summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78819-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorwww-data <www-data@mail.pglaf.org>2026-06-06 04:55:55 -0700
committerwww-data <www-data@mail.pglaf.org>2026-06-06 04:55:55 -0700
commitdbbcec30b4b31a3e5c3d2fcfd26c02b552111163 (patch)
tree179bca47adc000cec5d8dd7bc59201032862f5b6 /78819-0.txt
Initial commit of ebook 78819 filesHEADmain
Diffstat (limited to '78819-0.txt')
-rw-r--r--78819-0.txt3116
1 files changed, 3116 insertions, 0 deletions
diff --git a/78819-0.txt b/78819-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..68e0578
--- /dev/null
+++ b/78819-0.txt
@@ -0,0 +1,3116 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78819 ***
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 51 DE VEERTIG DIEVEN.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE VEERTIG DIEVEN.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE ZEE-ADELAAR.
+
+
+In de haven van San Diego lag dichtbij het Mexicaansche fort de
+trotsche, Amerikaansche kruiser „Florida”, commandant kapitein Dalton.
+
+Het schip lag pas vier-en-twintig uur in de haven en de matrozen
+hielden zich bezig met het dek te schrobben en alle sporen van de lange
+zeereis uit te wisschen, die den zeeman even erg hinderen als een
+vlekje in het linnengoed de nette huisvrouw.
+
+Op het dek, achter de commandobrug, zat de commandant, kapitein Dalton.
+
+Een jonge man, die naast hem in een gemakkelijk Japansch stoeltje zat,
+was Charly Brand in tropenkleeding en op eenigen afstand van hen zaten
+mevrouw Delma en haar dochter.
+
+Af en toe namen zij hun verrekijkers op, om aan den horizont naar
+schepen te zoeken.
+
+„Binnen twee uur kan, volgens mijn berekening, de „Zee-adelaar”, hoewel
+het het beste en snelste jacht is dat ooit de Atlantische Zee heeft
+bevaren, niet hier zijn!” sprak commandant Dalton.
+
+„Gij moet uw ongeduld bedwingen, dames!”
+
+„Gij kunt niet gelooven, commandant,” antwoordde madame Delma, „hoe ik
+er naar verlang Lord Lister terug te zien, om hem te danken voor alle
+avonturen waarin hij zich voor ons heeft begeven.
+
+„Deze man komt mij voor als een der helden uit de middeleeuwen, een van
+die ridders, die zonder vrees of blaam den kamp met een draak wagen, om
+onschuldigen tegen de woede van een dergelijk monster te beschermen.”
+
+„Gij hebt gelijk,” antwoordde de commandant. „Lord Lister is een van de
+merkwaardigste naturen, die misschien sinds eeuwen op deze wereld
+hebben bestaan. Ik tel mij zelf tot zijn grootste bewonderaars.
+
+„Ik moet eerlijk bekennen, hoewel ik zelf niet bang ben voor den
+duivel, dat ik niet begrijp, waar Lord Lister den moed vandaan haalt om
+al zijn waagstukken te ondernemen.”
+
+„Het zijn niet eens allemaal waagstukken te noemen,” vervolgde mevrouw
+Delma. „Ik geloof, dat wij er een beter woord voor kunnen gebruiken:
+het zijn heldendaden!”
+
+„Ik geef u gelijk,” sprak de commandant, „ik zelf heb oneindig veel aan
+zijn heldenmoed te danken, dat wil zeggen, eigenlijk niet ik, maar mijn
+moeder.”
+
+De dames en Charly Brand keken vol aandacht naar den spreker.
+
+„Mogen wij weten, wat voor een heldendaad het is geweest, waarvoor gij
+Lord Lister dank verschuldigd zijt?”
+
+„Het is verscheiden jaren geleden,” begon de commandant te vertellen,
+„en ik lag met mijn schip in Boulogne-sur-Mer. Ik verwachtte mijn
+moeder uit Londen en was tamelijk ongerust, daar een zeer hevige storm
+op het Kanaal woedde.
+
+„Het is veel veiliger om het Kanaal te passeeren in een mijner booten,
+dan op zulk een oud, niet zeewaardig Fransch stoomschip.
+
+„Kort en goed, als gij de haven Boulogne-sur-Mer kent, zult gij weten,
+dat het voor stoombooten onmogelijk is daar binnen te loopen en dat zij
+de passagiers per roeiboot aan wal moeten brengen.
+
+„Met mijn stoomsloep voer ik naar den stoomer en kwam er juist op het
+oogenblik, toen de kleine havenstoomboot, overladen met passagiers,
+zich gereed maakte het stoomschip te verlaten, om naar de haven te
+varen.
+
+„Mijn moeder, die mij had gezien, wenkte mij met haar zakdoek.
+
+„Op dit oogenblik werd het schip door een golf opzij geworpen......
+
+„Een luid geschreeuw weerklonk uit veler mond—en juist daar, waar mijn
+moeder had gestaan, had de golf verscheiden personen in de branding
+geworpen.
+
+„Met veel moeite verhinderden mijn dekofficieren en matrozen mij om in
+het water te springen.
+
+„Het stond gelijk met zelfmoord, om zonder zwemgordel, zich alleen
+verlatende op zijn lichaamskracht, den strijd met de golven te durven
+aanvaarden.
+
+„Van boord der stoomboot werden reddingsgordels en kurken vesten naar
+de drenkelingen geworpen, maar voordat zij deze konden bereiken, waren
+de ongelukkigen door de sterke golven ver van het schip gedreven en
+worstelden zij wanhopig met den dood.
+
+„Daar zag ik plotseling tot mijn verbazing, hoe een man, met een kurken
+vest in de hand, van de verschansing sprong.
+
+„Een nieuwe kreet van ontzetting weerklonk....
+
+„Met een stoomsloep trachtte ik de ongelukkigen te naderen en het
+gelukte mij ook twee jonge mannen, even voordat zij zouden zinken, aan
+de golven te ontrukken.
+
+„Mijn moeder echter kon ik niet ontdekken.
+
+„Zij was waarschijnlijk door den stroom reeds van het land weggedreven.
+
+„Radeloos van smart trachtte ik nog eens mij in het water te storten.
+
+„Tevergeefs.
+
+„Mijn brave jongens hielden mij stevig vast en weigerden voor het eerst
+in mijn leven om mij te gehoorzamen.
+
+„Ja, een van hen, mijn oude bootsman, hief zelfs zijn vuist op en
+schreeuwde:
+
+„„Kapitein, voordat gij in het water springt en u nutteloos opoffert,
+geef ik u een slag op den schedel, dat gij minstens een uur lang in uw
+kajuit voor anker moet liggen. Voor mijn part laat gij mij daarna aan
+een ketting leggen!”
+
+„En weer klonk een kreet van boord van de stoomboot.
+
+„Een van mijn officieren riep plotseling:
+
+„„Hij heeft haar gegrepen!”
+
+„En daarop telephoneerde hij naar de machinekamer: „Volle stoom!” en
+den stuurman beval hij: „Koers Noordoosten, naar het havenhoofd!”
+
+„Wat in de volgende seconden gebeurde, kan ik niet zeggen. Ik werd als
+in schroeven vastgehouden door de stevige vuisten mijner matrozen, en
+daarna— — —
+
+„Als in een droom zag ik uit de ziedende golven mijn moeder opduiken en
+vlak naast haar de gestalte van een man.
+
+„Een oogenblik later hadden mijn matrozen het tweetal, dat om hun leven
+vocht, gegrepen en weldra waren zij gered van den dood.
+
+„Mijn moeder lag bewusteloos in mijn kajuit en ik deed mijn best om
+haar levensgeesten weer op te wekken.
+
+„Een kurken vest was om haar lichaam gedaan en had haar belet te
+zinken.
+
+„Eindelijk werd al onze moeite beloond. Mijn moeder opende de oogen en
+wij omhelsden elkaar, vreugdetranen stortend.
+
+„Ikzelf noch mijne officieren hadden erop gelet, dat zich als zwijgend
+toeschouwer nog iemand in de kajuit bevond, die nu, nu de drenkelinge
+weer bijgekomen was, even kuchte en sprak:
+
+„„Pardon, commandant, maar ik zou u vriendelijk willen verzoeken, mij
+aan droge kleeren te helpen. Ik druip, alsof ik pas uit het water was
+gekomen.”
+
+„Ik ben in mijn geheele leven nog nooit zoo geschrokken als op dat
+oogenblik.
+
+„Ik staarde naar den gentleman, die inderdaad zoo nat was, dat het
+water nog steeds uit zijn kleeren stroomde.
+
+„Eerst nu begreep ik, dat ik aan dezen man de redding mijner moeder te
+danken had.
+
+„En toen ik nu opstond en, waarschijnlijk ten gevolge van den schrik,
+slechts in staat was om eenige verlegen dankbetuigingen te uiten,
+maakte hij een buiging en sprak op een toon, alsof hij tegenover mij in
+een balzaal stond:
+
+„„Sta mij toe, dat ik mij aan u voorstel: Lord Edward Lister.”
+
+„Ik geloof, dat ik een zeer verbaasd gezicht heb gezet, toen ik dezen
+naam hoorde.
+
+„Uit de kranten had ik herhaaldelijk den naam van den Lord gehoord, in
+verband met vermetele avonturen en mij een voorstelling van hem gemaakt
+als van een Rinaldo Rinaldini.
+
+„Ik was zoo verbluft, dat ik niet in staat was, mijn naam te noemen,
+maar weer de een of andere domheid mompelde.
+
+„Kort en goed, vier-en-twintig uur later zat ik met Lord Lister en mijn
+moeder samen in Parijs en voelde mij zeer aan hem verplicht, niet
+alleen omdat hij de redder van mijn moeder was geworden, maar ook omdat
+hij voor mij de meest sympathieke persoon was, dien ik ooit had
+aangetroffen.
+
+„Sinds dien tijd zijn Lord Lister en ik door de innigste vriendschap
+verbonden en daarom heb ik mij, toen ik zijn brief had ontvangen,
+toestemming verschaft van het ministerie van marine in Washington om
+een oefeningsvaart in de Mexicaansche wateren te doen, ten einde onder
+den dekmantel van deze zee-expeditie u en uwe belangen te kunnen
+dienen.”
+
+„Ik begrijp alleen niet”, mengde zich Charly Brand nu in het gesprek,
+„hoe Lord Lister aan den „Zee-adelaar” is gekomen, waarvan gij vertelt,
+commandant, dat het het snelste jacht is, dat er op het oogenblik
+bestaat.”
+
+„Heel eenvoudig”, glimlachte commandant Dalton, „ik kreeg een telegram
+van hem in New-York, waarin hij mij verzocht, hem door mijn
+tusschenkomst een goed zeiljacht, dat te koop was, te bezorgen.
+
+„Toevalligerwijze heeft een van mijn vrienden, de zoon van den
+katoenkoning May, genoeg van de zeilsport en zoodoende was het
+zeiljacht te koop.
+
+„Door een telegram kreeg ik toestemming om te beschikken over het
+zeiljacht, dat eerst kort geleden was teruggekomen van een reis naar
+Indië en nu in de haven van New-York lag.
+
+„Ik liet door een agent manschappen aanwerven en zond die, zooals Lord
+Lister dat wenschte, naar Vera Cruz.
+
+„Ik deelde hem mee, dat wij de haven niet konden binnenloopen, zooals
+het oorspronkelijke plan was, en dat het voor hem en voor ons beter zou
+zijn, elkaar hier in San Diego aan de Pacific-kust te ontmoeten.”
+
+„Hoe weet gij, commandant, dat het jacht binnen twee uur hier moet
+zijn?”
+
+„Doodeenvoudig”, antwoordde de commandant lachend, „dat kan ik naar de
+snelheid der beide schepen nauwkeurig berekenen. Mijn kruiser maakt 14
+knoop per uur en de „Zee-adelaar” zelfs 16, met volle zeilen.
+
+„Bereken ik nu zijn snelheid evenals die van mijn kruiser, tegenwind en
+dergelijke bij omstandigheden in aanmerking genomen, dan verkrijg ik na
+aftrek der 24 uur, die wij als voorsprong hadden, het resultaat, dat
+hij in den loop der volgende twee uur de haven van San Diego moet
+bereiken.”
+
+„Ik heb nog nooit gehoord”, sprak Madame Delma, „dat een zeiljacht een
+grootere snelheid kan hebben dan een stoomboot.”
+
+„Natuurlijk”, antwoordde de commandant, „maar het is ook een
+uitzondering. Deze „Zee-adelaar” echter is van het beste mahoniehout
+gebouwd, is een tweemaster en heeft een constructie van zeilen, zooals
+men die niet vernuftiger uit zou kunnen denken.
+
+„In Amerikaansche vakkringen noemen wij het jacht gewoonlijk „de
+Vliegende Zwaan”.
+
+„Gij zult zelden weer zulk een dergelijk vaartuig te zien krijgen als
+de „Zee-adelaar”.”
+
+Nu sprak Charly Brand:
+
+„Daar Lord Lister een hartstochtelijk sportsman is en jaren lang zelf
+een zeiljacht heeft bezeten, zal hij ongetwijfeld zelf de leiding op
+zich hebben genomen.”
+
+„Zeker”, antwoordde de commandant, „ik ken van eenige zeilwedstrijden
+Lord Lister als een omzichtig en ervaren zeiler.
+
+„Dat is hem als Engelschman aangeboren. Een zijner voorvaderen van
+moederszijde was, naar ik hoorde, admiraal Nelson.”
+
+Op dit oogenblik dreunde van de zijde der buitenhaven een schot, als
+teeken, dat een schip de haven naderde.
+
+„Let eens op, dames”, riep commandant Dalton uit en hij stond op om
+zich naar de commandobrug te begeven, „dat zal onze vriend zijn.”
+
+Daar de havenmond van de plek waar zij lagen, niet te zien was, moesten
+zij nog even geduld hebben, totdat plotseling, als een reusachtige
+witte vogel, met glinsterend witte zeilen, de „Zee-adelaar” inderdaad
+de haven binnenkwam.
+
+De verschijning van het schip wekte de levendige bewondering op van de
+havenarbeiders en zeelieden.
+
+Ieder legde het werk neer en bewonderde de sierlijkheid en de
+prachtvolle manoeuvres, die het schip uitvoerde, toen het vlak bij den
+Amerikaanschen kruiser voor anker ging liggen.
+
+De wolken van wit linnen, die den „Zee-adelaar” omhulden en hem bijna
+het uiterlijk gaven van een boven het water zwevenden luchtballon,
+verdwenen en werden door de matrozen aan de ra’s bevestigd.
+
+„Nu, dames,” sprak commandant Dalton, „heb ik u te veel van het schip
+verteld?”
+
+„Neen!” antwoordde madame Delma. „Ik heb nog nooit zulk een prachtig
+zeiljacht gezien. Dat is werkelijk een vliegende zwaan en gij ziet, dat
+alle zeelui, evenals ik; vol bewondering zijn voor het jacht.”
+
+Op dit oogenblik werd een boot aan boord van het jacht losgemaakt en
+duidelijk zagen commandant Dalton en zijn passagiers, hoe Lord Lister
+met verscheiden matrozen in de boot sprong, om naar den kruiser te
+roeien.
+
+Na eenige minuten klauterde Lord Lister langs de valreep van den
+kruiser naar boven en schudde den commandant vol vreugde de handen.
+
+„Een voorspoedige reis gehad?” vroeg hij, „een wonderlijk schip, ik heb
+bijna voortdurend vijftien knoopen gemaakt.”
+
+Daarop wendde hij zich tot de dames en sprak:
+
+„Wel, madame Delma, het doet mij genoegen u in Mexico te zien. Laat ons
+hopen, dat het mij gelukt om nu dat te bereiken wat gij wenscht.”
+
+Zij drukten elkaar de hand en mevrouw Delma sprak:
+
+„Ik zegen dezen dag, die u bij mij heeft teruggebracht, mijn dappere,
+trouwe ridder. Een anderen naam kan ik u niet geven.”
+
+Nu kwam Charly Brand naar voren en vroeg:
+
+„Ben je alleen op het jacht?”
+
+Een sombere trek vertoonde zich op het gelaat van Raffles en hij
+antwoordde:
+
+„Ik ben alleen!”
+
+„En waar is Carmen Marquez, je verloofde?”
+
+„In Vera Cruz,” antwoordde Raffles.
+
+„Gaat het haar goed?” vroeg nu madame Delma vol werkelijke
+belangstelling, hoewel het de zuster van haar doodsvijand betrof.
+
+„Ja,” antwoordde Raffles, „het gaat haar beter dan ons allen!
+
+„De ontberingen en gruwelen der verre reis, die wij tot Vera Cruz
+moesten maken, en een aanval van de gele koorts, hebben mijn zon, die
+op zoo zeldzame wijze mijn levenspad was komen bestralen, vernietigd.
+Carmen Marquez is vandaag vóór drie weken gestorven.”
+
+Een angstige stilte maakte zich van de aanwezigen meester.
+
+De machtige dood deed hun de hoofden buigen.
+
+Na eenige oogenblikken echter trad madame Delma naar Raffles toe, greep
+zijn handen en sprak op warmen, hartelijken toon:
+
+„Gij arme, arme man!”
