summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78761-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '78761-0.txt')
-rw-r--r--78761-0.txt5258
1 files changed, 5258 insertions, 0 deletions
diff --git a/78761-0.txt b/78761-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..7918361
--- /dev/null
+++ b/78761-0.txt
@@ -0,0 +1,5258 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78761 ***
+
+
+
+
+ VOGELALBUM No 1
+
+
+ DOOR
+ K. BOEDIJN
+
+
+ WAARIN TE BEVESTIGEN
+ „KLAVERBLAD’S” PLAATJES
+ WELKE ZICH BEVINDEN IN DE VERPAKKING VAN DE BEKENDE EN GEZOCHTE
+ KARNEMELKZEEP No. 340, MERK „HET MELKMEISJE”
+
+ (NADRUK VERBODEN)
+
+ UITGEEFSTER:
+ N.V. HAARLEMSCHE STOOMZEEPFABRIEK „HET KLAVERBLAD”, HAARLEM
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD.
+
+
+Op het verzoek van mijn opdrachtgevers, een album over vogels te
+schrijven, ben ik niet dan na lange aarzeling ingegaan. Er waren
+zoovele bezwaren, waarvan het ergste wel was, dat mijn eigen ervaring
+op dit gebied zich niet verder uitstrekte dan tot de inheemsche vogels.
+Wat betreft text en illustratie der exoten, dienden dus alle gegevens
+aan andere bronnen ontleend. Zooveel mogelijk heb ik echter getracht
+dit bezwaar te ondervangen, door te laten teekenen naar het uitgebreide
+materiaal in de verzamelingen van het Koninklijk Zoölogisch
+Genootschap: „Natura Artis Magistra”. Waar het levende ontbrak, werd
+gewerkt naar ’t opgezette, dat dank zij de welwillendheid van de
+directie van dit Genootschap, steeds tot beschikking van den
+illustrator, den heer H. J. Wolff, stond. Schoten deze collecties
+evenwel beide te kort, dan werd de toevlucht tot boeken genomen.
+
+Dat Brehm, zoowel door den heer Wolff voor de illustraties, als door
+mijzelf voor de text, herhaaldelijk is geraadpleegd, spreekt haast
+vanzelf. Doch ook het werk van Livingstone Bull, Lissmann, Gould,
+Temminck, Schlegel, Meerwardt en Soffel, Thysse, Schillings, Wood en
+nog zoovele anderen, hebben den illustrator in de voor hem zoo
+buitengewoon moeilijke taak terzijde gestaan. Bij de indeeling in
+hoofdstukken en de volgorde der vogels heb ik mij evenwel niet aan
+Brehm, maar aan de systematiek van Reichenow willen houden.
+
+Voelde ik dit alles van te voren reeds als groote moeilijkheden, bij de
+arbeid bleek het nog zwaarder te wegen dan ik vermoed had.
+
+Tenslotte helpt dezelfde gedachte, die mij in den aanvang het aanbod
+deed aanvaarden, mij nu bij de voltooiing ook weer over al deze
+bezwaren heen: de bedoeling van dit album is slechts, aan kinderen een
+eenvoudig en onopgesmukt verhaal over vogels te doen.
+
+
+K. BOEDIJN.
+
+Amsterdam, Mei 1923.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Heel achter in den mooien ouden Artis-tuin, op een plekje, dat bij de
+gewone zomerbezoekers niet in trek is, leven een paar
+vertegenwoordigers van de groep der
+
+
+LOOPVOGELS (RATITÆ).
+
+
+Toch is het de moeite waard er een bezoek te brengen. Niet alleen om de
+mooie hooge boomen, of om de smaakvolle verwildering, die er heerscht,
+al doet het in deze opzichten zeker niet onder voor vele andere,
+ongerept mooie plekjes van dezen ouden tuin. Maar vóóral verdienen de
+grappige en merkwaardige vogels, die er met deftige passen door het hok
+stappen, een bezoek. Hun kleine vinnige kop met de scherpe heldere
+oogen steken zij nieuwsgierig boven het hooge hek. Zij kijken of de
+bezoekers iets in het mandje hebben, dat van hunne gading is en rekken
+hun langen hals daartoe tot op het uiterste.
+
+Wie wel eens reisverhalen heeft gelezen, weet dat deze Loopvogels thuis
+hooren in de woestijnen en steppen van Afrika, Australië, en
+Zuid-Amerika. Zij behooren tot de grootste van alle levende vogels.
+Ieder van deze werelddeelen bezit een eigen soort. Zoo is de
+struisvogel karakteristiek voor Afrika, de nandoe voor Zuid-Amerika en
+de emu voor Australië.
+
+De naam van de groep: „Loopvogels” dankt deze aan ’t feit, dat z’n
+vertegenwoordigers niet vliegen kunnen, zooals andere vogels, doch met
+hunne lange pooten verbazend hard loopen. Zóó hard, dat een man te
+paard soms moeite heeft hen bij te houden. Dat is nog zoo’n wonder
+niet, want een hardloopende struisvogel kan passen van 2 à 2½ meter
+maken.
+
+Het jagen van deze dieren is dan ook lang geen gemakkelijk werkje.
+Juist dáárom is het voor sommige menschen zoo’n groot genoegen, want
+het geeft de trotsche voldoening iets moeilijks gedaan te hebben.
+
+Dat struisvogel, nandoe, casuaris, emu en kiwi loopen in plaats van
+vliegen, zooals de gewone vogels doen, wordt van zoo groot belang
+geacht, dat men deze vogels, die eigenlijk geen familie van elkaar
+zijn, heeft samengebracht tot één groep, die hier, in tegenstelling met
+de vijf volgende groepen, een zoogenaamde „biologische eenheid” is. Men
+bedoelt er mee: een vereeniging van dieren (of planten) met een zelfde
+merkwaardige levenswijze, waardoor zij opvalland van hunne verwanten
+verschillen.
+
+Het vermogen om te vliegen, hebben de loopvogels geheel verloren,
+hoewel hunne voorouders dit ongetwijfeld bezeten hebben en hunne
+familieleden dit nog bezitten. Hoe het precies gegaan is en waardoor,
+is moeilijk te zeggen. De makkelijkste manier om het te verklaren,
+hebben de inboorlingen van Afrika voor hun loopvogel, den struis: zij
+meenen, dat het een straf is.
+
+Want eens, heel lang geleden, hadden de struisvogels vleugels, even
+mooi en gaaf en sterk als alle andere vogels. In een vlaag van hoogmoed
+verbeeldden zij zich met die mooie vleugels naar de zon te kunnen
+vliegen en ondernamen dien tocht. Steeds hooger vlogen zij, al maar
+hooger, tot ver boven de hoogste bergen en verder nog. Maar de zon, die
+boos geworden was over hunne verwaandheid, besloot hen te straffen. Zij
+verborg zich daartoe achter een wolk en liet de vogels heel dicht bij
+komen. Plotseling echter kwam zij te voorschijn en scheen met volle
+kracht. Haar stralen waren zoo heet, dat hen de vleugels verschroeiden
+en zij terug vielen op de aarde. Door de snelheid van den val en de
+kracht van de botsing verpletterden zij hunne borst, die daardoor tot
+op dezen dag plat bleef. Hunne vleugels waren zoo verknoeid, dat zij er
+nooit meer mee konden vliegen.
+
+Wanneer we een vleugel van een struisvogel bijv., vergelijken met die
+van andere vogels, valt die ongeschiktheid tot vliegen duidelijk op.
+Bekijken we de vleugels als geheel, dan zien we, dat die van een
+gewonen vogel zoo ingericht zijn, dat ze een zeer dicht en stevig
+geheel vormen. Ze zijn in staat bij iedere vleugelslag de noodige
+weerstand aan de lucht te bieden. En het is juist die weerstand, die
+het vliegen mogelijk maakt.
+
+Wanneer men het vliegen vergelijkt met roeien, is dit gemakkelijk te
+begrijpen. Zooals door de kracht, waarmee de roeiriemen de weerstand
+van het water overwinnen, de boot vooruit komt, zóó komt de vogel
+vooruit, die door de kracht van z’n vleugelslag de weerstand van de
+lucht overwint.
+
+De vleugel van een struisvogel daarentegen is een zeer los en luchtig
+geheel. De lucht gaat er aan alle kanten doorheen, waardoor het
+weerstandsvlak aanzienlijk kleiner wordt. Wie wel eens gezeild heeft of
+met aandacht naar zeilende schepen heeft gekeken, zal mij begrijpen als
+ik zeg, dat een struisvogelvleugel is als een zeil vol gaten. De
+vleugels van gewone vogels daarentegen zijn als zeilen van het
+dichtste, fijnste weefsel, dat nergens de lucht doorlaat en aan den
+wind het grootst mogelijke oppervlak biedt.
+
+De oorzaak van de geschiktheid van de eene vleugel om te vliegen en de
+ongeschiktheid van de andere hiertoe ligt in het verschil der veeren,
+waaruit ze zijn samengesteld.
+
+Neem maar eens een kippe of duiveveer en vergelijk die met de
+struisveer van moeders hoed. Hoe stevig en vast zit de eerste in
+elkaar, terwijl de laatste juist zoo mooi is door de zachte losse
+krullen.
+
+Die stevigheid heeft de kippeveer (fig. 1) in de eerste plaats te
+danken, aan de sterke schacht, maar ook aan de vlag. Deze heeft n.l.
+een inrichting, die de samenstellende deeltjes, de baarden, tot een
+geheel maakt, dat ondoorlaatbaar is voor lucht. Deze baarden dragen
+daartoe aan weerszijden de baardjes, die op hunne beurt voorzien zijn
+van haakjes, die in elkander grijpen. (fig. 2)
+
+De veeren van de loopvogels daarentegen, hebben een slappe en buigzame
+schacht en de baardjes missen de haakjes, waardoor de veer los en
+haarachtig blijft. Een andere verandering, die het gevolg is van het
+niet-vliegen der loopvogels, is aan den levenden vogel niet te zien.
+Maar wel aan zijn geraamte.
+
+Vogels, die vliegen, hebben een grooten, naar voren uitstekenden
+beenigen kam aan het borstbeen. (fig. 3a) Als er eens kip of eend
+gegeten wordt, moet je er eens op letten. Die beenplaat dient om de
+groote spieren, die noodig zijn voor de beweging der vleugels, vast te
+hechten en ’t beste boutje van de kip wordt er door gevormd.
+
+De loopvogels nu missen deze spieren en daarmee den kam. Hun borstbeen
+is geheel vlak, (fig. 3b) ’t geen hun ook den naam van
+Vlakborstbeenigen (Ratitæ) heeft bezorgd.
+
+
+
+§ 1. DE STRUISVOGEL (STRUTHIO CAMELUS) (No. 1) is wel de meest bekende
+van alle loopvogels. Een bekendheid, die hij voornamelijk dankt aan de
+pracht van z’n veeren, welke die zijner groepgenooten in Australië en
+Amerika ver overtreffen. De losheid en soepelheid van een struisveer is
+dan ook zonder weerga. Zoowel de vrouwen van tegenwoordig als de
+prachtlievende mannen uit de middeleeuwen gaven er gaarne veel geld
+voor.
+
+Hoewel oorspronkelijk te vinden in alle Afrikaansche woestijnen en
+steppen, waar eenige plantengroei was, is deze vogel uit veel van zijne
+woonplaatsen verdrongen door de komst der Europeanen. Ook zijn ze
+schaarscher geworden door de jacht, die zoowel inboorlingen als blanken
+terwille van hunne kostbare veeren op hen maakten. Al naar de
+geaardheid van den mensch, die op jacht gaat, zijn de middelen, die hij
+voor de jacht gebruikt. De Boer van Zuid-Afrika of de Bedouin van ’t
+Noorden van dit werelddeel gebruikt zijn sterkste en snelste paard en
+zijn beste geweer op de struisvogeljacht. De kleine zwakke Bosjesman
+daarentegen, wapent zich met een bundel vergiftige pijlen en........
+list. Hij is door slimheid sterk en weet er de groote vogel mee te
+overwinnen.
+
+Zoodra een Bosjesman een kudde struisvogels ergens ziet grazen, smeert
+hij z’n beenen tot aan de heup in met kalk, terwijl hij een
+struisvogelhuid op z’n rug bindt. In de hals van die huid steekt hij
+een stok. Nu nadert hij voorzichtig de vogels, steeds zorgvuldig van
+den wind loopend. Nam hij deze voorzorgsmaatregel niet en naderde hij
+de vogels zóó, dat de wind zijn geur naar hen toevoerde, dan zouden zij
+direct vluchten.
+
+Bemerken de vogels z’n komst zonder dat zij iets verdachts ruiken, dan
+zijn zij toch al onrustig en kijken den vreemden indringer wantrouwend
+aan. Op een nieuweling in hun kudde zijn zij niet erg gesteld. De
+Bosjesman, die de vogels in hunne gewoonten goed kent, loopt niet
+regelrecht op z’n wild af. Hij bootst zooveel mogelijk een echten vogel
+na. De kop met den stok brengt hij naar den grond en beweegt hem, alsof
+hij voedsel zoekt. De andere verliezen hun achterdocht en gaan weer
+rustig met grazen door. Eindelijk, als de zoogenaamde struis dicht
+genoeg genaderd is, schiet hij z’n eerste pijl af. Wanneer de struizen
+hun kameraad gewond zien, worden zij woedend en willen den vreemden
+indringer te lijf. Rennend komen zij naderbij om hem met hunne lange
+pooten omver te trappen. Zij hebben daartoe kracht genoeg. Een sterke
+man valt van zoo’n trap al om, zeker dus de kleine Bosjesman. Deze
+verandert nu gauw van plaats en gaat zoo staan, dat de vogels lucht van
+hem krijgen. Zoodra deze merken, dat het een mensch is, in plaats van
+een vogel, waarvoor zij hem hielden, draaien zij regelrecht om en
+loopen zoo hard weg als zij kunnen. Vliegensvlug gooit de Bosjesman z’n
+lastig struisvogelpakje af. Deze „geleende veeren” belemmeren zijn
+bewegingen te veel, hij schiet hen alle pijlen achterna en als geoefend
+jager, maakt hij op deze manier wel 4 of 5 vogels buit.
+
+Vroeger had vooral het mannetje het zwaar te verantwoorden, omdat zijn
+groote zwarte veeren zooveel mooier zijn, dan de bruine van ’t wijfje.
+Sinds men tegenwoordig evenwel over een zeer volmaakte bleek- en
+kleurtechniek voor veeren beschikt, is het verschil in prijs zoo groot
+niet meer. De allermooiste zitten evenwel in de staart. Toch worden die
+der vleugels ook veel verwerkt.
+
+De Zuid-Afrikaansche Boeren zijn begonnen de vogels in gevangenschap te
+houden, zoo ongeveer als onze voorouders eens met de wilde koeien
+gedaan hebben. Langzamerhand, door zorgvuldige kruising en het
+uitoefenen van „teeltkeus”, dat is, het voortteelen met de kalfjes van
+koeien, die de beste eigenschappen (bijv. ’t geven van veel melk)
+hebben, verkregen wij onze puike Hollandsche melkkoeien. De
+Zuid-Afrikaansche Boer doet hetzelfde met z’n struisvogels. Hij laat ’t
+liefst de eieren uitbroeden van diè ouders, die de mooiste veeren
+hebben. Vooral in Kaapland is deze teelt een heel aparte tak van
+bestaan geworden. De struisvogelboeren hebben ’t evenwel lang niet
+gemakkelijk, daar de waarde van de veeren wisselt met de mode. En van
+alle grillige en inconstante dingen is zij de meest grillige en
+inconstante.
+
+Zijn de veeren „mode” en is de vraag er naar groot dan zijn ze veel
+duurder, dan in de tijden, dat de vrouwen naar iets anders grijpen om
+zich op te sieren. Toch moeten ook in de slappe tijd de veeren
+regelmatig „geoogst” worden. Vroeger werden ze daartoe eenvoudig
+uitgetrokken. Dit was echter te wreed en bovendien te onvoordeelig,
+daar de vogels na die behandeling vaak aan de bekomen wonden stierven.
+Tegenwoordig knipt men de veeren dan ook vlak op de huid af. Het stukje
+schacht, dat nog in de huid blijft zitten, de ziel, valt er na een
+tijdje vanzelf uit. Gebeurt dat niet dan wordt het er voorzichtig
+uitgetrokken. Deze bewerking hindert dan niet meer, omdat de veer tegen
+dien tijd wel „rijp” zou geweest zijn en er met het ruien vanzelf
+uitgevallen zou zijn. Het is heel verstandig van den Boer om de rui
+niet af te wachten maar de veeren af te knippen, zoodra ze op het
+mooist zijn. Veeren, die van zelf uitvallen, zijn lang zoo gaaf niet
+meer. Ze zijn versleten in al die maanden, dat de vogel hen droeg. De
+zachte fijne baarden en baardjes zijn dan verdwenen.
+
+Ruien is het periodiek „verveeren” wat vogels doen. Iedere nazomer
+verliezen zij hunne veeren, die dan oud en versleten zijn. Dan groeien
+in ’t najaar nieuwe veeren in de plaats van deze oude. Maar vaak genoeg
+zijn vogels er erg berooid aan toe, wanneer de oude veeren uitgevallen
+zijn en de nieuwe er nog niet voor in de plaats zijn gekomen of nog
+niet in voldoende mate groot zijn. Sommige van de later te behandelen
+vogels kunnen zoo armzalig in hunne veeren zitten, dat zij niet eens
+vliegen kunnen. Maar als de nieuwe veeren er zijn en ’t „winterkleed”
+klaar is, zijn zij weer voor een jaar ingespannen. Struisveeren worden
+leelijker van ’t voortdurend meedragen, doch veel andere veeren worden
+er mooier van. Want door ’t afslijten van de veeren verdwijnt de
+vaalheid er van en komen vaak prachtige glanzen over het dier, dat dan
+in zijn zoogenaamd bruilofts- of prachtkleed is. Als dàt versleten is,
+is ’t met de veeren gedaan; ze zijn dan op, en de rui gaat beginnen.
+
+Het houden van struisvogels in gevangenschap, heeft gelegenheid gegeven
+hunne levenswijs te bestudeeren. Dit was in de natuurstaat heel
+moeilijk, omdat de vogels zoo schuw en wild zijn.
+
+Struisvogels leven gewoonlijk in kudden, vaak in gezelschap van zebra’s
+en antilopen, zij „grazen” van woestijn- en steppenplanten. Echte
+vegetariërs zijn het evenwel niet. Als zij het krijgen kunnen,
+vergasten zij zich zelf op vleesch. Menige kikker, jonge vogel en
+woestijnrat, wordt door hen verschalkt.
+
+Eens in ’t jaar, op bepaalde tijden, breekt er strijd los in de anders
+zoo rustige kudde. De mannetjes vechten dan, elkaar met hunne lange
+pooten trappend en krabbend, om de vrouwtjes.
+
+Bij die gevechten gaat het warm toe. Menig mannetje, dat tegen z’n
+sterken mededinger niet opgewassen is, druipt af, bloedend uit wonden,
+die de scherpe nagels van z’n tegenstander gemaakt hebben.
+
+Als een haan de uitverkoren hen veroverd heeft, verlaten zij samen de
+kudde om een plaatsje voor hun nest te gaan zoeken. Zij zijn gauw
+tevreden. Een stukje grond met wat steenen en struiken er om heen is
+voor hen al goed genoeg. Het mannetje gaat op zoo’n plek met de borst
+op den grond liggen en krabbelt met z’n pooten de aarde onder zich weg
+totdat hij een ondiep kuiltje heeft verkregen. Het vrouwtje, dat vol
+ongeduld en met levendige belangstelling naar ’t werk heeft gekeken,
+legt er, zoodra het klaar is, een mooi groot wit ei in. Dit doet zij
+geregeld om den anderen dag totdat er 15 of 16 eieren zijn. Dan gaat
+zij aan het broeden. De eerste twee dagen blijft zij onafgebroken
+zitten zonder aan eten of drinken te denken. Daarna komt het mannetje
+haar aflossen en in het vervolg broeden zij om beurten. Het vrouwtje
+zit overdag op de eieren, ’t mannetje ’s nachts. Geduldig blijft de een
+zitten tot de ander er is om af te lossen.
+
+Onbewegelijk, plat tegen den grond gedrukt, de lange hals recht voor
+zich uit, zitten zij. En wonderlijk is het, dat het verschil in kleur
+van zoo groote beteekenis voor hen is in verband met de tijd van het
+broeden. De grauwe kleur van ’t vrouwtje doet haar lijken op een steen.
+Overdag is zij van haar omgeving ook moeilijk te onderscheiden,
+onbewegelijk als zij zit. Het mannetje in z’n pikzwart kleed lost zich
+geheel op in de schaduwen van den nacht.
+
+In zeer heete streken worden de eieren wel eens onder het warme zand
+gelegd en door de zon uitgebroed. De vogels houden er evenwel trouw de
+wacht bij tot de jongen zijn uitgekomen. Na 40 dagen zijn zij er:
+grappige kleine diertjes, die naar men zegt, meer op een egel dan op
+een jongen vogel moeten lijken. Hunne veeren zijn niets anders dan
+breede, platte, driehoekige schachten, die ver van het lichaam afstaan
+en als stroo ritselen. Na 2 maanden verliezen zij de nestveeren en
+krijgen zij bruine veeren van dezelfde kleur als die van hunne moeder.
+Na 2 jaar beginnen de mannetjes hun zwarte veeren te krijgen en na nog
+eens 2 jaar is hun nieuwe zwarte pak klaar. Vol trots gaan zij daarmee
+de wijde wereld in om zich een vrouw te zoeken.
+
+
+
+§ 2. Andere vertegenwoordigers van de Loopvogels zijn de NANDOES (RHEA
+AMERICANA) (No. 2), die in de steppen van Zuidelijk-Zuid-Amerika leven.
+Zij vergezellen daar vaak de kudden herten. De naam „Nandoe” hebben de
+inboorlingen (Gaucho’s) hen gegeven naar de klank waarmee ’t mannetje
+z’n wijfje in ’t voorjaar roept. Dat voorjaar in Zuid-Amerika begint
+evenals in alle landen van ’t Zuidelijk Halfrond als wij op de
+Noordelijke aardhelft herfst krijgen.
+
+Een nandoe haan leeft evenals de haan van onze kippen met meerdere
+hennen. Gewoonlijk zijn ’t er een stuk of zeven. Zij hebben te samen
+een bepaald gebied, waarin geen andere nandoe haan met z’n harem geduld
+wordt.
+
+Al de 6 of 7 hennen leggen hunne eieren in één gemeenschappelijk nest.
+Dit is een kuiltje met wat stroo, dat de haan voor hen heeft
+klaargemaakt. Soms liggen er 40–80 eieren in, maar meestal is het
+minder. Zijn het er genoeg naar de zin van de haan, dan gaat hij ze
+bebroeden. Soms leggen de hennen nog wel eenige eieren naast het nest,
+die rolt de haan er dan voorzichtig in. Daar ’t mannetje van de
+Nandoe’s alleen broedt, zijn de vrouwtjes niet meer noodig. Als zij
+geen eieren meer leggen gaan zij weg. Zij blijven evenwel zorgvuldig in
+’t gebied, dat aan hun haan behoort.
+
+Na 6 weken broeden komen de eieren uit. Twee dagen blijven de jonge
+vogels nog lekker warm onder „Vaders vleugels”. De derde dag begint hun
+maagje te rammelen en gaan zij onder Vaders bescherming het eerste
+voedsel zoeken. Zij worden dan heel gauw sterk en groot. Na 4 dagen
+zijn zij zóó vlug, dat geen mensch hen meer in kan halen. Zoodra zij
+groot genoeg zijn om op zich zelf te kunnen passen, verlaten zij met de
+ouders hun gebied en vereenigen zij zich met de families uit de
+naburige streken. Het verband in een dergelijke kudde is veel losser
+dan in de familie. Allerlei toevallige omstandigheden snijden stukjes
+van zoo’n kudde af. Maar die stukjes voegen zich weer rustig bij
+vreemde kudden. Eén van die toevallige omstandigheden is bijv. de
+jacht, die de Gaucho’s (spreek uit Ka-oe-tsjoos) op hen maken.
+
+Deze Gaucho’s zijn een ruitervolk bij uitnemendheid. Zij komen haast
+niet van hun paard af en zijn hartstochtelijke jagers. De nandoejacht
+is dan ook een zeer geliefde sport. Ook al weer natuurlijk, omdat ze
+moeilijk is en het hun eerzucht prikkelt, die moeilijke dingen te
+volbrengen. Hun voornaamste wapen is de „bolas”, als men dat tenminste
+een wapen noemen wil. In ’t gebruik doet een bolas aan een lasso
+denken, omdat beide weggeslingerd worden. Waar de lasso altijd door de
+hand van den mensch aan de zadelknop van den jager vast blijft zitten,
+zoodat het gevangen dier door de kracht van het paard wordt
+tegengehouden, blijft de bolas los.
+
+Een bolas bestaat uit 2 of 3 zware ijzeren of steenen kogels (fig. 4)
+in een leeren zakje gepakt en aan leeren koorden gebonden. Dit werktuig
+wordt eenige malen snel om het hoofd geslingerd en dan plotseling los
+gelaten. Met groote vaart vliegen ze door de lucht, regelrecht op hun
+doel af. Ze vallen en verwarren zich om de pooten van ’t vluchtende
+dier. Dit struikelt, de jager komt en doodt het hulpeloos slachtoffer
+met z’n mes. Hoewel, voor zoover het het slingeren van de bolas
+betreft, het vangen een groote behendigheid vereischt, is dit niet het
+moeilijkste gedeelte van de jacht.
+
+De nandoes, hebben evenals alle wild levende dieren de gewoonte om met
+de kop in den wind te grazen. Ze vreezen vijanden—en de wind waarschuwt
+hen door ’t meevoeren van geuren, wanneer er gevaar dreigt.
+
+De Gaucho’s, die deze gewoonte natuurlijk kennen, doen er hun voordeel
+mee en besluipen hen van achteren. Een ander gedeelte der jagers
+verschuilt zich voor de troep, doch zorgt, dat zij zooveel mogelijk uit
+den wind blijven.
+
+Zoodra de nandoes de hen van achteren besluipende Gaucho’s in de gaten
+krijgen, loopen zij weg zoo hard zij kunnen. En hardloopen doen zij
+haast zoogoed als een struisvogel. Zij vluchten, zooals alle levende
+dieren, in den wind. Plotseling treedt het andere gedeelte der jagers
+in hun weg. De vogels zijn besluiteloos, weten niet meer, welke kant
+zij zullen opgaan en loopen in de grootste verwarring door elkaar. De
+Gaucho’s slingeren nu hunne bolassen en vangen een groote menigte
+vogels.
+
+Aan deze inboorlingen hebben de nandoes een verschrikkelijken hekel,
+wat zij toonen door zoover mogelijk uit hunne buurt te blijven. De
+blanken daarentegen mogen zij graag lijden en toonen hun dit openlijk.
+Een nandoe, die aan hun woningen om voedsel komt vragen, is geen
+zeldzaamheid. Sommige worden zelfs zoo tam, dat zij op bepaalde tijden
+komen, net als bij ons ’t roodborstje of een musch wel gewend is, om na
+het eten op ’t vensterkozijn kruimels te komen zoeken.
+
+Behalve deze voorkeur van den blanke zelf, toont de nandoe nog een
+uitgesproken voorliefde voor de gewassen, die uit Europa meegebracht
+zijn. Op blijken van deze ingenomenheid is de blanke minder gesteld.
+Want heeft hij ’t ongeluk gehad een gewas te planten, dat bij nandoes
+in den smaak valt, dan blijft er geen spriet van staan, als de vogels
+er langs zijn gekomen.
+
+Toch wordt dit wel weer vergeven, als het niet al te vaak gebeurt. De
+vogels maken zich aan den anderen kant ook weer verdienstelijk. Zij
+eten n.l. graag de zaden van een lastig onkruid, een soort klit. Deze
+klitten verwarren zich in ’t haar van ’t vee en zijn er heel moeilijk
+uit te verwijderen. Hoe meer de nandoe er dus oppikt, hoe liever het
+den veeboer is.
+
+
+
+§ 3. In Australië leeft een loopvogel, ongeveer zoo groot als een
+struisvogel (± 2 M.)
+
+Vroeger inheemsch op ’t geheele vaste land van Australië en op de
+omliggende eilanden, houdt de EMU (DROMAEUS NOVAE HOLLANDIAE) (No. 3)
+zich tegenwoordig alleen nog staande in de groote vlakten van
+Zuid-Australië. Heel gauw zullen zij ook daar zeldzaam of uitgestorven
+zijn, want de blanke mensch is hun allergrootste vijand. Het Engelsche
+gouvernement heeft de vogels in bescherming genomen en het dooden ervan
+verboden. De Australische kolonisten lachen evenwel om die wet, sinds
+er in de uithoeken waar de emu leeft, niemand is, om die wetten te
+handhaven.
+
+Daar emu’s gemakkelijk broeden in gevangenschap, is het niet onmogelijk
+jonge emu’s te zien te krijgen. De emu-man besteedt meer zorg aan z’n
+nest, dan de struis of nandoe. De kuil, die tot nest moet dienen,
+bedekt hij met gras en bladeren, soms zelfs met boomschors. Het eenige
+vrouwtje, dat de emu-haan heeft, legt in verloop van veertien dagen zes
+à zeven eieren, die ’t mannetje netjes op een rij schikt. Zoodra het
+leggen afgeloopen is, is het werk voor ’t vrouwtje gedaan, want ’t
+broeden houdt het mannetje geheel voor zich. En dat is maar goed ook,
+daar ’t wijfje ’t broedsel vernielt en de jongen doodt, wanneer zij er
+kans toe ziet. Na 60 dagen trouw bebroed te zijn, komen de jongen uit
+het ei. 3 Maanden blijven zij onder de hoede van hunnen vader. Dan zijn
+zij half volwassen en kunnen voortaan voor zich zelf zorgen. Na een
+jaar zijn zij geheel volgroeid.
+
+Aan de emu nauw verwant is de CASUARIS, die in de dichte bosschen van
+Australië en de omliggende eilanden leeft. Hij komt ook voor op
+Nieuw-Guinea. Uiterlijk onderscheidt hij zich van de emu door de
+kleurige kop met de haanachtige lellen, de zoogenaamde „bef”. Het is
+een zeer kwaadaardige vogel. De exemplaren, die in dierentuinen
+voorkomen, zijn alle zeer jong gevangen en tijdens hun ontwikkeling aan
+menschen gewend geweest. Een volwassen dier, dat in gevangenschap werd
+gehouden, zou niet te regeeren zijn.
+
+Typisch, zoowel voor emu als casuaris is ’t verschijnsel, dat bij deze
+vogels uit iedere spoel van de veeren twee schachten komen. Bij andere
+vogels is die tweede veer de z.g. „bijveer” meest slechts in aanleg
+aanwezig. Soms ook is hij veel duidelijker, hoewel hij klein blijft.
+Nergens elders dan bij emu en casuaris vindt men ’t, dat deze bijveer
+even lang wordt.
+
+
+
+§ 4. De allermerkwaardigste van de Loopvogels is misschien wel de KIWI
+(APTERYX MANTELLI) (No. 4), die op Nieuw-Zeeland voorkomt. Het is een
+uitgesproken nachtdier. Overdag heel stil en haast nooit te zien, komt
+hij ’s nachts te voorschijn om in den maneschijn naar wormen, insecten
+en insectenlarven te zoeken. Z’n lange snavel graaft hij tot aan den
+wortel in den grond. Heeft hij beet, dan trekt hij z’n kop met de
+uiterste voorzichtigheid terug. Het is of hij er zich een eer instelt
+zoo kunstig te werk te gaan, dat hij de worm niet schaadt. Misschien
+ook is het alleen, omdat hij voor niets ter wereld iets van de
+kostelijke versnapering verloren wil laten gaan.
+
+Voelt hij evenwel geen worm, dan trekt hij z’n snavel driftig terug om
+hem direct daarop weer op een andere plaats in den grond te steken.
+
+De kiwi weet zich goed schuil te houden, zoo zelfs dat de inboorlingen
+van Nieuw-Zeeland nagenoeg niets van z’n intieme leven weten. Een
+enkele keer is er tusschen de wortels van een kauriboom een nest met
+één ei gevonden. De ouders hadden zich dan nog dieper in de holten
+verscholen en werden er uit te voorschijn gehaald.
+
+Iets is er evenwel van hun broedgewoonten bekend, sinds de kiwi’s in de
+Londensche dierentuin, waar zij vrij geregeld aanwezig zijn, daar ééns
+gebroed hebben. Nadat ’t vrouwtje het eerste ei had gelegd, bleef zij
+er twee dagen lang op zitten. Daarna nam het mannetje dien taak over.
+14 Dagen later ging ’t vrouwtje weer op ’t nest en legde er een ei bij.
+Zoodra zij daarmee klaar was, stond zij de plaats weer direct aan ’t
+mannetje af.
+
+Jammer genoeg zijn deze eieren niet uitgekomen. Na 6 weken broeden gaf
+het mannetje het op. De eieren bleken werkelijk bedorven te zijn.
+
+In hun vaderland hebben de kiwi’s een harden strijd om het bestaan te
+voeren. Een strijd, die zij aan het verliezen zijn. Want de jacht, die
+inboorlingen met honden en fakkels op hen maken, doet hunne gelederen
+te zeer dunnen. En ’t eene jong per broedsel, dat groot gebracht wordt,
+is niet in staat die leemten te vullen.
+
+Zoo is de kiwi tot uitsterven gedoemd. Engelsche natuuronderzoekers
+zijn daarom naar Nieuw-Zeeland gegaan, om nog zooveel mogelijk van deze
+grappige en vreemde vogels te weten te komen. Dat een dergelijk
+onderzoek niet gemakkelijk is, laat zich in verband met de nachtelijke
+levenswijs, begrijpen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Door de geheele wereld gescheiden leven aan de beide Polen der aarde
+vogels, die opvallend veel op elkander gelijken. Toch zijn zij geen
+familie, doch de overeenkomstige levenswijs in de koudste en
+onherbergzaamste streken heeft op hen denzelfden stempel gedrukt en
+heeft aan de verschillende, groote en kleine pinguïnsoorten van het
+Zuidpoolgebied hetzelfde merkwaardige uiterlijk gegeven als aan de
+alken, zeekoeten en papegaaiduikers van het Noordelijke Halfrond. Dit
+feit, dat men „parallelle ontwikkeling” noemt, is een zeer
+belangwekkend biologisch verschijnsel, waarvoor men nog geen
+bevredigende verklaring heeft kunnen vinden.
+
+Toen eenigen tijd geleden heel Nederland de mooie film over de
+Zuidpool-reis van Sir Ernst Shackleton ging bekijken, heeft iedereen de
+gelegenheid gehad iets van de wonderlijke fauna van dit ontoegankelijk
+gebied te leeren kennen. Veel beter dan door het lezen van de mooiste
+reisbeschrijvingen kan men zich, door het zien van de bewegende
+fotografiën, een beeld vormen van de wonderlijkste der vogels: de
+pinguïn.
+
+Hoe koddig veel leken deze vogels op menschen! Vooral wanneer men een
+troep op een afstand zag, was het of een menigte menschen samenschoolde
+om naar iets te kijken, dat hunne gemeenschappelijke belangstelling
+had.
+
+Deze gelijkenis is in de eerste plaats toe te schrijven aan het rechtop
+loopen der vogels en komt voor een ander gedeelte op rekening van de
+typische verdeeling van zwart en wit.
+
+De afwijkingen in hunne lichaamsbouw staan in nauw verband met de
+eigenaardige levenswijs van deze vogels. Ten gevolge hiervan nemen de
+pinguïns, alken, zeekoeten en papegaaiduikers een eenigszins
+afzonderlijke plaats in ten opzichte van de overige vogels. Evenals de
+Loopvogels verleerden zij het vliegen, doch zij specialiseerden zich in
+het zwemmen. Daar zij, evenals alle gewone vogels een kam op het
+borstbeen hebben, worden zij ondergebracht tot de groote groep der
+
+
+KIELBORSTBEENIGEN (CARINATÆ).
+
+
+Deze kam of kiel op het borstbeen dient, (zie Hoofdstuk I), tot
+aanhechting van de vliegspieren. Met ’t oog op de pinguïns is het beter
+om te spreken van „bewegingsspieren van de voorste ledematen”. Want
+pinguïns gebruiken hunne vleugels om te roeien. Het zijn hier dan ook
+meer vinnen dan vleugels, waardoor de pinguïns in een aparte orde, de
+IMPENNES, in de tweede groep, die der
+
+
+ZWEMVOGELS (NATATORES) II
+
+
+ondergebracht worden. Van alle zwemvogels, die voornamelijk gekenmerkt
+zijn door het bezit van zwemvliezen tusschen de teenen, is er geen één,
+zoo in het water in z’n element als de pinguïn. Er is er géén, die zoo
+volkomen de lucht als milieu verlaten heeft; geen één, die z’n lichaam
+zoo volmaakt in een andere omgeving heeft aangepast, als hij.
+
+Alle zwemvogels hebben hunne pooten meer achter aan het lichaam, dan de
+overige. Hoe beter de vogel kan zwemmen, des te meer zijn de pooten aan
+het eind van het lichaam geplaatst. Nergens evenwel is dit zoo ver
+gegaan als bij de pinguïn. Het voordeel ervan is duidelijk, daar de
+vogel er meer stuur over z’n lichaam door krijgt.
+
+
+
+§ 1. Iedere medaille heeft z’n keerzijde! De PINGUÏN (No. 5), die de
+beste zwemmer onder de vogels is, is aan land de meest onbeholpene,
+juist door de eigenschappen, die hem in ’t water tot de eerste maken.
+Als men hem aan land ziet, is het een stumper. Zijn korte pooten, die
+zoover naar achteren geplaatst zijn, doet het zware lichaam waggelen.
+De door de groote zwemvliezen zoo lompe voeten kan hij niet náást, maar
+moet hij vóór elkander zetten, zoodat hij loopt alsof hij horrelvoeten
+heeft. Hardloopen is hem dan ook totaal onmogelijk. Moet een pinguïn
+gauw vooruit komen, als hij bedrijvig is of haast heeft, dan springt
+hij liever als een zaklooper, met beide pooten tegelijk van den grond.
+
+Maar van alle eigenaardigheden, die hun lichaam aan land zoo
+ondoelmatig doet schijnen, komen de voordeelen in het water tot hun
+recht. Men zegt zelfs, dat zij zwemmend een zoo groote snelheid kunnen
+bereiken, dat zij een stoomschip kunnen bijhouden. Meestal bewegen zij
+zich onder water, doch om adem te scheppen komen zij iedere 30 M. aan
+de oppervlakte. Daar springen zij, zooals wij de bruinvisschen in onze
+zeegaten zoo vaak zien doen, in volle vaart even boven water, om direct
+daarna weer onder te duiken.
+
+Om bestand te zijn tegen de geweldige afkoeling, die een natuurlijk
+gevolg is van een langdurig verblijf in het ijskoude water der
+Poolzeeën, hebben de pinguïns, evenals walvisschen, zeehonden en andere
+in het water levende zoogdieren, een dikke speklaag onder hunne huid.
+Zij zijn hierdoor zeer zwaar, ’t geen een merkwaardig verschil is met
+vliegende vogels. Het lichaam van deze laatsten is er juist op
+ingericht, zoo licht mogelijk te zijn. De beenderen zijn daartoe hol en
+met lucht gevuld. Ook lijkt het dier door de losse veerenlaag veel
+grooter, dan het werkelijk is. Hoe nietig en schriel is een geplukte
+kip niet, in vergelijking met een levende! Dit maximaal vergrootte
+oppervlak is verkregen door middel van een minimale gewichtstoename.
+
+Pinguïns daarentegen hebben dikke, zware, harde beenderen, die in
+plaats van met lucht, met een olieachtig merg gevuld zijn. Van de
+veeren is niets meer over dan de schachten, die tot driehoekige
+hoornschubjes zijn geworden.
+
+Hoe moeilijk voor een pinguïn een verblijf op het land ook is, door
+deze morphologische geaardheden, zij getroosten zich dit gaarne voor
+het uitbroeden van hun eene ei, en het groot brengen van hun eenig
+kind. Het liefst zoeken zij voor hunne broedplaatsen plekken uit, waar
+de bodem niet te hard en rotsachtig is. Deze zijn echter niet altijd te
+vinden. Als het niet anders kan, schikt de pinguïn zich in de
+omstandigheden en neemt de dingen, zooals ze zijn. Z’n zorgen voor ’t
+jong lijden er niet onder. De moeilijke afstand van de broedplaats naar
+zee wordt zoo vaak afgelegd, als het noodig is.
+
+Hebben de pinguïns een zandige plaats voor hunne nesten, dan graven zij
+deze vol geulen, die elkaar onder rechte hoeken kruisen. Net zooals de
+straten van veel van onze moderne stadswijken dat doen. Een enkele plek
+wordt wat dieper uitgehold. Deze is voor het nest bestemd.
+
+Pinguïns, die samen aan een district van de broedplaats werken, leven
+in vriendschap met elkaar en schijnen zich als een soort familie te
+beschouwen. Met de bewoners van een andere wijk leven zij in onmin. Een
+ongelukkige, die in een verkeerde buurt terecht komt, wordt met
+onvriendelijke en pijnlijke snavelpikken ontvangen en daarna
+weggejaagd.
+
+Al zijn deze families tegenover vreemden een geheel, onderling vechten
+en kibbelen zij voortdurend. Meestal gaat het geschil om versieringen,
+die aan de nesten worden aangebracht. Sommige vogels zijn ijverig en
+slepen allerlei steentjes en schelpen aan, die met zorg om den rand van
+het nest worden geschikt. Andere zijn lui en halen één steentje. Zij
+zijn, zooals ook bij luie menschen zoo vaak het geval is, heel gauw
+tevreden over zichzelf. De enkele keer, dat er eens wat gepresteerd
+wordt, slaan zij zich vol voldoening met de handen op de borst en
+roepen iedereen naderbij om hun werk te bewonderen. Luie pinguïns zijn
+ook op een dergelijke manier met zichzelf ingenomen. Het eene onnoozele
+steentje, dat zij haalden, verschikken en verleggen zij tot in den
+treure. Met een scheeve kop en vol uitroepen van bewondering
+beoordeelen zij het effect, dat het op verschillende plaatsen maakt.
+
+Is de begeerte naar een tweede steentje groot en de weg hen te lang,
+dan trachten zij op oneerlijke manier hun verlangen te bevredigen, door
+er eentje van de buren te stelen.
+
+Daar de verschillende nesten door de geulen met elkaar in verbinding
+staan, is de gelegenheid er wel om het nest van een ander te bezoeken.
+Het stelen gaat evenwel zoo glad nog niet, want er is steeds een van de
+twee vogels op wacht. Schijnbaar met de beste bedoeling wordt het nest
+van een vlijtige vriendin bezocht en met vreemde geluidjes geprezen. Op
+een oogenblik, dat de gastvrouw wat minder oplettend schijnt, wordt de
+slag geslagen en tracht zij zich uit de voeten te maken. De beroofde
+merkt ’t evenwel en zet de dievegge achterna. Een slimme derde maakt
+dan van de gelegenheid gebruik om het onbeheerde nest te bestelen.
