diff options
Diffstat (limited to '78354-0.txt')
| -rw-r--r-- | 78354-0.txt | 11896 |
1 files changed, 11896 insertions, 0 deletions
diff --git a/78354-0.txt b/78354-0.txt new file mode 100644 index 0000000..32e37f4 --- /dev/null +++ b/78354-0.txt @@ -0,0 +1,11896 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78354 *** + + + + + DE GOUDZOEKERS. + + + Naar de zesde Fransche Uitgave + VAN + GUSTAVE AIMARD. + + + MET ACHT OORSPRONKELIJKE HOUTGRAVURES. + DERDE DRUK. + + ’s Gravenhage, + DE ERVEN J. L. NIERSTRASZ. + + + + + + + + +DE GOUDZOEKERS. + + +I. + +DE PRAUW. + + +De 25 September 16 .. juist op het tijdstip dat de zon tot het zenith +gekomen, hare gloeiende heete stralen loodrecht nederzond op den reeds +half verschroeiden grond, voer een prauw door drie personen bemand, na +veel moeite Kaap Coquibacoa om, zette haar koers langs de westkust van +de baai van Venezuela voort, en bleef ten laatste vast zitten in het +zand van den oever, bij de monding eener rivier zonder naam, na zich +eerst doorgeworsteld te hebben tusschen doode boomen en zware +waterplanten van allerlei soort, die op deze plek bijna totaal de +bedding van dit armzalige stroompje verstopten. + +De bemanning van de prauw beraadslaagde eenige minuten in fluisterend +gesprek en hield vrij bezorgd den blik onafgebroken gericht naar de +beide te dezer plaatse niet ver van elkaar verwijderde oevers. Een +hunner wantrouwender of misschien voorzichtiger dan zijne metgezellen, +trok uit zijn wambuis een verrekijker te voorschijn (een werktuig dat +in die dagen nog tot de zeldzaamheden behoorde) en na die gesteld te +hebben, doorsnuffelde hij met zijn oog, om het zoo eens uit te drukken, +al de dicht begroeide plekjes en boschjes in de nabijheid; daarna +schoof hij den kijker met de palm van zijn rechterhand ineen en zei: + +—Wij kunnen gerust aan wal stappen. In den ganschen omtrek is geen +menschelijk wezen door mij ontdekt kunnen worden. + +Toen sprongen alle drie op den oever, zorgden daarna er voor om de +prauw stevig vast te meeren, schoon de boeg reeds diep in het zand was +gewoeld en gingen toen zitten in de schaduw van eenige kort daarbij +staande boomen, wier zwaar bladerengewelf hun eene hoogst welkome +beschutting aanbood tegen de zonnestralen die van lieverlede verzengend +dreigden te worden. + +Zooals wij reeds gezegd hebben bestond de bemanning van de prauw uit +drie personen. + +De Spaansche schildwacht, die op post stond op den toren van Guette, +waardoor de ingang van de golf van Venezuela wordt beschermd, had met +onverschilligen blik de vlugge vaart van het lichte vaartuig, dat bijna +binnen het bereik van een geweerschot van zijn wachtpost passeerde, +gadegeslagen; meer dan half drommelend, en misleid door het armzalige +voorkomen van de prauw, had hij die gehouden voor een kano uit +boomschors vervaardigd, waarvan de Indianen zich bedienen als zij in +volle zee gaan visschen, en verder had hij zich daarover niet +bekommerd. Maar als hij beter toe had gekeken, dan zou hij zeker +gehuiverd hebben van angst en alarm gemaakt, want dan zou hem gebleken +zijn, dat de drie gewaande Indianen, niet slechts waren Broeders der +Kust, maar zelfs twee hunner voornaamste aanvoerders, Montbars de +Verdelger en Luiwammes [1], want werkelijk waren zij het die met zoo +groote stoutmoedigheid de golf van Venezuela binnendrongen. Wat hun +metgezel betreft, dit was iemand van vier- of vijfendertig jaar, die +men zoo door zijn voorkomen als door zijne lengte, die meer bedroeg dan +zes voet, een echte Hercules had kunnen noemen; even als dit dikwerf +voorkomt had ook deze reus, een open gelaat, een frissche kleur, rood +als van een jong meisje, dikke, hoogroode lippen en prachtig aschblond +haar, wel slecht verzorgd, doch dat toch met lokken zacht als zijde tot +op zijne schouders neerviel; om kort te gaan, zijn gunstig uiterlijk +werd gekenmerkt door eene zóó groote mate van goedhartigheid, schoon +volstrekt niet verwant met onnoozelheid, dat dit dadelijk iedereen +reeds bij de eerste ontmoeting voor hem moest innemen. + +Zijn gewaad bestond uit den bol van een hoed met oogklep, twee hemden, +over elkaar aangetrokken, een broek, een wambuis, alles van dezelfde +stof, namelijk grof linnen; zijne krachtig gespierde beenen, zoo harig +als die van een beer, waren naakt; sandalen van varkensleer, +beschermden zoo goed als kwaad dit ging, zijne voeten tegen de beten +der slangen en de scherpte der steenen op den weg. Hij droeg een gordel +van stierenleer, waaraan aan den eenen kant hingen een kruithoorn en +kogeltasch en aan den anderen kant een koker van krokodillenvel, waarin +vier lange, breede messen en een dolk staken; een tent van zeer fijn +linnen, zoodanig in elkaar gerold, dat die niet veel plaats besloeg, +was bij wijze van bandelier over zijn schouder geslagen, en het was of +die diende om zijne uitrusting compleet te maken, doch toch was hij nog +bovendien gewapend met een geweer uit de fabriek van Brachie te Dieppe. +Die man was de pandeling van Montbars, en heette Tributor. In de +hoogste mate gehecht aan zijn meester, wien hij reeds sinds een paar +jaar toebehoorde, werd hij door Montbars bij voorkeur gekozen als er +sprake was van een dier gevaarlijke verkenningstochten die gewoonlijk +de expeditie van den Verdelger voorafgingen. + +Wij hebben nog verzuimd gewag te maken van een prachtige patrijshond +met gele vlekken, lange hangende ooren, en oogen die tintelden van +slimheid; dat dier was ook uit de prauw gesprongen en had zich op een +wenk van Tributor, aan diens voeten neergelegd. Dit laatste personage +was begiftigd met den naam van Monaco. + +En wat was nu de oorzaak dat die drie mannen en die hond zóóver +verwijderd waren van de streek waar zij gewoonlijk vertoefden, en zich +nu bevonden in de golf van Venezuela dat wil zeggen geheel en al op +Spaansch territoir en dus te midden hunner onverzoenlijke vijanden? Dit +zal ons duidelijk worden door het volgende gesprek. + +Toen zij daar een poosje gezeten hadden, begon Luiwammes zich druk +onledig te houden, al zijne zakken te doorsnuffelen, die hij den een na +den ander omkeerde, hoogst waarschijnlijk om naar iets te zoeken, wat +hij maar niet kon vinden; eindelijk na tal van vergeefsche pogingen, +gaf hij het op, sloeg met de vuist op de dij en riep spijtig: + +—Mooi zoo! Nu ziet het er voor mij prettig uit! Waarachtig! Dat +mankeerde er nog maar aan. + +Montbars draaide het hoofd naar hem toe en vroeg:—Wat scheelt er aan? + +—Ik heb mijn pijp en mijn tabak verloren,—gaf de flibustier ten +antwoord.—Wat zegt ge van zoo iets? Nu weet ik niet wat ik moet +aanvangen. + +—Wel natuurlijk!—hernam Montbars.—Niet rooken tot ge weer in de +gelegenheid zijt. + +—Niet rooken!—herhaalde de ander met diepe verslagenheid. + +—Ik weet ten minste niets anders te bedenken; ge weet dat ik nooit +rook. + +—Dat is zoo!—stemde hij toe, zeer teleurgesteld.—Wel verduiveld! Het is +of in de laatste dagen alles ons moet tegenloopen. + +—Vindt ge dat?—vroeg Montbars, en glimlachte daarbij op eene +zonderlinge manier.—Dan ben ik het niet met je eens, kameraad. + +—Zoo!—bromde de ander met gebogen hoofd.—Verschil van opinie! Nu, houd +het er dan maar voor, dat ik niets heb gezegd. + +—Kapitein Luiwammes,—begon de pandeling op zeer onderdanigen toon.—Ik +heb nog tabak, ’t is wel niet veel, maar toch genoeg om zoo gij dit +verlangt je een pruim aan te bieden. + +—Wat, of ik dit verlang?—herhaalde Luiwammes zeer verheugd.—Geef maar +gauw, beste Tributor! Drommels, ge zijt nog eerst een ferme kerel, en +op dit oogenblik doet ge niet veel minder al gelooft ge dat zoo niet, +dan mijn leven redden. + +—Ba!—hernam de pandeling goedhartig.—Dit meent ge niet! + +—Niet meenen? Ik ben er zeker van! Geef maar gauw wat! + +—Ik ga het halen uit de prauw, waar ik de tabak onder een bank had +gestopt om die frisch te doen blijven. + +—Hij is toch een onbetaalbare kerel!—verklaarde Luiwammes lachend.—Hij +denkt altijd aan alles! + +Tributor stond op en liep naar de prauw, maar halverwege bleef hij +staan, bukte, en uitte een kreet van verrassing. + +—Hei! Waarom schreeuwt ge zoo?—vroeg Luiwammes.—Hebt ge misschien +zonder het te merken op een slang getrapt? + +—Dat niet,—luidde het antwoord,—maar ik heb je pijp en je tabak +teruggevonden. Kijk maar eens! + +Te gelijk toonde hij een soort van zak gemaakt uit de blaas van een +wild zwijn, en een rood steenen pijp met korten steel van +kersenboomenhout, welke beide zaken hij uit het gras had opgeraapt. + +—Het is waarachtig waar!—riep Luiwammes recht in zijn schik.—Het is +zeker onderweg uit mijn zak gevallen. Heerlijk! Nu is, Goddank! de ramp +zóó groot niet, als ik duchtte. + +Zonder verder verwijl, begon hij de pijp te stoppen, die Tributor hem +had aangereikt, stak die aan, en dampte toen met die uitdrukking van +innig welgevallen, zoo dikwerf merkbaar op het gelaat van een +hartstochtelijk rooker. Tributor had zich weer op het gras uitgestrekt. + +—Dus, Luiwammes, oude jongen—zei Montbars spottend—schijnt ge nu tot +andere gedachten gekomen, en voelt ge u niet meer zoo diep ongelukkig +als straks? + +—Dat is zoo kameraad, maar toch ge moet er niet boos om worden als ik +dat zeg, hebben wij overigens geen reden te beweren dat wij tot nu toe +gelukkig gekoerst hebben. + +—Dan ben je te hoog in je eischen. Komt er een kink in de kabel, dan +raak je dadelijk overstuur, en gelooft niet anders dan dat de heele +boel verloren is. + +—Neen, ik geloof niet zoo gauw dat de heele boel verloren is, Montbars, +en vooral niet als gij er bij zijt maar toch... + +—Maar toch—viel de ander haastig in—, meent ge dat er veel te veel +gewaagd wordt, is het niet zoo? + +—Waarom zou ik dit ontkennen? Het is immers de waarheid. + +—Hoor eens, wij hebben op dit oogenblik overvloed van tijd, want de +felste hitte moet geweken zijn, eer wij onzen tocht voortzetten, zeg +dus hoe ge er over denkt. Ik luister naar je. + +—Blijft ge dan nog altijd van plan om er naar toe te gaan?—werd met +groote verbazing door den ander gevraagd. + +—Ge weet toch dunkt mij van ouds,—antwoordde Montbars eenigszins +heftig,—dat ik nooit op een eens genomen besluit terugkom. + +—Dat is volkomen waar! Het schijnt dat ik alles ga vergeten en een +halve zot word. + +—Daarover wil ik niet met je harrewarren, je moet zelf maar uitmaken +wat daarvan aan is, maar dat is nu de zaak niet. + +—En wat dan wel? + +—Wij moeten nu spreken over de weinige kans, die naar jou meening, voor +ons bestaat. + +—Nu, dat kan gauw afgehandeld zijn, want waarachtig is het niet noodig +zóó verbazend knap te wezen, om dit dadelijk in te zien. + +—Leg mij dit dan uit. + +—Als ge dit wilt, goed! Maar ge eischt het bepaald van mij, niet waar? + +—Zeker, zeker! Ik verlang er zelfs naar om precies te weten hoe ge +daarover denkt. Spreek vrijuit, en zonder omwegen. + +—Och! Wat ik te zeggen heb, is gauw genoeg verteld. Wij zijn uit +Port-Margot vertrokken, op een goed schip, bemand met veertig flinke +kerels, klaar en gereed voor ieder karweitje, dat gij ons aan de hand +mocht doen, goed! Wij kruisen een paar weken in de richting die de +galjoenen gewoonlijk nemen, en zien niets, zelfs geen enkele meeuw, +over het gansche natte vlak opdagen, best! Wij krijgen onze bekomst van +zoo’n vervelende vaart, wendden het over den anderen boeg, om dichter +bij de kust te komen, in de hoop dáár een goeden slag te slaan, en +krijgen het toen te kwaad met een bui, die ons dwarschscheeps aanpakt +uit het noord-noordwesten, met zoo’n geweld dat wij genoodzaakt zijn de +zeilen in te halen en ons op goed geluk te laten drijven, hoe langer +hoe mooier! En of dit alles nog niet goed genoeg was, stoot ons goed, +lief schip plotseling op een vervloekt stuk rots tusschen wind en +water, dat wij niet gewaar hadden kunnen worden, waardoor het +opensplijt, als een gehalveerde meloen en binnen een uur gaat het naar +den grond met al onze kameraden. Het mag nog een geluk genoemd worden, +dat... + +—O, zoo!—viel Montbars in.—Ge spreekt daar toch nog over een geluk! Ik +zal dat woord onthouden. + +—Mij wel, onthoud zooveel als je maar wilt, maar dit verandert niets +aan de ramp. Onze kameraden zijn verdronken en ons goede schip is te +gronde gegaan! + +—Wat konden wij er tegen doen? Is het onze schuld geweest? + +—Dat wil ik volstrekt niet beweren. Neen, in het geheel niet! + +—En wat is er nog meer gebeurd? Dit, dat wij toen heel toevallig een +prauw op sleeptouw hadden, een paar dagen te voren door ons in volle +zee opgepakt; hoe en waarom weet ik niet, misschien onder den drang van +een voorgevoel, had ik Tributor last gegeven, om die prauw te voorzien +van leeftocht, kruit en wapens. Juist op het tijdstip van dat +noodlottige onheil, was de flinke kerel daarmee klaar gekomen; hij +sneed de tros door waarmee de prauw aan ons schip was verbonden, deed +zich ongeveer een kabellengte afdrijven om buiten het zog van ons +vaartuig te blijven, en trok ons in de boot juist in tijds, want +uitgeput door inspanning waren wij op het punt als baksteenen te +zinken. Zes uur later liepen wij de golf van Venezuela binnen, dáár +hebben wij verder geen last van storm gehad, en nu het laatste, wat +eigenlijk de hoofdzaak is, die ge goed in gedachte moogt houden,—hier +zijn wij nu als de eenige overgeblevenen van de gansche equipage. + +—Ja, dat alles is waar, dat alles moet ik toegeven, maar voeg er dan +ook bij, hoe wij hier zijn, namelijk ver van onze broeders, overgelaten +aan ons zelven, in een land waar allen, beesten zoowel als menschen, +ons vijandig zijn, en dan zult ge mij ook moeten toegeven, dat die +toestand alles behalve aangenaam genoemd kan worden. Denkt ge des +ondanks er anders over, dan maar basta! En spreken wij liever over iets +anders. + +—Luister eens, Luiwammes,—hernam Montbars—het wordt nu meer dan tijd +dat ge met mijne gansche meening daarover bekend wordt. + +—Ook al goed!—zei de Luiwammes tamelijk onverschillig.—Het kan mij +eigenlijk ook bitter weinig schelen of ik hier moet sterven of ergens +anders, als ik er maar voor zorgen kan dat ik op eene glansrijke manier +naar de andere wereld vertrek. + +—Wees daarover gerust, vriendlief. Zoo wij hier ten onder moeten gaan +dan zullen wij slechts in de hitte van een gevecht omkomen. + +—Dan is alles zooals ’t hoort! En nu weg met al die droefgeestigheid! +Zelfs een kat verkwijnt door smart of bezorgdheid, zeggen ze bij mij te +lande. Nog eens, basta! ik wil niets meer weten. + +—Dat is wel mogelijk, maar ik sta daarentegen er op, dat ge nu al mijne +plannen te weten komt, dan kunt ge mij helpen om die ten uitvoer te +brengen. + +—Goed, als ge het zoo bedoelt, ga dan je gang maar. Ik luister. + +—Doe dit met de meeste oplettendheid, want ik verzeker je, die zaak is +het wel waard. Het zal nu zoo wat zes weken geleden zijn, dat ik op +Tortue was en toen dáár een bericht ontving van het hoogste gewicht. + +Luiwammes schudde eenige keeren het hoofd, en mompelde: + +—Zoo! Alweer? + +—Ja! Alweer, zooals altijd. + +—Nu, zet maar door!—deed de flibustier hooren, op den toon van iemand +die er aan wanhoopt een ander tot rede te brengen, en zich nu maar +getroost om naar hem te luisteren daar het voor het oogenblik niet +anders kan. + +—Ik rustte dus de brigantijn uit met het uitsluitende doel om naar deze +kust te komen. Mijn plan was om het schip hier of daar in eene kreek te +verbergen en daarna met vijf of zes van onze fermste kameraden in een +boot de golf binnen te roeien, hier te landen, en.... + +—Wel dan mankeert er zoo goed als niets meer aan. Het eenige verschil +bestaat hierin dat wij in plaats van met ons achten, met ons drieën +zijn,—viel Luiwammes in,—en dit is een bagatel, niet de moeite waard om +er over te spreken. Gij hadt dit dadelijk moeten zeggen, maar ’t doet +er niet toe, nu ik weet dat wij juist hier moesten komen, maak ik mij +over niets meer ongerust. + +—Ja, doch het is nu juist niet bepaald hier, waar wij moesten +komen,—gaf Montbars te kennen, met een flauw lachje. + +—Nu! Gaan wij nog verder? + +—Ja, nog een eindje,—hernam de flibustier, half spottend.—Wij zijn op +weg naar Maracaïbo. + +—Wat!—riep Luiwammes uit, en sprong op van verrassing.—Naar Maracaïbo? + +—Ja zeker. + +—En ge weet dat dit een stad is met tien of twaalf duizend inwoners. + +—Zeker, zeker! Maar wat kan mij dat schelen? + +—En een garnizoen van zes duizend man sterk! + +—Zeker! Maar daar geef ik niets om. + +—Daarenboven kanonnen.... + +—Nog iets meer? + +—Maar ge zult toch voor den drommel, er niet over denken om Maracaïbo +te nemen?—viel de ander op eens uit ten hoogste verstomd en zelfs bijna +verschrikt door de koelbloedigheid van den flibustier die thans +waarlijk zoover gedreven werd, dat het, zooals Luiwammes in zich zelven +zei, de spuigaten uitliep. + +—Wie weet?—sprak Montbars, met dezelfde kalmte en denzelfden spot, die +zijne woorden hadden gekenmerkt, sinds het begin van het gesprek. + +—Wel, heb ik van mijn leven!—riep Luiwammes en sloeg uit verbazing de +handen tegen elkaar.—Hoor eens, Montbars, ik heb je veel zien +uitvoeren, menige expeditie, die alleen door jou stoutmoedigheid +gelukte, heb ik met je meegemaakt, maar als dit je mocht gelukken, dan +grenst dat aan het wonderbaarlijke! Dus,—voegde hij er bij, met een +hartelijken lach,—gij, ik, Tributor en Monaco, wij trekken er op los om +Maracaïbo te gaan belegeren. Ik kan er niet anders van zeggen, dan dat +het een hoogst origineel idee is. Het is meer dan waarschijnlijk dat +wij er niet in zullen slagen, maar dat doet er niet toe, het is al mooi +genoeg als men zoo iets heeft durven beproeven. Waarlijk het is een +idee waardig om door je te zijn bedacht, en wat er ook van moge komen, +ik help er graag een handje aan meê! + +—Als ge goed kunt vinden op te houden met spotten,—werd hem koeltjes +door Montbars toegevoegd,—dan zal ik vervolgen. + +—Spotten? Ik denk er niet aan, beste vriend! Maar dit weet je, neem mij +die uitdrukking niet kwalijk, komt mij zoo potsierlijk voor dat... + +—Ge gelooft dat ik gek ben of op het punt van het te worden, is het +niet zoo?—viel Montbars haastig in.—Wees daarover niet bezorgd, ik heb +al mijne zinnen goed bij elkaar, en was nooit kalmer dan op dit +oogenblik. Ik heb volstrekt geen plan om zelfs met hulp van Monaco mij +meester te maken van Maracaïbo, later zullen wij nader zien, maar voor +het tegenwoordige is de hoofdzaak eenvoudig om in de stad te komen. + +—Hm! Een zeer eenvoudige hoofdzaak, die mijns inziens, zeer moeielijk +tot stand zal komen. Ik verklaar je ronduit, dat ik er geen kans op zou +zien en als gij geen middel weet te bedenken..... + +—Ik zal te zijner tijd wel een middel vinden. + +—Maar eer wij er over behoeven te denken hoe in de stad te komen, is +het toch vrij wat noodzakelijker dunkt mij, dat wij beginnen met er +voor te zorgen dat wij in de buurt van de stad zijn en dit zal al even +bezwarend wezen. + +—Het is niet meer dan hoogstens een dozijn mijlen van hier. + +—Het is mij in mijn leven meer dan eens voorgekomen, dat het de hoogste +inspanning kostte om zelfs maar een kwartmijl af te leggen! Doch dat +daargelaten, hoe denkt ge het aan te vangen? + +—Vriendlief, om voor eene expeditie, zoo hachelijk als de onze waarbij +alle kansen tegen ons zijn plannen te beramen, dat zou eene groote +dwaasheid wezen. Het is vrij wat raadzamer om ons te laten leiden door +het toeval, te meer daar zooals ge weet het toeval de groote beschermer +is van de Broeders der Kust. En ook thans zal het wel niet in gebreke +blijven. + +—Nu, ik merk al uit welken hoek de wind gaat waaien, en als dit zoo +volhoudt, dan zullen wij heel wat voor het mes krijgen. + +—Heel wat, toegestemd! Hebt ge er spijt van, dat ge met mij zijt +medegaan? + +—Wis en waarachtig niet! Maar toch zou ik er een lief ding voor willen +missen als Michel de Baskiër en de Olonner bij ons waren, die ontbreken +nog aan het spel. + +—Dat is zoo, beste vriend, maar wie kan daar iets aan doen? Wij zullen +ons zonder hen moeten redden. + +—Och, dat zal misschien wel lukken, maar ik wil er maar mee zeggen dat +zij zwaar het land zullen hebben als zij hooren, wat wij zonder hen +hebben uitgevoerd. + +—Het is nu minder warm, de stralen van de zon vallen reeds in de +schuinte, als ge dus genoeg zijt uitgerust, en ge vindt het goed, dan +moesten wij onzen tocht hervatten. + +—Moeten wij nog lang pagaaien als waren wij Caraïben? + +—Neen, maar tot morgen. + +—Dan maar weer verder op goed geluk! Maar dat doet er niet toe, ik +blijf er bij dat wat wij gaan uitvoeren iets hoogst origineel is. Was +dat door je ontvangen bericht nu werkelijk van zooveel gewicht? + +—Ja!—werd dof ten antwoord gegeven.—Eindelijk heb ik eenige hoop iets +op het spoor te zijn gekomen, en wee! over wie getracht mocht hebben +mij te verschalken, en als slachtoffer in een hinderlaag te lokken. +Maar bij den hemel! de Spanjaarden kennen mij nog niet, als zij mij +voor zoo oliedom houden, dat ik mij op zulk eene wijze zou laten +snappen! Hoe groot en sterk Maracaïbo mag zijn dan zou ik het te vuur +en te zwaard verwoesten! + +—Wel drommels, hij meent het!—zei Luiwammes in zich zelven.—En wat zal +ik er verder van denken? Och wat doet het er toe? Het zou toch waarlijk +meer dan zonderling wezen als hij haar hier nog terug vond na twintig +jaar zoekens. + +Juist toen zij de prauw te water brachten hoorden zij in de verte een +geschreeuw, en dadelijk daarna een dubbele ontploffing. + +—Ei, ei!—zei Luiwammes die zich oprichtte om eens rond te kijken.—Het +schijnt dat men daar in den omtrek elkaar klop geeft. + +—Wat gaat het ons aan,—gaf Montbars ten antwoord, en haalde de +schouders op.—Laten we voortmaken. + +Zij grepen de pagaaien en begonnen tegen den stroom op te werken, zich +tegelijk een doortocht banend tusschen de zware planten en boomstammen, +waardoor het lichte vaartuig telkens gevaar liep om bij den minsten +schok te kantelen. + + + + + + + + +II. + +DRIE MANNEN EN VIJFHONDERD KAAIMANNEN. + + +De oevers van het riviertje waarin de flibustiers met zooveel moeite +slechts langzaam vooruit kwamen, waren hoogst schilderachtig en vol +oneffenheden; ’s avonds tegen vijf uur kwamen zij op eens in de +nabijheid van een meer van middelbare grootte, dat eigenlijk niet +anders was dan een uitbreiding van de rivier. Aan den oostkant van dat +meer bestonden uitgestrekte moerassen en aan den westkant groote wouden +en boschjes van oranjeboomen. Daarna passeerden zij een baai die +omringd werd door moerassen met cipresseboomen. Verder op naderden de +beide oevers elkaar zoo dicht dat zij als het ware een soort van kanaal +vormden ter breedte van ongeveer honderd vijftig vademen, waardoor zij +naar eene andere rivier kwamen, de Rio Trinidad. + +De avond naderde; het werd dus hoog tijd om uit te kijken naar een +heuvel of steilte waar men het kampement voor den nacht zou kunnen +opslaan, want in die tropische streken volgt de duisternis bijna +onmiddellijk op het licht, zoodat dus de zon nauwelijks is ondergegaan +of de nacht is reeds ingetreden. + +De flibustiers, die, om het zoo eens uit te drukken, als verdwaald +waren op een terrein dat hun totaal onbekend was, geraakten in geen +geringe verlegenheid en wisten niet waar zij aan land zouden stappen, +doch op eens bespeurden zij na een bocht in de rivier een kleine +landtong die den stroom tot een breedte van bijna vijfenzeventig +vademen vermeerderde; die landtong was zoo iets als een schiereiland, +eene oppervlakte van ongeveer twee hectaren hoogland, geheel bedekt +door boschjes oranjeboomen en enkele groene eiken, magnolia- en +palmboomen. + +—Dáár moeten wij heen!—gelastte Montbars.—Wij konden het niet beter +treffen. + +—Ja, daarheen!—beaamde Luiwammes. + +Zij pagaaiden langs de uiterste punt en kwamen toen op de plek die zij +hadden uitgekozen om er te landen, en die werkelijk zoo gunstig gelegen +was als zij slechts konden verlangen. + +Het was een kleine kringvormige haven, aan den voet van de kust, die te +dezer plaatse eene hoogte van twaalf voet had. Achter dit heuveltje was +een groot cipressebosch, dat zich naar beide kanten uitstrekte, en nog +verder naar achter bespeurde men groene vlakten, bezaaid met +heuveltjes, bedekt door verschillende boomen, waaronder magnolia’s en +palmen; die heuveltjes, uitsluitend gevormd door massa’s schelpdieren, +stonden langs de oevers der kleinere stroomen, gevoed door het water +van de rivier, die in deze onmetelijke prairiën rondslingeren en in den +winter alles overstroomen. + +Het kamp werd door de avonturiers opgeslagen op een open plek, dicht +bij de uiterste punt van de landtong en niet verder dan enkele vademen +van de prauw verwijderd, die zij stevig hadden vastgemeerd bevestigd +aan een grooten eik, zeker de oudste in deze woeste streken, die +eenzaam en afgezonderd stond op het hoogste punt, alsof hij zich daar +wilde vergasten aan het grootsche landschap dat zich aan zijn voet +uitbreidde. + +Van deze plaats, beheerschten de flibustiers de rivier en konden alles +gewaar worden wat daarop voorviel. + +Nadat door Tributor eene hoeveelheid hout was bijeengebracht, voldoende +om het vuur den ganschen nacht aan te houden, ving hij aan om alles +voor den avonddisch gereed te maken; het was reeds laat, de dag was +vermoeiend geweest, en de drie mannen hadden allen trek, doch toen hij +den leeftocht onder oogen kreeg, zag hij dadelijk dat de provisie zeer +was ingekort en er genoegzaam niets was overgebleven. Dit was een +hoogst ernstig geval. De drie avonturiers beraadslaagden met elkaar. +Zij allen waren lieden verhard door het leven in de Amerikaansche +woestijnen; zonder zich dus erg ongerust te maken, doorzochten zij den +omtrek van hun tijdelijk verblijf, om zich zekerheid te verschaffen of +die hun eenige levensmiddelen zou kunnen opleveren. Op ongeveer vijftig +schreden beneden hun kamp vormde de rivier een kreek of baai, waarvan +de ingang zeer nauw was, maar die zich verder op uitbreidde en een +meertje vormde, dat in moerassen uitliep. Bij den ingang en langs de +oevers van dit meer waren groote plekken pistia, nymphea en andere +waterplanten; de forel houdt bij voorkeur zijn verblijf bij dergelijke +planten, en dus was het meer dan waarschijnlijk dat men die visch dáár +zou kunnen bemachtigen. Voor een gedeelte van het souper bestond dus +bijna geen bezwaar meer. Bovendien waren de oevers en de eilandjes van +het meer overal bedekt met planten en heesters die in bloei stonden; +tal van kleine vogels liepen met half uitgeslagen vleugels langs de +kreeken, en vervolgden elkaar al tjilpend onder het hoog opgeschoten +gras; hoog in het water zwommen talinkjes rustig de moeder volgende, +terwijl er nu en dan een gesnapt werd door eene groote forel die op +haar beurt de prooi werd van een vraatzuchtige krokodil. + +Voor het souper was dus alles te verkrijgen, visch, wild, tot zelfs +sappige vruchten; het kwam er nu slechts op aan, die visschen te +vangen, die vogels te dooden en die vruchten te plukken. Die bezigheden +werden verdeeld; Montbars nam de jacht op zich; Luiwammes zou visschen; +Tributor belastte zich met het plukken van de vruchten en Monaco, die +zeer bedaard op zijn achterklavieren bleef zitten, moest het kampement +bewaken en keek daarbij zeer ernstig naar de verschillende bewegingen +zijner meesters. + +Het was zacht en helder weer: de krokodillen deden zich hooren en +vertoonde zich in talrijke groepen langs de oevers en in den stroom van +de rivier. + +Opeens kwam een kaaiman uit de struiken en bladeren waartusschen hij +verscholen had gelegen. Het afgrijselijke dier zwelgde een massa water +naar binnen en sloeg nu en dan met den schubachtigen staart. Het water +golfde uit den wijd geopenden muil en uit zijne neusgaten steeg een +wolk van damp op. Het gebrul dat hij deed hooren weerklonk heinde en +ver. De drie avonturiers staakten allen hunne verschillende bezigheden, +en ondanks al hunne manhaftigheid, gevoelden zij zich angstig en +verschrikt. Het uitdagende gebrul van den kaaiman werd dadelijk aan den +tegenovergestelden oever op gelijke manier beantwoord, en een tweede +kaaiman kwam voor den dag. De twee monsters stoven op elkaar los en +deden in hun vaart het water schuimend opstuiven. Daarop begon een +afschuwelijke worsteling, of beter gezegd een ontzettend tweegevecht. +Kort in elkaar gestrengeld doken zij dadelijk en verdwenen in de +diepte, en terstond daarna borrelde van den bodem een dikke laag modder +op, die het water tot op verren afstand troebel deed worden. Spoedig +echter kwamen zij weer boven, steeds vechtende, en deden de lucht +weergalmen van het herhaalde geklapper van hunne zware kakebeenen, die +zij met kracht en geweld open en dicht sloegen; toen doken zij weer, en +de strijd eindigde op den bodem van het meer. + +De overwonnene maakte zich het troebele water ten nutte, om te gaan +schuilen in de moerassen, doch de trotsche overwinnaar kwam weer te +voorschijn op de plek waar de worsteling was ontstaan. Het monster +scheen zeer in zijn schik, en het was alsof een groot aantal kaaimannen +die van den kampstrijd getuigen waren geweest, hem toejuichten, want de +echo’s herhaalden tot vervelens toe hunne afschuwelijke geluiden, die +tot ver in de bosschen weerklonken. Het afschuwelijke schouwspel dat +zoo onverwacht vóór hunne oogen was afgespeeld, deed bij de avonturiers +ernstige bezorgdheid ontstaan, want zij begrepen ten volle hoe ieder +oogenblik hun toestand nog bezwarender en gevaarlijker kon worden. De +zon was op het punt van onder te gaan en de krokodillen kwamen van alle +kanten opzetten, om zich te vereenigen in de haven kort waarbij de +flibustiers hun nachtverblijf hadden opgeslagen. Die overwegingen +brachten hen er toe om den voorgenomen tocht naar de kreek om visch en +talingen te vangen ten spoedigste te staken, en daar zij meenden dat +het zeer noodzakelijk was om al hunne krachten te vereenigen, werd +Tributor door Montbars en Luiwammes aangeroepen, en stapten met hem in +de prauw, Monaco voorloopig ter bescherming van het kamp achterlatende. +Zij namen hun geweren niet mede, daar die nu geen dienst konden doen en +wapenden zich met stevige staken beter geschikt om zich tegen de +kaaimannen te verdedigen, zoo die monsters mochten beproeven hen aan te +vallen. + +Toen vertrokken zij; gekomen bij den eersten troep kaaimannen, waardoor +zij als omringd waren, weken die dieren; doch daar enkele der grootste +de avonturiers volgden, bleven deze op hunne hoede en pagaaiden zoo +snel zij konden, naar den toegang tot het moeras, in de hoop dat zij +daar bevrijd zouden wezen van het verder opdringen dier monsters. Doch +nog eer zij halverwege waren gekomen, werden zij op eens van alle +zijden aangevallen. Verscheidene kaaimannen deden hun best om de prauw +te doen kantelen, vier van de sterksten waren tegelijk daarmeê bezig, +brulden afschuwelijk en braakten massa’s schuim over de avonturiers +uit, wier toestand zeer kritiek werd, daar zij onophoudelijk in het +gevaar verkeerden van in het water te vallen en dan door de monsters +verslonden te worden. + +Toch slaagden zij er eindelijk in, doch niet dan na de grootste moeite, +de prauw dicht naar den oever te sturen, en daarna langs de kust +waardoor zij minder gevaar liepen. Terwijl Montbars en Luiwammes +pagaaiden, hield Tributor door middel van een enorm zwaren staak de +kaaimannen op behoorlijken afstand. Zij maakten zich die tijdelijke +verademing ten nutte om eenige forellen en een paar talingen te vangen +en haastten zich te wenden, om zoo spoedig doenlijk weer in hun kamp te +komen. De kaaimannen waren in grooten getale bijeengekomen vlak vóór +den ingang van de haven, toch gelukte het aan de vrijbuiters, dank zij +hun beleid en hunne stoutmoedigheid, het kamp te bereiken, zonder te +erg in de klem te zijn geraakt. Toen was hun eerste zorg de prauw zoo +ver mogelijk op vasten wal te trekken, om daardoor den monsters te +beletten haar te doen kantelen of te doen zinken. Na alles wat er zich +in bevond meegenomen te hebben, maakten de flibustiers het gansche +terrein rond hen effen, om bij een mogelijken nachtelijken aanval, +hetzij van den waterkant hetzij van de landzijde, door niets te worden +gehinderd. Want zij hadden ook nog bemerkt dat het schiereilandje wat +zij hadden uitgekozen, tamelijk druk bezocht werd door wolven en beren, +wier sporen overal merkbaar waren. Na eene verkenning in de omstreken +van het kamp begonnen de avonturiers aan de toebereidselen voor hun +maal, en legden tevens het wachtvuur aan. + +Het was reeds donker geworden; het gebrul van de kaaimannen had +opgehouden, en de avonturiers zaten druk en met goeden trek te eten, +toen op eens hunne aandacht opnieuw werd gaande gemaakt door een +ontzettend rumoer dat in de rivier ontstond, dicht bij hun kamp. Toen +waren zij getuigen van een vreemd schouwspel, dat niet alleen met de +grootste verrassing maar zelfs met bewondering door hen werd +aanschouwd. Dat ontzettende rumoer toch, werd veroorzaakt door eene +ontelbare menigte kaaimannen die zich bij den ingang van de haven +vereenigd hadden. De rivier scheen over hare gansche oppervlakte van +den eenen oever tot den anderen en verder dan een mijl, zoowel boven +als beneden het kamp der vrijbuiters, niets anders dan één enkele +stevig ineengedrongen school visschen van allerlei soort die zich in +den zoo nauwen ingang der haven verdrongen, om uit de rivier naar het +kleine meer te komen. De krokodillen wachtten hen dáár, en waren zóó +talrijk en lagen zóó tegen elkaar aangedrukt, dat het niet moeielijk +zou geweest zijn, de rivier over hunne koppen over te steken. + +Ondoenlijk is het te beschrijven welk eene afschuwelijke slachting er +plaats had, gedurende den tijd dat dit onnoemelijk aantal visschen +trachtte den doortocht te forceeren; millioenen bij millioenen werden +door die vraatzuchtige monsters verzwolgen. Het gebeurde soms dat een +aantal visschen tegelijk door een kaaiman hoog uit het water werden +opgegooid en in het vallen weer gegrepen en tusschen de sterke tanden +verbrijzeld; de staarten der forellen sloegen nog langs de huid of in +de oogen der monsters, terwijl de koppen reeds waren verslonden; het +geklapper van de kakebeenen der kaaimannen was ijzingwekkend; meer dan +eens zag men hoe zij doken midden onder dien hoop rampzalige visschen, +om bijna terstond met hun prooi weer boven te komen, en zich alsdan ter +hoogte van eenige voeten uit het water op te heffen. Stroomen bloed en +water golfden uit hunne muilen, en het was of uit hunne neusgaten een +wolk van rook steeg. Die ontzettende slachting duurde zoolang er nog +visschen waren die naar een uitgang zochten, dat wil dus eigenlijk +zeggen den ganschen nacht door. + +Hoe afgrijselijk dit schouwspel ook mocht wezen, toch stelde het de +avonturiers eenigszins gerust, want nu werd het hun duidelijk dat die +verzameling van zulk een groot aantal kaaimannen moest worden +toegeschreven aan den regelmatigen terugkeer der visschen, en bijgevolg +konden zij er staat op maken, dat die monsters het nu in hun eigen +element te druk zouden hebben om alles te verorberen, dan dat zij er +nog over zouden denken het kamp aan te vallen. De flibustiers hervatten +dus hun maal, en toen dit was afgeloopen, gooiden zij zooveel hout op +het vuur dat dit lang genoeg kon aanblijven, strekten zich toen op den +grond uit, en sliepen spoedig zoo rustig en onbezorgd, als alleen +mogelijk is wanneer men vertrouwd is geworden met ieder gevaar. + +Tegen twee ure in den morgen werd Tributor plotseling in zijn slaap +gestoord door Monaco, die hem over het gelaat likte en tegelijk zacht +knorde. + +—Wat is er aan de hand, trouw dier?