaast uit haar kamer getreden en droeg noch parelsnoeren, +noch oorhangers; een vlecht van heur zwarte haren viel haar over den +arm op den boezem. Haar hoog opgetrokken neusvleugels trilden; de +vreugde van een triomf glansde over haar gelaat, en met forsche stem +begon ze, terwijl ze den arm van den Viervorst schudde: + +"Cesar is ons welgezind! Agrippa is gekerkerd!" + +"Wie heeft het u gezegd?" + +"Ik weet het!" + +En ze voegde erbij: + +"'t Is wijl hij het keizerschap wenschte voor Cajus." + +Hij die van hun aalmoezen leefde, had gestaan naar den koningstitel, +dien zij-zelve even begeerig najoegen als hij! + +Maar voortaan geen vrees meer! + +"De kerkers van Tiberius worden moeielijk ontsloten, en men is er niet +altijd zeker van zijn leven!" + +Antipas begreep haar, en hoewel zij Agrippa's zuster was, leek haar +wreedaardige bedoeling hem gerechtvaardigd. Die moorden volgden uit +den samenloop der dingen, en waren een noodlot van de Koningshuizen. +In dat van Herodes was hun aantal niet te tellen. + +Toen begon ze haar welgeslaagden toeleg uiteen te zetten; de +omgekochte clienten, de gevonden brieven, de verspieders aan alle +deuren, en hoe ze erin geslaagd was Eutyches tot aanklacht te +verleiden. + +"Het viel me niet moeielijk, ik heb immers wel andere dingen gedaan +voor U? Verliet ik zelfs mijn dochter niet?" + +Na haar echtscheiding, hopend in haar huwelijk met den Viervorst wel +moeder te worden van andere kinderen, had ze dat dochtertje in Rome +gelaten. Ze sprak er nimmer over. + +Daarom zocht de Viervorst nu naar de beweegreden van die opwelling van +teederheid. + +Men had het velarium ontplooid en, gedienstig, groote kussens bij +gebracht. Herodias zonk er in neder, en weende met afgewend gelaat. +Toen streek ze met de hand over de oogleden, en zeide dat ze verder +niet meer eraan denken wilde; dat ze zich gelukkig voelde; en ze +herinnerde hem hun gesprekken ginds in het atrium, hun ontmoetingen +bij de baden, hun wandelingen langs den Via Sacra en in de groote +villa's des avonds bij het murmelen der fonteinen, terwijl ze uitzagen +onder de bloemenbogen door over de Romeinsche Campagna. En ze blikte +naar hem op als toen ter tijd, met streelerige gebaren zich vlijend +aan zijn borst. Hij stootte haar van zich af. De liefde, die zij +wilde doen herleven, was zoo verre thans. Al zijn rampen waren er uit +voortgekomen, want reeds twaalf jaar duurde de oorlog. De Viervorst +was er door verouderd. Zijn rug was gedoken in de donkere, paarsom +rande toga; zijn witte haren golfden samen met die van zijn grijzenden +baard, en de zon, die door den baldakijn drong, stortte een stroom van +licht over zijn wrevelend voorhoofd. Ook Herodias' voorhoofd zette +rimpels. Aangezicht tegenover aangezicht stonden ze, en in wrokkende +kwaadaardigheid maten ze elkander met den blik. + +Er begon beweging te komen op de bergpaden. Herders dreven ossen +voort, kinderen trokken ezels mee aan den toom, stalknechten leidden +hun paarden. Zij die afdaalden van de hoogten voorbij Machaerous, +verdwenen achter in den burcht, anderen togen door de rotsklove aan +den voorkant verder, en in de stad gekomen zetten ze hun pakken en +lasten op de binnenplaatsen neer. Dit waren de hofmeesters van den +Viervorst en knechten die de gasten voorafgingen. + +Doch daar trad plotseling aan den linkeropgang van het terras een +Esseer te voorschijn, geheel in 't wit gekleed, blootsvoets, en met +het uiterlijk van een Stoicijn. Tegelijkertijd stortte Mannaei, van +tegenovergestelde zijde uitschietend, zich met getrokken zwaard op hem. + +"Steek hem dood!" riep Herodias den beul toe. + +"Houd in!" beval de Viervorst. + +Manaei bleef onbeweeglijk staan; de andere evenzoo. + +Toen trokken ze zich terug, achteruittredend, ieder langs een andere +trap, en zonder elkaar uit het oog te verliezen. + +"Ik ken hem!" zei Herodias, "zijn naam is Phanuel, en hij tracht tot +Jaokanann door te dringen, wiens leven door uw dwaasheid zoo veilig +bewaard blijft". + +Antipas wierp haar tegen, dat Jaokanann hun vandaag of morgen van +dienst zou kunnen zijn. Zijn aanvallen tegen Jeruzalem zouden de rest +der Joden tot hen doen overloopen. + +"Neen!" hernam zij. "Ze buigen zich onder alle meesters en zijn niet +in staat een eigen rijk te vormen!" En wat dengene betrof, die de +gemoederen in beweging bracht door een hoop op te wekken, die sinds +Nehemias voortleefde onder het Joodsche volk, was het niet 't meest +doeltreffend hem uit den weg te ruimen? + +Volstrekt geen haast had dit, volgens den Viervorst: Jaokanann +gevaarlijk! Komaan nu! en hij deed alsof hij erom lachen moest. +"Zwijg!" En zij herbegon het verhaal van de diepe vernedering, welke +ze ondergaan had, op den dag toen ze naar Galaaed was getogen voor den +balsem-oogst. + +Er waren aan de rivier menschen die zich herkleedden. Terzijde, op een +lagen heuvel, stond een man te spreken. Hij droeg een kemelshuid om +de lenden, en zijn hoofd leek op dat van een leeuw. "Van 't eerste +oogenblik dat hij me gewaar werd, wierp hij me alle vervloekingen der +profeten toe. Zijn oogen schoten vlammen, zijn stem huilde, hij hief +de armen als om den bliksem neer te halen. Geen mogelijkheid hem te +ontvluchten, de raderen van mijn wagen waren tot de assen in het zand +gezonken; en langzaam ging ik heen, me beschuttend met mijn mantel, +verbijsterd door zijn hoon, die op me viel als een stortvlaag." Zij +kon niet verder leven, zoolang Jaokanann bestond. Toen hij gevangen +werd genomen en met koorden gebonden, was den soldaten bevolen hem te +dooden, zoo hij zich verweren mocht; hij had zich zachtmoedig betoond. +Men had slangen in zijn kerker gezet; ze waren er doodgegaan. + +De nutteloosheid van die verraderlijke lagen bracht Herodias' geduld +ten einde. En daarenboven, waarom zijn strijd tegen haar? Welk belang +dreef hem aan? Zijn predikingen tot het volk hadden zich verspreid, +gingen van mond tot mond; alom hoorde zij ze fluisteren, ze vervulden +de lucht. Legioenen zou ze getrotseerd hebben. Maar deze macht, feller +dan een tweesnijdend zwaard, en die zich niet aangrijpen liet, ze +werkte geestverlammend. Bleek van woede, geen woorden meer vindend om +uit te stooten wat haar den adem benam, schreed ze heen en weer over +het terras. + +En tegelijkertijd kwelde haar de gedachte, dat de Viervorst wellicht +bezwijken zou voor des volks oordeel, en zoo ertoe gebracht worden +haar te verstooten. Dan ware alles verloren! Sinds haar kinderjaren +koesterde ze den droom van een groot keizerrijk. En om er toe te +geraken, had ze haar eersten gemaal verlaten, om zich met Antipas te +verbinden in wien ze zich bedrogen had, dacht ze. + +"Ik koos een hechten steun, toen ik in uw familie trad!" + +"Ze staat met de uwe gelijk!" zei de Viervorst kalm-weg. + +Herodias voelde in haar aderen het bloed koken van de priesters en +koningen, die haar voorvaders waren. + +"Maar uw grootvader veegde den tempel van Ascalon! De anderen waren +herders, roovers, karavaanleiders, een zwervende stam, schatplichtig +aan Judea sinds koning David! Al mijn voorvaders hebben de uwe +verslagen. De eerste der Makkabieten heeft u verjaagd van Hebron, +Hyrcan dwong u tot de besnijdenis!" Het was de patricische vrouw die +den peblejer haar verachting in 't aangezicht wierp, den haat van +Jacob tegen Edom. Ze verweet hem zijn gevoelloosheid voor smaad en +hoon, zijn lankmoedigheid jegens de Farizeers die hem verrieden, zijn +lafheid jegens het volk dat haar haatte. + +"Ge zijt als zij, beken het! en ge betreurt het Arabische meisje dat +rondom steenen danst. Neem haar weer tot u! Keer tot haar weer in haar +linnen huis; verorber haar brood, dat onder de asch gebakken werd, +zwelg de gestremde melk van haar schapen! kus haar blauwe wangen! en +vergeet mij!" + +De Viervorst luisterde niet meer. Hij tuurde uit naar het platform van +een huis, waar zich een jong meisje bevond met een oude vrouw, die een +zonnescherm ophield aan een rieten stok zoo lang als de hengelroe van +een visscher. Midden op het vloer-tapijt stond een groote reismand met +open deksel. Gordels en sluiers, hangers en ketens van goud warden er +uit. Bij tusschenpoozen boog het meisje zich over die dingen heen om +ze uit te slaan in de open lucht. Ze was als een Romeinsche gekleed, +in een tunica die overplooid werd door een peplum, afgezet met akers +van smaragd. Blauwe banden omsloten haar kapsel, dat te zwaar leek, +want van tijd tot tijd bracht ze er de hand aan. De schaduw van het +zonnescherm bewoog zich boven haar, en verhulde haar ten deele. +Antipas onderscheidde twee of drie keeren de fijne lijnen van haar +hals, den winkel van haar oog, den hoek van een kleinen mond. En +geheel haar gestalte, van de heupen tot het hoofd, zag hij buigen en +zich oprichten met veerkrachtige bewegingen. Nog eenmaal wilde hij dat +gebaar zien, en terwijl hij het afwachtte, ging zijn adem zwaarder, en +zijn oogen schitterden. + +Herodias bespiedde hem. + +Hij vroeg: "Wie is dat?" Ze zeide er niets vanaf te weten, en ging, +plotseling gerustgesteld heen. Onder de zuilengangen werd de Viervorst +door Galileers opgewacht, zijn griffier, den opzichter van den +veestapel, den rentmeester der zoutpannen, en een Babylonischen Jood +die het bevel voerde over zijn ruiters. Hij werd met gejuich begroet, +maar wendde zich af, heenschrijdend in de richting, der binnenzalen. + +Phanuel dook op uit een hoek in een der gangen. + +"Wat! nog hier? Ge komt zeker voor Jaokanann?" + +"En voor U! ik moet U iets gewichtigs mededeelen." + +En, zonder Antipas meer te verlaten, drong hij achter hem aan een +duisterig vertrek binnen. + +Het licht viel door tralies, die, onder de kroonlijst, den geheelen +lengtekant innamen. De muren waren beschilderd in granaat-tint, op +zwart af. In de kamerdiepte stond een ebbenhouten bed, welks ligmat +uit riemen van ossenleder was gevlochten. + +Er boven hing een gouden beukelaar, die glansde als een zon. Antipas +ging dwars de zaal door en strekte zich uit op het bed. + +Phanuel bleef opgericht staan. Hij hief den arm en sprak, als in +bezieling: + +"De Allerhoogste zendt bijwijlen een zijner zonen. Jaokanann is een +van hen. Indien gij hem verdrukt, zult ge gestraft worden." + +"Ik word door hem vervolgd!" riep Antipas uit. "Hij heeft van mij het +onmogelijke gevergd! Sinds dat oogenblik kwelt hij me. En waarlijk, ik +was niet hardvochtig in den beginne. Zelfs van Machaerous zendt hij +mannen uit, die mijn provincies in beroering brengen. Vloek over zijn +bestaan! Ik verweer me, waar hij me aanrandt!" + +"Wat geeft het, al moge zijn gramschap te heftig zijn? Ge moet hem +vrijlaten." + +"Men laat geen dolle beesten los!" zei de Viervorst. + +De Esseer antwoordde: "Verontrust u niet! Hij zal naar de Arabieren +gaan, naar de Galliers of de Scythen. Zijn arbeid moet zich +uitstrekken tot des aardrijks einden!" + +Antipas scheen verloren in een droomgezicht. "Wel groot is zijn +macht!... ondanks me-zelf, heb ik hem lief." + +"Welnu dan, laat hem!" + +De Viervorst schudde het hoofd. Hij was bang voor Herodias, voor +Mannaei, en voor den onbekende. + +Phanuel trachtte hem te overtuigen, door hem, ten rugsteun voor +zijn plannen, de onderwerping der Esseers aan de koningen voor te +spiegelen. + +Men had ontzag voor die mannen, arm aan aardsche goederen, die in ruw +linnen gekleed gingen, door lijfstraffen niet te buigen waren en die +de toekomst lazen uit de sterren. + +Antipas herinnerde zich daar het woord van straks. + +"En welk nu is het gewichtig nieuws, dat ge me zoudt mededeelen?" + +Op hetzelfde oogenblik trad een neger het vertrek binnen. Zijn lichaam +was wit bestoven. Hij hijgde schor en kon niets anders uitbrengen, +dan: + +"Vitellius!" + +"Wat? Komt Vitellius?" "Ik heb hem gezien. Voor het derde middaguur is +hij hier." + +Het was alsof een windvlaag door zalen en gangen toog en de +voorhangsels in beweging bracht. Een luid gerucht vulde het paleis, +geraas van af- en aandravende lieden, van versleepte meubelen, van +ineen-rinkelende stapels zilverwerk, en hoog van de torens schalden de +bazuinen, om de verspreide slaven te waarschuwen. + + + + +II + + +De wallen wemelden van menschen, toen Vitellius op het binnenplein +kwam. Hij steunde op den arm van zijn tolk. Een groote roode +draagstoel, met pluimen en spiegels versierd, volgde hem. Hij droeg +de toga-laticlava en de sandalen der consuls en werd door bijldragers +omgeven. Ze zetten hun roeden-bundels tegen de poort, twaalf door +een riem saamgehouden staven, met een bijl in 't midden. En allen +sidderden voor de majesteit van het Romeinsche volk. + +De draagstoel, die door acht mannen gehanteerd werd, stond stil. Een +zwaarlijvige jongeman steeg er uit, het gelaat vol puisten en de +vingers vol paarlen. Hem werd een drinkschaal met wijn en aroma's +aangeboden. Na ze geledigd te hebben, vroeg hij er nog eene. + +De Viervorst had zich aan de knieen van den Proconsul neergeworpen, +bejammerend, naar hij zeide, niet vroeger de gunst van zijn komst te +hebben vernomen, anders zou hij zich beijverd hebben dat er op de +wegen alles geweest ware, wat een Vitellius toekwam! Het geslacht +Vitellius immers stamde af van de godin Vitellia. Een weg, die van den +Janiculus naar zee leidde, droeg nog hun naam. Ontelbare keeren +was aan de hunnen het quaestor-schap of het consulaat toevertrouwd +geweest; en wat Lucius aanging, die thans zijn gast was, hem was men +grooten dank verschuldigd als overwinnaar der Cliten, en als vader van +den jongen Aulus, die hier in zijn eigen rijk scheen terug te keeren: +want was het Oosten niet het vaderland der goden? + +Deze hyperbolen werden in 't Latijn uitgesproken. Vitellius hoorde ze +onbewogen aan. Hij antwoordde dat Herodes de Groote volstond voor den +roem eener natie. Hem hadden de Atheners het oppertoezicht gegeven +over de Olympische spelen. Tempels had hij gebouwd, Augustus ter eere, +geduldig, vindingrijk en onverzettelijk was hij geweest, en altijd den +Cesar getrouw. + +Tusschen de zuilen met koperen kapiteelen zag men Herodias te +voorschijn treden, fier als een keizerin, te midden harer vrouwen en +eunuchen, die op vergulde schotels brandende reukwerken droegen. + +De Proconsul trad haar drie schreden te gemoet, en toen hij haar met +een hoofdbuiging begroet had, riep zij uit: + +"Welk een geluk, dat het Agrippa, den vijand van Tiberius, voortaan +onmogelijk is, kwaad te stichten!" + +Vitellius wist niets van het gebeurde, en het leek hem gevaarlijk. +Toen Antipas onder eeden begon te verzekeren, alles voor den Keizer +veil te hebben, voegde Vitellius er aan toe: + +"Zelfs ten koste van anderen?" Hij, Vitellius, had eens losgeld geind +van den koning der Parthen, en de Keizer dacht er niet verder aan. +Maar Antipas, die met hem aan een zelfde vergadering deelnam, begon er +dadelijk ruchtbaarheid aan te geven. Vandaar een diepe wrok, en het +getalm met den bijstand. + +De Viervorst stotterde iets. Maar Aulus kwam er lachend tusschen: + +"Wees maar bedaard, ik zal je beschermen!" + +De Proconsul deed, alsof hij 't niet hoorde. + +Het welslagen des vaders hing af van de verdorvenheid van den zoon; en +die bloem van Capri's slijk gaf hem zulke aanzienlijke voordeelen, dat +hij haar met zorgen omringde, hoe hij haar overigens ook wantrouwde om +haar vergiftigheid. + +Er ontstond gedruisch bij de poort. Men leidde een rij witte +muildieren binnen, waarop mannen zaten in priestergewaad. Het waren +Sadduceers en Farizeers, die door eenzelfde eerzucht naar Machaerous +gedreven werden, de eersten om de waardigheid van offerpriester te +erlangen, de anderen om die waardigheid te behouden. Hun gelaat stond +somber, vooral dat der Farizeers, want ze waren Rome en den Viervorst +zeer vijandig gezind. De slippen van hun opperkleed hinderden hen +in het gedrang, en de tiara waggelde hun op het voorhoofd, boven de +perkamenten letterbanden. + +Bijna tegelijkertijd kwamen de soldaten der voorhoede aanrukken. Ze +hadden hun schilden, om ze te beschutten tegen het stof, in hoezen +gehuld. + +Achter hen volgde Marcellus, luitenant van den Proconsul, met +verschillende tollenaars die houten schrijftabula's onder den arm +droegen. Antipas noemde de voornaamsten zijner hofhouding: Tolmai, +Kanthera, Sehon, Amonius van Alexandrie, die aardpek voor hem +aankocht, Naaman, hoofdman zijner lichte troepen, Jacim den +Babylonier. + +Vitellius had Mannaei opgemerkt. + +"Wie is die man?" + +De Viervorst gaf door een gebaar te kennen, dat het de beul was. + +Toen stelde hij de Sadduceers voor. + +Jonathas, klein van gestalte en los van beweging, smeekte den +meester, in 't Grieksch, hen in Jeruzalem met een bezoek te vereeren. +Waarschijnlijk zou Vitellius aan die bede gehoor geven. + +Eleazar met zijn krommen neus en zijn langen baard, eischte voor de +Farizeers den mantel van den Hoogepriester op, dien het burgerlijk +bestuur binnen den toren Antonia in beslag hield. + +Vervolgens klaagden de Galileers Pontius-Pilatus aan. Om wille van een +bezetene, die Davids gouden kannen zocht in een hol dicht bij Samaria, +had hij verscheidene landslieden gedood. Ze spraken allen gelijk, +Mannaei nog heftiger dan de anderen. Vitellius verzekerde dat de +misdadigers zouden gestraft worden. + +Er ging geschreeuw op bij een poortnis, waar de soldaten hun schilden +hadden opgehangen. De hoezen waren losgeraakt, en men zag op de +schildknoppen Cesars beeltenis. + +Voor de Joden was dit afgoderij. + +Antipas sprak hun toe. En, van zijn verhoogden zetel tusschen de +zuilen, zag Vitellius verwonderd hun gramstorigheid aan. Wel had +Tiberius gelijk gehad, vierhonderd van dezen naar Sardinie te +verbannen! Maar in hun eigen land waren ze machtig, en hij gaf bevel +de schilden weg te nemen. + +Toen drongen ze om den Proconsul heen, rechtvaardiging afsmeekend, +privileges en giften. Dringend en duwend scheurden ze elkaar de +kleederen van 't lijf, en om ruimte te maken, stonden slaven met hun +stokken naar rechts en links te slaan. Zij, die het dichtst bij de +poort stonden, werden langs het voetpad teruggedrongen, anderen kwamen +dat pad opklimmen, en moesten wijken; twee stroomen stuwden tegen +elkaar in, en die ontzaglijke menschenmenigte saamgehoopt binnen de +omwalling, deinde als een woelige zee heen en weer. + +Vitellius vroeg waarvandaan die toevloed van menschen. + +Toen verklaarde Antipas hem de oorzaak: zijn geboortefeest. En hij +wees de lieden aan, een groot aantal van zijn dienaren, die, over de +borstwering heengebogen, reusachtige manden ophaalden, gevuld met +vruchten en groenten, met antilopen, reigers en groote azuurkleurige +visschen met druiven, meloenen en tot pyramiden opgetaste +granaatappels. + +Aulus kon het niet lijdelijk meer aanzien. Hij haastte zich naar de +keukens, gedreven door die gulzigheid, waardoor hij eenmaal de wereld +zou verbazen. + +Langs een der kelders gaande zag hij vleeschketels, die wel pantsers +geleken. Ook Vitellius kwam er naar kijken; en hij gebood, dat men hem +de krochten van het fort zou ontsluiten. + +Ze waren hoog gewelfd in de rots uitgehouwen, en werden van afstand +tot afstand door pijlers geschraagd. + +De eerste bevatte oude harnassen, maar de tweede was overvol van +speren, die dreigend haar punt uit een bos van pluimen opstaken. De +muren der derde schenen wel met rietmatten bedekt, zooveel pijlen +hingen er loodrecht naast elkaar. Lemmers van kromzwaarden verborgen +de wanden der vierde krocht. In het midden der vijfde leek een leger +van roode slangen te kruipen: het waren lange rijen helmen met kammen +van scharlaat. + +In de zesde: niets dan pijlenkokers, in de zevende beenplaten, in de +achtste armstukken, in de vele die nog volgden: gaffels, enterhaken, +ladders en touwwerk, tot staken voor catapulten, tot rinkelbellen voor +het borsttuig der dromedarissen toe. + +Wijl de berg naar zijn voet zich steeds verbreedde, en in zijn +binnenste uitgehold was als een bijenkorf, bevonden er zich onder deze +vertrekken weer andere, talrijker en nog dieper. + +Vitellius, Phineus zijn tolk, en Sisenna hoofd der tollenaars, +doorschreden ze bij het licht der door eunuchen gedragen flambouwen. +Uit het duister doemden de afgrijselijkste dingen op die de barbaren +ooit uitvonden; knotsen met stekels van spijker-punten, werpschichten +die vergift in de wonden brachten, tangen gruwbaar als de muil van +krokodillen, kortom: de Viervorst bezat binnen Machaerous oorlogstuig +voor wel veertig-duizend manschappen. + +Hij had dat verzameld met het oog op een verbond tusschen zijn +vijanden. Maar de Proconsul zou kunnen meenen, of zeggen, dat het +dienen moest om de Romeinen te bestrijden, en daarom zocht Antipas +verklaringen te geven: + +Het behoorde hem niet toe; veel ervan diende tot verweer tegen de +rooverbenden; daarenboven was er zoo iets noodig tegen de Arabieren, +of wel: dit alles was het bezit geweest van zijn vader. En, in plaats +van achter den Consul aan te schrijden, ging hij hem met haastige +stappen voor. Toen bleef hij staan tegen een muur, wel zorgend ze te +bedekken met zijn toga, de ellebogen ver van 't lichaam af. Maar de +kroonlijst van een deur stak boven zijn hoofd uit. Vitellius werd dat +gewaar en wilde weten wat die deur verborg. + +Alleen de Babylonier kon haar openen. + +"Roep den Babylonier." + +Men wachtte. + +Zijn vader was zich, met vijfhonderd ruiters, van den oever van den +Euphraat, bij Herodes den Grooten komen aanbieden, om de oostergrenzen +te verdedigen. Na de verdeeling van het rijk was Jacim bij Philippus +gebleven, en thans diende hij Antipas, Hij trad voor met een boog over +den schouder, een zweep in de hand. Bonte koorden waren vast om zijn +verwrongen beenen gesnoerd. Zijn zware armen staken uit een overkleed +zonder mouwen, een muts van dierenpels overschaduwde zijn gelaat met +den in ringen gekrulden baard. + +In 't begin veinsde hij den tolk niet te verstaan. Maar Vitellius +wierp een scherpen blik op Antipas, die het bevel onmiddellijk +herhaalde. + +Toen duwde Jacim zijn beide handen tegen de deur, en ze gleed weg in +den muur. + +Een warme wadem sloeg hun uit de duisternissen tegen. + +Met breede bochten daalde daar een weg omlaag. Ze volgden dien en +kwamen op den drempel eener grot, die veel grooter was dan de andere +krochten. + +Achter de boog-opening in de verste diepte lag de afgrond, die aan +deze zijde de citadel tot verdediging strekte. Een kamperfoeliestruik +die zich vasthechtte aan het gewelf liet zijn bloemen in het volle +licht neertrossen. Langs den grond liep een ijle water-ader, lichtend +en murmelend. + +Witte paarden stonden daar. Het waren er wel honderd. Ze aten gerst +van een plank, die ter hoogte van hun bek was aangebracht. Hun manen +waren blauw geschilderd, en de hoeven staken in wanten van fijn +vlechtwerk. Tusschen de ooren bolde als een pruik een bos van hun +blesharen op. Met den zeer langen staart sloegen ze zich streelerig +langs de kniebogen. + +De Proconsul was stil van bewondering. + +Het waren wonderschoone dieren, lenig als slangen, licht als vogels. +Ze vlogen weg met de pijlen van hun berijder, wierpen den vijand omver +en beten hem in het onderlijf, vonden zonder struikelen een uitweg +tusschen de rotsblokken, sprongen over afgronden heen, en hielden heel +den dag hun dollen draf door de vlakten vol; een woord echter deed hen +stilstaan. Toen Jacim binnentrad kwamen ze naar hem toe, als schapen +naar hun herder; ze strekten den hals en zagen hem met hun kinderoogen +onrustig aan. Uit gewoonte stiet hij diep uit zijn keel een rauwen +schreeuw uit, die hen ineens opmonterde. Ze steigerden ongeduldig, +hunkerend naar ruimte, en smachtend om weg te rennen. + +Alleen uit vrees dat Vitellius hem er van berooven zou, had Antipas ze +gevangen gezet in deze grot, die uitsluitend diende tot berging van +dieren in tijd van oorlog. + +"'t Is een slechte stalling hier," zei de Proconsul, "en ge loopt +gevaar dat ze omkomen! Maak de schatting op, Sisenna". + +De tollenaar haalde het schrijfplankje uit zijn gordel, telde de +paarden en schreef ze in. + +Het was de gewoonte der belastinggaarders de landvoogden ertoe te +brengen hun gewesten uit te plunderen. Deze snuffelde overal met zijn +wezel-snuit, en zijn oogleden knipten. + +Eindelijk steeg men weer terug naar het binnenplein. + +Ronde bronzen platen midden in het plaveisel bedekten van afstand tot +afstand de putten. Sisenna bekeek een dezer deksels nauwlettender dan +de andere, het was grooter en gaf een doffen klank onder zijn +voeten. Nog eens ging hij de overige bekloppen een voor een, en toen +schreeuwde hij, trappelend van blijdschap: + +"Gevonden! Hier zit hij, de schat van Herodes!" + +Het zoeken naar dien schat was een dwaze hartstocht onder de Romeinen. + +De Viervorst zwoer, dat er geen schatten bestonden. + +"Ondertusschen, wat zit hier dan verborgen?" + +"Niemendal! een man, een gevangene." + +"Laat zien!" zei Vitellius. + +De Viervorst gehoorzaamde niet. De Joden behoefden zijn geheim niet te +weten. Zijn weerzinnig gedraai om dat deksel te openen, deed Vitellius +ongeduldig worden. + +"Sla het in!" riep hij den bijldragers toe. + +Mannaei had geraden waarover ze 't hadden. Toen hij een bijl zag, +meende hij dat ze Jaokanann gingen onthoofden; en hij weerhield den +lictor bij den eersten slag op de plaat, stak behoedzaam een soort van +haak tusschen haar rand en het plaveisel, en zijn lange magere armen +strammend lichtte hij haar langzaam op. Ze wentelde weg; allen +bewonderden de kracht van dien grijsaard. + +Onder dat met hout betimmerd deksel was een valluik van gelijke +afmetingen. Een vuistslag deed het openklappen; toen zag men een +reusachtigen hollen koker, waarin zich een trap zonder leuning +wentelde. Zij, die zich over den rand heenbogen, onderscheidden in de +diepte iets vaags en verschrikkelijks. + +Een menschelijk wezen lag op den grond uitgestrekt, geheel verborgen +in zijn eigen lang haar, dat zich warde in de harige dierenvacht die +zijn lenden dekte. Hij richtte zich op, en zijn voorhoofd stootte +tegen den rooster die daar plat lag ingemetseld. Van tijd tot tijd +verdween hij weer in de diepte van zijn hol. + +De zon weerglansde in de punten der tiara's, in de gevesten der +zwaarden, en gloeide over de vloertegels. Van de dakranden vlogen +duiven op die dansten en duizelden boven het binnenplein, 't Was het +uur waarin Mannaei gewoon was graankorrels voor haar te strooien. Hij +zat neergehurkt voor den Viervorst, die naast Vitellius stond. De +Galileers, de priesters, de soldaten vormden een kring achter hen; +allen zwegen in angstige afwachting van wat komen zou. + +Eerst was het een diepe zucht, door een holle stem uitgestooten. + +Herodias hoorde dat zuchten aan het ander einde van het paleis. +Aangetrokken door een macht sterker dan zij-zelve, drong ze door de +menigte heen, en voorovergebogen, met de hand op Mannaei's schouder, +luisterde ze toe. + +De stem verhief zich: + +"Vloek over u, Farizeers en Sadduceers, gij, adderengebroed, gezwollen +wijnzakken, holklinkende cymbalen!" + +Men had Jaokanann herkend. Zijn naam ging van mond tot mond. Vele +anderen kwamen toeloopen. + +"Vloek over U, o volk! en over de verraders van Judea, over de +dronkenen van Ephraim, over hen die in het vette dal wonen en die +waggelen door den geest van den wijn! "Dat ze verspreid worden +als stroomend water, als de slak die smelt waar ze kruipt, als de +misgeboorte eener vrouw die geen daglicht ziet. + +"Gij, Moab, ge zult u moeten verschuilen in de cypressen als de +trekvogels, als de springmuizen in de holen. Lichter dan notenschalen +zullen de poorten der sterkten verbrijzeld worden, de muren zullen +instorten, de steden in vlammen opgaan, en de geeselroede van den +Eeuwige zal niet ophouden. Als de wol in de kuip van den verver, zoo +zal Hij uwe ledematen spoelen in uw bloed. Als een nieuwe egge zal +Hij u verscheuren; over de bergen zal Hij de flarden van uw vleesch +uitstrooien!" + +Van welken veroveraar sprak hij? Was het Vitellius? De Romeinen +alleen konden zulk eene verdelging aanrichten. Klachten werden +geslaakt:--"Genoeg! genoeg! doe hem ophouden!" + +Maar nog luider ging hij voort: + +"Naast het lijk hunner moeders zullen de kleine kinderen door de asch +kruipen. In den nacht zal men brood gaan zoeken tusschen de puinen, +zich blootgevend aan de dolken. + +"Jakhalzen zullen elkaar de doodsknekels betwisten op de pleinen waar +de grijsaards saamkwamen tot den avondkout. Aan der vreemdelingen +gastmaal zullen uwe dochters op de luit spelen, en haar tranen +drinken. De kloeksten uwer zonen zullen den rug bukken, gekneusd onder +al te zware vrachten!" + +Voor de oogen van het volk doemden de dagen der ballingschap weer op, +alle rampen hunner geschiedenis. + +Het waren de woorden der oude Profeten. Jaokanann zond ze, het een na +het andere, over hen als harde slagen. + +Maar de stem werd zachter, welluidender en zangerig. Hij boodschapte +een verlossing, glanzende verheerlijking aan het uitspansel, den +nieuw-geborene die een arm stak in het hol van den draak, goud voor +leem, de woestijn openbloeiend als een roos. + +"En wat nu zestig sikkels waard is, zal geen obool meer kosten. +Melkbronnen zullen uit de rotsen vloeien; in de wijnpersen zal men +zich verzadigd te slapen leggen! Wanneer komt gij, gij die de hope +zijt van mijn hart? Reeds knielen alle volkeren, en uw heerschappij +duurt in eeuwigheid, Zoon van David!" + +De Viervorst deinsde verschrikt terug, het bestaan van een Zoon +Davids bedreigde hem als een smaad. Jaokanann tastte hem aan in zijn +koningschap. + +"Geen andere Koning bestaat er dan Hij, die eeuwig is! en met uw +tuinen, met uw standbeelden, met uw meubels van ivoor, zal het u +vergaan als den goddeloozen Achab!" + +Antipas rukte het koord stuk van het zegel op zijn borst, en wierp het +in den put, zwijgen gebiedend. + +De stem antwoordde: + +"Als een beer zal ik roepen, als een woudezel, als een vrouw in +barensnood! + +"Reeds treft de straffe uw bloedschande. God straft met +onvruchtbaarheid den bastaard." + +Gelach ging er op, dat geleek op gekabbel van water tegen den +oeverrand. + +Vitellius bleef halsstarrig staan. Onbewogen herhaalde de tolk, in de +taal der Romeinen, al de hoon-schreeuwen, die Jaokanann in zijn eigen +taal uitstootte. De Viervorst en Herodias waren genoodzaakt ze twee +keeren aan te hooren. Zijn borst zwoegde, terwijl zij staroogend bleef +neerzien naar de diepte van den put. + +De verschrikkelijke man wierp het hoofd achterover, en de tralies +vastgrijpend, hief hij het vlakke gelaat tegen den rooster, het geleek +een warrige ruigte, waarin twee vurige kolen gloeiden. + +"Ha! zijt gij het, Jezabel! Ge hebt zijn hart u toegeeigend met het +gekraak uwer schoenzolen. Als een merrie hebt ge gehinnikt. Uwe +legerstede spreidet ge op de bergen, om uw offeranden te volbrengen. +Afrukken zal de Heer u uwe oorhangers, uwe purperen gewaden, uw linnen +sluiers, de gouden banden uwer armen, de ringen uwer voeten, de kleine +gouden maansikkels die op uw voorhoofd trillen, uw zilveren spiegels, +uw waaiers van struisvederen, de parelmoeren zolen die uw gestalte +verhoogen, den pronk uwer edelsteenen, het reukwerk van uw haren, +de beschildering uwer nagels, al de kunstige verzinsels uwer +weelderigheid, en keien zullen er niet genoeg gevonden worden om de +echtbreukige te steenigen!" + +Haar blik zocht-om naar hulpe. De Farizeers sloegen huichelachtig de +oogen neer. De Sadduceers, die vreesden den Pronconsul te beleedigen, +wendden het hoofd af. Antipas scheen den dood nabij. De stem werd +sterker, zette zich uit, bulderde als het geweld van den donder, en +door de echo der bergen weergalmd, deed ze Machaerous in haar telkens +herhaalde uitbarstingen op zijn grondvesten schudden. + +"Strek u uit in het stof, dochter van Babylon! Laat koren tot meel +malen! Maak uw schoenen los, schort uw kleeren op, en doorwaad de +stroomen! uw smaad zal aan den dag komen! uw snikken zullen u de +tanden verbrijzelen. De Eeuwige verafschuwt de walg uwer misdaden! +Vervloekte! vervloekte! Kom om als een hond!" + +Het luik viel toe, het deksel sloot zich. Manaei zou Jaokanann willen +verworgen. + +Herodias verdween. De Farizeers waren geergerd. In hun midden stond +Antipas zich te verdedigen. + +"Ongetwijfeld", begon Cleazar, "men moet zijn broeders vrouw huwen, +maar Herodias was geen weduwe, en had daarenboven een kind,--daarin is +de schande!" + +"Dwaling! dwaling!" wierp de Sadduceer Jonathas er tegen in. "De wet +veroordeelt dergelijke huwelijken, zonder ze met duidelijke termen te +verbieden." + +"Het doet er niet toe! Men oordeelt over mij zeer onrechtvaardig," zei +Antipas. + +Aulus die geslapen had, kwam op dit oogenblik ook naderschrijden. Toen +hij van de zaak op de hoogte was gesteld, viel hij den Viervorst bij. +Over dergelijke dwaasheden moest men geen drukte maken, en hij lachte +luid over den hoon der priesters en den toorn van Jaokanann. + +Herodias, die midden op het terras stond, keerde zich tot hem. + +"Ge hebt ongelijk, Heer! Hij gebiedt het volk de belasting te +weigeren!" + +"Is dat waar?" vroeg toen de tollenaar dadelijk. + +De antwoorden waren eenstemmig bevestigend. De Viervorst bekrachtigde +ze. + +Vitellius meende, dat de gevangene wel eens kon ontsnappen; en daar +het gedrag van Antipas hem onbetrouwbaar toescheen, zette hij wachten +uit bij de poorten en langs de muren van het binnenplein. + +Toen ging hij naar zijn vertrekken. De afgevaardigden der priesters +vergezelden hem, en zonder de vraag van de offer-waardigheid aan te +roeren, legde ieder zijn grieven bloot. + +Ze verveelden hem allen te saam. Hij zond ze weg. + +Toen Jonathas hem verliet, zag hij op de borstwering, tusschen twee +kanteelen door, Antipas in gesprek met een man, die het haar lang +droeg en in het wit gekleed ging, een Esseer, en hij had spijt den +Viervorst te hebben verdedigd. + +De Viervorst had zich met de gedachte getroost, dat Jaokanann nu niet +meer van hem afhing: de Romeinen hadden zich met hem belast! wat een +verlichting! + +Juist toen had hij Phanuel over den omgang der wallen zien drentelen. +Hij riep hem, en zeide, terwijl hij naar de soldaten wees: + +"Zij daar hebben de macht, ik kan hem niet loslaten! 