+
+Van ernstiger aard zijn de geschillen wanneer deze een ei of een jong
+betreffen. Daar ieder paartje van dit soort pinguïns nooit meer dan één
+ei legt, is dit eenige kind de groote zorg en angst der ouders. Moeten
+zij het nest verlaten dan zijn er pinguïns die hun ei of hun jong op de
+pooten leggen en het met zich meedragen. Een van de buik afhangende
+huidplooi verbergt het en houdt het warm. Soms geven zij het ei aan
+elkander over. Het wordt dan even op den grond gelegd en direct
+voorzichtig met den snavel op de pooten van de wederhelft geschoven.
+
+Iedere vogel, die het ongeluk heeft gehad ei of jong te verliezen,
+tracht er een van een ander te stelen. Het berooide paar steelt weer op
+zijn beurt. Zoo komt het dan ook meermalen voor, dat het jong eenige
+keeren van ouders verwisselt.
+
+’t Jong, dat blind ter wereld komt en dat in ’t begin ook nog niet
+loopen kan, wordt door de ouders voornamelijk met garnalen groot
+gebracht. De ouders visschen deze en bergen ze in hun slokdarm. Zij
+braken ze voor het jong uit, of deze steekt gedurende 1 of 2 minuten
+z’n kop in hunne bek en haalt ze zelf uit den krop.
+
+
+
+§ 2. Met de grootste der pinguïns, de keizers- en de koningspinguïns
+(APTENODYTES FORSTERI) (No. 5) kwam de grootste der DUIKERS
+(URINATORES), de reuzenalk van het Noordelijk halfrond in grootte
+overeen. De keizerspinguïn is ongeveer 90 c.M., de reuzenalk was ± 70
+c.M. lang. Tegenwoordig is deze alk helaas uitgestorven. Vroeger was
+hij op het Noordelijk halfrond zoo algemeen als de pinguïns nu op het
+Zuidelijk zijn. De menschen van ’t Noorden hebben hem helaas te
+intensief vervolgd omdat zij hem als voedsel gebruikten en moeten het
+al sinds honderd jaar geheel zonder hem doen.
+
+Het huidje van deze vogels is in de museums, die er een machtig zijn,
+een zeer kostbaar en hoog gewaardeerd bezit. Geen wonder, dat het in
+„Artis” onder een extra stolp bewaard wordt!
+
+De tegenwoordig nog in groote hoeveelheden in het Noorden voorkomende
+ALKEN (ALCA TORDA) (No. 6) lijken erg veel op de uitgestorven
+reuzenalk. Zij zijn alleen veel kleiner. De grootte van een flinke eend
+halen zij nog niet. Hoewel het puike zwemmers zijn, is hunne aanpassing
+aan ’t leven in ’t water niet zoover als bij de pinguïns gegaan. Zij
+hebben nog echte veeren. Hoewel hunne vleugels klein zijn, kunnen zij
+deze toch nog gebruiken om er mee te vliegen. Graag doen zij het
+evenwel niet. Alleen in de broedtijd vliegen zij onophoudelijk heen en
+weer tusschen de hooge steile rotskusten, waar hun nest ligt en de zee,
+die hen hun voedsel levert.
+
+Voor ’t meerendeel bestaat dit uit krabben. Daar deze gewoonlijk op den
+bodem der zee rondscharrelen, moeten zij duiken en soms zelfs vrij
+diep, om hen te bemachtigen. Zij blijven een minuut of drie onder
+water, komen boven om lucht te scheppen en duiken weer opnieuw. Tot dit
+lange onder water blijven is de vogel in staat doordat hij een groote
+hoeveelheid lucht mee naar beneden neemt in een zak onder z’n huid, die
+daartoe geheel los om hem heen zit. Hij blaast zichzelf op tot een
+ronden bal, slechts aan kop, staart en pooten kan men dan zien, dat men
+met een vogel te doen heeft. In gewone omstandigheden ziet men de vogel
+nooit in dezen toestand. Het was Boie, die een gevangen vogel met een
+touwtje aan z’n pooten zwemmen liet en hem terughaalde dadelijk nadat
+hij was ondergedoken, die hem voor ’t eerst in dezen toestand zag. Ook
+heeft hij na kunnen gaan, dat de vogel onder water een afstand van ca.
+60 M. aflegde.
+
+Hoewel ’t ongeloofelijk schijnt, verdrinken alken herhaaldelijk. Na een
+zwaren storm vindt men hen geregeld aan ’t strand. Een enkele maal
+worden zij ook nog wel levend gesignaleerd, maar dat behoort tot de
+uitzonderingen. Zij blijven ook nooit lang, maar trekken weer naar ’t
+Noorden, naar Helgolands en Groenlands steile kusten. Dáár is hun thuis
+en broeden zij hun eene ei uit.
+
+Het jong is minder hulpbehoevend dan dat der pinguïns, daar ’t ziende
+geboren wordt en loopen kan. Zoodra z’n vleugels genoeg ontwikkeld
+zijn, sporen de ouders hem aan om naar beneden te springen. Dat is een
+heele durf, want het is geen ongevaarlijk werkje en de jongen vallen
+vaak te pletter op een uitspringend stuk rots.
+
+Menig jong, dat er in ’t geheel den moed niet toe heeft, tracht langs
+een omweg naar beneden te komen.
+
+Waagt het den sprong en lukt deze, dan geven de ouders hunne blijdschap
+te kennen en beginnen direct het van allerlei te leeren. In ’t begin
+vindt de kleine ’t niets prettig in ’t water. Het went evenwel gauw en
+leert spoedig voor zichzelf te zorgen.
+
+Evenals vroeger de reuzenalk wordt de gewone alk door de menschen
+vervolgd. Het is zoowel in ’t belang der vogels, als in ’t belang der
+menschen, dat de overheid een beperking aan deze vervolging heeft
+gesteld. Deze maatregel behoedt de vogels voor uitsterven en de
+bevolking van die Noordelijke landen voor hongersnood.
+
+Samen met de alk broeden de ZEEKOETEN (URIA TROILLE) (No. 7) en de Jan
+van Gent op de hooge steile rotsen in ’t Noorden en deze moeten een
+wonderlijken aanblik opleveren, met de miljoenen broedende vogels. Op
+iederen vooruitspringenden riggel van de rots zitten zij. Mannetje aan
+mannetje staren zij in zee van af hun natuurlijk amphitheater, hunne
+witte borsten glinsterend in ’t zonlicht. Dag en nacht schreeuwen en
+krijschen zij, dat het tot ver in zee te hooren is.
+
+In levenswijs komen de zeekoeten in veel opzichten met de alken
+overeen. De verzorging van hun eene jong gaat hen misschien wat
+gemakkelijker af, daar zij iets beter vliegen.
+
+Zij onderscheiden zich uiterlijk voornamelijk door hun snavel, die
+zwart en smal is, terwijl die der alken mooi donker blauwgrijs en breed
+is. Een witte band loopt over ’t hoogste gedeelte heen.
+
+Zij komen over ’t algemeen vaker aanspoelen dan de alken. Wie een
+verzameling van natuurhistorische voorwerpen heeft, verzuime niet zoo’n
+doode alk en koet mee te nemen, wanneer hij nog gaaf is. Die gaafheid
+blijkt het best aan den toestand der veertjes onder den staart en rond
+de oogen. Laten deze los dan loont het de moeite niet het huidje op te
+zetten. Van de kop kan dan evenwel nog een aardig schedeltje gemaakt
+worden. Men snijdt het van den romp af en verwijdert thuis de huid en
+zooveel mogelijk van de vleezige deelen. Dan legt men ’t in een bak met
+water, die men ergens op een zonnig of warm plekje zet. Na een maand is
+er niets meer over dan de beenderen van ’t schedeltje. Men kan dit met
+een tangetje uit het water halen, onder de kraan uitspoelen en in de
+zon te drogen leggen. Dat dit mascereeren zooals men een dergelijke
+bewerking noemt een welriekend proces is, kan nu juist niet gezegd
+worden. Een goed bioloog heeft dat evenwel graag voor z’n verzameling
+over. Wanneer men een wondje aan de handen heeft, is ’t beter met ’t
+beetpakken der objecten te wachten, tot het genezen is.
+
+Heel zeldzaam vindt men een PAPEGAAIDUIKER (FRATERCULA ARCTICA) (No. 8)
+aan ons strand. Dat is wel jammer want deze is ongetwijfeld de mooiste
+duiker. Het levendig oranje rood van hun vreemd gevormden snavel geeft
+een verrassend effect met het stemmig zwart en wit van hunne veeren.
+Snel en rusteloos vliegen zij in kleine troepjes, laag boven het water.
+Een onvergetelijke herinnering aan vreemd sombere schoonheid, voor
+ieder, die hen eens in hunne woeste omgeving aan zich voorbij zag gaan.
+
+Wèl is het noodig voor hen zoo gauw vooruit te komen. Het voedsel voor
+hunne jongen, die in gezelschap van alken en uria’s op de vogelrotsen
+liggen, moet vaak van heel ver komen. Het bestaat uit kleine vischjes,
+die meestal niet in de onmiddellijke omgeving der vogelrotsen
+voorkomen. Toch zouden deze snelvliegende vogels nog tijd te kort
+komen, als zij voor ieder gevangen vischje den heelen weg naar ’t nest
+weer teruggaan moesten. Een eigenaardige inrichting van hun snavel
+geeft hen de gelegenheid met een groote massa voedsel tegelijk mee te
+brengen. In den broedtijd n.l. krijgt de snavel aan de basis een
+hoornplaat met een scherpen kant, die zich in een hoornachtige huid om
+de mondhoeken voortzet. Tusschen deze plaat klemt hij ieder gevangen
+vischje, zonder dat het hem verhindert z’n bek open te doen, als hij er
+weer een vangen wil. Zoo bergt hij een menigte slachtoffers. Heeft hij
+er genoeg naar zijn zin, dan vliegt hij naar huis. De bundels vischjes,
+die aan weerskanten uit iederen snavelhoek hangen, lijken dan op een
+grooten grijzen snor.
+
+Waar geen van de genoemde vogels zich onze „lage landen bij de zee” tot
+broedplaats heeft gekozen en we hen dus zelden levend onder oogen
+krijgen, is dit met de FUUT (LOPHAETHYIA CRISTATA) (No. 9) gelukkig
+niet het geval en zijn deze vrij gewone vogels op onze plassen. Het
+kleine dodaarsje komt zelfs in polderslooten en fortgrachten veelvuldig
+voor. De geoorde fuut daarentegen is een zeldzaamheid, die eerst eenige
+jaren geleden in ons land broedend is aangetroffen. Gelukkig op een
+plaats, waar dergelijke zeldzaamheden naar waarde geschat worden en
+voor de roekelooze hebzucht van veel eierzoekers wordt beschermd.
+
+Dat fuuten door veel menschen als zeldzaam worden beschouwd, zal wel
+aan hunne levenswijs liggen.
+
+Wie ’s avonds, bij het ondergaan der zon en het liggen van den wind, op
+een van onze mooie plassen in een schuitje zachtjes voortglijdt, en van
+het stille wijde water geniet, weet hoe veel er van deze vogels in ons
+land zijn.
+
+Hoe vaak is de droomerige stemming, waarin we geraakten door den
+aanblik van het zachtblauwe water, overvloeit door de heerlijkste,
+gloeiendste tinten van rood, goud en purper en de schoonheid der
+weerspiegeling van het onbewegelijke riet in den zilveren waterspiegel
+niet verbroken doordat we onze aandacht plotseling scherp
+concentreerden op een korten rechten stok, die boven water verschijnt,
+weer verdwijnt en een eind verder weer te voorschijn komt? Floep, daar
+duikt hij weer onder. Dat was een fuut. Wat we voor een stok aanzagen,
+z’n hals.—Wie ziet hem ’t eerst weer boven komen?
+
+Nu je eenmaal gewekt bent uit de mijmering, waarin de zilveren rust van
+’t water je bracht, zie je er telkens meer en vermaak je je met hun
+duiken en onder water zwemmen. Wat ligt hij laag op het water, z’n
+geheele romp is haast onder! En kijk! ginds komt er een met jongen
+tusschen het riet vandaan. Zij zwemmen achter de oude aan, zooals jonge
+eendjes ook achter hunne moeder zwemmen.
+
+In ’t riet heeft de fuut z’n nest gehad. Veel bizonders was het niet,
+want met een hoopje rottende bladeren, drijvend tusschen het riet, was
+hij al tevreden. Daar heeft ’t vrouwtje de eieren in gelegd en nooit
+heeft zij het verlaten zonder ze eerst met modder en rottende bladeren
+overdekt en verstopt te hebben. De jongen, die ondanks de nattigheid
+goed door haar uitgebroed worden, gaan direct te water en zwemmen, dat
+het een aard heeft. Als zij moe worden duikt vader of moeder onder en
+schept hen, boven komend, op de rug.
+
+Wellicht waren er nog veel meer van deze aardige vogels op onze
+plassen, als zij niet het ongeluk hadden mooie veeren te hebben, die in
+den smaak der vrouwen vallen. De borstveeren van een fuut zijn wit en
+van een teere fijne parelmoerachtige satijnigheid. Geen wonder, dat een
+vrouw er haar oogen niet van af kan houden en ze bewonderend langs haar
+vingers strijkt! Wel begrijpelijk, dat een moeder denkt: hoe lief zal
+dit m’n blonde dochtertje staan!
+
+Maar och, mooier dan ’t mooiste liefste blankste kindje er mee uit zou
+zien, staat het de fuut.
+
+
+
+§ 3. De groote oceanen en wereldzeeën van het Zuidelijk Halfrond zijn
+het thuis van een van de grootste der STORMVOGELS of LONGIPENNES, van
+den ALBATROS (DIOMEDEA EXULANS) (No. 10). Daar alleen, tusschen de
+wijde lucht en het wilde water, treft men hem aan. Rustig, majestueus
+vliegt hij, hoog boven de golven en recht in den wind. Hoog boven de
+wereld is zijn plaats. Dáár hoort hij, dáár leeft hij, dáár is hij
+groot, hij, de koning der vliegers. Onovertroffen is z’n vlucht. Na een
+paar krachtige rustige slagen beweegt hij z’n vleugels niet meer, maar
+zweeft en zwenkt met uitgestrekte vlerken. Hij daalt, hij stijgt,
+zonder z’n vleugels te verroeren. Het is of de zwaartekracht voor hem
+in die hooge luchten heeft opgehouden te bestaan. Dan opeens eindigt
+hij z’n doelloos draaien en vliegt weg met sterke kalme slagen den wind
+trotseerend. Soms vliegt hij zoo snel, dat men hem ’t eene oogenblik in
+al z’n grootheid kan bewonderen, het volgende is hij al niet veel meer
+dan een blinkend witte stip in ’t luchtruim. Hoe sterker de wind, hoe
+sneller en zekerder z’n vlucht er tegen in is.
+
+En deze Heer van de lucht, deze Koning der vliegers, heeft de mensch,
+in z’n verlangen naar het onderbrengen in vakjes en hokjes, geplaatst
+in de groep der „zwemvogels”, daar hij zwemvliezen tusschen de teenen
+heeft. Tot welke eigenaardige consequenties voert de logica soms!
+
+Toch, wanneer de vogel vermoeid is of slapen wil, laat hij zich op ’t
+water drijven, zooals meeuwen, eenden en ganzen dat doen. Gauw moe of
+slaperig is een albatros anders niet. Hij is in staat 6 dagen en 6
+nachten een snelvarend schip te volgen, zonder ook maar één oogenblik
+te rusten. Z’n voedsel, dat uit inktvisschen en aan de oppervlakte van
+het water drijvende zeedieren, zooals kwallen, bestaat, vangt hij
+tijdens z’n vlucht uit het water. Soms evenwel, bij zwaar en
+stormachtig weer, moeten zij dagen lang vliegen, zonder aan voedsel te
+kunnen komen. Zij vliegen dan maar door tot de storm bedaard is en zij
+uitgeteerd en vermagerd ergens aan land kunnen komen.
+
+De bemanning der schepen vangt hen ook wel na zoo’n storm. Zij zijn dan
+uitgehongerd en vallen als wilden aan op een stuk ranzig spek, waarin
+een haak verborgen is. Verwonden zij zich den snavel de eerste keeren
+en loopen zij de haak nog mis, de honger drijft hen er iederen keer
+weer heen, tot één keer de laatste is en de gevangen vogel aan boord
+wordt geheschen.
+
+Buiten z’n element, beroofd van z’n vrijheid levert deze grootsche,
+koninklijke vogel een jammerlijken aanblik op. Z’n zwakke, kleine
+pooten kunnen hem nauwelijks dragen, loopen kan hij heelemaal niet. En
+de manschappen, die de koninklijke grootschheid van z’n vlucht niet
+begrepen, genieten van z’n hulpeloosheid. Hunne kleinheid van geest
+stelt hen niet in staat te bewonderen. Grootheid kunnen zij slechts
+vernielen in hun domme wreedheid. En neergehaald uit z’n grootsch
+milieu, uit z’n verheven sfeer, wordt de vogel bespot en gehoond, omdat
+hij niet past in de wereld der menschen.
+
+Iets anders is het en zeer vergeefelijk zelfs, wanneer de bemanning van
+een schip door den nood ertoe gedwongen wordt albatrossen te vangen.
+Vooral in vroegere eeuwen was dat nog wel eens noodig. In den tijd dat
+de stoomschepen er nog niet waren en men nog niet van ’t conserveeren
+van groenten in blikjes wist, moesten de menschen de heele lange reis
+van Holland naar Indië om den Kaap heen, niets anders dan gezouten
+vleesch en groenten eten. Zij kregen hiervan een vreeselijke ziekte, de
+scheurbuik. Slechts versch vleesch kon dan de genezing brengen. Hoe
+dankbaar moeten die zieken geweest zijn, als ’t walgelijk smakende
+vleesch van den albatros hen beter maakte.
+
+Om te broeden moeten de albatrossen wel aan land komen. Zij kiezen
+daartoe eenzame zandige eilanden, waar zij met duizenden en duizenden
+te samen hunne broedperiode doorbrengen.
+
+Van de familieleden van den albatros is er niet één, die hem in ’t
+vliegen evenaardt, al mogen sommige er wezen wat dat betreft. Dat weet
+ieder, die wel eens op ’t strand naar de zeemeeuwen heeft gekeken. Hun
+vlucht is zéér sterk aan die van albatrossen verwant. In de
+stadsgrachten heeft zelfs iedere Amsterdammer in de kokmeeuwen prachtig
+studiemateriaal en kan men door nauwkeurig en scherp op te letten heel
+wat aan deze sierlijke lichtgrijze vogels opmerken. Deze kleine meeuwen
+worden in Amsterdam, wat de duiven in Venetië zijn: zij behooren bij de
+stad.
+
+Tusschen deze kokmeeuwen ziet men vaak een veel grootere meeuw, die er
+lang zoo mooi niet uitziet maar overdekt is met lichtbruine vlekjes.
+Dat is een jonge zilvermeeuw, die z’n jeugdkleed nog niet verruild
+heeft voor de mooie zacht blauw-grijze veeren van z’n volwassen tooi.
+
+In de havens van Amsterdam vindt men ’s winters geregeld de groote
+zwarte MANTELMEEUWEN (LARUS MARINUS) (No. 11). ’s Zomers is hij hier
+niet, dan is hij vertrokken naar z’n broedplaatsen in Schotland. Maar
+’s winters is hij aan veel van onze binnenwaters en aan de kusten van
+Noord- en Zuiderzee geregeld te vinden. Een enkele jonge vogel of een
+oude, die om een of andere reden niet broedt, kan ook wel ’s zomers in
+gezelschap van zilvermeeuwen aangetroffen worden.
+
+Zilvermeeuwen en kokmeeuwen broeden wel in ons land. De zilvermeeuwen
+vindt men broedend in geweldige hoeveelheden op onze Waddeneilanden,
+Texel en Terschelling en op Grient en de Beers. Kokmeeuwen broeden
+dikwijls tusschen de zilvermeeuwen of in hunne buurt. Zij komen ook
+echter op onze plassen voor op plaatsen, waar men de zilvermeeuwen niet
+aantreft.
+
+Over ’t algemeen maken de meeuwen niet veel werk van hunne nesten. Een
+kuiltje in ’t duin, beschermd door een bosch helm tegen den
+heerschenden westenwind, is hen al meer dan voldoende voor hun vier
+bruin-groene, met donkere spikkels bezaaide eieren.
+
+Een ander meeuwtje, dat ’s winters vaak wordt gesignaleerd aan ons
+strand is het DRIETEENMEEUWTJE (RISA TRIDACTYLIS) (No. 12). Meest ziet
+men het vliegend. Dat kan hij, evenals z’n familieleden, buitengewoon
+goed. Zwemmend neemt men het ook vaak waar, maar loopend heel zelden,
+want dat doet het niet graag.
+
+Als de winter voor deze vogel voorbij is, trekt hij naar het Noorden,
+naar IJsland. De bewoners daar begroeten hem met vreugde. Zij weten,
+dat wanneer het drieteenmeeuwtje gekomen is, de lente gauw volgt en dat
+de winter voorbij is al liggen de rotsen nog dik onder de sneeuw.
+
+Een vriend van me, die het voorrecht heeft gehad een reis naar IJsland
+per trawler te maken, heeft deze aardige vogels goed leeren kennen. Zij
+omzwermen voortdurend het schip en azen op den afval, die overboord
+gegooid wordt en zijn meest erg mak. Er was er zelfs één, dat voedsel
+uit de hand kwam halen.
+
+Als zij eenmaal broeden, zijn zij in ongeloofelijke hoeveelheden bij
+elkaar. Zooals Faber er schilderachtig van zegt: „In Grünsö’s
+vogelbergen zijn zij er in zoo groote hoeveelheden, dat zij de zon
+verduisteren als zij opvliegen, de scheeren bedekken als zij stil
+zitten en de ooren verdooven als zij schreeuwen en de van ’t lepelkruid
+groene rotsen wit kleuren als zij broeden.”
+
+Daar het drieteenmeeuwtje een gevorkte staart heeft, zou den beginners
+het hierdoor wel eens voor ’t VISCHDIEFJE (STERNO FLUVIATILIS) (No. 13)
+kunnen aanzien. De veel slankere bouw van ’t sterntje, de rooie snavel
+met de zwarte vlek en ’t zwarte kapje op de kop moet hen daarvan
+terughouden. Ook is de vork in den staart van een stern veel dieper dan
+die van een Rissa.
+
+’s Zomers broedt het sterntje op onze plassen, of in kleine kolonies in
+moerassige weilanden, die dikwijls heel dicht bij de woningen der
+menschen gelegen zijn.
+
+Het is een vreugd om deze sierlijke lichtgrijze en witte vogels gade te
+slaan. Met een enkele slag zoo nu en dan van hunne slanke vleugels
+vliegen zij in kringen boven het water. Hun kop buigen zij van tijd tot
+tijd met een grappig korte beweging naar beneden. En wee! het arme
+bliekje, dat door de scherpe oogjes opgemerkt wordt. Stil en snel laat
+de vogel zich vallen en eer het vischje merkt dat er gevaar dreigt,
+wordt het al beetgepakt en mee naar boven genomen. Het sterntje zorgde
+er bij het visschen wel voor, dat z’n schaduw niet op z’n prooi kon
+vallen. Dat zou de visch gewaarschuwd hebben. Zoodra het bliekje naar
+binnen is gewerkt, begint het aardig spel van zweven en cirkelen weer
+opnieuw. Soms „staat” hij doodstil in de lucht, de kop spiedend omlaag
+gebogen, de rooie snavel recht naar het water wijzend. Roofvogels ziet
+men vaak in een dergelijke houding met hun scherpe oogen de omgeving
+afzoeken. Ze „bidden” dan zooals de volksmond zegt.
+
+In deze orde der Longipennes of Zeevliegers, waartoe de albatros, de
+meeuwen en sterntjes behooren, is nog een familielid, dat heel andere
+gewoonten heeft en zich in verband daarmee door een zeer bizonder
+uiterlijk onderscheidt. Dit is de SCHAARSNAVEL (RYNCHOPS) (No. 14), een
+vogel, die overdag meest slaapt in ’t warme zand, zoo dicht en zoo plat
+mogelijk tegen den grond gedrukt. Vliegen doet hij het liefst in de
+heldere maanverlichte nachten. Geruischloos scheert hij met z’n groote
+stille vleugels vlak boven het water, als een sombere zwarte geest van
+de nacht. Z’n lange dunne snavel, waarvan de onderkant veel langer is
+dan de bovenkant, steekt hij in ’t water, terwijl hij verder vliegt.
+Ieder, die wel eens een stok met kracht door het water heeft gehaald of
+z’n hand buiten boord van een snelvarend schuitje heeft laten hangen,
+weet, dat het water achter den stok of de hand een geultje vormt. Aan
+den voorkant staat het er hoog tegen op. Uit dit opstaande water vangt
+de Rynchops met z’n bovensnavel kleine insecten en vischjes. Ook wordt
+verondersteld, dat hij de aan de oppervlakte van het water drijvende
+wiertjes als voedsel zou gebruiken.
+
+Een soort van deze Rynchops leeft aan de Nijl, de andere soorten komen
+in Amerika en Azië voor. Alle onderscheiden zich evenwel, door hun
+schaarvormigen snavel, met den vreemden langen ondersnavel. Zij
+gebruiken deze allemaal op dezelfde, hierboven beschreven, manier.
+
+
+
+§ 4. Na verwant aan deze Stormvogels zijn de STEGANOPODES of de
+ROEIPOOTIGEN, waarvan ZONNEVOGEL (PHAËTON ÆTHEREUS) (No. 15), de
+„Tropische vogel” of de „Zoon der Zon”, zooals Linnaeus hem dichterlijk
+genoemd heeft, de lieflijkste is. Het zijn betrekkelijk kleine witte
+vogels, maar over hun witte veeren ligt een roseroode gloed. „’t Is of
+de laatste stralen van de ondergaande zon zich aan deze blanke wezens
+hebben vastgehecht, want de glans van ’t avondrood ligt blijvend op
+hen,” zoo zegt men.
+
+Niet alleen om de fraaiheid van hunne veeren, maar vooral om hun
+sierlijken bouw zijn deze vogels mooi te noemen. Hoewel hun lichaam
+kort en stevig is, is de vogel een zeer bizarre verschijning, daar in
+plaats van een normalen stevigen staart, twee lange linten achter hem
+aan fladderen. De gewone staart is door de aanwezigheid van deze twee
+lange en sierlijke veeren tot een verrassend grillige verschijning
+geworden, waardoor de vogel z’n exotisch uiterlijk heeft verkregen.
+
+Geen mensch, die op zee de Keerkringen passeert is er, die niet in
+bewondering geraakt voor deze liefelijke vogels. Buiten de Keerkringen
+komen zij niet meer voor. Zij hebben warmte noodig en de wijde zee, die
+zij rusteloos doorkruisen. En in de maanlichte nachten komen zij als
+sierlijke witte schimmen de diepblauwe ruimten doorklieven. Slechts om
+te broeden gaan zij aan land op enkele der zeer afgelegen eilanden in
+de Stille Zuidzee. Het wijfje legt één enkel chocoladebruin ei, dat
+beide om beurten bebroeden.
+
+De inboorlingen der Zuid-Zee eilanden hechten buitengewoon veel waarde
+aan hunne vreemde staartveeren en getroosten zich de moeite graag, deze
+op de broedplaatsen te gaan verzamelen. Daar de vogels zeer vast op het
+nest zitten en dit om geen enkele reden verlaten, grijpen de mannen hen
+zonder moeite beet en rukken hen de staartveeren uit. Dan laten zij het
+verschrikte dier weer los. Zoowel ’t mannetje als ’t wijfje moeten zich
+deze onaangename bewerking laten welgevallen, want beide bezitten de
+zoozeer begeerde veeren.
+
+’t Jong, dat uit ’t donkerbruine ei komt, is een aardig bolletje zuiver
+wit dons. Net een poeierkwast, zooals Bennet ervan opmerkt. Hun echte
+veeren blijven drie jaar lang zuiver wit. Als zij na dezen tijd
+volwassen zijn, groeien de lange linten aan hunne staart en overdekt
+hen voor ’t eerst de rose-roode kleur.
+
+Op het Noordelijk Halfrond leeft buiten de Keerkringen de JAN VAN GENT
+(SULA BASSANA), (No. 16) die een bijna even machtig vlieger is als de
+albatros. Alleen is hij veel kleiner. Evenals de albatros is hij een
+stumper aan land en zwemmen doet hij ook al niet met animo. Aan land
+komt hij alleen om te broeden en te slapen, en in ’t water komt hij,
+als hij met kracht uit de lucht er in duikt, om een visch achterna te
+zitten. Zoo diep duikt hij soms, dat hij samen met de visch gevangen
+raakt in een net, dat wel 35 M., of dieper, onder water heeft gelegen.
+
+Meestal jagen zij op haringen. Deze worden weer door zeehonden of
+walvisschen opgejaagd. Als visschers de Jan van Genten ergens met het
+vangen bezig zien, sturen zij het schip die kant op. Zij weten bijna
+zeker, dat die moeite niet vergeefs zal zijn en dat hunne netten zich
+met een deel der haringschool zullen vullen.
+
+Een enkele keer na een hevigen storm komt de Jan van Gent aan ons
+strand. Wie hem in z’n prachtige vlucht heeft kunnen bewonderen en hem
+dan als een armzalig hoopje ellende in elkaar ziet gedoken, voelt in
+z’n hart niets dan medelijden. Soms worden zij in dezen uitgeputten
+toestand gevangen en aan Artis cadeau gegeven. En erger dan van de
+groote roofdieren, die rusteloos in hun kleine kooien heen en weer
+loopen, vind ik de triestheid van ’t leven van dezen gekortwiekten
+vogel.
+
+Soms blijft een Jan van Gent eenigen tijd aan onze kust en zoekt hij
+z’n voedsel in de buurt van ons land. Beter dan van de beste
+beschrijving krijgt men een denkbeeld van de kracht waarmee hij in ’t
+water schiet als men hem ziet visschen. Wie eens een Jan van Gent heeft
+zien duiken naar z’n prooi, wie eens ’t water hoog in de lucht heeft
+zien spatten, weet voorgoed wat er onder „stootduiken” verstaan wordt.
+
+Thuis hoort de Jan van Gent eigenlijk op de vogelrotsen van ’t Noorden,
+waar zij in ongeloofelijke hoeveelheden voorkomen. De nesten liggen er
+vlak naast elkaar, want de vogels benutten ieder plekje. Uit de verte
+zien deze rotsen er uit „als een schip met blinkend witte zeilen”. Deze
+blinkende witte kleur wordt veroorzaakt door de mest der vogels. Op een
+dergelijke manier hebben in vroegere tijden duizenden vogels de zoo
+kostbare en hooggeschatte guano-mest geproduceerd.
+
+’t Jong, dat aanvankelijk bruin is en een bruinen snavel heeft, krijgt
+bij het volwassen worden dezelfde zacht blauw-grijze kleur en den
+bleeken snavel als zijn ouders.
+
+Eén is er onder de Roeipootigen, die den albatros in ’t vliegen
+evenaardt, n.l. de FREGATVOGEL (FREGATA AQUILA), (No. 17) die men wel
+eens „de arend der zee” noemt. Hij komt voor op het Zuidelijk Halfrond
+en vergezelt, evenals de albatros, de schepen. Waarom hij juist naar
+een oorlogsschip is genoemd, weet ik niet. De Engelschen geven hem
+evenwel ook de naam „man of war”.
+
+Z’n tweede latijnsche naam dankt hij waarschijnlijk aan de eigenschap,
+tijden lang met groot welbehagen hoog in de lucht te cirkelen. Iets,
+dat ook bij de adelaarsvlucht zoo opvallend is. Misschien ook heeft z’n
+snavel, die aan ’t eind een felle kromme punt heeft er het zijne toe
+bijgedragen, om hem „aquila” te noemen.
+
+In z’n orde neemt de fregatvogel een eigenaardige plaats in, daar hij
+het zwemvlies tusschen z’n vier teenen mist. Alle andere Roeipootigen
+hadden hun vier teenen door een fraai zwemvlies verbonden. Dat
+onderscheidt hen juist van de Stormvogels, die slechts drie teenen met
+een vlies verbonden hebben, terwijl de vierde naar achter staat en vrij
+is. Alleen bij het drieteenmeeuwtje ontbreekt hij; bij vele andere der
+Stormvogels is er nog maar een klein stompje van over. ’n Rudiment,
+zooals men zoo’n miezerig overblijfsel van ’n orgaan of lichaamsdeel in
+de geleerde wereld noemt.
+
+Bij de fregatvogels nu, is er nog slechts zoo’n rudiment van ’t
+zwemvlies aanwezig; hij zwemt ook nooit. Niemand heeft het ten minste
+van hem gezien. En toch: een zwemvogel! Dat vereischt dat kleine stukje
+zwemvlies nog, waarmee hij z’n afkomst verraadt.
+
+Veel van deze Zwemvogels, waartoe de Stormvogels en de Roeipootigen
+behooren, hebben we als stumpers aan land leeren kennen. De fregatvogel
+is evenwel van alle de grootste stumper. Is hij vermoeid van ’t vliegen
+en komt hij aan land om uit te rusten, dan kiest hij daartoe een hoog
+gelegen plaats: een hoogen boom, of een steile rotswand. Ze moeten hem
+ruimte genoeg kunnen geven voor een flinken sprong naar beneden, want
+eerst tijdens dezen sprong kan hij z’n vleugels uitslaan en weer
+wegvliegen. Raakt een fregatvogel op een vlak strand verzeild, dan is
+z’n einde nabij, daar hij niet in staat is, zich van den grond op te
+richten. Z’n pooten zijn te zwak om hem af te kunnen zetten, z’n
+vleugels te groot en te lang om ontplooid te kunnen worden.
+
+Hunne nesten bouwen zij natuurlijk ook op dergelijke plaatsen. Zij
+hebben, als zoo veel van de reeds genoemde vogels, bepaalde eilanden,
+die zij de voorkeur geven voor deze bezigheid. ’t Jong blijft lang in
+’t nest, daar het door z’n zwakke pooten zeer onbeholpen is. Pas
+wanneer de vleugels ontwikkeld zijn, kan het wegvliegen, de wijde
+wereldzeeën op.
+
+Het liefst voeden deze „Arenden der Zee” zich met vliegende visschen,
+die zij tijdens hun sprong boven water grijpen. Komt dit vischje nu op
+een zoodanige manier tusschen den snavel, dat het voor den vogel
+moeilijk is het in te slikken, dan laat deze het eenvoudig vallen,
+vliegt het achterna en weet ’t nog in de lucht te vangen. Dit kunstje
+herhaalt hij net zoolang tot de gewenschte stand is verkregen en ’t
+door z’n keelgat verdwijnt.
+
+Een overgang tusschen deze Roeipootigen en de Zwemvogels in engeren zin
+vormen de PELIKANEN (No. 18). Wie deze wanstaltige vogels met hun
+vervaarlijken snavel en hunne prachtig zacht-zalmrose veeren kent uit
+de Artisvijvers, kan zich moeilijk indenken, dat zij vliegen kunnen.
+Toch doen zij het heel goed; zij vliegen geregeld de Middellandsche Zee
+over, om van hun winterverblijf aan den Nijl naar hunne broedplaatsen
+in Zuid-Hongarije te komen.
+
+Er is geen vogel, die het leven zoo makkelijk neemt, als de pelikaan.
+Zelfs in z’n broedtijd doet hij alles nog op z’n gemak. ’t Eenige wat
+hij in meer dan gewone mate volbrengt, is eten en slapen. Maar met deze
+twee bezigheden zijn z’n dag en nacht dan ook juist gevuld op de
+oogenblikken na, die er voor het toilet maken worden afgenomen. Dit
+toilet maken is een hoogst belangrijke bezigheid, zooals in het leven
+van veel nietsdoeners en nietsnutters het toilet een integreerend deel
+van ’t bestaan is.
+
+Maar, waar de menschelijke nietsdoener z’n nagels politoert of z’n haar
+pomadeert uit een misplaatst schoonheidsgevoel, dient het tot de eer
+der pelikanen gezegd te worden, dat hun toilet maken werkelijk een zeer
+noodzakelijke bezigheid voor hen is. Ze bestaat n.l. uit het invetten
+van hunne veeren. Het vet krijgen zij van een klier aan hun stuit, die
+ook bij de eenden en alle andere echte zwemvogels sterk ontwikkeld is.
+Wanneer de veeren met een vetlaagje bestreken zijn, zijn ze waterdicht
+en ondervindt de vogel geen nadeel van een langdurig verblijf in het
+water.
+
+Daar pelikanen hun voedsel zwemmend bemachtigen is een dergelijk
+invetten zeer noodzakelijk. Als de vogels zich aan hun ontbijt
+verzadigd hebben, keeren zij weer naar het land. Daar maken zij toilet
+tot de slaap hen overmant en zij met den leelijken kop tusschen de
+mooie veeren gestoken, het voedsel verteren. Tegen den avond worden zij
+weer hongerig en trekken zij er weer in troepjes op uit. Pelikanen
+liggen heel hoog op het water, door een luchtkussen dat zij onder hunne
+huid hebben. Dit belet hen ook te duiken. Zij zoeken hun voedsel dan
+ook meestal op ondiep water en vangen de visschen met hun langen
+breeden snavel.
+
+De onderkant van den snavel wordt gevormd door een huidzak. De
+bovensnavel valt er als een deksel overheen. Heeft de vogel te veel
+water binnen gekregen, tegelijk met de gevangen visschen, dan verzamelt
+dit zich in die zak. Komt er te veel water in de zak dan wordt de
+snavel naar beneden gehouden en loopt het water er uit, door de keelzak
+tegen de hals te drukken.
+
+De jongen, die de gewone rose pelikaan in Hongarije uitbroedt, zijn
+onoogelijke kleine monsters. Hunne pooten zijn zoo klein, dat men zou
+denken, dat zij er geen hebben; de snavel daarentegen is opvallend
+groot.
+
+Moeder pelikaan geldt als een voorbeeld van zelfopoffering om de zorg,
+die zij aan haar leelijk kroost besteedt. Het is immers een overbekende
+sage, dat zij zich „de borst open zou rijten” om de hongerige jongen
+met haar bloed te voeden. Waarmee zij deze vermaardheid verdient, is
+niet te zeggen. Want voor haar nakomelingschap is de pelikaan zeker
+niet zorgzamer dan andere vogels. Misschien hebben de eigenaardige
+standen, die de vogels aannemen wanneer zij zich poetsen, er het hunne
+toe bijgedragen, dit bijgeloof op te wekken.
+
+
+
+§ 5. De laatste orde in de groep der zwemvogels bevat wel de het meest
+als zoodanig bekende: n.l. de eenden, ganzen en zwanen. Zij
+onderscheiden zich van de vorige groepen voornamelijk door hun snavel,
+die van een typisch zeefapparaat voorzien is. Dit komt bij geen andere
+vogel, uitgezonderd de flamingo, voor. De orde dankt er dan ook haar
+naam aan: LAMELLIROSTRES of ZEEFSNAVELIGEN.
+
+De zeefinrichting bestaat uit een rij hoornplaatjes op de snavelranden,
+die beide met een zeer gevoelige, zenuwrijke huid overtrokken zijn.
+Door de groote hoeveelheid tastlichaampjes, die er in zitten is het
+dier in staat met de grootst mogelijke nauwkeurigheid de eetbare
+bestanddeelen in het water van de oneetbare te ziften.
+
+De ZAGERS, waartoe de MERGANSER (No. 19) en het nog al eens aan onze
+kust aangespoeld voorkomende „nonnetje” behoort, hebben een slanken
+smallen snavel, die in een scherpen haak eindigt. In ons land komen zij
+niet broedend voor, doch zij worden geregeld waargenomen als diep in
+den winter het water van hun broedgebied in Noord-Azië en Noord-Europa
+hen te koud wordt en zij dit verlaten voor het warme water van
+Zuidelijker zeeën. In Februari trekken zij weer terug naar hun
+broedgebieden aan de kusten der Noordelijke zeeën en aan de groote
+meeren, dieper in het land gelegen.
+
+Onze huiseenden, die afstammen van de gewone WILDE EEND (ANAS BOSCAS)
+(No. 20), onderscheiden zich van hunne stamvader het meest door
+grootere en breedere lichaamsvorm en door grootere eieren. De Romeinen
+zijn reeds begonnen met de wilde eend in cultuur te nemen. En hoewel in
+de kleur der huiseenden zoowel als in de houding, die meer rechtop is,
+duidelijke verschillen met de wilde eend aan te geven zijn, twijfelt
+niemand aan hun afkomst. Temeer, daar men zeer vaak onder de gewone
+huiseenden vormen aantreft, die dezelfde teekening en kleuren vertoonen
+als de wilde eend. Het mannetje heeft dan denzelfden prachtig glanzend
+groenen kop, denzelfden mooien blauwen spiegel aan z’n vleugels.
+
+De wilde eend is zeer vraatzuchtig, eet alle mogelijke dieren en
+planten en is zelfs wel schadelijk door de groote hoeveelheden jonge
+knoppen en zaden, die zij verorbert. Tegenover deze geringe schade
+staat het groote voordeel dat zij opleveren, daar zij een buitengewoon
+heerlijk wild zijn. In het najaar worden zij ook bij ons ten lande veel
+gevangen, voornamelijk in de eendekooien. Na den broedtijd als de
+jongen groot zijn, vereenigen de eenden zich tot troepen en vliegen zij
+samen naar Zuidelijker streken. Brengt de tocht hen nu boven een
+vijver, waar zij eenden in zien, dan strijken zij daar neer. Het vangen
+van eenden in de eendekooien berust in hoofdzaak op deze eigenschap. De
+vijver, die het midden van de kooi vormt, is aan alle kanten door
+boomen en struikgewas omgeven. Hier leven tamme wilde eenden, die
+gekortwiekt zijn, de z.g. „lokeenden”. Komt nu een troepje eenden in de
+vijver, dan mengen de lokeenden zich tusschen hen en drijven
+langzamerhand de bezoekers naar slooten, die op den vijver uitkomen.
+Langzamerhand worden die slooten nauwer, aan het eind zijn ze niet veel
+meer dan een greppel. Zijn de eenden aan het eind van de greppel dan
+trekt de kooiker, die vanuit z’n schuilhoek alles gezien heeft, z’n
+slagnet, dat daar was aangebracht, toe.
+
+De wilde eend wordt door den man of een van z’n helpers gedood, het
+lokeendje wordt losgelaten en zwemt weer naar het midden der vijver,
+waar het weer een nieuw slachtoffer aanklampt.
+
+Ongeloofelijk is het, voor wie het niet met eigen oogen zag, te hooren
+hoeveel eenden wel over ons land trekken. Ga maar eens op mooie stille
+Aprildagen naar de Zuiderzee, bij Valkeveen. En als je ’t treft zul je
+met eigen oogen ’t wonder van die eendentrek kunnen zien. Bij duizenden
+zwemmen zij daar op het ondiepe stille water. Van tijd tot tijd
+opvliegend, als een donkere wolk tegen den helderen blauw-gouden
+voorjaarshemel. Ieder geeft z’n eigen geluid ten beste, maar boven dit
+orkest klinken de heldere lange fluittonen van de smienten in
+onvergelijkelijke zuiverheid.