—vroeg de reus, die zich half +slaapdronken de oogen uitwreef, en toen met uitvorschenden blik om zich +heen keek. + +Alles was kalm en stil, iets wat hij gemakkelijk gewaar kon worden, +daar het zeer licht was door den helderen maneschijn, en de flikkering +van de millioenen sterren, die als diamanten aan den hemel schitterden. +Maar daar de pandeling wist hoe goed hij op zijn hond kon vertrouwen en +dat het dier hem niet zonder reden zou wekken, greep hij zijn geweer en +luisterde scherp toe. Een oogenblik later kwam het hem voor alsof hij +een nog bijna onmerkbaar geluid hoorde dat van de landzijde kwam; +Monaco bleef steeds knorren. Tributor stond zeer stil op en luisterde +opnieuw; toen vernam hij duidelijk het geluid van een dier dat door het +water liep. De pandeling achtte het onnoodig zijne metgezellen te +wekken, doch toch wilde hij zonder verder verwijl weten waardoor het +geluid werd veroorzaakt, dat zich hoe langer hoe sterker deed hooren; +daarom begaf hij zich buiten het kamp en liep zeer behoedzaam naar den +ingang van de haven. Een honderdtal passen verder stond hij stil en +verschool zich tusschen een groepje oranjeboomen. Monaco was steeds bij +hem gebleven, maar de hond liep niet zooals anders snuffelend vooruit, +doch volgde thans zijn baas met hangende ooren en den staart tusschen +de pooten. Dit was zóó vreemd bij dit dier, dat Tributor vermoedde dat +de vijand die kon opdagen, wie af wat die wezen mocht, zeker niet +gering mocht geschat worden, en bijgevolg hield hij zich gereed om dien +bij de eerste verschijning behoorlijk te ontvangen. Lang behoefde hij +niet te wachten; want slechts enkele minuten daarna, werd Tributor op +geen verderen afstand dan vijftig vademen, twee groote zwarte beren +gewaar, die dwars door het water het bosch waren ingeloopen en nu +bedaard naderden naar den kant waar hij zich bevond. Waarschijnlijk +waren die dieren nog niets bewust geworden van de aanwezigheid van +Tributor, daar zij langzaam bleven doorloopen zonder de minste onrust +te toonen, maar op een afstand van vijftien vademen gekomen, begonnen +zij te snuffelen, hun neus in den wind te steken en overal rond te +staren. Tributor begreep dat zij hem gewaar waren geworden; hij mikte +en schoot met goed gevolg, want een der beren, de zwaarste, rolde over +den grond; de andere keerde dadelijk om, vluchtte overhaast, plompte in +het water en verdween in het moeras. Tributor verliet toen zijn +schuilplaats, en liep naar den getroffen beer, om hem verder af te +maken, zoo het dier nog niet dood mocht wezen, maar bij hem gekomen +bespeurde hij dat het morsdood was; de kogel was door het oog heen +ingedrongen. Montbars en Luiwammes wakker geworden door het gevallen +schot, dachten niet anders dan dat er een aanval gaande was en snelde +toe om Tributor te hulp te komen. Tegelijkertijd sprong Monaco, die tot +nu toe steeds dicht achter zijn meester was gebleven, vooruit onder +hevig geblaf. + +—Hoe nu!—sprak Tributor in zich zelf, terwijl hij zijn geweer haastig +weer laade.—Al wêer iets op til! Het is een raar soort van landje hier, +dat men er bijna geen oogenblik rust kan hebben! + +—Mooi zoo, mijn jongen!—riep Montbars hem toe.—Het is een uitmuntend +schot! Dat noem ik nu nog eens een mooie jacht. + +—En die waarschijnlijk nog niet is afgeloopen,—merkte de reus +aan.—Luister maar eens naar Monaco! + +—Ja,—bevestigde Luiwammes,—de hond heeft zeker de lucht van iets +gekregen, maar ik zou zeggen, ofschoon het mij vreemd voorkomt, dat het +er meer van heeft of hij blaft uit blijdschap dan wel uit kwaadheid. + +—Daar hebt ge gelijk in—hernam Tributor.—Nu dit is al zeer vreemd. + +—Laten wij gaan zien wat er van waar is,—sprak Montbars, die de haan +van zijn geweer spande om op alles bereid te wezen, en toen met vasten +tred het spoor van den hond volgde. + +Zijne metgezellen volgden hem. Alle drie liepen het bosch dwars door, +behoorlijk er voor zorgende van iederen boom als borstwering gebruik te +maken, en kwamen toen na enkele minuten aan de grens van de +belommering. Toen zagen zij op ongeveer een geweerschot afstand van de +plek waar zij stonden twee mannen, die met het geweer over den schouder +in groote haast naar hun kant kwamen. Vroolijk blaffend sprong Monaco +op en langs die beide mannen. + +—Wel drommels!—begon Montbars—Nu wordt het hoe langer hoe +interessanter! Monaco schijnt bij kennissen te wezen. Zou hij bij geval +een vriend hebben onder de Spanjaarden? Daar moet ik dadelijk het mijne +van hebben! + +De flibustier deed een paar passen buiten het bosch, zette het geweer +met de kolf op den grond en riep met luider stem: + +—Werda! + +—Vrienden!—werd hem terstond daarop in het Fransch toegeroepen. + +—Vrienden? Des te beter!—hernam Montbars.—Het kan waar wezen, want het +is of je stem mij niet geheel onbekend is, maar toch, mijn goede man, +zoudt ge mij genoegen doen te zeggen wie ge zijt, eer ge een stap +verder doet. + +—Kom, kom, Montbars, dat doet er immers niet toe!—luidde het +antwoord.—Ik ben Philippe. + +—Philippe!—herhaalde de avonturier met de grootste verbazing.—Wel +drommels! Dat is eerst eene zeldzame ontmoeting. + +Dadelijk verlieten zij hunne schuilplaats, en ijlden met vaart de +anderen te gemoet, die van hun kant ook hun tred bespoedigden. +Werkelijk waren het Philippe en Pitrians. Hoe hartelijk en oprecht +gemeend was de wederzijdsche begroeting! De vijf avonturiers keerden in +opgetogen stemming terug naar het kamp, doch vergaten niet ook den beer +daarheen te brengen, zoo behendig geveld door Tributor, die niet had +kunnen vermoeden dat dit goed gemikte schot nog buitendien zulke +belangrijke gevolgen zou hebben, waardoor de avonturiers elkander +ontmoet hadden. + + + + + + + + +III. + +DE VRIJBUITERS. + + +Tributor wierp een goede portie droog hout op het wachtvuur, dat toen +opnieuw vroolijk opflikkerde, de vrijbuiters legden zich er om heen, en +toen vroeg Montbars aan Philippe door welk toeval hij hier was gekomen, +op eene plek zóó ver verwijderd van de streken die gewoonlijk door de +flibustiers bezocht worden. + +—Diezelfde vraag zou ik tot jou kunnen richten, waarde Montbars,—gaf +Philippe ten antwoord.—Want dat toeval, aangenomen dat er een toeval +is, bestaat evenzeer voor jou als voor mij. + +—Dat is zoo, vriendlief,—stemde Montbars toe,—maar wat mij betreft is +het juist niet geheel alleen het toeval dat mij hier heeft gebracht. + +—Wat dan nog meer? + +—De storm! Door een stormvlaag heb ik mijn schoener verloren, en ben +hier aangeland eigenlijk zonder precies te weten waar ik mij bevond; ik +moet er echter in één adem bijvoegen, dat ik zeer in mijn schik was, +zoodra ik bemerkte dat ik in de golf van Venezuela was terecht gekomen, +want reeds sinds lang was het mijn wensch die te bezoeken. + +—En uwe bemanning? + +—Behalve mijne beide metgezellen hier, is die totaal verloren gegaan. + +—Dat is zeer treurig!—zuchtte Philippe en schudde het hoofd.—Wat mij +zelven aangaat, wil ik je rondweg verklaren, waarde Montbars, dat ik +Tortue verlaten heb met het formeele plan mij hierheen te begeven. + +—En ben jij, evenals ik, door een onheil overvallen? + +—Neen, Goddank niet! Mijn schip ligt verscholen in een kreek van de +kust, en geankerd te midden van dicht geboomte, dat er als het ware +zulk een dicht gordijn om vormt, dat ik de gavachos tart om het dáár te +ontdekken. + +—Heerlijk, opperbest, kameraad! Dat is een nieuwtje dat mij des te meer +welkom is daar ik je eerlijk moet bekennen dat ik waarlijk geen raad +wist hoe ik mij uit dit wespennest hier redden moest. + +—Je kunt geheel over mij beschikken, daaraan zult gij trouwens niet +hebben getwijfeld. + +—Dank je wel! Wanneer zijt ge aangekomen? + +—Gisterenavond tusschen zeven en acht uur. Eer ik dezen morgen aan wal +zou gaan, kreeg ik, bezig om den horizont op te nemen, een prauw in het +oog, die de punt bij de vuurbaak omkwam. Ik kon wel niet duidelijk +gewaar worden door wie die bemand was, maar reeds bij het eerste +gezicht zag ik dat er Broeders der Kust in zaten. Toen deed ik mij +dadelijk naar wal roeien en ben er terstond op los gegaan om je op te +zoeken, en, zoo gij daaraan behoefte mocht hebben, je mijne goede +diensten aan te bieden, en mij geheel tot je beschikking te stellen. + +—Waarde vriend, bij herhaling nogmaals dank, zoowel voor mijn persoon +als voor mijne metgezellen, want op mijn woord wij bevonden ons in een +zeer neteligen toestand. Nu wil ik ook gaarne erkennen, dat het toeval, +waarover ik sprak, werkelijk in dit opzicht niet bestaat. Doch houd mij +één enkele vraag ten goede. + +—Zeg vrij wat gij verlangt te weten. + +—Hoe komt het dat gij ons reeds sedert den ganschen dag zoekt en ons +eerst nu diep in den nacht vindt? + +—Dat is, als ik mij veroorloven mag dit te zeggen, eenigszins je eigen +schuld. + +—Hoe dat? + +—Hebt ge dan onze signalen niet gehoord? + +—Wel, nu ik er over denk,—viel Luiwammes in,—schiet het mij te binnen +dat ik even vóór zonsondergang gemeend heb een schot te hooren. + +- Zoo was het, wij, Pitrians en ik schoten toen, zooals wij ook den +ganschen dag niet hebben nagelaten, op gevaar af van door de Indianen +ontdekt te worden, want wij zijn hier, zooals ge weet, in het hartje +van het Indiaansch territoir. + +—Wij hebben toch niet meer dan één schot gehoord. + +—Ja,—voegde Montbars er bij,—en wij durfden het niet te beantwoorden, +uit vrees van ons daardoor de Spaansche boekaniers op den hals te +halen. + +—De gavachos hebben den moed niet om zich hier te wagen in de streken +langs de zee, want de bewoners zijn hunne verwoede vijanden en +daarenboven menscheneters. + +—Het is goed dat wij dit weten! + +—Kort en goed, wij begonnen er aan te wanhopen je te vinden, en stonden +op het punt naar boord terug te keeren (ons schip ligt hier dicht bij), +toen het door Tributor zóó juist gemikte schot op den beer ons precies +de richting aangaf, waar wij je konden ontmoeten. Ge ziet dus, waarde +Montbars, dat alles zeer eenvoudig is toegegaan. + +—Ge hebt gelijk vriendlief, maar ge hebt mij nog niet gezegd, welke +reden je hier naar de kust gevoerd heeft; mocht dit echter een geheim +wezen, houd het dan als niet gevraagd, en spreken wij over iets anders. + +—Waarde vriend, er bestaat geen enkele aanleiding om die redenen geheim +te houden, maar vooral niet tegenover jou. Ik ben op een +verkenningstocht om zoowel het terrein als het gansche land te +onderzoeken daar ik plan heb eene expeditie tegen Maracaïbo te +beproeven, dat, als de geruchten niet overdreven zijn, onmetelijke +schatten moet bevatten. + +—Is het waar wat ge daar zegt?—riep Montbars met groote +opgewondenheid.—Zijt ge werkelijk met dat doel hier? + +—Waarom anders zou ik gekomen zijn? + +—Dat is zoo! Welnu, waarde Philippe, ik wil niet minder openhartig zijn +dan jij. Weet dan dat mijn doel hetzelfde is als het uwe, ook ik wil +een aanslag op Maracaïbo wagen. + +—Wel drommels!—uitte de jonge man zeer verheugd.—Beter kan het niet +treffen! Dan sta ik gaarne en gewillig aan jou het opperbevel over die +expeditie af. Uw meerdere ondervinding en uw roemrijke naam geven je +daarop het volste recht, alleen zou ik gaarne tot voorwaarde maken dat +je mij aanstelt tot je luitenant. + +—Blijft dit afgesproken?—vroeg Montbars, die hem de hand toestak. + +—Wis en waarachtig!—bevestigde de jonge man met een stevigen handdruk +aan den vermaarden vrijbuiter.—Zoo vast en zeker afgesproken, dat ik +zoo gij het goedvindt van stonden af aan mij ondergeschikt verklaar, en +jou het gezag van mijn schip overdraag. + +—Ik neem je aanbod even rondborstig aan als je het mij doet doch alleen +in zoo verre betreft deze expeditie, of beter gezegd de verkenning die +wij willen beproeven; wat het bevel over uw bodem aangaat, zult ge mij +genoegen doen dit te behouden. Naar ik hoop zal het niet lang meer +duren eer ik je een nog veel gewichtiger opdraag, als wij hier weer +terug zijn gekomen. + +—Het zij zooals gij verlangt, waarde Montbars. + +Tributor die aan het gansche gesprek geen deel had genomen, was al dien +tijd druk in de weer geweest om den beer in stukken te snijden; eerst +had hij de vier pooten afgehakt en die onder de gloeiende asch gestopt, +daarna met verbazende behendigheid de huid afgestroopt, en schijfjes +van de nier afgesneden, die hij terstond roosterde met een paar +prachtige forellen en een taling aan het spit gestoken door middel van +zijn laadstok. Daarna had hij oranjes, limoenen, guyaven (Indische +peren) en andere vruchten geplukt, palmbladeren neergelegd om als +borden te dienen, en na al die toebereidselen was hij naar het vuur +gegaan. Juist op dat oogenblik brak de dag aan, en prachtig verscheen +de zon aan den horizont, te midden van wegtrekkende nevels die +schitterden met al de kleuren van den regenboog. + +—Het ontbijt staat gereed,—kondigde Tributor aan. + +—Kom, laten wij dan gaan eten,—liet Luiwammes er op volgen. + +—En al etende kunnen wij verder praten,—voegde Montbars er bij. + +In opgeruimde stemming nam men aan tafel plaats, of beter gezegd ging +ieder op het gras zitten vóór het palmblad dat hem tot bord diende, en +toen nam het ontbijt een aanvang. Een jagersmaal duurt zelden lang, ook +dit was in een half uur afgeloopen, en zoo daar zooveel tijd aan +besteed werd, kwam dit hoofdzakelijk door de groote hoeveelheid der +spijzen, die door Tributor met veel deftigheid en groot vertoon werden +opgediend. De goedhartige reus toonde een hoogst vergenoegd gelaat en +was erg in zijn schik, toen Montbars hem bijzonderen lof toezwaaide +over die staaltjes zijner kookkunst. Na den afloop van het ontbijt, en +toen de pijpen waren aangestoken, nam Montbars opnieuw het woord en +zei:—Nu moeten wij onze zaken gaan behandelen. + +—Niets liever dan dat,—verklaarde Philippe. + +—Maak jij dan daarmee een begin, waarde vriend, en vertel mij hoe ge +het denkt aan te leggen om het land, de stad Maracaïbo en het fort te +Gibraltar te verkennen, want om den goeden uitslag van onze onderneming +te verzekeren, is het eene eerste vereischte dat wij geheel en al +bekend raken met de punten waarop de aanval gericht zal worden, om +gevrijwaard te blijven van reeds bij onze landing eene groote fout te +begaan. + +—Naar mijne meening,—merkte Luiwammes aan,—zou het beste wezen, dat die +verkenning door ieder afzonderlijk beproefd werd. + +—Verklaar je nader,—zei Montbars. + +—Ik bedoel daarmee dat een onzer de kust voor zijn rekening moest +nemen, een ander het binnenland, de derde de stad en de laatste het +fort. + +—Voeg er dan nog bij een vijfde, die belast moet worden met opnemen en +peilen van de baai, en dit is, volgens mijn meening, eene zeer +gewichtige zoo niet de gewichtigste taak, want de baai is als verstopt +door een aantal zandbanken,—werd door Pitrians aangevoerd—en onze +schepen loopen groot gevaar om bij het binnenkomen daarop vast te +geraken. + +—Die opmerking van Pitrians is zeer juist,—gaf Montbars te kennen.—Hoe +denkt gij over die voorstellen, Philippe? + +—Ook ik, Montbars moet erkennen dat die zeer goed zijn. Al die +inlichtingen zijn werkelijk voor ons onontbeerlijk, en wij moeten, wat +het ook kosten moge, trachten die te verkrijgen. + +—Ik ben het daarmee eens, en nu is de vraag maar, hoe wij die rollen +zullen verdeelen. + +—De beslissing daarvan komt je rechtens toe, Montbars. + +—Het zij zoo. Hoor dan hoe ik daarover denk. Luiwammes moet, als hoogst +ervaren zeeman, zich belasten met het opnemen van de kust. + +—Goed! zoo’n karreweitje is juist iets voor mij. + +—Tributor moet de peiling van de baai op zich nemen; dat is de +gevaarlijkste post, die daarenboven de grootste behendigheid vereischt, +maar ik vertrouw ten volle dat hij er in zal slagen. + +—Dat zal ik!—verzekerde de reus, zeer gestreeld door het vertrouwen dat +Montbars in hem stelde, en vurig verlangend om dit te rechtvaardigen. + +—Nu blijven nog over het inwendige van het land, de stad en het fort. +Pitrians is langen tijd werkzaam geweest als beambte bij de belasting, +dat is juist iets voor hem. Hij moet uit hoofde van de Indianen een +paar maats met zich nemen en Tributor moet Monaco aan hem afstaan, daar +hij den hond toch niet kan gebruiken. + +—Best!—zei Pitrians.—Als mij een paar dagen worden toegestaan dan neem +ik op mij om deze streek voldoende te verkennen. + +—Ten laatste iets over de stad en het fort,—zei Montbars.—Nu, dunkt +mij, dat wij daaromtrent ons eerste plan eenigszins moesten wijzigen, +naar aanleiding van de moeielijkheden die zich daarbij kunnen opdoen. +Gij, waarde Philippe, ge spreekt het Spaansch zoo goed alsof ge een +zoon waart van het oude Castilië en ik geloof daarmee zoo heel ver niet +bij je achtertestaan, wij beiden zullen ons dus naar Maracaïbo begeven, +lukt het om in die stad te komen, welnu dan zullen wij ons door de +omstandigheden laten leiden en ons daarnaar regelen. Hoe vindt ge dit +plan? + +—Zeer goed! Ik deel volkomen uw meening, en ben bereid op staanden voet +je blindelings te volgen, waar heen ge ook moogt goedvinden mij te +brengen. + +—Dit houden wij dus voor afgesproken; maar er ontbreken ons nog eenige +onvermijdelijke zaken, die wij ten zeerste behoeven om ons in de stad +te vertoonen zonder argwaan te wekken, en ik vrees er hard voor dat het +tot het onmogelijke zal behooren om ons die te verschaffen. + +Philippe lachte luide, en vroeg,—En wat verstaat gij onder die +onvermijdelijke zaken, Montbars? + +—Vooreerst en vóór alles kleederen, mijn vriend. + +—Aan boord heb ik drie koffers vol, dus kust en keur. + +—Mooi. Dan goud, en zelfs veel goud. Ik moet je ronduit bekennen dat ik +bij de schipbreuk geen enkelen piaster heb kunnen redden. + +—Vijftig duizend piasters kan ik tot je beschikking stellen. Is dit +genoeg? + +—Zeker, vriend. Zooveel zullen wij bepaald niet noodig hebben. + +—Goed, dit is dan afgehandeld. Tot dusver heb ik uwe bezwaren vrij +gemakkelijk kunnen oplossen. Vindt ge niet? + +—Niet alleen gemakkelijk, maar op verwonderlijk afdoende manier, +kameraad. Toch blijft er, jammer genoeg, nog één bezwaar over en ik +vrees zeer, dat ge er niet in zult slagen om dit even gemakkelijk uit +den weg te ruimen als al de vorige. + +—Ba, wie weet? zooals de gavachos gewoonlijk zeggen. Maar laat hooren +waarin dit onoplosbare bezwaar bestaat. + +—Ge weet toch, niet waar, hoe argwanend de Spanjaarden zijn, en hoe +verbazend veel voorzorgen zij genomen hebben, om voor goed te beletten, +dat vreemdelingen in hunne koloniën op het vasteland komen, daar zij +niet dulden dat die zich dáár vestigen. + +—Zooals ge zegt dat weet ik. En verder? + +—Verder? Wel mij dunkt dit is genoeg gezegd, want nu vraag ik je, hoe +zal het voor ons mogelijk zijn, om in de stad te komen? + +—O! Is het niet anders! Wel, zeer gemakkelijk! + +—Dat betwijfel ik nu toch zeer! + +—Ongeloovige Thomas!—voegde de jonge man hem spottend toe.—Niet alleen +zal ik u goud, en kostbaarheden en kleêren verschaffen meer dan ge +noodig hebt om uw rol als Spaansch hidalgo of zoo ge dit beter oordeelt +als grande van Spanje behoorlijk te kunnen vervullen, maar wat meer +zegt, ik verbind mij je de noodige papieren te bezorgen, zoo volkomen +volgens regel en wet, dat de autoriteiten der stad, zoodra zij er één +enkelen blik op geworpen hebben, je volkomen vrij zullen laten in al je +handelingen, en zelfs zich geheel onder je orders zullen stellen. + +—Maar waarachtig maat, als je tot zoo iets in staat zijt, dan kan ik +niet anders zeggen dan dat je een toovenaar zijt. + +—Drommels!—zei Philippe lachend.—Pas toch wat ik je bidden mag op, dat +je dit niet te Maracaïbo zegt, want voor de inquisitie ben ik zoo bang +als een wezel en er ganschelijk niet op gesteld om levend verbrand te +worden tot meerdere eere Gods. + +—Ge brengt mij in de grootste verbazing! Hoe is het mogelijk dat ge al +uwe maatregelen reeds zóó goed genomen hebt? + +—Ik heb je immers gezegd, dat ik opzettelijk hier naar de kust koers +heb gezet. Niet waar? + +—Dat is zoo, werkelijk hebt ge mij dit gezegd. + +—Welnu, Montbars, ge ziet dus dat ik drie maanden den tijd had om alles +in orde te brengen. + +Montbars schudde herhaaldelijk het hoofd. + +—Waarom schudt ge uw hoofd zoo?—vroeg Philippe. + +—Kameraad,—antwoordde Montbars peinzend en ernstig,—ik ben een der +oudste en intiemste vrienden van den heer d’Ogeron, uw oom. Ik ken je +reeds van toen ge nog een kind waart, en evenzeer je karakter alsof ge +mijn eigen zoon waart. Dat karakter haakt naar het grootsche en +edelmoedige. Wat bij al onze expedities steeds en overal bij jou op den +voorgrond stond, was de zucht naar roem. Meer dan eens was ik er +getuige van dat je geweigerd hebt deel te nemen aan eene expeditie, als +daardoor, naar je meening, meer bedoeld werd goud dan glorie te winnen. +Is alles wat ik je daar zeg waarheid, Philippe? + +—Ja, waarde Montbars! Ik kan dit niet ontkennen. Maar wat maakt gij +daaruit op? + +—Niets, vriendlief, doch nu weet ik alles wat ik weten wilde. + +—Ik begrijp je niet, Montbars, en nu verzoek ik dringend nadere +verklaring. + +—Waartoe zou die dienen? + +—Ik herhaal je mijn dringend verzoek. + +—Welnu, als ge er zóó op staat, zal ik aan je verlangen voldoen. Ge +zult mij nooit kunnen wijs maken, Philippe, dat ge zulk eene +gevaarvolle expeditie wilt ondernemen alleen met het doel om een stad +te plunderen, hoe rijk die stad ook wezen moge! + +—Maar, waarlijk, Montbars, ik verzeker je... + +Montbars zweeg glimlachend. + +—Hoe nu! Waarom glimlacht ge, waarom schudt ge het hoofd, wat +vooronderstelt ge dan toch van mij, Montbars? + +—Ik vooronderstel niets, Philippe, daarvoor beware mij God! Ge zijt +jong, daarmee is genoeg gezegd, en de hartstochten der jeugd zijn niet +die van den mannelijken leeftijd. Gierigheid is een ondeugd der +grijsheid. + +Philippe kleurde even, boog het hoofd en raakte geheel in verlegenheid +dat Montbars hem zoo goed doorgrond had, doch hij herstelde zich +terstond en voegde den ander toe:—Maar wat drommel, waarde Montbars, ik +heb alle recht om je eigen woorden op je zelf toe te passen! + +—Hoe dat, waarde vriend? + +—Omdat gij zelfs nog veel minder dan ik, door geldzucht wordt gedreven, +want zoo ge dit had gewild, waart ge reeds sinds lang de rijkste man +van al de flibustiers geweest. + +—In zooverre hebt ge gelijk, Philippe. Ik geef niet om geld. + +—Goed, maar dan zult ge ook mij nooit wijs kunnen maken dat zucht tot +plundering je er toe brengt om zulk eene gevaarlijke expeditie te +wagen. + +—En ik zal ook wel degelijk oppassen zoo iets tegen je vol te houden, +want het zou geheel bezijden de waarheid zijn. + +—Ha! Ha!—lachte de ander.—Er is dus ook bij jou een ander doel in het +spel? + +—Dat ontken ik niet. + +—En wat is dat doel? + +—Wraak!—werd op doffen toon geantwoord. + +Philippe zweeg een poosje en zei toen: + +—Misschien wordt het zelfde doel door mij beoogd. + +—Neen, Philippe want jij draagt den Spanjaard geen haat toe. + +—Ja! Wel drommels.... + +Glimlachend viel Montbars hem in de rede, en vervolgde:—Ik zal je +zeggen wat je eigenlijke doel is, daar je mij niet genoeg schijnt te +vertrouwen om het mij mede te deelen. Wat je zoekt is... eene vrouw. Ge +zijt verliefd. + +—Ik!—riep de ander uit en maakte een heftig afwijzend gebaar. + +—Philippe, vriend, ik wil mij niet dringen in je geheim; bewaar dit +veeleer als een kostbaren schat in het diepst van je gemoed. Maar +vergeet nooit dat ik je vriend ben en ten dage dat ge mij noodig mocht +hebben steeds bereid zal zijn je te helpen wat er ook moge gebeuren. + +—O! mijn vriend!—juichtte de ander in vervoering. + +—Geen woord meer daarover, thans over iets anders. Wij moeten ons nu +bezig houden met ernstiger zaken dan waarover je zeker zoudt uitwijden +nu ge weet dat ik je doorgrond en als in je hart gelezen heb; alles op +zijn tijd niet waar? Denken wij nu liever aan het dringendste en voor +ons is thans het dringendste om langs den kortsten weg naar ons schip +te gaan. + +—Het is zoo, Montbars, ge hebt volkomen gelijk. Dus opgestapt zonder +langer te talmen. + +—Gij hebt zooeven gezegd dat het niet ver van hier ligt? + +—Hoogstens een paar mijlen; als wij het water te baat nemen, dan duurt +de tocht zeker niet langer dan een uur. + +—Liever zou ik als het je hetzelfde is toch den langeren weg kiezen en +over land gaan, want onze prauw is zeer klein en bovendien heeft die +gisteren avond zoo erg geleden door de krasse aanvallen der kaaimannen, +dat ik niet graag nog eens het brooze vaartuigje daaraan zou +blootstellen; niet dat ik zoozeer opzie tegen den dood, maar, naar +mijne meening, heeft de mensch die zich ten plicht heeft gesteld nog +eene grootsche taak te vervullen, geen recht zich onnoodig in gevaar te +begeven, eer hij aan dien plicht voldaan heeft. + +De vrijbuiters braken hun kamp op en verborgen zeer zorgvuldig de prauw +tusschen de struiken om die terug te kunnen vinden zoo dit voor hen nog +noodig mocht worden; daarop sloegen zij door Philippe en Pitrians +voorafgegaan een pad in, dat eenigszins door de wilde dieren gebaand +was en waarlangs zij komen konden op de plaats waar de brigantijn ten +anker lag. + + + + + + + + +IV. + +BERAADSLAGING. + + +Het pad dat de vrijbuiters volgden liep langs de rivier. Van die +ontzaglijke menigte kaaimannen in den afgeloopen nacht vóór den ingang +van het meer verzameld, waren nu slechts weinigen overgebleven; +verscheidene sliepen aan den oever, of warmden zich in de zon en +wentelden zich in het slijk; anderen zwommen heen en weer, zonder +bepaalde richting. Maar één van die alligators, een kaaiman van +bijzondere grootte, die met den stroom meezwom en op afgrijselijke +manier schreeuwde en brulde, trok zeer de aandacht der vrijbuiters; een +vast aaneengesloten groep van minstens een honderdtal jonge kaaimannen +volgde in het zog van dit monster, dat hun moeder of beter gezegd hun +beschermster was. Zwemmend vormden zij eene lange colonne die noch te +rechter noch te linkerzijde afweek. Al die kleine dieren schenen van +denzelfden leeftijd, hadden eene lengte van ongeveer vijftien +centimeter, waren zwart met schuinsche strepen of donker gele vlekken, +en hadden wat de kleur betreft veel van ratelslangen. De moeder of +aanvoerdster stootte voortdurend dreigende geluiden uit, en de +kaaimannen die in de rivier rondspartelden, haastten zich om haar niet +in haar vaart te belemmeren daar zij er blijkbaar weinig trek in hadden +met haar in gevecht te komen. + +Steeds langs den oever voortloopende, bespeurden de vrijbuiters bij +eene kromming van de rivier een groot aantal heuveltjes, of pyramiden, +het best te vergelijken met hoopen hooi, en als eene rij tenten langs +de oevers der rivier opgesteld. Die heuveltjes stonden acht tot tien +vademen van het water af, en staken ongeveer vier voeten rechtstandig +daar boven uit. Verscheidene groote alligators zwommen kort in den +omtrek. Het waren niet anders dan krokodillen-nesten, de meesten reeds +verlaten, terwijl men er om heen op den grond groote witachtige schalen +zag liggen afkomstig van de gebroken eieren. + +Hoeveel haast de vrijbuiters ook mochten hebben om de brigantijn te +bereiken, toch konden zij hunne in hooge mate opgewekte +nieuwsgierigheid niet bedwingen, en daarom besloten zij naar die nesten +te gaan, om die nader te onderzoeken, daar zij meermalen er over hadden +hooren vertellen, doch geen van hen er ooit een had gezien. + +Het resultaat van dit onderzoek was het volgende: + +Die nesten of heuveltjes hebben den vorm van een afgeknotten kegel, +vier voeten hoog en aan de basis vier tot vijf voeten in doorsnede, en +zijn samengesteld uit slik en gras. Het dier gaat bij de vervaardiging +op de volgende wijze te werk: Eerst maakt het op den grond een laag +gras en slijk, legt daarop een rij eieren, bedekt die vervolgens weer +met een laag van zes tot acht centimeters dikte, legt daarop wederom +een rij eieren en zoo vervolgens tot bijna aan den top van den kegel. +Ieder nest bevat dan van honderd tot tweehonderd eieren. Waarschijnlijk +worden die door de hitte der zon uitgebroed, doch het zou ook kunnen +wezen dat de plantaardige bestanddeelen vermengd met slijk, waaruit die +nesten bestaan, onder den invloed der zonnewarmte overgaan tot eene +soort van gisting, en dat daardoor de voor de broeding noodige warmte +ontstaat. Ik laat het aan de geleerden over om hierover uitspraak te +doen. + +In den omtrek van verscheidene bunders, rondom deze nesten, droeg de +grond onmiskenbare sporen dat daar kaaimannen aanwezig geweest waren. +Het gras was overal platgedrukt, en de aarde vast gestampt, en er was +bijna geen plant of struik meer te bekennen, terwijl verder op het gras +zeer dik en vijf, op sommige plaatsen zelfs zes voet hoog stond. Het +kan als zeker worden aangenomen dat het wijfje met de meeste zorg haar +nest bewaakt tot de eieren zijn uitgekomen, en het zou ook wel mogelijk +zijn, dat zij daarna al de jongen die tegelijkertijd uitkomen, zoowel +van haar eigen nest als van die van anderen onder haar bescherming +neemt; dit ten minste is stellig dat die kleine kaaimannetjes nooit +zonder toezicht blijven. Wij moeten hier nog opmerken dat de liefde van +die moeders voor de kleinen even groot is als die van de kloekhen voor +hare kuikens; zij zijn even oplettend als deze en even bereid te allen +tijde de kleinen die aan hare zorgen worden toevertrouwd te beschermen +of te voorzien van het noodige voedsel; en als die beestjes uit het +water komen om zich in de zon te warmen, dan hoort men hen schreeuwen +en roepen, juist zooals de kuikens doen. + +Hoogstens een zesde van een broedsel en gewoonlijk nog minder wordt +volwassen, want de groote krokodillen zijn er zeer opgesteld om de +kleine op te peuzelen, zoolang die nog niet in staat zijn zich te +verdedigen. + +De Amerikaansche krokodil, kaaiman of alligator is tegenwoordig te +algemeen bekend, dan dat wij die in het breede behoeven te beschrijven. +Wij willen ons dus bepalen tot de mededeeling, dat het dier tot vollen +wasdom gekomen kolossaal groot is, eene verbazende kracht heeft en +onbegrijpelijk vlug en vaardig is bij al zijne bewegingen in het water; +de gemiddelde lengte bedraagt ongeveer twintig voet, doch er zijn er +die twee-en-twintig soms zelfs drie-en-twintig voet lang worden. Hun +gebrul is angstwekkend om aan te hooren, vooral in de lente dat de +paartijd is; het gelijkt op het gerommel van den donder in de verte. + +Een der oudste kaaimannen is gewoonlijk de alleenheerscher van ieder +klein meer of moeras; al zijn er ook vijftig andere, net zoo sterk als +hij, bijeen, zoo wagen zij het niet te brullen dan alleen in de +naburige kleine kreken. Als de kaaiman te voorschijn komt van onder de +struiken of het riet waar hij zijn schuilhoek heeft, vertoont hij zich +in zijn volle lengte aan de oppervlakte van het water, en neemt in +rechte lijn de richting naar het midden. Aanvankelijk is daarbij zijne +snelheid bijzonder groot, maar van lieverlede vermindert die tot hij in +het midden van het meer komt, daar houdt hij stil; dan zuigt hij door +zijn bek lucht en water op, zoodat hij opzwelt, waardoor uit zijn borst +een snijdend scherp gefluit dringt dat bijna een minuut aanhoudt; maar +dat water, met geweld teruggedrongen, spuit kort daarna met groot +geraas uit zijn bek en neusgaten en vormt een damp zoo dik als rook. +Tezelfder tijd steekt het monster zijn staart in de hoogte en geeselt +daarmeê het water. Soms ook wanneer hij tot berstens toe opgezwollen +is, heft hij zoowel den kop als den staart op en draait in vliegende +vaart rond bijna met het water gelijk. + +In dergelijke omstandigheden vervult de kaaiman, de koning van het +water, als het ware de rol van een Indiaansch opperhoofd, die eene +voorstelling geeft van een zijner gevechten; daarna zwemt hij langzaam +terug en laat de plek vrij aan anderen die het durven wagen zich te +vertoonen, en hun best doen elkaar te overtreffen om zoodoende de +aandacht te trekken van het wijfje dat bijna altijd bij dit spel +tegenwoordig is, schijnbaar zonder daarin het geringste belang te +stellen. Dit zijn nagenoeg de meest kenmerkende eigenaardigheden van +die geduchte halfslachtige dieren (amphibiën). + +Ten laatste was de weetgierigheid der vrijbuiters ten opzichte van die +nesten voldaan en vervolgden zij hun tocht langs den oever van de +rivier stroomopwaarts; eindelijk kwamen zij aan den zoom van een +prachtig bosch, laurier- en oranjeboomen en hielden daar bijna een uur +lang halt, zoowel om wat uit te rusten, als om de ergste hitte van den +dag te laten voorbijgaan. Op dien tijd van den dag heerscht over de +woestijn een indrukwekkend stilzwijgen; men hoort dan letterlijk niets +dan het onophoudelijk suizen van millioenen muskieten, die +spiraalsgewijze boven het moeras rondzweven. Na eenigszins uitgerust en +verfrischt te zijn onder dit verrukkelijke lommer, stonden de +vrijbuiters na een wenk van Philippe op, en begaven zich weer op weg, +nu echter verwijderden zij zich van de rivier en drongen in het bosch, +dat zij in rechte lijn doortrokken. + +—Zouden wij er haast zijn?