diff options
Diffstat (limited to '78971-0.txt')
| -rw-r--r-- | 78971-0.txt | 4617 |
1 files changed, 4617 insertions, 0 deletions
diff --git a/78971-0.txt b/78971-0.txt new file mode 100644 index 0000000..da63cad --- /dev/null +++ b/78971-0.txt @@ -0,0 +1,4617 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78971 *** + + + + + + REGEN EN ZONNESCHIJN + + DRIE VERHALEN + + + DOOR + TINE VAN BERKEN + + MET ZES GEKLEURDE PLAATJES + + + AMSTERDAM + H. J. W. BECHT + + + + + + + + + + +LACHEBEKJE. + + +I. + +OM EEN AAPJE. + + +Lachebekje stond in den hoek en—lachte. Wat had ze anders moeten doen? +Huilen?—Kom!—Ja, het was vervelend om in den hoek te moeten staan, ’t +was eigenlijk een schande, ze had niet graag gewild, dat haar Pa of Moe +het geweten hadden, en voor sommige andere meisjes was het een bittere +straf, een pijnlijke vernedering. Nu, zoo erg kon Lachebekje het niet +vinden. Het was niet prettig, natuurlijk. Maar om van te huilen was het +nu ook niet. Lachebekje vond het heel dom, om te huilen, zoolang er nog +iets was, waarom je lachen kon. En er was altijd wel iets, waarom je +lachen moest. Als ze alleen maar dacht aan wat er zooeven gebeurd was, +dan moest ze het al uitschateren. + +Verbeeld je, Lizette Lubbers—wat een belachelijke naam, hè?—de meisjes +noemden haar ook altijd Lijsje—Lijsje had een peluchen aapje mee naar +school gebracht, een koddig klein dingetje, rood, met een oranje +krulstaartje, blauwe kralenoogjes en vier grappige, lange armen, waarin +ijzerdraadjes zaten, zoodat je ze net zoo zetten kon als je ze hebben +wou. + +Alleen door het idee had Lachebekje al niet stil kunnen zitten van +plezier. Den heelen morgen had ze naar Lijsje zitten kijken, maar die +hield zich doodstil, en liet het aapje rustig in haar zak. + +Maar het tweede uur, onder het rekenen, terwijl Lachebekje het aapje +heelemaal vergeten was, en diepzinnig zat te peinzen over een moeilijke +som, die ze bezig was uit te rekenen,—daar had ze, in gedachten +opkijkend, opeens het aapje over Lijsje’s zwarte lei zien dansen. +Lijsje had de lei zoo’n beetje opgewipt, zoodat de onderwijzeres er +niets van zien kon. + +Lachebekje had Dora Beyma aangestooten, en ze hadden met haar beitjes +een pret gehad van belang. + +Lijsje deed ook zoo grappig met dien aap. Dán zat hij in de plooien van +haar wijde mouw, soms op het randje van haar kastje, eens geheel vrij +op den inktpot, zoodat het een wonder was, dat de juffrouw het niet +merkte; maar het aardigst van alles was geweest, toen Lijsje den aap +met een vlugge beweging op het haar van Rika Obbes had geplaatst. Die +stijve Rika Obbes, die daar zoo onschuldig zat te cijferen, en haar +hoofd soms bewoog zonder eenig vermoeden van de kunsten, die het roode +aapje bij de geringste hoofdbuiging maakte. Als een klit hing hij Rika +in de zwarte, stijve krullen. Soms dook hij heelemaal in de golvingen +weg. Het was om je dood te lachen. + +En toen kwam het mooiste van alles, toen Rika, die haar sommen af +scheen te hebben, zich met een flinken schok rechtop in haar bank zette +en haar haren schudde als een paard zijn manen. + +Op dat oogenblik had Lachebekje het niet meer kunnen uithouden, maar +was in een hoog gillend lachen uitgebarsten. + +Verschrikt had Lijsje zich gauw weer van het aapje meester gemaakt en +het in de diepe duisternis van haar zak weggestopt. + +„Wat is er te lachen?” had de onderwijzeres gevraagd. + +„Hi, hi, ho, ho, ho!” Lachebekje had er niet uit kunnen komen. Vóór +alles wou ze Lijsje niet verklappen. + +„Hi, hi, ha, ha.... die— —die haren!” + +De onderwijzeres werd boos en ongeduldig. Er was niets te zien aan de +haren van Rika Obbes, waarop Lachebekje in haar verlegenheid wees; Rika +Obbes was er heelemaal het meisje niet naar om grapjes uit te halen of +een ander aan het lachen te maken. + +Zoo kwam het, dat Lachebekje in den hoek werd gezet. Heel veel kon het +haar niet schelen. Er was toch prettigs genoeg altijd. Als ze dat aapje +maar in den geest voor zich zag, sprongen de tranen haar al in de oogen +van het lachen. + +Met zijn oranje—ha, ha!—met zijn omgekruld oranje staartje had hij ten +slotte heelemaal aan den ondersten dunnen krul van Rika’s haar +geslingerd. Lachebekje was er zeker van, dat zijn neus in den inktpot +gehangen had. En niet denkend aan den hoek, waarin ze stond voor straf, +noch aan de onderwijzeres, noch aan de mogelijkheid, dat ze zich een +zwaarder straf op den hals kon halen, barstte ze opnieuw in lachen uit. +Die aap!! + +De juffrouw voor de klasse schudde het hoofd; dat was toch waarlijk al +te erg. En Lachebekje kreeg een uur schoolblijven op den koop toe. + + + + + + + + +II. + +TOEN EVELINE DOROTHEA MARGARETA WILDEVANK NOG EEN KLEIN MEISJE WAS. + + +De baker had gezegd, toen Eveline Dorothea Margareta Wildevank tien +dagen oud was, dat ze een klein, lekker, vroolijk lachebekje was. +Andere kinderen lachten eerst veel later, die deden in het begin bijna +niet anders dan schreien. Maar Evi lag met klare, blauwe, open oogjes +in haar wieg met een gezichtje, of ze het erg prettig vond, daar zoo te +liggen op het zachte veeren kussen onder de warme wollen dekens. Haar +kleine knuistjes grepen naar de stofjes, die als goud glansden in den +zonneschijn, en ze lachte. „Wat is de wereld vol prettige mooie +dingetjes,” scheen ze te denken, „ik ben blij, dat ik er ben.” + +Toen ze drie jaar was, scheen niemand zich meer te herinneren, dat ze +drie lange deftige namen had, want iedereen noemde haar Lachebekje, +sommigen zeiden enkel Bekje, dat klonk zoo vroolijk en prettig, dat +Lachebekje altijd blij opkeek, als haar naam genoemd werd. + +Op school was het natuurlijk dwaas om te zeggen: „Ik heet Lachebekje of +Bekje,” toen werden de lange, plechtige namen weer voor den dag gehaald +en gerepeteerd, dat Lachebekje zich niet vergissen zou. + +En toen ze den eersten morgen al lachend het grappige, hooge gebouw +instapte en de vele aardige kindertjes zag, stapte ze naar de eerste de +beste juffrouw die ze zag, stak de armpjes op om haar goedendag te +kussen en zei: „Ik heet Eveline Dorothea Margareta Wildevank, maar +eigenlijk heet ik Lachebekje.” + +Toen ze thuis kwam, wat had ze toen niet te vertellen! + +De school was zoo raar en aardig. Daar waren allemaal banken, net als +in het Vondelpark, maar kleiner, en daar mocht je met zijn tweeën op +zitten. ’t Was heel prettig. + +Maar je mocht nooit eens van je plaats afloopen om naar een ander +kindje te gaan. En praten mocht je ook niet. Je mondje moest heelemaal +dicht zijn: zóó. En je handjes moest je zóó houden. + +Ze had erg moeten lachen om het spelletje. Maar de juffrouw had gezegd +dat het geen spelletje was. Het was om te leeren; als je zóó zat, dan +kon je mooi leeren, alles wat je wou. Lachen mocht je ook niet, dan kón +je niet leeren, had de juffrouw gezegd. + +„Maar ik moest tóch lachen, Moe,” had Lachebekje haar verhaal besloten, +„ik moest wat hard lachen, ik kon het heusch niet helpen. En toen zei +de juffrouw: „Je moet niet lachen, Eva; als je lacht zou je school +moeten blijven, zou je dat graag willen?”. En toen zei ik: „Ja +juffrouw, alsjeblieft,” want ik vond het wel prettig in de school; maar +toen zag ik, dat de juffrouw niet goed op me was, en ik héb niet mogen +schoolblijven.” + +Het duurde niet lang, dat Lachebekje dat zeggen kon. Ze mócht al heel +gauw nablijven; en toen ze het eenmaal gedaan had, en het lang zoo +prettig niet gevonden had, als ze zich had voorgesteld, moest ze het +later toch weer en nog heel dikwijls. Want ze vond het zoo vreemd, ze +kon het nooit onthouden, dat ze niets zeggen mocht tegen haar +buurmeisje, waarvan ze zooveel hield; ze mocht niet eens stilletjes +fluisteren, al hinderde het de juffrouw ook heelemaal niet, al kon die +het bijna niet hooren. + +Toch hield ze van de juffrouw, ze kon zoo mooi vertellen, en ze was +niet naar, alleen maar streng; en de juffrouw hield van Evelientje +Wildevank ook, al was ze ook nog zoo’n ongedurige kleine pretmaakster. + + + + + + + + +III. + +TRANEN. + + +Toen Lachebekje ruim een uur later dan gewoonlijk thuis kwam, lachte +ze. ’t Was ook aardig, ’t sneeuwde voor het eerst. Ze had een sneeuwbal +net langs haar neus gekregen. + +Vroolijk schudde ze haar bonten mutsje op het portaal uit, zoodat de +losse sneeuw er afviel. Haar manteltje klopte ze ook uit, de grond werd +er heelemaal nat van. Ze veegde nog eens goed haar voeten, voor ze de +kamer intrad. + +„Dag Pa, dag Moes,” zei ze opgewekt, „wat heerlijk, dat het sneeuwt!” + +„Dag kind,” zei haar moeder, „wat ben je laat.” + +„Dag Eva,” zei haar vader ernstig; „kom je nog thuis vandaag?” + +Lachebekje was nooit erg op haar gemak als haar vader haar zoo deftig +Eva noemde. + +„Ja, Pa,” zei ze deemoedig. + +„Zeker weer school moeten blijven, hè?” + +„Ja, Pa.” + +Lachebekje zuchtte. Het speet haar, dat haar vader zoo’n uurtje blijven +zoo ernstig opnam. + +„En waarom?” + +Lachebekje antwoordde eerst niet. Opeens viel het haar in, dat ze nog +geen week geleden haar vader plechtig beloofd had, dat ze niet meer +zooveel pret zou maken op school, dat ze haar best zou doen om zich als +een flink en degelijk meisje te gedragen, en niet om elke +kinderachtigheid te lachen. + +„Nu, waarom?” + +„Ik heb gelachen, Pa,” zei Lachebekje met een gezicht, dat nu in het +geheel niet vroolijk stond. „Ik moest zoo lachen, Lijsje had een aapje, +en....” + +Verschrikt hield ze op, mijnheer Wildevank sloeg met de hand op de +tafel. „Maar kindje, hoe is het mogelijk, hoe is het nu mogelijk, dat +je je door iedereen en door alles laat afleiden. Moest je naar dat +aapje kijken? Hadt je niets anders te doen? Bemoei je er niet mee als +een ander speelt. Denk toch aan je werk! Ik denk, dat je gedragboekje +weer alles behalve mooi zal zijn.” + +Evi kreeg een kleur. Ze voelde altijd een vreemde beklemdheid, als ze +aan haar gedragboekje dacht. + +Och, waarom waren er toch scholen, en waarom moest je toch altijd +leeren in de wereld, waarom kon je maar niet altijd lachen en blij en +vroolijk zijn? + +„We moesten nu maar beginnen met eten,” zei mevrouw Wildevank zacht; +„probeer het nu toch eens, kind, om ernstig te worden. Je bent niet op +school om te spelen. Je moet er goed leeren, zoodat je later wat worden +kan.” + +Evi had erge spijt. Ze dacht er nu niet meer aan, dat er in de wereld +altijd wel iets was, waar je om lachen moest. Ze kon het eten niet door +haar keel krijgen. Ze had heelemaal geen trek. Een groote traan viel +neer op den witten rand van haar bord. + +„Weest u maar weer goed op me!” snikte ze. + +Mevrouw Wildevank zag haar man aan, maar Mijnheer haalde ontevreden +zijn schouders op. + +„’t Is lachen of huilen,” zei hij, „maar van ernstig zijn en leeren en +je best doen komt nooit iets!” + +Als haar vader zóó sprak, was het Evi of haar hartje brak. „’k Zal nu +heusch mijn best doen,” beloofde ze, terwijl haar borst schokte van het +heftige snikken. + +„Nu, kom dan maar hier en geef me er een zoen op,” zei haar vader. + +Evi kon het nog niet eens doen; ze ging op zijn knie zitten en verborg +het gezicht tegen zijn schouder. Maar langzamerhand bedaarde ze, ze +pakte haar vader, gaf hem een paar flinke, klinkende zoenen, kuste haar +moeder ook, en nam zich voor in het vervolg altijd ernstig en flink te +zijn en niet zoo kinderachtig. + +Het eten smaakte haar; toen haar voor den tweeden keer werd opgeschept, +lachte ze alweer. Wat was de bloemkool heerlijk en wat was de jus +lekker bruin.—Pa moest eens kijken of het nog sneeuwde. Ze hoopte maar +dat het den heelen avond en nacht zou blijven sneeuwen. Het was zoo +prettig om elkaar met ballen te gooien. + +De wereld lachte Evi weer toe, en Evi lachte ook. + + + + + + + + +IV. + +IN SPANNING. + + +Het was de dag, die de groote vacantie voorafging. Een heerlijke +dag—aan één kant.—’t Was ook de dag van de verhooging. ’t Kon dus een +dubbel prettige dag zijn,—áls je verhoogd werd. Maar voor wie zitten +bleef, zou hij alles behalve pleizierig zijn. + +Lachebekje had dat ook al overdacht. + +O, als ze eens verhoogd werd! Als ze eens het gróóte geluk had, over te +gaan naar de zesde klas, de hoogste! Wat zou dat heerlijk zijn, bijna +te heerlijk! + +Zenuwachtig trok ze haar hagelwit schortje recht. Ze zat flink rechtop +in haar bank met den rug tegen de leuning. + +De les was al begonnen, nog twee uur en dan zouden ze den uitslag +vernemen. Twee uur! ’t Leek haar een eeuwigheid. + +Ze hadden lezen, anders een prettige les. Ze kreeg graag een beurt, ze +had een aardig helder stemmetje, en las vrij goed. + +Er werd een stukje behandeld, dat ze al eens meer gehad hadden. +Lachebekje kon er haar gedachten niet bijhouden. + +„Zou ik verhoogd worden, zou er nog kans zijn?” + +Haar hart klopte blij, als ze aan de heerlijke mogelijkheid dacht. + +Als het groote geluk haar te beurt viel, dan zou alles mooi en heerlijk +zijn. Pa en Moe zouden zoo blij zijn. Pa was zoo trotsch op zijn +dochtertje, als ze flink leerde. + +Hád ze flink geleerd?—Een diepe zucht steeg op uit Lachebekje’s +geprangd hart. Was het maar waar, dan zou ze nu niet zoo in angst +zitten. + +Al de uren, die ze verspeeld had met het les- of rekenboek vóór zich—en +dat waren er vele—kwamen haar nu voor den geest. + +Hoe was het toch mogelijk, dat ze zoo zorgeloos en onnadenkend had +kunnen zijn! Ze had het toch geweten, dat slecht gekende lessen ook +slechte cijfers geven op het rapport, en dat slechte rapporten +verhooging onmogelijk maken. + +„Eva!” klonk het opeens. + +Evi zag verschrikt op. Het duurde een oogenblik voor ze begreep, dat +het haar beurt was. Gelukkig moest ze met een nieuw stukje, een versje, +beginnen, anders had ze ook nog niet geweten, waar de les was. + +Ze las, maar haar stem klonk een beetje heesch en vreemd, en ze +hakkelde een paar maal, zoodat ze het coupletje over moest lezen. + +Ze begon opnieuw maar verslikte zich al in den eersten regel. + +„Nog niet mooi,” zei de juffrouw, toen Eva’s beurt voorbij was, „veel +te haastig gelezen, je kunt het beter.—Maar er is zoo veel, dat Eva +beter kan, en dat ze toch niet doet.” + +Met groote, verschrikte oogen zag Lachebekje op. Zei de juffrouw dat, +omdat ze niet verhoogd zou worden? Was het haar vonnis?— + +Maar de onderwijzeres lette niet meer op Eva, ze was weer geheel bezig +met de les, en Lachebekje kon niets op haar gezicht lezen. + +Het volgende uur was er schrijven. De schriften en pennenhouders werden +uitgedeeld. + +„Zorgt vooral, dat het laatste schrift, dat je in deze klas maakt, goed +wordt,” zei de juffrouw. + +Een nieuwe zucht ontglipte Eva’s borst. Zou het werkelijk het laatste +schrift zijn, dat ze in die klas maakte, of zou ze nog een jaarlang +dezelfde schrijfvoorbeelden moeten volgen? + +Ze deed haar uiterste best. Ze schreef altijd wel aardig, maar vaak te +gauw. Ze behoorde tot die meisjes, die steeds het eerst den regel +afhebben. Het was zoo gezellig, vond ze, om dan nog eens stil te zitten +en anderen te zien werken. Het spreekt vanzelf, dat er dan ook bijna +altijd wát aan haar werk mankeerde. Ze vergat de punt op een i of den +streep door de t’s of een letter uit een woord, zorgeloosheden, die Evi +zelf al heel licht telde, maar die haar meestal een laag cijfer voor +haar schrift bezorgden. + +Nu was ze niet het eerst met haar regel klaar. Integendeel, ze schreef +met pijnlijke langzaamheid en angstige nauwgezetheid. Ze teekende de +letters één voor één, maakte de neerhalen dik, de ophalen dun. Haar +hand beefde van de inspanning, aan enkele letters was het duidelijk te +zien, die schenen zelf te trillen als je er lang naar keek. + +Toen ze aan den derden regel was, en de juffrouw eens langs kwam, tikte +ze Evi bemoedigend op den schouder. + +„Keurig,” zei ze, „dat gaat goed zoo.” + +Evi kleurde en zuchtte van plezier, en opeens kwam de hoop weer met +kracht terug. + +Ze keek door het raam. Enkel zonneschijn was het buiten. Zou het ook +straks voor haar enkel zonneschijn zijn? + +Toen ze den vierden regel af had, en die nog beter geslaagd was dan de +vorige, lachten haar oogen weer. + +Als ze verhoogd werd, dan zou ze veertien dagen naar tante Wolfers in +Den Haag gaan, om bij Coba en Hanna, haar nichtjes, te logeeren. Ze +verlangde zoo naar Den Haag. Ze was er al eens geweest, en het was er +zoo heerlijk, in het Bosch, en dan Scheveningen en de mooie, blauwe, +wijde zee, en de heerlijke frissche zeelucht. + +Ze hoorde niet eens, dat ze aan den vijfden regel beginnen moest. Ze +was met haar gedachten aan het strand, het blonde duin met het +lichtgroene helm lag achter haar. Hanna en zij waren er juist komen +afrennen, en haar bloote voetjes waren heet geworden door het zand, dat +in den zonneschijn stoofde. Het deerde haar weinig. Rrsch! Daar kwamen +met een vaart de koele golfjes aanruischen, spoelden over haar voeten +heen, opspattend tegen haar beenen; en weg gleden ze weer, om een +oogenblik later terug te komen. Het was of ze een aanloop namen.... + +„Schrijf jij niet, Eva?” + +Lachebekje doopte haastig den pennenhouder in den inktpot. Ze had +gedroomd. Het is altijd pijnlijk om uit een prettigen droom te +ontwaken.—Ze liep niet aan het strand, maar zat op school. Zou ze wel +eens naar Den Haag gaan?— + +Een inktmop viel op haar schrift. Al haar mooie werk was nu bedorven, +en haar hoop was ook vervlogen, heelemaal. + + + + + + + + +V. + +VERHOOGING. + + +Een modelklas. + +Doodsche stilte. + +Vóór de klas, statig, de hoofdonderwijzeres, een groot, opengeslagen +boek in de hand. + +Twintig gezichtjes zien in spanning naar haar op. + +Rika Obbes snuit haar neus, wat haar door de anderen bijna kwalijk +genomen wordt. Dat geluid is storend, het is oneerbiedig, het maakt, +dat juffrouw Van Looveren, de hoofdonderwijzeres, met spreken wacht; +maar Rika kan het niet helpen, ze is verkouden. Nog eens niest ze, het +is schandelijk. + +Eindelijk begint juffrouw Van Looveren te spreken: „Het doet me +genoegen,” zegt ze, „dat in deze klas zeventien meisjes met goed gevolg +den cursus hebben doorloopen. Ik zal de namen opnoemen.—Je hebt allen +je lei en je tasch en je eigen boeltje bij je?” + +Gretig knikken allen; ze verlangen niets anders dan haar have en goed +mee te nemen en er mee naar de zesde klas te wandelen. + +„De boeken, die in deze klas hooren, laat jelui op de bank liggen. Wie +haar naam hoort noemen, gaat op de teenen naar de zesde klas—en vraagt +daar aan juffrouw Zandheuvel een plaatsje.” + +Weer knikken allen. En nu begint—„eindelijk,” vinden de meisjes—de +opsomming der gelukkigen. + +Rika Obbes is nummer een, die verhoogd wordt. Al niezend verlaat ze de +klas, nageoogd door de negentien anderen, die niets liever willen, dan +haar volgen. + +Nummer twee, drie en vier zijn ook al genoemd. Dan volgt Saartje +Willems, Evi’s buurmeisje. Lachebekje knikt haar vriendelijk toe, als +Saartje haar blij verrast aanziet. Ze is blij voor Saartje. Dan komt +Lizette Lubbers. Dan nummer zes, zeven, acht, tot dertien toe, dan +veertien, vijftien en zestien.... + +Lachebekje wordt bleek tot de lippen toe. Al haar hoop is verdwenen. Ze +kan nauwelijks luisteren naar den naam van nummer zeventien. Die wordt +niet dadelijk genoemd. + +„Nummer zeventien staat zóó zóó,” zegt juffrouw Van Looveren. „Ze heeft +meer gespeeld en gelachen met haar buurmeisje dan goed voor haar was.” + +Lachebekje is nu vuurrood geworden. Het hart klopt haar wild in de +keel. Zou ze dan toch.... + +„Kom eens hier, Dora Beyma,” gaat de hoofdonderwijzeres voort, „zou je +denken, dat je in de volgende klas wat meer je best zult doen?” + +Lachebekje hoorde niet meer Dora’s haastige belofte. Met treurige oogen +keek ze rond in het bijna geheel ledige lokaal, waar ze overbleef met +de twee domsten, toen schoten haar oogen vol tranen en, met het hoofdje +op de tafel, barstte ze in snikken uit.— + +Ada Blommers en Nette Waldstra hadden niet anders verwacht, dan dat ze +zouden blijven zitten; ze waren lui en dom én onverschillig geweest. Ze +huilden niet eens. Ze bogen alleen het hoofd onder de vermaning, die +juffrouw Van Looveren haar gaf. + +„Met jou moet ik eens een woordje spreken,” zei de hoofdonderwijzeres, +met iets dat naar medelijden zweemde neerziend op het krullige blonde +hoofdje vóór haar op de bank. + +Lachebekje hief zich met moeite op, over haar vuurroode, natte +wangetjes stroomden heete tranen. Ze zag er heelemaal niet als een +lachebekje uit. + +„Zou je graag nog een kans hebben om in de hoogste klas te komen, Evi?” +klonk het niet onvriendelijk. + +Zenuwachtig lachte Evi, terwijl een trillende zucht uit haar borst +opsteeg. De zonnetjes in haar blauwe oogen braken door, ze glinsterden +door haar tranen heen. + +„Of denk je,” ging juffrouw Van Looveren nu weer ernstig voort, „dat +het toch niet helpen zal? Dat je, zoodra je eenmaal verhoogd bent, weer +den ouden weg zult opgaan, en lachen en spelen en zorgeloos je werk af +roffelen?” + +Heel ernstig schudde Evi het hoofd; áls ze verhoogd werd, zou ze zéker +haar best doen. + +„Ik weet niet, of ik goed op je belofte aan kan; heb je je niet al +dikwijls voorgenomen je best te doen, en wat is er dan van gekomen?” + +Lachebekje had beschaamd het hoofd gebogen. + +„Enfin, ik wil het eens drie maanden met je probeeren. Blijkt het, dat +je een flink meisje kunt zijn, dat begrijpt, dat ze leeren moet,—dan +kan je er blijven en dan zal het je ook zeker niet moeilijk vallen met +de anderen gelijk op te leeren, want dom ben je niet. Maar doe je niet +uitstekend je best, ga je met een luchtig hartje je ouden gang,—dan +wordt je onvoorwaardelijk verlaagd.—Geef me nu een hand, Evi, en beloof +me, dat je een ferme meid zult zijn.” + +Lachebekje gaf de juffrouw een hand, ze had haar wel een kus willen +geven, zoo blij was ze, dat ze nog kans had! + + + + + + + + +VI. + +„IK GEEF NIETS OM DIE KANS.” + + +Haar vader was niet zoo blij. „Ik geef niets om die kans,” zei hij. +„Dan moest je een ander meisje zijn. Ik geloof er niets van, dat je nu +je best zult doen. Het zal natuurlijk gaan als altijd. Eerst heel mooi +beginnen, een halven dag, een dag lang misschien. Dan denk je: +Gelukkig, ik heb me zoo ingespannen, ik hoef me nu niet langer zoo uit +te sloven. En je gaat lachend je ouden weg. + +„Neen, voor mij is het precies hetzelfde, alsof je niet verhoogd was. +Ik hecht niemendal aan die kans, want je maakt er toch geen gebruik +van. Het is over drie maanden een teleurstelling te meer.” + +Evi dorst niets te zeggen; ze zat aan tafel met een bleek gezichtje. Ze +vond het vreeselijk, dat haar vader geen geloof meer in haar had. Ze +meende het zoo ernstig, dat ze haar best zou doen. + +Haar moeder pleitte voor haar. + +„Kom,” zei ze goedig, „ik geloof, dat Evi het nu wel meent.” + +„Ze heeft het altijd gemeend, als ze iets beloofde, en toch heeft ze +haar woord niet gehouden. Ze méént het, ja, voor een oogenblik; morgen +is ze het weer vergeten. + +„Hebben we niet jaar aan jaar dezelfde geschiedenis gehad, was haar +rapport ooit zoo goed als het wezen kon?—Ze is vroeger overgegaan, maar +hoe? Altijd was het bij het kantje af.—Heb ik haar niet gewaarschuwd +van het jaar? Heb ik niet herhaaldelijk gezegd, dat het verkeerd ging, +dat het zoo spaak moest loopen?