+
+Broedend hebben wij in ons land een groot aantal verschillende
+eendesoorten. Wie zich een denkbeeld wil maken van den vormenrijkdom
+die deze familie in Holland heeft, doet wijs de vijvers van Artis eens
+met een bezoek te vereeren. Daar zijn zij alle: de eidereend, de
+toppers, de brilduikers, de witoogeendjes, het zomer- en
+wintertalingje, de pijlstaarten, de bergeenden, de slobbers, de zagers,
+de kuifeendjes. Gekortwiekt, wel is waar. Alleen de wilde eenden, die
+bij de vijvers uitgebroed zijn, vliegen af en aan. Zij broeden op hun
+beurt weer ergens anders in Amsterdam en bevolken de vijvers in de
+stadsparken met hun nakomelingschap. Er zijn er zooveel, dat er ’s
+winters, met vorst, in het Oosterpark soms wel meer dan 300 wilde
+eenden geteld worden, die in de schemering van alle kanten aan komen
+vliegen om den nacht in het open water van het wak in den vijver door
+te brengen.
+
+In een van de andere Artisvijvers, huizen de ganzen. Al is deze
+collectie niet zoo volledig, men heeft er toch een heerlijke
+gelegenheid de vogels nauwkeurig gade te slaan. In de natuur komen zij
+in ons land niet anders voor dan ’s winters op den trek. De BRANDGANS,
+(BRANTA LEUCOPSIS) (No. 21), die Noordelijk broedt, wordt evenals de
+eidereend om z’n dons, in halve gevangenschap gehouden. In hun
+broedplaatsen, zooals Sylt, lokt men hen daartoe in kunstmatige nesten,
+waar zij graag in trekken. Het dons wordt dan door de menschen
+weggehaald en de eieren regelmatig gegaard. In dat geval legt de vogel
+er wel twintig tot dertig. Is hij aan zichzelf overgelaten, dan gaat
+hij na het zevende, achtste, soms twaalfde ei al broeden. Hun broeddons
+is heel mooi, minstens genomen even mooi als dat van de eidereend.
+Merkwaardig is het, (en vrijwel ongelooflijk, voor ieder, die de
+waarneming niet zelf deed) dat brandganzen vaak in gezelschap van
+vossen broeden, ja, hun nest zelfs in z’n hol maken. De vos die een van
+de ergste vijanden is van hunne familieleden, zooals bijv. de wilde
+eend, schijnt hen volslagen ongemoeid te laten. Een typisch voorbeeld
+van die treffende sympathieën, die zoo herhaaldelijk aangetroffen
+worden.
+
+Zeldzamer nog dan ganzen, komen zwanen in ons land. Zij broeden ook nog
+noordelijker en verlaten hun broedgebied pas met zeer felle koude. In
+strenge winters worden zij dan ook geregeld aan het open water van onze
+groote rivieren, of langs het strand gesignaleerd. En wanneer men er
+een ziet, dan ziet men zeker een tweede, want zwanen blijven hun leven
+lang hun vrouw trouw. Het zijn aantrekkelijke vogels, daar zij even
+voorbeeldige vaders als echtgenoot zijn. Zij verzorgen en verdedigen
+hun kroost met vuur. Onze tamme zwaan heeft deze eigenaardigheden
+geërfd van z’n wilden stamvader, CYGNUS OLOR (No. 22), die in
+Noord-Europa en Oost-Siberië broedt.
+
+De fraaie gevormde hals der zwanen, die hen zoo bemind maken als
+stoffage van vijvers, heeft voor de vogels een groote beteekenis. Zij
+kunnen met die langen hals tusschen de modder scharrelen en halen zoo
+hun voedsel van de bodem. Men vindt hen dan ook zelden op diep water,
+maar treft hen geregeld langs de kusten aan.
+
+Cygnus musicus, die z’n naam verdient om z’n welluidende schallende
+stem, wordt tijdens z’n rui bij massa’s gedood. Zij zijn dan zeer
+hulpeloos, daar zij hun groote slagpennen missen en niet wegvliegen
+kunnen. Daar zij in dezen tijd ook zeer vet zijn, vormen zij een
+voedselbron van beteekenis.
+
+
+
+
+
+
+
+
+„De liefste vogeltjes, die ik ken”, zei een vriend van me, die in
+Frieslands wijde weiden is geboren, „zijn de steltloopers”. Onze
+vriend, de medicus, die deze ontboezeming mee aanhoorde, kon zich niet
+weerhouden, spottend de opmerking te maken: „Dat kan ik me begrijpen.
+Ooievaars, reigers en maraboes zijn wel de aanvalligste „vogeltjes”,
+die er te denken zijn.”
+
+Het was een medicus niet kwalijk te nemen, dat hij onze Fries zoo
+verkeerd begreep; hij verkeerde in ’t algemeene wanbegrip, dat
+
+
+STELTLOOPERS (GRALLATORES)
+
+
+heel groote vogels zijn. Dat er vogeltjes onder zijn, zooals bijv. het
+kleine strandloopertje, dat iets grooter is dan een vink, of dat er een
+reigertje is, ’t woudaapje, zoo klein als een krielkippetje, wist hij
+niet.
+
+Steltlooper is iedere vogel, die een lang loopbeen, (fig. 1. m. (l)) en
+geen zwemvliezen of slechts zeer kleine tusschen de teenen heeft. In
+dit laatste geval spreekt men van waadpooten. Ook zijn de schenen (fig.
+1. s.) der steltloopers geheel „naakt”, waarmee bedoeld wordt, dat zij
+zonder veeren zijn.
+
+Het loopbeen wordt bij vogels gevormd door de beenderen, die bij de
+menschen de middenvoet (fig. 2. m.) vormen. De samenstellende deelen
+van een ooievaarspoot en een menschenvoet zijn dezelfde. Ze verschillen
+alleen in grootteverhouding en zijn bovendien met elkaar vergroeid,
+waar de menschenbeenderen los zijn.
+
+De middenvoet der menschen is kort, en bestaat uit een rij van 5 losse
+beenstukjes. Ze vormen dat deel der voet, dat gelegen is tusschen de
+teenen en den enkel. Bij een vogel is de geheele rij van deze
+beenstukjes met elkaar vergroeid en zeer lang geworden. Hierdoor komt
+hun enkelgewricht (fig. 1. e.) hoog boven den grond, zoo ongeveer op de
+plaats waar wij de knie (fig. 2. k.) hebben. Daar het geheele dijbeen
+(fig. 1. d.) der vogels in den romp is opgenomen, komt ’t eigenlijke
+kniegewricht (fig. 1. k.) der vogels op de plaats van ons heupgewricht
+(fig. 2. h.).
+
+Dat de pooten der Steltloopers zooveel langer zijn, dan die der andere
+vogels, ligt voornamelijk aan hun buitengewoon lang loopbeen.
+
+Een zeer groot aantal van onze inlandsche vogels, behoort tot deze
+groep. In ons land toch, vinden zij het water en de moerassige gronden,
+waar zij zich zoo thuis voelen.
+
+Zooals in iedere systematische afdeeling behooren ook in deze groep der
+Grallatores, een paar vogels, die men op ’t eerste gezicht niet tot de
+Steltloopers zou rekenen, doch die er om systematische redenen bij
+ondergebracht moeten. Hier zijn het de Chionis, die meer aan een duif
+en de trapgans of Otis tarda, die werkelijk meer aan een gans doet
+denken.
+
+Chionis, een vogel van het Zuid-Poolgebied, waar hij in verschillende
+soorten voorkomt, hoort tot de eerste orde der steltloopers, n.l. tot
+de CURSORES. De ZUIDPOOLKIP (CHIONIS ALBA) (No. 23), leeft in ’t Zuiden
+van Zuid-Amerika. In de pinguïn-kolonies zijn het ware
+rustverstoorders, want zij rooven van menig pinguïn-paartje het
+kostbare ei en eten het op. Zij stelen brutaal het voedsel, dat de oude
+vogels met zooveel moeite voor hun jong gehaald hebben, onder de neus
+van beide ouders weg. Van hunne luide en verontwaardigde protesten
+trekken zij zich geen steek aan, maar zien alweer rustig naar een ander
+slachtoffer uit.
+
+Het minst typisch steltlooperachtig is wel de snavel van deze
+Zuidpoolkip. Deze is kort en gedrongen en met een hoornkapje overdekt.
+Onder dit kapje zitten de neusgaten. De beteekenis hiervan is niet
+bekend.
+
+De steltloopertjes, die aan m’n kalmen Frieschen vriend z’n
+enthousiaste ontboezeming ontlokten, zijn pittige kleine vogels, zooals
+de pleviertjes, kieviten, kluiten, grutto’s, wulpen, tureluurs,
+strandloopertjes, snippen en wat nog meer aan dit langpootig en
+langsnavelig gevogelte in de orde der Cursores is ondergebracht.
+
+Wie het rijke vogelleven bij de Lemmer en op de Friesche wadden heeft
+gezien, zal zich dat enthousiasme kunnen begrijpen. Daar zijn zij bij
+honderden en honderden van allerlei soorten bij elkaar. Er is niets
+beters dan op een lentemorgen de schorren op te gaan. Telkens vliegen
+troepjes vogels op, de lucht vervullend met hun melodieuse, weemoedige
+klanken. Het is een concert van de meest simpele, maar roerend-mooie
+wijsjes. En, zooals een muziekliefhebber de orkestmuziek ontleedt en
+uit dien chaos van klanken ieder instrument afzonderlijk tracht te
+herkennen, zóó probeert de vogelvriend in dit koor de verschillende
+stemmen uit elkaar te houden. Er is er geen een, die z’n oor ontgaat.
+Als tusschen het tjú-ū-whi͞et van de tureluur, ’t oé-li͞ep oé-li͞ep van de
+wulp, ’t geestige getwetter van grŭt’tō, grŭt’tō en ’t hooge ie-wiet
+van de kiewiet, ’t goudpleviertje met zeldzaam zoete stem z’n lang
+uitgehaald tlú-i͞eje, tlu-i͞eje laat hooren, ontgaat het hem niet. Zijn
+geoefend oog weet ’t zeldzame vogeltje wel tusschen de andere uit te
+halen, zoo goed als z’n geoefend oor de stem herkende.
+
+GOUDPLEVIERTJES (CHARADRIUS APRICARIUS) (No. 24), die ’s winters vaak
+met andere plevieren en strandloopertjes in ons land langs de zee
+voorkomen, zijn hier zeldzame broedvogels. Hun thuis, hunne broedplaats
+ligt veel noordelijker, in de toendra’s van Lapland, Finland en
+Siberië. Daar zijn zij karaktervogel van die groote moerassen. Daar
+zijn zij de lenteboden, zooals de kieviten bij ons. Zij zijn er heel
+den zomer, eerst in paren, later met hunne jongen. In ’t najaar voegen
+de verschillende families zich bij elkaar. Deze kleine troepen
+vereenigen zich tot groote, die met de komst der koude wegtrekken. Ver
+weg ’t Zuiden in, soms wel tot China en Afrika toe.
+
+En de moerassen liggen dan verlaten en doods. Niets dan de wind, die
+somber en triest er over giert, wordt gehoord.
+
+Hoe moet ’t hart van de menschen, daar, op de toendra’s, van vreugde
+opspringen, als voor ’t eerst na den langen winter, het helder,
+melodieus en toch zoo weemoedig klagend tlú-i͞e van ’t goudpleviertje
+over de velden klinkt. Hoe dankbaar moeten zij die sierlijke kleine
+vogels zijn, wier komst hun zegt: „Houdt moed, menschen! De lente heeft
+ons vooruitgestuurd, om te zeggen, dat zij in aantocht is. Weest blij,
+het is al haast gedaan!”
+
+Een enkele keer broedt een paar goudplevieren in ons land. De stem van
+het mannetje wordt vroolijker in den paartijd; een triller in z’n
+klagende roep doet deze haast overmoedig klinken.
+
+De jongen, die direct na het uitkomen het nest verlaten, worden met
+wormen en insecten groot gebracht. Ook de ouden voeden zich hiermee.
+Daar er een menigte steekmuggen en larven van Agrostis segetum, de zoo
+schadelijke aardrups onder zijn, doen zij als verdelgers van deze
+lastige en schadelijke insecten een nuttig werk.
+
+Het is een opvallend feit, dat ’t mannetje van deze soort in z’n
+prachtkleed op de borst donkerder is, dan van boven. Een eigenschap,
+die hij met drie van zijn familieleden, de morinelplevier, ’t bonte
+strandloopertje en de goudkievit gemeen heeft. Geen van deze is echter
+zoo glanzend diepzwart als ’t goudpleviertje. In den winter evenwel
+hebben ook zij een lichte onderkant, evenals andere vogels. Daar een
+lichte onderzijde zeer groote biologische beteekenis voor de dieren
+schijnt te hebben, zooals Thayer, een Engelsch schilder, in z’n boekje
+„Concealing coloration in the animal Kingdom” heeft verdedigd, wordt
+zoo’n donkere onderkant wel heel merkwaardig.
+
+Het is voor een dier van veel belang niet op te vallen, doch zich te
+kunnen verschuilen voor z’n vijanden. Voorbeelden hiervan zijn
+overbekend. Denk maar eens aan de wandelende takken en bladeren, die
+toch niets anders zijn dan insecten, die door hun uiterlijk en houding
+op verbluffende wijze een tak of een blad nabootsen. Maar niet alleen
+onder de lagere dieren, ook onder de gewervelde dieren vindt men iets
+dergelijks.
+
+De eigenaardige strepen aan de hals van de roerdomp bijv. schijnen ’t
+dier, als het met uitgestrekte hals tusschen de riethalmen staat,
+geheel onzichtbaar te maken. Buiten zijn natuurlijke omgeving evenwel,
+zijn die strepen zeer opvallend. Zeer duidelijk is ditzelfde ook het
+geval de strepenteekening op een zebrahuid. Hoe fel en scherp lijken
+die strepen ons, wanneer we de dieren in hun hok in Artis zien. Doch in
+de Afrikaansche steppen tusschen ’t hooge, breede, verdorde gras, moet
+de zebra zich even uitnemend verschuilen als onze roerdomp in ’t
+rietland. Een gewone grauwe ezel evenwel zou daar, in die gele
+Afrikaansche steppe, geheel uit den toon vallen en scherp tegen zijn
+omgeving afsteken, waardoor de roofdieren hem eerder op zouden merken.
+
+Thayer gaat zelfs nog veel verder en beweert, dat iedere kleur of
+teekening van een dier in de natuurlijke omgeving van belang is. Ook de
+pauw, met zijn schitterend groen en blauwe staart zou zich geheel
+oplossen in het heerlijk groene oerbosch. De flamingo’s, die tegen ’t
+ondergaan der zon in ’t blauwe water van de Middellandsche Zee gaan
+visschen, bootsen de wolken van ’t avondrood na. En, hoewel deze
+veronderstellingen wel wat te fantastisch zijn voor ’t solide en
+langzame brein van den gemiddelden bioloog, toch kan niet ontkend
+worden, dat Thayer een heel aardige verklaring heeft gegeven voor lang
+bekende feiten.
+
+Het meest geloofwaardig evenwel, is z’n verklaring voor het nut van een
+lichte onderkant, waardoor het dier zich vervlakt. Van boven toch,
+ontvangt ieder voorwerp ’t meeste licht, aan den onderkant veel minder,
+terwijl bovendien de slagschaduw hem nog donkerder maakt. Was nu de
+vogel aan den onderkant van dezelfde kleur als den bovenkant, dan zou
+deze toch lichter lijken door de groote hoeveelheid licht, die ze
+direct ontvangt, terwijl de buik veel donkerder zou zijn.
+
+Is nu een vogel aan de bovenkant grauw en aan de onderkant licht of wit
+gekleurd, dan wordt het verschil in verlichting genivelleerd door het
+verschil in kleur.
+
+Wij, in Holland, behoeven de Lappen en Finnen hun goudplevieren niet te
+benijden. Onze lentebode, de KIEVIT (VANELLUS VANELLUS) (No. 25) is op
+z’n minst genomen even aardig.
+
+Hoewel de kieviten in Holland en Zeeland altijd een paar dagen eerder
+gesignaleerd worden dan in Friesland, wordt daar steeds ’t eerste ei
+geraapt. Dáár, in de vlakke landen, die door hun gemis aan boomen nog
+veel lager, vlakker en wijder lijken dan onze Hollandsche weiden,
+vinden kieviten hunne hartsbegeerten. Hun paradijs ligt evenwel in de
+buurt van de Lemmer, misschien wel het rijkste vogelhoekje van ons
+land. Een tocht daarheen behoort tot één van die groote vreugden, die
+voor zoo weinig geld te verkrijgen zijn. Je stapt daartoe ’s avonds op
+’t Lemmer bootje, dat je zelf en je fiets voor één gulden over de
+Zuiderzee brengt. ’s Nachts om twaalf uur vertrekt het van de
+Ruyterkade en den volgenden morgen, tegen vijf uur, als de zon den
+hemel achter het stadje Lemmer purper kleurt, stap je aan wal. In de
+ochtendkilte doet ’t goed flink door te fietsen en als de lentezon hoog
+genoeg staat, om je met haar stralen te verwarmen, ben je ver genoeg
+gevorderd, om op een mooi plekje, langs den dijk het vogelleven gade te
+slaan. Vlak langs den weg zie je, hoe de hupsche kemphaantjes hunne
+tournooien leveren. Je bewondert „wit-kraag”, „zwart-kraag”,
+„spikkel-kraag”, „goud-kraag” en hoe je hen verder naar hun, voor ieder
+mannetje verschillend gekleurde kraag, noemen wilt, terwijl je geniet
+van hun drukke bewegelijkheid en krijgshaftige standen. En al deze
+agitatie is voor ’t nietige grauwe vrouwtje, waarvoor zich, na
+volbrachten strijd, het mannetje in diepen deemoed neerbuigt!
+
+Van kieviten, tureluurs en grutto’s wemelt het daar, zoowel buiten op
+de schorren als op de weilanden binnen den dijk. Wulpen, plevieren en
+strandloopertjes, zoomin als verschillende meeuwen en ontelbare
+leeuweriken ontbreken er en alle vervullen de lucht met hunne stem.
+
+Geen wonder dat in ’t land, waar zooveel vogels zijn, het eierzoeken
+een sport is die door ieder beoefend wordt, of ten minste in de jeugd,
+beoefend werd. Het zoeken van kievitseieren is evenwel de meest
+geliefde tak van dit bedrijf. Niet alleen om het materieele voordeel
+dat de verkoop van de zoo gezochte eieren oplevert. De moeilijkheid,
+uit het vliegen van den vogel op te maken, of hij eieren heeft, en wáár
+hij ze gelegd heeft, maakt het zoeken zoo aantrekkelijk. Zoo is ook de
+„eer” van het vinden van ’t eerste kievitsei, dat volgens de traditie
+aan de Koningin wordt gezonden, van nog veel grooter belang, dan de
+tien gulden, waarmee dit eerste ei altijd betaald wordt.
+
+Al een week van te voren weten de eierzoekers of een kievitenpaartje
+z’n eerste ei zal krijgen. Zij zien aan ’t gedrag der vogels wanneer
+het er is, en zoeken dan ’t nest. En als zij ’t vinden met reeds twee
+eieren er in, schamen zij zich, in plaats van blij te zijn met ’t
+voordeeltje. Want ieder rechtgeaard eierzoeker beschouwt het als een
+schande, het zoover te hebben laten komen.
+
+Soms, met een zachte kwakkelwinter, blijven er kieviten in ons land.
+Waarschijnlijk zijn het dan vogels, die Noordelijker gebroed hebben,
+terwijl de vogels, die bij ons broedden, het Zuiden ingetrokken zijn.
+Zeker weet men dit evenwel nog niet.
+
+Met strengere winters verdwijnen zij evenwel allemaal. Een van de
+vreugden, die het gevolg zijn van een kouden winter is de verrassing,
+deze pittige sierlijke vogels op een morgen in Februari of Maart over
+de weide te zien stappen, of te hooren, hoe zij met heldere stem vanuit
+de blauwe lucht zichzelf aankondigen: „Kievit, we zijn er weer”. Het
+antwoord is dan een zwaai van m’n hoed, een lachenden groet en met
+blijde stem roep ik hun toe: „Hallo kievit, ’k ben blij dat je er weer
+bent. De winter was zoo lang. En al was ’t gezellig, te zitten bij den
+brandenden haard of met schaatsen onder de voeten de wereld door te
+vliegen, al was ons Holland prachtig in z’n sneeuwdos, al waren de
+boomen wonderen van kantwerk, toen de rijp hen bedekte, ik ben blij,
+dat je er weer bent, om ons te vertellen, dat het Lente wordt.”
+
+Tot in Groenland toe brengen zij hun blijde boodschap. In Afrika worden
+zij dan gemist, daar beteekent hun vertrek de komst van het natte
+jaargetijde.
+
+Voordat de groote massa van de kieviten komt, zijn er altijd een paar
+voortrekkers. Die hebben blijkbaar haast, het terrein te verkennen en
+de mooie plekjes uit te zoeken. Het liefst nestelen zij op lage landen,
+in de buurt van water, maar ook in de duinen of op de hei weet de
+kievit het zich gemakkelijk te maken. Als er water in de buurt is, is
+hij overal tevreden.
+
+De gewoonten van een kievit zijn zoo geestig en belangwekkend, dat ze
+daardoor het geheele jaar de vreugde van ieder natuurliefhebber uit
+maken. Of het de sierlijke vluchten zijn, die hij maakt om z’n wijfje
+te bekooren, of de deftige buigingen en vroolijke pirouettes, die hij
+in ’t gras voor haar maakt, of de dolle buitelingen in de lucht,
+waarmee hij z’n levenslust tracht te uiten, of wel de listige
+bewegingen en schreeuwen, waarmee een oude kievit een onervaren
+eierzoeker van z’n nest weet af te houden, altijd is deze vogel den
+tijd meer dan waard, die we aan hem besteden.
+
+Hoe mooi is hij bovendien! Glanzend zwart-groen zijn de veeren van
+vleugels en rug. Helder wit schittert z’n borst. Z’n kop draagt ’t
+kwieke kuifje. Wat trippelt hij pittig over de weiden, telkens met een
+schok stilstaand. Soms steekt hij dan z’n kop spiedend omhoog en strekt
+daarbij z’n heele bovenlijf. ’t Is alsof hij op z’n teenen gaat staan.
+Deze beweging herhaalt hij eenige keeren om dan weer vol strakke
+bewegelijkheid verder te trippelen. Soms rent hij door de weilanden,
+alsof hij tot krijgertje spelen uit wil noodigen. In de lucht is hij
+een eerste acrobaat, daar buitelt en „looping-the loopt” hij dat het
+een aard heeft. Hel wit flitst dan de blinkende onderkant van z’n
+vleugels. En deze uitbundige vogel is moedig als weinig andere. Z’n
+broedsel beschermt hij tegen alle mogelijke vijanden, die vaak veel
+grooter zijn dan hij zelf. Een buizerd bijv. valt hij in de vlucht aan
+en al kan hij hem geen baas, hij berokkent hem zooveel last, dat hij
+het kievitennest opgeeft en ergens anders naar een minder dapper en
+waakzaam ouderpaar uitziet.
+
+Wie van deze steltloopertjes houdt (en welke Hollander doet dat niet?)
+weet niet goed te zeggen, welke nu wel de allermooiste en de
+alleraardigste is. Als je er over vertelt, gaat het je als een kind,
+dat bloemen plukt. Zooals zij telkens meent, dat er verder een mooiere
+bloem is dan de vorige, zoo vinden wij telkens de eene vogel weer
+aardiger dan de andere.
+
+Ik zal dus niets meer zeggen van de grutto’s, de tureluurs, de
+kemphaantjes, de scholeksters, de ruiters en wat er in ons land nog
+meer aan dit langpootig en langsnavelig gevogelte valt waar te nemen.
+Alleen van enkele zeldzame of merkwaardige vogels, zooals de KLUIT
+(RECURVIROSTRA AVOSETTA) (No. 26) wil ik nog wat vertellen. Hoewel niet
+zeldzaam, wat het individuen-aantal aangaat, is hij maar op enkele
+plaatsen te vinden, daar hij zeer speciale eischen aan z’n broedgebied
+stelt. Hij verlangt, dat het voor menschen moeilijk toegankelijk is en
+dat er water, slik en zout te vinden zal zijn. Daar zeer weinig streken
+aan al deze voorwaarden voldoen, is dit de oorzaak dat men hem slechts
+broedend aantreft langs de kusten der Noord- en Oostzee en in IJsland
+en langs de zoutmeeren van Hongarije. In ons land broedt hij op drie
+plaatsen: Texel, de Beers en Schouwen. In Engeland is hij uitgeroeid.
+
+Het is een mooie vogel, wit, met zwarten kop en zwarte vlekken op
+vleugels en rug. Tijdens z’n vlucht, met de typisch neerhangende
+vleugels, valt de vreemde teekening duidelijk op. Hierdoor en door de
+ingetrokken hals en de ver naar achteren uitstekende pooten is hij
+direct te herkennen. De snavel, die naar boven is omgebogen, schijnt
+zeer onpractisch. De vogel weet er evenwel goed gebruik van te maken,
+als hij hem in ’t slik duwt en hier naar voedsel zoekt.
+
+De kluit is één der steltloopers, die goed kan zwemmen, daar hij
+zwemvliezen tusschen de teenen heeft. Zij komen betrekkelijk pas laat
+in ons land, want in April wordt zijn melodieus maar klagend: klú-i͞e-ĕ,
+klú-i͞e-ĕ voor ’t eerst gehoord en in September trekt hij al weer weg,
+heel ver ’t Zuiden in, tot aan de Kaap toe.
+
+Strandloopertjes daarentegen zijn vogeltjes, die ’s winters in ons land
+komen en in ’t voorjaar naar het Noorden trekken, waar zij hun
+broedgebied hebben. Aan ons Noordzeestrand ziet men ’s winters, vlak
+langs de branding, troepen van deze kleine vogeltjes aan het visschen.
+De KANOETSTRANDLOOPER (TRINGA CANUTUS) (No. 27) is misschien wel de
+mooiste ervan. Tusschen zoo’n troepje vindt men ook vaak pleviertjes en
+’t kleine strandloopertje (Limonites minuta), hoewel deze laatste ook
+dikwijls zonder vreemden in hun troepje leven. Zoo’n troepje
+strandloopertjes is aardig om te zien. Deze allerliefste kleine
+diertjes loopen verbazend vlug, zoo vlug, dat men hunne pootjes niet
+meer afzonderlijk waarnemen kan en zij niets anders lijken dan rollende
+bolletjes. Tot zij op eens opvliegen, zachte fluitgeluidjes maken en
+een oogenblik later weer neerstrijken om hun race, tegen wind in, weer
+te beginnen.
+
+SNIPPEN (SCOLOPAX) worden door veel menschen in één adem genoemd met
+patrijzen. Waarschijnlijk, omdat voor de menschen het culinaire
+genoegen, dat deze beide vogels aan de smulpapen verschaffen, van
+overwegend belang is. Toch zijn zij in ’t geheel geen familie van
+elkaar, daar de patrijzen tot de hoenders behooren, terwijl de snippen
+steltloopers zijn.
+
+Snippen vormen over geheel Europa een zeer geliefd wild en worden,
+vooral tijdens de najaarstrek druk gejaagd. Zij gelden bij de meest
+verfijnde lekkerbekken voor een exquise lekkernij...... mits zij met
+ingewanden en al gebraden worden. Want het allerfijnste gedeelte van
+deze vogels vormen juist deze ingewanden, met hunne half verteerde
+inhoud van insectenlarven en de ± 200 lintwormen (ieder ongeveer 18
+c.M. lang) die er in leven. Een fijnproever, die „z’n drekkie” niet in
+z’n snip vindt, acht zich door z’n poelier bedrogen. Het is toch soms
+wel heel erg prettig, maar een dood gewoon mensch te zijn en te mogen
+grillen van dergelijke tractaties.
+
+Hoewel op deze vogel door de jacht, die er op gemaakt wordt, meer is
+gelet dan op andere, zijn z’n gewoonten niet goed bekend. ’t Is
+misschien juister te zeggen: niet goed begrepen, daar de groote massa
+aanteekeningen van betrouwbare waarnemers nog al uiteen loopen.
+
+Soms trekken snippen hoog, soms laag, soms langzaam, soms vlug. Maar
+waarom zij dat doen en wat de hoogte of de snelheid van hunne vlucht
+beïnvloedt, weet men niet.
+
+De vogeltrek is wel een van de wonderlijkste en meest merkwaardige
+verschijnselen die we in de dierenwereld tegen komen; ook is het een
+van de opvallendste. Geen wonder dan, dat de menschen over dit
+verschijnsel hebben gedacht en er een verklaring voor hebben trachten
+te vinden. Toch hebben zij met de eenvoudige verklaring, die lang
+aanvaard is geworden, groote fouten gemaakt, omdat zij conclusies
+trokken uit onvolledige waarnemingen. Men had, behalve het regelmatig
+aan en afwezig zijn van de vogels, ook grootere en kleinere troepen van
+hen op reis waargenomen. Men hoorde hen ’s nachts, aan de geluiden die
+zij maakten, men wist, dat zij op hunne tochten vaak de zee over
+moesten en dat zoowel oude als jonge vogels de reis maakten.
+
+Men stelde zich voor dat de oudere vogels, die al meerdere malen de
+tocht naar het Zuiden hadden gemaakt, den jongeren den weg wezen. Deze
+leeren hem goed kennen, en zijn later in staat, anderen dezelfde dienst
+te bewijzen. Men meende, dat de vogels over zee, zéér, zéér hoog zouden
+vliegen en dat hun buitengewoon scherpe oogen hen in staat zouden
+stellen, de heele zee te overzien en dat zij daardoor den kortsten weg
+naar de meest uitstekende landtong zouden vinden. Als zij ’s nachts
+vlogen, hielden zij zich bij elkaar door het geven van geluiden. Maar
+men meende, dat in ’t algemeen het vliegen bij nacht slechts bij
+uitzondering gebeurde, wanneer de tocht over zee te lang was, om in één
+dag volbracht te worden.
+
+Nauwkeurige waarnemingen van lateren tijd hebben wel aan ’t licht
+gebracht, dat het zóó eenvoudig, als men zich vroeger voorstelde, niet
+is.
+
+Men weet nú, dat veel vogels geheel alleen trekken. Wie heeft hen den
+weg gewezen, toen zij dat voor de eerste maal deden? Andere vogels
+trekken slechts in den nacht. Hoe is ’t mogelijk, dat zij in ’t donker
+den weg vinden? Temeer, daar veel vogels laag over zee trekken en dus
+niet den geheelen weg kunnen overzien. Ook is de trek over groote
+afstanden veelal geluidloos en roepen de vogels slechts dan, wanneer
+zij licht zien.
+
+Hoe men dus de trek verklaren moet? Men weet het niet en heeft er over
+gedacht of de vogels niet een zeer uitgesproken richtingszin zouden
+hebben. Die richtingszin is een van de mysterieuze instincten, die men
+erkennen moet, zonder ze te begrijpen. Er zijn zelfs nog menschen, die
+eenzelfde onverklaarbare richtingszin hebben en den weg weten te vinden
+in een voor hen vreemd gebied. Een overblijfsel van instincten, die ons
+vroeger, als kuddedier eigen geweest moeten zijn. Een overblijfsel dat
+wij helaas verloren hebben, maar dat nog aan sommigen (o. a.
+Nomaden-volken) onschatbare diensten bewijst!
+
+Die richtingszin verklaren? Het is mogelijk dat er nog eens een vernuft
+scherpzinnig genoeg is, om ’t te ontleden. Misschien wordt ons daardoor
+’t mysterie van deze geheimzinnige kracht geopenbaard. Dan zal hiermee
+een ander wonder feit tot nuchtere werkelijkheid worden. Dan zal van ’t
+opgeloste probleem de bekoring geweken zijn. Een bekoring, die ons nu
+nog gevangen en betooverd houdt.
+
+Met de broedgewoonten van de snip is het al net zoo gesteld: een
+tegenspraak tusschen de meest betrouwbare waarnemingen maakt het
+moeilijk iets met zekerheid er over te zeggen.
+
+Houtsnippen (Scolopax rusticola) komen eerst tot leven in de
+schemering. Overdag houden zij zich schuil. Men ziet hen dan
+betrekkelijk zelden. Bovendien weet de vogel een uitstekend gebruik te
+maken van z’n kleur, een prachtig voorbeeld voor de theoriën van
+Thayer. Want, een houtsnip die „zich dood houdt”, dat is, onbewegelijk
+op één plaats zitten blijft, is zoo goed als niet te vinden.
+
+Het is me eens gebeurd, een vleugellamme houtsnip te zien, die
+verdwaald was op een landweg. Het beestje volgde getrouw den raad, die
+Moeder Natuur hem gegeven had en drukte zich onbewegelijk stil tegen
+den weg. Ditmaal zonder resultaat natuurlijk, want tegen den
+grauw-zwarten weg viel z’n warm bruine kleur met de onregelmatige
+teekening, die zoo aan blaadjes en takjes gelijk is, duidelijk op. Tot
+vlak bij, liet hij me komen. ’t Was z’n instinct, die meegekregen
+eigenschap, dat hem zoolang tot stilzitten dwong. Maar de angst van ’t
+diertje was duidelijk te zien aan z’n oogjes en toen ik m’n hand
+uitstak om hem te grijpen, was het gevaar hem te groot. Hij vergat alle
+lessen en vluchtte weg, om, buiten ’t bereik van die hand, een meter of
+vier, vijf verder zich opnieuw dood te houden. Zoodra dus blijkbaar de
+angst wat minder was, dwong z’n instinct hem weer tot het onbewegelijk
+neerzitten. Wéér liet hij me nader komen, wéér liep hij weg toen ik te
+dicht bij hem was. In een bosch zou deze methode hem ongetwijfeld
+geholpen hebben te ontkomen. Hier gaf ’t niets. Het eind was dan ook,
+dat ik hem te vlug was en mee naar huis nam, om z’n vleugel te
+verbinden.
+
+De snip van onze rietlanden is de WATERSNIP (GALLINAGO GALLINAGO) (No.
+28).
+
+Een ander aardig vogeltje van onze rietlanden is DE RAL (RALLUS
+AQUATICUS) (No. 29).
+
+Het geldt voor een zeldzaam diertje. Misschien is het niet zoo
+zeldzaam, als men wel geneigd is aan te nemen. Het is alleen weer een
+diertje met een prachtige schutkleur, dat daardoor weinig in ’t oog
+valt.
+
+In Brazilië leeft een familielid van hem, dat z’n sprekend evenbeeld
+is. Het is evenwel wat grooter. In Artis, waar er al sinds jaren een
+is, is het een van de luidruchtigste vogels en z’n luidruchtigheid is
+in hooge mate grappig, daar z’n roepen duidelijk: „Och-bewaar-me” is.
+En zoo duidelijk en zoo vol luide verontwaardiging wordt het geroepen,
+dat het een glimlach ontlokt aan ieder die het hoort.
+
+Even schuw als de ral is, is de KOET (FULICA ATRA) (No. 30) brutaal.
+Overal waar maar een beetje water is, vindt men dezen aardigen,
+plompen, gemoedelijken, zwarten vogel, met de witte bles op z’n kop.
+Die bles wordt niet gevormd door witte veeren, zooals de bles op een
+paardekop uit witte haren bestaat. ’t Is hier, bij de koet, de
+afwezigheid van veeren, die de huid vrij laat en wit doet afsteken
+tegen de omgevende gitzwarte veeren. Als een koet tusschen eenden en
+waterhoentjes op een plas drijft, herkent men hem direct, juist door
+die bles.
+
+’t Opvallendst onderscheidt een koet zich van de andere steltloopers
+door z’n pooten. Deze zijn n.l. voorzien van gelobde zwemvliezen.
+Hierdoor wordt het oppervlak van iederen teen zeer vergroot. Door deze
+vergrooting van z’n draagvlak kan de vogel nu met groot gemak over de
+waterplanten loopen, terwijl ze hem tevens in staat stellen om te
+zwemmen.
+
+Men treft de koet, het hooge Noorden uitgezonderd, in geheel Europa
+aan. In zeer strenge winters wordt ook ons land hem te koud en trekt
+hij naar het Zuiden. ’s Zomers vindt men hem haast in iedere sloot,
+waar genoeg riet is. Zijn nest is moeilijk te bereiken, daar het op het
+water tusschen de rietstengels drijft. Vaak rust het op een basis van
+oude rietstoppels. De eieren hebben de kleur van het dorre riet en zijn
+zeer fijn bespikkeld. Deze spikkels, die grootere en kleinere, dikkere
+en dunnere streepjes zijn, komen zeer sterk overeen met de stippels,
+die door „roest”zwammen op de doode rietstengels gemaakt worden. De
+jongen blijven heel lang tusschen het riet; dat zij er zijn, hoort men
+aan een schreeuw of een gelok van de oude, die zich met hen bezighoudt.
+’s Avonds, als het donker wordt, brengt zij hen wel op het open water.
+Met heel zachte, onderdrukte geluidjes laat moeder dan weten waar zij
+is. De jongen zorgen dan wel vlak bij haar te blijven.
+
+Het waterhoentje is ’t sierlijke donkergrijze familielid van de koet en
+wordt op precies dezelfde plaatsen aangetroffen. De roode snavel, de
+sierlijke bouw, de witte streepen over de vleugels en de roode pooten,
+maken hem gemakkelijk herkenbaar.
+
+De stem van dit mooie vogeltje is buitengewoon leelijk. Ieder heeft
+deze wel eens gehoord, als de vogel opschrikte en onder het uitstooten
+van een rauwe schaterlach, half loopend, half vliegend over het water
+rent, zich omhoog heft, even vliegt en zich met een boog in het riet
+van den overkant der sloot laat vallen. Waar hij het water met z’n
+pooten aanraakte, blijft nog een rimpelspoor achter.
+
+De JASSANA (JACANA JACANA) (No. 31) is hun neef uit Zuid-Amerika. Daar
+is deze even algemeen als de koet of het waterhoentje bij ons.
+Uiterlijk verschilt hij nog al wat. Dit komt voornamelijk door de zeer
+lange pooten met de buitensporig lange teenen. Oppervlakkig geoordeeld
+zou men een dergelijk exces ondoelmatig en dwaas kunnen vinden. Op het
+land heeft de vogel dan ook veel last van die lange teenen, die hem het
+loopen zeer moeilijk maken. Maar in de moerassen en vijvers, waar hij
+hoort, blijkt het gemak ervan. Over ’t wateroppervlak, dat met
+drijvende bladen van waterplanten overdekt is, loopt het er bliksemsnel
+mee. Z’n lange teenen verdeelen z’n lichaamsgewicht. Nu veert alleen de
+bladerenmassa onder hem; had hij kortere teenen, ze zouden
+waarschijnlijk onder hem wegzinken.
+
+Zoodra deze bizarre vogel onraad merkt, laat hij z’n stem hooren. ’t Is
+net als van ons eigen waterhoen een lach, doch klinkt veel
+welluidender.
+
+Dat de TRAPGANS (OTIS TARDA) (No. 32) tot de steltloopers behoort en
+niet tot de ganzen, zooals de naam, of tot de hoenders, zooals een
+oppervlakkige blik op z’n uiterlijk doet vermoeden, dankt hij aan z’n
+loopbeen, dat meer dan tweemaal langer is dan de middenteen. Want dit
+loopbeen is ’t toch maar, dat voor al deze steltloopers zoo
+karakteristiek is.
+
+Deze ongeveer een meter groote vogel, was vroeger algemeen in ons land
+en in Engeland. Dat hij daar tegenwoordig niet meer voorkomt, zal wel
+in hoofdzaak te wijten zijn aan z’n levenswijze, die hem nu juist niet
+tot de aangenaamste gasten in de velden maakt. Hij houdt zich bij
+voorkeur alleen op in de vruchtbare streken, waar graan en groene
+plantendeelen in overvloed voor hem te vinden zijn.
+
+Het is heel moeilijk een trapgans te zien te krijgen, zelfs in de
+Russische steppen, waar hij algemeen voorkomt. Zij zijn zoo schuw, dat
+zij zich overdag haast nooit laten zien, maar standvastig tusschen het
+hooge koren blijven. Daar zij op open velden slapen en deze niet altijd
+aan hun voedselterrein grenzen, kiezen zij de na-schemering of den
+nacht uit, om deze op te zoeken. In den vroegen morgen gaan zij weer
+terug, met hun waardige, langzame en afgemeten passen den weg
+afleggend.
+
+Evenals vele andere vogels kent de trapgans verschillende menschen uit
+elkaar en onderscheidt hij den ongevaarlijken boerenknecht of wandelaar
+zeer goed van den jager.
+
+De jacht, die begrijpelijkerwijze veel op deze schadelijke vogels
+gemaakt wordt, levert daardoor eigenaardige moeilijkheden. De menschen
+dienen de vogel te slim af te zijn. Een jager verkleedt zich als een
+boer, of een boerenknecht en laat zich in een boerenkar of op een
+hooiwagen naar het veld brengen, waarin de ongewenschte gasten
+gesignaleerd zijn.
+
+In Engeland heeft men eenigen tijd geleden moeite gedaan, om deze vogel
+weer te doen inburgeren. Vijftien stuks werden daartoe tegelijk
+ingevoerd en aan de zorg van het publiek toevertrouwd. Met het helaas
+al te vaak voorkomend gevolg, dat het publiek zich van deze
+verantwoordelijkheid niets aantrok en roekelooze jagers de vogels
+neerschoten. Nooit heeft men meer iets van hen gezien.
+
+Misschien heeft de KRAANVOGEL (GRUS GRUS) (No. 33) zich vroeger ook in
+ons land opgehouden. Gegevens hierover zijn me niet bekend. Toch lijkt
+het niet onwaarschijnlijk, daar de groote moerassen in de buurt van
+akkers, die door hen als woonplaats uitgezocht worden, wel niet
+ontbroken zullen hebben. De groote moerassen verdwijnen en worden tot
+vruchtbare polders. Maar helaas, de vogels verdwijnen ook en niemand
+neemt hunne plaats in. Of het moest de mensch zijn, die de polders
+bewoont. Jammer genoeg verdwijnen hierdoor de meer aantrekkelijke
+dieren.
+
+In Duitschland heeft de kraanvogel nog streken naar z’n hart. Hij
+broedt daar dan ook geregeld. Wij zien hem hier alleen nog maar als hij
+vandaar uit overtrekt naar de warme landen, naar Egypte of Engelsch
+Indië.
+
+In het laatste land met z’n veel te dichte bevolking, worden zij als
+uiterst schadelijk beschouwd. Dat is dan ook geen wonder. Want de
+verwoestingen die zij in de korenvelden aanrichten zijn
+verschrikkelijk. In Egypte eten zij jaarlijks wel 100.000 H.L. graan
+op. Daar, in de vruchtbare Nijllanden kan het van de overvloed wel
+gemist worden. In Britsch Indië waar men op iedere graankorrel zuinig
+is, is het een ander geval.
+
+Alleen de kraanvogels, die Noordelijk broeden, trekken. Zij vliegen
+daarbij in grootere en kleinere troepjes, in een rechte lijn achter
+elkaar. Zij houden zich aan de groote trekwegen, die voornamelijk langs
+de kusten gaan.
+
+Ieder paartje kiest zich, bij de moerassen aangekomen, een bepaald
+broedgebied, waarin geen ander nest dan het hunne geduld wordt. Toch
+begroeten zij overtrekkende vogels met luide vreugdekreten van hunne
+ongelooflijk sterke stem.
+
+Broedende kranen zijn zeer moeilijk gade te slaan. Zij zijn schuw en
+weten zich goed te verbergen, daar hunne kleur tijdens het broeden van
+fraai licht grijs, tot een vieze, vuile, donkergrijze kleur wordt.
