summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78971-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '78971-0.txt')
-rw-r--r--78971-0.txt4617
1 files changed, 4617 insertions, 0 deletions
diff --git a/78971-0.txt b/78971-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..da63cad
--- /dev/null
+++ b/78971-0.txt
@@ -0,0 +1,4617 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78971 ***
+
+
+
+
+
+ REGEN EN ZONNESCHIJN
+
+ DRIE VERHALEN
+
+
+ DOOR
+ TINE VAN BERKEN
+
+ MET ZES GEKLEURDE PLAATJES
+
+
+ AMSTERDAM
+ H. J. W. BECHT
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+LACHEBEKJE.
+
+
+I.
+
+OM EEN AAPJE.
+
+
+Lachebekje stond in den hoek en—lachte. Wat had ze anders moeten doen?
+Huilen?—Kom!—Ja, het was vervelend om in den hoek te moeten staan, ’t
+was eigenlijk een schande, ze had niet graag gewild, dat haar Pa of Moe
+het geweten hadden, en voor sommige andere meisjes was het een bittere
+straf, een pijnlijke vernedering. Nu, zoo erg kon Lachebekje het niet
+vinden. Het was niet prettig, natuurlijk. Maar om van te huilen was het
+nu ook niet. Lachebekje vond het heel dom, om te huilen, zoolang er nog
+iets was, waarom je lachen kon. En er was altijd wel iets, waarom je
+lachen moest. Als ze alleen maar dacht aan wat er zooeven gebeurd was,
+dan moest ze het al uitschateren.
+
+Verbeeld je, Lizette Lubbers—wat een belachelijke naam, hè?—de meisjes
+noemden haar ook altijd Lijsje—Lijsje had een peluchen aapje mee naar
+school gebracht, een koddig klein dingetje, rood, met een oranje
+krulstaartje, blauwe kralenoogjes en vier grappige, lange armen, waarin
+ijzerdraadjes zaten, zoodat je ze net zoo zetten kon als je ze hebben
+wou.
+
+Alleen door het idee had Lachebekje al niet stil kunnen zitten van
+plezier. Den heelen morgen had ze naar Lijsje zitten kijken, maar die
+hield zich doodstil, en liet het aapje rustig in haar zak.
+
+Maar het tweede uur, onder het rekenen, terwijl Lachebekje het aapje
+heelemaal vergeten was, en diepzinnig zat te peinzen over een moeilijke
+som, die ze bezig was uit te rekenen,—daar had ze, in gedachten
+opkijkend, opeens het aapje over Lijsje’s zwarte lei zien dansen.
+Lijsje had de lei zoo’n beetje opgewipt, zoodat de onderwijzeres er
+niets van zien kon.
+
+Lachebekje had Dora Beyma aangestooten, en ze hadden met haar beitjes
+een pret gehad van belang.
+
+Lijsje deed ook zoo grappig met dien aap. Dán zat hij in de plooien van
+haar wijde mouw, soms op het randje van haar kastje, eens geheel vrij
+op den inktpot, zoodat het een wonder was, dat de juffrouw het niet
+merkte; maar het aardigst van alles was geweest, toen Lijsje den aap
+met een vlugge beweging op het haar van Rika Obbes had geplaatst. Die
+stijve Rika Obbes, die daar zoo onschuldig zat te cijferen, en haar
+hoofd soms bewoog zonder eenig vermoeden van de kunsten, die het roode
+aapje bij de geringste hoofdbuiging maakte. Als een klit hing hij Rika
+in de zwarte, stijve krullen. Soms dook hij heelemaal in de golvingen
+weg. Het was om je dood te lachen.
+
+En toen kwam het mooiste van alles, toen Rika, die haar sommen af
+scheen te hebben, zich met een flinken schok rechtop in haar bank zette
+en haar haren schudde als een paard zijn manen.
+
+Op dat oogenblik had Lachebekje het niet meer kunnen uithouden, maar
+was in een hoog gillend lachen uitgebarsten.
+
+Verschrikt had Lijsje zich gauw weer van het aapje meester gemaakt en
+het in de diepe duisternis van haar zak weggestopt.
+
+„Wat is er te lachen?” had de onderwijzeres gevraagd.
+
+„Hi, hi, ho, ho, ho!” Lachebekje had er niet uit kunnen komen. Vóór
+alles wou ze Lijsje niet verklappen.
+
+„Hi, hi, ha, ha.... die— —die haren!”
+
+De onderwijzeres werd boos en ongeduldig. Er was niets te zien aan de
+haren van Rika Obbes, waarop Lachebekje in haar verlegenheid wees; Rika
+Obbes was er heelemaal het meisje niet naar om grapjes uit te halen of
+een ander aan het lachen te maken.
+
+Zoo kwam het, dat Lachebekje in den hoek werd gezet. Heel veel kon het
+haar niet schelen. Er was toch prettigs genoeg altijd. Als ze dat aapje
+maar in den geest voor zich zag, sprongen de tranen haar al in de oogen
+van het lachen.
+
+Met zijn oranje—ha, ha!—met zijn omgekruld oranje staartje had hij ten
+slotte heelemaal aan den ondersten dunnen krul van Rika’s haar
+geslingerd. Lachebekje was er zeker van, dat zijn neus in den inktpot
+gehangen had. En niet denkend aan den hoek, waarin ze stond voor straf,
+noch aan de onderwijzeres, noch aan de mogelijkheid, dat ze zich een
+zwaarder straf op den hals kon halen, barstte ze opnieuw in lachen uit.
+Die aap!!
+
+De juffrouw voor de klasse schudde het hoofd; dat was toch waarlijk al
+te erg. En Lachebekje kreeg een uur schoolblijven op den koop toe.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+TOEN EVELINE DOROTHEA MARGARETA WILDEVANK NOG EEN KLEIN MEISJE WAS.
+
+
+De baker had gezegd, toen Eveline Dorothea Margareta Wildevank tien
+dagen oud was, dat ze een klein, lekker, vroolijk lachebekje was.
+Andere kinderen lachten eerst veel later, die deden in het begin bijna
+niet anders dan schreien. Maar Evi lag met klare, blauwe, open oogjes
+in haar wieg met een gezichtje, of ze het erg prettig vond, daar zoo te
+liggen op het zachte veeren kussen onder de warme wollen dekens. Haar
+kleine knuistjes grepen naar de stofjes, die als goud glansden in den
+zonneschijn, en ze lachte. „Wat is de wereld vol prettige mooie
+dingetjes,” scheen ze te denken, „ik ben blij, dat ik er ben.”
+
+Toen ze drie jaar was, scheen niemand zich meer te herinneren, dat ze
+drie lange deftige namen had, want iedereen noemde haar Lachebekje,
+sommigen zeiden enkel Bekje, dat klonk zoo vroolijk en prettig, dat
+Lachebekje altijd blij opkeek, als haar naam genoemd werd.
+
+Op school was het natuurlijk dwaas om te zeggen: „Ik heet Lachebekje of
+Bekje,” toen werden de lange, plechtige namen weer voor den dag gehaald
+en gerepeteerd, dat Lachebekje zich niet vergissen zou.
+
+En toen ze den eersten morgen al lachend het grappige, hooge gebouw
+instapte en de vele aardige kindertjes zag, stapte ze naar de eerste de
+beste juffrouw die ze zag, stak de armpjes op om haar goedendag te
+kussen en zei: „Ik heet Eveline Dorothea Margareta Wildevank, maar
+eigenlijk heet ik Lachebekje.”
+
+Toen ze thuis kwam, wat had ze toen niet te vertellen!
+
+De school was zoo raar en aardig. Daar waren allemaal banken, net als
+in het Vondelpark, maar kleiner, en daar mocht je met zijn tweeën op
+zitten. ’t Was heel prettig.
+
+Maar je mocht nooit eens van je plaats afloopen om naar een ander
+kindje te gaan. En praten mocht je ook niet. Je mondje moest heelemaal
+dicht zijn: zóó. En je handjes moest je zóó houden.
+
+Ze had erg moeten lachen om het spelletje. Maar de juffrouw had gezegd
+dat het geen spelletje was. Het was om te leeren; als je zóó zat, dan
+kon je mooi leeren, alles wat je wou. Lachen mocht je ook niet, dan kón
+je niet leeren, had de juffrouw gezegd.
+
+„Maar ik moest tóch lachen, Moe,” had Lachebekje haar verhaal besloten,
+„ik moest wat hard lachen, ik kon het heusch niet helpen. En toen zei
+de juffrouw: „Je moet niet lachen, Eva; als je lacht zou je school
+moeten blijven, zou je dat graag willen?”. En toen zei ik: „Ja
+juffrouw, alsjeblieft,” want ik vond het wel prettig in de school; maar
+toen zag ik, dat de juffrouw niet goed op me was, en ik héb niet mogen
+schoolblijven.”
+
+Het duurde niet lang, dat Lachebekje dat zeggen kon. Ze mócht al heel
+gauw nablijven; en toen ze het eenmaal gedaan had, en het lang zoo
+prettig niet gevonden had, als ze zich had voorgesteld, moest ze het
+later toch weer en nog heel dikwijls. Want ze vond het zoo vreemd, ze
+kon het nooit onthouden, dat ze niets zeggen mocht tegen haar
+buurmeisje, waarvan ze zooveel hield; ze mocht niet eens stilletjes
+fluisteren, al hinderde het de juffrouw ook heelemaal niet, al kon die
+het bijna niet hooren.
+
+Toch hield ze van de juffrouw, ze kon zoo mooi vertellen, en ze was
+niet naar, alleen maar streng; en de juffrouw hield van Evelientje
+Wildevank ook, al was ze ook nog zoo’n ongedurige kleine pretmaakster.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+TRANEN.
+
+
+Toen Lachebekje ruim een uur later dan gewoonlijk thuis kwam, lachte
+ze. ’t Was ook aardig, ’t sneeuwde voor het eerst. Ze had een sneeuwbal
+net langs haar neus gekregen.
+
+Vroolijk schudde ze haar bonten mutsje op het portaal uit, zoodat de
+losse sneeuw er afviel. Haar manteltje klopte ze ook uit, de grond werd
+er heelemaal nat van. Ze veegde nog eens goed haar voeten, voor ze de
+kamer intrad.
+
+„Dag Pa, dag Moes,” zei ze opgewekt, „wat heerlijk, dat het sneeuwt!”
+
+„Dag kind,” zei haar moeder, „wat ben je laat.”
+
+„Dag Eva,” zei haar vader ernstig; „kom je nog thuis vandaag?”
+
+Lachebekje was nooit erg op haar gemak als haar vader haar zoo deftig
+Eva noemde.
+
+„Ja, Pa,” zei ze deemoedig.
+
+„Zeker weer school moeten blijven, hè?”
+
+„Ja, Pa.”
+
+Lachebekje zuchtte. Het speet haar, dat haar vader zoo’n uurtje blijven
+zoo ernstig opnam.
+
+„En waarom?”
+
+Lachebekje antwoordde eerst niet. Opeens viel het haar in, dat ze nog
+geen week geleden haar vader plechtig beloofd had, dat ze niet meer
+zooveel pret zou maken op school, dat ze haar best zou doen om zich als
+een flink en degelijk meisje te gedragen, en niet om elke
+kinderachtigheid te lachen.
+
+„Nu, waarom?”
+
+„Ik heb gelachen, Pa,” zei Lachebekje met een gezicht, dat nu in het
+geheel niet vroolijk stond. „Ik moest zoo lachen, Lijsje had een aapje,
+en....”
+
+Verschrikt hield ze op, mijnheer Wildevank sloeg met de hand op de
+tafel. „Maar kindje, hoe is het mogelijk, hoe is het nu mogelijk, dat
+je je door iedereen en door alles laat afleiden. Moest je naar dat
+aapje kijken? Hadt je niets anders te doen? Bemoei je er niet mee als
+een ander speelt. Denk toch aan je werk! Ik denk, dat je gedragboekje
+weer alles behalve mooi zal zijn.”
+
+Evi kreeg een kleur. Ze voelde altijd een vreemde beklemdheid, als ze
+aan haar gedragboekje dacht.
+
+Och, waarom waren er toch scholen, en waarom moest je toch altijd
+leeren in de wereld, waarom kon je maar niet altijd lachen en blij en
+vroolijk zijn?
+
+„We moesten nu maar beginnen met eten,” zei mevrouw Wildevank zacht;
+„probeer het nu toch eens, kind, om ernstig te worden. Je bent niet op
+school om te spelen. Je moet er goed leeren, zoodat je later wat worden
+kan.”
+
+Evi had erge spijt. Ze dacht er nu niet meer aan, dat er in de wereld
+altijd wel iets was, waar je om lachen moest. Ze kon het eten niet door
+haar keel krijgen. Ze had heelemaal geen trek. Een groote traan viel
+neer op den witten rand van haar bord.
+
+„Weest u maar weer goed op me!” snikte ze.
+
+Mevrouw Wildevank zag haar man aan, maar Mijnheer haalde ontevreden
+zijn schouders op.
+
+„’t Is lachen of huilen,” zei hij, „maar van ernstig zijn en leeren en
+je best doen komt nooit iets!”
+
+Als haar vader zóó sprak, was het Evi of haar hartje brak. „’k Zal nu
+heusch mijn best doen,” beloofde ze, terwijl haar borst schokte van het
+heftige snikken.
+
+„Nu, kom dan maar hier en geef me er een zoen op,” zei haar vader.
+
+Evi kon het nog niet eens doen; ze ging op zijn knie zitten en verborg
+het gezicht tegen zijn schouder. Maar langzamerhand bedaarde ze, ze
+pakte haar vader, gaf hem een paar flinke, klinkende zoenen, kuste haar
+moeder ook, en nam zich voor in het vervolg altijd ernstig en flink te
+zijn en niet zoo kinderachtig.
+
+Het eten smaakte haar; toen haar voor den tweeden keer werd opgeschept,
+lachte ze alweer. Wat was de bloemkool heerlijk en wat was de jus
+lekker bruin.—Pa moest eens kijken of het nog sneeuwde. Ze hoopte maar
+dat het den heelen avond en nacht zou blijven sneeuwen. Het was zoo
+prettig om elkaar met ballen te gooien.
+
+De wereld lachte Evi weer toe, en Evi lachte ook.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+IN SPANNING.
+
+
+Het was de dag, die de groote vacantie voorafging. Een heerlijke
+dag—aan één kant.—’t Was ook de dag van de verhooging. ’t Kon dus een
+dubbel prettige dag zijn,—áls je verhoogd werd. Maar voor wie zitten
+bleef, zou hij alles behalve pleizierig zijn.
+
+Lachebekje had dat ook al overdacht.
+
+O, als ze eens verhoogd werd! Als ze eens het gróóte geluk had, over te
+gaan naar de zesde klas, de hoogste! Wat zou dat heerlijk zijn, bijna
+te heerlijk!
+
+Zenuwachtig trok ze haar hagelwit schortje recht. Ze zat flink rechtop
+in haar bank met den rug tegen de leuning.
+
+De les was al begonnen, nog twee uur en dan zouden ze den uitslag
+vernemen. Twee uur! ’t Leek haar een eeuwigheid.
+
+Ze hadden lezen, anders een prettige les. Ze kreeg graag een beurt, ze
+had een aardig helder stemmetje, en las vrij goed.
+
+Er werd een stukje behandeld, dat ze al eens meer gehad hadden.
+Lachebekje kon er haar gedachten niet bijhouden.
+
+„Zou ik verhoogd worden, zou er nog kans zijn?”
+
+Haar hart klopte blij, als ze aan de heerlijke mogelijkheid dacht.
+
+Als het groote geluk haar te beurt viel, dan zou alles mooi en heerlijk
+zijn. Pa en Moe zouden zoo blij zijn. Pa was zoo trotsch op zijn
+dochtertje, als ze flink leerde.
+
+Hád ze flink geleerd?—Een diepe zucht steeg op uit Lachebekje’s
+geprangd hart. Was het maar waar, dan zou ze nu niet zoo in angst
+zitten.
+
+Al de uren, die ze verspeeld had met het les- of rekenboek vóór zich—en
+dat waren er vele—kwamen haar nu voor den geest.
+
+Hoe was het toch mogelijk, dat ze zoo zorgeloos en onnadenkend had
+kunnen zijn! Ze had het toch geweten, dat slecht gekende lessen ook
+slechte cijfers geven op het rapport, en dat slechte rapporten
+verhooging onmogelijk maken.
+
+„Eva!” klonk het opeens.
+
+Evi zag verschrikt op. Het duurde een oogenblik voor ze begreep, dat
+het haar beurt was. Gelukkig moest ze met een nieuw stukje, een versje,
+beginnen, anders had ze ook nog niet geweten, waar de les was.
+
+Ze las, maar haar stem klonk een beetje heesch en vreemd, en ze
+hakkelde een paar maal, zoodat ze het coupletje over moest lezen.
+
+Ze begon opnieuw maar verslikte zich al in den eersten regel.
+
+„Nog niet mooi,” zei de juffrouw, toen Eva’s beurt voorbij was, „veel
+te haastig gelezen, je kunt het beter.—Maar er is zoo veel, dat Eva
+beter kan, en dat ze toch niet doet.”
+
+Met groote, verschrikte oogen zag Lachebekje op. Zei de juffrouw dat,
+omdat ze niet verhoogd zou worden? Was het haar vonnis?—
+
+Maar de onderwijzeres lette niet meer op Eva, ze was weer geheel bezig
+met de les, en Lachebekje kon niets op haar gezicht lezen.
+
+Het volgende uur was er schrijven. De schriften en pennenhouders werden
+uitgedeeld.
+
+„Zorgt vooral, dat het laatste schrift, dat je in deze klas maakt, goed
+wordt,” zei de juffrouw.
+
+Een nieuwe zucht ontglipte Eva’s borst. Zou het werkelijk het laatste
+schrift zijn, dat ze in die klas maakte, of zou ze nog een jaarlang
+dezelfde schrijfvoorbeelden moeten volgen?
+
+Ze deed haar uiterste best. Ze schreef altijd wel aardig, maar vaak te
+gauw. Ze behoorde tot die meisjes, die steeds het eerst den regel
+afhebben. Het was zoo gezellig, vond ze, om dan nog eens stil te zitten
+en anderen te zien werken. Het spreekt vanzelf, dat er dan ook bijna
+altijd wát aan haar werk mankeerde. Ze vergat de punt op een i of den
+streep door de t’s of een letter uit een woord, zorgeloosheden, die Evi
+zelf al heel licht telde, maar die haar meestal een laag cijfer voor
+haar schrift bezorgden.
+
+Nu was ze niet het eerst met haar regel klaar. Integendeel, ze schreef
+met pijnlijke langzaamheid en angstige nauwgezetheid. Ze teekende de
+letters één voor één, maakte de neerhalen dik, de ophalen dun. Haar
+hand beefde van de inspanning, aan enkele letters was het duidelijk te
+zien, die schenen zelf te trillen als je er lang naar keek.
+
+Toen ze aan den derden regel was, en de juffrouw eens langs kwam, tikte
+ze Evi bemoedigend op den schouder.
+
+„Keurig,” zei ze, „dat gaat goed zoo.”
+
+Evi kleurde en zuchtte van plezier, en opeens kwam de hoop weer met
+kracht terug.
+
+Ze keek door het raam. Enkel zonneschijn was het buiten. Zou het ook
+straks voor haar enkel zonneschijn zijn?
+
+Toen ze den vierden regel af had, en die nog beter geslaagd was dan de
+vorige, lachten haar oogen weer.
+
+Als ze verhoogd werd, dan zou ze veertien dagen naar tante Wolfers in
+Den Haag gaan, om bij Coba en Hanna, haar nichtjes, te logeeren. Ze
+verlangde zoo naar Den Haag. Ze was er al eens geweest, en het was er
+zoo heerlijk, in het Bosch, en dan Scheveningen en de mooie, blauwe,
+wijde zee, en de heerlijke frissche zeelucht.
+
+Ze hoorde niet eens, dat ze aan den vijfden regel beginnen moest. Ze
+was met haar gedachten aan het strand, het blonde duin met het
+lichtgroene helm lag achter haar. Hanna en zij waren er juist komen
+afrennen, en haar bloote voetjes waren heet geworden door het zand, dat
+in den zonneschijn stoofde. Het deerde haar weinig. Rrsch! Daar kwamen
+met een vaart de koele golfjes aanruischen, spoelden over haar voeten
+heen, opspattend tegen haar beenen; en weg gleden ze weer, om een
+oogenblik later terug te komen. Het was of ze een aanloop namen....
+
+„Schrijf jij niet, Eva?”
+
+Lachebekje doopte haastig den pennenhouder in den inktpot. Ze had
+gedroomd. Het is altijd pijnlijk om uit een prettigen droom te
+ontwaken.—Ze liep niet aan het strand, maar zat op school. Zou ze wel
+eens naar Den Haag gaan?—
+
+Een inktmop viel op haar schrift. Al haar mooie werk was nu bedorven,
+en haar hoop was ook vervlogen, heelemaal.
+
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+VERHOOGING.
+
+
+Een modelklas.
+
+Doodsche stilte.
+
+Vóór de klas, statig, de hoofdonderwijzeres, een groot, opengeslagen
+boek in de hand.
+
+Twintig gezichtjes zien in spanning naar haar op.
+
+Rika Obbes snuit haar neus, wat haar door de anderen bijna kwalijk
+genomen wordt. Dat geluid is storend, het is oneerbiedig, het maakt,
+dat juffrouw Van Looveren, de hoofdonderwijzeres, met spreken wacht;
+maar Rika kan het niet helpen, ze is verkouden. Nog eens niest ze, het
+is schandelijk.
+
+Eindelijk begint juffrouw Van Looveren te spreken: „Het doet me
+genoegen,” zegt ze, „dat in deze klas zeventien meisjes met goed gevolg
+den cursus hebben doorloopen. Ik zal de namen opnoemen.—Je hebt allen
+je lei en je tasch en je eigen boeltje bij je?”
+
+Gretig knikken allen; ze verlangen niets anders dan haar have en goed
+mee te nemen en er mee naar de zesde klas te wandelen.
+
+„De boeken, die in deze klas hooren, laat jelui op de bank liggen. Wie
+haar naam hoort noemen, gaat op de teenen naar de zesde klas—en vraagt
+daar aan juffrouw Zandheuvel een plaatsje.”
+
+Weer knikken allen. En nu begint—„eindelijk,” vinden de meisjes—de
+opsomming der gelukkigen.
+
+Rika Obbes is nummer een, die verhoogd wordt. Al niezend verlaat ze de
+klas, nageoogd door de negentien anderen, die niets liever willen, dan
+haar volgen.
+
+Nummer twee, drie en vier zijn ook al genoemd. Dan volgt Saartje
+Willems, Evi’s buurmeisje. Lachebekje knikt haar vriendelijk toe, als
+Saartje haar blij verrast aanziet. Ze is blij voor Saartje. Dan komt
+Lizette Lubbers. Dan nummer zes, zeven, acht, tot dertien toe, dan
+veertien, vijftien en zestien....
+
+Lachebekje wordt bleek tot de lippen toe. Al haar hoop is verdwenen. Ze
+kan nauwelijks luisteren naar den naam van nummer zeventien. Die wordt
+niet dadelijk genoemd.
+
+„Nummer zeventien staat zóó zóó,” zegt juffrouw Van Looveren. „Ze heeft
+meer gespeeld en gelachen met haar buurmeisje dan goed voor haar was.”
+
+Lachebekje is nu vuurrood geworden. Het hart klopt haar wild in de
+keel. Zou ze dan toch....
+
+„Kom eens hier, Dora Beyma,” gaat de hoofdonderwijzeres voort, „zou je
+denken, dat je in de volgende klas wat meer je best zult doen?”
+
+Lachebekje hoorde niet meer Dora’s haastige belofte. Met treurige oogen
+keek ze rond in het bijna geheel ledige lokaal, waar ze overbleef met
+de twee domsten, toen schoten haar oogen vol tranen en, met het hoofdje
+op de tafel, barstte ze in snikken uit.—
+
+Ada Blommers en Nette Waldstra hadden niet anders verwacht, dan dat ze
+zouden blijven zitten; ze waren lui en dom én onverschillig geweest. Ze
+huilden niet eens. Ze bogen alleen het hoofd onder de vermaning, die
+juffrouw Van Looveren haar gaf.
+
+„Met jou moet ik eens een woordje spreken,” zei de hoofdonderwijzeres,
+met iets dat naar medelijden zweemde neerziend op het krullige blonde
+hoofdje vóór haar op de bank.
+
+Lachebekje hief zich met moeite op, over haar vuurroode, natte
+wangetjes stroomden heete tranen. Ze zag er heelemaal niet als een
+lachebekje uit.
+
+„Zou je graag nog een kans hebben om in de hoogste klas te komen, Evi?”
+klonk het niet onvriendelijk.
+
+Zenuwachtig lachte Evi, terwijl een trillende zucht uit haar borst
+opsteeg. De zonnetjes in haar blauwe oogen braken door, ze glinsterden
+door haar tranen heen.
+
+„Of denk je,” ging juffrouw Van Looveren nu weer ernstig voort, „dat
+het toch niet helpen zal? Dat je, zoodra je eenmaal verhoogd bent, weer
+den ouden weg zult opgaan, en lachen en spelen en zorgeloos je werk af
+roffelen?”
+
+Heel ernstig schudde Evi het hoofd; áls ze verhoogd werd, zou ze zéker
+haar best doen.
+
+„Ik weet niet, of ik goed op je belofte aan kan; heb je je niet al
+dikwijls voorgenomen je best te doen, en wat is er dan van gekomen?”
+
+Lachebekje had beschaamd het hoofd gebogen.
+
+„Enfin, ik wil het eens drie maanden met je probeeren. Blijkt het, dat
+je een flink meisje kunt zijn, dat begrijpt, dat ze leeren moet,—dan
+kan je er blijven en dan zal het je ook zeker niet moeilijk vallen met
+de anderen gelijk op te leeren, want dom ben je niet. Maar doe je niet
+uitstekend je best, ga je met een luchtig hartje je ouden gang,—dan
+wordt je onvoorwaardelijk verlaagd.—Geef me nu een hand, Evi, en beloof
+me, dat je een ferme meid zult zijn.”
+
+Lachebekje gaf de juffrouw een hand, ze had haar wel een kus willen
+geven, zoo blij was ze, dat ze nog kans had!
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+„IK GEEF NIETS OM DIE KANS.”
+
+
+Haar vader was niet zoo blij. „Ik geef niets om die kans,” zei hij.
+„Dan moest je een ander meisje zijn. Ik geloof er niets van, dat je nu
+je best zult doen. Het zal natuurlijk gaan als altijd. Eerst heel mooi
+beginnen, een halven dag, een dag lang misschien. Dan denk je:
+Gelukkig, ik heb me zoo ingespannen, ik hoef me nu niet langer zoo uit
+te sloven. En je gaat lachend je ouden weg.
+
+„Neen, voor mij is het precies hetzelfde, alsof je niet verhoogd was.
+Ik hecht niemendal aan die kans, want je maakt er toch geen gebruik
+van. Het is over drie maanden een teleurstelling te meer.”
+
+Evi dorst niets te zeggen; ze zat aan tafel met een bleek gezichtje. Ze
+vond het vreeselijk, dat haar vader geen geloof meer in haar had. Ze
+meende het zoo ernstig, dat ze haar best zou doen.
+
+Haar moeder pleitte voor haar.
+
+„Kom,” zei ze goedig, „ik geloof, dat Evi het nu wel meent.”
+
+„Ze heeft het altijd gemeend, als ze iets beloofde, en toch heeft ze
+haar woord niet gehouden. Ze méént het, ja, voor een oogenblik; morgen
+is ze het weer vergeten.
+
+„Hebben we niet jaar aan jaar dezelfde geschiedenis gehad, was haar
+rapport ooit zoo goed als het wezen kon?—Ze is vroeger overgegaan, maar
+hoe? Altijd was het bij het kantje af.—Heb ik haar niet gewaarschuwd
+van het jaar? Heb ik niet herhaaldelijk gezegd, dat het verkeerd ging,
+dat het zoo spaak moest loopen?—Hoeveel tranen heeft ze om het laatste
+rapport niet geschreid, hoeveel goede plannen had ze toen niet voor de
+laatste twee maanden! Ze zou zich beteren en ijverig zijn en ernstig.
+En wat is het slot ervan? Dat haar cijfers nog verminderd zijn.”
+
+Het was alles zoo waar, wat haar vader zei. Evi liet het hoofd nog
+dieper zinken, om de tranen te verbergen, die haar vader nog meer
+zouden hinderen. Ze moest hem gelijk geven; het scheen waarlijk, dat ze
+onverbeterlijk was.
+
+„Alle hoop is toch nog niet verloren,” zei mevrouw Wildevank zacht.
+„Misschien is dit nu voor altijd een les voor haar. Als ze eenmaal
+geleerd heeft met ernst te werken, zal het haar later makkelijk vallen.
+Ze moet nu maar eens niets beloven, dezen keer, en ons door daden
+toonen, dat ze het ernstig meent. Ze is er toe in de gelegenheid, want
+de juffrouw van haar klas heeft haar heel wat huiswerk opgegeven om
+zich te oefenen, en het achterstallige zooveel mogelijk in te halen.”
+
+Lachebekje knikte, ze zag haar moeder dankbaar aan.
+
+„Jij moet het weten, of je nog vertrouwen in haar wilt stellen,” klonk
+het koeltjes terug. „Het is mij onverschillig. Ze kan voor mijn part
+naar Den Haag gaan en met Hanna spelen zooveel als ze wil. Ze zal haar
+verdriet gauw vergeten.
+
+„Het beste zal zijn, dat we ons plan maar opgeven om haar onderwijzeres
+te laten worden. Haar verstand is goed genoeg, maar dat alleen is niet
+voldoende. Daar moet goede wil en standvastigheid bijkomen.