't Is mijn schuld +niet!" + +Het binnenplein was ledig. + +De slaven lagen te rusten. Tegen het avond-rood, dat de kim in vlammen +deed oplaaien, teekenden de kleinste rechtstandige voorwerpen zich +zwart af. Antipas onderscheidde de zoutpannen aan de overzijde der +Doode Zee, maar de tenten der Arabieren zag hij niet meer. Waren ze +wellicht heengetogen? + +De maan ging op. Rust daalde in zijn hart. + +Phanuel bleef neerslachtig staan, met de kin op de borst. Eindelijk +uitte hij, wat hem op het het hart lag: + +Sinds het begin der maand bestudeerde hij, voor den dageraad, het +uitspansel wijl het sterrenbeeld van Perseus het zenith had bereikt. +Agalah was nauwelijks te onderscheiden, Algol flikkerde zwakker, +Mira-Coeti was verdwenen; hieruit las hij den dood van een man van +beteekenis, dezen nacht nog, en binnen Machaerous. + +"Wie zou dat kunnen zijn? Vitellius werd te goed bewaakt. Jaokanann +zou men niet ter dood brengen. + +"Aldus ben ik het zelf!" dacht de Viervorst. + +Zouden de Arabieren misschien weerkeeren? De Proconsul zou zijn +betrekkingen met de Parthen kunnen ontdekken! Of sluipmoordenaars +uit Jeruzalem waren wellicht met de priesters meegekomen; ze droegen +dolken onder hun kleeren; de Viervorst twijfelde niet aan Phanuels +kunde. + +Het viel hem in zijn toevlucht te zoeken bij Herodias. Toch haatte hij +haar. Maar ze zou hem moed inspreken, en de tooverbanden waarin ze hem +vroeger verstrikt had waren nog niet alle gebroken! Myrrhe rookte er +in een kom van porfier toen hij haar kamer binnentrad, en poeders, +zalven, wolken van luchtige weefsels, ragfijne borduursels lichter dan +veeren, lagen er verspreid. + +Hij zei niets van Phanuels voorzegging, noch van zijn vrees voor de +Joden of de Arabieren: een lafaard zou ze hem noemen! + +Alleen over de Romeinen sprak hij; Vitellius had hem niets +toevertrouwd van zijn krijgs-plannen. Hij veronderstelde dat hij met +Cajus bevriend was, die op zijn beurt weer omgang had met Agrippa; +en hij, Antipas, zou in ballingschap worden gezonden, waar ze hem +misschien zouden verwurgen. + +Herodias trachtte hem met kleinachtende welwillendheid gerust te +stellen. Eindelijk haalde ze uit een kistje een vreemdsoortige +medaille, die den beeldenaar van Tiberius droeg. Dat volstond om de +lictoren te doen verbleeken, en de aanklachten te smoren. + +Ontroerd van dankbaarheid vroeg Antipas haar, hoe ze dien talisman +verworven had. + +"Hij werd me gegeven!" hernam ze. + +Onder een voorhang, vlak tegenover hen, strekte zich een arm uit, een +jeugdige arm, bekoorlijk en zoo schoon alsof Polycletus zelf hem uit +ivoor gerond had. Met een wat linksch maar toch bevallig gebaar, +wiekte die arm in de lucht, om een tunica te grijpen, welke op een +bankje was blijven liggen. + +Een oude vrouw gaf ze zachtjes over, den voorhang terzijde schuivend. + +De Viervorst had een vage herinnering, aan iets dat hij zich niet +omschrijven kon. + +"Is dat eene van uw slavinnen?" + +"Wat kan u dat schelen?" antwoordde Herodias. + + + + +III + + +De gasten vulden de feestzaal. + +Ze had, als een basiliek, drie beuken die door zuilen van algumimhout +met gebeeldhouwde bronzen kapiteelen gescheiden werden. Ze schraagden +twee open galerijen, en een derde van gouden filigraan rondde +zich achter in de zaal-diepte, recht tegenover een reusachtige +wulfsel-poort, open in den voorwand. + +Op de tafels, die door de geheele lengte van het middenschip stonden +aaneengerijd, brandden de luchters als kleine bosschen van vuur, +midden tusschen de beschilderde aarden schalen en de koperen schotels, +de sneeuw-blokken en de opgetaste druiven. Maar onder het hooge gewelf +zweemde die roode klaarte langzaam in schemers weg, en lichtpunten +tintelden daar, als des nachts de sterren door takken heen. Door den +boog van het wijd-open poortvak kon men de toortsen zien vlammen op de +huis-terrassen,--want Antipas onthaalde zijn volk, en allen die zich +aangemeld hadden. Slaven, geschoeid met vilten sandalen, liepen rap +als honden om, en droegen de schotels. + +De tafel van den Proconsul stond onder de vergulde galerij, op een +verhevenheid van sycomore-planken, Babylonische tapijten omsloten haar +als met een tente. + +Vitellius, diens zoon en Antipas namen de drie ivoren ligbedden in, +die daar opgesteld stonden, een recht in 't midden, met de twee andere +terzijde; de Proconsul lag links, dicht bij de deur, Aulus aan den +rechterkant, de Viervorst op het middelste. + +Hij was gehuld in een zwaren zwarten mantel, welks weefsel geheel +schuil ging onder kleurige ophechtsels. Hij droeg den baard +waaiervormig, had blanketsel op de kaken, en azuurpoeder in het haar, +dat omsloten werd door een diadeem van edelsteenen. Vitellius had +den purperen bandelier niet afgelegd, die schuin over de linnen toga +plooide. + +Aulus had de mouwen van zijn paars-zijden met zilverdraad doorweven +opperkleed op den rug laten vastknoopen. Zijn tot rollen gekamde +haren waren trapsgewijze op zijn hoofd getast, en een halssnoer van +saffieren glinsterde op zijn borst, rond en blank als die eener vrouw. +Dicht naast hem zat een heel mooi knaapje neergehurkt op een mat. Het +glimlachte aldoor. Aulus die het straks in de keukens voor 't eerst +had gezien, kon niet meer buiten hem, en daar hij moeielijk zijn +Chaldeeuwschen naam kon onthouden, noemde hij hem eenvoudig-weg "den +Aziaat". Van tijd tot tijd strekte Aulus zich in zijn volle lengte uit +op het triclinium. Dan zagen de mede-aanliggenden tegen zijn naakte +voetzolen op. + +Aan dat tafeleinde waren de priesters en Antipas' officieren +geplaatst, de oppersten uit de Grieksche steden; aan des Proconsuls +zijde: Marcellus met de tollenaars, vrienden van den Viervorst, +aanzienlijke lieden uit Cana, uit Ptolemaide en Jericho, dan in bonte +rijen: bergbewoners van den Libanon en de oude soldaten van Herodes: +twaalf Thraciers, een Gallier, twee Germanen, gazellen-jagers, +Idumeesche herders, de sultan van Palmyra, zeelieden van Eziongaber. +Ieder had een weeken deeg-koek voor zich om de vingers af te wisschen, +en de armen, die zich als gieren-halzen rekten, namen olijven, +pistaches en amandelen. Aller aangezicht glansde blij onder een krans +van bloemen. + +De Farizeers hadden hun kransen weggestooten als een Romeinsche +onbetamelijkheid. En ze huiverden wanneer men ook hen met galbanum +en rosmarijn besproeide, een mengsel dat uitsluitend gebruikt mocht +worden in den Tempel. + +Aulus wreef er zich de oksels mede, en Antipas beloofde hem er een +heele lading van, met drie zakken vol van dien onvervalschten balsem, +die Cleopatra's begeerte naar het bezit van Palestina had opgewekt. + +Een hoofdman van zijn Tiberiaansch garnizoen, kwam tot achter zijn +ligbed getreden, om hem over buitengewone gebeurtenissen te spreken. +Maar zijn aandacht werd verdeeld tusschen den Proconsul en de +gesprekken aan de nabije tafels. + +Men praatte daar over Jaokanann en lieden van zijn soort; Simon van +Gittoi louterde de zondaars met vuur. Een zekere Jezus... + +"De ergste van allen," riep Eleazar uit "wat een lage goochelaar!" +Achter den Viervorst richtte een man zich op, bleek als de rand van +zijn chlamys. Hij daalde van de estrade, den Farizeers toeroepend: +"Leugens! Jezus doet wonderen!" + +Antipas zou er willen zien. + +"Ge had hem mede moeten brengen! Vertel ons eens alles over hem!" + +Toen verhaalde hij, dat hij-zelf, Jacob, zich naar Capharnauem begeven +had toen zijn dochtertje ziek lag, om den Meester te vragen haar te +genezen. + +De Meester had geantwoord: "Keer terug naar uwe woning, uw dochtertje +is genezen!" En hij had haar op den drempel gevonden, opgestaan +van haar sponde, toen de zonne-wijzer van het paleis het derde uur +aanwees, het eigen oogenblik, waarop hij Jezus had aangesproken. + +"Natuurlijk," wierpen de Farizeers hem tegen, "er bestaan zekere +praktijken en geneeskrachtige kruiden. Hier op de eigen plek, te +Machaerous, vond men wel de baaeras, die onkwetsbaar maakt. Maar +genezen zonder zien of aanraken, was een onmogelijkheid, zoo Jezus ten +minste niet de booze geesten tot handlangers had. + +En de vrienden van Antipas, de oppersten van Galilea, herhaalden +hoofdschuddend: + +"De booze geesten,--dat is klaarblijkelijk!" + +Jacob, die tusschen hun tafels en die der priesters stond, bleef +hooghartig maar zachtmoedig zwijgen. Ze vorderden hem tot spreken op: + +"Rechtvaardig zijn macht!" + +Hij boog zich wat voorover en met gedempte stem begon hij langzaam als +verschrikt door zijn eigen woorden: + +"Weet ge dan niet, dat hij de Messias is?" Alle priesters blikten +elkaar aan, en Vitellius vroeg uitleg van het woord. Zijn tolk draalde +een wijle met antwoorden. + +Ze noemden zoo een verlosser, die het volle bezit van alle goed en de +onderwerping van alle volkeren zou brengen. Eenigen zelfs beweerden +dat men op twee zulken moest rekenen. De eerste zou door Gog en Magog, +de booze geesten van het Noorden, overwonnen worden; maar de tweede +zou den vorst van het kwade verdelgen; en sinds eeuwen wachtten zij +hem ieder oogenblik. + +Toen de priesters beraadslaagd hadden, nam Eleazar het woord. +Vooreerst zou de Messias de zoon van David zijn, en niet die van een +timmerman; hij zou de wet bevestigen. Die Nazarener schond ze. En wat +nog sterker bewijs was, de komst van Elias moest aan hem voorafgaan. + +Jacob antwoordde: "Elias! maar die is reeds gekomen!" + +"Elias! Elias!" herhaalde de menigte, tot in het andere einde der +zaal. In hun verbeelding zagen allen een grijsaard oprijzen, een +vlucht raven streek om zijn hoofd. Een bliksemschicht zette een altaar +in vlammen; afgodendienaars werden meegesleept door een stroom. De +vrouwen op de galerijen dachten aan de weduwe van Sarepta. + +Jacob werd niet moede te herhalen, dat hij hem kende! Hij zelf had hem +gezien! en het volk ook had hem gezien! + +"Zijn naam?" + +Toen riep hij zoo luid hij vermocht: "Jaokanann!" + +Antipas viel achterover als door een stoot midden in het hart. De +Sadduceers hadden zich op Jacob gestort. Eleazar begon een redevoering +om gehoor te krijgen. + +Toen de stilte gezonken was, plooide hij zijn mantel terecht, en +stelde als een rechter zijn vragen: + +"Daar de Profeet dood is..." + +Gemompel onderbrak hem. Men geloofde dat Elias slechts tijdelijk ten +hemel opgenomen was. + +Eleazar toornde tegen de menigte, en zette zijn ondervraging voort: + +"Meent ge, dat hij verrezen is? + +"Waarom niet?" zei Jacob. + +De Sadduceers haalden de schouders op. Jonathas sperde zijn oogjes +wijd open en deed moeite om als een nar te lachen: + +"Niets dwazer dan de aanspraak van het lichaam op de +onsterfelijkheid;" en, voor den Proconsul, haalde hij een vers aan van +een toenmalig dichter: + + Nec crescit, nec post mortem durare videtur. + +Maar Aulus had zich over den rand van het ligbed heengebogen, het +zweet stond hem op het voorhoofd, zijn gelaat was groen, de vuisten +drukte hij tegen de maag. + +De Sadduceers veinsden groote ontroering; (den volgenden dag kregen +ze de offer-waardigheid terug), Antipas deed alsof hij wanhopig was; +Vitellius leek onbewogen. Toch doorstond hij groote angsten; met zijn +zoon immers zou hij zijn schoone kans verliezen. Nauwelijks had Aulus +met braken opgehouden, of hij wilde weer aan 't eten. + +"Laat ze me raspsel van marmer geven, aardolie van Naxos, zeewater, of +wat dan ook! Als ik eens een bad nam?" + +Hij kauwde sneeuw, weifelde voor een schotel rose merels, en nam ten +laatste honingpompoenen. De kleine Aziaat zag bewonderend naar hem op; +die zwelgers-aanleg verried een wonderbaar en bovenaardsch wezen. + +Men diende stier-nieren op, marmotten, nachtegalen, gehakt vleesch in +wingerdbladeren; en de priesters redetwistten over de verrijzenis. +Ammonius, leerling van den Platonicus Philon, vond dat ze dwazen +waren, en zei het tot eenige Grieken die over de orakels lachten. +Marcellus en Jacob hadden elkaars gezelschap gezocht. De eerste +verhaalde aan den tweede over zijn geluk bij het doopsel van Mithra, +en Jacob ried hem Jezus te volgen. + +Wijn uit palmsap en tamariskenschors getrokken, wijnen van Safet en +Byblos stroomden uit de amphoren in de mengvaten, uit de mengvaten in +de drinkschalen, uit de drinkschalen de kelen in. + +Er werd druk gepraat, en de harten begonnen zich te openen. + +Jacim was een Jood, maar hij hield het niet langer geheim dat hij de +sterren aanbad. Een koopman uit Aphaka verblufte de nomaden door +hun de wonderen van den tempel van Hierapolis, in de kleinste +bijzonderheden, voor oogen te tooveren. Ze vroegen hem hoeveel een +beevaart daar heen zou kosten. Anderen hielden het bij den godsdienst +waarin ze geboren waren. Een bijna blinde Germaan zong een hymne ter +eere van dat Scandinavische voorgebergte, waar de goden verschijnen +omstraald door den glans van hun aangezicht, en lieden van Sichem aten +geen tortels uit eerbied voor de duif Azima. Verschillende gasten +stonden midden in de zaal te praten, en hun adem wademde, met den rook +der luchters, als een nevel in de ruimte. Phanuel kwam langs de muren +gegleden. Nogmaals had hij zooeven het uitspansel bestudeerd, maar +hij durfde den Viervorst niet naderen, bang voor olievlekken, die de +Esseers als een groote smet beschouwden. + +Er vielen slagen op de burchtpoort. + +Men wist thans dat Jaokanann hier gevangen werd gehouden. Mannen met +flambouwen klommen het bergpad op, een zwarte menigte krioelde in het +ravijn, en van tijd tot tijd schreeuwden ze daar: + +"Jaokanann! Jaokanann!" + +"Alles brengt hij in de war!" zei Jonathas. + +"Als hij doorgaat, krijgt het rijk geen geld meer!" voegden de +Farizeers er aan toe. + +De verwijten kwamen los: "Bescherm ons!" + +"Laat ze ophouden!" + +"Ge zijt een afvallige!" + +"Goddeloos als Herodes en de zijnen!" + +"Minder goddeloos dan gij!" antwoordde Antipas. "Mijn vader was het, +die uw tempel bouwde!" + +Toen begonnen de Farizeers, de zonen der bannelingen, aanhangers van +Matathias, den Viervorst te beschuldigen van de misdaden, door zijn +verwanten bedreven. + +Ze hadden spitse schedels, een stekeligen baard, slappe en boosaardige +handen, of wel een plat gelaat, dog-achtig, met groote ronde oogen. +Een twaalftal schriftgeleerden en tempeldienaars, gevoed door den +afval der offeranden, sprongen op de estrade aan, en dreigden Antipas +met messen. Hij sprak hen toe, terwijl de Sadduceers hem zwak +verdedigden. Hij zag Mannaei wel, maar gaf hem een teeken liever maar +weer heen te gaan, daar Vitellius door zijn houding deed uitkomen, dat +de dingen hem niet aangingen. + +De Farizeers, die nog op hun ligbedden gebleven waren, raasden in +duivelsche woede, ze sloegen de schotels stuk die voor hen stonden. +Men had hun Mecena's geliefkoosd gerecht opgediend, vleesch van den +woudezel, een onreine spijze. + +Aulus dreef den spot over den ezelskop, dien zij, volgens de verhalen, +zouden vereeren, en verkocht ook geestigheden over hun weerzin tegen +varkens. Zeker was die haat ontstaan omdat dit vette beest hun Bacchus +gedood had, en daar men in den tempel een gouden wijnstok ontdekt had, +hielden ze zooveel van wijn! + +De priesters begrepen zijn woorden niet. Phineas, een Galileer van +afkomst, wilde ze niet vertolken. Toen kende de toorn van Aulus geen +grenzen meer, te erger omdat de kleine Aziaat, door vrees bevangen +verdwenen was; en het maal stond hem niet aan, de spijzen waren te +alledaagsch, niet kunstig genoeg verwerkt! Hij kwam tot kalmte, toen +hij staarten van Syrische schapen zag opdragen, louter rollen van vet. + +De aard der Joden leek Vitellius een gruwel. Moloch, wien hij langs +den weg altaren had zien opgericht, kon best hun god zijn; en het viel +hem te binnen, hoe ze den naam hadden kinderen ten offer te brengen. +Ook de geschiedenis van den man, dien ze op geheimzinnige wijze zouden +vetmesten, kwam hem in de gedachten. Hij, de Latijn, voelde zijn hart +walgen van hun onverdraagzaamheid, hun beelden-vernielende furie, hun +afstuitende ruwheid. + +De Proconsul wilde heengaan. Aulus weigerde hem te vergezellen. + +Hij lag achter een hoop etenswaren, te verzadigd om er nog van te +gebruiken, maar te koppig om ze in den steek te laten. + +De opwinding van het volk werd steeds grooter. Ze gingen op in plannen +voor hun onafhankelijkheid. De herinnering aan Israels glorie werd +opgeroepen. Alle veroveraars hadden ze afgeslagen: Antigonus, Crassus, +Varus... + +"Ellendelingen!" zei de Proconsul. Want wel verstond hij de Syrische +taal: zijn tolk diende slechts om hem tijd tot antwoorden te laten. + +Antipas trok haastig de medaille van den Keizer te voorschijn, en, +bevend hem bespiedend, hief hij haar op, den beeldenaar naar hem +toewendend. + +Daar plotseling werden de vleugels der gouden galerij opengeworpen; en +in den luister der toortsen, tusschen haar slaven die festoenen van +anemonen droegen, trad Herodias te voorschijn,--een Assyrische +mijter stond, met een kinneband, op haar hoofd bevestigd; haar +spiraal-vormige lokken hingen over een scharlaken peplum, waaruit door +wijde armsgaten de mouwen plooiden. Twee steenen monsters, gelijk aan +die bij den schat der Atriden, stonden tegen de deurposten opgesteld, +en ze geleek op Cybele tusschen haar leeuwen. Hoog van de balustrade +boven Antipas' hoofd, de offerschaal op de handen, riep ze: "Dat Cesar +leve!" + +Die hulde werd herhaald door Vitellius, Antipas en de priesters. +Maar uit de diepte der zaal drong een gemompel aan van verrassing en +bewondering. Een jong meisje was zooeven binnengekomen. + +Onder een blauwachtigen sluier, die haar de borst en het +hoofd verhulde, onderscheidde men den boog harer oogen, de +chalcedoon-steenen in haar ooren, de blankheid harer huid. Een lap +van weerschijnende zijde bedekte haar schouders en was op de +heupen bevestigd door een fijn-gesmeden gouden gordel. Haar zwarte +beenbekleedsels waren met mandragoren bezaaid, en als voor evenveel +liet ze haar muiltjes van colibri-dons over den grond klapperen. + +Op de estrade gekomen wierp ze haar sluier af: het scheen Herodias, +zooals die was in haar jeugd. Ze begon te dansen. + +Haar voeten hieven zich, de een voor den ander, op het rhythme van een +fluit en een paar ratels. Haar gebogen armen riepen iemand, die altijd +weer vluchtte. Lichter dan een vlinder achtervolgde ze hem, als een +nieuwsgierige Psyche, als een zwervende geest, en ze scheen gereed om +weg te vliegen. + +De rouwklanken van den gingras vervingen de ratels. Neerslachtigheid +had de hoop vervangen. Haar gebaren werden als verzuchtingen, en in +geheel haar wezen lag zulk een smachtend verlangen, dat men niet weten +kon of ze een god beweende of duizelde in een droom van liefde. + +Met half-geloken wimpers boog ze en wiegde ze zich met deinende +golvingen, haar boezem trilde, haar gelaat bleef onbewogen en haar +voeten hielden niet stil. Vitellius vergeleek haar bij Mnester. + +Aulus braakte nog altijd. + +De Viervorst zat in een droom verloren en dacht niet meer aan +Herodias. Toen hij haar meende te zien, in de nabijheid der +Sadduceers, verzwond zijn visioen. + +Het was geen visioen. + +Ver van Machaerous had ze Salome, haar dochter,--die de Viervorst +eenmaal lief moest hebben,--laten opvoeden. En het was een goede +toeleg geweest. Thans wist ze het zeker! + +Nu werd het de vervoering der liefde die bevrediging zoekt. Ze danste +zooals de Indische priesteressen, gelijk de Nubische vrouwen die bij +de watervallen wonen, als de bacchanten van Lydie. Ze wierp zich naar +alle zijden om, gelijk een bloem, die door den storm wordt bewogen. De +schitter-steenen in haar ooren dansten mede, de glanzende kleuren der +zijden stoffe, die haar rug verhulde, wisselden; uit haar armen, haar +voeten, uit haar gewaad, sprongen onzichtbare vonken, die het hart +der mannen deden ontvlammen. Een harp zong; de menigte jubelde ze +na, ontsteld van bewondering, zoowel de nomaden, die aan versterving +gewoon waren, als de Romeinsche soldaten zoo deskundig in +uitspattingen, de gierige tollenaars en de oude priesters verbitterd +door 't levenslang redetwisten. + +Zonder de knieen te buigen bukte ze zich zoo diep dat haar kin den +vloer raakte. Vervolgens wentelde ze om Antipas' tafel heen in dolle +vaart, wervelend als de draaischijf der tooverkollen, en met een stem, +door snikken van wellust onderbroken, riep hij haar toe: + +"Kom! Kom!" Ze wendde en wentelde al voort; zoo luid klonken de +tympans alsof ze scheuren zouden, de menigte joelde. Maar nog luider +riep de Viervorst: "Kom! Kom! Capharnauem zult ge hebben, de vlakte van +Tiberias! mijn burchten! de helft van mijn koninkrijk!" Ze wierp zich +op de handen, de hielen omhoog, liep zoo als een groote tor de estrade +over, en hield plotseling stil. + +Haar nek en haar rug vormden een rechten hoek. De kleurige schachten +die haar beenen omsloten, rondden als regenbogen boven haar schouders +uit, en gingen, een armlengte hoog van den bodem, met haar gelaat in +eene richting mede. Haar lippen waren gekleurd, haar wenkbrauwen zeer +zwart, haar oogen bijna verschrikkelijk, en de zweetparels op haar +gelaat schenen een dauw over wit marmer. + +Ze sprak niet. Ze zagen elkaar aan. + +Een vinger-klap klonk van de tribune. Ze klom daarheen, kwam weer te +voorschijn, en met eene wat lispelende stem zei ze kinderlijk: + +"Ik wil, dat ge me op een schotel, het hoofd geeft van..." Ze was +den naam vergeten, maar met een glimlach hernam ze: "het hoofd van +Jaokanann!" + +De Viervorst zakte ineen van ontzetting. + +Zijn woord moest hij gestand doen, en het volk wachtte. + +Maar zoo de dood, die voorspeld was, een ander werd aangedaan,--zou +de zijne dan niet afgewend worden? + +Indien Jaokanann wezenlijk Elias was, kon hij zelf er zich aan +onttrekken, zoo niet dan beduidde de moord niet veel! Mannaei stond +naast hem en begreep zijn bedoeling. + +Vitellius riep hem terug om hem het wachtwoord te geven, daar er +soldaten bij het kerkerhol stonden opgesteld. + +Het was een verademing: binnen een oogenblik zou alles gedaan zijn. + +Maar het werk ging Mannaei niet vlug van de hand. + +Ontdaan kwam hij weer binnen. + +Sinds veertig jaar oefende hij het beuls-bedrijf uit. Hij was het +die Aristobulos verdronken had, Alexander gewurgd, Matathias levend +verbrand, die Zosima, Pappus, Josephus en Antipater onthoofd had; en +Jaokanann durfde hij niet dooden! Hij klappertandde, en rilde over +zijn geheele lichaam. + +Voor den kerker-kuil had hij den grooten Engel der Samaritanen zien +staan geheel met oogen overdekt, zwaaiend met een reusachtig zwaard, +rood en gekarteld als een vuurvlam. + +De twee wachten tot getuigen meegebracht, zouden het staven. + +Ze hadden niets gezien, dan alleen een Joodschen legerhoofdman, die +zich op hen gestort had, en die thans niet meer tot de levenden +behoorde. + +De toorn van Herodias barstte los in een stortvloed van platte en +bloeddorstige verwenschingen. Ze scheurde zich de nagels aan de +tralies der tribune, en de twee gebeeldhouwde leeuwen leken in haar +schouders te bijten en te brullen als zij. + +Antipas schreeuwde, de priesters, de soldaten, de Farizeers, allen +riepen ze om wraak en ook de anderen, verontwaardigd dat men hen op +dat nieuwe tijdverdrijf liet wachten. + +Mannaei ging heen met bedekt gelaat. + +Den gasten viel de tijd nog langer dan eerst. Ze verveelden zich. + +Eensklaps klonken er voetstappen op in de gangen. Het weee ongeduld +werd onhoudbaar! + +Het hoofd kwam. + +Mannaei hield het bij de haren aan zijn gestrekten arm, trotsch op het +gejubel. + +Hij legde het op een schotel en bood het Salome aan. + +Snel klom ze de tribune op. Na een lange pooze werd het hoofd +teruggebracht door de oude vrouw, die de Viervorst's morgens was +gewaar geworden op het platform van een huis, en straks in Herodias' +kamer. + +Hij deinsde terug om het niet te zien. Vitellius wierp er een +onverschilligen blik op. + +Mannaei daalde van de estrade af, en toonde het aan de Romeinsche +hoofdlieden, die langs deze zijde aanzaten. + +Ze bekeken het met onderzoekende blikken. + +De scherpe snede van den bijl had het van boven naar beneden gekloofd, +en de kaak gespleten. Een stuiptrekking trok de mondhoeken neer. +Stollend bloed vlekte den baard. De gesloten oogleden waren bleek als +schelpen; rondom straalden de luchters. Het hoofd kwam bij de tafel +der priesters. Een Farizeer keerde het nieuwsgierig om en om, en +Mannaei zette het weer stevig recht en plaatste het voor Aulus, die +er door ontwaakte. Tusschen hun even open wimpers schenen de doode +oogappels en de verwaterde oogappels elkaar iets te zeggen. + +Toen bood Mannaei het Antipas aan. Tranen stroomden den Viervorst over +de wangen. + +De toortsen smeulden uit. De gasten vertrokken, en niemand bleef er in +de zaal dan Antipas, die met de handen tegen de slapen staag naar +het afgehouwen hoofd zat te staren, terwijl Phanuel, halverwegen het +groote middenschip, met uitgestrekte armen gebeden stond te prevelen. + +In het uur van zonsopgang, kwamen de twee mannen, die laatst door +Jaokanann uitgezonden waren, met het lang verhoopte antwoord. + +Ze vertrouwden het Phanuel toe, die het in zielsvervoering aanhoorde. + +Toen toonde hij hun het gruwelijk voorwerp op den schotel, tusschen de +resten van het feestmaal. + +Een der mannen zeide: + +"Troost u! Hij is nedergedaald tot de dooden, om Christus te +verkondigen!" + +Thans begreep de Esseer de woorden: "Hij moet grooter, maar ik kleiner +worden!" + +En het hoofd van Jaokanann met zich nemend, gingen ze met hun drieen +den kant van Galilea uit. + +Daar het zeer zwaar was, droeg ieder het op zijn beurt. + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Drie Vertellingen, by Gustave Flaubert + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN *** + +This file should be named 7drvt10.txt or 7drvt10.zip +Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 7drvt11.txt +VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 7drvt10a.txt + +Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team. + +Project Gutenberg eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US +unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +We are now trying to release all our eBooks one year in advance +of the official release dates, leaving time for better editing. +Please be encouraged to tell us about any error or corrections, +even years after the official publication date. + +Please note neither this listing nor its contents are final til +midnight of the last day of the month of any such announcement. +The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at +Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A +preliminary version may often be posted for suggestion, comment +and editing by those who wish to do so. + +Most people start at our Web sites at: +http://gutenberg.net or +http://promo.net/pg + +These Web sites include award-winning information about Project +Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new +eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!). + + +Those of you who want to download any eBook before announcement +can get to them as follows, and just download by date. This is +also a good way to get them instantly upon announcement, as the +indexes our cataloguers produce obviously take a while after an +announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter. + +http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext03 or +ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext03 + +Or /etext02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90 + +Just search by the first five letters of the filename you want, +as it appears in our Newsletters. + + +Information about Project Gutenberg (one page) + +We produce about two million dollars for each hour we work. The +time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours +to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright +searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our +projected audience is one hundred million readers. If the value +per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2 +million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text +files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+ +We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002 +If they reach just 1-2% of the world's population then the total +will reach over half a trillion eBooks given away by year's end. + +The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks! +This is ten thousand titles each to one hundred million readers, +which is only about 4% of the present number of computer users. + +Here is the briefest record of our progress (* means estimated): + +eBooks Year Month + + 1 1971 July + 10 1991 January + 100 1994 January + 1000 1997 August + 1500 1998 October + 2000 1999 December + 2500 2000 December + 3000 2001 November + 4000 2001 October/November + 6000 2002 December* + 9000 2003 November* +10000 2004 January* + + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created +to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium. + +We need your donations more than ever! + +As of February, 2002, contributions are being solicited from people +and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut, +Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois, +Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts, +Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New +Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio, +Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South +Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West +Virginia, Wisconsin, and Wyoming. + +We have filed in all 50 states now, but these are the only ones +that have responded. + +As the requirements for other states are met, additions to this list +will be made and fund raising will begin in the additional states. +Please feel free to ask to check the status of your state. + +In answer to various questions we have received on this: + +We are constantly working on finishing the paperwork to legally +request donations in all 50 states. If your state is not listed and +you would like to know if we have added it since the list you have, +just ask. + +While we cannot solicit donations from people in states where we are +not yet registered, we know of no prohibition against accepting +donations from donors in these states who approach us with an offer to +donate. + +International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about +how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made +deductible, and don't have the staff to handle it even if there are +ways. + +Donations by check or money order may be sent to: + +Project Gutenberg Literary Archive Foundation +PMB 113 +1739 University Ave. +Oxford, MS 38655-4109 + +Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment +method other than by check or money order. + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by +the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN +[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are +tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising +requirements for other states are met, additions to this list will be +made and fund-raising will begin in the additional states. + +We need your donations more than ever! + +You can get up to date donation information online at: + +http://www.gutenberg.net/donation.html + + +*** + +If you can't reach Project Gutenberg, +you can always email directly to: + +Michael S. Hart <hart@pobox.com> + +Prof. Hart will answer or forward your message. + +We would prefer to send you information by email. + + +**The Legal Small Print** + + +(Three Pages) + +***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START*** +Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers. +They tell us you might sue us if there is something wrong with +your copy of this eBook, even if you got it for free from +someone other than us, and even if what's wrong is not our +fault. So, among other things, this "Small Print!" statement +disclaims most of our liability to you. It also tells you how +you may distribute copies of this eBook if you want to. + +*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK +By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm +eBook, you indicate that you understand, agree to and accept +this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive +a refund of the money (if any) you paid for this eBook by +sending a request within 30 days of receiving it to the person +you got it from. If you received this eBook on a physical +medium (such as a disk), you must return it with your request. + +ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS +This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks, +is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart +through the Project Gutenberg Association (the "Project"). +Among other things, this means that no one owns a United States copyright +on or for this work, so the Project (and you!) can copy and +distribute it in the United States without permission and +without paying copyright royalties. Special rules, set forth +below, apply if you wish to copy and distribute this eBook +under the "PROJECT GUTENBERG" trademark. + +Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market +any commercial products without permission. + +To create these eBooks, the Project expends considerable +efforts to identify, transcribe and proofread public domain +works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any +medium they may be on may contain "Defects". Among other +things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged +disk or other eBook medium, a computer virus, or computer +codes that damage or cannot be read by your equipment. + +LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES +But for the "Right of Replacement or Refund" described below, +[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may +receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims +all liability to you for damages, costs and expenses, including +legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR +UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT, +INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE +OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE +POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES. + +If you discover a Defect in this eBook within 90 days of +receiving it, you can receive a refund of the money (if any) +you paid for it by sending an explanatory note within that +time to the person you received it from. If you received it +on a physical medium, you must return it with your note, and +such person may choose to alternatively give you a replacement +copy. If you received it electronically, such person may +choose to alternatively give you a second opportunity to +receive it electronically. + +THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS +TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A +PARTICULAR PURPOSE. + +Some states do not allow disclaimers of implied warranties or +the exclusion or limitation of consequential damages, so the +above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you +may have other legal rights. + +INDEMNITY +You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation, +and its trustees and agents, and any volunteers associated +with the production and distribution of Project Gutenberg-tm +texts harmless, from all liability, cost and expense, including +legal fees, that arise directly or indirectly from any of the +following that you do or cause: [1] distribution of this eBook, +[2] alteration, modification, or addition to the eBook, +or [3] any Defect. + +DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm" +You may distribute copies of this eBook electronically, or by +disk, book or any other medium if you either delete this +"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg, +or: + +[1] Only give exact copies of it. Among other things, this + requires that you do not remove, alter or modify the + eBook or this "small print!" statement. You may however, + if you wish, distribute this eBook in machine readable + binary, compressed, mark-up, or proprietary form, + including any form resulting from conversion by word + processing or hypertext software, but only so long as + *EITHER*: + + [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and + does *not* contain characters other than those + intended by the author of the work, although tilde + (~), asterisk (*) and underline (_) characters may + be used to convey punctuation intended by the + author, and additional characters may be used to + indicate hypertext links; OR + + [*] The eBook may be readily converted by the reader at + no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent + form by the program that displays the eBook (as is + the case, for instance, with most word processors); + OR + + [*] You provide, or agree to also provide on request at + no additional cost, fee or expense, a copy of the + eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC + or other equivalent proprietary form). + +[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this + "Small Print!" statement. + +[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the + gross profits you derive calculated using the method you + already use to calculate your applicable taxes. If you + don't derive profits, no royalty is due. Royalties are + payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation" + the 60 days following each date you prepare (or were + legally required to prepare) your annual (or equivalent + periodic) tax return. Please contact us beforehand to + let us know your plans and to work out the details. + +WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO? +Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of +public domain and licensed works that can be freely distributed +in machine readable form. + +The Project gratefully accepts contributions of money, time, +public domain materials, or royalty free copyright licenses. +Money should be paid to the: +"Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +If you are interested in contributing scanning equipment or +software or other items, please contact Michael Hart at: +hart@pobox.com + +[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only +when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by +Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be +used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be +they hardware or software or any other related product without +express permission.] + +*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END* + diff --git a/old/7drvt10.zip b/old/7drvt10.