diff options
| author | www-data <www-data@mail.pglaf.org> | 2026-04-04 07:09:42 -0700 |
|---|---|---|
| committer | www-data <www-data@mail.pglaf.org> | 2026-04-04 07:09:42 -0700 |
| commit | 71cc2debba4f8ac44fa1d243f38dec200daa99d8 (patch) | |
| tree | 00ea8c0966a9886ee71602e0c92ed86c44eff3ee /78357-0.txt | |
Diffstat (limited to '78357-0.txt')
| -rw-r--r-- | 78357-0.txt | 2839 |
1 files changed, 2839 insertions, 0 deletions
diff --git a/78357-0.txt b/78357-0.txt new file mode 100644 index 0000000..682b07e --- /dev/null +++ b/78357-0.txt @@ -0,0 +1,2839 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78357 *** + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 44 HET BRILJANTEN HALSSNOER VAN FLORA PALMERSTON. + + + + + + + + +HET BRILLANTEN HALSSNOER VAN FLORA PALMERSTON. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EEN ZELDZAME ADVERTENTIE. + + +„Of er geldelijk voordeel aan verbonden is of niet, Charly, de +advertentie was zoo interessant dat ik er dadelijk werk van heb +gemaakt. Hier lees ze nog eens met alle aandacht, dan zul je moeten +toestemmen, dat zij juist voor mij iets bijzonder aantrekkelijks moest +hebben!” + +John Raffles, de Groote Onbekende, dien men overal zocht en nergens +vond, reikte het uitknipsel uit de krant, dat hij uit zijn portefeuille +had genomen, glimlachend over aan Charly Brand, met wien hij in een +voornaam Clubgebouw in Londen een kopje koffie gebruikte. + +„Inderdaad, die advertentie is ongewoon en verleidelijk,” antwoordde +Charly. „Ik kan mij niet herinneren, iets dergelijks ooit gepubliceerd +te hebben gezien.” + +Hij nam het stukje papier nog eens op en las met halfluide stem, zoodat +niemand in de omgeving hem kon verstaan, langzaam en met den klemtoon +op ieder woord: + + + „Wensch onmiddellijk in relatie te treden met energiek, handig + persoon, die genegen is om zoo spoedig mogelijk de behandeling op + zich te nemen van een moeilijke taak, waaraan waarschijnlijk + gevaren verbonden zullen zijn. + + Telegrafische aanbiedingen onder motto: Confidence Londen”. + + +Charly Brand vouwde het uitknipsel weer samen en gaf het Raffles terug. + +„Fine, very fine, Edward!” glimlachte hij. „Als voor jou geknipt. +Energie, handigheid—een moeilijke taak en gevaren... + +„Allright, het kon niet mooier! Maar ik moet je er nogmaals op attent +maken, dat er in de advertentie geen enkel woord gesproken wordt van +den Mammon, die de handige, energieke persoon zal verkrijgen, wanneer +hij koen en onversaagd zijn leven op het spel zet voor deze zaak.” + +„O, Charly, Charly!” zuchtte Raffles. „Je schijnt allen zin voor het +ideale verloren te hebben! Al je gedachten houden zich op het oogenblik +bezig met het materieele!” + +„En met recht, Edward! Als er geen geld meer in voorraad is, word ik +gewoonlijk zeer prozaïsch. + +„Ik ben verplicht, je er nogmaals op attent te maken, dat wij bijna +niets meer bezitten. Wij hebben nauwelijks nog twintig pond op de Bank +staan.” + +„Ah zoo, oude jongen, dat is wat anders!” lachte Raffles en hij opende +zijn étui om Charly een nieuwe sigaret aan te bieden. „Neem mij niet +kwalijk, oudje en stel je gerust. Wij zullen den man, die deze +vreemdsoortige advertentie in de „Evening News” heeft laten zetten, het +vel over de ooren halen! + +„Laat mij maar begaan. De paar shilling, die ik heb uitgegeven voor het +beantwoorden der offerte, zullen hopelijk een flinke rente opleveren.” + +Charly keek zijn vriend vol verbazing aan. + +„Heb je je inderdaad hiervoor aangeboden?” vroeg hij snel. + +„Natuurlijk, maar je begrijpt zeker wel, dat ik het niet onder mijn +waren naam deed.” + +„En kreeg je al antwoord?” + +„Zeker Charly, waarom zou ik niet? Daar de persoon, die hulp inriep, +veel haast scheen te hebben, telegrafeerde ik onmiddellijk, toen ik de +advertentie onder mijn oogen kreeg en ik heb het antwoord al in +ontvangst genomen op het telegraafkantoor, waar wij zooeven +voorbijkwamen en waarin je mij voor eenige minuten zaagt verdwijnen. + +„Het antwoord was, zooals ik het had gevraagd, poste restante daarheen +gezonden en ik behoef mij nu slechts naar het mij aangeduide +rendez-vous te begeven om voldoende te worden ingelicht wat betreft den +persoon in kwestie en dat, wat hij van plan is. + +„Laten wij ons op weg begeven, mijn jongen, het is bijna zes uur en op +dat uur moet ik mij in Kings Road bevinden, waar ik zeker met ongeduld +word verwacht.” + +Beide heeren stonden op en verlieten het lokaal, om op straat een +toevallig voorbijkomend huurrijtuig te nemen en weg te rijden in de +richting naar Kings Road. + +Op den hoek van Sloanestreet lieten zij halt houden. + +Daar bevond zich een Amerikaansche bar, waar Charly op de terugkomst +van den Grooten Onbekende zou wachten, die voorloopig alleen het +terrein wilde verkennen. + +Het kleine huis, dat op een villa geleek, en waarheen Raffles zijn +schreden richtte, lag in het midden van Kings Road. + +Het was het eigendom van een zekeren Lord Orvis, een bejaarde +boemelaar, die geen al te besten naam had en die stamde uit een +adellijke familie, welke in vroeger jaren tamelijk nauw verwant was +geweest met de Listers. + +Raffles wist, dat Lord Orvis een egoïst en een woesteling van de ergste +soort was en dat hij eenmaal een arme, beeldschoone nicht, die hem +oprecht liefhad, trouw had beloofd om haar daarna op laaghartige wijze +geluk en eer te ontnemen. + +Het arme meisje werd door haar familie verstooten en sleet sinds dien +tijd haar ongelukkig leven als gouvernante in een hoog adellijke +Londensche familie. + +Aan dit alles dacht Raffles, toen hij voor het vergulde hek stond, dat +de villa van Lord Orvis scheidde van de lange, smalle straat, waarin +het op dat oogenblik slechts matig druk was. + +De gedachte, dat het misschien Lord Orvis zou zijn, met wien hij te +doen kreeg, was hem daarom niet aangenaam. + +Raffles, die steeds zijn geestesgaven en de geldbronnen, welke hij +altijd weer opnieuw wist te doen vloeien, aanwendde voor het welzijn +van zijn minder bedeelde medemenschen en die daardoor veel zorg en +verdriet lenigde, was een verklaarde vijand van alle voorname +nietsdoeners, welke de geërfde en dikwijls niet eerlijk verkregen +rijkdommen hunner voorouders verbrasten en slechts aanwendden ter +bevrediging hunner eigen lusten en begeerten. + +Maar misschien was het niet eens de Lord, die „de moeilijke taak, +waaraan waarschijnlijk gevaren verbonden zouden zijn,” wilde laten +uitvoeren! + +Uit het telegram, dat hij terug ontvangen had, viel dienaangaande niets +met zekerheid te zeggen! + +Het kon evengoed ieder ander dan Lord Orvis zijn, die hem had +uitgenoodigd tot de samenkomst onder vier oogen in de villa. + +In gespannen verwachting drukte Raffles op het knopje der electrische +bel, om zijn bezoek aan te kondigen. + +Dit was hem duidelijk: het een of ander ongeoorloofde moest achter deze +zaak steken. Misschien wilde het toeval, dat hij nu een blik zou kunnen +slaan op de zeker niet al te reine particuliere aangelegenheden van den +Lord en dat hij een bedrogen, ongelukkig meisje zou kunnen wreken. + +„Mr. Mackenzie?” vroeg de oude bediende in rijke livrei, die het hek +opende. + +„Dat is mijn naam,” antwoordde Raffles. + +„Wees dan zoo goed mij te volgen!” + +De huisknecht ging den bezoeker voor door het kleine tuintje tusschen +het hek en de villa en geleidde hem door een donkere vestibule, langs +een breede trap met zware loopers naar de bovenverdieping. + +Een rijk gebeeldhouwde leuning, geheel in den stijl der zestiende eeuw, +begrensde de trap aan de eene zijde, terwijl aan den anderen kant het +oog werd bekoord door wandschilderingen, afgebroken door nissen met +beelden. + +Het inwendige der villa was grooter dan het smalle voorfront deed +vermoeden. + +Een zeer groote vleugel was naar achteren uitgebouwd, bijna tot aan +Trafalgar Square en daarvan slechts gescheiden door een heerlijk, niet +al te groot park. + +„Is Lord Orvis thuis?” vroeg Raffles, terwijl hij naast den bediende +een reeks weelderig ingerichte vertrekken doorliep. + +„No Sir,” antwoordde de oude man. „Zijn Lordschap is nog op reis naar +Parijs.” + +„Hij is het dus niet, die mij wenscht te spreken?” + +„Wel neen, Lady Flora verwacht u.” + +„Vermoedelijk de echtgenoote van den Lord?” + +De bediende glimlachte. + +Hij bleef het antwoord schuldig. + +Zij hadden juist het einddoel van hun wandeling bereikt. + +Met een buiging voor Raffles een deur openend, verzocht de bediende hem +binnen te treden en plaats te nemen, waarop hij zelf door een andere +deur verdween. + +Onmiddellijk daarna werd deze weer geopend en een niet meer piepjonge, +maar nog altijd bekoorlijke en schoone brunette ruischte de kamer +binnen. + +De welriekende japon scheen er voor gemaakt om haar al te weelderige +vormen meer te doen vermoeden dan ze te verbergen. + +„Heb dank voor uw komst, Mr. Mackenzie!” sprak zij met een lachje tot +den elegant gekleeden heer, die van zijn stoel opstond en niet al te +eerbiedig voor haar boog. + +Met een onderzoekenden blik en zichtbaar welgevallen nam zij hem van +het hoofd tot de voeten op. + +„Het verheugt mij bijzonder, dat een heer, die blijkbaar tot de beste +kringen behoort en niet een detective van beroep, zich te mijner +beschikking wil stellen.” + +„Wees geheel onbezorgd, mevrouw, ik ben een zeer ongevaarlijk +particulier persoon,” antwoordde Raffles en het voorbeeld van Lady +Flora volgend, die in een fauteuil plaats nam, ging ook hij weer +zitten. + +„Ik heb niets, absoluut niets met de politie te maken. Het is niets dan +een soort van sport, een eigenaardige liefhebberij om zoo te zeggen, +dat ik mij aanbied om de een of andere taak op mij te nemen, die, naar +ik vermoed, betrekking heeft op een misdaad?” + +„Zeer juist, mijnheer, het handelt hier om een diefstal, om de +ontvreemding van een kostbaar sieraad, dat ik liefst zoo spoedig +mogelijk weer in mijn bezit zou willen krijgen door de hulp van een +energiek persoon.” + +„Gij hebt gelijk, Lady Orvis, en juist voor een dergelijke zaak ben ik +bijzonder geschikt. Wilt u mij een beetje nauwkeuriger inlichten, opdat +ik zoo snel mogelijk een punt van uitgang heb?” + +„Zeer gaarne, Sir, maar—” de dame wierp Raffles bij deze woorden een +betooverenden blik toe—„wilt gij mij, als ’t u blieft, niet met Lady +aanspreken? Ik ben niet, zooals gij schijnt te vermoeden, de +echtgenoote van zijn Lordschap, maar reeds jarenlang diens +hartsvriendin. + +„Maar daarom ben ik niet minder bezorgd, om hem elke ergernis en elke +opwinding te sparen.” + +„Dus de mededeeling van dezen diefstal zou zijn Lordschap vermoedelijk +veel ergernis geven?” + +„Ongetwijfeld, Mr. Mackenzie,” verzekerde de dame, naar het scheen zeer +angstig. + +„Het kleinood, dat men mij ontstolen heeft, is een overoud erfstuk der +familie Orvis en ik ben er van overtuigd, dat de Lord ontroostbaar zou +zijn, als hij vernam, dat het niet meer in mijn bezit is. + +„Flora,” sprak hij tot mij, toen hij eenige dagen geleden afscheid van +mij nam, om met een vriend van hem een plezierreis te ondernemen. +„Flora, een ding moet ik je nog op het hart drukken, zorg vooral goed +voor het brillanten collier! Bewaak het als je oogappel! Je weet, +hoeveel waarde ik er aan hecht. + +„Afgezien nog van het feit, dat ik nooit weer in staat zal zijn, je een +dergelijk kostbaar sieraad ten geschenke te geven, is het ook als oud +familiestuk niet door iets anders te vervangen en bovendien door de +prachtige, bijzonder groote diamanten van onberekenbare waarde. + +„Stel u dus mijn schrik voor, toen ik hedenmorgen tot de ontdekking +kwam, dat het uit mijn juweelkistje verdwenen was!” + +„Verdenkt gij misschien den een of anderen persoon met den diefstal van +dit collier te maken te hebben?” vroeg Raffles met de grootste kalmte, +terwijl hij met scherpen blik het gelaat van Flora bekeek, dat hem +merkwaardig bekend voorkwam. + +„O ja, Sir,” antwoordde deze. „Sinds gisternacht verdenk ik iemand en +wel een heer, die mij gedurende de afwezigheid van den Lord voortdurend +lastig viel onder voorwendsel een oud vriend van den Lord te zijn en +die mij zelfs hier in mijn woning meermalen bezocht. + +„En verder,” vervolgde de maîtresse van den Lord plotseling op +levendigen toon, toen zij bij haar laatste woorden een spottend lachje +op het gelaat van Raffles waarnam, „zou ik u deze bekentenis niet doen, +als gij mij niet zooeven, toen ik u zag binnenkomen, bekend hadt +geschenen.” + +„Hoe bedoelt gij dat?” riep Raffles verbaasd uit. + +„Inderdaad,” vervolgde Flora, „ik ben het toeval dankbaar, dat mij +juist u als bondgenoot toezendt. Ontken het niet, Sir, ik had reeds +jaren geleden het voorrecht u te leeren kennen op een buitenpartij bij +Lord Hastings te Epping! + +„Gij hebt u heden aan mij voorgesteld onder een valschen naam. + +„Ik kan mij helaas uw waren naam op het oogenblik niet herinneren, maar +ik weet, dat hij tot de edelste en voornaamste van den oud-Engelschen +adel behoorde en dat ik tegenover een gentleman sta, die discreet is!” + +Raffles boog toestemmend. + +„Laat mijn naam er buiten,” verzocht hij glimlachend. „Laat het u +voldoende zijn, dat Mr. Mackenzie zich bereid verklaarde om u te +helpen. + +„Gij hebt gelijk, Miss Flora, ik ben een edelman en zal dus nimmer de +geheimen van dames, die mij haar vertrouwen schonken, verraden. + +„Maar gij vergist u zeer beslist, wanneer gij meent, mij reeds eerder +gezien te hebben. Lord Hastings is niet eens een goede kennis of vriend +van mij. + +„Ik verzoek u, Miss,” vervolgde hij op dringenden toon, toen hij +merkte, dat Flora zich niet liet overtuigen en bij haar meening bleef, +„laat ons bij de zaak blijven, vertel mij verder van den heer, die zich +voorstelde als een vriend uit de jeugd van Lord Orvis, vertel mij +waarom gij sinds gisternacht juist hem verdenkt.” + +„Ik hoop, dat gij mij gelijk zult geven, als gij zoo vriendelijk zijt +geweest om mij te volgen naar de vertrekken, die speciaal zijn +ingericht voor mij en mijn kamenier Miss Price, die op het oogenblik +niet thuis is,” antwoordde de geliefde van den Lord. + +Daarop opende zij de deur, waardoor zij zooeven de kamer was +binnengekomen. