diff options
Diffstat (limited to '78959-0.txt')
| -rw-r--r-- | 78959-0.txt | 8906 |
1 files changed, 8906 insertions, 0 deletions
diff --git a/78959-0.txt b/78959-0.txt new file mode 100644 index 0000000..73716a1 --- /dev/null +++ b/78959-0.txt @@ -0,0 +1,8906 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78959 *** + + + + + + NEDERLANDSCHE + INSECTEN + + + door + P. TEUNISSEN, + Redacteur van Land- en Tuinbouw van „Het Nieuws van den Dag.” + + + Uitgave van + J. C. BAAN & CO TE ALKMAAR + Eerste Nederl. Electrische Inrichting tot het + geheel machinaal bewerken en verpakken van + THEE EN KOFFIE + + + + + + + + +VOORWOORD. + + +Ik ben recht verheugd, dat ik dit Album heb mogen gereedmaken, omdat ik +daardoor gelegenheid kreeg een gedachte, waarmede ik al jaren rondliep, +in een daad te kunnen omzetten; n.l. een populair boek te schrijven +over Nederlandsche Insecten, dat geïllustreerd zou zijn met gekleurde +afbeeldingen en dat wegens zijn goedkoopte onder ieders bereik zou +kunnen komen. + +Zoo’n boek wil dit Album zijn. + +De commercieele opzet is dan ook van dien aard, dat letterlijk iedereen +dit werk in zijn bezit kan krijgen en juist dit was voor mij een groote +aantrekkelijkheid. + +Ik wilde een nuttig boek schrijven. + +Maar tevens moest het opwekken tot blijvende belangstelling in onze +interessante insectenwereld, die bewondering wekt en eerbied en ontzag +inboezemt voor de natuur. + +Moge ik niet al te ver van mijn doel verwijderd zijn gebleven. + +Voor wie het Album bestemd is? + +De schooljeugd zal door middel van de plaatjes den naam kunnen vinden +van de insecten, die zij zoo gewoonlijk tegenkomt en haar aandacht +trekken door vorm, kleur, teekening en bedrijvigheid; tevens kan zij +iets over de levensgeschiedenis van elk dier insecten lezen. De +leerlingen van normaal-, kweek- en burgerscholen zullen dit Album als +een beknopt biologisch leesboek kunnen gebruiken, waardoor het een +aanvulling kan zijn van de gewone leerboeken over dierkunde. + +De land-, tuin- en boschbouwers en ook de particulieren, die in huis of +tuin bloemen, groenten en fruit kweeken, zullen er wat practische +kennis uit kunnen halen, die leidt tot een verstandigen kijk op de +velerlei insecten, die op en bij onze kultuurplanten leven. De +huismoeders vinden er iets in over de lastige keuken- en huisinsecten +en over de middelen om deze ongenoode gasten te verdrijven; ook op het +gevaar, dat sommige insecten voor onze gezondheid opleveren, is +gewezen. + +Ik bedoelde met dit Album velen aan te sporen tot een meer gezette +natuurstudie, die een bron is van groot genot, dat voor allen +bereikbaar is. Ouders zullen met hun kinderen dit Album kunnen lezen en +naar ik hoop er door opgewekt worden tot excursies in de vrije natuur +om waar te nemen, wat beschreven werd. Deze excursies geven dan vanzelf +aanleiding tot opkweeking en bestudeering der insecten in huis, wat een +aangename, prettige bezigheid is. + +En als veel bereikt wordt van wat ik mij heb voorgesteld, dan is dat +uitsluitend te danken aan de meer dan royale wijze waarop de firma J. +C. Baan & Co. te Alkmaar mij de vrije hand liet in het samenstellen van +dit Album. + +Zonder zoo’n ondernemende firma had dit Album nooit kunnen verschijnen. + +Moge ’t publiek dit weten te waardeeren. + + +P. Teunissen. + +Amsterdam 1915. + + + + + + + + +INHOUD + + + Algemeen Gedeelte Blz. 1–19 + + Bijzonder Gedeelte ,, 20–80 + + Plaat I No. 1– 12 Larven en Poppen + ,, II ,, 13– 24 Rupsen en Poppen + ,, III ,, 25– 36 Kevers + ,, IV ,, 37– 48 Kevers + ,, V ,, 49– 60 Kevers + ,, VI ,, 61– 72 Kevers + ,, VII ,, 73– 84 Franjestaarten, Oorwormen, Haften, + Waternimfen, Kakkerlakken + ,, VIII ,, 85– 96 Sprinkhanen, Knagers, Wantsen + ,, IX ,, 97–108 Wantsen, Luizen, Netvleugeligen, + Kokerjuffers + ,, X ,, 109–120 Dag-Vlinders + ,, XI ,, 121–132 Vlinders + ,, XII ,, 133–144 Vlinders + ,, XIII ,, 145–156 Muggen, Vliegen + ,, XIV ,, 157–168 Vliegen, Bladwespen, Sluipwespen + ,, XV ,, 169–180 Mieren, Graafwespen, Wespen, Bijen, + Hommels. + + + + + + + + +ALGEMEEN GEDEELTE. + + +I. INLEIDING. + + +De geschiedenis van het Koolwitje. + +Het komt ons het meest gewenscht voor, de tekst van dit Album te +beginnen met een beschrijving van de geschiedenis van het Koolwitje. + +Iedereen kent het Koolwitje; van April en Mei tot September en soms nog +later vliegen de witjes overal rond. Wie ze noodig heeft voor de studie +kan ze overal vangen. Behalve op wilde planten zijn de koolrupsen +vooral in Augustus en September overal in groententuinen te vinden. Wie +de rupsen wil opkweeken, kan dus in elken tuin materiaal vinden. Het +voer is gemakkelijk te verkrijgen ook voor hen, die in de stad wonen; +de groentenboer heeft altijd kool op den wagen. + +Iedereen kan dus rupsen opfokken en de vlinders komen dan vanzelf. +Zoodoende kan men aan de levende dieren waarnemen, wat wij nu gaan +vertellen. De Koolwitjes vliegen in het geheele land, dus iedereen kan +deze diertjes bestudeeren. Wij zullen, terwijl wij over het Koolwitje +schrijven tegelijk wat termen leeren en eenige algemeene dingen over de +insecten zeggen. Tevens bedoelen wij met deze beschrijving een +voorbeeld te geven, hoe men een insect moet bestudeeren en waarnemen. +Wie insecten wil leeren kennen moet beproeven van hen een +levensbeschrijving te maken, naar aanleiding van de waarnemingen, die +men aan de dieren doet; dat is de goede methode. En nu beginnen wij. + +DE EERSTE KOOLWITJES. ’s Winters vliegen er geen Koolwitjes; de eerste +komen in April en Mei. Waar hebben ze voor dien tijd gezeten? Waar en +hoe hebben ze den winter doorgebracht? Dit is een belangrijke vraag en +we moeten zorgen, dat we van alle insecten te weten komen, waar zij in +den winter en in het vroege voorjaar hebben gezeten. Dit is vooral van +belang als we te doen hebben met schadelijke insecten. Als we weten, +waar ze ’s winters zitten, dan kunnen wij ze daar doodmaken, tenminste +als we er bij kunnen komen. En wat dan in den winter wordt vernietigd, +zal in het voorjaar en de volgende maanden ons geen last veroorzaken in +den tuin of op den akker. De meeste menschen beginnen moord en brand te +schreeuwen als de insecten in grooten getale hun planten beschadigen; +en geen wonder, want de planten worden dan danig gehavend; maar waarom +hebben ze niet vroeger ingegrepen? + +De beste manier om van de insecten geen last te hebben, is, zoo vroeg +mogelijk den strijd tegen hen aan te binden. De mensch moet het winnen, +als hij tenminste vroeg bij de pinken is. + +Waar komen nu de eerste Koolwitjes in April en Mei vandaan? Die hebben +het geheele najaar, den winter en ook de eerste voorjaarsweken hier of +daar tegen een boom, tegen een schutting of muur gezeten; ook wel in +schuren en stallen. Maar toen waren het nog geen vlinders, doch poppen. +Wij zeggen daarom dat het koolwitje als pop overwintert. Sommige +vlinders blijven als vlinder over, b.v. de kleine vos (112) en van weer +anderen blijft de rups ’s winters over, b.v. de beerrups (125). Van den +ringelrupsvlinder (134) blijven de eieren ’s winters over. Er is dus +nog al verschil. + +WAT GAAN DE EERSTE KOOLWITJES DOEN? Als we de insecten willen leeren +kennen, moeten we trachten hun heele „doen en laten” te volgen, want +alleen hieruit leeren we welke plaats deze dieren in de huishouding der +natuur innemen. Kijk, daar vliegt het Koolwitje naar een bloem. Het +gaat rechtop zitten, de vleugels naar boven toegeslagen, zoodat wij +alleen de onderzijde hiervan zien. Het werpt nu zijn roltong uit en +brengt die in de bloem. Met die roltong zuigt het honing uit de bloem. +Die honing is voedsel voor het witje. Iets anders gebruikt het beestje +niet. Het eet dus geen bladeren, geen stuifmeel, alleen maar honing, er +hiervan nog niet eens veel. + +Het Koolwitje behoeft ook niet meer te groeien. Alle volwassen +insecten: vlinders, kevers, libellen, enz. groeien niet meer. Zij eten +om niet te sterven. + +Hoe wist het Koolwitje, dat in de bloem honing zat? Er zijn ook +bloemen, die geen honing leveren. Het witje ruikt den honing. Op zijn +kop staan 2 lange sprieten en daarmede kan het ruiken. Wij kunnen den +honing niet ruiken op een afstand, doch het witje en de andere vlinders +wel. De insecten hebben dus een veel sterker reukvermogen dan de +mensch. Honden kunnen ook goed ruiken: jachthonden, politiehonden. + +Zoo vliegt het witje van bloem tot bloem en al snoepende brengt het ’t +stuifmeel, dat aan de roltong en den kop kleeft van de eene bloem naar +de andere, waardoor flinke zaden in die bloem ontstaan. Men zegt: het +Koolwitje bevordert de Kruisbestuiving van de bloemen. Zoo hebben de +bloemen nog voordeel van het insectenbezoek; de honing brengt dus zijn +geld wel op. Bloemen en insecten helpen elkaar. Dit is een der mooiste +verhoudingen in de natuur, waarover we nog meer hebben te vertellen als +we wat verder zijn. + +En doet het witje nog meer dan honing snoepen? + +Zie, daar vliegt het weg en gaat op het herderstaschje zitten, een +bekend wild plantje, dat overal voorkomt. Hier gaat het niet snoepen, +doch zet aan de onderzijde van een blad zijn eitjes af. + +HET EIERLEGGEN. De voorjaars-Koolwitjes leggen hun eieren meestal aan +wilde Kruisbloemigen, ook wel aan reseda en O. I. kers; wij vinden ze +ook wel aan judaspenning, die in April zoo mooi staat te bloeien. Het +Koolwitje legt de gele eitjes netjes naast elkaar aan de onderzijde der +bladeren; daar zitten ze goed beschermd tegen regen, tegen de felle zon +en tegen eierpikkers. Toch leggen sommige witjes ze weleens op de +bovenzijde; dat is dan een vergissing. Zoo’n schooltje vlindereitjes +bestaat wel uit een 100 à 150 stuks. Dat belooft dus een mooi regiment +rupsen te worden. + +Wie nu geen vriend van rupsen is, en ze liever niet in zijn tuin ziet, +kan door het dooddrukken der eieren honderd en meer rupsen om zeep +brengen. Dat doen dan ook de groententelers. Die zeggen, dat het +gemakkelijker is 100 rupseneieren tegelijk te dooden dan 100 rupsen te +vangen en zoo is het ook. Niet alle vlindersoorten leggen haar eieren +in schooltjes; de atalanta en de pijlstaarten leggen ze afzonderlijk. +Sommige vlinders bedekken de eieren met haren van het achterlijf. + +WAT DOET HET WITJE NA HET EIERLEGGEN? Ja, wat zal het gaan doen? Er is +een spreekwoord, dat zegt: „Aan alle lofzangen komt een eind” en dat +geldt ook voor het witje. Als het de eieren heeft afgezet, heeft het +zijn taak volbracht en gaat sterven. Dat is het gewone verschijnsel bij +de insecten; na het eierleggen sterven de dieren. En zoo komt er een +tijd, dat er in Mei haast geen Koolwitjes meer zijn; ze zijn allen +dood. Intusschen zijn uit de eieren kleine rupsjes gekropen, die +terstond aan hun boterham beginnen. Dat is altijd een voordeel voor de +rupsen: zoodra ze op de wereld komen, staat haar boterham klaar; ze +worden daarop geboren. + +Het was dus heel verstandig van het Koolwitje, dat het zijn eieren op +een herderstaschje afzette. Of de Koolwitjes dan die planten alle +kennen? Iedere plant heeft een eigen geur en die geur wijst den +vlinders den weg. Een vlinder zal nooit de eieren leggen op een plant, +die de rupsen niet lusten. De jonge rupsen doen goed haar best en na +eenige weken zijn ze volwassen. Dan gaan ze zich verpoppen, en na een +kleine veertien dagen komen hieruit weer Koolwitjes. Dat is dan het +tweede of het zomergeslacht en in Juli en begin Augustus vliegt het +Koolwitje weer overal rond. + +HET ZOMERGESLACHT OF DE ZOMERGENERATIE. In Juli en Augustus vliegen er +veel meer Koolwitjes dan in het voorjaar. En wat gaan deze nu weer +doen? Eerst wat honing snoepen en dan weer eieren leggen. In onze +groententuinen en bij de groentenboeren staan in Juli en Augustus +honderden en duizenden koolplanten van allerlei soort. En hierheen gaan +nu de vlinders; op de bladeren leggen ze eieren en dan vertrekken ze +weer. Hebben ze alle eieren afgezet, dan gaan ze net als de eerste +generatie, dood. + +EEN RUPSENPLAAG TREEDT OP. We zeiden al, dat de tweede generatie +vlinders veel talrijker is dan de eerste. Daardoor konden er nu ook +zooveel eieren op de koolplanten worden afgezet. En als het tegen half +Augustus of begin September loopt, dan merkt de groentenboer met +schrik, dat duizenden en duizenden rupsen zijn kool aan het vernielen +zijn. Sommige planten staan er dan vreeslijk gehavend bij. Is het +aantal rupsen zeer groot, dan zegt men, dat een rupsenplaag heerscht. + +HET BESTRIJDEN VAN EEN KOOLRUPSENPLAAG. In de vrije natuur komen ook +wel plagen voor, doch na verloop van langer of korter tijd komen die +vanzelf tot staan, omdat er dan geen voedsel voor de dieren meer is. +Bovendien treden dan ook dikwijls ziekten op onder de dieren. Hoe kan +men nu een koolrupsenplaag bestrijden? Het beste is een plaag te +voorkomen, door zooveel mogelijk de eierhoopjes op te zoeken en die +ineen te drukken. Maar is dit niet geschied, zijn de rupsen „heer en +meester” geworden, dan zit er niet veel anders op, dan de rupsen op te +zoeken. In een groententuintje gaat dit wel, maar als een geheele akker +vol zit, dan is dat niet te doen. Men kan de kippen er wel in jagen, +doch die beginnen al gauw aan de kool ook te pikken en dan zijn we nog +verder van huis. + +Bovendien krijgen de kippen spoedig genoeg van de rupsen; ze gaan haar +tegen staan en dan geeft het ook niet. Eigenlijk kunnen wij er niet +veel aan doen als onze culturen wat uitgebreid zijn. Gelukkig leven er +in de natuur nog verschillende vijanden van de koolrupsen, die ons +helpen in den strijd tegen deze kooleters. + +VIJANDEN VAN DE KOOLRUPSEN EN KOOLWITJES. Er is wel geen enkel dier, +dat geen vijanden heeft. De een loert op den ander. Een vogel loert op +een rups, en een kat tracht dien vogel naar binnen te werken. Een +kikker snapt levende insecten op en de ooievaar pakt den kikker en +brengt hem naar de jongen op het nest. Zoo gaat het overal en in de +heele natuur. De een peuzelt den ander op. En zoo hebben de koolrupsen +en de koolwitjes ook hun vijanden. Die vijanden zijn: vogels, libellen +(77–79), sluipwespen (168) terwijl in den zomer gewoonlijk nog ziekten +onder de rupsen optreden. Op deze wijze worden de koolrupsen niet +heelemaal baas, doch wordt haar aantal geregeld sterk gedund. + +In het algemeen eten de vogels weinig koolrupsen, alleen de koekoek +houdt er wel van. Wel snappen de vogels van tijd tot tijd een +koolwitje; men kan wel eens zien, dat zij de koolwitjes nazitten, +snappen en het lichaam opeten. De vleugels gaan niet naar binnen; +musschen lusten wel een koolwitje. De groene sabelsprinkhaan (87) pakt +ook wel eens een koolwitje, dat tegen een grasplant zit te rusten. De +libellen, die men wel eens de „zwaluwen onder de insecten” noemt, omdat +zij al vliegend andere insecten vangen net als de zwaluwen, pikken ook +nog al eens een koolwitje op; menigmaal hebben wij dit gezien. Soms +wordt het koolwitje overvallen, maar het komt ook voor, dat het eerst +wordt nagezeten. Maar de ergste vijanden—en daardoor juist onze beste +vrienden—dat zijn de sluipwespen. Er is een klein sluipwespje, het heet +Apanteles glomeratus en is afgebeeld op plaatje 168, dat op een rups +gaat zitten en dan zijn legboor door de huid steekt en tegelijk door de +legboor een 40 of 50 eitjes schuift. Dan vliegt het diertje snel weg. +Uit die eitjes komen heel gauw maden zonder pooten en zonder oogen, +doch die goed kunnen eten. De rups heeft dus een veertig of vijftig +kostgangsters en om die allen te eten te geven, moet de rups zelf eten +als een paard, anders bezwijkt ze. Die maden eten natuurlijk de heele +rups uit en als zij volwassen zijn, is de rups zoowat geheel op. De +maden kruipen dan de rupsen uit, zij boren door de huid van de rupsen +heen en gaan direct verpoppen. Misschien heeft men wel eens een doode +rups gevonden, waarbij aan de beide zijden van het lichaam een hoopje +gele, ovale, zeer kleine coconnetjes lagen, net eitjes. Nu, die gele +dingetjes waren de popjes van de sluipwespmaden. Na 10 à 14 dagen komen +uit deze popjes zeer kleine wespjes, een paar millimeter lang. + +De rups zelve is dood; gewoonlijk leeft ze na het uitkruipen der maden +nog een of een paar dagen, maar het einde is toch de dood. Het kleine +sluipwespje heeft dus èèn rups gedood en bovendien zijn er weer 40 of +50 nieuwe sluipwespjes geboren, die weer andere rupsen kunnen gaan +aanvallen. Het aantal sluipwespen wordt dus steeds grooter en daardoor +vallen er hoe langer hoe meer koolrupsen. Wij mogen die sluipwespen dus +wel in eere houden en als wij hier of daar die gele coconnetjes zien +zitten, laten wij ze ongemoeid. + +Wie met deze kleine nuttige diertjes eens wil kennis maken, moet maar +eens wat koolrupsen uit den tuin halen, tegen den tijd, dat zij +volwassen zijn; licht zijn er eenige aangetaste rupsen bij. + +Er is nog een andere sluipwesp, die ons ook helpt, maar die legt haar +eieren niet in de rups. Op het oogenblik, dat een gezonde rups haar +huid afstroopt en de pop voor den dag komt, is de pophuid nog zacht en +week. Dan komt een sluipwesp Pteromalus puparum, steekt haar legboor +door de zachte pophuid en schuift er zoo haar eieren in. De maden, die +hier uit komen, eten de pop uit en verlaten haar later. Ook dit is dus +een nuttig beestje. + +Soms worden de rupsen ook aangetast door een soort schimmelziekte; de +rupsen worden bruin en slap en sterven. De ziekte schijnt zich snel +onder de rupsen te verspreiden. Wanneer nu veel rupsen zijn aangetast +en er komt een flinke regenbui, dan spoelen zij allen van de +koolbladeren af en na de bui lijkt het, of de rupsen zijn weggeregend. +De koolteler is dan blij, maar die vreugde beteekent niet veel, want de +dieren waren binnen enkele dagen toch gestorven. Gezonde koolrupsen +regenen niet weg. Kleine sluipwespen en kleine schimmelplanten blijken +dus onze grootste vrienden te zijn. En hoe meer wij de natuur +bestudeeren, des te grooter wordt onze bewondering voor al het +geschapene en voor het onderlinge verband, dat er tusschen de levende +wezens bestaat. + +WAAR GAAN DE GEZONDE RUPSEN IN SEPTEMBER HEEN? De rupsen, die den dans +nog ontspringen, gaan zich in September gereed maken om te verpoppen. +Dat doen zij nooit aan lage planten, doch zoeken liefst op boomen, +schuttingen, muren, stokken, in één woord die plaatsen, waar zij hoog +boven den grond zich kunnen neerzetten. Als het mogelijk is zoeken zij +een afdakje, waaronder ze droog zitten; dat merkt men goed aan houten +schuttingen. Is er in de buurt geen goede gelegenheid, b.v. als de +rupsen op een koolveld zijn groot geworden, dat wat ver het land in +lag, dan marcheeren zij met elkaar op en gaan een goede gelegenheid +zoeken. Dan ondernemen zij soms heele tochten. Het is een aardig en +vreemd gezicht, zoo’n troep „landverhuizers” tegen te komen. Hebben ze +een geschikte plaats gevonden, dan gaan ze verpoppen en blijven daar +den geheelen winter zitten. Het is een interessant gezicht hoe dat +verpoppen geschiedt, want de rups spint eerst een gordel, waarin de pop +komt te hangen. Men kan dat heel gemakkelijk zien, als men de rupsen +thuis opkweekt. Uit deze winterpoppen komen nu in het voorjaar weer de +eerste koolwitjes en dan begint het lieve leventje opnieuw. Er komen +per jaar dus twee geslachten of generaties voor; als het weer zeer +gunstig is, kunnen er in 2 jaar wel eens 5 generaties ontstaan. +Merkwaardig is het, dat de zomervorm wat grooter is, aan de onderzijde +der vleugels wat lichter geel en ook minder zwart. Dat komt bij +insecten meer voor, dat twee opeenvolgende geslachten niet precies +gelijk zijn. Het weer, de temperatuur en ook het voedsel, schijnen +hierop invloed te hebben. + +DE BETEEKENIS VAN DE KOOLWITJES VOOR DEN MENSCH. Na al het voorgaande +zal iedereen daarover zijn oordeel wel kunnen zeggen en dat oordeel zal +wel eensluidend zijn. De koolrupsen zijn voor den mensch schadelijk. En +dat alleen omdat zij dezelfde neiging hebben als de mensch: ze lusten +ook graag kool. Dat kunnen de koolrupsen niet helpen, maar zij zullen +het ons dan ook niet kwalijk nemen, dat wij haar daarom bestrijden. + +En hoe mooi de koolwitjes ook zijn, ’t zijn inderdaad lieve dieren—we +moeten ze bestrijden, omdat zij in haar jeugd, een rups is immers een +jonge vlinder, onze culturen in de war sturen. En hoe gaarne we met +alle dieren in vrede leven, met de koolrupsen gaat dat niet. + +DE BETEEKENIS VAN DE KOOLWITJES IN DE VRIJE NATUUR. Nu kunnen wij wat +goeds vertellen. Zooals wij zagen, halen de vlinders honing uit de +bloemen en brengen dan tegelijk stuifmeel van de eene bloem naar de +andere waardoor een goede zaadvorming wordt ingeleid. Voor de zaadteelt +zijn zij dus wel nuttig, net als de bijen en hommels. En de rupsen? +Zoolang het wilde planten betreft, doen zij ook eenig nut. Zij zorgen +er voor, dat er niet te veel kruisbloemigen komen, want zij eten er +vele op. Zoodoende bewaren zij min of meer het evenwicht onder de +planten. + +Het doet ons genoegen, dat wij ten slotte toch nog iets goeds van de +koolrupsen hebben kunnen zeggen. + +Uit het medegedeelde kunnen wij nu het volgende vastleggen: + + + + 1º Een vlinder doorloopt 4 stadiën of toestanden; hij is eerst een + ei, hieruit komt een larve, die rups heet, als deze voldoende is + gegroeid trekt zij de rupshuid voor de laatste maal uit en wordt + een pop; in dezen toestand wordt geen voedsel opgenomen; ten + slotte komt uit de pop een vlinder. Men zegt, dat een vlinder een + gedaanteverwisseling doorloopt. + 2º Een volwassen insect, een kever, een vlinder, een bij, enz. + noemt men een imago. + 3º Het jonge dier, dat uit een insectenei komt, noemt men een + larve. Soms hebben die larven nog speciale namen, als: rups, made, + enz. + 4º Insecten eten in hun jeugd soms heel andere stoffen dan als + imago; een koolrups eet koolbladeren, een koolwitje honing. + 5º Insecten hebben ook vijanden, n.l. vogels en ook andere + insecten. + 6º Sommige insecten eten andere insecten gedurende hun leven geheel + uit, zooals de maden van een sluipwesp de koolrups uiteten; die + uiteters noemt men parasieten. + 7º Vlinders kunnen goed ruiken; dat kunnen trouwens alle insecten + goed. + 8º Vlinders leven meestal maar kort; als ze eieren hebben gelegd, + gaan ze dood. + 9º Voor het eierleggen zoeken de vlinders planten uit, die door de + rupsen gaarne gegeten worden. +10º ’s Winters is er geen enkel koolwitje te vinden; alleen zijn er + dan poppen. + + + + + + + + +II. LICHAAMSBOUW DER INSECTEN. + + +a) UITWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM. + +Hoe verschillend de insecten er ook mogen uitzien, denk b.v. aan een +mier en een vlinder, zij zijn allen volgens hetzelfde beginsel gebouwd. +En dat beginsel is dit: het lichaam bestaat uit 3 goed te onderscheiden +deelen: + + + 1º de kop, 2º het borststuk en 3º het achterlijf. + + +Elk van deze deelen heeft zijn eigen werk te doen, heeft een bepaalde +functie. Met den kop neemt het dier voedsel op en neemt het zijn +omgeving waar; het kan zich oriënteeren. Door middel van de organen, +die aan het borststuk zitten, de pooten en de vleugels, kan het zich +verplaatsen. In het achterlijf zijn opgeborgen de ademhalings- en +spijsverteringsorganen; als deze organen werken blijft het dier in +leven. + +De indeeling van het lichaam berust dus op een verdeeling van arbeid; +ieder deel heeft zijn eigen werk. + + + +I. DE KOP. + +Aan den kop treffen wij de volgende organen aan: 1º de sprieten, 2º de +oogen, 3º de monddeelen. + +DE SPRIETEN. Ieder insect heeft 2 sprieten. Vroeger noemde men die +voelhorens, omdat men meende, dat de insecten hiermede zouden kunnen +voelen. Het is wel mogelijk, dat de insecten er mede voelen kunnen, +maar zeker is het, dat ze er mede ruiken. De sprieten zijn dus de +neuzen. Als men in een rupsen- of vlinderhuis, waarin levende vlinders +zijn, een schoteltje honing zet, komen oogenblikkelijk de sprieten in +beweging, en gaan de vlinders op den honing af. Had men vooruit van +enkele vlinders de sprieten afgeknipt, dan zou men bemerken, dat de +sprietloozen niet naar den honing gingen, omdat zij dien nu niet ruiken +kunnen. + +Zoowel de larven als de volwassen dieren hebben sprieten; die van de +larven zijn meestal klein, b.v. bij de rupsen. Zeer groote sprieten +hebben de boktorren; soms zijn die eenige malen langer dan het lichaam. +Hoe grooter de oogen zijn, hoe kleiner de sprieten; dat zien wij goed +bij de glazenmakers. Het aantal vormen der sprieten is zeer groot; ze +kunnen zijn: draad-, snoer-, haar-, en spoelvormig; ook: geknopt, +gezaagd, gekamd, bladvormig. Meestal hebben de mannetjes grootere en +meer ontwikkelde sprieten dan de wijfjes. + +DE OOGEN. De insecten bezitten twee soorten van oogen: enkelvoudige en +samengestelde. Een rups heeft aan iedere zijde van den kop 6 +enkelvoudige of kleine oogen; in ’t geheel dus 12. De samengestelde +oogen vertoonen aan de buitenzijde een groot aantal zeshoekige vlakjes; +soms eenige duizenden. De meeste volwassen insecten bezitten zoowel +enkelvoudige als samengestelde oogen; de kevers evenwel hebben haast +alleen slechts samengestelde oogen. Een groot aantal insecten is blind. +Het zijn dieren, die in holen, onder steenen of in hout leven. Ook +onder de mierengasten (31) komen blinden voor. Nog meer dan bij de +volwassen insecten vinden wij blinden onder de larven, b.v. de +vliegenmaden; de larven van bijen, mieren, wespen, sluipwespen en +boktorren zijn ook blind. Zij worden geboren midden in haar voedsel en +hebben dus geen oogen noodig; overal, waarheen zij zich wenden of +keeren, vinden zij haar boterham. Oogen dienen vooral om voedsel op te +zoeken. Verschillende blinde insecten zijn toch wel gevoelig voor +licht. + +DE MONDDEELEN. De mond is een zeer belangrijk orgaan omdat hiermede het +voedsel wordt gegrepen en verkleind. Evenals bij de gewervelde dieren +de tanden verschillen al naar het voedsel, dat het dier gebruikt: +graseters, vruchteneters, vleescheters, vischeters, insecteneters, zoo +staat de vorm der monddeelen van een insect ook in verband met het +voedsel, dat het nuttigt. Van een insect geldt ook: „Laat mij je +monddeelen zien, en ik zal zeggen wat je eet”. + +De monddeelen kunnen we in de volgende groepen verdeelen: + + + één bovenlip + twee bovenkaken + twee onderkaken + één onderlip; + + +dus totaal 6 deelen. De bovenlip, die een soort luifel is, hoort er +eigenlijk niet bij, maar gewoonlijk wordt zij er bij gerekend en daarom +zullen wij het ook maar doen. + +Aan de onderkaken en aan de onderlip zitten vaak nog allerlei +aanhangsels, die men tasters noemt; hiermede schijnen de dieren het +voedsel te inspecteeren voor zij het naar binnen werken. Het voedsel +dat de insecten opnemen is vast of vloeibaar. Het vaste voedsel: +bladeren, stengels, wortels, vleesch, moet worden fijngeknipt; de kaken +werken dan als een schaar in horizontale richting, dus van links naar +rechts. Op deze wijze eten de kevers. Men zegt dat ze kauwen. Is het +voedsel vloeibaar, dan moet dit worden opgelikt of opgezogen. Zoo +likken de bijen en hommels den honing uit de bloemen, dat gemakkelijk +gaat omdat de honing aan de oppervlakte ligt. Ligt de honing evenwel +zeer diep, dan wordt hij door een buis naar boven gezogen; die buis is +dan gevormd door de twee onderkaken, die zeer in de lengte zijn +uitgegroeid, en met de holle zijde aan elkaar sluiten. Die lange buis, +die oprolbaar is, heet roltong. Bij een koolwitje kan men met een speld +of dun sprietje deze roltong heel gemakkelijk afrollen en uittrekken. + +Soms zit het vloeibare voedsel, dat de insecten zullen verorberen, nog +achter weefsels verborgen, die dus doorboord moeten worden. Zulk +voedsel is b.v. menschenbloed en plantenvocht. Als een steekmug ons +bloed wil aftappen, geeft zij ons eerst een prik, zoo diep, dat zij bij +het bloed is; dan zuigt zij het bloed op. Haar monddeelen zijn dus een +soort zuigpomp die in ons lichaam wordt gezet. Daarom zijn de +monddeelen van een steekmug zeer in de lengte uitgegroeid. Dat is ook +het geval met de monddeelen van een bladluis. Die steekt haar snuit in +den stengel of in het blad en zuigt dan zoo de sappen uit; stengel en +blad worden leeggepompt, en als een blad nu aan één zijde met +bladluizen is bezet, de onderzijde, dan begint het om te krullen; +omgekrulde bladen wijzen op bladluizen of op mijten, die precies leven +als de bladluizen. + +De bovenkaken werken, zooals wij zagen, van links naar rechts en niet +van boven naar beneden. Zij dienen: + + + 1º om te kauwen en te bijten; men vindt die bij oorwormen, + glazenmakers, sprinkhanen, kevers; wespen, bijen; een rups knipt de + bladeren af. + 2º om prooi te vangen; dat ziet men goed bij de roofinsecten (32). + 3º als verdedigingsmiddel; dit is goed te zien bij de mannetjes van + het vliegend hert (48); die groote geweivormige kaken zijn de + bovenkaken en daarmede schijnen de mannetjes elkaar wel eens te + lijf te gaan. + 4º als steekwerktuigen bij de wantsen. + + +Soms zijn de bovenkaken geheel verdwenen of rudimentair; dat komt voor +bij vlinders en de meeste tweevleugeligen. + +De onderkaken dienen slechts zelden tot kauwen; meestal zijn die +gewijzigd tot steek- en zuigorganen. + +De onderlip heeft ook geen vasten vorm; soms is zij een grijporgaan +geworden en dan weer doet zij dienst als een koker om de onder- en +bovenkaken te bergen. + + + +II. HET BORSTSTUK. + +Aan het borststuk treffen wij de organen aan, waarmede de insecten zich +kunnen verplaatsen: de pooten en de vleugels. Als wij een borststuk +netjes uit elkaar halen, dan blijkt, dat het uit drie deelen bestaat: +1º ’t voor-, 2º ’t midden- en 3º ’t achterborststuk. Elk van deze +deelen draagt één paar pooten, terwijl het midden- en achterborststuk +ieder één paar vleugels dragen. Het voorborststuk draagt nooit +vleugels. Bij de vliegen en muggen is het tweede paar vleugels +gewijzigd en vinden wij daarvoor in de plaats de z.g. kolfjes. + +DE VLEUGELS. De vleugels dienen om te vliegen. Bij de kevers zijn de +voorste vleugels hard en dienen tot bescherming van de achtervleugels, +die in rust onder de dekschilden liggen opgevouwen. De oorspronkelijke +beteekenis der voorste vleugels is dus gewijzigd. Een kever vliegt +alzoo alleen met zijn achtervleugels. Bij de vliegen en muggen zijn de +achtervleugels zooals wij zagen gewijzigd tot kolfjes; daarmede kunnen +zij niet vliegen, dat doen zij dus met de voorvleugels. + +De voor- en achtervleugels zijn vaak verbonden, zooals dat voorkomt bij +sommige avondvlinders en bijen en wespen; dat zijn daarom goede +vliegers. Gewoonlijk verschillen de voor- en achtervleugels in vorm, +teekening en grootte; bij vele libellen (77–79) zijn ze tamelijk wel +gelijk. + +Mannetjes en wijfjes zijn vaak te herkennen aan de vleugels. Het komt +ook voor, dat de wijfjes de vleugels missen; dat vinden wij bij enkele +wintervlinders (139), den witvlakvlinder (143), de glimwormen (43) en +bij de schildluizen. Soms zijn van de vleugels nog kleine stompjes +over. Er zijn ook gevallen, dat mannetjes en wijfjes de vleugels +missen; dan kunnen ze vaak hard loopen of springen: de vloo en sommige +sprinkhanen. Sommige blijvende parasieten missen ook in beide +geslachten de vleugels; aan verplaatsing zouden zij ook weinig hebben; +waar ze zijn, vinden ze voedsel genoeg, We denken aan de +hoofdparasieten bij kinderen. Er zijn ook gevallen, dat gevleugelde en +ongevleugelde geslachten elkaar opvolgen: bladluizen. + +DE POOTEN. Het normale aantal pooten bij de volwassen insecten bedraagt +6; daarom heeten ze wel hexapoden of zespootigen. Spinnen hebben 8 +pooten. + +De larven hebben soms meer dan 6 pooten, b.v. de rupsen, die meestal +nog 10 buikpooten er bij hebben; sommige bastaardrupsen hebben zelfs 16 +buikpooten. De buikpooten en de eigenlijke of borstpooten verschillen +in vorm. + +Elke borstpoot bestaat uit 5 deelen: heup, dijring, dij, scheen en +voet. In de dij zitten goede spieren. Aan het uiteinde van den voet +zitten 1 of 2 klauwtjes; daartusschen zitten vaak nog hechtlapjes o.a. +bij de vliegen. Door verlenging, verkorting, verbreeding, sterkere +beharing van een of meer der 5 deelen waaruit een poot bestaat, +ontstaan allerlei pootvormen, die aan de insecten speciale diensten +kunnen bewijzen. + +Daardoor kunnen wij onderscheiden: + + + 1. looppooten; die hebben de meeste insecten, + 2. roofpooten; bij de waterschorpioen, + 3. graafpooten; bij de veenmol en de mestkevers, + 4. springpooten: bij de sprinkhanen, + 5. verzamelpooten; bij de bijen en hommels, + 6. zwempooten; bij de waterkevers en de waterwantsen. + + +Soms zijn de voorpooten in meerdere of mindere mate verkommerd; dan +spreekt men van poetspooten. Die komen voor bij de volgende vlinders: +vanessa’s, paarlemoervlinders en zandoogjes. Larven zonder pooten noemt +men maden (vliegen). + + + +III. HET ACHTERLIJF. + +Het achterlijf draagt geen organen, wel aanhangsels, als: staart, +legboor, angel. In den larvetoestand vinden wij soms buikpooten aan het +achterlijf, zooals bij rupsen en bastaardrupsen. Een belangrijk +aanhangsel in de legboor, die o.a. voorkomt bij sprinkhanen, +waterjuffers, sluipwespen, bladwespen. De legboor dient om eieren in +den grond of op andere verscholen plaatsen af te zetten. Bij de wijfjes +van de bijen en hommels doet de legboor ook dienst als wapen en heet +dan angel. In dien angel vloeit het vocht uit een giftklier. + +Op de segmenten van het achterlijf zijn goed waarneembaar kleine +openingen, stigma’s, die het begin zijn van de ademhalingsbuizen. +Sommige insecten, zooals de bijen, scheiden uit het achterlijf was af; +dat zweeten zij uit aan de buikzijde. + +In verband met de meerdere of mindere ontwikkeling van de vleugels en +pooten zou men de insecten aldus kunnen indeelen: + + + 1. Loopers; hebben goede pooten en vliegen weinig; oorwormen en + kevers. Hiertoe behooren ook de springers. + 2. Vliegers; hebben meestal zwakke pooten, zooals vlinders, bijen. + 3. Stilzitters; dit zijn meestal parasieten, die goed ontwikkelde + pooten hebben om zich vast te houden, b.v. schildluizen, luizen. + + +De huid van de insecten bestaat uit een laag chitine, waaronder levende +cellen. Deze cellen scheiden de chitine af. Chitine bezit een groot +weerstandsvermogen, het is oplosbaar in kokend geconcentreerd +salpeterzuur. Op de huid nemen wij haren en schubben waar. Deze +ontstaan uit de laag levende cellen onder de chitinelaag. De beteekenis +der haren is zeer verschillend; sommige brengen indrukken of prikkels +van buiten over, dat zijn zintuigharen; de bijen hebben verzamelharen, +waartusschen het stuifmeel blijft zitten; processierupsen bezitten +giftharen. Bij verschillende waterinsecten wordt de ademhalingslucht +door de haren vastgehouden. Niet zoo algemeen verbreid als de haren +zijn de schubben; toch komen zij bij veel insecten voor, bij de +kokerjuffers, bij vlinders, bij eenige kevers, tweevleugeligen en +anderen. Schubben zijn kleiner dan haren. Sommige schubben geuren; men +noemt ze riekschubben. Er zijn ook vlinders zonder schubben: sesia’s +(123). + + + + + +b) INWENDIGE BOUW VAN HET LICHAAM. + +Insecten hebben geen geraamte zooals de gewervelde dieren, bij wie de +spieren aan de beenderen vastzitten. Wel bezitten de insecten ook +spieren, doch die zijn bevestigd aan de huid, die door de chitine +stevig is. Daarom zegt men ook wel dat de insecten hebben een +huid-skelet. Dat stevige huidskelet maakt, dat de insecten niet in +elkaar zakken. Alle hoofdorganen, die de hoogere dieren bezitten, +treffen wij ook bij de insecten aan, n.l. spijsverteringskanaal, +ademhalingsorganen, een hart, dat de bloedsomloop regelt, een +zenuwstelsel, dat alle spieren bestuurt, en ook uitloopers naar de +zintuigen zendt; verder verschillende klieren, die vochten naar binnen +of naar buiten afscheiden. + +SPIJSVERTERING. De planteneters hebben een veel langer darmkanaal dan +de vleescheters, net als bij de hoogere dieren. Insecten, die honing +naar huis moeten dragen, doen dat in hun maag, zooals de bijen en +hommels. Als men een gevulde honingbij, die naar den korf vliegt, vangt +en wat drukt, komt de honing door den mond naar buiten. In de +honingmaag ondergaat de honing al eenige wijziging; o.a. is hij zoo +waterrijk niet als hij in de bloemen was. Komt een bij in den korf +terug, dan werkt zij den honing door den mond weer naar buiten. + +Veel insecten eten in den larvetoestand zeer veel, b.v. rupsen. Dan +leggen zij tegelijk wat reservevoedsel aan, dat zij als pop verwerken. +Gewoonlijk eten de larven het meest. + +Sommige volwassen insecten eten in het geheel niet en andere gebruiken +zeer weinig. Het wijfje van den witvlakvlinder en de haften eten niets; +zij leven ook maar kort; de eerste een paar dagen en de laatste soms +maar een paar uur of nog korter. Larven die veel eten, zooals de +rupsen, produceeren heel wat uitwerpselen. Wie wel eens rupsen heeft +opgekweekt weet dat, en zorgt er voor, dat dagelijks het rupsenhuis +wordt gereinigd. + +ADEMHALING. Alle insecten hebben lucht noodig; toch niet zooveel als +men gewoonlijk denkt. Landinsecten, die men onder water brengt, houden +het vaak nog eenige dagen vol; dat bewijst, dat zij niet veel versche +lucht noodig hebben. De meeste insecten hebben 10 paar luchtbuizen, +tracheeën; 2 of 3 paar in het borststuk, de rest in het achterlijf. +Zoo’n luchtbuis gelijkt een boom, die tot in zijn fijnste vertakkingen +geheel is uitgehold; ’t dikke ondereinde staat met de buitenlucht in +verbinding, door een zeefvormig traliewerk. De lucht kan er wel door, +doch het stof wordt tegengehouden. Al die boomvormige luchtbuizen staan +in het lichaam van een insect met elkaar in verbinding. De stigma’s +zelf, zoo heet dat zeefvormig traliewerk, kan men gemakkelijk aan de +zijkanten van het achterlijf zien. + +Soms zijn er nog aanhangsels aan de luchtbuizen; dat zijn dan +luchtzakken, die het insect volpompt voor het gaat vliegen. Bij de +meikevers kennen wij dit wel en noemen het „geldtellen”. + +Hoe halen nu de waterinsecten adem? + + + 1º Sommige komen van tijd tot tijd aan de oppervlakte om lucht te + halen, b.v. de gerande watertor (28) en de zwarte watertor (25). De + gerande watertor komt met het achterlijf naar boven. De zwarte of + spinnende watertor komt met den kop naar boven en gebruikt zijn + korte, verbreede en sterk behaarde sprieten om daarmede de lucht op + te nemen, die langs den fijn behaarden buik naar de stigma’s wordt + gevoerd. De larve van den zwarten heeft aan het achterlijf 2 + stigma’s zitten en komt hiermede van tijd tot tijd naar boven. Dat + doen meer larven. + 2º Andere larven van waterinsecten halen adem door kieuwen, die + huiduitstulpingen zijn. De uitwisseling der gassen heeft dan door + de huid heen plaats. + + +BLOEDSOMLOOP. Het hart van de insecten ligt aan de rugzijde. Evenals +bij de hoogere dieren is het hart de motor, die het bloed door het +lichaam drijft. Een bloedvatenstelsel ontbreekt; men spreekt in zoo’n +geval van open bloedsomloop. Toch is de strooming wel min of meer +geregeld. Het bloed komt aan de achterzijde van het hart in beweging en +gaat aan de voorzijde er weer uit. De beweging van het bloed wordt +veroorzaakt door het kloppen (samentrekken) van het hart; soms klopt +het 40 tot 50 maal en na het vliegen soms maar dan 100 maal per minuut. +Bij een pop klopt het hart zeer langzaam. De hoogere dieren hebben in +hun bloed roode en witte bloedlichaampjes; de roode zijn dan de +ademhalingscellen, die de zuurstof door het lichaam vervoeren. Omdat +bij een insect de lucht het geheele lichaam doortrekt, hebben deze +dieren geen roode bloedlichaampjes noodig. Een enkele uitzondering is +evenwel waargenomen. De bloedvloeistof of het serum is kleurloos of +gekleurd en in dit laatste geval geel-, rood- of bruinachtig. Soms +groen, doch dit komt dan van het eten van bladgroen. + +ZENUWSTELSEL. Het zenuwstelsel bestaat uit een dubbele streng, waarin +verschillende verdikkingen worden gezien. Die verdikkingen heeten +zenuwknoopen. De eerste zenuwknoop ligt boven in den kop, alle andere +liggen aan de buikzijde. De eerste en tweede zenuwknoop zijn door +strengen verbonden en daar tusschen loopt de slokdarm. Dit gedeelte van +het zenuwstelsel noemt men den slokdarmring. + +Van den bovensten kopzenuwknoop gaan zenuwen naar de oogen en naar de +sprieten; van den tweeden knoop naar de monddeelen, de speekselklieren. +De andere zenuwknoopen zenden zenuwen naar de pooten, vleugels en alle +inwendige organen. + +DE ZINTUIGEN. De insecten bezitten dezelfde zintuigen als de hoogere +dieren: het gezicht, het gehoor, het gevoel, den smaak en den reuk. De +reuk is ongetwijfeld het sterkst ontwikkeld, en sterker, dan wij ons +zelfs kunnen voorstellen. Laten wij over de zintuigen nog iets naders +vertellen. + +HET GEZICHT. Bij verschillende insecten hebben de mannetjes betere +oogen dan de wijfjes. Bij de tweevleugeligen zien wij twee soorten van +vlakjes of facetten in de oogen: groote en kleine. Dit verschil moet +van groot voordeel zijn bij het waarnemen van bewegingen. Op afstanden +nemen de insecten al bewegingen waar en vliegen dan op; dat weet ieder +die beproeft insecten te vangen. Bij de haften is die verdeeling zoo +ver gegaan, dat ieder oog der mannetjes in 2 oogen is verdeeld; +zoodoende hebben deze dieren feitelijk 4 oogen. + +In verband met het gezicht staat ook het lichtgevend vermogen van +sommige avond- of nachtdieren. Wij kennen dit vermogen vooral bij de +glimwormen (42–43). Van onze gewone glimwormen is het mannetje +gevleugeld en wijfje ongevleugeld. Zoo’n wijfje lijkt daardoor veel op +een larve. Het meeste licht geeft het wijfje. De lichtgevende cellen +zijn veranderde cellen van het vetlichaam; hierdoor loopen sterk +vertakte luchtbuizen. + +Eigenaardig is het, dat het lichtgevendvermogen onafhankelijk van het +dier zelf is; na den dood lichten ze nog. + +DE REUK. De reuk is wel ongemeen sterk ontwikkeld. Veel meer dan het +gezicht helpt de reuk de insecten om hun voedsel te vinden. Den geur +der bloemen kunnen de insecten op grooten afstand waarnemen. Wanneer +hier of daar een stuk vleesch wordt neergelegd, dan is dit in een +minimum van tijd bezet met vleeschvliegen, die daarop haar eieren komen +leggen. Zoo gaat het ook met dierenlijken in de vrije natuur. De +doodgravers (kevers) (30) ruiken de lijken en komen er op af, evenals +de aasvliegen en in weinige dagen is er al veel weggewerkt. Besmeert +men boomstammen met honing, of met bier, stroop, rum en appelaether, +dan komen daarop in de schemeringuren allerlei vlinders af, die dan +gemakkelijk zijn te vangen. Deze vangmethode noemt men „stroopen” d.i. +met stroop werken. + +Avondvlinders ruiken ook de boomen, op wier bladeren zij eieren +afzetten. Den geur van vele boombladeren kunnen wij nauwelijks +waarnemen, doch voor de vlinders gaat dit zonder bezwaar. + +Van het sterke reukvermogen der mannetjes kan men juist profiteeren om +hen te vangen. Van af midden Juli vliegt als een razende door de lucht, +het mannetje van den witvlakvlinder (143); het wijfje van dezen vlinder +is ongevleugeld en kan zich niet verplaatsen. Heeft men nu een wijfje +en zet men dit in een sigarenkistje buiten, dan komen de mannetjes +hierop af en gaan op het sigarenkistje zitten. Zet men het +sigarenkistje in huis voor een gesloten raam, ook dan nog komen de +mannetjes er op af en zetten zich tegen het raam neer. Dat is wel een +bewijs, hoe goed de mannetjes ruiken kunnen. Bij een andere +vlindersoort is het gelukt op deze wijze in één avond meer dan 100 +mannetjes te vangen. Zooals wij reeds vermeldden, staat hiermede in +verband, dat de mannetjes grootere en meer vertakte sprieten hebben, +waardoor zij beter kunnen ruiken. Sommige mannetjes van de vlinders +geuren zelf ook; zij bezitten daartoe speciale riekschubben, die deze +geuren verspreiden. Het zijn meestal aangename geuren: ananas, citroen, +heliotroop. + +HET GEHOOR. Dat de insecten een gehoor bezitten, kunnen wij reeds +hieruit opmaken, dat vele insecten geluid voortbrengen. Dat moet +natuurlijk dienen om de aandacht van andere soortgenooten te trekken. +Een keukenkakkerlak houdt met loopen op, zoodra een vioolsnaar wordt +aangestreken, en de rugzwemmers (97) en de duikerwantsen (98) snellen +wild door elkaar als op een viool d' wordt aangestreken. + +Vroeger dacht men, dat het gehoororgaan in de voelhorens zat—men +vergeleek die met de ooren van een mensch—doch thans weten wij, dat de +ooren der insecten op verschillende plaatsen van het lichaam zitten: in +de beenen, in de vleugels, in ’t achterlijf en soms ook in de sprieten. +Evenals in de plaatsing is er ook groote verscheidenheid in den bouw +der gehoororganen. Het voortbrengen van geluid komt vooral voor bij de +rechtvleugeligen: de veldsprinkhaan, de sabelsprinkhaan en de krekel. +Het beginsel bij het voortbrengen van geluid bij deze dieren is dit, +dat over een rasp een chitinelijst wordt gestreken. Als wij over een +kam strijken ontstaat ook geluid. + +Bij de veldsprinkhanen zit de kam aan de dikke dij van den achterpoot +en de lijst aan den voorvleugel. Bij de sabelsprinkhanen ligt de rasp +aan de onderzijde van den linkervleugel en de lijst aan de bovenzijde +van den rechtervleugel. Bij de lijst bevindt zich tevens een +resoneerplaat, waardoor het geluid versterkt wordt. + +Deze organen worden alleen bij de mannetjes waargenomen. De wijfjes der +sprinkhanen bezitten ook een soort geluidsorgaan, dat zijn eigen bouw +heeft; het zit vaak op een andere plaats. + +Op de heide bij ons komt een sprinkhaan voor, het huphaantje, +Ephippigera vitium, dat gereduceerde voorvleugels heeft; de +achtervleugels ontbreken. + +Hier maken mannetjes en wijfjes muziek, doch de ligging der organen is +verschillend; bij het mannetje is de linkervleugel kam en de +rechtervleugel lijst; bij wijfje is het precies andersom. + +De wijfjes komen op de sjilpende mannetjes af. + +De groote treksprinkhanen hebben maar zeer kleine geluidsorganen; ze +zijn altijd in grooten getale bij elkaar, zoodat ze feitelijk geen +loktonen noodig hebben. + +Bij de krekels is het als bij de sabelsprinkhanen. In Artis in +Amsterdam zijn in het insectarium van tijd tot tijd veldkrekels. Daar +kan men hen geluid zien en hooren maken. + +Indien dit voortbrengen van het geluid een doel heeft, dan moeten er +ook gehoororganen zijn om dit op te vangen. En die zijn er ook. Bij de +veldsprinkhanen zit het gehoororgaan aan den basis van het achterlijf +en bij de sabelsprinkhanen en de krekels aan de scheen van den +voorpoot. Bekend is ook het geluidsorgaan van de cicaden, doch daar is +het van een geheel andere constructie. Het grootste deel van het +achterlijf der mannetjes is geluidstrommel. Deze dieren maken soms een +vreeselijk geluid, dat op verren afstand te hooren is; zij komen in ons +land evenwel niet voor. Sommige insecten maken geluid door hun kop +tegen een voorwerp aan te slaan; dat doet o.a. het doodskloppertje +(50). Door deze loktonen komen deze kevers tot elkaar. + +Bekend is het, dat verschillende insecten onder en door het vliegen +geluid maken. Door den snellen vleugelslag begint de lucht te trillen: +vliegen, muggen, bijen, hommels, pijlstaartvlinders. Wij kunnen de +vliegtonen nog waarnemen als de vleugels zich minstens 20 maal per +seconde bewegen. Langzame vliegers, zooals de dagvlinders, zij +fladderen, vliegen geruischloos; een koolwitje doet maar 9 slagen in de +seconde. Pijlstaarten maken 70 tot 80 vleugelslagen, bijen ongeveer 180 +en kamervliegen 330 slagen per seconde. Ook kevers, o.a. de +doodgravers, boktorren en mestkevers, enkele wantsen, mieren en zelfs +de doodshoofdvlinder maakt geluid, o.a. als men hem aan den kop plaagt. + +DE SMAAK. De organen voor den smaak zetelen voornamelijk aan den kop; +als zoodanig doen zich voor allerlei aanhangsels, tasters, aan de +onderkaken en onderlip. Sommige insecten bepalen zich tot één soort +voedsel; zij sterven liever, dan iets anders tot zich te nemen. Het +onderzoek naar den aard van het voedsel geschiedt nu door de tasters. +Wellicht zijn nog andere organen daarbij werkzaam. + +HET GEVOEL. Dat zetelt in de huidzintuigorganen, waarvan er vele op het +lichaam van het insect worden aangetroffen. Wij kunnen hierop niet +verder ingaan, maar dit staat wel vast, dat de insecten op velerlei +manieren de buitenwereld kunnen waarnemen. + +DE KLIEREN. Een klier is een groep cellen, (soms ook maar één cel), die +een bepaalde stof afscheiden. Bekend zijn de speekselklieren, de +maagklieren, die in verband staan met de spijsvertering. Behalve deze +klieren bezitten de verschillende insecten er nog andere, die eveneens +voor de dieren van groote beteekenis zijn. Men kan die klieren tot de +volgende groepen brengen: verdedigingsklieren, giftklieren, spin- en +lijmklieren, wasklieren. + +VERDEDIGINGSKLIEREN. Deze produceeren alle een onaangenaam riekende +stof. Wantsen, kakkerlakken, geven bekende luchten af. Oorwormen +bezitten ook stinkklieren. Verschillende kevers brengen onaangename +stoffen naar buiten. Bij den bombardeerkever verdampt het naar buiten +gebrachte vocht terstond tot een blauwachtig wolkje. + +Sommige rupsen brengen uitstulpbare klieren naar buiten. + +GIFTKLIEREN. Komen voor bij bijen en hommels; ook mieren bezitten nog +deze klieren. Het speeksel van muggen, steekvliegen, vlooien en wantsen +bezit eveneens scherpe eigenschappen. + +SPINKLIEREN. Zijn zeer belangrijk voor de insecten; bij de rupsen +monden zij uit aan de onderlip. De spinstof is taai en verhardt aan de +lucht. Technisch is de spindraad van de zijderups van beteekenis. + +LIJMKLIEREN. Komen voor o.a. bij verschillende vlinders; met de +lijmstof worden de eieren vastgehecht. + +WASKLIEREN vinden wij bij de bijen en bladluizen; ook nog bij andere +insecten. De wasklieren der bijen zijn geheel andere organen dan die +van de blad- en schildluizen. + + + + + + + + +III. VAN EI TOT IMAGO. + + +Alle insecten ontstaan uit eieren. Vroeger meende men, dat de insecten +uit vuil konden ontstaan; dat is onjuist. Wel is het waar, dat vele +insecten in vuil hun eieren leggen en dat daaruit dan nieuwe insecten +ontstaan, maar als er geen eieren worden gelegd komen er ook geen +insecten. Sommige huismoeders denken dat de hoofdparasieten bij de +kinderen vanzelf ontstaan; ook dat is niet waar. Als de oude parasieten +geregeld door wasschen en kammen worden verwijderd, houdt men de +hoofden rein. Wel loopen de ongedierten van het eene kind naar het +andere. + +Er zijn timmerlieden, die meenen, dat in den zaagselhoop van zelf +vlooien ontstaan. De waarheid is, dat de vlooien in die hoopen gaarne +haar eieren leggen en dat uit die eieren dan weer nieuwe vlooien komen. +Van tuinlieden hoort men wel, dat door tocht bladluizen ontstaan. Ook +dat kan niet. Wel worden door den wind, door tocht, gevleugelde +bladluizen medegevoerd van de eene plant naar de andere. Insecten +ontstaan dus alleen uit eieren, die door de oude insecten worden +gelegd. + +HOE DIKWIJLS LEGGEN DE INSECTEN EIEREN? De meeste insecten leggen maar +eenmaal eieren en sterven dan. Loopkevers en ook wel snuittorren en +schorskevers leggen de eieren met groote tusschenpoozen. Die dieren +leven als imago dan ook 2 tot 3 jaar. Een bijenkoningin legt gedurende +4 à 5 jaar eieren en de wijfjes der mieren en termieten doen dat wel +tot 15 jaar; dat worden dus heel oude dieren. + +HET AANTAL EIEREN. Een vloo legt maar een dozijn eieren; een doodgraver +een 30, een zijdevlinder 500, de groote beervlinder een 1600. De +sociale wespen, dat zijn die, welke in kolonies leven, kunnen wel van +20 tot 30000 eieren leggen, en een bijenkoningin kan het gedurende haar +leven wel brengen tot 60000. Termieten leggen eenige millioenen eieren. + +WAAR WORDEN DE EIEREN GELEGD? De meeste eieren worden op of in het +voedsel gelegd, dat de larve zal eten. Vlinders leggen hun eieren op +planten, vleeschvliegen op vleesch en lijken; eten de larven wortels +van planten, dan worden de eieren in den grond gelegd, zooals de +meikever dat doet. + +Soms wordt bij het ei voedsel gelegd; dat doen graafwespen. En bij +sociale wespen worden de larven geregeld gevoederd. + +HOE WORDEN DE EIEREN AFGEZET? 1º Sommige insecten, zooals de wandelende +takken, die wij wel in Artis kunnen zien, laten hun eieren maar gewoon +vallen; deze eieren gelijken veel op zaden. De eieren van de wandelende +bladen lijken nog meer op zaden en wel op die van de schermbloemigen. +Zou dit een soort bescherming, mimicry, zijn? 2º Ook worden de eieren +wel in groepen of schooltjes gelegd; ze worden dan aan een onderlaag +vastgekleefd: de ringelrupsvlinder legt ze in een ringetje om een +takje, de plakker bedekt de eieren, de witvlakvlinder legt ze op zijn +cocon en het koolwitje aan de onderzijde der koolbladeren. 3º De +gaasvliegen (106) leggen gesteelde eieren. Dat gaat zoo. Eerst wordt +kleefstof op een blad aangebracht en daarmede het ei in aanraking +gebracht, dat nu opgetrokken wordt; de steel ontstaat uit de kleefstof. +4º Eieren worden ook in kapsels gelegd; die kapsels ontstaan uit +klierstoffen; wij zien dit bij sprinkhanen, die er ook nog zand bij +mengen en bij kakkerlakken. 