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4934792 --- /dev/null +++ b/old/7drvt10.zip diff --git a/old/8drvt10.txt b/old/8drvt10.txt new file mode 100644 index 0000000..d5d20be --- /dev/null +++ b/old/8drvt10.txt @@ -0,0 +1,4558 @@ +The Project Gutenberg EBook of Drie Vertellingen, by Gustave Flaubert + +Copyright laws are changing all over the world. Be sure to check the +copyright laws for your country before downloading or redistributing +this or any other Project Gutenberg eBook. + +This header should be the first thing seen when viewing this Project +Gutenberg file. Please do not remove it. Do not change or edit the +header without written permission. + +Please read the "legal small print," and other information about the +eBook and Project Gutenberg at the bottom of this file. Included is +important information about your specific rights and restrictions in +how the file may be used. You can also find out about how to make a +donation to Project Gutenberg, and how to get involved. + + +**Welcome To The World of Free Plain Vanilla Electronic Texts** + +**eBooks Readable By Both Humans and By Computers, Since 1971** + +*****These eBooks Were Prepared By Thousands of Volunteers!***** + + +Title: Drie Vertellingen + +Author: Gustave Flaubert + +Release Date: September, 2005 [EBook #8804] +[Yes, we are more than one year ahead of schedule] +[This file was first posted on August 10, 2003] + +Edition: 10 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN *** + + + + +Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team. + + + + + +DRIE VERTELLINGEN DOOR GUSTAVE FLAUBERT + + +EEN EENVOUDIGE ZIEL + +DE LEGENDE VAN SINT JULIAAN DEN GASTVRIJEN + +HERODIAS + + +VERTAALD DOOR MARIE KOENEN + + +Gebaseerd op de editie gepubliceerd in 1917, te Bussum. + + + + + +EEN EENVOUDIGE ZIEL + + + + +I + + +Een halve eeuw lang werd mevrouw Aubain door de dames van +Pont-l'Évêque benijd om haar meid Félicité. + +Voor honderd franken per jaar deed zij de keuken en het huishouden, +naaide, waschte en streek ze, wist ze een paard op te tuigen, de +hoenders vet te mesten, de melk te karnen, en bleef ze trouw aan haar +meesteres, die toch geen aangename vrouw was. + +Mevrouw Aubain had een knappen jongen getrouwd zonder geld, die in 't +begin van 1809 stierf, haar twee heel jonge kinderen nalatend en +veel schulden. Ze verkocht toen haar vaste goederen, op de hoeve van +Toucques en de hoeve van Geffosses na, die hoogstens 5,000 franken +rente opbrachten, en ze verliet haar huis te Saint-Melaine voor een +voordeeliger, dat had toebehoord aan haar familie en gelegen was +achter de hallen. Dit huis, met zijn leien dak, lag tusschen een open +gang en een steegje, uitloopend op de rivier. Binnen struikelde men +er over het hoog-en-laag der ongelijke vloeren. Een enge vestibuul +scheidde de keuken van de zaal, waar mevrouw Aubain den dag lang +in een rieten fauteuil bij het openslaand raam zat. Tegen het wit +geverfde beschot stonden in een rij acht mahoniehouten stoelen. +Een oude piano torste, onder een barometer, een pyramide van +opeengestapelde bussen en kartonnen doozen. Twee trijpen armzetels +stonden ter weerszijden van den geel marmeren schoorsteen in stijl +Louis XV. De pendule, in het midden, stelde een vestaalschen tempel +voor,--en heel het vertrek rook wat duf, daar de plankenvloer lager +lag dan de tuin. + +Op de eerste verdieping was, om te beginnen, de kamer van "mevrouw", +zeer groot, met flets gebloemd papier behangen, en waarin zich het +portret bevond van "mijnheer" in saletjonkersdos. + +Ze stond in verbinding met een kleiner vertrek, waar men twee +kinderledikantjes zag, zonder matras. Dan kwam het salon, altijd +gesloten, en vol meubels onder lakens. Een gang leidde vervolgens naar +een studeerkamertje; boeken en paperassen vulden de planken van een +bibliotheek-kast, welke langs drie zijden een groote zwart-houten +schrijftafel omgaf. De twee achterpaneelen waren bedekt met +penteekeningen, landschappen in waterverf en platen van Audran, +gedachtenissen aan betere tijden en aan een vergane weelde. + +Een zoldervenstertje op de tweede verdieping verlichtte de kamer van +Félicité, die uitzicht had op de weien. + +Heel vroeg stond ze op, om de mis niet te verzuimen, en ze werkte +tot 's avonds zonder ophouden; dan, als het maal was afgeloopen, het +vaatwerk opgeruimd, de deur goed gesloten, dekte ze het houtvuur met +asch en dutte ze in voor den haard, den rozenkrans in de hand. Niemand +bij loven en bieden zoo koppig als zij. En wat zindelijkheid aangaat, +zóó blankgeschuurd waren haar braadpannen, dat ze de andere meiden de +oogen verblindden. Zuinig als ze was, had ze de gewoonte heel +langzaam te eten, en met den vinger pikte ze de broodkruimels van de +tafel,--een brood van twaalf pond werd opzettelijk voor haar gebakken, +en ze deed het daar twintig dagen mee. + +Winter en zomer droeg ze een katoenen halsdoek, met de punt in den +rug vastgespeld, een muts die haar haren verborg, grijze kousen, +een rooden onderrok, en over haar jak een boezelaar, zooals de +ziekenzusters. + +Haar gezicht was mager en haar stem schel. Toen ze vijf-en-twintig +was, zag men haar voor veertig aan. Na haar vijftigste viel, op haar +uiterlijk, haar leeftijd niet meer te bepalen,--en, stil, steil, +met haar afgemeten gebaren, leek ze een houten vrouwtje, dat zich +automatisch bewoog. + + + + +II + + +Ze had, zoo goed als een ander, haar liefdesgeschiedenis gehad. + +Haar vader, een metselaar, was van een steiger doodgevallen. Daarna +stierf haar moeder, haar zusters verspreidden zich, zij werd door een +pachter opgenomen, voor wien ze, hoe klein ook, de koeien moest hoeden +langs de wegen. Ze bibberde onder haar lompen, dronk plat voorover +liggend het water uit de poelen, werd om een niemendal geslagen, en +ten slotte joeg men haar weg om een diefstal van dertig stuivers, dien +ze niet begaan had. Ze kwam op een andere hoeve, werd er stalmeid, en +omdat ze in den smaak viel van haar meesters, waren haar kameraden +jaloersch. + +Op een Augustusavond (ze was toen achttien jaar) namen ze haar mee +naar de kermis van Colleville. Bij den eersten aanblik stond ze stom +van verbazing, overbluft door het geschetter der dorpsmuzikanten, +door de lichten in de boomen, de bonte kleeren, de kanten, de gouden +borstkruisen, al dat hossende volk. Ze hield zich bloode achteraf, +maar een jonkman, die er welgesteld uitzag, en die zijn pijp rookte +met de twee ellebogen op den disselboom van een ladderwagen, kwam haar +ten dans nooden. Hij trakteerde haar op cider, koffie en koek, kocht +haar een zijden halsdoek, en vroeg of hij haar naar huis zou brengen. +Onderweg greep hij haar vast. Ze werd bang en begon te roepen. Hij +ging. + +Een anderen avond, wilde ze, op den weg naar Beaumont, een groote +hooikar voorbij stappen, die langzaam voortschokte, en langs de raders +schuivend herkende ze Theodore. + +Kalmpjes sprak hij haar aan, zeggend dat ze hem vergeven moest, het +was door "den drank" gekomen. + +Ze wist niet, wat te antwoorden en had zin om weg te loopen. + +Dadelijk begon hij over den oogst en over de notabelen van de +gemeente, want zijn vader had Colleville verlaten om de hoeve van +Ecocs te betrekken, zoodat ze nu buren waren. + +--"Hé!" zei ze. + +Hij voegde er aan toe, dat men hem graag gevestigd zou zien. Maar +overigens, haast had hij niet, en hij zou wachten tot hij een vrouw +vond naar zijn keus. Ze boog het hoofd. Toen vroeg hij haar of ze +dacht te trouwen. Ze antwoordde, met een glimlach, dat het niet mooi +was, met iemand den spot te drijven. + +--"Wel neen, ik denk er niet aan!" + +En hij sloeg haar den linkerarm om het middel. Ze liep zoo voort +gesteund door zijn arm; hun stap vertraagde. De wind was zwoel, de +sterren schitterden, vóór hen wankelde de reusachtige kar met hooi; de +vier paarden begonnen te sleepvoeten en joegen het stof op. Toen, uit +eigen beweging, wendden ze zich rechtsaf. Hij omhelsde haar nog eens. +Ze verdween in het duister. De volgende week wist Theodore haar tot +samenkomsten over te halen. Ze ontmoetten elkaar achter een erf, +bij een muur, onder een eenzamen boom. Ze was niet onnoozel als een +jongejuffrouw, maar haar gezond verstand en de haar ingeschapen +eerbaarheid behoedden haar voor misstappen. + +Die weerstand wakkerde Theodore's liefde aan, zoodat hij om er aan te +voldoen (of onnoozel-weg misschien) voorsloeg haar te trouwen. Ze kon +het niet gelooven. Hij zwoer dure eeden. Weldra echter kwam hij met +slecht nieuws voor den dag: zijn ouders hadden verleden jaar een +remplaçant voor hem genomen, maar elken dag kon hij worden opgeroepen, +en de gedachte onder dienst te moeten, joeg hem schrik aan. Die +lafhartigheid was voor Félicité een bewijs van liefde, en de hare werd +er dubbel zoo groot door. Bij hun samenkomsten kwelde Theodore haar +met zijn onrust en zijn gedwing. + +Eindelijk vertelde hij haar, dat hij zelf naar de prefectuur zou +gaan om inlichtingen, die hij haar aanstaanden Zondag zou meedeelen +tusschen elf uur en middernacht. + +Toen het tijd was, liep ze Theodore tegemoet. + +In zijn plaats vond ze een zijner vrinden, die haar zei dat ze +Theodore niet zou weerzien. + +Om zich aan de lichting te onttrekken had hij een oude, heel rijke +vrouw gehuwd, Madame Lehoussais, uit Toucques. + +Het was een al te groot verdriet. Ze wierp zich op den grond, stootte +kreten uit, riep den goeden God aan, klaagde en jammerde heel alleen +in het veld, totdat de zon opging. Dan kwam ze terug op de hoeve, zei +haar dienst op, en toen de maand om was en ze haar loon had ontvangen, +knoopte ze al haar hebben en houden in een zakdoek, en begaf ze zich +naar Pont-l'Évêque. + +Vóór het logement vroeg ze om inlichtingen aan een burgerdame met een +weduwkap, en juist had deze een keukenmeid van noode. Het meisje kende +niet veel, maar ze leek zooveel goeden wil te hebben en zoo weinig +eischen, dat mevrouw Aubain eindigde met te zeggen: + +--"Goed, ik huur je." + +Een kwartier later was Félicité in haar huis opgenomen. + +In 't begin leefde ze er in een bevend ontzag voor "den trant van het +huis", en de herinnering aan "mijnheer", die zweefde over alles! Paul +en Virginie, de een zeven jaar, de andere nauwelijks vier, schenen +haar van een kostbare materie geschapen; ze liet hen paardrijden +op haar rug, en mevrouw Aubain zei haar, hen niet elk oogenblik te +zoenen, hetgeen haar diep bedroefde. Toch voelde ze zich gelukkig. De +vrindelijkheid der omgeving had haar alle verdriet doen vergeten. + +Alle donderdagen trouw kwamen kennissen een partij bostonneeren. +Félicité maakte tevoren de kaarten en de stoven in orde. Klokke-acht +kwamen ze, en op slag van elf gingen ze heen. + +Iederen maandagmorgen stalde de uitdrager, die in de steeg woonde, +langs den grond zijn oud-roest uit. Dan kwam de stad vol gegons van +stemmen, vermengd met paarden-gehinnik, schapengeblaat, varkensgeknor +en het geratel der boerenwagentjes over de straat. + +Tegen twaalf uur als de marktdrukte in vollen gang was, zag men een +ouden boer op den drempel verschijnen, een langen man met een krommen +neus, de pet achterover, Robelin de pachter van Geffosses. + +Kort daarna was er Liébard, de pachter van Toucques, klein, blozig, +zwaarlijvig, die een grijs vest droeg en slobkousen van sporen +voorzien. + +Beiden kwamen ze hun eigenares kippen of kaas te koop aanbieden. +Félicité was hun altijd weer te slim af, maar vol achting voor haar +gingen ze heen. + +Op ongeregelde tijden ontving mevrouw Aubain bezoek van den markies de +Gremanville, een harer ooms, berooid door zijn liederlijk leven, en +die te Falaise op het laatste lapje van zijn grond woonde. Altijd kwam +hij op het uur van het tweede ontbijt, vergezeld van een afschuwlijken +poedel, die met zijn pooten alle meubels vuil maakte. + +Hoewel hij zijn pogingen een heer te schijnen zóó ver doordreef, dat +hij bij ieder: "wijlen mijn vader", den hoed lichtte, toch was de +slechte gewoonte hem te machtig, telkens vulde hij zijn glas, telkens +liet hij gewaagde aardigheden los. + +Félicité zette hem met een zoet lijntje het huis uit: "U hebt genoeg +voor vandaag, mijnheer de Gremanville! Tot later!" En ze sloot de deur +achter hem. + +Met genoegen opende ze die voor mijnheer Bourais, oud-procureur. Zijn +witte das en zijn kaal hoofd, de jabot van zijn overhemd, zijn wijde +bruine pandjas, de armronding waarmee hij zijn snuifje nam, geheel +zijn persoon maakte een verwarrenden indruk op haar, zooals de aanblik +van buitengewone mannen dit doet. + +Daar hij de eigendommen van "mevrouw" beheerde, sloot hij zich +urenlang met haar op in het kabinet van "mijnheer", was altijd bang +voor opspraak, had een grenzenloozen eerbied voor de rechterlijke +macht, en liet er zich op voorstaan Latijn te kennen. + +Om de kinderen spelend te doen leeren, gaf hij hun een serie +aardrijkskundige prenten ten geschenke. + +Ze stelden verschillende tafereelen van het wereldrond voor, +menscheneters met veeren gekroond, een aap die een juffrouw ontvoerde, +Bedouïnen in de woestijn, een walvisch dien men harpoeneerde, enz. + +Paul gaf aan Félicité den uitleg van die platen. Dit was al geletterde +opvoeding, die ze kreeg. + +Die der kinderen was aan Guyot toevertrouwd, een armen drommel, klerk +op het stadhuis, befaamd om zijn mooie hand van schrijven, en die zijn +pennemes aanzette op z'n laars. + +Wanneer het helder weer was, begaf men zich reeds vroegtijdig naar de +hoeve van Geffosses. + +Het erf helt af, het woonhuis staat in 't midden, en de zee is +zichtbaar in de verte als een grijze vlek. + +Félicité haalde plakken koud vleesch uit haar karbies, en er werd +ontbeten in een vertrek aansluitend aan de melkerij. Dit was het +laatste overschot van een nu verdwenen zomerverblijf. Het in flarden +gescheurd behang trilde in den tocht. Mevrouw Aubain boog het hoofd, +overstelpt door herinneringen; de kinderen durfden niet meer te +praten. "Ga toch spelen", zei ze; ze maakten dat ze wegkwamen. + +Paul klom op den hooizolder, ging vogels vangen, keilde steenen over +den poel, of sloeg met een stok op de groote vaten, die hol opklonken +als trommen. + +Virginie voerde de konijnen, vloog vooruit om korenbloemen te plukken, +en om haar rappe beenen wipten de geborduurde strooken van haar +broekje. + +Op een herfstavond keerden ze gevieren door de weilanden huiswaarts. + +De wassende maan verlichtte een stuk van den hemel, en een nevelstreep +dreef als een sluier over de bochten van de Toucques. Runderen, die +midden in het gras lagen uitgestrekt, zagen kalm die vier menschen +voorbijgaan. In de derde wei hieven er eenige zich op, die kwamen in +een halven kring hun den weg versperren.--"Wees maar niet bang!" zei +Félicité, en met klagend geprevel streelde ze het dier, dat dichtstbij +stond, over den rug; het draaide zich half om, de andere deden dit na. + +Maar den volgenden beemd doortrekkend, hoorden ze een ontzettend +gebrul opgaan. Het was een stier, door den nevel onzichtbaar. Hij kwam +de twee vrouwen al nader. Mevrouw Aubain wilde hard wegloopen. "Neen! +neen! niet zoo vlug!" Toch versnelden ze den pas, en ze hoorden achter +zich een steeds duidelijker ademgesnuif. De hoeven sloegen als hamers +over het weigras; daar had hij 't, zoowaar, ook nog op een draf gezet! + +Félicité keerde zich om, en met beide handen rukte ze aardkluiten los, +die ze hem in de oogen gooide. Hij dook den snuit, schudde de horens, +rillend van woede onder afgrijselijk geloei. + +Mevrouw Aubain was met haar twee kinderen aan 't eind van de wei, en +zocht, buiten zichzelf van angst, hoe over den hoogen kant te komen. +Félicité week aldoor achterwaarts met den stier vóór zich, en wierp +almaar met graskluiten die hem blind maakten, terwijl ze bleef roepen: +"Haast u dan toch! Haast u dan toch!" + +Madame Aubain stapte in de droge sloot, duwde Virginie en dan Paul +voor zich uit, struikelde telkens terwijl ze tegen den glooienden +wegboord trachtte op te klimmen, wat haar door moedig voltehouden ten +laatste toch gelukte. + +De stier had Félicité tegen een haag geduwd; zijn kwijl spatte haar +in 't gezicht, nog één seconde en zijn horens gingen haar het lichaam +openrijten. Juist nog had ze den tijd tusschen twee palen door te +glippen, en het zware dier bleef verbluft staan. + +Deze gebeurtenis was jarenlang een onderwerp van gesprek in +Pont-l'Évêque. Félicité liet er zich heelemaal niets op voorstaan, +giste zelfs niet iets heldhaftigs te hebben verricht. + +Virginie alleen hield haar gedachten bezig; want ten gevolge van den +schrik had deze een zenuwaandoening gekregen, en mijnheer Poupart, de +dokter, ried de zeebaden van Trouville aan. + +Ze werden nog niet bezocht in dien tijd. Mevrouw Aubain vroeg +inlichtingen, raadpleegde Bourais, en maakte toebereidselen als voor +een langdurige reis. + +Haar koffers gingen daags te voren weg, op de kar van Liébard. +Den volgenden dag bracht hij twee paarden voor, het eene met een +dameszadel dat een fluweelen rugleuning had; een opgerolde mantel +vormde een zitting op het kruis van het tweede. Mevrouw Aubain steeg +daar op, achter Liébard. Félicité nam Virginie onder haar hoede, en +Paul zette zich schrijlings op den ezel door mijnheer Lechaptois +afgestaan, mits men er uiterst voorzichtig mee zou zijn. + +De weg was zóó slecht, dat men over zijn acht kilometer twee uren +moest doen. De paarden zakten tot over de enkels in de modder en +schokten met de dijen om er uit te raken; ofwel ze struikelden in de +karresporen; een andermaal weer moesten ze een sprong nemen. De merrie +van Liébard bleef hier en daar plotseling stilstaan. Geduldig wachtte +hij tot ze weer verder ging, en hij praatte over de menschen wier +eigendommen langs den weg lagen, moreele beschouwingen vastknoopend +aan hun levensgeschiedenis. Toen ze midden in Toucques, onder +met Oost-Indische kers omrankte vensters doorreden, zei hij +schouderophalend:--"Zoo woont hier een madame Lehoussais, die in +plaats van een jongen man te trouwen..." Félicité verstond de rest +niet; de paarden draafden, de ezel liep in galop; in een rij togen +ze een voetpad langs, een hek week open, twee jongens traden te +voorschijn, en er werd afgestegen, vóór de mestvaalt, vlak bij den +deurdrempel. Toen vrouw Liébard haar meesteres voor zich zag, kwam er +geen eind aan haar vreugdbetuigingen. Ze zette haar een ontbijt +voor bestaande uit runderharst, rolpens, bloedworst, gestoofde kip, +schuimenden cider, vruchtentaart, en pruimen op brandewijn, dit alles +kruidend met beleefdheden aan mevrouw, die er zooveel beter uitzag, +aan de jongejuffrouw, die "allerliefst" was geworden, aan mijnheer +Paul die zoo buitengewoon was aangesterkt, zonder hun overleden +grootouders te vergeten, die de Liébards gekend hadden, daar ze van +ouder tot ouder aan de familie verbonden waren. De hoeve had, zooals +zij zelve, iets ouderwetsch over zich. De balken waren vermolmd, de +muren zwart van rook, de vensterruiten grijs bestoven. Een eikenhouten +aanrecht was beladen met allerlei gerief, groote kannen, schotels, +tinnen kommen, wolfsklemmen, scharen om de schapen te scheren, een +reusachtige klisteerspuit, waar de kinderen om lachen moesten. Niet +één boom in de drie hoven, die geen paddenstoelen aan zijn voet had of +in zijn kruin een bos mistel. De wind had er verschillende omgeworpen. +Ze schoten in 't midden opnieuw uit; en alle bogen ze onder den last +hunner appels. De stroodaken die van bruin fluweel leken en ongelijk +van zwaarte waren, weerstonden de hevigste rukwinden. Het wagenhuis +echter was bouwvallig. Mevrouw Aubain beloofde dit in gedachte te +houden, en gaf bevel de rijdieren weer op te tuigen. Nog een half uur +zou er noodig zijn om Trouville te bereiken. De kleine karavaan steeg +af om de Écores over te gaan, een overhangende rots waaronder schepen +lagen; en na drie minuten kwam men, aan 't eind der kade, op de +binnenplaats van "het gouden Lam", bij vrouw David. + +Vanaf de eerste dagen voelde Virginie zich minder zwak, dank zij de +verandering van lucht en de werking der baden. Ze had geen badkostuum +en ging in haar hemdje de zee in; Félicité kleedde haar weer aan in +een tolhuisje, dat de baders gebruiken mochten. + +'s Namiddags ging men met den ezel de "Zwarte Rotsen" over, den kant +uit van Hennequeville. Eerst steeg het voetpad tusschen weilanden die +glooiden als het gazon van een park, en 't liep uit op een heuvelvlak +waar grasvelden en bouwgrond elkaar afwisselden. Langs den wegrand +groeiden hulstboompjes uit de warrende dorenranken op; hier en daar, +trok een groote doode boom met zijn takken zigzag-lijnen tegen de +blauwe lucht. + +Iederen keer bijna rustten ze uit in een kleine wei, aan wier +linkerkant Deauville lag, Hâvre rechts, en die uitzag op de volle zee. +Ze schitterde in de zon, lag effen als een spiegel, zóó kalm dat men +nauwelijks haar ruischen hoorde; musschen piepten ergens, en het wijde +hemelgewelf overdekte dit alles. Mevrouw Aubain zat neer, bezig +met haar naaiwerk; naast haar was Virginie biezen aan 't vlechten; +Félicité trok lavendelbloemen uit; Paul, die zich verveelde, wilde +weg. + +Andere keeren voeren ze de Toucques voorbij, en gingen schelpen +zoeken, 't Laag getij had zee-egels en kwallen op 't droge gelaten, +en de kinderen liepen schuimvlokken na, die de wind meenam. De +sluimerende golven, deinend over de zandbedding, bestreken het strand, +dat zich uitstrekte zoo ver het oog reikte, maar dat aan de landzijde +werd begrensd door de duinen, die het scheidden van de mars, een groot +weiland rond als een renperk. + +Wanneer ze langsdaar terugkeerden, werd Trouville, ginds tegen +de heuvelhelling, bij iederen voetstap grooter, en met zijn +onregelmatigen huizenbouw scheen het, in een vroolijke wanordelijkheid, +als open te luiken. Op dagen dat het te warm was, bleven ze in hun +kamer. De verblindende klaarte daarbuiten schoof staven van licht +tusschen de latten der zonneblinden. Niet het minste gerucht in het +dorp. Beneden, op de stoep, niemand. Deze wijde stilte verinnigde de +rust der dingen. In de verte klopten de breeuw-hamers op de +scheepskielen, en een zwoele bries woei teerlucht aan. + +De voornaamste vermakelijkheid was de weerkomst der visscherspinken. +Zoo gauw ze de bakens voorbij waren, begonnen ze te laveeren. Hun +zeilen streken neer tot op twee-derde der masthoogte; en met de fok +opgezwollen als een ballon dreven ze aan, gleden ze door het gekabbel +der golven, tot in 't midden der haven, waar het anker ineens +neerplonste. Dan meerde de boot aan de kade. De matrozen wierpen +lillende visschen over de reeling; een rij wagentjes wachtte hen op, +en vrouwen met katoenen mutsen snelden toe om de korven aan te nemen +en hun mannen te omhelzen. + +Een harer sprak op zekeren dag Félicité aan, die even later heel blij +de kamer binnenkwam. Ze had een zuster weergevonden; en daar verscheen +Nastasie Barette, huisvrouw Leroux, met een zuigeling aan de borst, +een ander kind aan de rechterhand, en aan haar linkerzij een +scheepsjongetje met de handen in de zij en de platte pet op één oor. + +Na een kwartier zei mevrouw Aubain, dat ze moesten gaan. + +Sedert liep men dat groepje altijd tegen 't lijf, in de buurt van de +keuken, of op wandeling. De man liet zich niet zien. + +Félicité begon van hen te houden. Ze kocht hun een deken, hemden, een +fornuis, 't was duidelijk dat ze haar uitbuitten. Deze zwakhartigheid +ergerde mevrouw Aubain, wie daarenboven de gemeenzaamheid van +het neefje niet aanstond,--dat "je" en "jou" speelde tegen haar +zoontje,--en daar Virginie hoestte en het mooie weer voorbij was, kwam +ze in Pont-l'Évêque terug. + +Mijnheer Bourais hielp haar bij de keuze van een Latijnsche school. + +Die van Caen gold als de beste. + +Paul werd er heen gezonden, en met goeden moed nam hij afscheid, blij +in een huis te gaan wonen, waar hij makkers zou vinden. + +Mevrouw Aubain berustte in de afwezigheid van haar zoon, daar die +noodzakelijk was. Virginie dacht minder en minder aan hem. Félicité +miste zijn levenmakerij. Maar een bezigheid kwam haar verstrooiing +geven; van Kerstmis af begeleidde ze iederen dag het kleine meisje +naar den catechismus. + + + + +III + + +Nadat ze bij de deur een kniebuiging had gemaakt, ging ze door de +middenbeuk tusschen de dubbele rij stoelen door, opende mevrouw +Aubains bank, ging daar zitten, en liet den blik rondwaren. + +De jongens zaten rechts, de meisjes links in de kanunnikenbanken. De +pastoor bleef staan bij den koorlezenaar; in een venster van de absis +zweefde de Heilige Geest boven de Maagd Maria; een ander toonde haar +geknield voor het kindje Jezus, en achter het tabernakel stelde +een houten groep Sint Michaël voor die den draak verslaat. Eerst +behandelde de priester in 't kort de bijbelsche geschiedenis. Ze +waande het paradijs te zien, den zondvloed, den toren van Babel, +steden die in vlammen opgingen, stervende volken, omgestorte +afgodsbeelden; het ontzag voor den Allerhoogste bleef haar bij uit +deze zinsbegoocheling, de vreeze voor Zijn gramschap. Daarna zat ze +te schreien, luisterend naar het lijdensverhaal. Waarom hadden ze +Hem gekruisigd, Hem, die de kinderen liefhad, de scharen voedde, de +blinden genas en die uit ootmoedigheid wilde geboren worden, tusschen +de armelieden, op het meststroo van een stal? De zaaitijd, de oogst, +de wijnpersen, al die welbekende dingen, waarover het Evangelie +spreekt, waren in haar leven ook; langs hen schrijdend had God ze +geheiligd; en ze hield met meer verteedering van de lammeren uit +liefde tot het Lam, van de duiven om den Heiligen Geest. + +Het kostte haar moeite zich Zijn wezen voor te stellen; want niet +alleen was Hij een vogel, maar ook een vuur, en soms de voorbijgaande +wind. Misschien is het Zijn licht dat 's nachts dwaalt langs de oevers +der moerassen, Zijn adem die de wolken voortdrijft, Zijn stem die de +klokken welluidend maakt, en ze bleef in aanbidding, genietend van de +koelte der muren en de stilte der kerk. + +Van de leerstellingen begreep ze niets, deed er zelfs geen moeite toe +te begrijpen. De pastoor sprak, de kinderen zeiden hun les op. Zij +viel ten laatste in slaap, en werd eensklaps wakker, als, bij het +uitgaan der leering, de klompen over de vloersteenen klapperden. + +Zoo, door almaar toe te luisteren, leerde ze den catechismus, dien +ze niet kende, omdat in haar jeugd haar godsdienstige opvoeding +verwaarloosd was, en van toen-af deed ze Virginie in alle vrome +gewoonten na, vastte als zij, biechtte wanneer zij biechtte. Op +Sacramentsdag maakten ze samen een rustaltaartje. + +De eerste communie gaf haar van te voren veel zorg. Ze maakte zich +druk over de schoentjes, den rozenkrans, het kerkboek, over de +handschoenen. Met wat een ontroering hielp ze de moeder het kind +kleeden! + +Heel de mis door voelde ze een beklemming van angst. Aan de ééne zijde +benam mijnheer Bourais haar het gezicht op het altaar, maar recht +tegenover haar scheen de groep der bruidjes, die witte kransen droegen +op de neergeslagen sluiers, een sneeuwveld te vormen; en ze herkende +van ver haar kleine lieveling aan haar fijner halsje en haar ingetogen +houding. De bel klonk. De hoofden bogen; het werd stil. Bij 't galmen +van het orgel zetten de koorzangers en het volk het Agnus Dei in; toen +begonnen de jongens in rijen naar de communiebank te gaan, en na hen +stonden de meisjes op. Met langzame schreden, de handen gevouwen, +gingen ze naar het altaar, dat in licht baadde, knielden op de eerste +trede, ontvingen een voor een de hostie, en keerden in dezelfde +volgorde naar haar bidbank terug. Toen het Virginie's beurt was, +boog Félicité zich voorover om haar te kunnen zien; en door de +verbeeldingskracht die echte liefde ons geeft, waande ze zelf dat kind +te zijn, het gelaat van het kind werd het hare, dat communiekleedje +droeg zij, het hart van het kind klopte haar in den boezem, en +toen het kind den mond moest openen, look zij de oogen en was een +bezwijming nabij. + +Den volgenden morgen vroeg meldde ze zich in de sacristie aan, opdat +mijnheer pastoor haar de communie zou uitreiken. Godvruchtig ontving +ze die, maar niet met dezelfde zielsvervoering. + +Mevrouw Aubain wilde van haar dochter een echte dame maken, en daar +Guyot haar noch Engelsch, noch muziek kon leeren, besloot ze haar op +kostschool te doen bij de Ursulinen van Honfleur. + +Het kind had er niets op tegen. + +Félicité zuchtte over mevrouws ongevoelig hart. + +Maar ze bedacht, dat haar meesteres misschien gelijk kon hebben. Die +dingen gingen haar verstand te boven. + +Eindelijk reed er op zekeren dag een oud tentwagentje voor, en er +stapte een kloosterzuster uit, die de jongejuffrouw kwam halen. +Félicité zette het reisgoed op de imperiaal, drukte den koetsier op +het hart goed voor alles te zorgen, en borg zes potten gelei onder de +rijtuigbank, ook een dozijn peren en een tuiltje viooltjes. + +Een diepe snik benam Virginie op 't laatste oogenblik den adem; +ze omhelsde haar moeder, die haar op 't voorhoofd kuste, telkens +zeggend:--"Komaan, moed houden, moed houden!" De tree werd opgeslagen, +het rijtuig reed weg. + +Toen kreeg mevrouw Aubain een flauwte, en 's avonds kwamen al haar +vrinden, de Lormeau's, mevrouw Lechaptois, de dames Rochefeuille, +mijnheer de Houppeville en Bourais, om haar te troosten. + +In 't begin viel haar 't gemis van haar dochtertje heel smartelijk. +Doch driemaal per week kreeg ze een brief, de andere dagen schreef zij +zelf; ze wandelde in den tuin, las wat, en vulde zoo de leege uren. + +Iederen morgen ging Félicité oudergewoonte Virginie's kamer binnen, en +staarde er naar de muren. Het verdroot haar, dat ze het kind niet meer +de haren kon kammen, haar niet meer de schoenen kon dichtrijgen, haar +niet meer warm kon toestoppen 's avonds, dat ze niet meer voortdurend +haar lief gezichtje kon zien, dat ze niet meer met het kind aan een +hand kon uitgaan. Daar ze van dit alles niets meer te doen had, +trachtte ze zich op kantwerken toe te leggen. Haar grove vingers +braken de draden; ze had oor naar niets, sliep niet meer, en was, +zooals ze 't noemde "ondermijnd". + +"Om haar zinnen wat te verzetten", vroeg ze, of haar neef Victor nu en +dan eens op bezoek mocht komen. + +Sinds kwam hij Zondags na de mis, met rozen op de wangen, de borst +bloot, en om hem heen de geur nog der velden waardoor zijn weg hem +geleid had. Dadelijk zette ze een bord voor hem bij. Als ze dan samen +ontbeten, zaten ze tegenover elkaar, en terwijl ze zelf zoo min +mogelijk at om de onkosten weer uit te sparen, stopte ze hem zóó vol +dat hij ten slotte in slaap viel. Bij 't eerste luiden der vesperklok +maakte ze hem wakker, borstelde zijn broek af, strikte zijn das en +ging kerkwaarts, met moederlijken trots op zijn arm leunend. + +Hij moest, op aansporing van zijn ouders, elken keer probeeren +iets van haar los te krijgen, hetzij een buil bruine suiker, zeep, +brandewijn, soms zelfs geld. Hij bracht zijn goed mee om te doen +verstellen, en ze nam dit werk op zich, blij dat er een reden was die +hem tot terugkomen noopte. + +In Augustus nam zijn vader hem mee op de kustvaart. + +'t Was vacantietijd. De komst van de kinderen troostte haar. Maar Paul +kreeg nukken, en Virginie was over den leeftijd heen dat ze met "je en +jou" mocht aangesproken worden, dit kwam hun omgang bemoeilijken, werd +een hinderpaal tusschen haar beiden. + +Victor voer achtereenvolgens naar Morlaix. naar Duinkerken en naar +Brighton, en kwam haar na iedere reis een geschenk brengen. Den +eersten keer was 't een schelpendoos; toen een koffiekop; den derden +keer een groote peperkoekenman. De jongen knapte op, was welgebouwd, +er kwam wat dons op z'n bovenlip, hij had een goedigen, vranken +oogopslag, en droeg een leeren hoedje, achterover geschoven als dat +van een loods. Ze had altijd plezier in zijn vertelsels doorspekt met +zeemanstermen. + +Op een Maandag, 14 Juli 1819 (ze vergat dien datum niet), kwam Victor +haar zeggen, dat hij voor de groote vaart was aangemonsterd, en dat de +paketboot hem overmorgen-nacht van Honfleur tot bij den schoener zou +brengen, die binnenkort van Havre uitzeilde. Misschien zou hij twee +jaar wegblijven. + +Het vooruitzicht van een zoo lange afwezigheid was een groot verdriet +voor Félicité; en om hem nog eens vaarwel te zeggen, trok ze, +Woensdag-avond, toen mevrouw gegeten had, haar klompschoenen aan, en +legde ze in minder dan geen tijd, de vier mijlen af die Pont-l'Évêque +van Honfleur scheiden. + +Toen ze bij den Calvarieberg kwam, sloeg ze, in plaats van links, +rechts af, verdwaalde tusschen de scheepswerven, liep terug; de +menschen, die ze aanklampte, zeiden dat ze zich moest haasten. Ze +liep de heele havenkom langs, die vol schepen lag, struikelde over de +trossen; dan helde het terrein laag af, de lichten stonden schots en +scheef door elkaar, en ze meende van de wijs te zijn, toen ze paarden +zag in de lucht. + +Langs den kaderand stonden er andere te hinniken, verschrikt door de +zee. Een takel hief hen op en liet ze neer op een boot, waar reizigers +zich verdrongen tusschen de ciderfusten, de kaasmanden, de zakken +met graan; men hoorde kippen kakelen; de kapitein vloekte, en een +scheepsjongen stond, onverschillig voor dit alles, met de ellebogen +op den ankerbalk te leunen. Félicité, die hem eerst niet herkend +had, riep: "Victor!", hij zag op, ze wilde op hem toesnellen, toen +eensklaps de treeplank werd ingehaald. + +Vrouwen trokken al zingend de paketboot de haven uit. De spanten +kraakten, zware golven sloegen tegen den voorsteven. Het zeil was +gekeerd, men zag niemand meer;--en op de zee in den zilverschijn der +maan, was ze een zwarte vlek, die aldoor bleeker werd, wegdook en +verdween. + +Toen Félicité langs den Calvarieberg terugging, wilde ze wat haar 't +liefste was God aanbevelen, en ze bad langen tijd, recht staande, +het gezicht nat van tranen, de oogen naar de wolken. De stad sliep, +douanen wandelden op en neer, en zonder ophouden viel het water, +ruischend als een stortvloed, door de sluisgaten. 't Sloeg twee uur. + +Vóór het dag was, zou ze in het klooster niet terecht kunnen, 't Zou +zeker erg lastig voor mevrouw zijn, wanneer ze te laat thuiskwam, en +ondanks haar verlangen het andere kind aan 't hart te drukken, liet ze +Honfleur achter zich. De meiden van het logement werden juist wakker, +toen ze Pont-l'Évêque inkwam. + +De arme jongen zou dus maandenlang over de golven moeten zwalken! +Zijn vorige reizen hadden haar niet ongerust gemaakt. Van Engeland en +Bretagne kwam men weer terug; maar Amerika, de koloniën, de eilanden, +dat lag verloren ergens in een geheimzinnige hemelstreek aan 't ander +einde der wereld. + +Van toen af dacht Félicité uitsluitend aan haar neef. Op dagen dat de +zon scheen, maakte ze zich bezorgd over den dorst, bij onweer was ze +bang, dat de bliksem hem zou treffen. Als ze den wind hoorde die in +den schoorsteen loeide en de leien van het dak rukte, zag ze hem door +dien zelfden storm aangegrepen, zich vastklampend aan den top van een +verbrijzelden mast, achterover uitgestrekt onder een wade van schuim, +of wel,--herinneringen aan de aardrijkskundige prenten,--hij was +opgegeten door de wilden, in een bosch door apen meegenomen, of liep +te verhongeren langs een onbewoonde kust. En nooit sprak ze van haar +angsten. + +Mevrouw Aubain had er andere over haar dochter. + +De zusters vonden haar heel lief, maar al te teer. De minste +aandoening maakte haar zenuwachtig. Met de piano moest ze ophouden. + +Haar moeder wilde, dat er van 't klooster uit geregeld zou geschreven +worden. Op een morgen toen de besteller niet was gekomen, had ze geen +rust, en ze liep in de zaal op en neer, van haar leunstoel naar het +venster. 