—vroeg Montbars, nadat zij reeds bijna een +uur geloopen hadden.—De dag loopt zoetjes aan ten eind, en ik vrees dat +ge wellicht verdwaalt zijt, vriend. + +—Daarvoor behoeft ge niet te duchten; wij houden nu recht aan op de +kust en zullen binnen een uur aan boord zijn. + +—Nu, ik voor mijn part zal daar niet tegen hebben, want ik ben nooit +meer geweest dan een zeer middelmatig voetganger, en zoo’n tocht over +paden die op zijn best gebaand zijn, daar heb ik verbazend het land +aan. + +—He! Kijk eens naar Monaco,—zei Philippe,—die heeft de lucht gekregen +van onze schildwachten; dan zijn wij reeds dichter bij dan ik dacht. + +Het was zoo, de patrijshond was onrustig geworden, het dier liep +kwispelstaartend heen en weer en blafte kort en afgebroken doch +kennelijk van genoegen. + +—Werda!—werd plotseling geuit door de krachtige stem van een man, nog +onzichtbaar daar hij zich achter de boomen verborgen hield. +Tegelijkertijd hoorde men dat de haan van een geweer werd overgehaald. +Philippe haastte zich om dien aanroep te beantwoorden. + +—Vrienden! Broeders der Kust! + +Terstond daarop werden de takken uiteengeschoven en kwamen verscheidene +vrijbuiters te voorschijn. Men was dus aangekomen. Zoodra zij Montbars +gewaar werden, Montbars door al de Broeders der Kust zoo geliefd en +gewaardeerd, snelden zij naar hem toe en verwelkomden hem met +vreugdegejuich. Op een wenk van Philippe kwamen allen weer tot kalmte +en stilte, en sloeg men de richting in naar de brigantijn, die zij +spoedig in het oog kregen, geankerd midden in eene nauwe, ondiepe +kreek, verscholen achter een zwaar gordijn van boomen, zoodat het +onmogelijk was van den zeekant het schip gewaar te worden. + +Het was een flink vaartuig, hoogstens driehonderd ton metend, licht, +fijn en slank van vorm, hoog op het water, en dat als de wind goed in +zijne zeilen viel, door het water heen moest snijden met verwonderlijke +vaart. + +Montbars en Philippe stapten in een boot en lieten zich naar boord +roeien. Zoodra de vermaarde vrijbuiter den voet op het dek van het +vaartuig zette, bemerkte hij met een glimlach van voldoening dat het +evenzeer geschikt was om den strijd te aanvaarden als dien ijlings te +ontwijken, al naar mate de omstandigheden eischten. Bij Philippe aan +boord heerschte strenge tucht, alles was er geregeld, alles goed en +netjes in orde, en dit waren zaken, die op de schepen der flibustiers +tot de zeldzaamheden behoorden. De beide zeelieden daalden naar de +kajuit af, en namen daar tegenover elkaar plaats op rolstoelen. Op last +van Philippe verscheen een aardige kleine scheepsjongen van twaalf +jaren met een guitig en slim gezicht, om voor hen eenige +verfrisschingen gereed te zetten waarna de knaap vertrok. + +—Zoo, zoo,—begon Montbars terwijl hij voor zich een glas oranjewater +gereed maakte,—naar ik zie hebt ge den zoon van Meursel in dienst +genomen. + +—Ja, de arme kleine duivel was na den dood van zijn vader zoo geheel en +al verlaten; hij stierf half van honger, en toen heb ik hem opgenomen. + +—Dat was een goede daad, maar buitendien heeft die kleine snaak een +zeer goed uiterlijk, hij schijnt opgeruimd, en zoo fijn als een zijden +draad. + +—Dien naam hebben wij hem ook juist gegeven en hij beantwoordt daaraan +in alle opzichten. + +—Dat dunkt mij ook,—beaamde Montbars. + +Hij dronk, liet de tong tegen het verhemelte klappen, zette niet al te +zacht zijn glas op tafel neer, keek zijn overbuur vlak in het gezicht +en hernam: + +—Dat alles is zeker heel belangrijk, maar zullen wij nu over iets +anders praten? + +—Zeer gaarne, maar waarover? + +—Over de wijze waarop wij in de stad Maracaïbo zullen komen, en over +onze gedragslijn gedurende den tijd dat wij onder de gavachos moeten +vertoeven. Vindt ge dit onderwerp interessant genoeg? + +—Zeer zeker, maar ik durfde daarmee zonder je toestemming niet +beginnen. + +—Die schenk ik je gaarne, spreek op, vriendlief, ik luister. + +—Rondweg moet ik je bekennen, waarde Montbars dat ik niet veel +vindingrijkheid bezit. Veel aangenamer zou het mij dus wezen zoo gij je +de moeite wildet geven een plan te ontwerpen en mij dit uit te leggen; +dan heb ik niet anders te doen dan dit te volgen, en op die manier zou +deze zaak voor mij zeer worden vereenvoudigd. + +—Ge denkt te gering over je zelven, vriendlief,—merkte Montbars aan met +een ietwat spotachtig lachje,—doch zoo ge er op staat, en ook om verder +geen tijd te verspillen aan ijdele plichtplegingen, wil ik aan je +verlangen voldoen en aan je oordeel een plan onderwerpen dat reeds door +mij gemaakt is; een plan trouwens waarover wij te zamen moeten +beraadslagen. + +—Best! Op uwe gezondheid! + +De twee zeelieden klonken met elkaar, dronken de glazen tot den +laatsten druppel leeg, en toen nam Montbars het woord. + +—Mag ik vrij uit en zonder de minste achterhoudendheid spreken?—vroeg +hij met uitvorschenden blik. + +—Ik verzoek je dit zelfs zeer dringend. + +—Op uw woord? + +—Wis en waarachtig, Montbars!—verklaarde de jonge man hartelijk, +terwijl hij hem de hand toestak die door den vrijbuiter welgemeend werd +gedrukt. + +—Goed, dan meen ik te mogen vertrouwen dat wij het wel met elkaar eens +zullen worden. + +—O! Daarvan ben ik overtuigd! + +—Stellen wij dan eerst de feiten vast. + +—Niets liever dan dat. + +—Gij en ik, wij beiden beoogen éénzelfde doel, welke drijfveeren ons +daartoe ook mogen voeren, en dat doel is, de inneming van Maracaïbo, +niet waar? + +—Zoo is het! + +—En dat doel willen wij bereiken, tot iederen prijs. + +—Tot iederen prijs!—herhaalde Philippe. + +—Goed zoo! Op die manier wordt de zaak heel wat eenvoudiger. Ik heb je +beloofd openhartig te zullen zijn, nu zal ik daaraan voldoen, luister +dus goed toe. Ge hebt mij niet den geringsten voorslag gedaan, ik ben +dus noch je vertrouwde, noch je medeplichtige en ik ben daarom +tegenover jou geheel vrij in al mijn handelingen. Stem ge dat toe? + +—Volkomen, Montbars. + +—De eenige drijfveer die je, naar mijne meening, in deze omstandigheden +tot handelen aanvuurt is de begeerte om eene vrouw terugtevinden en +haar te schaken. Val mij nu niet in de rede,—liet hij er op volgen en +strekte den arm naar hem uit.—Dus is die drijfveer de liefde, met +andere woorden, een hartstocht. Ge zult het met mij eens zijn dat de +hartstocht geen berekening kent; hij beheerscht en sleept mee, en het +gevolg daarvan is meestal het verderf van hem of haar wie hij +overmeesterd heeft. Ge bemerkt dat ik koel en logisch redeneer, doch +dit moet, want de zaak is van hoogst ernstigen aard, en vereischt dat +wij zorgvuldig alle hulpmiddelen overwegen die ons door inzicht en +verstand aan de hand worden gedaan. + +—Vervolg, vervolg, waarde vriend, ik luister met aandacht, er ontgaat +mij geen woord van hetgeen je mij zegt. + +—Nu kom ik tot deze gevolgtrekking. De leiding van de gansche expeditie +moet aan mij en uitsluitend aan mij verblijven; ik behoud altijd en in +alles het recht om naar eigen goedvinden te handelen. Gij van uw kant +daarenboven doet er een eed op dat ge mij onbepaald zult gehoorzamen. +Hebt ge bezwaar tegen zulk een eed? Denk er goed over na, en antwoord +dan. + +—Montbars,—werd door Philippe op ernstigen toon ten antwoord +gegeven,—ik erken de waarheid van alles wat door je is aangevoerd, en +aarzel geen oogenblik om den door jou gevergden eed af te leggen. Ik +zweer dus je in alles te zullen gehoorzamen, zonder er zelfs ooit aan +te denken om je rekenschap te vragen van je handelingen. + +—Dat is mij een bewijs, Philippe, dat ik mij te uwen opzichte niet +bedrogen heb en ge in werkelijkheid zijt de man van wien ik steeds en +zoo gaarne heb gehouden. Maar wees gerust, beste vriend, ge kunt er op +aan dat ik geen misbruik zal maken van de mij verleende macht, +integendeel, ik zal die steeds aanwenden in ons wederzijdsch belang, +want even zeer, ja, misschien nog meer dan jij, haak ik er naar onze +pogingen met een goeden uitslag bekroond te zien. Luister nu naar +hetgeen dat, mijns bedunkens, door ons moet worden gedaan. Gij hebt +gezegd dat ge in het bezit zijt van de noodige papieren, niet waar? + +—Ja, dat heb ik. + +—Best. Zoek nu of er onder die papieren wellicht een is, dat kan dienen +als bewijs dat men de een of andere aanzienlijke betrekking bekleedt, +bijvoorbeeld van het hooge gerechtshof of iets dergelijks. + +Philippe stond op, en deed met een sleutel, die aan een stalen +kettinkje om zijn hals hing een koffertje open, dat in een hoek van de +kajuit stond; hij haalde daaruit een gansche hoop bescheiden die hij +ijverig begon te doorsnuffelen. Kort daarop zei hij:—Zie eens, ik +geloof dat ik daar iets vind, dat ons juist van pas zal komen. Hier +hebt gij,—en bij die woorden stelde hij hem verscheidene geelachtige +perkamenten ter hand—familie documenten van zekeren graaf de l’Atalaya; +die graaf de l’Atalaya is een paar weken geleden gesnapt aan boord van +een Spaansch schip op de hoogte van Jamaïca. + +—Waar kwam hij van daan? + +—Uit Spanje. + +—Dat treft goed. En wat is er van hem geworden? + +—Hij is gestorven aan de wonden, die hem tijdens de entering waren +toegebracht; het schijnt dat hij zich met leeuwenmoed verdedigd heeft, +zoo ten minste werd mij verteld door Pierre Legrand, die het kommando +had over het vrijbuiters-schip dat het Spaansche vaartuig +overmeesterde. + +—Dat treft waarlijk hoe langer hoe beter! Wij moeten die stukken eens +wat nader onderzoeken.—Vluchtig doorliep hij die documenten en +vervolgde toen:—Die graaf don Pacheco de l’Atalaya begaf zich naar +Mexico, als afgevaardigde van het Spaansche gouvernement, tot onderzoek +van verduisteringen gepleegd door intendanten en ter opneming hunner +rekeningen, met de meest uitgebreide volmacht, zoodat hij hen zelfs +desgevorderd kon doen arresteeren en naar Spanje opzenden. Hier heb je +zijne benoeming tot buitengewoon Opper-intendant,—daarna las hij dat +stuk geheel voor, en hernam toen,—dit pakket brieven met een lint +samengebonden bevat de koninklijke bevelschriften met het gewone +onderschrift Ik, de Koning, gericht aan al de Onder-Koningen, +Intendanten, Adelantados en Gouverneurs der Spaansche bezittingen. +Heerlijk! Heerlijk! Ge zoudt geen betere vondst hebben kunnen doen! Dit +zijn, zooals ge reeds gezegd hebt, beste vriend, juist de papieren, die +wij noodig hebben, en het is onnoodig er nog verder in te zoeken. +Luister nu goed. Ik treed op als die graaf, en noem mij dus graaf don +Pacheco de l’Atalaya, buitengewoon gezant van Zijne Majesteit Koning +Filips IV; gij, gij wordt don Cardenio Figueroa, mijn geheim +secretaris; beide die namen en hoedanigheden worden vermeld in de +documenten die ik hier voor mij heb. Weet ge wellicht ook wat er van +dien Cardenio geworden is? + +—Pierre Legrand heeft hem aan Zwartkop verkocht. + +—Zoo, dan kunnen wij ook wat hem betreft gerust zijn, want al is hij +niet dood dan scheelt dit toch niet veel, wij beiden, gij en ik, weten +hoe onze vriend Zwartkop zijne pandelingen behandelt. Spreekt +Zijden-Draad Spaansch? + +—Als een Castiliaan! + +—Ook al goed! Dan wordt hij mijn page en krijgt tot naam, Lopez +Cardenas. Nu moeten wij nog drie bedienden kiezen, iemand van mijn rang +en stand kan het niet minder stellen. Als zoodanig moeten optreden +Tributor, Pitrians en Luiwammes, en gij moet er voor zorgen dat de taak +die ik hun eerst had opgedragen aan drie andere daarvoor bekwame en +goed berekende personen wordt opgedragen. Zij met hun drieën zijn +genoegzaam bekend met het Spaansch en bovendien, flinke ferme kerels op +wien wij, zoo dit noodig mocht wezen, gerust staat kunnen maken. + +—En daarbij komt nog,—werd door Philippe aangemerkt,—dat het dan voor +ons onnoodig wordt naar vreemde bedienden om te zien, en wij verzekerd +zijn dat ons geheim trouw verzwegen zal worden. + +—Dat alles blijft dus afgesproken. Nu hebben wij verder niets te doen +dan van kleeren te verwisselen, goud genoeg bij ons te steken en... + +—Een oogenblikje,—viel Philippe op eens in.—Gij vergeet onze bagage; +hoe moet die vervoerd worden? + +Montbars lachte hartelijk en hernam:—Hoe komt ge er toe om mij voor +zoo’n bagatel in de rede te vallen! Geef maar order om onder zeil te +gaan. Tien of twaalf mijlen oostwaarts ligt een armzalig dorp, eertijds +gesticht door Fernando Cortez doch thans verlaten, daar zullen wij +alles vinden wat wij noodig hebben. Begrijpt ge mij nu? + +—Drommels goed! + +—Zoodra wij ontscheept zijn, moet uw schip onder zeil gaan om hier weer +te ankeren, dan hebben wij het altijd te onzer beschikking. + +Een half uur later was de schooner onder zeil. + + + + + + + + +V. + +LA MADRE DE DIOS. + + +Den dag na dien waarop het gesprek tusschen Montbars en Philippe, dat +in het voorgaande hoofdstuk vermeld is, aan boord van het +vrijbuitersschip had plaats gehad, zeilde tegen ongeveer vijf uur ’s +morgens een vlugge, ranke Spaansche schooner kaap Coquibacoa om, zette +koers naar den ingang van het meer Maracaïbo en hield aan op het kanaal +tusschen het eiland Kijk-Uit en het Houtduifeilandje, doch niet dan na +met het eerste signalen gewisseld en het saluut uit het fort van het +laatste beantwoord te hebben door de zes bronzen kanonnen waarmee het +bewapend was. + +Voor het geoefend oog van een zeeman was het niet mogelijk zich te +bedriegen over de hoedanigheid van den schooner; de stoute kromming van +zijn romp, de achteroverhellende bovenmasten, zijn nieuwe zeilen, en +het zoo uiterst zorgvuldig bekleedde en goed geteerde want deden dit +vaartuig dadelijk herkennen als een Spaansch oorlogschip. + +Vlak over het Houtduifeiland werd een licht bootje te water gebracht, +waarin twee mannen plaats namen, die met kracht van riemen koers zetten +naar de brigantijn, waarvan de zeilen gestreken waren in afwachting van +hunne komst. Een van die twee was een loods. Onder het bereik van de +stem gekomen, riep die loods de brigantijn aan en vroeg of men hem +noodig had. Na het bevestigend antwoord van den kommandant lag de loods +aan stuurboordzij aan, waarna men hem een eind tros toewierp om het +bootje vast te sjorren; toen klom hij aan boord, zijn metgezel die in +het bootje was gebleven om het aan te houden, vierde den tros en liet +het vaartuigje achter den brigantijn drijven, waarvan de zeilen opnieuw +waren uitgebracht, en die nu weer op de Kaap aanhield. + +Eer wij verder gaan willen wij hier een paar woorden inlasschen over de +streek waar de gewichtigste voorvallen uit dit verhaal zullen plaats +hebben. + +Tusschen kaap Gracias a Dios en Rio Orinoco strekt zich eene lange rij +van kusten uit over eene zeer uitgebreide oppervlakte; de eerste +ontdekkers daarvan waren don Alonzo de Ojeda, Vasco Nunez de Balboa (de +ontdekker van de Stille Zuidzee), Juan de la Cosa en Amerigo Vespucci. +Die lange rij van kusten werd, naar aanleiding van de onmetelijke +schatten die daar aanwezig waren, door de Spanjaarden bestempeld met +den naam van Het Gouden Castilië. Dat gedeelte van die gronden liggende +tusschen de Magdalena en Orinoco-rivieren, is het eenige waarmeê wij +ons behoeven bezig te houden. + +De Spanjaarden gaven aan die golf den naam van Venezuela, omdat de zeer +lage kust tegen overstroomingen slechts door duinen beschermd wordt, en +ook nog omdat zij, tijdens de ontdekking, de bewoners gehuisd vonden in +hutten, die op de toppen der boomen waren gevestigd, terwijl die lieden +niet anders dan door middel van prauwen in verkeer met elkaar konden +komen. + +Die golf begint bij kaap Saint-Romain, tusschen den 9n en 10n graad +noorderbreedte en eindigt bij kaap Coquibacoa, beneden den 9n graad van +diezelfde breedte. De vrijbuiters gaven er den naam aan van de golf van +Maracaïbo, of bij verkorting van Marecaye. Tien of twaalf mijlen in +volle zee, vlak bij den ingang der golf, liggen de eilanden Aruba en +los Monjes. De golf van Maracaïbo zal omstreeks tien tot twaalf mijlen +breed zijn; geheel aan het achtereind liggen een paar eilandjes van een +mijl in omtrek, en daar tusschen door stroomt het water uit het groote +meer van Venezuela om zich in zee uit te storten. Die stroom vormt +tusschen die eilandjes een kanaal van middelmatige breedte en breekt op +een zandbank, die men de Baar noemt. Die hinderpaal kon niet anders +ontweken worden, dan door lichte vaartuigen. Op het eerste van die twee +eilandjes, waarover wij reeds gesproken hebben, Kijk-Uit, stond een +wachttoren, op het andere, het Houtduifeiland, een fort. Als men dien +nauwen ingang, tevens den toegang tot het meer, ten einde is, komt men +in een kom of kolk, honderd en twintig kilometers breed en bijna +tweehonderd en veertig lang, die de wateren van zesenzestig rivieren in +zich opneemt. De geheele oostelijke oever van het meer is laag en bijna +altijd overstroomd; juist aan dien kant, ongeveer tachtig mijlen van de +monding van het meer, huisden de Indianen, waarvan wij melding maakten, +die, als vogels hun nest, hunne hutten uit een soort van riet op +wortelboomen hadden opgetrokken. De stad Maracaïbo, het doelwit van de +vrijbuiters, verhief zich amphitheatersgewijze aan den oever van het +meer. De elegante huizen, versierd met balkons en beeldhouwwerk, hadden +het uitzicht op een kleine haven waar het bijna altijd meer dan vol was +door allerlei koopvaardijschepen. De stad met haar rechte, breede +straten, bevatte bijna vijfduizend inwoners, vier kloosters, +verscheidene kerken en een zeer rijk begiftigd hospitaal. Het garnizoen +bestond uit achthonderd uitgelezen soldaten, en was dus voor die +streken vrij aanzienlijk te noemen. + +Iets verder aan den anderen kant van het meer verhief zich het +bekoorlijke dorp Gibraltar waar de rijke handelaars uit Maracaïbo en +Merida, eene stad aan de andere helling der bergen, hunne +buitenverblijven hadden. Die stad Merida, een der fraaiste en rijkste +van de Nieuwe Wereld, was in die streek de zetel van het gouvernement +en de verblijfplaats van den Adelantado of gouverneur-generaal. + +De loods werd zeer hupsch door den kommandant van de brigantijn +ontvangen, die hem dadelijk het gezag over het vaartuig afstond. De +wind die tot nu toe naar de kust was geweest, begon bij het verlaten +van het kanaal te draaien en daardoor werd de schooner genoodzaakt bij +den wind te houden en te laveeren ten einde het voorgebergte Cabrites +om te zeilen. Dit voorgebergte vormt eene vrij ver vooruitstekende +kaap, die als het ware de grond is van de zandbank waardoor de ingang +van het meer wordt belemmerd. Dank zij de uitstekende vaart van den +schooner en de gemakkelijkheid waarmee hij tegen den wind opwerkte, +koste het niet veel moeite om met het schip de kaap om te zeilen. + +—Vive Dios!—riep de loods die naar aanleiding daarvan dien uitroep niet +kon weerhouden,—Kommandant, wat hebt gij een uitstekend schip! Ik kende +het nog niet. Het is zeker de eerste keer dat het zich in deze streek +vertoont, niet waar? + +—Ja, het is werkelijk voor den eersten keer,—bevestigde de +kommandant.—Maar bovendien, het is gebouwd op een der werven van +Corunna, en die hebben, zooals ge weet, overal een goeden naam. + +—Ja, ja, men mag zeggen wat men wil, maar de Spaansche marine is de +beste van de geheele wereld, en er is geen land waar zulke knappe +scheepsbouwmeesters gevonden worden,—luidde de blufferige uitspraak van +den loods.—Hebt gij geen enkele haven aangedaan eer gij hier kwaamt? + +—Zeker, zeker! Ik ben te Santo Domingo binnen geloopen en heb mij dáár +een paar weken opgehouden. + +—Zoo! En is de overtocht voorspoedig geweest? + +—Bij uitnemendheid! Uitgezonderd dat wij bij het passeeren der eilanden +onder den wind een paar verdachte schepen in het zicht kregen, die wij +echter zonder veel moeite achter ons konden laten, hebben wij niet den +minsten tegenspoed gehad. + +—Ja, ik twijfel er ook niet aan of uw schooner is best in staat om een +ander de loef af te steken. Die schepen behoorden zeker aan de ladrones +van Sint Christoffel. Hebt gij al vernomen dat die kerels het eiland +Tortue weer heroverd hebben? [2] + +—Neen, dat wist ik niet! Hoe is dat gekomen? + +—Daar weet niemand het ware van. Die gevleeschde duivels zijn op het +eiland doorgedrongen, hoe dit weet geen sterveling, en hebben het +garnizoen overrompeld en krijgsgevangen gemaakt, eer dit eigenlijk goed +wist wat er gaande was en met welke vijanden het te doen had. + +—Hum! Dat is een treurig geval. + +—Zeer treurig, zeker! De Onder-Koning van Nieuw-Spanje is dan ook +woedend, en heeft er een eed op gedaan, dat hij die herhaalde +schandalige zeeschuimerij duur aan de ladrones zal betaald zetten. Naar +het schijnt heeft hij reeds maatregelen genomen om aan die bedreiging +gevolg te geven en is eene zeer sterke vloot uit Vera-Cruz vertrokken. + +—God geve dat het hem gelukke moge aan die halve duivels een verdiende +kastijding toe te dienen! + +—Amen! En nu kommandant zullen wij met uw goedvinden, vol voor den wind +afhouden om tusschen het eiland Borica en het vaste land te passeeren, +dan langs de stad zeilen en voor den wind de haven binnen loopen waar +gij een veilige ligplaats zult vinden. + +—Er liggen zeker veel schepen te Maracaïbo? + +—Neen, daarvoor is het nu de tijd niet; er zijn er maar heel weinig, +zeker niet meer dan zeven of acht kustvaarders. Maar over een maand dan +komen ze weer uit Europa opzetten en zal de haven er heel anders +uitzien dan nu. + +De manoeuvre werd met de meeste stiptheid uitgevoerd; de brigantijn +hield vóór den wind af, passeerde tusschen Borica en het vaste land, +zeilde ongeveer een half uur langs de stad bijna rakelings aan het +strand, en liep toen, even als door den loods gezegd was, met volle +zeilen de haven binnen, waar men ten anker ging genoegzaam vlak aan den +rand van den nauwen ingang, kort vóór de koopvaardijschepen, en het +schip vastmeerde aan een dood lichaam dat bestemd was voor de +oorlogsschepen. De loods ontving zijn loon, en op de brigantijn werden +de zeilen gestreken en geborgen met de eigenaardige vlugheid en +regelmatigheid welke aan oorlogsschepen eigen zijn; daarna werden door +de bemanning, onder leiding van den bootsman, de booten te water +gebracht. De kommandant liep op den achtersteven aan stuurboordzijde op +en neer, druk pratende met een reeds eenigszins op jaren gekomen +persoon, een passagier naar het scheen, toen een der scheepsjongens +hoogst onderdanig bij den officier van de wacht kwam om hem kennis te +geven, dat een boot, waarin zich verscheidene personen bevonden, de +haven had verlaten en met kracht van riemen op den schooner scheen aan +te houden. De officier ging daarvan dadelijk rapport maken bij den +kommandant, die oogenblikkelijk stil bleef staan, een paar minuten de +boot zeer nauwkeurig opnam, en zich toen over den schouder van den +officier van de wacht heenboog om dezen iets in het oor te fluisteren; +daarna gaf hij een wenk aan den passagier met wien hij in gesprek was +geweest, hem te volgen, en beiden daalden daarop af naar de kajuit. Een +paar andere personen waren in de kajuit aanwezig en hielden zich +onledig met dunne cigaretten te rooken, nu en dan een teugje +oranjewater nemend uit kelken van Boheemsch glas. + +—Wel?—vroeg in het Fransch een van hen aan den kommandant, zoodra deze +in de deur van de kajuit verscheen. + +—Wel!—herhaalde de kommandant, en wreef zich daarbij zeer vergenoegd de +handen.—Tot nu toe gaat alles zeer naar wensch; de loods houdt ons voor +niet anders dan echte gavachos: la Madre de Dios doet wonderen; zij +heeft op en top het voorkomen van een eerzamen Spaanschen schooner, de +loods is zeer in zijn schik over ons vertrokken, en verheft ons +waarschijnlijk op dit oogenblik tot in de wolken in alle mogelijke +kroegen van de stad. + +—Wel drommels, Pierre Legrand,—werd daarop geantwoord door den eersten +spreker, die niemand anders was dan Philippe,—eere wien eere toekomt! +Jij hebt ruimschoots bijgedragen aan dit goede succes. Ge speelt je rol +uitmuntend, en op mijn woord men zou je kunnen houden voor een echten +señor. + +—Ba!—hernam Pierre Legrand lachende.—Dat beduidt waarachtig toch +zooveel niet, ik ben immers een Bayonner? Maar nu opgepast, broeders, +er is een boot in het zicht, daarmee komen zeker de eerste autoriteiten +van de stad. Nu komt het er op aan een oog in het zeil te houden en op +te passen dat wij ons niet verspreken. + +—Kom, kom!—antwoordde Philippe lachende.—Heb daarover geen zorg! Wij +zullen je voorbeeld volgen en hopen te toonen dat wij niet voor je +onderdoen. Wie is de officier die je met de ontvangst van onze +bezoekers hebt belast? + +—Michel de Baskiër. + +—Uitmuntend, dit kan niet beter, want hij is voor het minst even goed +Castiliaan als jij. + +Het zoogenaamd Spaansche oorlogschip was werkelijk de brigantijn van +Philippe. + +Met de vermetele stoutmoedigheid hun eigen, hadden de flibustiers niet +geaarzeld dit roekelooze waagstuk te ondernemen, vast verzekerd dat +zij, zoo het mocht gelukken, veel gemakkelijker en veel spoediger al de +inlichtingen zouden verkrijgen, die volstrekt noodig waren voor den zoo +gevaarvollen aanslag, dien zij wilden ondernemen, en even vast +besloten, om ingeval van mislukking en ontdekking, zich eer met hun +schip in de lucht te laten vliegen dan zich aan de Spanjaarden over te +geven. Overigens moeten wij erkennen dat al de voorzorgen, door de +voorzichtigheid geëischt, met de meeste zorgvuldigheid waren in acht +genomen. + +De schooner, een Spaansch schip door Pierre Legrand en Philippe eenigen +tijd vroeger prijs gemaakt, had men ontdaan van alle eigenaardigheden +van een vrijbuitersschip, om het daarentegen weer geheel en al het +voorkomen te geven van een Spaansch oorlogsschip, tot zelfs den +vroegeren naam van la Madre de Dios, die in plaats gekomen was van la +Coquette, zooals Philippe het schip had herdoopt; het want was met zorg +nagezien en opnieuw geteerd, nieuwe zeilen waren aangeslagen, het dek +geschuurd en geschrobt, het koper opgepoetst, en de bemanning gestoken +in de kleedij van matrozen der Spaansche marine, in één woord nooit was +zulk een dwaze expeditie met meer beleid op het getouw gezet en +aangevangen. + +Onbezorgd over zoovele gevaren die hun boven het hoofd hingen, lachten +die duivelsche vrijbuiters als halve dwazen bij de gedachte aan den +mooien streek dien zij hunne onverzoenlijke vijanden van zins waren te +spelen; zulk een kwajongensstreek, die echter geduchte gevolgen kon +hebben, lag geheel in hun aard en kwam overeen met hun karakter en +hunne gewoonten, zoodat zij zich daarover om het zoo eens uit te +drukken verkneuterden. Ieder beijverde zich dus ten zeerste om goed de +rol te vervullen die hem in deze comedie was toebedeeld, eene comedie +echter die ieder oogenblik door een of ander toeval, met geen +mogelijkheid te voorzien, kon veranderen in een vreeselijk treurspel, +een tooneel van moord en slachting, in een bloedbad. Maar dit was geen +bezwaar waardoor de flibustiers zich lieten terughouden, zij dachten er +slechts aan hoe zij zich het meest ten koste der Spanjaarden zouden +amuseeren, en over de beste manier waarop zij daarin zouden slagen. + +Inmiddels was de boot, snel voortgestuwd door krachtige riemslagen, +dicht bij de brigantijn gekomen, en kort daarna lag zij bij de valreep +aan stuurboord. + +Michel de Baskiër had reeds spoedig bemerkt dat in de achtersteven van +de boot iemand zat in de uniform van hoofdofficier; hij plaatste dus +verscheidene matrozen bij de staatsietrap en toen de Spaansche officier +die beklom werd hem, op het fluitje van den bootsman, de eer bewezen +verschuldigd aan zijn rang. Zoodra die officier, die niemand anders was +dan don Fernando d’Avila, de vroegere gouverneur van Tortue, den voet +op het dek zette bevond hij zich tegenover Michel de Baskiër. De beide +personages groetten elkaar zeer ceremonieel. + +—Met wien heb ik de eer te spreken, caballero?