summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78959-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '78959-0.txt')
-rw-r--r--78959-0.txt8906
1 files changed, 8906 insertions, 0 deletions
diff --git a/78959-0.txt b/78959-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..73716a1
--- /dev/null
+++ b/78959-0.txt
@@ -0,0 +1,8906 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78959 ***
+
+
+
+
+
+ NEDERLANDSCHE
+ INSECTEN
+
+
+ door
+ P. TEUNISSEN,
+ Redacteur van Land- en Tuinbouw van „Het Nieuws van den Dag.”
+
+
+ Uitgave van
+ J. C. BAAN & CO TE ALKMAAR
+ Eerste Nederl. Electrische Inrichting tot het
+ geheel machinaal bewerken en verpakken van
+ THEE EN KOFFIE
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD.
+
+
+Ik ben recht verheugd, dat ik dit Album heb mogen gereedmaken, omdat ik
+daardoor gelegenheid kreeg een gedachte, waarmede ik al jaren rondliep,
+in een daad te kunnen omzetten; n.l. een populair boek te schrijven
+over Nederlandsche Insecten, dat geïllustreerd zou zijn met gekleurde
+afbeeldingen en dat wegens zijn goedkoopte onder ieders bereik zou
+kunnen komen.
+
+Zoo’n boek wil dit Album zijn.
+
+De commercieele opzet is dan ook van dien aard, dat letterlijk iedereen
+dit werk in zijn bezit kan krijgen en juist dit was voor mij een groote
+aantrekkelijkheid.
+
+Ik wilde een nuttig boek schrijven.
+
+Maar tevens moest het opwekken tot blijvende belangstelling in onze
+interessante insectenwereld, die bewondering wekt en eerbied en ontzag
+inboezemt voor de natuur.
+
+Moge ik niet al te ver van mijn doel verwijderd zijn gebleven.
+
+Voor wie het Album bestemd is?
+
+De schooljeugd zal door middel van de plaatjes den naam kunnen vinden
+van de insecten, die zij zoo gewoonlijk tegenkomt en haar aandacht
+trekken door vorm, kleur, teekening en bedrijvigheid; tevens kan zij
+iets over de levensgeschiedenis van elk dier insecten lezen. De
+leerlingen van normaal-, kweek- en burgerscholen zullen dit Album als
+een beknopt biologisch leesboek kunnen gebruiken, waardoor het een
+aanvulling kan zijn van de gewone leerboeken over dierkunde.
+
+De land-, tuin- en boschbouwers en ook de particulieren, die in huis of
+tuin bloemen, groenten en fruit kweeken, zullen er wat practische
+kennis uit kunnen halen, die leidt tot een verstandigen kijk op de
+velerlei insecten, die op en bij onze kultuurplanten leven. De
+huismoeders vinden er iets in over de lastige keuken- en huisinsecten
+en over de middelen om deze ongenoode gasten te verdrijven; ook op het
+gevaar, dat sommige insecten voor onze gezondheid opleveren, is
+gewezen.
+
+Ik bedoelde met dit Album velen aan te sporen tot een meer gezette
+natuurstudie, die een bron is van groot genot, dat voor allen
+bereikbaar is. Ouders zullen met hun kinderen dit Album kunnen lezen en
+naar ik hoop er door opgewekt worden tot excursies in de vrije natuur
+om waar te nemen, wat beschreven werd. Deze excursies geven dan vanzelf
+aanleiding tot opkweeking en bestudeering der insecten in huis, wat een
+aangename, prettige bezigheid is.
+
+En als veel bereikt wordt van wat ik mij heb voorgesteld, dan is dat
+uitsluitend te danken aan de meer dan royale wijze waarop de firma J.
+C. Baan & Co. te Alkmaar mij de vrije hand liet in het samenstellen van
+dit Album.
+
+Zonder zoo’n ondernemende firma had dit Album nooit kunnen verschijnen.
+
+Moge ’t publiek dit weten te waardeeren.
+
+
+P. Teunissen.
+
+Amsterdam 1915.
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ Algemeen Gedeelte Blz. 1–19
+
+ Bijzonder Gedeelte  ,,  20–80
+
+ Plaat I No. 1– 12 Larven en Poppen
+  ,,   II ,,  13– 24 Rupsen en Poppen
+  ,,   III ,,  25– 36 Kevers
+  ,,   IV ,,  37– 48 Kevers
+  ,,   V ,,  49– 60 Kevers
+  ,,   VI ,,  61– 72 Kevers
+  ,,   VII ,,  73– 84 Franjestaarten, Oorwormen, Haften,
+ Waternimfen, Kakkerlakken
+  ,,  VIII ,,  85– 96 Sprinkhanen, Knagers, Wantsen
+  ,,   IX ,,  97–108 Wantsen, Luizen, Netvleugeligen,
+ Kokerjuffers
+  ,,   X ,, 109–120 Dag-Vlinders
+  ,,   XI ,, 121–132 Vlinders
+  ,,   XII ,, 133–144 Vlinders
+  ,,  XIII ,, 145–156 Muggen, Vliegen
+  ,,   XIV ,, 157–168 Vliegen, Bladwespen, Sluipwespen
+  ,,   XV ,, 169–180 Mieren, Graafwespen, Wespen, Bijen,
+ Hommels.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ALGEMEEN GEDEELTE.
+
+
+I. INLEIDING.
+
+
+De geschiedenis van het Koolwitje.
+
+Het komt ons het meest gewenscht voor, de tekst van dit Album te
+beginnen met een beschrijving van de geschiedenis van het Koolwitje.
+
+Iedereen kent het Koolwitje; van April en Mei tot September en soms nog
+later vliegen de witjes overal rond. Wie ze noodig heeft voor de studie
+kan ze overal vangen. Behalve op wilde planten zijn de koolrupsen
+vooral in Augustus en September overal in groententuinen te vinden. Wie
+de rupsen wil opkweeken, kan dus in elken tuin materiaal vinden. Het
+voer is gemakkelijk te verkrijgen ook voor hen, die in de stad wonen;
+de groentenboer heeft altijd kool op den wagen.
+
+Iedereen kan dus rupsen opfokken en de vlinders komen dan vanzelf.
+Zoodoende kan men aan de levende dieren waarnemen, wat wij nu gaan
+vertellen. De Koolwitjes vliegen in het geheele land, dus iedereen kan
+deze diertjes bestudeeren. Wij zullen, terwijl wij over het Koolwitje
+schrijven tegelijk wat termen leeren en eenige algemeene dingen over de
+insecten zeggen. Tevens bedoelen wij met deze beschrijving een
+voorbeeld te geven, hoe men een insect moet bestudeeren en waarnemen.
+Wie insecten wil leeren kennen moet beproeven van hen een
+levensbeschrijving te maken, naar aanleiding van de waarnemingen, die
+men aan de dieren doet; dat is de goede methode. En nu beginnen wij.
+
+DE EERSTE KOOLWITJES. ’s Winters vliegen er geen Koolwitjes; de eerste
+komen in April en Mei. Waar hebben ze voor dien tijd gezeten? Waar en
+hoe hebben ze den winter doorgebracht? Dit is een belangrijke vraag en
+we moeten zorgen, dat we van alle insecten te weten komen, waar zij in
+den winter en in het vroege voorjaar hebben gezeten. Dit is vooral van
+belang als we te doen hebben met schadelijke insecten. Als we weten,
+waar ze ’s winters zitten, dan kunnen wij ze daar doodmaken, tenminste
+als we er bij kunnen komen. En wat dan in den winter wordt vernietigd,
+zal in het voorjaar en de volgende maanden ons geen last veroorzaken in
+den tuin of op den akker. De meeste menschen beginnen moord en brand te
+schreeuwen als de insecten in grooten getale hun planten beschadigen;
+en geen wonder, want de planten worden dan danig gehavend; maar waarom
+hebben ze niet vroeger ingegrepen?
+
+De beste manier om van de insecten geen last te hebben, is, zoo vroeg
+mogelijk den strijd tegen hen aan te binden. De mensch moet het winnen,
+als hij tenminste vroeg bij de pinken is.
+
+Waar komen nu de eerste Koolwitjes in April en Mei vandaan? Die hebben
+het geheele najaar, den winter en ook de eerste voorjaarsweken hier of
+daar tegen een boom, tegen een schutting of muur gezeten; ook wel in
+schuren en stallen. Maar toen waren het nog geen vlinders, doch poppen.
+Wij zeggen daarom dat het koolwitje als pop overwintert. Sommige
+vlinders blijven als vlinder over, b.v. de kleine vos (112) en van weer
+anderen blijft de rups ’s winters over, b.v. de beerrups (125). Van den
+ringelrupsvlinder (134) blijven de eieren ’s winters over. Er is dus
+nog al verschil.
+
+WAT GAAN DE EERSTE KOOLWITJES DOEN? Als we de insecten willen leeren
+kennen, moeten we trachten hun heele „doen en laten” te volgen, want
+alleen hieruit leeren we welke plaats deze dieren in de huishouding der
+natuur innemen. Kijk, daar vliegt het Koolwitje naar een bloem. Het
+gaat rechtop zitten, de vleugels naar boven toegeslagen, zoodat wij
+alleen de onderzijde hiervan zien. Het werpt nu zijn roltong uit en
+brengt die in de bloem. Met die roltong zuigt het honing uit de bloem.
+Die honing is voedsel voor het witje. Iets anders gebruikt het beestje
+niet. Het eet dus geen bladeren, geen stuifmeel, alleen maar honing, er
+hiervan nog niet eens veel.
+
+Het Koolwitje behoeft ook niet meer te groeien. Alle volwassen
+insecten: vlinders, kevers, libellen, enz. groeien niet meer. Zij eten
+om niet te sterven.
+
+Hoe wist het Koolwitje, dat in de bloem honing zat? Er zijn ook
+bloemen, die geen honing leveren. Het witje ruikt den honing. Op zijn
+kop staan 2 lange sprieten en daarmede kan het ruiken. Wij kunnen den
+honing niet ruiken op een afstand, doch het witje en de andere vlinders
+wel. De insecten hebben dus een veel sterker reukvermogen dan de
+mensch. Honden kunnen ook goed ruiken: jachthonden, politiehonden.
+
+Zoo vliegt het witje van bloem tot bloem en al snoepende brengt het ’t
+stuifmeel, dat aan de roltong en den kop kleeft van de eene bloem naar
+de andere, waardoor flinke zaden in die bloem ontstaan. Men zegt: het
+Koolwitje bevordert de Kruisbestuiving van de bloemen. Zoo hebben de
+bloemen nog voordeel van het insectenbezoek; de honing brengt dus zijn
+geld wel op. Bloemen en insecten helpen elkaar. Dit is een der mooiste
+verhoudingen in de natuur, waarover we nog meer hebben te vertellen als
+we wat verder zijn.
+
+En doet het witje nog meer dan honing snoepen?
+
+Zie, daar vliegt het weg en gaat op het herderstaschje zitten, een
+bekend wild plantje, dat overal voorkomt. Hier gaat het niet snoepen,
+doch zet aan de onderzijde van een blad zijn eitjes af.
+
+HET EIERLEGGEN. De voorjaars-Koolwitjes leggen hun eieren meestal aan
+wilde Kruisbloemigen, ook wel aan reseda en O. I. kers; wij vinden ze
+ook wel aan judaspenning, die in April zoo mooi staat te bloeien. Het
+Koolwitje legt de gele eitjes netjes naast elkaar aan de onderzijde der
+bladeren; daar zitten ze goed beschermd tegen regen, tegen de felle zon
+en tegen eierpikkers. Toch leggen sommige witjes ze weleens op de
+bovenzijde; dat is dan een vergissing. Zoo’n schooltje vlindereitjes
+bestaat wel uit een 100 à 150 stuks. Dat belooft dus een mooi regiment
+rupsen te worden.
+
+Wie nu geen vriend van rupsen is, en ze liever niet in zijn tuin ziet,
+kan door het dooddrukken der eieren honderd en meer rupsen om zeep
+brengen. Dat doen dan ook de groententelers. Die zeggen, dat het
+gemakkelijker is 100 rupseneieren tegelijk te dooden dan 100 rupsen te
+vangen en zoo is het ook. Niet alle vlindersoorten leggen haar eieren
+in schooltjes; de atalanta en de pijlstaarten leggen ze afzonderlijk.
+Sommige vlinders bedekken de eieren met haren van het achterlijf.
+
+WAT DOET HET WITJE NA HET EIERLEGGEN? Ja, wat zal het gaan doen? Er is
+een spreekwoord, dat zegt: „Aan alle lofzangen komt een eind” en dat
+geldt ook voor het witje. Als het de eieren heeft afgezet, heeft het
+zijn taak volbracht en gaat sterven. Dat is het gewone verschijnsel bij
+de insecten; na het eierleggen sterven de dieren. En zoo komt er een
+tijd, dat er in Mei haast geen Koolwitjes meer zijn; ze zijn allen
+dood. Intusschen zijn uit de eieren kleine rupsjes gekropen, die
+terstond aan hun boterham beginnen. Dat is altijd een voordeel voor de
+rupsen: zoodra ze op de wereld komen, staat haar boterham klaar; ze
+worden daarop geboren.
+
+Het was dus heel verstandig van het Koolwitje, dat het zijn eieren op
+een herderstaschje afzette. Of de Koolwitjes dan die planten alle
+kennen? Iedere plant heeft een eigen geur en die geur wijst den
+vlinders den weg. Een vlinder zal nooit de eieren leggen op een plant,
+die de rupsen niet lusten. De jonge rupsen doen goed haar best en na
+eenige weken zijn ze volwassen. Dan gaan ze zich verpoppen, en na een
+kleine veertien dagen komen hieruit weer Koolwitjes. Dat is dan het
+tweede of het zomergeslacht en in Juli en begin Augustus vliegt het
+Koolwitje weer overal rond.
+
+HET ZOMERGESLACHT OF DE ZOMERGENERATIE. In Juli en Augustus vliegen er
+veel meer Koolwitjes dan in het voorjaar. En wat gaan deze nu weer
+doen? Eerst wat honing snoepen en dan weer eieren leggen. In onze
+groententuinen en bij de groentenboeren staan in Juli en Augustus
+honderden en duizenden koolplanten van allerlei soort. En hierheen gaan
+nu de vlinders; op de bladeren leggen ze eieren en dan vertrekken ze
+weer. Hebben ze alle eieren afgezet, dan gaan ze net als de eerste
+generatie, dood.
+
+EEN RUPSENPLAAG TREEDT OP. We zeiden al, dat de tweede generatie
+vlinders veel talrijker is dan de eerste. Daardoor konden er nu ook
+zooveel eieren op de koolplanten worden afgezet. En als het tegen half
+Augustus of begin September loopt, dan merkt de groentenboer met
+schrik, dat duizenden en duizenden rupsen zijn kool aan het vernielen
+zijn. Sommige planten staan er dan vreeslijk gehavend bij. Is het
+aantal rupsen zeer groot, dan zegt men, dat een rupsenplaag heerscht.
+
+HET BESTRIJDEN VAN EEN KOOLRUPSENPLAAG. In de vrije natuur komen ook
+wel plagen voor, doch na verloop van langer of korter tijd komen die
+vanzelf tot staan, omdat er dan geen voedsel voor de dieren meer is.
+Bovendien treden dan ook dikwijls ziekten op onder de dieren. Hoe kan
+men nu een koolrupsenplaag bestrijden? Het beste is een plaag te
+voorkomen, door zooveel mogelijk de eierhoopjes op te zoeken en die
+ineen te drukken. Maar is dit niet geschied, zijn de rupsen „heer en
+meester” geworden, dan zit er niet veel anders op, dan de rupsen op te
+zoeken. In een groententuintje gaat dit wel, maar als een geheele akker
+vol zit, dan is dat niet te doen. Men kan de kippen er wel in jagen,
+doch die beginnen al gauw aan de kool ook te pikken en dan zijn we nog
+verder van huis.
+
+Bovendien krijgen de kippen spoedig genoeg van de rupsen; ze gaan haar
+tegen staan en dan geeft het ook niet. Eigenlijk kunnen wij er niet
+veel aan doen als onze culturen wat uitgebreid zijn. Gelukkig leven er
+in de natuur nog verschillende vijanden van de koolrupsen, die ons
+helpen in den strijd tegen deze kooleters.
+
+VIJANDEN VAN DE KOOLRUPSEN EN KOOLWITJES. Er is wel geen enkel dier,
+dat geen vijanden heeft. De een loert op den ander. Een vogel loert op
+een rups, en een kat tracht dien vogel naar binnen te werken. Een
+kikker snapt levende insecten op en de ooievaar pakt den kikker en
+brengt hem naar de jongen op het nest. Zoo gaat het overal en in de
+heele natuur. De een peuzelt den ander op. En zoo hebben de koolrupsen
+en de koolwitjes ook hun vijanden. Die vijanden zijn: vogels, libellen
+(77–79), sluipwespen (168) terwijl in den zomer gewoonlijk nog ziekten
+onder de rupsen optreden. Op deze wijze worden de koolrupsen niet
+heelemaal baas, doch wordt haar aantal geregeld sterk gedund.
+
+In het algemeen eten de vogels weinig koolrupsen, alleen de koekoek
+houdt er wel van. Wel snappen de vogels van tijd tot tijd een
+koolwitje; men kan wel eens zien, dat zij de koolwitjes nazitten,
+snappen en het lichaam opeten. De vleugels gaan niet naar binnen;
+musschen lusten wel een koolwitje. De groene sabelsprinkhaan (87) pakt
+ook wel eens een koolwitje, dat tegen een grasplant zit te rusten. De
+libellen, die men wel eens de „zwaluwen onder de insecten” noemt, omdat
+zij al vliegend andere insecten vangen net als de zwaluwen, pikken ook
+nog al eens een koolwitje op; menigmaal hebben wij dit gezien. Soms
+wordt het koolwitje overvallen, maar het komt ook voor, dat het eerst
+wordt nagezeten. Maar de ergste vijanden—en daardoor juist onze beste
+vrienden—dat zijn de sluipwespen. Er is een klein sluipwespje, het heet
+Apanteles glomeratus en is afgebeeld op plaatje 168, dat op een rups
+gaat zitten en dan zijn legboor door de huid steekt en tegelijk door de
+legboor een 40 of 50 eitjes schuift. Dan vliegt het diertje snel weg.
+Uit die eitjes komen heel gauw maden zonder pooten en zonder oogen,
+doch die goed kunnen eten. De rups heeft dus een veertig of vijftig
+kostgangsters en om die allen te eten te geven, moet de rups zelf eten
+als een paard, anders bezwijkt ze. Die maden eten natuurlijk de heele
+rups uit en als zij volwassen zijn, is de rups zoowat geheel op. De
+maden kruipen dan de rupsen uit, zij boren door de huid van de rupsen
+heen en gaan direct verpoppen. Misschien heeft men wel eens een doode
+rups gevonden, waarbij aan de beide zijden van het lichaam een hoopje
+gele, ovale, zeer kleine coconnetjes lagen, net eitjes. Nu, die gele
+dingetjes waren de popjes van de sluipwespmaden. Na 10 à 14 dagen komen
+uit deze popjes zeer kleine wespjes, een paar millimeter lang.
+
+De rups zelve is dood; gewoonlijk leeft ze na het uitkruipen der maden
+nog een of een paar dagen, maar het einde is toch de dood. Het kleine
+sluipwespje heeft dus èèn rups gedood en bovendien zijn er weer 40 of
+50 nieuwe sluipwespjes geboren, die weer andere rupsen kunnen gaan
+aanvallen. Het aantal sluipwespen wordt dus steeds grooter en daardoor
+vallen er hoe langer hoe meer koolrupsen. Wij mogen die sluipwespen dus
+wel in eere houden en als wij hier of daar die gele coconnetjes zien
+zitten, laten wij ze ongemoeid.
+
+Wie met deze kleine nuttige diertjes eens wil kennis maken, moet maar
+eens wat koolrupsen uit den tuin halen, tegen den tijd, dat zij
+volwassen zijn; licht zijn er eenige aangetaste rupsen bij.
+
+Er is nog een andere sluipwesp, die ons ook helpt, maar die legt haar
+eieren niet in de rups. Op het oogenblik, dat een gezonde rups haar
+huid afstroopt en de pop voor den dag komt, is de pophuid nog zacht en
+week. Dan komt een sluipwesp Pteromalus puparum, steekt haar legboor
+door de zachte pophuid en schuift er zoo haar eieren in. De maden, die
+hier uit komen, eten de pop uit en verlaten haar later. Ook dit is dus
+een nuttig beestje.
+
+Soms worden de rupsen ook aangetast door een soort schimmelziekte; de
+rupsen worden bruin en slap en sterven. De ziekte schijnt zich snel
+onder de rupsen te verspreiden. Wanneer nu veel rupsen zijn aangetast
+en er komt een flinke regenbui, dan spoelen zij allen van de
+koolbladeren af en na de bui lijkt het, of de rupsen zijn weggeregend.
+De koolteler is dan blij, maar die vreugde beteekent niet veel, want de
+dieren waren binnen enkele dagen toch gestorven. Gezonde koolrupsen
+regenen niet weg. Kleine sluipwespen en kleine schimmelplanten blijken
+dus onze grootste vrienden te zijn. En hoe meer wij de natuur
+bestudeeren, des te grooter wordt onze bewondering voor al het
+geschapene en voor het onderlinge verband, dat er tusschen de levende
+wezens bestaat.
+
+WAAR GAAN DE GEZONDE RUPSEN IN SEPTEMBER HEEN? De rupsen, die den dans
+nog ontspringen, gaan zich in September gereed maken om te verpoppen.
+Dat doen zij nooit aan lage planten, doch zoeken liefst op boomen,
+schuttingen, muren, stokken, in één woord die plaatsen, waar zij hoog
+boven den grond zich kunnen neerzetten. Als het mogelijk is zoeken zij
+een afdakje, waaronder ze droog zitten; dat merkt men goed aan houten
+schuttingen. Is er in de buurt geen goede gelegenheid, b.v. als de
+rupsen op een koolveld zijn groot geworden, dat wat ver het land in
+lag, dan marcheeren zij met elkaar op en gaan een goede gelegenheid
+zoeken. Dan ondernemen zij soms heele tochten. Het is een aardig en
+vreemd gezicht, zoo’n troep „landverhuizers” tegen te komen. Hebben ze
+een geschikte plaats gevonden, dan gaan ze verpoppen en blijven daar
+den geheelen winter zitten. Het is een interessant gezicht hoe dat
+verpoppen geschiedt, want de rups spint eerst een gordel, waarin de pop
+komt te hangen. Men kan dat heel gemakkelijk zien, als men de rupsen
+thuis opkweekt. Uit deze winterpoppen komen nu in het voorjaar weer de
+eerste koolwitjes en dan begint het lieve leventje opnieuw. Er komen
+per jaar dus twee geslachten of generaties voor; als het weer zeer
+gunstig is, kunnen er in 2 jaar wel eens 5 generaties ontstaan.
+Merkwaardig is het, dat de zomervorm wat grooter is, aan de onderzijde
+der vleugels wat lichter geel en ook minder zwart. Dat komt bij
+insecten meer voor, dat twee opeenvolgende geslachten niet precies
+gelijk zijn. Het weer, de temperatuur en ook het voedsel, schijnen
+hierop invloed te hebben.
+
+DE BETEEKENIS VAN DE KOOLWITJES VOOR DEN MENSCH. Na al het voorgaande
+zal iedereen daarover zijn oordeel wel kunnen zeggen en dat oordeel zal
+wel eensluidend zijn. De koolrupsen zijn voor den mensch schadelijk. En
+dat alleen omdat zij dezelfde neiging hebben als de mensch: ze lusten
+ook graag kool. Dat kunnen de koolrupsen niet helpen, maar zij zullen
+het ons dan ook niet kwalijk nemen, dat wij haar daarom bestrijden.
+
+En hoe mooi de koolwitjes ook zijn, ’t zijn inderdaad lieve dieren—we
+moeten ze bestrijden, omdat zij in haar jeugd, een rups is immers een
+jonge vlinder, onze culturen in de war sturen. En hoe gaarne we met
+alle dieren in vrede leven, met de koolrupsen gaat dat niet.
+
+DE BETEEKENIS VAN DE KOOLWITJES IN DE VRIJE NATUUR. Nu kunnen wij wat
+goeds vertellen. Zooals wij zagen, halen de vlinders honing uit de
+bloemen en brengen dan tegelijk stuifmeel van de eene bloem naar de
+andere waardoor een goede zaadvorming wordt ingeleid. Voor de zaadteelt
+zijn zij dus wel nuttig, net als de bijen en hommels. En de rupsen?
+Zoolang het wilde planten betreft, doen zij ook eenig nut. Zij zorgen
+er voor, dat er niet te veel kruisbloemigen komen, want zij eten er
+vele op. Zoodoende bewaren zij min of meer het evenwicht onder de
+planten.
+
+Het doet ons genoegen, dat wij ten slotte toch nog iets goeds van de
+koolrupsen hebben kunnen zeggen.
+
+Uit het medegedeelde kunnen wij nu het volgende vastleggen:
+
+
+
+ 1º Een vlinder doorloopt 4 stadiën of toestanden; hij is eerst een
+ ei, hieruit komt een larve, die rups heet, als deze voldoende is
+ gegroeid trekt zij de rupshuid voor de laatste maal uit en wordt
+ een pop; in dezen toestand wordt geen voedsel opgenomen; ten
+ slotte komt uit de pop een vlinder. Men zegt, dat een vlinder een
+ gedaanteverwisseling doorloopt.
+ 2º Een volwassen insect, een kever, een vlinder, een bij, enz.
+ noemt men een imago.
+ 3º Het jonge dier, dat uit een insectenei komt, noemt men een
+ larve. Soms hebben die larven nog speciale namen, als: rups, made,
+ enz.
+ 4º Insecten eten in hun jeugd soms heel andere stoffen dan als
+ imago; een koolrups eet koolbladeren, een koolwitje honing.
+ 5º Insecten hebben ook vijanden, n.l. vogels en ook andere
+ insecten.
+ 6º Sommige insecten eten andere insecten gedurende hun leven geheel
+ uit, zooals de maden van een sluipwesp de koolrups uiteten; die
+ uiteters noemt men parasieten.
+ 7º Vlinders kunnen goed ruiken; dat kunnen trouwens alle insecten
+ goed.
+ 8º Vlinders leven meestal maar kort; als ze eieren hebben gelegd,
+ gaan ze dood.
+ 9º Voor het eierleggen zoeken de vlinders planten uit, die door de
+ rupsen gaarne gegeten worden.
+10º ’s Winters is er geen enkel koolwitje te vinden; alleen zijn er
+ dan poppen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II. LICHAAMSBOUW DER INSECTEN.
+
+
+a) UITWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM.
+
+Hoe verschillend de insecten er ook mogen uitzien, denk b.v. aan een
+mier en een vlinder, zij zijn allen volgens hetzelfde beginsel gebouwd.
+En dat beginsel is dit: het lichaam bestaat uit 3 goed te onderscheiden
+deelen:
+
+
+ 1º de kop, 2º het borststuk en 3º het achterlijf.
+
+
+Elk van deze deelen heeft zijn eigen werk te doen, heeft een bepaalde
+functie. Met den kop neemt het dier voedsel op en neemt het zijn
+omgeving waar; het kan zich oriënteeren. Door middel van de organen,
+die aan het borststuk zitten, de pooten en de vleugels, kan het zich
+verplaatsen. In het achterlijf zijn opgeborgen de ademhalings- en
+spijsverteringsorganen; als deze organen werken blijft het dier in
+leven.
+
+De indeeling van het lichaam berust dus op een verdeeling van arbeid;
+ieder deel heeft zijn eigen werk.
+
+
+
+I. DE KOP.
+
+Aan den kop treffen wij de volgende organen aan: 1º de sprieten, 2º de
+oogen, 3º de monddeelen.
+
+DE SPRIETEN. Ieder insect heeft 2 sprieten. Vroeger noemde men die
+voelhorens, omdat men meende, dat de insecten hiermede zouden kunnen
+voelen. Het is wel mogelijk, dat de insecten er mede voelen kunnen,
+maar zeker is het, dat ze er mede ruiken. De sprieten zijn dus de
+neuzen. Als men in een rupsen- of vlinderhuis, waarin levende vlinders
+zijn, een schoteltje honing zet, komen oogenblikkelijk de sprieten in
+beweging, en gaan de vlinders op den honing af. Had men vooruit van
+enkele vlinders de sprieten afgeknipt, dan zou men bemerken, dat de
+sprietloozen niet naar den honing gingen, omdat zij dien nu niet ruiken
+kunnen.
+
+Zoowel de larven als de volwassen dieren hebben sprieten; die van de
+larven zijn meestal klein, b.v. bij de rupsen. Zeer groote sprieten
+hebben de boktorren; soms zijn die eenige malen langer dan het lichaam.
+Hoe grooter de oogen zijn, hoe kleiner de sprieten; dat zien wij goed
+bij de glazenmakers. Het aantal vormen der sprieten is zeer groot; ze
+kunnen zijn: draad-, snoer-, haar-, en spoelvormig; ook: geknopt,
+gezaagd, gekamd, bladvormig. Meestal hebben de mannetjes grootere en
+meer ontwikkelde sprieten dan de wijfjes.
+
+DE OOGEN. De insecten bezitten twee soorten van oogen: enkelvoudige en
+samengestelde. Een rups heeft aan iedere zijde van den kop 6
+enkelvoudige of kleine oogen; in ’t geheel dus 12. De samengestelde
+oogen vertoonen aan de buitenzijde een groot aantal zeshoekige vlakjes;
+soms eenige duizenden. De meeste volwassen insecten bezitten zoowel
+enkelvoudige als samengestelde oogen; de kevers evenwel hebben haast
+alleen slechts samengestelde oogen. Een groot aantal insecten is blind.
+Het zijn dieren, die in holen, onder steenen of in hout leven. Ook
+onder de mierengasten (31) komen blinden voor. Nog meer dan bij de
+volwassen insecten vinden wij blinden onder de larven, b.v. de
+vliegenmaden; de larven van bijen, mieren, wespen, sluipwespen en
+boktorren zijn ook blind. Zij worden geboren midden in haar voedsel en
+hebben dus geen oogen noodig; overal, waarheen zij zich wenden of
+keeren, vinden zij haar boterham. Oogen dienen vooral om voedsel op te
+zoeken. Verschillende blinde insecten zijn toch wel gevoelig voor
+licht.
+
+DE MONDDEELEN. De mond is een zeer belangrijk orgaan omdat hiermede het
+voedsel wordt gegrepen en verkleind. Evenals bij de gewervelde dieren
+de tanden verschillen al naar het voedsel, dat het dier gebruikt:
+graseters, vruchteneters, vleescheters, vischeters, insecteneters, zoo
+staat de vorm der monddeelen van een insect ook in verband met het
+voedsel, dat het nuttigt. Van een insect geldt ook: „Laat mij je
+monddeelen zien, en ik zal zeggen wat je eet”.
+
+De monddeelen kunnen we in de volgende groepen verdeelen:
+
+
+ één bovenlip
+ twee bovenkaken
+ twee onderkaken
+ één onderlip;
+
+
+dus totaal 6 deelen. De bovenlip, die een soort luifel is, hoort er
+eigenlijk niet bij, maar gewoonlijk wordt zij er bij gerekend en daarom
+zullen wij het ook maar doen.
+
+Aan de onderkaken en aan de onderlip zitten vaak nog allerlei
+aanhangsels, die men tasters noemt; hiermede schijnen de dieren het
+voedsel te inspecteeren voor zij het naar binnen werken. Het voedsel
+dat de insecten opnemen is vast of vloeibaar. Het vaste voedsel:
+bladeren, stengels, wortels, vleesch, moet worden fijngeknipt; de kaken
+werken dan als een schaar in horizontale richting, dus van links naar
+rechts. Op deze wijze eten de kevers. Men zegt dat ze kauwen. Is het
+voedsel vloeibaar, dan moet dit worden opgelikt of opgezogen. Zoo
+likken de bijen en hommels den honing uit de bloemen, dat gemakkelijk
+gaat omdat de honing aan de oppervlakte ligt. Ligt de honing evenwel
+zeer diep, dan wordt hij door een buis naar boven gezogen; die buis is
+dan gevormd door de twee onderkaken, die zeer in de lengte zijn
+uitgegroeid, en met de holle zijde aan elkaar sluiten. Die lange buis,
+die oprolbaar is, heet roltong. Bij een koolwitje kan men met een speld
+of dun sprietje deze roltong heel gemakkelijk afrollen en uittrekken.
+
+Soms zit het vloeibare voedsel, dat de insecten zullen verorberen, nog
+achter weefsels verborgen, die dus doorboord moeten worden. Zulk
+voedsel is b.v. menschenbloed en plantenvocht. Als een steekmug ons
+bloed wil aftappen, geeft zij ons eerst een prik, zoo diep, dat zij bij
+het bloed is; dan zuigt zij het bloed op. Haar monddeelen zijn dus een
+soort zuigpomp die in ons lichaam wordt gezet. Daarom zijn de
+monddeelen van een steekmug zeer in de lengte uitgegroeid. Dat is ook
+het geval met de monddeelen van een bladluis. Die steekt haar snuit in
+den stengel of in het blad en zuigt dan zoo de sappen uit; stengel en
+blad worden leeggepompt, en als een blad nu aan één zijde met
+bladluizen is bezet, de onderzijde, dan begint het om te krullen;
+omgekrulde bladen wijzen op bladluizen of op mijten, die precies leven
+als de bladluizen.
+
+De bovenkaken werken, zooals wij zagen, van links naar rechts en niet
+van boven naar beneden. Zij dienen:
+
+
+ 1º om te kauwen en te bijten; men vindt die bij oorwormen,
+ glazenmakers, sprinkhanen, kevers; wespen, bijen; een rups knipt de
+ bladeren af.
+ 2º om prooi te vangen; dat ziet men goed bij de roofinsecten (32).
+ 3º als verdedigingsmiddel; dit is goed te zien bij de mannetjes van
+ het vliegend hert (48); die groote geweivormige kaken zijn de
+ bovenkaken en daarmede schijnen de mannetjes elkaar wel eens te
+ lijf te gaan.
+ 4º als steekwerktuigen bij de wantsen.
+
+
+Soms zijn de bovenkaken geheel verdwenen of rudimentair; dat komt voor
+bij vlinders en de meeste tweevleugeligen.
+
+De onderkaken dienen slechts zelden tot kauwen; meestal zijn die
+gewijzigd tot steek- en zuigorganen.
+
+De onderlip heeft ook geen vasten vorm; soms is zij een grijporgaan
+geworden en dan weer doet zij dienst als een koker om de onder- en
+bovenkaken te bergen.
+
+
+
+II. HET BORSTSTUK.
+
+Aan het borststuk treffen wij de organen aan, waarmede de insecten zich
+kunnen verplaatsen: de pooten en de vleugels. Als wij een borststuk
+netjes uit elkaar halen, dan blijkt, dat het uit drie deelen bestaat:
+1º ’t voor-, 2º ’t midden- en 3º ’t achterborststuk. Elk van deze
+deelen draagt één paar pooten, terwijl het midden- en achterborststuk
+ieder één paar vleugels dragen. Het voorborststuk draagt nooit
+vleugels. Bij de vliegen en muggen is het tweede paar vleugels
+gewijzigd en vinden wij daarvoor in de plaats de z.g. kolfjes.
+
+DE VLEUGELS. De vleugels dienen om te vliegen. Bij de kevers zijn de
+voorste vleugels hard en dienen tot bescherming van de achtervleugels,
+die in rust onder de dekschilden liggen opgevouwen. De oorspronkelijke
+beteekenis der voorste vleugels is dus gewijzigd. Een kever vliegt
+alzoo alleen met zijn achtervleugels. Bij de vliegen en muggen zijn de
+achtervleugels zooals wij zagen gewijzigd tot kolfjes; daarmede kunnen
+zij niet vliegen, dat doen zij dus met de voorvleugels.
+
+De voor- en achtervleugels zijn vaak verbonden, zooals dat voorkomt bij
+sommige avondvlinders en bijen en wespen; dat zijn daarom goede
+vliegers. Gewoonlijk verschillen de voor- en achtervleugels in vorm,
+teekening en grootte; bij vele libellen (77–79) zijn ze tamelijk wel
+gelijk.
+
+Mannetjes en wijfjes zijn vaak te herkennen aan de vleugels. Het komt
+ook voor, dat de wijfjes de vleugels missen; dat vinden wij bij enkele
+wintervlinders (139), den witvlakvlinder (143), de glimwormen (43) en
+bij de schildluizen. Soms zijn van de vleugels nog kleine stompjes
+over. Er zijn ook gevallen, dat mannetjes en wijfjes de vleugels
+missen; dan kunnen ze vaak hard loopen of springen: de vloo en sommige
+sprinkhanen. Sommige blijvende parasieten missen ook in beide
+geslachten de vleugels; aan verplaatsing zouden zij ook weinig hebben;
+waar ze zijn, vinden ze voedsel genoeg, We denken aan de
+hoofdparasieten bij kinderen. Er zijn ook gevallen, dat gevleugelde en
+ongevleugelde geslachten elkaar opvolgen: bladluizen.
+
+DE POOTEN. Het normale aantal pooten bij de volwassen insecten bedraagt
+6; daarom heeten ze wel hexapoden of zespootigen. Spinnen hebben 8
+pooten.
+
+De larven hebben soms meer dan 6 pooten, b.v. de rupsen, die meestal
+nog 10 buikpooten er bij hebben; sommige bastaardrupsen hebben zelfs 16
+buikpooten. De buikpooten en de eigenlijke of borstpooten verschillen
+in vorm.
+
+Elke borstpoot bestaat uit 5 deelen: heup, dijring, dij, scheen en
+voet. In de dij zitten goede spieren. Aan het uiteinde van den voet
+zitten 1 of 2 klauwtjes; daartusschen zitten vaak nog hechtlapjes o.a.
+bij de vliegen. Door verlenging, verkorting, verbreeding, sterkere
+beharing van een of meer der 5 deelen waaruit een poot bestaat,
+ontstaan allerlei pootvormen, die aan de insecten speciale diensten
+kunnen bewijzen.
+
+Daardoor kunnen wij onderscheiden:
+
+
+ 1. looppooten; die hebben de meeste insecten,
+ 2. roofpooten; bij de waterschorpioen,
+ 3. graafpooten; bij de veenmol en de mestkevers,
+ 4. springpooten: bij de sprinkhanen,
+ 5. verzamelpooten; bij de bijen en hommels,
+ 6. zwempooten; bij de waterkevers en de waterwantsen.
+
+
+Soms zijn de voorpooten in meerdere of mindere mate verkommerd; dan
+spreekt men van poetspooten. Die komen voor bij de volgende vlinders:
+vanessa’s, paarlemoervlinders en zandoogjes. Larven zonder pooten noemt
+men maden (vliegen).
+
+
+
+III. HET ACHTERLIJF.
+
+Het achterlijf draagt geen organen, wel aanhangsels, als: staart,
+legboor, angel. In den larvetoestand vinden wij soms buikpooten aan het
+achterlijf, zooals bij rupsen en bastaardrupsen. Een belangrijk
+aanhangsel in de legboor, die o.a. voorkomt bij sprinkhanen,
+waterjuffers, sluipwespen, bladwespen. De legboor dient om eieren in
+den grond of op andere verscholen plaatsen af te zetten. Bij de wijfjes
+van de bijen en hommels doet de legboor ook dienst als wapen en heet
+dan angel. In dien angel vloeit het vocht uit een giftklier.
+
+Op de segmenten van het achterlijf zijn goed waarneembaar kleine
+openingen, stigma’s, die het begin zijn van de ademhalingsbuizen.
+Sommige insecten, zooals de bijen, scheiden uit het achterlijf was af;
+dat zweeten zij uit aan de buikzijde.
+
+In verband met de meerdere of mindere ontwikkeling van de vleugels en
+pooten zou men de insecten aldus kunnen indeelen:
+
+
+ 1. Loopers; hebben goede pooten en vliegen weinig; oorwormen en
+ kevers. Hiertoe behooren ook de springers.
+ 2. Vliegers; hebben meestal zwakke pooten, zooals vlinders, bijen.
+ 3. Stilzitters; dit zijn meestal parasieten, die goed ontwikkelde
+ pooten hebben om zich vast te houden, b.v. schildluizen, luizen.
+
+
+De huid van de insecten bestaat uit een laag chitine, waaronder levende
+cellen. Deze cellen scheiden de chitine af. Chitine bezit een groot
+weerstandsvermogen, het is oplosbaar in kokend geconcentreerd
+salpeterzuur. Op de huid nemen wij haren en schubben waar. Deze
+ontstaan uit de laag levende cellen onder de chitinelaag. De beteekenis
+der haren is zeer verschillend; sommige brengen indrukken of prikkels
+van buiten over, dat zijn zintuigharen; de bijen hebben verzamelharen,
+waartusschen het stuifmeel blijft zitten; processierupsen bezitten
+giftharen. Bij verschillende waterinsecten wordt de ademhalingslucht
+door de haren vastgehouden. Niet zoo algemeen verbreid als de haren
+zijn de schubben; toch komen zij bij veel insecten voor, bij de
+kokerjuffers, bij vlinders, bij eenige kevers, tweevleugeligen en
+anderen. Schubben zijn kleiner dan haren. Sommige schubben geuren; men
+noemt ze riekschubben. Er zijn ook vlinders zonder schubben: sesia’s
+(123).
+
+
+
+
+
+b) INWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM.
+
+Insecten hebben geen geraamte zooals de gewervelde dieren, bij wie de
+spieren aan de beenderen vastzitten. Wel bezitten de insecten ook
+spieren, doch die zijn bevestigd aan de huid, die door de chitine
+stevig is. Daarom zegt men ook wel dat de insecten hebben een
+huid-skelet. Dat stevige huidskelet maakt, dat de insecten niet in
+elkaar zakken. Alle hoofdorganen, die de hoogere dieren bezitten,
+treffen wij ook bij de insecten aan, n.l. spijsverteringskanaal,
+ademhalingsorganen, een hart, dat de bloedsomloop regelt, een
+zenuwstelsel, dat alle spieren bestuurt, en ook uitloopers naar de
+zintuigen zendt; verder verschillende klieren, die vochten naar binnen
+of naar buiten afscheiden.
+
+SPIJSVERTERING. De planteneters hebben een veel langer darmkanaal dan
+de vleescheters, net als bij de hoogere dieren. Insecten, die honing
+naar huis moeten dragen, doen dat in hun maag, zooals de bijen en
+hommels. Als men een gevulde honingbij, die naar den korf vliegt, vangt
+en wat drukt, komt de honing door den mond naar buiten. In de
+honingmaag ondergaat de honing al eenige wijziging; o.a. is hij zoo
+waterrijk niet als hij in de bloemen was. Komt een bij in den korf
+terug, dan werkt zij den honing door den mond weer naar buiten.
+
+Veel insecten eten in den larvetoestand zeer veel, b.v. rupsen. Dan
+leggen zij tegelijk wat reservevoedsel aan, dat zij als pop verwerken.
+Gewoonlijk eten de larven het meest.
+
+Sommige volwassen insecten eten in het geheel niet en andere gebruiken
+zeer weinig. Het wijfje van den witvlakvlinder en de haften eten niets;
+zij leven ook maar kort; de eerste een paar dagen en de laatste soms
+maar een paar uur of nog korter. Larven die veel eten, zooals de
+rupsen, produceeren heel wat uitwerpselen. Wie wel eens rupsen heeft
+opgekweekt weet dat, en zorgt er voor, dat dagelijks het rupsenhuis
+wordt gereinigd.
+
+ADEMHALING. Alle insecten hebben lucht noodig; toch niet zooveel als
+men gewoonlijk denkt. Landinsecten, die men onder water brengt, houden
+het vaak nog eenige dagen vol; dat bewijst, dat zij niet veel versche
+lucht noodig hebben. De meeste insecten hebben 10 paar luchtbuizen,
+tracheeën; 2 of 3 paar in het borststuk, de rest in het achterlijf.
+Zoo’n luchtbuis gelijkt een boom, die tot in zijn fijnste vertakkingen
+geheel is uitgehold; ’t dikke ondereinde staat met de buitenlucht in
+verbinding, door een zeefvormig traliewerk. De lucht kan er wel door,
+doch het stof wordt tegengehouden. Al die boomvormige luchtbuizen staan
+in het lichaam van een insect met elkaar in verbinding. De stigma’s
+zelf, zoo heet dat zeefvormig traliewerk, kan men gemakkelijk aan de
+zijkanten van het achterlijf zien.
+
+Soms zijn er nog aanhangsels aan de luchtbuizen; dat zijn dan
+luchtzakken, die het insect volpompt voor het gaat vliegen. Bij de
+meikevers kennen wij dit wel en noemen het „geldtellen”.
+
+Hoe halen nu de waterinsecten adem?
+
+
+ 1º Sommige komen van tijd tot tijd aan de oppervlakte om lucht te
+ halen, b.v. de gerande watertor (28) en de zwarte watertor (25). De
+ gerande watertor komt met het achterlijf naar boven. De zwarte of
+ spinnende watertor komt met den kop naar boven en gebruikt zijn
+ korte, verbreede en sterk behaarde sprieten om daarmede de lucht op
+ te nemen, die langs den fijn behaarden buik naar de stigma’s wordt
+ gevoerd. De larve van den zwarten heeft aan het achterlijf 2
+ stigma’s zitten en komt hiermede van tijd tot tijd naar boven. Dat
+ doen meer larven.
+ 2º Andere larven van waterinsecten halen adem door kieuwen, die
+ huiduitstulpingen zijn. De uitwisseling der gassen heeft dan door
+ de huid heen plaats.
+
+
+BLOEDSOMLOOP. Het hart van de insecten ligt aan de rugzijde. Evenals
+bij de hoogere dieren is het hart de motor, die het bloed door het
+lichaam drijft. Een bloedvatenstelsel ontbreekt; men spreekt in zoo’n
+geval van open bloedsomloop. Toch is de strooming wel min of meer
+geregeld. Het bloed komt aan de achterzijde van het hart in beweging en
+gaat aan de voorzijde er weer uit. De beweging van het bloed wordt
+veroorzaakt door het kloppen (samentrekken) van het hart; soms klopt
+het 40 tot 50 maal en na het vliegen soms maar dan 100 maal per minuut.
+Bij een pop klopt het hart zeer langzaam. De hoogere dieren hebben in
+hun bloed roode en witte bloedlichaampjes; de roode zijn dan de
+ademhalingscellen, die de zuurstof door het lichaam vervoeren. Omdat
+bij een insect de lucht het geheele lichaam doortrekt, hebben deze
+dieren geen roode bloedlichaampjes noodig. Een enkele uitzondering is
+evenwel waargenomen. De bloedvloeistof of het serum is kleurloos of
+gekleurd en in dit laatste geval geel-, rood- of bruinachtig. Soms
+groen, doch dit komt dan van het eten van bladgroen.
+
+ZENUWSTELSEL. Het zenuwstelsel bestaat uit een dubbele streng, waarin
+verschillende verdikkingen worden gezien. Die verdikkingen heeten
+zenuwknoopen. De eerste zenuwknoop ligt boven in den kop, alle andere
+liggen aan de buikzijde. De eerste en tweede zenuwknoop zijn door
+strengen verbonden en daar tusschen loopt de slokdarm. Dit gedeelte van
+het zenuwstelsel noemt men den slokdarmring.
+
+Van den bovensten kopzenuwknoop gaan zenuwen naar de oogen en naar de
+sprieten; van den tweeden knoop naar de monddeelen, de speekselklieren.
+De andere zenuwknoopen zenden zenuwen naar de pooten, vleugels en alle
+inwendige organen.
+
+DE ZINTUIGEN. De insecten bezitten dezelfde zintuigen als de hoogere
+dieren: het gezicht, het gehoor, het gevoel, den smaak en den reuk. De
+reuk is ongetwijfeld het sterkst ontwikkeld, en sterker, dan wij ons
+zelfs kunnen voorstellen. Laten wij over de zintuigen nog iets naders
+vertellen.
+
+HET GEZICHT. Bij verschillende insecten hebben de mannetjes betere
+oogen dan de wijfjes. Bij de tweevleugeligen zien wij twee soorten van
+vlakjes of facetten in de oogen: groote en kleine. Dit verschil moet
+van groot voordeel zijn bij het waarnemen van bewegingen. Op afstanden
+nemen de insecten al bewegingen waar en vliegen dan op; dat weet ieder
+die beproeft insecten te vangen. Bij de haften is die verdeeling zoo
+ver gegaan, dat ieder oog der mannetjes in 2 oogen is verdeeld;
+zoodoende hebben deze dieren feitelijk 4 oogen.
+
+In verband met het gezicht staat ook het lichtgevend vermogen van
+sommige avond- of nachtdieren. Wij kennen dit vermogen vooral bij de
+glimwormen (42–43). Van onze gewone glimwormen is het mannetje
+gevleugeld en wijfje ongevleugeld. Zoo’n wijfje lijkt daardoor veel op
+een larve. Het meeste licht geeft het wijfje. De lichtgevende cellen
+zijn veranderde cellen van het vetlichaam; hierdoor loopen sterk
+vertakte luchtbuizen.
+
+Eigenaardig is het, dat het lichtgevendvermogen onafhankelijk van het
+dier zelf is; na den dood lichten ze nog.
+
+DE REUK. De reuk is wel ongemeen sterk ontwikkeld. Veel meer dan het
+gezicht helpt de reuk de insecten om hun voedsel te vinden. Den geur
+der bloemen kunnen de insecten op grooten afstand waarnemen. Wanneer
+hier of daar een stuk vleesch wordt neergelegd, dan is dit in een
+minimum van tijd bezet met vleeschvliegen, die daarop haar eieren komen
+leggen. Zoo gaat het ook met dierenlijken in de vrije natuur. De
+doodgravers (kevers) (30) ruiken de lijken en komen er op af, evenals
+de aasvliegen en in weinige dagen is er al veel weggewerkt. Besmeert
+men boomstammen met honing, of met bier, stroop, rum en appelaether,
+dan komen daarop in de schemeringuren allerlei vlinders af, die dan
+gemakkelijk zijn te vangen. Deze vangmethode noemt men „stroopen” d.i.
+met stroop werken.
+
+Avondvlinders ruiken ook de boomen, op wier bladeren zij eieren
+afzetten. Den geur van vele boombladeren kunnen wij nauwelijks
+waarnemen, doch voor de vlinders gaat dit zonder bezwaar.
+
+Van het sterke reukvermogen der mannetjes kan men juist profiteeren om
+hen te vangen. Van af midden Juli vliegt als een razende door de lucht,
+het mannetje van den witvlakvlinder (143); het wijfje van dezen vlinder
+is ongevleugeld en kan zich niet verplaatsen. Heeft men nu een wijfje
+en zet men dit in een sigarenkistje buiten, dan komen de mannetjes
+hierop af en gaan op het sigarenkistje zitten. Zet men het
+sigarenkistje in huis voor een gesloten raam, ook dan nog komen de
+mannetjes er op af en zetten zich tegen het raam neer. Dat is wel een
+bewijs, hoe goed de mannetjes ruiken kunnen. Bij een andere
+vlindersoort is het gelukt op deze wijze in één avond meer dan 100
+mannetjes te vangen. Zooals wij reeds vermeldden, staat hiermede in
+verband, dat de mannetjes grootere en meer vertakte sprieten hebben,
+waardoor zij beter kunnen ruiken. Sommige mannetjes van de vlinders
+geuren zelf ook; zij bezitten daartoe speciale riekschubben, die deze
+geuren verspreiden. Het zijn meestal aangename geuren: ananas, citroen,
+heliotroop.
+
+HET GEHOOR. Dat de insecten een gehoor bezitten, kunnen wij reeds
+hieruit opmaken, dat vele insecten geluid voortbrengen. Dat moet
+natuurlijk dienen om de aandacht van andere soortgenooten te trekken.
+Een keukenkakkerlak houdt met loopen op, zoodra een vioolsnaar wordt
+aangestreken, en de rugzwemmers (97) en de duikerwantsen (98) snellen
+wild door elkaar als op een viool d' wordt aangestreken.
+
+Vroeger dacht men, dat het gehoororgaan in de voelhorens zat—men
+vergeleek die met de ooren van een mensch—doch thans weten wij, dat de
+ooren der insecten op verschillende plaatsen van het lichaam zitten: in
+de beenen, in de vleugels, in ’t achterlijf en soms ook in de sprieten.
+Evenals in de plaatsing is er ook groote verscheidenheid in den bouw
+der gehoororganen. Het voortbrengen van geluid komt vooral voor bij de
+rechtvleugeligen: de veldsprinkhaan, de sabelsprinkhaan en de krekel.
+Het beginsel bij het voortbrengen van geluid bij deze dieren is dit,
+dat over een rasp een chitinelijst wordt gestreken. Als wij over een
+kam strijken ontstaat ook geluid.
+
+Bij de veldsprinkhanen zit de kam aan de dikke dij van den achterpoot
+en de lijst aan den voorvleugel. Bij de sabelsprinkhanen ligt de rasp
+aan de onderzijde van den linkervleugel en de lijst aan de bovenzijde
+van den rechtervleugel. Bij de lijst bevindt zich tevens een
+resoneerplaat, waardoor het geluid versterkt wordt.
+
+Deze organen worden alleen bij de mannetjes waargenomen. De wijfjes der
+sprinkhanen bezitten ook een soort geluidsorgaan, dat zijn eigen bouw
+heeft; het zit vaak op een andere plaats.
+
+Op de heide bij ons komt een sprinkhaan voor, het huphaantje,
+Ephippigera vitium, dat gereduceerde voorvleugels heeft; de
+achtervleugels ontbreken.
+
+Hier maken mannetjes en wijfjes muziek, doch de ligging der organen is
+verschillend; bij het mannetje is de linkervleugel kam en de
+rechtervleugel lijst; bij wijfje is het precies andersom.
+
+De wijfjes komen op de sjilpende mannetjes af.
+
+De groote treksprinkhanen hebben maar zeer kleine geluidsorganen; ze
+zijn altijd in grooten getale bij elkaar, zoodat ze feitelijk geen
+loktonen noodig hebben.
+
+Bij de krekels is het als bij de sabelsprinkhanen. In Artis in
+Amsterdam zijn in het insectarium van tijd tot tijd veldkrekels. Daar
+kan men hen geluid zien en hooren maken.
+
+Indien dit voortbrengen van het geluid een doel heeft, dan moeten er
+ook gehoororganen zijn om dit op te vangen. En die zijn er ook. Bij de
+veldsprinkhanen zit het gehoororgaan aan den basis van het achterlijf
+en bij de sabelsprinkhanen en de krekels aan de scheen van den
+voorpoot. Bekend is ook het geluidsorgaan van de cicaden, doch daar is
+het van een geheel andere constructie. Het grootste deel van het
+achterlijf der mannetjes is geluidstrommel. Deze dieren maken soms een
+vreeselijk geluid, dat op verren afstand te hooren is; zij komen in ons
+land evenwel niet voor. Sommige insecten maken geluid door hun kop
+tegen een voorwerp aan te slaan; dat doet o.a. het doodskloppertje
+(50). Door deze loktonen komen deze kevers tot elkaar.
+
+Bekend is het, dat verschillende insecten onder en door het vliegen
+geluid maken. Door den snellen vleugelslag begint de lucht te trillen:
+vliegen, muggen, bijen, hommels, pijlstaartvlinders. Wij kunnen de
+vliegtonen nog waarnemen als de vleugels zich minstens 20 maal per
+seconde bewegen. Langzame vliegers, zooals de dagvlinders, zij
+fladderen, vliegen geruischloos; een koolwitje doet maar 9 slagen in de
+seconde. Pijlstaarten maken 70 tot 80 vleugelslagen, bijen ongeveer 180
+en kamervliegen 330 slagen per seconde. Ook kevers, o.a. de
+doodgravers, boktorren en mestkevers, enkele wantsen, mieren en zelfs
+de doodshoofdvlinder maakt geluid, o.a. als men hem aan den kop plaagt.
+
+DE SMAAK. De organen voor den smaak zetelen voornamelijk aan den kop;
+als zoodanig doen zich voor allerlei aanhangsels, tasters, aan de
+onderkaken en onderlip. Sommige insecten bepalen zich tot één soort
+voedsel; zij sterven liever, dan iets anders tot zich te nemen. Het
+onderzoek naar den aard van het voedsel geschiedt nu door de tasters.
+Wellicht zijn nog andere organen daarbij werkzaam.
+
+HET GEVOEL. Dat zetelt in de huidzintuigorganen, waarvan er vele op het
+lichaam van het insect worden aangetroffen. Wij kunnen hierop niet
+verder ingaan, maar dit staat wel vast, dat de insecten op velerlei
+manieren de buitenwereld kunnen waarnemen.
+
+DE KLIEREN. Een klier is een groep cellen, (soms ook maar één cel), die
+een bepaalde stof afscheiden. Bekend zijn de speekselklieren, de
+maagklieren, die in verband staan met de spijsvertering. Behalve deze
+klieren bezitten de verschillende insecten er nog andere, die eveneens
+voor de dieren van groote beteekenis zijn. Men kan die klieren tot de
+volgende groepen brengen: verdedigingsklieren, giftklieren, spin- en
+lijmklieren, wasklieren.
+
+VERDEDIGINGSKLIEREN. Deze produceeren alle een onaangenaam riekende
+stof. Wantsen, kakkerlakken, geven bekende luchten af. Oorwormen
+bezitten ook stinkklieren. Verschillende kevers brengen onaangename
+stoffen naar buiten. Bij den bombardeerkever verdampt het naar buiten
+gebrachte vocht terstond tot een blauwachtig wolkje.
+
+Sommige rupsen brengen uitstulpbare klieren naar buiten.
+
+GIFTKLIEREN. Komen voor bij bijen en hommels; ook mieren bezitten nog
+deze klieren. Het speeksel van muggen, steekvliegen, vlooien en wantsen
+bezit eveneens scherpe eigenschappen.
+
+SPINKLIEREN. Zijn zeer belangrijk voor de insecten; bij de rupsen
+monden zij uit aan de onderlip. De spinstof is taai en verhardt aan de
+lucht. Technisch is de spindraad van de zijderups van beteekenis.
+
+LIJMKLIEREN. Komen voor o.a. bij verschillende vlinders; met de
+lijmstof worden de eieren vastgehecht.
+
+WASKLIEREN vinden wij bij de bijen en bladluizen; ook nog bij andere
+insecten. De wasklieren der bijen zijn geheel andere organen dan die
+van de blad- en schildluizen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III. VAN EI TOT IMAGO.
+
+
+Alle insecten ontstaan uit eieren. Vroeger meende men, dat de insecten
+uit vuil konden ontstaan; dat is onjuist. Wel is het waar, dat vele
+insecten in vuil hun eieren leggen en dat daaruit dan nieuwe insecten
+ontstaan, maar als er geen eieren worden gelegd komen er ook geen
+insecten. Sommige huismoeders denken dat de hoofdparasieten bij de
+kinderen vanzelf ontstaan; ook dat is niet waar. Als de oude parasieten
+geregeld door wasschen en kammen worden verwijderd, houdt men de
+hoofden rein. Wel loopen de ongedierten van het eene kind naar het
+andere.
+
+Er zijn timmerlieden, die meenen, dat in den zaagselhoop van zelf
+vlooien ontstaan. De waarheid is, dat de vlooien in die hoopen gaarne
+haar eieren leggen en dat uit die eieren dan weer nieuwe vlooien komen.
+Van tuinlieden hoort men wel, dat door tocht bladluizen ontstaan. Ook
+dat kan niet. Wel worden door den wind, door tocht, gevleugelde
+bladluizen medegevoerd van de eene plant naar de andere. Insecten
+ontstaan dus alleen uit eieren, die door de oude insecten worden
+gelegd.
+
+HOE DIKWIJLS LEGGEN DE INSECTEN EIEREN? De meeste insecten leggen maar
+eenmaal eieren en sterven dan. Loopkevers en ook wel snuittorren en
+schorskevers leggen de eieren met groote tusschenpoozen. Die dieren
+leven als imago dan ook 2 tot 3 jaar. Een bijenkoningin legt gedurende
+4 à 5 jaar eieren en de wijfjes der mieren en termieten doen dat wel
+tot 15 jaar; dat worden dus heel oude dieren.
+
+HET AANTAL EIEREN. Een vloo legt maar een dozijn eieren; een doodgraver
+een 30, een zijdevlinder 500, de groote beervlinder een 1600. De
+sociale wespen, dat zijn die, welke in kolonies leven, kunnen wel van
+20 tot 30000 eieren leggen, en een bijenkoningin kan het gedurende haar
+leven wel brengen tot 60000. Termieten leggen eenige millioenen eieren.
+
+WAAR WORDEN DE EIEREN GELEGD? De meeste eieren worden op of in het
+voedsel gelegd, dat de larve zal eten. Vlinders leggen hun eieren op
+planten, vleeschvliegen op vleesch en lijken; eten de larven wortels
+van planten, dan worden de eieren in den grond gelegd, zooals de
+meikever dat doet.
+
+Soms wordt bij het ei voedsel gelegd; dat doen graafwespen. En bij
+sociale wespen worden de larven geregeld gevoederd.
+
+HOE WORDEN DE EIEREN AFGEZET? 1º Sommige insecten, zooals de wandelende
+takken, die wij wel in Artis kunnen zien, laten hun eieren maar gewoon
+vallen; deze eieren gelijken veel op zaden. De eieren van de wandelende
+bladen lijken nog meer op zaden en wel op die van de schermbloemigen.
+Zou dit een soort bescherming, mimicry, zijn? 2º Ook worden de eieren
+wel in groepen of schooltjes gelegd; ze worden dan aan een onderlaag
+vastgekleefd: de ringelrupsvlinder legt ze in een ringetje om een
+takje, de plakker bedekt de eieren, de witvlakvlinder legt ze op zijn
+cocon en het koolwitje aan de onderzijde der koolbladeren. 3º De
+gaasvliegen (106) leggen gesteelde eieren. Dat gaat zoo. Eerst wordt
+kleefstof op een blad aangebracht en daarmede het ei in aanraking
+gebracht, dat nu opgetrokken wordt; de steel ontstaat uit de kleefstof.
+4º Eieren worden ook in kapsels gelegd; die kapsels ontstaan uit
+klierstoffen; wij zien dit bij sprinkhanen, die er ook nog zand bij
+mengen en bij kakkerlakken. 5º Kokerjuffers leggen haar eieren in
+structuurlooze kapsels; de eieren zijn dan omgeven door gelei.
+
+BESCHERMING DER EIEREN. Hoe beter de eieren beschermd zijn, des te meer
+kans bestaat, dat de insecten niet zullen uitsterven. Daarom worden de
+vijanden zooveel mogelijk van de eieren afgehouden. Het wijfje legt
+daartoe de eieren in reten en scheuren van boomstammen, aan de
+onderzijde der bladeren. De zwarte, spinnende watertor (25) spint voor
+de eieren een groot kapsel, het bekende bootje. Vaak worden de eieren
+met haren bedekt. Bij de schildluizen zit de moeder op de eieren. De
+keukenkakkerlak draagt de eieren bij zich. De oorwormen houden onder
+steenen de wacht bij de eieren, en verdedigen ze tegen andere insecten.
+De veenmol legt ze in een nest en bewaakt dat. Bij de sociale insecten,
+(mieren, wespen,) worden de eieren beschermd door de strijdlustige
+arbeidsters en soldaten, en zoo noodig verplaatst. Als een bijzondere
+bescherming van de eieren en jongen is het te beschouwen, als de eieren
+en larven in het lichaam van het oude insect worden bewaard. Dat
+verschijnsel heet vivipari.
+
+VIVIPARI. Hieronder verstaat men het verschijnsel, dat de eieren niet
+worden gelegd, doch in het lichaam worden uitgebroed. Deze insecten
+brengen dus larven voort, meer of minder ontwikkeld. Er is maar één
+geval bekend, dat zoo’n larve het zelfs tot imago brengt, voor zij ter
+wereld komt. Bij hoogere dieren komt vivipari ook wel voor. Haaien
+broeden de eieren in de lichaamsholte uit; ook bij ringslangen komt dit
+wel voor.
+
+Vivipari treedt in alle orden der insecten op. Bekend zijn vooral de
+bladluizen en schildluizen, bij wie het veel voorkomt. Bij de
+tweevleugeligen (vliegen) komt het in verschillende trappen voor. Van
+parasietvliegen is het bekend, dat uit de eieren, die op de rupsen
+worden gelegd, direct de larven voor den dag komen.
+
+GERMINOGONIE. Dit is een heel bijzondere manier van voortplanting; uit
+één ei komen dan honderden insecten. Dit is omstreeks 1900 ontdekt. Zoo
+heeft men in één rups 1000 en meer sluipwespen gevonden, die uit zulke
+uiteengevallen eieren waren ontstaan. Bij hoogere dieren komt dit ook
+wel voor; bij de aardwormen komen uit één ei twee jongen en bij de
+gordeldieren komen uit één ei 4 jongen.
+
+PARTHENOGENESE. Het verschijnsel, dat er veel meer wijfjes optreden dan
+mannetjes, zelfs, dat er in het geheel geen mannetjes ontstaan of
+bekend zijn, noemt men parthenogenese.
+
+In het algemeen komen er in de dierenwereld meer mannetjes dan wijfjes
+voor. Bij de hoenders worden er meer hennen dan haantjes geboren.
+Daarentegen zijn er bij de spinnen 8 maal zooveel mannetjes als
+wijfjes.
+
+Parthenogenese komt in alle insectenorden voor. In mierennesten leeft
+o.a. een soort krekel, Myrmecophila acervorum, waarvan onlangs voor het
+eerst een mannetje is waargenomen. Ook van sommige soorten wandelende
+takken zijn nooit mannetjes gezien. Onder de heel groote soorten, die
+wij wel in Artis in Amsterdam zien, komen maar zelden mannetjes voor.
+
+Bij de kommaschildluis vinden wij ook geen mannetjes. Van vele
+vachtluizen zijn de mannetjes onbekend of komen zelden voor. Bij de
+bladwespen komt parthenogenese veel voor. Als men deze dieren in huis
+kweekt, krijgt men daarentegen vaak alleen mannetjes. Ook bij
+sluipwespen neemt men dit waar.
+
+Bekend is het, dat uit de eieren van de werksters van de bijen alleen
+mannetjes komen. Ook bij vlinders is parthenogenese waargenomen,
+evenals bij enkele keversoorten.
+
+HETEROGONIE. Men spreekt van heterogonie of cyclische voortplanting,
+als een generatie van mannetjes en wijfjes afwisselt met een of meer
+geslachten van uitsluitend wijfjes. Tusschen deze beide generaties
+bestaan dan niet zelden zeer groote verschillen in vorm, waardoor deze
+dieren vroeger verschillende namen hebben gekregen. Heterogonie komt
+voor bij galwespen (166) en bij bladluizen. Van de bladluizen is het
+bekend, dat op één geslacht van mannetjes en wijfjes vele geslachten
+van uitsluitend wijfjes volgen; in één zomer soms wel 10 tot 16.
+Wanneer in den zomer onze planten vol luis zitten, zijn dit uitsluitend
+wijfjes.
+
+GEDAANTEVERWISSELING. Alle insecten ontwikkelen zich uit eieren; de
+jonge insecten, die uit de eieren komen, noemt men larven. Lijken de
+jonge insecten, de larven, nu ook al op de ouden, zooals b.v. een jong
+kuikentje al op een kip of haan gelijkt? Soms wel, soms niet. Zoo lijkt
+de larve, die uit een sprinkhanenei is gekropen, al aardig op een
+grooten sprinkhaan; ze is wel veel kleiner, ook de organen zijn niet
+geheel uitgegroeid en de vleugels ontbreken nog geheel, maar men kan
+toch wel zien, dat het een sprinkhaan zal worden. De larve, die uit een
+vlinderei komt—een rups—lijkt in ’t geheel niet op een vlinder; toch
+wordt de rups eenmaal een vlinder. Zoo lijkt de larve van een
+meikever—een engerling (5)—ook niet op een meikever.
+
+Uit de eieren van suikergasten (73), van ongevleugelde dierluizen en
+vachtluizen komen jongen, die geheel op de ouden gelijken, doch alleen
+veel kleiner zijn. Er is dus nog al eenig onderscheid in de
+verschillende groepen.