+
+Maar Raffles wierp fier het hoofd in den nek, als wilde hij het
+onverbiddelijke noodlot het hoofd bieden, en antwoordde met een harde
+uitdrukking op het gelaat:
+
+„Gij vergist u, madame, men moet van het leven niet meer verlangen dan
+het kan geven. Ik ben zeer dankbaar, want ik heb aan de zijde van
+Carmen Marquez de gelukkigste en onvergetelijkste dagen van mijn leven
+genoten.
+
+„De herinnering daaraan zal voor mij altijd het beste blijven wat de
+wereld mij kon geven.
+
+„Zoo, en nu verzoek ik u, niet meer van de dooden te spreken. Een
+levende, uw echtgenoot, heeft onze hulp noodig!
+
+„Laat ons samen overleggen, op welke wijze wij hem kunnen helpen.”
+
+„Vóór alles,” vroeg commandant Dalton, „zijn uw scheepspapieren in
+orde? De Mexicanen, die zelf schurken van de allerergste soort zijn,
+vermoeden in elk vreemd schip een spion of smokkelaar.”
+
+„Ik voorzag dit,” sprak Raffles, „en heb daarom voor mijn afreis
+scheepspapieren van het Custom-House genomen, om langs de Pacific-kust
+te mogen visschen en kruisen. Bovendien heb ik den naam van de boot
+veranderd en noem deze „Carmenrita”.
+
+„Ik deed dit, opdat Marquez of zijn vriend in Guaymas, gouverneur
+Matteo, wanneer zij van den een of anderen spion inlichtingen omtrent
+mij mochten verkrijgen, niets omtrent mijzelf of de boot te weten
+zouden komen.
+
+„Denk er dus aan, dat mijn boot voortaan heet „Carmenrita”.
+
+„Ik denk, dat wij reeds vandaag de haven verlaten om naar Guaymas te
+varen. Eerst daar kunnen wij met onze Mexicaansche operaties beginnen.”
+
+„Allright,” antwoordde commandant Dalton, „en nu moet gij mij het
+genoegen doen om mij mee te nemen aan boord van uw jacht, opdat ik
+kennis kan maken met uw bemanning.”
+
+Eenige minuten later riep de stuurwacht aan boord van het jacht in zijn
+scheepsroeper:
+
+„Boat coming from the men-o-war!” (oorlogsschip) en de zeilmeester
+Tylar met stuurman en matrozen sprongen op dek en stelden zich in rij
+en gelid.
+
+Commandant Dalton monsterde met echten zeemansblik de manschappen en
+toen hij met John Raffles in diens hut zat, sprak hij:
+
+„Geen goed volk, dat gij aan boord hebt.”
+
+„Dat weet ik, maar ik houd ze met ijzeren tucht in bedwang. Het is een
+moeilijke tijd voor ons, zeilers”, vervolgde Raffles, „fatsoenlijke lui
+willen geen dienst meer doen op een zeilschip, zij gaan op
+stoomschepen.”
+
+„Wel”, sprak commandant Dalton, „houd die jongens vooral in de gaten,
+ik denk, dat gij nog last er mee krijgt.
+
+„Zoodra de vloed opkomt, zal ik met mijn kruiser de haven verlaten, om
+direct koers te nemen naar Kaap Lucas.”
+
+„Ik zal u binnen eenige uren volgen.”
+
+„Pardon”, antwoordde commandant Dalton, „het zou beter zijn, als gij
+eerst eenige dagen in de haven bleeft om eerst dan naar Guaymas te
+zeilen.”
+
+Daarop verlieten beiden het jacht weer en begaven zich aan boord van
+den kruiser, waar commandant Dalton een souper voor Raffles en zijn
+officieren gaf.
+
+Terwijl Raffles zich aan boord van den kruiser bevond, stond Tylar op
+dek met een Zweed, Jurgens genaamd, een blauwoogig, breedgeschouderd
+gezel. Zij rookten hun pijpje en de Zweed mompelde:
+
+„Weet je, Charly, als je flink bent, dan stoor je je eindelijk eens aan
+mij.
+
+„Dit schip, waarop wij ons bevinden, is het eenige, dat een vaart zou
+kunnen doen om opium te smokkelen. Ik verzeker je, Charly, de
+gelegenheid zal zich niet zoo gauw weer aan ons voordoen en Wou-Wang
+betaalt ons voor dit schip wel minstens 50,000 dollar contant, behalve
+het geld, dat wij met meerdere opium reizen kunnen verdienen.
+
+„Wij zullen als rijke lui naar huis terugkeeren.”
+
+En Tylar, een Ier van geboorte, spuwde het bruine tabakssap in het
+water en sprak:
+
+„Ik durf best! Maar de duivel hale ons, als de zaak niet gelukt! Dan
+zijn wij voor altijd onze scheepspapieren kwijt en worden wij misschien
+aan den mast van een Engelsch of Fransch schip ter versiering
+opgehangen. Het is een gemeene streek, die wij van plan zijn uit te
+halen.”
+
+„Jij bent een lafaard”, antwoordde Jurgens, „ieder van onze bootslui
+heeft meer moed dan jij! Maar wij kunnen er nog wel eens weer over
+spreken. Eerst zullen wij eens ziens, wat voor zaken onze baas hier in
+Mexico te verhandelen heeft.
+
+„Dat hij hier rondkruist om visschen te vangen, dat geloof ik niet! Wie
+weet, wat voor visschen dat zijn.”
+
+„Mij komt het er naar voor”, sprak Tylar, „alsof de Amerikaan de een of
+andere afspraak heeft met onzen baas. Misschien moet er hier in Mexico
+nog wel gevochten worden.”
+
+Jurgens spuwde weer in het water en sprak:
+
+„Des te beter voor ons. Ik ben er altijd bij als er wat te vechten
+valt.”
+
+ - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
+
+Eenige dagen later dreef het prachtige jacht als een vogel de haven van
+Guaymas binnen, waarin ook de Amerikaansche kruiser lag.
+
+Het was avond en de lichten schenen uit de geopende scheepsluiken.
+
+John Raffles, die zich aan boord van zijn jacht bevond, keek vol
+belangstelling naar de prachtige haven.
+
+Daar lag dus alles voor hem.
+
+De gestolen goudmijnen, de paarlenbanken, waarvoor hij dezen
+avontuurlijken tocht had ondernomen.
+
+Hij had de armen over de borst gekruist en keek met gefronst voorhoofd
+naar de kust.
+
+Zou het hem gelukken, den buit te ontrukken aan den geopenden muil van
+den Mexicaanschen leeuw?
+
+Het was werkelijk een moeilijker arbeid dan de brandkasten van de
+Engelsche Bank te openen.
+
+Daar lag de oude, historische stad, omgeven door woeste bergen, voor
+hem.
+
+Hier had eenmaal Fernando Cortez van gouden rotsen gedroomd, hier was
+eenmaal de hoofdstad van Montezuma geweest!
+
+Naar het Noorden verhieven zich hoog in de lucht de Tetas di Cabra en
+hun blauwe, wazige toppen schenen met den hemel samen te vloeien.
+
+Naar het Zuiden lag als een geweldig, reusachtig ondier Kaap Haro en
+beschutte de haven tegen den woesten Oceaan.
+
+Achter die kaap lag het land der Yaquis en de geroofde goudmijnen.
+
+Dat wil zeggen, geroofd, zonder dat de bezitter er eenig voordeel van
+kon hebben.
+
+En ergens in dat groote, rotsachtige amphitheater bevond zich de
+fabelachtige, groote schat aan goud, die door Delma uit de mijnen was
+gehaald en op een geheime plek voor zijn doodsvijand was verborgen.
+
+De ankers van het jacht werden neergelaten en de snelle oceaanvogel
+moest gehoorzaam blijven liggen.
+
+Terwijl Raffles naar het fiere, oude fort keek, in welks casematten de
+ongelukkige Delma smachtte, riep de schildwacht:
+
+„Een boot komt van de haven!” en aan dek kwam de havenofficier, om met
+Raffles te spreken over de plaatsen van herkomst en bestemming van het
+schip.
+
+Binnen een half uur had hij de scheepspapieren gevisiteerd en waren de
+formaliteiten afgeloopen.
+
+Raffles begaf zich nu in zijn hut, om zich gereed te maken, daar hij
+het schip wilde verlaten.
+
+Toen hij weer op dek kwam, riep hij Tylar en beval dezen:
+
+„Laat de boot in gereedheid brengen en zorg ervoor, dat geen uwer aan
+land gaat, voordat ik het toesta!”
+
+„Wel, kapitein!” antwoordde Tylar, „twee van mijn manschappen dachten,
+omdat zij niets meer te doen hadden, dat zij aan land mochten gaan en
+zijn met de boot van den havenofficier meegevaren.”
+
+„Zeg hun, dat zij hun gage van mij kunnen halen en niet meer aan boord
+mogen komen!”
+
+Tylar zette een verlegen gezicht, maar antwoordde:
+
+„Allright, kapitein!”
+
+„Wie zijn de beide lieden?” vroeg Raffles verder.
+
+„Diego en Tolkins.”
+
+„Goed,” antwoordde Raffles, „gij weet, wat gij te doen hebt. Let er op,
+dat de ankers goed vast moeten liggen, want hier is dikwijls
+onbetrouwbare wind.”
+
+Daarop begaf hij zich naar commandant Dalton.
+
+Terwijl hij daar met de beide dames en Dalton hun verdere plannen
+besprak, zat Diego, een Spaansche matroos, in het bureau van den
+havencommandant en had een glas madeira voor zich staan.
+
+Hij sprak tot den officier:
+
+„De duivel moge mij halen, oude kameraad, als ik iets begrijp van dat
+jacht en zijn vaart.
+
+„Zoover ik gemerkt heb, wil de kapitein noch revolutie, noch spionnage,
+noch zaken drijven!
+
+„Maar—al die Yankees zijn vervloekte dieven en men moet oppassen!
+
+„De gouverneur wenscht in elk geval eenige opheldering omtrent het
+zonderlinge bezoek van den Amerikaanschen kruiser en nu weer van het
+Amerikaansche jacht.
+
+„Daar steekt iets achter!
+
+„Jij moet mij dus, als je ook maar het minste opmerkt, onmiddellijk
+bericht daarvan geven.
+
+„Voorloopig betaalt de gouverneur Matteo je tien dollars voor je
+diensten!”
+
+De officier wierp den matroos tien dollars toe, welke deze met een
+grijnslach in zijn zak liet glijden.
+
+Daarop verliet hij het bureau, om zich weer aan boord te begeven.
+
+Een half uur later trad hij met een luiden vloek weer naar den
+havenofficier toe en sprak:
+
+„De duivel moge mij halen, ik heb mijn ontslag gekregen en mag niet
+weer aan boord terugkomen. Mijn kameraad Tolkins is het precies zoo
+gegaan.”
+
+De havenofficier reikte hem de hand en sprak:
+
+„Trek je er niets van aan, Diego. Uit het feit, dat je niet meer aan
+boord moogt terugkomen, is het mij nog duidelijker geworden, dat de
+Amerikaan hier den een of anderen streek wil uithalen.
+
+„Ik zal moeite voor je doen bij den gouverneur.”
+
+Een uur later, nadat de havenofficier bij den gouverneur was geweest,
+kregen de geheele havenwacht en de soldaten het bevel om dubbel scherp
+dan zij tot dusverre hadden gedaan, acht te geven op de beide schepen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+IN DE CITADEL.
+
+
+Het was laat in den avond van den tweeden dag, toen John Raffles in de
+nabijheid van het fort, dat van de stad was gescheiden door velden van
+maïs, boonen en tarwe en groote tabaksvelden, op de dames wachtte, om
+met haar te zamen den ouden bisschop van Guaymas, den vriend van hun
+echtgenoot en vader, op te zoeken.
+
+De tropennacht was reeds neergedaald en boeren in wit linnen pakken, in
+shawls gehulde vrouwen, ruiters op zwaarbeladen muilezels, wier
+zilverheldere bellen door de stille lucht klonken, gingen langzaam
+Raffles voorbij en verdwenen in de stad.
+
+Van den kerktoren weerklonk het Ave-Maria en daarna maakte zich een
+diepe rust meester van de oude, romantische stad, waar eens de
+Spanjaarden in woeste rooftochten naar goud waren komen zoeken.
+
+John Raffles dacht aan de wilde avonturiers onder Fernando Cortez en
+plotseling kwam het hem voor, alsof hij zelf een van die dolle
+waaghalzen was, alsof hij hier aan de kust stond om den Roodhuiden hun
+gouden schatten af te nemen.
+
+Terwijl hij nog in gedachten verdiept naar de velden keek onder den met
+sterren bezaaiden nachtelijken hemel, doken plotseling twee zwaar
+gesluierde gedaanten uit de duisternis op en groetten hem zacht.
+
+Het was lady Delma, die heden voor het eerst na een jarenlange
+afwezigheid den bodem van haar vaderland betrad. Zij had zich geheel in
+shawls en sluiers gehuld, opdat geen der spionnen van den gouverneur
+haar zou ontdekken.
+
+Zwijgend begaven zij zich naar de stad, terwijl Madame Delma, die alle
+straten en pleinen nauwkeurig kende, als gids diende.
+
+Naast de oude, deftige poort lag het vroegere klooster der dominicanen,
+waarin de bisschop van Guaymas resideerde.
+
+Zacht liet Madame Delma den koperen klopper op de deur vallen, een
+luikje werd geopend en het gelaat van een ouden man verscheen, die
+vroeg, wat zij wenschten.
+
+Madame Delma ging naar de deur en op fluisterenden toon sprak zij:
+
+„Goeden avond, Alverade. Herkent gij mij?”
+
+Een half gesmoorde kreet van verrassing weerklonk uit den mond van den
+slotvoogd.
+
+Daarop sloot hij het luikje weer en opende zoo gauw hij kon de zware
+deur, nadat hij in groote haast de grendels had weggeschoven.
+
+Zij traden nu binnen en nauwelijks bevonden zij zich in de hal, die
+door een olielamp was verlicht, of de slotvoogd sloot even haastig de
+deur weer.
+
+Daarop wendde hij zich tot madame Delma.
+
+„Waar komt gij in ’s Hemelsnaam vandaan? Weet gij, dat dat u het leven
+kan kosten?”
+
+„Dat weet ik,” antwoordde madame Delma, „maar ik ben aan boord van den
+Amerikaanschen kruiser gekomen en sta onder zijn bescherming.
+
+„Ik zou niet bang zijn om onder het bereik der Amerikaansche kanonnen
+openlijk de stad te betreden, wanneer ik op die manier mijn plannen
+niet onmogelijk zou maken.
+
+„Ik wensch namelijk mijn echtgenoot te bevrijden.”
+
+„Ik dacht het reeds”, antwoordde Alverade.
+
+„Is de bisschop thuis?”
+
+„Helaas neen!” sprak de slotvoogd. „Hij is tijdelijk afwezig en komt
+eerst over twee dagen terug van zijn inspectiereis, die hij in het land
+maakt.
+
+„Maar als ik u van dienst kan zijn, Señora, hebt gij slechts over mij
+te gebieden.”
+
+„Goed, Alverade, hier is een trouw vriend van mij, die reeds in San
+Antonio zijn leven heeft gewaagd om mijn echtgenoot en mij te helpen.
+
+„Ik verzoek u, naar zijn wenschen te luisteren en dan te willen zeggen,
+hoe gij erover denkt.”
+
+De slootvoogd opende de deur naar zijn kamer en liet hen het
+ouderwetsch ingerichte vertrek binnengaan.
+
+Hij haalde uit een kast in den muur een flesch ouden, Californischen
+wijn, een schaal met gebak, glazen en prachtige trossen druiven.
+
+De gastvrijheid, die steeds in het klooster werd betracht, gaf hem geen
+rust, voordat hij zijn gasten een glas wijn had ingeschonken en met hen
+gedronken had.
+
+Eerst toen wendde hij zich tot Raffles en sprak:
+
+„Ik ben tot uw dienst, señor.”
+
+De slotvoogd was John Raffles in elk opzicht sympathiek; hij had een
+openhartig, eerlijk gelaat en Raffles begon daarom zonder aarzelen hem
+zijn plannen mee te deelen.
+
+„Ik wil,” sprak Raffles, „morgenmiddag den gouverneur, onder een
+geleide en vermomd als priester, bezoeken.
+
+„Mij dunkt, dat dit zonder eenig gevaar uit te voeren is.”
+
+De slotvoogd knikte nadenkend en antwoordde:
+
+„Dat kan zonder gevaar gebeuren, en wat denkt gij verder te doen,
+señor?”
+
+„Dat weet ik voorloopig zelf nog niet. Ik kan dat eerst zeggen, nadat
+ik het fort heb leeren kennen en persoonlijk met de gevangenen heb
+gesproken.”
+
+„Kom morgenmiddag om 2 uur bij mij,” sprak de slotvoogd, „ik zal u
+helpen zooveel in mijn macht is.”
+
+Eerst nu sprak mevrouw Delma met den slotvoogd over het bevinden van
+den gevangene.
+
+De slotvoogd antwoordde:
+
+„Sinds de laatste weken is uw echtgenoot ongesteld.
+
+„Wanneer de bisschop door zijn invloed als geestelijke den gouverneur
+niet van een moord had teruggehouden, leefde de gevangene nu niet meer.
+
+„Het is goed, dat gij zijt gekomen.
+
+„Want ik geloof niet, dat zelfs de bisschop de terechtstelling van den
+ter dood veroordeelde nog lang zou kunnen doen uitstellen.
+
+„Het is hoog tijd, dat er redding voor den ongelukkige komt opdagen.”