+
+„Nu, maak het samen maar uit, mij is alles hetzelfde.”
+
+Mijnheer Wildevank vertrok diep teleurgesteld. Evi stond voor het raam
+en zag hem na. Hij keek niet zooals anders nog eens naar boven, toen
+hij aan den overkant was, hij liep voort met een ernstig, misnoegd
+gezicht, zijn stap lang niet zoo opgewekt en veerkrachtig als
+gewoonlijk.
+
+Zooveel leed had Lachebekje in haar leven nog niet gekend. Haar vader
+vertrouwde niet meer op haar, hij geloofde haar niet langer!
+
+Toen hij den hoek was omgeslagen zonder nog eens, als was het ook maar
+even, naar haar op te zien, om haar goedendag te knikken, had ze een
+gevoel of alle vreugd voor altijd voor haar verloren was.
+
+Ze huilde niet. Stil sloop ze naar boven naar haar klein kamertje. Met
+een hart, zwaar van droefheid zette ze zich aan haar werktafeltje neer.
+Ze begon het pakje boeken los te maken, dat ze van school had
+meegebracht.
+
+Vijf en twintig sommen moest ze in de vacantie uitrekenen. Maar daaraan
+kon ze niet beginnen. Haar hoofd voelde zoo leeg en raar.
+
+Ze had ook nog thema’s te maken, die zouden beter gaan, als ze het
+langzaam aan deed, en telkens als ze twijfelde, de spraakkunstregels
+opsloeg.
+
+Ze zuchtte van zenuwachtigheid. Ze wou haar vader dan toch toonen, dat
+ze niet enkel een speelsch, onbeduidend ding was, dat ze niet altijd
+even klein en kinderachtig bleef.
+
+Ze had het thema opgeslagen en ze las: „De schuldigen zijn veroordeeld
+tot gevangenisstraf.” Ze vertaalde meteen: „Les coupables ont été...”
+de woorden „veroordeeld” en „gevangenisstraf” moest ze beide opzoeken.
+Ze vond opzoeken iets vreeselijks. Meestal liet ze de woorden, die ze
+niet wist, oningevuld. Ze ging dan stilletjes met haar schrift naar
+Saartje Willems, die een verdieping hooger woonde, en bij haar schreef
+ze de woorden even bij.
+
+Nu bladerde ze haastig in de dikke dictionnaire en zocht en vond ze.
+
+Toen begon ze aan den tweeden zin, waarvan ze het eerste woord het
+beste al niet kende.
+
+Langzaam tobbend, worstelend met de moeilijkheden, die ze vroeger
+vermeden of veronachtzaamd had, vorderde ze zin voor zin.
+
+Ze hield niet op met werken, toen het mooie orgel voor de deur
+stilhield, met de dansende poppen, dat ze anders zoo graag zag; ze keek
+zelfs niet op, toen de hardlooper voorbij kwam draven en den hoogen
+zijden hoed op zijn neus liet balanceeren. Ze was dof in het hoofd en
+haar oogen voelden moe. ’t Kwam doordat ze zoo verdrietig was, omdat ze
+haar vader leed had gedaan.
+
+Na een half uur kwam mevrouw Wildevank eens kijken, wat Evi deed.
+
+Met een bleek gezichtje zat Lachebekje ingespannen te werken.
+
+Mevrouw Wildevank knikte: „Juist, zoo is het goed, kind. Blijf nu
+ijverig je best doen, dat je toch verhoogd wordt, hè? Wat zal Pa dan
+blij zijn.”
+
+„Ik wou—dat Pa weer van me ging houden,” snikte Lachebekje opeens,
+terwijl ze in haar droefheid de pen uit de hand liet vallen, die een
+groote klad op haar werk maakte.
+
+Arm Lachebekje! Dat de wereld ook zoo hard is, en de onderwijzeressen
+zoo streng zijn!
+
+
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+UIT LOGEEREN.
+
+
+„Ga je ook niet mee?” vroeg Lachebekje, „kijk daar heb je het zonnetje
+alweer.”
+
+„Welja, ga mee, Koos,” drong mijnheer Wolfers ook.
+
+„Neen, Pa, heusch niet, ik blijf werkelijk liever thuis. Daar drijven
+zulke vrééselijk donkere wolken.”
+
+„Die drijven voorbij, Coba; ’t wordt zeker nog mooi weer.”
+
+„Hè, neen, Ma,” klonk het bijna huilend, „ik zou toch met mijn oude
+jurk ook niet willen gaan, dan heb ik er echt geen aardigheid in, en op
+mijn nieuwe zou ik niet graag een bui hebben.”
+
+„Nou, zeur maar niet langer,” klonk opeens een jongensstem, „’t is
+best, hoor!”
+
+„’k Zou voor jou toch ook niet meegegaan zijn,” klonk het onvriendelijk
+terug.
+
+Hanna luisterde niet eens meer naar haar zuster, maar draafde achter
+Lachebekje aan, de trappen af.
+
+„Hola, Hans!” riep haar vader haar terug, „als het weer goed blijft, ga
+dan naar Scheveningen, hier heb je wat voor de tram en een kleine
+vertering.”
+
+„Dank u, Pa!” zei Hanna salueerend, toen sprong ze uitgelaten naar
+beneden.
+
+„Naar de tram, voorwaarts, marsch!” riep ze, zoodra ze op straat stond.
+
+„Kijk die lucht eens!” zei Lachebekje opgetogen, „zoo blauw als— —”
+
+„Een vergeet-mij-nietje,” zei Hanna, gemaakt haar grooten mond wringend
+tot een heel kleinen. „Maar het is een heerlijk meevallertje, ik had
+het vanmorgen niet gedacht, hoor!”
+
+„Wat een prachtige laan is dit toch,” zei Lachebekje toen ze boven op
+de tram zaten, „net een groene poort, als je in de verte kijkt.—Zie nu
+het zonnetje eens, heelemaal doorgebroken. Wat jammer toch voor Coba,
+dat ze niet is meegegaan.”
+
+„Och, Coba is altijd mal,” zei Hanna norsch.
+
+Evi lachte. „Jelui bent niet erg vriendelijk tegen elkaar,” zei ze.
+
+„Als ze ook altijd zoo gek is! Altijd heeft ze wat bijzonders. Hoe
+vondt je het vanmorgen, toen mijn strengel haar weer niet mooi genoeg
+was?”
+
+„Nu, héél mooi zat hij niet,” zei Lachebekje zacht, „er staken veel
+sprieten uit.”
+
+„Maar de drukte, die ze toen maakte, toen ik mijn haar even in de kamer
+losmaakte.”
+
+Lachebekje begon opeens te schateren, niet om Coba’s „drukte”, maar
+omdat ze aan de woeste manier terugdacht, waarop Hanna in eens,
+roef-roef, haar strengel losgemaakt, en haar hoofd met een ruk heen en
+weer gezwaaid had, zoodat de haren gefladderd hadden, als de manen van
+een paard, dat zijn kop in den nek gooit.
+
+„Coba is liefst een dametje,” zei Hanna, „heb je wel gemerkt, dat ze
+het altijd heel naar vindt, als Pa haar Koos noemt? Ik doe het ook wel
+eens om haar te plagen,—en ik ben liefst een jongen. Ik zou graag echt
+Hans heeten.—Meisjes geven altijd om zulke flauwe dingen. Wat maal ik
+er om of mijn scheiding recht of scheef zit, of ik een roode jurk
+aanheb met een hoed met blauw lint, of mijn rok te kort is, of dat mijn
+kousen eens afzakken. Ik bind ze eenvoudig weer op, dat is al. Coba wil
+niet met me loopen, alleen omdat ze zegt, dat mijn kousen me altijd op
+de hielen hangen. En ik trek ze wel honderdmaal op een dag op, en doe
+den band zoo stijf, dat het me altijd pijn doet; ik kan mijn beenen
+toch niet afbinden voor haar plezier!”
+
+Evi lachte om de inspanning, waarmee Hanna op datzelfde oogenblik bezig
+was het riempje om haar kous vaster aan te halen.
+
+Vijf minuten later stonden ze op het strand en was Hanna alle grieven,
+die ze tegen Koos had, vergeten.
+
+Hè, wat was het daar heerlijk! Evi genoot. Ze begonnen met een flinke
+wandeling te doen, zóó dicht langs de kust, dat het water meer dan eens
+over haar lage schoentjes spoelde.
+
+„We moesten maar dadelijk een glas limonade nemen, hè?” zei Hanna.
+
+Evi vond het uitstekend. „Of als we terugkomen?” vroeg ze.
+
+„Ik mocht het geld eens verliezen,” zei Hanna voorzichtig. „Ik heb hier
+aan het strand al zooveel verloren, een portemonnaie, een mesje, een
+nécessairetje, een armband—enfin, dat is mijn eigen schuld, zulke
+dingen moest ik dan ook maar niet aandoen.”
+
+„Hoe is het mogelijk!” riep Lachebekje, terwijl ze haastig naar haar
+zak tastte, waarin haar beursje gelukkig nog aanwezig was.
+
+„Ik begrijp het zelf niet,” zei Hanna, „maar toch is het zoo. Een mooi
+bloedkoralen halssnoer ben ik ook kwijtgeraakt, en hoopen
+haarlinten—maar die verlies ik overal,—eens zelfs een pelerine van een
+splinternieuwe jurk. Die had ik nogal afgedaan om ze te sparen. ’t Was
+een beeldige, met zij gevoerd. Uren heb ik er naar loopen zoeken, maar
+mis, hoor! en Pa’s reistasch, een splinternieuwe, zoo’n bruinleeren
+city-bag, die ik mee had genomen en die vol was gepropt met broodjes
+met vleesch en krentenbroodjes. Een pond kersen zat er ook in, en zelfs
+een bibliotheekboek. We zouden met een paar schoolmeisjes een heelen
+dag in Scheveningen doorbrengen. Maar er kwam niets van in. We moesten
+naar huis, de honger joeg ons.—Op een gegeven oogenblik, daar was de
+heele tasch weg. Verdwenen, spoorloos! Al ons zoeken vergeefs. Heele
+duinen hebben we omgegraven.
+
+„Wat ik daarover heb moeten hooren! Er moest een nieuw bibliotheekboek
+worden gekocht. Pa schoot het voor, één gulden vijf en twintig kostte
+het. Maar ik heb er weken lang mijn stuiver zakgeld voor gemist.—Wat
+een geluk nog, dat het geen boek in twee of drie deelen was, hè?”
+
+Hanna en Evi namen op de stoeltjes bij de limonadetent plaats en
+verkwikten zich aan een kwast, die ze bij kleine teugen uit rietjes
+opzogen. Het was zoo’n heerlijk koel drinken, een flink stuk helder ijs
+dreef er in.
+
+„Je hebt er lekker lang aan, met zoo’n rietje, hè!” zei Hanna tusschen
+twee trekjes in.
+
+„O, ja!” Maar Lachebekje was afgetrokken. Oude, bijna vergeten
+sprookjes kwamen haar voor den geest. Hoe kwam het toch, dat Hanna aan
+het strand zooveel verloren had? Waarden er duingeesten rond, of doken
+de meerminnen, voor stervelingen onzichtbaar, uit de golven op om de
+menschenkinderen te berooven?—Ze had wel eens van drijfzand gehoord,
+maar daarin verdwenen de menschen en geheel en al, en niet alleen hun
+kostbaarheden.
+
+Al haar spookachtige gedachten gingen op de vlucht bij het zien van de
+grimmassen, die Hanna maakte toen ze het stuk ijs in haar mond had.
+
+Evi moest er zóó om lachen, dat de limonade links en rechts over haar
+glas heenspatte. „Je hadt niet dwazer kunnen kijken als je een kokend
+heeten aardappel in je mond gehad hadt,” zei ze.
+
+„’t Was ook net of ik me brandde van de kou,” zei Hanna, haar tong zoo
+ver mogelijk uitstekend, om het laatste spoor te kunnen zien van het
+wegsmeltend stukje ijs.
+
+„Je kunt je wel branden van de kou,” zei ze met een gezicht of Eva haar
+had tegengesproken. „Heb je nooit gehoord van zeelui, die zich bij
+fellen vorst branden bij de aanraking van metalen voorwerpen? Heb je
+nooit gehoord, dat wielrijders in een strengen winter zoo moeten
+oppassen, dat ze niet met de bloote hand den stalen stuurstang
+omvatten?”
+
+Evi was overbluft.
+
+„O, zoo!” zei Hanna op de manier van een straatjongen, die een ander
+„getroefd” heeft. Toen blies ze met kracht het rietje ver voor zich
+uit, keerde haar glas om, zoodat de laatste druppels in het zand
+verzonken, met een beweging, die ze wel eens gezien had van een
+koetsier, vóór hij zijn bierglas aan den kellner teruggeeft,—en
+betaalde.
+
+Lachebekje had erg veel schik in Hanna’s kwajongensgrappen. Ze was
+vooraf een beetje bang geweest voor al te hoofsche manieren. Ze had
+gedacht, dat alle Hagenaarstertjes verfijnde nuffen waren. En ze had
+vooral gevreesd, dat ze erg bij Hanna zou afsteken, omdat die van haar
+leeftijd was, en het verschil in vormen dus des te meer zou uitkomen.
+
+„We moeten eerst nog maar een goed eind loopen,” stelde Hanna voor,
+„dat we een beetje uit de menschen komen.”
+
+Lachebekje vond het best, het was zoo aardig om ver van de anderen met
+je tweeën te staan op het strand, en de groote zee te zien. Het leek
+dan net of de zon en de zee, alleen voor je beitjes waren.
+
+„We konden net zoo goed draven, als loopen,” zei Hanna, „er zijn zoo
+akelig veel menschen, we komen hun anders nooit voorbij.”
+
+Lachebekje gaf alleen antwoord, door Hanna hard voorbij te hollen. Ze
+kon loopen als een kievit, en toch zoo netjes, dat niemand aan haar
+zien kon, hoe ze draafde.
+
+Hanna, met haar lange beenen en te korte rokken, die op school den naam
+had van de steltloopster, en bijna alle meisjes van haar klas bij een
+wedloop achter zich liet, was er verbaasd over. En het prikkelde haar
+tegelijk. Zoo’n klein ding! Daar wou ze zich toch niet den loef door
+laten afsteken. Ze deed haar uiterste best om Evi in te halen, en liep
+met zoo’n vaart, dat de hielen haar van achteren tegen de rokken
+sloegen. Aan Hanna was het des te meer te zien, dat ze rende. Het waren
+niet alleen haar beenen, waarmee ze, zooals Coba zei „maaide”, maar
+alles aan haar scheen mee te rennen. Haar armen zwaaide ze als
+molenwieken, haar vuurrood gezicht stak vooruit als de kop van een
+vogel in zijn vlucht, het krullende haar waaide om haar slapen heen, de
+hoed danste haar in den nek, de vlecht, waarvan ze dadelijk lint en
+band verloren had, zwiepte als een vlossen paardestaart op haar rug en
+speelde hopsa-janneke bij iederen stap.
+
+Ze hijgde, lachte, riep, veranderde eindelijk van koers en liet zich
+amechtig neervallen, tegen de zachte helling van een duin.
+
+Lachebekje had zich ook omgekeerd en zette zich een oogenblik later
+naast haar neer.
+
+„Je bent moe, hè, Han?” zei ze.
+
+„Jij niet, hè?” zei Hanna met een tikje spot.
+
+„Niet erg,” zei Evi naar waarheid; ze zag er niet eens heel warm uit.
+
+„Ik ben doodaf,” zuchtte Hanna, „maar jij loopt ook als de wind, ik kón
+je niet krijgen en ik verzeker je, dat ik in den letterlijken zin
+poot-an heb gespeeld.”
+
+Lachebekje zette haar hoedje af en schaterde het opeens uit. „Maar jij
+loopt ook met je heele lichaam,” zei ze, „ik heb eens omgekeken, en ik
+zag je aankomen, net een....”
+
+„Net een....?” vroeg Hanna. „Spreek je hartje maar uit, kind, ik houd
+wel van beeldspraak en bloemrijke taal.”
+
+„Net een groote glazenmaker met zes pooten, die alle zes tegelijk in
+beweging zijn!”
+
+Het was de muziek van Evi’s helderen schaterlach, die Hanna mee deed
+lachen, en tegelijk haar vermoeidheid scheen weg te blazen, want ze
+sprong op, snelde naar den top van het duin, waartegen ze gerust had,
+en liet zich, met een waarschuwend: „Van onderen!”, naar beneden
+rollen.
+
+Evi sprong opzij, om niet bestoven te worden door het opgewoelde zand.
+Het was een bespottelijk gezicht, een gefladder van rokken en haren,
+een lawine van zand. Hanna’s gezicht met de dichtgeknepen oogen, was
+als een roode kool, haar lichaam met de gestrekte armen, een stijve,
+onbeweeglijke massa, een zuil, rollend naar omlaag met steeds grooter
+snelheid, verdringend en meesleepend het zand, dat haar in den weg lag.
+
+Toen ze aan den voet gekomen was, stond Hanna op; ze was zwaar van het
+zand; als blonde beekjes stroomde het haar aan alle kanten uit de
+kleeren, het kriebelde haar in den nek en in het haar.
+
+„Je moest mijn rug eens voelen,” zei ze, „daar zit een half duin in, en
+mijn hoofd, ik voel me als een tol, alles draait om me heen, ik zie de
+zon net als een groot vuurwerk, waaruit duizenden vonken spatten; maar
+het is heerlijk om zoo te rollen, het is zoo’n eenig, wonderlijk
+gevoel, ’s nachts droom ik er nog dikwijls van.”
+
+„Ik geloof graag, dat het een wonderlijk gevoel is,” zei Evi, „maar ik
+denk niet, dat ik het erg prettig zou vinden.” Ze zag op de helft van
+het duin een klein rood puntje uitsteken, en ging eens kijken wat het
+wezen mocht.
+
+Zegevierend kwam ze een paar tellen later bij Hanna terug, in de ééne
+hand Hanna’s rood zijden strik, in de andere haar zakdoek.
+
+„Die hadt je in den val verloren,” zei ze, „ik begrijp nu ook best, wie
+de duingeesten zijn, die jou van je sieraden en bezittingen berooven.”
+
+Hanna sprong op, haar duizeligheid was voorbij; met een gezicht, dat
+straalde van blijde verrassing begroette ze haar verloren schatten. „O,
+wat ben jij een engel, om dat voor me te vinden.—’t Is de mooiste
+strik, dien ik heb,—het elastieken lusje is er nu van gebroken,—en mijn
+zakdoek ook, een geborduurde nog wel! Je moet weten, dat ik altijd na
+een wandeling gefouilleerd word, en wee mij, als er wat aan den
+inventaris ontbreekt!”
+
+„Hoe is het mogelijk, hè,” zei Hanna nog eens, terwijl ze lint en
+zakdoek met teedere bezorgdheid in den zak stak, die zwaar van zand
+was, „wat zou je toch gauw iets kunnen kwijt zijn.”
+
+„Zullen we nu eens een voetbad gaan nemen?” vroeg Evi. „Mijn beenen
+zijn gestoofd.”
+
+„En de mijne,” riep Hanna, haar lage schoentjes uitschoppend, die met
+zand gevuld waren; het was verwonderlijk, hoe er, behalve voor Hanna’s
+voeten, in die schoentjes plaats was geweest voor zóóveel zand.
+
+„Dat is het allerprettigst,” zei Evi, met de rose mollige voetjes
+dapper het water wegtrappend, zoodat het hoog opspatte tegen haar
+beenen.
+
+Ja, dat wás het prettigst. Onder de groote zonnehoeden liepen de
+meisjes, de kustlijn volgend, naar Scheveningen terug, steeds plassend
+in het heerlijke frissche water. De aanrollende golven klotsten haar
+stoeiend tegen de beenen en wierpen haar een regen van druppels tegen
+de knieën.
+
+Hanna had een zeer vernuftige manier uitgedacht om kousen en schoenen
+mee te voeren zonder er last van te hebben. De kousen had ze namelijk
+aan elkaar om het middel gebonden, en de schoentjes er met de veters
+aan vastgemaakt, zoodat die haar op den rug bungelden. Het was prettig,
+dat ze zoo de handen vrij hadden.
+
+„Wat heerlijk is het hier, hè?” riep Lachebekje, omziend met een
+stralend gezichtje.
+
+Als stadskindje genoot ze dubbel van al het natuurschoon. Het kwam haar
+voor, of ze de zon nog nooit zoo mooi gezien had, een gouden oog in den
+wijden blauwen hemel; en de woelige zee, dat levende water met zijn
+duizenden tinten, wisselend van diep hemelsblauw tot smaragdgroen en
+zilver; enkel vloeiend, schitterend zilver, waar de zon er zich in
+spiegelde. De vroolijke golfjes met hun eindeloos gespeel, die met een
+blijden lach kwamen aanruischen, en dan weer hard wegliepen als
+dartelende kinderen, deden Lachebekje schateren van plezier. ’s Avonds
+in bed hoorde ze nog vaak den eentonigen zang van de zee, als ’t geluid
+van den wind, die ritselt door breede boomkruinen heel in de verte. En
+dan kwamen haar ook voor den geest brokstukken van wat ze gezien had:
+zacht glooiend blank duin, wit in den zonneschijn, hier en daar
+begroeid met glanzige helmsprieten, en boven de golvende duinenlijn,
+mooi blauw de klare lucht, waarin ijle zilveren wolkjes zweven als
+ragfijne sluiers. Dan zag ze de kinderen aan het strand, met hun bloote
+voetjes, rozerood als de zeeschelpjes, en hun door de zon gebruinde
+armen. Ze hoorde hen joelen en lachen, hun stemmetjes schenen weg te
+waaien, de wind nam ze mee. Hun blonde krullen fladderden, terwijl ze
+zich bukten om kanalen en grachten te graven, kleine kabouters met
+gezonde wangen, rood van inspanning, frisch van de koele zeelucht.—
+
+Of ze lag weer heerlijk lui tegen het duin, in een bed van zand,
+blozend, warm, het zonlicht nog voelend door de dichte oogleden heen,
+en liet zich in slaap zingen door het wiegelied der deinende golven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+HERINNERINGEN.
+
+
+’t Was met een hart vol dankbaarheid, dat Lachebekje op een zonnigen
+Zaterdagmiddag weer in den trein stapte om naar Amsterdam terug te
+keeren. Ze werd weggebracht, door Tante, Coba en Hanna.
+
+„’t Spijt me erg, dat je weggaat,” zei Hanna hartelijk.
+
+„Mij ook,” zei Coba, die Lachebekje graag lijden mocht en in die eene
+week al wat van haar nuffigheid had afgelegd, omdat die zoo dwaas
+afstak bij Evi’s natuurlijkheid. Het voorbeeld van Hanna, die met haar
+woestheid weer aan den anderen kant overdreef, hielp haar nooit, ze
+werd er juist nog damesachtiger en gemaakter door.
+
+Ook op Hanna had Lachebekje een gunstigen invloed gehad, omdat Evi
+zonder een „verwaand, ijdel, neuswijs spook” te zijn, toch
+meisjesachtig was, zoodat Hanna zich in haar tegenwoordigheid, zooals
+ze zelf zei, een „linkschen, slungelachtigen boerenjongen” voelde.
+
+Mevrouw Wolfers zag Evi ook ongaarne vertrekken; ze had heel goed
+opgemerkt, dat de tegenwoordigheid van het vroolijke logéetje op haar
+beide meisjes een uitstekende uitwerking had.
+
+„Dag tante, ik dank u nog eens hartelijk voor alles,” zei Lachebekje,
+de hand uit het portier stekend, „dag Coba, dag Han’! Tot Kersttijd,
+hoor, vergeet niet, dat je dan allebei eens bij ons komt.”
+
+Met een schok zette de trein zich in beweging, Lachebekje knikte nog
+wel tienmaal heel vriendelijk, wuivend met haar zakdoek; toen, nadat ze
+zelfs de groote ronde schijf van Hanna’s breeden zonnehoed niet meer
+zien kon, zette ze zich in haar prettige hoekplaats neer, en tuurde met
+een blij gezichtje het raampje uit.
+
+Ze lette niet op de dingen, die ze voorbijstoomde, ze zat maar rustig
+al het prettigs te overdenken, dat er in de laatste weken gebeurd was.
+Ze had niet gedacht, dat haar na de eerste donkere vacantiedagen, zoo’n
+gelukkige tijd wachtte.
+
+Ja, die eerste week, wat was die treurig en somber geweest. Lachebekje
+zuchtte weer, als ze er aan terugdacht. Ze had gemeend, dat haar vader
+voor altijd boos op haar bleef. Of neen, boos niet, dat was het juist.
+Als hij werkelijk kwaad geweest was, zou de ijver, dien ze in den
+eersten tijd aan den dag legde, hem wel zachter gestemd hebben. Hij was
+alleen nooit meer aardig of vriendelijk tegen haar. Hij scheen niet te
+kunnen gelooven, dat die ijver duren zou. Elken avond, als ze hem
+goedennacht kwam zeggen, nadat ze den heelen dag flink gewerkt had, was
+hij zoo koel tegen haar. Zoo, alsof hij dacht: „Je hebt je vandaag eens
+uitgesloofd, maar ik zal je er niet voor prijzen, want ik weet, dat het
+morgen toch weer mis is, en één dag hard werken kan de schade van een
+heel jaar niet goedmaken.”
+
+Als Lachebekje dan in bed lag, nadat haar vader haar koeltjes een
+nachtzoen had gegeven, had ze dikwijls gesnikt van verdriet. Ze meende
+het zoo goed, het was zoo in ernst haar bedoeling, haar uiterste best
+te doen, en het kostte haar zooveel moeite,—waarom geloofde haar vader
+dan niet, dat ze zich inspande, dat ze alles doen wou, om maar weer te
+maken, dat hij van haar hield?
+
+Ze vond de nachten zoo lang en donker, dikwijls kon ze niet in slaap
+komen van verdriet.
+
+Ze had het haar vader zoo graag willen zeggen: „Wees u toch weer goed
+op me, vertrouw me weer, alstublieft, ik wil vooruitkomen, ik zal
+zorgen dat al mijn huiswerk in orde is, en dat ik in de hoogste klas
+kan blijven, als ik er eenmaal in ben.”
+
+Maar ze zweeg; haar vader zou die praatjes maar kinderachtig gevonden
+hebben; haar moeder had wel gelijk: door daden moest ze toonen, dat
+haar bedoeling goed was.
+
+Maar het is zoo moeilijk om vol te houden, als je niet eens
+aangemoedigd wordt door een vriendelijk woord. De sommen waren lastig,
+ze had er zich vroeger zoo veel „eventjes” door Saartje Willems laten
+uitleggen en bij de taalstukjes moest ze telkens weer de regels
+opzoeken en die eerst leeren. Vroeger had ze er maar wat naar geraden.
+
+Op een avond, dat Lachebekje met een kleur van het werken van haar
+schrift opkeek, had haar moeder haar toegeknikt en vriendelijk gezegd:
+„Ze doet nu flink haar best, als ze nu zoo maar blijft voortgaan, dan
+komt alles nog wel terecht.”
+
+Mijnheer Wildevank had niet opgekeken van de krant waarin hij zat te
+lezen. „Ja, als ze zoo voortgaat,” had hij geantwoord,—„vleugjes van
+ijver hebben we genoeg gezien, maar het heeft nooit lang geduurd.”
+
+Lachebekje had bijna niet voort kunnen gaan met schrijven, haar hand
+beefde en er was een floers voor haar oogen gekomen. Stilletjes had ze
+de tranen weggewischt, en ze had eens geslikt, want het was of haar
+iets in de keel zat. Ze wou niet huilen, flink wou ze zijn, en haar
+werk heelemaal afmaken. Zou haar vader dan niet weer goed op haar zijn?
+
+Toen de eerste vacantieweek om was, was Lachebekje met alles klaar
+geweest. Het was een pak van haar hart, en het deed haar plezier, dat
+haar moeder zoo blij was, maar gerust was ze niet.—Zou haar vader nu
+weer vertrouwen in haar stellen, of nóg niet? Zou hij zeggen: „Het valt
+me mee, dat je het een heele week hebt volgehouden, maar een week is
+nog niets in vergelijking van drie maanden.”
+
+O, als hij dat eens zei. Hij zou gelijk hebben. Drie maanden is een
+lange proeftijd, en Lachebekje kende zichzelf niet genoeg, om te weten
+of ze de proef zou kunnen doorstaan.—Maar als haar vader geen geloof in
+haar had, dan zou ze het zeker niet uithouden....
+
+Zenuwachtig had ze gewacht, den heelen middag. Het had haar bijna
+gespeten, dat ze klaar was, dat ze nu niets meer doen kon om haar ijver
+te toonen. Ze had het werk nog eens nagelezen, hier en daar een
+verbetering gemaakt en een slordige bladzij overgeschreven. Heel op het
+eind had ze ontdekt, dat twee sommen totaal fout waren, en ze had ze
+overgerekend zoo gauw ze kon; zou ze nu toch niet klaar zijn, als haar
+vader kwam?
+
+Ze had door het werken zijn stap op de trap niet gehoord. Opeens had ze
+haar vader in haar kamertje zien komen, vroolijk, opgewekt zooals hij
+altijd was, vroeger.
+
+„Lachebekje,” zei hij, terwijl hij zich over haar heen bukte om haar
+een hartelijken zoen te geven, „je bent een beste meid. Ik vind het
+kranig van je, hoor, dat je deze week zoo goed hebt aangepakt. Nu ben
+ik niet bang meer. Je zult de proef doorstaan.”
+
+Die domme Lachebekje, ze was gaan huilen! Maar mijnheer Wildevank had
+de tranen weggewischt met zijn grooten zakdoek, een beetje onhandig,
+want Evi’s verdriet bracht hem in de war.