+
+We kunnen dus 3 gevallen onderscheiden:
+
+
+ 1º de jongen zijn geheel gelijk aan de ouden, doch veel kleiner; ze
+ gebruiken hetzelfde voedsel als de ouden;
+ 2º de jongen gelijken wel op de ouden, doch hebben geen vleugels en
+ ook andere organen zijn nog niet geheel uitgegroeid; ook deze
+ larven leven meestal op dezelfde wijze als de ouden;
+ 3º de jongen gelijken heelemaal niet op de ouden; ze gebruiken
+ meestal geheel ander voedsel dan de ouden en leven ook op een
+ andere manier; een rups leeft van bladeren en een vlinder van
+ honing.
+
+
+Maar hoe wordt een rups nu een vlinder? Al groeit zij nog zoo hard en
+al eet zij nog zooveel, een rups blijft een rups, en toch moet er een
+vlinder van worden.
+
+Er moet dus een heele verandering in de rups plaatsgrijpen, een
+verandering, die zoo groot is, dat wij ons daarvan haast geen
+voorstelling kunnen maken. Om die verandering tot stand te brengen,
+gaat de rups over in een toestand van uitwendige rust, om alle krachten
+te kunnen wijden aan haar vormverandering. De rups gaat, voor zij
+vlinder wordt, in den poptoestand over.
+
+Zoo’n poptoestand komt ook voor bij de kevers, bij de vliegen, bij de
+bijen, hommels en bij meer andere insecten.
+
+Na verloop van langer of korter tijd scheurt de pophuid open en komt de
+volwassen vlinder, kever, vlieg, wesp of bij er uit. Van deze insecten,
+die in hun ontwikkeling een poptoestand doormaken, zegt men, dat zij
+hebben een volkomen gedaanteverwisseling, dus eerst ei, dan larve,
+daarna pop en ten slotte imago.
+
+Bij andere insecten nemen wij geen poptoestand waar, die is daar ook
+niet noodig, want al groeiende en vervellende begint de larve op de
+ouden te gelijken en bij de laatste vervelling is zij een imago
+geworden. Wij kennen hier dus maar 3 sterk van elkaar verschillende
+toestanden: ei, larve en imago. In tegenstelling met de vorige groep
+insecten, zegt men van deze, dat zij hebben een onvolkomen
+gedaanteverwisseling. Dat woord „onvolkomen” zou ons doen denken, dat
+er iets aan de gedaanteverwisseling hapert. Dit is niet het geval. Men
+gebruikt nu eenmaal dit woord en daarom zullen wij het ook maar doen,
+doch mooi en correct is het niet.
+
+
+
+Als wij nu nog eens samenvatten, wat wij hierboven vertelden, dan
+kunnen wij omtrent de gedaanteverwisseling het volgende zeggen:
+
+
+ 1º er zijn insecten zonder gedaanteverwisseling: suikergasten,
+ luizen;
+ 2º een onvolkomen gedaanteverwisseling nemen wij waar bij de
+ rechtvleugeligen (krekels, kakkerlakken, sprinkhanen, veenmol,
+ wandelende takken en bladen), bij de oorwormen en bij libellen of
+ waterjuffers; bij deze laatste heeft nog iets bijzonders plaats,
+ waarop wij nog terugkomen;
+ 3º een volkomen gedaanteverwisseling treffen we aan bij de
+ vlinders, de kevers, de bijen, de mieren en andere.
+
+
+Al deze gevallen hebben betrekking op de verandering van de dieren, als
+zij eenmaal uit het ei zijn gekropen. In het ei zelve heeft evenwel de
+grootste vormverandering plaats gehad; daar is uit één cel een heel
+dier gegroeid. Men noemt dit wel de embryonale gedaanteverwisseling.
+
+Over de larven spreken wij nog nader bij Plaat I en over de poppen bij
+Plaat II.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV. HOE LANG LEEFT EEN INSECT?
+
+
+In het algemeen kunnen wij zeggen, dat de meerderheid der insecten voor
+hun ontwikkeling van ei tot imago één jaar noodig hebben. Komen er
+meerdere geslachten in één jaar voor, dan duurt de ontwikkeling
+natuurlijk korter. Meestal duurt de ontwikkeling van de wintergeneratie
+dan langer. Van de eieren, die de witvlakvlinder in Augustus legt,
+komen eerst in April of Mei vlinders; dat duurt 9 à 10 maanden. De
+zomergeneratie daarentegen ontwikkelt zich in 2, 2½ of 3 maanden.
+
+Er zijn evenwel insecten, die langer tijd noodig hebben om zich tot
+imago te ontwikkelen; dan hebben vooral de larven langer tijd noodig.
+Van vele houtkevers duurt de ontwikkeling 2 jaar, de meikever heeft 3–4
+jaar noodig, en een Amerikaansche cicade zelfs 17 jaar. Invloed op den
+duur der ontwikkeling hebben de warmte en de vochtigheid van de lucht.
+Er schijnen nog andere invloeden werkzaam te zijn, die men nog niet
+kent. Het komt voor, dat b.v. vlinders, die in ’t begin van den zomer
+uit de pop moesten komen, daarmede nog 1 of meer jaren wachten, zelfs
+5, 6, ja 8 jaren.
+
+Of deze poppen, die dan toch leven en daardoor voedsel verbruiken, ten
+slotte niet uitgeput raken? Het schijnt van niet. Volgens een bekende
+insectenkundige, gravin von Linden, zouden de poppen net als de planten
+koolzuur uit de lucht opnemen en hiervan de koolstof vasthouden; ook
+zouden zij stikstof uit de lucht kunnen opnemen, zooals de bacteriën
+aan de wortels van de vlinderbloemigen doen. Intusschen wordt deze
+opvatting door anderen weer bestreden. Maar het feit van de „verjaring”
+der poppen staat vast. Wie vlinders opkweekt en soms tevergeefs wacht
+op het uitkomen der poppen, moet zijn poppen dus nog niet wegdoen.
+
+Sommige imago’s leven maar enkele uren, b.v. het oeveraas (75);
+verschillende vlinders verscheidene maanden, vooral die, welke als
+imago overwinteren, ’t citroentje (109). Sommige kevers leven meerdere
+jaren, o.a. schorskevers, de poppenroover (33) en andere
+schallebijters. De langste levensduur hebben de wijfjes of koninginnen
+van de sociale insecten. Een bijenkoningin wordt 5 jaar, die uit een
+mierenkolonie tot 12 en een termietenkoningin zelfs tot 15 jaar. In al
+dien tijd behouden zij de geschiktheid eieren te leggen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+V. HOE OVERWINTEREN DE INSECTEN?
+
+
+Het spreekt vanzelf, dat een insect in den een of anderen toestand den
+winter moet doorbrengen: als ei, larve, pop of imago. Nu zijn van elk
+vele voorbeelden op te geven; we zullen er enkele opnoemen. Als ei
+overwinteren de ringelrups, de witvlakvlinder, de plakker, de
+bladluizen, de sprinkhanen. Veel meer insecten blijven als larve den
+winter over: vele rupsen, de beerrups, de bastaardsatijnvlinder (in
+nesten), larven van loopkevers, engerlingen, enz. Als pop blijven den
+winter over: het koolwitje, de koninginne-page, de pijlstaarten, die
+den grond in kruipen. Zeer veel dieren blijven als imago over: koningin
+en werksters van de bijen, de hommel- en wespenkoninginnen,
+goudhaantjes, Onze-Lieve-Heersbeestjes, atalanta, citroentje, kleine
+vos, steekmuggen.
+
+In het algemeen kunnen wij zeggen, dat de meeste groote vlinders als
+rups overwinteren, een vierde deel als pop, en zeer weinigen als ei of
+als vlinder. Er is dus ook hier weer groot verschil. Voor den land- en
+tuinbouwer is het van het grootste belang, dat hij precies weet in
+welken toestand de schadelijke insecten overwinteren; hij kan ze dan in
+hun winterkwartieren opzoeken en verder onschadelijk maken.
+
+Nu we weten, dat de insecten in verschillende toestanden overwinteren,
+kunnen wij tegelijk de vraag beantwoorden: Waar komen de insecten in
+het voorjaar vandaan? Insecten, die in het voorjaar uit de eieren
+komen, doen niet dadelijk zooveel kwaad, als de rupsen, die overwinterd
+hebben; deze vallen dadelijk aan. Als een insect overwintert als pop,
+duurt het gewoonlijk nog al eenigen tijd voor de larve de planten gaat
+aanvallen.
+
+Steekmuggen blijven den winter als volwassen mug over, en daarvoor
+zoeken zij kelders, gangen en waranda’s op; ook in stallen vindt men ze
+dan. Als wij nu in ’t voorjaar geen last van deze muggen willen hebben,
+kunnen wij ze in den winter dooden. De boomkweeker maakt in ’t vroege
+voorjaar de stammen van de vruchtboomen schoon; verschillende kevers,
+die in de naden zitten, worden dan verdreven of gedood. De kennis van
+’t winterstadium van de insecten in dus van veel practisch belang.
+
+Ook voor den insectenverzamelaar en den insectenkweeker is het van veel
+belang, dat hij wete, hoe de insecten den winter doorbrengen. Hij kan
+ze dan gemakkelijk verzamelen. Wij komen daarop nog wel terug.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI. DIMORPHISME. MANNETJES EN WIJFJES.
+
+
+Iedereen weet dadelijk een kip van een haan te onderscheiden: dat zien
+we aan de kammen, aan de staarten; we hooren dat de een kraait, de
+ander kakelt. Van zeer veel insecten kunnen wij de mannetjes en wijfjes
+ook op het eerste gezicht onderscheiden: de verschillen zijn dan zeer
+opvallend en men spreekt van dimorphisme of tweevormigheid. Wij zullen
+enkele gevallen bespreken.
+
+SPRIETEN. Bij de boktorren hebben de mannetjes soms zulke lange
+sprieten, dat de lengte daarvan eenige malen die van het lichaam
+bedraagt. Bij het wijfje zijn ze dan soms niet langer dan het lichaam.
+
+De sprieten verschillen ook in vorm; bij den meikever en andere
+bladsprietigen heeft het mannetje grootere bladen aan de sprieten dan
+het wijfje; ook bestaat er verschil in aantal dezer bladen: 7 voor het
+mannetje en 6 voor het wijfje. Bij de vlinders zijn de sprieten der
+mannetjes veel grooter en meestal zeer vertakt: de mannetjes hebben dus
+goede neuzen. Ook bestaan de sprieten wel uit meer leden bij de
+mannetjes: een dar heeft 13 sprietleden, een koningin maar 12. Op
+iederen spriet heeft een mannetjes-bij 15000 zintuigorganen en een
+werkster maar 4000.
+
+Aan de sprieten kan men gemakkelijk de mannetjes der steekmuggen
+herkennen, zoo groot en vertakt zijn die.
+
+OOGEN. Bij de Tweevleugelingen hebben de mannetjes 2 soorten facetten
+in de oogen, bij bremsen zeer goed te zien. Dit verschil is van groot
+belang bij ’t waarnemen van bewegingen. Op betrekkelijk groote
+afstanden nemen de insecten al bewegingen waar; zij vliegen dan op. Men
+weet, hoe moeilijk het is, b.v. kamervliegen te vangen.
+
+Bij de Haften is het oog van het mannetje geheel verdeeld, zoodat zij
+feitelijk vier oogen hebben.
+
+MONDDEELEN. Sommige mannetjes zijn te herkennen aan de groote
+bovenkaken, b.v. het vliegend hert (48); het verschil met het wijfje
+(46) valt wel duidelijk op. Bij bloedzuigende insecten (steekmuggen)
+missen de mannetjes de bovenkaken; die steken dan ook niet, dat doen
+alleen de wijfjes.
+
+POOTEN. Soms hebben de mannetjes aanhangsels aan de pooten; dit is een
+soort pootversiering, die o.a. voorkomt bij den geranden waterkever
+(28).
+
+VLEUGELS. Deze vertoonen vaak groote verschillen in vorm, aantal en
+kleur. Zoo zijn b.v. de vleugels van de mannelijke witjes iets spitser.
+Vooral bij vlinders uit de tropen zien wij sterk sprekende verschillen.
+
+Bij de wintervlinders (139) zijn de mannetjes flink gevleugeld, terwijl
+de wijfjes slechts stompjes of geen vleugels hebben. Van de
+keukenkakkerlak (83) is het mannetje gevleugeld, ’t wijfje
+ongevleugeld. Datzelfde zien wij bij den witvlakvlinder (143); wie het
+niet weet, ziet het wijfje heelemaal niet voor een vlinder aan.
+
+De kleur en teekening der vleugels loopt nog al vaak uiteen bij de
+vlinders en libellen. Van de meerjuffer (80) hebben de mannetjes
+donkerblauwe vleugels en de wijfjes bruinachtige.
+
+Het achterlijf vertoont minder verschillen. Toch is b.v. het achterlijf
+van de groote glazenmakers meer blauw-zwart bedauwd, terwijl de wijfjes
+een meer geel achterlijf hebben.
+
+Het komt ook voor, dat de wijfjes organen bezitten, die de mannetjes
+missen. Zoo hebben de koninginnen en werksters bij de hommels
+verzamelkorfjes, waarin het stuifmeel mede naar de kolonie wordt
+genomen; de mannetjes, de darren, verzamelen geen stuifmeel. De
+genoemde wijfjes bezitten ook een angel, dien de mannetjes missen.
+Zoo’n angel is een gewijzigde legboor. Zijn de wijfjes in het bezit van
+een legboor, dan missen de mannetjes die; sprinkhanen, bladwespen.
+
+Men ziet uit deze voorbeelden, die wij met honderden zouden kunnen
+vermeerderen, dat het vaak op het eerste gezicht al te zien is of wij
+met een mannetje of een wijfje te doen hebben.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VII. POLYMORPHISME. SOLITAIRE en SOCIALE INSECTEN.
+
+
+Insecten, die in kolonies of staten leven, zooals wespen, bijen,
+hommels, mieren, noemt men sociale insecten, omdat zij als het ware een
+maatschappij vormen. De dieren zijn dan gezellen onder elkaar;
+socius-gezel. Insecten, die alleen of eenzaam leven, noemt men
+solitaire insecten.
+
+Onder polymorphisme verstaan wij het verschijnsel, dat van één
+diersoort drie of meer vormen optreden; polymorphisme beteekent
+veelvormigheid. Deze veelvormigheid komt nu voor zoowel bij de
+solitaire als bij de sociale insecten.
+
+POLYMORPHISME BIJ SOLITAIRE INSECTEN. Hiervan geven wij de volgende
+voorbeelden.
+
+
+ 1. Bij den oranje-lucernvlinder, Colias edusa, komen 2 soorten
+ mannetjes voor en maar 1 wijfjessoort.
+ 2. Van den geelgeranden waterroofkever kennen wij 2 wijfjesvormen;
+ de eene met geribde, de andere met gladde dekschilden.
+ 3. Bij wantsen komen kort- en langvleugelige wijfjes voor.
+ 4. Bij de kleine waterjuffers treden kleurverschillen bij de
+ wijfjes op; ’t achterlijf is daardoor niet constant van kleur.
+ 5. Van het mannelijk vliegend hert kent men 4 verschillende vormen;
+ de verschillen zitten in de bovenkaken.
+ 6. Acentropus niveus is een vlinder, die als rups in het water leeft.
+ Het mannetje is normaal; een deel der wijfjes is gevleugeld, een
+ ander deel heeft alleen stompjes van vleugels en verlaten het
+ water niet. Beide vormen komen bij ons voor. Merkwaardig dat in
+ Duitschland alleen kortvleugelige en in Zweden slechts
+ langvleugelige wijfjes voorkomen.
+ 7. Van de oorwormen kennen we 2 mannelijke vormen; het verschil zit
+ in de tangen aan ’t achterlijf.
+
+
+POLYMORPHISME BIJ DE SOCIALE INSECTEN. Deze veelvormigheid is het
+langst bekend en wel bij de statenvormende bijen, hommels, mieren en
+wespen.
+
+HOMMELS. In ’t najaar sterft de heele hommelkolonie uit; alleen de
+nieuwe, in den zomer geboren koninginnen overwinteren. Die kruipen hier
+of daar weg en komen in het voorjaar te voorschijn. Op een klompje
+stuifmeel met wat honing worden de eieren gelegd en daaruit komen
+kleine werksters. Later worden wat grootere werksters geboren en
+vervolgens ook mannetjes en wijfjes of koninginnen. Als een
+hommelkolonie dus op volle kracht is treffen wij daarin aan: de oude
+koningin, verschillende soorten werksters, mannetjes en nieuwe
+koninginnen. De werksters zijn gewijzigde wijfjes.
+
+HONINGBIJEN. In een bijenkorf treffen we drie soorten individuen aan:
+een koningin, mannetjes of darren en werksters of gewijzigde wijfjes.
+De werksters zorgen voor het halen van stuifmeel en honing, zij houden
+den korf schoon en wat vooral van belang is, zij voeden de jongen.
+Precies als bij de hommels; daar verzorgen de werksters ook de jongen.
+De koningin legt eieren. Midden in den zomer worden alle mannetjes den
+korf uit gejaagd, zoodat er in den winter alleen een koningin met
+werksters over blijft.
+
+WESPEN. Deze beginnen ook in het voorjaar met een overwinterde
+koningin. Die vangt aan zelf een nest te bouwen en uit de eerste
+eieren, die zij legt, komen werksters. Later komen er weer nieuwe
+koninginnen en mannetjes. We hebben dus ook hier weer drie vormen.
+
+MIEREN. Hier hebben wij ook drie kasten: mannetjes, wijfjes, en
+werksters. Deze werksters worden gewoonlijk soldaten genoemd en kunnen
+weer in groepen worden ingedeeld. De soldaten zijn ook hier gewijzigde
+wijfjes.
+
+Uit hetgeen wij nu vertelden over de hommels, de bijen, de wespen en de
+mieren, is gebleken, dat er een groote groep van dieren in elk dier
+kolonies leeft, die zich uitsluitend bezig houden met de verzorging der
+jongen; dat zijn de werksters. Als wij deze dieren afzonderlijk
+beschrijven komen wij hierop uitvoerig terug, maar dit kunnen wij
+alvast opmerken, dat door de veelvormigheid der individuen in de
+insectenkolonies de verdeeling van arbeid mogelijk is geworden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIII. Het PARASITISME.
+
+
+Onder parasieten verstaan wij dieren, die geheel ten koste van andere
+dieren leven en zich voeden met stoffen, die de gastheer voor zich zelf
+had bestemd. Een parasiet verslindt zijn gastheer niet in eens, doch
+eet hem van lieverlede toch geheel uit.
+
+De insecten hebben vooral van twee soorten parasieten te lijden, die
+zelf ook tot de insecten behooren n.l. de sluipwespen en de
+sluipvliegen, die ook wel rupsvliegen worden genoemd. Tot de insecten,
+die in of op warmbloedige dieren parasiteeren, behooren de horzels, de
+luisvliegen en de luizen.
+
+Uit een entomologisch oogpunt zijn vooral de sluipwespen en
+sluipvliegen van belang. Met een sluipwesp hebben wij reeds bij de
+koolrups kennis gemaakt. Dat was een kleine soort; we zullen nog
+grootere leeren kennen.
+
+De sluipwespen hebben allen een lange legboor en een lang gerekt
+lichaam. Zij moeten goed snuffelen om een gastheer te vinden, waarin
+zij haar eieren kunnen afzetten. Daarom hebben zij goede oogen en
+vooral is haar reuk uitstekend; haar sprieten zijn dan ook lang en
+altijd in beweging. Het ei wordt ook wel eens op den gastheer gelegd en
+dan kruipt de larve, die hieruit komt, of den gastheer in, of zij
+blijft op het dier. Is de larve volwassen, dan verpopt ze in of buiten
+den gastheer.
+
+Het komt ook voor, dat, als een rups in zich herbergt de larven van een
+sluipwesp, dat dan weer een andere soort sluipwesp komt en haar eieren
+legt in de larven van de eerste. Dan gaan de eerste sluipwespen er aan
+en kunnen ze ons geen hulp meer verleenen. Men noemt zulke sluipwespen
+parasieten van den tweeden graad. Er zijn zelfs parasieten van den
+derden graad bekend. De beteekenis van de parasieten is zeer groot want
+zij helpen ons in den strijd tegen verschillende plantenvernielsters.
+Zij vermenigvuldigen zich zeer snel en omdat die vermenigvuldiging
+gepaard gaat met het dooden van de rupsen, daarom vallen er zóóvele
+schadelijke dieren, dat tenslotte de ergste rupsenplaag tot staan komt.
+De sluipwespen vallen ook wel nuttige insecten aan, b.v. Onze
+Lieve-Heersbeestjes, maar dit daargelaten, moeten de sluipwespen tot de
+nuttigste dieren worden gerekend.
+
+Behalve larven (rupsen), worden ook wel eieren, poppen en imago’s
+geïnfecteerd.
+
+Bij het opkweeken van insecten in huis kunnen wij herhaaldelijk kennis
+maken met sluipwespen.
+
+Eenzelfde rol als de sluipwespen spelen de sluipvliegen. Zij vertoonen
+het echt vliegen-type en zijn in het bezit van groote stekelharen op de
+segmenten van ’t achterlijf. Er zijn al meer dan 400 soorten bekend,
+die in rupsen leven.
+
+De sluipvliegen leggen haar eieren op de rupsen; de larven, die hieruit
+komen, kruipen naar binnen. Soms worden de eieren in de stigma’s, de
+ademhalingsopeningen, gelegd; er wordt ook wel eens gebruik gemaakt van
+een legstekel.
+
+De eigenaardigste manier van infecteeren is de volgende. De sluipvlieg
+legt haar eieren op een plant; terwijl de rupsen nu deze bezette
+bladeren eten, peuzelen zij tegelijk de eieren naar binnen, waaruit
+zich dan in het lichaam van de rups de larven ontwikkelen. Deze
+bijzondere infectie-methode is het eerst waargenomen door een Japanner
+bij de Japansche zijderups. Later is dit ook in Europa waargenomen.
+
+Bij het bestrijden van rupsenplagen bewijzen de sluip- of rupsenvliegen
+ons groote diensten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IX. Het WEER en de INSECTEN.
+
+
+Dat het weer invloed op de insecten heeft, ligt voor de hand. Toch
+hebben velen hiervan een verkeerde voorstelling. Dat rupseneieren wel
+een koude van -30° C. kunnen verdragen, zal men niet gauw gelooven;
+toch is dit juist. Koude schaadt niet—ten spijt van de algemeene
+opinie—als ze maar komt in het overwinteringsstadium der insecten en
+als de temperatuur voor de betreffende landstreek niet al te abnormaal
+is, en als de koude geleidelijk intreedt.
+
+Insecten kunnen goed tegen de kou.
+
+Ja, zij hebben die zelfs noodig voor een normale ontwikkeling, omdat de
+hoeveelheid reservevoedsel, waarmede zij den winter moeten doorkomen,
+maar beperkt is. Bij stijging van temperatuur in de wintermaanden,
+stijgt de ademhaling ten koste van het reservevoedsel; ook is de
+uitdroging dan sterker. Zoodoende is het dier spoedig aan het einde van
+zijn menu, terwijl aanvoer van nieuwen voorraad nog niet mogelijk is.
+
+Wel is schadelijk de ontijdige kou in ’t late voorjaar of het vroege
+najaar. En nu mogen de voorjaarsvorsten onzen planten een gevoeligen
+tik geven, de land- en tuinbouwers weten niet hoeveel gevaarlijk
+gedierte dan om zeep gaat.
+
+Plotselinge koude in den zomer werkt storend op de voortplanting van de
+koudbloedige insecten en dat scheelt soms wel eens één generatie of
+meerdere in één jaar.
+
+Zeer erg is natte koude.
+
+Zoo zal een sterke dooi, die des nachts onderbroken wordt door daling
+van de temperatuur, heel wat verwoesting onder de insecten aanrichten.
+Zijn de bodem en de boomstammen eerst klets nat en zet de vorst het
+water daarna in ijs om, dan hebben de insecten het hard te
+verantwoorden.
+
+Warmte daarentegen bevordert den groei en de ontwikkeling der
+koudbloedige dieren; daarentegen is droge warmte doodend vooral voor
+die insecten, die veel behoefte hebben aan lichaamsvocht, b.v.
+bladluizen. Het is waargenomen, dat sterk met bladluizen bezette boomen
+als bij tooverslag werden „ontluisd” toen de temperatuur steeg tot
+38½°C.
+
+Is het voorjaar reeds vergevorderd, dan kan in de maanden Mei, Juni en
+Juli groote vochtigheid sterk vernietigend op het insectenleger
+inwerken. In die maanden toch verkeeren veel insecten in den ei- of
+larvetoestand, twee stadiën, waarin de dieren zeer gevoelig voor vocht
+zijn. Dit weten vooral keververzamelaars zeer goed; een vochtige tijd
+van Mei tot Juli geeft daarna een slecht keverjaar.
+
+Ook een nat najaar verzuurt het insectenleven en dat aanhoudende zware
+regens en sterke wind veel slachtoffers eischen ligt voor de hand.
+„Slechte bijenjaren” b.v. ontstaan door deze klimatologische invloeden.
+
+Het insectenleven gaat dus op en neer met het weer, en zoo is het niet
+te verwonderen, dat het in groote massa optreden van bepaalde
+insectengroepen in verschillende jaren zoozeer uiteen kan loopen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+X. De VIJANDEN der INSECTEN.
+
+
+Er is wel geen enkel dier, dat ongestoord zijn weg kan gaan. Ieder
+heeft zoo zijn vijanden, die hem naar het leven staan, en dat is maar
+goed ook. De wereld zou anders spoedig te klein worden, zoo snel gaat
+de voortplanting. Stel dat een vlinder 150 eieren legt, en dat 50
+hiervan zich tot wijfjes ontwikkelen; het volgende jaar worden er dus
+50 maal 150 = 7500 eieren gelegd. Groeit het derde deel weer uit tot
+wijfjes, dan kunnen die 2500 maal 150 = 375000 eieren leggen. Dat is
+dus de nakomelingschap van één vlinder in het tweede jaar.
+
+Maar ook al is het voortplantingsvermogen gering, dan kunnen er na
+enkele jaren vele nakomelingen zijn. Als een vogelsoort, die 5 jaar
+leeft en in dien tijd 4 maal 4 jongen krijgt, dan heeft ze na 15 jaar .
+. . . . 2000 millioen nakomelingen.
+
+Het is dus wel gewenscht, dat geregeld een deel der verschillende
+dieren wordt opgeruimd; en dat geschiedt dan ook.
+
+Behalve door het weer, geschiedt de verdelging van veel insecten door:
+
+
+ 1º dieren, 2º schimmels en 3º bacteriën.
+
+
+Wat de dieren betreft, kunnen wij de insectenverdelgers in twee groepen
+verdeelen, in parasieten en van roof levende dieren. Over de parasieten
+hebben wij reeds gesproken. De dieren, die insecten aanvallen, en dan
+tegelijk verslinden, zijn de volgende:
+
+
+ 1º de vleermuizen;
+ 2º insecteneters, als: mol, spitsmuis, egel;
+ 3º wezel, hermelijn, vos;
+ 4º zeer vele vogels;
+ 5º tal van insecten, zooals: loopkevers, Onze Lieve-Heersbeestjes,
+ libellen, gaasvliegen, roofvliegen, wantsen, mieren, wespen;
+ 6º duizendpooten en spinnen.
+
+
+Al deze dieren helpen ons in den strijd tegen de vele planteneters. Hun
+werk is daarom zoo te waardeeren, omdat zij er altijd op uit zijn
+insecten in te rekenen. Daardoor voorkomen zij dikwijls het ontstaan
+van insectenplagen. Men noemt ze daarom wel eens de „dierkundige
+politie”.
+
+Hoe groot b.v. de invloed der vogels op de insectenwereld is, blijkt
+uit het volgende: 2 koolmeezen gebruikten van 6 uur ’s morgens tot 7
+uur ’s avonds 187 vlinderpoppen en 3 blauwmeesjes en 3 dennenmeesjes
+aten een tijdlang dagelijks ongeveer 10000 vlindereieren op. Natuurlijk
+pikken de vogels ook wel nuttige insecten op, doch door elkaar
+gerekend, zal het voordeel toch wel aan onze zijde zijn.
+
+Over de van roof levende insecten spreken wij bij de afzonderlijke
+groepen. Dat vele insecten ten offer vallen aan de spinnen is bekend.
+
+Van groot belang zijn ook de schimmels en bacteriën, die de insecten
+dooden. Velen zullen wel eens doode kamervliegen hebben zien zitten
+omringd door een wit poeder. Hier was een schimmelziekte aan het werk
+geweest. En bij de geschiedenis van het koolwitje hebben wij verhaald,
+hoe de bacteriën vaak opruiming onder de rupsen houden.
+
+Allerlei rupsen, kevers, en andere insecten, worden door schimmels en
+bacteriën aangevallen, en menigmaal worden insectenplagen hierdoor tot
+staan gebracht.
+
+De imkers weten mede te praten over het vuilbroed, een bacterieziekte,
+die de bijenkolonies teistert. Wij kunnen over deze „insectenziekten”
+niet verder uitweiden, hoe belangrijk deze zaak ook is. Maar dit willen
+wij nog wel even vastleggen, dat ook hieruit weer blijkt, over hoevele
+middelen de natuur beschikt om te groote toename van de dierengroepen
+te voorkomen. Al die ziekten toch zijn middelen om de getalverhouding
+tusschen de dieren onderling binnen de gewenschte grenzen te houden.
+Zoodra een dierengroep zich al te sterk heeft uitgebreid, vinden de
+ziektekiemen, die er toch altijd zijn, een prachtige gelegenheid voor
+haar ontwikkeling, en dan vallen de dieren als sneeuw voor de zon. Zoo
+zorgt de natuur voor haar eigen behoud . . . . . . door vernietiging.
+
+Uit het medegedeelde blijkt ten duidelijkste, dat de insecten door een
+leger van vijanden worden aangevallen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XI. De BETEEKENIS der INSECTEN voor de HUISHOUDING der NATUUR.
+
+
+En welke plaats nemen de insecten nu in tusschen de andere dieren en
+tusschen de planten? Dat zullen wij in het kort trachten na te gaan. In
+’t algemeen zijn de insecten maar kleine diertjes en als hun rol in de
+natuur toch nog belangrijk is, dan vindt dit zijn oorzaak in het groote
+aantal, waarin zij optreden.
+
+Het grootste insect, b.v. een vliegend hert (48) of de groote
+glazenmaker (79) is nog betrekkelijk klein en als wij van de groote
+vlinders de vleugels afnemen, blijkt het eigenlijke lichaam toch ook
+maar klein te zijn.
+
+Het aantal insectensoorten is zeer groot. Tot heden zijn er 250000
+soorten in de wereld bekend, en vele streken zijn nog niet voldoende
+onderzocht. In ons land zijn ruim 9000 soorten bekend, waaronder: ruim
+3000 keversoorten, ruim 2000 vliegen en muggen, ruim 1800 bijen,
+wespen, mieren, z.g. vliesvleugeligen, ruim 1700 soorten vlinders, 53
+waternimfen, 29 sprinkhanen, krekels, verder groote aantallen
+bladluissoorten, enz. enz.
+
+Dat zijn getallen om eerbied voor te krijgen. Toch zijn die getallen
+niet verontrustend, want van vele insectensoorten komen maar weinige
+exemplaren voor. Maar wel verschrikkelijk is vaak de reusachtige
+toename van sommige soorten; men denke aan de muggenzwermen in den
+zomer ook in ons land en de sprinkhanenzwermen in de zuidelijker
+landen. Marcheerende rupsen zijn soms in zoo groot aantal bijeen, dat
+zij een spoortrein den weg versperren. Soms worden vlinderzwermen
+waargenomen, die uit vele millioenen exemplaren bestaan.
+
+De meeste insecten leven op het land en in de binnenwateren; op en in
+de zee komen er maar weinigen voor. Het talrijkst zijn de
+insectensoorten in de warme landen, in de tropen: het aantal neemt dan
+ook geregeld van den evenaar tot den pool af. Die feitelijke inkrimping
+houdt gelijken tred met de mindere ontwikkeling van de plantenwereld in
+de koudere streken. Waar weinig plantengroei is, is ook weinig dierlijk
+leven, omdat de dieren afhankelijk zijn van de planten.
+
+Wat hun plaats in de levende natuur betreft, kunnen wij ’t volgende
+opmerken:
+
+
+ 1º Velen behooren tot de opruimers; doode dieren en planten
+ gebruiken zij of hun jongen tot voedsel en zoodoende zijn die
+ gestorven organismen spoedig weggewerkt: doodgravers, vliegen.
+ 2º De plantenetende insecten vernietigen veel planten, waardoor er
+ een zeker evenwicht blijft bestaan. Dat geldt ook voor de
+ vleeschetende, die o.a. ook wel insecten verorberen: rupsen,
+ bladluizen, roofkevers, oorwormen.
+ 3º Vele insecten zijn voedsel voor andere dieren, o.a. voor vogels,
+ kikkers; larven van muggen, die in ’t water leven, vormen een
+ heerlijk voer voor de visschen.
+ 4º Tal van insecten bewerken bij de bloemen kruisbestuiving,
+ waardoor een goede zaadvorming wordt ingeleid; bijen, hommels,
+ vlinders.
+ 5º Verschillende insecten zorgen voor de verbreiding van
+ plantenzaden; een belangrijke rol spelen hierbij de mieren.
+ 6º De bodeminsecten nemen deel aan de bodembearbeiding.
+
+
+Over de beteekenis der insecten als overbrengers van ziektekiemen
+spreken wij nog nader. Laten wij over de 6 verschillende functies nog
+iets meer zeggen, omdat wij hierdoor de beteekenis der insecten beter
+leeren kennen.
+
+DE OPRUIMERS. Het spreekt van zelf, dat de doode dieren en planten niet
+kunnen blijven liggen; dan zou de natuur spoedig één mestvaalt zijn.
+Het opruimen van dat vuil is een belangrijk werk en is opgedragen aan
+verschillende kevers en vliegen, die eieren in die lijken leggen. De
+larven werken de lijken dan weg.
+
+Dat geldt ook voor den plantenafval. Vele insecten leven daarvan. Als
+een mierenkolonie haar nest bouwt in een dooden boomstronk is hij
+sneller weggewerkt dan wanneer hij vrij van insecten bleef. Wij vinden
+zelden dierenlijken in de vrije natuur en dit komt, omdat de vliegen en
+doodgravers er zoo snel bij zijn om daarin hun eieren te leggen. Ook
+uitwerpselen van dieren worden spoedig weggewerkt door mestkevers en
+door vliegenmaden. Als in een paardenstal veel vliegen zijn — en die
+zijn er altijd — dan moeten wij dit als een welwillendheid van de
+vliegen opvatten, die den stal willen zuiveren van paardenmest, want
+daarin leggen zij eieren. De larven zijn mesteters.
+
+De BEWAARDERS van het EVENWICHT. De eene dierengroep houdt de andere in
+bedwang. Dat dit werkelijk zoo is, zien wij in landen, waarin, door
+welke oorzaak dan ook, schadelijke insecten wel zijn ingevoerd, doch
+niet de vijanden van deze schadelijke dieren. In Amerika zijn
+verschillende van deze dieren uit Europa aangeland, doch hun vervolgers
+en parasieten bleven in Europa. Het gevolg van een en ander is, dat die
+dieren in Amerika zich snel vermenigvuldigen en daar zeer groote
+verwoestingen aanrichten, b.v. de plakker en de bastaardsatijnvlinder,
+wier rupsen daar nu al sedert jaren vreeslijk huishouden. In Europa
+hebben deze rupsen verschillende vijanden, ook in ons land, en daarom
+worden ze hier nooit zulke plagen als in Amerika. Men is dan ook in
+Amerika bezig de verdelgers van genoemde rupsen uit Europa in te
+voeren.
+
+VOEDSEL voor andere DIEREN. De vogelwereld wordt voor een zeer groot
+deel geheel gevoed door de insecten. Zelfs de zaadeters geven aan hun
+jongen in het nest insecten te eten. In zooverre is dus de vogelwereld
+afhankelijk van de insecten. Wanneer wij soms wat boos worden, als wij
+zien hoe de insecten in onzen tuin en in onze boomen huishouden, dan
+moeten wij toch weer bedenken, dat die insecten het voedsel zijn voor
+zoovele vogels, die ons met hun gezang verrukken.
+
+Steekmuggen—wie heeft er niet ’t land aan? Toch vormen de larven van
+deze muggen, die in het water leven, een zeer smakelijk voedsel voor de
+visschen, en dat wij een lekker vischje op tafel kunnen krijgen hebben
+wij ten slotte te danken aan die leelijke steekmuggen. Zij voeren de
+visschen en wij eten die. En nu moge de steekmug ons ’s nachts
+hinderen, zij zorgt er toch ook voor, dat wij ’s middags een vischje op
+tafel hebben.
+
+BLOEMENBESTUIVERS: Het is bekend, dat een bloem, behalve uit kelk- en
+bloembladen, bestaat uit meeldraden en een of meer stampers. De
+kelkbladen beschutten de teere bloemdeelen in de knoppen; de gekleurde
+bloembladen lokken de insecten; de meeldraden brengen stuifmeel voort,
+dat op den top van den stamper wordt gebracht, daar buizen vormt, die
+den stamper indringen en zoo bij de eitjes komen, waar dan een
+samensmelting plaats heeft van den inhoud der stuifmeelbuizen met de
+eitjes. Die samensmelting noemt men bevruchting en na de bevruchting
+groeien de eitjes uit tot zaden. Zonder bevruchting der eitjes of
+zaadknoppen brengt geen plant zaden voort; een enkele uitgezonderd. De
+bevruchting is dus van veel belang, het is een levensvoorwaarde voor
+het voortbestaan der plantensoorten.
+
+Als het stuifmeel op den top—den stempel—van den stamper komt, dan zegt
+men, dat er bestuiving plaats heeft; die bestuiving leidt dus de
+bevruchting in. De bestuiving kunnen wij zien, de bevruchting niet: die
+geschiedt in het inwendige van den stamper.
+
+Hoewel rondom elken stamper vele meeldraden staan, die dus stuifmeel
+genoeg voortbrengen om den eigen stamper te bestuiven, ligt het toch in
+de natuur om vooral met stuifmeel uit andere bloemen—van dezelfde
+soort—op den stamper te werken. Zeker, met eigen stuifmeel brengen de
+meeste stampers ook wel zaden voort, doch als „vreemd” stuifmeel is
+gebruikt, worden de zaden grooter, bezitten ze meer kiemkracht, en de
+planten die hieruit ontstaan, zijn gewoonlijk sterker, forscher en
+bezitten meer weerstandsvermogen. Wij kunnen daarom dit wel
+vaststellen: de natuur wil werken met vreemd stuifmeel. Het stuifmeel
+van bloem A gaat naar bloem B, en van B naar A; het kruist elkaar, en
+deze bestuiving noemt men kruisbestuiving.
+
+Maar hoe komt nu het stuifmeel van de eene bloem naar de andere? Wie
+transporteert het? Dat kan op drie manieren geschieden: 1º door den
+wind, 2º door het water en 3º door dieren. Elke plant wordt op een
+dezer manieren bestoven; nooit op 2 manieren, want de aard, de
+bekleeding van het stuifmeel, hangt weer samen met de manier waarop het
+stuifmeel wordt vervoerd.
+
+Bloemen, die door den wind worden bestoven, hebben weinig of geen kleur
+en zijn meestal zeer beweeglijk: hazelaar, els, eik, beuk, berk, rogge,
+grassen, maïs. Het stuifmeel is klein, glad, rond.
+
+Door het water wordt niet veel stuifmeel vervoerd; als ’t gebeurt is
+het stuifmeel omgeven door een laagje kurk. Kurk, al is ’t geen
+eigenlijk vet, heeft vele eigenschappen van vet, houdt net als vet het
+water tegen.
+
+Het meeste stuifmeel wordt vervoerd door dieren; en al bewerken in de
+warmere landen verschillende kleine vogeltjes en bij ons ook nog wel de
+slakken soms bestuiving, wij kunnen die gerust buiten beschouwing
+laten. De bloemenbestuivers zijn bij ons die insecten, en als wij nu
+weten, dat meer dan 80% van alle bloemen door insecten worden bestoven,
+dan wordt het ons duidelijk van welke groote beteekenis de insecten
+voor de bloemenwereld zijn. Zonder insecten geen bloemen. En dat de
+bloemen geheel ingericht zijn op insectenbezoek, bewijzen ons de
+lokmiddelen, waardoor de insecten bewogen worden tot bezoek. De
+insectenbloemen zijn kleurig, geuren en brengen meestal honing voort;
+alles terwille van de insecten, die door kleur en geur gelokt worden.
+Zoo ver is onderlinge afhankelijkheid reeds gegaan, dat b.v. de bijen-
+en de hommelkolonies niet kunnen bestaan zonder bloemen, want die
+leveren stuifmeel en honing, waarmede de larven der bijen en hommels
+worden gevoed.
+
+De insecten, die zich voornamelijk met de bestuiving belasten, zijn:
+bijen, hommels, vlinders, vliegen en ook enkele kevers. De bijen en
+hommels spelen de belangrijkste rol, omdat in de bloemen de geheele
+voeding van de larven zit; zij moeten dus het geheele voorjaar en den
+geheelen zomer er op uit.
+
+Merkwaardig is, hoe de werksters van de bijen en de werksters en
+Koninginnen van de hommels, aan haar achterpooten een
+verzamelinrichting hebben, waarin het stuifmeel wordt vastgezet, dat
+naar de kolonie wordt gedragen. Die verzamelinrichting, het z.g.
+korfje, ontbreekt bij de bijenkoningin omdat zij toch nooit stuifmeel
+gaat halen.
+
+Bijen, hommels en bloemen behooren dus bij elkaar.
+
+De bouw van de roltong van vele vlinders wijst er op, hoe ook deze
+dieren tot taak hebben bloemen te bezoeken; wij hebben dit al gezien
+bij het koolwitje. De insecten steken hun snuitje in de bloemen, zuigen
+honing, en gelijktijdig worden zij met stuifmeel bepoederd. Vliegen zij
+nu naar een andere bloem, dan stooten zij met hun bepoederden kop of
+hun bepoederd lichaam tegen den stamper van die andere bloem, en geven
+daar stuifmeel af. Dat is dan kruisbestuiving. Als een insect aan het
+garen van honing of stuifmeel is, dan bepaalt het zich zooveel mogelijk
+tot ééne soort; een volgende keer krijgt weer een andere soort een
+beurt. Avondvlinders met lange roltong, zooals de ligusterpijlstaart
+(13 geeft de rups te zien), halen ook honing uit bloemen en bestuiven
+ook den stamper, doch bezoeken alleen bloemen die ’s avonds geuren,
+zooals de kamperfoelie. Dan kan men deze vlinders wel eens zien „staan”
+voor die bloemen.
+
+Wij kunnen niet langer stilstaan bij dit belangrijke onderwerp;
+intusschen zullen de lezers wel tot de overtuiging zijn gekomen, dat
+genoemde insecten niet gemist kunnen worden in de natuur. En van
+hoeveel nut b.v. de bijen zijn voor de vruchtzetting van bessen, appels
+en peren, daar weten de fruitkweekers van. In verschillende streken van
+ons land, o.a. in Z. Limburg, brachten verschillende kersenboomen geen
+vruchten meer voort, hoewel zij toch bloeiden. Nadat men in de
+boomgaarden bijenkorven had gezet, was de vruchtvorming weer
+overvloedig. Verschillende planten toch brengen zonder vreemd stuifmeel
+geen vruchten voort. Dit was ook het geval met eenige Limburgsche
+kersen. In kassen met bloeiende perziken zet men ook dikwijls korven
+met bijen.
+
+VERBREIDERS van PLANTEN: In een bosch kunnen de zaden en vruchten der
+hooge boomen gemakkelijk door den wind worden verplaatst en verstrooid.
+De struiken, die veel lager groeien, en waarvan vele besvruchten
+dragen, vinden in de vogels, die deze bessen eten, zeer bekwame
+zaadverspreiders. Zij eten de bessen met zaden op, en na verloop van
+een klein uurtje—ze kunnen dan reeds een heel eind verwijderd zijn van
+de voederplaats—worden de ingeslikte zaden met de uitwerpselen uit het
+lichaam verwijderd. Op deze wijze verspreiden de vogels de zaden. Als
+men in een dakgoot of in een knotwilg b.v. een vlier ziet staan, dan is
+die daar „gezaaid” door een vogel, een spreeuw of een lijster.
+
+En hoe worden nu de zaden verspreid van de lagere boschplanten, die
+weinig van den wind bewogen of door de vogels bezocht worden? Daar
+zorgen de mieren voor. De zaden van die lage boschplanten, ’t
+sneeuwklokje, ’t longenkruid, veronica, welriekend viooltje, zijn
+voorzien van een zacht navelknobbeltje, dat rijk is aan olie en waarop
+de mieren verlekkerd zijn. Zij sleepen de zaden daarom mede, bijten
+onderweg het olieknobbeltje af, en laten de zaden dan achter; trots
+deze „ontknobbeling” blijven de zaden kiemkrachtig. En zoo voeren de
+mieren de zaden dan ver van de plaats waar zij ontstonden. Een Zweedsch
+plantkundige, Sernander, heeft deze verspreidingswijze in de laatste
+jaren uitvoerig bestudeerd. Een kolonie van de roode boschmier
+(169–171) kan op deze wijze in één vegetatieperiode minstens 36000
+zaden verspreiden.
+
+De rijkste „mierenflora” vinden wij in de eiken- en beukenbosschen; de
+armste in de dennen- en sparrenbosschen.
+
+INSECTEN als BODEMBEWERKERS. Regenwormen spelen een belangrijke rol als
+bewerkers van den bodem. Dat kunnen wij ook getuigen van de vele
+insecten en larven, die in den bodem leven. Verschillende leven van
+humus, die zij in hun lichaam omzetten en waarvan de uitwerpselen een
+goeden mest vormen. Door hun woelen in den grond en het graven van
+gangen en holen, maken zij den bodem meer doorlaatbaar, waardoor vocht
+en lucht tot de benedenlagen kunnen doordringen, wat de omzetting der
+humusstoffen en den groei der planten bevordert.
+
+De insecten zijn dus in velerlei richting in de natuur werkzaam; hun
+beteekenis voor de huishouding der natuur is dus zeer groot.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XII. NUTTIGE EN SCHADELIJKE INSECTEN.
+
+
+In de vrije natuur kunnen wij moeilijk één dier aanwijzen, dat òf
+absoluut nuttig, òf totaal schadelijk is. Ieder dier heeft daar zijn
+plaats en tracht die plaats te behouden. ’t Resultaat is, dat de natuur
+een wonderschoon geheel blijft. Zoodra de mensch evenwel de natuur gaat
+beschouwen met egoïstische oogen, en alle planten en dieren indeelt
+naar het voor- of nadeel dat hij er persoonlijk van heeft, dan krijgen
+wij een indeeling in nuttige en schadelijke planten en dieren, hoe
+wonderlijk en mooi die schadelijke individuen dan ook mogen zijn. Die
+indeeling is dan een economische en geen natuurwetenschappelijke.
+
+Nuttig noemt de mensch dan alles wat goed voor hem is, en dat hem helpt
+bij zijn bezigheden; b.v. een koe (voeding), een paard (trekkracht). En
+schadelijk is dan elk dier of elke plant, die hem op zeker oogenblik
+nadeel aanbrengt. Maar meestal zijn vele dieren nu eens nuttig en dan
+weer lastig. Veel vogels zijn in den tijd, dat zij jongen hebben, zeer
+nuttig, doordat zij zooveel insecten naar ’t nest brengen; zijn later
+de bessen, kersen en erwten rijp, dan worden ze weer lastig, omdat ze
+deze vruchten ook lusten. Zoo is het b.v. zéér moeilijk te zeggen,
+welke vogel eigenlijk schadelijk is; op ieders gedragboekje staan goed-
+en afkeuringen.
+
+Wat nu de insecten betreft ten opzichte van het nut, dat de mensch er
+van heeft, kunnen wij ze in 2 groepen verdeelen; 1º direct nuttige, 2º
+indirect nuttige. Van de eerste heeft de mensch zelf persoonlijk
+voordeel, van de tweede langs een omweg.
+
+DIRECT NUTTIGE INSECTEN: Hiertoe behooren b.v.: de verschillende
+soorten zijderupsen, die zijde leveren, de galwespen, wier gallen
+gebruikt worden bij de inktbereiding, de honingbijen, die ons honing en
+was geven. De opbrengsten van deze insecten bedragen over de heele
+wereld jaarlijks vele millioenen guldens. In Duitschland b.v. wordt
+jaarlijks—’t eene jaar is beter dan ’t andere—ongeveer voor 15 millioen
+gulden aan honing verzameld en was geproduceerd door de bijen.
+
+INDIRECT NUTTIGE INSECTEN. Tot deze groep behooren de insecten, die ons
+zijdelings voordeel aanbrengen: 1º de bloemenbestuivende insecten, 2º
+de roofinsecten, 3º de parasieten. De eerste groep zorgt er voor, dat
+wij vruchten kunnen oogsten; de roofinsecten verslinden vele andere
+insecten, die onze kultuurgewassen aantasten: de poppenroover (33), die
+rupsen eet, en de O. L. H. beestjes (72) die bladluizen oppeuzelen; de
+parasieten eten als larven o.a. veel rupsen uit.
+
+Een gelijke indeeling kunnen wij maken van de schadelijke insecten;
+onder direct schadelijke verstaan wij dan die, welke ons persoonlijk,
+ons lichaam, benadeelen; de indirect schadelijke veroorzaken ons nadeel
+in ons bedrijf.
+
+DIRECT SCHADELIJKE INSECTEN. Hiertoe behooren de overbrengers van
+ziektekiemen en die, welke ons op andere wijze lichamelijk kwellen. Als
+zoodanig staan met de zwarte kool aangeteekend: muggen, vliegen,
+vlooien, wantsen en luizen. De malariamug brengt de malariakoorts over,
+de kamervlieg verbreidt de tuberculose, de cholera, de typhus en is ook
+oorzaak van de zomerdiarrhee bij jonge kinderen. Bij de afzonderlijke
+behandeling dezer dieren (147–151) staat daarover meer te lezen.
+Vlooien brengen in onze Oost de pest van de ratten op den mensch over.
+De gele koorts wordt ook overgebracht door een steekmug en het miltvuur
+door een steekvlieg.
+
+INDIRECT SCHADELIJKE INSECTEN. Tot deze groep behooren:
+
+
+ 1º die insecten, welke onze huisdieren aanvallen: b.v.
+ runderhorzel, schapenhorzel, paardenhorzel (156–157).
+ 2º de huis- en magazijninsecten, die allerlei stoffen vernielen en
+ verontreinigen: mieren, kakkerlakken, suikergasten in de keuken; de
+ kleermotten in de kleeden, meubels, bont en kleeren; houtwormen in
+ meubels; boekenluizen en kevers in boekenkasten en meeltor),
+ insectenverzamelingen. In pakhuizen meelwormen (larven van de
+ Anobium paniceum in allerlei droge stoffen, Lasioderma laeve in
+ tabak, in magazijnen en pakhuizen. Hier treffen we vooral veel
+ „cosmopolieten” aan, die met de verschillende waren meekomen.
+ 3º de beschadigers van onze kultuurgewassen; deze vormen een
+ reusachtig leger, dat geregeld door de land-, tuin- en boschbouwers
+ moet worden bestreden. Omdat de meeste insecten vegetariers of
+ planteneters zijn, is het aantal schadelijke insecten voor onze
+ kultuuren zeer groot: rupsen, bladluizen, schildluizen, kevers. Tot
+ deze groep behooren ook de larven van kevers en wespen, die in
+ boomstammen leven en daardoor de technische waarde van het hout
+ verminderen; boktorren, houtwespen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIII. DE AARD DER PLANTENBESCHADIGING.
+
+
+Er is geen enkel plantendeel, dat door de insecten wordt verschoond;
+ook worden onze kultuurplanten op iederen leeftijd aangevallen.
+Insectenaanvallen op het kiembed belemmeren een flinken uitgroei en
+veroorzaken vaak den dood van onze gewassen. Dat geldt ook voor de
+wortelbeschadigingen, omdat door de wortels het voedsel uit den bodem
+wordt opgenomen. Zeer ernstig zijn ook de aanvallen op de bladeren door
+rupsen, bastaardrupsen en kevers. Hebben éénjarige gewassen zulke
+aanvallen te verduren, dan gaan zij vaak geheel onder, omdat de
+bladeren zoowel voedings- als ademhalingsorganen zijn. Boomen
+herstellen zich het volgende jaar wel weer, doch dennen- en
+sparrenbosschen, die kaal gevreten zijn, hebben 4 of 5 jaar noodig voor
+zij weer hersteld zijn, omdat zij zoo langzaam groeien.
+
+Soms worden de bloemen vernield en dan komt er van den oogst niets
+terecht; een andermaal worden de vruchten uitgegeten en ook dan is de
+oogst waardeloos. ’t Komt ook voor, dat b.v. bladgroenten zoo door luis
+zijn bezet, dat ze ongenietbaar zijn, b.v. kropsla. De beschadiging van
+bladluizen aan twijgen van boomen, wordt soms gevolgd door schimmel- of
+zwamziekten. In de wonden, door deze luizen gemaakt, ontkiemen dan de
+sporen van schimmels. Het knagen van keverlarven en rupsen in
+boomstammen, geeft aanleiding tot inwateren en vermolmen. De
+plantenbeschadiging door insecten is dus een veelzijdige.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIV. HET ONTSTAAN VAN INSECTEN-PLAGEN.
+
+
+Van tijd tot tijd ontstaan ook in ons land insectenplagen. De
+nonvlinders, de emelten, de ringelrupsen, rupsen en bastaardrupsen in
+de bessen, meikevers, eikenaardvlooien, vliegen, muggen, zij komen zoo
+nu en dan in zoo’n groote massa voor, dat men spreekt van een plaag.
+Waar komt nu die groote hoeveelheid dieren vandaan?
+
+Plagen, en in het algemeen sterke uitbreiding van ’t insectenleger,
+worden begunstigd door de volgende omstandigheden:
+
+
+ 1º groote voedselvoorraad;
+ 2º gunstige broedgelegenheid;
+ 3º afwezigheid van vijanden;
+ 4º gunstige weersinvloeden;
+ 5º ongunstig weer voor de kultuurplanten;
+ 6º overgang van insecten, die gewoonlijk op wilde planten leven,
+ naar kultuurplanten;
+ 7º invoer van insecten uit andere landen en werelddeelen;
+ 8º nalatigheid van den mensch.
+
+
+Laten wij deze oorzaken even in ’t kort nader bekijken.
+
+In de vrije natuur komen over ’t algemeen niet veel insectenplagen
+voor. De oorzaak hiervan is, dat de meeste insecten een beperkt menu
+hebben en er in de vrije natuur, waar de planten dooreen groeien,
+zelden zooveel planten van één soort bijeen staan en bijeen blijven,
+dat een insectensoort zich daar voor langen tijd nestelen kan omdat zij
+er zooveel voedsel kan vinden. Veel insecten zijn op één of weinig
+planten aangewezen; groeit zoo’n plant in milliarden exemplaren bij
+elkaar, dan kunnen de insecten zich daar gemakkelijk vermeerderen; maar
+zoo’n eenvormige plantenwereld wordt maar zelden in de vrije natuur
+aangetroffen. Wat evenwel in de vrije natuur ontbreekt, hebben de
+land-, tuin- en boschbouwers zelf in ’t leven geroepen. Zij bezaaien of
+bepoten uitgestrekte gronden met een en hetzelfde gewas, zoodat er
+millioenen en millioenen planten van dezelfde soort naast elkander
+komen te staan, en daar soms jarenlang blijven staan (bosschen) of
+ieder jaar weer worden gezaaid (granen en andere gewassen). Zoodoende
+zorgt de mensch dus feitelijk voor een reusachtige restauratie voor de
+insecten, en dat deze beestjes er een dankbaar gebruik van maken ligt
+voor de hand; waar zij te eten hebben blijven ze en vermenigvuldigen
+zij zich. Waarom zouden ze ook weggaan?
+
+Door de eenvormige massa-kulturen schept de mensch dus zelf een der
+hoofdoorzaken voor het ontstaan van insecten-plagen.
+
+Een andere oorzaak ligt in de gunstige broedgelegenheid, een geschikte
+plaats om de eieren af te zetten. Dit wordt zeer duidelijk
+geïllustreerd door de geschiedenis van ’t Panama-Kanaal.
+
+In 1881 werd een aanvang gemaakt met het graven van ’t Panama-Kanaal.
+De gele koorts hield hevig huis onder de arbeiders. Meer dan de helft
+stierf er aan. En telkens als een nieuw transport arbeiders werd
+aangevoerd, ondergingen zij hetzelfde lot. Zoodoende vorderde het werk
+niet. De ontwerper van het kanaalplan, De Lesseps, die ook voor het
+Suez-Kanaal het ontwerp had gemaakt, had buiten de gele koorts
+gerekend, in ieder geval haar onderschat. De ontwikkeling dezer ziekte
+is aldus. Wordt een lijder aan gele koorts door een bepaalde soort mug,
+Stegomyia fasciata, gestoken, dan is de mug ook besmet. Steekt deze
+besmette mug nu een gezond mensch, dan brengt zij de koortsstof over en
+de gestokene krijgt binnen enkele dagen de gele koorts.
+
+Hieruit volgt, dat de gele koorts slechts op één manier afdoende kan
+bestreden worden, en wel door de uitroeiing van de mug, die de
+ziektestof overbrengt. En die uitroeiing kan niet geschieden door het
+vangen van de muggen, maar door haar de gelegenheid te ontnemen de
+eieren op een geschikte plaats af te zetten. De gelekoortsmug legt haar
+eieren in poelen en plassen, ook wel in regentonnen. Het was dus noodig
+de landstreek droog te leggen, waardoor de poelen en plassen verdwenen.
+De muggen hadden nu geen broedgelegenheid meer, en de landstreek werd
+tamelijk wel vrij van de gele koorts, waardoor zij voor den mensch
+bewoonbaar werd. De doorgraving van het kanaal was hierdoor mogelijk
+geworden.
+
+In mesthoopen om boerderijen leggen veel vliegen haar eieren; daarom
+heeft men op het platteland zooveel last van vliegen. Door het opruimen
+der mesthoopen ontnemen wij aan de vliegen de broedgelegenheid en
+verdwijnen ze vanzelf. Daarom heeft men in de steden veel minder last
+van de vliegen dan op het platteland. Wie in de buurt van een
+paardenstal woont heeft met de brutaliteit der vliegen kennis gemaakt.
+Vliegen- en muggenplagen zijn alleen te bestrijden door aan deze dieren
+geen gelegenheid te geven eieren af te zetten.
+
+Als derde oorzaak voor het ontstaan van insectenplagen noemden wij de
+afwezigheid van vijanden der schadelijke insecten. De waarheid hiervan
+heeft men in Amerika ondervonden. In 1868 werd de Plakker-vlinder en in
+1890 de Bastaard-satijn-vlinder in Amerika ingevoerd. De rupsen van den
+Plakker ontsnapten uit een insectenkweekerij van een Amerikaan, die aan
+het zoeken was naar een nieuw soort rupsen voor de zijdecultuur. De
+Bastaardsatijnvlinder of diens rupsen zijn vermoedelijk met
+boomkweekersartikelen uit Europa naar Amerika gekomen. Beide insecten
+hebben in Europa veel vijanden; niet minder dan 27 sluipwespen en 25
+parasietvliegen; daardoor hoort men bij ons nooit van plagen
+veroorzaakt door de rupsen van deze vlinders; ook niet in andere landen
+van Europa. Maar in N. Amerika zijn de rupsen van deze vlinders tot een
+ongekende plaag geworden, zooals nergens is waargenomen. Millioenen
+dollars zijn reeds uitgegeven om door bespuiting met giften de
+rupsenplagen tot staan te brengen, doch het is tot heden niet gelukt.
+
+In 1905 is men begonnen uit Europa in te voeren de Europeesche
+parasieten van deze rupsen; bovendien werden er in dat jaar ingevoerd
+50.000 poppenroovers (33 en 35). Van 1905–1910 werden totaal ingevoerd
+2.000.000 sluipwespen en 70.000 sluipvliegen. Hoewel men met veel
+moeilijkheden had te kampen, door mislukking bij de kweeking der
+insecten en met ziekten bij de entomologen, is het voorloopig resultaat
+toch bemoedigend, want op het oogenblik zijn 10 nuttige insecten uit
+Europa in Amerika ingeburgerd.
+
+In Amerika was door het internationaal verkeer een schildluis uit
+Australië ingevoerd, die de geheele sinaasappelkultuur bijna ten onder
+bracht. De schildluizenplaag kon zich zoo uitbreiden, omdat geen der
+vijanden was medegevoerd. Toen na veel zoeken eindelijk in Australië
+een O. L. Heersbeestje was gevonden, dat een erge vijand van deze
+schildluizen is, werd dit naar Californië overgebracht, en het heeft de
+schildluizenplaag volkomen tot staan gebracht. Uit deze voorbeelden
+blijkt duidelijk, hoe door afwezigheid van hun vijanden, sommige
+insecten een ware plaag voor den mensch kunnen worden.
+
+Dat gunstige weersinvloeden insectenplagen bevorderen behoeft geen
+nader betoog. Insecten zijn maar zwakke dieren, vooral in den
+larvetoestand en zoodoende zeer gevoelig voor het weer.
+
+Heerscht er ongunstig weer voor de kultuurplanten, dan schieten deze
+niet op en wordt de schade, door insecten aangebracht, des te grooter.
+Dit is vooral het geval in het voorjaar, als de planten nog jong zijn.
+Aardvlooien vreten in een koud voorjaar, als er b.v. geen schot in de
+erwten zit, geheele erwtenakkers kaal, die dan moeten worden omgeploegd
+en opnieuw bezaaid. Daarom verdient het in ’t algemeen aanbeveling te
+zorgen voor een zeer vruchtbaren bodem; dan groeien de kiemplanten wat
+vlugger door.
+
+Oorspronkelijk leven alle insecten op wilde planten. Het komt nu
+herhaaldelijk voor, dat er een verplaatsing naar kultuurplanten
+geschiedt. Een bekend voorbeeld is de Colorado-kever, die
+oorspronkelijk op een wilde plant leefde, die behoort tot de familie
+van den aardappel. Op een gegeven oogenblik ging deze kever over op de
+aardappelplant en werd toen de schrik van Amerika en heel Europa. Tot
+op dit oogenblik is hij de schrik gebleven, al hebben wij er nooit last
+van gehad.
+
+De walkanten of slootkanten van onze akkers dienen van alle wilde
+planten gezuiverd te worden; dan bestaat er geen gevaar, dat de
+insecten van daar uit naar onze kultuurplanten overgaan.
+
+Dat de invoer van insecten uit andere landen en werelddeelen door
+handel en verkeer lang niet denkbeeldig is, bewijzen de lange lijsten
+van insecten, die op deze wijze verhuisd zijn. We hebben reeds een paar
+vlinders genoemd, den plakker en den bastaardsatijnvlinder, die uit
+Europa naar Amerika zijn verhuisd: De Duitsche kakkerlak (82) is uit
+Duitschland bij ons ingevoerd, de keukenkakkerlak (83) uit Azië en de
+Amerikaansche kakkerlak (84) uit Amerika. Met planten worden veel
+insecten verplaatst; ook met land- en tuinbouwproducten. Verschillende
+insecten zijn daardoor al echte cosmopolieten geworden.
+
+Ten slotte worden insectenplagen bevorderd door de nalatigheid van den
+mensch. Men grijpt dan niet in op het juiste oogenblik. Voor een groot
+deel vindt deze nalatigheid haar oorzaak in de gebrekkige kennis, die
+de meeste menschen hebben van de insectenwereld. Daarom kan dit Album
+ook voor de practijk van het leven zijn waarde hebben. Als wij maar
+eenmaal het leven der insecten kennen, dan leeren wij tevens de
+perioden kennen, waarin wij kunnen ingrijpen. Wanneer wij b.v. in April
+en Mei geregeld onze rozenstruiken nazien, en de weinige bladluizen
+verwijderen, die er dan zijn, krijgen wij den heelen zomer geen luis in
+de rozen.
+
+Door het vangen van vogels en het verstoren der nesten berooft de domme
+mensch zich van veel insectenverslinders.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XV. HET BESTRIJDEN VAN SCHADELIJKE INSECTEN.
+
+
+Een van de belangrijkste vragen voor den land- en tuinbouw, voor de
+gezondheid van den mensch, is deze: Hoe bestrijden wij de schadelijke
+insecten? Dit moet geschieden volgens een wetenschappelijk plan, dat
+rust op de kennis van de levensgeschiedenis van de insecten.
+
+Er zijn 3 methoden van bestrijding:
+
+
+ 1º Verandering van kulturen en kultuurmethoden en vruchtwisseling;
+ vroeger of later, dieper of ondieper zaaien, sterkere soorten
+ uitkiezen, enz.
+ 2º Bevordering van de uitbreiding van het aantal natuurlijke
+ vijanden der insecten; dit noemt men de biologische methode.
+ 3º Directe vernietiging der schadelijke insecten door mechanische
+ of chemische middelen; dit noemt men technische bestrijding.
+
+
+Wat de eerste methode betreft, deze is zeker de meest werkzaamste. Men
+heeft b.v. eenige akkers mosterdzaad, die door de mosterdkevers worden
+kaalgevreten. Staakt men nu de mosterdkultuur en gaat men iets anders
+verbouwen, b.v. een graangewas, dan sterven de mosterdkevers bij gebrek
+aan voedsel. Het derde jaar kan men dan opnieuw mosterd gaan verbouwen.
+Een doelmatige wisselbouw is dus een krachtig bestrijdingsmiddel.
+
+Het bevorderen van de uitbreiding der natuurlijke vijanden is eveneens
+een uitstekend middel, maar dit kan alleen toegepast worden, als men
+veel kennis van het leven der insecten heeft.
+
+In Amerika kweekt men tegenwoordig millioenen sluipwespen en
+sluipvliegen, die men weer loslaat op de rupsen. Zijn ze eenmaal in de
+vrije natuur, dan vermenigvuldigen zij zich daar wel. Ook in
+Oost-Indië, in Deli, is men bezig hiermede proeven te nemen.
+
+In de 12de eeuw verzamelden de Chineezen reeds mieren en lieten die los
+in boomgaarden van sinaasappels en mandarijnen. Mieren verslinden
+verschillende schadelijke kevers. Ook op Java verzamelt men
+mierennesten en brengt die naar de vruchtboomen; het gaat hier tegen
+snuitkevers. In 1807 liet men in Europa O. L. Heersbeestjes los op de
+hopluizen, en behaalde hiermede succes. En in 1842 heeft men in
+Frankrijk rupsendooders (kevers) (33) losgelaten op de rupsen van den
+plakker en ook hier beantwoordde het resultaat aan het doel; wie in
+zijn tuin weinig last wil hebben van bladluizen, verzamele O. L.
+Heersbeestjes en late die in zijn tuin los. Een andere groep van
+natuurlijke vijanden der insecten zijn de insectenetende vogels.
+Behalve dat wij hen overal moeten sparen, behooren wij hen
+broedplaatsen te verschaffen en in den winter voedsel en water. Wij
+kunnen hierop niet verder ingaan, maar bevelen de vogels zeer aan in de
+welwillendheid van den mensch.
+
+Op welke wijze besmettelijke ziekten onder de insecten kunnen verspreid
+worden, laten wij rusten; intusschen bezitten wij ook hierin een middel
+om insecten te dooden, al is het resultaat tot heden nog van weinig
+beteekenis. Van het meeste belang is voorloopig nog de derde methode,
+de technische bestrijding van insecten. De bedoeling hiervan is de
+insecten te dooden door hen lichamelijk letsel toe te brengen, door hen
+te vergiftigen of door hen in vallen te lokken. Wat men ook aanwendt,
+de bestrijdingsmiddelen moeten niet te duur zijn, niet te veel
+arbeidskracht eischen, en vooral de planten, waarop de insecten leven,
+niet of zoo weinig mogelijk beschadigen. Van belang is het verder de
+schadelijke insecten te dooden voor zij volwassen zijn; dan voorkomen
+wij het eierleggen. De insecten worden in verschillende stadiën van
+ontwikkeling bestreden: de ringelrups bestrijdt men als ei, veel
+vlinders als rups, terwijl b.v. de meikevers weer het best bestreden
+worden door het vangen van de imago’s. In welke levensperiode een dier
+het best bestreden wordt, leeren wij uit de levensgeschiedenis van het
+dier. Het slagen van onze bestrijdingsmiddelen hangt geheel af van het
+kiezen van het juiste oogenblik, en dat leeren wij vinden door het
+bestudeeren van de dieren.