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN ONVERWACHTE ONTDEKKING. + + +Zij kwamen in een gang. + +Ongeveer in het midden daarvan bleef Miss Flora voor een deur aan haar +rechterhand staan. + +„Wij staan hier voor den ingang naar de drie vertrekken, welke mij en +Miss Price tot slaap- en kleedkamer dienen; in een hiervan is +gisternacht een diefstal gepleegd,” sprak zij tot Raffles. + +„Laat ons binnengaan en de kamers eens in oogenschouw nemen. + +„Gij zult dan merken, hoe ik aan mijn achterdocht kom en zelf een +oordeel kunnen vormen. + +„Om voor elke verrassing veilig te zijn, zal ik dadelijk weer achter +ons sluiten.” + +Bij die woorden draaide zij den sleutel, die van binnen in het slot +stak, om en trad nu met Raffles de kamer binnen, die zij vol trots haar +„Oostersche kamer” noemde. + +Van hieruit kon men naar links en rechts in twee andere vertrekken +komen. + +Een daarvan, en wel dat aan den rechterkant, was het boudoir en +slaapvertrek van Miss Flora, het andere dat van haar kamenier. + +Flora liet Raffles zich het eerst oriënteeren in de middenkamer. + +„Ziet gij, Mr. Mackenzie,” sprak zij tot hem, „de gangdeur in deze +tusschenkamer wordt des nachts door mij altijd van binnen gesloten, de +schuifdeur naar het boudoir daarentegen blijft gewoonlijk wijd +openstaan. + +„Ook in den afgeloopen nacht was dit het geval. + +„Daar mijn bed, zooals gij ziet, vlak tegenover die deur staat, kan ik +bij het ontwaken in de Oostersche kamer en naar de deur kijken, welke +toegang geeft tot het slaapvertrek van Miss Price.” + +„Zeer juist,” antwoordde Raffles, die slechts half luisterde, daar hij, +terwijl Flora sprak, bijzonder aandachtig keek naar den muur, waarin +zich de gangdeur bevond, en waar een door draperieën bedekte nis +onmiddellijk zijn attentie had getrokken. + +„Gij sliept dus gisternacht in uw boudoir?” + +„Ja, en zooals altijd, was het daar ook toen volmaakt donker. +Daarentegen brandde, zooals dat de gewoonte is, in de tusschenkamer, +die, zooals gij ziet, mijn boudoir van de kamer van de kamenier +scheidt, een lamp. + +„De lamp stond op zij, hier op deze tafel.” + +Flora wees naar het elegante, sierlijk bewerkte meubelstuk, dat niet +ver van de boudoirdeur tegen den muur der tusschenkamer stond. + +„Ik kon dus vanuit mijn bed wel het verlichte vertrek, maar niet de +lamp zelf zien.” + +„Dat spreekt vanzelf,” sprak Raffles, die nu beter luisterde. + +„Vertel verder, Miss, ik ben zeer nieuwsgierig.” + +„Het zal ongeveer middernacht zijn geweest,” begon Flora opnieuw, „toen +ik plotseling uit een benauwden droom ontwaakte. + +„Onwillekeurig richtte ik mij in mijn bed op en wendde mijn blik naar +den parketvloer van de Oostersche kamer, die helder verlicht werd door +de lamp. + +„Daar plotseling,”—Miss Flora, die in steeds grootere opgewondenheid +sprak, greep in haar enthousiasme de hand van Raffles en drukte die +krampachtig tusschen haar kleine vingers—„daar schrok ik plotseling +geweldig. + +„Ik wilde schreeuwen, ik wilde naar de bel boven mijn kussen grijpen om +Miss Price te roepen, maar ik was als verlamd door ontzetting. + +„Verbeeld u, Mr. Mackenzie, er was iemand in de Oostersche kamer! + +„Ik kon den man zelf niet zien. Maar zijn schaduw, de scherp +afgeteekende omtrekken van een wijden mantel, zooals graaf Melrose er +gewoonlijk een droeg, zag ik onbewegelijk, maar scherp en duidelijk +voor mij. + +„Het angstzweet stond mij op het voorhoofd. + +„Mijn hart klopte snel en hoorbaar. + +„Half opgericht, staarde ik naar het donkere, dreigende en +onbewegelijke schaduwbeeld. + +„Zoo zat ik geruimen tijd met bevende ledematen, totdat alles om mij +heen begon te draaien en ik bewusteloos achterover zonk. + +„Toen ik ontwaakte, was de schaduw verdwenen. + +„Ik belde en Miss Price verscheen. + +„„Heb je niets gehoord?” vroeg ik gejaagd. „Er was iemand in de +Oostersche kamer.” + +„Verschrikt snelde het meisje, dat nog slaapdronken was, naar de +aangrenzende kamer. + +„„Onmogelijk,” antwoordde zij, „de sleutel steekt aan den binnenkant in +het slot.” + +„Aangegrepen door een angstig voorgevoel, sprong ik mijn bed uit en +snelde naar het kastje aan den muur, dat ik altijd gesloten houd en wie +beschrijft mijn ontzetting, toen ik zag dat uit het juweelenkistje dat +daarin stond, het kostbare diamanten collier gestolen was!” + +De geliefde van den Lord had, terwijl zij sprak, Raffles met zich naar +het boudoir getrokken en nu stonden zij beiden voor het kastje naast +het bed. + +Raffles onderzocht het nauwkeurig. + +„Uw schatkamertje is, zooals ik zie, weer gesloten,” sprak hij. „Als ik +een politie-beambte of detective was, zou ik u daarvoor ernstig moeten +berispen. + +„Men moet voorwerpen, waaraan misdadigers zich hebben vergrepen, +zooveel mogelijk in denzelfden toestand laten, waarin men ze vond, om +een onderzoek gemakkelijker te maken!” + +„Dat is best mogelijk, maar in mijn angst sloot ik het kastje dadelijk +weer en legde, zooals gij ziet, zelfs deze ijzeren stang ervoor, opdat +mij tenminste het andere sieraad dat naast het brillanten halssnoer in +het juweelenkistje lag, niet ontstolen kon worden.” + +„Hoe?” riep Raffles vol verbazing uit, „dit tweede sieraad heeft de +nachtelijke inbreker, in wien ook ik den graaf vermoed, onaangeroerd +gelaten?” + +„Ja, zoo is het,” antwoordde Miss Flora, terwijl tranen in haar oogen +kwamen. + +„Het was hem waarschijnlijk niet de moeite waard, een nagemaakt stuk te +rooven.” + +„Namaak?” vroeg Raffles vol bevreemding, „wilt gij u wat duidelijker +uitdrukken?” + +„Het is een nabootsing van het gestolen sieraad,” verklaarde de miss +opgewonden. „De schurkachtige graaf vond het, hoewel het een kunstwerk +op zichzelf is, blijkbaar beneden zijn waardigheid om het mee te nemen. + +„De echte paarlen en brillanten van het halssnoer zijn hem zeker +voldoende. Deze vertegenwoordigen, volgens opgaaf van den Lord, een +waarde van minstens 500 pond sterling.” + +„Drommels, dat is een aardig stuivertje!” riep Raffles uit. „Ik ben +zeer nieuwsgierig, het nagebootste halssnoer te zien. + +„Werkelijk, Miss Flora, wanneer ik u het collier ter waarde van 500 +pond terug zal bezorgen, moet ik eerst weten, hoe het er heeft +uitgezien.” + +„Zeker, Mr. Mackenzie en daarom zal ik gaarne uw verzoek inwilligen.” + +Zij opende bij die woorden het slot der ijzeren stang en dat van het +kastje, waarna zij met bevende handen naar het juweelkistje greep, dat +op de onderste der beide planken stond. + +Toen zij dit er uit had genomen en op de tafel gezet, die helder werd +verlicht door de middagzon, zag Raffles bij den eersten blik, dat +alleen een geslepen knaap, die het handwerk verstond, dit zaakje in +handen gehad kon hebben. + +Het juweelenkistje, dat van voren nog gesloten was, was namelijk door +den dief geopend door op geslepen manier de stift uit de scharnieren te +schuiven. + +Hoe interessant deze waarneming ook voor Raffles was, op dit oogenblik +stelde hij nog meer belang in het similie-collier in het kistje. + +Hij tilde dus haastig het deksel op en, toen het bijzonder kunstig +nagebootste halssnoer op het donkerblauw zijden kussen voor hem lag, +uitte hij bijna een kreet van verrassing. + +Onmiddellijk had hij gezien, dat de dief zich in zijn haast had +vergist, dat dit collier echt was en dat Miss Flora zich zonder twijfel +schromelijk vergiste, wanneer zij dit voor imitatie hield! + +En nog van iets anders was hij bliksemsnel overtuigd geworden, en die +overtuiging riep hem plotseling zijn jeugd weer voor den geest: + +Dit halssnoer, dat daar voor hem lag, behoorde niet, zoo als Lord Orvis +zijn geliefde had verteld, tot de familiestukken zijner voorvaderen, +maar tot die der familie Lister! + +Ja, ongetwijfeld! Dit was het heiligdom, dat eeuwenlang door de Listers +was bewaard als dierbaar aandenken aan een edele, reeds lang gestorven +stammoeder van vorstelijke bloede! + +Het had hun toebehoord tot aan den noodlottigen dag, waarop de +schurkachtige Londensche beursspeculant, die de ouders van Lord Edward +Lister hun geheele fortuin afhandig maakte, zich ook dit heerlijke +brillanten halssnoer toeëigende! + +Van dezen bedrieger had ongetwijfeld een lid van de familie Orvis, die +waarschijnlijk tot de intieme vrienden van den Londenschen beursschurk +behoorde, het op de een of andere manier verkregen. + +Niet eenmaal, maar bij verschillende feestelijke gelegenheden had de +moeder van Lord Edward het kleinood van onschatbare waarde gedragen; de +sprookjesachtige glans der kostbare paarlen en diamanten had in dien +tijd een onuitwischbaren indruk gemaakt op den knaap. + +En nu lag het daar voor hem in zijn volle, schitterende pracht—het +dierbare souvenir aan zijn gelukkige kinderjaren, aan zijn teerbeminde +moeder! + +Weemoed en ontroering vulden het hart van Lord Lister en hij had al +zijn bovennatuurlijke, door jarenlange oefening verkregen +zelfbeheersching noodig om de gevoelens niet te verraden, die hem +bestormden. + +Het gelukte hem inderdaad, aan zijn gelaat slechts een uitdrukking van +verbazing en bewondering te geven. + +Geen enkele trek op zijn fijnbesneden gelaat deed vermoeden, wat er in +hem omging en dat hij de vergissing van Miss Flora onmiddellijk had +opgemerkt. + +„Inderdaad, een prachtige nabootsing,” sprak hij, terwijl hij het +halssnoer uit het kistje nam en de steenen, die met bijzondere kunst +waren geslepen, nauwkeurig bekeek. + +„Hoe mooi moet het echte collier zijn! Indeed, een zwaar verlies, wat +gij en de Lord hierdoor hebt geleden, Miss Flora! + +„Die graaf Melrose moet een zeer geslepen schurk zijn! + +„Anders zou hij zich niet hebben vergrepen aan een voorwerp, waarvan +het spoor zoo gemakkelijk te volgen is. Ik begin mij ernstig ongerust +te maken omtrent het verdere lot van het gestolen halssnoer!” + +„En waarom, Mr. Mackenzie?” vroeg Flora angstig. + +„Omdat ik honderd tegen een zou durven wedden, dat Melrose alles in het +werk zal stellen, om de paarlen en diamanten van het collier weer van +de hand te doen. + +„Gij zult het collier misschien nooit in zijn eigen vorm terugzien! + +„Hier moet zoo snel mogelijk gehandeld worden om den brutalen schurk te +pakken te krijgen en hem te beletten de steenen los te breken en te +verkoopen. + +„Ik moet onmiddellijk zijn spoor volgen. + +„Opdat ik dit echter met eenige kans op succes kan doen, is het niet +alleen noodig, dat ik dit onechte sieraad voorloopig in mijn bezit +neem, maar moet ik ook omtrent de persoonlijkheid en de betrekkingen +van den zoogenaamden graaf Melrose iets meer van u vernemen dan hetgeen +gij mij tot dusverre hebt meegedeeld.” + +Zonder te letten op het ontstelde gelaat van Miss Flora, die zeer +verschrikt scheen, toen hij het étui met het collier er in in den +borstzak van zijn smoking wegborg, alsof dit van zelf sprak, verliet +Raffles het boudoir, nam plaats op den divan in de Oostersche kamer en +verzocht de beminde van den Lord eveneens plaats te nemen. + +„Zoo,” sprak hij, „hier kunnen wij eens praten. Vertel mij nu +openhartig en onbeschroomd alles wat gij omtrent Melrose weet en ook, +hoe gij aan de wonderschoone nabootsing van het collier zijt gekomen. + +„Dit laatste wilde ik vooral gaarne eerst weten! + +„Maar voor alles: wonen de juweliers, die de imitatie hebben +vervaardigd, hier in Londen?” + +„Ja, zeker!” + +„En hun naam?” + +„Peperling en Glanmore, Leadenhallstreet.” + +Een ironisch lachje gleed over het gelaat van Raffles. + +Snel vroeg hij verder: + +„En om welke reden, mijn waarde Miss, werd er een duplicaat gemaakt van +het prachtige kleinood?” + +„Dat is in weinig woorden gezegd,” antwoordde Flora. „Mijn vriend, Lord +Orvis, had mij een beetje krap gehouden in den laatsten tijd—ik had +dringend geld noodig, veel geld voor mijn nieuwe toiletten,—en daar hij +op reis was, moest ik mij zelf helpen. + +„Daarom beleende ik—op aanraden van den graaf, die onmiddellijk na het +vertrek van den Lord zijn eerste visite bij mij maakte—het echte +sieraad om daarop een zekere som,—driehonderd pond—te leenen. + +„Tegelijkertijd liet ik mij bij de firma Peperling en Glanmore een +getrouw namaaksel vervaardigen van het collier. + +„Het was immers altijd mogelijk, dat Orvis eerder terugkwam dan ik +dacht. + +„Met het similie-sieraad kon ik hem zoolang bedriegen, totdat ik in +staat zou zijn, het echte halssieraad terug te halen.” + +„Ik begrijp u”, glimlachte Raffles. „Het was misschien wel een beetje +onvoorzichtig van u, Miss Flora, om Melrose het halssnoer te laten +zien.” + +„Hij kwam mij geheel onverwacht bezoeken, toen ik er mij reeds mee had +getooid om naar de opera te gaan”, antwoordde Flora. „Hij was er +natuurlijk dadelijk verrukt over en prees zijn ouden vriend Orvis vol +geestdrift, omdat deze als een echt gentleman zijn uitverkorene zulk +een kostbaar geschenk had gegeven.” + +„Ried Melrose u, het halssnoer juist bij Peperling en Glanmore te +beleenen en om ook bij die firma de imitatie te bestellen?” + +„Wel, Mr. Mackenzie, hij beval mij deze firma aan als een van de +soliedste en betrouwbaarste van geheel Londen. „Daar ik u helaas op het +oogenblik zelf niet uit de verlegenheid kan helpen,” sprak hij, „wil ik +u ten minste een juweliersfirma aan de hand doen, die solide is en die +in elk geval discreet zal blijven.” En ik werd niet teleurgesteld, want +de firma bediende mij correct en snel.” + +Raffles glimlachte. + +„Onder deze omstandigheden hebt gij u dus zeer verplicht gevoeld +tegenover Mr. Melrose?” vroeg hij eenigszins spottend. + +„Ik kan het niet ontkennen”, antwoordde Flora blozend. „Niet alleen om +zijn goeden raad. Ik was hem ook dankbaar, dat hij mij gedurende eenige +weken hielp de gruwelijke verveling te verdrijven, die ik natuurlijk +moest ondervinden in de afwezigheid van den Lord.” + +„Zeer begrijpelijk. En later verloor mijnheer de graaf uw sympathie.” + +„Ja, Mr. Mackenzie. Ik begon hem langzamerhand te wantrouwen en had +vooral in den laatsten tijd het gevoel, dat hij mij, misschien op +verzoek van den Lord, die zeer jaloersch en wantrouwend is, in stilte +gadesloeg en tot dat doel zelfs des nachts om ons huis zwierf. + +„Maar ik was zeer ontsteld, toen hij verleden Donderdag op hetzelfde +oogenblik, waarop ik, nadat ik een groote som geld van den Lord had +ontvangen, het diamanten halssnoer had ingelost, tegelijkertijd met mij +voor den winkel van Peperling en Glanmore stond, welke ontmoeting, naar +hij zeide, geheel toevallig was.” + +„Toen ging hij natuurlijk met u meer naar huis?” + +„Ja, hij ging mee. Hij liet zich niet afschepen. + +„Onder voorwendsel, dat hij bij