't Was werkelijk iets ongewoons! in vier dagen geen tijding! + +Om ze te troosten door háár voorbeeld, zei Félicité:--"En ik mevrouw, +ik hoorde in geen zes maanden iets!" + +--"Van wie dan toch?" + +De meid antwoordde zachtjes: + +--"Maar... van mijn neef!" + +--"O! je neef!" En schouderophalend begon mevrouw Aubain weer op +en neer te wandelen, wat beteekende: "Dáár dacht ik niet aan!--en +daarenboven, 't kan me niemendal schelen! een scheepsjongen, een +schooier, de moeite waard!... en dat terwijl mijn dochter... Verbeeld +je toch!"... + +Hoewel met slaag en grove woorden grootgebracht, was Félicité +verontwaardigd over mevrouws doen, doch ze vergat spoedig. + +Ze kon immers best begrijpen, dat men 't hoofd kwijt raakte, nu het +zoo met het kleine meisje stond. + +De twee kinderen hadden evenveel te beduiden; ze waren één voor haar +hart, en hun beider lot zou hetzelfde zijn. + +De apotheker vertelde haar, dat Victors schip te Havanna was +aangekomen. Hij had de tijding in een krant gelezen. + +Ze verbeeldde zich, door de sigaren, dat Havanna een land was, waar +men niets deed dan rooken, en Victor wandelde onder de negers in +tabakswolken gehuld. Zou men, zoo noodig, ook over land daar vandaan +kunnen terugkeeren? Hoe ver was 't van Pont-l'Évêque? Om er beter van +op de hoogte te komen, sprak ze mijnheer Bourais aan. + +Hij zocht en vond zijn atlas, begon te praten over lengte- en +breedtecirkels, en glimlachte echt schoolmeesterachtig bij Félicité's +verbouwereerdheid. + +Op 't laatst wees hij haar met zijn potloodhouder tusschen de +insnijdingen van een ovale vlek een bijna onzichtbare zwarte stip aan, +er bijvoegend: "Ziehier". Ze boog zich over de kaart, het net van +gekleurde lijnen vermoeide haar de oogen, zonder dat ze er wijzer door +werd; en daar mijnheer Bourais haar aanmoedigde te vragen, wat ze op +'t hart had, verzocht ze hem haar het huis te wijzen waar Victor woonde. +Bourais sloeg de armen in de lucht, hij nieste, hij schaterde het uit, +en had dolle pret over een zoo groote onnoozelheid. Félicité begreep +niet waarover hij zich zoo vroolijk maakte,--zij, die misschien +verwachtte alles te zien van haar neef, tot het portret toe. Zoo eng +van begrip was ze! + +Veertien dagen later kwam Liébard, zooals naar gewoonte op het +marktuur, de keuken binnen, en stelde haar een brief van haar zwager +ter hand. Daar ze geen van beiden lezen konden, riep ze de hulp in van +mevrouw. + +Mevrouw Aubain, die de steken van een breiwerk zat te tellen, +legde dit naast zich neer, brak den brief open, ontstelde, en zei +fluisterend, met een diepen blik: + +--"'t Is een ongeluk... dat ze je berichten. Je neef..." + +Hij was dood. Er stond verder niets. + +Félicité viel op een stoel neer, het hoofd tegen het muurbeschot, en +sloot de oogleden die ineens rood werden. Toen, met gebukt hoofd en +neerhangende handen, herhaalde ze bij tusschenpoozen, en star voor +zich uit blikkend: + +"Arm ventje! arm ventje!" + +Liébard stond al zuchtend naar haar te kijken. Mevrouw Aubain beefde +wat. + +Ze stelde Félicité voor, haar zuster in Trouville eens te gaan +opzoeken. Félicité antwoordde, met een handbeweging, + + +dat ze daar geen behoefte aan had. + +Er volgde een stilte. De goede Liébard vond het gepast zich terug te +trekken. + +Toen zei ze: + +--"Ze geven er niets om, die!" + +Haar hoofd zonk weer neer, en bijwijlen lichtte haar hand, +werktuiglijk, van het werktafeltje de lange breinaalden op. + +Langs de voorplaats gingen vrouwen met een berrie vol druipend +waschgoed. + +Ze zag het door de ruiten, en dacht aan haar eigen wasch, die ze +gisteren had ingezet en vandaag moest spoelen. Toen ging ze de +kamer uit. Haar kuip en haar waschplank stonden aan den rand van de +Toucques. Ze wierp een hoop hemden op den steilen kant, stroopte de +mouwen op, nam den stamper, en zóó hard stampte ze, dat het in de +aangrenzende tuinen te hooren was. De weien waren leeg, de wind +rimpelde de rivier; ginder hing er lang gras over neer, als 't haar +van drijvende lijken. Tot 's avonds bedwong ze zich heel moedig, maar +eenmaal in haar kamer, wierp ze zich plat voorover met het gezicht +in het kussen, de vuisten tegen de slapen, en liet ze haar smart den +vrijen loop. + +Heel lang naderhand, hoorde ze van Victors kapitein zelf de +bijzonderheden over zijn dood. Men had hem, tegen de gele koorts, een +te groote aderlating gegeven. Vier dokters tegelijk hielden hem vast. +Hij was dadelijk dood, en de gezagvoerder had gezegd: + +--"Mooi zoo! alweer een!" + +Zijn ouders hadden hem altijd barbaarsch behandeld. Ze wilde die +liever niet meer zien; zij zelf deden geen enkele toenadering, door +verzuim, of door harteloosheid, verstompt als ze waren door hun +ellende. + +Virginie werd almaar zwakker. + +Benauwdheden, een hoest, aanhoudende koorts, 't blauwachtig blosje +op haar koonen, verrieden een of andere ernstige ziekte-aandoening. +Mijnheer Poupart had een verblijf in Provence aangeraden. Mevrouw +Aubain wilde er wel toe overgaan, en als de lucht van Pont-l'Évêque +beter was geweest, zou ze haar dochtertje dadelijk hebben +thuisgehaald. Ze maakte beding met een rijtuigverhuurder, die haar +voortaan iederen Dinsdag naar het klooster bracht. In den kloostertuin +is een terras, vanwaar men de Seine kan zien. Steunend op haar moeders +arm wandelde + +Virginie er over de afgevallen wingerdbladeren. Als ze uitzag naar de +zeilen in de verte, of de heele kim, vanaf het kasteel van Tancarville +tot de vuurtorens van Havre, met haar blik omvatte, deed de +doorbrekende zon haar soms met de oogen knippen. Moe gewandeld gingen +ze rusten in het priëel. Haar moeder had een klein fust malaga-wijn +aangeschaft, en lachend dat ze misschien dronken zou worden, nam +Virginie er twee teugjes van, meer niet. + +Ze kwam weer wat op krachten. De herfst vlood vreedzaam heen. Félicité +stelde mevrouw Aubain gerust. Maar op een avond, na een boodschap in +de buurt, zag ze de sjees van mijnheer Poupart voor de deur, hij zelf +stond in de vestibuul. Mevrouw Aubain strikte haar hoed vast. + +--"Geef me mijn stoof, mijn beurs, mijn handschoenen; wat gauwer, +toe!" Virginie had een bezetting op de borst; misschien was het +hopeloos. + +--"Nog niet!" zei de dokter, en ze stegen beiden in het rijtuig, +terwijl de sneeuwvlokken om hen heen dwarrelden, 't Begon nacht te +worden. Het was heel koud. + +Félicité spoedde zich de kerk in, om een kaars aan te steken. Toen +liep ze de sjees na, die ze een uur later inhaalde, wipte er achter +op, en hield zich aan de riemen vast. Maar ineens schoot haar de +gedachte door het hoofd: "De plaats is niet gesloten! als er eens +dieven binnenkwamen!" En ze sprong weer op den grond. + +Toen het den volgenden ochtend evenmaar begon te schemeren, meldde +ze zich bij den dokter aan. Hij was wel teruggekomen, maar opnieuw +uitgereden naar buiten. Toen bleef ze in het logement talmen, meenend +dat vreemde menschen een brief zouden brengen. Eindelijk, bij 't +eerste licht van den dag, nam ze de diligence naar Lisieux. + +Het klooster lag aan 't eind van een steil straatje. Halverwegen dit +straatje gekomen hoorde ze een vreemd geluid, het geklep van een +doodsklok, "'t Is voor iemand anders," dacht ze, en hard liet ze den +klopper neervallen. + +Na verloop van meerdere minuten, kwam er iemand aansloffen, de deur +week op een kier. Het was een der zusters. Het nonnetje zei met een +godzaligen blik, dat "het kind juist overleden was." Meteen begon de +doodsklok der Sint-Leonarduskerk met dubbele kracht te luiden. + +Félicité kwam eindelijk op de tweede verdieping. + +Reeds toen ze over den kamerdrempel trad, zag ze Virginie liggen, +uitgestrekt op den rug, de handen gevouwen, den mond open, en het +hoofd achterover onder een zwart kruis, dat tot haar overgebogen hing +tusschen de roerlooze gordijnen, minder bleek dan haar gelaat. Mevrouw +Aubain zat aan 't voeteneind van het bedje, dat ze met haar armen +omklemde. Ze snikte als een zieltogende. Rechts stond de overste. +Drie luchters brandden op de latafel, de kaarsevlammen schenen roode +vlekken, wit wolkte de nevel voor de vensters. Een paar zusters +voerden mevrouw Aubain weg. + +Twee nachten lang verliet Félicité de doode niet. Ze herhaalde aldoor +dezelfde gebeden, sprenkelde wijwater op de lakens, ging weer zitten, +en schouwde naar haar. Op 't eind der eerste nachtwake bemerkte ze, +dat het gelaat geel was geworden, de lippen werden blauw, de neus +scherp, de oogen zonken in. Ze kuste die nog en weer, en groot zou +haar verbazing niet geweest zijn, als Virginie weer had opgezien; voor +dergelijke zielen is het bovennatuurlijke iets gewoons. Ze legde het +kind af, hulde het in de lijkwa, kistte het, zette haar het kransje +op het hoofd, en spreidde de haren breed uit. Deze waren blond en +bijzonder lang voor zoo'n jong meisje. Félicité knipte er een lok +af, waarvan ze de helft op haar hart verborg, vast besloten er nooit +afstand van te doen. + +Het lijk werd naar Pont-l'Évéque overgebracht, op verlangen van +mevrouw Aubain, die den rouwwagen volgde in een gesloten koets. + +Na de mis waren er nog drie kwartier noodig om het kerkhof te +bereiken. Paul liep aan 't hoofd van den stoet en snikte. Hem volgde +mijnheer Bourais, dan de voornaamste ingezetenen, de vrouwen, in +zwarte mantels, en Félicité. Ze dacht aan haar neef, en hoe ze hem +deze laatste eer niet had kunnen bewijzen, toen werd haar droefheid +nog grooter, want het leek haar of men nu tegelijk hem met Virginie +begraven ging. + +De smart van mevrouw Aubain kende geen grenzen. + +Eerst was ze in opstand tegen God, dien ze onrechtvaardig vond, haar +dit kind te hebben ontnomen, dat toch nooit kwaad gedaan had en wier +geweten zonder vlek was! Maar ach! ze had met Virginie naar 't +Zuiden moeten gaan. Andere dokters zouden haar wel gered hebben. Ze +beschuldigde zich zelf, wilde bij haar zijn, en 's nachts in haar +droomen schreeuwde ze 't uit van wanhoop. Eén droom vooral kwelde haar +telkens weer. Haar man kwam als matroos gekleed van een verren tocht +terug, en zei haar schreiend, dat hij bevel ontvangen had Virginie mee +te nemen. Ze besloten dan samen ergens een schuilhoek te zoeken. + +Eens kwam ze heel ontdaan uit den tuin binnen. Zooeven (ze wees de +plaats aan) waren vader en dochtertje haar verschenen, dicht naast +elkaar, en ze deden niets, bleven haar aanzien. + +Maandenlang zat ze willoos in haar kamer. Félicité sprak haar telkens +toe met zacht vermaan. Ze moest voor zich zelve zorgen, om wille van +haar zoon en de nagedachtenis van "haar". + +--"Haar?" hernam mevrouw Aubain dan, alsof ze wakker werd. "Ach ja!... +ja!... Ge vergeet het niet!" doelend op het kerkhof, waarvan men haar +angstvallig verwijderd hield. + +Félicité ging er iederen dag heen. + +Klokslag vier schoof ze langs de huizen, klom de helling op, opende +het hek en ging tot bij Virginie's grafteeken. Het was een zuiltje van +rose marmer, rustend op een platten steen, en omgeven door kettingen +die een tuintje insloten. De randen waren vol bloemen. Ze begoot de +bladeren, ververschte het zand en ging op de knieën zitten om den +grond beter te kunnen bewerken. Toen mevrouw Aubain er weer komen +mocht, troostte haar de aanblik van dat wel-onderhouden graf, haar +smart werd er door gelenigd. + +Toen gingen er jaren voorbij die alle op elkaar geleken, met geen +andere afwisseling dan de cirkelgang der hooge feesten, Paschen, +Maria-Hemelvaart, Allerheiligen. Huiselijke gebeurtenissen stelden +datums vast, waarop men zich naderhand beriep. Zoo geelden in 1825 +twee glazenmakers de vestibuul; in 1827 had een stuk van het dak, dat +op de voorplaats neerviel, bijna een man gedood. In den zomer van +1828, was 't mevrouw Aubain's beurt om het Sint-Hubertusbrood te +geven; omstreeks denzelfden tijd ging mijnheer Bourais uit de stad, +en niemand wist waarheen; en de oude kennissen vielen langzaam weg: +Guyot, Liébard, Mevrouw Lechaptois, Robelin, oom Gremanville die sinds +jaren verlamd was. + +Op een nacht bracht de conducteur van de post-diligence in +Pont-l'Évêque de tijding der Juli-omwenteling. Enkele dagen later werd +er een nieuwe sous-prefect benoemd, baron de Larsonnière, die consul +was geweest in Amerika, en die, behalve zijn vrouw, zijn schoonzuster +meebracht met drie bijna volwassen freuletjes, welke in losse blouses +gekleed, over 't gazon van haar open tuin drentelden. Ze hadden een +neger en een papegaai. Ze legden een visite af bij mevrouw Aubain, die +niet naliet haar een tegenbezoek te brengen. Zoo gauw Félicité haar in +de verte zag aankomen, ging ze mevrouw haastig waarschuwen. Doch één +ding slechts scheen deze maar ter harte te gaan: de brieven van haar +zoon. + +Hij bracht zijn tijd in herbergen zoek, deugde voor geen enkele +loopbaan. Ze betaalde zijn schulden; hij raakte er opnieuw in; en de +zuchten die mevrouw Aubain slaakte, terwijl ze te breien zat bij het +venster, drongen door tot Félicité, die in de keuken haar spinnewiel +deed snorren. + +Ze drentelden samen langs de leiboomen en praatten aldoor over +Virginie, zich afvragend, hoe dit of dat haar zou hebben aangestaan, +wat ze bij deze of die gelegenheid waarschijnlijk zou gezegd hebben. + +In de kamer met de twee ledikantjes waren al haar kleine schatten en +benoodigdheden in een muurkast opgeborgen. Mevrouw Aubain zag die +dingen zoo weinig mogelijk na. Op een zomerdag ging ze er eindelijk +eens toe over, en er vlogen vlinders de kast uit. + +Haar jurken hingen naast elkaar onder een plank, waarop drie poppen +lagen, bij hoepels en een keukentje en de waschkom, die ze altijd +gebruikt had. Ze haalden de onderrokken, zoowel als de kousen en de +zakdoeken te voorschijn, en eer ze het opnieuw toevouwden, werd alles +op de twee bedjes uitgespreid. De zon scheen over die arme dingen, +deed de vlekken in 't oog vallen, en de kreuken die Virginie's +bewegingen erin gelaten hadden. De lucht was blauw en warm, een merel +kweelde, 't scheen alles te leven in een innige vreedzaamheid. Ze +vonden een hoedje van langharig pluche terug, kastanjekleurig; maar 't +was heelemaal door de mot opgegeten. Félicité vroeg of zij 't hebben +mocht. Ze zagen elkander aan, haar starre oogen vulden zich met +tranen; tot mevrouw de armen opende, de meid wierp zich aan haar hart, +en ze hielden elkaar omstrengeld, leniging zoekend voor het bittere +verdriet in een kus, die haar tot gelijken maakte. + +Het was den eersten keer in haar leven. Mevrouw Aubain had een zeer +gesloten karakter. Félicité was dankbaar voor die gevoelsuiting als +voor een weldaad, en met vrome vereering had ze haar lief voortaan, +trouw als een hond. + +De goedheid van haar hart werd steeds ruimer. + +Wanneer ze in de straat de trommen hoorde van een langsrukkend +regiment, ging ze met een kruik appelwijn aan de deur staan en bood +den soldaten te drinken. Ze verpleegde choleralijders. Ze nam de Polen +onder haar bescherming, en een hunner verklaarde zelfs, haar te willen +trouwen. Maar ze kregen oneenigheid, want op een morgen na het angelus +uit de kerk terugkomend, vond ze hem in de keuken: hij was er binnen +geslopen, had er zich een azijnsausje toebereid en zat daar rustig van +te smullen. + +Na de Polen, kwam de oude Colmiche aan de beurt, een grijsaard, die +den naam had in 93 leelijke dingen te hebben uitgevoerd. Hij leefde +aan den rivierkant in den bouwval van een varkenskot. De straatjongens +gluurden hem af door de spleten van den muur, en gooiden naar hem met +steenen, die op de brits vielen waar hij neerlag, aanhoudend heen en +weer geschud door een zwaren hoest; zijn haar was heel lang gegroeid, +zijn oogleden waren ontstoken, en op den arm had hij een gezwel nog +grooter dan zijn hoofd. Ze verschafte hem linnengoed, trachtte zijn +krot schoon te maken, en het werd haar droom, hem in hun wasch-huis +onderdak te brengen, zonder dat hij mevrouw zou hinderen. Toen de +kankerbuil was opengebroken, verbond ze hem alle dagen, soms bracht +ze hem eigengebakken koekjes mee, of ze zette hem in de zon op een +stroobos; zeeverend en bevend dankte de arme oude-man haar met zijn +klanklooze stem, was bang haar te moeten missen, strekte de handen uit +zoo gauw ze een beweging maakte om heen te gaan. Hij stierf; ze liet +een mis lezen voor de rust zijner ziel. + +Dienzelfden dag viel haar een groot geluk te beurt: op 't oogenblik +dat het diner was opgediend, stond de neger van mevrouw de Larsonnière +aan de bel, met den papegaai in zijn kooi, den stok, den ketting en +het hangslot. De barones deelde mevrouw Aubain per briefje mede, dat +ze dien avond nog gingen vertrekken, daar haar man tot prefect benoemd +was; en ze verzocht haar dien vogel aan te nemen ter gedachtenis en +als een bewijs harer hoogachting. + +Hij hield sinds langen tijd Félicité's verbeelding bezig, omdat hij +uit Amerika kwam; dit woord deed haar aan Victor denken, zóó zelfs dat +ze den neger had aangesproken om er het hare van te weten. Eens zelfs +had ze gezegd: "Wat zou mevrouw gelukkig zijn met dien vogel!" + +De neger had die uitlating aan zijn meesteres oververteld, en daar ze +den papegaai niet kon meenemen, ontdeed ze er zich op deze wijze van. + + + + +IV + + +Hij heette Loulou. Zijn romp was groen, de punt van zijn vleugels +roset, zijn kop blauw en zijn borst goudkleurig. + +Maar hij had de onhebbelijke gewoonte in zijn stok te bijten, trok +zich de veeren uit, maakte de kamer vuil, morste het water uit +zijn bad; hij verveelde mevrouw Aubain, en ze gaf hem voorgoed aan +Félicité. + +Deze poogde hem praten te leeren; algauw zei hij haar na: "Lieve +jongen! Uw dienaar, mijnheer! Weesgegroet, Maria!" Hij stond dicht bij +de voordeur, en menigeen was verwonderd dat hij niet luisterde naar +den naam Jacquot, daar alle papegaaien toch Jacquot heeten. Men zei, +dat hij een gans was, een domkop; het waren evenveel dolksteken door +Félicité's hart! En die vreemde stijfhoofdigheid van Loulou, nooit te +willen praten, als iemand naar hem keek! + +Toch hield hij van gezelligheid, want Zondags, als de dames +Rochefeuille, mijnheer de Houppeville er waren en nieuwe kennissen: +Onfroy, de apotheker, mijnheer Varin en kapitein Mathieu, om hun +partijtje kaart te spelen, vloog hij tegen de ruiten op, en ging met +zoo'n geweld te keer, dat men elkaar onmogelijk kon verstaan. + +Het gelaat van Bourais leek hem zeker heel zot toe. Zoogauw hij hem +zag, begon hij uit alle macht te lachen. Het geschater van zijn stem +kaatste over de plaats, de echo herhaalde het, de buren kwamen aan +'t venster en lachten ook. Om niet gezien te worden, sloop mijnheer +Bourais den muur langs, en zijn profiel verbergend achter zijn hoed, +ging hij tot bij de rivier, om dan door de tuindeur weer binnen te +komen, en de blikken die hij den papegaai toezond, waren allesbehalve +liefelijk. + +Loulou had van den slagersknecht een knip voor den neus gekregen, +omdat hij zich veroorloofd had den kop in diens korf te steken; sedert +trachtte hij altijd hem te pikken door zijn hemdsmouwen heen. Fabu +dreigde hem den hals om te draaien, en toch was hij, ondanks zijn +getatoueerde armen en zijn groote bakkebaarden, niet wreed van aard. +Integendeel! hij mocht den papegaai wel, zoo zelfs, dat hij, in goede +luim, hem vloeken leerde zeggen. Félicité, wie zulke manieren niet +aanstonden, zette hem in de keuken. Zijn ketting werd weggenomen, en +hij zat het heele huis door. + +Wanneer hij de trap af moest, stutte hij met de kromming van zijn +snavel op de treden, hief den rechterpoot op, dan den linker, en zij +was bang dat dergelijke gymnastische toeren hem duizelig zouden maken. +Hij werd ziek, kon niet meer praten of eten. Er zat hem een dikte +onder de tong, zooals kippen dit soms hebben. Ze genas hem door dat +vlies met haar nagels los te trekken. Mijnheer Paul was eens zoo +onvoorzichtig, hem den rook van z'n sigaar in den neus te blazen, een +anderen keer toen mevrouw Lormeau hem plaagde met den punt van haar +parasol, hapte hij er het ijzeren dopje af, en ten slotte vloog hij +kwijt. + +Ze had hem op het gras gezet om hem een luchtje te laten scheppen, en +ging even weg; toen ze terugkwam, geen papegaai meer! Eerst zocht +ze hem in de struiken, aan den waterkant, op de daken, zonder te +luisteren naar mevrouw, die haar toeriep:--"Wees toch voorzichtig! ge +zijt dwaas!" Toen doorspeurde ze alle tuinen van Pont-l'Évêque, en ze +hield de voorbijgangers staande:--"Hebt u somwijlen toevallig +mijn papegaai gezien?" Wanneer ze hem niet kenden, gaf ze hun een +beschrijving van zijn uiterlijk. Ineens meende ze achter den molen, +laag tegen den wal iets groens te zien rondfladderen. Maar toen ze op +den kant kwam, was er niets! Een sjouwer beweerde, dat hij hem zooeven +gezien had te Saint-Melaine in den winkel van vrouw Simon. Ze liep er +heen. Men begreep daar niet wat ze bedoelde. Eindelijk kwam ze weer +thuis, uitgeput, de sloffen vol gaten, den dood in het hart; en, juist +zat ze midden op de bank, naast mevrouw, heel haar wedervaren te +vertellen, toen een lichte last haar op den schouder viel. Loulou! Wat +drommel had hij uitgevoerd? Misschien was hij een uitstapje gaan doen +in den omtrek. + +Ze kon er moeilijk bovenop komen, of liever ze kwam er nooit meer +bovenop. + +Ze had kou gevat en kreeg dientengevolge een keelontsteking; kort +daarna een oorziekte. Drie jaar later was ze doof, en ze sprak heel +luid, zelfs in de kerk. Hoewel haar zonden gerust zonder schande voor +haar, of zonder schade voor den evenmensch, naar alle kanten van het +bisdom mochten rondverteld, oordeelde mijnheer pastoor het gepast, +haar niet anders meer dan in de sacristie de biecht te hooren. + +Een denkbeeldig, telkens weerkeerend gesuizel bracht haar voorgoed van +de wijs. 't Gebeurde meer dan eens, dat mevrouw zei:--"Mijn hemel! +wat ben je toch dom!" en dat zij daarop met een:--"Ja, mevrouw," iets +zoeken ging in de kamer. + +Haar kleine gedachten-kring werd nog enger, en het gebeier der +klokken, het geloei der runderen zelfs, bestond niet meer voor haar. +Alle wezens bewogen zich als schimmen zoo stil. Slechts een enkel +gerucht nog drong tot haar door, de stem van den papegaai. + +Als om haar wat afleiding te bezorgen, bootste hij het getiktak van +het braadspit na, den schellen roep van een vischventer, de zaag van +den schrijnwerker aan den overkant, en als 't belde, riep hij met +mevrouw Aubain's stem: "Félicité! open doen! open doen!" + +Ze hielden samenspraken, hij tot vervelens toe de zinnen van zijn +repertoire herhalend, en zij er op antwoordend met woorden zonder veel +meer samenhang, maar waarin ze haar hart uitstortte. Loulou was haar, +in haar afzondering, bijna een zoon, een geliefde. Hij klom langs +haar vingers op, knabbelde op haar lippen, klauwde zich vast in haar +omslagdoek, en wanneer ze dan het bevend hoofd voorover boog, werden +de groote vleugels van de muts en de vleugels van den vogel door +eenzelfde trilling bewogen. + +Wanneer de wolken zich opstapelden en de donder rommelde, begon hij te +krijschen, misschien zich de stortvlagen herinnerend van de bosschen +waar hij geboren werd. Het geruisch van het water maakte hem razend; +hij fladderde om, buiten zich zelf van angst, klampte zich tegen de +zoldering, gooide alles omver, en ging door het venster, in den tuin +rondploeteren; maar al gauw kwam hij weer op een der haardijzers +neergestreken, en heen-en-weer wippend om zijn veeren te laten drogen, +liet hij nu eens zijn staart, dan zijn bek zien. + +Op een morgen in den strengen winter van 1837, toen ze hem wegens de +koude voor den schoorsteen had gezet, vond ze hem dood midden in zijn +kooi, de kop omlaag, de nagels in het ijzerdraad. Hij had zeker een +congestie gehad. Zij dacht aan een vergiftiging met peterselie, en +ondanks alle gebrek aan bewijs, vatte ze kwade vermoedens op tegen +Fabu. + +Zòò schreide ze, dat mevrouw zei:--"Kom, kom! laat hem dan opzetten!" + +Ze ging raad vragen aan den apotheker, die altijd goed was geweest +voor Loulou. + +Hij schreef naar Havre. Een zekere Fellacher nam het werk op zich. Per +diligence raakten de pakgoederen soms kwijt, en daarom besloot ze haar +armen Loulou zelf tot Honfleur weg te brengen. + +De appelboomen stonden bladerloos langs den weg. IJs dekte de +slooten. Honden blaften bij de hoeven; ze hield de handen onder haar +schoudermantel, en met haar zwarte klompjes en haar karbies, spoedde +ze zich voort, midden over de keien. + +Ze ging dwars door het bosch, kwam Haut-Chêne voorbij, en bereikte +Saint-Gatien. + +Achter haar kwam in een dichte stofwolk een postdiligence met dolle +vaart als een windhoos de helling afrollen. Toen hij daar een vrouw +gewaar werd, die rustig bleef loopen waar ze liep, bukte de conducteur +zich voorover uit de kap, en ook de postiljon schreeuwde, terwijl zijn +vier paarden, die hij niet kon inhouden, hun draf versnelden; de twee +voorste waren zoo nabij, dat ze haar raakten; met een schok van de +teugels rukte hij het vierspan den berm op, maar woedend hief hij den +arm, en uit alle macht striemde hij Félicité met zijn lange zweep zóó +fel langs borst en aangezicht, dat ze achterover viel. + +Toen ze weer bijkwam, was het haar eerste werk, de mand te openen. +Gelukkig, Loulou was ongedeerd! Zij voelde een brandende pijn aan de +rechterwang; toen ze met de handen er langs streek, werden die rood. +Er liep bloed uit. + +Ze ging op een kiezelhoop zitten, bette zich het gelaat met den +zakdoek, at toen een korst brood, die ze uit voorzorg in haar mand had +gestopt, en troostte zich over haar wonde door den vogel te bekijken. + +Op den heuvel van Ecquemauville gekomen, zag ze de lichten van +Honfleur, die in den nacht tintelden, als even zooveel sterren; verder +nog schemerde het vage vlak der zee. Toen voelde ze zich wee +worden van uitputting. Ze moest stilstaan, en de ellende van haar +kinderjaren, de teleurstelling harer eerste liefde, het heengaan van +haar neefje, Virginie's dood, het kwam alles tegelijk weer op in haar +hart, zooals bij vloed de golven opkomen, het steeg haar naar de keel +en verstikte haar den adem. + +Toen wilde ze den kapitein der boot spreken, en zonder te zeggen wat +er in de mand verpakt was, vroeg ze hem er vooral goed voor te zorgen. + +Fellacher hield den papegaai lang. Hij beloofde hem telkens voor de +volgende week. + +Na verloop van zes maanden berichtte hij, dat er een kist afgezonden +was; toen hoorde ze er verder niets van. Het scheen wel dat Loulou +nooit meer zou terugkomen. "Ze hebben hem gestolen!" dacht ze. + +Eindelijk kwam hij,--prachtig, recht-zittend op een tak die in een +mahoniehouten voet stond geschroefd, één poot in de lucht, den kop +schuin, en knabbelend op een noot, door den vogelopzetter, uit +liefhebberij voor 't indrukwekkende, verguld! + +Ze borg hem in haar kamer. + +Dit plekje van het huis, waar ze bijna niemand toeliet, leek evenveel +op een kapelletje als op een bazaar, zooveel devotie-dingen en zooveel +rommel waren er bijeen. + +De deur ging moeielijk open, omdat er een groote kast in den weg +stond. Tegenover het venster aan de tuinzijde was een zolderraampje +dat uitzag op de plaats vóór het huis. Op een tafel naast het veldbed +lagen, bij een lampetkan, twee kammen en een stuk blauwe zeep op +de scherf van een schoteltje. Tegen de muren hingen: rozenkransen, +medailles, verschillende Lieve-Vrouwtjes, een wijwaterbakje van een +kokosnoot; op de latafel als een altaar met een witten doek bedekt, +stond de schelpendoos die Victor haar had gegeven, en ook een gieter +en een bolle flesch; schrijfboeken lagen er, de aardrijkskundige +prenten, een paar schoenen, en aan den spijker van den spiegel, hing, +aan zijn linten, het pluchen hoedje! Zóó ver dreef Félicité deze soort +van vereering, dat ze zelfs een der pandjassen van mijnheer bewaarde. +Alle oude prullen waar mevrouw Aubain genoeg van had, nam ze mee voor +haar kamer. Zoo kwam het, dat er opgemaakte bloemen langs den rand der +latafel stonden, en dat het portret van den graaf van Artois er in de +nis van het zoldervenstertje hing. + +Bij middel van een plankje werd Loulou tegen een uitspringende +schouwgang geplaatst. Iederen morgen bij haar ontwaken zag ze hem in +het licht van den aanbrekenden dag, en zonder hartzeer, heel rustig, +dacht ze dan aan de vervlogen jaren, en aan de onbeduidendste +voorvallen tot in hun minste bijzonderheden. + +Daar ze met geen mensch meer gemeenschap kon hebben, leefde ze, als +een slaapwandelaarster, in een durende verdooving. De processies van +Sacramentsdag deden haar weer opleven. Ze ging bij de buren kaarsen +en matten vragen om er het rustaltaar mee te sieren, dat in de straat +werd opgericht. + +In de kerk schouwde ze altijd naar de duif, die den Heiligen Geest +voorstelde, en vond dat ze wat geleek op haar papegaai. Die gelijkenis +scheen haar nog treffender op een plaat van Epinal, den doop Onzes +Heeren weergevend. Die duif met haar purperen vleugels en haar romp +van smaragd, ze leek wezenlijk het portret van Loulou. + +Ze kocht die plaat en hing ze waar de graaf van Artois gehangen +had;--zoo zag ze hen in éénen oogopslag. In haar gedachten werden ze +één, de papegaai als gewijd door zijn overeenkomst met die duif. En ze +bad met de oogen naar de plaat, maar een klein weinigje wendde ze zich +nu-en-dan toch naar hààr vogel toe. + +Ze wilde zich in de Maria-congregatie laten opnemen, doch mevrouw +Aubain praatte haar dit uit 't hoofd. + +Ineens was er iets heel buitengewoons: het huwelijk van Paul. + +Na eerst notarisklerk te zijn geweest, was hij achtereenvolgens in den +handel, bij de invoerrechten en bij de belastingen gegaan, en zelfs +had hij gepoogd bij de jacht en visscherij te komen, toen, zes en +dertig jaar oud, had hij ineens, als door een ingeving van den hemel, +zijn weg gevonden: de registratie! een zoo grooten aanleg toonde hij +ervoor, dat een verificateur hem zijn dochter ten huwelijk bood en hem +zijn protectie beloofde. + +Paul, die 't nu ernstig meende, bracht haar bij zijn moeder. Ze +smaalde op de gewoonten van Pont-l'Évêque, speelde de prinses, +beleedigde Félicité. Het was mevrouw Aubain een heele verlichting toen +ze vertrok. + +De week daarop kwam de tijding dat mijnheer Bourais in Neder-Bretagne +in een herberg was dood gebleven. Het gerucht van een zelfmoord werd +bevestigd; er rees twijfel aan zijn eerlijkheid. Mevrouw Aubain zag +nauwkeurig haar rekeningen na, en vond al spoedig een lange reeks +van ongerechtigheden, verduistering van achterstallige schulden, +verdonkermaande houtverkoopen, valsche kwitanties, enz. + +Die schelmerijen deden haar veel verdriet. In Maart 1853 werd +ze aangetast door een longziekte; haar tong scheen bewasemd; de +bloedzuigers bedaarden de benauwdheid niet, en den negenden avond +stierf ze, juist twee en zeventig jaar oud. + +Niemand had haar voor zóó bejaard aangezien, omdat ze nog niets grijs +was. Ze droeg het bruine haar in platte banden tegen het bleeke, door +de pokken geschonden gezicht. Ze liet niet veel vrinden na, die leed +hadden over haar heengaan. Ze had iets hooghartigs over zich, dat de +menschen op een afstand hield. + +Félicité treurde over haar zooals geen dienstbaren over hun meesters +treuren. Dat mevrouw eerder stierf dan zij, bracht haar geest in de +war, scheen haar in te druischen tegen den gewonen loop der dingen, +het leek haar onaannemelijk en al te wreed. + +Tien dagen later (juist de tijd die er noodig was voor de reis van +Besançon) kwamen ineens de erfgenamen. De schoondochter doorzocht de +laden, koos meubels uit, verkocht de overige, daarna keerden ze samen +naar Paul's registratie-bureau terug. + +Mevrouws fauteuil, haar tafeltje, haar stoof, de acht stoelen waren +weg. De plaatsen waar de gravures hadden gehangen, teekenden zich +als vierkante gele plekken af midden op de wanden. Ze hadden de twee +ledikantjes meegenomen, ook de matrassen, en in de muurkast was niets +meer te vinden van Virginie's kleinooden! Félicité klom van de eene +verdieping naar de andere, buiten zich zelve van verdriet. + +Den volgenden dag zat er een plakkaat op de deur; de apotheker +schreeuwde haar in 't oor, dat het huis te koop stond. + +Ze wankelde en moest gaan zitten. + +Het zolderkamertje te moeten verlaten, waar die arme Loulou zoo'n goed +plaatsje had, dit was wel haar grootste verdriet. Met een angstigen +blik op haar vogel, bad ze of de Heilige Geest hem wilde beschermen, +en zóó vernevelden haar zinnen, dat ze langzamerhand de afgodische +gewoonte aannam, haar gebeden te prevelen neergeknield voor den +papegaai. Soms raakte de zon, die door het zoldervenstertje viel, +juist zijn glazen oog, en deed er een grooten glanzenden lichtstraal +uitschieten, die haar in vervoering bracht. + +Ze had een inkomen van driehonderdtachtig franken 's jaars, een legaat +van mevrouw. De tuin leverde haar groenten op. Kleeren had ze voor +levenslang genoeg, en door te gaan slapen, zoo gauw de avond viel, +spaarde ze het licht uit. + +Ze zette nooit meer een voet op straat, om den uitdragerswinkel te +mijden, waar eenige van de oude meubels te koop stonden. Sinds haar +geest zoo begon te verzwakken, sleepte ze het ééne been, en omdat haar +krachten afnamen, kwam vrouw Simon, die in haar kruidenierszaakje +alles verloren had, iederen morgen haar hout klooven en water pompen. + +Haar oogen werden steeds zwakker. De zonneblinden gingen niet meer +open. Veel jaren verliepen er. En er kwamen noch huurders, noch +koopers voor het huis. + +Vreezende dat men haar zou aanzeggen het huis te verlaten, vroeg +Félicité om geen enkele reparatie. De binten van het dak waren aan +'t rotten; een winterlang was haar peluw doortrokken van 't nat. Na +Paschen gaf ze bloed op. Toen ging vrouw Simon een dokter roepen. +Félicité wilde weten, wat haar scheelde. Maar ze was te doof om het +te kunnen verstaan, een enkel woord slechts drong tot haar door: +"Longontsteking." Ze kende dit woord, en zei zachtjes:--"O, juist als +mevrouw," ze vond het heel natuurlijk hetzelfde te hebben als haar +meesteres. + +De dag van de rustaltaartjes naderde. + +Het eerste stond altijd aan 't einde van den oeverwal, het tweede voor +de post, het derde zoowat halfweg de straat. Er ontstond een wedijver +over de plaats van dit laatste, en de vrouwen der parochie kozen ten +slotte de voorplaats van mevrouw Aubain. + +De benauwdheden en de koorts namen toe. Félicité trok het zich erg +aan, niets te kunnen doen voor het altaartje. Kon ze er tenminste nog +iets op neerzetten! Ze dacht toen aan den pagegaai. Dat voegde +niet, wierpen de buurvrouwen tegen. Maar de pastoor gaf toch wel +toestemming. Ze was daar zoo gelukkig mee, dat ze hem vroeg Loulou van +haar te willen aannemen na haar dood, Loulou haar eenigen rijkdom. + +Van Dinsdag tot Zaterdag vóór Sacramentsdag hoestte ze veel meer. +'s Avonds was haar gezicht vertrokken, haar lippen kleefden aan het +tandvleesch, ze begon brakingen te krijgen, en den volgenden morgen, +in de vroegte, voelde ze zich heel minnetjes en liet een priester +roepen. + +Drie buurvrouwen waren bij haar, toen ze het heilig oliesel ontving. +Daarop zei ze, noodig met Fabu te moeten spreken. + +Hij kwam in z'n zondagsche kleeren, slecht op zijn gemak in al die +narigheid. + +--"Vergeef me," zei ze met een poging om den arm uit te strekken, "ik +heb altijd gemeend, dat gij hem hadt dood gemaakt." + +Wat was dat voor lasterpraat? Hem verdacht te hebben van een moord, +een man als hij! Hij maakte zich boos, begon te razen en te tieren. + +--"Ge ziet toch wel, dat ze niet meer bij zinnen is!" + +Nu en dan was Félicité met schimmen aan 't praten. De drie buurvrouwen +gingen heen. Vrouw Simon dronk koffie. + +Een oogenblik later nam ze Loulou, en hem Félicité voorhoudend: + +--"Kom! zeg hem vaarwel!" + +De wormen knaagden aan hem, al was hij dan ook opgezet, een van zijn +vleugels hing gebroken, het vulsel puilde hem uit den buik. Maar ze +was nu blind, ze kuste hem op den kop en hield hem tegen haar wang. +Toen nam vrouw Simon hem weer terug, om hem op 't altaartje te zetten. + + + + +V + + +Uit de weien woei de zomergeur aan; vliegen gonsden; de zon +overglansde de rivier en blakerde de leien. Vrouw Simon was +teruggekomen en viel zachtjes in slaap. + +Klokgelui maakte haar wakker; de vespers waren uit. Félicité kwam weer +bij. Ze dacht aan de processie en zag die voor haar oogen, alsof ze er +in meeging. + +Alle schoolkinderen, de zangers en de brandweergasten liepen over +de