—vroeg Michel beleefd. + +—Señor oficial—(officier) werd door Fernando niet minder beleefd ten +antwoord gegeven,—ik ben don Fernando d’Avila, namens Zijne Majesteit, +Gouverneur van de stad Maracaïbo. + +—Wees welkom aan boord van dit schip señor Gouverneur,—zóó luidde de +begroeting van Michel, vergezeld van een eerbiedig gebaar. + +—Señor,—hernam don Fernando,—bij de nadering van dit schip meende ik +het te herkennen als Zijner Majesteits schooner la Madre de Dios, die +te Santo-Domingo binnenliep op denzelfden dag dat ik die stad verliet +om mij voor Zijne Majesteit naar hier te begeven. + +—Gij hebt u daarin niet vergist, caballero, dit schip is werkelijk la +Madre de Dios. + +—Dat werd ook bevestigd door den loods die het in de haven heeft +gebracht, en bij wien ik informatie liet inwinnen. Ik heb mij toen +gehaast naar hier te komen, daar, zoo ik mij niet bedrieg, zich bij u +aan boord moet bevinden señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya, en ik +gaarne de eerste wilde zijn hem bij zijne komst in deze streken te +begroeten. + +—Wij hebben de eer, caballero, om onder onze passagiers ook te tellen +den graaf de l’Atalaya, die zich heeft verwaardigd te Santo-Domingo +zich bij ons in te schepen. + +—Ja, ik had ook reeds vernomen dat de graaf gebruik zou maken van uw +schip bij zijn overtocht naar hier. Ik verzoek u thans, señor, zoo goed +te willen zijn mij voor te stellen aan Zijne Excellentie. + +—Señor, dáár is onze kommandant,—zei Michel, buigende voor Pierre +Legrand die juist op dit oogenblik op het dek kwam,—die zelf de eer zal +hebben u aan den señor Conde voor te stellen. + +Don Fernando d’Avila trad naar Pierre Legrand toe, met wien hij eenige +plichtplegingen wisselde, en tegelijkertijd dezelfde vraag deed die hij +reeds aan Michel de Baskiër had gedaan. + +—Gouverneur,—gaf Pierre Legrand ten antwoord,—Zijne Excellentie stond +juist gereed om aan wal te gaan, doch zal zich, daaraan twijfel ik +niet, gelukkig achten u hier te ontmoeten, en het zeer op prijs stellen +dat door u zooveel haast is gemaakt, om aan boord te komen. Heb de +goedheid mij te volgen. + +Daarop ging hij vooruit om den gouverneur den weg te wijzen, en steeg +met hem de trap af naar de kajuit, waar zich thans niemand bevond. +Pierre Legrand bood den gouverneur een zetel aan, en sloeg toen op een +timber (klok zonder klepel) waarop een kajuitsjongen verscheen. + +—Ga Zijne Excellentie graaf de l’Atalaya verwittigen dat de señor +gouverneur van Maracaïbo hier de bevelen van Zijne Excellentie +afwacht,—gelastte Pierre Legrand. + +De kajuitsjongen boog en vertrok; een oogenblik later kwam hij terug en +kondigde aan:—Señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya. + +Montbars trad binnen, en don Fernando stond haastig op om hem te +begroeten. Montbars beantwoordde dien groet met waardigheid en zei +daarop:—Naar ik meen zijt gij kapitein don Fernando d’Avila. Ik heb +reeds meermalen en zeer gunstig over u hooren spreken. Het is mij +aangenaam, señor, met u in kennis te komen. + +—Uwe Excellentie maakt mij verlegen,—antwoordde de gouverneur opnieuw +buigende.—Ik verdien waarlijk niet... + +—Houd het mij ten goede, señor,—viel Montbars haastig in.—Gij zijt een +goed en loyaal dienaar van Zijne Majesteit, en als zoodanig hebt gij +recht op al mijne achting. Laat mij u bovendien bedanken voor de moeite +die gij u hebt willen geven u zoo spoedig aan mij voor te stellen. Ook +ik had mij reeds voorgesteld een bezoek aan u te brengen. + +—Dat behoorde toch het eerst door mij te worden gedaan, Excellentie, en +tevens acht ik het mijn plicht mij te uwer beschikking te stellen; +daarbij heb ik de eer u mede te deelen dat ik last heb gegeven om voor +Uwe Excellentie en gevolg in het paleis, dat ik bewoon, vertrekken in +gereedheid te brengen. + +—Dat is iets waaraan geen gevolg moet worden gegeven, waarde heer, want +hoewel ik u zeer dankbaar blijf voor dit zoo hoffelijke aanbod, kan ik +toch niet anders dan het bepaald afslaan, daar ik op geenerlei wijze u +den minsten overlast wil veroorzaken. Buitendien moet ik u, onder ons, +in vertrouwen doen opmerken, dat het voor mij, om behoorlijk de zending +te vervullen die mij is opgedragen, hoog noodig is, dat ik den ganschen +dag vrij over mijn tijd kan beschikken. Gij zult mij wel begrijpen, +niet waar? + +—Excellentie... + +—Laat ons dit beschouwen als bepaald afgesproken. Gij keert nu naar wal +terug, en zult mij zeer verplichten door voor mij een zeer gewone +bescheiden woning te huren, het doet er niet toe waar. + +—Maar toch... + +—Genoeg daarover,—voegde Montbars hem toe en tikte hem even op den +arm.—Er bestaan voor mij overwegende redenen om op die manier te +handelen. Later zal ik u die wel eens mededeelen. + +—Als het zoo door uw Excellentie geëischt wordt, blijft mij niet anders +over dan te gehoorzamen. + +—Ik zeg u dank voor uwe bereidwilligheid. Wees er verzekerd van +mijnheer de Gouverneur, dat ik hoogst gevoelig ben voor uwe +beleefdheid. + +—Dan zal ik nu afscheid nemen van uwe Excellentie, om ten spoedigste +aan uw verlangen te voldoen. + +—Doe zoo, en ik verzoek u het mij dadelijk te doen weten zoodra door u +eene geschikte woning is gevonden. + +—Excellentie, ik wil aan niemand de eer afstaan u in uwe nieuwe woning +te installeeren, en zoo dit mij door u wordt toegestaan, zal ik zelf u +daarheen geleiden. + +—Zeer gaarne. + +De twee heeren wisselden toen nog de gewone beleefdheden en daarop +verliet don Fernando het schip, opgetogen door de zoo welwillende +ontvangst die hem ten deel was gevallen van iemand zoo hoog in rang als +graaf de l’Atalaya. + + + + + + + + +VI. + +DE INSTALLATIE. + + +Toen don Fernando d’Avila niet meer op de brigantijn aanwezig was en de +aanvoerders der flibustiers dus weer buiten hun rol konden treden, +gaven zij zonder eenige terughouding lucht aan de overmaat van vreugde +over het groote en ongedachte succes van zulk een brutaal bedrog. Hun +vermetele krijgslist scheen alles te overtreffen wat in de jaarboeken +van de Broeders der Kust over zaken van dien aard geboekstaafd stond, +en toch bevatten die jaarboeken menig staaltje dat de bewondering +gaande maakte. Doch het moest erkend worden, dat door de vrijbuiters, +ondanks hun dapperheid, die boven allen twijfel verheven stond, nog +nooit zulk een gevaarvollen aanslag was beproefd om achter de geheimen +hunner vijanden te komen. Morgan, de mooie Laurent, in één woord geen +enkel der helden onder de boekaniers hadden ooit durven wagen zooveel +op het spel te zetten. + +Maar toen de eerste oogenblikken van opgewondenheid voorbij waren, +begon men te wikken en te wegen, en daarna zich te beangstigen over den +zoo geheel onverwachten goeden uitslag. Toen scheen het hun onmogelijk +lang de rollen vol te houden die zij onder elkander hadden verdeeld, en +die zoo hachelijke comedie af te spelen, zonder daarbij ontmaskerd te +worden. Zij bleven peinzend staren naar de stad, wier witte huizen +trapsgewijze voor hunne blikken oprezen, en de vraag kwam bij hen op, +of het niet beter zou zijn, nu het nog tijd was, zich den aanstaanden +nacht ten nutte te maken, weer onder zeil te gaan en te trachten, te +ontkomen aan dit wespennest waarin zij zich zoo roekeloos hadden +gestoken. + +De Spanjaarden waren immers te veelvuldig met de vrijbuiters in +aanraking geweest, om het als genoegzaam zeker te kunnen achten dat in +een stad met meer dan vijfduizend inwoners en een garnizoen van +achthonderd man, niet de een of ander zou wezen, die hetzij een der +aanvoerders hetzij een der matrozen van den schooner zou herkennen. + +Die overwegingen kwamen zeker wel een beetje te laat, maar toch waren +zij oorzaak dat die gebruinde gezichten somberheid toonden; de +voorzichtigheid kreeg de overhand, en die mannen, hoe dapper ook, +werden nu ondanks zich zelven ten prooi aan een onwederstaanbaren angst +bij de gedachte aan de verschrikkelijke wederwraak die de Spanjaarden +zouden nemen zoodra deze het brutale bedrog zouden ontdekken, waarvan +zij de dupe waren geweest. Die vrees werd zóó ernstig zóó algemeen +gedeeld, dat het weinig scheelde of de brigantijn was dadelijk onder +zeil gebracht ten koste van alles wat daarvan mocht komen. + +Slechts twee mannen bleven vast en onwrikbaar bij hun besluit om aan +wal te gaan en tot het eind te volharden in het plan waarom zij naar +Maracaïbo waren gekomen. Die twee mannen waren Montbars en Philippe. De +beweegredenen waardoor zij gedreven werden, waren zoo ernstig en +gewichtig dat in hun geest alle bezwaren en overwegingen moesten +wijken, voor hun vurig verlangen om tot iederen prijs te slagen in +hetgeen zij zich ten doel hadden gesteld. Nu zij met de grootste +koelbloedigheid hun eigen leven en dat hunner kameraden hadden gewaagd +om in de stad te komen, waarop zij thans een blik konden vestigen, nu +zij op het punt stonden hunne pogingen bekroond te zien, nu zouden zij +nooit toestemmen tot een schandelijken terugtocht onder den invloed van +overdreven angst, een gevoel onwaardig voor mannen zooals zij waren. +Montbars verhief met kracht zijne stem tegen dit besluit dat zijne +kameraden wilden nemen; hij toonde hen aan hoezeer het prestige dat de +vrijbuiters hadden weten te verwerven, hun, zelfs buiten hun weten, tot +waarborg strekte tegen de ondernemingen der Spanjaarden, bij het niet +zeer denkbare geval dat deze hen zouden herkennen. Het ergste wat hun +kon overkomen, was dat men gedwongen werd tot vechten; thans was er +geen enkel Spaansch oorlogschip noch in de golf noch op het meer, +derhalve waren de vrijbuiters meesters van de zee, en dus nog altijd in +staat om zonder groot bezwaar een terugtocht aan te vangen die +glorierijk zou mogen genoemd worden, waar men te kampen had tegen +honderdvoudige overmacht, maar op dit oogenblik des te smadelijker daar +er niets was, waardoor men ertoe genoodzaakt werd. + +Die overtuigende redeneering, krachtdadig ondersteund door Philippe, +had het gevolg wat Montbars er van verwachtte; de vrijbuiters schudden +even gauw den angst af als die hen overvallen had en zwoeren Montbars, +dat zij hem trouw zouden blijven, en zich eer tot den laatsten man +zouden laten dooden dan hem aan zijn lot overlaten. + +Nauwelijks had Philippe don Fernando d’Avila gezien of hij had hem +herkend als den vroegeren gouverneur van het Schildpaddeneiland, den +voogd van donna Juana. Onmiddellijk daarop stond zijn besluit vast; al +moest hij alleen te Maracaïbo blijven, dan zou hij dit zonder aarzelen +doen, veel liever dan af te zien van de hoop haar die hij liefhad terug +te zien, te meer daar dit het eenige doel was waarom hij een expeditie +uitgerust en zijn brigantijn bewapend had. + +Toen de opgewondenheid, veroorzaakt door al die beraadslagingen door +ons in hoofdzaak medegedeeld, bedaard en de rust hersteld was, werden +de volgende besluiten genomen. De schooner zou dien nacht de +ankerplaats verlaten en dichter bij wal worden gebracht om zoodoende +makkelijker het verkeer met de stad te kunnen onderhouden. Pierre +Legrand en Michel de Baskiër, de beide gezagvoerders van het schip, +zouden verkenningen doen, en peilingen bewerkstelligen, maar alles +steeds in gereedheid houden om op het eerste signaal onder zeil te +gaan. Nog werd overeengekomen dat het aan de gansche bemanning, +uitgenomen de beide gezagvoerders, strikt verboden zou zijn aan wal te +gaan, en dat zelfs de gezagvoerders dit nooit te zamen maar altijd +ieder afzonderlijk mochten doen, uit vrees voor een mogelijke +overrompeling. De scheepjongen, Zijden-Draad, werd belast met de +overbrenging van de orders van Montbars naar de brigantijn. Aan boord +zou de stiptste discipline gehandhaafd worden, en, daar de geringste +ongehoorzaamheid den ondergang van allen zou kunnen berokkenen, werd +bevolen dat de schuldige onmiddellijk zou worden doodgeschoten; ten +overvloede en om zoo min mogelijk iets aan het toeval over te laten, +werd nog verordend dat de toegang tot het schip volstrekt ontzegd bleef +aan de inwoners van de stad. Al die maatregelen werden vastgesteld en +goedgekeurd in eene gezamenlijke vergadering door de vrijbuiters; zij +deden er een eed op dat die stipt zouden worden in acht genomen, op +even plechtige wijze als bij hunne aanwerving voor de inneming van het +Schildpaddeneiland bij de beëediging der monsterrol had plaats gehad. +Toen dit alles was geregeld, ging men over om de ontscheping te +bespreken. + +Er waren zes personen, die zich aan wal moesten begeven, en wel in de +eerste plaats, Montbars, onder den naam van don Pacheco graaf de +l’Atalaya, buitengewoon Opper-intendant, en Philippe, als don Cardenio +Figueroa, zijn geheim-secretaris. Tevens Tributor, Pitrians en +Luiwammes, thans José, Purdo en Pico genoemd, als bedienden van den +graaf en eindelijk Zijden-Draad of Lopez Cardenas, zijn page. Montbars +deed allen in de kajuit bij zich komen om hun zijn laatste instructies +te geven. De rollen die zij van nu af hadden te vervullen, waren des te +moeielijker daar zij die in acht moesten nemen ten aanzien van een +ieder, en goed zorgen dit geen oogenblik te vergeten. Er ging meer dan +een uur voorbij om hun dit met allerlei voorbeelden goed in te prenten +en te doen gevoelen dat het van het grootste gewicht was dit steeds in +het oog te houden. Toen de vermaarde vrijbuiter ten laatste er zeker, +of ten minste bijna zeker van was, dat zij hunne rollen stipt zouden +volhouden, gaf hij order om twee booten te bemannen. + +Hij zelf begaf zich in de eerste vergezeld door Philippe en +Zijden-Draad; drie andere vrijbuiters namen plaats in de tweede, met de +kisten, koffers en de verdere bagage, die aan hunne zorgen werden +toevertrouwd. Montbars keek om zich heen met eene vreemde uitdrukking +op zijn gelaat, ging toen recht in de boot staan, nam zijn hoed af, +groette glimlachend de matrozen, die zich over de berghouten van de +brigantijn gebogen hielden en sprak daarna met luide stem tot de +roeiers. + +—Stoot nu af, mannen, maar denkt er vooral aan dat van dit oogenblik af +geen enkel Fransch woord door ons mag gesproken worden. + +De boot werd afgehouden en met krachtige riemslagen voortgestuwd naar +het havenhoofd, waar reeds een groot aantal der inwoners verzameld was +en met ongeduld scheen te wachten naar het oogenblik waarop het de zoo +hoog geplaatste persoon, die men wist dat zich aan boord van de +brigantijn la Madre de Dios bevond, behagen zou aan wal te komen. + +Nu wij tot dit gedeelte van ons verhaal zijn gekomen willen wij gaarne +zeer nederig bekennen dat wij zouden aarzelen het te vervolgen, zoo wij +niet in het bezit waren van de authentieke bewijzen der bijna +hersenschimmige feiten die wij verder hebben mede te deelen. Want +waarlijk grenst het aan het ongeloofelijke dat die mannen zoo vermetel +zijn om eene gansche bevolking tot dupe te maken van een zoo dwaas +komediespel, en evenzeer kan dit gezegd worden van de verbazende +onnoozelheid waarmede de bevolking, met de autoriteiten aan het hoofd, +zich zoo gemakkelijk door hen laat bedotten, zonder eenig wantrouwen te +koesteren, ondanks de menigvuldige listen waaraan zij van de kant der +flibustiers reeds blootgestaan had en die haar nu weer tot speelbal +gekozen hadden. Doch men moet in het oog houden dat in die dagen de +middelen van verkeer veel moeielijker en beperkter waren dan +tegenwoordig; slechts op enkele vaste tijden kwamen er schepen uit +Europa aan, daardoor bleven de Spaansche Koloniën bijna altijd in +genoegzaam volslagen onbekendheid niet alleen met de gebeurtenissen in +het moederland, maar zelfs met hetgeen in de onmiddellijke nabijheid +voorviel, dat wil zeggen in de naburige Koloniën. + +Die onwetendheid kwam aan de vrijbuiters bij hunne plannen bijzonder +goed te stade; buitendien waren zij zelf, die onophoudelijk en in alle +richtingen de zee doorkliefden en kruisende bleven vóór de voornaamste +havens der kust en van de eilanden, steeds volkomen op de hoogte der +gebeurtenissen die voor hen van eenig belang waren, door de schepen die +zij van de Spanjaarden kaapten, hetzij die van Europa kwamen of +daarheen terugkeerden, de gevangenen die zij daarbij maakten en de +depêches of documenten die hun daardoor in handen kwamen. Ook moeten +wij ten overvloede hier nog bijvoegen dat door de vrijbuiters, sedert +de verbeterde organisatie hunner vereeniging, in de gewichtigste +plaatsen spionnen werden onderhouden die hun door middel van +afgesproken signalen langs de kust, bericht gaven van alle zaken die +voor de vrijbuiterij van belang waren. + +Hoe dit ook wezen moge de beide booten naderden met spoed het +havenhoofd en lagen kort daarop stil aan de trap. + +Don Fernando d’Avila, in groot tenue van Luitenant-Kolonel van het +Spaansche leger, weer een hoogeren rang die hem sinds kort was +verleend, wachtte de reizigers af te midden van den staf van het +garnizoen en van de voornaamste autoriteiten der stad. Na de +gebruikelijke plichtplegingen en voorstellingen liet don Fernando voor +Montbars en Philippe paarden voorbrengen. Het gansche geleide steeg te +paard en onder de toejuichingen der menigte, het gebulder van het +geschut, en de opwekkende militaire muziek werd de tocht naar de Plaza +Mayor langzaam aangevangen. + +Het huis dat don Fernando had laten inrichten tot een geschikt verblijf +voor Montbars, stond op dit zelfde plein, niet ver van de kathedraal en +vlak tegenover het paleis van den gouverneur. Een eerewacht was vóór de +deur opgesteld. Don Fernando steeg af en noodigde de vrijbuiters uit +hem in het huis te volgen waarna hij hen de kamers rondleidde, en +verscheidene inrichtingen meer in het bijzonder aanwees. Na afloop van +dit kort bezoek nam de Gouverneur afscheid om graaf de l’Atalaya tijd +te geven zich geheel naar zijn goedvinden in dit huis te installeeren, +doch don Fernando verwijderde zich niet dan na van den graaf de belofte +te hebben verkregen, dat deze met zijn secretaris dien avond deel zou +nemen aan een banket dat hem werd aangeboden door de autoriteiten van +de stad. + +Nauwelijks waren de poorten van het huis achter de Spanjaarden gesloten +of de vrijbuiters herademden; het was voor de eerste maal dat zij zich +zóó lang moesten bedwingen en dit begon hun moeite te kosten en te +vermoeien; zij hadden er dus veel behoefte aan om zich weer vrij te +gevoelen. Hun eerste zorg was nu om het huis tot in de kleinste +bijzonderheden nader op te nemen. Niettegenstaande hem daarvoor slechts +weinig tijd was gelaten had de gouverneur de woning voor den +Opper-Intendant uitstekend in orde gebracht. Het was een groot huis met +ruime vertrekken; achter het huis strekte een prachtigen tuin zich vrij +ver uit, en, wat den vrijbuiters het meeste beviel, het gebouw, in +werkelijkheid eigenlijk een paleis, had drie verschillende uitgangen, +die niet met elkaar in verband stonden; de eerste, de hoofdpoort, kwam +uit op de Plaza Mayor, de tweede, in den tuinmuur, verleende toegang +tot de calle Bodegones, en de derde, meer bepaald ten gebruike van het +dienstpersoneel in de calle Plateros. Dank zij deze, voor hen zoo +dienstige inrichting, waarover de vrijbuiters zeer in hun schik waren, +konden zij uit- en ingaan zonder te worden bemerkt en liepen zij geen +gevaar in hun huis als in een gevangenis opgesloten te blijven. +Daarenboven was de tuin, waarvan wij reeds melding maakten, vol +uitheemsche, zeer lommerrijke boomen, en verscheidene zeer dicht +begroeide prieeltjes, waar bijna geen zonnestraal kon doordringen, +zoodat hier zeer goede gelegenheid bestond om bezoeken te ontvangen, en +geheime gesprekken te voeren zonder in gevaar te verkeeren van +bespionneerd of beluisterd te worden. + +Daar de optocht, zooals wij gezegd hebben niet dan langzaam +voortschreed, was de bagage reeds in de woning gebracht, eer de +vrijbuiters daar afstapten; alles was daar reeds geschikt, geregeld, en +op orde nog vóór zij den voet binnen de deur hadden gezet. Montbars +begaf zich naar zijne vertrekken om eenige oogenblikken rust te nemen, +en liet aan Philippe de zorg over om de bedienden, die zich kwamen +aandienen te woord te staan, en hun hunne plichten aan te wijzen. +Philippe kweet zich van die netelige taak als een zeer schrander +persoon, dat hij trouwens werkelijk was. Zijn eerste zorg was daarna +naar den officier te gaan die de eerewacht kommandeerde en hem hoogst +beleefd te bedanken, maar meer nog om er voor te zorgen dat hij zich +met zijne soldaten zoo spoedig mogelijk verwijderde, waarom hij zich +haastte hem, namens Zijne Excellentie, een met goud goed gevulde beurs +ter hand te stellen om onder deze waardige manschappen te verdeelen, +die daarop aftrokken onder uitbundig vreugdegejuich. + +Daarna stelde Philippe aan: een kok, twee keukenjongens, twee +mayorales, twee lakeien, en vier palfreniers. Al die lieden verkregen +geen toegang tot de bijzondere vertrekken waarvan de dienst uitsluitend +moest worden waargenomen door de vertrouwde bedienden van den graaf, +met andere woorden door Tributor, Luiwammes en Pitrians. De anderen +bleven overigens onder het onmiddellijk toezicht van Pardo, of +Pitrians, den zoogenaamden Intendant van Zijne Excellentie. Toen het +bedienend personeel dus was georganiseerd, liet Philippe paarden +voorbrengen, hij koos er twaalf, dieren van groote waarde, die dadelijk +naar de corral werden gebracht. De jonge man, die niets over het hoofd +zag, was op zeker oogenblik op de gedachte gekomen, dat het misschien +goed zou wezen, om te allen tijde over uitstekende paarden te kunnen +beschikken. + +Pitrians, Luiwammes, Tributor, en Zijden-Draad werden gehuisvest in de +vertrekken grenzende aan die van Montbars en Philippe, om op ieder uur +zoowel ’s nachts als op den dag in de nabijheid te wezen van hunne +voorgewende meesters en zoo noodig hun hulp te kunnen bieden. Aan +Pitrians werd nog in het bijzonder opgedragen geen enkelen avond ter +rust te gaan, dan na het huis van boven tot beneden in alle hoeken en +gaten te hebben doorzocht, en tot overmaat van zekerheid de vertrekken +der Spaansche bedienden te hebben afgesloten. Al die beschikkingen +vereischten vrij wat tijd en het was niet vóór vijf uur ’s namiddags +dat Philippe daarmeê eindelijk gereed was, en toen naar Montbars kon +gaan om dezen verslag te doen van alles wat hij verricht had. De +vrijbuiter keurde zijne schikkingen goed, en beiden begonnen zich nu te +kleeden voor het banket waarop zij genoodigd waren, daarbij geholpen +door Tributor, die bij deze gelegenheid fungeerde als kamerdienaar. + +—Wij dienen ons wel op dit feest te vertoonen,—meende Montbars.—Alleen +de vrees om den gouverneur te ontstemmen, wiens goede gezindheid wij +tot iederen prijs moeten trachten te behouden, heeft mij weerhouden om +dadelijk voor die uitnoodiging te bedanken, doch nu wij ons niet geheel +van dit feest kunnen onttrekken, is het ook zaak zooveel mogelijk van +die gelegenheid te profiteeren en terstond in onze rollen op te treden. + +—Wat wilt gij daarmee zeggen?—vroeg Philippe, die de bedoeling niet +begreep. + +—Wat ik daarmee zeggen wil, wel, dat wij reeds morgen aan den dag in +functie moeten komen. Laat ons het steeds bedenken dat wij hierheen +zijn gezonden, om de rekeningen van de heeren Intendanten op te nemen, +na te zien, uit te pluizen enzoovoorts. Dat werk is een werk van langen +duur, want wij worden er door verplicht de voornaamste steden van +iedere kolonie te bezoeken. Vat ge nu waar ik heen wil, vriend? + +—Volkomen. Dus moeten wij naar Gibraltar gaan en naar Merida? + +—In één woord overal waar een streng onderzoek moet plaats +grijpen,—merkte Montbars glimlachend aan. + +—Arme Spanjaarden,—mompelde Philippe. + +—Hoe nu! Begint ge medelijden met hen te krijgen? + +—Ronduit gezegd, ja! Zij ontvangen ons zoo hartelijk! + +—Maar vergeet des ondanks niet om een dolk bij je te steken. + +—Wees daarover gerust. Men weet nooit wat er kan gebeuren. + +—Tributor laat de paarden zadelen. Gij moet ons vergezellen tot aan het +paleis van den gouverneur. Het zal wel overbodig wezen om je nog eens +op het hart te drukken, een oog in zeil te houden, niet waar? + +De pandeling liet een flauw glimlachje bemerken, boog en ging heen. +Enkele minuten later reed graaf de l’Atalaya vergezeld van zijn +secretaris, en gevolgd door een bediende en een page, de Plaza Mayor +over, en richtte zich naar het paleis van den gouverneur, waar de wacht +onder de wapens kwam om hem militaire eer te bewijzen. + + + + + + + + +VII. + +DE DUENNA. + + +Zóó verliepen enkele dagen waarin de vrijbuiters de dubbele rol, die +zij op zich hadden genomen, vervulden met zeldzame behendigheid en +zelfs zonder die één enkel oogenblik uit het oog te verliezen. Ondanks +het voorgewende strenge onderzoek over de tamelijk verwarde rekeningen +en verantwoordingen der intendanten, wist Montbars zich in hooge mate +de genegenheid van die waardige ambtenaren te verwerven, daar zij zich +gelukkig achtten, er dank zij de verschoonende toegevendheid van den +gevreesden buitengewonen Opper-intendant, beter af te komen dan zij +verwacht hadden; zij wisten niet hoe zij hem genoeg zouden roemen, en +waren niet uitgesproken over zijne kunde en zijn degelijk inzicht, maar +in de eerste plaats over zijne uitstekende bekwaamheden in betrekking +tot de belastingen. + +Onder voorwendsel van alleen door eigen oogen te willen zien (en +werkelijk was dit zijn doel, doch niet in den zin dien men aan zijne +woorden gaf) gunde de flibustier zich geen oogenblik rust, maar trok +onophoudelijk van Maracaïbo naar Gibraltar, en van Gibraltar naar +Maracaïbo, nergens verzuimende het terrein op te nemen en schijnbaar +zonder daaraan veel gewicht te hechten, steeds druk met den gouverneur +in gesprek over zaken waarover hij nader wenschte te worden ingelicht. + +Michel de Baskiër hield zich van zijn kant ijverig bezig met opnemingen +en peilingen en de oplossing van ingewikkelde zeevaartkundige +berekeningen, waarover de Spanjaarden, onnoozel genoeg, ten hoogste +verbaasd maar ook zeer verrukt waren, zich vleiend met de hoop dat die +strekken moesten voor het maken van uitgestrekte zeeweringen, iets wat +van het hoogste belang was voor de toekomst der kolonie. + +Zonder bepaald reden te geven van zijn verlangen om te Maracaïbo te +blijven, had Philippe aan Montbars verzocht hem in de stad achter te +laten, om, zoo hij voorgaf, het oog te houden op de autoriteiten, en +bij den minsten schijn van gevaar zijne kameraden te kunnen +waarschuwen. Bij dit verzoek had de flibustier even geglimlacht, doch +zonder verdere toelichtingen te verlangen dadelijk aan den jongen man +toegestaan hierin geheel naar eigen goedvinden te handelen; toch had +hij hem ernstig op het hart gedrukt de grootste voorzichtigheid in acht +te nemen, er vooral op wijzende dat één enkele verkeerde zet door hem +gedaan voldoende zou wezen om den goeden uitslag van de gansche +expeditie onvoorwaardelijk te verspelen, vooral met het oog op het zoo +begrijpelijke wantrouwen der Spanjaarden, een wantrouwen dat zoozeer +versterkt was geworden door de zoo herhaalde verrassingen waarvan zij +door de vrijbuiters de slachtoffers waren geworden. + +Toch was nog buitendien de positie van den jongen man uiterst +moeielijk. Iederen keer dat hij goed vond aan don Fernando d’Avila een +bezoek te brengen, werd hij door dezen zeer voorkomend ontvangen en +bejegend, dit was waar; de waardige gouverneur had er geen flauw +vermoeden van wie of wat de secretaris aan Zijne Excellentie graaf de +l’Atalaya eigenlijk was, ook dit was waar. Maar toch bleek uit alles +duidelijk dat de gouverneur met dien fijnen reuk, welke aan jaloersche +menschen en aan voogden eigen is, zich zoo al niet bepaald verzekerd +hield, dan toch vermoedde dat er onder het elegante uiterlijk en de +beschaafde manieren van señor don Cardenio een minnaar school. Wel +ontving de gouverneur den jongen man met de meeste ongedwongenheid, wel +deed hij het voorkomen alsof hij hem ten volle vertrouwde, maar toch +bleven zijne manieren zoo ceremonieel, waren de beleefdheden zoo deftig +en werd bij alles zulk een echt Castiliaanschen trots in acht genomen, +dat het niet mogelijk was tot eenige intimiteit te komen, daar dit +steeds door den slagboom eener onoverkomelijke etiquette belet werd. + +Philippe raakte buiten zich zelven van woede; iederen keer wanneer hij +terugkwam van eene dier vruchtelooze bezoeken bij den gouverneur gaf +hij zich in zijn kamer aan buien van dolle vertoorndheid over, die +belachelijk zouden zijn geweest, indien de jonge man niet zoo innig en +oprecht bemind en dus vreeselijk geleden had. + +Don Fernando had zijne pupil niet aan de flibustiers voorgesteld, +sedert hunne komst te Maracaïbo, had hij haar als het ware naar hare +vertrekken verbannen, zoodat zij slechts één keer naar de kerk was +geweest in een zeer dicht gesloten palankijn, omstuwd door een aantal +bedienden die de gansche breedte van de straat besloegen en dus den +toegang tot den palankijn onmogelijk maakten; buitendien was zij de +kerk binnen getreden door eene bijzondere deur en had toen plaats +moeten nemen in eene getraliede galerij waar zij door niemand kon +worden opgemerkt. Het was dus te vergeefs geweest dat de jonge man, +geheel op de hoogte van de Spaansche gewoonten, er voor zorgde om een +der eersten in de kerk te zijn, en dadelijk post vatte bij een +wijwaterbakje. Hij bood dan het gewijde vocht aan tal van bekoorlijke +dames, die hem beloonden met een innemend lachje, tegelijk hoogst +aanvallig even hare mantilles openslaande; en waarschijnlijk zou het +slechts van hem hebben afgehangen verscheidene veroveringen te behalen; +maar die glimlachjes, en die uitdagende blikken waren tegenover hem +verlorene moeiten; zij voor wie hij slechts oogen had, verscheen niet, +en hij ging heen met den dood in het hart, ten prooi van hevige +ontroering, en, zooals alle teleurgestelde verliefden, in zijn geest +allerlei plannen beramend, die even onzinnig als onuitvoerbaar waren. + +Ten einde raad kwam de jonge man er toe het als zeker te beschouwen, +dat donna Juana don Fernando niet naar Maracaïbo vergezeld had, maar +door dezen naar Sint-Domingo teruggebracht was; die meening vestigde +zich zoo sterk bij hem, dat hij besloot dien eigen avond nog aan den +gouverneur daarover opheldering te vragen, het kostte wat het wilde. +Hij had tot vaste gewoonte aangenomen ’s avonds in de Alameda eene +wandeling te doen, en kon er bijna zeker op rekenen dáár ook den +gouverneur te ontmoeten. + +Het was zoowat vier uren in den namiddag; gewoonlijk werd die +wandelplaats niet vóór zeven ure ’s avonds bezocht, en dus had Philippe +nog drie volle uren den tijd om te bedenken hoe hij het zou aanleggen +bij don Fernando met zulk een soort van verhoor te slagen, maar hoe +dichter de klok naar zeven uur wees, hoe moeielijker hij het begon te +vinden zijn plan ten uitvoer te brengen. En waarlijk hoe kon er eene +gereede aanleiding gevonden worden om bij een caballero, dien men eerst +sinds de laatste drie of vier dagen had leeren kennen, inlichtingen in +te winnen omtrent iemand, met wiens bestaan hij geacht moest worden +geheel onbekend te zijn? Hoe zou don Fernando die onbescheiden vragen, +die hij voornemens was tot hem te richten, opnemen? Welk recht had hij +den gouverneur die vragen te doen? Het geval was ernstig, zoo ernstig +zelfs dat Philippe zich moedeloos op eene buttaca liet neervallen, de +armen over de borst sloeg, en tot de overtuiging kwam dat er eigenlijk +niets door hem kon worden verricht. + +Het sloeg zeven ure, en op dit kort afgebroken geluid, sprong Philippe +plotseling op, als getroffen door een electrieken schok, greep zijn +hoed, drukte dien vast op zijn hoofd en mompelde:—Kom! Toch ga ik! Wie +weet wat er gebeurt! + +Op dat oogenblik werd een paar keeren geklopt aan de deur van het salon +waar hij vertoefde. + +—Wel?—riep Philippe eenigszins sidderend.