5º Kokerjuffers leggen haar eieren in +structuurlooze kapsels; de eieren zijn dan omgeven door gelei. + +BESCHERMING DER EIEREN. Hoe beter de eieren beschermd zijn, des te meer +kans bestaat, dat de insecten niet zullen uitsterven. Daarom worden de +vijanden zooveel mogelijk van de eieren afgehouden. Het wijfje legt +daartoe de eieren in reten en scheuren van boomstammen, aan de +onderzijde der bladeren. De zwarte, spinnende watertor (25) spint voor +de eieren een groot kapsel, het bekende bootje. Vaak worden de eieren +met haren bedekt. Bij de schildluizen zit de moeder op de eieren. De +keukenkakkerlak draagt de eieren bij zich. De oorwormen houden onder +steenen de wacht bij de eieren, en verdedigen ze tegen andere insecten. +De veenmol legt ze in een nest en bewaakt dat. Bij de sociale insecten, +(mieren, wespen,) worden de eieren beschermd door de strijdlustige +arbeidsters en soldaten, en zoo noodig verplaatst. Als een bijzondere +bescherming van de eieren en jongen is het te beschouwen, als de eieren +en larven in het lichaam van het oude insect worden bewaard. Dat +verschijnsel heet vivipari. + +VIVIPARI. Hieronder verstaat men het verschijnsel, dat de eieren niet +worden gelegd, doch in het lichaam worden uitgebroed. Deze insecten +brengen dus larven voort, meer of minder ontwikkeld. Er is maar één +geval bekend, dat zoo’n larve het zelfs tot imago brengt, voor zij ter +wereld komt. Bij hoogere dieren komt vivipari ook wel voor. Haaien +broeden de eieren in de lichaamsholte uit; ook bij ringslangen komt dit +wel voor. + +Vivipari treedt in alle orden der insecten op. Bekend zijn vooral de +bladluizen en schildluizen, bij wie het veel voorkomt. Bij de +tweevleugeligen (vliegen) komt het in verschillende trappen voor. Van +parasietvliegen is het bekend, dat uit de eieren, die op de rupsen +worden gelegd, direct de larven voor den dag komen. + +GERMINOGONIE. Dit is een heel bijzondere manier van voortplanting; uit +één ei komen dan honderden insecten. Dit is omstreeks 1900 ontdekt. Zoo +heeft men in één rups 1000 en meer sluipwespen gevonden, die uit zulke +uiteengevallen eieren waren ontstaan. Bij hoogere dieren komt dit ook +wel voor; bij de aardwormen komen uit één ei twee jongen en bij de +gordeldieren komen uit één ei 4 jongen. + +PARTHENOGENESE. Het verschijnsel, dat er veel meer wijfjes optreden dan +mannetjes, zelfs, dat er in het geheel geen mannetjes ontstaan of +bekend zijn, noemt men parthenogenese. + +In het algemeen komen er in de dierenwereld meer mannetjes dan wijfjes +voor. Bij de hoenders worden er meer hennen dan haantjes geboren. +Daarentegen zijn er bij de spinnen 8 maal zooveel mannetjes als +wijfjes. + +Parthenogenese komt in alle insectenorden voor. In mierennesten leeft +o.a. een soort krekel, Myrmecophila acervorum, waarvan onlangs voor het +eerst een mannetje is waargenomen. Ook van sommige soorten wandelende +takken zijn nooit mannetjes gezien. Onder de heel groote soorten, die +wij wel in Artis in Amsterdam zien, komen maar zelden mannetjes voor. + +Bij de kommaschildluis vinden wij ook geen mannetjes. Van vele +vachtluizen zijn de mannetjes onbekend of komen zelden voor. Bij de +bladwespen komt parthenogenese veel voor. Als men deze dieren in huis +kweekt, krijgt men daarentegen vaak alleen mannetjes. Ook bij +sluipwespen neemt men dit waar. + +Bekend is het, dat uit de eieren van de werksters van de bijen alleen +mannetjes komen. Ook bij vlinders is parthenogenese waargenomen, +evenals bij enkele keversoorten. + +HETEROGONIE. Men spreekt van heterogonie of cyclische voortplanting, +als een generatie van mannetjes en wijfjes afwisselt met een of meer +geslachten van uitsluitend wijfjes. Tusschen deze beide generaties +bestaan dan niet zelden zeer groote verschillen in vorm, waardoor deze +dieren vroeger verschillende namen hebben gekregen. Heterogonie komt +voor bij galwespen (166) en bij bladluizen. Van de bladluizen is het +bekend, dat op één geslacht van mannetjes en wijfjes vele geslachten +van uitsluitend wijfjes volgen; in één zomer soms wel 10 tot 16. +Wanneer in den zomer onze planten vol luis zitten, zijn dit uitsluitend +wijfjes. + +GEDAANTEVERWISSELING. Alle insecten ontwikkelen zich uit eieren; de +jonge insecten, die uit de eieren komen, noemt men larven. Lijken de +jonge insecten, de larven, nu ook al op de ouden, zooals b.v. een jong +kuikentje al op een kip of haan gelijkt? Soms wel, soms niet. Zoo lijkt +de larve, die uit een sprinkhanenei is gekropen, al aardig op een +grooten sprinkhaan; ze is wel veel kleiner, ook de organen zijn niet +geheel uitgegroeid en de vleugels ontbreken nog geheel, maar men kan +toch wel zien, dat het een sprinkhaan zal worden. De larve, die uit een +vlinderei komt—een rups—lijkt in ’t geheel niet op een vlinder; toch +wordt de rups eenmaal een vlinder. Zoo lijkt de larve van een +meikever—een engerling (5)—ook niet op een meikever. + +Uit de eieren van suikergasten (73), van ongevleugelde dierluizen en +vachtluizen komen jongen, die geheel op de ouden gelijken, doch alleen +veel kleiner zijn. Er is dus nog al eenig onderscheid in de +verschillende groepen. + +We kunnen dus 3 gevallen onderscheiden: + + + 1º de jongen zijn geheel gelijk aan de ouden, doch veel kleiner; ze + gebruiken hetzelfde voedsel als de ouden; + 2º de jongen gelijken wel op de ouden, doch hebben geen vleugels en + ook andere organen zijn nog niet geheel uitgegroeid; ook deze + larven leven meestal op dezelfde wijze als de ouden; + 3º de jongen gelijken heelemaal niet op de ouden; ze gebruiken + meestal geheel ander voedsel dan de ouden en leven ook op een + andere manier; een rups leeft van bladeren en een vlinder van + honing. + + +Maar hoe wordt een rups nu een vlinder? Al groeit zij nog zoo hard en +al eet zij nog zooveel, een rups blijft een rups, en toch moet er een +vlinder van worden. + +Er moet dus een heele verandering in de rups plaatsgrijpen, een +verandering, die zoo groot is, dat wij ons daarvan haast geen +voorstelling kunnen maken. Om die verandering tot stand te brengen, +gaat de rups over in een toestand van uitwendige rust, om alle krachten +te kunnen wijden aan haar vormverandering. De rups gaat, voor zij +vlinder wordt, in den poptoestand over. + +Zoo’n poptoestand komt ook voor bij de kevers, bij de vliegen, bij de +bijen, hommels en bij meer andere insecten. + +Na verloop van langer of korter tijd scheurt de pophuid open en komt de +volwassen vlinder, kever, vlieg, wesp of bij er uit. Van deze insecten, +die in hun ontwikkeling een poptoestand doormaken, zegt men, dat zij +hebben een volkomen gedaanteverwisseling, dus eerst ei, dan larve, +daarna pop en ten slotte imago. + +Bij andere insecten nemen wij geen poptoestand waar, die is daar ook +niet noodig, want al groeiende en vervellende begint de larve op de +ouden te gelijken en bij de laatste vervelling is zij een imago +geworden. Wij kennen hier dus maar 3 sterk van elkaar verschillende +toestanden: ei, larve en imago. In tegenstelling met de vorige groep +insecten, zegt men van deze, dat zij hebben een onvolkomen +gedaanteverwisseling. Dat woord „onvolkomen” zou ons doen denken, dat +er iets aan de gedaanteverwisseling hapert. Dit is niet het geval. Men +gebruikt nu eenmaal dit woord en daarom zullen wij het ook maar doen, +doch mooi en correct is het niet. + + + +Als wij nu nog eens samenvatten, wat wij hierboven vertelden, dan +kunnen wij omtrent de gedaanteverwisseling het volgende zeggen: + + + 1º er zijn insecten zonder gedaanteverwisseling: suikergasten, + luizen; + 2º een onvolkomen gedaanteverwisseling nemen wij waar bij de + rechtvleugeligen (krekels, kakkerlakken, sprinkhanen, veenmol, + wandelende takken en bladen), bij de oorwormen en bij libellen of + waterjuffers; bij deze laatste heeft nog iets bijzonders plaats, + waarop wij nog terugkomen; + 3º een volkomen gedaanteverwisseling treffen we aan bij de + vlinders, de kevers, de bijen, de mieren en andere. + + +Al deze gevallen hebben betrekking op de verandering van de dieren, als +zij eenmaal uit het ei zijn gekropen. In het ei zelve heeft evenwel de +grootste vormverandering plaats gehad; daar is uit één cel een heel +dier gegroeid. Men noemt dit wel de embryonale gedaanteverwisseling. + +Over de larven spreken wij nog nader bij Plaat I en over de poppen bij +Plaat II. + + + + + + + + +IV. HOE LANG LEEFT EEN INSECT? + + +In het algemeen kunnen wij zeggen, dat de meerderheid der insecten voor +hun ontwikkeling van ei tot imago één jaar noodig hebben. Komen er +meerdere geslachten in één jaar voor, dan duurt de ontwikkeling +natuurlijk korter. Meestal duurt de ontwikkeling van de wintergeneratie +dan langer. Van de eieren, die de witvlakvlinder in Augustus legt, +komen eerst in April of Mei vlinders; dat duurt 9 à 10 maanden. De +zomergeneratie daarentegen ontwikkelt zich in 2, 2½ of 3 maanden. + +Er zijn evenwel insecten, die langer tijd noodig hebben om zich tot +imago te ontwikkelen; dan hebben vooral de larven langer tijd noodig. +Van vele houtkevers duurt de ontwikkeling 2 jaar, de meikever heeft 3–4 +jaar noodig, en een Amerikaansche cicade zelfs 17 jaar. Invloed op den +duur der ontwikkeling hebben de warmte en de vochtigheid van de lucht. +Er schijnen nog andere invloeden werkzaam te zijn, die men nog niet +kent. Het komt voor, dat b.v. vlinders, die in ’t begin van den zomer +uit de pop moesten komen, daarmede nog 1 of meer jaren wachten, zelfs +5, 6, ja 8 jaren. + +Of deze poppen, die dan toch leven en daardoor voedsel verbruiken, ten +slotte niet uitgeput raken? Het schijnt van niet. Volgens een bekende +insectenkundige, gravin von Linden, zouden de poppen net als de planten +koolzuur uit de lucht opnemen en hiervan de koolstof vasthouden; ook +zouden zij stikstof uit de lucht kunnen opnemen, zooals de bacteriën +aan de wortels van de vlinderbloemigen doen. Intusschen wordt deze +opvatting door anderen weer bestreden. Maar het feit van de „verjaring” +der poppen staat vast. Wie vlinders opkweekt en soms tevergeefs wacht +op het uitkomen der poppen, moet zijn poppen dus nog niet wegdoen. + +Sommige imago’s leven maar enkele uren, b.v. het oeveraas (75); +verschillende vlinders verscheidene maanden, vooral die, welke als +imago overwinteren, ’t citroentje (109). Sommige kevers leven meerdere +jaren, o.a. schorskevers, de poppenroover (33) en andere +schallebijters. De langste levensduur hebben de wijfjes of koninginnen +van de sociale insecten. Een bijenkoningin wordt 5 jaar, die uit een +mierenkolonie tot 12 en een termietenkoningin zelfs tot 15 jaar. In al +dien tijd behouden zij de geschiktheid eieren te leggen. + + + + + + + + +V. HOE OVERWINTEREN DE INSECTEN? + + +Het spreekt vanzelf, dat een insect in den een of anderen toestand den +winter moet doorbrengen: als ei, larve, pop of imago. Nu zijn van elk +vele voorbeelden op te geven; we zullen er enkele opnoemen. Als ei +overwinteren de ringelrups, de witvlakvlinder, de plakker, de +bladluizen, de sprinkhanen. Veel meer insecten blijven als larve den +winter over: vele rupsen, de beerrups, de bastaardsatijnvlinder (in +nesten), larven van loopkevers, engerlingen, enz. Als pop blijven den +winter over: het koolwitje, de koninginne-page, de pijlstaarten, die +den grond in kruipen. Zeer veel dieren blijven als imago over: koningin +en werksters van de bijen, de hommel- en wespenkoninginnen, +goudhaantjes, Onze-Lieve-Heersbeestjes, atalanta, citroentje, kleine +vos, steekmuggen. + +In het algemeen kunnen wij zeggen, dat de meeste groote vlinders als +rups overwinteren, een vierde deel als pop, en zeer weinigen als ei of +als vlinder. Er is dus ook hier weer groot verschil. Voor den land- en +tuinbouwer is het van het grootste belang, dat hij precies weet in +welken toestand de schadelijke insecten overwinteren; hij kan ze dan in +hun winterkwartieren opzoeken en verder onschadelijk maken. + +Nu we weten, dat de insecten in verschillende toestanden overwinteren, +kunnen wij tegelijk de vraag beantwoorden: Waar komen de insecten in +het voorjaar vandaan? Insecten, die in het voorjaar uit de eieren +komen, doen niet dadelijk zooveel kwaad, als de rupsen, die overwinterd +hebben; deze vallen dadelijk aan. Als een insect overwintert als pop, +duurt het gewoonlijk nog al eenigen tijd voor de larve de planten gaat +aanvallen. + +Steekmuggen blijven den winter als volwassen mug over, en daarvoor +zoeken zij kelders, gangen en waranda’s op; ook in stallen vindt men ze +dan. Als wij nu in ’t voorjaar geen last van deze muggen willen hebben, +kunnen wij ze in den winter dooden. De boomkweeker maakt in ’t vroege +voorjaar de stammen van de vruchtboomen schoon; verschillende kevers, +die in de naden zitten, worden dan verdreven of gedood. De kennis van +’t winterstadium van de insecten in dus van veel practisch belang. + +Ook voor den insectenverzamelaar en den insectenkweeker is het van veel +belang, dat hij wete, hoe de insecten den winter doorbrengen. Hij kan +ze dan gemakkelijk verzamelen. Wij komen daarop nog wel terug. + + + + + + + + +VI. DIMORPHISME. MANNETJES EN WIJFJES. + + +Iedereen weet dadelijk een kip van een haan te onderscheiden: dat zien +we aan de kammen, aan de staarten; we hooren dat de een kraait, de +ander kakelt. Van zeer veel insecten kunnen wij de mannetjes en wijfjes +ook op het eerste gezicht onderscheiden: de verschillen zijn dan zeer +opvallend en men spreekt van dimorphisme of tweevormigheid. Wij zullen +enkele gevallen bespreken. + +SPRIETEN. Bij de boktorren hebben de mannetjes soms zulke lange +sprieten, dat de lengte daarvan eenige malen die van het lichaam +bedraagt. Bij het wijfje zijn ze dan soms niet langer dan het lichaam. + +De sprieten verschillen ook in vorm; bij den meikever en andere +bladsprietigen heeft het mannetje grootere bladen aan de sprieten dan +het wijfje; ook bestaat er verschil in aantal dezer bladen: 7 voor het +mannetje en 6 voor het wijfje. Bij de vlinders zijn de sprieten der +mannetjes veel grooter en meestal zeer vertakt: de mannetjes hebben dus +goede neuzen. Ook bestaan de sprieten wel uit meer leden bij de +mannetjes: een dar heeft 13 sprietleden, een koningin maar 12. Op +iederen spriet heeft een mannetjes-bij 15000 zintuigorganen en een +werkster maar 4000. + +Aan de sprieten kan men gemakkelijk de mannetjes der steekmuggen +herkennen, zoo groot en vertakt zijn die. + +OOGEN. Bij de Tweevleugelingen hebben de mannetjes 2 soorten facetten +in de oogen, bij bremsen zeer goed te zien. Dit verschil is van groot +belang bij ’t waarnemen van bewegingen. Op betrekkelijk groote +afstanden nemen de insecten al bewegingen waar; zij vliegen dan op. Men +weet, hoe moeilijk het is, b.v. kamervliegen te vangen. + +Bij de Haften is het oog van het mannetje geheel verdeeld, zoodat zij +feitelijk vier oogen hebben. + +MONDDEELEN. Sommige mannetjes zijn te herkennen aan de groote +bovenkaken, b.v. het vliegend hert (48); het verschil met het wijfje +(46) valt wel duidelijk op. Bij bloedzuigende insecten (steekmuggen) +missen de mannetjes de bovenkaken; die steken dan ook niet, dat doen +alleen de wijfjes. + +POOTEN. Soms hebben de mannetjes aanhangsels aan de pooten; dit is een +soort pootversiering, die o.a. voorkomt bij den geranden waterkever +(28). + +VLEUGELS. Deze vertoonen vaak groote verschillen in vorm, aantal en +kleur. Zoo zijn b.v. de vleugels van de mannelijke witjes iets spitser. +Vooral bij vlinders uit de tropen zien wij sterk sprekende verschillen. + +Bij de wintervlinders (139) zijn de mannetjes flink gevleugeld, terwijl +de wijfjes slechts stompjes of geen vleugels hebben. Van de +keukenkakkerlak (83) is het mannetje gevleugeld, ’t wijfje +ongevleugeld. Datzelfde zien wij bij den witvlakvlinder (143); wie het +niet weet, ziet het wijfje heelemaal niet voor een vlinder aan. + +De kleur en teekening der vleugels loopt nog al vaak uiteen bij de +vlinders en libellen. Van de meerjuffer (80) hebben de mannetjes +donkerblauwe vleugels en de wijfjes bruinachtige. + +Het achterlijf vertoont minder verschillen. Toch is b.v. het achterlijf +van de groote glazenmakers meer blauw-zwart bedauwd, terwijl de wijfjes +een meer geel achterlijf hebben. + +Het komt ook voor, dat de wijfjes organen bezitten, die de mannetjes +missen. Zoo hebben de koninginnen en werksters bij de hommels +verzamelkorfjes, waarin het stuifmeel mede naar de kolonie wordt +genomen; de mannetjes, de darren, verzamelen geen stuifmeel. De +genoemde wijfjes bezitten ook een angel, dien de mannetjes missen. +Zoo’n angel is een gewijzigde legboor. Zijn de wijfjes in het bezit van +een legboor, dan missen de mannetjes die; sprinkhanen, bladwespen. + +Men ziet uit deze voorbeelden, die wij met honderden zouden kunnen +vermeerderen, dat het vaak op het eerste gezicht al te zien is of wij +met een mannetje of een wijfje te doen hebben. + + + + + + + + +VII. POLYMORPHISME. SOLITAIRE en SOCIALE INSECTEN. + + +Insecten, die in kolonies of staten leven, zooals wespen, bijen, +hommels, mieren, noemt men sociale insecten, omdat zij als het ware een +maatschappij vormen. De dieren zijn dan gezellen onder elkaar; +socius-gezel. Insecten, die alleen of eenzaam leven, noemt men +solitaire insecten. + +Onder polymorphisme verstaan wij het verschijnsel, dat van één +diersoort drie of meer vormen optreden; polymorphisme beteekent +veelvormigheid. Deze veelvormigheid komt nu voor zoowel bij de +solitaire als bij de sociale insecten. + +POLYMORPHISME BIJ SOLITAIRE INSECTEN. Hiervan geven wij de volgende +voorbeelden. + + + 1. Bij den oranje-lucernvlinder, Colias edusa, komen 2 soorten + mannetjes voor en maar 1 wijfjessoort. + 2. Van den geelgeranden waterroofkever kennen wij 2 wijfjesvormen; + de eene met geribde, de andere met gladde dekschilden. + 3. Bij wantsen komen kort- en langvleugelige wijfjes voor. + 4. Bij de kleine waterjuffers treden kleurverschillen bij de + wijfjes op; ’t achterlijf is daardoor niet constant van kleur. + 5. Van het mannelijk vliegend hert kent men 4 verschillende vormen; + de verschillen zitten in de bovenkaken. + 6. Acentropus niveus is een vlinder, die als rups in het water leeft. + Het mannetje is normaal; een deel der wijfjes is gevleugeld, een + ander deel heeft alleen stompjes van vleugels en verlaten het + water niet. Beide vormen komen bij ons voor. Merkwaardig dat in + Duitschland alleen kortvleugelige en in Zweden slechts + langvleugelige wijfjes voorkomen. + 7. Van de oorwormen kennen we 2 mannelijke vormen; het verschil zit + in de tangen aan ’t achterlijf. + + +POLYMORPHISME BIJ DE SOCIALE INSECTEN. Deze veelvormigheid is het +langst bekend en wel bij de statenvormende bijen, hommels, mieren en +wespen. + +HOMMELS. In ’t najaar sterft de heele hommelkolonie uit; alleen de +nieuwe, in den zomer geboren koninginnen overwinteren. Die kruipen hier +of daar weg en komen in het voorjaar te voorschijn. Op een klompje +stuifmeel met wat honing worden de eieren gelegd en daaruit komen +kleine werksters. Later worden wat grootere werksters geboren en +vervolgens ook mannetjes en wijfjes of koninginnen. Als een +hommelkolonie dus op volle kracht is treffen wij daarin aan: de oude +koningin, verschillende soorten werksters, mannetjes en nieuwe +koninginnen. De werksters zijn gewijzigde wijfjes. + +HONINGBIJEN. In een bijenkorf treffen we drie soorten individuen aan: +een koningin, mannetjes of darren en werksters of gewijzigde wijfjes. +De werksters zorgen voor het halen van stuifmeel en honing, zij houden +den korf schoon en wat vooral van belang is, zij voeden de jongen. +Precies als bij de hommels; daar verzorgen de werksters ook de jongen. +De koningin legt eieren. Midden in den zomer worden alle mannetjes den +korf uit gejaagd, zoodat er in den winter alleen een koningin met +werksters over blijft. + +WESPEN. Deze beginnen ook in het voorjaar met een overwinterde +koningin. Die vangt aan zelf een nest te bouwen en uit de eerste +eieren, die zij legt, komen werksters. Later komen er weer nieuwe +koninginnen en mannetjes. We hebben dus ook hier weer drie vormen. + +MIEREN. Hier hebben wij ook drie kasten: mannetjes, wijfjes, en +werksters. Deze werksters worden gewoonlijk soldaten genoemd en kunnen +weer in groepen worden ingedeeld. De soldaten zijn ook hier gewijzigde +wijfjes. + +Uit hetgeen wij nu vertelden over de hommels, de bijen, de wespen en de +mieren, is gebleken, dat er een groote groep van dieren in elk dier +kolonies leeft, die zich uitsluitend bezig houden met de verzorging der +jongen; dat zijn de werksters. Als wij deze dieren afzonderlijk +beschrijven komen wij hierop uitvoerig terug, maar dit kunnen wij +alvast opmerken, dat door de veelvormigheid der individuen in de +insectenkolonies de verdeeling van arbeid mogelijk is geworden. + + + + + + + + +VIII. Het PARASITISME. + + +Onder parasieten verstaan wij dieren, die geheel ten koste van andere +dieren leven en zich voeden met stoffen, die de gastheer voor zich zelf +had bestemd. Een parasiet verslindt zijn gastheer niet in eens, doch +eet hem van lieverlede toch geheel uit. + +De insecten hebben vooral van twee soorten parasieten te lijden, die +zelf ook tot de insecten behooren n.l. de sluipwespen en de +sluipvliegen, die ook wel rupsvliegen worden genoemd. Tot de insecten, +die in of op warmbloedige dieren parasiteeren, behooren de horzels, de +luisvliegen en de luizen. + +Uit een entomologisch oogpunt zijn vooral de sluipwespen en +sluipvliegen van belang. Met een sluipwesp hebben wij reeds bij de +koolrups kennis gemaakt. Dat was een kleine soort; we zullen nog +grootere leeren kennen. + +De sluipwespen hebben allen een lange legboor en een lang gerekt +lichaam. Zij moeten goed snuffelen om een gastheer te vinden, waarin +zij haar eieren kunnen afzetten. Daarom hebben zij goede oogen en +vooral is haar reuk uitstekend; haar sprieten zijn dan ook lang en +altijd in beweging. Het ei wordt ook wel eens op den gastheer gelegd en +dan kruipt de larve, die hieruit komt, of den gastheer in, of zij +blijft op het dier. Is de larve volwassen, dan verpopt ze in of buiten +den gastheer. + +Het komt ook voor, dat, als een rups in zich herbergt de larven van een +sluipwesp, dat dan weer een andere soort sluipwesp komt en haar eieren +legt in de larven van de eerste. Dan gaan de eerste sluipwespen er aan +en kunnen ze ons geen hulp meer verleenen. Men noemt zulke sluipwespen +parasieten van den tweeden graad. Er zijn zelfs parasieten van den +derden graad bekend. De beteekenis van de parasieten is zeer groot want +zij helpen ons in den strijd tegen verschillende plantenvernielsters. +Zij vermenigvuldigen zich zeer snel en omdat die vermenigvuldiging +gepaard gaat met het dooden van de rupsen, daarom vallen er zóóvele +schadelijke dieren, dat tenslotte de ergste rupsenplaag tot staan komt. +De sluipwespen vallen ook wel nuttige insecten aan, b.v. Onze +Lieve-Heersbeestjes, maar dit daargelaten, moeten de sluipwespen tot de +nuttigste dieren worden gerekend. + +Behalve larven (rupsen), worden ook wel eieren, poppen en imago’s +geïnfecteerd. + +Bij het opkweeken van insecten in huis kunnen wij herhaaldelijk kennis +maken met sluipwespen. + +Eenzelfde rol als de sluipwespen spelen de sluipvliegen. Zij vertoonen +het echt vliegen-type en zijn in het bezit van groote stekelharen op de +segmenten van ’t achterlijf. Er zijn al meer dan 400 soorten bekend, +die in rupsen leven. + +De sluipvliegen leggen haar eieren op de rupsen; de larven, die hieruit +komen, kruipen naar binnen. Soms worden de eieren in de stigma’s, de +ademhalingsopeningen, gelegd; er wordt ook wel eens gebruik gemaakt van +een legstekel. + +De eigenaardigste manier van infecteeren is de volgende. De sluipvlieg +legt haar eieren op een plant; terwijl de rupsen nu deze bezette +bladeren eten, peuzelen zij tegelijk de eieren naar binnen, waaruit +zich dan in het lichaam van de rups de larven ontwikkelen. Deze +bijzondere infectie-methode is het eerst waargenomen door een Japanner +bij de Japansche zijderups. Later is dit ook in Europa waargenomen. + +Bij het bestrijden van rupsenplagen bewijzen de sluip- of rupsenvliegen +ons groote diensten. + + + + + + + + +IX. Het WEER en de INSECTEN. + + +Dat het weer invloed op de insecten heeft, ligt voor de hand. Toch +hebben velen hiervan een verkeerde voorstelling. Dat rupseneieren wel +een koude van -30° C. kunnen verdragen, zal men niet gauw gelooven; +toch is dit juist. Koude schaadt niet—ten spijt van de algemeene +opinie—als ze maar komt in het overwinteringsstadium der insecten en +als de temperatuur voor de betreffende landstreek niet al te abnormaal +is, en als de koude geleidelijk intreedt. + +Insecten kunnen goed tegen de kou. + +Ja, zij hebben die zelfs noodig voor een normale ontwikkeling, omdat de +hoeveelheid reservevoedsel, waarmede zij den winter moeten doorkomen, +maar beperkt is. Bij stijging van temperatuur in de wintermaanden, +stijgt de ademhaling ten koste van het reservevoedsel; ook is de +uitdroging dan sterker. Zoodoende is het dier spoedig aan het einde van +zijn menu, terwijl aanvoer van nieuwen voorraad nog niet mogelijk is. + +Wel is schadelijk de ontijdige kou in ’t late voorjaar of het vroege +najaar. En nu mogen de voorjaarsvorsten onzen planten een gevoeligen +tik geven, de land- en tuinbouwers weten niet hoeveel gevaarlijk +gedierte dan om zeep gaat. + +Plotselinge koude in den zomer werkt storend op de voortplanting van de +koudbloedige insecten en dat scheelt soms wel eens één generatie of +meerdere in één jaar. + +Zeer erg is natte koude. + +Zoo zal een sterke dooi, die des nachts onderbroken wordt door daling +van de temperatuur, heel wat verwoesting onder de insecten aanrichten. +Zijn de bodem en de boomstammen eerst klets nat en zet de vorst het +water daarna in ijs om, dan hebben de insecten het hard te +verantwoorden. + +Warmte daarentegen bevordert den groei en de ontwikkeling der +koudbloedige dieren; daarentegen is droge warmte doodend vooral voor +die insecten, die veel behoefte hebben aan lichaamsvocht, b.v. +bladluizen. Het is waargenomen, dat sterk met bladluizen bezette boomen +als bij tooverslag werden „ontluisd” toen de temperatuur steeg tot +38½°C. + +Is het voorjaar reeds vergevorderd, dan kan in de maanden Mei, Juni en +Juli groote vochtigheid sterk vernietigend op het insectenleger +inwerken. In die maanden toch verkeeren veel insecten in den ei- of +larvetoestand, twee stadiën, waarin de dieren zeer gevoelig voor vocht +zijn. Dit weten vooral keververzamelaars zeer goed; een vochtige tijd +van Mei tot Juli geeft daarna een slecht keverjaar. + +Ook een nat najaar verzuurt het insectenleven en dat aanhoudende zware +regens en sterke wind veel slachtoffers eischen ligt voor de hand. +„Slechte bijenjaren” b.v. ontstaan door deze klimatologische invloeden. + +Het insectenleven gaat dus op en neer met het weer, en zoo is het niet +te verwonderen, dat het in groote massa optreden van bepaalde +insectengroepen in verschillende jaren zoozeer uiteen kan loopen. + + + + + + + + +X. De VIJANDEN der INSECTEN. + + +Er is wel geen enkel dier, dat ongestoord zijn weg kan gaan. Ieder +heeft zoo zijn vijanden, die hem naar het leven staan, en dat is maar +goed ook. De wereld zou anders spoedig te klein worden, zoo snel gaat +de voortplanting. Stel dat een vlinder 150 eieren legt, en dat 50 +hiervan zich tot wijfjes ontwikkelen; het volgende jaar worden er dus +50 maal 150 = 7500 eieren gelegd. Groeit het derde deel weer uit tot +wijfjes, dan kunnen die 2500 maal 150 = 375000 eieren leggen. Dat is +dus de nakomelingschap van één vlinder in het tweede jaar. + +Maar ook al is het voortplantingsvermogen gering, dan kunnen er na +enkele jaren vele nakomelingen zijn. Als een vogelsoort, die 5 jaar +leeft en in dien tijd 4 maal 4 jongen krijgt, dan heeft ze na 15 jaar . +. . . . 2000 millioen nakomelingen. + +Het is dus wel gewenscht, dat geregeld een deel der verschillende +dieren wordt opgeruimd; en dat geschiedt dan ook. + +Behalve door het weer, geschiedt de verdelging van veel insecten door: + + + 1º dieren, 2º schimmels en 3º bacteriën. + + +Wat de dieren betreft, kunnen wij de insectenverdelgers in twee groepen +verdeelen, in parasieten en van roof levende dieren. Over de parasieten +hebben wij reeds gesproken. De dieren, die insecten aanvallen, en dan +tegelijk verslinden, zijn de volgende: + + + 1º de vleermuizen; + 2º insecteneters, als: mol, spitsmuis, egel; + 3º wezel, hermelijn, vos; + 4º zeer vele vogels; + 5º tal van insecten, zooals: loopkevers, Onze Lieve-Heersbeestjes, + libellen, gaasvliegen, roofvliegen, wantsen, mieren, wespen; + 6º duizendpooten en spinnen. + + +Al deze dieren helpen ons in den strijd tegen de vele planteneters. Hun +werk is daarom zoo te waardeeren, omdat zij er altijd op uit zijn +insecten in te rekenen. Daardoor voorkomen zij dikwijls het ontstaan +van insectenplagen. Men noemt ze daarom wel eens de „dierkundige +politie”. + +Hoe groot b.v. de invloed der vogels op de insectenwereld is, blijkt +uit het volgende: 2 koolmeezen gebruikten van 6 uur ’s morgens tot 7 +uur ’s avonds 187 vlinderpoppen en 3 blauwmeesjes en 3 dennenmeesjes +aten een tijdlang dagelijks ongeveer 10000 vlindereieren op. Natuurlijk +pikken de vogels ook wel nuttige insecten op, doch door elkaar +gerekend, zal het voordeel toch wel aan onze zijde zijn. + +Over de van roof levende insecten spreken wij bij de afzonderlijke +groepen. Dat vele insecten ten offer vallen aan de spinnen is bekend. + +Van groot belang zijn ook de schimmels en bacteriën, die de insecten +dooden. Velen zullen wel eens doode kamervliegen hebben zien zitten +omringd door een wit poeder. Hier was een schimmelziekte aan het werk +geweest. En bij de geschiedenis van het koolwitje hebben wij verhaald, +hoe de bacteriën vaak opruiming onder de rupsen houden. + +Allerlei rupsen, kevers, en andere insecten, worden door schimmels en +bacteriën aangevallen, en menigmaal worden insectenplagen hierdoor tot +staan gebracht. + +De imkers weten mede te praten over het vuilbroed, een bacterieziekte, +die de bijenkolonies teistert. Wij kunnen over deze „insectenziekten” +niet verder uitweiden, hoe belangrijk deze zaak ook is. Maar dit willen +wij nog wel even vastleggen, dat ook hieruit weer blijkt, over hoevele +middelen de natuur beschikt om te groote toename van de dierengroepen +te voorkomen. Al die ziekten toch zijn middelen om de getalverhouding +tusschen de dieren onderling binnen de gewenschte grenzen te houden. +Zoodra een dierengroep zich al te sterk heeft uitgebreid, vinden de +ziektekiemen, die er toch altijd zijn, een prachtige gelegenheid voor +haar ontwikkeling, en dan vallen de dieren als sneeuw voor de zon. Zoo +zorgt de natuur voor haar eigen behoud . . . . . . door vernietiging. + +Uit het medegedeelde blijkt ten duidelijkste, dat de insecten door een +leger van vijanden worden aangevallen. + + + + + + + + +XI. De BETEEKENIS der INSECTEN voor de HUISHOUDING der NATUUR. + + +En welke plaats nemen de insecten nu in tusschen de andere dieren en +tusschen de planten? Dat zullen wij in het kort trachten na te gaan. In +’t algemeen zijn de insecten maar kleine diertjes en als hun rol in de +natuur toch nog belangrijk is, dan vindt dit zijn oorzaak in het groote +aantal, waarin zij optreden. + +Het grootste insect, b.v. een vliegend hert (48) of de groote +glazenmaker (79) is nog betrekkelijk klein en als wij van de groote +vlinders de vleugels afnemen, blijkt het eigenlijke lichaam toch ook +maar klein te zijn. + +Het aantal insectensoorten is zeer groot. Tot heden zijn er 250000 +soorten in de wereld bekend, en vele streken zijn nog niet voldoende +onderzocht. In ons land zijn ruim 9000 soorten bekend, waaronder: ruim +3000 keversoorten, ruim 2000 vliegen en muggen, ruim 1800 bijen, +wespen, mieren, z.g. vliesvleugeligen, ruim 1700 soorten vlinders, 53 +waternimfen, 29 sprinkhanen, krekels, verder groote aantallen +bladluissoorten, enz. enz. + +Dat zijn getallen om eerbied voor te krijgen. Toch zijn die getallen +niet verontrustend, want van vele insectensoorten komen maar weinige +exemplaren voor. Maar wel verschrikkelijk is vaak de reusachtige +toename van sommige soorten; men denke aan de muggenzwermen in den +zomer ook in ons land en de sprinkhanenzwermen in de zuidelijker +landen. Marcheerende rupsen zijn soms in zoo groot aantal bijeen, dat +zij een spoortrein den weg versperren. Soms worden vlinderzwermen +waargenomen, die uit vele millioenen exemplaren bestaan. + +De meeste insecten leven op het land en in de binnenwateren; op en in +de zee komen er maar weinigen voor. Het talrijkst zijn de +insectensoorten in de warme landen, in de tropen: het aantal neemt dan +ook geregeld van den evenaar tot den pool af. Die feitelijke inkrimping +houdt gelijken tred met de mindere ontwikkeling van de plantenwereld in +de koudere streken. Waar weinig plantengroei is, is ook weinig dierlijk +leven, omdat de dieren afhankelijk zijn van de planten. + +Wat hun plaats in de levende natuur betreft, kunnen wij ’t volgende +opmerken: + + + 1º Velen behooren tot de opruimers; doode dieren en planten + gebruiken zij of hun jongen tot voedsel en zoodoende zijn die + gestorven organismen spoedig weggewerkt: doodgravers, vliegen. + 2º De plantenetende insecten vernietigen veel planten, waardoor er + een zeker evenwicht blijft bestaan. Dat geldt ook voor de + vleeschetende, die o.a. ook wel insecten verorberen: rupsen, + bladluizen, roofkevers, oorwormen. + 3º Vele insecten zijn voedsel voor andere dieren, o.a. voor vogels, + kikkers; larven van muggen, die in ’t water leven, vormen een + heerlijk voer voor de visschen. + 4º Tal van insecten bewerken bij de bloemen kruisbestuiving, + waardoor een goede zaadvorming wordt ingeleid; bijen, hommels, + vlinders. + 5º Verschillende insecten zorgen voor de verbreiding van + plantenzaden; een belangrijke rol spelen hierbij de mieren. + 6º De bodeminsecten nemen deel aan de bodembearbeiding. + + +Over de beteekenis der insecten als overbrengers van ziektekiemen +spreken wij nog nader. Laten wij over de 6 verschillende functies nog +iets meer zeggen, omdat wij hierdoor de beteekenis der insecten beter +leeren kennen. + +DE OPRUIMERS. Het spreekt van zelf, dat de doode dieren en planten niet +kunnen blijven liggen; dan zou de natuur spoedig één mestvaalt zijn. +Het opruimen van dat vuil is een belangrijk werk en is opgedragen aan +verschillende kevers en vliegen, die eieren in die lijken leggen. De +larven werken de lijken dan weg. + +Dat geldt ook voor den plantenafval. Vele insecten leven daarvan. Als +een mierenkolonie haar nest bouwt in een dooden boomstronk is hij +sneller weggewerkt dan wanneer hij vrij van insecten bleef. Wij vinden +zelden dierenlijken in de vrije natuur en dit komt, omdat de vliegen en +doodgravers er zoo snel bij zijn om daarin hun eieren te leggen. Ook +uitwerpselen van dieren worden spoedig weggewerkt door mestkevers en +door vliegenmaden. Als in een paardenstal veel vliegen zijn — en die +zijn er altijd — dan moeten wij dit als een welwillendheid van de +vliegen opvatten, die den stal willen zuiveren van paardenmest, want +daarin leggen zij eieren. De larven zijn mesteters. + +De BEWAARDERS van het EVENWICHT. De eene dierengroep houdt de andere in +bedwang. Dat dit werkelijk zoo is, zien wij in landen, waarin, door +welke oorzaak dan ook, schadelijke insecten wel zijn ingevoerd, doch +niet de vijanden van deze schadelijke dieren. In Amerika zijn +verschillende van deze dieren uit Europa aangeland, doch hun vervolgers +en parasieten bleven in Europa. Het gevolg van een en ander is, dat die +dieren in Amerika zich snel vermenigvuldigen en daar zeer groote +verwoestingen aanrichten, b.v. de plakker en de bastaardsatijnvlinder, +wier rupsen daar nu al sedert jaren vreeslijk huishouden. In Europa +hebben deze rupsen verschillende vijanden, ook in ons land, en daarom +worden ze hier nooit zulke plagen als in Amerika. Men is dan ook in +Amerika bezig de verdelgers van genoemde rupsen uit Europa in te +voeren. + +VOEDSEL voor andere DIEREN. De vogelwereld wordt voor een zeer groot +deel geheel gevoed door de insecten. Zelfs de zaadeters geven aan hun +jongen in het nest insecten te eten. In zooverre is dus de vogelwereld +afhankelijk van de insecten. Wanneer wij soms wat boos worden, als wij +zien hoe de insecten in onzen tuin en in onze boomen huishouden, dan +moeten wij toch weer bedenken, dat die insecten het voedsel zijn voor +zoovele vogels, die ons met hun gezang verrukken. + +Steekmuggen—wie heeft er niet ’t land aan? Toch vormen de larven van +deze muggen, die in het water leven, een zeer smakelijk voedsel voor de +visschen, en dat wij een lekker vischje op tafel kunnen krijgen hebben +wij ten slotte te danken aan die leelijke steekmuggen. Zij voeren de +visschen en wij eten die. En nu moge de steekmug ons ’s nachts +hinderen, zij zorgt er toch ook voor, dat wij ’s middags een vischje op +tafel hebben. + +BLOEMENBESTUIVERS: Het is bekend, dat een bloem, behalve uit kelk- en +bloembladen, bestaat uit meeldraden en een of meer stampers. De +kelkbladen beschutten de teere bloemdeelen in de knoppen; de gekleurde +bloembladen lokken de insecten; de meeldraden brengen stuifmeel voort, +dat op den top van den stamper wordt gebracht, daar buizen vormt, die +den stamper indringen en zoo bij de eitjes komen, waar dan een +samensmelting plaats heeft van den inhoud der stuifmeelbuizen met de +eitjes. Die samensmelting noemt men bevruchting en na de bevruchting +groeien de eitjes uit tot zaden. Zonder bevruchting der eitjes of +zaadknoppen brengt geen plant zaden voort; een enkele uitgezonderd. De +bevruchting is dus van veel belang, het is een levensvoorwaarde voor +het voortbestaan der plantensoorten. + +Als het stuifmeel op den top—den stempel—van den stamper komt, dan zegt +men, dat er bestuiving plaats heeft; die bestuiving leidt dus de +bevruchting in. De bestuiving kunnen wij zien, de bevruchting niet: die +geschiedt in het inwendige van den stamper. + +Hoewel rondom elken stamper vele meeldraden staan, die dus stuifmeel +genoeg voortbrengen om den eigen stamper te bestuiven, ligt het toch in +de natuur om vooral met stuifmeel uit andere bloemen—van dezelfde +soort—op den stamper te werken. Zeker, met eigen stuifmeel brengen de +meeste stampers ook wel zaden voort, doch als „vreemd” stuifmeel is +gebruikt, worden de zaden grooter, bezitten ze meer kiemkracht, en de +planten die hieruit ontstaan, zijn gewoonlijk sterker, forscher en +bezitten meer weerstandsvermogen. Wij kunnen daarom dit wel +vaststellen: de natuur wil werken met vreemd stuifmeel. Het stuifmeel +van bloem A gaat naar bloem B, en van B naar A; het kruist elkaar, en +deze bestuiving noemt men kruisbestuiving. + +Maar hoe komt nu het stuifmeel van de eene bloem naar de andere? Wie +transporteert het? Dat kan op drie manieren geschieden: 1º door den +wind, 2º door het water en 3º door dieren. Elke plant wordt op een +dezer manieren bestoven; nooit op 2 manieren, want de aard, de +bekleeding van het stuifmeel, hangt weer samen met de manier waarop het +stuifmeel wordt vervoerd. + +Bloemen, die door den wind worden bestoven, hebben weinig of geen kleur +en zijn meestal zeer beweeglijk: hazelaar, els, eik, beuk, berk, rogge, +grassen, maïs. Het stuifmeel is klein, glad, rond. + +Door het water wordt niet veel stuifmeel vervoerd; als ’t gebeurt is +het stuifmeel omgeven door een laagje kurk. Kurk, al is ’t geen +eigenlijk vet, heeft vele eigenschappen van vet, houdt net als vet het +water tegen. + +Het meeste stuifmeel wordt vervoerd door dieren; en al bewerken in de +warmere landen verschillende kleine vogeltjes en bij ons ook nog wel de +slakken soms bestuiving, wij kunnen die gerust buiten beschouwing +laten. De bloemenbestuivers zijn bij ons die insecten, en als wij nu +weten, dat meer dan 80% van alle bloemen door insecten worden bestoven, +dan wordt het ons duidelijk van welke groote beteekenis de insecten +voor de bloemenwereld zijn. Zonder insecten geen bloemen. En dat de +bloemen geheel ingericht zijn op insectenbezoek, bewijzen ons de +lokmiddelen, waardoor de insecten bewogen worden tot bezoek. De +insectenbloemen zijn kleurig, geuren en brengen meestal honing voort; +alles terwille van de insecten, die door kleur en geur gelokt worden. +Zoo ver is onderlinge afhankelijkheid reeds gegaan, dat b.v. de bijen- +en de hommelkolonies niet kunnen bestaan zonder bloemen, want die +leveren stuifmeel en honing, waarmede de larven der bijen en hommels +worden gevoed. + +De insecten, die zich voornamelijk met de bestuiving belasten, zijn: +bijen, hommels, vlinders, vliegen en ook enkele kevers. De bijen en +hommels spelen de belangrijkste rol, omdat in de bloemen de geheele +voeding van de larven zit; zij moeten dus het geheele voorjaar en den +geheelen zomer er op uit. + +Merkwaardig is, hoe de werksters van de bijen en de werksters en +Koninginnen van de hommels, aan haar achterpooten een +verzamelinrichting hebben, waarin het stuifmeel wordt vastgezet, dat +naar de kolonie wordt gedragen. Die verzamelinrichting, het z.g. +korfje, ontbreekt bij de bijenkoningin omdat zij toch nooit stuifmeel +gaat halen. + +Bijen, hommels en bloemen behooren dus bij elkaar. + +De bouw van de roltong van vele vlinders wijst er op, hoe ook deze +dieren tot taak hebben bloemen te bezoeken; wij hebben dit al gezien +bij het koolwitje. De insecten steken hun snuitje in de bloemen, zuigen +honing, en gelijktijdig worden zij met stuifmeel bepoederd. Vliegen zij +nu naar een andere bloem, dan stooten zij met hun bepoederden kop of +hun bepoederd lichaam tegen den stamper van die andere bloem, en geven +daar stuifmeel af. Dat is dan kruisbestuiving. Als een insect aan het +garen van honing of stuifmeel is, dan bepaalt het zich zooveel mogelijk +tot ééne soort; een volgende keer krijgt weer een andere soort een +beurt. Avondvlinders met lange roltong, zooals de ligusterpijlstaart +(13 geeft de rups te zien), halen ook honing uit bloemen en bestuiven +ook den stamper, doch bezoeken alleen bloemen die ’s avonds geuren, +zooals de kamperfoelie. Dan kan men deze vlinders wel eens zien „staan” +voor die bloemen. + +Wij kunnen niet langer stilstaan bij dit belangrijke onderwerp; +intusschen zullen de lezers wel tot de overtuiging zijn gekomen, dat +genoemde insecten niet gemist kunnen worden in de natuur. En van +hoeveel nut b.v. de bijen zijn voor de vruchtzetting van bessen, appels +en peren, daar weten de fruitkweekers van. In verschillende streken van +ons land, o.a. in Z. Limburg, brachten verschillende kersenboomen geen +vruchten meer voort, hoewel zij toch bloeiden. Nadat men in de +boomgaarden bijenkorven had gezet, was de vruchtvorming weer +overvloedig. Verschillende planten toch brengen zonder vreemd stuifmeel +geen vruchten voort. Dit was ook het geval met eenige Limburgsche +kersen. In kassen met bloeiende perziken zet men ook dikwijls korven +met bijen. + +VERBREIDERS van PLANTEN: In een bosch kunnen de zaden en vruchten der +hooge boomen gemakkelijk door den wind worden verplaatst en verstrooid. +De struiken, die veel lager groeien, en waarvan vele besvruchten +dragen, vinden in de vogels, die deze bessen eten, zeer bekwame +zaadverspreiders. Zij eten de bessen met zaden op, en na verloop van +een klein uurtje—ze kunnen dan reeds een heel eind verwijderd zijn van +de voederplaats—worden de ingeslikte zaden met de uitwerpselen uit het +lichaam verwijderd. Op deze wijze verspreiden de vogels de zaden. Als +men in een dakgoot of in een knotwilg b.v. een vlier ziet staan, dan is +die daar „gezaaid” door een vogel, een spreeuw of een lijster. + +En hoe worden nu de zaden verspreid van de lagere boschplanten, die +weinig van den wind bewogen of door de vogels bezocht worden? Daar +zorgen de mieren voor. De zaden van die lage boschplanten, ’t +sneeuwklokje, ’t longenkruid, veronica, welriekend viooltje, zijn +voorzien van een zacht navelknobbeltje, dat rijk is aan olie en waarop +de mieren verlekkerd zijn. Zij sleepen de zaden daarom mede, bijten +onderweg het olieknobbeltje af, en laten de zaden dan achter; trots +deze „ontknobbeling” blijven de zaden kiemkrachtig. En zoo voeren de +mieren de zaden dan ver van de plaats waar zij ontstonden. Een Zweedsch +plantkundige, Sernander, heeft deze verspreidingswijze in de laatste +jaren uitvoerig bestudeerd. Een kolonie van de roode boschmier +(169–171) kan op deze wijze in één vegetatieperiode minstens 36000 +zaden verspreiden. + +De rijkste „mierenflora” vinden wij in de eiken- en beukenbosschen; de +armste in de dennen- en sparrenbosschen. + +INSECTEN als BODEMBEWERKERS. Regenwormen spelen een belangrijke rol als +bewerkers van den bodem. Dat kunnen wij ook getuigen van de vele +insecten en larven, die in den bodem leven. Verschillende leven van +humus, die zij in hun lichaam omzetten en waarvan de uitwerpselen een +goeden mest vormen. Door hun woelen in den grond en het graven van +gangen en holen, maken zij den bodem meer doorlaatbaar, waardoor vocht +en lucht tot de benedenlagen kunnen doordringen, wat de omzetting der +humusstoffen en den groei der planten bevordert. + +De insecten zijn dus in velerlei richting in de natuur werkzaam; hun +beteekenis voor de huishouding der natuur is dus zeer groot. + + + + + + + + +XII. NUTTIGE EN SCHADELIJKE INSECTEN. + + +In de vrije natuur kunnen wij moeilijk één dier aanwijzen, dat òf +absoluut nuttig, òf totaal schadelijk is. Ieder dier heeft daar zijn +plaats en tracht die plaats te behouden. ’t Resultaat is, dat de natuur +een wonderschoon geheel blijft. Zoodra de mensch evenwel de natuur gaat +beschouwen met egoïstische oogen, en alle planten en dieren indeelt +naar het voor- of nadeel dat hij er persoonlijk van heeft, dan krijgen +wij een indeeling in nuttige en schadelijke planten en dieren, hoe +wonderlijk en mooi die schadelijke individuen dan ook mogen zijn. Die +indeeling is dan een economische en geen natuurwetenschappelijke. + +Nuttig noemt de mensch dan alles wat goed voor hem is, en dat hem helpt +bij zijn bezigheden; b.v. een koe (voeding), een paard (trekkracht). En +schadelijk is dan elk dier of elke plant, die hem op zeker oogenblik +nadeel aanbrengt. Maar meestal zijn vele dieren nu eens nuttig en dan +weer lastig. Veel vogels zijn in den tijd, dat zij jongen hebben, zeer +nuttig, doordat zij zooveel insecten naar ’t nest brengen; zijn later +de bessen, kersen en erwten rijp, dan worden ze weer lastig, omdat ze +deze vruchten ook lusten. Zoo is het b.v. zéér moeilijk te zeggen, +welke vogel eigenlijk schadelijk is; op ieders gedragboekje staan goed- +en afkeuringen. + +Wat nu de insecten betreft ten opzichte van het nut, dat de mensch er +van heeft, kunnen wij ze in 2 groepen verdeelen; 1º direct nuttige, 2º +indirect nuttige. Van de eerste heeft de mensch zelf persoonlijk +voordeel, van de tweede langs een omweg. + +DIRECT NUTTIGE INSECTEN: Hiertoe behooren b.v.: de verschillende +soorten zijderupsen, die zijde leveren, de galwespen, wier gallen +gebruikt worden bij de inktbereiding, de honingbijen, die ons honing en +was geven. De opbrengsten van deze insecten bedragen over de heele +wereld jaarlijks vele millioenen guldens. In Duitschland b.v. wordt +jaarlijks—’t eene jaar is beter dan ’t andere—ongeveer voor 15 millioen +gulden aan honing verzameld en was geproduceerd door de bijen. + +INDIRECT NUTTIGE INSECTEN. Tot deze groep behooren de insecten, die ons +zijdelings voordeel aanbrengen: 1º de bloemenbestuivende insecten, 2º +de roofinsecten, 3º de parasieten. De eerste groep zorgt er voor, dat +wij vruchten kunnen oogsten; de roofinsecten verslinden vele andere +insecten, die onze kultuurgewassen aantasten: de poppenroover (33), die +rupsen eet, en de O. L. H. beestjes (72) die bladluizen oppeuzelen; de +parasieten eten als larven o.a. veel rupsen uit. + +Een gelijke indeeling kunnen wij maken van de schadelijke insecten; +onder direct schadelijke verstaan wij dan die, welke ons persoonlijk, +ons lichaam, benadeelen; de indirect schadelijke veroorzaken ons nadeel +in ons bedrijf. + +DIRECT SCHADELIJKE INSECTEN. Hiertoe behooren de overbrengers van +ziektekiemen en die, welke ons op andere wijze lichamelijk kwellen. Als +zoodanig staan met de zwarte kool aangeteekend: muggen, vliegen, +vlooien, wantsen en luizen. De malariamug brengt de malariakoorts over, +de kamervlieg verbreidt de tuberculose, de cholera, de typhus en is ook +oorzaak van de zomerdiarrhee bij jonge kinderen. Bij de afzonderlijke +behandeling dezer dieren (147–151) staat daarover meer te lezen. +Vlooien brengen in onze Oost de pest van de ratten op den mensch over. +De gele koorts wordt ook overgebracht door een steekmug en het miltvuur +door een steekvlieg. + +INDIRECT SCHADELIJKE INSECTEN. Tot deze groep behooren: + + + 1º die insecten, welke onze huisdieren aanvallen: b.v. + runderhorzel, schapenhorzel, paardenhorzel (156–157). + 2º de huis- en magazijninsecten, die allerlei stoffen vernielen en + verontreinigen: mieren, kakkerlakken, suikergasten in de keuken; de + kleermotten in de kleeden, meubels, bont en kleeren; houtwormen in + meubels; boekenluizen en kevers in boekenkasten en meeltor), + insectenverzamelingen. In pakhuizen meelwormen (larven van de + Anobium paniceum in allerlei droge stoffen, Lasioderma laeve in + tabak, in magazijnen en pakhuizen. Hier treffen we vooral veel + „cosmopolieten” aan, die met de verschillende waren meekomen. + 3º de beschadigers van onze kultuurgewassen; deze vormen een + reusachtig leger, dat geregeld door de land-, tuin- en boschbouwers + moet worden bestreden. Omdat de meeste insecten vegetariers of + planteneters zijn, is het aantal schadelijke insecten voor onze + kultuuren zeer groot: rupsen, bladluizen, schildluizen, kevers. Tot + deze groep behooren ook de larven van kevers en wespen, die in + boomstammen leven en daardoor de technische waarde van het hout + verminderen; boktorren, houtwespen. + + + + + + + + +XIII. DE AARD DER PLANTENBESCHADIGING. + + +Er is geen enkel plantendeel, dat door de insecten wordt verschoond; +ook worden onze kultuurplanten op iederen leeftijd aangevallen. +Insectenaanvallen op het kiembed belemmeren een flinken uitgroei en +veroorzaken vaak den dood van onze gewassen. Dat geldt ook voor de +wortelbeschadigingen, omdat door de wortels het voedsel uit den bodem +wordt opgenomen. Zeer ernstig zijn ook de aanvallen op de bladeren door +rupsen, bastaardrupsen en kevers. Hebben éénjarige gewassen zulke +aanvallen te verduren, dan gaan zij vaak geheel onder, omdat de +bladeren zoowel voedings- als ademhalingsorganen zijn. Boomen +herstellen zich het volgende jaar wel weer, doch dennen- en +sparrenbosschen, die kaal gevreten zijn, hebben 4 of 5 jaar noodig voor +zij weer hersteld zijn, omdat zij zoo langzaam groeien. + +Soms worden de bloemen vernield en dan komt er van den oogst niets +terecht; een andermaal worden de vruchten uitgegeten en ook dan is de +oogst waardeloos. ’t Komt ook voor, dat b.v. bladgroenten zoo door luis +zijn bezet, dat ze ongenietbaar zijn, b.v. kropsla. De beschadiging van +bladluizen aan twijgen van boomen, wordt soms gevolgd door schimmel- of +zwamziekten. In de wonden, door deze luizen gemaakt, ontkiemen dan de +sporen van schimmels. Het knagen van keverlarven en rupsen in +boomstammen, geeft aanleiding tot inwateren en vermolmen. De +plantenbeschadiging door insecten is dus een veelzijdige. + + + + + + + + +XIV. HET ONTSTAAN VAN INSECTEN-PLAGEN. + + +Van tijd tot tijd ontstaan ook in ons land insectenplagen. De +nonvlinders, de emelten, de ringelrupsen, rupsen en bastaardrupsen in +de bessen, meikevers, eikenaardvlooien, vliegen, muggen, zij komen zoo +nu en dan in zoo’n groote massa voor, dat men spreekt van een plaag. +Waar komt nu die groote hoeveelheid dieren vandaan? + +Plagen, en in het algemeen sterke uitbreiding van ’t insectenleger, +worden begunstigd door de volgende omstandigheden: + + + 1º groote voedselvoorraad; + 2º gunstige broedgelegenheid; + 3º afwezigheid van vijanden; + 4º gunstige weersinvloeden; + 5º ongunstig weer voor de kultuurplanten; + 6º overgang van insecten, die gewoonlijk op wilde planten leven, + naar kultuurplanten; + 7º invoer van insecten uit andere landen en werelddeelen; + 8º nalatigheid van den mensch. + + +Laten wij deze oorzaken even in ’t kort nader bekijken. + +In de vrije natuur komen over ’t algemeen niet veel insectenplagen +voor. De oorzaak hiervan is, dat de meeste insecten een beperkt menu +hebben en er in de vrije natuur, waar de planten dooreen groeien, +zelden zooveel planten van één soort bijeen staan en bijeen blijven, +dat een insectensoort zich daar voor langen tijd nestelen kan omdat zij +er zooveel voedsel kan vinden. Veel insecten zijn op één of weinig +planten aangewezen; groeit zoo’n plant in milliarden exemplaren bij +elkaar, dan kunnen de insecten zich daar gemakkelijk vermeerderen; maar +zoo’n eenvormige plantenwereld wordt maar zelden in de vrije natuur +aangetroffen. Wat evenwel in de vrije natuur ontbreekt, hebben de +land-, tuin- en boschbouwers zelf in ’t leven geroepen. Zij bezaaien of +bepoten uitgestrekte gronden met een en hetzelfde gewas, zoodat er +millioenen en millioenen planten van dezelfde soort naast elkander +komen te staan, en daar soms jarenlang blijven staan (bosschen) of +ieder jaar weer worden gezaaid (granen en andere gewassen). Zoodoende +zorgt de mensch dus feitelijk voor een reusachtige restauratie voor de +insecten, en dat deze beestjes er een dankbaar gebruik van maken ligt +voor de hand; waar zij te eten hebben blijven ze en vermenigvuldigen +zij zich. Waarom zouden ze ook weggaan? + +Door de eenvormige massa-kulturen schept de mensch dus zelf een der +hoofdoorzaken voor het ontstaan van insecten-plagen. + +Een andere oorzaak ligt in de gunstige broedgelegenheid, een geschikte +plaats om de eieren af te zetten. Dit wordt zeer duidelijk +geïllustreerd door de geschiedenis van ’t Panama-Kanaal. + +In 1881 werd een aanvang gemaakt met het graven van ’t Panama-Kanaal. +De gele koorts hield hevig huis onder de arbeiders. Meer dan de helft +stierf er aan. En telkens als een nieuw transport arbeiders werd +aangevoerd, ondergingen zij hetzelfde lot. Zoodoende vorderde het werk +niet. De ontwerper van het kanaalplan, De Lesseps, die ook voor het +Suez-Kanaal het ontwerp had gemaakt, had buiten de gele koorts +gerekend, in ieder geval haar onderschat. De ontwikkeling dezer ziekte +is aldus. Wordt een lijder aan gele koorts door een bepaalde soort mug, +Stegomyia fasciata, gestoken, dan is de mug ook besmet. Steekt deze +besmette mug nu een gezond mensch, dan brengt zij de koortsstof over en +de gestokene krijgt binnen enkele dagen de gele koorts. + +Hieruit volgt, dat de gele koorts slechts op één manier afdoende kan +bestreden worden, en wel door de uitroeiing van de mug, die de +ziektestof overbrengt. En die uitroeiing kan niet geschieden door het +vangen van de muggen, maar door haar de gelegenheid te ontnemen de +eieren op een geschikte plaats af te zetten. De gelekoortsmug legt haar +eieren in poelen en plassen, ook wel in regentonnen. Het was dus noodig +de landstreek droog te leggen, waardoor de poelen en plassen verdwenen. +De muggen hadden nu geen broedgelegenheid meer, en de landstreek werd +tamelijk wel vrij van de gele koorts, waardoor zij voor den mensch +bewoonbaar werd. De doorgraving van het kanaal was hierdoor mogelijk +geworden. + +In mesthoopen om boerderijen leggen veel vliegen haar eieren; daarom +heeft men op het platteland zooveel last van vliegen. Door het opruimen +der mesthoopen ontnemen wij aan de vliegen de broedgelegenheid en +verdwijnen ze vanzelf. Daarom heeft men in de steden veel minder last +van de vliegen dan op het platteland. Wie in de buurt van een +paardenstal woont heeft met de brutaliteit der vliegen kennis gemaakt. +Vliegen- en muggenplagen zijn alleen te bestrijden door aan deze dieren +geen gelegenheid te geven eieren af te zetten. + +Als derde oorzaak voor het ontstaan van insectenplagen noemden wij de +afwezigheid van vijanden der schadelijke insecten. De waarheid hiervan +heeft men in Amerika ondervonden. In 1868 werd de Plakker-vlinder en in +1890 de Bastaard-satijn-vlinder in Amerika ingevoerd. De rupsen van den +Plakker ontsnapten uit een insectenkweekerij van een Amerikaan, die aan +het zoeken was naar een nieuw soort rupsen voor de zijdecultuur. De +Bastaardsatijnvlinder of diens rupsen zijn vermoedelijk met +boomkweekersartikelen uit Europa naar Amerika gekomen. Beide insecten +hebben in Europa veel vijanden; niet minder dan 27 sluipwespen en 25 +parasietvliegen; daardoor hoort men bij ons nooit van plagen +veroorzaakt door de rupsen van deze vlinders; ook niet in andere landen +van Europa. Maar in N. Amerika zijn de rupsen van deze vlinders tot een +ongekende plaag geworden, zooals nergens is waargenomen. Millioenen +dollars zijn reeds uitgegeven om door bespuiting met giften de +rupsenplagen tot staan te brengen, doch het is tot heden niet gelukt. + +In 1905 is men begonnen uit Europa in te voeren de Europeesche +parasieten van deze rupsen; bovendien werden er in dat jaar ingevoerd +50.000 poppenroovers (33 en 35). Van 1905–1910 werden totaal ingevoerd +2.000.000 sluipwespen en 70.000 sluipvliegen. Hoewel men met veel +moeilijkheden had te kampen, door mislukking bij de kweeking der +insecten en met ziekten bij de entomologen, is het voorloopig resultaat +toch bemoedigend, want op het oogenblik zijn 10 nuttige insecten uit +Europa in Amerika ingeburgerd. + +In Amerika was door het internationaal verkeer een schildluis uit +Australië ingevoerd, die de geheele sinaasappelkultuur bijna ten onder +bracht. De schildluizenplaag kon zich zoo uitbreiden, omdat geen der +vijanden was medegevoerd. Toen na veel zoeken eindelijk in Australië +een O. L. Heersbeestje was gevonden, dat een erge vijand van deze +schildluizen is, werd dit naar Californië overgebracht, en het heeft de +schildluizenplaag volkomen tot staan gebracht. Uit deze voorbeelden +blijkt duidelijk, hoe door afwezigheid van hun vijanden, sommige +insecten een ware plaag voor den mensch kunnen worden. + +Dat gunstige weersinvloeden insectenplagen bevorderen behoeft geen +nader betoog. Insecten zijn maar zwakke dieren, vooral in den +larvetoestand en zoodoende zeer gevoelig voor het weer. + +Heerscht er ongunstig weer voor de kultuurplanten, dan schieten deze +niet op en wordt de schade, door insecten aangebracht, des te grooter. +Dit is vooral het geval in het voorjaar, als de planten nog jong zijn. +Aardvlooien vreten in een koud voorjaar, als er b.v. geen schot in de +erwten zit, geheele erwtenakkers kaal, die dan moeten worden omgeploegd +en opnieuw bezaaid. Daarom verdient het in ’t algemeen aanbeveling te +zorgen voor een zeer vruchtbaren bodem; dan groeien de kiemplanten wat +vlugger door. + +Oorspronkelijk leven alle insecten op wilde planten. Het komt nu +herhaaldelijk voor, dat er een verplaatsing naar kultuurplanten +geschiedt. Een bekend voorbeeld is de Colorado-kever, die +oorspronkelijk op een wilde plant leefde, die behoort tot de familie +van den aardappel. Op een gegeven oogenblik ging deze kever over op de +aardappelplant en werd toen de schrik van Amerika en heel Europa. Tot +op dit oogenblik is hij de schrik gebleven, al hebben wij er nooit last +van gehad. + +De walkanten of slootkanten van onze akkers dienen van alle wilde +planten gezuiverd te worden; dan bestaat er geen gevaar, dat de +insecten van daar uit naar onze kultuurplanten overgaan. + +Dat de invoer van insecten uit andere landen en werelddeelen door +handel en verkeer lang niet denkbeeldig is, bewijzen de lange lijsten +van insecten, die op deze wijze verhuisd zijn. We hebben reeds een paar +vlinders genoemd, den plakker en den bastaardsatijnvlinder, die uit +Europa naar Amerika zijn verhuisd: De Duitsche kakkerlak (82) is uit +Duitschland bij ons ingevoerd, de keukenkakkerlak (83) uit Azië en de +Amerikaansche kakkerlak (84) uit Amerika. Met planten worden veel +insecten verplaatst; ook met land- en tuinbouwproducten. Verschillende +insecten zijn daardoor al echte cosmopolieten geworden. + +Ten slotte worden insectenplagen bevorderd door de nalatigheid van den +mensch. Men grijpt dan niet in op het juiste oogenblik. Voor een groot +deel vindt deze nalatigheid haar oorzaak in de gebrekkige kennis, die +de meeste menschen hebben van de insectenwereld. Daarom kan dit Album +ook voor de practijk van het leven zijn waarde hebben. Als wij maar +eenmaal het leven der insecten kennen, dan leeren wij tevens de +perioden kennen, waarin wij kunnen ingrijpen. Wanneer wij b.v. in April +en Mei geregeld onze rozenstruiken nazien, en de weinige bladluizen +verwijderen, die er dan zijn, krijgen wij den heelen zomer geen luis in +de rozen. + +Door het vangen van vogels en het verstoren der nesten berooft de domme +mensch zich van veel insectenverslinders. + + + + + + + + +XV. HET BESTRIJDEN VAN SCHADELIJKE INSECTEN. + + +Een van de belangrijkste vragen voor den land- en tuinbouw, voor de +gezondheid van den mensch, is deze: Hoe bestrijden wij de schadelijke +insecten? Dit moet geschieden volgens een wetenschappelijk plan, dat +rust op de kennis van de levensgeschiedenis van de insecten. + +Er zijn 3 methoden van bestrijding: + + + 1º Verandering van kulturen en kultuurmethoden en vruchtwisseling; + vroeger of later, dieper of ondieper zaaien, sterkere soorten + uitkiezen, enz. + 2º Bevordering van de uitbreiding van het aantal natuurlijke + vijanden der insecten; dit noemt men de biologische methode. + 3º Directe vernietiging der schadelijke insecten door mechanische + of chemische middelen; dit noemt men technische bestrijding. + + +Wat de eerste methode betreft, deze is zeker de meest werkzaamste. Men +heeft b.v. eenige akkers mosterdzaad, die door de mosterdkevers worden +kaalgevreten. Staakt men nu de mosterdkultuur en gaat men iets anders +verbouwen, b.v. een graangewas, dan sterven de mosterdkevers bij gebrek +aan voedsel. Het derde jaar kan men dan opnieuw mosterd gaan verbouwen. +Een doelmatige wisselbouw is dus een krachtig bestrijdingsmiddel. + +Het bevorderen van de uitbreiding der natuurlijke vijanden is eveneens +een uitstekend middel, maar dit kan alleen toegepast worden, als men +veel kennis van het leven der insecten heeft. + +In Amerika kweekt men tegenwoordig millioenen sluipwespen en +sluipvliegen, die men weer loslaat op de rupsen. Zijn ze eenmaal in de +vrije natuur, dan vermenigvuldigen zij zich daar wel. Ook in +Oost-Indië, in Deli, is men bezig hiermede proeven te nemen. + +In de 12de eeuw verzamelden de Chineezen reeds mieren en lieten die los +in boomgaarden van sinaasappels en mandarijnen. Mieren verslinden +verschillende schadelijke kevers. Ook op Java verzamelt men +mierennesten en brengt die naar de vruchtboomen; het gaat hier tegen +snuitkevers. In 1807 liet men in Europa O. L. Heersbeestjes los op de +hopluizen, en behaalde hiermede succes. En in 1842 heeft men in +Frankrijk rupsendooders (kevers) (33) losgelaten op de rupsen van den +plakker en ook hier beantwoordde het resultaat aan het doel; wie in +zijn tuin weinig last wil hebben van bladluizen, verzamele O. L. +Heersbeestjes en late die in zijn tuin los. Een andere groep van +natuurlijke vijanden der insecten zijn de insectenetende vogels. +Behalve dat wij hen overal moeten sparen, behooren wij hen +broedplaatsen te verschaffen en in den winter voedsel en water. Wij +kunnen hierop niet verder ingaan, maar bevelen de vogels zeer aan in de +welwillendheid van den mensch. + +Op welke wijze besmettelijke ziekten onder de insecten kunnen verspreid +worden, laten wij rusten; intusschen bezitten wij ook hierin een middel +om insecten te dooden, al is het resultaat tot heden nog van weinig +beteekenis. Van