stoepen, terwijl midden in de straat de hondenslager met zijn +hellebaard, de onderkoster met den kruisstaf voorttogen, ook de +onderwijzer, die een waakzaam oog hield op de schooljongens, en de +zuster vol zorg voor haar kleine meisjes; drie van de allerliefste, +met krullekopjes als engelen, wierpen rozeblaadjes in de lucht; de +diaken temperde, met uitgebreide armen, de muziek, en twee knapen +met wierookvaten keerden zich bij iedere schrede naar het Heilig +Sacrament, dat onder een hel-rooden troonhemel, dien vier kerkmeesters +torsten, gedragen werd door mijnheer Pastoor in zijn prachtige +kazuifel. Een stroom van menschen volgde, tusschen het witte doek, dat +de muur der huizen bedekte; en men kwam aan 't eind van den oeverwal. + +Félicité's slapen waren klam van 't koude zweet. Vrouw Simon bette ze +met een stuk linnen, peinzend hoe ook zij eenmaal dit alles zou moeten +doorstaan. + +Het gegons der menigte nam toe, was een oogenblik zeer luid, en +verwijderde zich. + +Een losbarsting van geweerschoten deed de ruiten trillen. Het waren +de postiljons die het Allerheiligste groetten. Félicité rolde met de +oogen, en zei, zoo duidelijk ze vermocht, vol zorg voor den papegaai: +"Staat hij goed?" + +Haar doodsstrijd begon. Een gereutel, dat steeds sneller werd, +deed haar zijden schokken, 't Schuim blies tot bellen op in haar +mondhoeken, en heel haar lichaam beefde. + +Niet lang, of men hoorde het geschal der koperen bashoorns, de heldere +kinderstemmen, de zware stem der mannen. Bij tusschen-poozen was +alles stil, en het treden der voetstappen, gedempt door het +bloemen-strooisel, geleek op het geschuifel van een kudde, die +voorttrekt over het gras. + +De schaar van priesters verscheen op de voorplaats. Vrouw Simon +klauterde op een stoel om bij het zolderraampje te komen, en zag zoo +vlak neer op het altaartje. + +Groene guirlanden hingen er over en het was versierd met een strook +van Engelsche kant. Middenop stond een schilderijtje met relikwieën, +twee oranjeboompjes op de hoeken, en in het rond zilveren luchters en +porseleinen vazen, waaruit zonnebloemen oprankten, lelies, pioenen, +campanula's, bossen hortensia's. Dit kleurgewemel daalde schuin omlaag +van de eerste verdieping tot op het vloerkleed, dat tot ver over de +straatsteenen lag uitgespreid; en vreemdsoortige voorwerpen trokken +het oog. Een verguld zilveren suikerpot droeg een kroon van viooltjes, +hangers van Alençonschen steen schitterden op een laagje mos, twee +Chineesche horretjes stalden hun landschappen ten toon. Loulou stond +onder rozen verborgen, en van hem was niets te bespeuren dan +'t bovenste van zijn blauwen kop, en dit blonk als een plakje +lazuursteen. + +De kerkmeesters, de zangers, de kinderen schaarden zich aan de drie +zijden van de plaats. De priester besteeg langzaam de altaartreden, en +zette op de kanten dwale zijn monstrans, die straalde als een +groote gouden zon. Allen knielden. Er zonk een diepe stilte. En de +wierookvaten gleden in breeden uitzwaai op hun kettingen weg en weder. + +Een azuren waas steeg naar de kamer van Félicité. Haar neusgaten +zetten zich uit terwijl ze den wierook inademde met een mystiek +welbehagen; dan sloot ze de oogen. Haar lippen glimlachten. De +bewegingen van haar hart vertraagden een voor een, telkens flauwer, +telkens zachter, zooals een fontein uitgeput neerruischt, zooals een +echo wegsterft; en terwijl ze den laatsten adem uitblies, waande ze +in de open hemelen een reusachtigen papegaai te zien, zwevend boven +haar hoofd. + + + + + +DE LEGENDE VAN SINT-JULIAAN DEN GASTVRIJE + + +I + +De vader en de moeder van Juliaan bewoonden een kasteel midden in +bosschen op de helling van een heuvel. + +De spitsen van de vier hoektorens waren met looden schubben bedekt, +en de voet der muren steunde op rotsen, die steil neerhelden naar de +grachtdiepte. + +Het plaveisel van het binnenplein was gaaf als dat van een kerkvloer. +Draken met den gapenden muil nederwaarts, spuwden het regenwater uit +de dakgoten naar den put, en op ieder vensterkozijn, alle verdiepingen +langs, bloeide in een beschilderden aarden pot, een bos balsemkruid of +heliotroop. + +Een tweede omheining van steenen palen omsloot vooreerst een boomgaard +en een tuin, waar de bloemen in bonte schikking naamletters teekenden +op de perken; verder een wijngaard met lustpriëelen, en een kolfbaan +voor de pages. Aan de andere zijde bevonden zich de hondenhokken en +de stallen, bakkerij en druivenpers, en de schuren. Het geheel was +omgeven door groene weiden, die op hare beurt omsloten werden door een +zware haag van meidoorns. + +De vrede duurde reeds zooveel jaren door, dat de valpoort tot vaste +brug diende; de grachten waren vol water; de zwaluwen bouwden haar +nest in de kanteelen, en de boogschutter die den lieven langen dag +op den middenwal heen-en-weer moest wandelen, dook weg in het +wachttorentje, zoodra de zon te fel begon te branden, en lag er +met een gerust gemoed, uren lang ongestoord te slapen. Binnenshuis +schitterde het beslag van hengsels en sloten overal als zilver; +kostbare wandtapijten beschutten de kamers tegen de koude; de kasten +waren overvuld van het fijnste lijnwaad; in de kelders lagen de tonnen +met wijn hoog opgestapeld, en de eikenhouten koffers kraakten onder +het gewicht der geldzakken. + +In de wapenzaal, waren tusschen ruitervanen en roofdierkoppen, wapenen +uit alle tijden en van alle volken te vinden: van de slingers der +Amalekieten en de werpspiesen der Garamantijnen, tot de kromzwaarden +der Saracenen en de maliënkolders der Normandiërs. + +Aan het groote braadspit in de keuken kon wel een os geroosterd +worden. De huiskapel was weidsch en rijk als die van een koning. In +een achterafhoek van het kasteel was zelfs een romeinsch bad, maar de +burchtheer maakte er nooit gebruik van, wijl hij dit een heidensche +zede achtte. + +In een pelsmantel van vossevel wandelde hij door zijn huis; hij sprak +recht onder zijn vazallen, en legde de twisten van zijn naburen bij. + +'s Winters keek hij naar de dwarrelende sneeuwvlokken, of hij liet +zich verhalen voorlezen. Maar zoodra het mooie weer begon, reed hij op +zijn muilezel langs de wegjes door het groene koren, praatte met de +dorpers en gaf hun goeden raad. + +Na een zeer avontuurlijk leven had hij een jonkvrouw van hooge +geboorte tot gemalin genomen. Ze was zeer blank, en wat trotsch +en ernstig. De punten van haar huive raakten den bovenbalk der +deurposten; de plooien van haar lakensch gewaad sleepten drie schreden +achter haar aan. Haar huishouding was regelmatig als die in een +klooster; iederen morgen verdeelde ze het werk onder haar dienstboden; +ze hield het oog over den vruchten-inmaak en de zalven-bereiding; zat +achter het spinnewiel of borduurde dwalen voor het altaar. Op haar +aanhoudend bidden werd haar een zoon geboren. + +Toen heerschte er groote vreugde, en er werd een feestmaal aangericht. +Dit duurde drie dagen en vier nachten bij toortslicht en harpspel, op +strooisel van lenteloovers. Men at er de zeldzaamste specerijen, en +hoenders zoo groot als schapen; ter opluistering kwam er een dwerg uit +een pastei. Toen er geen bekers genoeg meer waren, wijl de menigte der +gasten steeds aangroeide, was men genoodzaakt uit horens en helmen te +drinken. + +De jonge moeder woonde deze feesten niet bij. Ze lag rustig op haar +legerstede. Toen, in een avonduur,--ze had gesluimerd en sloeg zacht +de oogen op,--zag ze in een manestraal, die door het venster gleed, +iets bewegen. Schaduw of schimme? Het was een grijsaard in haren pij, +een rozenkrans aan den gordel, den bedelzak op den schouder. Een +kluizenaar. Hij naderde het hoofdeinde van haar bed, en zei zonder de +lippen te ontsluiten: "Verheug u, o moeder! Uw zoon zal een heilige +worden!" + +Bijna schreide ze het uit van schrik, maar de schimme gleed heen langs +den manestraal, steeg zachtjes omhoog en verdween in het ijle licht. +De zangen van het festijn klonken helderder op. Zij echter hoorde +engelenstemmen. Haar hoofd viel terug in het kussen, waarboven, +tegen den muur, een martelaarsreliek hing, gevat in een lijst van +karbonkels. + +Den volgenden dag werd heel de dienaarschap ondervraagd. Allen +verklaarden eenstemmig, geen kluizenaar gezien te hebben. Maar--droom +of werkelijkheid--kon het anders dan een hemelboodschap zijn? De +burchtvrouw wachtte zich echter wel, die overtuiging uit te spreken. +Ze vreesde dat men haar van hoovaardij betichten zou. + +De gasten vertrokken bij het krieken van den morgen. Toen Juliaans +vader den laatsten uitgeleide gedaan had, en eenzaam bij de +burchtpoort achterbleef, zag hij ineens in den nevel een bedelaar voor +zich staan. Het was een zigeuner. Hij droeg den baard gevlochten en +had zilveren ringen aan beide armen. Zijn oogen flonkerden. En, als +bij ingeving, mompelde hij deze onsamenhangende woorden: + +"Welzoo! uw zoon!... veel bloed!... veel roem!... altijd gelukkig! in +de maagschap van een keizer!" + +Hij bukte naar de hem toegeworpen aalmoes, en zonder een spoor achter +te laten, was hij tusschen het gras verdwenen. + +De burchtheer keek naar links en rechts, riep zoo luid hij kon. + +Niemand! De wind blies, de uchtendnevels verwoeien. + +Hij weet dit droomgezicht aan de vermoeienis van zijn hoofd, na den +slapeloozen nacht. + +"Wat zouden ze lachen, zoo ik er van gewaagde!" + +En toch--hoe vaag de voorzegging ook scheen, en droom of +waarheid?--ondanks zijn twijfel bleef hij almaar uitturen in de +glanzende toekomst die zijn zoon beloofd was. Ze verblindde hem. + +De vader en de moeder hielden ieder voor zich hun geheim in het hart +verborgen. Beiden droegen ze het kind een even groote liefde toe. +Ieder voor zich beschouwden ze het als een geroepene Gods. Ze hadden +er de vroomste zorgen voor. Zijn bedje was met het zachtste dons +gevuld. Een lamp in den vorm eener duif brandde voortdurend er boven, +drie voedsters moesten over hem waken. En zoo: vast in zijn doeken +gewikkeld, met zijn roze-blozend gezichtje en zijn blauwe oogen, met +zijn brokaten mantel en zijn kapertje vol parels, geleek hij wel +het kindje-Jezus zelve. Hij kreeg tanden zonder een enkelen keer te +schreien. + +Toen hij zeven jaar was, leerde zijn moeder hem zingen. + +Om hem dapper te maken tilde zijn vader hem op een groot paard. Het +kind glimlachte van voldoening, en het duurde niet lang, of hij wist +alles van ros en tuig. + +Een zeer wijze, oude monnik onderrichtte hem in de heilige Schrift, +leerde hem de arabische cijfers en de latijnsche letters en liet hem +aardige miniaturen schilderen op perkament. Ze werkten samen hoog in +een toren, waar geen geluid hen kon hinderen. Na de les daalden ze +af in den hof, waar ze voet voor voet omwandelden en de bloemen +bestudeerden. + +Het gebeurde soms dat men diep uit het dal een rij lastdieren zag +naderen, gedreven door een op oostersche wijze uitgedosten voetganger, +in wien de burchtheer een koopman herkende. Hij liet hem door een +dienaar ontbieden, en de vreemdeling richtte dan in goed vertrouwen +zijn schreden burchtwaarts. In de halle binnengeleid, haalde hij +stukken sameet en zijde uit zijn koffers, cantille-goud en reukwerken, +en allerlei andere vreemdsoortige zaken waarvan men het gebruik niet +kende. Ten laatste ging de man weer heen, met goede winst, en zonder +het minste geweld verduurd te hebben. Een andermaal klopte er een +troep pelgrims aan de poort. Hun natte kleeren dampten voor den haard. +Wanneer hun honger gestild was, begonnen ze te verhalen van hun +tochten, hoe ze op de schuimende zee hadden gezwalkt en te voet door +het brandende zand der woestijnen getogen waren. Ze hadden het over de +wreedheid der heidenen, over de Kribbe en het Heilig Graf, en gaven +den kleinen jonker schelpen van hun mantel. + +Dikwijls onthaalde de burchtheer zijn oude wapenmakkers. En altijd +weer onder het drinken, kwamen ze los over hun oorlogen, over den +stormloop op de vestingen, als de werptuigen om hen henen raasden, +over hun wonden zonder weerga. En Juliaan, die niet moede werd te +luisteren, begon krijgskreten uit te stooten. School er niet een groot +veroveraar in dien knaap? Zijn vader was er van overtuigd. Maar 's +avonds, na de vespers, als Juliaan tusschen de eerbiedig nijgende +armelieden de kerk uitschreed, kon hij zoo deemoedig en met een gebaar +zoo edel in zijn gordelbeurs tasten, dat zijn moeder vast geloofde hem +mettertijd aartsbisschop te zien. + +Zijn plaats in de kapel was tusschen zijn ouders in. De diensten +duurden soms lang, maar hij bleef geknield, de baret voor de bidbank +op den grond, de handen gevouwen. + +Op zekeren dag, toen hij onder de Mis even opkeek, zag hij een wit +muisje uit een gat in den muur komen. Het trippelde over de eerste +altaar-trede, en na twee of drie malen over-en-weer wippen, vluchtte +het terug naar den kant vanwaar het geslopen kwam. Den volgenden +Zondag moest Juliaan onder het bidden telkens denken, dat het muisje +wel eens weerom kon komen. En waarlijk, het kwam. + +Nu wachtte hij er voortaan iederen Zondag op. Het begon hem zelf te +vervelen. Hij vatte een haat op tegen het muisje en besloot er zich +van te ontdoen. + +Op een Zondag-middag sloop hij alzoo alleen de kapel binnen, en na de +deur behoedzaam gesloten te hebben, strooide hij zoete kruimels op +de altaartreden, en stelde zich toen op voor het muizengat, met een +stokje in de hand. + +Na heel lang wachten kwam er een roze snuitje te voorschijn, toen de +heele muis. + +Hij raakte haar met een lichten slag, en bleef verstomd staan voor dat +kleine roerlooze lichaampje. + +Een druppel bloed vlekte op den vloersteen. Hij wischte het schielijk +af met de mouw, wierp de muis weg, en sprak er met niemand over. +Korten tijd later bemerkte hij dat allerlei vogels de zaden uit den +tuin wegpikten. Toen zocht hij een hol riet, en stopte het vol erwten. +Wanneer hij nu voortaan piepen of kweelen hoorde in een boom, naderde +hij heel zoetjes, richtte zijn schietbuis, blies de wangen op, en de +diertjes regenden hem zoo overvloedig op de schouders, dat hij zich +niet weerhouden kon te lachen om zijn sluwheid. + +Eens op een morgen, toen hij over den middenwal uit den hof terugkeerde, +zag hij op de kap der borstwering een groote duif zitten, die zich +borstte in de zon. Juliaan bleef staan om er naar te kijken. Er was een +bres in den wal op die plaats en vlak voor de hand vond hij een diggel +van het metselwerk. Hij hief den arm op, en de steen raakte den vogel, +die in de gracht neerviel. Hij haastte zich naar de diepte, scheurde +handen en kleeren in de struiken en snuffelde overal, rapper dan een +jonge hond. + +De duif hing met gebroken vleugels te beven in de takken van een +haagheester. + +Het ergerde den knaap, dat ze nog leefde. Hij neep haar de keel toe. +De stuiptrekkingen van zijn gewurgde prooi deden zijn hart bonzen, ze +riepen er een wilden en onstuimigen wellust wakker. Bij haar laatste +doodskramp stokte zijn adem. + +Onder het avondeten beweerde zijn vader toevallig, dat een knaap op +zijn leeftijd moest leeren jagen, en hij ging een oud schrijfboek +halen, dat in vragen en antwoorden, de geheele uiteenzetting der +jacht bevatte. Een meester onderwees er zijn leerling in de kunst der +honden-dressuur en in het africhten van valken, hoe strikken te leggen +en hoe een hert aan zijn lucht, een vos aan zijn spoor, een wolf aan +zijn voetstap te onderkennen; het beste middel om hun gangen te +weten; op welke manier men ze moet opjagen; waar zich gewoonlijk hun +schuilplaatsen bevinden; welke de gunstigste wind is; met de opsomming +der verschillende geluiden en de regels der buitverdeeling. + +Toen Juliaan al deze dingen uit het hoofd kon opzeggen, bracht zijn +vader een troep jachthonden voor hem samen. + +Daar waren vooreerst vier-en-twintig barbarijsche hazewinden onder, +vlugger dan gazellen, soms niet te weerhouden; ook zeventien koppels +bretonsche honden, wit gevlekt op rosse huid, zeker van hun doel, +sterk van borst en sterke blaffers. Voor de wilde-zwijnenjacht en de +gevaarlijke achtervolging waren er veertig brakken, harig als beren. + +Tartaarsche bulhonden, bijna zoo hoog als ezels, vuurkleurig, breed +gerugd en recht van knie, waren bestemd om den oeros te jagen. De +zwarte vacht der poedels glom als satijn. Op een afzonderlijke +binnenplaats gromden acht vlaamsche doggen, rukkend aan hun ketting +en met de oogen rollend, ontzaglijke dieren, die paard en ruiter +bespringen en voor een leeuw niet terugdeinzen. + +Allen aten weitebrood, dronken uit steenen troggen en ieder droeg een +klinkenden naam. Zoo mogelijk was de valkerij nog volmaakter in haar +samenstelling dan dit leger van honden. Door geen kosten te ontzien +had de burchtheer zich kaukasische valken weten te verschaffen, +sacervalken uit Babylonië, duitsche valkgieren, en rotsvalken, +gevangen op de steile kusten aan verre koude zeeën; ze hadden hun +verblijf in een huis met strooien dak, en zaten in volgorde van hun +grootte naast elkaar op stok, met een graszode vóór zich, waarop ze nu +en dan werden neergezet, om ze lenig te houden. + +Weitasschen, angels, klemmen, allerlei jachttuig werd er gereed +gemaakt. + + * * * * * + +Toen begon men de op vogelvangst afgerichte honden naar het veld te +brengen. Ze roken daar al spoedig buit en stonden stil. + +Dan kwamen de jagermeesters voet voor voet nader, en spreidden over +hun onbeweeglijke lichamen een reusachtig net uit. + +Een bevelend woord deed hen blaffen; de kwartels vlogen op; en de +edelvrouwen uit de omgeving, die met hun ridders waren uitgenoodigd, +de kinderen, de hofdames, allen vielen er op aan, en maakten ze +gemakkelijk buit. + +Een andermaal sloeg men den roffel om de hazen uit hun leger op te +jagen; vossen vielen in hinderlagen, of wel een losspringende klemveer +vatte een wolf bij den poot. + +Maar Juliaan minachtte die gemakkelijke kunstjes. Hij verkoos ver +buiten de menschen-wereld te jagen, alleen met zijn paard en zijn +valk. Het was bijna altijd een groote Scythische jachtvalk, zoo wit +als sneeuw. Zijn lederen kapje was met een pluim versierd, en gouden +belletjes rinkelden aan zijn blauwe pooten; hij zat stil en recht op +zijns meesters arm, terwijl het paard draafde, en de landschappen +wisselden. + +Juliaan maakte dan zijn lussen los en liet hem ineens vrij; recht als +een pijl uit den boog steeg het stoutmoedige dier de lucht in, en +men zag dan twee ongelijke stippen wenden en wentelen, saamkomen en +verdwijnen in de diepten van het hemelblauw. De valk daalde weldra +neer, met een of anderen vogel tot prooi, en kwam zich opnieuw maar +met trillende vleugels, op den handschoen neerzetten. Juliaan maakte +zoo jacht op reiger en wouw, op kraaien en gieren. Hij hield er van, +in den horen te stooten en zijn honden te volgen, die de heuvels op +renden, over beken sprongen, van bosch naar bosch draafden; als het +hert begon te sterven onder de wreede beten, sloeg hij het behendig +neer. Dan was het hem een wellust toe te zien, hoe de woedende +buldoggen hun prooi verscheurden en bloed-rookend verslonden. + +Op nevelachtige dagen ging hij diep het moeras in, en lag in lage naar +ganzen, otters en wilde eenden. + +In den vroegsten uchtend reeds wachtten hem drie stalknechten aan +den voet van het bordes: en of de oude monnik zich ook-al uit zijn +torenvenster boog en gebaarde om hem terug te roepen, Juliaan zag niet +om. Hij ging dwars door de brandende zon, door regen en storm, dronk +bronwater uit de holle handen; deed voortdravend zijn maal aan wilde +appels, en als hij vermoeid was, legde hij zich onder een eik te +rusten. In 't midden van den nacht kwam hij thuis met bloed en slijk +bedekt, dorens in het haar en de kleeren doortrokken van de lucht +der wilde dieren. Hij werd aan hen gelijk. Wanneer zijn moeder hem +omhelsde, liet hij haar onverschillig begaan, alsof hij over verre en +diepzinnige dingen mijmerde. + +Hij doodde beren met messteken, stieren met den bijl, everzwijnen +met de werpspies, en eenmaal zelfs heeft hij met een stok, zijn +laatstovergebleven wapen, een grooten troep wolven van zich +afgeslagen, die lijken verslonden aan den voet van een galg. + +Zoo dan trok hij op zekeren wintermorgen uit. De dag was nog niet +aangebroken. Hij was goed toegerust, droeg den boog over den schouder, +den pijlenkoker aan den zadel-knop. + +Zijn deensche hengst, gevolgd door twee dashonden, deed den grond +onder zijn gelijkmatigen draf opklinken. + +IJzeldruppels kleefden aan zijn mantel; er woei een snerpende +Noordenwind. + +Langzaam werd de oosterkimme lichter. + +Toen zag Juliaan in den witten uchtend-schemer konijnen heen en weer +springen bij den rand van hun hol. De twee dassen stortten er +zich dadelijk op, beten in het wilde weg, en vermorzelden hun de +ruggegraat. + +Weldra kwam hij dan in een bosch. Op het uiteinde van een tak sliep +een korhaan met den kop onder de vleugels, versteven van kou. Juliaan +sloeg hem met een zwaardslag de beide pooten af, en zonder hem op te +rapen, vervolgde hij zijn weg. + +Drie uur later stond hij op een bergspits, zóó hoog, dat ze de wolken +raakte. Vóór hem, boven een afgrond, helde een rots neer, smal en +kantig als een uitspringende muur; op haar uiteinde bevonden zich twee +wilde bokken, die in de diepte tuurden. + +Daar hij geen pijlen had (zijn paard was achtergebleven) besloot hij +na eenig bezinnen langs den rotskam af te dalen en hen zoo te naderen; +gedoken en blootsvoets kwam hij ten slotte bij den eersten der twee +bokken en stiet hem een dolk in de flanken. Opgejaagd door den schrik, +sprong de tweede de leege diepte in. Juliaan schoot toe om hem nog te +raken, maar zijn rechtervoet gleed uit, en hij viel voorover op het +lijk van den eersten, het gelaat boven den afgrond en de beide armen +wijd uit. + +In de vlakte reed hij langs een rij wilgen, die een rivier bezoomde. +Van tijd tot tijd kwamen hem laag-vliegende kraanvogels boven het +hoofd gestreken. Juliaan sloeg ze alle dood met zijn zweep, en miste +er geen enkele. + +Intusschen had de luwte den rijm doen dooien. Breede nevelsluiers +zweefden om, en de zon brak door. Heel in de verte zag hij het +loodkleurige vlak van een bevroren meer blinken. Midden op dat ijsveld +stond een dier, dat hij niet kende, een bever met zwarten snuit. +Ondanks den afstand velde de eerste pijl het neer. Juliaan had grooten +spijt de vacht niet te kunnen meenemen. + +Toen kwam hij door een dreef van groote boomen, wier kruinen aan den +woud-ingang een eereboog leken te vormen. + +Een ree sprong uit het kreupelhout, een damhert bleef staan op een +viersprong, een das kwam uit een hol, op een grasvlak pronkte een pauw +met zijn staart;--en toen hij ze alle gedood had, kwamen er andere +reeën, andere damherten, andere dassen, andere pauwen, merels en +meerkollen, bunzings, vossen, egels, lynxen, almaar-door nieuwe +dieren, ontelbaar en bij iedere schrede talrijker. Ze wendden en +keerden om hem heen en zagen hem aan met zachtaardigen, smeekenden +blik. Maar Juliaan werd het niet moe ze alle te dooden, nu eens zijn +boog spannend, dan zijn zwaard trekkend, of stekend met zijn knijf, en +hij had heugenis of nagedachte over niets ter wereld. Hij was op jacht +in een of ander land, sinds onbestemden tijd, en hij jaagde omdat +hij leefde, leefde omdat hij jaagde, alles voltrok zich zoo licht en +gemakkelijk als in een droom. Een buitengewoon schouwspel hield hem +echter staande. Een vallei, die den vorm had van een renperk, stond +vol herten; dicht saamgedrongen verwarmden ze elkaar met hun adem, die +men in den nevel zag om-wademen. Het vooruitzicht van zoo'n slachting +versmachtte hem van lust, oogenblikken lang. Toen sprong hij van zijn +paard, stroopte de mouwen op en begon aan te leggen. Bij het fluiten +van den eersten pijl wendden alle herten tegelijk hem den kop toe. Er +kwamen bressen in hun massa; klagende stemmen kermden, en een groote +beweging ontrustte de kudde. + +De hellingen der vallei waren te hoog; ingesloten sprongen de dieren +om, en zochten een uitweg. Juliaan mikte en schoot, de pijlen vielen +als regenstralen bij een onweer. De getergde herten weerden zich, +steigerden, sprongen op elkander, en hun lichamen met hun verwarde +geweien vormden een breeden heuvel, die zich verplaatste en +ineenstortte. Ten laatste stierven ze, uitgestrekt op het zand, het +schuim op den bek en met uitpuilende ingewanden. Het zwoegen van hun +lichaam werd zwakker en zwakker. Toen was alles stil. + +De nacht begon te duisteren, en achter het bosch, tusschen de takken +door, was de hemel rood als een bloed-doordrenkte dwale. + +Juliaan leunde met den rug tegen een boom. Met wijd-gesperde oogen +stond hij naar het monsterachtige bloedbad te staren, niet begrijpend, +hoe hij het had kunnen aanrichten. + +Aan de andere zijde van het dal, bij den boschrand, werd hij toen +ineens een ander hert gewaar, met een hinde en haar jong. + +Het hert dat zwart was en reusachtig van gestalte, droeg zestien +takken in zijn gewei en een witte sik. De hinde, blondbruin zooals +dorre bladers zijn, graasde, en het gevlekte reebokje volgde zijn +moeder. + +Toen snorde de boog nogmaals. Het reetje was dadelijk dood. De +moeder sloeg den blik omhoog en huilde met een diepe, menschelijke, +hartverscheurende stem. Dit tergde Juliaan, en hij velde haar met +een pijl in de borst. Het groote hert had dit gezien, het deed een +zijsprong, en Juliaan schoot zijn laatsten pijl er op af. Die raakte +het in 't voorhoofd, en bleef daar steken. + +Het groote hert scheen dit niet te voelen; het stapte over de doode +hinde en het bokje heen en naderde hem steeds dichter met gebukt +gewei, om zich op hem te werpen en hem het lichaam open te rijten. + +Door angst bevangen deinsde Juliaan terug. Het wonderbare dier stond +stil; en met vlammende oogen, plechtig als een patriarch en een +richter, herhaalde het tot driemaal toe, terwijl er een klok luidde in +de verte: + +"Vervloekt! vervloekt! vervloekt! De dag zal komen, wreedaardig hart, +dat ge uw vader en moeder vermoorden zult." + +Het boog de knieën, sloot zacht de oogen en stierf. + +Juliaan was verstomd blijven staan; toen deed een plotselinge +vermoeienis hem ineen-zinken, en een weerzin, een eindelooze droefenis +overstelpten hem. Met het hoofd in de handen bleef hij schreien. +Hij was zijn paard verloren, zijn honden hadden hem verlaten, de +eenzaamheid die hem omgaf, voelde hij dreigen met onbestemde gevaren. +En eensklaps vluchtte hij verschrikt weg, dwars de velden door, over +het eerste het beste voetpad, en zonder te weten hoe, stond hij ineens +voor de burchtpoort. + +'s Nachts sliep hij niet. Bij het weifelig schijnsel der hanglamp zag +hij voortdurend het donkere reuzenhert, wiens vloek hem kwellen bleef. +Hij vocht er tegenin. "Neen! neen! neen! ik kan ze niet dooden, nooit +of nimmer!" maar even later: "En zoo ik er toch, ondanks alles, toe +komen zou?" Steeds grooter werd zijn angst, dat de Booze hem zou +aandrijven. + +Drie maanden lang bad Juliaans moeder in doodsangst aan zijn sponde; +en zijn vader liep aanhoudend zuchtend heen en weer door de gangen. +De meest beroemde geneesmeesters liet hij komen. Ze schreven groote +hoeveelheden artsenijen voor en beweerden, dat Juliaans kwaal werd +veroorzaakt, of door een kwaden luchtstroom, of door een verlangen +naar liefde. Maar de jonker schudde op alle vragen het hoofd. + +Eindelijk begon hij toch weer bij krachten te komen; en hij wandelde +nu op het binnenplein, tusschen den ouden monnik en den burchtheer in, +die hem ieder bij een arm ondersteunden. + +Toen hij geheel hersteld was, wilde hij, in halsstarrig verzet, van +geen jagen meer hooren. + +Zijn vader wilde hem een genoegen doen en schonk hem een groot +saraceensch zwaard. Het hing in een wapenrek, boven tegen een pijler. +Er moest een ladder gehaald worden. Juliaan klom er op. Het al te +zware zwaard viel hem uit de handen, en raakte in zijn val den +burchtheer zoo dicht, dat het zijn mantel openscheurde. Juliaan +meende, dat hij zijn vader had gedood en viel in onmacht. + +Sedert had hij een afschrik van wapens. De aanblik van een blanke +kling deed hem bleek worden. Deze blooheid van Juliaan werd zijn +omgeving tot groot verdriet. + +Ten laatste bezwoer de oude monnik hem, om Gods wil en der vaderen +eer, ridderspel en wapenhandel weer op te vatten. + +De schildknapen vermaakten zich toen juist iederen dag met het +hanteeren van den werp-schicht. Juliaan muntte weldra uit in dat spel. +Hij mikte zijn schicht in den hals eener flesch en trof de hoogste +windwijzers, dat hun punten versplinterden. Op honderd passen afstand +raakte hij de nagelkoppen in de deuren. + +Op een zomeravond, in het uur dat de schemer de dingen doet vervagen, +zag hij, terwijl hij in de wingerddreef aan 't wandelen was, heel +in de verte daar twee witte vleugels fladderen, ter hoogte van het +lat-werk. Hij meende niet anders, of 't was een ooievaar, en hij wierp +zijn schicht. + +Een schelle kreet klonk op. Het was zijn moeder, wier breed geslipte +huive aan den muur bleef vastgespietst. + +Juliaan vluchtte uit den burcht en keerde niet terug. + + + + +II + + +Hij sloot zich aan bij een voorbijtrekkenden troep avonturiers. + +Hij leerde honger en dorst kennen, koortsen en ongedierte. Hij werd +gewoon aan het geraas der vechtpartijen en den aanblik van den dood. +De wind taande zijn huid. Zijn leden hardden onder de wapenrusting, +en daar hij zeer sterk, moedig, matig en wakker was, stond hij reeds +spoedig zelf aan het hoofd van een troep. + +Wanneer de slag zou beginnen, bezielde hij zijn soldaten door een +breeden zwaai met zijn zwaard. + +Langs een knoopladder beklauterde hij 's nachts de fortmuren, terwijl +de storm hem heen-en-weer slingerde, terwijl de vonken van het +grieksch vuur aan zijn kuras kleefden, en ziedend hars en gesmolten +lood uit de schietgaten stroomden. Dikwijls werd zijn schild door een +steenworp verbrijzeld. Bruggen stortten in onder den al te zwaren +last zijner benden. Met één zwaai van zijn knots ontdeed hij zich van +veertien ruiters, en in het strijdperk versloeg hij allen, die zich +met hem dorsten meten. Meer dan twintig keer waande men hem dood. Dank +zij de Goddelijke genade ontkwam hij het telkens; want hij beschermde +de kerken, weduwen en weezen, en vooral de oude lieden. + +Wanneer er een grijsaard voor hem uitging, riep hij hem aan, om zijn +gelaat te onderkennen, als in vreeze hem bij vergissing te dooden. +Weggeloopen slaven, muitende boeren, verraders zonder goede kans, +allerlei waaghalzen stroomden toe onder zijn vaandel, en hij vormde +een steeds aangroeiend leger. Hij werd befaamd. Men dong om zijn hulp. + +Om beurten stond hij den Franschen dauphijn bij en den koning van +Engeland, de tempeliers van Jeruzalem, den surena der Parthen, den +negus van Abbessynië en den keizer van Calicuta. Hij streed tegen de +Scandinaviërs, die met vischschubben overdekt waren, tegen Negers +op rosse muildieren en met rondassen van nijlpaardenleer; tegen +koperkleurige Indianen, die boven hun veeren hoofdtooi breede +spiegelblanke klingen zwaaiden. Hij verwon holbewoners en +menschen-eters. Hij trok door zulke heete luchtstreken, dat de +zonnehitte het haar van zijn soldaten verschroeide en vlam deed vatten +als een fakkel. Elders heerschte zoo'n koude, dat de armen er van het +lichaam losvroren en op den grond vielen. + +In andere landen hingen de nevels zoo dicht, dat zijn troepen om hem +heen verwaasden tot stoeten van schimmen. + +Republieken, die in moeilijkheden waren, raadpleegden hem. Bij de +samenkomst der afgezanten verkreeg hij onverhoopte voorwaarden. +Wanneer een vorst zich misdroeg, verscheen hij ineens om hem te +vermanen. Hij vocht volken vrij. Hij verloste koninginnen uit de +torens, waar ze gekerkerd zaten. Hij, en niemand anders, doodde de +slang van Milaan en den draak van Ober-birbach. + +Welnu dan: de keizer van Occitanië, die de Spaansche Muzelmannen +overwon, had de zuster van den kalief van Cordova getrouwd; ze schonk +den keizer een dochter, die hij in den Christelijken godsdienst +opvoedde. Maar de kalief wendde voor, dat hij zich bekeeren wilde en +kwam hem zoo, met talrijk geleide, een bezoek brengen. Hij +verdelgde toen de heele bezetting, en wierp den keizer zelf in een +onderaardschen kerker, waar hij hem zeer hardvochtig behandelde, om +schatten als losgeld te krijgen. + +Juliaan snelde hem ter hulp, versloeg het leger van de verraders, +belegerde de stad, doodde den kalief, hieuw hem het hoofd af, en rolde +het als een bal over de wallen heen. Toen verloste hij den keizer uit +den kerker en plaatste hem weer op den troon, in tegenwoordigheid van +zijn geheele hof. + +De keizer wilde hem, tot dank voor zulk een dienst, korven vol geld +geven. Juliaan begeerde het niet. Meenend dat hij meer verlangde, bood +de keizer hem toen drie-vierde-deel van zijn rijkdommen aan; nieuwe +weigering. Ten einde raad stelde de keizer hem voor het rijk met hem +te deelen, en nog bedankte Juliaan. Toen schreide de keizer van spijt +en wist niets meer. Maar plotseling sloeg hij zich voor het voorhoofd. +Hij fluisterde een hoveling iets toe; een wandtapijt werd opgelicht en +daar trad een jonkvrouw te voorschijn. + +Haar groote zwarte oogen blonken als twee heel stille lampen. Een +lieve glimlach opende haar lippen. Heur lokken hechtten zich in de +edelsteenen van haar los gewaad; de jeugd van haar gestalte lijnde +teeder onder de luchte plooien van dat overkleed. + +De liefde deed Juliaan duizelen, te eer hem, die immer zoo'n ingetogen +leven had geleid. + +Zoo werd hem de dochter van den keizer ten huwelijk gegeven, met een +paleis van haar moeders erfdeel; en toen de bruiloft was afgeloopen, +nam men afscheid met einde-looze plichtplegingen van weerszijden. Het +was een wit-marmeren paleis, in moorschen stijl, op een voorgebergte +en midden in een bosch van oranjeboomen. Bloemterrassen daalden af +naar de kust van een zeegolf, waar rozige schelpen onder de voeten +kraakten. + +Achter het paleis strekte zich een waaier-vormig woud uit. De hemel +was altijd blauw. De toppen der boomen wuifden zachtjes onder de +luchtige zeebries, of onder den zefier, die aanwoei uit de bergen aan +den horizon. + +Het inlegwerk van de wanden scheen een lichtglans uit door de +schemerige zalen. Tengere zuiltjes, rank als riethalmen, droegen +het gewelf der koepels, die versierd waren met nagebootste +grotstalactieten. + +Er waren springbronnen in de zalen, mozaïekvloeren op de +binnenpleinen. Er waren bebeeldhouwde beschotten met randen van +looverwerk, en duizenderlei andere verfijningen van bouwkunst, en een +zoo diepe stilte, dat het geritsel van een sjerp over de vloeren reeds +groot gerucht was; een zucht deed zijn echo ademen. + +Juliaan voerde geen oorlog meer. Hij rustte, omgeven door een vredig +volk, dat dagelijks in stoeten aan hem voorbijtoog, met kniebuiging en +handkus naar Oostersche zede. + +In purper gehuld lag Juliaan in een vensternis te leunen, terwijl zijn +gedachten aldoor bezig waren met zijn vroeger jagersleven. Het liefst +zou hij, dwars de woestijn door, gazellen en struisvogels vervolgd +hebben, of, tusschen het bamboe verborgen, luipaarden hebben belaagd, +de wouden vol neushoorns doorkruist, of voor de arendjacht de +moeilijkst bereikbare bergtoppen bestegen hebben, en in zee op +ijsschotsen met de witte beren zijn gaan vechten. + +Somwijlen zag hij zichzelf in een droom midden tusschen alle dieren, +zooals Adam, onze vader, in het Paradijs. Met het strekken van zijn +hand deed hij ze sterven. Of wel ze trokken paarsgewijze voorbij, +volgens hun grootte, olifanten en leeuwen voorop, hermelijnen en +eenden achteraan, zooals ten dage toen ze de arke Noachs binnentogen. +Uit een grot, waar hij zich schuil hield, wierp hij naar hen met zijn +nimmer-missende schichten; andere dieren doken op; het nam geen einde +meer; en hij ontwaakte met woest-rollende oogen. + +Bevriende vorsten noodigden hem ter jacht. Hij bedankte altijd, in de +hoop, door deze versterving zijn ongeluk nog te kunnen afwenden; want +het docht hem, dat van het al of niet vermoorden van dieren het lot +zijner ouders afhing. Hen niet te mogen weerzien, en ook het ander +verlangen, het werd hem ondragelijk. + +Zijn vrouw deed goochelaars en danseressen komen, om hem wat +verstrooiing te geven. + +Ze liet zich met hem in een open draagkoets door de velden omvoeren; +andere keeren lagen ze op de banken van een bark naar de visschen te +zien die door het zilverklare water doolden. Dikwijls wierp ze hem +spelend met bloemen in het gelaat en aan zijn voeten tokkelde zij +liedjes op een drie-snarige mandoline; maar altijd weer, haar gevouwen +handen op zijn schouder, vroeg ze ten laatste met bloode stem: "Wat +houdt u toch bezig, mijn lieve gemaal?" + +Hij antwoordde niet, of wel hij barstte in snikken uit; op zekeren dag +echter bekende hij haar zijn afschuwelijke gedachte. + +Ze streed er tegen, met drang van zeer goede redenen: +hoogstwaarschijnlijk immers waren zijn vader en moeder dood, en mocht +hij ze ook ooit weerzien bijgeval, hoe dan nog, door welk toeval, of +met welke bedoeling zou hij tot zulk een zoo heilig-schennende misdaad +kunnen komen? Zijn vrees was alzoo ongegrond, en hij moest maar gerust +weer gaan jagen. + +Juliaan hoorde haar aan met een mijmerenden glimlach, maar hij kon +nimmer besluiten aan haar verlangen te voldoen. + +Een avond in Augustus, toen ze op hun kamer waren--zij had zich juist +ter ruste gelegd, en hij knielde neer om te bidden--hoorde hij het +keffen van een vos, toen sluippassen onder het venster, en door het +duister zag hij schimmen van dieren bewegen. + +De bekoring was hem te sterk. Hij nam den pijlenkoker van den wand. +Zijn vrouw scheen verrast. + +"Eindelijk dan zal ik doen wat ge altijd verlangd hebt", sprak hij, +"bij zonsopgang ben ik terug." + +Maar ze was bang, als voor dreigend kwaad. + +Hij stelde haar gerust, en ging heen, verwonderd over haar +wisselvallige stemmingen. + +Even later kwam een page haar kond doen, dat twee onbekenden, daar de +slotheer afwezig was, oorlof vroegen onmiddellijk tot de vrouwe te +worden toegelaten. + +En weldra traden een oude man en een oude vrouw de kamer binnen, diep +gebogen, met stof bedekt, in linnen gekleed, en ieder steunend op een +stok. + +Ze vatten moed, en zeiden dat ze Juliaan tijding van zijn ouders +kwamen brengen. De vrouwe neeg voorover om hen beter te verstaan. + +De twee oudelieden wisselden een raadplegenden blik, en begonnen haar +toen te vragen of hij zijn ouders nog liefhad, of hij wel eens over +zijn ouders sprak. + +"O, zeker!" was het antwoord. Toen konden zij zich niet langer +inhouden: + +"We zijn het zelve, wij!".