—Wie is daar? + +—Ik ben het,—werd ten antwoord gegeven door de schorre stem van +Tributor. + +—Loop naar de maan!—hernam Philippe spijtig.—Ik verwachtte heel iemand +anders dan jou. + +Philippe zou zeker zeer in verlegenheid zijn gebracht indien de +goedhartige reus hem gevraagd had, wien hij dan wel had verwacht; maar +die gedachte kwam niet bij Tributor op en lachend gaf hij ten antwoord: + +—Word ik op die manier door je ontvangen! Ik moet zeggen dat is zeer +hupsch, je bent wel in een prettige stemming. + +—Goed! Wat wil je eigenlijk? + +—Ik? Niets. + +—Waarom kom je mij dan hier hinderen? + +—Omdat in de Saguan iemand is die vraagt of gij te spreken zijt? + +—En wie is die iemand? + +—Dat zou ik waarlijk niet zoo precies kunnen zeggen. Maar zoover ik heb +kunnen nagaan, ondanks de kap en de doeken waarin zij zich heeft +gewikkeld, moet het eene oude vrouw zijn. + +—Laat zij naar de maan loopen!—hernam Philippe. + +—Goed,—vervolgde Tributor.—Gij schijnt van avond niet bijster in je +schik, en daarbij veel lust te hebben een ieder naar de maan te zenden. + +—Ge verveelt mij, en van die oude vrouw wil ik niets weten, zend haar +weg. + +—Zoo als gij wilt! Maar,—gaf de reus te kennen en schudde tevens het +hoofd,—misschien doet gij daar verkeerd aan. In Spanje wordt eene oude +vrouw doorgaans gevolgd door eene jonge dame en op dit oogenblik +bevinden wij ons hier midden onder de Spanjaarden. Denk daar eens over +na. + +Dit gezegde trof Philippe en daarom zei hij: + +—Nu, ’t is mogelijk dat ge gelijk hebt. Is dat oudje heel leelijk? + +—Afzichtelijk! Zij heeft veel van eene tooverkol die van de heksendans +terugkomt. + +De jonge man bleef een oogenblik in gepeins en al dien tijd keek +Tributor hem ter sluik en spotachtig aan. + +—Nu goed,—zei Philippe eindelijk.—Breng haar maar hier, dan zal ik te +weten komen wat zij van mij wil, en spoedig genoeg een middel vinden om +mij van haar te ontslaan. + +Dit zeggende, sprak Philippe anders dan hij dacht want zijne +nieuwsgierigheid was ten sterkste opgewekt, en met slecht verholen +ongeduld vestigde hij zijne blikken op de deur, toen hij de komst +afwachtte van de vrouw waarover Tributor had gesproken. Eindelijk +verscheen zij. Philippe uitte een kreet van vreugde en van verrassing, +snelde naar haar toe.—Na Cigala!—riep hij uit. + +Zonder antwoord te geven, wees de duenna naar den reus die onbeweeglijk +bij de deur voor het salon stond. + +—Ga heen,—zei Philippe tegen Tributor. + +Dadelijk verwijderde de reus zich en trok de deur achter zich toe. Toen +kwam de duenna dichter bij Philippe, keek hem eenige oogenblikken strak +aan en vroeg toen: + +—Zijt gij het dus wezenlijk en waarlijk zelf? + +—Zeker, ik ben het,—luidde het antwoord.—Twijfelt ge daar nog aan? + +—Hoe kan men er toe komen te gelooven dat u waarlijk hier waart, en dat +nog wel in zulk eene betrekking als u bij den Señor Conde de l’Atalaya +bekleedt, die luid en overal verkondigt welk een gloeienden haat hij +den gringos (ketters) toedraagt. + +—Dit is zoo,—beaamde hij onwillekeurig glimlachend,—en toch ziet ge dat +de graaf, ondanks dien haat, goed heeft gevonden mij aan te stellen als +zijn geheim-secretaris, doch dit alles doet er eigenlijk niets toe. De +hoofdzaak was voor mij te zorgen dat ik hier in de stad kwam; nu dit is +mij gelukt, op welke manier ik daarin ben geslaagd is iets dat mij +alleen aangaat, en laten wij dus liever spreken over donna Juana. + +—Donna Juana,— herhaalde zij met een diepen zucht. + +—Is haar eenig onheil overkomen?—vroeg Philippe gejaagd. + +—Onheil, neen, neen!—antwoordde zij dadelijk, en maakte naar Spaansch +gebruik het teeken des kruises.—Die arme Juana! + +—Maar waarom spreekt ge dan over haar op een wijze die mij met vrees +vervult en toch vooronderstellen doet dat zij een nog heviger lijden te +verduren heeft dan dat, waaraan ik ten prooi ben. + +De duenna bleef een poos zwijgen en keek wantrouwend om zich heen. + +—Niemand kan ons hier hooren, na Cigala,—sprak de jonge man, die dit +opmerkte geruststellend.—Spreek gerust, maar ga eerst zitten, want dan +zult ge je meer op uw gemak bevinden, en deel mij nu de boodschap mede, +waarmede ge zeker voor mij zijt belast. + +—Och!—zuchtte zij, terwijl zij ging zitten in de butaca die Philippe +naar haar toe had geschoven.—Mag ik tegen u señor don Philippe, rond en +openhartig zijn? Ik wil wel spreken, maar durf bijna niet, uit vrees +dat gij boos zult worden. + +—Goede ziel,—gaf Philippe ten antwoord, die de grootste moeite had zijn +ongeduld te bedwingen,—spreek gerust en vrij uit, dit verzoek ik u +zelfs dringend, en beloof daarenboven, dat ik mij niet kwaad zal maken, +wat ge mij ook moogt mededeelen. Ik verlang er zoozeer naar om te weten +wat ge mij te zeggen hebt, en geloof mij ik kan daardoor in geen ergere +spanning komen, dan waarin ik nu verkeer, want uwe achterhoudendheid +kwelt mij onuitstaanbaar. + +—Och, och, santa Virgen!—bromde de oude vrouw.—Wat zijn zulke jonge +menschen toch haastig en ongeduldig! + +—Maar vóór alle dingen verzoek ik je ernstig mij antwoord te geven op +een paar vragen, en dan zal ik je vrijheid laten, om geheel naar eigen +goedvinden mij verder alles te vertellen. + +—En wat zijn die vragen?—vroeg zij weer met eenig wantrouwen. + +—Is donna Juana gezond? + +—God zij dank, ja! Zij is geheel en al bekomen van die vermoeiende +reis, en zoo gezond als zij wenschen kan. + +—Dank, dank! En heeft zij mij nog altijd lief? + +—Zou ik anders wel hier zijn gekomen?—merkte de oude vrouw eenigszins +bits aan. + +—Dan is alles goed!—riep Philippe opgewonden.—Als hare gezondheid niets +te wenschen overlaat, en als zij mij nog altijd bemint, dan is aan +mijne grootste begeerte voldaan! Begin nu maar te zeggen, goede, beste +ziel, alles wat ge te zeggen hebt. Thans ben ik zoozeer door je +gerustgesteld, dat ik met het grootste geduld naar je zal luisteren, +zonder boos of driftig te worden, dat beloof ik je, begin dus, want ik +ben zeer benieuwd wat ik door je zal vernemen. + +Met een glimlach om de lippen wierp de jonge man zich achter in zijn +leunstoel, en ging recht gemakkelijk zitten. Droevig en meer dan eens +schudde de duenna het hoofd en keek daarbij den jongen man aan met eene +moeielijk te beschrijven uitdrukking; daarna haalde zij diep adem, even +als iemand die een zeer gewichtig besluit heeft genomen en zette het +gesprek voort. + +—Señor caballero,—zoo begon zij,—gij zult het zeker van mij, die in uw +oog niet anders is, en niet anders zijn kan dan eene dienstbode, zeker +zeer vreemd vinden, dat ik mij bemoei met de zaken en belangen van +personen, die door hunne geboorte zoover boven mij geplaatst zijn. + +—Daarin bedriegt ge je, na Cigala,—werd door Philippe op zeer +goedhartigen toon ten antwoord gegeven.—Ik weet hoe vriendschappelijk +donna Juana je gezind is, en vind het dus integendeel zeer natuurlijk, +dat je veel belang stelt in alles wat haar aangaat. + +—Voor donna Juana ben ik geen gewone dienstbode, señor; ik heb haar +bijna zien geboren worden, la querida ninna; ik was haar min; bijna +nooit ben ik van haar af geweest; om haar naar Amerika te volgen heb ik +alles achter gelaten, mijn man, mijne kinderen en mijne bloedverwanten. +Ik heb haar even lief, alsof zij mijn eigen kind was, en misschien nog +liever. + +—Met alles wat ge mij daar vertelt, was ik reeds bekend, behalve over +die bijzonderheden van uwe reis naar Amerika. Dus is donna Juana in +Spanje geboren. + +—Wie kan dat zeggen?—mompelde de oude vrouw en sloeg de oogen ten +hemel. + +—Hoe! Wie kan dat zeggen!—herhaalde Philippe.—Wat beteekent dit, na +Cigala? + +—Luister, caballero,—werd ten antwoord gegeven.—Het weinigje dat ik +daarover weet, zal ik u nu mededeelen. + +—Ga voort, na Cigala, ga voort,—uitte de jonge man haastig. + +—Vergeet niet, caballero, dat ik vertrouw op uw woord als edelman, en +dit geheim nooit over uwe lippen mag komen. + +—Ik geef u daarop mijn woord van eer! + +—Ik was al zoowat een jaar of drie getrouwd, had reeds mijn eerste kind +gekregen en sinds een maand was het tweede er bij gekomen. Mijn man en +ik woonden in een hutje, dicht bij een stroom, enkele uren van Pau. + +—Wat!—viel Philippe hoogst verwonderd uit.—Zijt ge dan geen Spaansche? + +—Neen, ik ben uit Bearn. + +—Verder, verder,—zei Philippe haastig en draaide ongeduldig in zijn +stoel heen en weer. + +—Mijn man maakte jacht op beren en wilde geiten, deed zoo nu en dan een +beetje aan het smokkelen, en diende in zijn verloren oogenblikken als +gids aan de reizigers die somwijlen uit Spanje naar Frankrijk trokken, +of uit Frankrijk naar Spanje terugkeerden. Ondanks al die bedrijven of +juist omdat hij er zoo vele aan de hand had, was mijn man arm, zoo arm +zelfs, dat er meer dan eens gebrek aan brood was in ons armzalig hutje. +Juan werd wanhopig, het ongeluk scheen ons te vervolgen, maar ondanks +alles bleven wij eerlijk. Eens kwam mijn man terug, na langer dan +gewoonlijk afwezig te zijn geweest, en werd toen vergezeld door een +edelman. Gij kunt er op aan dat ik blijde was toen ik hem weer bij mij +had, want in de laatste twee dagen was er geen kruimel over mijne +lippen gekomen en Juan bracht leeftocht meê.—Moed gehouden, +vrouwlief—zei hij tegen mij,—doe je te goed en wees in je schik, want +hier is een edel heer, die medelijden met ons heeft.—Toen nam ik dien +vreemden heer eens goed op, want ik had nog bijna geen acht op hem +geslagen, daar hij diep in zijn mantel gedoken dicht bij de deur was +blijven staan. Die vreemde heer was reeds op jaren, had een mooi maar +stuursch gelaat, zoo trotsch van uitdrukking, dat ik er van huiverde, +hij was gekleed juist als een edelman. Ik groette hem onderdanig en +bedankte hem bijzonder voor al de goedheid die hij ons betoonde. Toen +sloeg hij zijn mantel open, toonde mij een kindje dat hij tegen zijn +borst hield gedrukt en zoowat van den eigen leeftijd van mijn jongste +was, en zei: „Goede vrouw, ge behoeft mij daarvoor niet te bedanken, +want de eene dienst is de andere waard, en hier ziet ge een zeer teer +schepseltje waarvoor ik je verzoek voorloopig te zorgen alsof jij zelf +de moeder waart.” Ik greep het kindje dadelijk, dacht er niet langer +aan meer te eten, hoewel ik rammelde van den honger en legde het +schepseltje aan de borst. + +—En dat kindje was Juana, niet waar?—viel Philippe ongeduldig in. + +—Ja, caballero, zij was het. Die edelman scheen er een oogenblik met +voldoening naar te kijken, dat ik dadelijk zoo goed zorgde voor dat +lieve engeltje; hij kwam dicht bij mij staan en drukte een kus op het +snoeperige gezichtje van de kleine die reeds rustig was ingeslapen. +„Nu, ik zie wel,” zei hij,—„dat alles hier goed zal gaan, en ge als een +moeder zult zorgen voor Juana, zóó heet het kind, het is een weesje. +Hier hebt ge een beurs met zestig onzen goud [3]; binnen een jaar zult +ge hetzelfde bedrag ontvangen, door bemiddeling van de heeren Izaguirre +en Zamala te Pau, en dat zal herhaald worden zoolang het kind aan uwe +zorgen blijft toevertrouwd; ge hebt niet anders te doen dan aan die +heeren dezen ring te vertoonen.”—Toen trok hij van den pink van zijn +linkerhand den ring, versierd met één enkelen steen, een bleeke robijn, +en reikte mij dien toe. „Ge hebt goed begrepen wat ik van u verlang, +niet waar? Weet te zwijgen, en dan zult ge u niet over mij te beklagen +hebben. Vaarwel.”—Hij wikkelde zich weer in zijn mantel, trok den rand +van zijn hoed over de oogen, gaf door een gebiedenden wenk aan mijn man +te kennen, hem te volgen en ging de hut uit. Hij is nooit meer bij ons +terug geweest, maar hoe kort ik hem ook gezien heb, toch ben ik er +zeker van, dat ik hem zou herkennen, zoo wij elkaar ooit weer mochten +ontmoeten; zulk een indruk heeft zijn gelaat op mij gemaakt, en zoo +duidelijk en klaar kan ik mij zijne trekken weer voor oogen stellen. + +—Wie kan die man zijn geweest?—mompelde Philippe.—Haar vader +waarschijnlijk? + +—Dat geloof ik niet. Drie jaren gingen voorbij. Ieder jaar ging ik naar +Pau, toonde daar den ring, en zonder dat men verder iets vroeg werden +mij de zestig onzen goud uitbetaald. Op een goeden morgen werd er tegen +de deur van onze hut geklopt; ik begon te beven, want wij woonden dáár +zoo afgelegen, dat wij nooit door iemand werden opgezocht, dan alleen +door enkele kennissen van mijn man, óók smokkelaars die zonder veel +omslag de deur openduwden en deden alsof zij te huis waren. Ik deed de +deur open, en zag een vreemden heer vóór mij staan. Die heer was een +der eerste klerken op het kantoor van de heeren Izaguirre; ik weet dit +heel goed, want had hem er altijd gezien, als ik daar het geld ging +halen. Hij groette mij en vroeg of hij mijn man kon spreken, ik zei van +neen, daar hij er op uit was, maar dat ik hem ieder minuut terug +wachtte. + +„Nu goed,”—gaf hij ten antwoord,—„ik heb al den tijd.” Hij kwam binnen +en ging op een bank bij het vuur zitten, wij waren nog vroeg in de +lente en het was vinnig koud tusschen de bergen; pas een uur later kwam +mijn man terug, de vreemde heer ging met hem naar buiten, en daar +bleven zij lang met elkaar praten. Op eens kwam Juan weer bij mij en +zei, „vrouw, je moet je gauw kleeden, die señor hier komt Juana halen +en je moet met hem mede.” Ik begon er iets tegen in te brengen, maar +die heer viel mij in de rede en waarschuwde: „Doe zooals uw man zegt +daar zult ge u wel bij bevinden.” Ik gehoorzaamde, met tranen in de +oogen. Een uur later zat ik naast dien heer in een rijtuig met Juana op +mijn schoot, en reed dwars door de Pyreneën op weg naar Spanje. Wij +hielden nooit anders stil dan om te eten of van muildieren te +verwisselen. Na een tocht van vier dagen hield het rijtuig op voor een +heel mooi huis buten een dorp; later vernam ik dat dit dorp Ocano +heette. De vreemde heer gaf door een wenk te kennen dat ik moest +uitstappen en hem volgen. De deur van dat huis was reeds opengedaan +toen men het rijtuig hoorde stilhouden; die heer trad binnen, ook ik, +en zag daarna eene dienstbode die onbeweeglijk vóór ons stond. De heer +liep met mij het gansche huis door, en toonde mij al de kamers, die +zeer goed, doch zonder weelde, waren gemeubileerd. „Hier zijt ge nu +tehuis,” voegde hij mij toe, „en moet er tot nader order blijven; +iedere maand zult ge het voor uw onderhoud noodige geld ontvangen. +Mijne zending is nu afgeloopen. Goeden dag.”—„Maar mijn man dan?—vroeg +ik.”—„Dat is waar ook,—gaf hij ten antwoord.—Lees dezen brief, dien hij +mij voor je heeft meegegeven. Maar onthoud vooral goed dat ge niemand +hier bij je moogt toelaten dan alleen den persoon, die je een ring zal +toonen, geheel gelijk aan dien welken je reeds hebt. Vaarwel!” Hij ging +heen, ik hoorde het rijtuig in galop wegrijden, en bleef alleen achter +met Juana, die zich om niets bekommerde en zeer in haar schik was dat +zij nu vrijheid had om door al de kamers te huppelen. + +—Dat is een zeer zonderlinge geschiedenis,—zei Philippe.—En hoe liep +dat af? + +—Op de eenvoudigste manier, señor. In den brief van mijn man, gelastte +deze mij dat ik stipt moest gehoorzamen en gaf hij mij de verzekering +dat alles heel goed voor ons zou afloopen. Ik onderwierp mij dus aan +zijn verlangen, en gevoelde mij weldra geheel tehuis en tamelijk +tevreden in ons nieuw verblijf. Zoo verliepen enkele maanden. Doch op +zekeren dag hield een rijtuig vóór het huis stil, een heer stapte er +uit, kwam naar binnen en toonde mij een ring. Die heer was don Fernando +d’Avila; hij vertelde mij dat hij de voogd was van Juana en kwam om +haar te halen en naar Madrid te brengen; hij vroeg mij of ik lust had +met hem mede te gaan; daar ik zóó innig hield van het arme kind, +waarvoor ik als eene moeder had gezorgd, brak mijn hart bij de +gedachte, dat ik van haar zou moeten scheiden, en dus nam ik zijn +voorstel aan. Te Madrid werden wij gehuisvest in een prachtig paleis. +Iederen dag kwam don Fernando op een bepaald uur Juana afhalen voor +eene wandeling die soms zeer lang duurde. Wat mij betreft ik ging nooit +uit, daar het mij verboden was mijne vertrekken te verlaten, doch +schikte mij hierin, te meer daar mijn man mij in al zijne brieven +voorhield, dat ik steeds zonder tegenstribbelen moest gehoorzamen aan +alles wat men van mij verlangde. Op een goeden dag deelde don Fernando +mij mede dat hij naar Amerika moest vertrekken, en deed mij, even als +den vorigen keer, den voorslag om hem daarheen te vergezellen. Wat +moest ik doen? Ik was ver van mijne vrienden, in een vreemd land. Wie +kon zeggen wat de gevolgen zouden zijn, indien ik weigerde? Ik nam het +dus aan. Wij maakten met don Fernando den overtocht naar Hispaniola, +dáár wees hij ons tot verblijf aan het stadje, waar het toeval of +wellicht de hand der Voorzienigheid u zoo onverwachts op onzen weg +heeft gebracht. Verder heeft niets de eentonigheid van ons leven +afgebroken. Don Fernando heeft steeds volgehouden zijne pupil met +goedheid en eerbied te behandelen; naar het schijnt is hij bijzonder op +haar gesteld, terwijl hij ook voortdurend haar met de meeste zorgen +omringt. + +—Maar,—zoo viel Philippe haar in de rede, haastig en gejaagd,—hebt ge +nooit iets meer ontdekt omtrent de geboorte van donna Juana, dan wat ge +mij daarover hebt medegedeeld? + +—Niets. Wie zou mij daaromtrent hebben kunnen inlichten? + +—Gij hebt gelijk! Het is eene hoogst zonderlinge geschiedenis! + +—En tevens eene zeer treurige. + +—Arm kind!—zuchtte Philippe.—Doch zeg mij eens,—vervolgde hij op geheel +anderen toon,—hebt ge dien ring bewaard? + +—Zeker! Die ligt secuur geborgen in een koffertje. + +—Wilt ge mij dien eens laten zien? + +—Wanneer ge maar goedvindt. + +—Wie weet? Zou het zoo onmogelijk zijn dat wij daardoor iets op het +spoor kwamen? + +De duenna schudde twijfelend haar hoofd. + + + + + + + + +VIII. + +EEN ZEETOCHTJE. + + +Er heerschte eenige oogenblikken stilzwijgen, doch ten laatste hervatte +Philippe het gesprek en zei, met den arm op zijn butaca leunende. + +—Na Cigala, ik betuig je mijn bijzonderen dank, zooals ik ten volle +verplicht ben, voor het vertrouwen dat ge toont in mij te stellen, daar +ge mij dit geheim hebt willen mededeelen; toch wil ik je ronduit +bekennen dat het mij reeds bekend was, tenminste gedeeltelijk. Donna +Juana had mij reeds geruimen tijd geleden alles verteld wat zij er van +wist. Doch houd het mij ten goede zoo ik nu, op mijn beurt, eene vraag +tot je heb te richten. + +—Laat hooren, señor,—gaf de duenna ten antwoord,—zoo ik er toe in staat +ben, zal ik die beantwoorden. + +—Dat zal je niet veel moeite kosten. Ge hadt zonder twijfel een +bedoeling met het verhaal van die treurige geschiedenis. Welnu waarin +bestaat dat doel? Dit is iets wat ik gaarne wil weten. + +—Ik stond op het punt, caballero, om het u mede te deelen. + +—Goed, doe dit dan, ik verlang er zeer naar. + +—Donna Juana is u gewaar geworden, hoe en waar, dat zou ik niet kunnen +zeggen, doch het is een feit dat zij u dadelijk heeft herkend. Haar kon +ik niets weigeren, ik heb haar veel te lief, dan dat ik niet alles zou +doen wat zij van mij verlangt. Nu heeft zij mij dringend verzocht naar +u toe te gaan, en te zeggen, dat zij u van avond nog wacht op eene +plaats waar ik u zal brengen, daarom ben ik hier gekomen. Maar op die +wandeling van het huis van don Fernando naar het uwe, heb ik er ernstig +over nagedacht, en thans wil ik u doen hooren wat het resultaat is +geweest van mijne overwegingen. + +—Goed, na Cigala, deel mij het mede, en ik ben er zoo goed als zeker +van dat ik je daarop voldoende zal kunnen antwoorden. + +—God geve het, Señor! De eer van donna Juana gaat mij boven alles ter +harte. Bij ons vertrek uit Hispaniola vleide ik mij met de hoop dat ik +u nimmer zou terugzien, en donna Juana er eindelijk toe zou komen om u +te vergeten. Gij bemerkt dat ik openhartig ben. + +—Ja, misschien een beetje te veel. + +—Toch niet! Eene liefde zonder hoop sterft ten laatste uit, dit is zoo +zeker als een wet der natuur. Dus rekende ik er op, dat de afwezigheid +eindelijk mijn lief kind zou bevrijden van haar innig gevoel voor u; +doch door uwe onverwachte komst hier, worden al mijne plannen in de war +gestuurd en falen al mijne berekeningen. Don Felippe, gij zijt jong, +knap, rijk, van goede afkomst, dit laatste vooronderstel ik ten minste, +welnu, ik smeek u in naam uwer moeder, wees tegen mij even openhartig, +als ik dit tegen u was. Antwoord mij dus zooals dit een edelman +betaamt. Is de liefde die gij voor donna Juana gevoeld waarachtig en +oprecht? Met andere woorden bemint gij haar genoeg om haar tot vrouw te +nemen ondanks al het duistere en al het geheimzinnige dat ten opzichte +van hare geboorte bestaat? Of is het bij u wellicht, zooals zoo dikwerf +bij jonge menschen, niets anders dan eene voorbijgaande hartstocht, +waarin de ijdelheid het hoogste woord voert, en die verdwijnt zoodra +aan haar verlangen is voldaan. Gij bemerkt nu ten volle don Felippe dat +ik met die vragen rondborstig voor den dag kom, geef daarop zonder +aarzeling en op dezelfde manier antwoord, dit eisch ik van u die +edelman zijt. + +—En zoo zal ik ook doen, na Cigala—verklaarde Philippe in de grootste +opgewondenheid.—Ik bemin donna Juana met waarachtige en oprechte +liefde, eene liefde zoo zuiver dat de engelen zich er over zouden +verheugen. Wij hebben bezworen dat wij elkaar tot echtgenoot zullen +nemen, en dat noch de een noch de andere ooit aan een ander zou +behooren. Wat mij betreft dien eed zal ik gestand blijven tot iederen +prijs. Wat doet het er toe, of donna Juana al dan niet van adel mocht +wezen! Zij is goed, mooi en verstandig, en dit is voor mij voldoende; +ik ben rijk en adellijk genoeg zoowel voor haar als voor mij. Sinds +lang reeds beschouw ik haar als mijne vrouw en zij, van haar kant, ziet +in mij haar echtgenoot. Welke ook de hinderpalen mogen zijn die zich +tegen onze vereeniging opdoen, ik zal die weten te boven te komen. +Alleen om haar te zien, heb ik de grootste gevaren getrotseerd, en zoo +min nu als in de toekomst zal ik mij door iets laten terughouden. In +mijne liefde vind ik de kracht om de vijanden te weerstreven, die het +mochten wagen haar aan mij te ontrooven, in één woord die liefde is +mijn leven, en zal duren zoolang ik leef! Dat is mijn antwoord, na +Cigala, ik acht het loyaal en zoowel mij als de vrouw die ik bemin, +waardig. Zeg nu wat ge wilt dat er gedaan wordt, ik stel mij tot uw +beschikking. + +—Goed en braaf gesproken, don Felippe,—gaf de duenna ten +antwoord.—Thans weet ik wat ik weten wilde, en ik blijf u van ganscher +harte toegenegen. Ik zelve, ik ben niet meer dan een eenvoudige +dienstbode, die weinig invloed kan uitoefenen, maar hoe gering die ook +zij, gaarne wil ik die geheel voor u aanwenden, en wees er van +verzekerd dat ik niets zal verzuimen om u te doen slagen in uw +voornemen om met mijn dierbaar kind in het huwelijk te treden en dus +aan uw beider geluk mede te werken. + +—God vervulle uwe en mijne wenschen, na Cigala! Waarlijk, ik kan geen +woorden vinden om je naar eisch mijne dankbaarheid te betuigen. + +—Don Felippe, het uur waarop de samenkomst moet plaats grijpen, nadert. +Wikkel u goed in een mantel van donkere kleur, trek den rand van uw +hoed diep over de oogen, gesp uw degen aan en volg mij; donna Juana +wacht u. + +De jonge man gehoorzaamde, als een volgzaam kind, en was in een +oogenblik gereed. + +—En wat moet ik nu doen?—vroeg hij daarop. + +—Mij volgen alsof het iets zeer gewoon ware; verder u over niets +verwonderen, en binnengaan waar ik binnenga. + +—Ga maar voor. Ik volg je. + +Zij verlieten het huis. De avond was reeds gevallen; het was een van +die echt Amerikaansche avonden, met heldere lucht vol sterren, frisch +en aangenaam geurend, een avond zooals in het noordelijke klimaat niet +wordt gekend. In de straten, op den dag genoegzaam verlaten om de +brandende stralen der zon, waren nu tal van wandelaars aanwezig, die +gingen en kwamen onder vroolijk gesprek; vóór iedere deur stonden +groepjes menschen te lachen, te dansen en te tokkelen op de jarabe, de +Amerikaansche guitaar. + +Zeer ongedwongen en geheel met het voorkomen van een gewoon wandelaar, +drong Philippe behendig door de menigte en volgde zonder opzien te +wekken de duenna, wier rebozo door hem niet uit het oog werd verloren. +Zóó liepen beiden bijna een half uur voort, en drongen hoe langer hoe +verder door in de zeer verwarde straten der benedenstad; eindelijk +kwamen zij uit bij de haven. Daar ter plaatse was het lang zoo levendig +niet; slechts enkele wandelaars verkwikten zich er aan de frissche +zeekoelte. Toen vertraagde de jonge man zijn stap eenigszins, uit vrees +dat hij anders de aandacht op zich zou vestigen, maar de duenna bleef +daarentegen op dezelfde manier haar weg vervolgen en keek rechts noch +links om, evenals iemand die haast heeft om tehuis te komen, doch het +houten havenhoofd, waar de goederen werden gelost, liep zij met vasten +tred langs. Ongeveer op het midden van dat havenhoofd stond zij stil, +keek even om zich heen, kuchte toen een paar keeren en steeg eenige +treden af van de trap, die naar het water liep. Een boot, waarin zich +slechts één man bevond, lag beneden aan die trap; zij stapte er +dadelijk in. Philippe deed dit insgelijks, de schipper stootte af en +het vaartuig werd in beweging gebracht. De duenna had het roer gegrepen +en stuurde, terwijl de schipper de riemen uitsloeg en het lichte bootje +het water deed klieven, met de snelheid van een ijsvogel die over de +kruin der golven scheert. Philippe gevoelde zich geheel aan zich zelven +overgelaten; hij durfde het niet wagen het woord tot de duenna te +richten en keek nieuwsgierig om zich heen. Het duurde niet lang of hij +kreeg een donker punt in het oog dat al heel spoedig zeer in omvang +toenam, en waarheen het bootje gestuurd werd. Dit donkere punt werd +meer en meer zichtbaar, en kort daarna bleek het eveneens een boot te +zijn, bestuurd door één enkel man, terwijl zich daarin ook eene vrouw +bevond. Onwillekeurig overviel Philippe eene siddering, en hij gevoelde +dat zijn hart met versnelde slagen klopte; hij had in die vrouw donna +Juana herkend. Na enkele minuten lagen de twee booten zij aan zij. Op +een wenk van de duenna stapte Philippe over in de tweede boot, en de +man die had geroeid kwam in de eerste. Daarop werden de beide booten +van elkaar verwijderd, en nu bevond Philippe zich alleen, met haar die +hij zoo innig beminde. Dit alles was met zulk een spoed afgeloopen, en +had zoo geheel onverwachts plaats gehad, dat de jonge man, overweldigd +door zijne ontroering een oogenblik sprakeloos bleef, en de kracht +miste één enkel woord te uiten. + +—Is dat je groet, don Felipe, en dat nog wel na zulk eene lange +afwezigheid?—werd hem half fluisterend en op eenigszins spotachtigen +toon door een allerliefste stem gevraagd. + +—O! Juana querida, vergeef het mij!—riep hij in vervoering.—Het komt +doordien ik mij overstelpt voel door het geluk dat mij te beurt valt. +Ach! Ik gaf bijna alle hoop op om je te ontmoeten! + +—Eerst dezen morgen, beste Felipe, heb ik bemerkt dat gij te Maracaïbo +waart. Zeer toevallig herkende ik je, op het oogenblik waarop je de +patio van ons huis overstaakt. + +—Hoe komt het toch dat het mij in die tien dagen, die ik nu reeds hier +ben, ondoenlijk geweest is je te zien en te spreken? + +—Helaas, beste vriend, ik geniet hier niet zooveel vrijheid als in het +huisje te San Juan de Goava,—gaf zij zuchtende ten antwoord. + +—Is don Fernando dan niet meer zoo welwillend voor je dan vroeger? + +—Juist het tegendeel, hij schijnt veeleer nog vriendschappelijker, doch +in de laatste dagen kwam het mij voor, alsof hij over het een of ander +bezorgd is, en nu en dan ziet hij mij zeer treurig aan, zonder dat ik +met eenige waarschijnlijkheid kan nagaan wat daarvan de oorzaak is. + +—Goede God! Zoudt ge door eenig onheil bedreigd worden? + +—Dat geloof ik niet, beste Felipe, en toch heb ik, mijns ondanks, een +onverklaarbaar voorgevoel dat er spoedig iets zal gebeuren waardoor in +mijn toestand eene groote verandering zal komen. + +—Juana, ge maakt mij angstig,—en zijn verbleekt gelaat bevestigde die +woorden.—Helder mij dit in ’s hemels naam op! Hoe komt ge op die +verontrustende gedachte? + +—Dit kan ik je niet zeggen, Felipe, want het is ook voor mij een +raadsel. Het eenige dat ik heb kunnen opmerken is, dat die veranderde +gemoedsstemming van don Fernando eerst sinds een paar weken is +ontstaan. Toen ontving hij, met een schip dat van het vaste land kwam, +een brief, en de inhoud van dien brief scheen op hem zeer veel indruk +te maken. Hij gaf toen dadelijk last dat een prachtig verblijf, enkele +uren van de stad, hoogst bekoorlijk gelegen, met den meesten spoed +bewoonbaar gemaakt moest worden. + +—Dat ligt naar den kant van Merida, niet waar? + +—Juist, juist! + +—Nu ik heb dat niet alleen gezien, maar ben er zelfs in geweest, het is +werkelijk een zeer prachtig verblijf. Don Fernando heeft mij vertelt +dat hij het in orde liet brengen voor een hoog geplaatst persoon, dien +hij ieder oogenblik kon verwachten. + +—Die zelfde mededeeling heeft hij ook aan mij gedaan, doch hij heeft er +nog een paar woorden bij gevoegd, die ik meer raadde dan verstond en +wel: „Arm kind!” Hoe veel moeite ik ook deed om er iets meer van te +vernemen, toch was dat alles te vergeefs; don Fernando bleef zeer +geheimhoudend, en het gelukte mij verder niet iets te vernemen; daartoe +bepaalt zich dus alles, doch, beste vriend, wij zijn nu lang genoeg +over mij bezig geweest, laten wij liever over jou praten. Hoe is ’t +mogelijk dat ge het gewaagd hebt hier in de stad te komen, ik sidder +als ik denk aan de mogelijke gevolgen. Ge weet toch dat ieder +vreemdeling die in de Spaansche koloniën wordt aangehouden onmiddellijk +ter dood wordt gebracht, niet waar? De wet is te dien opzichte +onverbiddelijk. + +—Dat weet ik, lieveling, maar wat geef ik er om! Ik wilde tot iederen +prijs je weerzien, om je nogmaals te zeggen dat ik je liefheb. + +—En ik dan, beste Philippe, ik heb je immers ook lief? + +—Ja, maar zeker toch niet zoozeer als ik. + +—Misschien, maar hoe dit zij, ik beef en sidder voor je! Als ge eens +ontdekt werd. + +—Wees daarover niet ongerust, liefste. Ik ga door voor een Spanjaard, +en niemand hier vermoedt dat ik tot eene andere natie behoor. Ik ben +secretaris bij den graaf de l’Atalaya, die een zeer voornaam heer is. + +—Dit stelt mij eenigszins gerust, maar toch zou de geringste +onvoorzichtigheid je ondergang kunnen bewerken. + +Philippe glimlachte guitig. + +—Maar hoe zijt ge er in geslaagd, om de bescherming te verkrijgen van +den graaf de l’Atalaya?—hernam de jonge dame. + +—Lieve, beste, het zou veel te lang duren om je dit in geuren en +kleuren te vertellen, maar zeg mij veel liever hoe ge er toe gekomen +zijt om hier in volle zee een samenkomst met mij te willen hebben? + +—Wel, beste vriend, dat komt omdat ik sinds eenige dagen, waarom weet +ik niet, strenger dan anders in het oog wordt gehouden. Als ik hier of +daar heen wil gaan, dan volgt men mij op korten afstand, en dus was ik +er te benauwd voor dat men ons in de stad of op onze wandeling mocht +gewaar worden. + +—Maar die schippers dan, die geroeid hebben? + +—Die zijn op mijn hand. + +—Hum!—deed de jonge man hooren, en schudde daarbij het hoofd.—Nu, ge +kent die menschen zeker beter dan ik, dus zal ik daarover maar zwijgen. +Zou ik je nog eens kunnen ontmoeten? + +—Helaas, beste vriend! Dat zal te bezwaarlijk gaan! + +De jonge man zuchtte, greep haar hand, drukte die innig, en vroeg op +teederen toon: + +—Juana, stelt ge het volste vertrouwen in mij? + +—Zeker doe ik dat, beste vriend, want ik heb je lief en ben overtuigd +dat wederkeerig ook jij mij liefhebt! + +—En zijt ge evenzeer er van overtuigd, dat al mijne handelingen, wat ik +ook doen moge, geen ander doel hebben dan om met je te worden +vereenigd, en je gelukkig te maken? + +—Dat geloof ik vast en zeker, Philippe. + +—Voor die woorden zeg ik je dank, beste Juana! Nu is alles goed, want +ge hebt mij juist beoordeeld. Let nu goed op het geen ik je verder ga +zeggen, querida Juana, want het is om ons geluk, om mijn leven te doen. + +—Spreek, beste vriend! Alles wat ge van mij verlangt, zal ik stipt ten +uitvoer brengen. + +—Zonder aarzelen? + +—Ja, zonder de minste aarzeling. + +—Misschien zal ik binnen twee of drie dagen genoodzaakt zijn dit land +te verlaten. + +—Ach, Philippe!