diff options
Diffstat (limited to '78761-0.txt')
| -rw-r--r-- | 78761-0.txt | 5258 |
1 files changed, 5258 insertions, 0 deletions
diff --git a/78761-0.txt b/78761-0.txt new file mode 100644 index 0000000..7918361 --- /dev/null +++ b/78761-0.txt @@ -0,0 +1,5258 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78761 *** + + + + + VOGELALBUM No 1 + + + DOOR + K. BOEDIJN + + + WAARIN TE BEVESTIGEN + „KLAVERBLAD’S” PLAATJES + WELKE ZICH BEVINDEN IN DE VERPAKKING VAN DE BEKENDE EN GEZOCHTE + KARNEMELKZEEP No. 340, MERK „HET MELKMEISJE” + + (NADRUK VERBODEN) + + UITGEEFSTER: + N.V. HAARLEMSCHE STOOMZEEPFABRIEK „HET KLAVERBLAD”, HAARLEM + + + + + + + + +VOORWOORD. + + +Op het verzoek van mijn opdrachtgevers, een album over vogels te +schrijven, ben ik niet dan na lange aarzeling ingegaan. Er waren +zoovele bezwaren, waarvan het ergste wel was, dat mijn eigen ervaring +op dit gebied zich niet verder uitstrekte dan tot de inheemsche vogels. +Wat betreft text en illustratie der exoten, dienden dus alle gegevens +aan andere bronnen ontleend. Zooveel mogelijk heb ik echter getracht +dit bezwaar te ondervangen, door te laten teekenen naar het uitgebreide +materiaal in de verzamelingen van het Koninklijk Zoölogisch +Genootschap: „Natura Artis Magistra”. Waar het levende ontbrak, werd +gewerkt naar ’t opgezette, dat dank zij de welwillendheid van de +directie van dit Genootschap, steeds tot beschikking van den +illustrator, den heer H. J. Wolff, stond. Schoten deze collecties +evenwel beide te kort, dan werd de toevlucht tot boeken genomen. + +Dat Brehm, zoowel door den heer Wolff voor de illustraties, als door +mijzelf voor de text, herhaaldelijk is geraadpleegd, spreekt haast +vanzelf. Doch ook het werk van Livingstone Bull, Lissmann, Gould, +Temminck, Schlegel, Meerwardt en Soffel, Thysse, Schillings, Wood en +nog zoovele anderen, hebben den illustrator in de voor hem zoo +buitengewoon moeilijke taak terzijde gestaan. Bij de indeeling in +hoofdstukken en de volgorde der vogels heb ik mij evenwel niet aan +Brehm, maar aan de systematiek van Reichenow willen houden. + +Voelde ik dit alles van te voren reeds als groote moeilijkheden, bij de +arbeid bleek het nog zwaarder te wegen dan ik vermoed had. + +Tenslotte helpt dezelfde gedachte, die mij in den aanvang het aanbod +deed aanvaarden, mij nu bij de voltooiing ook weer over al deze +bezwaren heen: de bedoeling van dit album is slechts, aan kinderen een +eenvoudig en onopgesmukt verhaal over vogels te doen. + + +K. BOEDIJN. + +Amsterdam, Mei 1923. + + + + + + + + +Heel achter in den mooien ouden Artis-tuin, op een plekje, dat bij de +gewone zomerbezoekers niet in trek is, leven een paar +vertegenwoordigers van de groep der + + +LOOPVOGELS (RATITÆ). + + +Toch is het de moeite waard er een bezoek te brengen. Niet alleen om de +mooie hooge boomen, of om de smaakvolle verwildering, die er heerscht, +al doet het in deze opzichten zeker niet onder voor vele andere, +ongerept mooie plekjes van dezen ouden tuin. Maar vóóral verdienen de +grappige en merkwaardige vogels, die er met deftige passen door het hok +stappen, een bezoek. Hun kleine vinnige kop met de scherpe heldere +oogen steken zij nieuwsgierig boven het hooge hek. Zij kijken of de +bezoekers iets in het mandje hebben, dat van hunne gading is en rekken +hun langen hals daartoe tot op het uiterste. + +Wie wel eens reisverhalen heeft gelezen, weet dat deze Loopvogels thuis +hooren in de woestijnen en steppen van Afrika, Australië, en +Zuid-Amerika. Zij behooren tot de grootste van alle levende vogels. +Ieder van deze werelddeelen bezit een eigen soort. Zoo is de +struisvogel karakteristiek voor Afrika, de nandoe voor Zuid-Amerika en +de emu voor Australië. + +De naam van de groep: „Loopvogels” dankt deze aan ’t feit, dat z’n +vertegenwoordigers niet vliegen kunnen, zooals andere vogels, doch met +hunne lange pooten verbazend hard loopen. Zóó hard, dat een man te +paard soms moeite heeft hen bij te houden. Dat is nog zoo’n wonder +niet, want een hardloopende struisvogel kan passen van 2 à 2½ meter +maken. + +Het jagen van deze dieren is dan ook lang geen gemakkelijk werkje. +Juist dáárom is het voor sommige menschen zoo’n groot genoegen, want +het geeft de trotsche voldoening iets moeilijks gedaan te hebben. + +Dat struisvogel, nandoe, casuaris, emu en kiwi loopen in plaats van +vliegen, zooals de gewone vogels doen, wordt van zoo groot belang +geacht, dat men deze vogels, die eigenlijk geen familie van elkaar +zijn, heeft samengebracht tot één groep, die hier, in tegenstelling met +de vijf volgende groepen, een zoogenaamde „biologische eenheid” is. Men +bedoelt er mee: een vereeniging van dieren (of planten) met een zelfde +merkwaardige levenswijze, waardoor zij opvalland van hunne verwanten +verschillen. + +Het vermogen om te vliegen, hebben de loopvogels geheel verloren, +hoewel hunne voorouders dit ongetwijfeld bezeten hebben en hunne +familieleden dit nog bezitten. Hoe het precies gegaan is en waardoor, +is moeilijk te zeggen. De makkelijkste manier om het te verklaren, +hebben de inboorlingen van Afrika voor hun loopvogel, den struis: zij +meenen, dat het een straf is. + +Want eens, heel lang geleden, hadden de struisvogels vleugels, even +mooi en gaaf en sterk als alle andere vogels. In een vlaag van hoogmoed +verbeeldden zij zich met die mooie vleugels naar de zon te kunnen +vliegen en ondernamen dien tocht. Steeds hooger vlogen zij, al maar +hooger, tot ver boven de hoogste bergen en verder nog. Maar de zon, die +boos geworden was over hunne verwaandheid, besloot hen te straffen. Zij +verborg zich daartoe achter een wolk en liet de vogels heel dicht bij +komen. Plotseling echter kwam zij te voorschijn en scheen met volle +kracht. Haar stralen waren zoo heet, dat hen de vleugels verschroeiden +en zij terug vielen op de aarde. Door de snelheid van den val en de +kracht van de botsing verpletterden zij hunne borst, die daardoor tot +op dezen dag plat bleef. Hunne vleugels waren zoo verknoeid, dat zij er +nooit meer mee konden vliegen. + +Wanneer we een vleugel van een struisvogel bijv., vergelijken met die +van andere vogels, valt die ongeschiktheid tot vliegen duidelijk op. +Bekijken we de vleugels als geheel, dan zien we, dat die van een +gewonen vogel zoo ingericht zijn, dat ze een zeer dicht en stevig +geheel vormen. Ze zijn in staat bij iedere vleugelslag de noodige +weerstand aan de lucht te bieden. En het is juist die weerstand, die +het vliegen mogelijk maakt. + +Wanneer men het vliegen vergelijkt met roeien, is dit gemakkelijk te +begrijpen. Zooals door de kracht, waarmee de roeiriemen de weerstand +van het water overwinnen, de boot vooruit komt, zóó komt de vogel +vooruit, die door de kracht van z’n vleugelslag de weerstand van de +lucht overwint. + +De vleugel van een struisvogel daarentegen is een zeer los en luchtig +geheel. De lucht gaat er aan alle kanten doorheen, waardoor het +weerstandsvlak aanzienlijk kleiner wordt. Wie wel eens gezeild heeft of +met aandacht naar zeilende schepen heeft gekeken, zal mij begrijpen als +ik zeg, dat een struisvogelvleugel is als een zeil vol gaten. De +vleugels van gewone vogels daarentegen zijn als zeilen van het +dichtste, fijnste weefsel, dat nergens de lucht doorlaat en aan den +wind het grootst mogelijke oppervlak biedt. + +De oorzaak van de geschiktheid van de eene vleugel om te vliegen en de +ongeschiktheid van de andere hiertoe ligt in het verschil der veeren, +waaruit ze zijn samengesteld. + +Neem maar eens een kippe of duiveveer en vergelijk die met de +struisveer van moeders hoed. Hoe stevig en vast zit de eerste in +elkaar, terwijl de laatste juist zoo mooi is door de zachte losse +krullen. + +Die stevigheid heeft de kippeveer (fig. 1) in de eerste plaats te +danken, aan de sterke schacht, maar ook aan de vlag. Deze heeft n.l. +een inrichting, die de samenstellende deeltjes, de baarden, tot een +geheel maakt, dat ondoorlaatbaar is voor lucht. Deze baarden dragen +daartoe aan weerszijden de baardjes, die op hunne beurt voorzien zijn +van haakjes, die in elkander grijpen. (fig. 2) + +De veeren van de loopvogels daarentegen, hebben een slappe en buigzame +schacht en de baardjes missen de haakjes, waardoor de veer los en +haarachtig blijft. Een andere verandering, die het gevolg is van het +niet-vliegen der loopvogels, is aan den levenden vogel niet te zien. +Maar wel aan zijn geraamte. + +Vogels, die vliegen, hebben een grooten, naar voren uitstekenden +beenigen kam aan het borstbeen. (fig. 3a) Als er eens kip of eend +gegeten wordt, moet je er eens op letten. Die beenplaat dient om de +groote spieren, die noodig zijn voor de beweging der vleugels, vast te +hechten en ’t beste boutje van de kip wordt er door gevormd. + +De loopvogels nu missen deze spieren en daarmee den kam. Hun borstbeen +is geheel vlak, (fig. 3b) ’t geen hun ook den naam van +Vlakborstbeenigen (Ratitæ) heeft bezorgd. + + + +§ 1. DE STRUISVOGEL (STRUTHIO CAMELUS) (No. 1) is wel de meest bekende +van alle loopvogels. Een bekendheid, die hij voornamelijk dankt aan de +pracht van z’n veeren, welke die zijner groepgenooten in Australië en +Amerika ver overtreffen. De losheid en soepelheid van een struisveer is +dan ook zonder weerga. Zoowel de vrouwen van tegenwoordig als de +prachtlievende mannen uit de middeleeuwen gaven er gaarne veel geld +voor. + +Hoewel oorspronkelijk te vinden in alle Afrikaansche woestijnen en +steppen, waar eenige plantengroei was, is deze vogel uit veel van zijne +woonplaatsen verdrongen door de komst der Europeanen. Ook zijn ze +schaarscher geworden door de jacht, die zoowel inboorlingen als blanken +terwille van hunne kostbare veeren op hen maakten. Al naar de +geaardheid van den mensch, die op jacht gaat, zijn de middelen, die hij +voor de jacht gebruikt. De Boer van Zuid-Afrika of de Bedouin van ’t +Noorden van dit werelddeel gebruikt zijn sterkste en snelste paard en +zijn beste geweer op de struisvogeljacht. De kleine zwakke Bosjesman +daarentegen, wapent zich met een bundel vergiftige pijlen en........ +list. Hij is door slimheid sterk en weet er de groote vogel mee te +overwinnen. + +Zoodra een Bosjesman een kudde struisvogels ergens ziet grazen, smeert +hij z’n beenen tot aan de heup in met kalk, terwijl hij een +struisvogelhuid op z’n rug bindt. In de hals van die huid steekt hij +een stok. Nu nadert hij voorzichtig de vogels, steeds zorgvuldig van +den wind loopend. Nam hij deze voorzorgsmaatregel niet en naderde hij +de vogels zóó, dat de wind zijn geur naar hen toevoerde, dan zouden zij +direct vluchten. + +Bemerken de vogels z’n komst zonder dat zij iets verdachts ruiken, dan +zijn zij toch al onrustig en kijken den vreemden indringer wantrouwend +aan. Op een nieuweling in hun kudde zijn zij niet erg gesteld. De +Bosjesman, die de vogels in hunne gewoonten goed kent, loopt niet +regelrecht op z’n wild af. Hij bootst zooveel mogelijk een echten vogel +na. De kop met den stok brengt hij naar den grond en beweegt hem, alsof +hij voedsel zoekt. De andere verliezen hun achterdocht en gaan weer +rustig met grazen door. Eindelijk, als de zoogenaamde struis dicht +genoeg genaderd is, schiet hij z’n eerste pijl af. Wanneer de struizen +hun kameraad gewond zien, worden zij woedend en willen den vreemden +indringer te lijf. Rennend komen zij naderbij om hem met hunne lange +pooten omver te trappen. Zij hebben daartoe kracht genoeg. Een sterke +man valt van zoo’n trap al om, zeker dus de kleine Bosjesman. Deze +verandert nu gauw van plaats en gaat zoo staan, dat de vogels lucht van +hem krijgen. Zoodra deze merken, dat het een mensch is, in plaats van +een vogel, waarvoor zij hem hielden, draaien zij regelrecht om en +loopen zoo hard weg als zij kunnen. Vliegensvlug gooit de Bosjesman z’n +lastig struisvogelpakje af. Deze „geleende veeren” belemmeren zijn +bewegingen te veel, hij schiet hen alle pijlen achterna en als geoefend +jager, maakt hij op deze manier wel 4 of 5 vogels buit. + +Vroeger had vooral het mannetje het zwaar te verantwoorden, omdat zijn +groote zwarte veeren zooveel mooier zijn, dan de bruine van ’t wijfje. +Sinds men tegenwoordig evenwel over een zeer volmaakte bleek- en +kleurtechniek voor veeren beschikt, is het verschil in prijs zoo groot +niet meer. De allermooiste zitten evenwel in de staart. Toch worden die +der vleugels ook veel verwerkt. + +De Zuid-Afrikaansche Boeren zijn begonnen de vogels in gevangenschap te +houden, zoo ongeveer als onze voorouders eens met de wilde koeien +gedaan hebben. Langzamerhand, door zorgvuldige kruising en het +uitoefenen van „teeltkeus”, dat is, het voortteelen met de kalfjes van +koeien, die de beste eigenschappen (bijv. ’t geven van veel melk) +hebben, verkregen wij onze puike Hollandsche melkkoeien. De +Zuid-Afrikaansche Boer doet hetzelfde met z’n struisvogels. Hij laat ’t +liefst de eieren uitbroeden van diè ouders, die de mooiste veeren +hebben. Vooral in Kaapland is deze teelt een heel aparte tak van +bestaan geworden. De struisvogelboeren hebben ’t evenwel lang niet +gemakkelijk, daar de waarde van de veeren wisselt met de mode. En van +alle grillige en inconstante dingen is zij de meest grillige en +inconstante. + +Zijn de veeren „mode” en is de vraag er naar groot dan zijn ze veel +duurder, dan in de tijden, dat de vrouwen naar iets anders grijpen om +zich op te sieren. Toch moeten ook in de slappe tijd de veeren +regelmatig „geoogst” worden. Vroeger werden ze daartoe eenvoudig +uitgetrokken. Dit was echter te wreed en bovendien te onvoordeelig, +daar de vogels na die behandeling vaak aan de bekomen wonden stierven. +Tegenwoordig knipt men de veeren dan ook vlak op de huid af. Het stukje +schacht, dat nog in de huid blijft zitten, de ziel, valt er na een +tijdje vanzelf uit. Gebeurt dat niet dan wordt het er voorzichtig +uitgetrokken. Deze bewerking hindert dan niet meer, omdat de veer tegen +dien tijd wel „rijp” zou geweest zijn en er met het ruien vanzelf +uitgevallen zou zijn. Het is heel verstandig van den Boer om de rui +niet af te wachten maar de veeren af te knippen, zoodra ze op het +mooist zijn. Veeren, die van zelf uitvallen, zijn lang zoo gaaf niet +meer. Ze zijn versleten in al die maanden, dat de vogel hen droeg. De +zachte fijne baarden en baardjes zijn dan verdwenen. + +Ruien is het periodiek „verveeren” wat vogels doen. Iedere nazomer +verliezen zij hunne veeren, die dan oud en versleten zijn. Dan groeien +in ’t najaar nieuwe veeren in de plaats van deze oude. Maar vaak genoeg +zijn vogels er erg berooid aan toe, wanneer de oude veeren uitgevallen +zijn en de nieuwe er nog niet voor in de plaats zijn gekomen of nog +niet in voldoende mate groot zijn. Sommige van de later te behandelen +vogels kunnen zoo armzalig in hunne veeren zitten, dat zij niet eens +vliegen kunnen. Maar als de nieuwe veeren er zijn en ’t „winterkleed” +klaar is, zijn zij weer voor een jaar ingespannen. Struisveeren worden +leelijker van ’t voortdurend meedragen, doch veel andere veeren worden +er mooier van. Want door ’t afslijten van de veeren verdwijnt de +vaalheid er van en komen vaak prachtige glanzen over het dier, dat dan +in zijn zoogenaamd bruilofts- of prachtkleed is. Als dàt versleten is, +is ’t met de veeren gedaan; ze zijn dan op, en de rui gaat beginnen. + +Het houden van struisvogels in gevangenschap, heeft gelegenheid gegeven +hunne levenswijs te bestudeeren. Dit was in de natuurstaat heel +moeilijk, omdat de vogels zoo schuw en wild zijn. + +Struisvogels leven gewoonlijk in kudden, vaak in gezelschap van zebra’s +en antilopen, zij „grazen” van woestijn- en steppenplanten. Echte +vegetariërs zijn het evenwel niet. Als zij het krijgen kunnen, +vergasten zij zich zelf op vleesch. Menige kikker, jonge vogel en +woestijnrat, wordt door hen verschalkt. + +Eens in ’t jaar, op bepaalde tijden, breekt er strijd los in de anders +zoo rustige kudde. De mannetjes vechten dan, elkaar met hunne lange +pooten trappend en krabbend, om de vrouwtjes. + +Bij die gevechten gaat het warm toe. Menig mannetje, dat tegen z’n +sterken mededinger niet opgewassen is, druipt af, bloedend uit wonden, +die de scherpe nagels van z’n tegenstander gemaakt hebben. + +Als een haan de uitverkoren hen veroverd heeft, verlaten zij samen de +kudde om een plaatsje voor hun nest te gaan zoeken. Zij zijn gauw +tevreden. Een stukje grond met wat steenen en struiken er om heen is +voor hen al goed genoeg. Het mannetje gaat op zoo’n plek met de borst +op den grond liggen en krabbelt met z’n pooten de aarde onder zich weg +totdat hij een ondiep kuiltje heeft verkregen. Het vrouwtje, dat vol +ongeduld en met levendige belangstelling naar ’t werk heeft gekeken, +legt er, zoodra het klaar is, een mooi groot wit ei in. Dit doet zij +geregeld om den anderen dag totdat er 15 of 16 eieren zijn. Dan gaat +zij aan het broeden. De eerste twee dagen blijft zij onafgebroken +zitten zonder aan eten of drinken te denken. Daarna komt het mannetje +haar aflossen en in het vervolg broeden zij om beurten. Het vrouwtje +zit overdag op de eieren, ’t mannetje ’s nachts. Geduldig blijft de een +zitten tot de ander er is om af te lossen. + +Onbewegelijk, plat tegen den grond gedrukt, de lange hals recht voor +zich uit, zitten zij. En wonderlijk is het, dat het verschil in kleur +van zoo groote beteekenis voor hen is in verband met de tijd van het +broeden. De grauwe kleur van ’t vrouwtje doet haar lijken op een steen. +Overdag is zij van haar omgeving ook moeilijk te onderscheiden, +onbewegelijk als zij zit. Het mannetje in z’n pikzwart kleed lost zich +geheel op in de schaduwen van den nacht. + +In zeer heete streken worden de eieren wel eens onder het warme zand +gelegd en door de zon uitgebroed. De vogels houden er evenwel trouw de +wacht bij tot de jongen zijn uitgekomen. Na 40 dagen zijn zij er: +grappige kleine diertjes, die naar men zegt, meer op een egel dan op +een jongen vogel moeten lijken. Hunne veeren zijn niets anders dan +breede, platte, driehoekige schachten, die ver van het lichaam afstaan +en als stroo ritselen. Na 2 maanden verliezen zij de nestveeren en +krijgen zij bruine veeren van dezelfde kleur als die van hunne moeder. +Na 2 jaar beginnen de mannetjes hun zwarte veeren te krijgen en na nog +eens 2 jaar is hun nieuwe zwarte pak klaar. Vol trots gaan zij daarmee +de wijde wereld in om zich een vrouw te zoeken. + + + +§ 2. Andere vertegenwoordigers van de Loopvogels zijn de NANDOES (RHEA +AMERICANA) (No. 2), die in de steppen van Zuidelijk-Zuid-Amerika leven. +Zij vergezellen daar vaak de kudden herten. De naam „Nandoe” hebben de +inboorlingen (Gaucho’s) hen gegeven naar de klank waarmee ’t mannetje +z’n wijfje in ’t voorjaar roept. Dat voorjaar in Zuid-Amerika begint +evenals in alle landen van ’t Zuidelijk Halfrond als wij op de +Noordelijke aardhelft herfst krijgen. + +Een nandoe haan leeft evenals de haan van onze kippen met meerdere +hennen. Gewoonlijk zijn ’t er een stuk of zeven. Zij hebben te samen +een bepaald gebied, waarin geen andere nandoe haan met z’n harem geduld +wordt. + +Al de 6 of 7 hennen leggen hunne eieren in één gemeenschappelijk nest. +Dit is een kuiltje met wat stroo, dat de haan voor hen heeft +klaargemaakt. Soms liggen er 40–80 eieren in, maar meestal is het +minder. Zijn het er genoeg naar de zin van de haan, dan gaat hij ze +bebroeden. Soms leggen de hennen nog wel eenige eieren naast het nest, +die rolt de haan er dan voorzichtig in. Daar ’t mannetje van de +Nandoe’s alleen broedt, zijn de vrouwtjes niet meer noodig. Als zij +geen eieren meer leggen gaan zij weg. Zij blijven evenwel zorgvuldig in +’t gebied, dat aan hun haan behoort. + +Na 6 weken broeden komen de eieren uit. Twee dagen blijven de jonge +vogels nog lekker warm onder „Vaders vleugels”. De derde dag begint hun +maagje te rammelen en gaan zij onder Vaders bescherming het eerste +voedsel zoeken. Zij worden dan heel gauw sterk en groot. Na 4 dagen +zijn zij zóó vlug, dat geen mensch hen meer in kan halen. Zoodra zij +groot genoeg zijn om op zich zelf te kunnen passen, verlaten zij met de +ouders hun gebied en vereenigen zij zich met de families uit de +naburige streken. Het verband in een dergelijke kudde is veel losser +dan in de familie. Allerlei toevallige omstandigheden snijden stukjes +van zoo’n kudde af. Maar die stukjes voegen zich weer rustig bij +vreemde kudden. Eén van die toevallige omstandigheden is bijv. de +jacht, die de Gaucho’s (spreek uit Ka-oe-tsjoos) op hen maken. + +Deze Gaucho’s zijn een ruitervolk bij uitnemendheid. Zij komen haast +niet van hun paard af en zijn hartstochtelijke jagers. De nandoejacht +is dan ook een zeer geliefde sport. Ook al weer natuurlijk, omdat ze +moeilijk is en het hun eerzucht prikkelt, die moeilijke dingen te +volbrengen. Hun voornaamste wapen is de „bolas”, als men dat tenminste +een wapen noemen wil. In ’t gebruik doet een bolas aan een lasso +denken, omdat beide weggeslingerd worden. Waar de lasso altijd door de +hand van den mensch aan de zadelknop van den jager vast blijft zitten, +zoodat het gevangen dier door de kracht van het paard wordt +tegengehouden, blijft de bolas los. + +Een bolas bestaat uit 2 of 3 zware ijzeren of steenen kogels (fig. 4) +in een leeren zakje gepakt en aan leeren koorden gebonden. Dit werktuig +wordt eenige malen snel om het hoofd geslingerd en dan plotseling los +gelaten. Met groote vaart vliegen ze door de lucht, regelrecht op hun +doel af. Ze vallen en verwarren zich om de pooten van ’t vluchtende +dier. Dit struikelt, de jager komt en doodt het hulpeloos slachtoffer +met z’n mes. Hoewel, voor zoover het het slingeren van de bolas +betreft, het vangen een groote behendigheid vereischt, is dit niet het +moeilijkste gedeelte van de jacht. + +De nandoes, hebben evenals alle wild levende dieren de gewoonte om met +de kop in den wind te grazen. Ze vreezen vijanden—en de wind waarschuwt +hen door ’t meevoeren van geuren, wanneer er gevaar dreigt. + +De Gaucho’s, die deze gewoonte natuurlijk kennen, doen er hun voordeel +mee en besluipen hen van achteren. Een ander gedeelte der jagers +verschuilt zich voor de troep, doch zorgt, dat zij zooveel mogelijk uit +den wind blijven. + +Zoodra de nandoes de hen van achteren besluipende Gaucho’s in de gaten +krijgen, loopen zij weg zoo hard zij kunnen. En hardloopen doen zij +haast zoogoed als een struisvogel. Zij vluchten, zooals alle levende +dieren, in den wind. Plotseling treedt het andere gedeelte der jagers +in hun weg. De vogels zijn besluiteloos, weten niet meer, welke kant +zij zullen opgaan en loopen in de grootste verwarring door elkaar. De +Gaucho’s slingeren nu hunne bolassen en vangen een groote menigte +vogels. + +Aan deze inboorlingen hebben de nandoes een verschrikkelijken hekel, +wat zij toonen door zoover mogelijk uit hunne buurt te blijven. De +blanken daarentegen mogen zij graag lijden en toonen hun dit openlijk. +Een nandoe, die aan hun woningen om voedsel komt vragen, is geen +zeldzaamheid. Sommige worden zelfs zoo tam, dat zij op bepaalde tijden +komen, net als bij ons ’t roodborstje of een musch wel gewend is, om na +het eten op ’t vensterkozijn kruimels te komen zoeken. + +Behalve deze voorkeur van den blanke zelf, toont de nandoe nog een +uitgesproken voorliefde voor de gewassen, die uit Europa meegebracht +zijn. Op blijken van deze ingenomenheid is de blanke minder gesteld. +Want heeft hij ’t ongeluk gehad een gewas te planten, dat bij nandoes +in den smaak valt, dan blijft er geen spriet van staan, als de vogels +er langs zijn gekomen. + +Toch wordt dit wel weer vergeven, als het niet al te vaak gebeurt. De +vogels maken zich aan den anderen kant ook weer verdienstelijk. Zij +eten n.l. graag de zaden van een lastig onkruid, een soort klit. Deze +klitten verwarren zich in ’t haar van ’t vee en zijn er heel moeilijk +uit te verwijderen. Hoe meer de nandoe er dus oppikt, hoe liever het +den veeboer is. + + + +§ 3. In Australië leeft een loopvogel, ongeveer zoo groot als een +struisvogel (± 2 M.) + +Vroeger inheemsch op ’t geheele vaste land van Australië en op de +omliggende eilanden, houdt de EMU (DROMAEUS NOVAE HOLLANDIAE) (No. 3) +zich tegenwoordig alleen nog staande in de groote vlakten van +Zuid-Australië. Heel gauw zullen zij ook daar zeldzaam of uitgestorven +zijn, want de blanke mensch is hun allergrootste vijand. Het Engelsche +gouvernement heeft de vogels in bescherming genomen en het dooden ervan +verboden. De Australische kolonisten lachen evenwel om die wet, sinds +er in de uithoeken waar de emu leeft, niemand is, om die wetten te +handhaven. + +Daar emu’s gemakkelijk broeden in gevangenschap, is het niet onmogelijk +jonge emu’s te zien te krijgen. De emu-man besteedt meer zorg aan z’n +nest, dan de struis of nandoe. De kuil, die tot nest moet dienen, +bedekt hij met gras en bladeren, soms zelfs met boomschors. Het eenige +vrouwtje, dat de emu-haan heeft, legt in verloop van veertien dagen zes +à zeven eieren, die ’t mannetje netjes op een rij schikt. Zoodra het +leggen afgeloopen is, is het werk voor ’t vrouwtje gedaan, want ’t +broeden houdt het mannetje geheel voor zich. En dat is maar goed ook, +daar ’t wijfje ’t broedsel vernielt en de jongen doodt, wanneer zij er +kans toe ziet. Na 60 dagen trouw bebroed te zijn, komen de jongen uit +het ei. 3 Maanden blijven zij onder de hoede van hunnen vader. Dan zijn +zij half volwassen en kunnen voortaan voor zich zelf zorgen. Na een +jaar zijn zij geheel volgroeid. + +Aan de emu nauw verwant is de CASUARIS, die in de dichte bosschen van +Australië en de omliggende eilanden leeft. Hij komt ook voor op +Nieuw-Guinea. Uiterlijk onderscheidt hij zich van de emu door de +kleurige kop met de haanachtige lellen, de zoogenaamde „bef”. Het is +een zeer kwaadaardige vogel. De exemplaren, die in dierentuinen +voorkomen, zijn alle zeer jong gevangen en tijdens hun ontwikkeling aan +menschen gewend geweest. Een volwassen dier, dat in gevangenschap werd +gehouden, zou niet te regeeren zijn. + +Typisch, zoowel voor emu als casuaris is ’t verschijnsel, dat bij deze +vogels uit iedere spoel van de veeren twee schachten komen. Bij andere +vogels is die tweede veer de z.g. „bijveer” meest slechts in aanleg +aanwezig. Soms ook is hij veel duidelijker, hoewel hij klein blijft. +Nergens elders dan bij emu en casuaris vindt men ’t, dat deze bijveer +even lang wordt. + + + +§ 4. De allermerkwaardigste van de Loopvogels is misschien wel de KIWI +(APTERYX MANTELLI) (No. 4), die op Nieuw-Zeeland voorkomt. Het is een +uitgesproken nachtdier. Overdag heel stil en haast nooit te zien, komt +hij ’s nachts te voorschijn om in den maneschijn naar wormen, insecten +en insectenlarven te zoeken. Z’n lange snavel graaft hij tot aan den +wortel in den grond. Heeft hij beet, dan trekt hij z’n kop met de +uiterste voorzichtigheid terug. Het is of hij er zich een eer instelt +zoo kunstig te werk te gaan, dat hij de worm niet schaadt. Misschien +ook is het alleen, omdat hij voor niets ter wereld iets van de +kostelijke versnapering verloren wil laten gaan. + +Voelt hij evenwel geen worm, dan trekt hij z’n snavel driftig terug om +hem direct daarop weer op een andere plaats in den grond te steken. + +De kiwi weet zich goed schuil te houden, zoo zelfs dat de inboorlingen +van Nieuw-Zeeland nagenoeg niets van z’n intieme leven weten. Een +enkele keer is er tusschen de wortels van een kauriboom een nest met +één ei gevonden. De ouders hadden zich dan nog dieper in de holten +verscholen en werden er uit te voorschijn gehaald. + +Iets is er evenwel van hun broedgewoonten bekend, sinds de kiwi’s in de +Londensche dierentuin, waar zij vrij geregeld aanwezig zijn, daar ééns +gebroed hebben. Nadat ’t vrouwtje het eerste ei had gelegd, bleef zij +er twee dagen lang op zitten. Daarna nam het mannetje dien taak over. +14 Dagen later ging ’t vrouwtje weer op ’t nest en legde er een ei bij. +Zoodra zij daarmee klaar was, stond zij de plaats weer direct aan ’t +mannetje af. + +Jammer genoeg zijn deze eieren niet uitgekomen. Na 6 weken broeden gaf +het mannetje het op. De eieren bleken werkelijk bedorven te zijn. + +In hun vaderland hebben de kiwi’s een harden strijd om het bestaan te +voeren. Een strijd, die zij aan het verliezen zijn. Want de jacht, die +inboorlingen met honden en fakkels op hen maken, doet hunne gelederen +te zeer dunnen. En ’t eene jong per broedsel, dat groot gebracht wordt, +is niet in staat die leemten te vullen. + +Zoo is de kiwi tot uitsterven gedoemd. Engelsche natuuronderzoekers +zijn daarom naar Nieuw-Zeeland gegaan, om nog zooveel mogelijk van deze +grappige en vreemde vogels te weten te komen. Dat een dergelijk +onderzoek niet gemakkelijk is, laat zich in verband met de nachtelijke +levenswijs, begrijpen. + + + + + + + + +Door de geheele wereld gescheiden leven aan de beide Polen der aarde +vogels, die opvallend veel op elkander gelijken. Toch zijn zij geen +familie, doch de overeenkomstige levenswijs in de koudste en +onherbergzaamste streken heeft op hen denzelfden stempel gedrukt en +heeft aan de verschillende, groote en kleine pinguïnsoorten van het +Zuidpoolgebied hetzelfde merkwaardige uiterlijk gegeven als aan de +alken, zeekoeten en papegaaiduikers van het Noordelijke Halfrond. Dit +feit, dat men „parallelle ontwikkeling” noemt, is een zeer +belangwekkend biologisch verschijnsel, waarvoor men nog geen +bevredigende verklaring heeft kunnen vinden. + +Toen eenigen tijd geleden heel Nederland de mooie film over de +Zuidpool-reis van Sir Ernst Shackleton ging bekijken, heeft iedereen de +gelegenheid gehad iets van de wonderlijke fauna van dit ontoegankelijk +gebied te leeren kennen. Veel beter dan door het lezen van de mooiste +reisbeschrijvingen kan men zich, door het zien van de bewegende +fotografiën, een beeld vormen van de wonderlijkste der vogels: de +pinguïn. + +Hoe koddig veel leken deze vogels op menschen! Vooral wanneer men een +troep op een afstand zag, was het of een menigte menschen samenschoolde +om naar iets te kijken, dat hunne gemeenschappelijke belangstelling +had. + +Deze gelijkenis is in de eerste plaats toe te schrijven aan het rechtop +loopen der vogels en komt voor een ander gedeelte op rekening van de +typische verdeeling van zwart en wit. + +De afwijkingen in hunne lichaamsbouw staan in nauw verband met de +eigenaardige levenswijs van deze vogels. Ten gevolge hiervan nemen de +pinguïns, alken, zeekoeten en papegaaiduikers een eenigszins +afzonderlijke plaats in ten opzichte van de overige vogels. Evenals de +Loopvogels verleerden zij het vliegen, doch zij specialiseerden zich in +het zwemmen. Daar zij, evenals alle gewone vogels een kam op het +borstbeen hebben, worden zij ondergebracht tot de groote groep der + + +KIELBORSTBEENIGEN (CARINATÆ). + + +Deze kam of kiel op het borstbeen dient, (zie Hoofdstuk I), tot +aanhechting van de vliegspieren. Met ’t oog op de pinguïns is het beter +om te spreken van „bewegingsspieren van de voorste ledematen”. Want +pinguïns gebruiken hunne vleugels om te roeien. Het zijn hier dan ook +meer vinnen dan vleugels, waardoor de pinguïns in een aparte orde, de +IMPENNES, in de tweede groep, die der + + +ZWEMVOGELS (NATATORES) II + + +ondergebracht worden. Van alle zwemvogels, die voornamelijk gekenmerkt +zijn door het bezit van zwemvliezen tusschen de teenen, is er geen één, +zoo in het water in z’n element als de pinguïn. Er is er géén, die zoo +volkomen de lucht als milieu verlaten heeft; geen één, die z’n lichaam +zoo volmaakt in een andere omgeving heeft aangepast, als hij. + +Alle zwemvogels hebben hunne pooten meer achter aan het lichaam, dan de +overige. Hoe beter de vogel kan zwemmen, des te meer zijn de pooten aan +het eind van het lichaam geplaatst. Nergens evenwel is dit zoo ver +gegaan als bij de pinguïn. Het voordeel ervan is duidelijk, daar de +vogel er meer stuur over z’n lichaam door krijgt. + + + +§ 1. Iedere medaille heeft z’n keerzijde! De PINGUÏN (No. 5), die de +beste zwemmer onder de vogels is, is aan land de meest onbeholpene, +juist door de eigenschappen, die hem in ’t water tot de eerste maken. +Als men hem aan land ziet, is het een stumper. Zijn korte pooten, die +zoover naar achteren geplaatst zijn, doet het zware lichaam waggelen. +De door de groote zwemvliezen zoo lompe voeten kan hij niet náást, maar +moet hij vóór elkander zetten, zoodat hij loopt alsof hij horrelvoeten +heeft. Hardloopen is hem dan ook totaal onmogelijk. Moet een pinguïn +gauw vooruit komen, als hij bedrijvig is of haast heeft, dan springt +hij liever als een zaklooper, met beide pooten tegelijk van den grond. + +Maar van alle eigenaardigheden, die hun lichaam aan land zoo +ondoelmatig doet schijnen, komen de voordeelen in het water tot hun +recht. Men zegt zelfs, dat zij zwemmend een zoo groote snelheid kunnen +bereiken, dat zij een stoomschip kunnen bijhouden. Meestal bewegen zij +zich onder water, doch om adem te scheppen komen zij iedere 30 M. aan +de oppervlakte. Daar springen zij, zooals wij de bruinvisschen in onze +zeegaten zoo vaak zien doen, in volle vaart even boven water, om direct +daarna weer onder te duiken. + +Om bestand te zijn tegen de geweldige afkoeling, die een natuurlijk +gevolg is van een langdurig verblijf in het ijskoude water der +Poolzeeën, hebben de pinguïns, evenals walvisschen, zeehonden en andere +in het water levende zoogdieren, een dikke speklaag onder hunne huid. +Zij zijn hierdoor zeer zwaar, ’t geen een merkwaardig verschil is met +vliegende vogels. Het lichaam van deze laatsten is er juist op +ingericht, zoo licht mogelijk te zijn. De beenderen zijn daartoe hol en +met lucht gevuld. Ook lijkt het dier door de losse veerenlaag veel +grooter, dan het werkelijk is. Hoe nietig en schriel is een geplukte +kip niet, in vergelijking met een levende! Dit maximaal vergrootte +oppervlak is verkregen door middel van een minimale gewichtstoename. + +Pinguïns daarentegen hebben dikke, zware, harde beenderen, die in +plaats van met lucht, met een olieachtig merg gevuld zijn. Van de +veeren is niets meer over dan de schachten, die tot driehoekige +hoornschubjes zijn geworden. + +Hoe moeilijk voor een pinguïn een verblijf op het land ook is, door +deze morphologische geaardheden, zij getroosten zich dit gaarne voor +het uitbroeden van hun eene ei, en het groot brengen van hun eenig +kind. Het liefst zoeken zij voor hunne broedplaatsen plekken uit, waar +de bodem niet te hard en rotsachtig is. Deze zijn echter niet altijd te +vinden. Als het niet anders kan, schikt de pinguïn zich in de +omstandigheden en neemt de dingen, zooals ze zijn. Z’n zorgen voor ’t +jong lijden er niet onder. De moeilijke afstand van de broedplaats naar +zee wordt zoo vaak afgelegd, als het noodig is. + +Hebben de pinguïns een zandige plaats voor hunne nesten, dan graven zij +deze vol geulen, die elkaar onder rechte hoeken kruisen. Net zooals de +straten van veel van onze moderne stadswijken dat doen. Een enkele plek +wordt wat dieper uitgehold. Deze is voor het nest bestemd. + +Pinguïns, die samen aan een district van de broedplaats werken, leven +in vriendschap met elkaar en schijnen zich als een soort familie te +beschouwen. Met de bewoners van een andere wijk leven zij in onmin. Een +ongelukkige, die in een verkeerde buurt terecht komt, wordt met +onvriendelijke en pijnlijke snavelpikken ontvangen en daarna +weggejaagd. + +Al zijn deze families tegenover vreemden een geheel, onderling vechten +en kibbelen zij voortdurend. Meestal gaat het geschil om versieringen, +die aan de nesten worden aangebracht. Sommige vogels zijn ijverig en +slepen allerlei steentjes en schelpen aan, die met zorg om den rand van +het nest worden geschikt. Andere zijn lui en halen één steentje. Zij +zijn, zooals ook bij luie menschen zoo vaak het geval is, heel gauw +tevreden over zichzelf. De enkele keer, dat er eens wat gepresteerd +wordt, slaan zij zich vol voldoening met de handen op de borst en +roepen iedereen naderbij om hun werk te bewonderen. Luie pinguïns zijn +ook op een dergelijke manier met zichzelf ingenomen. Het eene onnoozele +steentje, dat zij haalden, verschikken en verleggen zij tot in den +treure. Met een scheeve kop en vol uitroepen van bewondering +beoordeelen zij het effect, dat het op verschillende plaatsen maakt. + +Is de begeerte naar een tweede steentje groot en de weg hen te lang, +dan trachten zij op oneerlijke manier hun verlangen te bevredigen, door +er eentje van de buren te stelen. + +Daar de verschillende nesten door de geulen met elkaar in verbinding +staan, is de gelegenheid er wel om het nest van een ander te bezoeken. +Het stelen gaat evenwel zoo glad nog niet, want er is steeds een van de +twee vogels op wacht. Schijnbaar met de beste bedoeling wordt het nest +van een vlijtige vriendin bezocht en met vreemde geluidjes geprezen. Op +een oogenblik, dat de gastvrouw wat minder oplettend