+Niemand kon hiervoor een verklaring vinden, tot eens een zeer goed
+verborgen waarnemer een wijfje observeerde, dat zonder achterdocht was
+en zich onbespied waande. Hij zag toen, dat zij haar veeren met modder
+insmeerde en schoot haar neer. Het bleek toen, dat de modder met
+speeksel vermengd, zoozeer in de veeren was gedrongen, dat het er niet
+uit te wasschen was, maar zich slechts met chemische middelen liet
+verwijderen.
+
+
+
+§ 2. De tweede orde van de groep der Grallatores (Steltloopers) wordt
+gevormd door de PELOPATIDES, die slechts de FLAMINGO’S (PHOENICOPTERUS
+ROSEUS) (No. 34) tot haar vertegenwoordigers telt. Wel verdienen deze
+wonderlijke vogels een plaats alleen in het systeem. Want nergens vindt
+men meer huns gelijke. Toch doen deze vogels in hunne onderdeelen aan
+alle mogelijke andere denken. Zij doen aan als een schepping van een
+kunstenaar met levendige verbeelding, die dieren construeert uit
+stukken van andere. En al werd het hier geen leeuw met een
+menschengezicht, die ons met haar sphinxenblikken betooverd houdt, toch
+doet de grilligheid van deze vogels ons in blanke verwondering naar hen
+staren.
+
+Wat boeit ons wel ’t meeste? Is het de fijne kleur van het teere
+roserood der veeren, dat zich in de vleugels even accentueert, als de
+blos op de wangen van een kind? Of is het het contrast in de
+lichaamsdeelen? De ooievaarspooten met de eendeteenen, de zwanenhals,
+die als een slang zich kronkelt of de onevenredig groote, bleekgele
+snavel, die de kleine kop zoo topzwaar doet lijken? Ik weet het niet.
+Maar ondanks deze, in kleinigheden zich telkens herhalende grilligheid,
+wat een harmonisch geheel, wat een sublieme slankheid van lijnen, wat
+een rustige voornaamheid in bewegingen.
+
+De snavel is wel het merkwaardigste van dezen vogel. Juist om deze
+snavel werden zij vroeger bij de eenden ondergebracht, want deze is
+voorzien van een zelfde zeef-apparaat, met dit onderscheid evenwel, dat
+bij een eend de bovensnavel over de ondersnavel wordt gelegd en dit bij
+de flamingo juist andersom is.
+
+Een eend neemt, zooals iedereen weet, het voedsel zwemmend tot zich en
+gebruikt de bovensnavel als deksel over den ondersnavel. De flamingo
+zoekt z’n voedsel wadend, of staand in diep water. Door de lange pooten
+wordt hij niet nat en de lange hals stelt hem in staat den bodem te
+bereiken van de strandmeeren. Het zand of de modder zeeft hij nu met ’t
+gevoelige zeef-toestel in z’n bek en gebruikt dan de onderkant van den
+snavel als deksel voor de bovenkant, daar hij z’n hals naar binnen
+ombuigt en dus de kop onderste boven heeft. En weer verbazen we ons, nu
+we zien, hoe alles wat ons aan den vogel verwonderde, beteekenis voor
+hem heeft, in verband met z’n levenswijs.
+
+
+
+§ 3. De ibis, ooievaar, maraboe, reiger en nachtkwak zijn enkele
+vertegenwoordigers van de GRESSORES, de derde en laatste orde der
+Steltloopers.
+
+In Europa vindt men eenige vertegenwoordigers van de IBIS-familie (No.
+35). Over het algemeen evenwel moet men deze vogels in Afrika, Azië en
+Amerika zoeken. In verhouding tot de andere hierboven genoemde vogels,
+zijn zij betrekkelijk klein. Zij vallen voornamelijk op door hun naar
+beneden gebogen snavel. Bij nauwkeuriger onderzoek blijken zij
+bovendien hunne tong te missen.
+
+In Egypte werd de ibis vroeger als heilig beschouwd en in staat van
+halve gevangenschap gehouden. De reden voor deze heiligheid lag in hun
+komst tijdens de Nijloverstroomingen. Ieder jaar brengen deze
+overstroomingen vruchtbaarheid aan landen, die anders zoo onvruchtbaar
+zouden zijn als de woestijnen, waaraan ze grenzen. De Nijl was daarom
+heilig als brenger van leven en vruchtbaarheid. En de ibis, die gelijk
+met het aangebeden en zegenrijke water kwam, moest zich mede de
+aanbidding laten welgevallen. Als er een stierf, werd z’n lichaam
+gebalsemd met evenveel zorg als dat van een Pharao. Van deze
+ibis-mummies zijn er nog massa’s in de oude Egyptische tempels te
+vinden.
+
+Terwijl de ibissen in de oudheid zooveel aan de Nijl voorkwamen, vindt
+men hen tegenwoordig niet meer in Egypte. Een verklaring weet men niet
+voor dit verdwijnen.
+
+Van de LEPELAAR is het verdwijnen makkelijker te begrijpen. Vroeger
+vond men hem overal. Nu is hij nog slechts in Holland, waar hij aan een
+paar van onze plassen nestelt en bij de groote moerassen van Hongarije
+te vinden.
+
+Het Zwanenwater bij Petten en het Naardermeer vormen zijn tegenwoordige
+standplaatsen in ons land. Hun kolonies worden er met de uiterste zorg
+behandeld en tegen iedere rustverstoring beschermd. Nauwelijks 100 jaar
+geleden, broedden de vogels nog in een groote kolonie in de plassen bij
+Rotterdam. Toen deze drooggemaakt werden, is de vogel verdwenen.
+
+We kunnen er de „Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten” dan ook
+niet dankbaar genoeg voor zijn, dat zij het Naardermeer en z’n
+heerlijke vogelwereld voor dat lot behoed heeft. En het is dwaas, het
+den eigenaar van het Zwanenwater kwalijk te nemen, dat hij den toegang
+tot z’n terreinen streng verbiedt. De eenige manier om natuurschoon in
+ongerepten staat te behouden, is het ontoegankelijk voor de menschen te
+maken. Want slechts zeer weinigen kunnen liefhebben en bewonderen, om
+de vreugde van schoonheid alléén.
+
+De meesten verlangen dit schoone ook te bezitten. En de biologen zijn
+misschien nog de ergste vandalen, hoewel men het van hen ’t minst zou
+verwachten. Zij bevredigen dit verlangen door het plukken van een
+zeldzame bloem, die aan hun herbarium ontbreekt, door het plunderen van
+een nest, waarvan de eieren in hunne collectie mankeeren.
+
+Al is het slechts een enkele, zeer bevoorrechte en vertrouwde
+natuuronderzoeker, die toegang tot de broedkolonie van de lepelaars in
+’t Naardermeer krijgt, het werkelijk belangstellend publiek kan niet
+dankbaar genoeg zijn. ’t Broeden kunnen zij wel niet zien, maar de
+lepelaars gaan ver om hun voedsel te zoeken. Zij komen tot onder de
+rook van Amsterdam, aan de Zuiderzee tot bij Zeeburg, om te visschen.
+
+De verrassing, deze blanke vogel met de zwarte breede en platte snavel
+op eens te zien, na alle gewone steltloopers, geeft een vreugde, die
+door de zeldzaamheid zooveel te dieper is. Hoe heerlijk is het niet, op
+een mooien lentedag aan de Zuiderzeedijk bij Valkeveen of Zeeburg te
+liggen, te midden tusschen een overvloed van prachtig rose bloeiend
+Engelsch gras. Je kijkt naar eenden, strandloopertjes, grutto’s, wulpen
+en tureluurs. Op eens zie je in de zacht-blauwe voorjaarslucht een
+schitterend witte vlek, die langzaam grooter wordt. Het zijn lepelaars.
+Met sierlijken langzamen slag, die de vleugels doet blinken in de zon,
+naderen zij soms twee, soms drie tegelijk, om voor hun middagmaal te
+gaan visschen op ’t ondiepe, slikkerige water van de Zuiderzee. We
+zullen veel missen, wij, Amsterdamsche natuurvrienden, als deze eens
+droog is en den weg op is gegaan van zooveel plassen voor haar.
+
+Maar behalve dergelijke dingen, die door hunne schoonheid en ook om
+hunne zeldzaamheid een vreugd voor ieder natuurliefhebber zijn, is ons
+leven nog rijk aan vreugden, door kleine alledaagsche dingen.
+
+Hoe waar is ’t woord van den Duitschen dichter: Auch kleine Dinge
+können uns entzücken, auch kleine Dinge können zärtlich sein. Hoe rijk
+en mooi wordt ons leven niet door ’t opmerken en bewonderen van duizend
+kleine dingen, die aan de jagende en jachtende menigte voorbijgaan.
+
+De lente in Holland, die ons zoo’n massa vogels terugbrengt, geeft ons,
+bij het weerzien van iedere oud-vertrouwde en bekende vogel, zoo’n
+kleine, zuivere vreugde. Als ’t half Maart is en de lente nog talmt met
+komen, verschijnt de OOIEVAAR (CICONIA CICONIA) (No. 36) op z’n nest,
+op de nok van de boerderij of op de paal in het weiland en kleppert dat
+het een lieve lust is. Z’n lange hals buigt hij ver naar achter en hij
+zwaait z’n kop, voortdurend met de snavel klepperend naar voren.
+Welluidend is het niet, maar toch vinden we het mooi en staan we er
+graag naar te luisteren en naar de levenmakers te kijken. Het klinkt
+ons zoo opwekkend in de ooren, want, is niet de ooievaar een nieuwe
+lentebode, die ons moed inspreekt? De winter was zoo lang en koud. We
+verlangden zoo naar groene boomen, blauwe luchten en gouden
+zonneschijn. En de vroolijk-klepperende ooievaar belooft ons dat
+allemaal. We moeten alleen nog een heel klein beetje geduldig zijn.
+Klepper dus maar ooievaar, dat houdt er den moed in.
+
+En klepperend blijft hij staan op ’t nest, dat zoo noodig verzorgd moet
+worden. Z’n maat is dan ook weg, om er nieuwe takken voor te halen. Dat
+nest is hun kostbaarste bezit. Zij durven het geen oogenblik alleen te
+laten. Al eenige jaren hebben zij er op gebroed. Om beurten gaan zij
+dus op nieuwe takken uit, om beurten houden zij de wacht. Er kon eens
+een ander komen, die het in beslag nam. Alle verrotte, oude takken
+worden weggehaald en nieuwe op hunne plaats gebracht.
+
+Jammer genoeg begint het zien van een bewoond ooievaarsnest in
+Nederland een zeldzaam verschijnsel te worden. Ons land vormt op het
+oogenblik de uiterste westhoek van het verspreidingsgebied van dezen
+vogel. In Engeland, waar zij vroeger ook broedend voorkwamen, zijn zij
+nu niet meer.
+
+Een vliegende ooievaar is gemakkelijk van z’n bloedverwant, de reiger,
+te herkennen, daar een ooievaar z’n langen hals rechtuit naar voren
+steekt, terwijl een reiger hem intrekt. Slechts zelden ziet men
+ooievaars te samen vliegen, want, zoolang het nest versteld of de
+jongen verzorgd worden, blijft er altijd één van de ouders thuis, om
+hen te bewaken.
+
+Wat hebben de ouders het druk, om hunne drie of vier naakt in de wereld
+gekomen jongen groot te brengen en hunne grage magen te vullen. Van
+alles sleepen zij aan: kikkers, visschen, muizen, hagedissen. Zij
+treffen het, dat bij ons in den tijd, dat zij het meeste voedsel voor
+de jongen noodig hebben, juist de weilanden gemaaid worden. Deftig, met
+hun waardigen gang en afgemeten passen, stappen zij achter den maaier
+aan. Menige kikker, die in ’t lange gras aan hunne scherpe oogen zou
+ontkomen, wordt nu ingeslokt en naar ’t nest gebracht. Komt de oude
+terug, dan zijn hun kleinen al gauw mans genoeg om hen op een verren
+afstand te herkennen en luide hun vreugde daarover te uiten.
+
+Ondanks de voortdurende goeie zorgen duurt het twee maanden, eer de
+kleinen er aan denken hunne vleugels eens te probeeren. Hebben zij dat
+eenmaal gedaan, dan leeren zij het vliegen gauw, al kost het hun
+moeite, hun angst voor de diepte te overwinnen en den eersten sprong
+van ’t nest te wagen. Daarna ziet men de ooievaars geregeld te samen.
+Het is maar goed dat de jongen goed geoefend worden, want in September
+moeten zij in staat zijn de verre tocht naar het Zuiden te maken. En
+als zij krukken blijken, mogen zij niet mee. Op de verzamelplaats, waar
+alle ooievaars komen, voor zij den tocht naar Afrika’s warme landen
+aanvaarden, worden zij dan met snavelhouwen afgemaakt, naar men zegt.
+
+In Afrika leeft een zeer na verwant familielid, de MARABOE (LEPTOPTILUS
+CRUMENIFERUS) (No. 37). Deze broedt in de binnenlanden van Afrika en
+niemand, behalve Livingstone, heeft ooit z’n nest gezien. Volgens deze
+ontdekkingsreiziger bestaat het uit een massa doode takken, even als
+dat van een ooievaar. Als de broedtijd van de maraboe, waarvan
+begrijpelijkerwijze geen bizonderheden bekend zijn, is afgeloopen,
+trekken de vogels het Noorden in. Toch gaan zij de 15de breedtegraad
+nooit te boven. Van Mei tot October is de vogel dan ook in geheel
+Noordelijk Afrika een gewone verschijning. Overal vervult hij, met de
+gieren een soort reinigingsdienst, daar hij leeft van gestorven dieren.
+En deze vogels, die in hun Artishokken zoo plechtig en deftig lijken en
+er uit zien als oude heeren, met de handen op den rug, onder de slippen
+van hun pandjesjas, laten bij het „kreng” van een rund of schaap, hun
+waren aard kennen. Diep steken zij hun leelijke naakte kop met den
+vervaarlijken snavel in de buikholte van het doode dier, en als zij een
+der ingewanden te pakken hebben, springen en dansen zij achteruit en
+winden de darm een heel eind af, eer zij hem naar binnen slokken. Zij
+zijn afzichtelijk bij hunne maaltijd.
+
+Behalve zijn naakte kop, die hem zoo gemakkelijk is bij het wroeten in
+de ingewanden van doode dieren, (daar hij z’n veeren nu niet bevuilt),
+valt aan de maraboe nog de naakte zak onder z’n kop op. Van deze zak,
+die de vogel naar willekeur grooter of kleiner kan maken, door hem op
+te blazen, totdat hij er zoo strak en gespannen uitziet als een
+kermispiepertje, is de beteekenis niet bekend. Het is een eigenaardig
+gezicht, deze rose zak te zien zwellen en men krijgt er niet genoeg
+van, er naar te kijken, al geeft het z’n afschuwelijke kop nog een
+weerzinwekkender aanblik.
+
+Aan de stuit heeft de vogel wat zacht-fijne veertjes, die bij dames
+zeer geliefd zijn en voor hen verwerkt worden tot het z.g.
+„maraboe-bont”. Zou er wel één vrouw wezen, die zich met deze veeren
+siert, die weet, hoeveel van deze groote vogels er gedood moeten, voor
+er genoeg veertjes zijn voor haar boa? Om deze veeren wordt er op de
+vogel druk jacht gemaakt door de inboorlingen, die hen dooden met hun
+speer.
+
+Een familielid van de maraboe is de „nimmerzat”, die z’n naam eer
+aandoet, hoewel de maraboe om deze zelfde eigenschap zeker denzelfden
+naam zou verdienen. Toch, ondanks z’n onaangenaam uiterlijk, z’n
+vraatzucht en z’n bemoeizucht is de maraboe een aardige vogel, die het
+hart van de menschen weet te stelen.
+
+Brehm vertelt zelfs, dat hij erg op ’t gezelschap van maraboes gesteld
+was en hen voortdurend in z’n buurt hield door afval voor hen neer te
+werpen. Een oude Afrikajager, die eens een maraboe van jongs af had
+opgefokt, vertelt een verhaal, waaruit dezelfde genegenheid blijkt: De
+vogel was in veel opzichten lastig, stal groote stukken vleesch, die
+hij gulzig verslond en volgens deze zegsman in z’n keelzak stopte.
+(Misschien is dit de beteekenis van de zak, want, volgens het verhaal
+van den jager, kon men, na zoo’n diefstal de vogel schuldig verklaren,
+daar dan de proppen vleesch en de botten dikwijls heele uitpuilingen
+aan de dunne huid van de zak gaven. Met jagersverhalen dient men
+evenwel wat voorzichtig te zijn en ook deze verklaring moet onder
+voorbehoud aangenomen worden). Ook was hij buitengewoon nieuwsgierig en
+haalde alles overhoop. Zoo gooide hij de mandjes met eieren en visch
+van de venters door elkaar, een kistje sigaren verstrooide hij naar
+alle windrichtingen, kortom, er moest gezorgd worden, dat alles buiten
+zijn bereik bleef. Nuttig maakte hij zich evenwel door het verdelgen
+van slangen en ratten. Eens, toen een groote zwerm sprinkhanen in ’t
+dorp kwam en iedereen zooveel mogelijk van deze dieren trachtte te
+vernietigen, hielp hij braaf mee en maakte veel meer slachtoffers dan
+alle menschen te samen. Het eenige, wat hij daartoe deed, was met z’n
+groote bek wijd open rond te springen. Zoo nu en dan hield hij even op,
+om z’n buit door te slikken.
+
+Deze vogel nu, die iedereen in ’t dorp kende, liep vrij overal heen.
+Eens kwam er een vreemde inboorling. Belust op de veeren doodde deze
+hem en toonde, vol vreugd over z’n buitenkansje, de huid.
+
+De verontwaardiging van de dorpsbewoners uitte zich op een zoo
+hardhandige wijze, dat het zes weken duurde, eer de dokter den
+ongelukkigen vreemdeling buiten levensgevaar kon verklaren.
+
+De REIGER (ARDEA CINEREA) (No. 38) is in twee opzichten het
+tegengestelde van de maraboe. Deze, die een afschuwelijke kop heeft,
+was goedaardig van inborst. De reiger daarentegen, die een van de
+fraaiste vogels onder de steltloopers is, heeft een zeer onaangenaam
+karakter. Dit blijkt wel voornamelijk in zijn huiselijk leven. In de
+kolonies, die de reigers op hunne broedplaatsen in hooge boomen vormen,
+blijkt hunne boosaardigheid op allerlei wijzen. De menschen zijn dan
+ook niets op hen gesteld en in Duitschland moeten hunne broedplaatsen
+herhaaldelijk verstoord worden. Gelukkig doet men dat in ons land, voor
+zoover mij bekend is, nog niet. Wel zullen de boeren het niet prettig
+vinden, als juist de boomen op hun erf tot nestplaats worden verkozen,
+want er blijft geen blad aan en ze sterven op den duur. Door al ’t
+vuil, zien ze er als witgekalkt uit.
+
+Dat de vogel bij ons niet vervolgd wordt en niet als schadelijk wordt
+beschouwd, ligt er misschien wel aan, dat zij hier niemand direct
+benadeelen. In Duitschland, waar zooveel zorg aan de fijne
+zoetwater-visschen, als karpers en forellen, besteed wordt, is dit een
+ander geval. Daar kan een groote kolonie van deze veelvraten geducht
+veel schade in de vischvijvers berokkenen. Maar bij ons duldt men hem.
+De slooten wemelen van allerlei visschen, waar haast niemand, (of ’t
+moest een ijverig lid van de Hengelclub „Het Vroolijke Baarsje” of „de
+Lachende Voorn” zijn) zich om bekommert.
+
+En ik ben er blij om, want ik zou dezen prachtigen, sierlijken vogel,
+niet graag missen. Wie kan ’t nalaten, hem te bewonderen, als hij
+roerloos staat tusschen het riet, of met statige stappen langzaam langs
+den waterkant schrijdt? Z’n veeren zijn prachtig blauwgrijs, z’n borst
+is hagelwit met een enkele zilvergrijze streep en op z’n kop draagt hij
+een sierlijke pluim. Z’n oogen evenwel zijn beslist onaangenaam, heel
+lichte, sprille oogen, met een hypnotiseerende uitdrukking zijn het.
+Buiten heb je evenwel geen last van hun onaangename blik, want de vogel
+laat zich gewoonlijk niet zoo dicht naderen. Z’n stem, die rauw en
+krijschend is, laat hij alleen maar tijdens het vliegen hooren.
+
+De NACHTKWAK (NYCTICORAX NYCTICORAX) (No. 39) was vroeger algemeen in
+ons land. Nu is hij hier heel zeldzaam. Toch is hij overal in Europa
+nog te vinden, als hij maar moerassen vindt, met boomen er om heen,
+waarin hij slapen kan. Het is een echte nachtvogel, die eerst met de
+schemering tot leven komt.
+
+De ROERDOMP (BOTAURUS STELLARIS) is een vrij kleine reigersoort, die om
+z’n veeren merkwaardig is, juist omdat de teekening van z’n kleed hem
+aan onze aandacht onttrekt. Dat het hem zoo buitengewoon gelukt zich te
+verbergen, komt doordat de strepen aan z’n hals en op de borst, zoo
+geheel overeenstemmen met de stengels van dor riet. Als de vogel z’n
+hals uitstrekt en in die stand blijft staan, maakt hij zichzelf zoo tot
+een deel van z’n omgeving, dat slechts een geoefend oog hem weet te
+herkennen. Dat de vogel zich van ’t voordeel, dat deze houding hem
+geeft, niet bewust is, blijkt ten duidelijkste uit het feit, dat hij
+dezen stand ook aanneemt, wanneer hij in eene andere omgeving is.
+Dreigt hem direct gevaar, dan hurkt hij, met wijd uitstaande veeren en
+hangende vleugels tegen den grond en schijnt hij een uil na te willen
+bootsen. De bedoeling van deze stand lijkt ons dus, z’n vijand om den
+tuin te leiden. Terwijl deze de kleine reiger misschien aan zou vallen,
+wacht hij zich wel, zich aan een uil te wagen. Doch, zoo weerloos is
+een reiger ook weer niet, want in z’n groote, naaldscherpe snavel heeft
+hij een geducht wapen. Al lijken deze en andere standen, die soms door
+dieren aangenomen worden, ons nog zoo typisch en doelmatig, toch moeten
+we wat betreft hun biologische beteekenis, zeer critisch zijn. Want,
+wat ons menschen, met onze menschelijke oogen een prachtige schutkleur
+lijkt, hoeft aan dieren nog niet zoo voor te komen. Vooral, sinds langs
+experimenteelen weg is uitgemaakt, dat veel vogels bepaalde kleuren,
+zooals rood en groen, niet waarnemen en dat dus hun wereld er uitziet,
+alsof ze door een groen glas kijken.
+
+Hiermee wil ik niet beweren, dat de standen- en strepenteekening der
+roerdomp geen beteekenis heeft. Integendeel, wanneer men opmerkt dat de
+gewone blauwe reiger een dergelijke teekening aan z’n hals heeft, en
+deze gewend is in dezelfde houding met uitgerekten hals, roerloos te
+staan, is men wel degelijk geneigd aan een bepaalde beteekenis van deze
+strepen te gelooven. Men moet evenwel zich wachten voor voorbarige
+gevolgtrekkingen en z’n oordeel slechts met groote terughoudendheid
+geven. Zekerheid is nergens.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Reichenow, de bekende schrijver van het „Handbuch der systematischen
+Ornitologie, die Vögel”, brengt daarin de roofvogels, te samen met de
+hoenders, tot één systematische eenheid, zoodat de vierde groep, die
+der
+
+
+HUIDSNAVELIGEN (CUTINARES) IV.
+
+
+5 orden omvat, die, zoowel wat uiterlijk als wat levenswijs betreft,
+zeer sterk uiteenloopen. Het kenmerk, dat alle evenwel gemeen hebben en
+op grond waarvan Reichenow hen bij elkander voegde, heeft aan deze
+groep den naam gegeven. Het is de z.g. washuid, die zoowel roofvogels
+als hoenders aan hun snavel hebben. Bij roofvogels vooral is deze sterk
+ontwikkeld, bij hoenders in verhouding minder.
+
+Behalve door deze washuid onderscheiden de Cutinares zich van de
+Steltloopers en Zwemvogels door pooten, die tot den enkel, soms zelfs
+nog lager, met veeren bedekt zijn en door het ontbreken van
+zwemvliezen.
+
+Tot de eerste orde in deze groep, de DESERTICOLAE of STEPPENHOENDERS,
+behoort het STEPPENHOEN (SYRRHAPTES PARADOXUS) (No. 40). Deze, op
+duiven gelijkende vogels behooren thuis op de Steppen bij de Kirgizen,
+de Russen, de Chineezen en de Mongolen. Dat zij karakteristiek zijn in
+die omgeving, blijkt wel uit ’t feit, dat ieder dezer volken hen een
+naam gaf. De Mongolen noemen hen „Njüstergrün”, een nabootsing van hun
+schreeuw tijdens het vliegen.
+
+In ’t midden van Maart verschijnen zij voor ’t eerst weer op de
+steppen, na een winterséjour in Zuidelijker streken. In de vroege
+morgenuren trekken zij er op uit, om te drinken aan die weinige
+plaatsen in de steppen, waar zoet water is. Van alle kanten komen de
+vogels aangevlogen tot deze morgenreünie. Met luide groeten over en
+weer van de reeds aanwezige en de nog komende, scharen zij rond het
+water om hun dorst te lesschen. Al heel gauw vliegen zij dan weer
+verder, naar de van ’t zout wit-glinsterende plekken, waar de zeekraal
+groeit. Als zij zich ook daar verzadigd voelen, gaan zij in een
+heerlijk dolce far niente zonnebaden nemen. Zij hebben dan ook hun
+voornaamste dagtaak verricht en kunnen zich rustig op ’t heetst van den
+dag te slapen leggen. Als kippen bedden zij zich in ’t warme zand een
+ondiep kuiltje, waarin zij zich dan behagelijk met wijd-uitstaande
+veeren liggen te koesteren. Hunne kleur komt zoo overeen met die van ’t
+zand, dat zij er niet van te onderscheiden zijn. Zoolang zij zich stil
+houden, natuurlijk. Een enkele keer slechts, wanneer een roofvogel hen
+nadert, wordt de slaperige stilte verbroken. Luid schreeuwend vliegt
+dan een troepje op en over de geheele steppe breidt zich hun onrust
+uit. Van alle kanten en met ongeloofelijke snelheid komen zij
+aangevlogen, de lucht vervullend met hun roep. Tot, plotseling zij het
+vliegen staken, zij zich weer bedden in ’t zand en de steppe weer
+dommelt in de warmte van den blakenden zon.
+
+Een enkele maal, zooals in de jaren 1860, 1863, 1888, 1889 en 1908,
+komt een invasie van deze steppenhoenders ’t Noorden in. Zij worden dan
+in alle duinstreken van Holland en Duitschland aangetroffen en blijven
+daar een paar seizoenen. Iedereen doet moeite hen te behouden. Doch te
+vergeefsch. Even ongemotiveerd als hun komst scheen, is ook hun
+vertrek. Zij verdwijnen weer om op ’t onverwachts weer te verschijnen.
+Misschien worden zij binnenkort weer gesignaleerd en zullen we hen met
+eigen oogen kunnen waarnemen. Dan zullen we ons verlustigen aan hun
+snelle en fraaie vlucht, waarvan Gätke, die hen eens in Helgoland
+waarnam, vertelt dat zij zelfs in snelheid den edelvalk overtreffen.
+
+
+
+§ 2. De TINAMOE, of INAMBOE (RHYNCHOTUS RUFESCENS) (No. 41), een na
+familielid van het steppenhoen is de eenige vertegenwoordiger van de
+tweede orde, die der CRYPTURI of KORTSTAARTHOENDERS in deze vierde
+groep, die we hier bespreken zullen. Zij leven in de Pampa’s van
+Zuid-Amerika en vervullen daar zoo ongeveer de plaats, die bij ons door
+patrijs en kwartel wordt ingenomen, n.l. die van het meest geliefde
+wild. Waarom zij dan ook ijverig gejaagd worden. Zelfs de jaguar, het
+groote, katachtige roofdier van Zuid-Amerika versmaadt hen niet.
+Gewoonlijk jagen zulke groote roofdieren op edeler wild als herten en
+andere hoefdieren. Het vleesch van de tinamoe schijnt evenwel van eene
+dusdanige voortreffelijkheid, dat zelfs de Koning der
+Zuid-Amerikaansche roofdieren, zich niet gering acht er op te jagen.
+
+Ondanks de intensieve jacht, die door mensch en dier op deze vogel
+gemaakt wordt, vermindert hij niet in aantal. De soort schijnt over een
+onuitputtelijke hoeveelheid levenskracht te beschikken. Deze uit zich
+hier in het leggen van een groot aantal eieren. De groote
+nakomelingschap, die daarvan het gevolg is, behoedt de soort voor
+uitsterven ondanks de bestaansmoeilijkheden, waarmee de vogels te
+kampen hebben.
+
+Een dergelijk evenwicht tusschen het vernietigen van individuen aan de
+eene kant, en het voortbrengen van hen aan de andere kant noemt men een
+„biologisch evenwicht”. Overal kan men hiervan voorbeelden vinden.
+Soorten, die het erg moeilijk hebben in den strijd om het bestaan,
+omdat door allerlei omstandigheden hun individuen-aantal verminderd
+wordt, trachten zich het voortbestaan te verzekeren, door een
+buitengewone productie van nakomelingen. Want, teelt een soort zich
+moeilijk voort en duurt het lang totdat de dieren volwassen zijn, dan
+is de ondergang zeker wanneer er veel individuen ten gronde gaan. Dit
+is dan ook de reden van het uitsterven van veel diersoorten. Helaas
+draagt de mensch door z’n zonderlinge neiging tot dooden er het zijne
+toe bij, om het evenwicht in de natuur te verstoren. Want er is tijdens
+’t bevolken der wereld vergeten rekening te houden met de geniale
+moordwerktuigen, die door ’t menschelijk brein uitgedacht zijn. Zooals
+het evenwel altijd gaat met de wolf, die in een kwaad gerucht staat,
+krijgt de mensch ook wel eens onverdiend de schuld van het uitsterven
+van een diersoort. Dat was dan in den loop der dingen en zou zonder z’n
+inmenging ook gebeurd zijn.
+
+
+
+§ 3. Van de RASORES of HOENDERACHTIGEN, die de derde orde in de groep
+der Huidsnaveligen vormen, is een groot aantal om de fraaiheid van hun
+veeren bij de menschen zeer gezocht. Zij vormen dan ook het sieraad van
+menige buitenplaats. Iedere boer, die zichzelf respecteert en graag
+door het tentoonspreiden van schoone zwier wil laten weten dat z’n
+„spul” in orde is, heeft op z’n erf tenminste een kalkoen. Vaker
+evenwel zal men er een paar pauwen vinden. Heeft hij werkelijk
+liefhebberij in gevogelte, dan kan men zeker zijn dat de zilver- en
+goudfaisanten, de parelhoenders en allerlei bizarre kippenrassen niet
+zullen ontbreken. Hoenders zijn reeds zeer, zeer lang geleden in de
+smaak der menschen gevallen om de fijnheid van hun vleesch en het genot
+van hunne eieren.
+
+Van geen der hoenders worden de laatsten misschien zoo hoog geschat als
+van ’t HAMERHOEN (MEGACEPHALUM MALEO) (No. 42), dat op Celebes en
+enkele der omliggende eilandjes leeft. Op andere naburige eilandjes
+ontbreken de vogels geheel. Een merkwaardig verschijnsel in de
+biologie! Een van de vele, die hoe eenvoudig ze zijn wanneer men ze als
+feit alleen beschouwd, een wereld van perspectieven opent, zoodra ze in
+verband met andere dingen gebracht worden.
+
+Deze groote vogels, die aan een kale ronde knobbel op hun kop, hun naam
+te danken hebben, brengen het grootste gedeelte van hun leven door in
+het dichte oerbosch. Slechts in den broedtijd, als het wijfje een ei
+moet leggen, verlaten zij dit en vertoonen zij zich op de open vlakte
+van het strand. Hier graaft zij zich een groot, rond gat in de aarde,
+woelt de bodem er van met haar pooten wat los en legt er haar ei in,
+dat zij zorgvuldig met zand toedekt. Dan verdwijnt zij weer in het
+bosch en komt pas na 13 dagen terug, om haar tweede ei te leggen. Te
+broeden hoeft zij niet, dat doet de zon voor haar, want in de kuilen is
+de temperatuur geregelt 44.4° C., eenige graden meer dan de omgeving.
+’t Jong, dat volgroeit ter wereld komt, is geheel in staat om voor zich
+zelf te zorgen en loopt dan ook direct het bosch in.
+
+De pasgelegde eieren nu, zijn een zeer geliefde lekkernij. Een van de
+Radja’s is er zoo dol op, dat hij zich zelf het monopolie van ’t garen
+heeft verschaft. Bij de legplaats zijn wachten aangesteld, die dieven
+den toegang tot het strand beletten. Hij doet dus precies als paus
+Clemens VII, die het champignons plukken verbood, opdat hij ze allemaal
+door z’n dienaren kon laten rapen en niemand hem één enkele van deze
+paddestoelen ontnemen zou.
+
+De KWARTELKONING (CREX CREX) (No. 43) geniet het voorrecht, den
+menschen onverschillig te zijn. De eenigen, die belang in hem stellen
+zijn de natuurvrienden. De belangstelling van dit onschadelijke
+menschensoort is des te grooter, daar de vogel zich zelden laat zien
+doch zich daarentegen voortdurend laat hooren. Vooral in den nacht, is
+z’n rasperige stem geen oogenblik stil. Wie er z’n bed voor uitkomt en
+tracht met eenen lantaarn de vogel te vinden, kan zich na lang zoeken,
+wel weer mopperend onder de dekens begeven want onze kwartelkoning
+verstaat het spelletje van „Je hoort me wel, maar je ziet me niet”, als
+geen ander. Je weet dat hij ergens in een bepaald stuk van het weiland
+zit, maar waar? Nu eens hoor je hem links, dan rechts, dan voor, dan
+achter je en nooit zie je één enkele beweging in de hooge grashalmen,
+die je aan kan duiden, waar of hij loopt. Dit komt omdat de vogel zich
+gangen in het gras heeft gemaakt, waar hij nu met een verbazende
+snelheid doorheen kan loopen zonder zich door bewegingen in de halmen
+te verraden. Als het gras gemaaid wordt, trekt hij zich terug in ’t
+koren. Zoodra dit geoogst wordt en hij dus weer z’n dekking kwijt is,
+zoekt hij deze in ’t kreupelbosch. Lang blijft hij daar niet, want eind
+Augustus trekken de kwartelkoningen naar het Zuiden.
+
+De naam „kwartelkoning” danken zij aan ’t volksgeloof dat zij de
+kwartels op de trek vergezellen en aanvoeren. Daar de trektijden van
+kwartel en kwartelkoning evenwel veel uiteenloopen, is het niet goed te
+begrijpen, waaraan dit geloof z’n oorsprong te danken heeft.
+
+Van de wilde inlandsche hoenderen, zijn de patrijs, de faisant en het
+korhoen, standvogels in ons land, d.w.z. zij blijven in den winter in
+de streek, waar zij gebroed hebben.
+
+De PATRIJS (PERDIX PERDIX) (No. 44), die over geheel Europa verbreid
+is, is een zeer geliefd wild. Hij leeft het liefst op velden, die in de
+buurt van bosschen liggen daar hij steeds kreupelhout zoekt om zich te
+verbergen. Deze eigenschap brengt hem ook vaak op velden, die door
+dichte heggen van elkaar gescheiden zijn.
+
+Gewoonlijk worden patrijsjes gemakkelijk over het hoofd gezien, daar
+ook zij uitnemend de kunst verstaan zich neer te drukken op den bodem
+en zich doodstil te houden. De grauwe kleur van hun veeren maakt hen
+dan zeer moeilijk te vinden. Dit stilhouden is een van de grootste
+wijsheden die de instincten aan de dieren meegeven. Alles wat beweegt,
+valt veel meer op dan dat wat zich stilhoudt. Het is de raad, die
+William Long in z’n boekje „School of the woods”, zoo aardig weergeeft
+met de woorden: Whatever you do, keep quiet. (Zie Hoofdstuk III, pag.
+42).
+
+Patrijzen vliegen vrij slecht; het vermoeit hen tenminste gauw. Loopen
+daarentegen doen zij prachtig en buitengewoon snel. Zwemmen kunnen zij
+ook, hoe vreemd het ook mag lijken. In den winter leven zij te samen in
+kleine troepjes. Maar in Februari, als de dooi komt, scheiden zij zich
+twee aan twee van de troep af. In Mei hebben zij evenwel pas eieren,
+die de hen met de grootste zorg bebroedt, en niet verlaat dan in de
+uiterste noodzakelijkheid. Na 26 dagen als de jongen uitkomen, heeft
+zij haast geen veeren meer over.
+
+Patrijzen worden wel eens trekkend waargenomen. Men vermoedt evenwel,
+dat het een ander soort is, dan de bij ons inheemsche.
+
+Van de faisanten, die zooveel bijdragen tot de fraaiheid van de
+hoenderhof, is Azië het eigenlijke vaderland. De allermooiste ervan is
+de diamantfaisant, die ook wel LADY AMHERST FAZANT genoemd wordt
+(CHRYSOLOPHUS AMHERSTIÆ) (No. 45), omdat Lady Amherst de eerste was,
+die hem importeerde. Hij komt voor in het bergland van Oost-Thibet, in
+dezelfde streken waar de goudfaisant wordt aangetroffen. Met dit
+verschil evenwel, dat de goudfaisant beneden op de bergen voorkomt,
+terwijl de diamantfaisant 2 à 3000 M. hoog leeft.
+
+Onze bosch- of wilde faisant is niet van nature inheemsch, doch
+verwilderd.
+
+In Engelsch Indië, Ceylon en onze Oost leeft in het wild de PAUW (PAVO
+CRISTATA) (No. 46), die de bosschen van het tropische bergland als
+woonplaats boven de vlakten verkiest. Thayer, die zulke merkwaardige en
+artistieke opvattingen heeft over de kleuren der dieren, meent dat het
+prachtig schitterend blauwgroen van z’n veeren, het dier onzichtbaar
+zou maken tegen den achtergrond van het schitterend groene bosch,
+waaraan licht- en schaduwplekken een zelfde soort patroon geven als de
+oogen van een pauwestaart. Het klinkt vreemd en onaannemelijk voor
+ieder, die het dier nooit in z’n natuurlijke omgeving zag. Maar toch
+geraakt de meest sceptische mensch onder invloed van deze suggestieve
+verbeelding.
+
+Waarom ook niet? We hebben reeds zooveel voorbeelden gezien, van
+kleuren, die door hunne overeenkomst met de omgeving, de dieren
+onzichtbaar schenen te maken. We hebben gezien hoe het schijnbaar
+opvallende wit aan de borst van een vogel, dat zoo scherp afstak tegen
+den donkeren of grauwen bovenkant, zoo voortreffelijk dienst deed om de
+vogel te vervlakken en z’n reliëf weg te nemen. We hebben gezien hoe
+snippen, patrijzen en roerdompen zich verborgen door hun kleed, dat in
+overeenstemming met de bruine tinten van hun omgeving gekleurd is.
+Waarom zou nu ’t fonkelend goud en groen, met de diep-blauwe vlekken
+van een pauwestaart niet op ’t grillig spel van zon en schaduw op ’t
+loover van ’t bosch kunnen lijken. Waarom niet?
+
+Een groot bezwaar voor Thayers fantastische opvatting lijkt me hier
+evenwel, dat van alle andere dieren, die in dezelfde omgeving als de
+pauw wonen, er geen een is, die zich camoufleert als hij. Een bezwaar,
+dat voor alle andere reeds genoemde voorbeelden niet geldt. Want in de
+steppe bijv. valt het duidelijk op, dat alle verschillende dieren,
+zoowel vogels als zoogdieren, die er leven, zich volgens een zelfde
+manier verbergen.
+
+Bij de Hindoes geldt de pauw voor een heilig dier, dat nooit door hen
+gedood wordt. Bij hunne tempels komen zij in groote massa’s in half
+verwilderden of tammen toestand voor. Zij worden er geregeld door de
+priesters gevoed. Deze heiligheid danken zij aan ’t geloof dat Indra,
+de God der Hindoes, toen hij door een vijand achtervolgd werd, de
+gestalte van een pauw had aangenomen.
+
+De pauw, zooals wij hem kennen, verschilt niet aanzienlijk met den
+wilde. Hij is alleen wat meer verzorgd van uiterlijk, wat men op de
+gebruikelijke manier, door teeltkeus heeft bereikt.
+
+Slapen doet een pauw altijd in eenen boom. En wie gesteld is op de
+mooie gouden veertjes, die z’n hals kleeden of op de prachtig
+staalblauwe, die aan z’n borst zitten, moet ze onder de slaapplaats
+gaan zoeken. Ze vallen, als alle veeren, in de ruitijd uit en de vogel
+verliest de meeste er van als hij z’n toilet maakt en dit doet hij bij
+voorkeur op z’n slaapboom.
+
+De stem van de pauw is buitengewoon leelijk en lijkt veel op die van
+eene kat, die geweldig hard miaauwt.
+
+Hoe mooi de blauwe pauw ook is, als hij in z’n fonkelende blauw
+groen-gouden pracht te pronken staat, een witte pauw is haast nog
+mooier. Die is als een wonder van ragfijn kantwerk. Het slanke fijne
+lijfje draagt de ranke hals met het uiterst fijne gekroonde kopje. De
+wijd uitgespreide staart, als een waaier door feeën gemaakt, vormt er
+de achtergrond voor. Vol onbewuste coquetterie staat hij in ’t
+zonnetje, tot hij op eens z’n staart toeklapt en met eene rauwe
+schreeuw op eenen tak springt. Als de sluier van eene bruid hangt de
+blanke veerenpracht nu in losse luchtigheid naar beneden.
+
+Van de Noord-Amerikaansche hoenders is de KALKOEN (MELEAGRIS GALLOPAVO)
+(No. 47) in cultuur genomen. Oorspronkelijk inheemsch in geheel
+Noord-Amerika is hij in de dicht bevolkte staten uitgeroeid en komt hij
+tegenwoordig nog maar alleen in afgelegen staten, als Indiana,
+Arkansas, Kentucky en Ohio in ’t wild voor. Daar leven zij in groote
+hoeveelheden. Wanneer zij in eene streek geen voedsel meer vinden,
+trekken zij met z’n allen weg naar eene voor hen voordeeliger plaats.
+Hun trekken is zeer onregelmatig en treedt niet zooals bij andere
+vogels op vaste tijden op. Het heeft meer overeenkomst met het trekken
+van Nomaden volken. Zoolang eene streek voedsel voor hen heeft, blijven
+zij. Zoodra evenwel de voorraden uitgeput zijn of als het seizoen
+minder aangenaam wordt, trekken zij weg. Als echte zigeuners blijven
+zij op ééne plaats, zoolang het hen er goed smaakt. Gaan zij eenmaal
+weg, dan vereenigen de mannetjes zich en trekken vooruit. De vrouwtjes
+volgen op eenige afstand met de jongeren. Brengt de tocht hen voor eene
+rivier of stroom, dan aarzelen zij. Want hoewel zij vliegen kunnen,
+schijnen zij een tegenzin in deze beweging te hebben. Zij trekken langs
+de rivier tot zij aan eene hoogen oeverkant komen. Dan wordt er halt
+gehouden en schijnt er beraadslaagd te worden. Eindelijk is er één die
+het waagt en de anderen volgen hem op de hielen. Een enkele keer
+bereikt een jong de overkant niet. Hij redt zich zelf zwemmend en komt
+er met een nat pak en den schrik af.