+
+Wat nu de verschillende chemische middelen betreft, die kunnen in
+groepen worden ingedeeld:
+
+
+ 1º huidvergiften: tabaksstof, zwavelpoeder, versch gebluschte kalk,
+ heet en koud water, nicotine, insectenpoeder, Bordeauxsche en
+ Californische pap, petroleum, lysol, carbolineum, benzine, en
+ andere;
+ 2º verstikkingsvergiften: onderwaterzetting van akkers en weilanden
+ (afsnijden van de lucht), insectenpoeder, tabaksdampen,
+ zwaveldampen, zwavelkoolstof, blauwzuur, chloroform en andere;
+ 3º maagvergiften: arsenicum, Bordeauxsche en Californische pap,
+ nicotine.
+
+
+Verschillende van deze middelen werken in meer dan één richting. Van
+andere weet men niet precies te zeggen, hoe ze werken; alleen weet men,
+dat de resultaten goed zijn.
+
+Deze vergiften worden door speciale werktuigen over de dieren
+uitgespreid; men noemt ze pulverisateurs, besproeiers, bestuivers. Bij
+het gebruik van deze middelen dient gelet te worden op den toestand van
+het weer en van de planten.
+
+In den handel zijn een massa z.g. „bestrijdingsmiddelen”, die onder
+allerlei vreemde namen worden aangeboden. Het publiek kan hieruit
+natuurlijk niet kiezen en daarom raden wij ieder aan, bij deskundigen
+inlichtingen in te winnen.
+
+Verschillende van deze vergiften zijn óók weer voor den mensch
+gevaarlijk, sommige zelfs levensgevaarlijk, b.v. arsenicum,
+zwavelkoolstof, blauwzuur. Zwavelkoolstof is zeer vluchtig en zeer
+brandbaar. ’t Is een goede stof om kleine ruimten als doozen en kisten
+te ontsmetten; alle dieren, die er in zijn, worden gedood.
+
+Zwaveldampen werken vernielend op onze slijmvliezen. Men zwavelt wel
+kelders uit, die ’s winters vol muggen zitten.
+
+Blauwzuur is een zeer zwaar vergift. Men ontwikkelt dit door zwavelzuur
+op cyankalium te doen. In Amerika worden met dit gas van tijd tot tijd
+„landverhuizershotels” ontsmet. In ons land wordt het gebruikt om in
+plantenkassen de insecten op planten te dooden. De aanwending hiervan
+moet volgens de wet onder deskundige leiding geschieden, juist omdat
+het zoo gevaarlijk is. Bij de afzonderlijke beschrijving der insecten
+komen de bestrijdingsmiddelen nog nader aan de orde.
+
+Onder de mechanische middelen verstaan wij die, waardoor de dieren
+lichamelijk letsel bekomen, in vallen worden gelokt of op een andere
+wijze worden verzameld. Tot die middelen behooren de volgende:
+
+
+ 1º het schudden van boomen en struiken; de insecten komen dan naar
+ omlaag en worden opgevangen of op den grond gedood. Op deze wijze
+ schudt men in de morgenuren de meikevers uit den boom en vangt ze
+ op lakens op of veegt ze bij elkaar.
+ 2º het wegsnijden van bezette takken en het uitsnijden of
+ verbranden van rupsennesten; men snijdt deze takken af met een z.g.
+ rupsenschaar. Zoo haalt men ’s winters de rupsennesten van den
+ bastaardsatijnvlinder en het boomwitje uit den boom.
+ 3º het gebruiken van een teerslede; dit is een met teer besmeerde
+ plank waarmede men in ’t voorjaar over de planten gaat, waardoor de
+ aardvlooien in beweging komen en op de teer vastraken.
+ 4º vanglantaarns; de meeste schemer- en nachtdieren komen op licht
+ af; met speciaal daarvoor ingerichte lantaarns vangt men vele
+ dieren.
+ 5º vangpotten; men graaft bloempotten in den grond tot aan den
+ rand; nachtinsecten, die wat haastig over den grond tippelen,
+ vallen naar beneden en kunnen niet meer naar boven.
+ 6º vangplanten; men zaait tusschen de gewone kulturen planten, die
+ door bepaalde insecten gaarne worden gegeten; als ze deze planten
+ bezet hebben, worden ze met plant en al onschadelijk gemaakt.
+ 7º vangbanden; door vangbanden om boomstammen te binden geeft men
+ den insecten gelegenheid een winterkwartier op te zoeken:
+ verwijdert men deze banden later, dan neemt men al de wintergasten
+ mede.
+ 8º lijmbanden; dit zijn stukken bordpapier, waarop lijm is
+ gesmeerd; insecten, die naar boven of naar beneden willen om eieren
+ te gaan leggen of om te verpoppen, vinden in deze lijmbanden, die
+ om boomstammen worden gebonden, een versperring, waarop zij ten
+ slotte vastraken; deze lijmbanden dienen om kruipende insecten te
+ verschalken.
+
+
+Wij zouden over dit onderwerp nog heel wat kunnen zeggen, doch moeten
+ons beperken. Zoodra een of ander insect daartoe aanleiding geeft,
+komen wij er bij de afzonderlijke bespreking nog wel op terug.
+Bovendien komt ditzelfde onderwerp ook in het volgende hoofdstuk ter
+sprake. Intusschen kunnen wij dit wel vaststellen, dat er vele middelen
+bestaan, om de schadelijke insecten onschadelijk te maken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVI. HET VERZAMELEN VAN INSECTEN.
+
+
+Wie bruikbare kennis wil opdoen van de insecten, moet beginnen met het
+verzamelen en waarnemen in de vrije natuur. Uit boeken is natuurlijk
+zeer veel te leeren, want daarin zijn de ervaringen van anderen
+neergelegd; bovendien bevatten zij veel vingerwijzingen, die wij kunnen
+opvolgen. Een echte insectenliefhebber zorgt dan ook voor een
+uitgebreide bibliotheek. Maar, hoeveel wij ook uit boeken kunnen halen,
+het meeste genot en pleizier hebben wij toch alleen als wij de dieren
+buiten zelf zoeken en waarnemen. Dat moet dus altijd voorop staan: de
+dieren in hun eigen omgeving waarnemen. Dan leeren wij hun
+levensgeschiedenis; tevens maken wij dan kennis met andere dieren, die
+met hen in vriendschap of vijandschap leven. Gelijktijdig maken wij
+kennis met veel planten. Er zijn menschen, die alleen insecten
+verzamelen, om ze, zooals de jongens zeggen „te hebben”. Dat moeten we
+afraden. Als men van een opgeprikt insect niets anders weet te
+vertellen dan zijn naam, dan is dat een kennis zonder beteekenis. Wij
+moeten trachten te weten komen: hoe het dier zich voortplant, waar de
+eieren worden gelegd, wat de larve eet en hoe oud die wordt, wanneer
+die verpopt en waar, hoe het volwassen dier leeft, welke plaats het in
+de natuur inneemt, in welke verhouding het tot den mensch staat, enz.
+enz.
+
+Wij kunnen aan elk dier tientallen van vragen stellen, die beantwoord
+worden, als wij de insecten trouw en nauwkeurig waarnemen. En door veel
+waarnemingen te doen, leeren wij de natuur bewonderen in haar
+interessante samenstelling.
+
+Wanneer wij dus de insectenkunde beoefenen, dan doen wij dit niet om
+eenige doozen met opgeprikte dieren in ons bezit te krijgen, maar
+alleen om de natuur te leeren begrijpen en waardeeren. En dat geeft ons
+zoo’n genot en dat houdt ons zoo frisch, dat wie er eenmaal mede
+begint, er niet mede eindigen kan. Er komt nog wat bij. Als wij op
+„insectenjacht” gaan, leven wij in zekere aangename spanning; we weten
+niet òf en wàt we vangen zullen. En als we wat gevangen hebben, dan
+stijgt de vreugde en zijn wij blij alsof we een geschenk hebben
+gekregen. We leeren ook goed uit de oogen zien, want de meeste insecten
+zijn maar betrekkelijk klein. Een ander voordeel is, dat we veel in de
+frissche lucht zijn, wat vooral voor de stedelingen van belang is. Dan
+leeren wij wandelen met een bepaald doel. Bovendien is het wandelen in
+de natuur des te aangenamer naarmate wij meer planten en dieren kennen.
+
+Er is dus alles voor om aan het verzamelen te gaan. En als nu een
+stedeling zegt: Maar in en bij de stad is zoo weinig te vangen, dan
+antwoorden we: „een entomoloog weet overal wat te vinden, binnen en
+buiten de stad, in huis en op straat, op alle denkbare plaatsen”.
+
+Wil men met succes werkzaam zijn, dan moet men 1º goed gereedschap
+hebben en 2º bekend zijn met de plaatsen, waar de insecten zich
+ophouden.
+
+Het gereedschap. Een vlindernet, een schepnet, een sleepnet, een
+paraplu, een wiedijzertje, verschillende glazen en doozen, een pincet.
+Men vrage eens een catalogus aan bij een handelaar in deze artikelen;
+men zal dan zien, dat er nog veel meer gereedschap wordt aangeboden.
+
+Met een vlindernet vangt men alles wat vliegt; met een schepnet halen
+wij de waterinsecten en hun larven op den kant; een sleepnet wordt
+langs de grasvelden gesleept, en men vangt er de insecten mede, die op
+de lage planten leven. Als we een open paraplu onder een heester houden
+en daarna de takken bewegen, vallen de insecten er in. Met een
+wiedijzertje of wiedvorkje kan men den grond omwoelen en naar larven en
+kevers zoeken. Met een pincet neemt men kleine dieren op.
+
+De vindplaatsen. Zeer veel insecten leven op planten; wat op de lage
+planten leeft laat ons het sleepnet zien. Bij hoogere planten gebruiken
+wij een paraplu; de insecten worden dan afgeklopt. Veel schemer- en
+nachtdieren vertoeven overdag onder steenen; men lichte deze dus op. In
+den grond aan den voet der boomen huizen veel insecten; men woele de
+aarde dus om. Ook in het zand leven er verscheidene. In dood hout is
+ook altijd wat de vinden, evenals in den molm van boomen. Het water
+levert ook heel wat op. Verschillende insecten leven in dierenlijken en
+in afval. Op bloemen vertoeven heel wat dieren, die gemakkelijk met een
+net zijn te vangen; vooral als de zon schijnt is het insectenbezoek
+zeer druk. In onze huizen en magazijnen zijn vele blijvende en
+toevallige insecten. Tegen gesloten ramen en onder waranda’s zitten ook
+veel dieren. Men vergete ook niet den kelder. In nesten en
+verblijfplaatsen van insecten en andere dieren vindt men ook altijd
+z.g. „gasten”. Bekend zijn de „mieren-, bijen- en wespengasten”.
+
+Lokmiddelen. Men kan insecten op verschillende manieren lokken.
+Vooreerst door het licht. Men zette ’s avonds de ramen van een
+verlichte kamer maar open: er komt van alles op ’t licht aan. Om
+straatlantaarns zwermt het van avondinsecten. Er zijn ook speciale
+vanglantaarns geconstrueerd. Men moet zorgen, dat de dieren niet met de
+vlam in aanraking komen.
+
+Het neerzetten van honing en suikerwater lokt veel insecten. Als men
+boomstammen op bepaalde plekken met een lokmiddel bestrijkt, komen er
+’s avonds insecten op af. Men maakt een mengsel van bier, stroop, rum
+en appelaether. Ook kan men schijfjes van gedroogde appels in dit
+mengsel dompelen en dan aan een snoer ophangen. Als het een geschikte
+avond is, krijgen wij vaak veel bezoek.
+
+Een aardig lokmiddel vormen de wijfjes van vele vlinders. Zet men die
+in een gazen kooitje buiten, dan komen er mannetjes op af, zoo die
+tenminste in de buurt zijn. Ten slotte zijn bloemen goede lokmiddelen.
+Zet men b.v. crocusjes in Maart buiten, dan kunnen we zeker hommel- en
+wespenkoninginnen verwachten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVII. HET KWEEKEN VAN INSECTEN.
+
+
+Nu komen we aan het mooiste en leerzaamste werk: het in huis opkweeken
+van insecten. Dat dit een aardig werk is, volgt o.a. ook hieruit, dat
+het Insectarium in Artis te Amsterdam, waar men ook insecten kweekt,
+door iedereen wordt bewonderd, en dat ieder er gaarne langen tijd
+vertoeft. Er is ook geen beter middel om insecten te leeren kennen, dan
+ze geregeld in huis, in school of op een open plaats dagelijks waar te
+nemen. Natuurlijk moet men zorgen, dat de omgeving waarin men hen
+plaatst, zooveel mogelijk overeenkomt met die, waarin zij buiten leven.
+
+Het gemakkelijkst kweekt men rupsen op tot vlinders. Dat geschiedt dan
+in rupsenkasten, rupsenhuizen of insectaria. Doozen en flesschen zijn
+ongeschikt, omdat daar te weinig luchtverversching in is. Het best is
+een bodem en een zolder van gaas; de bodem staat dan op pootjes, anders
+heeft er geen trekking plaats. De vier zijwanden mogen gerust van glas
+zijn, als er maar voor een gazen bodem en zolder is gezorgd. Natuurlijk
+kan een der zijwanden ook van gaas zijn, desnoods wel twee. Maar een
+paar moeten er minstens van glas wezen om waarnemingen te kunnen doen.
+De insectaria, die in Artis staan, zijn al zeer geschikt; voor velen
+zullen ze evenwel te duur zijn.
+
+De rupsenkasten zijn daarom zoo bruikbaar, omdat er veel plaats is voor
+voer. Bijna alle rupsen eten bladeren. Snijdt men nu eenige stengels of
+takken met bladeren af en zet men die in een fleschje met water, dan
+blijven ze frisch en vormen een goed voer voor de rupsen. Tegen den
+tijd, dat de bladeren zijn opgegeten, wordt nieuw voer gehaald en in
+een tweede fleschje geplaatst; dit zet men dan ook in het rupsenhuis.
+Al heel gauw merken de rupsen dat er „versche groenten” zijn aangekomen
+en zij kruipen daar heen. De oude takjes zijn nu verlaten en men neemt
+het eerste fleschje weg. Op deze wijze behoeft men de rupsen niet aan
+te raken, wat anders wel eens aanleiding kan geven tot kwetsing der
+dieren. Het is geheel verkeerd het rupsenvoer zoo maar in het
+rupsenhuis te werpen. In enkele uren zijn de bladeren verdroogd en niet
+meer te genieten voor de rupsen. ’t Voer moet dus altijd frisch zijn.
+Wil men takken en stengels lang frisch houden, dan knipt of snijdt men
+ze even voor ze in het water gaan af, en geeft door het ondereinde een
+flinke kruissnede van een c.M. of 5; dan trekt het water er goed in.
+
+Goed voer is een eerste vereischte en wie hiervoor niet zorgen kan,
+moet geen dieren opkweeken; ’t loopt dan toch op niets uit.
+
+In de tweede plaats moet er gezorgd worden voor frissche lucht; als het
+kan, zette men het rupsenhuis altijd voor een open raam. Waar veel
+gegeten wordt, is de productie van uitwerpselen ook groot en omdat die
+soms minder aangenaam rieken of gaan schimmelen, moet het rupsenhuis
+dagelijks gereinigd worden. Men doet dit zeer gemakkelijk met een veer.
+Houdt men hieraan de hand, dan loopt de kweekerij vanzelf goed van
+stapel.
+
+Op nog een ander punt dient gelet. Verschillende rupsen en
+bastaardrupsen verpoppen in den grond. Ze doen het ook wel boven den
+grond, als ze niet anders kunnen, maar voor het dier is het beter als
+het wat aarde tot zijn beschikking heeft om daarin te kruipen. Men
+zette dus in het rupsenhuis neer een laag bakje met aarde; de aarde
+wordt een beetje vochtig gehouden. Het aardigst is te beginnen met een
+kweekje van brandnetelrupsen, van de Kleine Vos. Men vindt in Mei en
+begin Juni op brandnetel geheele kolonies van deze rupsen.
+
+Wij moeten vooral aanraden de dieren zoo weinig mogelijk of eigenlijk
+in ’t geheel niet aan te raken; de natuur helpt zichzelf wel. Dan
+moeten wij aanraden met niet te veel soorten in eens te beginnen; dat
+geeft maar verwarring en belemmert ons in het duidelijke waarnemen.
+Want waarom gaan wij insecten kweeken in huis? Alleen om belangrijke
+waarnemingen te doen, onze kennis te verrijken, om de natuur te leeren
+bewonderen en in die bewondering te genieten. Dan is het kweeken in
+huis het eenige middel om onbeschadigde volwassen vlinders te krijgen.
+Met een vlindernet kunnen wij gemakkelijk vlinders vangen, doch bijna
+altijd worden ze min of meer beschadigd. Kweeken wij ze evenwel uit
+rupsen in ’t rupsenhuis op, dan krijgen we gave, onbeschadigde en ook
+nietafgevlogen vlinders. Sommige vlinders overwinteren als pop, ’t zij
+boven, ’t zij onder den grond. We moeten die dus ook thuis den winter
+laten doorbrengen. Een goed plaatsje is een kamer, waar niet gestookt
+wordt. Op den zolder is ook goed; men kan ze ook buiten zetten of in
+een schuur. Tegen kou zijn ze voldoende bestand; men moet evenwel
+zorgen dat ze geen last van regen of ander water hebben.
+
+Behalve als poppen, overwinteren ook vele insecten als imago; b.v.
+kleine vos, atalanta, citroentje, vele kevers, muggen, enz. Wie de
+geschiedenis van deze insecten wil leeren kennen, dient hiervan wat
+exemplaren te verzamelen vóór den winter.
+
+In een rupsenhuis of insectarium kunnen wij ook de levensgeschiedenis
+volgen van verschillende kevers, b.v. O. L. H. beestjes, het
+goudhaantje (70) doodgravers en wat al niet meer. Als we maar zorgen,
+dat zij het juiste voedsel hebben. O. L. H. beestjes lusten dolgraag
+bladluizen, het goudhaantje leeft op de witte doovenetel. Zet men b.v.
+in een bloempot met aarde een plant van witte doovenetel, dan kan men
+verder in het insectarium eenige goudhaantjes doen, die dan op de
+doovenetel eieren gaan leggen, waaruit larven komen, die aan de
+bladeren gaan eten, ten slotte aan de bladeren verpoppen en eindelijk
+als kever voor den dag komen.
+
+Hoofdzaak is, dat de dieren een goed en passend voer hebben.
+
+Wat de waterinsecten betreft, die moet men in een aquarium houden; men
+lette er evenwel op, dat sommige roofinsecten zijn en andere meer
+planteneters. De larven zijn meestal ook erge carnivoren, zoodat ons
+aquarium dan met recht een jachtterrein wordt. Wie de steekmuggen wil
+bestudeeren, moet de larven in het aquarium houden. Het verdient
+aanbeveling de aquaria met een geperforeerde zinken plaat of met een
+glasplaat te bedekken; dan kan geen enkel insect ontsnappen; sommige
+waterkevers scheppen ’s avonds wel eens een luchtje en vliegen dan
+rond. Onze waterinsecten moeten gevoerd worden. Stukjes vleesch,
+daphnia’s, kleine vischjes, ze doen er hun maal mede. Er moet ook
+gezorgd worden voor waterplanten en een flinken bodem.
+
+Een insecten-aquarium is veel interessanter dan een gewoon
+visch-aquarium, omdat er veel meer actie in het leven der insecten is;
+bovendien is de gedaanteverwisseling zeer merkwaardig.
+
+Wij kunnen al deze onderwerpen hier niet uitvoerig uitwerken, doch
+zullen bij de afzonderlijke beschrijving der waterinsecten nog wel het
+een en ander mededeelen.
+
+Van belang is dat wij bij het vangen en kweeken van insecten, vooral
+aanteekeningen maken van onze waarnemingen; ook vergete men niet de
+datums te noteeren. Vaak kan het ook nuttig zijn, het uur te noteeren,
+waarop iets wordt waargenomen. Wij weten nog lang niet alles van het
+leven der waterinsecten, zoodat er vele nieuwe waarnemingen zijn te
+doen. Wie zich met insecten bezighoudt, moet een dagboek aanleggen;
+later hebben die aanteekeningen veel waarde.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVIII. HET OPZETTEN VAN INSECTEN.
+
+
+Zullen wij ook insecten gaan opzetten? En we zouden willen vragen:
+Waarom niet? Als het alleen ons doel is om maar wat dieren opgeprikt te
+hebben, dan zeggen we, neen, laat dat opzetten maar na. Doch is ’t ons
+ernstig streven om het maaksel der dieren te leeren kennen, om hen
+onderling te leeren vergelijken, om den vorm van verschillende organen
+te bestudeeren, dan hebben wij materiaal noodig, en moeten wij
+verschillende insecten opzetten.
+
+Wie in dit opzetten iets wreeds ziet, vergist zich zeer, want de
+insecten worden eerst bedwelmd en sterven dan, zonder pijn. Wij
+gebruiken chloroform en dat bevalt ons uitstekend. Men kan het aldus
+aanwenden. Men neemt een reageerbuisje van stevig glas; de wijdte
+regelt zich naar de grootte van het dier. Op den bodem van het glas
+brengt men een stukje watten, en giet daarop wat chloroform; het buisje
+wordt met een kurk luchtdicht gesloten. Wenscht men nu een dier te
+dooden, dan wordt het vlug in het buisje gebracht, dat direct weer
+gesloten wordt. Binnen enkele seconden is het dier bedwelmd; bovendien
+hangt dit af van de hoeveelheid chloroform, die op het watje is
+gegoten. De chloroformdampen trekken door de luchtbuizen het lichaam in
+en zonder pijn wordt het dier gedood.
+
+Het dooden op deze wijze is dus in ’t geheel niet wreed. De gewone
+manier waarop vlooien en andere parasieten, ook steekmuggen, worden
+doodgedrukt of doodgeslagen, is inderdaad heel wat wreeder. Natuurlijk
+heeft het altijd iets stootends een dier te dooden, maar daarover
+moeten wij ons heenzetten. Bovendien is het nog de vraag, wat voor een
+insect aangenamer is, met chloroform te worden bedwelmd of door een
+ander dier met huid en haar levend te worden verslonden. Want op dit
+laatste draait het gewoonlijk in de vrije natuur uit.
+
+Zijn de dieren gedood, dan worden ze opgezet in doozen met een bodem
+van turf. Die doozen zijn in den handel. Men kan ze ook zelf maken,
+want turfplaten zijn voor enkele centen te koop. Dit neemt niet weg,
+dat wij toch maar liever aanraden de doozen te koopen; die zijn keurig
+afgewerkt en sluiten uitstekend. Een insectendoos moet goed sluiten,
+anders gaan de dieren schimmelen.
+
+De doode insecten worden met spelden vastgezet; hiervoor worden
+speciale spelden in verschillende dikte gebruikt; men noemt ze
+insectenspelden, welke bij de handelaars verkrijgbaar zijn. De gewone
+huishoudspelden deugen niet; ze zijn te dik en er komt roest bij.
+
+Kevers prikt men gewoonlijk in den bovenhoek van den rechtervleugel; de
+andere insecten door het borststuk. Al naar de verzamelaar dat zelf
+wenscht, kan hij de vleugels „spannen”, de pooten „strekken”. Bij
+vlinders kan ook wel de roltong worden uitgezet.
+
+Heel wat oefening is er noodig om de vleugels van vlinders, libellen,
+sprinkhanen, netjes te spannen. Men gebruikt daarvoor spanborden; een
+eenvoudige vorm is een blokje hout, waarin een gleufje is gezaagd. De
+spanspelden zijn steviger dan de gewone. In het gleufje wordt het
+lichaam van het insect geplaatst en de vleugels worden links en rechts
+op het plankje uitgespreid, en vlak gehouden door reepjes papier, die
+met spelden worden vastgezet. Alleen door veel oefening krijgt men
+handigheid de vleugels vlak te spannen en niet te beschadigen. Men kan
+deze dieren ook éénzijdig spannen, door slechts één voor-, en één
+achtervleugel daarvoor te gebruiken.
+
+Van belang is het, dat bij elk dier een etiket wordt geplaatst, waarop
+vermeld staan de Hollandsche en Latijnsche naam, de tijd en de plaats,
+waar het dier gevangen is. Meerdere bijzonderheden, b.v. omtrent het
+aantal, de aangerichte schade, kunnen in een afzonderlijk schrift
+worden vastgelegd.
+
+Over het opzetten van insecten zouden we nog veel kunnen schrijven; ook
+over de verschillende manieren om de dieren te dooden. Maar dan zouden
+wij te uitvoerig worden. De beginner heeft aan ’t medegedeelde genoeg,
+en al doende leert men.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIX. DE INDEELING DER INSECTEN.
+
+
+De indeeling der insecten is reeds van ouden datum; dat bewijst, dat
+men zich al vroeg met deze dieren heeft beziggehouden. Trouwens, dit
+kon ook niet anders, omdat er geen enkele groep dieren is, die den
+mensch zoo omringt binnens- en buitenshuis als juist de insecten. Die
+oude indeeling bracht de insecten in 7 of 9 groepen onder. De nadere
+studie heeft evenwel aan ’t licht gebracht, dat veel wat bij elkaar was
+gebracht toch niet bij elkaar hoorde. Zoodoende vielen enkele groepen
+uit elkaar. Het zijn vooral Brauer, Handlirsch en anderen, die het
+systeem hebben gewijzigd; wij kunnen ook daarop niet verder ingaan,
+doch zullen het systeem mededeelen, dat Dr. J. Th. Oudemans in zijn
+prachtig boek „De Nederlandsche Insecten” volgt. Volgens dit systeem
+worden de insecten in de volgende 19 Orden ingedeeld:
+
+
+ Orde I. Franjestaarten (73).
+ Orde II. Springstaarten.
+ Orde III. Oorwormen (74).
+ Orde IV. Haften (75–76).
+ Orde V. Glazenmakers (77–81).
+ Orde VI. Perlariën.
+ Orde VII. Rechtvleugeligen (82–90).
+ Orde VIII. Pelsvreters, Houtluizen (91–92).
+ Orde IX. Blaaspooten.
+ Orde X. Plantluizen, Luizen, Wantsen (93–104).
+ Orde XI. Waaiervleugeligen.
+ Orde XII. Netvleugeligen (105–107).
+ Orde XIII. Schorpioenvliegen.
+ Orde XIV. Schietmotten, Kokerjuffers (108).
+ Orde XV. Vlinders (109–144).
+ Orde XVI. Vliegen en Muggen, tweevleugeligen (145–161).
+ Orde XVII. Vlooien (162).
+ Orde XVIII. Kevers (25–72).
+ Orde XIX. Vliesvleugeligen, Bijen, Wespen (163–180).
+
+
+In de hierachter volgende beschrijvingen worden dus bijna alle orden
+behandeld; een paar van minder beteekenis, waarmede het publiek zelden
+of nooit in aanraking komt, hebben we weggelaten. Daarentegen zijn de
+vlinders, kevers, vliegen en muggen, bijen, hommels, wespen, die wij
+als het ware dagelijks om ons heen zien, tamelijk uitvoerig besproken.
+We vertrouwen, dat dit Album daardoor meer aan zijn doel zal
+beantwoorden.
+
+Voor wie belang mogen stellen in de Latijnsche namen der Orden, geven
+wij die hieronder:
+
+
+ I. Thysanura.
+ II. Collembola.
+ III. Dermaptera.
+ IV. Agnatha.
+ V. Odonata.
+ VI. Plecoptera.
+ VII. Orthoptera.
+ VIII. Corrodentia.
+ IX. Thysanoptera.
+ X. Rhynchota.
+ XI. Strepsiptera.
+ XII. Neuroptera.
+ XIII. Panorpata.
+ XIV. Trichoptera.
+ XV. Lepidoptera.
+ XVI. Diptera.
+ XVII. Siphonaptera.
+ XVIII. Coleoptera.
+ XIX. Hymenoptera.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XX. DE PLAATS DER INSECTEN IN HET DIERENRIJK.
+
+
+Het geheele dierenrijk kan men gevoegelijk in 7 Hoofdafdeelingen
+indeelen. In de laatste jaren is deze indeeling ook wel weer gewijzigd,
+doch voor ons doel zullen wij ons houden aan de indeeling in 7 groepen.
+
+Van de laagst georganiseerde tot de hooger ontwikkelde dieren
+opklimmende, krijgen we dan de volgende groepen:
+
+
+ 1. Protozoën of ééncellige dieren,
+ 2. Holtedieren: polypen,
+ 3. Stekelhuidigen: zeesterren,
+ 4. Weekdieren: slakken, mossels,
+ 5. Wormen,
+ 6. Gelede dieren: kreeften, spinnen, duizendpooten, insecten,
+ 7. Gewervelde dieren: vogels, zoogdieren.
+
+
+De insecten behooren dus tot de 6e hoofdafdeeling, en deze afdeeling
+wordt weer in 4 groepen ingedeeld:
+
+
+ 1. schaaldieren,
+ 2. duizendpooten,
+ 3. insecten,
+ 4. spinnen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XXI. DE NAMEN DER INSECTEN.
+
+
+In de Hollandsche namen der insecten ligt gewoonlijk de een of andere
+eigenaardigheid der dieren opgesloten, die in verband staat met het
+voedsel, met den tijd van het jaar, met de plaats, waar het dier leeft,
+de wijze van voortbewegen, enz. enz.
+
+Die volksnamen zijn vaak zeer sprekend.
+
+De overgroote meerderheid der Nederlandsche insecten heeft evenwel geen
+Hollandschen naam; de oorzaak hiervan ligt in de omstandigheid, dat de
+spraakmakende menigte wel groote en algemeen voorkomende insecten ziet,
+maar de kleinere niet.
+
+De mannen der wetenschap evenwel hebben aan alle bekende insecten een
+naam gegeven, die ontleend is aan ’t Latijn of ’t Grieksch. Die namen
+gelden dan voor de heele wereld. Voor de wetenschap zijn deze namen een
+groot gemak.
+
+Een wetenschappelijke naam bestaat uit 2 deelen: een geslachts- of
+familienaam en een soort- of voornaam. ’t Is evenwel de gewoonte den
+voornaam achter den familienaam te zetten. Deze wijze van benoeming
+danken wij aan Linnaeus, een groot natuurkenner, die leefde van 1707
+tot 1778.
+
+Een zelfde benoemingswijze treffen wij aan bij de planten; ook die is
+te danken aan Linnaeus.
+
+De gerande watertor (28) heet Dytiscus marginalis. De geslachts- of
+familienaam Dytiscus beteekent, dat deze kever goed duiken kan;
+marginalis, de soortnaam, beteekent „gerande”.
+
+Van de Vanessa’s, die mooie dagvlinders, kennen we verschillende
+soorten: Vanessa urticae (112), V. polychloros (114), V. Io (115), V.
+antiopa (116), V. atalanta (117). Zij behooren allen tot de familie of
+het geslacht Vanessa, welk woord fakkel of zon beteekent en er zeker op
+wijst, dat deze vlinders alleen bij zonnig weer vliegen. Wat nu de
+soortnamen betreft, zoo beteekent urticae (spreek uit: urtisee) dat
+deze rups op brandnetel (urtica) leeft; polychloros beteekent:
+„veelkleurige”, terwijl Io, antiopa en atalanta Grieksche meisjesnamen
+zijn.
+
+In den loop der tijden is het wel voorgekomen, dat nieuw ontdekte of
+beschreven soorten verschillende namen kregen; daardoor ontstond dan
+verwarring. Verschillende congressen van dierkundigen hebben al
+beproefd eenheid in de benaming te krijgen en voor een groot deel is
+dit ook wel gelukt, doch geheel zuiver is de toestand nog niet. Sommige
+insecten hebben daardoor twee geslachtsnamen en ook wel twee
+soortnamen; een oude en een nieuwe. Wij hebben die dan tusschen haakjes
+geplaatst.
+
+Achter den soortnaam wordt meestal ook de naam van den dierkundige
+gezet (gewoonlijk afgekort), die het desbetreffende dier heeft
+beschreven en benoemd. Een L. beteekent Linnaeus. Fab. of F. Fabricius,
+enz.
+
+Hoewel er reeds vele insecten bekend en beschreven zijn, worden er toch
+telkens weer nieuwe ontdekt; die krijgen natuurlijk dan een nieuwen
+naam. Er zijn nog vele streken van de aarde, die uit een entomologisch
+oogpunt nog geheel braak liggen. Ook zijn wij nog niet geheel bekend
+met de insecten, die in ons eigen land voorkomen, al zijn de meeste dan
+ook wel beschreven. Op entomologisch gebied zijn dus inderdaad nog vele
+nieuwe dingen te vinden; vooral de biologie, de leer van het leven in
+de vrije natuur, vraagt nog vele beoefenaars. En ieder, wie hij ook
+zij, en wat zijn maatschappelijke positie ook moge wezen, kan zich
+verdienstelijk maken voor de wetenschap, door het doen van
+stelselmatige, correcte, juist beschreven waarnemingen.
+
+Thans gaan wij over tot de beschrijving der afzonderlijke dieren, die
+op de plaatjes zijn afgebeeld.
+
+
+
+
+
+
+
+
+BIJZONDER GEDEELTE.
+
+
+PLAAT I.
+
+LARVEN EN POPPEN.
+
+
+Larven. Eigenlijk hooren Plaat I en Plaat II bij elkaar, omdat rupsen
+ook larven zijn. We hebben ze evenwel afzonderlijk genomen, omdat de
+larven op de eerste plaat in het algemeen minder bekend zijn. De rupsen
+zijn zoo wat de eenige larven, die het publiek kent. Wel heeft iedereen
+gehoord, dat uit de eieren van meikevers engerlingen komen, maar hoe
+weinigen hebben een engerling gezien? O. L. Heersbeestjes kent zelfs
+het kleinste kind; doch wie kent de larve? Toch moeten die er ook zijn,
+want elke kever was eenmaal een larve. Wie heeft de larven van een
+steekmug, van een kamervlieg, van een vloo wel eens gezien? Toch komen
+er milliarden daarvan in ons land voor. Het kwam ons daarom nuttig voor
+een plaat te geven, waarop verschillende soorten larven zijn afgebeeld.
+
+Een larve is een jong insect, en de meerderheid der larven lijkt
+heelemaal niet op de volwassen insecten. Uit een rups moet nog een
+vlinder groeien, uit een engerling nog een meikever, uit een meelworm
+nog een meeltor.
+
+Naar haar vorm en verdere ontwikkeling kunnen wij de insectenlarven in
+de volgende groepen indeelen:
+
+
+Eerste groep: Primaire Larven.
+
+
+ I. De larve gelijkt volkomen op de imago’s, doch is alleen kleiner
+ en kan nog geen eieren leggen; de suikergast (73) en de
+ ongevleugelde dierluizen.
+ II. De larve gelijkt zoozeer op de gevleugelde imago’s, dat zelfs
+ de oningewijde haar dadelijk herkent. Ze heeft evenwel nog geen
+ vleugels, haar pooten zijn nog niet volkomen en ook de verhouding
+ der lichaamsdeelen is nog niet zooals bij de imago’s. Zulke larven
+ komen voor bij de rechtvleugeligen. Fig. 22 geeft een afbeelding
+ van een veenmollarve.
+
+
+Tweede groep: Secundaire Larven.
+
+
+III. De larve gelijkt eveneens zeer veel op de imago’s, heeft
+ evenwel ook geen vleugels, doch wel bijzondere organen, die bij de
+ imago’s ontbreken, b.v. trachee kieuwen, grijporganen enz. Deze
+ verschillen vinden haar oorzaak in de omstandigheid, dat de larven
+ in een andere middenstof leven dan de imago’s; zoo leeft de larve
+ van een glazenmaker (8) in ’t water en de imago vliegt rond in de
+ lucht. De organen, die noodig waren voor het leven in ’t water,
+ worden afgeworpen als het dier een landbewoner wordt.
+
+ Zooals reeds vroeger is opgemerkt, zegt men, dat de insecten, die
+ tot I behooren, geen gedaanteverwisseling hebben en die tot II en
+ III behooren hebben een onvolkomen gedaanteverwisseling. Het
+ karakter hiervan zit dus in de larve.
+
+
+Derde groep: Tertiaire Larven.
+
+
+ IV. De larve lijkt heelemaal niet op het volwassen insect; dit komt
+ voor bij de rupsen, maden, keverlarven. Vóór deze larven imago’s
+ worden, maken ze een poptoestand door. Men zegt, dat ze hebben een
+ volkomen gedaanteverwisseling.
+
+ Deze larven kunnen aldus worden ingedeeld:
+
+
+A. Larven zonder buikpooten.
+
+
+ a. met 6 goed gevormde borstpooten:
+
+ 1. de larven hebben meestal een sterke chitinehuid; voorbeelden
+ zijn de larve van den mierenleeuw (4), van den zandkever (9),
+ van den poppenroover (10). Verder van waterroofkevers, O. L. H.
+ beestjes.
+ 2. de larven hebben een weeke chitinehuid en zijn meest wit;
+ alleen de kop is krachtig gechitineerd en daardoor ook donker
+ van kleur. Meestal zijn deze, in tegenstelling met de vorige,
+ blind. Voorbeelden: engerling van meikever (5), ook die van het
+ vliegend hert, van mestkevers.
+
+ b. met zwakgevormde of rudimentaire borstpooten, die nauwelijks nog
+ tot voortbeweging kunnen dienen. Voorbeelden: larven van boktorren
+ (2) en houtwespen (164).
+
+ c. larven zonder borstpooten, dus geheel pootloos:
+
+ 1. zij bezitten een goed te onderscheiden kop en kauwende
+ monddeelen; de meeste zijn weekhuidig, wit, en voeren een
+ verborgen leefwijze: de larven van schorskevers, bijen, wespen,
+ mieren, sluipwespen. Verschillende vrijlevende muggenlarven (3)
+ behooren ook hiertoe, en zijn in verband met deze leefwijze
+ sterker gechitineerd.
+ 2. de larven bezitten geen goed te onderscheiden kop meer; de
+ monddeelen zijn sterk gewijzigd, teruggeloopen. Meestal
+ weekhuidig en wit. Hiertoe behooren de larven van vliegen, die
+ men ook maden noemt. Kamervlieg (1).
+
+
+B. Larven met buikpooten.
+
+Hiertoe behooren de rupsen en de bastaardrupsen. Deze zijn allen
+langgerekt en meer of minder regelmatig gesegmenteerd, met duidelijk te
+onderscheiden kop, die voorzien is van kauwende monddeelen; verder 3
+paar borstpooten en eenige buikpooten. Rupsen vinden wij afgebeeld op
+Plaat II en bastaardrupsen in fig. 6 en fig. 11. Voor oningewijden is
+het moeilijk rupsen en bastaardrupsen van elkaar te onderscheiden; men
+lette daarom op de volgende verschillen:
+
+ 1. Een bastaardrups heeft maar 2 enkelvoudige of puntoogen, aan
+ iedere zijde één; een rups heeft aan iedere zijde 6 puntoogen, dus
+ totaal 12.
+ 2. Een rups heeft 2 of 5 paar buikpooten; een bastaardrups heeft 6,
+ 7 of 8 paar buikpooten. Op z’n hoogst heeft een rups dus totaal 16
+ pooten en een bastaardrups 22.
+ 3. De buikpooten der rupsen bezitten een krans van chitinehaakjes;
+ de buikpooten der bastaardrupsen missen die.
+
+ Ten slotte houden we dit nog in ’t oog:
+
+ de rupsen groeien uit tot vlinders, de bastaardrupsen tot
+ bladwespen.
+
+
+Poppen. Men noemt een pop den toestand, waarin een insect, dat een
+volkomen gedaanteverwisseling ondergaat, verkeert, vóór het een imago
+wordt. Een pop neemt geen voedsel tot zich. De poppen kunnen wij in 2
+hoofdvormen onderscheiden:
+
+
+ 1. vrije poppen; de ledematen zijn goed te zien en liggen vrij,
+ zooals bij den meikever (5); verder komen deze voor bij de andere
+ kevers, bij de vliesvleugeligen en netvleugeligen, en ook bij
+ enkele vliegen (7).
+ 2. bedekte poppen of mummiepoppen; de ledematen zijn door een
+ kleefstof vast aan het lichaam gelijmd; daardoor zijn ze niet zoo
+ goed waarneembaar als bij de vrije poppen. De bedekte poppen vinden
+ wij de meeste vlinders en bij een deel der tweevleugeligen (1).
+
+
+Dat een bedekte pop inderdaad ook dezelfde ledematen heeft als een
+imago, kan ons de volgende proef leeren. Lukt het ons een rups waar te
+nemen juist op het oogenblik, dat zij verpopt en wordt die pop dan
+schielijk gedood door haar in kokend water te werpen, dan blijkt het,
+dat alle ledematen nog vrij zijn en niet verkleefd.
+
+Uit het voorgaande volgt, dat een pop eigenlijk een eerste
+imago-stadium is en dus meer imago dan larve. Feitelijk is een pop al
+een imago, ten minste uitwendig; inwendig moeten evenwel nog eenige
+veranderingen plaats hebben.
+
+Een pop kan zich niet meer verplaatsen; ook bezit zij geen enkel
+verdedigingsmiddel. Daarom zorgt de larve er gewoonlijk voor, zich zoo
+te verpoppen en op zulke plaatsen, dat de pop min of meer beschermd is.
+Zoo verpoppen veel larven in den grond, in hout, onder steenen. De
+kokerlarven verpoppen zich in kokertjes. Andere verpoppen in haar
+uitwerpselen. Allerlei variaties treffen we aan. Zeer bekend zijn ook
+de cocons, waarin b.v. rupsen zich verpoppen. Ook hier treden weer
+allerlei vormen op. De cocons worden gevormd uit draden, die worden
+voortgebracht door de spinklieren, die aan den kop zitten. Zoo’n draad
+kan wel 1000 M. en meer lang zijn (zijderupsen). Het koolwitje en de
+koninginnepage (14) zetten de pop met een gordel vast. De beerrups
+maakt een los spinsel. Behalve de vlinders maken ook vele
+vliesvleugeligen een cocon; die van mieren heeten foutief miereneieren.
+Sommige rupsen geven door houtspaandertjes stevigheid aan de cocons.
+
+Het verpoppen. Na langer of korter tijd in een rusttoestand te hebben
+verkeerd, berst de pop op een gegeven oogenblik open; en voor elke
+soort geschiedt dit op een bepaalde wijze. Het insect werkt zich dan
+zelf de pophuid uit. Het dier is dan nog week en de vleugels zijn nog
+samen gevouwen; deze beginnen zich spoedig te rekken door het inpompen
+van lucht door middel van de tracheeën. De insecten, wier kleur niet
+afhangt van schubben en haren, zijn eerst nog wat heller gekleurd, meer
+geel-wit. Zij moeten eerst nog „uitkleuren” voor zij de goede kleur
+hebben. Verder nemen we waar, dat zij na het verlaten van de pop een
+druppel vloeistof kwijtraken; dat zijn de afgewerkte stoffen. Een
+belangrijke vraag is hoe de insecten, die op een verborgen plaats
+verpopten, die plaats kunnen verlaten. Ook hier heeft de natuur gezorgd
+voor een geregelden loop van zaken. Dieren met kauwende monddeelen eten
+zich een weg naar buiten. Soms heeft de rups al zoo’n weg gemaakt en
+valt het dan den vlinder niet moeilijk naar buiten te komen. De pop van
+de wilgenhoutrups (23) bezit doorns, die als voortbewegingsorganen
+kunnen dienen; daardoor steekt de pop een eind buiten den boomstam en
+kan de vlinder gemakkelijk naar buiten komen.
+
+Hoe komt nu een vlinder door een cocon heen? Hij zondert een vloeistof
+af, die het spinsel op een bepaalde plaats doorweekt of oplost, zoodat
+de vlinder er gemakkelijk door kan. Andere vlinders hebben op het
+voorhoofd „coconbrekers”, doorns of tandjes, waarmede de cocon zoo lang
+doorpriemd wordt, tot er een opening is ontstaan. Zoo „perforeeren” ook
+parasietische vliegen haar omhulsel. De vliegen, wier pop een z.g.
+tonnetje is, bezitten op den kop een „kopblaas”, waarin bloed wordt
+geperst door welke persing het tonnetje openspringt.
+
+No. 1. Made en pop van Kamervlieg. (Musca domestica). De kamervlieg
+legt viermaal eieren, telkens 120; totaal dus een kleine 500. Bij
+voorkeur geschiedt dit in verschen paardenmest; daarom zitten
+paardenstallen altijd vol vliegen. Na een paar dagen komen uit de
+eieren larven, die men maden noemt. Ze hebben geen pooten, geen oogen
+en maar 2 stigma’s. Van de sprieten is ook weinig meer overgebleven,
+alleen een paar puntjes. Ook de kop is geheel gewijzigd; alleen een
+paar haken herinneren nog aan kaken. Het diertje is van voren spits en
+loopt naar achter breeder uit; ’t is slank en doorschijnend wit,
+precies een wit wormpje. Alle verplaatsings- en waarnemingsorganen zijn
+verdwenen. Het wordt geboren midden in het voedsel en heeft maar te
+eten. ’t Is een zeer eentonig en primitief bestaan. Is er geen
+paardenmest voorhanden, dan legt de kamervlieg haar eieren in andere
+rottende stoffen. Afgescheiden van het groote gevaar, waaraan de
+kamervlieg den mensch blootstelt, zijn de larven nuttige dieren omdat
+zij den mest en anderen afval verwerken; ze behooren tot de opruimers
+of vuilnismannen in de natuur. Binnen 14 dagen is de made volwassen en
+is dan 9 m.M. lang; zij verpopt tot een tonnetje, waar in de vlieg zich
+ontwikkelt, waarvoor 1 à 2 weken noodig zijn, al naar het weer is,
+zoodat in 3 à 4 weken weer een nieuw geslacht vliegen voor den dag
+komt. Wie deze larven in haar ontwikkeling wil bestudeeren, moet wat
+verschen paardenmest in een flesch doen en daar kamervliegen bij
+brengen. Vogels, die wel aan mest zitten te peuzelen, en kevers,
+verslinden veel larven en poppen. Een Amerikaan, Howard, nam in 125
+gram mest 160 larven en 146 poppen waar; dat is in 1 K.G. meer dan
+2400. In één zomer kunnen 5 à 6 geslachten geboren worden, zoodat in
+Augustus en September er milliarden vliegen zijn. Over de beteekenis
+van de kamervlieg als overbrengster van besmettelijke ziekten spreken
+wij bij No. 151.
+
+No 2. Larve van Heldenbok. (Cerambyx cerdo). Dit is de grootste larve
+van de bij ons voorkomende boktorren, hoewel ze toch zeldzaam zijn; de
+larven worden tot 7 c.M. lang, terwijl de kever een lengte heeft van 3
+tot 5 c.M. Deze larve is een „boorder” en leeft in eikenhout 3 à 4 jaar
+voor ze verpopt. Ze komt ook wel eens voor in „bewerkt” eikenhout; ’t
+is dan een vreemd gezicht als uit een meubelstuk een boktor naar buiten
+marcheert.
+
+De larve is min of meer rolrond, ovaal, en aan de voorzijde tamelijk
+dik. Pooten ontbreken; men treft daarvoor enkele wratten in de plaats,
+die de beweging kunnen bevorderen; daarvoor dienen ook de ruwe, veel
+weerstand biedende schijven, die aan de bovenzijde zichtbaar zijn. Druk
+heeft het dier zich niet te verplaatsen, want het is omringd door zijn
+voedsel. Ook aan het achterlijf bezit het zulke schijven. De kop is
+goed ontwikkeld en de kaken zijn stevig. Dat is een groot verschil met
+de made van een kamervlieg; het hangt samen met den aard van het
+voedsel. Het eikenhout moet gekauwd worden, paardenmest slechts
+uitgezogen; ’t laatste is zacht voedsel. De harde kop is ingetrokken in
+het voorborststuk. De larve vreet gangen in het hout dat daardoor
+technisch minder waarde krijgt; de aangevallen boomen wateren
+gemakkelijk in waardoor vermolming en rotting ontstaat. Op haar 3 of 4
+jarigen tocht door den stam wordt van tijd tot tijd zaagsel uit de
+gangen naar buiten geworpen; als men dit onder aan een boomstam vindt,
+is ’t een bewijs, dat er boktorlarven in den stam zitten. Er leven ook
+wel larven van houtwespen in het hout, en ook die graven gangen. Zij
+werpen evenwel geen zaagsel, maar zaagselkorrels naar buiten. De kleur
+der boktorlarven is wit en de huid is week; alleen de kop is harder en
+meer donker. Die hardheid is noodig voor het bieden van weerstand bij
+het knagen van gangen. De boktor zelf is afgebeeld onder No 62.
+
+No 3. Larve en pop van Steekmug. (Culex pipiens). Deze larve leeft in
+stilstaande wateren; zoodoende komt ze ook voor in regentonnen, in
+allerlei potten, pannen en busjes of blikjes, waarin maar wat vuil
+water staat. De larven van steekmuggen zijn gemakkelijk te herkennen;
+zij bezitten 1º een vrijen kop, 2º bijtende monddeelen, 3º het
+imago-oog is dikwijls al bij de larven te zien; dit zit in verband met
+den korten poptijd, die soms maar enkele dagen duurt; 4º borstels op
+het borststuk; zij staan in chitinekommetjes, 5º aan het achterlijf zit
+een zijdelings geplaatste adembuis of sypho; dit is een zeer belangrijk
+orgaan.
+
+De larven zijn zwaarder dan water en toch kunnen ze aan de oppervlakte
+van het water blijven hangen. Hoe kan dat? Aan ’t einde van den sypho
+zit een vijflobbige plaat; worden deze lobben nu uitgeklapt, dan hangt
+het dier op het water en kan tegelijk door den sypho lucht opnemen. Wil
+de larve naar beneden, dan klapt ze de lobben weer dicht.
+
+Er is ruimschoots voor gezorgd, dat het dier voldoende kan ademhalen;
+het kan dit doen op 4 manieren: 1º door den sypho, 2º door 4
+tracheeën-kieuwen, 3º door de teere huid en 4º door den darm. Zoo’n
+larve is dus ruim voorzien.
+
+De poppen zwemmen vrij rond; daarvoor bezitten zij aan het achterlijf
+zwemlappen. Ze zijn lichter dan water en zeer beweeglijk. Aan de pop
+zijn achterlijf en borststuk goed te onderscheiden; op het borststuk
+zien we twee ademhalingstrechters. Door de huid schemeren de pooten al
+door. De poptoestand loopt meestal binnen veertien dagen ten einde;
+soms ook in korter tijd, ’t kan ook wel eens langer duren. De bijtende
+monddeelen der larven wijzen erop, dat ze vaste stoffen nuttigen; voor
+een deel nuttigen zij afval, ook wel kleinere diertjes. Heel kieskeurig
+zijn ze niet. In polderwaters vormen zij een gewild voedsel voor de
+visschen; uit dat oogpunt beschouwd zijn ze nuttig. Maar dit schijnt
+ook de eenige lichtzijde voor ons aan haar bestaan te zijn. Uit de
+poppen komen de geniepige steekmuggen, die ons ’s nachts uit den slaap
+houden. Maar daarover vertellen we wat meer onder No. 146. Wil men de
+steekmuggenlarven in de stilstaande wateren en plassen, op de platte
+daken en al de vochtige plaatsen, waarvan het water toch niet als
+drinkwater wordt gebruikt, dooden, dan giete men over het water
+petroleum uit, dat doodend voor de larven is; bovendien belet dit voor
+een deel de ademhaling. De meer afdoende bestrijdingswijzen van de
+steekmuggen bespreken we later. Wil men de larven en poppen nader
+bestudeeren, dan scheppe men wat slootwater en doe dit in een
+wijdmondsflesch, glas of aquarium. Men kan de geheele ontwikkeling
+nagaan; men ziet het vervellen, dat de larve eenige malen doet, het
+verpoppen en ten slotte ook het ontpoppen, dat zeer eigenaardig
+geschiedt. De larve bereikt een lengte van nog geen 9 m.M.; de pop is
+nog korter.
+
+No 4. Larve van Mierenleeuw. (Myrmeleon formicarius). Deze larve is een
+der merkwaardigste dieren; zij leeft aan zonnige boschranden, in rul
+zand aan wegkanten van zandige wegen. Op een vasten bodem wordt zij
+nooit aangetroffen; dat staat, zooals wij zien zullen, in verband met
+haar leefwijze. Zij ziet er zeer eigenaardig uit; haar lichaam is naar
+achter kegelvormig toegespitst; in ’t midden is het ’t breedst om
+daarna naar voren weer spits toe te loopen en te eindigen in een
+breeden, platten kop. Aan dien kop treffen we twee zeer groote,
+sabelvormige kaken aan. Deze kaken wijzen er op, dat de mierenleeuw een
+kannibaal is. Zij grijpt haar prooi en zuigt de slachtoffers uit. Omdat
+zij geen vast voedsel tot zich neemt en zich voedt met de beste sappen
+van haar prooi, die zij direct zelf kan gebruiken voor haar groei,
+heeft ze weinig „afval”, dat bij de andere dieren het lichaam wordt
+uitgeworpen. Zij bewaart dien afval in haar lichaam; haar darmkanaal is
+aan het achtereinde gesloten. Eerst als de imago uit de pop is gekomen
+verlaten de „voedingsresten” het lichaam. Een roofdier of kannibaal
+moet zijn slachtoffers achtervolgen, bespringen of in een val lokken.
+Dit laatste nu doet de mierenleeuw. Zij graaft op een zeer handige
+manier een trechter in den zandbodem; soms is die in een paar minuten
+klaar en dan weer heeft ze er uren voor noodig. Stoot ze op een hard
+voorwerp, op een grooten steen of boomwortel dan staakt ze haar werk en
+begint ergens anders. Zoo’n trechter, door een volwassen larve
+gegraven, is gemiddeld een 5 c.M. diep en 8 à 9 c.M. wijd. Is de
+trechter klaar, dan plaatst de mierenleeuw zich onderin, verschuilt
+zich in ’t zand en laat alleen de twee reuzenkaken naar buiten komen.
+Ze is nu gereed haar prooi uit te zuigen, als die maar komen wil. Een
+achteloos miertje komt aangetippeld, en nauwelijks is ’t aan den rand
+van den trechter gekomen of ’t zand onder zijn voeten raakt los en hoe
+harder het trapt om naar boven te komen, des te meer zand rolt er onder
+zijn pooten weg en des te sneller gaat dit. Is het slachtoffer naar
+beneden gevallen, dan wordt het dadelijk tusschen de twee tangen
+genomen en verder bewerkt. Alleen ’t lichaamsvocht wordt opgezogen; de
+harde, onverteerbare chitinehuid blijft liggen. Behalve mieren,
+tippelen ook heel wat andere insecten „den kelder in”; ook spinnen
+vinden daar haar graf.
+
+Een mierenleeuw is eerst in haar tweede jaar volwassen; dan verpopt ze
+en komt de imago voor den dag, die afgebeeld is op No. 115.
+
+Het leven van een mierenleeuw is een bestaan vol risico, want komen er
+geen insecten in de val, dan heeft ze ook niets te eten. Zoo kan het
+gebeuren, dat ze weken en maanden vasten moeten, en dat kunnen ze goed.
+Trouwens, als ze dit niet konden, waren alle mierenleeuwen al lang
+uitgestorven. Alle roofdieren, die hun buit niet achtervolgen, doch
+stil afwachten of er wat komt, bezitten een groot uithoudingsvermogen.
+In zandstreken zijn de mierenleeuwen lang niet zeldzaam; en als men er
+meer naar zocht, zou men er ook wel meer vinden. In Artis in Amsterdam
+kunnen de bezoekers van het Insectarium wel eens mierenleeuwen aan ’t
+werk zien.
+
+No. 5. Larve (engerling) en pop van Meikever. (Melolontha vulgaris).
+Zoo goed bekend de meikever is, zoo onbekend bij de meeste menschen is
+de larve van dezen kever, de engerling. De oorzaak hiervan zit in de
+verborgen leefwijze van de engerling; deze larve toch is een
+grondbewoner, komt nooit aan ’t licht, en is daardoor bij ’t publiek
+zoo goed als onbekend. De meikever legt de eieren in den grond. Na 3 à
+4 weken komen daaruit de kleine engerlingen, die meestal gezellig het
+eerste jaar bij elkaar blijven; dan zijn ze nog meer cylindervormig en
+kunnen hard loopen. Later verliezen zij dit groote
+verplaatsingsvermogen voor een belangrijk deel, door de sterke
+ontwikkeling van het zakvormige achtereinde van het lichaam. Het dier
+is witachtig, min of meer kaaskleurig, terwijl de ingewanden door het
+zakvormig achtereinde leikleurig doorschemeren. De kop is roodgeel,
+glanzig, fijn rimpelig; de bovenkaken zijn zwart, krachtig, en hiermede
+kunnen zelfs harde wortels worden aangegrepen. Ze bezitten 6 pooten,
+waarvan de voorste iets korter zijn dan de andere.
+
+De engerlingen zijn vegetariërs. In haar jeugd leven ze van humus en
+meststoffen; later van levende plantenwortels, waardoor ze tot de
+gevaarlijkste kultuurvijanden behooren. Zij ontzien niets. Zachte
+wortels genieten de voorkeur; zoo noodig grijpen ze alles aan. Ze
+vreten dan de fijnere wortels van jonge boomen wel af, waardoor deze
+bij den minsten druk omvallen.
+
+Tegen den winter kruipen ze wat dieper den grond in; dat is een
+beschutting tegen de koude. Bij ons duurt de ontwikkeling 3 jaar, in
+Duitschland 4 jaar en in Oost-Pruisen 5 jaar. De ontwikkeling is
+afhankelijk van plaatselijke omstandigheden en van het klimaat. In
+Oost-Pruisen heerscht o.a. een vastlandklimaat, ’t is daar kouder; ook
+duurt de winter daar langer.
+
+De larven, die b.v. in 1912 in Juni uit het ei kropen, bleven in 1913
+nog larven en in 1914 tot aan Juli; dan heeft de verpopping plaats. Een
+meikeverpop is een vrije pop, zooals wij op het plaatje kunnen zien. In
+Augustus 1914 kwamen uit de poppen reeds de meikevers te voorschijn,
+doch deze kwamen nog niet aan de oppervlakte; dat geschiedde eerst in
+Mei en Juni van 1915. Een meikever blijft dus wel een maand of negen
+als kever in den grond. Van Augustus tot Mei kan men dus altijd levende
+meikevers in den grond vinden, als men maar aan ’t spitten gaat. De
+volwassen meikevers schijnen in den grond niets te eten. Merkwaardig is
+het, dat de meikevers nooit te vroeg uit den grond komen; zij weten hun
+tijd.
+
+Eigenaardig is het, dat de groote engerlingen de kleine van het vorig
+jaar gaarne oppeuzelen; daardoor brengt die jonge generatie het nooit
+tot een sterke ontwikkeling. Intusschen komen er ieder jaar meikevers
+uit, doch om de drie jaar komt de grootste massa.
+
+Omdat de engerlingen tot onze kultuurvijanden behooren dienen wij ze te
+bestrijden; dat gaat niet al te gemakkelijk, omdat zij verborgen in den
+grond zitten. Men beproeft wel de volgende middelen:
+
+
+ 1º Na een meikeverjaar kan men in ’t volgende jaar de engerlingen
+ uitgraven; dan zijn er duizenden te vangen.
+ 2º Zijn graslanden hevig aangevallen, dan beproeft men de
+ landerijen onderwater te zetten; de larven verdrinken dan in den
+ grond. Het is voorgekomen, dat midden in den zomer de uiterwaarden
+ door stijging van het rivierwater geheel onder liepen en dat
+ daardoor alle engerlingen op de weilanden omkwamen. Dit geschiedde
+ o.a. in 1878 op de uiterwaarden van den Rijn in ons land. Hieruit
+ zien we, hoe snel de natuur kan werken; veel sneller dan de
+ menschen. In korten tijd slaat de natuur een heel leger dieren
+ neer. Het onder water zetten moet geschieden in den zomer omdat de
+ engerlingen dan dicht bij de oppervlakte zitten; ’s winters geeft
+ het niet, dan zitten ze veel te diep.
+ 3º Zijn b.v. boomkweekerijen of boomgaarden door engerlingen
+ aangetast, dan kan men den grond moeilijk omwoelen, omdat men dan
+ de wortels beschadigt In zoo’n geval spuit men den grond dan in met
+ benzine of zwavelkoolstof; dit laatste werkt sterker, is een
+ heviger vergift; daarentegen verdampt benzine minder snel en houdt
+ haar uitwerking wat langer aan.
+ 4º In de vrije natuur worden larven en kevers aangevallen door
+ schimmels, die hen dooden. Het zijn vooral de 2 draadzwammen Isaria
+ densa en Botrytis tenella, die heel wat opruiming onder de larven
+ en imago’s houden. In Frankrijk heeft men deze zwammen kunstmatig
+ gekweekt om daarmede de engerlingen te besmetten. Men deed dit als
+ volgt. Men haalt een honderd engerlingen uit den grond, legt ze op
+ een schotel en strooit de sporen der zwammen over de dieren uit.
+ Daarna legt men er wat vochtig mos over. De engerlingen zijn reeds
+ den volgenden dag voldoende besmet en geschikt voor verdere
+ verspreiding. Nu gaat men de aangetaste engerlingen „poten” in die
+ gronden, waar veel gezonde engerlingen huishouden; de gezonde komen
+ met de zieke in aanraking en worden zoodoende ook besmet. En
+ inderdaad heeft men ook resultaten gekregen, al had men ook meer
+ verwacht. Het is niet gemakkelijk onder dieren opzettelijk een
+ epidemie te verspreiden, omdat wij niet altijd de omstandigheden
+ meester zijn, waaronder zoo’n parasiet net beste gedijt. Zijn die
+ omstandigheden ons gunstig, dan krijgen we schitterende resultaten;
+ in ’t tegenovergestelde geval is ons werk van weinig invloed, en
+ faalt het.
+
+ Tot de natuurlijke vijanden van de engerlingen behooren de roeken
+ en de kraaien; die halen de engerlingen uit den grond. Dat mollen
+ engerlingen zouden eten is onjuist. De beschrijving van den
+ meikever vindt men onder No 37.
+
+
+No 6. Larve (bastaardrups) en pop van Berkenbladwesp. (Cimbex
+femorata). Deze larve zal wel dadelijk aangezien worden voor een rups;
+zij lijkt daarop ook zooveel, dat dit niet te verwonderen is. ’t Is een
+bastaardrups. Uit haar groot aantal pooten, 22, volgt al dadelijk, dat
+het geen rups kan zijn, want die heeft hoogstens 16 pooten. De
+berkenbladwesp behoort tot de grootste soorten. Tot haar verdediging,
+als zij wordt aangeraakt, spuit de larve uit de zijden een vocht.
+Vroeger dacht men, dat dit een klierproduct was; ’t is evenwel gewoon
+bloed, dat door speciale openingen naar buiten komt. Deze openingen kan
+de larve naar believen openen en sluiten. Alle leden van ’t geslacht
+Cimbex bezitten dit vermogen. Er zijn bij ons 5 soorten inlandsch. De
+larven spinnen stevige cocons, die met een dekseltje geopend worden. In
+de beschrijving van Plaat XIV wordt uitvoerig gehandeld over
+bladwespen. No 163 en 165 geven er afbeeldingen van. De
+berkenbladwesprups voedt zich met berkenbladen en komt nooit in grooten
+getale voor. Daarom heeft deze bastaardrups geen economische
+beteekenis. Voor het leeren kennen van bladwespen is het een uitstekend
+dier om op te kweeken.
+
+No 7. Larve (made) en pop van Roofvlieg. (Asilus germanicus). Deze
+larve is al even moorddadig als de vlieg zelve. Ze leeft in allerlei
+houtmolm en ander vergaan hout, ook wel onder boomschors, en voedt zich
+met allerlei insecten. Zij gaat daarbij tamelijk krachtig te werk en
+boort zich zelfs in haar slachtoffer, om het des te beter te kunnen
+uitzuigen. Als ze verpopt, wordt ze een mummiepop of vrije pop. Op de
+afbeelding heeft deze pop iets spookachtigs. Zij heeft krachtige
+haakjes aan het vooreinde en gordels van dorentjes om de
+achterlijfsringen, boven en onder met haren vermengd. De laatste ring
+heeft twee haakjes en meer andere uitwassen. Het is dus een heel
+typische pop, zooals de afbeelding ook laat zien. De vlieg zelve heeft
+krachtige pooten, en is een stoute roover. Zij valt allerlei insecten
+in de vlucht aan, zet zich met haar prooi op den grond neer en zuigt
+dan haar slachtoffer uit. Dat uitzuigen geschiedt met zooveel aandacht,
+dat men haar dan goed kan bespieden. Jaagt men ze op, dan nemen ze haar
+prooi mee. De gedaanteverwisseling is volkomen.
+
+No 8. Larve van Glazenmaker. (Cordulea aenea). Deze larve, die een
+waterdier is, staat op het punt voor de laatste maal te vervellen, en
+dan een glazenmaker (78) te worden. Het dier doorloopt dus een
+onvolkomen gedaanteverwisseling, want het kent geen poptoestand. Bij
+deze gedaanteverwisseling doet zich nog de eigenaardigheid voor, dat de
+larven door tracheekieuwen ademen en de imago door tracheeën. Bij de
+laatste vervelling worden deze kieuwen afgestroopt en komen de
+luchtbuizen in functie. De larven bezitten nog een ander orgaan, dat de
+imago’s missen, n.l. een grijptang of vangtang; dit is de onderlip, die
+uitgestrekt en weer toegeslagen kan worden. De onderlip van de imago is
+wel op dezelfde wijze gebouwd, doch de onderdeelen zijn veel korter.
+Deze grijptang is een machtig vangwerktuig, waarmede de prooi wordt
+gegrepen. De larven behooren dan ook tot de geduchtste roovers in onze
+wateren, evenals de larven van den geranden waterroofkever. In
+vischvijvers zijn het gevreesde dieren, omdat zij de jonge vischjes
+aanvallen. Het valt niet moeilijk met deze larven kennis te maken; met
+het gewone schepnet kunnen wij ze bemachtigen. Over de glazenmakers
+zelve vertellen wij in de beschrijving van Plaat VII.
+
+No 9. Larve van Veld-Zandkever. (Cicindela campestris). Deze keverlarve
+behoort evenals de kever, tot de „tijgers” onder de insecten. Ze hebben
+een harden kop en scherpe kaken; als eigenaardigheid bezitten zij 2
+verhevenheden op de rugzijde van het 8e segment; elke verhevenheid
+eindigt in een voorwaarts gekromd haakje. Natuurlijk hebben deze dingen
+haar beteekenis; ze komen haar dan ook goed te pas, om zich schrap te
+zetten in haar schuilhol. De larve maakt in den bodem een verticale
+gang, waarin zij op de loer gaat zitten. Door genoemde haken klemt ze
+zich vast; laat zij de haken los, dan kan ze snel dalen. De gang is
+niet veel wijder dan het dier dik is; bij ’t graven er van draagt zij
+de aarde op den hollen kop naar boven. De larve, in haar hol
+verscholen, verrast de insecten, die voorbij komen, trekt ze naar
+binnen en zuigt ze uit. De resten en ook haar eigen uitwerpselen werpt
+ze naar buiten. De verpopping geschiedt van half Augustus tot einde
+September. Voor ze verpopt maakt de larve den bodem van de gang wat
+ruimer en sluit dan de gang af. Een maand later komt de kever te
+voorschijn, die spoedig zijn winterkwartier opzoekt. De kever, die al
+even kannibalistisch is als de larve, is afgebeeld op No 32. Op
+zandgronden komen ze algemeen voor.