+
+Het kostte Raffles moeite om de lady, die zich bij het hooren van dit
+bericht zeer opwond, te kalmeeren en na een uur verliet hij met haar,
+nadat zij zich ervan hadden overtuigd, dat er niemand op straat was,
+het huis van den bisschop.
+
+In de haven lag een boot van den Amerikaanschen kruiser op hen te
+wachten. Op eenigen afstand daarvan stonden een paar Mexicaansche
+havensoldaten naar hen te kijken.
+
+„Sakramenta!” vloekte een havenofficier, een spion van den gouverneur,
+die bij de soldaten stond, „ik zou weleens willen weten, wat die
+vervloekte Amerikanen des nachts in de stad te zoeken hebben.”
+
+De ontslagen Diego, die dichtbij hem stond, mompelde:
+
+„Zij hebben een plan, maar welk, dat mag de duivel weten!”— — — —
+
+Het was den volgenden dag tegen den bepaalden tijd, toen de slotvoogd
+met een priester zich naar de poort van het fort begaf.
+
+De wachthebbende soldaten groetten het tweetal vol eerbied.
+
+Het kerkelijke gewaad was hier nog altijd machtiger dan de met goud
+versierde uniformen der tyrannen.
+
+Eenige minuten later trad Raffles het van zware ijzeren kettingen
+voorziene verblijf van den gevangene binnen en keek vol belangstelling
+naar den grijzen gebogen man, die, zonder op hem te letten, door de
+traliën naar buiten keek.
+
+Een stroomatras en een oude stoel waren de eenige meubelen in de cel.
+
+Raffles stond reeds verscheiden seconden op den drempel, voordat de
+gevangene zich naar hem toewendde en hem aankeek met oogen, wier
+uitdrukking deed denken aan een gevangen roofdier.
+
+„Wat wenscht gij, priester?” vroeg hij kortaf. „Is het alweer tijd om
+te bidden? of wilt gij mij mijn laatsten gang gemakkelijk maken door uw
+gebed?
+
+„Ik ken u niet! Sinds wanneer zendt de bisschop mij vreemde priesters?”
+
+De slotvoogd had de deur der cel achter Raffles gesloten.
+
+Nu trad Raffles tot vlak bij den gevangene en sprak:
+
+„Ik ben een vriend van u en kom om u te redden.”
+
+Op het volgende oogenblik sprong de gevangene naar den stoel, greep
+dezen, alsof hij hem als wapen wilde gebruiken en riep:
+
+„Vervloekte leugenaars! Sinds wanneer zenden mijn vijanden, de
+gouverneurs Marquez en Matteo, hun spionnen in priestergewaad?
+
+„Is u zelfs het kleed van de dienaren Gods niet meer heilig om uw
+duivelsch plan ten uitvoer te brengen?”
+
+Raffles haalde van onder zijn soutane een gladden gouden ring te
+voorschijn, welken hij, zonder een woord te zeggen, den gevangene
+voorhield.
+
+„Wat moet die ring?” vroeg Delma opnieuw.
+
+„Lees de inscriptie, die er in gegraveerd is.”
+
+Haastig las de gevangene, wat in den ring stond en hij zag nu, dat het
+de trouwring zijner vrouw was, welken deze Raffles had meegegeven om
+het vertrouwen van den gevangen Delma te winnen.
+
+Maar nog steeds was diens wantrouwen niet overwonnen.
+
+Plotseling lachte hij hoonend, schudde de vuisten en riep:
+
+„Hebt gij, honden, mijn vrouw misschien vermoord? Is zij mij reeds
+voorgegaan op den weg, dien ik weldra zal volgen?”
+
+Nu trad Raffles naar het venster en sprak:
+
+„Wij hebben erop gerekend, dat gij mij wellicht zoudt wantrouwen en
+daarom heb ik met uw echtgenoote, welke zich daar op den Amerikaanschen
+kruiser bevindt, dien gij van hier kunt zien, een teeken afgesproken.
+
+„Daar op dek staat uw echtgenoote naar dit venster te kijken.
+
+„Op het oogenblik, waarop wij een witten doek eenige keeren door de
+tralies laten wapperen, zal men aan boord van het oorlogsschip een
+signaalschot als antwoord geven.
+
+„Is u dat voldoende om te gelooven, dat ik werkelijk door uw vrouw ben
+gezonden?”
+
+„Zeker,” antwoordde Delma, „dat zal mij voldoende zijn. Zijt gij
+werkelijk een vriend, die mij uit dezen vreeselijken toestand wil
+bevrijden? En bevindt mijn echtgenoote zich daar?”
+
+John Raffles had zijn zakdoek te voorschijn gehaald en de gevangene
+zag, hoe hij er meerdere malen mee voor de tralies heen en weer
+zwaaide.
+
+Daarop trok hij den zakdoek snel terug.
+
+Na een korte pauze weerklonk daarbuiten in de haven het doffe geluid
+van een signaalschot.
+
+Nauwelijks was het geluid verstomd, of de gevangene snelde naar Raffles
+toe, reikte hem beide handen en riep uit:
+
+„Vergeef mij mijn wantrouwen, señor, maar gij zult dat in mijn toestand
+begrijpelijk vinden.”
+
+Daarop kuste hij met trillende lippen den trouwring zijner vrouw en
+fluisterde:
+
+„Mijn arme vrouw! Mijn lief, goed kind! O, was ik toch bij haar!”
+
+Hij zonk op den stoel neer en snikte hartstochtelijk.
+
+Raffles trad zacht naar hem toe, legde hem de hand op den schouder en
+sprak:
+
+„Houd goeden moed, mijn arme vriend. De redding is nabij! Stel
+vertrouwen in mij!”
+
+Delma sprong naar de tralies en wees naar het plein vóór het fort.
+
+„Daar!” riep hij uit, „daar heeft Marquez mijn beste vrienden
+doodgeschoten.
+
+„Ik zelf moest toeschouwer zijn.
+
+„De handen, waarmee ik mijn oogen bedekte, om het afschuwelijke niet te
+zien, trok men weg.
+
+„Nu nog hoor ik in mijn droomen de geweersalvo’s en de doodskreten
+mijner arme vrienden.
+
+„Elken dag verwachtte ik, als laatste slachtoffer van dezen tyran, op
+het plein te worden gebracht om, zonder mijn vrouw en dochter ooit te
+hebben weergezien, ter dood te worden gebracht.”
+
+„Wees kalm!” verzocht Raffles hem. „Toon, dat ge een man zijt!”
+
+Een straal van hoop gleed over het ingevallen, asch-vale gelaat van den
+gevangene, zijn oogen kregen een blijden glans en nieuwe hoop drong
+zijn hart binnen.
+
+„Laat ons snel een besluit nemen!” sprak Raffles. „Een kleine tegenslag
+kan het geheele plan doen mislukken. Dit is onze eenige gelegenheid om
+het plan voor uw bevrijding te smeden.
+
+„Wij vreemdelingen worden op de hielen gevolgd door de spionnen van den
+gouverneur!”
+
+De gevangene bukte zich naar zijn stroozak, tilde hem op en haalde een
+vreemd amulet te voorschijn, zoo groot als een hand en den vorm
+hebbende van een dier.
+
+„Neem in de eerste plaats dit!” sprak hij tot Raffles. „Wie in het
+bezit is van dit teeken, is heer der Yaquis. Bewaar het als een schat.
+
+„Dit teeken is mijn verdrag met het opperhoofd der Yaquis en is hun zoo
+heilig als de altaren hunner goden.
+
+„Alle opperhoofden zwoeren mij onder dit teeken hun heiligsten eed.
+Bisschop Pasquiras heeft het sinds mijn gevangenneming voor mij
+bewaard. Ik bezwoer hem, dat ik het hier uit mijn venster in den stroom
+zou werpen, voordat ik naar het plein zou worden gevoerd om
+gefusilleerd te worden.
+
+„Met dit teeken kunt gij alles van de Yaquis gedaan krijgen.
+
+„Wie het hen vertoont, geldt als mijn erfgenaam en is eigenaar der
+groote goudmijnen, koper- en zilverbergwerken, wier ligging in de
+binnenlanden alleen de Yaquis kennen.
+
+„Mijn vader kreeg het van het voornaamste opperhoofd der Yaquis, met
+wien hij, voordat de Mexicaansche vlag hier woei, als met een broeder
+leefde.
+
+„Mijn moeder was een dochter van het voornaamste opperhoofd van dezen
+stam.
+
+„Dat is het geheim, hoe ik in het bezit ben gekomen van de fabelachtige
+goudmijnen van het Yaquiland.
+
+„Geef dit teeken aan mijn echtgenoote, als mijn redding mislukt en ik
+gestorven ben. Alle opperhoofden der Yaquis en hun priesters zullen
+haar helpen, haar eigendom terug te krijgen.
+
+„Zweer mij bij uw moeder, dat gij het recht, dat hieraan verbonden is,
+heilig zult houden voor mijn echtgenoote en dochter!”
+
+„Ik zweer het u!” antwoordde Raffles op plechtigen toon. „En het zal u
+zeker geruststellen, te weten, dat ik de wereld heb doorgereisd om u
+ter hulp te komen.”
+
+De gevangene sloeg zijn armen om den hals van Raffles en keek hem met
+zijn diepliggende oogen aan, kuste hem op het voorhoofd en sprak:
+
+„De hemel moge u vergelden, wat gij voor de mijnen en mij doet. Doch
+laat mij nu vóór alles een brief aan mijn vrouw en dochter schrijven.”
+
+Hij haalde uit zijn stroozak papier en potlood te voorschijn en begon
+met bevende vingers bladzijde na bladzijde te vullen.
+
+Nadat hij hiermee gereed was, sprak Raffles:
+
+„En neem nu dit, Señor Delma, daarmee moet gij, als de hemel het wil,
+uzelf helpen, want het is onmogelijk u door de sterke wacht, die dit
+fort bezet, naar buiten te brengen.”
+
+Hij sloeg de soutane open en begon een om zijn lichaam gewonden, twaalf
+meter lange lasso te voorschijn te halen.
+
+Met verbazing keek Delma naar het touw en volgde snel het bevel van
+Raffles, om het onder den stroozak te verbergen.
+
+Nadat dit gebeurd was, nam de Groote Onbekende uit een der zakken van
+zijn priesterkleed een fleschje met olie en verschillende goed bewerkte
+vijlen.
+
+„Zoo”, sprak hij, „de vijlen zijn van zulk solied Manchesterstaal
+gemaakt, dat gij binnen een half uur de oude stangen van het ijzeren
+traliewerk kunt hebben doorgevijld.
+
+„Opdat het geruischloos kan geschieden, doet gij verstandig, de vijlen
+eerst in olie te dompelen.
+
+„Reeds hedennacht moet gij uzelf bevrijden.
+
+„Let erop, uw bevrijdingswerk te beginnen, als gij aan boord van den
+Amerikaanschen kruiser een rood licht ziet opvlammen.
+
+„Ik zal dan dadelijk met een boot naar een havendam van het fort varen
+en daar op u wachten.”
+
+Op dit oogenblik opende de slotvoogd de deur weer, ten teeken dat de
+tijd van het bezoek verstreken was.
+
+Nog eenmaal reikten zij elkaar de handen, een laatste blik werd
+gewisseld en Raffles verliet de cel.
+
+De deur werd weer in het bijzijn van den gevangenbewaarder gesloten en
+de jonge priester verliet met den slotvoogd het fort.
+
+Geen enkele der spionnen van den gouverneur vermoedde, welke een
+gevaarlijk bezoeker in de gevangenis was geweest.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+HET GEHEIM VAN DE ZEE.
+
+
+John Raffles zat met commandant Dalton in diens kajuit en wachtte den
+nacht af.
+
+Zij hadden niemand in het vertrouwen genomen en zelfs madame Delma en
+haar dochter wisten niets van hetgeen er zou gebeuren.
+
+Zij wilden de dames de vele uren van spanning besparen en dus
+vermoedden de beide dames niet, toen zij zich om 10 uur ter ruste
+begaven, welke gewichtige gebeurtenis haar te wachten stond.
+
+Nauwelijks was alles op het schip in rust, of commandant Dalton begaf
+zich met Raffles naar de commandobrug en gaf den signaal-officier
+bevel, met drie tusschenpoozen rood licht te laten schijnen.
+
+Eenige oogenblikken later bracht de officier dat bevel ten uitvoer en
+het gloeiend roode schijnsel verlichtte het schip, de haven en de stad.
+
+De officier wist niet, wat dit signaal beteekende, maar hij keek even
+gespannen in de nu weer heerschende duisternis als zijn commandant en
+Raffles.
+
+Nu begaf Raffles zich met een boot aan boord van het zeiljacht en
+weldra volgden hem van den kruiser twee booten, door commandant Dalton
+bezet met gewapende matrozen.
+
+Alleen Raffles en Dalton wisten, welk doel deze nachtelijke expeditie
+had.
+
+Zacht, elk geluid vermijdend, lieten Raffles en commandant Dalton de
+booten naar het havenhoofd varen, welke daar in de schaduw der dammen
+bleven liggen wachten.
+
+Dalton en Raffles zelf echter verlieten de booten en gingen op de
+havenhoofden heen en weer wandelen.
+
+Bijna een half uur werd hun geduld op de proef gesteld, totdat
+plotseling dicht bij hen, uit een groep palmboomen, de donkere gestalte
+van een man opdook, die eerst een oogenblik met spiedenden blik naar
+hen keek en daarop naar hen toesnelde.
+
+In het volgende oogenblik had Raffles Delma herkend en zonder veel
+woorden te wisselen, brachten hij en Dalton hem naar de vaartuigen.
+
+Nadat de vluchteling aan boord was gekomen, voeren de booten even
+geruischloos als zij gekomen waren weer naar de haven terug.
+
+Nauwelijks was Dalton met Delma aan boord van den kruiser, of hij liet,
+om den spionnen van den gouverneur zand in de oogen te strooien, door
+fluitsignalen alle man voor een nachtelijke manoeuvre op dek roepen.
+
+Met daghelderen schijn vlamden de zoeklichten van den kruiser over het
+water, terwijl de matrozen de booten bemanden en een landingsmanoeuvre
+uitvoerden.
+
+Na eenige uren waren de booten weer ingehaald, daar de eb intrad.
+
+Gedurende dien tijd had Delma in de kajuit van Dalton dezen het geheim
+verteld van zijn schatten aan de kust.
+
+„Het is het beste,” sprak hij, „dat wij reeds hedennacht, zoodra het eb
+is, naar het hol in de rotsen varen om de gouden staven en dollars,
+welke ik daar met mijn vrienden verborg voordat men mij gevangen nam,
+in veiligheid te brengen.
+
+„Het zal voor u bijna onmogelijk zijn om dezen schat zonder mijn hulp
+te vinden.”
+
+Opnieuw werden de booten in gereedheid gebracht en nu hadden de
+bewoners van het land wel kunnen gelooven, dat er een landingsmanoeuvre
+werd uitgevoerd aan de steile, rotsige kust van de Noordelijke haven.
+
+Aan het Noordelijk deel van de kust stak een groote rots in zee
+vooruit. Naar deze rotsklip liet Delma de booten varen en hij sprong
+het eerste op de glibberige steenen, terwijl Dalton en Raffles met
+eenige matrozen, die ladders en touwen droegen, volgden.
+
+Het was 2 uur in den nacht: duidelijk hoorden zij de scheepsklok van
+den kruiser over het water opklinken.
+
+De zee was kalm en zonder eenige beweging.
+
+Nieuwsgierig volgden de matrozen den hun onbekenden Delma, die over de
+rotsblokken voortsnelde, totdat hij voor een in de diepte voerende
+kloof bleef staan.
+
+„Wij zijn er!” riep Delma en hij sprong in de grot, waarin hij bijna
+geheel verdween.
+
+„Volgt mij met lantarens, ladders en touwen, en weest voorzichtig, want
+de grond is glibberig en eenige meters beneden de oppervlakte van de
+grot zijn allerlei kleinere holen, die naar een bodemlooze diepte
+voeren.”
+
+Voorzichtig, hand aan hand en met de lantarens de vochtige gewelven
+belichtend, liepen zij voorwaarts.
+
+Kapitein Dalton en Raffles waren even nieuwsgierig als de matrozen.
+
+Nadat zij allen onder den grond waren verdwenen, bevonden zij zich in
+rotsgangen, die niet hooger waren dan dat een man er in gebukte houding
+kan staan.
+
+Alleen wanneer het eb was, was deze grot te betreden, want bij vloed
+stond het water er eenige meters in.
+
+Voorzichtig tastend gingen zij langzaam vooruit, af en toe door groote
+waterplassen wadend, door de zee achtergelaten.
+
+Steeds dieper ging het in de grot.
+
+Hier en daar bevonden zich aan de kanten, als de muilen van zwarte
+reuzenbeesten, de ingangen naar zijholen en wee hem, die, zonder den
+weg te kennen, in dit labyrinth zou verdwalen!
+
+Ook Delma moest soms met zijn lantaarn de wanden belichten om den weg
+te herkennen aan geheimzinnige teekens, welke alleen hij kende.
+
+Delma en Raffles droegen magnesiumfakkels, welke zij eerst, wanneer
+Delma het teeken ertoe gaf, in het inwendige van de grot zouden
+aansteken.
+
+Plotseling werd de smalle rotsgang breeder en een groote ruimte
+vertoonde zich voor hen.