+
+Tot Februari leven zij in kleine troepjes. In deze maand gaan de
+vrouwtjes zich afzonderen en zoeken eene eigen slaapplaats. Zij roepen
+en lokken van daaruit de mannetjes tot zich. Komen er meerdere
+mannetjes op de lokroep van ’t zelfde wijfje af, dan geeft dit
+aanleiding tot hevige gevechten tusschen de hanen. Zij blazen zich op
+en worden heel rood van drift, „zoo rood als een kalkoensche haan” en
+zij vechten zoo hevig met elkaar, dat het vaak voor een van hen met den
+dood eindigt. En, daar iedere haan er meerdere hennen op nahoudt, is er
+nog al eens strijd te leveren.
+
+Tot in April leggen de vrouwtjes hare 10–15 eieren in een nest, dat zij
+voor den haan zorgvuldig verborgen houden. Moeten zij tijdens het
+broeden of gedurende den legtijd het nest verlaten, dan dekken zij het
+zorgvuldig toe. Voor de kuikens hebben zij niet meer zooveel zorgen.
+Want deze loopen dadelijk en vliegen al reeds na twee weken.
+
+Het BANKIVAHOEN (GALLUS GALLUS) (No. 48), dat in Indië en de Maleische
+eilanden voorkomt, is de stamvader van onze kippen. Zij leven in de
+bosschen en vertoonen zich slechts zelden. Alle verschillende vormen
+van kippen, die wij kennen, zijn in den loop der tijden uit het
+Bankivahoen ontstaan. En ’t is al zeer lang dat de mensch hen als
+huisdier aannam; reeds de Kelten hebben hen gehad, want 600 jaar voor
+Christus zijn zij al naar Europa gebracht.
+
+Wie nu op een hoendertentoonstelling al deze verschillende vormen ziet
+van krielkipjes, Bramapoetra, Cochinchina, tot de kemphanen toe, kan
+haast niet gelooven dat alle uit dat ééne wilde hoen van Indië,
+ontstaan zouden zijn.
+
+’t PARELHOEN (NUMIDA MELEAGRIS) (No. 49) moet als stamvorm van het
+parelhoen, dat tegenwoordig als huisdier gehouden wordt, beschouwd
+worden. Z’n eigenlijk vaderland is Afrika. Het houdt zich bij voorkeur
+op in rotsachtige, rijkbegroeide streken, waar het zich in het dichte
+onderbosch of in het hooge gras gemakkelijk verbergen kan. In Amerika
+komt het verwilderd voor en daar is het in sommige streken tot een ware
+landplaag geworden. In Afrika, waar het zeer vele vijanden heeft is er
+weer een natuurlijk evenwicht tusschen de hoeveelheid eieren, die
+geproduceerd worden en de hoeveelheid dieren, die als slachtoffer
+vallen van leeuwen en andere katachtige roofdieren die de volwassen
+vogel jagen; van sluipkatten, die de eieren en de jongen eten, ja zelfs
+van slangen. Waar dan ook deze natuurlijke vijanden ontbreken en de
+vogel zich ongestoord voortplanten kan, vermenigvuldigen zij zich met
+een dergelijke snelheid, dat men bijv. in West-Indië al het mogelijke
+doet om hun aantal binnen de perken te houden. Er wordt zooveel
+mogelijk jacht op hen gemaakt, maar gemakkelijk gaat het dooden van
+deze vogels niet. Zij zitten zoo dik in de veeren, dat een geweerskogel
+hen niet kan dooden en men wel genoodzaakt is met honden op hen te
+jagen.
+
+De vogels zijn sierlijke hoenders met glanzend zwarte veeren vol
+grappige, witte spikkels. Volgens sage zouden dit tranen zijn, want de
+parelhoenders zelf zijn zusters van de Meleagris, die na den dood van
+hunnen geliefden broer, zoo ontroostbaar waren en zoo vreeselijk
+schreiden, dat zij in zwarte vogels werden veranderd. Hunne tranen
+bleven evenwel als witte vlekjes op de zwarte veeren achter.
+
+Het witte hoen van Californië, de CALIFORNISCHE KWARTEL (CALLIPEPLA
+CALIFORNICA) is in dat land zeer algemeen. ’s Winters vindt men het in
+zwermen van 1000 en meer. Het graaft zich dan gangen onder den sneeuw
+en leeft daar, als zooveel dieren in deze sneeuwlanden heerlijk warm.
+’s Zomers vindt men het overal waar water en boomen aangetroffen
+worden.
+
+In Californië is het een standvogel daar er in dat vruchtbare land wel
+altijd iets voor hem te vinden is dat van z’n gading is, want z’n
+voedsel bestaat uit vruchten, knollen, zaden en dergelijke plantaardige
+producten.
+
+Men heeft geprobeerd deze aardige vogels in Europa in te voeren. In
+1852 zijn proeven er van in Frankrijk en Duitschland genomen. Het is
+jammer dat ze mislukt zijn, want met eenig overleg en een weinig goede
+zorgen, zou men deze vogel wel inheemsch kunnen maken in streken, waar
+de faisanten het kunnen uithouden.
+
+De merkwaardige korhoenders van onze heide en de Duitsche „Auerhahn”
+sluiten zich bij de typische hoenders aan.
+
+
+
+§ 4. De orde der DUIVEN (GYRANTES), is duidelijk van die der Hoenders
+te onderscheiden. Vooral hun snavel, die recht en dun is en slechts aan
+de punten met hoorn bekleed is levert een duidelijk verschilpunt. De
+rest van dezen snavel wordt door de voor de heele vierde groep
+kenmerkende washuid gevormd. De pooten onderscheiden zich vooral door
+’t kortere loopbeen, waardoor de geheele romp der vogels zooveel
+dichter bij den grond staat, dan die der hoenders.
+
+Een van de merkwaardigste duiven was de Dodo of Dronthe, die op ’t
+eiland St. Mauritius leefde en in de 17de eeuw helaas door de
+zeevaarders is uitgeroeid.
+
+Een dergelijk beperkt zijn tot een bepaald gebied is ook een
+eigenaardigheid van de grootste der duiven, de KROONDUIF (GOURA
+CORONATA) (No. 51), die 65 c.M. lang is. Deze komt voor op Nieuw-Guinea
+en een paar van de omliggende eilandjes. Verder zijn zij nergens op de
+wereld te vinden. Soorten, die op een dergelijke manier plaatselijk te
+vinden zijn, zooals ook de dodo op Mauritius of het hamerhoen op
+Celebes, noemt men endemisch. Vanuit Nieuw-Guinea wordt deze kroonduif
+nog al eens naar Java en de Soendaeilanden gebracht en vandaar nog al
+eens naar Holland gezonden, zoodat een kroonduif in onze Hollandsche
+dierentuin geen zeldzaamheid is.
+
+Tot het begin der 19de eeuw was in Noord-Amerika de trekduif,
+Ectopistes migratorius zeer algemeen. Plotseling evenwel verminderde
+het aantal van deze duiven merkbaar en na eenige jaren werd er geen
+enkele meer gezien. Het trekken van deze vogels gebeurde met zulke
+hoeveelheden tegelijk en was zoo’n opvallend verschijnsel, dat het
+plotseling verdwijnen groot opzien wekte. Men meende eerst aan een
+ziekte of andere natuurlijke oorzaak dit verdwijnen te moeten
+toeschrijven, doch ’t is gebleken, dat de vogels tijdens hun trek in
+zulke ongehoorde hoeveelheden gevangen werden, dat de mensch hier zeer
+zeker als eenige oorzaak van ’t verdwijnen verantwoordelijk moest
+worden gesteld.
+
+Gelukkig evenwel zijn zij de laatste paar jaren weer hier en daar in
+Amerika gesignaleerd geworden en zal het aantal zich misschien
+langzamerhand weer herstellen.
+
+Onze huisduiven stammen af van de ROTSDUIF (COLUMBA LIVIA) (No. 52). In
+Noord-Europa komt hij als trekvogel voor op verschillende eilandjes van
+de Schotsche kust en op de Faeröer-eilanden. In Zuid-Europa is het een
+standvogel, men vindt hem evenwel op de rotsachtige kusten van Italië,
+Spanje en Frankrijk. Verder Zuidelijk vindt men hem in geheel
+Noord-Afrika, Klein-Azië, Palestina en Perzië.
+
+Daar deze vogel nooit in boomen nestelt, maar steeds donkere plekjes
+voor z’n nest uitzoekt, gebeurt het wel dat zij in de huizen der
+menschen gaan bouwen. Misschien is dit de aanleiding geweest om de
+vogels in cultuur te nemen. In ieder geval is dit zeer lang geleden
+gebeurd, want 3000 jaar v. Christus had men reeds tamme duiven in
+Egypte.
+
+In Azië werden zij zeer gewaardeerd, daar men hen als gasten der Goden
+beschouwde.
+
+Ook bij ons is de duif zeer gezien. Een werkelijke mode om de duiven te
+teelen is het zelfs in de vorige eeuw geweest. Overal, maar vooral in
+Engeland had men toen duivenclubs, die zich bezighielden met het
+aanbrengen van verbeteringen in deze vogelsoort. De leden van deze
+duivenclubs letten bij hun teelen meestal op één kenmerk en waren
+steeds gespitst op ’t zien van een of andere afwijking. Trad deze op,
+dan trachtten zij die door teeltkeus en kruising te verscherpen, en
+hierdoor verkregen zij de meest uiteenloopende rassen. Wij kennen ze nu
+nog: pauwstaart, krobduif, enz. enz. Al deze monstervormen wijzen op ’t
+succes van hunne arbeid. Darwin, de groote bioloog, die in ’t midden
+der vorige eeuw z’n beroemd boek over „’t Ontstaan der soorten” uitgaf,
+stelde in ’t werk van deze duivenclubs zeer veel belang, wat wel blijkt
+uit het feit, dat hij van ieder van die clubs lid was.
+
+Het aardigste resultaat van deze fokkerij is evenwel de postduif. Hier
+is de verbetering werkelijk een vooruitgang in meer dan ééne richting.
+Want, hoewel de postduif uiterlijk het meest van alle rassen op den
+stamvorm lijkt, is hij scherper geteekend, helderder van kleur, grooter
+van lichaam, maar vooral veel sneller van vlucht dan de wilde vorm.
+Deze duiven hebben vaak goede diensten bewezen met het overbrengen van
+berichten. Een postduif heeft n.l. zeer sterk de eigenschap, met
+buitengewone zekerheid z’n woonplaats terug te vinden, waar hij ook
+heen gebracht mag zijn. Neemt men dus een duif mee op reis en wenscht
+men aan de achtergeblevenen z’n behouden aankomst op de plaats van
+bestemming mee te deelen, zonder van de moderne communicatiemiddelen
+als post, telephoon of telegraaf gebruik te maken, dan heeft men
+slechts een briefje tusschen de veeren te stoppen en de duif dan vrij
+te laten. In werkelijk ongeloofelijk korten tijd is zoo’n bericht door
+eene goede postduif overgebracht. Soms evenwel vergissen de duiven zich
+en verdwalen zij, zoodat het dagen duurt, eer zij terechtkomen.
+
+
+
+§ 5. De merkwaardige washuid, die ook ROOFVOGELS (RAPTATORES) aan den
+snavel hebben, is de reden waarom zij met zulke vreedzame vogels als
+hoenders en duiven tot één groep zijn samengebracht.
+
+Zij onderscheiden zich evenwel duidelijk van de andere orden in deze
+groep door hunne sterk omgebogen scherpe klauwen en hun kromme scherpe
+bovensnavel, die als een haak over den ondersnavel grijpt. Bovendien is
+de geheele lichaamsbouw van de vertegenwoordigers dezer orde
+krachtiger: zij hebben een breede borst, die een groote
+aanhechtingsplaats is voor de vliegspieren en sterke, krachtige pooten,
+met korte voet, doch zeer lange teenen, met formidable klauwnagels.
+Hunne geheele bouw duidt op snelheid en kracht. Het zijn dan ook deze
+eigenschappen, die de mensch telkens weer met bewondering vervullen,
+wanneer hij een roofvogel in de kloeke rustige vlucht waarneemt of hem
+pijlsnel ziet neerschieten op z’n prooi, of hem aanschouwt als hij voor
+ons oog onbewegelijk in de lucht stilstaat. Dit laatste is het zeer
+typische „bidden”. Tijdens dit bidden geeft hij z’n oogen goed de kost
+en er is geen beweging op ’t veld, die aan z’n oog ontsnapt. En als
+deze beweging een dier verraadt waarop hij graag jaagt, dan is deze
+vrijwel onherroepelijk verloren en wordt dezen roofvogel ten prooi.
+
+De CONDOR (SARCORHAMPHUS GRYPHUS) (No. 53) is de typische roofvogel van
+het Zuid Amerikaansche hooggebergte. Hij vliegt buitengewoon hoog,
+hooger dan de hoogste toppen naar men zegt. Volgens sommigen moet hij
+wel tot 7000 M. kunnen komen. De meest geliefkoosde hoogte-zône van
+dezen vogel schijnt evenwel tusschen de 3000 en 5000 M. te liggen. Het
+moet een onvergelijkelijk fraai gezicht zijn, als men eenige van deze
+vogels vliegen ziet.
+
+Slechts tijdens de broedtijd zijn de vogels in paren. Later als de
+jongen groot zijn, vereenigen zij zich tot gezelschappen. Zij voeden
+zich het liefst met aas. Zelf dooden doen zij niet. Wel gebeurt het dat
+zij herten zoo lang najagen en vervolgen, tot deze uitgeput
+neerstorten. De condor daalt dan op z’n slachtoffer neer en scheurt
+hem, na hem de oogen, de ooren en de tong uitgeplukt te hebben, bij de
+buik open daar hij de ingewanden het liefst eet en er dus steeds mee
+begint.
+
+Is soms een dier op een of andere manier gewond geraakt en kan het zich
+niet meer verweeren, dan komen de condors er op af, pikken het vleesch
+rond de wond weg, tot zij eindelijk een gat gemaakt hebben, waardoor
+zij bij de ingewanden kunnen komen. Het arme dier is dan gauw uit zijn
+lijden.
+
+Volgegeten zijn de vogels traag. Zoo traag zelfs, dat zij hun voedsel
+weer uit moeten braken als zij genoodzaakt zijn om op te vliegen.
+
+GIEREN (GYPS RÜPPELLI) (No. 54) zijn in Europa slechts in de landen
+rond de Middellandsche Zee te vinden. Noordelijker komen zij als regel
+niet voor. Hoewel zij wel eens in Duitschland geschoten worden, moeten
+zij daar als verdwaalden beschouwd worden. In Zevenburgen en Hongarije
+vindt men hen evenwel vrij talrijk. Daar gieren in „kolonies” broeden
+en niet zooals de condors zich tijdens de paartijd afzonderen, ziet men
+gewoonlijk een aantal van deze vogels te samen, daar zij ook samen het
+voedsel zoeken.
+
+Hebben zij ergens een dood beest gevonden dan houwen zij met enkele
+slagen van hun forsche snavel een gat in de buik, steken de naakte kop
+en de lange naakte hals zoo diep zij kunnen in de buikholte en zoeken
+daar de edele organen. Pas als zij er een gevonden hebben, trekken zij
+de kop terug, die dan overdekt is met bloed en slijm. ’t Is maar
+gelukkig, voor beesten met een dergelijke levenswijs, dat zij geen
+veeren aan hun hals en kop hebben. Zij zouden deze nooit van alle vuil
+kunnen reinigen en massa’s ongedierten en bacillen een welige
+broedplaats bieden.
+
+De kolonies, waarin deze vogels broeden, zijn soms wel 200 nesten rijk.
+Deze liggen in rotsholten en overhangende rotsblokken. Ieder paar heeft
+slechts één groot ei, dat gemeenschappelijk bebroed wordt. Na een maand
+komt het jong, dat er als een onoogelijke klomp wol uitziet, uit het
+ei. Het is uiterst hulpeloos en kan eerst na 3 maanden vliegen.
+
+Daar gieren eigenlijk nooit een levend dier aanvallen (of zij moeten
+door vreeselijke honger er toe gedreven worden) leven zij in Zuidelijke
+streken, die veel kudden van hoefdieren en dergelijke herbergen. In het
+Noorden, waar het individuen aantal, dat deze koude streken bevolkt,
+zooveel geringer is, zouden zij onmogelijk hunne kost kunnen ophalen.
+In de warme landen, zijn gieren, samen met maraboes, tot de zeer
+nuttige vogels te rekenen, daar zij als vrijwillige reinigingsdienst
+onschatbare diensten verrichten.
+
+Men heeft langen tijd gemeend, dat gieren hun voedsel zouden vinden
+door hun reuk. Maar, daar zij vaak op een pas gestorven dier
+aangetroffen worden en zij bovendien een reeds eenige dagen gestorven
+dier, dat op een verborgen plaats ligt, niet opmerken voordat de raven
+er om heen zwermen, neemt men tegenwoordig aan dat gieren hun voedsel
+op het gezicht vinden.
+
+Een andere, zeer nuttige roofvogel van Afrika is de SECRETARIS
+(SERPENTARIUS SERPENTARIUS) (No. 55), daar deze vogel een slangendooder
+bij uitnemendheid is. Zelfs de giftigste slangen eet hij met kop en al
+op, zonder dat hij eenig nadeel van het gif ondervindt. Ook schijnen de
+tanden hem niet inwendig te verwonden. Toch kan, ondanks al deze
+feiten, niet met zekerheid gezegd worden dat de secretaris immuun is
+voor slangebeten.
+
+Op het eerste gezicht heeft een secretaris al heel weinig van een
+roofvogel. Z’n lange naakte pooten doen hem meer op een steltlooper
+lijken. Vliegen doet hij gewoonlijk niet. Meestal ziet men hem met
+buitengewone waardigheid door de Afrikaansche velden schrijden. Deze
+waardigheid van gang, gevoegd bij het grappig aanzien, dat z’n kop door
+eenige uitstekende veertjes krijgt en die wel aan achter het oor
+gestoken penhouders doen denken, hebben hem waarschijnlijk de naam
+„secretaris” doen krijgen. De waardigheid van dezen vogel wordt nog
+grooter, wanneer hij een gevecht gaat leveren. Dan heeft hij z’n
+grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. Want een gevecht met een
+slang van 1 M. is zelfs voor onze secretaris geen kleinigheid. Zoodra
+een slang bijt, of bijten wil, draait hij hem de uitgestoken vlerken
+toe en laat hem in de veeren happen. Maar gewoonlijk komt de slang
+zoover niet, daar de eerste sprong van dezen dapperen vogel hem meestal
+reeds tot slachtoffer maakt en de geweldig sterke klauwen van den vogel
+hem al in den rug te pakken hebben. Met den staart te beginnen wordt
+een slang dan in eenige minuten verslonden.
+
+Behalve de Condor, die zich slechts met doode dieren voedt, leeft er in
+de warme streken van Zuid-Amerika, onder meer, de HARPY (THRASAËTUS
+HARPYIA) (No. 56) een van de mooiste en grootste roofvogels, die er
+bestaan. Hoog op de bergen, waar het kouder is, komt hij niet meer
+voor, maar in de bosschen in de buurt van water wordt hij geregeld,
+hoewel niet overvloedig, aangetroffen. De Indianen uit die streek jagen
+hem voortdurend, omdat zij zijn veeren zeer op prijs stellen. Zij
+houden er de vogels zelfs in gevangenschap voor. Hiertoe halen zij de
+jongen uit de nesten, die hoog in de boomen gelegen zijn. Zij fokken
+deze diertjes dan op en maken hen zeer tam. Twee maal per jaar plukt
+men hen alle staart- en vleugelveeren uit. Men versiert er dan de
+pijlen mee of zet ze op de veerendos, die aan ’t hoofd van een Indiaan
+zoo’n krijgshaftige uitdrukking geven. Zoo hoog geschat zijn deze
+harpy-veeren, dat ze als ruilmiddel dienst doen.
+
+De harpy is een buitengewoon sterke vogel. En zooals het meer gaat,
+wanneer een dier zich door een of andere eigenschap onderscheidt, wordt
+deze door de menschen nog overdreven. Er zijn dan ook allerlei sagen
+over z’n kracht in omloop. Zoo zou hij b.v. in staat zijn, om met een
+snavelhouw de schedel van een mensch te klieven!!
+
+Met den grootsten der Europeesche roofvogels, de AREND (AQUILA
+CHRYSAËTUS) (No. 57) is het in sommige opzichten al net als met de
+harpy en alle andere groote vogels. Hunne kracht neemt de verbeelding
+van de menschen zoodanig in beslag, dat deze haar weer gaan overdrijven
+en grooter maken. Zij kozen den arend daarom als zinnebeeld van kracht
+op hunne wapenschilden. Toch schijnt het waar te zijn, volgens sommige
+verhalen althans, dat een arend lammeren steelt en wel eens kinderen
+rooft. Het behoort echter, dat wordt er dan altijd wel bij verteld, tot
+de zeldzaamheden. Met deze vertelsels gaat het als met zoo veel andere
+dingen: men moet ze zelf gezien hebben, om ze te gelooven.
+
+Vroeger kwam de arend in Zwitserland veel algemeener voor dan
+tegenwoordig. Nu verkiest hij andere hooggebergten en boschrijke
+streken van Zuid-Europa en Midden-Azië voor z’n broedplaatsen. Het nest
+bouwen zij van vrij dikke takken, die zij van de boomen breken. Zij
+laten zich daartoe, met de vleugels aan het lijf gesloten, van uit de
+hoogte neervallen en komen met groote vaart neer op een tak, die zij
+met de klauwen vast pakken. Tegen het gewicht van den vogel en de vaart
+waarmee hij neerkomt, is de tak niet bestand. Hij breekt af en de vogel
+neemt hem mee naar ’t nest, dat op de meest ontoegankelijke plaatsen
+van de steile rotsen is gelegen. Toch is ook in een gebied, waar de
+arenden geregeld broeden, de vogel nooit talrijk te noemen. Dit zal wel
+in hoofdzaak komen, doordat zij zoo’n groot jachtgebied noodig hebben
+om voldoende voedsel te vinden. Zij jagen geregeld en zeer zorgvuldig
+en vliegen daartoe te samen met rustigen majestueuzen vleugelslag
+systematisch hun gebied door en er is geen wild, dat hunne
+„arendsoogen” ontgaat. Is de buit gevangen, dan eten zij deze
+gezamenlijk op. Zoo’n adelaarsmaaltijd is een langzaam en plechtig
+feest. Niets herinnert daarbij aan de gulzigheid, die de gieren en
+raven aan den dag leggen. Maar van ’t eten zelf laat hij niets over.
+Veeren en haren, zoowel als de beenderen worden opgegeten. Na den
+maaltijd wordt gedronken en rustig een uurtje of wat aan de
+spijsverteering gewijd. De veeren en andere onverteerbare dingen spuwt
+de vogel als ballen haar en wol weer uit. Ze schijnen dan hunne dienst
+verricht te hebben, daar men meent, dat ze behulpzaam zijn bij het
+reinigen der maag.
+
+Een van de allermooiste arenden is de ZEEAREND (HALIAETUS LEUCOGASTER)
+(No. 58), die wat veerenpracht betreft, veel gelukkiger bedeeld is dan
+de arend der Alpen. Prachtig wit zijn z’n kop en borst, warmbruin z’n
+buik en glanzend zwart de veeren van z’n vleugels. „Een waar sieraad
+voor de streken waarin hij voorkomt”, zegt Brehm van hem. In
+tegenstelling met de andere arenden valt hij nooit kleinere roofvogels
+of andere vogels aan. Deze zijn dan ook in ’t geheel niet bang voor
+hem. Met een soort rustige goedmoedigheid verdraagt hij zelfs hun
+kleine plagerijen. Een enkele keer verjaagt hij wel eens vogels, die
+een visch gevangen hebben en ontsteelt hun den buit. Want visschen,
+kikvorschen en waterslangen vormen z’n voedsel. Hij vangt hen, door met
+kracht diep onder water te duiken.
+
+Zoo majestueus en koninklijk als de arend is in z’n vlucht, wanneer hij
+loopen moet, levert hij evenals de albatrossen, de jammerlijke aanblik
+op van een stuk uit de spheer gerukt leven. Nergens in Artis is dan ook
+zooveel triestheid en dringt de tragedie van gevangen dieren zich zoo
+duidelijk aan ons op als bij de hokken der groote roofvogels. De groote
+roofdieren, hoe onrustig zij ook hunne drie passen langs de wanden van
+hun hok mogen doen, hoe jammerlijk zij ook mogen schijnen, deze meest
+geperfectioneerde der dieren, nu zij beroofd zijn van ’t leven waartoe
+hunne lichaamsbouw hen zoo geschikt maakt, zij zijn minder jammerlijk
+dan deze groote roofvogels. Want, hoewel hunne hokken ruim en groot
+zijn, hebben zij nog niet eens de gelegenheid om één slag met hunne
+vleugels te doen. Als trieste hoopen ellende zitten zij verslagen op
+hunne stokken; een deerniswekkend schouwspel. Met een halven
+vleugelslag wippen zij er af, op den grond onhandig en dwaas lijkend.
+Een enkele keer treft een zeer trouw Artis-bezoeker het, iets van de
+hen zoo eigen felle kracht te zien, die gewoonlijk gedwongen is van
+verveling te slapen. Dat is, wanneer een muis of een rat zoo
+onvoorzichtig is om door het hok te loopen. Dan ontwaakt eensklaps de
+ware geest van den vogel en zoo plotseling, dat men zich nauwelijks
+rekenschap kan geven van wat gebeurde, is de rat in de machtige klauwen
+van den vogel geklemd en wordt langzaam met zorg naar binnen gewerkt.
+
+Valken, die wel de meest geperfectioneerde der roofvogels te noemen
+zijn, stelen nooit de jacht van andere; een vergrijp waaraan zelfs de
+arenden zich nog wel eens schuldig maken. Zij leven geheel van wat
+eigen kracht, eigen snelheid, eigen zekerheid hen oplevert. Zooals de
+katachtige roofdieren de meest volmaakte lichaamsbouw („de meest
+geperfectioneerde physiologische machines zijn”, zooals een vriend van
+me zegt, die alles wat leeft, beweegt, voelt en denkt, tot materie
+terug wil brengen) onder de zoogdieren hebben, zoo zijn de valken de
+meest volmaakte der roofvogels. Nergens ziet men zoo’n slanke,
+krachtige lichaamsbouw, zulke fraaie vleugels, zoo’n doelmatige staart,
+zoo’n kleine gedrongen kop, zoo’n felle snavel, zulke scherpe oogen en
+zulke krachtige klauwen.
+
+Nergens vindt men die snelheid en schoonheid van vlucht, die zekerheid
+van treffen. Geweldig is de stoot, die zij hun slachtoffer toebrengen.
+De hoogstaande valkensoorten zijn zoo snel en zeker in het vangen van
+hunne buit, dat zij dit in volle vlucht doen. Geen wonder dan ook, dat
+menschen, met zuiverder sportinstincten dan ons tegenwoordig
+voetballend en boksend publiek, in verrukking raakten over ’t
+schouwspel van een valk, die in de lucht een gevecht leverde met een
+veel grooteren vogel, als een reiger bijv. Geen wonder, dat de Edelen
+zich geen kosten spaarden om zich een dergelijk genot te verschaffen en
+de valkenjacht als de edelste hunner vermaken beschouwden.
+
+Het vangen en africhten van valken voor de jacht was een zeer moeilijk
+en zorgvuldig werk. In ons land werd het vroeger op verschillende
+plaatsen bedreven. ’t Dorp Valkenswaard dankt er z’n naam aan; daar was
+zelfs een school, waar aan de „Valckeniers” het vak geleerd werd.
+
+De herfst was de tijd, waarin de jonge of éénjarige wijfjes gevangen
+moesten worden. Oudere kan men tot het africhten niet meer gebruiken,
+daar zij nooit goed de dressuur leeren aannemen.
+
+De valkenier bouwt in ’t najaar z’n „tophut” op een plek, in de groote
+uitgestrektheid der heidevelden. Dat niet iedere willekeurige plaats
+daartoe geschikt is, blijkt wel uit het feit, dat steeds de meest
+eenzame en verlaten streken, mits ze in de buurt van een meer gelegen
+zijn, ervoor uitgekozen worden.
+
+De „tophut” zelf is een uiterst primitieve schuilplaats, die bestaat
+uit een kuil die 2 M. middenlijn en 80 cM. diep is. Zes palen worden nu
+in ’t rond geslagen, even schuin naar binnen hellend en heeft van boven
+een groot wagenrad te dragen. Als dit wagenrad met plaggen is bedekt
+vormt ’t het dak. Tusschen de zes palen worden nu takken gevlochten en
+als ten slotte dit netwerk ook onder plaggen is verstopt, lijkt ’t
+geheel net op een klein heideheuveltje. Een opening, zoo klein, dat een
+volwassen man er slechts in gebukte houding door kan, dient tot ingang.
+De kijkgaten zijn eveneens zoo klein mogelijk, maar daar er naar iedere
+windrichting één is, kan de valkenier als hij binnen is, toch alles
+zien wat buiten op het terrein gebeurt.
+
+In de buurt van deze tophut worden, op ongeveer vijftien M. afstand
+ervan, twee heuveltjes gemaakt voor den onmisbaren kleinen helper van
+den valkenier, ’t aardige klapekstertje.
+
+Vlak bij deze z.g. „klapeksterheuveltjes” worden op een afstand van
+tien M. van elkaar twee dennestammen, van zeven M. lengte, in den grond
+geslagen. Aan den top van ieder van deze palen wordt een touw
+gespannen, waarvan de uiteinden in de hut van den valkenier uitkomen.
+Aan de eene lijn heeft men een looze duif, dat is een houten vogelvorm
+met duivevlerken, aan den andere een lokvalk bevestigd. Voor lokvalk
+gebruikt men een oude valk, die voor de jacht ongeschikt is gebleken.
+Als men met deze beide touwen tegelijk slingert, dan maakt het op een
+afstand den indruk, alsof een valk bezig is een duif te achtervolgen.
+
+Rondom de hut worden nu nog 3 slagnetten neergezet, ieder op 300 M.
+afstand ervan. Zoo’n slagnet bestaat uit twee helften, waarvan de eene
+met pennen in den grond is gestoken, de andere bewegelijk is en van een
+dun sterk touw voorzien, dat naar de hut loopt. Midden onder de vaste
+helft van dit net is een pen met een oog in den grond geslagen. Van
+hieruit loopt weer een lijntje naar de hut, waar het aan de pooten van
+een levende duif wordt vastgebonden, die in een klein, met plaggen
+bedekt duivenhokje opgesloten is. Door één enkele ruk aan dit lijntje
+kan de valkenvanger z’n levende duif te voorschijn brengen en, al naar
+gelang hij het touw meer aantrekt, de duif precies onder het slagnet
+brengen.
+
+Als al deze toestellen in orde zijn en goed werken, wordt getracht een
+klapekstertje te vangen. Dank zij dit kleine moedige vogeltje met de
+scherpe oogen, worden wel tien maal meer valken gevangen dan de
+valkenier alleen zou kunnen bemachtigen. Al op een uur gaans, als de
+oogen van een mensch nog lang niet in staat zijn een valk waar te
+nemen, ziet het klapekstertje deze reeds en waarschuwt hij de valkenier
+met z’n gekrijsch. Zelf verbergt het zich dan. Dit was zoo z’n gewoonte
+toen hij in vrijheid was en de valkenier heeft hem nu ook op z’n
+heuveltje een kuiltje gegraven, waarin ’t kruipen kan. Het weet veel te
+goed, dat een valk voor hem geen partij is, om zich mee te meten.
+
+Om een klapekstertje te vangen, maakt de valkenier gebruik van een
+andere eigenaardigheid van dit diertje. Het duldt n.l. geen tweede
+klapekster in ’t gebied, dat hij als het zijne beschouwt. De valkeniers
+hebben dit opgemerkt en maken er op slimme manier gebruik van. Op de
+tophut steekt hij een stokje met vogellijm, waarnaast hij een opgezette
+klapekster zet. Zoodra ’t vrije vogeltje een vermeende indringer
+opmerkt, komt het nieuwsgierig naderbij en springt tijdens z’n studie
+van die onbewegelijke soortgenoot eens op het stokje en is door de lijm
+gevangen. Voorzichtig neemt de valkenier hem er af en knipt zorgvuldig
+6 à 8 slagpennen uit de vleugel van het diertje, waarna het op z’n
+klapeksterheuveltje wordt vastgebonden. Later, als de vangst is
+afgeloopen, worden deze veeren weer zorgvuldig met fijne zilverdraadjes
+aan den vleugel bevestigd. Gekortwiekt als ’t was, zou ’t vogeltje aan
+z’n vrijheid niet veel hebben. Nu kan ’t weer vliegen en als met de rui
+de veeren er uitvallen en door nieuwe vervangen worden, is er niets
+meer dat aan z’n dienst bij den valkenvanger herinnert.
+
+Als nu alles voor de vangst gereed is, heeft de valkenier niets anders
+te doen dan in z’n hut te kruipen en daar pijpjes te rooken. ’t
+Klapekstertje zal hem wel waarschuwen, wanneer hij z’n zoo listig in
+elkaar gezette apparatuur in werking moet stellen.
+
+En schreeuwt dit kittige kleine vogeltje, dan is de tijd van handelen
+daar, van snèl handelen zelfs. De lijn met de lokvalk en de looze duif
+slingeren zoo natuurlijk mogelijk zoodat deze jacht-vertooning gauw de
+opmerkzaamheid van den komenden valk trekt, en deze met ongeloofelijke
+snelheid nadert. Valkenvangers schatten deze snelheid van vliegen
+tijdens den jacht op één minuut per uur gaans. Geen kleinigheid
+voorwaar, want het beteekent een snelheid van 60 × 5 K.M. = 300 K.M.
+per uur. De normale vliegsnelheid is 3 min. per uur gaans of 100 K.M.
+per uur, wat altijd toch nog een behoorlijk vaartje genoemd kan worden.
+
+Is de aandacht van den valk getrokken en komt deze naderbij, dan wordt
+aan de lijn met de levende duif getrokken. Deze fladdert even op, de
+valk schiet toe, grijpt hem en laat niet meer los. Zoo worden zij samen
+tot onder het slagnet getrokken. Eenmaal daar, dan wordt de bewegelijke
+helft vlug over hen gehaald en de valk is gevangen. De lijn wordt
+stevig vastgezet, om te voorkomen dat de valk de klep op zou lichten en
+voorzien van een linnenzakje, de z.g. „sok”, gaat de valkenier den valk
+uit het net halen. Het dier wordt stevig bij de pooten gepakt, waardoor
+het zoo goed als niets meer kan doen, de sok wordt hem over de vleugels
+geschoven en onder aan de pooten met een leeren riempje vastgemaakt.
+Voorloopig wordt hij in de tophut bewaard, ’s avonds pas wordt hij mee
+naar huis genomen om getemd te worden. Want eerst als de vogel geheel
+tam is, kan er met het africhten begonnen worden.
+
+Het temmen begint met een hongerkuur. Met een leeren kapje op z’n kop,
+door leeren riemen, de z.g. „valkenschoenen”, aan een paal bevestigd,
+zit de vogel 24 uur zonder voedsel. Dan komt ’s avonds de valkenier,
+trekt een sterke leeren handschoen over z’n rechterhand en zet de valk
+op z’n vuist. Zoo brengt hij hem in een, slechts door één lamp
+spaarzaam verlicht vertrek en gaat zeer rustig met den valk op een
+stoel zitten. Alle gerucht en alle schielijke bewegingen laat hij
+achterwege. Voorzichtig neemt hij den vogel de kap van den kop en houdt
+hem een stukje vleesch voor. In ’t begin is de valk niet aan het eten
+te krijgen, maar langzamerhand komt hij meer op z’n gemak en krijgt den
+honger de overhand over den angst. Uren achtereen is de valkenier met
+hem bezig, want telkens weer moet de vogel z’n vrees overwinnen.
+Ongeveer 14 dagen wordt hiermee doorgegaan, dan begint de valk z’n
+meester te kennen en naar den avond te verlangen. Want dat zijn de
+eenige uren van den dag, waarop hij van de kap bevrijd is en hij te
+eten krijgt. In deze 14 dagen leert de vogel ook op de hand van den
+meester te springen.
+
+Als de vogels geacht worden genoeg getemd te zijn, begint de eigenlijke
+dressuur. Met een lange lijn aan de pooten gebonden wordt hij op eene
+hoogte gezet en met vleesch op verren afstand gelokt. Ook als de
+valkenier te paard zit, moet de vogel leeren op z’n vuist terug te
+komen. Doet hij dit in alle omstandigheden, dan begint het eigenlijke
+africhten voor de jacht pas. Dit doet men, door een doode duif in de
+lucht te gooien en de valk er op af te laten schieten. Later laat men
+kippen door honden opjagen en moet de valk leeren deze te vangen. Kent
+hij dit ook, dan is ’t laatste stadium van z’n opvoeding genaderd en
+wordt hij op reigers en kraanvogels afgericht. Eerst gebruikt men
+hiervoor reigers die men een buis over den snavel heeft gebonden,
+anders mocht hij de valk eens te erg verwonden. Zelf wordt deze van een
+leeren hulsel voorzien, om hem tegen de beten van den valk te
+beveiligen. Ten slotte is het dier volleerd en kan men er mee jagen
+gaan.
+
+De gevechten, die de valk dan met de reigers leverde, vervulde de
+harten der Edelen met verrukking.
+
+Een wreed vermaak, zegt ge. Misschien. In ieder geval is ’t een stuk
+natuurstrijd, dat men nu door het gedresseerd zijn van den valk ten
+allen tijde gade kan slaan, terwijl het anders tot de zeldzaamheden in
+het leven van een vogelvriend blijft. Een wreed vermaak—misschien. Maar
+oneindig edeler toch, dan ’t vermaak in een bokswedstrijd.
+
+Scherp omschreven, zooals wel haast geen andere groep zijn de uilen.
+„Roofvogels” in de gewone zin van ’t woord, schijnen zij toch niet van
+de gewone roofvogels af te stammen, zelfs niet met deze een
+gemeenschappelijken stamvader gehad te hebben. Führinger, een bekend
+onderzoeker naar de mogelijke afkomst der vogels, meent op grond van
+anatomische kenmerken (eigenaardigheden in skelet, enz.) een
+verwantschap met de nachtzwaluwen te moeten aannemen. Reichenow vindt
+dat deze theorie niet te bewijzen of te bestrijden valt, daar ’t
+bewijsmateriaal ontbreekt en de vogels in geen geval met de
+tegenwoordig levende nachtzwaluwen in verband gebracht kunnen worden.
+Zij hebben bepaalde eigenschappen, zooals de kortheid van de kootjes
+van de vierde teen, de groote klauwnagel aan de tweede teen, de washuid
+en de snavelvorm, met de dagroofvogels gemeen. Daarom brengt hij ze bij
+deze in ’t systeem.
+
+Dat uilen nachtvogels zijn, is van algemeene bekendheid. Immers daaraan
+danken zij het, dat zij werden tot ’t symbool der wijsheid, dat de
+Godin Minerva als attribuut was toegevoegd, omdat, evenals een uil ziet
+in ’t duister, ziet de wijsheid in ’t donker der problemen. Daar, waar
+gewone oogen geen enkelen lichtindruk ontvangen en hopeloos in de
+nacht-zwartheid staren, weten zij vormen en feiten te onderscheiden.
+
+Uilen brengen den dag slapende door in de ruïnes van oude kasteelen, in
+holle boomstammen, in oude boerenschuren en in kerktorens. Deze
+plaatsen, die door hun duisternis overdag al reeds op de verbeelding
+der menschen werken, worden door de vleermuizen en uilen, die elkander
+daar gezelschap houden, nog griezeliger en spookachtiger. En als er ’s
+avonds leven komt in dit geheimzinnig gespuis, de vleermuizen als
+donkere schaduwen door de lucht vliegen, de uil z’n sombere stem laat
+hooren, dan verschrikt het diepe lugubere geluid den eenzamen mensch,
+die laat nog door de velden loopt. Ons kleinste inlandsche uiltje is ’t
+aardige steenuiltje, terwijl de kerkuil misschien wel de algemeenste
+is.
+
+De INDISCHE UIL of KETUPA (No. 60) is berucht om die sombere stem. In
+de donkere zwaarmoedige omgeving van ’t dichte tropische oerwoud, waar
+het licht gedempt groen door het zware loof der bladeren dringt, waar
+geheimzinnigheid den angstigen mensch omgeeft en men zich beklemt
+gevoelt en gedrukt door die geluidlooze stilte, die men vol van
+ongeweten leven voelt, kan plotseling een luid krijschende helsche lach
+gehoord worden. Vol boosaardigheid klinkt het, als ’t gelach van een
+waanzinnig oud wijf. Een kinderlijke verbeelding gaat aan heksen en
+toovenaars denken, de plaats vermijdend waar dat vreeselijke geluid
+vandaan schijnt te komen.
+
+De natuuronderzoeker evenwel overwint de beklemming die het vreeselijk
+gelach ook op hem heeft gemaakt en loopt in de richting van waar het
+geluid gehoord wordt. Hij komt bij een poeltje en daar op een
+overhangende tak, strak loerend in ’t water ziet hij de Ketupa, een
+prachtige uil. Zij is bezig haar honger te stillen en vangt daartoe
+visschen, doch nog liever krabben uit het water. Hoe prachtig is dit
+uiltje en met wat een diepe vreugd zal onze natuuronderzoeker haar
+bekijken! En vol goedhartigheid beklaagt hij z’n schuwe vriend, die
+niet mee gegaan is op zoek naar de oorzaak van ’t vreeselijk geluid,
+maar angstig de werkelijkheid heeft ontvlucht. En deze, die wanneer hij
+ver genoeg is om ’t vreeselijke gelach niet meer te hooren en z’n angst
+heeft overwonnen, droomt door over ’t sprookje van den toovenaar, dat
+hij zichzelf vertelde en vermeidt zich in z’n droomen van schoonen
+schijn. Zoo ver gaat hij voort op den weg van z’n eigen gedachten, dat
+hij ten slotte vol diepe deernis den bioloog beklaagt, die uit is
+gegaan om de nuchtere werkelijkheid te zoeken en hèm niet kan volgen in
+’t wonderland van z’n droomen.
+
+Of zijn vreugd in z’n droomenland grooter is, dan de blijdschap om de
+werkelijke schoonheid van de Ketupa, die de ander met een schok
+ontwaarde? Het is moeilijk uit te maken. Want de eene mensch is
+gelukkig, diep vol gelukkig met dingen, die een ander onverschillig
+zijn. Laat ieder mensch voor zich zelf uitvinden wat hem gelukkig maakt
+en daarnaar leven. Maar wij, laten wij voorzichtig zijn en nooit
+trachten de illusies van een ander te verstoren.