+
+„Dwaze meid,” zei hij, „moet je nú huilen? Kijk liever eens wat ik voor
+je heb meegebracht.”
+
+Met vingers, die nog een beetje beefden, maakte Lachebekje het pakje
+open. Wat moest het anders zijn, dan een boek, dacht ze, maar ze dorst
+het bijna niet te denken, dat het een boek zou zijn.
+
+Het was er een, een in een beeldig reseda-kleurig bandje. „Alles komt
+terecht” stond er in mooie gouden letters op.
+
+Sprakeloos van vreugd had Evi naar haar vader opgezien.
+
+Mijnheer Wildevank had gelachen. „Zorg jij maar, dat alles terechtkomt,
+hoor, Lachebekje.”
+
+Binnenin op het schutblad had haar vader geschreven: „Aan mijn Evi bij
+haar verhooging.”
+
+Ja, haar vader had het vertrouwen in zijn dochtertje herwonnen; zóó
+zeker scheen hij er van, dat ze den proeftijd met goed gevolg zou
+doormaken, dat het Evi eer beangstigde.
+
+Als ze nu eens niet slaagde?—„Wie wil, die kan,” had mijnheer Wildevank
+ernstig gezegd, „voorloopig moet je nu niet meer aan werken denken.
+Geniet nu maar van je vacantie. Deze week moet je maar met Saartje
+doorbrengen, en de laatste twee weken ben je bij tante Wolfers, ik heb
+haar vanmiddag geschreven, dat je van haar vriendelijke uitnoodiging
+gebruik mag maken.”
+
+Zoo was na die eene week van ernstig werken, de eene heerlijkheid de
+andere opgevolgd.
+
+Evi zat dat alles in den trein te overdenken.
+
+Een gelukkigen tijd had ze gehad, en ze kwam terug, verfrischt naar
+lichaam en geest, met roode wangen en koffiebruine handjes. De koele
+zeelucht had haar goedgedaan, de geur der bosschen bracht ze in haar
+kleeren mee naar huis. Haar kleine reistasch was, zoover de ruimte het
+toeliet, gevuld met beuke- en hazelnootjes, met mos en boomschors, met
+rose en lichtgekleurde schelpen, met zeehoorntjes waarin je de zee kon
+hooren ruischen, als je ze voor de ooren hieldt. Haar hoofd was vol
+prettige herinneringen en mooie voorstellingen van al wat ze gezien
+had; en haar goed, vroolijk hartje was vol dankbaarheid voor alles, wat
+ze in die heerlijke vacantie had genoten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+EEN SAMENZWERING TEGEN LIJSJE LUBBERS.
+
+
+Het wás gemeen van Lijsje Lubbers, daar was iedereen het over eens.
+Maar wat was er aan te doen? Lachebekje had de straf al beet.
+
+„Wat er aan te doen is?” Sara Willems bruine oogen fonkelden. „Een
+heeleboel is er aan te doen, de juffrouw moet het weten.”
+
+„Vertel jij het dan,” zei Rika Obbes, „je hebt gelijk, het is
+onbillijk.”
+
+„Klikken doe ik niet,” riep Sara, „dank je wel.”
+
+„Maar hoe zal de juffrouw het dán te weten komen, als niemand klikt,”
+vroeg Doortje Beyma nu ook, „want jij wil het niet zeggen, maar een
+ander ook niet.”
+
+„Eén moet het zeggen!” zei Sara beslist.
+
+„Moeten we er om loten?” vroeg Rika.
+
+Sara schudde het hoofd. „Lizette zelf moet het vertellen,” zei ze,
+„háár plicht is het.”
+
+„Lijsje Lubbers!” Er ontstond een verward gemompel. Lijsje! Die zou
+niet willen. Ze zou er nooit toe te bewegen zijn.
+
+„Ze moet er toe bewogen worden,” klonk Sara’s stem, „wij moeten er haar
+toe dwingen.”
+
+Er volgde een korte stilte. De meisjes dachten na. Sara kon wel eens
+wat erg vurig zijn. Het gebeurde meer, dat ze in geestdrift was voor
+een of ander plan, dat later onuitvoerbaar bleek.—Maar ditmaal sloeg
+het aan.
+
+Rika, de bezadigde, was er voor gewonnen. „Ja,” zei ze met meer klem,
+dan waarmee ze gewoonlijk sprak, „zoo moet het gaan. Wij moeten met
+Lijsje spreken en ze moet zichzelf aanbrengen.”
+
+„Als wij er geen werk van maakten, zou het ónze schuld zijn, als
+Lachebekje weer verlaagd werd.” zei Saartje weer.
+
+„Verlaagd zal ze toch niet worden,” dacht Dora.
+
+„Ja zeker, natuurlijk. Wat had het anders te beduiden, dat juffrouw
+Zandheuvel zei: „Dat zal je spijten, Eva Wildevank. De drie maanden
+zijn nog niet om! Kinderen die zonder reden onophoudelijk zitten te
+lachen, kunnen we hier niet gebruiken.”
+
+„Evi werd heelemaal wit,” zei Rika medelijdend.
+
+Saartje Willems knikte. Zij zag vuurrood, zoo had ze zich opgewonden om
+Lachebekje te verdedigen.
+
+„Maar hoe kunnen wij Lizette dwingen?” vroeg Anna. „Het zal haar niet
+kunnen schelen, wat wij er van zeggen.”
+
+„Als ze het niet doet, moet niemand van ons meer een woord tegen haar
+spreken,” zei Rika.
+
+„Ons heelemaal niet met haar bemoeien!” riep Saartje.
+
+„Waar is Lijsje?” vroeg Dora, die met een donkeren blik om zich heen
+zag, als daagde ze Lizette al uit.
+
+„Als ze me goedendag zegt, steek ik mijn tong tegen haar uit!” Sara
+deed het nu al, alsof ze zich oefenen wou.
+
+„Matig je,” zei Rika lachend, „het is immers niet gezegd, dat ze het
+niet doen wil.”
+
+„Ik zou niet graag in haar plaats zijn,” zei Dora huiverend, „verbeeld
+je, dat je naar de juffrouw gaat en zegt: „Juffrouw, ik zou u even
+willen spreken.” En juffrouw Zandheuvel, stijf: „Wel?” En dan:
+„Juffrouw, ik kom u even zeggen, dat Eva Wildevank om mij gelachen
+heeft. Ik had u uitgeteekend met een grooten puntkraag om, een bril op
+den neus, een pennenhouder achter het oor en een groote liniaal in de
+hand; en uit uw mond kwam een wolk en daarin heb ik geschreven:
+„Stilte, meisjes!”—En door uw hoofd heb ik een draadje gehaald, en zoo
+liet ik u dansen, en daarom moest Eva Wildevank nu aldoor zoo lachen.””
+
+Dora Beyma zweeg, geheel ademloos door het lange verhaal.
+
+„Ja, ’t is wel vreeselijk om zulke dingen te moeten zeggen,” zei een
+van de meisjes met een ernstig gezicht en op een toon van beklag.
+
+Sara Willems kwam gauw tusschenbeide: „Nog véél vreeselijker is het om
+zulke dingen te doen,” zei ze, „en het ergst van alles is, dat ze er
+altijd een ander laat inloopen. Hoe dikwijls hebben wij voor haar niet
+al straf gehad! Ik tenminste. Maar Evi nog meer, die lacht altijd zoo.
+Ze kan zich nooit goedhouden.”
+
+„Ja, wat lachte ze,” zei een van het groepje, „ik zat naast haar, ik
+hield mijn hart vast van angst dat ik ook mee zou moeten lachen. Ze kón
+zich niet inhouden. Eerst werd ze vuurrood, bijna paars, ik was bang,
+dat ze stikken zou, en toen, opeens, proestte ze het uit, de bank
+schudde er van.”
+
+„Eerst moest ik ook lachen,” zei Dora, „maar zoodra ik Evi hoorde,
+verstomde ik.”
+
+„Ik werd er ook naar van,” en Sara trok een diepen rimpel in haar
+voorhoofd, „en het was des te pijnlijker, omdat de juffrouw in den
+beginne zoo geduldig was. Ze was heelemaal niet boos en wachtte tot Evi
+had uitgelachen, maar nauwelijks was ze weer bedaard met lessen
+voortgegaan, of daar begon het lachen weer.”
+
+„En als de juffrouw tenminste nog maar geweten had waaróm ze lachte,”
+zei Rika, „ik zou het verteld hebben in haar plaats.”
+
+„En ik!” riep Sara, met een levendigen knik.
+
+Een paar meisjes maakten zich uit het groepje los om naar huis te gaan,
+ze hadden al zoo lang voor de school staan praten.
+
+„Vanmiddag vroeg komen,” riep Sara haar toe, „en dan allemaal tegelijk
+op Lijsje af.”
+
+„Ze zal denken, dat we haar willen verslinden,” lachte Dora, „neen, we
+moeten een van ons afvaardigen.”
+
+„Rika Obbes!” riep Sara.
+
+Dat werd goedgevonden; Rika zelf had er niets tegen. Zij zou het
+Lizette kalm aan het verstand brengen.
+
+„Natuurlijk hoeft ze niet in bijzonderheden te treden,” zei Rika, „als
+ze maar zegt, dat zij Evi aan het lachen gemaakt heeft, dan is het
+voldoende.”
+
+Saartje knikte weer; dan zal de juffrouw haar zelf wel verder
+uithooren, dacht ze, en het speet haar niets, dat Lizette hoogst
+waarschijnlijk een flinke straf te wachten had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+OVERBLIJVEN.
+
+
+Ondertusschen zat Lachebekje op school, bitter bedroefd. Ze moest
+overblijven.
+
+Het was vreeselijk; ze had nog nooit over hoeven te blijven, zoolang ze
+op school was. En nu, in haar proeftijd, gebeurde het.
+
+Wat zouden haar vader en moeder wel van haar denken, haar vader vooral!
+
+Het was niet voor het eerst, dat ze straf kreeg in die drie maanden, de
+vierde keer was het al.
+
+Evi zuchtte, en nu was de straf zoo streng.
+
+Haar vader had niets gezegd, toen ze drie weken geleden eerst om vijf
+uur was thuis gekomen. Hij had alleen gevraagd: „Heb je school moeten
+blijven?”
+
+En ze had „ja” moeten zeggen; hoe vernederend was dat geweest!
+
+„Het zal nooit weer gebeuren,” dat had ze zich zoo stellig voorgenomen;
+maar jawel, twee dagen later was het alweer zoo. Toen had ze, de les
+geheel vergetend, een heelen tijd met een lint van haar jurk zitten
+spelen, telkens en telkens had ze het weer overgestrikt, tot ze, opeens
+opziend, de oogen van juffrouw Zandheuvel ontmoet had.
+
+„Herhaal jij die berekening eens?” had de juffrouw gevraagd, maar Evi
+had niet eens geweten, welke som er bedoeld werd.
+
+Den derden keer had ze moeten blijven, twee dagen geleden, omdat ze
+half dansend van pret uit de gymnastiek terug was gekomen. Toen was ze
+er met een kwartiertje afgekomen.
+
+Maar nu!
+
+Lachebekje zuchtte diep.
+
+Ze keek eens op. Ze zat heel alleen in het lokaal, mét juffrouw
+Zandheuvel, die een stapel schriften corrigeerde.
+
+Evi had niets te doen, niets dan „uit te lachen”, zooals de juffrouw
+gezegd had.
+
+Maar Lachebekje lachte niet. Ze was heelemaal „uitgelachen”. Haar
+groote, blauwe oogen staarden droevig naar de bank vóór haar, of
+richtten zich naar de vensters met een verlangenden blik.
+
+Arm gevangen vogeltje! Ze had weg willen vliegen. Het weer was zoo
+mooi.
+
+Honger bad ze ook. Eerst om halftwee zou Sara Willems komen met haar
+boterham. Evi geeuwde. Juffrouw Zandheuvel had haar broodjes al op en
+schonk zich uit een blikken kannetje nog een glas melk in.
+
+Evi deed haar best er niet naar te kijken, omdat haar trek er nog maar
+te grooter door werd.
+
+Maar het was niet alleen, omdat ze haar vrijheid miste en omdat ze
+honger had, dat Lachebekje zoo triestig was. Het meest griefde haar de
+gedachte aan huis. Wat zou haar vader wel zeggen?
+
+Ze zag telkens voor zich het mooie reseda boek met den gulden titel:
+Alles komt terecht, en het inschrift: „Aan mijn Evi, bij haar
+verhooging.”
+
+Het was of die woorden haar brandden. Ze voelde, dat ze het vertrouwen
+van haar vader, waarnaar ze zoozeer verlangd had, beschaamd had
+gemaakt.
+
+Bij haar verhooging!—Het zag er werkelijk niet naar uit, dat ze
+verhoogd zou worden!
+
+Wat was ze toch zwak en kinderachtig. Waarom kon ze zich niet tot ernst
+dwingen? Waarom had ze ook naar dat poppetje gekeken, dat Lijsje
+geteekend had; flauw kind, dat ze was!
+
+Het hielp niet meer, dat ze zichzelf nu beschuldigde, ze had de straf
+moeten voorkomen. Of ze zich nu al voornam in het vervolg haar best te
+doen,—wat zou het baten?
+
+Wat was het leven toch treurig. Of liever, wat máákte ze het zichzelve
+toch tot een last.
+
+Ze was zoo gedrukt, zoo terneergeslagen. Hoe naar ze het ook vond een
+heelen dag achtereen op school te zitten, ze verlangde er volstrekt
+niet naar, naar huis te gaan. Het bezwaarde haar, dat ze thuis zou
+moeten komen, en het dan vertellen, dat ze weer zoo dwaas gelachen had.
+
+Twee tranen gleden langs Lachebekje’s bedrukt gezichtje. Och, had ze
+dat boek toch maar niet gekregen, ze verdiende het immers niet. Haar
+vader had gelijk gehad. Het zou beter geweest zijn, als ze maar
+dadelijk was blijven zitten....
+
+„Kom eens bij me, Eva,” klonk juffrouw Zandheuvel’s stem.
+
+Lachebekje schrikte op uit haar gedroom; op de teenen, omdat haar
+stappen zoo hol klonken in het leege lokaal, ging ze naar het podium.
+
+„Ik heb hier juist je werk nagezien,” begon de onderwijzeres, „het is
+uitstekend. Er mankeert niets aan. Je bent, wat je werk betreft, flink
+vooruitgegaan den laatsten tijd. Waarom ben je dan zoo kinderachtig, om
+telkens te spelen en om niemendal te lachen?—Vertel me nu eens, waarom
+lachte je toch vanmorgen?”
+
+Lachebekje kon geen antwoord geven. Ze had een kleur gekregen van
+blijde verrassing, toen de juffrouw haar werk prees. Maar ze was
+verlegen. Wát moest ze nu zeggen? Zou ze toch Lijsje Lubbers
+verklappen?—Klikken was zoo laag en verachtelijk.
+
+Evi zuchtte, en keek naar den grond.
+
+De juffrouw moest wel denken, dat ze naar uitvluchten zocht. Dát maakte
+het Evi des te lastiger om te zwijgen, dat juffrouw Zandheuvel zoo goed
+en gemoedelijk was.
+
+Evi wenschte bijna, dat zijzelf een grap had gemaakt, zeker zou ze het
+dan zeggen en om vergeving vragen.
+
+„Nu, Eva, kun je het me niet zeggen, waarom je lachte, of wil je niet?”
+
+Het plafond, waarnaar Lachebekje de oogen in wanhoop opsloeg, bracht
+haar geen raad, en haar witte schortje evenmin.
+
+„Ga dan maar weer naar je plaats, als je niets te zeggen hebt,” klonk
+het ongeduldig en gemelijk.
+
+Lachebekje ging, de afstand leek haar groot van het podium naar haar
+bank. „Zal ik het nog zeggen?” dacht ze onder het loopen, „wat moet
+Lijsje me ook telkens aan het lachen maken?”
+
+Maar ze zei toch niets, en troosteloos zette ze zich weer neer in de
+vale bank. Ze keek nog eens op naar de onderwijzeres, doch die nam geen
+notitie meer van haar.
+
+Ze hoorde, hoe er aan de voordeur gescheld werd, ’t zou Sara zijn met
+haar boterham. Evi gaf er niet om, haar trek was over.
+
+’t Was Sara, met hoed en mantel kwam ze de klas in.
+
+„Juffrouw, hier is een boterham voor Evi Wildevank. Mag ik haar die
+even geven?”
+
+Juffrouw Zandheuvel knikte.
+
+Sara had nog iets op het hart. „Lizette Lubbers is er ook,” zei ze met
+schitterende oogen, „ze wou u graag wat zeggen.”
+
+„Laat haar maar binnenkomen,” zei de onderwijzeres.
+
+Lachebekje kon haar oogen niet gelooven, toen ze Lizette daar zag
+aankomen met een kleur van verlegenheid.
+
+„Ik heb Eva aan het lachen gemaakt,” stamelde Lijsje, „’k had een
+poppetje geteekend en dat liet ik dansen.”
+
+Ze zei er maar niet bij, dat het poppetje juffrouw Zandheuvel zelf
+moest voorstellen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+ALLES IS TERECHTGEKOMEN!
+
+
+Evi Wildevank gaat naar huis, meer springend dan loopend. Ze lacht, de
+blauwe oogen stralen, de witte tanden lachen vroolijk tusschen het
+heldere rood van haar lippen. Het blonde krullende haar danst haar op
+den rug.
+
+Ze loopt gearmd met Saartje, die ze af en toe in den arm knijpt van
+plezier. Voor een winkel blijven ze staan. Maar ze kijken niet naar de
+met zorg uitgestalde stoffen. Lachebekje heeft haar rapport geopend om
+nog eens weer met Sara de mooie cijfers na te gaan.
+
+„Ik kan haast niet gelooven, dat het mijn boekje is,” zegt Lachebekje,
+„’k heb nog nooit zoo’n goede gedraglijst gehad. En wat heerlijk, hè,
+dat ik nu mag blijven in de klas, ’k had het nooit gedacht, jij?”
+
+„Zeker wel,” zegt Sara, „in den laatsten tijd wel.”
+
+’t Lijkt Lachebekje toe, dat de heele wereld vol geluk is. De kou, de
+hard bevroren straten, de rosse lichten achter de winkelramen, alles is
+even prettig. En ’t is zoo heerlijk, dat Sara Willems ook zoo blij is.
+
+Lachebekje drukt Saartje’s arm nog steviger. „Zullen we niet een klein
+beetje aanloopen?” vraagt ze.
+
+Ze verlangt zoo naar huis. Ze kan het haast niet begrijpen, dat haar
+vader het groote nieuws nog niet weet. En haar Moe zal ook zoo blij
+zijn.
+
+„We draven al,” zegt Saartje buiten adem, maar ze versnelt toch nog
+haar pas.
+
+„’k Hoop, dat er maar ijs komt,” zegt ze na een oogenblik, „een
+Kerstvacantie zonder ijs is niet prettig.”
+
+Evi lacht. „Het zal wel blijven vriezen! Kijk, de bloemen staan op de
+ruiten.” Evi is in een stemming om van alles het beste te hopen.
+
+Ze is ook zoo gelukkig. Ze heeft Kerstvacantie, Hanna en Sara komen
+beiden bij haar logeeren. Ze zullen uitgaan, schaatsenrijden misschien.
+
+Maar wat haar hartje het meest verblijdt, wat haar doet huppelen van
+plezier, dat is haar goede rapport en de zekerheid, dat ze in de
+hoogste klas kan blijven.
+
+Ze voelt zich als een veertje zoo licht, als ze de trappen opspringt.
+
+Ze vergeet te groeten, als ze de kamer inkomt. Met een gezichtje, dat
+door zijn warmen gloed haar blijdschap verraadt, geeft ze haar vader
+het rapport over.
+
+Haar oogen stralen als zonnetjes.
+
+Ze is weer het oude vroolijke Lachebekje,—„mijn flink meisje,” zegt
+haar vader, terwijl hij haar een zoen geeft op de warme wangetjes.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ONS TROEPJE.
+
+
+I.
+
+OVER KOORDDANSEN EN KUNSTEN MAKEN.
+
+
+We vormden een jolig, gezellig troepje toen we nog kinderen waren. Nu
+zijn we groot, we hebben ieder ons eigen werk, we gaan ieder onzen
+eigen weg, en kleine Emmie, de jongste, is aan influenza gestorven,
+even voor haar twaalfde jaar.
+
+Maar toen was het anders. We waren na schooltijd haast altijd bij
+elkaar, meestal in dezelfde kamer, en maakten zooveel pret als ons
+huiswerk, Moe’s zenuwen en de buren het toelieten.
+
+Wij hadden heelemaal geen „zenuwen”; het kon me niemendal schelen, als
+Jaapje tot in het oneindige zijn trompet liet schallen, als we kermisje
+speelden, of als Toon, die clown was, met een ouden trommelstok op een
+ijzeren potdeksel sloeg, dat hij een cimbaal noemde; als ik dan ook
+maar het recht had, met fladderende haren in mijn gebreid rood wollen
+onderrokje al zingende rond te dansen, met een oude, afgedankte voile
+in de hand en een ouderwetsche tafelschel om mijn hals gebonden, die
+bij de minste beweging vroolijk en luid rinkelde. Ik kwam mezelf dan
+voor als een bovenaardsch bekoorlijk wezen, een toovergodin uit een
+sprookje of een balletdanseres, en ik verzuimde nooit bij zoo’n
+gelegenheid een hemelsch lichtblauw satijnen lint om mijn krullende,
+blonde haren te binden, of de vier snoeren bonte kraaltjes, die Emmie
+voor me geregen had, om mijn hals te winden.
+
+Zulke spelletjes deden we in den regel even voor we naar bed gingen,
+als Toon en Jaapje hun witte hansoppen aanhadden, die hen altijd veel
+te groot waren, omdat Moe ze op den groei had gemaakt. Het spreekwoord
+zegt: de kleeren maken den man, en in dit geval ging het heelemaal op,
+want die hansoppen maakten de jongens iederen avond weer tot dartele
+clowns vol onuitputtelijke grappen. Ze begonnen meestal met
+gymnastische toeren. Jaapje dacht, dat hij gelukkig zijn zou, als hij
+driemaal achter elkaar, zonder tusschenpoozen, over zijn hoofd kon
+duikelen, zooals Toon hem dat zoo meesterlijk voordeed. Daarom oefende
+hij zich elken avond in die kunst. Maar, of het kwam, doordat hij te
+dik en te zwaar was, het mocht hem nooit gelukken zelfs maar één keer
+zooals hij het noemde: koppeltje te duikelen. Hij viel telkens schuin
+neer naar rechts of naar links en bleef dan liggen, ineengerold,
+terwijl zijn voeten zijn hoofd bijna raakten, als een dikke worst,
+waarvan de uiteinden bijeen zijn gebonden.
+
+Ik voelde me, als mijn jurk en bovenrokken uit waren, zoo vrij en
+luchtig en licht, dat ik altijd dansen moest, en het me wel eens
+verwonderde, dat ik niet opsteeg als een luchtballon, of zweven kon als
+een bloemblad, gedragen door den wind.
+
+Op zekeren dag heeft me dat bedrieglijk gevoel van onstoffelijk te zijn
+en vederlicht, nog eens leelijke parten gespeeld.
+
+Moe had het druk, ze was in de keuken en stond met gloeiende wangen in
+de onmiddellijke nabijheid van het fornuis mijn witte jurk te strijken.
+Die jurk—ik ging naar een partij—was van fijn neteldoek, vol beeldige
+plooisels en mooie kant. Ze moest met de meeste zorg behandeld worden,
+en Moe vertrouwde ze het dienstmeisje niet toe, en streek ze dus zelf
+op een avond, dat Katrien uit was.
+
+Pa was uit en Moe had ons op het hart gedrukt, vooral ordelijk te zijn,
+want ze had geen tijd telkens van haar werk af te loopen om naar ons te
+zien.
+
+Nu, we wáren ordelijk. Huiswerk had ik niet dien avond, maar wel een
+prachtig boek, dat een vriendinnetje me geleend had; de sprookjes van
+Grimm, met mooie gekleurde platen.
+
+Den heelen avond had Moe geen last van me. Ik wil er me niet op laten
+voorstaan, want het lag eer aan Grimm dan aan mij, dat ik zoo stil en
+zoet lezen bleef, maar het was toch zoo.
+
+Om acht uur stak Moe haar warm hoofd door de deur: „Jelui moet vroeg
+naar bed gaan, vanavond,” zei ze, „morgenavond ga je uit, dus dan wordt
+het héél laat. Gaat maar gauw naar je mandje.”
+
+Ik had nog maar vier regels te lezen voor het verhaal, waaraan ik bezig
+was, uit was. Ik las ze dus gauw door, en sloeg toen het boek dicht
+zonder zelfs te letten op den naam van het volgende sprookje. Het mocht
+me eens door den titel verlokken het tóch te lezen, en ik wou vóór
+alles gehoorzaam zijn.
+
+De moeite, die Moe zich voor mijn jurk getroostte, stemde me zeer
+dankbaar, en het vooruitzicht van de partij maakte me gelukkig. Ik
+ontkleedde me dus in de opgewektste stemming—anders was naar bed gaan
+altijd een straf voor me, waarvoor ik zoolang mogelijk uitstel zocht—en
+hoorde Toon en Jaapje in de alkoof naast me hetzelfde doen. Emmie lag
+al in bed en sliep als een roos.
+
+Ik was juist aan mijn roode rokje toe—het kostte me altijd verbazend
+veel om daarvan te scheiden—toen ik Toon en Jaap gehansopt weer in de
+kamer zag komen. Jaapje begon zich weer zwijgend te oefenen in het
+duikelen. Uit voorzorg had hij het trijpen deurkleedje midden op den
+grond neergelegd, het moest dienen als matras en om het geluid te
+temperen.
+
+Ernstig kwam ik tusschenbeide, Jaapje vermanend dien avond geen leven
+te maken, Moe had het immers zoo druk, en we hadden beloofd haar niet
+te hinderen.
+
+Jaap liet zich gezeggen, en schoof met zijn voeten het deurkleedje
+terecht. We maakten dus geen leven, maar bleven heel stil nog even
+praten. Ongelukkig was het onderwerp van ons gesprek slecht gekozen.
+Toon vertelde een „waar” verhaal van een zekeren koorddanser, Blondin.
+Die had geloopen over een koord, dat over de Niagara gespannen was.
+Toon kon prachtig vertellen, als zijn hart van iets vervuld was, en hij
+beschreef den toestand in kleuren en geuren. Op het vele meters lange,
+dunne koord Blondin, middenop, den balanceerstok in de hand, ver
+verwijderd van den vasten grond. Onder hem de woest bruisende stroom,
+de waterval, die zich met duizelingwekkende snelheid naar omlaag
+stortte met heftig geklater. Eén aarzeling, één misstap, één ondeelbaar
+oogenblik van onbedachtzaamheid, één onwillekeurige beweging, en hij
+verloor zijn evenwicht, wankelde—en stortte met steeds sneller vaart
+naar beneden,—meegesleurd door de reuzenkracht van het water, dat hem
+verminkte, verbrijzelde.
+
+„Maar hij is toch niet verpletterd, wel?” vroeg ik, na ademloos
+geluisterd te hebben.
+
+Toon schudde verachtelijk het hoofd; welneen, hij niet. Hij verstond de
+kunst, vele keeren heeft hij den tocht gemaakt, eens zelfs met een
+ander op zijn rug.
+
+Een grenzenlooze eerbied voor zooveel vaardigheid en stoutmoedigheid
+vervulde onze ziel. Koorddanser of koorddanseres te zijn, leek me een
+verheven beroep, en ik verlangde niets liever, dan me er voor te
+bekwamen.
+
+„We moesten ook ergens een touw kunnen spannen, waarop we het konden
+leeren,” zei Toon.
+
+Ik bedacht me. „Op den zolder hangen drooglijnen,” zei ik, maar terwijl
+ik dat zei, voelde ik mijn lust al verflauwen.
+
+Toon, die toen negen was, een jaar ouder dan ik, was gelukkig
+verstandiger.
+
+„Dat zou heelemaal niet gaan,” zei hij, „ten eerste zijn de touwen veel
+te hoog, en dan zijn ze ook te dun. Ze zouden ons niet kunnen
+dragen.—Neen, we moesten een flink, stevig koord hebben, en dat
+spannen, laag bij den grond, een half el er van af ongeveer, zoo hoog,
+als de boegsprieten op de gymnastiek zoowat. Op die manier zouden we
+het kunnen leeren. En dan telkens natuurlijk het touw weer wat hooger
+spannen.”
+
+Toen Toon het woord boegspriet gebruikte, herinnerde ik me met schrik,
+hoe moeilijk ik het vond, zelfs op dien vrij breeden balk het evenwicht
+niet te verliezen. Maar dat bracht me niet van de wijs. Het zou best
+kunnen, dat een touw veel makkelijker bleek in het gebruik. Het was net
+zooals Toon zei, zoo’n touw ging mee, daar zat beweging in, dat zette
+zich naar je voet.
+
+Omdat we wel begrepen, dat Moe er iets tegen zou hebben, dat we dien
+avond nog met koorddansen begonnen, spraken we af, dat we het tot den
+dag van de partij zouden uitstellen. Toon kon dan op zijn gemak op den
+zolder zoeken naar een stevig touw en krammen, Pa’s bamboesrotting zou
+een uitnemende balanceerstok zijn.