het meeste belang is voorloopig nog de derde methode, +de technische bestrijding van insecten. De bedoeling hiervan is de +insecten te dooden door hen lichamelijk letsel toe te brengen, door hen +te vergiftigen of door hen in vallen te lokken. Wat men ook aanwendt, +de bestrijdingsmiddelen moeten niet te duur zijn, niet te veel +arbeidskracht eischen, en vooral de planten, waarop de insecten leven, +niet of zoo weinig mogelijk beschadigen. Van belang is het verder de +schadelijke insecten te dooden voor zij volwassen zijn; dan voorkomen +wij het eierleggen. De insecten worden in verschillende stadiën van +ontwikkeling bestreden: de ringelrups bestrijdt men als ei, veel +vlinders als rups, terwijl b.v. de meikevers weer het best bestreden +worden door het vangen van de imago’s. In welke levensperiode een dier +het best bestreden wordt, leeren wij uit de levensgeschiedenis van het +dier. Het slagen van onze bestrijdingsmiddelen hangt geheel af van het +kiezen van het juiste oogenblik, en dat leeren wij vinden door het +bestudeeren van de dieren. + +Wat nu de verschillende chemische middelen betreft, die kunnen in +groepen worden ingedeeld: + + + 1º huidvergiften: tabaksstof, zwavelpoeder, versch gebluschte kalk, + heet en koud water, nicotine, insectenpoeder, Bordeauxsche en + Californische pap, petroleum, lysol, carbolineum, benzine, en + andere; + 2º verstikkingsvergiften: onderwaterzetting van akkers en weilanden + (afsnijden van de lucht), insectenpoeder, tabaksdampen, + zwaveldampen, zwavelkoolstof, blauwzuur, chloroform en andere; + 3º maagvergiften: arsenicum, Bordeauxsche en Californische pap, + nicotine. + + +Verschillende van deze middelen werken in meer dan één richting. Van +andere weet men niet precies te zeggen, hoe ze werken; alleen weet men, +dat de resultaten goed zijn. + +Deze vergiften worden door speciale werktuigen over de dieren +uitgespreid; men noemt ze pulverisateurs, besproeiers, bestuivers. Bij +het gebruik van deze middelen dient gelet te worden op den toestand van +het weer en van de planten. + +In den handel zijn een massa z.g. „bestrijdingsmiddelen”, die onder +allerlei vreemde namen worden aangeboden. Het publiek kan hieruit +natuurlijk niet kiezen en daarom raden wij ieder aan, bij deskundigen +inlichtingen in te winnen. + +Verschillende van deze vergiften zijn óók weer voor den mensch +gevaarlijk, sommige zelfs levensgevaarlijk, b.v. arsenicum, +zwavelkoolstof, blauwzuur. Zwavelkoolstof is zeer vluchtig en zeer +brandbaar. ’t Is een goede stof om kleine ruimten als doozen en kisten +te ontsmetten; alle dieren, die er in zijn, worden gedood. + +Zwaveldampen werken vernielend op onze slijmvliezen. Men zwavelt wel +kelders uit, die ’s winters vol muggen zitten. + +Blauwzuur is een zeer zwaar vergift. Men ontwikkelt dit door zwavelzuur +op cyankalium te doen. In Amerika worden met dit gas van tijd tot tijd +„landverhuizershotels” ontsmet. In ons land wordt het gebruikt om in +plantenkassen de insecten op planten te dooden. De aanwending hiervan +moet volgens de wet onder deskundige leiding geschieden, juist omdat +het zoo gevaarlijk is. Bij de afzonderlijke beschrijving der insecten +komen de bestrijdingsmiddelen nog nader aan de orde. + +Onder de mechanische middelen verstaan wij die, waardoor de dieren +lichamelijk letsel bekomen, in vallen worden gelokt of op een andere +wijze worden verzameld. Tot die middelen behooren de volgende: + + + 1º het schudden van boomen en struiken; de insecten komen dan naar + omlaag en worden opgevangen of op den grond gedood. Op deze wijze + schudt men in de morgenuren de meikevers uit den boom en vangt ze + op lakens op of veegt ze bij elkaar. + 2º het wegsnijden van bezette takken en het uitsnijden of + verbranden van rupsennesten; men snijdt deze takken af met een z.g. + rupsenschaar. Zoo haalt men ’s winters de rupsennesten van den + bastaardsatijnvlinder en het boomwitje uit den boom. + 3º het gebruiken van een teerslede; dit is een met teer besmeerde + plank waarmede men in ’t voorjaar over de planten gaat, waardoor de + aardvlooien in beweging komen en op de teer vastraken. + 4º vanglantaarns; de meeste schemer- en nachtdieren komen op licht + af; met speciaal daarvoor ingerichte lantaarns vangt men vele + dieren. + 5º vangpotten; men graaft bloempotten in den grond tot aan den + rand; nachtinsecten, die wat haastig over den grond tippelen, + vallen naar beneden en kunnen niet meer naar boven. + 6º vangplanten; men zaait tusschen de gewone kulturen planten, die + door bepaalde insecten gaarne worden gegeten; als ze deze planten + bezet hebben, worden ze met plant en al onschadelijk gemaakt. + 7º vangbanden; door vangbanden om boomstammen te binden geeft men + den insecten gelegenheid een winterkwartier op te zoeken: + verwijdert men deze banden later, dan neemt men al de wintergasten + mede. + 8º lijmbanden; dit zijn stukken bordpapier, waarop lijm is + gesmeerd; insecten, die naar boven of naar beneden willen om eieren + te gaan leggen of om te verpoppen, vinden in deze lijmbanden, die + om boomstammen worden gebonden, een versperring, waarop zij ten + slotte vastraken; deze lijmbanden dienen om kruipende insecten te + verschalken. + + +Wij zouden over dit onderwerp nog heel wat kunnen zeggen, doch moeten +ons beperken. Zoodra een of ander insect daartoe aanleiding geeft, +komen wij er bij de afzonderlijke bespreking nog wel op terug. +Bovendien komt ditzelfde onderwerp ook in het volgende hoofdstuk ter +sprake. Intusschen kunnen wij dit wel vaststellen, dat er vele middelen +bestaan, om de schadelijke insecten onschadelijk te maken. + + + + + + + + +XVI. HET VERZAMELEN VAN INSECTEN. + + +Wie bruikbare kennis wil opdoen van de insecten, moet beginnen met het +verzamelen en waarnemen in de vrije natuur. Uit boeken is natuurlijk +zeer veel te leeren, want daarin zijn de ervaringen van anderen +neergelegd; bovendien bevatten zij veel vingerwijzingen, die wij kunnen +opvolgen. Een echte insectenliefhebber zorgt dan ook voor een +uitgebreide bibliotheek. Maar, hoeveel wij ook uit boeken kunnen halen, +het meeste genot en pleizier hebben wij toch alleen als wij de dieren +buiten zelf zoeken en waarnemen. Dat moet dus altijd voorop staan: de +dieren in hun eigen omgeving waarnemen. Dan leeren wij hun +levensgeschiedenis; tevens maken wij dan kennis met andere dieren, die +met hen in vriendschap of vijandschap leven. Gelijktijdig maken wij +kennis met veel planten. Er zijn menschen, die alleen insecten +verzamelen, om ze, zooals de jongens zeggen „te hebben”. Dat moeten we +afraden. Als men van een opgeprikt insect niets anders weet te +vertellen dan zijn naam, dan is dat een kennis zonder beteekenis. Wij +moeten trachten te weten komen: hoe het dier zich voortplant, waar de +eieren worden gelegd, wat de larve eet en hoe oud die wordt, wanneer +die verpopt en waar, hoe het volwassen dier leeft, welke plaats het in +de natuur inneemt, in welke verhouding het tot den mensch staat, enz. +enz. + +Wij kunnen aan elk dier tientallen van vragen stellen, die beantwoord +worden, als wij de insecten trouw en nauwkeurig waarnemen. En door veel +waarnemingen te doen, leeren wij de natuur bewonderen in haar +interessante samenstelling. + +Wanneer wij dus de insectenkunde beoefenen, dan doen wij dit niet om +eenige doozen met opgeprikte dieren in ons bezit te krijgen, maar +alleen om de natuur te leeren begrijpen en waardeeren. En dat geeft ons +zoo’n genot en dat houdt ons zoo frisch, dat wie er eenmaal mede +begint, er niet mede eindigen kan. Er komt nog wat bij. Als wij op +„insectenjacht” gaan, leven wij in zekere aangename spanning; we weten +niet òf en wàt we vangen zullen. En als we wat gevangen hebben, dan +stijgt de vreugde en zijn wij blij alsof we een geschenk hebben +gekregen. We leeren ook goed uit de oogen zien, want de meeste insecten +zijn maar betrekkelijk klein. Een ander voordeel is, dat we veel in de +frissche lucht zijn, wat vooral voor de stedelingen van belang is. Dan +leeren wij wandelen met een bepaald doel. Bovendien is het wandelen in +de natuur des te aangenamer naarmate wij meer planten en dieren kennen. + +Er is dus alles voor om aan het verzamelen te gaan. En als nu een +stedeling zegt: Maar in en bij de stad is zoo weinig te vangen, dan +antwoorden we: „een entomoloog weet overal wat te vinden, binnen en +buiten de stad, in huis en op straat, op alle denkbare plaatsen”. + +Wil men met succes werkzaam zijn, dan moet men 1º goed gereedschap +hebben en 2º bekend zijn met de plaatsen, waar de insecten zich +ophouden. + +Het gereedschap. Een vlindernet, een schepnet, een sleepnet, een +paraplu, een wiedijzertje, verschillende glazen en doozen, een pincet. +Men vrage eens een catalogus aan bij een handelaar in deze artikelen; +men zal dan zien, dat er nog veel meer gereedschap wordt aangeboden. + +Met een vlindernet vangt men alles wat vliegt; met een schepnet halen +wij de waterinsecten en hun larven op den kant; een sleepnet wordt +langs de grasvelden gesleept, en men vangt er de insecten mede, die op +de lage planten leven. Als we een open paraplu onder een heester houden +en daarna de takken bewegen, vallen de insecten er in. Met een +wiedijzertje of wiedvorkje kan men den grond omwoelen en naar larven en +kevers zoeken. Met een pincet neemt men kleine dieren op. + +De vindplaatsen. Zeer veel insecten leven op planten; wat op de lage +planten leeft laat ons het sleepnet zien. Bij hoogere planten gebruiken +wij een paraplu; de insecten worden dan afgeklopt. Veel schemer- en +nachtdieren vertoeven overdag onder steenen; men lichte deze dus op. In +den grond aan den voet der boomen huizen veel insecten; men woele de +aarde dus om. Ook in het zand leven er verscheidene. In dood hout is +ook altijd wat de vinden, evenals in den molm van boomen. Het water +levert ook heel wat op. Verschillende insecten leven in dierenlijken en +in afval. Op bloemen vertoeven heel wat dieren, die gemakkelijk met een +net zijn te vangen; vooral als de zon schijnt is het insectenbezoek +zeer druk. In onze huizen en magazijnen zijn vele blijvende en +toevallige insecten. Tegen gesloten ramen en onder waranda’s zitten ook +veel dieren. Men vergete ook niet den kelder. In nesten en +verblijfplaatsen van insecten en andere dieren vindt men ook altijd +z.g. „gasten”. Bekend zijn de „mieren-, bijen- en wespengasten”. + +Lokmiddelen. Men kan insecten op verschillende manieren lokken. +Vooreerst door het licht. Men zette ’s avonds de ramen van een +verlichte kamer maar open: er komt van alles op ’t licht aan. Om +straatlantaarns zwermt het van avondinsecten. Er zijn ook speciale +vanglantaarns geconstrueerd. Men moet zorgen, dat de dieren niet met de +vlam in aanraking komen. + +Het neerzetten van honing en suikerwater lokt veel insecten. Als men +boomstammen op bepaalde plekken met een lokmiddel bestrijkt, komen er +’s avonds insecten op af. Men maakt een mengsel van bier, stroop, rum +en appelaether. Ook kan men schijfjes van gedroogde appels in dit +mengsel dompelen en dan aan een snoer ophangen. Als het een geschikte +avond is, krijgen wij vaak veel bezoek. + +Een aardig lokmiddel vormen de wijfjes van vele vlinders. Zet men die +in een gazen kooitje buiten, dan komen er mannetjes op af, zoo die +tenminste in de buurt zijn. Ten slotte zijn bloemen goede lokmiddelen. +Zet men b.v. crocusjes in Maart buiten, dan kunnen we zeker hommel- en +wespenkoninginnen verwachten. + + + + + + + + +XVII. HET KWEEKEN VAN INSECTEN. + + +Nu komen we aan het mooiste en leerzaamste werk: het in huis opkweeken +van insecten. Dat dit een aardig werk is, volgt o.a. ook hieruit, dat +het Insectarium in Artis te Amsterdam, waar men ook insecten kweekt, +door iedereen wordt bewonderd, en dat ieder er gaarne langen tijd +vertoeft. Er is ook geen beter middel om insecten te leeren kennen, dan +ze geregeld in huis, in school of op een open plaats dagelijks waar te +nemen. Natuurlijk moet men zorgen, dat de omgeving waarin men hen +plaatst, zooveel mogelijk overeenkomt met die, waarin zij buiten leven. + +Het gemakkelijkst kweekt men rupsen op tot vlinders. Dat geschiedt dan +in rupsenkasten, rupsenhuizen of insectaria. Doozen en flesschen zijn +ongeschikt, omdat daar te weinig luchtverversching in is. Het best is +een bodem en een zolder van gaas; de bodem staat dan op pootjes, anders +heeft er geen trekking plaats. De vier zijwanden mogen gerust van glas +zijn, als er maar voor een gazen bodem en zolder is gezorgd. Natuurlijk +kan een der zijwanden ook van gaas zijn, desnoods wel twee. Maar een +paar moeten er minstens van glas wezen om waarnemingen te kunnen doen. +De insectaria, die in Artis staan, zijn al zeer geschikt; voor velen +zullen ze evenwel te duur zijn. + +De rupsenkasten zijn daarom zoo bruikbaar, omdat er veel plaats is voor +voer. Bijna alle rupsen eten bladeren. Snijdt men nu eenige stengels of +takken met bladeren af en zet men die in een fleschje met water, dan +blijven ze frisch en vormen een goed voer voor de rupsen. Tegen den +tijd, dat de bladeren zijn opgegeten, wordt nieuw voer gehaald en in +een tweede fleschje geplaatst; dit zet men dan ook in het rupsenhuis. +Al heel gauw merken de rupsen dat er „versche groenten” zijn aangekomen +en zij kruipen daar heen. De oude takjes zijn nu verlaten en men neemt +het eerste fleschje weg. Op deze wijze behoeft men de rupsen niet aan +te raken, wat anders wel eens aanleiding kan geven tot kwetsing der +dieren. Het is geheel verkeerd het rupsenvoer zoo maar in het +rupsenhuis te werpen. In enkele uren zijn de bladeren verdroogd en niet +meer te genieten voor de rupsen. ’t Voer moet dus altijd frisch zijn. +Wil men takken en stengels lang frisch houden, dan knipt of snijdt men +ze even voor ze in het water gaan af, en geeft door het ondereinde een +flinke kruissnede van een c.M. of 5; dan trekt het water er goed in. + +Goed voer is een eerste vereischte en wie hiervoor niet zorgen kan, +moet geen dieren opkweeken; ’t loopt dan toch op niets uit. + +In de tweede plaats moet er gezorgd worden voor frissche lucht; als het +kan, zette men het rupsenhuis altijd voor een open raam. Waar veel +gegeten wordt, is de productie van uitwerpselen ook groot en omdat die +soms minder aangenaam rieken of gaan schimmelen, moet het rupsenhuis +dagelijks gereinigd worden. Men doet dit zeer gemakkelijk met een veer. +Houdt men hieraan de hand, dan loopt de kweekerij vanzelf goed van +stapel. + +Op nog een ander punt dient gelet. Verschillende rupsen en +bastaardrupsen verpoppen in den grond. Ze doen het ook wel boven den +grond, als ze niet anders kunnen, maar voor het dier is het beter als +het wat aarde tot zijn beschikking heeft om daarin te kruipen. Men +zette dus in het rupsenhuis neer een laag bakje met aarde; de aarde +wordt een beetje vochtig gehouden. Het aardigst is te beginnen met een +kweekje van brandnetelrupsen, van de Kleine Vos. Men vindt in Mei en +begin Juni op brandnetel geheele kolonies van deze rupsen. + +Wij moeten vooral aanraden de dieren zoo weinig mogelijk of eigenlijk +in ’t geheel niet aan te raken; de natuur helpt zichzelf wel. Dan +moeten wij aanraden met niet te veel soorten in eens te beginnen; dat +geeft maar verwarring en belemmert ons in het duidelijke waarnemen. +Want waarom gaan wij insecten kweeken in huis? Alleen om belangrijke +waarnemingen te doen, onze kennis te verrijken, om de natuur te leeren +bewonderen en in die bewondering te genieten. Dan is het kweeken in +huis het eenige middel om onbeschadigde volwassen vlinders te krijgen. +Met een vlindernet kunnen wij gemakkelijk vlinders vangen, doch bijna +altijd worden ze min of meer beschadigd. Kweeken wij ze evenwel uit +rupsen in ’t rupsenhuis op, dan krijgen we gave, onbeschadigde en ook +nietafgevlogen vlinders. Sommige vlinders overwinteren als pop, ’t zij +boven, ’t zij onder den grond. We moeten die dus ook thuis den winter +laten doorbrengen. Een goed plaatsje is een kamer, waar niet gestookt +wordt. Op den zolder is ook goed; men kan ze ook buiten zetten of in +een schuur. Tegen kou zijn ze voldoende bestand; men moet evenwel +zorgen dat ze geen last van regen of ander water hebben. + +Behalve als poppen, overwinteren ook vele insecten als imago; b.v. +kleine vos, atalanta, citroentje, vele kevers, muggen, enz. Wie de +geschiedenis van deze insecten wil leeren kennen, dient hiervan wat +exemplaren te verzamelen vóór den winter. + +In een rupsenhuis of insectarium kunnen wij ook de levensgeschiedenis +volgen van verschillende kevers, b.v. O. L. H. beestjes, het +goudhaantje (70) doodgravers en wat al niet meer. Als we maar zorgen, +dat zij het juiste voedsel hebben. O. L. H. beestjes lusten dolgraag +bladluizen, het goudhaantje leeft op de witte doovenetel. Zet men b.v. +in een bloempot met aarde een plant van witte doovenetel, dan kan men +verder in het insectarium eenige goudhaantjes doen, die dan op de +doovenetel eieren gaan leggen, waaruit larven komen, die aan de +bladeren gaan eten, ten slotte aan de bladeren verpoppen en eindelijk +als kever voor den dag komen. + +Hoofdzaak is, dat de dieren een goed en passend voer hebben. + +Wat de waterinsecten betreft, die moet men in een aquarium houden; men +lette er evenwel op, dat sommige roofinsecten zijn en andere meer +planteneters. De larven zijn meestal ook erge carnivoren, zoodat ons +aquarium dan met recht een jachtterrein wordt. Wie de steekmuggen wil +bestudeeren, moet de larven in het aquarium houden. Het verdient +aanbeveling de aquaria met een geperforeerde zinken plaat of met een +glasplaat te bedekken; dan kan geen enkel insect ontsnappen; sommige +waterkevers scheppen ’s avonds wel eens een luchtje en vliegen dan +rond. Onze waterinsecten moeten gevoerd worden. Stukjes vleesch, +daphnia’s, kleine vischjes, ze doen er hun maal mede. Er moet ook +gezorgd worden voor waterplanten en een flinken bodem. + +Een insecten-aquarium is veel interessanter dan een gewoon +visch-aquarium, omdat er veel meer actie in het leven der insecten is; +bovendien is de gedaanteverwisseling zeer merkwaardig. + +Wij kunnen al deze onderwerpen hier niet uitvoerig uitwerken, doch +zullen bij de afzonderlijke beschrijving der waterinsecten nog wel het +een en ander mededeelen. + +Van belang is dat wij bij het vangen en kweeken van insecten, vooral +aanteekeningen maken van onze waarnemingen; ook vergete men niet de +datums te noteeren. Vaak kan het ook nuttig zijn, het uur te noteeren, +waarop iets wordt waargenomen. Wij weten nog lang niet alles van het +leven der waterinsecten, zoodat er vele nieuwe waarnemingen zijn te +doen. Wie zich met insecten bezighoudt, moet een dagboek aanleggen; +later hebben die aanteekeningen veel waarde. + + + + + + + + +XVIII. HET OPZETTEN VAN INSECTEN. + + +Zullen wij ook insecten gaan opzetten? En we zouden willen vragen: +Waarom niet? Als het alleen ons doel is om maar wat dieren opgeprikt te +hebben, dan zeggen we, neen, laat dat opzetten maar na. Doch is ’t ons +ernstig streven om het maaksel der dieren te leeren kennen, om hen +onderling te leeren vergelijken, om den vorm van verschillende organen +te bestudeeren, dan hebben wij materiaal noodig, en moeten wij +verschillende insecten opzetten. + +Wie in dit opzetten iets wreeds ziet, vergist zich zeer, want de +insecten worden eerst bedwelmd en sterven dan, zonder pijn. Wij +gebruiken chloroform en dat bevalt ons uitstekend. Men kan het aldus +aanwenden. Men neemt een reageerbuisje van stevig glas; de wijdte +regelt zich naar de grootte van het dier. Op den bodem van het glas +brengt men een stukje watten, en giet daarop wat chloroform; het buisje +wordt met een kurk luchtdicht gesloten. Wenscht men nu een dier te +dooden, dan wordt het vlug in het buisje gebracht, dat direct weer +gesloten wordt. Binnen enkele seconden is het dier bedwelmd; bovendien +hangt dit af van de hoeveelheid chloroform, die op het watje is +gegoten. De chloroformdampen trekken door de luchtbuizen het lichaam in +en zonder pijn wordt het dier gedood. + +Het dooden op deze wijze is dus in ’t geheel niet wreed. De gewone +manier waarop vlooien en andere parasieten, ook steekmuggen, worden +doodgedrukt of doodgeslagen, is inderdaad heel wat wreeder. Natuurlijk +heeft het altijd iets stootends een dier te dooden, maar daarover +moeten wij ons heenzetten. Bovendien is het nog de vraag, wat voor een +insect aangenamer is, met chloroform te worden bedwelmd of door een +ander dier met huid en haar levend te worden verslonden. Want op dit +laatste draait het gewoonlijk in de vrije natuur uit. + +Zijn de dieren gedood, dan worden ze opgezet in doozen met een bodem +van turf. Die doozen zijn in den handel. Men kan ze ook zelf maken, +want turfplaten zijn voor enkele centen te koop. Dit neemt niet weg, +dat wij toch maar liever aanraden de doozen te koopen; die zijn keurig +afgewerkt en sluiten uitstekend. Een insectendoos moet goed sluiten, +anders gaan de dieren schimmelen. + +De doode insecten worden met spelden vastgezet; hiervoor worden +speciale spelden in verschillende dikte gebruikt; men noemt ze +insectenspelden, welke bij de handelaars verkrijgbaar zijn. De gewone +huishoudspelden deugen niet; ze zijn te dik en er komt roest bij. + +Kevers prikt men gewoonlijk in den bovenhoek van den rechtervleugel; de +andere insecten door het borststuk. Al naar de verzamelaar dat zelf +wenscht, kan hij de vleugels „spannen”, de pooten „strekken”. Bij +vlinders kan ook wel de roltong worden uitgezet. + +Heel wat oefening is er noodig om de vleugels van vlinders, libellen, +sprinkhanen, netjes te spannen. Men gebruikt daarvoor spanborden; een +eenvoudige vorm is een blokje hout, waarin een gleufje is gezaagd. De +spanspelden zijn steviger dan de gewone. In het gleufje wordt het +lichaam van het insect geplaatst en de vleugels worden links en rechts +op het plankje uitgespreid, en vlak gehouden door reepjes papier, die +met spelden worden vastgezet. Alleen door veel oefening krijgt men +handigheid de vleugels vlak te spannen en niet te beschadigen. Men kan +deze dieren ook éénzijdig spannen, door slechts één voor-, en één +achtervleugel daarvoor te gebruiken. + +Van belang is het, dat bij elk dier een etiket wordt geplaatst, waarop +vermeld staan de Hollandsche en Latijnsche naam, de tijd en de plaats, +waar het dier gevangen is. Meerdere bijzonderheden, b.v. omtrent het +aantal, de aangerichte schade, kunnen in een afzonderlijk schrift +worden vastgelegd. + +Over het opzetten van insecten zouden we nog veel kunnen schrijven; ook +over de verschillende manieren om de dieren te dooden. Maar dan zouden +wij te uitvoerig worden. De beginner heeft aan ’t medegedeelde genoeg, +en al doende leert men. + + + + + + + + +XIX. DE INDEELING DER INSECTEN. + + +De indeeling der insecten is reeds van ouden datum; dat bewijst, dat +men zich al vroeg met deze dieren heeft beziggehouden. Trouwens, dit +kon ook niet anders, omdat er geen enkele groep dieren is, die den +mensch zoo omringt binnens- en buitenshuis als juist de insecten. Die +oude indeeling bracht de insecten in 7 of 9 groepen onder. De nadere +studie heeft evenwel aan ’t licht gebracht, dat veel wat bij elkaar was +gebracht toch niet bij elkaar hoorde. Zoodoende vielen enkele groepen +uit elkaar. Het zijn vooral Brauer, Handlirsch en anderen, die het +systeem hebben gewijzigd; wij kunnen ook daarop niet verder ingaan, +doch zullen het systeem mededeelen, dat Dr. J. Th. Oudemans in zijn +prachtig boek „De Nederlandsche Insecten” volgt. Volgens dit systeem +worden de insecten in de volgende 19 Orden ingedeeld: + + + Orde I. Franjestaarten (73). + Orde II. Springstaarten. + Orde III. Oorwormen (74). + Orde IV. Haften (75–76). + Orde V. Glazenmakers (77–81). + Orde VI. Perlariën. + Orde VII. Rechtvleugeligen (82–90). + Orde VIII. Pelsvreters, Houtluizen (91–92). + Orde IX. Blaaspooten. + Orde X. Plantluizen, Luizen, Wantsen (93–104). + Orde XI. Waaiervleugeligen. + Orde XII. Netvleugeligen (105–107). + Orde XIII. Schorpioenvliegen. + Orde XIV. Schietmotten, Kokerjuffers (108). + Orde XV. Vlinders (109–144). + Orde XVI. Vliegen en Muggen, tweevleugeligen (145–161). + Orde XVII. Vlooien (162). + Orde XVIII. Kevers (25–72). + Orde XIX. Vliesvleugeligen, Bijen, Wespen (163–180). + + +In de hierachter volgende beschrijvingen worden dus bijna alle orden +behandeld; een paar van minder beteekenis, waarmede het publiek zelden +of nooit in aanraking komt, hebben we weggelaten. Daarentegen zijn de +vlinders, kevers, vliegen en muggen, bijen, hommels, wespen, die wij +als het ware dagelijks om ons heen zien, tamelijk uitvoerig besproken. +We vertrouwen, dat dit Album daardoor meer aan zijn doel zal +beantwoorden. + +Voor wie belang mogen stellen in de Latijnsche namen der Orden, geven +wij die hieronder: + + + I. Thysanura. + II. Collembola. + III. Dermaptera. + IV. Agnatha. + V. Odonata. + VI. Plecoptera. + VII. Orthoptera. + VIII. Corrodentia. + IX. Thysanoptera. + X. Rhynchota. + XI. Strepsiptera. + XII. Neuroptera. + XIII. Panorpata. + XIV. Trichoptera. + XV. Lepidoptera. + XVI. Diptera. + XVII. Siphonaptera. + XVIII. Coleoptera. + XIX. Hymenoptera. + + + + + + + + +XX. DE PLAATS DER INSECTEN IN HET DIERENRIJK. + + +Het geheele dierenrijk kan men gevoegelijk in 7 Hoofdafdeelingen +indeelen. In de laatste jaren is deze indeeling ook wel weer gewijzigd, +doch voor ons doel zullen wij ons houden aan de indeeling in 7 groepen. + +Van de laagst georganiseerde tot de hooger ontwikkelde dieren +opklimmende, krijgen we dan de volgende groepen: + + + 1. Protozoën of ééncellige dieren, + 2. Holtedieren: polypen, + 3. Stekelhuidigen: zeesterren, + 4. Weekdieren: slakken, mossels, + 5. Wormen, + 6. Gelede dieren: kreeften, spinnen, duizendpooten, insecten, + 7. Gewervelde dieren: vogels, zoogdieren. + + +De insecten behooren dus tot de 6e hoofdafdeeling, en deze afdeeling +wordt weer in 4 groepen ingedeeld: + + + 1. schaaldieren, + 2. duizendpooten, + 3. insecten, + 4. spinnen. + + + + + + + + +XXI. DE NAMEN DER INSECTEN. + + +In de Hollandsche namen der insecten ligt gewoonlijk de een of andere +eigenaardigheid der dieren opgesloten, die in verband staat met het +voedsel, met den tijd van het jaar, met de plaats, waar het dier leeft, +de wijze van voortbewegen, enz. enz. + +Die volksnamen zijn vaak zeer sprekend. + +De overgroote meerderheid der Nederlandsche insecten heeft evenwel geen +Hollandschen naam; de oorzaak hiervan ligt in de omstandigheid, dat de +spraakmakende menigte wel groote en algemeen voorkomende insecten ziet, +maar de kleinere niet. + +De mannen der wetenschap evenwel hebben aan alle bekende insecten een +naam gegeven, die ontleend is aan ’t Latijn of ’t Grieksch. Die namen +gelden dan voor de heele wereld. Voor de wetenschap zijn deze namen een +groot gemak. + +Een wetenschappelijke naam bestaat uit 2 deelen: een geslachts- of +familienaam en een soort- of voornaam. ’t Is evenwel de gewoonte den +voornaam achter den familienaam te zetten. Deze wijze van benoeming +danken wij aan Linnaeus, een groot natuurkenner, die leefde van 1707 +tot 1778. + +Een zelfde benoemingswijze treffen wij aan bij de planten; ook die is +te danken aan Linnaeus. + +De gerande watertor (28) heet Dytiscus marginalis. De geslachts- of +familienaam Dytiscus beteekent, dat deze kever goed duiken kan; +marginalis, de soortnaam, beteekent „gerande”. + +Van de Vanessa’s, die mooie dagvlinders, kennen we verschillende +soorten: Vanessa urticae (112), V. polychloros (114), V. Io (115), V. +antiopa (116), V. atalanta (117). Zij behooren allen tot de familie of +het geslacht Vanessa, welk woord fakkel of zon beteekent en er zeker op +wijst, dat deze vlinders alleen bij zonnig weer vliegen. Wat nu de +soortnamen betreft, zoo beteekent urticae (spreek uit: urtisee) dat +deze rups op brandnetel (urtica) leeft; polychloros beteekent: +„veelkleurige”, terwijl Io, antiopa en atalanta Grieksche meisjesnamen +zijn. + +In den loop der tijden is het wel voorgekomen, dat nieuw ontdekte of +beschreven soorten verschillende namen kregen; daardoor ontstond dan +verwarring. Verschillende congressen van dierkundigen hebben al +beproefd eenheid in de benaming te krijgen en voor een groot deel is +dit ook wel gelukt, doch geheel zuiver is de toestand nog niet. Sommige +insecten hebben daardoor twee geslachtsnamen en ook wel twee +soortnamen; een oude en een nieuwe. Wij hebben die dan tusschen haakjes +geplaatst. + +Achter den soortnaam wordt meestal ook de naam van den dierkundige +gezet (gewoonlijk afgekort), die het desbetreffende dier heeft +beschreven en benoemd. Een L. beteekent Linnaeus. Fab. of F. Fabricius, +enz. + +Hoewel er reeds vele insecten bekend en beschreven zijn, worden er toch +telkens weer nieuwe ontdekt; die krijgen natuurlijk dan een nieuwen +naam. Er zijn nog vele streken van de aarde, die uit een entomologisch +oogpunt nog geheel braak liggen. Ook zijn wij nog niet geheel bekend +met de insecten, die in ons eigen land voorkomen, al zijn de meeste dan +ook wel beschreven. Op entomologisch gebied zijn dus inderdaad nog vele +nieuwe dingen te vinden; vooral de biologie, de leer van het leven in +de vrije natuur, vraagt nog vele beoefenaars. En ieder, wie hij ook +zij, en wat zijn maatschappelijke positie ook moge wezen, kan zich +verdienstelijk maken voor de wetenschap, door het doen van +stelselmatige, correcte, juist beschreven waarnemingen. + +Thans gaan wij over tot de beschrijving der afzonderlijke dieren, die +op de plaatjes zijn afgebeeld. + + + + + + + + +BIJZONDER GEDEELTE. + + +PLAAT I. + +LARVEN EN POPPEN. + + +Larven. Eigenlijk hooren Plaat I en Plaat II bij elkaar, omdat rupsen +ook larven zijn. We hebben ze evenwel afzonderlijk genomen, omdat de +larven op de eerste plaat in het algemeen minder bekend zijn. De rupsen +zijn zoo wat de eenige larven, die het publiek kent. Wel heeft iedereen +gehoord, dat uit de eieren van meikevers engerlingen komen, maar hoe +weinigen hebben een engerling gezien? O. L. Heersbeestjes kent zelfs +het kleinste kind; doch wie kent de larve? Toch moeten die er ook zijn, +want elke kever was eenmaal een larve. Wie heeft de larven van een +steekmug, van een kamervlieg, van een vloo wel eens gezien? Toch komen +er milliarden daarvan in ons land voor. Het kwam ons daarom nuttig voor +een plaat te geven, waarop verschillende soorten larven zijn afgebeeld. + +Een larve is een jong insect, en de meerderheid der larven lijkt +heelemaal niet op de volwassen insecten. Uit een rups moet nog een +vlinder groeien, uit een engerling nog een meikever, uit een meelworm +nog een meeltor. + +Naar haar vorm en verdere ontwikkeling kunnen wij de insectenlarven in +de volgende groepen indeelen: + + +Eerste groep: Primaire Larven. + + + I. De larve gelijkt volkomen op de imago’s, doch is alleen kleiner + en kan nog geen eieren leggen; de suikergast (73) en de + ongevleugelde dierluizen. + II. De larve gelijkt zoozeer op de gevleugelde imago’s, dat zelfs + de oningewijde haar dadelijk herkent. Ze heeft evenwel nog geen + vleugels, haar pooten zijn nog niet volkomen en ook de verhouding + der lichaamsdeelen is nog niet zooals bij de imago’s. Zulke larven + komen voor bij de rechtvleugeligen. Fig. 22 geeft een afbeelding + van een veenmollarve. + + +Tweede groep: Secundaire Larven. + + +III. De larve gelijkt eveneens zeer veel op de imago’s, heeft + evenwel ook geen vleugels, doch wel bijzondere organen, die bij de + imago’s ontbreken, b.v. trachee kieuwen, grijporganen enz. Deze + verschillen vinden haar oorzaak in de omstandigheid, dat de larven + in een andere middenstof leven dan de imago’s; zoo leeft de larve + van een glazenmaker (8) in ’t water en de imago vliegt rond in de + lucht. De organen, die noodig waren voor het leven in ’t water, + worden afgeworpen als het dier een landbewoner wordt. + + Zooals reeds vroeger is opgemerkt, zegt men, dat de insecten, die + tot I behooren, geen gedaanteverwisseling hebben en die tot II en + III behooren hebben een onvolkomen gedaanteverwisseling. Het + karakter hiervan zit dus in de larve. + + +Derde groep: Tertiaire Larven. + + + IV. De larve lijkt heelemaal niet op het volwassen insect; dit komt + voor bij de rupsen, maden, keverlarven. Vóór deze larven imago’s + worden, maken ze een poptoestand door. Men zegt, dat ze hebben een + volkomen gedaanteverwisseling. + + Deze larven kunnen aldus worden ingedeeld: + + +A. Larven zonder buikpooten. + + + a. met 6 goed gevormde borstpooten: + + 1. de larven hebben meestal een sterke chitinehuid; voorbeelden + zijn de larve van den mierenleeuw (4), van den zandkever (9), + van den poppenroover (10). Verder van waterroofkevers, O. L. H. + beestjes. + 2. de larven hebben een weeke chitinehuid en zijn meest wit; + alleen de kop is krachtig gechitineerd en daardoor ook donker + van kleur. Meestal zijn deze, in tegenstelling met de vorige, + blind. Voorbeelden: engerling van meikever (5), ook die van het + vliegend hert, van mestkevers. + + b. met zwakgevormde of rudimentaire borstpooten, die nauwelijks nog + tot voortbeweging kunnen dienen. Voorbeelden: larven van boktorren + (2) en houtwespen (164). + + c. larven zonder borstpooten, dus geheel pootloos: + + 1. zij bezitten een goed te onderscheiden kop en kauwende + monddeelen; de meeste zijn weekhuidig, wit, en voeren een + verborgen leefwijze: de larven van schorskevers, bijen, wespen, + mieren, sluipwespen. Verschillende vrijlevende muggenlarven (3) + behooren ook hiertoe, en zijn in verband met deze leefwijze + sterker gechitineerd. + 2. de larven bezitten geen goed te onderscheiden kop meer; de + monddeelen zijn sterk gewijzigd, teruggeloopen. Meestal + weekhuidig en wit. Hiertoe behooren de larven van vliegen, die + men ook maden noemt. Kamervlieg (1). + + +B. Larven met buikpooten. + +Hiertoe behooren de rupsen en de bastaardrupsen. Deze zijn allen +langgerekt en meer of minder regelmatig gesegmenteerd, met duidelijk te +onderscheiden kop, die voorzien is van kauwende monddeelen; verder 3 +paar borstpooten en eenige buikpooten. Rupsen vinden wij afgebeeld op +Plaat II en bastaardrupsen in fig. 6 en fig. 11. Voor oningewijden is +het moeilijk rupsen en bastaardrupsen van elkaar te onderscheiden; men +lette daarom op de volgende verschillen: + + 1. Een bastaardrups heeft maar 2 enkelvoudige of puntoogen, aan + iedere zijde één; een rups heeft aan iedere zijde 6 puntoogen, dus + totaal 12. + 2. Een rups heeft 2 of 5 paar buikpooten; een bastaardrups heeft 6, + 7 of 8 paar buikpooten. Op z’n hoogst heeft een rups dus totaal 16 + pooten en een bastaardrups 22. + 3. De buikpooten der rupsen bezitten een krans van chitinehaakjes; + de buikpooten der bastaardrupsen missen die. + + Ten slotte houden we dit nog in ’t oog: + + de rupsen groeien uit tot vlinders, de bastaardrupsen tot + bladwespen. + + +Poppen. Men noemt een pop den toestand, waarin een insect, dat een +volkomen gedaanteverwisseling ondergaat, verkeert, vóór het een imago +wordt. Een pop neemt geen voedsel tot zich. De poppen kunnen wij in 2 +hoofdvormen onderscheiden: + + + 1. vrije poppen; de ledematen zijn goed te zien en liggen vrij, + zooals bij den meikever (5); verder komen deze voor bij de andere + kevers, bij de vliesvleugeligen en netvleugeligen, en ook bij + enkele vliegen (7). + 2. bedekte poppen of mummiepoppen; de ledematen zijn door een + kleefstof vast aan het lichaam gelijmd; daardoor zijn ze niet zoo + goed waarneembaar als bij de vrije poppen. De bedekte poppen vinden + wij de meeste vlinders en bij een deel der tweevleugeligen (1). + + +Dat een bedekte pop inderdaad ook dezelfde ledematen heeft als een +imago, kan ons de volgende proef leeren. Lukt het ons een rups waar te +nemen juist op het oogenblik, dat zij verpopt en wordt die pop dan +schielijk gedood door haar in kokend water te werpen, dan blijkt het, +dat alle ledematen nog vrij zijn en niet verkleefd. + +Uit het voorgaande volgt, dat een pop eigenlijk een eerste +imago-stadium is en dus meer imago dan larve. Feitelijk is een pop al +een imago, ten minste uitwendig; inwendig moeten evenwel nog eenige +veranderingen plaats hebben. + +Een pop kan zich niet meer verplaatsen; ook bezit zij geen enkel +verdedigingsmiddel. Daarom zorgt de larve er gewoonlijk voor, zich zoo +te verpoppen en op zulke plaatsen, dat de pop min of meer beschermd is. +Zoo verpoppen veel larven in den grond, in hout, onder steenen. De +kokerlarven verpoppen zich in kokertjes. Andere verpoppen in haar +uitwerpselen. Allerlei variaties treffen we aan. Zeer bekend zijn ook +de cocons, waarin b.v. rupsen zich verpoppen. Ook hier treden weer +allerlei vormen op. De cocons worden gevormd uit draden, die worden +voortgebracht door de spinklieren, die aan den kop zitten. Zoo’n draad +kan wel 1000 M. en meer lang zijn (zijderupsen). Het koolwitje en de +koninginnepage (14) zetten de pop met een gordel vast. De beerrups +maakt een los spinsel. Behalve de vlinders maken ook vele +vliesvleugeligen een cocon; die van mieren heeten foutief miereneieren. +Sommige rupsen geven door houtspaandertjes stevigheid aan de cocons. + +Het verpoppen. Na langer of korter tijd in een rusttoestand te hebben +verkeerd, berst de pop op een gegeven oogenblik open; en voor elke +soort geschiedt dit op een bepaalde wijze. Het insect werkt zich dan +zelf de pophuid uit. Het dier is dan nog week en de vleugels zijn nog +samen gevouwen; deze beginnen zich spoedig te rekken door het inpompen +van lucht door middel van de tracheeën. De insecten, wier kleur niet +afhangt van schubben en haren, zijn eerst nog wat heller gekleurd, meer +geel-wit. Zij moeten eerst nog „uitkleuren” voor zij de goede kleur +hebben. Verder nemen we waar, dat zij na het verlaten van de pop een +druppel vloeistof kwijtraken; dat zijn de afgewerkte stoffen. Een +belangrijke vraag is hoe de insecten, die op een verborgen plaats +verpopten, die plaats kunnen verlaten. Ook hier heeft de natuur gezorgd +voor een geregelden loop van zaken. Dieren met kauwende monddeelen eten +zich een weg naar buiten. Soms heeft de rups al zoo’n weg gemaakt en +valt het dan den vlinder niet moeilijk naar buiten te komen. De pop van +de wilgenhoutrups (23) bezit doorns, die als voortbewegingsorganen +kunnen dienen; daardoor steekt de pop een eind buiten den boomstam en +kan de vlinder gemakkelijk naar buiten komen. + +Hoe komt nu een vlinder door een cocon heen? Hij zondert een vloeistof +af, die het spinsel op een bepaalde plaats doorweekt of oplost, zoodat +de vlinder er gemakkelijk door kan. Andere vlinders hebben op het +voorhoofd „coconbrekers”, doorns of tandjes, waarmede de cocon zoo lang +doorpriemd wordt, tot er een opening is ontstaan. Zoo „perforeeren” ook +parasietische vliegen haar omhulsel. De vliegen, wier pop een z.g. +tonnetje is, bezitten op den kop een „kopblaas”, waarin bloed wordt +geperst door welke persing het tonnetje openspringt. + +No. 1. Made en pop van Kamervlieg. (Musca domestica). De kamervlieg +legt viermaal eieren, telkens 120; totaal dus een kleine 500. Bij +voorkeur geschiedt dit in verschen paardenmest; daarom zitten +paardenstallen altijd vol vliegen. Na een paar dagen komen uit de +eieren larven, die men maden noemt. Ze hebben geen pooten, geen oogen +en maar 2 stigma’s. Van de sprieten is ook weinig meer overgebleven, +alleen een paar puntjes. Ook de kop is geheel gewijzigd; alleen een +paar haken herinneren nog aan kaken. Het diertje is van voren spits en +loopt naar achter breeder uit; ’t is slank en doorschijnend wit, +precies een wit wormpje. Alle verplaatsings- en waarnemingsorganen zijn +verdwenen. Het wordt geboren midden in het voedsel en heeft maar te +eten. ’t Is een zeer eentonig en primitief bestaan. Is er geen +paardenmest voorhanden, dan legt de kamervlieg haar eieren in andere +rottende stoffen. Afgescheiden van het groote gevaar, waaraan de +kamervlieg den mensch blootstelt, zijn de larven nuttige dieren omdat +zij den mest en anderen afval verwerken; ze behooren tot de opruimers +of vuilnismannen in de natuur. Binnen 14 dagen is de made volwassen en +is dan 9 m.M. lang; zij verpopt tot een tonnetje, waar in de vlieg zich +ontwikkelt, waarvoor 1 à 2 weken noodig zijn, al naar het weer is, +zoodat in 3 à 4 weken weer een nieuw geslacht vliegen voor den dag +komt. Wie deze larven in haar ontwikkeling wil bestudeeren, moet wat +verschen paardenmest in een flesch doen en daar kamervliegen bij +brengen. Vogels, die wel aan mest zitten te peuzelen, en kevers, +verslinden veel larven en poppen. Een Amerikaan, Howard, nam in 125 +gram mest 160 larven en 146 poppen waar; dat is in 1 K.G. meer dan +2400. In één zomer kunnen 5 à 6 geslachten geboren worden, zoodat in +Augustus en September er milliarden vliegen zijn. Over de beteekenis +van de kamervlieg als overbrengster van besmettelijke ziekten spreken +wij bij No. 151. + +No 2. Larve van Heldenbok. (Cerambyx cerdo). Dit is de grootste larve +van de bij ons voorkomende boktorren, hoewel ze toch zeldzaam zijn; de +larven worden tot 7 c.M. lang, terwijl de kever een lengte heeft van 3 +tot 5 c.M. Deze larve is een „boorder” en leeft in eikenhout 3 à 4 jaar +voor ze verpopt. Ze komt ook wel eens voor in „bewerkt” eikenhout; ’t +is dan een vreemd gezicht als uit een meubelstuk een boktor naar buiten +marcheert. + +De larve is min of meer rolrond, ovaal, en aan de voorzijde tamelijk +dik. Pooten ontbreken; men treft daarvoor enkele wratten in de plaats, +die de beweging kunnen bevorderen; daarvoor dienen ook de ruwe, veel +weerstand biedende schijven, die aan de bovenzijde zichtbaar zijn. Druk +heeft het dier zich niet te verplaatsen, want het is omringd door zijn +voedsel. Ook aan het achterlijf bezit het zulke schijven. De kop is +goed ontwikkeld en de kaken zijn stevig. Dat is een groot verschil met +de made van een kamervlieg; het hangt samen met den aard van het +voedsel. Het eikenhout moet gekauwd worden, paardenmest slechts +uitgezogen; ’t laatste is zacht voedsel. De harde kop is ingetrokken in +het voorborststuk. De larve vreet gangen in het hout dat daardoor +technisch minder waarde krijgt; de aangevallen boomen wateren +gemakkelijk in waardoor vermolming en rotting ontstaat. Op haar 3 of 4 +jarigen tocht door den stam wordt van tijd tot tijd zaagsel uit de +gangen naar buiten geworpen; als men dit onder aan een boomstam vindt, +is ’t een bewijs, dat er boktorlarven in den stam zitten. Er leven ook +wel larven van houtwespen in het hout, en ook die graven gangen. Zij +werpen evenwel geen zaagsel, maar zaagselkorrels naar buiten. De kleur +der boktorlarven is wit en de huid is week; alleen de kop is harder en +meer donker. Die hardheid is noodig voor het bieden van weerstand bij +het knagen van gangen. De boktor zelf is afgebeeld onder No 62. + +No 3. Larve en pop van Steekmug. (Culex pipiens). Deze larve leeft in +stilstaande wateren; zoodoende komt ze ook voor in regentonnen, in +allerlei potten, pannen en busjes of blikjes, waarin maar wat vuil +water staat. De larven van steekmuggen zijn gemakkelijk te herkennen; +zij bezitten 1º een vrijen kop, 2º bijtende monddeelen, 3º het +imago-oog is dikwijls al bij de larven te zien; dit zit in verband met +den korten poptijd, die soms maar enkele dagen duurt; 4º borstels op +het borststuk; zij staan in chitinekommetjes, 5º aan het achterlijf zit +een zijdelings geplaatste adembuis of sypho; dit is een zeer belangrijk +orgaan. + +De larven zijn zwaarder dan water en toch kunnen ze aan de oppervlakte +van het water blijven hangen. Hoe kan dat? Aan ’t einde van den sypho +zit een vijflobbige plaat; worden deze lobben nu uitgeklapt, dan hangt +het dier op het water en kan tegelijk door den sypho lucht opnemen. Wil +de larve naar beneden, dan klapt ze de lobben weer dicht. + +Er is ruimschoots voor gezorgd, dat het dier voldoende kan ademhalen; +het kan dit doen op 4 manieren: 1º door den sypho, 2º door 4 +tracheeën-kieuwen, 3º door de teere huid en 4º door den darm. Zoo’n +larve is dus ruim voorzien. + +De poppen zwemmen vrij rond; daarvoor bezitten zij aan het achterlijf +zwemlappen. Ze zijn lichter dan water en zeer beweeglijk. Aan de pop +zijn achterlijf en borststuk goed te onderscheiden; op het borststuk +zien we twee ademhalingstrechters. Door de huid schemeren de pooten al +door. De poptoestand loopt meestal binnen veertien dagen ten einde; +soms ook in korter tijd, ’t kan ook wel eens langer duren. De bijtende +monddeelen der larven wijzen erop, dat ze vaste stoffen nuttigen; voor +een deel nuttigen zij afval, ook wel kleinere diertjes. Heel kieskeurig +zijn ze niet. In polderwaters vormen zij een gewild voedsel voor de +visschen; uit dat oogpunt beschouwd zijn ze nuttig. Maar dit schijnt +ook de eenige lichtzijde voor ons aan haar bestaan te zijn. Uit de +poppen komen de geniepige steekmuggen, die ons ’s nachts uit den slaap +houden. Maar daarover vertellen we wat meer onder No. 146. Wil men de +steekmuggenlarven in de stilstaande wateren en plassen, op de platte +daken en al de vochtige plaatsen, waarvan het water toch niet als +drinkwater wordt gebruikt, dooden, dan giete men over het water +petroleum uit, dat doodend voor de larven is; bovendien belet dit voor +een deel de ademhaling. De meer afdoende bestrijdingswijzen van de +steekmuggen bespreken we later. Wil men de larven en poppen nader +bestudeeren, dan scheppe men wat slootwater en doe dit in een +wijdmondsflesch, glas of aquarium. Men kan de geheele ontwikkeling +nagaan; men ziet het vervellen, dat de larve eenige malen doet, het +verpoppen en ten slotte ook het ontpoppen, dat zeer eigenaardig +geschiedt. De larve bereikt een lengte van nog geen 9 m.M.; de pop is +nog korter. + +No 4. Larve van Mierenleeuw. (Myrmeleon formicarius). Deze larve is een +der merkwaardigste dieren; zij leeft aan zonnige boschranden, in rul +zand aan wegkanten van zandige wegen. Op een vasten bodem wordt zij +nooit aangetroffen; dat staat, zooals wij zien zullen, in verband met +haar leefwijze. Zij ziet er zeer eigenaardig uit; haar lichaam is naar +achter kegelvormig toegespitst; in ’t midden is het ’t breedst om +daarna naar voren weer spits toe te loopen en te eindigen in een +breeden, platten kop. Aan dien kop treffen we twee zeer groote, +sabelvormige kaken aan. Deze kaken wijzen er op, dat de mierenleeuw een +kannibaal is. Zij grijpt haar prooi en zuigt de slachtoffers uit. Omdat +zij geen vast voedsel tot zich neemt en zich voedt met de beste sappen +van haar prooi, die zij direct zelf kan gebruiken voor haar groei, +heeft ze weinig „afval”, dat bij de andere dieren het lichaam wordt +uitgeworpen. Zij bewaart dien afval in haar lichaam; haar darmkanaal is +aan het achtereinde gesloten. Eerst als de imago uit de pop is gekomen +verlaten de „voedingsresten” het lichaam. Een roofdier of kannibaal +moet zijn slachtoffers achtervolgen, bespringen of in een val lokken. +Dit laatste nu doet de mierenleeuw. Zij graaft op een zeer handige +manier een trechter in den zandbodem; soms is die in een paar minuten +klaar en dan weer heeft ze er uren voor noodig. Stoot ze op een hard +voorwerp, op een grooten steen of boomwortel dan staakt ze haar werk en +begint ergens anders. Zoo’n trechter, door een volwassen larve +gegraven, is gemiddeld een 5 c.M. diep en 8 à 9 c.M. wijd. Is de +trechter klaar, dan plaatst de mierenleeuw zich onderin, verschuilt +zich in ’t zand en laat alleen de twee reuzenkaken naar buiten komen. +Ze is nu gereed haar prooi uit te zuigen, als die maar komen wil. Een +achteloos miertje komt aangetippeld, en nauwelijks is ’t aan den rand +van den trechter gekomen of ’t zand onder zijn voeten raakt los en hoe +harder het trapt om naar boven te komen, des te meer zand rolt er onder +zijn pooten weg en des te sneller gaat dit. Is het slachtoffer naar +beneden gevallen, dan wordt het dadelijk tusschen de twee tangen +genomen en verder bewerkt. Alleen ’t lichaamsvocht wordt opgezogen; de +harde, onverteerbare chitinehuid blijft liggen. Behalve mieren, +tippelen ook heel wat andere insecten „den kelder in”; ook spinnen +vinden daar haar graf. + +Een mierenleeuw is eerst in haar tweede jaar volwassen; dan verpopt ze +en komt de imago voor den dag, die afgebeeld is op No. 115. + +Het leven van een mierenleeuw is een bestaan vol risico, want komen er +geen insecten in de val, dan heeft ze ook niets te eten. Zoo kan het +gebeuren, dat ze weken en maanden vasten moeten, en dat kunnen ze goed. +Trouwens, als ze dit niet konden, waren alle mierenleeuwen al lang +uitgestorven. Alle roofdieren, die hun buit niet achtervolgen, doch +stil afwachten of er wat komt, bezitten een groot uithoudingsvermogen. +In zandstreken zijn de mierenleeuwen lang niet zeldzaam; en als men er +meer naar zocht, zou men er ook wel meer vinden. In Artis in Amsterdam +kunnen de bezoekers van het Insectarium wel eens mierenleeuwen aan ’t +werk zien. + +No. 5. Larve (engerling) en pop van Meikever. (Melolontha vulgaris). +Zoo goed bekend de meikever is, zoo onbekend bij de meeste menschen is +de larve van dezen kever, de engerling. De oorzaak hiervan zit in de +verborgen leefwijze van de engerling; deze larve toch is een +grondbewoner, komt nooit aan ’t licht, en is daardoor bij ’t publiek +zoo goed als onbekend. De meikever legt de eieren in den grond. Na 3 à +4 weken komen daaruit de kleine engerlingen, die meestal gezellig het +eerste jaar bij elkaar blijven; dan zijn ze nog meer cylindervormig en +kunnen hard loopen. Later verliezen zij dit groote +verplaatsingsvermogen voor een belangrijk deel, door de sterke +ontwikkeling van het zakvormige achtereinde van het lichaam. Het dier +is witachtig, min of meer kaaskleurig, terwijl de ingewanden door het +zakvormig achtereinde leikleurig doorschemeren. De kop is roodgeel, +glanzig, fijn rimpelig; de bovenkaken zijn zwart, krachtig, en hiermede +kunnen zelfs harde wortels worden aangegrepen. Ze bezitten 6 pooten, +waarvan de voorste iets korter zijn dan de andere. + +De engerlingen zijn vegetariërs. In haar jeugd leven ze van humus en +meststoffen; later van levende plantenwortels, waardoor ze tot de +gevaarlijkste kultuurvijanden behooren. Zij ontzien niets. Zachte +wortels genieten de voorkeur; zoo noodig grijpen ze alles aan. Ze +vreten dan de fijnere wortels van jonge boomen wel af, waardoor deze +bij den minsten druk omvallen. + +Tegen den winter kruipen ze wat dieper den grond in; dat is een +beschutting tegen de koude. Bij ons duurt de ontwikkeling 3 jaar, in +Duitschland 4 jaar en in Oost-Pruisen 5 jaar. De ontwikkeling is +afhankelijk van plaatselijke omstandigheden en van het klimaat. In +Oost-Pruisen heerscht o.a. een vastlandklimaat, ’t is daar kouder; ook +duurt de winter daar langer. + +De larven, die b.v. in 1912 in Juni uit het ei kropen, bleven in 1913 +nog larven en in 1914 tot aan Juli; dan heeft de verpopping plaats. Een +meikeverpop is een vrije pop, zooals wij op het plaatje kunnen zien. In +Augustus 1914 kwamen uit de poppen reeds de meikevers te voorschijn, +doch deze kwamen nog niet aan de oppervlakte; dat geschiedde eerst in +Mei en Juni van 1915. Een meikever blijft dus wel een maand of negen +als kever in den grond. Van Augustus tot Mei kan men dus altijd levende +meikevers in den grond vinden, als men maar aan ’t spitten gaat. De +volwassen meikevers schijnen in den grond niets te eten. Merkwaardig is +het, dat de meikevers nooit te vroeg uit den grond komen; zij weten hun +tijd. + +Eigenaardig is het, dat de groote engerlingen de kleine van het vorig +jaar gaarne oppeuzelen; daardoor brengt die jonge generatie het nooit +tot een sterke ontwikkeling. Intusschen komen er ieder jaar meikevers +uit, doch om de drie jaar komt de grootste massa. + +Omdat de engerlingen tot onze kultuurvijanden behooren dienen wij ze te +bestrijden; dat gaat niet al te gemakkelijk, omdat zij verborgen in den +grond zitten. Men beproeft wel de volgende middelen: + + + 1º Na een meikeverjaar kan men in ’t volgende jaar de engerlingen + uitgraven; dan zijn er duizenden te vangen. + 2º Zijn graslanden hevig aangevallen, dan beproeft men de + landerijen onderwater te zetten; de larven verdrinken dan in den + grond. Het is voorgekomen, dat midden in den zomer de uiterwaarden + door stijging van het rivierwater geheel onder liepen en dat + daardoor alle engerlingen op de weilanden omkwamen. Dit geschiedde + o.a. in 1878 op de uiterwaarden van den Rijn in ons land. Hieruit + zien we, hoe snel de natuur kan werken; veel sneller dan de + menschen. In korten tijd slaat de natuur een heel leger dieren + neer. Het onder water zetten moet geschieden in den zomer omdat de + engerlingen dan dicht bij de oppervlakte zitten; ’s winters geeft + het niet, dan zitten ze veel te diep. + 3º Zijn b.v. boomkweekerijen of boomgaarden door engerlingen + aangetast, dan kan men den grond moeilijk omwoelen, omdat men dan + de wortels beschadigt In zoo’n geval spuit men den grond dan in met + benzine of zwavelkoolstof; dit laatste werkt sterker, is een + heviger vergift; daarentegen verdampt benzine minder snel en houdt + haar uitwerking wat langer aan. + 4º In de vrije natuur worden larven en kevers aangevallen door + schimmels, die hen dooden. Het zijn vooral de 2 draadzwammen Isaria + densa en Botrytis tenella, die heel wat opruiming onder de larven + en imago’s houden. In Frankrijk heeft men deze zwammen kunstmatig + gekweekt om daarmede de engerlingen te besmetten. Men deed dit als + volgt. Men haalt een honderd engerlingen uit den grond, legt ze op + een schotel en strooit de sporen der zwammen over de dieren uit. + Daarna legt men er wat vochtig mos over. De engerlingen zijn reeds + den volgenden dag voldoende besmet en geschikt voor verdere + verspreiding. Nu gaat men de aangetaste engerlingen „poten” in die + gronden, waar veel gezonde engerlingen huishouden; de gezonde komen + met de zieke in aanraking en worden zoodoende ook besmet. En + inderdaad heeft men ook resultaten gekregen, al had men ook meer + verwacht. Het is niet gemakkelijk onder dieren opzettelijk een + epidemie te verspreiden, omdat wij niet altijd de omstandigheden + meester zijn, waaronder zoo’n parasiet net beste gedijt. Zijn die + omstandigheden ons gunstig, dan krijgen we schitterende resultaten; + in ’t tegenovergestelde geval is ons werk van weinig invloed, en + faalt het. + + Tot de natuurlijke vijanden van de engerlingen behooren de roeken + en de kraaien; die halen de engerlingen uit den grond. Dat mollen + engerlingen zouden eten is onjuist. De beschrijving van den + meikever vindt men onder No 37. + + +No 6. Larve (bastaardrups) en pop van Berkenbladwesp. (Cimbex +femorata). Deze larve zal wel dadelijk aangezien worden voor een rups; +zij lijkt daarop ook zooveel, dat dit niet te verwonderen is. ’t Is een +bastaardrups. Uit haar groot aantal pooten, 22, volgt al dadelijk, dat +het geen rups kan zijn, want die heeft hoogstens 16 pooten. De +berkenbladwesp behoort tot de grootste soorten. Tot haar verdediging, +als zij wordt aangeraakt, spuit de larve uit de zijden een vocht. +Vroeger dacht men, dat dit een klierproduct was; ’t is evenwel gewoon +bloed, dat door speciale openingen naar buiten komt. Deze openingen kan +de larve naar believen openen en sluiten. Alle leden van ’t geslacht +Cimbex bezitten dit vermogen. Er zijn bij ons 5 soorten inlandsch. De +larven spinnen stevige cocons, die met een dekseltje geopend worden. In +de beschrijving van Plaat XIV wordt uitvoerig gehandeld over +bladwespen. No 163 en 165 geven er afbeeldingen van. De +berkenbladwesprups voedt zich met berkenbladen en komt nooit in grooten +getale voor. Daarom heeft deze bastaardrups geen economische +beteekenis. Voor het leeren kennen van bladwespen is het een uitstekend +dier om op te kweeken. + +No 7. Larve (made) en pop van Roofvlieg. (Asilus germanicus). Deze +larve is al even moorddadig als de vlieg zelve. Ze leeft in allerlei +houtmolm en ander vergaan hout, ook wel onder boomschors, en voedt zich +met allerlei insecten. Zij gaat daarbij tamelijk krachtig te werk en +boort zich zelfs in haar slachtoffer, om het des te beter te kunnen +uitzuigen. Als ze verpopt, wordt ze een mummiepop of vrije pop. Op de +afbeelding heeft deze pop iets spookachtigs. Zij heeft krachtige +haakjes aan het vooreinde en gordels van dorentjes om de +achterlijfsringen, boven en onder met haren vermengd. De laatste ring +heeft twee haakjes en meer andere uitwassen. Het is dus een heel +typische pop, zooals de afbeelding ook laat zien. De vlieg zelve heeft +krachtige pooten, en is een stoute roover. Zij valt allerlei insecten +in de vlucht aan, zet zich met haar prooi op den grond neer en zuigt +dan haar slachtoffer uit. Dat uitzuigen geschiedt met zooveel aandacht, +dat men haar dan goed kan bespieden. Jaagt men ze op, dan nemen ze haar +prooi mee. De gedaanteverwisseling is volkomen. + +No 8. Larve van Glazenmaker. (Cordulea aenea). Deze larve, die een +waterdier is, staat op het punt voor de laatste maal te vervellen, en +dan een glazenmaker (78) te worden. Het dier doorloopt dus een +onvolkomen gedaanteverwisseling, want het kent geen poptoestand. Bij +deze gedaanteverwisseling doet zich nog de eigenaardigheid voor, dat de +larven door tracheekieuwen ademen en de imago door tracheeën. Bij de +laatste vervelling worden deze kieuwen afgestroopt en komen de +luchtbuizen in functie. De larven bezitten nog een ander orgaan, dat de +imago’s missen, n.l. een grijptang of vangtang; dit is de onderlip, die +uitgestrekt en weer toegeslagen kan worden. De onderlip van de imago is +wel op dezelfde wijze gebouwd, doch de onderdeelen zijn veel korter. +Deze grijptang is een machtig vangwerktuig, waarmede de prooi wordt +gegrepen. De larven behooren dan ook tot de geduchtste roovers in onze +wateren, evenals de larven van den geranden waterroofkever. In +vischvijvers zijn het gevreesde dieren, omdat zij de jonge vischjes +aanvallen. Het valt niet moeilijk met deze larven kennis te maken; met +het gewone schepnet kunnen wij ze bemachtigen. Over de glazenmakers +zelve vertellen wij in de beschrijving van Plaat VII. + +No 9. Larve van Veld-Zandkever. (Cicindela campestris). Deze keverlarve +behoort evenals de kever, tot de „tijgers” onder de insecten. Ze hebben +een harden kop en scherpe kaken; als eigenaardigheid bezitten zij 2 +verhevenheden op de rugzijde van het 8e segment; elke verhevenheid +eindigt in een voorwaarts gekromd haakje. Natuurlijk hebben deze dingen +haar beteekenis; ze komen haar dan ook goed te pas, om zich schrap te +zetten in haar schuilhol. De