—Hoeveel tranen heeft ze om het laatste +rapport niet geschreid, hoeveel goede plannen had ze toen niet voor de +laatste twee maanden! Ze zou zich beteren en ijverig zijn en ernstig. +En wat is het slot ervan? Dat haar cijfers nog verminderd zijn.” + +Het was alles zoo waar, wat haar vader zei. Evi liet het hoofd nog +dieper zinken, om de tranen te verbergen, die haar vader nog meer +zouden hinderen. Ze moest hem gelijk geven; het scheen waarlijk, dat ze +onverbeterlijk was. + +„Alle hoop is toch nog niet verloren,” zei mevrouw Wildevank zacht. +„Misschien is dit nu voor altijd een les voor haar. Als ze eenmaal +geleerd heeft met ernst te werken, zal het haar later makkelijk vallen. +Ze moet nu maar eens niets beloven, dezen keer, en ons door daden +toonen, dat ze het ernstig meent. Ze is er toe in de gelegenheid, want +de juffrouw van haar klas heeft haar heel wat huiswerk opgegeven om +zich te oefenen, en het achterstallige zooveel mogelijk in te halen.” + +Lachebekje knikte, ze zag haar moeder dankbaar aan. + +„Jij moet het weten, of je nog vertrouwen in haar wilt stellen,” klonk +het koeltjes terug. „Het is mij onverschillig. Ze kan voor mijn part +naar Den Haag gaan en met Hanna spelen zooveel als ze wil. Ze zal haar +verdriet gauw vergeten. + +„Het beste zal zijn, dat we ons plan maar opgeven om haar onderwijzeres +te laten worden. Haar verstand is goed genoeg, maar dat alleen is niet +voldoende. Daar moet goede wil en standvastigheid bijkomen. + +„Nu, maak het samen maar uit, mij is alles hetzelfde.” + +Mijnheer Wildevank vertrok diep teleurgesteld. Evi stond voor het raam +en zag hem na. Hij keek niet zooals anders nog eens naar boven, toen +hij aan den overkant was, hij liep voort met een ernstig, misnoegd +gezicht, zijn stap lang niet zoo opgewekt en veerkrachtig als +gewoonlijk. + +Zooveel leed had Lachebekje in haar leven nog niet gekend. Haar vader +vertrouwde niet meer op haar, hij geloofde haar niet langer! + +Toen hij den hoek was omgeslagen zonder nog eens, als was het ook maar +even, naar haar op te zien, om haar goedendag te knikken, had ze een +gevoel of alle vreugd voor altijd voor haar verloren was. + +Ze huilde niet. Stil sloop ze naar boven naar haar klein kamertje. Met +een hart, zwaar van droefheid zette ze zich aan haar werktafeltje neer. +Ze begon het pakje boeken los te maken, dat ze van school had +meegebracht. + +Vijf en twintig sommen moest ze in de vacantie uitrekenen. Maar daaraan +kon ze niet beginnen. Haar hoofd voelde zoo leeg en raar. + +Ze had ook nog thema’s te maken, die zouden beter gaan, als ze het +langzaam aan deed, en telkens als ze twijfelde, de spraakkunstregels +opsloeg. + +Ze zuchtte van zenuwachtigheid. Ze wou haar vader dan toch toonen, dat +ze niet enkel een speelsch, onbeduidend ding was, dat ze niet altijd +even klein en kinderachtig bleef. + +Ze had het thema opgeslagen en ze las: „De schuldigen zijn veroordeeld +tot gevangenisstraf.” Ze vertaalde meteen: „Les coupables ont été...” +de woorden „veroordeeld” en „gevangenisstraf” moest ze beide opzoeken. +Ze vond opzoeken iets vreeselijks. Meestal liet ze de woorden, die ze +niet wist, oningevuld. Ze ging dan stilletjes met haar schrift naar +Saartje Willems, die een verdieping hooger woonde, en bij haar schreef +ze de woorden even bij. + +Nu bladerde ze haastig in de dikke dictionnaire en zocht en vond ze. + +Toen begon ze aan den tweeden zin, waarvan ze het eerste woord het +beste al niet kende. + +Langzaam tobbend, worstelend met de moeilijkheden, die ze vroeger +vermeden of veronachtzaamd had, vorderde ze zin voor zin. + +Ze hield niet op met werken, toen het mooie orgel voor de deur +stilhield, met de dansende poppen, dat ze anders zoo graag zag; ze keek +zelfs niet op, toen de hardlooper voorbij kwam draven en den hoogen +zijden hoed op zijn neus liet balanceeren. Ze was dof in het hoofd en +haar oogen voelden moe. ’t Kwam doordat ze zoo verdrietig was, omdat ze +haar vader leed had gedaan. + +Na een half uur kwam mevrouw Wildevank eens kijken, wat Evi deed. + +Met een bleek gezichtje zat Lachebekje ingespannen te werken. + +Mevrouw Wildevank knikte: „Juist, zoo is het goed, kind. Blijf nu +ijverig je best doen, dat je toch verhoogd wordt, hè? Wat zal Pa dan +blij zijn.” + +„Ik wou—dat Pa weer van me ging houden,” snikte Lachebekje opeens, +terwijl ze in haar droefheid de pen uit de hand liet vallen, die een +groote klad op haar werk maakte. + +Arm Lachebekje! Dat de wereld ook zoo hard is, en de onderwijzeressen +zoo streng zijn! + + + + + + + + +VII. + +UIT LOGEEREN. + + +„Ga je ook niet mee?” vroeg Lachebekje, „kijk daar heb je het zonnetje +alweer.” + +„Welja, ga mee, Koos,” drong mijnheer Wolfers ook. + +„Neen, Pa, heusch niet, ik blijf werkelijk liever thuis. Daar drijven +zulke vrééselijk donkere wolken.” + +„Die drijven voorbij, Coba; ’t wordt zeker nog mooi weer.” + +„Hè, neen, Ma,” klonk het bijna huilend, „ik zou toch met mijn oude +jurk ook niet willen gaan, dan heb ik er echt geen aardigheid in, en op +mijn nieuwe zou ik niet graag een bui hebben.” + +„Nou, zeur maar niet langer,” klonk opeens een jongensstem, „’t is +best, hoor!” + +„’k Zou voor jou toch ook niet meegegaan zijn,” klonk het onvriendelijk +terug. + +Hanna luisterde niet eens meer naar haar zuster, maar draafde achter +Lachebekje aan, de trappen af. + +„Hola, Hans!” riep haar vader haar terug, „als het weer goed blijft, ga +dan naar Scheveningen, hier heb je wat voor de tram en een kleine +vertering.” + +„Dank u, Pa!” zei Hanna salueerend, toen sprong ze uitgelaten naar +beneden. + +„Naar de tram, voorwaarts, marsch!” riep ze, zoodra ze op straat stond. + +„Kijk die lucht eens!” zei Lachebekje opgetogen, „zoo blauw als— —” + +„Een vergeet-mij-nietje,” zei Hanna, gemaakt haar grooten mond wringend +tot een heel kleinen. „Maar het is een heerlijk meevallertje, ik had +het vanmorgen niet gedacht, hoor!” + +„Wat een prachtige laan is dit toch,” zei Lachebekje toen ze boven op +de tram zaten, „net een groene poort, als je in de verte kijkt.—Zie nu +het zonnetje eens, heelemaal doorgebroken. Wat jammer toch voor Coba, +dat ze niet is meegegaan.” + +„Och, Coba is altijd mal,” zei Hanna norsch. + +Evi lachte. „Jelui bent niet erg vriendelijk tegen elkaar,” zei ze. + +„Als ze ook altijd zoo gek is! Altijd heeft ze wat bijzonders. Hoe +vondt je het vanmorgen, toen mijn strengel haar weer niet mooi genoeg +was?” + +„Nu, héél mooi zat hij niet,” zei Lachebekje zacht, „er staken veel +sprieten uit.” + +„Maar de drukte, die ze toen maakte, toen ik mijn haar even in de kamer +losmaakte.” + +Lachebekje begon opeens te schateren, niet om Coba’s „drukte”, maar +omdat ze aan de woeste manier terugdacht, waarop Hanna in eens, +roef-roef, haar strengel losgemaakt, en haar hoofd met een ruk heen en +weer gezwaaid had, zoodat de haren gefladderd hadden, als de manen van +een paard, dat zijn kop in den nek gooit. + +„Coba is liefst een dametje,” zei Hanna, „heb je wel gemerkt, dat ze +het altijd heel naar vindt, als Pa haar Koos noemt? Ik doe het ook wel +eens om haar te plagen,—en ik ben liefst een jongen. Ik zou graag echt +Hans heeten.—Meisjes geven altijd om zulke flauwe dingen. Wat maal ik +er om of mijn scheiding recht of scheef zit, of ik een roode jurk +aanheb met een hoed met blauw lint, of mijn rok te kort is, of dat mijn +kousen eens afzakken. Ik bind ze eenvoudig weer op, dat is al. Coba wil +niet met me loopen, alleen omdat ze zegt, dat mijn kousen me altijd op +de hielen hangen. En ik trek ze wel honderdmaal op een dag op, en doe +den band zoo stijf, dat het me altijd pijn doet; ik kan mijn beenen +toch niet afbinden voor haar plezier!” + +Evi lachte om de inspanning, waarmee Hanna op datzelfde oogenblik bezig +was het riempje om haar kous vaster aan te halen. + +Vijf minuten later stonden ze op het strand en was Hanna alle grieven, +die ze tegen Koos had, vergeten. + +Hè, wat was het daar heerlijk! Evi genoot. Ze begonnen met een flinke +wandeling te doen, zóó dicht langs de kust, dat het water meer dan eens +over haar lage schoentjes spoelde. + +„We moesten maar dadelijk een glas limonade nemen, hè?” zei Hanna. + +Evi vond het uitstekend. „Of als we terugkomen?” vroeg ze. + +„Ik mocht het geld eens verliezen,” zei Hanna voorzichtig. „Ik heb hier +aan het strand al zooveel verloren, een portemonnaie, een mesje, een +nécessairetje, een armband—enfin, dat is mijn eigen schuld, zulke +dingen moest ik dan ook maar niet aandoen.” + +„Hoe is het mogelijk!” riep Lachebekje, terwijl ze haastig naar haar +zak tastte, waarin haar beursje gelukkig nog aanwezig was. + +„Ik begrijp het zelf niet,” zei Hanna, „maar toch is het zoo. Een mooi +bloedkoralen halssnoer ben ik ook kwijtgeraakt, en hoopen +haarlinten—maar die verlies ik overal,—eens zelfs een pelerine van een +splinternieuwe jurk. Die had ik nogal afgedaan om ze te sparen. ’t Was +een beeldige, met zij gevoerd. Uren heb ik er naar loopen zoeken, maar +mis, hoor! en Pa’s reistasch, een splinternieuwe, zoo’n bruinleeren +city-bag, die ik mee had genomen en die vol was gepropt met broodjes +met vleesch en krentenbroodjes. Een pond kersen zat er ook in, en zelfs +een bibliotheekboek. We zouden met een paar schoolmeisjes een heelen +dag in Scheveningen doorbrengen. Maar er kwam niets van in. We moesten +naar huis, de honger joeg ons.—Op een gegeven oogenblik, daar was de +heele tasch weg. Verdwenen, spoorloos! Al ons zoeken vergeefs. Heele +duinen hebben we omgegraven. + +„Wat ik daarover heb moeten hooren! Er moest een nieuw bibliotheekboek +worden gekocht. Pa schoot het voor, één gulden vijf en twintig kostte +het. Maar ik heb er weken lang mijn stuiver zakgeld voor gemist.—Wat +een geluk nog, dat het geen boek in twee of drie deelen was, hè?” + +Hanna en Evi namen op de stoeltjes bij de limonadetent plaats en +verkwikten zich aan een kwast, die ze bij kleine teugen uit rietjes +opzogen. Het was zoo’n heerlijk koel drinken, een flink stuk helder ijs +dreef er in. + +„Je hebt er lekker lang aan, met zoo’n rietje, hè!” zei Hanna tusschen +twee trekjes in. + +„O, ja!” Maar Lachebekje was afgetrokken. Oude, bijna vergeten +sprookjes kwamen haar voor den geest. Hoe kwam het toch, dat Hanna aan +het strand zooveel verloren had? Waarden er duingeesten rond, of doken +de meerminnen, voor stervelingen onzichtbaar, uit de golven op om de +menschenkinderen te berooven?—Ze had wel eens van drijfzand gehoord, +maar daarin verdwenen de menschen en geheel en al, en niet alleen hun +kostbaarheden. + +Al haar spookachtige gedachten gingen op de vlucht bij het zien van de +grimmassen, die Hanna maakte toen ze het stuk ijs in haar mond had. + +Evi moest er zóó om lachen, dat de limonade links en rechts over haar +glas heenspatte. „Je hadt niet dwazer kunnen kijken als je een kokend +heeten aardappel in je mond gehad hadt,” zei ze. + +„’t Was ook net of ik me brandde van de kou,” zei Hanna, haar tong zoo +ver mogelijk uitstekend, om het laatste spoor te kunnen zien van het +wegsmeltend stukje ijs. + +„Je kunt je wel branden van de kou,” zei ze met een gezicht of Eva haar +had tegengesproken. „Heb je nooit gehoord van zeelui, die zich bij +fellen vorst branden bij de aanraking van metalen voorwerpen? Heb je +nooit gehoord, dat wielrijders in een strengen winter zoo moeten +oppassen, dat ze niet met de bloote hand den stalen stuurstang +omvatten?” + +Evi was overbluft. + +„O, zoo!” zei Hanna op de manier van een straatjongen, die een ander +„getroefd” heeft. Toen blies ze met kracht het rietje ver voor zich +uit, keerde haar glas om, zoodat de laatste druppels in het zand +verzonken, met een beweging, die ze wel eens gezien had van een +koetsier, vóór hij zijn bierglas aan den kellner teruggeeft,—en +betaalde. + +Lachebekje had erg veel schik in Hanna’s kwajongensgrappen. Ze was +vooraf een beetje bang geweest voor al te hoofsche manieren. Ze had +gedacht, dat alle Hagenaarstertjes verfijnde nuffen waren. En ze had +vooral gevreesd, dat ze erg bij Hanna zou afsteken, omdat die van haar +leeftijd was, en het verschil in vormen dus des te meer zou uitkomen. + +„We moeten eerst nog maar een goed eind loopen,” stelde Hanna voor, +„dat we een beetje uit de menschen komen.” + +Lachebekje vond het best, het was zoo aardig om ver van de anderen met +je tweeën te staan op het strand, en de groote zee te zien. Het leek +dan net of de zon en de zee, alleen voor je beitjes waren. + +„We konden net zoo goed draven, als loopen,” zei Hanna, „er zijn zoo +akelig veel menschen, we komen hun anders nooit voorbij.” + +Lachebekje gaf alleen antwoord, door Hanna hard voorbij te hollen. Ze +kon loopen als een kievit, en toch zoo netjes, dat niemand aan haar +zien kon, hoe ze draafde. + +Hanna, met haar lange beenen en te korte rokken, die op school den naam +had van de steltloopster, en bijna alle meisjes van haar klas bij een +wedloop achter zich liet, was er verbaasd over. En het prikkelde haar +tegelijk. Zoo’n klein ding! Daar wou ze zich toch niet den loef door +laten afsteken. Ze deed haar uiterste best om Evi in te halen, en liep +met zoo’n vaart, dat de hielen haar van achteren tegen de rokken +sloegen. Aan Hanna was het des te meer te zien, dat ze rende. Het waren +niet alleen haar beenen, waarmee ze, zooals Coba zei „maaide”, maar +alles aan haar scheen mee te rennen. Haar armen zwaaide ze als +molenwieken, haar vuurrood gezicht stak vooruit als de kop van een +vogel in zijn vlucht, het krullende haar waaide om haar slapen heen, de +hoed danste haar in den nek, de vlecht, waarvan ze dadelijk lint en +band verloren had, zwiepte als een vlossen paardestaart op haar rug en +speelde hopsa-janneke bij iederen stap. + +Ze hijgde, lachte, riep, veranderde eindelijk van koers en liet zich +amechtig neervallen, tegen de zachte helling van een duin. + +Lachebekje had zich ook omgekeerd en zette zich een oogenblik later +naast haar neer. + +„Je bent moe, hè, Han?” zei ze. + +„Jij niet, hè?” zei Hanna met een tikje spot. + +„Niet erg,” zei Evi naar waarheid; ze zag er niet eens heel warm uit. + +„Ik ben doodaf,” zuchtte Hanna, „maar jij loopt ook als de wind, ik kón +je niet krijgen en ik verzeker je, dat ik in den letterlijken zin +poot-an heb gespeeld.” + +Lachebekje zette haar hoedje af en schaterde het opeens uit. „Maar jij +loopt ook met je heele lichaam,” zei ze, „ik heb eens omgekeken, en ik +zag je aankomen, net een....” + +„Net een....?” vroeg Hanna. „Spreek je hartje maar uit, kind, ik houd +wel van beeldspraak en bloemrijke taal.” + +„Net een groote glazenmaker met zes pooten, die alle zes tegelijk in +beweging zijn!” + +Het was de muziek van Evi’s helderen schaterlach, die Hanna mee deed +lachen, en tegelijk haar vermoeidheid scheen weg te blazen, want ze +sprong op, snelde naar den top van het duin, waartegen ze gerust had, +en liet zich, met een waarschuwend: „Van onderen!”, naar beneden +rollen. + +Evi sprong opzij, om niet bestoven te worden door het opgewoelde zand. +Het was een bespottelijk gezicht, een gefladder van rokken en haren, +een lawine van zand. Hanna’s gezicht met de dichtgeknepen oogen, was +als een roode kool, haar lichaam met de gestrekte armen, een stijve, +onbeweeglijke massa, een zuil, rollend naar omlaag met steeds grooter +snelheid, verdringend en meesleepend het zand, dat haar in den weg lag. + +Toen ze aan den voet gekomen was, stond Hanna op; ze was zwaar van het +zand; als blonde beekjes stroomde het haar aan alle kanten uit de +kleeren, het kriebelde haar in den nek en in het haar. + +„Je moest mijn rug eens voelen,” zei ze, „daar zit een half duin in, en +mijn hoofd, ik voel me als een tol, alles draait om me heen, ik zie de +zon net als een groot vuurwerk, waaruit duizenden vonken spatten; maar +het is heerlijk om zoo te rollen, het is zoo’n eenig, wonderlijk +gevoel, ’s nachts droom ik er nog dikwijls van.” + +„Ik geloof graag, dat het een wonderlijk gevoel is,” zei Evi, „maar ik +denk niet, dat ik het erg prettig zou vinden.” Ze zag op de helft van +het duin een klein rood puntje uitsteken, en ging eens kijken wat het +wezen mocht. + +Zegevierend kwam ze een paar tellen later bij Hanna terug, in de ééne +hand Hanna’s rood zijden strik, in de andere haar zakdoek. + +„Die hadt je in den val verloren,” zei ze, „ik begrijp nu ook best, wie +de duingeesten zijn, die jou van je sieraden en bezittingen berooven.” + +Hanna sprong op, haar duizeligheid was voorbij; met een gezicht, dat +straalde van blijde verrassing begroette ze haar verloren schatten. „O, +wat ben jij een engel, om dat voor me te vinden.—’t Is de mooiste +strik, dien ik heb,—het elastieken lusje is er nu van gebroken,—en mijn +zakdoek ook, een geborduurde nog wel! Je moet weten, dat ik altijd na +een wandeling gefouilleerd word, en wee mij, als er wat aan den +inventaris ontbreekt!” + +„Hoe is het mogelijk, hè,” zei Hanna nog eens, terwijl ze lint en +zakdoek met teedere bezorgdheid in den zak stak, die zwaar van zand +was, „wat zou je toch gauw iets kunnen kwijt zijn.” + +„Zullen we nu eens een voetbad gaan nemen?” vroeg Evi. „Mijn beenen +zijn gestoofd.” + +„En de mijne,” riep Hanna, haar lage schoentjes uitschoppend, die met +zand gevuld waren; het was verwonderlijk, hoe er, behalve voor Hanna’s +voeten, in die schoentjes plaats was geweest voor zóóveel zand. + +„Dat is het allerprettigst,” zei Evi, met de rose mollige voetjes +dapper het water wegtrappend, zoodat het hoog opspatte tegen haar +beenen. + +Ja, dat wás het prettigst. Onder de groote zonnehoeden liepen de +meisjes, de kustlijn volgend, naar Scheveningen terug, steeds plassend +in het heerlijke frissche water. De aanrollende golven klotsten haar +stoeiend tegen de beenen en wierpen haar een regen van druppels tegen +de knieën. + +Hanna had een zeer vernuftige manier uitgedacht om kousen en schoenen +mee te voeren zonder er last van te hebben. De kousen had ze namelijk +aan elkaar om het middel gebonden, en de schoentjes er met de veters +aan vastgemaakt, zoodat die haar op den rug bungelden. Het was prettig, +dat ze zoo de handen vrij hadden. + +„Wat heerlijk is het hier, hè?” riep Lachebekje, omziend met een +stralend gezichtje. + +Als stadskindje genoot ze dubbel van al het natuurschoon. Het kwam haar +voor, of ze de zon nog nooit zoo mooi gezien had, een gouden oog in den +wijden blauwen hemel; en de woelige zee, dat levende water met zijn +duizenden tinten, wisselend van diep hemelsblauw tot smaragdgroen en +zilver; enkel vloeiend, schitterend zilver, waar de zon er zich in +spiegelde. De vroolijke golfjes met hun eindeloos gespeel, die met een +blijden lach kwamen aanruischen, en dan weer hard wegliepen als +dartelende kinderen, deden Lachebekje schateren van plezier. ’s Avonds +in bed hoorde ze nog vaak den eentonigen zang van de zee, als ’t geluid +van den wind, die ritselt door breede boomkruinen heel in de verte. En +dan kwamen haar ook voor den geest brokstukken van wat ze gezien had: +zacht glooiend blank duin, wit in den zonneschijn, hier en daar +begroeid met glanzige helmsprieten, en boven de golvende duinenlijn, +mooi blauw de klare lucht, waarin ijle zilveren wolkjes zweven als +ragfijne sluiers. Dan zag ze de kinderen aan het strand, met hun bloote +voetjes, rozerood als de zeeschelpjes, en hun door de zon gebruinde +armen. Ze hoorde hen joelen en lachen, hun stemmetjes schenen weg te +waaien, de wind nam ze mee. Hun blonde krullen fladderden, terwijl ze +zich bukten om kanalen en grachten te graven, kleine kabouters met +gezonde wangen, rood van inspanning, frisch van de koele zeelucht.— + +Of ze lag weer heerlijk lui tegen het duin, in een bed van zand, +blozend, warm, het zonlicht nog voelend door de dichte oogleden heen, +en liet zich in slaap zingen door het wiegelied der deinende golven. + + + + + + + + +VIII. + +HERINNERINGEN. + + +’t Was met een hart vol dankbaarheid, dat Lachebekje op een zonnigen +Zaterdagmiddag weer in den trein stapte om naar Amsterdam terug te +keeren. Ze werd weggebracht, door Tante, Coba en Hanna. + +„’t Spijt me erg, dat je weggaat,” zei Hanna hartelijk. + +„Mij ook,” zei Coba, die Lachebekje graag lijden mocht en in die eene +week al wat van haar nuffigheid had afgelegd, omdat die zoo dwaas +afstak bij Evi’s natuurlijkheid. Het voorbeeld van Hanna, die met haar +woestheid weer aan den anderen kant overdreef, hielp haar nooit, ze +werd er juist nog damesachtiger en gemaakter door. + +Ook op Hanna had Lachebekje een gunstigen invloed gehad, omdat Evi +zonder een „verwaand, ijdel, neuswijs spook” te zijn, toch +meisjesachtig was, zoodat Hanna zich in haar tegenwoordigheid, zooals +ze zelf zei, een „linkschen, slungelachtigen boerenjongen” voelde. + +Mevrouw Wolfers zag Evi ook ongaarne vertrekken; ze had heel goed +opgemerkt, dat de tegenwoordigheid van het vroolijke logéetje op haar +beide meisjes een uitstekende uitwerking had. + +„Dag tante, ik dank u nog eens hartelijk voor alles,” zei Lachebekje, +de hand uit het portier stekend, „dag Coba, dag Han’! Tot Kersttijd, +hoor, vergeet niet, dat je dan allebei eens bij ons komt.” + +Met een schok zette de trein zich in beweging, Lachebekje knikte nog +wel tienmaal heel vriendelijk, wuivend met haar zakdoek; toen, nadat ze +zelfs de groote ronde schijf van Hanna’s breeden zonnehoed niet meer +zien kon, zette ze zich in haar prettige hoekplaats neer, en tuurde met +een blij gezichtje het raampje uit. + +Ze lette niet op de dingen, die ze voorbijstoomde, ze zat maar rustig +al het prettigs te overdenken, dat er in de laatste weken gebeurd was. +Ze had niet gedacht, dat haar na de eerste donkere vacantiedagen, zoo’n +gelukkige tijd wachtte. + +Ja, die eerste week, wat was die treurig en somber geweest. Lachebekje +zuchtte weer, als ze er aan terugdacht. Ze had gemeend, dat haar vader +voor altijd boos op haar bleef. Of neen, boos niet, dat was het juist. +Als hij werkelijk kwaad geweest was, zou de ijver, dien ze in den +eersten tijd aan den dag legde, hem wel zachter gestemd hebben. Hij was +alleen nooit meer aardig of vriendelijk tegen haar. Hij scheen niet te +kunnen gelooven, dat die ijver duren zou. Elken avond, als ze hem +goedennacht kwam zeggen, nadat ze den heelen dag flink gewerkt had, was +hij zoo koel tegen haar. Zoo, alsof hij dacht: „Je hebt je vandaag eens +uitgesloofd, maar ik zal je er niet voor prijzen, want ik weet, dat het +morgen toch weer mis is, en één dag hard werken kan de schade van een +heel jaar niet goedmaken.” + +Als Lachebekje dan in bed lag, nadat haar vader haar koeltjes een +nachtzoen had gegeven, had ze dikwijls gesnikt van verdriet. Ze meende +het zoo goed, het was zoo in ernst haar bedoeling, haar uiterste best +te doen, en het kostte haar zooveel moeite,—waarom geloofde haar vader +dan niet, dat ze zich inspande, dat ze alles doen wou, om maar weer te +maken, dat hij van haar hield? + +Ze vond de nachten zoo lang en donker, dikwijls kon ze niet in slaap +komen van verdriet. + +Ze had het haar vader zoo graag willen zeggen: „Wees u toch weer goed +op me, vertrouw me weer, alstublieft, ik wil vooruitkomen, ik zal +zorgen dat al mijn huiswerk in orde is, en dat ik in de hoogste klas +kan blijven, als ik er eenmaal in ben.” + +Maar ze zweeg; haar vader zou die praatjes maar kinderachtig gevonden +hebben; haar moeder had wel gelijk: door daden moest ze toonen, dat +haar bedoeling goed was. + +Maar het is zoo moeilijk om vol te houden, als je niet eens +aangemoedigd wordt door een vriendelijk woord. De sommen waren lastig, +ze had er zich vroeger zoo veel „eventjes” door Saartje Willems laten +uitleggen en bij de taalstukjes moest ze telkens weer de regels +opzoeken en die eerst leeren. Vroeger had ze er maar wat naar geraden. + +Op een avond, dat Lachebekje met een kleur van het werken van haar +schrift opkeek, had haar moeder haar toegeknikt en vriendelijk gezegd: +„Ze doet nu flink haar best, als ze nu zoo maar blijft voortgaan, dan +komt alles nog wel terecht.” + +Mijnheer Wildevank had niet opgekeken van de krant waarin hij zat te +lezen. „Ja, als ze zoo voortgaat,” had hij geantwoord,—„vleugjes van +ijver hebben we genoeg gezien, maar het heeft nooit lang geduurd.” + +Lachebekje had bijna niet voort kunnen gaan met schrijven, haar hand +beefde en er was een floers voor haar oogen gekomen. Stilletjes had ze +de tranen weggewischt, en ze had eens geslikt, want het was of haar +iets in de keel zat. Ze wou niet huilen, flink wou ze zijn, en haar +werk heelemaal afmaken. Zou haar vader dan niet weer goed op haar zijn? + +Toen de eerste vacantieweek om was, was Lachebekje met alles klaar +geweest. Het was een pak van haar hart, en het deed haar plezier, dat +haar moeder zoo blij was, maar gerust was ze niet.—Zou haar vader nu +weer vertrouwen in haar stellen, of nóg niet? Zou hij zeggen: „Het valt +me mee, dat je het een heele week hebt volgehouden, maar een week is +nog niets in vergelijking van drie maanden.” + +O, als hij dat eens zei. Hij zou gelijk hebben. Drie maanden is een +lange proeftijd, en Lachebekje kende zichzelf niet genoeg, om te weten +of ze de proef zou kunnen doorstaan.—Maar als haar vader geen geloof in +haar had, dan zou ze het zeker niet uithouden.... + +Zenuwachtig had ze gewacht, den heelen middag. Het had haar bijna +gespeten, dat ze klaar was, dat ze nu niets meer doen kon om haar ijver +te toonen. Ze had het werk nog eens nagelezen, hier en daar een +verbetering gemaakt en een slordige bladzij overgeschreven. Heel op het +eind had ze ontdekt, dat twee sommen totaal fout waren, en ze had ze +overgerekend zoo gauw ze kon; zou ze nu toch niet klaar zijn, als haar +vader kwam? + +Ze had door het werken zijn stap op de trap niet gehoord. Opeens had ze +haar vader in haar kamertje zien komen, vroolijk, opgewekt zooals hij +altijd was, vroeger. + +„Lachebekje,” zei hij, terwijl hij zich over haar heen bukte om haar +een hartelijken zoen te geven, „je bent een beste meid. Ik vind het +kranig van je, hoor, dat je deze week zoo goed hebt aangepakt. Nu ben +ik niet bang meer. Je zult de proef doorstaan.” + +Die domme Lachebekje, ze was gaan huilen! Maar mijnheer Wildevank had +de tranen weggewischt met zijn grooten zakdoek, een beetje onhandig, +want Evi’s verdriet bracht hem in de war. + +„Dwaze meid,” zei hij, „moet je nú huilen? Kijk liever eens wat ik voor +je heb meegebracht.” + +Met vingers, die nog een beetje beefden, maakte Lachebekje het pakje +open. Wat moest het anders zijn, dan een boek, dacht ze, maar ze dorst +het bijna niet te denken, dat het een boek zou zijn. + +Het was er een, een in een beeldig reseda-kleurig bandje. „Alles komt +terecht” stond er in mooie gouden letters op. + +Sprakeloos van vreugd had Evi naar haar vader opgezien. + +Mijnheer Wildevank had gelachen. „Zorg jij maar, dat alles terechtkomt, +hoor, Lachebekje.” + +Binnenin op het schutblad had haar vader geschreven: „Aan mijn Evi bij +haar verhooging.” + +Ja, haar vader had het vertrouwen in zijn dochtertje herwonnen; zóó +zeker scheen hij er van, dat ze den proeftijd met goed gevolg zou +doormaken, dat het Evi eer beangstigde. + +Als ze nu eens niet slaagde?