schijnt, wordt de +slag geslagen en tracht zij zich uit de voeten te maken. De beroofde +merkt ’t evenwel en zet de dievegge achterna. Een slimme derde maakt +dan van de gelegenheid gebruik om het onbeheerde nest te bestelen. + +Van ernstiger aard zijn de geschillen wanneer deze een ei of een jong +betreffen. Daar ieder paartje van dit soort pinguïns nooit meer dan één +ei legt, is dit eenige kind de groote zorg en angst der ouders. Moeten +zij het nest verlaten dan zijn er pinguïns die hun ei of hun jong op de +pooten leggen en het met zich meedragen. Een van de buik afhangende +huidplooi verbergt het en houdt het warm. Soms geven zij het ei aan +elkander over. Het wordt dan even op den grond gelegd en direct +voorzichtig met den snavel op de pooten van de wederhelft geschoven. + +Iedere vogel, die het ongeluk heeft gehad ei of jong te verliezen, +tracht er een van een ander te stelen. Het berooide paar steelt weer op +zijn beurt. Zoo komt het dan ook meermalen voor, dat het jong eenige +keeren van ouders verwisselt. + +’t Jong, dat blind ter wereld komt en dat in ’t begin ook nog niet +loopen kan, wordt door de ouders voornamelijk met garnalen groot +gebracht. De ouders visschen deze en bergen ze in hun slokdarm. Zij +braken ze voor het jong uit, of deze steekt gedurende 1 of 2 minuten +z’n kop in hunne bek en haalt ze zelf uit den krop. + + + +§ 2. Met de grootste der pinguïns, de keizers- en de koningspinguïns +(APTENODYTES FORSTERI) (No. 5) kwam de grootste der DUIKERS +(URINATORES), de reuzenalk van het Noordelijk halfrond in grootte +overeen. De keizerspinguïn is ongeveer 90 c.M., de reuzenalk was ± 70 +c.M. lang. Tegenwoordig is deze alk helaas uitgestorven. Vroeger was +hij op het Noordelijk halfrond zoo algemeen als de pinguïns nu op het +Zuidelijk zijn. De menschen van ’t Noorden hebben hem helaas te +intensief vervolgd omdat zij hem als voedsel gebruikten en moeten het +al sinds honderd jaar geheel zonder hem doen. + +Het huidje van deze vogels is in de museums, die er een machtig zijn, +een zeer kostbaar en hoog gewaardeerd bezit. Geen wonder, dat het in +„Artis” onder een extra stolp bewaard wordt! + +De tegenwoordig nog in groote hoeveelheden in het Noorden voorkomende +ALKEN (ALCA TORDA) (No. 6) lijken erg veel op de uitgestorven +reuzenalk. Zij zijn alleen veel kleiner. De grootte van een flinke eend +halen zij nog niet. Hoewel het puike zwemmers zijn, is hunne aanpassing +aan ’t leven in ’t water niet zoover als bij de pinguïns gegaan. Zij +hebben nog echte veeren. Hoewel hunne vleugels klein zijn, kunnen zij +deze toch nog gebruiken om er mee te vliegen. Graag doen zij het +evenwel niet. Alleen in de broedtijd vliegen zij onophoudelijk heen en +weer tusschen de hooge steile rotskusten, waar hun nest ligt en de zee, +die hen hun voedsel levert. + +Voor ’t meerendeel bestaat dit uit krabben. Daar deze gewoonlijk op den +bodem der zee rondscharrelen, moeten zij duiken en soms zelfs vrij +diep, om hen te bemachtigen. Zij blijven een minuut of drie onder +water, komen boven om lucht te scheppen en duiken weer opnieuw. Tot dit +lange onder water blijven is de vogel in staat doordat hij een groote +hoeveelheid lucht mee naar beneden neemt in een zak onder z’n huid, die +daartoe geheel los om hem heen zit. Hij blaast zichzelf op tot een +ronden bal, slechts aan kop, staart en pooten kan men dan zien, dat men +met een vogel te doen heeft. In gewone omstandigheden ziet men de vogel +nooit in dezen toestand. Het was Boie, die een gevangen vogel met een +touwtje aan z’n pooten zwemmen liet en hem terughaalde dadelijk nadat +hij was ondergedoken, die hem voor ’t eerst in dezen toestand zag. Ook +heeft hij na kunnen gaan, dat de vogel onder water een afstand van ca. +60 M. aflegde. + +Hoewel ’t ongeloofelijk schijnt, verdrinken alken herhaaldelijk. Na een +zwaren storm vindt men hen geregeld aan ’t strand. Een enkele maal +worden zij ook nog wel levend gesignaleerd, maar dat behoort tot de +uitzonderingen. Zij blijven ook nooit lang, maar trekken weer naar ’t +Noorden, naar Helgolands en Groenlands steile kusten. Dáár is hun thuis +en broeden zij hun eene ei uit. + +Het jong is minder hulpbehoevend dan dat der pinguïns, daar ’t ziende +geboren wordt en loopen kan. Zoodra z’n vleugels genoeg ontwikkeld +zijn, sporen de ouders hem aan om naar beneden te springen. Dat is een +heele durf, want het is geen ongevaarlijk werkje en de jongen vallen +vaak te pletter op een uitspringend stuk rots. + +Menig jong, dat er in ’t geheel den moed niet toe heeft, tracht langs +een omweg naar beneden te komen. + +Waagt het den sprong en lukt deze, dan geven de ouders hunne blijdschap +te kennen en beginnen direct het van allerlei te leeren. In ’t begin +vindt de kleine ’t niets prettig in ’t water. Het went evenwel gauw en +leert spoedig voor zichzelf te zorgen. + +Evenals vroeger de reuzenalk wordt de gewone alk door de menschen +vervolgd. Het is zoowel in ’t belang der vogels, als in ’t belang der +menschen, dat de overheid een beperking aan deze vervolging heeft +gesteld. Deze maatregel behoedt de vogels voor uitsterven en de +bevolking van die Noordelijke landen voor hongersnood. + +Samen met de alk broeden de ZEEKOETEN (URIA TROILLE) (No. 7) en de Jan +van Gent op de hooge steile rotsen in ’t Noorden en deze moeten een +wonderlijken aanblik opleveren, met de miljoenen broedende vogels. Op +iederen vooruitspringenden riggel van de rots zitten zij. Mannetje aan +mannetje staren zij in zee van af hun natuurlijk amphitheater, hunne +witte borsten glinsterend in ’t zonlicht. Dag en nacht schreeuwen en +krijschen zij, dat het tot ver in zee te hooren is. + +In levenswijs komen de zeekoeten in veel opzichten met de alken +overeen. De verzorging van hun eene jong gaat hen misschien wat +gemakkelijker af, daar zij iets beter vliegen. + +Zij onderscheiden zich uiterlijk voornamelijk door hun snavel, die +zwart en smal is, terwijl die der alken mooi donker blauwgrijs en breed +is. Een witte band loopt over ’t hoogste gedeelte heen. + +Zij komen over ’t algemeen vaker aanspoelen dan de alken. Wie een +verzameling van natuurhistorische voorwerpen heeft, verzuime niet zoo’n +doode alk en koet mee te nemen, wanneer hij nog gaaf is. Die gaafheid +blijkt het best aan den toestand der veertjes onder den staart en rond +de oogen. Laten deze los dan loont het de moeite niet het huidje op te +zetten. Van de kop kan dan evenwel nog een aardig schedeltje gemaakt +worden. Men snijdt het van den romp af en verwijdert thuis de huid en +zooveel mogelijk van de vleezige deelen. Dan legt men ’t in een bak met +water, die men ergens op een zonnig of warm plekje zet. Na een maand is +er niets meer over dan de beenderen van ’t schedeltje. Men kan dit met +een tangetje uit het water halen, onder de kraan uitspoelen en in de +zon te drogen leggen. Dat dit mascereeren zooals men een dergelijke +bewerking noemt een welriekend proces is, kan nu juist niet gezegd +worden. Een goed bioloog heeft dat evenwel graag voor z’n verzameling +over. Wanneer men een wondje aan de handen heeft, is ’t beter met ’t +beetpakken der objecten te wachten, tot het genezen is. + +Heel zeldzaam vindt men een PAPEGAAIDUIKER (FRATERCULA ARCTICA) (No. 8) +aan ons strand. Dat is wel jammer want deze is ongetwijfeld de mooiste +duiker. Het levendig oranje rood van hun vreemd gevormden snavel geeft +een verrassend effect met het stemmig zwart en wit van hunne veeren. +Snel en rusteloos vliegen zij in kleine troepjes, laag boven het water. +Een onvergetelijke herinnering aan vreemd sombere schoonheid, voor +ieder, die hen eens in hunne woeste omgeving aan zich voorbij zag gaan. + +Wèl is het noodig voor hen zoo gauw vooruit te komen. Het voedsel voor +hunne jongen, die in gezelschap van alken en uria’s op de vogelrotsen +liggen, moet vaak van heel ver komen. Het bestaat uit kleine vischjes, +die meestal niet in de onmiddellijke omgeving der vogelrotsen +voorkomen. Toch zouden deze snelvliegende vogels nog tijd te kort +komen, als zij voor ieder gevangen vischje den heelen weg naar ’t nest +weer teruggaan moesten. Een eigenaardige inrichting van hun snavel +geeft hen de gelegenheid met een groote massa voedsel tegelijk mee te +brengen. In den broedtijd n.l. krijgt de snavel aan de basis een +hoornplaat met een scherpen kant, die zich in een hoornachtige huid om +de mondhoeken voortzet. Tusschen deze plaat klemt hij ieder gevangen +vischje, zonder dat het hem verhindert z’n bek open te doen, als hij er +weer een vangen wil. Zoo bergt hij een menigte slachtoffers. Heeft hij +er genoeg naar zijn zin, dan vliegt hij naar huis. De bundels vischjes, +die aan weerskanten uit iederen snavelhoek hangen, lijken dan op een +grooten grijzen snor. + +Waar geen van de genoemde vogels zich onze „lage landen bij de zee” tot +broedplaats heeft gekozen en we hen dus zelden levend onder oogen +krijgen, is dit met de FUUT (LOPHAETHYIA CRISTATA) (No. 9) gelukkig +niet het geval en zijn deze vrij gewone vogels op onze plassen. Het +kleine dodaarsje komt zelfs in polderslooten en fortgrachten veelvuldig +voor. De geoorde fuut daarentegen is een zeldzaamheid, die eerst eenige +jaren geleden in ons land broedend is aangetroffen. Gelukkig op een +plaats, waar dergelijke zeldzaamheden naar waarde geschat worden en +voor de roekelooze hebzucht van veel eierzoekers wordt beschermd. + +Dat fuuten door veel menschen als zeldzaam worden beschouwd, zal wel +aan hunne levenswijs liggen. + +Wie ’s avonds, bij het ondergaan der zon en het liggen van den wind, op +een van onze mooie plassen in een schuitje zachtjes voortglijdt, en van +het stille wijde water geniet, weet hoe veel er van deze vogels in ons +land zijn. + +Hoe vaak is de droomerige stemming, waarin we geraakten door den +aanblik van het zachtblauwe water, overvloeit door de heerlijkste, +gloeiendste tinten van rood, goud en purper en de schoonheid der +weerspiegeling van het onbewegelijke riet in den zilveren waterspiegel +niet verbroken doordat we onze aandacht plotseling scherp +concentreerden op een korten rechten stok, die boven water verschijnt, +weer verdwijnt en een eind verder weer te voorschijn komt? Floep, daar +duikt hij weer onder. Dat was een fuut. Wat we voor een stok aanzagen, +z’n hals.—Wie ziet hem ’t eerst weer boven komen? + +Nu je eenmaal gewekt bent uit de mijmering, waarin de zilveren rust van +’t water je bracht, zie je er telkens meer en vermaak je je met hun +duiken en onder water zwemmen. Wat ligt hij laag op het water, z’n +geheele romp is haast onder! En kijk! ginds komt er een met jongen +tusschen het riet vandaan. Zij zwemmen achter de oude aan, zooals jonge +eendjes ook achter hunne moeder zwemmen. + +In ’t riet heeft de fuut z’n nest gehad. Veel bizonders was het niet, +want met een hoopje rottende bladeren, drijvend tusschen het riet, was +hij al tevreden. Daar heeft ’t vrouwtje de eieren in gelegd en nooit +heeft zij het verlaten zonder ze eerst met modder en rottende bladeren +overdekt en verstopt te hebben. De jongen, die ondanks de nattigheid +goed door haar uitgebroed worden, gaan direct te water en zwemmen, dat +het een aard heeft. Als zij moe worden duikt vader of moeder onder en +schept hen, boven komend, op de rug. + +Wellicht waren er nog veel meer van deze aardige vogels op onze +plassen, als zij niet het ongeluk hadden mooie veeren te hebben, die in +den smaak der vrouwen vallen. De borstveeren van een fuut zijn wit en +van een teere fijne parelmoerachtige satijnigheid. Geen wonder, dat een +vrouw er haar oogen niet van af kan houden en ze bewonderend langs haar +vingers strijkt! Wel begrijpelijk, dat een moeder denkt: hoe lief zal +dit m’n blonde dochtertje staan! + +Maar och, mooier dan ’t mooiste liefste blankste kindje er mee uit zou +zien, staat het de fuut. + + + +§ 3. De groote oceanen en wereldzeeën van het Zuidelijk Halfrond zijn +het thuis van een van de grootste der STORMVOGELS of LONGIPENNES, van +den ALBATROS (DIOMEDEA EXULANS) (No. 10). Daar alleen, tusschen de +wijde lucht en het wilde water, treft men hem aan. Rustig, majestueus +vliegt hij, hoog boven de golven en recht in den wind. Hoog boven de +wereld is zijn plaats. Dáár hoort hij, dáár leeft hij, dáár is hij +groot, hij, de koning der vliegers. Onovertroffen is z’n vlucht. Na een +paar krachtige rustige slagen beweegt hij z’n vleugels niet meer, maar +zweeft en zwenkt met uitgestrekte vlerken. Hij daalt, hij stijgt, +zonder z’n vleugels te verroeren. Het is of de zwaartekracht voor hem +in die hooge luchten heeft opgehouden te bestaan. Dan opeens eindigt +hij z’n doelloos draaien en vliegt weg met sterke kalme slagen den wind +trotseerend. Soms vliegt hij zoo snel, dat men hem ’t eene oogenblik in +al z’n grootheid kan bewonderen, het volgende is hij al niet veel meer +dan een blinkend witte stip in ’t luchtruim. Hoe sterker de wind, hoe +sneller en zekerder z’n vlucht er tegen in is. + +En deze Heer van de lucht, deze Koning der vliegers, heeft de mensch, +in z’n verlangen naar het onderbrengen in vakjes en hokjes, geplaatst +in de groep der „zwemvogels”, daar hij zwemvliezen tusschen de teenen +heeft. Tot welke eigenaardige consequenties voert de logica soms! + +Toch, wanneer de vogel vermoeid is of slapen wil, laat hij zich op ’t +water drijven, zooals meeuwen, eenden en ganzen dat doen. Gauw moe of +slaperig is een albatros anders niet. Hij is in staat 6 dagen en 6 +nachten een snelvarend schip te volgen, zonder ook maar één oogenblik +te rusten. Z’n voedsel, dat uit inktvisschen en aan de oppervlakte van +het water drijvende zeedieren, zooals kwallen, bestaat, vangt hij +tijdens z’n vlucht uit het water. Soms evenwel, bij zwaar en +stormachtig weer, moeten zij dagen lang vliegen, zonder aan voedsel te +kunnen komen. Zij vliegen dan maar door tot de storm bedaard is en zij +uitgeteerd en vermagerd ergens aan land kunnen komen. + +De bemanning der schepen vangt hen ook wel na zoo’n storm. Zij zijn dan +uitgehongerd en vallen als wilden aan op een stuk ranzig spek, waarin +een haak verborgen is. Verwonden zij zich den snavel de eerste keeren +en loopen zij de haak nog mis, de honger drijft hen er iederen keer +weer heen, tot één keer de laatste is en de gevangen vogel aan boord +wordt geheschen. + +Buiten z’n element, beroofd van z’n vrijheid levert deze grootsche, +koninklijke vogel een jammerlijken aanblik op. Z’n zwakke, kleine +pooten kunnen hem nauwelijks dragen, loopen kan hij heelemaal niet. En +de manschappen, die de koninklijke grootschheid van z’n vlucht niet +begrepen, genieten van z’n hulpeloosheid. Hunne kleinheid van geest +stelt hen niet in staat te bewonderen. Grootheid kunnen zij slechts +vernielen in hun domme wreedheid. En neergehaald uit z’n grootsch +milieu, uit z’n verheven sfeer, wordt de vogel bespot en gehoond, omdat +hij niet past in de wereld der menschen. + +Iets anders is het en zeer vergeefelijk zelfs, wanneer de bemanning van +een schip door den nood ertoe gedwongen wordt albatrossen te vangen. +Vooral in vroegere eeuwen was dat nog wel eens noodig. In den tijd dat +de stoomschepen er nog niet waren en men nog niet van ’t conserveeren +van groenten in blikjes wist, moesten de menschen de heele lange reis +van Holland naar Indië om den Kaap heen, niets anders dan gezouten +vleesch en groenten eten. Zij kregen hiervan een vreeselijke ziekte, de +scheurbuik. Slechts versch vleesch kon dan de genezing brengen. Hoe +dankbaar moeten die zieken geweest zijn, als ’t walgelijk smakende +vleesch van den albatros hen beter maakte. + +Om te broeden moeten de albatrossen wel aan land komen. Zij kiezen +daartoe eenzame zandige eilanden, waar zij met duizenden en duizenden +te samen hunne broedperiode doorbrengen. + +Van de familieleden van den albatros is er niet één, die hem in ’t +vliegen evenaardt, al mogen sommige er wezen wat dat betreft. Dat weet +ieder, die wel eens op ’t strand naar de zeemeeuwen heeft gekeken. Hun +vlucht is zéér sterk aan die van albatrossen verwant. In de +stadsgrachten heeft zelfs iedere Amsterdammer in de kokmeeuwen prachtig +studiemateriaal en kan men door nauwkeurig en scherp op te letten heel +wat aan deze sierlijke lichtgrijze vogels opmerken. Deze kleine meeuwen +worden in Amsterdam, wat de duiven in Venetië zijn: zij behooren bij de +stad. + +Tusschen deze kokmeeuwen ziet men vaak een veel grootere meeuw, die er +lang zoo mooi niet uitziet maar overdekt is met lichtbruine vlekjes. +Dat is een jonge zilvermeeuw, die z’n jeugdkleed nog niet verruild +heeft voor de mooie zacht blauw-grijze veeren van z’n volwassen tooi. + +In de havens van Amsterdam vindt men ’s winters geregeld de groote +zwarte MANTELMEEUWEN (LARUS MARINUS) (No. 11). ’s Zomers is hij hier +niet, dan is hij vertrokken naar z’n broedplaatsen in Schotland. Maar +’s winters is hij aan veel van onze binnenwaters en aan de kusten van +Noord- en Zuiderzee geregeld te vinden. Een enkele jonge vogel of een +oude, die om een of andere reden niet broedt, kan ook wel ’s zomers in +gezelschap van zilvermeeuwen aangetroffen worden. + +Zilvermeeuwen en kokmeeuwen broeden wel in ons land. De zilvermeeuwen +vindt men broedend in geweldige hoeveelheden op onze Waddeneilanden, +Texel en Terschelling en op Grient en de Beers. Kokmeeuwen broeden +dikwijls tusschen de zilvermeeuwen of in hunne buurt. Zij komen ook +echter op onze plassen voor op plaatsen, waar men de zilvermeeuwen niet +aantreft. + +Over ’t algemeen maken de meeuwen niet veel werk van hunne nesten. Een +kuiltje in ’t duin, beschermd door een bosch helm tegen den +heerschenden westenwind, is hen al meer dan voldoende voor hun vier +bruin-groene, met donkere spikkels bezaaide eieren. + +Een ander meeuwtje, dat ’s winters vaak wordt gesignaleerd aan ons +strand is het DRIETEENMEEUWTJE (RISA TRIDACTYLIS) (No. 12). Meest ziet +men het vliegend. Dat kan hij, evenals z’n familieleden, buitengewoon +goed. Zwemmend neemt men het ook vaak waar, maar loopend heel zelden, +want dat doet het niet graag. + +Als de winter voor deze vogel voorbij is, trekt hij naar het Noorden, +naar IJsland. De bewoners daar begroeten hem met vreugde. Zij weten, +dat wanneer het drieteenmeeuwtje gekomen is, de lente gauw volgt en dat +de winter voorbij is al liggen de rotsen nog dik onder de sneeuw. + +Een vriend van me, die het voorrecht heeft gehad een reis naar IJsland +per trawler te maken, heeft deze aardige vogels goed leeren kennen. Zij +omzwermen voortdurend het schip en azen op den afval, die overboord +gegooid wordt en zijn meest erg mak. Er was er zelfs één, dat voedsel +uit de hand kwam halen. + +Als zij eenmaal broeden, zijn zij in ongeloofelijke hoeveelheden bij +elkaar. Zooals Faber er schilderachtig van zegt: „In Grünsö’s +vogelbergen zijn zij er in zoo groote hoeveelheden, dat zij de zon +verduisteren als zij opvliegen, de scheeren bedekken als zij stil +zitten en de ooren verdooven als zij schreeuwen en de van ’t lepelkruid +groene rotsen wit kleuren als zij broeden.” + +Daar het drieteenmeeuwtje een gevorkte staart heeft, zou den beginners +het hierdoor wel eens voor ’t VISCHDIEFJE (STERNO FLUVIATILIS) (No. 13) +kunnen aanzien. De veel slankere bouw van ’t sterntje, de rooie snavel +met de zwarte vlek en ’t zwarte kapje op de kop moet hen daarvan +terughouden. Ook is de vork in den staart van een stern veel dieper dan +die van een Rissa. + +’s Zomers broedt het sterntje op onze plassen, of in kleine kolonies in +moerassige weilanden, die dikwijls heel dicht bij de woningen der +menschen gelegen zijn. + +Het is een vreugd om deze sierlijke lichtgrijze en witte vogels gade te +slaan. Met een enkele slag zoo nu en dan van hunne slanke vleugels +vliegen zij in kringen boven het water. Hun kop buigen zij van tijd tot +tijd met een grappig korte beweging naar beneden. En wee! het arme +bliekje, dat door de scherpe oogjes opgemerkt wordt. Stil en snel laat +de vogel zich vallen en eer het vischje merkt dat er gevaar dreigt, +wordt het al beetgepakt en mee naar boven genomen. Het sterntje zorgde +er bij het visschen wel voor, dat z’n schaduw niet op z’n prooi kon +vallen. Dat zou de visch gewaarschuwd hebben. Zoodra het bliekje naar +binnen is gewerkt, begint het aardig spel van zweven en cirkelen weer +opnieuw. Soms „staat” hij doodstil in de lucht, de kop spiedend omlaag +gebogen, de rooie snavel recht naar het water wijzend. Roofvogels ziet +men vaak in een dergelijke houding met hun scherpe oogen de omgeving +afzoeken. Ze „bidden” dan zooals de volksmond zegt. + +In deze orde der Longipennes of Zeevliegers, waartoe de albatros, de +meeuwen en sterntjes behooren, is nog een familielid, dat heel andere +gewoonten heeft en zich in verband daarmee door een zeer bizonder +uiterlijk onderscheidt. Dit is de SCHAARSNAVEL (RYNCHOPS) (No. 14), een +vogel, die overdag meest slaapt in ’t warme zand, zoo dicht en zoo plat +mogelijk tegen den grond gedrukt. Vliegen doet hij het liefst in de +heldere maanverlichte nachten. Geruischloos scheert hij met z’n groote +stille vleugels vlak boven het water, als een sombere zwarte geest van +de nacht. Z’n lange dunne snavel, waarvan de onderkant veel langer is +dan de bovenkant, steekt hij in ’t water, terwijl hij verder vliegt. +Ieder, die wel eens een stok met kracht door het water heeft gehaald of +z’n hand buiten boord van een snelvarend schuitje heeft laten hangen, +weet, dat het water achter den stok of de hand een geultje vormt. Aan +den voorkant staat het er hoog tegen op. Uit dit opstaande water vangt +de Rynchops met z’n bovensnavel kleine insecten en vischjes. Ook wordt +verondersteld, dat hij de aan de oppervlakte van het water drijvende +wiertjes als voedsel zou gebruiken. + +Een soort van deze Rynchops leeft aan de Nijl, de andere soorten komen +in Amerika en Azië voor. Alle onderscheiden zich evenwel, door hun +schaarvormigen snavel, met den vreemden langen ondersnavel. Zij +gebruiken deze allemaal op dezelfde, hierboven beschreven, manier. + + + +§ 4. Na verwant aan deze Stormvogels zijn de STEGANOPODES of de +ROEIPOOTIGEN, waarvan ZONNEVOGEL (PHAËTON ÆTHEREUS) (No. 15), de +„Tropische vogel” of de „Zoon der Zon”, zooals Linnaeus hem dichterlijk +genoemd heeft, de lieflijkste is. Het zijn betrekkelijk kleine witte +vogels, maar over hun witte veeren ligt een roseroode gloed. „’t Is of +de laatste stralen van de ondergaande zon zich aan deze blanke wezens +hebben vastgehecht, want de glans van ’t avondrood ligt blijvend op +hen,” zoo zegt men. + +Niet alleen om de fraaiheid van hunne veeren, maar vooral om hun +sierlijken bouw zijn deze vogels mooi te noemen. Hoewel hun lichaam +kort en stevig is, is de vogel een zeer bizarre verschijning, daar in +plaats van een normalen stevigen staart, twee lange linten achter hem +aan fladderen. De gewone staart is door de aanwezigheid van deze twee +lange en sierlijke veeren tot een verrassend grillige verschijning +geworden, waardoor de vogel z’n exotisch uiterlijk heeft verkregen. + +Geen mensch, die op zee de Keerkringen passeert is er, die niet in +bewondering geraakt voor deze liefelijke vogels. Buiten de Keerkringen +komen zij niet meer voor. Zij hebben warmte noodig en de wijde zee, die +zij rusteloos doorkruisen. En in de maanlichte nachten komen zij als +sierlijke witte schimmen de diepblauwe ruimten doorklieven. Slechts om +te broeden gaan zij aan land op enkele der zeer afgelegen eilanden in +de Stille Zuidzee. Het wijfje legt één enkel chocoladebruin ei, dat +beide om beurten bebroeden. + +De inboorlingen der Zuid-Zee eilanden hechten buitengewoon veel waarde +aan hunne vreemde staartveeren en getroosten zich de moeite graag, deze +op de broedplaatsen te gaan verzamelen. Daar de vogels zeer vast op het +nest zitten en dit om geen enkele reden verlaten, grijpen de mannen hen +zonder moeite beet en rukken hen de staartveeren uit. Dan laten zij het +verschrikte dier weer los. Zoowel ’t mannetje als ’t wijfje moeten zich +deze onaangename bewerking laten welgevallen, want beide bezitten de +zoozeer begeerde veeren. + +’t Jong, dat uit ’t donkerbruine ei komt, is een aardig bolletje zuiver +wit dons. Net een poeierkwast, zooals Bennet ervan opmerkt. Hun echte +veeren blijven drie jaar lang zuiver wit. Als zij na dezen tijd +volwassen zijn, groeien de lange linten aan hunne staart en overdekt +hen voor ’t eerst de rose-roode kleur. + +Op het Noordelijk Halfrond leeft buiten de Keerkringen de JAN VAN GENT +(SULA BASSANA), (No. 16) die een bijna even machtig vlieger is als de +albatros. Alleen is hij veel kleiner. Evenals de albatros is hij een +stumper aan land en zwemmen doet hij ook al niet met animo. Aan land +komt hij alleen om te broeden en te slapen, en in ’t water komt hij, +als hij met kracht uit de lucht er in duikt, om een visch achterna te +zitten. Zoo diep duikt hij soms, dat hij samen met de visch gevangen +raakt in een net, dat wel 35 M., of dieper, onder water heeft gelegen. + +Meestal jagen zij op haringen. Deze worden weer door zeehonden of +walvisschen opgejaagd. Als visschers de Jan van Genten ergens met het +vangen bezig zien, sturen zij het schip die kant op. Zij weten bijna +zeker, dat die moeite niet vergeefs zal zijn en dat hunne netten zich +met een deel der haringschool zullen vullen. + +Een enkele keer na een hevigen storm komt de Jan van Gent aan ons +strand. Wie hem in z’n prachtige vlucht heeft kunnen bewonderen en hem +dan als een armzalig hoopje ellende in elkaar ziet gedoken, voelt in +z’n hart niets dan medelijden. Soms worden zij in dezen uitgeputten +toestand gevangen en aan Artis cadeau gegeven. En erger dan van de +groote roofdieren, die rusteloos in hun kleine kooien heen en weer +loopen, vind ik de triestheid van ’t leven van dezen gekortwiekten +vogel. + +Soms blijft een Jan van Gent eenigen tijd aan onze kust en zoekt hij +z’n voedsel in de buurt van ons land. Beter dan van de beste +beschrijving krijgt men een denkbeeld van de kracht waarmee hij in ’t +water schiet als men hem ziet visschen. Wie eens een Jan van Gent heeft +zien duiken naar z’n prooi, wie eens ’t water hoog in de lucht heeft +zien spatten, weet voorgoed wat er onder „stootduiken” verstaan wordt. + +Thuis hoort de Jan van Gent eigenlijk op de vogelrotsen van ’t Noorden, +waar zij in ongeloofelijke hoeveelheden voorkomen. De nesten liggen er +vlak naast elkaar, want de vogels benutten ieder plekje. Uit de verte +zien deze rotsen er uit „als een schip met blinkend witte zeilen”. Deze +blinkende witte kleur wordt veroorzaakt door de mest der vogels. Op een +dergelijke manier hebben in vroegere tijden duizenden vogels de zoo +kostbare en hooggeschatte guano-mest geproduceerd. + +’t Jong, dat aanvankelijk bruin is en een bruinen snavel heeft, krijgt +bij het volwassen worden dezelfde zacht blauw-grijze kleur en den +bleeken snavel als zijn ouders. + +Eén is er onder de Roeipootigen, die den albatros in ’t vliegen +evenaardt, n.l. de FREGATVOGEL (FREGATA AQUILA), (No. 17) die men wel +eens „de arend der zee” noemt. Hij komt voor op het Zuidelijk Halfrond +en vergezelt, evenals de albatros, de schepen. Waarom hij juist naar +een oorlogsschip is genoemd, weet ik niet. De Engelschen geven hem +evenwel ook de naam „man of war”. + +Z’n tweede latijnsche naam dankt hij waarschijnlijk aan de eigenschap, +tijden lang met groot welbehagen hoog in de lucht te cirkelen. Iets, +dat ook bij de adelaarsvlucht zoo opvallend is. Misschien ook heeft z’n +snavel, die aan ’t eind een felle kromme punt heeft er het zijne toe +bijgedragen, om hem „aquila” te noemen. + +In z’n orde neemt de fregatvogel een eigenaardige plaats in, daar hij +het zwemvlies tusschen z’n vier teenen mist. Alle andere Roeipootigen +hadden hun vier teenen door een fraai zwemvlies verbonden. Dat +onderscheidt hen juist van de Stormvogels, die slechts drie teenen met +een vlies verbonden hebben, terwijl de vierde naar achter staat en vrij +is. Alleen bij het drieteenmeeuwtje ontbreekt hij; bij vele andere der +Stormvogels is er nog maar een klein stompje van over. ’n Rudiment, +zooals men zoo’n miezerig overblijfsel van ’n orgaan of lichaamsdeel in +de geleerde wereld noemt. + +Bij de fregatvogels nu, is er nog slechts zoo’n rudiment van ’t +zwemvlies aanwezig; hij zwemt ook nooit. Niemand heeft het ten minste +van hem gezien. En toch: een zwemvogel! Dat vereischt dat kleine stukje +zwemvlies nog, waarmee hij z’n afkomst verraadt. + +Veel van deze Zwemvogels, waartoe de Stormvogels en de Roeipootigen +behooren, hebben we als stumpers aan land leeren kennen. De fregatvogel +is evenwel van alle de grootste stumper. Is hij vermoeid van ’t vliegen +en komt hij aan land om uit te rusten, dan kiest hij daartoe een hoog +gelegen plaats: een hoogen boom, of een steile rotswand. Ze moeten hem +ruimte genoeg kunnen geven voor een flinken sprong naar beneden, want +eerst tijdens dezen sprong kan hij z’n vleugels uitslaan en weer +wegvliegen. Raakt een fregatvogel op een vlak strand verzeild, dan is +z’n einde nabij, daar hij niet in staat is, zich van den grond op te +richten. Z’n pooten zijn te zwak om hem af te kunnen zetten, z’n +vleugels te groot en te lang om ontplooid te kunnen worden. + +Hunne nesten bouwen zij natuurlijk ook op dergelijke plaatsen. Zij +hebben, als zoo veel van de reeds genoemde vogels, bepaalde eilanden, +die zij de voorkeur geven voor deze bezigheid. ’t Jong blijft lang in +’t nest, daar het door z’n zwakke pooten zeer onbeholpen is. Pas +wanneer de vleugels ontwikkeld zijn, kan het wegvliegen, de wijde +wereldzeeën op. + +Het liefst voeden deze „Arenden der Zee” zich met vliegende visschen, +die zij tijdens hun sprong boven water grijpen. Komt dit vischje nu op +een zoodanige manier tusschen den snavel, dat het voor den vogel +moeilijk is het in te slikken, dan laat deze het eenvoudig vallen, +vliegt het achterna en weet ’t nog in de lucht te vangen. Dit kunstje +herhaalt hij net zoolang tot de gewenschte stand is verkregen en ’t +door z’n keelgat verdwijnt. + +Een overgang tusschen deze Roeipootigen en de Zwemvogels in engeren zin +vormen de PELIKANEN (No. 18). Wie deze wanstaltige vogels met hun +vervaarlijken snavel en hunne prachtig zacht-zalmrose veeren kent uit +de Artisvijvers, kan zich moeilijk indenken, dat zij vliegen kunnen. +Toch doen zij het heel goed; zij vliegen geregeld de Middellandsche Zee +over, om van hun winterverblijf aan den Nijl naar hunne broedplaatsen +in Zuid-Hongarije te komen. + +Er is geen vogel, die het leven zoo makkelijk neemt, als de pelikaan. +Zelfs in z’n broedtijd doet hij alles nog op z’n gemak. ’t Eenige wat +hij in meer dan gewone mate volbrengt, is eten en slapen. Maar met deze +twee bezigheden zijn z’n dag en nacht dan ook juist gevuld op de +oogenblikken na, die er voor het toilet maken worden afgenomen. Dit +toilet maken is een hoogst belangrijke bezigheid, zooals in het leven +van veel nietsdoeners en nietsnutters het toilet een integreerend deel +van ’t bestaan is. + +Maar, waar de menschelijke nietsdoener z’n nagels politoert of z’n haar +pomadeert uit een misplaatst schoonheidsgevoel, dient het tot de eer +der pelikanen gezegd te worden, dat hun toilet maken werkelijk een zeer +noodzakelijke bezigheid voor hen is. Ze bestaat n.l. uit het invetten +van hunne veeren. Het vet krijgen zij van een klier aan hun stuit, die +ook bij de eenden en alle andere echte zwemvogels sterk ontwikkeld is. +Wanneer de veeren met een vetlaagje bestreken zijn, zijn ze waterdicht +en ondervindt de vogel geen nadeel van een langdurig verblijf in het +water. + +Daar pelikanen hun voedsel zwemmend bemachtigen is een dergelijk +invetten zeer noodzakelijk. Als de vogels zich aan hun ontbijt +verzadigd hebben, keeren zij weer naar het land. Daar maken zij toilet +tot de slaap hen overmant en zij met den leelijken kop tusschen de +mooie veeren gestoken, het voedsel verteren. Tegen den avond worden zij +weer hongerig en trekken zij er weer in troepjes op uit. Pelikanen +liggen heel hoog op het water, door een luchtkussen dat zij onder hunne +huid hebben. Dit belet hen ook te duiken. Zij zoeken hun voedsel dan +ook meestal op ondiep water en vangen de visschen met hun langen +breeden snavel. + +De onderkant van den snavel wordt gevormd door een huidzak. De +bovensnavel valt er als een deksel overheen. Heeft de vogel te veel +water binnen gekregen, tegelijk met de gevangen visschen, dan verzamelt +dit zich in die zak. Komt er te veel water in de zak dan wordt de +snavel naar beneden gehouden en loopt het water er uit, door de keelzak +tegen de hals te drukken. + +De jongen, die de gewone rose pelikaan in Hongarije uitbroedt, zijn +onoogelijke kleine monsters. Hunne pooten zijn zoo klein, dat men zou +denken, dat zij er geen hebben; de snavel daarentegen is opvallend +groot. + +Moeder pelikaan geldt als een voorbeeld van zelfopoffering om de zorg, +die zij aan haar leelijk kroost besteedt. Het is immers een overbekende +sage, dat zij zich „de borst open zou rijten” om de hongerige jongen +met haar bloed te voeden. Waarmee zij deze vermaardheid verdient, is +niet te zeggen. Want voor haar nakomelingschap is de pelikaan zeker +niet zorgzamer dan andere vogels. Misschien hebben de eigenaardige +standen, die de vogels aannemen wanneer zij zich poetsen, er het hunne +toe bijgedragen, dit bijgeloof op te wekken. + + + +§ 5. De laatste orde in de groep der zwemvogels bevat wel de het meest +als zoodanig bekende: n.l. de eenden, ganzen en zwanen. Zij +onderscheiden zich van de vorige groepen voornamelijk door hun snavel, +die van een typisch zeefapparaat voorzien is. Dit komt bij geen andere +vogel, uitgezonderd de flamingo, voor. De orde dankt er dan ook haar +naam aan: LAMELLIROSTRES of ZEEFSNAVELIGEN. + +De zeefinrichting bestaat uit een rij hoornplaatjes op de snavelranden, +die beide met een zeer gevoelige, zenuwrijke huid overtrokken zijn. +Door de groote hoeveelheid tastlichaampjes, die er in zitten is het +dier in staat met de grootst mogelijke nauwkeurigheid de eetbare +bestanddeelen in het water van de oneetbare te ziften. + +De ZAGERS, waartoe de MERGANSER (No. 19) en het nog al eens aan onze +kust aangespoeld voorkomende „nonnetje” behoort, hebben een slanken +smallen snavel, die in een scherpen haak eindigt. In ons land komen zij +niet broedend voor, doch zij worden geregeld waargenomen als diep in +den winter het water van hun broedgebied in Noord-Azië en Noord-Europa +hen te koud wordt en zij dit verlaten voor het warme water van +Zuidelijker zeeën. In Februari trekken zij weer terug naar hun +broedgebieden aan de kusten der Noordelijke zeeën en aan de groote +meeren, dieper in het land gelegen. + +Onze huiseenden, die afstammen van de gewone WILDE EEND (ANAS BOSCAS) +(No. 20), onderscheiden zich van hunne stamvader het meest door +grootere en breedere lichaamsvorm en door grootere eieren. De Romeinen +zijn reeds begonnen met de wilde eend in cultuur te nemen. En hoewel in +de kleur der huiseenden zoowel als in de houding, die meer rechtop is, +duidelijke verschillen met de wilde eend aan te geven zijn, twijfelt +niemand aan hun afkomst. Temeer, daar men zeer vaak onder de gewone +huiseenden vormen aantreft, die dezelfde teekening en kleuren vertoonen +als de wilde eend. Het mannetje heeft dan denzelfden prachtig glanzend +groenen kop, denzelfden mooien blauwen spiegel aan z’n vleugels. + +De wilde eend is zeer vraatzuchtig, eet alle mogelijke dieren en +planten en is zelfs wel schadelijk door de groote hoeveelheden jonge +knoppen en zaden, die zij verorbert. Tegenover deze geringe schade +staat het groote voordeel dat zij opleveren, daar zij een buitengewoon +heerlijk wild zijn. In het najaar worden zij ook bij ons ten lande veel +gevangen, voornamelijk in de eendekooien. Na den broedtijd als de +jongen groot zijn, vereenigen de eenden zich tot troepen en vliegen zij +samen naar Zuidelijker streken. Brengt de tocht hen nu boven een +vijver, waar zij eenden in zien, dan strijken zij daar neer. Het vangen +van eenden in de eendekooien berust in hoofdzaak op deze eigenschap. De +vijver, die het midden van de kooi vormt, is aan alle kanten door +boomen en struikgewas omgeven. Hier leven tamme wilde eenden, die +gekortwiekt zijn, de z.g. „lokeenden”. Komt nu een troepje eenden in de +vijver, dan mengen de lokeenden zich tusschen hen en drijven +langzamerhand de bezoekers naar slooten, die op den vijver uitkomen. +Langzamerhand worden die slooten nauwer, aan het eind zijn ze niet veel +meer dan een greppel. Zijn de eenden aan het eind van de greppel dan +trekt de kooiker, die vanuit z’n schuilhoek alles gezien heeft, z’n +slagnet, dat daar was aangebracht, toe. + +De wilde eend wordt door den man of een van z’n helpers gedood, het +lokeendje wordt losgelaten en zwemt weer naar het midden der vijver, +waar het weer een nieuw slachtoffer aanklampt. + +Ongeloofelijk is het, voor wie het niet met eigen