zijn laatste bezoek in mijn woning een +kostbaren stok had vergeten, volgde hij mij, zonder eerst een +uitnoodiging af te wachten en noodigde zichzelf uit om te blijven.” + +Raffles lachte luidkeels. + +„Dat is werkelijk kostelijk”, sprak hij op vroolijken toon, „mijnheer +de graaf was er nu natuurlijk ook getuige van, toen gij het halssnoer +in het muurkastje wegsloot en bij het nagemaakte legdet?” + +„Ook dit kan ik helaas niet ontkennen”, antwoordde Miss Flora verlegen. +„Ik hield hem immers toen nog niet voor een dief en inbreker. Bovendien +verklaarde hij dienzelfden avond, Londen misschien voor jaren te moeten +verlaten en terug te moeten keeren naar Amerika, zijn vaderland. + +„Hij nam dan ook reeds korten tijd daarna afscheid van mij, de +hartelijkste groeten achterlatende voor zijn ouden vriend Orvis.” + +„En gij geloofdet werkelijk, dat deze man, tegen wien gij reeds een +zeker wantrouwen koesterdet, zijn woord zou houden en werkelijk op reis +gaan?” vroeg Raffles spottend. + +„Zoo is het, Mr. Mackenzie. Ik was ervan overtuigd.” + +„Hm, dan verbaast het mij inderdaad zeer, dat gij gisternacht +onmiddellijk aan hem dacht, toen gij plotseling de spookachtige schaduw +op den parketvloer van deze Oostersche kamer zaagt vallen.” + +„Ik weet zelf niet, hoe ik daartoe kwam, Mr. Mackenzie”, antwoordde +Flora op zachten toon. „De omtrek van den mantel was het in elk geval +niet alleen, wat mij dadelijk aan Melrose deed denken. + +„Het was eigenlijk meer een instinctief gevoel, dat in mij opkwam en +dat mij de gedachte ingaf: Deze graaf Melrose is geen vroegere vriend +van den Lord en evenmin een detective, wien de Lord heeft verzocht, je +te bespionneeren. Hij is echter een gemeene gauwdief en misdadiger!” + +„Zeer juist! Dergelijke vermoedens bedriegen ons zelden”, antwoordde +Raffles met een glimlachje. „Maar nietwaar, Mylady, nu wilt gij mij wel +zoo’n beetje de geheele persoonlijkheid schilderen van den graaf, die +des nachts in de huizen zijner oude vrienden rondsluipt om hen op zoo +gemeene en sluwe wijze te bestelen? + +„Hoe ziet de kerel er eigenlijk uit? + +„Is hij, wanneer hij overdag als een levend wezen van vleesch en bloed +te midden zijner medemenschen rondwandelt, groot of klein? Bruin of +blond? Of heeft hij misschien rood haar? + +„En dan, waar woonde hij hier in Londen?” + +Raffles kreeg echter geen antwoord op al deze vragen. + +Hij had nauwelijks uitgesproken of Miss Flora greep hem in de grootste +opgewondenheid bij den arm en fluisterde bevend: + +„Om Godswil, zwijg, Sir? Als ik mij niet vergis, hoorde ik daar juist +de stem van Melrose in den corridor!” + +Raffles stond bliksemsnel op. + +„Werkelijk?” en hij wreef zich vergenoegd in de handen. „Hm, dat kan +niet beter treffen! Nu zal ik dien heer dus zoo meteen persoonlijk +leeren kennen! Maar neen, neen!” sprak hij nadenkend. „Voorloopig zal +en mag hij nog niets van mij weten! + +„Good bye voorloopig, Mylady! Ik verdwijn! Ik zal mij snel verbergen +achter die prachtige gordijnen bij de deur naar de gang. + +„Daar zal ik gemakkelijk kunnen hooren, wat mijnheer de graaf u te +zeggen heeft. + +„Niet bang zijn, Miss Flora! zoo vriendelijk en onbevangen mogelijk!” + +Reeds in het volgende oogenblik, voordat er aan de deur werd geklopt, +had Raffles zich behendig in de nis verborgen, die reeds eerder zijn +aandacht had getrokken, omdat daarin een meesterlijk uitgevoerd beeld +van de Venus Anadyomene was aangebracht, welke nieuwsgierig tusschen de +draperieën, die voor de nis hingen, doorkeek. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +EEN HANDLANGER DER POLITIE IN ANGST EN VERLEGENHEID. + + +Eenige oogenblikken daarna overschreed een opvallend magere heer, die +fatterig was gekleed en wiens gelaatstrekken een hatelijke, loerende +uitdrukking hadden, den drempel van de Oostersche kamer. + +De groote onbekende, die onmiddellijk de draperieën der nis dicht had +geschoven, zoodat hij geheel daarachter verborgen was, had zich bijna +verraden door een kreet van verbazing bij het zien van den bezoeker. + +Als hij zich niet heel erg vergiste, was deze niemand anders dan een +van die misdadigers, die door de politie der groote steden worden +gebruikt om tegen een karige belooning spionnendiensten te verrichten +onder hun vroegere collega’s en die daarom er altijd op uit zijn, hun +inkomsten te vermeerderen door hun vroeger beroep uit te oefenen. + +Hij herinnerde zich onmiddellijk, den „graaf” meermalen te hebben +gezien in gezelschap van de Vloo, den alom gevreesden detective en +particuliere secretaris van Mr. Baxter. + +Zijn vermoeden, dat alleen hij de dief kon zijn geweest, werd nog +sterker bij het zien van den persoon. + +„Als die kerel niet een gemeene handlanger van de politie en een +werktuig is van mijn vriend Baxter van Scotland Yard”, dacht hij bij +zichzelf, „laat ik mij ophangen! Deze schurk, in wien men met een +enkelen oogopslag den vroegeren misdadiger herkent, speelt een zeer +gevaarlijke dubbele rol. + +„Ik zou er een eed op durven doen, dat hij in dienst is van den +politie-inspecteur Baxter, en de opdracht heeft, de helersfirma +Peperling en Glanmore in het oog te houden, terwijl hij tevens door +diezelfde firma is aangenomen of er zich misschien zelf voor heeft +aangeboden, om het kostbare diamanten halssnoer, dat, God zij dank, +tijdig in mijn bezit kwam, tegen een zekere belooning van de schoone +Flora te stelen en weer in handen te brengen van deze juweliersfirma. + +„Ik ben werkelijk zeer benieuwd, wat deze stommeling, die ondanks zijn +handigheid als inbreker geen brillanten van glas kan onderscheiden, zal +doen om Flora het echte collier afhandig te maken, dat hij per abuis +gisternacht in het muurkastje heeft laten liggen.” + + - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - + +Intusschen had de schoone minnares van den Lord den graaf uitgenoodigd, +naast haar op den divan plaats te nemen. + +„Gij verstaat de kunst om iemand te verrassen, waarde vriend,” sprak +zij tot hem met haar liefsten glimlach. + +„Voor een paar dagen naamt gij plechtig afscheid voor jaren en nu reeds +weer uw aangenaam bezoek! + +„Hebt gij misschien op uw overvaart naar Amerika schipbreuk geleden? Of +was uw verlangen naar Kings Road zoo sterk?” + +„Het spijt mij inderdaad zeer, niet eveneens op schertsenden toon te +kunnen antwoorden,” antwoordde de graaf met een doodbiddersgezicht. + +„De reden, waarom gij mij hier ziet, is helaas een andere dan gij +vermoedt.” + +„Gij doet mij schrikken, graaf!” antwoordde Miss Flora, terwijl zij +haar blik vol verwachting op den bezoeker richtte, „dat klinkt, alsof +gij mij een slechte tijding bracht!” + +„Dat is inderdaad het geval! Ik was het Kanaal nog niet gepasseerd, +toen ik tot mijn niet geringe verbazing gistermiddag op zee door een +marconigram onmiddellijk naar Londen werd teruggeroepen. + +„Ik gaf dadelijk gehoor aan dezen oproep en liet mij ter hoogte van +Brighton aan land zetten, om zoo snel mogelijk hierheen te reizen. + +„De naam van den afzender van het telegram had mij namelijk het +vermoeden doen opvatten, dat mijn terugkomst misschien in verband stond +met u, Mylady!” + +„Met mij?” riep het meisje met onverholen verbazing uit. + +„Ja,” vervolgde de graaf, een doordringenden blik werpend op zijn +schoone buurvrouw, „de afzender van het telegram was de heer Dan +Peperling, de vertegenwoordiger van de firma Peperling en Glanmore in +de Leadenhall Street.” + +„Wat heb ik nog met die firma te maken!” riep Flora vol verbazing uit, +terwijl zij haar blik niet neersloeg voor dien van den graaf. + +„Nadat ik Donderdag het mij beleende bedrag met woekerrente heb +terugbetaald aan Peperling en Glanmore, heb ik niets meer te maken met +die firma.” + +„Dit zoudt gij met het volste recht kunnen beweren, mylady, als uw +terugbetaling geheel correct was geweest.” + +De graaf haalde de schouders op en vervolgde: + +„Maar dit was, helaas, het geval niet!” + +„Wat wilt gij met die voor mij raadselachtige woorden zeggen?” riep +Flora toornig uit. „Beteekent dat misschien, dat ik de van mij +terugverlangde som niet in haar geheel heb betaald?” + +„O neen, mylady,” glimlachte de graaf geheimzinnig, terwijl hij van den +divan opstond, „gij hebt het bedrag wel terugbetaald, maar het +papiergeld, waarmee gij het verschuldigde hebt voldaan, was, volgens +herhaalde verklaring van den heer Peperling, valsch!” + +„Wat? Zou ik met valsch geld hebben betaald?” riep Flora woedend tot +den mageren Mephisto, wiens gelaat weer tot een duivelschen grijns was +verwrongen. + +„Weet gij wel, dat gij daar een zware beleediging uitspreekt tegen mij +en tegen Lord Orvis, die volgens uw herhaalde verzekeringen immers de +beste vriend uit uw jeugd is. + +„De banknoten waren van hem afkomstig. Hij heeft ze mij per +aangeteekenden brief Woensdag uit Biarritz toegezonden. + +„Maak u toch niet belachelijk, graaf! Hoe kunt gij u dergelijke nonsens +door Mr. Peperling laten wijsmaken en er ook slechts een oogenblik aan +gelooven? + +„En bovendien, waarom treedt juist gij op als advocaat voor dien heer?” + +„Hebt gij dan vergeten, Mylady, dat ik het was, die u met hem in kennis +bracht en de beleening voor u in orde bracht?” antwoordde de graaf +boosaardig. + +„Ik moet u eerlijk bekennen, Flora, dat deze geschiedenis met de +banknoten mij zeer, zeer onaangenaam is. + +„Ik ben in zekeren zin bij de firma Peperling en Glanmore borg gebleven +voor u en nu betaalt gij op deze manier! + +„Weet gij, wat Peperling beweert? + +„Hij zweert bij hoog en laag, dat de bankbiljetten, die gij hem hebt +gegeven, niet meer of minder zijn dan—gestolen bankbiljetten, waarvan +de nummers bekend zijn. + +„Orvis heeft ze misschien tegen een tiende van de werkelijke waarde van +den een of anderen schurk gekregen. + +„Het is ook mogelijk, dat hij er zelf in geloopen is, maar in geen +geval heeft Peperling lust die witte en grijze stukjes papier als +waardevol te erkennen en aan te nemen.” + +„En alleen om mij dit mee te deelen, zijt gij teruggekomen?” vroeg +Flora verontwaardigd. + +„Neen, niet alleen daarom. Men heeft mij ook opgedragen, u een +schikking voor te stellen met de firma Peperling en Glanmore. Luister: + +„De heer Peperling verlangt van u de onmiddellijke uitbetaling van het +u geleende bedrag met de rente in echt bankpapier, of—indien gij +hiertoe niet in staat mocht zijn, teruggave van het echte brillanten +halssnoer, dat de firma zoolang onder haar berusting wil houden, totdat +de uitbetaling, waarop zij het volste recht heeft, door u is geschied.” + +De achter het gordijn verborgen groote onbekende had bij deze woorden +van den zoogenaamden graaf bijna zijn zelfbeheersching verloren. + +De afzetterij van dezen kerel, die nu duidelijk verried, dat hij met de +juweliersfirma onder een hoed speelde, amuseerde hem eigenlijk meer, +dan dat zij hem vertoornde. + +Het liefst had hij hardop gelachen. + +Snel sloeg hij de beide gordijnen, waarachter hij verborgen was, uit +elkaar en stak er zijn hoofd voor een kort oogenblik door om de +attentie te trekken van Miss Flora, die zoo door den schurk in het nauw +werd gebracht. + +Hij had de voldoening, dat het schoone meisje hem dadelijk zag. + +Zij glimlachte, zonder dat de graaf er iets van merkte, hem heimelijk +toe en begreep ook de bedoeling van haar geheimen bondgenoot, die haar +beduidde, zich in geen geval door den afperser te laten dwingen, maar +hem rustig verder te laten spreken en den schijn aan te nemen, alsof +zij volkomen geloof sloeg aan zijn bedriegerijen. + +Zij deed daarom, alsof zij zeer verschrikt was. + +„En als ik nu niet inga op de condities, die Peperling mij stelt?” +vroeg zij angstig en bevend. + +„Dan zal Peperling dadelijk u en Lord Orvis gerechtelijk laten +vervolgen!” antwoordde de graaf met nadruk. + +„Om ’s Hemels wil!” riep het meisje uit, „zoover mag het tot geen +enkelen prijs komen! Ik zou sterven, als Peperling zijn bedreiging +uitvoerde. Wij moeten aan geld zien te komen!” + +„Zeer juist, Mylady. Maar zijt gij werkelijk niet in het bezit van het +benoodigde bedrag?” + +Flora wrong wanhopig de handen. + +„Ik heb alleen nog het pakket banknoten, waarvan ik Donderdag +betaalde”, sprak zij mismoedig, „maar daar zij, volgens beweren van den +juwelier, valsch zijn, zal ik er niets aan hebben”. + +„Nu, wij zouden ze in elk geval nauwkeurig kunnen onderzoeken”, stelde +de graaf voor. „Misschien is de rest van het geld, dat gij zeker ook in +het muurkastje van uw boudoir hebt geborgen, goed”. + +„Dat geve de Hemel!” zuchtte Flora. + +„Het zou ontzettend zijn, als ik gedwongen was, het brillanten +halssnoer nogmaals bij Peperling en Glanmore te deponeeren. Dit +brillanten halssnoer—” + +Een plotselinge wenk van Raffles, die zijn hand waarschuwend door de +portière stak, deed haar zwijgen. + +„Kom”, vervolgde zij, „wij zullen naar het boudoir gaan en de banknoten +onderzoeken. Ik houd ze zelfs nu nog niet voor valsch! + +„Orvis is in geldzaken veel te serieus, om zich door den een of anderen +oplichter valsch of gestolen bankpapier in handen te laten stoppen. + +„En dat de vriend uit uw jeugd zelf een vervalscher van papiergeld of +iets dergelijks zou zijn, zult gij, heer graaf, zeker allerminst +vermoeden?” + +„Maar ik bid u, Mylady, wat een vraag!” riep de graaf verontwaardigd +uit, terwijl hij Flora in haar slaapvertrek volgde. + +„Wie weet, door welk ongelukkig toeval de vervloekte papieren, waarmee +gij Peperling hebt betaald, in het bezit van mijn vriend zijn gekomen. +Hij heeft er waarschijnlijk niets van gemerkt!” + +Met nauwelijks bedwongen ongeduld zag Melrose nu, hoe Flora het +muurkastje opende en er een pakje papiergeld, dat in het bovenste vak +lag, uitnam. + +Met bevende handen greep hij ernaar en nam haar bijna met geweld de +banknoten af, welke Flora hem met tegenzin overliet. + +Het waren alle biljetten van duizend pond. + +Zij vertegenwoordigden een niet onbeduidende som. + +Snel ging hij naar het venster en begon ze daar een voor een te +bekijken, in de eerste plaats om te zien, hoe hoog hun gezamenlijke +waarde was, waarna hij de biljetten stuk voor stuk aan een nauwkeurig +onderzoek onderwierp. + +Hij was hiermede zoo druk bezig, dat het aan zijn aandacht ontsnapte, +dat Raffles, om hem niet uit het oog te verliezen, met zachte, +onhoorbare schreden uit zijn schuilhoek te voorschijn was