—kreet zij smartelijk. + +—Maar om er spoedig terug te keeren,—vervolgde hij,—dat zweer ik je +lieve beste. + +—Helaas! Weer eene scheiding! + +—Die echter de laatste zal zijn,—werd door hem verzekerd.—Één, +misschien twee maanden kan mijne afwezigheid duren, maar stellig niet +langer, en als ik terugkom dan zal dit zijn om je nooit meer te +verlaten. + +—Waarlijk? Kan ik daarop rekenen? + +—Ik verzeker het je op mijn woord als edelman!—bevestigde hij zeer +opgewonden.—Maar, Juana, dan moet ge ook, als ik er niet ben je kloek +en krachtig toonen; de gedachte aan mij moet voor je zijn als een +talisman, die je beschermt tegen alles wat men jegens je mocht +beproeven. In één woord, blijf volharden in liefde voor mij. + +—Vertrek dan gerust en onbekommerd, beste vriend.—Wat er ook gebeure +moge, ge zult mij terug vinden, zooals gij mij verlaten hebt. Ik ben +immers reeds voor God uw vrouw? Maar hoe zal ik bericht krijgen van uw +terugkomst? + +—Laat je lieve oogen maar telkens over de zee dwalen, vooral als er +schepen in aantocht zijn. Het schip aan boord waarvan ik zal wezen, zal +aan den fokkemast een vlag met zwarte en witte ruiten in top hebben. + +—Zwarte en witte ruiten. Goed Philippe ik zal dat niet vergeten. + +—Luister nu goed toe, liefste Juana; wat er bij mijn terugkeer in de +stad mocht voorvallen, wat men je ook te mijnen opzichte mocht +vertellen, let er niet op, blijf er doof voor, en beoordeel mij niet, +eer ik zelf bij je gekomen ben om mij te rechtvaardigen. + +—Nu maakt gij mij waarlijk beangst. Beste vriend wat zijt ge dan +voornemens te doen? + +—Dit is iets wat ik zelf nog niet weet, Juana, maar ik ben er zeker van +dat het mij gelukken zal. Zorg er vooral voor dat ge in uwe vertrekken +blijft, hoe erg men ook bij u mocht aandringen om uit te gaan; ge moet +je daar ten sterkste tegen verzetten. Mocht het noodlot mij te lang van +je verwijderd houden, dan zal ik een of meerdere boodschappers tot je +zenden, die ge gemakkelijk kunt herkennen, want zij dragen allen om den +rechter arm een band met de zelfde kleuren als de vlag aan den +fokkemast. Die lieden kunt ge ten volle vertrouwen en gerust doen alles +wat zij zeggen. Hebt ge mij goed begrepen, beste Juana? + +—Ja, ja, Philippe, maar toch maakt ge mij door dit alles zeer ongerust. +Zeg mij toch in ’s hemels naam, beste vriend, welke onheilspellende +plannen ge toch hebt. + +—Querida Juana, ik bedenk geen ander plan dan om voor altijd met je +vereenigd te worden, en het hangt slechts van jou af of dit plan +gelukken zal. + +—O! Als dit het geval is, dan hoeft ge niet te twijfelen aan den goeden +uitslag. + +—Doch hierbij blijft het niet, ge moet mij vast en stellig beloven zeer +stipt al de instructies te volgen, die ik je gegeven heb. + +—Twijfelt ge er nog aan dat ik hierin te kort zal schieten? Stipt zal +alles verricht worden, zoo waar ik je liefheb. + +—Ge zijt een engel, querida! Ge toont hoe blindelings ge mij vertrouwt. +Van mijn kant doe ik er een eed op dat ge gelukkig zult worden, of ik +moest sterven! + +—O! Lieveling, spreekt nu niet over sterven, niet over den dood. Ach! +Mocht dit het geval wezen, gelooft ge dat ik dan de kracht zou hebben +om je te overleven? + +—Juana, liefste, straks hebt ge gezegd dat ge een voorgevoel hadt, dat +heb ik nu ook en wel dit, dat al onze wederwaardigheden spoedig ten +einde zullen zijn. + +—God geve het, Philippe! + +—Bid Hem, dat Hij u bescherme, mijne Juana, want, zoo waar ik leef, om +u te bezitten ga ik doen wat nog nooit eenig man heeft gewaagd. + +—O! Goede God! Ik sidder bij die gedachte! + +—Liefste, koester veeleer goede hoop! + +Op dit oogenblik vernam men dicht bij het geklots van riemen en de boot +waarin de duenna zat, kwam uit de duisternis te voorschijn. + +—Nu moeten wij scheiden, Philippe,—zei het jonge meisje. + +—Nu reeds!—mompelde Philippe. + +—Ja, zoo ik langer uitbleef zou dit argwaan kunnen wekken, en +buitendien hebben wij nu toch hoop elkaar spoedig terug te zien. + +—Dat is waar liefste, en dan zal dit voor altijd wezen. Vergeet toch +vooral niets van alles wat ik je zoozeer heb aanbevolen. + +—Ik zal niets vergeten. + +De beide booten stieten tegen elkaar. + +—Tot weerziens, Philippe,—fluisterde Juana hem toe. + +—Ja, ja, tot een spoedig wederzien, liefste beste Juana!—antwoordde hij +op dezelfde manier. En na een langen kus op de hand, die hem werd +toegereikt, beheerschte hij zich zelven, en stapte in de andere boot. +De beide jongelieden wisselden nog een laatsten blik, eer de vaartuigen +zich verwijderden in verschillende richting. Toen hij weer voet aan wal +zette, boog Philippe zich naar het oor van de duenna, en +zei:—Hartelijken dank, na-Cigala. Nooit zal ik vergeten, wat ge heden +voor mij hebt gedaan! maar dien ring.... + +—Zult u morgen ochtend ontvangen. Goeden avond, señor,—voegde zij er +met een vriendelijk lachje bij. + +Te huis gekomen vond Philippe dáár Montbars, die hem wachtte, en met +groote stappen zijn slaapkamer op en neer liep. + +—Wel drommels, waar komt ge zóó laat van daan?—vroeg Montbars. + +—Van een zeetochtje,—antwoordde Philippe met het openhartigste +voorkomen. + +Montbars bleef zóó versteld staan door dit antwoord, dat de jonge man +in schaterend gelach uitbarstte. + + + + + + + + +IX. + +HET VERTREK. + + +Philippe wierp mantel en hoed af, ontgespte zijn degen en bood den +vrijbuiter een zetel aan.—Hebt gij op mij gewacht?—vroeg hij daarna. + +—Ja, beste vriend,—gaf Montbars ten antwoord, terwijl hij plaats +nam.—Reeds meer dan een uur heb ik hier in je slaapkamer op en neer +geloopen. + +—Heeft Tributor je dan niet gezegd... + +—Toch wel, beste Philippe,—viel Montbars in.—Tributor heeft mij van +alles op de hoogte gebracht, en verteld dat ge bezoek hebt gehad van +eene soort van duenna, en met dat zeer eerwaardige oudje waart +uitgegaan. Daaruit heb ik opgemaakt dat hier hoogst waarschijnlijk +spraak was van een rendez-vous tusschen een paar verliefden, en dat dit +bij gevolg wel niet zoo kort zou duren, maar daar ik je hoog noodig +moet spreken, ben ik op je blijven wachten. Ge duidt mij dit toch niet +ten kwade? + +—Volstrekt niet, waarde Montbars. Zaken gaan vóór alles, maar vooral in +een toestand als den onze, daar wij ieder oogenblik in gevaar verkeeren +om gesnapt en als dolle honden gemold te worden; zelfs geloof ik +bemerkt te hebben dat wij bij dezen en genen reeds in kwaden reuk +komen. + +—Dat is juist ook mijne meening. + +—Is er dan iets voorgevallen? + +—Dat zoozeer niet, doch het is best mogelijk dat dit zeer spoedig +gebeurt, en daarom acht ik het noodig onze maatregelen te nemen. + +—Zoodat? + +—Zoodat... doch ik vrees dat ik je nu al te erg verdriet ga aandoen, +vooral na je zeetochtje,—werd er spottend bijgevoegd,—en daardoor +verwarring zal teweeg brengen in eenige zaken die ongetwijfeld hoogst +aangenaam voor je zijn. + +—Dat doet er niets toe, waarde vriend,—verzekerde Philippe +lachend.—Doch ter zake. + +—Verlangt ge dit? + +—Wis en zeker. + +—Nu dan, naar ik geloof hebben wij nu reeds lang genoeg in deze streken +vertoefd en dreigt een verder verblijf hier voor ons gevaarlijk te +worden. + +—Dat ben ik volkomen met je eens,—gaf Philippe te kennen. + +—Wat!—uitte Montbars in verbazing.—Meent ge nu wat ge daar zegt? + +—Zeer zeker. + +—Dus als ik order gaf om morgen aan den dag op te breken... + +—Dan zou ik van ganscher harte dit besluit toejuichen,—vulde de ander +aan. + +—Wel zoo!—sprak Montbars, wiens verwondering steeds stijgende +bleef.—Heb nu toch even de goedheid mij daarvan nadere verklaring te +geven, want ronduit beken ik je, dat ik er geen touw meer aan vast kan +knoopen. + +—Hoe dat zoo? + +—Wel, ik dacht bepaald dat ge erg verliefd waart. + +—En daarin bedriegt gij je volstrekt niet. Ik ben tot over de ooren +verliefd op een allerbekoorlijkst schepseltje. + +—Welnu dan? + +—Welnu, daarom juist moeten wij zoo spoedig mogelijk vertrekken. + +—O, zoo!—lachte Montbars.—Nu begin ik het te snappen. + +—Neen, waarde vriend, gij snapt niets,—gaf Philippe met zekere +gevatheid te kennen.—Ik bemin, met eene liefde die even oprecht als +onbegrensd is, eene liefde die alleen met mijn leven zal ophouden, een +engelachtig wezen, wier hand ik nog slechts heb gekust, en nu zal het +je duidelijk worden hoe deze zaak zich geheel anders toedraagt dan +waarschijnlijk door je word verondersteld. + +—Dan is dit toch, neem het mij niet kwalijk, een raar soort van +liefde,—merkte de vrijbuiter lachend aan,—daar ge de zoo zeer door u +aangebeden schoone gaat ontvluchten! + +—Ontvluchten, neen, dat is de bedoeling niet, maar ik wil haar +verlaten. + +—Nu, dat komt zoowat op hetzelfde neer, zou ik meenen. + +—Niet zoo precies! Men verlaat iemand, als men plan heeft terugtekomen, +doch neemt men de vlucht, dan is dat voor altijd. + +—En dus? + +—Ben ik bereid om te vertrekken, zoodra gij maar wilt. + +—Ik zal het maar opgeven om verder daarover met je te harrewarren; +achter die onverklaarbaar haastige bereidwilligheid schuilen zeker +geheime bedoelingen, die ik niet behoef te kennen en dus wil ik daar +niet op aandringen. + +—Hartelijk dank voor zulk eene bescheidenheid, waarde vriend. + +—Keeren wij nu terug tot onze gezamenlijke belangen. Onze kameraden +zijn met hun peilingen en opmetingen gereed gekomen; Luiwammes is nu +met de golf van Venezuela even goed bekend als de beste loods; verder +zijn kaarten in plattegronden gemaakt van Maracaïbo, Merida en +Gibraltar; wij zijn geheel op de hoogte van de sterkte onzer vijanden, +en in staat om tot handelen over te gaan, zoodra wij het geschikte +oogenblik gekomen achten. Dit is meer dan wij noodig hebben, niet waar? + +—Dat stem ik toe. + +—Nu komt er nog bij, dat don Fernando d’Avila ieder oogenblik de komst +verwacht van iemand van zeer hoogen rang, en het is voor ons alles +behalve raadzaam zulk een personage te ontmoeten. Tot nu toe is de +fortuin ons in alles zoo gunstig geweest dat het overmoedig zou wezen +daarvan nog meer te verwachten. Onze rollen zijn hier afgespeeld, en +dus kunnen wij van het tooneel verdwijnen. + +—Onder voorbehoud van daarop spoedig weer te verschijnen. + +—Natuurlijk. Zoo denk ik er juist ook over. + +—Doch wij kunnen toch niet zoo opeens en zonder aanleiding of reden +vertrekken. + +—Zeker niet! Maar een voorwendsel is gemakkelijk te vinden. Ik moest +hier immers eene zending vervullen, niet waar? Welnu, dat heb ik +gedaan, en na al de rekeningen van die heeren intendanten te hebben +opgenomen, nagezien en zeer nauwkeurig nagesnuffeld, is hier mijn taak +geëindigd en dus niets natuurlijker en eenvoudiger dat ik mijne reis +verder voortzet. + +—Dat is goed bedacht,—verklaarde de jonge man lachend.—De Gouverneur +zal noch kan daar iets vreemds of onregelmatigs in vinden. + +—Ik heb dezen avond reeds tegen hem mij daarover een paar woorden laten +ontvallen, en ik moet bekennen dat hij die mededeeling zeer leuk heeft +opgenomen. Het blijft onder ons, beste vriend, maar ronduit gezegd, ik +ben tot het vermoeden gekomen, hoe en waardoor dat weet ik zelf niet, +dat don Fernando d’Avila recht in zijn schik zal wezen, als hij ons +ziet vertrekken. + +—Dat ben ik geheel en al met je eens!—verklaarde Philippe spottend. + +—Ei! En hoe dat zoo? + +—Och, dat weet ik niet, maar toch ben ik er zeker van. + +—Mooi zoo! Nu beginnen wij weer met de raadseltjes, maar daar heb ik +genoeg van, dus basta! Buitendien wil ik je niet langer ophouden, en +daarom ga ik naar bed. Slaap rustig, waarde Philippe. Maar luister nog +even, ik moet je toch nog een paar woorden zeggen. + +—En wat zullen die behelzen? + +—Alleen dit, dat ik er zeker van ben dat wij allen in deze heele zaak +voor jou de kastanjes uit het vuur hebben gehaald en dat bij het +afsluiten van de rekening blijken zal, dat gij het zijt die er het +meeste voordeel van trekt. Heb ik goed geraden? + +Philippe begon te lachen, drukte zijn kameraad de hand en daarop +scheidden zij. + +—Wat kan het mij schelen, of hij al dan niet iets heeft geraden?—sprak +Philippe in zichzelf, zoodra hij alleen was.—Want wat daarvan zij, ik +weet toch zeker dat ik staat kan maken op zijne vriendschap en +toegenegenheid. + +Na die overdenking stapte hij in bed, weldra rustig slapende en +heerlijk droomende tot aan den morgen. Tegen tien uur liet graaf de +l’Atalaya zijn geheim-secretaris bij zich ontbieden. Toen Tributor in +de kamer van Philippe kwam vond hij dezen nog slapende, met die +gelukkige onbezorgdheid der jeugd, voor wie slechts het tegenwoordige +bestaat en die zich niet bezwaart met het verledene, noch bezorgd maakt +voor de toekomst. Tributor had veel moeite om den jongen man wakker te +krijgen. + +—Loop naar den drommel, lastige kerel!—bromde Philippe die in zijn bed +oprees, en zich nog erg slaperig de oogen uitwreef.—Ik lag juist zoo +heerlijk te droomen! + +—Kom, kom!—merkte de reus zeer wijsgeerig aan.—Mijnheer Philippe weet +zeer goed dat de mooiste droom toch niets haalt bij de werkelijkheid. +Droomen zijn bedrog! + +—O! Ben jij daar, Tributor! Ik moet zeggen je draagt je naam terecht. +[4] Wat moet je van mij hebben? + +—Vooreerst moet ik je dit doosje ter hand stellen, dat men dezen morgen +voor je heeft gebracht. + +—Geef op!—gelastte Philippe barsch, rukte het doosje uit zijn hand en +stopte het dadelijk weg onder zijn beddekussen.—En verder? + +—Wat ben je haastig gebakerd van ochtend! Nu dan, Montbars wacht je in +het groote salon; dáár zijn zeker meer dan twintig lieden die om het +hardst babbelen. Naar het schijnt heeft men je dáár noodig. + +—Wie zijn die menschen? + +—Vooreerst onze kameraden, en dan de Gouverneur, die, ik weet niet +hoeveel, geborduurde rokken bij zich heeft. + +—Wel alle duivels! Dan moet ik mij niet laten wachten, want het schijnt +eene ernstige zaak te wezen. + +—Dat geloof ik ook. Gij moogt dus wel haast maken. + +—Binnen vijf minuten ben ik klaar. Ga zeggen dat ik kom. + +—Goed. + +De reus ging heen. Philippe sprong haastig uit zijn bed, en begon zich +te kleeden, doch midden in die bezigheid hield hij even daarmee op, en +greep naar het doosje dat hij onder zijn hoofdkussen verborgen had. Hij +deed dit open en zag toen een hoogst eenvoudigen ring, waarin echter +een bleeke robijn van zeer hooge waarde was gezet. + +—Dat is vreemd!—mompelde hij, terwijl hij den ring nauwkeurig bekeek, +en dien in zijne vingers ronddraaide. Toen meende hij eenig gerucht te +hooren, stak dus spoedig den ring weer in het doosje, verborg dit op +zijn borst en eindigde zijn toilet. Tien minuten later trad hij het +salon binnen, waar hij een talrijk gezelschap bijeen vond, zooals hij +reeds van Tributor had vernomen. Montbars had, even als dit tusschen +hen den vorigen avond was afgesproken, zich reeds bij tijds dien +morgen, zoowat tegen acht uur, naar den Gouverneur begeven, om dezen +zijn vertrek aan te kondigen en afscheid van hem te nemen. Don Fernando +d’Avila had den graaf de l’Atalaya zeer beleefd ontvangen, en hem zijn +leedwezen betuigd dat hij reeds zoo spoedig de kolonie ging verlaten, +zelfs eenigszins, doch eigenlijk slechts flauwtjes er op aandringend, +dat de graaf zijn verblijf te Maracaïbo zou verlengen; daarna had hij, +nadat bleek dat de graaf vast bij zijn besluit bleef, hem eene +voorspoedige reis toegewenscht, en waren de beide heeren gescheiden +schijnbaar in de beste verstandhouding. Toen Montbars daarna in zijne +woning was teruggekomen, had hij dadelijk Tributor naar Michel, de +Baskiër, gezonden om dezen te berichten dat alles in gereedheid moest +worden gebracht om ieder oogenblik onder zeil te kunnen gaan, en tevens +met last om met al de officieren van het schip aan wal te komen, ten +einde afscheid te nemen van de autoriteiten der stad. + +Door Michel, den Baskiër, even als door al de vrijbuiters, die +voortdurend aan boord gebleven en dáár al dien tijd aan de strengste +discipline onderworpen waren geweest, was die order ontvangen met de +grootste ingenomenheid, daar zij zich zeer verheugden over het +aangekondigde vertrek. Het reeds zóólang gerekte verblijf op de kust +begon voor allen drukkend te worden, vooreerst omdat zij in zulk een +ingetogen gedrag moesten volharden, maar meer nog door de bestendige +vrees, dat zij ieder oogenblik gevaar liepen te worden herkend, voor +wat zij werkelijk waren. Geen wonder dus dat Michel de Baskiër, zich +haastte de waterprovisie aan te vullen, eenige versche levensmiddelen +op te doen, en naar boord terug te doen komen vijf of zes matrozen, +die, onder voorwendsel van te gaan jagen, bezig waren de omstreken van +de stad te verkennen. Een uur later was het tuianker gelicht, lag de +brigantijn voor het tweede anker, waren de booten aan boord geheschen +en was alles gereed om het schip binnen vijf minuten onder zeil te +brengen. + +Daarna kleedde Michel de Baskiër zich in groot tenue, begaf zich +vergezeld door al zijne officieren naar wal, en begon met de +afscheidsbezoeken bij de autoriteiten der stad. De Gouverneur werd +echter niet in zijn paleis aangetroffen, daar hij met zijn staf naar +den graaf was gegaan om dien nog een laatste woord tot afscheid toe te +spreken en als eerbewijs hem uitgeleide te doen naar de boot, die hem +aan boord van het schip moest overbrengen. Dit bezoek kenmerkte zich +overigens door de uiterste voorkomendheid. Nu don Fernando er zeker van +was dat de graaf niet langer te Maracaïbo zou vertoeven, aarzelde hij +niet om nogmaals bij hem aan te dringen het vertrek nog wat uit te +stellen, en daarin werd hij gesteund door zijne officieren, doch zooals +licht te begrijpen is, al die verzoeken bleven te vergeefs. Met hoogst +beleefde bewoordingen, bedankte Montbars al de heeren voor dit bewijs +van hoffelijkheid, doch bleef standvastig weigeren, zich beroepende op +de overwegende verplichtingen van de zending, die hij had te vervullen. +Juist op dat oogenblik trad Philippe het salon binnen, en ieder haastte +zich hem te begroeten. + +—Señor conde,—sprak de Gouverneur,—daar het u ondanks onze vurige +begeerte om u nog eenige dagen in ons midden te doen vertoeven, +onmogelijk is aan dit verlangen te voldoen, verzoek ik u de verzekering +aan te nemen, dat wij allen dit zeer betreuren. Wees er van verzekerd +dat bij ieder onzer lang in herinnering zal blijven het slechts al te +korte bezoek, waarmede gij ons hebt vereerd. + +—Gaarne verklaar ik u, mijnheer de Gouverneur, dat het leedwezen, dat +mij door u uit aller naam wordt kenbaar gemaakt, mij niet alleen +verheugd, maar dat ik zelfs trotsch daarop ben. Houd u er van +overtuigd, mijne heeren, dat dit leedwezen ook door mij wordt gedeeld. + +—Helaas señor! Waarschijnlijk keert gij zeer spoedig naar Europa terug +en is dit dus ongetwijfeld de laatste keer, dat wij de eer genieten u +hier te ontmoeten. + +—Wie weet! mijnheer de Gouverneur!—gaf Montbars ten antwoord met een +bijna onmerkbare zweem van spotternij.—Het toeval speelt zulk een +groote rol in het lot van den mensch, dat wij misschien elkaar eer +zullen terugzien dan gij veronderstelt. + +—Dat geve God, señor conde! Laat ik u mogen verzekeren, dat, zoo dit +plaats mocht grijpen, wij allen het zouden beschouwen als een groot +geluk. + +—Dat zij aan de beslissing van God overgelaten, señor! + +—Vergun mij nu, señor conde, u nog een enkele vraag te doen. + +—Gaarne señor. Het zou mij zeer veel genoegen doen, zoo ik u in een of +ander opzicht van dienst kon wezen, om op die manier, hoe weinig het +mocht zijn, u mijne dankbaarheid te betoonen voor de van u genotene +gastvrijheid. Zou dit wellicht het geval wezen? + +—Misschien, señor conde. Zijt gij van plan Chagres aan te doen alvorens +gij u naar Vera-Cruz begeeft? + +—Mag ik weten señor, met welk doel die vraag door u wordt gedaan? + +—O, zeker caballero! Op dit oogenblik heb ik onder mijne berusting een +bedrag van honderd vijftig duizend piasters [5], dat ik reeds sinds +lang naar Panama had moeten zenden, doch wij zijn hier zooals u bekend +is, señor, op een als het ware afgelegen post, en tot nu toe heb ik +geen gelegenheid kunnen vinden om dit te bewerkstelligen. + +—En dus?—vroeg Montbars op zonderlingen toon. + +—Waarlijk, caballero, ronduit wil ik u bekennen dat de +verantwoordelijkheid van zulk een aanzienlijke som mij zwaar begint te +drukken en als gij u mocht willen belasten met de overbrenging, zoudt +gij mij ontzaglijk verplichten. + +—Het doet mij ontzettend veel leed, señor,—gaf Montbars tamelijk +droogjes ten antwoord,—dat ik niet in staat ben aan uw verlangen te +voldoen, doch dit is letterlijk onmogelijk. + +—En waardoor, señor conde? + +—Om de eenvoudige reden, caballero, dat het volstrekt niet zeker is of +ik Chagres zal aandoen, want eigenlijk heb ik daar niets te verrichten, +en hoogst waarschijnlijk zal de op de kust zoo veranderlijke wind ons +veeleer in de ruimte houden, zoodat er veel kans zou bestaan, dat dit +geld lang onder weg bleef eer het de plaats van bestemming bereikte. + +—Dus moet gij het afslaan? + +—Zoo is het, señor, doch geloof mij, ik doe dit zeer tegen mijn wil, +toch dunkt mij is het beter dat dit geld nog eenigen tijd onder uwe +bewaring blijft te meer daar er toch slechts weinige dagen zullen +verloopen vóór de aankomst der konvooien uit Europa, en dan hebt gij +gelegenheid te kust en te keur, om u te ontslaan van die bezwarende +verantwoordelijkheid. + +—Genoeg, caballero, laten wij er verder niet meer over spreken en houd +mij dit onbescheidene verzoek ten goede. + +—Daarvan kan geen sprake zijn, caballero, want ik ben het veeleer die u +verschooning zou moeten vragen. Waarlijk zou het mij heel veel genoegen +hebben gedaan, zoo ik u in dit opzicht van dienst had kunnen wezen! +Doch thans is het uur van scheiden aangebroken, señor! + +Op het plein vóór het huis stonden de paarden gezadeld en gereed; men +verliet de vertrekken en ieder steeg op. Eene eerewacht stond onder de +saguan onder de wapenen. Montbars voerde den stoet aan, onder geleide +van don Fernando; al pratende reed men naar de haven. De straten, die +men moest door trekken, waren ondanks het vroege uur opgepropt door +eene zeer talrijke menigte lieden die onder herhaalde toejuichingen, +niet ophielden, met hoeden, doeken en sjerpen te zwaaien. Met zeer veel +ingenomenheid werd don Montbars naar rechts en links gegroet. Philippe +deed alle moeite onder de menigte die zich op den weg voor den stoet +verdrong, het bekoorlijke gelaat van Juana gewaar te worden, doch dit +was vergeefsche moeite; de jonge man versmoorde een zucht, en werd +droevig gestemd. Eindelijk bereikte men het havenhoofd, waar de +matrozen reeds druk in de weer waren de bagage naar de daarvoor klaar +liggende vaartuigen te brengen; toen steeg men af, en begonnen de +laatste afscheidsgroeten. Eene eigenaardigheid van de Spanjaarden is de +langwijligheid hunner plichtplegingen, doch Montbars achtte het +raadzaam daaraan kort en bondig een eind te maken, en nauwelijks had +hij bemerkt dat de bagage was ingescheept, of hij gaf een wenk aan +zijne officieren, dat zij hem moesten volgen, en stapte onmiddellijk in +zijn boot. + +—Wel drommels,—begon Michel, de Baskiër zoodra de boot ver genoeg van +den wal was.—Kommandant, dat is daar straks toch een zonderlinge inval +van je geweest. + +—Over welken inval spreekt ge eigenlijk, oude jongen?—vroeg Montbars +glimlachend. + +—Wel, om dat geld te weigeren, dat die Gouverneur je zoo goedsmoeds +aanbood! + +—Ge zegt iets zonder daarbij door te denken, kameraad. Wij zijn toch +geen dieven, naar ik meen? Wij zijn dappere, maar eerlijke vrijbuiters, +niet waar? + +—Daar zegt ge een goed woord, kommandant! Maar toch zevenhonderd +vijftig duizend francs! ’t Is geen kleinigheid! + +—Kom, kom, Michel, wees gerust daarover, met geduld komt alles terecht! +Het geld, dat ik niet heb willen aannemen, zullen wij later toch wel +vinden, dat beloof ik je! Maar buitendien, misschien was dat aanbod +juist een valstrik geweest van den Gouverneur. + +—Dat zou ook waar kunnen zijn, maar waar of niet, toch hebt ge gelijk, +kommandant. + +Een kwartier later sneed de schooner met volle zeilen door het water, +met de snelheid van eene meeuw die over de golven scheert, en werd tot +afscheid begroet door het gejuich der opgewonden menigte, die zich op +het havenhoofd verdrong om getuige te zijn van het vertrek. + +De kajuitsjongen Zijden-Draad, was verdwenen. Als men Montbars daarover +sprak, lachte hij even geheimzinnig, als hij gewoonlijk deed als hij +ergens geen ander antwoord op wilde geven. + + + + + + + + +X. + +DE BEIDE NEVEN. + + +Op een mooien ochtendstond, juist toen de zon even boven den horizont +te voorschijn was gekomen, gereed om hare koesterende stralen overal om +zich heen te verspreiden, traden twee mannen uit een bosch, dicht +begroeid met guajava-, mastik- en bloeiende oranjeboomen, waarvan de +uiterste takken hun zwaar gebladerte in het heldere en koele water van +den Artibonite deden weerspiegelen. Zij bevonden zich hoogstens drie +uren van de stad Port-de-Paix; een stad die geacht kon worden eene der +voornaamste schuilnesten te zijn van die geduchte roofvogels, de +flibustiers, die spottend met de Spaansche macht en als om die te +trotseeren, stoutmoedig en onvervaard hun nest hadden opgeslagen op de +kust van de rijkste kolonie, het verwijfde en weelderige Hispaniola. + +Die beide mannen keken vorschend en angstvallig om zich heen, en toen +zij zich verzekerd hielden dat niemand hen bespionneerde, daalden zij +langs het vrij ruime steile pad van den oever van den stroom af, +maakten daarna eene lichte prauw van boomschors, die onder de struiken +verborgen was, los, en trokken die naar zich toe, waarna zij er +uitwierpen alles wat er in aanwezig was, zooals pagaaien, een mast, en +dergelijke dingen. Daarna droegen zij de prauw op hunne schouders naar +den voet der glooiing en keerden haar toen om, met het doel om er +zoowel een schuilplaats van te maken voor de zonnestralen, als voor +onbescheidene blikken. Zij bevestigden haar stevig, door middel van +staken, die van afstand tot afstand in den grond werden gestoken, +gingen daarna in de schaduw liggen, en begonnen een en ander klaar te +maken voor hun ontbijt. + +Wij zullen het oogenblik, waarop zij zich daarmee bezig houden, te baat +nemen om den lezer eenigszins nader met hen in kennis te brengen. +Beiden waren gekleed als Fransche boekaniers; de grof linnen +onderbroek, die even over de knieën viel en op de heupen werd +teruggehouden door een gordel van krokodillenvel, de twee hemden over +elkaar aangetrokken, en die met bloed- en vetvlekken bemorst waren, de +tent van fijn linnen, die krap opgerold en samengeperst, als een +bandelier om hunne schouders was geslagen, en op het hoofd de bol van +een hoed met oogklep. Hunne wapens bestonden uit drie dolken en een +mes, gestoken in een koker van buffelvel, die aan hun gordel naast een +kruithoorn en kogelzak was gehecht, benevens uit een van die lange +geweren, uit de fabriek van Brachie te Dieppe, die men in die dagen +bestempelde met den naam van flibustiers-geweren. + +Zoo gewapend waren die mannen in staat zich krachtdadig te verweren, +zoo het ongeluk wilde dat zij in aanraking kwamen met dezen of genen +die twist met hen wilde zoeken. Trouwens getuigden hunne +gelaatstrekken, en hun door wind, regen en zon gebruinde tint, van zulk +een vasten wil, en toonden hun forsche lichaamsbouw, en de buitengewoon +stevige armen, voorzien van peezen en spieren, zoo dik en hard als +touwen, zulk een mate van kracht, dat men zich wel tweemaal zou bedacht +hebben, eer men besloot het hun lastig te maken. + +Die beide personen waren betrekkelijk nog jong, en voor zoover men kon +nagaan, want hartstochten en buitensporigheden hadden hun gelaat reeds +geteekend, waren zij nog niet boven de veertig. Doch ondanks dat +gansche voorkomen zullen wij, als wij luisteren naar wat zij elkaar te +zeggen hebben, spoedig bemerken dat zij niet zijn waarvoor zij willen +doorgaan, maar veeleer een paar vossen in leeuwenhuiden; en even +spoedig tot het inzicht komen dat die kleeding als boekaniers eigenlijk +niet anders is dan eene vermomming. Toch moeten wij er dadelijk +bijvoegen dat die vermomming zóó juist was aangebracht, dat zelfs de +slimste mensch, na een zeer nauwkeurig en ernstig onderzoek, toch nog +veel kans zou gehad hebben, zich er door om den tuin te laten leiden. + +De toebereidselen tot het ontbijt hadden niet veel tijd in beslag +genomen, en onze beide personages, wier magen zeker geprikkeld waren +tengevolge van een vermoeienden marsch door zulk een eenzame streek +langs ongebaande wegen, verorberden met smaak wat zij hadden +medegebracht en voerden middelerwijl in het Spaansch een gesprek, doch +niet dan met ingehoudene, half fluisterende stem, alsof zij, ondanks de +hen omringende eenzaamheid, beangst waren dat het geluid hunner stemmen +door den ochtendwind zou worden overgebracht naar de ooren van lieden, +die konden zijn uitgezonden om hen te bespieden of te overvallen. + +—Hoe ver zijn wij hier van Port-de-Paix?—vroeg een van hen. + +—In vogelvlucht genomen,—gaf de ander met vollen mond ten +antwoord,—omstreeks vijf kwartier, doch als men de paden moet volgen +minstens drie uren. + +—Hum! Dan zijn wij toch nog al ver doorgedrongen, naar mij dunkt! + +—Misschien zelfs te ver, doch als wij niet zoo ver gekomen waren, +hadden wij veel kans gehad hem te missen dien wij willen ontmoeten. + +—Zijt ge benauwd, dat wij zóó dicht bij de stad wellicht eene minder +aangename ontmoeting zouden kunnen hebben? + +—Dat is niet zeer waarschijnlijk edele heer, want in de vlakte waar wij +ons nu bevinden, is op dit oogenblik geen enkel stuk wild te vinden; ik +durf er alles onder te verwedden, dat tien uren hier in den omtrek geen +spoor van een stier zou te ontdekken zijn. Dit weten de boekaniers zeer +goed, en daarom hebben zij deze streken verlaten, daar zij hier zeker +in geen maand iets onder schot zouden krijgen. + +—Ik moet toestemmen Birbomono,—hernam de eerste spreker,—dat er veel +waar is in wat daar door je wordt aangevoerd, maar naar mijne meening, +zijn de vrijbuiters niet de eenige vijanden die wij te duchten hebben. + +—En welke andere vijanden worden dan door u bedoeld, edele heer?—vroeg +Birbomono, want het was werkelijk de mayordomo.—Ik moet in alle +nederigheid bekennen dat ik u niet begrijp. + +—Op wie zou ik anders doelen dan op de Caraïben, die verschrikkelijke +stroopers, die zoo mogelijk nog wreeder zijn dan de boekaniers. + +Birbomono begon hartelijk te lachen.—Vive Dios, edele heer! Gij vergeet +welke kleeding op dit oogenblik door u wordt gedragen. De Caraïben zijn +de onverzoenlijke vijanden der Spanjaarden, dit is waar, maar +daarentegen zijn zij de trouwe vrienden van de Broeders der Kust, en +als bij toeval enkele dier wilden ons op het spoor kwamen dan zouden +zij, verre van het ons lastig te maken, veeleer alles doen wat ons +aangenaam kon zijn, daarvan ben ik overtuigd. + +—Het is mogelijk,—gaf de ander ten antwoord, naar het scheen slechts +ten halve overtuigd,—toch moet ik je bekennen dat het mij bijna +berouwt, dat wij ons zóó ver gewaagd hebben, hoewel wij niet geheel en +al aan ons zelven zijn overgelaten en de drie detachementen, die ik in +het bosch in hinderlaag gelegd heb, op het eerste signaal ons te hulp +zullen komen. + +—Gij weet, edele heer, hoe ik over die detachementen denk,—gaf de ander +op een onbeschrijfelijk minachtenden toon te kennen.