+
+No 10. Larve van Poppenroover. (Calosoma sycophanta). Deze larve doet
+voor de vorige niet onder; alleen volgt zij een andere leefwijze: zij
+gaat er op uit en valt haar prooi aan. Dat doet ook de kever. Omdat zij
+bij voorkeur rupsen eet, en deze tot de schadelijke dieren voor onze
+kulturen behooren, is de poppenroover een zeer nuttig insect.
+Eigenaardig is het, dat deze larve zoo uitstekend klimmen kan. Zij gaat
+de boomen in en pakt daar de rupsen aan. Daardoor is zij een groote
+hulp bij het bestrijden van rupsenplagen. Jammer is het daarom, dat ze
+bij ons niet wat meer voorkomt. In Duitschland komt ze veel voor en de
+boschbouwers zien haar met genoegen aan ’t werk. Daarom heeft men
+groote massa’s van deze kevers uit Duitschland verzonden naar Amerika,
+om hen daar los te laten op de rupsen van den plakker en den
+bastaardsatijnvlinder. In Amerika komen deze kevers niet voor. De tijd
+moet nu leeren of ze daar willen inburgeren. Behalve rupsen peuzelen ze
+ook poppen op. Vandaar hun naam. Ze worden ook wel „rupsenjagers”
+genoemd. Het zou aanbeveling verdienen, dat ook in ons land beproefd
+werd, wat van deze kevers in te voeren en los te laten in boomgaarden.
+Misschien lukt het, misschien lukt het ook niet, want het zijn soms
+geringe klimatologische verschillen, die over het leven van insecten
+beslissen. Wij komen hierop nog terug als wij den kever beschrijven,
+die op No 33 is afgebeeld. Een andere Calosoma, de kleine poppenroover,
+is No 35.
+
+No 11. Larve (bastaardrups) en pop van Dennenbladwesp. (Lophyrus pini).
+Deze larve, die men ook wel dennenrups noemt, wat onjuist is, omdat het
+een bastaardrups is, behoort tot de schadelijkste dieren, die onze
+dennenbosschen aanvallen. De larve is kaal en bezit 22 pooten. De
+bladwesp legt haar eieren in de naalden; zij maakt daarbij gebruik van
+haar zaagvormige legboor, waarmede zij een gleuf in de naalden zaagt.
+Uit de eieren komen de larven, die dadelijk aan het eten gaan; zij
+beginnen bovenaan de naalden en laten de hoofdnerf staan. Er is nog een
+ander geslacht bastaardrupsen: de z.g. „spinselbladwespen” die ook
+naalden eten, doch die vreten stukken van de naalden af. Aan de
+„vreterij” kan men dus al zien welke deugnieten aan ’t werk zijn; dat
+is een groot gemak voor de boschbouwers. Er is nog een ander middel om
+de booswichten, die soms hoog in de boomen zitten, te herkennen: aan
+hun uitwerpselen, n.l. Die van deze bladwespen en de spinselbladwespen
+verschillen zeer. In die van L. pini zijn nog zeer duidelijk de groene
+stukjes der naalden te herkennen; die vormen als ’t ware dwarsstrepen.
+
+Als wij naar rupsen zoeken in vrijstaande boomen, dan inspecteeren wij
+eerst den grond onder die boomen. Vinden wij daar uitwerpselen, dan
+kunnen wij daaraan ook de „boombewoners” herkennen. De kennis der
+„vreetwijze” en van de „excrementen” der insecten is dus van veel
+belang voor de herkenning der dieren.
+
+Raken wij een dennenbladwesplarve aan, dan richt ze haar kop op, en er
+treedt een harsachtige vloeistof uit den mond; dat is natuurlijk een
+verweermiddel.
+
+In Mei vliegen de bladwespen (zie No 165) en dan heeft de eerste
+vreterij der larven nog in dezelfde maand plaats; ook in Juni
+beschadigen zij de naalden nog. Dan gaan ze verpoppen en dat doen ze
+dan aan de naalden, zooals op het plaatje is afgebeeld. Die poptoestand
+duurt maar een paar weken en zoodoende vliegen er in Augustus weer
+bladwespen, die direct eieren gaan leggen. Aldus hebben we in September
+weer bastaardrupsen aan de naalden. Dat is dan de tweede generatie.
+Zoodoende worden de dennen tweemaal per jaar aangevallen. De
+Septemberlarven eten ook nog in October, maar dan gaan ze naar omlaag
+en kruipen den grond in, waar ze een cocon spinnen om daarin den winter
+door te brengen. Ligt er wat veel rommel op den grond, dan kruipen ze
+niet eens den grond in, doch spinnen daarin dan een cocon. In April
+verpoppen ze in dien cocon en in Mei komen de bladwespen voor den dag.
+
+Het valt op, dat de larven van de eerste generatie net zooveel weken
+leven als die van de tweede generatie maanden; deze laatste maken een
+„vastentijd” van een maand 7 of 8 door. Het komt ook voor, dat sommige
+larven en poppen een geheel jaar „overliggen”; daarop hebben wij
+vroeger al gewezen. In koude streken komt maar één generatie per jaar
+voor. De larven hebben vele vijanden, zijn zeer gevoelig voor
+weersinvloeden, en worden ook wel door ziekten aangetast. Zoo kan het
+gebeuren, dat er het eene jaar veel bastaardrupsen zijn en het volgende
+jaar maar zeer weinig. De boschbouwer tracht op de volgende wijze deze
+boombeschadigers te bestrijden:
+
+
+ 1º In het najaar den rommel onder de boomen bijeenvegen op hoopen
+ en daarover ongebluschte kalk strooien. De kalk wordt gebluscht, en
+ door de warmte, die hierdoor ontstaat, gaan de larven in de cocons
+ dood.
+ 2º Men bespuit de boomen met een petroleumoplossing; men doet er
+ zeep doorheen om er een emulsie van te maken, want petroleum
+ scheidt zich dadelijk van het water af.
+
+
+Er is ook wel eens aangeraden varkens in het bosch te jagen, maar deze
+„allesvreters” lusten de cocons toch niet, zoodat het niets uithaalt.
+De schade door deze bastaardrupsen aan de dennen toegebracht is daarom
+zoo groot, omdat deze boomen zoo langzaam groeien en zich dus moeielijk
+herstellen kunnen.
+
+No 12. Larve van Veenmol. (Gryllotalpa vulgaris). Hier hebben we te
+doen met een larve, die men licht voor een imago zou aanzien; toch is
+het dier nog niet volwassen. De veenmol—zijn naam zegt het al—leeft als
+een mol in den grond en bij voorkeur in lossen grond, waar nog al wat
+humus is., Daarin bouwt hij ook zijn nest, dat feitelijk niets anders
+is dan een uitholling in den bodem. De eieren worden niet alle tegelijk
+gelegd maar met tusschenpoozen, zoodat in het nest ook jongen van
+verschillenden leeftijd worden aangetroffen. De larven en ook de
+imago’s leven van dierlijk voedsel, terwijl ze sappige plantenwortels
+ook niet versmaden. Veenmollen, die in Juni zijn geboren, vervellen in
+October of November voor de derde maal. Het nieuwe pakje behouden ze
+den ganschen winter, om in April of Mei voor de vierde maal te
+vervellen. Een maand later heeft de laatste of vijfde vervelling plaats
+en dan is de veenmol volwassen. In zijn ontwikkeling van ei tot imago
+kent de veenmol dus geen poptoestand, alzoo een onvolkomen
+gedaanteverwisseling. De larve behoort tot de primaire. Over den
+volwassen veenmol wordt geschreven onder No 90.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT II.
+
+RUPSEN EN POPPEN.
+
+
+Rupsen zijn ook larven; daarom vormen Plaat I en II één geheel. Zagen
+we op de eerste plaat larven van verschillende insectengroepen, de
+rupsen vormen daarentegen maar één groep. Rupsen groeien uit tot
+vlinders. Voor ze overgaan tot vlinders maken ze allen een poptoestand
+door; daarom zegt men dat haar gedaanteverwisseling volkomen is. Rupsen
+en vlinders vormen een zeer aantrekkelijke orde van de insecten: de
+rupsen, omdat ze gemakkelijk te vangen zijn en de vlinders, omdat vele
+zoo prachtig geteekend zijn. Laten we nu een en ander van de rupsen
+gaan vertellen.
+
+Lichaamsbouw. Een rups bestaat uit een kop, 3 borst- en 9
+achterlijfsringen. De kop heeft een harde huid en is door een
+gegaffelde lijn in twee helften verdeeld; daartusschen ligt het
+driehoekige kopschild. Aan dit schild zit de beweegbare, platte
+bovenlip. De verdere monddeelen zitten daaronder: 2 bovenkaken, 2
+onderkaken en de onderlip. De bovenkaken zijn sterk en daarmede wordt
+het voedsel afgeknipt; ze werken dus als een schaar. Men zegt wel eens,
+dat een rups knaagt, doch dat is onjuist. Aan de onderkaken en onderlip
+zitten de tasters; daarmede schijnt de rups haar voedsel te
+inspecteeren, voor zij het naar binnenwerkt. Op de onderlip zijn een
+paar tepeltjes of wratjes, waarin de twee spinklieren uitmonden. De
+spinseldraad, waarvan de cocons worden gesponnen, komt dus hier uit.
+Bij de spinnen zitten de spinklieren aan het achterlijf. Als een rups
+aan een draad naar beneden komt, is de kop boven; een spin komt met den
+kop naar omlaag.
+
+Op de genoemde kophelften staan de oogen en de sprieten. Aan iedere
+zijde staan 6 puntoogen; de sprieten zijn 3-ledig.
+
+Het lichaam van de rupsen is week; men drukt ze gauw dood. De huid is
+vaak bezet met allerlei wratjes en haren. Soms zijn die haren zeer
+lang, zooals bij de beerrups. Die haren en wratjes geven teekening aan
+het dier. Van sommige rupsen zijn de haren gevaarlijk, o.a. van de
+processierups.
+
+Verschillende rupsen bezitten uitstulpbare organen, die vermoedelijk òf
+alleen dienen om zich vijanden van ’t lijf te houden òf bepaalde
+stoffen uitscheiden, die prikkelend of doodend op de aanvallers werken.
+De Papilio-rupsen (14) bezitten een uitstulpbaar orgaan aan het
+voorborststuk, dat een doordringende lucht afgeeft. Bij de rups van den
+Hermelijnvlinder (144) zien wij, als het dier verontrust wordt, twee
+roode draden uit het einde van het achterlijf komen; tegelijk scheiden
+zij dan uit een klier aan de onderzijde van het voorborststuk een
+straal vocht af, dat veel mierenzuur bevat. Op de huid komen nog
+allerlei doorns en uitsteeksels voor; de pijlstaartrupsen vertoonen
+zoo’n uitsteeksel; het hoorntje kan door een spiertje bewogen worden.
+
+De pooten van een rups zijn in 2 groepen in te deelen: borstpooten en
+buikpooten. De 6 borstpooten zijn geleed; de buikpooten niet en min of
+meer cylindrisch. Men noemt de buikpooten ook wel valsche pooten, omdat
+ze bij de verpopping geheel verdwijnen. Het normale aantal buikpooten
+bedraagt 10. Natuurlijk komen hierop weer uitzonderingen voor; die
+vinden wij in de geheele levende natuur. Spanrupsen hebben maar 2 paar
+buikpooten, op het 6e en 9e segment. De Eriocephala-rups heeft 8 paar
+buikpooten en Micropteryx, die in bladeren leeft, heeft in ’t geheel
+geen pooten. De ademhalingsopeningen zijn bij de rupsen goed te zien;
+aan elke zijde zitten er 9; 1 op het voorborststuk en 8 op het
+achterlijf.
+
+Het vervellen. Evenals andere larven vervellen de rupsen gedurende haar
+groei; ze doen dat drie of meermalen. Als een zeer harige rups vervelt,
+dan zitten op de nieuwe huid ook al weer haren, doch die zijn eerst nog
+wat nat en zitten tegen de huid; zijn ze opgedroogd, dan staan ze
+rechtop. Bij het opkweeken van insecten vinden wij natuurlijk geregeld
+afgestroopte huidjes in het rupsenhuis. Voor de vervelling begint, zit
+de rups eenigen tijd stil en gebruikt dan geen voedsel.
+
+Voedsel. De meeste rupsen zijn planteneters. Sommige houden zich strikt
+aan één soort voedsel, b.v. de brandnetelrupsen; men noemt ze
+monophaag. Andere hebben een rijker menu, b.v. beerrupsen; die eten
+allerlei lage planten, riet en wilgen; men noemt ze polyphaag. De
+levenskans voor de polyphagen is dus veel gunstiger; ze vinden haast
+overal wat. Intusschen sterven de monophagen ook niet uit.
+
+Er zijn ook verschillende gevallen bekend, dat rupsen zich zeer goed
+ontwikkelen bij een gewijzigd menu.
+
+Onder de rupsen zijn ook vleescheters, carnivoren. Rupsen van Erastria
+peuzelen schildluizen op, die van Calymnia trapezina worden de
+„hyena’s” genoemd, en verslinden o.a. spanrupsen.
+
+De rups van de wasmot eet in bijenkorven was van de raten, en de
+rupsjes van de kleeren- en tapijtmot eten de wollen haren in kleeren en
+tapijten. Die leven dus van afval.
+
+Meestal leven de rupsen op de planten; er zijn er ook die in de
+stengels en bladeren leven; sommige maken gallen. Een paar rupsen leven
+in ’t water.
+
+Nut en schade. Het aantal voor den mensch nuttige rupsen is al zeer
+gering. Allereerst zijn nuttig de zijderupsen. Behalve de gewone
+zijderups zijn er nog andere rupsen, wier cocon voor zijdewinning wordt
+gebruikt. Verder zijn de moordrupsen of hyena’s, die andere rupsen
+verslinden, ook nuttig, evenals de bovengenoemde schildluisverslinders.
+Maar de rest zijn planteneters, en die onze kultuurplanten aanvallen
+zijn natuurlijk schadelijk als zij in groote massa optreden. Vele
+rupsen leven evenwel op wilde planten en daartegenover staat de gewone
+mensch onverschillig. Wij daarentegen, vinden onder deze rupsen de
+schoonste exemplaren, waaruit de prachtigste vlinders komen; zoodoende
+zijn wij voor deze rupsen in ’t geheel niet onverschillig, maar
+behooren ze tot onze beste vrienden, omdat ze ons zooveel genot
+verschaffen.
+
+Behalve de kultuurplantenbeschadigers zijn nog lastig de rupsen van de
+genoemde tapijt- en kleermotjes, de wasmotjes en de korenmotjes.
+
+Vijanden van de rupsen. Dat de rupsen niet ongestoord door het leven
+zouden gaan, was te verwachten. Welk dier heeft niet zijn vijanden? Tot
+de meest gevreesde vijanden behooren wel de vogels, die vooral in den
+tijd, dat ze jongen hebben, dagelijks enorme hoeveelheden rupsen
+verslinden. Hoeveel rupsen zouden b.v. de Nederlandsche vogels
+dagelijks wegwerken? Dat zal een reuzengetal wezen. De insectenetende
+zoogdieren, mollen, egels, spitsmuizen, rekenen er ook nog al eentje
+in. En dan de roofinsecten, de rupsenjagers (kevers), graafwespen en
+andere. Vooral de sluipwespen en sluipvliegen zijn de oorzaak van den
+dood van vele rupsen. Wat deze parasieten betreft, als wij rupsen
+opkweeken, hebben wij herhaaldelijk gelegenheid, met deze dieren kennis
+te maken.
+
+Ziekten der rupsen. Ook hiervan blijven de rupsen niet gespaard. Wij
+hebben reeds bij de koolrups met zoo’n ziekte kennis gemaakt. Ook
+andere rupsen worden door schimmels en bacteriën aangetast. Merken wij
+in onze rupsenkweekerij dat enkele zeer slap worden en ontijdig
+sterven, dan moeten wij die snel verwijderen, om te voorkomen, dat ook
+andere worden aangestoken. Ook de zijderups lijdt wel aan zoo’n ziekte,
+en dan is dit voor de kweekers een enorme schade.
+
+Het vangen van rupsen. Dat kan geschieden overdag en ’s nachts. Het
+gemakkelijkst is het de rupsen op niet te lage planten en heesters te
+vangen. Men ziet ze daar zitten en neemt ze er met het takje of een
+blad af. Soms laten de rupsen gauw los als men de stengels wat stevig
+beweegt; een beetje kalmte bij het vangen is dus wel aan te raden.
+Omdat het inspecteeren van heesters nog al veel tijd kost, kan men die
+ook afkloppen. Een geopende paraplu wordt daaronder gehouden, terwijl
+de takken flink bewogen worden; de rupsen vallen dan. Veel groote
+rupsen, die naar beneden komen om in den grond te verpoppen, kan men
+verschalken als zij langs den stam naar beneden kruipen. Linden,
+wilgen, populieren, iepen zijn daarvoor al zeer geschikte boomen; zij
+leveren ons pijlstaartrupsen. Augustus en September zijn de
+pijlstaartmaanden. Na een sterken wind of storm in Augustus en
+September—en het kan er in die maanden soms spannen—zijn veel rupsen
+naar beneden gevallen, ’s Nachts komen veel rupsen op de vlakte, die
+zich overdag verschuilen; om deze te verschalken heeft men een goede
+fietslantaarn noodig, en een geoefend oog. Doch aldoende leert. Wie pas
+voor het eerst op de rupsenjacht gaat, vangt gewoonlijk weinig, omdat
+hij zoo weinig ziet. Het rupsen-zien moet ook geleerd worden en men
+leert dat alleen door te zoeken.
+
+Het vangen van rupsen op lage planten in weilanden en langs wegen kan
+ook geschieden met behulp van een sleepnet, dat over de planten wordt
+getrokken. Omdat er haast geen planten zijn die niet door rupsen worden
+aangevallen, zijn er dus overal rupsen te vangen. Wie op de rupsenjacht
+gaat zorge voor een goede bergplaats; hij neme wat doosjes en busjes
+mede en tevens een plantentrommel om voer voor zijn beestjes daarin te
+doen.
+
+Het overwinteren van rupsen. Een zeer groot deel van de rupsen
+overwintert. Sommige kruipen den grond in, andere zoeken een
+winterkwartier onder allerlei afval; er zijn er ook, die een spinsel
+maken en daarin verblijven, terwijl enkele soorten in nesten bij elkaar
+overwinteren. In ’t voorjaar, als de planten weer doorgroeien en het
+weer milder wordt, de knoppen ontluiken en boomen en heesters in blad
+komen, dan verlaten de rupsen haar winterverblijven. De rupsenvanger
+kan dus al vroeg in ’t voorjaar aan ’t verzamelen gaan.
+
+Hebben we in ons rupsenhuis rupsen, die moeten overwinteren, dan dienen
+we te zorgen dat haar verblijf zoo goed mogelijk overeenkomt met dat in
+de vrije natuur. Men zette ze buiten en geve haar gelegenheid zich goed
+te verschuilen. Sommige rupsen moet men ingraven.
+
+Poppen en verpoppen. Is de rups volwassen, dan maakt ze zich gereed te
+verpoppen. Dat verpoppen geschiedt op verschillende manieren; men leert
+die het best kennen door de dieren op te kweeken. Sommige blijven boven
+den grond, anderen gaan den grond in. Het koolwitje en de
+koninginnepagerups spinnen slechts een gordel, om daarin de pop te
+laten rusten; andere, zooals de vanessa’s, hangen met den kop naar
+beneden. Sommige maken een lossen, andere een dichten cocon. Die in den
+grond kruipen maken soms ook nog een los spinsel (pijlstaarten). Wij
+moeten iedereen aanraden te beproeven het verpoppen van rupsen te zien;
+het spinnen is zeer eigenaardig. Met behulp van een loupje of gewoon
+vergrootglas kan men het heel goed waarnemen. Zoo’n vergrootglas komt
+ons ook goed te pas bij het bestudeeren van de poppen; trouwens, wie
+wat aan insectenkunde doet kan geen vergrootglas missen. De meeste
+rupsen worden mummiepoppen; er zijn er echter ook, die min of meer
+vrije poppen worden, die wij bij de kevers aantreffen. Aan een
+vlinderpop zijn vele organen van den toekomstigen vlinder al te zien;
+elk dier organen zit in een afzonderlijke schede; alle scheden te zamen
+zijn onderling verkleefd. De meeste poppen zijn beweeglijk; die
+beweging zit dan in ring 5 en 6; die beginnen zich ook te strekken als
+de vlinder voor den dag komt. Evenals de rups heeft de pop 9
+ademhalingsopeningen (stigma’s); de laatste is evenwel rudimentair (min
+of meer verschrompeld).
+
+Aan de poppen is al te zien of daaruit een mannelijke of een
+vrouwelijke vlinder zal komen. Die kennis kan soms van nut zijn.
+
+De duur van den poptoestand is zeer verschillend. In den zomer duurt
+hij 2 tot 6 weken, soms iets korter; poppen, die overwinteren, blijven
+wat langer in dien toestand, dat loopt van 6 tot 9 maanden. Een
+merkwaardig bestaan, zoovele maanden buiten alle actie. We hebben er
+reeds op gewezen, dat sommige poppen één of meer jaren „overliggen”,
+dat komt voor bij de pijlstaarten.
+
+
+
+No. 13. Ligusterpijlstaartrups met pop. (Sphinx ligustri). Deze flinke
+rups is een prachtig dier; in de maanden Augustus en September is ze
+volwassen en men kan ze vinden op liguster, sering, esch, sneeuwbal,
+radijsboompje (het boompje of heester met witte bessen, die klappen als
+men er op trapt), spiraea. De rups is groen; zeer teekenend is deze
+kleur onderbroken door zeven witte strepen, die van boven paars afgezet
+zijn; ze loopen schuin naar boven, van ring 4 tot 10. De horen of het
+pijltje is zwart. Als we deze rups op een heester zien zitten, is het
+een interessante verschijning. Omdat ze groen is valt ze alleen op aan
+hem, die wat geoefend is in het rupsenvangen. Willen wij onderzoeken of
+ze in een struik zitten, dan kan men eerst den bodem daaronder
+onderzoeken; liggen daar uitwerpselen van bepaalden vorm, dan is dit
+een aanwijzing. Houden we ligusterpijlstaarten in een rupsenhuis, dan
+merken we, dat ze voor de verpopping wat onrustig worden; ze zoeken een
+plaatsje, waar ze den grond in kunnen. We hebben dus te zorgen voor een
+bakje met aarde. Soms worden ze al wat donker op den rug voor ze den
+grond in gaan. Het gebeurt wel dat ze, na eenige dagen in de aarde te
+hebben gezeten, weer naar buiten komen. Het duurt dan niet lang meer of
+ze gaan voor de tweede maal weg, en keeren dan niet weer terug. Men
+laat het bakje met poppen rustig staan en zet het gedurende den winter
+in een koele kamer. Wil men de poppen nader bekijken, dan kan men ze
+gerust uit den grond halen, zoo teer zijn ze niet. Men kan aan het
+kopeinde van de pop goed de schede zien, waarin de lange roltong zit.
+
+De vlinder vliegt in Juni en Juli. Omdat het een schemer- of
+avondvlinder is, ziet men hem zelden. De lange roltong is een zeer
+doelmatig orgaan om honing uit bloemen met lange bloembuis te halen,
+zooals de kamperfoelie. Die bloemen geuren ’s avonds. Dat is dus wel
+een eigenaardig verband tusschen deze bloemen en de avondvlinders. Hij
+heeft een vlucht van 95 tot 120 m.M. De vlinder is een goede vlieger en
+prachtig geteekend. Als we hem opzetten kan ook gemakkelijk de roltong
+worden uitgestrekt.
+
+No. 14. Rups van Koninginnepage met pop. (Papilio machaon). Deze rups
+is bij de tuinders en boeren bekend als de wortelrups. Deze naam wijst
+er op, dat het dier veel gevonden wordt op wortelen (peen). Ze komt
+intusschen ook voor op venkel, peterselie, zelfs wel op aardbeien. Men
+treft deze rups vooral aan in het Oosten en ’t Zuiden van ons land; in
+’t Westen minder. Een enkele maal hebben wij haar wel bij Amsterdam
+gevonden.
+
+Men vindt haar in Juni en in ’t najaar; dus 2 generaties per jaar. De
+najaarsgeneratie overwintert als pop; deze zit met het ondereinde vast
+en hangt verder in een gordel. De rups is dik; vleezig, in haar jeugd
+zwart; op roode wratjes staan korte dorens; later is de rups groen of
+blauwgroen met zwarte banden, waarop 6 of 8 roode of gele vlekken
+staan. De rups heeft aan de rugzijde van het voorborststuk een
+uitstulpbaar, gevorkt orgaan; het is oranjegeel van kleur en verspreidt
+een sterke lucht. Het ligt voor de hand, dat dit orgaan tot verdediging
+dient, tot afweer van vijanden. De mooie vlinder, onze grootste
+dagvlinder, is afgebeeld op No. 110.
+
+No. 15. Rups en pop van Dagpauwoog. (Vanessa Io). Deze rups komt in
+geheel Nederland voor en leeft op brandnetel. Men kan haar vinden van
+Mei tot Juli. Ze leven, evenals de rupsen van den kleinen vos, gezellig
+bij elkaar. Zoodra wij op brandnetels spinsels zien zitten, die al van
+verre in ’t oog vallen, dan zitten daar brandnetelrupsen. Men kan ze
+dus gemakkelijk vinden. De rupsen zijn zwart met witte spikkels en
+bezet met zeer lange dorens. Deze rups is zeer geschikt om haar in een
+rupsenhuis op te kweeken. De poppen hangen met den kop naar beneden.
+Hoewel de rups door heel ons land voorkomt, is zij toch niet wat men
+noemt algemeen; men vindt ze wel, doch men moet er naar zoeken. In
+sommige jaren zijn er zeer veel en dan weer is ze schaarsch; dat komt
+bij meer insecten voor; de oorzaak hiervan kent men nog niet. De mooie
+dagvlinder is afgebeeld op No. 115.
+
+No. 16. Rups en pop van Wolfsmelkvlinder. (Deilephila euphorbiae). De
+jonge rups is geelgroen met gele strepen; aan ieder segment, aan den
+zijkant een witte vlek met zwarten rand. Een volwassen rups is
+zwartgroen met gele vlekken bezet; een roode ruglijn en gele,
+roodgevlekte zijlijn. Stigma’s geel. Het horentje is van onder rood,
+van boven zwart. Zij eet wolfsmelk, maar lust ook bladeren van fuchsia.
+Merkwaardig is het, dat de pop meerdere jaren, soms wel 5 blijft
+„overliggen”. De rups komt wel voor op de uiterwaarden van onze groote
+rivieren. De prachtige vlinder is afgebeeld op No. 122.
+
+No. 17. Rups en pop van Dennenpijlstaart. (Sphinx pinastri). Deze rups
+wordt 8 à 9 c.M. en is van Juli tot September te vinden op naaldhout.
+Op den rug bruinachtig rood, lichtgroen op zijde en wit gestreept, met
+zwarte dwarslijnen geringeld. Stigma’s hoogrood, zwart gerand. Kop
+okergeel met twee bruine strepen. Als deze rups in groote hoeveelheden
+voorkomt, wordt ze voor de kultuur schadelijk. In ons land is van zoo’n
+optreden nog niets waargenomen. De vlinder is afgebeeld op No. 130.
+
+No. 18. Rups en pop van Geaderd Witje. (Aporia crataegi). Deze rups
+leeft aan meidoorn (Crataegus), appel, peer, mispel, kers, pruim,
+abrikoos. Eieren der vlinders dooiergeel, in hoopjes van 20 tot 100 aan
+de onderzijde der bladeren. Na het verlaten van het ei is de rups geel,
+na eenige dagen donker, roodbruin met zwarten kop, lang behaard. Zij
+spinnen kleine nesten, waarin zij ook overwinteren. Ze komen eerst in
+den nazomer uit de eieren, want de vlinder vliegt pas in Juni of Juli.
+Zoodoende zijn ze vóór den winter nog niet volwassen. Ze overwinteren
+daarom in kleine rupsennesten en beginnen in ’t voorjaar opnieuw haar
+vreterij. In Mei verpoppen ze. Merkwaardig is het, dat deze vlinder
+soms voor jaren en jaren uit een streek verdwijnt en dan weer
+plotseling in groote massa’s optreedt. De oorzaak van deze „inzinking”
+is nog niet bekend. De naam van den vlinder is zeer juist omdat de
+aderen sprekend aan den dag komen; ze zijn zwart. De vlinder heet ook
+wel boomwitje.
+
+No 19. Rups en pop van Doodshoofdvlinder. (Acherontia atropos). Deze
+rups levert den grootsten vlinder, die in ons land voorkomt. De vlinder
+heeft zijn naam te danken aan de heldergele doodshoofdteekening op het
+borststuk. De rups is geel of groenachtiggeel; typisch zijn de
+prachtige lijnen, die van de zijkanten schuin naar achteren loopen en
+op den rug bij elkaar komen. Het horentje is ruw en geel. Er komen veel
+kleurenvariaties voor. De rups leeft op aardappel, doornappel,
+bitterzoet en nog andere nachtschaden. Ook wel op liguster, aardbeien,
+jasmijn, hennep. Gewoonlijk vindt men bij ons de rupsen van half Juli
+tot half Augustus; en dan zijn er in den herfst ook nog te vinden; de
+laatste rupsen, die bij ons als pop overwinteren, brengen het nooit tot
+vlinders; zij sterven. De rups is feitelijk niet inlandsch; de vlinders
+komen in zoele nachten hierheen gevlogen uit het Zuiden. In ’t algemeen
+behoort de rups tot de zeldzame; misschien komt zij meer voor dan men
+weet, omdat er zoo weinig naar gezocht wordt: bovendien komt men van
+half Juli tot half Augustus niet in de aardappelvelden, omdat de
+struiken dan al te hoog zijn. Merkwaardig is ’t dat uit deze rups hier
+nog nooit een sluipwesp is gekomen; ze schijnt hier geen vijanden te
+hebben. Daaruit maakt men ook op, dat ze hier niet thuis hoort. Raakt
+men de rups aan den kop, dan blaast ze. De vlinder is afgebeeld op No
+126.
+
+No 20. Rups en pop van Nachtpauwoog. (Saturnia pavonia). Dit is een der
+rupsen, die wij op heidevelden aantreffen. Zij is eerst zwart, met
+roode zijlijn; volwassen is zij groen, met rozenroode of gele wratten.
+We vinden haar ’s zomers op heide, bramen, wilde rozen, eiken,
+kruipwilg; ze heeft dus nog al een afwisselend menu. De rups verpopt in
+den nazomer en doet dat in een stevigen bruinen cocon, die iets
+fleschvormigs heeft. De afsluiting tusschen hals en buik is voor den
+vlinder zeer gunstig. In April en Mei komen de vlinders voor den dag,
+die ’s nachts vliegen. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes; de
+eerste hebben een vlucht van 50 tot 55 m.M.; de tweede van 60 tot 70
+m.M. Dit is dus een mooi voorbeeld van dimorphisme. Hun naam ontleenen
+deze vlinders aan de eigenaardigheid, dat zij op iederen vleugel een
+oogvlek, een „pauwoog” bezitten. Naast een nachtpauwoog, komen in ons
+land nog voor een dagpauwoog (No 115) en een avondpauwoog (No 121).
+
+No 21. Rups en pop van Nonvlinder. (Lymantria monacha). Over deze rups,
+die een der gevaarlijkste vijanden van onze naaldbosschen is, schrijven
+we uitvoerig onder No 140 Plaat XII, waar de vlinder is afgebeeld.
+
+No 22. Berkenspanrups met pop. (Amphidasis betularia). Deze rups
+behoort tot een groep, die den naam draagt van de „spanners” of
+„landmeters”; dezen naam ontleenen zij aan de eigenaardige wijze,
+waarop zij zich voortbewegen, en deze bijzondere voortbeweging staat
+weer in verband met het geringe aantal buikpooten. Zij missen 3 paar
+buikpooten; alleen de laatste 2 paren zijn aanwezig. Hierdoor kunnen
+zij niet gewoon kruipen als andere rupsen. Zij trekken bij het loopen
+de achterste ringen tot kort achter de borstpooten bij; de middelste,
+pootlooze segmenten worden daardoor boogvormig in de hoogte verheven.
+Vervolgens wordt het lichaam weer gestrekt en de voorpooten zoeken dan
+een nieuw steunpunt. Hebben de voorpooten houvast, dan worden de
+achterpooten los gelaten en het lichaam kromt zich weer boogvormig.
+
+Er is nog een tweede eigenaardigheid. In rust staan deze rupsen soms
+geheel rechtuit en rusten dan alleen op de achterpooten. Wie het niet
+weet, ziet zoo’n rups voor een takje aan; het dier lijkt er dan ook
+volkomen op. Men heeft hierin willen zien een bescherming tegen
+vijanden, een soort vermomming, mimicry. Men meent n.l. dat de vogels
+net zoo dom zullen zijn als wij om een berkenspanrups aan te zien voor
+een takje. Natuurlijk weten wij hier niets van. Als het waar was, dat
+de rups van die „takgelijkenis” zooveel voordeel had, dan moest de
+wereld wel vol zitten met deze spanrupsen; en dat is toch niet zoo.
+Intusschen is de gelijkenis tusschen takje en rups zóó groot, dat
+iedere insectenkundige in elk takje een rups ziet; de leek ziet in elke
+rups een takje. Men kan de rups vinden van Juli tot October op allerlei
+loofboomen. Ze verpopt in den grond, overwintert daar, en levert van
+einde Mei tot einde Juli de vlinders; zie afbeelding No 138. Deze rups
+en ook andere spanrupsen leenen zich goed voor de kweekerij in huis.
+Over den vlinder vertellen wij later nog iets bij genoemd plaatje.
+
+No 23. Wilgenhoutrups met pop. (Cossus cossus). Dit is weer een heel
+andere soort. De vlinder legt de eieren op den stam van wilgen en
+populieren, doch ook wel op die van fruitboomen en andere loofboomen.
+Op naaldhout niet. De jonge rupsjes vreten zich door de schors heen den
+stam in, en leven daar van het hout. Zij graven gangen in de stammen,
+die daardoor technisch hun waarde verliezen, omdat het doorgegraven
+hout voor werkhout waardeloos is. Een ander nadeel, dat zij aan de
+boomen toebrengen zit hierin, dat het hout inregent, vermolmt, en
+daardoor de sapstroomen belemmerd worden; de boomen groeien daardoor
+slecht en als er wat veel in één boom zitten, (men heeft er wel eens
+200 in één stam aangetroffen) gaat zoo’n boom gauw dood. De
+wilgenhoutrupsen behooren dus tot de ergste boombeschadigers. Voor een
+zeer groot deel hebben zij ook de vernietiging van de knotwilgen op
+haar rekening. Deze rupsen leven 3 à 4 jaar in het hout voor ze
+verpoppen; ze kunnen dus heel wat aan. In dien tijd zijn ze uitgegroeid
+tot groote dieren, die wel 8 c.M. lang zijn en dik als een pink. Tot
+aan de laatste vervelling zijn ze rood als bessensap; kop zwart en
+halsschild zwart gevlekt. Tegen den tijd, dat ze gaan verpoppen, zijn
+de buik, de zijden en de insnijdingen tusschen de ringen geel, en ten
+slotte neemt het geheele dier deze kleur aan.
+
+Het dier riekt eenigszins naar azijnzuur of creosoot; eenzelfde geur is
+waar te nemen aan de wortels van het herderstaschje. Wie een goeden
+reuk heeft, kan de rupsen in den boom daaraan waarnemen. Zij verraden
+zich ook door het knaagsel en de excrementen, die uit de gangen worden
+geworpen.
+
+De rups verpopt aan ’t uiteinde van een rupsengang, in een cocon met
+veel houtknaagsel; ze zit dus goed beschermd. Tegen het uitkomen werkt
+de pop zich den cocon uit, en schuift voor een gedeelte naar buiten;
+zij zit dus al half den stam uit. In dezen toestand—in Mei—kan men de
+poppen dan voorzichtig uitsnijden. Het is Dr. Oudemans gelukt eenige
+cossus-rupsen op te kweeken met uitgedroogd brood.
+
+De vlinder, die overdag tegen boomstammen zit, is afgebeeld op No 128.
+
+No. 24. Rups van Dennenspinner met pop. (Dendrolimus pini). Deze rups,
+die bij ons nooit in zoo groot getal optreedt, dat ze schadelijk wordt
+aan het naaldhout, wordt dat wel in sommige deelen van Duitschland. De
+kleur der rups is niet standvastig; ze is aschgrauw en bezet met roode
+haren; bruine ruitvormige vlekken op den rug en bruine zijstrepen.
+Blauwe dwarsvlekken op den tweeden en derden ring en op den
+voorlaatsten een wrat. De vlinder legt in Juli 200 eieren in hoopjes
+van 50 tegen de stammen van naaldboomen. In September en October begint
+de eerste beschadiging, die duurt tot den herfst; dat noemt men de
+herfstvreterij. Tegen den winter gaan ze naar omlaag en overwinteren
+daar onder het strooisel. In ’t voorjaar komen ze weer voor den dag,
+kruipen tegen de stammen op en dan begint de voorjaarsvreterij. Zij
+laten niets van de naalden over. Daardoor kan de schade zeer groot
+worden. Een middel om de voorjaarsvreterij tegen te gaan is de
+boomstammen van lijmringen te voorzien. Deze rupsen hebben vele
+vijanden; vooral lijden zij aan schimmelziekten, waardoor sterke
+vermeerdering telkens wordt onderbroken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT III.
+
+KEVERS (1)
+
+
+Nu komen we ongetwijfeld aan de groep insecten, die steeds in hooge
+mate de aandacht van den mensch heeft getrokken; geen enkele groep
+vertoont zoo’n vormenrijkdom, zoo’n schat van kleuren. Zij is ook het
+talrijkst. In ons land komen ruim 3200 soorten voor en in Midden-Europa
+6000. In de heele wereld zijn reeds verscheidene tienduizendtallen van
+kevers bekend. Hun aantal is dus enorm. Dat ze, trots hun grooten
+soortenrijkdom, niet overal de baas zijn, moet worden toegeschreven aan
+verschillende omstandigheden. Vele soorten schijnen zwak te zijn,
+anderen hebben geen groot voortplantingsvermogen, sommigen zijn weer
+zeer gevoelig voor weersinvloeden, bovendien vallen velen als prooi
+voor andere dieren.
+
+Om het overzicht wat te vergemakkelijken zullen we eerst eenige
+hoofdkenmerken van deze orde opgeven.
+
+Algemeene kenmerken der kevers:
+
+
+ 1. Kauwende monddeelen; ze zijn zeer eenvoudig gevormd, wat niet
+ wegneemt, dat ze zeer venijnig kunnen werken. Een schaar is ook
+ eenvoudig samengesteld, en toch is het een vinnig werktuig.
+ 2. De sprieten bestaan bijna altijd uit elf leden.
+ 3. Twee samengestelde oogen; zelden nog 1 of 2 puntoogen.
+ 4. Het voorborststuk is altijd sterk ontwikkeld en het meest
+ zichtbare stuk.
+ 5. De voorste vleugels zijn hard en stevig en dienen niet meer tot
+ vliegen, doch tot bedekking van ’t achterlijf en bescherming der
+ achtervleugels, die teerder en veel grooter zijn. In de
+ ondervleugels bevindt zich een gewricht, waardoor ze kunnen worden
+ opgevouwen. Soms worden de vleugels in drieën gevouwen. Ook de
+ oorwormen vouwen de vleugels.
+ 6. Het achterlijf bestaat uit 5 tot 8 segmenten.
+ 7. De voet bestaat uit 4 of 5 tarsleden, en eindigt in 1 of 2
+ klauwtjes. Vroeger waren de tarsleden een belangrijk systematisch
+ punt.
+ 8. De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago.
+ 9. Enkele goudhaantjes en ook eenige kortschildkevers zijn
+ vivipaar; de eieren worden bij hen reeds in ’t lichaam uitgebroed;
+ zij brengen dus levende larven ter wereld.
+10. De larven hebben een goed ontwikkelden chitineuzen kop (bruin
+ of zwart) en meestal 6 pooten, die flink ontwikkeld zijn; zie
+ plaat I.
+
+ Er zijn ook pootlooze larven, die moeilijk te onderscheiden zijn
+ van de maden der vliesvleugeligen, die in gallen of in andere
+ dieren leven (sluipwespen); de larven van bijen en wespen zijn ook
+ pootloos. De huid van pootlooze keverlarven is doorgaans harder. De
+ verborgen levende larven zijn wit; ook die in aarde en humus leven.
+ Sommige larven zijn gekleurd, die voeren een vrij leven: zwart zijn
+ de larven der loopkevers, gekleurd de larven der goudhaantjes
+ (zwart of gespikkeld). Men kan een keverlarve gemakkelijk van een
+ rups onderscheiden; de eerste heeft alleen 6 borstpooten, de
+ laatste heeft er nog 4 of 10 buikpooten bij,
+
+11. De poppen zijn z.g. vrije poppen; het achterlijf is zeer
+ beweeglijk. De vleugels zijn buitenwaarts gericht, zoodat de rug
+ onbedekt is. Meest wit, d.i. ongepigmenteerd. De niet verborgen
+ poppen zijn gekleurd en steviger. Soms wordt ook een cocon
+ gesponnen, ook wel wat houtvezels of aarde bijeengelijmd.
+12. Het voedsel is zeer verschillend: vleescheters (carnivoren),
+ lijkenverslinders, humusverwerkers, planteneters, mestkevers,
+ houtkevers.
+
+
+Enkele opmerkingen en aanwijzingen volgen nog hier.
+
+De kevers zijn rijk aan oppervlaktekleuren, waaronder fraaie
+metaalkleuren. Op de huid komen veel haren en schubben voor;
+snuitkevers zijn dikwijls beschubd en de marmering van den Julikever
+(41) bestaat geheel uit schubben.
+
+Nergens komen zooveel verschillende vormen van sprieten voor; men denke
+b.v. aan die van den meikever en de boktorren. Er zijn ook enkele
+blinde kevers, o.a. No 31, een mierengast. Zeer belangrijke organen
+zijn de boven- of voorkaken. Bij de roofkevers zijn het nijptangen en
+bij het mannetje van ’t vliegend hert (48) zijn ze enorm ontwikkeld.
+
+Van veel belang zijn de pooten, die den kevers veel diensten bewijzen.
+De eenvoudigste pootvorm is de looppoot; meer gespecialiseerde pooten
+zijn de springpooten, de graafpooten, de zwempooten.
+
+In de groep der kevers komen vele goed waarneembare gevallen van
+dimorphisme of tweevormigheid voor waardoor mannetjes en wijfjes direct
+van elkaar zijn te onderscheiden. Die verschillen zitten dan in de
+sprieten, in het gemis van de dekschilden, de sterke ontwikkeling der
+bovenkaken, de horens op kop of borststuk, enz.
+
+Veel roofkevers zijn nachtdieren; zandkevers opereeren daarentegen
+juist als ’t zonnig is. Veel kevers leven altijd in donker of
+verborgen. De leefwijze is zeer verschillend en daardoor vormen ze
+juist zoo’n merkwaardige groep.
+
+Jeugd- of eiverzorging komt niet veel voor; de zwarte waterkever (25)
+maakt een eiernestje. In verband met het voedsel, dat vele planteneters
+gebruiken, behooren er velen tot de schadelijke voor den land-, tuin-
+en boschbouw; daarentegen zijn de carnivoren weer nuttig.
+
+
+
+Indeeling der kevers.
+
+Het schijnt ons nuttig toe, de groote kevergroep voor onze lezers in te
+deelen; zoo’n overzicht is gemakkelijk, al kunnen wij daarmede de
+kevers dan ook niet determineeren of op naam brengen. Dit laatste is
+trouwens zeer moeilijk. Volgens de meer wetenschappelijke inzichten
+worden de kevers tegenwoordig in 2 groepen verdeeld: de Adephagen, die
+meest carnivoren zijn, en de Polyphagen, die meer planteneters zijn. De
+verschillen zitten in de sprieten, in het halsschild, in de aan- of
+afwezigheid van dwarsaderen in de achtervleugels, in het aantal
+voetleden en vooral in den inwendigen bouw der voortplantingsorganen.
+Die verschillen zijn zoo groot, dat men meent, dat deze twee groepen
+van verschillenden oorsprong zijn. Intusschen ligt de oorsprong der
+kevers nog in het duister. Wij kunnen op deze indeeling niet verder
+ingaan.
+
+Dr. Oudemans verdeelt de kevers in elf onderorden, die wij hier laten
+volgen:
+
+
+ 1. Roofkevers. (Caraboidea). Hiertoe behooren de zandkevers, de
+ looproofkevers, de waterroofkevers. Carnivoren.
+ 2. Kortschildkevers. (Staphylinoidea). De meeste zijn ook echte
+ roofdieren. Hiertoe behooren ook de aaskevers, waaronder de
+ doodgravers.
+ 3. Knotssprietigen. (Clavicornia). De sprieten zijn geknopt. Hier
+ hooren de O. L. H. beestjes thuis en ook het frambozenkevertje.
+ 4. Kortledigen. (Brachymera). In deze onderorde worden allerlei
+ lastige huis-, keuken- en museumtorretjes ondergebracht.
+ 5. Vochtliefhebbers. (Hygrophili). Een bekende vertegenwoordiger
+ van deze groep is de zwarte spinnende watertor.
+ 6. Bladsprietigen. (Lamellicornia). Dit zijn echte bladeters; het
+ vliegend hert en de meikever hooren er onder.
+ 7. Stekelbuikigen. (Sternoxia). Hier behooren de kniptorren thuis.
+ 8. Weekschilden. (Malacodermata). Van velen zijn het chitinepantser
+ en de dekschilden week, maar niet van allen. Hiertoe behoort de
+ glimworm, doch ook de diefjes, die in huis lastig zijn.
+ 9. Ongelijkledigen. (Heteromera). Deze naam wijst er op, dat de
+ voet der voor- en middenpooten bestaat uit 5 leden en die der
+ achterpooten uit 4. Meiwormen, blaartrekkers (spaansche vlieg).
+10. Planteneters. (Phytophaga) Dit woord zegt niets, omdat onder de
+ vorige onder-orden ook vele planteneters zijn. Tot deze groep
+ behooren de erwtenkevers, boktorren, goudhaantjes.
+11. Snuitdragers. (Rhynchophora). Tot deze onderorde behooren de
+ snuitkevers en de schorskevers.
+
+
+Het is niet gemakkelijk voor al de 11 onderorden bepaalde kenmerken op
+te geven. Bovendien vinden we kenmerken van de eene groep ook in de
+andere. We gebruiken deze indeeling omdat ze niet te uitgebreid is en
+daardoor een gemakkelijk overzicht geeft. Om technische redenen konden
+de kevers niet precies volgens bovenstaande volgorde worden
+gerangschikt. Aan de beschrijving doet dat natuurlijk geen afbreuk.
+
+
+
+De vindplaatsen der kevers.
+
+De beste tijd voor het vangen van kevers is het voorjaar en de
+voorzomer; als ’t weer warm, vochtig en windstil is, lukt de vangst het
+best. Prachtige vangsten doet men voor en na een onweer. ’s Morgens,
+als het gras nog bedauwd is, vangt men zelden wat; als de zon hooger
+staat gaat het beter, tot in den nacht toe. Kevers vinden we:
+
+
+ 1. langs straten en wegen; vooral in ’t wagenspoor;
+ 2. in mest vindt men mestkevers;
+ 3. in doode dieren;
+ 4. onder steenen;
+ 5. in mieren- en wespennesten;
+ 6. aan waterkanten, ook op ’t strand;
+ 7. op den bodem van ’t bosch;
+ 8. op bloemen;
+ 9. op drassige weiden;
+10. op bepaalde planten vindt men bepaalde soorten;
+11. aan naaldhout;
+12. op boomstammen;
+13. in molm en holle boomen;
+14. achter boomschors;
+15. in meubels en oude balken en planken;
+16. in kelders;
+17. in provisiekasten;
+18. in pakhuizen;
+19. aan vensters;
+20. in gaten in den bodem en ten slotte
+21. in het water.
+
+
+Aldoende leert men, en wie eenmaal begint, leert vanzelf de plekjes wel
+kennen, waar wat te vangen is. Vooral willen wij er op wijzen, dat men
+beproeven moet wat biologie der kevers te leeren, door larven op te
+kweeken en volwassen kevers in een insectarium of een aquarium te
+houden.
+
+No. 25. Zwarte, spinnende Watertor. (Hydrophilus (Hydrous) piceus).
+Deze kever is een der beste vrienden van de jongens. Wanneer ze in
+April en Mei gaan visschen naar stekeltjes en salamanders, vangen ze
+ook altijd deze watertorren. Gewoonlijk scheppen ze dan ook den
+geranden waterroofkever, No. 28. Men moet deze twee nooit in één
+aquarium doen, want als de gerande honger krijgt, en dat krijgt hij
+gauw, pakt hij den spinnenden, ook al is die grooter, aan. Dat doet hij
+zoo. Eerst bijt hij hem één achterpoot, een roeipoot, af; daardoor kan
+de spinnende niet vlug meer uit de voeten, en is hij geheel in zijn
+macht. Trouwens, de gerande is toch al een beter zwemmer. Is de
+spinnende in de macht van den roover, dan gaat deze het achterlijf
+bewerken, en eet daaruit de zachte, inwendige deelen weg. Zoo komt de
+spinnende aan zijn einde. De spinnende watertor is om de volgende
+eigenaardigheden bekend:
+
+
+ 1º Hij haalt door middel van zijn sprieten adem, d.w.z., hij komt
+ met den kop naar boven en neemt dan tusschen zijn korte, verbreede,
+ sterke behaarde sprieten, lucht op, die op deze wijze in verbinding
+ komt met de luchtlaag, die zich aan de harige buikzijde bevindt.
+ Het koolzuur gaat naar buiten en de zuivere lucht komt daarvoor in
+ de plaats. Van de buikzijde gaat de lucht naar de onder de
+ dekschilden liggende ademhalingsopeningen.
+
+ De gerande waterroofkever komt altijd met het achterlijf aan de
+ oppervlakte van het water. De larve van den spinnenden waterkever
+ ademt door 2 stigma’s aan het achterlijf en komt hiermede naar
+ boven.
+
+ 2º De spinnende maakt voor zijn eieren een drijvend nest, een
+ cocon, waarop een massieve mast wordt geplaatst; een eierbootje. In
+ Mei, soms in April, kan men deze nestjes al opvisschen. Het wijfje
+ gebruikt het achterlijf als mal en spint daarom het nest. De
+ spinklieren zitten aan het achterlijf, op den top. Voor den
+ geheelen nestbouw heeft het dier 4 à 5 uur noodig. Er zitten een 50
+ eieren in zoo’n bootje.
+ 3º Al spoedig komen uit de eieren larfjes, die eerst nog wat in ’t
+ nest blijven, en in dien tusschentijd de eischalen oppeuzelen,
+ waaruit ze zijn gekropen. Dan gaan ze de wereld in. Deze larven
+ zijn echte roofdieren; ze lusten vooral slakken. De volwassen kever
+ leeft van planten. In het najaar zijn de larven volwassen, 6 c.M.
+ lang, en verpoppen dan buiten het water in de slootkanten. De pop
+ staat dan op haar kop, en rust op stekels. Wil men het leven van
+ dezen kever waarnemen, dan moet men zorgen voor een popgelegenheid.
+ De volwassen kever vliegt zelden; hij kruipt op den grond gewoon
+ voort. Hij behoort tot de 5e onderorde, en wordt 38–48 m.M. lang.
+ Overal in slooten en poelen.
+
+
+No 26. Kortschildkever. (Staphylinus caesareus). Dit is een
+vertegenwoordiger van een groote groep; bijna het 5e deel van onze
+kevers, dus een 600 behooren tot deze groep. De dekschilden zijn kort.
+Men kan deze kevers onder mos en steenen vinden; ze zijn 14 tot 18 m.M.
+lang en leven van aas, mest en rottende plantenstoffen. Ze behooren dus
+tot de opruimers in de natuur en nemen daardoor een belangrijke plaats
+in. Ze behooren tot de 2e onderorde.
+
+No 27. Bombardeerkever. (Brachynus crepitans). Deze kever is afgebeeld
+omdat hij een merkwaardigheid is. Wordt hij achtervolgd, dan lijkt het
+of hij op zijn achtervolgers schiet. Uit een paar achterlijfsklieren
+vloeit een stof, die direct met een knal in damp overgaat; die knal is
+voor ons hoorbaar. Het gevormde gas is zuur en riekt naar salpeterzuur.
+Geschiedt de ontploffing in donker, dan heeft er ook lichtontwikkeling
+plaats. De kever kan meerdere „schoten” achtereen lossen. Gelijktijdig
+wordt ook de inhoud van den einddarm geledigd, zoodat de achtervolger
+op niet veel smakelijks wordt onthaald. De kevers leven meestal onder
+steenen bijeen, vooral op kalkgronden; bij ons gevonden langs
+rivieroevers. Lengte 6½ tot 9½ m.M. Ze behooren tot de 1ste onderorde.
+
+No 28. Gerande Waterroofkever. (Dytiscus marginalis). Over dezen roover
+hebben we reeds gesproken bij No 25. Zoowel de larven als de imago’s
+zijn echte carnivoren. Zij vallen alle levende dieren aan, die zij
+tegenkomen; daarom zijn zij gevreesde bezoekers van de vischvijvers. Is
+er gebrek aan levende prooi, dan zijn ze met aas tevreden; in een
+aquarium kan men ze voeren met stukjes vleesch.
+
+Moeten ze ademhalen, dan komen ze met het achterlijf loodrecht naar
+boven en steken dit in de lucht; de dekschilden worden wat opgelicht,
+de lucht komt er onder, die door de luchtbuizen kan worden opgezogen.
+Als ze erg in ’t nauw worden gebracht, zonderen ze aan het halsschild
+een melkachtige, onaangenaamriekende stof af; dat is dus hun
+verweermiddel. De voortplanting geschiedt in den winter of in ’t
+voorjaar. De wijfjes leggen de gele eieren aan stengels van
+waterplanten, in een insnijding, die zij met haar hoornachtige legboor
+maken. Na 12 dagen komen de larven voor den dag, die in het midden van
+den zomer of tegen den herfst volwassen zijn.
+
+Zij verpoppen in holen langs de oevers van het water. Sommige komen
+vóór, andere na den winter uit. Men kan dus het geheele jaar door dezen
+kever in ’t water vinden. ’s Avonds vliegen ze wel rond. Als hun sloot
+’s zomers opdroogt, poetsen ze de plaat. Lengte 30–33 m.M. Eerste
+onderorde.
+
+No 29. Graanloopkever. (Zabrus tenebrioïdes). Hoewel deze kever tot de
+roofkevers behoort, is hij toch een vegetariër, die den korenbouwers
+zeer onaangenaam is. Hij eet bij voorkeur de melkrijpe zaden van tarwe,
+rogge en gerst; haver laat bij ongemoeid. Gelukkig komt hij bij ons
+niet veel voor; alleen op zandgrond wel. De kever klimt tegen de halmen
+op, en zet zich zoo aan den maaltijd. Hij leeft van midden Juni tot in
+den winter, soms tot in ’t voorjaar. Overdag houdt hij zich schuil, ’s
+avonds gaat hij er op uit. In den herfst valt hij, evenals de larve,
+het wintergraan aan. De eieren worden gelegd in de aarde. Als vijand
+van dezen kever is een parasietvlieg waargenomen. Men bestrijdt dezen
+kever 1º door vruchtwisseling, 2º door in ’t voorjaar de akkers met een
+3% tabaksoplossing te besproeien of de larven met een
+arsenicum-oplossing te bespuiten. De kever is 12 tot 15 m.M., de larve
+20 tot 26 m.M.
+
+No 30. Doodgraver. (Necrophorus vespillo). De rol, die door deze kevers
+in de natuur wordt vervuld, is een zeer belangrijke. Aan hun is
+opgedragen de lijken van kleine zoogdieren en vogels weg te werken, om
+te zetten, zoodat de stof niet nutteloos blijft liggen. Als alle lijken
+bleven liggen, zou de wereld spoedig één kerkhof zijn. Deze kevers zijn
+in staat, als ze met een voldoend aantal zijn, lijken van mollen,
+muizen, den grond in te graven. Met elkaar werpen zij den grond onder
+het lijk weg, zij „ondermijnen” het lijk, dat daardoor dieper komt te
+liggen. De wijfjes leggen in deze doode dieren hun eieren, waaruit
+larven komen, die het „lekkere hapje” verder oppeuzelen. Deze larven
+hebben 6 pooten en 12 oogen. Zij verpoppen in den grond.
+
+Hoe de kevers de lijken vinden? Zij kunnen goed ruiken; bovendien zijn
+het beste vliegers, die op aas uitgaan. In ons land komen 8 soorten
+voor; 2 hiervan zijn zwart, dat zijn de grootste. De andere soorten
+hebben oranjeroode dekschilden waarover 3 gegolfde zwarte dwarsbanden.
+De kevers geven een sterken bokken- of muskusgeur af, die zeer lang aan
+’t dier blijft hangen. De afgebeelde soort komt zeer algemeen voor.
+Overal, waar men dierenlijken in de vrije natuur aantreft, bestaat kans
+deze kevers te vinden. We vinden meermalen verschillende soorten te
+gelijk in doode vogels. Lengte van 12 tot 23 m.M. Hij behoort tot de 2e
+onder-orde. In Artis te Amsterdam zijn de kevers van tijd tot tijd te
+zien.
+
+No 31. Mierengast. (Claviger testaceus). Bij de mieren spreken we nader
+over de „mierengasten”; dat zijn dieren, die in de mierennesten leven;
+deze gasten worden òf vervolgd òf verzorgd door de mieren. Voor
+sommigen zijn de mieren onverschillig. Maar daarover nader bij de
+mieren. Deze Claviger is een der vele kortschildkevertjes, die in de
+mierennesten leven. Het diertje is maar heel klein 2–2½ m.M. Het
+beestje heeft geen oogen. Het scheidt uit de met gele borstelharen
+bezette deelen van het lichaam een vocht af, dat de mieren gaarne
+lusten en dus aflikken. Een soort „likeurfabriekje”. Maar zal dit
+fabriekje kunnen blijven werken, dan moeten de kevertjes ook eten.
+Welnu, daarvoor zorgen de mieren. Zij tikken de Clavigers op de
+knotsvormige sprieten, en dan weten deze, dat zij zich kunnen gaan
+voeden. Het voedsel wordt aangebracht. Dit is een zeer belangrijke vorm
+van „samenwonen”: de een profiteert van den ander. Deze kever behoort
+evenals de vorige tot de 2e onder-orde.
+
+No 32. Zandkever. (Cicindela campestris). Op Plaat I No 9 staat de
+larve van dezen kever afgebeeld; wij hebben haar ook beschreven. Even
+roofzuchtig als de larve is de kever; ook die leeft van andere
+insecten, die hij najaagt. Zijn scherpe bovenkaken wijzen reeds op zijn
+karakter. De kever is een echt zonnedier, en zit altijd op den grond.
+Wordt hij opgejaagd, dan vliegt hij voor ons uit, en zet zich weer
+spoedig neer. Bij slecht weer en ’s nachts vertoeven ze in zelfgegraven
+holletjes. Raakt men ze aan, dan verspreiden ze een eigenaardigen geur.
+Deze kever is 11–14 m.M. lang, op de rugzijde fraai groen, op elk der
+dekschilden met 5 witte zijvlekjes. Het is een prachtig dier en komt op
+zandgronden veel voor. Men neemt veel afwijkingen in de teekening waar.
+Er komen van de zandkevers 5 soorten in ons land voor. Zij behooren tot
+de 1e onder-orde.
+
+No 33. Poppenroover, Rupsenjager. (Calosoma sycophanta). Ook de larve
+van dezen kever is afgebeeld op Plaat I, No 10 en daar beschreven.
+Evenals de larve is ook de kever een echte roover, en juist hieraan
+heeft hij zijn wereldreputatie te danken. We hebben reeds verteld, hoe
+in Amerika twee rupsensoorten waren ingeslopen, de plakker en de
+bastaardsatijnvlinder, die tot op den huidigen dag daar enorme schade
+aanrichten. Deze rupsen waren uit Europa overgekomen. De sterke
+vermeerdering der rupsen schrijft men toe aan de omstandigheid, dat wel
+de rupsen, maar niet haar vijanden zijn ingevoerd. Daarom zijn de
+Amerikanen begonnen met allerlei rupsenvijanden in te voeren, o.a. ook
+de Calosoma. Zoowel de larven als de kevers klimmen de boomen in,
+vallen de rupsen aan en verslinden die. Duizenden en duizenden van deze
+kevers zijn naar Amerika gezonden. Het is een prachtige roofkever, een
+zeer nuttig dier, dat 22–29 m.M. groot wordt; dus een flinke kever: de
+dekschilden zijn goudgroen. Hij behoort tot de eerste onder-orde. In
+Mei en Juni is de kever wel te vangen, hoewel hij in ons land helaas
+maar zelden voorkomt. Misschien is hij te importeeren. Hij vliegt
+overdag en riekt als hij gevangen wordt naar bittere amandelolie.
+
+No 34. Oeverkever. (Elaphrus riparius). Dit is een mooi kevertje, dat
+overal langs de randen van zoet water leeft; ’t is overdag in beweging.
+Dekschilden aan de basis gerand, zonder stippellijnen, maar met 3 of 4
+langsrijen van groote oogstippen. Bronskleurig tot smaragd-groen. Dit
+kevertje is 5½ tot 7 m.M. lang en heeft metaal-groene tarsen.
+
+No 35. Kleine Rupsenjager. (Calosoma inquisitor). Hij leeft op dezelfde
+wijze als de groote jager C. sycophanta; hij is evenwel kleiner en
+wordt maar 16–21 m.M. Hij lust gaarne de rupsen van den wintervlinder,
+die in de boomgaarden zooveel schade doen. Ook de larve eet die rupsen.
+Op zandgronden komt hij in eikenbosschen voor, en in Mei en Juni is hij
+te vangen.
+
+No 36. Tuinloopkever. (Carabus nemoralis). Deze kever behoort tot de
+z.g. schallebijters; ze zijn zeer nuttig doordat zij allerlei
+ongedierte uit den tuin en van den akker oppeuzelen. Jammer, dat zij
+door den dommen mensch gewoonlijk worden doodgetrapt. De dekschilden
+zijn meestal bruin-bronskleurig, al of niet met purperkleurigen
+zijrand. Lengte 21–26 m.M. Men vindt hem vooral in tuinen op vochtige
+plaatsen, onder steenen, en in bosschen onder mos en boomschors.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT IV.
+
+KEVERS (2)
+
+
+No 37. Meikever. (Melolontha vulgaris). Dit is zeker wel de meest
+bekende kever in ons land, al komt hij dan ook lang niet overal voor;
+maar op school wordt er van geleerd en hier en daar gebruiken de
+kinderen hem als speelgoed. De meikever is een onzer grootste kevers en
+wordt 24–30 m.M. lang. Het is een echte lobbes, waarvan wij niets te
+vreezen hebben, omdat hij een bladeter is, en ons niet bijt of prikt.
+Onder No 5 hebben wij zijn larve, de engerling, besproken; tevens
+hebben wij toen verteld, dat de kever al in den nazomer ontpopt en dan
+den geheelen herfst, winter en het voorjaar in den grond zit. Half
+April en Mei komt hij naar boven; zijn pooten komen hem dan goed te
+pas, waarmede de aarde op zij wordt gewerkt. Is hij eenmaal boven, dan
+begint de aanval op de pas uitgeloopen knoppen; de bladeren zijn dan
+nog sappig. Hij valt alle boomen aan, behalve de linde; het naaldhout
+laat hij meestal met rust, alleen de Larix, die dan vol versche
+naaldjes zit (die werpt in ’t najaar al zijn oude naalden af) havent
+hij geducht. Omdat de meikever eigenlijk een schemer- en nachtdier is,
+is hij overdag stil. ’s Morgens vroeg is hij suf en moe van al zijn
+gevlieg, en zit dan slaperig op den boom. Van deze gelegenheid maakt
+men gebruik om hem te bemachtigen. Onder de boomen, die soms stikvol
+zitten, wordt een zeil of laken gelegd, en dan worden de takken met een
+haak flink geschud. Het regent meikevers dan, die snel worden verzameld
+en in een zak of ton opgeborgen. Zoo kan men er duizenden en duizenden
+vangen, die dan gedood worden, en goed zijn voor bemesting van het
+land. Men droogt ze ook wel en maakt ze daarna fijn, waarna men er
+brood van bakt voor de varkens; ook de kippen pikken dan wel mee. Zoo
+weet men nog een nuttig gebruik van dezen kever te maken.
+
+De meikevers leggen hun eieren in den grond; het wijfje kruipt dan wel
+2 tot 3 d. M. de aarde in. Na het eierleggen sterft de meikever, zoodat
+in het laatst van Juni gewoonlijk geen meikever meer te zien is. De
+sprieten van het mannetje bezitten 7 „blaadjes”, die van het wijfje 6;
+die blaadjes zijn verbreede sprietleden. Aan deze eigenaardigheid dankt
+de groep, waartoe deze kever behoort, haar naam van „bladsprietigen”.
+
+No 38. Rozenkever. (Phyllopertha horticola). Een mooi kevertje, dat 8
+tot 11 m.M. lang wordt. Het leeft precies als de meikever; de larve
+verblijft in den grond, heet ook engerling, en beschadigt de wortels.
+De kevers eten bladeren, ook die van rozen; daaraan hebben ze hun naam
+te danken. Soms komt het diertje in grooten getale voor en dan wordt
+het zeer schadelijk, maar gewoonlijk hoort men er zelden van. De
+sprietbladen van het mannetje zijn grooter dan die van het wijfje. Men
+kan de kevertjes vangen in Mei en Juni, vooral in duin- en heistreken,
+op allerlei bloeiende planten.
+
+No 39 en No 40. Neushoornkever. (Oryctes nasicornis). Mannetje en
+wijfje. Deze kever heet wel „runkever” omdat hij nog al veel voorkomt
+in run van de leerlooierijen, waarmede de larve zich voedt. In de vrije
+natuur voedt de larve zich met molm van boomen. De kever wordt 28 tot
+35 m.M. lang, is dus grooter dan de meikever; ook zijn larve is grooter
+dan de meikeverlarve. De kever is kastanjebruin, glanzig, op de
+bovenzijde glad; onderzijde en pooten zijn rossig behaard. Bij deze
+kevers nemen we een eigenaardig dimorphisme waar; de kop van het
+mannetje heeft een hoorn, die bij ’t wijfje gemist wordt; dit heeft op
+die plaats maar een kegelvormig bultje. Als de kever uit de pop kruipt
+groeit de hoorn nog langer uit; de pop bevindt zich evenals de larve in
+run of in molm.
+
+No 41. Julikever. (Polyphylla fullo). Deze kever is de grootste van
+onze „meikeversoorten”. De dekschilden zijn gemarmerd; dit wordt
+veroorzaakt door „schubben”. Zijn de schubben verwijderd, dan is de
+grondkleur der schilden bruin tot zwart. Ook bij deze soort zijn de
+mannetjes en wijfjes te herkennen aan het aantal „sprietbladen”; het
+mannetje heeft 7 groote sprietbladen en het wijfje maar 5 kleinere. Het
+verschil valt direct op. Ook deze kever en diens larve voeren een
+leefwijze als de meikever. De larve leeft aan de wortels van planten en
+de kever voedt zich met bladeren; de imago’s vliegen ’s avonds. De
+kever komt veel voor in de duinstreken, en heet daarom ook wel
+„duinkever”. De larve wordt daar schadelijk door het verwoesten van de
+wortels der helmplanten, die het duinzand vasthouden. De kever is
+grooter dan de meikever, 32–37 m.M., en verschijnt ook later, n.l. in
+Juli. Hij komt ook in zandstreken voor aan onze oostelijke grenzen.
+
+No 42 en No 43. Glimwormpje. (Lamprohiza (Phausis) splendidula).