gekomen en +vlak naast de deur van het boudoir bleef staan. + +Vandaar kon hij elke beweging van den schurk en van miss Flora volgen, +zonder zelf gevaar te loopen door hen te worden gezien. + +De graaf was nu klaar met het onderzoek der bankbiljetten. + +Hij haalde de schouders op. + +„Een noodlottige geschiedenis!” sprak: hij op deelnemenden toon tot +Flora. „Hoe moeilijk het mij ook valt, toch moet ik u mededeelen, dat +deze bankbiljetten vervalscht, meesterlijk vervalscht zijn!” + +„Onmogelijk!” riep Flora op ongeloovigen toon en wilde de bankbiljetten +uit de hand van den graaf trekken. + +„Ik zal deze biljetten nog door iemand anders laten onderzoeken, dan +zal wel blijken, dat gij ongelijk hebt!” + +„Onder geen enkele voorwaarde zal ik, als uw oprechte vriend, dit +toelaten,” antwoordde de graaf, snel het pakket bankpapier in zijn +borstzak stekende. + +„Gij zoudt niet alleen den lord, maar ook uzelf in het verderf storten. +Gij zoudt ongetwijfeld beiden verdacht worden, tot een bende valsche +munters te behooren, vooral wanneer Peperling zijn bedreiging +uitvoerde, om u gerechtelijk te laten vervolgen.” + +„Graaf!” riep Flora, nu werkelijk ongerust uit. „Gij wilt toch het +geld, dat op het oogenblik mijn geheele vermogen uitmaakt, niet onder +uw berusting houden?” + +„De hemel beware mij!” riep de schurk uit, „zoodra ik buiten op een +stil plekje ben gekomen, verscheur ik deze bankbiljetten in duizend +kleine stukjes en geef ze prijs aan den wind. Misschien ook gooi ik ze +in de Theems of ik verbrand ze, opdat de corpora delicti zoo snel +mogelijk worden vernietigd en van de wereld verdwijnen!” + +Flora vroeg met een snellen blik raad aan Mr. Mackenzie, dien zij bij +de boudoirdeur vermoedde, en was een beetje verwonderd, toen Raffles +haar door een handbeweging te kennen gaf, dat zij zich in de +maatregelen, welke de graaf wenschte te nemen, moest schikken. + +Maar haar stem trilde van zenuwachtigheid, toen zij antwoordde: + +„Inderdaad, sir, gij oefent voogdij over mij uit op een manier, die ik +mij niet langer kan laten welgevallen. + +„Als gij u nu eens vergistet, wat betreft de bankbiljetten?” + +„Dat is ten eenenmale onmogelijk, mijn waarde!” beweerde Melrose. +„Bedenk eens, hoeveel papiergeld reeds door mijn handen is gegaan; +geloof mij, mylady, dat ik slechts uw belang wensch!” + +„Maar wat moet ik nu beginnen?” riep Flora angstig uit. „Ik heb het +geld noodig, ik zei u immers reeds dat dit geld mijn geheele vermogen +uitmaakt?” + +„Den moed niet verliezen, mylady! Wij zullen wel raad schaffen! Het +brillanten halssnoer, ik bedoel natuurlijk het echte en niet het +similiestuk, is immers zoo waardevol, dat Peperling er u ongetwijfeld +weer een zeer aanzienlijk bedrag op zal voorschieten, als gij het hem +nu door mij toezendt. + +„Ja, lieve vriendin, gij moet door den zuren appel heenbijten en +nogmaals voor den dag komen met het prachtige sieraad!” + +Hij was bij die woorden het muurkastje genaderd en keek er met onrustig +zoekende blikken in. + +Nu had hij het juweelkistje ontdekt en ging een stap achteruit van +schrik. + +Zelfs een zeer naïef toeschouwer moest merken, dat het aanstellerij en +comedie van hem was. + +„Om ’s hemels wil!” riep hij, „wat moet ik zien! Hebt gij, Mylady, +reeds bemerkt, wat er met het kistje is gebeurd? + +„Het maakt geheel en al den indruk, alsof hier pas een inbreker aan het +werk is geweest. Kijk eens hier, dierbare vriendin, de scharnieren aan +de achterzijde zijn losgemaakt, neen, zij hangen alleen nog maar los +aan het hout! + +„De asjes zijn eruit geschoven! Ik vermoed iets vreeselijks!” + +Met sidderende handen tilde hij het kistje eruit en opende het deksel. + +En nu veranderde de comedie, die hij tot nu toe had gespeeld, in +werkelijkheid, hij schrok inderdaad geweldig, toen hij in het kistje +keek en niets, letterlijk niets vond! + +„Mylady!” riep hij bijna gillend uit en hij greep Flora’s pols zoo +stevig vast, dat zij nauwelijks een kreet van pijn kon onderdrukken. +„Waar zijn de beide colliers? Waar is het heerlijke, echte brillanten +halssnoer?” + +Een hoonend antwoord lag het schoone meisje reeds op de tong. + +Maar zij wist zich te beheerschen. + +„Ik weet het niet”, antwoordde zij op onverschilligen toon, den graaf +met doordringende blikken aanziende. „Het is gisternacht gestolen!” + +„En het andere? Het similie-collier? Is dat ook weg?” vroeg Melrose nog +dringender, want hij wist wel, dat het collier, dat hij als onecht had +laten liggen, het echte was geweest. + +„Het similie-collier?” antwoordde Flora plotseling met nadruk, „dat +bevindt zich in de handen van een man die naar ik stellig hoop, den +dief van het echte collier zal vinden en mij het kleinood weldra weer +terug zal bezorgen.” + +De graaf verbleekte. + +„Wie is die man?” riep hij, zoo vol aandacht aan Flora’s lippen +hangend, dat hij het eigenaardige, zacht snorrende geluid niet vernam, +dat in de Oostersche kamer hoorbaar was en dat aan Flora’s aandacht +niet ontsnapte. + +„Ik ken hem niet nauwkeurig”, antwoordde zij, de schouders ophalend. + +„Hoe! Kent gij den man niet eens, dien gij een dergelijk stuk van vrij +groote waarde toevertrouwt en dien gij belast met een dergelijke +kiesche aangelegenheid? Heeft hij zich dan niet op voldoende wijze aan +u bekend gemaakt?” + +„Neen, graaf, waarom zou hij? Ik vertrouw hem op zijn eerlijk gelaat; +het was mij voldoende, dat hij zich eenvoudig aan mij voorstelde als +Mr. Mackenzie.” + +„O, Mylady, ik vrees, dat gij in handen zijt gevallen van een +bedrieger!” kermde de graaf. + +Daarop lachte hij plotseling nerveus. + +„Ach!” riep hij uit, zich met de hand tegen het voorhoofd slaande, „nu +gaat mij een licht op! Niet waar? Gij zijt het geweest, die de vreemde +advertentie in de „Evening News” heeft geplaatst? + +„Gij zijt het, Mylady, die onmiddellijk in relatie wenschtet te treden +met een energiek, handig persoon, die de behandeling op zich zou willen +nemen van een moeilijke taak, waaraan misschien zelfs gevaar verbonden +zou zijn?” + +„Ik kan het niet ontkennen”, antwoordde Flora droogweg. + +„Wanneer is die energieke, handige persoon hier geweest?” + +„Dat kan ik niet nauwkeurig zeggen.” + +„Welnu, dan kan ik uw geheugen misschien te hulp komen!” riep de graaf +hoonend, maar door onmiskenbaren angst aangegrepen, terwijl zijn grijze +oogen een vreemde uitdrukking aannamen. + +„Hij is zoo juist hier geweest! + +„Ja, ja, Mylady,—kort voordat ik de kamer binnenkwam, meende ik, hier +iemand te hooren spreken. + +„Ik wil, ik moet dien man leeren kennen! Ik moet u uit de handen van +een bedrieger redden!” + +Miss Flora beefde en was niet in staat, te antwoorden. + +Welke tooneelen zouden zich afspelen tusschen de beide mannen? + +Groote hemel! Misschien kwam het zelfs tot een bloedig gevecht! + +En zij, een zwakke, hulpelooze vrouw, alleen met hen! + +Vooral was zij angstig voor den graaf, wiens geheele wezen zoo opeens +was veranderd! + +Ja, nu wist zij het, dat hij inderdaad een misdadiger, een brutale, +gemeene kerel was! + +Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Niemand anders dan de graaf kon +den vorigen nacht in de Oostersche kamer zijn geweest! + +Hij en geen ander had den diefstal gepleegd! Zijn schaduw was het +geweest, welke zij had gezien! + +En nu haalde hij een revolver uit zijn zak te voorschijn. + +In haar verbeelding hoorde zij reeds de schoten, die er moesten vallen! + +Daar—wat was dat? + +Nu sprong hij op de nis toe, waarin Mr. Mackenzie zich had verborgen! + +Flora bedekte haar gelaat met beide handen. + +Een seconde later moest hij haar vreemden bondgenoot ontmoeten!— — + +Maar wat beteekende die woedende uitroep van verbazing van den graaf?— + +Zij liet de handen zinken. + +Zij meende, haar oogen niet te mogen gelooven. + +Daar in de nis, die leeg was, waarin niets was te zien van Mr. +Mackenzie, stond de graaf met lijkbleek gelaat. + +Hij staarde als wezenloos naar een visitekaartje, dat hij een oogenblik +geleden uit de hand van het marmeren beeld had genomen, waarin het was +vastgeklemd! + +„Hij, hij is hier geweest?” riep hij, eindelijk weer tot zichzelf +komend, vol woede uit. „O, nu is mij alles duidelijk! Nu weet ik, +Mylady, wie uw collier heeft gestolen! + +„Ik moet weg, ik moet dadelijk weg! Good bye, Flora, ik volg hem en ik +kom niet terug, voordat het mij is gelukt, hem te pakken te krijgen!” + +In het volgende oogenblik had hij het visitekaartje op den grond +geworpen, zich tot Flora’s uiterste verbazing over het marmeren beeld +heengebogen en op een knopje in het voetstuk gedrukt. + +Onmiddellijk daarop was hij, terwijl opnieuw het eigenaardige geluid +werd vernomen, dat Flora zooeven reeds had gehoord, achter het beeld, +dat plotseling begon te draaien, door een smalle opening in den muur, +die een oogenblik zichtbaar werd en zich daarna weer sloot, aan haar +blikken onttrokken. + +Het raadsel was opgelost! + +Zij wist nu, hoe de misdadiger, wiens schaduw haar den vorigen nacht +zooveel angst had bezorgd, de Oostersche kamer, die van binnen gesloten +was, was binnengedrongen! + +Nu wist zij, dat ook haar bondgenoot, Mr. Mackenzie, die zooeven nog in +de nis had gestaan, eveneens langs dezen geheimzinnigen weg was +gevlucht! + +Maar waarom had hij dit gedaan? + +Waarom had hij zich niet onmiddellijk op den schurk geworpen, hem +overweldigd en tot teruggave van het gestolene gedwongen? + +Hier stond zij voor een nieuw raadsel. + +Zou het visitekaartje, dat de misdadiger zooeven in handen had gehad en +dat nu naast het marmeren beeld op den grond lag, haar opheldering +geven? + +Bevend raapte zij het op en slaakte een kreet van grenzenlooze +verbazing. + +Op het kaartje, dat met een gouden randje was afgezet, had zij den naam +gelezen: John C. Raffles! + +John C. Raffles! De geniale meester-dief, die overal werd gezocht door +de politie en die nimmer werd gevonden, de groote onbekende, over wien +geheel Londen sprak, die steeds opnieuw de wereldstad aan de Theems in +rep en roer bracht,— —hij was dus Mr. Mackenzie geweest, die zich naar +aanleiding van haar advertentie in de „Evening News” te harer +beschikking had gesteld en die haar had beloofd, den dief van het +kostbare halssnoer te zullen vinden! + +Had hij zijn visitekaartje voor zijn plotselinge vinder achtergelaten +om haar te hoonen? + +Was hij nu de dief geworden van het collier, dat nog in het muurkastje +was achtergebleven; was hij, zooals de graaf beweerde, slechts hier +gekomen om haar te bestelen? + +Was zij dus het slachtoffer geworden van twee dieven, van wie de een +nog geslepener was dan de ander? + +Maar neen, dat was onmogelijk! + +Hield niet iedereen in Londen Raffles voor een gentleman? + +Vertelde niet iedereen van hem, dat zijn diefstallen en avonturen +slechts sport voor hem waren en dat hij ze alleen daarom bedreef, om +rijke schurken en misdadigers te straffen en de schatten, die op +oneerlijke wijze in hun bezit waren gekomen, terug te geven aan de door +hen bedrogen en uitgeplunderde menschen? + +Ook tegenover haar zou hij vasthouden aan zijn edele principes, die hem +steeds tot richtsnoer zijner handelingen dienden! + +Een Raffles kon niet gevlucht zijn, zonder haar, al was het ook een +korte opheldering te geven van zijn vreemde handelingen! + +Op het kaartje, dat zij nog steeds vasthield, zou hij haar de oplossing +van het raadsel hebben gegeven, dat haar nu angstig maakte en haar aan +de eerlijkheid en betrouwbaarheid van alle menschen deed twijfelen. + +Vol verwachting draaide zij het visitekaartje van Raffles om en zij +beefde van vreugde, toen zij op de rugzijde met sierlijke, kleine +letters het volgende las: + + + „Wees onbezorgd, Miss Flora, ik zal mijn woord houden. Ik zal niet + alleen den handlanger der politie, die u heeft bestolen, maar ook + zijn medeplichtige vangen en hun het gestolene afnemen. Ik zal + ervoor zorgen dat gij geen onaangenaamheden krijgt met uw vriend, + den Lord. + + Een der beide colliers zal beslist nog heden in uw bezit zijn en + daar de twee zoo verbazend veel op elkaar gelijken, zult gij in elk + geval met een ervan geholpen zijn. + + Maar gij moet zelf meehelpen. + + Spoed u zoo snel mogelijk naar Scotland Yard en vraag onmiddellijk + inspecteur Baxter te spreken. Vertel hem den diefstal van + gisternacht en eisch spoedige hulp van hem! + + Zeg hem, dat Raffles hem laat groeten en dat hij dadelijk de Vloo, + zijn particulieren secretaris en detective, die een speciaal vriend + van mij is—al is het helaas ook alleen op een afstand—naar + Peperling en Glanmore in de Leadenhallstreet zendt. + + Daar zal hij er zich van kunnen overtuigen, wat voor een groote + ezel hij is, om handlangers te gebruiken van de soort van dezen + nobelen „graaf Melrose”, ten einde deze beruchte oplichters- en + helersfirma te bespionneeren! + + Het beste zal zijn, dat gij hem, Baxter, dit kaartje laat zien! + + Het zal hem zeker enorm veel genoegen doen en mijn vriend Marholm + zal zich den buik vasthouden van lachen. + + Met de meeste hoogachting, + + J. C. R.” + + +Zonder een oogenblik te aarzelen, maakte Miss Flora zich onmiddellijk +gereed om uit te gaan. + +Zij was vast besloten, den raad en wensch van dezen genialen +meester-dief op te volgen en het ontstemde haar niet weinig, dat +toevallig haar kamenier, Miss Price, van een wandeling thuis kwam en +haar geheel onnoodig eenigen tijd ophield met haar gebabbel over zeer +onbeduidende zaken. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN GESLEPEN KOOPMAN. + + +Toen Raffles door een toevallige, eenigszins onzachte aanraking met het +voetstuk der marmeren figuur in de nis de verrassende ontdekking had +gedaan, dat de muur achter hem plotseling open ging, besloot hij +dadelijk dezen geheimen uitgang te gebruiken om uit de Oostersche kamer +te ontvluchten. + +Het gesprek tusschen den graaf en Flora had hem de overtuiging +geschonken, dat de graaf inderdaad de dief van het halssnoer was en de +bondgenoot van Peperling en Glanmore. + +Hij moest in elk geval trachten den schurk voor te zijn en den chef der +firma nog eerder te spreken te krijgen dan Melrose zelf. + +Ook wilde hij nog heden Baxter, den inspecteur van Scotland Yard, +ergeren. + +Daarom schreef hij snel de in het vorige hoofdstuk vermelde opdracht +aan Flora op zijn visitekaartje, zonder er aan te denken, dat dit +kaartje ook den graaf onder oogen kon komen. + +Hij meende gerust te mogen aannemen, dat deze niet zoo dwaas zou zijn, +zich ook langs den geheimen weg te verwijderen, daar hij zich zoodoende +tegenover Flora zou compromitteeren en haar op het idee moest brengen, +dat hij den vorigen nacht deze nis ook had gebruikt om het boudoir +binnen te sluipen en het collier te stelen. + +Hoewel hij dus aannam, dat de graaf er niet het minste vermoeden van +had beluisterd te worden, stelde hij toch alles in het werk om zoo snel +mogelijk de villa van Lord Orvis te verlaten. + +Dit gelukte hem dan ook buiten verwachting goed. + +Niemand zag hem, toen hij de trappen afholde om door een achterdeur en +het park de straat te bereiken. + +Onmiddellijk snelde hij naar den hoek van Kings Road en Sloanestreet, +om zich zoo spoedig mogelijk in verbinding te stellen met Charly Brand, +die hem reeds vol ongeduld verwachtte, ten einde den graaf en Mr. Dan +Peperling, den chef der firma Peperling en Glanmore, zoo spoedig +mogelijk te overrompelen. + +Hij was ervan overtuigd, dat de handlanger der politie met zijn +adellijken naam alles in het werk zou stellen om zich onmiddellijk met +den schurkachtigen juwelier in relatie te stellen, want het tweetal zou +moeten beraadslagen, welke stappen er nu gedaan moesten worden, nu hun +ongetwijfeld gevaar dreigde. + +Toen Raffles de bar binnentrad, was hij zeer aangenaam verrast, daar +behalve Charly, die met zijn rug naar de deur zat en hem niet dadelijk +opmerkte, een heer te zien, die, zooals hij bij intuïtie begreep, +niemand anders kon zijn dan Mr. Dan Peperling. + +Het scherp geteekende, hoekige gelaat van den ongeveer vijftig-jarigen +man met de kleine, listige oogjes was naar hem toegewend en Raffles +begreep, dat Peperling zijn handlanger, dien hij naar Miss Flora had +gezonden, in de onmiddellijke nabijheid van Kings Road verwachtte. + +Peperling wilde natuurlijk zoo gauw mogelijk weten, wat de graaf bij +Flora had gedaan, en hoe het met het echte collier stond, dat de domkop +des nachts met het nagemaakte had verwisseld. + +Raffles naderde reeds het tafeltje van den juwelier, toen plotseling de +deur achter hem haastig werd opengetrokken. + +Snel draaide hij zich om en schrok, toen geheel buiten adem en met +hoogrood gelaat de graaf over den drempel trad. + +Op hetzelfde oogenblik sprong de bejaarde heer met het sluwe gelaat op +en riep: + +„Voor den duivel, Flinsch, waar ben je zoo lang geweest?” + +Bij die woorden liep hij naar den binnenkomende toe. + +Deze had nauwelijks Raffles gezien of hij keerde zich als door een wesp +gestoken om, snelde de straat weer op en sprong in een huur-auto, die +juist voor de bar stond. + +Op het volgende oogenblik vloog hij in de auto weg. + +Peperling—want er bleef nu geen twijfel meer over, of deze was het—trok +dadelijk de deur open, om den vluchteling achterna te snellen, maar +bleef met wijd opengesperden mond op den drempel staan, toen hij dezen +in razende vaart zag verdwijnen. + +Hij wist blijkbaar niet of hijzelf dan wel Flinsch plotseling +krankzinnig was geworden. + +Zijn gelaat had inderdaad zulk een idiote uitdrukking, dat Raffles en +Charly, die eerst nu zijn vriend Edward had ontdekt, luidkeels lachten. + +Eerst toen Raffles plotseling naar hem toetrad, hem vriendschappelijk +op den schouder sloeg en zacht tot hem zei: + +„Stel u gerust, Mr. Peperling, laat dien stommeling loopen! Ik kan u +veel interessanter dingen vertellen, dan gij van hem zoudt kunnen +vernemen,” kreeg het gelaat van den juwelier een uitdrukking van +grenzenlooze verwondering. + +„Wie zijt gij, mijnheer?” stamelde hij en hij nam Raffles, die Charly +een wenk had gegeven om hem met den ouden schurk alleen te laten, met +wantrouwende blikken van het hoofd tot de voeten op. + +„Een man van het vak, die gaarne een klant van u zou willen worden,” +antwoordde Raffles fluisterend. „Ga mee, Mr. Peperling, naar de kleine +zijkamer, daar zullen wij een glas half om half drinken; ik heb u een +uiterst gewichtige mededeeling te doen.” + +Raffles bestelde twee glazen van bovengenoemde likeur en had de +voldoening, dat de juwelier hem, al was het dan ook aarzelend, volgde. + +Nog steeds wantrouwend, nam de koopman plaats. + +„Ik kan me niet herinneren, dat ik ooit het genoegen heb gehad, u te +hebben ontmoet,” sprak hij, terwijl hij den grooten onbekende door zijn +half toegeknepen oogleden fixeerde. + +„Nu, dan zult gij dat genoegen nu hebben, mijnheer Peperling,” +antwoordde de ander met een allerbeminnelijkst lachje. + +„Prosit, oude heer, ik hoop dat gij er pleizier van zult beleven, met +John Raffles kennis te hebben gemaakt!” + +Peperling, die juist zijn likeurglas in de hand had genomen, liet het +van schrik bijna vallen. + +„Wat?” sprak hij, „zoudt gij Raffles zijn? Vertel toch geen nonsens! +Dat kan iedereen zeggen!” + +„En als ik het u bewijs?” + +„Bewijzen? Gij kunt mij niet voor den gek houden, jonge man; houd uw +praatjes maar voor u!” + +„No, no, mister Dan! Het is mij met mijn woorden maar al te groote +ernst! Omdat ik weet, dat gij graag met menschen werkt, die zich niet +met kleinigheden ophouden en omdat ik heb gehoord, dat gij goed +betaalt, ben ik naar u gekomen om u iets aan te bieden, waarop gij, +naar ik zeer beslist weet, bijzonder gesteld zijt!” + +„Nu, laat eens hooren, wat het is! Voor mooie, goede waar betaal ik +altijd de hoogste prijzen en beleen ze, als gij wenscht, ook zeer +goed!” + +„Straks, mijnheer Peperling, maar eerst moet ik u in uw eigen belang en +ook in het mijne dringend waarschuwen voor een handlanger, met wien gij +u, zoo dom mogelijk, reeds al te zeer hebt ingelaten.” + +„Ik begrijp niet, wat gij wilt zeggen, mijnheer—” + +„Niet Raffles, als ’t u belieft! Noem mij liever Smith of bij een +dergelijken mooien naam—en houd u dan verder niet zoo dom en +onschuldig. + +„Gij en dom, dat is al te belachelijk, sluwe vos! + +„Natuurlijk bedoel ik den kerel, op wien gij hier zit te wachten en die +een visite maakte bij miss Flora Palmerston, de geliefde van Lord +Orvis!” + +Peperling werd bij deze woorden van Raffles lijkbleek. + +Vol ontzetting staarde hij den jongen, eleganten man aan. + +„Ja, ja, ouwe heer”, vervolgde Raffles lachend. „Er dreigt groot gevaar +voor u, als gij den kerel, die zooeven zoo laf wegvluchtte, niet +onmiddellijk onschadelijk maakt. + +„Die man zal u, hoofdzakelijk door zijn ongeëvenaarde domheid, in de +val brengen!” + +„Domheid? Wat weet gij van zijn domheid? En wat interesseert u dit +alles? Mij kan het zelfs niets schelen! Ik heb met dien vent niets te +maken, ik weet ook van geen Miss Palmerston of hoe gij die vrouw +zooeven noemdet! + +„Werkelijk, dat alles gaat mij niets aan. Laat mij dus liever met rust, +Mister—hoe zeidet gij ook weer? O ja, Mister Smith, met uw handlanger +en met uw Miss Flora Palmerston. + +„Ik heb Goddank nog nooit iets te maken gehad met handlangers of met +beruchte vrouwen!” + +„Des te meer deze echter met u!” lachte Raffles. „Het zal er toch mee +eindigen, dat een van die kerels u ten val brengt. En die eene heet +Flinsch of noem hem mijnentwege, wat u misschien aangenamer is, graaf +Melrose!” + +„Gerechte hemel! Meent gij dat werkelijk, Mr. Smith?” riep Peperling +uit, terwijl hij Raffles’ arm beetpakte. + +„Ik zal u toch niet voor den gek durven houden? Ik zeg u alleen: neem u +in acht voor Flinsch! Hij behandelt u valsch. En bovendien—waar het een +man betreft, die zoo dom is dat hij u glasscherven brengt, namaak, waar +hem is opgedragen, een echt brillanten halssnoer voor u te stelen, kunt +gij op alles voorbereid zijn!” + +„Barmhartige goedheid!” jammerde Peperling. „Ik ben een verloren man, +gij weet alles, gij zult mij in het ongeluk storten!” + +„Integendeel, ik zal u dadelijk het brillanten halssnoer, dat gij +wenscht te hebben, bezorgen. + +„Ik zal mij met weinig tevreden stellen, met hoogstens een paar duizend +pond, want meer geeft gij, oude gauwdief, toch niet. Laat ons dus +dadelijk naar uw vossenhol gaan; mijn jonge vriend, die daarginds zit, +gaat ook mee.” + +„Tot welk doel? Kunnen wij de zaak hier niet behandelen? Hebt gij het +sieraad hier?” + +„Wilt gij het zien? Best, maar ik geef het niet uit handen.” + +Raffles haalde bij deze woorden het étui uit zijn borstzak, opende het +en liet den juwelier er een snellen blik in werpen. + +Deze uitte een kreet van verbazing. + +Begeerig greep hij met beide handen naar het kostbare kleinood, terwijl +de hebzucht in zijn oogen te lezen stond. + +„Goed, mijnheer, goed!” riep hij opgewonden en stond haastig op, toen +Raffles het kleinood weer in zijn zak borg. „Wij zullen onmiddellijk +met ons drieën naar huis rijden, ik zal met Flinsch doen wat gij +verkiest en u zooveel betalen, dat gij meer dan tevreden zult zijn.” + +„Afgesproken, Peperling!” sprak Raffles, „ik zou niet zooveel haast +maken, als ik niet begreep, dat Flinsch reeds op u wacht!” + +„Daarvan kunt u zeker zijn”, antwoordde de juwelier op vasten toon; „ik +heb nog verschillende dringende zaken met hem te verhandelen die allen +afgedaan moeten worden. + +„Bovendien heeft de kerel altijd geld noodig. + +„Zeg mij nog één ding, Mr. Smith: heeft hij u bij de dame op Kings Road +gezien?” + +„No, zelfs het puntje van mijn neus niet. Daarentegen heb ik hem echter +des te beter waargenomen en mij ervan kunnen overtuigen, dat de man +volkomen onbruikbaar en gevaarlijk voor u is. + +„Terwijl ik bij de Miss op mijn gemak het echte collier stal, was hij +niet eens zoo handig om de verdenking van zich af te wentelen, welke de +dame reeds tegen hem had opgevat. + +„Hij praatte zooveel nonsens, dat zij al heel dom moet zijn, als zij +niet heeft gemerkt, dat gij, Peperling, met Flinsch onder één hoedje +speelt!” + +„Wel vervloekt! Als die kerel zoo stom is,” mompelde de juwelier met +vonkelende oogen, „dan is het meer dan tijd, dat wij korte metten met +hem maken. Kom, Sir, ik hoop, dat het ons zal gelukken, hem binnen een +uur voor eeuwig den mond te stoppen!” + +Een oogenblik later hadden Raffles en Peperling, te zamen met Charly +Brand, die zich op een wenk van zijn vriend bij hen had gevoegd, de bar +verlaten om evenals de graaf in een auto den tocht te ondernemen naar +Leadenhallstreet. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +VREUGDE IN SCOTLAND YARD! + + +De reden, waarom graaf Melrose, of liever Flinsch, zooals Peperling hem +met zijn waren naam had geroepen, zoo snel uit de bar vluchtte, was een +zeer begrijpelijke geweest. + +Daar hij Raffles bijna op de hielen was gevolgd en dezen met groote +snelheid naar net hoekhuis van Kings Road en Sloanestreet zag loopen, +had hij wel onmiddellijk vermoed, dat Raffles daar de bar zou +binnengaan, maar geen oogenblik had hij gedacht, dat ook Mr. Peperling +in dat lokaal aanwezig zou zijn, want deze had beloofd, hem in zijn +woning af te wachten. + +Toen hij nu, om zich ervan te overtuigen, dat Raffles in de bar was, de +deur daarvan opende en in het lokaal ook den juwelier ontdekte, was een +plotseling vermoeden in hem opgekomen. + +In zijn opgewondenheid vermoedde hij namelijk niet, dat Mr. +Peperling—zooals inderdaad het geval was—alleen uit ongeduld hem tot +aan de bar was tegemoet gekomen, maar hij verbeeldde zich, dat +Peperling hem ontrouw was geworden. + +Verbitterd daarover, dat hij van zijn nachtelijken rooftocht naar de +villa slechts een nietswaardig collier had meegebracht, zou Peperling +zich nu met John C. Raffles, den beroemden meesterdief, in verbinding +hebben gesteld en met dezen een samenkomst hebben in de bar. + +Vervuld met onuitsprekelijke woede over deze handelwijze van zijn +langjarigen bondgenoot, kwam nu onmiddellijk het plan in hem op, +Peperling en Raffles in het verderf te storten. + +Nu, terwijl hij in het bezit was van het pakje bankbiljetten, die een +vrij groot bedrag uitmaakten, had hij den juwelier niet meer noodig. + +Het geld was voldoende om daarmede de reis over den Oceaan te maken om +aan de overzijde van het Groote Water een ander en beter leven te +beginnen. + +Hij had er genoeg van, voor handlanger der politie te spelen en nog +steeds zijn vroeger beroep van dief uit te oefenen. + +Nu zoo snel mogelijk uit Londen weg! + +Alleen zijn wraak op Peperling en Raffles, welke laatste hem had +beetgenomen en het kostbare halssnoer voor den neus had weggepikt, die +wraak alleen kon hem nog voor eenige dagen in Londen doen blijven. + +Misschien gelukte het reeds heden, hen beiden in handen der politie te +leveren. Men kon gerust aannemen, dat Raffles den juwelier naar diens +woning zou vergezellen. Daar zouden beiden door de politie-beambten +overvallen worden. + +Hij zou daarvoor een hooge geldpremie krijgen. + +Hij liet de auto, waarin hij had plaats genomen, zoo snel mogelijk naar +Scotland Yard rijden. + +Hij beloofde den chauffeur een groote fooi, als deze hem daar zoo gauw +mogelijk bracht en zoo vloog de motorwagen bliksemsnel door de straten +van Londen, zoodat de voorbijgangers met verschrikte gezichten bleven +staan om hen na te kijken. + +Binnen weinige minuten was Flinsch op het bureau aangekomen en liet +zich dadelijk aandienen bij inspecteur Baxter, dien hij echter, tot +zijn niet geringe ergernis, eerst een half uur later kon spreken. + +„Zoo, Flinsch”, begroette Baxter hem, die bij uitzondering in een goed +humeur was, omdat hij juist zijn secretaris Marholm een vervelend +werkje had opgedragen, „wat voert je hierheen?” + +„Een prachtig zaakje!” antwoordde Flinsch op gewichtigen toon. + +„Staat het in verband met Peperling en Glanmore?” + +„Wel, inspecteur, ik hoop, dat gij over mij tevreden zult zijn”. + +„Kom, vertel dan maar eens gauw!” + +Baxter beduidde door een handbeweging, dat Flinsch mocht gaan zitten en +beval, dat men hem niet mocht storen, daar hij met Mr. Flinsch moest +confereeren. + +Hij begon vol zenuwachtig ongeduld met zijn vingers op de schrijftafel +te trommelen, wachtende op hetgeen de spitsboef te vertellen zou +hebben. + +„Ik moet u allereerst meedeelen, dat Peperling zijn zaken in den +laatsten tijd eenigszins heeft uitgebreid”, begon Flinsch. + +„Druk u als ’t u belieft duidelijker uit”, bromde de inspecteur, „spaar +mij uw lange inleiding”. + +„Nu, Mr. Baxter, gij weet immers, dat Peperling behalve zijn gewoon +bedrijf, de in- en verkoop van gestolen sieraden en andere voorwerpen +van waarde, behalve zijn