—Gij en ik, wij +beiden, hebben hen aan het werk gezien [6] en weten bij ondervinding +wat van hen te verwachten is! Neen! Liever dan op hen, reken ik in +zoo’n geval op mij zelven! + +—Caraï Birbomono! De tijd vliegt om, en onze man komt niet! + +—Hij zal komen, edele heer. Geduld maar, geduld! + +—Rekent ge er zoo vast op? + +—Oordeel zelf! Het is u bekend dat mijne meesteres, na zóó vele jaren +in het verborgen te hebben geleefd, zich gevestigd heeft te +Port-de-Paix. Dáár heeft zij op mijn aanraden, en om aan alle +vermoedens te ontkomen, eene soort van hotel ingericht, waar de +voornaamste aanvoerders der flibustiers huisvesting kunnen verkrijgen. + +—Dat alles weet ik lang en breed, maar het blijft voor mij een raadsel, +hoe de Broeders der Kust, die zoozeer en terecht als fijne speurhonden +bekend staan, onnoozel genoeg zouden zijn, zich door haar zóó te laten +beet nemen, en haar niet, reeds den eersten dag den besten als eene +Spaansche herkend zouden hebben. + +—De vrijbuiters, edele heer, zijn niet zóó wantrouwend als gij wel +gelooft; hun meerder vertrouwen ligt in hunne kracht. Maar buitendien +wij zijn te Port-de-Paix aangebracht door een Hollandsch schip, en +ontscheept onder opgave dat wij uit Europa kwamen. Wij gaven ons uit +voor Vlamingen, onze papieren waren in de beste orde. Wat kon men dus +meer verlangen? + +—Niets en te minder daar de Castiliaansche taal nog algemeen in +Vlaanderen, dat aan den koning van Spanje toebehoort, gesproken wordt. + +—Juist zoo is het, en dan nog ten overvloede, hoe zou er bij zulke +lieden, die zich door niets ter wereld schrik laten aanjagen, de minste +vrees kunnen bestaan voor eene reeds bejaarde dame, die niemand anders +bij zich heeft dan één enkele bediende? Men heeft ons dan ook +integendeel ontvangen met de meeste welwillendheid, en zooveel mogelijk +geholpen bij het in orde brengen van onze nieuwe inrichting. + +—Ja, de flibustiers zien het zelfs gaarne dat vreemdelingen zich bij +hen vestigen, niet waar? + +—Zeker, zeker! Dat geeft hun een gezetene, oppassende, nijvere +bevolking, die later, naar zij hopen, er toe zal bijdragen om hun +inwendigen toestand tot gezonder voet te brengen. + +—Ga door, ik stel in uwe mededeelingen groot belang. + +—Edele heer, ik heb er niet veel meer bij te voegen, alleen dit nog, +dat Francoeur, dus noemen de vrijbuiters den man over wien wij het nu +hebben, zich ten onzent heeft gevestigd, en dat de brief dien gij mij +hebt doen toekomen, door mij aan hem is overhandigd. + +—En wat heeft hij toen gezegd? + +—Hij scheen zeer ontroerd, edele heer, toen hij dien brief onder de +oogen kreeg, en een oogenblik later zei hij kortaf, „goed, ik zal +komen.” + +—Dan is het wel, want hij zal woord houden. En is uwe meesteres nog al +tevreden? + +—Ja, voor zooverre, dit voor haar mogelijk is, maar gij weet, edele +heer, dat ik vrij gauw iets opmerk. + +—En wat hebt ge opgemerkt? + +—Iets wat mij zeer bevreemdt, edele heer. Donna Clara, die gewoonlijk +zoo stil en afgetrokken is, en meermalen weken lang geen woord uit, +toont voor dat jonge mensch eene bijzondere genegenheid te koesteren. + +—Wel zoo! Wat zegt ge mij daar, Birbomono! + +—De waarheid, edele heer! Zoodra zij hem gewaar wordt, heldert haar +anders zoo somber gelaat geheel op, en als hij zoo nu en dan haar +toespreekt, dan is het of het geluid zijner stem haar ontroert. Komt +hij een enkelen keer in de algemeene kamer, dan volgt zij hem met hare +blikken, let op al zijne bewegingen en zucht dan diep bij zijn vertrek, +en laat het hoofd hangen. Zij zelve houdt het toezicht over zijn kamer +en al zijne kleeren in orde, het is alsof zij die zorg aan geen ander +wil overlaten en zich gelukkig gevoelt door al die bemoeiingen om het +den jongen man alles naar genoegen te maken. Mij dunkt, edele heer, dat +ook gij dit alles zeer bevreemdend zult vinden. + +—Dat is ook zoo! Hebt ge er donna Clara nooit over gesproken? + +—Slechts ééns. Toen heb ik het gewaagd haar een opmerking te maken, +maar dadelijk viel zij mij in de rede, heeft met een engelachtig +glimlachje den vinger op haar mond gelegd en tot mij gezegd op zulk een +gevoelvollen toon, dat de tranen mij in de oogen kwamen, „Birbomono, +trouwe vriend, laat mij trachten hiermede al mijn leed te verdooven. Ik +heb dien jongen man lief, alsof ik zijne moeder en hij mijn eigen kind +ware. Zeker is hij door eene genadige beschikking van God bij mij +geplaatst, tot troost over het verlies dat ik geleden heb, en tracht te +vergeten.” En, edele heer, wat kon ik daartegen inbrengen? Niets, en +daarom zweeg ik. + +—Ja, ja,—mompelde de eerste spreker, en streek met de hand langs zijn +voorhoofd, waarop klam zweet parelde.—Het is als eene beschikking van +God! Dat Zijn heilige wil geschiedde! Maar hoe denkt die jonge man zelf +over haar? + +—Och, edele heer, ik geloof dat hij er eigenlijk in het geheel niet +over denkt, om de eenvoudige reden dat hij er niet op let. Hij is +iemand van gansch andere geaardheid dan zijne metgezellen, somber en +terughoudend. Hij dobbelt niet, drinkt niet, houdt zich met geen +vrouwvolk op en dikwerf is de vraag bij mij opgerezen, hoe komt zulk +een man onder de vrijbuiters? + +—Toch schijnt hij onder hen eenige vrienden te hebben. + +—Hoogstens een paar, Pierre Legrand en Philippe d’Ogeron, maar die twee +zijn reeds lang op eene expeditie uit, en dus leeft hij geheel op zich +zelf. + +—Kent Montbars hem? + +—Dat geloof ik niet, of liever gezegd, daar weet ik niets van. Toen wij +te Port-de-Paix kwamen, was Montbars reeds ongeveer een maand van daar +vertrokken, en is nog niet teruggekomen. + +—Nu dat doet er ook niet toe, Birbomono. Blijf, zooals ik je dit +dringend heb verzocht, dien zonderlingen jongen man goed in het oog +houden; ik heb daarvoor zeer gewichtige redenen, die ik je later zal +kunnen mededeelen. + +—Het is voor mij genoeg dat mij dit door u wordt gelast, edele heer, +verder behoor ik mij daarmee niet te bemoeien. Doch ik geloof dat ik +eenig gerucht hoor,—voegde hij er bij,—en vermoed dus dat hij in +aantocht is. + +—Tracht te zien of dit zoo is, vriendlief, en mocht het zoo zijn breng +hem dan bij mij. + +De mayordomo verwijderde zich na een wenk van verstandhouding, en +verdween spoedig tusschen de dichte struiken van de savanne. +Tenauwernood had hij een honderd passen gedaan, of hij stond bijna vlak +tegenover iemand die met snellen tred naderde. Die persoon was +Francoeur, de flibustier [7]. + +—Ik kom laat, niet waar, Birbomono?—vroeg hij en wischte het zweet van +zijn gelaat. + +—Och, neen!—gaf de mayordomo ten antwoord.—Het is nog niet veel later +dan acht uur, en als ik mij niet vergis, was de samenkomst bepaald +tegen half negen. + +—Dat is waar ook! Nu, des te beter, want ik zou mij niet gaarne hebben +laten wachten. Waar is de persoon die mij heeft doen verzoeken naar +hier te komen? + +—Wil mij volgen, mijnheer, hij wacht u hier kort bij. + +—Wijs mij dan den weg. Ik verlang er naar hem te ontmoeten. Doch +nauwelijks kreeg de jonge man den boekanier in het oog, of hij keerde +zich zeer teleurgesteld naar Birbomono, en zei vrij barsch:—Wat heeft +dat te beduiden? Wat verlangt die man van mij? En waar is de... + +—Een oogenblik geduld, mijnheer, als ik je verzoeken mag,—viel de +boekanier haastig in. Daarna wendde hij zich naar den mayordomo en +zei:—Birbomono, vriendlief, laat ons alleen, en wil er voor zorgen dat +wij door niemand lastig worden gevallen. Mocht je iets verdachts +bespeuren in de savanne, kom ons dan terstond waarschuwen. + +De mayordomo groette, greep zijn geweer, en ging heen zonder een woord +te spreken. De boekanier bleef hem nakijken, doch zoodra hij hem niet +meer kon bespeuren, keerde hij zich naar den jongen man en stak dezen +zijn hand toe. + +—Welkom, neef,—begon hij,—het doet mij genoegen je hier te zien. + +—Hoe! Wat!—uitte Francoeur één en al verbazing.—Zoudt gij werkelijk... + +—Don Sancho de Penaflor [8] zijn,—vulde de ander aan.—Ja, neef die ben +ik in hoogst eigen persoon. + +—Maar de kleeding... + +—Is eene zeer goed bedachte en niet minder goed uitgevoerde vermomming, +niet waar? Het kwam mij voor dat die te dezer gelegenheid den +Gouverneur van Sint-Domingo beter zou passen, dan zijn schitterend +ambtsgewaad. + +—Gaarne wil ik je bekennen, waarde neef, dat die vermomming zoo +volkomen is dat ik zelfs nu, ondanks dat ik er alles van weet, moeite +heb je te herkennen. + +Eene omhelzing der beide edellieden volgde en daarna gingen zij naast +elkaar zitten. + +—En laat ons nu spreken over onze zaken,—hernam don Sancho,—zoo ge dit +goedvindt, want daarvoor zijn wij hoofdzakelijk hier gekomen. + +—Ik ben tot je orders, neef. Doch zeg eerst, hoe zijt ge toch te weten +gekomen, waar ik was? + +—Het is immers een mijner eerste plichten er voor te zorgen dat ik +alles weet, niet waar? Welnu, ik heb informaties ingewonnen en dit was +voldoende. Beste vriend, zijt ge waarlijk nog zoo onnoozel om te meenen +dat wij onder ulieden geen spionnen zouden hebben? Kom dan van die +dwaling terug, want wij hebben er verscheidene en onder hen zeer slimme +vossen die wij, onder ons gezegd, zeer duur moeten betalen. Doch nu ter +zake, herinnert ge je nog neef, ons laatste gesprek te Vera-Cruz? + +—Ieder woord daarvan heb ik goed in mijn geheugen gehouden. + +—En dus zeker ook trouw in acht genomen alles wat ik je toen zoo +ernstig op het hart heb gedrukt niet waar? + +—Ge moet mij dit ten goede houden, maar eerlijk gesproken, weet ik +eigenlijk niet waarop ge zinspeelt. + +—Dan zal ik mij nader verklaren. Ik vertrouw namelijk dat ge, daar ik +je dit zoo dringend verzocht heb, je stipt hebt onthouden van alle +briefwisseling met Zijne Excellentie den hertog de Penaflor, mijn +vader, daar ge hiermeê zoudt wachten tot wij elkaar weer ontmoet +hadden, en nadat ge van mij de verdere ophelderingen zoudt ontvangen +hebben, die ik je beloofde. + +—Waarde don Sancho, ik wil openhartig jegens je zijn,—verklaarde de +jonge man, doch met eenige aarzeling in zijn stem,—en als gij alles van +mij vernomen hebt, spreek dan een oordeel over mij uit. + +—Goed!—uitte de markies kortaf terwijl hij de wenkbrauwen fronste,—ik +ben geheel gehoor. + +—Er zijn reeds verscheiden maanden verloopen, sedert wij te Vera-Cruz +zóó onverwacht afscheid van elkaar moesten nemen, nadat de hertog de +Penaflor de goedheid had mij die zeer gevaarvolle zending toe te +vertrouwen; in dat tijdsverloop is er heel wat voorgevallen zonder dat +ik ooit iets van je vernam. Herhaaldelijk, doch altijd te vergeefs heb +ik moeite gedaan om je te ontmoeten; ik moest het er dus voor houden +dat gij òf uwe belofte vergeten hadt, òf dat gij, bij nadere +overtuiging op uw besluit teruggekomen, en niet meer van plan waart mij +die verdere ophelderingen te geven. Daarentegen ontving ik van den +hertog de Penaflor, wiens onvermoeibare werkzaamheid gij kent, +boodschap op boodschap, om mij aan te moedigen, zonder aarzeling of +ontmoediging de gedragslijn, die hij mij had afgebakend, te volgen, en +zoodoende de eervolle zending te vervullen, waardoor Spanje verlost zou +worden van hare geduchtste tegenstanders in deze wateren. Wat kon ik nu +anders doen dan gehoorzamen? Te meer daar stipte gehoorzaamheid aan de +ontvangen bevelen, niet alleen bevorderlijk zou zijn aan de belangen +van mijn land, maar evenzeer aan de voldoening mijner wraak. En +buitendien had ik mijn woord als edelman verpand, en ge weet, neef, dat +geen enkel lid van ons geslacht ooit in gebreke is gebleven zijn woord +gestand te blijven. + +—O!—barstte don Sancho los, met opeen geperste lippen, en door toorn +verwrongene trekken.—Hoe herken ik in dit alles de helsche overmacht +van mijn vader, en zijn onverzoenlijken haat! Het is weer zooals +altijd, alles is door hem vooraf berekend, alles heeft hij voorzien! + +—Wat wilt ge daarmee zeggen, neef? Ge maakt mij werkelijk ongerust! Wat +bedoelt ge met die woorden? + +—Ga maar door don Gusman, ga maar door! Nu is het toch meer dan +waarschijnlijk te laat om je verdere ophelderingen te geven! Wie weet +welk onherstelbaar onheil er reeds is gesticht! + +—Om Gods wil, don Sancho! Ge zult toch niet weigeren om uitleg van uwe +woorden te geven?—smeekte de jonge man bevende van ontroering. + +—Zeg eerst alles wat ge nog te zeggen hebt, neef, en daarna... zal ik +zien of ik aan uw verzoek kan voldoen. + +—Er is verder niet veel meer door mij te vertellen.—Trouw en stipt heb +ik tot nu toe de zending vervuld, die mij is opgedragen. De hertog de +Penaflor is steeds door mij op de hoogte gehouden van al de plannen en +bewegingen der flibustiers. Gisteren bij voorbeeld heb ik nog iemand +naar hem gezonden om hem bericht te geven over een zeer groote +expeditie die tegen een der havens van het vaste land op til is, en +hoogst waarschijnlijk, zal worden aangevoerd door Montbars, die ieder +oogenblik op Tortue wordt verwacht, en door de voornaamste +gezagvoerders van de Broeders der Kust. Nu is de beurt aan u neef, nu +zal ik naar u luisteren. + +Don Sancho stond op, keek den ander een oogenblik zeer droefgeestig +aan, drukte de hand op zijn schouder, en voegde hem op meewarigen toon +toe:—Thans heb ik je niets meer te zeggen, arme jongen! Ge zijt +overgeleverd aan de macht van een man, die je het hart zal breken, +zonder dat ge in staat zult zijn je er tegen te verzetten. Je wreekt je +zelven niet, maar het is tot bevrediging van zijn eigen haat, waaraan +hij je dienstbaar gemaakt heeft. Arme kerel! Ge zijt niets dan een +werktuig in zijne handen! + +—Maar wat moet ik dan doen? Zeg mij, in ’s hemels naam, wat ik doen +moet? + +Don Sancho aarzelde een poos, en sprak eindelijk somber:—Don Gusman, ik +mag geen nadere verklaring geven. Tracht de bedoeling mijner woorden te +raden. + +—Hoe kan ik dat? Het hoofd loopt mij om!—viel de ander radeloos uit. + +—Ik wil je herinneren aan de woorden van den heiligen Remigius tot +Clovis: „Verbrand wat ge aangebeden hebt, aanbid wat gij verbrand +hebt.” + +—En wat wil dit zeggen?—vroeg don Gusman gejaagd. + +—Dat wil zeggen,—werd door den markies ten antwoord gegeven met nog +somberder stem,—dat wil zeggen dat de hertog de Penaflor mijn vader is +wien ik gehoorzaamheid en ontzag verschuldigd ben, met andere woorden +en kort af, dat wil zeggen, dat ik zwijgen moet. Maar als vriend en +bloedverwant geef ik je nog eene laatste en hoogst ernstige +waarschuwing, thans is het mij niet geoorloofd duidelijker tot je te +spreken, maar wees voorzichtig, don Gusman, wees voorzichtig. + +Hij maakte zich gereed heen te gaan. + +—Een woord nog, één enkel woord slechts, dat mij ten minste tot +leidraad kan dienen, in al die geheimzinnigheid! + +—Ik mag niet meer zeggen. + +—O! Het is of ik vervloekt ben!—barstte don Gusman los, als verpletterd +door overmaat van smart. + +—Misschien wel!—beaamde don Sancho met onbeschrijfelijk +medelijden.—Doch verlies alle hoop niet, en doe uw best te raden wie +werkelijk uwe vijanden zijn. Vaarwel! + +—Zal ik je nog terug zien? + +—Ja. + +—Wanneer? + +—Dat weet ik niet, maar waarschijnlijk te laat om een vreeselijke +ontknooping te verhoeden, zoo je de bedoeling mijner woorden niet +begrepen hebt. Nog eenmaal, vaarwel, beste neef en denk aan den +heiligen Remigius. + +Daarna drukte hij hem de hand en ging heen. + +—Helaas! Helaas!—riep de jonge man uit, radeloos wanhopend.—Genadige +God! Wie zal mij tot gids zijn in zulk een ondoordringbare geheimenis? + +Hij hoorde eenig gerucht en keek dadelijk op, wellicht zich vleiende +met de hoop, dat zijn neef, met zijn smart bewogen, zou terug zijn +gekomen, doch spoedig bemerkte hij zijne dwaling, het was Birbomono, +die naar hem toekwam. + +—Zullen wij naar Port-de-Paix terugkeeren, señor?—vroeg de mayordomo. + +—Laat ons opstappen,—werd kortaf geantwoord, en zonder er verder een +enkel woord bij te voegen begaf don Gusman zich op weg, voorafgegaan +door Birbomono, die voor hem het pad baande. + + + + + + + + +XI. + +DE TERUGKOMST. + + +Tijdens Francoeur, Martial, of wel don Gusman de Tudela, al naar de +lezer verkiest hem te noemen, vertoefde op de plaats der bijeenkomst in +de Groote Vlakte aan de oevers van den Artibonite, waar zijn neef don +Sancho de Penaflor hem bescheiden had, heerschte er te Port-de-Paix een +buitengewone opgewondenheid. Eene voor de gansche bevolking hoogst +belangrijke tijding, had zich met de snelheid van een loopend vuurtje +verspreid en de inwoners hadden terstond daarop hunne huizen verlaten, +kroegen en herbergen waren leeggeloopen, en de menigte begaf zich in +groote haast naar den kant van de haven, onder luid vreugdegejuich +elkaar stootend en verdringend, daar ieder er het eerst bij wilde wezen +om een goed plaatsje te veroveren. + +Nu moet erkend worden dat die tijding voor de Broeders der Kust van het +hoogste gewicht en al die opschudding wel degelijk waard was; de +wachter die aan de punt Marigot op den uitkijk was geplaatst, had de +aankomst geseind van een schooner, bemand door de vermaardste +flibustiers van Tortue, een brigantijn die reeds zoo lang geleden +vertrokken was, dat men die verloren of door de Spanjaarden genomen +achtte en er aan wanhoopte haar ooit terug te zien. Geen wonder dus dat +men uitermate verheugd was, en geestdrift ieder had aangegrepen. + +Werkelijk was het die schooner; begunstigd door een flinke bries liep +het schip onder volle zeilen snel en lustig de haven binnen, en reeds +kon men de Broeders der Kust, die in groepjes op het dek stonden en +vroolijk met hunne mutsen wuifden ten bewijs van eene gelukkige +terugkomst, gemakkelijk onderscheiden. + +Knarsend viel het anker neer, de zeilen werden gegeid, en de heer +d’Ogeron, die met zijne officieren op de uiterste punt van het +havenhoofd stond, en dit oogenblik met ongeduld verbeidde, kon zich +niet langer bedwingen, en stapte haastig in de prauw, die voor hem +gereed lag en nu met krachtige riemslagen naar de brigantijn werd +geroeid. + +Montbars zelf stond bij den valreep gereed om hem te ontvangen en stak +de hand uit om hem aan boord te helpen, maar de Gouverneur greep den +valreep en sprong ondanks zijne gezetheid vlug en behendig op het dek. + +—Wees welkom, mijnheer d’Ogeron!—sprak Montbars, en deed dit vergezeld +gaan door een hartelijken groet. + +—Dubbel welkom gij zelf!—uitte de Gouverneur opgeruimd.—Wel verduiveld! +Ik dacht niet anders of gij allen waart naar de grondvergadering +gegaan, want het kwam geen oogenblik bij mij op, dat gij je door de +gavachos zoudt hebben laten snappen. Ik verzeker je dus, waarde +Montbars, dat er mij nu een heel pak van het hart genomen is. + +—Ik zeg je oprechtelijk dank voor die woorden, mijnheer, en acht het +een bijzonder voorrecht voor mij je hier te mogen zien, want ik heb +zeer veel met je te bepraten, zoodat, wanneer gij niet zoo dadelijk aan +boord gekomen waart, mijn eerste bezoek bepaald aan u zou zijn geweest. + +—Hum! Hum!—liet de heer d’Ogeron schertsend hooren.—Dan schijnt er wat +nieuws op til te zijn? + +—Zoo is het. + +—Dan hebt ge zeker eene goede reis gemaakt? + +—Een uitmuntende. + +—En hoeveel brengt ge mee? + +—Niets. + +—He! Noemt ge dit dan eene uitmuntende reis? + +—Zeker. + +—Daar kan ik niet goed bij! Verklaar je nader. + +—Zeer gaarne, en liefst op staanden voet, zoo gij daar niets tegen +hebt. + +—Twijfelt ge daar aan? Ik ben immers zonder verwijl uitsluitend aan +boord gekomen om het verslag over de expeditie uit uw eigen mond te +vernemen. + +—Nu, dan kan het niet beter. Wees zoo goed met mij naar mijn kajuit te +gaan. + +—Waarvoor is dat noodig? Mij dunkt dat wij dat hier ook wel kunnen +afhandelen. + +—Ja, als wij over koetjes en kalfjes hadden te praten, maar niet nu ik +met u iets te bepraten heb, dat tusschen ons moet blijven. + +—Wel drommels!—liet de andere hooren, en wreef zich in de handen.—Wat +spreekt ge geheimzinnig! Ik hoop toch dat de kool de sop waard is, +he?—werd er spottend bijgevoegd. + +—Gij zult dat zelf kunnen beoordeelen zoo gij met mij naar beneden +gaat. + +—Gaarne, gaarne, maar vertel mij eerst even hoe het komt dat ge op een +brik zijt uitgevaren en op een schooner terugkomt? + +—Ei, ei!—luidde het antwoord.—Heb je dat reeds opgemerkt? + +—Dat was toch waarachtig gauw genoeg te zien, dunkt mij. + +—Het komt omdat mijn brik die tamelijk oud en zoo lek als een zeef was, +bij een stormvlaag onder mijn voeten is weggezonken en ik met enkele +metgezellen verplicht ben geworden, op het vaste land een schuilplaats +te zoeken. + +—He! op het vaste land midden onder de gavachos. Maar beste vriend, dan +hebt ge u letterlijk gewaagd in het hol van den wolf. + +—Dat is zoo, maar zooals ge ziet, ben ik er ongedeerd uitgekomen. + +—Het zou er ook waarachtig hier mooi uitgezien hebben als dit niet het +geval ware geweest. + +—Wel mogelijk,—luidde het eenigszins droefgeestige antwoord.—Maar +misschien zal dit mij een volgenden keer niet weer gelukken. + +—Kom, kom! Dat weet ge niet! + +—Wie weet! zooals de gavachos zeggen, doch wat daarvan zij, gij ziet +mij nu springlevend weer, zeer bereid, dit zweer ik je, om op nieuw er +de proef van te nemen wat ook later de gevolgen mogen zijn. En als gij +het mij nu veroorlooft zal ik je nu naar mijne kajuit voorgaan. + +—Doe zoo, daar ge dit noodig schijnt te vinden. + +De Gouverneur volgde Montbars, die hem naar zijn kajuit bracht en +plaats deed nemen aan een tafel waar rum, water, suiker, citroen en +notenmuskaat gereed stond. Gewoon aan de gastvrijheid der flibustiers +maakte de heer d’Ogeron dadelijk een grogje voor zich klaar en +middelerwijl werd Philippe even door Montbars ter zijde genomen om hem +met een paar woorden te gelasten, dat niemand tot de kajuit mocht +worden toegelaten. De jonge man groette zijn oom, wisselde met dezen +een paar woorden ter verwelkoming, en haastte zich toen weer naar het +dek, waar zijn eerste zorg was een wacht bij de luikklep te plaatsen, +met uitdrukkelijken last te zorgen dat niemand naar beneden ging. De +beide heeren waren er nu zeker van niet lastig gevallen noch beluisterd +te zullen worden en konden er dus nu in alle gerustheid toe overgaan +hunne zaken te behandelen. Montbars zette even de lippen aan zijn glas, +en opende daarna het gesprek. + +—Waarde mijnheer d’Ogeron,—zoo begon hij.—Hebt gij nog altijd evenveel +vertrouwen in mij? + +—Het onbepaaldste vertrouwen, beste vriend—werd onmiddellijk en zonder +de minste aarzeling door den Gouverneur verzekerd.—Maar zeg mij eens +waarom doet gij mij zulk eene zonderlinge vraag? + +—Omdat ik, hoewel bijna zeker van het antwoord dat ik zou ontvangen, er +toch behoefte aan had dit nog eens uit uw mond te vernemen. + +—Welnu, dan zult ge er mee voldaan zijn, niet waar? + +—Volkomen! + +—Op je gezondheid! + +—Op de uwe!—Zij klonken. + +—Ik had echter nog eene andere beweegreden,—hernam Montbars. + +—Wel drommels! Dacht ge nu waarlijk dat ik dit niet begrepen had? En +wat is die beweegreden? + +—Deze, dat ik je iets onmogelijks heb voor te stellen. + +—Voor jou Montbars bestaat er niets onmogelijks! + +—Meent gij dit? + +—Ja, het is mijne vaste overtuiging, dit verzeker ik je op mijn woord. + +—Dank je. Nu, dan zal alles wel losloopen. + +—Goed! Maar waarin bestaat dan die onmogelijke zaak? + +—Laat ik eerst een gesprek in uw geheugen terugroepen dat wij enkele +dagen vóór de herovering van het Schildpaddeneiland met elkander +hadden. + +—Doe zoo, wij hebben al den tijd. + +—Toen heb ik je gezegd, indien gij het je nog herinnert, dat onze +Vereeniging, zoo die op meer solide grondslagen gevestigd was, in staat +zou zijn de Spaansche macht te doen beven en sidderen, en dat wij dan, +zoo wij wilden, krachtig en sterk genoeg zouden zijn om aan den handel +der Spanjaarden in de Amerikaansche koloniën een knak toe te brengen, +zoo al niet dien geheel te vernietigen. + +— Juist, diezelfde woorden zijn door je gebezigd, en ik heb de +bedoeling daarvan zoo ten volle begrepen, dat ik er toen ten sterkste +op aangedrongen heb, zoo spoedig mogelijk te trachten Tortue te +heroveren, als een uitnemend strategisch punt om den vijand in bedwang +te houden. + +—En als gevolg daarvan hebben wij het Schildpaddeneiland hernomen. + +—Ja, en de gavachos zullen dit nimmer meer in hun bezit krijgen, +tenminste zoolang ik de eer zal hebben uw Gouverneur te zijn, dit +verzeker ik je! + +—Daaraan twijfel ik ook geenszins, doch ik geloof dat thans de tijd +daar is, om een goeden slag te slaan. + +—Nu zal ik dan eindelijk iets vernemen,—meende de oude heer die met +kleine slokjes zijn grogje uitdronk—en naar de manier waarop die zaak +door u word ingeleid, vermoed ik dat die allesbehalve eene kleinigheid +is. + +Montbars lachte even, en zei schertsend: + +—Men kan voor u toch niets verborgen houden! + +—Kom, kom! Vertel er nu meer van. + +—Moet ik open spel met u spelen? + +—Zeker. + +—Zult gij mij niet beschuldigen, een halve dwaas of een dweeper te +zijn? + +—Noch het een, noch het andere. Ik houd je voor een zeer ernstig man, +die geen expeditie, welke ook, zult wagen, dan na daarvan eerst goed +alle kansen te hebben overwogen. + +—Nu als dit het geval is, wil je dan verder luisteren. + +—Ik ben geheel gehoor. + +—Ik heb je reeds verteld, dat ik, na het verlies van mijn schip, de +toevlucht naar het vaste land had genomen. Waarheen denkt gij dat het +toeval mij heeft gebracht? + +—Ja, hoe kan ik dit gissen? + +—Ongeveer een paar mijlen onder den wind in de golf van Maracaïbo. + +—Ei, ei, ik ken die. Behalve de gavachos houden zich daar wilden op, +met wie men ook liever niet in aanraking moet komen. Ge zult het er dus +wel kwaad te verantwoorden gehad hebben, waarde Montbars! + +—Toch niet, want nauwelijks was ik aangeland, of ik ontmoette daar uw +neef Philippe, die zijn brigantijn in eene verlatene kreek aan de kust +verborgen had. + +—Wat drommel had de snaak dáár uit te voeren? + +—Dat weet ik niet, en ronduit gezegd heb ik hem daarnaar niet eens +gevraagd. + +—Dan zal ik dat doen, daar kunt ge op aan! + +—Dat is iets wat u aangaat. Doch toen is bij mij de gedachte ontstaan +op een nieuw plan. + +—Dat is juist iets voor een man als gij,—verklaarde de Gouverneur, met +eene hoffelijke buiging.—En wat is dat plan? Ik twijfel er niet aan of +het zal er een wezen, dat meer dan gewone stoutmoedigheid vereischt. + +Montbars beantwoordde zijn buiging. + +—Och!—zei Montbars op onverschilligen toon.—Het is eigenlijk zoo +ingewikkeld niet. Het is zeer eenvoudig en bestaat alleen maar in de +verovering van Maracaïbo. + +—Maracaïbo te nemen!—viel de heer d’Ogeron uit, van zijn stoel +opspringend.—Maracaïbo te nemen!—herhaalde hij. + +—Anders niet. Hoe denkt gij daarover? + +—Wel verduiveld! Ik ben er geheel en al door verbluft! En ge doet, naar +uwe gewoonte, mij die vraag als met het pistool op de borst. + +—Zijt gij er dan zoozeer over verwonderd? + +—Ik moet zeggen dat ik je met al uwe koelbloedigheid hoogst naïef vind, +op mijn woord! Maar vertel mij nu eens, is het je alles waarlijk ernst? + +—Twijfelt gij daaraan? Langer dan een maand loop ik al met dit plan +rond, in al dien tijd heb ik over niets anders gedacht. + +—Maar je bent gek, stapelgek. Het is te gek om er langer over te +praten! + +—Zoo, zoo! Nu heeft het er toch veel van alsof ge in mij niet veel meer +dan een kwâjongen ziet! + +—Dat komt omdat ik mij geen begrip kan maken hoe zulk een dwaas plan in +iemands brein kan opkomen, Maracaïbo te willen veroveren! + +—En waarom niet? + +—Och, kerel! Ge schijnt wel te denken dat je tot alles in staat zijt! + +—Dat is juist de beste manier om in alles te slagen. Maar luister nu +liever verder en bedaard, want voor dit plan is reeds meer verricht, +dan door je kan vermoed worden. + +Daarop deelde Montbars tot in de geringste bijzonderheden alles mede, +wat er tijdens zijn verblijf op de kust was voorgevallen; de manier +waarop hij in de stad was gekomen, de wijze waarop hij dáár ontvangen +was, de voorbereidende maatregelen door hem genomen, en dergelijke +zaken meer. De heer d’Ogeron luisterde met open mond; hij durfde zijne +ooren niet te vertrouwen. Toch was dezelfde heer d’Ogeron voor geen +klein geruchtje vervaard; hij was zelf jaren achtereen vrijbuiter +geweest, had menig heldenfeit bedreven en dan nog welke feiten! Maar +aan zulke ongehoorde expedities had men in zijn tijd niet gedacht; en +dit plan ging alles te boven wat men uitzinnigs bedenken kon, en +grensde aan het onbestaanbare! Hij was dan ook, zooals hij reeds aan +Montbars had gezegd, geheel en al overbluft, en waande half dat hij +eigenlijk aan een nachtmerrie ten prooi was. Montbars glimlachte, +lepperde aan zijn grogje en besloot bedaard en onverstoord zijne +mededeelingen, met eene verdere ontwikkeling van zijn plan, en van de +middelen die moesten gebezigd worden om het goede gevolg daarvan te +verzekeren. Het gevolg daarvan was het gewone, wanneer twee flinke +mannen tegenover elkaar staan en die twee elkaar reeds lang kennen, en +naar waarde weten te schatten; wie van hen dan de meeste +stoutmoedigheid betoont, eindigt met den ander te overtuigen, en zijn +plannen te doen aannemen, al moeten die dan ook op sommige punten +eenigermate worden gewijzigd. Zoo ging het ook nu; de heer d’Ogeron +helde langzamerhand over tot de meeningen van Montbars, trad met hem in +discussies over het geopperde plan, en eindigde met daaraan zijne +goedkeuring te verleenen. + +—Het is een grootsch plan,—verklaarde hij ten slotte,—en geheel den man +waardig, die het heeft durven ontwerpen, maar de uitvoering zal vele +bezwaren opleveren. + +—Minder dan gij denkt, mijnheer. Want als wij het nu eens bedaard +nagaan, waar komt dan eigenlijk alles op neer? Op eene verrassing, op +niets anders,—verzekerde Montbars op stelligen toon.—Gij moet vooral +niet uit het oog verliezen, dat het betreft een zeer afgelegen streek, +bijna van elke hulp van buiten verstoken en daardoor genoegzaam aan +zich zelf overgelaten; de bewoners zijn niet talrijk en verspreid over +eene groote oppervlakte, de garnizoenen zwak, en de versterkingen +onbeduidend. Wij moeten met de snelheid des bliksems de kolonie +overvallen, zoodat de kolonisten niet kunnen gissen met wie zij +eigenlijk te doen hebben, en geen tijd meer hebben om, na van den +eersten schrik te zijn bekomen, zich te verzamelen. Zóó zal onze slag +geslagen en zullen wij weer ingescheept zijn, terwijl zij nog in het +onzekere zijn wie hunne vijanden waren. + +—Maar stel eens dat je een Spaansch eskader ontmoet? + +—Geen nood! Dan zullen wij het bevechten, en zoo noodig in den grond +boren. Daarenboven, wie niet waagt, wie niet wint, volgens het +spreekwoord. Wij hebben kans op een ontzaglijken buit, want gij kunt je +niet voorstellen welke onmetelijke rijkdommen in dat land te vinden +zijn. + +—Dat wil ik graag gelooven,—zei de heer d’Ogeron lachend—want wij zijn +daar nog nooit geweest, voor zoover ik mij herinner? + +—Nooit; ook dient Maracaïbo, als het ware, tot stapelplaats voor de +andere koloniën, zoo veilig gelooven de inwoners zich dáár voor iederen +overval. + +—Arme Spanjaarden! Dan hebben zij niet het minste vermoeden van wat hen +boven het hoofd hangt. + +—Hoe heb ik het nu, wordt gij waarlijk weemoedig bij het aanstaande lot +van de gavachos? + +—Ja, ja! Want ik denk daarbij aan het vreeselijke bloedbad dat gij +onder hen zult aanrichten. + +—Nooit zal ik naar mijn zin genoeg van die verwenschte natie kunnen +laten ombrengen!