+
+Ik had ook wat moois op dat gebied te vertellen. Ik had eens een
+kunstenmaakster gezien, die stond met haar grooten teen op een
+vergulden bol. Terwijl de muziek speelde—het was op Koninginnedag op
+het Museumterrein, dat ik het wonder had zien gebeuren—keerde de
+danseres zich langzaam en sierlijk om en om, in dezelfde mooie houding
+staan blijvend, terwijl de gouden bol onder haar voeten voortrolde. Ik
+raakte zóó in vuur door mijn verhaal, dat ik onwillekeurig zelf die
+mooie houding aangenomen had, één arm over het hoofd gebogen, en met
+den anderen losjes wuivende. Maar dat was me nog niet genoeg, ik had
+behoefte nóg aanschouwelijker te zijn. Ik was niet meer Christien
+Koevoorden, maar „Prinses Liliane, de bekoorlijke elfe, eerste danseres
+aan het Specialiteitentheater”.
+
+Ik zag rond of ook ergens een gouden bol in de nabijheid was. Ik vond
+alleen den doofpot, die met zijn glimmend koperen deksel een
+uitstekende plaatsvervanger was. Hij stond op zijn drie blinkende
+koperen voetjes ook oneindig vaster dan een bol. Op het balletje, dat
+tot knop diende, zou mijn groote teen bevallig rusten.
+
+Ik begrijp nu niet, hoe ik ooit in staat was, zulke dwaze dingen te
+doen. Het moet zeker dat roode rokje geweest zijn, dat me betooverd
+heeft. Ik trok den doofpot naar het midden van de kamer, plaatste de
+punt van mijn pantoffeltje op den knop, zette me met de hand aan den
+rand van de tafel een weinig af, en verhief me voor een oogenblik in
+mijn volle lengte. Voor één luttel oogenblik maar—te kort, vrees ik, om
+een blijvende herinnering na te laten bij Toon en Jaap, die me vol
+verwachting aanstaarden—toen viel ik, en, naar het me eerst toescheen,
+de heele wereld, met me.
+
+Ik lag op den grond, naar mijn gevoel te oordeelen zwaar gekneusd. Ik
+weet dat ik in mijn groote ontsteltenis niets deed dan angstig gillen,
+ik moest verwond, gebroken zijn, voor altijd ongelukkig waarschijnlijk.
+Ik voelde dat mijn hoofd in een plas lag,—wat kon het anders zijn dan
+bloed? Bloed stroomde ook uit mijn kin, en het verwonderde me nog, dat
+niet alle tanden mij uit den mond vielen, toen ik dien opende, zooveel
+pijn deden nu mijn kaken.
+
+Toen de eerste verschrikkelijke verwarring voorbij was, en ik,
+doodsbleek nog, met verbonden kin in den leunstoel zat en beschaamd en
+bedroefd luisterde naar Moe’s verwijtende stem, kreeg ik een flauw idee
+van wat er gebeurd was. Ik was dadelijk, nog vóór ik recht stond
+misschien, omgevallen, en de doofpot met mij; die lag daar nog, gedeukt
+en misvormd. In mijn poging, me aan de tafel vast te klemmen, had ik er
+het kleed afgetrokken en een kopje lauwe thee op mijn hoofd gekregen.
+Die thee was het bloed geweest, waarin ik waande te baden. Waaraan ik
+mijn kin zoo bezeerd heb, ben ik nooit te weten gekomen, evenmin hoe
+mijn linkerheup zoo stijf kwam, dat ik drie dagen niet loopen kon,
+terwijl ik mij toch verbeeldde op mijn rechterzij te zijn neergekomen;
+maar dat weet ik wel, dat ik een paar dagen lang op vele plaatsen een
+zeer pijnlijk gevoel had, dat ik de kinderpartij, waarvan ik me zooveel
+had voorgesteld, niet heb kunnen bijwonen, en dien heelen avond,
+terwijl de jongens uit waren en genoten, op een ruststoel heb gelegen,
+heete tranen schreiend van spijt en berouw.
+
+Van onze plannen om op den zolder een koord te spannen, is nooit iets
+gekomen. Toon sprak er gelukkig niet van, en ik begon er ook maar niet
+over toen ik weer beter was.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+ONZE MARKT.
+
+
+Niet altijd, gelukkig, waren onze spelen van zulk een gevaarlijken
+aard; maar voor Moe waren ze heel dikwijls lastig, hoewel we het niet
+kwaad meenden, en ons altijd voornamen goed op te passen. Ik herinner
+me nog een middag, dat we ook eens „goed zouden oppassen” en geen wilde
+spelen doen.
+
+Het was een regenachtige Woensdagmiddag, zoodat we niet uit konden
+gaan. Moe moest een visite maken bij tante Annie, die jarig was, de
+liefste tante die we hadden, en we gaven allen onze beste wenschen mee.
+Katrien was in de keuken aan het wasschen en wij waren aan onszelf
+overgelaten.
+
+Moe had ons, voor ze heenging, allerlei wenken en vermaningen gegeven.
+We mochten niet naar de voorkamer gaan, onder geen voorwendsel het huis
+verlaten, geen leven maken (om de buren), niet aan de kachel komen, en
+geen wilde of gevaarlijke spelletjes doen.
+
+„Speelt vader-en-moedertje of schooltje,” zei Moe, „maar denkt er aan,
+dat onderwijzers niet slaan.” Dit zei Moe met het oog op Toon, die,
+toen hij eens meester was, Jaapje een flinken klap om zijn oor had
+gegeven. Mij heeft hij ook wel eens bij zoo’n gelegenheid hard geduwd,
+hoewel ik er nooit over gesproken heb.
+
+We beloofden alles, bezield met het ernstige voornemen, Moe ditmaal nu
+eens niet teleur te stellen; en Moe vertrok, schijnbaar gerust.
+
+Nu schijnt het iets wonderlijks, maar het was toch bijna altijd zoo: we
+hadden nooit zin in een spel, dat een ander—al was die ander ook Pa of
+Moe—voor ons bedacht had.
+
+Toen Moe dan ook weg was en Toon vroeg: „Nu, wat zullen we spelen:
+vader-en-moeder of schooltje?” kreeg hij geen antwoord.
+
+„Zullen we zakloopen?” vroeg Jaapje, die juist met een grauwen
+aardappelzak uit de keuken kwam.
+
+„Neen zeker niet,” zei ik beslist en met waardigheid, „dat zou juist
+iets zijn om een ongeluk te krijgen.”
+
+Katrien kwam Jaap al achterna, om den zak terug te halen, het bleek dat
+er al heel wat gedroogde klei en zand uit den zak op het vloerkleed
+gevallen was. Katrien veegde het gauw op en vertrok met den zak, de
+deur achter zich sluitend, wat harder dan noodig was. Er was ook altijd
+wát met die kinderen!
+
+„Nu, wat zullen we dan gaan doen?” vroeg Toon met een gezicht, dat van
+lust en genoegen glansde. Ik geloof dat hij het liefst zevenmaal zeven
+keer over zijn hoofd gebuiteld was.
+
+Emmie kwam aanloopen met haar monsterachtige poppen. Ze had een mooie,
+maar die was zóó mooi, dat ze alleen op Zon- en feestdagen en bij heel
+plechtige gelegenheden werd gehaald uit de doos waarin ze geborgen was
+en die achter slot in de linnenkast stond. De andere leken wel
+havelooze, gebrekkige kinderen, zóó zagen ze er uit, want Emmie had een
+manier om met haar poppen om te gaan, die ver van moederlijk of
+liefderijk was. „Dokter spelen,” riep ze, „drankje ingieten, kiezen
+trekken.”
+
+Emmie’s poppen hadden het ongeluk altijd in de pottenbank te zijn.
+Voortdurend moesten ze bittere medicijnen gebruiken, die door Jaap
+bereid werden van thee en inkt of van azijn waarin een stukje roode
+verf uit zijn verfdoos geweekt was. Heel dikwijls werd ook de
+heelmeester bij haar kleintjes geroepen. Soms moest er een been
+aangenaaid, dan een oog rechtgezet, tweemaal moest er een speld uit het
+lichaam van een harer lievelingen gehaald worden.
+
+„Wat mankeert je, kindje?” vroeg Toon, den stijven steenen arm van een
+der poppen beetnemend om den pols te voelen.
+
+„Ze is altijd koud,” klaagde Emmie, het ijzige poppewangetje tegen het
+hare drukkend. „Ze heeft altijd koude voeten en koorts en rheumatiek.
+En kribbig is ze!”
+
+„Zoo,” zei Toon, „is ze kribbig ook? Dat moet uit zijn! Eerst een koud
+voetbad en dan naar bed, geen een deken meer dan anders, niets geen
+snoeperijen, vooral geen chocolaad, en haar maar laten liggen. Geen
+notitie nemen van haar schreeuwen. Stil laten uithuilen, dan zal ze dat
+dwingen wel afleeren.”
+
+Terwijl Emmie de porseleinen voetjes van haar pop een bad gaf in het
+zeepbakje van de waschtafel, maar half tevreden dat er geen operatie
+noodig was, had Jaapje zich achter de poppetafel neergezet en riep:
+
+
+ „Och wat benne ze dik en fijn!
+ „Voor bokkings mot je bij Japie zijn.”
+
+
+Dat was een idee; marktje spelen! Daar moesten stalletjes gemaakt,
+tenten opgeslagen, waren uitgestald worden!
+
+De groote vierkante middentafel was als vanzelf een tent. Ze werd
+alleen naar een hoek verplaatst, zoodat de twee wanden van de kamer de
+muren vormden. Als derde wand deed het tafelkleed dienst, dat naar
+beneden afhing, van boven vastgehouden door een paar zware boeken. Van
+voren was de tent open.
+
+Emmie moest er op een stoof in plaats nemen. Zij zou met eenig beleid
+haar hoofd niet stooten. Ze kreeg haar kapertje op, en moest haar
+wantjes aantrekken. Alles wat aan planten en bloemen, echte of
+gemaakte, in de kamer was, werd in de tent geschoven, zoodat ze er zelf
+niet meer uit kon. Haar kindertjes mocht ze allemaal bij zich hebben,
+behalve de zieke, want de wieg kon niet meer in de tent, die bleef dus
+midden op de markt staan. Emmie had er erg veel pleizier in, wat wel
+wonder was, want ze zat ver van gemakkelijk met het blad van de tafel
+vlak boven haar hoofd, en de waaierpalm vlak voor haar, waarvan de
+bladen haar bij de minste beweging in het gezicht kriebelden. Maar ze
+was gelukkig en lette dus niet op die kleinigheden. Ze vermaakte zich
+met de bladen van haar planten één voor één af te sponsen, met de spons
+van Jaaps lei en het badwater van pops voetjes.
+
+Toon, Jaap en ik deden verder ons best de kamer zooveel mogelijk het
+aanzien van een markt te geven. Ik had de gordijnen zóó hoog opgehaald,
+dat ze bijna niet meer te zien waren. Terwijl Katrien naar beneden was
+gegaan om open te doen, had Jaap de groote strijkplank uit de
+keukenkast gehaald, een heerlijke plank op schragen, die, met wat
+uitgespreide kranten er overheen, een prachtig stalletje vormde.
+
+Dat was Toon’s afdeeling. Hij stapelde het vol boeken, oude en nieuwe.
+Het speet ons, dat Pa zijn boekenkast niet had opengelaten, want we
+hadden de boeken zoo heerlijk kunnen gebruiken, en we pasten er wel op,
+dat er niets aankwam. Het waren meest schoolboeken, die Toon op zijn
+stalletje had. Eén opengeslagen atlas was er onder, die een prachtig
+effect maakte.
+
+„Ze zijn eigenlijk veel te net,” zei hij, „ik moest meer een
+rommelzooitje hebben.”
+
+„En ik ben een oud-roestman,” zei Jaap; hij had de deurkleedjes
+omgekeerd naast elkaar neergelegd en daarop uitgestald een pook, een
+tang, een asschop, den doofpot met het gedeukte deksel los er naast,
+een paar oude sponsedoozen, een lucifersstandertje; maar ook zijn
+tentoonstelling was nog niet zoo volledig of schilderachtig, als hij
+wel wenschte.
+
+„Ik ga naar den zolder,” zei Toon opeens, „daar zijn oude boeken
+genoeg.”
+
+Jaaps oogen schitterden: „Neen, naar de vliering moet je gaan,” zei
+hij, „daar zijn de echte.”
+
+Ze sprongen beiden de kamer uit en de trap op. Eerst wou ik ook
+meegaan, maar ik was bezig mijn eigen stalletje zoo smaakvol mogelijk
+te garneeren. Het theetafeltje had ik leeggemaakt en er de artikelen
+uit Moe’s naaidoos en werkmandje op neergelegd. Ik had nog een
+collectie afgedankte haarlinten en oude strikjes, die zeer fleurig
+stonden tusschen de garenklossen en kluwen haakkatoen. Ik verkocht wol,
+haarnaalden en spelden, zeep ook (gebruikte), en borstels (ook
+gebruikte). Alle antimacassars en kleedjes, die in ons huis te vinden
+waren, lagen op mijn tafeltje te koop. De stoelen hadden we alle uit de
+kamer gebracht en in de alkoof gezet. Ik zat op een omgekeerde
+theestoof, wat wel zoo natuurlijk was.
+
+De jongens kwamen beneden, met buit beladen. Toon had een mangelbak vol
+vuile, gescheurde, stoffige boeken meegebracht, en Jaap een emmer vol
+antiquiteiten.
+
+Nu werd het eerst goed!
+
+De oud-roestbaas zat nu midden in den rommel; roestige spijkers, een
+trommeltje zonder deksel, een ketel zonder tuit, een stuk gebarsten
+spiegelglas, een halve soeplepel, een bijna bodemlooze strijkpan,
+enkele dekseltjes, die nergens op pasten, een gieter zonder oor en een
+paar rollen oud behangselpapier moesten voorzien in alle behoeften van
+redelijke koopers.
+
+„We moeten zorgen, dat vóór Moe thuis komt, alles weer is opgeborgen,”
+zei ik met een bezorgden blik op de verschillende rariteiten.
+
+Jaapje trok een lipje, zijn lach maakte heel gauw plaats voor een
+traan, maar tot huilen kwam het gelukkig niet.
+
+Toon, die juist bezig was op een vernuftige wijze aan de strijkplank
+een uitgespannen paraplu te bevestigen, hield midden in zijn werk op.
+
+„Neen,” zei hij, en zijn groote oogen zagen me verwijtend aan, „we
+moeten het juist zoo laten, Moe zal er om lachen. Het is zoo’n aardig
+gezicht voor iemand die binnenkomt!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+EEN VERRASSING.
+
+
+Moe kwam later thuis, dan we gedacht hadden. Bijna was ons het
+spelletje gaan vervelen. Emmie had opeens uit haar tent gewild. „Neen,
+dat kan niet,” had Toon gezegd, „alle planten staan er voor, dat is te
+lastig.”
+
+Maar Emmie had aangedrongen: „Ik ben zoo warm en heet, laat me er
+alsjeblieft uit.”
+
+Toon kreeg medelijden met haar. Hij hief het tafelkleed op, en liet
+haar vrij.
+
+Om halfvijf ging de schel.
+
+„Daar heb je Moe,” riep Toon, en hij keek eens in het rond of onze
+markt wel geheel in orde was.
+
+„Allemaal schreeuwen, als Moe binnenkomt!” riep ik in zenuwachtige
+haast terug.
+
+Jaap zat met een verkleurd rood parasolletje boven zijn hoofd, in
+elkaar gedoken op den grond, en zong voortdurend op een eentonig
+deuntje:
+
+
+ „Och, wat is alles fijn!
+ „Je moet maar bij Japie zijn!”
+
+
+Toon schreeuwde met een gemaakt heesche stem: „Nou kan je lezen,
+menschen! Gaat hier niet voorbij!”
+
+Kleine Emmie deed niets dan dansen en lachen.
+
+Ik zat met een rood-en-zwart tafelkleedje over mijn hoofd op de
+omgekeerde theestoof en riep: „Kom nou, kom nou, neem wat van de
+koopvrouw!”
+
+De deur ging open, en—tante Suzanna kwam binnen, gevolgd door Moe, die
+zeer rood zag, en ons verlegen en boos aankeek.
+
+Tante Suzanna!
+
+In mijn eerste ontroering deed ik vergeefsche pogingen, me van het
+tafelkleed te ontdoen, maar ik had het zoo stevig met
+veiligheidsspelden bevestigd, dat het mijn zenuwachtigen vingers niet
+gelukte het los te krijgen. Ik had mijn stalletje wel weg willen
+kijken.
+
+We waren allen in ons hart bang voor tante Suzanna, hoewel ze het toch
+goed met ons meende. Ze was een oude, waardige dame, die zelf geen
+kinderen had, en alleen die kinderen lijden mocht, die zoet en
+ordentelijk waren.
+
+Tante Suzanna! We wisten, hoe Moe ons altijd dubbel aanspoorde om zoet
+en ordelijk te zijn als tante Suzanna er was. Ons speelgoed mocht dán
+vooral nooit slingeren. Fluitjes, trompetten, trommels, glazen piano’s
+en alle levenmakende instrumenten werden dan weggesloten. Ik kreeg
+tweemaal op een dag een schoon boezelaartje voor, moest viermaal mijn
+haar overmaken, en minstens tienmaal mijn handen wasschen. Katrien
+kreeg ook bijzondere vermaningen tegen dat tante Suzanna verwacht werd.
+Want tante woonde geheel alleen en was alles zoo keurig en in de
+puntjes gewend, dat een druk huishouden als het onze haar toch altijd
+onordelijk en ongeregeld moest lijken.
+
+Maar nu! Wat moest tante nu wel zeggen!
+
+Ik zag, dat Jaap zijn parasolletje had dichtgedaan, en stilletjes weg
+wou sluipen achter tante om.
+
+Maar tante Suzanna hield hem met haar paraplu terug.
+
+„Je wou me zeker goedendag komen zeggen, hè?” vroeg ze.
+
+„Neen, tante,” zei Jaap, „ik—ik—wou eventjes op gaan ruimen.”
+
+Eventjes!
+
+Emmie was de eenige, die eenvoudig naar tante toe was gegaan, om haar
+een kus te geven.
+
+„Ik vind het heel leelijk,” begon Moe, en haar stem klonk zeer ernstig,
+„ik vind het heel leelijk, dat jelui zoo slecht je woord houdt.—Ik had
+gedacht, dat ik beter op mijn kinderen vertrouwen kon.”
+
+Ik kreeg een kleur en vouwde beschaamd het tafelkleed op.
+
+Toon verdedigde zich: „We hebben geen leven gemaakt, Moe, heusch niet.”
+
+Tante hief haar oogen met een veelzeggende uitdrukking ten hemel.
+
+„Niet voor u kwam,” zei Toon verward, „we deden het alleen, toen we u
+hoorden aankomen, om u te—te verrassen.”
+
+„Een lieve verrassing,” zei tante Suzanna droog.
+
+„Waar zit jij op, Tine?” vroeg Moe, met een blik op mijn zetel.
+
+Ik stond verschrikt op.
+
+Tante Suzanna gaf in mijn plaats antwoord. „Op de theestoof, Marie, die
+ik je met je trouwen gegeven heb.—Die zal je wel gedeukt hebben, hè
+meisje?”
+
+Gelukkig bleek dit niet het geval te zijn.
+
+Toon kwam uit de alkoof aandragen met twee stoelen, die we op elkaar
+gezet hadden.
+
+„Als ’t u blieft, tante,” zei hij, terwijl hij er een voor haar bij de
+kachel schoof.
+
+„Niet bij de kachel, ik ben niet verkleumd,” merkte tante aan, terwijl
+ze stokstijf staan bleef.
+
+Toen Toon den stoel verzet had, nam ze plaats met veel waardigheid.
+
+„Als je zoo goed wilt zijn, even te blijven zitten,” zei Moe, „zal ik
+in de voorkamer wat vuur laten aanleggen.”
+
+„Dank je, Marie, ’t was me maar te doen om uit te rusten en de bui af
+te wachten. Ik geloof, dat het droog is. Dan neem ik meteen de paraplu
+mee, die ik gisteren bij je heb laten staan.”
+
+Ik ging naar het raam en keek naar buiten, vurig hopend, dat het
+kurkdroog zou zijn, maar het gietregende.
+
+We trachtten ondertusschen zoo goed we konden de kamer weer op orde te
+brengen, wat geen gemakkelijk werkje was. We hadden zooveel tijd
+besteed aan het in elkaar zetten van den boel, dat het maar niet in een
+tooverslag weer te veranderen was. Wat me vooral hinderde, waren
+tante’s oogen, die ons voortdurend op de handen zagen. Ik liet de
+gordijnen neer en Moe stak de lamp aan. Och, wat zagen toen onze
+halfafgetakelde kraampjes en stalletjes er uit!
+
+Toon, die de boeken in aller ijl op den mangelbak gestapeld had en
+dezen, om er van af te zijn, zoolang in de gang had neergezet,
+beijverde zich nu om de planten en bloemen onder de tafel vandaan te
+halen, en alles op zijn plaats te zetten.
+
+„Is dat het mooie haarlint, dat je Moe je pas gegeven heeft?” vroeg
+tante, toen ik bezig was, een gekreukeld lint in elkaar gefrommeld in
+een doosje te bergen, om maar gauw klaar te zijn.
+
+Uit den hoek van het bloemententje klonk op dat oogenblik een luid
+gerinkel, dat me gelukkig het antwoord bespaarde.
+
+„Daar gaat je beste waaierpalm!” zei tante Suzanna hoofdschuddend.
+
+Werkelijk kwam Toon met een vuurrood gezicht onder de tafel uit, de
+mooie waaierpalm in de hand; maar die was gelukkig geheel ongeschonden
+gebleven. Het was het zeepbakje—de poppebadkuip—dat onder zijn voet
+geraakt en gebroken was.
+
+Kleine Emmie hielp ook mee zooveel ze kon, ze bracht een bloemenmandje
+te voorschijn vol gele, rose en roode rozen.
+
+„Tante gemaakt!” zei ze met een blij gezichtje. Werkelijk had tante
+Suzanna die bloemen gemaakt en ze in het vergulde mandje geschikt.
+
+„Tante gemaakt,” zei Emmie weer, toen de oude dame geen acht op haar
+sloeg, „ikke afgesponst.”
+
+Nu werd Tante Suzanna opmerkzaam.
+
+„Kom eens hier, liefje,” zei ze.
+
+Emmie kwam, en nu bleek het, dat over de gele rozen roode tinten
+liepen, en dat de roode geheel verbleekt waren. Emmie had, natuur- en
+kunstplanten over één kam scherend, ze alle met haar sponsje gereinigd.
+
+Tante Suzanna zei niets; ze zuchtte alleen.
+
+„Het is droog, tante,” zei Jaapje, die het gordijn had opgelicht om
+naar buiten te zien.
+
+Moe kreeg een kleur.
+
+„Raap die roestige spijkers op, Jaapje,” zei ze. En toen tegen tante:
+„Wat wil je gebruiken, Suzanna; mag ik wat voor je klaarmaken?”
+
+„Ik drink niets,” zei tante, „je weet, dat ik bij Annie ook niets
+gebruikt heb.”
+
+„Laat me je een kop chocolaad geven, je eet toch zoo laat,” drong Moe
+nog aan.
+
+Maar tante was al opgestaan.
+
+„Dan zal ik je paraplu even halen,” zei Moe, naar de gang loopend om in
+den stander te kijken.
+
+„Doe geen moeite,” zei tante Suzanna, „Toon heeft haar daar op zijn
+stalletje.”
+
+Het was vreeselijk, dat alles ons zóó tegenliep. Ik had bepaald
+medelijden met Moe, want ik kon heel goed zien, hoe de zaak haar
+verdroot. Ik deed al mijn best, Toon te helpen de paraplu los te maken,
+maar die was met zooveel vernuft bevestigd, dat het bijna onmogelijk
+was, ze weer vrij te krijgen. Eerst was ze met koorden en touwtjes aan
+een wandelstok gebonden, en die was weer vastgemaakt aan de schraag van
+de strijkplank.
+
+Eindelijk, toen ook Moe er bij kwam, om ons te helpen, gelukte het,
+haar te bevrijden.
+
+„Tot ziens,” zei Moe, toen tante heenging, „het spijt me, dat je het
+zoo getroffen hebt; ik hoop, dat ik je een volgenden keer beter
+ontvangen kan.”
+
+Toen tante weg was, nadat ze eerst over den mangelbak met boeken, die
+in de gang stond, gestruikeld was,—wat Toon een nieuwe berisping op den
+hals haalde,—zagen we elkaar aan, ver van opgeruimd. Wat zou Moe wel
+zeggen? Hoe hadden we ons woord gehouden!
+
+Maar Moe zei niets; ze was alleen stil.
+
+Dien avond namen we ons vast en stellig voor, Moe in het vervolg geen
+aanleiding tot ontevredenheid meer te geven. En, de eerste week,
+hielden we trouw ons woord.
+
+We hebben later nooit meer marktje gespeeld, maar er wel nog dikwijls
+om gelachen, want het bleek, dat Moe, toen tante Suzanna een
+kwartiertje weg was, de zaak toch niet zoo heel erg vond.
+
+Maar we mochten het toch niet weer doen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+JAAPJE WIL GEEN TWEEDE BORDJE!
+
+
+Ziekte hebben we in ons kinderleven bijna niet gekend. Emmie was
+voortdurend wat zwakjes, maar ze sukkelde niet. Ik heb nooit andere
+pijn gehad dan van builen of schrammen, als ik me door woestheid
+gestooten of gekrabd had. Eéns ben ik—omdat ik de slechte gewoonte had,
+als ik op school een boek uit de bibliotheek kreeg, daaraan op straat
+alvast te beginnen—met mijn hoofd tegen een lantarenpaal geloopen, wat
+me een dikken blauwen bult midden op het voorhoofd bezorgde. Ik trof
+het niet, want ik moest dien middag juist bij een vriendinnetje op
+visite; maar een ongeluk komt nooit alleen, dus ik kon niet anders
+verwachten.
+
+Toon was altijd gezond; ik geloof zelfs, dat builen of schrammen hem
+niet deerden. En Jaapje was alleen ziek als hij te veel gegeten had,
+wat, dank zij Moe’s waakzaamheid, gelukkig niet dikwijls gebeurde.
+
+Toch is er ook in ons huis op zekeren tijd een ziekte binnengeslopen,
+die bijna geen huis, waar kinderen zijn, spaart,—de mazelen.
+
+Aanvankelijk waren wij er niet erg door verschrikt, we vonden het
+alleen vervelend. Toch had die overigens vrij onschadelijke ziekte,
+door mijn onvoorzichtigheid, wel eens heel leelijke gevolgen kunnen
+hebben.
+
+Ik herinner me nog goed het heele verloop.
+
+Het was op een Vrijdag—ongelukken gebeuren altijd op een Vrijdag, zei
+onze oude naaister—dat met Jaapje de ziekte binnenkwam.
+
+We hadden rijstebrij gegeten, rijstebrij met suiker en kaneel, omdat
+Moe het zoo druk had, maar Jaapje had na het tweede bordje bedankt.
+
+Dat was het eerste ziekteverschijnsel geweest.
+
+Want Jaapje hield dol van alle mogelijke eten, en van rijstebrij zou
+hij „wel twintig borden” op kunnen, meende hij, als Moe er hem toe in
+de gelegenheid stelde; maar dat had ze, zoolang hem heugde, nog nooit
+gedaan.
+
+Geen wonder dat ieder er over inzat.
+
+„Wat, eet je niet meer?”
+
+„Jaapje, een lekker bordje rijstebrij, probeer maar eens. Het mondje is
+een schalkje, het zal er wel ingaan.”
+
+Moe had nog gelokt en gevraagd; maar Pa zei, dat, als Jaap zelf meende
+genoeg te hebben, het zeker wel zoo zijn zou. Daar moest Moe maar niet
+over tobben.
+
+Na het eten had Jaapje geklaagd, dat hij zoo dik was. Hij wou niet
+meespelen met Toon, die hem inviteerde om paard te zijn. Hij wou zelfs
+niet eens mee kruiwagentje doen, dat is op de handen voortloopen,
+terwijl Toon zijn beenen vasthield. En toen Moe een zuren appel voor
+den dag haalde, dien ze van de groentevrouw gekregen had—zoo’n lekkere
+bellefleur met roode wangetjes—bleef Jaapje uiterst kalm bij de
+verdeeling. Hij nam zijn stukje wel aan, maar na er zóó lang mee
+gezeurd te hebben, dat het roodbruine vlekjes had gekregen en er erg
+onsmakelijk uitzag, gaf hij het terug. „Voor de musschen,” zei hij.
+
+Nu was het uitgemaakt, dat Jaapje ziek was.
+
+„Kom eens hier, ventje,” zei Pa.
+
+En Jaapje kwam bij Pa staan en liet zich tegen zijn knie aanleunen.
+
+„Wat scheelt er aan, kereltje, heb je hoofdpijn?”
+
+Jaapje bedacht zich. „Ja, Pa.”
+
+„Hij is van dat hij thuis kwam af al hangerig en landerig geweest,” zei
+Moe toen, „maar ik dacht, dat hij honger had, en dat het met eten wel
+over zou gaan.”
+
+„Je hebt toch geen snoepgoed gehad?” zette Pa het onderzoek voort. „Een
+onrijpen appel of zoo?”
+
+„Neen, Pa.”
+
+„Bedenk je eens goed, Jaapje. Heb je niets gehad van het jongetje, dat
+naast je zit?”
+
+„Die is niet school geweest, Pa, omdat hij zoo erg de roode mazelen
+heeft. Gisteren had hij ze al, hij zag heelemaal rood, en toen is hij
+door den meester naar huis gestuurd. Ik had nog een griffel voor een
+knikker met hem gedaan. Hij zou hem voor mij meebrengen, en nu is hij
+geen eens school geweest.”
+
+Jaapje leunde nog sterker tegen Pa aan, legde het hoofdje op zijn knie
+en gaapte.
+
+„Roode mazelen.” Pa had Moe eens aangezien, en Moe had erg verschrikt
+gekeken.