winkelzaak, waarin juweelen van allerlei soort +worden verkocht, ook zaken van waarde beleent?” + +„Zeer zeker!” + +„Nu is hij echter nog iets anders begonnen,” vervolgde Flinsch. „Hij +laat ook waardevolle voorwerpen, die bij hem ter beleening worden +gebracht en daarna weer worden ingelost, uit de woningen der eigenaren +stelen, wanneer die voorwerpen zijn hebzucht hebben opgewekt en hij er +een flink bedrag voor denkt te kunnen maken. + +„Zoo kwam onlangs een fijne dame, de minnares van Lord Orvis, van Kings +Road, die in geldverlegenheid was geraakt, bij hem met een prachtvol +brillanten halssnoer, dat onder kenners minstens 500 pond waard was, om +zich daarop een bedrag te laten voorschieten. + +„Toevallig was ik juist bij hem. + +„„Weet je, Flinsch,” sprak hij tot mij, toen de dame met haar paar pond +weg was, „dit collier moet ik in elk geval hebben. Wil jij het voor mij +zien te krijgen, als de dame het weer heeft ingelost en mee naar huis +heeft genomen? Je zult er een flinke duit aan verdienen.” + +„Nu, ik zei niet neen—hij merkte echter wel, dat ik het niet graag +deed. + +„Wat doet de schurk nu? + +„Hij bestelt dadelijk bij een collega, volgens monster van het +prachtige halssnoer, een ander collier van similie, dat wonderbaarlijk +op het echte gelijkt, met de bedoeling, dit prul, dat gij nog bij +Peperling kunt vinden, aan de dame ter hand te stellen in plaats van +het echte stuk, wanneer zij dit zou komen inlossen. + +„Nu, daar kwam niets van, want het nagemaakte collier kwam eerst klaar, +nadat de dame haar eigendom weer had teruggehaald. + +„Maar ondanks alles gaf de oude schurk zijn plan niet op. + +„Nogmaals wendde hij zich tot mij met verzoek, het zaakje klaar te +spelen in de villa der dame. + +„„Zie je, mijn jongen,” sprak hij, „het is geen gevaarlijk werk en voor +iemand als jij kinderwerk. + +„„Deze miss Flora Palmerston, van wie het collier is, is de minnares +van Lord Orvis, die haar dikwijls maandenlang alleen laat, om andere +vrouwen het hof te maken. Je kunt het werk dus gemakkelijk ten uitvoer +brengen. Je bent immers géén nieuweling in het vak en het gaat hier om +een stuk van waarde!” + +„Nu, ik zei weer niet neen, maar beloofde, dat ik er over nadenken zou. + +„En nu, Mr. Baxter, komt het voornaamste, dat, wat u het meeste zal +interesseeren! + +„Omdat ik nog steeds aarzelde en ja noch neen zeide, verloor Dan +Peperling plotseling het geduld en—wat denkt gij, wien hij in mijn +plaats heeft aangenomen om het werk voor hem ten uitvoer te brengen?” + +„Zeg het maar, Flinsch!” + +„Gij zult het werkelijk niet gelooven—ik hield het eerst ook voor +onmogelijk—niemand anders dan—Raffles!” + +De inspecteur van politie floot lang en gerekt, pakte zijn langen neus +tusschen duim en wijsvinger beet en keek met starenden blik naar het +plafond, wat steeds een teeken was, dat hem iets op buitengewone manier +interesseerde en bezighield. + +„Ik geloof, Flinsch, dat je mij leelijk voor den gek wilt houden,” +klonk het eindelijk van zijn lippen, terwijl hij opsprong en den +spitsboef dreigend aankeek. + +„Raffles—Raffles, zeg je? Raffles een handlanger van den gemeenen ouden +Dan Peperling?” + +„Ik bezweer het u, inspecteur, en Raffles heeft inderdaad zijn slag +reeds geslagen, is in het bezit van het prachtige collier en +waarschijnlijk op dit oogenblik in het vossenhol van den ouden juwelier +om zijn belooning in ontvangst te nemen.” + +„Hoe weet gij dit, Flinsch? Kerel, ik wurg je, als je mij wat op de +mouw wilt spelden!” schreeuwde Baxter, terwijl hij den spitsboef bij de +schouders greep. + +„Omdat ik zelf reeds wekenlang onder het masker van een zekeren graaf +Melrose, een vroegeren vriend van Lord Orvis, die zich in het +buitenland bevindt, in diens huis in- en uitloop, op goeden voet sta +met zijn minnares en daarom op alle tijden van den dag en den nacht in +haar woning den verspieder kan spelen. + +„Zoo heb ik met mijn eigen oogen gezien, hoe Raffles werkt. + +„Ik verzeker u, heer inspecteur, het is verbazend! + +„Een kwartier geleden pas had hij een ontmoeting met Peperling in de +bar op den hoek van Kings Road en Sloanestreet en daar had hij het +collier bij zich. + +„Nu zullen zij alle twee, zooals ik u reeds zei, in de woning van +Peperling zijn. + +„Het zou dus nu de beste gelegenheid zijn om den vogel, dien gij reeds +zoo langs tevergeefs achtervolgt, te vangen!” + +„Flinsch, als dat waar is, zult gij vorstelijk door mij beloond +worden!” juichte Baxter, terwijl hij den bedrieger bijna van vreugde +omhelsde. + +„Wij zullen ons dadelijk naar Leadenhallstreet begeven. Ik ga zelf mee +om met onze handigste en sterkste beambten onder uw leiding—gij weet +daar immers het best den weg—de schuilplaats van uw ouden vriend binnen +te dringen om hem, maar vooral Raffles, voor eeuwig onschadelijk te +maken. + +„Nu ziet gij het, Marholm”, het aangrenzende kantoorlokaal +binnensnellende, waar „de vloo”, schijnbaar met veel ijver, maar met +een zuurzoet gelaat, in eenige lijvige politieboeken bladerde en +studeerde, „heb ik niet altijd gezegd, dat wij Raffles wel zullen +krijgen? + +„Vertel eens in korte woorden, Flinsch, uw fameuze ontdekking van dien +aartsschurk. + +„Maar neen, gij kletst te veel—wij mogen geen oogenblik verliezen—dus, +let op, Marholm: + +„Raffles is op dit oogenblik compagnon en handlanger van Peperling en +werkt voor hem! + +„Hij bevindt zich hoogstwaarschijnlijk in diens woning in de +Leadenhallstreet—telefoneer onmiddellijk naar het politiebureau daar: +het huis moet onbemerkt van buiten af bewaakt worden, tot dat ik met +onze jongens ben aangekomen en wij de brutale gasten hebben gevangen +genomen!” + +„Veel geluk, inspecteur!” bromde Marholm, in zichzelf lachend, „als gij +maar niet de huid van den beer verkoopt, voor dat gij het beest +gevangen hebt!” + +Daarop begaf hij zich naar het telephoontoestel. + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +IN HET VOSSENHOL VAN DEN HELER. + + +In niet minder snelle vaart dan Flinsch reden Raffles en Charly Brand +met Dan Peperling in hun auto naar de woning van dezen in de +Leadenhallstreet. + +De weg erheen was veel langer dan naar Scotland Yard, doch in weerwil +hiervan bereikten zij slechts even na de aankomst van Flinsch het doel +van hun tocht. + +Snelheid was voor Raffles thans de hoofdvoorwaarde, wanneer hij de aan +Miss Flora gegeven belofte wilde volbrengen en het stoutmoedig plan, +dat hij ter bestraffing van Peperling en den graaf had ontworpen, +werkelijk ten uitvoer wilde brengen. + +De groote onbekende liet de auto al op grooten afstand van het +ouderwetsche, door den rook aangetaste huis van de firma Peperling en +Glanmore stil houden, daar hij bang was, dat Flinsch misschien argwaan +had gekregen tegen hem en Peperling en hem per slot van rekening met +behulp der heeren uit Scotland Yard voor het huis der firma een minder +aangename ontvangst zou kunnen bereiden. + +Hij had er Flinsch dadelijk van verdacht, dat deze onmiddellijk +inspecteur Baxter zou gaan opzoeken, toen hij hem zoo haastig naar de +auto zag gaan en in deze wegrijden. + +In zijn gesprek met Peperling had hij gedaan alsof hij dacht, dat +Flinsch direct naar het huis van den juwelier was gereden. + +Een voorgevoel zei hem, dat Flinsch, die mogelijk op de kaart, die +eigenlijk alleen voor Flora bestemd was, zijn naam had gelezen en hem +toen in de bar in gezelschap van Peperling had gezien, alles in het +werk zou stellen om de hooge premie te verdienen, die uitgeloofd was +voor de aanhouding van den grooten meesterdief. + +„Laten we bij voorkeur niet door den gewonen ingang uw vossenhol +binnengaan, Mr. Peperling”, sprak hij tot den laatste. „Ge zult zonder +twijfel nog wel ergens een geheimen gang hebben, waardoor wij in uw +heiligdom, het inwendige van uw privé-kantoor binnen komen. + +„Voorzichtigheid is de moeder der porseleinkast. En wie weet, of +Flinsch niet— —” + +„De hemel beware mij, voor hem behoeven wij niet bang te wezen. Die +doet mij niets en laat mij en mijne gasten thuis ongemoeid”, grijnsde +Peperling. + +„Kom maar gerust mee, mijne heeren, wij zullen voor alle zekerheid een +kleinen, veiligen en alleen aan mij bekenden omweg maken en door het +zijstraatje hier en een paar binnenpleinen doorloopen spoedig daar +zijn, waar wij volkomen bewaard zijn en rustig en op ons gemak onze +aangelegenheid kunnen bespreken en afdoen.” + +Hij bracht de beide begeleiders daarop in korten tijd door een waar +labyrinth van donkere, onwelriekende gangetjes en pleinen naar den +achter-ingang van zijn huis, in welks bovenste verdieping Peperling een +kamertje dicht onder het dak tot privé-kantoor had ingericht, omdat van +daar uit zoo noodig gemakkelijk een vlucht over de daken der naburige +huizen zou zijn te ondernemen. + +Een voorzichtig man, zooals Dan Peperling was, hield altijd rekening +met mogelijke gebeurtenissen. + +Het uitzicht uit het raam van dit luchtig kantoor was zoo verrassend, +dat Raffles en Charly, die natuurlijk dadelijk na hun aankomst boven de +geheele omgeving opnamen, een kreet van verbazing slaakten. + +Men zag een onafgebroken dakenrij en tallooze tuintjes, d.w.z. kasten +met bloemen en boompjes, die de bewoners der bovenste verdiepingen hier +en daar op het platvorm der daken hadden aangebracht. + +Deze konden weliswaar niet vergeleken worden met de hangende tuinen van +Semiramis, doch boden tusschen de rookzuiltjes, die overal uit de +schoorsteenen der huurkazernes omhoog stegen, en het intiemste +waschgoed, dat overal op de daken aan lijnen te drogen hing, een +bijzonder schilderachtigen aanblik. + +„Nu aan het werk, mijne heeren,” aldus riep Peperling reeds na een paar +minuten zijne gasten tot de werkelijkheid terug. + +„Laat mij het collier eens zien, Mr. Raffles. Juist hier, waar het +zonlicht zoo mooi naar binnen valt, wil ik me gaarne nog eens +overtuigen, of het nog in denzelfden goeden staat is als voor een paar +dagen, toen ik het nog in mijn vingers had.” + +Raffles haalde het étui uit den zak en maakte het open. + +Peperling nam het collier er uit en bekeek iederen brillant en iedere +parel zoo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk. + +„Wat wilt ge hebben voor het ding?” vroeg hij daarna, den halsketting +weer in het étui leggend. + +„Maak het billijk, Sir. Ik ben een arme man en kan niet veel betalen.” + +„Allright, oude jongen, dat heb ik dadelijk al gedacht, ofschoon gij +even te voren in de Bar zeidet, dat gij voor goede waar altijd den +hoogsten prijs betaalt,” lachte Raffles. + +„Stel u gerust, oude vriend, ik wil er geen gereed geld voor hebben. Ik +was van plan het te ruilen tegen andere sieraden, waarvan ge zeker een +grooten voorraad hebt.” + +De oogen van Peperling klaarden op. + +„Goed, Raffles, dat zullen we doen,” antwoordde hij bereidwillig. + +„Dat doe ik ook liever. Een zakenman geeft niet graag in dezen +moeilijken tijd, nu het geld zoo duur is, de blanke stukken uit handen. + +„De heeren moeten me dan echter volgen een paar trapjes af naar mijn +andere kantoor, waar ik in een brandkast eenige zeer mooie dingen heb +liggen, die u zeker zullen bevallen.” + +„Goed, laat ons dan gaan,” zei Raffles. „Gauw maar en niet lang +ophouden. Het zal bovendien noodig zijn, Charly, dat je spoedig op +wacht gaat staan, opdat we veilig zijn tegen iederen overval. Ik +vertrouw Flinsch niet.” + +Peperling begon te lachen. „Hij zal wel oppassen, mij te verklappen,” +zei hij zorgeloos. „Wie in zoo’n glazen huisje zit als hij, gooit niet +met steenen. + +„De kerel eet uit mijn hand, dat verzeker ik u. Hij weet, dat hij bij +mij steeds een veilig onderkomen vindt en staat al te lang met mij in +handelsrelatie, dan dat ik bang voor hem zou zijn. + +„Wanneer hij komt, komt hij alleen, en dan weten we immers wat er met +hem zal gebeuren!” + +Tijdens dit gesprek waren zij in het kantoor en pandjeshuis, beneden +aangekomen, beide op de 2e étage gelegen. + +Peperling liep direct naar de ijzeren brandkast, die in den donkersten +hoek van het kantoor stond, opende haar met een sleutel, dien hij in +zijn zak droeg, en trok daarop een paar breede, niet al te hooge houten +doozen uit een der vakken. + +Zij bevatten beide de gestolen, hem door beroepsdieven gebrachte +sieraden. + +In den voor ieder toegankelijken winkel in de parterre, waar zijn vrouw +de klanten bediende, werd slechts onberispelijke waar verhandeld. + +„Kijk maar eens hier,” riep Peperling tot Raffles, terwijl hij de +doozen op de tafel zette, die onder een klein gasvlammetje stond, „geef +mij uw wensch te kennen, bepaal maar gauw uw keuze. + +„Ik wil met geen enkel woord hierop influenceeren, doch zal alleen ten +slotte zeggen, of ik met de ruiling accoord ga.” + +Dit zeggend draaide hij de gasvlam wat hooger op en sloeg de deksels +der doozen open, zoodat Raffles en Charly Brands oogen werden verblind +door een schat van kostbaarheden. + +In de eene doos werden hoofdzakelijk ringen, dasspelden, horloges, +prachtige manchetknoopen, kortom uitsluitend heerenartikelen, bewaard; +in de andere sieraden voor dames. + +Raffles ging tegenover Peperling bij de tafel zitten, waarop tusschen +hen in de doozen stonden. + +Charly Brand stond achter den stoel van zijn vriend. + +„Dat is een moeilijke keus,” sprak Raffles, de schitterende steenen vol +aandacht bekijkende, „ik zal wel niet dadelijk kunnen beslissen. + +„Ik geloof, dat wij bij het bekijken van al dit moois best op ons gemak +een sigaret kunnen gaan rooken. Zooals ik zie, zijn alle kostbaarheden +van nummers voorzien, zeker om de opmerkingen omtrent de verkoopers en +vroegere eigenaren dadelijk in de boeken te kunnen opslaan, nietwaar +Mr. Peperling?” + +„Allright, Mr. Raffles,” antwoordde de juwelier. „Het is goed dat men +alle bijzonderheden kent van deze artikelen.” + +„Ik begrijp u,” sprak Raffles, terwijl hij een sigaret uit het elegante +étui nam, aanstak en den geurigen rook er van met opzet in het gelaat +blies van den tegenover hem zittenden juwelier. + +„Drommels, Sir,” riep deze uit, „gij rookt een fijn merk! Dat is een +ware godendamp!” + +„Niet waar. Het zijn echte Duke of York, Carbaty, guaranteed hand +made,” antwoordde Lord Lister, terwijl hij den juwelier op +verleidelijke wijze het geopende étui zoo voorhield, dat de eene helft, +die met een dozijn goudsigaretten was gevuld, geheel onder zijn bereik +kwam. + +„Wilt