oogen zag, te hooren +hoeveel eenden wel over ons land trekken. Ga maar eens op mooie stille +Aprildagen naar de Zuiderzee, bij Valkeveen. En als je ’t treft zul je +met eigen oogen ’t wonder van die eendentrek kunnen zien. Bij duizenden +zwemmen zij daar op het ondiepe stille water. Van tijd tot tijd +opvliegend, als een donkere wolk tegen den helderen blauw-gouden +voorjaarshemel. Ieder geeft z’n eigen geluid ten beste, maar boven dit +orkest klinken de heldere lange fluittonen van de smienten in +onvergelijkelijke zuiverheid. + +Broedend hebben wij in ons land een groot aantal verschillende +eendesoorten. Wie zich een denkbeeld wil maken van den vormenrijkdom +die deze familie in Holland heeft, doet wijs de vijvers van Artis eens +met een bezoek te vereeren. Daar zijn zij alle: de eidereend, de +toppers, de brilduikers, de witoogeendjes, het zomer- en +wintertalingje, de pijlstaarten, de bergeenden, de slobbers, de zagers, +de kuifeendjes. Gekortwiekt, wel is waar. Alleen de wilde eenden, die +bij de vijvers uitgebroed zijn, vliegen af en aan. Zij broeden op hun +beurt weer ergens anders in Amsterdam en bevolken de vijvers in de +stadsparken met hun nakomelingschap. Er zijn er zooveel, dat er ’s +winters, met vorst, in het Oosterpark soms wel meer dan 300 wilde +eenden geteld worden, die in de schemering van alle kanten aan komen +vliegen om den nacht in het open water van het wak in den vijver door +te brengen. + +In een van de andere Artisvijvers, huizen de ganzen. Al is deze +collectie niet zoo volledig, men heeft er toch een heerlijke +gelegenheid de vogels nauwkeurig gade te slaan. In de natuur komen zij +in ons land niet anders voor dan ’s winters op den trek. De BRANDGANS, +(BRANTA LEUCOPSIS) (No. 21), die Noordelijk broedt, wordt evenals de +eidereend om z’n dons, in halve gevangenschap gehouden. In hun +broedplaatsen, zooals Sylt, lokt men hen daartoe in kunstmatige nesten, +waar zij graag in trekken. Het dons wordt dan door de menschen +weggehaald en de eieren regelmatig gegaard. In dat geval legt de vogel +er wel twintig tot dertig. Is hij aan zichzelf overgelaten, dan gaat +hij na het zevende, achtste, soms twaalfde ei al broeden. Hun broeddons +is heel mooi, minstens genomen even mooi als dat van de eidereend. +Merkwaardig is het, (en vrijwel ongelooflijk, voor ieder, die de +waarneming niet zelf deed) dat brandganzen vaak in gezelschap van +vossen broeden, ja, hun nest zelfs in z’n hol maken. De vos die een van +de ergste vijanden is van hunne familieleden, zooals bijv. de wilde +eend, schijnt hen volslagen ongemoeid te laten. Een typisch voorbeeld +van die treffende sympathieën, die zoo herhaaldelijk aangetroffen +worden. + +Zeldzamer nog dan ganzen, komen zwanen in ons land. Zij broeden ook nog +noordelijker en verlaten hun broedgebied pas met zeer felle koude. In +strenge winters worden zij dan ook geregeld aan het open water van onze +groote rivieren, of langs het strand gesignaleerd. En wanneer men er +een ziet, dan ziet men zeker een tweede, want zwanen blijven hun leven +lang hun vrouw trouw. Het zijn aantrekkelijke vogels, daar zij even +voorbeeldige vaders als echtgenoot zijn. Zij verzorgen en verdedigen +hun kroost met vuur. Onze tamme zwaan heeft deze eigenaardigheden +geërfd van z’n wilden stamvader, CYGNUS OLOR (No. 22), die in +Noord-Europa en Oost-Siberië broedt. + +De fraaie gevormde hals der zwanen, die hen zoo bemind maken als +stoffage van vijvers, heeft voor de vogels een groote beteekenis. Zij +kunnen met die langen hals tusschen de modder scharrelen en halen zoo +hun voedsel van de bodem. Men vindt hen dan ook zelden op diep water, +maar treft hen geregeld langs de kusten aan. + +Cygnus musicus, die z’n naam verdient om z’n welluidende schallende +stem, wordt tijdens z’n rui bij massa’s gedood. Zij zijn dan zeer +hulpeloos, daar zij hun groote slagpennen missen en niet wegvliegen +kunnen. Daar zij in dezen tijd ook zeer vet zijn, vormen zij een +voedselbron van beteekenis. + + + + + + + + +„De liefste vogeltjes, die ik ken”, zei een vriend van me, die in +Frieslands wijde weiden is geboren, „zijn de steltloopers”. Onze +vriend, de medicus, die deze ontboezeming mee aanhoorde, kon zich niet +weerhouden, spottend de opmerking te maken: „Dat kan ik me begrijpen. +Ooievaars, reigers en maraboes zijn wel de aanvalligste „vogeltjes”, +die er te denken zijn.” + +Het was een medicus niet kwalijk te nemen, dat hij onze Fries zoo +verkeerd begreep; hij verkeerde in ’t algemeene wanbegrip, dat + + +STELTLOOPERS (GRALLATORES) + + +heel groote vogels zijn. Dat er vogeltjes onder zijn, zooals bijv. het +kleine strandloopertje, dat iets grooter is dan een vink, of dat er een +reigertje is, ’t woudaapje, zoo klein als een krielkippetje, wist hij +niet. + +Steltlooper is iedere vogel, die een lang loopbeen, (fig. 1. m. (l)) en +geen zwemvliezen of slechts zeer kleine tusschen de teenen heeft. In +dit laatste geval spreekt men van waadpooten. Ook zijn de schenen (fig. +1. s.) der steltloopers geheel „naakt”, waarmee bedoeld wordt, dat zij +zonder veeren zijn. + +Het loopbeen wordt bij vogels gevormd door de beenderen, die bij de +menschen de middenvoet (fig. 2. m.) vormen. De samenstellende deelen +van een ooievaarspoot en een menschenvoet zijn dezelfde. Ze verschillen +alleen in grootteverhouding en zijn bovendien met elkaar vergroeid, +waar de menschenbeenderen los zijn. + +De middenvoet der menschen is kort, en bestaat uit een rij van 5 losse +beenstukjes. Ze vormen dat deel der voet, dat gelegen is tusschen de +teenen en den enkel. Bij een vogel is de geheele rij van deze +beenstukjes met elkaar vergroeid en zeer lang geworden. Hierdoor komt +hun enkelgewricht (fig. 1. e.) hoog boven den grond, zoo ongeveer op de +plaats waar wij de knie (fig. 2. k.) hebben. Daar het geheele dijbeen +(fig. 1. d.) der vogels in den romp is opgenomen, komt ’t eigenlijke +kniegewricht (fig. 1. k.) der vogels op de plaats van ons heupgewricht +(fig. 2. h.). + +Dat de pooten der Steltloopers zooveel langer zijn, dan die der andere +vogels, ligt voornamelijk aan hun buitengewoon lang loopbeen. + +Een zeer groot aantal van onze inlandsche vogels, behoort tot deze +groep. In ons land toch, vinden zij het water en de moerassige gronden, +waar zij zich zoo thuis voelen. + +Zooals in iedere systematische afdeeling behooren ook in deze groep der +Grallatores, een paar vogels, die men op ’t eerste gezicht niet tot de +Steltloopers zou rekenen, doch die er om systematische redenen bij +ondergebracht moeten. Hier zijn het de Chionis, die meer aan een duif +en de trapgans of Otis tarda, die werkelijk meer aan een gans doet +denken. + +Chionis, een vogel van het Zuid-Poolgebied, waar hij in verschillende +soorten voorkomt, hoort tot de eerste orde der steltloopers, n.l. tot +de CURSORES. De ZUIDPOOLKIP (CHIONIS ALBA) (No. 23), leeft in ’t Zuiden +van Zuid-Amerika. In de pinguïn-kolonies zijn het ware +rustverstoorders, want zij rooven van menig pinguïn-paartje het +kostbare ei en eten het op. Zij stelen brutaal het voedsel, dat de oude +vogels met zooveel moeite voor hun jong gehaald hebben, onder de neus +van beide ouders weg. Van hunne luide en verontwaardigde protesten +trekken zij zich geen steek aan, maar zien alweer rustig naar een ander +slachtoffer uit. + +Het minst typisch steltlooperachtig is wel de snavel van deze +Zuidpoolkip. Deze is kort en gedrongen en met een hoornkapje overdekt. +Onder dit kapje zitten de neusgaten. De beteekenis hiervan is niet +bekend. + +De steltloopertjes, die aan m’n kalmen Frieschen vriend z’n +enthousiaste ontboezeming ontlokten, zijn pittige kleine vogels, zooals +de pleviertjes, kieviten, kluiten, grutto’s, wulpen, tureluurs, +strandloopertjes, snippen en wat nog meer aan dit langpootig en +langsnavelig gevogelte in de orde der Cursores is ondergebracht. + +Wie het rijke vogelleven bij de Lemmer en op de Friesche wadden heeft +gezien, zal zich dat enthousiasme kunnen begrijpen. Daar zijn zij bij +honderden en honderden van allerlei soorten bij elkaar. Er is niets +beters dan op een lentemorgen de schorren op te gaan. Telkens vliegen +troepjes vogels op, de lucht vervullend met hun melodieuse, weemoedige +klanken. Het is een concert van de meest simpele, maar roerend-mooie +wijsjes. En, zooals een muziekliefhebber de orkestmuziek ontleedt en +uit dien chaos van klanken ieder instrument afzonderlijk tracht te +herkennen, zóó probeert de vogelvriend in dit koor de verschillende +stemmen uit elkaar te houden. Er is er geen een, die z’n oor ontgaat. +Als tusschen het tjú-ū-whi͞et van de tureluur, ’t oé-li͞ep oé-li͞ep van de +wulp, ’t geestige getwetter van grŭt’tō, grŭt’tō en ’t hooge ie-wiet +van de kiewiet, ’t goudpleviertje met zeldzaam zoete stem z’n lang +uitgehaald tlú-i͞eje, tlu-i͞eje laat hooren, ontgaat het hem niet. Zijn +geoefend oog weet ’t zeldzame vogeltje wel tusschen de andere uit te +halen, zoo goed als z’n geoefend oor de stem herkende. + +GOUDPLEVIERTJES (CHARADRIUS APRICARIUS) (No. 24), die ’s winters vaak +met andere plevieren en strandloopertjes in ons land langs de zee +voorkomen, zijn hier zeldzame broedvogels. Hun thuis, hunne broedplaats +ligt veel noordelijker, in de toendra’s van Lapland, Finland en +Siberië. Daar zijn zij karaktervogel van die groote moerassen. Daar +zijn zij de lenteboden, zooals de kieviten bij ons. Zij zijn er heel +den zomer, eerst in paren, later met hunne jongen. In ’t najaar voegen +de verschillende families zich bij elkaar. Deze kleine troepen +vereenigen zich tot groote, die met de komst der koude wegtrekken. Ver +weg ’t Zuiden in, soms wel tot China en Afrika toe. + +En de moerassen liggen dan verlaten en doods. Niets dan de wind, die +somber en triest er over giert, wordt gehoord. + +Hoe moet ’t hart van de menschen, daar, op de toendra’s, van vreugde +opspringen, als voor ’t eerst na den langen winter, het helder, +melodieus en toch zoo weemoedig klagend tlú-i͞e van ’t goudpleviertje +over de velden klinkt. Hoe dankbaar moeten zij die sierlijke kleine +vogels zijn, wier komst hun zegt: „Houdt moed, menschen! De lente heeft +ons vooruitgestuurd, om te zeggen, dat zij in aantocht is. Weest blij, +het is al haast gedaan!” + +Een enkele keer broedt een paar goudplevieren in ons land. De stem van +het mannetje wordt vroolijker in den paartijd; een triller in z’n +klagende roep doet deze haast overmoedig klinken. + +De jongen, die direct na het uitkomen het nest verlaten, worden met +wormen en insecten groot gebracht. Ook de ouden voeden zich hiermee. +Daar er een menigte steekmuggen en larven van Agrostis segetum, de zoo +schadelijke aardrups onder zijn, doen zij als verdelgers van deze +lastige en schadelijke insecten een nuttig werk. + +Het is een opvallend feit, dat ’t mannetje van deze soort in z’n +prachtkleed op de borst donkerder is, dan van boven. Een eigenschap, +die hij met drie van zijn familieleden, de morinelplevier, ’t bonte +strandloopertje en de goudkievit gemeen heeft. Geen van deze is echter +zoo glanzend diepzwart als ’t goudpleviertje. In den winter evenwel +hebben ook zij een lichte onderkant, evenals andere vogels. Daar een +lichte onderzijde zeer groote biologische beteekenis voor de dieren +schijnt te hebben, zooals Thayer, een Engelsch schilder, in z’n boekje +„Concealing coloration in the animal Kingdom” heeft verdedigd, wordt +zoo’n donkere onderkant wel heel merkwaardig. + +Het is voor een dier van veel belang niet op te vallen, doch zich te +kunnen verschuilen voor z’n vijanden. Voorbeelden hiervan zijn +overbekend. Denk maar eens aan de wandelende takken en bladeren, die +toch niets anders zijn dan insecten, die door hun uiterlijk en houding +op verbluffende wijze een tak of een blad nabootsen. Maar niet alleen +onder de lagere dieren, ook onder de gewervelde dieren vindt men iets +dergelijks. + +De eigenaardige strepen aan de hals van de roerdomp bijv. schijnen ’t +dier, als het met uitgestrekte hals tusschen de riethalmen staat, +geheel onzichtbaar te maken. Buiten zijn natuurlijke omgeving evenwel, +zijn die strepen zeer opvallend. Zeer duidelijk is ditzelfde ook het +geval de strepenteekening op een zebrahuid. Hoe fel en scherp lijken +die strepen ons, wanneer we de dieren in hun hok in Artis zien. Doch in +de Afrikaansche steppen tusschen ’t hooge, breede, verdorde gras, moet +de zebra zich even uitnemend verschuilen als onze roerdomp in ’t +rietland. Een gewone grauwe ezel evenwel zou daar, in die gele +Afrikaansche steppe, geheel uit den toon vallen en scherp tegen zijn +omgeving afsteken, waardoor de roofdieren hem eerder op zouden merken. + +Thayer gaat zelfs nog veel verder en beweert, dat iedere kleur of +teekening van een dier in de natuurlijke omgeving van belang is. Ook de +pauw, met zijn schitterend groen en blauwe staart zou zich geheel +oplossen in het heerlijk groene oerbosch. De flamingo’s, die tegen ’t +ondergaan der zon in ’t blauwe water van de Middellandsche Zee gaan +visschen, bootsen de wolken van ’t avondrood na. En, hoewel deze +veronderstellingen wel wat te fantastisch zijn voor ’t solide en +langzame brein van den gemiddelden bioloog, toch kan niet ontkend +worden, dat Thayer een heel aardige verklaring heeft gegeven voor lang +bekende feiten. + +Het meest geloofwaardig evenwel, is z’n verklaring voor het nut van een +lichte onderkant, waardoor het dier zich vervlakt. Van boven toch, +ontvangt ieder voorwerp ’t meeste licht, aan den onderkant veel minder, +terwijl bovendien de slagschaduw hem nog donkerder maakt. Was nu de +vogel aan den onderkant van dezelfde kleur als den bovenkant, dan zou +deze toch lichter lijken door de groote hoeveelheid licht, die ze +direct ontvangt, terwijl de buik veel donkerder zou zijn. + +Is nu een vogel aan de bovenkant grauw en aan de onderkant licht of wit +gekleurd, dan wordt het verschil in verlichting genivelleerd door het +verschil in kleur. + +Wij, in Holland, behoeven de Lappen en Finnen hun goudplevieren niet te +benijden. Onze lentebode, de KIEVIT (VANELLUS VANELLUS) (No. 25) is op +z’n minst genomen even aardig. + +Hoewel de kieviten in Holland en Zeeland altijd een paar dagen eerder +gesignaleerd worden dan in Friesland, wordt daar steeds ’t eerste ei +geraapt. Dáár, in de vlakke landen, die door hun gemis aan boomen nog +veel lager, vlakker en wijder lijken dan onze Hollandsche weiden, +vinden kieviten hunne hartsbegeerten. Hun paradijs ligt evenwel in de +buurt van de Lemmer, misschien wel het rijkste vogelhoekje van ons +land. Een tocht daarheen behoort tot één van die groote vreugden, die +voor zoo weinig geld te verkrijgen zijn. Je stapt daartoe ’s avonds op +’t Lemmer bootje, dat je zelf en je fiets voor één gulden over de +Zuiderzee brengt. ’s Nachts om twaalf uur vertrekt het van de +Ruyterkade en den volgenden morgen, tegen vijf uur, als de zon den +hemel achter het stadje Lemmer purper kleurt, stap je aan wal. In de +ochtendkilte doet ’t goed flink door te fietsen en als de lentezon hoog +genoeg staat, om je met haar stralen te verwarmen, ben je ver genoeg +gevorderd, om op een mooi plekje, langs den dijk het vogelleven gade te +slaan. Vlak langs den weg zie je, hoe de hupsche kemphaantjes hunne +tournooien leveren. Je bewondert „wit-kraag”, „zwart-kraag”, +„spikkel-kraag”, „goud-kraag” en hoe je hen verder naar hun, voor ieder +mannetje verschillend gekleurde kraag, noemen wilt, terwijl je geniet +van hun drukke bewegelijkheid en krijgshaftige standen. En al deze +agitatie is voor ’t nietige grauwe vrouwtje, waarvoor zich, na +volbrachten strijd, het mannetje in diepen deemoed neerbuigt! + +Van kieviten, tureluurs en grutto’s wemelt het daar, zoowel buiten op +de schorren als op de weilanden binnen den dijk. Wulpen, plevieren en +strandloopertjes, zoomin als verschillende meeuwen en ontelbare +leeuweriken ontbreken er en alle vervullen de lucht met hunne stem. + +Geen wonder dat in ’t land, waar zooveel vogels zijn, het eierzoeken +een sport is die door ieder beoefend wordt, of ten minste in de jeugd, +beoefend werd. Het zoeken van kievitseieren is evenwel de meest +geliefde tak van dit bedrijf. Niet alleen om het materieele voordeel +dat de verkoop van de zoo gezochte eieren oplevert. De moeilijkheid, +uit het vliegen van den vogel op te maken, of hij eieren heeft, en wáár +hij ze gelegd heeft, maakt het zoeken zoo aantrekkelijk. Zoo is ook de +„eer” van het vinden van ’t eerste kievitsei, dat volgens de traditie +aan de Koningin wordt gezonden, van nog veel grooter belang, dan de +tien gulden, waarmee dit eerste ei altijd betaald wordt. + +Al een week van te voren weten de eierzoekers of een kievitenpaartje +z’n eerste ei zal krijgen. Zij zien aan ’t gedrag der vogels wanneer +het er is, en zoeken dan ’t nest. En als zij ’t vinden met reeds twee +eieren er in, schamen zij zich, in plaats van blij te zijn met ’t +voordeeltje. Want ieder rechtgeaard eierzoeker beschouwt het als een +schande, het zoover te hebben laten komen. + +Soms, met een zachte kwakkelwinter, blijven er kieviten in ons land. +Waarschijnlijk zijn het dan vogels, die Noordelijker gebroed hebben, +terwijl de vogels, die bij ons broedden, het Zuiden ingetrokken zijn. +Zeker weet men dit evenwel nog niet. + +Met strengere winters verdwijnen zij evenwel allemaal. Een van de +vreugden, die het gevolg zijn van een kouden winter is de verrassing, +deze pittige sierlijke vogels op een morgen in Februari of Maart over +de weide te zien stappen, of te hooren, hoe zij met heldere stem vanuit +de blauwe lucht zichzelf aankondigen: „Kievit, we zijn er weer”. Het +antwoord is dan een zwaai van m’n hoed, een lachenden groet en met +blijde stem roep ik hun toe: „Hallo kievit, ’k ben blij dat je er weer +bent. De winter was zoo lang. En al was ’t gezellig, te zitten bij den +brandenden haard of met schaatsen onder de voeten de wereld door te +vliegen, al was ons Holland prachtig in z’n sneeuwdos, al waren de +boomen wonderen van kantwerk, toen de rijp hen bedekte, ik ben blij, +dat je er weer bent, om ons te vertellen, dat het Lente wordt.” + +Tot in Groenland toe brengen zij hun blijde boodschap. In Afrika worden +zij dan gemist, daar beteekent hun vertrek de komst van het natte +jaargetijde. + +Voordat de groote massa van de kieviten komt, zijn er altijd een paar +voortrekkers. Die hebben blijkbaar haast, het terrein te verkennen en +de mooie plekjes uit te zoeken. Het liefst nestelen zij op lage landen, +in de buurt van water, maar ook in de duinen of op de hei weet de +kievit het zich gemakkelijk te maken. Als er water in de buurt is, is +hij overal tevreden. + +De gewoonten van een kievit zijn zoo geestig en belangwekkend, dat ze +daardoor het geheele jaar de vreugde van ieder natuurliefhebber uit +maken. Of het de sierlijke vluchten zijn, die hij maakt om z’n wijfje +te bekooren, of de deftige buigingen en vroolijke pirouettes, die hij +in ’t gras voor haar maakt, of de dolle buitelingen in de lucht, +waarmee hij z’n levenslust tracht te uiten, of wel de listige +bewegingen en schreeuwen, waarmee een oude kievit een onervaren +eierzoeker van z’n nest weet af te houden, altijd is deze vogel den +tijd meer dan waard, die we aan hem besteden. + +Hoe mooi is hij bovendien! Glanzend zwart-groen zijn de veeren van +vleugels en rug. Helder wit schittert z’n borst. Z’n kop draagt ’t +kwieke kuifje. Wat trippelt hij pittig over de weiden, telkens met een +schok stilstaand. Soms steekt hij dan z’n kop spiedend omhoog en strekt +daarbij z’n heele bovenlijf. ’t Is alsof hij op z’n teenen gaat staan. +Deze beweging herhaalt hij eenige keeren om dan weer vol strakke +bewegelijkheid verder te trippelen. Soms rent hij door de weilanden, +alsof hij tot krijgertje spelen uit wil noodigen. In de lucht is hij +een eerste acrobaat, daar buitelt en „looping-the loopt” hij dat het +een aard heeft. Hel wit flitst dan de blinkende onderkant van z’n +vleugels. En deze uitbundige vogel is moedig als weinig andere. Z’n +broedsel beschermt hij tegen alle mogelijke vijanden, die vaak veel +grooter zijn dan hij zelf. Een buizerd bijv. valt hij in de vlucht aan +en al kan hij hem geen baas, hij berokkent hem zooveel last, dat hij +het kievitennest opgeeft en ergens anders naar een minder dapper en +waakzaam ouderpaar uitziet. + +Wie van deze steltloopertjes houdt (en welke Hollander doet dat niet?) +weet niet goed te zeggen, welke nu wel de allermooiste en de +alleraardigste is. Als je er over vertelt, gaat het je als een kind, +dat bloemen plukt. Zooals zij telkens meent, dat er verder een mooiere +bloem is dan de vorige, zoo vinden wij telkens de eene vogel weer +aardiger dan de andere. + +Ik zal dus niets meer zeggen van de grutto’s, de tureluurs, de +kemphaantjes, de scholeksters, de ruiters en wat er in ons land nog +meer aan dit langpootig en langsnavelig gevogelte valt waar te nemen. +Alleen van enkele zeldzame of merkwaardige vogels, zooals de KLUIT +(RECURVIROSTRA AVOSETTA) (No. 26) wil ik nog wat vertellen. Hoewel niet +zeldzaam, wat het individuen-aantal aangaat, is hij maar op enkele +plaatsen te vinden, daar hij zeer speciale eischen aan z’n broedgebied +stelt. Hij verlangt, dat het voor menschen moeilijk toegankelijk is en +dat er water, slik en zout te vinden zal zijn. Daar zeer weinig streken +aan al deze voorwaarden voldoen, is dit de oorzaak dat men hem slechts +broedend aantreft langs de kusten der Noord- en Oostzee en in IJsland +en langs de zoutmeeren van Hongarije. In ons land broedt hij op drie +plaatsen: Texel, de Beers en Schouwen. In Engeland is hij uitgeroeid. + +Het is een mooie vogel, wit, met zwarten kop en zwarte vlekken op +vleugels en rug. Tijdens z’n vlucht, met de typisch neerhangende +vleugels, valt de vreemde teekening duidelijk op. Hierdoor en door de +ingetrokken hals en de ver naar achteren uitstekende pooten is hij +direct te herkennen. De snavel, die naar boven is omgebogen, schijnt +zeer onpractisch. De vogel weet er evenwel goed gebruik van te maken, +als hij hem in ’t slik duwt en hier naar voedsel zoekt. + +De kluit is één der steltloopers, die goed kan zwemmen, daar hij +zwemvliezen tusschen de teenen heeft. Zij komen betrekkelijk pas laat +in ons land, want in April wordt zijn melodieus maar klagend: klú-i͞e-ĕ, +klú-i͞e-ĕ voor ’t eerst gehoord en in September trekt hij al weer weg, +heel ver ’t Zuiden in, tot aan de Kaap toe. + +Strandloopertjes daarentegen zijn vogeltjes, die ’s winters in ons land +komen en in ’t voorjaar naar het Noorden trekken, waar zij hun +broedgebied hebben. Aan ons Noordzeestrand ziet men ’s winters, vlak +langs de branding, troepen van deze kleine vogeltjes aan het visschen. +De KANOETSTRANDLOOPER (TRINGA CANUTUS) (No. 27) is misschien wel de +mooiste ervan. Tusschen zoo’n troepje vindt men ook vaak pleviertjes en +’t kleine strandloopertje (Limonites minuta), hoewel deze laatste ook +dikwijls zonder vreemden in hun troepje leven. Zoo’n troepje +strandloopertjes is aardig om te zien. Deze allerliefste kleine +diertjes loopen verbazend vlug, zoo vlug, dat men hunne pootjes niet +meer afzonderlijk waarnemen kan en zij niets anders lijken dan rollende +bolletjes. Tot zij op eens opvliegen, zachte fluitgeluidjes maken en +een oogenblik later weer neerstrijken om hun race, tegen wind in, weer +te beginnen. + +SNIPPEN (SCOLOPAX) worden door veel menschen in één adem genoemd met +patrijzen. Waarschijnlijk, omdat voor de menschen het culinaire +genoegen, dat deze beide vogels aan de smulpapen verschaffen, van +overwegend belang is. Toch zijn zij in ’t geheel geen familie van +elkaar, daar de patrijzen tot de hoenders behooren, terwijl de snippen +steltloopers zijn. + +Snippen vormen over geheel Europa een zeer geliefd wild en worden, +vooral tijdens de najaarstrek druk gejaagd. Zij gelden bij de meest +verfijnde lekkerbekken voor een exquise lekkernij...... mits zij met +ingewanden en al gebraden worden. Want het allerfijnste gedeelte van +deze vogels vormen juist deze ingewanden, met hunne half verteerde +inhoud van insectenlarven en de ± 200 lintwormen (ieder ongeveer 18 +c.M. lang) die er in leven. Een fijnproever, die „z’n drekkie” niet in +z’n snip vindt, acht zich door z’n poelier bedrogen. Het is toch soms +wel heel erg prettig, maar een dood gewoon mensch te zijn en te mogen +grillen van dergelijke tractaties. + +Hoewel op deze vogel door de jacht, die er op gemaakt wordt, meer is +gelet dan op andere, zijn z’n gewoonten niet goed bekend. ’t Is +misschien juister te zeggen: niet goed begrepen, daar de groote massa +aanteekeningen van betrouwbare waarnemers nog al uiteen loopen. + +Soms trekken snippen hoog, soms laag, soms langzaam, soms vlug. Maar +waarom zij dat doen en wat de hoogte of de snelheid van hunne vlucht +beïnvloedt, weet men niet. + +De vogeltrek is wel een van de wonderlijkste en meest merkwaardige +verschijnselen die we in de dierenwereld tegen komen; ook is het een +van de opvallendste. Geen wonder dan, dat de menschen over dit +verschijnsel hebben gedacht en er een verklaring voor hebben trachten +te vinden. Toch hebben zij met de eenvoudige verklaring, die lang +aanvaard is geworden, groote fouten gemaakt, omdat zij conclusies +trokken uit onvolledige waarnemingen. Men had, behalve het regelmatig +aan en afwezig zijn van de vogels, ook grootere en kleinere troepen van +hen op reis waargenomen. Men hoorde hen ’s nachts, aan de geluiden die +zij maakten, men wist, dat zij op hunne tochten vaak de zee over +moesten en dat zoowel oude als jonge vogels de reis maakten. + +Men stelde zich voor dat de oudere vogels, die al meerdere malen de +tocht naar het Zuiden hadden gemaakt, den jongeren den weg wezen. Deze +leeren hem goed kennen, en zijn later in staat, anderen dezelfde dienst +te bewijzen. Men meende, dat de vogels over zee, zéér, zéér hoog zouden +vliegen en dat hun buitengewoon scherpe oogen hen in staat zouden +stellen, de heele zee te overzien en dat zij daardoor den kortsten weg +naar de meest uitstekende landtong zouden vinden. Als zij ’s nachts +vlogen, hielden zij zich bij elkaar door het geven van geluiden. Maar +men meende, dat in ’t algemeen het vliegen bij nacht slechts bij +uitzondering gebeurde, wanneer de tocht over zee te lang was, om in één +dag volbracht te worden. + +Nauwkeurige waarnemingen van lateren tijd hebben wel aan ’t licht +gebracht, dat het zóó eenvoudig, als men zich vroeger voorstelde, niet +is. + +Men weet nú, dat veel vogels geheel alleen trekken. Wie heeft hen den +weg gewezen, toen zij dat voor de eerste maal deden? Andere vogels +trekken slechts in den nacht. Hoe is ’t mogelijk, dat zij in ’t donker +den weg vinden? Temeer, daar veel vogels laag over zee trekken en dus +niet den geheelen weg kunnen overzien. Ook is de trek over groote +afstanden veelal geluidloos en roepen de vogels slechts dan, wanneer +zij licht zien. + +Hoe men dus de trek verklaren moet? Men weet het niet en heeft er over +gedacht of de vogels niet een zeer uitgesproken richtingszin zouden +hebben. Die richtingszin is een van de mysterieuze instincten, die men +erkennen moet, zonder ze te begrijpen. Er zijn zelfs nog menschen, die +eenzelfde onverklaarbare richtingszin hebben en den weg weten te vinden +in een voor hen vreemd gebied. Een overblijfsel van instincten, die ons +vroeger, als kuddedier eigen geweest moeten zijn. Een overblijfsel dat +wij helaas verloren hebben, maar dat nog aan sommigen (o. a. +Nomaden-volken) onschatbare diensten bewijst! + +Die richtingszin verklaren? Het is mogelijk dat er nog eens een vernuft +scherpzinnig genoeg is, om ’t te ontleden. Misschien wordt ons daardoor +’t mysterie van deze geheimzinnige kracht geopenbaard. Dan zal hiermee +een ander wonder feit tot nuchtere werkelijkheid worden. Dan zal van ’t +opgeloste probleem de bekoring geweken zijn. Een bekoring, die ons nu +nog gevangen en betooverd houdt. + +Met de broedgewoonten van de snip is het al net zoo gesteld: een +tegenspraak tusschen de meest betrouwbare waarnemingen maakt het +moeilijk iets met zekerheid er over te zeggen. + +Houtsnippen (Scolopax rusticola) komen eerst tot leven in de +schemering. Overdag houden zij zich schuil. Men ziet hen dan +betrekkelijk zelden. Bovendien weet de vogel een uitstekend gebruik te +maken van z’n kleur, een prachtig voorbeeld voor de theoriën van +Thayer. Want, een houtsnip die „zich dood houdt”, dat is, onbewegelijk +op één plaats zitten blijft, is zoo goed als niet te vinden. + +Het is me eens gebeurd, een vleugellamme houtsnip te zien, die +verdwaald was op een landweg. Het beestje volgde getrouw den raad, die +Moeder Natuur hem gegeven had en drukte zich onbewegelijk stil tegen +den weg. Ditmaal zonder resultaat natuurlijk, want tegen den +grauw-zwarten weg viel z’n warm bruine kleur met de onregelmatige +teekening, die zoo aan blaadjes en takjes gelijk is, duidelijk op. Tot +vlak bij, liet hij me komen. ’t Was z’n instinct, die meegekregen +eigenschap, dat hem zoolang tot stilzitten dwong. Maar de angst van ’t +diertje was duidelijk te zien aan z’n oogjes en toen ik m’n hand +uitstak om hem te grijpen, was het gevaar hem te groot. Hij vergat alle +lessen en vluchtte weg, om, buiten ’t bereik van die hand, een meter of +vier, vijf verder zich opnieuw dood te houden. Zoodra dus blijkbaar de +angst wat minder was, dwong z’n instinct hem weer tot het onbewegelijk +neerzitten. Wéér liet hij me nader komen, wéér liep hij weg toen ik te +dicht bij hem was. In een bosch zou deze methode hem ongetwijfeld +geholpen hebben te ontkomen. Hier gaf ’t niets. Het eind was dan ook, +dat ik hem te vlug was en mee naar huis nam, om z’n vleugel te +verbinden. + +De snip van onze rietlanden is de WATERSNIP (GALLINAGO GALLINAGO) (No. +28). + +Een ander aardig vogeltje van onze rietlanden is DE RAL (RALLUS +AQUATICUS) (No. 29). + +Het geldt voor een zeldzaam diertje. Misschien is het niet zoo +zeldzaam, als men wel geneigd is aan te nemen. Het is alleen weer een +diertje met een prachtige schutkleur, dat daardoor weinig in ’t oog +valt. + +In Brazilië leeft een familielid van hem, dat z’n sprekend evenbeeld +is. Het is evenwel wat grooter. In Artis, waar er al sinds jaren een +is, is het een van de luidruchtigste vogels en z’n luidruchtigheid is +in hooge mate grappig, daar z’n roepen duidelijk: „Och-bewaar-me” is. +En zoo duidelijk en zoo vol luide verontwaardiging wordt het geroepen, +dat het een glimlach ontlokt aan ieder die het hoort. + +Even schuw als de ral is, is de KOET (FULICA ATRA) (No. 30) brutaal. +Overal waar maar een beetje water is, vindt men dezen aardigen, +plompen, gemoedelijken, zwarten vogel, met de witte bles op z’n kop. +Die bles wordt niet gevormd door witte veeren, zooals de bles op een +paardekop uit witte haren bestaat. ’t Is hier, bij de koet, de +afwezigheid van veeren, die de huid vrij laat en wit doet afsteken +tegen de omgevende gitzwarte veeren. Als een koet tusschen eenden en +waterhoentjes op een plas drijft, herkent men hem direct, juist door +die bles. + +’t Opvallendst onderscheidt een koet zich van de andere steltloopers +door z’n pooten. Deze zijn n.l. voorzien van gelobde zwemvliezen. +Hierdoor wordt het oppervlak van iederen teen zeer vergroot. Door deze +vergrooting van z’n draagvlak kan de vogel nu met groot gemak over de +waterplanten loopen, terwijl ze hem tevens in staat stellen om te +zwemmen. + +Men treft de koet, het hooge Noorden uitgezonderd, in geheel Europa +aan. In zeer strenge winters wordt ook ons land hem te koud en trekt +hij naar het Zuiden. ’s Zomers vindt men hem haast in iedere sloot, +waar genoeg riet is. Zijn nest is moeilijk te bereiken, daar het op het +water tusschen de rietstengels drijft. Vaak rust het op een basis van +oude rietstoppels. De eieren hebben de kleur van het dorre riet en zijn +zeer fijn bespikkeld. Deze spikkels, die grootere en kleinere, dikkere +en dunnere streepjes zijn, komen zeer sterk overeen met de stippels, +die door „roest”zwammen op de doode rietstengels gemaakt worden. De +jongen blijven heel lang tusschen het riet; dat zij er zijn, hoort men +aan een schreeuw of een gelok van de oude, die zich met hen bezighoudt. +’s Avonds, als het donker wordt, brengt zij hen wel op het open water. +Met heel zachte, onderdrukte geluidjes laat moeder dan weten waar zij +is. De jongen zorgen dan wel vlak bij haar te blijven. + +Het waterhoentje is ’t sierlijke donkergrijze familielid van de koet en +wordt op precies dezelfde plaatsen aangetroffen. De roode snavel, de +sierlijke bouw, de witte streepen over de vleugels en de roode pooten, +maken hem gemakkelijk herkenbaar. + +De stem van dit mooie vogeltje is buitengewoon leelijk. Ieder heeft +deze wel eens gehoord, als de vogel opschrikte en onder het uitstooten +van een rauwe schaterlach, half loopend, half vliegend over het water +rent, zich omhoog heft, even vliegt en zich met een boog in het riet +van den overkant der sloot laat vallen. Waar hij het water met z’n +pooten aanraakte, blijft nog een rimpelspoor achter. + +De JASSANA (JACANA JACANA) (No. 31) is hun neef uit Zuid-Amerika. Daar +is deze even algemeen als de koet of het waterhoentje bij ons. +Uiterlijk verschilt hij nog al wat. Dit komt voornamelijk door de zeer +lange pooten met de buitensporig lange teenen. Oppervlakkig geoordeeld +zou men een dergelijk exces ondoelmatig en dwaas kunnen vinden. Op het +land heeft de vogel dan ook veel last van die lange teenen, die hem het +loopen zeer moeilijk maken. Maar in de moerassen en vijvers, waar hij +hoort, blijkt het gemak ervan. Over ’t wateroppervlak, dat met +drijvende bladen van waterplanten overdekt is, loopt het er bliksemsnel +mee. Z’n lange teenen verdeelen z’n lichaamsgewicht. Nu veert alleen de +bladerenmassa onder hem; had hij kortere teenen, ze zouden +waarschijnlijk onder hem wegzinken. + +Zoodra deze bizarre vogel onraad merkt, laat hij z’n stem hooren. ’t Is +net als van ons eigen waterhoen een lach, doch klinkt veel +welluidender. + +Dat de TRAPGANS (OTIS TARDA) (No. 32) tot de steltloopers behoort en +niet tot de ganzen, zooals de naam, of tot de hoenders, zooals een +oppervlakkige blik op z’n uiterlijk doet vermoeden, dankt hij aan z’n +loopbeen, dat meer dan tweemaal langer is dan de middenteen. Want dit +loopbeen is ’t toch maar, dat voor al deze steltloopers zoo +karakteristiek is. + +Deze ongeveer een meter groote vogel, was vroeger algemeen in ons land +en in Engeland. Dat hij daar tegenwoordig niet meer voorkomt, zal wel +in hoofdzaak te wijten zijn aan z’n levenswijze, die hem nu juist niet +tot de aangenaamste gasten in de velden maakt. Hij houdt zich bij +voorkeur alleen op in de vruchtbare streken, waar graan en groene +plantendeelen in overvloed voor hem te vinden zijn. + +Het is heel moeilijk een trapgans te zien te krijgen, zelfs in de +Russische steppen, waar hij algemeen voorkomt. Zij zijn zoo schuw, dat +zij zich overdag haast nooit laten zien, maar standvastig tusschen het +hooge koren blijven. Daar zij op open velden slapen en deze niet altijd +aan hun voedselterrein grenzen, kiezen zij de na-schemering of den +nacht uit, om deze op te zoeken. In den vroegen morgen gaan zij weer +terug, met hun waardige, langzame en afgemeten passen den weg +afleggend. + +Evenals vele andere vogels kent de trapgans verschillende menschen uit +elkaar en onderscheidt hij den ongevaarlijken boerenknecht of wandelaar +zeer goed van den jager. + +De jacht, die begrijpelijkerwijze veel op deze schadelijke vogels +gemaakt wordt, levert daardoor eigenaardige moeilijkheden. De menschen +dienen de vogel te slim af te zijn. Een jager verkleedt zich als een +boer, of een boerenknecht en laat zich in een boerenkar of op een +hooiwagen naar het veld brengen, waarin de ongewenschte gasten +gesignaleerd zijn. + +In Engeland heeft men eenigen tijd geleden moeite gedaan, om deze vogel +weer te doen inburgeren. Vijftien stuks werden daartoe tegelijk +ingevoerd en aan de zorg van het publiek toevertrouwd. Met het helaas +al te vaak voorkomend gevolg, dat het publiek zich van deze +verantwoordelijkheid niets aantrok en roekelooze jagers de vogels +neerschoten. Nooit heeft men meer iets van hen gezien. + +Misschien heeft de KRAANVOGEL (GRUS GRUS) (No. 33) zich vroeger ook in +ons land opgehouden. Gegevens hierover zijn me niet bekend. Toch lijkt +het niet onwaarschijnlijk, daar de groote moerassen in de buurt van +akkers, die door hen als woonplaats uitgezocht worden, wel niet +ontbroken zullen hebben. De groote moerassen verdwijnen en worden tot +vruchtbare polders. Maar helaas, de vogels verdwijnen ook en niemand +neemt hunne plaats in. Of het moest de mensch zijn, die de polders +bewoont. Jammer genoeg verdwijnen hierdoor de meer aantrekkelijke +dieren. + +In Duitschland heeft de kraanvogel nog streken naar z’n hart. Hij +broedt daar dan ook geregeld. Wij zien hem hier alleen nog maar als hij +vandaar uit overtrekt naar