--en ze zonken in hun zetels, afgemat van +vermoeienis. + +Wat evenwel kon de jonge vrouwe zekerheid geven, dat haar gemaal hun +zoon zou zijn? + +Maar ze bewezen het, door de bijzondere teekenen te beschrijven, die +hij op de huid had. Toen stond ze op van haar legerstee, riep den +page, en liet hun een maal opdienen. + +Hoewel ze grooten honger hadden, konden ze niet eten; en van terzijde +zag ze, hoe hun dorre handen beefden wanneer ze den beker opnamen. Ze +vroegen duizend uit over Juliaan. Ze beantwoordde al die vragen één +voor één, maar vermeed angstvallig over de doodsgedachte te spreken, +die hen zelve betrof. + +Ze waren van hun kasteel weggetrokken, toen ze hem niet terug zagen +keeren en sedert vele jaren zwierven ze om, vage aanduidingen volgend, +maar zonder de hoop te verliezen. Ze hadden zooveel geld noodig +gehad aan veerpenningen bij de rivieren, aan verblijfkosten in de +logementen, aan schatting voor de landsvorsten en aan losprijs voor de +roovers, dat hun beurs tot op den bodem leeg was, zoodat ze nu moesten +bedelen. Maar wat hinderde dat, nu ze welhaast hun zoon aan het hart +konden drukken? En ze prezen hem gelukkig met een zoo aanminnige +vrouwe, werden niet moe haar aan te zien en te liefkoozen. + +De weelde van het slaapvertrek verbaasde hen uitermate; en de oude +man, die zijn blik langs de wanden had laten weiden, vroeg waarom er +het blazoen des keizers van Occitanië was aangebracht. Juliaans vrouwe +antwoordde: + +"Dat is mijn vader!" + +Het deed den grijsaard huiveren van ontroering, want hij herinnerde +zich de voorspelling van den zigeuner; en de oude moeder mijmerde over +de woorden van den heremiet, overtuigd, dat deze aardsche glorie van +haar zoon slechts een opgang was naar eeuwige heerlijkheden; beiden +bleven ze star van verwondering daar zitten in den schijn van den +luchter, die de tafel verlichtte. + +Ze moesten wel heel mooie menschen geweest zijn in hun jeugd. De +moeder had heur volle haar nog, ze droeg het in twee gladde strooken, +fijn en wit als bladen van sneeuw langs slapen en wangen; en de +vader, met zijn hooge gestalte en zijn langen baard geleek op een +heiligebeeld uit de kerk. + +Juliaans vrouwe echter sprak, dat ze niet zoo wakend zijn thuiskomst +moesten verbeiden, en met lieven dwang deed zij hen in haar eigen +sponde slapen gaan; toen sloot ze het raam; ze sluimerden in. Het werd +zacht-aan morgen, en achter het vensterglas begonnen de vogels te +zingen. + +Juliaan was dwars door het park gegaan; en hij liep met krachtigen +tred het bosch door, genietend van de milde lucht en van het dauwige +gras, koel en zacht onder zijn voeten. + +De slagschaduwen der boomen lagen over het mos. Over de open plekken +deed de maan wel hier en daar blanke lichtglimpen glanzen; dan bleef +hij aarzelend talmen, in de meening dat er een vijverspiegel lag; +elders weer ging de kleur van een stil watervlak onmerkbaar over in +die van het gras der oeverranden. Er heerschte alom een diepe rust, en +hij vond nergens een der dieren, die voor eenige oogenblikken nog het +kasteel omdwaalden. + +Het bosch werd dichter, de duisternis steeds dieper. Warme +windzwoelten woeien om, loom en zwaar van geuren. Zijn voeten zonken +weg in lagen dorre bladers, en hij ging tegen een eikestam leunen om +wat te verademen. + +Eensklaps sprong er achter hem een logge schaduw op, duisterder uit +het duister, een everzwijn. Juliaan had den tijd niet zijn boog te +grijpen, en hij bejammerde dit als een ongeluk. + +Kort daarna, toen hij buiten het bosch was gekomen, zag hij een wolf +langs een hegge sluipen. + +Juliaan schoot een pijl op hem af. De wolf stond stil, wendde het +hoofd even om en liep toen door. Hij draafde voort, maar bleef altijd +op denzelfden afstand, hield van tijd tot tijd in, en zoogauw Juliaan +op hem aanlegde, vluchtte hij weer verder. + +Juliaan liep op deze wijze een eindelooze vlakte door, kwam toen over +lage zandheuvels en ten laatste stond hij op een hoogte, die uitzag +over een wijde landstreek. Platte zerksteenen lagen hierboven +verstrooid tusschen bouwvallige gewelven; men struikelde er over +doodsbeenderen; vermolmde graf-kruisen hingen klaaglijk omgevallen. +Maar er bewogen gedaanten in de onwezenlijke schaduw tusschen de +graven, en hyena's kwamen er uit opgedoken, rillend van angst. Hun +nagels schraafden over de zerken, nu ze snuffelend op hem afkwamen met +een grijns, die hun tandvleesch ontblootte. Hij trok zijn zwaard. Ze +stoven ineens uit elkaar, naar alle windstreken heen, almaar voort +in overijlden en struikeligen draf, tot ze ver-weg in een stofwolk +verdwenen. + +Een uur later vond hij in een ravijn een dollen stier, die, met +dreigende horens, den hoef in het zand schraapte. Juliaan wierp hem de +speer in de halskwab. De speer versplinterde, alsof het dier van brons +was. Juliaan sloot de oogen, en wachtte op den dood. Toen hij weer +opzag was de stier verdwenen. + +Zijn ziel verkromp van schaamte. Een bovennatuurlijke wil verwoestte +zijn kracht; en hij ging terug door het bosch om zich thuis te +verschuilen. + +De boschwegen waren overward door slingerplanten; en toen hij zich +met zijn zwaard een doortocht baande, kwam er ineens een steenmarter +tusschen zijn beenen doorglijden; een panter sprong hem over den +schouder, een slang kronkelde zich om een esschestam. In het loover +zat een monsterachtige kraai naar Juliaan te staroogen; en hier +en daar flonkerden er groote vonken tusschen de takken, alsof het +uitspansel al zijn sterren in het bosch had laten neerregenen. Het +waren dieren-oogen, oogen van boschkatten, van eekhorens en uilen, van +papegaaien en apen. + +Juliaan schoot almaar pijlen; de pijlen bleven met hun veders als +witte vlinders tusschen de bladeren zitten. Hij wierp met steenen; de +steenen vielen neer zonder iets te raken; hij verwenschte zich zelven, +en had zich wel willen geeselen, hij brieschte vervloekingen en +verstikte in zijn razernij. + +En alle dieren, die hij vervolgd had, daagden weer op en kwamen hem in +een nauwen kring omsluiten. Sommige zaten neergehurkt, andere stonden +recht. Hij bleef in het midden, verstard van angst en onbekwaam tot de +minste beweging. Door uiterste wilsinspanning verzette hij een voet; +die in de boomen openden hun vleugels, die langs den grond deden een +schrede, en alle vergezelden ze hem. De hyena's voor hem uit; de +wolf en het everzwijn achter hem aan. De stier aan zijn rechterzijde +schudde den kop; links kronkelde de slang door het boschkruid, terwijl +de panter met opgezetten rug voorging, met wijde fluweel-zachte +gluip-passen. Juliaan liep zoo langzaam mogelijk om ze niet op te +hitsen; en hij zag uit de diepten van het kreupelhout egels opduiken, +vossen, adders, jakhalzen en beren. Juliaan begon hard te loopen, alle +liepen ze hard. De slang sijfelde, de viervoeters kwijlden, de ever +schraafde hem de hielen met zijn slagtanden; de wolf wreef zijn +snorharen in den palm van zijn handen. Grimmend en grijnzend kwamen de +apen hem knijpen; de egel rolde over zijn voeten; een beer sloeg +hem de muts af met een zwaai van zijn poot; en de panter liet voor +evenveel een pijl neervallen, dien hij meedroeg in zijn bek. + +Er gluurde spotzucht achter hun heimelijk doen. En terwijl ze hem uit +hun ooghoeken bespiedden, leken ze wraakplannen te overwegen. Juliaan +liep voort met uitgebreide armen, de oogleden neer als een blinde, +verdoofd door het gegons der insecten, gezweept door de staartpennen +van de vogels, verstikt door al die adems, zonder zelfs de kracht te +hebben om "genade" te roepen. + +Het gekraai van een haan schrilde door de lucht. Andere hanen gaven +daar antwoord op; het was de morgen, en achter de oranje-boomen +daagden de tinnen van zijn paleis. + +Maar voortschrijdend hier langs den akker-kant zag hij op drie +schreden afstand roode patrijzen fladderen in de stoppels. Hij gespte +zijn mantel los en wierp dien op de vogels als een net. + +Toen hij naar zijn buit tastte, vond hij slechts één enkelen patrijs, +die daar sedert langen tijd moest dood gelegen hebben, een rottend +aas. + +Deze teleurstelling verbitterde hem nog meer dan alle overige. Zijn +bloeddorst werd hem meester, zóó zelfs dat hij menschen zou gemoord +hebben, als er geen dieren meer waren. Hij klom de drie terrassen op, +beukte de deur open met een vuistslag; maar aan den voet van de trap +deed de gedachte aan zijn geliefde vrouw hem het hart week worden. Ze +sliep nu zeker en ze zou verrast ontwaken. Nadat hij zich van zijn +sandalen had ontdaan, draaide hij zachtjes het slot open en schreed +binnen. + +De met lood dooraderde vensters verduisterden den bleeken uchtend. +Juliaans voeten verwarden zich in kleeren, die over den grond lagen; +wat verder stootte hij tegen een credens-tafel vol vaatwerk. "Ze +zal zeker gegeten hebben," dacht hij, en trad op het bed toe, dat +verschaduwd stond in de kamerdiepte. + +Toen hij den spondekant genaderd was, boog hij zich, om zijn vrouwe +te omhelzen, over de peluw neer, waar de twee hoofden rustten dicht +nevens een. Daar raakten zijn lippen de ruwheid van een baard. Hij +week ontzet terug, en geloofde waanzinnig te zijn; maar hij wendde +zich opnieuw naar het bed, en zijn tastende vingers nu raakten de zeer +lange haren. Om zich te overtuigen, dat hij ijlde, streek hij langzaam +met de hand de peluw over. En het was wel wezenlijk een baard, dien +hij voelde ditmaal, en een man! een man met zijn vrouw!... + +Uitbarstend in matelooze woede stortte hij zich met dolksteken op hen; +en hij trapte en brieschte, brullend als een wild dier. Toen hield +hij in. De dooden, die recht in het hart getroffen waren, hadden zich +zelfs niet meer verroerd. Hij luisterde oplettend naar hun beider +bijna gelijkmatig doodsgereutel, en naar gelang dit zwakker en +zwakker werd, begon een ander gekreun meer hoorbaar te worden. Het +lang-aanhoudende geluid van die klaaglijke stem, onduidelijk eerst, +kwam nader en nader, zette zich uit, werd hard en wreed, en ontzet +herkende Juliaan den schreeuw van het groote zwarte hert. + +En toen hij zich omwendde om te weten, meende hij in het open deurvak +de schaduw van zijn vrouwe te zien, die daar stond met een licht in +de hand. Het geraas van den moord had haar doen naderen. Met één blik +begreep ze alles. In afgrijzen vluchtte ze weg, en liet de toorts +vallen. Hij raapte die op. + +Zijn vader en zijn moeder lagen daar voor hem, recht uitgestrekt, met +een gapende wonde in de borst, en hun beider aangezicht geleek in +verheven zachtmoedigheid een eeuwig geheim te zwijgen. Droppels en +sprenkels bloed lagen over hun blanke huid gespat, over de lakens en +het bed, over den grond, en langs het ivoren kruisbeeld dat in +de bedstede hing. De vuurroode weerschijn der zon-doorstraalde +vensterruiten kwam die bloedige sprenkels nu verlichten en wierp er +zelve steeds nog meerdere door geheel het vertrek. En Juliaan liep +weer op de twee dooden toe, meenend en zich diets makend, dat het een +onmogelijkheid was, dat hij verkeerd had gezien, dat er somwijlen +onverklaarbare gelijkenissen zijn. Ten laatste boog hij angstvallig +voorover om den grijsaard van nabij te beschouwen; en hij zag, +tusschen die halfopen wimpers, een uitgedoofden oogappel, die hem als +vuur pijnde. Toen wendde hij zich naar den anderen spondekant, waar +het tweede lichaam lag; de witte haren verborgen gedeeltelijk het +gelaat. Juliaan streek die lokken weg en lichtte dat hoofd op; en hij +staarde haar aan, ze steunend met zijn krampachtig gestrekten arm, +terwijl hij in de andere hand de toorts hield om zich bij te lichten. + +Bloeddruppels sijpelden van de matras en vielen één voor één op den +vloer neer. + +Aan den avond van dien dag stond hij voor zijn vrouwe, en met een +stem, die zijn eigene niet was, gebood hij haar vooreerst hem niet te +antwoorden, hem niet te naderen, en zelfs hem niet meer aan te zien, +en dat ze, onder straffe van eeuwige verdoemenis, al zijn bevelen had +uit te voeren, die onherroepelijk waren. + +De begrafenis moest geregeld worden naar voorschriften die hij op een +bidstoel in de dooden-kamer had achtergelaten. Hij stond zijn vrouwe +het paleis af, zijn vazallen, al zijn have en goed, zonder zelfs zijns +lijfs-kleeren te behouden, noch zijn sandalen; men zou die boven op +de trappen weervinden. Zij was het werktuig geweest van Gods wil, +onschuldige oorzaak van zijn misdaad, en ze had te bidden voor zijn +ziel, want voortaan bestond hij niet meer. + +De dooden werden met groote praal begraven in de kerk van een +klooster, dat op drie dagreizen afstand lag van het kasteel. Een +monnik met neergeslagen boetekap volgde den stoet, afgescheiden van +alle overigen en zonder dat iemand hem dorst aanspreken. + +Gedurende de Mis bleef hij midden voor de poort plat-uitgestrekt ter +aarde liggen, de armen gekruist en het voorhoofd in het stof. Na de +begrafenis zag men hem den weg inslaan naar de bergen. Hij wendde zich +herhaaldelijk om, en verdween ten laatste. + + + + +III + + +Hij toog heen, een zwerver, bedelend om zijn brood. + +Hij hield de hand op voor de ruiters langs de wegen, naderde met een +knieval de oogstende landlieden, of bleef roerloos wachten voor het +hek van hun erf; zoo droef was zijn aangezicht, dat men hem nimmer een +aalmoes weigerde. + +In vermorzeling des harten deed hij dan zijn levensverhaal, en allen +vluchtten ze heen en sloegen ze kruisteekens. In de dorpen, waar hij +reeds eenmaal doorgetogen was, wierp men de deuren toe, zoodra men hem +herkende, men riep hem bedreigingen na en gooide hem met steenen. Zij, +die het liefdadigst waren, zetten eene nap op het vensterkozijn, maar +sloten dan de luiken om hem niet te zien. Een verstooteling was hij +overal, en hij begon de menschen te schuwen; hij voedde zich met +wortels, met planten, met afgevallen vruchten, en met schelpdieren die +hij zocht langs den zee-oever. + +Somwijlen zag hij van een heuvelkant ineens een stapeling van daken +onder zijn oogen, met steenen spitsen, met bruggen en torens, hars en +dwars doorkruist met zwarte straten, waaruit een aanhoudend gegons tot +hem opsteeg. + +Een drang om met de anderen deel te hebben in het leven, deed hem naar +de stad afdalen. + +Maar de dierlijke uitdrukking der gezichten, het geraas van het werk, +het leege gepraat, deden zijn hart verstarren. Op hoogtij-dagen, als +de groote klokken van de kathedraal, van zonsopgang af, het geheele +volk in feeststemming brachten, zag hij het aan, hoe de poorters uit +hun deur kwamen; stond als toeschouwer bij den dans op de pleinen, +liep te kijken naar de bier-fonteinen op den viersprong der straten, +naar de behangsels van zijden damast voor der vorsten woonsteden, en +als de avond gevallen was, gluurde hij door de ruitjes der onderhuizen +over de gezellige feesttafels heen, waar grootouders mede aanzaten met +kleine kinderen op hun knieën. Dan verstikte hij in zijn tranen, en +hij zwierf weer henen, naar buiten, de velden door. + +In opwellingen van verteedering kon hij ineens stilstaan, om te kijken +naar veulens in een wei, naar vogels in hun nest, naar insecten op de +bloemen; alle vluchtten ze weg, wanneer hij nabij was: verborgen zich +angstig, of vlogen snel heen. + +En weer zocht hij de eenzaamheid. Maar de wind kwam hem met +doodsgereutel langs de ooren kreunen; dauwdroppels die neervielen, +herinnerden hem aan andere droppels; die waren zwaarder. Iederen avond +deed de zon rood bloed vlieten door de wolken; iederen nacht herbegon +hij den oudermoord in zijn droomen. + +Hij maakte zich een boetekleed met ijzeren stekels. Op zijn twee +knieën kroop hij tegen alle heuvels op, waar een bedehuis waakte +omhoog. Maar de onverbiddelijke gedachte verduisterde den glans der +tabernakels, en bleef hem kwellen door zijn boeten en zelf-kastijden +heen. + +Hij toornde niet tegen God, die hem deze daad had opgelegd, maar was +radeloos ze bedreven te hebben. + +Hij had zoo'n afschuw van zichzelf, dat hij, om er los van te worden, +zich in allerlei gevaren waagde. Hij redde verlamden uit huizen in +lichter laaie, en kinderen uit de diepte van den afgrond. De afgrond +wierp hem weer op, het vuur spaarde hem. + +De tijd heelde zijn zielspijnen niet. Ze werden ondraaglijk. En hij +wilde den dood zoeken. Eens stond hij aan een vijverkant; en boog over +om de diepte van het water te peilen. Toen zag hij onder zijn oogen +het ingevallen gelaat van een grijsaard met witten baard, zoo droef +een gelaat, dat hij zijn tranen niet weerhouden kon. Ook de grijsaard +weende. Juliaan herkende zijn eigen spiegelbeeld niet. Maar er leefde +in hem een vage herinnering aan een gelaat, dat gelijkenis had met +dit. Hij schreeuwde het uit; zijn vader was het! Toen dacht hij er +niet meer over, zich den dood te doen. + +Zoo doolde hij vele landen door, overal den last van het verledene +meesleepend; en hij kwam bij een rivier, wier overtocht gevaarlijk +was, door de onstuimigheid van den stroom en door het slib dat +de vlakke oevers bedekte. Sedert lang durfde niemand hier meer +oversteken. + +Een oude bark, wier spiegel weggezonken zat in het slijk, hief haar +steven op uit het riet. + +Bij nader onderzoek vond Juliaan een paar roeiriemen; en de gedachte +werd hem ingegeven zijn leven te wijden aan den dienst zijner +medemenschen. Hij begon met over den oever een soort weg aan te leggen +naar het vaarwater; en hij scheurde zich de nagels bij zijn pogingen +om reusachtige steenbrokken los te woelen; hij droeg die tegen zijn +lichaam gedrukt naar het pad, gleed uit in de slib, zonk er in weg, en +meer-dan-eens dreigde hij om te komen. + +Toen kalfaatte hij de boot met stukken wrakhout, en bouwde zich een +hut van leem en boomstronken. + +Weldra kwamen er reizigers, die van het veer gehoord hadden. + +Met een vlag wenkten ze hem van den overkant. Juliaan sprong dan +haastig in zijn boot. Ze was heel log, en men stapelde ze overvol met +allerlei goederen en vrachten, zonder de lastdieren te rekenen, die +achteruittrapten van angst en de lading nog verzwaarden. Hij vroeg +niets voor zijn gezwoeg. Sommigen diepten overschot van eetwaren voor +hem uit hun reiszak, of gaven hem versleten kleeren, die ze zelve niet +meer wilden dragen. Er waren vlegels, die vloeken uitbraakten. Juliaan +vermaande hen zachtzinnig; ze hoonden en verguisden hem tot antwoord. +En zwijgend zegende hij hen. + +Een kleine tafel, een bankje, een bed van dorre bladers en drie aarden +kroezen,--ziedaar heel zijn have. Twee gaten in den muur dienden +tot vensters. Aan de eene zijde strekten zich de eindelooze naakte +vlakten, met hier en daar neveling van bleeke plassen; en vóór hem +stuwde de groote stroom zijn groenige golven. + +In het voorjaar sloeg er een vunze lucht van verrotting uit de +vochtige aarde. Daarna deden wervelwinden het zand in hoozen +omstuiven. Het drong overal door, verslijkte het water en kraakte +tusschen de tanden. Wat later zwermden er wolken muskieten om, dag +en nacht door, met gonzen en steken. Eindelijk kwam weer de bijtende +koude, die alles tot steen deed verstarren en een fellen honger wekte +naar vleeschspijze. + +Maanden verliepen er, zonder dat Juliaan iemand zag. Dikwijls sloot +hij de oogen opdat de herinnering hem terug mocht voeren naar zijn +jeugd, en daar daagde het binnenhof van een kasteel. Hazewinden +lagen er te rusten op een bordes. Dienaren gingen af en aan door de +wapenzalen, en in de wingerddreef schreed een blonde knaap, tusschen +een in bont gehulden grijsaard en een edelvrouwe met groote huive; +eensklaps was daar niets meer, dan de twee lijken. Hij wierp zich plat +voorover op zijn leger, en bleef schreien: + +"Ach! arme vader! arme, arme moeder!" tot hij insliep. Maar de +doodsvisioenen duurden. + +In een nacht, toen hij zoo lag te slapen, meende hij iemand te hooren +roepen. Hij luisterde scherp, maar vernam niets meer dan het geloei +der golven. Maar dezelfde stem riep weer: "Juliaan!" Ze kwam van den +anderen oever, en dit bevreemdde hem te meer, daar de stroom zeer +breed was. + +En ten derden male riep men: "Juliaan". + +Het leek of er klokgelui doorklonk in die hooge stem. + +Nadat Juliaan zijn lantaarn ontstoken had, trad hij buiten de hut. De +nacht was één woedende orkaan. Zwaar hingen de duisternissen neer, +hier en daar door de onstuimigheid der wilde golven in flarden +verscheurd. + +Even weifelde Juliaan, toen knoopte hij het meertouw los. Dadelijk +werd het water rustig, de boot gleed er over en bereikte den anderen +oever. Daar wachtte een mensch. + +Hij was gehuld in een verrafeld linnen kleed. Zijn gelaat leek een +pleisteren dooden-masker, zijn oogen rooder dan vurige kolen. Toen +Juliaan de lantaarn naar hem ophief, zag hij dat een afzichtelijke +melaatschheid hem overdekte; toch lag er in zijn houding iets van de +waardigheid eens konings. Zoodra hij in de boot trad, zonk deze neer, +zóó diep alsof ze bezweek onder zijn zwaarte; een schok wierp haar +weer op, en Juliaan begon te roeien. + +Bij iederen slag met de riemen lichtte de branding den boeg omhoog. +Het inktzwarte water stuwde woest aan van beide oevers. Er groeven +zich afgronden, er stapelden zich bergen op. De sloep sprong er +overheen, en tuimelde dan weer weg in de diepten, waar ze, door den +storm gestuwd en gestooten, bleef omwervelen. + +Juliaan boog voorover, strekte de armen, en met de voeten zich +schragend, wierp hij zijn wringend lijf achteruit om meer kracht te +hebben. De hagel striemde hem de handen, de regen stroomde over zijn +rug, de wilde storm verstikte hem, en hij hield in. Toen werd de sloep +meegesleept door den stroom. Maar Juliaan begreep, dat het ging om +iets zeer gewichtigs, om een gebod waaraan hij niet weerstaan mocht, +en hij greep weer naar de riemen. Toen werd de groote stem van den +storm onderbroken door het geklapper der roeipinnen. Daar vóór hem +brandde het lantaarntje. Rondfladderende vogels deden het bijwijlen +schuil gaan. Maar de oogen van den Melaatsche wendden zich niet van +hem af, en hij zag hem staan, hoog opgericht bij den achtersteven, +roerloos als een zuil. + +En dit alles duurde zeer, zeer lang. + +Toen ze in de hut gekomen waren, sloot Juliaan de deur, en hij zag den +Melaatsche op het bankje zitten. De lijkwa die hem omhuld had, was +neergezakt tot op de heupen; en zijn schouders, zijn borst, zijn +magere armen waren overdekt met roven en zweren. Ontzaglijke rimpels +doorgroefden zijn voorhoofd. Op de plaats van den neus was, als in een +bekkeneel, een zwarte holte, en van zijn blauwige lippen ademde een +zware wan-riekende walm. + +"Ik heb honger", sprak hij. + +Juliaan bood hem, wat hij bezat: een stuk ranzig spek en korsten +roggebrood. + +Toen hij ze verorberd had, droegen tafel, nap, en het heft van zijn +mes, eendere plek-als zijn lichaam. + +En hij sprak: "Ik heb dorst". + +Juliaan haalde zijn kruik en toen hij ze opnam, steeg er een geur uit, +die zijn reuk en zijn hart streelde. Het was wijn; wat een vondst! +Maar de Melaatsche strekte den arm, en ledigde de kruik in één teug. + +Toen sprak hij: "Ik heb het koud!" + +Juliaan deed met zijn toorts, midden in de hut, een bos varens +aanvlammen. + +De Melaatsche kwam er zich bij warmen; en zooals hij daar zat, +neergehurkt op de hielen, huiverde hij over al zijn leden en scheen +zwakker en zwakker te worden. Zijn oogen schitterden niet meer, zijn +wonden etterden, en met bijna klanklooze stem fluisterde hij; "Je +bed". Hij sleepte zich er heen, Juliaan hielp hem zacht, en spreidde +zelfs, om hem onder te dekken, het zeil van zijn bark over hem heen. + +De Melaatsche steende. Zijn mondhoeken trokken weg en lieten de tanden +bloot. Een heftig gehijg schokte zijn borst, en bij iederen ademtocht +sloeg het onderlijf holler in, alsof het wegkromp naar de ruggegraat. + +Toen sloot hij de oogen. + +"Als ijs, als ijs zoo koud! Kom dichter bij me!" + +En Juliaan schoof het zeil weg, en legde zich dicht naast hem op de +dorre bladers, zijde aan zijde. + +De Melaatsche wendde het hoofd naar hem toe: "Ik wil de warmte van je +lichaam voelen,--trek je kleeren uit!" + +Juliaan ontkleedde zich en legde zich zoo weer op het leger, hij +voelde de huid van den Melaatsche tegen de zijne, killer dan die van +een slang en ruw als een rasp. + +Hij poogde hem moed in te spreken; en de andere antwoordde +hijgend:--"O, ik ga sterven! kom dan toch dichter bij me, verwarm +me dan toch. Neen, niet met je handen, met geheel je lichaam".--En +Juliaan legde zich lijdzaam neer, borst tegen borst met den +Melaatsche, aangezicht tegen aangezicht. + +En dit was het oogenblik dat de Melaatsche hem in de armen sloot; dat +zijn oogen plotseling begonnen te lichten als starren, dat zijn haren +neergolfden als zonnestralen; en zijn adem kreeg een geur van rozen. +Een wierookwolk wademde op uit den haard, de golven zongen, en een +overmaat van geluk, een bovenaardsche zaligheid, daalde als een +overvloeiende zegening in Juliaans zwijmelende ziel, en degene wiens +armen hem omstrengelden, werd aldoor grooter en grooter, raakte +met hoofd en voeten de beide wanden der hut. Het dak verzwond. Het +uitspansel ontrolde zich als een tente; en Juliaan steeg de blauwe +ruimten in, borst tegen borst, aangezicht tegen aangezicht met Jezus +onzen Heer, Die hem ten hemel droeg. + +En ziedaar de geschiedenis van Sint Juliaan den gastvrije, zooals men +ze vindt tennaastenbij op een kerkraam in mijn land. + + + + + +HERODIAS + + +I + +De citadel van Machaerous verhief zich ten oosten van de Doode Zee op +een kegelvormige bazalt-rots. Vier diepe dalen lagen er omheen, twee +bezijden, een er tegenover, het vierde aan den achterkant. De huizen, +opgestapeld aan haar voet, werden ingesloten door een ringmuur, die +met de oneffenheden van den grond meegolfde. + +Een weg, zig-zag uitgehouwen in de rots, verbond de stad met de +sterkte, wier muren honderd-twintig elleboogslengten hoog waren en +talrijke uitsprongen hadden, kanteelen langs hun rand, en hier en daar +ook torens: het starre lofwerk aan die kroon van steenen hangend boven +den afgrond. + +Het binnenste der citadel was een met zuilengangen versierd paleis, +bedekt met een platform, dat omgeven werd door een leuning van +sycomore-hout, en waar staken stonden opgericht om een velarium uit te +spannen. + +Op zekeren uchtend--de zon was nog niet opgegaan--kwam de viervorst +Hero-des-Antipas zich over de balustrade heenbuigen, en zag-uit. + +De bergen aan zijn voeten begonnen hun kam op te heffen uit de +schaduwen waarin hun logge gevaarten, tot in de diepte der afgronden +die ze scheidden, nog verhuld lagen. Nevels zwierven om, scheurden +open, en de omtrekken der Doode Zee werden zichtbaar. De dageraad +die achter Machaerous rees, verspreidde een roodigen schijn. Deze +verlichtte weldra den zandigen zeeoever, de heuvelen, de woestijn, +en in verder verschiet, de bergen van Judea met hun grillige grijze +glooiingen. + +Engaddi trok door het midden zijn zware zwarte lijn; Hebron in de +diepte rondde zich koepelvormig, Esquol droeg granaatboomen, Sorek +wijnstokken, Karmel sesamkruid, en het reusachtig blok van den toren +Antonia bestreek Jeruzalem. De Viervorst wendde den blik af om te +rechterzijde de palmen van Jericho te beschouwen; en hij peinsde +over de andere steden van Galilea: Capharnaüm, Endor, Nazareth, +Tiberias--waar hij waarschijnlijk nimmer meer komen zou. + +En almaar stroomde de Jordaan door de barre vlakte, die in haar witte +dorheid verblindend was als een sneeuwveld. Het meer scheen, in deze +stonde, van vloeiend lazuur; en aan zijn zuidelijke punt, naar de +richting van Yemen, werd Antipas gewaar, wat hij vreesde te zien: +Bruine tenten stonden daar verspreid, mannen met lansen schreden heen +en weer tusschen de paarden, en smeulende vuren twinkelden als vonken +laag tegen den grond. + +Het waren de troepen van den Arabischen koning, wiens dochter hij +verstooten had voor Herodias, de vrouw van een zijner broeders, die in +Italië woonde zonder te streven naar macht. + +Antipas wachtte hulp van de Romeinen, en hij werd door onrust +verteerd, omdat Vitellius, stedehouder in Syrië, nog steeds niet kwam +opdagen. + +Agrippa zou hem ongetwijfeld bij den keizer in ongenade hebben +gebracht. Philippus, zijn derde broeder, vorst van Batanéa, wapende +zich zeker in 't geheim. De Joden hadden genoeg van zijn afgodische +zeden, de anderen van zijn overheersching; zoodat hij weifelde +tusschen twee plannen: of de Arabieren tot vrede te stemmen, of een +verbond te sluiten met de Parthen; en, onder voorwendsel van zijn +geboortefeest te vieren, had hij voor dezen zelfden dag nog, de +aanvoerders van zijn troepen, al zijn rentmeesters en de oppersten van +Galilea, op een groot gastmaal genoodigd. + +Hij liet zijn blik spiedend weiden over de wegen: ze waren nog leeg. +Arenden vlogen boven zijn hoofd om: de soldaten langs de wallen +sliepen tegen den muur, en binnen het paleis bewoog niets. + +Maar eensklaps deed een verre stem, die uit de diepten der aarde +scheen te komen, den Viervorst verbleeken. Hij boog zich voorover om +te luisteren. De stem zweeg. + +Maar toen ze herbegon, klapte hij in de handen, en riep: + +"Mannaëi! Mannaëi!" + +Een man trad te voorschijn, naakt tot den gordel, zooals de masseurs +bij de baden. Hij was zeer groot, oud, uitgemergeld, en droeg op de +heup een korte kling in bronzen scheede. Zijn haardos door een +kam opgehouden verhoogde nog de gerektheid van zijn voorhoofd. +Slaperigheid verdoofde nu de kleur zijner oogen, maar zijn tanden +glinsterden. Zijn geheele gestalte had een aapachtige lenigheid, en +licht drukten zijn teenen den vloer. Zijn gelaat was ondoorgrondelijk +als dat eener mummie. + +--Waar is hij? vroeg de Viervorst. + +Mannaëi antwoordde, terwijl hij met den duim iets achter hen aanwees: +"Ginds! Altijd-door!" + +"Ik meende hem te hooren". + +En na een diepe ademhaling vroeg Antipas berichten over Jaokanann, +denzelfden dien de Latijnen Sint Joannes den Dooper noemen. Had men de +twee mannen nog weergezien, die men uit welwillendheid verleden maand +had toegelaten in zijn kerker? en wist men nu ten laatste, waartoe ze +gekomen waren? + +Mannaëi antwoordde: + +"Ze hebben geheimzinnige woorden gewisseld, zooals dieven doen, 's +avonds op den viersprong der wegen. Daarna zijn ze heengetogen naar +Noord-Galilea, aankondigend dat ze een groot nieuws zouden brengen." + +Antipas boog het hoofd. Toen als in angst: + +"Bewaak hem! bewaak hem! En laat niemand binnen. Sluit de deur goed! +Bedek den put! Men mag niet vermoeden dat hij leeft!" + +Zonder die bevelen ontvangen te hebben, had Mannaëi ze toch steeds +uitgevoerd, want Jaokanann was een Jood, en, zooals alle Samaritanen, +verfoeide hij de Joden. Hun tempel van Garizim door Mozes als hart +en middelpunt van Israël aangewezen, bestond niet meer sinds koning +Hyrcan, en die van Jeruzalem deed hen, als een blijvend en hoonend +onrecht, in wrok en woede leven. Mannaëi was er binnengedrongen om +er het outer met doodsbeenderen te schennen. Zijn gezellen, minder +behendig dan hij, waren onthoofd geworden. Hij zag op dit oogenblik +dien tempel, door de inzinking tusschen twee heuvels heen. De zon deed +de wit-marmeren muren weerglanzen, en de gouden platen van het dakwerk +schitterden. Het geleek een berg van licht, iets bovenaardsch, dat +alles overheerschte door zijn rijkdom en zijn trots. + +Toen strekte Mannaëi de armen uit naar Sion, en, hoog opgericht, het +gelaat geheven, de vuisten gebald wierp hij zijn vervloeking naar die +stad, wanend dat zijn woorden een werkelijke macht in zich hadden. + +Antipas hoorde het aan, en leek in 't minst niet geërgerd. + +Toen hervatte de Samaritaan: "Bij wijlen is hij onrustig. Hij zou dan +'t liefst willen ontvluchten, en hoopt op verlossing. Andere keeren +lijkt hij kalm als een ziek dier, en ook wel heb ik hem heen en weer +zien loopen in het donker, voor-zich-heen herhalend: "Wat deert het? +Hij moet grooter, maar ik kleiner worden." + +Antipas en Mannaëi zagen elkander aan. Maar de Viervorst was het moe +verder na te denken. + +Al die bergen om hem heen, opstapelingen gelijk van versteende golven, +de zwarte draaikolken langs de rotsige kusten, de eindeloosheid van +den blauwen hemel, het schelle glanzen van den dag, de diepte der +afgronden verbijsterden hem; en toen zijn oogen weiden gingen over +de woestijn, werd hij nog mistroostiger, bij het zien van die woest +doorwoelde gronden met hun bouwvallen van amphitheaters en paleizen. + +Op de heete windademen dreef een zwavelreuk aan, als een uitwaseming +van de vervloekte steden, die, dieper dan de oevervlakten, bedolven +liggen onder de zware wateren. + +Deze teekenen van een eeuwige gramschap joegen zijn gedachten +verschrikt op, en hij bleef met de ellebogen op de balustrade, het +hoofd in de handen, staroogend staan. + +Iemand raakte hem aan. + +Hij wendde zich om. + +Herodias stond daar. + +Een licht purperen samaar omhulde haar tot op de sandalen. + +Ze was overhaast uit haar kamer getreden en droeg noch parelsnoeren, +noch oorhangers; een vlecht van heur zwarte haren viel haar over den +arm op den boezem. Haar hoog opgetrokken neusvleugels trilden; de +vreugde van een triomf glansde over haar gelaat, en met forsche stem +begon ze, terwijl ze den arm van den Viervorst schudde: + +"Cesar is ons welgezind! Agrippa is gekerkerd!" + +"Wie heeft het u gezegd?" + +"Ik weet het!" + +En ze voegde erbij: + +"'t Is wijl hij het keizerschap wenschte voor Cajus." + +Hij die van hun aalmoezen leefde, had gestaan naar den koningstitel, +dien zij-zelve even begeerig najoegen als hij! + +Maar voortaan geen vrees meer! + +"De kerkers van Tiberius worden moeielijk ontsloten, en men is er niet +altijd zeker van zijn leven!" + +Antipas begreep haar, en hoewel zij Agrippa's zuster was, leek haar +wreedaardige bedoeling hem gerechtvaardigd. Die moorden volgden uit +den samenloop der dingen, en waren