+Mannetje en wijfje. Van dezen kever zijn beide geslachten afgebeeld,
+omdat ook hier weer een mooi voorbeeld van dimorphisme is waar te
+nemen. Vooreerst is het mannetje grooter: 8½ tot 10 m.M., en het wijfje
+slechts 6 tot 9 m.M. Dan is het mannetje gevleugeld en het wijfje
+ongevleugeld; daardoor lijkt dit laatste veel op een larve. Over het
+„lichten” is reeds vroeger gesproken. Het is een eigenaardigheid, die
+de dieren ook na hun dood nog behouden. In de maanden Juni en Juli kan
+men de wijfjes ’s avonds op den grond zien lichten; de mannetjes
+vliegen dan rond. Ze schijnen overal voor te komen en worden dan ook in
+verschillende provincies gevonden. Het is een zeer eigenaardig
+verschijnsel als we plotseling die kleine lichtjes op de zwarte aarde
+zien verschijnen. Merkwaardig is het, dat ook de eieren, larven en
+poppen lichten. De larven voeden zich met levende slakken; wij dienen
+ze dus in eere te houden. Zet men ze thuis in donker, dan lichten ze
+daar ook. Zij behooren tot de 8ste onder-orde, tot de Weekschilden.
+
+No 44. Mestkever. (Geotropus (Ceratophyus) typhaeus). De naam van dezen
+kever wijst er op, dat dit dier op een of andere wijze met mest iets
+heeft uit te staan. Mest is n.l. het voedsel voor de larven. De kever
+graaft onder mesthoopen gangen in de aarde en legt daar de eieren; bij
+elk ei wordt een hoeveelheid mest gebracht, die de larve zal
+verorberen. Doordat die gangen nog al diep zijn, blijft de mest
+vochtig. Men vindt vaak „koekoeken”, waarin aan de oppervlakte gaten;
+dat is het werk van den mestkever, die naar binnen is gedrongen. Langs
+zandwegen, in wagensporen, vindt men ze herhaaldelijk; vooral ook doode
+mannetjes. De kever wordt 14½ tot 21 m.M. De grootte varieert dus nog
+al. Er komen in ons land wel 7 soorten voor. ’s Avonds vliegen ze
+brommend rond.
+
+No 45. Kniptor. (Agriotes lineatus). Kniptorren zijn eigenaardige
+dieren. Legt men ze op den rug, dan springen ze hoorbaar op; ze
+knippen. Er komen bij ons wel meer dan 50 soorten kniptorren voor, dus
+men is wel in de gelegenheid het knippen eens te zien. Verder zijn de
+meeste van deze kevers van geen beteekenis, ook al, omdat ze niet zoo
+lang leven. Des te erger staat het evenwel met de larven, die men
+ritnaalden, koperwormen, hardwormen of draadwormen noemt. Ze maken
+ritten door den grond en danken daaraan haar naam. Sommige larven leven
+in boommolm, mesthoopen, en zijn dus van geen economische beteekenis.
+Bij ons komen 10 à 12 soorten voor, die recht schadelijk zijn. De
+larven toch beschadigen de wortels van allerlei kultuurgewassen, en
+omdat ze wel 3 à 4 jaar in den grond blijven, kunnen ze heel wat
+verwoesten. Tegen den winter gaan ze dieper den grond in. Meestal hoort
+men van de ritnaaldenschade in ’t voor- en najaar, doch niet in den
+zomer, omdat de planten dan flink aan den groei zijn. In den tuinbouw
+hoort men er het heele jaar van, omdat men daar haast het heele jaar
+door zaait.
+
+Een afdoend middel om de ritnaalden te bestrijden is er niet. In tuinen
+legt men aardappels en bieten in den grond; de ritnaalden kruipen
+hierin, waarna men ze verwijderen kan. Men kan ook den grond inspuiten
+met benzine of zwavelkoolstof. Als het met de vruchtwisseling zoo
+uitkomt, moet men midden in den zomer de aangevallen akkers 15 c.M.
+diep omploegen. Door de zonnehitte gaan de larven, die boven komen, dan
+gauw dood. Ritnaalden lijken veel op meelwormen. De kevers leggen hun
+eieren in den grond. De grootte der imago’s loopt van 8½ tot 10 m.M.
+Zij behooren tot de 7de onder-orde.
+
+No 46 en No 48. Vliegend Hert. (Lucanus cervus). Mannetje en wijfje.
+Dit is nu de grootste kever, die bij ons voorkomt. De mannetjes hebben
+geweivormige groote bovenkaken; die lijken wel het gewei van een hert;
+vandaar ook hun naam. De wijfjes hebben ook wel bovenkaken doch die
+vallen niet op. Wij hebben hier dus weer een mooi voorbeeld van
+dimorphisme. De kevers voeden zich met sappen, die uit eiken en andere
+boomen vloeien. De larven leven in boommolm, vooral van oude eiken. De
+heele ontwikkeling van ei tot kever duurt wel 5 jaar. Het kan in dien
+tijd best gebeuren, dat de larven perioden hebben, waarin zij niet
+genoeg voedsel vinden, b.v. als er wat veel bij elkaar zijn. Dan
+groeien ze toch wel uit tot kevers, doch die worden dan maar klein. De
+grootte van de mannetjes varieert daarom van 27 tot 50 m.M. (zonder de
+bovenkaken) en die van de wijfjes van 26 tot 41 m.M. Van half Juni tot
+half Augustus kan men de kevers vinden. Men vindt ze verscholen onder
+boomstammen, ook wel in holle wegen, waar de wortels der boomen uit den
+grond komen. Tegen den avond vliegen ze. Meestal vindt men meer
+mannetjes dan wijfjes. De kevers worden vooral gevonden in
+eikenbosschen op zandgronden. Ze behooren tot de zelfde onder-orde als
+de meikevers.
+
+No 47. Gouden tor. (Cetonia aurata). Dit is weer een van die prachtige
+torren, waarin de jongens handel drijven, net als in meikevers. De
+dekschilden zijn metaalgroen met een koperkleurigen weerschijn. Men
+vindt dezen kever in Mei, Juni of Juli op allerlei planten. Ze schijnen
+van den honing te snoepen, eten stuifmeel en verwoesten soms de geheele
+bloem. De larven lijken wel op die van den meikever, doch zijn veel
+kleiner, en leven in boommolm, ook wel in bladaarde. Bij uitzondering
+vindt men ze wel in mierennesten. De ontwikkeling van ei tot kever
+duurt, evenals bij de andere genoemde bladsprietigen, weer zeer lang,
+n.l. 3 à 4 jaar. Ze worden 15 tot 21 m.M. lang.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT V.
+
+KEVERS (3)
+
+
+No 49. Mierkever. (Clerus formicarius). Deze aardige kever, die 7 tot
+10 m.M. lang wordt, heeft zijn naam te danken aan zijn mier-achtig
+voorkomen. Men kan hem vaak aantreffen op boomstammen. De larven zijn
+rozerood en leven in de gangen van bastkevers, vermoedelijk verslinden
+zij deze. De kop van den kever is zwart, het halsschild rood en de
+schilden zwart, die evenwel aan den wortel rood zijn. Over de schilden
+loopen 2 witte, kortbehaarde dwarsbanden. Het achterlijf is weer rood
+en de pooten zijn zwart. Het is een mooi diertje, dat we niet gaarne in
+onze verzameling missen. De kever is nuttig doordat hij jacht maakt op
+den dennenscheerder en diens larve.
+
+No 50. Doodskloppertje. (Anobium striatum, A. domesticum). Dit kleine
+kevertje, dat niet grooter wordt dan 2½ tot 4¾ m.M. is de schrik van de
+huismoeders, want zijn larve is de gevreesde houtworm, die onze meubels
+aantast en ten slotte geheel ondermijnt. De kevertjes leggen op onze
+meubels een 40 à 50 eitjes; de larfjes, die hieruit komen, vreten zich
+direct naar binnen, en beginnen aan het hout te knagen. Zij graven
+gangen, en als zij volwassen zijn verpoppen ze; de kevers, die uit de
+poppen komen maken grootere gaatjes en komen dan naar buiten; het
+zaagsel valt dan op den grond. Als wij dus gaatjes in onze meubels
+zien, is dit een bewijs, dat de kevertjes er uit zijn. Wil men de
+kevertjes bestrijden, dan moet men hen trachten te vangen. Ze komen van
+Mei tot Juni voor. Een ander middel is, in die maanden de meubels elken
+dag met was te wrijven; dan drukt men de eitjes dood. Met petroleum of
+benzine in de gaatjes spuiten geeft niet veel, want de oude kevers zijn
+er al uit. Intusschen kan het geen kwaad, want dan trekt de olie in ’t
+hout en petroleum is doodend voor alle insecten. Laat het hout het toe,
+dan kan men het sterk verwarmen en dan gaan de larven ook dood. De
+kevers hebben de gewoonte elkaar door tikken tegen ’t hout te lokken.
+Hoort men dit tikken in den nacht, dan heeft dit iets geheimzinnigs, en
+bijgeloovige menschen hooren hierin een „doodstijding”. Het spreekt
+vanzelf, dat deze kevertjes geen opdracht hebben zulke tijdingen over
+te brengen. In de vrije natuur leven deze diertjes in allerlei hout. De
+larven hebben 6 pooten en zijn blind. Een andere soort, Anobium
+paniceum, is een echte cosmopoliet, en leeft in magazijnen en schepen
+in allerlei droge stoffen en eetwaren, scheepsbeschuit, enz.
+
+No 51. Zwartlijf. (Blaps mucronata). Bijgeloovige menschen hebben aan
+dezen kever den naam gegeven van „doodentor”; hij zou als bode van den
+dood dienst doen. Deze functie heeft hij dan zeker te danken aan zijn
+zwart uiterlijk en zijn nachtelijke leefwijze. Hij vertoeft op donkere,
+vochtige plaatsen, in stallen, kelders, schuren, enz., en eet daar
+beschimmelde planten- en dierenresten. Raakt men hem aan, dan scheidt
+hij een vocht uit aan het achterlijf. De kevers worden 19½ tot 23 m.M.
+lang.
+
+No 52. Meeltor. (Tenebrio molitor). Iedereen, die wel eens
+insectenetende vogels heeft gehouden, weet wat „meelwormen” zijn; men
+kan ze koopen bij den handelaar in vogelvoeder. Deze meelwormen nu zijn
+de larven van den meeltor. De handelaar kweekt ze op, maar wij kunnen
+het ook wel. Men koopt wat meelwormen, een twintig, en doet die in een
+leeg jampotje en doet er wat droog hard brood bij. En nu zet men het
+maar ergens neer. De meelwormen ziet men vervellen en ten slotte ook
+verpoppen. Die poppen liggen dan maar zoo tusschen het brood in.
+Eindelijk komen uit de poppen de kevers, en dat zijn de meeltorren.
+Laat men die torren in het potje, dan gaan ze eieren leggen en komen er
+weer nieuwe meelwormen, en zoo gaat dat maar door, als men ten minste
+zorgt, dat ze voer hebben. Veel hebben ze niet noodig. De geheele
+ontwikkeling van ei tot imago duurt 2 jaar, soms korter. Wij kunnen
+ieder aanraden eens zoo’n kweekerijtje van meelwormen te beginnen; ’t
+is zeer eenvoudig en men leert de ontwikkeling kennen.
+
+Komen de meelwormen in molens en bakkerijen voor, dan zijn ze
+natuurlijk zeer schadelijk. In de vrije natuur vindt men de larven wel
+in boommolm en in doode vogels. De kever is donkerbruin tot zwart en
+wordt 14 tot 16 m.M. lang.
+
+No 53. Oliekever of Meiworm. (Meloë proscarabaeus). Deze kever en ook
+de volgende, behooren tot de „blaartrekkers”. Zij bevatten scherpe
+vochten, die een blaartrekkend vermogen hebben. Gewoonlijk noemt men
+dezen kever oliekever, omdat hij bij aanraking een geel, dik vocht
+kwijt raakt; dit vocht is scherp en tast onze huid een weinig aan. Dit
+vocht is bloed. Deze kever heeft een merkwaardige gedaanteverwisseling.
+Wij kunnen daarop niet verder ingaan, omdat de meeste lezers er toch
+nooit iets van zullen bemerken, doch wij willen er wel iets van zeggen.
+De kever legt de eieren in den grond, en de larven, die hieruit komen,
+kruipen tegen bloemstengels op en dan de bloemen in. Komen nu bepaalde
+bijensoorten deze bloemen bezoeken, dan hechten de larven zich aan deze
+bloemenbezoeksters, en trekken met haar mede naar het nest. Hier eten
+ze eieren op en verder het voedsel, dat voor de bijenlarven was
+neergelegd. Zijn ze hiermede klaar, dan nemen deze larven een andere
+gedaante aan, worden ook poppen en ten slotte kevers. Het is een
+ontwikkeling vol gevaren, zoodat velen omkomen. Dit is geen bezwaar,
+want de oliekever legt 4000 eitjes, dus kan er eentje mislukken. Men
+kan de oliekevers al vroeg in ’t jaar vinden, in April en Mei; daarom
+heeten ze ook wel Meiwormen. De kever schijnt gaarne bladeren van de
+boterbloem te eten.
+
+No 54. Spaansche Vlieg. (Lytta vesicatoria). Deze vlieg is geen vlieg,
+maar een kever. Hij behoort tot de blaartrekkers en wordt wel in de
+geneeskunde gebruikt. Het werkzame deel heet cantharidine en de stof
+zelve cantharis; het zit in het bloed en in klieren. De kever is
+goudgroen, smaragdgroen, blauwgroen, of roodkoperkleurig-goudglanzig.
+De dekschilden fijn en dicht rimpelig bestippeld. Lengte 10–19 m.M. Hij
+komt in het oosten van ons land veel voor op bloeiende ligusters, en is
+in Juni bij zonneschijn op die planten wel te vangen. In het zuiden van
+Frankrijk wordt hij in het groot verzameld tot vervaardiging van de
+Spaanschevlieg-pleister, want het blaartrekkend vermogen is van dezen
+kever zeer groot.
+
+No 55. Paalkever. (Nacerda melanura). Deze kever heeft een zeer
+ongunstige reputatie, want zijn larven tasten de palen aan van de
+zeeweringen, o.a. in Zeeland. Zij doorkruisen het hout in alle
+richtingen. De larve leeft evenwel in dat gedeelte van het hout, dat
+altijd droog blijft. Onze zeeweringen worden door 4 verschillende
+dieren aangevallen. Vooreerst door genoemden paalkever, maar die blijft
+altijd in ’t droge hout. De boorpissebed (Limnoria terebrans) en de
+borende vlookreeft (Chelura terebrans), twee schaaldieren, leven in
+hout, dat bij eb droog loopt. De paalworm (Teredo navalis), een
+weekdier, vernielt het hout dat altijd onder water staat.
+
+De lengte van den paalkever bedraagt 8–12 m.M. Deze kever komt ook wel
+in balken in huizen voor. In Juli en Augustus kan men hem wel vangen op
+schermbloemen.
+
+No 56. Groote Dennensnuittor. (Curculio (Hylobius) abietis). Dit is een
+groote snuittor en ze wordt 8 tot 14 m.M. lang. De kever is pekkleurig
+bruin of zwart, korrelig ruw en heeft op elk schild tien langsstrepen.
+De gele haartjes op de dekschilden geven hieraan eenige teekening. De
+kever is een der gevaarlijkste vijanden van de dennenbosschen. De larve
+is niet gevaarlijk, want die wordt meestal aangetroffen in oude
+stompen; tusschen hout en bast heeft de kever daar eieren gelegd. De
+kever boort in jonge, eenjarige dennen en takken en trekt lappen van de
+schors, wat gevolgd wordt door een sterke harsafscheiding. Uit deze
+leefwijze volgt al dadelijk, dat men een geveld bosch niet direct moet
+inzaaien of inpoten. De kever verschijnt midden Mei, ook wel iets
+vroeger.
+
+Ter voorkoming van deze keverplaag worden dennenbosschen wel omgeven
+door een mantel van loofboomen. Berken b.v. willen nog wel naast dennen
+groeien. Verder worden wel vanggreppels aangelegd, waaruit men de
+kevers een paar maal per dag laat opzoeken. De kevers worden wel gelokt
+door op bepaalde plaatsen bundeltjes van dennentakjes neer te leggen;
+dat doet men dan van half April tot half Juni. Hoe sterker de harslucht
+is des te beter is de vangst. Ook worden wel stukken versche schors
+neer gelegd. Ten slotte legt men kunstmatige broedplaatsen aan door
+oude stompen te laten zitten tot den zomer en ze dan uit den grond te
+halen. Dan zitten de eitjes er in of de larven. Hoe schadelijk deze
+kever ook is, het dier zelf is een zeer mooie snuittor.—
+
+No 57. Spitsmuisje. (Apion apricans). Dit is een klein snuittorretje,
+dat maar 2? tot 2½ m.M. lang wordt en het behoort tot een uitgebreid
+geslacht, waarvan wel 68 soorten bij ons voorkomen. De dekschilden zijn
+eenigszins langwerpig-eirond en zwart. Pooten roodgeel of geel. Het
+wijfje overwintert en legt de eieren in de bloemhoofdjes van klaver;
+daar tusschen leven ook de larven. Dit kevertje is zeer algemeen.
+
+No 58. Appelbloesemkever. (Anthonomus pomorum). Dit snuitkevertje kost
+ons jaarlijks heel wat appels en soms ook peren. Het is maar 3½ m.M.
+lang, de snuit niet mede gerekend; ’t is op de rugzijde bruin, aan kop
+en buikzijde zwartachtig grijs behaard. Op de schilden ziet men één of
+twee V-vormige figuren. In April begint het wijfje haar verwoesting.
+Zij boort, of juister, zij bijt een gat door de knoppen, en schuift dan
+een eitje naar binnen. Na 8 dagen komt uit dit eitje de larve, die de
+meeldraden en stampers opeet. Natuurlijk komt er van de bloem dan niets
+meer terecht; de kroonbladeren verschrompelen en het lijkt wel of de
+bloemen bevroren zijn. Spoedig verpopt de larve en al heel gauw is de
+nieuwe kever er. Deze verlaat de verschrompelde bloem en zwerft dan den
+zomer rond, om zich al in Augustus op te bergen tot het volgende
+voorjaar. Soms worden haast alle bloemen verwoest en geeft zoo’n boom
+niet één vrucht. Wat is hiertegen nu te doen? Men kan in het vroege
+voorjaar onder de vruchtboomen een laken leggen en dan de boomen
+afkloppen; de kevers komen dan omlaag. Men moet dit doen vroeg in den
+ochtend. Verder kan men in Juli om de stammen boombanden aanleggen. Men
+neemt wat houtwol en bindt daarover een papierband. Hieronder kruipen
+de kevers weg. Men maakt deze banden in November los en verbrandt ze.
+Dan is men de kevers tegelijk kwijt.
+
+No 59. Wilgensnuitkever. (Cryptorhynchus lapathi). Deze kever is goed
+herkenbaar. Het dier is zwart; op de bovenzijde dicht, hier en daar
+dakpansgewijze, bedekt met gedeeltelijk lichte, gedeeltelijk zwarte,
+duidelijke schubjes. Sprieten roestkleurig. De snuit kan in een sleuf
+tusschen de pooten tegen het lichaam worden aangedrukt. Men vindt dezen
+kever, die 7 tot 9 m.M. lang is, van Juni tot September op wilgen,
+berken, elzen en populieren. Het wijfje legt haar eieren aan jonge
+scheuten; de larven vreten zich daarin. Zoo’n larvegang wordt geregeld
+wijder, omdat de bewoonster groeit. Eigenaardig is het, dat behalve de
+„vreetgang” nog een „luchtgang” aanwezig is. Die mondt hooger dan de
+opening waardoor de larve naar binnen ging. Wordt de kever verontrust,
+dan trekt hij snuit en pooten in, en valt daardoor minder op. De kever
+komt overal voor.
+
+No 60. Erwtenkever. (Bruchus pisi). Deze kever, die 4–4½ m.M. lang
+wordt is gevaarlijk voor de erwtenteelt. Het wijfje legt de eieren in
+de jonge peulen; de larve werkt zich in een erwt en vreet de zaadlobben
+uit; de kiem laten ze zitten. Heeft de larve aan één erwt niet
+voldoende, dan verhuist ze naar een tweede. In de erwt verpopt de larve
+en ook de kever komt daarin tot ontwikkeling, doch die komt er
+vooreerst niet uit. Zaait de boer in ’t voorjaar deze erwten weer uit,
+dan kruipen de kevers op den akker uit de zaden en beginnen later hun
+verwoestingen. Zoo bevordert de boer dan zijn eigen schade. Tegen den
+erwtenkever kan men de volgende bestrijdingsmiddelen toepassen.
+
+
+ 1º Láát zaaien; dan komen de kevers vóór het zaaien al uit de
+ zaden.
+ 2º Men werpt de erwten in het water. Veel aangetaste drijven en men
+ schept die af.
+ 3º Als men de erwten gedurende 4 à 5 minuten verhit tot 50° à
+ 55° C., dan gaan de kevers dood en de gezonde erwten behouden haar
+ kiemkracht.
+ 4º Men doet de erwten in een doofpot, die gesloten kan worden.
+ Vervolgens giet men over de erwten zwavelkoolstof en laat de dampen
+ 10 minuten inwerken. Alle kevers zijn dan dood. Voor 1 H.L. erwten
+ heeft men ½ deci L. zwavelkoolstof noodig. We merken nog even op,
+ dat zwavelkoolstof een vergift is en de dampen zeer brandbaar zijn.
+ Men blijve dus met vuur uit de buurt.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT VI.
+
+KEVERS (4)
+
+
+No 61. Letterzetter. (Bostrichus (Tomicus) typographus). Deze kever, en
+de iepenspintkever, No 63, behooren tot de schorskevers. Het is een
+betrekkelijk klein dier, 4–5 m.M., en wordt aangetroffen in sparren.
+Het wijfje boort en vreet zich door de schors heen, en is het tusschen
+schors en hout gekomen, dan graaft het een gang naar boven. Links en
+rechts van deze „moedergang” worden eieren gelegd. De larven, die
+hieruit komen beginnen ook gangen te graven, die min of meer loodrecht
+op de moedergang staan. Maar dat duurt niet lang of ze wijken uit. Deze
+„kindergangen” worden hoe langer hoe wijder, omdat de larven geregeld
+dikker worden. Zijn de larven volwassen, dan verpoppen ze aan het einde
+van zoo’n gang in een „kinderwieg”, zooals men dat plaatsje daar noemt.
+Uit die poppen komen later kevers, die op hun beurt weer gangen gaan
+graven. Wanneer men stukken schors van aangevallen boomen wegneemt,
+ziet men aan de binnenzijde van de schors de moeder- en kindergangen;
+ook in het hout zijn die gangen uitgevreten. Het lijkt er dus wel wat
+op, of dat hout kunstig door een houtbewerker is uitgesneden. Iedere
+soort schorskever heeft zijn eigen „eetwegen”, of vraatfiguren, zoodat
+men hieraan reeds zien kan, welke kever aan het werk is geweest. Vooral
+op oude en zieke boomen kan men vele en mooie teekeningen zien. De
+„Letterzetter” komt bij ons niet veel voor, wel in naburige landen.
+
+No 62. Heldenbok. (Cerambyx cerdo) (heros). De larve van dezen boktor
+hebben wij afgebeeld in No 2, Plaat I en daar een en ander verteld over
+de beteekenis der larven, die „boorders” zijn en het hout minderwaardig
+maken. De kever wordt 3 tot 5 c.M. De sprieten van het mannetje zijn
+veel langer dan het lichaam. Men kan deze kevers in de maanden Juni tot
+September tegen eikenstammen vinden, waarin de larven leven. ’s Avonds
+vliegt hij wel rond. Hij is de grootste boktor, die in staand hout
+leeft. Bij ons komt hij zelden voor, maar het gebeurt wel, dat hij uit
+bewerkt hout (meubelen) te voorschijn komt.
+
+No 63. Iepenspintkever. (Scolytus Geoffroyi). Deze kever leeft op
+dezelfde wijze als de letterzetter (61). Alleen komt hij bij ons veel
+meer voor en richt daardoor ook grooter schade aan. Hij heeft het
+gemunt op iepen. Het schijnt, dat hij bij voorkeur iepen aanvalt alleen
+in doode takken en dan verder werkt. Wij hebben in Amsterdam aan den
+Haarlemmerweg en ook in de Linnaeusstraat tegenover de gasfabriek
+geheele rijen iepen door dezen kever zien vernielen. Ook jonge boomen,
+die in slechte conditie zijn, valt hij aan. De schors van de aangetaste
+boomen is als doorpriemd; zooveel gaatjes zitten er in, waardoor de
+kevers naar buiten kwamen. De kever, die 3 tot 5¼ m.M. lang wordt, is
+glanzig, zwart; dekschilden eenkleurig roodbruin of donker gevlekt, ook
+wel zwart. De kevers zwermen van einde Mei en in Juni.
+
+No 64. Populierenbok. (Saperda carcharias). Dit is de grootste van onze
+3 populierenboktorren; het dier wordt 20½ tot 28 m.M. lang, en in de
+maanden Juni tot September kan men het tegen populieren en ook wel
+tegen wilgen zien zitten. ’s Avonds vliegt de kever. De larve leeft in
+genoemde boomen; de geheele ontwikkeling duurt 2 jaar. De kever is
+zwart, doch met een dicht okergeel of meer grauw haarvilt bedekt. Kop
+en halsschild, evenals de dekschilden, met kale stippels bezet. Het
+mannetje is kleiner dan het wijfje. Het is een kever, die overal
+voorkomt. Maar omdat zijn kleur nog al overeenkomt met die van de
+boomstammen is hij niet gemakkelijk te zien. Evenwel, die veel insecten
+zoekt, snapt hem ook wel.
+
+No 65. Dennenboktor. (Acanthocinus aedilis). Als we deze boktor eenmaal
+gezien hebben, vergeten wij het dier nooit. Het is bekend, dat de
+boktorren haar naam ontleenen aan de gekromde sprieten, die doen denken
+aan de horens van een bok. Welnu, het mannetje van de dennenboktor
+heeft sprieten, die 4 à 5 maal, en het wijfje heeft sprieten, die 2 à 3
+maal zoo lang zijn als het geheele lichaam, dat een lengte heeft van 11
+tot 19 m.M. Het zijn dus reuzensprieten, die dit dier bezit, en
+iedereen wil gaarne zoo’n exemplaar in zijn verzameling hebben. De
+kever vliegt al vroeg in ’t voorjaar, en is overal in de dennenbosschen
+gemeen. De larve leeft in geveld hout en in doode takken, zoodat zij
+feitelijk geen kwaad doet aan het levende hout. Maar het gevelde hout
+wordt technisch verwerkt, en zoo vinden wij dezen kever wel in
+houtmagazijnen en in huizen. De kleur is grijs, met een flauwen,
+donkeren dwarsband over de dekschilden; de grijze kleur wordt
+veroorzaakt door een zeer korte beharing. De kever heet ook wel
+„timmerbok”, en hij verlaat in Augustus en September de pop. Het is een
+zeer interessant dier.
+
+No 66. Wilgenbok. (Aromia moschata). Ook dit is een mooie boktor, die
+men op oude wilgen veelvuldig kan aantreffen. Men noemt den kever ook
+wel „rozenbok”, omdat hij geurt naar rozenolie; men kan in dien geur
+evenwel ook muskus herkennen. De lengte van het dier bedraagt 20 tot 34
+m.M., dus het is een flinke kever. Het lichaam is zeer gestrekt,
+vlakgedrukt, op de bovenzijde kaal; metallisch groen, goudgroen,
+purperachtig-roodkoperkleurig of blauwachtig. Sprieten staalblauw. De
+dekschilden zijn minder glanzig dan het halsschild. De larve vreet
+gangen in wilgenhout.
+
+No 67. Tangbok. (Rhagium mordax). Dekschilden met een groote,
+onbehaarde, zwarte vlek nabij het midden aan de zijden, tusschen de
+twee roestkleurig-gele dwarsbanden. De sprieten zijn half zoo lang als
+het lichaam, dat een lengte heeft van 13 tot 20 m.M. De larve leeft in
+verschillende boomen, in eiken, ahorns, beuken, dennen en sparren. Soms
+vindt men den kever op bloeienden meidoorn en sneeuwbal. In zandstreken
+wordt hij wel gevonden.
+
+
+
+Goudhaantjes.
+
+De volgende 4 plaatjes, No 68 tot No 71, stellen kevertjes voor, die
+allen behooren tot de goudhanen of Chrysomelidae. Ze hebben hun naam
+gekregen naar den glans van de dekschilden. Zij leven allen van planten
+en omdat het een zeer uitgebreide groep is, is hun beteekenis in de
+huishouding der natuur zeer groot. Oorspronkelijk leven ze allen op
+wilde planten, doch van lieverlede zijn ze overgegaan op de
+kultuurgewassen, en dan worden ze natuurlijk lastig.
+
+Ze leggen hun eieren op de planten; ze doen dat aan de onderzijde der
+bladeren, dan zitten ze beschut tegen te felle zon, regen en tegen
+eenige vijanden. De larven, die hieruit komen, zijn z.g. vrijlevende
+larven; d.w.z. zij leven op de planten. De larven, die in de planten of
+in den grond leven, zijn meestal wit; we hebben dat gezien bij de
+verborgen levende larven van boktorren. De vrijlevende larven der
+goudhaantjes evenwel zijn bont gekleurd, in ieder geval hebben ze een
+donker aanzien. Omdat zij gekleurd zijn, lijken ze veel op rupsen. Men
+kan ze hiervan evenwel dadelijk onderscheiden door het aantal pooten,
+dat bij hen maar 6 bedraagt; buikpooten, zooals de rupsen, bezitten ze
+niet. De larven zijn voor iedere keversoort zeer teekenend, zoodat men
+daaraan al kan zien, welke kevers er uitkomen.
+
+Leven de larven vrij, ook de poptoestand is meestal vrij, d.w.z. de
+larven verpoppen aan de bladeren. De poppen hangen met den kop naar
+beneden en het achterlichaam is door een kleefstof aan het blad
+vastgemaakt. Deze poptoestand duurt maar kort, en de kevers, die
+hieruit komen, overwinteren; de imago-toestand duurt dus heel wat
+langer. Larve en imago hebben dezelfde leefwijze, ze eten de bladeren
+van dezelfde plant. Maar de larven hebben zachtere monddeelen dan de
+imago’s en daarom eten die aan de onderzijde der bladeren en laten de
+bovenhuid zitten; die is wat harder dan de onderhuid. Een blad, dat
+door de larven is opgepeuzeld, ziet er uit of het verdord is. De kevers
+daarentegen eten het geheele blad op. De meeste van deze kevertjes zijn
+maar klein, erg middelmatig. Op de plaatjes geven we wat grooter
+afbeeldingen, dan zijn ze beter te herkennen.
+
+De mannetjes zijn meestal kleiner dan de wijfjes. De diertjes zijn meer
+ovaal, en verschillen dus hierin nog al wat met de meer slanke
+boktorren. De pooten zijn niet bijzonder lang. Beharing ontbreekt
+gewoonlijk en als die er is, dan alleen aan de onderzijde. ’t Is te
+begrijpen, dat de metaalkleurige schilden onbehaard zijn, want anders
+kwam de metaalkleur niet tot haar recht, en het vermoeden ligt toch wel
+voor de hand, dat die kleur het dier van nut zal zijn.
+
+Zooals wij zeiden, leven de larven op planten: een enkele leeft in het
+water, o.a. die van de Donacia’s, prachtkevertjes, de wij langs de
+waterkanten vangen. Ons bestek laat niet toe, alle kevers, die tot deze
+groep behooren te behandelen, wij hebben er enkelen uitgekozen, die
+iedereen vangen en bestudeeren kan. Tot de schadelijke voor de
+cultuurplanten behooren o.a. het lelietorretje, het aspergekevertje,
+het elzenhaantje, de aardvlooien, het mosterdtorretje en ook de
+buitenlandsche coloradokever. Hoewel deze kever niet in dit album thuis
+hoort, willen wij er toch iets over zeggen, omdat hij een 35 jaar
+geleden ook ons land in opschudding bracht. Deze kever is een Amerikaan
+en leefde tot 1859 op wilde planten, die tot de familie der aardappels
+behooren. Maar in dat jaar vertoonde hij zich voor ’t eerst op de
+aardappels en werd toen de schrik der Amerikanen, want in 1 jaar
+ontstaan er wel 3 of meer generaties van dezen kever. De kever won hoe
+langer hoe meer veld en werd een ware plaag. In Europa werd men ook
+bevreesd voor hem, en vooral ook in ons land, waar zooveel aardappels
+worden geteeld. Over het geheele land heeft men toen afbeeldingen van
+den kever verspreid, opdat men hem dadelijk zou herkennen als hij soms
+hier of daar voorkwam. Intusschen is hij bij ons nog niet waargenomen,
+wel 2 maal in Duitschland en ook eenige keeren in Engeland. De kever
+was dan met andere artikelen uit Amerika overgekomen. Nog onlangs heeft
+men een paar kevers in Engeland gevonden in de dokken. En nu gaan wij
+voort met de beschrijving der plaatjes.
+
+No 68. Wilgenhaantje. (Phyllodecta vulgatissima). Op de wilgen leven
+meerdere haantjes. Dit haantje is 4 tot 5 m.M. lang en men kan het van
+Mei tot September op de wilgen vinden. De kleur van de dekschilden is
+metaal-glanzig, groenachtig-blauw. Pooten donker gekleurd. De
+verpopping heeft in den grond plaats. Een andere soort is Phyllodecta
+vitellinae, iets kleiner, wat smaller; ze is 4 tot 4? m.M. Deze kever
+is vooral berucht, omdat hij onze grienden dikwijls zwaar beschadigt.
+Grienden zijn stukken laag land, die bepoot zijn met wilgen. De takken
+van deze wilgen worden gebruikt voor mandenwerk, hoepels, enz. Komen er
+nu veel van deze kevers in de grienden voor, dan worden de takken kaal
+gevreten en houdt de groei der takken op. Dit wilgenhaantje komt in ’t
+voorjaar uit zijn schuilhoek en gaat direct op de jonge wilgenblaadjes
+af. Hij eet er van en legt daarop de eieren. De larven eten ook van de
+bladeren, kruipen dan den grond in, verpoppen, en spoedig zijn er weer
+nieuwe kevers. Die planten zich ook weer voort en in den nazomer
+verschijnt voor de derde maal een leger kevers. Deze blijven den winter
+over en komen in ’t voorjaar weer voor den dag. Er komen dus per jaar 2
+generaties voor.
+
+Wat zal men nu doen om deze kevers te bestrijden? Veel geld moet dit
+niet kosten, want de opbrengst der teenen is ook niet zoo hoog. Het
+eenvoudigste is in het voorjaar met een geteerde plank tusschen de
+wilgen te gaan en dan tegen te takken te kloppen. De kevers springen
+weg en zeer velen komen op de geteerde plank terecht. Men moet dit
+eenige keeren herhalen en er vooral vroeg mede beginnen. Deze eerste
+kevers zijn de grondleggers van de verdere familie. Men kan wat later
+in den tijd de teenen ook wel bespuiten met een petroleum-emulsie om de
+larven te dooden, doch die raakt men niet zoo gemakkelijk. In sommige
+streken doet het wilgenhaantje veel schade, maar dat is meestal eigen
+schuld, omdat men er weinig of niets tegen doet.
+
+No 69. Populierenhaantje. (Melasoma populi). Dit is het grootste van
+alle haantjes en wordt 9 tot 12 m.M. lang; ’t is blauwzwart, doch de
+schilden zijn rood. Er komen wel 7 soorten hiervan in ons land voor,
+doch deze is de grootste. Men vindt ze veel op lage populieren. De
+eieren worden op de bladeren gelegd, waar ook de larven leven, die ook
+op de bladeren verpoppen. Gewoonlijk vindt men eierhoopjes, larven,
+poppen en kevers tegelijk op denzelfden boom. Het is een mooi dier. De
+eieren zijn roodachtig. Raakt men de larven aan, dan komen er groote
+vochtdruppels naar buiten, die sterk rieken. Dit vocht is een
+verdedigingsmiddel. Is het gevaar geweken, dan trekt het vocht weer het
+lichaam in. Het vocht bevat salicyl-aldehyd.
+
+No 70. Goudhaantje. (Chrysomela fastuosa). Dit is het bekende mooie
+torretje, dat we al in Mei op de witte doovenetel vinden. Het is een
+prachtig diertje, dat veel kleurvariatie vertoont in zijn dekschilden.
+De eitjes worden gelegd op de bladeren, waar ook de larven leven en de
+verpopping geschiedt. Wie een terrarium of rupsenhuis bezit, moet eens
+een doovenetelplant in een pot zetten en daarop wat goudhaantjes
+brengen, dan kan men de geheele ontwikkeling van dit mooie diertje
+zien. Het mannetje is iets kleiner dan het wijfje; de lengte loopt van
+4? tot 6½ m.M.
+
+No 71. Schildpadtorretje. (Cassida nebulosa). Van deze torretjes komen
+er 17 soorten bij ons voor. Zij danken hun naam aan de sterke
+ontwikkeling van het halsschild en de dekschilden, die als het ware te
+groot zijn voor het dier. Daardoor heeft deze tor iets
+schildpadachtigs. Deze kever wordt 5½ tot 7 m.M. lang en 3 tot 5 m.M.
+breed. De larve leeft op melde, een wilde plant, doch gaat ook wel over
+op de bieten, en wordt dan zeer schadelijk. Het beste is de kanten der
+bietenakkers van onkruid te zuiveren, dus zwart te maken. De kevers
+overwinteren. Soms heeft er een groote „keververhuizing” plaats. Zoo
+werd er in September 1872 een groote zwerm van deze torren in Amsterdam
+waargenomen. Dat ze in Amsterdam neerstreken was een vergissing, want
+daar viel voor haar niets te eten. Wel belangrijk zou het zijn te
+weten, wat deze dieren tot zoo’n verhuizing drijft.
+
+No 72. Lieveheersbeestje. (Coccinella septempunctata). Het treft wel,
+dat wij van den laatsten kever, dien wij hier bespreken, niets dan
+goeds kunnen vertellen. En dat goeds zit dan hierin, dat het diertje
+eigenlijk een echte kannibaal is, die blad- en schildluizen en mijten
+eet, die onze kultuurplanten aanvallen. Van het uiterlijk der kevers
+behoeven we eigenlijk geen beschrijving te geven, zoo bekend zijn deze
+torretjes. De dekschilden van den „zevenpuntige” zijn helderrood met
+zeven zwarte punten. Andere soorten zijn weer anders gekleurd en hebben
+een ander aantal punten. In ’t geheel komen er van deze
+Lieveheersbeestjes in ons land 22 soorten voor. In ’t najaar kan men ze
+in grooten getale aantreffen, soms heele zwermen. Ze maken zich dan
+gereed om te gaan overwinteren, waarvoor ze onder allerlei afval
+wegkruipen. Als men ze in den herfst verzamelt en in een flesch doet,
+waar wat verdroogde bladeren in zijn, dan kan men ze gemakkelijk den
+winter overhouden, als de flesch op zolder wordt gezet. De overwinterde
+kevers komen in April en Mei weer voor den dag en leggen dan hun eieren
+op planten, waar reeds de eerste bladluizen aangekomen zijn. De larven,
+die uit de eieren komen, kunnen dan dadelijk aan den maaltijd beginnen.
+De verpopping geschiedt ook aan de planten, zoodat we de geheele
+ontwikkeling boven den grond kunnen waarnemen. In den zomer ontstaat er
+nog een tweede generatie. Omdat zoowel de larven als de kevers zeer
+vraatzuchtig zijn, vernietigen ze veel blad- en schildluizen; ze
+behooren tot onze beste vrienden. Zelf hebben ze niet veel vijanden.
+Door vogels, die anders menig insect verslinden, worden de coccinella’s
+weinig gegeten. Dit zit vermoedelijk hierin, dat de kevers bij
+aanraking een geel vocht kwijtraken, dat zeer giftig is voor
+warmbloedige dieren. Dit vocht komt uit de pooten, tusschen dij en
+scheen. Vroeger meende men, dat het bloed was, doch dat is onjuist. Het
+is ’t zelfde vocht, dat wordt afgescheiden door de galklieren. Ook de
+larven scheiden zoo’n vocht af.
+
+Zooals we reeds zeiden, zijn de Lieveheersbeestjes zeer belangrijk voor
+onze kulturen van wege hun vraatzucht, die soms onder de larven zoo
+groot is, dat zij haar eigen soortgenooten opeten. De omstandigheid,
+dat men de kevers kunstmatig kan kweeken, heeft aanleiding gegeven, dat
+men deze torretjes met succes in den tuinbouw heeft gebruikt en nog
+gebruikt. Hoewel dit succes in ’t buitenland is behaald en de
+mededeeling daarvan feitelijk buiten ons program valt, willen wij er
+toch iets van mededeelen omdat het zoo interessant is, en duidelijk
+illustreert wat wij onder de biologische bestrijdingsmethode van
+insectenplagen hebben te verstaan.
+
+In Californië werd de cultuur van sinaasappels, die aan boomen groeien,
+geheel bedreigd door een schildluis, Icerya purchasi, die de boomen
+totaal verwoestte. Wat men er ook tegen deed, men kon deze schildluis
+geen baas worden. Vele boomgaarden had men al gerooid, want de boomen
+brachten toch niets op. De insectenkundigen lieten het er evenwel niet
+bij zitten. Er moesten toch vijanden van deze schildluis bestaan, en
+het zou daarom de moeite loonen, die te gaan opsporen. De Amerikanen,
+een ondernemend volk, zijn er op uitgegaan en hebben in Australië een
+kever gevonden, die dienst zou kunnen doen. Die kever was een O. L.
+Heersbeestje, en heet Novius cardinalis. Van dien kever heeft men er
+vele verzameld, ze met bladluizen voortgekweekt en toen naar Amerika
+gezonden.
+
+Men heeft daar Novius op de schildluizen los gelaten en met welk
+resultaat? De plaag is volkomen tot staan gebracht; Novius heeft een
+opruiming onder de schildluizen gehouden van belang. En nog heden is
+hij daarmede bezig. Het gevolg is, dat de cultuur van sinaasappels weer
+mogelijk werd, en thans weer bloeit. Novius werd in 1889 in Amerika
+ingevoerd.
+
+Uit dit geval zien wij, dat het heel goed mogelijk is insectenplagen
+door andere insecten te laten bestrijden, als men de vijanden maar weet
+te vinden. Het mooie en practische van deze methode is, dat ze weinig
+kost. Als de vijand er eenmaal is, vermeerdert hij er wel, en wij
+hebben er niets meer aan te doen. Wij laten het de dieren onder elkaar
+maar uitvechten, en de grootste roovers winnen het dan wel. Deze
+bestrijdingswijze heet de biologische methode, omdat zij berust op de
+kennis van de biologie of levensleer der dieren.
+
+Nog een ander geval van een ander O. L. Heersbeestje. In de laagvlakten
+van Californië wordt veel gedaan aan meloenenteelt; honderden H. A.
+zijn daarvoor in gebruik. Deze éénzomerige plant heeft veel te lijden
+van bladluizen, zoo erg, dat hierdoor jaarlijks enorme schade werd
+geleden. Wat men ook deed, men kon de jaarlijks terugkeerende
+bladluizenplaag niet tot staan brengen. En wat de mensch niet kon, kan
+een O. L. H. beestje wel. Er leeft in Amerika zoo’n torretje, dat den
+naam draagt van Hippodamia convergens. Als het najaar wordt gaat deze
+kever overwinteren, net als onze kevertjes. Het eigenaardige is evenwel
+dat de H. convergens naar de bergen trekt en daar met zijn
+soortgenooten in groote hoopen bijeenkruipt. Dan zitten er
+honderdduizenden op hoopen bij elkaar. Ze vallen daar in een
+winterslaap en spoedig bedekt de sneeuw hen. Wat doet nu de Amerikaan?
+Hij laat door speciale „keverjagers” deze torren in den winter
+verzamelen, in groote zakken doen en zoo naar beneden brengen. Daar
+worden ze opgeslagen in koelpakhuizen, om ze niet te doen ontwaken,
+want warmte wekt hen. Is de meloenenteelt nu zoo ver gevorderd, dat de
+bladluizen weer aan het werk gaan, dan krijgt iedere kweeker een
+zending O. L. Heersbeestjes thuis. Voor 1 H. A. zijn noodig 7500
+kevers, en omdat er 4000 H. A. voor deze kultuur in gebruik zijn, heeft
+men totaal 30 millioen kevers noodig. En die worden dan ook gevangen.
+Natuurlijk telt men de torren niet, doch men weegt ze. 30 millioen
+torren wegen tusschen de 400 en 500 K.G.
+
+Men ziet, wat een practisch gebruik de Amerikanen weten te maken van
+deze torren. Maar ze zouden er nooit toe gekomen zijn, als niet eerst
+die insectenkundigen het leven van deze kevers hadden bestudeerd. Uit
+dit geval blijkt weer duidelijk hoeveel nut de studie der insecten voor
+het practisch leven afwerpt.
+
+Willen wij in het klein het voorbeeld der Amerikanen volgen, dan
+verzamelen wij in het najaar O. L. Heersbeestjes en laten die in Mei op
+onze rozen los, waar dan de eerste bladluizen al aan het werk zijn.
+
+En hiermede nemen wij afscheid van deze nuttige kevertjes.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT VII.
+
+FRANJESTAARTEN. OORWORMEN. HAFTEN. WATERNIMFEN. KAKKERLAKKEN.
+
+
+Franjestaarten.
+
+Dit is de 1ste Orde der insecten; zij zijn ’t minst gewijzigd. Zij
+hebben geen gedaanteverwisseling en dus ook geen vleugels; hun
+monddeelen zijn bijtend en hun sprieten bestaan uit vele leden en zijn
+draadvormig. Het achterlijf bestaat uit 10 vrije segmenten, waarvan het
+laatste draadvormige, gelede aanhangsels draagt, die men staarten noemt
+en borstelig behaard zijn; vandaar dat ze franjestaarten heeten.
+Bovendien dragen zij aan de buikschilden van het achterlijf ongelede
+stiften, die bewogen kunnen worden en dienst doen bij de verplaatsing.
+
+No 73. Suikergast. (Lepisma saccharina). Deze diertjes worden hoogstens
+10 m.M. lang. Als ze uit het ei komen lijken ze al precies op de ouden;
+door veelvuldige vervellingen worden het ten slotte imago’s. Omdat zij
+zich zeer snel bewegen, noemt men ze ook wel schietmotten; deze naam is
+hier evenwel onjuist, omdat daarmede de 14de Orde wordt aangeduid, de
+kokerjuffers.
+
+De suikergast heeft zeker zijn naam te danken aan zijn snoeplust. Hij
+is een bekende gast in huis en in de magazijnen; overal, waar het niet
+te droog is, vindt men hem. Heel veel voedsel gebruikt het beestje
+niet. In bibliotheken voedt het zich gaarne met de stijfsel en gom
+achter de banden; het vreet ook de lijm achter de etiketten weg. Men
+noemt het beestje ook wel zilvervischje, vanwege de kleur van het
+schubbenkleed: van boven glanzig loodgrauw, van onder wit. In
+provisiekasten is het een onaangename verschijning en om hem te vangen
+legt men toegevouwen lappen neer, waarin het diertje zich overdag
+verschuilt. Ook strooit men wel insectenpoeder uit, en hoewel dit iets
+geeft, werken de lappen beter. Hoe droger de kasten zijn, hoe minder
+last men van het diertje heeft. In oude huizen en bibliotheken, waar de
+zon weinig binnenkomt en weinig gelucht wordt, treft men ze veel aan.
+
+
+
+Oorwormen.
+
+De oorwormen of oorkruipers vormen de 3de Orde der insecten. Hun
+gedaanteverwisseling heeft van lieverlede plaats zonder poptoestand; de
+metamorphose is dus onvolkomen. De monddeelen zijn bijtend; de sprieten
+draadvormig. Vier vleugels, waarvan de voorste (dekschilden) tot
+vliegen ongeschikt zijn. De achtervleugels zijn halfcirkelvormig en
+worden waaiervormig ineen geplooid en bovendien 2 maal in de lengte
+toegeslagen. Daardoor kunnen zij als een pakket onder de dekschilden
+worden opgeborgen. Aan het achterlijf bezitten zij twee harde staarten,
+die beweegbaar zijn en samen een tang vormen. Tot afweer van vijanden
+bezitten ze z.g. „stinkklieren”. Bij ons komen 3 soorten voor; over de
+heele wereld zijn al meer dan 500 soorten bekend.
+
+No 74. Oorworm of Oorkruiper. (Forficula auricularia). De lengte van
+dit dier loopt, zonder tang, tot 15 m.M. Aan de tangen zijn de
+geslachten te onderscheiden; die van het mannetje zijn meer gekromd en
+aan de binnenzijde nog getand. Bij het wijfje loopen de binnenzijden
+meer parallel, en alleen de topeinden zijn gekromd. De oorworm is een
+nachtdier; overdag houden zij zich schuil in hoeken en gaten en onder
+steenen en anderen rommel.
+
+’s Nachts trekken ze eropuit. Ze eten zoowel plantaardig als dierlijk
+voedsel; ze zijn polyphaag. Ze lusten graag vruchten en zijn ook
+verlekkerd op bloemknoppen van de peer. Ze eten ook veel schadelijke
+dieren op, al merken wij daarvan ’s nachts niets. Bladluizen en kleine
+rupsen worden gaarne verorberd. Het wijfje legt de eieren in den grond
+en bewaakt ze eenigen tijd; zoo’n moederlijke zorg komt zelden bij de
+insecten voor; meestal ziet de moeder haar jongen nooit. Trots hun
+goede zijde, om schadelijke insecten te verorberen, worden ze toch
+bestreden wegens het nadeel dat ze aan het fruit toebrengen. Men
+bestrijdt ze aldus:
+
+
+ 1º men maakt ’s winters de schuttingen goed schoon, omdat in de
+ gaten daarvan de oorwormen overwinteren;
+ 2º men vangt ze ’s zomers door het neerleggen van rolletjes papier,
+ rietstengeltjes, waarin ze wegkruipen; ook omgekeerde mandjes; men
+ vult kleine bloempotjes met mos en zet die omgekeerd op stokjes;
+ ook daarin kruipen ze dan weg. Men past dit eveneens toe om
+ oorwormen uit dahlia’s te houden.
+
+
+Dat oorwormen een speciale voorliefde voor onze gehoorgangen zouden
+hebben is een verzinsel; ook, dat zij met de tangen het gehoorvlies
+zouden doorpriemen. Hoe men aan dit praatje gekomen is? Wanneer iemand
+in ’t gras gaat slapen, kan het best gebeuren, dat een opgejaagde
+oorworm een goed heenkomen zoekt en omdat hij overdag een holbewoner
+is, kruipt hij de gehoorgang in, die voor hem een schuilplaats is. Maar
+kwaad doet hij er niet. Tot de vijanden van de oorwormen behooren:
+meezen en andere insectenetende vogels, kikkers, padden, roofkevers en
+enkele sluipvliegen. Oorwormen zijn sterk; van ’t weer trekken ze zich
+weinig aan.
+
+
+
+Haften.
+
+Zij vormen de 4de Orde der insecten. Men noemt ze ook wel ephemeriden
+of ééndagsvliegen, vanwege hun korten levensduur als imago. Hun
+gedaanteverwisseling is onvolkomen; ze bezitten bijtende monddeelen, en
+korte sprieten; ze hebben 4 vleugels, vliezig en naakt, waarvan het
+achterste paar klein is; aan het achterlijf 2 of 3 lange gelede
+staarten. De larven leven in het water; in ons land komen 41 soorten
+voor.
+
+No 75. Oeveraas. (Palingenia longicauda). Deze haften verschijnen
+gewoonlijk op vasten tijd in Juni; zoo om en bij St Jan (24. Juni) en
+daarom noemt men ze wel St Jansvliegen. Ze komen dan tegen den avond,
+om een uur of zeven uit het water opzetten; vooral uit groote rivieren
+als de Maas, de Lek, de Waal. ’t Is een eigenaardig gezicht deze dieren
+bij honderden en duizenden uit het water te zien opkomen. Maar nog
+merkwaardiger is het, dat zij, éénmaal in de lucht zijnde, nog éénmaal
+vervellen. Ze stroopen de huid af en laten die vallen. In onze jeugd
+zeiden we, dat ze hun „hempje” uittrokken. Ze leven maar een paar uur.
+In dien tijd zetten ze eieren op het water af, die dadelijk zinken. Dat
+is maar goed ook, anders zouden ze spoedig door de visschen worden
+opgegeten, die op de enkele „vliegavonden” toch al zoo druk in de weer
+zijn om de imago’s te snappen, waarop ze verlekkerd zijn. Het oeveraas
+is dan ook een lekker hapje voor de visschen; dat blijkt ook, als men
+deze dieren aan den haak slaat om er mede te visschen; de visschen
+bijten dan uitstekend. De visschers weten dat en daarom bewaren zij er
+velen in olie, om er later ook nog mede te visschen.
+
+Uit de eieren van het oeveraas komen larven, die zich dadelijk het
+slijk van den bodem inwerken en daar leven van allerlei kleine dieren
+en lage planten. De heele ontwikkeling duurt 3 jaar. Het mannetje van
+het oeveraas wordt 24, het wijfje 28 m.M.; ’t mannetje is dus iets
+kleiner. Daartegenover staat, dat het mannetje weer veel langer
+staarten heeft; die worden tot 70 m.M. en van het wijfje maar 27 m.M.
+
+No 76. Gewone Haft. (Ephemera vulgata). In Mei en Juni vliegen ze langs
+vele rivieren; de larve leeft ook in slib. Ze zijn kleiner dan de
+vorige. Lengte van 14 tot 22 m.M.; de drie staarten van het mannetje
+zijn ruim 30, van het wijfje ruim 20 m.M. lang. Deze haft leeft langer
+dan de vorige; het duurt wel 1 of 1½ dag voor ze het hempje uittrekt.
+Soms bewegen deze dieren zich zeer ver van de rivieren het land in.
+
+
+
+Waternimfen—Libellen.
+
+Dit is een groep insecten, de 5de Orde, waarmede reeds de kinderen
+vroeg kennis maken. Iedereen kent de mooie kleurige „juffertjes” die
+langs het water vliegen en de groote libellen, die zich veel verder van
+’t water begeven. Dat de groote soorten goed bekend zijn maken we op
+uit de vele namen, die zij gekregen hebben. Men noemt ze: korenbouten,
+rombouten, sparrebouten, glazenmakers, paardenbijters, bijenbijters,
+puistenbijters, vileinenbijters, bleinenbijters, blazenbijters,
+wrattenbijters, donderbolken, hengsten en vliegende garnalen. Dat ze
+echte bijters genoemd worden, daarvan zullen we straks de reden hooren.
+
+Hun gedaanteverwisseling is onvolkomen; een larve, die spoedig een
+imago zal worden, is afgebeeld op Plaat I No 8. Men leze daar de
+beschrijving nog eens na. De monddeelen zijn krachtig ontwikkeld; het
+zijn bijters. Ze leven van insecten, die ze in de vlucht vangen; men
+noemt ze wel de „zwaluwen” onder de insecten, omdat deze vogels ook op
+die wijze insecten vangen. Zeer krachtig is ook de onderlip ontwikkeld,
+die bij de larven vervormd is tot een vangtang, die uit- en ingetrokken
+kan worden.
+
+De sprieten zijn verdwijnend klein; zeer kort, haarvormig. De oogen
+zijn bij de grootere soorten zeer groot; ze raken elkaar. Bij de
+kleinere juffers staan ze een heel eind van elkaar af. Ze hebben
+bovendien 3 puntoogen.
+
+Ze bezitten allen 4 vleugels, die volgens hetzelfde type gebouwd zijn.
+Bij de kleine juffers zijn ze alle gelijk, bij de grootere zijn de
+achtervleugels aan het worteleinde wat breeder. De vleugels zijn
+vliezig, naakt, netvormig geaderd. In ruststand worden ze niet
+toegeslagen; de grootere soorten houden ze in rust vlak, de kleinere
+soorten rechtop, achterwaarts gebogen. Vooral de grootere zijn beste
+vliegers; trouwens, dit brengt hun roofdierkarakter mede; zij moeten
+hun buit gaan opzoeken.
+
+Het borststuk is kort, forsch; veel dikker dan het lange achterlijf.
+Het midden- en achterborststuk staan schuin, waardoor de flinke slanke
+pooten meer voorwaarts staan, en de vleugels meer naar achter. Met de
+pooten kunnen zij hun prooi vangen en dan gemakkelijk naar den bek
+brengen.
+
+Het achterlijf is zeer lang en slank, en bestaat uit 10 segmenten; aan
+het laatste segment zitten een paar ongelede aanhangsels.
+
+Het voedsel is van dierlijken aard; zoowel de larven als de imago’s
+zijn carnivoren.
+
+De larven leven in het water. Zij halen adem door tracheekieuwen aan ’t
+einde van ’t achterlijf, of door tracheekieuwen, die plooien zijn van
+den endeldarm. De larven bewegen zich schoksgewijze; zij persen het
+water uit den endeldarm en schieten dan tegelijk voort. De einddarm
+werkt als zuigperspomp. Er zijn nog stigma’s om gassen uit te laten. Om
+haar vraatzucht worden de larven zeer gevreesd in vischvijvers.
+
+De geheele ontwikkeling van ei tot imago duurt één jaar. De eieren
+worden in ’t water gelegd; de larven overwinteren.
+
+Een eigenaardigheid van de nimfen is, dat zij soms in zulke groote
+aantallen vliegen, dat zij ieders aandacht trekken. In 1900, 7 en 8
+Juni, had zoo’n reusachtige trek plaats; de dieren vlogen vanuit het
+westen en verplaatsten zich in oostelijke richting. Millioenen
+exemplaren moeten dat geweest zijn, want er kwam aan de vlucht geen
+einde. Zelf hebben wij ze toen in Amsterdam waargenomen; ze waren niet
+gemakkelijk te vangen. Bij onderzoek bleek, dat de dieren niets in hun
+maag hadden. De soort, die toen vloog, was Libellula quadrimaculata,
+afgebeeld op No 78. Door heel Nederland werd de vlucht waargenomen. Ook
+van andere waternimfen zijn zulke zwermen in ons land waargenomen; tot
+heden is het nog niet gelukt dit zwermen te verklaren.
+
+De libellen vertoonen schitterende kleuren, die bij opgezette
+exemplaren niet altijd even mooi blijven. Er komen in ons land 53
+soorten voor, zoodat wij hieruit kunnen opmaken, dat er in de slooten
+en plassen heel wat strijd door deze carnivoren wordt gevoerd. Zoo’n
+sloot is een permanente „slachtplaats”.
+
+No 77. Gewone Platbuik. (Libellula depressa). De naam platbuik wijst op
+het sterk afgeplatte en breede achterlijf, dat bij de mannetjes blauw
+beslagen en bij de wijfjes geelbruin is. Aan den wortel der vleugels
+een tamelijk groote, bruine vlek. Het dier is 47 m.M. lang, en de
+voorvleugels ieder 36 m.M. In Mei komen de eerste, in Juli zijn er de
+meeste en einde Augustus zijn ze weer voor goed weg. Ze komen veel
+voor, alleen in veenstreken minder.
+
+No 78. Glazenmaker. (Libellula quadrimaculata). Dit dier heeft in het
+midden aan den bovenrand der vleugels een donkere vlek; daarom heet het
+quadrimaculata. Deze libel is 45 m.M. lang en heeft een vlucht van 80
+m.M. In Mei komen ze en in begin Juni zijn ze er volop; dan begint het
+aantal af te nemen. Deze soort komt soms in ongelooflijke hoeveelheden
+voor.
+
+No 79. Groote Gordelglazenmaker. (Aeschna grandis). Deze glazenmaker is
+op den tweeden ring van het achterlijf vernauwd; het lijkt of hij daar
+een gordel om heeft; vandaar zijn naam. Het dier is te herkennen aan de
+roestbruine kleur, ook van de vleugels en pooten. Bij elken
+wortelvleugel op den rug een blauw vlekje. De mannetjes hebben blauwe,
+de wijfjes gele vlekjes en stippen op het achterlijf. Het dier heeft
+een lengte van 70 m.M. en een vlucht van 95 m.M.
+
+No 80. Meerjuffer. (mannetje en wijfje). (Calopteryx virgo). Deze
+waterinsecten zijn veel slanker en dragen daarom den naam van juffers.
+Bij de meerjuffer treffen we een mooi voorbeeld van dimorphisme aan. De
+vleugels van het mannetje zijn geheel donkerblauw, de wortel en de
+spits uitgezonderd; het achterlijf is ook prachtig licht staalblauw. De
+vleugels en het achterlijf van het wijfje zijn bruinachtig. Het zijn
+mooie diertjes, die in stroomende beekjes in het oosten en zuiden van
+ons land zich ontwikkelen. Wij vingen ze zelf wel in de Leuvenumsche
+bosschen op de Veluwe. Lengte 47 m.M., vlucht 65 m.M.
+
+No 81. Juffertje. (Agrion pulchellum). Dit is de meest bekende soort
+van de kleinere juffertjes. Er komen hiervan verschillende soorten
+voor, die allen mooi geteekend zijn. Ze zitten altijd aan de
+waterkanten op oeverplanten of vliegen daar rond. Lieve diertjes.
+Lengte 35 m.M.; vlucht 42 m.M.
+
+
+
+Rechtvleugeligen.
+
+Wij komen nu aan de 7de Orde der insecten, die der Rechtvleugeligen;
+hiertoe behooren de dieren afgebeeld op No 82 tot en met No 90. In de
+leerboeken over Insectenkunde worden de Rechtvleugeligen aldus
+ingedeeld:
+
+
+ I. Cursoria of loopende rechtvleugeligen.
+
+ a. Blattiden of kakkerlakken.
+ b. Phasmiden of spooksprinkhanen.
+ c. Mantiden of roofsprinkhanen.
+
+ II. Saltatoria of springende rechtvleugeligen.
+
+ d. Acrididen of sprinkhanen.
+ e. Locustiden of sabelsprinkhanen.
+ f. Grylliden of krekels.
+
+
+Groep b en c zijn niet inlandsch, maar tegenwoordig kunnen wij in Artis
+in Amsterdam geregeld het heele jaar door de Phasmiden zien; die worden
+daar gekweekt. Het zijn de wandelende takken en wandelende bladen.
+Iedereen kan er dus kennis mede maken. Verder kweeken verschillende
+menschen voor hun pleizier wandelende takken op in huis; dat is een
+liefhebberij van de laatste jaren. Het opkweeken van zijderupsen is van
+veel ouderen datum.
+
+Er blijven dus vier inlandsche afdeelingen over: a, d, e, en f. Laten
+we eerst iets in het algemeen over de Rechtvleugeligen zeggen.
+
+Hun gedaanteverwisseling is onvolkomen; ze hebben dus geen poptoestand;
+de larven gelijken al veel op de imago’s. Verder voeren de larven een
+gelijke leefwijze als de imago’s; ze leven allen op het land en
+gebruiken hetzelfde voedsel. De monddeelen zijn krachtig ontwikkeld,
+waarmede ze goed kunnen bijten. De sprieten zijn draad- of haarvormig.
+Ze bezitten 4 vleugels; de voorste zijn leerachtig en kunnen niet
+opgevouwen worden; de achterste zijn vliezig, breeder en kunnen
+waaiervormig worden opgevouwen. Aan het achterlijf komen meestal
+aanhangsels voor, die soms zeer groot zijn. Men noemt deze orde
+Rechtvleugeligen naar de wijze, waarop de achtervleugels in rust worden
+geplooid. Bij de springende zijn vooral de achterpooten sterk
+ontwikkeld. Het aantal inlandsche soorten bedraagt 29.
+
+
+
+Kakkerlakken.
+
+De kakkerlakken zijn onaangename gasten in onze huizen, bakkerijen,
+branderijen, plantenkassen, enz. Eigenlijk zijn de drie soorten, die
+wij hier behandelen, van huisuit geen „inlandsche”. Ze zijn door het
+internationaal verkeer verplaatst en zoo ook bij ons gekomen. Een paar
+soorten komen bij ons in de vrije natuur voor, doch zijn van weinig
+beteekenis. Een eigenaardigheid van de kakkerlakken is dat ze hun
+eieren in „pakketten” leggen, die min of meer den vorm hebben van een
+handtaschje. Een zeker aantal eieren worden dan gezamenlijk omkleed
+door een kapsel, dat uit een stof bestaat, die door klieren wordt
+afgescheiden. Deze pakketten worden dan hier en daar neergelegd.
+Kakkerlakken zijn nachtdieren en eten alles wat eetbaar is. Omdat alle
+kakkerlakken tot de lastige en schadelijke dieren behooren, worden ze
+bestreden en wel aldus:
+
+
+ 1. Men zet een mengsel neer van arsenicum, meel en suiker; de
+ dieren, die hiervan eten gaan dood; inplaats van arsenicum neemt
+ men ook wel gips; borax met suiker is ook uitstekend. Men gebruikt
+ ook wel phosphorpillen, doch die zijn evenals arsenicum, gevaarlijk
+ ook voor den mensch.
+ 2. Men zet een ondiep bord met bier neer; om het den kakkerlakken
+ gemakkelijk te maken bij het bier te komen legt men stokjes en
+ smalle plankjes tegen het bord, waarlangs de beestjes naar het bier
+ klauteren. Ze drinken hiervan, worden bedwelmd, en vallen ten
+ slotte in het bier en verdrinken.
+ 3. Ook kan men lappen neerleggen, die met bier zijn gedrenkt.
+ 4. Er bestaan „kakkerlakkenvallen”; ’t zijn holle blikken trommels,
+ die den vorm hebben van een afgeknotten kegel, waarvan het
+ mantelvlak geribd is, zoodat de dieren gemakkelijk naar boven
+ kunnen klauteren. Het bovenvlak kan draaien om een horizontale
+ spil; in ’t midden van dit vlak ligt ’t aas, zooals boven is
+ aangegeven. Zijn de kakkerlakken naar boven en willen ze naar ’t
+ aas, dan kantelt het vlak en het dier valt naar beneden.
+ 5. Men zet bloempotten of kistjes neer, waarin stukjes brood,
+ waarover wat papiersnippers of houtwol. De dieren kruipen hierin en
+ kunnen gemakkelijk gevangen worden.
+
+
+No 82. Duitsche Kakkerlak. (Phyllodromia germanica). Dit is de kleinste
+van de drie soorten, 12 à 13 m.M. lang. De eierpakketten zijn soms zeer
+groot, en bevatten wel 50 eieren. Zij komen veel voor in branderijen,
+in hotels en ook in plantenkassen; ze komen met buitenlandsche planten
+wel mee. Aan ’t achterlijf bezitten ze klieren, die een sterk riekend
+vocht afscheiden. De kleur is geelbruin, naar ’t roodbruin loopend. Het
+mannetje is iets platter dan het wijfje. Beiden hebben goed ontwikkelde
+vleugels.
+
+No 83. Bakkerstor. Keukenkakkerlak. (Periplaneta orientalis). De
+Hollandsche namen wijzen er al op, dat dit dier in bakkerijen en in
+huizen voorkomt. Oorspronkelijk komen ze uit Azië. Lengte 20 tot 24
+m.M. De voorvleugels zijn iets korter dan ’t achterlijf. Het wijfje
+heeft haast in ’t geheel geen vleugels; de voorvleugels lijken een paar
+schubjes. De kleur van het dier is donker kastenjebruin, de pooten zijn
+iets lichter. De dieren zijn in ’t bezit van stinkklieren. De naam tor
+is onjuist.
+
+No 84. Amerikaansche Kakkerlak. (Periplaneta americana). Dit is de
+grootste van de drie; 28 tot 32 m.M. lang. Mannetje en wijfje hebben
+beiden vleugels die langer dan het achterlijf zijn. Ze zijn iets
+lichter gekleurd dan de vorige soort. Ze komen in onze huizen niet veel
+voor, doch wel in dokken, pakhuizen, fabrieken, vooral in
+suikerraffinaderijen; sommige schepen kunnen er mede „vergeven” zijn.
+Evenals bij de vorige soort worden ook hier onaangenaam riekende
+klierstoffen geproduceerd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT VIII.