—„Wie wil, die kan,” had mijnheer Wildevank +ernstig gezegd, „voorloopig moet je nu niet meer aan werken denken. +Geniet nu maar van je vacantie. Deze week moet je maar met Saartje +doorbrengen, en de laatste twee weken ben je bij tante Wolfers, ik heb +haar vanmiddag geschreven, dat je van haar vriendelijke uitnoodiging +gebruik mag maken.” + +Zoo was na die eene week van ernstig werken, de eene heerlijkheid de +andere opgevolgd. + +Evi zat dat alles in den trein te overdenken. + +Een gelukkigen tijd had ze gehad, en ze kwam terug, verfrischt naar +lichaam en geest, met roode wangen en koffiebruine handjes. De koele +zeelucht had haar goedgedaan, de geur der bosschen bracht ze in haar +kleeren mee naar huis. Haar kleine reistasch was, zoover de ruimte het +toeliet, gevuld met beuke- en hazelnootjes, met mos en boomschors, met +rose en lichtgekleurde schelpen, met zeehoorntjes waarin je de zee kon +hooren ruischen, als je ze voor de ooren hieldt. Haar hoofd was vol +prettige herinneringen en mooie voorstellingen van al wat ze gezien +had; en haar goed, vroolijk hartje was vol dankbaarheid voor alles, wat +ze in die heerlijke vacantie had genoten. + + + + + + + + +IX. + +EEN SAMENZWERING TEGEN LIJSJE LUBBERS. + + +Het wás gemeen van Lijsje Lubbers, daar was iedereen het over eens. +Maar wat was er aan te doen? Lachebekje had de straf al beet. + +„Wat er aan te doen is?” Sara Willems bruine oogen fonkelden. „Een +heeleboel is er aan te doen, de juffrouw moet het weten.” + +„Vertel jij het dan,” zei Rika Obbes, „je hebt gelijk, het is +onbillijk.” + +„Klikken doe ik niet,” riep Sara, „dank je wel.” + +„Maar hoe zal de juffrouw het dán te weten komen, als niemand klikt,” +vroeg Doortje Beyma nu ook, „want jij wil het niet zeggen, maar een +ander ook niet.” + +„Eén moet het zeggen!” zei Sara beslist. + +„Moeten we er om loten?” vroeg Rika. + +Sara schudde het hoofd. „Lizette zelf moet het vertellen,” zei ze, +„háár plicht is het.” + +„Lijsje Lubbers!” Er ontstond een verward gemompel. Lijsje! Die zou +niet willen. Ze zou er nooit toe te bewegen zijn. + +„Ze moet er toe bewogen worden,” klonk Sara’s stem, „wij moeten er haar +toe dwingen.” + +Er volgde een korte stilte. De meisjes dachten na. Sara kon wel eens +wat erg vurig zijn. Het gebeurde meer, dat ze in geestdrift was voor +een of ander plan, dat later onuitvoerbaar bleek.—Maar ditmaal sloeg +het aan. + +Rika, de bezadigde, was er voor gewonnen. „Ja,” zei ze met meer klem, +dan waarmee ze gewoonlijk sprak, „zoo moet het gaan. Wij moeten met +Lijsje spreken en ze moet zichzelf aanbrengen.” + +„Als wij er geen werk van maakten, zou het ónze schuld zijn, als +Lachebekje weer verlaagd werd.” zei Saartje weer. + +„Verlaagd zal ze toch niet worden,” dacht Dora. + +„Ja zeker, natuurlijk. Wat had het anders te beduiden, dat juffrouw +Zandheuvel zei: „Dat zal je spijten, Eva Wildevank. De drie maanden +zijn nog niet om! Kinderen die zonder reden onophoudelijk zitten te +lachen, kunnen we hier niet gebruiken.” + +„Evi werd heelemaal wit,” zei Rika medelijdend. + +Saartje Willems knikte. Zij zag vuurrood, zoo had ze zich opgewonden om +Lachebekje te verdedigen. + +„Maar hoe kunnen wij Lizette dwingen?” vroeg Anna. „Het zal haar niet +kunnen schelen, wat wij er van zeggen.” + +„Als ze het niet doet, moet niemand van ons meer een woord tegen haar +spreken,” zei Rika. + +„Ons heelemaal niet met haar bemoeien!” riep Saartje. + +„Waar is Lijsje?” vroeg Dora, die met een donkeren blik om zich heen +zag, als daagde ze Lizette al uit. + +„Als ze me goedendag zegt, steek ik mijn tong tegen haar uit!” Sara +deed het nu al, alsof ze zich oefenen wou. + +„Matig je,” zei Rika lachend, „het is immers niet gezegd, dat ze het +niet doen wil.” + +„Ik zou niet graag in haar plaats zijn,” zei Dora huiverend, „verbeeld +je, dat je naar de juffrouw gaat en zegt: „Juffrouw, ik zou u even +willen spreken.” En juffrouw Zandheuvel, stijf: „Wel?” En dan: +„Juffrouw, ik kom u even zeggen, dat Eva Wildevank om mij gelachen +heeft. Ik had u uitgeteekend met een grooten puntkraag om, een bril op +den neus, een pennenhouder achter het oor en een groote liniaal in de +hand; en uit uw mond kwam een wolk en daarin heb ik geschreven: +„Stilte, meisjes!”—En door uw hoofd heb ik een draadje gehaald, en zoo +liet ik u dansen, en daarom moest Eva Wildevank nu aldoor zoo lachen.”” + +Dora Beyma zweeg, geheel ademloos door het lange verhaal. + +„Ja, ’t is wel vreeselijk om zulke dingen te moeten zeggen,” zei een +van de meisjes met een ernstig gezicht en op een toon van beklag. + +Sara Willems kwam gauw tusschenbeide: „Nog véél vreeselijker is het om +zulke dingen te doen,” zei ze, „en het ergst van alles is, dat ze er +altijd een ander laat inloopen. Hoe dikwijls hebben wij voor haar niet +al straf gehad! Ik tenminste. Maar Evi nog meer, die lacht altijd zoo. +Ze kan zich nooit goedhouden.” + +„Ja, wat lachte ze,” zei een van het groepje, „ik zat naast haar, ik +hield mijn hart vast van angst dat ik ook mee zou moeten lachen. Ze kón +zich niet inhouden. Eerst werd ze vuurrood, bijna paars, ik was bang, +dat ze stikken zou, en toen, opeens, proestte ze het uit, de bank +schudde er van.” + +„Eerst moest ik ook lachen,” zei Dora, „maar zoodra ik Evi hoorde, +verstomde ik.” + +„Ik werd er ook naar van,” en Sara trok een diepen rimpel in haar +voorhoofd, „en het was des te pijnlijker, omdat de juffrouw in den +beginne zoo geduldig was. Ze was heelemaal niet boos en wachtte tot Evi +had uitgelachen, maar nauwelijks was ze weer bedaard met lessen +voortgegaan, of daar begon het lachen weer.” + +„En als de juffrouw tenminste nog maar geweten had waaróm ze lachte,” +zei Rika, „ik zou het verteld hebben in haar plaats.” + +„En ik!” riep Sara, met een levendigen knik. + +Een paar meisjes maakten zich uit het groepje los om naar huis te gaan, +ze hadden al zoo lang voor de school staan praten. + +„Vanmiddag vroeg komen,” riep Sara haar toe, „en dan allemaal tegelijk +op Lijsje af.” + +„Ze zal denken, dat we haar willen verslinden,” lachte Dora, „neen, we +moeten een van ons afvaardigen.” + +„Rika Obbes!” riep Sara. + +Dat werd goedgevonden; Rika zelf had er niets tegen. Zij zou het +Lizette kalm aan het verstand brengen. + +„Natuurlijk hoeft ze niet in bijzonderheden te treden,” zei Rika, „als +ze maar zegt, dat zij Evi aan het lachen gemaakt heeft, dan is het +voldoende.” + +Saartje knikte weer; dan zal de juffrouw haar zelf wel verder +uithooren, dacht ze, en het speet haar niets, dat Lizette hoogst +waarschijnlijk een flinke straf te wachten had. + + + + + + + + +X. + +OVERBLIJVEN. + + +Ondertusschen zat Lachebekje op school, bitter bedroefd. Ze moest +overblijven. + +Het was vreeselijk; ze had nog nooit over hoeven te blijven, zoolang ze +op school was. En nu, in haar proeftijd, gebeurde het. + +Wat zouden haar vader en moeder wel van haar denken, haar vader vooral! + +Het was niet voor het eerst, dat ze straf kreeg in die drie maanden, de +vierde keer was het al. + +Evi zuchtte, en nu was de straf zoo streng. + +Haar vader had niets gezegd, toen ze drie weken geleden eerst om vijf +uur was thuis gekomen. Hij had alleen gevraagd: „Heb je school moeten +blijven?” + +En ze had „ja” moeten zeggen; hoe vernederend was dat geweest! + +„Het zal nooit weer gebeuren,” dat had ze zich zoo stellig voorgenomen; +maar jawel, twee dagen later was het alweer zoo. Toen had ze, de les +geheel vergetend, een heelen tijd met een lint van haar jurk zitten +spelen, telkens en telkens had ze het weer overgestrikt, tot ze, opeens +opziend, de oogen van juffrouw Zandheuvel ontmoet had. + +„Herhaal jij die berekening eens?” had de juffrouw gevraagd, maar Evi +had niet eens geweten, welke som er bedoeld werd. + +Den derden keer had ze moeten blijven, twee dagen geleden, omdat ze +half dansend van pret uit de gymnastiek terug was gekomen. Toen was ze +er met een kwartiertje afgekomen. + +Maar nu! + +Lachebekje zuchtte diep. + +Ze keek eens op. Ze zat heel alleen in het lokaal, mét juffrouw +Zandheuvel, die een stapel schriften corrigeerde. + +Evi had niets te doen, niets dan „uit te lachen”, zooals de juffrouw +gezegd had. + +Maar Lachebekje lachte niet. Ze was heelemaal „uitgelachen”. Haar +groote, blauwe oogen staarden droevig naar de bank vóór haar, of +richtten zich naar de vensters met een verlangenden blik. + +Arm gevangen vogeltje! Ze had weg willen vliegen. Het weer was zoo +mooi. + +Honger bad ze ook. Eerst om halftwee zou Sara Willems komen met haar +boterham. Evi geeuwde. Juffrouw Zandheuvel had haar broodjes al op en +schonk zich uit een blikken kannetje nog een glas melk in. + +Evi deed haar best er niet naar te kijken, omdat haar trek er nog maar +te grooter door werd. + +Maar het was niet alleen, omdat ze haar vrijheid miste en omdat ze +honger had, dat Lachebekje zoo triestig was. Het meest griefde haar de +gedachte aan huis. Wat zou haar vader wel zeggen? + +Ze zag telkens voor zich het mooie reseda boek met den gulden titel: +Alles komt terecht, en het inschrift: „Aan mijn Evi, bij haar +verhooging.” + +Het was of die woorden haar brandden. Ze voelde, dat ze het vertrouwen +van haar vader, waarnaar ze zoozeer verlangd had, beschaamd had +gemaakt. + +Bij haar verhooging!—Het zag er werkelijk niet naar uit, dat ze +verhoogd zou worden! + +Wat was ze toch zwak en kinderachtig. Waarom kon ze zich niet tot ernst +dwingen? Waarom had ze ook naar dat poppetje gekeken, dat Lijsje +geteekend had; flauw kind, dat ze was! + +Het hielp niet meer, dat ze zichzelf nu beschuldigde, ze had de straf +moeten voorkomen. Of ze zich nu al voornam in het vervolg haar best te +doen,—wat zou het baten? + +Wat was het leven toch treurig. Of liever, wat máákte ze het zichzelve +toch tot een last. + +Ze was zoo gedrukt, zoo terneergeslagen. Hoe naar ze het ook vond een +heelen dag achtereen op school te zitten, ze verlangde er volstrekt +niet naar, naar huis te gaan. Het bezwaarde haar, dat ze thuis zou +moeten komen, en het dan vertellen, dat ze weer zoo dwaas gelachen had. + +Twee tranen gleden langs Lachebekje’s bedrukt gezichtje. Och, had ze +dat boek toch maar niet gekregen, ze verdiende het immers niet. Haar +vader had gelijk gehad. Het zou beter geweest zijn, als ze maar +dadelijk was blijven zitten.... + +„Kom eens bij me, Eva,” klonk juffrouw Zandheuvel’s stem. + +Lachebekje schrikte op uit haar gedroom; op de teenen, omdat haar +stappen zoo hol klonken in het leege lokaal, ging ze naar het podium. + +„Ik heb hier juist je werk nagezien,” begon de onderwijzeres, „het is +uitstekend. Er mankeert niets aan. Je bent, wat je werk betreft, flink +vooruitgegaan den laatsten tijd. Waarom ben je dan zoo kinderachtig, om +telkens te spelen en om niemendal te lachen?—Vertel me nu eens, waarom +lachte je toch vanmorgen?” + +Lachebekje kon geen antwoord geven. Ze had een kleur gekregen van +blijde verrassing, toen de juffrouw haar werk prees. Maar ze was +verlegen. Wát moest ze nu zeggen? Zou ze toch Lijsje Lubbers +verklappen?—Klikken was zoo laag en verachtelijk. + +Evi zuchtte, en keek naar den grond. + +De juffrouw moest wel denken, dat ze naar uitvluchten zocht. Dát maakte +het Evi des te lastiger om te zwijgen, dat juffrouw Zandheuvel zoo goed +en gemoedelijk was. + +Evi wenschte bijna, dat zijzelf een grap had gemaakt, zeker zou ze het +dan zeggen en om vergeving vragen. + +„Nu, Eva, kun je het me niet zeggen, waarom je lachte, of wil je niet?” + +Het plafond, waarnaar Lachebekje de oogen in wanhoop opsloeg, bracht +haar geen raad, en haar witte schortje evenmin. + +„Ga dan maar weer naar je plaats, als je niets te zeggen hebt,” klonk +het ongeduldig en gemelijk. + +Lachebekje ging, de afstand leek haar groot van het podium naar haar +bank. „Zal ik het nog zeggen?” dacht ze onder het loopen, „wat moet +Lijsje me ook telkens aan het lachen maken?” + +Maar ze zei toch niets, en troosteloos zette ze zich weer neer in de +vale bank. Ze keek nog eens op naar de onderwijzeres, doch die nam geen +notitie meer van haar. + +Ze hoorde, hoe er aan de voordeur gescheld werd, ’t zou Sara zijn met +haar boterham. Evi gaf er niet om, haar trek was over. + +’t Was Sara, met hoed en mantel kwam ze de klas in. + +„Juffrouw, hier is een boterham voor Evi Wildevank. Mag ik haar die +even geven?” + +Juffrouw Zandheuvel knikte. + +Sara had nog iets op het hart. „Lizette Lubbers is er ook,” zei ze met +schitterende oogen, „ze wou u graag wat zeggen.” + +„Laat haar maar binnenkomen,” zei de onderwijzeres. + +Lachebekje kon haar oogen niet gelooven, toen ze Lizette daar zag +aankomen met een kleur van verlegenheid. + +„Ik heb Eva aan het lachen gemaakt,” stamelde Lijsje, „’k had een +poppetje geteekend en dat liet ik dansen.” + +Ze zei er maar niet bij, dat het poppetje juffrouw Zandheuvel zelf +moest voorstellen. + + + + + + + + +XI. + +ALLES IS TERECHTGEKOMEN! + + +Evi Wildevank gaat naar huis, meer springend dan loopend. Ze lacht, de +blauwe oogen stralen, de witte tanden lachen vroolijk tusschen het +heldere rood van haar lippen. Het blonde krullende haar danst haar op +den rug. + +Ze loopt gearmd met Saartje, die ze af en toe in den arm knijpt van +plezier. Voor een winkel blijven ze staan. Maar ze kijken niet naar de +met zorg uitgestalde stoffen. Lachebekje heeft haar rapport geopend om +nog eens weer met Sara de mooie cijfers na te gaan. + +„Ik kan haast niet gelooven, dat het mijn boekje is,” zegt Lachebekje, +„’k heb nog nooit zoo’n goede gedraglijst gehad. En wat heerlijk, hè, +dat ik nu mag blijven in de klas, ’k had het nooit gedacht, jij?” + +„Zeker wel,” zegt Sara, „in den laatsten tijd wel.” + +’t Lijkt Lachebekje toe, dat de heele wereld vol geluk is. De kou, de +hard bevroren straten, de rosse lichten achter de winkelramen, alles is +even prettig. En ’t is zoo heerlijk, dat Sara Willems ook zoo blij is. + +Lachebekje drukt Saartje’s arm nog steviger. „Zullen we niet een klein +beetje aanloopen?” vraagt ze. + +Ze verlangt zoo naar huis. Ze kan het haast niet begrijpen, dat haar +vader het groote nieuws nog niet weet. En haar Moe zal ook zoo blij +zijn. + +„We draven al,” zegt Saartje buiten adem, maar ze versnelt toch nog +haar pas. + +„’k Hoop, dat er maar ijs komt,” zegt ze na een oogenblik, „een +Kerstvacantie zonder ijs is niet prettig.” + +Evi lacht. „Het zal wel blijven vriezen! Kijk, de bloemen staan op de +ruiten.” Evi is in een stemming om van alles het beste te hopen. + +Ze is ook zoo gelukkig. Ze heeft Kerstvacantie, Hanna en Sara komen +beiden bij haar logeeren. Ze zullen uitgaan, schaatsenrijden misschien. + +Maar wat haar hartje het meest verblijdt, wat haar doet huppelen van +plezier, dat is haar goede rapport en de zekerheid, dat ze in de +hoogste klas kan blijven. + +Ze voelt zich als een veertje zoo licht, als ze de trappen opspringt. + +Ze vergeet te groeten, als ze de kamer inkomt. Met een gezichtje, dat +door zijn warmen gloed haar blijdschap verraadt, geeft ze haar vader +het rapport over. + +Haar oogen stralen als zonnetjes. + +Ze is weer het oude vroolijke Lachebekje,—„mijn flink meisje,” zegt +haar vader, terwijl hij haar een zoen geeft op de warme wangetjes. + + + + + + + + + + +ONS TROEPJE. + + +I. + +OVER KOORDDANSEN EN KUNSTEN MAKEN. + + +We vormden een jolig, gezellig troepje toen we nog kinderen waren. Nu +zijn we groot, we hebben ieder ons eigen werk, we gaan ieder onzen +eigen weg, en kleine Emmie, de jongste, is aan influenza gestorven, +even voor haar twaalfde jaar. + +Maar toen was het anders. We waren na schooltijd haast altijd bij +elkaar, meestal in dezelfde kamer, en maakten zooveel pret als ons +huiswerk, Moe’s zenuwen en de buren het toelieten. + +Wij hadden heelemaal geen „zenuwen”; het kon me niemendal schelen, als +Jaapje tot in het oneindige zijn trompet liet schallen, als we kermisje +speelden, of als Toon, die clown was, met een ouden trommelstok op een +ijzeren potdeksel sloeg, dat hij een cimbaal noemde; als ik dan ook +maar het recht had, met fladderende haren in mijn gebreid rood wollen +onderrokje al zingende rond te dansen, met een oude, afgedankte voile +in de hand en een ouderwetsche tafelschel om mijn hals gebonden, die +bij de minste beweging vroolijk en luid rinkelde. Ik kwam mezelf dan +voor als een bovenaardsch bekoorlijk wezen, een toovergodin uit een +sprookje of een balletdanseres, en ik verzuimde nooit bij zoo’n +gelegenheid een hemelsch lichtblauw satijnen lint om mijn krullende, +blonde haren te binden, of de vier snoeren bonte kraaltjes, die Emmie +voor me geregen had, om mijn hals te winden. + +Zulke spelletjes deden we in den regel even voor we naar bed gingen, +als Toon en Jaapje hun witte hansoppen aanhadden, die hen altijd veel +te groot waren, omdat Moe ze op den groei had gemaakt. Het spreekwoord +zegt: de kleeren maken den man, en in dit geval ging het heelemaal op, +want die hansoppen maakten de jongens iederen avond weer tot dartele +clowns vol onuitputtelijke grappen. Ze begonnen meestal met +gymnastische toeren. Jaapje dacht, dat hij gelukkig zijn zou, als hij +driemaal achter elkaar, zonder tusschenpoozen, over zijn hoofd kon +duikelen, zooals Toon hem dat zoo meesterlijk voordeed. Daarom oefende +hij zich elken avond in die kunst. Maar, of het kwam, doordat hij te +dik en te zwaar was, het mocht hem nooit gelukken zelfs maar één keer +zooals hij het noemde: koppeltje te duikelen. Hij viel telkens schuin +neer naar rechts of naar links en bleef dan liggen, ineengerold, +terwijl zijn voeten zijn hoofd bijna raakten, als een dikke worst, +waarvan de uiteinden bijeen zijn gebonden. + +Ik voelde me, als mijn jurk en bovenrokken uit waren, zoo vrij en +luchtig en licht, dat ik altijd dansen moest, en het me wel eens +verwonderde, dat ik niet opsteeg als een luchtballon, of zweven kon als +een bloemblad, gedragen door den wind. + +Op zekeren dag heeft me dat bedrieglijk gevoel van onstoffelijk te zijn +en vederlicht, nog eens leelijke parten gespeeld. + +Moe had het druk, ze was in de keuken en stond met gloeiende wangen in +de onmiddellijke nabijheid van het fornuis mijn witte jurk te strijken. +Die jurk—ik ging naar een partij—was van fijn neteldoek, vol beeldige +plooisels en mooie kant. Ze moest met de meeste zorg behandeld worden, +en Moe vertrouwde ze het dienstmeisje niet toe, en streek ze dus zelf +op een avond, dat Katrien uit was. + +Pa was uit en Moe had ons op het hart gedrukt, vooral ordelijk te zijn, +want ze had geen tijd telkens van haar werk af te loopen om naar ons te +zien. + +Nu, we wáren ordelijk. Huiswerk had ik niet dien avond, maar wel een +prachtig boek, dat een vriendinnetje me geleend had; de sprookjes van +Grimm, met mooie gekleurde platen. + +Den heelen avond had Moe geen last van me. Ik wil er me niet op laten +voorstaan, want het lag eer aan Grimm dan aan mij, dat ik zoo stil en +zoet lezen bleef, maar het was toch zoo. + +Om acht uur stak Moe haar warm hoofd door de deur: „Jelui moet vroeg +naar bed gaan, vanavond,” zei ze, „morgenavond ga je uit, dus dan wordt +het héél laat. Gaat maar gauw naar je mandje.” + +Ik had nog maar vier regels te lezen voor het verhaal, waaraan ik bezig +was, uit was. Ik las ze dus gauw door, en sloeg toen het boek dicht +zonder zelfs te letten op den naam van het volgende sprookje. Het mocht +me eens door den titel verlokken het tóch te lezen, en ik wou vóór +alles gehoorzaam zijn. + +De moeite, die Moe zich voor mijn jurk getroostte, stemde me zeer +dankbaar, en het vooruitzicht van de partij maakte me gelukkig. Ik +ontkleedde me dus in de opgewektste stemming—anders was naar bed gaan +altijd een straf voor me, waarvoor ik zoolang mogelijk uitstel zocht—en +hoorde Toon en Jaapje in de alkoof naast me hetzelfde doen. Emmie lag +al in bed en sliep als een roos. + +Ik was juist aan mijn roode rokje toe—het kostte me altijd verbazend +veel om daarvan te scheiden—toen ik Toon en Jaap gehansopt weer in de +kamer zag komen. Jaapje begon zich weer zwijgend te oefenen in het +duikelen. Uit voorzorg had hij het trijpen deurkleedje midden op den +grond neergelegd, het moest dienen als matras en om het geluid te +temperen. + +Ernstig kwam ik tusschenbeide, Jaapje vermanend dien avond geen leven +te maken, Moe had het immers zoo druk, en we hadden beloofd haar niet +te hinderen. + +Jaap liet zich gezeggen, en schoof met zijn voeten het deurkleedje +terecht. We maakten dus geen leven, maar bleven heel stil nog even +praten. Ongelukkig was het onderwerp van ons gesprek slecht gekozen. +Toon vertelde een „waar” verhaal van een zekeren koorddanser, Blondin. +Die had geloopen over een koord, dat over de Niagara gespannen was. +Toon kon prachtig vertellen, als zijn hart van iets vervuld was, en hij +beschreef den toestand in kleuren en geuren. Op het vele meters lange, +dunne koord Blondin, middenop, den balanceerstok in de hand, ver +verwijderd van den vasten grond. Onder hem de woest bruisende stroom, +de waterval, die zich met duizelingwekkende snelheid naar omlaag +stortte met heftig geklater. Eén aarzeling, één misstap, één ondeelbaar +oogenblik van onbedachtzaamheid, één onwillekeurige beweging, en hij +verloor zijn evenwicht, wankelde—en stortte met steeds sneller vaart +naar beneden,—meegesleurd door de reuzenkracht van het water, dat hem +verminkte, verbrijzelde. + +„Maar hij is toch niet verpletterd, wel?” vroeg ik, na ademloos +geluisterd te hebben. + +Toon schudde verachtelijk het hoofd; welneen, hij niet. Hij verstond de +kunst, vele keeren heeft hij den tocht gemaakt, eens zelfs met een +ander op zijn rug. + +Een grenzenlooze eerbied voor zooveel vaardigheid en stoutmoedigheid +vervulde onze ziel. Koorddanser of koorddanseres te zijn, leek me een +verheven beroep, en ik verlangde niets liever, dan me er voor te +bekwamen. + +„We moesten ook ergens een touw kunnen spannen, waarop we het konden +leeren,” zei Toon. + +Ik bedacht me. „Op den zolder hangen drooglijnen,” zei ik, maar terwijl +ik dat zei, voelde ik mijn lust al verflauwen. + +Toon, die toen negen was, een jaar ouder dan ik, was gelukkig +verstandiger. + +„Dat zou heelemaal niet gaan,” zei hij, „ten eerste zijn de touwen veel +te hoog, en dan zijn ze ook te dun. Ze zouden ons niet kunnen +dragen.