de warme landen, naar Egypte of Engelsch +Indië. + +In het laatste land met z’n veel te dichte bevolking, worden zij als +uiterst schadelijk beschouwd. Dat is dan ook geen wonder. Want de +verwoestingen die zij in de korenvelden aanrichten zijn +verschrikkelijk. In Egypte eten zij jaarlijks wel 100.000 H.L. graan +op. Daar, in de vruchtbare Nijllanden kan het van de overvloed wel +gemist worden. In Britsch Indië waar men op iedere graankorrel zuinig +is, is het een ander geval. + +Alleen de kraanvogels, die Noordelijk broeden, trekken. Zij vliegen +daarbij in grootere en kleinere troepjes, in een rechte lijn achter +elkaar. Zij houden zich aan de groote trekwegen, die voornamelijk langs +de kusten gaan. + +Ieder paartje kiest zich, bij de moerassen aangekomen, een bepaald +broedgebied, waarin geen ander nest dan het hunne geduld wordt. Toch +begroeten zij overtrekkende vogels met luide vreugdekreten van hunne +ongelooflijk sterke stem. + +Broedende kranen zijn zeer moeilijk gade te slaan. Zij zijn schuw en +weten zich goed te verbergen, daar hunne kleur tijdens het broeden van +fraai licht grijs, tot een vieze, vuile, donkergrijze kleur wordt. +Niemand kon hiervoor een verklaring vinden, tot eens een zeer goed +verborgen waarnemer een wijfje observeerde, dat zonder achterdocht was +en zich onbespied waande. Hij zag toen, dat zij haar veeren met modder +insmeerde en schoot haar neer. Het bleek toen, dat de modder met +speeksel vermengd, zoozeer in de veeren was gedrongen, dat het er niet +uit te wasschen was, maar zich slechts met chemische middelen liet +verwijderen. + + + +§ 2. De tweede orde van de groep der Grallatores (Steltloopers) wordt +gevormd door de PELOPATIDES, die slechts de FLAMINGO’S (PHOENICOPTERUS +ROSEUS) (No. 34) tot haar vertegenwoordigers telt. Wel verdienen deze +wonderlijke vogels een plaats alleen in het systeem. Want nergens vindt +men meer huns gelijke. Toch doen deze vogels in hunne onderdeelen aan +alle mogelijke andere denken. Zij doen aan als een schepping van een +kunstenaar met levendige verbeelding, die dieren construeert uit +stukken van andere. En al werd het hier geen leeuw met een +menschengezicht, die ons met haar sphinxenblikken betooverd houdt, toch +doet de grilligheid van deze vogels ons in blanke verwondering naar hen +staren. + +Wat boeit ons wel ’t meeste? Is het de fijne kleur van het teere +roserood der veeren, dat zich in de vleugels even accentueert, als de +blos op de wangen van een kind? Of is het het contrast in de +lichaamsdeelen? De ooievaarspooten met de eendeteenen, de zwanenhals, +die als een slang zich kronkelt of de onevenredig groote, bleekgele +snavel, die de kleine kop zoo topzwaar doet lijken? Ik weet het niet. +Maar ondanks deze, in kleinigheden zich telkens herhalende grilligheid, +wat een harmonisch geheel, wat een sublieme slankheid van lijnen, wat +een rustige voornaamheid in bewegingen. + +De snavel is wel het merkwaardigste van dezen vogel. Juist om deze +snavel werden zij vroeger bij de eenden ondergebracht, want deze is +voorzien van een zelfde zeef-apparaat, met dit onderscheid evenwel, dat +bij een eend de bovensnavel over de ondersnavel wordt gelegd en dit bij +de flamingo juist andersom is. + +Een eend neemt, zooals iedereen weet, het voedsel zwemmend tot zich en +gebruikt de bovensnavel als deksel over den ondersnavel. De flamingo +zoekt z’n voedsel wadend, of staand in diep water. Door de lange pooten +wordt hij niet nat en de lange hals stelt hem in staat den bodem te +bereiken van de strandmeeren. Het zand of de modder zeeft hij nu met ’t +gevoelige zeef-toestel in z’n bek en gebruikt dan de onderkant van den +snavel als deksel voor de bovenkant, daar hij z’n hals naar binnen +ombuigt en dus de kop onderste boven heeft. En weer verbazen we ons, nu +we zien, hoe alles wat ons aan den vogel verwonderde, beteekenis voor +hem heeft, in verband met z’n levenswijs. + + + +§ 3. De ibis, ooievaar, maraboe, reiger en nachtkwak zijn enkele +vertegenwoordigers van de GRESSORES, de derde en laatste orde der +Steltloopers. + +In Europa vindt men eenige vertegenwoordigers van de IBIS-familie (No. +35). Over het algemeen evenwel moet men deze vogels in Afrika, Azië en +Amerika zoeken. In verhouding tot de andere hierboven genoemde vogels, +zijn zij betrekkelijk klein. Zij vallen voornamelijk op door hun naar +beneden gebogen snavel. Bij nauwkeuriger onderzoek blijken zij +bovendien hunne tong te missen. + +In Egypte werd de ibis vroeger als heilig beschouwd en in staat van +halve gevangenschap gehouden. De reden voor deze heiligheid lag in hun +komst tijdens de Nijloverstroomingen. Ieder jaar brengen deze +overstroomingen vruchtbaarheid aan landen, die anders zoo onvruchtbaar +zouden zijn als de woestijnen, waaraan ze grenzen. De Nijl was daarom +heilig als brenger van leven en vruchtbaarheid. En de ibis, die gelijk +met het aangebeden en zegenrijke water kwam, moest zich mede de +aanbidding laten welgevallen. Als er een stierf, werd z’n lichaam +gebalsemd met evenveel zorg als dat van een Pharao. Van deze +ibis-mummies zijn er nog massa’s in de oude Egyptische tempels te +vinden. + +Terwijl de ibissen in de oudheid zooveel aan de Nijl voorkwamen, vindt +men hen tegenwoordig niet meer in Egypte. Een verklaring weet men niet +voor dit verdwijnen. + +Van de LEPELAAR is het verdwijnen makkelijker te begrijpen. Vroeger +vond men hem overal. Nu is hij nog slechts in Holland, waar hij aan een +paar van onze plassen nestelt en bij de groote moerassen van Hongarije +te vinden. + +Het Zwanenwater bij Petten en het Naardermeer vormen zijn tegenwoordige +standplaatsen in ons land. Hun kolonies worden er met de uiterste zorg +behandeld en tegen iedere rustverstoring beschermd. Nauwelijks 100 jaar +geleden, broedden de vogels nog in een groote kolonie in de plassen bij +Rotterdam. Toen deze drooggemaakt werden, is de vogel verdwenen. + +We kunnen er de „Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten” dan ook +niet dankbaar genoeg voor zijn, dat zij het Naardermeer en z’n +heerlijke vogelwereld voor dat lot behoed heeft. En het is dwaas, het +den eigenaar van het Zwanenwater kwalijk te nemen, dat hij den toegang +tot z’n terreinen streng verbiedt. De eenige manier om natuurschoon in +ongerepten staat te behouden, is het ontoegankelijk voor de menschen te +maken. Want slechts zeer weinigen kunnen liefhebben en bewonderen, om +de vreugde van schoonheid alléén. + +De meesten verlangen dit schoone ook te bezitten. En de biologen zijn +misschien nog de ergste vandalen, hoewel men het van hen ’t minst zou +verwachten. Zij bevredigen dit verlangen door het plukken van een +zeldzame bloem, die aan hun herbarium ontbreekt, door het plunderen van +een nest, waarvan de eieren in hunne collectie mankeeren. + +Al is het slechts een enkele, zeer bevoorrechte en vertrouwde +natuuronderzoeker, die toegang tot de broedkolonie van de lepelaars in +’t Naardermeer krijgt, het werkelijk belangstellend publiek kan niet +dankbaar genoeg zijn. ’t Broeden kunnen zij wel niet zien, maar de +lepelaars gaan ver om hun voedsel te zoeken. Zij komen tot onder de +rook van Amsterdam, aan de Zuiderzee tot bij Zeeburg, om te visschen. + +De verrassing, deze blanke vogel met de zwarte breede en platte snavel +op eens te zien, na alle gewone steltloopers, geeft een vreugde, die +door de zeldzaamheid zooveel te dieper is. Hoe heerlijk is het niet, op +een mooien lentedag aan de Zuiderzeedijk bij Valkeveen of Zeeburg te +liggen, te midden tusschen een overvloed van prachtig rose bloeiend +Engelsch gras. Je kijkt naar eenden, strandloopertjes, grutto’s, wulpen +en tureluurs. Op eens zie je in de zacht-blauwe voorjaarslucht een +schitterend witte vlek, die langzaam grooter wordt. Het zijn lepelaars. +Met sierlijken langzamen slag, die de vleugels doet blinken in de zon, +naderen zij soms twee, soms drie tegelijk, om voor hun middagmaal te +gaan visschen op ’t ondiepe, slikkerige water van de Zuiderzee. We +zullen veel missen, wij, Amsterdamsche natuurvrienden, als deze eens +droog is en den weg op is gegaan van zooveel plassen voor haar. + +Maar behalve dergelijke dingen, die door hunne schoonheid en ook om +hunne zeldzaamheid een vreugd voor ieder natuurliefhebber zijn, is ons +leven nog rijk aan vreugden, door kleine alledaagsche dingen. + +Hoe waar is ’t woord van den Duitschen dichter: Auch kleine Dinge +können uns entzücken, auch kleine Dinge können zärtlich sein. Hoe rijk +en mooi wordt ons leven niet door ’t opmerken en bewonderen van duizend +kleine dingen, die aan de jagende en jachtende menigte voorbijgaan. + +De lente in Holland, die ons zoo’n massa vogels terugbrengt, geeft ons, +bij het weerzien van iedere oud-vertrouwde en bekende vogel, zoo’n +kleine, zuivere vreugde. Als ’t half Maart is en de lente nog talmt met +komen, verschijnt de OOIEVAAR (CICONIA CICONIA) (No. 36) op z’n nest, +op de nok van de boerderij of op de paal in het weiland en kleppert dat +het een lieve lust is. Z’n lange hals buigt hij ver naar achter en hij +zwaait z’n kop, voortdurend met de snavel klepperend naar voren. +Welluidend is het niet, maar toch vinden we het mooi en staan we er +graag naar te luisteren en naar de levenmakers te kijken. Het klinkt +ons zoo opwekkend in de ooren, want, is niet de ooievaar een nieuwe +lentebode, die ons moed inspreekt? De winter was zoo lang en koud. We +verlangden zoo naar groene boomen, blauwe luchten en gouden +zonneschijn. En de vroolijk-klepperende ooievaar belooft ons dat +allemaal. We moeten alleen nog een heel klein beetje geduldig zijn. +Klepper dus maar ooievaar, dat houdt er den moed in. + +En klepperend blijft hij staan op ’t nest, dat zoo noodig verzorgd moet +worden. Z’n maat is dan ook weg, om er nieuwe takken voor te halen. Dat +nest is hun kostbaarste bezit. Zij durven het geen oogenblik alleen te +laten. Al eenige jaren hebben zij er op gebroed. Om beurten gaan zij +dus op nieuwe takken uit, om beurten houden zij de wacht. Er kon eens +een ander komen, die het in beslag nam. Alle verrotte, oude takken +worden weggehaald en nieuwe op hunne plaats gebracht. + +Jammer genoeg begint het zien van een bewoond ooievaarsnest in +Nederland een zeldzaam verschijnsel te worden. Ons land vormt op het +oogenblik de uiterste westhoek van het verspreidingsgebied van dezen +vogel. In Engeland, waar zij vroeger ook broedend voorkwamen, zijn zij +nu niet meer. + +Een vliegende ooievaar is gemakkelijk van z’n bloedverwant, de reiger, +te herkennen, daar een ooievaar z’n langen hals rechtuit naar voren +steekt, terwijl een reiger hem intrekt. Slechts zelden ziet men +ooievaars te samen vliegen, want, zoolang het nest versteld of de +jongen verzorgd worden, blijft er altijd één van de ouders thuis, om +hen te bewaken. + +Wat hebben de ouders het druk, om hunne drie of vier naakt in de wereld +gekomen jongen groot te brengen en hunne grage magen te vullen. Van +alles sleepen zij aan: kikkers, visschen, muizen, hagedissen. Zij +treffen het, dat bij ons in den tijd, dat zij het meeste voedsel voor +de jongen noodig hebben, juist de weilanden gemaaid worden. Deftig, met +hun waardigen gang en afgemeten passen, stappen zij achter den maaier +aan. Menige kikker, die in ’t lange gras aan hunne scherpe oogen zou +ontkomen, wordt nu ingeslokt en naar ’t nest gebracht. Komt de oude +terug, dan zijn hun kleinen al gauw mans genoeg om hen op een verren +afstand te herkennen en luide hun vreugde daarover te uiten. + +Ondanks de voortdurende goeie zorgen duurt het twee maanden, eer de +kleinen er aan denken hunne vleugels eens te probeeren. Hebben zij dat +eenmaal gedaan, dan leeren zij het vliegen gauw, al kost het hun +moeite, hun angst voor de diepte te overwinnen en den eersten sprong +van ’t nest te wagen. Daarna ziet men de ooievaars geregeld te samen. +Het is maar goed dat de jongen goed geoefend worden, want in September +moeten zij in staat zijn de verre tocht naar het Zuiden te maken. En +als zij krukken blijken, mogen zij niet mee. Op de verzamelplaats, waar +alle ooievaars komen, voor zij den tocht naar Afrika’s warme landen +aanvaarden, worden zij dan met snavelhouwen afgemaakt, naar men zegt. + +In Afrika leeft een zeer na verwant familielid, de MARABOE (LEPTOPTILUS +CRUMENIFERUS) (No. 37). Deze broedt in de binnenlanden van Afrika en +niemand, behalve Livingstone, heeft ooit z’n nest gezien. Volgens deze +ontdekkingsreiziger bestaat het uit een massa doode takken, even als +dat van een ooievaar. Als de broedtijd van de maraboe, waarvan +begrijpelijkerwijze geen bizonderheden bekend zijn, is afgeloopen, +trekken de vogels het Noorden in. Toch gaan zij de 15de breedtegraad +nooit te boven. Van Mei tot October is de vogel dan ook in geheel +Noordelijk Afrika een gewone verschijning. Overal vervult hij, met de +gieren een soort reinigingsdienst, daar hij leeft van gestorven dieren. +En deze vogels, die in hun Artishokken zoo plechtig en deftig lijken en +er uit zien als oude heeren, met de handen op den rug, onder de slippen +van hun pandjesjas, laten bij het „kreng” van een rund of schaap, hun +waren aard kennen. Diep steken zij hun leelijke naakte kop met den +vervaarlijken snavel in de buikholte van het doode dier, en als zij een +der ingewanden te pakken hebben, springen en dansen zij achteruit en +winden de darm een heel eind af, eer zij hem naar binnen slokken. Zij +zijn afzichtelijk bij hunne maaltijd. + +Behalve zijn naakte kop, die hem zoo gemakkelijk is bij het wroeten in +de ingewanden van doode dieren, (daar hij z’n veeren nu niet bevuilt), +valt aan de maraboe nog de naakte zak onder z’n kop op. Van deze zak, +die de vogel naar willekeur grooter of kleiner kan maken, door hem op +te blazen, totdat hij er zoo strak en gespannen uitziet als een +kermispiepertje, is de beteekenis niet bekend. Het is een eigenaardig +gezicht, deze rose zak te zien zwellen en men krijgt er niet genoeg +van, er naar te kijken, al geeft het z’n afschuwelijke kop nog een +weerzinwekkender aanblik. + +Aan de stuit heeft de vogel wat zacht-fijne veertjes, die bij dames +zeer geliefd zijn en voor hen verwerkt worden tot het z.g. +„maraboe-bont”. Zou er wel één vrouw wezen, die zich met deze veeren +siert, die weet, hoeveel van deze groote vogels er gedood moeten, voor +er genoeg veertjes zijn voor haar boa? Om deze veeren wordt er op de +vogel druk jacht gemaakt door de inboorlingen, die hen dooden met hun +speer. + +Een familielid van de maraboe is de „nimmerzat”, die z’n naam eer +aandoet, hoewel de maraboe om deze zelfde eigenschap zeker denzelfden +naam zou verdienen. Toch, ondanks z’n onaangenaam uiterlijk, z’n +vraatzucht en z’n bemoeizucht is de maraboe een aardige vogel, die het +hart van de menschen weet te stelen. + +Brehm vertelt zelfs, dat hij erg op ’t gezelschap van maraboes gesteld +was en hen voortdurend in z’n buurt hield door afval voor hen neer te +werpen. Een oude Afrikajager, die eens een maraboe van jongs af had +opgefokt, vertelt een verhaal, waaruit dezelfde genegenheid blijkt: De +vogel was in veel opzichten lastig, stal groote stukken vleesch, die +hij gulzig verslond en volgens deze zegsman in z’n keelzak stopte. +(Misschien is dit de beteekenis van de zak, want, volgens het verhaal +van den jager, kon men, na zoo’n diefstal de vogel schuldig verklaren, +daar dan de proppen vleesch en de botten dikwijls heele uitpuilingen +aan de dunne huid van de zak gaven. Met jagersverhalen dient men +evenwel wat voorzichtig te zijn en ook deze verklaring moet onder +voorbehoud aangenomen worden). Ook was hij buitengewoon nieuwsgierig en +haalde alles overhoop. Zoo gooide hij de mandjes met eieren en visch +van de venters door elkaar, een kistje sigaren verstrooide hij naar +alle windrichtingen, kortom, er moest gezorgd worden, dat alles buiten +zijn bereik bleef. Nuttig maakte hij zich evenwel door het verdelgen +van slangen en ratten. Eens, toen een groote zwerm sprinkhanen in ’t +dorp kwam en iedereen zooveel mogelijk van deze dieren trachtte te +vernietigen, hielp hij braaf mee en maakte veel meer slachtoffers dan +alle menschen te samen. Het eenige, wat hij daartoe deed, was met z’n +groote bek wijd open rond te springen. Zoo nu en dan hield hij even op, +om z’n buit door te slikken. + +Deze vogel nu, die iedereen in ’t dorp kende, liep vrij overal heen. +Eens kwam er een vreemde inboorling. Belust op de veeren doodde deze +hem en toonde, vol vreugd over z’n buitenkansje, de huid. + +De verontwaardiging van de dorpsbewoners uitte zich op een zoo +hardhandige wijze, dat het zes weken duurde, eer de dokter den +ongelukkigen vreemdeling buiten levensgevaar kon verklaren. + +De REIGER (ARDEA CINEREA) (No. 38) is in twee opzichten het +tegengestelde van de maraboe. Deze, die een afschuwelijke kop heeft, +was goedaardig van inborst. De reiger daarentegen, die een van de +fraaiste vogels onder de steltloopers is, heeft een zeer onaangenaam +karakter. Dit blijkt wel voornamelijk in zijn huiselijk leven. In de +kolonies, die de reigers op hunne broedplaatsen in hooge boomen vormen, +blijkt hunne boosaardigheid op allerlei wijzen. De menschen zijn dan +ook niets op hen gesteld en in Duitschland moeten hunne broedplaatsen +herhaaldelijk verstoord worden. Gelukkig doet men dat in ons land, voor +zoover mij bekend is, nog niet. Wel zullen de boeren het niet prettig +vinden, als juist de boomen op hun erf tot nestplaats worden verkozen, +want er blijft geen blad aan en ze sterven op den duur. Door al ’t +vuil, zien ze er als witgekalkt uit. + +Dat de vogel bij ons niet vervolgd wordt en niet als schadelijk wordt +beschouwd, ligt er misschien wel aan, dat zij hier niemand direct +benadeelen. In Duitschland, waar zooveel zorg aan de fijne +zoetwater-visschen, als karpers en forellen, besteed wordt, is dit een +ander geval. Daar kan een groote kolonie van deze veelvraten geducht +veel schade in de vischvijvers berokkenen. Maar bij ons duldt men hem. +De slooten wemelen van allerlei visschen, waar haast niemand, (of ’t +moest een ijverig lid van de Hengelclub „Het Vroolijke Baarsje” of „de +Lachende Voorn” zijn) zich om bekommert. + +En ik ben er blij om, want ik zou dezen prachtigen, sierlijken vogel, +niet graag missen. Wie kan ’t nalaten, hem te bewonderen, als hij +roerloos staat tusschen het riet, of met statige stappen langzaam langs +den waterkant schrijdt? Z’n veeren zijn prachtig blauwgrijs, z’n borst +is hagelwit met een enkele zilvergrijze streep en op z’n kop draagt hij +een sierlijke pluim. Z’n oogen evenwel zijn beslist onaangenaam, heel +lichte, sprille oogen, met een hypnotiseerende uitdrukking zijn het. +Buiten heb je evenwel geen last van hun onaangename blik, want de vogel +laat zich gewoonlijk niet zoo dicht naderen. Z’n stem, die rauw en +krijschend is, laat hij alleen maar tijdens het vliegen hooren. + +De NACHTKWAK (NYCTICORAX NYCTICORAX) (No. 39) was vroeger algemeen in +ons land. Nu is hij hier heel zeldzaam. Toch is hij overal in Europa +nog te vinden, als hij maar moerassen vindt, met boomen er om heen, +waarin hij slapen kan. Het is een echte nachtvogel, die eerst met de +schemering tot leven komt. + +De ROERDOMP (BOTAURUS STELLARIS) is een vrij kleine reigersoort, die om +z’n veeren merkwaardig is, juist omdat de teekening van z’n kleed hem +aan onze aandacht onttrekt. Dat het hem zoo buitengewoon gelukt zich te +verbergen, komt doordat de strepen aan z’n hals en op de borst, zoo +geheel overeenstemmen met de stengels van dor riet. Als de vogel z’n +hals uitstrekt en in die stand blijft staan, maakt hij zichzelf zoo tot +een deel van z’n omgeving, dat slechts een geoefend oog hem weet te +herkennen. Dat de vogel zich van ’t voordeel, dat deze houding hem +geeft, niet bewust is, blijkt ten duidelijkste uit het feit, dat hij +dezen stand ook aanneemt, wanneer hij in eene andere omgeving is. +Dreigt hem direct gevaar, dan hurkt hij, met wijd uitstaande veeren en +hangende vleugels tegen den grond en schijnt hij een uil na te willen +bootsen. De bedoeling van deze stand lijkt ons dus, z’n vijand om den +tuin te leiden. Terwijl deze de kleine reiger misschien aan zou vallen, +wacht hij zich wel, zich aan een uil te wagen. Doch, zoo weerloos is +een reiger ook weer niet, want in z’n groote, naaldscherpe snavel heeft +hij een geducht wapen. Al lijken deze en andere standen, die soms door +dieren aangenomen worden, ons nog zoo typisch en doelmatig, toch moeten +we wat betreft hun biologische beteekenis, zeer critisch zijn. Want, +wat ons menschen, met onze menschelijke oogen een prachtige schutkleur +lijkt, hoeft aan dieren nog niet zoo voor te komen. Vooral, sinds langs +experimenteelen weg is uitgemaakt, dat veel vogels bepaalde kleuren, +zooals rood en groen, niet waarnemen en dat dus hun wereld er uitziet, +alsof ze door een groen glas kijken. + +Hiermee wil ik niet beweren, dat de standen- en strepenteekening der +roerdomp geen beteekenis heeft. Integendeel, wanneer men opmerkt dat de +gewone blauwe reiger een dergelijke teekening aan z’n hals heeft, en +deze gewend is in dezelfde houding met uitgerekten hals, roerloos te +staan, is men wel degelijk geneigd aan een bepaalde beteekenis van deze +strepen te gelooven. Men moet evenwel zich wachten voor voorbarige +gevolgtrekkingen en z’n oordeel slechts met groote terughoudendheid +geven. Zekerheid is nergens. + + + + + + + + +Reichenow, de bekende schrijver van het „Handbuch der systematischen +Ornitologie, die Vögel”, brengt daarin de roofvogels, te samen met de +hoenders, tot één systematische eenheid, zoodat de vierde groep, die +der + + +HUIDSNAVELIGEN (CUTINARES) IV. + + +5 orden omvat, die, zoowel wat uiterlijk als wat levenswijs betreft, +zeer sterk uiteenloopen. Het kenmerk, dat alle evenwel gemeen hebben en +op grond waarvan Reichenow hen bij elkander voegde, heeft aan deze +groep den naam gegeven. Het is de z.g. washuid, die zoowel roofvogels +als hoenders aan hun snavel hebben. Bij roofvogels vooral is deze sterk +ontwikkeld, bij hoenders in verhouding minder. + +Behalve door deze washuid onderscheiden de Cutinares zich van de +Steltloopers en Zwemvogels door pooten, die tot den enkel, soms zelfs +nog lager, met veeren bedekt zijn en door het ontbreken van +zwemvliezen. + +Tot de eerste orde in deze groep, de DESERTICOLAE of STEPPENHOENDERS, +behoort het STEPPENHOEN (SYRRHAPTES PARADOXUS) (No. 40). Deze, op +duiven gelijkende vogels behooren thuis op de Steppen bij de Kirgizen, +de Russen, de Chineezen en de Mongolen. Dat zij karakteristiek zijn in +die omgeving, blijkt wel uit ’t feit, dat ieder dezer volken hen een +naam gaf. De Mongolen noemen hen „Njüstergrün”, een nabootsing van hun +schreeuw tijdens het vliegen. + +In ’t midden van Maart verschijnen zij voor ’t eerst weer op de +steppen, na een winterséjour in Zuidelijker streken. In de vroege +morgenuren trekken zij er op uit, om te drinken aan die weinige +plaatsen in de steppen, waar zoet water is. Van alle kanten komen de +vogels aangevlogen tot deze morgenreünie. Met luide groeten over en +weer van de reeds aanwezige en de nog komende, scharen zij rond het +water om hun dorst te lesschen. Al heel gauw vliegen zij dan weer +verder, naar de van ’t zout wit-glinsterende plekken, waar de zeekraal +groeit. Als zij zich ook daar verzadigd voelen, gaan zij in een +heerlijk dolce far niente zonnebaden nemen. Zij hebben dan ook hun +voornaamste dagtaak verricht en kunnen zich rustig op ’t heetst van den +dag te slapen leggen. Als kippen bedden zij zich in ’t warme zand een +ondiep kuiltje, waarin zij zich dan behagelijk met wijd-uitstaande +veeren liggen te koesteren. Hunne kleur komt zoo overeen met die van ’t +zand, dat zij er niet van te onderscheiden zijn. Zoolang zij zich stil +houden, natuurlijk. Een enkele keer slechts, wanneer een roofvogel hen +nadert, wordt de slaperige stilte verbroken. Luid schreeuwend vliegt +dan een troepje op en over de geheele steppe breidt zich hun onrust +uit. Van alle kanten en met ongeloofelijke snelheid komen zij +aangevlogen, de lucht vervullend met hun roep. Tot, plotseling zij het +vliegen staken, zij zich weer bedden in ’t zand en de steppe weer +dommelt in de warmte van den blakenden zon. + +Een enkele maal, zooals in de jaren 1860, 1863, 1888, 1889 en 1908, +komt een invasie van deze steppenhoenders ’t Noorden in. Zij worden dan +in alle duinstreken van Holland en Duitschland aangetroffen en blijven +daar een paar seizoenen. Iedereen doet moeite hen te behouden. Doch te +vergeefsch. Even ongemotiveerd als hun komst scheen, is ook hun +vertrek. Zij verdwijnen weer om op ’t onverwachts weer te verschijnen. +Misschien worden zij binnenkort weer gesignaleerd en zullen we hen met +eigen oogen kunnen waarnemen. Dan zullen we ons verlustigen aan hun +snelle en fraaie vlucht, waarvan Gätke, die hen eens in Helgoland +waarnam, vertelt dat zij zelfs in snelheid den edelvalk overtreffen. + + + +§ 2. De TINAMOE, of INAMBOE (RHYNCHOTUS RUFESCENS) (No. 41), een na +familielid van het steppenhoen is de eenige vertegenwoordiger van de +tweede orde, die der CRYPTURI of KORTSTAARTHOENDERS in deze vierde +groep, die we hier bespreken zullen. Zij leven in de Pampa’s van +Zuid-Amerika en vervullen daar zoo ongeveer de plaats, die bij ons door +patrijs en kwartel wordt ingenomen, n.l. die van het meest geliefde +wild. Waarom zij dan ook ijverig gejaagd worden. Zelfs de jaguar, het +groote, katachtige roofdier van Zuid-Amerika versmaadt hen niet. +Gewoonlijk jagen zulke groote roofdieren op edeler wild als herten en +andere hoefdieren. Het vleesch van de tinamoe schijnt evenwel van eene +dusdanige voortreffelijkheid, dat zelfs de Koning der +Zuid-Amerikaansche roofdieren, zich niet gering acht er op te jagen. + +Ondanks de intensieve jacht, die door mensch en dier op deze vogel +gemaakt wordt, vermindert hij niet in aantal. De soort schijnt over een +onuitputtelijke hoeveelheid levenskracht te beschikken. Deze uit zich +hier in het leggen van een groot aantal eieren. De groote +nakomelingschap, die daarvan het gevolg is, behoedt de soort voor +uitsterven ondanks de bestaansmoeilijkheden, waarmee de vogels te +kampen hebben. + +Een dergelijk evenwicht tusschen het vernietigen van individuen aan de +eene kant, en het voortbrengen van hen aan de andere kant noemt men een +„biologisch evenwicht”. Overal kan men hiervan voorbeelden vinden. +Soorten, die het erg moeilijk hebben in den strijd om het bestaan, +omdat door allerlei omstandigheden hun individuen-aantal verminderd +wordt, trachten zich het voortbestaan te verzekeren, door een +buitengewone productie van nakomelingen. Want, teelt een soort zich +moeilijk voort en duurt het lang totdat de dieren volwassen zijn, dan +is de ondergang zeker wanneer er veel individuen ten gronde gaan. Dit +is dan ook de reden van het uitsterven van veel diersoorten. Helaas +draagt de mensch door z’n zonderlinge neiging tot dooden er het zijne +toe bij, om het evenwicht in de natuur te verstoren. Want er is tijdens +’t bevolken der wereld vergeten rekening te houden met de geniale +moordwerktuigen, die door ’t menschelijk brein uitgedacht zijn. Zooals +het evenwel altijd gaat met de wolf, die in een kwaad gerucht staat, +krijgt de mensch ook wel eens onverdiend de schuld van het uitsterven +van een diersoort. Dat was dan in den loop der dingen en zou zonder z’n +inmenging ook gebeurd zijn. + + + +§ 3. Van de RASORES of HOENDERACHTIGEN, die de derde orde in de groep +der Huidsnaveligen vormen, is een groot aantal om de fraaiheid van hun +veeren bij de menschen zeer gezocht. Zij vormen dan ook het sieraad van +menige buitenplaats. Iedere boer, die zichzelf respecteert en graag +door het tentoonspreiden van schoone zwier wil laten weten dat z’n +„spul” in orde is, heeft op z’n erf tenminste een kalkoen. Vaker +evenwel zal men er een paar pauwen vinden. Heeft hij werkelijk +liefhebberij in gevogelte, dan kan men zeker zijn dat de zilver- en +goudfaisanten, de parelhoenders en allerlei bizarre kippenrassen niet +zullen ontbreken. Hoenders zijn reeds zeer, zeer lang geleden in de +smaak der menschen gevallen om de fijnheid van hun vleesch en het genot +van hunne eieren. + +Van geen der hoenders worden de laatsten misschien zoo hoog geschat als +van ’t HAMERHOEN (MEGACEPHALUM MALEO) (No. 42), dat op Celebes en +enkele der omliggende eilandjes leeft. Op andere naburige eilandjes +ontbreken de vogels geheel. Een merkwaardig verschijnsel in de +biologie! Een van de vele, die hoe eenvoudig ze zijn wanneer men ze als +feit alleen beschouwd, een wereld van perspectieven opent, zoodra ze in +verband met andere dingen gebracht worden. + +Deze groote vogels, die aan een kale ronde knobbel op hun kop, hun naam +te danken hebben, brengen het grootste gedeelte van hun leven door in +het dichte oerbosch. Slechts in den broedtijd, als het wijfje een ei +moet leggen, verlaten zij dit en vertoonen zij zich op de open vlakte +van het strand. Hier graaft zij zich een groot, rond gat in de aarde, +woelt de bodem er van met haar pooten wat los en legt er haar ei in, +dat zij zorgvuldig met zand toedekt. Dan verdwijnt zij weer in het +bosch en komt pas na 13 dagen terug, om haar tweede ei te leggen. Te +broeden hoeft zij niet, dat doet de zon voor haar, want in de kuilen is +de temperatuur geregelt 44.4° C., eenige graden meer dan de omgeving. +’t Jong, dat volgroeit ter wereld komt, is geheel in staat om voor zich +zelf te zorgen en loopt dan ook direct het bosch in. + +De pasgelegde eieren nu, zijn een zeer geliefde lekkernij. Een van de +Radja’s is er zoo dol op, dat hij zich zelf het monopolie van ’t garen +heeft verschaft. Bij de legplaats zijn wachten aangesteld, die dieven +den toegang tot het strand beletten. Hij doet dus precies als paus +Clemens VII, die het champignons plukken verbood, opdat hij ze allemaal +door z’n dienaren kon laten rapen en niemand hem één enkele van deze +paddestoelen ontnemen zou. + +De KWARTELKONING (CREX CREX) (No. 43) geniet het voorrecht, den +menschen onverschillig te zijn. De eenigen, die belang in hem stellen +zijn de natuurvrienden. De belangstelling van dit onschadelijke +menschensoort is des te grooter, daar de vogel zich zelden laat zien +doch zich daarentegen voortdurend laat hooren. Vooral in den nacht, is +z’n rasperige stem geen oogenblik stil. Wie er z’n bed voor uitkomt en +tracht met eenen lantaarn de vogel te vinden, kan zich na lang zoeken, +wel weer mopperend onder de dekens begeven want onze kwartelkoning +verstaat het spelletje van „Je hoort me wel, maar je ziet me niet”, als +geen ander. Je weet dat hij ergens in een bepaald stuk van het weiland +zit, maar waar? Nu eens hoor je hem links, dan rechts, dan voor, dan +achter je en nooit zie je één enkele beweging in de hooge grashalmen, +die je aan kan duiden, waar of hij loopt. Dit komt omdat de vogel zich +gangen in het gras heeft gemaakt, waar hij nu met een verbazende +snelheid doorheen kan loopen zonder zich door bewegingen in de halmen +te verraden. Als het gras gemaaid wordt, trekt hij zich terug in ’t +koren. Zoodra dit geoogst wordt en hij dus weer z’n dekking kwijt is, +zoekt hij deze in ’t kreupelbosch. Lang blijft hij daar niet, want eind +Augustus trekken de kwartelkoningen naar het Zuiden. + +De naam „kwartelkoning” danken zij aan ’t volksgeloof dat zij de +kwartels op de trek vergezellen en aanvoeren. Daar de trektijden van +kwartel en kwartelkoning evenwel veel uiteenloopen, is het niet goed te +begrijpen, waaraan dit geloof z’n oorsprong te danken heeft. + +Van de wilde inlandsche hoenderen, zijn de patrijs, de faisant en het +korhoen, standvogels in ons land, d.w.z. zij blijven in den winter in +de streek, waar zij gebroed hebben. + +De PATRIJS (PERDIX PERDIX) (No. 44), die over geheel Europa verbreid +is, is een zeer geliefd wild. Hij leeft het liefst op velden, die in de +buurt van bosschen liggen daar hij steeds kreupelhout zoekt om zich te +verbergen. Deze eigenschap brengt hem ook vaak op velden, die door +dichte heggen van elkaar gescheiden zijn. + +Gewoonlijk worden patrijsjes gemakkelijk over het hoofd gezien, daar +ook zij uitnemend de kunst verstaan zich neer te drukken op den bodem +en zich doodstil te houden. De grauwe kleur van hun veeren maakt hen +dan zeer moeilijk te vinden. Dit stilhouden is een van de grootste +wijsheden die de instincten aan de dieren meegeven. Alles wat beweegt, +valt veel meer op dan dat wat zich stilhoudt. Het is de raad, die +William Long in z’n boekje „School of the woods”, zoo aardig weergeeft +met de woorden: Whatever you do, keep quiet. (Zie Hoofdstuk III, pag. +42). + +Patrijzen vliegen vrij slecht; het vermoeit hen tenminste gauw. Loopen +daarentegen doen zij prachtig en buitengewoon snel. Zwemmen kunnen zij +ook, hoe vreemd het ook mag lijken. In den winter leven zij te samen in +kleine troepjes. Maar in Februari, als de dooi komt, scheiden zij zich +twee aan twee van de troep af. In Mei hebben zij evenwel pas eieren, +die de hen met de grootste zorg bebroedt, en niet verlaat dan in de +uiterste noodzakelijkheid. Na 26 dagen als de jongen uitkomen, heeft +zij haast geen veeren meer over. + +Patrijzen worden wel eens trekkend waargenomen. Men vermoedt evenwel, +dat het een ander soort is, dan de bij ons inheemsche. + +Van de faisanten, die zooveel bijdragen tot de fraaiheid van de +hoenderhof, is Azië het eigenlijke vaderland. De allermooiste ervan is +de diamantfaisant, die ook wel LADY AMHERST FAZANT genoemd wordt +(CHRYSOLOPHUS AMHERSTIÆ) (No. 45), omdat Lady Amherst de eerste was, +die hem importeerde. Hij komt voor in het bergland van Oost-Thibet, in +dezelfde streken waar de goudfaisant wordt aangetroffen. Met dit +verschil evenwel, dat de goudfaisant beneden op de bergen voorkomt, +terwijl de diamantfaisant 2 à 3000 M. hoog leeft. + +Onze bosch- of wilde faisant is niet van nature inheemsch, doch +verwilderd. + +In Engelsch Indië, Ceylon en onze Oost leeft in het wild de PAUW (PAVO +CRISTATA) (No. 46), die de bosschen van het tropische bergland als +woonplaats boven de vlakten verkiest. Thayer, die zulke merkwaardige en +artistieke opvattingen heeft over de kleuren der dieren, meent dat het +prachtig schitterend blauwgroen van z’n veeren, het dier onzichtbaar +zou maken tegen den achtergrond van het schitterend groene bosch, +waaraan licht- en schaduwplekken een zelfde soort patroon geven als de +oogen van een pauwestaart. Het klinkt vreemd en onaannemelijk voor +ieder, die het dier nooit in z’n natuurlijke omgeving zag. Maar toch +geraakt de meest sceptische mensch onder invloed van deze suggestieve +verbeelding. + +Waarom ook niet? We hebben reeds zooveel voorbeelden gezien, van +kleuren, die door hunne overeenkomst met de omgeving, de dieren +onzichtbaar schenen te maken. We hebben gezien hoe het schijnbaar +opvallende wit aan de borst van een vogel, dat zoo scherp afstak tegen +den donkeren of grauwen bovenkant, zoo voortreffelijk dienst deed om de +vogel te vervlakken en z’n reliëf weg te nemen. We hebben gezien hoe +snippen, patrijzen en roerdompen zich verborgen door hun kleed, dat in +overeenstemming met de bruine tinten van hun omgeving gekleurd is. +Waarom zou nu ’t fonkelend goud en groen, met de diep-blauwe vlekken +van een pauwestaart niet op ’t grillig spel van zon en schaduw op ’t +loover van ’t bosch kunnen lijken. Waarom niet? + +Een groot bezwaar voor Thayers fantastische opvatting lijkt me hier +evenwel, dat van alle andere dieren, die in dezelfde omgeving als de +pauw wonen, er geen een is, die zich camoufleert als hij. Een bezwaar, +dat voor alle andere reeds genoemde voorbeelden niet geldt. Want in de +steppe bijv. valt het duidelijk op, dat alle verschillende dieren, +zoowel vogels als zoogdieren, die er leven, zich volgens een zelfde +manier verbergen. + +Bij de Hindoes geldt de pauw voor een heilig dier, dat nooit door hen +gedood wordt. Bij hunne tempels komen zij in groote massa’s in half +verwilderden of tammen toestand voor. Zij worden er geregeld door de +priesters gevoed. Deze heiligheid danken zij aan ’t geloof dat Indra, +de God der Hindoes, toen hij door een vijand achtervolgd werd, de +gestalte van een pauw had aangenomen. + +De pauw, zooals wij hem kennen, verschilt niet aanzienlijk met den +wilde. Hij is alleen wat meer verzorgd van uiterlijk, wat men op de +gebruikelijke manier, door teeltkeus heeft bereikt. + +Slapen doet een pauw altijd in eenen boom. En wie gesteld is op de +mooie gouden veertjes, die z’n hals kleeden of op de prachtig +staalblauwe, die aan z’n borst zitten, moet ze onder de slaapplaats +gaan zoeken. Ze vallen, als alle veeren, in de ruitijd uit en de vogel +verliest de meeste er van als hij z’n toilet maakt en dit doet hij bij +voorkeur op z’n slaapboom. + +De stem van de pauw is buitengewoon leelijk en lijkt veel op die van +eene kat, die geweldig hard miaauwt. + +Hoe mooi