+
+SPRINKHANEN. KNAGERS. WANTSEN.
+
+
+Sprinkhanen.
+
+Bij de beschrijving van Plaat VII hebben wij de sprinkhanen in drie
+groepen ingedeeld, de Acrididen of gewone sprinkhanen, de Locustiden of
+sabelsprinkhanen en de Grylliden of krekels. No 85 en 86
+vertegenwoordigen de eerste groep, No 87 de tweede en No 88, 89 en 90
+de derde groep.
+
+
+
+De gewone sprinkhanen of Acrididen.
+
+De sprieten zijn kort, draadvormig. De tarsen zijn drieledig. Het
+gehoororgaan zit aan de basis van het achterlijf. Waar een gehoororgaan
+is, moeten ook geluidsorganen zijn. Het geluid wordt voortgebracht door
+de mannetjes. Zij bezitten een rasp (een reeks tanden) aan de dikke dij
+van den achterpoot, die gewreven wordt tegen de aderen van den
+voorvleugel. De wijfjes bezitten voor het eierleggen maar een zeer
+korte legboor; eigenlijk mag het geen legboor heeten, zoo kort is ze.
+De meeste soorten leven in zand, heide, veen, duinen; het zijn
+dagdieren en ze houden veel van zon. Hiertoe behooren ook de
+buitenlandsche sprinkhanen. Het zijn planteneters; ze lusten graag
+graanplanten.
+
+No 85. Gestreepte Grashupper. (Stenobothrus lineatus). Deze soort
+behoort tot de kleine sprinkhanen, die overal voor ons uitspringen, als
+we op de heide loopen. Er zijn een vijftal soorten van bekend. Het
+achterlijf is groen, aan het einde rood bij het mannetje en geel bij
+het wijfje. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes; de eersten zijn
+19, de laatsten 22–24 m.M. lang. De kleur is niet steeds standvastig.
+
+No 86. Europeesche Treksprinkhanen. (Pachytylus migratorius). Deze
+sprinkhaan komt van tijd tot tijd bij ons voor, maar veel meer in het
+oosten en zuidoosten van Europa. Intusschen komt hij ook voor in
+Duitschland, Frankrijk en zelfs in Engeland. Om dit land te bereiken
+moeten ze het Kanaal overtrekken. Het zijn dan ook goede vliegers; ze
+bezitten „luchtzakken” aan de tracheeën, evenals de meikevers. Dat
+volpompen der luchtzakken door de meikevers noemen de jongens
+„geldtellen”. Deze sprinkhanen laten zich door den wind dragen. Zoo’n
+sprinkhanentrek heeft dan plaats in Juni en Juli. Ook bij deze
+sprinkhanen is het mannetje kleiner dan het wijfje; de eerste wordt tot
+48 m.M., de tweede tot 55 m.M. lang. Een andere soort Europeesche
+treksprinkhaan is de Pachytylus cinerascens; ook deze komt in ons land
+voor en veroorzaakt soms beduidende schade; het mannetje wordt tot 36
+m.M., en het wijfje tot 60 m.M. lang. Een grasveld, dat door jonge
+larven is aangetast, kan men rollen of bespuiten met een oplossing van
+500 L. water, 5 K.G. versch gebluschte kalk en 1 K.G. Parijsch groen.
+
+
+
+Sabelsprinkhanen of Locustiden.
+
+Deze groep sprinkhanen heeft lange sprieten, die haarvormig zijn en
+meer dan 30 leden tellen. De tarsen zijn 4-ledig. Het gehoororgaan zit
+aan de scheen van den voorpoot. Geluid wordt voortgebracht door de
+vleugels. De linkervleugel bezit een verheven ader (rasp) aan de
+onderzijde; de rechtervleugel een verheven lijst aan de bovenzijde.
+Bovendien bezitten zij nog een resoneerapparaat, waardoor het geluid
+versterkt wordt. Ook hier zijn de mannetjes de „levenmakers”. Deze
+groep is verder gekenmerkt door het bezit van een groote legboor, een
+„sabel”, waaraan de groep haar naam heeft te danken.
+
+Een legboor moet niet verward worden met een legbuis. Een legbuis is
+een telescopische buis aan het einde van het achterlijf; de ringen van
+zoo’n buis komen alleen voor den dag bij het eierleggen, anders zijn ze
+ingetrokken. Een legbuis vinden we bij veel vlinders en goudwespen.
+
+Een legboor is een afzonderlijk orgaan, uit aanhangsels van het
+achterlijf gevormd; aan de basis van de legboor ligt de opening,
+waaruit de eieren komen. Bij de bijen, wespen en sommige mieren is de
+legboor veranderd in een angel, die in rust is ingetrokken.
+
+De Locustiden zitten veel meer op boomen en struiken, dan de gewone
+veldsprinkhanen, die meer op de vlakte blijven. Het zijn dan ook beste
+klimmers. Sommigen van deze versmaden een vleeschmaaltje ook niet.
+Hoewel ze overdag ook wel in functie zijn, zijn ze toch ’s avonds het
+drukst; dan zingen ze langer en krachtiger. Sterke achterpooten,
+springpooten.
+
+No 87. Groene Sabelsprinkhaan. (Locusta viridissima). Dit is een
+prachtig dier, groot 28 tot 35 m.M.; de legboor wordt tot 25 m.M. lang,
+en komt natuurlijk alleen bij het wijfje voor. Met die legboor worden
+de eieren in den grond gelegd; eenige bij elkaar, tot een soort ruw
+kapsel. Die eieren overwinteren en in het voorjaar komen de larven, die
+in Juli en Augustus al volwassen zijn. Deze sprinkhanen maken ook jacht
+op andere insecten; ze achtervolgen zelfs vlinders, die tegen het gras
+komen rusten. Overdag kan men ze ook hooren „sjirpen”; ’s avonds is het
+drukker. Men kan deze dieren, die grasgroen zijn, niet zoo gemakkelijk
+zien, maar bij eenige oefening lukt het toch wel. Men vindt ze nogal op
+wilgen, tusschen hoog gras, in moestuinen en op woeste plekken. Het
+zijn aardige dieren in een terrarium; daarin kan men dan ook het
+eierleggen zien. De vlucht van ’t dier gaat tot 10 c.M. Economische
+beteekenis hebben deze sprinkhanen niet, want ze doen geen schade.
+
+
+
+Krekels of Grylliden.
+
+Deze insecten komen, wat de sprieten, de geluid- en gehoororganen
+betreft, overeen met de vorige groep. De tarsen zijn evenwel 3-ledig.
+
+No 88. Veldkrekel. (Gryllus campestris). Deze krekel komt niet zoo
+algemeen voor als men wel denkt; toch is hij in droge streken lang geen
+zeldzaamheid. Hij is zwart; bij ’t wijfje zijn de voorvleugels
+grijsbruin, en bij het mannetje donkerbruin; achterdijen van onder
+rood, verder zwart. Lengte 19–27 m.M.; de mannetjes iets korter dan de
+wijfjes. Legboor 11 tot 14 m.M. Deze krekel is eigenlijk een
+holbewoner. Zoodra hij verontrust wordt, schiet hij er weer in. Peutert
+men met een grashalm, dan krijgt men hem er wel uit. Op den bodem van
+dat holletje worden de eieren gelegd. Hoewel de krekel een vegetariër
+is, verslindt hij met gemak een soortgenoot, waarmede hij in gevecht is
+geweest.
+
+Reeds in Mei kan men de krekels hooren. Dat zij er reeds zoo vroeg
+zijn, komt doordat deze krekels als larven in de holletjes
+overwinteren. In Artis heeft men deze krekels wel eens; men kan het
+sjirpen dan „zien en hooren”.
+
+No 89. Huiskrekel. (Gryllus domesticus). Deze krekel is lang geen
+vriend van den mensch. Het nachtelijk, eentonig, melancholisch gesjirp,
+houdt ons uit den slaap. Het beestje heet kriekske, hiempje, heempje,
+iem, eimke en iemerke. Het is slanker dan de veldkrekel en stroogeel
+van kleur. Lengte 15–21 m.M.; het mannetje weer iets kleiner dan het
+wijfje. Het is een huisdiertje, dat uit zuidelijke streken is
+ingevoerd; in de vrije natuur komt het bij ons niet voor. Deze krekel
+vertoeft gaarne in die deelen van het huis, waar het warm is en hij
+genoeg schuilplaatsen vindt om zich overdag te verbergen, dus in
+keukens, op boerderijen bij de vuurplaat en in bakkerijen. Het geheele
+jaar door is de huiskrekel te vinden, in alle stadiën van ontwikkeling.
+Hij komt veel voor in gezelschap van kakkerlakken. Komt er onraad, dan
+tippelt hij snel weg. Hij peuzelt aan allerlei voedsel, liefst aan
+zoete stoffen. Omdat zijn aanwezigheid voor den mensch grooten last
+veroorzaakt, wordt hij vervolgd. Men tracht hem te vangen door zoete
+stoffen neer te zetten en daarover arsenicum (vergif) te strooien; ook
+gebruikt men wel bier of een suikerhoudend vocht.
+
+No 90. Veenmol. (Gryllotalpa vulgaris). Op Plaat I No 12 is een larve
+van den veenmol afgebeeld en een en ander over de ontwikkeling van ei
+tot imago gezegd. Ook hij is, evenals de veldkrekel, een „holbewoner”;
+’t nest zit in den grond. Het wijfje beschermt de eieren; een soort
+idyllische toestand, dien wij zelden bij de insecten aantreffen. ’t Is
+jammer, dat het mooie van deze idylle verstoord wordt, doordat de oude
+van tijd tot tijd enkele jongen oppeuzelt.
+
+De veenmol heeft krachtige voorpooten, die geheel tot graven zijn
+vervormd, net als bij den gewonen mol.
+
+Het dier is 35 tot 50 m.M. lang, en heeft korte voorvleugels en groote,
+zeer fraaie waaiervormige achtervleugels, die in rust aan het topeinde
+draadvormig zijn ineengerold en benedenwaarts gekromd.
+
+Kleur bruin, aan de onderzijde lichter, aan de bovenzijde meer naar het
+zwart; kort, viltig behaard, hier en daar met lange haren.
+
+Het mannetje kan met de voorvleugels een zwak geluid maken.
+
+In ’t geheel worden er een 200 tot 300 eieren gelegd. Op het
+onderaardsche hol loopen verschillende gangen uit, juist als bij den
+gewonen mol. De veenmol is een alleseter, en ongetwijfeld meer
+carnivoor dan vegetariër, en als zoodanig dus nuttig (hij eet ook
+slakken), maar in onze moestuinen is hij lastig, ook schadelijk doordat
+hij jonge worteltjes eet, en den grond onder de zaaibedden omwoelt,
+waardoor de planten verdrogen. Hij dient dus bestreden te worden. Men
+zoekt de nesten op; die zijn zoo groot als een vuist en zeer hard. Men
+maakt greppels in de bedden en graaft daar bloempotten in; de
+veenmollen vallen er bij hun tochten in. Wil men een bed vrij van
+veenmollen houden, dan moet men het omgeven met planken, die minstens 1
+d. M. in den grond zijn geslagen. Ook zinken platen kan men gebruiken.
+
+Tot de natuurlijke vijanden van den veenmol behooren: spitsmuizen, de
+gewone mol, (dat is wel zijn ergste vijand), vossen, varkens, kraaien,
+uilen, spreeuwen. De rupsenjagers vallen de larven en imago’s aan en de
+kortschildkevers peuzelen de eieren op. De veenmollen zijn zeer
+gevoelig voor het weer, zoodat bij ongunstig weer—groote koude, veel
+vocht, sterke hitte en droogte—er velen vallen.
+
+De veenmol overwintert; legt men op de aangetaste bedden wat koe- of
+paardenmest neer, dan kruipen ze daar gaarne onder en kan men ze
+gemakkelijk vangen. Bij ons komt de veenmol voor in Z. Holland langs
+den duinkant, in Zeeland aan den westkant, in den Achterhoek van
+Gelderland, den oosthoek van Friesland, en in het westen van N.
+Brabant.
+
+
+
+Knagers.
+
+Dezen naam geven wij aan de 8ste Orde der insecten. Hiertoe worden
+gerekend de houtluizen, de vachtluizen en de termieten. De laatste
+komen niet in ons land voor en vallen dus buiten onze bespreking.
+
+De knagers zijn insecten met een onvolkomen gedaanteverwisseling; ook
+zijn er, die in ’t geheel geen gedaanteverwisseling doorloopen. De
+monddeelen zijn bijtend; de vleugels zijn vliezig, vier in aantal; ze
+kunnen evenwel rudimentair zijn of geheel ontbreken.
+
+No 91. Boekenluis. (Atropos divinatorius). Dit luisje is een bekend
+diertje in onze bibliotheken en in de insectenverzamelingen. Vleugels
+hebben ze niet meer; ze kunnen intusschen goed uit de voeten komen. Ze
+leven van allerlei dierlijken en plantaardigen afval, ook van
+schimmels. Ze behooren dus in de vrije natuur tot de opruimers en zijn
+dus nuttig. Jammer is het, dat ze onze kostbare boeken en verzamelingen
+ook als „oud vuil” beschouwen en die dus trachten te vernielen. Ook
+onze eetwaren trachten ze weg te werken. Veel is er tegen dit kleine
+goed niet te doen: veel luchten, de boeken geregeld uitkloppen.
+Insectenverzamelingen worden van tijd tot tijd „ontluisd” door
+zwavelkoolstof. Naphthaline verdrijft ze. Men moet de boeken- of
+stofluisjes niet verwarren met de z. g, levende stof, waarvan soms
+duizenden en duizenden exemplaren op onze meubels voorkomen. Deze
+kleine diertjes zijn mijten, en bezitten, als ze volwassen zijn 8
+pooten; het hout- of boekenluisje heeft er maar 6. Een ander
+boekenluisje maakt geluid, door met den kop tegen ’t hout te tikken;
+daarom noemen ze dit ook wel „doodskloppertje” net als het kevertje,
+afgebeeld op Plaat V No 50. Lengte ongeveer 1 à 1½ m.M.
+
+No 92. Duivenluis. (Lipeurus baculus). Deze luis is een vachtluis of
+pelsvreter. Zij leeft, als bijna alle vachtluizen, op vogels; een
+enkele soort op zoogdieren. De echte luizen leven wel op zoogdieren. In
+ons land komen 59 soorten van pelsvreters voor. Gewoonlijk heeft het
+woondier (gastheer) niet veel last van deze parasieten, want zij leven
+van den afval van de huid, van de huidschilfers. Is het woondier jong,
+of ziek en zwak, dan vermeerdert het aantal luizen zich zeer sterk en
+gaan de dieren er wel eens aan dood. Kippen en musschen nemen graag
+„zandbaden”; men meent dat ze zich dan ontdoen van de vachtluizen. Met
+ditzelfde doel nemen de spreeuwen veel „waterbaden”. Vleugels
+ontbreken. De eieren worden aan de veeren vastgekleefd. Van
+verschillende soorten heeft men nog nooit de mannetjes waargenomen. Het
+beste middel om de duiven vrij van luis te houden is den slag geregeld
+te reinigen, uit te zwavelen en daarna met kalk te besmeren. Als men
+hieraan de hand houdt, dan voorkomt men veel onheil. Men kan de huid
+met wat glycerine bestrijken en er dan wat insectenpoeder tusschen
+strooien. Men gebruikt ook wel insectenpoeder-tinctuur of penseelt de
+huid met een 3% lysoloplossing.
+
+
+
+Wantsen.
+
+De wantsen behooren met de plantluizen en de dierluizen tot de 10de
+Orde der insecten, tot de Rhynchota of halfvleugeligen. Deze laatste
+naam is lang niet op allen toepasselijk, zoodat het beter is te spreken
+van „gesnavelden”. Het is ook het hoofdkenmerk van deze orde, dat deze
+dieren in het bezit zijn van een geleden snavel.
+
+No 93. Roofwants. (Reduvius personatus). De naam wijst er weer op, dat
+wij hier met een carnivoor te doen hebben. Zij vangen andere insecten
+en zuigen die uit. Omdat ze maar langzaam loopen besluipen ze hun
+prooi. Het zijn nachtdieren en als zoodanig vallen ze ook de weegluizen
+of bedwantsen (No 94) aan, die den mensch last veroorzaken. Behalve
+deze insecten, vallen ze nog andere schadelijke insecten in onze
+woningen aan, zoodat wij ze in eere moeten houden, Het zijn echte
+„insectenverdrijvers”. Intusschen ontzien ze ook den mensch niet; hun
+steek is pijnlijk. Deze wants is voor een „huisinsect” tamelijk groot,
+15 à 16 m.M. Het dier is bruinzwart, zacht en dicht behaard. Ook de
+schilden zijn bruinzwart en behaard. De larve is ook een roover. Zij
+weet zich met allerlei vuile stoffen te omhullen, zoodat zij
+onherkenbaar is voor haar prooi. Op zolders, waar dikwijls stoffige,
+rustige hoeken zijn, treft men deze roofwantsen wel aan.
+
+No 94. Weegluis of Bedwants. (Cimex lectularius). Dit dier is zeker wel
+de onaangenaamste gast in onze woningen, speciaal in onze slaapkamers.
+Ze is licht bruinrood; ’t lichaam is zeer plat en zonder vleugels. Van
+de voorvleugels zijn nog een paar resten over, grof gestippeld. ’t
+Achterlijf is breeder dan ’t borststuk. Lengte 5 m.M. Het dier
+doorloopt een onvolkomen gedaanteverwisseling. De eieren worden in
+allerlei hoeken en naden afgezet.
+
+De wants is een nachtdier. Ze komt ’s nachts te voorschijn en tracht
+den mensch dan wat bloed af te tappen. Ze steekt haar snuit in de huid
+en tegelijk vloeit er een vocht uit de speekselklieren, waardoor
+zwelling en ontsteking volgt. Een snelle inwrijving met azijn stilt de
+pijn. De wantsen kunnen maandenlang een hongerkuur ondergaan, wat haar
+zeer te pas komt, want niet altijd hebben ze slachtoffers bij de hand.
+Ze zijn een internationale plaag, en overal waar ze komen, stellen zij
+de menschen in staat van beschuldiging, want alleen bij den minder
+reinen mensch worden ze gevonden. Als de slaapkamers iedere week
+„gedaan” worden, houdt men de wantsen wel weg. In de moderne woningen
+treffen wij ze niet aan; wel in de oude, waar nog bedsteden zijn. In
+logementen van „trekkende bedelaars” zijn het stamgasten. Ook in
+„landverhuizershotels”. Zulke hotels worden van tijd tot tijd met
+blauwzuur gezuiverd.
+
+Betrekt men een oud huis, dan kan men dit voor alle zekerheid, ook op
+deze wijze laten reinigen. Men maakt ’s nachts wel jacht op hen; bij
+aanraking scheiden ze een onaangenaam vocht af; die wantsenlucht is
+typisch. Men hangt in kamers, die niet zuiver zijn, aan de wanden
+stukjes geribd pakpapier; de wantsen kruipen dan hieronder en kunnen
+overdag vernietigd worden. De wantsen zijn over de heele wereld
+verspreid en reeds van ouds bekend.
+
+Op zwaluwen en duiven leven ook wantsen, die men wel in de vogelnesten
+aantreft; zoo komen die ook wel in huis. Zij lijken heel veel op de
+bedwants.
+
+No 95. Waterscorpioen. (Nepa cinerea). Bij het visschen met het
+schepnet vangen wij dit insect heel dikwijls, want het komt veel voor.
+Aan het achterlijf hebben de dieren een lange adembuis, waardoor lucht
+naar de stigma’s wordt gevoerd. De eieren zijn voorzien van 7
+uitsteeksels.
+
+Zonder adembuis is deze waterscorpioen 20 m.M. Het dier is donkerbruin.
+Een aardig dier voor het aquarium; ’t is een echte roover, dus houdt
+hem apart.
+
+No 96. Lange Waterscorpioen. (Ranatra linearis). Dit is al een zeer
+eigenaardig dier. ’t Lichaam is staafvormig. De adembuis is heel lang;
+’t dier zelf wordt van 30 tot 40 m.M. ’t Komt niet zooveel voor als de
+vorige soort, maar men kan het toch nog al eens vangen. Het dier
+wandelt op den bodem van het water en vangt daar zijn prooi. De eieren,
+die 2 stekels bezitten, worden in waterplanten afgezet. Het dier voedt
+zich met daphnia’s (watervlooien).
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT IX.
+
+WANTSEN. LUIZEN. NETVLEUGELIGEN. KOKERJUFFERS.
+
+
+No 97. Rugzwemmer, Bootsmannetje. (Notonecta glaucus). Het
+bootsmannetje zwemt zeer goed en meestal op den rug. Dit staat in
+verband met zijn voeding, want het leeft van insecten, die op het water
+vallen. Ligt hij nu op den rug, dan kan hij het terrein goed overzien
+en snelt direct weg als er wat voor hem te halen is. In het voorjaar
+legt het wijfje de eieren aan waterplanten of op den bodem. De larven
+zijn ook al echte roovers, zwerven den heelen dag in het water rond en
+toch groeien zij niet hard. In ’t najaar zijn ze volwassen. Het
+bootsmannetje roeit snel met de achterpooten en bemachtigt zijn prooi
+met de voorpooten. Dan zwemt hij er mede weg en verwerkt het verder met
+zijn krachtigen snavel.
+
+Droogt ’s zomers de sloot op, waarin hij leeft, dan zoekt hij vliegend
+een ander water. Houdt men hem in een aquarium, dan moet men dit
+bedekken. Door vliegen op ’t water te werpen kan men hem voeden. Men
+onthoude, dat hij ook den mensch gevoelig steken kan. Het diertje
+overwintert in den modder. Het is langwerpig, van boven bol, van onder
+vlak; dus precies een bootje; kleur bruingeel. Lengte 14 tot 15 m.M.
+
+No 98. Duikerwants. (Corixa geoffroyi). Dit is ook een heel gewone
+wants, 13 m.M. lang. Het lichaam is van boven en onder zwak gewelfd.
+Van boven donker, groenachtig zwartbruin, sterk glimmend, van onder
+bruingeel. Hij komt overal voor. Hij voedt zich voornamelijk met larven
+van steekmuggen en andere dieren.
+
+No 99. Schuimbeestje. (Philaenus spumarius). Wanneer wij ’s zomers
+buiten loopen, zien wij vaak aan verschillende planten „speeksel”
+zitten; ’t is of iemand er tegen gespuwd heeft. Bij nader onderzoek
+blijkt, dat in dat speeksel—men noemt het koekoekspog—een klein beestje
+zit. Dat beestje is de larve van het schuimbeestje. Het speeksel komt
+niet uit den mond, doch uit klieren aan het achterlijf; door het
+inpersen van lucht ontstaat dan het schuimachtig voorkomen. Vroeger
+meende men dat het schuim uit vloeibare uitwerpselen bestond. Het
+schuim schijnt voor het dier een beschutting te zijn. Na de laatste
+vervelling verlaat het dier zijn schuimverblijf en vliegt rond. Het
+legt eieren op de schors van boomen, waar die overwinteren. In ’t
+voorjaar komen de larven daaruit. Het diertje is 5 tot 6 m.M. lang en
+zeer algemeen. Hoewel het op verschillende cultuurplanten voorkomt,
+doet het toch feitelijk nooit schade. Het is dus van geen economische
+beteekenis.
+
+
+
+Plantluizen. Bladluizen.
+
+Nu komen wij aan een groep insecten, die van het grootste belang zijn
+voor ieder; voor den land-, tuin- en boschbouwer en ook voor den
+particulier, die wel eens bloemen of groenten kweekt. Bladluizen en
+schildluizen komen overal voor. En wanneer wij in het voorjaar onze
+planten bekijken, en zien hoe de bladluizen al aanwezig zijn, dan
+vragen wij ons af: Waar komen de bladluizen in het voorjaar vandaan? Om
+die vraag te kunnen beantwoorden, zullen wij in ’t kort en zeer in ’t
+algemeen iets uit de biologie of levensleer van de bladluizen
+vertellen. Wij zullen dat doen zeer in ’t algemeen, want er zijn
+zooveel bijzonderheden van te vertellen, dat wij daarmede alleen wel
+verschillende albums kunnen vullen. In 1885 waren er in Europa al 700
+soorten bladluizen bekend en nu kennen wij er al over de 1000. Op den
+populier leven 36, op den eik 30 soorten bladluizen. Het krioelt overal
+van bladluizen. De ontwikkeling gaat aldus:
+
+In den winter kunnen wij vinden wintereieren. Uit die wintereieren
+komen in het voorjaar ongevleugelde wijfjes en die worden nu de
+moeders, de stichtsters van de groote luizenkolonies; daarom noemt men
+ze fundatrices. Zoo’n fundatrix brengt levende jongen voort, die in ’t
+bezit zijn van vleugels; deze gevleugelde bladluizen zijn ook weer
+allen wijfjes. Zij vliegen weg naar andere planten, ze gaan verhuizen,
+en daarom noemt men ze migrantes, verhuizers. Deze migrantes ziet men
+in April en Mei door de lucht vliegen. Zijn ze op de geschikte plant
+beland, dan brengen deze gevleugelde bladluizen jongen voort, die
+evenwel ongevleugeld zijn; bovendien zijn het allen weer wijfjes. Deze
+ongevleugelde wijfjes, brengen op hun beurt weer andere ongevleugelde
+wijfjes voort en zoo gaat dat in den zomer maar door, 6, 7, 8 en meer
+geslachten achtereen; dan zitten de planten vol luis. Tegen den nazomer
+ontstaan gevleugelde wijfjes, die weer terugvliegen naar de plant, waar
+de fundatrix werd geboren. Deze terugvliegers noemt men remigrantes.
+Zijn ze daar aangekomen, dan brengen ze op haar beurt jongen voort en
+nu komen er voor het eerst mannetjes bij. Vervolgens leggen de wijfjes
+eieren; die eitjes zijn de wintereieren, waaruit in ’t voorjaar weer de
+fundatrices komen. Laten wij het nu nog eens in volgorde opschrijven,
+
+
+ 1. een winterei; hieruit komt
+ 2. een fundatrix, een ongevleugeld wijfje; dit brengt voort:
+ 3. gevleugelde wijfjes, migrantes, die wegvliegen en op andere
+ planten gaan voortbrengen:
+ 4. ongevleugelde wijfjes, die in eenige geslachten achtereen niet
+ anders doen dan ook ongevleugelde wijfjes voortbrengen:
+
+ dan komen er
+
+ 5. gevleugelde wijfjes, die naar de oorspronkelijke plant vliegen
+ en brengen daar voort:
+ 6. mannetjes en wijfjes; deze laatste gaan eieren leggen en dat
+ zijn de
+ 7. wintereieren.
+
+
+Dat is dus een geheele geschiedenis met de bladluizen en het heeft
+jaren geduurd voor men er achter was.
+
+Bladluizen, die voor haar ontwikkeling 2 planten noodig hebben, noemt
+men 2-huizige bladluizen. Een voorbeeld hiervan is de bladluis, die op
+sneeuwballen (Viburnum) leeft. In ’t voorjaar en wat later verhuizen
+hiervan veel bladluizen naar de boonen, erwten, papaver, salade,
+spinazie, peen, en in den nazomer keeren de gevleugelde wijfjes weer
+terug naar de sneeuwballen. Deze bladluis heet Aphis rumicis (papaveris
+of evonymi). Gewoonlijk blijven er nog vele exemplaren op de
+sneeuwballen achter, zoodat die altijd in de luis zitten.
+
+De meeste bladluizen zijn twee-huizig.
+
+Van sommige bladluizen speelt de heele historie op één plantensoort af,
+en dan noemt men ze één-huizig; hiertoe behoort de rozenbladluis, die
+op plaatje No 100 is afgebeeld. Van deze bladluizen verhuizen er in ’t
+voorjaar ook, maar altijd naar dezelfde soort plant als waarop zij
+geboren werden.
+
+Het merkwaardige in de ontwikkeling der bladluizen is dus dit, dat
+alleen in het najaar mannetjes en wijfjes optreden en dat verder
+uitsluitend wijfjes worden voortgebracht. Wij hebben deze voortplanting
+reeds vroeger genoemd als heterogonie of cyclische voortplanting. Uit
+het bovenstaande volgt, dat men de bladluizen al vroeg in ’t voorjaar
+moet bestrijden. De heterogonie van de bladluis is in 1745 ontdekt; dat
+gaf toen een heele opschudding in de wetenschappelijke wereld. Hoe
+enorm de voortplanting der bladluizen is, moge hieruit blijken, dat als
+1 wijfje 30 jongen voortbrengt, het aantal in de 5de generatie al is
+aangegroeid tot ruim 24 millioen. Geen wonder, dat onze rozen ’s zomers
+gauw „in de luis zitten”.
+
+De uitwerpselen der bladluizen zijn zoetig; daarom worden zij beschermd
+door de mieren, die dat zoet erg lekker vinden; zelfs kweeken zij de
+bladluizen daarom. Op boomwortels zetten zij wel bladluizen neer, om
+zoo haar „honingkoetjes” dicht bij huis te hebben.
+
+Bladluizen hebben veel vijanden: oorwormen, mijten, de larven van
+zweefvliegen, gaasvliegen, lieveheersbeestjes en vooral de kevertjes
+zelf ook; dan nog sluipwespen. Ook worden sommige door schimmels
+aangetast. Tot bescherming tegen deze vijanden bezitten de bladluizen
+geen verweermiddelen. Zij bezitten op het achterlijf evenwel 2
+„pijpjes” waardoor een kliervocht naar buiten komt. Met dit vocht
+schijnen zij zich in te smeren als verweermiddel. Intusschen schijnen
+ook de mieren dit kliervocht wel te lusten; zij brengen door trommeling
+met de sprieten de klieren tot productie en nuttigen dan dit vocht.
+
+No 100. Rozen-Bladluis. Ongevleugeld en gevleugeld wijfje.
+(Siphonophora rosae). Dit diertje staat erg ongunstig bekend; het heeft
+geen enkelen vriend. Met haar snuitje boort zij in de sappige steeltjes
+en blaadjes en haalt zoo de sappen er uit, die bestemd waren voor de
+rozen en bladeren, om daarvan te groeien. Ze belemmeren dus den groei,
+ook voor het volgende jaar, want de geheele plant wordt minder
+krachtig. Met haar uitwerpselen maken zij de plant vies en kleverig;
+daardoor raken ook de poriën der bladeren dicht en blijft er allerlei
+vuil op hangen. ’t Is alles misère, dat de bladluizen ons bieden. Hoe
+kunnen wij ze nu bestrijden?
+
+
+ 1. In het voorjaar, als wij de rozen snoeien, moeten wij alle
+ afgesneden takjes verbranden, omdat daarop de wintereieren zitten.
+ 2. Zijn we wat verder en zijn de rozen al aardig aan het uitloopen,
+ dan bespuit men ze iedere week met de volgende oplossing: 10 L.
+ water, 1 ons zachte zeep en 1 maatje brandspiritus. Goed door
+ elkaar schudden. Het kost haast niets en het helpt prachtig. Houdt
+ men deze bespuiting vol, dan blijft men zonder luis.
+
+ In den handel zijn vele middelen, die onder allerlei vreemde namen
+ worden aangeboden, maar die zijn alle veel te duur. Zelfs een
+ geregelde bespuiting met koud water helpt vaak al voldoende.
+
+ 3. De luizen met een veer afborstelen en opvangen op een vochtig
+ bord.
+ 4. Vang zooveel mogelijk O. L. Heersbeestjes en zet die tusschen de
+ rozen; ze zullen de bladluizen wel inrekenen. In Augustus en
+ September zijn er velen te vangen; zet ze maar neer, ze helpen ons
+ het volgende jaar wel.
+
+
+No 101. Bloedluis. (Schizoneura lanigera). Deze plantenluis is een
+groote kwelling voor de vruchtenkweekers, want ze houdt den groei van
+de takken tegen en beschadigt die, waardoor de boomkanker intreedt. Men
+noemt het dier bloedluis, omdat men bij stukwrijving een bruinen
+smeerboel krijgt. Men spreekt ook wel van wolluis, omdat het dier
+omhuld is door een wollige wasmassa. Wanneer men op een appelboom wat
+wit wolligs ziet, is dat de bloedluis. Zitten de jonge scheuten erg
+vol, dan moet men die afknippen en verbranden. De bloedluis overwintert
+aan de stammen en takken en ook aan de wortels. In deze periode is ze
+nog het best te bestrijden, omdat men dan goed kan zien, waar ze zit.
+Men neemt een niet te dikke schilderskwast, waarvan men de haren voor
+een derde deel afknipt; wat overblijft is dan wat stijver. Nu doopt men
+deze kwast in petroleum of brandspiritus en drukt daarna stevig op de
+met luis bezette plaatsen. Voor een deel doorpriemt men de luizen en
+voor een ander deel sterven ze door de petroleum en de spiritus. Als
+men er geregeld de hand aan houdt, wordt men de bloedluis wel meester.
+Omdat de gevleugelde luizen ook overvliegen, moet men altijd op zijn
+hoede zijn.
+
+No 102. Komma-Schildluis. (Mytilaspis pomorum). Een schildluis is een
+plantenluis, die leeft onder een schildje of plaatje van was, dat ze
+zelf vervaardigd heeft. Zij zuigt aan de planten en beschadigt deze op
+dezelfde wijze als de bladluizen dat doen. In plaats van schildluizen
+noemt men ze ook wel dopluizen. Zij planten zich voort door eieren; de
+moeder bedekt die met haar lichaam tot de jongen uitkomen. Ook op
+kamerplanten treft men wel schildluizen aan, b.v. op palmen. De
+komma-schildluis, die ook wel de mosselvormige schildluis heet,—het
+schildje lijkt wat op een mossel of komma—komt op allerlei planten,
+boomen en heesters voor. Om haar te bestrijden reinigt men de stammen
+en takken in den winter met een 10% oplossing van z.g. oplosbaar
+carbolineum. De dunnere takken worden met deze oplossing bespoten.
+
+
+
+Luizen op mensch en dier.
+
+Deze dieren behooren tot de blijvende parasieten, die hun geheele
+ontwikkeling op het woondier of op den mensch doormaken. Ze komen
+alleen voor op zoogdieren en voeden zich met het bloed. Daartoe steken
+ze haar snuit in de huid en brengen tegelijk een weinig vocht daarin,
+om het bloed rijkelijk te doen toevloeien. De diertjes zijn maar zeer
+klein, en de mannetjes zijn nog iets kleiner dan de wijfjes. Ze
+ondergaan geen gedaanteverwisseling, zoodat we aantreffen kleine en
+groote luizen van denzelfden vorm. De eieren worden gelegd aan de haren
+van het woondier; men noemt die eieren neeten. Binnen één maand zijn de
+luizen volwassen. Doordat de luizen van den eenen mensch op den anderen
+overgaan, kunnen zij allerlei huidziekten overbrengen; ook inwendige
+ziekten, omdat zij met het bloed der menschen in aanraking komen.
+
+Onder het volk heerscht de meening, dat luizen zoo maar uit niets
+kunnen ontstaan; dat is onjuist. Elke luis komt uit een ei, dat door
+een volwassen luis is gelegd. Verder loopt onder het volk het
+verhaaltje nog rond, dat ieder mensch een „luizenbos” bij zich heeft,
+welke bos, ’t zij bij ’t leven, ’t zij bij den dood van den mensch,
+losbreekt en zich over het lichaam verspreidt. Ook dit is onwaar.
+Alleen menschen, die zich niet reinigen, komen in de luis. En waar die
+luizen vandaan komen? Men doet ze op in openbare gebouwen, in trams, in
+treinen, en op allerlei plaatsen waar ook minder zindelijke menschen
+komen. Op school doet het eene kind ze van het andere op. Arme
+menschen, landloopers, die zich weinig reinigen en hun kleeren niet
+laten wasschen, zijn de kweekers en verspreiders van luizen.
+
+Luizen komen ook voor op ratten, honden, konijnen, runderen, paarden,
+enz.; dat zijn alle verschillende soorten.
+
+No 103. Hoofdluis. (Pediculus capitis). De sprieten bestaan uit 5
+leden, en het achterlijf heeft 7 of 8 duidelijke ringen. De wijfjes
+zijn hoogstens 2,7 m.M. en de mannetjes hoogstens 1,8 m.M. lang. Dit
+dier komt meer bij kinderen voor dan bij volwassenen. Geregeld de
+hoofdjes der kinderen goed reinigen, iedere week, is het beste middel.
+Zijn er diertjes waargenomen, dan doopt men de fijne kam eerst in
+azijn, voor men er mede door de haren gaat. In den handel is een z.g.
+„hoofd-eau de cologne”, die ook uitstekend werkt; niet als
+voorbehoedmiddel, maar als bestrijdingsmiddel.
+
+Is de huid van het kinderhoofdje ontstoken, dan moet men dubbel acht
+geven, omdat de parasieten in het ontstoken gedeelte gaan huizen, en
+daar hevige jeuk veroorzaken. Reinheid, reinheid; bij ontsteking den
+dokter raadplegen, en voor schoolgaande kinderen: korte haren.
+
+No 104. Kleerluis. (Pediculus vestimenti). Deze parasiet is grooter dan
+de vorige. Het wijfje wordt tot 3,3 m.M. en het mannetje tot 3 m.M. Het
+dier huist in de wollen onderkleeren en voedt zich met het bloed van
+den mensch. Het kan op de menschelijke huid allerlei gezwellen en
+ontstekingen veroorzaken. Vroeger, toen de reinheid onder de menschen
+veel te wenschen over liet, veroorzaakte zij de z.g. „luisziekte”. Ze
+komt alleen voor bij menschen, die niet geregeld van ondergoed
+verwisselen. Daarom wordt van landloopers en andere menschen, die zeer
+vervuild zijn, al het boven- en ondergoed verbrand als zij in een
+ziekenhuis worden opgenomen. Zelf ondergaan ze een hygiënisch bad om de
+parasieten, die op de huid zitten, te dooden of te verwijderen. Ook de
+kleerluis is een overbrengster van besmettelijke ziekten.
+
+
+
+Netvleugeligen.
+
+Deze groep, die een 50-tal inlandsche soorten telt, is de 12de Orde der
+insecten. Zij ontleent haar naam aan de 4 gelijkvormige, vliezige,
+naakte vleugels, die netvormig geaderd zijn; de voorste vleugels zijn
+gewoonlijk iets grooter. Intusschen zijn het geen beste vliegers.
+
+De gedaanteverwisseling is volkomen; de monddeelen zijn bijtend en de
+sprieten lang; geen staartdraden. De larven leven meestal op het land,
+enkele in ’t water, ze vervaardigen geen woningen.
+
+No 105. Mierenleeuw. (Myrmeleon formicales). Over de larve hebben wij
+uitvoerig verteld bij No 5 Plaat I. Van de imago, die er zoo geheel
+anders uitziet als de larve, valt alleen te vertellen, dat het een
+nachtdier is en weinig gevangen wordt. Het komt wel eens op ’t licht
+af. ’t Lichaam is grauwzwart; de vlucht 60 tot 70 m.M.
+
+No 106. Gaasvlieg. (Chrysopa vulgaris). Dit is een mooi diertje; oogen
+goudglanzig met groene aderen in de vleugels. De eieren zijn lang
+gesteeld. De larven zijn hoogst nuttig, want zij bezitten zuigkaken,
+waarmede zij bladluizen uitzuigen. Daarom noemt men deze larven ook wel
+„bladluisleeuwen”. Deze gaasvlieg is zeer algemeen.
+
+No 107. Watergaasvlieg. (Sialis lutaria). Deze gaasvlieg, die evenals
+de vorige geen eigenlijke vlieg is, want die heeft maar 2 vleugels, kan
+men van April tot Juni veel langs de waterkanten vinden. Ze zitten dan
+meestal op de oeverplanten, want het zijn slechte vliegers. Het geheele
+lichaam is donker bruinzwart; ’t dier is 10 tot 15 m.M. lang en heeft
+een vlucht van 24 tot 36 m.M. Op de bladeren der oeverplanten worden de
+eieren gelegd. De larve gaat te water en leeft op den bodem, waar zij
+haar prooi bemachtigt. Is ze volwassen, dan komt de larve op het land
+en gaat daar verpoppen.
+
+
+
+Kokerjuffers of Schietmotten.
+
+Dit is de 14de Orde der insecten en in ons waterrijk land komen niet
+minder dan 115 soorten voor. De geheele groep schijnt een voorlooper
+van de vlinders te zijn. De vleugels zijn bezet met breede haren, die
+naar schubben wijzen. De gedaanteverwisseling is volkomen; monddeelen
+meestal bijtend; zeer lange, dunne sprieten. De vier vliezige vleugels
+met haarschubben; de voorste vleugels iets steviger, de achterste iets
+breeder en gedeeltelijk plooibaar. De larven leven in ’t water en maken
+voor het meerendeel een woning, een kokertje. In deze woning brengen ze
+ook den poptoestand door.
+
+Men zou de schietmotten kunnen verwarren met vlinders; ziehier de
+verschillen. De schietmotten hebben geen roltong, doch kaken met groote
+tasters; de voorvleugels steviger dan de achtervleugels en minder
+doorschijnend. Ze bezitten lange pooten, een slanke gedaante en
+sprieten, die in rust recht vooruit worden gestoken.
+
+De eieren worden gelegd aan waterplanten of in het water.
+
+De larven zijn zeer eigenaardige dieren, die in de bekende huisjes
+leven. Is de larve volwassen, dan maakt zij haar huisje dicht met 2
+zeefplaatjes of met een sleufvormige opening. Dan verpopt ze in ’t
+huisje. Voor de pop evenwel een imago is, komt ze al uit haar huisje;
+met haar scherpe kaken bijt zij het huisje open. Dan zwemt de pop vrij
+rond, door middel van haar middenpooten, die aan de scheenen en tarsen
+voorzien zijn van haren. De pop zoekt vervolgens een steunpunt en de
+imago komt voor den dag. De ontwikkeling duurt meestal 1 jaar; de
+overwintering geschiedt als larve. Als groote bijzonderheid kan worden
+vermeld, dat in enkele larven sluipwespen zijn gevonden.
+
+No 108. Geruite Kokerjuffer. (Limnophilus rhombicus). Men kan de
+kokerlarven in allerlei wateren op den bodem vinden. Sommige huisjes
+zijn typisch bekleed met schelpjes, stukjes hout, enz. De kokerjuffer
+zelf is zeer algemeen. Op haar voorvleugels heeft ze 2 ruitvormige,
+heldere vlekken; de vlucht bedraagt 31–42 m.M. Van Mei tot September te
+vangen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT X.
+
+VLINDERS (1).
+
+
+Bij de beschrijving van Plaat II hebben we uitvoerig gesproken over de
+rupsen en de poppen. We mogen dus hiernaar verwijzen en zullen thans
+nog alleen iets vertellen over de vlinders. Zij vormen een groote, goed
+herkenbare groep, die trots de verscheidenheid in kleur en grootte,
+toch min of meer eentonig is. In het leven der vlinders zit niet veel
+actie. Roofdieren hebben wij er niet onder; het zijn allen—voor
+zooverre zij eten—honing- en boomsapsnoepers. Er is maar één geslacht
+dat stuifmeel eet: Eriocephala. Veel behendigheid om den honing te
+bemachtigen behoeven zij niet aan den dag te leggen; ze gaan op een
+bloem zitten en halen hem er uit.
+
+Intusschen hebben de vlinders van af de vroegste tijden de aandacht van
+den mensch getrokken, en wel voornamelijk door hun inderdaad
+schitterende kleuren en vleugelteekeningen, die dan ook ongekend mooi
+en interessant zijn. De vlinderpracht neemt toe naarmate we meer de
+tropen naderen; ook de grootte. Dit neemt niet weg, dat we ook bij ons
+prachtige soorten hebben.
+
+Het aantal inlandsche vlindersoorten bedraagt 1713; hiervan behooren
+764 tot de grootere en 949 tot de kleinere soorten. Het aantal
+dagvlinders is betrekkelijk gering, slechts 79, dus 4,6% van het totale
+aantal. Laten we nu iets in ’t algemeen over de vlinders zeggen.
+
+
+
+1. De kop.
+
+De sprieten zijn zeer belangrijke organen. Vooral bij de schemer- en
+avondvlinders treffen wij allerlei vormen aan. Meestal hebben de
+mannetjes sterker ontwikkelde sprieten dan de wijfjes.
+
+De oogen zijn meestal groot; er komen ook nog stippeloogen voor, soms
+ontbreken ze.
+
+De roltong of zuiger. Dit is het belangrijkste orgaan met het oog op de
+voeding, en wordt gevormd door de twee zeer in de lengte uitgegroeide
+onderkaken, die aan de binnenzijde zijn uitgehold. Sluiten zij nu tegen
+elkaar aan, dat door z.g. sluitkaken geschiedt, dan vormen zij een buis
+of kanaal, waardoor vloeistoffen kunnen worden opgezogen. Wordt de
+roltong niet gebruikt, dan is zij opgerold. Een zeer lange roltong
+hebben pijlstaarten; ook het koolwitje heeft een flinke. Aan den top
+van den zuiger zitten nog allerlei papillen, tastorganen, waarmede de
+vlinder het voedsel kan inspecteeren.
+
+
+
+2. Het borststuk.
+
+Aan dit deel van het lichaam zijn de pooten en de vleugels bevestigd,
+waarmede het dier zich verplaatsen kan; ’t is dus een belangrijk
+lichaamsdeel.
+
+De pooten zijn goed ontwikkeld; toch worden zij in ’t algemeen niet
+zooveel gebruikt als bij de kevers. Bij de vanessa’s,
+paarlemoervlinders en zandoogjes zijn de voorste pooten vervormd tot
+poets-pooten; ze zijn sterk behaard. De poetspooten zijn verkort en
+zonder klauwtjes. Het zullen dus reinigingsorganen zijn geworden.
+
+De vleugels. Wie een ernstige vlinderstudie wil maken, komt telkens op
+de vleugels terug. Groote verschillen worden waargenomen in het verloop
+der aderen. Ons kort bestek laat niet toe daarop in te gaan. De
+vleugels zijn beschubd; een schub is een vervormde, platte haar,
+afgescheiden door één cel. De vleugels zijn doode aanhangsels, er zit
+geen leven in. Al wordt een vleugel dus beschadigd, doet dit het dier
+geen leed. Aan het ondereinde zitten spieren, waardoor de vleugels in
+actie kunnen worden gebracht. Bij vele nachtvlinders komt een
+vleugelhaakje voor aan den wortel van de achtervleugels. Bij de
+mannetjes bestaat dit haakje uit eenige verkleefde haren; bij ’t wijfje
+zijn het meer losse haren. ’t Eerste verband is steviger; daarom zijn
+de mannetjes beter vliegers. Bij de dagvlinders komen geen
+vleugelhaakjes voor. Daarom zijn de dagvlinders slechte vliegers, zij
+„fladderen” meer. De pijlstaartvlinders daarentegen „snorren” ’s avonds
+met kracht door de lucht. Teekenend voor de vlinders in de
+vleugelhouding. In rust hebben de dagvlinders de vleugels opgericht met
+het bovenvlak naar binnen; men ziet dan alleen de ondervlakte, die
+anders van teekening is, in ieder geval veel minder opvallend, dus meer
+beschuttend tegen vijanden. Als een Atalanta tegen den stam van een
+wilg rust, is hij alleen door een geoefend oog waar te nemen. Spanners
+houden de vleugels altijd uitgespreid en vlak. Bij de meeste andere
+vlinders liggen de voorvleugels dicht aan ’t achterlijf aangesloten en
+bedekken de achtervleugels geheel. De vleugelteekening munt uit door
+groote verscheidenheid, óók in kleur. Men treft allerlei lijnen,
+strepen, banden, maanvormige en ronde vlekken (z.g. oogen), enz., enz.,
+aan. Daardoor ontstaat een rijkdom aan kleur en teekening, die wij in
+geen enkele andere insectengroep aantreffen.
+
+
+
+3. Het achterlijf. Ook hierin is veel variatie; het is dicht bedekt met
+haren en schubben. Dat het achterlijf uit ringen of segmenten bestaat
+is goed te zien. Bij het opzetten van vlinders met een zwaar achterlijf
+dient men te zorgen, dat dit niet doorzakt.
+
+
+
+Leefwijze.
+
+De voeding hebben wij reeds besproken. Sommige vlinders, die maar
+enkele dagen leven, eten niets; hun monddeelen zijn geheel
+teruggeloopen, ze hebben ze ook niet meer noodig.
+
+
+
+Vliegtijd.
+
+Het is belangrijk hierop eens te letten. Wie vlinders verzamelen wil
+moet trouwens den vliegtijd kennen om ze te kunnen verschalken. Overdag
+vliegen de dagvlinders, de sesia’s, enkele uilen en kleine motjes. Die
+houden dus van de zon. Gaat de zon weg, dan komen veel kleine motjes of
+uiltjes. Is het schemer, dan komen de pijlstaarten; iedere soort komt
+op een bepaald uur; ’t is of ze een horloge op zak hebben, zoo geregeld
+gaat alles in de natuur. De lindepijlstaart vliegt tusschen 9 uur en
+half tien, de populierenpijlstaart komt een uurtje later. Wordt het
+nacht, dan komen de uilen, spanners en spinners. Wordt het nu weer wat
+lichter, dan krijgen we dezelfde volgorde, doch nu in tegenovergestelde
+richting. De vlinderwereld is dus den geheelen dag en nacht in actie;
+telkens verschijnen andere groepen, maar de menschen zien de meeste
+niet. Het is een interessant stuk dierenleven, dat zich ’s avonds en ’s
+nachts afspeelt, ook bij andere diergroepen dan de insecten.
+
+
+
+Levensduur.
+
+Sommige vlinders leven maar kort, één of twee dagen; andere leven maar
+enkele uren. Als het eierleggen is afgeloopen gaan ze heen.
+Pijlstaarten en eenige uilen leven maar een paar weken. Kleine motjes
+en uiltjes leven soms maanden. De Vanessa’s en de Citroentjes
+overwinteren als vlinder; die leven dus van Augustus en September tot
+April en Mei. Dat is een zeer lange tijd, waarin ze geen voedsel
+gebruiken.
+
+
+
+Generaties.
+
+Van veel vlinders komt maar één generatie per jaar voor, b.v.
+pijlstaarten, ringelrups. Van andere 2, soms 3 generaties, b.v. het
+koolwitje.
+
+
+
+Verspreiding der vlinders.
+
+De verspreiding der vlinders hangt samen met de aanwezigheid van
+voedselplanten voor de rupsen en met het klimaat. Hoe warmer het
+klimaat, hoe meer vlinders. Omdat in ’t oosten en ’t zuiden van ons
+land gewoonlijk meer warmte heerscht dan in ’t noorden en westen
+(zeeklimaat), vinden wij aan de oost- en zuidgrens vaak vlinders, die
+men elders bij ons tevergeefs zoekt. B. v. de koninginnepage, die in ’t
+westen zelden, maar in ’t oosten veel voorkomt; en zoo zijn er meer.
+
+
+
+INDEELING.
+
+Een eenvoudige en voor ons doel bruikbare indeeling is de volgende; in
+wetenschappelijke werken volgt men een veel meer uitgewerkt systeem. De
+vlinders worden ingedeeld in 2 hoofdgroepen:
+
+
+ I. Dagvlinders. II. Nachtvlinders.
+
+
+Tot de dagvlinders behooren:
+
+
+ 1. Nymphaliden: Vanessa’s en Parelmoervlinders.
+ 2. Satyriden: Zandoogjes.
+ 3. Pieriden: Witjes.
+ 4. Papilioniden: Koninginnepage.
+ 5. Lycaeniden: Blauwtjes.
+ 6. Hesperiden: Dikkopjes.
+
+
+1 en 2 hebben poetspooten, de anderen niet.
+
+Tot de nachtvlinders behooren:
+
+
+ 1. Sphingiden of pijlstaarten; ze bezitten een vleugelhaakje; de
+ sprieten zijn in het midden verdikt; goede vliegers.
+ 2. Bombyciden of spinners; geen vleugelhaakje, slechte vliegers.
+ Verschil tusschen mannetjes en wijfjes in de sprieten.
+ 3. Lipariden met vleugelhaakjes.
+ 4. Noctuiden of uilen; met draadvormige sprieten.
+ 5. Geometriden of spanvlinders; die hebben vleugels als de
+ dagvlinders.
+ 6. Microlepidopteren of motvlinders. Deze worden weer verdeeld in
+ bladrollers en motten; deze laatste hebben smalle vleugels met
+ franje.
+
+
+
+Dagvlinders.
+
+No 109. Citroentje. (Gonepteryx (Rhodocera) rhamni). Het mannetje is
+citroengeel, van onder bleek; het wijfje groenachtig wit. Op elken
+vleugel een oranje-stip, die van onder bruin is. Vlucht 49 tot 58 m.M.
+De mooie vlinders vliegen tweemaal in ’t jaar; in ’t voorjaar en van
+Juli tot het najaar. In Juli verschijnen de eerste van de nieuwe
+generatie en deze blijven den geheelen zomer en verschuilen zich dan
+gedurende den winter. Zij overwinteren dus als vlinder. In ’t voorjaar
+worden de eieren gelegd op den vuilboom en kruisdoorn. De rups is dof
+groen met een witten zijlijn. Komt in ’t geheele land voor. Geen
+poetspooten. Eén generatie.
+
+No 110. Koninginnepage. (Papilio machaon). Rups en pop zijn afgebeeld
+op Plaat II. No 14. Onze prachtigste vlinder, daarop doelt ook zijn
+naam. Grondkleur geel; verder met zwarte aderen, vlekken en banden. Een
+in het midden blauwachtige band op de achtervleugels, die in een
+oranjebruine oogvlek op den staarthoek eindigt. Twee generaties, in ’t
+voor- en najaar; de pop overwintert. In ’t oosten en zuiden van ons
+land. Vlucht 62 tot 88 m.M. Geen poetspooten.
+
+No 111. Koolwitje. (Pieris brassicae). Voor de beschrijving verwijzen
+wij naar het eerste hoofdstuk: „De Geschiedenis van het Koolwitje”.
+
+No 112. Kleine Vos. (Vanessa urticae). De rups leeft gezellig in
+troepjes op den brandnetel. Ze zijn te vinden in ’t laatst van Mei en
+begin Juni. Ook later nog, doch dat is dan de tweede generatie in
+Augustus. De pop hangt aan de bladeren. Ze zijn gemakkelijk in huis op
+te kweeken. Rups donker met groen en gele langslijnen. Op den
+voorvleugel verstrooide zwarte vlekken en één witte. Donkere
+achterranden met blauwe vlekjes. Grondkleur oranje met geel. Vlucht 38
+tot 49 m.M. Zeer algemeen. Komt op mooie dagen in Februari al uit zijn
+schuilhoek.
+
+No 113. Parelmoervlinder. (Argynnis paphia). De vleugels van de
+parelmoervlinders zijn helder roodgeel met zwarte vlekken of teekening.
+Onderzijde der vleugels met parelmoervlekken; de afgebeelde soort heeft
+3 parelmoerstrepen. Vlucht 57–69 m.M. De rups leeft op viooltjes.
+
+No 114. Groote Vos. (Vanessa polychloros). De rups leeft op allerlei
+boomen, ook wel op vruchtboomen, en wordt in Juni en Juli daarop
+aangetroffen. In Juli en Augustus vliegt dan de vlinder, die, zijn naam
+zegt het reeds, veel gelijkt op den kleinen vos. Dof oranjebruin, met
+geel gemengd: verstrooide zwarte vlekken op de vóór-, en één dergelijke
+vlek op de achtervleugels. Onderzijde geel van grondkleur, geheel
+donkerbruin gewaterd. Vlucht van 48 tot 60 m.M. Overwintert als
+vlinder. Wordt soms op peren wel eens schadelijk.
+
+No 115. Dagpauwoog. (Vanessa Io). De rups en pop zijn afgebeeld op
+Plaat II No 15. De vlinder is paarsachtig roodbruin; op elken vleugel
+een groote oogvlek, vandaar zijn naam. De onderzijde is geheel
+donkerbruin, zwart gewaterd. Hij vliegt vooral in Augustus en
+September; in tuinen zit hij dan, evenals alle Vanessa’s, gaarne op
+dahlia’s, zonnebloemen en andere composieten. Vlucht 52 tot 60 m.M. Hij
+overwintert als vlinder en komt weer vroeg voor den dag in het
+voorjaar. Op heldere dagen vliegt hij al in Februari en Maart.
+
+No 116. Koningsmantel. (Vanessa antiopa). Dit is een heel prachtige
+vlinder; zijn naam wijst er op. De bovenzijde is koffie- of kersbruin
+met gelen rand, en daarvoor paarse vlekken. De onderzijde is nog
+zwarter dan bij Vanessa Io, met een meer witten rand tegenover den
+gelen van de bovenzijde. Vlucht 58 tot 71 m.M. Hij vliegt in Augustus
+en September, overwintert en komt in ’t voorjaar weer voor den dag en
+legt eieren op wilgen, berken en populieren. De rups is zwart met roode
+rugvlekken en witte haartjes. Vliegt wel overal en is toch zeldzaam.
+
+No 117. Nummervlinder. (Vanessa (Pyrameis) atalanta). Deze vlinder is
+een mooie verschijning op de bloemen. Van boven is hij zwart met een
+helrooden schuinen band over de voorvleugels; zoo’n band zien we ook
+aan den rand van de achtervleugels. Witte vlekken aan de bovenpunt der
+voorvleugels. De onderzijde der achtervleugels is zeer woelig
+geteekend; men ziet er het getal 18, 98 of 89 op. Hieraan dankt hij
+zijn naam; hij heet ook wel schoenlapper of admiraal. Vlucht 52 tot 56
+m.M. Hij vliegt in Augustus en September, overwintert, en komt in ’t
+voorjaar weer voor den dag. De rups leeft op brandnetel, is evenwel
+niet gemakkelijk te zien, want zij zit in saamgesponnen bladeren. Maar
+heeft men er eenmaal een paar gevonden, dan herkent men de
+rupsenverblijven gauw. Soms zitten er in de samengesponnen bladeren
+spinnen of bladrollers. De poppen zijn met goud afgezet. Als het een
+mooi najaar is vliegen de vlinders tot in ’t laatst van October, ja tot
+in November. Het zijn prachtige rupsen om op te kweeken. Zij komen
+overal voor.
+
+No 118. Groote Weerschijnvlinder. (Apatura iris). Eveneens een
+prachtige, groote vlinder met een vlucht van 64 tot 75 m.M. Van boven
+bruinzwart, bij het mannetje met helder blauwen weerschijn. Op de
+voorvleugels witte vlekken en op de achtervleugels een witten band. De
+rups is groen met witte puntjes en gele lijnen en leeft op waterwilg.
+De vlinder vliegt in Juli en wordt in het oosten en zuiden van ons land
+waargenomen.
+
+No 119. Het Goudvlindertje. Mannetje en wijfje. (Chrysophanus
+(Polyommatus) virgaureae). Bij deze kleine vlindertjes,—de vlucht is
+van 31 tot 33 m.M.—die ook wel vuurvlindertjes heeten, nemen wij een
+zeer duidelijk dimorphisme in de vleugels waar. De bovenzijde van de
+vleugels van het mannetje is roodachtig goud zonder weerschijn, bij het
+wijfje goudgeel met 2 rijen zwarte vlekken op de voor- en 3 rijen op de
+achtervleugels. De rups is groen met gele rug- en zijlijn; kop zwart.
+Zij leeft op zuring en komt vooral op droge gronden voor. Het
+vlindertje vliegt in Juli en Augustus.
+
+No 120. Het Blauwtje. Mannetje en wijfje. (Lycaena icarus). Ook bij
+deze vlindertjes zien wij een duidelijk dimorphisme. Het mannetje is
+boven geheel licht paarsachtig hemelsblauw en het wijfje is donker
+zwartbruin. De onderzijde van de vleugels van het mannetje is
+lichtgrijs, bij het wijfje meer donker en bruinachtig grijs met vele
+vlekken. Vlucht 27 tot 32 m.M.; 2 of 3 generaties per jaar. Op heide,
+bloemrijke weiden. De rups leeft op vlinderbloemigen en is dofgroen.
+Deze vlindertjes zijn een aangename verschijning en laten zich
+gemakkelijk uit rupsen opkweeken. Dan leert men tegelijk de aardige
+poppen kennen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT XI.
+
+VLINDERS (2).
+
+
+No 121. Avondpauwoog. (Smerinthus ocellata). Evenals de andere
+pijlstaarten en avondvlinders leeren wij den avondpauwoog het best
+kennen door het opkweeken van de rupsen. Kunnen wij de dagvlinders nog
+met het net „scheppen”, met de avondvlinders gaat dat niet. Intusschen
+kan men ze wel eens op „de stroop” vangen. Doch mooie en ongeschonden
+exemplaren van de vlinders krijgt men als men ze opkweekt uit rupsen;
+bovendien leert men dan iets van hun leven. De rups van den
+avondpauwoog leeft vooral op wilgen en populieren; zij is blauwachtig
+groen, wit gestippeld, en heeft een witte streep aan de rugkanten; op
+zijde witte schuine strepen. Het hoorntje is blauw; de pop donkerbruin
+glanzig, met stekelige staartspits. De achtervleugels zijn rozenrood
+met een groote, blauw en zwart gerande donkere oogvlek; vandaar zijn
+naam. De rups is zeer algemeen en verpopt in den grond. Men zette in
+het rupsenhuis dus een kistje met aarde. De rups vinden we in Augustus
+en September; de vlinder komt uit de pop in Juni. Vlucht 75 tot 95 m.M.
+De rups is 8–9 c.M. lang.
+
+No 122. Wolfsmelkvlinder. (Deilephila euphorbiae). De rups is afgebeeld
+op Plaat II. No 16 en wordt 8–9 c.M. lang. De vlinder is zeer mooi.
+Grauwgeel met rozenroode en groote donker-olijfgroene vlekken op den
+voorvleugel. De achtervleugels en onderzijde zijn rood. Sprieten zijn
+geheel wit. Vlucht 60–87 m.M. De vlinder vliegt in Juni en Juli.
+
+No 123. Bijvormige Sesia. (Trochilium apiforme). Deze vlinders gelijken
+veel op wespen en deze sesia heeft veel gelijkenis met een groote wesp,
+de hoornaar, Vespa crabro. Die gelijkenis ontstaat door het
+grootendeels onbeschubd zijn der vleugels. De rups leeft in
+populierenstammen, dicht bij den grond, en overwintert daar 2 maal.
+Voor den tweeden winter spint zij een cocon van houtvezels; ’t volgende
+voorjaar verpopt zij. De vlinder komt overal voor en heeft een vlucht
+van 35 tot 50 m.M. Omdat de rups het ondereinde der boomstammen
+ondermijnt, waaien deze bij storm wel om.
+
+No 124. Avondrood. (Deilephila elpenor). De hoofdkleuren zijn
+olijfgroen en rozenrood. De wortelhelft der achtervleugels is zwart.
+Het achterlijf is olijfgroen met roode ruglijn en zijden. Vlucht 55 tot
+62 m.M. De rups vinden we van Juli tot September op fuchsia, galium,
+wilgenroosje, en wordt 7 tot 8 c.M. lang. Hoorntje kort, zwartbruin.
+
+No 125. Beervlinder. (Arctia caja). De beerrups dankt haar naam aan de
+ruige beharing; zij wordt 5 tot 7 c.M. lang en leeft op allerlei lage
+planten; met brandnetel kunnen wij ze goed grootbrengen, ook met wilg
+en notebladeren. Ze schijnen in haar menu niet kieskeurig. Men vindt de
+rupsen zoowel in den nazomer als in ’t voorjaar. Dit komt omdat zij als
+rups overwinteren onder allerlei rommel op den grond. In Juni of Juli
+heeft de verpopping plaats in een los spinsel, waarbij wat verdorde
+bladeren worden getrokken. De vlinders zijn buitengewoon mooi. De
+voorvleugels zijn bruin, wit gemarmerd; achtervleugels en achterlijf
+menierood, blauwzwart gevlekt. Sprieten van het mannetje gebaard.
+Vlucht 55–70 m.M.
+
+No 126. Doodshoofdvlinder. (Acherontia atropos). De rups is afgebeeld
+op Plaat II No 19, en daar beschreven. De vlinder is onze grootste.
+Zijn vlucht loopt van 100 tot 134 m.M. Kop en borststuk zwart; op dit
+laatste de „doodshoofdteekening”. Voorvleugels zwartbruin, door haren
+en blauwwitte schubben blauwig. Achtervleugels helder okergeel met 2
+zwarte banden. Achterlijf ook okergeel, met staalblauwe rugbaan en
+zwarte segmentgrenzen. Bij de wijfjes is het achterlijf dik en plomp.
+Deze vlinder heeft de gewoonte om bijenkorven binnen te gaan. Daar
+wordt hij door de bijen gedood en in de was (propolis) gezet.
+
+No 127. Lindepijlstaart. (Smerinthus tiliae). De achterrand der
+voorvleugels is duidelijk gehakkeld. Kleuren niet standvastig.
+Voorvleugels wittig paars tot okerbruin, vaak groenachtig; in het
+midden een paar groene vlekken. In rust bedekken de voorvleugels wel de
+achtervleugels, doch niet het achterlijf. De rups is lichtgroen met 7
+gele, van boven rood afgezette, schuine zijdestreepjes. Hoorn van voren
+blauw. Voor de verpopping, die in den grond geschiedt, verkleurt de
+rups. Pop is zwartbruin, dof, met een stekelige staartspits. Veel op
+linden, iepen, ook op berken en elzen. De rups wordt 8 tot 9 c.M. lang
+en is te vangen in Juli en Augustus. Pop overwintert in den grond.
+Vlucht 60–80 m.M.
+
+No 128. Wilgenhoutrupsvlinder. (Cossus cossus). De rups is uitvoerig
+beschreven naar aanleiding van Plaat II. No 23. Wij verwijzen daarheen.
+De vlinder is een plomp dier, met een vlucht van 60 tot 90 m.M. Men kan
+hem vangen einde Mei en begin Juni, zittend tegen stammen van
+knotwilgen. Voorvleugels zilverachtig grijs, gemengd met bruingrijs en
+geteekend met zwarte dwarsstrepen; achtervleugels meer effen en donker.
+Achterlijf grijs, de ringen licht gerand. De rups is zeer algemeen en
+komt overal in wilgenhout voor.
+
+No 129. Oleanderpijlstaart. (Deilephila nerii). Dit is een groote
+prachtvlinder. Donkergroen met witte, rozenroode, paarse en gele
+vlekken en strepen, zijn de voorvleugels; achtervleugels grijsachtig
+paars. Het achterlijf groenig met witte segmentranden. Een mooi dier,
+met een vlucht van 72 tot 112 m.M. De rups is zeer groot, van 12 tot 15
+c.M. Het is jammer, dat deze rups weinig bij ons voorkomt. Als ze hier
+is, zijn de vlinders uit zuidelijker streken komen overvliegen. De
+rupsen leven op Oleander, een heester, die in kuipen wordt gekweekt. In
+zuidelijker streken komt de Oleander veel voor aan waterkanten en wordt
+daar zeer hoog. In den warmen zomer van 1911 bloeiden de Oleanders bij
+ons zeer mooi.
+
+No 130. Dennenpijlstaart. (Smerinthus (Sphinx) pinastri). Rups en pop
+zijn afgebeeld op Plaat II. No 17. De vlinder heeft een vlucht van 75
+tot 80 m.M. en is grijs van kleur; op het midden van elken voorvleugel
+drie overlangsche, zwarte streepjes. Achtervleugels donkerder dan de
+voorvleugels, effen donkergrijs. De vlinder is te vangen van Juni tot
+Augustus in dennenbosschen.
+
+No 131. Windepijlstaart. (Sphinx convolvuli). Dit is onze grootste
+Sphinx met een vlucht van 95 tot 122 m.M. Kleur grijs, de voorvleugels
+lichter en donker geteekend; op de achtervleugels donkere dwarsbanden.
+De rups, die 12 tot 15 c.M. wordt, is geelbruin met donkere ruglijn;
+donker afgezette, driehoekige schuine strepen op de achterlijfsringen.
+Buik okergeel. Zij leeft op akkerwinde, dicht bij den grond. De pop is
+licht roodbruin en te herkennen aan de gebogen zuigerschede, die niet
+aan het lichaam aansluit. Soms komt deze rups in veel exemplaren voor.