+
+Pa had Jaaps mouwtjes opgestroopt en zijn polsen bekeken; Moe had hem
+uitgekleed, maar vóór ze hem te bed bracht, onderzocht Pa zijn borstje
+even, en wreef er op, of er ook roode vlekjes op kwamen. Toen legde Moe
+hem in zijn bed, waar hij, als een echt ziek kindje, het zware hoofdje
+diep in het kussen drukte en de oogen onmiddellijk sloot.
+
+„Je kunt er nog niets van zeggen,” troostte Pa, toen Moe binnenkwam.
+„Ik zou me maar niet al te ongerust maken; als hij morgen niet beter
+is, zullen we den dokter halen.”
+
+„Het zal toch wel mazelen worden. Wat kan het anders zijn? Het kind is
+nooit ziek,” en met een zucht stak Moe een draad in de naald, om
+Jaapje’s broekje te gaan verstellen, waarmee hij, bij het overklimmen
+van een hekje, in de ijzeren pinnen was blijven haken.
+
+„In allen gevalle,” zei Pa weer, „is het geen gevaarlijke ziekte, als
+je het jong krijgt ten minste. Ik heb het als kind drie keer gehad,
+maar ik ben er nooit ziek van geweest. Het is zoo iets als tanden
+krijgen; ieder kind moet er doorheen.”
+
+Toon en ik, we maakten ons werk en zeiden niet veel. Het was zoo iets
+bijzonders, als er bij ons thuis iemand ziek was.
+
+Toon zat te leeren, de graven van Holland: Dirk I, Dirk II, Arnout,
+Dirk III, enz. Telkens van voren af aan op een dreuntje.
+
+Ik maakte sommen. Tien moeilijke vraagstukken had ik opgekregen; in een
+half uur tijds had ik er drie van af. De andere kende ik niet. Ik las
+ze over, één voor één, zonder te begrijpen, lusteloos, slaperig.
+
+Emmie zat op een stoof aan Moe’s knie in een geïllustreerde
+prijscourant te bladeren. „Wat is dit?” vroeg ze, „en ditte, en dat?”
+En ze wees, ze wees ze aan, met haar vingertjes, in het oneindige
+vragende, zonder naar het antwoord te luisteren. En Moe legde uit,
+fluisterend, met gedempte stem, om ons niet te storen.
+
+Emmie werd naar bed gebracht. In Pa en Moe’s bed mocht ze slapen. Toon
+zou in het hare gaan, omdat Jaapje alleen moest liggen.
+
+„Hoe vindt je dat?” vroeg Moe.
+
+„Lekker,” zei ze, en ze klakte met haar tongetje.
+
+Moe droeg haar op haar arm rond, en we gaven haar allen een nachtzoen
+op haar slaperig, rozig snoetje.
+
+Toen werd het nog stiller. Moe ging eens naar de andere alkoof—we
+hadden er twee vlak naast elkaar, of eigenlijk één, die in het midden
+door een schot in tweeën was verdeeld. Jaapje sliep; hij haalde wat
+zwaar adem, vond Moe, maar hij sliep toch rustig.
+
+Moe nam het broekje weer op. Pa schreef voor kantoor. Toon leerde nog
+uitentreuren.
+
+Ik verveelde me. De sommen vlotten niet. Ik probeerde ze van achteren
+naar voren—want ik had een lijstje met antwoorden—maar ook dat ging
+niet.
+
+Ik zou vast school moeten blijven, den volgenden dag. Ik had het land.
+
+Moe kon er zelf niets van, en ik hield er niet van het aan Pa te
+vragen. Ten eerste omdat hij me voor een bijzonder schrander meisje
+hield, op wie hij altijd trotsch was geweest, en dan—hij werkte ze
+altijd op een andere manier uit, dan wij op school gewoon waren. Later
+heb ik het erg natuurlijk gevonden, dat hij niet zoo precies op de
+hoogte was van onze manier, maar toen speet het me toch.
+
+Van hulp kon dus geen sprake zijn. Met een wanhopig gevoel begon ik
+voor den zooveelsten keer een som op een nieuw blaadje.
+
+Daar schoot me opeens iets door het hoofd. Als Jaapje mazelen kreeg,
+zouden Toon en ik morgen thuis moeten blijven.
+
+Als Jaapje toch ziek wordt, dacht ik toen, hoop ik maar, dat het de
+mazelen zijn. Het is immers volstrekt niet gevaarlijk, had Pa gezegd.
+
+Later heb ik nog dikwijls met schaamte aan dien wensch teruggedacht.
+
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+MAZELEN.
+
+
+Den volgenden morgen kwam Pa ons roepen. Of we ons vooral zacht wilden
+aankleeden, want Jaapje was erger. Hij had den heelen nacht slecht
+geslapen en erg gehoest en geniesd; zijn keeltje was een beetje
+ontstoken.
+
+Misschien waren het mazelen. Pa wist het nog niet. Straks zou de dokter
+komen; we moesten maar heel stil zijn en mochten volstrekt niet bij
+hem.
+
+„We mogen toch wel naar school?” vroeg Toon.
+
+Dat vond ik gemeen van hem. Wat een aanstellerij! Omdat hij nu bij
+toeval zijn les had geleerd,—dat gebeurde hem ook niet alle dagen!
+
+„Neen, in geen geval; je zoudt de besmetting kunnen overbrengen.”
+
+„O, neen, Pa?” vroeg ik toen ook, en ik hoopte, dat het teleurgesteld
+klinken mocht, maar ik was er wel bang voor.
+
+Toon en ik werden na het ontbijt naar het kamertje verbannen, waar we
+bij een petroleumkacheltje gingen dammen.
+
+Emmie stond bij ons voor het raam en greep met de kleine handjes naar
+de sneeuwvlokken, die langzaam neerdaalden. Soms sloeg ze zich de
+vingertjes zeer tegen de ruiten, als er een heel dicht langs gleed, om
+die te pakken.
+
+Om tien uur kwam de dokter. Hij vond Jaapje bezig een boterhammetje met
+suiker, in dobbelsteentjes gesneden, smakelijk op te peuzelen.
+
+„Hoe is het, mannetje?” had de dokter gevraagd.
+
+En Jaapje had zich den tijd niet gegund met eten op te houden.
+Eindelijk, tusschen twee hapjes in, toen zijn mondje leeg was, had hij,
+vol medelijden met zichzelf, geantwoord: „Ik heb zoo’n ergen honger,
+mijnheer,” en toen verteld, dat zijn buik heelemaal leeg was, want dat
+hij gisteren maar twee bordjes rijstebrij had gegeten.
+
+„Het zal wel gaan met onzen patiënt,” meende de dokter. „Maar goed warm
+houden, dat de mazelen flink uitkomen.”
+
+„Dus toch mazelen?”
+
+„Ja, ja,—kijkt u maar eens bij het licht. Het begint al; zijn oogen
+staan flets, en hij hoest een beetje. Maar hij is tierig en opgewekt.
+Het zal best gaan, als hij maar warm blijft; vooral geen tocht.”
+
+„Ik zal er voor zorgen, dokter. En de anderen?”
+
+„Hoe bedoelt u?”
+
+„Moet ik de andere kinderen van hem vandaan houden?”
+
+„Hebben ze het nog niet?”
+
+„Neen,” had Moe verwonderd gezegd.
+
+„Nog niet gehad ook?”
+
+„Neen, dokter.”
+
+„Nu, dan kunt u doen zooals u wilt;—ze zullen het toch wel krijgen.”
+
+Het was een dwaas zeggen voor een dokter, vond Moe, en ze hield ons
+buiten Jaapje’s alkoof.
+
+Maar we kregen het toch, de een na den ander, behalve Emmie; die bleef
+het langst gespaard.
+
+Binnen een week lagen we alle drie te bed. Op en top een hospitaal.
+
+Moe had het druk, maar we waren geen lastige zieken, ten minste niet in
+den gewonen zin van het woord. We waren bijna geen zieken, maar we
+waren wel druk en maakten spektakel, ten minste de jongens.
+
+Dát was mijn groot verdriet, dat we niet bij elkaar lagen. Het
+prettigst van alles zou ik een groot ledikant hebben gevonden, waar we
+met zijn drietjes in konden. Maar op zijn minst had ik toch in hun
+alkoof willen slapen. Maar dat ging niet. Daar lagen de jongens samen
+in één bed, en hadden een pleizier voor zes,—en ik lag troosteloos in
+mijn eentje in de andere alkoof en verveelde me.—
+
+Toen ik pas ongesteld werd, vond ik het geraden, me voor niet minder
+ziek uit te geven dan ik was. Ik antwoordde met flauwe, matte stem en
+halfdichte oogen, bedankte voor een sneetje brood, maar liet me een
+stukje pudding, een partje sinaasappel en nu en dan een kop bouillon
+opdringen.
+
+Toen de dokter kwam, om naar me te zien, toonde ik me lijdend. Maar
+toen ik vier, vijf keer achtereen mijn mond wijd open moest doen en
+a-a-a zeggen, dat hij mijn keel zou kunnen zien, moest ik zóó lachen om
+de malle manoeuvres, die ik zelf met mijn tong maakte, dat het hem
+volslagen onmogelijk was iets te zien, zoodat hij wel merkte hoe het
+met mijn ziekte stond.
+
+Mijn keel was een beetje ontstoken en moest dagelijks met een penseel
+gesmeerd worden, wat vreeselijk prikkelde en kriebelde en mij telkens
+als een mager varken deed schreeuwen. Een en ander maakte, dat ik er
+erger aan toe meende te zijn dan de jongens. Ik bleef dus stil in bed
+liggen, telde de bloemen van het behangsel, wreef mijn handen wit en
+liet ze dan weer langs het ledikant naar beneden afhangen, zoodat ze
+als vuur zoo rood werden,—ik maakte schaduwbeelden met mijn vingers,
+wat ook heel prettig is,—tooverde poppetjes van mijn zakdoek, en
+probeerde uit te rekenen hoeveel strafregels ik wel iederen dag zou
+kunnen schrijven, als ik in bed de pen hanteeren kon,—en of het aantal
+voldoende zou zijn voor mijn volgend schoolleven.
+
+Op een mooien dag bracht Pa voor mij een boek mee: Twintig duizend
+mijlen onder zee, van Jules Verne. Het was eigenlijk een jongensboek,
+maar Pa wist wel, dat ik die het liefste las, dikwijls kreeg ik ook de
+boeken van Toon; dat was nog het eenige, dat ik van hem gebruiken kon.
+
+De jongens waren al dien tijd tot stilzijn aangemaand, omdat Moe dacht,
+dat ik veel erger was. Maar zoodra ik het boek had, scheen mijn ziekte
+genezen; ik las en las en dacht niet aan klagen; het speet me alleen
+maar, dat het zoo vroeg donker werd, en bij lamplicht kon ik niet lang
+zien, dan gingen mijn oogen pijn doen.
+
+Overdag stonden de voorkamerdeuren open, maar de deuren van de
+huiskamer, waar Emmie was, bleven altijd dicht.
+
+Emmie tikte dagelijks aan de deur.
+
+„Hoe gaat het nogal, Tine?”
+
+„Dank je, Emmie, vrij goed.”
+
+„Lufflouw Lora vraagt ook hoe het nogal gaat.”
+
+Lufflouw Lora was de pop, die Emmie van een zekere juffrouw Flora
+gekregen had.
+
+„Wilt u Lufflouw Lora wel bedanken; het gaat heel best.”
+
+„Zijn de roode mazeltjes er nog?”
+
+„Ja, Emmie.”
+
+„Mag ik ze eens zien?”
+
+„Neen, ze zijn wat leelijk; ze doen zeer.”
+
+„Bijten ze?”
+
+„Ja.”
+
+„Mag ik ze asjeblieft niet even zien?”
+
+„Neen, Emmie, dat kan niet.”
+
+„Lufflouw Lora ook niet?”
+
+„Neen.”
+
+„O!”—Het klonk altijd teleurgesteld. Emmie stelde zich de mazelen,
+geloof ik, voor als kleine, roode insecten, die door de alkoof vlogen.
+
+Dikwijls dreigde ze er de pop mee; ze zou ze roepen. Als Lufflouw Lora
+niet heel zoet was, dan zou ze—in eens—de deur van de alkoof
+opendoen—en dan sprongen de mazeltjes er uit, pang! in Lufflouw Lora’s
+gezicht en op haar armpjes en in haar halsje.
+
+Een anderen keer smeekte ze weer, door het sleutelgat, om één mazeltje
+te zien, ééntje maar—tot het beet.
+
+Maar het mocht niet.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+MIJN ONVOORZICHTIGHEID.
+
+
+Toen mijn boek uit was en de maalstroom de luitjes veilig en wel op een
+der Loffoden-eilanden geworpen en zoodoende een einde gemaakt had aan
+hun belangwekkende onderzeesche reis—zocht ik verstrooiing.
+
+Op een goeden morgen hief ik van mijn bed uit een lied aan, weinig
+toepasselijk wel is waar, maar zeker uit volle borst gezongen—en
+bijzonder gloedrijk.
+
+„O, hoe schoon is mij deez’ avond, mij deez’ avond, mij deez’ avond!”
+klonk het, verheugd en blij, en een oogenblik later jubelden ze mee uit
+de andere alkoof—in zooverre min of meer heesche mazelenkelen jubelen
+kunnen. En een heerlijke canon klonk hoog op, een luidruchtige,
+driestemmige beurtzang, die zoo lang aanhield, tot Moe kwam, om het
+schreeuwen te verbieden, en Emmie door het sleutelgat informeerde of de
+mazeltjes waren weggevlogen.
+
+Het zingen had me heelemaal opgevroolijkt; ik voelde me zoo opgewekt en
+verfrischt en zoo vol leven, dat ik met een ruk de dekens van me
+afgooide tot het voeteneind, de kussens flink hoog opschudde, mij er in
+liet zakken, en dat spelletje telkens weer deed,—opschudden,
+inzakken,—opschudden, inzakken, tot ik moe en afgemat voorgoed
+neerviel, de dekens weer over me heentrok en juist netjes lag, toen Moe
+met een kop thee en een beschuitje de alkoof inkwam.
+
+Ik dronk mijn thee, genietend met kleine teugjes, en at het beschuitje
+met smaak; toen ging ik weer wat rusten, met een prettig gevoel van
+weelde, dat ik bediend en verzorgd werd.
+
+Maar niets maakt je zoo loom en moe op den duur als rust. Ik was ook
+veel te ongedurig om stil te blijven liggen; ik verzon een heerlijk
+werkje, dat ik dadelijk ten uitvoer bracht. Ik ging de kussens aan het
+voeteneinde leggen en stopte de dekens aan het hoofdeinde in; nu kon ik
+prettig liggen kijken naar de vallende sneeuwvlokken voor het raam van
+de voorkamer. Dat was aardig. Dat leefde ten minste. Ik had plezier.
+
+Maar het hield op met sneeuwen, en ik verveelde me weer.
+
+Toen dacht ik aan het muizengaatje onder in het schot, dat de alkoven
+scheidde. In een wip was ik uit bed en stond ik op het zeil. Had ik nu
+maar iets! Wacht, daar lag de kous, waar Moe gisteren voor mijn bed aan
+had zitten breien. Een pen trok ik er uit; die zou ik er straks wel
+weer indoen. Geprobeerd!
+
+Ja, zij kon door het gaatje. Prik! Prik! De jongens zagen het niet. Nog
+eens. Tik, tik! op den grond. Ze merkten het. Dat was aardig. Dat was
+een kostelijk verzinsel. Daar moesten we plezier van hebben.
+
+Stil, daar kwam Moe aan; wip, in bed.
+
+Ik was koud geworden, erg koud, en kroop recht behaaglijk onder dek.
+
+’s Avonds, als Emmie sliep, mochten we opstaan. Dan gloeide de kachel
+lekker, dan trokken we kousen en slofjes aan, dan sloeg Moe ons een
+deken om, den jongens een wollen en mij een reisdeken,—en dan zaten we
+met zijn drietjes op de canapé, potsierlijk en wel, net of we bij den
+barbier waren en geschoren moesten worden. Eerst konden we niet goed
+tegen het licht; het was zoo schel en zoo rood,—maar Moe maakte een kap
+aan de lamp, en toen ging het. Wat hadden we een pret met zijn
+drietjes! Pa vertelde dan meest en Moe maakte de bedden in orde. En als
+de bedden klaar waren, heerlijk geschud en frisch, zoodat het weer een
+plezier was er in te gaan liggen, en we er weer in konden zakken, en
+ons wenden en keeren naar hartelust, zonder bang te zijn voor
+prikkelende beschuitkruimels,—dan kregen we ieder een lepel van het
+lauw-flauwe drankje, en dan werden we weer naar onze slaapplaatsen
+gebracht. Waggelend als dronken ijsbeertjes in onze wollen dekens,
+liepen we nog even in de kamer rond, alleen maar voor de grap en om het
+belachelijke gezicht. We konden wel niet goed meer loopen, door het
+vele in bed liggen,—maar we overdreven ook een beetje.
+
+Anders dan om verbed te worden, mochten we nooit opstaan, en dan was
+alles met veel zorg verwarmd. Maar ik bekommerde er me niet veel om, en
+toen Moe weg was, schreef ik met potlood een klein briefje:
+
+
+ „Lieve Toon!
+
+ Hoe maak je het? Begin je al te vervellen? Liggen er veel
+ beschuitkrummels in je bed? Schrijf me eens wat jullie aan het doen
+ bent. Ik heb mijn bed zóó overgemaakt, dat ik net in de voorkamer
+ kan zien.
+
+ Je liefhebbende Zuster
+ Christien.”
+
+
+Toen het af was, rolde ik het papier heel fijn op en schoof het door
+het gaatje heen. Een oogenblik later hoorde ik een bons—Toon, die uit
+bed sprong—en een dof plakkend geluid van bloote voeten op het zeil.
+
+Naar mijn idee duurde het heel lang voor ik een kreukelig, in elkaar
+gewrongen rolletje door het gaatje zag te voorschijn komen. Als een
+haas sprong ik uit bed, ontvouwde het papier, streek het zooveel
+mogelijk glad en las:
+
+
+ „Waarde Zuster!
+
+ Daar wij tot het edele ras der Roodhuiden behooren, kan ik uw
+ onbeduidende vraag omtrent de beschuitkrummels niet beantwoorden.
+
+ Jaap Vuurhart, de gevreesde Eetwolf, scherpt zijn twintig tanden op
+ een pijp drop, die onze kleine blanke zuster Emma hem heeft
+ gezonden.
+
+ Ik zegen het knaagdier, dat ons den tunnel heeft gegraven tot
+ middel van gemeenschap.
+
+ Die zinspeling op het vervellen begrijp ik niet. Ik hoop, als
+ volbloed Indiaan, mijn huid, rood als het zonnegoud, te bewaren.
+
+ Hebt ge nog een flikje over voor
+
+ Uwen broeder
+ Koperrood?”
+
+
+Ik had er erg veel schik in en haastte mij een tweeden brief in
+denzelfden geest te vervaardigen. Ik dacht er over om het gaatje wat
+dieper uit te graven, maar daar was geen beginnen aan. Toen stond ik
+op, tegen Moe’s verbod in, en liep door de voorkamer naar de alkoof van
+de jongens, om ze een paar flikjes te brengen.
+
+Het was lekker weer geworden; het zonnetje blonk en schitterde op de
+sneeuw. Voor was het prettig en licht. Op straat speelde een orgel „De
+Maliebaan”. Ik vond het een verrukkelijke wijs en begon voor het bed
+van de jongens op de onzinnigste manier in mijn ponnetje rond te dansen
+met dwaze armbewegingen: „Wij zijn gegaan,” enz., met gedempte stem,
+uitgelaten vroolijk van het deuntje en het licht; de jongens schudden
+in hun bed van het lachen.
+
+Opeens kreeg ik een inval. In een wip was ik bij het raam en schoof het
+op—even, heel even maar, en streek met de hand eensklaps de sneeuw uit
+de vensterbank in een hoopje bij elkaar. Een koude wind kwam me te
+gemoet. Ik rilde. Het raam viel dicht,—ik zou den jongens de ooren eens
+wasschen.
+
+Toen ik me omkeerde, stond Moe in de deur, hoog opgericht. Het gezicht
+ernstig, strak, bleek, de oogen wijd open,—zonder te spreken.
+
+Daar kwam de kleur terug, opeens. Donkerrood werd ze van drift; haar
+lippen beefden.
+
+„Kind, ben je dwaas? Ben je dwaas? Naar bed, gauw! Ben je doof,—naar
+bed, zeg ik!”
+
+Ik lag er al in, het gezicht naar den muur, zoo ver mogelijk in den
+hoek—de knieën opgetrokken, den rug wat gekromd, in elkaar gedoken—of
+ik bang was, geslagen te worden. Nooit, nooit van mijn leven had ik Moe
+zóó gezien, zoo driftig, zoo ontsteld.
+
+Ik voelde mij toestoppen in mijn hals, in mijn lenden, ruw, met een
+harde hand, die ik niet kende. Nog meer dek kreeg ik,—plof! zwaar boven
+op me.
+
+Toch rilde ik onder den drukkenden last van dekens, nog eens en nog
+eens, of ik de koorts had, dat het bed er van schudde.
+
+Daar hoorde ik Moe snikken, nokkend, woest, hartstochtelijk.—Ik schrok
+er van en keerde mij om.
+
+„Moe, Moeke!”
+
+„Stil, blijf liggen, blijf onder dek. Neen, geef me geen zoen. Tine,
+Tine, hoe kón je het doen?”
+
+Moe ging heen en deed de deur halfdicht. ’t Werd donker in de alkoof,
+somber en stil.
+
+„Moe, Moe!” riep ik, tot mijn keel zeer deed. Maar Moe hoorde het niet.
+Ik had er zoo’n spijt van, en ik was zoo koud. Ik klappertandde en
+rilde, telkens, telkens weer.
+
+„Moe, Moe!” huilde ik, zacht, als een klein, dwingend kind, terwijl
+mijn oogleden brandden en pijn deden van de tranen. Toen opeens was ik
+stil en luisterde, maar ik hoorde niets.
+
+Eindelijk kwam Moe. Ze had een glaasje warmen, rooden wijn met citroen
+voor me meegebracht; dat moest ik opdrinken.
+
+„Is u nog boos, Moeke?” En ik keek naar Moe op en zocht in haar oogen
+het antwoord.
+
+Zij zag me aan met een langen, onderzoekenden, angstigen blik. Haar
+oogen schenen grooter te worden, haar neusvleugels trilden.
+
+„Tine, kind!” klonk het eindelijk, zoo bang en geprangd, dat ik er van
+ontstelde.
+
+De mazelen waren naar binnen geslagen.
+
+
+
+De dokter deed wat hij kon om me beter te maken.
+
+Warme thee, omslagen aan de voeten, groote hitte, flanellen kleeren en
+wollen dekens, herhaalde aanleggingen van zuurdeeg op verschillende
+plaatsen, brachten de teruggetreden mazelen in betrekkelijk korten tijd
+te voorschijn. Een paar maanden behield ik nog een drogen, pijnlijken
+kramphoest en wat heeschheid in de keel.
+
+Toen de dokter me voor hersteld verklaarde, werd het geheele huis
+ontsmet. Op een goeden morgen mocht kleine Emmie de lang verboden
+terreinen weer betreden. Vlug wipte ze de alkoof binnen en bekeek alles
+terdege van alle kanten.
+
+De mazelen waren weg, zei ze, met een teleurgesteld gezichtje;
+maar—terwijl ze de carbolgeuren opsnoof, met een glimpje van plezier en
+voldoening in haar oogen—ze kon ze toch nog wel ruiken!
+
+
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+OVER KIBBELARIJEN EN PRETJES.
+
+
+Veel ruzie hebben we gelukkig nooit met elkaar gehad. En daar ben ik
+maar blij om ook, want als we eens ernstig boos op elkaar waren,
+voelden we ons zelf ook ver van gelukkig. En later scheen ons de reden,
+waarom we zoo verschrikkelijk kwaad geworden waren, meestal erg
+onbeduidend.
+
+Al was de vrede ook gauw weer geteekend, kibbelen deden we dikwijls.
+
+Twee grieven had ik tegen Toon, die me erg hinderden, die ik eerst veel
+later te boven ben gekomen, en waaraan hij—na alles—héélemaal geen
+schuld had: ten eerste, dat hij ongeveer een jaar vóór mij op de wereld
+had durven komen, en ten tweede, dat hij een jongen was.
+
+Ik had zelf graag een jongen willen zijn en liefst de oudste.
+
+Waarom had Toon die twee voorrechten boven mij? Ik vond het heel
+onbillijk.
+
+Ik herinner me nog, dat dit me al tegen hem verbitterde, toen ik vier
+jaar was; hij was toen toevallig ook nog vier. Ik was jarig, en mijn
+grootste blijdschap bestond hierin, dat ik nu even oud was als Toon,
+dat ik hem ingehaald had.
+
+„Nu ben ik ook de oudste!” riep ik triomfantelijk.
+
+Maar Toon was niet van plan een koning naast zich te dulden.
+
+„Niet waar!” riep hij.
+
+En ik: „Wél waar, vraag het maar aan Moe.”
+
+„Het is toch niet waar,” riep Toon terug, „nog tien dagen, en dan ben
+ik vijf. Ik blijf altijd ouder dan jij, altijd, altijd! Maar jij bent
+ook al oud, hoor Tine!”
+
+Dat laatste zei hij met oog op mijn onderlip, die geheel omgekruld was
+van verdriet; hij wou me op mijn verjaardag niet aan het huilen maken.
+
+Maar zelfs de erkenning dat ik „ook al oud” was, kon me niet meer
+troosten, en ik barstte uit in een droevig snikken, zoo hevig, dat de
+zes flikjes, die Pa me in iedere hand stopte, nog niet voldoende waren
+om mijn tranen te drogen.
+
+Pa had medelijden met mijn ongeluk, waarvoor geen genezing bestond, en
+legde nog een taartje voor me neer, een taartje met room en amandelen,
+dat me heerlijk smaakte, maar toch mijn verdriet niet geheel verdreef.
+
+Het verschil in leeftijd tusschen Toon en mij ben ik nooit te boven
+gekomen. Altijd moest ik het verdragen, dat Toon op school een klas
+hooger zat dan ik, dat hij aan tafel zich het eerst bedienen mocht; hij
+was het, die een jaar vóór mij naar dansles ging, die het eerst van ons
+allen eens mee mocht naar den schouwburg. Hij wist alles beter dan ik.
+Toen ik aan het Fransch begon, verbaasde hij de tantes al door er
+versjes in op te zeggen. Als ik aan de decimalen begin, is hij al aan
+de repeteerende breuken. Hij kreeg een jaar eer een horloge dan ik.
+
+Ik verbeeld me, dat ik altijd mijn best gedaan heb, niet jaloersch op
+hem te zijn, maar ik geloof niet, dat ik er altijd in geslaagd ben.
+
+Was ik tenminste nog maar een jongen geweest! Dan—zoo dacht ik toen—had
+ik mijn eerste grief gemakkelijk overwonnen. Dan was ik ook vrij
+geweest om te springen en te draven, als ik er lust in had. Dan had ik
+mee kunnen doen, als hij met zijn makkers voetbal ging spelen op het
+veld achter het Rijksmuseum; zelfs Jaapje, die zooveel jonger was,
+mocht wel mee, al was het ook maar om te kijken. Dan had ik ook mee
+mogen doen aan de wedloopen, die ze onder elkaar hielden, dan had ik
+misschien tegen hem op gekund, als we samen worstelden—want dat deden
+we wel eens, alleen om ons te oefenen.—Ik geloof dat veel van onze
+kibbelarijen alleen ontstonden doordat ik jaloersch op hem was.
+
+Bijvoorbeeld. Ik kom thuis uit school. Ik heb voor het eerst les in
+natuurkunde gehad, en ik verbeeld me, dat het iets bijzonders is, een
+wetenschap, die alleen aan onze onderwijzeres bekend is. Ik ben dus
+trotsch en vertel het thuis; ik weet wat ondoordringbaarheid beteekent,
+en dat Toon niet op dezelfde plaats kan staan, die ik inneem. Het
+schijnt me, dat ik die algemeene eigenschap der lichamen nooit recht
+gekend heb. Nu weet ik eerst terdege, hoe het komt, dat ik het gewaar
+word, als ik in het donker tegen de kachel aanloop. De kachel neemt een
+zekere ruimte in, waarover ik niet te gelijker tijd beschikken kan. Het
+is me of mijn oogen voor veel zaken zijn geopend, die me vroeger
+ontgingen. Ik voel me wijzer geworden.
+
+Het moet aan me te zien zijn, als ik thuis kom, want Moe zegt dadelijk:
+„Is er wat bijzonders?”
+
+En ik: „Ja, Moe, we hebben natuurkunde gehad,” en ik kijk Toon aan, om
+te zien of hij zich nu eindelijk getroffen voelt, of hij nu eindelijk
+eens respect voor me zal krijgen. Maar Toons gelaat blijft volkomen
+rustig. Dat kan ik niet goed velen.
+
+„Heb jij ook wel eens natuurkunde gehad?” vraag ik.
+
+Hij knikte. „Beginnen jullie daar nú pas mee?” vraagt hij, „bij ons op
+school leerden we het al een klas eerder.”
+
+Natuurlijk, ’t zou wel wonder zijn, als op zijn school niet alles veel
+beter was dan op de mijne!
+
+Nog één kans blijft me over om hem te overbluffen; als hij al twee jaar
+geleden aan dat vak begon, zal hij nu de eerste lessen weer vergeten
+zijn.
+
+„Weet jij wat ondoordringbaarheid is?” vraag ik.
+
+„Natuurlijk,” klinkt het droog.
+
+„Niets natuurlijk!” ik lach een beetje schamper. „Geef dan eens
+antwoord, als het zoo natuurlijk is!”
+
+„Dank je!” zegt Toon terug op hooghartigen toon.