de blauwe pauw ook is, als hij in z’n fonkelende blauw +groen-gouden pracht te pronken staat, een witte pauw is haast nog +mooier. Die is als een wonder van ragfijn kantwerk. Het slanke fijne +lijfje draagt de ranke hals met het uiterst fijne gekroonde kopje. De +wijd uitgespreide staart, als een waaier door feeën gemaakt, vormt er +de achtergrond voor. Vol onbewuste coquetterie staat hij in ’t +zonnetje, tot hij op eens z’n staart toeklapt en met eene rauwe +schreeuw op eenen tak springt. Als de sluier van eene bruid hangt de +blanke veerenpracht nu in losse luchtigheid naar beneden. + +Van de Noord-Amerikaansche hoenders is de KALKOEN (MELEAGRIS GALLOPAVO) +(No. 47) in cultuur genomen. Oorspronkelijk inheemsch in geheel +Noord-Amerika is hij in de dicht bevolkte staten uitgeroeid en komt hij +tegenwoordig nog maar alleen in afgelegen staten, als Indiana, +Arkansas, Kentucky en Ohio in ’t wild voor. Daar leven zij in groote +hoeveelheden. Wanneer zij in eene streek geen voedsel meer vinden, +trekken zij met z’n allen weg naar eene voor hen voordeeliger plaats. +Hun trekken is zeer onregelmatig en treedt niet zooals bij andere +vogels op vaste tijden op. Het heeft meer overeenkomst met het trekken +van Nomaden volken. Zoolang eene streek voedsel voor hen heeft, blijven +zij. Zoodra evenwel de voorraden uitgeput zijn of als het seizoen +minder aangenaam wordt, trekken zij weg. Als echte zigeuners blijven +zij op ééne plaats, zoolang het hen er goed smaakt. Gaan zij eenmaal +weg, dan vereenigen de mannetjes zich en trekken vooruit. De vrouwtjes +volgen op eenige afstand met de jongeren. Brengt de tocht hen voor eene +rivier of stroom, dan aarzelen zij. Want hoewel zij vliegen kunnen, +schijnen zij een tegenzin in deze beweging te hebben. Zij trekken langs +de rivier tot zij aan eene hoogen oeverkant komen. Dan wordt er halt +gehouden en schijnt er beraadslaagd te worden. Eindelijk is er één die +het waagt en de anderen volgen hem op de hielen. Een enkele keer +bereikt een jong de overkant niet. Hij redt zich zelf zwemmend en komt +er met een nat pak en den schrik af. + +Tot Februari leven zij in kleine troepjes. In deze maand gaan de +vrouwtjes zich afzonderen en zoeken eene eigen slaapplaats. Zij roepen +en lokken van daaruit de mannetjes tot zich. Komen er meerdere +mannetjes op de lokroep van ’t zelfde wijfje af, dan geeft dit +aanleiding tot hevige gevechten tusschen de hanen. Zij blazen zich op +en worden heel rood van drift, „zoo rood als een kalkoensche haan” en +zij vechten zoo hevig met elkaar, dat het vaak voor een van hen met den +dood eindigt. En, daar iedere haan er meerdere hennen op nahoudt, is er +nog al eens strijd te leveren. + +Tot in April leggen de vrouwtjes hare 10–15 eieren in een nest, dat zij +voor den haan zorgvuldig verborgen houden. Moeten zij tijdens het +broeden of gedurende den legtijd het nest verlaten, dan dekken zij het +zorgvuldig toe. Voor de kuikens hebben zij niet meer zooveel zorgen. +Want deze loopen dadelijk en vliegen al reeds na twee weken. + +Het BANKIVAHOEN (GALLUS GALLUS) (No. 48), dat in Indië en de Maleische +eilanden voorkomt, is de stamvader van onze kippen. Zij leven in de +bosschen en vertoonen zich slechts zelden. Alle verschillende vormen +van kippen, die wij kennen, zijn in den loop der tijden uit het +Bankivahoen ontstaan. En ’t is al zeer lang dat de mensch hen als +huisdier aannam; reeds de Kelten hebben hen gehad, want 600 jaar voor +Christus zijn zij al naar Europa gebracht. + +Wie nu op een hoendertentoonstelling al deze verschillende vormen ziet +van krielkipjes, Bramapoetra, Cochinchina, tot de kemphanen toe, kan +haast niet gelooven dat alle uit dat ééne wilde hoen van Indië, +ontstaan zouden zijn. + +’t PARELHOEN (NUMIDA MELEAGRIS) (No. 49) moet als stamvorm van het +parelhoen, dat tegenwoordig als huisdier gehouden wordt, beschouwd +worden. Z’n eigenlijk vaderland is Afrika. Het houdt zich bij voorkeur +op in rotsachtige, rijkbegroeide streken, waar het zich in het dichte +onderbosch of in het hooge gras gemakkelijk verbergen kan. In Amerika +komt het verwilderd voor en daar is het in sommige streken tot een ware +landplaag geworden. In Afrika, waar het zeer vele vijanden heeft is er +weer een natuurlijk evenwicht tusschen de hoeveelheid eieren, die +geproduceerd worden en de hoeveelheid dieren, die als slachtoffer +vallen van leeuwen en andere katachtige roofdieren die de volwassen +vogel jagen; van sluipkatten, die de eieren en de jongen eten, ja zelfs +van slangen. Waar dan ook deze natuurlijke vijanden ontbreken en de +vogel zich ongestoord voortplanten kan, vermenigvuldigen zij zich met +een dergelijke snelheid, dat men bijv. in West-Indië al het mogelijke +doet om hun aantal binnen de perken te houden. Er wordt zooveel +mogelijk jacht op hen gemaakt, maar gemakkelijk gaat het dooden van +deze vogels niet. Zij zitten zoo dik in de veeren, dat een geweerskogel +hen niet kan dooden en men wel genoodzaakt is met honden op hen te +jagen. + +De vogels zijn sierlijke hoenders met glanzend zwarte veeren vol +grappige, witte spikkels. Volgens sage zouden dit tranen zijn, want de +parelhoenders zelf zijn zusters van de Meleagris, die na den dood van +hunnen geliefden broer, zoo ontroostbaar waren en zoo vreeselijk +schreiden, dat zij in zwarte vogels werden veranderd. Hunne tranen +bleven evenwel als witte vlekjes op de zwarte veeren achter. + +Het witte hoen van Californië, de CALIFORNISCHE KWARTEL (CALLIPEPLA +CALIFORNICA) is in dat land zeer algemeen. ’s Winters vindt men het in +zwermen van 1000 en meer. Het graaft zich dan gangen onder den sneeuw +en leeft daar, als zooveel dieren in deze sneeuwlanden heerlijk warm. +’s Zomers vindt men het overal waar water en boomen aangetroffen +worden. + +In Californië is het een standvogel daar er in dat vruchtbare land wel +altijd iets voor hem te vinden is dat van z’n gading is, want z’n +voedsel bestaat uit vruchten, knollen, zaden en dergelijke plantaardige +producten. + +Men heeft geprobeerd deze aardige vogels in Europa in te voeren. In +1852 zijn proeven er van in Frankrijk en Duitschland genomen. Het is +jammer dat ze mislukt zijn, want met eenig overleg en een weinig goede +zorgen, zou men deze vogel wel inheemsch kunnen maken in streken, waar +de faisanten het kunnen uithouden. + +De merkwaardige korhoenders van onze heide en de Duitsche „Auerhahn” +sluiten zich bij de typische hoenders aan. + + + +§ 4. De orde der DUIVEN (GYRANTES), is duidelijk van die der Hoenders +te onderscheiden. Vooral hun snavel, die recht en dun is en slechts aan +de punten met hoorn bekleed is levert een duidelijk verschilpunt. De +rest van dezen snavel wordt door de voor de heele vierde groep +kenmerkende washuid gevormd. De pooten onderscheiden zich vooral door +’t kortere loopbeen, waardoor de geheele romp der vogels zooveel +dichter bij den grond staat, dan die der hoenders. + +Een van de merkwaardigste duiven was de Dodo of Dronthe, die op ’t +eiland St. Mauritius leefde en in de 17de eeuw helaas door de +zeevaarders is uitgeroeid. + +Een dergelijk beperkt zijn tot een bepaald gebied is ook een +eigenaardigheid van de grootste der duiven, de KROONDUIF (GOURA +CORONATA) (No. 51), die 65 c.M. lang is. Deze komt voor op Nieuw-Guinea +en een paar van de omliggende eilandjes. Verder zijn zij nergens op de +wereld te vinden. Soorten, die op een dergelijke manier plaatselijk te +vinden zijn, zooals ook de dodo op Mauritius of het hamerhoen op +Celebes, noemt men endemisch. Vanuit Nieuw-Guinea wordt deze kroonduif +nog al eens naar Java en de Soendaeilanden gebracht en vandaar nog al +eens naar Holland gezonden, zoodat een kroonduif in onze Hollandsche +dierentuin geen zeldzaamheid is. + +Tot het begin der 19de eeuw was in Noord-Amerika de trekduif, +Ectopistes migratorius zeer algemeen. Plotseling evenwel verminderde +het aantal van deze duiven merkbaar en na eenige jaren werd er geen +enkele meer gezien. Het trekken van deze vogels gebeurde met zulke +hoeveelheden tegelijk en was zoo’n opvallend verschijnsel, dat het +plotseling verdwijnen groot opzien wekte. Men meende eerst aan een +ziekte of andere natuurlijke oorzaak dit verdwijnen te moeten +toeschrijven, doch ’t is gebleken, dat de vogels tijdens hun trek in +zulke ongehoorde hoeveelheden gevangen werden, dat de mensch hier zeer +zeker als eenige oorzaak van ’t verdwijnen verantwoordelijk moest +worden gesteld. + +Gelukkig evenwel zijn zij de laatste paar jaren weer hier en daar in +Amerika gesignaleerd geworden en zal het aantal zich misschien +langzamerhand weer herstellen. + +Onze huisduiven stammen af van de ROTSDUIF (COLUMBA LIVIA) (No. 52). In +Noord-Europa komt hij als trekvogel voor op verschillende eilandjes van +de Schotsche kust en op de Faeröer-eilanden. In Zuid-Europa is het een +standvogel, men vindt hem evenwel op de rotsachtige kusten van Italië, +Spanje en Frankrijk. Verder Zuidelijk vindt men hem in geheel +Noord-Afrika, Klein-Azië, Palestina en Perzië. + +Daar deze vogel nooit in boomen nestelt, maar steeds donkere plekjes +voor z’n nest uitzoekt, gebeurt het wel dat zij in de huizen der +menschen gaan bouwen. Misschien is dit de aanleiding geweest om de +vogels in cultuur te nemen. In ieder geval is dit zeer lang geleden +gebeurd, want 3000 jaar v. Christus had men reeds tamme duiven in +Egypte. + +In Azië werden zij zeer gewaardeerd, daar men hen als gasten der Goden +beschouwde. + +Ook bij ons is de duif zeer gezien. Een werkelijke mode om de duiven te +teelen is het zelfs in de vorige eeuw geweest. Overal, maar vooral in +Engeland had men toen duivenclubs, die zich bezighielden met het +aanbrengen van verbeteringen in deze vogelsoort. De leden van deze +duivenclubs letten bij hun teelen meestal op één kenmerk en waren +steeds gespitst op ’t zien van een of andere afwijking. Trad deze op, +dan trachtten zij die door teeltkeus en kruising te verscherpen, en +hierdoor verkregen zij de meest uiteenloopende rassen. Wij kennen ze nu +nog: pauwstaart, krobduif, enz. enz. Al deze monstervormen wijzen op ’t +succes van hunne arbeid. Darwin, de groote bioloog, die in ’t midden +der vorige eeuw z’n beroemd boek over „’t Ontstaan der soorten” uitgaf, +stelde in ’t werk van deze duivenclubs zeer veel belang, wat wel blijkt +uit het feit, dat hij van ieder van die clubs lid was. + +Het aardigste resultaat van deze fokkerij is evenwel de postduif. Hier +is de verbetering werkelijk een vooruitgang in meer dan ééne richting. +Want, hoewel de postduif uiterlijk het meest van alle rassen op den +stamvorm lijkt, is hij scherper geteekend, helderder van kleur, grooter +van lichaam, maar vooral veel sneller van vlucht dan de wilde vorm. +Deze duiven hebben vaak goede diensten bewezen met het overbrengen van +berichten. Een postduif heeft n.l. zeer sterk de eigenschap, met +buitengewone zekerheid z’n woonplaats terug te vinden, waar hij ook +heen gebracht mag zijn. Neemt men dus een duif mee op reis en wenscht +men aan de achtergeblevenen z’n behouden aankomst op de plaats van +bestemming mee te deelen, zonder van de moderne communicatiemiddelen +als post, telephoon of telegraaf gebruik te maken, dan heeft men +slechts een briefje tusschen de veeren te stoppen en de duif dan vrij +te laten. In werkelijk ongeloofelijk korten tijd is zoo’n bericht door +eene goede postduif overgebracht. Soms evenwel vergissen de duiven zich +en verdwalen zij, zoodat het dagen duurt, eer zij terechtkomen. + + + +§ 5. De merkwaardige washuid, die ook ROOFVOGELS (RAPTATORES) aan den +snavel hebben, is de reden waarom zij met zulke vreedzame vogels als +hoenders en duiven tot één groep zijn samengebracht. + +Zij onderscheiden zich evenwel duidelijk van de andere orden in deze +groep door hunne sterk omgebogen scherpe klauwen en hun kromme scherpe +bovensnavel, die als een haak over den ondersnavel grijpt. Bovendien is +de geheele lichaamsbouw van de vertegenwoordigers dezer orde +krachtiger: zij hebben een breede borst, die een groote +aanhechtingsplaats is voor de vliegspieren en sterke, krachtige pooten, +met korte voet, doch zeer lange teenen, met formidable klauwnagels. +Hunne geheele bouw duidt op snelheid en kracht. Het zijn dan ook deze +eigenschappen, die de mensch telkens weer met bewondering vervullen, +wanneer hij een roofvogel in de kloeke rustige vlucht waarneemt of hem +pijlsnel ziet neerschieten op z’n prooi, of hem aanschouwt als hij voor +ons oog onbewegelijk in de lucht stilstaat. Dit laatste is het zeer +typische „bidden”. Tijdens dit bidden geeft hij z’n oogen goed de kost +en er is geen beweging op ’t veld, die aan z’n oog ontsnapt. En als +deze beweging een dier verraadt waarop hij graag jaagt, dan is deze +vrijwel onherroepelijk verloren en wordt dezen roofvogel ten prooi. + +De CONDOR (SARCORHAMPHUS GRYPHUS) (No. 53) is de typische roofvogel van +het Zuid Amerikaansche hooggebergte. Hij vliegt buitengewoon hoog, +hooger dan de hoogste toppen naar men zegt. Volgens sommigen moet hij +wel tot 7000 M. kunnen komen. De meest geliefkoosde hoogte-zône van +dezen vogel schijnt evenwel tusschen de 3000 en 5000 M. te liggen. Het +moet een onvergelijkelijk fraai gezicht zijn, als men eenige van deze +vogels vliegen ziet. + +Slechts tijdens de broedtijd zijn de vogels in paren. Later als de +jongen groot zijn, vereenigen zij zich tot gezelschappen. Zij voeden +zich het liefst met aas. Zelf dooden doen zij niet. Wel gebeurt het dat +zij herten zoo lang najagen en vervolgen, tot deze uitgeput +neerstorten. De condor daalt dan op z’n slachtoffer neer en scheurt +hem, na hem de oogen, de ooren en de tong uitgeplukt te hebben, bij de +buik open daar hij de ingewanden het liefst eet en er dus steeds mee +begint. + +Is soms een dier op een of andere manier gewond geraakt en kan het zich +niet meer verweeren, dan komen de condors er op af, pikken het vleesch +rond de wond weg, tot zij eindelijk een gat gemaakt hebben, waardoor +zij bij de ingewanden kunnen komen. Het arme dier is dan gauw uit zijn +lijden. + +Volgegeten zijn de vogels traag. Zoo traag zelfs, dat zij hun voedsel +weer uit moeten braken als zij genoodzaakt zijn om op te vliegen. + +GIEREN (GYPS RÜPPELLI) (No. 54) zijn in Europa slechts in de landen +rond de Middellandsche Zee te vinden. Noordelijker komen zij als regel +niet voor. Hoewel zij wel eens in Duitschland geschoten worden, moeten +zij daar als verdwaalden beschouwd worden. In Zevenburgen en Hongarije +vindt men hen evenwel vrij talrijk. Daar gieren in „kolonies” broeden +en niet zooals de condors zich tijdens de paartijd afzonderen, ziet men +gewoonlijk een aantal van deze vogels te samen, daar zij ook samen het +voedsel zoeken. + +Hebben zij ergens een dood beest gevonden dan houwen zij met enkele +slagen van hun forsche snavel een gat in de buik, steken de naakte kop +en de lange naakte hals zoo diep zij kunnen in de buikholte en zoeken +daar de edele organen. Pas als zij er een gevonden hebben, trekken zij +de kop terug, die dan overdekt is met bloed en slijm. ’t Is maar +gelukkig, voor beesten met een dergelijke levenswijs, dat zij geen +veeren aan hun hals en kop hebben. Zij zouden deze nooit van alle vuil +kunnen reinigen en massa’s ongedierten en bacillen een welige +broedplaats bieden. + +De kolonies, waarin deze vogels broeden, zijn soms wel 200 nesten rijk. +Deze liggen in rotsholten en overhangende rotsblokken. Ieder paar heeft +slechts één groot ei, dat gemeenschappelijk bebroed wordt. Na een maand +komt het jong, dat er als een onoogelijke klomp wol uitziet, uit het +ei. Het is uiterst hulpeloos en kan eerst na 3 maanden vliegen. + +Daar gieren eigenlijk nooit een levend dier aanvallen (of zij moeten +door vreeselijke honger er toe gedreven worden) leven zij in Zuidelijke +streken, die veel kudden van hoefdieren en dergelijke herbergen. In het +Noorden, waar het individuen aantal, dat deze koude streken bevolkt, +zooveel geringer is, zouden zij onmogelijk hunne kost kunnen ophalen. +In de warme landen, zijn gieren, samen met maraboes, tot de zeer +nuttige vogels te rekenen, daar zij als vrijwillige reinigingsdienst +onschatbare diensten verrichten. + +Men heeft langen tijd gemeend, dat gieren hun voedsel zouden vinden +door hun reuk. Maar, daar zij vaak op een pas gestorven dier +aangetroffen worden en zij bovendien een reeds eenige dagen gestorven +dier, dat op een verborgen plaats ligt, niet opmerken voordat de raven +er om heen zwermen, neemt men tegenwoordig aan dat gieren hun voedsel +op het gezicht vinden. + +Een andere, zeer nuttige roofvogel van Afrika is de SECRETARIS +(SERPENTARIUS SERPENTARIUS) (No. 55), daar deze vogel een slangendooder +bij uitnemendheid is. Zelfs de giftigste slangen eet hij met kop en al +op, zonder dat hij eenig nadeel van het gif ondervindt. Ook schijnen de +tanden hem niet inwendig te verwonden. Toch kan, ondanks al deze +feiten, niet met zekerheid gezegd worden dat de secretaris immuun is +voor slangebeten. + +Op het eerste gezicht heeft een secretaris al heel weinig van een +roofvogel. Z’n lange naakte pooten doen hem meer op een steltlooper +lijken. Vliegen doet hij gewoonlijk niet. Meestal ziet men hem met +buitengewone waardigheid door de Afrikaansche velden schrijden. Deze +waardigheid van gang, gevoegd bij het grappig aanzien, dat z’n kop door +eenige uitstekende veertjes krijgt en die wel aan achter het oor +gestoken penhouders doen denken, hebben hem waarschijnlijk de naam +„secretaris” doen krijgen. De waardigheid van dezen vogel wordt nog +grooter, wanneer hij een gevecht gaat leveren. Dan heeft hij z’n +grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. Want een gevecht met een +slang van 1 M. is zelfs voor onze secretaris geen kleinigheid. Zoodra +een slang bijt, of bijten wil, draait hij hem de uitgestoken vlerken +toe en laat hem in de veeren happen. Maar gewoonlijk komt de slang +zoover niet, daar de eerste sprong van dezen dapperen vogel hem meestal +reeds tot slachtoffer maakt en de geweldig sterke klauwen van den vogel +hem al in den rug te pakken hebben. Met den staart te beginnen wordt +een slang dan in eenige minuten verslonden. + +Behalve de Condor, die zich slechts met doode dieren voedt, leeft er in +de warme streken van Zuid-Amerika, onder meer, de HARPY (THRASAËTUS +HARPYIA) (No. 56) een van de mooiste en grootste roofvogels, die er +bestaan. Hoog op de bergen, waar het kouder is, komt hij niet meer +voor, maar in de bosschen in de buurt van water wordt hij geregeld, +hoewel niet overvloedig, aangetroffen. De Indianen uit die streek jagen +hem voortdurend, omdat zij zijn veeren zeer op prijs stellen. Zij +houden er de vogels zelfs in gevangenschap voor. Hiertoe halen zij de +jongen uit de nesten, die hoog in de boomen gelegen zijn. Zij fokken +deze diertjes dan op en maken hen zeer tam. Twee maal per jaar plukt +men hen alle staart- en vleugelveeren uit. Men versiert er dan de +pijlen mee of zet ze op de veerendos, die aan ’t hoofd van een Indiaan +zoo’n krijgshaftige uitdrukking geven. Zoo hoog geschat zijn deze +harpy-veeren, dat ze als ruilmiddel dienst doen. + +De harpy is een buitengewoon sterke vogel. En zooals het meer gaat, +wanneer een dier zich door een of andere eigenschap onderscheidt, wordt +deze door de menschen nog overdreven. Er zijn dan ook allerlei sagen +over z’n kracht in omloop. Zoo zou hij b.v. in staat zijn, om met een +snavelhouw de schedel van een mensch te klieven!! + +Met den grootsten der Europeesche roofvogels, de AREND (AQUILA +CHRYSAËTUS) (No. 57) is het in sommige opzichten al net als met de +harpy en alle andere groote vogels. Hunne kracht neemt de verbeelding +van de menschen zoodanig in beslag, dat deze haar weer gaan overdrijven +en grooter maken. Zij kozen den arend daarom als zinnebeeld van kracht +op hunne wapenschilden. Toch schijnt het waar te zijn, volgens sommige +verhalen althans, dat een arend lammeren steelt en wel eens kinderen +rooft. Het behoort echter, dat wordt er dan altijd wel bij verteld, tot +de zeldzaamheden. Met deze vertelsels gaat het als met zoo veel andere +dingen: men moet ze zelf gezien hebben, om ze te gelooven. + +Vroeger kwam de arend in Zwitserland veel algemeener voor dan +tegenwoordig. Nu verkiest hij andere hooggebergten en boschrijke +streken van Zuid-Europa en Midden-Azië voor z’n broedplaatsen. Het nest +bouwen zij van vrij dikke takken, die zij van de boomen breken. Zij +laten zich daartoe, met de vleugels aan het lijf gesloten, van uit de +hoogte neervallen en komen met groote vaart neer op een tak, die zij +met de klauwen vast pakken. Tegen het gewicht van den vogel en de vaart +waarmee hij neerkomt, is de tak niet bestand. Hij breekt af en de vogel +neemt hem mee naar ’t nest, dat op de meest ontoegankelijke plaatsen +van de steile rotsen is gelegen. Toch is ook in een gebied, waar de +arenden geregeld broeden, de vogel nooit talrijk te noemen. Dit zal wel +in hoofdzaak komen, doordat zij zoo’n groot jachtgebied noodig hebben +om voldoende voedsel te vinden. Zij jagen geregeld en zeer zorgvuldig +en vliegen daartoe te samen met rustigen majestueuzen vleugelslag +systematisch hun gebied door en er is geen wild, dat hunne +„arendsoogen” ontgaat. Is de buit gevangen, dan eten zij deze +gezamenlijk op. Zoo’n adelaarsmaaltijd is een langzaam en plechtig +feest. Niets herinnert daarbij aan de gulzigheid, die de gieren en +raven aan den dag leggen. Maar van ’t eten zelf laat hij niets over. +Veeren en haren, zoowel als de beenderen worden opgegeten. Na den +maaltijd wordt gedronken en rustig een uurtje of wat aan de +spijsverteering gewijd. De veeren en andere onverteerbare dingen spuwt +de vogel als ballen haar en wol weer uit. Ze schijnen dan hunne dienst +verricht te hebben, daar men meent, dat ze behulpzaam zijn bij het +reinigen der maag. + +Een van de allermooiste arenden is de ZEEAREND (HALIAETUS LEUCOGASTER) +(No. 58), die wat veerenpracht betreft, veel gelukkiger bedeeld is dan +de arend der Alpen. Prachtig wit zijn z’n kop en borst, warmbruin z’n +buik en glanzend zwart de veeren van z’n vleugels. „Een waar sieraad +voor de streken waarin hij voorkomt”, zegt Brehm van hem. In +tegenstelling met de andere arenden valt hij nooit kleinere roofvogels +of andere vogels aan. Deze zijn dan ook in ’t geheel niet bang voor +hem. Met een soort rustige goedmoedigheid verdraagt hij zelfs hun +kleine plagerijen. Een enkele keer verjaagt hij wel eens vogels, die +een visch gevangen hebben en ontsteelt hun den buit. Want visschen, +kikvorschen en waterslangen vormen z’n voedsel. Hij vangt hen, door met +kracht diep onder water te duiken. + +Zoo majestueus en koninklijk als de arend is in z’n vlucht, wanneer hij +loopen moet, levert hij evenals de albatrossen, de jammerlijke aanblik +op van een stuk uit de spheer gerukt leven. Nergens in Artis is dan ook +zooveel triestheid en dringt de tragedie van gevangen dieren zich zoo +duidelijk aan ons op als bij de hokken der groote roofvogels. De groote +roofdieren, hoe onrustig zij ook hunne drie passen langs de wanden van +hun hok mogen doen, hoe jammerlijk zij ook mogen schijnen, deze meest +geperfectioneerde der dieren, nu zij beroofd zijn van ’t leven waartoe +hunne lichaamsbouw hen zoo geschikt maakt, zij zijn minder jammerlijk +dan deze groote roofvogels. Want, hoewel hunne hokken ruim en groot +zijn, hebben zij nog niet eens de gelegenheid om één slag met hunne +vleugels te doen. Als trieste hoopen ellende zitten zij verslagen op +hunne stokken; een deerniswekkend schouwspel. Met een halven +vleugelslag wippen zij er af, op den grond onhandig en dwaas lijkend. +Een enkele keer treft een zeer trouw Artis-bezoeker het, iets van de +hen zoo eigen felle kracht te zien, die gewoonlijk gedwongen is van +verveling te slapen. Dat is, wanneer een muis of een rat zoo +onvoorzichtig is om door het hok te loopen. Dan ontwaakt eensklaps de +ware geest van den vogel en zoo plotseling, dat men zich nauwelijks +rekenschap kan geven van wat gebeurde, is de rat in de machtige klauwen +van den vogel geklemd en wordt langzaam met zorg naar binnen gewerkt. + +Valken, die wel de meest geperfectioneerde der roofvogels te noemen +zijn, stelen nooit de jacht van andere; een vergrijp waaraan zelfs de +arenden zich nog wel eens schuldig maken. Zij leven geheel van wat +eigen kracht, eigen snelheid, eigen zekerheid hen oplevert. Zooals de +katachtige roofdieren de meest volmaakte lichaamsbouw („de meest +geperfectioneerde physiologische machines zijn”, zooals een vriend van +me zegt, die alles wat leeft, beweegt, voelt en denkt, tot materie +terug wil brengen) onder de zoogdieren hebben, zoo zijn de valken de +meest volmaakte der roofvogels. Nergens ziet men zoo’n slanke, +krachtige lichaamsbouw, zulke fraaie vleugels, zoo’n doelmatige staart, +zoo’n kleine gedrongen kop, zoo’n felle snavel, zulke scherpe oogen en +zulke krachtige klauwen. + +Nergens vindt men die snelheid en schoonheid van vlucht, die zekerheid +van treffen. Geweldig is de stoot, die zij hun slachtoffer toebrengen. +De hoogstaande valkensoorten zijn zoo snel en zeker in het vangen van +hunne buit, dat zij dit in volle vlucht doen. Geen wonder dan ook, dat +menschen, met zuiverder sportinstincten dan ons tegenwoordig +voetballend en boksend publiek, in verrukking raakten over ’t +schouwspel van een valk, die in de lucht een gevecht leverde met een +veel grooteren vogel, als een reiger bijv. Geen wonder, dat de Edelen +zich geen kosten spaarden om zich een dergelijk genot te verschaffen en +de valkenjacht als de edelste hunner vermaken beschouwden. + +Het vangen en africhten van valken voor de jacht was een zeer moeilijk +en zorgvuldig werk. In ons land werd het vroeger op verschillende +plaatsen bedreven. ’t Dorp Valkenswaard dankt er z’n naam aan; daar was +zelfs een school, waar aan de „Valckeniers” het vak geleerd werd. + +De herfst was de tijd, waarin de jonge of éénjarige wijfjes gevangen +moesten worden. Oudere kan men tot het africhten niet meer gebruiken, +daar zij nooit goed de dressuur leeren aannemen. + +De valkenier bouwt in ’t najaar z’n „tophut” op een plek, in de groote +uitgestrektheid der heidevelden. Dat niet iedere willekeurige plaats +daartoe geschikt is, blijkt wel uit het feit, dat steeds de meest +eenzame en verlaten streken, mits ze in de buurt van een meer gelegen +zijn, ervoor uitgekozen worden. + +De „tophut” zelf is een uiterst primitieve schuilplaats, die bestaat +uit een kuil die 2 M. middenlijn en 80 cM. diep is. Zes palen worden nu +in ’t rond geslagen, even schuin naar binnen hellend en heeft van boven +een groot wagenrad te dragen. Als dit wagenrad met plaggen is bedekt +vormt ’t het dak. Tusschen de zes palen worden nu takken gevlochten en +als ten slotte dit netwerk ook onder plaggen is verstopt, lijkt ’t +geheel net op een klein heideheuveltje. Een opening, zoo klein, dat een +volwassen man er slechts in gebukte houding door kan, dient tot ingang. +De kijkgaten zijn eveneens zoo klein mogelijk, maar daar er naar iedere +windrichting één is, kan de valkenier als hij binnen is, toch alles +zien wat buiten op het terrein gebeurt. + +In de buurt van deze tophut worden, op ongeveer vijftien M. afstand +ervan, twee heuveltjes gemaakt voor den onmisbaren kleinen helper van +den valkenier, ’t aardige klapekstertje. + +Vlak bij deze z.g. „klapeksterheuveltjes” worden op een afstand van +tien M. van elkaar twee dennestammen, van zeven M. lengte, in den grond +geslagen. Aan den top van ieder van deze palen wordt een touw +gespannen, waarvan de uiteinden in de hut van den valkenier uitkomen. +Aan de eene lijn heeft men een looze duif, dat is een houten vogelvorm +met duivevlerken, aan den andere een lokvalk bevestigd. Voor lokvalk +gebruikt men een oude valk, die voor de jacht ongeschikt is gebleken. +Als men met deze beide touwen tegelijk slingert, dan maakt het op een +afstand den indruk, alsof een valk bezig is een duif te achtervolgen. + +Rondom de hut worden nu nog 3 slagnetten neergezet, ieder op 300 M. +afstand ervan. Zoo’n slagnet bestaat uit twee helften, waarvan de eene +met pennen in den grond is gestoken, de andere bewegelijk is en van een +dun sterk touw voorzien, dat naar de hut loopt. Midden onder de vaste +helft van dit net is een pen met een oog in den grond geslagen. Van +hieruit loopt weer een lijntje naar de hut, waar het aan de pooten van +een levende duif wordt vastgebonden, die in een klein, met plaggen +bedekt duivenhokje opgesloten is. Door één enkele ruk aan dit lijntje +kan de valkenvanger z’n levende duif te voorschijn brengen en, al naar +gelang hij het touw meer aantrekt, de duif precies onder het slagnet +brengen. + +Als al deze toestellen in orde zijn en goed werken, wordt getracht een +klapekstertje te vangen. Dank zij dit kleine moedige vogeltje met de +scherpe oogen, worden wel tien maal meer valken gevangen dan de +valkenier alleen zou kunnen bemachtigen. Al op een uur gaans, als de +oogen van een mensch nog lang niet in staat zijn een valk waar te +nemen, ziet het klapekstertje deze reeds en waarschuwt hij de valkenier +met z’n gekrijsch. Zelf verbergt het zich dan. Dit was zoo z’n gewoonte +toen hij in vrijheid was en de valkenier heeft hem nu ook op z’n +heuveltje een kuiltje gegraven, waarin ’t kruipen kan. Het weet veel te +goed, dat een valk voor hem geen partij is, om zich mee te meten. + +Om een klapekstertje te vangen, maakt de valkenier gebruik van een +andere eigenaardigheid van dit diertje. Het duldt n.l. geen tweede +klapekster in ’t gebied, dat hij als het zijne beschouwt. De valkeniers +hebben dit opgemerkt en maken er op slimme manier gebruik van. Op de +tophut steekt hij een stokje met vogellijm, waarnaast hij een opgezette +klapekster zet. Zoodra ’t vrije vogeltje een vermeende indringer +opmerkt, komt het nieuwsgierig naderbij en springt tijdens z’n studie +van die onbewegelijke soortgenoot eens op het stokje en is door de lijm +gevangen. Voorzichtig neemt de valkenier hem er af en knipt zorgvuldig +6 à 8 slagpennen uit de vleugel van het diertje, waarna het op z’n +klapeksterheuveltje wordt vastgebonden. Later, als de vangst is +afgeloopen, worden deze veeren weer zorgvuldig met fijne zilverdraadjes +aan den vleugel bevestigd. Gekortwiekt als ’t was, zou ’t vogeltje aan +z’n vrijheid niet veel hebben. Nu kan ’t weer vliegen en als met de rui +de veeren er uitvallen en door nieuwe vervangen worden, is er niets +meer dat aan z’n dienst bij den valkenvanger herinnert. + +Als nu alles voor de vangst gereed is, heeft de valkenier niets anders +te doen dan in z’n hut te kruipen en daar pijpjes te rooken. ’t +Klapekstertje zal hem wel waarschuwen, wanneer hij z’n zoo listig in +elkaar gezette apparatuur in werking moet stellen. + +En schreeuwt dit kittige kleine vogeltje, dan is de tijd van handelen +daar, van snèl handelen zelfs. De lijn met de lokvalk en de looze duif +slingeren zoo natuurlijk mogelijk zoodat deze jacht-vertooning gauw de +opmerkzaamheid van den komenden valk trekt, en deze met ongeloofelijke +snelheid nadert. Valkenvangers schatten deze snelheid van vliegen +tijdens den jacht op één minuut per uur gaans. Geen kleinigheid +voorwaar, want het beteekent een snelheid van 60 × 5 K.M. = 300 K.M. +per uur. De normale vliegsnelheid is 3 min. per uur gaans of 100 K.M. +per uur, wat altijd toch nog een behoorlijk vaartje genoemd kan worden. + +Is de aandacht van den valk getrokken en komt deze naderbij, dan wordt +aan de lijn met de levende duif getrokken. Deze fladdert even op, de +valk schiet toe, grijpt hem en laat niet meer los. Zoo worden zij samen +tot onder het slagnet getrokken. Eenmaal daar, dan wordt de bewegelijke +helft vlug over hen gehaald en de valk is gevangen. De lijn wordt +stevig vastgezet, om te voorkomen dat de valk de klep op zou lichten en +voorzien van een linnenzakje, de z.g. „sok”, gaat de valkenier den valk +uit het net halen. Het dier wordt stevig bij de pooten gepakt, waardoor +het zoo goed als niets meer kan doen, de sok wordt hem over de vleugels +geschoven en onder aan de pooten met een leeren riempje vastgemaakt. +Voorloopig wordt hij in de tophut bewaard, ’s avonds pas wordt hij mee +naar huis genomen om getemd te worden. Want eerst als de vogel geheel +tam is, kan er met het africhten begonnen worden. + +Het temmen begint met een hongerkuur. Met een leeren kapje op z’n kop, +door leeren riemen, de z.g. „valkenschoenen”, aan een paal bevestigd, +zit de vogel 24 uur zonder voedsel. Dan komt ’s avonds de valkenier, +trekt een sterke leeren handschoen over z’n rechterhand en zet de valk +op z’n vuist. Zoo brengt hij hem in een, slechts door één lamp +spaarzaam verlicht vertrek en gaat zeer rustig met den valk op een +stoel zitten. Alle gerucht en alle schielijke bewegingen laat hij +achterwege. Voorzichtig neemt hij den vogel de kap van den kop en houdt +hem een stukje vleesch voor. In ’t begin is de valk niet aan het eten +te krijgen, maar langzamerhand komt hij meer op z’n gemak en krijgt den +honger de overhand over den angst. Uren achtereen is de valkenier met +hem bezig, want telkens weer moet de vogel z’n vrees overwinnen. +Ongeveer 14 dagen wordt hiermee doorgegaan, dan begint de valk z’n +meester te kennen en naar den avond te verlangen. Want dat zijn de +eenige uren van den dag, waarop hij van de kap bevrijd is en hij te +eten krijgt. In deze 14 dagen leert de vogel ook op de hand van den +meester te springen. + +Als de vogels geacht worden genoeg getemd te zijn, begint de eigenlijke +dressuur. Met een lange lijn aan de pooten gebonden wordt hij op eene +hoogte gezet en met vleesch op verren afstand gelokt. Ook als de +valkenier te paard zit, moet de vogel leeren op z’n vuist terug te +komen. Doet hij dit in alle omstandigheden, dan begint het eigenlijke +africhten voor de jacht pas. Dit doet men, door een doode duif in de +lucht te gooien en de valk er op af te laten schieten. Later laat men +kippen door honden opjagen en moet de valk leeren deze te vangen. Kent +hij dit ook, dan is ’t laatste stadium van z’n opvoeding genaderd en +wordt hij op reigers en kraanvogels afgericht. Eerst gebruikt men +hiervoor reigers die men een buis over den snavel heeft gebonden, +anders mocht hij de valk eens te erg verwonden. Zelf wordt deze van een +leeren hulsel voorzien, om hem tegen de beten van den valk te +beveiligen. Ten slotte is het dier volleerd en kan men er mee jagen +gaan. + +De gevechten, die de valk dan met de reigers leverde, vervulde de +harten der Edelen met verrukking. + +Een wreed vermaak, zegt ge. Misschien. In ieder geval is ’t een stuk +natuurstrijd, dat men nu door het gedresseerd zijn van den valk ten +allen tijde gade kan slaan, terwijl het anders tot de zeldzaamheden in +het leven van een vogelvriend blijft. Een wreed vermaak—misschien. Maar +oneindig edeler toch, dan ’t vermaak in een bokswedstrijd. + +Scherp omschreven, zooals wel haast geen andere groep zijn de uilen. +„Roofvogels” in de gewone zin van ’t woord, schijnen zij toch niet van +de gewone roofvogels af te stammen, zelfs niet met deze een +gemeenschappelijken stamvader gehad te hebben. Führinger, een bekend +onderzoeker naar de mogelijke afkomst der vogels, meent op grond van +anatomische kenmerken (eigenaardigheden in skelet, enz.) een +verwantschap met de nachtzwaluwen te moeten aannemen. Reichenow vindt +dat deze theorie niet te bewijzen of te bestrijden valt, daar ’t +bewijsmateriaal ontbreekt en de vogels in geen geval met de +tegenwoordig levende nachtzwaluwen in verband gebracht kunnen worden. +Zij hebben bepaalde eigenschappen, zooals de kortheid van de kootjes +van de vierde teen, de groote klauwnagel aan de tweede teen, de washuid +en de snavelvorm, met de dagroofvogels gemeen. Daarom brengt hij ze bij +deze in ’t systeem. + +Dat uilen nachtvogels zijn, is van algemeene bekendheid. Immers daaraan +danken zij het, dat zij werden tot ’t symbool der wijsheid, dat de +Godin Minerva als attribuut was toegevoegd, omdat, evenals een uil ziet +in ’t duister, ziet de wijsheid in ’t donker der problemen. Daar, waar +gewone oogen geen enkelen lichtindruk ontvangen en hopeloos in de +nacht-zwartheid staren, weten zij vormen en feiten te onderscheiden. + +Uilen brengen den dag slapende door in de ruïnes van oude kasteelen, in +holle boomstammen, in oude boerenschuren en in kerktorens. Deze +plaatsen, die door hun duisternis overdag al reeds op de verbeelding +der menschen werken, worden door de vleermuizen en uilen, die elkander +daar gezelschap houden, nog griezeliger en spookachtiger. En als er ’s +avonds leven komt in dit geheimzinnig gespuis, de vleermuizen als +donkere schaduwen door de lucht vliegen, de uil z’n sombere stem laat +hooren, dan verschrikt het diepe lugubere geluid den eenzamen mensch, +die laat nog door de velden loopt. Ons kleinste inlandsche uiltje is ’t +aardige steenuiltje, terwijl de