gij opsteken, Mr. Peperling?” + +„Als ik zoo vrij mag zijn,” sprak deze en nam er een der sigaretten met +gouden mondstuk uit, terwijl Charly op een wenk van Raffles een +brandend lucifertje gereed hield om Peperling het aansteken van de +sigaret zoo gemakkelijk mogelijk te maken. + +„Inderdaad, een genot!” + +Peperling klapte met de tong, toen de sigaret brandde en hij een paar +trekjes had gedaan. + +„Zooiets krijgt men niet elken dag te rooken.” + +Vol welbehagen leunde Peperling achterover in den leunstoel en zoog +nogmaals den rook der sigaret diep naar binnen, om dien daarop door den +neus weer uit te blazen. + +Raffles en Charly wierpen elkaar een veelbeteekenenden blik toe, om +daarop vol aandacht te kijken, hoe de juwelier zich verder zou +gedragen. + +Zij wisten beiden zeer goed, welke gevolgen het gebruik der +opium-sigaret reeds binnen eenige minuten voor den rooker had. + +Een paar trekjes van een dezer geprepareerde sigaretten was voldoende +om zelfs den sterksten rooker volkomen te bedwelmen en gedurende +eenigen tijd in een zwaren slaap te doen verzinken. + +De verwachte werking van het verdoovingsmiddel trad met de gewone +stiptheid in. + +In twee minuten begonnen de oogleden van Peperling zwaar te worden en +dicht te vallen, daarop vielen zij toe en de juwelier zonk, terwijl hij +de sigaret uit zijn geopenden mond liet vallen, in zijn stoel +achterover. + +Een oogenblik later verkondigde een diepe, regelmatige ademhaling dat +een loodzware slaap zich van hem had meester gemaakt. + +„Zoo,” sprak Raffles, haastig van zijn stoel opspringend, „nu is het +tijd om te handelen. + +„De brandkast is open, de sleutel steekt in het slot! Wij kunnen onzen +oogst binnenhalen! + +„Help mij gauw, de bovenste vakken door te zoeken, Charly, dan kun je +het verdere werk aan mij overlaten. + +„Je moet dan door die deur wegsluipen, waardoor men, naar ik geloof, in +een lange, donkere gang en daarna op een trap komt, welke naar de +benedenvertrekken van het huis voert. + +„Je zult daar den weg wel vinden en hopelijk ongestoord bij den uitgang +komen. + +„In de buurt daarvan moet je je zoodanig verbergen, dat je de straat +kunt overzien en mij dadelijk kunt waarschuwen, als er gevaar nadert.” + +Haastig gingen beiden aan het werk en begonnen alles, wat zij in de +brandkast vonden, uit te pakken. + +Het eerste, wat Raffles in handen kreeg, was het similiestuk van Miss +Flora, dat hij onmiddellijk met het étui bij zich stak. + +Daarop ontdekten zij een aantal grootboeken en een kladboek, waarin +Peperling een groote lijst had aangelegd van alle dieven en +misdadigers, die voor hem hadden gewerkt en van wie hij gestolen +goederen had gekocht. + +In dit boek vonden zij ook de genummerde kleinere of meer uitgebreide +aanteekeningen omtrent de gestolen voorwerpen van waarde, welke +overeenkwamen met de nummers, welke aan de bijouterieën waren +bevestigd, die op tafel lagen. + +Ook het similiestuk van miss Flora was reeds geboekt en bij de +aanteekeningen stond, door Peperling zelf geschreven, duidelijk te +lezen, dat Bob Flinsch het op Donderdagnacht der vorige week uit de +woning van miss Flora Palmerston in Kings Road no. 10 had gestolen. + +„Neem dit kladboek, Charly, en leg het naast de geopende kistjes op +tafel,” sprak Raffles tot zijn vriend, „sla de bladzijde op, waar de +aanteekening betreffende Flinsch staat en onderstreep ze met rood +potlood, dat daar op de schrijftafel ligt. + +„Dan kunnen Flinsch en de wakkere kerels van Scotland Yard het dadelijk +lezen, als zij hier mochten komen. + +„Ik schrijf misschien zelf nog een groet aan Baxter, als ik er tijd +voor vind. + +„Eerst wil ik dit pakje bankpapier in mijn zak steken; wat mij betreft, +kun jij er ook wel wat nemen—we zijn dan weer voor langen tijd +rijkelijk van geld voorzien. + +„Heb ik je niet gezegd, dat de fameuze advertentie in de „Evening News” +ons wel voordeel zou opleveren! + +„Ziezoo, mijn jongen, nu ben jij klaar. Trek nu je schoenen maar uit en +sluip op je kousen naar de observatiepost.” + +Zoo snel mogelijk verwijderde Charly zich en was in het volgende +oogenblik reeds door de deur verdwenen. + +Raffles begon dadelijk daarna ook den lessenaar van Peperling open te +breken, waarin eveneens een menigte kostbare juweelen verborgen waren +en een dikke stapel papiergeld lag. + +Terwijl hij de brillanten onaangeroerd liet, legde hij de banknoten met +een glimlach bij de andere, waarmee hij reeds al zijn jaszakken had +gevuld. + +Toen sloeg hij het deksel van den lessenaar weer dicht en begon op een +velletje handelspapier van Peperling vlug een paar bladzijden te +schrijven, aan het slot met den naam „Raffles” onderteekend. + +Zeer opvallend had hij zijn brief juist naast het kladboek op tafel +gelegd, toen Charly plotseling op den drempel verscheen en met een +zacht „psst” de aandacht van zijn vriend op zich vestigde. + +„Flinsch komt!” fluisterde hij. + +„Alleen?” vroeg Raffles even zacht terug. + +„Wel—hij wil zich blijkbaar overtuigen, of er geen onweer aan de lucht +is.” + +„Nu en of! Je reinste aether!” glimlachte Raffles. + +Reeds het volgende oogenblik was hij naar de deur gesprongen, daar hij +juist een zacht kraken van de trap had gehoord. + +„Ga jij gauw achter die ouderwetsche kast daar in de gang; achter de +andere, die daar juist tegenover staat, ga ik staan! + +„Zoodra hij tusschen ons in is, mijnheer de graaf Melrose, springen we +op hem toe.” + +Als twee schaduwen snelden beiden naar hun schuilhoek en hadden zich +nauwelijks achter de groote meubelstukken verscholen, of reeds aan het +eind van de gang dook de magere gestalte op van den handlanger der +politie. + +Een oogenblik bleef hij bewegingloos staan. + +Hij luisterde— + +Niets verroerde of bewoog zich— + +Geen geluid in den omtrek— + +Maar toch—een gesnurk, een zwaar en diep gesnurk, dat uit de hem +welbekende kamer van Dan Peperling tot hem doordrong. + +Hoe nu? Sliep deze? + +Was Raffles niet bij hem—was de rijke kerel alleen? + +Ha! Misschien was er nog gauw wat te stelen, voordat Baxter en de +andere politiemannen kwamen. + +Nog een oogenblik bleef Flinsch op dezelfde plek staan, daarna snelde +hij zoo geruischloos als een kat de gang door naar de kamerdeur. + +Vlak daarbij stonden de beide antieke kasten, die een smallen doortocht +vormden, welken hij beslist moest passeeren. + +Wantrouwend vertraagde hij, voordat hij deze had bereikt, zijn +schreden. + +Hij luisterde nog eens—doch neen, behalve het gesnurk was er geen +geluid te hooren, dat hem verdacht voorkwam. + +Verder dus! Hij riskeerde niets. + +Toen, op hetzelfde oogenblik, dat hij tusschen de kasten doorsloop, +sprongen geluidloos met de behendigheid en snelheid van twee panters, +Raffles en Charly op hem toe. (Zie titelblad.) + +Flinsch was zoo doodelijk geschrokken, dat de kreet, dien hij wilde +uitstooten, op zijn lippen bestierf. + +Wezenloos keek hij naar de beide mannen, vooral naar Raffles. + +Zijn knieën knikten en bewusteloos viel hij neer. + +Hij had den persoon herkend, dien hij wilde vernietigen! + +Dadelijk sleepten Raffles en Charly den bewustelooze naar de kamer, +namen hem zijn met de banknoten van Flora gevulde portefeuille uit den +zak en zetten hem daarna tegenover den nog steeds slapenden Peperling +in een leuningstoel. + +„Ziezoo”, zei Raffles lachend, „nu vormen ze een mooie groep! +Inderdaad, nobile par fratrum!” + +Hij had het laatste woord nauwelijks uitgesproken, of hij schrikte op, +daar buiten, op de gang, schreden hoorbaar werden. + +Snel wenkte hij Charly en op het volgende oogenblik sloop hij met zijn +vriend door de geheime deur, die uitkwam op de smalle trap, welke naar +het kantoor van Peperling in de bovenste étage leidde. + +Eenige seconden later hoorden zij, hoe een aantal menschen door de +geopende gangdeur de kamer binnenstormden. + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +EEN MAN, EEN MAN—EEN WOORD, EEN WOORD! + + +Detective Marholm, bijgenaamd de Vloo, zat alleen in zijn kantoor. + +Zijn chef Baxter had hem reeds eenigen tijd geleden verlaten, om in +gezelschap van een half dozijn manschappen zich op weg te bewegen naar +de Leadenhallstreet. + +Hij glimlachte vergenoegd. + +„Die zal wat goeds uitrichten, mijn goede Baxter”, mompelde hij in +zichzelf. „Wanneer die Raffles vangt, mag ik mijnentwege dadelijk van +„Vloo” in „Luis” veranderen. + +„Dat gespot begint mij toch reeds lang te vervelen, al hoor ik er zelf +ook niets van en is men zoo verstandig, het alleen achter mijn rug te +doen. + +„Ach Baxter, Baxter, jij ouwe zottekop, ik wensch je van ganscher harte +vandaag toe, dat je eens een flinke douche zult krijgen en je eindelijk +eens van je Raffles-manie zult genezen. + +„Wat een dwaasheid om zich zoo in te laten met zoo’n nietswaardig sujet +als Flinsch is! + +„Hij zweert bij den schurk! Haha! Het liefst zou hij hem tot vast +gesalarieerd detective maken, om hem met Marholm te laten concurreeren. + +„Wel ja, prosit! Dat ontbrak er nog maar aan—” + +Marholm brak plotseling zijn monoloog af. + +Een politie-agent kondigde hem het bezoek aan van een dame, die den +heer inspecteur van politie Baxter of diens plaatsvervanger zeer +beslist dadelijk wenschte te spreken over een gewichtige +aangelegenheid. + +„Laat dat meisje maar binnenkomen!” antwoordde de Vloo op vroolijken +toon. „Het zal wel niets te beteekenen hebben; de vrouwen loopen +dadelijk, bij iedere kleinigheid, naar de politie.” + +Deze slechte meening van den heer detective omtrent het vrouwelijk +geslacht veranderde echter dadelijk, toen eenige oogenblikken later een +niet meer jeugdige schoonheid in zeer elegant toilet over den drempel +schreed, zich aan hem voorstelde als Miss Flora Palmerston en hem +daarna, zonder met een woord haar komst te verklaren eenvoudig een +visitekaartje ter hand stelde. + +Verbaasd nam Marholm dit in ontvangst, maar hij moest dadelijk lachen, +toen hij op de voorzijde den naam Raffles las. + +Opeens sprong hij op uit zijn stoel, om aan zijn steeds grooter +wordende vroolijkheid lucht te geven door een herhaald, nog luider +lachen. + +„Hoe en waar kwam u in het bezit van deze kaart?” vroeg hij haastig. + +Zonder eenigen omhaal van woorden kwam Miss Flora aan zijn wensch +tegemoet om iets naders te vernemen. Binnen vijf minuten had zij +Marholm alles verteld. + +Vergenoegd wreef hij zijn handen. + +„Ik dank u, Mylady, ik dank u van ganscher harte”, sprak hij met een +beleefde buiging. „Gij hebt de politie door de overlegging van deze +kaart een grooten dienst bewezen. + +„Ik zal dadelijk aan het verzoek, dat Mr. Raffles, mijn vriend op een +afstand, tot mij heeft gericht, met het grootste genoegen voldoen en +mij zoodra mogelijk op weg begeven naar de Leadenhallstreet. + +„Er zijn trouwens al eenige heeren van dit bureau daarheen gegaan, maar +zij worden hoogstwaarschijnlijk door dien fameuzen graaf Melrose op +schandelijke wijze gedupeerd en op een dwaalspoor geleid. + +„Naar ik hoop, zal de stand van zaken nu met één slag veranderen. Ik +verwacht bepaald, dat Raffles licht zal hebben ontstoken in de zeer +zeker kritieke situatie en dat gij, Mylady, dientengevolge weldra weer +in het bezit zult zijn van uw collier.” + +Hij nam daarop zoo snel mogelijk afscheid van Miss Flora en beloofde +haar naar Kings Road bericht te zullen zenden, welk gevolg de inval in +de Leadenhallstreet had gehad. + +Hij verliet het bureau, nadat hij aan een collega het toezicht had +overgedragen. + +Met inwendig leedvermaak snelde hij zoo spoedig mogelijk naar het huis +van den schurkachtigen juwelier. + +Hij kwam daar juist aan op het oogenblik, dat Baxter en zijn mannen +door de gangdeur de kamer van Peperling betraden en bij den aanblik van +de beide slapende booswichten en de met juweelen bedekte tafel een luid +„hallo!” begonnen te roepen. + +Ook Marholm haastte zich naar binnen en overhandigde Baxter het +visitekaartje van Raffles. + +De inspecteur van politie werd bleek van woede, toen hij dat gelezen +had, zoo zelfs, dat alle beambten hem vol verbazing aankeken, daar zij +dachten, dat hij het volgende oogenblik door een beroerte zou worden +getroffen. + +„Wat een gemeene streek! Wat een grenzenlooze laagheid!” schreeuwde +Baxter. „Haha, Marholm, hier hebben we waarschijnlijk met een nieuwen +truc van dien aartsschurk te doen!” + +Met half dichtgeknepen oogen van het lachen overhandigde de Vloo zijn +chef het vel papier, dat Raffles voor zijn vertrek op tafel had gelegd. + +„Neen, maar, dat gaat toch alle perken te buiten!” riep Baxter, „wat +schrijft die kerel? Hij bedankt mij, dat ik overeenkomstig zijn wensch +de Vloo hierheen heb gezonden en dat ook ik zelf gekomen ben. + +„Die brutaliteit gaat toch waarachtig te ver! + +„Luister maar eens, wat Raffles—Raffles, die satanskerel—verder +schrijft: + + + „Uit erkentelijkheid voor uw welwillendheid—gij moet immers toch + altijd naar mijn pijpen dansen—heb ik u ontlast van alle moeite met + de beide schurken, voor wie gij hierheen zijt gekomen om hen + gevangen te nemen. + + Daar zitten zij aan de tafel! Een nobel tweetal! + + Bovendien heb ik u de handelsboeken van den gewieksten Peperling en + zijn zeer interessante, zakelijke aanteekeningen, welke gij in het + kladboek zult vinden, te zamen met de gestolen sieraden op tafel + neergelegd. + + Volgens aanwijzing van de boeken kunt gij de laatste weer ter hand + stellen aan hun rechtmatige eigenaren, en ook het geheele troepje + dieven, dat voor Peperling werkte, leeren kennen. + + De voornaamste hiervan is graaf Melrose of wel Flinsch, uw + steunpilaar, Mr. Baxter. + + Behoud dezen parel der menschheid en moge de hemel u nog lang, tot + groote vreugde van alle spitsboeven en schurken, in het leven en in + uw betrekking bewaren! + + Met vriendelijken groet aan u en mijn vriend Marholm, + + Uw u zeer toegenegen + JOHN C. RAFFLES.” + + +Een onbedaarlijk gelach klonk uit de keien van alle beambten. Het +scheelde niet veel of de heeren hadden „hoera!” geroepen en een +donderend „lang zal hij leven!” geschreeuwd voor den Grooten, genialen +Onbekende. + +Daarna begon men naar Raffles te zoeken. Het geheele huis van Peperling +werd van den kelder tot de bovenste verdieping ondersteboven gekeerd, +iedere hoek, ieder kamertje werd doorzocht—Raffles echter was nergens +te vinden. + +Den volgenden dag deelde miss Flora Palmerston den