+
+„Steekt de fakkels aan!” riep Delma, „wij zijn aan het doel!”
+
+Op het volgende oogenblik siste de magnesiumfakkel, welke Delma
+vasthield, met een helderen schijn aan en verlichtte de ruime grot,
+wier wanden bedekt waren met grillige figuren.
+
+In het midden van het hol bevond zich, als een reusachtig donker gat,
+een zwarte draaikolk en plotseling weerklonk een gil uit den mond van
+Delma.
+
+Vol ontzetting sprong hij achteruit naar de plek, waar Dalton en
+Raffles stonden.
+
+En nu zagen zij, dat zich middenin het water een groote zwarte kop
+vertoonde, waarvan zich meterslange, afschuwelijke grijparmen
+uitstrekten, welke hen trachten beet te pakken.
+
+Met van schrik verwrongen trekken keken ook de matrozen naar het ondier
+der zee, in welks rijk zij waren binnen gedrongen.
+
+„Wij moeten handelen!” riep Raffles, die het eerst zijn koele
+tegenwoordigheid van geest terug kreeg en hij trok een der matrozen de
+enterbijl uit den gordel.
+
+Nu sprong hij naar voren en sloeg den naar hem grijpenden vangarm van
+het monster met één houw van de scherpe bijl af.
+
+Als een alles vernietigende maalstroom bewoog het ondier zich nu met
+zijn tallooze armen voor de ontstelde oogen der matrozen.
+
+„Neemt de houweelen!” beval Raffles. „Wij moeten de armen vasthouden en
+een voor een afslaan!”
+
+Verscheiden matrozen en ook Dalton snelden hem te hulp.
+
+Terwijl zij met hun enterhaken de armen van het monster grepen, sloeg
+Raffles op hetzelfde oogenblik den eenen vangarm na den anderen af.
+
+Bijna een uur lang duurde het gevecht tusschen de menschen en den
+zwarten duivel der diepte, zooals het volk den octopus noemt.
+
+Toen hadden zij het zeemonster eindelijk onschadelijk gemaakt.
+
+„Het zou het beste zijn geweest”, sprak Dalton, „als wij het beest met
+een stukje dynamiet naar de andere wereld hadden geholpen”.
+
+„In geen geval!” riep Raffles uit, „de ontploffing zou misschien de
+geheele grot in elkaar hebben doen storten”.
+
+Nadat zij nu de draaikolk van zeewater, waarin de afgehakte ledematen
+van het monster rondtolden, waren voorbijgegaan, kwamen zij aan de
+plek, waar een zestal metalen kisten en meer dan een dozijn geteerde
+zaken onder een vooruitspringend rotsblok verborgen waren.
+
+„Dat is de schat!” riep Delma uit. „En nu aangepakt, jongens, het zal
+je geen schade aanbrengen!”
+
+Zij sloegen de touwen om de kisten en trokken ze door de gangen naar
+boven.
+
+Hetzelfde deden zij met de zakken en al de drie booten, die de
+nachtelijke expeditie meemaakten, werden gevuld met de kostbare lading.
+
+Drie uur, nadat zij den kruiser hadden verlaten, sprongen zij weer aan
+boord en brachten den schat in de kajuit van den commandant.
+
+„Zoo”, sprak Dalton tot Delma, „nu bevindt gij en uw schat u in
+veiligheid achter de kanonnen van dit oorlogsschip en behoeft niet meer
+te vreezen voor de verdere laagheden der Mexicaansche tijgers.”
+
+„Vóór alles verzoek ik u om een der zakken samen te openen, opdat wij
+den inhoud kunnen verdeelen onder de geheele bemanning. De blauwe
+jongens hebben zich braaf en dapper gehouden”, sprak Delma.
+
+Met van vreugde stralende gezichten kregen alle manschappen van den
+kruiser een geldgeschenk van 50 dollar van den geredden Delma.
+
+Daarvoor moesten zij den commandant beloven, over de geheele zaak het
+stilzwijgen te bewaren, zoolang zij zich in een Mexicaansche haven
+bevonden.
+
+Nog steeds wisten Madame Delma en haar dochter niet, dat haar
+echtgenoot en vader zich reeds weer sinds eenige uren aan boord van den
+kruiser bevond en dat het grootste deel van haar vermogen was gered.
+
+Eerst des morgens, toen zij aan het ontbijt verschenen, begonnen
+Raffles en Dalton haar voorzichtig te vertellen van de avonturen van
+den afgeloopen nacht en eindelijk kwam, op een afgesproken teeken, de
+geredde binnen.
+
+Dalton en Raffles verlieten zwijgend en ongemerkt de eetzaal en lieten
+het drietal alleen in de plechtige en gelukkige oogenblikken van het
+weerzien.
+
+Terwijl zij langzaam op het dek heen en weer wandelden, weerklonken
+plotseling alarmschoten van het havenfort.
+
+„Ha!” riep Dalton, „zij hebben de ontsnapping van den gevangene
+bemerkt.
+
+„Let eens op, Sir, nu begint het tweede gedeelte van de geschiedenis.
+
+„Ik ben nieuwsgierig, hoe zij zich zullen gedragen”.
+
+Het duurde een half uur, toen verscheidene booten van het land kwamen
+en Dalton en Raffles zagen, dat zij gevuld waren met soldaten.
+
+Een der booten begaf zich naar het zeiljacht, terwijl het andere den
+weg nam naar den kruiser.
+
+„Halt, gentlemen!” riep Dalton, toen de boot aan bakboordzijde
+aanlegde, „wat wenscht gij?”
+
+„Wij verzoeken toestemming om op uw kruiser te zoeken naar een
+vluchteling, die gisternacht uit het fort is uitgebroken”.
+
+„Ik denk, dat gij schertst”, lachte Dalton. „Aan boord van een
+Amerikaansch oorlogsschip zijn geen vluchtelingen van vreemde naties.
+
+„Iedereen, die zich achter de kanonnen van mijn kruiser bevindt, is
+even veilig als op Amerikaanschen bodem en gij moet dus uw verzoek om
+uitlevering van dezen persoon richten aan mijn regeering te
+Washington.”
+
+De commandeerende officier der boot stiet een vloek uit en antwoordde:
+
+„Ik zal het strengste bevel uitlokken van gouverneur Matteo, om den
+vluchteling, wanneer hij zich aan boord van uw schip bevindt, weer aan
+land te brengen.
+
+„Ik maak er u opmerkzaam op, dat het verborgen houden van dezen
+vluchteling aan boord van uw oorlogsschip verwikkelingen zou kunnen
+geven tusschen Mexico en de Vereenigde Staten!”
+
+Dalton lachte luidkeels:
+
+„Vertel uw gouverneur uit mijn naam, dat de Vereenigde Staten nog nooit
+verwikkelingen met Mexico hebben gevreesd!”
+
+Zonder verder notitie te nemen van den Mexicaanschen officier, keek hij
+met scherpen blik naar het zeiljacht, haalde plotseling een
+signaalfluit te voorschijn, zette die aan den mond en gaf het signaal:
+
+„Booten gereed houden voor het gevecht!”
+
+Onmiddellijk weerklonk het fluitsignaal en de bemanning haastte zich
+uit hun hutten en van het dek in de booten, zoodat in minder dan vijf
+minuten de stoomsloepen benevens acht booten klaar voor het gevecht in
+het water gereed lagen.
+
+Dalton sprong met Raffles in de stoomsloep en gaf bevel:
+
+„Vooruit naar het zeiljacht! Daar aan boord bevinden zich Mexicaansche
+soldaten, die het eigendomsrecht der Vereenigde Staten aanranden!”
+
+Pijlsnel vlogen de stoomsloepen en booten naar het zeiljacht, dat door
+de Mexicaansche soldaten geënterd was.
+
+Zij wachtten niet eerst de komst der Amerikaansche mannen af.
+
+Haastig, als een sprinkhanenzwerm, verlieten zij het zeiljacht, voordat
+de booten aankwamen en roeiden met snelle slagen naar de haven.
+
+Een luid hoera klonk hun na uit de monden van Uncle Sam’s teerjakken.
+
+Daarop keerden de booten naar den kruiser terug, terwijl Raffles zich
+aan boord van zijn jacht begaf.
+
+Hij zag, dat zijn matrozen mismoedig keken en zijn bevelen blijkbaar
+met onwil opvolgden.
+
+Dadelijk riep hij de geheele bemanning aan dek, liet het anker lichten
+en het jacht de zeilen bijzetten.
+
+Langzaam kruiste hij nu met zijn jacht in de buurt van het oorlogsschip
+en na twee uur verliet een boot het oorlogsschip, waarin zich behalve
+de matrozen, commandant Dalton en Delma bevonden.
+
+„Ik ben van plan”, sprak Delma tot Raffles, toen hij zich met Dalton op
+het zeiljacht bevond, „met u een expeditie te ondernemen naar de
+Yaqui-rivier en daar mijn vriend, het opperhoofd, mijn redding mede te
+deelen, om verder met hem een overeenkomst te treffen, aangaande het
+afstaan hunner kolenmijnen aan de Vereenigde Staten”.
+
+„De regeering te Washington,” sprak Dalton, „zal u voor het edelmoedige
+geschenk bijzonder dankbaar zijn. Wij hebben tot heden hier aan de
+Pacific-kust geen enkel kolenstation.”
+
+„Gij zult er voortaan een hebben!” sprak Delma, „en deze kolenmijnen
+zullen mijn geschenk zijn aan de Amerikaansche regeering, voor de hulp
+die gij mij hebt verleend.”
+
+„Ik zal,” sprak Dalton, „nog twee dagen na uw aankomst in de haven
+blijven liggen, om te zien, of gij soms van hier uit vervolgd wordt.
+
+„Dan zal ook ik naar de Yaqui-rivier komen, daar de verdragen met de
+opperhoofden namens mijn regeering onderteekenen en daarbij samen met u
+naar San Francisco reizen.”
+
+Terwijl zij nog op dek stonden, bliksemde plotseling een roode gloed
+uit de monden der kanonnen op het fort; het doffe gebrom van het
+geschut weerklonk en verscheiden granaten kwamen dicht bij het
+zeiljacht terecht.
+
+„Goddam!” riep Dalton, „de kerels durven een Amerikaansch schip
+beschieten! Nu blijft mij niets anders over, dan met gelijke munt te
+betalen.”
+
+Haastig nam hij afscheid van Raffles en Delma, wenschte hun goede reis,
+en terwijl de havenbatterijen voor den tweeden keer hun granaten
+afzonden, voer hij door het opspuitende water naar zijn kruiser terug.
+
+John Raffles liet de zeilen bijzetten en als een trotsche zwaan gleed
+het prachtvolle jacht uit de Mexicaansche haven.
+
+Toen zij den havenmond bereikten, hoorden zij uit de haven het doffe
+geluid van het geschut van den Amerikaanschen kruiser.
+
+Dalton had woord gehouden en, nadat hij een half uur lang de
+havenforten had beschoten, den vijand tot zwijgen gebracht.
+
+„De gouverneur van Guaymas moet krankzinnig zijn geworden,” sprak
+Dalton tot zijn officieren, „wij zouden nu het grootste recht hebben om
+daar met onze troepen te landen en van Guaymas een Amerikaansche haven
+te maken!”
+
+Op dit oogenblik stiet een groote barkas van land, een witte vlag in
+top voerend.
+
+„Aha,” riep Dalton, „zij komen om te onderhandelen en hebben ingezien,
+welke fout zij hebben begaan.”
+
+Te midden der gouden uniformen van de officieren, zat in de barkas de
+gouverneur.
+
+Na eenige minuten beklom hij de valreeptrap en stond tegenover Dalton.
+
+„Wat wenscht gij van mij,” riep Dalton op een alles behalve
+beminnelijken toon.
+
+„Komt gij misschien om mijne regeering uw verontschuldigingen aan te
+bieden voor uw onverantwoordelijk optreden?
+
+„Ik zal binnen eenige minuten mijn booten in Guaymas laten landen.
+
+„Ik zal de Amerikaansche vlag op uw regeeringsgebouw hijschen in plaats
+van den Mexicaanschen Adelaar.”
+
+De gouverneur Matteo stond met bleek gelaat voor Dalton, uit zijn
+kleine, fonkelende oogen straalde een doodelijke haat.
+
+Een blik was den commandant voldoende om diepen haat te lezen in de
+oogen van den gouverneur.
+
+„Gij moet mij verontschuldigen, commandant,” sprak de gouverneur, „ik
+was niet in de stad, maar bevond mij op mijn landgoed.
+
+„Nauwelijks hoorde ik er van, of ik kwam zoo gauw mogelijk hier, om
+verder onheil te voorkomen.”
+
+„Gij zijt een leugenaar!” riep Dalton uit. „Als commandant van de stad
+en als gouverneur van Guaymas zijt gij verantwoordelijk voor hetgeen
+uwe troepen uitvoeren.
+
+„Gij kunt uw verdere verontschuldigingen voor u houden en u tot mijn
+regeering wenden.
+
+„Hoe uwe regeering, de president van Mexico, hierover denkt, zult gij
+zelf wel het beste weten!
+
+„De havenbatterijen zijn door mij tot zwijgen gebracht.
+
+„Het doet mij leed, dat gij en het gespuis, dat in uw dienst is, niet
+tegelijkertijd met de kanonnen voorgoed onschadelijk zijt gemaakt.”
+
+De Mexicaan mompelde een half gesmoorden vloek en zijn vuist omklemde
+krampachtig het gevest van zijn degen.
+
+Hij wierp fier het hoofd in den nek en, zonder nog een woord tegen
+Dalton te spreken, verliet hij den Amerikaanschen kruiser.
+
+Zoodra hij zich aan land bevond, zond hij een telegram aan Marquez en
+zijn vrienden in Mexico, wien hij het gebeurde mededeelde en tevens
+verzocht, ervoor te zorgen, dat het eenige oorlogsschip, dat Mexico
+bezat, dadelijk naar de Yaqui-rivier vertrok, omdat hij veronderstelde,
+dat de ontvluchte Delma zich daarheen had begeven.
+
+Twee dagen later zette de Amerikaansche kruiser stoom en terwijl de
+matrozen de „Yankee Doodle” speelden, verliet hij de haven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+HET GEVECHT AAN DE YAQUI-RIVIER.
+
+
+Gouverneur Marquez stond aan boord van de „Democrata” naast Matteo en
+andere officieren en keek met scherpen blik langs de kust.
+
+Hij, zoowel als zijn officieren, bespiedden met verrekijkers het land
+en hoopten elk oogenblik de masten van het geheimzinnige zeiljacht, dat
+den vluchteling Delma uit de haven van Guaymas had gebracht, te zien.
+
+Maar geen spoor ervan was te ontdekken.
+
+Hij was een week te laat gekomen en terwijl hij de geheele kust
+afzocht, bevonden zij zich in Honolulu en maakten zich gereed voor de
+terugreis.
+
+Delma was met den kruiser, vergezeld door zijn dames, naar San
+Francisco gevaren en hij, zijn dames, Charly Brand en commandant Dalton
+hadden met Raffles afgesproken, elkaar in New-York terug te zullen
+zien.
+
+Raffles moest het zeiljacht onder zijn persoonlijke leiding weer naar
+zijn plaats van herkomst terugbrengen.
+
+Dat was een zaak van eer voor hem.
+
+Terwijl hij na de afvaart van den kruiser in Honolulu lag, had hij zijn
+manschappen de volle gage uitbetaald en hun drie dagen verlof gegeven.
+
+Hij bevond zich nu geheel alleen met zijn zeelui.
+
+Terwijl hij bij het prachtige weer op het dek van ’t jacht van zijn
+rust genoot, smeedden Tylar, Jurgens en de andere matrozen snoode
+plannen.
+
+Den vierden dag keerde de bemanning aan dek terug, maakte het schip
+gereed en keek de zeilen na.
+
+Des avonds, toen de zon als een schitterend gouden bal in zee verdween,
+heesch het jacht alle zeilen en verliet de haven.
+
+Geheimzinnig als een reusachtige witte zeevogel, verdween het op den
+onmetelijken oceaan.
+
+Raffles bevond zich op de commandobrug.
+
+Geen zeil was in zicht, hoe ver hij ook met zijn kijker den horizon
+bespiedde.
+
+Het was tegen 10 uur toen hij zich ter ruste wilde begeven.
+
+Hij gaf nog eenige laatste bevelen voor den nacht aan den bootsman,
+toen hij plotseling van achteren aangegrepen werd en een slag kreeg met
+een hard voorwerp.
+
+Het werd duister voor zijn oogen en hij zonk bewusteloos neer.
+
+„Is hij gewond?” vroeg Jurgens.
+
+„In ’t geheel niet”, antwoordde bootsman Tylar.
+
+Toen Raffles ontwaakte, was hij geboeid en omringd door al zijn
+matrozen.
+
+„Vervloekte verraders!” riep hij den bootsman toe, „wat beteekent dit?
+Zijt gij gek geworden?”
+
+„Dat niet”, antwoordde Tylar, met een breeden, vertrouwelijken grijns
+op zijn pokdalig gelaat, „het beteekent alleen, dat gij nu eens een
+zeiltochtje met ons zult maken inplaats van wij met u.
+
+„Wij zijn zoo raar rondgetrokken met u. Wij weten ook, wie gij zijt en
+het zou een kleine moeite voor ons zijn, om u in de eerstvolgende haven
+in handen te leveren van een Engelschen consul, die er dan voor zou
+zorgen, dat gij op staatskosten, in kettingen geklonken, naar uw
+vaderland terug werd gezonden.