—Neen, we moesten een flink, stevig koord hebben, en dat +spannen, laag bij den grond, een half el er van af ongeveer, zoo hoog, +als de boegsprieten op de gymnastiek zoowat. Op die manier zouden we +het kunnen leeren. En dan telkens natuurlijk het touw weer wat hooger +spannen.” + +Toen Toon het woord boegspriet gebruikte, herinnerde ik me met schrik, +hoe moeilijk ik het vond, zelfs op dien vrij breeden balk het evenwicht +niet te verliezen. Maar dat bracht me niet van de wijs. Het zou best +kunnen, dat een touw veel makkelijker bleek in het gebruik. Het was net +zooals Toon zei, zoo’n touw ging mee, daar zat beweging in, dat zette +zich naar je voet. + +Omdat we wel begrepen, dat Moe er iets tegen zou hebben, dat we dien +avond nog met koorddansen begonnen, spraken we af, dat we het tot den +dag van de partij zouden uitstellen. Toon kon dan op zijn gemak op den +zolder zoeken naar een stevig touw en krammen, Pa’s bamboesrotting zou +een uitnemende balanceerstok zijn. + +Ik had ook wat moois op dat gebied te vertellen. Ik had eens een +kunstenmaakster gezien, die stond met haar grooten teen op een +vergulden bol. Terwijl de muziek speelde—het was op Koninginnedag op +het Museumterrein, dat ik het wonder had zien gebeuren—keerde de +danseres zich langzaam en sierlijk om en om, in dezelfde mooie houding +staan blijvend, terwijl de gouden bol onder haar voeten voortrolde. Ik +raakte zóó in vuur door mijn verhaal, dat ik onwillekeurig zelf die +mooie houding aangenomen had, één arm over het hoofd gebogen, en met +den anderen losjes wuivende. Maar dat was me nog niet genoeg, ik had +behoefte nóg aanschouwelijker te zijn. Ik was niet meer Christien +Koevoorden, maar „Prinses Liliane, de bekoorlijke elfe, eerste danseres +aan het Specialiteitentheater”. + +Ik zag rond of ook ergens een gouden bol in de nabijheid was. Ik vond +alleen den doofpot, die met zijn glimmend koperen deksel een +uitstekende plaatsvervanger was. Hij stond op zijn drie blinkende +koperen voetjes ook oneindig vaster dan een bol. Op het balletje, dat +tot knop diende, zou mijn groote teen bevallig rusten. + +Ik begrijp nu niet, hoe ik ooit in staat was, zulke dwaze dingen te +doen. Het moet zeker dat roode rokje geweest zijn, dat me betooverd +heeft. Ik trok den doofpot naar het midden van de kamer, plaatste de +punt van mijn pantoffeltje op den knop, zette me met de hand aan den +rand van de tafel een weinig af, en verhief me voor een oogenblik in +mijn volle lengte. Voor één luttel oogenblik maar—te kort, vrees ik, om +een blijvende herinnering na te laten bij Toon en Jaap, die me vol +verwachting aanstaarden—toen viel ik, en, naar het me eerst toescheen, +de heele wereld, met me. + +Ik lag op den grond, naar mijn gevoel te oordeelen zwaar gekneusd. Ik +weet dat ik in mijn groote ontsteltenis niets deed dan angstig gillen, +ik moest verwond, gebroken zijn, voor altijd ongelukkig waarschijnlijk. +Ik voelde dat mijn hoofd in een plas lag,—wat kon het anders zijn dan +bloed? Bloed stroomde ook uit mijn kin, en het verwonderde me nog, dat +niet alle tanden mij uit den mond vielen, toen ik dien opende, zooveel +pijn deden nu mijn kaken. + +Toen de eerste verschrikkelijke verwarring voorbij was, en ik, +doodsbleek nog, met verbonden kin in den leunstoel zat en beschaamd en +bedroefd luisterde naar Moe’s verwijtende stem, kreeg ik een flauw idee +van wat er gebeurd was. Ik was dadelijk, nog vóór ik recht stond +misschien, omgevallen, en de doofpot met mij; die lag daar nog, gedeukt +en misvormd. In mijn poging, me aan de tafel vast te klemmen, had ik er +het kleed afgetrokken en een kopje lauwe thee op mijn hoofd gekregen. +Die thee was het bloed geweest, waarin ik waande te baden. Waaraan ik +mijn kin zoo bezeerd heb, ben ik nooit te weten gekomen, evenmin hoe +mijn linkerheup zoo stijf kwam, dat ik drie dagen niet loopen kon, +terwijl ik mij toch verbeeldde op mijn rechterzij te zijn neergekomen; +maar dat weet ik wel, dat ik een paar dagen lang op vele plaatsen een +zeer pijnlijk gevoel had, dat ik de kinderpartij, waarvan ik me zooveel +had voorgesteld, niet heb kunnen bijwonen, en dien heelen avond, +terwijl de jongens uit waren en genoten, op een ruststoel heb gelegen, +heete tranen schreiend van spijt en berouw. + +Van onze plannen om op den zolder een koord te spannen, is nooit iets +gekomen. Toon sprak er gelukkig niet van, en ik begon er ook maar niet +over toen ik weer beter was. + + + + + + + + +II. + +ONZE MARKT. + + +Niet altijd, gelukkig, waren onze spelen van zulk een gevaarlijken +aard; maar voor Moe waren ze heel dikwijls lastig, hoewel we het niet +kwaad meenden, en ons altijd voornamen goed op te passen. Ik herinner +me nog een middag, dat we ook eens „goed zouden oppassen” en geen wilde +spelen doen. + +Het was een regenachtige Woensdagmiddag, zoodat we niet uit konden +gaan. Moe moest een visite maken bij tante Annie, die jarig was, de +liefste tante die we hadden, en we gaven allen onze beste wenschen mee. +Katrien was in de keuken aan het wasschen en wij waren aan onszelf +overgelaten. + +Moe had ons, voor ze heenging, allerlei wenken en vermaningen gegeven. +We mochten niet naar de voorkamer gaan, onder geen voorwendsel het huis +verlaten, geen leven maken (om de buren), niet aan de kachel komen, en +geen wilde of gevaarlijke spelletjes doen. + +„Speelt vader-en-moedertje of schooltje,” zei Moe, „maar denkt er aan, +dat onderwijzers niet slaan.” Dit zei Moe met het oog op Toon, die, +toen hij eens meester was, Jaapje een flinken klap om zijn oor had +gegeven. Mij heeft hij ook wel eens bij zoo’n gelegenheid hard geduwd, +hoewel ik er nooit over gesproken heb. + +We beloofden alles, bezield met het ernstige voornemen, Moe ditmaal nu +eens niet teleur te stellen; en Moe vertrok, schijnbaar gerust. + +Nu schijnt het iets wonderlijks, maar het was toch bijna altijd zoo: we +hadden nooit zin in een spel, dat een ander—al was die ander ook Pa of +Moe—voor ons bedacht had. + +Toen Moe dan ook weg was en Toon vroeg: „Nu, wat zullen we spelen: +vader-en-moeder of schooltje?” kreeg hij geen antwoord. + +„Zullen we zakloopen?” vroeg Jaapje, die juist met een grauwen +aardappelzak uit de keuken kwam. + +„Neen zeker niet,” zei ik beslist en met waardigheid, „dat zou juist +iets zijn om een ongeluk te krijgen.” + +Katrien kwam Jaap al achterna, om den zak terug te halen, het bleek dat +er al heel wat gedroogde klei en zand uit den zak op het vloerkleed +gevallen was. Katrien veegde het gauw op en vertrok met den zak, de +deur achter zich sluitend, wat harder dan noodig was. Er was ook altijd +wát met die kinderen! + +„Nu, wat zullen we dan gaan doen?” vroeg Toon met een gezicht, dat van +lust en genoegen glansde. Ik geloof dat hij het liefst zevenmaal zeven +keer over zijn hoofd gebuiteld was. + +Emmie kwam aanloopen met haar monsterachtige poppen. Ze had een mooie, +maar die was zóó mooi, dat ze alleen op Zon- en feestdagen en bij heel +plechtige gelegenheden werd gehaald uit de doos waarin ze geborgen was +en die achter slot in de linnenkast stond. De andere leken wel +havelooze, gebrekkige kinderen, zóó zagen ze er uit, want Emmie had een +manier om met haar poppen om te gaan, die ver van moederlijk of +liefderijk was. „Dokter spelen,” riep ze, „drankje ingieten, kiezen +trekken.” + +Emmie’s poppen hadden het ongeluk altijd in de pottenbank te zijn. +Voortdurend moesten ze bittere medicijnen gebruiken, die door Jaap +bereid werden van thee en inkt of van azijn waarin een stukje roode +verf uit zijn verfdoos geweekt was. Heel dikwijls werd ook de +heelmeester bij haar kleintjes geroepen. Soms moest er een been +aangenaaid, dan een oog rechtgezet, tweemaal moest er een speld uit het +lichaam van een harer lievelingen gehaald worden. + +„Wat mankeert je, kindje?” vroeg Toon, den stijven steenen arm van een +der poppen beetnemend om den pols te voelen. + +„Ze is altijd koud,” klaagde Emmie, het ijzige poppewangetje tegen het +hare drukkend. „Ze heeft altijd koude voeten en koorts en rheumatiek. +En kribbig is ze!” + +„Zoo,” zei Toon, „is ze kribbig ook? Dat moet uit zijn! Eerst een koud +voetbad en dan naar bed, geen een deken meer dan anders, niets geen +snoeperijen, vooral geen chocolaad, en haar maar laten liggen. Geen +notitie nemen van haar schreeuwen. Stil laten uithuilen, dan zal ze dat +dwingen wel afleeren.” + +Terwijl Emmie de porseleinen voetjes van haar pop een bad gaf in het +zeepbakje van de waschtafel, maar half tevreden dat er geen operatie +noodig was, had Jaapje zich achter de poppetafel neergezet en riep: + + + „Och wat benne ze dik en fijn! + „Voor bokkings mot je bij Japie zijn.” + + +Dat was een idee; marktje spelen! Daar moesten stalletjes gemaakt, +tenten opgeslagen, waren uitgestald worden! + +De groote vierkante middentafel was als vanzelf een tent. Ze werd +alleen naar een hoek verplaatst, zoodat de twee wanden van de kamer de +muren vormden. Als derde wand deed het tafelkleed dienst, dat naar +beneden afhing, van boven vastgehouden door een paar zware boeken. Van +voren was de tent open. + +Emmie moest er op een stoof in plaats nemen. Zij zou met eenig beleid +haar hoofd niet stooten. Ze kreeg haar kapertje op, en moest haar +wantjes aantrekken. Alles wat aan planten en bloemen, echte of +gemaakte, in de kamer was, werd in de tent geschoven, zoodat ze er zelf +niet meer uit kon. Haar kindertjes mocht ze allemaal bij zich hebben, +behalve de zieke, want de wieg kon niet meer in de tent, die bleef dus +midden op de markt staan. Emmie had er erg veel pleizier in, wat wel +wonder was, want ze zat ver van gemakkelijk met het blad van de tafel +vlak boven haar hoofd, en de waaierpalm vlak voor haar, waarvan de +bladen haar bij de minste beweging in het gezicht kriebelden. Maar ze +was gelukkig en lette dus niet op die kleinigheden. Ze vermaakte zich +met de bladen van haar planten één voor één af te sponsen, met de spons +van Jaaps lei en het badwater van pops voetjes. + +Toon, Jaap en ik deden verder ons best de kamer zooveel mogelijk het +aanzien van een markt te geven. Ik had de gordijnen zóó hoog opgehaald, +dat ze bijna niet meer te zien waren. Terwijl Katrien naar beneden was +gegaan om open te doen, had Jaap de groote strijkplank uit de +keukenkast gehaald, een heerlijke plank op schragen, die, met wat +uitgespreide kranten er overheen, een prachtig stalletje vormde. + +Dat was Toon’s afdeeling. Hij stapelde het vol boeken, oude en nieuwe. +Het speet ons, dat Pa zijn boekenkast niet had opengelaten, want we +hadden de boeken zoo heerlijk kunnen gebruiken, en we pasten er wel op, +dat er niets aankwam. Het waren meest schoolboeken, die Toon op zijn +stalletje had. Eén opengeslagen atlas was er onder, die een prachtig +effect maakte. + +„Ze zijn eigenlijk veel te net,” zei hij, „ik moest meer een +rommelzooitje hebben.” + +„En ik ben een oud-roestman,” zei Jaap; hij had de deurkleedjes +omgekeerd naast elkaar neergelegd en daarop uitgestald een pook, een +tang, een asschop, den doofpot met het gedeukte deksel los er naast, +een paar oude sponsedoozen, een lucifersstandertje; maar ook zijn +tentoonstelling was nog niet zoo volledig of schilderachtig, als hij +wel wenschte. + +„Ik ga naar den zolder,” zei Toon opeens, „daar zijn oude boeken +genoeg.” + +Jaaps oogen schitterden: „Neen, naar de vliering moet je gaan,” zei +hij, „daar zijn de echte.” + +Ze sprongen beiden de kamer uit en de trap op. Eerst wou ik ook +meegaan, maar ik was bezig mijn eigen stalletje zoo smaakvol mogelijk +te garneeren. Het theetafeltje had ik leeggemaakt en er de artikelen +uit Moe’s naaidoos en werkmandje op neergelegd. Ik had nog een +collectie afgedankte haarlinten en oude strikjes, die zeer fleurig +stonden tusschen de garenklossen en kluwen haakkatoen. Ik verkocht wol, +haarnaalden en spelden, zeep ook (gebruikte), en borstels (ook +gebruikte). Alle antimacassars en kleedjes, die in ons huis te vinden +waren, lagen op mijn tafeltje te koop. De stoelen hadden we alle uit de +kamer gebracht en in de alkoof gezet. Ik zat op een omgekeerde +theestoof, wat wel zoo natuurlijk was. + +De jongens kwamen beneden, met buit beladen. Toon had een mangelbak vol +vuile, gescheurde, stoffige boeken meegebracht, en Jaap een emmer vol +antiquiteiten. + +Nu werd het eerst goed! + +De oud-roestbaas zat nu midden in den rommel; roestige spijkers, een +trommeltje zonder deksel, een ketel zonder tuit, een stuk gebarsten +spiegelglas, een halve soeplepel, een bijna bodemlooze strijkpan, +enkele dekseltjes, die nergens op pasten, een gieter zonder oor en een +paar rollen oud behangselpapier moesten voorzien in alle behoeften van +redelijke koopers. + +„We moeten zorgen, dat vóór Moe thuis komt, alles weer is opgeborgen,” +zei ik met een bezorgden blik op de verschillende rariteiten. + +Jaapje trok een lipje, zijn lach maakte heel gauw plaats voor een +traan, maar tot huilen kwam het gelukkig niet. + +Toon, die juist bezig was op een vernuftige wijze aan de strijkplank +een uitgespannen paraplu te bevestigen, hield midden in zijn werk op. + +„Neen,” zei hij, en zijn groote oogen zagen me verwijtend aan, „we +moeten het juist zoo laten, Moe zal er om lachen. Het is zoo’n aardig +gezicht voor iemand die binnenkomt!” + + + + + + + + +III. + +EEN VERRASSING. + + +Moe kwam later thuis, dan we gedacht hadden. Bijna was ons het +spelletje gaan vervelen. Emmie had opeens uit haar tent gewild. „Neen, +dat kan niet,” had Toon gezegd, „alle planten staan er voor, dat is te +lastig.” + +Maar Emmie had aangedrongen: „Ik ben zoo warm en heet, laat me er +alsjeblieft uit.” + +Toon kreeg medelijden met haar. Hij hief het tafelkleed op, en liet +haar vrij. + +Om halfvijf ging de schel. + +„Daar heb je Moe,” riep Toon, en hij keek eens in het rond of onze +markt wel geheel in orde was. + +„Allemaal schreeuwen, als Moe binnenkomt!” riep ik in zenuwachtige +haast terug. + +Jaap zat met een verkleurd rood parasolletje boven zijn hoofd, in +elkaar gedoken op den grond, en zong voortdurend op een eentonig +deuntje: + + + „Och, wat is alles fijn! + „Je moet maar bij Japie zijn!” + + +Toon schreeuwde met een gemaakt heesche stem: „Nou kan je lezen, +menschen! Gaat hier niet voorbij!” + +Kleine Emmie deed niets dan dansen en lachen. + +Ik zat met een rood-en-zwart tafelkleedje over mijn hoofd op de +omgekeerde theestoof en riep: „Kom nou, kom nou, neem wat van de +koopvrouw!” + +De deur ging open, en—tante Suzanna kwam binnen, gevolgd door Moe, die +zeer rood zag, en ons verlegen en boos aankeek. + +Tante Suzanna! + +In mijn eerste ontroering deed ik vergeefsche pogingen, me van het +tafelkleed te ontdoen, maar ik had het zoo stevig met +veiligheidsspelden bevestigd, dat het mijn zenuwachtigen vingers niet +gelukte het los te krijgen. Ik had mijn stalletje wel weg willen +kijken. + +We waren allen in ons hart bang voor tante Suzanna, hoewel ze het toch +goed met ons meende. Ze was een oude, waardige dame, die zelf geen +kinderen had, en alleen die kinderen lijden mocht, die zoet en +ordentelijk waren. + +Tante Suzanna! We wisten, hoe Moe ons altijd dubbel aanspoorde om zoet +en ordelijk te zijn als tante Suzanna er was. Ons speelgoed mocht dán +vooral nooit slingeren. Fluitjes, trompetten, trommels, glazen piano’s +en alle levenmakende instrumenten werden dan weggesloten. Ik kreeg +tweemaal op een dag een schoon boezelaartje voor, moest viermaal mijn +haar overmaken, en minstens tienmaal mijn handen wasschen. Katrien +kreeg ook bijzondere vermaningen tegen dat tante Suzanna verwacht werd. +Want tante woonde geheel alleen en was alles zoo keurig en in de +puntjes gewend, dat een druk huishouden als het onze haar toch altijd +onordelijk en ongeregeld moest lijken. + +Maar nu! Wat moest tante nu wel zeggen! + +Ik zag, dat Jaap zijn parasolletje had dichtgedaan, en stilletjes weg +wou sluipen achter tante om. + +Maar tante Suzanna hield hem met haar paraplu terug. + +„Je wou me zeker goedendag komen zeggen, hè?” vroeg ze. + +„Neen, tante,” zei Jaap, „ik—ik—wou eventjes op gaan ruimen.” + +Eventjes! + +Emmie was de eenige, die eenvoudig naar tante toe was gegaan, om haar +een kus te geven. + +„Ik vind het heel leelijk,” begon Moe, en haar stem klonk zeer ernstig, +„ik vind het heel leelijk, dat jelui zoo slecht je woord houdt.—Ik had +gedacht, dat ik beter op mijn kinderen vertrouwen kon.” + +Ik kreeg een kleur en vouwde beschaamd het tafelkleed op. + +Toon verdedigde zich: „We hebben geen leven gemaakt, Moe, heusch niet.” + +Tante hief haar oogen met een veelzeggende uitdrukking ten hemel. + +„Niet voor u kwam,” zei Toon verward, „we deden het alleen, toen we u +hoorden aankomen, om u te—te verrassen.” + +„Een lieve verrassing,” zei tante Suzanna droog. + +„Waar zit jij op, Tine?” vroeg Moe, met een blik op mijn zetel. + +Ik stond verschrikt op. + +Tante Suzanna gaf in mijn plaats antwoord. „Op de theestoof, Marie, die +ik je met je trouwen gegeven heb.—Die zal je wel gedeukt hebben, hè +meisje?” + +Gelukkig bleek dit niet het geval te zijn. + +Toon kwam uit de alkoof aandragen met twee stoelen, die we op elkaar +gezet hadden. + +„Als ’t u blieft, tante,” zei hij, terwijl hij er een voor haar bij de +kachel schoof. + +„Niet bij de kachel, ik ben niet verkleumd,” merkte tante aan, terwijl +ze stokstijf staan bleef. + +Toen Toon den stoel verzet had, nam ze plaats met veel waardigheid. + +„Als je zoo goed wilt zijn, even te blijven zitten,” zei Moe, „zal ik +in de voorkamer wat vuur laten aanleggen.” + +„Dank je, Marie, ’t was me maar te doen om uit te rusten en de bui af +te wachten. Ik geloof, dat het droog is. Dan neem ik meteen de paraplu +mee, die ik gisteren bij je heb laten staan.” + +Ik ging naar het raam en keek naar buiten, vurig hopend, dat het +kurkdroog zou zijn, maar het gietregende. + +We trachtten ondertusschen zoo goed we konden de kamer weer op orde te +brengen, wat geen gemakkelijk werkje was. We hadden zooveel tijd +besteed aan het in elkaar zetten van den boel, dat het maar niet in een +tooverslag weer te veranderen was. Wat me vooral hinderde, waren +tante’s oogen, die ons voortdurend op de handen zagen. Ik liet de +gordijnen neer en Moe stak de lamp aan. Och, wat zagen toen onze +halfafgetakelde kraampjes en stalletjes er uit! + +Toon, die de boeken in aller ijl op den mangelbak gestapeld had en +dezen, om er van af te zijn, zoolang in de gang had neergezet, +beijverde zich nu om de planten en bloemen onder de tafel vandaan te +halen, en alles op zijn plaats te zetten. + +„Is dat het mooie haarlint, dat je Moe je pas gegeven heeft?” vroeg +tante, toen ik bezig was, een gekreukeld lint in elkaar gefrommeld in +een doosje te bergen, om maar gauw klaar te zijn. + +Uit den hoek van het bloemententje klonk op dat oogenblik een luid +gerinkel, dat me gelukkig het antwoord bespaarde. + +„Daar gaat je beste waaierpalm!” zei tante Suzanna hoofdschuddend. + +Werkelijk kwam Toon met een vuurrood gezicht onder de tafel uit, de +mooie waaierpalm in de hand; maar die was gelukkig geheel ongeschonden +gebleven. Het was het zeepbakje—de poppebadkuip—dat onder zijn voet +geraakt en gebroken was. + +Kleine Emmie hielp ook mee zooveel ze kon, ze bracht een bloemenmandje +te voorschijn vol gele, rose en roode rozen. + +„Tante gemaakt!” zei ze met een blij gezichtje. Werkelijk had tante +Suzanna die bloemen gemaakt en ze in het vergulde mandje geschikt. + +„Tante gemaakt,” zei Emmie weer, toen de oude dame geen acht op haar +sloeg, „ikke afgesponst.” + +Nu werd Tante Suzanna opmerkzaam. + +„Kom eens hier, liefje,” zei ze. + +Emmie kwam, en nu bleek het, dat over de gele rozen roode tinten +liepen, en dat de roode geheel verbleekt waren. Emmie had, natuur- en +kunstplanten over één kam scherend, ze alle met haar sponsje gereinigd. + +Tante Suzanna zei niets; ze zuchtte alleen. + +„Het is droog, tante,” zei Jaapje, die het gordijn had opgelicht om +naar buiten te zien. + +Moe kreeg een kleur. + +„Raap die roestige spijkers op, Jaapje,” zei ze. En toen tegen tante: +„Wat wil je gebruiken, Suzanna; mag ik wat voor je klaarmaken?” + +„Ik drink niets,” zei tante, „je weet, dat ik bij Annie ook niets +gebruikt heb.” + +„Laat me je een kop chocolaad geven, je eet toch zoo laat,” drong Moe +nog aan. + +Maar tante was al opgestaan. + +„Dan zal ik je paraplu even halen,” zei Moe, naar de gang loopend om in +den stander te kijken. + +„Doe geen moeite,” zei tante Suzanna, „Toon heeft haar daar op zijn +stalletje.” + +Het was vreeselijk, dat alles ons zóó tegenliep. Ik had bepaald +medelijden met Moe, want ik kon heel goed zien, hoe de zaak haar +verdroot. Ik deed al mijn best, Toon te helpen de paraplu los te maken, +maar die was met zooveel vernuft bevestigd, dat het bijna onmogelijk +was, ze weer vrij te krijgen. Eerst was ze met koorden en touwtjes aan +een wandelstok gebonden, en die was weer vastgemaakt aan de schraag van +de strijkplank. + +Eindelijk, toen ook Moe er bij kwam, om ons te helpen, gelukte het, +haar te bevrijden. + +„Tot ziens,” zei Moe, toen tante heenging, „het spijt me, dat je het +zoo getroffen hebt; ik hoop, dat ik je een volgenden keer beter +ontvangen kan.” + +Toen tante weg was, nadat ze eerst over den mangelbak met boeken, die +in de gang stond, gestruikeld was,—wat Toon een nieuwe berisping op den +hals haalde,—zagen we elkaar aan, ver van opgeruimd. Wat zou Moe wel +zeggen? Hoe hadden we ons woord gehouden! + +Maar Moe zei niets; ze was alleen stil. + +Dien avond namen we ons vast en stellig voor, Moe in het vervolg geen +aanleiding tot ontevredenheid meer te geven. En, de eerste week, +hielden we trouw ons woord. + +We hebben later nooit meer marktje gespeeld, maar er wel nog dikwijls +om gelachen, want het bleek, dat Moe, toen tante Suzanna een +kwartiertje weg was, de zaak toch niet zoo heel erg vond. + +Maar we mochten het toch niet weer doen. + + + + + + + + +IV. + +JAAPJE WIL GEEN TWEEDE BORDJE! + + +Ziekte hebben we in ons kinderleven bijna niet gekend. Emmie was +voortdurend wat zwakjes, maar ze sukkelde niet. Ik heb nooit andere +pijn gehad dan van builen of schrammen, als ik me door woestheid +gestooten of gekrabd had. Eéns ben ik—omdat ik de slechte gewoonte had, +als ik op school een boek uit de bibliotheek kreeg, daaraan op straat +alvast te beginnen—met mijn hoofd tegen een lantarenpaal geloopen, wat +me een dikken blauwen bult midden op het voorhoofd bezorgde. Ik trof +het niet, want ik moest dien middag juist bij een vriendinnetje op +visite; maar een ongeluk komt nooit alleen, dus ik kon niet anders +verwachten. + +Toon was altijd gezond; ik geloof zelfs, dat builen of schrammen hem +niet deerden. En Jaapje was alleen ziek als hij te veel gegeten had, +wat, dank zij Moe’s waakzaamheid, gelukkig niet dikwijls gebeurde. + +Toch is er ook in ons huis op zekeren tijd een ziekte binnengeslopen, +die bijna geen huis, waar kinderen zijn, spaart,—de mazelen. + +Aanvankelijk waren wij er niet erg door verschrikt, we vonden het +alleen vervelend. Toch had die overigens vrij onschadelijke ziekte, +door mijn onvoorzichtigheid, wel eens heel leelijke gevolgen kunnen +hebben. + +Ik herinner me nog goed het heele verloop. + +Het was op een Vrijdag—ongelukken gebeuren altijd op een Vrijdag, zei +onze oude naaister—dat met Jaapje de ziekte binnenkwam. + +We hadden rijstebrij gegeten, rijstebrij met suiker en kaneel, omdat +Moe het zoo druk had, maar Jaapje had na het tweede bordje bedankt. + +Dat was het eerste ziekteverschijnsel geweest. + +Want Jaapje hield dol van alle mogelijke eten, en van rijstebrij zou +hij „wel twintig borden” op kunnen, meende hij, als Moe er hem toe in +de gelegenheid stelde; maar dat had ze, zoolang hem heugde, nog nooit +gedaan. + +Geen wonder dat ieder er over inzat. + +„Wat, eet je niet meer?” + +„Jaapje, een lekker bordje rijstebrij, probeer maar eens. Het mondje is +een schalkje, het zal er wel ingaan.” + +Moe had nog gelokt en gevraagd; maar Pa zei, dat, als Jaap zelf meende +genoeg te hebben, het zeker wel zoo zijn zou. Daar moest Moe maar niet +over tobben. + +Na het eten had Jaapje geklaagd, dat hij zoo dik was. Hij wou niet +meespelen met Toon, die hem inviteerde om paard te zijn. Hij wou zelfs +niet eens mee kruiwagentje doen, dat is op de handen voortloopen, +terwijl Toon zijn beenen vasthield. En toen Moe een zuren appel voor +den dag haalde, dien ze van de groentevrouw gekregen had—zoo’n lekkere +bellefleur met roode wangetjes—bleef Jaapje uiterst kalm bij de +verdeeling. Hij nam zijn stukje wel aan, maar na er zóó lang mee +gezeurd te hebben, dat het roodbruine vlekjes had gekregen en er erg +onsmakelijk uitzag, gaf hij het terug. „Voor de musschen,” zei hij. + +Nu was het uitgemaakt, dat Jaapje ziek was. + +„Kom eens hier, ventje,” zei Pa. + +En Jaapje kwam bij Pa staan en liet zich tegen zijn knie aanleunen. + +„Wat scheelt er aan, kereltje, heb je hoofdpijn?” + +Jaapje bedacht zich. „Ja, Pa.” + +„Hij is van dat hij thuis kwam af al hangerig en landerig geweest,” zei +Moe toen, „maar ik dacht, dat hij honger had, en dat het met eten wel +over zou gaan.” + +„Je hebt toch geen snoepgoed gehad?” zette Pa het onderzoek voort. „Een +onrijpen appel of zoo?” + +„Neen, Pa.” + +„Bedenk je eens goed, Jaapje. Heb je niets gehad van het jongetje, dat +naast je zit?” + +„Die is niet school geweest, Pa, omdat hij zoo erg de roode mazelen +heeft. Gisteren had hij ze al, hij zag heelemaal rood, en toen is hij +door den meester naar huis gestuurd. Ik had nog een griffel voor een +knikker met hem gedaan. Hij zou hem voor mij meebrengen, en nu is hij +geen eens school geweest.” + +Jaapje leunde nog sterker tegen Pa aan, legde het hoofdje op zijn knie +en gaapte. + +„Roode mazelen.” Pa had Moe eens aangezien, en Moe had erg verschrikt +gekeken. + +Pa had Jaaps mouwtjes opgestroopt en zijn polsen bekeken; Moe had hem +uitgekleed, maar vóór ze hem te bed bracht, onderzocht Pa zijn borstje +even, en wreef er op, of er ook roode vlekjes op kwamen. Toen legde Moe +hem in zijn bed, waar hij, als een echt ziek kindje, het zware hoofdje +diep in het kussen drukte en de oogen onmiddellijk sloot. + +„Je kunt er nog niets van zeggen,” troostte Pa, toen