een noodlot van de Koningshuizen. +In dat van Herodes was hun aantal niet te tellen. + +Toen begon ze haar welgeslaagden toeleg uiteen te zetten; de +omgekochte cliënten, de gevonden brieven, de verspieders aan alle +deuren, en hoe ze erin geslaagd was Eutyches tot aanklacht te +verleiden. + +"Het viel me niet moeielijk, ik heb immers wel andere dingen gedaan +voor U? Verliet ik zelfs mijn dochter niet?" + +Na haar echtscheiding, hopend in haar huwelijk met den Viervorst wel +moeder te worden van andere kinderen, had ze dat dochtertje in Rome +gelaten. Ze sprak er nimmer over. + +Daarom zocht de Viervorst nu naar de beweegreden van die opwelling van +teederheid. + +Men had het velarium ontplooid en, gedienstig, groote kussens bij +gebracht. Herodias zonk er in neder, en weende met afgewend gelaat. +Toen streek ze met de hand over de oogleden, en zeide dat ze verder +niet meer eraan denken wilde; dat ze zich gelukkig voelde; en ze +herinnerde hem hun gesprekken ginds in het atrium, hun ontmoetingen +bij de baden, hun wandelingen langs den Via Sacra en in de groote +villa's des avonds bij het murmelen der fonteinen, terwijl ze uitzagen +onder de bloemenbogen door over de Romeinsche Campagna. En ze blikte +naar hem op als toen ter tijd, met streelerige gebaren zich vlijend +aan zijn borst. Hij stootte haar van zich af. De liefde, die zij +wilde doen herleven, was zoo verre thans. Al zijn rampen waren er uit +voortgekomen, want reeds twaalf jaar duurde de oorlog. De Viervorst +was er door verouderd. Zijn rug was gedoken in de donkere, paarsom +rande toga; zijn witte haren golfden samen met die van zijn grijzenden +baard, en de zon, die door den baldakijn drong, stortte een stroom van +licht over zijn wrevelend voorhoofd. Ook Herodias' voorhoofd zette +rimpels. Aangezicht tegenover aangezicht stonden ze, en in wrokkende +kwaadaardigheid maten ze elkander met den blik. + +Er begon beweging te komen op de bergpaden. Herders dreven ossen +voort, kinderen trokken ezels mee aan den toom, stalknechten leidden +hun paarden. Zij die afdaalden van de hoogten voorbij Machaerous, +verdwenen achter in den burcht, anderen togen door de rotsklove aan +den voorkant verder, en in de stad gekomen zetten ze hun pakken en +lasten op de binnenplaatsen neer. Dit waren de hofmeesters van den +Viervorst en knechten die de gasten voorafgingen. + +Doch daar trad plotseling aan den linkeropgang van het terras een +Esseër te voorschijn, geheel in 't wit gekleed, blootsvoets, en met +het uiterlijk van een Stoïcijn. Tegelijkertijd stortte Mannaëi, van +tegenovergestelde zijde uitschietend, zich met getrokken zwaard op hem. + +"Steek hem dood!" riep Herodias den beul toe. + +"Houd in!" beval de Viervorst. + +Manaëi bleef onbeweeglijk staan; de andere evenzoo. + +Toen trokken ze zich terug, achteruittredend, ieder langs een andere +trap, en zonder elkaar uit het oog te verliezen. + +"Ik ken hem!" zei Herodias, "zijn naam is Phanuel, en hij tracht tot +Jaokanann door te dringen, wiens leven door uw dwaasheid zoo veilig +bewaard blijft". + +Antipas wierp haar tegen, dat Jaokanann hun vandaag of morgen van +dienst zou kunnen zijn. Zijn aanvallen tegen Jeruzalem zouden de rest +der Joden tot hen doen overloopen. + +"Neen!" hernam zij. "Ze buigen zich onder alle meesters en zijn niet +in staat een eigen rijk te vormen!" En wat dengene betrof, die de +gemoederen in beweging bracht door een hoop op te wekken, die sinds +Nehemias voortleefde onder het Joodsche volk, was het niet 't meest +doeltreffend hem uit den weg te ruimen? + +Volstrekt geen haast had dit, volgens den Viervorst: Jaokanann +gevaarlijk! Komaan nu! en hij deed alsof hij erom lachen moest. +"Zwijg!" En zij herbegon het verhaal van de diepe vernedering, welke +ze ondergaan had, op den dag toen ze naar Galaäd was getogen voor den +balsem-oogst. + +Er waren aan de rivier menschen die zich herkleedden. Terzijde, op een +lagen heuvel, stond een man te spreken. Hij droeg een kemelshuid om +de lenden, en zijn hoofd leek op dat van een leeuw. "Van 't eerste +oogenblik dat hij me gewaar werd, wierp hij me alle vervloekingen der +profeten toe. Zijn oogen schoten vlammen, zijn stem huilde, hij hief +de armen als om den bliksem neer te halen. Geen mogelijkheid hem te +ontvluchten, de raderen van mijn wagen waren tot de assen in het zand +gezonken; en langzaam ging ik heen, me beschuttend met mijn mantel, +verbijsterd door zijn hoon, die op me viel als een stortvlaag." Zij +kon niet verder leven, zoolang Jaokanann bestond. Toen hij gevangen +werd genomen en met koorden gebonden, was den soldaten bevolen hem te +dooden, zoo hij zich verweren mocht; hij had zich zachtmoedig betoond. +Men had slangen in zijn kerker gezet; ze waren er doodgegaan. + +De nutteloosheid van die verraderlijke lagen bracht Herodias' geduld +ten einde. En daarenboven, waarom zijn strijd tegen haar? Welk belang +dreef hem aan? Zijn predikingen tot het volk hadden zich verspreid, +gingen van mond tot mond; alom hoorde zij ze fluisteren, ze vervulden +de lucht. Legioenen zou ze getrotseerd hebben. Maar deze macht, feller +dan een tweesnijdend zwaard, en die zich niet aangrijpen liet, ze +werkte geestverlammend. Bleek van woede, geen woorden meer vindend om +uit te stooten wat haar den adem benam, schreed ze heen en weer over +het terras. + +En tegelijkertijd kwelde haar de gedachte, dat de Viervorst wellicht +bezwijken zou voor des volks oordeel, en zoo ertoe gebracht worden +haar te verstooten. Dan ware alles verloren! Sinds haar kinderjaren +koesterde ze den droom van een groot keizerrijk. En om er toe te +geraken, had ze haar eersten gemaal verlaten, om zich met Antipas te +verbinden in wien ze zich bedrogen had, dacht ze. + +"Ik koos een hechten steun, toen ik in uw familie trad!" + +"Ze staat met de uwe gelijk!" zei de Viervorst kalm-weg. + +Herodias voelde in haar aderen het bloed koken van de priesters en +koningen, die haar voorvaders waren. + +"Maar uw grootvader veegde den tempel van Ascalon! De anderen waren +herders, roovers, karavaanleiders, een zwervende stam, schatplichtig +aan Judea sinds koning David! Al mijn voorvaders hebben de uwe +verslagen. De eerste der Makkabieten heeft u verjaagd van Hebron, +Hyrcan dwong u tot de besnijdenis!" Het was de patricische vrouw die +den peblejer haar verachting in 't aangezicht wierp, den haat van +Jacob tegen Edom. Ze verweet hem zijn gevoelloosheid voor smaad en +hoon, zijn lankmoedigheid jegens de Farizeërs die hem verrieden, zijn +lafheid jegens het volk dat haar haatte. + +"Ge zijt als zij, beken het! en ge betreurt het Arabische meisje dat +rondom steenen danst. Neem haar weer tot u! Keer tot haar weer in haar +linnen huis; verorber haar brood, dat onder de asch gebakken werd, +zwelg de gestremde melk van haar schapen! kus haar blauwe wangen! en +vergeet mij!" + +De Viervorst luisterde niet meer. Hij tuurde uit naar het platform van +een huis, waar zich een jong meisje bevond met een oude vrouw, die een +zonnescherm ophield aan een rieten stok zoo lang als de hengelroe van +een visscher. Midden op het vloer-tapijt stond een groote reismand met +open deksel. Gordels en sluiers, hangers en ketens van goud warden er +uit. Bij tusschenpoozen boog het meisje zich over die dingen heen om +ze uit te slaan in de open lucht. Ze was als een Romeinsche gekleed, +in een tunica die overplooid werd door een peplum, afgezet met akers +van smaragd. Blauwe banden omsloten haar kapsel, dat te zwaar leek, +want van tijd tot tijd bracht ze er de hand aan. De schaduw van het +zonnescherm bewoog zich boven haar, en verhulde haar ten deele. +Antipas onderscheidde twee of drie keeren de fijne lijnen van haar +hals, den winkel van haar oog, den hoek van een kleinen mond. En +geheel haar gestalte, van de heupen tot het hoofd, zag hij buigen en +zich oprichten met veerkrachtige bewegingen. Nog eenmaal wilde hij dat +gebaar zien, en terwijl hij het afwachtte, ging zijn adem zwaarder, en +zijn oogen schitterden. + +Herodias bespiedde hem. + +Hij vroeg: "Wie is dat?" Ze zeide er niets vanaf te weten, en ging, +plotseling gerustgesteld heen. Onder de zuilengangen werd de Viervorst +door Galileërs opgewacht, zijn griffier, den opzichter van den +veestapel, den rentmeester der zoutpannen, en een Babylonischen Jood +die het bevel voerde over zijn ruiters. Hij werd met gejuich begroet, +maar wendde zich af, heenschrijdend in de richting, der binnenzalen. + +Phanuel dook op uit een hoek in een der gangen. + +"Wat! nog hier? Ge komt zeker voor Jaokanann?" + +"En voor U! ik moet U iets gewichtigs mededeelen." + +En, zonder Antipas meer te verlaten, drong hij achter hem aan een +duisterig vertrek binnen. + +Het licht viel door tralies, die, onder de kroonlijst, den geheelen +lengtekant innamen. De muren waren beschilderd in granaat-tint, op +zwart af. In de kamerdiepte stond een ebbenhouten bed, welks ligmat +uit riemen van ossenleder was gevlochten. + +Er boven hing een gouden beukelaar, die glansde als een zon. Antipas +ging dwars de zaal door en strekte zich uit op het bed. + +Phanuel bleef opgericht staan. Hij hief den arm en sprak, als in +bezieling: + +"De Allerhoogste zendt bijwijlen een zijner zonen. Jaokanann is een +van hen. Indien gij hem verdrukt, zult ge gestraft worden." + +"Ik word door hém vervolgd!" riep Antipas uit. "Hij heeft van mij het +onmogelijke gevergd! Sinds dat oogenblik kwelt hij me. En waarlijk, ik +was niet hardvochtig in den beginne. Zelfs van Machaerous zendt hij +mannen uit, die mijn provincies in beroering brengen. Vloek over zijn +bestaan! Ik verweer me, waar hij me aanrandt!" + +"Wat geeft het, al moge zijn gramschap te heftig zijn? Ge moet hem +vrijlaten." + +"Men laat geen dolle beesten los!" zei de Viervorst. + +De Esseër antwoordde: "Verontrust u niet! Hij zal naar de Arabieren +gaan, naar de Galliërs of de Scythen. Zijn arbeid moet zich +uitstrekken tot des aardrijks einden!" + +Antipas scheen verloren in een droomgezicht. "Wel groot is zijn +macht!... ondanks me-zelf, heb ik hem lief." + +"Welnu dan, laat hem!" + +De Viervorst schudde het hoofd. Hij was bang voor Herodias, voor +Mannaëi, en voor den onbekende. + +Phanuel trachtte hem te overtuigen, door hem, ten rugsteun voor +zijn plannen, de onderwerping der Esseërs aan de koningen voor te +spiegelen. + +Men had ontzag voor die mannen, arm aan aardsche goederen, die in ruw +linnen gekleed gingen, door lijfstraffen niet te buigen waren en die +de toekomst lazen uit de sterren. + +Antipas herinnerde zich daar het woord van straks. + +"En welk nu is het gewichtig nieuws, dat ge me zoudt mededeelen?" + +Op hetzelfde oogenblik trad een neger het vertrek binnen. Zijn lichaam +was wit bestoven. Hij hijgde schor en kon niets anders uitbrengen, +dan: + +"Vitellius!" + +"Wat? Komt Vitellius?" "Ik heb hem gezien. Vóór het derde middaguur is +hij hier." + +Het was alsof een windvlaag door zalen en gangen toog en de +voorhangsels in beweging bracht. Een luid gerucht vulde het paleis, +geraas van af- en aandravende lieden, van versleepte meubelen, van +ineen-rinkelende stapels zilverwerk, en hoog van de torens schalden de +bazuinen, om de verspreide slaven te waarschuwen. + + + + +II + + +De wallen wemelden van menschen, toen Vitellius op het binnenplein +kwam. Hij steunde op den arm van zijn tolk. Een groote roode +draagstoel, met pluimen en spiegels versierd, volgde hem. Hij droeg +de toga-laticlava en de sandalen der consuls en werd door bijldragers +omgeven. Ze zetten hun roeden-bundels tegen de poort, twaalf door +een riem saamgehouden staven, met een bijl in 't midden. En allen +sidderden voor de majesteit van het Romeinsche volk. + +De draagstoel, die door acht mannen gehanteerd werd, stond stil. Een +zwaarlijvige jongeman steeg er uit, het gelaat vol puisten en de +vingers vol paarlen. Hem werd een drinkschaal met wijn en aroma's +aangeboden. Na ze geledigd te hebben, vroeg hij er nog eene. + +De Viervorst had zich aan de knieën van den Proconsul neergeworpen, +bejammerend, naar hij zeide, niet vroeger de gunst van zijn komst te +hebben vernomen, anders zou hij zich beijverd hebben dat er op de +wegen alles geweest ware, wat een Vitellius toekwam! Het geslacht +Vitellius immers stamde af van de godin Vitellia. Een weg, die van den +Janiculus naar zee leidde, droeg nog hun naam. Ontelbare keeren +was aan de hunnen het quaestor-schap of het consulaat toevertrouwd +geweest; en wat Lucius aanging, die thans zijn gast was, hem was men +grooten dank verschuldigd als overwinnaar der Cliten, en als vader van +den jongen Aulus, die hier in zijn eigen rijk scheen terug te keeren: +want was het Oosten niet het vaderland der goden? + +Deze hyperbolen werden in 't Latijn uitgesproken. Vitellius hoorde ze +onbewogen aan. Hij antwoordde dat Herodes de Groote volstond voor den +roem eener natie. Hem hadden de Atheners het oppertoezicht gegeven +over de Olympische spelen. Tempels had hij gebouwd, Augustus ter eere, +geduldig, vindingrijk en onverzettelijk was hij geweest, en altijd den +Cesar getrouw. + +Tusschen de zuilen met koperen kapiteelen zag men Herodias te +voorschijn treden, fier als een keizerin, te midden harer vrouwen en +eunuchen, die op vergulde schotels brandende reukwerken droegen. + +De Proconsul trad haar drie schreden te gemoet, en toen hij haar met +een hoofdbuiging begroet had, riep zij uit: + +"Welk een geluk, dat het Agrippa, den vijand van Tiberius, voortaan +onmogelijk is, kwaad te stichten!" + +Vitellius wist niets van het gebeurde, en het leek hem gevaarlijk. +Toen Antipas onder eeden begon te verzekeren, alles voor den Keizer +veil te hebben, voegde Vitellius er aan toe: + +"Zelfs ten koste van anderen?" Hij, Vitellius, had eens losgeld geïnd +van den koning der Parthen, en de Keizer dacht er niet verder aan. +Maar Antipas, die met hem aan een zelfde vergadering deelnam, begon er +dadelijk ruchtbaarheid aan te geven. Vandaar een diepe wrok, en het +getalm met den bijstand. + +De Viervorst stotterde iets. Maar Aulus kwam er lachend tusschen: + +"Wees maar bedaard, ik zal je beschermen!" + +De Proconsul deed, alsof hij 't niet hoorde. + +Het welslagen des vaders hing af van de verdorvenheid van den zoon; en +die bloem van Capri's slijk gaf hem zulke aanzienlijke voordeelen, dat +hij haar met zorgen omringde, hoe hij haar overigens ook wantrouwde om +haar vergiftigheid. + +Er ontstond gedruisch bij de poort. Men leidde een rij witte +muildieren binnen, waarop mannen zaten in priestergewaad. Het waren +Sadduceërs en Farizeërs, die door eenzelfde eerzucht naar Machaerous +gedreven werden, de eersten om de waardigheid van offerpriester te +erlangen, de anderen om die waardigheid te behouden. Hun gelaat stond +somber, vooral dat der Farizeërs, want ze waren Rome en den Viervorst +zeer vijandig gezind. De slippen van hun opperkleed hinderden hen +in het gedrang, en de tiara waggelde hun op het voorhoofd, boven de +perkamenten letterbanden. + +Bijna tegelijkertijd kwamen de soldaten der voorhoede aanrukken. Ze +hadden hun schilden, om ze te beschutten tegen het stof, in hoezen +gehuld. + +Achter hen volgde Marcellus, luitenant van den Proconsul, met +verschillende tollenaars die houten schrijftabula's onder den arm +droegen. Antipas noemde de voornaamsten zijner hofhouding: Tolmaï, +Kanthera, Sehon, Amonius van Alexandrië, die aardpek voor hem +aankocht, Naâman, hoofdman zijner lichte troepen, Jacim den +Babyloniër. + +Vitellius had Mannaeï opgemerkt. + +"Wie is die man?" + +De Viervorst gaf door een gebaar te kennen, dat het de beul was. + +Toen stelde hij de Sadduceërs voor. + +Jonathas, klein van gestalte en los van beweging, smeekte den +meester, in 't Grieksch, hen in Jeruzalem met een bezoek te vereeren. +Waarschijnlijk zou Vitellius aan die bede gehoor geven. + +Eleazar met zijn krommen neus en zijn langen baard, eischte voor de +Farizeërs den mantel van den Hoogepriester op, dien het burgerlijk +bestuur binnen den toren Antonia in beslag hield. + +Vervolgens klaagden de Galileërs Pontius-Pilatus aan. Om wille van een +bezetene, die Davids gouden kannen zocht in een hol dicht bij Samaria, +had hij verscheidene landslieden gedood. Ze spraken allen gelijk, +Mannaeï nog heftiger dan de anderen. Vitellius verzekerde dat de +misdadigers zouden gestraft worden. + +Er ging geschreeuw op bij een poortnis, waar de soldaten hun schilden +hadden opgehangen. De hoezen waren losgeraakt, en men zag op de +schildknoppen Cesars beeltenis. + +Voor de Joden was dit afgoderij. + +Antipas sprak hun toe. En, van zijn verhoogden zetel tusschen de +zuilen, zag Vitellius verwonderd hun gramstorigheid aan. Wel had +Tiberius gelijk gehad, vierhonderd van dezen naar Sardinië te +verbannen! Maar in hun eigen land waren ze machtig, en hij gaf bevel +de schilden weg te nemen. + +Toen drongen ze om den Proconsul heen, rechtvaardiging afsmeekend, +privileges en giften. Dringend en duwend scheurden ze elkaar de +kleederen van 't lijf, en om ruimte te maken, stonden slaven met hun +stokken naar rechts en links te slaan. Zij, die het dichtst bij de +poort stonden, werden langs het voetpad teruggedrongen, anderen kwamen +dat pad opklimmen, en moesten wijken; twee stroomen stuwden tegen +elkaar in, en die ontzaglijke menschenmenigte saamgehoopt binnen de +omwalling, deinde als een woelige zee heen en weer. + +Vitellius vroeg waarvandaan die toevloed van menschen. + +Toen verklaarde Antipas hem de oorzaak: zijn geboortefeest. En hij +wees de lieden aan, een groot aantal van zijn dienaren, die, over de +borstwering heengebogen, reusachtige manden ophaalden, gevuld met +vruchten en groenten, met antilopen, reigers en groote azuurkleurige +visschen met druiven, meloenen en tot pyramiden opgetaste +granaatappels. + +Aulus kon het niet lijdelijk meer aanzien. Hij haastte zich naar de +keukens, gedreven door die gulzigheid, waardoor hij eenmaal de wereld +zou verbazen. + +Langs een der kelders gaande zag hij vleeschketels, die wel pantsers +geleken. Ook Vitellius kwam er naar kijken; en hij gebood, dat men hem +de krochten van het fort zou ontsluiten. + +Ze waren hoog gewelfd in de rots uitgehouwen, en werden van afstand +tot afstand door pijlers geschraagd. + +De eerste bevatte oude harnassen, maar de tweede was overvol van +speren, die dreigend haar punt uit een bos van pluimen opstaken. De +muren der derde schenen wel met rietmatten bedekt, zooveel pijlen +hingen er loodrecht naast elkaar. Lemmers van kromzwaarden verborgen +de wanden der vierde krocht. In het midden der vijfde leek een leger +van roode slangen te kruipen: het waren lange rijen helmen met kammen +van scharlaat. + +In de zesde: niets dan pijlenkokers, in de zevende beenplaten, in de +achtste armstukken, in de vele die nog volgden: gaffels, enterhaken, +ladders en touwwerk, tot staken voor catapulten, tot rinkelbellen voor +het borsttuig der dromedarissen toe. + +Wijl de berg naar zijn voet zich steeds verbreedde, en in zijn +binnenste uitgehold was als een bijenkorf, bevonden er zich onder deze +vertrekken weer andere, talrijker en nog dieper. + +Vitellius, Phineus zijn tolk, en Sisenna hoofd der tollenaars, +doorschreden ze bij het licht der door eunuchen gedragen flambouwen. +Uit het duister doemden de afgrijselijkste dingen op die de barbaren +ooit uitvonden; knotsen met stekels van spijker-punten, werpschichten +die vergift in de wonden brachten, tangen gruwbaar als de muil van +krokodillen, kortom: de Viervorst bezat binnen Machaerous oorlogstuig +voor wel veertig-duizend manschappen. + +Hij had dat verzameld met het oog op een verbond tusschen zijn +vijanden. Maar de Proconsul zou kunnen meenen, of zeggen, dat het +dienen moest om de Romeinen te bestrijden, en daarom zocht Antipas +verklaringen te geven: + +Het behoorde hem niet toe; veel ervan diende tot verweer tegen de +rooverbenden; daarenboven was er zoo iets noodig tegen de Arabieren, +of wel: dit alles was het bezit geweest van zijn vader. En, in plaats +van achter den Consul aan te schrijden, ging hij hem met haastige +stappen voor. Toen bleef hij staan tegen een muur, wel zorgend ze te +bedekken met zijn toga, de ellebogen ver van 't lichaam af. Maar de +kroonlijst van een deur stak boven zijn hoofd uit. Vitellius werd dat +gewaar en wilde weten wat die deur verborg. + +Alleen de Babyloniër kon haar openen. + +"Roep den Babyloniër." + +Men wachtte. + +Zijn vader was zich, met vijfhonderd ruiters, van den oever van den +Euphraat, bij Herodes den Grooten komen aanbieden, om de oostergrenzen +te verdedigen. Na de verdeeling van het rijk was Jacim bij Philippus +gebleven, en thans diende hij Antipas, Hij trad voor met een boog over +den schouder, een zweep in de hand. Bonte koorden waren vast om zijn +verwrongen beenen gesnoerd. Zijn zware armen staken uit een overkleed +zonder mouwen, een muts van dierenpels overschaduwde zijn gelaat met +den in ringen gekrulden baard. + +In 't begin veinsde hij den tolk niet te verstaan. Maar Vitellius +wierp een scherpen blik op Antipas, die het bevel onmiddellijk +herhaalde. + +Toen duwde Jacim zijn beide handen tegen de deur, en ze gleed weg in +den muur. + +Een warme wadem sloeg hun uit de duisternissen tegen. + +Met breede bochten daalde daar een weg omlaag. Ze volgden dien en +kwamen op den drempel eener grot, die veel grooter was dan de andere +krochten. + +Achter de boog-opening in de verste diepte lag de afgrond, die aan +deze zijde de citadel tot verdediging strekte. Een kamperfoeliestruik +die zich vasthechtte aan het gewelf liet zijn bloemen in het volle +licht neertrossen. Langs den grond liep een ijle water-ader, lichtend +en murmelend. + +Witte paarden stonden daar. Het waren er wel honderd. Ze aten gerst +van een plank, die ter hoogte van hun bek was aangebracht. Hun manen +waren blauw geschilderd, en de hoeven staken in wanten van fijn +vlechtwerk. Tusschen de ooren bolde als een pruik een bos van hun +blesharen op. Met den zeer langen staart sloegen ze zich streelerig +langs de kniebogen. + +De Proconsul was stil van bewondering. + +Het waren wonderschoone dieren, lenig als slangen, licht als vogels. +Ze vlogen weg met de pijlen van hun berijder, wierpen den vijand omver +en beten hem in het onderlijf, vonden zonder struikelen een uitweg +tusschen de rotsblokken, sprongen over afgronden heen, en hielden heel +den dag hun dollen draf door de vlakten vol; één woord echter deed hen +stilstaan. Toen Jacim binnentrad kwamen ze naar hem toe, als schapen +naar hun herder; ze strekten den hals en zagen hem met hun kinderoogen +onrustig aan. Uit gewoonte stiet hij diep uit zijn keel een rauwen +schreeuw uit, die hen ineens opmonterde. Ze steigerden ongeduldig, +hunkerend naar ruimte, en smachtend om weg te rennen. + +Alleen uit vrees dat Vitellius hem er van berooven zou, had Antipas ze +gevangen gezet in deze grot, die uitsluitend diende tot berging van +dieren in tijd van oorlog. + +"'t Is een slechte stalling hier," zei de Proconsul, "en ge loopt +gevaar dat ze omkomen! Maak de schatting op, Sisenna". + +De tollenaar haalde het schrijfplankje uit zijn gordel, telde de +paarden en schreef ze in. + +Het was de gewoonte der belastinggaarders de landvoogden ertoe te +brengen hun gewesten uit te plunderen. Deze snuffelde overal met zijn +wezel-snuit, en zijn oogleden knipten. + +Eindelijk steeg men weer terug naar het binnenplein. + +Ronde bronzen platen midden in het plaveisel bedekten van afstand tot +afstand de putten. Sisenna bekeek een dezer deksels nauwlettender dan +de andere, het was grooter en gaf een doffen klank onder zijn +voeten. Nog eens ging hij de overige bekloppen één voor één, en toen +schreeuwde hij, trappelend van blijdschap: + +"Gevonden! Hier zit hij, de schat van Herodes!" + +Het zoeken naar dien schat was een dwaze hartstocht onder de Romeinen. + +De Viervorst zwoer, dat er geen schatten bestonden. + +"Ondertusschen, wat zit hier dan verborgen?" + +"Niemendal! een man, een gevangene." + +"Laat zien!" zei Vitellius. + +De Viervorst gehoorzaamde niet. De Joden behoefden zijn geheim niet te +weten. Zijn weerzinnig gedraai om dat deksel te openen, deed Vitellius +ongeduldig worden. + +"Sla het in!" riep hij den bijldragers toe. + +Mannaeï had geraden waarover ze 't hadden. Toen hij een bijl zag, +meende hij dat ze Jaokanann gingen onthoofden; en hij weerhield den +lictor bij den eersten slag op de plaat, stak behoedzaam een soort van +haak tusschen haar rand en het plaveisel, en zijn lange magere armen +strammend lichtte hij haar langzaam op. Ze wentelde weg; allen +bewonderden de kracht van dien grijsaard. + +Onder dat met hout betimmerd deksel was een valluik van gelijke +afmetingen. Een vuistslag deed het openklappen; toen zag men een +reusachtigen hollen koker, waarin zich een trap zonder leuning +wentelde. Zij, die zich over den rand heenbogen, onderscheidden in de +diepte iets vaags en verschrikkelijks. + +Een menschelijk wezen lag op den grond uitgestrekt, geheel verborgen +in zijn eigen lang haar, dat zich warde in de harige dierenvacht die +zijn lenden dekte. Hij richtte zich op, en zijn voorhoofd stootte +tegen den rooster die daar plat lag ingemetseld. Van tijd tot tijd +verdween hij weer in de diepte van zijn hol. + +De zon weerglansde in de punten der tiara's, in de gevesten der +zwaarden, en gloeide over de vloertegels. Van de dakranden vlogen +duiven op die dansten en duizelden boven het binnenplein, 't Was het +uur waarin Mannaeï gewoon was graankorrels voor haar te strooien. Hij +zat neergehurkt voor den Viervorst, die naast Vitellius stond. De +Galileërs, de priesters, de soldaten vormden een kring achter hen; +allen zwegen in angstige afwachting van wat komen zou. + +Eerst was het een diepe zucht, door een holle stem uitgestooten. + +Herodias hoorde dat zuchten aan het ander einde van het paleis. +Aangetrokken door een macht sterker dan zij-zelve, drong ze door de +menigte heen, en voorovergebogen, met de hand op Mannaeï's schouder, +luisterde ze toe. + +De stem verhief zich: + +"Vloek over u, Farizeërs en Sadduceërs, gij, adderengebroed, gezwollen +wijnzakken, holklinkende cymbalen!" + +Men had Jaokanann herkend. Zijn naam ging van mond tot mond. Vele +anderen kwamen toeloopen. + +"Vloek over U, o volk! en over de verraders van Judea, over de +dronkenen van Ephraïm, over hen die in het vette dal wonen en die +waggelen door den geest van den wijn! "Dat ze verspreid worden +als stroomend water, als de slak die smelt waar ze kruipt, als de +misgeboorte eener vrouw die geen daglicht ziet. + +"Gij, Moab, ge zult u moeten verschuilen in de cypressen als de +trekvogels, als de springmuizen in de holen. Lichter dan notenschalen +zullen de poorten der sterkten verbrijzeld worden, de muren zullen +instorten, de steden in vlammen opgaan, en de geeselroede van den +Eeuwige zal niet ophouden. Als de wol in de kuip van den verver, zoo +zal Hij uwe ledematen spoelen in uw bloed. Als een nieuwe egge zal +Hij u verscheuren; over de bergen zal Hij de flarden van uw vleesch +uitstrooien!" + +Van welken veroveraar sprak hij? Was het Vitellius? De Romeinen +alleen konden zulk eene verdelging aanrichten. Klachten werden +geslaakt:--"Genoeg! genoeg! doe hem ophouden!" + +Maar nog luider ging hij voort: + +"Naast het lijk hunner moeders zullen de kleine kinderen door de asch +kruipen. In den nacht zal men brood gaan zoeken tusschen de puinen, +zich blootgevend aan de dolken. + +"Jakhalzen zullen elkaar de doodsknekels betwisten op de pleinen waar +de grijsaards saamkwamen tot den avondkout. Aan der vreemdelingen +gastmaal zullen uwe dochters op de luit spelen, en haar tranen +drinken. De kloeksten uwer zonen zullen den rug bukken, gekneusd onder +al te zware vrachten!" + +Voor de oogen van het volk doemden de dagen der ballingschap weer op, +alle rampen hunner geschiedenis. + +Het waren de woorden der oude Profeten. Jaokanann zond ze, het een na +het andere, over hen als harde slagen. + +Maar de stem werd zachter, welluidender en zangerig. Hij boodschapte +een verlossing, glanzende verheerlijking aan het uitspansel, den +nieuw-geborene die een arm stak in het hol van den draak, goud voor +leem, de woestijn openbloeiend als een roos. + +"En wat nu zestig sikkels waard is, zal geen obool meer kosten. +Melkbronnen zullen uit de rotsen vloeien; in de wijnpersen zal men +zich verzadigd te slapen leggen! Wanneer komt gij, gij die de hope +zijt van mijn hart? Reeds knielen alle volkeren, en uw heerschappij +duurt in eeuwigheid, Zoon van David!" + +De Viervorst deinsde verschrikt terug, het bestaan van een Zoon +Davids bedreigde hem als een smaad. Jaokanann tastte hem aan in zijn +koningschap. + +"Geen andere Koning bestaat er dan Hij, die eeuwig is! en met uw +tuinen, met uw standbeelden, met uw meubels van ivoor, zal het u +vergaan als den goddeloozen Achab!" + +Antipas rukte het koord stuk van het zegel op zijn borst, en wierp het +in den put, zwijgen gebiedend. + +De stem antwoordde: + +"Als een beer zal ik roepen, als een woudezel, als een vrouw in +barensnood! + +"Reeds treft de straffe uw bloedschande. God straft met +onvruchtbaarheid den bastaard." + +Gelach ging er op, dat geleek op gekabbel van water tegen den +oeverrand. + +Vitellius bleef halsstarrig staan. Onbewogen herhaalde de tolk, in de +taal der Romeinen, al de hoon-schreeuwen, die Jaokanann in zijn eigen +taal uitstootte. De Viervorst en Herodias waren genoodzaakt ze twee +keeren aan te hooren. Zijn borst zwoegde, terwijl zij staroogend bleef +neerzien naar de diepte van den put. + +De verschrikkelijke man wierp het hoofd achterover, en de tralies +vastgrijpend, hief hij het vlakke gelaat tegen den rooster, het geleek +een warrige ruigte, waarin twee vurige kolen gloeiden. + +"Ha! zijt gij het, Jezabel! Ge hebt zijn hart u toegeëigend met het +gekraak uwer schoenzolen. Als een merrie hebt ge gehinnikt. Uwe +legerstede spreidet ge op de bergen, om uw offeranden te volbrengen. +Afrukken zal de Heer u uwe oorhangers, uwe purperen gewaden, uw linnen +sluiers, de gouden banden uwer armen, de ringen uwer voeten, de kleine +gouden maansikkels die op uw voorhoofd trillen, uw zilveren spiegels, +uw waaiers van struisvederen, de parelmoeren zolen die uw gestalte +verhoogen, den pronk uwer edelsteenen, het reukwerk van uw haren, +de beschildering uwer nagels, al de kunstige verzinsels uwer +weelderigheid, en keien zullen er niet genoeg gevonden worden om de +echtbreukige te steenigen!" + +Haar blik zocht-om naar hulpe. De Farizeërs sloegen huichelachtig de +oogen neer. De Sadduceërs, die vreesden den Pronconsul te beleedigen, +wendden het hoofd af. Antipas scheen den dood nabij. De stem werd +sterker, zette zich uit, bulderde als het geweld van den donder, en +door de echo der bergen weergalmd, deed ze Machaerous in haar telkens +herhaalde uitbarstingen op zijn grondvesten schudden. + +"Strek u uit in het stof, dochter van Babylon! Laat koren tot meel +malen! Maak uw schoenen los, schort uw kleeren op, en doorwaad de +stroomen! uw smaad zal aan den dag komen! uw snikken zullen u de +tanden verbrijzelen. De Eeuwige verafschuwt de walg uwer misdaden! +Vervloekte! vervloekte! Kom om als een hond!" + +Het luik viel toe, het deksel sloot zich. Manaeï zou Jaokanann willen +verworgen. + +Herodias verdween. De Farizeërs waren geërgerd. In hun midden stond +Antipas zich te verdedigen. + +"Ongetwijfeld", begon Cleazar, "men moet zijn broeders vrouw huwen, +maar Herodias was geen weduwe, en had daarenboven een kind,--daarin is +de schande!" + +"Dwaling! dwaling!" wierp de Sadduceër Jonathas er tegen in. "De wet +veroordeelt dergelijke huwelijken, zonder ze met duidelijke termen te +verbieden." + +"Het doet er niet toe! Men oordeelt over mij zeer onrechtvaardig," zei +Antipas. + +Aulus die geslapen had, kwam op dit oogenblik ook naderschrijden. Toen +hij van de zaak op de hoogte was gesteld, viel hij den Viervorst bij. +Over dergelijke dwaasheden moest men geen drukte maken, en hij lachte +luid over den hoon der priesters en den toorn van Jaokanann. + +Herodias, die midden op het terras stond, keerde zich tot hem. + +"Ge hebt ongelijk, Heer! Hij gebiedt het volk de belasting te +weigeren!" + +"Is dat waar?" vroeg toen de tollenaar dadelijk. + +De antwoorden waren eenstemmig bevestigend. De Viervorst bekrachtigde +ze. + +Vitellius meende, dat de gevangene wel eens kon ontsnappen; en daar +het gedrag van Antipas hem onbetrouwbaar toescheen, zette hij wachten +uit bij de poorten en langs de muren van het binnenplein. + +Toen ging hij naar zijn vertrekken. De afgevaardigden der priesters +vergezelden hem, en zonder de vraag van de offer-waardigheid aan te +roeren, legde ieder zijn grieven bloot. + +Ze verveelden hem allen te saam. Hij zond ze weg. + +Toen Jonathas hem verliet, zag hij op de borstwering, tusschen twee +kanteelen door, Antipas in gesprek met een man, die het haar lang +droeg en in het wit gekleed ging, een Esseër, en hij had spijt den +Viervorst te hebben verdedigd. + +De Viervorst had zich met de gedachte getroost, dat Jaokanann nu niet +meer van hém afhing: de Romeinen hadden zich met hem belast! wat een +verlichting! + +Juist toen had hij Phanuel over den omgang der wallen zien drentelen. +Hij riep hem, en zeide, terwijl hij naar de soldaten wees: + +"Zij daar hebben de macht, ik kan hem niet loslaten! 