kerkuil misschien wel de algemeenste +is. + +De INDISCHE UIL of KETUPA (No. 60) is berucht om die sombere stem. In +de donkere zwaarmoedige omgeving van ’t dichte tropische oerwoud, waar +het licht gedempt groen door het zware loof der bladeren dringt, waar +geheimzinnigheid den angstigen mensch omgeeft en men zich beklemt +gevoelt en gedrukt door die geluidlooze stilte, die men vol van +ongeweten leven voelt, kan plotseling een luid krijschende helsche lach +gehoord worden. Vol boosaardigheid klinkt het, als ’t gelach van een +waanzinnig oud wijf. Een kinderlijke verbeelding gaat aan heksen en +toovenaars denken, de plaats vermijdend waar dat vreeselijke geluid +vandaan schijnt te komen. + +De natuuronderzoeker evenwel overwint de beklemming die het vreeselijk +gelach ook op hem heeft gemaakt en loopt in de richting van waar het +geluid gehoord wordt. Hij komt bij een poeltje en daar op een +overhangende tak, strak loerend in ’t water ziet hij de Ketupa, een +prachtige uil. Zij is bezig haar honger te stillen en vangt daartoe +visschen, doch nog liever krabben uit het water. Hoe prachtig is dit +uiltje en met wat een diepe vreugd zal onze natuuronderzoeker haar +bekijken! En vol goedhartigheid beklaagt hij z’n schuwe vriend, die +niet mee gegaan is op zoek naar de oorzaak van ’t vreeselijk geluid, +maar angstig de werkelijkheid heeft ontvlucht. En deze, die wanneer hij +ver genoeg is om ’t vreeselijke gelach niet meer te hooren en z’n angst +heeft overwonnen, droomt door over ’t sprookje van den toovenaar, dat +hij zichzelf vertelde en vermeidt zich in z’n droomen van schoonen +schijn. Zoo ver gaat hij voort op den weg van z’n eigen gedachten, dat +hij ten slotte vol diepe deernis den bioloog beklaagt, die uit is +gegaan om de nuchtere werkelijkheid te zoeken en hèm niet kan volgen in +’t wonderland van z’n droomen. + +Of zijn vreugd in z’n droomenland grooter is, dan de blijdschap om de +werkelijke schoonheid van de Ketupa, die de ander met een schok +ontwaarde? Het is moeilijk uit te maken. Want de eene mensch is +gelukkig, diep vol gelukkig met dingen, die een ander onverschillig +zijn. Laat ieder mensch voor zich zelf uitvinden wat hem gelukkig maakt +en daarnaar leven. Maar wij, laten wij voorzichtig zijn en nooit +trachten de illusies van een ander te verstoren. + +Dat uilen evenwel gauw op de verbeelding der menschen werken, blijkt +wel uit het bijgeloof, dat ook in onze streken o. a. de RANSUIL (ASIA +OTUS) (No. 61) omgeeft. Een doode uil met uitgespreide vlerken tegen de +schuurdeur gespijkerd, zou bijv. tegen brand beveiligen. En jammer is +’t dat dit bijgeloof heerscht, want de uil is een zeer nuttig dier, die +vele muizen verdelgt. Dat er met deze schadelijke knaagdiertjes wel +eens een nuttig insectenetertje, als ’t spitsmuisje is, in z’n maag +verdwaalt, spreekt haast van zelf, maar dat moet de uil maar niet te +zwaar aangerekend worden, want over ’t geheel is hij meer nuttig dan +schadelijk te noemen. + +Uit het leven van een ransuil blijkt, dat uilen niet zoo uitsluitend +nachtdieren zijn als men gewoonlijk wil doen voorkomen. Het is hen +zelfs een levensbehoefte zich te zonnen, zonder zon gaan zij dood, zegt +Brehm. Als het ’s winters te koud wordt, trekken zij dan ook weg, ’t +zonnige zuiden in. + +De SNEEUWUIL (NYCTEA NYCTEA) (No. 62) daarentegen is niet zoo bang van +de kou en komt veel noordelijker voor en dan nog wel hoog in de bergen +bovendien. Z’n kleur is voor deze koude omgeving prachtig beschuttend +en wordt nog witter naarmate zij ouder zijn. Het donskleed van de jonge +vogels is geheel grauw-bruin, het echte veerkleed heeft nog een tijd +lang bruine vlekken en de volwassen vogels hebben slechts een enkele +bruine vlek. + +Wanneer ’t voedsel ’s winters in de bergen te schraal wordt, komt de +vogel lager, of trekt zij het zuiden in. Daar de lemming haar liefste +voedsel is, volgt zij deze vaak op z’n tochten. Toch voedt zij zich ook +wel met eekhoorntjes en hazen, en wanneer het wild erg schaars is, +berooft zij de vallen, die de jagers uitzetten om pelsdieren te vangen. + + + + + + + + +Eindelijk is de lang verwachtte dag aangebroken. Helder straalt de zon +uit den blauwen hemel en de kinderen springen juichend hunne bedjes +uit. Zij wekken hunne ouders met: „’t Is goed weer! Vader, Moeder, ’t +is goed weer! Gaan we?” Slaperig nog, wakker geschrokken door ’t +luidruchtige jonge goed, kijkt Vader eerst naar de lucht en dan op z’n +horloge. Vol spanning wordt op ’t antwoord gewacht: „Maak je maar klaar +jongens, met de eerste de beste trein gaan we.” Joelend loopen zij weg +om zich aan te kleeden. „We gaan! Hoera we gaan!” + +Vader en Moeder lachen eens tegen elkaar. Zij hebben schik in de vreugd +van hun kroost. ’t Is voor een kind dan ook heerlijk om naar „Artis” te +gaan. Artis, ’t tooverwoord, ’t levend geworden prentenboek. Een tuin +vol met vreemde dieren, met leeuwen en tijgers, olifanten en +nijlpaarden, met adelaars, met papegaaien......! + +Geen oogenblik staan de monden stil. En als Moeders lieve oogen geen +scherp toezicht hielden op de aankleederij, zou een enkele in alle +vreugd van ’t uitgangetje nog wel vergeten de tanden te poetsen, het +haar te borstelen of de nagels te schuieren. Wat heeft Moeder ’t nog +druk! De boterhammetjes moeten gemaakt, koekjes en nootjes ingepakt. +Eindelijk dan toch zijn zij in den trein. Onophoudelijk babbelen zij +maar door over de te verwachten wonderbaarlijkheden. Maar als zij ten +slotte voor de ingang staan en Vader de toegangsbewijzen koopen gaat, +worden zij stiller en bedaarder. Nog een oogenblik en dan komt ’t! „Zie +je ginder die papegaaien wel,” fluistert Frank tegen Mirjam. Wat een +mooie kleuren, hè? En wat schreeuwen zij! + +Die stilte duurt niet lang. Want eenmaal bij de vogels, kent de pret +geen grenzen meer en hollen zij uitgelaten van den eenen vogel naar den +anderen. Maar diep onder al die pret schuilt een wezenlijke en +levendige belangstelling. Met wat een aandacht staan zij stil en +luisteren zij naar wat de vogels zeggen willen. Maar als zij er ten +slotte een aantreffen, die kan fluiten kent hun bewondering geen +grenzen meer. Vol stille, gespannen aandacht luisteren zij naar de +zachte, fluitende toonen. Zij meenen er een straatdeuntje in te +herkennen. Hoe wonderlijk het ook was, dat de vogels praten konden, het +gefloten liedje spant de kroon. + +Hoe leuk nemen zij de koekjes aan met hun poot, hoe handig pellen zij +de nootjes met hun snavel! Zij zien wel, dat die snavel heel anders is +dan van een andere vogel en veel bewegelijker aan de kop verbonden is. +En dan die gekke tong, zoo’n raar dik zwart stompje. Daar kan hij vast +mee proeven merken zij op, want ’t nootje houdt hij in z’n bek over en +de doppen laat hij vallen. + +Ook valt het hun met hun scherpe oogen ook al heel gauw op, dat een +papegaai z’n teenen anders heeft dan andere vogels, n.l. twee naar +achteren en twee naar voren gericht. Deze eigenaardigheid is typisch +voor hunne orde en voor die der klimvogels. Dit is dan ook de reden +waarom zij gezamenlijk in de groep der Fibulatores of Gepaard-teenigen +ondergebracht worden. + + + +§ 1. Papegaaien zijn verbazend aardige vogels. ’t Is geen wonder, dat +de menschen hen graag in kooien houden en zich met hen vermaken. Want +de papegaaien, die men ’t liefst als kooidier heeft, dat zijn de gewone +groene AMAZONE (CHRYSOTIS LEVAILLANTI) (No. 67) uit Amerika en de grijs +met roode Lorre uit Afrika, geven dikwijls staaltjes te aanschouwen van +meer dan gewoon „verstand”. Ieder, die een papegaai heeft, weet wel een +„wonder” van de slimheid en ’t verstand van zijn vogel te vertellen. +Dat dat „verstand” geen verstand is, d.w.z. dat zij niet beredeneerd +handelen en hunne handelingen niet logisch doordacht uitgevoerd worden, +dringt tot de menschen meestal niet door. Evenmin wordt beseft, dat ’t +spreken geen redelijk spreken is en dus de klanken, die de vogel uit, +geen inhoud of zin voor hem hebben. Dit verstand en dit spreken zijn +niet meer dan een eenvoudig reageeren op een ervaringsdressuur. + +Want niet waar, een papegaai zegt zoo vaak „rake” dingen, die een +situatie zóó volkomen weergeven of verscherpen, dat men wel gelooven +moet, dat het dier de omstandigheden heeft begrepen. + +Uit allerlei waarnemingen en proeven van zeer kritische onderzoekers is +evenwel gebleken, dat papegaaien geen verstandige, d.i. geen redelijk +denkende dieren zijn. Toch zijn zij boven andere vogels begiftigd met +opmerkingsgave en geheugen, waardoor zij in staat zijn zeer veel dingen +te „leeren”. + +Dit „leeren”, dat is ’t „opdoen van ervaringen”, kan op verschillende +manieren plaats vinden. Zoo is ’t „leeren vliegen” niets anders dan ’t +oefenen van een vliegbeweging, zoo is ’t „leeren zingen” van een vogel +niets anders dan een instinctieve klanknabootsing, zoo is ’t „leeren +jagen” niets anders dan een soort van zelfdressuur door middel van +„zintuigelijke ervaringen”. Deze manieren van „leeren” zijn ieder dier +eigen, maar ze hebben met verstandelijk leeren niets gemeen. +Verstandelijk leert een dier pas, wanneer het „vroegere ervaringen in +nieuwe verhoudingen toepast” of „wanneer het door middel van de taal +(teekens of geluiden, die uitdrukking zijn van begrippen en +voorstellingen), intelligent onderricht krijgt.” + +Deze twee laatste manieren van leeren zijn het, die de mensch bij +uitstek en eenige der hoogere apen in mindere mate eigen zijn en die +als de basis van een verstandelijk leven beschouwd moeten worden. + +De drie eerstgenoemde vormen van „leeren” berusten op niets anders dan +het vormen van associaties. Buytendijk, aan wie al de hier gebruikte +termen ontleend zijn, noemt dit het „associatief geheugen” en meent er +mee een geheugen, „waardoor waarnemingen en handelingen voor het dier +een bepaalde beteekenis krijgen”. + +Het opzetten van een hoed door de baas kan voor een hond een beteekenis +hebben, omdat hij bij het opzetten van die hoed het uitgaan verbindt +(„associeert”). ’t Hooren van een bepaalde klankenreeks als bijv. „wil +Lorre een klontje”, krijgt voor een papegaai beteekenis, omdat hij aan +die klankenreeks ’t genot van ’t klontje, dat hem daarna telkens wordt +gegeven, verbindt. Door een heel eenvoudige dressuur kan men dan de +papegaai „as-sje-blieft” terug laten zeggen. Maar dan blijkt nog uit +niets, dat het dier begrijpt wat die woorden beteekenen. In plaats van +„as-sje-blieft” had men ’t dier ook kunnen leeren „nee, dank je” of ’t +lompe „dat lust ik niet” te zeggen. En dan zou men de vogel op een +„domheid” kunnen betrappen. Want terwijl hij dan „nee, dank je” zegt, +steekt hij gelijktijdig z’n poot uit om de lekkernij te grijpen. + +Als men, tijdens het kriebelen op z’n kale schedelplek, voortdurend +„kopje-krauw” zegt, gaat de vogel die klank verbinden aan de voor hem +zoo aangename liefkoozing en z’n nabootsingsinstinct doet hem die klank +herhalen, zoogoed als hij z’n eigen naam „Lorre” of andere woorden die +hij zeggen hoort, herhaalt. En als Lorre opmerkt, dat wanneer hij de +klank „kopje krauw” laat hooren, de mensch naar hem toe komt om hem te +streelen, dan associeert hij die klank met de er op volgende +liefkoozing. Op een andere keer kan hij deze dan zoolang herhalen, tot +aan z’n „verzoek” gehoor is gegeven. Door ervaring heeft ’t dier dan +geleerd. Gedacht, „z’n verstand gebruikt”, heeft het niet. + +Dat een papegaai een grooter leervermogen heeft dan andere vogels, is +waar. Er zijn zelfs onder de papegaaien bepaalde soorten, die meer +kunnen leeren dan de andere. Hoe jonger zij zijn, hoe meer zij leeren +kunnen en als men een papegaai het spreken wil leeren, doet men ’t +beste een jonge daarvoor uit te kiezen. Oude vogels leeren het nooit +zoo goed. + +De lories, die men vaak in kooien ziet, worden niet om hun spraak, maar +voornamelijk om de pracht van hun veeren gehouden. Deze is dan ook +ongeëvenaard. Hoe schittert de veelkleurige LORI (TRICHOGLOSSUS NOVAE +HOLLANDIAE) (No. 63) niet in werkelijk alle kleuren van den regenboog. +Hoe fraai moet een troep van deze kleine levenmakers niet aandoen in +hunne natuurlijke omgeving, ’t grauw-grijze oerbosch van Australië. +Want dit werelddeel is het thuis van de lories, zoowel als van de +KAKATOE (CACATOUA TRITON) (No. 64) en de UILPAPEGAAI (STRINGOPS +HABROPTILUS) (No. 65). + +Niet alleen is Australië het thuis, het is zelfs de bakermat van alle +papegaaien en vandaar uit hebben zij zich over de wereld verspreid. In +Europa zijn zij evenwel niet. Want daar papegaaien van oorsprong +tropenvogels zijn, overschrijden zij op een enkele uitzondering na een +bepaalde warme-zône (40° N.Br. en 55° Z.Br.) niet. + +De lories behooren tot de kleinere papegaaisoorten, doch zijn op verre +na de kleinsten nog niet. Er zijn papegaaitjes niet grooter dan een +musch. + +De fraai-gekuifde kakatoes beperken zich, op één uitzondering na, +eveneens tot het Australisch gebied. Zij leven in zeer groote troepen +te samen en zijn daardoor vaak zeer schadelijk, wanneer zij in +plantages komen, en zich daar te goed doen aan zaden en noten. Geen +wonder dus, dat de kolonisten hen jagen en dat de inboorlingen van +Australië hen met den boemerang te lijf gaan. + +De wonderlijkste van alle papegaaien is wel de STRINGOPS of UILPAPEGAAI +(No. 65), die slechts met één soort z’n familie vertegenwoordigt. Deze +uil, de Stringops Habroptilus of Kakapo komt alleen maar voor in +Nieuw-Zeeland en beperkt zich daar nog tot het Zuid-Westelijk deel van +het eiland. De naam „uil-papegaai” danken zij aan hunne nachtelijke +levenswijs, tengevolge waarvan de vogel ook lang onbekend is gebleven. +Eerst een 60 jaar geleden is de eerste huid van dezen vogel naar Europa +gekomen, hoewel men reeds veel langer wist, dat zich ergens in +Nieuw-Zeeland een nog onbekende vogel op moest houden, daar de Maori’s +zich vaak met z’n prachtig groene veeren versierden. + +Doch niet alleen tengevolge van zijn nachtelijke levenswijze is de +vogel zoo moeilijk te bestudeeren geweest, hij heeft ook het gebruik +van zijn vleugels verleerd en vliegt nooit meer. Hij loopt over den +grond zijn voedsel, dat uit jonge plantendeelen en mossen bestaat, te +zoeken. Slechts als hij hard loopt, gebruikt hij z’n vleugels om z’n +evenwicht te bewaren. De kam op het borstbeen, die als aanhechting +dient voor de vliegspieren is dan ook zeer gereduceerd en er is niets +meer dan een kleine lijst van over. + +Van de papegaaien buiten het Australisch gebied, zijn de +Zuid-Amerikaansche wel de meest algemeen bekende, want de leuke +PARKIETJES (CONURUS CACTORUM) (No. 66) broeden haast in iedere volière, +en de mooie ara’s kiest men graag als kooivogel, ter wille van hun +prachtige veeren en de groene AMAZONE PAPEGAAI (CHRYSOTIS LEVAILLANTI) +(No. 67) om z’n bevattelijkheid. Toch, hoewel deze kortstaartige +amazone papegaai zeer aardige en zeer mooie vogels zijn om in een kooi +te houden, staan zij in begaafdheid ver achter bij de rood-grijze jako +van Afrika en in fraaiheid van veeren steken de ara’s hen de loef af, +want de fraaiheid van deze ara-veeren is welhaast onovertroffen. + +De Indianen van Zuid-Amerika schatten deze veeren dan ook zeer hoog en +jagen de BLAUW MET GELE ARA (ARA ARARAUNA) (No. 68) de roode ara’s en +de prachtig blauwe hyacinth-ara’s graag om die prachtige veeren te +bemachtigen. Ook hebben zij vaak papegaaien als huisdier zoodat deze af +en aan vliegen, zooals bij ons de duiven. + +Daar ara’s de gewoonte hebben, altijd weer in denzelfden boom te +nestelen, worden deze boomen het eigendom van den Indiaan, die ze het +eerst vond. Een eigendom dat erfelijk is en steeds van vader op zoon +overgaat. Juist zooals bij ons in oude tijden de „honingboomen” van +vader op zoon overgingen en slechts één familie het recht had de in de +loop der zomer er door de bijen ingebrachte honing te zamelen. + + + +§ 2. Terwijl de vertegenwoordigers der eerste orde in de groep der +Fibulatores, de papegaaien, grijpvoeten hadden, hebben die der tweede +orde, de SCANCORES of KLIMVOGELS, de voor hen zoo typische klimvoeten. + +In de eerste plaats dient daarvan genoemd te worden de TOERAKO of +HELMVOGEL (TURACUS ALBOCRISTATUS) (No. 69), die zoo genoemd wordt om de +helm van veeren, die van af zijn korten driehoekigen snavel den +geheelen kop bedekt. Zij leven in de dichte acacia-bosschen der +Afrikaansche keerkringen. + +Merkwaardig is het, dat hun veeren van een ander soort groen zijn, dan +gewoonlijk bij vogels aangetroffen wordt. Groene veeren of alle andere +kleuren bij vogels worden veroorzaakt door bepaalde structuren in de +baarden en baartjes. Deze structuren hebben een lichtbreking tengevolge +en van het gebroken licht worden slechts bepaalde stralen +teruggekaatst. Bij groene veeren kan hierdoor die glanzende weerschijn +ontstaan. + +’t Groen van toerakoveeren evenwel wordt veroorzaakt door een bepaalde +groene kleurstof, die er in aanwezig is. Zoo is het ook met de purperen +vlek aan hunne vleugels. Deze is niet eens waschecht en geeft kleur af +als de vogel zich baadt. Later, als zij droog worden, kleuren zij weer +bij. + +In de familie van de koekoeken daarentegen vindt men in de GOUDKOEKOEK +(CHRYSOCOCCYX CUPREUS) (No. 72) een van de mooiste voorbeelden van +groene kleur door lichtbreking. Deze vogel, die in Afrika, Azië en +Australië voorkomt, streeft de pauw nabij in z’n schitterende, +metaalglanzende groen met gouden pracht. En deze „Didrik”, zooals de +Zuid-Afrikaansche Boeren hem noemen, heeft de eene echte eigenschap der +koekoeken van onze streken: zij laat n.l. haar eieren uitbroeden door +de kleinere zangvogeltjes. + +Weinig vogels hebben zoo de belangstelling van onze Noordelijke volken +opgewekt, als de gewone KOEKOEK (CUCULUS CANORUS) (No. 71). Waren het +de zwanen, die de verbeelding der dichters gevangen hielden, de koekoek +heeft tot minder verheven gestemde geesten gesproken en zich gedrongen +in ’t leven van ’t volk. In ’t sober alledaagsch bestaan van de +menschen op het land zijn het simpele en eenvoudige dingen, die kleur +brengen in de eentonige sleur der jaren. En deze simpele dingen waren +schatten van de natuur. Zij hebben deze rijkdommen opgemerkt en tot een +deel van hun leven gemaakt, lang voor dat de natuurlijke historie een +bron van studie voor geleerden, heel lang voordat het een mode voor Jan +en Alleman was. De eigenaardige levensgewoonte van de koekoek maakten +een dusdanige indruk op de menschen, dat zij invloed gehad hebben, ook +op onze taal en ’t bijgeloof in onze streken. + +Hoewel er vogels genoeg zijn waaraan onze taal beelden en uitdrukkingen +ontleent, is er geen één, die er zoovele geleverd heeft als de koekoek. +Men mag hooren: domme gans, uilskuiken, „als een kip zonder kop”, „van +een uil, die men acht een valk te zijn”, „zoo rood als een kalkoensche +haan”, de koekoek heeft er legio, die hem in verband staan. Ieder kent +ze wel: bijv. „’t is alles koekoek één zang”. „Loop naar de koekoek”. +„Dat haalt je de koekoek”. „Een koekoeksei uitbroeden”. „Een +koekoeksjong groot brengen”. + +En dan ’t bijgeloof! In sommige streken van ’t land meent men, dat de +koekoek voorspelt, wanneer men sterven zal. Men heeft daartoe maar te +tellen, hoe vaak de koekoek achtereen z’n naam roept, dan kent men ook +’t aantal jaren, dat men nog te leven heeft. In andere streken zijn ’t +jonge meisjes, die met kloppend hart de roep tellen, want dan weten zij +hoe lang ’t duurt eer zij trouwen zullen. Ook kan in bepaalde +omstandigheden ’t aantal malen dat men ’t „koekoek” hoort de +hoeveelheid jaren aangeven, waarop een wensch in vervulling zal gaan. +Maar dan dient men die wensch te uiten als men de eerste roep hoort en +bovendien moet men dan tusschen twee zusters loopen, met de oudste aan +de rechterhand. Uit al dergelijke feiten blijkt wel ten duidelijkste, +hoe ’t volk de koekoek heeft opgemerkt en toch is ’t bij ons niet zoo’n +vreeselijk algemeene vogel, zooals bijv. in de Skandinavische landen, +waar hij zoo algemeen moet zijn als bij ons de spreeuwen. + +Maar waar een koekoek is, wordt hij opgemerkt. Dit komt wel +voornamelijk door de roep, die altijd van het mannetje is. Deze heeft +een bepaald gebied, waar hij in huist. Een eigen vrouwtje heeft hij +nooit. Ieder vrouwtje dat z’n gebied doortrekt, is hem welkom en als +hij weet dat er een in de buurt is, koekoekt hij nog harder dan te +voren. Soms hoort men de koekoek de halve nacht door, andere keeren +komt hij op een bepaald uur op een bepaalde plaats, ja dikwijls zelfs +op een bepaalde tak van een boom en roept daar maar. Als er een +vrouwtje in de buurt is, verandert hij z’n rustig en gelijkmatig +koe-koek in een haastiger en zenuwachtig klinkend koe-koe-koek, +koe-koe-koek. + +Als het vrouwtje een ei moet leggen, kan zij dit niet in haar eigen +nest doen. Zij heeft geen eigen mannetje, dat er een met haar bouwde en +legt nú in ’t gebied van het eene mannetje, dan weer in dat van een +ander, maar altijd kiest zij als legplaats een nest van een of ander +klein zangvogeltje. Die bebroeden dat vreemde ei trouw en geduldig en +als dan eindelijk ’t koekoeksjong uitgekomen is, slepen zij aan wat zij +kunnen om z’n grage maag te vullen. Die indringerige, sterke vogel +spert z’n mond zoo wijd open en duwt z’n pleegbroertjes en -zusjes zoo +in een hoekje, dat deze haast niets te eten krijgen en haast niet +groeien. + +De jonge koekoek daarentegen groeit als kool en al heel gauw wordt het +hem te benauwd ’t kleine nest met de andere vogeltjes te deelen en hij +woelt net zoolang tot zij er uitvallen en sterven. De oude vogels +merken niet eens dat hun eigen kinderen weg zijn, zoo druk hebben zij +het met ’t voeren van ’t ongevraagde pleegkind. Z’n eigen moeder trekt +van ’t eene mannetje naar ’t andere, legt een ei hier, een ei daar en +trekt zich van „moederplichten” geen steek aan. De vader weet van z’n +bestaan niet af, maar koe-koe-koekt lustig een volgend vrouwtje toe. + +En de menschen die ’t zien, veroordeelen de koekoek. Dat is dwaas. Een +koekoek kan ’t niet helpen, dat hij zoo is, daar is hij nu eenmaal een +koekoek voor. Zij zouden niet eens een broedsel groot kunnen brengen, +want ’t vrouwtje legt haar eieren met zulke groote tusschenpoozen, dat +zij niet in staat is ze zelf uit te broeden. + +De SPOORKOEKOEK (CENTROPUS) (No. 70) daarentegen is er wel toe in staat +en de twee à drie eieren die zij hebben, worden zoowel door den man als +door de vrouw ijverig bebroed. Het is even als onze koekoek een +levendige en bewegelijke vogel met ’t echte koekoek-uiterlijk, ’t +zelfde lange slanke lichaam, dezelfde krachtige korte snavel. Z’n +achterteen evenwel heeft een lange nagel „de spoor”, waaraan hij z’n +naam te danken heeft. + +In tegenstelling met onzen koekoek en den Didrik voedt hij zich met +bessen en zaden, in plaats van met insecten. + +Van den TOEKAN (RAMPHASTOS ARIEL) (No. 73), een zeer algemeenen vogel +in Brazilië, weet men, ondanks z’n veelvuldig voorkomen, zeer weinig +van het voedsel, dat hij gebruikt. Men verschilt zelfs van meening of +het plantaardig dan wel dierlijk zal zijn. In gevangenschap zijn de +vogels alleseters, in de vrijheid, als zij hoog in de toppen van de +Braziliaansche boomen van kruin tot kruin zweven, is het moeielijk na +te gaan waarmee zij zich voeden. Eigenaars van bananenplantages zijn +evenwel niet op hunne bezoeken aan de tuinen gesteld, daar deze er zeer +merkbare schade van ondervinden. + +Voor de inlandsche bevolking van Brazilië zijn de vogels van belang, +omdat zij hen in het droge jaargetijde een uitnemende voeding opleveren +en er dan ook op deze dieren gejaagd wordt. + +De mooie gele veeren, die de vogel aan de keel en aan de stuit heeft, +worden door de inboorlingen veel gebruikt als versiering van hunne +kleeding. Zij maken er zelfs mantels van. Daar zij er +begrijpelijkerwijze zeer veel veeren voor noodig hebben en zij zelf +inzien, dat de vogel tot uitsterven gebracht zou worden als zij gedood +werden, hebben zij een ander middel bedacht om die veeren te +bemachtigen. Zij schieten daarom de vogels met zeer licht vergiftigde +pijlen, zoodat zij slechts door ’t gif bedwelmd worden en neervallen. +De verlangde veeren worden nu uitgerukt en bijgekomen vliegen de dieren +weg, om misschien in hun verdere leven éénmaal per jaar dezelfde +bewerking te ondergaan. + +De snavel van deze pepervreters lijkt ons onevenredig groot toe en +schijnt buitensporig zwaar te zijn. Het tegendeel is waar, daar deze +geheel uit een zeer poreuse massa bestaat en juist buitengewoon licht +is. + +De BAARDVOGELS (BUCCO VERSICOLOR) (No. 74) onderscheiden zich door hun +snavelaanhangsels, want de veeren aan de snavelbasis zijn tot talrijke +borstels geworden, aan welke merkwaardigheid hij zijn naam van +baardvogel te danken heeft. Het zijn prachtige, in allerlei bonte +kleuren prijkende vogels; hun voedsel, dat uit insecten bestaat, is er +in overvloed, zij doen dan ook niet veel moeite het te vangen. ’t Zijn +trage, domme en luie vogels. Deze eigenschappen gevoegd bij hun stille +roerlooze houding en geestelijke starheid heeft hen waarschijnlijk aan +den bijnaam van „Woudrechters” geholpen. + +In Afrika komt in sommige streken de HONINGWIJZER (INDICATOR INDICATOR) +(No. 75) voor. Daar waar zij zich ophouden zijn zij gauw genoeg aan +iedereen bekend om hun eigenaardige gewoonten de menschen te brengen +bij de dingen, die om de een of andere reden hunne opmerkzaamheid +trokken. En die zijn vele. Leeuwen, tijgers, luipaarden, bijenzwermen +brengen hen dikwijls in opwinding en doen hen roepen. De inboorlingen, +die graag honig uit de raat verorberen of een bijenzwerm mee naar huis +willen nemen, volgen de roepstem van het beestje in de hoop iets van +hunne gading te vinden. Door dit voor hen zoo voordeelige feit hebben +zij over ’t hoofd gezien dat de vogel hen ook even vaak brengt bij een +kreng—zoo noemt men een dood dier—een leeuw of een luipaard of zelfs +wel bij olifanten. + +De meeningen, zooals die ons uit reisbeschrijvingen bekend zijn +geworden, loopen dan nogal eens uiteen op dit punt. Het is een feit, +dat de honig in Afrika overvloedig voorkomt en dat de inboorlingen als +zij honig gaan zoeken, op het gedrag van deze vogel letten. En ook al +was de oorspronkelijke bron van agitatie een andere, al „gidsende” +wordt de aandacht van deze dieren vaak afgeleid en brengen zij de +Hottentot toch bij een bijennest. + +Wel een eigenaardig instinct! In enkele reisbeschrijvingen vindt men de +eigenaardigheid van den vogel, dat hij de menschen zoo „lokt” +aangegeven als „dienstijver” of „slimheid”. ’t Spreekt wel haast +vanzelf dat dit niet zoo is. Want niet alleen de mensch volgt het +roepen van den vogel; de honigdas, die in die streken voorkomt, geeft +daar ook gevolg aan. ’t Waarschijnlijkst is het evenwel dat de vogel +als hij een bijenzwerm ziet, daarop reageert door te roepen; dat de +honigdas en de mensch op dit roepen weer reageeren met +nieuwsgierigheid, die tot volgen dwingt en dat ’t vinden en plunderen +van de bijenstaat, de vogel weer de ervaring geeft, dat mensch en das +de honig kunnen bemachtigen en...... dat er dan ook altijd iets voor de +vogels op over schiet n.l. het broed. Hottentotten geven echter nooit +heel veel hiervan weg. In de eerste plaats niet, omdat zij het zelf ook +niet versmaden en in de tweede plaats niet, omdat de vogel wanneer zijn +honger niet gestild is, doch de lekkere smaak van ’t beetje afval „hem +naar meer smaakt”, zoodat hij hen nog bij andere bijennesten brengt. + +In ons eigen land zijn het de spechten, die samen met de koekoeken de +klimvogels vertegenwoordigen. De GROENE SPECHT (GECINUS VIRIDIS) (No. +76) is aan ieder bekend, die wel eens in bosschen gewandeld heeft. In +boschrijke streken hoort men bijna overal zijn lach, die luid begint en +langzaam zachter wordt. Ook kan men hen vaak hooren kloppen en hameren +tegen de boomen. Met krachtige, korte slagen wordt met de sterke snavel +tegen de boomen gehakt; ’t resultaat van die pogingen kan men dikwijls +genoeg aan de splinters zien, die beneden aan de voet van den boom in +het zand liggen. Met dit hakken onderzoekt de specht of de boom, die +hij onderhanden heeft, geschikt of niet geschikt is tot ’t maken van +zijn nest. Van alle boomen, die hij tot zijne beschikking heeft, kiest +hij daartoe ’t liefst diegene uit, die door een zwam of schimmelziekte +zijn aangetast en dus binnen in den stam hol of vermolmd zijn. Het is +de specht vaak verweten, dat hij door ’t hakken in de boomen zeer +schadelijk zou zijn; sinds men evenwel weet dat hij slechts dàn gezonde +boomen neemt als er geen zieke zijn, is die grief tegen hem erg +vermindert. Men kan nu andersom redeneeren en afgaande op ’t +spechtengat in een boom tot de conclusie komen, dat de boom, hoe gezond +hij op ’t oog ook leek, toch ziek was. + +Het aardigste laantje met spechtennesten, dat ik ken, is in de buurt +van Castricum. Daar is iedere boom van minstens twee of drie gaten +voorzien. + +’t Is de moeite waard om een specht aan ’t werk te zien. Hij klimt van +onderen af tegen den stam op, de nagels van zijn teenen in de schors +geklemd en steunend op zijn staart. Deze laatste is wel haast even +onontbeerlijk voor zijn klimpartijen als zijn klimvoeten. Daarom zijn +de schachten tot aan het einde heel dik en sterk en aan de stuitkant +juist veel dunner en elastischer, zoodat de staart bewegelijk is en in +een hoek met ’t lichaam geplaatst kan worden om tot steun te dienen. +Trouwens de geheele lichaamsbouw van dezen vogel is merkwaardig +practisch voor zijne levenswijze. Z’n snavel is beitel en hamer gelijk. +De bevestiging van den kop aan den romp is zoodanig, dat de vogel zijn +kop buitengewoon gemakkelijk bewegen kan en door zijn zeer sterke +halsspieren in staat is de noodige kracht uit te oefenen. + +De tong van den specht is ook een merkwaardig instrument en uitermate +geschikt voor het verwerven van voedsel. De specht eet graag insecten +of insectenlarven. Deze insecten, kevers bijvoorbeeld boren zich vaak +in ’t jarige hout. Een specht nu, steekt zijn heele lange, dunne tong +in die gang en spiest er de vette keverlarf mee vast aan de punt, die +scherp en hoornachtig is en van weerhaken voorzien. De larve kan +hierdoor niet verloren gaan als de specht hem door de nauwe gang trekt. +Bovendien is de tong zoo buigzaam dat hij alle kronkelingen en bochten +van die gang volgen kan. + +Van die bewegelijkheid maakt de specht nog op een andere manier +gebruik, n.l. om mieren mee te vangen. Evenals de draaihals, een van +z’n familieleden, is onze specht dol op mieren. Van de beten en de +besproeingen met mierenzuur, waarmee deze kleine diertjes zich +voornamelijk verdedigen, trekt hij zich niets aan. Op zijn dooie gemak +hakt hij een mierennest in stukken en zoekt de poppen, die hij met +smaak verorbert. Als de oude mieren dan in drommen er op af komen om +den inbreker te bestraffen, steekt hij rustig zijn geheele tong uit. +Deze is geheel omgeven door een laag kleverig slijm, waar de mieren aan +vastplakken, als vliegen aan een gompapiertje en door er een kronkelige +beweging mee uit te voeren werkt hij hen vliegensvlug naar binnen. + +De MUISVOGEL (COLIUS MACRURUS) (No. 77) komt slechts voor op het vaste +land van Afrika. Muisvogels wijken nog al erg van andere vogels af, +daarom veranderen zij nog al eens van plaats in het systeem. Zij leven +in troepen in buitengewoon dichte boschjes van groote doornstruiken, +die bovendien nog met slingerplanten doorvlochten zijn. Voor een mensch +is het onmogelijk zich er een weg doorheen te banen, zelfs met bijl en +jachtmes niet, zoo dicht omstrengelen die doornige takken zich. De +muisvogel trekt zich daar niets van aan. Grauw-grijs als een muis en +even vlug en behendig vinden zij hun weg door allerlei nauwe gaatjes en +gangetjes. Een onderzoeker, die aan den rand van deze dichte bosschages +zit, kan niet vlug genoeg wezen om te zien of het een vogel was of wel +een ander dier, dat daar zoo vlug als een schaduw weg vluchtte. + + + + + + + + +Van alle vogels, die zoo in het algemeen de belangstelling en de +opmerkzaamheid van de leeken trekken, omvat de zesde en laatste groep, +waarvan de vertegenwoordigers zich van die der vijfde groep vooral door +de stand der teenen onderscheiden, die der + + +BOOMVOGELS (ARBORICOLÆ) VI + + +wel verreweg de meeste soorten. Niet in de eerste plaats, omdat deze +groep zooveel rijker aan individuen is, verheugt ze zich in deze +bekendheid. Hoewel de hoeveelheid van vormen, die haar +vertegenwoordigen, in numeriek aantal ver dat van de andere groepen +overtreft, (ja, zelfs nog het aantal vogels, dat in al de vijf overige +groepen is ondergebracht, te boven gaat), is dit toch niet de +voornaamste reden van hunne populariteit. Hiermee wil ik niet +ontkennen, dat dit groote aantal de kans de opmerkzaamheid der menschen +te trekken, niet verhoogen zou. Integendeel! Doch bovenal vallen zij op +door hun zingen. En dan zijn het nog voornamelijk de vertegenwoordigers +van de laatste orde in deze groep, de zangvogels, die dit in hoofdzaak +doen, want veel van de vogels in de eerste drie orden der Boomvogels, +maken er maar wat van als het op zingen aankomt. + +De zangvogeltjes zijn en blijven nu eenmaal de lievelingen van het +publiek. Al wemelen onze weiden van de steltloopertjes, al ontbreken de +meest verschillende zwemvogels, hoenders, roofvogels en klimvogels in +ons land niet, zangvogeltjes staan boven aan en hebben de eerste plaats +in ’t hart der menschen. Zij spreken met hun zang direct tot het gemoed +en gevoelig en ontvankelijk hiervoor gestemd door de idyllische +omgeving van een loofbosch en de heerlijke rust van de zomervacantie, +herdenkt de mensch hen in dankbare herinnering en noemt hen „de liefste +vogeltjes”. + +Toch, als de mensch niet oppast, zal het aantal van deze bekoorlijke +diertjes snel verminderen en zullen er slechts weinig soorten +overblijven, die in de dagelijksche omgeving zijn vreugde uitmaken. + +Want de beschaving dringt zich overal in en neemt bezit van de plekjes, +die reeds sinds eeuwen het eigendom waren van de kleine zangers. De +oerbosschen zijn al lang uit ons land verdwenen, omdat de menschen de +grond en het hout gebruikten. Tegenwoordig verdwijnen zelfs de laatste +schuilplaatsjes hoe langer hoe meer. + +Midden door een heerlijk rustig bosch wordt een tram aangelegd en voor +goed is de rust weg, die de vogels voor hun broeden noodig hebben. +Drommen menschen komen op de mooie voorjaarsdagen en genieten van het +heerlijk buiten zijn. De natuurmenschen voelen zich evenals de vogels +verdrongen en trachten ergens anders hun stille geneugten te vinden. +Zij moeten steeds verder trekken met tram en trein en boot om plaatsen +te vinden, die de horden der stadsmenschen nog niet ontdekt hebben. + +Ook de vogels doen dat. Toch kan men heel veel voor de zangvogeltjes +doen en het hen aangenaam maken, waardoor zij in onze stadsparken +blijven. Want al heeft een vogel haast nergens meer zijn rustige +omgeving, hij wil ook wel broeden als zijn nest maar ongestoord gelaten +wordt en went wel aan de wandelaars. Een der beste manieren om de +vogels te helpen is door het ophangen van broedkastjes. + + + +§ 1. Opvallend door de hardheid van hun snavel en hunne zeer kleine +voeten zijn de INCESSORES. Vooral bij de HOORNRAAF (BUCORAX +ABYSSINICUS) (No. 79) en de NEUSHOORNVOGEL (BUCEROS RHINOCEROS) (No. +80) is de harde snavel wel heel typisch. Deze lijken erg zwaar en geven +’t gevoel, dat de vogel topzwaar moet zijn met zoo’n zwaarte aan z’n +kop. In werkelijkheid zijn ze echter zeer licht, daar ze bestaan uit +een zelfde sponsachtig hoornweefsel, waaruit ook de snavels van de +pepervreters waren samengesteld. + +De hoornraaf, die in Afrika een zeer bekende vogel is, wordt door de +Engelsche kolonisten „wilde kalkoen” genoemd, omdat het mannetje als +het opgewonden is, zich in veel opzichten als een kalkoensche haan +gedraagt. Het spreidt z’n staart waaiervormig uit en blaast zich op, +terwijl het een eigenaardig brommend „boe” laat hooren. Daar de +hoornraaf zeer vaak roept, voordat het gaat regenen en de regen in deze +warme landen wel eens langer op zich laat wachten dan de menschen +aangenaam is, hebben de kaffers in hunne bijgeloovigheid gedacht, dat +de vogel den regen aanriep. Zij meenen dat het gauwer regenen zal als +zij een vogel dooden en in ’t water werpen. „Want”, redeneeren zij, +„sinds er blijkbaar een verband is tusschen den vogel en het water en +de vogel een zeer onaangename reuk heeft, zal de regen ’t niet kunnen +verdragen, dat het water op aarde „ziek” wordt door zoo’n stinkenden +vogel. Dan zal de regen wel komen om het „zieke” water weg te spoelen.” + +De NEUSHOORNVOGELS, die in Afrika, Azië en Oost-Indië in verschillende +soorten voorkomen, hebben een zeer merkwaardige levenswijs. Tijdens de +broedtijd