+
+No 132. Bloedvlekvlinder. (Zygaena trifolii). Op de voorvleugels zien
+we vijf roode vlekken; vandaar den naam. Op de achtervleugels een
+breeden zwarten zoom. Vlucht 30 tot 36 m.M. Rupsen geelgroen, zwart
+gevlekt. Pop groenzwart in een geel, perkamentachtig, spoelvormig
+spinsel, tegen een stengel. De rups eet vooral rolklaver en komt op
+drassige weiden veel voor.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT XII.
+
+VLINDERS (3).
+
+
+No 133. Dennenspinner. (Gastropacha (Dendrolimus) pini). Van dezen
+schadelijken vlinder is de rups afgebeeld op Plaat II No 24 en daar
+beschreven. De voorvleugels van den vlinder hebben een gegolfden
+achterrand; grondkleur chocoladebruin tot witachtig grijs; roodbruine
+banden en in ’t midden een witte stip. De achtervleugels zijn donker
+roodbruin. Vlucht 50–80 m.M. De vlinder vliegt van einde Juni tot
+Augustus.
+
+No 134. Ringelrupsvlinder. (Malacosoma (Bombyx) neustria). Deze vlinder
+legt zijn eieren in een ringetje om een takje; vandaar zijn naam. De
+eieren worden met een klierstof vastgekleefd. Zoo overwinteren zij aan
+allerlei boomen, ook aan vruchtboomen. In ’t voorjaar komen hieruit
+rupsen, die eerst nog eenigen tijd gezellig samenwonen, doch als er
+gebrek aan eten komt, gaat ieder haar eigen weg. Ze zijn zeer
+schadelijk. In Amsterdam worden langs de grachten soms groote
+verwoestingen aangebracht. De rups is bruinig en dun behaard, blauw met
+oranjezwarte afgezette langslijnen en witte ruglijn. Kop blauw met twee
+zwarte voorhoofdsvlekken. De vlinder is okergeel of bruinrood met
+dwarslijnen; de achtervleugels zijn lichter dan de voorvleugels. Het
+mannetje heeft een vlucht van 25 tot 35 m.M., het wijfje 35 tot 43 m.M.
+De vlinders vliegen ’s avonds wel om lantaarns.
+
+Om deze zeer schadelijke rupsen te bestrijden, knipt men in den winter
+de eierringetjes uit de boomen; dat is een heel werk, vooral in hooge
+boomen. Toch doet men het zoo in Amsterdam. Als de rupsen er zijn, kan
+men de brandspuit halen en ze den boom uitspuiten. De rupsen worden
+aangevallen door parasietvliegen en sluipwespen, die vaak groote
+opruiming onder haar houden. De rups komt helaas door heel Nederland
+voor.
+
+No 135. Blauwe Weeskind. (Catocala fraxini). Deze vlinder en de
+volgende hebben hun naam te danken aan de uitmonstering der
+achtervleugels. Weeskinderen dragen en droegen gewoonlijk een kleeding,
+waardoor zij gemakkelijk te herkennen zijn; in Amsterdam o.a. rood en
+zwarte kleeding de kleuren van het stadswapen. De achtervleugels van
+het blauwe weeskind zijn zwart met één lichtblauwen dwarsband. Het zijn
+nachtdieren, die overdag met vlak dakvormig gelegde vleugels tegen
+stammen, muren en schuttingen zitten. Ze zijn dan niet te herkennen. De
+rups leeft op eiken, wilgen en populieren. De eieren overwinteren. Deze
+vlinder behoort tot de zeldzame in ons land. Vlucht 80 tot 95 m.M.
+
+No 136. Roode Weeskind. (Catocala nupta). De achtervleugels zijn vuil
+vermiljoenrood met een zwarten midden- en randband. De rups leeft op
+wilg en populier en komt in het oosten en zuiden van ons land algemeen
+voor. Vlucht 65 tot 75 m.M.
+
+No 137. Bessenspanvlinder. Harlekijn. (Abraxas grossulariata). Dit is
+een heel aardig vlindertje, dat om zijn bont uiterlijk harlekijn heet;
+in Groningen noemen ze hem „krentenpannekoek.” Vlucht 40 tot 45 m.M.
+Het lichaam is geel en zwart bepunt; vleugels wit, met zwarte vlekken
+en gelen band. Ook aan de rups zien we witte, zwarte en gele kleuren;
+kop zwart. De rupsjes zien we in het voorjaar op aal- en kruisbessen en
+op gekweekte ribesheesters; ook wel op frambozen, pruimen en abrikozen.
+In ’t begin van Juni verpoppen de rupsen in een zeer los spinseltje,
+uit eenige draden bestaand, aan de bladeren; de pop is gitzwart met
+gele banden. Men ziet haar in ’t spinsel zitten. In Juli en Augustus
+komen hieruit de vlindertjes, die zeer slecht vliegen; zij leggen hun
+eieren op genoemde planten. In September komen hieruit weer rupsjes,
+die eerst wat eten en dan met de bladeren naar beneden komen, waar ze
+op den bodem overwinteren. De rupsen zijn spanrupsen. In het voorjaar
+komen ze onder den rommel vandaan en beginnen haar vreterij. Men kan
+deze rupsjes kwijtraken door den rommel onder de bessen bijeen te
+harken en te verbranden. De rupsen worden door verschillende
+sluipwespen aangetast.
+
+No 138. Berkenspanner. (Amphidasis betularia). De rups en pop zijn
+afgebeeld op Plaat II. No 22. Deze vlinder heet ook wel „peper en
+zoutvlinder”; dat ziet op de vleugelteekening. De vleugels toch zijn
+krijtwit of helder grijswit, zwart bestoven, met zwarten middenvlek. Er
+is van dezen vlinder een variatie bekend, die geheel zwart is.
+
+No 139. Kleine Wintervlinder. (Cheimatobia boreata). Dit zijn lastige
+maar toch merkwaardige dieren. Zij zijn gekenmerkt door een sterk
+sprekend dimorphisme; de mannetjes zijn normaal gevleugeld en de
+wijfjes ongevleugeld of alleen voorzien van vleugelstompjes, waarmede
+ze toch niet vliegen kunnen. De kleine spanrupsjes zijn in ’t voorjaar
+zeer schadelijk aan allerlei vrucht- en andere loofboomen; onze kersen,
+appelen en peren lijden er veel van. Zijn ze volwassen, dan verpoppen
+ze in den grond. Het merkwaardige is nu, dat reeds in November en
+December en gedurende den geheelen winter, als de bodem niet bevroren
+is, de kleine vlindertjes uit den grond komen. De mannetjes vliegen dan
+rond. De wijfjes kunnen dat niet en kruipen tegen de stammen op om bij
+de knoppen eieren te gaan leggen. Om dit nu te voorkomen bindt men om
+de stammen banden, waarop men lijm smeert. Willen de wijfjes nu naar
+boven, dan moeten zij over dien band heen en raken dus vast. Die
+lijmbanden zijn een prachtige uitvinding. De rupsen worden 20 tot 25
+m.M. lang.
+
+No 140. Nonvlinder. (Lymantria (Liparis) monacha). Rups en pop zijn
+afgebeeld op Plaat II. No 21. Deze rups is de ergste vijand van onze
+dennenbosschen, omdat zij zoo vraatzuchtig is en vaak in groote massa’s
+voorkomt. De vlinder heeft witte voorvleugels met zwarte vlekken en
+onregelmatig zwarte zigzaglijnen; de achtervleugels zijn grauw. Vlucht
+30 tot 55 m.M. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes. De kleur der
+vlinders is soms donkerder, ook wel bij zwart af. De eieren worden
+gelegd in schooltjes van 20 tot 50 in reten van de schors; ieder wijfje
+legt er een 200. De rupsjes komen vroeg in ’t voorjaar uit en beginnen
+dan aan de naalden te eten; in ’t laatst van Juni, begin Juli zijn ze
+volwassen en spinnen zij zich in een lossen cocon aan takken en
+tusschen naalden in. Twee à drie weken daarna komen de vlinders voor
+den dag.
+
+Omdat de rups zoo schadelijk is, wordt ze krachtig bestreden. Het ligt
+buiten ons bestek hierop uitvoerig in te gaan, doch wie er meer van
+weten wil kan hierover een gratis-brochure aanvragen bij de Inspectie
+van het Staatsboschbeheer te Utrecht. Deze brochure bevat duidelijk
+gekleurde platen.
+
+No 141. Appelvlindertje. (Carpocapsa pomonella). Dit vlindertje is
+oorzaak van de wormstekigheid onzer appels en peren. Dat zit zoo. In
+Juni legt het wijfje de eitjes op de dan nog zeer kleine vruchtjes. Uit
+die eitjes komen rupsjes, die zich naar binnen eten, en in het klokhuis
+de zaden vernielen, want daarom is het hun te doen. De „worm” is dus
+een rupsje. Is het rupsje volwassen, dan graaft het zich door de vrucht
+heen, en zoekt, buiten gekomen, een schuilplaats om te overwinteren. In
+’t voorjaar verpoppen ze en in Juni zijn er weer vlindertjes. Wat
+kunnen wij hiertegen doen? Wij verschaffen aan de rupsjes kunstmatige
+winterverblijven, door om de boomstammen wat houtwol te binden en
+daarover een papier, een z.g. insectenband. De rupsjes kruipen
+hieronder en als het November is geworden, verbrandt men den rommel.
+Deze vangbanden worden half Juli aangelegd, anders komen we te laat.
+Verder moeten alle aangestoken appels worden opgeraapt; men kan ze tot
+jam verwerken. Het appelvlindertje is wel mooi, doch om het groote
+nadeel, dat het aanricht, moet het streng bestreden worden.
+
+No 142. Stippelmot. (Hyponomeuta evonymi). Zij heeten stippelmotten,
+omdat zij bezitten witte of grijze voorvleugels met overlangsche rijen
+van zwarte stippen; de achtervleugels zijn donkergrijs en ongestippeld.
+De rupsjes leven in groote spinsels bijeen, en verwoesten soms geheele
+boomen. Er komen 7 soorten bij ons voor; op den appelboom leeft er een,
+die men trekmade noemt. Raakt men de spinsels aan, dan laten de rupsjes
+zich aan draden naar beneden zakken. Het beste is ze dood te drukken
+met de hand, gedekt door een handschoen van leer. Het afgebeelde
+stippelmotje leeft op kardinaalsmuts.
+
+No 143. Witvlakvlinder. (Orgyia antiqua). Mannetje en wijfje. Ook hier
+hebben wij een sterk sprekend voorbeeld van dimorphisme. Het mannetje
+is gevleugeld, het wijfje heeft slechts een paar heel kleine stompjes,
+zoodat het absoluut niet vliegen kan; het lijkt op een dikke larve. Van
+de orgyia’s komen bij ons 5 soorten voor, en de afgebeelde komt het
+meest voor. Hij heet witvlakvlinder, omdat het mannetje op de
+roestbruine vleugels een witte vlek heeft. De rups is hieraan te
+herkennen, dat ze 5 haarpluimen en 4 haarkwasten op het lichaam heeft;
+daarom noemt men haar ook wel borstelrups. Er komen twee generaties per
+jaar voor en vooral in Augustus en September vliegen overdag zeer vele
+mannetjes haastig rond. Geen enkel vlindertje vliegt overdag zóó wild
+en woest. De rups spint een cocon aan takjes en als daaruit nu een
+wijfje komt, dan zet dit zich op den cocon neer en legt daarop de
+eitjes, netjes naast elkaar. Is dit geschied, dan sterft het diertje en
+valt op den grond. Het heeft dan hoogstens 2 dagen geleefd en niets
+gegeten; wel een armzalig vlinderbestaan.
+
+Heeft men in een rupsenkast deze rupsen opgekweekt en zoodoende ook
+wijfjes gekregen, dan kan men daarmede een aardige proef nemen. Men zet
+zoo’n wijfje in een gesloten sigarenkistje buiten en ziet, dadelijk
+komen er bruine mannetjes naar toe. Wij leeren hieruit, dat de wijfjes
+sterk geuren en dat de mannetjes goed kunnen ruiken. De vlucht van het
+mannetje is 28 tot 32 m.M. De eieren overwinteren. De rupsen worden ook
+aangevallen door sluipwespen.
+
+No 144. Hermelijnvlinder. (Harpyia vinula). Van dezen vlinder is vooral
+de rups interessant, omdat die twee staarten bezit, waaruit bij
+verontrusting twee roode draden worden gestoken. Door het bezit van
+deze twee staarten heeten deze rupsen ook wel „tweestaartrupsen”.
+Verder scheiden deze rupsen, als zij in angst zitten, uit een halsklier
+vocht af, dat met kracht wordt uitgespoten. Dit vocht is mierenzuur. De
+rups leeft op wilgen en populieren en zit in rust op de bovenzijde der
+bladeren, met het voor- en achterlijf omhoog en den kop ingetrokken. De
+rug is stomp opgeheven; de stompe verhevenheid verdeelt den rug in twee
+deelen, die van boven donker gekleurd zijn. De rups is verder groen en
+spint een cocon tegen boomstammen; zij holt dan eerst de schors wat uit
+en voegt het knaagsel tusschen haar cocon, die daardoor zeer stevig
+wordt en haast niet opvalt. Als de vlinder later dezen cocon zal
+verbreken, zondert hij een vloeistof af, die kaliloog bevat, en het
+weefsel verweekt. De vlinder heeft een vlucht van 60 tot 75 m.M.
+
+Hiermede eindigen wij de korte beschrijving der vlinders. Wij willen er
+nog op wijzen, dat het eenige middel om gave vlinders te krijgen is;
+rupsen zoeken en opkweeken. Dat is bovendien een zeer onderhoudend en
+leerrijk werkje.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT XIII.
+
+MUGGEN. VLIEGEN.
+
+
+Wij komen nu aan de zeer belangrijke groep der „Tweevleugeligen” of
+Diptera, de 16de Orde der insecten, waarvan in ons land al meer dan
+2200 soorten voorkomen; over de heele wereld zijn al meer dan 40000
+soorten bekend. De Diptera tellen dus wel mee. Het verschil tusschen
+muggen en vliegen zit voornamelijk hierin, dat de muggen slanker zijn
+en meestal lange pooten bezitten; een vlieg is plomper en heeft korter
+pooten. Het hoofdkenmerk van deze Orde zijn de vleugels, waarvan er
+maar één paar aanwezig is. Op de plaats waar bij andere insecten het
+tweede paar vleugels zit, hebben de vliegen en muggen 2 kolfjes, 2
+geknopte steeltjes. Laten we de kenmerken in volgorde opschrijven; ze
+zijn:
+
+
+ 1. Volkomen gedaanteverwisseling: ei, larve, pop, imago;
+ 2. zuigende monddeelen;
+ 3. één paar vleugels met wijdmazig aderstelsel;
+ 4. één paar kolfjes;
+ 5. het borststuk tot één geheel vergroeid;
+ 6. vijfledige tarsen aan de pooten;
+ 7. larven zijn pootloos, heeten maden; haar leefwijze loopt zeer
+ uiteen;
+ 8. poppen al of niet door larvehuid omsloten;
+ 9. leggen eieren of brengen levende jongen voort.
+
+
+
+Lichaamsbouw.
+
+De oogen zijn groot; bij het mannetje meestal het grootst. Gewoonlijk
+nog puntoogen.
+
+De sprieten zijn drie- of veelledig; zeer belangrijk voor de
+rangschikking dezer insecten.
+
+De monddeelen zijn al zeer belangrijk. Een vast type is niet op te
+geven, omdat er nog al verschillen bij optreden, die in verband staan
+met de leefwijze. Het oorspronkelijke type is zuigend en dat vinden wij
+nog het meest zuiver bij de steekmuggen en de dazen. Alle monddeelen te
+zamen noemen wij den zuiger. Zonder illustraties is het niet duidelijk
+te maken, hoe zoo’n zuiger is samengesteld. Vooral de bovenkaken zijn
+stevig en hard bij de steekmuggen. Een huisvlieg heeft eenvoudiger
+monddeelen. Zoodra met de monddeelen wonden worden gemaakt, werken
+tegelijk de speekselklieren irriteerend daarop in.
+
+De vleugels ontbreken soms; waarvoor de kolfjes eigenlijk dienen weet
+men niet; wel is bekend, dat als men er één verwijdert, het
+stuurvermogen wordt belemmerd.
+
+In de pooten groote verschillen; een langpootmug laat gemakkelijk een
+poot schieten, net als een sprinkhaan; dat is een middel om aan de
+vijanden te ontkomen.
+
+Bij veel larven kan men een reductie of achteruitgang in organen
+waarnemen. Van den kop is gewoonlijk niet veel meer overgebleven dan
+een paar haken bij de mondopening. Zoo’n made is dan ook zeer eenvoudig
+gebouwd; zij heeft heelemaal het voorkomen van een dier verloren.
+
+Wat de poppen betreft, die zijn in ’t algemeen half-vrije; gedeeltelijk
+zijn waar te nemen de uiteinden der pooten en gedeelten der vleugels.
+De laatste larvehuid wordt veel gebruikt om de pop te beschermen; deze
+huid is zeer stevig. Het harde tonnetje van de huisvlieg is zoo’n
+larvehuid.
+
+
+
+Voeding der larven.
+
+Deze is nog al verschillend:
+
+ 1. vele larven, misschien de meeste, voeden zich met organischen
+ afval, zoowel uit het dieren- als plantenrijk; vele muggen en
+ vliegen worden geboren in vuilnis, mest, molm; kamervlieg,
+ vleeschvlieg.
+ 2. andere larven leven van levende plantendeelen: de galvormers en
+ die in bladeren, stengels en bloemen leven; emelten, galmuggen,
+ mineervliegen.
+ 3. parasitische larven leven van stoffen, die zij aan levende
+ dieren ontleenen: parasietvliegen, horzels.
+ 4. larven van zweefvliegen zuigen bladluizen uit.
+
+
+Voeding der imago’s.
+
+Ook deze is zeer varieerend:
+
+
+ 1. honingsnoepsters, die naar bloemen komen;
+ 2. de snoepsters van vochten, die uit ontbonden stoffen vloeien,
+ zooals mest;
+ 3. roofvliegen zuigen andere insecten uit;
+ 4. steekmuggen en steekvliegen zuigen bloed van mensch en dier;
+ 5. bloedzuigende uitwendige parasieten, zooals de luisvlieg.
+
+
+De plaats der vliegen en muggen in de huishouding der natuur.
+
+De plaats, die de tweevleugeligen innemen, hangt geheel af van het
+voedsel, dat zij tot zich nemen, en de omstandigheden, waaronder dit
+geschiedt:
+
+
+ 1º Sommige brengen ziekten over; dat doen de steekmuggen en de
+ gewone kamervliegen: malaria, typhus, cholera, gele koorts en
+ andere ziekten.
+ 2º Vele vliegen en muggen veroorzaken plantenziekten: koolvlieg,
+ Hessische mug, wortelvlieg.
+ 3º De in- en uitwendige parasieten van zoogdieren, tappen dezen
+ dieren bloed en andere sappen af.
+
+
+Tegenover deze onaangename dingen, staat ook heel wat goeds:
+
+
+ 4º Zij ruimen veel vuil op, dat de larven „wegeten”: mest, lijken;
+ zij zijn uitstekende „opruimers” in de natuur, echte
+ „schoonmaaksters”.
+ 5º De parasietvliegen dooden veel schadelijke rupsen.
+ 6º Veel bloemen worden door de vliegen bestoven; sommige zelfs
+ uitsluitend door haar.
+ 7º Veel larven en imago’s dienen tot voedsel voor vogels, amphibiën
+ en reptielen en visschen.
+
+
+Uit het voorgaande blijkt, dat de plaats, die de tweevleugeligen in de
+natuur innemen, een zeer belangrijke is.
+
+
+
+INDEELING.
+
+Het kan niet onze bedoeling zijn, hier een wetenschappelijke indeeling
+te geven, maar op enkele groote groepen of families te wijzen, als:
+galmuggen, steekmuggen, langpootmuggen, dazen, zweefvliegen,
+kamervliegen, vleeschvliegen, parasietvliegen, horzels, luisvliegen en
+kultuurplantenbeschadigsters.
+
+Van al deze families zullen wij nu 1 of 2 vertegenwoordigsters
+beschrijven.
+
+No 145. Hessische Mug. (Mayetiola destructor). Deze mug is maar een
+klein dier, 2½ à 3½ m.M. lang, doch de schade die zij in tarwe, rogge,
+gerst aanricht, is zeer groot. Men noemt haar Hessische mug, omdat de
+Amerikanen meenen, dat soldaten uit Hessen haar in 1779 met stroo naar
+Amerika hebben overgebracht. Het wijfje legt de eieren op de bladeren
+en de larven zakken dan omlaag naar de bladscheden. Hier zuigen ze aan
+de cellen, wat ten gevolge kan hebben, dat de stengels omvallen. Waar
+de larven leven, verpoppen zij ook. De heele ontwikkeling kan wel in 4
+tot 6 weken afloopen, zoodat meerdere generaties in één jaar optreden.
+Het weer heeft hierop evenwel veel invloed. De pop kan zeer goed tegen
+uitdroging. Door de landbouwers worden allerlei middelen aangewend om
+deze mug te bestrijden. Vruchtwisseling is zeer aan te bevelen, omdat
+die het meest afdoende bestrijdingsmiddel is. In Amerika heeft men
+reeds 4 soorten van sluipwespen ontdekt, die ons helpen in den strijd;
+men zou kunnen beproeven deze parasieten kunstmatig te kweeken.
+
+No 146. Steekmug. Mannetje en wijfje. (Culex pipiens). Op Plaat I No 3
+zijn afgebeeld een larve en een pop van de steekmug. Men leze nog eens
+over wat daarbij is geschreven, want dat staat in ’t nauwste verband
+met de bestrijding van deze muggen. Over de heele wereld zijn 500
+soorten van deze steekmuggen bekend, terwijl er in ons land 10 à 12
+soorten voorkomen. De eieren worden alle in ’t water afgezet, soms
+vereenigd tot een vlotje van een 200 stuks. Is ’t noodig, dat de
+steekmuggen bloed zuigen? ’t Schijnt van niet, want er komen veel
+steekmuggen voor op plaatsen, waar de mensch niet leeft, b.v. in
+bosschen en ook in ’t hooge noorden. Poolexpedities moesten daar wel
+terug om de vele muggen die daar leven op visch en rottende stoffen.
+
+Van de steekmuggen is alleen het wijfje gevaarlijk; dat steekt zijn
+snuit in de huid en zuigt dan het bloed op. Het mannetje is te
+herkennen aan de fraai gepluimde sprieten; het steekt niet. Dat de
+steekmuggen ons een beetje bloed aftappen, is nog zoo erg niet; ieder
+mensch bezit een 4 of 5 L. bloed, dus er kan zonder gevaar wel een
+beetje af. Maar het gevaar zit hierin, dat deze muggen ziekten
+overbrengen. Zij steken zoowel gezonde als zieke menschen, en nu is het
+te begrijpen, dat daardoor smetstoffen van den een op den ander worden
+overgebracht. Straks, bij het volgende plaatje, zullen wij er iets meer
+van vertellen. Men hoort zoo dikwijls zeggen: „de koorts is mij op het
+lijf gevallen” en als men het verloop eens kon nagaan, zou menigmaal
+blijken, dat de smetstof, die de koorts veroorzaakt, door muggen,
+vlooien of andere parasieten is overgebracht.
+
+De steekmuggen overwinteren als imago, en wel alleen de wijfjes, die
+zich dan verschuilen in den kelder, in gangen, onder waranda’s en
+andere donkere plaatsen. Als iemand dus in ’t voorjaar vraagt: „Waar
+komen die muggen toch vandaan?” dan kunnen wij hem antwoorden: „Die
+hebben den geheelen winter bij U in den kelder tegen den zolder en de
+muren gelogeerd.” De kelders moet men ’s winters uitzwavelen of met een
+brandenden flambouw bewerken. Ook kan men de muggen dooddrukken.
+
+En als we ’s zomers de muggen in huis hebben? Men kan als
+voorzorgsmaatregel horretjes plaatsen en tegen den avond de ramen
+sluiten. Een gordijn van gaas over het ledikant. De muggen, die tegen
+de muren zitten, kan men ’s avonds met een glas vangen, dat aan de
+binnenzijde voor een deel met petroleum is besmeerd. Als men zoo’n glas
+vlug over een zittende mug brengt, dan bedwelmt ze direct. Men vangt
+zoo deze dieren zonder het behang te bemorsen. De ontwikkeling der
+muggen gaat zeer snel. Van ei tot mug duurt tot 3 weken en dan begint
+over 2 weken het eierleggen. Zoodoende krijgen we wel 5 generaties in
+één jaar. Eén mug in ’t voorjaar kan in ’t najaar reeds 100 x 100 x 100
+x 100 x 100 vrouwelijke nakomelingen hebben. Gelukkig dat er velen
+verongelukken als larve. De wijfjes zijn 5 tot 6 m.M. lang.
+
+No 147. Malaria-mug. Mannetje en wijfje. (Anopheles maculipennis). Deze
+mug komt ook in ons land voor en de larven leven in meer grootere
+wateren dan de vorige steekmug. Men kan de kleine zwarte larven daar
+vinden aan de onderzijde van het kroos en het flap. De malaria-mug is
+te herkennen aan de gevlekte vleugels en de ongevlekte pooten. Er zijn
+nog meer kenmerken, doch die kunnen zonder teekening niet duidelijk
+worden gemaakt. Een malaria-mug zit schuin tegen een muur, met het
+achterlijf naar boven; een gewone steekmug zit evenwijdig aan den muur.
+Hoe bezorgt ons deze mug nu de koorts? Zelf heeft deze mug de smetstof
+niet, doch als zij eerst een malaria-lijder steekt en van hem de
+smetstof opneemt en daarna een gezond mensch prikt, brengt ze de
+ziektekiemen over op den gezonden mensch. De malaria-mug is dus de
+overbrengster van de ziektestof. Als er geen malarialijder in de buurt
+is, kan de mug, ook al steekt ze ons, geen malaria overbrengen. De
+wijfjes zijn 6 tot 8 m.M. Over de malaria-mug is heel wat literatuur
+verschenen, ook in ons land. In de warme landen worden de gele koorts
+en andere koortsen ook door steekmuggen verspreid.
+
+No 148. Langpootmug. (Tipula oleracea). De langpootmuggen zijn wel onze
+grootste muggen, vooral door haar lange pooten. De kleur is aschgrauw
+tot geelbruin. Ze komen overal voor en we kennen al meer dan 30 soorten
+in ons land. De mug legt haar eieren in graslanden, waar dan de larven
+(emelten) aan de wortels der grassen vreten. Ook in moestuinen komen ze
+voor, en overal waar ze zijn, doen ze veel schade. Tegenwoordig doen de
+emelten veel van zich spreken op de nieuwe ontginningen in het oosten
+van ons land. Het schijnt, dat daar te weinig vogels zijn, want die
+houden gewoonlijk een flinke opruiming onder hen. De emelten
+verplaatsen zich ’s avonds over den grond. Als men leege bloempotten of
+glazen tot den rand ingraaft, vallen ze daar wel in.
+
+De langpootmuggen komen ’s avonds in verlichte kamers binnenvliegen en
+zijn zelf geheel onschadelijk. Omdat de dieren groot zijn, kunnen wij
+ze gemakkelijk eens bekijken; de kolfjes zijn zeer goed te zien.
+
+No 149. Runderdaas of Brems. (Tabanus bovinus). De daas behoort tot de
+groep der steekvliegen; het zijn ook hier weer de wijfjes, die aan de
+dieren het bloed aftappen. De daas zelf is een der grootste vliegen en
+22 tot 24 m.M. lang. Zij achtervolgt de runderen, die vreeslijk bang
+voor haar zijn; als dol rennen de koeien door de weide. Van dit
+geslacht zijn al een 1000 soorten bekend, zoodat ze heel wat
+onaangenaams veroorzaken. Sommigen brengen ook ziekten over, wat van
+deze bloedzuigers is te verwachten.
+
+De daas legt de eieren op den grond, waar de larven verder in de weide
+leven. De mannetjes, die geen bloed zuigen, voeden zich met honing of
+met boomsappen; men vindt ze dikwijls tegen boomstammen, waar sap
+uitvloeit. Dat alleen de wijfjes bloed zuigen staat hiermede in
+verband, dat zij dit bloed noodig hebben voor de ontwikkeling der
+eieren.
+
+No 150. Zweefvlieg. (Syrphus ribesii). Het komt herhaaldelijk voor, dat
+wij plotseling een vlieg in de lucht zien blijven „staan”; dat is dan
+een „zweefvlieg” of „staande vlieg”. Men kan ze zoo herhaaldelijk boven
+de bloemen zien staan. De afgebeelde is een zeer gewone; sprieten,
+pooten en buik van het achterlijf rood geel; lengte 13 m.M. De eieren
+worden gelegd op de bladeren; de larven zijn bekend als uitzuigsters
+van bladluizen, behooren dus tot de nuttige dieren. Het valt niet
+moeilijk deze larven aan het werk te zien. Larven van andere
+zweefvliegen leven in modder en andere stoffen en behooren dus tot de
+opruimers. Omdat de zweefvliegen gaarne honing snoepen, en dus veel de
+bloemen bezoeken, bevorderen ze in hooge mate de kruisbestuiving.
+
+No 151. Kamervlieg. (Musea domestica). De larve en de pop zijn
+afgebeeld op Plaat I No 1. Daar hebben wij toen over het leven der
+larven geschreven. Wij hebben toen opgemerkt, dat die larven nuttige
+dieren zijn, omdat ze veel vuilnis verwerken en opruimen, vooral
+paardenmest en ook anderen afval. Zoo nuttig de larve is, zoo lastig en
+gevaarlijk is de vlieg. De kamervlieg is de overbrengster van typhus,
+tuberculose, cholera en nog andere besmettelijke ziekten. De
+zomerdiarrhee bij kleine kinderen verspreidt zij; ook o.a. huidziekten.
+Hoe zij dat doet? Een vlieg is een snoepster en zit overal op; het
+vuilste en smerigste bezoekt ze evengoed als een suikerpot; daardoor
+brengt ze allerlei ziektekiemen over. Als het raam van de kamer, waarin
+een choleralijder ligt, openstaat, komt de vlieg naar binnen en zet
+zich b.v. neer op de bevuilde beddelakens of onderkleederen, en neemt
+zoo de cholerabacillen mee. Ze vliegt vervolgens weg en zet zich in een
+ander huis op het brood neer, dat nu met cholerabacillen wordt besmet
+en slachtoffers maakt. Daarom moet met kracht de kamervlieg bestreden
+worden. Ze is een echte cosmopoliet en komt overal voor. Steken doet ze
+niet; daarvoor zijn haar monddeelen niet geschikt. Het beste middel om
+haar te bestrijden is den mest op te ruimen, dan ontnemen wij haar de
+broedgelegenheden. Over den mest kalk en creolin; daarmede ook de naden
+der stalvloeren reinigen.
+
+De kamervlieg wordt aangevallen door een schimmel; in ’t najaar ziet
+men de vliegen zitten met uitgestrekte ledematen en gezwollen
+achterlijf, omringd door een wit, fijn poeder. Dat is het werk van een
+schimmel. De kamervliegen komen veel meer op het platteland dan in de
+steden voor; in de steden ligt geen mest bij huis.
+
+No 152. Steekvlieg. (Stomoxys calcitrans). Als we zoo in den zomer
+plotseling door kousen en kleederen heen gevoelig worden gestoken, dan
+is dat het werk van de steekvlieg. Behalve den mensch steekt zij ook
+het vee. Mannetje en wijfje steken beiden; bij de steekmuggen en dazen
+steken alleen de wijfjes. Vooral in paardenstallen komt de steekvlieg
+voor, want de eieren worden in verschen paardenmest gelegd. In
+September komt ze ook veel in de huizen. Men kan ze herkennen aan den
+vrij langen, dunnen, hoornachtigen zuiger; ze lijkt anders veel op de
+kamervlieg. De steekvlieg schijnt in verband te staan met de
+verspreiding van de kinderverlamming. Deze vlieg komt ook veel voor op
+Java en veroorzaakt in Britsch-Indië de soera-ziekte onder de runderen.
+Juist omdat ze cosmopoliet is, is ze zoo gevaarlijk voor den mensch.
+Steekvlieg en kamervlieg zijn evenlang, 6–7 m.M.
+
+No 153. Brom- of Vleeschvlieg. (Calliphora erythrocephala). Deze
+brommer is de schrik van de huismoeders, want die vlieg heeft de
+gewoonte op vleesch haar eieren te leggen. Reeds den anderen dag komen
+uit de eieren de maden, en dat is dan zoo’n vies gezicht, dat men het
+vleesch wegdoet. Om deze aanvallen te voorkomen, zet men het vleesch in
+een vliegenkast. In de vrije natuur is de bromvlieg anders zeer nuttig,
+want zij legt haar eieren daar in allerlei vleeschafval, enz., die zij
+netjes door haar larven laat opruimen. En dat zij nu onze biefstuk ook
+voor een stuk van een dierenlijk aanziet, is haar niet kwalijk te
+nemen; ze heeft immers gelijk? En zij kan het toch niet helpen dat de
+mensch ook geworden is een „opruimer” van dierenvleesch? Zoodoende zijn
+bromvlieg en de mensch „concurrenten”.
+
+De bromvlieg is 11 à 12 m.M. lang, zwart, met een glanzig staalblauw
+achterlijf.
+
+No 154. Schaakbord. (Sarcophaga carnaria). Ook deze vlieg behoort als
+de vorige, tot de opruimers. De eieren worden in ’t lichaam al
+uitgebroed, zoodat deze vlieg een „larvelegster” is. Vooral op
+dierenlijken, doode honden, katten, enz., legt zij haar larven, die
+dadelijk aan den slag trekken. Ze zijn dus zeer nuttig. Men noemt deze
+vlieg „schaakbord”, omdat het achterlijf „grijs en zwart geblokt” is,
+zoodat het op een schaakbord gelijkt. In huis komt ze weinig. Oogen
+helrood, pooten zwart. Lengte 8 tot 15 m.M.
+
+No 155. Nonvlinder-Parasietvlieg. (Parasetigena segregata). Deze vlieg
+is zeker wel de grootste vijand van de nonvlinder-rupsen, en daardoor
+is het dier van groote waarde voor de boschkultuur. Toen wij vroeger
+het parasitisme bespraken, hebben wij reeds op de beteekenis van de
+parasietvliegen gewezen. Zij leggen haar eieren op de rupsen, en de
+larven, die hieruit komen, werken zich naar binnen, en eten allengs de
+geheele rups uit. Als zij in voldoend aantal aanwezig zijn, dan brengen
+zij rupsenplagen tot staan. De parasietvliegen vertoonen het echte
+vliegentype, hebben niet-behaarde sprieten, en groote stekelharen op
+het achterlijf. Van deze vliegen zijn reeds honderden geslachten
+bekend, zoodat zij jaarlijks zeer veel slachtoffers maken. Het zijn dus
+ook „opruimers”, maar zij ruimen levende dieren op. Behalve rupsen
+worden ook andere insecten, b.v. hommels, geïnfecteerd. Bij het
+opkweeken van allerlei rupsen komen we herhaaldelijk in aanraking met
+verschillende sluipvliegen.
+
+No 156. Runderhorzel. (Hypoderma bovis). Dit is inderdaad een mooie
+vlieg, die iets op een hommel gelijkt. Ze is 13 m.M., dus lang niet
+klein. Maar hoe mooi ze ook is, ieder jaar brengt ze ons een schade toe
+van een paar millioen gulden, en dat is geen kleinigheid. De zaak zit
+zoo. De horzel zet haar eieren af op het lichaam van een koe; hoe dat
+eigenlijk gaat, waar, wanneer, weet men nog niet precies. De zaak is
+nog in onderzoek. In ieder geval uit de eieren komen larven, en die
+larven vindt men na eenigen tijd in de koe vlak onder de huid. Die
+larve doet zich daar te goed en groeit zoo flink, dat we op den rug van
+de koe bultjes kunnen zien. Met eenige handigheid drukken wij de larven
+door het gaatje heen, dat ze al zelf gemaakt heeft. Is de larve
+volwassen, dan is ze 22 tot 28 m.M. lang en 11 tot 15 m.M. breed, dus
+een groot dier. Het blijft niet onder de huid, doch het werkt zichzelf
+naar buiten en valt dan op den grond; hier wordt het een pop, graaft
+zich den grond wat in en na een week 3 of 4 komt de horzel voor den
+dag. De wond, die de larve in de huid heeft gemaakt, geneest wel, doch
+het gat blijft bestaan, en als van de huid nu leer wordt gemaakt,
+krijgen we „leer met gaatjes”, dat veel minder handelswaarde heeft.
+Afgescheiden van het nadeel, dat het rund van deze „kostgangsters”
+heeft, maken ze het leer voor vele doeleinden ongeschikt.
+
+Daarom beproeft men deze horzels te bestrijden. Dat gaat op deze
+manier. Men haalt de larven met een pincet of een naald uit de huid en
+doodt ze daarbij. Als men dit geregeld en overal toepast—maar zoover
+hebben wij het nog niet—dan vermindert het aantal horzels zoo sterk,
+dat ze weinig nadeel meer kunnen doen. In Nederland ziet men nog niet
+overal het groote belang van deze zaak in.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT XIV.
+
+VLIEGEN. VLOOIEN. BLADWESPEN. SLUIPWESPEN.
+
+
+No 157. Schapenhorzel. (Oestrus ovis). De runderhorzel, op het vorige
+plaatje afgebeeld, is een z.g. huidbewoner; er zijn ook horzels die in
+de maag of darmen van zoogdieren leven, b.v. de paardenhorzel. Een
+derde soort horzels worden holtebewoners genoemd en daartoe behoort de
+schapenhorzel. In den zomer en nazomer vertoont de horzel zich. Als ze
+vliegt in de nabijheid van de schapen worden deze dieren beangst en
+trachten de neusgaten te verbergen; op alle mogelijke wijzen willen zij
+de horzel ontgaan. Maar ’t baat niet. De horzel komt toch naderbij en
+legt in de neusholte wat larven; de eieren waren in ’t horzel-lichaam
+al uitgekomen. De larven werken zich naar boven en ook den
+voorhoofdsboezem in. Hier leven ze van het slijm en andere stoffen van
+den kop. Doordat zij de vliezen prikkelen heeft er een ruime
+vochtafscheiding plaats. In ’t voorjaar, als de larven volwassen zijn,
+verlaten ze de neusholten op tijdstippen, dat het schaap niest. Ze
+komen dan tusschen het gras terecht en verpoppen daar. In Juli tot
+September komen er dan weer nieuwe horzels. Het spreekt vanzelf, dat de
+aanwezigheid van deze larven hoogst onaangenaam voor de schapen is. Zij
+raken veel slijm kwijt, wrijven met den neus over den grond, loopen met
+den kop te slingeren, worden duizelig. De schapen vermageren zichtbaar.
+Zoodra men iets van de maden merkt, geeft men de schapen wel wat snuif
+om ze sterk te laten niezen, waardoor de larven of maden naar buiten
+komen. Men zegt van zulke aangetaste schapen dat ze lijden aan de
+valsche draaiziekte.
+
+No 158. Koolvlieg. (Chortophila brassicae). Dit 6 m.M. lange vliegje
+heet ook wel Anthomyia antiqua, maar hoe klein het ook is, het
+veroorzaakt heel wat schade. Daar weten de koolbouwers in Langendijk,
+in de Streek en op andere plaatsen in N.-Holland en elders, van mee te
+praten. Het vliegje is de oorzaak van de „vallende ziekte” in de
+koolplanten. De ontwikkeling is aldus. Het vliegje overwintert op
+allerlei plaatsen, waar het een beetje beschut zit. Zoodra nu op de
+kiembedden of koolbanen de plantjes flink aan den groei zijn, komt het
+koolvliegje en legt zijn eitjes vlak bij den jongen wortel. De larven
+vreten zich verder naar boven den stengel in, soms in de bladstelen. De
+koolplanten worden dus ondermijnd en als er nog een matige kool van
+groeit, valt die gewoonlijk om; dat zijn dan de vallers. Behalve op de
+kiembedden valt het vliegje de koolplanten ook op het veld aan. In één
+jaar komen verscheidene generaties, zoodat het met recht een
+vreeselijke plaag kan worden. Veelal gaan de aangetaste planten nog
+kankeren ook; dan is er een zwam bij gekomen. Wat kan men nu tegen het
+koolvliegje doen? Het eenige is te beletten, dat de eieren bij den
+wortel worden gelegd en dit wordt voorkomen door om de planten op den
+bodem een papieren kraag te leggen. Men knipt een rond of zeshoekig
+stuk papier; daarna knipt men van den rand naar het midden de kraag
+open en legt haar zoo om de plant. Dat middel schijnt goed te helpen.
+In ieder geval weert men op deze wijze het vliegje af.
+
+De koolvlieg valt ook de kool aan, die in de schuren wordt bewaard; ’t
+is dus wel een boosdoenster. Eenige kevers, mijten en een sluipwesp
+maken jacht op de larven. Ook heeft men waargenomen dat kraaien de
+aangetaste planten uit den grond trokken om zoo de larven te
+bemachtigen.
+
+No 159. Kaasvlieg. (Piophila Casei). Dit vliegje, 4–5 m.M. lang, is
+veel minder bekend dan zijn larven; dat zijn de z.g. „maaien” of
+„kaasmaden”. ’t Is een zwart vliegje, zonder beharing, met vuilgele
+pooten. De vleugels zijn glashelder. De eieren worden op kaas gelegd en
+de maden, die hieruit komen, doen zich hieraan te goed; zoo’n kaas is
+een luilekkerland voor haar. De maden worden 8 m.M. lang, zijn wit en
+rolvormig. Raakt men haar aan, dan rollen zij zich cirkelvormig op en
+springen dan plotseling weg door het lichaam te strekken. Dit komt bij
+weinig larvensoorten voor. In kaaspakhuizen komen ze nog al eens voor;
+de vliegjes zitten dan wel tegen de ramen. In één jaar komen
+verscheidene generaties voor. Het eenige middel om zich te wapenen
+tegen de kaasvlieg is de kaas b.v. door een blaas af te sluiten. Ook
+papier is goed, want daarop legt de vlieg geen eitjes.
+
+No 160. Wortelvlieg. (Psila rosae). Deze vlieg is de oorzaak van de
+wormstekigheid van de peen en omdat deze kwaal nog al veel voorkomt en
+niet allen de oorzaak en de bestrijding kennen, willen we deze vlieg
+wat uitvoeriger bespreken. Wie peen teelt, kan er dan zijn voordeel
+mede doen. Het vliegje is glanzend zwart, zeer klein, slechts 4½ m.M.
+lang. Het diertje legt de eieren aan de wortels van peen, selderie,
+peterselie en ook wel aan die van karwij. Uit de eieren komen maden en
+die vreten gangen in de wortels. Hoe meer maden er zijn des te erger is
+de verwoesting. Na drie of vier weken is de made volwassen en verpopt
+zich even onder de oppervlakte van de aarde. Na 8 dagen komt hieruit
+reeds het vliegje, dat weer eieren gaat leggen. Meerdere generaties
+krijgen we zoodoende in één jaar. De allerlaatste generatie verpopt ook
+in den grond, doch dan blijven de poppen den heelen winter in den grond
+liggen en eerst in ’t voorjaar komen de vliegen voor den dag. De
+deugnieten blijven dus den winter over in onze tuinen. Wat kunnen wij
+hiertegen doen?
+
+
+ 1. Omdat de vliegjes den grond inkruipen om aan de wortels eieren
+ te leggen, moeten wij zorgen, dat er zoo weinig mogelijk
+ scheurtjes, gleufjes of andere openingen in den grond zijn. Den
+ grond dus bedekken met zand, kalk, asch enz.
+ 2. Na het dunnen de gaatjes aanvallen, zooals hiervoor is gezegd.
+ Uit een wortelbed geen wortels trekken, want dan maken wij gaten,
+ waardoor de vliegjes weer gemakkelijk bij de wortels kunnen komen.
+ 3. Tusschen de planten zand, gedrenkt in petroleum, strooien; dat
+ houdt de vliegen weg, die niet op petroleum gesteld zijn.
+ 4. Men maakt een petroleum-emulsie: 5 L. water, 1 L. petroleum en 1
+ K.G. groene zeep, worden goed dooreen gemengd. Hiermede begiet men
+ het zaadbed na het zaaien, na het opkomen en na het uitdunnen der
+ wortels.
+ 5. Men tele eens geen wortelen, selderie of peterselie. De vlieg
+ blijft dan weg. (Maar misschien krijgen we ze het volgende jaar
+ weer uit buurmans tuin).
+ 6. In den herfst den grond flink omspitten en gespit laten liggen;
+ de poppen die dan boven zijn gekomen, gaan in den winter misschien
+ dood. Is het voorjaar geworden, dan dezen grond diep omspitten,
+ zoodat de overgebleven poppen ook flink diep komen te liggen, en de
+ vliegjes die uit de poppen komen, niet door de dikke aardlaag naar
+ boven kunnen kruipen.
+
+
+No 161. Schapenluisvlieg. (Melophagus ovinus). Dit is de laatste vlieg,
+die wij beschrijven. Goeds valt er niets van te vertellen; ’t is een
+uitwendige parasiet, die den dieren bloed aftapt. De groep, waartoe
+deze vlieg behoort, noemt men luisvliegen. Andere soorten leven op
+paarden, herten, reeën, en vogels. Men noemt ze wel „poppenleggers”
+omdat men meende, dat zij poppen legden; dit is onjuist. Zij brengen
+volwassen larven ter wereld, telkens één, die zich dadelijk gaat
+verpoppen. Door de parasitische leefwijze is haar voorkomen geheel
+veranderd. Ze hebben forsche pooten met krachtige klauwtjes, om zich
+goed te kunnen vasthouden. Het lichaam is plat en de vleugels
+ontbreken. Het dier is 5. m.M. lang, bruin van kleur, en vrij dicht,
+kort en stekelig behaard. De zuiger is hoornig en binnenin zit nog een
+hoornige stift.
+
+Om deze luisvliegen te bestrijden gebruikt men verschillende
+waschmiddelen. Intusschen verdient het ook aanbeveling de
+schapenstallen goed te reinigen, want daarin huizen er ook
+verscheidene, die op de een of andere manier van de schapen afraken.
+
+Hiermede eindigen wij de beschrijving der muggen en vliegen. Uit ’t
+medegedeelde is gebleken, dat deze insecten velerlei rol vervullen in
+de huishouding der natuur.
+
+
+
+Vlooien.
+
+No 162. Menschenvloo. (Pulex irritans), 17de Orde der insecten. Er is
+al geen onaangenamer parasiet dan de vloo. Zij plaagt ons dag en nacht,
+en bij elke gelegenheid. Ons er volkomen tegen wapenen kunnen we niet,
+want in trams, booten, spoor, openbare gebouwen, in vergaderzalen,
+overal kunnen ze ons bespringen. Behalve de mensch, worden ook veel
+dieren door vlooien gekweld; dat zijn dan andere soorten. Totaal zijn
+er in ons land 16 soorten bekend. Laten we eerst iets over het lichaam
+zeggen. De oogen zijn puntoogen; de facetoogen zijn verloren gegaan. Er
+zijn vele vlooien zonder oogen. Sprieten zijn 3-ledig; het eerste lid
+heeft 9 à 10 inkervingen.
+
+De monddeelen zijn stekend-zuigend. Eerst wordt een wonde gemaakt,
+(geprikt), dan vloeit het bloed er heen en wordt opgezogen. Om het
+bloed rijkelijk te doen vloeien, brengt de vloo speeksel in de wonde.
+Mannetje en wijfje steken beiden.
+
+Op het borststuk komen 3 paar stigma’s voor; alle andere insecten
+hebben daar maar 2 paar. Vleugels ontbreken. Als ze nog vleugels
+hadden, waren ze in ’t geheel niet te vangen. Het aantal pooten is
+normaal, dus 6; de voorste zijn de kleinste, de achterste zijn
+springpooten met forsche dijen. Vlooien, die op vogels en vleermuizen
+leven, springen in ’t geheel niet. Het achterlijf is groot, vooral bij
+de wijfjes.
+
+De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago. De eieren
+zijn betrekkelijk groot, wit, glad, en ongeveer 20 in aantal. De larven
+hebben geen pooten en geen oogen, en worden 5 m.M. lang. De larve spint
+zich in een klein coconnetje, en daarin komt een pop met zichtbare
+organen. De heele ontwikkeling van ei tot vloo duurt ongeveer één
+maand. We kunnen dus heel gauw een leger vlooien in huis hebben.
+
+Voedsel der larven. Hierover bestaat nog verschil van gevoelen. Men kan
+de dieren niet gemakkelijk kweeken en daarom weinig of geen proeven met
+hen nemen. Intusschen gebruiken ze de stikstofhoudende schilfers, die
+van de menschelijke huid vallen, en terecht komen in de naden der
+vloeren, vooral van slaapkamers. Ook in hooi leven wel larven. Als
+larve leeft dus de menschenvloo niet op den mensch, doch op plaatsen,
+zooals de naden van vloeren, waar veel afval terecht komt.
+
+Hoe zullen wij nu de vlooien bestrijden? Door haar te vangen raken wij
+ze toch niet kwijt, want uit de vloernaden komen telkens weer nieuwe.
+Insectenpoeder geeft ook niet. We moeten de vlooien geen gelegenheid
+geven eieren te leggen, en zoo dit toch is geschied, de larven dooden.
+Daarom moeten wij de vloeren der slaapkamers en vooral de naden, met
+kokend sodawater reinigen; dat doodt de eieren en de larven. De
+vlooienbestrijding moet dus op den vloer plaats hebben.
+
+In musea laat men mannen loopen met bloote beenen, waaromheen geteerd
+papier; de vlooien springen hiertegen en blijven vastzitten. Ten slotte
+willen wij er op wijzen, dat de vlooien zeer gevaarlijk zijn door het
+overbrengen van ziekten, net als de steekmuggen. Zoo brengt de
+rattenvloo de pest van de ratten over op den mensch. Deze vreeslijke
+ziekte heerscht op het oogenblik op Java, en eischt dagelijks veel
+slachtoffers. De pest is eigenlijk een rattenziekte, die de vlooien van
+rat tot rat overbrengen. Wij dienen de vlooien dus overal krachtig te
+bestrijden. Op allerlei dieren komen vlooien voor.
+
+Uit het bovenstaande blijkt voldoende, dat het niet waar is, dat
+vlooien zoo maar uit niets in vuil kunnen ontstaan. Iedere vloo is
+ontstaan uit een vlooien-ei, dat door een oude vloo is gelegd.
+
+
+
+Vliesvleugeligen.
+
+Thans beginnen we met de laatste of 19de Orde der insecten, de
+Vliesvleugeligen of Hymenoptera. Dit is de hoogst georganiseerde groep
+en daarom dan ook zeer belangrijk. Hiertoe behooren: blad-, hout-,
+gal-, sluip- en goudwespen, mieren, graafwespen, gewone wespen, bijen,
+hommels. Er zijn al een paar duizend soorten bekend, maar zeker is het,
+dat er nog een massa onbekend zijn. Vermoedelijk is deze orde de
+talrijkste.
+
+
+
+Algemeene beschrijving.
+
+
+ 1. De gedaanteverwisseling is volkomen.
+ 2. De volwassen dieren hebben een stevige, dikke chitinehuid, veel
+ dikker dan de vliegen.
+ 3. Sprieten meestal eenvoudig; toch zijn het zeer belangrijke
+ organen.
+ 4. Behalve de 2 oogen zijn er gewoonlijk 3 puntoogen op den
+ schedel.
+ 5. De monddeelen zijn kauwend, dus eenvoudig gebouwd; alleen bij de
+ bijen en hommels zijn de onderkaken en onderlip gewijzigd tot een
+ zuig- of likorgaan. De bovenkaken zijn sikkelvormig en scherp
+ gepunt en meestal getand; het zijn dus organen waarmede arbeid kan
+ verricht worden. Die bovenkaken worden gebruikt:
+
+ a. voor het grijpen en kneuzen van het voedsel;
+ b. om den cocon open te bijten;
+ c. om zich te reinigen;
+ d. bij den woningbouw (wespen, bijen).
+
+ 6. Vleugels. De voorvleugels zijn het grootst; voor- en
+ achtervleugels zijn verbonden door haakjes, net als bij de
+ bladluizen. Daardoor zijn het goede vliegers. Soms ontbreken de
+ vleugels. De werksters bij de mieren zijn ongevleugeld.
+ 7. Pooten. Deze zijn vaak eigenaardig gebouwd; zoo bezitten sommige
+ stuifmeelverzamelende vliesvleugeligen korfjes aan de achterpooten.
+ Daarop komen we nog terug.
+ 8. Achterlijf. Hier treffen we een legboor aan; soms is die legboor
+ gewijzigd tot een angel (bijen, wespen, hommels). Hommels zijn
+ dicht behaard, sluipwespen zijn kaal.
+ 9. Larven. De hymenoptera-larven zijn in 2 groepen in te deelen:
+
+ a. rupsvormige (bastaardrupsen), b. madevormige, en zoo zijn de
+ meeste. Bastaardrupsen zijn de larven van bladwespen (No 6 en
+ No 11). De madevormige hebben geen pooten en leven in gallen
+ (galwespen), ook wel parasitisch (sluipwespen), worden ook wel
+ door de moeder van voedsel voorzien (graafwespen) of worden
+ door andere imago’s gevoerd (bijen, mieren, wespen).
+
+10. Poppen. De poppen zijn altijd vrij, de vleugel-, de poot-, de
+ legscheden, ze zijn alle vrij van elkaar gebleven. Het heele dier
+ is aan de pop al te herkennen.
+11. Verschillen tusschen de mannetjes en de wijfjes. De wijfjes
+ hebben een legboor of een angel; de mannetjes steken niet. Het
+ mannetje is meestal kleiner, teerder en slanker, maar het bezit
+ vaak langere sprieten.
+
+
+Bijna alle vliesvleugeligen zijn zeer bedrijvige en rustelooze dieren;
+zie de bijen, hommels en wespen maar eens bij haar bloemenbezoek. En
+dan de mieren. „Ga tot de mieren, gij luiaard, en wordt wijs”. Alleen
+blad- en galwespen zijn niet zoo vlug; daarom zien de leeken deze
+dieren aan voor vliegen.
+
+Zooals we reeds zeiden, zijn de vliesvleugeligen de hoogst ontwikkelde
+insecten; dat blijkt uit haar technische vaardigheid en uit haar
+staten-vorming (sociale insecten).
+
+Achtereenvolgens zullen wij nu beschrijven:
+
+
+ 1. bladwespen (No 163 en No 164),
+ 2. houtwespen (No 165),
+ 3. galwespen (No 166),
+ 4. sluipwespen (No 167 en No 168),
+ 5. mieren (No 169–No 171),
+ 6. graafwespen (No 172 en No 173),
+ 7. wespen (No 174),
+ 8. bijen (No 175–No 177),
+ 9. hommels (No 178–No 180).
+
+
+De vier eerste groepen bezitten een legboor, de andere een angel.
+
+
+
+Bladwespen.
+
+Bladwespen zijn in ’t algemeen trage dieren; vaak kan men ze met de
+hand van het blad nemen. De wijfjes hebben een zaagboor; daarmede zagen
+zij een gleuf in een bepaald plantendeel, en leggen daarin haar eieren.
+Sommige bladwespen leggen de eieren gewoon op de bladeren. De larven
+heeten bastaardrupsen; zie Plaat I No 6 en No 11. Zij lijken veel op
+rupsen; de meeste komen daarmede ook overeen in leefwijze, omdat ze op
+planten leven. Een leek ziet een bastaardrups voor een rups aan. Reeds
+vroeger hebben wij de verschillen opgenoemd: een bastaardrups heeft 2
+puntoogen en een rups 12; bovendien heeft de eerste veel meer
+buikpooten, n.l. 16.
+
+
+
+Als een bastaardrups verontrust wordt, als er sluipwespen in de buurt
+zijn, dan neemt zij een schrikstand aan, de S-houding. Andere
+bastaardrupsen hullen zich in een laagje witte was of in een slijmlaag;
+sommige spuiten vocht uit (No 6).
+
+Bladwespen komen veel voor; men treft ze aan op: kruisbessen, roode en
+witte aalbessen, berk, den, els, knollen, rapen, mosterd, ooftboomen,
+roos, spar en wilg. Men kan ze dus overal vinden.
+
+No 163. Kruisbessenbladwesp. (Pteronus ribesii of Nematus ventricosus).
+De eerste is de nieuwe, de tweede de oude naam. Deze bladwesp is zeer
+berucht in ons land, omdat de bastaardrupsen groote verwoestingen in de
+bessenstruiken aanbrengen. Als men in Mei of Juni hoort van een
+„rupsenplaag in de bessen”, dan is het altijd over deze bastaardrups.
+De tuinders maken geen onderscheid tusschen rupsen en bastaardrupsen;
+trouwens de meeste kennen het verschil ook niet. Vroeg in ’t voorjaar
+komt de bladwesp uit den grond; ze is 8 m.M. lang; vlucht 16 à 17 m.M.
+Roodachtig geel met zwarten kop; vleugels helder. Als deze wesp uit den
+grond komt en zich op de bladeren zet om eieren te leggen, merken de
+bessenkweekers dit niet; ’t dier lijkt precies een vlieg. Uit de eieren
+komen de bastaardrupsen, die zich aan den rand der bladeren zetten en
+deze zoo oppeuzelen. Ze zijn groen, met zwarte puntjes; achter den kop
+en op het einde van het lichaam geel; kop glimmend zwart.
+
+Einde Mei, begin Juni, zijn ze volwassen en dan 15 m.M. lang. Nu gaan
+ze naar omlaag, kruipen den grond in, verpoppen daar, en na 3 à 4 weken
+komen er weer bladwespen uit den grond. Deze gaan ook weer eieren
+leggen en nu worden de bessenstruiken geteisterd door de tweede
+bastaardrupsenplaag. Is het weer zeer gunstig, dan kan er een derde
+generatie komen. Op deze wijze komt er van de bessen weinig terecht.
+Hoe kan men deze dieren nu bestrijden? Het goedkoopste middel is de
+struiken te bespuiten met koud water. Heeft men vooruit kranten onder
+de struiken gelegd, dan rollen de bastaardrupsen daarop, en kan men ze
+vernietigen. Verder zou men de struiken kunnen besproeien met de
+volgende oplossing: 100 L. water en daarin 5 H.G. versch gebluschte
+kalk en 1 H.G. uraniagroen (vergift). Deze besproeiing is de dood voor
+de larven.
+
+Heeft men maar een klein bessentuintje, dan kan men de bastaardrupsen
+er in Mei afzoeken. De laatste generatie overwintert in den grond.
+
+No 164. Dennenbladwesp. (Lophyrus pini). Op Plaat I No 11 is de
+bastaardrups van deze wesp afgebeeld; uitvoerig is deze larve
+beschreven. Van de wesp valt niet veel te vertellen. Het mannetje is
+slanker dan het wijfje; de sprieten zijn bij de eerste gekamd, bij de
+tweede gezaagd. Het mannetje is grootendeels zwart, het wijfje in den
+regel ook zwart, met veel geel, roodgeel of geelachtig groen er
+doorheen. De cocons zijn vast en leerachtig.
+
+
+
+Houtwespen.
+
+Deze leggen haar eieren meestal in zieke boomen, ook wel in geveld
+hout. De larven vreten zich in het hout in en maken daarin
+„vreetgangen”, die dicht opgevuld zijn met kleine spaanders en
+excrementen. De gangen zijn cylindrisch. De larven hebben zeer korte
+(rudimentaire) borstpooten en zeer kleine buikpooten (vleezige
+knobbels); ze zijn blind en kleurloos. Op het einde van het lichaam een
+zwarte hoornachtige punt; daaraan zijn ze te onderscheiden van de
+boktorlarven, die ook in hout leven. De larven bederven het hout, dat
+technisch minder waarde krijgt. Ze leven lang in het hout, gewoonlijk 2
+jaar, maar ook wel langer. Ze komen nog wel uit het bewerkte hout, uit
+meubelen, als wij die in huis hebben. De poptoestand duurt niet lang.
+De wespen vreten zich naar buiten, zelfs door lood en blik heen.
+
+No 165. Gewone Houtwesp. (Sirex juvencus). Het wijfje is 26 m.M. lang,
+’t mannetje gewoonlijk maar de helft. De kleur van ’t wijfje is
+staalblauw; de pooten zijn geelachtig rood en de vleugels geel. Het
+mannetje heeft een breeden geelbruinen gordel om het achterlijf. Ze
+leven meest in sparren, en komen nog al eens uit de meubels te
+voorschijn.
+
+
+
+Galwespen.
+
+Dit zijn maar heel kleine dieren, hoogstens 5 m.M.; de kleur is meestal
+zwart, ook wel bruin, rood of geel. Op de eiken komen veel gallen voor;
+op de bladeren, katjes, eikels, wortels, en takken. Bij de galvorming
+doet zich dikwijls generatiewisseling voor; één generatie overwintert
+in de gallen, en dat zijn de wijfjes; de tweede generatie maakt andere
+gallen, van korten duur; hieruit komen mannetjes en wijfjes. De studie
+der gallen is zeer interessant, maar het onderwerp is wat te uitgebreid
+om het hier te behandelen.
+
+In verschillende gallen zit veel looistof, die gebruikt wordt bij het
+looien van leer en het maken van inkt; voor andere doeleinden worden de
+gallen ook nog gebruikt.
+
+Er zijn enkele galwespen, die leven als parasiet in andere insecten;
+dat zijn dus overgangen tot de sluipwespen.
+
+No 166. Eikengalwesp met gal. (Cynips kollari). De gallen, die deze
+galwesp maakt, zijn zeer bekend; ze zijn rond en hard. Tot voor korten
+tijd waren alleen de vrouwelijke vormen bekend van de eene generatie.
+Prof. Beyerink (Delft) heeft evenwel ook de tweede generatie, mannetjes
+en wijfjes, ontdekt. Wanneer men de gallen opent, vindt men daarin de
+larven. Het komt evenwel voor, dat deze larven weer zijn aangetast door
+sluipwespen, zoodat men bij kweeking geen gal- maar sluipwespen krijgt.
+
+
+
+Sluipwespen.
+
+Deze wespen vormen een belangrijke groep, die een groote economische
+beteekenis heeft, omdat de sluipwespen enorme massa’s rupsen dooden en
+daardoor ten slotte ook rupsenplagen tot staan brengen, Zij gaan op de
+rupsen af en door middel van een lange legboor doorpriemen zij de
+rupsenhuiden, en schuiven tegelijk haar eieren in het lichaam van de
+rups. De larven (maden) die uit deze eieren komen leven geheel ten
+koste van haar gastheer, die dit bezoek met den dood moet bekoopen.
+
+Als de sluipwesp naar rupsen gaat zoeken, komen haar goede oogen en
+vooral haar goeden reuk haar goed te pas. Er zijn wel sluipwespen, die
+door het hout heen haar legboor steken en zoo de larven infecteeren van
+de houtwespen (No 165). Zij kunnen die larven niet zien, moeten ze dus
+wel ruiken. De sprieten (reukorganen) der sluipwespen zijn dan ook lang
+en altijd in beweging. Het komt bij sommige soorten voor, dat de eieren
+op den gastheer worden gelegd. Als de larven volwassen zijn verpoppen
+ze; dit gebeurt binnen, ook wel buiten den gastheer. In dit laatste
+geval kruipen de larven eerst naar buiten. Behalve rupsen vallen de
+sluipwespen ook wel vliegen, bladluizen en kevers aan.
+
+De infectie geschiedt zoowel in het ei, als in de larve, de pop en de
+imago. Ei-parasieten zijn er niet veel; larve-parasieten komen het
+meest voor; dat poppen en imago’s geïnfecteerd worden komt ook niet zoo
+druk voor. Bladluizen en O. L. Heersbeestjes worden intusschen wel
+aangevallen.
+
+De keuze van ’t voedingsdier is nog al afwisselend; sommigen houden
+zich aan één soort gastheer; anderen hebben een ruimer keuze. Sommige
+geslachten tasten zoo wat alles aan.
+
+Hoeveel maden van een sluipwesp komen er nu wel voor? In sommige
+geïnfecteerde eieren vindt men nog wel 12 sluipwespen; of die dan ook
+klein zijn. Uit rupsen zijn wel 1000 tot 2500 wespen gekomen; er zijn
+dan niet zooveel eieren gelegd, doch uit één ei komen dan vele wespen.
+
+Het einde van den gastheer is, dat hij sterft; gewoonlijk is de rups
+één dag na het uitkruipen der larven dood. Soms brengt de rups het nog
+tot pop.
+
+Omdat de sluipwespen bekend staan als uitstekende rupsendooders,
+bezitten zij veel waarde voor onze kulturen. In Amerika heeft men
+daarom de sluipwespen kunstmatig gekweekt, om ze daarna op de rupsen
+los te laten. Ook in Deli (Sumatra) is men aan het werk om met
+sluipwespen rupsen te bestrijden, die op tabak leven. Ten slotte nog
+een curiositeit. Wanneer een rups inwendig bezet is met larven van een
+sluipwesp, dan gebeurt het wel, dat een andere soort sluipwesp komt en
+haar eieren legt in de larven van de eerste soort. Deze noemt men
+sluipwespen van de 2de orde. Zij dooden dus de eerste maden door ze uit
+te eten en daarom zijn de sluipwespen van de 2de orde schadelijk. Er
+komen ook sluipwespen van de 3de orde voor; die zijn dan weer nuttig.
+
+Men leert de sluipwespen het best kennen door allerlei insecten in huis
+op te kweeken.
+
+No 167. Pijlstaart-Sluipwesp. (Trogus lutorius). Dit is een van onze
+grootste sluipwespen; ze is 27 m.M. en in hoofdzaak roodgeel; de borst
+is zwart; geel zijn de sprieten bij ’t mannetje en de sprietspits bij
+het wijfje; ook de pooten grootendeels. De vleugels zijn geelachtig.
+Het is geheel toevallig als we met deze groote sluipwespen kennis
+maken. Bij het opkweeken van pijlstaarten gebeurt het wel, dat enkele
+poppen schijnbaar niet uitkomen. Doch dan zien we plotseling uit die
+poppen zoo’n groote sluipwesp komen. Dat is dan een Trogus. De
+pijlstaartrups heeft het dus nog tot verpoppen gebracht.
+
+No 168. Koolsluipwesp. (Apanteles glomeratus). In de Inleiding over de
+„Geschiedenis van het Koolwitje” hebben we over deze sluipwesp reeds
+gesproken; wij mogen dus daarheen verwijzen. Als men in ’t najaar wat
+koolrupsen opkweekt, krijgt men zeker daaruit ook wel sluipwespen. Het
+zijn kleine diertjes van een paar m.M. lengte.
+
+
+
+
+
+
+
+
+PLAAT XV.
+
+MIEREN. GRAAFWESPEN. WESPEN. BIJEN. HOMMELS.
+
+
+MIEREN.
+
+We komen thans aan de meest intelligente insecten, aan de
+statenvormers, die een soort samenleving, een maatschappij, vormen. Een
+maatschappij, ook een mierenmaatschappij, berust op o.m. verdeeling van
+arbeid. Maar die is alleen niet voldoende; er moet ook eensgezindheid
+heerschen, hulpvaardigheid. En die nemen we bij de mieren in hooge mate
+waar. Ze bewijzen elkaar vele „vriendendiensten”, o.a. verzorgen ze
+elkaars toilet. Niettegenstaande de mieren altijd in en op de aarde
+werken, voortdurend met stof bestoven worden, met allerlei zoete en
+kleverige stoffen in aanraking komen, ook met dierlijken afval, zien ze
+er toch altijd netjes en schoon uit. Ze poetsen elkaar in de nesten op!
+
+Maar laten we eerst eens zien hoe een mierenstaat in elkaar zit.
+
+Polymorphisme. Reeds vroeger (Algemeen gedeelte blz. 9.) hebben wij
+gesproken over het polymorphisme of de veelvormigheid bij de insecten.