+
+Maar ik doorzie hem. „Omdat je het niet weet, daarom doe je of je het
+niet zeggen wil!” roep ik sarrend.
+
+„Neen, jij alleen hebt alle wijsheid in pacht!” Toon keert me den rug
+toe.
+
+„Zeg het dan, als je het weet!” Ik wil het laatste woord hebben.
+
+Toon mompelt iets, dat veel heeft van: „Loop naar de maan,” wat me nog
+boozer maakt.
+
+Dan spreken we niet meer tegen elkaar. Het duurt een halven avond, voor
+ik inzie, dat Toon het mogelijk toch geweten heeft, en dat hij
+geprikkeld is geworden door mijn twijfel, en eindelijk woedend om mijn
+plagen. De andere helft van den avond verloopt voor ik er toe komen
+kan, iets te zeggen waaruit blijkt, dat het wezen kán, dat ik óók
+schuld heb. Eerst als we op het punt zijn naar bed te gaan, roep ik,
+terwijl ik in mijn eigen alkoof ben, door het schot heen: „Ik geloof
+wel, dat jij het ook wist, van de ondoordringbaarheid, hoor!”
+
+„Goed zoo!” zegt Toon alleen, en de vrede is geteekend.
+
+Ik ben blij, dat Emmie zoo’n goed en zacht hartje had, zoodat het
+bepaald moeilijk was met haar te kibbelen. Het zou me zoo gespeten
+hebben, vooral omdat ze gestorven is, als ik ooit lang boos op haar
+geweest was, of haar slecht behandeld had. Ik heb toch spijt van de
+enkele keeren, dat ik driftig tegen haar geworden ben, te meer omdat
+het heelemaal mijn eigen schuld is geweest.
+
+Van één keer weet ik het nog goed. Ik stond op het punt uit te gaan
+naar een partijtje, dat de dansmeester gaf.
+
+Ik was dertien jaar, oud genoeg om mooi te willen zijn als ik uitging;
+of er aan mijn daagsche jurk een knoop mankeerde, of dat mijn haar op
+school vaak slordig zat, of mijn vingers met inkt, kon me minder
+schelen.
+
+Ik kreeg een stijf gestreken rose katoenen jurk aan, die ik prachtig
+vond. Ze hing over den stoel naast de waschtafel, en ik moest er
+telkens naar kijken, terwijl ik bezig was mij te wasschen. De kaarsen
+langs den spiegel brandden, Moe maakte mijn haar op. Met een
+friseertang, die boven een spirituslichtje was heet gemaakt, deed Moe
+het hier en daar nog wat meer krullen.
+
+Ik zat, vol ongeduld, op mijn stoel te wachten, dol verlangend om te
+weten, hoe het werd. Ik was niet groot genoeg om zittend in den spiegel
+te kunnen zien.
+
+Emmie stond tegenover me, met een gezichtje vol bewondering, Moe’s werk
+gade te slaan. Op bed lagen mijn witte zijden handschoenen klaar. Ze
+liep er naar toe om ze te bekijken. Ik kon haar niet volgen met de
+oogen, omdat ik recht moest blijven zitten, wou ik niet gebrand worden,
+maar ik was erg bang, dat ze er vuile vingertjes aan zou maken, en ik
+riep: „Afblijven, hoor Emmie.”
+
+Emmie ging weer op haar oud plaatsje staan, op de teenen, om het doosje
+te zien waarin mijn bleek bloedkoralen halssnoer en armbandje lagen.
+
+Voorzichtig nam ze het doosje op. „Toe, blijf er nu af, Emmie!” riep ik
+ongeduldig.
+
+Ik was zoo prikkelbaar, dat ik zelfs niet velen kon, dat ze aan den
+zakdoek rook, die voor me klaargelegd was, en waarop ik overvloedig
+eau-de-cologne, en een klein tikje boschviooltjes gedaan had.
+
+Toen ik haar weer verboden had, liep ze achteruit terug, net tegen den
+stoel aan waarover mijn mooie rose jurk hing. De stoel viel om en de
+jurk op den grond. Ik was opgesprongen; ik kon me niet langer inhouden,
+mijn prachtige jurk zou heelemaal bedorven zijn, ik wist, dat ik met
+wasschen erg gespat had, mijn jurk zou heelemaal nat en vuil zijn.
+
+„Vervelend kind!” riep ik, buiten mijzelve van drift, „kun je dan
+nergens afblijven!”
+
+Ik geloof, dat ik haar had kunnen slaan; ik ben maar blij, dat ik het
+niet gedaan heb. Toen ik de jurk had opgeraapt, bleek het, dat ze
+geheel ongeschonden was. Ik had dadelijk spijt van mijn drift, en gaf
+Emmie eau-de-cologne en boschviooltjes. Emmie bleef niet lang huilen,
+maar ze was toch een beetje bang voor me, en toen ik gekleed en gereed
+stond, het haar gekapt, de witte handschoenen aan, frisch en fleurig in
+de rose jurk, was ze zoo schuw van al mijn moois, dat ze me haast niet
+goedendag dorst kussen.
+
+Een anderen keer heb ik haar echt door elkaar geschud, omdat ze het
+dekseltje van mijn nieuwste naaidoosje zoo hard dicht had laten vallen,
+dat het spiegelglas, dat er binnen inzat, er door brak.
+
+Arme kleine Emmie, ik heb nu spijt van het minste leed, dat ik je
+gedaan heb. Ik begrijp niet, dat ik tegen zoo’n lieve kleine prul, als
+jij was, ooit onaardig of hard heb kunnen zijn.
+
+Ik ben blij, dat we ondanks onze kleine kibbelarijen toch altijd van
+elkaar gehouden hebben.
+
+We klikten nooit en trokken tegenover vreemden altijd partij voor
+elkaar. Ik weet nog hoe dankbaar ik Toon was voor het pak slaag, dat
+hij een straatjongen toediende, omdat die mij gegooid had met een
+sneeuwbal, waarin een steentje zat. Hij „kreeg” zelf ook, zóó, dat zijn
+oor bloedde, en ik voelde mijn eigen pijn niet meer, zoo ging me de
+zijne aan het hart. Want het mooiste van het heele geval was, dat Toon
+nogal boos op me was één oogenblik vóór de bal aankwam.
+
+Behalve bij kleine verdrietjes of bij werkelijke smart (want bij
+Emmie’s ziekbed bleek het eerst recht hoeveel we van elkaar hielden),
+voelden we ook den band, die ons allen vereenigde, bij pretjes of
+feestelijkheden.
+
+Moe moest maar eens jarig zijn of Pa! Dan waren we allen één van ziel
+en zin om dien dag tot een heel plezierigen te maken! We legden het
+geld bijeen, dat we opgespaard hadden, en beraadslaagden in alle
+stilte, hoe we het het best gebruiken zouden. Toon en ik gingen er
+samen op uit om de cadeaux te koopen, Jaapje en Emmie moesten de
+versjes opzeggen, die wij hun van te voren in het geheim geleerd
+hadden. Toen op een keer Toon alleen eens geld had en ik toch ook zoo
+graag wat geven wou, vond hij het heel goed, dat ik voor zijn geld een
+theekleedje kocht, hoewel hijzelf Moe liever met een bloempot verrast
+had. Maar ik was blij, dat ik het merken kon, en zoo tenminste ook mijn
+goeden wil kon toonen.
+
+Verjaardagen waren altijd heerlijke feestdagen voor ons allemaal, maar
+ze beteekenden toch nog niets in vergelijking met dien éénen avond, die
+boven alle de kroon spande—den Sint-Nicolaasavond.
+
+Dan kwam er geen visite, dan waren we heelemaal onder elkaar. Allemaal
+stralende, vroolijke gezichten zaten er dan om de tafel. De schel
+klingelde bijna voortdurend, zoo vroolijk en vol goede beloften, dat
+ons hart er sneller van kloppen ging.
+
+Beurtelings hadden we in de keuken of op den zolder geheimzinnige
+apartjes met Katrien. Ik weet nu bijna niet, wát prettiger was, als we
+zelf een pakje kregen, of als het pakje werd binnengebracht en geopend,
+dat we voor anderen hadden klaargemaakt.
+
+Het onnoozele en van-niets-wetende gezicht, dat we dan trachtten te
+zetten, en dat ons juist dadelijk als den Sinterklaas verried!
+
+En dan de aandoeningen als Sinterklaas binnenkwam, de echte! Of liever
+niet de echte, want Toon en ik wisten wel, dat het niemand anders was
+dan Pa, maar Jaapje twijfelde, en was wel degelijk angstig, geloof ik,
+als hij aan sommige appels dacht, die hij zonder te vragen, uit de mand
+in de keuken had weggenomen.—Emmie zou ons zelfs niet geloofd hebben,
+als we het haar verteld hadden, dat Pa voor Sinterklaas speelde. We
+vonden het veel te aardig, de schuchtere manier te zien, waarop ze
+Sinterklaas haar klein wit handje gaf, tóch vertrouwelijk ondanks haar
+schuwheid.
+
+Op zulke avonden zullen de arme buren wat van ons te lijden hebben
+gehad, want het komt me nu voor, dat we dan niet anders deden dan
+zingen en springen en ravotten en over den grond buitelen van
+plezier.—’t Is me, nu ik er aan denk, of ik nog Toons flinke stem hoor,
+waarmee hij boven ons allen uitzong.—Ik zie Jaapje nog, den kleinen
+dikkerd, zooals hij, met een gezicht, rood van inspanning, „koppeltje”
+trachtte te duikelen over den vloer, om Sinterklaas een goed idee van
+zijn spierkracht en behendigheid te geven; ik zie onze kleine Emmie
+nog, terwijl ze met een snoetje, blozend van angst, de lipjes drukte op
+het baardige gezicht van den goeden ouden Sint.
+
+Ja, we hebben echt prettige, blijde dagen gehad in onze jeugd, en we
+vormden een recht gezellig troepje!
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+LAURA’S OPSTEL.
+
+
+I.
+
+BIJ HET UITGAAN DER SCHOOL.
+
+
+Betsy Hove, Annetje Leffelaar, Mariëtta Albeni en Nelly Gerling liepen
+gearmd, de tasschen in de hand. Ze vormden een rij, die bijna de
+geheele breedte van het grachtje in beslag nam. Ze hadden pret, zooals
+bijna alle kinderen, die, na een langen dag zitten, uit school komen.
+
+Annetje Leffelaar, die een dwaas, hoog stemmetje had, dat vaak
+oversloeg, vertelde, hoe ze in angst had gezeten onder de
+aardrijkskundeles.
+
+„Ik werd immers aan het bord geroepen, ik wist totaal niet waarom. Ik
+moest iets aanwijzen, de Lek of de Linge of een dorp of een stad, ik
+had het heelemaal niet gehoord. En ik dorst het niet te zeggen ook, dat
+ik de vraag niet verstaan had.—Wat had ik een gevoel, toen ik voor ’t
+bord kwam! Ik nam den stok, en ik wees maar op goed geluk. Ik keek
+voortdurend naar Lautje op, die me met de oogen beduidde, waar ik wezen
+moest.”
+
+Annetje schaterde het opeens uit. „Het was net een spelletje,” zei ze.
+„Als ik er dicht bij was, knikte Lautje, en als ik den verkeerden kant
+opging, trok ze de wenkbrauwen hoog op. Vroeger speelden we wel eens
+zoo iets, dan moest de een wat zoeken, en de ander „heet!” of „koud!”
+roepen, naarmate wie zocht er dicht bij, of ver er van af was. Als
+Lautje de wenkbrauwen fronste”—Annetje stikte bijna in haar woorden van
+het lachen—„dan was het me of ze riep: „IJskoud, je bevriest,” en als
+ze zóó knikte, dan leek het of ze zei: „Heet, heet, je brandt
+je!”—Eindelijk, toen mijn stok bij een dikke, witte punt kwam, knikte
+Laura zoo geweldig, dat ik begreep: „Nu ben je terecht,” en de juffrouw
+zei: „Heel goed Annetje, daar ligt Vianen, ga maar naar je plaats.”—Ik
+begrijp nog niet, dat ik geen straf kreeg, en dat de juffrouw niets van
+mijn scharrelen gemerkt heeft!”
+
+„Dat is nogal duidelijk,” zei Betsy Hove, een beetje droog, „de
+juffrouw zat aldoor naar Lautje Dorper te kijken, en die heeft toen ook
+straf gekregen.”
+
+„Waar blijft Laura toch?” vroeg Nelly opeens, terwijl ze staan bleef en
+omkeek, „we hebben heel niet op haar gewacht.”
+
+Mariëtta Albeni trok even haar fijne neusje op. „Laat dat kind toch
+loopen,” zei ze, „we zijn toch al met ons vieren, de rij is groot
+genoeg.”
+
+„Ze zal het zoo naar vinden,” pleitte Nelly goedig.
+
+Annetje Leffelaar keek naar Mariëtta. Ze zag de mooie donkere oogen
+ongeduldig flikkeren. En Annetje, prat op Mariëtta’s gunst, zei: „We
+moeten nú toch maar niet langer wachten; waarom zorgt Laura dan niet,
+dat ze op tijd klaar is? Ze moet zeker weer zoeken naar een of ander
+boek.”
+
+Betsy Hove, die geen vriendin van Laura was, omdat ze—zelf een heel net
+meisje—Laura een echt slonsje vond, koos toch haar partij.
+
+„Jij moest Laura Dorper niet afvallen, Annetje,” zei ze. „Nog geen
+kwartier geleden heeft ze, door jou te helpen, straf opgeloopen!”
+
+Annetje kleurde, ze ontweek den blik van Betsy’s koele grijze oogen. Ze
+voelde zich heel verlegen, omdat haar zoo zonder erbarmen de waarheid
+gezegd werd.
+
+„Ik heb haar toch niet gevraagd me voor te zeggen,” zei ze, maar zacht
+en onwillig, want zelf zag ze wel in hoe flauw en kinderachtig die
+verdediging was.
+
+„Daar komt Lautje!” riep Nelly opeens.
+
+Ze stonden nu allen stil en zagen naar de donkere figuur, die in de
+verte kwam aandraven, met open mantel, waarvan de slippen wijd
+uitwoeien, als uitgespreide vleugels.
+
+Mariëtta Albeni trok bijna onmerkbaar haar neusvleugels op.
+
+„Kijk ze er weer eens uitzien,” zei ze, „wie loopt er nu zóó weg met
+lossen mantel en zonder handschoenen, en haar tasch bengelt aan een
+hengsel, en—neen, maar dat is te sterk—de strook van haar jurk is
+afgetrapt!—Ik ga door, hoor, ik loop niet met haar!”
+
+Mariëtta keerde zich om met een snelle beweging, Annetje Leffelaar
+volgde haar dadelijk.
+
+Betsy Hove bleef nog even wachten, omdat Lautje zoo vlak bij was. „Je
+strook is afgetrapt,” zei ze, „die mag je wel opspelden, wij gaan
+vooruit, we hebben al zoo lang gewacht.” Met een paar vlugge passen
+voegde ze zich bij Mariëtta en Annetje, het aan Nelly Gerling
+overlatend, Laura te helpen.
+
+„Waarom loopen de anderen door?” vroeg Laura, zoodra ze in zoover van
+het harde loopen bekomen was, dat ze geluid kon geven.
+
+Nelly bukte zich, om met een paar spelden de strook aan den rok te
+hechten.
+
+„Ik weet het niet,” zei ze, te goedig om de waarheid te zeggen.
+
+„’t Is vreeselijk flauw”—op Laura’s gezichtje kwam een ontevreden
+uitdrukking—„’t is erg kinderachtig om niet even op me te wachten!”
+
+„Wat moest je dan nog doen?” vroeg Nelly, die als een moedertje Laura’s
+zwarte krullige vlecht, die geheel onder den mantel verborgen was, over
+het kraagje heen optrok, met groote voorzichtigheid, om Laura niet te
+bezeeren. Zelfs het bovenste haakje van den mantel maakte ze dicht.
+
+„Och, allerlei,” zei Lautje, de schouders optrekkend, „mijn boeltje
+pakken. Eerst was de sponsedoos weg, toen kon ik mijn potlood niet
+vinden, je weet wel, dat nieuwe in het nikkelen houdertje,—’t is
+trouwens nóg zoek. Ik hoop maar, dat Moe er niet naar vraagt, want dan
+ben ik verloren.”
+
+„Heb je aan je rekenboekje gedacht?” vroeg Nelly.
+
+Laura lachte. „Mijn sommen heb ik al af,” zei ze, „die liggen thuis
+klaar. Ik moet alleen nog het opstel.”
+
+Nelly zuchtte: „Ik ook,” zei ze, „maar dat vind ik afschuwelijk. Wat
+moet je nu schrijven?”
+
+„Och, het is wel een prettig onderwerp,” zei Laura als
+verontschuldigend.
+
+Nelly Gerling zag er niet uit of zij het onderwerp ook prettig vond.
+„Ik ben er al aan begonnen,” zei ze, „ik heb een paar zinnen op klad,
+maar meer weet ik ook niet. Ik heb er bijna een heelen avond over
+gedaan. Ik zal je het kladje eens laten zien!”
+
+’t Was ver in den herfst en het begon op straat al donker te worden,
+maar Laura kon het klad nog heel goed lezen, het zag er ook volstrekt
+niet als kladwerk uit, maar scheen eer geteekend, zooveel zorg was er
+aan besteed.
+
+Lautje had moeite niet even te lachen, toen ze het volgende onder de
+oogen kreeg:
+
+
+ „De Lente.
+
+ „De lente is het eerste jaargetijde van het jaar.
+
+ „Er zijn vier jaargetijden, namelijk: de lente, de zomer, de herfst
+ en de winter.
+
+ „De lente begint den een-en-twintigsten Maart en duurt tot en met
+ den twintigsten Mei. De lente is een mooi jaargetijde, maar de
+ lente kan ook wel guur zijn.
+
+ „In de lente begint alles te groeien en te bloeien.
+
+ „In de lente komen de zwaluwen en de andere trekvogels weer in ons
+ land....”
+
+
+Laura moest tóch lachen; ze kon het niet helpen. Nelly kreeg een kleur,
+ze had er spijt van, dat ze Laura het kladje had laten lezen.
+
+„Is het fout?” vroeg ze nederig, wel wetend, dat ze zelf dom was, en
+dat Laura bij de knappen behoorde.
+
+Laura werd getroffen door Nelly’s grooten eenvoud. „Welneen, fout is
+het niet, het is heelemaal goed; maar je moet niet zoo dikwijls achter
+elkaar zeggen: „De lente” en „In de lente,” dat klinkt niet aardig,
+hè?”
+
+„Wat moet ik dan schrijven?” klonk het naïef, „het is toch een opstel
+over de lente. Kun je me niet een beetje helpen?”
+
+Het is makkelijker iets af te keuren, dan te verbeteren, dat ondervond
+Lautje ook. Maar ze deed toch haar best en gaf Nelly een paar wenken.
+„Je kunt beginnen met te vertellen, hoe het in den winter is,” zei ze,
+een beetje in de war, door het ongewone schooljuffrouw-spelen, „en dan
+kun je zeggen, hoe alles in de lente verandert.”
+
+Ze gaf er nog een paar treffende voorbeelden bij, die Nelly verstomd
+deden staan. „Wat zul jij een mooi opstel maken,” zei ze met een
+bewondering in haar groote oogen, die Laura streelde, al wou ze het
+niet laten merken.
+
+„Kom!” zei ze, staan blijvend, omdat ze Nelly’s huis bereikt hadden,
+„dat denk je maar.”
+
+Ze groette Nelly en stapte met flinke passen voort, in blijde stemming.
+Het lachte haar toe, dat opstel. Het was juist een werkje, waarmee ze
+ophad. Haar hoofdje was vol vage plannen, vol heerlijke zinnetjes en
+brokken van zinnen, die ze mooi vond en trachtte te onthouden. Enkele
+beelden, die ze, ze wist zelf niet meer in welk boek, gelezen had,
+speelden haar voor den geest. Die zou ze gebruiken. Den westenwind zou
+ze noemen „den heraut van het voorjaar”. Ze moest in zichzelf lachen,
+toen ze bedacht, hoe Nelly zou ophooren, als ze dat las. Nelly zou
+waarschijnlijk niet eens weten wat een heraut was!
+
+Laura verdiepte zich hoe langer hoe meer in het opstel. Ze zou de aarde
+in den winter voorstellen als een kind, dat ligt te slapen onder een
+witte sprei (de sneeuw), overhuifd door een donker wiegekleed (de
+wolken). Maar in de lente, dan kwam moeder (de zon), die schoof het
+wolkenkleed weg, die lichtte de sprei op en lachte tegen het kind,
+eerst eventjes, dan met een blijden, gullen lach, die het kind deed
+wakker worden. Dan zou de zon de aarde koesteren, de boomen zouden
+knoppen krijgen, de bloemetjes ontluiken, en kleine vogels zouden
+blijde liedjes zingen, terwijl ze zich behaaglijk wiegden op ranke
+rijzen van zilveren berken, waaraan het jonge groen begon te
+schemeren....
+
+Zóó wond Laura zich op bij de gedachte aan de mooie dingen, die ze zou
+schrijven, dat ze in het geheel niet lette op de vuile straten. Ze
+stapte door dik en dun, langs rijtuigen, die de modder hoog op deden
+spatten.
+
+Ze merkte het ook niet, dat de spelden weer hadden losgelaten, en dat
+de strook van haar barège rokje haar achternasleepte.
+
+Ze kwam thuis, vervuld van heerlijke gedachten. Als het opstel goed
+uitviel, zou de onderwijzeres weer een beter idee van haar krijgen. En
+dat zou haar zelf moed geven, om ook in andere dingen haar best te gaan
+doen.
+
+Lachend en vergenoegd liep ze de trappen op, Leentje had opengedaan.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+EEN ONGELUK.
+
+
+Ze was nog niet halverwegen, toen een ontevreden stem van boven riep:
+„Kijk, nou heb je weer je voeten niet geveegd, jongejuffrouw. En de
+straten zijn nogal zoo vuil en de trappen heb ik pas gedaan.”
+
+„Och, Leentje, ik heb er heel niet aan gedacht!” Laura sloeg niet heel
+veel acht op het mopperen van de oude meid.
+
+„’t Zou wel wonder wezen, als die weer niet wat had aan te merken,”
+dacht ze; maar het speet haar toch, toen ze, even omziend, morsige
+afdrukken van haar schoenen op het heldere zeil van den looper zag. Het
+was nog een geluk, dat ze omkijkend, ook de losse strook ontdekte, die
+ze nu gauw nog even aanspeldde, voor ze haar moeder onder de oogen
+kwam.
+
+Ze hoefde niet te vragen, of het kamerdag geweest was, de geur van was
+kwam haar tegemoet en alles blonk haar tegen. Met een gevoel van
+eerbied bijna bleef ze even staan aan den ingang van de kamer. Ze kon
+zich best begrijpen, dat Leentje met een gezicht als een inktlap (van
+het potlooden) en een stofdoekenmandje en een waspotje de kamer uit
+kwam stuiven, om haar vooral op het hart te drukken, eerst de laarzen
+uit te doen.
+
+Alles was ook zóó keurig, zoo echt „gedaan”.
+
+Het zeil blonk als een spiegel en zag er zoo glad en glanzig uit als
+een gewreven parketvloer, en het nieuwe karpet met zijn roode en groene
+strepen leek wel een land met tulpenbedden en frischgroene graszoden.
+De lamp was al op; zij spiegelde zich welgevallig in het groene meer
+van het tafelzeiltje en deed de kleine vlammetjes in den mahoniehouten
+rand grappig opflikkeren.
+
+De kachel, die pas was aangemaakt, glom ook van plezier; nu en dan
+vielen er kleine lichtende vonkjes in den leegen bak, met een
+knettering van leven. Even bleven ze nog branden, als kleine
+vreugdevuurtjes, dan doofden ze uit, maar er kwamen altoos weer nieuwe.
+
+Laura deed haar natte laarzen uit en verwisselde ze voor lekker warme
+vilten pantoffeltjes, die haast bij iederen stap uitgleden op het zeil.
+
+Wat hingen die overgordijnen netjes, en wat glommen de stoelen, en wat
+rook alles lekker en frisch naar terpentijn!
+
+Lautje kreeg ook een net gevoel over zich, ze streek de haren glad
+achter de ooren, nam de natte tasch, die scheef op een stoel lag, en
+hing ze op in de kleerkast. Toevallig zag ze zichzelf in den spiegel,
+een slordig schoolkind, den bovensten knoop van haar mantel, de haren
+woest en verwaaid, en vochtig van den regen, en hier en daar, waar het
+weggestreken was, op het hoofd geplakt. Het lintje hing heel onderaan
+aan het puntje van de vlecht; het was een wonder, dat ze het niet al
+lang verloren had. Groote pieken haar sproten als wilde grassen aan
+alle kanten uit den strengel.
+
+Er was niets aan te doen; ze ging naar de alkoof, om het over te maken.
+Ze waschte zich frisch en pijnigde zichzelf, door het haar zoo strak en
+stijf te vlechten als een touwtje.
+
+Ze keerde haar boezelaar om, met den nog schoonen kant naar buiten, en
+begon tot haar moeders groote verwondering uit eigen beweging de tafel
+te dekken. Jan en Henk waren ook thuis gekomen. In een oogenblik hadden
+ze hun laarzen uit—ze konden het makkelijk doen, want ze hadden van die
+heerlijke, met stiftjes—en waren naar binnen gegaan. Wat maakten ze een
+spektakel! Het leek wel, of ze den boel af braken. Hoe was het
+mogelijk, terwijl alles zoo netjes was!
+
+Met het gevoel van een kleinen Farizeër, nam Laura den stapel borden en
+ging naar binnen. Welja, daar speelden ze „prikje” en sulden met het
+deurkleedje over het zeil.
+
+„Je moest je wel schamen,” zei ze, „zoo’n rommel te maken, als de boel
+pas gedaan is. Houdt er dadelijk mee op!” Met een smak zette ze den
+messenbak op tafel, dat het rinkinkelde, wat haar veel plezier deed,
+want ze vond, dat het een ongemeene kracht aan haar woorden bijzette.
+
+„Asjeblieft!” riep Jan en prikte voort met verdubbelde woede, zich
+telkens met een ruk afzettend op de palm van de hand. Henk keek naar
+Jan en sulde op een matje achter hem aan.
+
+Laura werd warm, maar wou toch kalm blijven. Ze had dikwijls ruzie met
+de jongens. Ze was de oudste en moederde graag; Jan en Hendrik vond ze
+kinderen, waarover zij den baas wou spelen. Ze spande zichzelf in en
+dacht na. De borden stonden, de vorken en lepels lagen op de tafel,
+drie om op te scheppen in het midden, een mes voor Pa, voor Moe, voor
+Leentje en voor haar—de jongens waren nog te klein—en de juslepel naast
+Moe’s bord.
+
+Nu nog het olie- en azijnstelletje; ze zou het gaan halen. Ze hield
+zich of ze de jongens niet zag; misschien hielden ze wel op als ze weg
+was; dat gebeurde wel meer.
+
+Toen Laura weer binnenkwam, was het kleed aan drie kanten omgeslagen en
+voeren Jan en Henk lustig op de ruime baan.
+
+Ze voelde het bloed naar het hoofd stijgen. Ze had het ongeluk over het
+omgeslagen kleed te struikelen, zoodat ze vrij hard tegen de tafel
+aanviel en haar arm schaafde. Zout en peper stoven over het tafelkleed.
+Woedend keerde ze zich om.
+
+„Zùl je het laten?”
+
+„Voor jou, zeker voor jou, hè!”
+
+„Ja, net voor mij, net voor mij!” en pats, pats, daar had hij twee
+klappen om zijn ooren.
+
+Ze had nog juist den tijd te zien, hoe Henk als een haas met zijn matje
+naar de deur scharrelde en in aller ijl het kleed begon goed te leggen.
+Ze werd naar beneden getrokken, op den grond, aan haar rokken, aan haar
+boezelaar, dat scheurde.
+
+„Valscherd, valscherd! Je zult me niet slaan; ik wil het niet, ik wil
+het niet!”
+
+Laura lag onder, op den grond, met Jans heet gezicht, rood van drift,
+vlak op haar en zijn vingers om haar bovenarm geklemd.
+
+„En jij zult doen wat ik zeg, hoor je, hoor je!” Vergeefs probeerde ze
+zich op te richten; telkens viel ze weer terug, het hoofd op den grond.
+
+Jan lachte. „Zie maar, dat je opkomt, als je kunt. Maar dat kan je
+niet, dat kan je niet!”
+
+Laura beet zich in de wang van machtelooze woede, en lachte even, dom,
+onzinnig. Daar voelde ze iets hards aan haar voeten,—de kachel. Ze
+zette zich af met kracht. Op zou ze, óp wou ze,—de palmen van de hand
+op den grond, nu één forschen ruk,—ze wás op. Maar Jan lag achterover,
+met het hoofd tegen de kachel, doodsbleek. En het bloed gudste uit zijn
+achterhoofd.
+
+Half verwezen zag Laura de kamer rond, als in een droom. Het tafelkleed
+hing haast op den grond; de borden stonden op het kantje. Zout en peper
+vormden grauwachtige plekken op het witte laken.
+
+De stoelen stonden dooreen; het kleed lag nog omgeslagen. Henk
+schreeuwde uit alle macht.
+
+En voor haar op den grond lag Jan, het blonde haar geplakt van bloed.
+Groote druppels vielen langzaam op de geschuurde plaat, als roode
+bolletjes, die samenvloeiden, traag, heel traag, tot een klein, helrood
+meertje. Opeens kwam ze tot bezinning. Leentje stoof de kamer binnen,
+met het deksel van den ijzeren pot in de hand, waarvan de wasem als een
+dichte damp afsloeg.