Moe binnenkwam. +„Ik zou me maar niet al te ongerust maken; als hij morgen niet beter +is, zullen we den dokter halen.” + +„Het zal toch wel mazelen worden. Wat kan het anders zijn? Het kind is +nooit ziek,” en met een zucht stak Moe een draad in de naald, om +Jaapje’s broekje te gaan verstellen, waarmee hij, bij het overklimmen +van een hekje, in de ijzeren pinnen was blijven haken. + +„In allen gevalle,” zei Pa weer, „is het geen gevaarlijke ziekte, als +je het jong krijgt ten minste. Ik heb het als kind drie keer gehad, +maar ik ben er nooit ziek van geweest. Het is zoo iets als tanden +krijgen; ieder kind moet er doorheen.” + +Toon en ik, we maakten ons werk en zeiden niet veel. Het was zoo iets +bijzonders, als er bij ons thuis iemand ziek was. + +Toon zat te leeren, de graven van Holland: Dirk I, Dirk II, Arnout, +Dirk III, enz. Telkens van voren af aan op een dreuntje. + +Ik maakte sommen. Tien moeilijke vraagstukken had ik opgekregen; in een +half uur tijds had ik er drie van af. De andere kende ik niet. Ik las +ze over, één voor één, zonder te begrijpen, lusteloos, slaperig. + +Emmie zat op een stoof aan Moe’s knie in een geïllustreerde +prijscourant te bladeren. „Wat is dit?” vroeg ze, „en ditte, en dat?” +En ze wees, ze wees ze aan, met haar vingertjes, in het oneindige +vragende, zonder naar het antwoord te luisteren. En Moe legde uit, +fluisterend, met gedempte stem, om ons niet te storen. + +Emmie werd naar bed gebracht. In Pa en Moe’s bed mocht ze slapen. Toon +zou in het hare gaan, omdat Jaapje alleen moest liggen. + +„Hoe vindt je dat?” vroeg Moe. + +„Lekker,” zei ze, en ze klakte met haar tongetje. + +Moe droeg haar op haar arm rond, en we gaven haar allen een nachtzoen +op haar slaperig, rozig snoetje. + +Toen werd het nog stiller. Moe ging eens naar de andere alkoof—we +hadden er twee vlak naast elkaar, of eigenlijk één, die in het midden +door een schot in tweeën was verdeeld. Jaapje sliep; hij haalde wat +zwaar adem, vond Moe, maar hij sliep toch rustig. + +Moe nam het broekje weer op. Pa schreef voor kantoor. Toon leerde nog +uitentreuren. + +Ik verveelde me. De sommen vlotten niet. Ik probeerde ze van achteren +naar voren—want ik had een lijstje met antwoorden—maar ook dat ging +niet. + +Ik zou vast school moeten blijven, den volgenden dag. Ik had het land. + +Moe kon er zelf niets van, en ik hield er niet van het aan Pa te +vragen. Ten eerste omdat hij me voor een bijzonder schrander meisje +hield, op wie hij altijd trotsch was geweest, en dan—hij werkte ze +altijd op een andere manier uit, dan wij op school gewoon waren. Later +heb ik het erg natuurlijk gevonden, dat hij niet zoo precies op de +hoogte was van onze manier, maar toen speet het me toch. + +Van hulp kon dus geen sprake zijn. Met een wanhopig gevoel begon ik +voor den zooveelsten keer een som op een nieuw blaadje. + +Daar schoot me opeens iets door het hoofd. Als Jaapje mazelen kreeg, +zouden Toon en ik morgen thuis moeten blijven. + +Als Jaapje toch ziek wordt, dacht ik toen, hoop ik maar, dat het de +mazelen zijn. Het is immers volstrekt niet gevaarlijk, had Pa gezegd. + +Later heb ik nog dikwijls met schaamte aan dien wensch teruggedacht. + + + + + + + + +V. + +MAZELEN. + + +Den volgenden morgen kwam Pa ons roepen. Of we ons vooral zacht wilden +aankleeden, want Jaapje was erger. Hij had den heelen nacht slecht +geslapen en erg gehoest en geniesd; zijn keeltje was een beetje +ontstoken. + +Misschien waren het mazelen. Pa wist het nog niet. Straks zou de dokter +komen; we moesten maar heel stil zijn en mochten volstrekt niet bij +hem. + +„We mogen toch wel naar school?” vroeg Toon. + +Dat vond ik gemeen van hem. Wat een aanstellerij! Omdat hij nu bij +toeval zijn les had geleerd,—dat gebeurde hem ook niet alle dagen! + +„Neen, in geen geval; je zoudt de besmetting kunnen overbrengen.” + +„O, neen, Pa?” vroeg ik toen ook, en ik hoopte, dat het teleurgesteld +klinken mocht, maar ik was er wel bang voor. + +Toon en ik werden na het ontbijt naar het kamertje verbannen, waar we +bij een petroleumkacheltje gingen dammen. + +Emmie stond bij ons voor het raam en greep met de kleine handjes naar +de sneeuwvlokken, die langzaam neerdaalden. Soms sloeg ze zich de +vingertjes zeer tegen de ruiten, als er een heel dicht langs gleed, om +die te pakken. + +Om tien uur kwam de dokter. Hij vond Jaapje bezig een boterhammetje met +suiker, in dobbelsteentjes gesneden, smakelijk op te peuzelen. + +„Hoe is het, mannetje?” had de dokter gevraagd. + +En Jaapje had zich den tijd niet gegund met eten op te houden. +Eindelijk, tusschen twee hapjes in, toen zijn mondje leeg was, had hij, +vol medelijden met zichzelf, geantwoord: „Ik heb zoo’n ergen honger, +mijnheer,” en toen verteld, dat zijn buik heelemaal leeg was, want dat +hij gisteren maar twee bordjes rijstebrij had gegeten. + +„Het zal wel gaan met onzen patiënt,” meende de dokter. „Maar goed warm +houden, dat de mazelen flink uitkomen.” + +„Dus toch mazelen?” + +„Ja, ja,—kijkt u maar eens bij het licht. Het begint al; zijn oogen +staan flets, en hij hoest een beetje. Maar hij is tierig en opgewekt. +Het zal best gaan, als hij maar warm blijft; vooral geen tocht.” + +„Ik zal er voor zorgen, dokter. En de anderen?” + +„Hoe bedoelt u?” + +„Moet ik de andere kinderen van hem vandaan houden?” + +„Hebben ze het nog niet?” + +„Neen,” had Moe verwonderd gezegd. + +„Nog niet gehad ook?” + +„Neen, dokter.” + +„Nu, dan kunt u doen zooals u wilt;—ze zullen het toch wel krijgen.” + +Het was een dwaas zeggen voor een dokter, vond Moe, en ze hield ons +buiten Jaapje’s alkoof. + +Maar we kregen het toch, de een na den ander, behalve Emmie; die bleef +het langst gespaard. + +Binnen een week lagen we alle drie te bed. Op en top een hospitaal. + +Moe had het druk, maar we waren geen lastige zieken, ten minste niet in +den gewonen zin van het woord. We waren bijna geen zieken, maar we +waren wel druk en maakten spektakel, ten minste de jongens. + +Dát was mijn groot verdriet, dat we niet bij elkaar lagen. Het +prettigst van alles zou ik een groot ledikant hebben gevonden, waar we +met zijn drietjes in konden. Maar op zijn minst had ik toch in hun +alkoof willen slapen. Maar dat ging niet. Daar lagen de jongens samen +in één bed, en hadden een pleizier voor zes,—en ik lag troosteloos in +mijn eentje in de andere alkoof en verveelde me.— + +Toen ik pas ongesteld werd, vond ik het geraden, me voor niet minder +ziek uit te geven dan ik was. Ik antwoordde met flauwe, matte stem en +halfdichte oogen, bedankte voor een sneetje brood, maar liet me een +stukje pudding, een partje sinaasappel en nu en dan een kop bouillon +opdringen. + +Toen de dokter kwam, om naar me te zien, toonde ik me lijdend. Maar +toen ik vier, vijf keer achtereen mijn mond wijd open moest doen en +a-a-a zeggen, dat hij mijn keel zou kunnen zien, moest ik zóó lachen om +de malle manoeuvres, die ik zelf met mijn tong maakte, dat het hem +volslagen onmogelijk was iets te zien, zoodat hij wel merkte hoe het +met mijn ziekte stond. + +Mijn keel was een beetje ontstoken en moest dagelijks met een penseel +gesmeerd worden, wat vreeselijk prikkelde en kriebelde en mij telkens +als een mager varken deed schreeuwen. Een en ander maakte, dat ik er +erger aan toe meende te zijn dan de jongens. Ik bleef dus stil in bed +liggen, telde de bloemen van het behangsel, wreef mijn handen wit en +liet ze dan weer langs het ledikant naar beneden afhangen, zoodat ze +als vuur zoo rood werden,—ik maakte schaduwbeelden met mijn vingers, +wat ook heel prettig is,—tooverde poppetjes van mijn zakdoek, en +probeerde uit te rekenen hoeveel strafregels ik wel iederen dag zou +kunnen schrijven, als ik in bed de pen hanteeren kon,—en of het aantal +voldoende zou zijn voor mijn volgend schoolleven. + +Op een mooien dag bracht Pa voor mij een boek mee: Twintig duizend +mijlen onder zee, van Jules Verne. Het was eigenlijk een jongensboek, +maar Pa wist wel, dat ik die het liefste las, dikwijls kreeg ik ook de +boeken van Toon; dat was nog het eenige, dat ik van hem gebruiken kon. + +De jongens waren al dien tijd tot stilzijn aangemaand, omdat Moe dacht, +dat ik veel erger was. Maar zoodra ik het boek had, scheen mijn ziekte +genezen; ik las en las en dacht niet aan klagen; het speet me alleen +maar, dat het zoo vroeg donker werd, en bij lamplicht kon ik niet lang +zien, dan gingen mijn oogen pijn doen. + +Overdag stonden de voorkamerdeuren open, maar de deuren van de +huiskamer, waar Emmie was, bleven altijd dicht. + +Emmie tikte dagelijks aan de deur. + +„Hoe gaat het nogal, Tine?” + +„Dank je, Emmie, vrij goed.” + +„Lufflouw Lora vraagt ook hoe het nogal gaat.” + +Lufflouw Lora was de pop, die Emmie van een zekere juffrouw Flora +gekregen had. + +„Wilt u Lufflouw Lora wel bedanken; het gaat heel best.” + +„Zijn de roode mazeltjes er nog?” + +„Ja, Emmie.” + +„Mag ik ze eens zien?” + +„Neen, ze zijn wat leelijk; ze doen zeer.” + +„Bijten ze?” + +„Ja.” + +„Mag ik ze asjeblieft niet even zien?” + +„Neen, Emmie, dat kan niet.” + +„Lufflouw Lora ook niet?” + +„Neen.” + +„O!”—Het klonk altijd teleurgesteld. Emmie stelde zich de mazelen, +geloof ik, voor als kleine, roode insecten, die door de alkoof vlogen. + +Dikwijls dreigde ze er de pop mee; ze zou ze roepen. Als Lufflouw Lora +niet heel zoet was, dan zou ze—in eens—de deur van de alkoof +opendoen—en dan sprongen de mazeltjes er uit, pang! in Lufflouw Lora’s +gezicht en op haar armpjes en in haar halsje. + +Een anderen keer smeekte ze weer, door het sleutelgat, om één mazeltje +te zien, ééntje maar—tot het beet. + +Maar het mocht niet. + + + + + + + + +VI. + +MIJN ONVOORZICHTIGHEID. + + +Toen mijn boek uit was en de maalstroom de luitjes veilig en wel op een +der Loffoden-eilanden geworpen en zoodoende een einde gemaakt had aan +hun belangwekkende onderzeesche reis—zocht ik verstrooiing. + +Op een goeden morgen hief ik van mijn bed uit een lied aan, weinig +toepasselijk wel is waar, maar zeker uit volle borst gezongen—en +bijzonder gloedrijk. + +„O, hoe schoon is mij deez’ avond, mij deez’ avond, mij deez’ avond!” +klonk het, verheugd en blij, en een oogenblik later jubelden ze mee uit +de andere alkoof—in zooverre min of meer heesche mazelenkelen jubelen +kunnen. En een heerlijke canon klonk hoog op, een luidruchtige, +driestemmige beurtzang, die zoo lang aanhield, tot Moe kwam, om het +schreeuwen te verbieden, en Emmie door het sleutelgat informeerde of de +mazeltjes waren weggevlogen. + +Het zingen had me heelemaal opgevroolijkt; ik voelde me zoo opgewekt en +verfrischt en zoo vol leven, dat ik met een ruk de dekens van me +afgooide tot het voeteneind, de kussens flink hoog opschudde, mij er in +liet zakken, en dat spelletje telkens weer deed,—opschudden, +inzakken,—opschudden, inzakken, tot ik moe en afgemat voorgoed +neerviel, de dekens weer over me heentrok en juist netjes lag, toen Moe +met een kop thee en een beschuitje de alkoof inkwam. + +Ik dronk mijn thee, genietend met kleine teugjes, en at het beschuitje +met smaak; toen ging ik weer wat rusten, met een prettig gevoel van +weelde, dat ik bediend en verzorgd werd. + +Maar niets maakt je zoo loom en moe op den duur als rust. Ik was ook +veel te ongedurig om stil te blijven liggen; ik verzon een heerlijk +werkje, dat ik dadelijk ten uitvoer bracht. Ik ging de kussens aan het +voeteneinde leggen en stopte de dekens aan het hoofdeinde in; nu kon ik +prettig liggen kijken naar de vallende sneeuwvlokken voor het raam van +de voorkamer. Dat was aardig. Dat leefde ten minste. Ik had plezier. + +Maar het hield op met sneeuwen, en ik verveelde me weer. + +Toen dacht ik aan het muizengaatje onder in het schot, dat de alkoven +scheidde. In een wip was ik uit bed en stond ik op het zeil. Had ik nu +maar iets! Wacht, daar lag de kous, waar Moe gisteren voor mijn bed aan +had zitten breien. Een pen trok ik er uit; die zou ik er straks wel +weer indoen. Geprobeerd! + +Ja, zij kon door het gaatje. Prik! Prik! De jongens zagen het niet. Nog +eens. Tik, tik! op den grond. Ze merkten het. Dat was aardig. Dat was +een kostelijk verzinsel. Daar moesten we plezier van hebben. + +Stil, daar kwam Moe aan; wip, in bed. + +Ik was koud geworden, erg koud, en kroop recht behaaglijk onder dek. + +’s Avonds, als Emmie sliep, mochten we opstaan. Dan gloeide de kachel +lekker, dan trokken we kousen en slofjes aan, dan sloeg Moe ons een +deken om, den jongens een wollen en mij een reisdeken,—en dan zaten we +met zijn drietjes op de canapé, potsierlijk en wel, net of we bij den +barbier waren en geschoren moesten worden. Eerst konden we niet goed +tegen het licht; het was zoo schel en zoo rood,—maar Moe maakte een kap +aan de lamp, en toen ging het. Wat hadden we een pret met zijn +drietjes! Pa vertelde dan meest en Moe maakte de bedden in orde. En als +de bedden klaar waren, heerlijk geschud en frisch, zoodat het weer een +plezier was er in te gaan liggen, en we er weer in konden zakken, en +ons wenden en keeren naar hartelust, zonder bang te zijn voor +prikkelende beschuitkruimels,—dan kregen we ieder een lepel van het +lauw-flauwe drankje, en dan werden we weer naar onze slaapplaatsen +gebracht. Waggelend als dronken ijsbeertjes in onze wollen dekens, +liepen we nog even in de kamer rond, alleen maar voor de grap en om het +belachelijke gezicht. We konden wel niet goed meer loopen, door het +vele in bed liggen,—maar we overdreven ook een beetje. + +Anders dan om verbed te worden, mochten we nooit opstaan, en dan was +alles met veel zorg verwarmd. Maar ik bekommerde er me niet veel om, en +toen Moe weg was, schreef ik met potlood een klein briefje: + + + „Lieve Toon! + + Hoe maak je het? Begin je al te vervellen? Liggen er veel + beschuitkrummels in je bed? Schrijf me eens wat jullie aan het doen + bent. Ik heb mijn bed zóó overgemaakt, dat ik net in de voorkamer + kan zien. + + Je liefhebbende Zuster + Christien.” + + +Toen het af was, rolde ik het papier heel fijn op en schoof het door +het gaatje heen. Een oogenblik later hoorde ik een bons—Toon, die uit +bed sprong—en een dof plakkend geluid van bloote voeten op het zeil. + +Naar mijn idee duurde het heel lang voor ik een kreukelig, in elkaar +gewrongen rolletje door het gaatje zag te voorschijn komen. Als een +haas sprong ik uit bed, ontvouwde het papier, streek het zooveel +mogelijk glad en las: + + + „Waarde Zuster! + + Daar wij tot het edele ras der Roodhuiden behooren, kan ik uw + onbeduidende vraag omtrent de beschuitkrummels niet beantwoorden. + + Jaap Vuurhart, de gevreesde Eetwolf, scherpt zijn twintig tanden op + een pijp drop, die onze kleine blanke zuster Emma hem heeft + gezonden. + + Ik zegen het knaagdier, dat ons den tunnel heeft gegraven tot + middel van gemeenschap. + + Die zinspeling op het vervellen begrijp ik niet. Ik hoop, als + volbloed Indiaan, mijn huid, rood als het zonnegoud, te bewaren. + + Hebt ge nog een flikje over voor + + Uwen broeder + Koperrood?” + + +Ik had er erg veel schik in en haastte mij een tweeden brief in +denzelfden geest te vervaardigen. Ik dacht er over om het gaatje wat +dieper uit te graven, maar daar was geen beginnen aan. Toen stond ik +op, tegen Moe’s verbod in, en liep door de voorkamer naar de alkoof van +de jongens, om ze een paar flikjes te brengen. + +Het was lekker weer geworden; het zonnetje blonk en schitterde op de +sneeuw. Voor was het prettig en licht. Op straat speelde een orgel „De +Maliebaan”. Ik vond het een verrukkelijke wijs en begon voor het bed +van de jongens op de onzinnigste manier in mijn ponnetje rond te dansen +met dwaze armbewegingen: „Wij zijn gegaan,” enz., met gedempte stem, +uitgelaten vroolijk van het deuntje en het licht; de jongens schudden +in hun bed van het lachen. + +Opeens kreeg ik een inval. In een wip was ik bij het raam en schoof het +op—even, heel even maar, en streek met de hand eensklaps de sneeuw uit +de vensterbank in een hoopje bij elkaar. Een koude wind kwam me te +gemoet. Ik rilde. Het raam viel dicht,—ik zou den jongens de ooren eens +wasschen. + +Toen ik me omkeerde, stond Moe in de deur, hoog opgericht. Het gezicht +ernstig, strak, bleek, de oogen wijd open,—zonder te spreken. + +Daar kwam de kleur terug, opeens. Donkerrood werd ze van drift; haar +lippen beefden. + +„Kind, ben je dwaas? Ben je dwaas? Naar bed, gauw! Ben je doof,—naar +bed, zeg ik!” + +Ik lag er al in, het gezicht naar den muur, zoo ver mogelijk in den +hoek—de knieën opgetrokken, den rug wat gekromd, in elkaar gedoken—of +ik bang was, geslagen te worden. Nooit, nooit van mijn leven had ik Moe +zóó gezien, zoo driftig, zoo ontsteld. + +Ik voelde mij toestoppen in mijn hals, in mijn lenden, ruw, met een +harde hand, die ik niet kende. Nog meer dek kreeg ik,—plof! zwaar boven +op me. + +Toch rilde ik onder den drukkenden last van dekens, nog eens en nog +eens, of ik de koorts had, dat het bed er van schudde. + +Daar hoorde ik Moe snikken, nokkend, woest, hartstochtelijk.—Ik schrok +er van en keerde mij om. + +„Moe, Moeke!” + +„Stil, blijf liggen, blijf onder dek. Neen, geef me geen zoen. Tine, +Tine, hoe kón je het doen?” + +Moe ging heen en deed de deur halfdicht. ’t Werd donker in de alkoof, +somber en stil. + +„Moe, Moe!” riep ik, tot mijn keel zeer deed. Maar Moe hoorde het niet. +Ik had er zoo’n spijt van, en ik was zoo koud. Ik klappertandde en +rilde, telkens, telkens weer. + +„Moe, Moe!” huilde ik, zacht, als een klein, dwingend kind, terwijl +mijn oogleden brandden en pijn deden van de tranen. Toen opeens was ik +stil en luisterde, maar ik hoorde niets. + +Eindelijk kwam Moe. Ze had een glaasje warmen, rooden wijn met citroen +voor me meegebracht; dat moest ik opdrinken. + +„Is u nog boos, Moeke?” En ik keek naar Moe op en zocht in haar oogen +het antwoord. + +Zij zag me aan met een langen, onderzoekenden, angstigen blik. Haar +oogen schenen grooter te worden, haar neusvleugels trilden. + +„Tine, kind!” klonk het eindelijk, zoo bang en geprangd, dat ik er van +ontstelde. + +De mazelen waren naar binnen geslagen. + + + +De dokter deed wat hij kon om me beter te maken. + +Warme thee, omslagen aan de voeten, groote hitte, flanellen kleeren en +wollen dekens, herhaalde aanleggingen van zuurdeeg op verschillende +plaatsen, brachten de teruggetreden mazelen in betrekkelijk korten tijd +te voorschijn. Een paar maanden behield ik nog een drogen, pijnlijken +kramphoest en wat heeschheid in de keel. + +Toen de dokter me voor hersteld verklaarde, werd het geheele huis +ontsmet. Op een goeden morgen mocht kleine Emmie de lang verboden +terreinen weer betreden. Vlug wipte ze de alkoof binnen en bekeek alles +terdege van alle kanten. + +De mazelen waren weg, zei ze, met een teleurgesteld gezichtje; +maar—terwijl ze de carbolgeuren opsnoof, met een glimpje van plezier en +voldoening in haar oogen—ze kon ze toch nog wel ruiken! + + + + + + + + +VII. + +OVER KIBBELARIJEN EN PRETJES. + + +Veel ruzie hebben we gelukkig nooit met elkaar gehad. En daar ben ik +maar blij om ook, want als we eens ernstig boos op elkaar waren, +voelden we ons zelf ook ver van gelukkig. En later scheen ons de reden, +waarom we zoo verschrikkelijk kwaad geworden waren, meestal erg +onbeduidend. + +Al was de vrede ook gauw weer geteekend, kibbelen deden we dikwijls. + +Twee grieven had ik tegen Toon, die me erg hinderden, die ik eerst veel +later te boven ben gekomen, en waaraan hij—na alles—héélemaal geen +schuld had: ten eerste, dat hij ongeveer een jaar vóór mij op de wereld +had durven komen, en ten tweede, dat hij een jongen was. + +Ik had zelf graag een jongen willen zijn en liefst de oudste. + +Waarom had Toon die twee voorrechten boven mij? Ik vond het heel +onbillijk. + +Ik herinner me nog, dat dit me al tegen hem verbitterde, toen ik vier +jaar was; hij was toen toevallig ook nog vier. Ik was jarig, en mijn +grootste blijdschap bestond hierin, dat ik nu even oud was als Toon, +dat ik hem ingehaald had. + +„Nu ben ik ook de oudste!” riep ik triomfantelijk. + +Maar Toon was niet van plan een koning naast zich te dulden. + +„Niet waar!” riep hij. + +En ik: „Wél waar, vraag het maar aan Moe.” + +„Het is toch niet waar,” riep Toon terug, „nog tien dagen, en dan ben +ik vijf. Ik blijf altijd ouder dan jij, altijd, altijd! Maar jij bent +ook al oud, hoor Tine!” + +Dat laatste zei hij met oog op mijn onderlip, die geheel omgekruld was +van verdriet; hij wou me op mijn verjaardag niet aan het huilen maken. + +Maar zelfs de erkenning dat ik „ook al oud” was, kon me niet meer +troosten, en ik barstte uit in een droevig snikken, zoo hevig, dat de +zes flikjes, die Pa me in iedere hand stopte, nog niet voldoende waren +om mijn tranen te drogen. + +Pa had medelijden met mijn ongeluk, waarvoor geen genezing bestond, en +legde nog een taartje voor me neer, een taartje met room en amandelen, +dat me heerlijk smaakte, maar toch mijn verdriet niet geheel verdreef. + +Het verschil in leeftijd tusschen Toon en mij ben ik nooit te boven +gekomen. Altijd moest ik het verdragen, dat Toon op school een klas +hooger zat dan ik, dat hij aan tafel zich het eerst bedienen mocht; hij +was het, die een jaar vóór mij naar dansles ging, die het eerst van ons +allen eens mee mocht naar den schouwburg. Hij wist alles beter dan ik. +Toen ik aan het Fransch begon, verbaasde hij de tantes al door er +versjes in op te zeggen. Als ik aan de decimalen begin, is hij al aan +de repeteerende breuken. Hij kreeg een jaar eer een horloge dan ik. + +Ik verbeeld me, dat ik altijd mijn best gedaan heb, niet jaloersch op +hem te zijn, maar ik geloof niet, dat ik er altijd in geslaagd ben. + +Was ik tenminste nog maar een jongen geweest! Dan—zoo dacht ik toen—had +ik mijn eerste grief gemakkelijk overwonnen. Dan was ik ook vrij +geweest om te springen en te draven, als ik er lust in had. Dan had ik +mee kunnen doen, als hij met zijn makkers voetbal ging spelen op het +veld achter het Rijksmuseum; zelfs Jaapje, die zooveel jonger was, +mocht wel mee, al was het ook maar om te kijken. Dan had ik ook mee +mogen doen aan de wedloopen, die ze onder elkaar hielden, dan had ik +misschien tegen hem op gekund, als we samen worstelden—want dat deden +we wel eens, alleen om ons te oefenen.