+
+Dat uilen evenwel gauw op de verbeelding der menschen werken, blijkt
+wel uit het bijgeloof, dat ook in onze streken o. a. de RANSUIL (ASIA
+OTUS) (No. 61) omgeeft. Een doode uil met uitgespreide vlerken tegen de
+schuurdeur gespijkerd, zou bijv. tegen brand beveiligen. En jammer is
+’t dat dit bijgeloof heerscht, want de uil is een zeer nuttig dier, die
+vele muizen verdelgt. Dat er met deze schadelijke knaagdiertjes wel
+eens een nuttig insectenetertje, als ’t spitsmuisje is, in z’n maag
+verdwaalt, spreekt haast van zelf, maar dat moet de uil maar niet te
+zwaar aangerekend worden, want over ’t geheel is hij meer nuttig dan
+schadelijk te noemen.
+
+Uit het leven van een ransuil blijkt, dat uilen niet zoo uitsluitend
+nachtdieren zijn als men gewoonlijk wil doen voorkomen. Het is hen
+zelfs een levensbehoefte zich te zonnen, zonder zon gaan zij dood, zegt
+Brehm. Als het ’s winters te koud wordt, trekken zij dan ook weg, ’t
+zonnige zuiden in.
+
+De SNEEUWUIL (NYCTEA NYCTEA) (No. 62) daarentegen is niet zoo bang van
+de kou en komt veel noordelijker voor en dan nog wel hoog in de bergen
+bovendien. Z’n kleur is voor deze koude omgeving prachtig beschuttend
+en wordt nog witter naarmate zij ouder zijn. Het donskleed van de jonge
+vogels is geheel grauw-bruin, het echte veerkleed heeft nog een tijd
+lang bruine vlekken en de volwassen vogels hebben slechts een enkele
+bruine vlek.
+
+Wanneer ’t voedsel ’s winters in de bergen te schraal wordt, komt de
+vogel lager, of trekt zij het zuiden in. Daar de lemming haar liefste
+voedsel is, volgt zij deze vaak op z’n tochten. Toch voedt zij zich ook
+wel met eekhoorntjes en hazen, en wanneer het wild erg schaars is,
+berooft zij de vallen, die de jagers uitzetten om pelsdieren te vangen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Eindelijk is de lang verwachtte dag aangebroken. Helder straalt de zon
+uit den blauwen hemel en de kinderen springen juichend hunne bedjes
+uit. Zij wekken hunne ouders met: „’t Is goed weer! Vader, Moeder, ’t
+is goed weer! Gaan we?” Slaperig nog, wakker geschrokken door ’t
+luidruchtige jonge goed, kijkt Vader eerst naar de lucht en dan op z’n
+horloge. Vol spanning wordt op ’t antwoord gewacht: „Maak je maar klaar
+jongens, met de eerste de beste trein gaan we.” Joelend loopen zij weg
+om zich aan te kleeden. „We gaan! Hoera we gaan!”
+
+Vader en Moeder lachen eens tegen elkaar. Zij hebben schik in de vreugd
+van hun kroost. ’t Is voor een kind dan ook heerlijk om naar „Artis” te
+gaan. Artis, ’t tooverwoord, ’t levend geworden prentenboek. Een tuin
+vol met vreemde dieren, met leeuwen en tijgers, olifanten en
+nijlpaarden, met adelaars, met papegaaien......!
+
+Geen oogenblik staan de monden stil. En als Moeders lieve oogen geen
+scherp toezicht hielden op de aankleederij, zou een enkele in alle
+vreugd van ’t uitgangetje nog wel vergeten de tanden te poetsen, het
+haar te borstelen of de nagels te schuieren. Wat heeft Moeder ’t nog
+druk! De boterhammetjes moeten gemaakt, koekjes en nootjes ingepakt.
+Eindelijk dan toch zijn zij in den trein. Onophoudelijk babbelen zij
+maar door over de te verwachten wonderbaarlijkheden. Maar als zij ten
+slotte voor de ingang staan en Vader de toegangsbewijzen koopen gaat,
+worden zij stiller en bedaarder. Nog een oogenblik en dan komt ’t! „Zie
+je ginder die papegaaien wel,” fluistert Frank tegen Mirjam. Wat een
+mooie kleuren, hè? En wat schreeuwen zij!
+
+Die stilte duurt niet lang. Want eenmaal bij de vogels, kent de pret
+geen grenzen meer en hollen zij uitgelaten van den eenen vogel naar den
+anderen. Maar diep onder al die pret schuilt een wezenlijke en
+levendige belangstelling. Met wat een aandacht staan zij stil en
+luisteren zij naar wat de vogels zeggen willen. Maar als zij er ten
+slotte een aantreffen, die kan fluiten kent hun bewondering geen
+grenzen meer. Vol stille, gespannen aandacht luisteren zij naar de
+zachte, fluitende toonen. Zij meenen er een straatdeuntje in te
+herkennen. Hoe wonderlijk het ook was, dat de vogels praten konden, het
+gefloten liedje spant de kroon.
+
+Hoe leuk nemen zij de koekjes aan met hun poot, hoe handig pellen zij
+de nootjes met hun snavel! Zij zien wel, dat die snavel heel anders is
+dan van een andere vogel en veel bewegelijker aan de kop verbonden is.
+En dan die gekke tong, zoo’n raar dik zwart stompje. Daar kan hij vast
+mee proeven merken zij op, want ’t nootje houdt hij in z’n bek over en
+de doppen laat hij vallen.
+
+Ook valt het hun met hun scherpe oogen ook al heel gauw op, dat een
+papegaai z’n teenen anders heeft dan andere vogels, n.l. twee naar
+achteren en twee naar voren gericht. Deze eigenaardigheid is typisch
+voor hunne orde en voor die der klimvogels. Dit is dan ook de reden
+waarom zij gezamenlijk in de groep der Fibulatores of Gepaard-teenigen
+ondergebracht worden.
+
+
+
+§ 1. Papegaaien zijn verbazend aardige vogels. ’t Is geen wonder, dat
+de menschen hen graag in kooien houden en zich met hen vermaken. Want
+de papegaaien, die men ’t liefst als kooidier heeft, dat zijn de gewone
+groene AMAZONE (CHRYSOTIS LEVAILLANTI) (No. 67) uit Amerika en de grijs
+met roode Lorre uit Afrika, geven dikwijls staaltjes te aanschouwen van
+meer dan gewoon „verstand”. Ieder, die een papegaai heeft, weet wel een
+„wonder” van de slimheid en ’t verstand van zijn vogel te vertellen.
+Dat dat „verstand” geen verstand is, d.w.z. dat zij niet beredeneerd
+handelen en hunne handelingen niet logisch doordacht uitgevoerd worden,
+dringt tot de menschen meestal niet door. Evenmin wordt beseft, dat ’t
+spreken geen redelijk spreken is en dus de klanken, die de vogel uit,
+geen inhoud of zin voor hem hebben. Dit verstand en dit spreken zijn
+niet meer dan een eenvoudig reageeren op een ervaringsdressuur.
+
+Want niet waar, een papegaai zegt zoo vaak „rake” dingen, die een
+situatie zóó volkomen weergeven of verscherpen, dat men wel gelooven
+moet, dat het dier de omstandigheden heeft begrepen.
+
+Uit allerlei waarnemingen en proeven van zeer kritische onderzoekers is
+evenwel gebleken, dat papegaaien geen verstandige, d.i. geen redelijk
+denkende dieren zijn. Toch zijn zij boven andere vogels begiftigd met
+opmerkingsgave en geheugen, waardoor zij in staat zijn zeer veel dingen
+te „leeren”.
+
+Dit „leeren”, dat is ’t „opdoen van ervaringen”, kan op verschillende
+manieren plaats vinden. Zoo is ’t „leeren vliegen” niets anders dan ’t
+oefenen van een vliegbeweging, zoo is ’t „leeren zingen” van een vogel
+niets anders dan een instinctieve klanknabootsing, zoo is ’t „leeren
+jagen” niets anders dan een soort van zelfdressuur door middel van
+„zintuigelijke ervaringen”. Deze manieren van „leeren” zijn ieder dier
+eigen, maar ze hebben met verstandelijk leeren niets gemeen.
+Verstandelijk leert een dier pas, wanneer het „vroegere ervaringen in
+nieuwe verhoudingen toepast” of „wanneer het door middel van de taal
+(teekens of geluiden, die uitdrukking zijn van begrippen en
+voorstellingen), intelligent onderricht krijgt.”
+
+Deze twee laatste manieren van leeren zijn het, die de mensch bij
+uitstek en eenige der hoogere apen in mindere mate eigen zijn en die
+als de basis van een verstandelijk leven beschouwd moeten worden.
+
+De drie eerstgenoemde vormen van „leeren” berusten op niets anders dan
+het vormen van associaties. Buytendijk, aan wie al de hier gebruikte
+termen ontleend zijn, noemt dit het „associatief geheugen” en meent er
+mee een geheugen, „waardoor waarnemingen en handelingen voor het dier
+een bepaalde beteekenis krijgen”.
+
+Het opzetten van een hoed door de baas kan voor een hond een beteekenis
+hebben, omdat hij bij het opzetten van die hoed het uitgaan verbindt
+(„associeert”). ’t Hooren van een bepaalde klankenreeks als bijv. „wil
+Lorre een klontje”, krijgt voor een papegaai beteekenis, omdat hij aan
+die klankenreeks ’t genot van ’t klontje, dat hem daarna telkens wordt
+gegeven, verbindt. Door een heel eenvoudige dressuur kan men dan de
+papegaai „as-sje-blieft” terug laten zeggen. Maar dan blijkt nog uit
+niets, dat het dier begrijpt wat die woorden beteekenen. In plaats van
+„as-sje-blieft” had men ’t dier ook kunnen leeren „nee, dank je” of ’t
+lompe „dat lust ik niet” te zeggen. En dan zou men de vogel op een
+„domheid” kunnen betrappen. Want terwijl hij dan „nee, dank je” zegt,
+steekt hij gelijktijdig z’n poot uit om de lekkernij te grijpen.
+
+Als men, tijdens het kriebelen op z’n kale schedelplek, voortdurend
+„kopje-krauw” zegt, gaat de vogel die klank verbinden aan de voor hem
+zoo aangename liefkoozing en z’n nabootsingsinstinct doet hem die klank
+herhalen, zoogoed als hij z’n eigen naam „Lorre” of andere woorden die
+hij zeggen hoort, herhaalt. En als Lorre opmerkt, dat wanneer hij de
+klank „kopje krauw” laat hooren, de mensch naar hem toe komt om hem te
+streelen, dan associeert hij die klank met de er op volgende
+liefkoozing. Op een andere keer kan hij deze dan zoolang herhalen, tot
+aan z’n „verzoek” gehoor is gegeven. Door ervaring heeft ’t dier dan
+geleerd. Gedacht, „z’n verstand gebruikt”, heeft het niet.
+
+Dat een papegaai een grooter leervermogen heeft dan andere vogels, is
+waar. Er zijn zelfs onder de papegaaien bepaalde soorten, die meer
+kunnen leeren dan de andere. Hoe jonger zij zijn, hoe meer zij leeren
+kunnen en als men een papegaai het spreken wil leeren, doet men ’t
+beste een jonge daarvoor uit te kiezen. Oude vogels leeren het nooit
+zoo goed.
+
+De lories, die men vaak in kooien ziet, worden niet om hun spraak, maar
+voornamelijk om de pracht van hun veeren gehouden. Deze is dan ook
+ongeëvenaard. Hoe schittert de veelkleurige LORI (TRICHOGLOSSUS NOVAE
+HOLLANDIAE) (No. 63) niet in werkelijk alle kleuren van den regenboog.
+Hoe fraai moet een troep van deze kleine levenmakers niet aandoen in
+hunne natuurlijke omgeving, ’t grauw-grijze oerbosch van Australië.
+Want dit werelddeel is het thuis van de lories, zoowel als van de
+KAKATOE (CACATOUA TRITON) (No. 64) en de UILPAPEGAAI (STRINGOPS
+HABROPTILUS) (No. 65).
+
+Niet alleen is Australië het thuis, het is zelfs de bakermat van alle
+papegaaien en vandaar uit hebben zij zich over de wereld verspreid. In
+Europa zijn zij evenwel niet. Want daar papegaaien van oorsprong
+tropenvogels zijn, overschrijden zij op een enkele uitzondering na een
+bepaalde warme-zône (40° N.Br. en 55° Z.Br.) niet.
+
+De lories behooren tot de kleinere papegaaisoorten, doch zijn op verre
+na de kleinsten nog niet. Er zijn papegaaitjes niet grooter dan een
+musch.
+
+De fraai-gekuifde kakatoes beperken zich, op één uitzondering na,
+eveneens tot het Australisch gebied. Zij leven in zeer groote troepen
+te samen en zijn daardoor vaak zeer schadelijk, wanneer zij in
+plantages komen, en zich daar te goed doen aan zaden en noten. Geen
+wonder dus, dat de kolonisten hen jagen en dat de inboorlingen van
+Australië hen met den boemerang te lijf gaan.
+
+De wonderlijkste van alle papegaaien is wel de STRINGOPS of UILPAPEGAAI
+(No. 65), die slechts met één soort z’n familie vertegenwoordigt. Deze
+uil, de Stringops Habroptilus of Kakapo komt alleen maar voor in
+Nieuw-Zeeland en beperkt zich daar nog tot het Zuid-Westelijk deel van
+het eiland. De naam „uil-papegaai” danken zij aan hunne nachtelijke
+levenswijs, tengevolge waarvan de vogel ook lang onbekend is gebleven.
+Eerst een 60 jaar geleden is de eerste huid van dezen vogel naar Europa
+gekomen, hoewel men reeds veel langer wist, dat zich ergens in
+Nieuw-Zeeland een nog onbekende vogel op moest houden, daar de Maori’s
+zich vaak met z’n prachtig groene veeren versierden.
+
+Doch niet alleen tengevolge van zijn nachtelijke levenswijze is de
+vogel zoo moeilijk te bestudeeren geweest, hij heeft ook het gebruik
+van zijn vleugels verleerd en vliegt nooit meer. Hij loopt over den
+grond zijn voedsel, dat uit jonge plantendeelen en mossen bestaat, te
+zoeken. Slechts als hij hard loopt, gebruikt hij z’n vleugels om z’n
+evenwicht te bewaren. De kam op het borstbeen, die als aanhechting
+dient voor de vliegspieren is dan ook zeer gereduceerd en er is niets
+meer dan een kleine lijst van over.
+
+Van de papegaaien buiten het Australisch gebied, zijn de
+Zuid-Amerikaansche wel de meest algemeen bekende, want de leuke
+PARKIETJES (CONURUS CACTORUM) (No. 66) broeden haast in iedere volière,
+en de mooie ara’s kiest men graag als kooivogel, ter wille van hun
+prachtige veeren en de groene AMAZONE PAPEGAAI (CHRYSOTIS LEVAILLANTI)
+(No. 67) om z’n bevattelijkheid. Toch, hoewel deze kortstaartige
+amazone papegaai zeer aardige en zeer mooie vogels zijn om in een kooi
+te houden, staan zij in begaafdheid ver achter bij de rood-grijze jako
+van Afrika en in fraaiheid van veeren steken de ara’s hen de loef af,
+want de fraaiheid van deze ara-veeren is welhaast onovertroffen.
+
+De Indianen van Zuid-Amerika schatten deze veeren dan ook zeer hoog en
+jagen de BLAUW MET GELE ARA (ARA ARARAUNA) (No. 68) de roode ara’s en
+de prachtig blauwe hyacinth-ara’s graag om die prachtige veeren te
+bemachtigen. Ook hebben zij vaak papegaaien als huisdier zoodat deze af
+en aan vliegen, zooals bij ons de duiven.
+
+Daar ara’s de gewoonte hebben, altijd weer in denzelfden boom te
+nestelen, worden deze boomen het eigendom van den Indiaan, die ze het
+eerst vond. Een eigendom dat erfelijk is en steeds van vader op zoon
+overgaat. Juist zooals bij ons in oude tijden de „honingboomen” van
+vader op zoon overgingen en slechts één familie het recht had de in de
+loop der zomer er door de bijen ingebrachte honing te zamelen.
+
+
+
+§ 2. Terwijl de vertegenwoordigers der eerste orde in de groep der
+Fibulatores, de papegaaien, grijpvoeten hadden, hebben die der tweede
+orde, de SCANCORES of KLIMVOGELS, de voor hen zoo typische klimvoeten.
+
+In de eerste plaats dient daarvan genoemd te worden de TOERAKO of
+HELMVOGEL (TURACUS ALBOCRISTATUS) (No. 69), die zoo genoemd wordt om de
+helm van veeren, die van af zijn korten driehoekigen snavel den
+geheelen kop bedekt. Zij leven in de dichte acacia-bosschen der
+Afrikaansche keerkringen.
+
+Merkwaardig is het, dat hun veeren van een ander soort groen zijn, dan
+gewoonlijk bij vogels aangetroffen wordt. Groene veeren of alle andere
+kleuren bij vogels worden veroorzaakt door bepaalde structuren in de
+baarden en baartjes. Deze structuren hebben een lichtbreking tengevolge
+en van het gebroken licht worden slechts bepaalde stralen
+teruggekaatst. Bij groene veeren kan hierdoor die glanzende weerschijn
+ontstaan.
+
+’t Groen van toerakoveeren evenwel wordt veroorzaakt door een bepaalde
+groene kleurstof, die er in aanwezig is. Zoo is het ook met de purperen
+vlek aan hunne vleugels. Deze is niet eens waschecht en geeft kleur af
+als de vogel zich baadt. Later, als zij droog worden, kleuren zij weer
+bij.
+
+In de familie van de koekoeken daarentegen vindt men in de GOUDKOEKOEK
+(CHRYSOCOCCYX CUPREUS) (No. 72) een van de mooiste voorbeelden van
+groene kleur door lichtbreking. Deze vogel, die in Afrika, Azië en
+Australië voorkomt, streeft de pauw nabij in z’n schitterende,
+metaalglanzende groen met gouden pracht. En deze „Didrik”, zooals de
+Zuid-Afrikaansche Boeren hem noemen, heeft de eene echte eigenschap der
+koekoeken van onze streken: zij laat n.l. haar eieren uitbroeden door
+de kleinere zangvogeltjes.
+
+Weinig vogels hebben zoo de belangstelling van onze Noordelijke volken
+opgewekt, als de gewone KOEKOEK (CUCULUS CANORUS) (No. 71). Waren het
+de zwanen, die de verbeelding der dichters gevangen hielden, de koekoek
+heeft tot minder verheven gestemde geesten gesproken en zich gedrongen
+in ’t leven van ’t volk. In ’t sober alledaagsch bestaan van de
+menschen op het land zijn het simpele en eenvoudige dingen, die kleur
+brengen in de eentonige sleur der jaren. En deze simpele dingen waren
+schatten van de natuur. Zij hebben deze rijkdommen opgemerkt en tot een
+deel van hun leven gemaakt, lang voor dat de natuurlijke historie een
+bron van studie voor geleerden, heel lang voordat het een mode voor Jan
+en Alleman was. De eigenaardige levensgewoonte van de koekoek maakten
+een dusdanige indruk op de menschen, dat zij invloed gehad hebben, ook
+op onze taal en ’t bijgeloof in onze streken.
+
+Hoewel er vogels genoeg zijn waaraan onze taal beelden en uitdrukkingen
+ontleent, is er geen één, die er zoovele geleverd heeft als de koekoek.
+Men mag hooren: domme gans, uilskuiken, „als een kip zonder kop”, „van
+een uil, die men acht een valk te zijn”, „zoo rood als een kalkoensche
+haan”, de koekoek heeft er legio, die hem in verband staan. Ieder kent
+ze wel: bijv. „’t is alles koekoek één zang”. „Loop naar de koekoek”.
+„Dat haalt je de koekoek”. „Een koekoeksei uitbroeden”. „Een
+koekoeksjong groot brengen”.
+
+En dan ’t bijgeloof! In sommige streken van ’t land meent men, dat de
+koekoek voorspelt, wanneer men sterven zal. Men heeft daartoe maar te
+tellen, hoe vaak de koekoek achtereen z’n naam roept, dan kent men ook
+’t aantal jaren, dat men nog te leven heeft. In andere streken zijn ’t
+jonge meisjes, die met kloppend hart de roep tellen, want dan weten zij
+hoe lang ’t duurt eer zij trouwen zullen. Ook kan in bepaalde
+omstandigheden ’t aantal malen dat men ’t „koekoek” hoort de
+hoeveelheid jaren aangeven, waarop een wensch in vervulling zal gaan.
+Maar dan dient men die wensch te uiten als men de eerste roep hoort en
+bovendien moet men dan tusschen twee zusters loopen, met de oudste aan
+de rechterhand. Uit al dergelijke feiten blijkt wel ten duidelijkste,
+hoe ’t volk de koekoek heeft opgemerkt en toch is ’t bij ons niet zoo’n
+vreeselijk algemeene vogel, zooals bijv. in de Skandinavische landen,
+waar hij zoo algemeen moet zijn als bij ons de spreeuwen.
+
+Maar waar een koekoek is, wordt hij opgemerkt. Dit komt wel
+voornamelijk door de roep, die altijd van het mannetje is. Deze heeft
+een bepaald gebied, waar hij in huist. Een eigen vrouwtje heeft hij
+nooit. Ieder vrouwtje dat z’n gebied doortrekt, is hem welkom en als
+hij weet dat er een in de buurt is, koekoekt hij nog harder dan te
+voren. Soms hoort men de koekoek de halve nacht door, andere keeren
+komt hij op een bepaald uur op een bepaalde plaats, ja dikwijls zelfs
+op een bepaalde tak van een boom en roept daar maar. Als er een
+vrouwtje in de buurt is, verandert hij z’n rustig en gelijkmatig
+koe-koek in een haastiger en zenuwachtig klinkend koe-koe-koek,
+koe-koe-koek.
+
+Als het vrouwtje een ei moet leggen, kan zij dit niet in haar eigen
+nest doen. Zij heeft geen eigen mannetje, dat er een met haar bouwde en
+legt nú in ’t gebied van het eene mannetje, dan weer in dat van een
+ander, maar altijd kiest zij als legplaats een nest van een of ander
+klein zangvogeltje. Die bebroeden dat vreemde ei trouw en geduldig en
+als dan eindelijk ’t koekoeksjong uitgekomen is, slepen zij aan wat zij
+kunnen om z’n grage maag te vullen. Die indringerige, sterke vogel
+spert z’n mond zoo wijd open en duwt z’n pleegbroertjes en -zusjes zoo
+in een hoekje, dat deze haast niets te eten krijgen en haast niet
+groeien.
+
+De jonge koekoek daarentegen groeit als kool en al heel gauw wordt het
+hem te benauwd ’t kleine nest met de andere vogeltjes te deelen en hij
+woelt net zoolang tot zij er uitvallen en sterven. De oude vogels
+merken niet eens dat hun eigen kinderen weg zijn, zoo druk hebben zij
+het met ’t voeren van ’t ongevraagde pleegkind. Z’n eigen moeder trekt
+van ’t eene mannetje naar ’t andere, legt een ei hier, een ei daar en
+trekt zich van „moederplichten” geen steek aan. De vader weet van z’n
+bestaan niet af, maar koe-koe-koekt lustig een volgend vrouwtje toe.
+
+En de menschen die ’t zien, veroordeelen de koekoek. Dat is dwaas. Een
+koekoek kan ’t niet helpen, dat hij zoo is, daar is hij nu eenmaal een
+koekoek voor. Zij zouden niet eens een broedsel groot kunnen brengen,
+want ’t vrouwtje legt haar eieren met zulke groote tusschenpoozen, dat
+zij niet in staat is ze zelf uit te broeden.
+
+De SPOORKOEKOEK (CENTROPUS) (No. 70) daarentegen is er wel toe in staat
+en de twee à drie eieren die zij hebben, worden zoowel door den man als
+door de vrouw ijverig bebroed. Het is even als onze koekoek een
+levendige en bewegelijke vogel met ’t echte koekoek-uiterlijk, ’t
+zelfde lange slanke lichaam, dezelfde krachtige korte snavel. Z’n
+achterteen evenwel heeft een lange nagel „de spoor”, waaraan hij z’n
+naam te danken heeft.
+
+In tegenstelling met onzen koekoek en den Didrik voedt hij zich met
+bessen en zaden, in plaats van met insecten.
+
+Van den TOEKAN (RAMPHASTOS ARIEL) (No. 73), een zeer algemeenen vogel
+in Brazilië, weet men, ondanks z’n veelvuldig voorkomen, zeer weinig
+van het voedsel, dat hij gebruikt. Men verschilt zelfs van meening of
+het plantaardig dan wel dierlijk zal zijn. In gevangenschap zijn de
+vogels alleseters, in de vrijheid, als zij hoog in de toppen van de
+Braziliaansche boomen van kruin tot kruin zweven, is het moeielijk na
+te gaan waarmee zij zich voeden. Eigenaars van bananenplantages zijn
+evenwel niet op hunne bezoeken aan de tuinen gesteld, daar deze er zeer
+merkbare schade van ondervinden.
+
+Voor de inlandsche bevolking van Brazilië zijn de vogels van belang,
+omdat zij hen in het droge jaargetijde een uitnemende voeding opleveren
+en er dan ook op deze dieren gejaagd wordt.
+
+De mooie gele veeren, die de vogel aan de keel en aan de stuit heeft,
+worden door de inboorlingen veel gebruikt als versiering van hunne
+kleeding. Zij maken er zelfs mantels van. Daar zij er
+begrijpelijkerwijze zeer veel veeren voor noodig hebben en zij zelf
+inzien, dat de vogel tot uitsterven gebracht zou worden als zij gedood
+werden, hebben zij een ander middel bedacht om die veeren te
+bemachtigen. Zij schieten daarom de vogels met zeer licht vergiftigde
+pijlen, zoodat zij slechts door ’t gif bedwelmd worden en neervallen.
+De verlangde veeren worden nu uitgerukt en bijgekomen vliegen de dieren
+weg, om misschien in hun verdere leven éénmaal per jaar dezelfde
+bewerking te ondergaan.
+
+De snavel van deze pepervreters lijkt ons onevenredig groot toe en
+schijnt buitensporig zwaar te zijn. Het tegendeel is waar, daar deze
+geheel uit een zeer poreuse massa bestaat en juist buitengewoon licht
+is.
+
+De BAARDVOGELS (BUCCO VERSICOLOR) (No. 74) onderscheiden zich door hun
+snavelaanhangsels, want de veeren aan de snavelbasis zijn tot talrijke
+borstels geworden, aan welke merkwaardigheid hij zijn naam van
+baardvogel te danken heeft. Het zijn prachtige, in allerlei bonte
+kleuren prijkende vogels; hun voedsel, dat uit insecten bestaat, is er
+in overvloed, zij doen dan ook niet veel moeite het te vangen. ’t Zijn
+trage, domme en luie vogels. Deze eigenschappen gevoegd bij hun stille
+roerlooze houding en geestelijke starheid heeft hen waarschijnlijk aan
+den bijnaam van „Woudrechters” geholpen.
+
+In Afrika komt in sommige streken de HONINGWIJZER (INDICATOR INDICATOR)
+(No. 75) voor. Daar waar zij zich ophouden zijn zij gauw genoeg aan
+iedereen bekend om hun eigenaardige gewoonten de menschen te brengen
+bij de dingen, die om de een of andere reden hunne opmerkzaamheid
+trokken. En die zijn vele. Leeuwen, tijgers, luipaarden, bijenzwermen
+brengen hen dikwijls in opwinding en doen hen roepen. De inboorlingen,
+die graag honig uit de raat verorberen of een bijenzwerm mee naar huis
+willen nemen, volgen de roepstem van het beestje in de hoop iets van
+hunne gading te vinden. Door dit voor hen zoo voordeelige feit hebben
+zij over ’t hoofd gezien dat de vogel hen ook even vaak brengt bij een
+kreng—zoo noemt men een dood dier—een leeuw of een luipaard of zelfs
+wel bij olifanten.
+
+De meeningen, zooals die ons uit reisbeschrijvingen bekend zijn
+geworden, loopen dan nogal eens uiteen op dit punt. Het is een feit,
+dat de honig in Afrika overvloedig voorkomt en dat de inboorlingen als
+zij honig gaan zoeken, op het gedrag van deze vogel letten. En ook al
+was de oorspronkelijke bron van agitatie een andere, al „gidsende”
+wordt de aandacht van deze dieren vaak afgeleid en brengen zij de
+Hottentot toch bij een bijennest.
+
+Wel een eigenaardig instinct! In enkele reisbeschrijvingen vindt men de
+eigenaardigheid van den vogel, dat hij de menschen zoo „lokt”
+aangegeven als „dienstijver” of „slimheid”. ’t Spreekt wel haast
+vanzelf dat dit niet zoo is. Want niet alleen de mensch volgt het
+roepen van den vogel; de honigdas, die in die streken voorkomt, geeft
+daar ook gevolg aan. ’t Waarschijnlijkst is het evenwel dat de vogel
+als hij een bijenzwerm ziet, daarop reageert door te roepen; dat de
+honigdas en de mensch op dit roepen weer reageeren met
+nieuwsgierigheid, die tot volgen dwingt en dat ’t vinden en plunderen
+van de bijenstaat, de vogel weer de ervaring geeft, dat mensch en das
+de honig kunnen bemachtigen en...... dat er dan ook altijd iets voor de
+vogels op over schiet n.l. het broed. Hottentotten geven echter nooit
+heel veel hiervan weg. In de eerste plaats niet, omdat zij het zelf ook
+niet versmaden en in de tweede plaats niet, omdat de vogel wanneer zijn
+honger niet gestild is, doch de lekkere smaak van ’t beetje afval „hem
+naar meer smaakt”, zoodat hij hen nog bij andere bijennesten brengt.
+
+In ons eigen land zijn het de spechten, die samen met de koekoeken de
+klimvogels vertegenwoordigen. De GROENE SPECHT (GECINUS VIRIDIS) (No.
+76) is aan ieder bekend, die wel eens in bosschen gewandeld heeft. In
+boschrijke streken hoort men bijna overal zijn lach, die luid begint en
+langzaam zachter wordt. Ook kan men hen vaak hooren kloppen en hameren
+tegen de boomen. Met krachtige, korte slagen wordt met de sterke snavel
+tegen de boomen gehakt; ’t resultaat van die pogingen kan men dikwijls
+genoeg aan de splinters zien, die beneden aan de voet van den boom in
+het zand liggen. Met dit hakken onderzoekt de specht of de boom, die
+hij onderhanden heeft, geschikt of niet geschikt is tot ’t maken van
+zijn nest. Van alle boomen, die hij tot zijne beschikking heeft, kiest
+hij daartoe ’t liefst diegene uit, die door een zwam of schimmelziekte
+zijn aangetast en dus binnen in den stam hol of vermolmd zijn. Het is
+de specht vaak verweten, dat hij door ’t hakken in de boomen zeer
+schadelijk zou zijn; sinds men evenwel weet dat hij slechts dàn gezonde
+boomen neemt als er geen zieke zijn, is die grief tegen hem erg
+vermindert. Men kan nu andersom redeneeren en afgaande op ’t
+spechtengat in een boom tot de conclusie komen, dat de boom, hoe gezond
+hij op ’t oog ook leek, toch ziek was.
+
+Het aardigste laantje met spechtennesten, dat ik ken, is in de buurt
+van Castricum. Daar is iedere boom van minstens twee of drie gaten
+voorzien.
+
+’t Is de moeite waard om een specht aan ’t werk te zien. Hij klimt van
+onderen af tegen den stam op, de nagels van zijn teenen in de schors
+geklemd en steunend op zijn staart. Deze laatste is wel haast even
+onontbeerlijk voor zijn klimpartijen als zijn klimvoeten. Daarom zijn
+de schachten tot aan het einde heel dik en sterk en aan de stuitkant
+juist veel dunner en elastischer, zoodat de staart bewegelijk is en in
+een hoek met ’t lichaam geplaatst kan worden om tot steun te dienen.
+Trouwens de geheele lichaamsbouw van dezen vogel is merkwaardig
+practisch voor zijne levenswijze. Z’n snavel is beitel en hamer gelijk.
+De bevestiging van den kop aan den romp is zoodanig, dat de vogel zijn
+kop buitengewoon gemakkelijk bewegen kan en door zijn zeer sterke
+halsspieren in staat is de noodige kracht uit te oefenen.
+
+De tong van den specht is ook een merkwaardig instrument en uitermate
+geschikt voor het verwerven van voedsel. De specht eet graag insecten
+of insectenlarven. Deze insecten, kevers bijvoorbeeld boren zich vaak
+in ’t jarige hout. Een specht nu, steekt zijn heele lange, dunne tong
+in die gang en spiest er de vette keverlarf mee vast aan de punt, die
+scherp en hoornachtig is en van weerhaken voorzien. De larve kan
+hierdoor niet verloren gaan als de specht hem door de nauwe gang trekt.
+Bovendien is de tong zoo buigzaam dat hij alle kronkelingen en bochten
+van die gang volgen kan.
+
+Van die bewegelijkheid maakt de specht nog op een andere manier
+gebruik, n.l. om mieren mee te vangen. Evenals de draaihals, een van
+z’n familieleden, is onze specht dol op mieren. Van de beten en de
+besproeingen met mierenzuur, waarmee deze kleine diertjes zich
+voornamelijk verdedigen, trekt hij zich niets aan. Op zijn dooie gemak
+hakt hij een mierennest in stukken en zoekt de poppen, die hij met
+smaak verorbert. Als de oude mieren dan in drommen er op af komen om
+den inbreker te bestraffen, steekt hij rustig zijn geheele tong uit.
+Deze is geheel omgeven door een laag kleverig slijm, waar de mieren aan
+vastplakken, als vliegen aan een gompapiertje en door er een kronkelige
+beweging mee uit te voeren werkt hij hen vliegensvlug naar binnen.
+
+De MUISVOGEL (COLIUS MACRURUS) (No. 77) komt slechts voor op het vaste
+land van Afrika. Muisvogels wijken nog al erg van andere vogels af,
+daarom veranderen zij nog al eens van plaats in het systeem. Zij leven
+in troepen in buitengewoon dichte boschjes van groote doornstruiken,
+die bovendien nog met slingerplanten doorvlochten zijn. Voor een mensch
+is het onmogelijk zich er een weg doorheen te banen, zelfs met bijl en
+jachtmes niet, zoo dicht omstrengelen die doornige takken zich. De
+muisvogel trekt zich daar niets van aan. Grauw-grijs als een muis en
+even vlug en behendig vinden zij hun weg door allerlei nauwe gaatjes en
+gangetjes. Een onderzoeker, die aan den rand van deze dichte bosschages
+zit, kan niet vlug genoeg wezen om te zien of het een vogel was of wel
+een ander dier, dat daar zoo vlug als een schaduw weg vluchtte.
+
+
+
+
+
+
+
+
+Van alle vogels, die zoo in het algemeen de belangstelling en de
+opmerkzaamheid van de leeken trekken, omvat de zesde en laatste groep,
+waarvan de vertegenwoordigers zich van die der vijfde groep vooral door
+de stand der teenen onderscheiden, die der
+
+
+BOOMVOGELS (ARBORICOLÆ) VI
+
+
+wel verreweg de meeste soorten. Niet in de eerste plaats, omdat deze
+groep zooveel rijker aan individuen is, verheugt ze zich in deze
+bekendheid. Hoewel de hoeveelheid van vormen, die haar
+vertegenwoordigen, in numeriek aantal ver dat van de andere groepen
+overtreft, (ja, zelfs nog het aantal vogels, dat in al de vijf overige
+groepen is ondergebracht, te boven gaat), is dit toch niet de
+voornaamste reden van hunne populariteit. Hiermee wil ik niet
+ontkennen, dat dit groote aantal de kans de opmerkzaamheid der menschen
+te trekken, niet verhoogen zou. Integendeel! Doch bovenal vallen zij op
+door hun zingen. En dan zijn het nog voornamelijk de vertegenwoordigers
+van de laatste orde in deze groep, de zangvogels, die dit in hoofdzaak
+doen, want veel van de vogels in de eerste drie orden der Boomvogels,
+maken er maar wat van als het op zingen aankomt.
+
+De zangvogeltjes zijn en blijven nu eenmaal de lievelingen van het
+publiek. Al wemelen onze weiden van de steltloopertjes, al ontbreken de
+meest verschillende zwemvogels, hoenders, roofvogels en klimvogels in
+ons land niet, zangvogeltjes staan boven aan en hebben de eerste plaats
+in ’t hart der menschen. Zij spreken met hun zang direct tot het gemoed
+en gevoelig en ontvankelijk hiervoor gestemd door de idyllische
+omgeving van een loofbosch en de heerlijke rust van de zomervacantie,
+herdenkt de mensch hen in dankbare herinnering en noemt hen „de liefste
+vogeltjes”.
+
+Toch, als de mensch niet oppast, zal het aantal van deze bekoorlijke
+diertjes snel verminderen en zullen er slechts weinig soorten
+overblijven, die in de dagelijksche omgeving zijn vreugde uitmaken.
+
+Want de beschaving dringt zich overal in en neemt bezit van de plekjes,
+die reeds sinds eeuwen het eigendom waren van de kleine zangers. De
+oerbosschen zijn al lang uit ons land verdwenen, omdat de menschen de
+grond en het hout gebruikten. Tegenwoordig verdwijnen zelfs de laatste
+schuilplaatsjes hoe langer hoe meer.
+
+Midden door een heerlijk rustig bosch wordt een tram aangelegd en voor
+goed is de rust weg, die de vogels voor hun broeden noodig hebben.
+Drommen menschen komen op de mooie voorjaarsdagen en genieten van het
+heerlijk buiten zijn. De natuurmenschen voelen zich evenals de vogels
+verdrongen en trachten ergens anders hun stille geneugten te vinden.
+Zij moeten steeds verder trekken met tram en trein en boot om plaatsen
+te vinden, die de horden der stadsmenschen nog niet ontdekt hebben.
+
+Ook de vogels doen dat. Toch kan men heel veel voor de zangvogeltjes
+doen en het hen aangenaam maken, waardoor zij in onze stadsparken
+blijven. Want al heeft een vogel haast nergens meer zijn rustige
+omgeving, hij wil ook wel broeden als zijn nest maar ongestoord gelaten
+wordt en went wel aan de wandelaars. Een der beste manieren om de
+vogels te helpen is door het ophangen van broedkastjes.
+
+
+
+§ 1. Opvallend door de hardheid van hun snavel en hunne zeer kleine
+voeten zijn de INCESSORES. Vooral bij de HOORNRAAF (BUCORAX
+ABYSSINICUS) (No. 79) en de NEUSHOORNVOGEL (BUCEROS RHINOCEROS) (No.
+80) is de harde snavel wel heel typisch. Deze lijken erg zwaar en geven
+’t gevoel, dat de vogel topzwaar moet zijn met zoo’n zwaarte aan z’n
+kop. In werkelijkheid zijn ze echter zeer licht, daar ze bestaan uit
+een zelfde sponsachtig hoornweefsel, waaruit ook de snavels van de
+pepervreters waren samengesteld.
+
+De hoornraaf, die in Afrika een zeer bekende vogel is, wordt door de
+Engelsche kolonisten „wilde kalkoen” genoemd, omdat het mannetje als
+het opgewonden is, zich in veel opzichten als een kalkoensche haan
+gedraagt. Het spreidt z’n staart waaiervormig uit en blaast zich op,
+terwijl het een eigenaardig brommend „boe” laat hooren. Daar de
+hoornraaf zeer vaak roept, voordat het gaat regenen en de regen in deze
+warme landen wel eens langer op zich laat wachten dan de menschen
+aangenaam is, hebben de kaffers in hunne bijgeloovigheid gedacht, dat
+de vogel den regen aanriep. Zij meenen dat het gauwer regenen zal als
+zij een vogel dooden en in ’t water werpen. „Want”, redeneeren zij,
+„sinds er blijkbaar een verband is tusschen den vogel en het water en
+de vogel een zeer onaangename reuk heeft, zal de regen ’t niet kunnen
+verdragen, dat het water op aarde „ziek” wordt door zoo’n stinkenden
+vogel. Dan zal de regen wel komen om het „zieke” water weg te spoelen.”
+
+De NEUSHOORNVOGELS, die in Afrika, Azië en Oost-Indië in verschillende
+soorten voorkomen, hebben een zeer merkwaardige levenswijs. Tijdens de
+broedtijd is het vrouwtje ingemetseld in een grooten hollen boom, waar
+het nest met de eieren in verborgen is. Slechts haar snavel steekt er
+uit en ’t mannetje voert haar door het spleetje. Zoo intensief broedt
+het vrouwtje, dat zij al haar veeren verliest en zij, als de jongen uit
+het ei gekomen zijn, vooreerst niet vliegen kan en haar echtgenoot nu
+de zorgen voor haar en ’t kroost dragen moet. Tegen den tijd, dat het
+vrouwtje haar veeren terug heeft en de jongen mans genoeg worden om
+voor zich zelf te zorgen, is de vader niet veel meer dan vel over been.
+Een toonbeeld van plichtsbetrachting en een beschamend voorbeeld voor
+vaders, die klagen over de last van kinderen groot brengen!
+
+En, zooals de neushoornvogel en z’n harde levenstaak ons een les
+leeren, zoo leert de REUZENIJSVOGEL (DACELO GIGAS) (No. 81), die
+onverbeterlijke lachebek uit Australië ons een andere. Hij lacht daar
+als ’t avond wordt, hij lacht als de nacht weer plaats maakt voor den
+morgen en zoo aanstekelijk is zijn lachen, dat zoodra de eerste van
+deze vroolijke vogels er mee begonnen is van alle kanten de vriendjes
+invallen, totdat de omgeving schatert en de mensch er door aangestoken
+wordt en mee lacht. Waarom ook niet, waarom niet blij te zijn met
+iedere verandering? Van onze inlandsche ijsvogeltjes (Alcyon)
+onderscheidt hij zich evenals de HALCYON DIOPS (No. 82) van de Molukken
+en de andere Halcyonsoorten zeer sterk in levenswijs. Want, waar de
+gewone ijsvogeltjes zich voeden met visschen, die zij duikend uit het
+water vangen, hebben de Halcyon’s maar bij hooge uitzondering visch op
+tafel. Gewoonlijk voeden zij zich met insecten en kleinere
+werveldiertjes, waaronder veel reptielen zijn. De reuzenijsvogel is
+zelfs als reptielen-verdelger van belang, daar hij de
+allergevaarlijkste en giftigste kleine slangetjes doodt en opeet.
+
+MEROPS APIASTER, de BIJENETER (No. 83) is een typische vogel voor de
+tropische landen der oude wereld. Z’n verschijning is zeer opvallend en
+spottend met iedere mimicry en camouflage dringt hij zich, vliegend
+zoowel als zittend op aan de aandacht der menschen door zijn bonte
+hoeveelheid van de prachtigst gekleurde veeren. Vooral in den
+broedtijd, als zij groote koloniën vormen, leveren zij een fraaien
+aanblik als men hen alle tegelijk te zien krijgt. Zij graven hunne
+nesten in steile wanden, waardoor men ze heel moeilijk bereiken kan.