+
+„Maar wees onbezorgd!
+
+„Wij zijn niet van plan, u persoonlijk iets te doen, noch om dit jacht
+te stelen... maar...
+
+„Als gij pogingen doet om u te bevrijden of u met mijn zaken te
+bemoeien..... dan.....
+
+„Dan gaat gij over boord!
+
+„Gehoorzaam nu mijn bevelen! Wij zullen zooveel mogelijk ervoor zorgen,
+dat gij het naar uw genoegen bij ons hebt”.
+
+Bootsman Tylar verliet nu als kapitein den geboeiden Raffles.
+
+Deze zag, hoe al zijn manschappen gewapend waren met revolvers en
+messen.
+
+Tevergeefs brak hij zich het hoofd met de vraag, wat deze daad van
+geweld van zijn lieden te beteekenen had.
+
+Het geheele geval leek veel op een zeerooverstruc...
+
+Terwijl hij op deze wijze als gevangene op zijn eigen zeiljacht naar
+een onbekende plaats werd gebracht, werden van den Mexicaanschen
+kruiser paarden en soldaten, geschut en munitie aan de Yaqui-kust aan
+land gebracht en Marquez en zijn vriend besloten om dat, wat hun door
+de vlucht van Delma was ontnomen, weer terug te krijgen door geweld van
+wapenen.
+
+150 man, een troep avonturiers, waren aan de kust geland en begaven
+zich in lange linie, den stroom volgend, in de richting van het
+voornaamste kamp der Yaquis.
+
+Aan den mond der rivier lag de Mexicaansche kruiser gereed, met zijn
+kanonnen de troepen te beschermen.
+
+Zwijgend en zooveel mogelijk elk geluid vermijdend, bewoog de expeditie
+zich voorwaarts.
+
+Plotseling weerklonk van de spits een kreet:
+
+„Wie daar?”
+
+In het volgende oogenblik gleed het naakte lichaam van een Indiaan als
+een stuk vluchtend wild door de struiken.
+
+Schoten knalden, want het was duidelijk, dat een spion der Indianen de
+aankomst der Mexicanen had ontdekt.
+
+Marquez was van oordeel, dat Delma zich bij de Yaquis moest bevinden.
+
+„Zij achten hem als een koning,” sprak hij gedurende den rit tot
+Matteo, „maar ik zal dien rooden honden toonen, hoe wij den schurk bij
+zijn voeten aan een boom ophangen en voor hun oogen doodschieten.
+
+„Tegen den morgen zullen wij hun grootste kamp bereikt hebben.”
+
+Vijftig ruiters vormden de spits van het detachement.
+
+De weg opzij werd smaller en smaller, onbegaanbare oerwouden, moerassen
+en steile rotsen wisselden met elkaar af.
+
+Toen de morgen daagde, bevonden de Mexicaansche troepen zich in een
+nauwen bergpas, waardoor zij in het dal der Yaquis konden komen.
+
+Zij zagen niet, dat in het dichte oerwoud zich honderden Yaquikrijgers
+als slangen verborgen hielden.
+
+Plotseling weerklonken wilde kreten, kano’s, bezet met gewapende
+Yaquis, kwamen van de andere zijde der rivier, schoten kraakten in het
+oerwoud en een verwoed gevecht begon.
+
+Steeds meer krijgslieden der Yaquis kwamen uit de wildernis te
+voorschijn.
+
+Als een onmetelijke golf van menschenlichamen werden de Mexicanen meer
+en meer teruggedreven en tegen den middag was er van den geheelen troep
+nog slechts een erbarmelijk restje over, dat zich in gesloten gelederen
+telkens weer verdedigde tegen de woeste aanvallen der Yaquis.
+
+Het werd avond.
+
+De avonturiers schoten hun laatste patronen af en snelden daarop in
+razende vlucht naar den oever, waar zij beschut waren door de kanonnen
+van den kruiser.
+
+Slechts weinigen gelukte het, aan boord van den kruiser te komen.
+
+Marquez en Matteo waren niet onder hen.
+
+Zij waren, aangelokt door den rijkdom der goudmijnen, in de speeren der
+Yaquis geloopen en terwijl de kruiser met zijn granaten tevergeefs de
+oevers, die met struikgewas waren begroeid, beschoot, vlamden in den
+nacht reusachtige houtvuren op in het kamp der Yaquis.
+
+Dat waren hun overwinningsvuren!
+
+In de wildernis der Yaquis echter lagen vele avonturiers, en onder hen
+ook Marquez en Matteo.
+
+ - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
+
+Toen Raffles den volgenden morgen ontwaakte, keek hij eerst verbaasd om
+zich heen.
+
+Hij lag geboeid in de vroegere kajuit van den bootsman, terwijl deze
+als kapitein zijn intrek had genomen in de hut van Raffles.
+
+Het was donker om hem heen, omdat de vensters gesloten en met zeildoek
+behangen waren.
+
+Aan de beweging van het schip bemerkte hij, dat dit in volle vaart was.
+
+Hij stond op van zijn bed, ging naar de deur en sloeg er met den
+elleboog tegen, daar hij dorst had en iets wenschte te drinken.
+
+Eenige oogenblikken later trad de bootsman bij hem binnen, vergezeld
+door een Chinees, dien Raffles nog niet aan boord had gezien.
+
+„Hallo!” riep de bootsman, „gij hebt verscheidene dagen en nachten
+geslapen, zoodat wij al dachten dat gij niet meer zoudt ontwaken.”
+
+„Verscheiden dagen en nachten?” vroeg Raffles en plotseling begreep
+hij, daar hij een fijne opiumlucht gewaar werd, dat de diepe
+bewusteloosheid, waarin hij had gelegen, het gevolg was geweest van een
+kunstmatig verdoovingsmiddel.
+
+„Geef mij iets te drinken!” sprak hij tot Tylar.
+
+„Allright!” antwoordde de voormalige bootsman. „Deze Chinaman dien ik
+aan boord heb genomen, zal u gedurende de reis alles bezorgen, wat gij
+wenscht.
+
+„Ik waarschuw u nog eenmaal, spaar uzelf en ons onnoodige moeite en
+houd u rustig!”
+
+„Gij moet zelf weten, wat gij hebt gedaan”, antwoordde Raffles,
+„volgens de scheepswetten hebt gij u schuldig gemaakt aan muiterij en
+gij zult daarvoor door de bemanning van het eerste Engelsche
+oorlogsschip, dat u ontdekt, aan een ra worden opgehangen.
+
+„Gij hebt een fout begaan, Tylar, als dit schip niet in New-York
+aankomt en mijn vrienden tevergeefs op mij wachten, wordt het
+signalement van het schip aan alle havens getelegrafeerd, en krijgen
+alle schepen bericht van mijn verdwijnen.
+
+„Wees ervan verzekerd, dat gij binnen korteren of langeren tijd uw
+straf zult krijgen voor deze muiterij.”
+
+„Daarop ben ik voorbereid, Lord Lister”, antwoordde de bootsman.
+
+„Gij schijnt te hebben vergeten, dat door een toeval, doordat ik een
+gesprek afluisterde tusschen u en uw vriend Charly Brand, ik te weten
+kwam, wie gij eigenlijk zijt.
+
+„Mocht gij ons verraden, dan begrijpt gij zeker wel, wat dat voor u
+beteekent.
+
+„Maar stel u gerust, mijn vrienden, voor wie ik werkzaam ben, en in
+wier dienst het jacht deze reis maakt, en ik, wij hebben onze eigen
+signalen voor elke haven van Yokohama tot San Diego en San Francisco.”
+
+Raffles dacht eenige oogenblikken na en hij zag in, dat zijn gewezen
+bootsman en zijn matrozen een zaakje wilden uithalen, waarvoor zij dit
+jacht noodig hadden.
+
+Het zou een kleinigheid voor hen zijn geweest, wanneer zij het jacht
+geheel in hun bezit wilden hebben, om hem over boord te werpen.
+
+„Luister eens, Tylar”, begon Raffles, „nog is het misschien tijd, dat
+wij het eens kunnen worden. Gij en de bemanning zult u er niet over
+kunnen beklagen, door mij hard of onrechtvaardig te zijn behandeld.”
+
+„Neen, dat niet”, antwoordde de bootsman, „wij waren allen over de
+behandeling tevreden en zijn door u ook zoo goed betaald, als nog nooit
+in ons leven, daarom willen wij dan ook het plan, dat wij met de boot
+hebben, slechts in zooverre uitvoeren, dat gij noch het schip er schade
+bij hebt.
+
+„Alles, wat het u zal kosten, is zes weken tijd en gedurende dien tijd
+uw vrijheid.
+
+„Na zes weken kunt gij met vreemde manschappen naar New-York varen om
+het schip, dat uzelf immers ook niet toebehoort, den eigenaar terug te
+brengen”.
+
+„Voor mij zijn zes weken een groot stuk van mijn leven, Tylar”, sprak
+Raffles, „en ik doe u een laatste voorstel. Ik wil niets weten van de
+dingen, die gij van plan zijt te doen met mijn boot en wil doen, alsof
+er niets was gebeurd.
+
+„Daarvoor betaal ik u en uw manschappen in de volgende haven zes
+maanden loon en teeken uw papieren met mijn handteekening als kapitein
+van dit schip.
+
+„Gij weet, dat gij zonder mijn handteekening op uw papieren niet
+gemakkelijk opnieuw kunt aanmonsteren”.
+
+„Laat dat aan ons over, Lord Lister! Gij kunt ons niet dat betalen, wat
+wij met deze vaart verdienen.
+
+„In vertrouwen gesproken, ik handel volgens strenge bevelen en
+onderhandel nu verder met Ah-Sam. Ik heb drukke bezigheden!”
+
+Hij verliet de hut en de Chinees begon, met een boosaardig lachje om de
+smalle lippen, het vertrek in orde te brengen.
+
+Met welbehagen ademde Raffles door de nu geopende vensters de frissche
+zeelucht in.
+
+Hij overlegde, op welk gedeelte van de zee zij zich konden bevinden, en
+begreep uit de aanwezigheid van den Chinees, dat de boot zich op weg
+moest bevinden naar Chineesche wateren.
+
+Naar Zuid- of Noord-Amerika kon hij zich met den besten wil geen zaken
+van eenig belang denken, waarbij zijn muitende manschappen iets zouden
+kunnen verdienen.
+
+Het werd hem ook duidelijk, dat het plan door zijn bemanning in
+Honolulu moest zijn vastgelegd.
+
+En daar in Honolulu veel Chineezen werkzaam zijn, als reeders en
+kooplui, moesten deze daarbij hun hand in het spel hebben.
+
+Het jacht doorkliefde intusschen met groote snelheid de groene golven
+van den Oceaan met koers naar het Westen, de uren werden dagen en
+Raffles kon niets anders doen dan werkeloos in zijn hut wachten, totdat
+men een haven zou hebben bereikt.
+
+Wat zou hij doen?
+
+Hij stond alleen tegenover een paar dozijn gewapende matrozen.
+
+Op een middag kwam Tylar voor de tweede keer in zijn hut en bracht hem
+eenige boeken, welke hij in de kajuit had gevonden, om te lezen.
+
+Hij lachte, toen hij de boeken voor Raffles op tafel legde en sprak:
+
+„Wel, Lord Lister, over twee dagen hoop ik klaar te zijn.
+
+„Ik denk, dat gij u zult vervelen en daarom breng ik u deze boeken”.
+
+Raffles keek den muiter met trotschen blik aan en sprak:
+
+„Tylar, denk eens na over hetgeen ik u zei. Ik verhoog uw loon van zes
+maanden op twaalf en vaar met u mee naar New-York”.
+
+„No, Sir”, antwoordde Tylar, „ik houd evenveel van geld als gij en
+daarom kan ik niet op uw voorstel ingaan.
+
+„Gij kunt mij niet zooveel betalen als ik op deze vaart verdien.
+
+„Het zou ook onzin zijn, gij kunt uw geld sparen, want, nietwaar Lord
+Lister, dat gele goedje is het beste wat er op de wereld bestaat!
+
+„Het is het eenige geneesmiddel voor alle zorgen, het bezorgt zelfs
+zoo’n leelijken, gelen schurk de mooiste blanke vrouwen.
+
+„Geld is de beste vriend van ons allen, en vooral van een eenzamen man
+zooals ik er een ben. En daarom wil ik mijn geldbuidel op deze vaart
+zoo goed vullen dat hij mijn gansche leven lang niet meer leeg wordt.
+
+„Dit is mijn laatste antwoord in deze aangelegenheid.”
+
+Hij stond dien dag voor het eerst toe dat Raffles op dek kwam.
+
+Met op den rug gebonden handen lag hij dichtbij de commandobrug en
+verbaasde er zich over, dat de zorgen van zijn voormaligen bootsman
+zich zoover uitstrekten, dat deze hem een zonnescherm had bezorgd voor
+de brandende zonnestralen.
+
+Aan boord heerschte een voorbeeldige discipline, hoewel de matrozen de
+bondgenooten waren van Tylar en Jurgens.
+
+Terwijl Raffles onder het zonnescherm lag en naar den horizon keek
+waaraan kleine witte wolkjes als rookpluimen hingen, trad de muiter
+naar hem toe en sprak:
+
+„Ik weet, dat gij een goed zeeman zijt, Lord Lister. Wat denkt gij van
+het weer en van de kleine wolkjes, die daar opduiken?”
+
+„Hoe staat de barometer?” vroeg Raffles.
+
+„Dertig!”
+
+„Dan komt er storm”, antwoordde Raffles, „wilt gij mij zeggen, waar wij
+ons bevinden?”
+
+„Volgens de kaart in de Gele Zee!”
+
+„Hoeveel mijlen van land?”
+
+De muiter zweeg een oogenblik, toen sprak hij:
+
+„Ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van de kust af.”
+
+„Wij moeten dichter bij land zijn. Ziet gij die kleine zwermen vogels,
+die voor ons schip vliegen, dat zijn landvogels, die niet meer dan
+honderd mijlen in zee gaan.”
+
+Op dit oogenblik werd de muiter weggeroepen door den Zweed.
+
+Het eten stond klaar in de kajuit.
+
+Drukkende stilte heerschte in de lucht en in het water. Een
+eigenaardige, verschroeiende hitte, die het zweet bij de geringste
+beweging uit alle poriën perst.
+
+Slap hingen de zeilen neer.
+
+Raffles, die dit alles waarnam, fluisterde:
+
+„De gekke kerels gaan zitten eten, terwijl het meer dan tijd is om het
+schip op den storm voor te bereiden!”
+
+„Hé, Ah-Sam!”
+
+De Chinees, die als wacht vlak bij hem zat, kwam nader.
+
+„Roep onmiddellijk Mr. Tylar. Er is gevaar!”
+
+Daar de kajuit dichtbij was, verliet de Chinees hem en eenige
+oogenblikken later stond de muiter voor hem.
+
+„Wat is er?” riep de bootsman.
+
+„Drommels, kerel!” riep Raffles op den toon, dien hij altijd als
+kapitein had gebezigd, „roep de bemanning aan dek! Elke seconde komt
+het gevaar nader, pas op, of de duivel haalt u en het geheele schip!”
+
+Een dof gerommel, als het geluid van ver geschut, dreunde nu van den
+horizont.
+
+Het water zag er zwartgroen en onheilspellend uit, een plotselinge
+windvlaag blies de zeilen van het jacht op en wierp het op zijde en nu
+haalde Tylar zijn signaalfluit uit zijn zak om de bemanning op dek te
+roepen.
+
+Het was meer dan tijd, en terwijl zij de zeilen inhaalden, vulde de
+hemel zich met laaghangende, donkergrijze wolken, wier randen
+zwavelgeel van kleur waren.
+
+De zee begon steeds woester te worden en nog was het laatste zeil niet
+ingehaald, toen het door een orkaan met luid gefluit en gehuil aan
+flarden werd gescheurd.
+
+Het kraakte los als een kanonschot, toen het zeil scheurde.
+
+De Chinees echter greep Raffles beet, trok hem in de kajuit, waarvan
+hij de deur stevig achter zich sloot en schreeuwde:
+
+„Taifun zal komen, groote storm!—Water als de hel! Schip en alles
+verdrinken!”
+
+Het gelaat van den Grooten Onbekende was als uit brons gegoten.
+
+Het leek, of een reuzenvuist het schip had aangegrepen en het in den
+kokenden maalstroom wierp.
+
+„Nu zullen wij eens zien, wat voor een kapitein mijn bootsman is,”
+mompelde hij met een bitter lachje.
+
+Met luid gekraak, alsof het jacht aan splinters zou vliegen, sloegen de
+golven tegen de planken.
+
+De koning der golven, Taifun, had er met geweld bezit van genomen.
+
+Onophoudelijk woedde en donderde het van alle kanten, breede
+bliksemstralen doorkliefden de wolken en het scheen alsof het laatste
+uur was gekomen.
+
+Als geweldige rotsen kwamen de golven naar het schip toegerold en
+dreigden het te vernietigen.
+
+Menschelijke kracht kon hier niet helpen....
+
+Raffles had een sigaret opgestoken en dacht aan de laatste uren van
+zijn samenzijn met Carmen Marquez, de laatste schoone herinnering, die
+hij van het leven had behouden.