—Ik geloof dat veel van onze +kibbelarijen alleen ontstonden doordat ik jaloersch op hem was. + +Bijvoorbeeld. Ik kom thuis uit school. Ik heb voor het eerst les in +natuurkunde gehad, en ik verbeeld me, dat het iets bijzonders is, een +wetenschap, die alleen aan onze onderwijzeres bekend is. Ik ben dus +trotsch en vertel het thuis; ik weet wat ondoordringbaarheid beteekent, +en dat Toon niet op dezelfde plaats kan staan, die ik inneem. Het +schijnt me, dat ik die algemeene eigenschap der lichamen nooit recht +gekend heb. Nu weet ik eerst terdege, hoe het komt, dat ik het gewaar +word, als ik in het donker tegen de kachel aanloop. De kachel neemt een +zekere ruimte in, waarover ik niet te gelijker tijd beschikken kan. Het +is me of mijn oogen voor veel zaken zijn geopend, die me vroeger +ontgingen. Ik voel me wijzer geworden. + +Het moet aan me te zien zijn, als ik thuis kom, want Moe zegt dadelijk: +„Is er wat bijzonders?” + +En ik: „Ja, Moe, we hebben natuurkunde gehad,” en ik kijk Toon aan, om +te zien of hij zich nu eindelijk getroffen voelt, of hij nu eindelijk +eens respect voor me zal krijgen. Maar Toons gelaat blijft volkomen +rustig. Dat kan ik niet goed velen. + +„Heb jij ook wel eens natuurkunde gehad?” vraag ik. + +Hij knikte. „Beginnen jullie daar nú pas mee?” vraagt hij, „bij ons op +school leerden we het al een klas eerder.” + +Natuurlijk, ’t zou wel wonder zijn, als op zijn school niet alles veel +beter was dan op de mijne! + +Nog één kans blijft me over om hem te overbluffen; als hij al twee jaar +geleden aan dat vak begon, zal hij nu de eerste lessen weer vergeten +zijn. + +„Weet jij wat ondoordringbaarheid is?” vraag ik. + +„Natuurlijk,” klinkt het droog. + +„Niets natuurlijk!” ik lach een beetje schamper. „Geef dan eens +antwoord, als het zoo natuurlijk is!” + +„Dank je!” zegt Toon terug op hooghartigen toon. + +Maar ik doorzie hem. „Omdat je het niet weet, daarom doe je of je het +niet zeggen wil!” roep ik sarrend. + +„Neen, jij alleen hebt alle wijsheid in pacht!” Toon keert me den rug +toe. + +„Zeg het dan, als je het weet!” Ik wil het laatste woord hebben. + +Toon mompelt iets, dat veel heeft van: „Loop naar de maan,” wat me nog +boozer maakt. + +Dan spreken we niet meer tegen elkaar. Het duurt een halven avond, voor +ik inzie, dat Toon het mogelijk toch geweten heeft, en dat hij +geprikkeld is geworden door mijn twijfel, en eindelijk woedend om mijn +plagen. De andere helft van den avond verloopt voor ik er toe komen +kan, iets te zeggen waaruit blijkt, dat het wezen kán, dat ik óók +schuld heb. Eerst als we op het punt zijn naar bed te gaan, roep ik, +terwijl ik in mijn eigen alkoof ben, door het schot heen: „Ik geloof +wel, dat jij het ook wist, van de ondoordringbaarheid, hoor!” + +„Goed zoo!” zegt Toon alleen, en de vrede is geteekend. + +Ik ben blij, dat Emmie zoo’n goed en zacht hartje had, zoodat het +bepaald moeilijk was met haar te kibbelen. Het zou me zoo gespeten +hebben, vooral omdat ze gestorven is, als ik ooit lang boos op haar +geweest was, of haar slecht behandeld had. Ik heb toch spijt van de +enkele keeren, dat ik driftig tegen haar geworden ben, te meer omdat +het heelemaal mijn eigen schuld is geweest. + +Van één keer weet ik het nog goed. Ik stond op het punt uit te gaan +naar een partijtje, dat de dansmeester gaf. + +Ik was dertien jaar, oud genoeg om mooi te willen zijn als ik uitging; +of er aan mijn daagsche jurk een knoop mankeerde, of dat mijn haar op +school vaak slordig zat, of mijn vingers met inkt, kon me minder +schelen. + +Ik kreeg een stijf gestreken rose katoenen jurk aan, die ik prachtig +vond. Ze hing over den stoel naast de waschtafel, en ik moest er +telkens naar kijken, terwijl ik bezig was mij te wasschen. De kaarsen +langs den spiegel brandden, Moe maakte mijn haar op. Met een +friseertang, die boven een spirituslichtje was heet gemaakt, deed Moe +het hier en daar nog wat meer krullen. + +Ik zat, vol ongeduld, op mijn stoel te wachten, dol verlangend om te +weten, hoe het werd. Ik was niet groot genoeg om zittend in den spiegel +te kunnen zien. + +Emmie stond tegenover me, met een gezichtje vol bewondering, Moe’s werk +gade te slaan. Op bed lagen mijn witte zijden handschoenen klaar. Ze +liep er naar toe om ze te bekijken. Ik kon haar niet volgen met de +oogen, omdat ik recht moest blijven zitten, wou ik niet gebrand worden, +maar ik was erg bang, dat ze er vuile vingertjes aan zou maken, en ik +riep: „Afblijven, hoor Emmie.” + +Emmie ging weer op haar oud plaatsje staan, op de teenen, om het doosje +te zien waarin mijn bleek bloedkoralen halssnoer en armbandje lagen. + +Voorzichtig nam ze het doosje op. „Toe, blijf er nu af, Emmie!” riep ik +ongeduldig. + +Ik was zoo prikkelbaar, dat ik zelfs niet velen kon, dat ze aan den +zakdoek rook, die voor me klaargelegd was, en waarop ik overvloedig +eau-de-cologne, en een klein tikje boschviooltjes gedaan had. + +Toen ik haar weer verboden had, liep ze achteruit terug, net tegen den +stoel aan waarover mijn mooie rose jurk hing. De stoel viel om en de +jurk op den grond. Ik was opgesprongen; ik kon me niet langer inhouden, +mijn prachtige jurk zou heelemaal bedorven zijn, ik wist, dat ik met +wasschen erg gespat had, mijn jurk zou heelemaal nat en vuil zijn. + +„Vervelend kind!” riep ik, buiten mijzelve van drift, „kun je dan +nergens afblijven!” + +Ik geloof, dat ik haar had kunnen slaan; ik ben maar blij, dat ik het +niet gedaan heb. Toen ik de jurk had opgeraapt, bleek het, dat ze +geheel ongeschonden was. Ik had dadelijk spijt van mijn drift, en gaf +Emmie eau-de-cologne en boschviooltjes. Emmie bleef niet lang huilen, +maar ze was toch een beetje bang voor me, en toen ik gekleed en gereed +stond, het haar gekapt, de witte handschoenen aan, frisch en fleurig in +de rose jurk, was ze zoo schuw van al mijn moois, dat ze me haast niet +goedendag dorst kussen. + +Een anderen keer heb ik haar echt door elkaar geschud, omdat ze het +dekseltje van mijn nieuwste naaidoosje zoo hard dicht had laten vallen, +dat het spiegelglas, dat er binnen inzat, er door brak. + +Arme kleine Emmie, ik heb nu spijt van het minste leed, dat ik je +gedaan heb. Ik begrijp niet, dat ik tegen zoo’n lieve kleine prul, als +jij was, ooit onaardig of hard heb kunnen zijn. + +Ik ben blij, dat we ondanks onze kleine kibbelarijen toch altijd van +elkaar gehouden hebben. + +We klikten nooit en trokken tegenover vreemden altijd partij voor +elkaar. Ik weet nog hoe dankbaar ik Toon was voor het pak slaag, dat +hij een straatjongen toediende, omdat die mij gegooid had met een +sneeuwbal, waarin een steentje zat. Hij „kreeg” zelf ook, zóó, dat zijn +oor bloedde, en ik voelde mijn eigen pijn niet meer, zoo ging me de +zijne aan het hart. Want het mooiste van het heele geval was, dat Toon +nogal boos op me was één oogenblik vóór de bal aankwam. + +Behalve bij kleine verdrietjes of bij werkelijke smart (want bij +Emmie’s ziekbed bleek het eerst recht hoeveel we van elkaar hielden), +voelden we ook den band, die ons allen vereenigde, bij pretjes of +feestelijkheden. + +Moe moest maar eens jarig zijn of Pa! Dan waren we allen één van ziel +en zin om dien dag tot een heel plezierigen te maken! We legden het +geld bijeen, dat we opgespaard hadden, en beraadslaagden in alle +stilte, hoe we het het best gebruiken zouden. Toon en ik gingen er +samen op uit om de cadeaux te koopen, Jaapje en Emmie moesten de +versjes opzeggen, die wij hun van te voren in het geheim geleerd +hadden. Toen op een keer Toon alleen eens geld had en ik toch ook zoo +graag wat geven wou, vond hij het heel goed, dat ik voor zijn geld een +theekleedje kocht, hoewel hijzelf Moe liever met een bloempot verrast +had. Maar ik was blij, dat ik het merken kon, en zoo tenminste ook mijn +goeden wil kon toonen. + +Verjaardagen waren altijd heerlijke feestdagen voor ons allemaal, maar +ze beteekenden toch nog niets in vergelijking met dien éénen avond, die +boven alle de kroon spande—den Sint-Nicolaasavond. + +Dan kwam er geen visite, dan waren we heelemaal onder elkaar. Allemaal +stralende, vroolijke gezichten zaten er dan om de tafel. De schel +klingelde bijna voortdurend, zoo vroolijk en vol goede beloften, dat +ons hart er sneller van kloppen ging. + +Beurtelings hadden we in de keuken of op den zolder geheimzinnige +apartjes met Katrien. Ik weet nu bijna niet, wát prettiger was, als we +zelf een pakje kregen, of als het pakje werd binnengebracht en geopend, +dat we voor anderen hadden klaargemaakt. + +Het onnoozele en van-niets-wetende gezicht, dat we dan trachtten te +zetten, en dat ons juist dadelijk als den Sinterklaas verried! + +En dan de aandoeningen als Sinterklaas binnenkwam, de echte! Of liever +niet de echte, want Toon en ik wisten wel, dat het niemand anders was +dan Pa, maar Jaapje twijfelde, en was wel degelijk angstig, geloof ik, +als hij aan sommige appels dacht, die hij zonder te vragen, uit de mand +in de keuken had weggenomen.—Emmie zou ons zelfs niet geloofd hebben, +als we het haar verteld hadden, dat Pa voor Sinterklaas speelde. We +vonden het veel te aardig, de schuchtere manier te zien, waarop ze +Sinterklaas haar klein wit handje gaf, tóch vertrouwelijk ondanks haar +schuwheid. + +Op zulke avonden zullen de arme buren wat van ons te lijden hebben +gehad, want het komt me nu voor, dat we dan niet anders deden dan +zingen en springen en ravotten en over den grond buitelen van +plezier.—’t Is me, nu ik er aan denk, of ik nog Toons flinke stem hoor, +waarmee hij boven ons allen uitzong.—Ik zie Jaapje nog, den kleinen +dikkerd, zooals hij, met een gezicht, rood van inspanning, „koppeltje” +trachtte te duikelen over den vloer, om Sinterklaas een goed idee van +zijn spierkracht en behendigheid te geven; ik zie onze kleine Emmie +nog, terwijl ze met een snoetje, blozend van angst, de lipjes drukte op +het baardige gezicht van den goeden ouden Sint. + +Ja, we hebben echt prettige, blijde dagen gehad in onze jeugd, en we +vormden een recht gezellig troepje! + + + + + + + + + + +LAURA’S OPSTEL. + + +I. + +BIJ HET UITGAAN DER SCHOOL. + + +Betsy Hove, Annetje Leffelaar, Mariëtta Albeni en Nelly Gerling liepen +gearmd, de tasschen in de hand. Ze vormden een rij, die bijna de +geheele breedte van het grachtje in beslag nam. Ze hadden pret, zooals +bijna alle kinderen, die, na een langen dag zitten, uit school komen. + +Annetje Leffelaar, die een dwaas, hoog stemmetje had, dat vaak +oversloeg, vertelde, hoe ze in angst had gezeten onder de +aardrijkskundeles. + +„Ik werd immers aan het bord geroepen, ik wist totaal niet waarom. Ik +moest iets aanwijzen, de Lek of de Linge of een dorp of een stad, ik +had het heelemaal niet gehoord. En ik dorst het niet te zeggen ook, dat +ik de vraag niet verstaan had.—Wat had ik een gevoel, toen ik voor ’t +bord kwam! Ik nam den stok, en ik wees maar op goed geluk. Ik keek +voortdurend naar Lautje op, die me met de oogen beduidde, waar ik wezen +moest.” + +Annetje schaterde het opeens uit. „Het was net een spelletje,” zei ze. +„Als ik er dicht bij was, knikte Lautje, en als ik den verkeerden kant +opging, trok ze de wenkbrauwen hoog op. Vroeger speelden we wel eens +zoo iets, dan moest de een wat zoeken, en de ander „heet!” of „koud!” +roepen, naarmate wie zocht er dicht bij, of ver er van af was. Als +Lautje de wenkbrauwen fronste”—Annetje stikte bijna in haar woorden van +het lachen—„dan was het me of ze riep: „IJskoud, je bevriest,” en als +ze zóó knikte, dan leek het of ze zei: „Heet, heet, je brandt +je!”—Eindelijk, toen mijn stok bij een dikke, witte punt kwam, knikte +Laura zoo geweldig, dat ik begreep: „Nu ben je terecht,” en de juffrouw +zei: „Heel goed Annetje, daar ligt Vianen, ga maar naar je plaats.”—Ik +begrijp nog niet, dat ik geen straf kreeg, en dat de juffrouw niets van +mijn scharrelen gemerkt heeft!” + +„Dat is nogal duidelijk,” zei Betsy Hove, een beetje droog, „de +juffrouw zat aldoor naar Lautje Dorper te kijken, en die heeft toen ook +straf gekregen.” + +„Waar blijft Laura toch?” vroeg Nelly opeens, terwijl ze staan bleef en +omkeek, „we hebben heel niet op haar gewacht.” + +Mariëtta Albeni trok even haar fijne neusje op. „Laat dat kind toch +loopen,” zei ze, „we zijn toch al met ons vieren, de rij is groot +genoeg.” + +„Ze zal het zoo naar vinden,” pleitte Nelly goedig. + +Annetje Leffelaar keek naar Mariëtta. Ze zag de mooie donkere oogen +ongeduldig flikkeren. En Annetje, prat op Mariëtta’s gunst, zei: „We +moeten nú toch maar niet langer wachten; waarom zorgt Laura dan niet, +dat ze op tijd klaar is? Ze moet zeker weer zoeken naar een of ander +boek.” + +Betsy Hove, die geen vriendin van Laura was, omdat ze—zelf een heel net +meisje—Laura een echt slonsje vond, koos toch haar partij. + +„Jij moest Laura Dorper niet afvallen, Annetje,” zei ze. „Nog geen +kwartier geleden heeft ze, door jou te helpen, straf opgeloopen!” + +Annetje kleurde, ze ontweek den blik van Betsy’s koele grijze oogen. Ze +voelde zich heel verlegen, omdat haar zoo zonder erbarmen de waarheid +gezegd werd. + +„Ik heb haar toch niet gevraagd me voor te zeggen,” zei ze, maar zacht +en onwillig, want zelf zag ze wel in hoe flauw en kinderachtig die +verdediging was. + +„Daar komt Lautje!” riep Nelly opeens. + +Ze stonden nu allen stil en zagen naar de donkere figuur, die in de +verte kwam aandraven, met open mantel, waarvan de slippen wijd +uitwoeien, als uitgespreide vleugels. + +Mariëtta Albeni trok bijna onmerkbaar haar neusvleugels op. + +„Kijk ze er weer eens uitzien,” zei ze, „wie loopt er nu zóó weg met +lossen mantel en zonder handschoenen, en haar tasch bengelt aan een +hengsel, en—neen, maar dat is te sterk—de strook van haar jurk is +afgetrapt!—Ik ga door, hoor, ik loop niet met haar!” + +Mariëtta keerde zich om met een snelle beweging, Annetje Leffelaar +volgde haar dadelijk. + +Betsy Hove bleef nog even wachten, omdat Lautje zoo vlak bij was. „Je +strook is afgetrapt,” zei ze, „die mag je wel opspelden, wij gaan +vooruit, we hebben al zoo lang gewacht.” Met een paar vlugge passen +voegde ze zich bij Mariëtta en Annetje, het aan Nelly Gerling +overlatend, Laura te helpen. + +„Waarom loopen de anderen door?” vroeg Laura, zoodra ze in zoover van +het harde loopen bekomen was, dat ze geluid kon geven. + +Nelly bukte zich, om met een paar spelden de strook aan den rok te +hechten. + +„Ik weet het niet,” zei ze, te goedig om de waarheid te zeggen. + +„’t Is vreeselijk flauw”—op Laura’s gezichtje kwam een ontevreden +uitdrukking—„’t is erg kinderachtig om niet even op me te wachten!” + +„Wat moest je dan nog doen?” vroeg Nelly, die als een moedertje Laura’s +zwarte krullige vlecht, die geheel onder den mantel verborgen was, over +het kraagje heen optrok, met groote voorzichtigheid, om Laura niet te +bezeeren. Zelfs het bovenste haakje van den mantel maakte ze dicht. + +„Och, allerlei,” zei Lautje, de schouders optrekkend, „mijn boeltje +pakken. Eerst was de sponsedoos weg, toen kon ik mijn potlood niet +vinden, je weet wel, dat nieuwe in het nikkelen houdertje,—’t is +trouwens nóg zoek. Ik hoop maar, dat Moe er niet naar vraagt, want dan +ben ik verloren.” + +„Heb je aan je rekenboekje gedacht?” vroeg Nelly. + +Laura lachte. „Mijn sommen heb ik al af,” zei ze, „die liggen thuis +klaar. Ik moet alleen nog het opstel.” + +Nelly zuchtte: „Ik ook,” zei ze, „maar dat vind ik afschuwelijk. Wat +moet je nu schrijven?” + +„Och, het is wel een prettig onderwerp,” zei Laura als +verontschuldigend. + +Nelly Gerling zag er niet uit of zij het onderwerp ook prettig vond. +„Ik ben er al aan begonnen,” zei ze, „ik heb een paar zinnen op klad, +maar meer weet ik ook niet. Ik heb er bijna een heelen avond over +gedaan. Ik zal je het kladje eens laten zien!” + +’t Was ver in den herfst en het begon op straat al donker te worden, +maar Laura kon het klad nog heel goed lezen, het zag er ook volstrekt +niet als kladwerk uit, maar scheen eer geteekend, zooveel zorg was er +aan besteed. + +Lautje had moeite niet even te lachen, toen ze het volgende onder de +oogen kreeg: + + + „De Lente. + + „De lente is het eerste jaargetijde van het jaar. + + „Er zijn vier jaargetijden, namelijk: de lente, de zomer, de herfst + en de winter. + + „De lente begint den een-en-twintigsten Maart en duurt tot en met + den twintigsten Mei. De lente is een mooi jaargetijde, maar de + lente kan ook wel guur zijn. + + „In de lente begint alles te groeien en te bloeien. + + „In de lente komen de zwaluwen en de andere trekvogels weer in ons + land....” + + +Laura moest tóch lachen; ze kon het niet helpen. Nelly kreeg een kleur, +ze had er spijt van, dat ze Laura het kladje had laten lezen. + +„Is het fout?” vroeg ze nederig, wel wetend, dat ze zelf dom was, en +dat Laura bij de knappen behoorde. + +Laura werd getroffen door Nelly’s grooten eenvoud. „Welneen, fout is +het niet, het is heelemaal goed; maar je moet niet zoo dikwijls achter +elkaar zeggen: „De lente” en „In de lente,” dat klinkt niet aardig, +hè?” + +„Wat moet ik dan schrijven?” klonk het naïef, „het is toch een opstel +over de lente. Kun je me niet een beetje helpen?” + +Het is makkelijker iets af te keuren, dan te verbeteren, dat ondervond +Lautje ook. Maar ze deed toch haar best en gaf Nelly een paar wenken. +„Je kunt beginnen met te vertellen, hoe het in den winter is,” zei ze, +een beetje in de war, door het ongewone schooljuffrouw-spelen, „en dan +kun je zeggen, hoe alles in de lente verandert.” + +Ze gaf er nog een paar treffende voorbeelden bij, die Nelly verstomd +deden staan. „Wat zul jij een mooi opstel maken,” zei ze met een +bewondering in haar groote oogen, die Laura streelde, al wou ze het +niet laten merken. + +„Kom!” zei ze, staan blijvend, omdat ze Nelly’s huis bereikt hadden, +„dat denk je maar.” + +Ze groette Nelly en stapte met flinke passen voort, in blijde stemming. +Het lachte haar toe, dat opstel. Het was juist een werkje, waarmee ze +ophad. Haar hoofdje was vol vage plannen, vol heerlijke zinnetjes en +brokken van zinnen, die ze mooi vond en trachtte te onthouden. Enkele +beelden, die ze, ze wist zelf niet meer in welk boek, gelezen had, +speelden haar voor den geest. Die zou ze gebruiken. Den westenwind zou +ze noemen „den heraut van het voorjaar”. Ze moest in zichzelf lachen, +toen ze bedacht, hoe Nelly zou ophooren, als ze dat las. Nelly zou +waarschijnlijk niet eens weten wat een heraut was! + +Laura verdiepte zich hoe langer hoe meer in het opstel. Ze zou de aarde +in den winter voorstellen als een kind, dat ligt te slapen onder een +witte sprei (de sneeuw), overhuifd door een donker wiegekleed (de +wolken). Maar in de lente, dan kwam moeder (de zon), die schoof het +wolkenkleed weg, die lichtte de sprei op en lachte tegen het kind, +eerst eventjes, dan met een blijden, gullen lach, die het kind deed +wakker worden. Dan zou de zon de aarde koesteren, de boomen zouden +knoppen krijgen, de bloemetjes ontluiken, en kleine vogels zouden +blijde liedjes zingen, terwijl ze zich behaaglijk wiegden op ranke +rijzen van zilveren berken, waaraan het jonge groen begon te +schemeren.... + +Zóó wond Laura zich op bij de gedachte aan de mooie dingen, die ze zou +schrijven, dat ze in het geheel niet lette op de vuile straten. Ze +stapte door dik en dun, langs rijtuigen, die de modder hoog op deden +spatten. + +Ze merkte het ook niet, dat de spelden weer hadden losgelaten, en dat +de strook van haar barège rokje haar achternasleepte. + +Ze kwam thuis, vervuld van heerlijke gedachten. Als het opstel goed +uitviel, zou de onderwijzeres weer een beter idee van haar krijgen. En +dat zou haar zelf moed geven, om ook in andere dingen haar best te gaan +doen. + +Lachend en vergenoegd liep ze de trappen op, Leentje had opengedaan. + + + + + + + + +II. + +EEN ONGELUK. + + +Ze was nog niet halverwegen, toen een ontevreden stem van boven riep: +„Kijk, nou heb je weer je voeten niet geveegd, jongejuffrouw. En de +straten zijn nogal zoo vuil en de trappen heb ik pas gedaan.” + +„Och, Leentje, ik heb er heel niet aan gedacht!” Laura sloeg niet heel +veel acht op het mopperen van de oude meid. + +„’t Zou wel wonder wezen, als die weer niet wat had aan te merken,” +dacht ze; maar het speet haar toch, toen ze, even omziend, morsige +afdrukken van haar schoenen op het heldere zeil van den looper zag. Het +was nog een geluk, dat ze omkijkend, ook de losse strook ontdekte, die +ze nu gauw nog even aanspeldde, voor ze haar moeder onder de oogen +kwam. + +Ze hoefde niet te vragen, of het kamerdag geweest was, de geur van was +kwam haar tegemoet en alles blonk haar tegen. Met een gevoel van +eerbied bijna bleef ze even staan aan den ingang van de kamer. Ze kon +zich best begrijpen, dat Leentje met een gezicht als een inktlap (van +het potlooden) en een stofdoekenmandje en een waspotje de kamer uit +kwam stuiven, om haar vooral op het hart te drukken, eerst de laarzen +uit te doen. + +Alles was ook zóó keurig, zoo echt „gedaan”. + +Het zeil blonk als een spiegel en zag er zoo glad en glanzig uit als +een gewreven parketvloer, en het nieuwe karpet met zijn roode en groene +strepen leek wel een land met tulpenbedden en frischgroene graszoden. +De lamp was al op; zij spiegelde zich welgevallig in het groene meer +van het tafelzeiltje en deed de kleine vlammetjes in den mahoniehouten +rand grappig opflikkeren. + +De kachel, die pas was aangemaakt, glom ook van plezier; nu en dan +vielen er kleine lichtende vonkjes in den leegen bak, met een +knettering van leven. Even bleven ze nog branden, als kleine +vreugdevuurtjes, dan doofden ze uit, maar er kwamen altoos weer nieuwe. + +Laura deed haar natte laarzen uit en verwisselde ze voor lekker warme +vilten pantoffeltjes, die haast bij iederen stap uitgleden op het zeil. + +Wat hingen die overgordijnen netjes, en wat glommen de stoelen, en wat +rook alles lekker en frisch naar terpentijn! + +Lautje kreeg ook een net gevoel over zich, ze streek de haren glad +achter de ooren, nam de natte tasch, die scheef op een stoel lag, en +hing ze op in de kleerkast. Toevallig zag ze zichzelf in den spiegel, +een slordig schoolkind, den bovensten knoop van haar mantel, de haren +woest en verwaaid, en vochtig van den regen, en hier en daar, waar het +weggestreken was, op het hoofd geplakt. Het lintje hing heel onderaan +aan het puntje van de vlecht; het was een wonder, dat ze het niet al +lang verloren had. Groote pieken haar sproten als wilde grassen aan +alle kanten uit den strengel. + +Er was niets aan te doen; ze ging naar de alkoof, om het over te maken. +Ze waschte zich frisch en pijnigde zichzelf, door het haar zoo strak en +stijf te vlechten als een touwtje. + +Ze keerde haar boezelaar om, met den nog schoonen kant naar buiten, en +begon tot haar moeders groote verwondering uit eigen beweging de tafel +te dekken. Jan en Henk waren ook thuis gekomen. In een oogenblik hadden +ze hun laarzen uit—ze konden het makkelijk doen, want ze hadden van die +heerlijke, met stiftjes—en waren naar binnen gegaan. Wat maakten ze een +spektakel! Het leek wel, of ze den boel af braken. Hoe was het +mogelijk, terwijl alles zoo netjes was! + +Met het gevoel van een kleinen Farizeër, nam Laura den stapel borden en +ging naar binnen. Welja, daar speelden ze „prikje” en sulden met het +deurkleedje over het zeil. + +„Je moest je wel schamen,” zei ze, „zoo’n rommel te maken, als de boel +pas gedaan is. Houdt er dadelijk mee op!” Met een smak zette ze den +messenbak op tafel, dat het rinkinkelde, wat haar veel plezier deed, +want ze vond, dat het een ongemeene kracht aan haar woorden bijzette. + +„Asjeblieft!” riep Jan en prikte voort met verdubbelde woede, zich +telkens met een ruk afzettend op de palm van de hand. Henk keek naar +Jan en sulde op een matje achter hem aan. + +Laura werd warm, maar wou toch kalm blijven. Ze had dikwijls ruzie met +de jongens. Ze was de oudste en moederde graag; Jan en Hendrik vond ze +kinderen, waarover zij den baas wou spelen. Ze spande zichzelf in en +dacht na. De borden stonden, de vorken en lepels lagen op de tafel, +drie om op te scheppen in het midden, een mes voor Pa, voor Moe, voor +Leentje en voor haar—de jongens waren nog te klein—en de juslepel naast +Moe’s bord. + +Nu nog het olie- en azijnstelletje; ze zou het gaan halen. Ze hield +zich of ze de jongens niet zag; misschien hielden ze wel op als ze weg +was; dat gebeurde wel meer. + +Toen Laura weer binnenkwam, was het kleed aan drie kanten omgeslagen en +voeren Jan en Henk lustig op de ruime baan. + +Ze voelde het bloed naar het hoofd stijgen. Ze had het ongeluk over het +omgeslagen kleed te struikelen, zoodat ze vrij hard tegen de tafel +aanviel en haar arm schaafde. Zout en peper stoven over het tafelkleed. +Woedend keerde ze zich om. + +„Zùl je het laten?” + +„Voor jou, zeker voor jou, hè!” + +„Ja, net voor mij, net voor mij!” en pats, pats, daar had hij twee +klappen om zijn ooren. + +Ze had nog juist den tijd te zien, hoe Henk als een haas met zijn matje +naar de deur scharrelde en in aller ijl het kleed begon goed te leggen. +Ze werd naar beneden getrokken, op den grond, aan haar rokken, aan haar +boezelaar, dat scheurde. + +„Valscherd, valscherd! Je zult me niet slaan; ik wil het niet, ik wil +het niet!” + +Laura lag onder, op den grond, met Jans heet gezicht, rood van drift, +vlak op haar en zijn vingers om haar bovenarm geklemd. + +„En jij zult doen wat ik zeg, hoor je, hoor je!” Vergeefs probeerde ze +zich op te richten; telkens viel ze weer terug, het hoofd op den grond. + +Jan lachte. „Zie maar, dat je opkomt, als je kunt. Maar dat kan je +niet, dat kan je niet!” + +Laura beet zich in de wang van machtelooze woede, en lachte even, dom, +onzinnig. Daar voelde ze iets hards aan haar voeten,—de kachel. Ze +zette zich af met kracht. Op zou ze, óp wou ze,—de palmen van de hand +op den grond, nu één forschen ruk,—ze wás op. Maar Jan lag achterover, +met het hoofd tegen de kachel, doodsbleek. En het bloed gudste uit zijn +achterhoofd. + +Half verwezen zag Laura de kamer rond, als in een droom. Het tafelkleed +hing haast op den grond; de borden stonden op het kantje. Zout en peper +vormden grauwachtige plekken op het witte laken. + +De stoelen stonden dooreen; het kleed lag nog omgeslagen. Henk +schreeuwde uit alle macht. + +En voor haar op den grond lag Jan, het blonde haar geplakt van bloed. +Groote druppels vielen langzaam op de geschuurde plaat, als roode +bolletjes, die samenvloeiden, traag, heel traag, tot een klein, helrood +meertje. Opeens kwam ze tot bezinning. Leentje stoof de kamer binnen, +met het deksel van den ijzeren pot in de hand, waarvan de wasem als een +dichte damp afsloeg. + +„Moe, Moe!” gilde het meisje wanhopig, en werktuiglijk drukte ze haar +losgerukt boezelaar tegen de wond. + +„Uw Moe is boven op zolder,” en Leentje liep weg om Mevrouw te halen. + +Mevrouw Dorper kwam, en de buren kwamen, en er was een geloop en +gedraaf, en een sterke lucht van azijn, en een druk gevraag: „Hoe kwam +dat? Wie deed het? Hoe is het gekomen? Heb jij het gedaan, jij?” + +En Laura schudde van ja, twee-, driemaal. Ja, ja, ja! „Ik, ik, ik!” + +„Gegooid?”