larve maakt in den bodem een verticale +gang, waarin zij op de loer gaat zitten. Door genoemde haken klemt ze +zich vast; laat zij de haken los, dan kan ze snel dalen. De gang is +niet veel wijder dan het dier dik is; bij ’t graven er van draagt zij +de aarde op den hollen kop naar boven. De larve, in haar hol +verscholen, verrast de insecten, die voorbij komen, trekt ze naar +binnen en zuigt ze uit. De resten en ook haar eigen uitwerpselen werpt +ze naar buiten. De verpopping geschiedt van half Augustus tot einde +September. Voor ze verpopt maakt de larve den bodem van de gang wat +ruimer en sluit dan de gang af. Een maand later komt de kever te +voorschijn, die spoedig zijn winterkwartier opzoekt. De kever, die al +even kannibalistisch is als de larve, is afgebeeld op No 32. Op +zandgronden komen ze algemeen voor. + +No 10. Larve van Poppenroover. (Calosoma sycophanta). Deze larve doet +voor de vorige niet onder; alleen volgt zij een andere leefwijze: zij +gaat er op uit en valt haar prooi aan. Dat doet ook de kever. Omdat zij +bij voorkeur rupsen eet, en deze tot de schadelijke dieren voor onze +kulturen behooren, is de poppenroover een zeer nuttig insect. +Eigenaardig is het, dat deze larve zoo uitstekend klimmen kan. Zij gaat +de boomen in en pakt daar de rupsen aan. Daardoor is zij een groote +hulp bij het bestrijden van rupsenplagen. Jammer is het daarom, dat ze +bij ons niet wat meer voorkomt. In Duitschland komt ze veel voor en de +boschbouwers zien haar met genoegen aan ’t werk. Daarom heeft men +groote massa’s van deze kevers uit Duitschland verzonden naar Amerika, +om hen daar los te laten op de rupsen van den plakker en den +bastaardsatijnvlinder. In Amerika komen deze kevers niet voor. De tijd +moet nu leeren of ze daar willen inburgeren. Behalve rupsen peuzelen ze +ook poppen op. Vandaar hun naam. Ze worden ook wel „rupsenjagers” +genoemd. Het zou aanbeveling verdienen, dat ook in ons land beproefd +werd, wat van deze kevers in te voeren en los te laten in boomgaarden. +Misschien lukt het, misschien lukt het ook niet, want het zijn soms +geringe klimatologische verschillen, die over het leven van insecten +beslissen. Wij komen hierop nog terug als wij den kever beschrijven, +die op No 33 is afgebeeld. Een andere Calosoma, de kleine poppenroover, +is No 35. + +No 11. Larve (bastaardrups) en pop van Dennenbladwesp. (Lophyrus pini). +Deze larve, die men ook wel dennenrups noemt, wat onjuist is, omdat het +een bastaardrups is, behoort tot de schadelijkste dieren, die onze +dennenbosschen aanvallen. De larve is kaal en bezit 22 pooten. De +bladwesp legt haar eieren in de naalden; zij maakt daarbij gebruik van +haar zaagvormige legboor, waarmede zij een gleuf in de naalden zaagt. +Uit de eieren komen de larven, die dadelijk aan het eten gaan; zij +beginnen bovenaan de naalden en laten de hoofdnerf staan. Er is nog een +ander geslacht bastaardrupsen: de z.g. „spinselbladwespen” die ook +naalden eten, doch die vreten stukken van de naalden af. Aan de +„vreterij” kan men dus al zien welke deugnieten aan ’t werk zijn; dat +is een groot gemak voor de boschbouwers. Er is nog een ander middel om +de booswichten, die soms hoog in de boomen zitten, te herkennen: aan +hun uitwerpselen, n.l. Die van deze bladwespen en de spinselbladwespen +verschillen zeer. In die van L. pini zijn nog zeer duidelijk de groene +stukjes der naalden te herkennen; die vormen als ’t ware dwarsstrepen. + +Als wij naar rupsen zoeken in vrijstaande boomen, dan inspecteeren wij +eerst den grond onder die boomen. Vinden wij daar uitwerpselen, dan +kunnen wij daaraan ook de „boombewoners” herkennen. De kennis der +„vreetwijze” en van de „excrementen” der insecten is dus van veel +belang voor de herkenning der dieren. + +Raken wij een dennenbladwesplarve aan, dan richt ze haar kop op, en er +treedt een harsachtige vloeistof uit den mond; dat is natuurlijk een +verweermiddel. + +In Mei vliegen de bladwespen (zie No 165) en dan heeft de eerste +vreterij der larven nog in dezelfde maand plaats; ook in Juni +beschadigen zij de naalden nog. Dan gaan ze verpoppen en dat doen ze +dan aan de naalden, zooals op het plaatje is afgebeeld. Die poptoestand +duurt maar een paar weken en zoodoende vliegen er in Augustus weer +bladwespen, die direct eieren gaan leggen. Aldus hebben we in September +weer bastaardrupsen aan de naalden. Dat is dan de tweede generatie. +Zoodoende worden de dennen tweemaal per jaar aangevallen. De +Septemberlarven eten ook nog in October, maar dan gaan ze naar omlaag +en kruipen den grond in, waar ze een cocon spinnen om daarin den winter +door te brengen. Ligt er wat veel rommel op den grond, dan kruipen ze +niet eens den grond in, doch spinnen daarin dan een cocon. In April +verpoppen ze in dien cocon en in Mei komen de bladwespen voor den dag. + +Het valt op, dat de larven van de eerste generatie net zooveel weken +leven als die van de tweede generatie maanden; deze laatste maken een +„vastentijd” van een maand 7 of 8 door. Het komt ook voor, dat sommige +larven en poppen een geheel jaar „overliggen”; daarop hebben wij +vroeger al gewezen. In koude streken komt maar één generatie per jaar +voor. De larven hebben vele vijanden, zijn zeer gevoelig voor +weersinvloeden, en worden ook wel door ziekten aangetast. Zoo kan het +gebeuren, dat er het eene jaar veel bastaardrupsen zijn en het volgende +jaar maar zeer weinig. De boschbouwer tracht op de volgende wijze deze +boombeschadigers te bestrijden: + + + 1º In het najaar den rommel onder de boomen bijeenvegen op hoopen + en daarover ongebluschte kalk strooien. De kalk wordt gebluscht, en + door de warmte, die hierdoor ontstaat, gaan de larven in de cocons + dood. + 2º Men bespuit de boomen met een petroleumoplossing; men doet er + zeep doorheen om er een emulsie van te maken, want petroleum + scheidt zich dadelijk van het water af. + + +Er is ook wel eens aangeraden varkens in het bosch te jagen, maar deze +„allesvreters” lusten de cocons toch niet, zoodat het niets uithaalt. +De schade door deze bastaardrupsen aan de dennen toegebracht is daarom +zoo groot, omdat deze boomen zoo langzaam groeien en zich dus moeielijk +herstellen kunnen. + +No 12. Larve van Veenmol. (Gryllotalpa vulgaris). Hier hebben we te +doen met een larve, die men licht voor een imago zou aanzien; toch is +het dier nog niet volwassen. De veenmol—zijn naam zegt het al—leeft als +een mol in den grond en bij voorkeur in lossen grond, waar nog al wat +humus is., Daarin bouwt hij ook zijn nest, dat feitelijk niets anders +is dan een uitholling in den bodem. De eieren worden niet alle tegelijk +gelegd maar met tusschenpoozen, zoodat in het nest ook jongen van +verschillenden leeftijd worden aangetroffen. De larven en ook de +imago’s leven van dierlijk voedsel, terwijl ze sappige plantenwortels +ook niet versmaden. Veenmollen, die in Juni zijn geboren, vervellen in +October of November voor de derde maal. Het nieuwe pakje behouden ze +den ganschen winter, om in April of Mei voor de vierde maal te +vervellen. Een maand later heeft de laatste of vijfde vervelling plaats +en dan is de veenmol volwassen. In zijn ontwikkeling van ei tot imago +kent de veenmol dus geen poptoestand, alzoo een onvolkomen +gedaanteverwisseling. De larve behoort tot de primaire. Over den +volwassen veenmol wordt geschreven onder No 90. + + + + + + + + +PLAAT II. + +RUPSEN EN POPPEN. + + +Rupsen zijn ook larven; daarom vormen Plaat I en II één geheel. Zagen +we op de eerste plaat larven van verschillende insectengroepen, de +rupsen vormen daarentegen maar één groep. Rupsen groeien uit tot +vlinders. Voor ze overgaan tot vlinders maken ze allen een poptoestand +door; daarom zegt men dat haar gedaanteverwisseling volkomen is. Rupsen +en vlinders vormen een zeer aantrekkelijke orde van de insecten: de +rupsen, omdat ze gemakkelijk te vangen zijn en de vlinders, omdat vele +zoo prachtig geteekend zijn. Laten we nu een en ander van de rupsen +gaan vertellen. + +Lichaamsbouw. Een rups bestaat uit een kop, 3 borst- en 9 +achterlijfsringen. De kop heeft een harde huid en is door een +gegaffelde lijn in twee helften verdeeld; daartusschen ligt het +driehoekige kopschild. Aan dit schild zit de beweegbare, platte +bovenlip. De verdere monddeelen zitten daaronder: 2 bovenkaken, 2 +onderkaken en de onderlip. De bovenkaken zijn sterk en daarmede wordt +het voedsel afgeknipt; ze werken dus als een schaar. Men zegt wel eens, +dat een rups knaagt, doch dat is onjuist. Aan de onderkaken en onderlip +zitten de tasters; daarmede schijnt de rups haar voedsel te +inspecteeren, voor zij het naar binnenwerkt. Op de onderlip zijn een +paar tepeltjes of wratjes, waarin de twee spinklieren uitmonden. De +spinseldraad, waarvan de cocons worden gesponnen, komt dus hier uit. +Bij de spinnen zitten de spinklieren aan het achterlijf. Als een rups +aan een draad naar beneden komt, is de kop boven; een spin komt met den +kop naar omlaag. + +Op de genoemde kophelften staan de oogen en de sprieten. Aan iedere +zijde staan 6 puntoogen; de sprieten zijn 3-ledig. + +Het lichaam van de rupsen is week; men drukt ze gauw dood. De huid is +vaak bezet met allerlei wratjes en haren. Soms zijn die haren zeer +lang, zooals bij de beerrups. Die haren en wratjes geven teekening aan +het dier. Van sommige rupsen zijn de haren gevaarlijk, o.a. van de +processierups. + +Verschillende rupsen bezitten uitstulpbare organen, die vermoedelijk òf +alleen dienen om zich vijanden van ’t lijf te houden òf bepaalde +stoffen uitscheiden, die prikkelend of doodend op de aanvallers werken. +De Papilio-rupsen (14) bezitten een uitstulpbaar orgaan aan het +voorborststuk, dat een doordringende lucht afgeeft. Bij de rups van den +Hermelijnvlinder (144) zien wij, als het dier verontrust wordt, twee +roode draden uit het einde van het achterlijf komen; tegelijk scheiden +zij dan uit een klier aan de onderzijde van het voorborststuk een +straal vocht af, dat veel mierenzuur bevat. Op de huid komen nog +allerlei doorns en uitsteeksels voor; de pijlstaartrupsen vertoonen +zoo’n uitsteeksel; het hoorntje kan door een spiertje bewogen worden. + +De pooten van een rups zijn in 2 groepen in te deelen: borstpooten en +buikpooten. De 6 borstpooten zijn geleed; de buikpooten niet en min of +meer cylindrisch. Men noemt de buikpooten ook wel valsche pooten, omdat +ze bij de verpopping geheel verdwijnen. Het normale aantal buikpooten +bedraagt 10. Natuurlijk komen hierop weer uitzonderingen voor; die +vinden wij in de geheele levende natuur. Spanrupsen hebben maar 2 paar +buikpooten, op het 6e en 9e segment. De Eriocephala-rups heeft 8 paar +buikpooten en Micropteryx, die in bladeren leeft, heeft in ’t geheel +geen pooten. De ademhalingsopeningen zijn bij de rupsen goed te zien; +aan elke zijde zitten er 9; 1 op het voorborststuk en 8 op het +achterlijf. + +Het vervellen. Evenals andere larven vervellen de rupsen gedurende haar +groei; ze doen dat drie of meermalen. Als een zeer harige rups vervelt, +dan zitten op de nieuwe huid ook al weer haren, doch die zijn eerst nog +wat nat en zitten tegen de huid; zijn ze opgedroogd, dan staan ze +rechtop. Bij het opkweeken van insecten vinden wij natuurlijk geregeld +afgestroopte huidjes in het rupsenhuis. Voor de vervelling begint, zit +de rups eenigen tijd stil en gebruikt dan geen voedsel. + +Voedsel. De meeste rupsen zijn planteneters. Sommige houden zich strikt +aan één soort voedsel, b.v. de brandnetelrupsen; men noemt ze +monophaag. Andere hebben een rijker menu, b.v. beerrupsen; die eten +allerlei lage planten, riet en wilgen; men noemt ze polyphaag. De +levenskans voor de polyphagen is dus veel gunstiger; ze vinden haast +overal wat. Intusschen sterven de monophagen ook niet uit. + +Er zijn ook verschillende gevallen bekend, dat rupsen zich zeer goed +ontwikkelen bij een gewijzigd menu. + +Onder de rupsen zijn ook vleescheters, carnivoren. Rupsen van Erastria +peuzelen schildluizen op, die van Calymnia trapezina worden de +„hyena’s” genoemd, en verslinden o.a. spanrupsen. + +De rups van de wasmot eet in bijenkorven was van de raten, en de +rupsjes van de kleeren- en tapijtmot eten de wollen haren in kleeren en +tapijten. Die leven dus van afval. + +Meestal leven de rupsen op de planten; er zijn er ook die in de +stengels en bladeren leven; sommige maken gallen. Een paar rupsen leven +in ’t water. + +Nut en schade. Het aantal voor den mensch nuttige rupsen is al zeer +gering. Allereerst zijn nuttig de zijderupsen. Behalve de gewone +zijderups zijn er nog andere rupsen, wier cocon voor zijdewinning wordt +gebruikt. Verder zijn de moordrupsen of hyena’s, die andere rupsen +verslinden, ook nuttig, evenals de bovengenoemde schildluisverslinders. +Maar de rest zijn planteneters, en die onze kultuurplanten aanvallen +zijn natuurlijk schadelijk als zij in groote massa optreden. Vele +rupsen leven evenwel op wilde planten en daartegenover staat de gewone +mensch onverschillig. Wij daarentegen, vinden onder deze rupsen de +schoonste exemplaren, waaruit de prachtigste vlinders komen; zoodoende +zijn wij voor deze rupsen in ’t geheel niet onverschillig, maar +behooren ze tot onze beste vrienden, omdat ze ons zooveel genot +verschaffen. + +Behalve de kultuurplantenbeschadigers zijn nog lastig de rupsen van de +genoemde tapijt- en kleermotjes, de wasmotjes en de korenmotjes. + +Vijanden van de rupsen. Dat de rupsen niet ongestoord door het leven +zouden gaan, was te verwachten. Welk dier heeft niet zijn vijanden? Tot +de meest gevreesde vijanden behooren wel de vogels, die vooral in den +tijd, dat ze jongen hebben, dagelijks enorme hoeveelheden rupsen +verslinden. Hoeveel rupsen zouden b.v. de Nederlandsche vogels +dagelijks wegwerken? Dat zal een reuzengetal wezen. De insectenetende +zoogdieren, mollen, egels, spitsmuizen, rekenen er ook nog al eentje +in. En dan de roofinsecten, de rupsenjagers (kevers), graafwespen en +andere. Vooral de sluipwespen en sluipvliegen zijn de oorzaak van den +dood van vele rupsen. Wat deze parasieten betreft, als wij rupsen +opkweeken, hebben wij herhaaldelijk gelegenheid, met deze dieren kennis +te maken. + +Ziekten der rupsen. Ook hiervan blijven de rupsen niet gespaard. Wij +hebben reeds bij de koolrups met zoo’n ziekte kennis gemaakt. Ook +andere rupsen worden door schimmels en bacteriën aangetast. Merken wij +in onze rupsenkweekerij dat enkele zeer slap worden en ontijdig +sterven, dan moeten wij die snel verwijderen, om te voorkomen, dat ook +andere worden aangestoken. Ook de zijderups lijdt wel aan zoo’n ziekte, +en dan is dit voor de kweekers een enorme schade. + +Het vangen van rupsen. Dat kan geschieden overdag en ’s nachts. Het +gemakkelijkst is het de rupsen op niet te lage planten en heesters te +vangen. Men ziet ze daar zitten en neemt ze er met het takje of een +blad af. Soms laten de rupsen gauw los als men de stengels wat stevig +beweegt; een beetje kalmte bij het vangen is dus wel aan te raden. +Omdat het inspecteeren van heesters nog al veel tijd kost, kan men die +ook afkloppen. Een geopende paraplu wordt daaronder gehouden, terwijl +de takken flink bewogen worden; de rupsen vallen dan. Veel groote +rupsen, die naar beneden komen om in den grond te verpoppen, kan men +verschalken als zij langs den stam naar beneden kruipen. Linden, +wilgen, populieren, iepen zijn daarvoor al zeer geschikte boomen; zij +leveren ons pijlstaartrupsen. Augustus en September zijn de +pijlstaartmaanden. Na een sterken wind of storm in Augustus en +September—en het kan er in die maanden soms spannen—zijn veel rupsen +naar beneden gevallen, ’s Nachts komen veel rupsen op de vlakte, die +zich overdag verschuilen; om deze te verschalken heeft men een goede +fietslantaarn noodig, en een geoefend oog. Doch aldoende leert. Wie pas +voor het eerst op de rupsenjacht gaat, vangt gewoonlijk weinig, omdat +hij zoo weinig ziet. Het rupsen-zien moet ook geleerd worden en men +leert dat alleen door te zoeken. + +Het vangen van rupsen op lage planten in weilanden en langs wegen kan +ook geschieden met behulp van een sleepnet, dat over de planten wordt +getrokken. Omdat er haast geen planten zijn die niet door rupsen worden +aangevallen, zijn er dus overal rupsen te vangen. Wie op de rupsenjacht +gaat zorge voor een goede bergplaats; hij neme wat doosjes en busjes +mede en tevens een plantentrommel om voer voor zijn beestjes daarin te +doen. + +Het overwinteren van rupsen. Een zeer groot deel van de rupsen +overwintert. Sommige kruipen den grond in, andere zoeken een +winterkwartier onder allerlei afval; er zijn er ook, die een spinsel +maken en daarin verblijven, terwijl enkele soorten in nesten bij elkaar +overwinteren. In ’t voorjaar, als de planten weer doorgroeien en het +weer milder wordt, de knoppen ontluiken en boomen en heesters in blad +komen, dan verlaten de rupsen haar winterverblijven. De rupsenvanger +kan dus al vroeg in ’t voorjaar aan ’t verzamelen gaan. + +Hebben we in ons rupsenhuis rupsen, die moeten overwinteren, dan dienen +we te zorgen dat haar verblijf zoo goed mogelijk overeenkomt met dat in +de vrije natuur. Men zette ze buiten en geve haar gelegenheid zich goed +te verschuilen. Sommige rupsen moet men ingraven. + +Poppen en verpoppen. Is de rups volwassen, dan maakt ze zich gereed te +verpoppen. Dat verpoppen geschiedt op verschillende manieren; men leert +die het best kennen door de dieren op te kweeken. Sommige blijven boven +den grond, anderen gaan den grond in. Het koolwitje en de +koninginnepagerups spinnen slechts een gordel, om daarin de pop te +laten rusten; andere, zooals de vanessa’s, hangen met den kop naar +beneden. Sommige maken een lossen, andere een dichten cocon. Die in den +grond kruipen maken soms ook nog een los spinsel (pijlstaarten). Wij +moeten iedereen aanraden te beproeven het verpoppen van rupsen te zien; +het spinnen is zeer eigenaardig. Met behulp van een loupje of gewoon +vergrootglas kan men het heel goed waarnemen. Zoo’n vergrootglas komt +ons ook goed te pas bij het bestudeeren van de poppen; trouwens, wie +wat aan insectenkunde doet kan geen vergrootglas missen. De meeste +rupsen worden mummiepoppen; er zijn er echter ook, die min of meer +vrije poppen worden, die wij bij de kevers aantreffen. Aan een +vlinderpop zijn vele organen van den toekomstigen vlinder al te zien; +elk dier organen zit in een afzonderlijke schede; alle scheden te zamen +zijn onderling verkleefd. De meeste poppen zijn beweeglijk; die +beweging zit dan in ring 5 en 6; die beginnen zich ook te strekken als +de vlinder voor den dag komt. Evenals de rups heeft de pop 9 +ademhalingsopeningen (stigma’s); de laatste is evenwel rudimentair (min +of meer verschrompeld). + +Aan de poppen is al te zien of daaruit een mannelijke of een +vrouwelijke vlinder zal komen. Die kennis kan soms van nut zijn. + +De duur van den poptoestand is zeer verschillend. In den zomer duurt +hij 2 tot 6 weken, soms iets korter; poppen, die overwinteren, blijven +wat langer in dien toestand, dat loopt van 6 tot 9 maanden. Een +merkwaardig bestaan, zoovele maanden buiten alle actie. We hebben er +reeds op gewezen, dat sommige poppen één of meer jaren „overliggen”, +dat komt voor bij de pijlstaarten. + + + +No. 13. Ligusterpijlstaartrups met pop. (Sphinx ligustri). Deze flinke +rups is een prachtig dier; in de maanden Augustus en September is ze +volwassen en men kan ze vinden op liguster, sering, esch, sneeuwbal, +radijsboompje (het boompje of heester met witte bessen, die klappen als +men er op trapt), spiraea. De rups is groen; zeer teekenend is deze +kleur onderbroken door zeven witte strepen, die van boven paars afgezet +zijn; ze loopen schuin naar boven, van ring 4 tot 10. De horen of het +pijltje is zwart. Als we deze rups op een heester zien zitten, is het +een interessante verschijning. Omdat ze groen is valt ze alleen op aan +hem, die wat geoefend is in het rupsenvangen. Willen wij onderzoeken of +ze in een struik zitten, dan kan men eerst den bodem daaronder +onderzoeken; liggen daar uitwerpselen van bepaalden vorm, dan is dit +een aanwijzing. Houden we ligusterpijlstaarten in een rupsenhuis, dan +merken we, dat ze voor de verpopping wat onrustig worden; ze zoeken een +plaatsje, waar ze den grond in kunnen. We hebben dus te zorgen voor een +bakje met aarde. Soms worden ze al wat donker op den rug voor ze den +grond in gaan. Het gebeurt wel dat ze, na eenige dagen in de aarde te +hebben gezeten, weer naar buiten komen. Het duurt dan niet lang meer of +ze gaan voor de tweede maal weg, en keeren dan niet weer terug. Men +laat het bakje met poppen rustig staan en zet het gedurende den winter +in een koele kamer. Wil men de poppen nader bekijken, dan kan men ze +gerust uit den grond halen, zoo teer zijn ze niet. Men kan aan het +kopeinde van de pop goed de schede zien, waarin de lange roltong zit. + +De vlinder vliegt in Juni en Juli. Omdat het een schemer- of +avondvlinder is, ziet men hem zelden. De lange roltong is een zeer +doelmatig orgaan om honing uit bloemen met lange bloembuis te halen, +zooals de kamperfoelie. Die bloemen geuren ’s avonds. Dat is dus wel +een eigenaardig verband tusschen deze bloemen en de avondvlinders. Hij +heeft een vlucht van 95 tot 120 m.M. De vlinder is een goede vlieger en +prachtig geteekend. Als we hem opzetten kan ook gemakkelijk de roltong +worden uitgestrekt. + +No. 14. Rups van Koninginnepage met pop. (Papilio machaon). Deze rups +is bij de tuinders en boeren bekend als de wortelrups. Deze naam wijst +er op, dat het dier veel gevonden wordt op wortelen (peen). Ze komt +intusschen ook voor op venkel, peterselie, zelfs wel op aardbeien. Men +treft deze rups vooral aan in het Oosten en ’t Zuiden van ons land; in +’t Westen minder. Een enkele maal hebben wij haar wel bij Amsterdam +gevonden. + +Men vindt haar in Juni en in ’t najaar; dus 2 generaties per jaar. De +najaarsgeneratie overwintert als pop; deze zit met het ondereinde vast +en hangt verder in een gordel. De rups is dik; vleezig, in haar jeugd +zwart; op roode wratjes staan korte dorens; later is de rups groen of +blauwgroen met zwarte banden, waarop 6 of 8 roode of gele vlekken +staan. De rups heeft aan de rugzijde van het voorborststuk een +uitstulpbaar, gevorkt orgaan; het is oranjegeel van kleur en verspreidt +een sterke lucht. Het ligt voor de hand, dat dit orgaan tot verdediging +dient, tot afweer van vijanden. De mooie vlinder, onze grootste +dagvlinder, is afgebeeld op No. 110. + +No. 15. Rups en pop van Dagpauwoog. (Vanessa Io). Deze rups komt in +geheel Nederland voor en leeft op brandnetel. Men kan haar vinden van +Mei tot Juli. Ze leven, evenals de rupsen van den kleinen vos, gezellig +bij elkaar. Zoodra wij op brandnetels spinsels zien zitten, die al van +verre in ’t oog vallen, dan zitten daar brandnetelrupsen. Men kan ze +dus gemakkelijk vinden. De rupsen zijn zwart met witte spikkels en +bezet met zeer lange dorens. Deze rups is zeer geschikt om haar in een +rupsenhuis op te kweeken. De poppen hangen met den kop naar beneden. +Hoewel de rups door heel ons land voorkomt, is zij toch niet wat men +noemt algemeen; men vindt ze wel, doch men moet er naar zoeken. In +sommige jaren zijn er zeer veel en dan weer is ze schaarsch; dat komt +bij meer insecten voor; de oorzaak hiervan kent men nog niet. De mooie +dagvlinder is afgebeeld op No. 115. + +No. 16. Rups en pop van Wolfsmelkvlinder. (Deilephila euphorbiae). De +jonge rups is geelgroen met gele strepen; aan ieder segment, aan den +zijkant een witte vlek met zwarten rand. Een volwassen rups is +zwartgroen met gele vlekken bezet; een roode ruglijn en gele, +roodgevlekte zijlijn. Stigma’s geel. Het horentje is van onder rood, +van boven zwart. Zij eet wolfsmelk, maar lust ook bladeren van fuchsia. +Merkwaardig is het, dat de pop meerdere jaren, soms wel 5 blijft +„overliggen”. De rups komt wel voor op de uiterwaarden van onze groote +rivieren. De prachtige vlinder is afgebeeld op No. 122. + +No. 17. Rups en pop van Dennenpijlstaart. (Sphinx pinastri). Deze rups +wordt 8 à 9 c.M. en is van Juli tot September te vinden op naaldhout. +Op den rug bruinachtig rood, lichtgroen op zijde en wit gestreept, met +zwarte dwarslijnen geringeld. Stigma’s hoogrood, zwart gerand. Kop +okergeel met twee bruine strepen. Als deze rups in groote hoeveelheden +voorkomt, wordt ze voor de kultuur schadelijk. In ons land is van zoo’n +optreden nog niets waargenomen. De vlinder is afgebeeld op No. 130. + +No. 18. Rups en pop van Geaderd Witje. (Aporia crataegi). Deze rups +leeft aan meidoorn (Crataegus), appel, peer, mispel, kers, pruim, +abrikoos. Eieren der vlinders dooiergeel, in hoopjes van 20 tot 100 aan +de onderzijde der bladeren. Na het verlaten van het ei is de rups geel, +na eenige dagen donker, roodbruin met zwarten kop, lang behaard. Zij +spinnen kleine nesten, waarin zij ook overwinteren. Ze komen eerst in +den nazomer uit de eieren, want de vlinder vliegt pas in Juni of Juli. +Zoodoende zijn ze vóór den winter nog niet volwassen. Ze overwinteren +daarom in kleine rupsennesten en beginnen in ’t voorjaar opnieuw haar +vreterij. In Mei verpoppen ze. Merkwaardig is het, dat deze vlinder +soms voor jaren en jaren uit een streek verdwijnt en dan weer +plotseling in groote massa’s optreedt. De oorzaak van deze „inzinking” +is nog niet bekend. De naam van den vlinder is zeer juist omdat de +aderen sprekend aan den dag komen; ze zijn zwart. De vlinder heet ook +wel boomwitje. + +No 19. Rups en pop van Doodshoofdvlinder. (Acherontia atropos). Deze +rups levert den grootsten vlinder, die in ons land voorkomt. De vlinder +heeft zijn naam te danken aan de heldergele doodshoofdteekening op het +borststuk. De rups is geel of groenachtiggeel; typisch zijn de +prachtige lijnen, die van de zijkanten schuin naar achteren loopen en +op den rug bij elkaar komen. Het horentje is ruw en geel. Er komen veel +kleurenvariaties voor. De rups leeft op aardappel, doornappel, +bitterzoet en nog andere nachtschaden. Ook wel op liguster, aardbeien, +jasmijn, hennep. Gewoonlijk vindt men bij ons de rupsen van half Juli +tot half Augustus; en dan zijn er in den herfst ook nog te vinden; de +laatste rupsen, die bij ons als pop overwinteren, brengen het nooit tot +vlinders; zij sterven. De rups is feitelijk niet inlandsch; de vlinders +komen in zoele nachten hierheen gevlogen uit het Zuiden. In ’t algemeen +behoort de rups tot de zeldzame; misschien komt zij meer voor dan men +weet, omdat er zoo weinig naar gezocht wordt: bovendien komt men van +half Juli tot half Augustus niet in de aardappelvelden, omdat de +struiken dan al te hoog zijn. Merkwaardig is ’t dat uit deze rups hier +nog nooit een sluipwesp is gekomen; ze schijnt hier geen vijanden te +hebben. Daaruit maakt men ook op, dat ze hier niet thuis hoort. Raakt +men de rups aan den kop, dan blaast ze. De vlinder is afgebeeld op No +126. + +No 20. Rups en pop van Nachtpauwoog. (Saturnia pavonia). Dit is een der +rupsen, die wij op heidevelden aantreffen. Zij is eerst zwart, met +roode zijlijn; volwassen is zij groen, met rozenroode of gele wratten. +We vinden haar ’s zomers op heide, bramen, wilde rozen, eiken, +kruipwilg; ze heeft dus nog al een afwisselend menu. De rups verpopt in +den nazomer en doet dat in een stevigen bruinen cocon, die iets +fleschvormigs heeft. De afsluiting tusschen hals en buik is voor den +vlinder zeer gunstig. In April en Mei komen de vlinders voor den dag, +die ’s nachts vliegen. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes; de +eerste hebben een vlucht van 50 tot 55 m.M.; de tweede van 60 tot 70 +m.M. Dit is dus een mooi voorbeeld van dimorphisme. Hun naam ontleenen +deze vlinders aan de eigenaardigheid, dat zij op iederen vleugel een +oogvlek, een „pauwoog” bezitten. Naast een nachtpauwoog, komen in ons +land nog voor een dagpauwoog (No 115) en een avondpauwoog (No 121). + +No 21. Rups en pop van Nonvlinder. (Lymantria monacha). Over deze rups, +die een der gevaarlijkste vijanden van onze naaldbosschen is, schrijven +we uitvoerig onder No 140 Plaat XII, waar de vlinder is afgebeeld. + +No 22. Berkenspanrups met pop. (Amphidasis betularia). Deze rups +behoort tot een groep, die den naam draagt van de „spanners” of +„landmeters”; dezen naam ontleenen zij aan de eigenaardige wijze, +waarop zij zich voortbewegen, en deze bijzondere voortbeweging staat +weer in verband met het geringe aantal buikpooten. Zij missen 3 paar +buikpooten; alleen de laatste 2 paren zijn aanwezig. Hierdoor kunnen +zij niet gewoon kruipen als andere rupsen. Zij trekken bij het loopen +de achterste ringen tot kort achter de borstpooten bij; de middelste, +pootlooze segmenten worden daardoor boogvormig in de hoogte verheven. +Vervolgens wordt het lichaam weer gestrekt en de voorpooten zoeken dan +een nieuw steunpunt. Hebben de voorpooten houvast, dan worden de +achterpooten los gelaten en het lichaam kromt zich weer boogvormig. + +Er is nog een tweede eigenaardigheid. In rust staan deze rupsen soms +geheel rechtuit en rusten dan alleen op de achterpooten. Wie het niet +weet, ziet zoo’n rups voor een takje aan; het dier lijkt er dan ook +volkomen op. Men heeft hierin willen zien een bescherming tegen +vijanden, een soort vermomming, mimicry. Men meent n.l. dat de vogels +net zoo dom zullen zijn als wij om een berkenspanrups aan te zien voor +een takje. Natuurlijk weten wij hier niets van. Als het waar was, dat +de rups van die „takgelijkenis” zooveel voordeel had, dan moest de +wereld wel vol zitten met deze spanrupsen; en dat is toch niet zoo. +Intusschen is de gelijkenis tusschen takje en rups zóó groot, dat +iedere insectenkundige in elk takje een rups ziet; de leek ziet in elke +rups een takje. Men kan de rups vinden van Juli tot October op allerlei +loofboomen. Ze verpopt in den grond, overwintert daar, en levert van +einde Mei tot einde Juli de vlinders; zie afbeelding No 138. Deze rups +en ook andere spanrupsen leenen zich goed voor de kweekerij in huis. +Over den vlinder vertellen wij later nog iets bij genoemd plaatje. + +No 23. Wilgenhoutrups met pop. (Cossus cossus). Dit is weer een heel +andere soort. De vlinder legt de eieren op den stam van wilgen en +populieren, doch ook wel op die van fruitboomen en andere loofboomen. +Op naaldhout niet. De jonge rupsjes vreten zich door de schors heen den +stam in, en leven daar van het hout. Zij graven gangen in de stammen, +die daardoor technisch hun waarde verliezen, omdat het doorgegraven +hout voor werkhout waardeloos is. Een ander nadeel, dat zij aan de +boomen toebrengen zit hierin, dat het hout inregent, vermolmt, en +daardoor de sapstroomen belemmerd worden; de boomen groeien daardoor +slecht en als er wat veel in één boom zitten, (men heeft er wel eens +200 in één stam aangetroffen) gaat zoo’n boom gauw dood. De +wilgenhoutrupsen behooren dus tot de ergste boombeschadigers. Voor een +zeer groot deel hebben zij ook de vernietiging van de knotwilgen op +haar rekening. Deze rupsen leven 3 à 4 jaar in het hout voor ze +verpoppen; ze kunnen dus heel wat aan. In dien tijd zijn ze uitgegroeid +tot groote dieren, die wel 8 c.M. lang zijn en dik als een pink. Tot +aan de laatste vervelling zijn ze rood als bessensap; kop zwart en +halsschild zwart gevlekt. Tegen den tijd, dat ze gaan verpoppen, zijn +de buik, de zijden en de insnijdingen tusschen de ringen geel, en ten +slotte neemt het geheele dier deze kleur aan. + +Het dier riekt eenigszins naar azijnzuur of creosoot; eenzelfde geur is +waar te nemen aan de wortels van het herderstaschje. Wie een goeden +reuk heeft, kan de rupsen in den boom daaraan waarnemen. Zij verraden +zich ook door het knaagsel en de excrementen, die uit de gangen worden +geworpen. + +De rups verpopt aan ’t uiteinde van een rupsengang, in een cocon met +veel houtknaagsel; ze zit dus goed beschermd. Tegen het uitkomen werkt +de pop zich den cocon uit, en schuift voor een gedeelte naar buiten; +zij zit dus al half den stam uit. In dezen toestand—in Mei—kan men de +poppen dan voorzichtig uitsnijden. Het is Dr. Oudemans gelukt eenige +cossus-rupsen op te kweeken met uitgedroogd brood. + +De vlinder, die overdag tegen boomstammen zit, is afgebeeld op No 128. + +No. 24. Rups van Dennenspinner met pop. (Dendrolimus pini). Deze rups, +die bij ons nooit in zoo groot getal optreedt, dat ze schadelijk wordt +aan het naaldhout, wordt dat wel in sommige deelen van Duitschland. De +kleur der rups is niet standvastig; ze is aschgrauw en bezet met roode +haren; bruine ruitvormige vlekken op den rug en bruine zijstrepen. +Blauwe dwarsvlekken op den tweeden en derden ring en op den +voorlaatsten een wrat. De vlinder legt in Juli 200 eieren in hoopjes +van 50 tegen de stammen van naaldboomen. In September en October begint +de eerste beschadiging, die duurt tot den herfst; dat noemt men de +herfstvreterij. Tegen den winter gaan ze naar omlaag en overwinteren +daar onder het strooisel. In ’t voorjaar komen ze weer voor den dag, +kruipen tegen de stammen op en dan begint de voorjaarsvreterij. Zij +laten niets van de naalden over. Daardoor kan de schade zeer groot +worden. Een middel om de voorjaarsvreterij tegen te gaan is de +boomstammen van lijmringen te voorzien. Deze rupsen hebben vele +vijanden; vooral lijden zij aan schimmelziekten, waardoor sterke +vermeerdering telkens wordt onderbroken. + + + + + + + + +PLAAT III. + +KEVERS (1) + + +Nu komen we ongetwijfeld aan de groep insecten, die steeds in hooge +mate de aandacht van den mensch heeft getrokken; geen enkele groep +vertoont zoo’n vormenrijkdom, zoo’n schat van kleuren. Zij is ook het +talrijkst. In ons land komen ruim 3200 soorten voor en in Midden-Europa +6000. In de heele wereld zijn reeds verscheidene tienduizendtallen van +kevers bekend. Hun aantal is dus enorm. Dat ze, trots hun grooten +soortenrijkdom, niet overal de baas zijn, moet worden toegeschreven aan +verschillende omstandigheden. Vele soorten schijnen zwak te zijn, +anderen hebben geen groot voortplantingsvermogen, sommigen zijn weer +zeer gevoelig voor weersinvloeden, bovendien vallen velen als prooi +voor andere dieren. + +Om het overzicht wat te vergemakkelijken zullen we eerst eenige +hoofdkenmerken van deze orde opgeven. + +Algemeene kenmerken der kevers: + + + 1. Kauwende monddeelen; ze zijn zeer eenvoudig gevormd, wat niet + wegneemt, dat ze zeer venijnig kunnen werken. Een schaar is ook + eenvoudig samengesteld, en toch is het een vinnig werktuig. + 2. De sprieten bestaan bijna altijd uit elf leden. + 3. Twee samengestelde oogen; zelden nog 1 of 2 puntoogen. + 4. Het voorborststuk is altijd sterk ontwikkeld en het meest + zichtbare stuk. + 5. De voorste vleugels zijn hard en stevig en dienen niet meer tot + vliegen, doch tot bedekking van ’t achterlijf en bescherming der + achtervleugels, die teerder en veel grooter zijn. In de + ondervleugels bevindt zich een gewricht, waardoor ze kunnen worden + opgevouwen. Soms worden de vleugels in drieën gevouwen. Ook de + oorwormen vouwen de vleugels. + 6. Het achterlijf bestaat uit 5 tot 8 segmenten. + 7. De voet bestaat uit 4 of 5 tarsleden, en eindigt in 1 of 2 + klauwtjes. Vroeger waren de tarsleden een belangrijk systematisch + punt. + 8. De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago. + 9. Enkele goudhaantjes en ook eenige kortschildkevers zijn + vivipaar; de eieren worden bij hen reeds in ’t lichaam uitgebroed; + zij brengen dus levende larven ter wereld. +10. De larven hebben een goed ontwikkelden chitineuzen kop (bruin + of zwart) en meestal 6 pooten, die flink ontwikkeld zijn; zie + plaat I. + + Er zijn ook pootlooze larven, die moeilijk te onderscheiden zijn + van de maden der vliesvleugeligen, die in gallen of in andere + dieren leven (sluipwespen); de larven van bijen en wespen zijn ook + pootloos. De huid van pootlooze keverlarven is doorgaans harder. De + verborgen levende larven zijn wit; ook die in aarde en humus leven. + Sommige larven zijn gekleurd, die voeren een vrij leven: zwart zijn + de larven der loopkevers, gekleurd de larven der goudhaantjes + (zwart of gespikkeld). Men kan een keverlarve gemakkelijk van een + rups onderscheiden; de eerste heeft alleen 6 borstpooten, de + laatste heeft er nog 4 of 10 buikpooten bij, + +11. De poppen zijn z.g. vrije poppen; het achterlijf is zeer + beweeglijk. De vleugels zijn buitenwaarts gericht, zoodat de rug + onbedekt is. Meest wit, d.i. ongepigmenteerd. De niet verborgen + poppen zijn gekleurd en steviger. Soms wordt ook een cocon + gesponnen, ook wel wat houtvezels of aarde bijeengelijmd. +12. Het voedsel is zeer verschillend: vleescheters (carnivoren), + lijkenverslinders, humusverwerkers, planteneters, mestkevers, + houtkevers. + + +Enkele opmerkingen en aanwijzingen volgen nog hier. + +De kevers zijn rijk aan oppervlaktekleuren, waaronder fraaie +metaalkleuren. Op de huid komen veel haren en schubben voor; +snuitkevers zijn dikwijls beschubd en de marmering van den Julikever +(41) bestaat geheel uit schubben. + +Nergens komen zooveel verschillende vormen van sprieten voor; men denke +b.v. aan die van den meikever en de boktorren. Er zijn ook enkele +blinde kevers, o.a. No 31, een mierengast. Zeer belangrijke organen +zijn de boven- of voorkaken. Bij de roofkevers zijn het nijptangen en +bij het mannetje van ’t vliegend hert (48) zijn ze enorm ontwikkeld. + +Van veel belang zijn de pooten, die den kevers veel diensten bewijzen. +De eenvoudigste pootvorm is de looppoot; meer gespecialiseerde pooten +zijn de springpooten, de graafpooten, de zwempooten. + +In de groep der kevers komen vele goed waarneembare gevallen van +dimorphisme of tweevormigheid voor waardoor mannetjes en wijfjes direct +van elkaar zijn te onderscheiden. Die verschillen zitten dan in de +sprieten, in het gemis van de dekschilden, de sterke ontwikkeling der +bovenkaken, de horens op kop of borststuk, enz. + +Veel roofkevers zijn nachtdieren; zandkevers opereeren daarentegen +juist als ’t zonnig is. Veel kevers leven altijd in donker of +verborgen. De leefwijze is zeer verschillend en daardoor vormen ze +juist zoo’n merkwaardige groep. + +Jeugd- of eiverzorging komt niet veel voor; de zwarte waterkever (25) +maakt een eiernestje. In verband met het voedsel, dat vele planteneters +gebruiken, behooren er velen tot de schadelijke voor den land-, tuin- +en boschbouw; daarentegen zijn de carnivoren weer nuttig. + + + +Indeeling der kevers. + +Het schijnt ons nuttig toe, de groote kevergroep voor onze lezers in te +deelen; zoo’n overzicht is gemakkelijk, al kunnen wij daarmede de +kevers dan ook niet determineeren of op naam brengen. Dit laatste is +trouwens zeer moeilijk. Volgens de meer wetenschappelijke inzichten +worden de kevers tegenwoordig in 2 groepen verdeeld: de Adephagen, die +meest carnivoren zijn, en de Polyphagen, die meer planteneters zijn. De +verschillen zitten in de sprieten, in het halsschild, in de aan- of +afwezigheid van dwarsaderen in de achtervleugels, in het aantal +voetleden en vooral in den inwendigen bouw der voortplantingsorganen. +Die verschillen zijn zoo groot, dat men meent, dat deze twee groepen +van verschillenden oorsprong zijn. Intusschen ligt de oorsprong der +kevers nog in het duister. Wij kunnen op deze indeeling niet verder +ingaan. + +Dr. Oudemans verdeelt de kevers in elf onderorden, die wij hier laten +volgen: + + + 1. Roofkevers. (Caraboidea). Hiertoe behooren de zandkevers, de + looproofkevers, de waterroofkevers. Carnivoren. + 2. Kortschildkevers. (Staphylinoidea). De meeste zijn ook echte + roofdieren. Hiertoe behooren ook de aaskevers, waaronder de + doodgravers. + 3. Knotssprietigen. (Clavicornia). De sprieten zijn geknopt. Hier + hooren de O. L. H. beestjes thuis en ook het frambozenkevertje. + 4. Kortledigen. (Brachymera). In deze onderorde worden allerlei + lastige huis-, keuken- en museumtorretjes ondergebracht. + 5. Vochtliefhebbers. (Hygrophili). Een bekende vertegenwoordiger + van deze groep is de zwarte spinnende watertor. + 6. Bladsprietigen. (Lamellicornia). Dit zijn echte bladeters; het + vliegend hert en de meikever hooren er onder. + 7. Stekelbuikigen. (Sternoxia). Hier behooren de kniptorren thuis. + 8. Weekschilden. (Malacodermata). Van velen zijn het chitinepantser + en de dekschilden week, maar niet van allen. Hiertoe behoort de + glimworm, doch ook de diefjes, die in huis lastig zijn. + 9. Ongelijkledigen. (Heteromera). Deze naam wijst er op, dat de + voet der voor- en middenpooten bestaat uit 5 leden en die der + achterpooten uit 4. Meiwormen, blaartrekkers (spaansche vlieg). +10. Planteneters. (Phytophaga) Dit woord zegt niets, omdat onder de + vorige onder-orden ook vele planteneters zijn. Tot deze groep + behooren de erwtenkevers, boktorren, goudhaantjes. +11. Snuitdragers. (Rhynchophora). Tot deze onderorde behooren de + snuitkevers en de schorskevers. + + +Het is niet gemakkelijk voor al de 11 onderorden bepaalde kenmerken op +te geven. Bovendien vinden we kenmerken van de eene groep ook in de +andere. We gebruiken deze indeeling omdat ze niet te uitgebreid is en +daardoor een gemakkelijk overzicht geeft. Om technische redenen konden +de kevers niet precies volgens bovenstaande volgorde worden +gerangschikt. Aan de beschrijving doet dat natuurlijk geen afbreuk. + + + +De vindplaatsen der kevers. + +De beste tijd voor het vangen van kevers is het voorjaar en de +voorzomer; als ’t weer warm, vochtig en windstil is, lukt de vangst het +best. Prachtige vangsten doet men voor en na een onweer. ’s Morgens, +als het gras nog bedauwd is, vangt men zelden wat; als de zon hooger +staat gaat het beter, tot in den nacht toe. Kevers vinden we: + + + 1. langs straten en wegen; vooral in ’t wagenspoor; + 2. in mest vindt men mestkevers; + 3. in doode dieren; + 4. onder steenen; + 5. in mieren- en wespennesten; + 6. aan waterkanten, ook op ’t strand; + 7. op den bodem van ’t bosch; + 8. op bloemen; + 9. op drassige weiden; +10. op bepaalde planten vindt men bepaalde soorten; +11. aan naaldhout; +12. op boomstammen; +13. in molm en holle boomen; +14. achter boomschors; +15. in meubels en oude balken en planken; +16. in kelders; +17. in provisiekasten; +18. in pakhuizen; +19. aan vensters; +20. in gaten in den bodem en ten slotte +21. in het water. + + +Aldoende leert men, en wie eenmaal begint, leert vanzelf de plekjes wel +kennen, waar wat te vangen is. Vooral willen wij er op wijzen, dat men +beproeven moet wat biologie der kevers te leeren, door larven op te +kweeken en volwassen kevers in een insectarium of een aquarium te +houden. + +No. 25. Zwarte, spinnende Watertor. (Hydrophilus (Hydrous) piceus). +Deze kever is een der beste vrienden van de jongens. Wanneer ze in +April en Mei gaan visschen naar stekeltjes en salamanders, vangen ze +ook altijd deze watertorren. Gewoonlijk scheppen ze dan ook den +geranden waterroofkever, No. 28. Men moet deze twee nooit in één +aquarium doen, want als de gerande honger krijgt, en dat krijgt hij +gauw, pakt hij den spinnenden, ook al is die grooter, aan. Dat doet hij +zoo. Eerst bijt hij hem één achterpoot, een roeipoot, af; daardoor kan +de spinnende niet vlug meer uit de voeten, en is hij geheel in zijn +macht. Trouwens, de gerande is toch al een beter zwemmer. Is de +spinnende in de macht van den roover, dan gaat deze het achterlijf +bewerken, en eet daaruit de zachte, inwendige deelen weg. Zoo komt de +spinnende aan zijn einde. De spinnende watertor is om de volgende +eigenaardigheden bekend: + + + 1º Hij haalt door middel van zijn sprieten adem, d.w.z., hij komt + met den kop naar boven en neemt dan tusschen zijn korte, verbreede, + sterke behaarde sprieten, lucht op, die op deze wijze in verbinding + komt met de luchtlaag, die zich aan de harige buikzijde bevindt. + Het koolzuur gaat naar buiten en de zuivere lucht komt daarvoor in + de plaats. Van de buikzijde gaat de lucht naar de onder de + dekschilden liggende ademhalingsopeningen. + + De gerande waterroofkever komt altijd met het achterlijf aan de + oppervlakte van het water. De larve van den spinnenden waterkever + ademt door 2 stigma’s aan het achterlijf en komt hiermede naar + boven. + + 2º De spinnende maakt voor zijn eieren een drijvend nest, een + cocon, waarop een massieve mast wordt geplaatst; een eierbootje. In + Mei, soms in April, kan men deze nestjes al opvisschen. Het wijfje + gebruikt het achterlijf als mal en spint daarom het nest. De + spinklieren zitten aan het achterlijf, op den top. Voor den + geheelen nestbouw heeft het dier 4 à 5 uur noodig. Er zitten een 50 + eieren in zoo’n bootje. + 3º Al spoedig komen uit de eieren larfjes, die eerst nog wat in ’t + nest blijven, en in dien tusschentijd de eischalen oppeuzelen, + waaruit ze zijn gekropen. Dan gaan ze de wereld in. Deze larven + zijn echte roofdieren; ze lusten vooral slakken. De volwassen kever + leeft van planten. In het najaar zijn de larven volwassen, 6 c.M. + lang, en verpoppen dan buiten het water in de slootkanten. De pop + staat dan op haar kop, en rust op stekels. Wil men het leven van + dezen kever waarnemen, dan moet men zorgen voor een popgelegenheid. + De volwassen kever vliegt zelden; hij kruipt op den grond gewoon + voort. Hij behoort tot de 5e onderorde, en wordt 38–48 m.M. lang. + Overal in slooten en poelen. + + +No 26. Kortschildkever. (Staphylinus caesareus). Dit is een +vertegenwoordiger van een groote groep; bijna het 5e deel van onze +kevers, dus een 600 behooren tot deze groep. De dekschilden zijn kort. +Men kan deze kevers onder mos en steenen vinden; ze zijn 14 tot 18 m.M. +lang en leven van aas, mest en rottende plantenstoffen. Ze behooren dus +tot de opruimers in de natuur en nemen daardoor een belangrijke plaats +in. Ze behooren tot de 2e onderorde. + +No 27. Bombardeerkever. (Brachynus crepitans). Deze kever is afgebeeld +omdat hij een merkwaardigheid is. Wordt hij achtervolgd, dan lijkt het +of hij op zijn achtervolgers schiet. Uit een paar achterlijfsklieren +vloeit een stof, die direct met een knal in damp overgaat; die knal is +voor ons hoorbaar. Het gevormde gas is zuur en riekt naar salpeterzuur. +Geschiedt de ontploffing in donker, dan heeft er ook lichtontwikkeling +plaats. De kever kan meerdere „schoten” achtereen lossen. Gelijktijdig +wordt ook de inhoud van den einddarm geledigd, zoodat de achtervolger +op niet veel smakelijks wordt onthaald. De kevers leven meestal onder +steenen bijeen, vooral op kalkgronden; bij ons gevonden langs +rivieroevers. Lengte 6½ tot 9½ m.M. Ze behooren tot de 1ste onderorde. + +No 28. Gerande Waterroofkever. (Dytiscus marginalis). Over dezen roover +hebben we reeds gesproken bij No 25. Zoowel de larven als de imago’s +zijn echte carnivoren. Zij vallen alle levende dieren aan, die zij +tegenkomen; daarom zijn zij gevreesde bezoekers van de vischvijvers. Is +er gebrek aan levende prooi, dan zijn ze met aas tevreden; in een +aquarium kan men ze voeren met stukjes vleesch. + +Moeten ze ademhalen, dan komen ze met het achterlijf loodrecht naar +boven en steken dit in de lucht; de dekschilden worden wat opgelicht, +de lucht komt er onder, die door de luchtbuizen kan worden opgezogen. +Als ze erg in ’t nauw worden gebracht, zonderen ze aan het halsschild +een melkachtige, onaangenaamriekende stof af; dat is dus hun +verweermiddel. De voortplanting geschiedt in den winter of in ’t +voorjaar. De wijfjes leggen de gele eieren aan stengels van +waterplanten, in een insnijding, die zij met haar hoornachtige legboor +maken. Na 12 dagen komen de larven voor den dag, die in het midden van +den zomer of tegen den herfst volwassen zijn. + +Zij verpoppen in holen langs de oevers van het water. Sommige komen +vóór, andere na den winter uit. Men kan dus het geheele jaar door dezen +kever in ’t water vinden. ’s Avonds vliegen ze wel rond. Als hun sloot +’s zomers opdroogt, poetsen ze de plaat. Lengte 30–33 m.M. Eerste +onderorde. + +No 29. Graanloopkever. (Zabrus tenebrioïdes). Hoewel deze kever tot de +roofkevers behoort, is hij toch een vegetariër, die den korenbouwers +zeer onaangenaam is. Hij eet bij voorkeur de melkrijpe zaden van tarwe, +rogge en gerst; haver laat bij ongemoeid. Gelukkig komt hij bij ons +niet veel voor; alleen op zandgrond wel. De kever klimt tegen de halmen +op, en zet zich zoo aan den maaltijd. Hij leeft van midden Juni tot in +den winter, soms tot in ’t voorjaar. Overdag houdt hij zich schuil, ’s +avonds gaat hij er op uit. In den herfst valt hij, evenals de larve, +het wintergraan aan. De eieren worden gelegd in de aarde. Als vijand +van dezen kever is een parasietvlieg waargenomen. Men bestrijdt dezen +kever 1º door vruchtwisseling, 2º door in ’t voorjaar de akkers met een +3% tabaksoplossing te besproeien of de larven met een +arsenicum-oplossing te bespuiten. De kever is 12 tot 15 m.M., de larve +20 tot 26 m.M. + +No 30. Doodgraver. (Necrophorus vespillo). De rol, die door deze kevers +in de natuur wordt vervuld, is een zeer belangrijke. Aan hun is +opgedragen de lijken van kleine zoogdieren en vogels weg te werken, om +te zetten, zoodat de stof niet nutteloos blijft liggen. Als alle lijken +bleven liggen, zou de wereld spoedig één kerkhof zijn. Deze kevers zijn +in staat, als ze met een voldoend aantal zijn, lijken van mollen, +muizen, den grond in te graven. Met elkaar werpen zij den grond onder +het lijk weg, zij „ondermijnen” het lijk, dat daardoor dieper komt te +liggen. De wijfjes leggen in deze doode dieren hun eieren, waaruit +larven komen, die het „lekkere hapje” verder oppeuzelen. Deze larven +hebben 6 pooten en 12 oogen. Zij verpoppen in den grond. + +Hoe de kevers de lijken vinden? Zij kunnen goed ruiken; bovendien zijn +het beste vliegers, die op aas uitgaan. In ons land komen 8 soorten +voor; 2 hiervan zijn zwart, dat zijn de grootste. De andere soorten +hebben oranjeroode dekschilden waarover 3 gegolfde zwarte dwarsbanden. +De kevers geven een sterken bokken- of muskusgeur af, die zeer lang aan +’t dier blijft hangen. De afgebeelde soort komt zeer algemeen voor. +Overal, waar men dierenlijken in de vrije natuur aantreft, bestaat kans +deze kevers te vinden. We vinden meermalen verschillende soorten te +gelijk in doode vogels. Lengte van 12 tot 23 m.M. Hij behoort tot de 2e +onder-orde. In Artis te Amsterdam zijn de kevers van tijd tot tijd te +zien. + +No 31. Mierengast. (Claviger testaceus). Bij de mieren spreken we nader +over de „mierengasten”; dat zijn dieren, die in de mierennesten leven; +deze gasten worden òf vervolgd òf verzorgd door de mieren. Voor +sommigen zijn de mieren onverschillig. Maar daarover nader bij de +mieren. Deze Claviger is een der vele kortschildkevertjes, die in de +mierennesten leven. Het diertje is maar heel klein 2–2½ m.M. Het +beestje heeft geen oogen. Het scheidt uit de met gele borstelharen +bezette deelen van het lichaam een vocht af, dat de mieren gaarne +lusten en dus aflikken. Een soort „likeurfabriekje”. Maar zal dit +fabriekje kunnen blijven werken, dan moeten de kevertjes ook eten. +Welnu, daarvoor zorgen de mieren. Zij tikken de Clavigers op de +knotsvormige sprieten, en dan weten deze, dat zij zich kunnen gaan +voeden. Het voedsel wordt aangebracht. Dit is een zeer belangrijke vorm +van „samenwonen”: de een profiteert van den ander. Deze kever behoort +evenals de vorige tot de 2e onder-orde. + +No 32. Zandkever. (Cicindela campestris). Op Plaat I No 9 staat de +larve van dezen kever afgebeeld; wij hebben haar ook beschreven. Even +roofzuchtig als de larve is de kever; ook die leeft van andere +insecten, die hij najaagt. Zijn scherpe bovenkaken wijzen reeds op zijn +karakter. De kever is een echt zonnedier, en zit altijd op den grond. +Wordt hij opgejaagd, dan vliegt hij voor ons uit, en zet zich weer +spoedig neer. Bij slecht weer en ’s nachts vertoeven ze in zelfgegraven +holletjes. Raakt men ze aan, dan verspreiden ze een eigenaardigen geur. +Deze kever is 11–14 m.M. lang, op de rugzijde fraai groen, op elk der +dekschilden met 5 witte zijvlekjes. Het is een prachtig dier en komt op +zandgronden veel voor. Men neemt veel afwijkingen in de teekening waar. +Er komen van de zandkevers 5 soorten in ons land voor. Zij behooren tot +de 1e onder-orde. + +No 33. Poppenroover, Rupsenjager. (Calosoma sycophanta). Ook de larve +van dezen kever is afgebeeld op Plaat I, No 10 en daar beschreven. +Evenals de larve is ook de kever een echte roover, en juist hieraan +heeft hij zijn wereldreputatie te danken. We hebben reeds verteld, hoe +in Amerika twee rupsensoorten waren ingeslopen, de plakker en de +bastaardsatijnvlinder, die tot op den huidigen dag daar enorme schade +aanrichten. Deze rupsen waren uit Europa overgekomen. De sterke +vermeerdering der rupsen schrijft men toe aan de omstandigheid, dat wel +de rupsen, maar niet haar vijanden zijn ingevoerd. Daarom zijn de +Amerikanen begonnen met allerlei rupsenvijanden in te voeren, o.a. ook +de Calosoma. Zoowel de larven als de kevers klimmen de boomen in, +vallen de rupsen aan en verslinden die. Duizenden en duizenden van deze +kevers zijn naar Amerika gezonden. Het is een prachtige roofkever, een +zeer nuttig dier, dat 22–29 m.M. groot wordt; dus een flinke kever: de +dekschilden zijn goudgroen. Hij behoort tot de eerste onder-orde. In +Mei en Juni is de kever wel te vangen, hoewel hij in ons land helaas +maar zelden voorkomt. Misschien is hij te importeeren. Hij vliegt +overdag en riekt als hij gevangen wordt naar bittere amandelolie. + +No 34. Oeverkever. (Elaphrus riparius). Dit is een mooi kevertje, dat +overal langs de randen van zoet water leeft; ’t is overdag in beweging. +Dekschilden aan de basis gerand, zonder stippellijnen, maar met 3 of 4 +langsrijen van groote oogstippen. Bronskleurig tot smaragd-groen. Dit +kevertje is 5½ tot 7 m.M. lang en heeft metaal-groene tarsen. + +No 35. Kleine Rupsenjager. (Calosoma inquisitor). Hij leeft op dezelfde +wijze als de groote jager C. sycophanta; hij is evenwel kleiner en +wordt maar 16–21 m.M. Hij lust gaarne de rupsen van den wintervlinder, +die in de boomgaarden zooveel schade doen. Ook de larve eet die rupsen. +Op zandgronden komt hij in eikenbosschen voor, en in Mei en Juni is hij +te vangen. + +No 36. Tuinloopkever. (Carabus nemoralis). Deze kever behoort tot de +z.g. schallebijters; ze zijn zeer nuttig doordat zij allerlei +ongedierte uit den tuin en van den akker oppeuzelen. Jammer, dat zij +door den dommen mensch gewoonlijk worden doodgetrapt. De dekschilden +zijn meestal bruin-bronskleurig, al of niet met purperkleurigen +zijrand. Lengte 21–26 m.M. Men vindt hem vooral in tuinen op vochtige +plaatsen, onder steenen, en in bosschen onder mos en boomschors. + + + + + + + + +PLAAT IV. + +KEVERS (2) + + +No 37. Meikever. (Melolontha vulgaris). Dit is zeker wel de meest +bekende kever in ons land, al komt hij dan ook lang niet overal voor; +maar op school wordt er van geleerd en hier en daar gebruiken de +kinderen hem als speelgoed. De meikever is een onzer grootste kevers en +wordt 24–30 m.M. lang. Het is een echte lobbes, waarvan wij niets te +vreezen hebben, omdat hij een bladeter is, en ons niet bijt of prikt. +Onder No 5 hebben wij zijn larve, de engerling, besproken; tevens +hebben wij toen verteld, dat de kever al in den nazomer ontpopt en dan +den geheelen herfst, winter en het voorjaar in den grond zit. Half +April en Mei komt hij naar boven; zijn pooten komen hem dan goed te +pas, waarmede de aarde op zij wordt gewerkt. Is hij eenmaal boven, dan +begint de aanval op de pas uitgeloopen knoppen; de bladeren zijn dan +nog sappig. Hij valt alle boomen aan, behalve de linde; het naaldhout +laat hij meestal met rust, alleen de Larix, die dan vol versche +naaldjes zit (die werpt in ’t najaar al zijn oude naalden af) havent +hij geducht. Omdat de meikever eigenlijk een schemer- en nachtdier is, +is hij overdag stil. ’s Morgens vroeg is hij suf en moe van al zijn +gevlieg, en zit dan slaperig op den boom. Van deze gelegenheid maakt +men gebruik om hem te bemachtigen. Onder de boomen, die soms stikvol +zitten, wordt een zeil of laken gelegd, en dan worden de takken met een +haak flink geschud. Het regent meikevers dan, die snel worden verzameld +en in een zak of ton opgeborgen. Zoo kan men er duizenden en duizenden +vangen, die dan gedood worden, en goed zijn voor bemesting van het +land. Men droogt ze ook wel en maakt ze daarna fijn, waarna men er +brood van bakt voor de varkens; ook de kippen pikken dan wel mee. Zoo +weet men nog een nuttig gebruik van dezen kever te maken. + +De meikevers leggen hun eieren in den grond; het wijfje kruipt dan wel +2 tot 3 d. M. de aarde in. Na het eierleggen sterft de meikever, zoodat +in het laatst van Juni gewoonlijk geen meikever meer te zien is. De +sprieten van het mannetje bezitten 7 „blaadjes”, die van het wijfje 6; +die blaadjes zijn verbreede sprietleden. Aan deze eigenaardigheid dankt +de groep, waartoe deze kever behoort, haar naam van „bladsprietigen”. + +No 38. Rozenkever. (Phyllopertha horticola). Een mooi kevertje, dat 8 +tot 11 m.M. lang wordt. Het leeft precies als de meikever; de larve +verblijft in den grond, heet ook engerling, en beschadigt de wortels. +De kevers eten bladeren, ook die van rozen; daaraan hebben ze hun naam +te danken. Soms komt het diertje in grooten getale voor en dan wordt +het zeer schadelijk, maar gewoonlijk hoort men er zelden van. De +sprietbladen van het mannetje zijn grooter dan die van het wijfje. Men +kan de kevertjes vangen in Mei en Juni, vooral in duin- en heistreken, +op allerlei bloeiende planten. + +No 39 en No 40. Neushoornkever. (Oryctes nasicornis). Mannetje en +wijfje. Deze kever heet wel „runkever” omdat hij nog al veel voorkomt +in run van de leerlooierijen, waarmede de larve zich voedt. In de vrije +natuur voedt de larve zich met molm van boomen. De kever wordt 28 tot +35 m.M. lang, is dus grooter dan de meikever; ook zijn larve is grooter +dan de meikeverlarve. De kever is kastanjebruin, glanzig, op de +bovenzijde glad; onderzijde en pooten zijn rossig behaard. Bij deze +kevers nemen we een eigenaardig dimorphisme waar; de kop van het +mannetje heeft een hoorn, die bij ’t wijfje gemist wordt; dit heeft op +die plaats maar een kegelvormig bultje. Als de kever uit de pop kruipt +groeit de hoorn nog langer uit; de pop bevindt zich evenals de larve in +run of in molm. + +No 41. Julikever. (Polyphylla fullo). Deze kever is de grootste van +onze „meikeversoorten”. De dekschilden zijn gemarmerd; dit wordt +veroorzaakt door „schubben”. Zijn de schubben verwijderd, dan is de +grondkleur der schilden bruin tot zwart. Ook bij deze soort zijn de +mannetjes en wijfjes te herkennen aan het aantal „sprietbladen”; het +mannetje heeft 7 groote sprietbladen en het wijfje maar 5 kleinere. Het +verschil valt direct op. Ook deze kever en diens larve voeren een +leefwijze als de meikever. De larve leeft aan de wortels van planten en +de kever voedt zich met bladeren; de imago’s vliegen ’s avonds. De +kever komt veel voor in de duinstreken, en heet daarom ook wel +„duinkever”. De larve wordt daar schadelijk door het verwoesten van de +wortels der helmplanten, die het duinzand vasthouden. De kever is +grooter dan de meikever, 32–37 m.M., en verschijnt ook later, n.l. in +Juli. Hij komt ook in zandstreken voor aan onze oostelijke grenzen. + +No 42 en No 43. Glimwormpje. (Lamprohiza (Phausis) splendidula). +Mannetje en wijfje. Van dezen kever zijn beide geslachten afgebeeld, +omdat ook hier weer een mooi voorbeeld van dimorphisme is waar te +nemen. Vooreerst is het mannetje grooter: 8½ tot 10 m.M., en het wijfje +slechts 6 tot 9 m.M. Dan is het mannetje gevleugeld en het wijfje +ongevleugeld; daardoor lijkt dit laatste veel op een larve. Over het +„lichten” is reeds vroeger gesproken. Het is een eigenaardigheid, die +de dieren ook na hun dood nog behouden. In de maanden Juni en Juli kan +men de wijfjes ’s avonds op den grond zien lichten; de mannetjes +vliegen dan rond. Ze schijnen overal voor te komen en worden dan ook in +verschillende provincies gevonden. Het is een zeer eigenaardig +verschijnsel als we plotseling die kleine lichtjes op de zwarte aarde +zien verschijnen. Merkwaardig is het, dat ook de eieren, larven en +poppen lichten. De larven voeden zich met levende slakken; wij dienen +ze dus in eere te houden. Zet men ze thuis in donker, dan lichten ze +daar ook. Zij behooren tot de 8ste onder-orde, tot de Weekschilden. + +No 44. Mestkever. (Geotropus (Ceratophyus) typhaeus). De naam van dezen +kever wijst er op, dat dit dier op een of andere wijze met mest iets +heeft uit te staan. Mest is n.l. het voedsel voor de larven. De kever +graaft onder mesthoopen gangen in de aarde en legt daar de eieren; bij +elk ei wordt een hoeveelheid mest gebracht, die de larve zal +verorberen. Doordat die gangen nog al diep zijn, blijft de mest +vochtig. Men vindt vaak „koekoeken”, waarin aan de oppervlakte gaten; +dat is het werk van den mestkever, die naar binnen is gedrongen. Langs +zandwegen, in wagensporen, vindt men ze herhaaldelijk; vooral ook doode +mannetjes. De kever wordt 14½ tot 21 m.M. De grootte varieert dus nog +al. Er komen in ons land wel 7 soorten voor. ’s Avonds vliegen ze +brommend rond. + +No 45. Kniptor. (Agriotes lineatus). Kniptorren zijn eigenaardige +dieren. Legt men ze op den rug, dan springen ze hoorbaar op; ze +knippen. Er komen bij ons wel meer dan 50 soorten kniptorren voor, dus +men is wel in de gelegenheid het knippen eens te zien. Verder zijn de +meeste van deze kevers van geen beteekenis, ook al, omdat ze niet zoo +lang leven. Des te erger staat het evenwel met de larven, die men +ritnaalden, koperwormen, hardwormen of draadwormen noemt. Ze maken +ritten door den grond en danken daaraan haar naam. Sommige larven leven +in boommolm, mesthoopen, en zijn dus van geen economische beteekenis. +Bij ons komen 10 à 12 soorten voor, die recht schadelijk zijn. De +larven toch beschadigen de wortels van allerlei kultuurgewassen, en +omdat ze wel 3 à 4 jaar in den grond blijven, kunnen ze heel wat +verwoesten. Tegen den winter gaan ze dieper den grond in. Meestal hoort +men van de ritnaaldenschade in ’t voor- en najaar, doch niet in den +zomer, omdat de planten dan flink aan den groei zijn. In den tuinbouw +hoort men er het heele jaar van, omdat men daar haast het heele jaar +door zaait. + +Een afdoend middel om de ritnaalden te bestrijden is er niet. In tuinen +legt men aardappels en bieten in den grond; de ritnaalden kruipen +hierin, waarna men ze verwijderen kan. Men kan ook den grond inspuiten +met benzine of zwavelkoolstof. Als het met de vruchtwisseling zoo +uitkomt, moet men midden in den zomer de aangevallen akkers 15 c.M. +diep omploegen. Door de zonnehitte gaan de larven, die boven komen, dan +gauw dood. Ritnaalden lijken veel op meelwormen. De kevers leggen hun +eieren in den grond. De grootte der imago’s loopt van 8½ tot 10 m.M. +Zij behooren tot de 7de onder-orde. + +No 46 en No 48. Vliegend Hert. (Lucanus cervus). Mannetje en wijfje. +Dit is nu de grootste kever, die bij ons voorkomt. De mannetjes hebben +geweivormige groote bovenkaken; die lijken wel het gewei van een hert; +vandaar ook hun naam. De wijfjes hebben ook wel bovenkaken doch die +vallen niet op. Wij hebben hier dus weer een mooi voorbeeld van +dimorphisme. De kevers voeden zich met sappen, die uit eiken en andere +boomen vloeien. De larven leven in boommolm, vooral van oude eiken. De +heele ontwikkeling van ei tot kever duurt wel 5 jaar. Het kan in dien +tijd best gebeuren, dat de larven perioden hebben, waarin zij niet +genoeg voedsel vinden, b.v. als er wat veel bij elkaar zijn. Dan +groeien ze toch wel uit tot kevers, doch die worden dan maar klein. De +grootte van de mannetjes varieert daarom van 27 tot 50 m.M. (zonder de +bovenkaken) en die van de wijfjes van 26 tot 41 m.M. Van half Juni tot +half Augustus kan men de kevers vinden. Men vindt ze verscholen onder +boomstammen, ook wel in holle wegen, waar de wortels der boomen uit den +grond komen. Tegen den avond vliegen ze. Meestal vindt men meer +mannetjes dan wijfjes. De kevers worden vooral gevonden in +eikenbosschen op zandgronden. Ze behooren tot de zelfde onder-orde als +de meikevers. + +No 47. Gouden tor. (Cetonia aurata). Dit is weer een van die prachtige +torren, waarin de jongens handel drijven, net als in meikevers. De +dekschilden zijn metaalgroen met een koperkleurigen weerschijn. Men +vindt dezen kever in Mei, Juni of Juli op allerlei planten. Ze schijnen +van den honing te snoepen, eten stuifmeel en verwoesten soms de geheele +bloem. De larven lijken wel op die van den meikever, doch zijn veel +kleiner, en leven in boommolm, ook wel in bladaarde. Bij uitzondering +vindt men ze wel in mierennesten. De ontwikkeling van ei tot kever +duurt, evenals bij de andere genoemde bladsprietigen, weer zeer lang, +n.l. 3 à 4 jaar. Ze worden 15 tot 21 m.M. lang. + + + + + + + + +PLAAT V. + +KEVERS (3) + + +No 49. Mierkever. (Clerus formicarius). Deze aardige kever, die 7 tot +10 m.M. lang wordt, heeft zijn naam te danken aan zijn mier-achtig +voorkomen. Men kan hem vaak aantreffen op boomstammen. De larven zijn +rozerood en leven in de gangen van bastkevers, vermoedelijk verslinden +zij deze. De kop van den kever is zwart, het halsschild rood en de +schilden zwart, die evenwel aan den wortel rood zijn. Over de schilden +loopen 2 witte, kortbehaarde dwarsbanden. Het achterlijf is weer rood +en de pooten zijn zwart. Het is een mooi diertje, dat we niet gaarne in +onze verzameling missen. De kever is nuttig doordat hij jacht maakt op +den dennenscheerder en diens larve. + +No 50. Doodskloppertje. (Anobium striatum, A. domesticum). Dit kleine +kevertje, dat niet grooter wordt dan 2½ tot 4¾ m.M. is de schrik van de +huismoeders, want zijn larve is de gevreesde houtworm, die onze meubels +aantast en ten slotte geheel ondermijnt. De kevertjes leggen op onze +meubels een 40 à 50 eitjes; de larfjes, die hieruit komen, vreten zich +direct naar binnen, en beginnen aan het hout te knagen. Zij graven +gangen, en als zij volwassen zijn verpoppen ze; de kevers, die uit de +poppen komen maken grootere gaatjes en komen dan naar buiten; het +zaagsel valt dan op den grond. Als wij dus gaatjes in onze meubels +zien, is dit een bewijs, dat de kevertjes er uit zijn. Wil men de +kevertjes bestrijden, dan moet men hen trachten te vangen. Ze komen van +Mei tot Juni voor. Een ander middel is, in die maanden de meubels elken +dag met was te wrijven; dan drukt men de eitjes dood. Met petroleum of +benzine in de gaatjes spuiten geeft niet veel, want de oude kevers zijn +er al uit. Intusschen kan het geen kwaad, want dan trekt de olie in ’t +hout en petroleum is doodend voor alle insecten. Laat het hout het toe, +dan kan men het sterk verwarmen en dan gaan de larven ook dood. De +kevers hebben de gewoonte elkaar door tikken tegen ’t hout te lokken. +Hoort men dit tikken in den nacht, dan heeft dit iets geheimzinnigs, en +bijgeloovige menschen hooren hierin een „doodstijding”. Het spreekt +vanzelf, dat deze kevertjes geen opdracht hebben zulke tijdingen over +te brengen. In de vrije natuur leven deze diertjes in allerlei hout. De +larven hebben 6 pooten en zijn blind. Een andere soort, Anobium +paniceum, is een echte cosmopoliet, en leeft in magazijnen en schepen +in allerlei droge stoffen en eetwaren, scheepsbeschuit, enz. + +No 51. Zwartlijf. (Blaps mucronata). Bijgeloovige menschen hebben aan +dezen kever den naam gegeven van „doodentor”; hij zou als bode van den +dood dienst doen. Deze functie heeft hij dan zeker te danken aan zijn +zwart uiterlijk en zijn nachtelijke leefwijze. Hij vertoeft op donkere, +vochtige plaatsen, in stallen, kelders, schuren, enz., en eet daar +beschimmelde planten- en dierenresten. Raakt men hem aan, dan scheidt +hij een vocht uit aan het achterlijf. De kevers worden 19½ tot 23 m.M. +lang. + +No 52. Meeltor. (Tenebrio molitor). Iedereen, die wel eens +insectenetende vogels heeft gehouden, weet wat „meelwormen” zijn; men +kan ze koopen bij den handelaar in vogelvoeder. Deze meelwormen nu zijn +de larven van den meeltor. De handelaar kweekt ze op, maar wij kunnen +het ook wel. Men koopt wat meelwormen, een twintig, en doet die in een +leeg jampotje en doet er wat droog hard brood bij. En nu zet men het +maar ergens neer. De meelwormen ziet men vervellen en ten slotte ook +verpoppen. Die poppen liggen dan maar zoo tusschen het brood in. +Eindelijk komen uit de poppen de kevers, en dat zijn de meeltorren. +Laat men die torren in het potje, dan gaan ze eieren leggen en komen er +weer nieuwe meelwormen, en zoo gaat dat maar door, als men ten minste +zorgt, dat ze voer hebben. Veel hebben ze niet noodig. De geheele +ontwikkeling van ei tot imago duurt 2 jaar, soms korter. Wij kunnen +ieder aanraden eens zoo’n kweekerijtje van meelwormen te beginnen; ’t +is zeer eenvoudig en men leert de ontwikkeling kennen. + +Komen de meelwormen in molens en bakkerijen voor, dan zijn ze +natuurlijk zeer schadelijk. In de vrije natuur vindt men de larven wel +in boommolm en in doode vogels. De kever is donkerbruin tot zwart en +wordt 14 tot 16 m.M. lang. + +No 53. Oliekever of Meiworm. (Meloë proscarabaeus). Deze kever en ook +de volgende, behooren tot de „blaartrekkers”. Zij bevatten scherpe +vochten, die een blaartrekkend vermogen hebben. Gewoonlijk noemt men +dezen kever oliekever, omdat hij bij aanraking een geel, dik vocht +kwijt raakt; dit vocht is scherp en tast onze huid een weinig aan. Dit +vocht is bloed. Deze kever heeft een merkwaardige gedaanteverwisseling. +Wij kunnen daarop niet verder ingaan, omdat de meeste lezers er toch +nooit iets van zullen bemerken, doch wij willen er wel iets van zeggen. +De kever legt de eieren in den grond, en de larven, die hieruit komen, +kruipen tegen bloemstengels op en dan de bloemen in. Komen nu bepaalde +bijensoorten deze bloemen bezoeken, dan hechten de larven zich aan deze +bloemenbezoeksters, en trekken met haar mede naar het nest. Hier eten +ze eieren op en verder het voedsel, dat voor de bijenlarven was +neergelegd. Zijn ze hiermede klaar, dan nemen deze larven een andere +gedaante aan, worden ook poppen en ten slotte kevers. Het is een +ontwikkeling vol gevaren, zoodat velen omkomen. Dit is geen bezwaar, +want de oliekever legt 4000 eitjes, dus kan er eentje mislukken. Men +kan de oliekevers al vroeg in ’t jaar vinden, in April en Mei; daarom +heeten ze ook wel Meiwormen. De kever schijnt gaarne bladeren van de +boterbloem te eten. + +No 54. Spaansche Vlieg. (Lytta vesicatoria). Deze vlieg is geen vlieg, +maar een kever. Hij behoort tot de blaartrekkers en wordt wel in de +geneeskunde gebruikt. Het werkzame deel heet cantharidine en de stof +zelve cantharis; het zit in het bloed en in klieren. De kever is +goudgroen, smaragdgroen, blauwgroen, of roodkoperkleurig-goudglanzig. +De dekschilden fijn en dicht rimpelig bestippeld. Lengte 10–19 m.M. Hij +komt in het oosten van ons land veel voor op bloeiende ligusters, en is +in Juni bij zonneschijn op die planten wel te vangen. In het zuiden van +Frankrijk wordt hij in het groot verzameld tot vervaardiging van de +Spaanschevlieg-pleister, want het blaartrekkend vermogen is van dezen +kever zeer groot. + +No 55. Paalkever. (Nacerda melanura). Deze kever heeft een zeer +ongunstige reputatie, want zijn larven tasten de palen aan van de +zeeweringen, o.a. in Zeeland. Zij doorkruisen het hout in alle +richtingen. De larve leeft evenwel in dat gedeelte van het hout, dat +altijd droog blijft. Onze zeeweringen worden door 4 verschillende +dieren aangevallen. Vooreerst door genoemden paalkever, maar die blijft +altijd in ’t droge hout. De boorpissebed (Limnoria terebrans) en de +borende vlookreeft (Chelura terebrans), twee schaaldieren, leven in +hout, dat bij eb droog loopt. De paalworm (Teredo navalis), een +weekdier, vernielt het hout dat altijd onder water staat. + +De lengte van den paalkever bedraagt 8–12 m.M. Deze kever komt ook wel +in balken in huizen voor. In Juli en Augustus kan men hem wel vangen op +schermbloemen. + +No 56. Groote Dennensnuittor. (Curculio (Hylobius) abietis). Dit is een +groote snuittor en ze wordt 8 tot 14 m.M. lang. De kever is pekkleurig +bruin of zwart, korrelig ruw en heeft op elk schild tien langsstrepen. +De gele haartjes op de dekschilden geven hieraan eenige teekening. De +kever is een der gevaarlijkste vijanden van de dennenbosschen. De larve +is niet gevaarlijk, want die wordt meestal aangetroffen in oude +stompen; tusschen hout en bast heeft de kever daar eieren gelegd. De +kever boort in jonge, eenjarige dennen en takken en trekt lappen van de +schors, wat gevolgd wordt door een sterke harsafscheiding. Uit deze +leefwijze volgt al dadelijk, dat men een geveld bosch niet direct moet +inzaaien of inpoten. De kever verschijnt midden Mei, ook wel iets +vroeger. + +Ter voorkoming van deze keverplaag worden dennenbosschen wel omgeven +door een mantel van loofboomen. Berken b.v. willen nog wel naast dennen +groeien. Verder worden wel vanggreppels aangelegd, waaruit men de +kevers een paar maal per dag laat opzoeken. De kevers worden wel gelokt +door op bepaalde plaatsen bundeltjes van dennentakjes neer te leggen; +dat doet men dan van half April tot half Juni. Hoe sterker de harslucht +is des te beter is de vangst. Ook worden wel stukken versche schors +neer gelegd. Ten slotte legt men kunstmatige broedplaatsen aan door +oude stompen te laten zitten tot den zomer en ze dan uit den grond te +halen. Dan zitten de eitjes er in of de larven. Hoe schadelijk deze +kever ook is, het dier zelf is een zeer mooie snuittor.— + +No 57. Spitsmuisje. (Apion apricans). Dit is een klein snuittorretje, +dat maar 2? tot 2½ m.M. lang wordt en het behoort tot een uitgebreid +geslacht, waarvan wel 68 soorten bij ons voorkomen. De dekschilden zijn +eenigszins langwerpig-eirond en zwart. Pooten roodgeel of geel. Het +wijfje overwintert en legt de eieren in de bloemhoofdjes van klaver; +daar tusschen leven ook de larven. Dit kevertje is zeer algemeen. + +No 58. Appelbloesemkever. (Anthonomus pomorum). Dit snuitkevertje kost +ons jaarlijks heel wat appels en soms ook peren. Het is maar 3½ m.M. +lang, de snuit niet mede gerekend; ’t is op de rugzijde bruin, aan kop +en buikzijde zwartachtig grijs behaard. Op de schilden ziet men één of +twee V-vormige figuren. In April begint het wijfje haar verwoesting. +Zij boort, of juister, zij bijt een gat door de knoppen, en schuift dan +een eitje naar binnen. Na 8 dagen komt uit dit eitje de larve, die de +meeldraden en stampers opeet. Natuurlijk komt er van de bloem dan niets +meer terecht; de kroonbladeren verschrompelen en het lijkt wel of de +bloemen bevroren zijn. Spoedig verpopt de larve en al heel gauw is de +nieuwe kever er. Deze verlaat de verschrompelde bloem en zwerft dan den +zomer rond, om zich al in Augustus op te bergen tot het volgende +voorjaar. Soms worden haast alle bloemen verwoest en geeft zoo’n boom +niet één vrucht. Wat is hiertegen nu te doen? Men kan in het vroege +voorjaar onder de vruchtboomen een laken leggen en dan de boomen +afkloppen; de kevers komen dan omlaag. Men moet dit doen vroeg in den +ochtend. Verder kan men in Juli om de stammen boombanden aanleggen. Men +neemt wat houtwol en bindt daarover een papierband. Hieronder kruipen +de kevers weg. Men maakt deze banden in November los en verbrandt ze. +Dan is men de kevers tegelijk kwijt. + +No 59. Wilgensnuitkever. (Cryptorhynchus lapathi). Deze kever is goed +herkenbaar. Het dier is zwart; op de bovenzijde dicht, hier en daar +dakpansgewijze, bedekt met gedeeltelijk lichte, gedeeltelijk zwarte, +duidelijke schubjes. Sprieten roestkleurig. De snuit kan in een sleuf +tusschen de pooten tegen het lichaam worden aangedrukt. Men vindt dezen +kever, die 7 tot 9 m.M. lang is, van Juni tot September op wilgen, +berken, elzen en populieren. Het wijfje legt haar eieren aan jonge +scheuten; de larven vreten zich daarin. Zoo’n larvegang wordt geregeld +wijder, omdat de bewoonster groeit. Eigenaardig is het, dat behalve de +„vreetgang” nog een „luchtgang” aanwezig is. Die mondt hooger dan de +opening waardoor de larve naar binnen ging. Wordt de kever verontrust, +dan trekt hij snuit en pooten in, en valt daardoor minder op. De kever +komt overal voor. + +No 60. Erwtenkever. (Bruchus pisi). Deze kever, die 4–4½ m.M. lang +wordt is gevaarlijk voor de erwtenteelt. Het wijfje legt de eieren in +de jonge peulen; de larve werkt zich in een erwt en vreet de zaadlobben +uit; de kiem laten ze zitten. Heeft de larve aan één erwt niet +voldoende, dan verhuist ze naar een tweede. In de erwt verpopt de larve +en ook de kever komt daarin tot ontwikkeling, doch die komt er +vooreerst niet uit. Zaait de boer in ’t voorjaar deze erwten weer uit, +dan kruipen de kevers op den akker uit de zaden en beginnen later hun +verwoestingen. Zoo bevordert de boer dan zijn eigen schade. Tegen den +erwtenkever kan men de volgende bestrijdingsmiddelen toepassen. + + + 1º Láát zaaien; dan komen de kevers vóór het zaaien al uit de + zaden. + 2º Men werpt de erwten in het water. Veel aangetaste drijven en men + schept die af. + 3º Als men de erwten gedurende 4 à 5 minuten verhit tot 50° à + 55° C., dan gaan de kevers dood en de gezonde erwten behouden haar + kiemkracht. + 4º Men doet de erwten in een doofpot, die gesloten kan worden. + Vervolgens giet men over de erwten zwavelkoolstof en laat de dampen + 10 minuten inwerken. Alle kevers zijn dan dood. Voor 1 H.L. erwten + heeft men ½ deci L. zwavelkoolstof noodig. We merken nog even op, + dat zwavelkoolstof een vergift is en de dampen zeer brandbaar zijn. + Men blijve dus met vuur uit de buurt. + + + + + + + + +PLAAT VI. + +KEVERS (4) + + +No 61. Letterzetter. (Bostrichus (Tomicus) typographus). Deze kever, en +de iepenspintkever, No 63, behooren tot de schorskevers. Het is een +betrekkelijk klein dier, 4–5 m.M., en wordt aangetroffen in sparren. +Het wijfje boort en vreet zich door de schors heen, en is het tusschen +schors en hout gekomen, dan graaft het een gang naar boven. Links en +rechts van deze „moedergang” worden eieren gelegd. De larven, die +hieruit komen beginnen ook gangen te graven, die min of meer loodrecht +op de moedergang staan. Maar dat duurt niet lang of ze wijken uit. Deze +„kindergangen” worden hoe langer hoe wijder, omdat de larven geregeld +dikker worden. Zijn de larven volwassen, dan verpoppen ze aan het einde +van zoo’n gang in een „kinderwieg”, zooals men dat plaatsje daar noemt. +Uit die poppen komen later kevers, die op hun beurt weer gangen gaan +graven. Wanneer men stukken schors van aangevallen boomen wegneemt, +ziet men aan de binnenzijde van de schors de moeder- en kindergangen; +ook in het hout zijn die gangen uitgevreten. Het lijkt er dus wel wat +op, of dat hout kunstig door een houtbewerker is uitgesneden. Iedere +soort schorskever heeft zijn eigen „eetwegen”, of vraatfiguren, zoodat +men hieraan reeds zien kan, welke kever aan het werk is geweest. Vooral +op oude en zieke boomen kan men vele en mooie teekeningen zien. De +„Letterzetter” komt bij ons niet veel voor, wel in naburige landen. + +No 62. Heldenbok. (Cerambyx cerdo) (heros). De larve van dezen boktor +hebben wij afgebeeld in No 2, Plaat I en daar een en ander verteld over +de beteekenis der larven, die „boorders” zijn en het hout minderwaardig +maken. De kever wordt 3 tot 5 c.M. De sprieten van het mannetje zijn +veel langer dan het lichaam. Men kan deze kevers in de maanden Juni tot +September tegen eikenstammen vinden, waarin de larven leven. ’s Avonds +vliegt hij wel rond. Hij is de grootste boktor, die in staand hout +leeft. Bij ons komt hij zelden voor, maar het gebeurt wel, dat hij uit +bewerkt hout (meubelen) te voorschijn komt. + +No 63. Iepenspintkever. (Scolytus Geoffroyi). Deze kever leeft op +dezelfde wijze als de letterzetter (61). Alleen komt hij bij ons veel +meer voor en richt daardoor ook grooter schade aan. Hij heeft het +gemunt op iepen. Het schijnt, dat hij bij voorkeur iepen aanvalt alleen +in doode takken en dan verder werkt. Wij hebben in Amsterdam aan den +Haarlemmerweg en ook in de Linnaeusstraat tegenover de gasfabriek +geheele rijen iepen door dezen kever zien vernielen. Ook jonge boomen, +die in slechte conditie zijn, valt hij aan. De schors van de aangetaste +boomen is als doorpriemd; zooveel gaatjes zitten er in, waardoor de +kevers naar buiten kwamen. De kever, die 3 tot 5¼ m.M. lang wordt, is +glanzig, zwart; dekschilden eenkleurig roodbruin of donker gevlekt, ook +wel zwart. De kevers zwermen van einde Mei en in Juni. + +No 64. Populierenbok. (Saperda carcharias). Dit is de grootste van onze +3 populierenboktorren; het dier wordt 20½ tot 28 m.M. lang, en in de +maanden Juni tot September kan men het tegen populieren en ook wel +tegen wilgen zien zitten. ’s Avonds vliegt de kever. De larve leeft in +genoemde boomen; de geheele ontwikkeling duurt 2 jaar. De kever is +zwart, doch met een dicht okergeel of meer grauw haarvilt bedekt. Kop +en halsschild, evenals de dekschilden, met kale stippels bezet. Het +mannetje is kleiner dan het wijfje. Het is een kever, die overal +voorkomt. Maar omdat zijn kleur nog al overeenkomt met die van de +boomstammen is hij niet gemakkelijk te zien. Evenwel, die veel insecten +zoekt, snapt hem ook wel. + +No 65. Dennenboktor. (Acanthocinus aedilis). Als we deze boktor eenmaal +gezien hebben, vergeten wij het dier nooit. Het is bekend, dat de +boktorren haar naam ontleenen aan de gekromde sprieten, die doen denken +aan de horens van een bok. Welnu, het mannetje van de dennenboktor +heeft sprieten, die 4 à 5 maal, en het wijfje heeft sprieten, die 2 à 3 +maal zoo lang zijn als het geheele lichaam, dat een lengte heeft van 11 +tot 19 m.M. Het zijn dus reuzensprieten, die dit dier bezit, en +iedereen wil gaarne zoo’n exemplaar in zijn verzameling hebben. De +kever vliegt al vroeg in ’t voorjaar, en is overal in de dennenbosschen +gemeen. De larve leeft in geveld hout en in doode takken, zoodat zij +feitelijk geen kwaad doet aan het levende hout. Maar het gevelde hout +wordt technisch verwerkt, en zoo vinden wij dezen kever wel in +houtmagazijnen en in huizen. De kleur is grijs, met een flauwen, +donkeren dwarsband over de dekschilden; de grijze kleur wordt +veroorzaakt door een zeer korte beharing. De kever heet ook wel +„timmerbok”, en hij verlaat in Augustus en September de pop. Het is een +zeer interessant dier. + +No 66. Wilgenbok. (Aromia moschata). Ook dit is een mooie boktor, die +men op oude wilgen veelvuldig kan aantreffen. Men noemt den kever ook +wel „rozenbok”, omdat hij geurt naar rozenolie; men kan in dien geur +evenwel ook muskus herkennen. De lengte van het dier bedraagt 20 tot 34 +m.M., dus het is een flinke kever. Het lichaam is zeer gestrekt, +vlakgedrukt, op de bovenzijde kaal; metallisch groen, goudgroen, +purperachtig-roodkoperkleurig of blauwachtig. Sprieten staalblauw. De +dekschilden zijn minder glanzig dan het halsschild. De larve vreet +gangen in wilgenhout. + +No 67. Tangbok. (Rhagium mordax). Dekschilden met een groote, +onbehaarde, zwarte vlek nabij het midden aan de zijden, tusschen de +twee roestkleurig-gele dwarsbanden. De sprieten zijn half zoo lang als +het lichaam, dat een lengte heeft van 13 tot 20 m.M. De larve leeft in +verschillende boomen, in eiken, ahorns, beuken, dennen en sparren. Soms +vindt men den kever op bloeienden meidoorn en sneeuwbal. In zandstreken +wordt hij wel gevonden. + + + +Goudhaantjes. + +De volgende 4 plaatjes, No 68 tot No 71, stellen kevertjes voor, die +allen behooren tot de goudhanen of Chrysomelidae. Ze hebben hun naam +gekregen naar den glans van de dekschilden. Zij leven allen van planten +en omdat het een zeer uitgebreide groep is, is hun beteekenis in de +huishouding der natuur zeer groot. Oorspronkelijk leven ze allen op +wilde planten, doch van lieverlede zijn ze overgegaan op de +kultuurgewassen, en dan worden ze natuurlijk lastig. + +Ze leggen hun eieren op de planten; ze doen dat aan de onderzijde der +bladeren, dan zitten ze beschut tegen te felle zon, regen en tegen +eenige vijanden. De larven, die hieruit komen, zijn z.g. vrijlevende +larven; d.w.z. zij leven op de planten. De larven, die in de planten of +in den grond leven, zijn meestal wit; we hebben dat gezien bij de +verborgen levende larven van boktorren. De vrijlevende larven der +goudhaantjes evenwel zijn bont gekleurd, in ieder geval hebben ze een +donker aanzien. Omdat zij gekleurd zijn, lijken ze veel op rupsen. Men +kan ze hiervan evenwel dadelijk onderscheiden door het aantal pooten, +dat bij hen maar 6 bedraagt; buikpooten, zooals de rupsen, bezitten ze +niet. De larven zijn voor iedere keversoort zeer teekenend, zoodat men +daaraan al kan zien, welke kevers er uitkomen. + +Leven de larven vrij, ook de poptoestand is meestal vrij, d.w.z. de +larven verpoppen aan de bladeren. De poppen hangen met den kop naar +beneden en het achterlichaam is door een kleefstof aan het blad +vastgemaakt. Deze poptoestand duurt maar kort, en de kevers, die +hieruit komen, overwinteren; de imago-toestand duurt dus heel wat +langer. Larve en imago hebben dezelfde leefwijze, ze eten de bladeren +van dezelfde plant. Maar de larven hebben zachtere monddeelen dan de +imago’s en daarom eten die aan de onderzijde der bladeren en laten de +bovenhuid zitten; die is wat harder dan de onderhuid. Een blad, dat +door de larven is opgepeuzeld, ziet er uit of het verdord is. De kevers +daarentegen eten het geheele blad op. De meeste van deze kevertjes zijn +maar klein, erg middelmatig. Op de plaatjes geven we wat grooter +afbeeldingen, dan zijn ze beter te herkennen. + +De mannetjes zijn meestal kleiner dan de wijfjes. De diertjes zijn meer +ovaal, en verschillen dus hierin nog al wat met de meer slanke +boktorren. De pooten zijn niet bijzonder lang. Beharing ontbreekt +gewoonlijk en als die er is, dan alleen aan de onderzijde. ’t Is te +begrijpen, dat de metaalkleurige schilden onbehaard zijn, want anders +kwam de metaalkleur niet tot haar recht, en het vermoeden ligt toch wel +voor de hand, dat die kleur het dier van nut zal zijn. + +Zooals wij zeiden, leven de larven op planten: een enkele leeft in het +water, o.a. die van de Donacia’s, prachtkevertjes, de wij langs de +waterkanten vangen. Ons bestek laat niet toe, alle kevers, die tot deze +groep behooren te behandelen, wij hebben er enkelen uitgekozen, die +iedereen vangen en bestudeeren kan. Tot de schadelijke voor de +cultuurplanten behooren o.a. het lelietorretje, het aspergekevertje, +het elzenhaantje, de aardvlooien, het mosterdtorretje en ook de +buitenlandsche coloradokever. Hoewel deze kever niet in dit album thuis +hoort, willen wij er toch iets over zeggen, omdat hij een 35 jaar +geleden ook ons land in opschudding bracht. Deze kever is een Amerikaan +en leefde tot 1859 op wilde planten, die tot de familie der aardappels +behooren. Maar in dat jaar vertoonde hij zich voor ’t eerst op de +aardappels en werd toen de schrik der Amerikanen, want in 1 jaar +ontstaan er wel 3 of meer generaties van dezen kever. De kever won hoe +langer hoe meer veld en werd een ware plaag. In Europa werd men ook +bevreesd voor hem, en vooral ook in ons land, waar zooveel aardappels +worden geteeld. Over het geheele land heeft men toen afbeeldingen van +den kever verspreid, opdat men hem dadelijk zou herkennen als hij soms +hier of daar voorkwam. Intusschen is hij bij ons nog niet waargenomen, +wel 2 maal in Duitschland en ook eenige keeren in Engeland. De kever +was dan met andere artikelen uit Amerika overgekomen. Nog onlangs heeft +men een paar kevers in Engeland gevonden in de dokken. En nu gaan wij +voort met de beschrijving der plaatjes. + +No 68. Wilgenhaantje. (Phyllodecta vulgatissima). Op de wilgen leven +meerdere haantjes. Dit haantje is 4 tot 5 m.M. lang en men kan het van +Mei tot September op de wilgen vinden. De kleur van de dekschilden is +metaal-glanzig, groenachtig-blauw. Pooten donker gekleurd. De +verpopping heeft in den grond plaats. Een andere soort is Phyllodecta +vitellinae, iets kleiner, wat smaller; ze is 4 tot 4? m.M. Deze kever +is vooral berucht, omdat hij onze grienden dikwijls zwaar beschadigt. +Grienden zijn stukken laag land, die bepoot zijn met wilgen. De takken +van deze wilgen worden gebruikt voor mandenwerk, hoepels, enz. Komen er +nu veel van deze kevers in de grienden voor, dan worden de takken kaal +gevreten en houdt de groei der takken op. Dit wilgenhaantje komt in ’t +voorjaar uit zijn schuilhoek en gaat direct op de jonge wilgenblaadjes +af. Hij eet er van en legt daarop de eieren. De larven eten ook van de +bladeren, kruipen dan den grond in, verpoppen, en spoedig zijn er weer +nieuwe kevers. Die planten zich ook weer voort en in den nazomer +verschijnt voor de derde maal een leger kevers. Deze blijven den winter +over en komen in ’t voorjaar weer voor den dag. Er komen dus per jaar 2 +generaties voor. + +Wat zal men nu doen om deze kevers te bestrijden? Veel geld moet dit +niet kosten, want de opbrengst der teenen is ook niet zoo hoog. Het +eenvoudigste is in het voorjaar met een geteerde plank tusschen de +wilgen te gaan en dan tegen te takken te kloppen. De kevers springen +weg en zeer velen komen op de geteerde plank terecht. Men moet dit +eenige keeren herhalen en er vooral vroeg mede beginnen. Deze eerste +kevers zijn de grondleggers van de verdere familie. Men kan wat later +in den tijd de teenen ook wel bespuiten met een petroleum-emulsie om de +larven te dooden, doch die raakt men niet zoo gemakkelijk. In sommige +streken doet het wilgenhaantje veel schade, maar dat is meestal eigen +schuld, omdat men er weinig of niets tegen doet. + +No 69. Populierenhaantje. (Melasoma populi). Dit is het grootste van +alle haantjes en wordt 9 tot 12 m.M. lang; ’t is blauwzwart, doch de +schilden zijn rood. Er komen wel 7 soorten hiervan in ons land voor, +doch deze is de grootste. Men vindt ze veel op lage populieren. De +eieren worden op de bladeren gelegd, waar ook de larven leven, die ook +op de bladeren verpoppen. Gewoonlijk vindt men eierhoopjes, larven, +poppen en kevers tegelijk op denzelfden boom. Het is een mooi dier. De +eieren zijn roodachtig. Raakt men de larven aan, dan komen er groote +vochtdruppels naar buiten, die sterk rieken. Dit vocht is een +verdedigingsmiddel. Is het gevaar geweken, dan trekt het vocht weer het +lichaam in. Het vocht bevat salicyl-aldehyd. + +No 70. Goudhaantje. (Chrysomela fastuosa). Dit is het bekende mooie +torretje, dat we al in Mei op de witte doovenetel vinden. Het is een +prachtig diertje, dat veel kleurvariatie vertoont in zijn dekschilden. +De eitjes worden gelegd op de bladeren, waar ook de larven leven en de +verpopping geschiedt. Wie een terrarium of rupsenhuis bezit, moet eens +een doovenetelplant in een pot zetten en daarop wat goudhaantjes +brengen, dan kan men de geheele ontwikkeling van dit mooie diertje +zien. Het mannetje is iets kleiner dan het wijfje; de lengte loopt van +4? tot 6½ m.M. + +No 71. Schildpadtorretje. (Cassida nebulosa). Van deze torretjes komen +er 17 soorten bij ons voor. Zij danken hun naam aan de sterke +ontwikkeling van het halsschild en de dekschilden, die als het ware te +groot zijn voor het dier. Daardoor heeft deze tor iets +schildpadachtigs. Deze kever wordt 5½ tot 7 m.M. lang en 3 tot 5 m.M. +breed. De larve leeft op melde, een wilde plant, doch gaat ook wel over +op de bieten, en wordt dan zeer schadelijk. Het beste is de kanten der +bietenakkers van onkruid te zuiveren, dus zwart te maken. De kevers +overwinteren. Soms heeft er een groote „keververhuizing” plaats. Zoo +werd er in September 1872 een groote zwerm van deze torren in Amsterdam +waargenomen. Dat ze in Amsterdam neerstreken was een vergissing, want +daar viel voor haar niets te eten. Wel belangrijk zou het zijn te +weten, wat deze dieren tot zoo’n verhuizing drijft. + +No 72. Lieveheersbeestje. (Coccinella septempunctata). Het treft wel, +dat wij van den laatsten kever, dien wij hier bespreken, niets dan +goeds kunnen vertellen. En dat goeds zit dan hierin, dat het diertje +eigenlijk een echte kannibaal is, die blad- en schildluizen en mijten +eet, die onze kultuurplanten aanvallen. Van het uiterlijk der kevers +behoeven we eigenlijk geen beschrijving te geven, zoo bekend zijn deze +torretjes. De dekschilden van den „zevenpuntige” zijn helderrood met +zeven zwarte punten. Andere soorten zijn weer anders gekleurd en hebben +een ander aantal punten. In ’t geheel komen er van deze +Lieveheersbeestjes in ons land 22 soorten voor. In ’t najaar kan men ze +in grooten getale aantreffen, soms heele zwermen. Ze maken zich dan +gereed om te gaan overwinteren, waarvoor ze onder allerlei afval +wegkruipen. Als men ze in den herfst verzamelt en in een flesch doet, +waar wat verdroogde bladeren in zijn, dan kan men ze gemakkelijk den +winter overhouden, als de flesch op zolder wordt gezet. De overwinterde +kevers komen in April en Mei weer voor den dag en leggen dan hun eieren +op planten, waar reeds de eerste bladluizen aangekomen zijn. De larven, +die uit de eieren komen, kunnen dan dadelijk aan den maaltijd beginnen. +De verpopping geschiedt ook aan de planten, zoodat we de geheele +ontwikkeling boven den grond kunnen waarnemen. In den zomer ontstaat er +nog een tweede generatie. Omdat zoowel de larven als de kevers zeer +vraatzuchtig zijn, vernietigen ze veel blad- en schildluizen; ze +behooren tot onze beste vrienden. Zelf hebben ze niet veel vijanden. +Door vogels, die anders menig insect verslinden, worden de coccinella’s +weinig gegeten. Dit zit vermoedelijk hierin, dat de kevers bij +aanraking een geel vocht kwijtraken, dat zeer giftig is voor +warmbloedige dieren. Dit vocht komt uit de pooten, tusschen dij en +scheen. Vroeger meende men, dat het bloed was, doch dat is onjuist. Het +is ’t zelfde vocht, dat wordt afgescheiden door de galklieren. Ook de +larven scheiden zoo’n vocht af. + +Zooals we reeds zeiden, zijn de Lieveheersbeestjes zeer belangrijk voor +onze kulturen van wege hun vraatzucht, die soms onder de larven zoo +groot is, dat zij haar eigen soortgenooten opeten. De omstandigheid, +dat men de kevers kunstmatig kan kweeken, heeft aanleiding gegeven, dat +men deze torretjes met succes in den tuinbouw heeft gebruikt en nog +gebruikt. Hoewel dit succes in ’t buitenland is behaald en de +mededeeling daarvan feitelijk buiten ons program valt, willen wij er +toch iets van mededeelen omdat het zoo interessant is, en duidelijk +illustreert wat wij onder de biologische bestrijdingsmethode van +insectenplagen hebben te verstaan. + +In Californië werd de cultuur van sinaasappels, die aan boomen groeien, +geheel bedreigd door een schildluis, Icerya purchasi, die de boomen +totaal verwoestte. Wat men er ook tegen deed, men kon deze schildluis +geen baas worden. Vele boomgaarden had men al gerooid, want de boomen +brachten toch niets op. De insectenkundigen lieten het er evenwel niet +bij zitten. Er moesten toch vijanden van deze schildluis bestaan, en +het zou daarom de moeite loonen, die te gaan opsporen. De Amerikanen, +een ondernemend volk, zijn er op uitgegaan en hebben in Australië een +kever gevonden, die dienst zou kunnen doen. Die kever was een O. L. +Heersbeestje, en heet Novius cardinalis. Van dien kever heeft men er +vele verzameld, ze met bladluizen voortgekweekt en toen naar Amerika +gezonden. + +Men heeft daar Novius op de schildluizen los gelaten en met welk +resultaat? De plaag is volkomen tot staan gebracht; Novius heeft een +opruiming onder de schildluizen gehouden van belang. En nog heden is +hij daarmede bezig. Het gevolg is, dat de cultuur van sinaasappels weer +mogelijk werd, en thans weer bloeit. Novius werd in 1889 in Amerika +ingevoerd. + +Uit dit geval zien wij, dat het heel goed mogelijk is insectenplagen +door andere insecten te laten bestrijden, als men de vijanden maar weet +te vinden. Het mooie en practische van deze methode is, dat ze weinig +kost. Als de vijand er eenmaal is, vermeerdert hij er wel, en wij +hebben er niets meer aan te doen. Wij laten het de dieren onder elkaar +maar uitvechten, en de grootste roovers winnen het dan wel. Deze +bestrijdingswijze heet de biologische methode, omdat zij berust op de +kennis van de biologie of levensleer der dieren. + +Nog een ander geval van een ander O. L. Heersbeestje. In de laagvlakten +van Californië wordt veel gedaan aan meloenenteelt; honderden H. A. +zijn daarvoor in gebruik. Deze éénzomerige plant heeft veel te lijden +van bladluizen, zoo erg, dat hierdoor jaarlijks enorme schade werd +geleden. Wat men ook deed, men kon de jaarlijks terugkeerende +bladluizenplaag niet tot staan brengen. En wat de mensch niet kon, kan +een O. L. H. beestje wel. Er leeft in Amerika zoo’n torretje, dat den +naam draagt van Hippodamia convergens. Als het najaar wordt gaat deze +kever overwinteren, net als onze kevertjes. Het eigenaardige is evenwel +dat de H. convergens naar de bergen trekt en daar met zijn +soortgenooten in groote hoopen bijeenkruipt. Dan zitten er +honderdduizenden op hoopen bij elkaar. Ze vallen daar in een +winterslaap en spoedig bedekt de sneeuw hen. Wat doet nu de Amerikaan? +Hij laat door speciale „keverjagers” deze torren in den winter +verzamelen, in groote zakken doen en zoo naar beneden brengen. Daar +worden ze opgeslagen in koelpakhuizen, om ze niet te doen ontwaken, +want warmte wekt hen. Is de meloenenteelt nu zoo ver gevorderd, dat de +bladluizen weer aan het werk gaan, dan krijgt iedere kweeker een +zending O. L. Heersbeestjes thuis. Voor 1 H. A. zijn noodig 7500 +kevers, en omdat er 4000 H. A. voor deze kultuur in gebruik zijn, heeft +men totaal 30 millioen kevers noodig. En die worden dan ook gevangen. +Natuurlijk telt men de torren niet, doch men weegt ze. 30 millioen +torren wegen tusschen de 400 en 500 K.G. + +Men ziet, wat een practisch gebruik de Amerikanen weten te maken van +deze torren. Maar ze zouden er nooit toe gekomen zijn, als niet eerst +die insectenkundigen het leven van deze kevers hadden bestudeerd. Uit +dit geval blijkt weer duidelijk hoeveel nut de studie der insecten voor +het practisch leven afwerpt. + +Willen wij in het klein het voorbeeld der Amerikanen volgen, dan +verzamelen wij in het najaar O. L. Heersbeestjes en laten die in Mei op +onze rozen los, waar dan de eerste bladluizen al aan het werk zijn. + +En hiermede nemen wij afscheid van deze nuttige kevertjes. + + + + + + + + +PLAAT VII. + +FRANJESTAARTEN. OORWORMEN. HAFTEN. WATERNIMFEN. KAKKERLAKKEN. + + +Franjestaarten. + +Dit is de 1ste Orde der insecten; zij zijn ’t minst gewijzigd. Zij +hebben geen gedaanteverwisseling en dus ook geen vleugels; hun +monddeelen zijn bijtend en hun sprieten bestaan uit vele leden en zijn +draadvormig. Het achterlijf bestaat uit 10 vrije segmenten, waarvan het +laatste draadvormige, gelede aanhangsels draagt, die men staarten noemt +en borstelig behaard zijn; vandaar dat ze franjestaarten heeten. +Bovendien dragen zij aan de buikschilden van het achterlijf ongelede +stiften, die bewogen kunnen worden en dienst doen bij de verplaatsing. + +No 73. Suikergast. (Lepisma saccharina). Deze diertjes worden hoogstens +10 m.M. lang. Als ze uit het ei komen lijken ze al precies op de ouden; +door veelvuldige vervellingen worden het ten slotte imago’s. Omdat zij +zich zeer snel bewegen, noemt men ze ook wel schietmotten; deze naam is +hier evenwel onjuist, omdat daarmede de 14de Orde wordt aangeduid, de +kokerjuffers. + +De suikergast heeft zeker zijn naam te danken aan zijn snoeplust. Hij +is een bekende gast in huis en in de magazijnen; overal, waar het niet +te droog is, vindt men hem. Heel veel voedsel gebruikt het beestje +niet. In bibliotheken voedt het zich gaarne met de stijfsel en gom +achter de banden; het vreet ook de lijm achter de etiketten weg. Men +noemt het beestje ook wel zilvervischje, vanwege de kleur van het +schubbenkleed: van boven glanzig loodgrauw, van onder wit. In +provisiekasten is het een onaangename verschijning en om hem te vangen +legt men toegevouwen lappen neer, waarin het diertje zich overdag +verschuilt. Ook strooit men wel insectenpoeder uit, en hoewel dit iets +geeft, werken de lappen beter. Hoe droger de kasten zijn, hoe minder +last men van het diertje heeft. In oude huizen en bibliotheken, waar de +zon weinig binnenkomt en weinig gelucht wordt, treft men ze veel aan. + + + +Oorwormen. + +De oorwormen of oorkruipers vormen de 3de Orde der insecten. Hun +gedaanteverwisseling heeft van lieverlede plaats zonder poptoestand; de +metamorphose is dus onvolkomen. De monddeelen zijn bijtend; de sprieten +draadvormig. Vier vleugels, waarvan de voorste (dekschilden) tot +vliegen ongeschikt zijn. De achtervleugels zijn halfcirkelvormig en +worden waaiervormig ineen geplooid en bovendien 2 maal in de lengte +toegeslagen. Daardoor kunnen zij als een pakket onder de dekschilden +worden opgeborgen. Aan het achterlijf bezitten zij twee harde staarten, +die beweegbaar zijn en samen een tang vormen. Tot afweer van vijanden +bezitten ze z.g. „stinkklieren”. Bij ons komen 3 soorten voor; over de +heele wereld zijn al meer dan 500 soorten bekend. + +No 74. Oorworm of Oorkruiper. (Forficula auricularia). De lengte van +dit dier loopt, zonder tang, tot 15 m.M. Aan de tangen zijn de +geslachten te onderscheiden; die van het mannetje zijn meer gekromd en +aan de binnenzijde nog getand. Bij het wijfje loopen de binnenzijden +meer parallel, en alleen de topeinden zijn gekromd. De oorworm is een +nachtdier; overdag houden zij zich schuil in hoeken en gaten en onder +steenen en anderen rommel. + +’s Nachts trekken ze eropuit. Ze eten zoowel plantaardig als dierlijk +voedsel; ze zijn polyphaag. Ze lusten graag vruchten en zijn ook +verlekkerd op bloemknoppen van de peer. Ze eten ook veel schadelijke +dieren op, al merken wij daarvan ’s nachts niets. Bladluizen en kleine +rupsen worden gaarne verorberd. Het wijfje legt de eieren in den grond +en bewaakt ze eenigen tijd; zoo’n moederlijke zorg komt zelden bij de +insecten voor; meestal ziet de moeder haar jongen nooit. Trots hun +goede zijde, om schadelijke insecten te verorberen, worden ze toch +bestreden wegens het nadeel dat ze aan het fruit toebrengen. Men +bestrijdt ze aldus: + + + 1º men maakt ’s winters de schuttingen goed schoon, omdat in de + gaten daarvan de oorwormen overwinteren; + 2º men vangt ze ’s zomers door het neerleggen van rolletjes papier, + rietstengeltjes, waarin ze wegkruipen; ook omgekeerde mandjes; men + vult kleine bloempotjes met mos en zet die omgekeerd op stokjes; + ook daarin kruipen ze dan weg. Men past dit eveneens toe om + oorwormen uit dahlia’s te houden. + + +Dat oorwormen een speciale voorliefde voor onze gehoorgangen zouden +hebben is een verzinsel; ook, dat zij met de tangen het gehoorvlies +zouden doorpriemen. Hoe men aan dit praatje gekomen is? Wanneer iemand +in ’t gras gaat slapen, kan het best gebeuren, dat een opgejaagde +oorworm een goed heenkomen zoekt en omdat hij overdag een holbewoner +is, kruipt hij de gehoorgang in, die voor hem een schuilplaats is. Maar +kwaad doet hij er niet. Tot de vijanden van de oorwormen behooren: +meezen en andere insectenetende vogels, kikkers, padden, roofkevers en +enkele sluipvliegen. Oorwormen zijn sterk; van ’t weer trekken ze zich +weinig aan. + + + +Haften. + +Zij vormen de 4de Orde der insecten. Men noemt ze ook wel ephemeriden +of ééndagsvliegen, vanwege hun korten levensduur als imago. Hun +gedaanteverwisseling is onvolkomen; ze bezitten bijtende monddeelen, en +korte sprieten; ze hebben 4 vleugels, vliezig en naakt, waarvan het +achterste paar klein is; aan het achterlijf 2 of 3 lange gelede +staarten. De larven leven in het water; in ons land komen 41 soorten +voor. + +No 75. Oeveraas. (Palingenia longicauda). Deze haften verschijnen +gewoonlijk op vasten tijd in Juni; zoo om en bij St Jan (24. Juni) en +daarom noemt men ze wel St Jansvliegen. Ze komen dan tegen den avond, +om een uur of zeven uit het water opzetten; vooral uit groote rivieren +als de Maas, de Lek, de Waal. ’t Is een eigenaardig gezicht deze dieren +bij honderden en duizenden uit het water te zien opkomen. Maar nog +merkwaardiger is het, dat zij, éénmaal in de lucht zijnde, nog éénmaal +vervellen. Ze stroopen de huid af en laten die vallen. In onze jeugd +zeiden we, dat ze hun „hempje” uittrokken. Ze leven maar een paar uur. +In dien tijd zetten ze eieren op het water af, die dadelijk zinken. Dat +is maar goed ook, anders zouden ze spoedig door de visschen worden +opgegeten, die op de enkele „vliegavonden” toch al zoo druk in de weer +zijn om de imago’s te snappen, waarop ze verlekkerd zijn. Het oeveraas +is dan ook een lekker hapje voor de visschen; dat blijkt ook, als men +deze dieren aan den haak slaat om er mede te visschen; de visschen +bijten dan uitstekend. De visschers weten dat en daarom bewaren zij er +velen in olie, om er later ook nog mede te visschen. + +Uit de eieren van het oeveraas komen larven, die zich dadelijk het +slijk van den bodem inwerken en daar leven van allerlei kleine dieren +en lage planten. De heele ontwikkeling duurt 3 jaar. Het mannetje van +het oeveraas wordt 24, het wijfje 28 m.M.; ’t mannetje is dus iets +kleiner. Daartegenover staat, dat het mannetje weer veel langer +staarten heeft; die worden tot 70 m.M. en van het wijfje maar 27 m.M. + +No 76. Gewone Haft. (Ephemera vulgata). In Mei en Juni vliegen ze langs +vele rivieren; de larve leeft ook in slib. Ze zijn kleiner dan de +vorige. Lengte van 14 tot 22 m.M.; de drie staarten van het mannetje +zijn ruim 30, van het wijfje ruim 20 m.M. lang. Deze haft leeft langer +dan de vorige; het duurt wel 1 of 1½ dag voor ze het hempje uittrekt. +Soms bewegen deze dieren zich zeer ver van de rivieren het land in. + + + +Waternimfen—Libellen. + +Dit is een groep insecten, de 5de Orde, waarmede reeds de kinderen +vroeg kennis maken. Iedereen kent de mooie kleurige „juffertjes” die +langs het water vliegen en de groote libellen, die zich veel verder van +’t water begeven. Dat de groote soorten goed bekend zijn maken we op +uit de vele namen, die zij gekregen hebben. Men noemt ze: korenbouten, +rombouten, sparrebouten, glazenmakers, paardenbijters, bijenbijters, +puistenbijters, vileinenbijters, bleinenbijters, blazenbijters, +wrattenbijters, donderbolken, hengsten en vliegende garnalen. Dat ze +echte bijters genoemd worden, daarvan zullen we straks de reden hooren. + +Hun gedaanteverwisseling is onvolkomen; een larve, die spoedig een +imago zal worden, is afgebeeld op Plaat I No 8. Men leze daar de +beschrijving nog eens na. De monddeelen zijn krachtig ontwikkeld; het +zijn bijters. Ze leven van insecten, die ze in de vlucht vangen; men +noemt ze wel de „zwaluwen” onder de insecten, omdat deze vogels ook op +die wijze insecten vangen. Zeer krachtig is ook de onderlip ontwikkeld, +die bij de larven vervormd is tot een vangtang, die uit- en ingetrokken +kan worden. + +De sprieten zijn verdwijnend klein; zeer kort, haarvormig. De oogen +zijn bij de grootere soorten zeer groot; ze raken elkaar. Bij de +kleinere juffers staan ze een heel eind van elkaar af. Ze hebben +bovendien 3 puntoogen. + +Ze bezitten allen 4 vleugels, die volgens hetzelfde type gebouwd zijn. +Bij de kleine juffers zijn ze alle gelijk, bij de grootere zijn de +achtervleugels aan het worteleinde wat breeder. De vleugels zijn +vliezig, naakt, netvormig geaderd. In ruststand worden ze niet +toegeslagen; de grootere soorten houden ze in rust vlak, de kleinere +soorten rechtop, achterwaarts gebogen. Vooral de grootere zijn beste +vliegers; trouwens, dit brengt hun roofdierkarakter mede; zij moeten +hun buit gaan opzoeken. + +Het borststuk is kort, forsch; veel dikker dan het lange achterlijf. +Het midden- en achterborststuk staan schuin, waardoor de flinke slanke +pooten meer voorwaarts staan, en de vleugels meer naar achter. Met de +pooten kunnen zij hun prooi vangen en dan gemakkelijk naar den bek +brengen. + +Het achterlijf is zeer lang en slank, en bestaat uit 10 segmenten; aan +het laatste segment zitten een paar ongelede aanhangsels. + +Het voedsel is van dierlijken aard; zoowel de larven als de imago’s +zijn carnivoren. + +De larven leven in het water. Zij halen adem door tracheekieuwen aan ’t +einde van ’t achterlijf, of door tracheekieuwen, die plooien zijn van +den endeldarm. De larven bewegen zich schoksgewijze; zij persen het +water uit den endeldarm en schieten dan tegelijk voort. De einddarm +werkt als zuigperspomp. Er zijn nog stigma’s om gassen uit te laten. Om +haar vraatzucht worden de larven zeer gevreesd in vischvijvers. + +De geheele ontwikkeling van ei tot imago duurt één jaar. De eieren +worden in ’t water gelegd; de larven overwinteren. + +Een eigenaardigheid van de nimfen is, dat zij soms in zulke groote +aantallen vliegen, dat zij ieders aandacht trekken. In 1900, 7 en 8 +Juni, had zoo’n reusachtige trek plaats; de dieren vlogen vanuit het +westen en verplaatsten zich in oostelijke richting. Millioenen +exemplaren moeten dat geweest zijn, want er kwam aan de vlucht geen +einde. Zelf hebben wij ze toen in Amsterdam waargenomen; ze waren niet +gemakkelijk te vangen. Bij onderzoek bleek, dat de dieren niets in hun +maag hadden. De soort, die toen vloog, was Libellula quadrimaculata, +afgebeeld op No 78. Door heel Nederland werd de vlucht waargenomen. Ook +van andere waternimfen zijn zulke zwermen in ons land waargenomen; tot +heden is het nog niet gelukt dit zwermen te verklaren. + +De libellen vertoonen schitterende kleuren, die bij opgezette +exemplaren niet altijd even mooi blijven. Er komen in ons land 53 +soorten voor, zoodat wij hieruit kunnen opmaken, dat er in de slooten +en plassen heel wat strijd door deze carnivoren wordt gevoerd. Zoo’n +sloot is een permanente „slachtplaats”. + +No 77. Gewone Platbuik. (Libellula depressa). De naam platbuik wijst op +het sterk afgeplatte en breede achterlijf, dat bij de mannetjes blauw +beslagen en bij de wijfjes geelbruin is. Aan den wortel der vleugels +een tamelijk groote, bruine vlek. Het dier is 47 m.M. lang, en de +voorvleugels ieder 36 m.M. In Mei komen de eerste, in Juli zijn er de +meeste en einde Augustus zijn ze weer voor goed weg. Ze komen veel +voor, alleen in veenstreken minder. + +No 78. Glazenmaker. (Libellula quadrimaculata). Dit dier heeft in het +midden aan den bovenrand der vleugels een donkere vlek; daarom heet het +quadrimaculata. Deze libel is 45 m.M. lang en heeft een vlucht van 80 +m.M. In Mei komen ze en in begin Juni zijn ze er volop; dan begint het +aantal af te nemen. Deze soort komt soms in ongelooflijke hoeveelheden +voor. + +No 79. Groote Gordelglazenmaker. (Aeschna grandis). Deze glazenmaker is +op den tweeden ring van het achterlijf vernauwd; het lijkt of hij daar +een gordel om heeft; vandaar zijn naam. Het dier is te herkennen aan de +roestbruine kleur, ook van de vleugels en pooten. Bij elken +wortelvleugel op den rug een blauw vlekje. De mannetjes hebben blauwe, +de wijfjes gele vlekjes en stippen op het achterlijf. Het dier heeft +een lengte van 70 m.M. en een vlucht van 95 m.M. + +No 80. Meerjuffer. (mannetje en wijfje). (Calopteryx virgo). Deze +waterinsecten zijn veel slanker en dragen daarom den naam van juffers. +Bij de meerjuffer treffen we een mooi voorbeeld van dimorphisme aan. De +vleugels van het mannetje zijn geheel donkerblauw, de wortel en de +spits uitgezonderd; het achterlijf is ook prachtig licht staalblauw. De +vleugels en het achterlijf van het wijfje zijn bruinachtig. Het zijn +mooie diertjes, die in stroomende beekjes in het oosten en zuiden van +ons land zich ontwikkelen. Wij vingen ze zelf wel in de Leuvenumsche +bosschen op de Veluwe. Lengte 47 m.M., vlucht 65 m.M. + +No 81. Juffertje. (Agrion pulchellum). Dit is de meest bekende soort +van de kleinere juffertjes. Er komen hiervan verschillende soorten +voor, die allen mooi geteekend zijn. Ze zitten altijd aan de +waterkanten op oeverplanten of vliegen daar rond. Lieve diertjes. +Lengte 35 m.M.; vlucht 42 m.M. + + + +Rechtvleugeligen. + +Wij komen nu aan de 7de Orde der insecten, die der Rechtvleugeligen; +hiertoe behooren de dieren afgebeeld op No 82 tot en met No 90. In de +leerboeken over Insectenkunde worden de Rechtvleugeligen aldus +ingedeeld: + + + I. Cursoria of loopende rechtvleugeligen. + + a. Blattiden of kakkerlakken. + b. Phasmiden of spooksprinkhanen. + c. Mantiden of roofsprinkhanen. + + II. Saltatoria of springende rechtvleugeligen. + + d. Acrididen of sprinkhanen. + e. Locustiden of sabelsprinkhanen. + f. Grylliden of krekels. + + +Groep b en c zijn niet inlandsch, maar tegenwoordig kunnen wij in Artis +in Amsterdam geregeld het heele jaar door de Phasmiden zien; die worden +daar gekweekt. Het zijn de wandelende takken en wandelende bladen. +Iedereen kan er dus kennis mede maken. Verder kweeken verschillende +menschen voor hun pleizier wandelende takken op in huis; dat is een +liefhebberij van de laatste jaren. Het opkweeken van zijderupsen is van +veel ouderen datum. + +Er blijven dus vier inlandsche afdeelingen over: a, d, e, en f. Laten +we eerst iets in het algemeen over de Rechtvleugeligen zeggen. + +Hun gedaanteverwisseling is onvolkomen; ze hebben dus geen poptoestand; +de larven gelijken al veel op de imago’s. Verder voeren de larven een +gelijke leefwijze als de imago’s; ze leven allen op het land en +gebruiken hetzelfde voedsel. De monddeelen zijn krachtig ontwikkeld, +waarmede ze goed kunnen bijten. De sprieten zijn draad- of haarvormig. +Ze bezitten 4 vleugels; de voorste zijn leerachtig en kunnen niet +opgevouwen worden; de achterste zijn vliezig, breeder en kunnen +waaiervormig worden opgevouwen. Aan het achterlijf komen meestal +aanhangsels voor, die soms zeer groot zijn. Men noemt deze orde +Rechtvleugeligen naar de wijze, waarop de achtervleugels in rust worden +geplooid. Bij de springende zijn vooral de achterpooten sterk +ontwikkeld. Het aantal inlandsche soorten bedraagt 29. + + + +Kakkerlakken. + +De kakkerlakken zijn onaangename gasten in onze huizen, bakkerijen, +branderijen, plantenkassen, enz. Eigenlijk zijn de drie soorten, die +wij hier behandelen, van huisuit geen „inlandsche”. Ze zijn door het +internationaal verkeer verplaatst en zoo ook bij ons gekomen. Een paar +soorten komen bij ons in de vrije natuur voor, doch zijn van weinig +beteekenis. Een eigenaardigheid van de kakkerlakken is dat ze hun +eieren in „pakketten” leggen, die min of meer den vorm hebben van een +handtaschje. Een zeker aantal eieren worden dan gezamenlijk omkleed +door een kapsel, dat uit een stof bestaat, die door klieren wordt +afgescheiden. Deze pakketten worden dan hier en daar neergelegd. +Kakkerlakken zijn nachtdieren en eten alles wat eetbaar is. Omdat alle +kakkerlakken tot de lastige en schadelijke dieren behooren, worden ze +bestreden en wel aldus: + + + 1. Men zet een mengsel neer van arsenicum, meel en suiker; de + dieren, die hiervan eten gaan dood; inplaats van arsenicum neemt + men ook wel gips; borax met suiker is ook uitstekend. Men gebruikt + ook wel phosphorpillen, doch die zijn evenals arsenicum, gevaarlijk + ook voor den mensch. + 2. Men zet een ondiep bord met bier neer; om het den kakkerlakken + gemakkelijk te maken bij het bier te komen legt men stokjes en + smalle plankjes tegen het bord, waarlangs de beestjes naar het bier + klauteren. Ze drinken hiervan, worden bedwelmd, en vallen ten + slotte in het bier en verdrinken. + 3. Ook kan men lappen neerleggen, die met bier zijn gedrenkt. + 4. Er bestaan „kakkerlakkenvallen”; ’t zijn holle blikken trommels, + die den vorm hebben van een afgeknotten kegel, waarvan het + mantelvlak geribd is, zoodat de dieren gemakkelijk naar boven + kunnen klauteren. Het bovenvlak kan draaien om een horizontale + spil; in ’t midden van dit vlak ligt ’t aas, zooals boven is + aangegeven. Zijn de kakkerlakken naar boven en willen ze naar ’t + aas, dan kantelt het vlak en het dier valt naar beneden. + 5. Men zet bloempotten of kistjes neer, waarin stukjes brood, + waarover wat papiersnippers of houtwol. De dieren kruipen hierin en + kunnen gemakkelijk gevangen worden. + + +No 82. Duitsche Kakkerlak. (Phyllodromia germanica). Dit is de kleinste +van de drie soorten, 12 à 13 m.M. lang. De eierpakketten zijn soms zeer +groot, en bevatten wel 50 eieren. Zij komen veel voor in branderijen, +in hotels en ook in plantenkassen; ze komen met buitenlandsche planten +wel mee. Aan ’t achterlijf bezitten ze klieren, die een sterk riekend +vocht afscheiden. De kleur is geelbruin, naar ’t roodbruin loopend. Het +mannetje is iets platter dan het wijfje. Beiden hebben goed ontwikkelde +vleugels. + +No 83. Bakkerstor. Keukenkakkerlak. (Periplaneta orientalis). De +Hollandsche namen wijzen er al op, dat dit dier in bakkerijen en in +huizen voorkomt. Oorspronkelijk komen ze uit Azië. Lengte 20 tot 24 +m.M. De voorvleugels zijn iets korter dan ’t achterlijf. Het wijfje +heeft haast in ’t geheel geen vleugels; de voorvleugels lijken een paar +schubjes. De kleur van het dier is donker kastenjebruin, de pooten zijn +iets lichter. De dieren zijn in ’t bezit van stinkklieren. De naam tor +is onjuist. + +No 84. Amerikaansche Kakkerlak. (Periplaneta americana). Dit is de +grootste van de drie; 28 tot 32 m.M. lang. Mannetje en wijfje hebben +beiden vleugels die langer dan het achterlijf zijn. Ze zijn iets +lichter gekleurd dan de vorige soort. Ze komen in onze huizen niet veel +voor, doch wel in dokken, pakhuizen, fabrieken, vooral in +suikerraffinaderijen; sommige schepen kunnen er mede „vergeven” zijn. +Evenals bij de vorige soort worden ook hier onaangenaam riekende +klierstoffen geproduceerd. + + + + + + + + +PLAAT VIII. + +SPRINKHANEN. KNAGERS. WANTSEN. + + +Sprinkhanen. + +Bij de beschrijving van Plaat VII hebben wij de sprinkhanen in drie +groepen ingedeeld, de Acrididen of gewone sprinkhanen, de Locustiden of +sabelsprinkhanen en de Grylliden of krekels. No 85 en 86 +vertegenwoordigen de eerste groep, No 87 de tweede en No 88, 89 en 90 +de derde groep. + + + +De gewone sprinkhanen of Acrididen. + +De sprieten zijn kort, draadvormig. De tarsen zijn drieledig. Het +gehoororgaan zit aan de basis van het achterlijf. Waar een gehoororgaan +is, moeten ook geluidsorganen zijn. Het geluid wordt voortgebracht door +de mannetjes. Zij bezitten een rasp (een reeks tanden) aan de dikke dij +van den achterpoot, die gewreven wordt tegen de aderen van den +voorvleugel. De wijfjes bezitten voor het eierleggen maar een zeer +korte legboor; eigenlijk mag het geen legboor heeten, zoo kort is ze. +De meeste soorten leven in zand, heide, veen, duinen; het zijn +dagdieren en ze houden veel van zon. Hiertoe behooren ook de +buitenlandsche sprinkhanen. Het zijn planteneters; ze lusten graag +graanplanten. + +No 85. Gestreepte Grashupper. (Stenobothrus lineatus). Deze soort +behoort tot de kleine sprinkhanen, die overal voor ons uitspringen, als +we op de heide loopen. Er zijn een vijftal soorten van bekend. Het +achterlijf is groen, aan het einde rood bij het mannetje en geel bij +het wijfje. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes; de eersten zijn +19, de laatsten 22–24 m.M. lang. De kleur is niet steeds standvastig. + +No 86. Europeesche Treksprinkhanen. (Pachytylus migratorius). Deze +sprinkhaan komt van tijd tot tijd bij ons voor, maar veel meer in het +oosten en zuidoosten van Europa. Intusschen komt hij ook voor in +Duitschland, Frankrijk en zelfs in Engeland. Om dit land te bereiken +moeten ze het Kanaal overtrekken. Het zijn dan ook goede vliegers; ze +bezitten „luchtzakken” aan de tracheeën, evenals de meikevers. Dat +volpompen der luchtzakken door de meikevers noemen de jongens +„geldtellen”. Deze sprinkhanen laten zich door den wind dragen. Zoo’n +sprinkhanentrek heeft dan plaats in Juni en Juli. Ook bij deze +sprinkhanen is het mannetje kleiner dan het wijfje; de eerste wordt tot +48 m.M., de tweede tot 55 m.M. lang. Een andere soort Europeesche +treksprinkhaan is de Pachytylus cinerascens; ook deze komt in ons land +voor en veroorzaakt soms beduidende schade; het mannetje wordt tot 36 +m.M., en het wijfje tot 60 m.M. lang. Een grasveld, dat door jonge +larven is aangetast, kan men rollen of bespuiten met een oplossing van +500 L. water, 5 K.G. versch gebluschte kalk en 1 K.G. Parijsch groen. + + + +Sabelsprinkhanen of Locustiden. + +Deze groep sprinkhanen heeft lange sprieten, die haarvormig zijn en +meer dan 30 leden tellen. De tarsen zijn 4-ledig. Het gehoororgaan zit +aan de scheen van den voorpoot. Geluid wordt voortgebracht door de +vleugels. De linkervleugel bezit een verheven ader (rasp) aan de +onderzijde; de rechtervleugel een verheven lijst aan de bovenzijde. +Bovendien bezitten zij nog een resoneerapparaat, waardoor het geluid +versterkt wordt. Ook hier zijn de mannetjes de „levenmakers”. Deze +groep is verder gekenmerkt door het bezit van een groote legboor, een +„sabel”, waaraan de groep haar naam heeft te danken. + +Een legboor moet niet verward worden met een legbuis. Een legbuis is +een telescopische buis aan het einde van het achterlijf; de ringen van +zoo’n buis komen alleen voor den dag bij het eierleggen, anders zijn ze +ingetrokken. Een legbuis vinden we bij veel vlinders en goudwespen. + +Een legboor is een afzonderlijk orgaan, uit aanhangsels van het +achterlijf gevormd; aan de basis van de legboor ligt de opening, +waaruit de eieren komen. Bij de bijen, wespen en sommige mieren is de +legboor veranderd in een angel, die in rust is ingetrokken. + +De Locustiden zitten veel meer op boomen en struiken, dan de gewone +veldsprinkhanen, die meer op de vlakte blijven. Het zijn dan ook beste +klimmers. Sommigen van deze versmaden een vleeschmaaltje ook niet. +Hoewel ze overdag ook wel in functie zijn, zijn ze toch ’s avonds het +drukst; dan zingen ze langer en krachtiger. Sterke achterpooten, +springpooten. + +No 87. Groene Sabelsprinkhaan. (Locusta viridissima). Dit is een +prachtig dier, groot 28 tot 35 m.M.; de legboor wordt tot 25 m.M. lang, +en komt natuurlijk alleen bij het wijfje voor. Met die legboor worden +de eieren in den grond gelegd; eenige bij elkaar, tot een soort ruw +kapsel. Die eieren overwinteren en in het voorjaar komen de larven, die +in Juli en Augustus al volwassen zijn. Deze sprinkhanen maken ook jacht +op andere insecten; ze achtervolgen zelfs vlinders, die tegen het gras +komen rusten. Overdag kan men ze ook hooren „sjirpen”; ’s avonds is het +drukker. Men kan deze dieren, die grasgroen zijn, niet zoo gemakkelijk +zien, maar bij eenige oefening lukt het toch wel. Men vindt ze nogal op +wilgen, tusschen hoog gras, in moestuinen en op woeste plekken. Het +zijn aardige dieren in een terrarium; daarin kan men dan ook het +eierleggen zien. De vlucht van ’t dier gaat tot 10 c.M. Economische +beteekenis hebben deze sprinkhanen niet, want ze doen geen schade. + + + +Krekels of Grylliden. + +Deze insecten komen, wat de sprieten, de geluid- en gehoororganen +betreft, overeen met de vorige groep. De tarsen zijn evenwel 3-ledig. + +No 88. Veldkrekel. (Gryllus campestris). Deze krekel komt niet zoo +algemeen voor als men wel denkt; toch is hij in droge streken lang geen +zeldzaamheid. Hij is zwart; bij ’t wijfje zijn de voorvleugels +grijsbruin, en bij het mannetje donkerbruin; achterdijen van onder +rood, verder zwart. Lengte 19–27 m.M.; de mannetjes iets korter dan de +wijfjes. Legboor 11 tot 14 m.M. Deze krekel is eigenlijk een +holbewoner. Zoodra hij verontrust wordt, schiet hij er weer in. Peutert +men met een grashalm, dan krijgt men hem er wel uit. Op den bodem van +dat holletje worden de eieren gelegd. Hoewel de krekel een vegetariër +is, verslindt hij met gemak een soortgenoot, waarmede hij in gevecht is +geweest. + +Reeds in Mei kan men de krekels hooren. Dat zij er reeds zoo vroeg +zijn, komt doordat deze krekels als larven in de holletjes +overwinteren. In Artis heeft men deze krekels wel eens; men kan het +sjirpen dan „zien en hooren”. + +No 89. Huiskrekel. (Gryllus domesticus). Deze krekel is lang geen +vriend van den mensch. Het nachtelijk, eentonig, melancholisch gesjirp, +houdt ons uit den slaap. Het beestje heet kriekske, hiempje, heempje, +iem, eimke en iemerke. Het is slanker dan de veldkrekel en stroogeel +van kleur. Lengte 15–21 m.M.; het mannetje weer iets kleiner dan het +wijfje. Het is een huisdiertje, dat uit zuidelijke streken is +ingevoerd; in de vrije natuur komt het bij ons niet voor. Deze krekel +vertoeft gaarne in die deelen van het huis, waar het warm is en hij +genoeg schuilplaatsen vindt om zich overdag te verbergen, dus in +keukens, op boerderijen bij de vuurplaat en in bakkerijen. Het geheele +jaar door is de huiskrekel te vinden, in alle stadiën van ontwikkeling. +Hij komt veel voor in gezelschap van kakkerlakken. Komt er onraad, dan +tippelt hij snel weg. Hij peuzelt aan allerlei voedsel, liefst aan +zoete stoffen. Omdat zijn aanwezigheid voor den mensch grooten last +veroorzaakt, wordt hij vervolgd. Men tracht hem te vangen door zoete +stoffen neer te zetten en daarover arsenicum (vergif) te strooien; ook +gebruikt men wel bier of een suikerhoudend vocht. + +No 90. Veenmol. (Gryllotalpa vulgaris). Op Plaat I No 12 is een larve +van den veenmol afgebeeld en een en ander over de ontwikkeling van ei +tot imago gezegd. Ook hij is, evenals de veldkrekel, een „holbewoner”; +’t nest zit in den grond. Het wijfje beschermt de eieren; een soort +idyllische toestand, dien wij zelden bij de insecten aantreffen. ’t Is +jammer, dat het mooie van deze idylle verstoord wordt, doordat de oude +van tijd tot tijd enkele jongen oppeuzelt. + +De veenmol heeft krachtige voorpooten, die geheel tot graven zijn +vervormd, net als bij den gewonen mol. + +Het dier is 35 tot 50 m.M. lang, en heeft korte voorvleugels en groote, +zeer fraaie waaiervormige achtervleugels, die in rust aan het topeinde +draadvormig zijn ineengerold en benedenwaarts gekromd. + +Kleur bruin, aan de onderzijde lichter, aan de bovenzijde meer naar het +zwart; kort, viltig behaard, hier en daar met lange haren. + +Het mannetje kan met de voorvleugels een zwak geluid maken. + +In ’t geheel worden er een 200 tot 300 eieren gelegd. Op het +onderaardsche hol loopen verschillende gangen uit, juist als bij den +gewonen mol. De veenmol is een alleseter, en ongetwijfeld meer +carnivoor dan vegetariër, en als zoodanig dus nuttig (hij eet ook +slakken), maar in onze moestuinen is hij lastig, ook schadelijk doordat +hij jonge worteltjes eet, en den grond onder de zaaibedden omwoelt, +waardoor de planten verdrogen. Hij dient dus bestreden te worden. Men +zoekt de nesten op; die zijn zoo groot als een vuist en zeer hard. Men +maakt greppels in de bedden en graaft daar bloempotten in; de +veenmollen vallen er bij hun tochten in. Wil men een bed vrij van +veenmollen houden, dan moet men het omgeven met planken, die minstens 1 +d. M. in den grond zijn geslagen. Ook zinken platen kan men gebruiken. + +Tot de natuurlijke vijanden van den veenmol behooren: spitsmuizen, de +gewone mol, (dat is wel zijn ergste vijand), vossen, varkens, kraaien, +uilen, spreeuwen. De rupsenjagers vallen de larven en imago’s aan en de +kortschildkevers peuzelen de eieren op. De veenmollen zijn zeer +gevoelig voor het weer, zoodat bij ongunstig weer—groote koude, veel +vocht, sterke hitte en droogte—er velen vallen. + +De veenmol overwintert; legt men op de aangetaste bedden wat koe- of +paardenmest neer, dan kruipen ze daar gaarne onder en kan men ze +gemakkelijk vangen. Bij ons komt de veenmol voor in Z. Holland langs +den duinkant, in Zeeland aan den westkant, in den Achterhoek van +Gelderland, den oosthoek van Friesland, en in het westen van N. +Brabant. + + + +Knagers. + +Dezen naam geven wij aan de 8ste Orde der insecten. Hiertoe worden +gerekend de houtluizen, de vachtluizen en de termieten. De laatste +komen niet in ons land voor en vallen dus buiten onze bespreking. + +De knagers zijn insecten met een onvolkomen gedaanteverwisseling; ook +zijn er, die in ’t geheel geen gedaanteverwisseling doorloopen. De +monddeelen zijn bijtend; de vleugels zijn vliezig, vier in aantal; ze +kunnen evenwel rudimentair zijn of geheel ontbreken. + +No 91. Boekenluis. (Atropos divinatorius). Dit luisje is een bekend +diertje in onze bibliotheken en in de insectenverzamelingen. Vleugels +hebben ze niet meer; ze kunnen intusschen goed uit de voeten komen. Ze +leven van allerlei dierlijken en plantaardigen afval, ook van +schimmels. Ze behooren dus in de vrije natuur tot de opruimers en zijn +dus nuttig. Jammer is het, dat ze onze kostbare boeken en verzamelingen +ook als „oud vuil” beschouwen en die dus trachten te vernielen. Ook +onze eetwaren trachten ze weg te werken. Veel is er tegen dit kleine +goed niet te doen: veel luchten, de boeken geregeld uitkloppen. +Insectenverzamelingen worden van tijd tot tijd „ontluisd” door +zwavelkoolstof. Naphthaline verdrijft ze. Men moet de boeken- of +stofluisjes niet verwarren met de z. g, levende stof, waarvan soms +duizenden en duizenden exemplaren op onze meubels voorkomen. Deze +kleine diertjes zijn mijten, en bezitten, als ze volwassen zijn 8 +pooten; het hout- of boekenluisje heeft er maar 6. Een ander +boekenluisje maakt geluid, door met den kop tegen ’t hout te tikken; +daarom noemen ze dit ook wel „doodskloppertje” net als het kevertje, +afgebeeld op Plaat V No 50. Lengte ongeveer 1 à 1½ m.M. + +No 92. Duivenluis. (Lipeurus baculus). Deze luis is een vachtluis of +pelsvreter. Zij leeft, als bijna alle vachtluizen, op vogels; een +enkele soort op zoogdieren. De echte luizen leven wel op zoogdieren. In +ons land komen 59 soorten van pelsvreters voor. Gewoonlijk heeft het +woondier (gastheer) niet veel last van deze parasieten, want zij leven +van den afval van de huid, van de huidschilfers. Is het woondier jong, +of ziek en zwak, dan vermeerdert het aantal luizen zich zeer sterk en +gaan de dieren er wel eens aan dood. Kippen en musschen nemen graag +„zandbaden”; men meent dat ze zich dan ontdoen van de vachtluizen. Met +ditzelfde doel nemen de spreeuwen veel „waterbaden”. Vleugels +ontbreken. De eieren worden aan de veeren vastgekleefd. Van +verschillende soorten heeft men nog nooit de mannetjes waargenomen. Het +beste middel om de duiven vrij van luis te houden is den slag geregeld +te reinigen, uit te zwavelen en daarna met kalk te besmeren. Als men +hieraan de hand houdt, dan voorkomt men veel onheil. Men kan de huid +met wat glycerine bestrijken en er dan wat insectenpoeder tusschen +strooien. Men gebruikt ook wel insectenpoeder-tinctuur of penseelt de +huid met een 3% lysoloplossing. + + + +Wantsen. + +De wantsen behooren met de plantluizen en de dierluizen tot de 10de +Orde der insecten, tot de Rhynchota of halfvleugeligen. Deze laatste +naam is lang niet op allen toepasselijk, zoodat het beter is te spreken +van „gesnavelden”. Het is ook het hoofdkenmerk van deze orde, dat deze +dieren in het bezit zijn van een geleden snavel. + +No 93. Roofwants. (Reduvius personatus). De naam wijst er weer op, dat +wij hier met een carnivoor te doen hebben. Zij vangen andere insecten +en zuigen die uit. Omdat ze maar langzaam loopen besluipen ze hun +prooi. Het zijn nachtdieren en als zoodanig vallen ze ook de weegluizen +of bedwantsen (No 94) aan, die den mensch last veroorzaken. Behalve +deze insecten, vallen ze nog andere schadelijke insecten in onze +woningen aan, zoodat wij ze in eere moeten houden, Het zijn echte +„insectenverdrijvers”. Intusschen ontzien ze ook den mensch niet; hun +steek is pijnlijk. Deze wants is voor een „huisinsect” tamelijk groot, +15 à 16 m.M. Het dier is bruinzwart, zacht en dicht behaard. Ook de +schilden zijn bruinzwart en behaard. De larve is ook een roover. Zij +weet zich met allerlei vuile stoffen te omhullen, zoodat zij +onherkenbaar is voor haar prooi. Op zolders, waar dikwijls stoffige, +rustige hoeken zijn, treft men deze roofwantsen wel aan. + +No 94. Weegluis of Bedwants. (Cimex lectularius). Dit dier is zeker wel +de onaangenaamste gast in onze woningen, speciaal in onze slaapkamers. +Ze is licht bruinrood; ’t lichaam is zeer plat en zonder vleugels. Van +de voorvleugels zijn nog een paar resten over, grof gestippeld. ’t +Achterlijf is breeder dan ’t borststuk. Lengte 5 m.M. Het dier +doorloopt een onvolkomen gedaanteverwisseling. De eieren worden in +allerlei hoeken en naden afgezet. + +De wants is een nachtdier. Ze komt ’s nachts te voorschijn en tracht +den mensch dan wat bloed af te tappen. Ze steekt haar snuit in de huid +en tegelijk vloeit er een vocht uit de speekselklieren, waardoor +zwelling en ontsteking volgt. Een snelle inwrijving met azijn stilt de +pijn. De wantsen kunnen maandenlang een hongerkuur ondergaan, wat haar +zeer te pas komt, want niet altijd hebben ze slachtoffers bij de hand. +Ze zijn een internationale plaag, en overal waar ze komen, stellen zij +de menschen in staat van beschuldiging, want alleen bij den minder +reinen mensch worden ze gevonden. Als de slaapkamers iedere week +„gedaan” worden, houdt men de wantsen wel weg. In de moderne woningen +treffen wij ze niet aan; wel in de oude, waar nog bedsteden zijn. In +logementen van „trekkende bedelaars” zijn het stamgasten. Ook in +„landverhuizershotels”. Zulke hotels worden van tijd tot tijd met +blauwzuur gezuiverd. + +Betrekt men een oud huis, dan kan men dit voor alle zekerheid, ook op +deze wijze laten reinigen. Men maakt ’s nachts wel jacht op hen; bij +aanraking scheiden ze een onaangenaam vocht af; die wantsenlucht is +typisch. Men hangt in kamers, die niet zuiver zijn, aan de wanden +stukjes geribd pakpapier; de wantsen kruipen dan hieronder en kunnen +overdag vernietigd worden. De wantsen zijn over de heele wereld +verspreid en reeds van ouds bekend. + +Op zwaluwen en duiven leven ook wantsen, die men wel in de vogelnesten +aantreft; zoo komen die ook wel in huis. Zij lijken heel veel op de +bedwants. + +No 95. Waterscorpioen. (Nepa cinerea). Bij het visschen met het +schepnet vangen wij dit insect heel dikwijls, want het komt veel voor. +Aan het achterlijf hebben de dieren een lange adembuis, waardoor lucht +naar de stigma’s wordt gevoerd. De eieren zijn voorzien van 7 +uitsteeksels. + +Zonder adembuis is deze waterscorpioen 20 m.M. Het dier is donkerbruin. +Een aardig dier voor het aquarium; ’t is een echte roover, dus houdt +hem apart. + +No 96. Lange Waterscorpioen. (Ranatra linearis). Dit is al een zeer +eigenaardig dier. ’t Lichaam is staafvormig. De adembuis is heel lang; +’t dier zelf wordt van 30 tot 40 m.M. ’t Komt niet zooveel voor als de +vorige soort, maar men kan het toch nog al eens vangen. Het dier +wandelt op den bodem van het water en vangt daar zijn prooi. De eieren, +die 2 stekels bezitten, worden in waterplanten afgezet. Het dier voedt +zich met daphnia’s (watervlooien). + + + + + + + + +PLAAT IX. + +WANTSEN. LUIZEN. NETVLEUGELIGEN. KOKERJUFFERS. + + +No 97. Rugzwemmer, Bootsmannetje. (Notonecta glaucus). Het +bootsmannetje zwemt zeer goed en meestal op den rug. Dit staat in +verband met zijn voeding, want het leeft van insecten, die op het water +vallen. Ligt hij nu op den rug, dan kan hij het terrein goed overzien +en snelt direct weg als er wat voor hem te halen is. In het voorjaar +legt het wijfje de eieren aan waterplanten of op den bodem. De larven +zijn ook al echte roovers, zwerven den heelen dag in het water rond en +toch groeien zij niet hard. In ’t najaar zijn ze volwassen. Het +bootsmannetje roeit snel met de achterpooten en bemachtigt zijn prooi +met de voorpooten. Dan zwemt hij er mede weg en verwerkt het verder met +zijn krachtigen snavel. + +Droogt ’s zomers de sloot op, waarin hij leeft, dan zoekt hij vliegend +een ander water. Houdt men hem in een aquarium, dan moet men dit +bedekken. Door vliegen op ’t water te werpen kan men hem voeden. Men +onthoude, dat hij ook den mensch gevoelig steken kan. Het diertje +overwintert in den modder. Het is langwerpig, van boven bol, van onder +vlak; dus precies een bootje; kleur bruingeel. Lengte 14 tot 15 m.M. + +No 98. Duikerwants. (Corixa geoffroyi). Dit is ook een heel gewone +wants, 13 m.M. lang. Het lichaam is van boven en onder zwak gewelfd. +Van boven donker, groenachtig zwartbruin, sterk glimmend, van onder +bruingeel. Hij komt overal voor. Hij voedt zich voornamelijk met larven +van steekmuggen en andere dieren. + +No 99. Schuimbeestje. (Philaenus spumarius). Wanneer wij ’s zomers +buiten loopen, zien wij vaak aan verschillende planten „speeksel” +zitten; ’t is of iemand er tegen gespuwd heeft. Bij nader onderzoek +blijkt, dat in dat speeksel—men noemt het koekoekspog—een klein beestje +zit. Dat beestje is de larve van het schuimbeestje. Het speeksel komt +niet uit den mond, doch uit klieren aan het achterlijf; door het +inpersen van lucht ontstaat dan het schuimachtig voorkomen. Vroeger +meende men dat het schuim uit vloeibare uitwerpselen bestond. Het +schuim schijnt voor het dier een beschutting te zijn. Na de laatste +vervelling verlaat het dier zijn schuimverblijf en vliegt rond. Het +legt eieren op de schors van boomen, waar die overwinteren. In ’t +voorjaar komen de larven daaruit. Het diertje is 5 tot 6 m.M. lang en +zeer algemeen. Hoewel het op verschillende cultuurplanten voorkomt, +doet het toch feitelijk nooit schade. Het is dus van geen economische +beteekenis. + + + +Plantluizen. Bladluizen. + +Nu komen wij aan een groep insecten, die van het grootste belang zijn +voor ieder; voor den land-, tuin- en boschbouwer en ook voor den +particulier, die wel eens bloemen of groenten kweekt. Bladluizen en +schildluizen komen overal voor. En wanneer wij in het voorjaar onze +planten bekijken, en zien hoe de bladluizen al aanwezig zijn, dan +vragen wij ons af: Waar komen de bladluizen in het voorjaar vandaan? Om +die vraag te kunnen beantwoorden, zullen wij in ’t kort en zeer in ’t +algemeen iets uit de biologie of levensleer van de bladluizen +vertellen. Wij zullen dat doen zeer in ’t algemeen, want er zijn +zooveel bijzonderheden van te vertellen, dat wij daarmede alleen wel +verschillende albums kunnen vullen. In 1885 waren er in Europa al 700 +soorten bladluizen bekend en nu kennen wij er al over de 1000. Op den +populier leven 36, op den eik 30 soorten bladluizen. Het krioelt overal +van bladluizen. De ontwikkeling gaat aldus: + +In den winter kunnen wij vinden wintereieren. Uit die wintereieren +komen in het voorjaar ongevleugelde wijfjes en die worden nu de +moeders, de stichtsters van de groote luizenkolonies; daarom noemt men +ze fundatrices. Zoo’n fundatrix brengt levende jongen voort, die in ’t +bezit zijn van vleugels; deze gevleugelde bladluizen zijn ook weer +allen wijfjes. Zij vliegen weg naar andere planten, ze gaan verhuizen, +en daarom noemt men ze migrantes, verhuizers. Deze migrantes ziet men +in April en Mei door de lucht vliegen. Zijn ze op de geschikte plant +beland, dan brengen deze gevleugelde bladluizen jongen voort, die +evenwel ongevleugeld zijn; bovendien zijn het allen weer wijfjes. Deze +ongevleugelde wijfjes, brengen op hun beurt weer andere ongevleugelde +wijfjes voort en zoo gaat dat in den zomer maar door, 6, 7, 8 en meer +geslachten achtereen; dan zitten de planten vol luis. Tegen den nazomer +ontstaan gevleugelde wijfjes, die weer terugvliegen naar de plant, waar +de fundatrix werd geboren. Deze terugvliegers noemt men remigrantes. +Zijn ze daar aangekomen, dan brengen ze op haar beurt jongen voort en +nu komen er voor het eerst mannetjes bij. Vervolgens leggen de wijfjes +eieren; die eitjes zijn de wintereieren, waaruit in ’t voorjaar weer de +fundatrices komen. Laten wij het nu nog eens in volgorde opschrijven, + + + 1. een winterei; hieruit komt + 2. een fundatrix, een ongevleugeld wijfje; dit brengt voort: + 3. gevleugelde wijfjes, migrantes, die wegvliegen en op andere + planten gaan voortbrengen: + 4. ongevleugelde wijfjes, die in eenige geslachten achtereen niet + anders doen dan ook ongevleugelde wijfjes voortbrengen: + + dan komen er + + 5. gevleugelde wijfjes, die naar de oorspronkelijke plant vliegen + en brengen daar voort: + 6. mannetjes en wijfjes; deze laatste gaan eieren leggen en dat + zijn de + 7. wintereieren. + + +Dat is dus een geheele geschiedenis met de bladluizen en het heeft +jaren geduurd voor men er achter was. + +Bladluizen, die voor haar ontwikkeling 2 planten noodig hebben, noemt +men 2-huizige bladluizen. Een voorbeeld hiervan is de bladluis, die op +sneeuwballen (Viburnum) leeft. In ’t voorjaar en wat later verhuizen +hiervan veel bladluizen naar de boonen, erwten, papaver, salade, +spinazie, peen, en in den nazomer keeren de gevleugelde wijfjes weer +terug naar de sneeuwballen. Deze bladluis heet Aphis rumicis (papaveris +of evonymi). Gewoonlijk blijven er nog vele exemplaren op de +sneeuwballen achter, zoodat die altijd in de luis zitten. + +De meeste bladluizen zijn twee-huizig. + +Van sommige bladluizen speelt de heele historie op één plantensoort af, +en dan noemt men ze één-huizig; hiertoe behoort de rozenbladluis, die +op plaatje No 100 is afgebeeld. Van deze bladluizen verhuizen er in ’t +voorjaar ook, maar altijd naar dezelfde soort plant als waarop zij +geboren werden. + +Het merkwaardige in de ontwikkeling der bladluizen is dus dit, dat +alleen in het najaar mannetjes en wijfjes optreden en dat verder +uitsluitend wijfjes worden voortgebracht. Wij hebben deze voortplanting +reeds vroeger genoemd als heterogonie of cyclische voortplanting. Uit +het bovenstaande volgt, dat men de bladluizen al vroeg in ’t voorjaar +moet bestrijden. De heterogonie van de bladluis is in 1745 ontdekt; dat +gaf toen een heele opschudding in de wetenschappelijke wereld. Hoe +enorm de voortplanting der bladluizen is, moge hieruit blijken, dat als +1 wijfje 30 jongen voortbrengt, het aantal in de 5de generatie al is +aangegroeid tot ruim 24 millioen. Geen wonder, dat onze rozen ’s zomers +gauw „in de luis zitten”. + +De uitwerpselen der bladluizen zijn zoetig; daarom worden zij beschermd +door de mieren, die dat zoet erg lekker vinden; zelfs kweeken zij de +bladluizen daarom. Op boomwortels zetten zij wel bladluizen neer, om +zoo haar „honingkoetjes” dicht bij huis te hebben. + +Bladluizen hebben veel vijanden: oorwormen, mijten, de larven van +zweefvliegen, gaasvliegen, lieveheersbeestjes en vooral de kevertjes +zelf ook; dan nog sluipwespen. Ook worden sommige door schimmels +aangetast. Tot bescherming tegen deze vijanden bezitten de bladluizen +geen verweermiddelen. Zij bezitten op het achterlijf evenwel 2 +„pijpjes” waardoor een kliervocht naar buiten komt. Met dit vocht +schijnen zij zich in te smeren als verweermiddel. Intusschen schijnen +ook de mieren dit kliervocht wel te lusten; zij brengen door trommeling +met de sprieten de klieren tot productie en nuttigen dan dit vocht. + +No 100. Rozen-Bladluis. Ongevleugeld en gevleugeld wijfje. +(Siphonophora rosae). Dit diertje staat erg ongunstig bekend; het heeft +geen enkelen vriend. Met haar snuitje boort zij in de sappige steeltjes +en blaadjes en haalt zoo de sappen er uit, die bestemd waren voor de +rozen en bladeren, om daarvan te groeien. Ze belemmeren dus den groei, +ook voor het volgende jaar, want de geheele plant wordt minder +krachtig. Met haar uitwerpselen maken zij de plant vies en kleverig; +daardoor raken ook de poriën der bladeren dicht en blijft er allerlei +vuil op hangen. ’t Is alles misère, dat de bladluizen ons bieden. Hoe +kunnen wij ze nu bestrijden? + + + 1. In het voorjaar, als wij de rozen snoeien, moeten wij alle + afgesneden takjes verbranden, omdat daarop de wintereieren zitten. + 2. Zijn we wat verder en zijn de rozen al aardig aan het uitloopen, + dan bespuit men ze iedere week met de volgende oplossing: 10 L. + water, 1 ons zachte zeep en 1 maatje brandspiritus. Goed door + elkaar schudden. Het kost haast niets en het helpt prachtig. Houdt + men deze bespuiting vol, dan blijft men zonder luis. + + In den handel zijn vele middelen, die onder allerlei vreemde namen + worden aangeboden, maar die zijn alle veel te duur. Zelfs een + geregelde bespuiting met koud water helpt vaak al voldoende. + + 3. De luizen met een veer afborstelen en opvangen op een vochtig + bord. + 4. Vang zooveel mogelijk O. L. Heersbeestjes en zet die tusschen de + rozen; ze zullen de bladluizen wel inrekenen. In Augustus en + September zijn er velen te vangen; zet ze maar neer, ze helpen ons + het volgende jaar wel. + + +No 101. Bloedluis. (Schizoneura lanigera). Deze plantenluis is een +groote kwelling voor de vruchtenkweekers, want ze houdt den groei van +de takken tegen en beschadigt die, waardoor de boomkanker intreedt. Men +noemt het dier bloedluis, omdat men bij stukwrijving een bruinen +smeerboel krijgt. Men spreekt ook wel van wolluis, omdat het dier +omhuld is door een wollige wasmassa. Wanneer men op een appelboom wat +wit wolligs ziet, is dat de bloedluis. Zitten de jonge scheuten erg +vol, dan moet men die afknippen en verbranden. De bloedluis overwintert +aan de stammen en takken en ook aan de wortels. In deze periode is ze +nog het best te bestrijden, omdat men dan goed kan zien, waar ze zit. +Men neemt een niet te dikke schilderskwast, waarvan men de haren voor +een derde deel afknipt; wat overblijft is dan wat stijver. Nu doopt men +deze kwast in petroleum of brandspiritus en drukt daarna stevig op de +met luis bezette plaatsen. Voor een deel doorpriemt men de luizen en +voor een ander deel sterven ze door de petroleum en de spiritus. Als +men er geregeld de hand aan houdt, wordt men de bloedluis wel meester. +Omdat de gevleugelde luizen ook overvliegen, moet men altijd op zijn +hoede zijn. + +No 102. Komma-Schildluis. (Mytilaspis pomorum). Een schildluis is een +plantenluis, die leeft onder een schildje of plaatje van was, dat ze +zelf vervaardigd heeft. Zij zuigt aan de planten en beschadigt deze op +dezelfde wijze als de bladluizen dat doen. In plaats van schildluizen +noemt men ze ook wel dopluizen. Zij planten zich voort door eieren; de +moeder bedekt die met haar lichaam tot de jongen uitkomen. Ook op +kamerplanten treft men wel schildluizen aan, b.v. op palmen. De +komma-schildluis, die ook wel de mosselvormige schildluis heet,—het +schildje lijkt wat op een mossel of komma—komt op allerlei planten, +boomen en heesters voor. Om haar te bestrijden reinigt men de stammen +en takken in den winter met een 10% oplossing van z.g. oplosbaar +carbolineum. De dunnere takken worden met deze oplossing bespoten. + + + +Luizen op mensch en dier. + +Deze dieren behooren tot de blijvende parasieten, die hun geheele +ontwikkeling op het woondier of op den mensch doormaken. Ze komen +alleen voor op zoogdieren en voeden zich met het bloed. Daartoe steken +ze haar snuit in de huid en brengen tegelijk een weinig vocht daarin, +om het bloed rijkelijk te doen toevloeien. De diertjes zijn maar zeer +klein, en de mannetjes zijn nog iets kleiner dan de wijfjes. Ze +ondergaan geen gedaanteverwisseling, zoodat we aantreffen kleine en +groote luizen van denzelfden vorm. De eieren worden gelegd aan de haren +van het woondier; men noemt die eieren neeten. Binnen één maand zijn de +luizen volwassen. Doordat de luizen van den eenen mensch op den anderen +overgaan, kunnen zij allerlei huidziekten overbrengen; ook inwendige +ziekten, omdat zij met het bloed der menschen in aanraking komen. + +Onder het volk heerscht de meening, dat luizen zoo maar uit niets +kunnen ontstaan; dat is onjuist. Elke luis komt uit een ei, dat door +een volwassen luis is gelegd. Verder loopt onder het volk het +verhaaltje nog rond, dat ieder mensch een „luizenbos” bij zich heeft, +welke bos, ’t zij bij ’t leven, ’t zij bij den dood van den mensch, +losbreekt en zich over het lichaam verspreidt. Ook dit is onwaar. +Alleen menschen, die zich niet reinigen, komen in de luis. En waar die +luizen vandaan komen? Men doet ze op in openbare gebouwen, in trams, in +treinen, en op allerlei plaatsen waar ook minder zindelijke menschen +komen. Op school doet het eene kind ze van het andere op. Arme +menschen, landloopers, die zich weinig reinigen en hun kleeren niet +laten wasschen, zijn de kweekers en verspreiders van luizen. + +Luizen komen ook voor op ratten, honden, konijnen, runderen, paarden, +enz.; dat zijn alle verschillende soorten. + +No 103. Hoofdluis. (Pediculus capitis). De sprieten bestaan uit 5 +leden, en het achterlijf heeft 7 of 8 duidelijke ringen. De wijfjes +zijn hoogstens 2,7 m.M. en de mannetjes hoogstens 1,8 m.M. lang. Dit +dier komt meer bij kinderen voor dan bij volwassenen. Geregeld de +hoofdjes der kinderen goed reinigen, iedere week, is het beste middel. +Zijn er diertjes waargenomen, dan doopt men de fijne kam eerst in +azijn, voor men er mede door de haren gaat. In den handel is een z.g. +„hoofd-eau de cologne”, die ook uitstekend werkt; niet als +voorbehoedmiddel, maar als bestrijdingsmiddel. + +Is de huid van het kinderhoofdje ontstoken, dan moet men dubbel acht +geven, omdat de parasieten in het ontstoken gedeelte gaan huizen, en +daar hevige jeuk veroorzaken. Reinheid, reinheid; bij ontsteking den +dokter raadplegen, en voor schoolgaande kinderen: korte haren. + +No 104. Kleerluis. (Pediculus vestimenti). Deze parasiet is grooter dan +de vorige. Het wijfje wordt tot 3,3 m.M. en het mannetje tot 3 m.M. Het +dier huist in de wollen onderkleeren en voedt zich met het bloed van +den mensch. Het kan op de menschelijke huid allerlei gezwellen en +ontstekingen veroorzaken. Vroeger, toen de reinheid onder de menschen +veel te wenschen over liet, veroorzaakte zij de z.g. „luisziekte”. Ze +komt alleen voor bij menschen, die niet geregeld van ondergoed +verwisselen. Daarom wordt van landloopers en andere menschen, die zeer +vervuild zijn, al het boven- en ondergoed verbrand als zij in een +ziekenhuis worden opgenomen. Zelf ondergaan ze een hygiënisch bad om de +parasieten, die op de huid zitten, te dooden of te verwijderen. Ook de +kleerluis is een overbrengster van besmettelijke ziekten. + + + +Netvleugeligen. + +Deze groep, die een 50-tal inlandsche soorten telt, is de 12de Orde der +insecten. Zij ontleent haar naam aan de 4 gelijkvormige, vliezige, +naakte vleugels, die netvormig geaderd zijn; de voorste vleugels zijn +gewoonlijk iets grooter. Intusschen zijn het geen beste vliegers. + +De gedaanteverwisseling is volkomen; de monddeelen zijn bijtend en de +sprieten lang; geen staartdraden. De larven leven meestal op het land, +enkele in ’t water, ze vervaardigen geen woningen. + +No 105. Mierenleeuw. (Myrmeleon formicales). Over de larve hebben wij +uitvoerig verteld bij No 5 Plaat I. Van de imago, die er zoo geheel +anders uitziet als de larve, valt alleen te vertellen, dat het een +nachtdier is en weinig gevangen wordt. Het komt wel eens op ’t licht +af. ’t Lichaam is grauwzwart; de vlucht 60 tot 70 m.M. + +No 106. Gaasvlieg. (Chrysopa vulgaris). Dit is een mooi diertje; oogen +goudglanzig met groene aderen in de vleugels. De eieren zijn lang +gesteeld. De larven zijn hoogst nuttig, want zij bezitten zuigkaken, +waarmede zij bladluizen uitzuigen. Daarom noemt men deze larven ook wel +„bladluisleeuwen”. Deze gaasvlieg is zeer algemeen. + +No 107. Watergaasvlieg. (Sialis lutaria). Deze gaasvlieg, die evenals +de vorige geen eigenlijke vlieg is, want die heeft maar 2 vleugels, kan +men van April tot Juni veel langs de waterkanten vinden. Ze zitten dan +meestal op de oeverplanten, want het zijn slechte vliegers. Het geheele +lichaam is donker bruinzwart; ’t dier is 10 tot 15 m.M. lang en heeft +een vlucht van 24 tot 36 m.M. Op de bladeren der oeverplanten worden de +eieren gelegd. De larve gaat te water en leeft op den bodem, waar zij +haar prooi bemachtigt. Is ze volwassen, dan komt de larve op het land +en gaat daar verpoppen. + + + +Kokerjuffers of Schietmotten. + +Dit is de 14de Orde der insecten en in ons waterrijk land komen niet +minder dan 115 soorten voor. De geheele groep schijnt een voorlooper +van de vlinders te zijn. De vleugels zijn bezet met breede haren, die +naar schubben wijzen. De gedaanteverwisseling is volkomen; monddeelen +meestal bijtend; zeer lange, dunne sprieten. De vier vliezige vleugels +met haarschubben; de voorste vleugels iets steviger, de achterste iets +breeder en gedeeltelijk plooibaar. De larven leven in ’t water en maken +voor het meerendeel een woning, een kokertje. In deze woning brengen ze +ook den poptoestand door. + +Men zou de schietmotten kunnen verwarren met vlinders; ziehier de +verschillen. De schietmotten hebben geen roltong, doch kaken met groote +tasters; de voorvleugels steviger dan de achtervleugels en minder +doorschijnend. Ze bezitten lange pooten, een slanke gedaante en +sprieten, die in rust recht vooruit worden gestoken. + +De eieren worden gelegd aan waterplanten of in het water. + +De larven zijn zeer eigenaardige dieren, die in de bekende huisjes +leven. Is de larve volwassen, dan maakt zij haar huisje dicht met 2 +zeefplaatjes of met een sleufvormige opening. Dan verpopt ze in ’t +huisje. Voor de pop evenwel een imago is, komt ze al uit haar huisje; +met haar scherpe kaken bijt zij het huisje open. Dan zwemt de pop vrij +rond, door middel van haar middenpooten, die aan de scheenen en tarsen +voorzien zijn van haren. De pop zoekt vervolgens een steunpunt en de +imago komt voor den dag. De ontwikkeling duurt meestal 1 jaar; de +overwintering geschiedt als larve. Als groote bijzonderheid kan worden +vermeld, dat in enkele larven sluipwespen zijn gevonden. + +No 108. Geruite Kokerjuffer. (Limnophilus rhombicus). Men kan de +kokerlarven in allerlei wateren op den bodem vinden. Sommige huisjes +zijn typisch bekleed met schelpjes, stukjes hout, enz. De kokerjuffer +zelf is zeer algemeen. Op haar voorvleugels heeft ze 2 ruitvormige, +heldere vlekken; de vlucht bedraagt 31–42 m.M. Van Mei tot September te +vangen. + + + + + + + + +PLAAT X. + +VLINDERS (1). + + +Bij de beschrijving van Plaat II hebben we uitvoerig gesproken over de +rupsen en de poppen. We mogen dus hiernaar verwijzen en zullen thans +nog alleen iets vertellen over de vlinders. Zij vormen een groote, goed +herkenbare groep, die trots de verscheidenheid in kleur en grootte, +toch min of meer eentonig is. In het leven der vlinders zit niet veel +actie. Roofdieren hebben wij er niet onder; het zijn allen—voor +zooverre zij eten—honing- en boomsapsnoepers. Er is maar één geslacht +dat stuifmeel eet: Eriocephala. Veel behendigheid om den honing te +bemachtigen behoeven zij niet aan den dag te leggen; ze gaan op een +bloem zitten en halen hem er uit. + +Intusschen hebben de vlinders van af de vroegste tijden de aandacht van +den mensch getrokken, en wel voornamelijk door hun inderdaad +schitterende kleuren en vleugelteekeningen, die dan ook ongekend mooi +en interessant zijn. De vlinderpracht neemt toe naarmate we meer de +tropen naderen; ook de grootte. Dit neemt niet weg, dat we ook bij ons +prachtige soorten hebben. + +Het aantal inlandsche vlindersoorten bedraagt 1713; hiervan behooren +764 tot de grootere en 949 tot de kleinere soorten. Het aantal +dagvlinders is betrekkelijk gering, slechts 79, dus 4,6% van het totale +aantal. Laten we nu iets in ’t algemeen over de vlinders zeggen. + + + +1. De kop. + +De sprieten zijn zeer belangrijke organen. Vooral bij de schemer- en +avondvlinders treffen wij allerlei vormen aan. Meestal hebben de +mannetjes sterker ontwikkelde sprieten dan de wijfjes. + +De oogen zijn meestal groot; er komen ook nog stippeloogen voor, soms +ontbreken ze. + +De roltong of zuiger. Dit is het belangrijkste orgaan met het oog op de +voeding, en wordt gevormd door de twee zeer in de lengte uitgegroeide +onderkaken, die aan de binnenzijde zijn uitgehold. Sluiten zij nu tegen +elkaar aan, dat door z.g. sluitkaken geschiedt, dan vormen zij een buis +of kanaal, waardoor vloeistoffen kunnen worden opgezogen. Wordt de +roltong niet gebruikt, dan is zij opgerold. Een zeer lange roltong +hebben pijlstaarten; ook het koolwitje heeft een flinke. Aan den top +van den zuiger zitten nog allerlei papillen, tastorganen, waarmede de +vlinder het voedsel kan inspecteeren. + + + +2. Het borststuk. + +Aan dit deel van het lichaam zijn de pooten en de vleugels bevestigd, +waarmede het dier zich verplaatsen kan; ’t is dus een belangrijk +lichaamsdeel. + +De pooten zijn goed ontwikkeld; toch worden zij in ’t algemeen niet +zooveel gebruikt als bij de kevers. Bij de vanessa’s, +paarlemoervlinders en zandoogjes zijn de voorste pooten vervormd tot +poets-pooten; ze zijn sterk behaard. De poetspooten zijn verkort en +zonder klauwtjes. Het zullen dus reinigingsorganen zijn geworden. + +De vleugels. Wie een ernstige vlinderstudie wil maken, komt telkens op +de vleugels terug. Groote verschillen worden waargenomen in het verloop +der aderen. Ons kort bestek laat niet toe daarop in te gaan. De +vleugels zijn beschubd; een schub is een vervormde, platte haar, +afgescheiden door één cel. De vleugels zijn doode aanhangsels, er zit +geen leven in. Al wordt een vleugel dus beschadigd, doet dit het dier +geen leed. Aan het ondereinde zitten spieren, waardoor de vleugels in +actie kunnen worden gebracht. Bij vele nachtvlinders komt een +vleugelhaakje voor aan den wortel van de achtervleugels. Bij de +mannetjes bestaat dit haakje uit eenige verkleefde haren; bij ’t wijfje +zijn het meer losse haren. ’t Eerste verband is steviger; daarom zijn +de mannetjes beter vliegers. Bij de dagvlinders komen geen +vleugelhaakjes voor. Daarom zijn de dagvlinders slechte vliegers, zij +„fladderen” meer. De pijlstaartvlinders daarentegen „snorren” ’s avonds +met kracht door de lucht. Teekenend voor de vlinders in de +vleugelhouding. In rust hebben de dagvlinders de vleugels opgericht met +het bovenvlak naar binnen; men ziet dan alleen de ondervlakte, die +anders van teekening is, in ieder geval veel minder opvallend, dus meer +beschuttend tegen vijanden. Als een Atalanta tegen den stam van een +wilg rust, is hij alleen door een geoefend oog waar te nemen. Spanners +houden de vleugels altijd uitgespreid en vlak. Bij de meeste andere +vlinders liggen de voorvleugels dicht aan ’t achterlijf aangesloten en +bedekken de achtervleugels geheel. De vleugelteekening munt uit door +groote verscheidenheid, óók in kleur. Men treft allerlei lijnen, +strepen, banden, maanvormige en ronde vlekken (z.g. oogen), enz., enz., +aan. Daardoor ontstaat een rijkdom aan kleur en teekening, die wij in +geen enkele andere insectengroep aantreffen. + + + +3. Het achterlijf. Ook hierin is veel variatie; het is dicht bedekt met +haren en schubben. Dat het achterlijf uit ringen of segmenten bestaat +is goed te zien. Bij het opzetten van vlinders met een zwaar achterlijf +dient men te zorgen, dat dit niet doorzakt. + + + +Leefwijze. + +De voeding hebben wij reeds besproken. Sommige vlinders, die maar +enkele dagen leven, eten niets; hun monddeelen zijn geheel +teruggeloopen, ze hebben ze ook niet meer noodig. + + + +Vliegtijd. + +Het is belangrijk hierop eens te letten. Wie vlinders verzamelen wil +moet trouwens den vliegtijd kennen om ze te kunnen verschalken. Overdag +vliegen de dagvlinders, de sesia’s, enkele uilen en kleine motjes. Die +houden dus van de zon. Gaat de zon weg, dan komen veel kleine motjes of +uiltjes. Is het schemer, dan komen de pijlstaarten; iedere soort komt +op een bepaald uur; ’t is of ze een horloge op zak hebben, zoo geregeld +gaat alles in de natuur. De lindepijlstaart vliegt tusschen 9 uur en +half tien, de populierenpijlstaart komt een uurtje later. Wordt het +nacht, dan komen de uilen, spanners en spinners. Wordt het nu weer wat +lichter, dan krijgen we dezelfde volgorde, doch nu in tegenovergestelde +richting. De vlinderwereld is dus den geheelen dag en nacht in actie; +telkens verschijnen andere groepen, maar de menschen zien de meeste +niet. Het is een interessant stuk dierenleven, dat zich ’s avonds en ’s +nachts afspeelt, ook bij andere diergroepen dan de insecten. + + + +Levensduur. + +Sommige vlinders leven maar kort, één of twee dagen; andere leven maar +enkele uren. Als het eierleggen is afgeloopen gaan ze heen. +Pijlstaarten en eenige uilen leven maar een paar weken. Kleine motjes +en uiltjes leven soms maanden. De Vanessa’s en de Citroentjes +overwinteren als vlinder; die leven dus van Augustus en September tot +April en Mei. Dat is een zeer lange tijd, waarin ze geen voedsel +gebruiken. + + + +Generaties. + +Van veel vlinders komt maar één generatie per jaar voor, b.v. +pijlstaarten, ringelrups. Van andere 2, soms 3 generaties, b.v. het +koolwitje. + + + +Verspreiding der vlinders. + +De verspreiding der vlinders hangt samen met de aanwezigheid van +voedselplanten voor de rupsen en met het klimaat. Hoe warmer het +klimaat, hoe meer vlinders. Omdat in ’t oosten en ’t zuiden van ons +land gewoonlijk meer warmte heerscht dan in ’t noorden en westen +(zeeklimaat), vinden wij aan de oost- en zuidgrens vaak vlinders, die +men elders bij ons tevergeefs zoekt. B. v. de koninginnepage, die in ’t +westen zelden, maar in ’t oosten veel voorkomt; en zoo zijn er meer. + + + +INDEELING. + +Een eenvoudige en voor ons doel bruikbare indeeling is de volgende; in +wetenschappelijke werken volgt men een veel meer uitgewerkt systeem. De +vlinders worden ingedeeld in 2 hoofdgroepen: + + + I. Dagvlinders. II. Nachtvlinders. + + +Tot de dagvlinders behooren: + + + 1. Nymphaliden: Vanessa’s en Parelmoervlinders. + 2. Satyriden: Zandoogjes. + 3. Pieriden: Witjes. + 4. Papilioniden: Koninginnepage. + 5. Lycaeniden: Blauwtjes. + 6. Hesperiden: Dikkopjes. + + +1 en 2 hebben poetspooten, de anderen niet. + +Tot de nachtvlinders behooren: + + + 1. Sphingiden of pijlstaarten; ze bezitten een vleugelhaakje; de + sprieten zijn in het midden verdikt; goede vliegers. + 2. Bombyciden of spinners; geen vleugelhaakje, slechte vliegers. + Verschil tusschen mannetjes en wijfjes in de sprieten. + 3. Lipariden met vleugelhaakjes. + 4. Noctuiden of uilen; met draadvormige sprieten. + 5. Geometriden of spanvlinders; die hebben vleugels als de + dagvlinders. + 6. Microlepidopteren of motvlinders. Deze worden weer verdeeld in + bladrollers en motten; deze laatste hebben smalle vleugels met + franje. + + + +Dagvlinders. + +No 109. Citroentje. (Gonepteryx (Rhodocera) rhamni). Het mannetje is +citroengeel, van onder bleek; het wijfje groenachtig wit. Op elken +vleugel een oranje-stip, die van onder bruin is. Vlucht 49 tot 58 m.M. +De mooie vlinders vliegen tweemaal in ’t jaar; in ’t voorjaar en van +Juli tot het najaar. In Juli verschijnen de eerste van de nieuwe +generatie en deze blijven den geheelen zomer en verschuilen zich dan +gedurende den winter. Zij overwinteren dus als vlinder. In ’t voorjaar +worden de eieren gelegd op den vuilboom en kruisdoorn. De rups is dof +groen met een witten zijlijn. Komt in ’t geheele land voor. Geen +poetspooten. Eén generatie. + +No 110. Koninginnepage. (Papilio machaon). Rups en pop zijn afgebeeld +op Plaat II. No 14. Onze prachtigste vlinder, daarop doelt ook zijn +naam. Grondkleur geel; verder met zwarte aderen, vlekken en banden. Een +in het midden blauwachtige band op de achtervleugels, die in een +oranjebruine oogvlek op den staarthoek eindigt. Twee generaties, in ’t +voor- en najaar; de pop overwintert. In ’t oosten en zuiden van ons +land. Vlucht 62 tot 88 m.M. Geen poetspooten. + +No 111. Koolwitje. (Pieris brassicae). Voor de beschrijving verwijzen +wij naar het eerste hoofdstuk: „De Geschiedenis van het Koolwitje”. + +No 112. Kleine Vos. (Vanessa urticae). De rups leeft gezellig in +troepjes op den brandnetel. Ze zijn te vinden in ’t laatst van Mei en +begin Juni. Ook later nog, doch dat is dan de tweede generatie in +Augustus. De pop hangt aan de bladeren. Ze zijn gemakkelijk in huis op +te kweeken. Rups donker met groen en gele langslijnen. Op den +voorvleugel verstrooide zwarte vlekken en één witte. Donkere +achterranden met blauwe vlekjes. Grondkleur oranje met geel. Vlucht 38 +tot 49 m.M. Zeer algemeen. Komt op mooie dagen in Februari al uit zijn +schuilhoek. + +No 113. Parelmoervlinder. (Argynnis paphia). De vleugels van de +parelmoervlinders zijn helder roodgeel met zwarte vlekken of teekening. +Onderzijde der vleugels met parelmoervlekken; de afgebeelde soort heeft +3 parelmoerstrepen. Vlucht 57–69 m.M. De rups leeft op viooltjes. + +No 114. Groote Vos. (Vanessa polychloros). De rups leeft op allerlei +boomen, ook wel op vruchtboomen, en wordt in Juni en Juli daarop +aangetroffen. In Juli en Augustus vliegt dan de vlinder, die, zijn naam +zegt het reeds, veel gelijkt op den kleinen vos. Dof oranjebruin, met +geel gemengd: verstrooide zwarte vlekken op de vóór-, en één dergelijke +vlek op de achtervleugels. Onderzijde geel van grondkleur, geheel +donkerbruin gewaterd. Vlucht van 48 tot 60 m.M. Overwintert als +vlinder. Wordt soms op peren wel eens schadelijk. + +No 115. Dagpauwoog. (Vanessa Io). De rups en pop zijn afgebeeld op +Plaat II No 15. De vlinder is paarsachtig roodbruin; op elken vleugel +een groote oogvlek, vandaar zijn naam. De onderzijde is geheel +donkerbruin, zwart gewaterd. Hij vliegt vooral in Augustus en +September; in tuinen zit hij dan, evenals alle Vanessa’s, gaarne op +dahlia’s, zonnebloemen en andere composieten. Vlucht 52 tot 60 m.M. Hij +overwintert als vlinder en komt weer vroeg voor den dag in het +voorjaar. Op heldere dagen vliegt hij al in Februari en Maart. + +No 116. Koningsmantel. (Vanessa antiopa). Dit is een heel prachtige +vlinder; zijn naam wijst er op. De bovenzijde is koffie- of kersbruin +met gelen rand, en daarvoor paarse vlekken. De onderzijde is nog +zwarter dan bij Vanessa Io, met een meer witten rand tegenover den +gelen van de bovenzijde. Vlucht 58 tot 71 m.M. Hij vliegt in Augustus +en September, overwintert en komt in ’t voorjaar weer voor den dag en +legt eieren op wilgen, berken en populieren. De rups is zwart met roode +rugvlekken en witte haartjes. Vliegt wel overal en is toch zeldzaam. + +No 117. Nummervlinder. (Vanessa (Pyrameis) atalanta). Deze vlinder is +een mooie verschijning op de bloemen. Van boven is hij zwart met een +helrooden schuinen band over de voorvleugels; zoo’n band zien we ook +aan den rand van de achtervleugels. Witte vlekken aan de bovenpunt der +voorvleugels. De onderzijde der achtervleugels is zeer woelig +geteekend; men ziet er het getal 18, 98 of 89 op. Hieraan dankt hij +zijn naam; hij heet ook wel schoenlapper of admiraal. Vlucht 52 tot 56 +m.M. Hij vliegt in Augustus en September, overwintert, en komt in ’t +voorjaar weer voor den dag. De rups leeft op brandnetel, is evenwel +niet gemakkelijk te zien, want zij zit in saamgesponnen bladeren. Maar +heeft men er eenmaal een paar gevonden, dan herkent men de +rupsenverblijven gauw. Soms zitten er in de samengesponnen bladeren +spinnen of bladrollers. De poppen zijn met goud afgezet. Als het een +mooi najaar is vliegen de vlinders tot in ’t laatst van October, ja tot +in November. Het zijn prachtige rupsen om op te kweeken. Zij komen +overal voor. + +No 118. Groote Weerschijnvlinder. (Apatura iris). Eveneens een +prachtige, groote vlinder met een vlucht van 64 tot 75 m.M. Van boven +bruinzwart, bij het mannetje met helder blauwen weerschijn. Op de +voorvleugels witte vlekken en op de achtervleugels een witten band. De +rups is groen met witte puntjes en gele lijnen en leeft op waterwilg. +De vlinder vliegt in Juli en wordt in het oosten en zuiden van ons land +waargenomen. + +No 119. Het Goudvlindertje. Mannetje en wijfje. (Chrysophanus +(Polyommatus) virgaureae). Bij deze kleine vlindertjes,—de vlucht is +van 31 tot 33 m.M.—die ook wel vuurvlindertjes heeten, nemen wij een +zeer duidelijk dimorphisme in de vleugels waar. De bovenzijde van de +vleugels van het mannetje is roodachtig goud zonder weerschijn, bij het +wijfje goudgeel met 2 rijen zwarte vlekken op de voor- en 3 rijen op de +achtervleugels. De rups is groen met gele rug- en zijlijn; kop zwart. +Zij leeft op zuring en komt vooral op droge gronden voor. Het +vlindertje vliegt in Juli en Augustus. + +No 120. Het Blauwtje. Mannetje en wijfje. (Lycaena icarus). Ook bij +deze vlindertjes zien wij een duidelijk dimorphisme. Het mannetje is +boven geheel licht paarsachtig hemelsblauw en het wijfje is donker +zwartbruin. De onderzijde van de vleugels van het mannetje is +lichtgrijs, bij het wijfje meer donker en bruinachtig grijs met vele +vlekken. Vlucht 27 tot 32 m.M.; 2 of 3 generaties per jaar. Op heide, +bloemrijke weiden. De rups leeft op vlinderbloemigen en is dofgroen. +Deze vlindertjes zijn een aangename verschijning en laten zich +gemakkelijk uit rupsen opkweeken. Dan leert men tegelijk de aardige +poppen kennen. + + + + + + + + +PLAAT XI. + +VLINDERS (2). + + +No 121. Avondpauwoog. (Smerinthus ocellata). Evenals de andere +pijlstaarten en avondvlinders leeren wij den avondpauwoog het best +kennen door het opkweeken van de rupsen. Kunnen wij de dagvlinders nog +met het net „scheppen”, met de avondvlinders gaat dat niet. Intusschen +kan men ze wel eens op „de stroop” vangen. Doch mooie en ongeschonden +exemplaren van de vlinders krijgt men als men ze opkweekt uit rupsen; +bovendien leert men dan iets van hun leven. De rups van den +avondpauwoog leeft vooral op wilgen en populieren; zij is blauwachtig +groen, wit gestippeld, en heeft een witte streep aan de rugkanten; op +zijde witte schuine strepen. Het hoorntje is blauw; de pop donkerbruin +glanzig, met stekelige staartspits. De achtervleugels zijn rozenrood +met een groote, blauw en zwart gerande donkere oogvlek; vandaar zijn +naam. De rups is zeer algemeen en verpopt in den grond. Men zette in +het rupsenhuis dus een kistje met aarde. De rups vinden we in Augustus +en September; de vlinder komt uit de pop in Juni. Vlucht 75 tot 95 m.M. +De rups is 8–9 c.M. lang. + +No 122. Wolfsmelkvlinder. (Deilephila euphorbiae). De rups is afgebeeld +op Plaat II. No 16 en wordt 8–9 c.M. lang. De vlinder is zeer mooi. +Grauwgeel met rozenroode en groote donker-olijfgroene vlekken op den +voorvleugel. De achtervleugels en onderzijde zijn rood. Sprieten zijn +geheel wit. Vlucht 60–87 m.M. De vlinder vliegt in Juni en Juli. + +No 123. Bijvormige Sesia. (Trochilium apiforme). Deze vlinders gelijken +veel op wespen en deze sesia heeft veel gelijkenis met een groote wesp, +de hoornaar, Vespa crabro. Die gelijkenis ontstaat door het +grootendeels onbeschubd zijn der vleugels. De rups leeft in +populierenstammen, dicht bij den grond, en overwintert daar 2 maal. +Voor den tweeden winter spint zij een cocon van houtvezels; ’t volgende +voorjaar verpopt zij. De vlinder komt overal voor en heeft een vlucht +van 35 tot 50 m.M. Omdat de rups het ondereinde der boomstammen +ondermijnt, waaien deze bij storm wel om. + +No 124. Avondrood. (Deilephila elpenor). De hoofdkleuren zijn +olijfgroen en rozenrood. De wortelhelft der achtervleugels is zwart. +Het achterlijf is olijfgroen met roode ruglijn en zijden. Vlucht 55 tot +62 m.M. De rups vinden we van Juli tot September op fuchsia, galium, +wilgenroosje, en wordt 7 tot 8 c.M. lang. Hoorntje kort, zwartbruin. + +No 125. Beervlinder. (Arctia caja). De beerrups dankt haar naam aan de +ruige beharing; zij wordt 5 tot 7 c.M. lang en leeft op allerlei lage +planten; met brandnetel kunnen wij ze goed grootbrengen, ook met wilg +en notebladeren. Ze schijnen in haar menu niet kieskeurig. Men vindt de +rupsen zoowel in den nazomer als in ’t voorjaar. Dit komt omdat zij als +rups overwinteren onder allerlei rommel op den grond. In Juni of Juli +heeft de verpopping plaats in een los spinsel, waarbij wat verdorde +bladeren worden getrokken. De vlinders zijn buitengewoon mooi. De +voorvleugels zijn bruin, wit gemarmerd; achtervleugels en achterlijf +menierood, blauwzwart gevlekt. Sprieten van het mannetje gebaard. +Vlucht 55–70 m.M. + +No 126. Doodshoofdvlinder. (Acherontia atropos). De rups is afgebeeld +op Plaat II No 19, en daar beschreven. De vlinder is onze grootste. +Zijn vlucht loopt van 100 tot 134 m.M. Kop en borststuk zwart; op dit +laatste de „doodshoofdteekening”. Voorvleugels zwartbruin, door haren +en blauwwitte schubben blauwig. Achtervleugels helder okergeel met 2 +zwarte banden. Achterlijf ook okergeel, met staalblauwe rugbaan en +zwarte segmentgrenzen. Bij de wijfjes is het achterlijf dik en plomp. +Deze vlinder heeft de gewoonte om bijenkorven binnen te gaan. Daar +wordt hij door de bijen gedood en in de was (propolis) gezet. + +No 127. Lindepijlstaart. (Smerinthus tiliae). De achterrand der +voorvleugels is duidelijk gehakkeld. Kleuren niet standvastig. +Voorvleugels wittig paars tot okerbruin, vaak groenachtig; in het +midden een paar groene vlekken. In rust bedekken de voorvleugels wel de +achtervleugels, doch niet het achterlijf. De rups is lichtgroen met 7 +gele, van boven rood afgezette, schuine zijdestreepjes. Hoorn van voren +blauw. Voor de verpopping, die in den grond geschiedt, verkleurt de +rups. Pop is zwartbruin, dof, met een stekelige staartspits. Veel op +linden, iepen, ook op berken en elzen. De rups wordt 8 tot 9 c.M. lang +en is te vangen in Juli en Augustus. Pop overwintert in den grond. +Vlucht 60–80 m.M. + +No 128. Wilgenhoutrupsvlinder. (Cossus cossus). De rups is uitvoerig +beschreven naar aanleiding van Plaat II. No 23. Wij verwijzen daarheen. +De vlinder is een plomp dier, met een vlucht van 60 tot 90 m.M. Men kan +hem vangen einde Mei en begin Juni, zittend tegen stammen van +knotwilgen. Voorvleugels zilverachtig grijs, gemengd met bruingrijs en +geteekend met zwarte dwarsstrepen; achtervleugels meer effen en donker. +Achterlijf grijs, de ringen licht gerand. De rups is zeer algemeen en +komt overal in wilgenhout voor. + +No 129. Oleanderpijlstaart. (Deilephila nerii). Dit is een groote +prachtvlinder. Donkergroen met witte, rozenroode, paarse en gele +vlekken en strepen, zijn de voorvleugels; achtervleugels grijsachtig +paars. Het achterlijf groenig met witte segmentranden. Een mooi dier, +met een vlucht van 72 tot 112 m.M. De rups is zeer groot, van 12 tot 15 +c.M. Het is jammer, dat deze rups weinig bij ons voorkomt. Als ze hier +is, zijn de vlinders uit zuidelijker streken komen overvliegen. De +rupsen leven op Oleander, een heester, die in kuipen wordt gekweekt. In +zuidelijker streken komt de Oleander veel voor aan waterkanten en wordt +daar zeer hoog. In den warmen zomer van 1911 bloeiden de Oleanders bij +ons zeer mooi. + +No 130. Dennenpijlstaart. (Smerinthus (Sphinx) pinastri). Rups en pop +zijn afgebeeld op Plaat II. No 17. De vlinder heeft een vlucht van 75 +tot 80 m.M. en is grijs van kleur; op het midden van elken voorvleugel +drie overlangsche, zwarte streepjes. Achtervleugels donkerder dan de +voorvleugels, effen donkergrijs. De vlinder is te vangen van Juni tot +Augustus in dennenbosschen. + +No 131. Windepijlstaart. (Sphinx convolvuli). Dit is onze grootste +Sphinx met een vlucht van 95 tot 122 m.M. Kleur grijs, de voorvleugels +lichter en donker geteekend; op de achtervleugels donkere dwarsbanden. +De rups, die 12 tot 15 c.M. wordt, is geelbruin met donkere ruglijn; +donker afgezette, driehoekige schuine strepen op de achterlijfsringen. +Buik okergeel. Zij leeft op akkerwinde, dicht bij den grond. De pop is +licht roodbruin en te herkennen aan de gebogen zuigerschede, die niet +aan het lichaam aansluit. Soms komt deze rups in veel exemplaren voor. + +No 132. Bloedvlekvlinder. (Zygaena trifolii). Op de voorvleugels zien +we vijf roode vlekken; vandaar den naam. Op de achtervleugels een +breeden zwarten zoom. Vlucht 30 tot 36 m.M. Rupsen geelgroen, zwart +gevlekt. Pop groenzwart in een geel, perkamentachtig, spoelvormig +spinsel, tegen een stengel. De rups eet vooral rolklaver en komt op +drassige weiden veel voor. + + + + + + + + +PLAAT XII. + +VLINDERS (3). + + +No 133. Dennenspinner. (Gastropacha (Dendrolimus) pini). Van dezen +schadelijken vlinder is de rups afgebeeld op Plaat II No 24 en daar +beschreven. De voorvleugels van den vlinder hebben een gegolfden +achterrand; grondkleur chocoladebruin tot witachtig grijs; roodbruine +banden en in ’t midden een witte stip. De achtervleugels zijn donker +roodbruin. Vlucht 50–80 m.M. De vlinder vliegt van einde Juni tot +Augustus. + +No 134. Ringelrupsvlinder. (Malacosoma (Bombyx) neustria). Deze vlinder +legt zijn eieren in een ringetje om een takje; vandaar zijn naam. De +eieren worden met een klierstof vastgekleefd. Zoo overwinteren zij aan +allerlei boomen, ook aan vruchtboomen. In ’t voorjaar komen hieruit +rupsen, die eerst nog eenigen tijd gezellig samenwonen, doch als er +gebrek aan eten komt, gaat ieder haar eigen weg. Ze zijn zeer +schadelijk. In Amsterdam worden langs de grachten soms groote +verwoestingen aangebracht. De rups is bruinig en dun behaard, blauw met +oranjezwarte afgezette langslijnen en witte ruglijn. Kop blauw met twee +zwarte voorhoofdsvlekken. De vlinder is okergeel of bruinrood met +dwarslijnen; de achtervleugels zijn lichter dan de voorvleugels. Het +mannetje heeft een vlucht van 25 tot 35 m.M., het wijfje 35 tot 43 m.M. +De vlinders vliegen ’s avonds wel om lantaarns. + +Om deze zeer schadelijke rupsen te bestrijden, knipt men in den winter +de eierringetjes uit de boomen; dat is een heel werk, vooral in hooge +boomen. Toch doet men het zoo in Amsterdam. Als de rupsen er zijn, kan +men de brandspuit halen en ze den boom uitspuiten. De rupsen worden +aangevallen door parasietvliegen en sluipwespen, die vaak groote +opruiming onder haar houden. De rups komt helaas door heel Nederland +voor. + +No 135. Blauwe Weeskind. (Catocala fraxini). Deze vlinder en de +volgende hebben hun naam te danken aan de uitmonstering der +achtervleugels. Weeskinderen dragen en droegen gewoonlijk een kleeding, +waardoor zij gemakkelijk te herkennen zijn; in Amsterdam o.a. rood en +zwarte kleeding de kleuren van het stadswapen. De achtervleugels van +het blauwe weeskind zijn zwart met één lichtblauwen dwarsband. Het zijn +nachtdieren, die overdag met vlak dakvormig gelegde vleugels tegen +stammen, muren en schuttingen zitten. Ze zijn dan niet te herkennen. De +rups leeft op eiken, wilgen en populieren. De eieren overwinteren. Deze +vlinder behoort tot de zeldzame in ons land. Vlucht 80 tot 95 m.M. + +No 136. Roode Weeskind. (Catocala nupta). De achtervleugels zijn vuil +vermiljoenrood met een zwarten midden- en randband. De rups leeft op +wilg en populier en komt in het oosten en zuiden van ons land algemeen +voor. Vlucht 65 tot 75 m.M. + +No 137. Bessenspanvlinder. Harlekijn. (Abraxas grossulariata). Dit is +een heel aardig vlindertje, dat om zijn bont uiterlijk harlekijn heet; +in Groningen noemen ze hem „krentenpannekoek.” Vlucht 40 tot 45 m.M. +Het lichaam is geel en zwart bepunt; vleugels wit, met zwarte vlekken +en gelen band. Ook aan de rups zien we witte, zwarte en gele kleuren; +kop zwart. De rupsjes zien we in het voorjaar op aal- en kruisbessen en +op gekweekte ribesheesters; ook wel op frambozen, pruimen en abrikozen. +In ’t begin van Juni verpoppen de rupsen in een zeer los spinseltje, +uit eenige draden bestaand, aan de bladeren; de pop is gitzwart met +gele banden. Men ziet haar in ’t spinsel zitten. In Juli en Augustus +komen hieruit de vlindertjes, die zeer slecht vliegen; zij leggen hun +eieren op genoemde planten. In September komen hieruit weer rupsjes, +die eerst wat eten en dan met de bladeren naar beneden komen, waar ze +op den bodem overwinteren. De rupsen zijn spanrupsen. In het voorjaar +komen ze onder den rommel vandaan en beginnen haar vreterij. Men kan +deze rupsjes kwijtraken door den rommel onder de bessen bijeen te +harken en te verbranden. De rupsen worden door verschillende +sluipwespen aangetast. + +No 138. Berkenspanner. (Amphidasis betularia). De rups en pop zijn +afgebeeld op Plaat II. No 22. Deze vlinder heet ook wel „peper en +zoutvlinder”; dat ziet op de vleugelteekening. De vleugels toch zijn +krijtwit of helder grijswit, zwart bestoven, met zwarten middenvlek. Er +is van dezen vlinder een variatie bekend, die geheel zwart is. + +No 139. Kleine Wintervlinder. (Cheimatobia boreata). Dit zijn lastige +maar toch merkwaardige dieren. Zij zijn gekenmerkt door een sterk +sprekend dimorphisme; de mannetjes zijn normaal gevleugeld en de +wijfjes ongevleugeld of alleen voorzien van vleugelstompjes, waarmede +ze toch niet vliegen kunnen. De kleine spanrupsjes zijn in ’t voorjaar +zeer schadelijk aan allerlei vrucht- en andere loofboomen; onze kersen, +appelen en peren lijden er veel van. Zijn ze volwassen, dan verpoppen +ze in den grond. Het merkwaardige is nu, dat reeds in November en +December en gedurende den geheelen winter, als de bodem niet bevroren +is, de kleine vlindertjes uit den grond komen. De mannetjes vliegen dan +rond. De wijfjes kunnen dat niet en kruipen tegen de stammen op om bij +de knoppen eieren te gaan leggen. Om dit nu te voorkomen bindt men om +de stammen banden, waarop men lijm smeert. Willen de wijfjes nu naar +boven, dan moeten zij over dien band heen en raken dus vast. Die +lijmbanden zijn een prachtige uitvinding. De rupsen worden 20 tot 25 +m.M. lang. + +No 140. Nonvlinder. (Lymantria (Liparis) monacha). Rups en pop zijn +afgebeeld op Plaat II. No 21. Deze rups is de ergste vijand van onze +dennenbosschen, omdat zij zoo vraatzuchtig is en vaak in groote massa’s +voorkomt. De vlinder heeft witte voorvleugels met zwarte vlekken en +onregelmatig zwarte zigzaglijnen; de achtervleugels zijn grauw. Vlucht +30 tot 55 m.M. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes. De kleur der +vlinders is soms donkerder, ook wel bij zwart af. De eieren worden +gelegd in schooltjes van 20 tot 50 in reten van de schors; ieder wijfje +legt er een 200. De rupsjes komen vroeg in ’t voorjaar uit en beginnen +dan aan de naalden te eten; in ’t laatst van Juni, begin Juli zijn ze +volwassen en spinnen zij zich in een lossen cocon aan takken en +tusschen naalden in. Twee à drie weken daarna komen de vlinders voor +den dag. + +Omdat de rups zoo schadelijk is, wordt ze krachtig bestreden. Het ligt +buiten ons bestek hierop uitvoerig in te gaan, doch wie er meer van +weten wil kan hierover een gratis-brochure aanvragen bij de Inspectie +van het Staatsboschbeheer te Utrecht. Deze brochure bevat duidelijk +gekleurde platen. + +No 141. Appelvlindertje. (Carpocapsa pomonella). Dit vlindertje is +oorzaak van de wormstekigheid onzer appels en peren. Dat zit zoo. In +Juni legt het wijfje de eitjes op de dan nog zeer kleine vruchtjes. Uit +die eitjes komen rupsjes, die zich naar binnen eten, en in het klokhuis +de zaden vernielen, want daarom is het hun te doen. De „worm” is dus +een rupsje. Is het rupsje volwassen, dan graaft het zich door de vrucht +heen, en zoekt, buiten gekomen, een schuilplaats om te overwinteren. In +’t voorjaar verpoppen ze en in Juni zijn er weer vlindertjes. Wat +kunnen wij hiertegen doen? Wij verschaffen aan de rupsjes kunstmatige +winterverblijven, door om de boomstammen wat houtwol te binden en +daarover een papier, een z.g. insectenband. De rupsjes kruipen +hieronder en als het November is geworden, verbrandt men den rommel. +Deze vangbanden worden half Juli aangelegd, anders komen we te laat. +Verder moeten alle aangestoken appels worden opgeraapt; men kan ze tot +jam verwerken. Het appelvlindertje is wel mooi, doch om het groote +nadeel, dat het aanricht, moet het streng bestreden worden. + +No 142. Stippelmot. (Hyponomeuta evonymi). Zij heeten stippelmotten, +omdat zij bezitten witte of grijze voorvleugels met overlangsche rijen +van zwarte stippen; de achtervleugels zijn donkergrijs en ongestippeld. +De rupsjes leven in groote spinsels bijeen, en verwoesten soms geheele +boomen. Er komen 7 soorten bij ons voor; op den appelboom leeft er een, +die men trekmade noemt. Raakt men de spinsels aan, dan laten de rupsjes +zich aan draden naar beneden zakken. Het beste is ze dood te drukken +met de hand, gedekt door een handschoen van leer. Het afgebeelde +stippelmotje leeft op kardinaalsmuts. + +No 143. Witvlakvlinder. (Orgyia antiqua). Mannetje en wijfje. Ook hier +hebben wij een sterk sprekend voorbeeld van dimorphisme. Het mannetje +is gevleugeld, het wijfje heeft slechts een paar heel kleine stompjes, +zoodat het absoluut niet vliegen kan; het lijkt op een dikke larve. Van +de orgyia’s komen bij ons 5 soorten voor, en de afgebeelde komt het +meest voor. Hij heet witvlakvlinder, omdat het mannetje op de +roestbruine vleugels een witte vlek heeft. De rups is hieraan te +herkennen, dat ze 5 haarpluimen en 4 haarkwasten op het lichaam heeft; +daarom noemt men haar ook wel borstelrups. Er komen twee generaties per +jaar voor en vooral in Augustus en September vliegen overdag zeer vele +mannetjes haastig rond. Geen enkel vlindertje vliegt overdag zóó wild +en woest. De rups spint een cocon aan takjes en als daaruit nu een +wijfje komt, dan zet dit zich op den cocon neer en legt daarop de +eitjes, netjes naast elkaar. Is dit geschied, dan sterft het diertje en +valt op den grond. Het heeft dan hoogstens 2 dagen geleefd en niets +gegeten; wel een armzalig vlinderbestaan. + +Heeft men in een rupsenkast deze rupsen opgekweekt en zoodoende ook +wijfjes gekregen, dan kan men daarmede een aardige proef nemen. Men zet +zoo’n wijfje in een gesloten sigarenkistje buiten en ziet, dadelijk +komen er bruine mannetjes naar toe. Wij leeren hieruit, dat de wijfjes +sterk geuren en dat de mannetjes goed kunnen ruiken. De vlucht van het +mannetje is 28 tot 32 m.M. De eieren overwinteren. De rupsen worden ook +aangevallen door sluipwespen. + +No 144. Hermelijnvlinder. (Harpyia vinula). Van dezen vlinder is vooral +de rups interessant, omdat die twee staarten bezit, waaruit bij +verontrusting twee roode draden worden gestoken. Door het bezit van +deze twee staarten heeten deze rupsen ook wel „tweestaartrupsen”. +Verder scheiden deze rupsen, als zij in angst zitten, uit een halsklier +vocht af, dat met kracht wordt uitgespoten. Dit vocht is mierenzuur. De +rups leeft op wilgen en populieren en zit in rust op de bovenzijde der +bladeren, met het voor- en achterlijf omhoog en den kop ingetrokken. De +rug is stomp opgeheven; de stompe verhevenheid verdeelt den rug in twee +deelen, die van boven donker gekleurd zijn. De rups is verder groen en +spint een cocon tegen boomstammen; zij holt dan eerst de schors wat uit +en voegt het knaagsel tusschen haar cocon, die daardoor zeer stevig +wordt en haast niet opvalt. Als de vlinder later dezen cocon zal +verbreken, zondert hij een vloeistof af, die kaliloog bevat, en het +weefsel verweekt. De vlinder heeft een vlucht van 60 tot 75 m.M. + +Hiermede eindigen wij de korte beschrijving der vlinders. Wij willen er +nog op wijzen, dat het eenige middel om gave vlinders te krijgen is; +rupsen zoeken en opkweeken. Dat is bovendien een zeer onderhoudend en +leerrijk werkje. + + + + + + + + +PLAAT XIII. + +MUGGEN. VLIEGEN. + + +Wij komen nu aan de zeer belangrijke groep der „Tweevleugeligen” of +Diptera, de 16de Orde der insecten, waarvan in ons land al meer dan +2200 soorten voorkomen; over de heele wereld zijn al meer dan 40000 +soorten bekend. De Diptera tellen dus wel mee. Het verschil tusschen +muggen en vliegen zit voornamelijk hierin, dat de muggen slanker zijn +en meestal lange pooten bezitten; een vlieg is plomper en heeft korter +pooten. Het hoofdkenmerk van deze Orde zijn de vleugels, waarvan er +maar één paar aanwezig is. Op de plaats waar bij andere insecten het +tweede paar vleugels zit, hebben de vliegen en muggen 2 kolfjes, 2 +geknopte steeltjes. Laten we de kenmerken in volgorde opschrijven; ze +zijn: + + + 1. Volkomen gedaanteverwisseling: ei, larve, pop, imago; + 2. zuigende monddeelen; + 3. één paar vleugels met wijdmazig aderstelsel; + 4. één paar kolfjes; + 5. het borststuk tot één geheel vergroeid; + 6. vijfledige tarsen aan de pooten; + 7. larven zijn pootloos, heeten maden; haar leefwijze loopt zeer + uiteen; + 8. poppen al of niet door larvehuid omsloten; + 9. leggen eieren of brengen levende jongen voort. + + + +Lichaamsbouw. + +De oogen zijn groot; bij het mannetje meestal het grootst. Gewoonlijk +nog puntoogen. + +De sprieten zijn drie- of veelledig; zeer belangrijk voor de +rangschikking dezer insecten. + +De monddeelen zijn al zeer belangrijk. Een vast type is niet op te +geven, omdat er nog al verschillen bij optreden, die in verband staan +met de leefwijze. Het oorspronkelijke type is zuigend en dat vinden wij +nog het meest zuiver bij de steekmuggen en de dazen. Alle monddeelen te +zamen noemen wij den zuiger. Zonder illustraties is het niet duidelijk +te maken, hoe zoo’n zuiger is samengesteld. Vooral de bovenkaken zijn +stevig en hard bij de steekmuggen. Een huisvlieg heeft eenvoudiger +monddeelen. Zoodra met de monddeelen wonden worden gemaakt, werken +tegelijk de speekselklieren irriteerend daarop in. + +De vleugels ontbreken soms; waarvoor de kolfjes eigenlijk dienen weet +men niet; wel is bekend, dat als men er één verwijdert, het +stuurvermogen wordt belemmerd. + +In de pooten groote verschillen; een langpootmug laat gemakkelijk een +poot schieten, net als een sprinkhaan; dat is een middel om aan de +vijanden te ontkomen. + +Bij veel larven kan men een reductie of achteruitgang in organen +waarnemen. Van den kop is gewoonlijk niet veel meer overgebleven dan +een paar haken bij de mondopening. Zoo’n made is dan ook zeer eenvoudig +gebouwd; zij heeft heelemaal het voorkomen van een dier verloren. + +Wat de poppen betreft, die zijn in ’t algemeen half-vrije; gedeeltelijk +zijn waar te nemen de uiteinden der pooten en gedeelten der vleugels. +De laatste larvehuid wordt veel gebruikt om de pop te beschermen; deze +huid is zeer stevig. Het harde tonnetje van de huisvlieg is zoo’n +larvehuid. + + + +Voeding der larven. + +Deze is nog al verschillend: + + 1. vele larven, misschien de meeste, voeden zich met organischen + afval, zoowel uit het dieren- als plantenrijk; vele muggen en + vliegen worden geboren in vuilnis, mest, molm; kamervlieg, + vleeschvlieg. + 2. andere larven leven van levende plantendeelen: de galvormers en + die in bladeren, stengels en bloemen leven; emelten, galmuggen, + mineervliegen. + 3. parasitische larven leven van stoffen, die zij aan levende + dieren ontleenen: parasietvliegen, horzels. + 4. larven van zweefvliegen zuigen bladluizen uit. + + +Voeding der imago’s. + +Ook deze is zeer varieerend: + + + 1. honingsnoepsters, die naar bloemen komen; + 2. de snoepsters van vochten, die uit ontbonden stoffen vloeien, + zooals mest; + 3. roofvliegen zuigen andere insecten uit; + 4. steekmuggen en steekvliegen zuigen bloed van mensch en dier; + 5. bloedzuigende uitwendige parasieten, zooals de luisvlieg. + + +De plaats der vliegen en muggen in de huishouding der natuur. + +De plaats, die de tweevleugeligen innemen, hangt geheel af van het +voedsel, dat zij tot zich nemen, en de omstandigheden, waaronder dit +geschiedt: + + + 1º Sommige brengen ziekten over; dat doen de steekmuggen en de + gewone kamervliegen: malaria, typhus, cholera, gele koorts en + andere ziekten. + 2º Vele vliegen en muggen veroorzaken plantenziekten: koolvlieg, + Hessische mug, wortelvlieg. + 3º De in- en uitwendige parasieten van zoogdieren, tappen dezen + dieren bloed en andere sappen af. + + +Tegenover deze onaangename dingen, staat ook heel wat goeds: + + + 4º Zij ruimen veel vuil op, dat de larven „wegeten”: mest, lijken; + zij zijn uitstekende „opruimers” in de natuur, echte + „schoonmaaksters”. + 5º De parasietvliegen dooden veel schadelijke rupsen. + 6º Veel bloemen worden door de vliegen bestoven; sommige zelfs + uitsluitend door haar. + 7º Veel larven en imago’s dienen tot voedsel voor vogels, amphibiën + en reptielen en visschen. + + +Uit het voorgaande blijkt, dat de plaats, die de tweevleugeligen in de +natuur innemen, een zeer belangrijke is. + + + +INDEELING. + +Het kan niet onze bedoeling zijn, hier een wetenschappelijke indeeling +te geven, maar op enkele groote groepen of families te wijzen, als: +galmuggen, steekmuggen, langpootmuggen, dazen, zweefvliegen, +kamervliegen, vleeschvliegen, parasietvliegen, horzels, luisvliegen en +kultuurplantenbeschadigsters. + +Van al deze families zullen wij nu 1 of 2 vertegenwoordigsters +beschrijven. + +No 145. Hessische Mug. (Mayetiola destructor). Deze mug is maar een +klein dier, 2½ à 3½ m.M. lang, doch de schade die zij in tarwe, rogge, +gerst aanricht, is zeer groot. Men noemt haar Hessische mug, omdat de +Amerikanen meenen, dat soldaten uit Hessen haar in 1779 met stroo naar +Amerika hebben overgebracht. Het wijfje legt de eieren op de bladeren +en de larven zakken dan omlaag naar de bladscheden. Hier zuigen ze aan +de cellen, wat ten gevolge kan hebben, dat de stengels omvallen. Waar +de larven leven, verpoppen zij ook. De heele ontwikkeling kan wel in 4 +tot 6 weken afloopen, zoodat meerdere generaties in één jaar optreden. +Het weer heeft hierop evenwel veel invloed. De pop kan zeer goed tegen +uitdroging. Door de landbouwers worden allerlei middelen aangewend om +deze mug te bestrijden. Vruchtwisseling is zeer aan te bevelen, omdat +die het meest afdoende bestrijdingsmiddel is. In Amerika heeft men +reeds 4 soorten van sluipwespen ontdekt, die ons helpen in den strijd; +men zou kunnen beproeven deze parasieten kunstmatig te kweeken. + +No 146. Steekmug. Mannetje en wijfje. (Culex pipiens). Op Plaat I No 3 +zijn afgebeeld een larve en een pop van de steekmug. Men leze nog eens +over wat daarbij is geschreven, want dat staat in ’t nauwste verband +met de bestrijding van deze muggen. Over de heele wereld zijn 500 +soorten van deze steekmuggen bekend, terwijl er in ons land 10 à 12 +soorten voorkomen. De eieren worden alle in ’t water afgezet, soms +vereenigd tot een vlotje van een 200 stuks. Is ’t noodig, dat de +steekmuggen bloed zuigen? ’t Schijnt van niet, want er komen veel +steekmuggen voor op plaatsen, waar de mensch niet leeft, b.v. in +bosschen en ook in ’t hooge noorden. Poolexpedities moesten daar wel +terug om de vele muggen die daar leven op visch en rottende stoffen. + +Van de steekmuggen is alleen het wijfje gevaarlijk; dat steekt zijn +snuit in de huid en zuigt dan het bloed op. Het mannetje is te +herkennen aan de fraai gepluimde sprieten; het steekt niet. Dat de +steekmuggen ons een beetje bloed aftappen, is nog zoo erg niet; ieder +mensch bezit een 4 of 5 L. bloed, dus er kan zonder gevaar wel een +beetje af. Maar het gevaar zit hierin, dat deze muggen ziekten +overbrengen. Zij steken zoowel gezonde als zieke menschen, en nu is het +te begrijpen, dat daardoor smetstoffen van den een op den ander worden +overgebracht. Straks, bij het volgende plaatje, zullen wij er iets meer +van vertellen. Men hoort zoo dikwijls zeggen: „de koorts is mij op het +lijf gevallen” en als men het verloop eens kon nagaan, zou menigmaal +blijken, dat de smetstof, die de koorts veroorzaakt, door muggen, +vlooien of andere parasieten is overgebracht. + +De steekmuggen overwinteren als imago, en wel alleen de wijfjes, die +zich dan verschuilen in den kelder, in gangen, onder waranda’s en +andere donkere plaatsen. Als iemand dus in ’t voorjaar vraagt: „Waar +komen die muggen toch vandaan?” dan kunnen wij hem antwoorden: „Die +hebben den geheelen winter bij U in den kelder tegen den zolder en de +muren gelogeerd.” De kelders moet men ’s winters uitzwavelen of met een +brandenden flambouw bewerken. Ook kan men de muggen dooddrukken. + +En als we ’s zomers de muggen in huis hebben? Men kan als +voorzorgsmaatregel horretjes plaatsen en tegen den avond de ramen +sluiten. Een gordijn van gaas over het ledikant. De muggen, die tegen +de muren zitten, kan men ’s avonds met een glas vangen, dat aan de +binnenzijde voor een deel met petroleum is besmeerd. Als men zoo’n glas +vlug over een zittende mug brengt, dan bedwelmt ze direct. Men vangt +zoo deze dieren zonder het behang te bemorsen. De ontwikkeling der +muggen gaat zeer snel. Van ei tot mug duurt tot 3 weken en dan begint +over 2 weken het eierleggen. Zoodoende krijgen we wel 5 generaties in +één jaar. Eén mug in ’t voorjaar kan in ’t najaar reeds 100 x 100 x 100 +x 100 x 100 vrouwelijke nakomelingen hebben. Gelukkig dat er velen +verongelukken als larve. De wijfjes zijn 5 tot 6 m.M. lang. + +No 147. Malaria-mug. Mannetje en wijfje. (Anopheles maculipennis). Deze +mug komt ook in ons land voor en de larven leven in meer grootere +wateren dan de vorige steekmug. Men kan de kleine zwarte larven daar +vinden aan de onderzijde van het kroos en het flap. De malaria-mug is +te herkennen aan de gevlekte vleugels en de ongevlekte pooten. Er zijn +nog meer kenmerken, doch die kunnen zonder teekening niet duidelijk +worden gemaakt. Een malaria-mug zit schuin tegen een muur, met het +achterlijf naar boven; een gewone steekmug zit evenwijdig aan den muur. +Hoe bezorgt ons deze mug nu de koorts? Zelf heeft deze mug de smetstof +niet, doch als zij eerst een malaria-lijder steekt en van hem de +smetstof opneemt en daarna een gezond mensch prikt, brengt ze de +ziektekiemen over op den gezonden mensch. De malaria-mug is dus de +overbrengster van de ziektestof. Als er geen malarialijder in de buurt +is, kan de mug, ook al steekt ze ons, geen malaria overbrengen. De +wijfjes zijn 6 tot 8 m.M. Over de malaria-mug is heel wat literatuur +verschenen, ook in ons land. In de warme landen worden de gele koorts +en andere koortsen ook door steekmuggen verspreid. + +No 148. Langpootmug. (Tipula oleracea). De langpootmuggen zijn wel onze +grootste muggen, vooral door haar lange pooten. De kleur is aschgrauw +tot geelbruin. Ze komen overal voor en we kennen al meer dan 30 soorten +in ons land. De mug legt haar eieren in graslanden, waar dan de larven +(emelten) aan de wortels der grassen vreten. Ook in moestuinen komen ze +voor, en overal waar ze zijn, doen ze veel schade. Tegenwoordig doen de +emelten veel van zich spreken op de nieuwe ontginningen in het oosten +van ons land. Het schijnt, dat daar te weinig vogels zijn, want die +houden gewoonlijk een flinke opruiming onder hen. De emelten +verplaatsen zich ’s avonds over den grond. Als men leege bloempotten of +glazen tot den rand ingraaft, vallen ze daar wel in. + +De langpootmuggen komen ’s avonds in verlichte kamers binnenvliegen en +zijn zelf geheel onschadelijk. Omdat de dieren groot zijn, kunnen wij +ze gemakkelijk eens bekijken; de kolfjes zijn zeer goed te zien. + +No 149. Runderdaas of Brems. (Tabanus bovinus). De daas behoort tot de +groep der steekvliegen; het zijn ook hier weer de wijfjes, die aan de +dieren het bloed aftappen. De daas zelf is een der grootste vliegen en +22 tot 24 m.M. lang. Zij achtervolgt de runderen, die vreeslijk bang +voor haar zijn; als dol rennen de koeien door de weide. Van dit +geslacht zijn al een 1000 soorten bekend, zoodat ze heel wat +onaangenaams veroorzaken. Sommigen brengen ook ziekten over, wat van +deze bloedzuigers is te verwachten. + +De daas legt de eieren op den grond, waar de larven verder in de weide +leven. De mannetjes, die geen bloed zuigen, voeden zich met honing of +met boomsappen; men vindt ze dikwijls tegen boomstammen, waar sap +uitvloeit. Dat alleen de wijfjes bloed zuigen staat hiermede in +verband, dat zij dit bloed noodig hebben voor de ontwikkeling der +eieren. + +No 150. Zweefvlieg. (Syrphus ribesii). Het komt herhaaldelijk voor, dat +wij plotseling een vlieg in de lucht zien blijven „staan”; dat is dan +een „zweefvlieg” of „staande vlieg”. Men kan ze zoo herhaaldelijk boven +de bloemen zien staan. De afgebeelde is een zeer gewone; sprieten, +pooten en buik van het achterlijf rood geel; lengte 13 m.M. De eieren +worden gelegd op de bladeren; de larven zijn bekend als uitzuigsters +van bladluizen, behooren dus tot de nuttige dieren. Het valt niet +moeilijk deze larven aan het werk te zien. Larven van andere +zweefvliegen leven in modder en andere stoffen en behooren dus tot de +opruimers. Omdat de zweefvliegen gaarne honing snoepen, en dus veel de +bloemen bezoeken, bevorderen ze in hooge mate de kruisbestuiving. + +No 151. Kamervlieg. (Musea domestica). De larve en de pop zijn +afgebeeld op Plaat I No 1. Daar hebben wij toen over het leven der +larven geschreven. Wij hebben toen opgemerkt, dat die larven nuttige +dieren zijn, omdat ze veel vuilnis verwerken en opruimen, vooral +paardenmest en ook anderen afval. Zoo nuttig de larve is, zoo lastig en +gevaarlijk is de vlieg. De kamervlieg is de overbrengster van typhus, +tuberculose, cholera en nog andere besmettelijke ziekten. De +zomerdiarrhee bij kleine kinderen verspreidt zij; ook o.a. huidziekten. +Hoe zij dat doet? Een vlieg is een snoepster en zit overal op; het +vuilste en smerigste bezoekt ze evengoed als een suikerpot; daardoor +brengt ze allerlei ziektekiemen over. Als het raam van de kamer, waarin +een choleralijder ligt, openstaat, komt de vlieg naar binnen en zet +zich b.v. neer op de bevuilde beddelakens of onderkleederen, en neemt +zoo de cholerabacillen mee. Ze vliegt vervolgens weg en zet zich in een +ander huis op het brood neer, dat nu met cholerabacillen wordt besmet +en slachtoffers maakt. Daarom moet met kracht de kamervlieg bestreden +worden. Ze is een echte cosmopoliet en komt overal voor. Steken doet ze +niet; daarvoor zijn haar monddeelen niet geschikt. Het beste middel om +haar te bestrijden is den mest op te ruimen, dan ontnemen wij haar de +broedgelegenheden. Over den mest kalk en creolin; daarmede ook de naden +der stalvloeren reinigen. + +De kamervlieg wordt aangevallen door een schimmel; in ’t najaar ziet +men de vliegen zitten met uitgestrekte ledematen en gezwollen +achterlijf, omringd door een wit, fijn poeder. Dat is het werk van een +schimmel. De kamervliegen komen veel meer op het platteland dan in de +steden voor; in de steden ligt geen mest bij huis. + +No 152. Steekvlieg. (Stomoxys calcitrans). Als we zoo in den zomer +plotseling door kousen en kleederen heen gevoelig worden gestoken, dan +is dat het werk van de steekvlieg. Behalve den mensch steekt zij ook +het vee. Mannetje en wijfje steken beiden; bij de steekmuggen en dazen +steken alleen de wijfjes. Vooral in paardenstallen komt de steekvlieg +voor, want de eieren worden in verschen paardenmest gelegd. In +September komt ze ook veel in de huizen. Men kan ze herkennen aan den +vrij langen, dunnen, hoornachtigen zuiger; ze lijkt anders veel op de +kamervlieg. De steekvlieg schijnt in verband te staan met de +verspreiding van de kinderverlamming. Deze vlieg komt ook veel voor op +Java en veroorzaakt in Britsch-Indië de soera-ziekte onder de runderen. +Juist omdat ze cosmopoliet is, is ze zoo gevaarlijk voor den mensch. +Steekvlieg en kamervlieg zijn evenlang, 6–7 m.M. + +No 153. Brom- of Vleeschvlieg. (Calliphora erythrocephala). Deze +brommer is de schrik van de huismoeders, want die vlieg heeft de +gewoonte op vleesch haar eieren te leggen. Reeds den anderen dag komen +uit de eieren de maden, en dat is dan zoo’n vies gezicht, dat men het +vleesch wegdoet. Om deze aanvallen te voorkomen, zet men het vleesch in +een vliegenkast. In de vrije natuur is de bromvlieg anders zeer nuttig, +want zij legt haar eieren daar in allerlei vleeschafval, enz., die zij +netjes door haar larven laat opruimen. En dat zij nu onze biefstuk ook +voor een stuk van een dierenlijk aanziet, is haar niet kwalijk te +nemen; ze heeft immers gelijk? En zij kan het toch niet helpen dat de +mensch ook geworden is een „opruimer” van dierenvleesch? Zoodoende zijn +bromvlieg en de mensch „concurrenten”. + +De bromvlieg is 11 à 12 m.M. lang, zwart, met een glanzig staalblauw +achterlijf. + +No 154. Schaakbord. (Sarcophaga carnaria). Ook deze vlieg behoort als +de vorige, tot de opruimers. De eieren worden in ’t lichaam al +uitgebroed, zoodat deze vlieg een „larvelegster” is. Vooral op +dierenlijken, doode honden, katten, enz., legt zij haar larven, die +dadelijk aan den slag trekken. Ze zijn dus zeer nuttig. Men noemt deze +vlieg „schaakbord”, omdat het achterlijf „grijs en zwart geblokt” is, +zoodat het op een schaakbord gelijkt. In huis komt ze weinig. Oogen +helrood, pooten zwart. Lengte 8 tot 15 m.M. + +No 155. Nonvlinder-Parasietvlieg. (Parasetigena segregata). Deze vlieg +is zeker wel de grootste vijand van de nonvlinder-rupsen, en daardoor +is het dier van groote waarde voor de boschkultuur. Toen wij vroeger +het parasitisme bespraken, hebben wij reeds op de beteekenis van de +parasietvliegen gewezen. Zij leggen haar eieren op de rupsen, en de +larven, die hieruit komen, werken zich naar binnen, en eten allengs de +geheele rups uit. Als zij in voldoend aantal aanwezig zijn, dan brengen +zij rupsenplagen tot staan. De parasietvliegen vertoonen het echte +vliegentype, hebben niet-behaarde sprieten, en groote stekelharen op +het achterlijf. Van deze vliegen zijn reeds honderden geslachten +bekend, zoodat zij jaarlijks zeer veel slachtoffers maken. Het zijn dus +ook „opruimers”, maar zij ruimen levende dieren op. Behalve rupsen +worden ook andere insecten, b.v. hommels, geïnfecteerd. Bij het +opkweeken van allerlei rupsen komen we herhaaldelijk in aanraking met +verschillende sluipvliegen. + +No 156. Runderhorzel. (Hypoderma bovis). Dit is inderdaad een mooie +vlieg, die iets op een hommel gelijkt. Ze is 13 m.M., dus lang niet +klein. Maar hoe mooi ze ook is, ieder jaar brengt ze ons een schade toe +van een paar millioen gulden, en dat is geen kleinigheid. De zaak zit +zoo. De horzel zet haar eieren af op het lichaam van een koe; hoe dat +eigenlijk gaat, waar, wanneer, weet men nog niet precies. De zaak is +nog in onderzoek. In ieder geval uit de eieren komen larven, en die +larven vindt men na eenigen tijd in de koe vlak onder de huid. Die +larve doet zich daar te goed en groeit zoo flink, dat we op den rug van +de koe bultjes kunnen zien. Met eenige handigheid drukken wij de larven +door het gaatje heen, dat ze al zelf gemaakt heeft. Is de larve +volwassen, dan is ze 22 tot 28 m.M. lang en 11 tot 15 m.M. breed, dus +een groot dier. Het blijft niet onder de huid, doch het werkt zichzelf +naar buiten en valt dan op den grond; hier wordt het een pop, graaft +zich den grond wat in en na een week 3 of 4 komt de horzel voor den +dag. De wond, die de larve in de huid heeft gemaakt, geneest wel, doch +het gat blijft bestaan, en als van de huid nu leer wordt gemaakt, +krijgen we „leer met gaatjes”, dat veel minder handelswaarde heeft. +Afgescheiden van het nadeel, dat het rund van deze „kostgangsters” +heeft, maken ze het leer voor vele doeleinden ongeschikt. + +Daarom beproeft men deze horzels te bestrijden. Dat gaat op deze +manier. Men haalt de larven met een pincet of een naald uit de huid en +doodt ze daarbij. Als men dit geregeld en overal toepast—maar zoover +hebben wij het nog niet—dan vermindert het aantal horzels zoo sterk, +dat ze weinig nadeel meer kunnen doen. In Nederland ziet men nog niet +overal het groote belang van deze zaak in. + + + + + + + + +PLAAT XIV. + +VLIEGEN. VLOOIEN. BLADWESPEN. SLUIPWESPEN. + + +No 157. Schapenhorzel. (Oestrus ovis). De runderhorzel, op het vorige +plaatje afgebeeld, is een z.g. huidbewoner; er zijn ook horzels die in +de maag of darmen van zoogdieren leven, b.v. de paardenhorzel. Een +derde soort horzels worden holtebewoners genoemd en daartoe behoort de +schapenhorzel. In den zomer en nazomer vertoont de horzel zich. Als ze +vliegt in de nabijheid van de schapen worden deze dieren beangst en +trachten de neusgaten te verbergen; op alle mogelijke wijzen willen zij +de horzel ontgaan. Maar ’t baat niet. De horzel komt toch naderbij en +legt in de neusholte wat larven; de eieren waren in ’t horzel-lichaam +al uitgekomen. De larven werken zich naar boven en ook den +voorhoofdsboezem in. Hier leven ze van het slijm en andere stoffen van +den kop. Doordat zij de vliezen prikkelen heeft er een ruime +vochtafscheiding plaats. In ’t voorjaar, als de larven volwassen zijn, +verlaten ze de neusholten op tijdstippen, dat het schaap niest. Ze +komen dan tusschen het gras terecht en verpoppen daar. In Juli tot +September komen er dan weer nieuwe horzels. Het spreekt vanzelf, dat de +aanwezigheid van deze larven hoogst onaangenaam voor de schapen is. Zij +raken veel slijm kwijt, wrijven met den neus over den grond, loopen met +den kop te slingeren, worden duizelig. De schapen vermageren zichtbaar. +Zoodra men iets van de maden merkt, geeft men de schapen wel wat snuif +om ze sterk te laten niezen, waardoor de larven of maden naar buiten +komen. Men zegt van zulke aangetaste schapen dat ze lijden aan de +valsche draaiziekte. + +No 158. Koolvlieg. (Chortophila brassicae). Dit 6 m.M. lange vliegje +heet ook wel Anthomyia antiqua, maar hoe klein het ook is, het +veroorzaakt heel wat schade. Daar weten de koolbouwers in Langendijk, +in de Streek en op andere plaatsen in N.-Holland en elders, van mee te +praten. Het vliegje is de oorzaak van de „vallende ziekte” in de +koolplanten. De ontwikkeling is aldus. Het vliegje overwintert op +allerlei plaatsen, waar het een beetje beschut zit. Zoodra nu op de +kiembedden of koolbanen de plantjes flink aan den groei zijn, komt het +koolvliegje en legt zijn eitjes vlak bij den jongen wortel. De larven +vreten zich verder naar boven den stengel in, soms in de bladstelen. De +koolplanten worden dus ondermijnd en als er nog een matige kool van +groeit, valt die gewoonlijk om; dat zijn dan de vallers. Behalve op de +kiembedden valt het vliegje de koolplanten ook op het veld aan. In één +jaar komen verscheidene generaties, zoodat het met recht een +vreeselijke plaag kan worden. Veelal gaan de aangetaste planten nog +kankeren ook; dan is er een zwam bij gekomen. Wat kan men nu tegen het +koolvliegje doen? Het eenige is te beletten, dat de eieren bij den +wortel worden gelegd en dit wordt voorkomen door om de planten op den +bodem een papieren kraag te leggen. Men knipt een rond of zeshoekig +stuk papier; daarna knipt men van den rand naar het midden de kraag +open en legt haar zoo om de plant. Dat middel schijnt goed te helpen. +In ieder geval weert men op deze wijze het vliegje af. + +De koolvlieg valt ook de kool aan, die in de schuren wordt bewaard; ’t +is dus wel een boosdoenster. Eenige kevers, mijten en een sluipwesp +maken jacht op de larven. Ook heeft men waargenomen dat kraaien de +aangetaste planten uit den grond trokken om zoo de larven te +bemachtigen. + +No 159. Kaasvlieg. (Piophila Casei). Dit vliegje, 4–5 m.M. lang, is +veel minder bekend dan zijn larven; dat zijn de z.g. „maaien” of +„kaasmaden”. ’t Is een zwart vliegje, zonder beharing, met vuilgele +pooten. De vleugels zijn glashelder. De eieren worden op kaas gelegd en +de maden, die hieruit komen, doen zich hieraan te goed; zoo’n kaas is +een luilekkerland voor haar. De maden worden 8 m.M. lang, zijn wit en +rolvormig. Raakt men haar aan, dan rollen zij zich cirkelvormig op en +springen dan plotseling weg door het lichaam te strekken. Dit komt bij +weinig larvensoorten voor. In kaaspakhuizen komen ze nog al eens voor; +de vliegjes zitten dan wel tegen de ramen. In één jaar komen +verscheidene generaties voor. Het eenige middel om zich te wapenen +tegen de kaasvlieg is de kaas b.v. door een blaas af te sluiten. Ook +papier is goed, want daarop legt de vlieg geen eitjes. + +No 160. Wortelvlieg. (Psila rosae). Deze vlieg is de oorzaak van de +wormstekigheid van de peen en omdat deze kwaal nog al veel voorkomt en +niet allen de oorzaak en de bestrijding kennen, willen we deze vlieg +wat uitvoeriger bespreken. Wie peen teelt, kan er dan zijn voordeel +mede doen. Het vliegje is glanzend zwart, zeer klein, slechts 4½ m.M. +lang. Het diertje legt de eieren aan de wortels van peen, selderie, +peterselie en ook wel aan die van karwij. Uit de eieren komen maden en +die vreten gangen in de wortels. Hoe meer maden er zijn des te erger is +de verwoesting. Na drie of vier weken is de made volwassen en verpopt +zich even onder de oppervlakte van de aarde. Na 8 dagen komt hieruit +reeds het vliegje, dat weer eieren gaat leggen. Meerdere generaties +krijgen we zoodoende in één jaar. De allerlaatste generatie verpopt ook +in den grond, doch dan blijven de poppen den heelen winter in den grond +liggen en eerst in ’t voorjaar komen de vliegen voor den dag. De +deugnieten blijven dus den winter over in onze tuinen. Wat kunnen wij +hiertegen doen? + + + 1. Omdat de vliegjes den grond inkruipen om aan de wortels eieren + te leggen, moeten wij zorgen, dat er zoo weinig mogelijk + scheurtjes, gleufjes of andere openingen in den grond zijn. Den + grond dus bedekken met zand, kalk, asch enz. + 2. Na het dunnen de gaatjes aanvallen, zooals hiervoor is gezegd. + Uit een wortelbed geen wortels trekken, want dan maken wij gaten, + waardoor de vliegjes weer gemakkelijk bij de wortels kunnen komen. + 3. Tusschen de planten zand, gedrenkt in petroleum, strooien; dat + houdt de vliegen weg, die niet op petroleum gesteld zijn. + 4. Men maakt een petroleum-emulsie: 5 L. water, 1 L. petroleum en 1 + K.G. groene zeep, worden goed dooreen gemengd. Hiermede begiet men + het zaadbed na het zaaien, na het opkomen en na het uitdunnen der + wortels. + 5. Men tele eens geen wortelen, selderie of peterselie. De vlieg + blijft dan weg. (Maar misschien krijgen we ze het volgende jaar + weer uit buurmans tuin). + 6. In den herfst den grond flink omspitten en gespit laten liggen; + de poppen die dan boven zijn gekomen, gaan in den winter misschien + dood. Is het voorjaar geworden, dan dezen grond diep omspitten, + zoodat de overgebleven poppen ook flink diep komen te liggen, en de + vliegjes die uit de poppen komen, niet door de dikke aardlaag naar + boven kunnen kruipen. + + +No 161. Schapenluisvlieg. (Melophagus ovinus). Dit is de laatste vlieg, +die wij beschrijven. Goeds valt er niets van te vertellen; ’t is een +uitwendige parasiet, die den dieren bloed aftapt. De groep, waartoe +deze vlieg behoort, noemt men luisvliegen. Andere soorten leven op +paarden, herten, reeën, en vogels. Men noemt ze wel „poppenleggers” +omdat men meende, dat zij poppen legden; dit is onjuist. Zij brengen +volwassen larven ter wereld, telkens één, die zich dadelijk gaat +verpoppen. Door de parasitische leefwijze is haar voorkomen geheel +veranderd. Ze hebben forsche pooten met krachtige klauwtjes, om zich +goed te kunnen vasthouden. Het lichaam is plat en de vleugels +ontbreken. Het dier is 5. m.M. lang, bruin van kleur, en vrij dicht, +kort en stekelig behaard. De zuiger is hoornig en binnenin zit nog een +hoornige stift. + +Om deze luisvliegen te bestrijden gebruikt men verschillende +waschmiddelen. Intusschen verdient het ook aanbeveling de +schapenstallen goed te reinigen, want daarin huizen er ook +verscheidene, die op de een of andere manier van de schapen afraken. + +Hiermede eindigen wij de beschrijving der muggen en vliegen. Uit ’t +medegedeelde is gebleken, dat deze insecten velerlei rol vervullen in +de huishouding der natuur. + + + +Vlooien. + +No 162. Menschenvloo. (Pulex irritans), 17de Orde der insecten. Er is +al geen onaangenamer parasiet dan de vloo. Zij plaagt ons dag en nacht, +en bij elke gelegenheid. Ons er volkomen tegen wapenen kunnen we niet, +want in trams, booten, spoor, openbare gebouwen, in vergaderzalen, +overal kunnen ze ons bespringen. Behalve de mensch, worden ook veel +dieren door vlooien gekweld; dat zijn dan andere soorten. Totaal zijn +er in ons land 16 soorten bekend. Laten we eerst iets over het lichaam +zeggen. De oogen zijn puntoogen; de facetoogen zijn verloren gegaan. Er +zijn vele vlooien zonder oogen. Sprieten zijn 3-ledig; het eerste lid +heeft 9 à 10 inkervingen. + +De monddeelen zijn stekend-zuigend. Eerst wordt een wonde gemaakt, +(geprikt), dan vloeit het bloed er heen en wordt opgezogen. Om het +bloed rijkelijk te doen vloeien, brengt de vloo speeksel in de wonde. +Mannetje en wijfje steken beiden. + +Op het borststuk komen 3 paar stigma’s voor; alle andere insecten +hebben daar maar 2 paar. Vleugels ontbreken. Als ze nog vleugels +hadden, waren ze in ’t geheel niet te vangen. Het aantal pooten is +normaal, dus 6; de voorste zijn de kleinste, de achterste zijn +springpooten met forsche dijen. Vlooien, die op vogels en vleermuizen +leven, springen in ’t geheel niet. Het achterlijf is groot, vooral bij +de wijfjes. + +De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago. De eieren +zijn betrekkelijk groot, wit, glad, en ongeveer 20 in aantal. De larven +hebben geen pooten en geen oogen, en worden 5 m.M. lang. De larve spint +zich in een klein coconnetje, en daarin komt een pop met zichtbare +organen. De heele ontwikkeling van ei tot vloo duurt ongeveer één +maand. We kunnen dus heel gauw een leger vlooien in huis hebben. + +Voedsel der larven. Hierover bestaat nog verschil van gevoelen. Men kan +de dieren niet gemakkelijk kweeken en daarom weinig of geen proeven met +hen nemen. Intusschen gebruiken ze de stikstofhoudende schilfers, die +van de menschelijke huid vallen, en terecht komen in de naden der +vloeren, vooral van slaapkamers. Ook in hooi leven wel larven. Als +larve leeft dus de menschenvloo niet op den mensch, doch op plaatsen, +zooals de naden van vloeren, waar veel afval terecht komt. + +Hoe zullen wij nu de vlooien bestrijden? Door haar te vangen raken wij +ze toch niet kwijt, want uit de vloernaden komen telkens weer nieuwe. +Insectenpoeder geeft ook niet. We moeten de vlooien geen gelegenheid +geven eieren te leggen, en zoo dit toch is geschied, de larven dooden. +Daarom moeten wij de vloeren der slaapkamers en vooral de naden, met +kokend sodawater reinigen; dat doodt de eieren en de larven. De +vlooienbestrijding moet dus op den vloer plaats hebben. + +In musea laat men mannen loopen met bloote beenen, waaromheen geteerd +papier; de vlooien springen hiertegen en blijven vastzitten. Ten slotte +willen wij er op wijzen, dat de vlooien zeer gevaarlijk zijn door het +overbrengen van ziekten, net als de steekmuggen. Zoo brengt de +rattenvloo de pest van de ratten over op den mensch. Deze vreeslijke +ziekte heerscht op het oogenblik op Java, en eischt dagelijks veel +slachtoffers. De pest is eigenlijk een rattenziekte, die de vlooien van +rat tot rat overbrengen. Wij dienen de vlooien dus overal krachtig te +bestrijden. Op allerlei dieren komen vlooien voor. + +Uit het bovenstaande blijkt voldoende, dat het niet waar is, dat +vlooien zoo maar uit niets in vuil kunnen ontstaan. Iedere vloo is +ontstaan uit een vlooien-ei, dat door een oude vloo is gelegd. + + + +Vliesvleugeligen. + +Thans beginnen we met de laatste of 19de Orde der insecten, de +Vliesvleugeligen of Hymenoptera. Dit is de hoogst georganiseerde groep +en daarom dan ook zeer belangrijk. Hiertoe behooren: blad-, hout-, +gal-, sluip- en goudwespen, mieren, graafwespen, gewone wespen, bijen, +hommels. Er zijn al een paar duizend soorten bekend, maar zeker is het, +dat er nog een massa onbekend zijn. Vermoedelijk is deze orde de +talrijkste. + + + +Algemeene beschrijving. + + + 1. De gedaanteverwisseling is volkomen. + 2. De volwassen dieren hebben een stevige, dikke chitinehuid, veel + dikker dan de vliegen. + 3. Sprieten meestal eenvoudig; toch zijn het zeer belangrijke + organen. + 4. Behalve de 2 oogen zijn er gewoonlijk 3 puntoogen op den + schedel. + 5. De monddeelen zijn kauwend, dus eenvoudig gebouwd; alleen bij de + bijen en hommels zijn de onderkaken en onderlip gewijzigd tot een + zuig- of likorgaan. De bovenkaken zijn sikkelvormig en scherp + gepunt en meestal getand; het zijn dus organen waarmede arbeid kan + verricht worden. Die bovenkaken worden gebruikt: + + a. voor het grijpen en kneuzen van het voedsel; + b. om den cocon open te bijten; + c. om zich te reinigen; + d. bij den woningbouw (wespen, bijen). + + 6. Vleugels. De voorvleugels zijn het grootst; voor- en + achtervleugels zijn verbonden door haakjes, net als bij de + bladluizen. Daardoor zijn het goede vliegers. Soms ontbreken de + vleugels. De werksters bij de mieren zijn ongevleugeld. + 7. Pooten. Deze zijn vaak eigenaardig gebouwd; zoo bezitten sommige + stuifmeelverzamelende vliesvleugeligen korfjes aan de achterpooten. + Daarop komen we nog terug. + 8. Achterlijf. Hier treffen we een legboor aan; soms is die legboor + gewijzigd tot een angel (bijen, wespen, hommels). Hommels zijn + dicht behaard, sluipwespen zijn kaal. + 9. Larven. De hymenoptera-larven zijn in 2 groepen in te deelen: + + a. rupsvormige (bastaardrupsen), b. madevormige, en zoo zijn de + meeste. Bastaardrupsen zijn de larven van bladwespen (No 6 en + No 11). De madevormige hebben geen pooten en leven in gallen + (galwespen), ook wel parasitisch (sluipwespen), worden ook wel + door de moeder van voedsel voorzien (graafwespen) of worden + door andere imago’s gevoerd (bijen, mieren, wespen). + +10. Poppen. De poppen zijn altijd vrij, de vleugel-, de poot-, de + legscheden, ze zijn alle vrij van elkaar gebleven. Het heele dier + is aan de pop al te herkennen. +11. Verschillen tusschen de mannetjes en de wijfjes. De wijfjes + hebben een legboor of een angel; de mannetjes steken niet. Het + mannetje is meestal kleiner, teerder en slanker, maar het bezit + vaak langere sprieten. + + +Bijna alle vliesvleugeligen zijn zeer bedrijvige en rustelooze dieren; +zie de bijen, hommels en wespen maar eens bij haar bloemenbezoek. En +dan de mieren. „Ga tot de mieren, gij luiaard, en wordt wijs”. Alleen +blad- en galwespen zijn niet zoo vlug; daarom zien de leeken deze +dieren aan voor vliegen. + +Zooals we reeds zeiden, zijn de vliesvleugeligen de hoogst ontwikkelde +insecten; dat blijkt uit haar technische vaardigheid en uit haar +staten-vorming (sociale insecten). + +Achtereenvolgens zullen wij nu beschrijven: + + + 1. bladwespen (No 163 en No 164), + 2. houtwespen (No 165), + 3. galwespen (No 166), + 4. sluipwespen (No 167 en No 168), + 5. mieren (No 169–No 171), + 6. graafwespen (No 172 en No 173), + 7. wespen (No 174), + 8. bijen (No 175–No 177), + 9. hommels (No 178–No 180). + + +De vier eerste groepen bezitten een legboor, de andere een angel. + + + +Bladwespen. + +Bladwespen zijn in ’t algemeen trage dieren; vaak kan men ze met de +hand van het blad nemen. De wijfjes hebben een zaagboor; daarmede zagen +zij een gleuf in een bepaald plantendeel, en leggen daarin haar eieren. +Sommige bladwespen leggen de eieren gewoon op de bladeren. De larven +heeten bastaardrupsen; zie Plaat I No 6 en No 11. Zij lijken veel op +rupsen; de meeste komen daarmede ook overeen in leefwijze, omdat ze op +planten leven. Een leek ziet een bastaardrups voor een rups aan. Reeds +vroeger hebben wij de verschillen opgenoemd: een bastaardrups heeft 2 +puntoogen en een rups 12; bovendien heeft de eerste veel meer +buikpooten, n.l. 16. + + + +Als een bastaardrups verontrust wordt, als er sluipwespen in de buurt +zijn, dan neemt zij een schrikstand aan, de S-houding. Andere +bastaardrupsen hullen zich in een laagje witte was of in een slijmlaag; +sommige spuiten vocht uit (No 6). + +Bladwespen komen veel voor; men treft ze aan op: kruisbessen, roode en +witte aalbessen, berk, den, els, knollen, rapen, mosterd, ooftboomen, +roos, spar en wilg. Men kan ze dus overal vinden. + +No 163. Kruisbessenbladwesp. (Pteronus ribesii of Nematus ventricosus). +De eerste is de nieuwe, de tweede de oude naam. Deze bladwesp is zeer +berucht in ons land, omdat de bastaardrupsen groote verwoestingen in de +bessenstruiken aanbrengen. Als men in Mei of Juni hoort van een +„rupsenplaag in de bessen”, dan is het altijd over deze bastaardrups. +De tuinders maken geen onderscheid tusschen rupsen en bastaardrupsen; +trouwens de meeste kennen het verschil ook niet. Vroeg in ’t voorjaar +komt de bladwesp uit den grond; ze is 8 m.M. lang; vlucht 16 à 17 m.M. +Roodachtig geel met zwarten kop; vleugels helder. Als deze wesp uit den +grond komt en zich op de bladeren zet om eieren te leggen, merken de +bessenkweekers dit niet; ’t dier lijkt precies een vlieg. Uit de eieren +komen de bastaardrupsen, die zich aan den rand der bladeren zetten en +deze zoo oppeuzelen. Ze zijn groen, met zwarte puntjes; achter den kop +en op het einde van het lichaam geel; kop glimmend zwart. + +Einde Mei, begin Juni, zijn ze volwassen en dan 15 m.M. lang. Nu gaan +ze naar omlaag, kruipen den grond in, verpoppen daar, en na 3 à 4 weken +komen er weer bladwespen uit den grond. Deze gaan ook weer eieren +leggen en nu worden de bessenstruiken geteisterd door de tweede +bastaardrupsenplaag. Is het weer zeer gunstig, dan kan er een derde +generatie komen. Op deze wijze komt er van de bessen weinig terecht. +Hoe kan men deze dieren nu bestrijden? Het goedkoopste middel is de +struiken te bespuiten met koud water. Heeft men vooruit kranten onder +de struiken gelegd, dan rollen de bastaardrupsen daarop, en kan men ze +vernietigen. Verder zou men de struiken kunnen besproeien met de +volgende oplossing: 100 L. water en daarin 5 H.G. versch gebluschte +kalk en 1 H.G. uraniagroen (vergift). Deze besproeiing is de dood voor +de larven. + +Heeft men maar een klein bessentuintje, dan kan men de bastaardrupsen +er in Mei afzoeken. De laatste generatie overwintert in den grond. + +No 164. Dennenbladwesp. (Lophyrus pini). Op Plaat I No 11 is de +bastaardrups van deze wesp afgebeeld; uitvoerig is deze larve +beschreven. Van de wesp valt niet veel te vertellen. Het mannetje is +slanker dan het wijfje; de sprieten zijn bij de eerste gekamd, bij de +tweede gezaagd. Het mannetje is grootendeels zwart, het wijfje in den +regel ook zwart, met veel geel, roodgeel of geelachtig groen er +doorheen. De cocons zijn vast en leerachtig. + + + +Houtwespen. + +Deze leggen haar eieren meestal in zieke boomen, ook wel in geveld +hout. De larven vreten zich in het hout in en maken daarin +„vreetgangen”, die dicht opgevuld zijn met kleine spaanders en +excrementen. De gangen zijn cylindrisch. De larven hebben zeer korte +(rudimentaire) borstpooten en zeer kleine buikpooten (vleezige +knobbels); ze zijn blind en kleurloos. Op het einde van het lichaam een +zwarte hoornachtige punt; daaraan zijn ze te onderscheiden van de +boktorlarven, die ook in hout leven. De larven bederven het hout, dat +technisch minder waarde krijgt. Ze leven lang in het hout, gewoonlijk 2 +jaar, maar ook wel langer. Ze komen nog wel uit het bewerkte hout, uit +meubelen, als wij die in huis hebben. De poptoestand duurt niet lang. +De wespen vreten zich naar buiten, zelfs door lood en blik heen. + +No 165. Gewone Houtwesp. (Sirex juvencus). Het wijfje is 26 m.M. lang, +’t mannetje gewoonlijk maar de helft. De kleur van ’t wijfje is +staalblauw; de pooten zijn geelachtig rood en de vleugels geel. Het +mannetje heeft een breeden geelbruinen gordel om het achterlijf. Ze +leven meest in sparren, en komen nog al eens uit de meubels te +voorschijn. + + + +Galwespen. + +Dit zijn maar heel kleine dieren, hoogstens 5 m.M.; de kleur is meestal +zwart, ook wel bruin, rood of geel. Op de eiken komen veel gallen voor; +op de bladeren, katjes, eikels, wortels, en takken. Bij de galvorming +doet zich dikwijls generatiewisseling voor; één generatie overwintert +in de gallen, en dat zijn de wijfjes; de tweede generatie maakt andere +gallen, van korten duur; hieruit komen mannetjes en wijfjes. De studie +der gallen is zeer interessant, maar het onderwerp is wat te uitgebreid +om het hier te behandelen. + +In verschillende gallen zit veel looistof, die gebruikt wordt bij het +looien van leer en het maken van inkt; voor andere doeleinden worden de +gallen ook nog gebruikt. + +Er zijn enkele galwespen, die leven als parasiet in andere insecten; +dat zijn dus overgangen tot de sluipwespen. + +No 166. Eikengalwesp met gal. (Cynips kollari). De gallen, die deze +galwesp maakt, zijn zeer bekend; ze zijn rond en hard. Tot voor korten +tijd waren alleen de vrouwelijke vormen bekend van de eene generatie. +Prof. Beyerink (Delft) heeft evenwel ook de tweede generatie, mannetjes +en wijfjes, ontdekt. Wanneer men de gallen opent, vindt men daarin de +larven. Het komt evenwel voor, dat deze larven weer zijn aangetast door +sluipwespen, zoodat men bij kweeking geen gal- maar sluipwespen krijgt. + + + +Sluipwespen. + +Deze wespen vormen een belangrijke groep, die een groote economische +beteekenis heeft, omdat de sluipwespen enorme massa’s rupsen dooden en +daardoor ten slotte ook rupsenplagen tot staan brengen, Zij gaan op de +rupsen af en door middel van een lange legboor doorpriemen zij de +rupsenhuiden, en schuiven tegelijk haar eieren in het lichaam van de +rups. De larven (maden) die uit deze eieren komen leven geheel ten +koste van haar gastheer, die dit bezoek met den dood moet bekoopen. + +Als de sluipwesp naar rupsen gaat zoeken, komen haar goede oogen en +vooral haar goeden reuk haar goed te pas. Er zijn wel sluipwespen, die +door het hout heen haar legboor steken en zoo de larven infecteeren van +de houtwespen (No 165). Zij kunnen die larven niet zien, moeten ze dus +wel ruiken. De sprieten (reukorganen) der sluipwespen zijn dan ook lang +en altijd in beweging. Het komt bij sommige soorten voor, dat de eieren +op den gastheer worden gelegd. Als de larven volwassen zijn verpoppen +ze; dit gebeurt binnen, ook wel buiten den gastheer. In dit laatste +geval kruipen de larven eerst naar buiten. Behalve rupsen vallen de +sluipwespen ook wel vliegen, bladluizen en kevers aan. + +De infectie geschiedt zoowel in het ei, als in de larve, de pop en de +imago. Ei-parasieten zijn er niet veel; larve-parasieten komen het +meest voor; dat poppen en imago’s geïnfecteerd worden komt ook niet zoo +druk voor. Bladluizen en O. L. Heersbeestjes worden intusschen wel +aangevallen. + +De keuze van ’t voedingsdier is nog al afwisselend; sommigen houden +zich aan één soort gastheer; anderen hebben een ruimer keuze. Sommige +geslachten tasten zoo wat alles aan. + +Hoeveel maden van een sluipwesp komen er nu wel voor? In sommige +geïnfecteerde eieren vindt men nog wel 12 sluipwespen; of die dan ook +klein zijn. Uit rupsen zijn wel 1000 tot 2500 wespen gekomen; er zijn +dan niet zooveel eieren gelegd, doch uit één ei komen dan vele wespen. + +Het einde van den gastheer is, dat hij sterft; gewoonlijk is de rups +één dag na het uitkruipen der larven dood. Soms brengt de rups het nog +tot pop. + +Omdat de sluipwespen bekend staan als uitstekende rupsendooders, +bezitten zij veel waarde voor onze kulturen. In Amerika heeft men +daarom de sluipwespen kunstmatig gekweekt, om ze daarna op de rupsen +los te laten. Ook in Deli (Sumatra) is men aan het werk om met +sluipwespen rupsen te bestrijden, die op tabak leven. Ten slotte nog +een curiositeit. Wanneer een rups inwendig bezet is met larven van een +sluipwesp, dan gebeurt het wel, dat een andere soort sluipwesp komt en +haar eieren legt in de larven van de eerste soort. Deze noemt men +sluipwespen van de 2de orde. Zij dooden dus de eerste maden door ze uit +te eten en daarom zijn de sluipwespen van de 2de orde schadelijk. Er +komen ook sluipwespen van de 3de orde voor; die zijn dan weer nuttig. + +Men leert de sluipwespen het best kennen door allerlei insecten in huis +op te kweeken. + +No 167. Pijlstaart-Sluipwesp. (Trogus lutorius). Dit is een van onze +grootste sluipwespen; ze is 27 m.M. en in hoofdzaak roodgeel; de borst +is zwart; geel zijn de sprieten bij ’t mannetje en de sprietspits bij +het wijfje; ook de pooten grootendeels. De vleugels zijn geelachtig. +Het is geheel toevallig als we met deze groote sluipwespen kennis +maken. Bij het opkweeken van pijlstaarten gebeurt het wel, dat enkele +poppen schijnbaar niet uitkomen. Doch dan zien we plotseling uit die +poppen zoo’n groote sluipwesp komen. Dat is dan een Trogus. De +pijlstaartrups heeft het dus nog tot verpoppen gebracht. + +No 168. Koolsluipwesp. (Apanteles glomeratus). In de Inleiding over de +„Geschiedenis van het Koolwitje” hebben we over deze sluipwesp reeds +gesproken; wij mogen dus daarheen verwijzen. Als men in ’t najaar wat +koolrupsen opkweekt, krijgt men zeker daaruit ook wel sluipwespen. Het +zijn kleine diertjes van een paar m.M. lengte. + + + + + + + + +PLAAT XV. + +MIEREN. GRAAFWESPEN. WESPEN. BIJEN. HOMMELS. + + +MIEREN. + +We komen thans aan de meest intelligente insecten, aan de +statenvormers, die een soort samenleving, een maatschappij, vormen. Een +maatschappij, ook een mierenmaatschappij, berust op o.m. verdeeling van +arbeid. Maar die is alleen niet voldoende; er moet ook eensgezindheid +heerschen, hulpvaardigheid. En die nemen we bij de mieren in hooge mate +waar. Ze bewijzen elkaar vele „vriendendiensten”, o.a. verzorgen ze +elkaars toilet. Niettegenstaande de mieren altijd in en op de aarde +werken, voortdurend met stof bestoven worden, met allerlei zoete en +kleverige stoffen in aanraking komen, ook met dierlijken afval, zien ze +er toch altijd netjes en schoon uit. Ze poetsen elkaar in de nesten op! + +Maar laten we eerst eens zien hoe een mierenstaat in elkaar zit. + +Polymorphisme. Reeds vroeger (Algemeen gedeelte blz. 9.) hebben wij +gesproken over het polymorphisme of de veelvormigheid bij de insecten. +Daarmede wordt bedoeld, dat er naast de mannetjes en wijfjes nog andere +individuen voorkomen; die derde groep zijn de werksters. Deze werksters +zijn niet volledig ontwikkelde wijfjes. Die mindere ontwikkeling hebben +ze te danken aan de slechtere voeding. + +In veel mierenkolonies nemen wij waar, dat de werksters weer in +verschillende groepen zijn ingedeeld, al naar haar functie is. Zoo zijn +er werksters met „groote koppen en groote kaken” die voor de +verdediging der kolonie hebben te zorgen; die noemt men de soldaten. +Zij houden de wacht aan de nestopeningen en moet er gevochten worden, +dan zijn ze er bij. Door de grooten kop zijn het echte monsters. + +Aan de gewone werksters, die nooit vleugels hebben, is de zorg voor de +heele kolonie opgedragen. Zij bouwen het nest, verzorgen de jongen, +voeden die; in één woord, de werksters houden het huishouden gaande. De +wijfjes leggen alleen eieren, laten zich door de werksters voeden, en +zien verder naar niets om. + +In een mierenkolonie zijn dus 3 kasten: mannetjes, wijfjes en +werksters. De mannetjes zijn maar heel kort in de kolonie, zoodat het +overgroote deel van het jaar een mierennest bezet is met één of meer +wijfjes en verder een groot aantal werksters. ’s Winters is de kolonie +op dezelfde wijze bezet. Net als bij de honingbijen overwinteren dus de +koningin (het wijfje) met de werksters. Bij de honingbijen is maar één +koningin in den korf, bij de mieren zijn er meestal meer in het nest. + +Alle merkwaardigheden, die men van de mieren weet te vertellen, komen +dus hoofdzakelijk voor rekening van de werksters; de kolonie, dat zijn +de arbeidsters. De wijfjes zijn het grootst en evenals de mannetjes, +gevleugeld. Na de copulatie verliest het wijfje de vleugels. + + + +Ontwikkeling. + +De gedaanteverwisseling is volkomen: ei, larve, pop, imago. + +Als de eieren gelegd worden, zijn ze klein. Door een regelmatige +bevochtiging met speeksel van de werksters, worden de eieren grooter; +men zou kunnen zeggen: het ei eet. Als men de eieren droog bewaart +verschrompelen ze. Na eenige weken komt uit het ei een larve, zonder +pooten, zonder oogen; het is een made, die hulpeloos in ’t nest ligt. +Deze maden worden door de werksters gevoed met kliervochten. Maar bij +de voeding alleen laten zij het niet. Ze brengen de larven ook naar +buiten om lucht- en zonnebaden te genieten! Als de zon onder gaat, +worden de larven weer naar beneden gebracht. + +Na langer of korter tijd wordt de larve een pop. Sommige spinnen een +stevigen cocon; zulke cocons noemt het publiek miereneieren, die een +gewild voedsel voor insectenetende kooivogels zijn. + +Uit die cocons komen dan later de mieren, maar daarbij hebben zij hulp +noodig van de werksters; die bijten met haar scherpe bovenkaken de +cocons door. + +Het eierleggen gaat maar geregeld door en soms vele jaren achtereen +blijft hetzelfde wijfje in het nest. Gewoonlijk kan men in een nest +tegelijk eieren, larven en poppen vinden. + +Nestbouw. De nestbouw van de mieren staat lang zoo hoog niet als die +bij wespen en bijen. Een „mierenstad” is een doolhof van steegjes en +gangen, hier en daar onderbroken door grootere „hallen”. Een bepaalde +methode schijnen ze er ook niet op na te houden. Intusschen is er toch +nog al wat verschil. We kennen aardnesten, nesten onder steenen, nesten +in boomstammen, onder boomschors, in zolderbalken, nesten gedeeltelijk +in, gedeeltelijk boven den grond. Ook worden er nesten in holle boomen +gemaakt, door eenige verdiepingen op elkaar te zetten; het +bouwmateriaal bestaat dan uit gekauwd hout doorwerkt met kliervocht; +deze mieren noemt men cartonwerkers. + +Sommige nesten staan met elkaar in verbinding, terwijl weer andere een +paar mierensoorten herbergen. + +Kunstnesten. Het leven der mieren kan men niet alleen in de vrije +natuur, maar ook in huis, in school bestudeeren. Naast rupsenhuizen, +insectaria, terraria en aquaria zijn sedert eenige jaren in gebruik +formicaria of myrmicaria. Dat zijn kunstmatige mierennesten. Men kan +deze o.a. zien in het Insectarium in Artis. In deze formicaria kan men +veel van het mierenleven waarnemen, bovendien kan men verschillende +proeven met de mieren nemen. + +Het ligt buiten ons bestek, deze nesten nader te beschrijven; alleen +willen wij nog mededeelen, dat er verschillende systemen van deze +nesten bestaan, n.l. van Lubbock, Janet, Wasmann, Viehmeyer, Dankler en +Wheeler. Zoo’n formicarium of myrmicarium is in den handel. + +Mierengasten. In mierennesten worden allerlei gewilde en ongewilde +gasten gevonden. Tot de gewilde behooren o.a. de bladluizen en enkele +kevers, die zoete vochten afscheiden, waarop de mieren verlekkerd zijn. +Onder No 31 hebben we zoo’n mierengast, een kevertje, beschreven. + +Er zijn ook indringers, die leven van den afval, van mierenlijken, van +mijten; ook rooven zij wel de voedingsstoffen op het oogenblik dat de +larven gevoederd worden. Het komt voor, dat eieren, larven en poppen +worden geroofd. Vooral veel kevers worden in de nesten aangetroffen. +Het gaat in zoo’n mierennest als in een groote stad: er huist van +alles. + +Voeding. Mieren zijn snoepsters van zoete stoffen of vleescheters. Die +zoete stoffen halen ze uit de bloemen (honing) en verwoesten daarbij de +bloemen soms geheel, vooral als de honing wat diep zit. Een andere bron +van zoetigheid zijn de bladluizen. Wij hebben er reeds op gewezen, dat +de uitwerpselen van de bladluizen suikerhoudend zijn; dat behoeft ons +niet te verwonderen, want zij zuigen de beste sappen uit de planten en +in alle planten zit suiker. Om niet altijd zoo ver van huis te moeten +om suiker te halen, houden de mieren er bepaalde +„bladluizenkweekerijen” op na. Zoo zetten zij verschillende bladluizen +op wortels van planten, en als zij nu suiker noodig hebben, gaan zij +hun koetjes „melken”. Door het achterlijf der bladluizen met haar +sprieten te bewerken, brengen de mieren haar tot afscheiding. + +Zij klimmen ook langs de met bladluizen bezette planten en boomen, en +gaan daar melken. Gelijktijdig vermoorden zij o.a. de larven van het O. +L. Heersbeestje, die vijanden van de bladluizen zijn, zooals wij bij No +72 hebben beschreven. De snoeplust der mieren is ons dus zeer nadeelig, +want daardoor wordt de bladluizenplaag bevorderd. + +Andere mieren zijn vleescheters, b.v. de roode boschmier (No 169–171). +Deze eet vooral veel insecten en behoort dus tot de nuttige +„boschwachters”. Men heeft uitgerekend dat een roode-boschmierenkolonie +iedere minuut 28 insecten noodig heeft dat is per dag 100000 en in één +zomer meer dan 10 millioen. Daarom is het in Duitschland verboden, deze +mierennesten te verstoren of er de poppen (z.g. miereneieren) uit te +halen. In Stiermarken daarentegen laat men dit nog wel toe en worden er +jaarlijks 50 à 60 H.L. miereneieren verzameld, die een waarde hebben +van f. 6.