+
+„Moe, Moe!” gilde het meisje wanhopig, en werktuiglijk drukte ze haar
+losgerukt boezelaar tegen de wond.
+
+„Uw Moe is boven op zolder,” en Leentje liep weg om Mevrouw te halen.
+
+Mevrouw Dorper kwam, en de buren kwamen, en er was een geloop en
+gedraaf, en een sterke lucht van azijn, en een druk gevraag: „Hoe kwam
+dat? Wie deed het? Hoe is het gekomen? Heb jij het gedaan, jij?”
+
+En Laura schudde van ja, twee-, driemaal. Ja, ja, ja! „Ik, ik, ik!”
+
+„Gegooid?”—En weer knikte ze ja, sterk en welsprekend, en het
+verwonderde haar niet, dat de juffrouw van boven het hoofd schudde.
+
+Ze huilde niet eens; ze zag maar toe, hoe haar moeder Jan te bed
+bracht. De dokter kwam, er moest licht zijn in de alkoof, en de brander
+werd uit den hanger genomen. En de menschen liepen om watten en carbol,
+en de dokter naaide de wond.
+
+Het duurde zoo lang, zoo lang, en ze hoorde Jan gillen, en Henk zat ook
+te huilen in zijn hoekje bij de kachel, en hij keek haar aan met een
+paar groote, verschrikte oogen, of hij bang voor haar was.
+
+Mijnheer Dorper kwam thuis, en de dikke juffrouw van boven lichtte hem
+in, wijdloopig, fluisterend, en ze wees naar Laura. Het meisje stond
+maar naar haar te kijken, naar haar dwaze gebaren, naar haar dikken
+wijsvinger.
+
+Mijnheer luisterde niet; hij gooide zijn jas op een stoel en liep de
+alkoof in. Even ging de deur open, maar Laura zag niets dan een hel
+licht en een gewarrel van menschen; toen werd alles weer donker.
+
+De dikke juffrouw kwam naar haar toe. Laura hoorde het; ze zag de
+groote, logge gedaante vlak voor zich. Ze liep achteruit, dicht, dicht
+tegen het raam aan. De juffrouw boog zich over haar heen: „Als het kind
+doodgaat, is het jou schuld.”
+
+En weg ging ze, naar boven. Ze kon hier niet aldoor blijven; ze moest
+naar haar aardappelen zien.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+HOE HET AFLIEP.
+
+
+Laura was bang geworden, o, zoo bang. Ze begreep niet, dat er geen
+menschen kwamen, om haar naar de gevangenis te brengen, in een heel
+donker hok.
+
+Dat zou wel gebeuren, dacht ze, straks of morgen, en het maakte haar
+gerust. Ze hoopte maar, dat het erg donker zijn zou, en dat ze er heel,
+heel alleen zou zitten. En dat er nooit menschen zouden komen, niet de
+juffrouw van boven en niet de anderen, niemand.—Misschien zou ze er ook
+wel gauw doodgaan. Ze zou nooit iets eten, geen brood, niets. En als ze
+dan heel erg ziek was,—heel erg, als ze zeker wist, dat ze dood moest
+gaan, dan zou ze vragen om haar vader en moeder nog eenmaal te zien.
+Menschen, die opgehangen worden of doodgaan in de gevangenis, mogen
+immers altijd één vraag doen, die vervuld wordt!
+
+En dan zou haar vader komen, en hij zou er bleek en droevig uitzien.
+Hij zou een rouwband hebben om zijn hoed, en haar moeder zou heelemaal
+in het zwart zijn, met een gezicht zoo wit als een lelie en oogen moe
+van het huilen. Henk zou niet mee willen komen en in den deurpost
+blijven staan.
+
+En ze zou stil liggen op het stroo en alleen vragen of het weer over
+was. Pa zou haar zoenen en Moe ook; zij zouden medelijden hebben met
+haar berouw. En Henk zou haar eindelijk ook vergeven, dat ze altijd zoo
+naar was geweest en dat ze zijn broertje vermoord had. En dan zou ze
+doodgaan.— — — —
+
+
+
+Daar werd het weer licht, alles licht en leven.
+
+Haar vader lachte en zette den brander in de hanglamp, en de dokter
+lachte ook, en zijn heele gezicht lachte, en zijn kaal hoofd met den
+krans van grijze krulletjes in den nek glom en lachte ook. Hij hield
+den hoed in de hand, een hoogen zijden, die ook al glom en glansde en
+lachte in het licht met vroolijke plekken.
+
+„Een ferm kereltje,—heeft zich goed gehouden, uitstekend, uitstekend!”
+
+„Nietwaar, ’t is een flinke vent.” Mevrouw liep af en aan van de alkoof
+naar de keuken.
+
+„Kijk Laura eens wit zien,” zei Mijnheer opeens. „Zij zal ook geschrikt
+zijn. Hoe is het, moet de dokter jou ook onderhanden nemen?”
+
+Hoe was het mogelijk, dat Pa nog tegen haar lachte! Zeker wist hij het
+niet. Zou ze het niet zeggen?
+
+Och, het moest immers toch uitkomen!
+
+Allen moed bijeenschrapend, kwam ze naderbij.
+
+„Ik heb hem gegooid, Pa.”
+
+„Ja, ik weet het. Jan heeft het gezegd. Je hebt gevochten. Ik wist
+niet, dat ik zulke vechtersbazen in mijn huis had. Zorg maar, dat het
+gauw weer goed wordt tusschen jullie beiden.”
+
+Jan lag met het gezicht naar den muur; Laura zag alleen den witten doek
+om het achterhoofd.
+
+„Jan,—Jantje!” Ze durfde niet opzien.
+
+Jan keerde zich om. Hij zag nog bleek, alleen een heel flauw, teer
+kleurtje midden op de wang.
+
+„Ben je nog boos op me?”
+
+„Nee, Lautje. Je kon het niet helpen, dat weet ik wel. Maar,—je moet me
+niet meer slaan. Dat—dat is niet prettig—voor een jongen, begrijp
+je.—Niet omdat het zeer deed—want je slaat flink, dat het tintelt—maar
+dat is niets. Al was het nog zoo zacht, dat blijft hetzelfde.”
+
+Ja, Laura begreep het.
+
+„Maar het is mijn schuld,—ik had je niet moeten treiteren, ik heb je
+gesard.”
+
+Lautje haalde ruimer adem: „Ben je nu weer goed, Jan,—als ik je nooit,
+nooit van mijn leven weer slaan zal?”
+
+„Och, ik ben in het geheel niet kwaad; dan had ik je immers maar niet
+moeten treiteren.”—Lautje gaf haar broer een kus, en toen was alles
+weer goed. Jan ging stil liggen. Het duurde niet lang, of hij was
+ingeslapen.
+
+Pa en Moe, ze waren allebei goed op Laura, en Henk ook, ze speelden na
+den eten samen moedertje, maar heel zachtjes, dat Jan niet wakker werd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+MOE EN MOEDELOOS.
+
+
+Laura verwonderde er zich over, dat één dag soms zoo lang kon duren. Ze
+had ten pleziere van Henk een tijdje met hem gespeeld, en was toen aan
+haar opstel begonnen.
+
+„Heb ik het goed gezien, Lautje, is de strook van je jurk los?” vroeg
+haar moeder opeens.
+
+O ja, dat was waar ook, en er was ook een knoop van haar mantel.
+
+„Heb je veel huiswerk?” vroeg mevrouw Dorper.
+
+„Een opstel, Moe.” Van de drie werkwoorden „voorzeggen” sprak ze maar
+niet.
+
+„Doe dan een andere jurk aan, dan zal ik de strook voor dezen keer wel
+naaien,” klonk het goedig.
+
+Dat beviel Laura, ze liep vlug naar den zolder om zich in haar koud
+slaapkamertje te verkleeden.
+
+„Alstublieft, Moe,” zei ze, de jurk over haar moeders stoel hangend; ze
+had ook den mantel meegebracht in de stille hoop, dat de ontbrekende
+knoop er wel meteen zou worden aangezet.
+
+Ze was weer gaan zitten, het potlood in de hand, gereed om aan het
+kladje voort te gaan.
+
+Opeens klonk de stem van haar moeder verontwaardigd: „Maar, kind, wat
+is dat nu! Kijk die jurk eens, een en al modder, kletsnat nog!”
+
+Laura bezag met schaamte de strook van haar mooie barège jurk; grauw
+van slijk was ze, en werkelijk nog nat ook.
+
+Beschaamd opziend, ontmoette ze den blik van haar vader, die ernstig
+het hoofd schudde.
+
+Laura zuchtte, het eene kwam bij het andere, haar vader had wel reden
+tot misnoegdheid, er was ook altijd wat met haar.
+
+„De jurk kan ik zoo niet naaien, ze moet eerst goed droog zijn, morgen
+moet je je oude grijze maar aandoen.”
+
+Laura knikte. Ze vond de „oude grijze”, waarin ze zulke lange armen en
+beenen had, afschuwelijk, maar er was niets aan te veranderen, ze zou
+wel verplicht zijn te doen wat haar moeder zei.
+
+„Wat moet er aan dien mantel gebeuren?” vroeg mevrouw Dorper.
+
+„Er is een knoop af, Moe,” zei Lautje, blij, dat die er tenminste zou
+worden aangezet.
+
+„Waar is die knoop?” klonk het tamelijk droog.
+
+Laura schrikte. Ja, waar was die? Verloren natuurlijk!
+
+Ze gaf geen antwoord, ze kreeg alleen een kleur en herinnerde zich
+ontsteld, hoe ze den knoop ’s middags op school aan de losgeraakte
+draadjes had zien bengelen.
+
+„Ik begrijp je niet,” zei haar moeder, „je weet, dat het zulke mooie,
+dure knoopen zijn, je moet het toch zien, als er een losgaat, kun je
+dien dan niet bij je steken?—Breng er morgen als je uit school komt een
+mee, dan zal ik nu den ondersten bovenaan zetten.”
+
+Met een knikje bukte Laura zich weer over haar opstel. Ze voelde wel,
+dat het zoo toch niet vlotten zou. Haar hoofd was vol van het gebeurde.
+
+Af en toe stond ze op, om eens naar de alkoof te gaan, en te zien, hoe
+Jan het maakte. Hij sliep, en hoewel hij volmaakt rustig ademhaalde,
+vertrouwde Laura het niet recht.
+
+„Ik zal blij zijn als hij wakker wordt,” dacht ze, „dan kan hij zeggen
+of hij nog pijn heeft.—Als hij maar geen wondkoorts krijgt.”
+
+Ze zette zich weer aan tafel, schreef een paar zinnen aan haar opstel,
+maar legde toen het potlood neer. Haar gedachten waren er niet bij. Ze
+zou den volgenden morgen vroeg opstaan, en nu maar de werkwoorden
+maken.
+
+Eigenlijk vond ze het wel naar, waar haar vader en moeder bij waren,
+aan haar strafwerk te beginnen, maar het kon niet anders. Ze dacht aan
+Mariëtta Albeni, die een eigen kamertje had waarin ze ’s avonds altijd
+zat te werken; ze benijdde haar. Wat moest dat heerlijk zijn!
+
+Ze keek eens over de tafel naar vader en moeder. Moeder naaide, van
+haar vader kon ze alleen een lok haar zien, die boven de krant uitkwam.
+Ze stelde zich verdekt op achter de openstaande naaidoos en een pakje
+boeken, zocht toen een blaadje los papier en begon te vervoegen. Maar
+toen ze aan den voltooid verleden toekomenden tijd van de aantoonende
+wijs begon en neerschreef: „Ik zou voorgezegd hebben, hij....” tikte
+haar vader haar losjes op den schouder.
+
+Mijnheer Dorper had geen andere bedoeling, dan Laura om de lucifers te
+vragen, maar haar onthutst gezichtje en haar plotselinge blos gaven hem
+een kwaad vermoeden.
+
+„Wat ben je aan het doen?” vroeg hij, zelf opstaand om het verlangde te
+krijgen, daar Laura hem heel niet verstaan had.
+
+Zwijgend liet Lautje hem haar werk zien.
+
+„Dom kind!” zei mijnheer Dorper, zijn meisje over het kroezige kopje
+strijkend, „hoe dikwijls ben je met strafwerk bezig? Het is zoo
+nutteloos, waarom voorkom je het niet?”
+
+Die woorden, met goedheid en ernst uitgesproken, deden opeens heete
+tranen in Lautje’s oogen opwellen. Haar vader had gelijk, waarom
+voorkwam ze al dat onaangenaams niet? Zoo vaak kreeg ze straf op
+school, en was het niet meestal haar eigen schuld? En thuis, daar waren
+ook dikwijls klachten over haar. Een eigen kamertje om in te leeren had
+ze niet, maar wel een slaapkamertje op zolder. Daar hingen achter een
+groen gordijn haar jurken en boezelaars, daar lagen in een afgedankt
+penantkastje al haar kostbaarheden, haar boeken en schoolschriften.
+
+Wat was me dat soms een boeltje! Ze herinnerde zich hoe ze zich eens
+voor Mariëtta geschaamd had, toen die een oud cahier met aanteekeningen
+van haar kwam leenen.
+
+Zonder aan haar rommeltje te denken, had Laura Mariëtta boven gebracht,
+en onder haar oogen begon ze naar het schrift te zoeken. Wat had ze een
+spijt, zoodra ze de kastdeuren opende! Het scheen, dat ze zelf toen pas
+goed de wanorde zag. Ze haalde er achtereenvolgens een oude pop met een
+warpruik, een leeg dropfleschje, een begonnen handwerkje, een doosje
+met haarlinten (die in bonte slingers uit de doos neerhingen), De
+Kleine Lord in prachtband, een schoteltje van een oud serviesje, een
+paar kladcahiers, een los deksel van een naaidoosje, een pakje boeken,
+en haar naaidoosje zelf uit. Toen ze met dat alles in den schoot op de
+hurken zat, was het haar opeens ingevallen, dat het gezochte cahier een
+paar weken te voren door haarzelf verscheurd was, nadat ze er het
+nachtlampje met patentolie over had laten vallen. Mariëtta was alles
+behalve in haar schik geweest, en heengegaan met het vaste voornemen
+nooit meer bij Laura aan te kloppen om iets te leenen.
+
+Toen Laura dien avond slapen ging, had ze een gevoel van groote
+moeheid. ’t Scheen haar toe, dat er dagen verloopen waren sinds dien
+morgen.
+
+Wat was er ook veel gebeurd!—Het speet haar, dat Jan nog niet wakker
+was geworden. Ze had nog altijd een geheimen angst, dat het ergste nog
+niet geleden was.
+
+Haar moeder had haar beloofd, haar vroeg te roepen. De werkwoorden had
+Laura afgemaakt, maar aan het opstel moest ze nog beginnen.
+
+Waar waren al de mooie zinnen, die ze uit school komend vooruit bedacht
+had? Weg, allemaal weg. Ze wist niets meer van de lente, ze had geen
+enkel ideetje meer. Ze wist alleen dit, dat ze, behalve de gewone
+gebreken van de meeste meisjes, nog deze twee in hooge mate bezat:
+wildheid en slordigheid. En ze twijfelde er aan of ze die wel ooit zou
+kunnen afleggen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+HET OPSTEL.
+
+
+Met een gloeienden blos kwam Laura op school, ten hoogste verbaasd, dat
+er nog zoo weinig meisjes waren; zelfs de onderwijzeres, die anders
+iedereen vóór was, was nog niet aanwezig.
+
+„Hoe kom je zoo vroeg?” was Nelly Gerling’s eerste woord, zoodra ze
+Laura zag. Nelly behoorde tot die meisjes, die vóór het opengaan der
+schooldeur al bedaard heen en weer stappen. Van Laura was ze gewend,
+dat ze altijd op het laatste oogenblik kwam, of zelfs nóg later, als de
+les al begonnen was.
+
+„Ik weet het niet,” zei Laura schouderophalend; het klonk bijna als een
+verontschuldiging, dat ze voor ditmaal van haar gewoonte afweek.
+„Vanmorgen moest ik mijn opstel nog maken, je begrijpt dus wel, hoe
+gejaagd ik was, en in dezelfde stemming ben ik naar school gedraafd.”
+
+„O, dat opstel!” zei Nelly, die zich met schaamte het hare herinnerde.
+
+„Ja, wat heb jullie er van gemaakt?” vroeg Mariëtta, die haar
+schooltasch aan het uitpakken was. „Ik kon niet meer bij elkaar
+verzinnen dan anderhalve bladzij. Hoe lang is dat van jou, Laura?”
+
+Laura, die zich met het oog op haar te korte grijze jurk op den
+achtergrond had gehouden, en stilletjes in haar bank was gaan zitten,
+zei: „Ik heb vier zijtjes, nogal veel, hè?”
+
+Vier zijtjes! Hoe was dat mogelijk! Nelly Gerling deed den mond open,
+alsof ze naar iets hapte, en sloot hem toen weer plotseling, verstomd
+van verbazing.
+
+Mariëtta zei: „Dat is veel!” maar in stilte dacht ze: „’t Kan er naar
+zijn, beter anderhalve bladzij goed dan vier slecht.”
+
+„Hè, laat eens lezen, je werk,” zei Betsy Hove, die ook naderbij kwam,
+„mijn opstel is zoo droog als gort.”
+
+Nu was er al, heel diep in Laura’s hartje, van het begin af aan de
+wensch geweest, dat toch een van allen haar opstel ter lezing zou
+vragen. Ze was er van overtuigd, dat het, trots alle haast, die ze
+gemaakt had, vrij goed geslaagd was. Maar natuurlijk wou ze er niet mee
+te koop loopen. Zelfs nu de gelegenheid zich voordeed, maakte ze er
+niet dadelijk gebruik van.
+
+„Het is zoo slecht geschreven,” verontschuldigde ze zich, „ik heb het
+vanmorgen nog opgekrabbeld, je zult het niet eens kunnen lezen.”
+
+„Laat je nu niet bidden,” zei Mariëtta. Ze was naderbij gekomen en stak
+de hand naar het schrift uit.
+
+Laura liet haar begaan; maar ze voelde zich weinig op haar gemak, toen
+ze de gezichten van Betsy en Mariëtta over haar werk gebogen zag. Hoe
+zouden ze haar opstel vinden? Ze had het zoo haastig gemaakt. Opeens
+kwam het haar voor, dat het een en al onzin moest zijn. Ze kon zich
+hoegenaamd niet meer herinneren wat ze geschreven had. Ze had ’s
+morgens maar wat samengeflanst van hetgeen haar bijgebleven was van den
+vorigen dag.
+
+Ze had nu spijt, dat ze haar werk liet lezen.
+
+Bijna met angst in haar oogen keek ze naar Betsy en Mariëtta.
+
+Het griefde haar, toen Mariëtta van het werk opzag, om een
+binnentredende te begroeten. En ze werd in ernst ongeduldig, toen
+Mariëtta doodbedaard met Annetje Leffelaar een praatje ging maken. Kon
+ze tenminste niet wachten tot ze het opstel gelezen had?
+
+Wat er ook in Lautje Dorper omging, ze liet niets blijken en wachtte
+schijnbaar kalm.
+
+Betsy Hove was nog niet aan de vierde bladzij begonnen, toen ze, zonder
+de lezing te staken, zei: „Ik vind het heel mooi.”
+
+Lautje Dorper kon er niets aan doen, dat ze een kleur kreeg. Ze hechtte
+aan Betsy’s oordeel. De rustige toon van waardeering deed haar goed.
+
+Het wachten viel haar nu licht. De laatste bladzij zou gauw gelezen
+zijn, en, Laura wist het: die was niet de minste.
+
+„O, Laura, wat kun jij mooie opstellen maken! Jullie moet het lezen,
+het is prachtig!”
+
+Gloeiend rood nu van verlegenheid zag Lautje naar Mariëtta op met een
+gevoel van dankbaarheid en toegenegenheid.
+
+Mariëtta was een van die meisjes, die lief en beminnelijk kunnen zijn,
+zoodra ze maar willen, en wien het maar weinig kost de harten voor zich
+in te nemen. Zooals ze nu Lautje prees in alle oprechtheid, met
+glinsterende oogen en een blos van opwinding, moest iedereen wel van
+haar houden.
+
+„Zeg, mogen ze je opstel lezen?” vroeg Mariëtta een beetje vleiend, met
+een vriendelijk, zonnig lachje.
+
+„O, natuurlijk,” zei Laura, „maar het is de moeite niet waard.” Ze deed
+haar best er zoo onverschillig mogelijk uit te zien, maar in haar hart
+jubelde ze.
+
+„Zeg jij het nu eens, Betsy,” zei Mariëtta, die geen tegenspraak kon
+dulden, „is het mooi of niet, jij bent zoo bezadigd, jou moeten ze
+gelooven!”
+
+„Ik vind het heel mooi,” zei Betsy tot Mariëtta’s blijdschap. Alle
+veinzerijen, waarover Lautje beschikken kon, vermochten niet den
+gelukkigen glans te verbergen, die haar gezichtje van dat oogenblik af
+aan verhelderde.
+
+„Ik begrijp niet, dat de juffrouw er nog niet is,” zei Annetje
+Leffelaar, „het moet bij negenen zijn.”
+
+„Ik wou, dat ze altijd zoo laat kwam,” zei Nelly Gerling, „we kunnen
+zoo prettig met elkaar staan babbelen.”
+
+„Ik wou, dat Dikkerdje vandaag heelemaal niet kwam,” zei Mariëtta,
+„want ik heb mijn rekenschrift vergeten, en ik heb heelemaal geen zin
+om met dit mooie weer een uur school te blijven.”
+
+Drie meisjes hadden zich intusschen van Lautje’s schrift meester
+gemaakt, en een vierde trachtte tevergeefs haar hoofd tusschen die der
+anderen te steken en mee te lezen. Het was nog een wonder, dat het
+schrift heel bleef.
+
+„Zeg,” riep opeens Annetje Leffelaar, die nieuwsgierig geworden was,
+„laat een het voorlezen, dan hebben we er allemaal wat aan.”
+
+„Doe jij het, Laura,” zei Betsy Hove, maar Laura bedankte in allen
+ernst.
+
+„Vraag het aan Lucie Froger, daar is ze net!”
+
+Nelly Gerling had de woorden nauwelijks uitgesproken, of een lang,
+mager meisje kwam met groote stappen op haar af.
+
+„Wat is er, wat wil je van Lucie Froger?” zei ze met zoo iets scherps
+in haar toon, en zoo iets vijandigs in de manier waarop ze op Nelly af
+stoof, dat het meisje onwillekeurig achteruitdeinsde, tot groote pret
+van Lucie, die het juist aardig vond, dat ieder bang voor haar was.
+
+„Zeg, Lau,” vroeg ze opeens heel verbaasd, „ben jij hier al? Sinds
+wanneer heb je opgehouden tot de orde der laatkomers te behooren?—En
+zeg me een van allen: waar is Dikkerdje?”
+
+De meisjes hadden geen geduld Lucie’s vragen te beantwoorden. Ze
+vertelden haar heel gauw, dat de juffrouw—die door de meisjes om
+gegronde redenen Dikkerdje werd genoemd—er nog niet was, dat Laura
+zoo’n mooi opstel had gemaakt, en dat zij, Lucie, het voor moest lezen.
+
+Lucie boog gelaten het hoofd. Want hoewel ze door haar spierkracht en
+haar jongensachtigheid een zeker gezag onder haar zwakkere zusters had,
+was ze toch, gelijk ze zichzelve noemde, „aller nederige en gehoorzame
+dienares”, vooral wanneer het er op aankwam een grap uit te halen, of
+iets te doen, dat tegen de regels van de school was.
+
+Ze nam dan ook zonder aarzelen het cahier, sloeg het dicht, schoof het
+onder den arm en begaf zich met kleine, waardige passen naar het
+podium, een verhooging waarop de onderwijzeres haar stoel en tafeltje
+had.
+
+Ieder begreep wat Lucie in den zin had. Ze was niet langer Lucie
+Froger, ze was juffrouw Bodengrave, de onderwijzeres. Ze was Dikkerdje!
+
+Allen lachten, toen Lucie tweemaal bescheiden kuchte, met de hand voor
+den mond, uit het laatje van de tafel vóór zich een zeer lang potlood
+nam, en met het boveneind er van, als in gedachten, tweemaal langs haar
+neus streek.
+
+Een luid gejubel steeg op. Dikkerdje! Op en top Dikkerdje’s manieren,
+Dikkerdje’s gebaren, en dat—wat juist het grappigst was—met de magere
+talhouten armen van Lucie Froger!
+
+Lucie’s gezicht werd zeer ernstig, terwijl ze met het potlood driemaal
+met waardigheid op de tafel tikte: „Allen klaar?”
+
+Lucie stoorde zich niet aan het lachen van de meisjes. Even trok ze de
+wenkbrauwen op, op de manier van juffrouw Bodengrave, toen begon ze
+zonder aarzelen te lezen.
+
+De meisjes hoorden Lucie graag voorlezen; als ze las, was ze een ander,
+had ze een andere stem, was haar jongensachtigheid weg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+HOE HET OPSTEL ONDER DEN VOET RAAKTE.
+
+
+De eerste alinea was nog niet ten einde, of allen luisterden met
+aandacht, Lautje Dorper met een rood en verlegen gezichtje; over het
+geheel vond ze het pijnlijk haar eigen geschrijf te hooren, toch was ze
+gestreeld, als ze af en toe een blik van bewondering opving.
+
+Lucie sloeg juist een bladzij om, en schepte even adem om met een
+frissche, opgewekte stem voort te gaan, toen de deur geopend werd....
+
+Wat er toen gebeurde, scheen niemand recht goed te weten. Lucie Froger
+sprong op, met zoo’n woestheid, dat de stoel achteroversloeg, wat ze
+niet merkte. In de haast om op haar plaats te komen, liep ze den
+verkeerden kant uit, zoodat het tafeltje verschoof, een poot buiten het
+podium raakte en haar jurk scheurde aan de punt van het tafelblad. De
+meisjes stoven ook naar haar plaatsen, ze hadden maar een beetje in
+clubjes bij elkaar gezeten en op en over elkaar heengehangen in
+schilderachtige wanorde. Ze dorsten bijna niet opzien, toen ze
+eindelijk gezeten waren; Lautje’s hart klopte bang. Waar was haar
+schrift? Wat had Lucie met haar opstel uitgevoerd?
+
+Plotseling zag ze het op haar tafeltje neervallen, de meisjes hadden
+het doorgegeven, en ten slotte was het Mariëtta Albeni, die vóór haar
+zat en het over den rug van haar stoel heen had laten glijden op
+Laura’s bank.
+
+Lautje had nog niet durven opzien. Ze verwachtte half, dat haar schrift
+door de hoofdonderwijzeres—want niemand anders kon de binnentredende
+zijn—zou worden opgevorderd.
+
+Opeens voelde ze een duw in de zij, het was Annetje Leffelaar, die haar
+den vriendschappelijken stoot had gegeven, en haar nu in het oor
+fluisterde: „Kijk toch, daar heb je juffrouw Wijbrand, de kweekeling!”
+
+Dat was een verademing! Dat viel den meisjes mee, die op een strenge
+berisping hadden gerekend.
+
+Lautje zag niets dan lachende gezichten, toen ze om zich heen keek.
+Lucie, die al over haar schrik heen was, toonde haar de scheur in haar
+jurk; Nelly Gerling, die vooraan zat, zette het tafeltje recht.
+Mariëtta keerde zich naar Laura om en zei: „Wat heerlijk; het doet er
+nu niet toe, dat ik mijn rekenschrift vergeten heb.”
+
+Maar dat was toch een vergissing, want juffrouw Wijbrand’s eerste werk
+was, de cahiers op te halen. Juffrouw Bodengrave, die met een
+verstuikten voet thuis lag, zou ze daar wel nazien.
+
+„We moeten pret maken,” zei Annetje Leffelaar, „durf jij hi-ha te
+zeggen, hardop?”
+
+Annetje Leffelaar’s streven was het altijd, anderen er in te laten
+loopen.
+
+Juffrouw Wijbrand had een vraagstuk opgegeven, dat de meisjes uit het
+hoofd moesten uitrekenen.
+
+Laura deed haar best, ze was niet heel sterk in rekenen; ze beging
+altijd vergissingen. Als ze geen last had met de oplossing, maakte ze
+toch meest fouten in de becijfering.
+
+„Wat zeg je?” fluisterde ze zacht terug.
+
+„Durf jij hi-ha zeggen?” vroeg Annetje weer.
+
+Laura trok de schouders op, ze had Annetje nog niet verstaan.
+
+„Wat is jou antwoord, Laura Dorper, of heb jij de som nog niet
+uitgerekend?” klonk opeens de stem van juffrouw Wijbrand.
+
+Lautje keek verward vóór zich; het scheen haar toe, dat Annetje
+Leffelaar haar wou voorzeggen; ze nijgde dus het hoofd naar dien kant
+en luisterde. Ze dacht er niet aan, dat Annetje nog slechter was in
+rekenen dan zijzelf. Gretig leende ze het oor, gereed om Annetje’s
+woorden te herhalen.
+
+„Nu?” zei juffrouw Wijbrand weer, „wat is de uitkomst?”
+
+Met een gebaar van hulpeloosheid, wendde Laura zich tot haar
+buurmeisje. Ja, ze had wel goed gezien, Annetje’s lippen bewogen zich.
+Wat zeiden ze?
+
+„Hi-ha, hi-ha!”
+
+Lautje kon het niet helpen, dat ze in lachen uitbarstte.
+
+Het geduld van juffrouw Wijbrand was uitgeput. „Laura Dorper, ga voor
+het bord staan en luister goed. Na schooltijd moet je de sommen maken,
+die we nu behandelen, en thuis schrijf je honderdmaal: „Ik ben op
+school om te leeren en niet om te lachen.””