—En weer knikte ze ja, sterk en welsprekend, en het +verwonderde haar niet, dat de juffrouw van boven het hoofd schudde. + +Ze huilde niet eens; ze zag maar toe, hoe haar moeder Jan te bed +bracht. De dokter kwam, er moest licht zijn in de alkoof, en de brander +werd uit den hanger genomen. En de menschen liepen om watten en carbol, +en de dokter naaide de wond. + +Het duurde zoo lang, zoo lang, en ze hoorde Jan gillen, en Henk zat ook +te huilen in zijn hoekje bij de kachel, en hij keek haar aan met een +paar groote, verschrikte oogen, of hij bang voor haar was. + +Mijnheer Dorper kwam thuis, en de dikke juffrouw van boven lichtte hem +in, wijdloopig, fluisterend, en ze wees naar Laura. Het meisje stond +maar naar haar te kijken, naar haar dwaze gebaren, naar haar dikken +wijsvinger. + +Mijnheer luisterde niet; hij gooide zijn jas op een stoel en liep de +alkoof in. Even ging de deur open, maar Laura zag niets dan een hel +licht en een gewarrel van menschen; toen werd alles weer donker. + +De dikke juffrouw kwam naar haar toe. Laura hoorde het; ze zag de +groote, logge gedaante vlak voor zich. Ze liep achteruit, dicht, dicht +tegen het raam aan. De juffrouw boog zich over haar heen: „Als het kind +doodgaat, is het jou schuld.” + +En weg ging ze, naar boven. Ze kon hier niet aldoor blijven; ze moest +naar haar aardappelen zien. + + + + + + + + +III. + +HOE HET AFLIEP. + + +Laura was bang geworden, o, zoo bang. Ze begreep niet, dat er geen +menschen kwamen, om haar naar de gevangenis te brengen, in een heel +donker hok. + +Dat zou wel gebeuren, dacht ze, straks of morgen, en het maakte haar +gerust. Ze hoopte maar, dat het erg donker zijn zou, en dat ze er heel, +heel alleen zou zitten. En dat er nooit menschen zouden komen, niet de +juffrouw van boven en niet de anderen, niemand.—Misschien zou ze er ook +wel gauw doodgaan. Ze zou nooit iets eten, geen brood, niets. En als ze +dan heel erg ziek was,—heel erg, als ze zeker wist, dat ze dood moest +gaan, dan zou ze vragen om haar vader en moeder nog eenmaal te zien. +Menschen, die opgehangen worden of doodgaan in de gevangenis, mogen +immers altijd één vraag doen, die vervuld wordt! + +En dan zou haar vader komen, en hij zou er bleek en droevig uitzien. +Hij zou een rouwband hebben om zijn hoed, en haar moeder zou heelemaal +in het zwart zijn, met een gezicht zoo wit als een lelie en oogen moe +van het huilen. Henk zou niet mee willen komen en in den deurpost +blijven staan. + +En ze zou stil liggen op het stroo en alleen vragen of het weer over +was. Pa zou haar zoenen en Moe ook; zij zouden medelijden hebben met +haar berouw. En Henk zou haar eindelijk ook vergeven, dat ze altijd zoo +naar was geweest en dat ze zijn broertje vermoord had. En dan zou ze +doodgaan.— — — — + + + +Daar werd het weer licht, alles licht en leven. + +Haar vader lachte en zette den brander in de hanglamp, en de dokter +lachte ook, en zijn heele gezicht lachte, en zijn kaal hoofd met den +krans van grijze krulletjes in den nek glom en lachte ook. Hij hield +den hoed in de hand, een hoogen zijden, die ook al glom en glansde en +lachte in het licht met vroolijke plekken. + +„Een ferm kereltje,—heeft zich goed gehouden, uitstekend, uitstekend!” + +„Nietwaar, ’t is een flinke vent.” Mevrouw liep af en aan van de alkoof +naar de keuken. + +„Kijk Laura eens wit zien,” zei Mijnheer opeens. „Zij zal ook geschrikt +zijn. Hoe is het, moet de dokter jou ook onderhanden nemen?” + +Hoe was het mogelijk, dat Pa nog tegen haar lachte! Zeker wist hij het +niet. Zou ze het niet zeggen? + +Och, het moest immers toch uitkomen! + +Allen moed bijeenschrapend, kwam ze naderbij. + +„Ik heb hem gegooid, Pa.” + +„Ja, ik weet het. Jan heeft het gezegd. Je hebt gevochten. Ik wist +niet, dat ik zulke vechtersbazen in mijn huis had. Zorg maar, dat het +gauw weer goed wordt tusschen jullie beiden.” + +Jan lag met het gezicht naar den muur; Laura zag alleen den witten doek +om het achterhoofd. + +„Jan,—Jantje!” Ze durfde niet opzien. + +Jan keerde zich om. Hij zag nog bleek, alleen een heel flauw, teer +kleurtje midden op de wang. + +„Ben je nog boos op me?” + +„Nee, Lautje. Je kon het niet helpen, dat weet ik wel. Maar,—je moet me +niet meer slaan. Dat—dat is niet prettig—voor een jongen, begrijp +je.—Niet omdat het zeer deed—want je slaat flink, dat het tintelt—maar +dat is niets. Al was het nog zoo zacht, dat blijft hetzelfde.” + +Ja, Laura begreep het. + +„Maar het is mijn schuld,—ik had je niet moeten treiteren, ik heb je +gesard.” + +Lautje haalde ruimer adem: „Ben je nu weer goed, Jan,—als ik je nooit, +nooit van mijn leven weer slaan zal?” + +„Och, ik ben in het geheel niet kwaad; dan had ik je immers maar niet +moeten treiteren.”—Lautje gaf haar broer een kus, en toen was alles +weer goed. Jan ging stil liggen. Het duurde niet lang, of hij was +ingeslapen. + +Pa en Moe, ze waren allebei goed op Laura, en Henk ook, ze speelden na +den eten samen moedertje, maar heel zachtjes, dat Jan niet wakker werd. + + + + + + + + +IV. + +MOE EN MOEDELOOS. + + +Laura verwonderde er zich over, dat één dag soms zoo lang kon duren. Ze +had ten pleziere van Henk een tijdje met hem gespeeld, en was toen aan +haar opstel begonnen. + +„Heb ik het goed gezien, Lautje, is de strook van je jurk los?” vroeg +haar moeder opeens. + +O ja, dat was waar ook, en er was ook een knoop van haar mantel. + +„Heb je veel huiswerk?” vroeg mevrouw Dorper. + +„Een opstel, Moe.” Van de drie werkwoorden „voorzeggen” sprak ze maar +niet. + +„Doe dan een andere jurk aan, dan zal ik de strook voor dezen keer wel +naaien,” klonk het goedig. + +Dat beviel Laura, ze liep vlug naar den zolder om zich in haar koud +slaapkamertje te verkleeden. + +„Alstublieft, Moe,” zei ze, de jurk over haar moeders stoel hangend; ze +had ook den mantel meegebracht in de stille hoop, dat de ontbrekende +knoop er wel meteen zou worden aangezet. + +Ze was weer gaan zitten, het potlood in de hand, gereed om aan het +kladje voort te gaan. + +Opeens klonk de stem van haar moeder verontwaardigd: „Maar, kind, wat +is dat nu! Kijk die jurk eens, een en al modder, kletsnat nog!” + +Laura bezag met schaamte de strook van haar mooie barège jurk; grauw +van slijk was ze, en werkelijk nog nat ook. + +Beschaamd opziend, ontmoette ze den blik van haar vader, die ernstig +het hoofd schudde. + +Laura zuchtte, het eene kwam bij het andere, haar vader had wel reden +tot misnoegdheid, er was ook altijd wat met haar. + +„De jurk kan ik zoo niet naaien, ze moet eerst goed droog zijn, morgen +moet je je oude grijze maar aandoen.” + +Laura knikte. Ze vond de „oude grijze”, waarin ze zulke lange armen en +beenen had, afschuwelijk, maar er was niets aan te veranderen, ze zou +wel verplicht zijn te doen wat haar moeder zei. + +„Wat moet er aan dien mantel gebeuren?” vroeg mevrouw Dorper. + +„Er is een knoop af, Moe,” zei Lautje, blij, dat die er tenminste zou +worden aangezet. + +„Waar is die knoop?” klonk het tamelijk droog. + +Laura schrikte. Ja, waar was die? Verloren natuurlijk! + +Ze gaf geen antwoord, ze kreeg alleen een kleur en herinnerde zich +ontsteld, hoe ze den knoop ’s middags op school aan de losgeraakte +draadjes had zien bengelen. + +„Ik begrijp je niet,” zei haar moeder, „je weet, dat het zulke mooie, +dure knoopen zijn, je moet het toch zien, als er een losgaat, kun je +dien dan niet bij je steken?—Breng er morgen als je uit school komt een +mee, dan zal ik nu den ondersten bovenaan zetten.” + +Met een knikje bukte Laura zich weer over haar opstel. Ze voelde wel, +dat het zoo toch niet vlotten zou. Haar hoofd was vol van het gebeurde. + +Af en toe stond ze op, om eens naar de alkoof te gaan, en te zien, hoe +Jan het maakte. Hij sliep, en hoewel hij volmaakt rustig ademhaalde, +vertrouwde Laura het niet recht. + +„Ik zal blij zijn als hij wakker wordt,” dacht ze, „dan kan hij zeggen +of hij nog pijn heeft.—Als hij maar geen wondkoorts krijgt.” + +Ze zette zich weer aan tafel, schreef een paar zinnen aan haar opstel, +maar legde toen het potlood neer. Haar gedachten waren er niet bij. Ze +zou den volgenden morgen vroeg opstaan, en nu maar de werkwoorden +maken. + +Eigenlijk vond ze het wel naar, waar haar vader en moeder bij waren, +aan haar strafwerk te beginnen, maar het kon niet anders. Ze dacht aan +Mariëtta Albeni, die een eigen kamertje had waarin ze ’s avonds altijd +zat te werken; ze benijdde haar. Wat moest dat heerlijk zijn! + +Ze keek eens over de tafel naar vader en moeder. Moeder naaide, van +haar vader kon ze alleen een lok haar zien, die boven de krant uitkwam. +Ze stelde zich verdekt op achter de openstaande naaidoos en een pakje +boeken, zocht toen een blaadje los papier en begon te vervoegen. Maar +toen ze aan den voltooid verleden toekomenden tijd van de aantoonende +wijs begon en neerschreef: „Ik zou voorgezegd hebben, hij....” tikte +haar vader haar losjes op den schouder. + +Mijnheer Dorper had geen andere bedoeling, dan Laura om de lucifers te +vragen, maar haar onthutst gezichtje en haar plotselinge blos gaven hem +een kwaad vermoeden. + +„Wat ben je aan het doen?” vroeg hij, zelf opstaand om het verlangde te +krijgen, daar Laura hem heel niet verstaan had. + +Zwijgend liet Lautje hem haar werk zien. + +„Dom kind!” zei mijnheer Dorper, zijn meisje over het kroezige kopje +strijkend, „hoe dikwijls ben je met strafwerk bezig? Het is zoo +nutteloos, waarom voorkom je het niet?” + +Die woorden, met goedheid en ernst uitgesproken, deden opeens heete +tranen in Lautje’s oogen opwellen. Haar vader had gelijk, waarom +voorkwam ze al dat onaangenaams niet? Zoo vaak kreeg ze straf op +school, en was het niet meestal haar eigen schuld? En thuis, daar waren +ook dikwijls klachten over haar. Een eigen kamertje om in te leeren had +ze niet, maar wel een slaapkamertje op zolder. Daar hingen achter een +groen gordijn haar jurken en boezelaars, daar lagen in een afgedankt +penantkastje al haar kostbaarheden, haar boeken en schoolschriften. + +Wat was me dat soms een boeltje! Ze herinnerde zich hoe ze zich eens +voor Mariëtta geschaamd had, toen die een oud cahier met aanteekeningen +van haar kwam leenen. + +Zonder aan haar rommeltje te denken, had Laura Mariëtta boven gebracht, +en onder haar oogen begon ze naar het schrift te zoeken. Wat had ze een +spijt, zoodra ze de kastdeuren opende! Het scheen, dat ze zelf toen pas +goed de wanorde zag. Ze haalde er achtereenvolgens een oude pop met een +warpruik, een leeg dropfleschje, een begonnen handwerkje, een doosje +met haarlinten (die in bonte slingers uit de doos neerhingen), De +Kleine Lord in prachtband, een schoteltje van een oud serviesje, een +paar kladcahiers, een los deksel van een naaidoosje, een pakje boeken, +en haar naaidoosje zelf uit. Toen ze met dat alles in den schoot op de +hurken zat, was het haar opeens ingevallen, dat het gezochte cahier een +paar weken te voren door haarzelf verscheurd was, nadat ze er het +nachtlampje met patentolie over had laten vallen. Mariëtta was alles +behalve in haar schik geweest, en heengegaan met het vaste voornemen +nooit meer bij Laura aan te kloppen om iets te leenen. + +Toen Laura dien avond slapen ging, had ze een gevoel van groote +moeheid. ’t Scheen haar toe, dat er dagen verloopen waren sinds dien +morgen. + +Wat was er ook veel gebeurd!—Het speet haar, dat Jan nog niet wakker +was geworden. Ze had nog altijd een geheimen angst, dat het ergste nog +niet geleden was. + +Haar moeder had haar beloofd, haar vroeg te roepen. De werkwoorden had +Laura afgemaakt, maar aan het opstel moest ze nog beginnen. + +Waar waren al de mooie zinnen, die ze uit school komend vooruit bedacht +had? Weg, allemaal weg. Ze wist niets meer van de lente, ze had geen +enkel ideetje meer. Ze wist alleen dit, dat ze, behalve de gewone +gebreken van de meeste meisjes, nog deze twee in hooge mate bezat: +wildheid en slordigheid. En ze twijfelde er aan of ze die wel ooit zou +kunnen afleggen. + + + + + + + + +V. + +HET OPSTEL. + + +Met een gloeienden blos kwam Laura op school, ten hoogste verbaasd, dat +er nog zoo weinig meisjes waren; zelfs de onderwijzeres, die anders +iedereen vóór was, was nog niet aanwezig. + +„Hoe kom je zoo vroeg?” was Nelly Gerling’s eerste woord, zoodra ze +Laura zag. Nelly behoorde tot die meisjes, die vóór het opengaan der +schooldeur al bedaard heen en weer stappen. Van Laura was ze gewend, +dat ze altijd op het laatste oogenblik kwam, of zelfs nóg later, als de +les al begonnen was. + +„Ik weet het niet,” zei Laura schouderophalend; het klonk bijna als een +verontschuldiging, dat ze voor ditmaal van haar gewoonte afweek. +„Vanmorgen moest ik mijn opstel nog maken, je begrijpt dus wel, hoe +gejaagd ik was, en in dezelfde stemming ben ik naar school gedraafd.” + +„O, dat opstel!” zei Nelly, die zich met schaamte het hare herinnerde. + +„Ja, wat heb jullie er van gemaakt?” vroeg Mariëtta, die haar +schooltasch aan het uitpakken was. „Ik kon niet meer bij elkaar +verzinnen dan anderhalve bladzij. Hoe lang is dat van jou, Laura?” + +Laura, die zich met het oog op haar te korte grijze jurk op den +achtergrond had gehouden, en stilletjes in haar bank was gaan zitten, +zei: „Ik heb vier zijtjes, nogal veel, hè?” + +Vier zijtjes! Hoe was dat mogelijk! Nelly Gerling deed den mond open, +alsof ze naar iets hapte, en sloot hem toen weer plotseling, verstomd +van verbazing. + +Mariëtta zei: „Dat is veel!” maar in stilte dacht ze: „’t Kan er naar +zijn, beter anderhalve bladzij goed dan vier slecht.” + +„Hè, laat eens lezen, je werk,” zei Betsy Hove, die ook naderbij kwam, +„mijn opstel is zoo droog als gort.” + +Nu was er al, heel diep in Laura’s hartje, van het begin af aan de +wensch geweest, dat toch een van allen haar opstel ter lezing zou +vragen. Ze was er van overtuigd, dat het, trots alle haast, die ze +gemaakt had, vrij goed geslaagd was. Maar natuurlijk wou ze er niet mee +te koop loopen. Zelfs nu de gelegenheid zich voordeed, maakte ze er +niet dadelijk gebruik van. + +„Het is zoo slecht geschreven,” verontschuldigde ze zich, „ik heb het +vanmorgen nog opgekrabbeld, je zult het niet eens kunnen lezen.” + +„Laat je nu niet bidden,” zei Mariëtta. Ze was naderbij gekomen en stak +de hand naar het schrift uit. + +Laura liet haar begaan; maar ze voelde zich weinig op haar gemak, toen +ze de gezichten van Betsy en Mariëtta over haar werk gebogen zag. Hoe +zouden ze haar opstel vinden? Ze had het zoo haastig gemaakt. Opeens +kwam het haar voor, dat het een en al onzin moest zijn. Ze kon zich +hoegenaamd niet meer herinneren wat ze geschreven had. Ze had ’s +morgens maar wat samengeflanst van hetgeen haar bijgebleven was van den +vorigen dag. + +Ze had nu spijt, dat ze haar werk liet lezen. + +Bijna met angst in haar oogen keek ze naar Betsy en Mariëtta. + +Het griefde haar, toen Mariëtta van het werk opzag, om een +binnentredende te begroeten. En ze werd in ernst ongeduldig, toen +Mariëtta doodbedaard met Annetje Leffelaar een praatje ging maken. Kon +ze tenminste niet wachten tot ze het opstel gelezen had? + +Wat er ook in Lautje Dorper omging, ze liet niets blijken en wachtte +schijnbaar kalm. + +Betsy Hove was nog niet aan de vierde bladzij begonnen, toen ze, zonder +de lezing te staken, zei: „Ik vind het heel mooi.” + +Lautje Dorper kon er niets aan doen, dat ze een kleur kreeg. Ze hechtte +aan Betsy’s oordeel. De rustige toon van waardeering deed haar goed. + +Het wachten viel haar nu licht. De laatste bladzij zou gauw gelezen +zijn, en, Laura wist het: die was niet de minste. + +„O, Laura, wat kun jij mooie opstellen maken! Jullie moet het lezen, +het is prachtig!” + +Gloeiend rood nu van verlegenheid zag Lautje naar Mariëtta op met een +gevoel van dankbaarheid en toegenegenheid. + +Mariëtta was een van die meisjes, die lief en beminnelijk kunnen zijn, +zoodra ze maar willen, en wien het maar weinig kost de harten voor zich +in te nemen. Zooals ze nu Lautje prees in alle oprechtheid, met +glinsterende oogen en een blos van opwinding, moest iedereen wel van +haar houden. + +„Zeg, mogen ze je opstel lezen?” vroeg Mariëtta een beetje vleiend, met +een vriendelijk, zonnig lachje. + +„O, natuurlijk,” zei Laura, „maar het is de moeite niet waard.” Ze deed +haar best er zoo onverschillig mogelijk uit te zien, maar in haar hart +jubelde ze. + +„Zeg jij het nu eens, Betsy,” zei Mariëtta, die geen tegenspraak kon +dulden, „is het mooi of niet, jij bent zoo bezadigd, jou moeten ze +gelooven!” + +„Ik vind het heel mooi,” zei Betsy tot Mariëtta’s blijdschap. Alle +veinzerijen, waarover Lautje beschikken kon, vermochten niet den +gelukkigen glans te verbergen, die haar gezichtje van dat oogenblik af +aan verhelderde. + +„Ik begrijp niet, dat de juffrouw er nog niet is,” zei Annetje +Leffelaar, „het moet bij negenen zijn.” + +„Ik wou, dat ze altijd zoo laat kwam,” zei Nelly Gerling, „we kunnen +zoo prettig met elkaar staan babbelen.” + +„Ik wou, dat Dikkerdje vandaag heelemaal niet kwam,” zei Mariëtta, +„want ik heb mijn rekenschrift vergeten, en ik heb heelemaal geen zin +om met dit mooie weer een uur school te blijven.” + +Drie meisjes hadden zich intusschen van Lautje’s schrift meester +gemaakt, en een vierde trachtte tevergeefs haar hoofd tusschen die der +anderen te steken en mee te lezen. Het was nog een wonder, dat het +schrift heel bleef. + +„Zeg,” riep opeens Annetje Leffelaar, die nieuwsgierig geworden was, +„laat een het voorlezen, dan hebben we er allemaal wat aan.” + +„Doe jij het, Laura,” zei Betsy Hove, maar Laura bedankte in allen +ernst. + +„Vraag het aan Lucie Froger, daar is ze net!” + +Nelly Gerling had de woorden nauwelijks uitgesproken, of een lang, +mager meisje kwam met groote stappen op haar af. + +„Wat is er, wat wil je van Lucie Froger?” zei ze met zoo iets scherps +in haar toon, en zoo iets vijandigs in de manier waarop ze op Nelly af +stoof, dat het meisje onwillekeurig achteruitdeinsde, tot groote pret +van Lucie, die het juist aardig vond, dat ieder bang voor haar was. + +„Zeg, Lau,” vroeg ze opeens heel verbaasd, „ben jij hier al? Sinds +wanneer heb je opgehouden tot de orde der laatkomers te behooren?—En +zeg me een van allen: waar is Dikkerdje?” + +De meisjes hadden geen geduld Lucie’s vragen te beantwoorden. Ze +vertelden haar heel gauw, dat de juffrouw—die door de meisjes om +gegronde redenen Dikkerdje werd genoemd—er nog niet was, dat Laura +zoo’n mooi opstel had gemaakt, en dat zij, Lucie, het voor moest lezen. + +Lucie boog gelaten het hoofd. Want hoewel ze door haar spierkracht en +haar jongensachtigheid een zeker gezag onder haar zwakkere zusters had, +was ze toch, gelijk ze zichzelve noemde, „aller nederige en gehoorzame +dienares”, vooral wanneer het er op aankwam een grap uit te halen, of +iets te doen, dat tegen de regels van de school was. + +Ze nam dan ook zonder aarzelen het cahier, sloeg het dicht, schoof het +onder den arm en begaf zich met kleine, waardige passen naar het +podium, een verhooging waarop de onderwijzeres haar stoel en tafeltje +had. + +Ieder begreep wat Lucie in den zin had. Ze was niet langer Lucie +Froger, ze was juffrouw Bodengrave, de onderwijzeres. Ze was Dikkerdje! + +Allen lachten, toen Lucie tweemaal bescheiden kuchte, met de hand voor +den mond, uit het laatje van de tafel vóór zich een zeer lang potlood +nam, en met het boveneind er van, als in gedachten, tweemaal langs haar +neus streek. + +Een luid gejubel steeg op. Dikkerdje! Op en top Dikkerdje’s manieren, +Dikkerdje’s gebaren, en dat—wat juist het grappigst was—met de magere +talhouten armen van Lucie Froger! + +Lucie’s gezicht werd zeer ernstig, terwijl ze met het potlood driemaal +met waardigheid op de tafel tikte: „Allen klaar?” + +Lucie stoorde zich niet aan het lachen van de meisjes. Even trok ze de +wenkbrauwen op, op de manier van juffrouw Bodengrave, toen begon ze +zonder aarzelen te lezen. + +De meisjes hoorden Lucie graag voorlezen; als ze las, was ze een ander, +had ze een andere stem, was haar jongensachtigheid weg. + + + + + + + + +VI. + +HOE HET OPSTEL ONDER DEN VOET RAAKTE. + + +De eerste alinea was nog niet ten einde, of allen luisterden met +aandacht, Lautje Dorper met een rood en verlegen gezichtje; over het +geheel vond ze het pijnlijk haar eigen geschrijf te hooren, toch was ze +gestreeld, als ze af en toe een blik van bewondering opving. + +Lucie sloeg juist een bladzij om, en schepte even adem om met een +frissche, opgewekte stem voort te gaan, toen de deur geopend werd.... + +Wat er toen gebeurde, scheen niemand recht goed te weten. Lucie Froger +sprong op, met zoo’n woestheid, dat de stoel achteroversloeg, wat ze +niet merkte. In de haast om op haar plaats te komen, liep ze den +verkeerden kant uit, zoodat het tafeltje verschoof, een poot buiten het +podium raakte en haar jurk scheurde aan de punt van het tafelblad. De +meisjes stoven ook naar haar plaatsen, ze hadden maar een beetje in +clubjes bij elkaar gezeten en op en over elkaar heengehangen in +schilderachtige wanorde. Ze dorsten bijna niet opzien, toen ze +eindelijk gezeten waren; Lautje’s hart klopte bang. Waar was haar +schrift? Wat had Lucie met haar opstel uitgevoerd? + +Plotseling zag ze het op haar tafeltje neervallen, de meisjes hadden +het doorgegeven, en ten slotte was het Mariëtta Albeni, die vóór haar +zat en het over den rug van haar stoel heen had laten glijden op +Laura’s bank. + +Lautje had nog niet durven opzien. Ze verwachtte half, dat haar schrift +door de hoofdonderwijzeres—want niemand anders kon de binnentredende +zijn—zou worden opgevorderd. + +Opeens voelde ze een duw in de zij, het was Annetje Leffelaar, die haar +den vriendschappelijken stoot had gegeven, en haar nu in het oor +fluisterde: „Kijk toch, daar heb je juffrouw Wijbrand, de kweekeling!” + +Dat was een verademing! Dat viel den meisjes mee, die op een strenge +berisping hadden gerekend. + +Lautje zag niets dan lachende gezichten, toen ze om zich heen keek. +Lucie, die al over haar schrik heen was, toonde haar de scheur in haar +jurk; Nelly Gerling, die vooraan zat, zette het tafeltje recht. +Mariëtta keerde zich naar Laura om en zei: „Wat heerlijk; het doet er +nu niet toe, dat ik mijn rekenschrift vergeten heb.” + +Maar dat was toch een vergissing, want juffrouw Wijbrand’s eerste werk +was, de cahiers op te halen. Juffrouw Bodengrave, die met een +verstuikten voet thuis lag, zou ze daar wel nazien. + +„We moeten pret maken,” zei Annetje Leffelaar, „durf jij hi-ha te +zeggen, hardop?” + +Annetje Leffelaar’s streven was het altijd, anderen er in te laten +loopen. + +Juffrouw Wijbrand had een vraagstuk opgegeven, dat de meisjes uit het +hoofd moesten uitrekenen. + +Laura deed haar best, ze was niet heel sterk in rekenen; ze beging +altijd vergissingen. Als ze geen last had met de oplossing, maakte ze +toch meest fouten in de becijfering. + +„Wat zeg je?” fluisterde ze zacht terug. + +„Durf jij hi-ha zeggen?” vroeg Annetje weer. + +Laura trok de schouders op, ze had Annetje nog niet verstaan. + +„Wat is jou antwoord, Laura Dorper, of heb jij de som nog niet +uitgerekend?” klonk opeens de stem van juffrouw Wijbrand. + +Lautje keek verward vóór zich; het scheen haar toe, dat Annetje +Leffelaar haar wou voorzeggen; ze nijgde dus het hoofd naar dien kant +en luisterde. Ze dacht er niet aan, dat Annetje nog slechter was in +rekenen dan zijzelf. Gretig leende ze het oor, gereed om Annetje’s +woorden te herhalen. + +„Nu?” zei juffrouw Wijbrand weer, „wat is de uitkomst?” + +Met een gebaar van hulpeloosheid, wendde Laura zich tot haar +buurmeisje. Ja, ze had wel goed gezien, Annetje’s lippen bewogen zich. +Wat zeiden ze? + +„Hi-ha, hi-ha!” + +Lautje kon het niet helpen, dat ze in lachen uitbarstte. + +Het geduld van juffrouw Wijbrand was uitgeput. „Laura Dorper, ga voor +het bord staan en luister goed. Na schooltijd moet je de sommen maken, +die we nu behandelen, en thuis schrijf je honderdmaal: „Ik ben op +school om te leeren en niet om te lachen.”” + +Toen Lautje boos en beschaamd van haar bank opstond en met trage +schreden naar voren trad, zag ze Annetje Leffelaar, die zich achter +Lucie Froger’s breeden rug verborgen had. Ze voelde zich blijkbaar heel +veilig, want haar oogen lachten en haar mond maakte nog dezelfde +beweging: „Hi-ha, hi-ha!” + +„’t Is een valsch nest,” dacht Laura bij zichzelf. Toen ze voor het +bord stond met den rug naar de klas, waren er rimpels in haar voorhoofd +en haar lippen waren toegeknepen. „’t Is een valsch nest en ik zal me +nooit meer met haar bemoeien!” + +Er waren tranen in haar oogen gekomen, ze zag noch hoorde iets, van wat +er om haar heen gebeurde. „Nu heb ik weer straf, en ik kan het niet +helpen,” dacht ze, „maar Pa en Moe zullen denken, dat het wel mijn +schuld is,” en dat maakte haar heel verdrietig. + +Het rekenuur was afgeloopen. De meisjes gingen naar beneden, naar het +gymnastieklokaal, Laura mocht ook mee. + +Bij de gymnastiek fleurde ze weer een beetje op. Ze was sterk en flink; +ze hield van oefeningen aan de werktuigen; ze was bijna zoo krachtig +als Lucie Froger, maar vlugger en kwieker. Na zoo lang te hebben +stilgestaan, was het haar een genot zich weer eens te kunnen bewegen. +Ze klauterde in de klimstokken naar boven als een jonge aap en vergat +al haar verdriet, toen ze, al lachend, van haar hoog standpunt op de +hoofden der anderen neerzag. + +Het was haar ook een troost, dat Annetje Leffelaar niet bij haar was. +Annetje deed nooit mee aan de gymnastieklessen, omdat ze een jaar +geleden op het ijs haar been had gebroken en zich nog altijd ontzien +moest. + +En alle meisjes waren op Laura’s hand. Ze vonden het min van Annetje, +dat ze altijd anderen liet boeten voor haar grappen. Laura herkreeg +geheel haar goed humeur. Af en toe dacht ze ook in stilte aan haar +opstel. Lucie Froger had er haar nog pas een complimentje over gemaakt. +Zou juffrouw Wijbrand het nazien, of zou ze die schriften ook ophalen +voor juffrouw Bodengrave? Lautje was benieuwd, wat die er van zeggen +zou. Ze twijfelde nu niet meer aan haar werk, zooals ze ’s morgens +gedaan had. Als de heele klas het mooi vond, moest het immers wel goed +zijn?