+
+Hij was ervan overtuigd, dat het jacht niet bestand was tegen de
+woedende elementen.
+
+Hij vond het verschrikkelijk om in de kajuit vastgebonden te zitten en
+niet als een man voor zijn leven te mogen strijden.
+
+Het jacht vloog als een bal door de opgezweepte watermassa.
+
+Elk oogenblik verwachtte hij, dat een der masten over boord zou gaan en
+het schip door Taifun tot een wrak geslagen zou worden.
+
+Raffles had zijn tweede sigaret opgerookt, toen de bootsman de deur
+opende en sidderend, met knikkende knieën, binnentrad.
+
+„Ik heb alles gedaan wat mogelijk was,” mompelde hij, zich het zeewater
+van het gelaat vegend.
+
+„Het jacht is sterk als een leeuw! Maar toch weet ik niet meer, wat ik
+zou kunnen doen. Wij worden gedurende eenige minuten als in een cirkel
+rondgedraaid!
+
+„Ik heb geprobeerd de boegspriet tegen den storm te houden en heb mij
+met Jurgens aan het stuurrad vastgebonden.
+
+„Alles tevergeefs! Wilt gij ons helpen?”
+
+Zonder het antwoord van Raffles af te wachten, sneed hij met een mes de
+boeien van zijn gevangene door en de Groote Onbekende begaf zich,
+zonder te antwoorden, met hem naar het dek.
+
+„Waar is Jurgens?” riep Raffles.
+
+„Hij ligt beneden met een gebroken rib!”
+
+Nu betrad Raffles het overstroomde dek.
+
+Het was hem bijna onmogelijk zich een weg te banen naar de
+commandobrug, terwijl hij zich vasthield aan een touw, dat over het dek
+gespannen was.
+
+De razende storm scheen hem te zullen wegvegen van het dek.
+
+Toen hij op de commandobrug stond, riep hij, om zich verstaanbaar te
+kunnen maken, tot Tylar:
+
+„Waar zijn de booten?”
+
+„Naar de weerlicht!”
+
+„Kurkvesten en reddingsgordels?”
+
+„Alles, wat op dek was, naar de hel!”
+
+„Dan zullen wij allemaal ook naar de hel gaan,” sprak Raffles, „behalve
+wanneer gij mij zegt waar wij ons bevinden.”
+
+„In de buurt van Nagasaki,” riep Tylar en gebruikte zijn handen als een
+trompet.
+
+Met alle kracht moest Raffles zich aan de ijzeren leuning der
+commandobrug vasthouden, om niet weggespoeld te worden.
+
+„Alle man aan dek!” beval hij.
+
+Toen de matrozen bij de commandobrug waren samengekomen, schreeuwde hij
+door den scheepsroeper:
+
+„Stuurboord en bakboord, met ankers, alle kettingen die aan boord zijn,
+in zee!”
+
+De matrozen, blij dat zij eindelijk voor hun leven mochten vechten en
+weer een leider hadden, voerden ondanks de zware zee in eenige minuten
+de ankermanoeuvre uit en dadelijk begon het lichte jacht minder te
+draaien en danste het weer over de geweldige golven.
+
+De kettingen en ankers hielden het als een ballon vast.
+
+Zoodra de bemanning het resultaat zag, gevoelde zij zich verlicht.
+
+„Een kranige kerel!” mompelden zij en zij waren vol bewondering voor de
+handigheid van Raffles.
+
+„Brengt de olievaten op dek, die beneden liggen als ballast! Brengt de
+scheepspomp in verbinding met olie en geeft olie naar stuurboord en
+naar bakboord!”
+
+De olietonnen werden de een na den ander door de matrozen, die daarbij
+hun leven telkens waagden, op dek gebracht en met de scheepshandpomp
+verbonden.
+
+Dat was de laatste kans om het jacht uit het ontzettende terrein van
+God Taifun weg te krijgen.
+
+De woeste zee werd kalmer onder de olie en de reusachtige golven, die
+het schip dreigden te verpletteren, werden weer normaal.
+
+Een gefluit en gehuil klonk plotseling over het schip door de lucht en
+het scheen, alsof een demonische macht het vaartuig in den afgrond van
+den Oceaan wilde drukken.
+
+Met starren blik keek Raffles naar het woeden der elementen.
+
+Eenige meters verder en het jacht zou onherroepelijk verloren zijn.
+
+Geen enkel schip, noch de fierste pantserkruiser, noch de grootste
+passagiersboot, zou uit dit geweldige, op een cycloon gelijkend geraas
+en gekook der golven, uit het middelpunt van het gebied van den Taifun,
+weer te voorschijn zijn gekomen.
+
+Plotseling kwam er een eind aan het vreeselijke geloei en gehuil.
+
+Raffles wendde zich tot Tylar, die bij den barometer stond en
+schreeuwde:
+
+„Hoe staat het glas?”
+
+En de bootsman riep terug:
+
+„Glas beter. Negen-en-twintig nu— —zooeven zes-en-twintig— —stijgt tot
+dertig. Wij zijn er door!”
+
+Toen het maanlicht met helderen glans op de waterheuvelen scheen, was
+het gevaar voor het mooie schip geweken.
+
+Tylar keek Raffles aan met een eigenaardige uitdrukking in zijn blik.
+
+Deze stond als uit marmer gehouwen aan het stuurrad en stuurde het
+schip.
+
+Nu wendde hij zich tot Tylar.
+
+„Neem nu het roer over, Tylar, en leid het schip verder! Ik heb hier
+niet meer te doen! De boot is gered!”
+
+Hij gaf den bootsman het roer en begaf zich, zonder zich verder om
+dezen te bekommeren, naar zijn kajuit, waar hij zich uitgeput op zijn
+bed wierp.
+
+„Dat is de malste tocht”, mompelde hij, voordat hij ging slapen, „dien
+ik ooit in mijn leven heb gedaan. Ik ben alleen maar nieuwsgierig, wat
+zij met het schip voor hebben.”
+
+Den volgenden morgen was de storm gaan liggen en Raffles, die zich op
+dek bevond, zag aan den horizont een blauwachtige, onbekende kust.
+
+„Dat was een zware storm, Lord Lister!” riep Tylar, „sinds vanmorgen
+vroeg zijn wij meer dan twintig wrakken voorbij gekomen. Genoeg schepen
+voor een geheele vloot. De taifun zal honderden van menschen het leven
+hebben gekost.”
+
+Raffles antwoordde niet, maar keek er naar, hoe de matrozen het schip
+langzaam weer in orde brachten en vergewiste zich ervan, dat het jacht
+werkelijk geen schade had geleden.
+
+Steeds meer naderde het vaartuig de kust en Raffles, die weer naast
+zijn bootsman stond, sprak:
+
+„Wilt gij mij zeggen, naar welke haven gij uw koers neemt?”
+
+„Ja, Sir, wij varen naar Nagasaki!”
+
+Raffles antwoordde niets.
+
+Den volgenden morgen bemerkte hij in zijn kajuit, hoe een anker
+neergelaten werd en het schip stil ging liggen.
+
+Haastig kleedde hij zich en ging op dek.
+
+Het schip lag in een wonderschoone baai.
+
+Tylar en verscheiden matrozen begaven zich juist aan land.
+
+Het was eigenlijk geen haven te noemen, waarin zij zich nu bevonden.
+
+Slechts eenige pleizierjachten, wier witte zeilen in het zonlicht
+schitterden, lagen op het blauwe water en behoorden waarschijnlijk aan
+de eigenaren der villa’s, die tusschen de boomen lagen aan de baai.
+
+Alleen rechts, aan den zeekant, bevond zich, als een zwerm zeevogels,
+een groote vloot Japansche visschersvaartuigen.
+
+Groote stoombooten voeren af en toe om de landtong heen en duidden aan,
+dat de kleine baai, waarin zij ankerden, in de onmiddellijke nabijheid
+van een havenplaats moest zijn.
+
+Dikke, purperkleurige rook, die in breede streepen boven de landtong
+naar boven steeg, verried de aanwezigheid van een groote havenplaats.
+
+Raffles haalde zijn verrekijker en zag, dat de boot van Tylar met de
+matrozen bij de trap van een groote villa aanlegde en dat zij in het
+huis verdwenen.
+
+Welk geheim zouden de matrozen daar hebben?!
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE HANDELAAR IN OPIUM.
+
+
+Tylar zat aan een weelderig gedekte tafel in de Chineesche villa, die
+Raffles van af het dek had gezien.
+
+Zijn gastheer was een nogal gezet koopman van middelbaren leeftijd,
+wiens gelaatstrekken buitengewone sluwheid en geslepenheid verrieden.
+
+Terwijl het tweetal daar zat, bevonden de matrozen zich op een veranda
+achter een formeelen berg van flesschen met allerlei wijn en likeuren.
+
+Het vertrek was half Europeesch, half Chineesch ingericht.
+
+Wou-Wang rookte een sigaret en nam den etenden gast op als een vos zijn
+buit.
+
+Wou-Wang stond aan het hoofd van de bende der veertig dieven, waartoe
+ook de door de Yaquis vermoorde Mexicaansche gouverneurs Marquez en
+Matteo hadden behoord.
+
+De Chinees had reeds uit telegrammen van zijn agent in Mexico van de
+verongelukte expeditie en den dood der beide gouverneurs gehoord.
+
+Twintig jaar geleden was hij op een bank begonnen als eenvoudig
+inpakker van Mexicaansche dollars.
+
+Door zijn uitstekende talenkennis werd hij echter weldra in een hoogere
+positie geplaatst, waardoor hij in contact kwam met allerlei agenten en
+kooplieden der geheele wereld.
+
+Zoo werd hij de stichter van een bond van zeeroovers en smokkelaars,
+aan welks hoofd mannen stonden uit de aanzienlijkste klassen van alle
+landen.
+
+Hij had zijn draden gespannen van Japan naar de Sandwich-eilanden, naar
+Alaska, Britsch-Columbia, Californië en bezat overal agentschappen, die
+door blanke of bruine dieven waren bezet.
+
+Rijk en machtig was Wou-Wang en meester in zijn vak, en jaar in, jaar
+uit gelukte het hem de belastingambtenaren der verschillende staten
+voor steeds grootere sommen te bedriegen.
+
+Hij wisselde met zijn agenten bijzondere cijfertelegrammen, en deze
+gaven bijna aan iedere stoomboot, die den Oceaan kruiste, geheime
+brieven mee.
+
+En bij zijn reusachtige ondernemingen, zijde- en opium-smokkelarijen,
+had Wou-Wang de hulp van honderden handen.
+
+Zijn hoofdkwartieren vormden Hongkong, Honolulu, Nagasaki en San
+Francisco.
+
+Hij was eigenaar van het beroemde Chineesche restaurant in San
+Francisco, en mede-eigenaar van verschillende andere hotels in China en
+Japan.
+
+Bovendien bezat hij een vloot van stoombooten.
+
+Toen zijn agenten hem berichtten over het opduiken van het zeiljacht in
+de Mexicaansche wateren en van zijn enorme snelheid, had hij hun direct
+opgedragen het schip tot elken prijs te bemachtigen.
+
+Daardoor was het gekomen, dat een der agenten van den Chinees in
+Honolulu met Tylar en zijn manschappen het plan bespraken, het jacht in
+plaats van naar New-York naar Japan te brengen en vandaar een groote
+lading opium naar China te vervoeren.
+
+„We hebben nog nimmer een meer waardevolle lading op een schip gehad
+dan die, met welke gij naar China zult gaan,” zei Wou-Wang tot Tylar.
+
+„De hoofdzaak is, dat ik mijn tweeduizend dollars verdien. De boot is
+zoo goed, dat geen der Engelsche kruisers haar kan inhalen.”
+
+„Wat hebt ge met den gevangen kapitein gedaan?” vroeg Wou-Wang.
+
+„Hij is nog aan boord,” antwoordde Tylar.
+
+„Wat!” riep Wou-Wang uit. „Leeft die hond nog? Hebt gij hem niet den
+hals afgesneden en over boord geworpen?”
+
+„No, sir,” gaf Tylar ten antwoord, „en ik ben blij, dat wij het niet
+hebben gedaan, want dan zat ik beslist, zoo zeker als tweemaal twee
+vier is, niet bij u en het schip zou hier niet voor anker liggen.
+
+„De taifun, die wij moesten doormaken, was een der verschrikkelijkste,
+die ik ooit heb beleefd.
+
+„Bovendien behoeven we hem niet te vreezen. Hij is in Engeland datgene,
+wat gij hier in China zijt!”
+
+„Allright!” sprak de Chinees, „gij moet maar weten wat ge doet. Gij
+moet vannacht dit water alweer verlaten en naar China varen. Doch vóór
+alles, hebt ge wapens aan boord?”
+
+Tylar begon te lachen.
+
+„Een heele lading geweren en revolvers, die wij vóór onze Mexicaansche
+expeditie aan boord hebben genomen. Waarom vraagt ge dat?”
+
+„Heel eenvoudig,” hernam Wou-Wang, „voordat ge de Straat van Simoneseki
+zijt gepasseerd, zijt ge niet veilig. Het wemelt hier van zeeroovers en
+die hebben al heel wat koopvaardijschepen ingepikt.
+
+„Ik zal je aan boord twintig à dertig van mijn manschappen meegeven,
+die ge van wapens kunt voorzien.
+
+„Zij kunnen je helpen bij het laden en je kunt hen op de plaats van
+bestemming, Shanghai, achterlaten.
+
+„Vandaar kunnen zij met mijn eigen boot terugkeeren.
+
+„Kijk goed uit op de Gele Zee. Gij hebt voor eenige millioenen dollars
+aan opium aan boord.
+
+„Ik zal nu order geven, dat mijn manschappen de lading aan boord
+brengen.”
+
+Een uur later lichtten de volgeladen booten het anker en koersten
+achter het jacht aan.
+
+In een der eerste booten zaten Wou-Wang en Tylar.
+
+Toen hij aan boord van het schip was, bekeek en bewonderde de
+koelbloedige Chinees ieder plekje van het prachtige schip, dat den
+vreeselijken taifun zoo schitterend had doorstaan.
+
+„Wanneer uw logboek niet liegt, Mr. Tylar, dan is dit jacht een
+oceaanwonder!” lachte de Chinees.
+
+„Gij kunt het aan boord van dezen zeevogel opnemen tegen alle kruisers
+der wereld.”
+
+Raffles was in zijn kajuit gebleven, daar hij niet in aanraking wilde
+komen met de Chineezen, die groote kisten op het jacht brachten.
+
+Binnen eenige uren was de lading aan boord en Wou-Wang reikte Tylar
+zijn met diamant beladen vingers met de woorden:
+
+„Wel, kapitein, hijsch de zeilen, ik zal dadelijk een cijfertelegram
+naar Shanghai zenden, dat gij vertrekt, en ook mijn agenten aan de kust
+opdragen dat zij zoo veel mogelijk een oogje in het zeil houden.
+
+„Houd uw oogen open voor zeeroovers, belastingambtenaren en Engelsche
+kanonneerbooten.
+
+„Ik geef u Ah-Kee mee. Dat is een loods en stuurman, die elke haven van
+hier tot Hokodate kent.
+
+„Bovendien, wanneer ge wordt aangevallen is hij een duivel in den
+strijd. Alleen moet ge oppassen, dat ge hem niet in een opium-roes
+vindt.
+
+„Mocht dat het geval zijn, dan giet je hem twintig liter koud water op
+zijn hoofd en dient hem vijftig slagen toe, doch met het beste uiteinde
+van het touw. Heb je verstaan, Kee?”
+
+De breedgeschouderde Mongool grijnslachte en liet zijn door opium zwart
+geworden tanden zien.
+
+Het was de grijnslach van een hongerigen tijger.
+
+„Als hij geen opium heeft gerookt, is hij de meest bruikbare mensch,”
+ging Wou-Wang voort, „ik redde hem van een zeeroovers-expeditie. Ik
+kocht hem af door een bevriend mandarijn, anders zou hij nu, als de
+laatste zijner vijf-en-twintig makkers, in het zand bijten!
+
+„Je herinnert je toch nog wel, hoe ge in twee rijen, de handen op den
+rug gebonden, voor den beul moest knielen en deze met een zwaard het
+eene hoofd na het andere afsloeg?
+
+„Wel? Ik redde Kee op het oogenblik, dat het hoofd van zijn laatsten
+kameraad in het zand rolde.
+
+„Ik hoop, dat je dat niet zult vergeten, Kee!
+
+„Bovendien zal mijn klerk meegaan. Hij heeft de brieven voor mijn
+handelsvrienden in Shanghai.
+
+„Ik hoop, dat ge een gelukkige reis moogt hebben!”
+
+Het volgende oogenblik riep de kapitein:
+
+„Het anker lichten.”
+
+En met het eigenaardige sing-sang der zeelieden, trokken de matrozen
+het anker op.
+
+De Chineesche loods ging aan het stuurrad staan en liet het rad door
+zijn handen glijden, terwijl de overige matrozen de zeilen richtten.
+
+Wou-Wang echter sloeg vanaf zijn boot de zeilmanoeuvres gade en keek
+met zijn verrekijker het jacht na, totdat het van de reede van Nagasaki
+was verdwenen zonder een douaneboot te kruisen.
+
+Toen Raffles den volgenden morgen op het dek kwam, zag hij de zwarte
+kust van Tung-chow, waarlangs het jacht voer met een snelheid van
+twaalf knoopen.