is het vrouwtje ingemetseld in een grooten hollen boom, waar +het nest met de eieren in verborgen is. Slechts haar snavel steekt er +uit en ’t mannetje voert haar door het spleetje. Zoo intensief broedt +het vrouwtje, dat zij al haar veeren verliest en zij, als de jongen uit +het ei gekomen zijn, vooreerst niet vliegen kan en haar echtgenoot nu +de zorgen voor haar en ’t kroost dragen moet. Tegen den tijd, dat het +vrouwtje haar veeren terug heeft en de jongen mans genoeg worden om +voor zich zelf te zorgen, is de vader niet veel meer dan vel over been. +Een toonbeeld van plichtsbetrachting en een beschamend voorbeeld voor +vaders, die klagen over de last van kinderen groot brengen! + +En, zooals de neushoornvogel en z’n harde levenstaak ons een les +leeren, zoo leert de REUZENIJSVOGEL (DACELO GIGAS) (No. 81), die +onverbeterlijke lachebek uit Australië ons een andere. Hij lacht daar +als ’t avond wordt, hij lacht als de nacht weer plaats maakt voor den +morgen en zoo aanstekelijk is zijn lachen, dat zoodra de eerste van +deze vroolijke vogels er mee begonnen is van alle kanten de vriendjes +invallen, totdat de omgeving schatert en de mensch er door aangestoken +wordt en mee lacht. Waarom ook niet, waarom niet blij te zijn met +iedere verandering? Van onze inlandsche ijsvogeltjes (Alcyon) +onderscheidt hij zich evenals de HALCYON DIOPS (No. 82) van de Molukken +en de andere Halcyonsoorten zeer sterk in levenswijs. Want, waar de +gewone ijsvogeltjes zich voeden met visschen, die zij duikend uit het +water vangen, hebben de Halcyon’s maar bij hooge uitzondering visch op +tafel. Gewoonlijk voeden zij zich met insecten en kleinere +werveldiertjes, waaronder veel reptielen zijn. De reuzenijsvogel is +zelfs als reptielen-verdelger van belang, daar hij de +allergevaarlijkste en giftigste kleine slangetjes doodt en opeet. + +MEROPS APIASTER, de BIJENETER (No. 83) is een typische vogel voor de +tropische landen der oude wereld. Z’n verschijning is zeer opvallend en +spottend met iedere mimicry en camouflage dringt hij zich, vliegend +zoowel als zittend op aan de aandacht der menschen door zijn bonte +hoeveelheid van de prachtigst gekleurde veeren. Vooral in den +broedtijd, als zij groote koloniën vormen, leveren zij een fraaien +aanblik als men hen alle tegelijk te zien krijgt. Zij graven hunne +nesten in steile wanden, waardoor men ze heel moeilijk bereiken kan. +Hierin maken zij heele lange gangen en aan ’t einde er van graven zij +een holte. Het vrouwtje legt daar de eieren en slechts gedurende den +nacht en in den broedtijd trekken zij zich in deze appartementen terug +om te slapen. Gedurende den zomer komt deze bijeneter wel eens in ons +land en in Duitschland. Hij moet echter als zeer zeldzaam beschouwd +worden, evenals HOP (UPUPA EPOPS) (No. 84), die in ons land in het +begin van September of in de laatste dagen van Maart wel eens op de +trek waargenomen wordt. In Duitschland komt hij iets algemeener voor, +maar zijn eigenlijke vaderland is Noord-Afrika en Zuid-Europa. In deze +landen, waar de reiniging geen probleem is van officieele zorgen, heeft +de hop zich vrijwillig met de hygiënische diensten belast en heeft hij +daar de taak overgenomen die bij ons in minder moderne streken door den +tonnenman wordt verricht. Op de mesthoopen van menschelijk vuil zal men +in deze zuidelijke streken de hop dan ook geregeld aantreffen en de +„hoed-hoed” (zoo noemt men hem) goedmoedig verdragen. De vogel is daar +in ’t geheel niet schuw, wel een groot verschil met zijn gedrag in +Duitschland. Daar mijdt hij de menschen zorgvuldig. Hij huist in muren +of boomholten en is zóó in hooge mate onzindelijk op zijn nest (het +vuil van de jongen wordt nooit weg gedragen), dat zelfs de katten er +vies van zijn en nooit aan de jongen komen. Waar onreinheid al niet +goed voor is, zou men geneigd zijn te denken. + +Eveneens een zeer zeldzame gast in ons land is de prachtige SCHARRELAAR +(CORACIAS GARRULUS) (No. 85), die bij ons niet broedt, doch hiervoor +het liefst de tropische streken van den Ouden Wereld uitkiest. Zij +willen dikke holle boomen om hun nest in te maken en streken waar +weinig menschen zijn. Een rustige omgeving met een verwaarloosde boom, +is in ons menschenrijke Midden Europa helaas een utopie. In ’t najaar +trekt de vogel zeer ver ’t zuiden in tot zelfs in Natal toe is hij +gesignaleerd. Maar hoever de reis ook is, de vogel, die niet bezeten is +door de moderne snelheidskoorts, reist op z’n dooie gemak en toeft op +iedere plaats, die voedsel genoeg voor hem heeft. + +De laatste familie in deze orde vormt de overgang tot de volgende, +zooals dit zoo vaak in een systeem het geval is. De BATRACHOSTOMUS +AURITUS, DE KIKKERBEK (No. 86) doet n.l. zeer sterk aan den +geitenmelker denken, vooral door zijn breede en platte kop, groote +oogen en weeke veeren. De kop lijkt vooral zoo breed door den vlakken +snavel, waarom dan ook in den Latijnschen naam en in de Hollandsche +vertaling er van, duidelijk de gelijkenis met een kikker aan gegeven +is. Het vaderland van dezen mooien, warmbruinen vogel is Sumatra en +Borneo. + + + +§ 2. In de tweede orde is de NACHTZWALUW of GEITENMELKER (CAPRIMULGUS +EUROPAEUS) (No. 87) weer een prachtig voorbeeld van camouflage, want +z’n kleur en z’n meegekregen instincten beschutten hem in hooge mate en +maken hem haast onherkenbaar van den tak, die hij zich tot zitplaats +kiest. Daar het instinct van dezen vogel hem in de lengte op den tak +doet plaats nemen, lijkt hij buitengewoon veel op een knoest. Het is +dan ook maar heel zelden, dat men een nachtzwaluw dwars op een tak ziet +zitten. Horizontale takken hebben een speciale bekoring voor deze +vogels, omdat ze de meest geschikte, d.w.z. de meest beschuttende, +zijn. Daar horizontale takken betrekkelijk zeldzaam zijn, vindt men den +vogel slechts op speciale plaatsen. Bij ons in de duinen zijn dat vaak +de berkenboschjes. Maar ook op andere plaatsen kan men hem aantreffen. +Naumann, de bekende ornitholoog, vertelt zelfs dat hij van één zelfden +horizontalen tak van een appelboom in z’n tuin meermalen een +nachtzwaluw wegschoot. + +Is er evenwel geen horizontalen tak te vinden, die naar den zin van den +vogel is, dan neemt hij ook wel genoegen met een platten steen op den +grond. Als hij daar onbewegelijk zit, schijnt het of hij slaapt. Zijn +oogen houdt hij slechts een kiertje open en door dit spleetje neemt hij +alles waar, wat in zijn omgeving gebeurt, zonder dat hij zelf opgemerkt +wordt. Had hij zijn groot mooi oog open gehouden, het zou hem verraden +hebben meent Heinroth, iemand, die er zeer oorspronkelijke denkbeelden +over vogelinstinct en mimicry op nahoudt. Hij gaat zelfs zoover, om in +de langzame, haast onmerkbare overgangen, waarmee deze vogel van de +eene beweging in een andere overgaat, een beschuttingsinstinct te zien. +Als de vogel vóór hij gaat vliegen, eerst met ingetrokken kop z’n +bovenlijf langzaam heen en weer wiegt, dit dan voortdurend sneller en +krachtiger doet, lijkt hij, volgens dezen auteur, op een door den wind +bewogen blad. + +De Vaandel-nachtzwaluw van Afrika, die zoo genoemd wordt om twee +vaandelachtige veeren, die van uit z’n vleugels wapperen, is een van +z’n mooiste verwanten. + +Andere familieleden van deze nachtzwaluwen zijn de zoozeer bekende +SALANGANEN (COLLOCALIA FUCIPHAGA) (No. 88), de vogeltjes, die de +beroemde eetbare vogelnestjes, waarop de Chineezen zoo dol zijn, +bouwen. Lang heeft men in ’t duister verkeerd omtrent de herkomst van +de stof, waaruit deze nestjes gemaakt zouden zijn. Vroeger meende men, +dat de vogeltjes (Sarong-burong, zooals de Javanen hen noemen) uit de +wieren in zee het materiaal zouden putten. Zooals later door Bernstein +is aangetoond, is dit een dwaling; want in werkelijkheid bestaan de +nestjes uit speeksel van de salanganen. In den tijd van den nestbouw +zwellen bij deze diertjes de speekselklieren sterk op en scheiden eene +taaie, kleverige substantie af, die aan de lucht verhardt. Al vliegend +drukken zij deze taaie massa tegen de rotsen aan en verwerken het tot +de nestjes, die den bekenden vorm van een in achten gesneden bal +hebben. In de donkerste en meest ontoegankelijke plaatsen, aan steile +rotswanden van nauwe bergspleten vindt men de broedplaatsen. + +De lichtere plekken aan den rand van de spleten worden door een verwant +bewoond, de COLLOCALIA LINCKI. Om gegeten te worden zijn de nesten van +deze soort ongeschikt, daar er grashalmen en strootjes in verwerkt +worden, hoewel de grondsubstantie ervan eveneens speeksel is. + +Het oogsten van de nesten is door de ontoegankelijkheid van de +plaatsen, waar de vogels ze bouwen, een zeer gevaarlijk werkje maar, +daar het voordeelig is, hebben de mannen het er graag voor over. Voor +een pond van de beste witte vogelnestjes gaf men eenige jaren voor den +oorlog in Hong-Kong grif honderd twintig gulden. Als men bedenkt dat er +zeventig nesten in een pond gaan en er drie nesten noodig zijn, om één +bordje soep voor één persoon te kooken, is het een aardig werkje uit te +rekenen, wat voor dat bordje soep betaald moet worden. + +Het „oogsten” van deze nestjes gebeurt drie maal per jaar, want drie +maal per jaar bouwen de vogels nieuwe nesten. Het beste en lekkerste +zijn de nesten, die het vlugst worden afgebouwd, dus die gemaakt worden +als de speekselafscheiding het overvloedigst is. Dat is in de tijden +dat er het meeste voedsel is, n.l. in April. Met buitengewone zorg +worden de nesten geplukt en in de schoone linnen zakjes gepakt, waarin +ze verzonden worden. Gebroken of bevuilde nesten verliezen veel van +hunne waarde. Daarom zijn die van de andere oogsten zooveel goedkooper, +want deze worden gebouwd in een periode, dat de vogels het veel kariger +hebben en krap in hun voer zitten, waardoor de speekselafscheiding veel +geringer is en de nesten veel langzamer afgebouwd en gauwer vuil +worden. + +Ten onrechte noemt men de salanganen in Indië vogelnest„zwaluwen”. ’t +Zijn geen echte zwaluwen, evenmin als de GIERZWALUW (APUS APUS) (No. +89) er een is, al doen zij in hun uiterlijk aan onze bekende zwaluwen +denken. Regelmatig verschijnen deze vogels den eersten Mei in ons land +en maken hunne komst dadelijk bekend door hoog in de lucht gierend rond +te cirkelen. + +Eigenlijk hooren de gierzwaluwen in de bergen thuis. Tegenwoordig +hebben zij zich aan de menschen en hunne steden en dorpen aangepast en +nestelen zij geregeld in torens en in hooge gebouwen. Bij gebrek aan +deze vergenoegen zij zich zelfs wel met een hollen boom of de dakgoot +van een gewoon huis. Zij kunnen niet al te kieskeurig zijn. Hun aantal +breidt zich snel uit en daar de woningnood ook onder hen nijpend is, +hebben zij geleerd te nemen wat zij krijgen kunnen. Dat in den nood om +zich een nestplaats te veroveren, niet altijd gewettigde middelen +gebruikt worden, laat zich, den vechtlustigen en onstuimigen aard van +deze vogels in aanmerking nemende, gemakkelijk begrijpen. Menigmaal +wordt dan ook een vreedzaam musschen- of spreeuwenpaartje van de goten +verjaagd, omdat de gierzwaluw meent, voor zich van den nood een wet te +mogen maken. + +Deze vogels, die door hunne levendigheid ’s zomers de stad +opvroolijken, houden zelf ook van gezelligheid. Altijd ziet men hen in +troepjes rondvliegen. In troepjes houden zij hun Mei intocht, in +troepjes trekken zij eind Augustus weer weg. Een enkele keer, met +ongewoon warme voorjaars, komen zij wel eens voor Mei; ook gaan zij wel +eens later dan Augustus weg, wanneer de zomer koud was en de jongen +zich dientengevolge niet snel genoeg ontwikkelden om mee op reis te +gaan. + +’t Zelfde, wat we al eerder opmerkten voor de meest tot vliegen +aangepaste vogels (zie Hoofdstuk II), zien we hier bij de gierzwaluw +weer. Ook deze, die een uitnemend vlieger is, is een stumper op z’n +pooten. Er op loopen kan hij niet, er op zitten evenmin. Hij kan er +zich slechts mee tegen een muur aanklampen; een houding, die hij +aanneemt als hij niet vliegt. Met alle vier teenen naar voren gericht, +hangt hij zich te slapen gedurende de paar uurtjes dat de zomernacht +duurt. + +De allerkleinste vogeltjes, de kolibri’s, zijn nauw verwant aan de +gierzwaluwen en salanganen. Toch loopen zij nogal uiteen en wijken +vooral in snavelvormen van hunne familieleden af. Doch ook onderling +verschillen de kolibri’s zeer veel in dit opzicht, daar zij alle +honingzuigende vogels zijn en elke snavelvorm is aangepast aan de +bepaalde bloemsoort, waaruit de kolibri het liefst z’n voedsel haalt. +Al honing zuigende brengen zij het stuifmeel van de eene bloem op de +andere van dezelfde soort en bevorderen op deze manier de +kruisbestuiving, die in vele gevallen zoo noodig is voor de +ontwikkeling van het zaad. Het moet een ongewoon fraai gezicht zijn +deze sierlijke, met schitterende metaal-glanzende kleuren prijkende +vogeltjes, den snavel diep in de bloem gestoken, honing te zien zuigen. +„Als edelsteenen fonkelend in de zon”, blijven zij al vliegend op +dezelfde plaats. + +Menschen, die voor het eerst in Amerika reizen, vallen sommige van deze +vogeltjes in de eerste plaats op door hunne kleinheid en zij houden hen +voor buitengewoon groote hommels of bijen, waarvoor zij dan natuurlijk +erg bang zijn. Doch slechts de allerkleinste kolibri’s geven aanleiding +tot deze vergissing. Er zijn er ook, die door hun lange staart en +vleugelveeren een vrij aanzienlijke lengte krijgen. Zoo meet bijv. de +TOPAAS KOLIBRI (TOPAZA PELLA) (No. 90), van staart tot kop wel 20 c.M., +waarom hij tot de grootste der kolibri’s gerekend moet worden. Dit +sierlijke vogeltje is beperkt tot Guyana, waar het orchideën bestuift. +Bij voorkeur vertoeft het bij water en vaak vindt men z’n nestje in een +vork van dunne twijgjes, die over een vijver hangen. Die kolibrinestjes +zijn teere, fijne dingetjes, „als door elfen gemaakt”. Van plantenpluis +worden ze met wat speeksel bij elkaar gekleefd. Vaak vindt men ze aan +den buitenkant overkleed met korstmossen, waardoor ze minder in ’t oog +vallen. + +De kolibri’s komen in geen ander werelddeel dan Amerika voor, maar daar +treft men hen dan ook overal aan waar bloemen zijn, tot zelfs in +Vuurland tot aan de sneeuwgrens komen zij voor. Iedere kolibrisoort +heeft z’n eigen streek, waarvoor hij kenmerkend is. Daar buiten komt +hij niet, daar leeft dan weer een andere vertegenwoordiger van dit zoo +vormenrijke geslacht. + + + +§ 3. In de derde orde van deze groep, die der CLAMATORES, vinden we +langzamerhand duidelijke overgangen tot de laatste orde, die der +zangvogels (§ 4). Vooral treft ons dit in het stemorgaan, de syrinx, +die in z’n bouw al reeds een aanwijzing geeft van de volmaking, die wij +bij de zangvogels aan zullen treffen. + +Toch, al is de KLOKVOGEL (PROCNIAS NUDICOLLIS) (No. 91) nog geen +eigenlijke zangvogel te noemen, heeft hij een buitengewoon liefelijk +stemgeluid, dat ieder, die ’t hoort, met verrukking vervult. Wie eens +van een gevangen vogel dit buitengewoon welluidende klokkengeluid +gehoord heeft, kan zich voorstellen, hoe betooverend mooi het moet +klinken als in het Braziliaansche oerwoud, hoog uit de toppen der +Moraboomen, ’t gelui van glazen klokken in volle harmonische toonen +naar beneden ruischt. Wat verder op klinkt uit een anderen boom het +antwoord. Waar dit geluid vandaan komt, wie het maakt, blijft den +meesten verborgen, want de vogel houdt zich schuil in het dichte +gebladerte en laat zich zelden zien. Wie volhardend genoeg is en zich +eenige moeite geeft, z’n weetgierigheid te stillen, kan een eenvoudigen +witten vogel, zoo groot als een duif, te zien krijgen. + +Ook de cotinga’s zijn Zuid-Amerikanen. Het zijn prachtige gekleurde +vogels. COTINGA MAYANA (No. 92) heeft z’n verbreidingsgebied van Zuid +Mexico tot Noord Argentinië. ’t Zijn vruchteneters, die zich ook wel +met dierlijk voedsel voeden. + +De KONINGSVOGEL (TYRANNUS TYRANNUS) (No. 93) is slechts ’s winters in +Zuid-Amerika, tot Ecuador en Amazoniën, zuidelijker komt hij niet. ’s +Zomers trekt hij naar Noord-Amerika. Hij verschijnt er midden Maart en +is in z’n broedgebied een zeer geziene vogel. Dit dankt hij misschien +wel aan de eigenschap de menschen niet te schuwen, doch juist z’n nest +in hunne onmiddellijke omgeving te maken, zooals lijster en merel dat +zoo vaak bij ons doen. Hierdoor ook is men ruimschoots in de +gelegenheid z’n gewoonten te bestudeeren en weet men heel wat meer van +zijn levenswijs, dan van die der klokvogels of cotinga’s. + +Als zij van hunne verre reis komen, zijn zij de eerste dagen moe en +stil en vallen nauwelijks op. Maar later, als zij uitgerust zijn, dan +komt hun ware aard voor den dag en zijn het levendige vroolijke vogels, +die ijverig beginnen met het bouwen van hun nest. Het liefst kiezen zij +daarvoor een plaats in tuinen of langs oevers van rivieren. De dichte +gedeelten van het binnenste bosch vermijden zij zoo veel als mogelijk +is. Als het legsel voltallig is, gaat het vrouwtje het bebroeden, +terwijl het mannetje de wacht houdt. Wat een baas hij is, toont hij +duidelijk als een ongewenschte bezoeker zich in de buurt van het nest +vertoont. Voor niets deinst hij terug, als het geldt z’n gezin te +verdedigen. En zoo hevig is z’n aanval, dat een kat, die eenmaal zoo +roekeloos was zich in de buurt van een broedenden koningsvogel te +wagen, voor goed z’n les geleerd heeft en voortaan zorgvuldig uit de +buurt van dezen vogel blijft en elders aan de kost tracht te komen. +Valken gaat het net zoo. Ook vogels, die veel grooter zijn dan hij +zelf, valt onze koningsvogel aan. Zelfs gieren en adelaars, die in de +buurt van zijn broedend vrouwtje komen, tracht hij op den rug te komen +en als hij daar eenmaal zit, deelt hij hen venijnige snavelhouwen toe. + +Naar alle waarschijnlijkheid had zoo’n adelaar geen enkele kwade +bedoeling, ten opzichte van onzen koningsvogels broedende vrouw. Doch, +de trouwe wachter duldt hen nu eenmaal niet, ver of nabij. Zoodra hij +hen opmerkt, vervolgt hij hen eenige kilometers ver en maakt het hen +lang niet gemakkelijk. + +De vertegenwoordigers van de PITTA’S (No. 94), de vierde familie in +deze orde, zijn te vinden in de Oude Wereld, in Indië, Australië en +Afrika, maar voor het meerendeel leven zij in onze Archipel, met Borneo +en Sumatra als middelpunt. + + + +§ 4. ZANGVOGELTJES! Als we de naam van deze orde uitspreken, dan denken +we in de allereerste plaats aan ’t kleine levendige goedje, dat in den +zomer onze bosschen, onze tuinen, de heggen langs de weilanden en +heivelden en het kreupelhout bevolkt; aan tjif-tjaf, groenling, vink, +roodstaartje, roodborstje, winterkoninkje, tuinfluiter, merel, lijster, +leeuwerik. Doch bovenal aan den nachtegaal, den koning der zangers, den +dichter der vogels, die in z’n armzalig grauw pakje zich niets aantrekt +van pracht en praal en schittering, maar in z’n eenvoud zingt, zooals +hij alleen te zingen weet. Zoodat de menschen, die het hooren, stil +worden en in zich zelf keeren en zich schamen om den ijdelen schijn, +die zij in ’t leven najagen, terwijl het hen misschien gegeven was om +als deze nachtegaal in eenvoud groot te wezen, als geen andere. + +Niet iederen zangvogel is het gegeven te zingen als een nachtegaal. Er +zijn er genoeg onder, die hun naam geen eer aandoen want kraaien, +roeken, gaaien, eksters enz. zouden beter „krassers” kunnen heeten. Zij +maken zelfs heel wat leelijker geluiden, dan de schreeuwers die in de +vorige paragraaf een plaatsje kregen. + +Niet alleen in stem, maar nog in verschillende andere eigenschappen +loopen de zangvogeltjes sterk uiteen. In den bouw van den snavel vooral +zijn verschillen waar te nemen. De zaadeters, zoo als vinken, hebben +een dikken knotsvormigen snavel, terwijl de insectenetende vogeltjes +een snaveltje hebben als een priem zoo fijn en scherp. Deze +onderscheiding kan men evenwel niet al te streng doorvoeren. Een +BOERENZWALUW (HIRUNDO RUSTICA) (No. 95), die toch uitsluitend +insecteneter is, heeft een korten breeden, vrij vlakken snavel, die aan +zijn kop een typisch ronde vorm geeft. Ook de oeverzwaluw heeft een +dergelijk kopje. + +Zoodra vliegen en muggen zich wat rijkelijker beginnen te vertoonen, +hebben de zwaluwen hier genoeg te eten en verlaten zij het zuiden, om +bij ons te komen broeden. De menschen merken hunne komst dadelijk op, +hebben er zelfs al een paar dagen van te voren naar uitgezien want +zwaluwen zijn zeer geliefde vogels, die men graag een plaatsje voor hun +nest inruimt. In vele boerenschuren wordt expres een gat boven in de +deuren gezaagd, waardoor de zwaluwen ten allen tijde in en uit kunnen +vliegen. Hierdoor is het hen mogelijk gemaakt in het binnenste der +schuur, tegen de balkenzoldering te nestelen. Dat doen zij wat graag, +deze vogeltjes, omdat zij daar best beschut zijn voor den regen. Zij +boetseeren vlijtig de klei tot een sikkelvormig kommetje, dat zij tegen +de wand aanplakken. Al gauw worden er eitjes ingelegd en worden de +jongen uitgebroed. Wat hebben de ouders het nu druk! Onafgebroken +trekken zij er op uit en geven ons ruimschoots gelegenheid hun snelle, +krachtige en fraaie vlucht te bewonderen terwijl we met genoegen naar +het zacht knisterend geluid luisteren, dat zij maken. Soms als zij stil +zitten, maar dat gebeurt in de broedtijd haast niet, laten zij een +zacht fluitend „wiet-wiet” hooren. + +In geheel Europa broeden de zwaluwen en overal staan zij even hoog in +de gunst der menschen. Wel een bewijs, dat de menschen naar den aard, +toch overal dezelfden zijn en iedereen verteederd is als dit sierlijke +slanke vogeltje een stil beroep doet op hunne gastvrijheid en +bescherming. Dat zij nuttig zijn, heeft op deze verbroedering geen +invloed gehad, want het ZWARTGRAUWE VLIEGENVANGERTJE (MUSCICAPA +ATRICAPILLA) (No. 96) is minstens genomen even nuttig en geniet geen +tiende van de populariteit, die de zwaluw ten deel valt. Al vliegende +vangt het ook een macht van insecten voor zich en z’n broedsel. Z’n +liedje is bovendien ook veel aardiger, zacht, weemoedig een beetje, +klinkt ’t ons toe. Dat doet dubbel vreemd aan, we hadden een +uitbundiger liedje van deze buitengewoon levendige vogeltjes verwacht. +In de noordelijke landen van Europa broeden de vliegenvangertjes niet, +want koude kunnen zij slecht verdragen. Hun verblijf bij ons is ook +vrij kort. Reeds betrekkelijk vroeg in ’t najaar trekken zij al naar +Klein-Azië en Noord-Afrika. De regenachtige dagen, die voor ons +menschen ’s zomers ook zoo naar zijn, lijken voor deze vogeltjes nog +veel erger, zoo triest en stil worden zij er van. + +De PESTVOGEL (AMPELUS GARRULUS) (No. 97) daarentegen, kan heel wat meer +kou verdragen. Deze prachtige vogel broedt in Siberië en komt alleen in +koude jaren of na het mislukken van den oogst, ’s winters bij ons. Van +alle kanten stroomen dan de berichten naar de kranten, dat men hen +gezien heeft. ’t Is dan ook werkelijk een opvallende verschijning. Als +in vroeger jaren de vogel opgemerkt werd, kwam hij, evenals nu, als het +voedsel in zijn eigen land op was: een bode dus van hongersnood. + +Honger vermindert altijd het weerstandsvermogen tegen ziekten. In +vroegere tijden, toen de algemeene levenstoestand veel onhygiënischer +was dan tegenwoordig, braken in een tijd van hongersnood allerlei +vreeselijke ziekten uit, waarvan pest wel de ergste was. In de jaren +dat de vogel gezien werd, volgde deze afschuwelijke ziekte hem gauw, +want waar geen voedsel voor de vogel was, leden ook de ratten honger en +ook deze trokken weg en brachten, zooals we nu weten, de besmetting +mee. De mensch alleen bleef waar hij was om te sterven. Zoo werd het +verband tusschen den vogel en de pest gezien en hieraan dankt hij zijn +naam waarschijnlijk wel. Nu in de laatste jaren is de vogel weer druk +gesignaleerd, een bewijs te meer van den honger in Rusland en Siberië. + +De KLAPEKSTER (LANIUS EXCUBITOR) (No. 98) kennen we al. Het is ’t +aardige vogeltje, dat de valkenier zulke goede diensten bewijst (zie +Hoofdstuk IV). Zijn eigenaardigheid te schreeuwen en uit alle macht te +keer te gaan als hij een valk ziet, is zoowel voor de kleine +zangvogeltjes als voor den valkenier de aanwijzing, dat er een valk in +aantocht is. Toch ondanks deze goede eigenschap moet hij als een echte +„Judas” beschouwd worden. Zelf een zangvogel, verkeert hij onder zijns +gelijken in vrede en vriendschap; plotseling verandert z’n aard, hij +vliegt op, pakt een van z’n argelooze kameraden op en worgt hem met z’n +pooten. Honger drijft hem daar niet toe, want hij eet hen dikwijls niet +eens dadelijk op. Vaak spiest hij, volgens klauwieren gewoonte, zijn +slachtoffer aan doornen of prikkeldraad. Daar kan men ze dan vinden in +gezelschap van muizen en insecten, andere slachtoffers van onze +klapeksters, die op dezelfde manier bewaard worden. + +Een andere vogel, die hoewel hij hoofdzakelijk van insecten en +sprinkhanen leeft en toch niet geheel ongevaarlijk is voor z’n +soortgenooten, is de FLUITVOGEL (GYMNORHINA TIBICEN) (No. 99), want +deze eet nog wel eens jonge vogels. Het lied, dat deze vogel zingt, kan +buitengewoon mooi zijn. Semon, in z’n voortreffelijke reisbeschrijving: +„Im Australischen Busch”, geeft er een heel aardige beschrijving van. +Niet alle vogels van deze soort zingen echter even mooi. Toch is van +alle de klank van hunne stem buitengewoon vol, aangenaam, melodieus en +diep. In volières en dierentuinen vindt men hen dan ook vaak. Soms zijn +er onder deze vogels eenige, die brokstukken uit straatdeuntjes +fluiten. Dat zijn de meest begaafden onder hen, behept met een goed +geheugen voor klanken en een zeer sterk ontwikkeld nabootsingsinstinct. + +Ook onze kraaien bezitten dit instinct, waardoor het mogelijk is hen te +leeren praten, hoewel vrij gebrekkig, dat dient erbij gezegd te worden. +„Gerrit” alleen leeren zij gauw en menig kind, dat een tamme kraai +gehad heeft, heeft hij verrukt door het uitspreken van z’n naam. + +BONTE KRAAIEN (CORVUS CORNIX) (No. 100) zijn de mooie vogels, die we +„somber” vinden omdat zij onze wintergasten zijn en zij door hunne +komst de treurmare brengen, dat de zomer onherroepelijk voorbij is. In +de sombere grauwe regendagen van November wanneer we hem voor ’t eerst +zien komen als levend deel van de regengrauwheid, vergeten we op te +merken hoe mooi deze vogel is, eigenlijk veel mooier dan de „Gerrit”, +die ’s zomers bij ons broedt en ’s winters als ’t streng vriest, het +Zuiden intrekt. Toch gebeurt het, dat op de plaatsen waar overvloed van +voedsel is, zooals op vuilnisbelten en mesthoopen, de zwarte en bonte +kraaien den geheelen winter door samen worden aangetroffen. In ’t +voorjaar trekken evenwel alle grijze kraaien weg, om in ’t Noorden te +gaan broeden. Vanuit het Zuiden dagen langzamerhand de zwarte kraaien +weer op, om weer bezit te nemen van de slordige takkennesten in de +toppen der iepen en als ’t weer een beetje goed is, zien we door de nog +bladerlooze boomen een kraaienkop over den rand van het nest uitsteken +en broedt de vogel haar eerste eitjes reeds uit. + +Wat of de kraaiachtigen in hun uiterlijk of levenswijs hebben, dat de +aandacht der menschen heeft gevat, weet ik niet, maar evengoed als wij +kraaien, eksters en gaaien voor „verstandige” vogels houden, beschouwen +de Chineezen de KITTA (UROCISSA ERYTHRORYNCHA) (No. 101) als een +„wijze” vogel, die in staat is andere vogels raad te geven. Waarin dit +raadgeven bestaat, is moeilijk te zeggen. Misschien is het hunne +eigenaardige gewoonte, op luidruchtige wijze de groote en kleine +roofdieren, die op jacht gaan, te volgen. Hierdoor bederven de kitta’s +de vangst van deze dieren totaal, want het lawaai dat zij maken, geldt +iedere andere vogel als waarschuwing. Groote en kleine dieren passen nu +op hun tellen, zijn meer dan gewoonlijk waakzaam en zullen nu niet +licht onverwacht door het sluipende luipaard besprongen kunnen worden. + +Hoewel zweefkitta’s veelkleuriger zijn dan eksters, lijken beide in de +vlucht sterk op elkaar. De een zoowel als de ander zou den uitvinder +van een vliegmachine geïnspireerd kunnen hebben, de aereoplaan z’n +bekende vorm te geven. + +Eksters bouwen een voor onze oogen heel merkwaardig nest, omdat zij er +een dak op zetten. Dit is evenwel niets vergeleken bij het kunstwerk, +dat de PRIEELVOGELS (AMBLYORNIS INORNATUS) (No. 102) van Nieuw-Guinea +er van maken. Zij danken er dan ook ten volle hun hollandschen naam +aan, want inderdaad, hun nest lijkt meer op een prieel dan op iets +anders. + +Aan den voet van een kleinen boom maakt hij z’n huis; buigzame sterke +stengels, die dooreen gevlochten worden, vormen het materiaal er voor. +In het midden van den voorkant, waar de ingang komt, wordt een soort +pilaar of pijler gebouwd. Maar, waarom dit nest, nog meer dan om z’n +kunstige bouw, de naam van prieel zoo ten volle verdient, is om de +„tuin”, die de vogels er voor maken. Het „gazon” dat vrij groot in +omvang is, wordt gevormd door mooi groen mos. De vogels versieren deze +open groene plek voor hun nest met allerhande kleurige voorwerpen, +steenen, bloemen en vruchten. Als deze beide laatste verleppen of hunne +kleur verliezen, brengt de vogel ze weg, op een soort mesthoop, die hij +achter z’n tuin heeft en ze worden dan door andere vervangen. In hun +verlangen naar mooie dingen, vergrijpen zij zich wel eens aan het +eigendom van de inboorlingen. Deze weten het wel en gaan als zij iets +missen, eerst bij de nesten der prieelvogels zoeken. Vaak is hun +achterdocht dan niet ongegrond geweest en vinden zij het verloren +eigendom in den „tuin” van dezen vogel terug. + +Slechts op Nieuw-Guinea komen deze vogels voor; zij zijn er in 3 +soorten. Weer een voorbeeld dus van „endemische” vormen. + +Trouwens, Nieuw-Guinea is rijk aan merkwaardigheden. Daar geven de +KLEINE PARADIJSVOGEL (PARADISEA MINOR) (No. 103) en de DRAADHOP +(SELEUCIDES IGNOTUS) (No. 104) en hunne familieleden duidelijke +voorbeelden van. De kleine paradijsvogel lijkt veel op de Paradisea +apoda, doch deze is wel bijna viermaal zoo groot en dan ook van deze +beide de meest om z’n veeren begeerde. Paradijsvogels worden door de +Papoea’s geschoten met een stompen pijl, omdat dan de huid minder +beschadigd wordt en deze meer waarde heeft voor een Europeesche dame, +die de afgrijselijke wansmaak heeft, met een heele paradijsvogel op +haar hoed te gaan wandelen. Vol trots steekt zij haar neus omhoog, in +’t poenige besef, dat zij voor een kapitaal op haar hoed draagt. En +ondertusschen worden de vogels om haar vermoord en uitgeroeid! + +Om den draadhop te vangen gaat een Papoea anders te werk. Eerst zoekt +hij onder de boomen naar de uitwerpselen van dezen vogel. In den boom, +waaronder hij deze vindt liggen, is de vogel gewend te slapen. Dan +wacht hij af tot de vogel komt en let hij op den tak waarop deze gaat +zitten, want iederen avond wordt vast denzelfden als slaapplaats +gekozen. Den volgenden nacht, als de vogel in diepen rust verzonken is, +klimt hij geruischloos naar boven en vangt den vogel door een doek over +hem heen te werpen. + +Begrijpelijker dan het zich optooien met veeren van doode vogels, is +het genoegen dat de menschen vinden in het in kooien houden van +gevangen vogels. Want als zij behalve door hun mooie veeren ook nog +mooi zingen, verschaffen zij dubbel genot. Toch is dit een surrogaat +van het genoegen, dat een ornitholoog in vrij levende vogels vindt, +want geen vogel zingt zoo mooi of is zoo mooi als in zijn natuurlijke +omgeving. + +Wie eens de WIELEWAAL (ORIOLUS ORIOLUS) (No. 105) z’n korte roep +(waarvan z’n naam slechts een povere nabootsing is), in de bosschen +heeft hooren roepen, beantwoord door een ander, weet wel, dat het in +een kooitje nooit zóó mooi kan klinken. + +Al is de BEO (EULABES RELIGIOSA) (No. 106) door z’n buitengewoon sterk +nabootsingsinstinct, in staat liedjes te leeren fluiten, de +menschelijke spreekstem na te bootsen of zelfs de menschelijke zang te +imiteeren, er gaat voor een echten natuurvriend niets boven een vrijen +vogel, die het liedje zingt dat z’n hart hem ingeeft. ’t Is zoo jammer +om de natuurlijke zang van een vogel op te offeren aan clownskunstjes, +want in de kern is al dat aangeleerde nadoen toch niets anders. + +Onze inlandsche imitator is de SPREEUW (STURNUS VULGARIS) (No. 107). +Dat hij onovertroffen is op dit gebied kan ik niet zeggen, daarvoor is +z’n stem niet rijk genoeg. Maar amusant is hij als hij op het randje +van de dakgoot in z’n prachtig gespikkeld voorjaarspak, z’n uiterste +best doet een merel na te fluiten of de roffel van het winterkoninkje +na te slaan. Al vroeg in het voorjaar kunnen wij zijn eerste zachte +fluittonen hooren. Want hoewel de meeste spreeuwen wegtrekken tot in +Noord-Afrika, is het meestal niet voor lang en komt hij al gauw terug +om te broeden. In zachte winters kan men in dorpen en boerderijen +voortdurend spreeuwen vinden, daar is voedsel genoeg voor hen te halen. +In het vroege najaar, in September, vereenigen zich massa’s van deze +jonge vogels tot de z.g. spreeuwenvolken. Die schijnen dan +vliegoefeningen te houden en kiezen als rustplaats een bepaald punt, +een boschje hakhout of zoo iets dergelijks. + +In Afrika leven een paar zeer bekende familieleden van hen, de +buitengewoon fraaie GLANSSPREEUW (LAMPROCOLIUS PURPUREUS) (No. 108) en +de om zijn eigenaardige levenswijs zoo beroemde ROODSNAVELIGE +MADENHAKKER (BUPHAGUS ERYTHRORHYNCHUS) (No. 109). Overal in de +Zuidelijke en Oostelijke steppen van Afrika, waar koeien, paarden, +buffels, antilopen, neushoorns en nijlpaarden aangetroffen worden, is +deze vogel ook te vinden, want waar deze groote zoogdieren zijn, kunnen +zij hun kostje ook ophalen. Dat bestaat uit vliegenlarven, die leven in +de huid van deze dieren en zich daar ten koste van hun gastheer voeden. +Die vliegen zijn een ware plaag, want als de larven volwassen zijn en +op hunne beurt weer eieren leggen, doen zij dat ook weer in de huid van +een of ander groot zoogdier. De madenhakkers nu, hakken de knobbels, +die zich vormen op de plaats waar zoo’n vliegenlarf zit, open en eten +de larf op. Deden zij niets meer, zij zouden als een voortreffelijk en +nuttig vogeltje beschouwd moeten worden. Helaas, voor de arme +viervoeters is de remedie erger dan de kwaal, want de vogels zijn ware +kwelgeesten, die het dier veel erger pijnigen dan alle vliegen en +larven te samen. Zij zijn zelf, net als het ongedierte, dol op +zoogdierenbloed en krabben om het te bereiken korsten van wonden, die +beginnen te heelen of hakken de made dieper uit dan noodig is. De wond, +die zij maken, moet flink diep zijn en sterk bloeden; zij zijn niet eer +tevreden vóór zij hun dorst aan rijkelijk vloeiend bloed goed kunnen +lesschen. + +De KOEVOGEL (MOLOTHRUS ATER) (No. 110) van Amerika, kwijt zich van +dezelfde taak op een betere manier. Voor zoover mij tenminste bekend +is, gaat hij niet buiten zijn boekje. Dat wil hier dus zeggen, dat hij +zich bij de larven houdt en zich niet voedt met het bloed der koeien en +paarden. In levenswijs komen deze vogels in zeker opzicht overeen met +de koekoeken, ten minste zij zijn ook polygaam, d.w.z. dat de mannetjes +niet trouw zijn aan één vrouwtje (of de vrouwtjes aan één mannetje). +Zij leven in gezelschappen en trekken zich van zorgen om jongen groot +te brengen of eieren uit te broeden, niets aan. Van tijd tot tijd +verdwijnt een vrouwtje uit deze troep, om in het nest van een ander +zangvogeltje een ei te gaan leggen en dit daar uit te laten broeden. +Evenals bij de koekoek, zou men geneigd zijn te zeggen, dat zij er te +„lui” voor waren, als we nu niet beter wisten, dat de vogels er evenmin +als de koekoek toe in staat zijn. + +De wevervogels (No. 111–117), die in tal van soorten in Afrika (waar +zij voor het landschap karakteristiek zijn) doch die ook in Azië en +Australië voorkomen, onderscheiden zich juist door het +tegenovergestelde. Men zou hen, van menschelijk standpunt af beschouwd, +buitengewoon vlijtig kunnen noemen. Zij besteden tenminste meer dan +gewone zorg aan hun nest, waarvan de vorm voor de verschillende soorten +nog al uiteen loopt. + +PLOCEUS ABYSSINICUS (No. 111), een van deze wevervogels, is zoo’n +hartstochtelijk nestbouwer, dat hij van geen ophouden weet en er nog +mee doorgaat terwijl het niet meer noodig is. Als ’t eerste nest, dat +het mannetje geheel alleen gebouwd heeft af is en door het vrouwtje in +beslag is genomen om er eieren in te leggen, gaat hij een tweede en +daarna een derde, soms nog wel eens een vierde nest maken in de +onmiddellijke nabijheid van het eerste. Zij hangen allemaal aan een +lange van stroo gevlochten steel. Deze „vertakt” zich aan het uiteinde +tot een tweelobbige knots. Ieder van deze vertakking is bolvormig van +buiten en hol van binnen. Een er van heeft een gat voor ingang, de +andere is het eigenlijke nest, waarin de eieren gelegd en de jongen +groot gebracht worden. Aan de binnenbekleeding, die van veel fijner +gras gemaakt is, had ’t wijfje, in de peuterige zorgzaamheid, die +vrouwen zoo eigen is, nog een en ander te veranderen en te verschikken +voor het naar haar zin is. + +Daar deze wevervogels allemaal van gezelligheid houden en steeds de +buurschap van huns gelijke zoeken, levert een boom vol met deze +eigenaardige nesten, een wonderlijken aanblik. Maar niet alleen met het +bouwen zoeken de vogels elkander, zij houden elkaar voortdurend +gezelschap: zij zingen samen, zoeken gezamenlijk hun voedsel en gaan te +samen drinken. Dit drinken, waarvoor zij zich natuurlijk naar open +plaatsen moeten begeven, is voor hen een gevaarlijk werkje daar zij +zich dan blootstellen aan hunne vijanden. Aan den rand van ’t bosch +zitten zij door de bladeren beschut, te wachten. Opeens schieten zij +pijlsnel naar beneden, drinken „vliegensvlug” een slok en gaan weer +naar hun vorige rustplaats om, als zij het oogenblik gunstig vinden, +weer naar beneden te schieten. Deze schielijkheid is wel noodig, omdat +hunne vijanden op hen loeren en van elk oogenblik, dat zij zich bloot +geven, gebruik maken hen te vangen. + +De VUURWEVER (PYROMELANA FLAVIROSTRUS) (No. 112) en de +PARADIJSWEDUWVOGEL (STEGANURA PARADISEA) (No. 115) zijn wevervogels, +die in het hooge gras der steppen leven en daar hun nest tusschen de +grashalmen vlechten. De nesten zijn ovaal; de ingang wordt zijdelings +van boven aangebracht. + +De prachtvinken en AMADINEN, (No. 113, 114 en 116) weven eigenlijk niet +meer, maar pakken fijn gras vrij slordig te samen tot een bolvorm met +een zijdelingsche opening. + +RIJSTVOGELTJES (MUNIA ORIZIVORA) (No. 114), leuke kleurige vogeltjes +met vuurroode snaveltjes, zijn in de rijstvelden erger dan de spreeuwen +bij ons in de kersenboomgaarden. Want, al doen de spreeuwen veel schade +en berokkenen zij een enkele kweeker veel last, als men de +rijstvogeltjes hunne gang liet gaan, zouden zij een aanzienlijk deel +van de rijstoogst opeten en waren zij de oorzaak dat er door veel +menschen misschien honger geleden werd. Want rijst is in Aziatische +landen, zooals onze Indië, het hoofdvoedsel der bevolking. Men neemt +dan ook wel degelijk maatregelen om deze vogeltjes binnen de perken te +houden. Zoo lang de rijstvelden nog onder water staan, doen de vogels +geen kwaad en zoeken zij hun voedsel overal elders. Zoodra men evenwel +de sawah’s (zoo heeten de rijstvelden) droog laat loopen en dit doet +men als de aren rijpen gaan, komen de vogeltjes in dichte drommen +opzetten en pikken zij zoo veel zij kunnen van de kostelijke korrels +weg, zich aan de halmen vastklemmende als hangende meezen aan de +twijgjes. + +De inlanders, die niets op de zwermen van deze schooiertjes gesteld +zijn, bouwen stellages op verschillende plekken in de sawah. Deze +stellages zijn niet veel meer dan vloertjes, door palen hoog boven den +grond gebracht en met een bladeren dak bedekt. Op de meest +verschillende plaatsen heeft men bovendien in de sawah’s palen gezet, +die met de uitkijktorens (want dat is de bedoeling van de afdakjes op +stelten) verbonden zijn door touwtjes, waaraan men allerlei rommel +heeft gehangen. Zoo iets in de geest van „de sleep”, waarmee de +Zaansche kinderen hun stadgenooten op Luilaknacht uit de slaap houden. +Met die sleep van rinkinkende rommel rinkelen zij voortdurend, waardoor +de vogels geen oogenblik rustig aan de maaltijd kunnen blijven. Een +heel doelmatige vogelverschrikker dus. + +Als de rijst gesneden is en de onkruiden welig opschieten op dit +vochtige, vruchtbare land en ze door de snelle ontwikkeling der planten +in deze tropische oorden gauw zaad dragen, mogen de rijstvogeltjes zich +naar hartelust hieraan tegoed doen. Zij eten zich dik en rond, maar als +zij er op hun voordeeligst uitzien, vangt de inlander hen weer en eet +hen op. + +Van de eigenlijke vinken onderscheiden deze wevervogels zich uiterlijk +haast niet. Het hoofdverschil ligt in de nestbouw, waarbij vinken, +zooals we dat bijv. van de MUSCH (PASSER DOMESTICUS) (No. 117) kennen, +werkelijk niets bizonders aan te vinden is. Of het moest zijn, dat hij +er zoowat het geheele jaar mee bezig is, er zoowat het heele jaar door +eieren in heeft en meer broedsels per jaar groot brengt dan eenig +andere vogel doet. Dat de musch zoo in staat is, het heele jaar door te +broeden, komt voort uit dezelfde eigenschap, die hem over de geheele +wereld vertegenwoordigd doet zijn. Een musch kan zich zoo gemakkelijk +aanpassen. Warm of koud, het schijnt hem om ’t even. Z’n kostje weet +hij altijd wel te vinden, want hij zorgt er voor, steeds in de buurt +van de menschen te blijven. + +De menschen zelf schijnen ook op hen gesteld te zijn, tenminste, +kolonisten hebben zich de moeite gegeven, hen mee naar Amerika te +nemen, denkt Brehm. Misschien ook, zijn zij per ongeluk met +graanschepen of dergelijke meegekomen. In ieder geval zijn zij er nu, +terwijl zij er vroeger niet waren, dat weten de Amerikanen maar al te +goed, want in sommige streken zijn zij zoo talrijk geworden, dat zij +even als de konijnen in Australië een ware plaag werden. Zóó bont maken +zij het bij ons nog niet. De meeste musschen vindt men in de steden. +Daar is altijd nog wel een warm en beschut plaatsje te vinden, terwijl +in het vuil en afval op de straten voedsel in overvloed is. + +De musch is ook een vogel, die buitengewoon veel van gezelligheid +houdt. Nooit ziet men hem alleen maar steeds in gezelschap van meerdere +van z’n luidruchtige kameraden. De drukste gezelschappen vormen zij +evenwel ’s winters, tegen het vallen van den avond. Dan komen groote +troepen bij elkaar in bepaalde boomen en trekken den aandacht door hun +druk getjilp en gesjilp. Overdag kan men deze boomen gemakkelijk +herkennen, omdat ze als het ware wit gekalkt zijn door de uitwerpselen. + +Een aardig muschje, dat buiten veel voorkomt, maar zich niet in de stad +laat zien, is de ringmusch. Gewoonlijk wordt hij evenals de gewone +musch door ons weinig kunstzinnig volk voor een leelijk grauw diertje +gehouden. Een Japanner weet beter de schoonheid te vinden, ook waar +deze niet luid sprekend is in schitterende kleuren. Een ringmusch te +zien, zooals een Japanner hem teekent, is een openbaring van +schoonheid. Van schoonheid, die overal te vinden is voor ieder, die +zich de moeite geeft er op te letten. + +Nog veel sterker dan de musschen het verkeer met huns gelijke zoeken, +doen de REPUBLIKEINEN (PHILETAIRUS SOCIUS) (No. 118) dat, want deze +brengen zelfs hun nestmateriaal bij elkaar en verwerken dit tot een +grooten in een boom hangenden „hooiberg”. Ieder paartje heeft er z’n +eigen hokje voor een nest, ’t „dak” hebben allen gemeenschappelijk. + +Als het broeden afgeloopen is en de jongen groot genoeg zijn om voor +zichzelf te zorgen, dan wordt weer met bouwen begonnen en wordt er een +étage ondergebouwd, want de republikein broedt nooit tweemaal in +hetzelfde nest. Telkens wordt hun gemeenschappelijk huis vergroot, tot +eindelijk deze massawoningbouw den tak, waaraan deze honderden nesten +hangen, te zwaar is geworden en deze breekt. Dan kunnen zij weer +opnieuw beginnen. + +Van alle vinken is de KARDINAAL (CARDINALIS CARDINALIS) (No. 119) wel +de grootste en in ’t oog van een liefhebber van felle kleuren, zeker +wel de mooiste. Inheemsch is deze vogel in de Oostelijke Vereenigde +Staten, waar hij in koude winters trekvogel is, in zachte winters +evenwel op z’n broedplaats blijft, net als onze gewone vinken dat doen. + +Onze inlandsche vinken prijken lang niet in zulke schitterende kleuren +als de kardinaal, hoewel de GOUDVINK of BLOEDVINK (PHYRRULA PHYRRULA) +(No. 121), ’t PUTTERTJE (CARDUELES CARDUELES) (No. 124), die beide in +’t Oosten van ons land of de KRUISBEK (LOXIA CURVIROSTRA) (No. 122) die +sporadisch wordt waargenomen, toch als fraai gekleurde vogels zeer +zeker in aanmerking mogen komen. + +De kruisbek is behalve mooi, ook nog merkwaardig door den gekruisten +snavel, die z’n geslacht kenmerkt. Dit is een buitengewoon practisch +instrument voor het bewerken van de denne- en sparreappels, die het +liefste voedsel van de kruisbekken vormen. Al naar gelang een kruisbek +zich de zaden uit een hard schubbige denneappel of uit de meer buigzame +dunne schubben van een sparreappel pelt, is z’n snavel zwaar +hoornachtig of lichter gebouwd. + +Eigenaardig is het, dat de hars uit deze zaden zoo geheel het lichaam +van deze vogel doordringt, dat het hen na hun dood voor bederf bewaart. +Zij drogen dan eenvoudig tot mummies in. Als een kruisbek zich langen +tijd met insecten gevoed heeft, wat zij wel eens doen als er niets +anders voor hen te eten is, dan zijn zij als zij gestorven zijn net als +iedere andere vogel aan bederf onderhevig. Het liefste voedsel voor +deze mooie vogel blijft evenwel het dennezaad. Waar geen dennen zijn, +komen zij niet voor. Ook trekken zij vaak van het eene gebied naar het +andere. Welke motieven den vogel daar dan toe dwingen, is niet bekend. + +Zaad is het meest geliefde voedsel voor een vink. Dat maakt dat zij +gemakkelijk in volières te houden zijn. Want al eet het puttertje bij +voorkeur distelzaden, andere zaden versmaadt het niet. + +Een andere geliefkoosde inlandsche vink voor volières is de goudvink of +appelvink. Want behalve dat zij prachtig gekleurd zijn, kunnen zij erge +aardige liedjes leeren zingen, als een mooi-fluitende man het hun +voordoet en het hun zoo met veel geduld leert. Zij hechten zich erg aan +de verpleger en schijnen gauw aan hunne gevangenschap gewend. Het is +heel dikwijls noodig om deze mooie en aardige, maar lastige en +schadelijke vogels, onschadelijk te maken. Aangenamer dan het +doodschieten van deze mooie diertjes lijkt het me, hen te vangen met +vogellijm en hen in kooien te houden, vooral omdat deze vogels geen +bezwaren tegen het kooileven schijnen te hebben. + +Het doodmaken van iets levends is altijd een naar werk en als het dan +nog mooi is ook, valt het dubbel zwaar. De dieren kunnen het toch niet +helpen, dat zij van appel- en perenbloesems houden! + +Beroemd om z’n mooie zang, die reeds in de natuurstaat opvallend is, is +de vink van de Canarische eilanden, de KANARIE (SERINUS CANARIUS) (No. +123). Zij worden daar tegenwoordig nog veel gevangen en verkocht. Reeds +sinds 1478 bestaat deze handel. Want, toen in dat jaar de Spanjaarden +de Canarische eilanden veroverden, heeft de zang van dit vogeltje in de +menschen de begeerte gewekt, het als „huiszanger” aan te nemen. + +Zooals ’t met zooveel dieren is gegaan, die de mensch uit het wild +onder z’n bescherming heeft genomen, ondergaat ook deze vogel een +verandering. Al heel gauw verliezen ook de tegenwoordig uit het wild +gevangen kanaries hun groenige kleur en worden zij geel, maar +langzamerhand door kruising en teeltkeus, veranderen zij ook iets in +bouw, gaan soms beter, soms minder goed zingen. Tegenwoordig +onderscheiden de kanariekenners tal van variëteiten, die in drie +rassen, ’t Hollandsche, Engelsche en Duitsche onderverdeeld worden. + +Onze inlandsche sijsjes zijn nauw aan kanaries verwant. In de zang van +deze vinkachtige vogels is iets typisch, dat hun alleen eigen is, de +z.g. „slag”. Onze gewone vink kent niet anders dan die „slag”, al +varieert deze voor de vinken uit de verschillende streken. De kanarie +zingt verschillende wijsjes, maar in z’n voordracht ervan is toch +altijd die slag te herkennen, zoo goed als in het aardige, eenvoudige +liedje van de GEELGORS (EMBERIZA CITRINELLA) (No. 120). + +In Duitschland wordt deze vogel veel gegeten door ’t volk en de +tuingors, Emberiza hortulanis, de ortolaan geldt bij fijnproevers als +een eerste lekkernij. ’t Is een sympathieke eigenschap van ons volk, +dat bij ons deze en andere zangvogeltjes niet of nagenoeg niet gegeten +worden. + +De TANAGRA (RHAMPHOCELUS BRASILIUS) (No. 125) is zoo groot als een +musch en zoo rood als een kardinaal. „Zomerrood”, de naam die de +Amerikanen hem geven, is dan ook een heel goeie, temeer daar hij +slechts gedurende de vier zomermaanden in Oostelijk en Midden Amerika +vertoeft. Als half September het broedsel groot is, gaan zij in +paartjes het Zuiden in, waar zij het zelfde stille, ingetogen leven +leiden, dat ook in de broedtijd zoo typisch voor hen was. Zoo stil +leven zij, dat zij, ondanks hun opvallende kleur, nauwelijks opgemerkt +worden. + +Onze KWIKSTAART (MOTACILLA ALBA) (No. 127) ’t algemeen bekende +grijs-zwarte vogeltje en de graspieper, in z’n eenvoudig grauw pakje, +schijnen er anders over te denken. Men hoort en ziet hen tenminste waar +zij zijn. Vooral de kwikstaartjes zijn coquette, levendige vogels. +Kwiek trippend met hun fijne pootjes, pittig wippend met hun staartje, +maken zij voortdurend kleine tjilpende geluidjes, die overal gehoord +worden en steeds de aandacht op hen vestigen. De vlucht is mooi, met +groote golven. + +In de wintermaanden missen we deze levendige vogeltjes, maar al heel +vroeg komen zij weer terug. Als de tuinder eind Januari of begin +Februari begint met het bewerken van z’n grond, dan is het kwikstaartje +er al heel gauw om hem gezelschap te houden en in den omgespitten grond +naar voedsel te zoeken. Nooit zal die tuinder meer dan twee +kwikstaarten tegelijk zien, want ieder kwikstaartenpaartje heeft een +eigen gebied, waarin geen andere kwikstaart komt, dan de jongen, die +zij zelf groot brachten. Broeden doen zij op alle mogelijke plaatsen, +want zij bouwen hun nest in alle mogelijke holletjes. Ik vond het +tusschen gekapt hakhout, dat op hoopen lag, zoo goed als in gaten langs +het wallekantje van een sloot. + +Net als ’t kwikstaartje vindt de GRASPIEPER (ANTHUS PRATENSIS) (No. +127) z’n voedsel op den bodem. Ook maakt hij daar z’n nest van +grashalmen in een ondiep kuiltje. Het is moeilijk te onderscheiden van +een leeuwerikennest. + +Ook de vogels zelf lijken op elkander, doch de LEEUWERIK (ALAUDA +ARVENSIS) (No. 129) wint het aan beminnelijke eigenschappen. Sinds +Frederik van Eeden deze ontdekte en van een zoo buitengewone +hoedanigheid vond, dat hij er een vers over maakte, waarin hij de +leeuwerik z’n „lievelingsvogel” noemde, kan men geen opstel over dezen +vogel van een Nederlandsch journalist, die zich zelf respecteert, in +handen krijgen of één of meer regels of soms zelfs het geheele vers +wordt aangehaald. Wel een bewijs, dat dit in een dringende behoefte +voorzag. Hoewel ’t, naar me voorkomt, niet precies de bedoeling van den +dichter geweest zal zijn. + +Al deze aanbidding heeft de vogel zelf gelukkig niet geschaad en hij is +er even aardig om gebleven. Als hij jubelend omhoog stijgt en de +parelende tonen van z’n lied als kristallijne druppels op ons +neervallen, dan kunnen we niet anders dan luisteren en hem nastaren, +tot hij onzichtbaar wordt in de strakke blauwe lucht. + +Al van het eerste begin af, als in Februari de leeuwerik komt, is hij +te hooren. Het hoogtepunt van z’n zang komt pas in de warme maanden. +Dan zingt hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. En gek is ’t, +maar ’t zelfde lied dat ons in den frisschen ochtend een opwekking was, +is op het heetst van den dag, als alles dommelt onder de zengende +warmte der zon, zoo vermoeiend en maakt zoo slaperig, dat we ons er +door in slaap laten vallen, zonder weerstand te kunnen bieden. + +De eenige zanger, buiten Europa, die zich met onze beste zangers, de +leeuwerik en de nachtegaal kan meten, is de BULBUL (PYCNONOTUS SPEC) +(No. 129). Zij komen voor in het Indische en Aethiopisch gebied. In +Indië wordt deze vogel heel veel in gevangenschap gehouden, niet zoo +zeer om z’n zang als wel om zijn ongeëvenaarde vechtlust. Zoodra een +broedsel ver genoeg gevorderd is om de mannetjes te herkennen, worden +deze uit het nest genomen en gedresseerd. De kunstjes, die hij leeren +moet zijn nog al eenvoudig. Men verlangt dat hij leert op de hand van +zijn eigenaar terug te komen. Acht men hem tenslotte in staat om een +gevecht te leveren, dan bindt men hem een touwtje aan de pooten en laat +hem bij een andere vechtersbaas. Iedere eigenaar houdt zorgvuldig z’n +touwtje vast. De vogels vechten zoo hevig, dat zij elkaar zouden dooden +als men hen ongestoord hun gang liet gaan. + +Bloembestuivende vogels zooals de kolibri’s komen niet alleen in +Amerika voor. Ook in Afrika en Australië zijn er. Deze hebben dezelfden +eigenaardig gekromden snavel, die voor sommige kolibri’s opvallend was. +Ook hunne tong is merkwaardig; deze is een z.g. „penseeltong”. De naam +is goed gegeven, want het uiteinde van hun tong lijkt werkelijk op een +penseel, door de herhaalde keeren dat de punt ervan zich in steeds +fijner wordende takjes splitst. + +De HONIGZUIGER (ACANTHOGENYS RUFIGULARIS) (No. 130) die in Australië +leeft, vindt z’n voedsel voornamelijk in de bloeiende gummiboom +(Eucalypthus). De HONINGVOGEL (NECTARINIA METALLICA) (No. 131) die in +Afrika voorkomt haalt z’n kostje uit de Aloe’s en Strelitzia’s. + +Evenmin als de kolibri’s verwant zijn aan deze honingvogels, hoewel in +uiterlijk, lichaamsbouw en eenige andere bijzondere eigenaardigheden, +sterke overeenkomsten te vinden zijn, is de BOOMKLEVER, (SITTA EUROPEA) +(No. 132) familie van de specht, hoewel deze twee vogels weer door +dezelfde levenswijs een uiterlijk hebben gekregen, dat hen zeer veel op +elkander doet lijken. In werkelijkheid, d.w.z. volgens systematische +geldende kenmerken behoort de boomklever tot de meezen, hoe hij er +uiterlijk dan ook van verschilt. Om deze dubbele natuur wordt hij door +de Duitschers „spechtmees” genoemd. Klimmen doen de boomklevers +minstens even goed als een echte klimvogel. Zij gaan een boom net zoo +gemakkelijk op als af. Tusschen de schors zoeken zij daarbij steeds +naar insecten en spinnen en maken zich bovendien nuttig door het +verdelgen van schadelijke schorskevers. Nestelen doen zij graag in door +spechten verlaten gaten. + +Ook de meezen, waarvan de KOOLMEES (PARUS MAJOR) (No. 133) de grootste +inlandsche is, maken zich verdienstelijk door het verdelgen van +insecten. Het zijn de sierlijkste en levendigste vogeltjes die wij +hebben en zij vervroolijken vooral de winterdagen met hun gezelligheid. +Als ’s winters in de kruinen der dennen een troep meezen bij elkaar is +en de wandelaar, die op hunne aanwezigheid opmerkzaam gemaakt wordt +door hunne kleine tjilpgeluidjes, zich de moeite geeft eens wat langer +onder de boomen stil te staan, kan hij dikwijls veel soorten +aantreffen. De koolmees en het fijne pimpelmeesje zijn er wel haast +altijd bij, maar ook de zwartkopmeesjes, de kuifmeesjes zijn er. Een +enkele maal is zelfs de veel zeldzamere zwarte mees wel tusschen hen te +vinden. + +Het is evenwel niet iedereen gegeven, ’s winters onder de denneboomen +te kunnen wandelen. Menschen in de stad, die het verlangen voelen +meezen in hunne dagelijksche omgeving te zien, kan ik niet anders +raden, dan spekzwoerd, kokosnoot en apenootjes op te hangen. Ook is het +aardig in een beetje dikke tak eenige gaten boven elkaar te boren zoo +groot als een gulden en 1½ c.M. diep. Deze gaten vult men dan met een +likje plantenboter of spekvet. En nooit zullen zij berouw hebben van de +kleine uitgave, die zij deden. De vreugde, die zij ervoor terug krijgen +kan heel groot zijn, dat hangt maar van het plezier af, dat men zelf in +deze vogeltjes heeft. Als de menschen van vogels houden, zullen zij het +wel kunnen verdragen, dat de musschen het grootste aantal van hunne +gasten vormen. De vinken, ’t roodborstje en de meezen zullen ook wel +komen, evengoed als de merel, de lijster en het winterkoninkje. Als men +de vogels eenmaal aan een vaste plaats gewend heeft en zij weten, waar +zij voedsel kunnen vinden, is het niet onmogelijk, dat zij het +nestkastje zullen opmerken, dat u voor hen heeft opgehangen en krijgt u +misschien wel een vinkenpaartje of koolmeezenpaartje aan het broeden in +uw stadstuintje of aan uw balcon. + +De laatste familie in de orde der zangvogels zijn pas de eigenlijke +zangers. Hoewel al de andere families in deze orde, waarvan we reeds +een of meer vertegenwoordigers behandelden, zingen konden, zooals de +zwaluwen, de vliegenvangers, de worgers, de paradijzen, de wielewalen, +de wevers, de vinken, de tanagra’s, de leeuweriken en de meezen, zijn +het nergens zangers in den echten zin van het woord. Daartoe alleen +behooren wel 25.000 soorten, waarvan de PEKING NACHTEGAAL (LEIOTHRIX +LUTEA) (No. 134) er slechts één is. Deze leeft in de Himalaya, geheel +in hetzelfde gebied waar ook de SNIJDERVOGEL (SUTORIA SUTORIA) (No. +135) aangetroffen wordt. Deze snijdervogel is vooral aardig om het nest +dat hij maakt. Tusschen twee bladeren, die hij met een zelf gesponnen +katoenen draad aan elkaar naait, brengt hij katoen, paardehaar en +andere vezels en vormt daarvan het nest. Een heerlijke, zacht +schommelende wieg voor z’n kleintjes. + +GRASMUSSCHEN (SYLVIA COMMUNIS) (No. 136) komen half April bij ons +vanuit midden Afrika. Zij trekken tot in Skandinavië om te broeden. ’t +Zijn pittige levendige vogels, met een druk, onstuimig liedje, die we +heel ongaarne zien vertrekken, evenals de RIETZANGER (ACROCEPHALUS +SCHOENOBAENUS) (No. 138), die hem een maand later naar Afrika volgt, om +eind April weer terug te komen. Dan bouwt hij z’n nest op de hoogste +plaatsen in het moeras, tusschen opschietende wilgenboschjes. Daar is +het altijd droger dan op de andere plekjes en heeft hij minder last van +den wisselenden waterstand. Hoewel een zanger in de systematische zin, +is z’n zang niet veel bizonders, evenmin als die van z’n verwant, de +sprinkhaanrietzanger. Deze maakt zoo’n raar roffelend geluid, dat zóó +laag is, dat het buiten het gehoor van sommige menschen valt, evenals +het hooge, ijle geluidje, dat het GOUDHAANTJE (REGULUS REGULUS) (No. +137) maakt. Dit overschrijdt de gehoorgrens van sommigen weer aan de +andere kant. In het voor- en najaar zijn deze kleinste van onze +vogeltjes bij massa’s in ons land, op de voor- en najaarstrek. Want +hoewel zij ’s zomers en ’s winters altijd in de sparren en dennen te +vinden zijn en er altijd eenige bij ons broeden in de leuke bolvormige +nesten, zooals die ook bij andere familieleden, als staartmeezen en +winterkoninkjes in gebruik zijn, is hun aantal in den trektijd het +grootst. ’s Winters treffen we de goudhaantjes veel in meezentroepen +aan, want als deze vogeltjes niet broeden, zoeken zij het gezelschap +van andere, die op dezelfde terreinen hun voedsel zoeken. Kwiek +scharrelen zij tusschen de dennetakjes door, wippend van ’t eene takje +op het andere, bengelend aan de dunste twijgjes, voortdurend pikkend en +snappend met hun fijne snaveltje. ’t Fijne kopje, met het gouden +kammetje draait en wendt het naar alle kanten, de scherpe kraaloogjes +spieden in ieder kiertje en spleetje naar kevertjes en spinnetjes. + +Klein Jantje, het WINTERKONINKJE (ANORTHURA TROGLODYTES) (No. 139), +geldt bij het volk algemeen voor ons kleinste vogeltje, doch is toch +grooter dan het goudhaantje. Zoo klein als hij is, dringt hij zich +overal op den voorgrond en zet een vervaarlijke stem op. Overal hoort +men zijn eentonig, maar niettemin heel grappig en karakteristiek +liedje. ’t Klinkt zoo echt „parmantig”, deze kleine rakker z’n roffel +te hooren slaan en z’n paar tonen te hooren fluiten. Onafgebroken kan +hij er soms mee doorgaan en overal hoort men z’n tjū-tjū tjū +tjrrrrrrrrrrr, tjuu′ tju′ tju′ tju′ tju′ tju′ ū ē. In de hardnekkigheid +waarmee hij z’n weinig melodieuse zang laat hooren, evenaardt de +groenling (Chloris chloris), een familielid van het puttertje hem +slechts, die z’n nog minder kunstzinnig geblèèr nog halstarriger ten +gehoore blijft geven. + +Ondanks deze eentonigheid in hun zang vervelen zij ons nooit, omdat hun +volharding zoo aardig is. „Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is” +en nog meer dan de zang zelf interesseert ons de drang tot zingen, die +juist bij deze leuke schreeuwleelijkjes zoo duidelijk is. + +Heel wat „meer nooten op zijn zang” heeft de SPOTLIJSTER (MIMUS +POLYGLOTTUS) (No. 140), die z’n naam met eere draagt en aan een +buitengewoon nabootsingsinstinct een prachtig vol geluid paart, zoodat +het resultaat van zijn imitatieproeven werkelijk verrassend is. De +Amerikanen zijn dan ook verbazend trotsch op dezen vogel en noemen hem +de meest volmaakte en voortreffelijkste der zangers, zooals nu eenmaal +alles wat uit Amerika komt de overtreffende trap is van ’t geen Europa +voortbrengt. Brehm evenwel vindt dit echte opsnijderij en neemt de +verdediging van onze nachtegaal op zich. ’t Geen me vrijwel een +onbegonnen werk lijkt, daar bij den strijd om het kampioenschap voor +deze twee vogels, de Amerikanen zeker op z’n Amerikaansch den grootsten +mond zullen opzetten en de voorvechter voor onze zanger het daar wel +tegen af zal moeten leggen. + +Zooals de „doofste” mensch de nachtegaal wel hooren moet, zoo moet de +„blindste” mensch die in de Himalaya komt de WITKUIF LIJSTERGAAI +(GARRULAX LEUCOLOPHUS) (No. 141) wel zien. Want niet alleen dat zij in +troepjes leven en een geweldig kabaal maken, zij zijn, ondanks hun +betrekkelijk eenvoudige kleuren zeer in ’t oog loopend. Dit komt wel +voornamelijk door hunne levendigheid en bewegelijkheid. + +Heel wat stillere vogels zijn onze MERELS (TURDUS MERULA) (No. 142), +want hoewel hunne stem sterk en vol is en men de zang en tegenzang van +twee vogels, als zij op een hooge ijle tak aan het zingen zijn, op +grooten afstand hooren kan, ’t lied zelf klinkt ons altijd zoo sereen +in de ooren. Het meest op z’n plaats doet deze merelzang mij aan in de +bloeiend blanke pracht van een kersenboomgaard. Als zuilen van een +kathedraal staan de mooie stammen. Tegen het blauwe gewelf van den +hemel splitsen zich de slanke bogen van wit bloeiende takken. Daar +klinkt van uit een hoek de reine orgeltoon van het merellied, een ander +antwoord. De mensch zit stil en luistert. + +Maar ook in minder idyllische omgeving is merelzang heerlijk om te +hooren en gelukkig is dat haast overal mogelijk, want de merel is +overal. In stadstuintjes nestelt hij zoo goed als buiten en menigeen, +die klimop langs z’n huis heeft groeien, zal verrast worden door een +bouwend merelpaar. Op één bepaald puntje van de dakgoot, op een +bepaalde windwijzer, op de kroonlijst, op de schoorsteen, overal vindt +de merel een plaatsje, dat hem hoog en vrij genoeg is om z’n lied te +fluiten. Wegtrekken doet hij niet. Wel is hij ’s winters met de korte +dagen een tijd lang stil en missen we z’n zang. Hoe anders, hoeveel +levendiger, hoeveel zonniger lijkt ons de dag, als in ’t heele vroege +voorjaar de eerste aarzelende tonen van de merel gehoord worden. Als +een goed nieuwtje, roepen we met lachende oogen onzen vrienden toe: Ik +heb vandaag de merel gehoord!! + +Zoo gaat het ook in de duinen, als de TAPUITEN (SAXICOLA OENANTHE) (No. +143) weerom komen. Saai en doodsch en verlaten lijken onze duinen +zonder hen. Maar nauwelijks zijn zij er weer of we zien hen en het duin +leeft weer voor ons. De tapuit in het duin, dat is de lente, die komt. + +Langzamerhand gaat dan het orkest der zomermuzikanten voltallig worden. +Tjif-tjaf, merel, groenling, vink, lijster, roodborstje, fitis, +nachtegaal, zij doen allemaal hunne best en oefenen zooveel zij kunnen. +De zachte stem van het ROODSTAARTJE (PHOENICURUS PHOENICURUS) (No. 144) +gaat haast te loor tusschen al deze andere. Toch weet ook hij z’n +fijne, zéér melodieuse liedje naar voren te brengen en doet hij z’n +uiterste best, ons z’n wijsje in het geheugen te prenten. En als ten +slotte de laatste trekkers, de Meivogels komen, is het koor voltallig +en staat de zomer voor de deur. + + + + + + + + +REGISTER. + + +HET EERSTE GETAL DUIDT HET NUMMER VAN HET PLAATJE, HET VETTER GEDRUKTE +DE PAGINA VAN HET PLAATJE AAN. + + +ALBATROS (Diomedea exulans) 10 17 +ALK (Alca torda) 6 13 +AMAZONE PAPEGAAI (Chrysotis Levaillanti) 67 61 +ARA PAPEGAAI (Ara ararauna) 68 61 +BAARDVOGEL (Bucco versicolor) 74 77 +BANKIVAHOEN (Gallus gallus) 48 47 +BEO (Eulabes religiosa) 106 87 +BLAUWE REIGER (Ardea cinerea) 38 41 +BOERENZWALUW (Hirundo rustica) 95 80 +BONTE KRAAI (Corvus cornix) 100 84 +BOOMKLEVER (Sitta europaea) 132 110 +BOOMVALK (Falco subbuteo) 59 55 +BRANDGANS (Branta leucopsis) 21 27 +BULBUL (Pycnonotus) 129 110 +BIJENETER (Merops apiaster) 83 73 +CALIFORNISCHE KWARTEL (Lophortyx californicus) 50 51 +CONDOR (Sarcorhamphus gryphus) 53 51 +COTINGA (Cotinga mayana) 92 80 +DISTELVINK (Carduelis carduelis) 124 102 +DRAADHOP (Seleucides ignotus) 104 87 +DRIETEENIGE MEEUW (Rissa tridactyla) 12 17 +EMU (Dromaeus novae hollandiae) 3 13 +FLAMINGO (Phoenicopterus roseus) 34 36 +FLUITVOGEL (Gymnorhina tibicen) 99 84 +FREGATVOGEL (Fregata aquila) 17 22 +FUUT (Lophaethyia cristata) 9 17 +GEELGORS (Emberiza citrinella) 120 97 +GEITENMELKER (Caprimulgus europaeus) 87 76 + ,, ,, ,, Premieplaat 106 +GIER (Gyps rüppelli) 54 51 +GIERZWALUW (Apus apus) 89 76 +GLANSSPREEUW (Lamprocolius purpureus) 108 87 +GOUDHAANTJE (Regulus regulus) 137 113 +GOUDKOEKOEK (Chrysococcyx cupreus) 72 61 +GOUDPLEVIER (Charadrius apricarius) 24 27 +GOUDVINK (Pyrrhula pyrrhula) 121 102 +GOULD’S AMADINE (Poëphila gouldiae) 116 97 +GRASMUSCH (Sylvia communis) 136 113 +GRASPIEPER (Anthus pratensis) 127 110 +GROENE SPECHT (Gecinus viridis) 76 67 +GROOTE TRAPGANS (Otis tarda) 32 36 +HARPIJ (Thrasaëtus harpyia) 56 55 +HONIGVOGEL (Nectarinia metallica) 131 110 +HONIGWIJZER (Indicator indicator) 75 67 +HONIGZUIGER (Acanthogenys rufigularis) 130 110 +HOORNRAAF (Bucorax abyssinicus) 79 73 +HOP (Upupa epops) 84 73 +HUISMUSCH (Passer domesticus) 117 97 +IBIS (Ibis aethiopica) 35 36 +INAMBOE (Rhynchotus rufescens) 41 41 +JAN VAN GENT (Sula bassana) 16 22 +JASSANA (Jacana jacana) 31 36 +KAKATOE (Cacatua Triton) 64 57 +KALKOEN (Meleagris gallopavo) 47 47 +KANARIE (Serinus canarius) 123 102 +KANOETSTRANDLOOPER (Tringa canutus) 27 32 +KARDINAAL (Cardinalis cardinalis) 119 97 +KEIZERSPINGUÏN (Aptenodytes forsteri) 5 14 +KIEVIT (Vanellus vanellus) 25 32 +KIKKERBEK (Batrachostomus auritus) 86 76 +KITTA (Urocissa erythroryncha) 101 85 +KIWI (Apteryx Mantelli) 4 13 +KLAPEKSTER (Lanius excubitor) 98 84 +KLOKVOGEL (Procnias nudicollis) 91 80 +KLUIT (Recurvirostra avocetta) 26 32 +KOEKOEK (Cuculus canorus) 71 61 +KOET (Fulica atra) 30 32 +KOEVOGEL (Molothrus ater) 110 93 +KOLIBRI (Topaza pella) 90 76 +KONINGSVOGEL (Tyrannus tyrannus) 93 80 +KOOLMEES (Parus major) 133 113 +KRAANVOGEL (Grus grus) 33 36 +KROONDUIF (Goura coronata) 51 51 +KRUISBEK (Loxia curvirostra) 122 102 +KWAK (Nycticorax nycticorax) 39 41 +KWARTELKONING (Crex crex) 43 47 +LADY AMHERST FAZANT (Chrysolophus Amherstiae) 45 47 +LACHENDE HANS (Dacelo gigas) 81 73 +LEEUWERIK (Alauda arvensis) 128 110 +MADENHAKKER (Buphagus erythrorhynchus) 107 87 +MALEO (Megacephalum maleo) 42 41 +MANTELMEEUW (Larus marinus) 11 17 +MARABOE (Leptoptilus crumeniferus) 37 41 +MEREL (Turdus merula) 142 117 +MIDDELSTE ZAAGBEK (Merganser serrator) 19 27 +MOLUKKEN IJSVOGEL (Halcyon diops) 82 73 +MUISVOGEL (Colius macrurus) 77 67 +NANDOE (Rhea americana) 2 13 +NEUSHOORNVOGEL (Buceros rhinoceros) 80 73 +OELOE (Ketupa ceylonensis) 60 55 +OOIEVAAR (Ciconia ciconia) 36 36 +PAPEGAAIDUIKER (Fratercula arctica) 8 17 +PARADIJSVOGEL (Paradisea minor) 103 87 +PARADIJSWEDUWVOGEL (Steganura paradisea) 115 97 +PARELHOEN (Numida meleagris) 49 51 +PARKIETEN (Conurus cactorum) 66 57 +PATRIJS (Perdix perdix) 44 47 +PAUW (Pavo cristata) 46 47 +PEKING NACHTEGAAL (Leiothrix lutea) 134 113 +PELIKAAN (Pelecanus onocrotalus) 18 22 + ,, ,, ,, Premieplaat 40 +PESTVOGEL (Ampelis garrulus) 97 84 +PITTA (Pitta cyanonota) 94 80 +PRIEELVOGEL (Amblyornis inornatus) 102 84 +RANSUIL (Asio otus) 61 57 +REPUBLIKEIN (Philetairus socius) 118 97 + ,, ,, ,, Premieplaat 123 +RIETZANGER (Acrocephalus schoenobaenus) 138 113 +ROODSTAARTJE (Phoenicurus phoenicurus) 144 116 +ROTSDUIF (Columba livia) 52 51 +RIJSTVOGEL (Munia orizivora) 114 93 +SALANGAAN (Collocalia fuciphaga) 88 76 + ,, ,, ,, Premieplaat 107 +SCHAARBEK (Rhynchops flavirostris) 14 22 +SCHARRELAAR (Coracias garrulus) 85 76 +SECRETARIS (Serpentarius serpentarius) 55 55 +SNEEUWUIL (Nyctea nyctea) 62 57 +SNIJDERVOGEL (Sutoria sutoria) 135 113 + ,, ,, ,, Premieplaat 127 +SOEROESKOES (Trogon massena) 78 67 +SPOORKOEKOEK (Centropus) 70 61 +SPOTLIJSTER (Mimus polyglottus) 140 117 +SPREEUW (Sturnus vulgaris) 109 93 +STEENAREND (Aquila chrysaëtus) 57 55 +STEPPENHOEN (Syrrhaptes paradoxus) 40 41 +STRUISVOGEL (Struthio camelus) 1 13 +TANAGRA (Ramphocelus brasilius) 125 102 +TAPUIT (Saxicola oenanthe) 143 117 +TOEKAN (Rhamphastos ariel) 73 67 +TOERAKO (Turacus albocristatus) 69 61 +UILPAPEGAAI (Stringops habroptilus) 65 57 +VEELKLEURIGE LORI (Trichoglossus novæ hollandiæ) 63 57 +VISCHDIEFJE (Sterna fluviatilis) 13 22 +VUURWEVER (Pyromelana franciscana) 112 93 +WATERRAL (Rallus aquaticus) 29 32 +WATERSNIP (Gallinago gallinago) 28 32 +WEVERVOGEL (Ploceus abyssinicus) 111 93 + ,, ,, ,, Premieplaat 121 +WIELEWAAL (Oriolus oriolus) 105 87 +WILDE EEND (Anas boscas) 20 27 +WINTERKONING (Anorthura troglodytes) 139 117 +WITBUIK ZEEAREND (Haliaetus leucogaster) 58 55 +WITKUIF LIJSTERGAAI (Garrulax leucolophus) 141 117 +WITTE KWIKSTAART (Motacilla alba) 126 102 +ZEBRAVINK (Taeniopygia castanotis) 113 93 +ZEEKOET (Uria troille) 7 17 +ZONNEVOGEL (Phaëton aethereus) 15 22 +ZUIDPOOL KIP (Chionis alba) 23 27 +ZWAAN (Cygnus olor) 22 27 +ZWARTGRAUWE VLIEGENVANGER (Muscicapa atricapilla) 96 80 + + + + + + + + +HOOFDSTUKKEN. + + + LOOPVOGELS (Ratitæ) 9 + KIELBORSTBEENIGEN (Carinatæ) 21 + ZWEMVOGELS (Natatores) 21 + STELTLOOPERS (Grallatores) 43 + HUIDSNAVELIGEN (Cutinares) 65 + FIBULATORES 89 + BOOMVOGELS (Arboricolæ) 101 + + + + + + + + +LIJST DER ZWARTE AFBEELDINGEN. + + + Pag. 8. Bosjesman op struisvogeljacht. + ,, 9. Struisveer. + ,, 9. Krijgsman. + ,, 11. Plukken van struisveeren. + ,, 12. Z. Afrikaansche boer op struisvogeljacht. + ,, 14. Struisen in gezelschap van antilopen en zebra’s in + Afrikaansche steppe. + ,, 15. Patagoniërs op Nandoejacht. + ,, 16. Bolas. + ,, 18. Emu met jongen. + ,, 19. Vechtende kiwi’s. + ,, 20. Vliegende meeuwen. + ,, 21. Zwartkeelpinguïn (Pygoscelis adeliae) met jong. + ,, 21. Zwemmende keizerspinguïns. + ,, 23. Duikende zwartkeelpinguïns. + ,, 24. Keizerspinguïn met jong in huidplooi. + ,, 25. Vliegende papegaaiduikers. + ,, 26. Reuzenalk (Alca impennis). + ,, 29. Albatrossen. + ,, 30. Kokmeeuwen (Larus ridibundus) in stadsgracht. + ,, 31. Visschende schaarsnavels. + ,, 33. Vliegende zonnevogel. + ,, 37. Wilde eenden. + ,, 38. Neerstrijkende ganzen (Anser anser). + ,, 39. Vliegende zwanen. + ,, 42. Lepelaars met jongen. + ,, 44. Steltloopers in ’t wad.—Kluit, grutto (Limosa limosa), + Tureluur (Totanus totanus), goudplevier, bontbekplevier + (Aegialites hiaticula). + ,, 45. Roerdomp (Botaurus stellarus) in ’t riet. + ,, 46. Vechtende kemphanen (Pavoncella pugnac). + ,, 48. Kieviten. + ,, 49. Strandloopertjes. + ,, 50. Houtsnip (Scolopax rusticola). + ,, 52. Koeten. + ,, 53. Waterhoentjes. + ,, 54. Trekkende Kraanvogels. + ,, 56. Vliegende flamingo’s. + ,, 58. Reigerkolonie. + ,, 59. Vliegende ooievaars. + ,, 59. Ooievaarsnest. + ,, 60. Vliegende ooievaars. + ,, 60. ,, maraboes. + ,, 62. Reigers. + ,, 63. Vliegende ibissen. + ,, 64. Fazanten in de duinen. + ,, 66. Jagoear met tinamoe. + ,, 68. Hoenderhof. + ,, 69. Vliegende korhaan (Lyrurus tetrix). + ,, 69. ,, patrijzen. + ,, 70. Japansche phoenixhaan. + ,, 71. Paarlhoenders. + ,, 72. Auerhaan (Tetrao urogallus). + ,, 74. Duiven en duiventil. + ,, 77. Middeleeuwsche valkenjacht. + ,, 78. Gieren. + ,, 79. Condor. + ,, 81. Jachtvalken. + ,, 82. Klapeksterheuvel. + ,, 83. Valkenier met tophut en klapeksterheuveltjes. + ,, 85. Steenuil (Athene noctua). + ,, 86. Kerkuilen (Strix flammea). + ,, 88. Papegaaienlaan in Artis. + ,, 89. Ara’s met nest. + ,, 90. Grasparkieten (Melopoittacus undulatus). + ,, 91. Inka kakatoe (Lophochroa leadbeateri). + ,, 92. Vliegende papegaaien. + ,, 94. ,, toekans. + ,, 95. Toerako. + ,, 96. Honingwijzer. + ,, 98. Bonte specht (Dendrocopus major). + ,, 99. Muisvogels. + ,, 100. Papoea’s op paradijsvogeljacht. + ,, 101. Nestkastje. + ,, 103. IJsvogeltje (Alcedo ispida). + ,, 104. Idem. + ,, 105. Kolibri bloemen bestuivend. + ,, 108. Vlaggennachtzwaluw (Macrodipteryx longipennis). + ,, 109. Adelaarsnavel kolibri (Eutoxeres aquila). + ,, 111. Koningstyran (Onychorhynchus spec). + ,, 112. Koningsvogel een groote vogel aanvallend. + ,, 114. Oeverzwaluwen (Riparia riparia). + ,, 115. Zwaluwen op telegraafdraden. + ,, 118. Paradijsvogel. + ,, 119. Spreeuwenwolk. + ,, 120. Rijstvogels. + ,, 124. Distelvink. + ,, 125. Leeuwerik. + ,, 126. Zwartkopmees (Parus montanus salicarius) op kokosnoot. + ,, 128. Staartmeezen (Aegithalos caudatus europaeus) met nest. + ,, 129. Zingende spreeuw. + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78761 *** |