—Het deed haar zoo’n plezier. Ze was in zooveel vakken zwak op +school, in sommige slecht. Het kwam haar dus te pas, dat ze voor taal +tenminste een goed cijfer kreeg. Iedere week, had de juffrouw gezegd, +zouden ze in het vervolg een opstel opkrijgen. Lautje jubelde in haar +hart, als ze er aan dacht.... + +Boven, alleen in het lokaal, zat Annetje Leffelaar, die niet mee mocht +doen aan de gymnastieklessen. Ze vond het heerlijk, dat juffrouw +Wijbrand heengegaan was, juffrouw Bodengrave bleef altijd bij haar en +dan moest ze helpen om boeken of schriften te kaften, of inktkokers +vullen. Als er niets te doen was, hielp de juffrouw haar soms met +rekenen, omdat Annetje daar zoo achterlijk in was, maar dat vond het +meisje nog naarder. + +Ze was blij en dacht van haar vrijheid te genieten, maar toch was ze +niet zoo blij, als ze zichzelf wel trachtte te verbeelden. Ze moest er +telkens aan denken, dat Laura Dorper opzettelijk vermeden had haar aan +te zien, toen ze met een meisje de klas uitging en dat ze gedaan had, +of ze haar niet hoorde, toen Annetje haar had aangesproken. Wat flauw +van dat kind om een grapje zoo hoog op te nemen! + +En Lucie Froger had haar ook met minachting behandeld,—neen, Annetje +was eigenlijk lang niet in haar schik. Ze trok een lipje en nam, om wat +te doen te hebben, Laura Dorper’s opstellenschrift uit het kastje. Ze +wou het eens lezen, ze had er nog maar één bladzij van gehoord. „Wat +ziet dat schrift er uit!” dacht ze, „je kan wel zien, dat het van een +slordig kind is!” + +De manier waarop Annetje het cahier beetpakte bij één punt, was zeker +niet geschikt, om het uiterlijk er van te verbeteren, of de kreukels er +uit te maken, die er door het vele hanteeren waren ingekomen. Annetje +sloeg het open. „En wat slordig is het geschreven; ze krijgt bepaald +een twee voor het schrift, als het geen één is. En daar staat een fout +ook, en daar nog een. Juni zonder hoofdletter, en heraut met ou, en +hier staat van bloemen hun geuren en het moet hare zijn, en er staat +bijna geen enkel teeken in het heele opstel, alleen punten, alle +komma’s zijn vergeten.” + +Het viel Annetje Leffelaar niet in, ook maar één der fouten te +verbeteren. Toen ze het opstel had uitgelezen, telde ze het aantal +fouten en vergissingen. Zeventien had ze er gevonden, en misschien +waren er nog wel meer. Haar lichtblauwe oogjes straalden van plezier en +welgemoed wilde ze het schrift wegbergen; ze hoorde de klasse alweer +terugkomen, ze moest zich nog haasten, in Laura’s kastje lag zooveel +rommel, ze kon het er bijna niet inkrijgen. Toen het halverwegen was, +trok ze haar hand terug en wachtte met een onschuldig gezichtje de +komst der anderen af. Het cahier gleed het kastje weer uit, het viel en +bleef op de voetenplank liggen. + +Annetje Leffelaar hield zich, of ze het niet zag; zelfs toen Laura, die +in de bank kwam zitten, er met haar laars bovenop trad, bemoeide ze er +zich niet mee. Wat kon haar het schrift van dat slordige kind schelen? + + + + + + + + +VII. + +BESPREKING DER OPSTELLEN. + + +Het is een week later. Juffrouw Bodengrave’s voet is genezen. Ze is +weer terug op school en heeft de gecorrigeerde schriften meegebracht. + +De meisjes zijn allen min of meer in spanning. Ze verlangen er naar, +haar cijfers voor het opstel te hooren oplezen. Het is haar eerste +opstel, niemand weet eigenlijk wat haar werk waard is. Over één ding +zijn ze het echter allen eens, Lautje Dorper heeft het mooiste opstel. +Dat zal zeker worden voorgelezen. + +Het hart van Lautje klopt met snelle slagen. Zij ook vindt haar opstel +goed, maar gerust is ze toch niet. Juffrouw Wijbrand schijnt bij +juffrouw Bodengrave over haar te hebben geklaagd, juffrouw Bodengrave +wist tenminste, dat ze strafwerk gehad had en ze was ver van +vriendelijk tegen haar geweest. + +De onderwijzeres zat voor de klas, den stapel schriften vóór haar op +het tafeltje, een lang potlood in de hand. + +„Voor ik tot het bespreken van de opstellen overga, wil ik jelui dit in +het algemeen zeggen: het werk is me, op een enkele uitzondering na, erg +tegengevallen.” + +Juffrouw Bodengrave zweeg even, ze opende de lijst en bleef +hoofdschuddend op de cijfers staren. + +Lautje Dorper verschikte zich eens in haar bank en deed haar best een +heel nederig gezicht te zetten; ook probeerde ze, zich geen illusies te +maken. Maar het baatte niet. In stilte bleef ze hopen, dat zij tot die +enkele gunstige uitzonderingen zou behooren. + +Ze schrikte opeens uit haar gemijmer op, door de stem van de +onderwijzeres, die vervolgde: „’t Is over het geheel onnauwkeurig +gemaakt, slordig gesteld en veel te haastig opgeschreven. De meeste +schriften wemelen van fouten; fouten, die ik zeker weet, dat jelui in +een dictee of taalstukje niet zoudt gemaakt hebben. Over de opstellen +wil ik nog niet eens veel zeggen, het is voor het eerst, dat jelui er +een maakt; daar zijn er uit de heele klas maar vier of vijf, die +blijken geven behoorlijk vooruit overdacht te zijn, de andere zijn maar +neergeschreven, onordelijk het eene idee aan het andere geregen, zonder +verband.” + +Deze voorrede werkte al een beetje als een stortbad; ieder die nogal +verwachting van haar opstel gehad had, liet minstens de helft varen. +Lautje had het zichzelf niet durven bekennen, welk cijfer ze hoopte te +krijgen. Een vijf was het hoogste, dat behaald kon worden. Nu, ze had +dien nacht gedroomd, dat ze een vijf voor haar opstel had. Een vijf! +Nog nooit had ze één vijf op haar rapport gehad. Lautje wist het: +droomen zijn bedrog. Maar—een vier.... dat was wat anders. Daarop had +ze wel durven rekenen,—tot het oogenblik, waarop de juffrouw over het +werk begon te spreken. + +„’t Zal wel een drietje worden,” dacht Laura met een zucht,—een drie, +dat beteekende redelijk; redelijk, en Lautje had gehoopt, dat het goed +zou zijn! + +„Hier,” zei juffrouw Bodengrave, „hier heb ik het werk van Annetje +Leffelaar. Het is knap geschreven en het heeft één deugd: het is bijna +zonder taalfouten. Blijkbaar is het met zorg nagezien. Maar waarom is +het ook niet met zorg overdacht? Annetje schrijft: „De lente is een +zeer schoon jaargetijde. Alles bloeit en groeit. De lammeren huppelen +op de hei. De vogelen zingen”.... Best. Tot zoover is het heel goed. +Annetje wil ons vertellen, hoe het er buiten in de lente uitziet. Maar +dan gaat ze voort: „Het ijs uit de grachten smelt en de sneeuw in de +straten is ontdooit.” Maar Annetje, is dat nu een overgang? Eerst +spreek je over de hei, over de natuur buiten, dan over grachten en +straten. Eerst zeg je: „alles groeit en bloeit, de lammeren huppelen,” +dan ga je voort: „het ijs smelt, de sneeuw ontdooit.”—Gebeurt dat zoo, +begint alles eerst te groeien en te bloeien, komen éérst de schapen +buiten, en gaat dán pas het ijs ontdooien? Dus is het al lang lente en +gaat dan pas de winter heen?—Als je een oogenblik hadt nagedacht voor +je begon te schrijven, hadt je me zulke dingen niet onder de oogen +gebracht.” + +De heele klas was min of meer onder den indruk geraakt. Ieder zocht +zich haar eigen opstel voor den geest te halen en probeerde na te gaan +of daarin ook dergelijke fouten schuilden. Maar ze werden wakker +geschud uit haar overpeinzingen, want een ander cahier werd onder +handen genomen. + +Lautje keek of het haar schrift was, ze vreesde en hoopte tegelijk, +maar het was haar een teleurstelling toen het bleek, dat ze nog niet +aan de beurt was. + +„Het werk van Lucie Froger,” zoo begon juffrouw Bodengrave, „schikt +vrij wel,—tot de helft van de derde bladzijde.—Lucie begint te +vertellen hoe de aarde er ’s winters uitziet en wat de invloed is van +de lentezon. Dan gaat ze voort, geleidelijk. „De sneeuw is weg, de +beekjes zwellen. De lucht wordt zoel. De boomen zetten knoppen. Teere +grassprietjes schieten uit den grond.”—Alles uitstekend, alleen bestaan +er geen gras-prietjes, het woord heeft twee s, zooals Lucie ook heel +wel weet.—Dan gaat ze voort: „De boomen krijgen bloesems, de trekvogels +komen terug, de stedelingen gaan eens een dagje naar buiten om te +genieten van de mooie natuur.” Dat alles is goed en geregeld +beschreven. Maar dan opeens schijnt Lucie te merken, dat ze al twee en +een halve bladzij heeft, dus voldoende. Toch wil ze nog een paar dingen +zeggen. Dat doet ze ook en ze vertelt, dat de boeren het druk hebben in +de lente, dat de huisvrouwen, als in de natuur alles mooi en nieuw +wordt, haar huis ook gaan schoonmaken en opknappen. Een heel aardig +idee, maar slordig neergeschreven. En dan begint Lucie er nog iets bij +te flansen van de grillen van April, en hoe onvoorzichtig het is, vroeg +de winterkleeren uit te laten. En ze eindigt met de mededeeling, dat in +de lente de dagen langer worden en dat de winteravond-spelletjes plaats +maken voor hoepels, springtouwen en tollen.” + +Lucie Froger keek naar het plafond en toen naar den vloer. Ze vond haar +toestand allesbehalve benijdenswaard. Ze had weg willen zijn, op +straat, in den regen, maar er was geen ontkomen aan, ze moest blijven +en luisteren—en de juffrouw gelijk geven op den koop toe! + +„Het slot,” zei juffrouw Bodengrave, „bederft alles. Zooals het hier +is, maakt het opstel den indruk van een doosje dominosteenen, door een +klein kind netjes ingepakt. De steenen liggen naar volgorde op rijtjes +gestapeld. Maar enkele steenen, een stuk of zes, zijn vergeten. Het +kind wordt boos, het heeft geen lust alles over te pakken, het neemt de +steenen, werpt ze boven op de andere, en zet dan het doosje weg,—het is +ingepakt.” + +Op dit oogenblik kwam er uit een lagere klasse een klein meisje het +schoollokaal binnen om juffrouw Bodengrave wat te vragen. De +onderwijzeres stond op, ging naar de kast en haalde er een groote +zwarte inktflesch uit. „Voorzichtig, kleintje, voorzichtig,” zei ze. + +Het meisje knikte, pakte de flesch in de beide mollige handjes; en, de +oogen stijf op haar last gericht, stapte ze met kleine passen weg. + +Het potlood tikte weer op de tafel, de juffrouw vroeg aandacht. Sommige +blikken werden met moeite van het kindje afgetrokken. + +Opeens klonk een rinkelende slag, als van veel brekend glas, gevolgd +door een wild, angstig schreien. Het kleine meisje, geheel oog voor de +flesch, had het podium niet gezien, was misgestapt en gestruikeld. + +Doodsbleek, bang, dat ze zich gekwetst had, tilde de juffrouw het +gillende meisje op, en er was een zachte klank in haar stem, toen ze +bezorgd vroeg: „Heb je je zeer gedaan?” + +Het kindje schudde het hoofd, en bij die beweging vielen twee groote +tranen haar over de ronde wangetjes, op haar door inkt overstroomd +schortje. + +„Ga jij eens met haar mee, Betsy Hove. Doe haar boezelaartje af, breng +haar naar beneden en vertel wat er gebeurd is. Zeg dat zij het niet +helpen kan,” voegde de juffrouw er bij, met een bemoedigenden blik naar +het meisje, dat met angstige oogen de straf voor haar vergrijp stond af +te wachten. Zoodra was niet de deur achter de meisjes dicht, of de +stemming van de onderwijzeres veranderde. Met samengetrokken +wenkbrauwen beschouwde ze het breede zwarte inktmeer, waaruit langs de +vloernaden kanaaltjes wegstroomden en waarin de scherven dreven als +wrakken van schepen. + +En juffrouw Bodengrave was nogal zoo gesteld op een netten vloer! Wee +degene in wier nabijheid gebroken pennen, draadjes of papiersnippers +gevonden werden, maar driemaal wee het kind, dat roekeloos inkt gespat +had op den grond! + +En nu daar zoo’n plas! Jaren zouden er moeten verloopen voor de moet +door veelvuldig schuren was verdwenen. + +Geen wonder dat de stemming van juffrouw Bodengrave er niet op +verbeterd was. Twee meisjes werden aangewezen om met oude lappen den +inkt op te nemen en de scherven te verwijderen. Ondertusschen vervolgde +de onderwijzeres met lessen, scherp toeziend, dat niemand zich verder +liet afleiden. + +Het schrift van Lucie Froger werd met een ernstige vermaning +teruggegeven. Gelukkig was nu de beurt aan Betsy Hove. Háár opstel was +goed, flink en degelijk, ’t was het eerste, dat geroemd werd. Dat van +Mariëtta Albeni was weer veel minder; dat van Nelly Gerling, waarvan +niemand eenige verwachting had, was bevredigend. De onderwijzeres bleef +er nog even bij stilstaan om het te prijzen. Het was eenvoudig, maar +met zorg gemaakt, ordelijk gedacht, zonder taalfouten en tot het +laatste woord keurig geschreven. Nelly Gerling’s werk bewees, dat er +volstrekt geen bijzondere gave noodig was om een redelijk opstel te +maken. + +Nelly Gerling was blij. Met een dankbaren blos zag ze even terzij naar +Laura Dorper, die haar geholpen had. Lautje glimlachte bijna onmerkbaar +en knipte met de oogen ten teeken, dat ze haar begreep, zij was ook +blij. Ze kreeg weer moed opeens. Het was of een vogeltje in haar hart +begon te zingen. Als Nelly’s opstel goed was, waaraan zij haar geholpen +had, moest dan het hare niet nog beter zijn? Ze ging flink rechtop in +haar bank zitten en wachtte van dat oogenblik af aan, zonder +ongerustheid, tot de beurt aan haar was. + +Ze moest lang wachten, want haar opstel was het allerlaatste. + + + + + + + + +VIII. + +TROOST. + + +Jan en Henk waren alleen thuis. Ze waren al een kwartier uit school en +hadden honger. Henk ging nog eens naar de keuken om te hooren wat de +beschikkingen waren, die zijn moeder gemaakt had. + +„Je Moe komt vooreerst niet thuis,” zei Leentje, „en ik kan de keuken +niet uit met mijn potloodhanden. Je Moe heeft gezegd, dat Laura wel +brood zal snijden, de koffie is gezet.” + +Teleurgesteld liep Henk de kamer weer in. De koffieboel stond al klaar, +het brood lag op de broodplank, het mes er naast. + +„Zullen wij maar brood snijden?” vroeg hij; maar Jan, de oudste, hield +zich groot. + +„We kunnen wel even wachten,” zei hij, „Laura zal dadelijk komen, ’t is +al halfeen.” + +„Laura zal juist niet komen, ze moet vast schoolblijven,” voorspelde +Henk somber, „ze moet zoo dikwijls schoolblijven en wij moeten er maar +voor lijden.” + +Jan lachte, hoewel ook zijn maag jeukte. „Gelukkig, dat Moe maar eens +in de week naar het ziekenhuis gaat,” zei hij. + +„’k Wou, dat tante Marie weer beter was,” klaagde Henk. Maar hij hield +toch op met zeuren. Hij vergenoegde zich met de wijzers van de klok te +bespieden, af en toe monden vol lucht te happen en die met een slikkend +geluid te verzwelgen. Jan had een boek genomen en zat, met zijn maag +tegen de tafel geleund, te lezen. + +Kwart voor eenen was het, toen Henk de oogen naar het plafond opsloeg +en met de hand op de maag verklaarde dat hij uitgehongerd was. + +Jan, wien de kwellingen van zijn broer, zonderling genoeg, een beetje +moed schenen te geven, zei kalm niet te hopen, dat Laura honderd regels +had opgekregen. + +In doffe wanhoop wierp Henk zich neer op den grond en bleef eenigen +tijd roerloos liggen op de buik, de beide voeten met de handen boven +den rug vasthoudend. + +Deze houding, die hij „het zwaantje” noemde, scheen hem goed te doen, +in elk geval hij gaf geen kik. + +Jan was de eerste die begon te spreken. + + + „De honger woelt in de ingewanden, + De leden trillen, de oogen branden” + + +reciteerde hij, maar nog bleef Henk zwijgen, in stilte lijdend. Maar +toen de klok één geslagen had, en de galm plechtig had uitgetrild, +verhief zich opeens een geschreeuw als van wilde beesten, een +krijschend gehuil van uitgehongerde wolven, van tot riffen vermagerde +hyena’s! + +Het was met het zwartselpotje nog in de hand, dat Leentje, bleek van +schrik, de kamer binnenstormde. + +„Wat gebeurt hier?” vroeg ze met bevende lippen. + +Doodsche stilte. + +Jan zag op uit zijn boek. „Niets,” klonk het kalm, „Henk zei, geloof +ik, dat hij zoo’n honger had.” + +Leentje liep boos heen, maar nog voor ze de kamer uit was, barstten Jan +en Henk uit in zoo’n hartelijken lach, dat ze wel mee moest doen, of ze +wilde of niet. + +„Maar nu zonder gekheid,” zei Jan met een ernstigen blik naar den +grooten wijzer, die op twee minuten over eenen wees, „ik hoop, dat +Laura gauw komt, we kunnen toch onze gezondheid niet opofferen aan onze +beleefdheid.” + +Leentje was bijna opnieuw geschrikt, want op woeste wijs luidde de bel. +Ze behoefde niet de moeite te doen om open te maken, want Jan en Henk +waren haar voor. Ze waren naar het portaal gestoven en trokken om +strijd aan het deurtouw. In stilte waren ze nu maar blij, dat ze +gewacht hadden, want daar was waarlijk Laura. + +De jongens bleven haar niet in staatsie opwachten, maar haastten zich +weer naar binnen, waar ze op hun plaatsen achter de tafel gingen zitten +en van de leege bordjes vóór hen tuurden naar het brood en de kaas, met +een smachtend en blik. + +Laura scheen zich niet te haasten. Ze bleef naar het oordeel van Henk +„uren” met haar mantel bezig. + +„Kom je gauw?” riep Jan. + +„Wat ben je laat,” zei Henk, met een klank van verwijt in zijn stem. + +„Zoo,” zei Lautje droog. + +„We hebben haast een uur gewacht,” begon Jan. + +Laura gaf geen antwoord, ze keek niet eens naar de klok, zooals ze +anders gedaan zou hebben, om te zien of er op dat „uur” niet nog een +paar minuten af te dingen waren. + +„Moe is naar het ziekenhuis,” zei Jan, „Moe heeft gevraagd of jij brood +wou snijden.” + +Laura zei nog niets. Ze ging alleen naar de alkoof, waar ze water in de +kom schonk om haar handen te wasschen. + +Henk zag Jan aan met een veelbeteekenenden blik: Laura had gehuild: ze +hadden het beiden gezien aan haar roode, gezwollen oogen. Jan schudde +met het hoofd, Henk moest maar doen of hij niets zag, wat Henk ook +beloofde met een welsprekend gebaar. + +Toen Laura weer in de kamer kwam met gewasschen handen—het was +duidelijk te zien, dat ze ook haar oogen en wangen had opgefrischt, wat +Henk haar kwalijk nam om het oponthoud—begon ze, nog altijd sprakeloos, +te snijden. + +Henk zuchtte hoorbaar, toen de eerste boterham, gesmeerd en wel, op +zijn bordje werd gelegd. + +„Leentje heeft haar boterham al op,” zei Jan, „die heeft met Moe vooraf +koffie gedronken.” + +„O,” klonk het, toen kliefde weer het mes met forschen zwaai het brood, +en Jan had al berekend, dat het een flinke, dikke boterham zou +worden,—tot opeens het mes halverwegen steken bleef, en Laura hardop +snikkend de kamer uitliep, de deur achter zich dichttrekkend. + +Henk werd nu echt moedeloos, het scheen dus wel, dat ze nooit aan het +eten toe zouden komen. Jan ging na een oogenblik eens kijken. +Voorzichtig opende hij de deur van Lautje’s kamer. Hij zag zijn zusje +zitten met den rug naar hem toe, maar die rug schokte verraderlijk. + +„Lautje....” zei hij. + +Het duurde een poosje, eer Laura met een verwonderd gezicht omkeek en +met goed geveinsde opgewektheid, maar helaas met een heesche, door +tranen verstikte stem zei: „Roep je me? O, ja, ik kom dadelijk, ga +jullie maar vast eten.” + +„’t Zal alleen zijn, omdat ze school heeft moeten blijven,” dacht Jan, +die het eigenlijk een beetje kinderachtig vond, dat zijn oudere zuster +zich dat zoo aantrok. Hij ging dus maar weer naar beneden, sneed er nog +een goede hoeveelheid boterhammen bij, en na vijf minuten was het hem +gelukt zijn eersten honger te stillen. + +Toen ze geheel verzadigd waren, groeide in hun harten weer het +medelijden met Laura. + +„Ze heeft nog niets gegeten,” zei Henk meewarig. + +Jan ging weer eens zien, maar voor hij de trap op was, riep Laura hem +al te gemoet: „Ik kom dadelijk, hoor!” zoo vroolijk, dat het Jan geheel +geruststelde. + +Maar toen Jan weg was, ging Lautje weer zitten op den stoel, ze zag er +heelemaal niet vroolijk uit. + +Langzaam sloeg ze het ongeluksschrift, dat ze in de handen had, open. +Daar stonden de cijfers: één, één. Een één voor het opstel en een één +voor het schrift. En vol dikke roode onderstrepingen was het, het +gloeide er van. Laura leken ze vurige vlammen, al die streepjes onder +de fouten. Och, wat had ze er veel gemaakt! Bijna alle waren +onoplettendheden, vergissingen, ontstaan door achteloosheid. + +Haar lippen begonnen weer te trillen, en haar bevende vingers +verknoeiden de punten der gecorrigeerde bladzijden. + +Wat was ze doorgehaald door de juffrouw! Eerst om het schrijfboek zelf, +dat er zoo schandelijk slordig uitzag, toen om de taalfouten, die ze +alle had kunnen vermijden, en eindelijk om het schrift. + +Woord voor woord kwam haar de verontwaardigde toespraak van de +onderwijzeres weer in de gedachte. Een kleur van schaamte brandde op +haar gezicht. Over het opstel zelf was niet gesproken. Juffrouw +Bodengrave had het niet willen lezen. Alleen op de eerste bladzijde +waren de fouten ook maar aangestreept. „Je opstel,” had de juffrouw +gezegd, „is als een kind, dat je ongewasschen en met een hoofd als een +ragebol naar me toestuurt. Ik wil er zoo niets van weten....” + +Weer druppelden heete tranen Lautje over de wangen. + +„Kindje, wat is er?” klonk het opeens achter haar. Ditmaal was het +mevrouw Dorper, die haar dochter zoeken kwam. + +„Ik kom beneden, Moe,” zei Laura, maar ze kon zich niet goedhouden. +Snikkend vertelde ze heel het verhaal. Dat ze half en half gehoopt had, +dat haar opstel goed zou zijn, dat de meisjes het allen mooi hadden +gevonden, en dat ze er nu een één voor had. + +„De meisjes zeggen.... dat het valsch is,” eindigde ze. + +„En zeg jij dat ook?” vroeg haar moeder. + +Met afgewend hoofd keek Laura het raam uit. Zeker, ze vond haar werk +ook slordig geschreven, maar... Zonder te zien, merkte ze toch, hoe +haar moeder het opstel ter hand nam, en in gedachte zag ze weer de +vele, domme fouten met de felle roode strepen er onder. En nu gaf ze +het ook toe in haar hart: ze had niet meer verdiend dan een één. + +’t Was of dit haar nog bedroefder maakte. Zij kon ook nooit iets goed +doen; wat ze anders nog zou kunnen, bedierf ze door haar slordigheid. + +„Hoe heb je zóó je werk kunnen maken?” vroeg haar moeder met zacht +verwijt. + +Laura vertelde nu, dat ze het den morgen na dien noodlottigen Vrijdag +in dolle haast had opgekrabbeld. En opeens, onder het spreken, werd het +haar duidelijk, dat alles, van het begin tot het eind, haar eigen +schuld was. Door haar woestheid had ze Jan een ongeluk bezorgd, zoodat +ze dien avond niet aan het opstel had kunnen werken, toen had ze het ’s +morgens gejaagd opgeschreven, terwijl ze toch feitelijk tijd genoeg had +gehad, en het best eens had kunnen overlezen. + +„Lautje,” zei mevrouw Dorper, terwijl ze met een troostende beweging +haar dochtertje over het hoofd streek, „als je je fout inziet en je wil +goed is, kan er nog veel veranderen. Geef den moed niet op, kind. Doe +in het vervolg je best, en besteed zorg aan je werk. Ik zal je +helpen.—Ik zal je een nieuw schrift geven, schrijf daarin je opstel +over, en zorg, dat het nu met nette kleertjes en wél opgemaakte haren +voor den dag komt.—Geef me een zoen, meid. En begin van voren af aan.” + +Lautje kuste haar moeder met tranen in de oogen, het vuile schrift +gleed van haar schoot; ze scheen eerst van plan het maar te laten +liggen op den grond, maar met een verschrikt gebaar raapte ze het op. +Ze wilde tenminste beginnen haar moeders raad op te volgen en ordelijk +en netjes te zijn. Het deed haar goed, dat ze straks op een schoon +blaadje kon beginnen! + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78971 *** |