+
+Toen Lautje boos en beschaamd van haar bank opstond en met trage
+schreden naar voren trad, zag ze Annetje Leffelaar, die zich achter
+Lucie Froger’s breeden rug verborgen had. Ze voelde zich blijkbaar heel
+veilig, want haar oogen lachten en haar mond maakte nog dezelfde
+beweging: „Hi-ha, hi-ha!”
+
+„’t Is een valsch nest,” dacht Laura bij zichzelf. Toen ze voor het
+bord stond met den rug naar de klas, waren er rimpels in haar voorhoofd
+en haar lippen waren toegeknepen. „’t Is een valsch nest en ik zal me
+nooit meer met haar bemoeien!”
+
+Er waren tranen in haar oogen gekomen, ze zag noch hoorde iets, van wat
+er om haar heen gebeurde. „Nu heb ik weer straf, en ik kan het niet
+helpen,” dacht ze, „maar Pa en Moe zullen denken, dat het wel mijn
+schuld is,” en dat maakte haar heel verdrietig.
+
+Het rekenuur was afgeloopen. De meisjes gingen naar beneden, naar het
+gymnastieklokaal, Laura mocht ook mee.
+
+Bij de gymnastiek fleurde ze weer een beetje op. Ze was sterk en flink;
+ze hield van oefeningen aan de werktuigen; ze was bijna zoo krachtig
+als Lucie Froger, maar vlugger en kwieker. Na zoo lang te hebben
+stilgestaan, was het haar een genot zich weer eens te kunnen bewegen.
+Ze klauterde in de klimstokken naar boven als een jonge aap en vergat
+al haar verdriet, toen ze, al lachend, van haar hoog standpunt op de
+hoofden der anderen neerzag.
+
+Het was haar ook een troost, dat Annetje Leffelaar niet bij haar was.
+Annetje deed nooit mee aan de gymnastieklessen, omdat ze een jaar
+geleden op het ijs haar been had gebroken en zich nog altijd ontzien
+moest.
+
+En alle meisjes waren op Laura’s hand. Ze vonden het min van Annetje,
+dat ze altijd anderen liet boeten voor haar grappen. Laura herkreeg
+geheel haar goed humeur. Af en toe dacht ze ook in stilte aan haar
+opstel. Lucie Froger had er haar nog pas een complimentje over gemaakt.
+Zou juffrouw Wijbrand het nazien, of zou ze die schriften ook ophalen
+voor juffrouw Bodengrave? Lautje was benieuwd, wat die er van zeggen
+zou. Ze twijfelde nu niet meer aan haar werk, zooals ze ’s morgens
+gedaan had. Als de heele klas het mooi vond, moest het immers wel goed
+zijn?—Het deed haar zoo’n plezier. Ze was in zooveel vakken zwak op
+school, in sommige slecht. Het kwam haar dus te pas, dat ze voor taal
+tenminste een goed cijfer kreeg. Iedere week, had de juffrouw gezegd,
+zouden ze in het vervolg een opstel opkrijgen. Lautje jubelde in haar
+hart, als ze er aan dacht....
+
+Boven, alleen in het lokaal, zat Annetje Leffelaar, die niet mee mocht
+doen aan de gymnastieklessen. Ze vond het heerlijk, dat juffrouw
+Wijbrand heengegaan was, juffrouw Bodengrave bleef altijd bij haar en
+dan moest ze helpen om boeken of schriften te kaften, of inktkokers
+vullen. Als er niets te doen was, hielp de juffrouw haar soms met
+rekenen, omdat Annetje daar zoo achterlijk in was, maar dat vond het
+meisje nog naarder.
+
+Ze was blij en dacht van haar vrijheid te genieten, maar toch was ze
+niet zoo blij, als ze zichzelf wel trachtte te verbeelden. Ze moest er
+telkens aan denken, dat Laura Dorper opzettelijk vermeden had haar aan
+te zien, toen ze met een meisje de klas uitging en dat ze gedaan had,
+of ze haar niet hoorde, toen Annetje haar had aangesproken. Wat flauw
+van dat kind om een grapje zoo hoog op te nemen!
+
+En Lucie Froger had haar ook met minachting behandeld,—neen, Annetje
+was eigenlijk lang niet in haar schik. Ze trok een lipje en nam, om wat
+te doen te hebben, Laura Dorper’s opstellenschrift uit het kastje. Ze
+wou het eens lezen, ze had er nog maar één bladzij van gehoord. „Wat
+ziet dat schrift er uit!” dacht ze, „je kan wel zien, dat het van een
+slordig kind is!”
+
+De manier waarop Annetje het cahier beetpakte bij één punt, was zeker
+niet geschikt, om het uiterlijk er van te verbeteren, of de kreukels er
+uit te maken, die er door het vele hanteeren waren ingekomen. Annetje
+sloeg het open. „En wat slordig is het geschreven; ze krijgt bepaald
+een twee voor het schrift, als het geen één is. En daar staat een fout
+ook, en daar nog een. Juni zonder hoofdletter, en heraut met ou, en
+hier staat van bloemen hun geuren en het moet hare zijn, en er staat
+bijna geen enkel teeken in het heele opstel, alleen punten, alle
+komma’s zijn vergeten.”
+
+Het viel Annetje Leffelaar niet in, ook maar één der fouten te
+verbeteren. Toen ze het opstel had uitgelezen, telde ze het aantal
+fouten en vergissingen. Zeventien had ze er gevonden, en misschien
+waren er nog wel meer. Haar lichtblauwe oogjes straalden van plezier en
+welgemoed wilde ze het schrift wegbergen; ze hoorde de klasse alweer
+terugkomen, ze moest zich nog haasten, in Laura’s kastje lag zooveel
+rommel, ze kon het er bijna niet inkrijgen. Toen het halverwegen was,
+trok ze haar hand terug en wachtte met een onschuldig gezichtje de
+komst der anderen af. Het cahier gleed het kastje weer uit, het viel en
+bleef op de voetenplank liggen.
+
+Annetje Leffelaar hield zich, of ze het niet zag; zelfs toen Laura, die
+in de bank kwam zitten, er met haar laars bovenop trad, bemoeide ze er
+zich niet mee. Wat kon haar het schrift van dat slordige kind schelen?
+
+
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+BESPREKING DER OPSTELLEN.
+
+
+Het is een week later. Juffrouw Bodengrave’s voet is genezen. Ze is
+weer terug op school en heeft de gecorrigeerde schriften meegebracht.
+
+De meisjes zijn allen min of meer in spanning. Ze verlangen er naar,
+haar cijfers voor het opstel te hooren oplezen. Het is haar eerste
+opstel, niemand weet eigenlijk wat haar werk waard is. Over één ding
+zijn ze het echter allen eens, Lautje Dorper heeft het mooiste opstel.
+Dat zal zeker worden voorgelezen.
+
+Het hart van Lautje klopt met snelle slagen. Zij ook vindt haar opstel
+goed, maar gerust is ze toch niet. Juffrouw Wijbrand schijnt bij
+juffrouw Bodengrave over haar te hebben geklaagd, juffrouw Bodengrave
+wist tenminste, dat ze strafwerk gehad had en ze was ver van
+vriendelijk tegen haar geweest.
+
+De onderwijzeres zat voor de klas, den stapel schriften vóór haar op
+het tafeltje, een lang potlood in de hand.
+
+„Voor ik tot het bespreken van de opstellen overga, wil ik jelui dit in
+het algemeen zeggen: het werk is me, op een enkele uitzondering na, erg
+tegengevallen.”
+
+Juffrouw Bodengrave zweeg even, ze opende de lijst en bleef
+hoofdschuddend op de cijfers staren.
+
+Lautje Dorper verschikte zich eens in haar bank en deed haar best een
+heel nederig gezicht te zetten; ook probeerde ze, zich geen illusies te
+maken. Maar het baatte niet. In stilte bleef ze hopen, dat zij tot die
+enkele gunstige uitzonderingen zou behooren.
+
+Ze schrikte opeens uit haar gemijmer op, door de stem van de
+onderwijzeres, die vervolgde: „’t Is over het geheel onnauwkeurig
+gemaakt, slordig gesteld en veel te haastig opgeschreven. De meeste
+schriften wemelen van fouten; fouten, die ik zeker weet, dat jelui in
+een dictee of taalstukje niet zoudt gemaakt hebben. Over de opstellen
+wil ik nog niet eens veel zeggen, het is voor het eerst, dat jelui er
+een maakt; daar zijn er uit de heele klas maar vier of vijf, die
+blijken geven behoorlijk vooruit overdacht te zijn, de andere zijn maar
+neergeschreven, onordelijk het eene idee aan het andere geregen, zonder
+verband.”
+
+Deze voorrede werkte al een beetje als een stortbad; ieder die nogal
+verwachting van haar opstel gehad had, liet minstens de helft varen.
+Lautje had het zichzelf niet durven bekennen, welk cijfer ze hoopte te
+krijgen. Een vijf was het hoogste, dat behaald kon worden. Nu, ze had
+dien nacht gedroomd, dat ze een vijf voor haar opstel had. Een vijf!
+Nog nooit had ze één vijf op haar rapport gehad. Lautje wist het:
+droomen zijn bedrog. Maar—een vier.... dat was wat anders. Daarop had
+ze wel durven rekenen,—tot het oogenblik, waarop de juffrouw over het
+werk begon te spreken.
+
+„’t Zal wel een drietje worden,” dacht Laura met een zucht,—een drie,
+dat beteekende redelijk; redelijk, en Lautje had gehoopt, dat het goed
+zou zijn!
+
+„Hier,” zei juffrouw Bodengrave, „hier heb ik het werk van Annetje
+Leffelaar. Het is knap geschreven en het heeft één deugd: het is bijna
+zonder taalfouten. Blijkbaar is het met zorg nagezien. Maar waarom is
+het ook niet met zorg overdacht? Annetje schrijft: „De lente is een
+zeer schoon jaargetijde. Alles bloeit en groeit. De lammeren huppelen
+op de hei. De vogelen zingen”.... Best. Tot zoover is het heel goed.
+Annetje wil ons vertellen, hoe het er buiten in de lente uitziet. Maar
+dan gaat ze voort: „Het ijs uit de grachten smelt en de sneeuw in de
+straten is ontdooit.” Maar Annetje, is dat nu een overgang? Eerst
+spreek je over de hei, over de natuur buiten, dan over grachten en
+straten. Eerst zeg je: „alles groeit en bloeit, de lammeren huppelen,”
+dan ga je voort: „het ijs smelt, de sneeuw ontdooit.”—Gebeurt dat zoo,
+begint alles eerst te groeien en te bloeien, komen éérst de schapen
+buiten, en gaat dán pas het ijs ontdooien? Dus is het al lang lente en
+gaat dan pas de winter heen?—Als je een oogenblik hadt nagedacht voor
+je begon te schrijven, hadt je me zulke dingen niet onder de oogen
+gebracht.”
+
+De heele klas was min of meer onder den indruk geraakt. Ieder zocht
+zich haar eigen opstel voor den geest te halen en probeerde na te gaan
+of daarin ook dergelijke fouten schuilden. Maar ze werden wakker
+geschud uit haar overpeinzingen, want een ander cahier werd onder
+handen genomen.
+
+Lautje keek of het haar schrift was, ze vreesde en hoopte tegelijk,
+maar het was haar een teleurstelling toen het bleek, dat ze nog niet
+aan de beurt was.
+
+„Het werk van Lucie Froger,” zoo begon juffrouw Bodengrave, „schikt
+vrij wel,—tot de helft van de derde bladzijde.—Lucie begint te
+vertellen hoe de aarde er ’s winters uitziet en wat de invloed is van
+de lentezon. Dan gaat ze voort, geleidelijk. „De sneeuw is weg, de
+beekjes zwellen. De lucht wordt zoel. De boomen zetten knoppen. Teere
+grassprietjes schieten uit den grond.”—Alles uitstekend, alleen bestaan
+er geen gras-prietjes, het woord heeft twee s, zooals Lucie ook heel
+wel weet.—Dan gaat ze voort: „De boomen krijgen bloesems, de trekvogels
+komen terug, de stedelingen gaan eens een dagje naar buiten om te
+genieten van de mooie natuur.” Dat alles is goed en geregeld
+beschreven. Maar dan opeens schijnt Lucie te merken, dat ze al twee en
+een halve bladzij heeft, dus voldoende. Toch wil ze nog een paar dingen
+zeggen. Dat doet ze ook en ze vertelt, dat de boeren het druk hebben in
+de lente, dat de huisvrouwen, als in de natuur alles mooi en nieuw
+wordt, haar huis ook gaan schoonmaken en opknappen. Een heel aardig
+idee, maar slordig neergeschreven. En dan begint Lucie er nog iets bij
+te flansen van de grillen van April, en hoe onvoorzichtig het is, vroeg
+de winterkleeren uit te laten. En ze eindigt met de mededeeling, dat in
+de lente de dagen langer worden en dat de winteravond-spelletjes plaats
+maken voor hoepels, springtouwen en tollen.”
+
+Lucie Froger keek naar het plafond en toen naar den vloer. Ze vond haar
+toestand allesbehalve benijdenswaard. Ze had weg willen zijn, op
+straat, in den regen, maar er was geen ontkomen aan, ze moest blijven
+en luisteren—en de juffrouw gelijk geven op den koop toe!
+
+„Het slot,” zei juffrouw Bodengrave, „bederft alles. Zooals het hier
+is, maakt het opstel den indruk van een doosje dominosteenen, door een
+klein kind netjes ingepakt. De steenen liggen naar volgorde op rijtjes
+gestapeld. Maar enkele steenen, een stuk of zes, zijn vergeten. Het
+kind wordt boos, het heeft geen lust alles over te pakken, het neemt de
+steenen, werpt ze boven op de andere, en zet dan het doosje weg,—het is
+ingepakt.”
+
+Op dit oogenblik kwam er uit een lagere klasse een klein meisje het
+schoollokaal binnen om juffrouw Bodengrave wat te vragen. De
+onderwijzeres stond op, ging naar de kast en haalde er een groote
+zwarte inktflesch uit. „Voorzichtig, kleintje, voorzichtig,” zei ze.
+
+Het meisje knikte, pakte de flesch in de beide mollige handjes; en, de
+oogen stijf op haar last gericht, stapte ze met kleine passen weg.
+
+Het potlood tikte weer op de tafel, de juffrouw vroeg aandacht. Sommige
+blikken werden met moeite van het kindje afgetrokken.
+
+Opeens klonk een rinkelende slag, als van veel brekend glas, gevolgd
+door een wild, angstig schreien. Het kleine meisje, geheel oog voor de
+flesch, had het podium niet gezien, was misgestapt en gestruikeld.
+
+Doodsbleek, bang, dat ze zich gekwetst had, tilde de juffrouw het
+gillende meisje op, en er was een zachte klank in haar stem, toen ze
+bezorgd vroeg: „Heb je je zeer gedaan?”
+
+Het kindje schudde het hoofd, en bij die beweging vielen twee groote
+tranen haar over de ronde wangetjes, op haar door inkt overstroomd
+schortje.
+
+„Ga jij eens met haar mee, Betsy Hove. Doe haar boezelaartje af, breng
+haar naar beneden en vertel wat er gebeurd is. Zeg dat zij het niet
+helpen kan,” voegde de juffrouw er bij, met een bemoedigenden blik naar
+het meisje, dat met angstige oogen de straf voor haar vergrijp stond af
+te wachten. Zoodra was niet de deur achter de meisjes dicht, of de
+stemming van de onderwijzeres veranderde. Met samengetrokken
+wenkbrauwen beschouwde ze het breede zwarte inktmeer, waaruit langs de
+vloernaden kanaaltjes wegstroomden en waarin de scherven dreven als
+wrakken van schepen.
+
+En juffrouw Bodengrave was nogal zoo gesteld op een netten vloer! Wee
+degene in wier nabijheid gebroken pennen, draadjes of papiersnippers
+gevonden werden, maar driemaal wee het kind, dat roekeloos inkt gespat
+had op den grond!
+
+En nu daar zoo’n plas! Jaren zouden er moeten verloopen voor de moet
+door veelvuldig schuren was verdwenen.
+
+Geen wonder dat de stemming van juffrouw Bodengrave er niet op
+verbeterd was. Twee meisjes werden aangewezen om met oude lappen den
+inkt op te nemen en de scherven te verwijderen. Ondertusschen vervolgde
+de onderwijzeres met lessen, scherp toeziend, dat niemand zich verder
+liet afleiden.
+
+Het schrift van Lucie Froger werd met een ernstige vermaning
+teruggegeven. Gelukkig was nu de beurt aan Betsy Hove. Háár opstel was
+goed, flink en degelijk, ’t was het eerste, dat geroemd werd. Dat van
+Mariëtta Albeni was weer veel minder; dat van Nelly Gerling, waarvan
+niemand eenige verwachting had, was bevredigend. De onderwijzeres bleef
+er nog even bij stilstaan om het te prijzen. Het was eenvoudig, maar
+met zorg gemaakt, ordelijk gedacht, zonder taalfouten en tot het
+laatste woord keurig geschreven. Nelly Gerling’s werk bewees, dat er
+volstrekt geen bijzondere gave noodig was om een redelijk opstel te
+maken.
+
+Nelly Gerling was blij. Met een dankbaren blos zag ze even terzij naar
+Laura Dorper, die haar geholpen had. Lautje glimlachte bijna onmerkbaar
+en knipte met de oogen ten teeken, dat ze haar begreep, zij was ook
+blij. Ze kreeg weer moed opeens. Het was of een vogeltje in haar hart
+begon te zingen. Als Nelly’s opstel goed was, waaraan zij haar geholpen
+had, moest dan het hare niet nog beter zijn? Ze ging flink rechtop in
+haar bank zitten en wachtte van dat oogenblik af aan, zonder
+ongerustheid, tot de beurt aan haar was.
+
+Ze moest lang wachten, want haar opstel was het allerlaatste.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+TROOST.
+
+
+Jan en Henk waren alleen thuis. Ze waren al een kwartier uit school en
+hadden honger. Henk ging nog eens naar de keuken om te hooren wat de
+beschikkingen waren, die zijn moeder gemaakt had.
+
+„Je Moe komt vooreerst niet thuis,” zei Leentje, „en ik kan de keuken
+niet uit met mijn potloodhanden. Je Moe heeft gezegd, dat Laura wel
+brood zal snijden, de koffie is gezet.”
+
+Teleurgesteld liep Henk de kamer weer in. De koffieboel stond al klaar,
+het brood lag op de broodplank, het mes er naast.
+
+„Zullen wij maar brood snijden?” vroeg hij; maar Jan, de oudste, hield
+zich groot.
+
+„We kunnen wel even wachten,” zei hij, „Laura zal dadelijk komen, ’t is
+al halfeen.”
+
+„Laura zal juist niet komen, ze moet vast schoolblijven,” voorspelde
+Henk somber, „ze moet zoo dikwijls schoolblijven en wij moeten er maar
+voor lijden.”
+
+Jan lachte, hoewel ook zijn maag jeukte. „Gelukkig, dat Moe maar eens
+in de week naar het ziekenhuis gaat,” zei hij.
+
+„’k Wou, dat tante Marie weer beter was,” klaagde Henk. Maar hij hield
+toch op met zeuren. Hij vergenoegde zich met de wijzers van de klok te
+bespieden, af en toe monden vol lucht te happen en die met een slikkend
+geluid te verzwelgen. Jan had een boek genomen en zat, met zijn maag
+tegen de tafel geleund, te lezen.
+
+Kwart voor eenen was het, toen Henk de oogen naar het plafond opsloeg
+en met de hand op de maag verklaarde dat hij uitgehongerd was.
+
+Jan, wien de kwellingen van zijn broer, zonderling genoeg, een beetje
+moed schenen te geven, zei kalm niet te hopen, dat Laura honderd regels
+had opgekregen.
+
+In doffe wanhoop wierp Henk zich neer op den grond en bleef eenigen
+tijd roerloos liggen op de buik, de beide voeten met de handen boven
+den rug vasthoudend.
+
+Deze houding, die hij „het zwaantje” noemde, scheen hem goed te doen,
+in elk geval hij gaf geen kik.
+
+Jan was de eerste die begon te spreken.
+
+
+ „De honger woelt in de ingewanden,
+ De leden trillen, de oogen branden”
+
+
+reciteerde hij, maar nog bleef Henk zwijgen, in stilte lijdend. Maar
+toen de klok één geslagen had, en de galm plechtig had uitgetrild,
+verhief zich opeens een geschreeuw als van wilde beesten, een
+krijschend gehuil van uitgehongerde wolven, van tot riffen vermagerde
+hyena’s!
+
+Het was met het zwartselpotje nog in de hand, dat Leentje, bleek van
+schrik, de kamer binnenstormde.
+
+„Wat gebeurt hier?” vroeg ze met bevende lippen.
+
+Doodsche stilte.
+
+Jan zag op uit zijn boek. „Niets,” klonk het kalm, „Henk zei, geloof
+ik, dat hij zoo’n honger had.”
+
+Leentje liep boos heen, maar nog voor ze de kamer uit was, barstten Jan
+en Henk uit in zoo’n hartelijken lach, dat ze wel mee moest doen, of ze
+wilde of niet.
+
+„Maar nu zonder gekheid,” zei Jan met een ernstigen blik naar den
+grooten wijzer, die op twee minuten over eenen wees, „ik hoop, dat
+Laura gauw komt, we kunnen toch onze gezondheid niet opofferen aan onze
+beleefdheid.”
+
+Leentje was bijna opnieuw geschrikt, want op woeste wijs luidde de bel.
+Ze behoefde niet de moeite te doen om open te maken, want Jan en Henk
+waren haar voor. Ze waren naar het portaal gestoven en trokken om
+strijd aan het deurtouw. In stilte waren ze nu maar blij, dat ze
+gewacht hadden, want daar was waarlijk Laura.
+
+De jongens bleven haar niet in staatsie opwachten, maar haastten zich
+weer naar binnen, waar ze op hun plaatsen achter de tafel gingen zitten
+en van de leege bordjes vóór hen tuurden naar het brood en de kaas, met
+een smachtend en blik.
+
+Laura scheen zich niet te haasten. Ze bleef naar het oordeel van Henk
+„uren” met haar mantel bezig.
+
+„Kom je gauw?” riep Jan.
+
+„Wat ben je laat,” zei Henk, met een klank van verwijt in zijn stem.
+
+„Zoo,” zei Lautje droog.
+
+„We hebben haast een uur gewacht,” begon Jan.
+
+Laura gaf geen antwoord, ze keek niet eens naar de klok, zooals ze
+anders gedaan zou hebben, om te zien of er op dat „uur” niet nog een
+paar minuten af te dingen waren.
+
+„Moe is naar het ziekenhuis,” zei Jan, „Moe heeft gevraagd of jij brood
+wou snijden.”
+
+Laura zei nog niets. Ze ging alleen naar de alkoof, waar ze water in de
+kom schonk om haar handen te wasschen.
+
+Henk zag Jan aan met een veelbeteekenenden blik: Laura had gehuild: ze
+hadden het beiden gezien aan haar roode, gezwollen oogen. Jan schudde
+met het hoofd, Henk moest maar doen of hij niets zag, wat Henk ook
+beloofde met een welsprekend gebaar.
+
+Toen Laura weer in de kamer kwam met gewasschen handen—het was
+duidelijk te zien, dat ze ook haar oogen en wangen had opgefrischt, wat
+Henk haar kwalijk nam om het oponthoud—begon ze, nog altijd sprakeloos,
+te snijden.
+
+Henk zuchtte hoorbaar, toen de eerste boterham, gesmeerd en wel, op
+zijn bordje werd gelegd.
+
+„Leentje heeft haar boterham al op,” zei Jan, „die heeft met Moe vooraf
+koffie gedronken.”
+
+„O,” klonk het, toen kliefde weer het mes met forschen zwaai het brood,
+en Jan had al berekend, dat het een flinke, dikke boterham zou
+worden,—tot opeens het mes halverwegen steken bleef, en Laura hardop
+snikkend de kamer uitliep, de deur achter zich dichttrekkend.
+
+Henk werd nu echt moedeloos, het scheen dus wel, dat ze nooit aan het
+eten toe zouden komen. Jan ging na een oogenblik eens kijken.
+Voorzichtig opende hij de deur van Lautje’s kamer. Hij zag zijn zusje
+zitten met den rug naar hem toe, maar die rug schokte verraderlijk.
+
+„Lautje....” zei hij.
+
+Het duurde een poosje, eer Laura met een verwonderd gezicht omkeek en
+met goed geveinsde opgewektheid, maar helaas met een heesche, door
+tranen verstikte stem zei: „Roep je me? O, ja, ik kom dadelijk, ga
+jullie maar vast eten.”
+
+„’t Zal alleen zijn, omdat ze school heeft moeten blijven,” dacht Jan,
+die het eigenlijk een beetje kinderachtig vond, dat zijn oudere zuster
+zich dat zoo aantrok. Hij ging dus maar weer naar beneden, sneed er nog
+een goede hoeveelheid boterhammen bij, en na vijf minuten was het hem
+gelukt zijn eersten honger te stillen.
+
+Toen ze geheel verzadigd waren, groeide in hun harten weer het
+medelijden met Laura.
+
+„Ze heeft nog niets gegeten,” zei Henk meewarig.
+
+Jan ging weer eens zien, maar voor hij de trap op was, riep Laura hem
+al te gemoet: „Ik kom dadelijk, hoor!” zoo vroolijk, dat het Jan geheel
+geruststelde.
+
+Maar toen Jan weg was, ging Lautje weer zitten op den stoel, ze zag er
+heelemaal niet vroolijk uit.
+
+Langzaam sloeg ze het ongeluksschrift, dat ze in de handen had, open.
+Daar stonden de cijfers: één, één. Een één voor het opstel en een één
+voor het schrift. En vol dikke roode onderstrepingen was het, het
+gloeide er van. Laura leken ze vurige vlammen, al die streepjes onder
+de fouten. Och, wat had ze er veel gemaakt! Bijna alle waren
+onoplettendheden, vergissingen, ontstaan door achteloosheid.
+
+Haar lippen begonnen weer te trillen, en haar bevende vingers
+verknoeiden de punten der gecorrigeerde bladzijden.
+
+Wat was ze doorgehaald door de juffrouw! Eerst om het schrijfboek zelf,
+dat er zoo schandelijk slordig uitzag, toen om de taalfouten, die ze
+alle had kunnen vermijden, en eindelijk om het schrift.
+
+Woord voor woord kwam haar de verontwaardigde toespraak van de
+onderwijzeres weer in de gedachte. Een kleur van schaamte brandde op
+haar gezicht. Over het opstel zelf was niet gesproken. Juffrouw
+Bodengrave had het niet willen lezen. Alleen op de eerste bladzijde
+waren de fouten ook maar aangestreept. „Je opstel,” had de juffrouw
+gezegd, „is als een kind, dat je ongewasschen en met een hoofd als een
+ragebol naar me toestuurt. Ik wil er zoo niets van weten....”
+
+Weer druppelden heete tranen Lautje over de wangen.
+
+„Kindje, wat is er?” klonk het opeens achter haar. Ditmaal was het
+mevrouw Dorper, die haar dochter zoeken kwam.
+
+„Ik kom beneden, Moe,” zei Laura, maar ze kon zich niet goedhouden.
+Snikkend vertelde ze heel het verhaal. Dat ze half en half gehoopt had,
+dat haar opstel goed zou zijn, dat de meisjes het allen mooi hadden
+gevonden, en dat ze er nu een één voor had.
+
+„De meisjes zeggen.... dat het valsch is,” eindigde ze.
+
+„En zeg jij dat ook?” vroeg haar moeder.
+
+Met afgewend hoofd keek Laura het raam uit. Zeker, ze vond haar werk
+ook slordig geschreven, maar... Zonder te zien, merkte ze toch, hoe
+haar moeder het opstel ter hand nam, en in gedachte zag ze weer de
+vele, domme fouten met de felle roode strepen er onder. En nu gaf ze
+het ook toe in haar hart: ze had niet meer verdiend dan een één.
+
+’t Was of dit haar nog bedroefder maakte. Zij kon ook nooit iets goed
+doen; wat ze anders nog zou kunnen, bedierf ze door haar slordigheid.
+
+„Hoe heb je zóó je werk kunnen maken?” vroeg haar moeder met zacht
+verwijt.
+
+Laura vertelde nu, dat ze het den morgen na dien noodlottigen Vrijdag
+in dolle haast had opgekrabbeld. En opeens, onder het spreken, werd het
+haar duidelijk, dat alles, van het begin tot het eind, haar eigen
+schuld was. Door haar woestheid had ze Jan een ongeluk bezorgd, zoodat
+ze dien avond niet aan het opstel had kunnen werken, toen had ze het ’s
+morgens gejaagd opgeschreven, terwijl ze toch feitelijk tijd genoeg had
+gehad, en het best eens had kunnen overlezen.
+
+„Lautje,” zei mevrouw Dorper, terwijl ze met een troostende beweging
+haar dochtertje over het hoofd streek, „als je je fout inziet en je wil
+goed is, kan er nog veel veranderen. Geef den moed niet op, kind. Doe
+in het vervolg je best, en besteed zorg aan je werk. Ik zal je
+helpen.—Ik zal je een nieuw schrift geven, schrijf daarin je opstel
+over, en zorg, dat het nu met nette kleertjes en wél opgemaakte haren
+voor den dag komt.—Geef me een zoen, meid. En begin van voren af aan.”
+
+Lautje kuste haar moeder met tranen in de oogen, het vuile schrift
+gleed van haar schoot; ze scheen eerst van plan het maar te laten
+liggen op den grond, maar met een verschrikt gebaar raapte ze het op.
+Ze wilde tenminste beginnen haar moeders raad op te volgen en ordelijk
+en netjes te zijn. Het deed haar goed, dat ze straks op een schoon
+blaadje kon beginnen!
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78971 ***