— à f. 7.—per H.L. Voor dit luttele bedrag worden jaarlijks 96 +tot 134 millioen mieren vernietigd. Een groote domheid. Bij ons is het +verzamelen van mierenpoppen ook niet verboden; maar onze boschkultuur +heeft ook niet dien omvang als elders. Intusschen zou het voor de +opvoeding van ons volk ook goed zijn, als het hier verboden werd. De +roode boschmier moet gespaard worden. + +Verdedigingsmiddelen. Mieren hebben stevige bovenkaken en kunnen zich +daarmede goed verdedigen. In het nest zijn bovendien nog „soldaten”, +wier kaken nog grooter zijn. Verder bezitten alle mieren giftklieren in +het achterlijf, maar niet alle mieren hebben een angel. De roode +boschmier b.v. heeft er geen. De angeldragende mieren doorpriemen haar +vijand en spuiten tegelijk het gift er in. De andere mieren bijten +eerst een wonde en spuiten er dan gift in. De uitwerking is in beide +gevallen dezelfde. De mannelijke mieren steken niet en bezitten ook +geen giftklieren. + + + +Economische beteekenis der mieren: + +De mieren, die insecten eten, zijn nuttig. Alle anderen, die bij ons +voorkomen, zijn lastig of schadelijk. Door haar bladluizenkweekerij +worden ze indirect schadelijk; ook door het verwoesten van bloemen. +Verder zijn ze lastig door haar nestbouw; zij werpen hoopen op in +weilanden en gazons, waardoor het maaien wordt bemoeilijkt. De mieren, +die in boomstammen nestelen, maken het hout technisch onbruikbaar. +Verder zijn alle mieren lastig, die in huis op bezoek komen. + +Buiten ons land komen allerlei nuttige mieren voor. Reizende mieren +bezoeken in grooten getale de woonhuizen, zuiveren die van alle +ongedierte en gaan dan verder. De theeplanten worden aangetast door een +wants; hierop laat men nu de mieren los, die de wantsen te lijf gaan. +Men noemt dit het „bemieren” van een theetuin. In Afrika leeft een +mierensoort, waarbij aan eenige werksters is opgedragen den honing voor +de kwade dagen te reserveeren. De honing wordt bewaard in de krop, die +zeer sterk opzwelt; het geheele achterlijf neemt reusachtig in omvang +toe. In Amerika (Mexico) worden deze mieren op de markt verkocht. Voor +1 K.G. honing heeft men wel een 1000 mieren noodig. + +Het bestrijden van de mieren. Dit kan alleen afdoende geschieden door +het nest te verwoesten en de inwonenden te dooden. In ’t nest zitten de +wijfjes, liggen de eieren, larven en poppen, en als men dat alles niet +vernietigt, komen er telkens weer nieuwe werksters bij. Nesten, die +buitenshuis liggen, in den tuin of in ’t weiland kan men het +gemakkelijkst „uitmoorden”. Men werpt dan vergiften in ’t nest, doet de +mieren door giftige dampen stikken, of tracht ze door warmte te dooden. +Men giet kokend water in ’t nest. Gebruikt men zwavelkoolstof, dan +stikken ze. Men onthoude, dat de zwavelkoolstofdampen zeer giftig zijn. +Lost men 28 gram cyankali (een zeer zwaar vergift) op in 3¾ L. water, +en overgiet men hiermede het nest, dan gaan ze ook dood. Kan men flink +wat ongebluschte kalk in ’t nest brengen en dit met water overgieten, +dan ontstaat daarbij zooveel warmte, dat de dieren dood gaan. + +En hoe bestrijdt men de mieren, die zich in huis vertoonen? Van +bestrijden is eigenlijk geen sprake, wel van wegvangen. Men zet lage +schoteltjes of borden neer met honing, stroop of sterk suikerwater en +doe er wat gist door; de beestjes, die er van gesmuld hebben komen niet +meer terug. Men legt een spons neer waarin wat suiker; de mieren komen +er op af en als ze in de spons zitten wordt deze in het water geworpen. +Maar afdoende is alleen het verstoren der nesten. In de steden kan men +die niet gemakkelijk vinden, omdat ze onder de huizen zitten. Soms +zitten de nesten 3, 4 of 5 huizen verder. + +Voorkomen in Nederland. Er komen in ons land nog heel wat mierensoorten +voor. Een beruchte mier is de Pharaomier, uit warme landen +hierheengevoerd, die voor een 30 jaar het postkantoor te Leeuwarden +totaal onbewoonbaar heeft gemaakt. Het zijn kleine diertjes; de +werksters zijn niet grooter dan 1½ à 2 m.M. Verder komen er gele, +zwarte en roode mieren voor; een van deze laatsten zullen wij nu +bespreken. + +No 169, No 170 en No 171. Roode Boschmier. (Formica rufa). Mannetje, +wijfje en werkster. Wij hebben deze drie laten afbeelden, om er nog +eens de aandacht op te vestigen, dat er 3 soorten individuen, 3 kasten, +in een mierennest voorkomen. Het mannetje is effen bruinzwart; het is +11 m.M. lang. Het wijfje is iets kleiner; het is glanzig zwartbruin of +zwart, terwijl het achterlijf bruinrood is. De werksters zijn nog +kleiner; het borststuk is bruinrood, het achterlijf zwartbruin. De +werksters zijn altijd ongevleugeld. Voor de wijfjes met eierleggen +beginnen, worden haar de vleugels uitgetrokken. De mannetjes, die +altijd gevleugeld zijn, leven maar kort. + +In het nest van de roode boschmier komen gewoonlijk vele wijfjes voor; +zoodoende kunnen deze kolonies zeer volkrijk worden. De onderbouw van +het nest zit in den grond; de bovenbouw vertoont zich als koepel +daarop. Bij den nestbouw wordt allerlei plantenafval gebruikt. ’s +Avonds en bij regenachtig weer trekken de werksters het nest in; met +zonnig weer zijn ze zeer bedrijvig. De roode boschmier komt overal voor +en in onze bosschen zijn de mierennesten wel bekend. Omdat zij leven +van andere insecten, zijn ze zeer nuttig. De poppen van deze mier +worden uit de nesten gehaald en verhandeld als „miereneieren”. De roode +boschmier heeft geen angel. Het vocht uit de giftklieren kan zij +intusschen ver weg spuiten. ’s Winters wordt de kolonie niet +opgebroken, doch wijfjes en werksters blijven in de nesten. Dat is een +verschil met de wespen en hommels, die haar kolonies in den nazomer +opbreken. + + + +Graafwespen. + +Deze vormen een zeer eigenaardige groep. Het zijn dieren, die geen +kolonies of staten vormen, doch geheel alleen leven; ’t zijn solitaire +wespen, in tegenstelling met de gewone, statenvormende wespen, die +sociale wespen heeten. Iedere graafwesp heeft een eigen menu; er +bestaat dus voorkeur en daardoor beperking. Al deze dieren leven van +andere insecten. De oude wespen vangen het een of andere insect, en +door het eenige prikken met den angel te geven, wordt het dier wel +verlamd maar niet gedood. Het slachtoffer wordt geprikt in den +buikzenuwstreng. Nu komt voor de graafwesp het zwaarste werk; ’t +verlamde dier moet getransporteerd worden, want het slachtoffer moet +dienen tot voedsel voor de jonge graafwesp. Hier of daar is door de +graafwesp een holletje gemaakt, waarheen het slachtoffer wordt gesleept +of gedragen; in dat kuiltje of gangetje wordt het neergelegd. Is dit +geschied, dan legt de graafwesp op of bij het slachtoffer een ei, en +doet dan het kuiltje dicht. Verder kijkt de oude graafwesp er niet naar +om. + +Intusschen komt uit het ei een larve, en die vindt haar boterham klaar, +ze kan aan het eten gaan. Het aangestoken, verlamde slachtoffer, leeft +gewoonlijk nog en is nog niet in rotting overgegaan. De larve zal het +nu gaan verwerken. + +Deze vorm van voeding is eigenlijk een soort van parasitisme; de +graafwesplarve zuigt haar slachtoffer uit. Een enkele graafwesp valt +wel eens een nuttig insect aan. Zoo rooft Philanthus apivorus wel +honingbijen; die is dus schadelijk, maar de andere graafwespen zijn +nuttige dieren. + +No 172. Rupsendooder. Graafwesp. (Ammophila sabulosa). Dit zijn bekende +dieren. Het achterlijf is lang gesteeld. Het achterste lid van dezen +steel en een gedeelte van ’t achterlijf zijn lichtrood; het andere deel +van het achterlijf is zwart. Het zeer beweeglijke dier varieert nog al +in grootte die wel van 15 tot 30 m.M. loopt. Hoe beter het dier in de +jeugd zich kon voeden, des te grooter wordt het. Men moet wel in ’t oog +houden, dat het zelf zijn voedsel als larve niet kan opzoeken. Daarvoor +zorgt de moeder, en nu valt het eene hapje wel eens wat grooter uit dan +het andere. Het is een zeer interessant gezicht deze sluipwesp te zien +sleepen met rupsen, die zij verlamd heeft. Het is vaak een heel werkje +voor haar ’t slachtoffer te vervoeren. Natuurlijk zijn het alleen de +wijfjes, die met de rupsen sleepen; de mannetjes bemoeien zich er niet +mede. Vooral op zandgronden. De mannetjes vindt men veel op bloeiende +braamstruiken. + +No 173. Vliegendooder. Graafwesp. (Mellinus arvensis). Deze graafwesp +is zwart, geel geteekend met een zeer glanzig achterlijf. Het wijfje +heeft een lengte van 13 tot 15 m.M.; het mannetje is wel 4 m.M. +kleiner. Dit dier vangt vliegen, ook kamervliegen en bewerkt die op +dezelfde wijze als de vorige dat haar slachtoffer deed. Zij maakt nog +al diepe nesten in den grond, en men kan haar heel vaak ook in de +tuinen vinden. + + + +Wespen. + +Deze groep vliesvleugeligen behoort tot de „gevreesde afdeeling”; zij +zijn geangeld en als zoodanig moeten wij op onze hoede voor haar zijn. +Intusschen zijn wespen mooie dieren en is haar kolonieleven zeer +merkwaardig. + +De monddeelen zijn kauwend of bijtend; zij eten allerlei insecten als +bladluizen, vliegen, ook wel bijen; maar grootendeels zijn het nuttige +dieren. Ze lusten ook wel zoete stoffen; men kan ze honing zien proeven +in de bloemen en ook zuigen, sabbelen en knagen zij aan vruchten, om +zoete stoffen machtig te worden. „Het zijn de slechtste vruchten niet +waaraan de wespen knagen”. De oogen zijn niervormig, met den inham naar +de binnenzijde. De vleugels kunnen in rust omgevouwen worden; ze toonen +dan kleiner dan ze zijn. + +De kleur is bijna bij allen zwart en geel; zeldzamer ten deele +roodbruin. + +De wespengroep is te verdeden in tweeën: + +A. Solitaire en B. Sociale wespen. De laatste vormen kolonies of staten +en leven in nesten. + +Sommige solitaire wespen leven als de graafwespen; bij andere worden de +jongen voortdurend gevoed door de moeders. De zorg is hier dus al +grooter dan bij de graafwespen. + +In onze volgende beschouwing zullen wij ons uitsluitend bezig houden +met de sociale of statenvormende wespen. + +Polymorphisme. Evenals bij de mieren treffen we bij de wespen ook 3 +kasten aan: mannetjes, wijfjes en werksters. Men is gewoon de wijfjes +bij de wespen, bijen en hommels „koninginnen” te noemen. Deze +koninginnen overwinteren in allerlei schuilhoeken, ook onder afval. In +’t voorjaar komen ze voor den dag en beginnen dan met het bouwen van +een nest. Als zij een stukje van het nest klaar hebben, leggen zij +daarin eieren, waaruit larven komen, die de koninginnen zelf voeden. +Die eerste larven groeien uit tot werksters; deze zijn kleiner dan de +koningin. Die werksters zijn niet volledig ontwikkelde wijfjes. +Intusschen beginnen deze werksters mede te helpen. Zij halen voedsel en +voltooien het nest. De koningin komt nu niet meer naar buiten. De +eerste cellen in het wespennest zijn klein, de latere worden grooter. +De eerste maanden worden er uitsluitend werksters geboren. Midden in +den zomer komen er ook mannetjes en iets later verschijnen ook de +nieuwe koninginnen. Nu is de kolonie compleet: koninginnen, mannetjes +en werksters. Maar nu wordt de kolonie spoedig opgebroken. + +Als het laatste broedsel verzorgd is, vliegt alles weg en niemand komt +weer terug in het nest; de heele familie is verstrooid. Nu vliegt het +buiten vol wespen. Maar de koude nachten komen, en allengs sterven alle +mannetjes en werksters; alleen de nieuwe koninginnen blijven den winter +over, in een of anderen schuilhoek, maar niet in het oude nest. + +Nestbouw. De nestbouw van de wespen staat hooger dan die van de mieren; +een wespennest wordt volgens een vast plan opgebouwd. De grondstof, die +hiervoor wordt gebruikt is vermolmd hout, ook boomschors. Dit hout +wordt met kliervocht bewerkt tot een soort papier. Daardoor is het +heele nest brandbaar. De bijen maken haar raten van was, en die zijn +smeltbaar. + +We kennen 2 soorten wespennesten: boomnesten en aardnesten. De eerste +worden gemaakt boven den grond en zijn de stevigste; de aardnesten +worden vervaardigd onder den grond en zijn de zwakste. De wespennesten +bestaan uit étages of verdiepingen, die door balken aan elkander +hangen. Onderaan is het vlieggat. Alle wespennesten hangen. + +Wespengasten. Evenals in de mierennesten „mierengasten” voorkomen, zoo +is een wespennest ook met allerlei „wespengasten” bezet. Er leeft een +rups, die de larven opeet; verder een viertal kevers, 4 vliegen, +waaronder sluipvliegen, en ook sluipwespen. Waarom worden al deze +gasten geduld? ’t Is mogelijk, dat zij aangename stoffen afscheiden of +een aangename lucht afgeven; misschien ontsnappen ze door haar snelheid +of kleinheid aan het oog van de wespen, die slecht zien; ’t kan ook +zijn dat haar huid te hard is of dat ze, in den loop der tijden, een +beschermende nestlucht hebben aangenomen. Een bepaald antwoord is nog +niet te geven. Wat de wespengasten eten? Allereerst peuzelen enkelen +wat larven op; dan eten verschillende de schimmels, die zich in het +nest of op de excrementen der wespen ontwikkelen. + +Uit een biologisch oogpunt is een wespennest dus wel belangrijk. + +Economische beteekenis der wespen. Die hangt samen met het voedsel, dat +ze gebruiken, en de wijze, waarop ze dit halen; ook spreekt de +grondstof mede, waaruit zij de nesten bouwen. De wespen eten veel +andere insecten en zijn daarom nuttig. Zij kauwen de insecten uit, de +vloeibare sappen gaan naar binnen en het harde, chitineuse gedeelte, +werpen ze weg. Haar groote voorliefde voor zoete vruchten is haar +schadelijke zijde. De meeste wespen gebruiken vermolmd hout om daaruit +de cellen te maken; de hoornaar schilt ook de schors van jonge boompjes +en jonge takken af; die is dus schadelijk. De opgejaagde wespen steken +en veroorzaken soms bloedvergiftiging, omdat ze overal opzitten en +allerlei smetstoffen op deze wijze aan het lichaam kunnen krijgen. Zij +zitten ook graag op vruchten en jams en kunnen die op deze wijze ook +bevuilen. Uit hygiënisch oogpunt dienen wij ons dus in acht te nemen +voor de wespen. + +Het vangen van wespen. Wespen worden in wespenglazen gevangen, waarin +wat zoete vloeistof is gedaan. Eenvoudiger en meer afdoende is het, de +wespennesten te vernietigen, ten minste als men die ontdekt heeft. +Boomnesten kan men met een brandende lap, op een stok gebonden, in +brand steken. Grondnesten vernietigt men door in de vlieggaten +zwavelkoolstof te gieten en dan de gaten dicht te trappen. Ook kan men +kokende teer nemen. + +Zeer eenvoudig is het om in ’t voorjaar de koninginnen met een +vlindernet te vangen. Op gekweekte korenbloemen en andere bloemen, die +in Mei al bloeien, komen de koninginnen honing halen. Met een +vlindernet zijn ze dan gemakkelijk te vangen. En als men de koninginnen +in zijn buurt wegvangt, krijgt men daar geen wespennesten. + +Het steken der wespen. Wespen hebben angels. Zijn we gestoken, dan +vermindert de pijn als wij de gewonde plaats met azijn of vliegenden +geest koel houden. Is de verwonding hevig, zoodat de huid sterk opzwelt +en zeer pijnlijk is, dan moet dadelijk hulp van een geneesheer worden +ingeroepen. Natte aarde of anderen rommel mag men er nooit op doen; dan +zouden we juist vergiftiging kunnen veroorzaken. + +No 174. Gewone Wesp. (Vespa vulgaris). Van het geslacht Vespa komen bij +ons 8 soorten voor, en daarvan is „vulgaris” een der meest gewone. Zij +maakt groote nesten, waarin wel 3000 en wellicht meer individuen zich +ontwikkelen. Veelal worden de nesten in den grond gemaakt, doch als het +niet anders kan, nemen ze ook andere gelegenheden te baat. Deze soort +komt overal voor. De koningin is 13 à 14 m.M. lang en heeft een vlucht +van 35 m.M.; het mannetje 11 m.M. bij een vlucht van 31 à 32 m.M. en de +werksters zijn 9 à 10 m.M. lang en hebben een vlucht van 24 m.M. + +Vijanden hebben de wespen weinig of geen; alleen in de nesten een paar +parasieten, zooals wij zagen. + + + +Honingbijen. + +Nu zijn we genaderd aan de insecten, waarvan niets dan goeds kan worden +verteld. Honingbijen leveren aan den mensch honing en was; of juister, +wij halen dat van de dieren weg. Bovendien zorgen zij voor de +bestuiving van veel bloemen, waardoor de oogst van veel gewassen weer +is verzekerd. + +Onze honingbij komt niet meer in ’t wild voor. Vroeger schijnt zij in +’t wild in het zuiden van Europa geleefd te hebben, maar precies is het +toch niet meer aan te geven. Soms verwildert zij nog wel eens hier of +daar, maar dan is zij toch goed te herkennen. + +Polymorphisme. Ook in een bijenstaat treffen we weer drie soorten +individuen aan, 3 kasten: mannetjes (darren), wijfjes (koninginnen) en +werksters. Allereerst verschillen zij in grootte. De mannetjes of +darren zijn 14 tot 15 m.M. lang; zij hebben groote facetoogen, waaraan +ze dadelijk te herkennen zijn. Ze zijn langer dan de werksters, ook +plomper. Zij bezitten geen angel en verzamelen geen stuifmeel. + +De koningin is de grootste; haar lengte loopt van 15 tot 18 m.M. Haar +achterlijf is meer kegelvormig dan dat van de werksters. Zij is niet +strijdlustig, maar wel tegen andere koninginnen. Ze bezit wel een +angel, doch verzamelt geen stuifmeel. Zij gebruikt haar angel alleen +tegen andere koninginnen. De werksters zijn het kleinst en meer stomp +dan de koningin; ze worden 12 à 13 m.M. lang. Zij bezitten ook een +angel en verzamelen stuifmeel en honing. Het stuifmeel wordt verzameld +in het z.g. korfje; dat is een holte met haren aan den rand aan de +buitenvlakte van de scheen. Alleen de werksters bezitten een +stuifmeelkorfje en zij alleen halen dus stuifmeel. Behalve aan de +lichaamslengte zijn dus de werksters ook te herkennen aan ’t korfje, +dat alleen aan de twee achterpooten voorkomt. + +Tevens bezitten de werksters aan het eerste tarslid, dat volgt op de +scheen, aan de binnenkant een kam-apparaat, dat bezet is met steviger, +dikker haren. Met dit kamapparaat wordt het stuifmeel dat aan de haren +van het lichaam is gekomen, bijeen geharkt. Ook dit apparaat komt +uitsluitend bij de werksters voor. De honing, dien de bijen uit de +bloemen oplikken, wordt verzameld in de krop of honingmaag. Is die vol, +dan keeren de werksters naar den korf en spuwen hem daar weer uit. +Zoo’n honingmaag is dus feitelijk een flesch, waarin de honing +tijdelijk wordt bewaard; in den korf wordt de flesch door de +mondopening weer geledigd. De honing wordt in de honingmaag waterarmer; +in de bloemen bevat hij nog 75% water, en als de maag geledigd wordt +nog maar 15 à 20% water. Bovendien is er in de honingmaag nog wat +mierenzuur bij gekomen om den honing te conserveeren, voor bederf te +bewaren. Dat mierenzuur zit ook in het bijengift. + +De koningin haalt alzoo geen honing of stuifmeel, doch legt alleen +eieren. Verder is de regeling van het bijenhuis opgedragen aan de +werksters. + +Lichaamsbouw. De monddeelen zijn zeer sterk gewijzigd in de onderkaken; +de tong is zeer aanzienlijk veranderd, wat in verband staat met het +opnemen van honing. De tong bereikt hier het maximum van lengte. De +roltong der vlinders is van een ander type, zooals wij daar hebben +aangegeven. Een bij likt, een vlinder zuigt. + +Verder zijn van belang de haren; die zijn meestal, gevederd, wat in +verband staat met het opnemen en medenemen van stuifmeel, dat tusschen +de haren blijft zitten. De bijen zijn donkerder gekleurd dan de wespen +en ook langer behaard. Dat zit, zooals wij zagen, in verband met het +opnemen van stuifmeel, dat de wespen nooit doen. De wespen en bijen +voeden haar larven dan ook verschillend. De eersten geven aan haar +jongen dierlijk voedsel, de laatsten honing en stuifmeel. + +Gedaanteverwisseling. Dit is volkomen: ei, larve, pop, imago. De +ontwikkeling van ei tot imago is verschillend; een koningin heeft +daarvoor noodig 21 dagen, een mannetje 24 dagen en een werkster 15 +dagen. Dat zijn dus belangrijke verschillen. De werksterslarven krijgen +minder voedsel dan de koninginnenlarven. + +Nestbouw. De wespen bouwen haar nesten op uit hout; de bijen gebruiken +daarvoor was. Waar halen zij de was vandaan? De was wordt door de bijen +zelf geproduceerd. Zij zweeten die uit aan de 4 laatste segmenten van +het lichaam. Zoo’n zweetplaat noemt men een „spiegel”; de chitinehuid +is daar dun en glad; daarover ligt het behaarde gedeelte van het vorige +segment. Onder den spiegel liggen de wasklieren. De was „zweet” door de +poriën heen en komt dan op den gladden spiegel te liggen; daar wordt +het een plaatje. Met den achterpoot wordt het weggehaald en afgeknipt. +Het hiervoor noodige knipapparaat wordt gevormd door den scheen en het +eerste tarslid. Vervolgens wordt de was met den mond gekauwd en verder +verwerkt. Om 1 K.G. was uit te zweeten hebben de bijen eerst 18 K.G. +honing moeten nuttigen; voor de beestjes is dat dus een dure +geschiedenis en ook voor de imkers. Daarom gebruikt men tegenwoordig +voor den onderbouw der raten „kunstraat”. Dat geeft aan de bijtjes +besparing van was, wat weer den honingvoorraad ten goede komt. Verder +kan men nu de bijen allerlei kleine raten laten maken, z.g. „secties”, +die een hooge handelswaarde hebben. En ten slotte kan de kunstraat +meermalen gebruikt worden. + +De raten, dat zijn de cellenlagen, hangen verticaal naar beneden en de +cellen zitten horizontaal. Bij de wespen is dat juist andersom, zooals +wij gezien hebben. Daar hangen de raten of étages horizontaal en de +cellen verticaal. + +De bijencellen zitten mooi naast elkaar; ze vormen een prachtig geheel. +Vroeger meende men, dat de bijen hier de oplossing hadden gevonden van +een moeilijk wiskundig vraagstuk. Zij zouden n.l. met een minimum van +stof (was) een maximum van cellen kunnen maken. Men heeft de zaak nog +eens opnieuw onderzocht, doch het bleek niet zoo mooi te zijn als men +zich vroeger had voorgesteld. De hoeken van de zeshoeken varieeren te +veel en zijn niet zuiver. Er wordt geen theoretisch minimum voor den +bouw bereikt. + +Er zijn twee hoofdvormen van cellen: honingcellen en broedcellen. De +eerste zijn dunner en dienen voor de opberging van den honing. De +broedcellen zijn dikker, steviger en ook bruiner. Hierin worden de +eieren gelegd en de larven grootgebracht. + +De broedcellen verschillen in grootte en vorm; de kleinste 6-hoekige +zijn voor de werksters, de wat grootere 6-hoekige voor de darren of +mannetjes, terwijl de veel grootere voor de koninginnen zijn. Deze +cellen zijn eenvoudiger gebouwd en hangen; de imkers noemen ze +„doppen”. Ten slotte zij nog opgemerkt, dat de bijen de binnenwanden +van haar korven besmeren met propolis, dat is een kleverige stof, die +zij van allerlei knoppen van boomen halen. Het is bekend, dat b.v. de +knoppen van een kastanjeboom erg kleverig zijn; die kleverige stof +beschermt de knoppen tegen regen. De bijen nu gebruiken propolis om +haar korven te dichten en te beschermen tegen regen en kou. En als er +vijanden in den korf komen, worden ze in de propolis „ingewikkeld”. + +De voeding der larven. Omdat de vorm der cellen verschillend is, moeten +de bijen invloed hebben op de dieren, die geboren zullen worden. En dat +hebben ze ook. De mannetjes worden geboren uit onbevruchte eieren; de +koninginnen en werksters uit bevruchte eieren. Waarom blijven een deel +der eieren onbevrucht? Bij de overgroote meerderheid der dieren +ontstaan toch de mannetjes ook uit bevruchte eieren. De oplossing is +nog niet gevonden. + +De koningin beslist wat ze leggen zal. Legt ze een ei in een +koninginnecel, dan wordt de larve opgekweekt tot een koningin; maar was +dit ei gelegd in een kleine, werksterscel, dan werd de larve opgekweekt +tot een werkster. Die opkweeking, voeding, gaat aldus. De eerste drie +dagen worden alle larven gevoed met vloeistoffen uit klieren, die in +den kop der werksters zitten. Er zijn 6 van zulke kopklieren, waarvan +sommige zoo groot zijn, dat ze nog in het borststuk overhangen. + +Na deze 3 dagen krijgen de larven, die werksters moeten worden of +mannetjes, wat minder kliervloeistof en wat meer honing en stuifmeel, +en eindelijk houdt de heele voeding met kliervloeistof op. + +De larven, die evenwel koninginnen moeten worden, worden voortdurend +gevoed met genoemde kliervloeistof; bovendien krijgen ze er ook nog wat +honing en stuifmeel bij. + +Het verschil zit dus in de hoeveelheden kliervloeistof, dat een +geconcentreerd en gemakkelijk verteerbaar voedsel moet zijn. Wij kunnen +dus zeggen dat een werkster een in haar jeugd slecht gevoede koningin +is. En dat dit werkelijk zoo is, wordt hierdoor bewezen, dat een larve +in een werksterscel opgekweekt kan worden tot een koningin. Dat gebeurt +ook wel in den bijenkorf, maar dan wordt door de bijen eerst de +werksterscel uitgebroken, omdat die te klein is. Twee cellen worden tot +één vereenigd en bovendien nog wat uitgebouwd. Zulke koninginnecellen +vindt men dan op de raten. De normaal gebouwde koninginnecellen zitten +aan de randen der raten. + +Deze „hulpdoppen” worden gemaakt als de koningin b.v. gebrekkig wordt +of te oud, zoodat het eierlegggen gaat ophouden. Komt de koningin +plotseling te sterven, dan zijn de werksters er direct bij om een +werksterslarve op te kweeken tot een nieuwe koningin. + +Het is dus wel heel merkwaardig, dat het verschil tusschen werksters en +koninginnen uitsluitend ontstaan is door verschil in voeding. + +Het aantal individuen in een bijenkorf kan wel 30.000 en meer bedragen; +hieronder zijn dan maar een paar honderd mannetjes. In één zomer legt +een koningin niet meer dan 4 of 5 eieren, waaruit nieuwe koninginnen +worden geboren. + +Het zwermen der bijen. Het doel van ’t zwermen is overbevolking te +voorkomen. Wanneer toch alles maar bij elkaar bleef, zou ten slotte de +korf te klein worden. Bij het zwermen maakt de oude koningin plaats +voor de nieuwe. Tegen den tijd, dat een jonge koningin zal uitkomen, +begint het onrustig te worden in den korf; dat is een voorteeken van +het zwermen. De jonge koningin maakt, terwijl zij nog in de cel zit, +geluid: kwak-kwak, dat door de oude koningin wordt beantwoord met: +tuut-tuut. Eerst als dit laatste ophoudt, komt de jonge koningin uit +haar cel. Soms heeft er nog een vechten plaats tusschen de oude en +nieuwe koningin. + +De eerste uittocht, de eerste zwerm, heet de voorzwerm; de latere +zwermen heeten nazwermen. De zwermen worden door de imkers +„opgeschept”, die daarmede nieuwe korven vullen. Bij het zwermen hebben +alweer de werksters de leiding. + +Het einde van een bijenkolonie. Wij hebben gezien, dat er door het +zwermen telkens nieuwe kolonies werden gevormd, en dat er in de oude +korven geregeld nieuwe koninginnen komen, waardoor het oude volk meer +verdeeld wordt. De bijenwereld breidt zich uit en blijft in stand door +voortdurende splitsing. Een bijenkolonie wordt dus nooit opgeheven, +zooals een wespenkolonie. Vandaar dat in den winter in een bijenkorf +aanwezig zijn een koningin en een leger werksters. De mannetjes leven +maar kort; die zijn ’s winters nooit in den korf. + +Vijanden en ziekten der bijen. De bijen worden door allerlei +insectenetende vogels aangevallen en opgepeuzeld: zwaluw, roodborstje, +koolmees. Verder maken de wespen (die allen van roof leven) het den +bijen ook lastig. De mieren komen honing snoepen, evenals de muizen, +die er geen bezwaar in zien, haar nest in een korf te maken. Ze zitten +dan warm en vlak bij de „restauratie”. De padden, dat anders zulke +beste dieren zijn, omdat ze veel schadelijke insecten vangen, pikken +ook menig bijtje op. In den korf brengt de wasmot veel schade, d.w.z. +het rupsje van de wasmot. Dat vreet uitsluitend was, en misschien nog +wat rommel, doch zij is ook wel opgekweekt met was alleen. Zij peuzelt +de raten op en spint er een spinsel overheen. + +Een ander gevaarlijk dier is de bijenluis, Braula coeca; zij +parasiteert bij voorkeur op de koninginnen en is daardoor zoo +verderflijk. Zij leeft van het speeksel van de koninginnen en om dit te +verkrijgen, plaatst de luis zich tusschen de kaken van de koningin en +prikkelt zoo de speekselklieren tot grootere productie, waardoor de +koningin wordt ondermijnd. Dit is dan een der oorzaken, waardoor het +bijenvolk „moederloos” wordt. Tot de ziekten behooren „doorloop”, +„vuilhoed”, „bijenpest”. Wij gaan hierop niet verder in, maar wie bijen +wil houden, heeft er op te letten. Veel ziekten zijn „bacteriënziekten” +en als we deze niet rationeel bestrijden, gaat de eene korf na den +anderen er aan. + +Economische beteekenis der bijen. De waarde van den honing, die door de +bijen wordt verzameld en door den mensch wordt weggehaald, is zeer +groot. Toch moet men hieruit nu niet opmaken, dat de bijenteelt in ons +land een bestaan kan geven. Bijenteelt is goed voor den boer en den +tuinder, als nevenbedrijfje, maar men kan er zijn kostje alleen niet +mede ophalen. Het is ook een heel aardig liefhebberij-bedrijf; ’t geeft +aangename bezigheid en men leert het insectenleven wat beter kennen. + +De grootste beteekenis evenwel heeft de bijenteelt voor de bestuiving +der bloemen. Boomgaarden, waarin bijenkorven worden geplaatst, dragen +gewoonlijk rijkelijk vrucht. Daarom moet de bijenteelt overal bevorderd +worden. Behalve honing, leveren de bijen ons nog was, dat voor velerlei +doeleinden o.a. wrijfwas, wordt gebruikt. + +Tegenwoordig wordt de bijenteelt in ons land veel beoefend. In 1850 was +er een daling ingetreden door de opkomst van de bietsuiker en +rietsuiker. + +No 175, No 176, No 177. Honingbijen. Koningin, werkster, en mannetje +(dar). (Apis mellifera). Na het bovenstaande hebben we weinig meer bij +de plaatjes te zeggen. Wij hebben alle 3 soorten laten afbeelden, om +goed de verschillen te doen uitkomen en vooral om goed vast te leggen, +dat in een bijenkolonie 3 soorten individuen voorkomen: mannetjes, +wijfjes en onontwikkelde wijfjes. Uit den aard der zaak moesten wij in +onze beschouwing zeer kort zijn; daarom hebben wij alleen de aandacht +gevestigd op de hoofdzaken. Voor uitvoerige beschrijving moeten wij +verwijzen naar de speciale handboeken over bijenteelt. + + + +Hommels. + +Deze laatste groep insecten is een zeer aantrekkelijke. Iedereen kent +ze, want ze komen overal voor in grooten getale. Ze vliegen van het +vroege voorjaar tot het late najaar. Als het een gunstig najaar is, +zooals o.a. in 1913, zoodat ook de bloemenwereld lang en mooi getooid +blijft, dan gaan de hommels ook niet spoedig weg. We zien ze dan in +November nog op bloemenbezoek. Hommels worden heel vaak gewoonweg bijen +genoemd. Nu behooren ze wel tot de groote groep der bijen, maar als we +de plaatjes vergelijken waarop de honingbijen en de hommels zijn +afgebeeld, dan merken wij het verschil toch wel op. Hommels zijn +grooter, zwarter, meer donker gekleurd. Ze vallen ook meer op. Wie de +honingbijen niet goed kent, ziet de werksters voor een soort vliegen +aan. Dat een bij 4 vleugels heeft en een vlieg maar 2, valt niet zoo +dadelijk op. Maar wie eenmaal een hommel heeft gezien, zal zich nooit +weer met deze beestjes vergissen, hoeveel soorten er ook in ons land +voorkomen. + +Gekleed in haar lief pelsje is de hommel de ziel van onze bloementuin, +maar ook van de bloeiende randen langs wegen en dijken. Altijd zijn ze +ijverig en driftig gonzen ze van bloem tot bloem. Haar leven is niet +zoo uitvoerig beschreven als dat van de honingbij—ze verschaft den +mensch ook geen honing en was, zooals de honingbij dat doet—maar wie de +hommels in haar doen en laten volgt, vindt dat niet minder interessant +dan dat van de honingbij. En sedert men ook kunstmatige hommelkolonies +heeft gemaakt, waardoor men de dieren beter bestudeeren kan, nu komen +ook vele belangrijke zaken aan het licht. + +Hommels zijn sterker en ijveriger dan bijen; ze maken bovendien langer +arbeidsdag. De bij is teer en als er geen zon is, is de honingbij niet +in haar element. Maar ’s morgens vroeg, vóór de bijen uitgaan, haalt de +hommel al honing en stuifmeel. Betrekt de lucht, of begint ’t wat te +regenen of te waaien, de hommel trekt er zich niets van aan en gaat +maar stil door met haar werk. En als de avond begint te vallen en de +honingbijen reeds lang in den korf zijn, sleept de hommel nog haar +laatste vrachtje naar huis. Zoo’n ijverig, onvermoeid dier! Overal zijn +ze en den heelen dag kunnen wij ze aan ’t werk zien. Daarom raden wij +ieder aan met wat meer aandacht de hommels te bestudeeren; men zal dan +eens zien, wat een mooi stuk dierenleven daar afspeelt. + +Hommels halen, precies als de bijen, honing en stuifmeel voor de +larven; zij vervullen dus dezelfde rol als de honingbijen en hebben +gelijke beteekenis voor de huishouding der natuur. Laten we haar nu wat +nader bezien. + +Lichaamsbouw. Van het grootste belang zijn de monddeelen; haar tong is +zeer lang, zoodat zij den honing nog kunnen halen, die zeer diep in de +bloemen ligt. De langste tong wordt gevonden bij de tuinhommels (No +179); die ziet men dan ook b.v. op ridderspoor, waar de honing diep +zit. Andere hommels ziet men op deze bloemen zelden en als ze er komen, +merken ze gauw, dat ze aan een verkeerd kantoor zijn. + +In verband met het naar de kolonie medenemen van stuifmeel, bezitten +zij, evenals de honingbijen, een verzamelinrichting aan de +achterpooten; men noemt die ook het korfje evenals bij de bijen. Het is +hier ook de scheen, die daarvoor wordt gebruikt. De buitenzijde is een +weinig hol, kaal en glimmend, terwijl langs de randen stevige haren +staan tot steun van het stuifmeelklompje. Dat klompje of kluitje +stuifmeel is door de hommel tot een kneedbare massa verwerkt, zoodat +het stevig blijft zitten. Als we er op letten, valt het niet moeilijk +hommels te zien, die aan de beide achterpooten zoo’n stuifmeelklompje +hebben. Vangt men ze voorzichtig met een net of verschalkt men ze met +het doodingsglas, dan blijven de kluitjes aan de pootjes zitten en kan +men de dieren zoo opzetten. Omdat de kleur van het stuifmeel nog al +verschillend is, zijn de kluitjes ook verschillend van kleur. Een goed +kenner ziet aan de stuifmeelklompjes welke bloemen bevlogen zijn. Bij +de honingbijen halen alleen de werksters stuifmeel; bij de hommels doen +het de werksters en de koninginnen; die zijn dus gekenmerkt door het +bezit van zoo’n korfje. Het is een mooi gezicht als een groote +hommelkoningin de beide korfjes vol stuifmeel heeft; maar niet minder +mooi is het als een klein werkstertje met haar last naar de kolonie +vliegt. + +De chitinehuid is zwart, doch bezet met een dicht, tamelijk lang +haarkleed; sommige segmenten zijn anders gekleurd dan de overige, en +lijken daardoor meer op banden, die het geheel breken. Elke hommelsoort +heeft zoo haar eigen kleurpartij of kleurteekening, hoewel er nog al +eens afwijkingen voorkomen. Ook zijn er wel éénkleurige hommels. + +Het aantal vleugels is 4; de voorvleugels zijn ’t grootst en evenals de +achtervleugels bruin-gelig aangeslagen; ze lijken min of meer berookt. + +De koningin en de werksters bezitten tot verdediging een angel. De +mannetjes missen dien. Als men de hommels met chloroform doodt, dan +komt de angel gewoonlijk het lichaam uit. Anders blijft hij +ingetrokken. Hommels zijn lang zoo vechtlustig niet als sommige bijen, +al zijn ze dan ook grooter en brommen ze luider. + +Polymorphisme. Evenals bij de wespen, mieren en bijen, treffen we ook +bij de hommels het polymorphisme aan. Er is één koningin, die eieren +legt; verder zijn er werksters van verschillende grootte, en in den +zomer komen er ook mannetjes of darren. Alweer dus 3 kasten: +moederhommels, mannetjes en werksters. De verdeeling van arbeid is +precies dezelfde als elders bij de statenvormende vliesvleugeligen. + +Hoe zoo’n hommelkolonie is geordend, volgt nu. + +Nestbouw en stichting der kolonie. Op een zonnigen dag in Maart, als de +crocussen, het kleine hoefblad en de wilgen bloeien, dan worden we +buiten al verrast door een eerste ontmoeting met de hommels. Dat zijn +dan de eerste boden, die het vroolijke leger aankondigen. Het valt ons +op, dat die eerste exemplaren bijzonder groot zijn. En geen wonder, ’t +zijn de koninginnen. Waar ze vandaan komen? Ze hebben het geheele +najaar, den geheelen winter, verborgen gezeten onder allerlei afval. +Dat was wel geen koninklijk verblijf voor de koninginnen, maar zij +zaten er toch schijnbaar veilig. Intusschen kan men haar toch aanzien, +dat ze niet zoo fijn gehuisvest waren, want ze zijn gewoonlijk bezet +met een betrekkelijk groot aantal mijten. Deze mijten zijn afvaldieren, +die van allerlei rommel leven, maar de hommels geen last veroorzaken. +Wat ze dan op de hommels doen? Ze gebruiken haar als „vliegmachines” +want deze mijten zijn blind en laten zich op goed geluk door de hommels +vervoeren. Deze mijt heet Parasitus carnivorus, maar een parasiet is ze +toch niet; dat dacht men vroeger wel toen het dier zijn naam kreeg. + +Laten we nu onze hommelkoningin weer volgen. Ze snoept wat van den +honing en gaat nu een geschikt plaatsje zoeken om een kolonie te +stichten. Zooveel werk als de wespen en de bijen er van maken doet zij +niet; ze sticht ook zoo’n groote kolonie niet. Vele hommels bouwen haar +kolonie in den grond, anderen boven den grond, doch altijd zóó, dat het +geheel verscholen ligt. We hebben wel een hommelnest gevonden in een +verlaten nest van een winterkoninkje; dat is een geheel gesloten nest, +alleen met één vlieggat. Ook zagen we wel hommelnesten in +„nestkastjes”, die voor meezen waren opgehangen. Overal, waar een +donkere holte is, kan een hommelkoningin haar kolonie bouwen. Onder mos +vinden wij ze dikwijls. + +Is de koningin gereed met de plaats, waar ze haar „paleis” zal +stichten, dan begint ze te zorgen voor de „bevolking”. Zij gaat eieren +leggen; doch omdat de larven zelf geen voedsel kunnen halen, moet de +koningin hier voor zorgen. Zij haalt zelf honing en stuifmeel en bij +elk ei, dat zij legt, wordt wat voedsel voor de larve neergelegd. Komt +die nu uit, dan gaat ze dadelijk aan ’t eten. De eerste larven hebben +het nooit erg „breed”; ze worden maar schraaltjes gevoed, wat ook +hieraan kan liggen, dat er nog niet zooveel buiten te halen is en de +koningin voor alles alleen moet zorgen. De larven spinnen zich ten +slotte een cocon, verpoppen, en dan komen de eerste werksters weldra +voor den dag. Die eerstelingen zijn gewoonlijk maar heel klein +vergeleken bij de andere werksters, die nu van lieverlede geboren +worden. Die kleine werksters komen direct in dienst van de kolonie; zij +moeten voedsel halen, het paleis ordenen, en tenslotte zorgen, dat de +komende jongen goed gevoerd worden. + +In den eersten tijd vliegt de koningin nog mee uit, doch dit wordt van +lieverlede minder en eindelijk blijft ze geheel thuis en houdt zich dan +uitsluitend bezig met het eierleggen. + +We zien dus een belangrijk verschil tusschen een bijenkoningin en een +hommelkoningin; de eerste haalt nooit honing of stuifmeel en bemoeit +zich in ’t geheel niet met de voeding der kolonisten; de laatste zet +zelf haar „hofhouding” op, haalt in den beginne zelf het voedsel, en +staakt hiermede niet voor zij voldoende hulp heeft. + +Raten, dat zijn netjes geordende cellengroepen, worden door de hommels +niet gemaakt. De eerste larven maken cocons van spinsel, die later +worden gebruikt voor honingvaten. Zoodra er evenwel meer en grootere +werksters komen, worden er ook cellen van was gemaakt. In zoo’n cel +vinden we dan geregeld een paar eieren gelegd; iets later wordt dit +beperkt tot één ei. Deze cellen liggen niet geordend en zijn +ovaalvormig; den meer hoogeren zeshoekigen vorm als bij de bijen, +hebben ze nog niet bereikt. + +Met het stijgen van de zonnewarmte wordt de kolonie volkrijker. +Eindelijk verschijnen ook de mannetjes en wat later komen ook de nieuwe +koninginnen. Nu heeft de kolonie haar toppunt bereikt en zooals dat +meer in de dierenwereld gaat, volgt nu spoedig een uiteenspatting. De +mannetjes en de nieuwe koninginnen verlaten de kolonie; er is voor hen +niets te doen. Zij vliegen naar de bloemen en zorgen nu voor haar eigen +voeding. De nieuwe koninginnen schijnen wat honingvooraad in haar maag +op te slaan en zoeken dan al spoedig een goed heenkomen om den winter +door te brengen. Lang voor de koude invalt bergen zij zich al op. Dat +zien we bij meer insecten, die gaan overwinteren, dat zij vroeg zich +verschuilen. Zeker is het, dat zij op deze wijze aan veel gevaren +ontsnappen, want hoe langer zij zwerven, hoe meer kans er bestaat, dat +zij door een of ander dier worden opgepikt. Het is dus een +veiligheidsmaatregel reeds zoo vroeg „van de vlakte” te verdwijnen. + +De mannetjes doen het anders. Die weten, dat hun bestaan toch gauw +geëindigd is, dat zij toch den winter niet kunnen halen, en die blijven +dan ook maar zwerven. Op zonnebloemen, dahlia’s en andere nazomer- en +herfstbloemen kan men ze vinden; ’s morgens zijn ze geheel versuft en +kan men ze met de hand van de bloemen nemen; bovendien steken ze niet, +want ze hebben geen angel. En als nu het slechte weer komt, regen en +wind, dan sterven ze, vallen omlaag, en dienen ten slotte als mest voor +de planten voor het volgende jaar. ’t Was een kort bestaan voor die +mannetjes. Maar dit hebben ze gemeen met alle mannetjes bij de mieren, +wespen en bijen. + +En nu er in de kolonie geen larven meer zijn te verzorgen, want de +koningin legt geen eieren meer, is er voor de werksters ook niets meer +te doen, zoodat deze uitvliegen en aan het zwerven raken om ten slotte +ook te sterven. De koningin heeft, na al haar eieren gelegd te hebben, +ook geen levensdoel meer en, oud als ze al is—ze is van den vorigen +zomer—verlaat ze ten slotte ook de kolonie en sterft spoedig. + +Zoo is de heele kolonie opgebroken en het nest verlaten. + +Maar het volgend voorjaar komen de nieuwe koninginnen uit haar +schuilhoeken, en dan begint de formatie opnieuw. Dat is de levenscyclus +van de hommels. + +Als we nu nog even herinneren wat we vroeger over de andere +staten-vormende vliesvleugeligen hebben gezegd, dan blijkt ons: dat in +de mieren- en honingbijenkolonies veel werksters met haar koningin den +winter overblijven, doch dat de wespen en de hommels haar kolonies vóór +den winter opbreken, en dat alleen de koninginnen overwinteren buiten +de oude kolonie. + +Wat er van die oude, verlaten nesten ten slotte wordt? Er leven, zooals +we vroeger reeds zagen, allerlei kleine „afvaldieren” in die nesten; +die hebben nu vrij spel, en breken de verlaten paleizen af. Zoo is +alles netjes in de natuur geregeld: de opbouw maar ook de afbraak. Het +is komen en gaan. + +Hommelgasten. Evenals in de wespen- en mierennesten komen er ook in de +hommelnesten verschillende andere dieren voor, die daar hun kostje +ophalen. Zoo leven er een paar rupsjes, verwant aan de wasmot, die de +bijenraten verstoort, enkele kevertjes, die van afval leven, enkele +vliegenlarven, enz. Groote verwoestingen brengen ze evenwel niet aan. +Een bijzonder soort gasten zijn de koekoekshommels; daarover nu nog een +en ander. + +Koekoekshommels. Het is bekend, dat een koekoek zijn eigen jongen niet +groot brengt. De vogel legt zijn eieren in nesten van andere vogels, +laat ze door deze uitbroeden en de jongen verzorgen. Van het eigen +broedsel dezer vogels komt gewoonlijk niets terecht. De vreemde +indringer wordt niet alleen geduld doch door zijn pleegouders goed +verzorgd. Dit is zeker een eigenaardig geval van „samenwonen”. Het +eigen kroost van de pleegouders komt om en de vreemde indringer wordt +verzorgd als een kind des huizes. Hoe zoo’n toestand is ontstaan, +kunnen wij niet nader bespreken, maar eigenaardig is het zeker wel. + +Een soortgelijk geval doet zich ook onder de hommels voor. Er komen in +ons land een 5 tal soorten hommels voor, (in Midden-Europa 8) die +geheel leven op kosten van de andere nijvere hommels. Het zijn +commensaals of kostgangers, die hun kostje opdoen in de hommelkolonies +en voor haar eigen nakomelingen niet zorgen. Wij hebben gezien, dat het +in een hommelkolonie de werksters zijn, die voedsel halen en de jongen +voeden. Welnu, de koekoekhommels schijnen van de meening uit te gaan, +dat waar de andere hommels zooveel jongen groot brengen, zij best ook +nog de jongen van de koekoekshommel kunnen voeden. + +Haar leven is aldus ingericht. + +Als de gewone hommels reeds aan het werk zijn en de eerste werksters al +uit- en aanvliegen, komt de vrouwelijke koekoekshommel eindelijk ook +voor den dag. Zij heeft hier of daar onder rommel overwinterd, net als +de koninginnen der gewone hommels. Is haar winterdut uit, dan gaat ze +aan het zoeken naar een „kosthuis” naar een hommelkolonie. Is ze +geslaagd, dan gaat ze naar binnen en blijft daar. Merkwaardig is het, +dat ze geduld worden. Vermoedelijk heeft er een vergissing plaats van +de zijde der gewone hommels, die in de indringster een soortgenoot +zien. Ze eten van den honingvoorraad mede. Maar dit is nog niet genoeg. +Ze gaan eieren leggen en volgen de koningin trouw. Heeft die in de +broedcellen een ei gelegd, dan haalt de koekoekshommel dat er uit en +legt er zelf een ei in, dat nu door de werksters verzorgd wordt alsof +het van de eigen koningin ware. Het gevolg is, dat het eigen volk niet +talrijk wordt en soms wordt de heele kolonie ten slotte verwoest. Maar +voor het zoo ver is, zijn er een voldoend aantal nieuwe mannetjes en +wijfjes van den koekoekshommel geboren, die nu achtereenvolgens het +nest verlaten. Zij zwerven ook nog wat rond en vooral de mannetjes zijn +traag; men kan die soms wel zoo van de bloemen nemen. Ten slotte gaan +de mannetjes nog denzelfden zomer dood en blijven de wijfjes over, die +wegkruipen en in het voorjaar weer voor den dag komen. + +Omdat zij in de kolonies leven van het voedsel dat de gewone werksters +halen, hebben zij zelf geen eigen werksters noodig; bij de +koekoekshommels komen dus alleen maar mannetjes en wijfjes voor. Deze +wijfjes halen, zooals we gezien hebben, geen stuifmeel en daarom missen +ze aan de achterpooten ook het korfje, dat wij bij de koninginnen en de +werksters der gewone hommels wel aantreffen. + +Men ziet het, ook in de hommelmaatschappijen heeft men individuen, die +geheel ten koste van anderen leven. + +De hommels als bloemenbestuivers. Doordat de hommels zooveel stuifmeel +noodig hebben voor haar larven, zijn zij van den morgen tot den avond +bezig met bezoeken van bloemen. Daardoor bewerken zij de +kruisbestuiving, die de vruchtzetting bevordert. Wie de hommels wel +eens bij haar bloemenbezoek heeft gadegeslagen, zal hebben opgemerkt, +dat zij maar niet in het wilde van de eene bloemensoort naar de andere +bloemensoort vliegen, maar dat zij zich op één tocht meestal bepalen +tot één soort. Daardoor is het uitgesloten, dat onwerkzaam stuifmeel op +de stempels wordt gebracht. + +Omdat de tong nogal lang is, kunnen ze den honing diep uit de bloemen +halen. Soms zit die toch te diep, maar dan vinden zij er wel wat anders +op. Met haar bovenkaken bijten ze aan de buitenzijde van het ondereinde +der bloemkroon een gaatje, en zijn dan vlak bij den honing. Ze hebben +nu maar haar tong naar binnen te steken en ze zijn den honing meester. +Maar aan zoo’n bezoek heeft de bloem niets, omdat de hommel de +meeldraden niet passeerde en evenmin den stamper. Het bezoek is voor de +bloemen nutteloos. Men noemt deze handelwijze van de hommels „diefstal +met inbraak”. + +Als we er op letten, dan kunnen wij de inbrekers geregeld aan het werk +zien bij het bezoeken van de bloemen van den smeerwortel en van de +groote boonen. Bijna altijd worden deze bloemen „aangevreten”. + +Zeer druk worden door de hommels de composieten bevlogen, en alle +bloemen met klokvormige bloemkroon. In den nazomer zijn het vooral de +dahlia’s en de zonnebloemen, waarop zij gaarne vertoeven. Vooral de +zonnebloemen zijn zoo honingrijk. + +Wie de hommels bestudeeren wil, dient verschillende exemplaren te +vangen. Dat gaat het gemakkelijkst met een vlindernet. Zitten ze er in, +dan brengt men de ontkurkte doodingsflesch in het net en zit de hommel +er spoedig in. Ze kruipt dan nog tegen het net, doch als men aan de +buitenzijde van het net dan de kurk op het glas plaatst—het net zit er +dan nog tusschen—dan is het dier dadelijk bedwelmd. Heeft men met +hommels met stuifmeelkluitjes aan de pooten te doen, dan moet men +voorzichtig te werk gaan, omdat die kluitjes gemakkelijk losraken. + +Door de bestuiving van de bloemen behooren de hommels tot de nuttigste +insecten. + +Vijanden der hommels. Het spreekt vanzelf, dat de hommels ook +achtervolgd worden. Allereerst worden er velen door de vogels opgepikt; +dan door de mollen en de muizen. Over de hommelgasten, waaronder +parasieten, spraken we reeds. + +Hommelsoorten. In ons land komen 17 soorten voor, en in heel Europa +meer dan 40. Het is voor ons doel niet noodig op de soortverschillen +uitvoerig in te gaan. Bovendien is het lang niet gemakkelijk hommels te +determineeren, ook al, omdat de kleur der beharing aan zooveel variatie +onderhevig is. We geven 3 afbeeldingen van veel voorkomende hommels; +als men er op let kan men ze op de bloemen gemakkelijk onderscheiden. + +No 178. Aardhommel. (Bombus terrestris). Deze is zeer algemeen, kleur +zwart; voorborststuk en 2de achterlijfsring geel; de top van het +achterlijf wit. De koningin is 20 tot 22 m.M. lang; de vlucht 40–42 +m.M. De werksters zijn veel kleiner, en zooals we hebben opgemerkt, is +de grootte verschillend; lengte 10–17 m.M. De lengte der mannetjes +loopt van 14 tot 16 m.M., met een vlucht van 30–33 m.M. + +No 179. Tuinhommel. (Bombus hortorum). Ook deze hommel is zeer gewoon. +Zij lijkt op het eerste gezicht veel op de vorige, omdat de +kleurteekening ongeveer dezelfde is. De hommel is zwart; voor- en +achterborststuk geel evenals de 1ste achterlijfsring; zij heeft dus 1 +gelen band meer dan de aardhommel. De top van het achterlijf is wit, +net als bij de aardhommel. Deze hommels hebben de langste koppen en de +langste tongen. Daarom treft men haar ook juist aan in de bloemen met +zeer diep liggenden honing. Lengte van de koningin 17–20 m.M.; vlucht +35 tot 39 m.M. De werksters zijn 11–16 m.M. en de mannetjes 14–15 m.M.; +vlucht 29–32 m.M. + +No 180. Steenhommel. (Bombus lapidarius). Een zwarte hommel, die +dadelijk te herkennen is aan den rooden top van het achterlijf. Het +mannetje heeft een gelen kop en een geel voorborststuk. De koningin is +20–22 m.M. lang; vlucht 37–40 m.M. De werksters zijn 11–16 m.M. en +gelijken geheel op de koningin. Ze verschillen alleen in grootte. +Mannetje 14–16 m.M. lang, vlucht 27–30 m.M. + +Alle drie opgenoemde hommels maken haar nest in den grond. + + + + + + + + +LITERATUUR. + + +Voor wie nog nader met de insecten willen kennismaken kunnen wij de +volgende werken aanbevelen: + + + De Nederlandsche Insecten, door Dr. J. Th. Oudemans; met 38 + steendrukplaten en 427 figuren in den tekst. Uitgave van W. J. + Thieme & Cie te Zutphen. + Coleoptera Neerlandica, de schildvleugelige insecten van Nederland + en het aangrenzend gebied, door Dr. Jhr E. Everts; 2 deelen met + supplement. Uitgave van Martinus Nijhoff te ’s Gravenhage. + Onze Vlinders, atlas met gekleurde platen, door D. Ter Haar. + Uitgave van W. J. Thieme & Cie te Zutphen. + Vlinderatlas met gekleurde platen door Dr. H. J. Calkoen. Uitgave + van A. W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij te Leiden. + Vlinderwereld. Honderd Nederlandsche vlinders en rupsen, met 100 + gekleurde platen, door F. J. van Uildriks en Dr. Vitus Bruinsma. + Uitgave van W. Versluys te Amsterdam. + Ziekten en Beschadigingen der Landbouwgewassen. 2 Deeltjes door + Prof. Dr. J. Ritzema Bos. Uitgave van J. B. Wolters te Groningen. + Ziekten en Beschadigingen der Ooftboomen. 4 Deeltjes door Prof. Dr. + J. Ritzema Bos. Uitgave van J. B. Wolters te Groningen. + Handboek voor den Verzamelaar van Vlinders door D. Ter Haar. + Uitgave van W. Versluys te Amsterdam. + + + + + + + + +BENOODIGDHEDEN voor het VERZAMELEN. + + +Men vrage hiervoor aan bij de firma + +Merkelbach & Co., Kalverstraat 30 te Amsterdam, Prijscourant No III. + +Hierin worden alle hulpmiddelen bij het kweeken, vangen en opzetten van +insecten afgebeeld. De prijscourant wordt gratis toegezonden. + + + + + + + + +INSECTARIA. + + +Levende insecten zijn het geheele jaar door te zien in het Insectarium +in „Artis” te Amsterdam en in het Gebouw van de Nederlandsche +Heidemaatschappij te Arnhem. Tevens kunnen wij daar rijke collecties +insecten bezichtigen. + + + + + + + + +De voorwaarden, waarop Album No 1 verkrijgbaar is, staan vermeld op de +achterzijde van de plaatjes. + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78959 *** |