+
+Arbeiders vulden het dek en zaten pratend onder een zonnezeil.
+
+Den volgenden nacht dook de Koreaansche kust op, waarover Raffles zich
+verbaasde.
+
+Het jacht moest, sinds het Tung-chow had verlaten, al minstens een
+dozijn malen van koers veranderd zijn.
+
+De wind was gaan liggen en het was gloeiend heet geworden.
+
+Het jacht kon slechts langzaam vooruit komen.
+
+Tevergeefs brak Raffles zich het hoofd, wat voor een lading aan boord
+van het jacht was gekomen.
+
+Plotseling dook van de kust een dozijn merkwaardig gevormde booten op
+met geelroode wimpels, die regelrecht op het jacht af kwamen.
+
+„Alle hens aan dek! Zeeroovers!” klonk de roep van den Chineeschen
+stuurman tot Tylar, en als een troep mieren begon de bemanning af en
+aan te loopen en met hun geweren en revolvers het vuur te openen op de
+langzaam naderende booten.
+
+De zeeroovers hadden het schip omsingeld en beantwoordden het vuur.
+
+Voor het eerst sedert het begin der reis nam Raffles zijn revolver ter
+hand, onderzocht ze en moest lachen, toen hij zag, dat er geen patronen
+op waren.
+
+De muitende bemanning had ze heel wijselijk leeg gehaald.
+
+Toen hij aan dek kwam, was alles daar in het heetst van het gevecht.
+
+Met pieken, geweren en revolvers stonden de matrozen naast de
+Chineesche werklieden aan alle kanten van het schip en hadden moeite de
+gele duivels het beklimmen van het schip te beletten.
+
+Bij de voorplecht woedde de strijd het hevigst.
+
+De Chineesche zeeroovers hadden hun beruchte stinkpotten aan boord
+geslingerd, en de verdedigers werden door de ontzettend bijtende lucht,
+die hun het ademhalen belette, bemoeilijkt.
+
+Het volgend oogenblik sprongen eenige dozijnen mannen aan boord en
+wierpen zich met revolvers en messen op de matrozen.
+
+Van weerszijden gaf men niets toe.
+
+Raffles zag, hoe de stuurman Lee plotseling met een mes den niets
+vermoedenden Tylar wilde aanvallen.
+
+Hij pakte Tylar in den nek, wierp hem op den grond en wilde hem zijn
+mes in de borst stooten, toen Raffles den kapitein te hulp kwam, de
+enterbijl van een gevallen matroos greep, toesprong en den
+langstaartigen verrader neersloeg.
+
+„Goddam!” schreeuwde de gewezen bootsman, toen hij weer overeind kwam,
+„dat zal ik nooit vergeten, Sir!”
+
+Raffles nam een revolver, die in den gordel van den gedooden Chinees
+stak en vuurde op de naderdringende langstaarten.
+
+Daarop greep hij een met ijzer beslagen harpoen en stortte zich,
+gevolgd door Tylar, op de zeeroovers.
+
+Deze vluchtten voor den blanken duivel, zooals zij hem noemden en
+Raffles wierp hun de stinkpotten achterna.
+
+Maar de strijd was nog niet geëindigd.
+
+De Chineesche arbeiders, die aan boord waren gekomen, en die door den
+bootsman van wapens waren voorzien, maakten plotseling gemeene zaak met
+de zeeroovers en vielen de matrozen aan.
+
+„Nu ziet gij”, riep Raffles tot zijn gewezen bootsman, „hoe dom gij
+zijt geweest, om die valsche langstaarten onze goede wapens te geven.
+
+„Nu moeten wij ons naar twee kanten begeven.
+
+„Alle man hierheen!”
+
+De matrozen werden door het bevel van Raffles met nieuwen moed bezield.
+
+Zij weerden hun aanvallers af en schaarden zich om de commandobrug.
+
+Besluiteloos verzamelden zich daarentegen de Chineesche werklui op het
+achterdek van het schip terwijl de zeeroovers opnieuw de onbeschermde
+zijwanden van het schip beklommen.
+
+Vlak onder de commandobrug bevond zich de munitiekamer.
+
+Raffles liet deze openen en verscheiden geopende munitiekisten op de
+commandobrug zetten.
+
+De brug was het hoogste punt van het schip en er konden gemakkelijk zes
+man staan.
+
+Op eenigen afstand daarvan bevond zich een dek der kajuit en daarop
+zoowel als op de kajuit zelf verdeelde Raffles de matrozen.
+
+„Eén man schiet en één man voorziet hem van munitie...
+
+„Snelvuur;” commandeerde Raffles.
+
+En nu begonnen zij te vuren op de dicht bij elkaar staande zeeroovers
+en arbeiders.
+
+Huilend en schreeuwend trachtten deze zich te verdedigen.
+
+Maar als een onbluschbare vuurregen vloog het van de commandobrug en
+het dek der kajuit en wierp hen neer.
+
+Hoopen dooden lagen in hun bloed te baden en elk salvo eischte nieuwe
+offers.
+
+De munitie der Chineesche arbeiders en zeeroovers was verschoten en zij
+moesten zich dus met handwapenen verdedigen.
+
+Het duurde niet langer dan een kwartier, of het dek was van aanvallers
+gezuiverd en slechts dooden en gewonden lagen in het rond.
+
+De wind was gaan liggen en nu beval Raffles, terwijl hij overal op het
+schip posten uitzette, dat de rest van de bemanning de zeilen moest
+hijschen.
+
+In eenige minuten was dit geschied.
+
+Als een meeuw vloog het zeiljacht heen en liet de aanvallers als
+donkere stipjes op de kust achter.
+
+Nu droegen de matrozen hun gewonde kameraden in het scheepsruim om hen
+daar te verbinden.
+
+Meer dan de helft van hen was zwaar gewond en verscheiden waren dood.
+
+Ook de bootsman had een schampschot aan het hoofd gekregen en eenige
+steken in den linkerarm.
+
+Met de gewonde Chineezen en zeeroovers maakten de matrozen een kort
+proces. Zij wierpen hen eenvoudig als ballast in zee.
+
+Van de Chineesche arbeiders was geen enkele aan boord gebleven.
+
+Toen het schip weer in orde was gebracht, kwamen verschillende der
+matrozen naar Raffles toe, bleven in deemoedige houding voor hem staan
+en een van hen, een zekere Tom Back, zei:
+
+„Wel, kapitein, wij hebben niets anders te zeggen, dan dat mijn
+kameraden en ik ons schamen, dat wij ons in Honolulu hebben laten
+omkoopen om te muiten.
+
+„Wij zijn bereid, u opnieuw gehoorzaamheid te zweren en willen, dat gij
+het schip naar de naaste haven brengt.
+
+„Daar kunt gij ons dan, als gij het wenscht, door de overheid laten
+straffen.”
+
+„Ik dank u ervoor”, antwoordde Raffles, „dat gij eindelijk verstandig
+zijt geworden en ik ben blij, dat gij dit prachtige schip eindelijk
+weer in een haven terug wilt brengen.
+
+„Ik wensch u niet te laten straffen, integendeel!
+
+„Gij ziet, in welke gevaren en avonturen uw domheid u heeft gebracht en
+ik geloof, dat gij zonder mijn hulp reeds tweemaal het leven er bij had
+ingeschoten.
+
+„Nu doe ik u een voorstel!
+
+„Gij zult van nu af het schip met de lading aan mij toevertrouwen. Ik
+betaal u, zoodra gij het schip in een bevriende haven hebt, zes maanden
+loon en gij kunt uw eigen gang gaan.
+
+„Zijt gij het daarmee eens?”
+
+Met verheugde gezichten beloofden de teerjakken Raffles dit en volgden
+nu blindelings zijn aanwijzingen.
+
+In den mast wapperde weer lustig de Amerikaansche vlag en Raffles, die
+persoonlijk het stuur in handen had, liet dit nu aan den tweeden
+stuurman over en begaf zich naar de kajuit, waar de gewonde Tylar lag.
+
+Kermend lag deze op zijn bed.
+
+„Ik weet niet”, sprak hij tot Tylar, „of gij hebt gehoord, dat uw
+kameraden u afvallig zijn geworden en dat ik weer meester van het schip
+ben.”
+
+„De duivel hale u!” vloekte de bootsman.
+
+„De duivel had jou bijna gehaald!” antwoordde Raffles. „Als je niet
+verstandig bent, zal ik je door mijn manschappen in ijzer later klinken
+en een anderen toon tegen je aanslaan!”
+
+„De duivel hale je!” vloekte Tylar nog eens. „Ik was gek, dat ik niet
+naar Wou-Wang luisterde, die mij raadde je met een messnede in de keel
+in zee te werpen.”
+
+„Je bent een nette kerel”, antwoordde Raffles, „is dat de dank ervoor,
+dat ik je voor den messteek van den Chinees behoedde?
+
+„Wel, je wordt, totdat wij een haven hebben bereikt, als gevangene
+beschouwd en ik verzeker je, bij de geringste weerspannigheid, die je
+toont of wanneer ik van de bemanning hoor, dat je weer verraad wilt
+plegen, krijg je van mij een kogel en ga denzelfden weg, dien alle
+verraders moeten gaan.
+
+„Dit is het laatste woord, dat ik met je spreek.”
+
+
+
+Het was twee dagen later, toen een Engelsche kanonneerboot in zicht
+kwam.
+
+De Engelschman gaf Raffles bevel, stil te houden en hem te antwoorden,
+wie hij was.— —
+
+Maar de Groote Onbekende was niet van plan, het bevel van het Engelsche
+oorlogsschip te volgen en, daar er een behoorlijke bries waaide, liet
+hij alle zeilen bijzetten en met volle snelheid vloog het jacht weg.
+
+Een schot, waarop nog verscheiden andere volgden, werd hun nagezonden.—
+
+Raffles zag, hoe uit den schoorsteen van den kruiser dikke rookwolken
+opstegen en wist, dat deze stoom zette om hen te vervolgen.
+
+„Voorwaarts, jongens!” riep hij zijn matrozen toe. „Wij moeten den
+Engelschman toonen, dat wij, Amerikanen, tegen hem zijn opgewassen.
+
+„Gij kent het schip, en weet wat het vermag. Wij moeten den Engelschman
+achter ons laten!”
+
+De Engelsche pantserkruiser deed wanhopige pogingen om het zeiljacht in
+te halen.
+
+Maar het hielp hem niets.
+
+Steeds grooter werd de afstand en eindelijk was van het jacht niet meer
+dan een witte plek, zoo groot als een meeuw, te zien.
+
+Toen viel de duisternis en het jacht was geheel en al verdwenen.
+
+Den volgenden morgen dook aan de Chineesche kust Shanghai op.
+
+Doch in een groote bocht vermeed Raffles de kust van Shanghai en het
+scheen, alsof hij de haven niet wilde binnenloopen.
+
+In de buitenhaven wemelde het van vaartuigen van alle naties.
+Douanebooten vlogen heen en weer en maakten aanstalten om het zeiljacht
+op te zoeken.
+
+Hij had in de kajuit, in den borstzak van den gedooden Chineeschen
+klerk, de brieven gevonden, die Wou-Wang aan zijn vriend in Shanghai
+had gericht.
+
+Op eenige mijlen afstands liet Raffles de boot in een stille bocht
+varen en begaf zich den volgenden dag op een klein bootje, dat zij in
+Nagasaki van Wou-Wang hadden gekregen, aan land.
+
+Hij wilde probeeren, een der Chineesche kooplieden, wier adressen hij
+uit de brieven kende, in Shanghai op te zoeken.
+
+Dicht bij het strand bevond zich een klein visschersdorp.
+
+Onder de visschers vond hij een, die zooveel Engelsch sprak, dat hij
+zich tegenover hem verstaanbaar kon maken en dezen nam hij als gids mee
+naar Shanghai.
+
+Het was na middernacht toen hij voor het huis van den koopman aankwam
+en dezen door een bediende liet wekken.
+
+Sam-Li, een oude Chinees, verscheen ontstemd in de voorhal van zijn
+huis en vroeg Raffles naar diens verlangen.
+
+Hij sprak vloeiend Engelsch.
+
+Het viel Raffles dus niet moeilijk, met hem te praten.
+
+„Ik kom van Wou-Wang” begon de Groote Onbekende, „en ben kapitein van
+het zeiljacht „Carmenrita.””
+
+Nauwelijks had de Chinees deze woorden gehoord, of hij vertrok zijn
+gelaat tot een vriendelijken lach en noodigde Raffles, diens matrozen
+en gids uit, binnen te komen.
+
+Binnen een half uur was Raffles het met hem eens en de Chinees
+verklaarde zich bereid het bedrag voor de zending aan hem uit te
+betalen.
+
+Een uur later vertrok een karavaan muildieren en arbeiders om nog in
+den nacht de kostbare lading te gaan halen.
+
+De Chineesche tolbeambten schenen dien nacht te slapen.—
+
+Zonder eenig beletsel werd de opiumlading aan land gebracht.
+
+De Chineesche koopman overhandigde Raffles daarvoor 8 zakken, die met
+goud gevuld waren en het bedrag van 1½ millioen dollars
+vertegenwoordigden.
+
+Tegen den morgen reeds lichtte het jacht zijn ankers en voer nu met
+volle zeilen de haven van Shanghai binnen.
+
+Ook hier wekte het de algemeene bewondering op.
+
+Nauwelijks waren de ankers uitgeworpen, of een Amerikaansche
+consulaatsboot naderde en de Amerikaansche consul Brown kwam aan boord.
+
+„Mr. Lister”, riep hij, toen hij voor Raffles stond.
+
+„Yes, Sir, wat wenscht gij van mij?”
+
+De consul haalde een telegram te voorschijn en sprak:
+
+„Ik heb van mijn regeering een telegram gekregen, waarin mij wordt
+bevolen, acht te geven op een zeiljacht, waarvan gij de kapitein zijt
+en dat sinds eenige weken is verdwenen.
+
+„Zijt gij dat werkelijk?”
+
+„Ja, Sir”, antwoordde Raffles weer. „Wij waren in een taifun en konden
+ons slechts met moeite redden.”
+
+„Ontvang dan mijn gelukwenschen met den goeden afloop.”
+
+Nu verliet de consul het jacht en de Chineesche douanebeambten kwamen
+aan boord zonder iets te vinden.
+
+Den volgenden dag ontsloeg Raffles zijn matrozen, nadat hij hen goed
+had beloond en liet zich door een agent nieuwe manschappen bezorgen.
+
+Maar een enkelen ontsloeg hij niet en dat was Tylar, dien hij in zijn
+hut gevangen hield.
+
+Nadat hij vier dagen in de haven had gelegen en al het ontbrekende voor
+het schip had gekocht, nam hij zijn koers naar het Westen.
+
+Charly Brand echter ontving op dien tijd een telegram in New-York van
+den volgenden inhoud:
+
+
+ „Mr. Brand, Usterhotel,
+ New-York.
+
+ Vaar heden van Shanghai naar Londen. Hoop, dat pruik succes heeft
+ gehad. Beste groeten aan de dames Delma en aan Señor Delma.
+
+ J. C. R......”
+
+
+Toen Charly Brand dit telegram ontving, viel hem een pak van het hart.
+
+Reeds sinds eenige weken hadden hij en de familie Delma alle hoop
+opgegeven, Raffles terug te zullen zien.—
+
+Groote vreugde heerschte onder hen, toen zij het telegram ontvingen.
+
+Maar tevergeefs vroegen zij zich af, hoe Raffles met zijn jacht naar
+China was gekomen.
+
+Alleen Charly Brand begreep, wat zijn vriend met de pruik bedoelde.
+
+Bijna had hij het zelf vergeten, hoe hij maanden geleden, voordat hij
+zich voor Mevrouw Delma in Mexicaansche avonturen waagde, aan het
+Strand in Londen een pruik had gekocht, om daardoor eindelijk een vrouw
+te vinden.
+
+Zijn kalen knikker was hij nu kwijt, maar een vrouw had hij nog niet
+gevonden.
+
+Toen hij op zekeren dag bescheiden toespelingen maakte tegen Alma Delma
+over een ongelukkige liefde, zag zij hem vol medelijden aan en
+antwoordde:
+
+„O, mijn vriend, het doet mij innig leed, dat gij een ongelukkige
+liefde hebt; tracht toch, een gelukkige te vinden.”
+
+Hij begreep haar woorden niet en meende, dat het een blauwtje voor hem
+beteekende.
+
+Nu, na ontvangst van het telegram, kreeg hij eindelijk moed zich
+tegenover het beminde meisje uit te spreken.
+
+Toen hij zweeg, keek zij hem trouwhartig in de oogen en zei:
+
+„Gij spreekt weer van uw liefde, Mr. Brand. Ik ben heusch nieuwsgierig
+om te vernemen, wie uw uitverkorene is.”
+
+En Charly Brand durfde weer niet te zeggen, dat zij zelf dat was!
+
+Dienzelfden avond besloten zij, met de eerste boot naar Londen te
+varen, om daar Raffles te ontmoeten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+BAXTER WEER IN ACTIE.
+
+
+De inspecteur van politie van Scotland Yard was gedurende de
+afwezigheid van Raffles uit Londen geheel op zijn verhaal gekomen.
+
+De Vloo, zooals secretaris Marholm werd genoemd, had dezen morgen weer
+lust om zijn chef te ergeren.