't Is mijn schuld +niet!" + +Het binnenplein was ledig. + +De slaven lagen te rusten. Tegen het avond-rood, dat de kim in vlammen +deed oplaaien, teekenden de kleinste rechtstandige voorwerpen zich +zwart af. Antipas onderscheidde de zoutpannen aan de overzijde der +Doode Zee, maar de tenten der Arabieren zag hij niet meer. Waren ze +wellicht heengetogen? + +De maan ging op. Rust daalde in zijn hart. + +Phanuel bleef neerslachtig staan, met de kin op de borst. Eindelijk +uitte hij, wat hem op het het hart lag: + +Sinds het begin der maand bestudeerde hij, vóór den dageraad, het +uitspansel wijl het sterrenbeeld van Perseus het zenith had bereikt. +Agalah was nauwelijks te onderscheiden, Algol flikkerde zwakker, +Mira-Coeti was verdwenen; hieruit las hij den dood van een man van +beteekenis, dezen nacht nog, en binnen Machaerous. + +"Wie zou dat kunnen zijn? Vitellius werd te goed bewaakt. Jaokanann +zou men niet ter dood brengen. + +"Aldus ben ik het zelf!" dacht de Viervorst. + +Zouden de Arabieren misschien weerkeeren? De Proconsul zou zijn +betrekkingen met de Parthen kunnen ontdekken! Of sluipmoordenaars +uit Jeruzalem waren wellicht met de priesters meegekomen; ze droegen +dolken onder hun kleeren; de Viervorst twijfelde niet aan Phanuels +kunde. + +Het viel hem in zijn toevlucht te zoeken bij Herodias. Toch haatte hij +haar. Maar ze zou hem moed inspreken, en de tooverbanden waarin ze hem +vroeger verstrikt had waren nog niet alle gebroken! Myrrhe rookte er +in een kom van porfier toen hij haar kamer binnentrad, en poeders, +zalven, wolken van luchtige weefsels, ragfijne borduursels lichter dan +veeren, lagen er verspreid. + +Hij zei niets van Phanuels voorzegging, noch van zijn vrees voor de +Joden of de Arabieren: een lafaard zou ze hem noemen! + +Alleen over de Romeinen sprak hij; Vitellius had hem niets +toevertrouwd van zijn krijgs-plannen. Hij veronderstelde dat hij met +Cajus bevriend was, die op zijn beurt weer omgang had met Agrippa; +en hij, Antipas, zou in ballingschap worden gezonden, waar ze hem +misschien zouden verwurgen. + +Herodias trachtte hem met kleinachtende welwillendheid gerust te +stellen. Eindelijk haalde ze uit een kistje een vreemdsoortige +medaille, die den beeldenaar van Tiberius droeg. Dat volstond om de +lictoren te doen verbleeken, en de aanklachten te smoren. + +Ontroerd van dankbaarheid vroeg Antipas haar, hoe ze dien talisman +verworven had. + +"Hij werd me gegeven!" hernam ze. + +Onder een voorhang, vlak tegenover hen, strekte zich een arm uit, een +jeugdige arm, bekoorlijk en zoo schoon alsof Polycletus zelf hem uit +ivoor gerond had. Met een wat linksch maar toch bevallig gebaar, +wiekte die arm in de lucht, om een tunica te grijpen, welke op een +bankje was blijven liggen. + +Een oude vrouw gaf ze zachtjes over, den voorhang terzijde schuivend. + +De Viervorst had een vage herinnering, aan iets dat hij zich niet +omschrijven kon. + +"Is dat eene van uw slavinnen?" + +"Wat kan u dat schelen?" antwoordde Herodias. + + + + +III + + +De gasten vulden de feestzaal. + +Ze had, als een basiliek, drie beuken die door zuilen van algumimhout +met gebeeldhouwde bronzen kapiteelen gescheiden werden. Ze schraagden +twee open galerijen, en een derde van gouden filigraan rondde +zich achter in de zaal-diepte, recht tegenover een reusachtige +wulfsel-poort, open in den voorwand. + +Op de tafels, die door de geheele lengte van het middenschip stonden +aaneengerijd, brandden de luchters als kleine bosschen van vuur, +midden tusschen de beschilderde aarden schalen en de koperen schotels, +de sneeuw-blokken en de opgetaste druiven. Maar onder het hooge gewelf +zweemde die roode klaarte langzaam in schemers weg, en lichtpunten +tintelden daar, als des nachts de sterren door takken heen. Door den +boog van het wijd-open poortvak kon men de toortsen zien vlammen op de +huis-terrassen,--want Antipas onthaalde zijn volk, en allen die zich +aangemeld hadden. Slaven, geschoeid met vilten sandalen, liepen rap +als honden om, en droegen de schotels. + +De tafel van den Proconsul stond onder de vergulde galerij, op een +verhevenheid van sycomore-planken, Babylonische tapijten omsloten haar +als met een tente. + +Vitellius, diens zoon en Antipas namen de drie ivoren ligbedden in, +die daar opgesteld stonden, één recht in 't midden, met de twee andere +terzijde; de Proconsul lag links, dicht bij de deur, Aulus aan den +rechterkant, de Viervorst op het middelste. + +Hij was gehuld in een zwaren zwarten mantel, welks weefsel geheel +schuil ging onder kleurige ophechtsels. Hij droeg den baard +waaiervormig, had blanketsel op de kaken, en azuurpoeder in het haar, +dat omsloten werd door een diadeem van edelsteenen. Vitellius had +den purperen bandelier niet afgelegd, die schuin over de linnen toga +plooide. + +Aulus had de mouwen van zijn paars-zijden met zilverdraad doorweven +opperkleed op den rug laten vastknoopen. Zijn tot rollen gekamde +haren waren trapsgewijze op zijn hoofd getast, en een halssnoer van +saffieren glinsterde op zijn borst, rond en blank als die eener vrouw. +Dicht naast hem zat een heel mooi knaapje neergehurkt op een mat. Het +glimlachte aldoor. Aulus die het straks in de keukens voor 't eerst +had gezien, kon niet meer buiten hem, en daar hij moeielijk zijn +Chaldeeuwschen naam kon onthouden, noemde hij hem eenvoudig-weg "den +Aziaat". Van tijd tot tijd strekte Aulus zich in zijn volle lengte uit +op het triclinium. Dan zagen de mede-aanliggenden tegen zijn naakte +voetzolen op. + +Aan dat tafeleinde waren de priesters en Antipas' officieren +geplaatst, de oppersten uit de Grieksche steden; aan des Proconsuls +zijde: Marcellus met de tollenaars, vrienden van den Viervorst, +aanzienlijke lieden uit Cana, uit Ptolemaïde en Jericho, dan in bonte +rijen: bergbewoners van den Libanon en de oude soldaten van Herodes: +twaalf Thraciërs, een Galliër, twee Germanen, gazellen-jagers, +Idumeesche herders, de sultan van Palmyra, zeelieden van Eziongaber. +Ieder had een weeken deeg-koek vóór zich om de vingers af te wisschen, +en de armen, die zich als gieren-halzen rekten, namen olijven, +pistaches en amandelen. Aller aangezicht glansde blij onder een krans +van bloemen. + +De Farizeërs hadden hun kransen weggestooten als een Romeinsche +onbetamelijkheid. En ze huiverden wanneer men ook hen met galbanum +en rosmarijn besproeide, een mengsel dat uitsluitend gebruikt mocht +worden in den Tempel. + +Aulus wreef er zich de oksels mede, en Antipas beloofde hem er een +heele lading van, met drie zakken vol van dien onvervalschten balsem, +die Cleopatra's begeerte naar het bezit van Palestina had opgewekt. + +Een hoofdman van zijn Tiberiaansch garnizoen, kwam tot achter zijn +ligbed getreden, om hem over buitengewone gebeurtenissen te spreken. +Maar zijn aandacht werd verdeeld tusschen den Proconsul en de +gesprekken aan de nabije tafels. + +Men praatte daar over Jaokanann en lieden van zijn soort; Simon van +Gittoï louterde de zondaars met vuur. Een zekere Jezus... + +"De ergste van allen," riep Eleazar uit "wat een lage goochelaar!" +Achter den Viervorst richtte een man zich op, bleek als de rand van +zijn chlamys. Hij daalde van de estrade, den Farizeërs toeroepend: +"Leugens! Jezus doet wonderen!" + +Antipas zou er willen zien. + +"Ge had hem mede moeten brengen! Vertel ons eens alles over hem!" + +Toen verhaalde hij, dat hij-zelf, Jacob, zich naar Capharnaüm begeven +had toen zijn dochtertje ziek lag, om den Meester te vragen haar te +genezen. + +De Meester had geantwoord: "Keer terug naar uwe woning, uw dochtertje +is genezen!" En hij had haar op den drempel gevonden, opgestaan +van haar sponde, toen de zonne-wijzer van het paleis het derde uur +aanwees, het eigen oogenblik, waarop hij Jezus had aangesproken. + +"Natuurlijk," wierpen de Farizeërs hem tegen, "er bestaan zekere +praktijken en geneeskrachtige kruiden. Hier op de eigen plek, te +Machaerous, vond men wel de baäras, die onkwetsbaar maakt. Maar +genezen zonder zien of aanraken, was een onmogelijkheid, zoo Jezus ten +minste niet de booze geesten tot handlangers had. + +En de vrienden van Antipas, de oppersten van Galilea, herhaalden +hoofdschuddend: + +"De booze geesten,--dat is klaarblijkelijk!" + +Jacob, die tusschen hun tafels en die der priesters stond, bleef +hooghartig maar zachtmoedig zwijgen. Ze vorderden hem tot spreken op: + +"Rechtvaardig zijn macht!" + +Hij boog zich wat voorover en met gedempte stem begon hij langzaam als +verschrikt door zijn eigen woorden: + +"Weet ge dan niet, dat hij de Messias is?" Alle priesters blikten +elkaar aan, en Vitellius vroeg uitleg van het woord. Zijn tolk draalde +een wijle met antwoorden. + +Ze noemden zoo een verlosser, die het volle bezit van alle goed en de +onderwerping van alle volkeren zou brengen. Eenigen zelfs beweerden +dat men op twee zulken moest rekenen. De eerste zou door Gog en Magog, +de booze geesten van het Noorden, overwonnen worden; maar de tweede +zou den vorst van het kwade verdelgen; en sinds eeuwen wachtten zij +hem ieder oogenblik. + +Toen de priesters beraadslaagd hadden, nam Eleazar het woord. +Vooreerst zou de Messias de zoon van David zijn, en niet die van een +timmerman; hij zou de wet bevestigen. Die Nazarener schond ze. En wat +nog sterker bewijs was, de komst van Elias moest aan hem voorafgaan. + +Jacob antwoordde: "Elias! maar die is reeds gekomen!" + +"Elias! Elias!" herhaalde de menigte, tot in het andere einde der +zaal. In hun verbeelding zagen allen een grijsaard oprijzen, een +vlucht raven streek om zijn hoofd. Een bliksemschicht zette een altaar +in vlammen; afgodendienaars werden meegesleept door een stroom. De +vrouwen op de galerijen dachten aan de weduwe van Sarepta. + +Jacob werd niet moede te herhalen, dat hij hem kende! Hij zelf had hem +gezien! en het volk ook had hem gezien! + +"Zijn naam?" + +Toen riep hij zoo luid hij vermocht: "Jaokanann!" + +Antipas viel achterover als door een stoot midden in het hart. De +Sadduceërs hadden zich op Jacob gestort. Eleazar begon een redevoering +om gehoor te krijgen. + +Toen de stilte gezonken was, plooide hij zijn mantel terecht, en +stelde als een rechter zijn vragen: + +"Daar de Profeet dood is..." + +Gemompel onderbrak hem. Men geloofde dat Elias slechts tijdelijk ten +hemel opgenomen was. + +Eleazar toornde tegen de menigte, en zette zijn ondervraging voort: + +"Meent ge, dat hij verrezen is? + +"Waarom niet?" zei Jacob. + +De Sadduceërs haalden de schouders op. Jonathas sperde zijn oogjes +wijd open en deed moeite om als een nar te lachen: + +"Niets dwazer dan de aanspraak van het lichaam op de +onsterfelijkheid;" en, voor den Proconsul, haalde hij een vers aan van +een toenmalig dichter: + + Nec crescit, nec post mortem durare videtur. + +Maar Aulus had zich over den rand van het ligbed heengebogen, het +zweet stond hem op het voorhoofd, zijn gelaat was groen, de vuisten +drukte hij tegen de maag. + +De Sadduceërs veinsden groote ontroering; (den volgenden dag kregen +ze de offer-waardigheid terug), Antipas deed alsof hij wanhopig was; +Vitellius leek onbewogen. Toch doorstond hij groote angsten; met zijn +zoon immers zou hij zijn schoone kans verliezen. Nauwelijks had Aulus +met braken opgehouden, of hij wilde weer aan 't eten. + +"Laat ze me raspsel van marmer geven, aardolie van Naxos, zeewater, of +wat dan ook! Als ik eens een bad nam?" + +Hij kauwde sneeuw, weifelde voor een schotel rose merels, en nam ten +laatste honingpompoenen. De kleine Aziaat zag bewonderend naar hem op; +die zwelgers-aanleg verried een wonderbaar en bovenaardsch wezen. + +Men diende stier-nieren op, marmotten, nachtegalen, gehakt vleesch in +wingerdbladeren; en de priesters redetwistten over de verrijzenis. +Ammonius, leerling van den Platonicus Philon, vond dat ze dwazen +waren, en zei het tot eenige Grieken die over de orakels lachten. +Marcellus en Jacob hadden elkaars gezelschap gezocht. De eerste +verhaalde aan den tweede over zijn geluk bij het doopsel van Mithra, +en Jacob ried hem Jezus te volgen. + +Wijn uit palmsap en tamariskenschors getrokken, wijnen van Safet en +Byblos stroomden uit de amphoren in de mengvaten, uit de mengvaten in +de drinkschalen, uit de drinkschalen de kelen in. + +Er werd druk gepraat, en de harten begonnen zich te openen. + +Jacim was een Jood, maar hij hield het niet langer geheim dat hij de +sterren aanbad. Een koopman uit Aphaka verblufte de nomaden door +hun de wonderen van den tempel van Hiërapolis, in de kleinste +bijzonderheden, voor oogen te tooveren. Ze vroegen hem hoeveel een +beevaart daar heen zou kosten. Anderen hielden het bij den godsdienst +waarin ze geboren waren. Een bijna blinde Germaan zong een hymne ter +eere van dat Scandinavische voorgebergte, waar de goden verschijnen +omstraald door den glans van hun aangezicht, en lieden van Sichem aten +geen tortels uit eerbied voor de duif Azima. Verschillende gasten +stonden midden in de zaal te praten, en hun adem wademde, met den rook +der luchters, als een nevel in de ruimte. Phanuel kwam langs de muren +gegleden. Nogmaals had hij zooeven het uitspansel bestudeerd, maar +hij durfde den Viervorst niet naderen, bang voor olievlekken, die de +Esseërs als een groote smet beschouwden. + +Er vielen slagen op de burchtpoort. + +Men wist thans dat Jaokanann hier gevangen werd gehouden. Mannen met +flambouwen klommen het bergpad op, een zwarte menigte krioelde in het +ravijn, en van tijd tot tijd schreeuwden ze daar: + +"Jaokanann! Jaokanann!" + +"Alles brengt hij in de war!" zei Jonathas. + +"Als hij doorgaat, krijgt het rijk geen geld meer!" voegden de +Farizeërs er aan toe. + +De verwijten kwamen los: "Bescherm ons!" + +"Laat ze ophouden!" + +"Ge zijt een afvallige!" + +"Goddeloos als Herodes en de zijnen!" + +"Minder goddeloos dan gij!" antwoordde Antipas. "Mijn vader was het, +die uw tempel bouwde!" + +Toen begonnen de Farizeërs, de zonen der bannelingen, aanhangers van +Matathias, den Viervorst te beschuldigen van de misdaden, door zijn +verwanten bedreven. + +Ze hadden spitse schedels, een stekeligen baard, slappe en boosaardige +handen, of wel een plat gelaat, dog-achtig, met groote ronde oogen. +Een twaalftal schriftgeleerden en tempeldienaars, gevoed door den +afval der offeranden, sprongen op de estrade aan, en dreigden Antipas +met messen. Hij sprak hen toe, terwijl de Sadduceërs hem zwak +verdedigden. Hij zag Mannaeï wel, maar gaf hem een teeken liever maar +weer heen te gaan, daar Vitellius door zijn houding deed uitkomen, dat +de dingen hem niet aangingen. + +De Farizeërs, die nog op hun ligbedden gebleven waren, raasden in +duivelsche woede, ze sloegen de schotels stuk die vóór hen stonden. +Men had hun Mecena's geliefkoosd gerecht opgediend, vleesch van den +woudezel, een onreine spijze. + +Aulus dreef den spot over den ezelskop, dien zij, volgens de verhalen, +zouden vereeren, en verkocht ook geestigheden over hun weerzin tegen +varkens. Zeker was die haat ontstaan omdat dit vette beest hun Bacchus +gedood had, en daar men in den tempel een gouden wijnstok ontdekt had, +hielden ze zooveel van wijn! + +De priesters begrepen zijn woorden niet. Phineas, een Galileër van +afkomst, wilde ze niet vertolken. Toen kende de toorn van Aulus geen +grenzen meer, te erger omdat de kleine Aziaat, door vrees bevangen +verdwenen was; en het maal stond hem niet aan, de spijzen waren te +alledaagsch, niet kunstig genoeg verwerkt! Hij kwam tot kalmte, toen +hij staarten van Syrische schapen zag opdragen, louter rollen van vet. + +De aard der Joden leek Vitellius een gruwel. Moloch, wien hij langs +den weg altaren had zien opgericht, kon best hun god zijn; en het viel +hem te binnen, hoe ze den naam hadden kinderen ten offer te brengen. +Ook de geschiedenis van den man, dien ze op geheimzinnige wijze zouden +vetmesten, kwam hem in de gedachten. Hij, de Latijn, voelde zijn hart +walgen van hun onverdraagzaamheid, hun beelden-vernielende furie, hun +afstuitende ruwheid. + +De Proconsul wilde heengaan. Aulus weigerde hem te vergezellen. + +Hij lag achter een hoop etenswaren, te verzadigd om er nog van te +gebruiken, maar te koppig om ze in den steek te laten. + +De opwinding van het volk werd steeds grooter. Ze gingen op in plannen +voor hun onafhankelijkheid. De herinnering aan Israëls glorie werd +opgeroepen. Alle veroveraars hadden ze afgeslagen: Antigonus, Crassus, +Varus... + +"Ellendelingen!" zei de Proconsul. Want wel verstond hij de Syrische +taal: zijn tolk diende slechts om hem tijd tot antwoorden te laten. + +Antipas trok haastig de medaille van den Keizer te voorschijn, en, +bevend hem bespiedend, hief hij haar op, den beeldenaar naar hem +toewendend. + +Daar plotseling werden de vleugels der gouden galerij opengeworpen; en +in den luister der toortsen, tusschen haar slaven die festoenen van +anemonen droegen, trad Herodias te voorschijn,--een Assyrische +mijter stond, met een kinneband, op haar hoofd bevestigd; haar +spiraal-vormige lokken hingen over een scharlaken peplum, waaruit door +wijde armsgaten de mouwen plooiden. Twee steenen monsters, gelijk aan +die bij den schat der Atriden, stonden tegen de deurposten opgesteld, +en ze geleek op Cybele tusschen haar leeuwen. Hoog van de balustrade +boven Antipas' hoofd, de offerschaal op de handen, riep ze: "Dat Cesar +leve!" + +Die hulde werd herhaald door Vitellius, Antipas en de priesters. +Maar uit de diepte der zaal drong een gemompel aan van verrassing en +bewondering. Een jong meisje was zooeven binnengekomen. + +Onder een blauwachtigen sluier, die haar de borst en het +hoofd verhulde, onderscheidde men den boog harer oogen, de +chalcedoon-steenen in haar ooren, de blankheid harer huid. Een lap +van weerschijnende zijde bedekte haar schouders en was op de +heupen bevestigd door een fijn-gesmeden gouden gordel. Haar zwarte +beenbekleedsels waren met mandragoren bezaaid, en als voor evenveel +liet ze haar muiltjes van colibri-dons over den grond klapperen. + +Op de estrade gekomen wierp ze haar sluier af: het scheen Herodias, +zooals die was in haar jeugd. Ze begon te dansen. + +Haar voeten hieven zich, de een voor den ander, op het rhythme van een +fluit en een paar ratels. Haar gebogen armen riepen iemand, die altijd +weer vluchtte. Lichter dan een vlinder achtervolgde ze hem, als een +nieuwsgierige Psyche, als een zwervende geest, en ze scheen gereed om +weg te vliegen. + +De rouwklanken van den gingras vervingen de ratels. Neerslachtigheid +had de hoop vervangen. Haar gebaren werden als verzuchtingen, en in +geheel haar wezen lag zulk een smachtend verlangen, dat men niet weten +kon of ze een god beweende of duizelde in een droom van liefde. + +Met half-geloken wimpers boog ze en wiegde ze zich met deinende +golvingen, haar boezem trilde, haar gelaat bleef onbewogen en haar +voeten hielden niet stil. Vitellius vergeleek haar bij Mnester. + +Aulus braakte nog altijd. + +De Viervorst zat in een droom verloren en dacht niet meer aan +Herodias. Toen hij haar meende te zien, in de nabijheid der +Sadduceërs, verzwond zijn visioen. + +Het was geen visioen. + +Ver van Machaerous had ze Salome, haar dochter,--die de Viervorst +eenmaal lief moest hebben,--laten opvoeden. En het was een goede +toeleg geweest. Thans wist ze het zeker! + +Nu werd het de vervoering der liefde die bevrediging zoekt. Ze danste +zooals de Indische priesteressen, gelijk de Nubische vrouwen die bij +de watervallen wonen, als de bacchanten van Lydië. Ze wierp zich naar +alle zijden om, gelijk een bloem, die door den storm wordt bewogen. De +schitter-steenen in haar ooren dansten mede, de glanzende kleuren der +zijden stoffe, die haar rug verhulde, wisselden; uit haar armen, haar +voeten, uit haar gewaad, sprongen onzichtbare vonken, die het hart +der mannen deden ontvlammen. Een harp zong; de menigte jubelde ze +na, ontsteld van bewondering, zoowel de nomaden, die aan versterving +gewoon waren, als de Romeinsche soldaten zoo deskundig in +uitspattingen, de gierige tollenaars en de oude priesters verbitterd +door 't levenslang redetwisten. + +Zonder de knieën te buigen bukte ze zich zoo diep dat haar kin den +vloer raakte. Vervolgens wentelde ze om Antipas' tafel heen in dolle +vaart, wervelend als de draaischijf der tooverkollen, en met een stem, +door snikken van wellust onderbroken, riep hij haar toe: + +"Kom! Kom!" Ze wendde en wentelde al voort; zoo luid klonken de +tympans alsof ze scheuren zouden, de menigte joelde. Maar nog luider +riep de Viervorst: "Kom! Kom! Capharnaüm zult ge hebben, de vlakte van +Tiberias! mijn burchten! de helft van mijn koninkrijk!" Ze wierp zich +op de handen, de hielen omhoog, liep zoo als een groote tor de estrade +over, en hield plotseling stil. + +Haar nek en haar rug vormden een rechten hoek. De kleurige schachten +die haar beenen omsloten, rondden als regenbogen boven haar schouders +uit, en gingen, een armlengte hoog van den bodem, met haar gelaat in +ééne richting mede. Haar lippen waren gekleurd, haar wenkbrauwen zeer +zwart, haar oogen bijna verschrikkelijk, en de zweetparels op haar +gelaat schenen een dauw over wit marmer. + +Ze sprak niet. Ze zagen elkaar aan. + +Een vinger-klap klonk van de tribune. Ze klom daarheen, kwam weer te +voorschijn, en met eene wat lispelende stem zei ze kinderlijk: + +"Ik wil, dat ge me op een schotel, het hoofd geeft van..." Ze was +den naam vergeten, maar met een glimlach hernam ze: "het hoofd van +Jaokanann!" + +De Viervorst zakte ineen van ontzetting. + +Zijn woord moest hij gestand doen, en het volk wachtte. + +Maar zoo de dood, die voorspeld was, een ander werd aangedaan,--zou +de zijne dan niet afgewend worden? + +Indien Jaokanann wezenlijk Elias was, kon hij zelf er zich aan +onttrekken, zoo niet dan beduidde de moord niet veel! Mannaeï stond +naast hem en begreep zijn bedoeling. + +Vitellius riep hem terug om hem het wachtwoord te geven, daar er +soldaten bij het kerkerhol stonden opgesteld. + +Het was een verademing: binnen een oogenblik zou alles gedaan zijn. + +Maar het werk ging Mannaeï niet vlug van de hand. + +Ontdaan kwam hij weer binnen. + +Sinds veertig jaar oefende hij het beuls-bedrijf uit. Hij was het +die Aristobulos verdronken had, Alexander gewurgd, Matathias levend +verbrand, die Zosima, Pappus, Josephus en Antipater onthoofd had; en +Jaokanann durfde hij niet dooden! Hij klappertandde, en rilde over +zijn geheele lichaam. + +Vóór den kerker-kuil had hij den grooten Engel der Samaritanen zien +staan geheel met oogen overdekt, zwaaiend met een reusachtig zwaard, +rood en gekarteld als een vuurvlam. + +De twee wachten tot getuigen meegebracht, zouden het staven. + +Ze hadden niets gezien, dan alleen een Joodschen legerhoofdman, die +zich op hen gestort had, en die thans niet meer tot de levenden +behoorde. + +De toorn van Herodias barstte los in een stortvloed van platte en +bloeddorstige verwenschingen. Ze scheurde zich de nagels aan de +tralies der tribune, en de twee gebeeldhouwde leeuwen leken in haar +schouders te bijten en te brullen als zij. + +Antipas schreeuwde, de priesters, de soldaten, de Farizeërs, allen +riepen ze om wraak en ook de anderen, verontwaardigd dat men hen op +dat nieuwe tijdverdrijf liet wachten. + +Mannaeï ging heen met bedekt gelaat. + +Den gasten viel de tijd nog langer dan eerst. Ze verveelden zich. + +Eensklaps klonken er voetstappen op in de gangen. Het weeë ongeduld +werd onhoudbaar! + +Het hoofd kwam. + +Mannaeï hield het bij de haren aan zijn gestrekten arm, trotsch op het +gejubel. + +Hij legde het op een schotel en bood het Salome aan. + +Snel klom ze de tribune op. Na een lange pooze werd het hoofd +teruggebracht door de oude vrouw, die de Viervorst's morgens was +gewaar geworden op het platform van een huis, en straks in Herodias' +kamer. + +Hij deinsde terug om het niet te zien. Vitellius wierp er een +onverschilligen blik op. + +Mannaeï daalde van de estrade af, en toonde het aan de Romeinsche +hoofdlieden, die langs deze zijde aanzaten. + +Ze bekeken het met onderzoekende blikken. + +De scherpe snede van den bijl had het van boven naar beneden gekloofd, +en de kaak gespleten. Een stuiptrekking trok de mondhoeken neer. +Stollend bloed vlekte den baard. De gesloten oogleden waren bleek als +schelpen; rondom straalden de luchters. Het hoofd kwam bij de tafel +der priesters. Een Farizeër keerde het nieuwsgierig om en om, en +Mannaeï zette het weer stevig recht en plaatste het vóór Aulus, die +er door ontwaakte. Tusschen hun even open wimpers schenen de doode +oogappels en de verwaterde oogappels elkaar iets te zeggen. + +Toen bood Mannaeï het Antipas aan. Tranen stroomden den Viervorst over +de wangen. + +De toortsen smeulden uit. De gasten vertrokken, en niemand bleef er in +de zaal dan Antipas, die met de handen tegen de slapen staag naar +het afgehouwen hoofd zat te staren, terwijl Phanuel, halverwegen het +groote middenschip, met uitgestrekte armen gebeden stond te prevelen. + +In het uur van zonsopgang, kwamen de twee mannen, die laatst door +Jaokanann uitgezonden waren, met het lang verhoopte antwoord. + +Ze vertrouwden het Phanuel toe, die het in zielsvervoering aanhoorde. + +Toen toonde hij hun het gruwelijk voorwerp op den schotel, tusschen de +resten van het feestmaal. + +Een der mannen zeide: + +"Troost u! Hij is nedergedaald tot de dooden, om Christus te +verkondigen!" + +Thans begreep de Esseër de woorden: "Hij moet grooter, maar ik kleiner +worden!" + +En het hoofd van Jaokanann met zich nemend, gingen ze met hun drieën +den kant van Galilea uit. + +Daar het zeer zwaar was, droeg ieder het op zijn beurt. + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Drie Vertellingen, by Gustave Flaubert + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRIE VERTELLINGEN *** + +This file should be named 8drvt10.txt or 8drvt10.zip +Corrected EDITIONS of our eBooks get a new NUMBER, 8drvt11.txt +VERSIONS based on separate sources get new LETTER, 8drvt10a.txt + +Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team. + +Project Gutenberg eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the US +unless a copyright notice is included. Thus, we usually do not +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +We are now trying to release all our eBooks one year in advance +of the official release dates, leaving time for better editing. +Please be encouraged to tell us about any error or corrections, +even years after the official publication date. + +Please note neither this listing nor its contents are final til +midnight of the last day of the month of any such announcement. +The official release date of all Project Gutenberg eBooks is at +Midnight, Central Time, of the last day of the stated month. A +preliminary version may often be posted for suggestion, comment +and editing by those who wish to do so. + +Most people start at our Web sites at: +http://gutenberg.net or +http://promo.net/pg + +These Web sites include award-winning information about Project +Gutenberg, including how to donate, how to help produce our new +eBooks, and how to subscribe to our email newsletter (free!). + + +Those of you who want to download any eBook before announcement +can get to them as follows, and just download by date. This is +also a good way to get them instantly upon announcement, as the +indexes our cataloguers produce obviously take a while after an +announcement goes out in the Project Gutenberg Newsletter. + +http://www.ibiblio.org/gutenberg/etext03 or +ftp://ftp.ibiblio.org/pub/docs/books/gutenberg/etext03 + +Or /etext02, 01, 00, 99, 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90 + +Just search by the first five letters of the filename you want, +as it appears in our Newsletters. + + +Information about Project Gutenberg (one page) + +We produce about two million dollars for each hour we work. The +time it takes us, a rather conservative estimate, is fifty hours +to get any eBook selected, entered, proofread, edited, copyright +searched and analyzed, the copyright letters written, etc. Our +projected audience is one hundred million readers. If the value +per text is nominally estimated at one dollar then we produce $2 +million dollars per hour in 2002 as we release over 100 new text +files per month: 1240 more eBooks in 2001 for a total of 4000+ +We are already on our way to trying for 2000 more eBooks in 2002 +If they reach just 1-2% of the world's population then the total +will reach over half a trillion eBooks given away by year's end. + +The Goal of Project Gutenberg is to Give Away 1 Trillion eBooks! +This is ten thousand titles each to one hundred million readers, +which is only about 4% of the present number of computer users. + +Here is the briefest record of our progress (* means estimated): + +eBooks Year Month + + 1 1971 July + 10 1991 January + 100 1994 January + 1000 1997 August + 1500 1998 October + 2000 1999 December + 2500 2000 December + 3000 2001 November + 4000 2001 October/November + 6000 2002 December* + 9000 2003 November* +10000 2004 January* + + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been created +to secure a future for Project Gutenberg into the next millennium. + +We need your donations more than ever! + +As of February, 2002, contributions are being solicited from people +and organizations in: Alabama, Alaska, Arkansas, Connecticut, +Delaware, District of Columbia, Florida, Georgia, Hawaii, Illinois, +Indiana, Iowa, Kansas, Kentucky, Louisiana, Maine, Massachusetts, +Michigan, Mississippi, Missouri, Montana, Nebraska, Nevada, New +Hampshire, New Jersey, New Mexico, New York, North Carolina, Ohio, +Oklahoma, Oregon, Pennsylvania, Rhode Island, South Carolina, South +Dakota, Tennessee, Texas, Utah, Vermont, Virginia, Washington, West +Virginia, Wisconsin, and Wyoming. + +We have filed in all 50 states now, but these are the only ones +that have responded. + +As the requirements for other states are met, additions to this list +will be made and fund raising will begin in the additional states. +Please feel free to ask to check the status of your state. + +In answer to various questions we have received on this: + +We are constantly working on finishing the paperwork to legally +request donations in all 50 states. If your state is not listed and +you would like to know if we have added it since the list you have, +just ask. + +While we cannot solicit donations from people in states where we are +not yet registered, we know of no prohibition against accepting +donations from donors in these states who approach us with an offer to +donate. + +International donations are accepted, but we don't know ANYTHING about +how to make them tax-deductible, or even if they CAN be made +deductible, and don't have the staff to handle it even if there are +ways. + +Donations by check or money order may be sent to: + +Project Gutenberg Literary Archive Foundation +PMB 113 +1739 University Ave. +Oxford, MS 38655-4109 + +Contact us if you want to arrange for a wire transfer or payment +method other than by check or money order. + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation has been approved by +the US Internal Revenue Service as a 501(c)(3) organization with EIN +[Employee Identification Number] 64-622154. Donations are +tax-deductible to the maximum extent permitted by law. As fund-raising +requirements for other states are met, additions to this list will be +made and fund-raising will begin in the additional states. + +We need your donations more than ever! + +You can get up to date donation information online at: + +http://www.gutenberg.net/donation.html + + +*** + +If you can't reach Project Gutenberg, +you can always email directly to: + +Michael S. Hart <hart@pobox.com> + +Prof. Hart will answer or forward your message. + +We would prefer to send you information by email. + + +**The Legal Small Print** + + +(Three Pages) + +***START**THE SMALL PRINT!**FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS**START*** +Why is this "Small Print!" statement here? You know: lawyers. +They tell us you might sue us if there is something wrong with +your copy of this eBook, even if you got it for free from +someone other than us, and even if what's wrong is not our +fault. So, among other things, this "Small Print!" statement +disclaims most of our liability to you. It also tells you how +you may distribute copies of this eBook if you want to. + +*BEFORE!* YOU USE OR READ THIS EBOOK +By using or reading any part of this PROJECT GUTENBERG-tm +eBook, you indicate that you understand, agree to and accept +this "Small Print!" statement. If you do not, you can receive +a refund of the money (if any) you paid for this eBook by +sending a request within 30 days of receiving it to the person +you got it from. If you received this eBook on a physical +medium (such as a disk), you must return it with your request. + +ABOUT PROJECT GUTENBERG-TM EBOOKS +This PROJECT GUTENBERG-tm eBook, like most PROJECT GUTENBERG-tm eBooks, +is a "public domain" work distributed by Professor Michael S. Hart +through the Project Gutenberg Association (the "Project"). +Among other things, this means that no one owns a United States copyright +on or for this work, so the Project (and you!) can copy and +distribute it in the United States without permission and +without paying copyright royalties. Special rules, set forth +below, apply if you wish to copy and distribute this eBook +under the "PROJECT GUTENBERG" trademark. + +Please do not use the "PROJECT GUTENBERG" trademark to market +any commercial products without permission. + +To create these eBooks, the Project expends considerable +efforts to identify, transcribe and proofread public domain +works. Despite these efforts, the Project's eBooks and any +medium they may be on may contain "Defects". Among other +things, Defects may take the form of incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged +disk or other eBook medium, a computer virus, or computer +codes that damage or cannot be read by your equipment. + +LIMITED WARRANTY; DISCLAIMER OF DAMAGES +But for the "Right of Replacement or Refund" described below, +[1] Michael Hart and the Foundation (and any other party you may +receive this eBook from as a PROJECT GUTENBERG-tm eBook) disclaims +all liability to you for damages, costs and expenses, including +legal fees, and [2] YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE OR +UNDER STRICT LIABILITY, OR FOR BREACH OF WARRANTY OR CONTRACT, +INCLUDING BUT NOT LIMITED TO INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE +OR INCIDENTAL DAMAGES, EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE +POSSIBILITY OF SUCH DAMAGES. + +If you discover a Defect in this eBook within 90 days of +receiving it, you can receive a refund of the money (if any) +you paid for it by sending an explanatory note within that +time to the person you received it from. If you received it +on a physical medium, you must return it with your note, and +such person may choose to alternatively give you a replacement +copy. If you received it electronically, such person may +choose to alternatively give you a second opportunity to +receive it electronically. + +THIS EBOOK IS OTHERWISE PROVIDED TO YOU "AS-IS". NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, ARE MADE TO YOU AS +TO THE EBOOK OR ANY MEDIUM IT MAY BE ON, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR A +PARTICULAR PURPOSE. + +Some states do not allow disclaimers of implied warranties or +the exclusion or limitation of consequential damages, so the +above disclaimers and exclusions may not apply to you, and you +may have other legal rights. + +INDEMNITY +You will indemnify and hold Michael Hart, the Foundation, +and its trustees and agents, and any volunteers associated +with the production and distribution of Project Gutenberg-tm +texts harmless, from all liability, cost and expense, including +legal fees, that arise directly or indirectly from any of the +following that you do or cause: [1] distribution of this eBook, +[2] alteration, modification, or addition to the eBook, +or [3] any Defect. + +DISTRIBUTION UNDER "PROJECT GUTENBERG-tm" +You may distribute copies of this eBook electronically, or by +disk, book or any other medium if you either delete this +"Small Print!" and all other references to Project Gutenberg, +or: + +[1] Only give exact copies of it. Among other things, this + requires that you do not remove, alter or modify the + eBook or this "small print!" statement. You may however, + if you wish, distribute this eBook in machine readable + binary, compressed, mark-up, or proprietary form, + including any form resulting from conversion by word + processing or hypertext software, but only so long as + *EITHER*: + + [*] The eBook, when displayed, is clearly readable, and + does *not* contain characters other than those + intended by the author of the work, although tilde + (~), asterisk (*) and underline (_) characters may + be used to convey punctuation intended by the + author, and additional characters may be used to + indicate hypertext links; OR + + [*] The eBook may be readily converted by the reader at + no expense into plain ASCII, EBCDIC or equivalent + form by the program that displays the eBook (as is + the case, for instance, with most word processors); + OR + + [*] You provide, or agree to also provide on request at + no additional cost, fee or expense, a copy of the + eBook in its original plain ASCII form (or in EBCDIC + or other equivalent proprietary form). + +[2] Honor the eBook refund and replacement provisions of this + "Small Print!" statement. + +[3] Pay a trademark license fee to the Foundation of 20% of the + gross profits you derive calculated using the method you + already use to calculate your applicable taxes. If you + don't derive profits, no royalty is due. Royalties are + payable to "Project Gutenberg Literary Archive Foundation" + the 60 days following each date you prepare (or were + legally required to prepare) your annual (or equivalent + periodic) tax return. Please contact us beforehand to + let us know your plans and to work out the details. + +WHAT IF YOU *WANT* TO SEND MONEY EVEN IF YOU DON'T HAVE TO? +Project Gutenberg is dedicated to increasing the number of +public domain and licensed works that can be freely distributed +in machine readable form. + +The Project gratefully accepts contributions of money, time, +public domain materials, or royalty free copyright licenses. +Money should be paid to the: +"Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +If you are interested in contributing scanning equipment or +software or other items, please contact Michael Hart at: +hart@pobox.com + +[Portions of this eBook's header and trailer may be reprinted only +when distributed free of all fees. Copyright (C) 2001, 2002 by +Michael S. Hart. Project Gutenberg is a TradeMark and may not be +used in any sales of Project Gutenberg eBooks or other materials be +they hardware or software or any other related product without +express permission.] + +*END THE SMALL PRINT! FOR PUBLIC DOMAIN EBOOKS*Ver.02/11/02*END* + diff --git a/old/8drvt10.zip b/old/8drvt10.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b68e9d9 --- /dev/null +++ b/old/8drvt10.zip |