+Hierin maken zij heele lange gangen en aan ’t einde er van graven zij
+een holte. Het vrouwtje legt daar de eieren en slechts gedurende den
+nacht en in den broedtijd trekken zij zich in deze appartementen terug
+om te slapen. Gedurende den zomer komt deze bijeneter wel eens in ons
+land en in Duitschland. Hij moet echter als zeer zeldzaam beschouwd
+worden, evenals HOP (UPUPA EPOPS) (No. 84), die in ons land in het
+begin van September of in de laatste dagen van Maart wel eens op de
+trek waargenomen wordt. In Duitschland komt hij iets algemeener voor,
+maar zijn eigenlijke vaderland is Noord-Afrika en Zuid-Europa. In deze
+landen, waar de reiniging geen probleem is van officieele zorgen, heeft
+de hop zich vrijwillig met de hygiënische diensten belast en heeft hij
+daar de taak overgenomen die bij ons in minder moderne streken door den
+tonnenman wordt verricht. Op de mesthoopen van menschelijk vuil zal men
+in deze zuidelijke streken de hop dan ook geregeld aantreffen en de
+„hoed-hoed” (zoo noemt men hem) goedmoedig verdragen. De vogel is daar
+in ’t geheel niet schuw, wel een groot verschil met zijn gedrag in
+Duitschland. Daar mijdt hij de menschen zorgvuldig. Hij huist in muren
+of boomholten en is zóó in hooge mate onzindelijk op zijn nest (het
+vuil van de jongen wordt nooit weg gedragen), dat zelfs de katten er
+vies van zijn en nooit aan de jongen komen. Waar onreinheid al niet
+goed voor is, zou men geneigd zijn te denken.
+
+Eveneens een zeer zeldzame gast in ons land is de prachtige SCHARRELAAR
+(CORACIAS GARRULUS) (No. 85), die bij ons niet broedt, doch hiervoor
+het liefst de tropische streken van den Ouden Wereld uitkiest. Zij
+willen dikke holle boomen om hun nest in te maken en streken waar
+weinig menschen zijn. Een rustige omgeving met een verwaarloosde boom,
+is in ons menschenrijke Midden Europa helaas een utopie. In ’t najaar
+trekt de vogel zeer ver ’t zuiden in tot zelfs in Natal toe is hij
+gesignaleerd. Maar hoever de reis ook is, de vogel, die niet bezeten is
+door de moderne snelheidskoorts, reist op z’n dooie gemak en toeft op
+iedere plaats, die voedsel genoeg voor hem heeft.
+
+De laatste familie in deze orde vormt de overgang tot de volgende,
+zooals dit zoo vaak in een systeem het geval is. De BATRACHOSTOMUS
+AURITUS, DE KIKKERBEK (No. 86) doet n.l. zeer sterk aan den
+geitenmelker denken, vooral door zijn breede en platte kop, groote
+oogen en weeke veeren. De kop lijkt vooral zoo breed door den vlakken
+snavel, waarom dan ook in den Latijnschen naam en in de Hollandsche
+vertaling er van, duidelijk de gelijkenis met een kikker aan gegeven
+is. Het vaderland van dezen mooien, warmbruinen vogel is Sumatra en
+Borneo.
+
+
+
+§ 2. In de tweede orde is de NACHTZWALUW of GEITENMELKER (CAPRIMULGUS
+EUROPAEUS) (No. 87) weer een prachtig voorbeeld van camouflage, want
+z’n kleur en z’n meegekregen instincten beschutten hem in hooge mate en
+maken hem haast onherkenbaar van den tak, die hij zich tot zitplaats
+kiest. Daar het instinct van dezen vogel hem in de lengte op den tak
+doet plaats nemen, lijkt hij buitengewoon veel op een knoest. Het is
+dan ook maar heel zelden, dat men een nachtzwaluw dwars op een tak ziet
+zitten. Horizontale takken hebben een speciale bekoring voor deze
+vogels, omdat ze de meest geschikte, d.w.z. de meest beschuttende,
+zijn. Daar horizontale takken betrekkelijk zeldzaam zijn, vindt men den
+vogel slechts op speciale plaatsen. Bij ons in de duinen zijn dat vaak
+de berkenboschjes. Maar ook op andere plaatsen kan men hem aantreffen.
+Naumann, de bekende ornitholoog, vertelt zelfs dat hij van één zelfden
+horizontalen tak van een appelboom in z’n tuin meermalen een
+nachtzwaluw wegschoot.
+
+Is er evenwel geen horizontalen tak te vinden, die naar den zin van den
+vogel is, dan neemt hij ook wel genoegen met een platten steen op den
+grond. Als hij daar onbewegelijk zit, schijnt het of hij slaapt. Zijn
+oogen houdt hij slechts een kiertje open en door dit spleetje neemt hij
+alles waar, wat in zijn omgeving gebeurt, zonder dat hij zelf opgemerkt
+wordt. Had hij zijn groot mooi oog open gehouden, het zou hem verraden
+hebben meent Heinroth, iemand, die er zeer oorspronkelijke denkbeelden
+over vogelinstinct en mimicry op nahoudt. Hij gaat zelfs zoover, om in
+de langzame, haast onmerkbare overgangen, waarmee deze vogel van de
+eene beweging in een andere overgaat, een beschuttingsinstinct te zien.
+Als de vogel vóór hij gaat vliegen, eerst met ingetrokken kop z’n
+bovenlijf langzaam heen en weer wiegt, dit dan voortdurend sneller en
+krachtiger doet, lijkt hij, volgens dezen auteur, op een door den wind
+bewogen blad.
+
+De Vaandel-nachtzwaluw van Afrika, die zoo genoemd wordt om twee
+vaandelachtige veeren, die van uit z’n vleugels wapperen, is een van
+z’n mooiste verwanten.
+
+Andere familieleden van deze nachtzwaluwen zijn de zoozeer bekende
+SALANGANEN (COLLOCALIA FUCIPHAGA) (No. 88), de vogeltjes, die de
+beroemde eetbare vogelnestjes, waarop de Chineezen zoo dol zijn,
+bouwen. Lang heeft men in ’t duister verkeerd omtrent de herkomst van
+de stof, waaruit deze nestjes gemaakt zouden zijn. Vroeger meende men,
+dat de vogeltjes (Sarong-burong, zooals de Javanen hen noemen) uit de
+wieren in zee het materiaal zouden putten. Zooals later door Bernstein
+is aangetoond, is dit een dwaling; want in werkelijkheid bestaan de
+nestjes uit speeksel van de salanganen. In den tijd van den nestbouw
+zwellen bij deze diertjes de speekselklieren sterk op en scheiden eene
+taaie, kleverige substantie af, die aan de lucht verhardt. Al vliegend
+drukken zij deze taaie massa tegen de rotsen aan en verwerken het tot
+de nestjes, die den bekenden vorm van een in achten gesneden bal
+hebben. In de donkerste en meest ontoegankelijke plaatsen, aan steile
+rotswanden van nauwe bergspleten vindt men de broedplaatsen.
+
+De lichtere plekken aan den rand van de spleten worden door een verwant
+bewoond, de COLLOCALIA LINCKI. Om gegeten te worden zijn de nesten van
+deze soort ongeschikt, daar er grashalmen en strootjes in verwerkt
+worden, hoewel de grondsubstantie ervan eveneens speeksel is.
+
+Het oogsten van de nesten is door de ontoegankelijkheid van de
+plaatsen, waar de vogels ze bouwen, een zeer gevaarlijk werkje maar,
+daar het voordeelig is, hebben de mannen het er graag voor over. Voor
+een pond van de beste witte vogelnestjes gaf men eenige jaren voor den
+oorlog in Hong-Kong grif honderd twintig gulden. Als men bedenkt dat er
+zeventig nesten in een pond gaan en er drie nesten noodig zijn, om één
+bordje soep voor één persoon te kooken, is het een aardig werkje uit te
+rekenen, wat voor dat bordje soep betaald moet worden.
+
+Het „oogsten” van deze nestjes gebeurt drie maal per jaar, want drie
+maal per jaar bouwen de vogels nieuwe nesten. Het beste en lekkerste
+zijn de nesten, die het vlugst worden afgebouwd, dus die gemaakt worden
+als de speekselafscheiding het overvloedigst is. Dat is in de tijden
+dat er het meeste voedsel is, n.l. in April. Met buitengewone zorg
+worden de nesten geplukt en in de schoone linnen zakjes gepakt, waarin
+ze verzonden worden. Gebroken of bevuilde nesten verliezen veel van
+hunne waarde. Daarom zijn die van de andere oogsten zooveel goedkooper,
+want deze worden gebouwd in een periode, dat de vogels het veel kariger
+hebben en krap in hun voer zitten, waardoor de speekselafscheiding veel
+geringer is en de nesten veel langzamer afgebouwd en gauwer vuil
+worden.
+
+Ten onrechte noemt men de salanganen in Indië vogelnest„zwaluwen”. ’t
+Zijn geen echte zwaluwen, evenmin als de GIERZWALUW (APUS APUS) (No.
+89) er een is, al doen zij in hun uiterlijk aan onze bekende zwaluwen
+denken. Regelmatig verschijnen deze vogels den eersten Mei in ons land
+en maken hunne komst dadelijk bekend door hoog in de lucht gierend rond
+te cirkelen.
+
+Eigenlijk hooren de gierzwaluwen in de bergen thuis. Tegenwoordig
+hebben zij zich aan de menschen en hunne steden en dorpen aangepast en
+nestelen zij geregeld in torens en in hooge gebouwen. Bij gebrek aan
+deze vergenoegen zij zich zelfs wel met een hollen boom of de dakgoot
+van een gewoon huis. Zij kunnen niet al te kieskeurig zijn. Hun aantal
+breidt zich snel uit en daar de woningnood ook onder hen nijpend is,
+hebben zij geleerd te nemen wat zij krijgen kunnen. Dat in den nood om
+zich een nestplaats te veroveren, niet altijd gewettigde middelen
+gebruikt worden, laat zich, den vechtlustigen en onstuimigen aard van
+deze vogels in aanmerking nemende, gemakkelijk begrijpen. Menigmaal
+wordt dan ook een vreedzaam musschen- of spreeuwenpaartje van de goten
+verjaagd, omdat de gierzwaluw meent, voor zich van den nood een wet te
+mogen maken.
+
+Deze vogels, die door hunne levendigheid ’s zomers de stad
+opvroolijken, houden zelf ook van gezelligheid. Altijd ziet men hen in
+troepjes rondvliegen. In troepjes houden zij hun Mei intocht, in
+troepjes trekken zij eind Augustus weer weg. Een enkele keer, met
+ongewoon warme voorjaars, komen zij wel eens voor Mei; ook gaan zij wel
+eens later dan Augustus weg, wanneer de zomer koud was en de jongen
+zich dientengevolge niet snel genoeg ontwikkelden om mee op reis te
+gaan.
+
+’t Zelfde, wat we al eerder opmerkten voor de meest tot vliegen
+aangepaste vogels (zie Hoofdstuk II), zien we hier bij de gierzwaluw
+weer. Ook deze, die een uitnemend vlieger is, is een stumper op z’n
+pooten. Er op loopen kan hij niet, er op zitten evenmin. Hij kan er
+zich slechts mee tegen een muur aanklampen; een houding, die hij
+aanneemt als hij niet vliegt. Met alle vier teenen naar voren gericht,
+hangt hij zich te slapen gedurende de paar uurtjes dat de zomernacht
+duurt.
+
+De allerkleinste vogeltjes, de kolibri’s, zijn nauw verwant aan de
+gierzwaluwen en salanganen. Toch loopen zij nogal uiteen en wijken
+vooral in snavelvormen van hunne familieleden af. Doch ook onderling
+verschillen de kolibri’s zeer veel in dit opzicht, daar zij alle
+honingzuigende vogels zijn en elke snavelvorm is aangepast aan de
+bepaalde bloemsoort, waaruit de kolibri het liefst z’n voedsel haalt.
+Al honing zuigende brengen zij het stuifmeel van de eene bloem op de
+andere van dezelfde soort en bevorderen op deze manier de
+kruisbestuiving, die in vele gevallen zoo noodig is voor de
+ontwikkeling van het zaad. Het moet een ongewoon fraai gezicht zijn
+deze sierlijke, met schitterende metaal-glanzende kleuren prijkende
+vogeltjes, den snavel diep in de bloem gestoken, honing te zien zuigen.
+„Als edelsteenen fonkelend in de zon”, blijven zij al vliegend op
+dezelfde plaats.
+
+Menschen, die voor het eerst in Amerika reizen, vallen sommige van deze
+vogeltjes in de eerste plaats op door hunne kleinheid en zij houden hen
+voor buitengewoon groote hommels of bijen, waarvoor zij dan natuurlijk
+erg bang zijn. Doch slechts de allerkleinste kolibri’s geven aanleiding
+tot deze vergissing. Er zijn er ook, die door hun lange staart en
+vleugelveeren een vrij aanzienlijke lengte krijgen. Zoo meet bijv. de
+TOPAAS KOLIBRI (TOPAZA PELLA) (No. 90), van staart tot kop wel 20 c.M.,
+waarom hij tot de grootste der kolibri’s gerekend moet worden. Dit
+sierlijke vogeltje is beperkt tot Guyana, waar het orchideën bestuift.
+Bij voorkeur vertoeft het bij water en vaak vindt men z’n nestje in een
+vork van dunne twijgjes, die over een vijver hangen. Die kolibrinestjes
+zijn teere, fijne dingetjes, „als door elfen gemaakt”. Van plantenpluis
+worden ze met wat speeksel bij elkaar gekleefd. Vaak vindt men ze aan
+den buitenkant overkleed met korstmossen, waardoor ze minder in ’t oog
+vallen.
+
+De kolibri’s komen in geen ander werelddeel dan Amerika voor, maar daar
+treft men hen dan ook overal aan waar bloemen zijn, tot zelfs in
+Vuurland tot aan de sneeuwgrens komen zij voor. Iedere kolibrisoort
+heeft z’n eigen streek, waarvoor hij kenmerkend is. Daar buiten komt
+hij niet, daar leeft dan weer een andere vertegenwoordiger van dit zoo
+vormenrijke geslacht.
+
+
+
+§ 3. In de derde orde van deze groep, die der CLAMATORES, vinden we
+langzamerhand duidelijke overgangen tot de laatste orde, die der
+zangvogels (§ 4). Vooral treft ons dit in het stemorgaan, de syrinx,
+die in z’n bouw al reeds een aanwijzing geeft van de volmaking, die wij
+bij de zangvogels aan zullen treffen.
+
+Toch, al is de KLOKVOGEL (PROCNIAS NUDICOLLIS) (No. 91) nog geen
+eigenlijke zangvogel te noemen, heeft hij een buitengewoon liefelijk
+stemgeluid, dat ieder, die ’t hoort, met verrukking vervult. Wie eens
+van een gevangen vogel dit buitengewoon welluidende klokkengeluid
+gehoord heeft, kan zich voorstellen, hoe betooverend mooi het moet
+klinken als in het Braziliaansche oerwoud, hoog uit de toppen der
+Moraboomen, ’t gelui van glazen klokken in volle harmonische toonen
+naar beneden ruischt. Wat verder op klinkt uit een anderen boom het
+antwoord. Waar dit geluid vandaan komt, wie het maakt, blijft den
+meesten verborgen, want de vogel houdt zich schuil in het dichte
+gebladerte en laat zich zelden zien. Wie volhardend genoeg is en zich
+eenige moeite geeft, z’n weetgierigheid te stillen, kan een eenvoudigen
+witten vogel, zoo groot als een duif, te zien krijgen.
+
+Ook de cotinga’s zijn Zuid-Amerikanen. Het zijn prachtige gekleurde
+vogels. COTINGA MAYANA (No. 92) heeft z’n verbreidingsgebied van Zuid
+Mexico tot Noord Argentinië. ’t Zijn vruchteneters, die zich ook wel
+met dierlijk voedsel voeden.
+
+De KONINGSVOGEL (TYRANNUS TYRANNUS) (No. 93) is slechts ’s winters in
+Zuid-Amerika, tot Ecuador en Amazoniën, zuidelijker komt hij niet. ’s
+Zomers trekt hij naar Noord-Amerika. Hij verschijnt er midden Maart en
+is in z’n broedgebied een zeer geziene vogel. Dit dankt hij misschien
+wel aan de eigenschap de menschen niet te schuwen, doch juist z’n nest
+in hunne onmiddellijke omgeving te maken, zooals lijster en merel dat
+zoo vaak bij ons doen. Hierdoor ook is men ruimschoots in de
+gelegenheid z’n gewoonten te bestudeeren en weet men heel wat meer van
+zijn levenswijs, dan van die der klokvogels of cotinga’s.
+
+Als zij van hunne verre reis komen, zijn zij de eerste dagen moe en
+stil en vallen nauwelijks op. Maar later, als zij uitgerust zijn, dan
+komt hun ware aard voor den dag en zijn het levendige vroolijke vogels,
+die ijverig beginnen met het bouwen van hun nest. Het liefst kiezen zij
+daarvoor een plaats in tuinen of langs oevers van rivieren. De dichte
+gedeelten van het binnenste bosch vermijden zij zoo veel als mogelijk
+is. Als het legsel voltallig is, gaat het vrouwtje het bebroeden,
+terwijl het mannetje de wacht houdt. Wat een baas hij is, toont hij
+duidelijk als een ongewenschte bezoeker zich in de buurt van het nest
+vertoont. Voor niets deinst hij terug, als het geldt z’n gezin te
+verdedigen. En zoo hevig is z’n aanval, dat een kat, die eenmaal zoo
+roekeloos was zich in de buurt van een broedenden koningsvogel te
+wagen, voor goed z’n les geleerd heeft en voortaan zorgvuldig uit de
+buurt van dezen vogel blijft en elders aan de kost tracht te komen.
+Valken gaat het net zoo. Ook vogels, die veel grooter zijn dan hij
+zelf, valt onze koningsvogel aan. Zelfs gieren en adelaars, die in de
+buurt van zijn broedend vrouwtje komen, tracht hij op den rug te komen
+en als hij daar eenmaal zit, deelt hij hen venijnige snavelhouwen toe.
+
+Naar alle waarschijnlijkheid had zoo’n adelaar geen enkele kwade
+bedoeling, ten opzichte van onzen koningsvogels broedende vrouw. Doch,
+de trouwe wachter duldt hen nu eenmaal niet, ver of nabij. Zoodra hij
+hen opmerkt, vervolgt hij hen eenige kilometers ver en maakt het hen
+lang niet gemakkelijk.
+
+De vertegenwoordigers van de PITTA’S (No. 94), de vierde familie in
+deze orde, zijn te vinden in de Oude Wereld, in Indië, Australië en
+Afrika, maar voor het meerendeel leven zij in onze Archipel, met Borneo
+en Sumatra als middelpunt.
+
+
+
+§ 4. ZANGVOGELTJES! Als we de naam van deze orde uitspreken, dan denken
+we in de allereerste plaats aan ’t kleine levendige goedje, dat in den
+zomer onze bosschen, onze tuinen, de heggen langs de weilanden en
+heivelden en het kreupelhout bevolkt; aan tjif-tjaf, groenling, vink,
+roodstaartje, roodborstje, winterkoninkje, tuinfluiter, merel, lijster,
+leeuwerik. Doch bovenal aan den nachtegaal, den koning der zangers, den
+dichter der vogels, die in z’n armzalig grauw pakje zich niets aantrekt
+van pracht en praal en schittering, maar in z’n eenvoud zingt, zooals
+hij alleen te zingen weet. Zoodat de menschen, die het hooren, stil
+worden en in zich zelf keeren en zich schamen om den ijdelen schijn,
+die zij in ’t leven najagen, terwijl het hen misschien gegeven was om
+als deze nachtegaal in eenvoud groot te wezen, als geen andere.
+
+Niet iederen zangvogel is het gegeven te zingen als een nachtegaal. Er
+zijn er genoeg onder, die hun naam geen eer aandoen want kraaien,
+roeken, gaaien, eksters enz. zouden beter „krassers” kunnen heeten. Zij
+maken zelfs heel wat leelijker geluiden, dan de schreeuwers die in de
+vorige paragraaf een plaatsje kregen.
+
+Niet alleen in stem, maar nog in verschillende andere eigenschappen
+loopen de zangvogeltjes sterk uiteen. In den bouw van den snavel vooral
+zijn verschillen waar te nemen. De zaadeters, zoo als vinken, hebben
+een dikken knotsvormigen snavel, terwijl de insectenetende vogeltjes
+een snaveltje hebben als een priem zoo fijn en scherp. Deze
+onderscheiding kan men evenwel niet al te streng doorvoeren. Een
+BOERENZWALUW (HIRUNDO RUSTICA) (No. 95), die toch uitsluitend
+insecteneter is, heeft een korten breeden, vrij vlakken snavel, die aan
+zijn kop een typisch ronde vorm geeft. Ook de oeverzwaluw heeft een
+dergelijk kopje.
+
+Zoodra vliegen en muggen zich wat rijkelijker beginnen te vertoonen,
+hebben de zwaluwen hier genoeg te eten en verlaten zij het zuiden, om
+bij ons te komen broeden. De menschen merken hunne komst dadelijk op,
+hebben er zelfs al een paar dagen van te voren naar uitgezien want
+zwaluwen zijn zeer geliefde vogels, die men graag een plaatsje voor hun
+nest inruimt. In vele boerenschuren wordt expres een gat boven in de
+deuren gezaagd, waardoor de zwaluwen ten allen tijde in en uit kunnen
+vliegen. Hierdoor is het hen mogelijk gemaakt in het binnenste der
+schuur, tegen de balkenzoldering te nestelen. Dat doen zij wat graag,
+deze vogeltjes, omdat zij daar best beschut zijn voor den regen. Zij
+boetseeren vlijtig de klei tot een sikkelvormig kommetje, dat zij tegen
+de wand aanplakken. Al gauw worden er eitjes ingelegd en worden de
+jongen uitgebroed. Wat hebben de ouders het nu druk! Onafgebroken
+trekken zij er op uit en geven ons ruimschoots gelegenheid hun snelle,
+krachtige en fraaie vlucht te bewonderen terwijl we met genoegen naar
+het zacht knisterend geluid luisteren, dat zij maken. Soms als zij stil
+zitten, maar dat gebeurt in de broedtijd haast niet, laten zij een
+zacht fluitend „wiet-wiet” hooren.
+
+In geheel Europa broeden de zwaluwen en overal staan zij even hoog in
+de gunst der menschen. Wel een bewijs, dat de menschen naar den aard,
+toch overal dezelfden zijn en iedereen verteederd is als dit sierlijke
+slanke vogeltje een stil beroep doet op hunne gastvrijheid en
+bescherming. Dat zij nuttig zijn, heeft op deze verbroedering geen
+invloed gehad, want het ZWARTGRAUWE VLIEGENVANGERTJE (MUSCICAPA
+ATRICAPILLA) (No. 96) is minstens genomen even nuttig en geniet geen
+tiende van de populariteit, die de zwaluw ten deel valt. Al vliegende
+vangt het ook een macht van insecten voor zich en z’n broedsel. Z’n
+liedje is bovendien ook veel aardiger, zacht, weemoedig een beetje,
+klinkt ’t ons toe. Dat doet dubbel vreemd aan, we hadden een
+uitbundiger liedje van deze buitengewoon levendige vogeltjes verwacht.
+In de noordelijke landen van Europa broeden de vliegenvangertjes niet,
+want koude kunnen zij slecht verdragen. Hun verblijf bij ons is ook
+vrij kort. Reeds betrekkelijk vroeg in ’t najaar trekken zij al naar
+Klein-Azië en Noord-Afrika. De regenachtige dagen, die voor ons
+menschen ’s zomers ook zoo naar zijn, lijken voor deze vogeltjes nog
+veel erger, zoo triest en stil worden zij er van.
+
+De PESTVOGEL (AMPELUS GARRULUS) (No. 97) daarentegen, kan heel wat meer
+kou verdragen. Deze prachtige vogel broedt in Siberië en komt alleen in
+koude jaren of na het mislukken van den oogst, ’s winters bij ons. Van
+alle kanten stroomen dan de berichten naar de kranten, dat men hen
+gezien heeft. ’t Is dan ook werkelijk een opvallende verschijning. Als
+in vroeger jaren de vogel opgemerkt werd, kwam hij, evenals nu, als het
+voedsel in zijn eigen land op was: een bode dus van hongersnood.
+
+Honger vermindert altijd het weerstandsvermogen tegen ziekten. In
+vroegere tijden, toen de algemeene levenstoestand veel onhygiënischer
+was dan tegenwoordig, braken in een tijd van hongersnood allerlei
+vreeselijke ziekten uit, waarvan pest wel de ergste was. In de jaren
+dat de vogel gezien werd, volgde deze afschuwelijke ziekte hem gauw,
+want waar geen voedsel voor de vogel was, leden ook de ratten honger en
+ook deze trokken weg en brachten, zooals we nu weten, de besmetting
+mee. De mensch alleen bleef waar hij was om te sterven. Zoo werd het
+verband tusschen den vogel en de pest gezien en hieraan dankt hij zijn
+naam waarschijnlijk wel. Nu in de laatste jaren is de vogel weer druk
+gesignaleerd, een bewijs te meer van den honger in Rusland en Siberië.
+
+De KLAPEKSTER (LANIUS EXCUBITOR) (No. 98) kennen we al. Het is ’t
+aardige vogeltje, dat de valkenier zulke goede diensten bewijst (zie
+Hoofdstuk IV). Zijn eigenaardigheid te schreeuwen en uit alle macht te
+keer te gaan als hij een valk ziet, is zoowel voor de kleine
+zangvogeltjes als voor den valkenier de aanwijzing, dat er een valk in
+aantocht is. Toch ondanks deze goede eigenschap moet hij als een echte
+„Judas” beschouwd worden. Zelf een zangvogel, verkeert hij onder zijns
+gelijken in vrede en vriendschap; plotseling verandert z’n aard, hij
+vliegt op, pakt een van z’n argelooze kameraden op en worgt hem met z’n
+pooten. Honger drijft hem daar niet toe, want hij eet hen dikwijls niet
+eens dadelijk op. Vaak spiest hij, volgens klauwieren gewoonte, zijn
+slachtoffer aan doornen of prikkeldraad. Daar kan men ze dan vinden in
+gezelschap van muizen en insecten, andere slachtoffers van onze
+klapeksters, die op dezelfde manier bewaard worden.
+
+Een andere vogel, die hoewel hij hoofdzakelijk van insecten en
+sprinkhanen leeft en toch niet geheel ongevaarlijk is voor z’n
+soortgenooten, is de FLUITVOGEL (GYMNORHINA TIBICEN) (No. 99), want
+deze eet nog wel eens jonge vogels. Het lied, dat deze vogel zingt, kan
+buitengewoon mooi zijn. Semon, in z’n voortreffelijke reisbeschrijving:
+„Im Australischen Busch”, geeft er een heel aardige beschrijving van.
+Niet alle vogels van deze soort zingen echter even mooi. Toch is van
+alle de klank van hunne stem buitengewoon vol, aangenaam, melodieus en
+diep. In volières en dierentuinen vindt men hen dan ook vaak. Soms zijn
+er onder deze vogels eenige, die brokstukken uit straatdeuntjes
+fluiten. Dat zijn de meest begaafden onder hen, behept met een goed
+geheugen voor klanken en een zeer sterk ontwikkeld nabootsingsinstinct.
+
+Ook onze kraaien bezitten dit instinct, waardoor het mogelijk is hen te
+leeren praten, hoewel vrij gebrekkig, dat dient erbij gezegd te worden.
+„Gerrit” alleen leeren zij gauw en menig kind, dat een tamme kraai
+gehad heeft, heeft hij verrukt door het uitspreken van z’n naam.
+
+BONTE KRAAIEN (CORVUS CORNIX) (No. 100) zijn de mooie vogels, die we
+„somber” vinden omdat zij onze wintergasten zijn en zij door hunne
+komst de treurmare brengen, dat de zomer onherroepelijk voorbij is. In
+de sombere grauwe regendagen van November wanneer we hem voor ’t eerst
+zien komen als levend deel van de regengrauwheid, vergeten we op te
+merken hoe mooi deze vogel is, eigenlijk veel mooier dan de „Gerrit”,
+die ’s zomers bij ons broedt en ’s winters als ’t streng vriest, het
+Zuiden intrekt. Toch gebeurt het, dat op de plaatsen waar overvloed van
+voedsel is, zooals op vuilnisbelten en mesthoopen, de zwarte en bonte
+kraaien den geheelen winter door samen worden aangetroffen. In ’t
+voorjaar trekken evenwel alle grijze kraaien weg, om in ’t Noorden te
+gaan broeden. Vanuit het Zuiden dagen langzamerhand de zwarte kraaien
+weer op, om weer bezit te nemen van de slordige takkennesten in de
+toppen der iepen en als ’t weer een beetje goed is, zien we door de nog
+bladerlooze boomen een kraaienkop over den rand van het nest uitsteken
+en broedt de vogel haar eerste eitjes reeds uit.
+
+Wat of de kraaiachtigen in hun uiterlijk of levenswijs hebben, dat de
+aandacht der menschen heeft gevat, weet ik niet, maar evengoed als wij
+kraaien, eksters en gaaien voor „verstandige” vogels houden, beschouwen
+de Chineezen de KITTA (UROCISSA ERYTHRORYNCHA) (No. 101) als een
+„wijze” vogel, die in staat is andere vogels raad te geven. Waarin dit
+raadgeven bestaat, is moeilijk te zeggen. Misschien is het hunne
+eigenaardige gewoonte, op luidruchtige wijze de groote en kleine
+roofdieren, die op jacht gaan, te volgen. Hierdoor bederven de kitta’s
+de vangst van deze dieren totaal, want het lawaai dat zij maken, geldt
+iedere andere vogel als waarschuwing. Groote en kleine dieren passen nu
+op hun tellen, zijn meer dan gewoonlijk waakzaam en zullen nu niet
+licht onverwacht door het sluipende luipaard besprongen kunnen worden.
+
+Hoewel zweefkitta’s veelkleuriger zijn dan eksters, lijken beide in de
+vlucht sterk op elkaar. De een zoowel als de ander zou den uitvinder
+van een vliegmachine geïnspireerd kunnen hebben, de aereoplaan z’n
+bekende vorm te geven.
+
+Eksters bouwen een voor onze oogen heel merkwaardig nest, omdat zij er
+een dak op zetten. Dit is evenwel niets vergeleken bij het kunstwerk,
+dat de PRIEELVOGELS (AMBLYORNIS INORNATUS) (No. 102) van Nieuw-Guinea
+er van maken. Zij danken er dan ook ten volle hun hollandschen naam
+aan, want inderdaad, hun nest lijkt meer op een prieel dan op iets
+anders.
+
+Aan den voet van een kleinen boom maakt hij z’n huis; buigzame sterke
+stengels, die dooreen gevlochten worden, vormen het materiaal er voor.
+In het midden van den voorkant, waar de ingang komt, wordt een soort
+pilaar of pijler gebouwd. Maar, waarom dit nest, nog meer dan om z’n
+kunstige bouw, de naam van prieel zoo ten volle verdient, is om de
+„tuin”, die de vogels er voor maken. Het „gazon” dat vrij groot in
+omvang is, wordt gevormd door mooi groen mos. De vogels versieren deze
+open groene plek voor hun nest met allerhande kleurige voorwerpen,
+steenen, bloemen en vruchten. Als deze beide laatste verleppen of hunne
+kleur verliezen, brengt de vogel ze weg, op een soort mesthoop, die hij
+achter z’n tuin heeft en ze worden dan door andere vervangen. In hun
+verlangen naar mooie dingen, vergrijpen zij zich wel eens aan het
+eigendom van de inboorlingen. Deze weten het wel en gaan als zij iets
+missen, eerst bij de nesten der prieelvogels zoeken. Vaak is hun
+achterdocht dan niet ongegrond geweest en vinden zij het verloren
+eigendom in den „tuin” van dezen vogel terug.
+
+Slechts op Nieuw-Guinea komen deze vogels voor; zij zijn er in 3
+soorten. Weer een voorbeeld dus van „endemische” vormen.
+
+Trouwens, Nieuw-Guinea is rijk aan merkwaardigheden. Daar geven de
+KLEINE PARADIJSVOGEL (PARADISEA MINOR) (No. 103) en de DRAADHOP
+(SELEUCIDES IGNOTUS) (No. 104) en hunne familieleden duidelijke
+voorbeelden van. De kleine paradijsvogel lijkt veel op de Paradisea
+apoda, doch deze is wel bijna viermaal zoo groot en dan ook van deze
+beide de meest om z’n veeren begeerde. Paradijsvogels worden door de
+Papoea’s geschoten met een stompen pijl, omdat dan de huid minder
+beschadigd wordt en deze meer waarde heeft voor een Europeesche dame,
+die de afgrijselijke wansmaak heeft, met een heele paradijsvogel op
+haar hoed te gaan wandelen. Vol trots steekt zij haar neus omhoog, in
+’t poenige besef, dat zij voor een kapitaal op haar hoed draagt. En
+ondertusschen worden de vogels om haar vermoord en uitgeroeid!
+
+Om den draadhop te vangen gaat een Papoea anders te werk. Eerst zoekt
+hij onder de boomen naar de uitwerpselen van dezen vogel. In den boom,
+waaronder hij deze vindt liggen, is de vogel gewend te slapen. Dan
+wacht hij af tot de vogel komt en let hij op den tak waarop deze gaat
+zitten, want iederen avond wordt vast denzelfden als slaapplaats
+gekozen. Den volgenden nacht, als de vogel in diepen rust verzonken is,
+klimt hij geruischloos naar boven en vangt den vogel door een doek over
+hem heen te werpen.
+
+Begrijpelijker dan het zich optooien met veeren van doode vogels, is
+het genoegen dat de menschen vinden in het in kooien houden van
+gevangen vogels. Want als zij behalve door hun mooie veeren ook nog
+mooi zingen, verschaffen zij dubbel genot. Toch is dit een surrogaat
+van het genoegen, dat een ornitholoog in vrij levende vogels vindt,
+want geen vogel zingt zoo mooi of is zoo mooi als in zijn natuurlijke
+omgeving.
+
+Wie eens de WIELEWAAL (ORIOLUS ORIOLUS) (No. 105) z’n korte roep
+(waarvan z’n naam slechts een povere nabootsing is), in de bosschen
+heeft hooren roepen, beantwoord door een ander, weet wel, dat het in
+een kooitje nooit zóó mooi kan klinken.
+
+Al is de BEO (EULABES RELIGIOSA) (No. 106) door z’n buitengewoon sterk
+nabootsingsinstinct, in staat liedjes te leeren fluiten, de
+menschelijke spreekstem na te bootsen of zelfs de menschelijke zang te
+imiteeren, er gaat voor een echten natuurvriend niets boven een vrijen
+vogel, die het liedje zingt dat z’n hart hem ingeeft. ’t Is zoo jammer
+om de natuurlijke zang van een vogel op te offeren aan clownskunstjes,
+want in de kern is al dat aangeleerde nadoen toch niets anders.
+
+Onze inlandsche imitator is de SPREEUW (STURNUS VULGARIS) (No. 107).
+Dat hij onovertroffen is op dit gebied kan ik niet zeggen, daarvoor is
+z’n stem niet rijk genoeg. Maar amusant is hij als hij op het randje
+van de dakgoot in z’n prachtig gespikkeld voorjaarspak, z’n uiterste
+best doet een merel na te fluiten of de roffel van het winterkoninkje
+na te slaan. Al vroeg in het voorjaar kunnen wij zijn eerste zachte
+fluittonen hooren. Want hoewel de meeste spreeuwen wegtrekken tot in
+Noord-Afrika, is het meestal niet voor lang en komt hij al gauw terug
+om te broeden. In zachte winters kan men in dorpen en boerderijen
+voortdurend spreeuwen vinden, daar is voedsel genoeg voor hen te halen.
+In het vroege najaar, in September, vereenigen zich massa’s van deze
+jonge vogels tot de z.g. spreeuwenvolken. Die schijnen dan
+vliegoefeningen te houden en kiezen als rustplaats een bepaald punt,
+een boschje hakhout of zoo iets dergelijks.
+
+In Afrika leven een paar zeer bekende familieleden van hen, de
+buitengewoon fraaie GLANSSPREEUW (LAMPROCOLIUS PURPUREUS) (No. 108) en
+de om zijn eigenaardige levenswijs zoo beroemde ROODSNAVELIGE
+MADENHAKKER (BUPHAGUS ERYTHRORHYNCHUS) (No. 109). Overal in de
+Zuidelijke en Oostelijke steppen van Afrika, waar koeien, paarden,
+buffels, antilopen, neushoorns en nijlpaarden aangetroffen worden, is
+deze vogel ook te vinden, want waar deze groote zoogdieren zijn, kunnen
+zij hun kostje ook ophalen. Dat bestaat uit vliegenlarven, die leven in
+de huid van deze dieren en zich daar ten koste van hun gastheer voeden.
+Die vliegen zijn een ware plaag, want als de larven volwassen zijn en
+op hunne beurt weer eieren leggen, doen zij dat ook weer in de huid van
+een of ander groot zoogdier. De madenhakkers nu, hakken de knobbels,
+die zich vormen op de plaats waar zoo’n vliegenlarf zit, open en eten
+de larf op. Deden zij niets meer, zij zouden als een voortreffelijk en
+nuttig vogeltje beschouwd moeten worden. Helaas, voor de arme
+viervoeters is de remedie erger dan de kwaal, want de vogels zijn ware
+kwelgeesten, die het dier veel erger pijnigen dan alle vliegen en
+larven te samen. Zij zijn zelf, net als het ongedierte, dol op
+zoogdierenbloed en krabben om het te bereiken korsten van wonden, die
+beginnen te heelen of hakken de made dieper uit dan noodig is. De wond,
+die zij maken, moet flink diep zijn en sterk bloeden; zij zijn niet eer
+tevreden vóór zij hun dorst aan rijkelijk vloeiend bloed goed kunnen
+lesschen.
+
+De KOEVOGEL (MOLOTHRUS ATER) (No. 110) van Amerika, kwijt zich van
+dezelfde taak op een betere manier. Voor zoover mij tenminste bekend
+is, gaat hij niet buiten zijn boekje. Dat wil hier dus zeggen, dat hij
+zich bij de larven houdt en zich niet voedt met het bloed der koeien en
+paarden. In levenswijs komen deze vogels in zeker opzicht overeen met
+de koekoeken, ten minste zij zijn ook polygaam, d.w.z. dat de mannetjes
+niet trouw zijn aan één vrouwtje (of de vrouwtjes aan één mannetje).
+Zij leven in gezelschappen en trekken zich van zorgen om jongen groot
+te brengen of eieren uit te broeden, niets aan. Van tijd tot tijd
+verdwijnt een vrouwtje uit deze troep, om in het nest van een ander
+zangvogeltje een ei te gaan leggen en dit daar uit te laten broeden.
+Evenals bij de koekoek, zou men geneigd zijn te zeggen, dat zij er te
+„lui” voor waren, als we nu niet beter wisten, dat de vogels er evenmin
+als de koekoek toe in staat zijn.
+
+De wevervogels (No. 111–117), die in tal van soorten in Afrika (waar
+zij voor het landschap karakteristiek zijn) doch die ook in Azië en
+Australië voorkomen, onderscheiden zich juist door het
+tegenovergestelde. Men zou hen, van menschelijk standpunt af beschouwd,
+buitengewoon vlijtig kunnen noemen. Zij besteden tenminste meer dan
+gewone zorg aan hun nest, waarvan de vorm voor de verschillende soorten
+nog al uiteen loopt.
+
+PLOCEUS ABYSSINICUS (No. 111), een van deze wevervogels, is zoo’n
+hartstochtelijk nestbouwer, dat hij van geen ophouden weet en er nog
+mee doorgaat terwijl het niet meer noodig is. Als ’t eerste nest, dat
+het mannetje geheel alleen gebouwd heeft af is en door het vrouwtje in
+beslag is genomen om er eieren in te leggen, gaat hij een tweede en
+daarna een derde, soms nog wel eens een vierde nest maken in de
+onmiddellijke nabijheid van het eerste. Zij hangen allemaal aan een
+lange van stroo gevlochten steel. Deze „vertakt” zich aan het uiteinde
+tot een tweelobbige knots. Ieder van deze vertakking is bolvormig van
+buiten en hol van binnen. Een er van heeft een gat voor ingang, de
+andere is het eigenlijke nest, waarin de eieren gelegd en de jongen
+groot gebracht worden. Aan de binnenbekleeding, die van veel fijner
+gras gemaakt is, had ’t wijfje, in de peuterige zorgzaamheid, die
+vrouwen zoo eigen is, nog een en ander te veranderen en te verschikken
+voor het naar haar zin is.
+
+Daar deze wevervogels allemaal van gezelligheid houden en steeds de
+buurschap van huns gelijke zoeken, levert een boom vol met deze
+eigenaardige nesten, een wonderlijken aanblik. Maar niet alleen met het
+bouwen zoeken de vogels elkander, zij houden elkaar voortdurend
+gezelschap: zij zingen samen, zoeken gezamenlijk hun voedsel en gaan te
+samen drinken. Dit drinken, waarvoor zij zich natuurlijk naar open
+plaatsen moeten begeven, is voor hen een gevaarlijk werkje daar zij
+zich dan blootstellen aan hunne vijanden. Aan den rand van ’t bosch
+zitten zij door de bladeren beschut, te wachten. Opeens schieten zij
+pijlsnel naar beneden, drinken „vliegensvlug” een slok en gaan weer
+naar hun vorige rustplaats om, als zij het oogenblik gunstig vinden,
+weer naar beneden te schieten. Deze schielijkheid is wel noodig, omdat
+hunne vijanden op hen loeren en van elk oogenblik, dat zij zich bloot
+geven, gebruik maken hen te vangen.
+
+De VUURWEVER (PYROMELANA FLAVIROSTRUS) (No. 112) en de
+PARADIJSWEDUWVOGEL (STEGANURA PARADISEA) (No. 115) zijn wevervogels,
+die in het hooge gras der steppen leven en daar hun nest tusschen de
+grashalmen vlechten. De nesten zijn ovaal; de ingang wordt zijdelings
+van boven aangebracht.
+
+De prachtvinken en AMADINEN, (No. 113, 114 en 116) weven eigenlijk niet
+meer, maar pakken fijn gras vrij slordig te samen tot een bolvorm met
+een zijdelingsche opening.
+
+RIJSTVOGELTJES (MUNIA ORIZIVORA) (No. 114), leuke kleurige vogeltjes
+met vuurroode snaveltjes, zijn in de rijstvelden erger dan de spreeuwen
+bij ons in de kersenboomgaarden. Want, al doen de spreeuwen veel schade
+en berokkenen zij een enkele kweeker veel last, als men de
+rijstvogeltjes hunne gang liet gaan, zouden zij een aanzienlijk deel
+van de rijstoogst opeten en waren zij de oorzaak dat er door veel
+menschen misschien honger geleden werd. Want rijst is in Aziatische
+landen, zooals onze Indië, het hoofdvoedsel der bevolking. Men neemt
+dan ook wel degelijk maatregelen om deze vogeltjes binnen de perken te
+houden. Zoo lang de rijstvelden nog onder water staan, doen de vogels
+geen kwaad en zoeken zij hun voedsel overal elders. Zoodra men evenwel
+de sawah’s (zoo heeten de rijstvelden) droog laat loopen en dit doet
+men als de aren rijpen gaan, komen de vogeltjes in dichte drommen
+opzetten en pikken zij zoo veel zij kunnen van de kostelijke korrels
+weg, zich aan de halmen vastklemmende als hangende meezen aan de
+twijgjes.
+
+De inlanders, die niets op de zwermen van deze schooiertjes gesteld
+zijn, bouwen stellages op verschillende plekken in de sawah. Deze
+stellages zijn niet veel meer dan vloertjes, door palen hoog boven den
+grond gebracht en met een bladeren dak bedekt. Op de meest
+verschillende plaatsen heeft men bovendien in de sawah’s palen gezet,
+die met de uitkijktorens (want dat is de bedoeling van de afdakjes op
+stelten) verbonden zijn door touwtjes, waaraan men allerlei rommel
+heeft gehangen. Zoo iets in de geest van „de sleep”, waarmee de
+Zaansche kinderen hun stadgenooten op Luilaknacht uit de slaap houden.