+
+„Waarachtig, inspecteur”, sprak hij tot Baxter, „gij ziet er uit, alsof
+gij maandenlang verlof hadt gehad. Ik geloof, dat gij in den laatsten
+tijd wel dertig pond zijt aangekomen.”
+
+Baxter antwoordde, zonder te begrijpen, dat Marholm schertste:
+
+„Ja, mijn lieve Marholm, het wordt tijd, dat ik verlof neem om weer
+eens naar Mariënbad te gaan. Ik wordt te vet.”
+
+„Geen slechte gedachte”, antwoordde de Vloo, „Mariënbad zou u stellig
+goed doen, maar gij kunt de reiskosten sparen, als Raffles gauw weer in
+Londen terugkomt.”
+
+Nauwelijks had de Vloo dezen naam genoemd, of de inspecteur fronste het
+voorhoofd en sprak:
+
+„Ik heb het u eens voor al verboden, den naam van dezen schurk buiten
+dienst tegen mij te noemen. Wees blij, dat die man eindelijk van den
+aardbodem verdwenen is.”
+
+„Het is zeer vermetel van u, dat zoo beslist te beweren”, antwoordde de
+Vloo.
+
+De inspecteur wierp hem een woedenden blik toe en riep:
+
+„Ik weet, dat hij uw vriend is, Marholm, en gij zoudt het prettig
+vinden, als dat sujet hier weer opdook om mij bespottelijk te maken.
+
+„Maar ik zeg u dat, mocht ik Raffles in dit leven nog eens
+ontmoeten—wee hem!
+
+„Ik heb een cursus in Jiu-jitsu gevolgd en heb bovendien op de
+universiteit te Oxford nieuwe studiën gemaakt van de crimineele
+wetenschap.”
+
+„Zeg eens, inspecteur”, vroeg de Vloo met een boosaardig lachje, „heeft
+die professor u ook verteld, hoe men misdadigers moet vangen, die men
+nooit heeft kunnen krijgen?”
+
+„Professor Smithson in Oxford beweert, na lange wetenschappelijke
+studiën, dat er geen enkele misdadiger is, dien men niet zou kunnen
+krijgen!”
+
+„Oho!” lachte de Vloo, „zeker door hun zout op den staart te strooien?”
+
+„Houd uw flauwe grappen voor u!” riep Baxter woedend uit. „U schijnt
+zelfs professor Smithson van Oxford niet heilig te zijn.”
+
+„Neen”, antwoordde de Vloo met een breeden grijns, „ik geloof er niets
+van. Gij moet dien professor eens verzoeken, Raffles naar Scotland Yard
+te zenden. Het resultaat zou zeker schitterend zijn!”
+
+„Zwijg, Marholm! Houd u met uw werk bezig! Gij zijt den laatsten tijd
+toch al niet zeer vlijtig.”
+
+„Wat mij zeer koud laat”, dacht de Vloo bij zichzelf, zijn neus vol
+plichtsgevoel in de acten en papieren stekend.
+
+„Een telegram, inspecteur”, meldde op dit oogenblik de
+telegrambesteller en overhandigde den inspecteur van politie het roode
+couvert, waarop hij het bureau weer verliet.
+
+Baxter, die juist zijn middagslaapje wilde doen, gaf het telegram,
+zonder het te lezen, aan de Vloo met de woorden:
+
+„Lees het maar, Marholm, de inhoud zal wel van geen belang zijn.”
+
+Nauwelijks had de Vloo een blik geworpen op het telegram, of hij riep
+den inspecteur van politie na:
+
+„Blijf hier, het is een zeer gewichtig telegram betreffende onzen
+vriend Raffles!”
+
+Baxter maakte verbaasd rechtsomkeert bij de deur en stamelde:
+
+„Van— — — —van— — — —van— — — —Raffles?”
+
+„Hoor maar eens!” riep Marholm. „Een telegram van consul Hasper uit
+Shanghai.”
+
+„Vijf weken geleden kwam hier in de haven het zeiljacht Carmenrita
+binnen met een lading opium ter waarde van 2 millioen dollars.
+
+„Deze lading opium was het eigendom van den Chineeschen groothandelaar
+Wou-Wang en was bestemd voor Sam-Li, koopman te Shanghai.
+
+„Zooals is gebleken is de lading opium door Raffles gestolen en hij met
+het geld, 1½ millioen dollar, waarschijnlijk op weg naar Londen. Wacht
+hem daar op.”
+
+Baxter stond nog steeds met open mond Marholm aan te kijken, die op
+zijn beurt met een vriendelijk glimlachje Baxter ironisch toeknikte.
+
+„Nu, nu, daar heb je het alweer!” brulde Baxter. „Als je van den duivel
+spreekt, dan is hij er.”
+
+„Ja, ik zei u dadelijk al, dat we met Raffles nog niet hebben
+afgedaan.”
+
+„Hoe komt die man er in ’s hemels naam toe een scheepslading opium te
+stelen?”
+
+„Waarschijnlijk,” lachte de vloo, „wilde hij daarmee het hoofdbureau
+van politie een genoegen doen. Wij slapen nog niet genoeg.”
+
+„Zwijg,” riep Baxter, „en word toch eindelijk eens verstandig; 1½
+millioen heeft die kerel weer gestolen.— — —”
+
+„Jawel, 1½ millioen dollar!”
+
+„Wat zullen we doen?”
+
+„Heel eenvoudig,” antwoordde de vloo. „Begeef u op de politieboot en
+vaar Raffles op de Theems tegemoet.”
+
+Baxter hield zijn buik met twee handen vast en riep:
+
+„Alleen de gedachte hieraan maakt me al zeeziek. Ik kan er niet tegen,
+op die boot te varen.”
+
+„Dan moet gij u door professor Smithson uit Oxford een middel tegen
+zeeziekte laten geven, anders is dit een beletsel den grooten Raffles
+te vangen.”
+
+„Ik zou den hemel danken, als die Raffles voor goed in China was
+gebleven.”
+
+„Wees toch blij,” lachte de vloo, „dat ge nu de kuur in Mariënbad
+uitspaart.
+
+„Over een paar dagen zult ge al verscheiden pond afgenomen zijn, en
+binnen vier weken weer op een normaal standpunt zijn gekomen, zooals
+vóór het vertrek van Raffles.”
+
+„Stel u in verbinding met den loods Omyr en vraag eens, of er al een
+zeiljacht Carmenrita de Theems is opgevaren.”
+
+Marholm ging naar de telefoon en vernam toen, dat daags tevoren een
+zeiljacht, Carmenrita genaamd, op de Theems was aangekomen en bij de
+Towerbridge voor anker lag.
+
+Nauwelijks vernam Baxter deze mededeeling of hij gaf bevel, alle
+beschikbare detectives en politie-agenten mobiel te maken om met hem
+Raffles gevangen te nemen.
+
+„Gelooft ge dan waarlijk, dat Raffles zich nog aan boord van het jacht
+bevindt?”
+
+„Zwijg,” donderde Baxter, „en stoor mij niet in mijn ambtsbezigheden.”
+
+Op dit oogenblik trad een loopjongen binnen en vroeg beleefd naar den
+inspecteur van politie Baxter.
+
+De vloo wees den jongen met de hand naar den inspecteur, waarna de
+loopjongen hem een brief ter hand stelde.— —
+
+„Van wien komt die brief?” vroeg Baxter den jongen.
+
+„Dat weet ik niet, Sir,” antwoordde de jongen. „Een meneer gaf mij den
+brief aan den oever van de Theems met de opbracht hem bij u te
+bezorgen.”
+
+„Het is goed.”
+
+De loopjongen ging weg en Baxter opende den brief.
+
+Zijn oogen werden hoe langer hoe grooter, toen hij het bekende
+handschrift van Raffles zag.
+
+„Mijn lieve inspecteur van politie,” zoo begon de brief.
+
+„Wat een brutaliteit van dien schurk, om mij altijd „mijn lieve
+inspecteur van politie” te noemen!” vloekte Baxter hard op.
+
+„Waarom?” vroeg de vloo. „Ik vind dat in het geheel niet brutaal, maar
+beleefd en netjes.”
+
+„Ik ben zijn vriend niet!” riep Baxter en ging voort met lezen.
+
+„Ik haast mij, u mede te deelen, dat ik van mijn maandenlange reis weer
+naar Londen ben teruggekeerd en ik hoop, u bij de eerstkomende
+gelegenheid mijn opwachting te maken.”
+
+Baxter hield op met lezen, keek de vloo aan en sprak:
+
+„Ik geloof werkelijk, dat die man zoo brutaal zal zijn om mij te komen
+bezoeken.”
+
+„Waarom ook niet! Daaraan twijfel ik geen oogenblik!” sprak de vloo,
+„maar lees toch verder. Ik ben benieuwd naar hetgeen Raffles ons nog
+heeft te vertellen.”
+
+Baxter nam den brief weer op en vervolgde:
+
+
+ „Opdat gij ziet, hoezeer ik u hoogacht, heb ik u een interessant
+ souvenir van mijn reis meegebracht.
+
+ Geef u geen moeite om mij na ontvangst van dezen brief weer op uw
+ gewone manier te vervolgen, want ik bevind mij op een plaats, die
+ gij niet gemakkelijk zult ontdekken.
+
+ Met beleefde groeten en de meeste hoogachting,
+
+ Uw John C. Raffles.”
+
+
+„Ha!” riep Baxter uit, nadat hij den brief ten einde toe had gelezen,
+„nu zit hij in de val.
+
+„Hij vermoedt niet, dat ik dit telegram heb gekregen van den consul van
+Shanghai en dat ik weet, dat hij zich op zijn jacht Carmenrita bevindt!
+
+„Vooruit, Marholm! van het jacht kan hij ons niet ontsnappen, er liggen
+geen balken onder het water! Dit is nu eens een plekje, vanwaar hij ons
+niet kan ontsnappen!”
+
+„Nu, nu!” mompelde de vloo vol twijfel.
+
+„Zoo geheel zeker ben ik daar niet van, voordat Raffles zich inderdaad
+hier in Scotland Yard bevindt.”
+
+Een kwartier later vertrokken een half dozijn met politieagenten en
+detectives bezette automobielen naar de Theems.
+
+Vanuit talrijke booten, welke de politie-inspecteur liet aanrukken,
+begon hij het jacht, dat midden op de rivier lag, van alle kanten te
+omsingelen. Het leek wel, alsof het Chineesche booten van Korea waren,
+die nogmaals een aanval op het schip wilden doen.
+
+„Voorzichtig, mannen!” riep Baxter, toen hij met de revolver in de hand
+zich aan boord begaf.
+
+„Sluit het schip nauw in! Zoodra hij over boord springt, moet gij hem
+grijpen en vast houden!”
+
+Daarop begon hij het schip nauwkeurig te doorzoeken. Maar niets werd
+gevonden, zelfs geen enkele rat.
+
+„Hier!” riep de vloo.
+
+Haastig gaf Baxter zijn mannen een teeken en fluisterde:
+
+„Wij hebben hem, jongens, en als ik mij niet heel erg vergis dan slaapt
+hij. Hij is al te vermetel geworden! Hij voelt zich wel veilig in zijn
+schuilhoek!”
+
+Hij beval, dat verscheiden detectives, met revolvers gewapend, hem
+moesten volgen en opende daarna moedig de deur.
+
+Op een bed zagen zij de gedaante van een man.
+
+Zonder hem nauwkeuriger te bekijken, wierpen drie detectives zich onder
+leiding van Baxter op den slapende en boeiden hem. (Zie het titelblad.)
+
+Verbaasd keek de gevangene, die zich tevergeefs tegen de ijzeren
+vuisten der politiebeambten trachtte te verdedigen, om zich heen.
+
+„Wat wilt gij van mij?” schreeuwde hij tot Baxter.
+
+„Houd u niet zoo dom, Raffles!” antwoordde Baxter, „deze keer zijt gij
+ons niet ontkomen!”
+
+„De duivel moge mij halen, als dat Raffles is,” mengde zich nu de vloo
+in het gesprek.
+
+„Ik ben Raffles niet!” riep de gevangene, „ik ben de bootsman van dit
+schip.”
+
+„Dat kan iedereen wel zeggen,” antwoordde Baxter, „maar als gij ons
+niet wijst, waar John Raffles zich bevindt, geloof ik niet, dat gij het
+niet zijt.
+
+„Ik weet maar al te goed, Mr. Raffles, dat gij de kunst van u te
+vermommen uitstekend verstaat.
+
+„Voorwaarts! Naar het hoofdbureau van politie!”
+
+Reeds dien avond vermeldden de nieuwsbladen de eerste sensatieberichten
+omtrent de eindelijke gevangenname van den veelgezochten meesterdief.
+
+Tegelijkertijd wisten zij te vertellen, dat hij bij zijn laatste truc
+voor 1½ millioen dollar aan opium had gestolen.
+
+Dit bericht hadden zij te danken aan de mededeelzaamheid van de vloo.
+
+Hoe schrok Baxter, toen hij, juist toen hij den vermeenden Raffles een
+verhoor afnam, weer een brief ontving door bemiddeling van een
+loopjongen.
+
+En met onzekere blikken las hij het volgende:
+
+
+ „Mijn lieve inspecteur van politie!”
+
+ Naar ik verneem, hebt gij in plaats van mijn persoon van mijn schip
+ het souvenir weggehaald, dat ik voor u had meegebracht uit Mexico
+ en China.
+
+ De man, dien gij hebt gevangen genomen, is mijn bootsman Tylar, die
+ zich aan boord van mijn schip aan ernstige muiterij heeft schuldig
+ gemaakt.
+
+ Ik verzoek u, hem deswege flink te straffen.
+
+ Ik groet u en ben met de meeste hoogachting,
+
+ John C. Raffles.”
+
+
+„Goddam!” schreeuwde Baxter.
+
+„Had Smithson gelijk of ik?” vroeg de vloo.
+
+„Smithson is een ezel!” antwoordde Baxter woedend. „Zijn theorieën
+kloppen niet! En nu komt nog het gekste van alles, dat wij namelijk
+voor Raffles een proces moeten voeren tegen een muitenden bootsman.”
+
+„Nu, dat is tenminste iets,” troostte de vloo. „Men moet den hemel voor
+alle goede gaven dankbaar zijn!”
+
+„Als de kranten maar niet bestonden!” jammerde Baxter, „nu zullen zij
+weer den spot drijven met ons en vooral met mij!”
+
+Wat de inspecteur had gevreesd, gebeurde.
+
+In kolommenlange artikelen schilderden de kranten overal den aanval van
+Baxter op het jacht en de gevangenname van den onechten Raffles.
+
+De geïllustreerde spotbladen teekenden hem zelfs uit, zooals hij in een
+boot als Engelsch admiraal den aanval leidde.
+
+En deze bladen kregen Señor Delma en zijn dames, evenals Charly Brand
+op den morgen van hun aankomst in Londen onder oogen en zij vernamen
+daaruit voor het eerst, wie hun dappere redder uit zoovele gevaren was
+geweest.
+
+„Als het mij vergund was,” sprak Señor Delma tot Charly Brand, „om een
+standbeeld op te richten ter eere van uw vriend, dan zou ik het doen!”
+
+Daar kwam de hotelbediende een heer aandienen, die hen wenschte te
+spreken.
+
+Eenige oogenblikken later werd de deur geopend en Raffles trad binnen.
+
+Hij begroette Señor Delma alsof deze zijn broeder was, maar toen deze
+meende, dat het voor Raffles misschien beter zou zijn om voor altijd in
+Mexico te blijven en daar een behaaglijk en rustig leven te leiden,
+antwoordde deze:
+
+„Mijn lieve Señor Delma! Ik zou zeer zeker uit heimwee naar mijn
+geliefd Londen doodziek worden. Neen, ik houd van deze stad en ben
+blij, dat ik mij weer op Engelschen bodem bevind.
+
+„Bovendien ben ik voor mijn vaderland zeer nuttig.
+
+„Er zijn maar al te veel schurken op de wereld, waartegen onze wetten
+en inspecteur Baxter onmachtig zijn en met wie men alleen iets kan
+uitrichten vanaf het standpunt van misdadiger.
+
+„Ter wille van die schurken blijf ik in Londen totdat ik sterf!”
+
+Señor Delma wist hierop niets te antwoorden. Hij gaf Raffles de hand en
+sprak:
+
+„Ik kan niet anders dan u als een held bewonderen.”
+
+Nu zag Raffles, dat Charly Brand zonder pruik was.
+
+„Zeg eens, Charly!” riep hij uit, „sinds wanneer heb je weer een kalen
+knikker?”
+
+„Sinds ik heb ingezien, dat ik niet geschikt ben voor het huwelijk. Een
+pruik op het hoofd is te warm en ik kan zoo’n ding onmogelijk mijn
+levenlang dragen. Ik doe het daarom liever zonder vrouw en blijf jouw
+vriend en jonggezel!”
+
+„En Alma Delma?” vroeg Raffles zoo zacht, dat haar vader het niet kon
+hooren.
+
+„Is jong en mooi en zal als rijke erfgename zooveel mannen kunnen
+krijgen als zij maar wil.”—
+
+Een vroolijk souper was het slot van den avontuurlijken tocht van Lord
+Lister naar Mexico en toen Señor Delma opstond om met tranen in de
+oogen Raffles te danken voor alles, wat deze voor hen had gedaan,
+stemden allen na den toast in met den uitroep:
+
+„Lang moge Raffles voor ons allen gespaard blijven. Leve onze Raffles!
+Hoera! Hoera! Hoera!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78819 ***