politie-inspecteur +Baxter in beleefde woorden mede, dat zij zoo juist, door bemiddeling +van Mr. John C. Raffles, in het bezit was gesteld van het haar +ontstolen halssnoer en bankpapier. + +De Groote Onbekende, die met Charly uit de woning van Peperling over de +daken der naburige huizen ontkomen was, had woord gehouden—miss Flora +durfde er een eed op doen, dat zij het echte brillanten halssnoer weer +haar eigendom kon noemen. + +Ook de Lord, die eenige dagen later in Londen terugkwam, kon het +nagemaakte stuk niet van het echte onderscheiden. + +Het echte collier echter kwam korten tijd daarna in handen van de nicht +van den Grooten Onbekende, aan wie het rechtmatig toekwam. + +Zij ontving het onder bijvoeging van een pakje bankpapier en een +allerbeminnelijksten brief. + +De anonieme afzender verzocht daarin de hoogst gelukkige geadresseerde +het collier en de banknoten ten geschenke aan te nemen van een man, die +het zich tot levenstaak had gesteld om met zijn rijkdom arme menschen, +wien men hun geluk ontstolen had, voor zooverre in zijn macht lag, af +en toe een kleine vreugde te bereiden! + + + +Peperling en Flinsch werden in veilige bewaring gebracht en werden al +spoedig veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraf, terwijl alle +schatten, die in het vossenhol van den juwelier werden gevonden, +benevens diens handelsboeken en papieren door de politie in beslag +werden genomen. + + + + + + + + + + +POPPELMANS VERDEDIGING. + + +De oude rentenier August Poppelman was reeds jaren lang lid van den +gemeenteraad, een bewijs, dat zijn medeburgers veel verwachting van hem +hadden. + +Of hij echter bijzonder nuttig was in die functie, daarover bestond wel +eenige twijfel en vooral bij de regeering, die een decoratie, waarmede +zij anders vrij kwistig was, tot groot leedwezen van Poppelman van jaar +tot jaar uitstelde. + +Alle andere burgervaders hadden een lintje in hun knoopsgat en dit feit +hinderde den eergierigen man meer dan hij kon zeggen. + +Tevergeefs pijnigde hij zich de hersens met de vraag, hoe hij het klaar +zou kunnen spelen om in het bezit te geraken van een zichtbare +onderscheiding. + +Ten slotte werd hij zwaarmoedig en hij besloot, niet meer over de zaak +na te denken, daar hij vreesde dat zijn geestvermogens er onder zouden +gaan lijden. + +Poppelman was ongetrouwd en ongeveer vijf en vijftig jaar. + +Hij had als huishoudster een vrouw, die ongeveer tien jaar jonger was +dan hijzelf en die in deze betrekking haar zilveren jubileum reeds had +gevierd. + +De regeering had haar voor deze jarenlange trouwe plichtsbetrachting +een zilveren medaille verleend, die als zichtbaar bewijs van hooge +onderscheiding aan een lint van de nationale kleuren om den hals +gedragen moest worden. + +Deze medaille wekte van af het eerste oogenblik de jaloezie op van haar +heer en daardoor was hij niet zelden in een slecht humeur. + +„Het zou eigenlijk het beste zijn, als ik Caroline liet heengaan,” +bromde de ontevredene bij zichzelf, „maar dat gaat ook weer niet, want +welk een plaatsvervangster zou ik krijgen voor die uitstekende +keukenmeid! Neen, ik moet iets anders uitvinden, om uit deze +moeilijkheden te geraken!” + +En hij vond inderdaad een anderen uitweg—hij deed Caroline een +huwelijksvoorstel, wat natuurlijk werd aangenomen en weldra mocht hij +haar zijn echtgenoote noemen. + +Al kwam hij op die manier ook nog niet zelf in het bezit van een +decoratie, toch gaf het hem een zekere voldoening, te kunnen zeggen, +dat een lid van zijn familie zich in een dergelijke onderscheiding +mocht verheugen. + +Daar hij verder met zijn „jonge vrouw” in gemeenschap van goederen +leefde, maakte hij langzamerhand zichzelf wijs, dat hij mede-eigenaar +was van de zilveren medaille. + +Het gevolg hiervan was, dat hij weldra zijn vrouw verzocht, op de even +dagen van de maand de medaille onder zijn kamerjapon thuis te mogen +dragen, hetgeen zijn echtgenoote onmiddellijk goed vond. + +Zijn dankbaarheid voor dezen dienst trachtte hij te bewijzen door +Caroline een nieuwe zwaar zijden japon te koopen, waardoor zijn vrouw +zoo geroerd was, dat zij hem uit eigen beweging het eereteeken ook op +de oneven dagen in bruikleen gaf. + +Zoo liep Poppelman dag aan dag vol trots met de medaille om den hals in +zijn woning en in den tuin rond; kwam er iemand, dan wist hij haar +dadelijk heel handig te verbergen. + +Op den duur beviel hem die geheimzinnigheid met het kleinood in het +geheel niet en hij overlegde bij zichzelf, of hij niet eens zou +probeeren, zich er ook in het openbaar mee te vertoonen. + +Deze gedachte schoot al meer en meer wortel in zijn brein en hij +besloot om bij de eerstvolgende gelegenheid het plan uit te voeren. + +Ter gelegenheid van den verjaardag van den vorst was er, zooals vanzelf +sprak, een diner ten stadhuize, waaraan de voornaamste ambtenaren en de +aanzienlijkste personen der stad deelnamen. + +„Dat is een dag,” vond Poppelman, „waarop bij het gewoel der gasten, +die meer of minder voorname decoraties zullen dragen, niet bijzonder +wordt gelet op leege of versierde knoopsgaten en daarom zal ik het dan +maar eens probeeren, om op het diner te verschijnen met de +„familiemedaille.”” + +Op het gewichtige uur trok het gemeenteraadslid den rok aan, in welks +middelste knoopsgat het lintje op kunstige wijze was bevestigd, zette +zijn hoogen hoed op en begaf zich naar de feestzaal. + +Was hij in den beginne niet erg op zijn gemak, langzamerhand kalmeerde +dat onbehagelijke gevoel, toen hij in de volle, groote zaal van het +raadhuis binnenkwam, waar iedereen bezig was, de voor hem bestemde +plaats aan de gereedstaande tafels uit te zoeken. + +Het feest verliep prachtig en Poppelman had er verbazend veel pleizier +in, dat hij zoo’n goed idee had gehad, want met een knoopsgat zonder +lintje zou hij zonder twijfel tusschen al die deelnemers met sterren en +ridderorders opzien gebaard hebben. + +Eindelijk kwam de toast op den hoogen jarige en Poppelman, die al in +een bijzonder vroolijke stemming geraakte, gevoelde zich gedrongen, +evenals de meeste aanwezigen deden, met den burgemeester, die het feest +leidde, te klinken. + +De burgemeester, een bekende kenner van ordeteekens, trok een +verwonderd gezicht, toen Poppelman „met het kruis” bij hem kwam, maar +hij zei niets, en schreef eenige woorden in zijn notitieboekje, waarbij +hij onwillekeurig eventjes glimlachte. + +In allergenoeglijkste stemming keerde Poppelman na afloop van het feest +naar huis terug, vastbesloten, omdat nu toch alles goed van stapel +geloopen was, zich in het vervolg meer met die versierselen op straat +te vertoonen. + +Toen hij den volgenden morgen opstond en hij zich een beetje katterig +voelde, kleedde hij zich aan en liep naar den tuin, omdat de frissche +lucht hem goed zou doen. + +Nauwelijks had hij een half uurtje rondgeboemeld, toen de postbode kwam +en hem een groote enveloppe overhandigde. + +Nieuwsgierig keek de ontvanger er naar en opende het daarna. + +Er kwam een gedrukt formulier uit, dat de oproeping bevatte om zich ’s +middags om 5 uur op het raadhuis te vervoegen voor +decoratie-aangelegenheden. + +„Ha! Het kan slechts zijn om mij een ridderorde te verleenen!” riep +Poppelman vroolijk uit. „Dat moet ik dadelijk aan Carolientje +vertellen. Ja, ja, wat in het vat is, verzuurt niet. Waarschijnlijk +wordt het meteen een Leeuwtje!” + +Bij die woorden snelde hij in huis om zijn vrouw, die stond te koken, +zijn geluk het eerste te melden. + +„August,” weerklonk de waarschuwende stem der kookkunstenaresse, „ik +heb zoo’n flauw vermoeden, dat je iets onaangenaams te wachten staat.” + +„Jij zult mijn heele pleizier nog bederven,” bromde August op +verdrietigen toon. + +Als een verheugd kind begaf hij zich naar de burgemeesterskamer. + +Wat zouden al de menschen wel zeggen, als hij met een schitterende +ridderorde op zijn borst voortaan door de stad zou paradeeren. + +Lang voor den vastgestelden tijd landde hij reeds aan op het stadhuis. + +Daar werd hem gezegd, dat de burgemeester hem reeds wachtte. + +De bode bracht hem naar de kamer, waar hij moest wezen en daar zat zijn +edelachtbare achter een groot bureau te pennen. Toen Poppelman +binnenkwam stond de burgemeester op en sprak: + +„Het spijt mij, dat ik u bij mij heb moeten laten ontbieden, maar ik +heb gisteren bij het feestdiner opgemerkt, dat ge een ordeteeken +draagt, dat slechts wordt uitgereikt aan dienstboden, die al vele jaren +trouwe diensten hebben verricht in een en dezelfde huishouding. En daar +het hier om een strafbaar feit gaat, zou ik gaarne eenige opheldering +wenschen.” + +Den armen Poppelman rezen de haren ten berge, maar hij vermande zich en +begon: + +„Waarde burgemeester, ieder mensch heeft zoo zijn eigenaardig zwak en +daarvan ben ik niet vrij gebleven. Het bezit van de een of andere +ridderorde is steeds mijn stokpaardje geweest. Ge kunt u voorstellen, +hoeveel verdriet het mij heeft veroorzaakt, dat mijn knoopsgat steeds +leeg is gebleven. Toen kwam ik op het denkbeeld, om de medaille van +mijn vrouw te dragen. Ik deed dat in het begin eerst heimelijk in huis +of in den tuin, maar toon de feestdag van gisteren kwam, werd het +verlangen mij te machtig en bevestigde ik de medaille in mijn +knoopsgat. Ik vond het zoo’n akelig denkbeeld, om onder al de +gedecoreerde gasten de eenige te zijn, die zonder lintje prijkte. Als +eenige verontschuldiging zou ik dan verder nog willen aanvoeren, dat +man en vrouw één zijn en dat wij in gemeenschap van goederen zijn +getrouwd. Ik beken hier volkomen, dat ik heb gezondigd en ik beloof u +om in de toekomst dit eigendom van mijn vrouw niet meer als het mijne +te beschouwen. Ik weet, dat er gestraft moet worden, en ben dan ook +terstond bereid om een flinke som in de armenkas te storten.” + +De burgemeester had met aandacht geluisterd. Daarna verklaarde hij op +vriendschappelijken toon, dat het wel niet zoo’n vaart zou loopen. + +Poppelman begaf zich daarna naar de secretarie om de vastgestelde som +in de Armenkas te storten, innerlijk tevreden, dat de zaak deze wending +had genomen. + +De burgemeester moest intusschen wel zeer veel goeds van Poppelman +gesproken hebben, want 2 maanden later kreeg hij bericht dat er op het +stadhuis een ridderorde voor hem gereed lag. + +Terstond snelde hij naar de burgemeesterskamer, waar zijn Edelachtbare +hem eigenhandig de ridderorde op de borst spelde en er tevens op +schalkschen toon bijvoegde, dat deze onderscheiding niet voor Mevrouw +Poppelman bestemd was. + + + + + + + + +HET DOORGESLIKTE HORLOGE. + + +Een Berlijnsche kellnerin had zich te verantwoorden wegens de +eigenaardige manier, waarop zij haar verplichtingen nakwam en wegens +verzet tegen de overheid. + +Het gerecht was zeer mild in zijn uitspraak en veroordeelde de +beklaagde tot een gevangenisstraf van één dag. + +Beklaagde had in een afbetalingszaak een kostbaar dameshorloge gekocht +op geregelde afbetaling. + +Nadat zij gedurende eenigen tijd haar verplichtingen was nagekomen, +bleef zij plotseling in gebreke daarvan. Het gevolg hiervan was, dat de +firma van haar eischte om te betalen of het gekochte horloge terug te +geven. + +Toen zij desondanks noch het een, noch het ander deed, stelde de firma +een vervolging tegen haar in. + +Op zekeren morgen werd toen „de mooie Marie”, zooals haar collega’s +haar noemden, door den gerechtsdienaar uit haar bed gehaald. + +De beambte vond aanvankelijk, ondanks aanhoudend zoeken, het horloge +niet. Toen hij echter het handtaschje der jonge dame aan een onderzoek +wilde onderwerpen, sprong zij plotseling op hem toe en ontrukte hem het +taschje. + +En nu gebeurde er iets, dat de gerechtsdienaar niet had verwacht. + +De beklaagde nam het horloge uit het taschje en stak het met een +haastige beweging in den mond. + +Na eenige benauwde slikbewegingen was het spoorloos verdwenen. + +Nu was goede raad duur. + +Nadat de beambte van zijn verbazing was bekomen, riep hij onmiddellijk +de hulp in van een dokter. Dezen gelukte het, de beklaagde duidelijk te +maken, dat zij zich zelf door haar dwaze handelwijze in levensgevaar +had gebracht, daar zich waarschijnlijk belangrijke storingen in haar +spijsvertering zouden voordoen. + +Nu begon de kellnerin angstig te worden. + +Zij at, op aanraden van den dokter, een heelen berg gekookte +aardappelen om het „vreemde lichaam” daarin te hullen. Hierna werden +haar eenige sterk werkende „afvoermiddelen” toegediend, die reeds na +een half uur werkten. + +Het kostbare voorwerp zag dan ook na korten tijd, al was het met +eenigszins gewijzigd uiterlijk, het daglicht terug. + +Het horloge werd daarna, behoorlijk gereinigd en keurig ingepakt, weder +in het bezit gesteld van de firma, die het had verkocht. + + + + + + + + +EEN ZONDVLOED VAN FRAMBOZENSAP. + + +Eenigen tijd geleden stonden drie jongens in den leeftijd van 12 tot 14 +jaar bij den hoek van een straat en zagen door een keldervenster een +groot vat, waarin, naar zij vermoedden, wijn zou zijn. + +Dat bracht hen op een idee. + +Zij zouden zoo graag eens van het druivensap willen proeven, maar zij +durfden niet! + +Toen kwam een van hen op een krijgslist. Hij trok zijn beiden vriendjes +de pet van het hoofd en wierp die hoofddeksels in den kelder. + +Nu klommen zij samen door het venster naar binnen om hun petten terug +te halen en daar zij nu toch eenmaal beneden waren, besloten zij, een +leege flesch, die zij van een plank in den kelder namen, met wijn te +vullen. + +Zij draaiden de kraan van het vat open en wilden heel voorzichtig eerst +eens probeeren, hoe de wijn er uit zou loopen. + +Op hetzelfde oogenblik echter vloeide een stroom frambozensap uit het +vat en de kraan wou niet meer draaien. + +Roerloos van schrik stonden de jeugdige zondaars te kijken. Plotseling +echter liepen zij weg, want zij zagen den portier aankomen. + +Zij vertelden den portier wel, dat er niets was gebeurd, maar deze +vertrouwde hen niet, daalde in den kelder, om te zien, wat de jongens +hadden uitgevoerd en vond daar een fraaien toestand! + +De kelder dreef van het frambozennat. Voor ongeveer 500 Mark van de +lekkere vloeistof was weggestroomd. + +De kleine boosdoeners ontliepen hun rechtvaardige straf niet en het +onplezierigste voor den portier was, dat een van het drietal zijn eigen +zoon was. + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78357 *** |