+Met die sleep van rinkinkende rommel rinkelen zij voortdurend, waardoor
+de vogels geen oogenblik rustig aan de maaltijd kunnen blijven. Een
+heel doelmatige vogelverschrikker dus.
+
+Als de rijst gesneden is en de onkruiden welig opschieten op dit
+vochtige, vruchtbare land en ze door de snelle ontwikkeling der planten
+in deze tropische oorden gauw zaad dragen, mogen de rijstvogeltjes zich
+naar hartelust hieraan tegoed doen. Zij eten zich dik en rond, maar als
+zij er op hun voordeeligst uitzien, vangt de inlander hen weer en eet
+hen op.
+
+Van de eigenlijke vinken onderscheiden deze wevervogels zich uiterlijk
+haast niet. Het hoofdverschil ligt in de nestbouw, waarbij vinken,
+zooals we dat bijv. van de MUSCH (PASSER DOMESTICUS) (No. 117) kennen,
+werkelijk niets bizonders aan te vinden is. Of het moest zijn, dat hij
+er zoowat het geheele jaar mee bezig is, er zoowat het heele jaar door
+eieren in heeft en meer broedsels per jaar groot brengt dan eenig
+andere vogel doet. Dat de musch zoo in staat is, het heele jaar door te
+broeden, komt voort uit dezelfde eigenschap, die hem over de geheele
+wereld vertegenwoordigd doet zijn. Een musch kan zich zoo gemakkelijk
+aanpassen. Warm of koud, het schijnt hem om ’t even. Z’n kostje weet
+hij altijd wel te vinden, want hij zorgt er voor, steeds in de buurt
+van de menschen te blijven.
+
+De menschen zelf schijnen ook op hen gesteld te zijn, tenminste,
+kolonisten hebben zich de moeite gegeven, hen mee naar Amerika te
+nemen, denkt Brehm. Misschien ook, zijn zij per ongeluk met
+graanschepen of dergelijke meegekomen. In ieder geval zijn zij er nu,
+terwijl zij er vroeger niet waren, dat weten de Amerikanen maar al te
+goed, want in sommige streken zijn zij zoo talrijk geworden, dat zij
+even als de konijnen in Australië een ware plaag werden. Zóó bont maken
+zij het bij ons nog niet. De meeste musschen vindt men in de steden.
+Daar is altijd nog wel een warm en beschut plaatsje te vinden, terwijl
+in het vuil en afval op de straten voedsel in overvloed is.
+
+De musch is ook een vogel, die buitengewoon veel van gezelligheid
+houdt. Nooit ziet men hem alleen maar steeds in gezelschap van meerdere
+van z’n luidruchtige kameraden. De drukste gezelschappen vormen zij
+evenwel ’s winters, tegen het vallen van den avond. Dan komen groote
+troepen bij elkaar in bepaalde boomen en trekken den aandacht door hun
+druk getjilp en gesjilp. Overdag kan men deze boomen gemakkelijk
+herkennen, omdat ze als het ware wit gekalkt zijn door de uitwerpselen.
+
+Een aardig muschje, dat buiten veel voorkomt, maar zich niet in de stad
+laat zien, is de ringmusch. Gewoonlijk wordt hij evenals de gewone
+musch door ons weinig kunstzinnig volk voor een leelijk grauw diertje
+gehouden. Een Japanner weet beter de schoonheid te vinden, ook waar
+deze niet luid sprekend is in schitterende kleuren. Een ringmusch te
+zien, zooals een Japanner hem teekent, is een openbaring van
+schoonheid. Van schoonheid, die overal te vinden is voor ieder, die
+zich de moeite geeft er op te letten.
+
+Nog veel sterker dan de musschen het verkeer met huns gelijke zoeken,
+doen de REPUBLIKEINEN (PHILETAIRUS SOCIUS) (No. 118) dat, want deze
+brengen zelfs hun nestmateriaal bij elkaar en verwerken dit tot een
+grooten in een boom hangenden „hooiberg”. Ieder paartje heeft er z’n
+eigen hokje voor een nest, ’t „dak” hebben allen gemeenschappelijk.
+
+Als het broeden afgeloopen is en de jongen groot genoeg zijn om voor
+zichzelf te zorgen, dan wordt weer met bouwen begonnen en wordt er een
+étage ondergebouwd, want de republikein broedt nooit tweemaal in
+hetzelfde nest. Telkens wordt hun gemeenschappelijk huis vergroot, tot
+eindelijk deze massawoningbouw den tak, waaraan deze honderden nesten
+hangen, te zwaar is geworden en deze breekt. Dan kunnen zij weer
+opnieuw beginnen.
+
+Van alle vinken is de KARDINAAL (CARDINALIS CARDINALIS) (No. 119) wel
+de grootste en in ’t oog van een liefhebber van felle kleuren, zeker
+wel de mooiste. Inheemsch is deze vogel in de Oostelijke Vereenigde
+Staten, waar hij in koude winters trekvogel is, in zachte winters
+evenwel op z’n broedplaats blijft, net als onze gewone vinken dat doen.
+
+Onze inlandsche vinken prijken lang niet in zulke schitterende kleuren
+als de kardinaal, hoewel de GOUDVINK of BLOEDVINK (PHYRRULA PHYRRULA)
+(No. 121), ’t PUTTERTJE (CARDUELES CARDUELES) (No. 124), die beide in
+’t Oosten van ons land of de KRUISBEK (LOXIA CURVIROSTRA) (No. 122) die
+sporadisch wordt waargenomen, toch als fraai gekleurde vogels zeer
+zeker in aanmerking mogen komen.
+
+De kruisbek is behalve mooi, ook nog merkwaardig door den gekruisten
+snavel, die z’n geslacht kenmerkt. Dit is een buitengewoon practisch
+instrument voor het bewerken van de denne- en sparreappels, die het
+liefste voedsel van de kruisbekken vormen. Al naar gelang een kruisbek
+zich de zaden uit een hard schubbige denneappel of uit de meer buigzame
+dunne schubben van een sparreappel pelt, is z’n snavel zwaar
+hoornachtig of lichter gebouwd.
+
+Eigenaardig is het, dat de hars uit deze zaden zoo geheel het lichaam
+van deze vogel doordringt, dat het hen na hun dood voor bederf bewaart.
+Zij drogen dan eenvoudig tot mummies in. Als een kruisbek zich langen
+tijd met insecten gevoed heeft, wat zij wel eens doen als er niets
+anders voor hen te eten is, dan zijn zij als zij gestorven zijn net als
+iedere andere vogel aan bederf onderhevig. Het liefste voedsel voor
+deze mooie vogel blijft evenwel het dennezaad. Waar geen dennen zijn,
+komen zij niet voor. Ook trekken zij vaak van het eene gebied naar het
+andere. Welke motieven den vogel daar dan toe dwingen, is niet bekend.
+
+Zaad is het meest geliefde voedsel voor een vink. Dat maakt dat zij
+gemakkelijk in volières te houden zijn. Want al eet het puttertje bij
+voorkeur distelzaden, andere zaden versmaadt het niet.
+
+Een andere geliefkoosde inlandsche vink voor volières is de goudvink of
+appelvink. Want behalve dat zij prachtig gekleurd zijn, kunnen zij erge
+aardige liedjes leeren zingen, als een mooi-fluitende man het hun
+voordoet en het hun zoo met veel geduld leert. Zij hechten zich erg aan
+de verpleger en schijnen gauw aan hunne gevangenschap gewend. Het is
+heel dikwijls noodig om deze mooie en aardige, maar lastige en
+schadelijke vogels, onschadelijk te maken. Aangenamer dan het
+doodschieten van deze mooie diertjes lijkt het me, hen te vangen met
+vogellijm en hen in kooien te houden, vooral omdat deze vogels geen
+bezwaren tegen het kooileven schijnen te hebben.
+
+Het doodmaken van iets levends is altijd een naar werk en als het dan
+nog mooi is ook, valt het dubbel zwaar. De dieren kunnen het toch niet
+helpen, dat zij van appel- en perenbloesems houden!
+
+Beroemd om z’n mooie zang, die reeds in de natuurstaat opvallend is, is
+de vink van de Canarische eilanden, de KANARIE (SERINUS CANARIUS) (No.
+123). Zij worden daar tegenwoordig nog veel gevangen en verkocht. Reeds
+sinds 1478 bestaat deze handel. Want, toen in dat jaar de Spanjaarden
+de Canarische eilanden veroverden, heeft de zang van dit vogeltje in de
+menschen de begeerte gewekt, het als „huiszanger” aan te nemen.
+
+Zooals ’t met zooveel dieren is gegaan, die de mensch uit het wild
+onder z’n bescherming heeft genomen, ondergaat ook deze vogel een
+verandering. Al heel gauw verliezen ook de tegenwoordig uit het wild
+gevangen kanaries hun groenige kleur en worden zij geel, maar
+langzamerhand door kruising en teeltkeus, veranderen zij ook iets in
+bouw, gaan soms beter, soms minder goed zingen. Tegenwoordig
+onderscheiden de kanariekenners tal van variëteiten, die in drie
+rassen, ’t Hollandsche, Engelsche en Duitsche onderverdeeld worden.
+
+Onze inlandsche sijsjes zijn nauw aan kanaries verwant. In de zang van
+deze vinkachtige vogels is iets typisch, dat hun alleen eigen is, de
+z.g. „slag”. Onze gewone vink kent niet anders dan die „slag”, al
+varieert deze voor de vinken uit de verschillende streken. De kanarie
+zingt verschillende wijsjes, maar in z’n voordracht ervan is toch
+altijd die slag te herkennen, zoo goed als in het aardige, eenvoudige
+liedje van de GEELGORS (EMBERIZA CITRINELLA) (No. 120).
+
+In Duitschland wordt deze vogel veel gegeten door ’t volk en de
+tuingors, Emberiza hortulanis, de ortolaan geldt bij fijnproevers als
+een eerste lekkernij. ’t Is een sympathieke eigenschap van ons volk,
+dat bij ons deze en andere zangvogeltjes niet of nagenoeg niet gegeten
+worden.
+
+De TANAGRA (RHAMPHOCELUS BRASILIUS) (No. 125) is zoo groot als een
+musch en zoo rood als een kardinaal. „Zomerrood”, de naam die de
+Amerikanen hem geven, is dan ook een heel goeie, temeer daar hij
+slechts gedurende de vier zomermaanden in Oostelijk en Midden Amerika
+vertoeft. Als half September het broedsel groot is, gaan zij in
+paartjes het Zuiden in, waar zij het zelfde stille, ingetogen leven
+leiden, dat ook in de broedtijd zoo typisch voor hen was. Zoo stil
+leven zij, dat zij, ondanks hun opvallende kleur, nauwelijks opgemerkt
+worden.
+
+Onze KWIKSTAART (MOTACILLA ALBA) (No. 127) ’t algemeen bekende
+grijs-zwarte vogeltje en de graspieper, in z’n eenvoudig grauw pakje,
+schijnen er anders over te denken. Men hoort en ziet hen tenminste waar
+zij zijn. Vooral de kwikstaartjes zijn coquette, levendige vogels.
+Kwiek trippend met hun fijne pootjes, pittig wippend met hun staartje,
+maken zij voortdurend kleine tjilpende geluidjes, die overal gehoord
+worden en steeds de aandacht op hen vestigen. De vlucht is mooi, met
+groote golven.
+
+In de wintermaanden missen we deze levendige vogeltjes, maar al heel
+vroeg komen zij weer terug. Als de tuinder eind Januari of begin
+Februari begint met het bewerken van z’n grond, dan is het kwikstaartje
+er al heel gauw om hem gezelschap te houden en in den omgespitten grond
+naar voedsel te zoeken. Nooit zal die tuinder meer dan twee
+kwikstaarten tegelijk zien, want ieder kwikstaartenpaartje heeft een
+eigen gebied, waarin geen andere kwikstaart komt, dan de jongen, die
+zij zelf groot brachten. Broeden doen zij op alle mogelijke plaatsen,
+want zij bouwen hun nest in alle mogelijke holletjes. Ik vond het
+tusschen gekapt hakhout, dat op hoopen lag, zoo goed als in gaten langs
+het wallekantje van een sloot.
+
+Net als ’t kwikstaartje vindt de GRASPIEPER (ANTHUS PRATENSIS) (No.
+127) z’n voedsel op den bodem. Ook maakt hij daar z’n nest van
+grashalmen in een ondiep kuiltje. Het is moeilijk te onderscheiden van
+een leeuwerikennest.
+
+Ook de vogels zelf lijken op elkander, doch de LEEUWERIK (ALAUDA
+ARVENSIS) (No. 129) wint het aan beminnelijke eigenschappen. Sinds
+Frederik van Eeden deze ontdekte en van een zoo buitengewone
+hoedanigheid vond, dat hij er een vers over maakte, waarin hij de
+leeuwerik z’n „lievelingsvogel” noemde, kan men geen opstel over dezen
+vogel van een Nederlandsch journalist, die zich zelf respecteert, in
+handen krijgen of één of meer regels of soms zelfs het geheele vers
+wordt aangehaald. Wel een bewijs, dat dit in een dringende behoefte
+voorzag. Hoewel ’t, naar me voorkomt, niet precies de bedoeling van den
+dichter geweest zal zijn.
+
+Al deze aanbidding heeft de vogel zelf gelukkig niet geschaad en hij is
+er even aardig om gebleven. Als hij jubelend omhoog stijgt en de
+parelende tonen van z’n lied als kristallijne druppels op ons
+neervallen, dan kunnen we niet anders dan luisteren en hem nastaren,
+tot hij onzichtbaar wordt in de strakke blauwe lucht.
+
+Al van het eerste begin af, als in Februari de leeuwerik komt, is hij
+te hooren. Het hoogtepunt van z’n zang komt pas in de warme maanden.
+Dan zingt hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. En gek is ’t,
+maar ’t zelfde lied dat ons in den frisschen ochtend een opwekking was,
+is op het heetst van den dag, als alles dommelt onder de zengende
+warmte der zon, zoo vermoeiend en maakt zoo slaperig, dat we ons er
+door in slaap laten vallen, zonder weerstand te kunnen bieden.
+
+De eenige zanger, buiten Europa, die zich met onze beste zangers, de
+leeuwerik en de nachtegaal kan meten, is de BULBUL (PYCNONOTUS SPEC)
+(No. 129). Zij komen voor in het Indische en Aethiopisch gebied. In
+Indië wordt deze vogel heel veel in gevangenschap gehouden, niet zoo
+zeer om z’n zang als wel om zijn ongeëvenaarde vechtlust. Zoodra een
+broedsel ver genoeg gevorderd is om de mannetjes te herkennen, worden
+deze uit het nest genomen en gedresseerd. De kunstjes, die hij leeren
+moet zijn nog al eenvoudig. Men verlangt dat hij leert op de hand van
+zijn eigenaar terug te komen. Acht men hem tenslotte in staat om een
+gevecht te leveren, dan bindt men hem een touwtje aan de pooten en laat
+hem bij een andere vechtersbaas. Iedere eigenaar houdt zorgvuldig z’n
+touwtje vast. De vogels vechten zoo hevig, dat zij elkaar zouden dooden
+als men hen ongestoord hun gang liet gaan.
+
+Bloembestuivende vogels zooals de kolibri’s komen niet alleen in
+Amerika voor. Ook in Afrika en Australië zijn er. Deze hebben dezelfden
+eigenaardig gekromden snavel, die voor sommige kolibri’s opvallend was.
+Ook hunne tong is merkwaardig; deze is een z.g. „penseeltong”. De naam
+is goed gegeven, want het uiteinde van hun tong lijkt werkelijk op een
+penseel, door de herhaalde keeren dat de punt ervan zich in steeds
+fijner wordende takjes splitst.
+
+De HONIGZUIGER (ACANTHOGENYS RUFIGULARIS) (No. 130) die in Australië
+leeft, vindt z’n voedsel voornamelijk in de bloeiende gummiboom
+(Eucalypthus). De HONINGVOGEL (NECTARINIA METALLICA) (No. 131) die in
+Afrika voorkomt haalt z’n kostje uit de Aloe’s en Strelitzia’s.
+
+Evenmin als de kolibri’s verwant zijn aan deze honingvogels, hoewel in
+uiterlijk, lichaamsbouw en eenige andere bijzondere eigenaardigheden,
+sterke overeenkomsten te vinden zijn, is de BOOMKLEVER, (SITTA EUROPEA)
+(No. 132) familie van de specht, hoewel deze twee vogels weer door
+dezelfde levenswijs een uiterlijk hebben gekregen, dat hen zeer veel op
+elkander doet lijken. In werkelijkheid, d.w.z. volgens systematische
+geldende kenmerken behoort de boomklever tot de meezen, hoe hij er
+uiterlijk dan ook van verschilt. Om deze dubbele natuur wordt hij door
+de Duitschers „spechtmees” genoemd. Klimmen doen de boomklevers
+minstens even goed als een echte klimvogel. Zij gaan een boom net zoo
+gemakkelijk op als af. Tusschen de schors zoeken zij daarbij steeds
+naar insecten en spinnen en maken zich bovendien nuttig door het
+verdelgen van schadelijke schorskevers. Nestelen doen zij graag in door
+spechten verlaten gaten.
+
+Ook de meezen, waarvan de KOOLMEES (PARUS MAJOR) (No. 133) de grootste
+inlandsche is, maken zich verdienstelijk door het verdelgen van
+insecten. Het zijn de sierlijkste en levendigste vogeltjes die wij
+hebben en zij vervroolijken vooral de winterdagen met hun gezelligheid.
+Als ’s winters in de kruinen der dennen een troep meezen bij elkaar is
+en de wandelaar, die op hunne aanwezigheid opmerkzaam gemaakt wordt
+door hunne kleine tjilpgeluidjes, zich de moeite geeft eens wat langer
+onder de boomen stil te staan, kan hij dikwijls veel soorten
+aantreffen. De koolmees en het fijne pimpelmeesje zijn er wel haast
+altijd bij, maar ook de zwartkopmeesjes, de kuifmeesjes zijn er. Een
+enkele maal is zelfs de veel zeldzamere zwarte mees wel tusschen hen te
+vinden.
+
+Het is evenwel niet iedereen gegeven, ’s winters onder de denneboomen
+te kunnen wandelen. Menschen in de stad, die het verlangen voelen
+meezen in hunne dagelijksche omgeving te zien, kan ik niet anders
+raden, dan spekzwoerd, kokosnoot en apenootjes op te hangen. Ook is het
+aardig in een beetje dikke tak eenige gaten boven elkaar te boren zoo
+groot als een gulden en 1½ c.M. diep. Deze gaten vult men dan met een
+likje plantenboter of spekvet. En nooit zullen zij berouw hebben van de
+kleine uitgave, die zij deden. De vreugde, die zij ervoor terug krijgen
+kan heel groot zijn, dat hangt maar van het plezier af, dat men zelf in
+deze vogeltjes heeft. Als de menschen van vogels houden, zullen zij het
+wel kunnen verdragen, dat de musschen het grootste aantal van hunne
+gasten vormen. De vinken, ’t roodborstje en de meezen zullen ook wel
+komen, evengoed als de merel, de lijster en het winterkoninkje. Als men
+de vogels eenmaal aan een vaste plaats gewend heeft en zij weten, waar
+zij voedsel kunnen vinden, is het niet onmogelijk, dat zij het
+nestkastje zullen opmerken, dat u voor hen heeft opgehangen en krijgt u
+misschien wel een vinkenpaartje of koolmeezenpaartje aan het broeden in
+uw stadstuintje of aan uw balcon.
+
+De laatste familie in de orde der zangvogels zijn pas de eigenlijke
+zangers. Hoewel al de andere families in deze orde, waarvan we reeds
+een of meer vertegenwoordigers behandelden, zingen konden, zooals de
+zwaluwen, de vliegenvangers, de worgers, de paradijzen, de wielewalen,
+de wevers, de vinken, de tanagra’s, de leeuweriken en de meezen, zijn
+het nergens zangers in den echten zin van het woord. Daartoe alleen
+behooren wel 25.000 soorten, waarvan de PEKING NACHTEGAAL (LEIOTHRIX
+LUTEA) (No. 134) er slechts één is. Deze leeft in de Himalaya, geheel
+in hetzelfde gebied waar ook de SNIJDERVOGEL (SUTORIA SUTORIA) (No.
+135) aangetroffen wordt. Deze snijdervogel is vooral aardig om het nest
+dat hij maakt. Tusschen twee bladeren, die hij met een zelf gesponnen
+katoenen draad aan elkaar naait, brengt hij katoen, paardehaar en
+andere vezels en vormt daarvan het nest. Een heerlijke, zacht
+schommelende wieg voor z’n kleintjes.
+
+GRASMUSSCHEN (SYLVIA COMMUNIS) (No. 136) komen half April bij ons
+vanuit midden Afrika. Zij trekken tot in Skandinavië om te broeden. ’t
+Zijn pittige levendige vogels, met een druk, onstuimig liedje, die we
+heel ongaarne zien vertrekken, evenals de RIETZANGER (ACROCEPHALUS
+SCHOENOBAENUS) (No. 138), die hem een maand later naar Afrika volgt, om
+eind April weer terug te komen. Dan bouwt hij z’n nest op de hoogste
+plaatsen in het moeras, tusschen opschietende wilgenboschjes. Daar is
+het altijd droger dan op de andere plekjes en heeft hij minder last van
+den wisselenden waterstand. Hoewel een zanger in de systematische zin,
+is z’n zang niet veel bizonders, evenmin als die van z’n verwant, de
+sprinkhaanrietzanger. Deze maakt zoo’n raar roffelend geluid, dat zóó
+laag is, dat het buiten het gehoor van sommige menschen valt, evenals
+het hooge, ijle geluidje, dat het GOUDHAANTJE (REGULUS REGULUS) (No.
+137) maakt. Dit overschrijdt de gehoorgrens van sommigen weer aan de
+andere kant. In het voor- en najaar zijn deze kleinste van onze
+vogeltjes bij massa’s in ons land, op de voor- en najaarstrek. Want
+hoewel zij ’s zomers en ’s winters altijd in de sparren en dennen te
+vinden zijn en er altijd eenige bij ons broeden in de leuke bolvormige
+nesten, zooals die ook bij andere familieleden, als staartmeezen en
+winterkoninkjes in gebruik zijn, is hun aantal in den trektijd het
+grootst. ’s Winters treffen we de goudhaantjes veel in meezentroepen
+aan, want als deze vogeltjes niet broeden, zoeken zij het gezelschap
+van andere, die op dezelfde terreinen hun voedsel zoeken. Kwiek
+scharrelen zij tusschen de dennetakjes door, wippend van ’t eene takje
+op het andere, bengelend aan de dunste twijgjes, voortdurend pikkend en
+snappend met hun fijne snaveltje. ’t Fijne kopje, met het gouden
+kammetje draait en wendt het naar alle kanten, de scherpe kraaloogjes
+spieden in ieder kiertje en spleetje naar kevertjes en spinnetjes.
+
+Klein Jantje, het WINTERKONINKJE (ANORTHURA TROGLODYTES) (No. 139),
+geldt bij het volk algemeen voor ons kleinste vogeltje, doch is toch
+grooter dan het goudhaantje. Zoo klein als hij is, dringt hij zich
+overal op den voorgrond en zet een vervaarlijke stem op. Overal hoort
+men zijn eentonig, maar niettemin heel grappig en karakteristiek
+liedje. ’t Klinkt zoo echt „parmantig”, deze kleine rakker z’n roffel
+te hooren slaan en z’n paar tonen te hooren fluiten. Onafgebroken kan
+hij er soms mee doorgaan en overal hoort men z’n tjū-tjū tjū
+tjrrrrrrrrrrr, tjuu′ tju′ tju′ tju′ tju′ tju′ ū ē. In de hardnekkigheid
+waarmee hij z’n weinig melodieuse zang laat hooren, evenaardt de
+groenling (Chloris chloris), een familielid van het puttertje hem
+slechts, die z’n nog minder kunstzinnig geblèèr nog halstarriger ten
+gehoore blijft geven.
+
+Ondanks deze eentonigheid in hun zang vervelen zij ons nooit, omdat hun
+volharding zoo aardig is. „Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is”
+en nog meer dan de zang zelf interesseert ons de drang tot zingen, die
+juist bij deze leuke schreeuwleelijkjes zoo duidelijk is.
+
+Heel wat „meer nooten op zijn zang” heeft de SPOTLIJSTER (MIMUS
+POLYGLOTTUS) (No. 140), die z’n naam met eere draagt en aan een
+buitengewoon nabootsingsinstinct een prachtig vol geluid paart, zoodat
+het resultaat van zijn imitatieproeven werkelijk verrassend is. De
+Amerikanen zijn dan ook verbazend trotsch op dezen vogel en noemen hem
+de meest volmaakte en voortreffelijkste der zangers, zooals nu eenmaal
+alles wat uit Amerika komt de overtreffende trap is van ’t geen Europa
+voortbrengt. Brehm evenwel vindt dit echte opsnijderij en neemt de
+verdediging van onze nachtegaal op zich. ’t Geen me vrijwel een
+onbegonnen werk lijkt, daar bij den strijd om het kampioenschap voor
+deze twee vogels, de Amerikanen zeker op z’n Amerikaansch den grootsten
+mond zullen opzetten en de voorvechter voor onze zanger het daar wel
+tegen af zal moeten leggen.
+
+Zooals de „doofste” mensch de nachtegaal wel hooren moet, zoo moet de
+„blindste” mensch die in de Himalaya komt de WITKUIF LIJSTERGAAI
+(GARRULAX LEUCOLOPHUS) (No. 141) wel zien. Want niet alleen dat zij in
+troepjes leven en een geweldig kabaal maken, zij zijn, ondanks hun
+betrekkelijk eenvoudige kleuren zeer in ’t oog loopend. Dit komt wel
+voornamelijk door hunne levendigheid en bewegelijkheid.
+
+Heel wat stillere vogels zijn onze MERELS (TURDUS MERULA) (No. 142),
+want hoewel hunne stem sterk en vol is en men de zang en tegenzang van
+twee vogels, als zij op een hooge ijle tak aan het zingen zijn, op
+grooten afstand hooren kan, ’t lied zelf klinkt ons altijd zoo sereen
+in de ooren. Het meest op z’n plaats doet deze merelzang mij aan in de
+bloeiend blanke pracht van een kersenboomgaard. Als zuilen van een
+kathedraal staan de mooie stammen. Tegen het blauwe gewelf van den
+hemel splitsen zich de slanke bogen van wit bloeiende takken. Daar
+klinkt van uit een hoek de reine orgeltoon van het merellied, een ander
+antwoord. De mensch zit stil en luistert.
+
+Maar ook in minder idyllische omgeving is merelzang heerlijk om te
+hooren en gelukkig is dat haast overal mogelijk, want de merel is
+overal. In stadstuintjes nestelt hij zoo goed als buiten en menigeen,
+die klimop langs z’n huis heeft groeien, zal verrast worden door een
+bouwend merelpaar. Op één bepaald puntje van de dakgoot, op een
+bepaalde windwijzer, op de kroonlijst, op de schoorsteen, overal vindt
+de merel een plaatsje, dat hem hoog en vrij genoeg is om z’n lied te
+fluiten. Wegtrekken doet hij niet. Wel is hij ’s winters met de korte
+dagen een tijd lang stil en missen we z’n zang. Hoe anders, hoeveel
+levendiger, hoeveel zonniger lijkt ons de dag, als in ’t heele vroege
+voorjaar de eerste aarzelende tonen van de merel gehoord worden. Als
+een goed nieuwtje, roepen we met lachende oogen onzen vrienden toe: Ik
+heb vandaag de merel gehoord!!
+
+Zoo gaat het ook in de duinen, als de TAPUITEN (SAXICOLA OENANTHE) (No.
+143) weerom komen. Saai en doodsch en verlaten lijken onze duinen
+zonder hen. Maar nauwelijks zijn zij er weer of we zien hen en het duin
+leeft weer voor ons. De tapuit in het duin, dat is de lente, die komt.
+
+Langzamerhand gaat dan het orkest der zomermuzikanten voltallig worden.
+Tjif-tjaf, merel, groenling, vink, lijster, roodborstje, fitis,
+nachtegaal, zij doen allemaal hunne best en oefenen zooveel zij kunnen.
+De zachte stem van het ROODSTAARTJE (PHOENICURUS PHOENICURUS) (No. 144)
+gaat haast te loor tusschen al deze andere. Toch weet ook hij z’n
+fijne, zéér melodieuse liedje naar voren te brengen en doet hij z’n
+uiterste best, ons z’n wijsje in het geheugen te prenten. En als ten
+slotte de laatste trekkers, de Meivogels komen, is het koor voltallig
+en staat de zomer voor de deur.
+
+
+
+
+
+
+
+
+REGISTER.
+
+
+HET EERSTE GETAL DUIDT HET NUMMER VAN HET PLAATJE, HET VETTER GEDRUKTE
+DE PAGINA VAN HET PLAATJE AAN.
+
+
+ALBATROS (Diomedea exulans) 10 17
+ALK (Alca torda) 6 13
+AMAZONE PAPEGAAI (Chrysotis Levaillanti) 67 61
+ARA PAPEGAAI (Ara ararauna) 68 61
+BAARDVOGEL (Bucco versicolor) 74 77
+BANKIVAHOEN (Gallus gallus) 48 47
+BEO (Eulabes religiosa) 106 87
+BLAUWE REIGER (Ardea cinerea) 38 41
+BOERENZWALUW (Hirundo rustica) 95 80
+BONTE KRAAI (Corvus cornix) 100 84
+BOOMKLEVER (Sitta europaea) 132 110
+BOOMVALK (Falco subbuteo) 59 55
+BRANDGANS (Branta leucopsis) 21 27
+BULBUL (Pycnonotus) 129 110
+BIJENETER (Merops apiaster) 83 73
+CALIFORNISCHE KWARTEL (Lophortyx californicus) 50 51
+CONDOR (Sarcorhamphus gryphus) 53 51
+COTINGA (Cotinga mayana) 92 80
+DISTELVINK (Carduelis carduelis) 124 102
+DRAADHOP (Seleucides ignotus) 104 87
+DRIETEENIGE MEEUW (Rissa tridactyla) 12 17
+EMU (Dromaeus novae hollandiae) 3 13
+FLAMINGO (Phoenicopterus roseus) 34 36
+FLUITVOGEL (Gymnorhina tibicen) 99 84
+FREGATVOGEL (Fregata aquila) 17 22
+FUUT (Lophaethyia cristata) 9 17
+GEELGORS (Emberiza citrinella) 120 97
+GEITENMELKER (Caprimulgus europaeus) 87 76
+ ,, ,, ,, Premieplaat 106
+GIER (Gyps rüppelli) 54 51
+GIERZWALUW (Apus apus) 89 76
+GLANSSPREEUW (Lamprocolius purpureus) 108 87
+GOUDHAANTJE (Regulus regulus) 137 113
+GOUDKOEKOEK (Chrysococcyx cupreus) 72 61
+GOUDPLEVIER (Charadrius apricarius) 24 27
+GOUDVINK (Pyrrhula pyrrhula) 121 102
+GOULD’S AMADINE (Poëphila gouldiae) 116 97
+GRASMUSCH (Sylvia communis) 136 113
+GRASPIEPER (Anthus pratensis) 127 110
+GROENE SPECHT (Gecinus viridis) 76 67
+GROOTE TRAPGANS (Otis tarda) 32 36
+HARPIJ (Thrasaëtus harpyia) 56 55
+HONIGVOGEL (Nectarinia metallica) 131 110
+HONIGWIJZER (Indicator indicator) 75 67
+HONIGZUIGER (Acanthogenys rufigularis) 130 110
+HOORNRAAF (Bucorax abyssinicus) 79 73
+HOP (Upupa epops) 84 73
+HUISMUSCH (Passer domesticus) 117 97
+IBIS (Ibis aethiopica) 35 36
+INAMBOE (Rhynchotus rufescens) 41 41
+JAN VAN GENT (Sula bassana) 16 22
+JASSANA (Jacana jacana) 31 36
+KAKATOE (Cacatua Triton) 64 57
+KALKOEN (Meleagris gallopavo) 47 47
+KANARIE (Serinus canarius) 123 102
+KANOETSTRANDLOOPER (Tringa canutus) 27 32
+KARDINAAL (Cardinalis cardinalis) 119 97
+KEIZERSPINGUÏN (Aptenodytes forsteri) 5 14
+KIEVIT (Vanellus vanellus) 25 32
+KIKKERBEK (Batrachostomus auritus) 86 76
+KITTA (Urocissa erythroryncha) 101 85
+KIWI (Apteryx Mantelli) 4 13
+KLAPEKSTER (Lanius excubitor) 98 84
+KLOKVOGEL (Procnias nudicollis) 91 80
+KLUIT (Recurvirostra avocetta) 26 32
+KOEKOEK (Cuculus canorus) 71 61
+KOET (Fulica atra) 30 32
+KOEVOGEL (Molothrus ater) 110 93
+KOLIBRI (Topaza pella) 90 76
+KONINGSVOGEL (Tyrannus tyrannus) 93 80
+KOOLMEES (Parus major) 133 113
+KRAANVOGEL (Grus grus) 33 36
+KROONDUIF (Goura coronata) 51 51
+KRUISBEK (Loxia curvirostra) 122 102
+KWAK (Nycticorax nycticorax) 39 41
+KWARTELKONING (Crex crex) 43 47
+LADY AMHERST FAZANT (Chrysolophus Amherstiae) 45 47
+LACHENDE HANS (Dacelo gigas) 81 73
+LEEUWERIK (Alauda arvensis) 128 110
+MADENHAKKER (Buphagus erythrorhynchus) 107 87
+MALEO (Megacephalum maleo) 42 41
+MANTELMEEUW (Larus marinus) 11 17
+MARABOE (Leptoptilus crumeniferus) 37 41
+MEREL (Turdus merula) 142 117
+MIDDELSTE ZAAGBEK (Merganser serrator) 19 27
+MOLUKKEN IJSVOGEL (Halcyon diops) 82 73
+MUISVOGEL (Colius macrurus) 77 67
+NANDOE (Rhea americana) 2 13
+NEUSHOORNVOGEL (Buceros rhinoceros) 80 73
+OELOE (Ketupa ceylonensis) 60 55
+OOIEVAAR (Ciconia ciconia) 36 36
+PAPEGAAIDUIKER (Fratercula arctica) 8 17
+PARADIJSVOGEL (Paradisea minor) 103 87
+PARADIJSWEDUWVOGEL (Steganura paradisea) 115 97
+PARELHOEN (Numida meleagris) 49 51
+PARKIETEN (Conurus cactorum) 66 57
+PATRIJS (Perdix perdix) 44 47
+PAUW (Pavo cristata) 46 47
+PEKING NACHTEGAAL (Leiothrix lutea) 134 113
+PELIKAAN (Pelecanus onocrotalus) 18 22
+ ,, ,, ,, Premieplaat 40
+PESTVOGEL (Ampelis garrulus) 97 84
+PITTA (Pitta cyanonota) 94 80
+PRIEELVOGEL (Amblyornis inornatus) 102 84
+RANSUIL (Asio otus) 61 57
+REPUBLIKEIN (Philetairus socius) 118 97
+ ,, ,, ,, Premieplaat 123
+RIETZANGER (Acrocephalus schoenobaenus) 138 113
+ROODSTAARTJE (Phoenicurus phoenicurus) 144 116
+ROTSDUIF (Columba livia) 52 51
+RIJSTVOGEL (Munia orizivora) 114 93
+SALANGAAN (Collocalia fuciphaga) 88 76
+ ,, ,, ,, Premieplaat 107
+SCHAARBEK (Rhynchops flavirostris) 14 22
+SCHARRELAAR (Coracias garrulus) 85 76
+SECRETARIS (Serpentarius serpentarius) 55 55
+SNEEUWUIL (Nyctea nyctea) 62 57
+SNIJDERVOGEL (Sutoria sutoria) 135 113
+ ,, ,, ,, Premieplaat 127
+SOEROESKOES (Trogon massena) 78 67
+SPOORKOEKOEK (Centropus) 70 61
+SPOTLIJSTER (Mimus polyglottus) 140 117
+SPREEUW (Sturnus vulgaris) 109 93
+STEENAREND (Aquila chrysaëtus) 57 55
+STEPPENHOEN (Syrrhaptes paradoxus) 40 41
+STRUISVOGEL (Struthio camelus) 1 13
+TANAGRA (Ramphocelus brasilius) 125 102
+TAPUIT (Saxicola oenanthe) 143 117
+TOEKAN (Rhamphastos ariel) 73 67
+TOERAKO (Turacus albocristatus) 69 61
+UILPAPEGAAI (Stringops habroptilus) 65 57
+VEELKLEURIGE LORI (Trichoglossus novæ hollandiæ) 63 57
+VISCHDIEFJE (Sterna fluviatilis) 13 22
+VUURWEVER (Pyromelana franciscana) 112 93
+WATERRAL (Rallus aquaticus) 29 32
+WATERSNIP (Gallinago gallinago) 28 32
+WEVERVOGEL (Ploceus abyssinicus) 111 93
+ ,, ,, ,, Premieplaat 121
+WIELEWAAL (Oriolus oriolus) 105 87
+WILDE EEND (Anas boscas) 20 27
+WINTERKONING (Anorthura troglodytes) 139 117
+WITBUIK ZEEAREND (Haliaetus leucogaster) 58 55
+WITKUIF LIJSTERGAAI (Garrulax leucolophus) 141 117
+WITTE KWIKSTAART (Motacilla alba) 126 102
+ZEBRAVINK (Taeniopygia castanotis) 113 93
+ZEEKOET (Uria troille) 7 17
+ZONNEVOGEL (Phaëton aethereus) 15 22
+ZUIDPOOL KIP (Chionis alba) 23 27
+ZWAAN (Cygnus olor) 22 27
+ZWARTGRAUWE VLIEGENVANGER (Muscicapa atricapilla) 96 80
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUKKEN.
+
+
+ LOOPVOGELS (Ratitæ) 9
+ KIELBORSTBEENIGEN (Carinatæ) 21
+ ZWEMVOGELS (Natatores) 21
+ STELTLOOPERS (Grallatores) 43
+ HUIDSNAVELIGEN (Cutinares) 65
+ FIBULATORES 89
+ BOOMVOGELS (Arboricolæ) 101
+
+
+
+
+
+
+
+
+LIJST DER ZWARTE AFBEELDINGEN.
+
+
+ Pag. 8. Bosjesman op struisvogeljacht.
+ ,, 9. Struisveer.
+ ,, 9. Krijgsman.
+ ,, 11. Plukken van struisveeren.
+ ,, 12. Z. Afrikaansche boer op struisvogeljacht.
+ ,, 14. Struisen in gezelschap van antilopen en zebra’s in
+ Afrikaansche steppe.
+ ,, 15. Patagoniërs op Nandoejacht.
+ ,, 16. Bolas.
+ ,, 18. Emu met jongen.
+ ,, 19. Vechtende kiwi’s.
+ ,, 20. Vliegende meeuwen.
+ ,, 21. Zwartkeelpinguïn (Pygoscelis adeliae) met jong.
+ ,, 21. Zwemmende keizerspinguïns.
+ ,, 23. Duikende zwartkeelpinguïns.
+ ,, 24. Keizerspinguïn met jong in huidplooi.
+ ,, 25. Vliegende papegaaiduikers.
+ ,, 26. Reuzenalk (Alca impennis).
+ ,, 29. Albatrossen.
+ ,, 30. Kokmeeuwen (Larus ridibundus) in stadsgracht.
+ ,, 31. Visschende schaarsnavels.
+ ,, 33. Vliegende zonnevogel.
+ ,, 37. Wilde eenden.
+ ,, 38. Neerstrijkende ganzen (Anser anser).
+ ,, 39. Vliegende zwanen.
+ ,, 42. Lepelaars met jongen.
+ ,, 44. Steltloopers in ’t wad.—Kluit, grutto (Limosa limosa),
+ Tureluur (Totanus totanus), goudplevier, bontbekplevier
+ (Aegialites hiaticula).
+ ,, 45. Roerdomp (Botaurus stellarus) in ’t riet.
+ ,, 46. Vechtende kemphanen (Pavoncella pugnac).
+ ,, 48. Kieviten.
+ ,, 49. Strandloopertjes.
+ ,, 50. Houtsnip (Scolopax rusticola).
+ ,, 52. Koeten.
+ ,, 53. Waterhoentjes.
+ ,, 54. Trekkende Kraanvogels.
+ ,, 56. Vliegende flamingo’s.
+ ,, 58. Reigerkolonie.
+ ,, 59. Vliegende ooievaars.
+ ,, 59. Ooievaarsnest.
+ ,, 60. Vliegende ooievaars.
+ ,, 60. ,, maraboes.
+ ,, 62. Reigers.
+ ,, 63. Vliegende ibissen.
+ ,, 64. Fazanten in de duinen.
+ ,, 66. Jagoear met tinamoe.
+ ,, 68. Hoenderhof.
+ ,, 69. Vliegende korhaan (Lyrurus tetrix).
+ ,, 69. ,, patrijzen.
+ ,, 70. Japansche phoenixhaan.
+ ,, 71. Paarlhoenders.
+ ,, 72. Auerhaan (Tetrao urogallus).
+ ,, 74. Duiven en duiventil.
+ ,, 77. Middeleeuwsche valkenjacht.
+ ,, 78. Gieren.
+ ,, 79. Condor.
+ ,, 81. Jachtvalken.
+ ,, 82. Klapeksterheuvel.
+ ,, 83. Valkenier met tophut en klapeksterheuveltjes.
+ ,, 85. Steenuil (Athene noctua).
+ ,, 86. Kerkuilen (Strix flammea).
+ ,, 88. Papegaaienlaan in Artis.
+ ,, 89. Ara’s met nest.
+ ,, 90. Grasparkieten (Melopoittacus undulatus).
+ ,, 91. Inka kakatoe (Lophochroa leadbeateri).
+ ,, 92. Vliegende papegaaien.
+ ,, 94. ,, toekans.
+ ,, 95. Toerako.
+ ,, 96. Honingwijzer.
+ ,, 98. Bonte specht (Dendrocopus major).
+ ,, 99. Muisvogels.
+ ,, 100. Papoea’s op paradijsvogeljacht.
+ ,, 101. Nestkastje.
+ ,, 103. IJsvogeltje (Alcedo ispida).
+ ,, 104. Idem.
+ ,, 105. Kolibri bloemen bestuivend.
+ ,, 108. Vlaggennachtzwaluw (Macrodipteryx longipennis).
+ ,, 109. Adelaarsnavel kolibri (Eutoxeres aquila).
+ ,, 111. Koningstyran (Onychorhynchus spec).
+ ,, 112. Koningsvogel een groote vogel aanvallend.
+ ,, 114. Oeverzwaluwen (Riparia riparia).
+ ,, 115. Zwaluwen op telegraafdraden.
+ ,, 118. Paradijsvogel.
+ ,, 119. Spreeuwenwolk.
+ ,, 120. Rijstvogels.
+ ,, 124. Distelvink.
+ ,, 125. Leeuwerik.
+ ,, 126. Zwartkopmees (Parus montanus salicarius) op kokosnoot.
+ ,, 128. Staartmeezen (Aegithalos caudatus europaeus) met nest.
+ ,, 129. Zingende spreeuw.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78761 ***