+Daarmede wordt bedoeld, dat er naast de mannetjes en wijfjes nog andere
+individuen voorkomen; die derde groep zijn de werksters. Deze werksters
+zijn niet volledig ontwikkelde wijfjes. Die mindere ontwikkeling hebben
+ze te danken aan de slechtere voeding.
+
+In veel mierenkolonies nemen wij waar, dat de werksters weer in
+verschillende groepen zijn ingedeeld, al naar haar functie is. Zoo zijn
+er werksters met „groote koppen en groote kaken” die voor de
+verdediging der kolonie hebben te zorgen; die noemt men de soldaten.
+Zij houden de wacht aan de nestopeningen en moet er gevochten worden,
+dan zijn ze er bij. Door de grooten kop zijn het echte monsters.
+
+Aan de gewone werksters, die nooit vleugels hebben, is de zorg voor de
+heele kolonie opgedragen. Zij bouwen het nest, verzorgen de jongen,
+voeden die; in één woord, de werksters houden het huishouden gaande. De
+wijfjes leggen alleen eieren, laten zich door de werksters voeden, en
+zien verder naar niets om.
+
+In een mierenkolonie zijn dus 3 kasten: mannetjes, wijfjes en
+werksters. De mannetjes zijn maar heel kort in de kolonie, zoodat het
+overgroote deel van het jaar een mierennest bezet is met één of meer
+wijfjes en verder een groot aantal werksters. ’s Winters is de kolonie
+op dezelfde wijze bezet. Net als bij de honingbijen overwinteren dus de
+koningin (het wijfje) met de werksters. Bij de honingbijen is maar één
+koningin in den korf, bij de mieren zijn er meestal meer in het nest.
+
+Alle merkwaardigheden, die men van de mieren weet te vertellen, komen
+dus hoofdzakelijk voor rekening van de werksters; de kolonie, dat zijn
+de arbeidsters. De wijfjes zijn het grootst en evenals de mannetjes,
+gevleugeld. Na de copulatie verliest het wijfje de vleugels.
+
+
+
+Ontwikkeling.
+
+De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago.
+
+Als de eieren gelegd worden, zijn ze klein. Door een regelmatige
+bevochtiging met speeksel van de werksters, worden de eieren grooter;
+men zou kunnen zeggen: het ei eet. Als men de eieren droog bewaart
+verschrompelen ze. Na eenige weken komt uit het ei een larve, zonder
+pooten, zonder oogen; het is een made, die hulpeloos in ’t nest ligt.
+Deze maden worden door de werksters gevoed met kliervochten. Maar bij
+de voeding alleen laten zij het niet. Ze brengen de larven ook naar
+buiten om lucht- en zonnebaden te genieten! Als de zon onder gaat,
+worden de larven weer naar beneden gebracht.
+
+Na langer of korter tijd wordt de larve een pop. Sommige spinnen een
+stevigen cocon; zulke cocons noemt het publiek miereneieren, die een
+gewild voedsel voor insectenetende kooivogels zijn.
+
+Uit die cocons komen dan later de mieren, maar daarbij hebben zij hulp
+noodig van de werksters; die bijten met haar scherpe bovenkaken de
+cocons door.
+
+Het eierleggen gaat maar geregeld door en soms vele jaren achtereen
+blijft hetzelfde wijfje in het nest. Gewoonlijk kan men in een nest
+tegelijk eieren, larven en poppen vinden.
+
+Nestbouw. De nestbouw van de mieren staat lang zoo hoog niet als die
+bij wespen en bijen. Een „mierenstad” is een doolhof van steegjes en
+gangen, hier en daar onderbroken door grootere „hallen”. Een bepaalde
+methode schijnen ze er ook niet op na te houden. Intusschen is er toch
+nog al wat verschil. We kennen aardnesten, nesten onder steenen, nesten
+in boomstammen, onder boomschors, in zolderbalken, nesten gedeeltelijk
+in, gedeeltelijk boven den grond. Ook worden er nesten in holle boomen
+gemaakt, door eenige verdiepingen op elkaar te zetten; het
+bouwmateriaal bestaat dan uit gekauwd hout doorwerkt met kliervocht;
+deze mieren noemt men cartonwerkers.
+
+Sommige nesten staan met elkaar in verbinding, terwijl weer andere een
+paar mierensoorten herbergen.
+
+Kunstnesten. Het leven der mieren kan men niet alleen in de vrije
+natuur, maar ook in huis, in school bestudeeren. Naast rupsenhuizen,
+insectaria, terraria en aquaria zijn sedert eenige jaren in gebruik
+formicaria of myrmicaria. Dat zijn kunstmatige mierennesten. Men kan
+deze o.a. zien in het Insectarium in Artis. In deze formicaria kan men
+veel van het mierenleven waarnemen, bovendien kan men verschillende
+proeven met de mieren nemen.
+
+Het ligt buiten ons bestek, deze nesten nader te beschrijven; alleen
+willen wij nog mededeelen, dat er verschillende systemen van deze
+nesten bestaan, n.l. van Lubbock, Janet, Wasmann, Viehmeyer, Dankler en
+Wheeler. Zoo’n formicarium of myrmicarium is in den handel.
+
+Mierengasten. In mierennesten worden allerlei gewilde en ongewilde
+gasten gevonden. Tot de gewilde behooren o.a. de bladluizen en enkele
+kevers, die zoete vochten afscheiden, waarop de mieren verlekkerd zijn.
+Onder No 31 hebben we zoo’n mierengast, een kevertje, beschreven.
+
+Er zijn ook indringers, die leven van den afval, van mierenlijken, van
+mijten; ook rooven zij wel de voedingsstoffen op het oogenblik dat de
+larven gevoederd worden. Het komt voor, dat eieren, larven en poppen
+worden geroofd. Vooral veel kevers worden in de nesten aangetroffen.
+Het gaat in zoo’n mierennest als in een groote stad: er huist van
+alles.
+
+Voeding. Mieren zijn snoepsters van zoete stoffen of vleescheters. Die
+zoete stoffen halen ze uit de bloemen (honing) en verwoesten daarbij de
+bloemen soms geheel, vooral als de honing wat diep zit. Een andere bron
+van zoetigheid zijn de bladluizen. Wij hebben er reeds op gewezen, dat
+de uitwerpselen van de bladluizen suikerhoudend zijn; dat behoeft ons
+niet te verwonderen, want zij zuigen de beste sappen uit de planten en
+in alle planten zit suiker. Om niet altijd zoo ver van huis te moeten
+om suiker te halen, houden de mieren er bepaalde
+„bladluizenkweekerijen” op na. Zoo zetten zij verschillende bladluizen
+op wortels van planten, en als zij nu suiker noodig hebben, gaan zij
+hun koetjes „melken”. Door het achterlijf der bladluizen met haar
+sprieten te bewerken, brengen de mieren haar tot afscheiding.
+
+Zij klimmen ook langs de met bladluizen bezette planten en boomen, en
+gaan daar melken. Gelijktijdig vermoorden zij o.a. de larven van het O.
+L. Heersbeestje, die vijanden van de bladluizen zijn, zooals wij bij No
+72 hebben beschreven. De snoeplust der mieren is ons dus zeer nadeelig,
+want daardoor wordt de bladluizenplaag bevorderd.
+
+Andere mieren zijn vleescheters, b.v. de roode boschmier (No 169–171).
+Deze eet vooral veel insecten en behoort dus tot de nuttige
+„boschwachters”. Men heeft uitgerekend dat een roode-boschmierenkolonie
+iedere minuut 28 insecten noodig heeft dat is per dag 100000 en in één
+zomer meer dan 10 millioen. Daarom is het in Duitschland verboden, deze
+mierennesten te verstoren of er de poppen (z.g. miereneieren) uit te
+halen. In Stiermarken daarentegen laat men dit nog wel toe en worden er
+jaarlijks 50 à 60 H.L. miereneieren verzameld, die een waarde hebben
+van f. 6.— à f. 7.—per H.L. Voor dit luttele bedrag worden jaarlijks 96
+tot 134 millioen mieren vernietigd. Een groote domheid. Bij ons is het
+verzamelen van mierenpoppen ook niet verboden; maar onze boschkultuur
+heeft ook niet dien omvang als elders. Intusschen zou het voor de
+opvoeding van ons volk ook goed zijn, als het hier verboden werd. De
+roode boschmier moet gespaard worden.
+
+Verdedigingsmiddelen. Mieren hebben stevige bovenkaken en kunnen zich
+daarmede goed verdedigen. In het nest zijn bovendien nog „soldaten”,
+wier kaken nog grooter zijn. Verder bezitten alle mieren giftklieren in
+het achterlijf, maar niet alle mieren hebben een angel. De roode
+boschmier b.v. heeft er geen. De angeldragende mieren doorpriemen haar
+vijand en spuiten tegelijk het gift er in. De andere mieren bijten
+eerst een wonde en spuiten er dan gift in. De uitwerking is in beide
+gevallen dezelfde. De mannelijke mieren steken niet en bezitten ook
+geen giftklieren.
+
+
+
+Economische beteekenis der mieren:
+
+De mieren, die insecten eten, zijn nuttig. Alle anderen, die bij ons
+voorkomen, zijn lastig of schadelijk. Door haar bladluizenkweekerij
+worden ze indirect schadelijk; ook door het verwoesten van bloemen.
+Verder zijn ze lastig door haar nestbouw; zij werpen hoopen op in
+weilanden en gazons, waardoor het maaien wordt bemoeilijkt. De mieren,
+die in boomstammen nestelen, maken het hout technisch onbruikbaar.
+Verder zijn alle mieren lastig, die in huis op bezoek komen.
+
+Buiten ons land komen allerlei nuttige mieren voor. Reizende mieren
+bezoeken in grooten getale de woonhuizen, zuiveren die van alle
+ongedierte en gaan dan verder. De theeplanten worden aangetast door een
+wants; hierop laat men nu de mieren los, die de wantsen te lijf gaan.
+Men noemt dit het „bemieren” van een theetuin. In Afrika leeft een
+mierensoort, waarbij aan eenige werksters is opgedragen den honing voor
+de kwade dagen te reserveeren. De honing wordt bewaard in de krop, die
+zeer sterk opzwelt; het geheele achterlijf neemt reusachtig in omvang
+toe. In Amerika (Mexico) worden deze mieren op de markt verkocht. Voor
+1 K.G. honing heeft men wel een 1000 mieren noodig.
+
+Het bestrijden van de mieren. Dit kan alleen afdoende geschieden door
+het nest te verwoesten en de inwonenden te dooden. In ’t nest zitten de
+wijfjes, liggen de eieren, larven en poppen, en als men dat alles niet
+vernietigt, komen er telkens weer nieuwe werksters bij. Nesten, die
+buitenshuis liggen, in den tuin of in ’t weiland kan men het
+gemakkelijkst „uitmoorden”. Men werpt dan vergiften in ’t nest, doet de
+mieren door giftige dampen stikken, of tracht ze door warmte te dooden.
+Men giet kokend water in ’t nest. Gebruikt men zwavelkoolstof, dan
+stikken ze. Men onthoude, dat de zwavelkoolstofdampen zeer giftig zijn.
+Lost men 28 gram cyankali (een zeer zwaar vergift) op in 3¾ L. water,
+en overgiet men hiermede het nest, dan gaan ze ook dood. Kan men flink
+wat ongebluschte kalk in ’t nest brengen en dit met water overgieten,
+dan ontstaat daarbij zooveel warmte, dat de dieren dood gaan.
+
+En hoe bestrijdt men de mieren, die zich in huis vertoonen? Van
+bestrijden is eigenlijk geen sprake, wel van wegvangen. Men zet lage
+schoteltjes of borden neer met honing, stroop of sterk suikerwater en
+doe er wat gist door; de beestjes, die er van gesmuld hebben komen niet
+meer terug. Men legt een spons neer waarin wat suiker; de mieren komen
+er op af en als ze in de spons zitten wordt deze in het water geworpen.
+Maar afdoende is alleen het verstoren der nesten. In de steden kan men
+die niet gemakkelijk vinden, omdat ze onder de huizen zitten. Soms
+zitten de nesten 3, 4 of 5 huizen verder.
+
+Voorkomen in Nederland. Er komen in ons land nog heel wat mierensoorten
+voor. Een beruchte mier is de Pharaomier, uit warme landen
+hierheengevoerd, die voor een 30 jaar het postkantoor te Leeuwarden
+totaal onbewoonbaar heeft gemaakt. Het zijn kleine diertjes; de
+werksters zijn niet grooter dan 1½ à 2 m.M. Verder komen er gele,
+zwarte en roode mieren voor; een van deze laatsten zullen wij nu
+bespreken.
+
+No 169, No 170 en No 171. Roode Boschmier. (Formica rufa). Mannetje,
+wijfje en werkster. Wij hebben deze drie laten afbeelden, om er nog
+eens de aandacht op te vestigen, dat er 3 soorten individuen, 3 kasten,
+in een mierennest voorkomen. Het mannetje is effen bruinzwart; het is
+11 m.M. lang. Het wijfje is iets kleiner; het is glanzig zwartbruin of
+zwart, terwijl het achterlijf bruinrood is. De werksters zijn nog
+kleiner; het borststuk is bruinrood, het achterlijf zwartbruin. De
+werksters zijn altijd ongevleugeld. Voor de wijfjes met eierleggen
+beginnen, worden haar de vleugels uitgetrokken. De mannetjes, die
+altijd gevleugeld zijn, leven maar kort.
+
+In het nest van de roode boschmier komen gewoonlijk vele wijfjes voor;
+zoodoende kunnen deze kolonies zeer volkrijk worden. De onderbouw van
+het nest zit in den grond; de bovenbouw vertoont zich als koepel
+daarop. Bij den nestbouw wordt allerlei plantenafval gebruikt. ’s
+Avonds en bij regenachtig weer trekken de werksters het nest in; met
+zonnig weer zijn ze zeer bedrijvig. De roode boschmier komt overal voor
+en in onze bosschen zijn de mierennesten wel bekend. Omdat zij leven
+van andere insecten, zijn ze zeer nuttig. De poppen van deze mier
+worden uit de nesten gehaald en verhandeld als „miereneieren”. De roode
+boschmier heeft geen angel. Het vocht uit de giftklieren kan zij
+intusschen ver weg spuiten. ’s Winters wordt de kolonie niet
+opgebroken, doch wijfjes en werksters blijven in de nesten. Dat is een
+verschil met de wespen en hommels, die haar kolonies in den nazomer
+opbreken.
+
+
+
+Graafwespen.
+
+Deze vormen een zeer eigenaardige groep. Het zijn dieren, die geen
+kolonies of staten vormen, doch geheel alleen leven; ’t zijn solitaire
+wespen, in tegenstelling met de gewone, statenvormende wespen, die
+sociale wespen heeten. Iedere graafwesp heeft een eigen menu; er
+bestaat dus voorkeur en daardoor beperking. Al deze dieren leven van
+andere insecten. De oude wespen vangen het een of andere insect, en
+door het eenige prikken met den angel te geven, wordt het dier wel
+verlamd maar niet gedood. Het slachtoffer wordt geprikt in den
+buikzenuwstreng. Nu komt voor de graafwesp het zwaarste werk; ’t
+verlamde dier moet getransporteerd worden, want het slachtoffer moet
+dienen tot voedsel voor de jonge graafwesp. Hier of daar is door de
+graafwesp een holletje gemaakt, waarheen het slachtoffer wordt gesleept
+of gedragen; in dat kuiltje of gangetje wordt het neergelegd. Is dit
+geschied, dan legt de graafwesp op of bij het slachtoffer een ei, en
+doet dan het kuiltje dicht. Verder kijkt de oude graafwesp er niet naar
+om.
+
+Intusschen komt uit het ei een larve, en die vindt haar boterham klaar,
+ze kan aan het eten gaan. Het aangestoken, verlamde slachtoffer, leeft
+gewoonlijk nog en is nog niet in rotting overgegaan. De larve zal het
+nu gaan verwerken.
+
+Deze vorm van voeding is eigenlijk een soort van parasitisme; de
+graafwesplarve zuigt haar slachtoffer uit. Een enkele graafwesp valt
+wel eens een nuttig insect aan. Zoo rooft Philanthus apivorus wel
+honingbijen; die is dus schadelijk, maar de andere graafwespen zijn
+nuttige dieren.
+
+No 172. Rupsendooder. Graafwesp. (Ammophila sabulosa). Dit zijn bekende
+dieren. Het achterlijf is lang gesteeld. Het achterste lid van dezen
+steel en een gedeelte van ’t achterlijf zijn lichtrood; het andere deel
+van het achterlijf is zwart. Het zeer beweeglijke dier varieert nog al
+in grootte die wel van 15 tot 30 m.M. loopt. Hoe beter het dier in de
+jeugd zich kon voeden, des te grooter wordt het. Men moet wel in ’t oog
+houden, dat het zelf zijn voedsel als larve niet kan opzoeken. Daarvoor
+zorgt de moeder, en nu valt het eene hapje wel eens wat grooter uit dan
+het andere. Het is een zeer interessant gezicht deze sluipwesp te zien
+sleepen met rupsen, die zij verlamd heeft. Het is vaak een heel werkje
+voor haar ’t slachtoffer te vervoeren. Natuurlijk zijn het alleen de
+wijfjes, die met de rupsen sleepen; de mannetjes bemoeien zich er niet
+mede. Vooral op zandgronden. De mannetjes vindt men veel op bloeiende
+braamstruiken.
+
+No 173. Vliegendooder. Graafwesp. (Mellinus arvensis). Deze graafwesp
+is zwart, geel geteekend met een zeer glanzig achterlijf. Het wijfje
+heeft een lengte van 13 tot 15 m.M.; het mannetje is wel 4 m.M.
+kleiner. Dit dier vangt vliegen, ook kamervliegen en bewerkt die op
+dezelfde wijze als de vorige dat haar slachtoffer deed. Zij maakt nog
+al diepe nesten in den grond, en men kan haar heel vaak ook in de
+tuinen vinden.
+
+
+
+Wespen.
+
+Deze groep vliesvleugeligen behoort tot de „gevreesde afdeeling”; zij
+zijn geangeld en als zoodanig moeten wij op onze hoede voor haar zijn.
+Intusschen zijn wespen mooie dieren en is haar kolonieleven zeer
+merkwaardig.
+
+De monddeelen zijn kauwend of bijtend; zij eten allerlei insecten als
+bladluizen, vliegen, ook wel bijen; maar grootendeels zijn het nuttige
+dieren. Ze lusten ook wel zoete stoffen; men kan ze honing zien proeven
+in de bloemen en ook zuigen, sabbelen en knagen zij aan vruchten, om
+zoete stoffen machtig te worden. „Het zijn de slechtste vruchten niet
+waaraan de wespen knagen”. De oogen zijn niervormig, met den inham naar
+de binnenzijde. De vleugels kunnen in rust omgevouwen worden; ze toonen
+dan kleiner dan ze zijn.
+
+De kleur is bijna bij allen zwart en geel; zeldzamer ten deele
+roodbruin.
+
+De wespengroep is te verdeden in tweeën:
+
+A. Solitaire en B. Sociale wespen. De laatste vormen kolonies of staten
+en leven in nesten.
+
+Sommige solitaire wespen leven als de graafwespen; bij andere worden de
+jongen voortdurend gevoed door de moeders. De zorg is hier dus al
+grooter dan bij de graafwespen.
+
+In onze volgende beschouwing zullen wij ons uitsluitend bezig houden
+met de sociale of statenvormende wespen.
+
+Polymorphisme. Evenals bij de mieren treffen we bij de wespen ook 3
+kasten aan: mannetjes, wijfjes en werksters. Men is gewoon de wijfjes
+bij de wespen, bijen en hommels „koninginnen” te noemen. Deze
+koninginnen overwinteren in allerlei schuilhoeken, ook onder afval. In
+’t voorjaar komen ze voor den dag en beginnen dan met het bouwen van
+een nest. Als zij een stukje van het nest klaar hebben, leggen zij
+daarin eieren, waaruit larven komen, die de koninginnen zelf voeden.
+Die eerste larven groeien uit tot werksters; deze zijn kleiner dan de
+koningin. Die werksters zijn niet volledig ontwikkelde wijfjes.
+Intusschen beginnen deze werksters mede te helpen. Zij halen voedsel en
+voltooien het nest. De koningin komt nu niet meer naar buiten. De
+eerste cellen in het wespennest zijn klein, de latere worden grooter.
+De eerste maanden worden er uitsluitend werksters geboren. Midden in
+den zomer komen er ook mannetjes en iets later verschijnen ook de
+nieuwe koninginnen. Nu is de kolonie compleet: koninginnen, mannetjes
+en werksters. Maar nu wordt de kolonie spoedig opgebroken.
+
+Als het laatste broedsel verzorgd is, vliegt alles weg en niemand komt
+weer terug in het nest; de heele familie is verstrooid. Nu vliegt het
+buiten vol wespen. Maar de koude nachten komen, en allengs sterven alle
+mannetjes en werksters; alleen de nieuwe koninginnen blijven den winter
+over, in een of anderen schuilhoek, maar niet in het oude nest.
+
+Nestbouw. De nestbouw van de wespen staat hooger dan die van de mieren;
+een wespennest wordt volgens een vast plan opgebouwd. De grondstof, die
+hiervoor wordt gebruikt is vermolmd hout, ook boomschors. Dit hout
+wordt met kliervocht bewerkt tot een soort papier. Daardoor is het
+heele nest brandbaar. De bijen maken haar raten van was, en die zijn
+smeltbaar.
+
+We kennen 2 soorten wespennesten: boomnesten en aardnesten. De eerste
+worden gemaakt boven den grond en zijn de stevigste; de aardnesten
+worden vervaardigd onder den grond en zijn de zwakste. De wespennesten
+bestaan uit étages of verdiepingen, die door balken aan elkander
+hangen. Onderaan is het vlieggat. Alle wespennesten hangen.
+
+Wespengasten. Evenals in de mierennesten „mierengasten” voorkomen, zoo
+is een wespennest ook met allerlei „wespengasten” bezet. Er leeft een
+rups, die de larven opeet; verder een viertal kevers, 4 vliegen,
+waaronder sluipvliegen, en ook sluipwespen. Waarom worden al deze
+gasten geduld? ’t Is mogelijk, dat zij aangename stoffen afscheiden of
+een aangename lucht afgeven; misschien ontsnappen ze door haar snelheid
+of kleinheid aan het oog van de wespen, die slecht zien; ’t kan ook
+zijn dat haar huid te hard is of dat ze, in den loop der tijden, een
+beschermende nestlucht hebben aangenomen. Een bepaald antwoord is nog
+niet te geven. Wat de wespengasten eten? Allereerst peuzelen enkelen
+wat larven op; dan eten verschillende de schimmels, die zich in het
+nest of op de excrementen der wespen ontwikkelen.
+
+Uit een biologisch oogpunt is een wespennest dus wel belangrijk.
+
+Economische beteekenis der wespen. Die hangt samen met het voedsel, dat
+ze gebruiken, en de wijze, waarop ze dit halen; ook spreekt de
+grondstof mede, waaruit zij de nesten bouwen. De wespen eten veel
+andere insecten en zijn daarom nuttig. Zij kauwen de insecten uit, de
+vloeibare sappen gaan naar binnen en het harde, chitineuse gedeelte,
+werpen ze weg. Haar groote voorliefde voor zoete vruchten is haar
+schadelijke zijde. De meeste wespen gebruiken vermolmd hout om daaruit
+de cellen te maken; de hoornaar schilt ook de schors van jonge boompjes
+en jonge takken af; die is dus schadelijk. De opgejaagde wespen steken
+en veroorzaken soms bloedvergiftiging, omdat ze overal opzitten en
+allerlei smetstoffen op deze wijze aan het lichaam kunnen krijgen. Zij
+zitten ook graag op vruchten en jams en kunnen die op deze wijze ook
+bevuilen. Uit hygiënisch oogpunt dienen wij ons dus in acht te nemen
+voor de wespen.
+
+Het vangen van wespen. Wespen worden in wespenglazen gevangen, waarin
+wat zoete vloeistof is gedaan. Eenvoudiger en meer afdoende is het, de
+wespennesten te vernietigen, ten minste als men die ontdekt heeft.
+Boomnesten kan men met een brandende lap, op een stok gebonden, in
+brand steken. Grondnesten vernietigt men door in de vlieggaten
+zwavelkoolstof te gieten en dan de gaten dicht te trappen. Ook kan men
+kokende teer nemen.
+
+Zeer eenvoudig is het om in ’t voorjaar de koninginnen met een
+vlindernet te vangen. Op gekweekte korenbloemen en andere bloemen, die
+in Mei al bloeien, komen de koninginnen honing halen. Met een
+vlindernet zijn ze dan gemakkelijk te vangen. En als men de koninginnen
+in zijn buurt wegvangt, krijgt men daar geen wespennesten.
+
+Het steken der wespen. Wespen hebben angels. Zijn we gestoken, dan
+vermindert de pijn als wij de gewonde plaats met azijn of vliegenden
+geest koel houden. Is de verwonding hevig, zoodat de huid sterk opzwelt
+en zeer pijnlijk is, dan moet dadelijk hulp van een geneesheer worden
+ingeroepen. Natte aarde of anderen rommel mag men er nooit op doen; dan
+zouden we juist vergiftiging kunnen veroorzaken.
+
+No 174. Gewone Wesp. (Vespa vulgaris). Van het geslacht Vespa komen bij
+ons 8 soorten voor, en daarvan is „vulgaris” een der meest gewone. Zij
+maakt groote nesten, waarin wel 3000 en wellicht meer individuen zich
+ontwikkelen. Veelal worden de nesten in den grond gemaakt, doch als het
+niet anders kan, nemen ze ook andere gelegenheden te baat. Deze soort
+komt overal voor. De koningin is 13 à 14 m.M. lang en heeft een vlucht
+van 35 m.M.; het mannetje 11 m.M. bij een vlucht van 31 à 32 m.M. en de
+werksters zijn 9 à 10 m.M. lang en hebben een vlucht van 24 m.M.
+
+Vijanden hebben de wespen weinig of geen; alleen in de nesten een paar
+parasieten, zooals wij zagen.
+
+
+
+Honingbijen.
+
+Nu zijn we genaderd aan de insecten, waarvan niets dan goeds kan worden
+verteld. Honingbijen leveren aan den mensch honing en was; of juister,
+wij halen dat van de dieren weg. Bovendien zorgen zij voor de
+bestuiving van veel bloemen, waardoor de oogst van veel gewassen weer
+is verzekerd.
+
+Onze honingbij komt niet meer in ’t wild voor. Vroeger schijnt zij in
+’t wild in het zuiden van Europa geleefd te hebben, maar precies is het
+toch niet meer aan te geven. Soms verwildert zij nog wel eens hier of
+daar, maar dan is zij toch goed te herkennen.
+
+Polymorphisme. Ook in een bijenstaat treffen we weer drie soorten
+individuen aan, 3 kasten: mannetjes (darren), wijfjes (koninginnen) en
+werksters. Allereerst verschillen zij in grootte. De mannetjes of
+darren zijn 14 tot 15 m.M. lang; zij hebben groote facetoogen, waaraan
+ze dadelijk te herkennen zijn. Ze zijn langer dan de werksters, ook
+plomper. Zij bezitten geen angel en verzamelen geen stuifmeel.
+
+De koningin is de grootste; haar lengte loopt van 15 tot 18 m.M. Haar
+achterlijf is meer kegelvormig dan dat van de werksters. Zij is niet
+strijdlustig, maar wel tegen andere koninginnen. Ze bezit wel een
+angel, doch verzamelt geen stuifmeel. Zij gebruikt haar angel alleen
+tegen andere koninginnen. De werksters zijn het kleinst en meer stomp
+dan de koningin; ze worden 12 à 13 m.M. lang. Zij bezitten ook een
+angel en verzamelen stuifmeel en honing. Het stuifmeel wordt verzameld
+in het z.g. korfje; dat is een holte met haren aan den rand aan de
+buitenvlakte van de scheen. Alleen de werksters bezitten een
+stuifmeelkorfje en zij alleen halen dus stuifmeel. Behalve aan de
+lichaamslengte zijn dus de werksters ook te herkennen aan ’t korfje,
+dat alleen aan de twee achterpooten voorkomt.
+
+Tevens bezitten de werksters aan het eerste tarslid, dat volgt op de
+scheen, aan de binnenkant een kam-apparaat, dat bezet is met steviger,
+dikker haren. Met dit kamapparaat wordt het stuifmeel dat aan de haren
+van het lichaam is gekomen, bijeen geharkt. Ook dit apparaat komt
+uitsluitend bij de werksters voor. De honing, dien de bijen uit de
+bloemen oplikken, wordt verzameld in de krop of honingmaag. Is die vol,
+dan keeren de werksters naar den korf en spuwen hem daar weer uit.
+Zoo’n honingmaag is dus feitelijk een flesch, waarin de honing
+tijdelijk wordt bewaard; in den korf wordt de flesch door de
+mondopening weer geledigd. De honing wordt in de honingmaag waterarmer;
+in de bloemen bevat hij nog 75% water, en als de maag geledigd wordt
+nog maar 15 à 20% water. Bovendien is er in de honingmaag nog wat
+mierenzuur bij gekomen om den honing te conserveeren, voor bederf te
+bewaren. Dat mierenzuur zit ook in het bijengift.
+
+De koningin haalt alzoo geen honing of stuifmeel, doch legt alleen
+eieren. Verder is de regeling van het bijenhuis opgedragen aan de
+werksters.
+
+Lichaamsbouw. De monddeelen zijn zeer sterk gewijzigd in de onderkaken;
+de tong is zeer aanzienlijk veranderd, wat in verband staat met het
+opnemen van honing. De tong bereikt hier het maximum van lengte. De
+roltong der vlinders is van een ander type, zooals wij daar hebben
+aangegeven. Een bij likt, een vlinder zuigt.
+
+Verder zijn van belang de haren; die zijn meestal, gevederd, wat in
+verband staat met het opnemen en medenemen van stuifmeel, dat tusschen
+de haren blijft zitten. De bijen zijn donkerder gekleurd dan de wespen
+en ook langer behaard. Dat zit, zooals wij zagen, in verband met het
+opnemen van stuifmeel, dat de wespen nooit doen. De wespen en bijen
+voeden haar larven dan ook verschillend. De eersten geven aan haar
+jongen dierlijk voedsel, de laatsten honing en stuifmeel.
+
+Gedaanteverwisseling. Dit is volkomen: ei, larve, pop, imago. De
+ontwikkeling van ei tot imago is verschillend; een koningin heeft
+daarvoor noodig 21 dagen, een mannetje 24 dagen en een werkster 15
+dagen. Dat zijn dus belangrijke verschillen. De werksterslarven krijgen
+minder voedsel dan de koninginnenlarven.
+
+Nestbouw. De wespen bouwen haar nesten op uit hout; de bijen gebruiken
+daarvoor was. Waar halen zij de was vandaan? De was wordt door de bijen
+zelf geproduceerd. Zij zweeten die uit aan de 4 laatste segmenten van
+het lichaam. Zoo’n zweetplaat noemt men een „spiegel”; de chitinehuid
+is daar dun en glad; daarover ligt het behaarde gedeelte van het vorige
+segment. Onder den spiegel liggen de wasklieren. De was „zweet” door de
+poriën heen en komt dan op den gladden spiegel te liggen; daar wordt
+het een plaatje. Met den achterpoot wordt het weggehaald en afgeknipt.
+Het hiervoor noodige knipapparaat wordt gevormd door den scheen en het
+eerste tarslid. Vervolgens wordt de was met den mond gekauwd en verder
+verwerkt. Om 1 K.G. was uit te zweeten hebben de bijen eerst 18 K.G.
+honing moeten nuttigen; voor de beestjes is dat dus een dure
+geschiedenis en ook voor de imkers. Daarom gebruikt men tegenwoordig
+voor den onderbouw der raten „kunstraat”. Dat geeft aan de bijtjes
+besparing van was, wat weer den honingvoorraad ten goede komt. Verder
+kan men nu de bijen allerlei kleine raten laten maken, z.g. „secties”,
+die een hooge handelswaarde hebben. En ten slotte kan de kunstraat
+meermalen gebruikt worden.
+
+De raten, dat zijn de cellenlagen, hangen verticaal naar beneden en de
+cellen zitten horizontaal. Bij de wespen is dat juist andersom, zooals
+wij gezien hebben. Daar hangen de raten of étages horizontaal en de
+cellen verticaal.
+
+De bijencellen zitten mooi naast elkaar; ze vormen een prachtig geheel.
+Vroeger meende men, dat de bijen hier de oplossing hadden gevonden van
+een moeilijk wiskundig vraagstuk. Zij zouden n.l. met een minimum van
+stof (was) een maximum van cellen kunnen maken. Men heeft de zaak nog
+eens opnieuw onderzocht, doch het bleek niet zoo mooi te zijn als men
+zich vroeger had voorgesteld. De hoeken van de zeshoeken varieeren te
+veel en zijn niet zuiver. Er wordt geen theoretisch minimum voor den
+bouw bereikt.
+
+Er zijn twee hoofdvormen van cellen: honingcellen en broedcellen. De
+eerste zijn dunner en dienen voor de opberging van den honing. De
+broedcellen zijn dikker, steviger en ook bruiner. Hierin worden de
+eieren gelegd en de larven grootgebracht.
+
+De broedcellen verschillen in grootte en vorm; de kleinste 6-hoekige
+zijn voor de werksters, de wat grootere 6-hoekige voor de darren of
+mannetjes, terwijl de veel grootere voor de koninginnen zijn. Deze
+cellen zijn eenvoudiger gebouwd en hangen; de imkers noemen ze
+„doppen”. Ten slotte zij nog opgemerkt, dat de bijen de binnenwanden
+van haar korven besmeren met propolis, dat is een kleverige stof, die
+zij van allerlei knoppen van boomen halen. Het is bekend, dat b.v. de
+knoppen van een kastanjeboom erg kleverig zijn; die kleverige stof
+beschermt de knoppen tegen regen. De bijen nu gebruiken propolis om
+haar korven te dichten en te beschermen tegen regen en kou. En als er
+vijanden in den korf komen, worden ze in de propolis „ingewikkeld”.
+
+De voeding der larven. Omdat de vorm der cellen verschillend is, moeten
+de bijen invloed hebben op de dieren, die geboren zullen worden. En dat
+hebben ze ook. De mannetjes worden geboren uit onbevruchte eieren; de
+koninginnen en werksters uit bevruchte eieren. Waarom blijven een deel
+der eieren onbevrucht? Bij de overgroote meerderheid der dieren
+ontstaan toch de mannetjes ook uit bevruchte eieren. De oplossing is
+nog niet gevonden.
+
+De koningin beslist wat ze leggen zal. Legt ze een ei in een
+koninginnecel, dan wordt de larve opgekweekt tot een koningin; maar was
+dit ei gelegd in een kleine, werksterscel, dan werd de larve opgekweekt
+tot een werkster. Die opkweeking, voeding, gaat aldus. De eerste drie
+dagen worden alle larven gevoed met vloeistoffen uit klieren, die in
+den kop der werksters zitten. Er zijn 6 van zulke kopklieren, waarvan
+sommige zoo groot zijn, dat ze nog in het borststuk overhangen.
+
+Na deze 3 dagen krijgen de larven, die werksters moeten worden of
+mannetjes, wat minder kliervloeistof en wat meer honing en stuifmeel,
+en eindelijk houdt de heele voeding met kliervloeistof op.
+
+De larven, die evenwel koninginnen moeten worden, worden voortdurend
+gevoed met genoemde kliervloeistof; bovendien krijgen ze er ook nog wat
+honing en stuifmeel bij.
+
+Het verschil zit dus in de hoeveelheden kliervloeistof, dat een
+geconcentreerd en gemakkelijk verteerbaar voedsel moet zijn. Wij kunnen
+dus zeggen dat een werkster een in haar jeugd slecht gevoede koningin
+is. En dat dit werkelijk zoo is, wordt hierdoor bewezen, dat een larve
+in een werksterscel opgekweekt kan worden tot een koningin. Dat gebeurt
+ook wel in den bijenkorf, maar dan wordt door de bijen eerst de
+werksterscel uitgebroken, omdat die te klein is. Twee cellen worden tot
+één vereenigd en bovendien nog wat uitgebouwd. Zulke koninginnecellen
+vindt men dan op de raten. De normaal gebouwde koninginnecellen zitten
+aan de randen der raten.
+
+Deze „hulpdoppen” worden gemaakt als de koningin b.v. gebrekkig wordt
+of te oud, zoodat het eierlegggen gaat ophouden. Komt de koningin
+plotseling te sterven, dan zijn de werksters er direct bij om een
+werksterslarve op te kweeken tot een nieuwe koningin.
+
+Het is dus wel heel merkwaardig, dat het verschil tusschen werksters en
+koninginnen uitsluitend ontstaan is door verschil in voeding.
+
+Het aantal individuen in een bijenkorf kan wel 30.000 en meer bedragen;
+hieronder zijn dan maar een paar honderd mannetjes. In één zomer legt
+een koningin niet meer dan 4 of 5 eieren, waaruit nieuwe koninginnen
+worden geboren.
+
+Het zwermen der bijen. Het doel van ’t zwermen is overbevolking te
+voorkomen. Wanneer toch alles maar bij elkaar bleef, zou ten slotte de
+korf te klein worden. Bij het zwermen maakt de oude koningin plaats
+voor de nieuwe. Tegen den tijd, dat een jonge koningin zal uitkomen,
+begint het onrustig te worden in den korf; dat is een voorteeken van
+het zwermen. De jonge koningin maakt, terwijl zij nog in de cel zit,
+geluid: kwak-kwak, dat door de oude koningin wordt beantwoord met:
+tuut-tuut. Eerst als dit laatste ophoudt, komt de jonge koningin uit
+haar cel. Soms heeft er nog een vechten plaats tusschen de oude en
+nieuwe koningin.
+
+De eerste uittocht, de eerste zwerm, heet de voorzwerm; de latere
+zwermen heeten nazwermen. De zwermen worden door de imkers
+„opgeschept”, die daarmede nieuwe korven vullen. Bij het zwermen hebben
+alweer de werksters de leiding.
+
+Het einde van een bijenkolonie. Wij hebben gezien, dat er door het
+zwermen telkens nieuwe kolonies werden gevormd, en dat er in de oude
+korven geregeld nieuwe koninginnen komen, waardoor het oude volk meer
+verdeeld wordt. De bijenwereld breidt zich uit en blijft in stand door
+voortdurende splitsing. Een bijenkolonie wordt dus nooit opgeheven,
+zooals een wespenkolonie. Vandaar dat in den winter in een bijenkorf
+aanwezig zijn een koningin en een leger werksters. De mannetjes leven
+maar kort; die zijn ’s winters nooit in den korf.
+
+Vijanden en ziekten der bijen. De bijen worden door allerlei
+insectenetende vogels aangevallen en opgepeuzeld: zwaluw, roodborstje,
+koolmees. Verder maken de wespen (die allen van roof leven) het den
+bijen ook lastig. De mieren komen honing snoepen, evenals de muizen,
+die er geen bezwaar in zien, haar nest in een korf te maken. Ze zitten
+dan warm en vlak bij de „restauratie”. De padden, dat anders zulke
+beste dieren zijn, omdat ze veel schadelijke insecten vangen, pikken
+ook menig bijtje op. In den korf brengt de wasmot veel schade, d.w.z.
+het rupsje van de wasmot. Dat vreet uitsluitend was, en misschien nog
+wat rommel, doch zij is ook wel opgekweekt met was alleen. Zij peuzelt
+de raten op en spint er een spinsel overheen.
+
+Een ander gevaarlijk dier is de bijenluis, Braula coeca; zij
+parasiteert bij voorkeur op de koninginnen en is daardoor zoo
+verderflijk. Zij leeft van het speeksel van de koninginnen en om dit te
+verkrijgen, plaatst de luis zich tusschen de kaken van de koningin en
+prikkelt zoo de speekselklieren tot grootere productie, waardoor de
+koningin wordt ondermijnd. Dit is dan een der oorzaken, waardoor het
+bijenvolk „moederloos” wordt. Tot de ziekten behooren „doorloop”,
+„vuilhoed”, „bijenpest”. Wij gaan hierop niet verder in, maar wie bijen
+wil houden, heeft er op te letten. Veel ziekten zijn „bacteriënziekten”
+en als we deze niet rationeel bestrijden, gaat de eene korf na den
+anderen er aan.
+
+Economische beteekenis der bijen. De waarde van den honing, die door de
+bijen wordt verzameld en door den mensch wordt weggehaald, is zeer
+groot. Toch moet men hieruit nu niet opmaken, dat de bijenteelt in ons
+land een bestaan kan geven. Bijenteelt is goed voor den boer en den
+tuinder, als nevenbedrijfje, maar men kan er zijn kostje alleen niet
+mede ophalen. Het is ook een heel aardig liefhebberij-bedrijf; ’t geeft
+aangename bezigheid en men leert het insectenleven wat beter kennen.
+
+De grootste beteekenis evenwel heeft de bijenteelt voor de bestuiving
+der bloemen. Boomgaarden, waarin bijenkorven worden geplaatst, dragen
+gewoonlijk rijkelijk vrucht. Daarom moet de bijenteelt overal bevorderd
+worden. Behalve honing, leveren de bijen ons nog was, dat voor velerlei
+doeleinden o.a. wrijfwas, wordt gebruikt.
+
+Tegenwoordig wordt de bijenteelt in ons land veel beoefend. In 1850 was
+er een daling ingetreden door de opkomst van de bietsuiker en
+rietsuiker.
+
+No 175, No 176, No 177. Honingbijen. Koningin, werkster, en mannetje
+(dar). (Apis mellifera). Na het bovenstaande hebben we weinig meer bij
+de plaatjes te zeggen. Wij hebben alle 3 soorten laten afbeelden, om
+goed de verschillen te doen uitkomen en vooral om goed vast te leggen,
+dat in een bijenkolonie 3 soorten individuen voorkomen: mannetjes,
+wijfjes en onontwikkelde wijfjes. Uit den aard der zaak moesten wij in
+onze beschouwing zeer kort zijn; daarom hebben wij alleen de aandacht
+gevestigd op de hoofdzaken. Voor uitvoerige beschrijving moeten wij
+verwijzen naar de speciale handboeken over bijenteelt.
+
+
+
+Hommels.
+
+Deze laatste groep insecten is een zeer aantrekkelijke. Iedereen kent
+ze, want ze komen overal voor in grooten getale. Ze vliegen van het
+vroege voorjaar tot het late najaar. Als het een gunstig najaar is,
+zooals o.a. in 1913, zoodat ook de bloemenwereld lang en mooi getooid
+blijft, dan gaan de hommels ook niet spoedig weg. We zien ze dan in
+November nog op bloemenbezoek. Hommels worden heel vaak gewoonweg bijen
+genoemd. Nu behooren ze wel tot de groote groep der bijen, maar als we
+de plaatjes vergelijken waarop de honingbijen en de hommels zijn
+afgebeeld, dan merken wij het verschil toch wel op. Hommels zijn
+grooter, zwarter, meer donker gekleurd. Ze vallen ook meer op. Wie de
+honingbijen niet goed kent, ziet de werksters voor een soort vliegen
+aan. Dat een bij 4 vleugels heeft en een vlieg maar 2, valt niet zoo
+dadelijk op. Maar wie eenmaal een hommel heeft gezien, zal zich nooit
+weer met deze beestjes vergissen, hoeveel soorten er ook in ons land
+voorkomen.
+
+Gekleed in haar lief pelsje is de hommel de ziel van onze bloementuin,
+maar ook van de bloeiende randen langs wegen en dijken. Altijd zijn ze
+ijverig en driftig gonzen ze van bloem tot bloem. Haar leven is niet
+zoo uitvoerig beschreven als dat van de honingbij—ze verschaft den
+mensch ook geen honing en was, zooals de honingbij dat doet—maar wie de
+hommels in haar doen en laten volgt, vindt dat niet minder interessant
+dan dat van de honingbij. En sedert men ook kunstmatige hommelkolonies
+heeft gemaakt, waardoor men de dieren beter bestudeeren kan, nu komen
+ook vele belangrijke zaken aan het licht.
+
+Hommels zijn sterker en ijveriger dan bijen; ze maken bovendien langer
+arbeidsdag. De bij is teer en als er geen zon is, is de honingbij niet
+in haar element. Maar ’s morgens vroeg, vóór de bijen uitgaan, haalt de
+hommel al honing en stuifmeel. Betrekt de lucht, of begint ’t wat te
+regenen of te waaien, de hommel trekt er zich niets van aan en gaat
+maar stil door met haar werk. En als de avond begint te vallen en de
+honingbijen reeds lang in den korf zijn, sleept de hommel nog haar
+laatste vrachtje naar huis. Zoo’n ijverig, onvermoeid dier! Overal zijn
+ze en den heelen dag kunnen wij ze aan ’t werk zien. Daarom raden wij
+ieder aan met wat meer aandacht de hommels te bestudeeren; men zal dan
+eens zien, wat een mooi stuk dierenleven daar afspeelt.
+
+Hommels halen, precies als de bijen, honing en stuifmeel voor de
+larven; zij vervullen dus dezelfde rol als de honingbijen en hebben
+gelijke beteekenis voor de huishouding der natuur. Laten we haar nu wat
+nader bezien.
+
+Lichaamsbouw. Van het grootste belang zijn de monddeelen; haar tong is
+zeer lang, zoodat zij den honing nog kunnen halen, die zeer diep in de
+bloemen ligt. De langste tong wordt gevonden bij de tuinhommels (No
+179); die ziet men dan ook b.v. op ridderspoor, waar de honing diep
+zit. Andere hommels ziet men op deze bloemen zelden en als ze er komen,
+merken ze gauw, dat ze aan een verkeerd kantoor zijn.
+
+In verband met het naar de kolonie medenemen van stuifmeel, bezitten
+zij, evenals de honingbijen, een verzamelinrichting aan de
+achterpooten; men noemt die ook het korfje evenals bij de bijen. Het is
+hier ook de scheen, die daarvoor wordt gebruikt. De buitenzijde is een
+weinig hol, kaal en glimmend, terwijl langs de randen stevige haren
+staan tot steun van het stuifmeelklompje. Dat klompje of kluitje
+stuifmeel is door de hommel tot een kneedbare massa verwerkt, zoodat
+het stevig blijft zitten. Als we er op letten, valt het niet moeilijk
+hommels te zien, die aan de beide achterpooten zoo’n stuifmeelklompje
+hebben. Vangt men ze voorzichtig met een net of verschalkt men ze met
+het doodingsglas, dan blijven de kluitjes aan de pootjes zitten en kan
+men de dieren zoo opzetten. Omdat de kleur van het stuifmeel nog al
+verschillend is, zijn de kluitjes ook verschillend van kleur. Een goed
+kenner ziet aan de stuifmeelklompjes welke bloemen bevlogen zijn. Bij
+de honingbijen halen alleen de werksters stuifmeel; bij de hommels doen
+het de werksters en de koninginnen; die zijn dus gekenmerkt door het
+bezit van zoo’n korfje. Het is een mooi gezicht als een groote
+hommelkoningin de beide korfjes vol stuifmeel heeft; maar niet minder
+mooi is het als een klein werkstertje met haar last naar de kolonie
+vliegt.
+
+De chitinehuid is zwart, doch bezet met een dicht, tamelijk lang
+haarkleed; sommige segmenten zijn anders gekleurd dan de overige, en
+lijken daardoor meer op banden, die het geheel breken. Elke hommelsoort
+heeft zoo haar eigen kleurpartij of kleurteekening, hoewel er nog al
+eens afwijkingen voorkomen. Ook zijn er wel éénkleurige hommels.
+
+Het aantal vleugels is 4; de voorvleugels zijn ’t grootst en evenals de
+achtervleugels bruin-gelig aangeslagen; ze lijken min of meer berookt.
+
+De koningin en de werksters bezitten tot verdediging een angel. De
+mannetjes missen dien. Als men de hommels met chloroform doodt, dan
+komt de angel gewoonlijk het lichaam uit. Anders blijft hij
+ingetrokken. Hommels zijn lang zoo vechtlustig niet als sommige bijen,
+al zijn ze dan ook grooter en brommen ze luider.
+
+Polymorphisme. Evenals bij de wespen, mieren en bijen, treffen we ook
+bij de hommels het polymorphisme aan. Er is één koningin, die eieren
+legt; verder zijn er werksters van verschillende grootte, en in den
+zomer komen er ook mannetjes of darren. Alweer dus 3 kasten:
+moederhommels, mannetjes en werksters. De verdeeling van arbeid is
+precies dezelfde als elders bij de statenvormende vliesvleugeligen.
+
+Hoe zoo’n hommelkolonie is geordend, volgt nu.
+
+Nestbouw en stichting der kolonie. Op een zonnigen dag in Maart, als de
+crocussen, het kleine hoefblad en de wilgen bloeien, dan worden we
+buiten al verrast door een eerste ontmoeting met de hommels. Dat zijn
+dan de eerste boden, die het vroolijke leger aankondigen. Het valt ons
+op, dat die eerste exemplaren bijzonder groot zijn. En geen wonder, ’t
+zijn de koninginnen. Waar ze vandaan komen? Ze hebben het geheele
+najaar, den geheelen winter, verborgen gezeten onder allerlei afval.
+Dat was wel geen koninklijk verblijf voor de koninginnen, maar zij
+zaten er toch schijnbaar veilig. Intusschen kan men haar toch aanzien,
+dat ze niet zoo fijn gehuisvest waren, want ze zijn gewoonlijk bezet
+met een betrekkelijk groot aantal mijten. Deze mijten zijn afvaldieren,
+die van allerlei rommel leven, maar de hommels geen last veroorzaken.
+Wat ze dan op de hommels doen? Ze gebruiken haar als „vliegmachines”
+want deze mijten zijn blind en laten zich op goed geluk door de hommels
+vervoeren. Deze mijt heet Parasitus carnivorus, maar een parasiet is ze
+toch niet; dat dacht men vroeger wel toen het dier zijn naam kreeg.
+
+Laten we nu onze hommelkoningin weer volgen. Ze snoept wat van den
+honing en gaat nu een geschikt plaatsje zoeken om een kolonie te
+stichten. Zooveel werk als de wespen en de bijen er van maken doet zij
+niet; ze sticht ook zoo’n groote kolonie niet. Vele hommels bouwen haar
+kolonie in den grond, anderen boven den grond, doch altijd zóó, dat het
+geheel verscholen ligt. We hebben wel een hommelnest gevonden in een
+verlaten nest van een winterkoninkje; dat is een geheel gesloten nest,
+alleen met één vlieggat. Ook zagen we wel hommelnesten in
+„nestkastjes”, die voor meezen waren opgehangen. Overal, waar een
+donkere holte is, kan een hommelkoningin haar kolonie bouwen. Onder mos
+vinden wij ze dikwijls.
+
+Is de koningin gereed met de plaats, waar ze haar „paleis” zal
+stichten, dan begint ze te zorgen voor de „bevolking”. Zij gaat eieren
+leggen; doch omdat de larven zelf geen voedsel kunnen halen, moet de
+koningin hier voor zorgen. Zij haalt zelf honing en stuifmeel en bij
+elk ei, dat zij legt, wordt wat voedsel voor de larve neergelegd. Komt
+die nu uit, dan gaat ze dadelijk aan ’t eten. De eerste larven hebben
+het nooit erg „breed”; ze worden maar schraaltjes gevoed, wat ook
+hieraan kan liggen, dat er nog niet zooveel buiten te halen is en de
+koningin voor alles alleen moet zorgen. De larven spinnen zich ten
+slotte een cocon, verpoppen, en dan komen de eerste werksters weldra
+voor den dag. Die eerstelingen zijn gewoonlijk maar heel klein
+vergeleken bij de andere werksters, die nu van lieverlede geboren
+worden. Die kleine werksters komen direct in dienst van de kolonie; zij
+moeten voedsel halen, het paleis ordenen, en tenslotte zorgen, dat de
+komende jongen goed gevoerd worden.
+
+In den eersten tijd vliegt de koningin nog mee uit, doch dit wordt van
+lieverlede minder en eindelijk blijft ze geheel thuis en houdt zich dan
+uitsluitend bezig met het eierleggen.
+
+We zien dus een belangrijk verschil tusschen een bijenkoningin en een
+hommelkoningin; de eerste haalt nooit honing of stuifmeel en bemoeit
+zich in ’t geheel niet met de voeding der kolonisten; de laatste zet
+zelf haar „hofhouding” op, haalt in den beginne zelf het voedsel, en
+staakt hiermede niet voor zij voldoende hulp heeft.
+
+Raten, dat zijn netjes geordende cellengroepen, worden door de hommels
+niet gemaakt. De eerste larven maken cocons van spinsel, die later
+worden gebruikt voor honingvaten. Zoodra er evenwel meer en grootere
+werksters komen, worden er ook cellen van was gemaakt. In zoo’n cel
+vinden we dan geregeld een paar eieren gelegd; iets later wordt dit
+beperkt tot één ei. Deze cellen liggen niet geordend en zijn
+ovaalvormig; den meer hoogeren zeshoekigen vorm als bij de bijen,
+hebben ze nog niet bereikt.
+
+Met het stijgen van de zonnewarmte wordt de kolonie volkrijker.
+Eindelijk verschijnen ook de mannetjes en wat later komen ook de nieuwe
+koninginnen. Nu heeft de kolonie haar toppunt bereikt en zooals dat
+meer in de dierenwereld gaat, volgt nu spoedig een uiteenspatting. De
+mannetjes en de nieuwe koninginnen verlaten de kolonie; er is voor hen
+niets te doen. Zij vliegen naar de bloemen en zorgen nu voor haar eigen
+voeding. De nieuwe koninginnen schijnen wat honingvooraad in haar maag
+op te slaan en zoeken dan al spoedig een goed heenkomen om den winter
+door te brengen. Lang voor de koude invalt bergen zij zich al op. Dat
+zien we bij meer insecten, die gaan overwinteren, dat zij vroeg zich
+verschuilen. Zeker is het, dat zij op deze wijze aan veel gevaren
+ontsnappen, want hoe langer zij zwerven, hoe meer kans er bestaat, dat
+zij door een of ander dier worden opgepikt. Het is dus een
+veiligheidsmaatregel reeds zoo vroeg „van de vlakte” te verdwijnen.
+
+De mannetjes doen het anders. Die weten, dat hun bestaan toch gauw
+geëindigd is, dat zij toch den winter niet kunnen halen, en die blijven
+dan ook maar zwerven. Op zonnebloemen, dahlia’s en andere nazomer- en
+herfstbloemen kan men ze vinden; ’s morgens zijn ze geheel versuft en
+kan men ze met de hand van de bloemen nemen; bovendien steken ze niet,
+want ze hebben geen angel. En als nu het slechte weer komt, regen en
+wind, dan sterven ze, vallen omlaag, en dienen ten slotte als mest voor
+de planten voor het volgende jaar. ’t Was een kort bestaan voor die
+mannetjes. Maar dit hebben ze gemeen met alle mannetjes bij de mieren,
+wespen en bijen.
+
+En nu er in de kolonie geen larven meer zijn te verzorgen, want de
+koningin legt geen eieren meer, is er voor de werksters ook niets meer
+te doen, zoodat deze uitvliegen en aan het zwerven raken om ten slotte
+ook te sterven. De koningin heeft, na al haar eieren gelegd te hebben,
+ook geen levensdoel meer en, oud als ze al is—ze is van den vorigen
+zomer—verlaat ze ten slotte ook de kolonie en sterft spoedig.
+
+Zoo is de heele kolonie opgebroken en het nest verlaten.
+
+Maar het volgend voorjaar komen de nieuwe koninginnen uit haar
+schuilhoeken, en dan begint de formatie opnieuw. Dat is de levenscyclus
+van de hommels.
+
+Als we nu nog even herinneren wat we vroeger over de andere
+staten-vormende vliesvleugeligen hebben gezegd, dan blijkt ons: dat in
+de mieren- en honingbijenkolonies veel werksters met haar koningin den
+winter overblijven, doch dat de wespen en de hommels haar kolonies vóór
+den winter opbreken, en dat alleen de koninginnen overwinteren buiten
+de oude kolonie.
+
+Wat er van die oude, verlaten nesten ten slotte wordt? Er leven, zooals
+we vroeger reeds zagen, allerlei kleine „afvaldieren” in die nesten;
+die hebben nu vrij spel, en breken de verlaten paleizen af. Zoo is
+alles netjes in de natuur geregeld: de opbouw maar ook de afbraak. Het
+is komen en gaan.
+
+Hommelgasten. Evenals in de wespen- en mierennesten komen er ook in de
+hommelnesten verschillende andere dieren voor, die daar hun kostje
+ophalen. Zoo leven er een paar rupsjes, verwant aan de wasmot, die de
+bijenraten verstoort, enkele kevertjes, die van afval leven, enkele
+vliegenlarven, enz. Groote verwoestingen brengen ze evenwel niet aan.
+Een bijzonder soort gasten zijn de koekoekshommels; daarover nu nog een
+en ander.
+
+Koekoekshommels. Het is bekend, dat een koekoek zijn eigen jongen niet
+groot brengt. De vogel legt zijn eieren in nesten van andere vogels,
+laat ze door deze uitbroeden en de jongen verzorgen. Van het eigen
+broedsel dezer vogels komt gewoonlijk niets terecht. De vreemde
+indringer wordt niet alleen geduld doch door zijn pleegouders goed
+verzorgd. Dit is zeker een eigenaardig geval van „samenwonen”. Het
+eigen kroost van de pleegouders komt om en de vreemde indringer wordt
+verzorgd als een kind des huizes. Hoe zoo’n toestand is ontstaan,
+kunnen wij niet nader bespreken, maar eigenaardig is het zeker wel.
+
+Een soortgelijk geval doet zich ook onder de hommels voor. Er komen in
+ons land een 5 tal soorten hommels voor, (in Midden-Europa 8) die
+geheel leven op kosten van de andere nijvere hommels. Het zijn
+commensaals of kostgangers, die hun kostje opdoen in de hommelkolonies
+en voor haar eigen nakomelingen niet zorgen. Wij hebben gezien, dat het
+in een hommelkolonie de werksters zijn, die voedsel halen en de jongen
+voeden. Welnu, de koekoekhommels schijnen van de meening uit te gaan,
+dat waar de andere hommels zooveel jongen groot brengen, zij best ook
+nog de jongen van de koekoekshommel kunnen voeden.
+
+Haar leven is aldus ingericht.
+
+Als de gewone hommels reeds aan het werk zijn en de eerste werksters al
+uit- en aanvliegen, komt de vrouwelijke koekoekshommel eindelijk ook
+voor den dag. Zij heeft hier of daar onder rommel overwinterd, net als
+de koninginnen der gewone hommels. Is haar winterdut uit, dan gaat ze
+aan het zoeken naar een „kosthuis” naar een hommelkolonie. Is ze
+geslaagd, dan gaat ze naar binnen en blijft daar. Merkwaardig is het,
+dat ze geduld worden. Vermoedelijk heeft er een vergissing plaats van
+de zijde der gewone hommels, die in de indringster een soortgenoot
+zien. Ze eten van den honingvoorraad mede. Maar dit is nog niet genoeg.
+Ze gaan eieren leggen en volgen de koningin trouw. Heeft die in de
+broedcellen een ei gelegd, dan haalt de koekoekshommel dat er uit en
+legt er zelf een ei in, dat nu door de werksters verzorgd wordt alsof
+het van de eigen koningin ware. Het gevolg is, dat het eigen volk niet
+talrijk wordt en soms wordt de heele kolonie ten slotte verwoest. Maar
+voor het zoo ver is, zijn er een voldoend aantal nieuwe mannetjes en
+wijfjes van den koekoekshommel geboren, die nu achtereenvolgens het
+nest verlaten. Zij zwerven ook nog wat rond en vooral de mannetjes zijn
+traag; men kan die soms wel zoo van de bloemen nemen. Ten slotte gaan
+de mannetjes nog denzelfden zomer dood en blijven de wijfjes over, die
+wegkruipen en in het voorjaar weer voor den dag komen.
+
+Omdat zij in de kolonies leven van het voedsel dat de gewone werksters
+halen, hebben zij zelf geen eigen werksters noodig; bij de
+koekoekshommels komen dus alleen maar mannetjes en wijfjes voor. Deze
+wijfjes halen, zooals we gezien hebben, geen stuifmeel en daarom missen
+ze aan de achterpooten ook het korfje, dat wij bij de koninginnen en de
+werksters der gewone hommels wel aantreffen.
+
+Men ziet het, ook in de hommelmaatschappijen heeft men individuen, die
+geheel ten koste van anderen leven.
+
+De hommels als bloemenbestuivers. Doordat de hommels zooveel stuifmeel
+noodig hebben voor haar larven, zijn zij van den morgen tot den avond
+bezig met bezoeken van bloemen. Daardoor bewerken zij de
+kruisbestuiving, die de vruchtzetting bevordert. Wie de hommels wel
+eens bij haar bloemenbezoek heeft gadegeslagen, zal hebben opgemerkt,
+dat zij maar niet in het wilde van de eene bloemensoort naar de andere
+bloemensoort vliegen, maar dat zij zich op één tocht meestal bepalen
+tot één soort. Daardoor is het uitgesloten, dat onwerkzaam stuifmeel op
+de stempels wordt gebracht.
+
+Omdat de tong nogal lang is, kunnen ze den honing diep uit de bloemen
+halen. Soms zit die toch te diep, maar dan vinden zij er wel wat anders
+op. Met haar bovenkaken bijten ze aan de buitenzijde van het ondereinde
+der bloemkroon een gaatje, en zijn dan vlak bij den honing. Ze hebben
+nu maar haar tong naar binnen te steken en ze zijn den honing meester.
+Maar aan zoo’n bezoek heeft de bloem niets, omdat de hommel de
+meeldraden niet passeerde en evenmin den stamper. Het bezoek is voor de
+bloemen nutteloos. Men noemt deze handelwijze van de hommels „diefstal
+met inbraak”.
+
+Als we er op letten, dan kunnen wij de inbrekers geregeld aan het werk
+zien bij het bezoeken van de bloemen van den smeerwortel en van de
+groote boonen. Bijna altijd worden deze bloemen „aangevreten”.
+
+Zeer druk worden door de hommels de composieten bevlogen, en alle
+bloemen met klokvormige bloemkroon. In den nazomer zijn het vooral de
+dahlia’s en de zonnebloemen, waarop zij gaarne vertoeven. Vooral de
+zonnebloemen zijn zoo honingrijk.
+
+Wie de hommels bestudeeren wil, dient verschillende exemplaren te
+vangen. Dat gaat het gemakkelijkst met een vlindernet. Zitten ze er in,
+dan brengt men de ontkurkte doodingsflesch in het net en zit de hommel
+er spoedig in. Ze kruipt dan nog tegen het net, doch als men aan de
+buitenzijde van het net dan de kurk op het glas plaatst—het net zit er
+dan nog tusschen—dan is het dier dadelijk bedwelmd. Heeft men met
+hommels met stuifmeelkluitjes aan de pooten te doen, dan moet men
+voorzichtig te werk gaan, omdat die kluitjes gemakkelijk losraken.
+
+Door de bestuiving van de bloemen behooren de hommels tot de nuttigste
+insecten.
+
+Vijanden der hommels. Het spreekt vanzelf, dat de hommels ook
+achtervolgd worden. Allereerst worden er velen door de vogels opgepikt;
+dan door de mollen en de muizen. Over de hommelgasten, waaronder
+parasieten, spraken we reeds.
+
+Hommelsoorten. In ons land komen 17 soorten voor, en in heel Europa
+meer dan 40. Het is voor ons doel niet noodig op de soortverschillen
+uitvoerig in te gaan. Bovendien is het lang niet gemakkelijk hommels te
+determineeren, ook al, omdat de kleur der beharing aan zooveel variatie
+onderhevig is. We geven 3 afbeeldingen van veel voorkomende hommels;
+als men er op let kan men ze op de bloemen gemakkelijk onderscheiden.
+
+No 178. Aardhommel. (Bombus terrestris). Deze is zeer algemeen, kleur
+zwart; voorborststuk en 2de achterlijfsring geel; de top van het
+achterlijf wit. De koningin is 20 tot 22 m.M. lang; de vlucht 40–42
+m.M. De werksters zijn veel kleiner, en zooals we hebben opgemerkt, is
+de grootte verschillend; lengte 10–17 m.M. De lengte der mannetjes
+loopt van 14 tot 16 m.M., met een vlucht van 30–33 m.M.
+
+No 179. Tuinhommel. (Bombus hortorum). Ook deze hommel is zeer gewoon.
+Zij lijkt op het eerste gezicht veel op de vorige, omdat de
+kleurteekening ongeveer dezelfde is. De hommel is zwart; voor- en
+achterborststuk geel evenals de 1ste achterlijfsring; zij heeft dus 1
+gelen band meer dan de aardhommel. De top van het achterlijf is wit,
+net als bij de aardhommel. Deze hommels hebben de langste koppen en de
+langste tongen. Daarom treft men haar ook juist aan in de bloemen met
+zeer diep liggenden honing. Lengte van de koningin 17–20 m.M.; vlucht
+35 tot 39 m.M. De werksters zijn 11–16 m.M. en de mannetjes 14–15 m.M.;
+vlucht 29–32 m.M.
+
+No 180. Steenhommel. (Bombus lapidarius). Een zwarte hommel, die
+dadelijk te herkennen is aan den rooden top van het achterlijf. Het
+mannetje heeft een gelen kop en een geel voorborststuk. De koningin is
+20–22 m.M. lang; vlucht 37–40 m.M. De werksters zijn 11–16 m.M. en
+gelijken geheel op de koningin. Ze verschillen alleen in grootte.
+Mannetje 14–16 m.M. lang, vlucht 27–30 m.M.
+
+Alle drie opgenoemde hommels maken haar nest in den grond.
+
+
+
+
+
+
+
+
+LITERATUUR.
+
+
+Voor wie nog nader met de insecten willen kennismaken kunnen wij de
+volgende werken aanbevelen:
+
+
+ De Nederlandsche Insecten, door Dr. J. Th. Oudemans; met 38
+ steendrukplaten en 427 figuren in den tekst. Uitgave van W. J.
+ Thieme & Cie te Zutphen.
+ Coleoptera Neerlandica, de schildvleugelige insecten van Nederland
+ en het aangrenzend gebied, door Dr. Jhr E. Everts; 2 deelen met
+ supplement. Uitgave van Martinus Nijhoff te ’s Gravenhage.
+ Onze Vlinders, atlas met gekleurde platen, door D. Ter Haar.
+ Uitgave van W. J. Thieme & Cie te Zutphen.
+ Vlinderatlas met gekleurde platen door Dr. H. J. Calkoen. Uitgave
+ van A. W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij te Leiden.
+ Vlinderwereld. Honderd Nederlandsche vlinders en rupsen, met 100
+ gekleurde platen, door F. J. van Uildriks en Dr. Vitus Bruinsma.
+ Uitgave van W. Versluys te Amsterdam.
+ Ziekten en Beschadigingen der Landbouwgewassen. 2 Deeltjes door
+ Prof. Dr. J. Ritzema Bos. Uitgave van J. B. Wolters te Groningen.
+ Ziekten en Beschadigingen der Ooftboomen. 4 Deeltjes door Prof. Dr.
+ J. Ritzema Bos. Uitgave van J. B. Wolters te Groningen.
+ Handboek voor den Verzamelaar van Vlinders door D. Ter Haar.
+ Uitgave van W. Versluys te Amsterdam.
+
+
+
+
+
+
+
+
+BENOODIGDHEDEN voor het VERZAMELEN.
+
+
+Men vrage hiervoor aan bij de firma
+
+Merkelbach & Co., Kalverstraat 30 te Amsterdam, Prijscourant No III.
+
+Hierin worden alle hulpmiddelen bij het kweeken, vangen en opzetten van
+insecten afgebeeld. De prijscourant wordt gratis toegezonden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+INSECTARIA.
+
+
+Levende insecten zijn het geheele jaar door te zien in het Insectarium
+in „Artis” te Amsterdam en in het Gebouw van de Nederlandsche
+Heidemaatschappij te Arnhem. Tevens kunnen wij daar rijke collecties
+insecten bezichtigen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+De voorwaarden, waarop Album No 1 verkrijgbaar is, staan vermeld op de
+achterzijde van de plaatjes.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78959 ***