—viel Montbars uit op barschen toon en met woeste +blikken. + +—Hebt ge dan aan hen zulk een gloeienden haat? + +—Ik?! Ik zou graag, even als Nero, nieuwe straffen willen uitdenken, om +hen des te erger te doen lijden! Maar bepalen wij ons nu tot onze +zaken. Hoeveel schepen zijn er hier? + +—Te Port-de-Paix? + +—Te Port-de-Paix, te Margot, te Leogana, op Tortue, in één woord +overal. + +—Niet bijzonder veel; hoogstens een dertig, maar daarvan zijn zeker +twaalf of veertien bijna niet in staat om zee te houden. + +—Dan zijn er toch meer dan wij noodig hebben, mits dat het snelzeilers +zijn; en in dat geval koop ik ze. + +—Sapperloot! Dan moet het je niet aan geld ontbreken! + +—Ik ben heer en meester over de schatkist der Twaalven,—gaf Montbars +lachend ten antwoord. + +—Zoo dikwerf heb ik reeds hooren spreken over die Vereeniging der +Twaalven [9],—merkte de heer d’Ogeron aan, met ietwat ontevreden +gelaat. + +—Laat die je geen bezorgdheid inboezemen, mijnheer. De opperste leiding +berust in mijne handen, en die vereeniging heeft geen ander doel, dan +de glorie en het fortuin van de flibustiers. + +—Goed, dan zal ik daarover niet verder spreken, doch onder voorbehoud +later daarop terug te komen. + +—Ieder oogenblik ben ik daartoe bereid, mijnheer. Dus hebt gij er niets +tegen mij die schepen te verkoopen? + +—Van dit oogenblik af, kunt gij er over beschikken. + +—Ik dank je! Nu komt het er op aan manschappen aan te werven. + +—Aan manschappen ontbreekt het niet. + +—Wel mogelijk, doch ik moet mij beter uitdrukken. De mannen waaraan ik +behoefte heb, moeten geharde kerels zijn, bereid en in staat om mij tot +naar de hel te volgen, zoo ik dit eischte. + +—Ik houd het er voor, dat ge zonder veel moeite die mannen wel vinden +zult. + +—Heerlijk! Nu heb ik niets meer te doen dan je slechts ééne zaak zeer +dringend aan te bevelen. + +—En die is? + +—Alles stipt geheim te houden. Gij weet dat hier meer dan te veel +spionnen loeren en één enkel onbedacht woord zou genoegzaam zijn om +alles te doen mislukken. + +—Ge zegt daar iets, waarde Montbars, dat ongelukkig genoeg maar al te +waar is, en ik moet je zelfs mededeelen, daar ge dan in tijds de +noodige voorzorgen kunt nemen, dat er, hoe het komt weet ik niet, in +den laatsten tijd een booze geest onder ons schijnt te waren. Er kan +tegenwoordig door ons geen enkel besluit meer genomen worden dat geheim +blijft; dadelijk wordt alles aan de Spanjaarden verklapt, die dus +gemakkelijk overal op hunne hoede blijven, waardoor al onze +ondernemingen mislukken. + +—Dat is een zeer ernstig geval, mijnheer d’Ogeron! Dan moet er een +verrader onder ons schuilen. + +—Dat heb ik ook reeds gedacht. + +—En wat hebt gij toen gedaan? + +—Iets dat gij zelf zeker ook zoudt gedaan hebben. Ik heb enkele der +voornaamste onder de Broeders der Kust bijeengeroepen, zooals Grammont, +Drack, Francoeur, en een paar andere; ik heb hun toen mijn vermoeden +meegedeeld en zeer ernstig op het hart gedrukt een wakend oog te +houden, niet alleen op hunne kameraden en de inwoners, maar zelfs op de +pandelingen. + +—En het gevolg? + +—Het gevolg is, dat wij niets ontdekt hebben. + +—Bij den hemel! Dan zal ik dien verrader ontdekken, dat zal ik, dat +zweer ik u, mijnheer d’Ogeron,—verklaarde de flibustier op somberen +toon,—en dan, wee hem! Wee, wie het ook wezen moge! + +—Daar hebt ge nu om een voorbeeld te noemen,—hernam de heer +d’Ogeron.—Ge zijt zoo pas te Port-de-Paix binnengeloopen, niet waar? + +—Nauwelijks een uur geleden, dat weet gij. + +—Juist. Welnu, sedert twee of drie dagen was reeds in de stad het +gerucht in omloop van uw aanstaande terugkomst, en men wist bovendien +nog te vertellen dat ge bepaald van plan waart, weer eene zeer +belangrijke expeditie uit te rusten. Nu vraag ik je wie en hoe kan dat +te weten zijn gekomen? + +—Dat is hoogst bevreemdend en gaat alle begrip te boven, te meer daar +slechts drie personen bepaald met mijne voornemens bekend zijn; het +overige van de bemanning van den schooner vermoed wellicht iets, doch +zonder eenige zekerheid. + +—En wie zijn die drie personen? + +—Uw neef Philippe, voor wiens stilzwijgendheid ik borg blijf, gij zelf +en ik; doch genoeg daarover en wees gerust, ik sta er voor in dat alles +door mij zal behandeld worden op zulk eene manier, dat de verrader, wie +of wat hij zijn moge, er niet in zal slagen om van iets op het spoor te +komen. + +—God geve het!—uitte de heer d’Ogeron, terwijl hij opstond.—Blijft ge +nog aan boord? + +—Stellig niet. Ik ga dadelijk met je naar wal, zoo gij er niets op +tegen hebt. + +—Niets liever dan dat. Hebt ge een verblijf, waar ge je intrek denkt te +nemen? + +—Waarom? + +—Omdat, zoo dit niet het geval mocht zijn, ik je een kamer bij mij aan +huis zou aanbieden. + +—Ik blijf je daarvoor zeer dankbaar, doch kan dit zeer beleefde aanbod +niet aannemen, daar ik mij onverwijld met de besprokene zaak wil bezig +houden en dus vóór alles vereischt wordt, dat ik volkomen vrij blijf om +over al mijn tijd te beschikken, terwijl ik bovendien met mijn +kameraden nog tot overeenstemming moet komen. + +—Zoo! ge komt toch van avond bij mij eten, niet waar? + +—Dat zeer gaarne, ten minste zoo ge niet te laat eet, daar ik gaarne +vroeg vrij wilde zijn. + +—Vijf uur, schikt je dit? + +—Zeer goed, dus blijft dit afgesproken. + +Daarna begaven zij zich weer naar het dek, waar de heer d’Ogeron door +de equipage der brigantijn werd ontvangen met groot gejuich, dat +gegrond was op zuivere toegenegenheid en ware hoogachting. Wij hebben +reeds vroeger medegedeeld dat de heer d’Ogeron half aangebeden werd +door de vrijbuiters, waarvan hij de meesten persoonlijk kende, en zeker +werd dit ook veroorzaakt, doordien hij bij uitnemendheid den slag bezat +om hen in hun zwak te tasten, doch tevens hen eerbied en zelfs waar dit +noodig was vrees voor zich in te boezemen. Eer de Gouverneur van boord +ging drong hij er op aan om het schip van het dek tot het ruim te +inspecteeren, (eene beleefdheid waardoor de bemanning zich zeer gevleid +betoonde), en na zijn neef en de voornaamste officieren van den +schooner bij zich op het diner te hebben genoodigd, stapte hij, +vergezeld door Montbars, in de boot die door de goede zorg van Philippe +reeds voor hem in gereedheid was gebracht. + +Bij het aan wal stappen hernieuwde de heer d’Ogeron zijne uitnoodiging +aan Montbars en drong er op aan dat deze vooral niet te laat zou komen; +daarna namen de beide heeren op zeer hartelijke wijze afscheid van +elkaar, en ging ieder van hen een anderen kant uit. + +Montbars had de grootste moeite zich te onttrekken aan de ovatie die de +Broeders der Kust hem bereid hadden daar zij voornemens waren hem in +triomf door de straten te dragen; eindelijk gelukte het hem te +ontkomen, door onverhoeds een logement binnen te gaan dat hij toevallig +in het oog kreeg en nadat de menigte lang genoeg vóór de deur had post +genomen om te bemerken dat hij niet meer voor den dag kwam ging zij +eindelijk uiteen. + + + + + + + + +XII. + +HET LOGEMENT. + + +Het logement waarin Montbars, als het ware, gevlucht was om bevrijd te +worden van de ovatie die zijne kameraden in de overmaat hunner +opgewondenheid hem hadden willen brengen, was een zeer bescheiden +woning, dicht bij den ingang van de haven, aan den hoek van twee +straten. Zooals al de huizen in die stad was het van hout, en had het +een plat dak; langs de eerste verdieping liep een balkon, en een +zuilengang van ruw afgeschaafde boomstammen, diende tot steun voor een +breede veranda; boven de deur aan een tak van een citroenboom was eene +ijzeren roede bevestigd aan wier eind bij het minste windje een breede +blikken plaat knarste, waarop met groote geelachtige letters geschreven +stond: „Logement voor Zeevarenden.” + +Bij het binnenkomen werd de deur door Montbars stevig achter zich dicht +getrokken, zoodat het in de eerste oogenblikken voor hem was alsof hij +zich in totale duisternis bevond, doch van lieverlede wendden zijne +oogen zich aan het weinige licht, en kon hij gemakkelijk de voorwerpen +onderscheiden die hem omringden. De zaal, waarin het toeval hem had +gebracht, was middelmatig groot; tafels, stoelen en banken maakten de +meubileering uit; in een hoek stonden of lagen tegen den muur, riemen, +masten, raas en netten, en aan het benedeneind van de zaal was een +buffet waarin verschillende flesschen met geestrijk of ander soort van +vocht. + +De vrijbuiter keek om zich heen, bemerkte dat hij alleen in de zaal +was, en klopte toen met de greep van zijn dolk op een tafel die vlak +bij hem stond om den pandeling die belast was met de bediening der +klanten, te roepen. Daarop leunde hij met zijn elleboog op de tafel, en +met zijn hoofd op zijn hand en gaf zich over aan zijn gepeins. + +Een oogenblik later deed een licht geluid hem het hoofd opheffen en zag +hij dat eene vrouw onbeweeglijk vóór hem stond, tegen het licht in, +zoodat ook door de in het vertrek heerschende duisternis de omtrekken +van haar gelaat zeer moeielijk te onderscheiden waren. Zij zag den +vrijbuiter zoo vreemd en zonderling aan dat hij daardoor ondanks +zichzelven ontroerd werd. + +—Gij hebt geroepen, mijnheer,—begon zij met zachte en bevende stem.—Ik +ben tot uwe orders, wat verlangt gij? + +Bij den welluidenden klank van die stem, gevoelde de flibustier eene +gewaarwording, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven; hij begon te +beven, en druppels klam zweet liepen langs zijne slapen. + +—Ja,—gaf hij ten antwoord genoegzaam zonder te weten wat hij eigenlijk +zei,—ik geloof dat ik geroepen heb. Ge zijt zeker de eigenares van dit +logement?—vroeg hij zich eenigszins herstellende. + +—Ja, mijnheer,—antwoordde zij, en liet langzaam het hoofd zakken. + +Montbars, nog altijd onder den indruk zijner ontroering, trachtte +telkens doch te vergeefs haar gelaat beter in het gezicht te krijgen +doch ook die poging werd door haar verijdeld, daar zij zeker de +schemering nog niet genoegzaam achtte om onbekend te blijven en dus het +dikke weefsel van hare rebozo over haar gelaat trok. + +—Ik ben een zeeman,—hernam de vrijbuiter,—en... + +—Ik ken u,—viel zij bijna fluisterend hem in de rede. + +—Hoe!—spotte hij verwonderd,—kent ge mij? + +—Ja, gij zijt de onverbiddelijke aanvoerder aan wien de Spanjaarden den +bijnaam van den Verdelger gegeven hebben. + +—Dat is zoo!—bevestigde hij met eene niet weer te geven uitdrukking van +haat.—Aan de gavachos schenk ik nooit genade. + +Zij boog even zonder antwoord te geven. + +—Kunt ge mij hier huisvesting geven?—vervolgde Montbars. + +—Waarom niet zoo u dit verlangt? Doch gij hebt immers uw eigen huis, +dat gij kunt betrekken. + +—Gaat dit u aan? + +—O, neen!—antwoordde zij zachtmoedig.—Daarin hebt gij gelijk, ik heb +mij daarmee niet te bemoeien. + +—Zijn er bij u nog meer aanvoerders van de vrijbuiters? + +—Drie, mijnheer. + +—Wie zijn dat? + +—Francoeur, de ridder de Grammont, en kapitein Drack. + +—Zoo. Kunt ge mij een afgescheiden kamer geven? + +—Wat verstaat gij door afgescheiden, mijnheer? Houd mij die vraag ten +goede, maar ik begrijp u niet best, mijnheer, want ik ben eene +Spaansche en dus minder vertrouwd met de Fransche taal. + +—O! zijt gij eene Spaansche?—vroeg hij kortaf. + +—Dat wil zeggen,—werd haastig ten antwoord gegeven—ik ben in Spaansch +Vlaanderen geboren. + +—Zoo!...—liet hij hooren, en keek haar lang en scherp aan, doch +vervolgde alsof hij aan die mededeeling weinig gewicht hechtte.—Met een +afgescheiden kamer, bedoel ik een vertrek dat niet met de overige in +verband staat, en waar ik dus ongestoord uit- en in- kan gaan zonder +kans van lastig gevallen en zoo noodig zelfs zonder gezien te worden. + +—Zulk eene kamer heb ik tot uwe beschikking. + +—Goed, dan betrek ik die. Hier hebt ge iets in voorschot.—En bij die +woorden wierp hij eenige goudstukken op de tafel. + +—Het is mijne gewoonten niet, voorschot aan te nemen,—gaf zij haastig +te kennen en schoof het geld met zenuwachtig gebaar van zich. + +—Dan is dat zoo goed als verloren geld,—merkte hij eenigszins bits +aan,—want het is mijne gewoonte om nimmer terug te nemen wat ik eens +gegeven heb. + +Een oogenblik aarzelde zij, toen streek zij de goudstukken naar zich +toe. + +—Maar gij dient dan toch te weten hoeveel ik voor uwe huisvesting in +rekening zal brengen. + +—Dat acht ik geheel onnoodig. Ge weet dat ik rijk ben en met zulke +kleinigheden bemoei ik mij niet. + +—Wilt gij dan tenminste de kamer eerst gaan opnemen? + +—Ook dat is overbodig. Als het vertrek is zooals ge mij hebt gezegd, +zal het juist voor mij geschikt zijn, daar ben ik zeker van. + +—Wanneer wilt ge de kamer betrekken? + +—Liefst dadelijk. + +Hij stond op, dit gesprek begon hij drukkend te vinden, hij gevoelde +zich tegenover die vrouw in gedwongen verhouding, hoewel hij zich +volstrekt geen rekenschap kon geven waaraan hij dit moest toeschrijven. + +—Vergun mij nog een paar woorden,—hernam zij. + +—Spreek,—gaf hij kortweg ten antwoord en ging weer zitten. + +—Ik wilde u verzoeken mij een gunst te bewijzen. + +—Eene gunst? En dat aan mij! + +—Ja, mijnheer,—luidde het zeer ootmoedige antwoord. + +—Ge kent mij, ge zijt eene Spaansche en toch vraagt ge mij je eene +gunst te bewijzen!—viel hij uit, en trok de schouders op. + +—Ik gevoel dat ik ongelijk heb, maar ik moet toch deze gunst juist van +u vragen daar gij de eenige zijt die daaraan kunt voldoen. + +—Nu, als het er dus mee staat, spreek dan maar op; ik luister mits het +niet te lang duurt. + +—Niet langer dan enkele minuten, mijnheer. + +—Goed, toegestaan. + +Juist op dit oogenblik werd de deur opengedaan, en traden een paar +personen binnen. Zij keek op, deinsde verschrikt terug, en verzocht +door een wenk den vrijbuiter haar te volgen. + +—Kom mee,—hernam zij,—ik zal u naar uwe kamer brengen. + +—En ge moest mij iets vragen. + +—Later, op een ander oogenblik misschien,—luidde hortend en stootend +het antwoord, daar zij hare ontroering niet kon bedwingen. + +—Doe naar uw goeddunken, maar dáár zie ik juist een mijner kennissen +met wien ik gaarne eenige woorden zou wisselen. + +—Kent gij Francoeur dan?—vroeg zij gejaagd. + +—Is dat zoo’n wonder? En gaat het u aan? + +—Mij! O, neen, niets! + +—Dan zult ge ons nu wel willen alleen laten, naar ik verwacht. + +—Ik zal heengaan. De man die dáár bij den heer Francoeur staat, is mijn +pandeling, die kan hier blijven om u te bedienen. + +—Goed, goed!—luidde het op ongeduldigen toon.—Welk eene zonderlinge +vrouw!—mompelde Montbars binnensmonds, terwijl hij haar nastaarde toen +zij de zaal verliet.—Zij is voor mij een raadsel. Doch hoe kom ik er +toch toe om mij zooveel aan haar gelegen te laten liggen? Misschien +doordien het is alsof ik haar vroeger ontmoet heb, maar waar en hoe, +dat kan ik mij niet herinneren. + +Hij ging naar Francoeur, die zich op een stoel had laten neervallen, +als overweldigd door hevige gemoedsbeweging, doch toen hij Montbars +hoorde naderen, keek hij op, stak hem de hand toe en zei:—Welkom te +Port-de-Paix. + +—Dank!—gaf Montbars ten antwoord en drukte hem daarbij de hand.—Maar +wat scheelt je? Ge ziet zoo bleek en ontdaan... Er is je toch geen +ongeluk overkomen? + +—Neen, och neen, het is niets! Let er maar niet op. Ik schaam er mij +eigenlijk over dat ik mij dus aanstel. Ik heb de anderendaagsche +koorts, en die hindert mij, maar dat is ook alles. Het schijnt dat de +lucht hier niet goed voor mij is. + +—Maar, vriendlief, hoe kunt ge zoo iets denken! Het klimaat hier is +immers zoo goed als men wenschen kan! + +—Ja... mogelijk heb ik dan kou gevat te Leogana. + +—Nu wat er de oorzaak van zij, doet er niet toe,—gaf Montbars te +kennen, daar hij zeer goed bemerkte dat de jonge man om de eene of +andere reden, niet voor de waarheid wilde uitkomen,—doch in ieder geval +hoop ik dat de ziekte of ongesteldheid wat dan ook, je niet zal +beletten deel te nemen aan eene nieuwe expeditie, die ik van plan ben +te ondernemen. + +—Gij weet dat het mijn grootste verlangen is je daarbij te vergezellen. + +—Goed, sla toe, dan blijft dit afgesproken. + +—Is er nu spraak van een belangrijken tocht? + +—Daarover zult ge zelf later kunnen oordeelen,—antwoordde Montbars +glimlachend. + +Gedurende dit gesprek tusschen de beide vrijbuiters, had de pandeling, +die niemand anders dan Birbomono was, de zaal op en neer gedrenteld, en +hier en daar een tafel of een stoel recht gezet. + +—Luister eens, vriend,—riep Montbars hem toe,—ik heb zoo even hier in +huis een kamer gehuurd, ga eens met mij mee om mij den weg te wijzen. + +—Tot uwe orders, mijnheer. + +—Gaat gij heen?—vroeg Francoeur hem terwijl hij zeer gejaagd opstond. + +—Ja, doch maar even; ik heb behoefte om een poosje rust te nemen. + +—Dat spijt mij,—hernam de jonge man steeds even haastig en gejaagd, +want nu het toeval ons zoo bij elkaar heeft gebracht, had ik die +gelegenheid gaarne waargenomen om je eene opheldering te vragen. + +—Eene opheldering van mij?—vroeg Montbars met verbazing. + +—Ja, wel te verstaan, zoo gij mij dit veroorlooft. + +—Is daarbij dan zooveel haast? + +—Dringende haast, dit verzeker ik je. + +—Dit bevreemdt mij. Geldt het dan zulk eene ernstige zaak? + +—Eene zaak waarbij het voor mij eene levensvraag geldt,—verklaarde hij +met half verstikte stem. + +Montbars keek hem een poos met de grootste verwondering aan. + +—Die woorden verbazen mij zeer,—hernam hij eindelijk.—Onze kennismaking +is nog sinds kort, en in ons vroeger leven zijn wij nooit met elkaar in +aanraking geweest, hoe is het dus mogelijk dat ge van mij zulk een +gewichtige mededeeling kunt verwachten? + +—Stemt gij er in toe, naar mij te luisteren? + +—Zeker, wanneer ge maar wilt. + +—Dan liefst dadelijk. + +—Goed, ik zal luisteren. + +—Ja, maar niet hier; wat ik je te zeggen heb, is alleen voor jou +bestemd. + +—Mij wel! Volg mij dan in mijne kamer, tenzij ge liever wilt dat wij +ons naar de uwe begeven. + +—De plaats waar is mij tamelijk onverschillig, onder voorbehoud dat wij +maar alleen zijn. + +Montbars gelastte door een wenk aan Birbomono, om hun de besprokene +kamer te wijzen; daarna gingen die drie de zaal uit, en onder weg +fluisterde de mayordomo den jongen man toe: + +—Maar caballero! Wat gaat gij beginnen? + +—Op de eene of de andere manier moet er een eind aan komen,—gaf de +ander ten antwoord, met verwilderden blik.—Mijn toestand word +onverdraaglijk! + +Birbomono liet het hoofd op de borst zakken, zonder eenig antwoord te +geven. Na eenige treden een trap te zijn opgeloopen, deed de mayordomo +eene deur open, en bracht de beide heeren in een vrij goed gemeubileerd +vertrek. + +—Dit is uwe kamer,—zei hij tegen Montbars. + +—Goed. Ge kunt nu wel heengaan. + +De mayordomo vertrok en sloot de deur achter zich dicht. Het eerste +vertrek diende tot spreekkamer; de vrijbuiters vertoefden daar niet, +maar begaven zich naar het tweede dat een salon scheen te zijn. +Montbars nam plaats in een leunstoel en noodigde door een wenk den +jongen man uit dit eveneens te doen, doch Francoeur schudde ontkennend +het hoofd, en bleef staan. De stilte die daarna volgde duurde tamelijk +lang, en werd het eerst door Montbars verbroken. + +—Ik wacht op hetgeen gij mij te zeggen hebt!—zei hij. + +Francoeur sidderde, en hief haastig het hoofd op, dat tot op zijn borst +was gezonken. + +—Montbars,—begon hij langzaam en met sombere stem,—gij hebt den naam +iemand te zijn van wiens onversaagdheid geen wedergade wordt gevonden. + +—Wat!—liet Montbars hooren, één en al verbazing over de zonderlinge +inleiding waarmee dit gesprek werd aangevangen. + +—Ja,—hernam Francoeur,—gij gaat door voor iemand vol onversaagden moed, +in één woord voor een dier mannen die voor niets terugdeinzen, +hoogstens zich over iets verwonderen kunnen. + +—Dat alles is mogelijk,—gaf Montbars koeltjes ten antwoord,—maar wat +ter wereld heeft mijn meerdere of mindere moed uitstaande met die zoo +gewichtige opheldering, die je van mij verwacht? + +—Dat zal ik je zeggen, Montbars. Men heeft mij gezegd, dat gij sinds +gij op de Kust zijt, meer dan eens een tweegevecht hebt gehad, en het +duel tusschen boekaniers gaat meestal gepaard met doodelijken afloop. + +—Ter zake, mijnheer, ter zake, dat verzoek ik je dringend!—viel +Montbars uit, wiens toorn gaande werd gemaakt, en die gevoelde dat hij +zich niet lang meer zou kunnen beheerschen. + +—Altijd heeft het geluk u begunstigd, en gij zijt steeds ongedeerd +gebleven bij dergelijke ontmoetingen, niet waar? + +—Ligt het in uwe bedoeling mij te beleedigen?—klonk de driftige vraag. + +—Neen, mijnheer,—werd zacht, zelfs bijna weemoedig ten antwoord +gegeven.—Alleen verzoek ik u dringend mij te willen antwoorden. + +—Nu, dan! Ja, mijnheer! God heeft mij steeds beschermd, want altijd was +de zaak die ik voorstond, rechtvaardig! + +—God!—herhaalde Francoeur ten toppunt van verbazing.—Noemt gij den naam +van God, Montbars?! + +—Zeker, jong mensch! En waarom zou ik dat niet? Doch thans niet meer +daarover, en nog eens voeg ik u toe, ter zake! + +—Zoo zij het dan, Montbars! Ik verlang met je te vechten, en daar ook +ik het er voor houd, dat de zaak waarvoor ik strijd, heilig en +rechtvaardig is, hoop ik op mijn beurt, dat God mij beschermen en ik je +dooden zal. + +Montbars deinsde ontroerd terug. + +—Wat beduidt die comedie, mijnheer,—vroeg hij op hoogen toon,—of zijt +ge gek? + +—Ik ben niet gek, mijnheer, en speel evenmin comedie,—luidde het nu +meer rustig gegeven antwoord. + +—Dus beteekent dit werkelijk eene uitdaging? + +—Zeer stellig eene uitdaging! + +—Ge wilt mij dus dooden? + +—Dat hoop ik te doen. + +—Maar dat gaat zoo maar niet, voor zoo iets is geen naam te +vinden!—barstte Montbars los, en begon met groote stappen in de kamer +op en neer te loopen.—Gij kent mij te nauwernood en ik heb je nooit +eenig verdriet aangedaan, en nog veel minder u eenig onheil berokkend. + +—Zoudt gij dat denken? + +—Hoe! Of ik dat denk? Neen, ik ben er zeker van. + +—Dan vergist gij u zeer, mijnheer. Gij hebt mij zeer veel kwaad gedaan, +ja, zelfs mij een onherstelbare ramp toegebracht! + +—Ik! + +—Ja, gij, señor, gij zelf! + +—Kunt ge dat naar waarheid getuigen? + +—Dat verzeker ik u op mijn woord van eer. + +Montbars zweeg eenige oogenblikken, en bleef in gepeins; ten laatste +hernam hij: + +—Luister eens, hoe vreemd en zonderling het voorstel schijnt dat je mij +doet, ik neem het aan. + +—Daarvoor betuig ik je mijn dank. + +—Ja maar, hoor nog even. Ik neem het aan, dit herhaal ik, doch op ééne +voorwaarde. + +—Welke? + +—Dat ge mij vooraf zegt wie ge zijt, en welke de beweegredenen zijn, +die je nopen dus te handelen, en wie de lieden zijn die je daartoe +hebben aangezet. + +—Maar!! + +—Doe geen verdere pogingen! Dit besluit is onherroepelijk! + +—Maar toch... + +—Hoe nu! Ik moet bekennen, dat ik je meer dan dwaas begin te vinden! Ge +komt hier zonder de minste aanleiding twist met mij zoeken, en mij +rondweg zeggen dat ge verlangt mij te dooden, en dacht ge nu misschien +dat ik dit mij maar zoo dadelijk zou laten welgevallen. Maar waarde +heer, dat is nog erger dan louter onzin! Bedenk wel dat ik geen lust +heb te vechten met den eersten den besten, die het goed mocht vinden om +mij zonder grond of reden te beleedigen. Neen, neen, mijnheer, dat gaat +niet aan, reken er niet op dat ge mij noodzaken zult je voldoening te +geven, zelfs al waart ge laag genoeg mij eene van die beleedigingen aan +te doen, die alleen door bloed kunnen worden uitgewischt. Wees dus +gewaarschuwd, want ik verzeker je dat ik je bij het eerste gebaar of +bij het eerste woord, neerschiet als een dollen hond. Nu kent ge mijne +voorwaarden, en kunt spreken of zwijgen naar goedvinden, mij is dit +tamelijk onverschillig. + +—Welnu, mijnheer, dan zij het zoo! Daar gij er dus op aandringt zal ik +spreken! En toch, geloof mij, zou het wenschelijker voor u wezen indien +ik zweeg, want dan zou ten minste uwe eer onbezoedeld blijven. + +—Ik vermeen mijnheer, zelf de beste rechter te zijn, in alle zaken +waarbij mijne eer mocht gemoeid zijn. Spreek dus, zonder vrees en +zonder eenige terughouding. + +—Dat zal ik, doch beschuldig dan niemand anders dan je zelven over de +gevolgen die mijne woorden zullen veroorzaken. + +—Nog eens, en thans voor de laatste maal, herhaal ik je, dat ik van je +verlang eene ronde, openhartige en volkomen voldoende verklaring, en ik +voeg er bij, dat ik geen enkel oogenblik beducht ben voor de gevolgen +daarvan. + +—Ik zal dan aan je verlangen voldoen, en naar ik hoop zal er daarna +niet de minste aanleiding voor je overblijven tot een weigering om mij +voldoening te geven. + +—Te dien opzichte behoeft ge geen zorg te hebben, dit verzeker ik u op +mijn woord van eer. Maar nu verzoek ik u dringend er zonder verder +verwijl een begin meê te maken, want ronduit gezegd, begint het mij +verbazend te vervelen. + +De jonge man boog, nam plaats in een leunstoel, vlak over Montbars, en +maakte zich tot spreken gereed. + + + + + + + + +XIII. + +DE OPHELDERING. + + +Ondanks al de heftigheid van het voorgevallene, gevoelde Montbars toch +niet de minste verbittering jegens dat jonge mensch, hoewel hij er zich +zeer over verwonderde, dat hij zoo kalm was gebleven en zonder toorn. +Met de kin in de hand leunend op de armen van zijn stoel, keek hij met +eene mengeling van droefgeestigheid en medelijden, naar dien jongen man +vlak tegenover hem, naar Francoeur, door wiens edel en fraai gelaat met +den fieren blik hij reeds bij de eerste ontmoeting met onwederstaanbare +sympathie was aangetrokken; naar dienzelfden Francoeur, dien hij, +gedreven door het rampzalige noodlot, wellicht na eenige uren +genoodzaakt zou zijn te dooden, zoo hij niet onverbiddelijk door dezen +gedood wilde worden. Tal van gedachten kruisten door zijn brein en +dringend rees de vraag bij hem op, of hij den droevigen moed zou hebben +zulk een jeugdig bestaan te vernietigen, dan wel of het niet veel beter +zou wezen dat hijzelf het was, die bij dien mogelijken kampstrijd ten +onder werd gebracht? + +De jonge man bleef zijnerzijds nog een poosje nadenken, als om al zijne +herinneringen te ordenen, en begon toen te spreken, eerst zwak, zelfs +eenigszins bevende, doch van lieverlede met meer kracht, en kort +daarna, onder den invloed van het gevoel dat hem beheerschte, met vol +geluid en hartstochtelijke vervoering. + +—Montbars, het noodlot maakt ons als met ijzeren hand tot vijanden, en +toch zou ik er zoozeer de voorkeur aan gegeven hebben, om door u met +toegenegenheid te worden behandeld, want ronduit verklaar ik je, dat ik +ondanks al mijn streven om je innig te haten, mij met onweerstaanbare +kracht tot je voel aangetrokken. Misschien zou een ander dit gevoel +kunnen verklaren en ontleden, ik tracht er niet naar, maar ik weet dat +het bij mij bestaat, dat het mij beheerscht, schoon het mij tot nu +heeft doen terugdeinzen voor die opheldering, die slechts met den dood +van een van ons beiden kan eindigen. + +—Ook ik,—betuigde Montbars op weemoedigen toon,—gevoel dat ik je zou +hebben kunnen liefhebben, ja, werkelijk had ik je reeds lief, en zelfs +op dit oogenblik kan ik er niet toe komen je haat toe te dragen. + +—Doch ongelukkig genoeg, Montbars,—hernam de jonge man,—moeten wij die +zachtere gevoelens terugdrijven naar het diepste van ons gemoed om +slechts te luisteren naar de stem van den plicht, die onverbiddelijke +stem die mij thans gelast van je eene vreeselijke verantwoording te +eischen. Ik ben geen Franschman, zooals ten onrechte door je is +geloofd, zeker naar aanleiding van de gemakkelijkheid waarmede ik uwe +taal spreek, doch ik ben althans, ik geloof te zijn, een Spanjaard. + +—Gij een Spanjaard!—uitte Montbars op smartvollen toon. + +—Ja, Montbars. Vergun mij nu dat ik je de geschiedenis van mijn leven +mededeel, dit is noodzakelijk om verder goed door je begrepen te +worden, doch ik zal daarbij zoo kort mogelijk zijn, en mij er toe +bepalen je niet meer te zeggen, dan wat gij noodzakelijk moet weten. +Mijne ouders heb ik niet gekend, noch mijn vader, noch mijne moeder. + +—Arme jongen!—mompelde Montbars. + +—Ik ben opgevoed door een oom, de broeder van mijne moeder,—vervolgde +de jonge man.—Die oom had voor mij de grootste zorg; nauwlettend hield +hij het oog over mijne opvoeding, en door zijn toedoen kwam ik bij de +marine. + +—En ge zijt nu reeds, ondanks uw jeugdigen leeftijd, een uitstekend +zeeman geworden, daarvan kan ik getuigenis afleggen. + +—Ik heb de eer officier te zijn op de vloot van Zijne Katholieke +Majesteit. + +—Hoe! Wat! Maar van waar komt het dan dat... + +—Een beetje geduld, als ik je verzoeken mag,—viel de jonge man in.—Ik +heb je immers verzekerd dat gij alles zoudt vernemen? + +—Het is waar! Vervolg dus, en houd mij dien onverhoedschen uitval ten +goede. + +—Nu ongeveer zes maanden geleden was ik te Vera-Cruz, waar ik +verpoozing zocht van een lange en vermoeiende reis in Europa. Op een +goeden dag werd ik bij mijn oom ontboden, die, naar hij zei, mij zeer +gewichtige mededeelingen had te doen. Ik was dadelijk naar hem +toegegaan, zijn zoon was de eenige die het onderhoud bijwoonde, en toen +vernam ik de afgrijselijke geschiedenis van mijne familie. + +De jonge man hield op; een zucht, een snik ontwelde aan zijn borst, hij +verborg het hoofd in zijn handen en weende. Montbars gevoelde eerbied +voor dit betoon van smart, eene smart waarvoor hij misschien meer +medegevoel koesterde dan hem lief was. Eindelijk na enkele minuten +waarin de doodsche stilte slechts werd verbroken door de gesmoorde +snikken van Francoeur, hief hij op eens het hoofd op, keek den +vrijbuiter aan met koortsachtig brandende oogen, vol uitdrukking van +verbittering en doodelijken haat en barstte los: + +—Waartoe dient het nog langer je die vreeselijke geschiedenis te +vertellen. Gij kent die immers even goed als ik? Gij! Gij, de verleider +mijner moeder, die van wanhoop gestorven is met een vervloeking over je +op de lippen! Gij, de lafhartige moordenaar van mijn vader!! + +Bij deze ongehoorde beschuldiging, en verregaande beleediging was +Montbars plotseling opgesprongen, alsof een slang hem vervaarlijk had +gebeten. Zijn bleek gelaat was als door een lijkkleur overtogen, zijne +oogen waren als verduisterd door een bloedig waas en met door woede +vast op elkaar geknepen lippen, ontsnapte uit zijn keel een gebrul als +dat van een wild dier. Als een tijger sprong hij op den jongen man af, +wierp hem met al zijn kracht, nog vermeerderd door zijne woede op het +tapijt en zette hem de knie op de borst; terwijl hij hem met de +linkerhand de keel toekneep, trok hij met de rechter zijn dolk uit, +zwaaide die met woest gegrijns boven het hoofd van zijn slachtoffer en +beet hem met heesche stem toe:—Ellendeling, ge zult sterven! + +De jonge man zoo plotseling overweldigd door een aanval, volstrekt niet +door hem verwacht, deed geen enkele poging om te ontkomen aan de +krachtige hand, die hem gekluisterd hield; hij begreep dat iedere +wederstand nutteloos zou zijn, doch vestigde alleen een vasten blik op +zijn vijand, met eene zoo hoonende uitdrukking dat die niet te +beschrijven is; een glimlach vol verachting vertrok zijne door de +ontroering verbleekte lippen, en met luider stem beet hij driemaal +achtereen Montbars dit enkele woord toe: + +—Lafaard! Lafaard! Lafaard! + +Het was met den ongelukkigen jongen man gedaan, de onheilspellende +flikkering van het staal verduisterde zijn blik; geen menschelijke +macht scheen hem meer te kunnen redden, toen op eens een fijne, nette +hand, de hand eener vrouw, den arm van Montbars vatte, en tegelijk een +zachte doch smeekende stem, met een uitdrukking van smart zeide:—Zal +zóó door Montbars een kind dat weerloos aan zijn voeten ligt, worden +vermoord. + +De vrijbuiter keek op, zonder echter zijn vijand te bevrijden van de +drukkende knie op diens borst. De eigenares van het logement stond vlak +naast hem, bleek, bevende, geheel ontroerd, als een standbeeld van de +smart, schoon, ondanks hare tranen, als de Niobe der oudheid, en zag +hem aan met eene uitdrukking, zóó smeekend, zóó teeder, en toch zóó +onderworpen, dat geen schilder in staat zou zijn dit weer te geven. De +flibustier sloeg de oogen neder onder den machtigen blik van die zwakke +vrouw, die een magnetischen invloed op hem scheen uit te oefenen. + +—O!—die kreet uitte hij zacht en half snikkend. Toen was het alsof hij +de overmacht gevoelde van eene onbekende kracht, grooter dan de zijne; +hij stond langzaam op, stak den dolk weer in zijn gordel, deed een paar +passen achterwaarts om zijn vijand gelegenheid te geven eveneens op te +staan, sloeg de armen kruiselings over de borst, en bleef, met gefronst +voorhoofd, waarop het zweet zichtbaar was, en met somberen blik, en +kalme en waardige houding met opgeheven hoofd staan, als een leeuw, die +alles rustig afwacht. + +Zoodra de jonge man zich vrij gevoelde, sprong hij op, en stond in één +oogwenk weer ter been; maar eveneens beheerscht door het zoo +indrukwekkende als statige voorkomen van die vrouw bleef ook hij +onbeweeglijk staan, schoon bevende door woede, doch toch zonder naar +zijn degen of dolk te tasten. De vrouw, die zoo te juister tijd en als +door de Voorzienigheid geroepen, te voorschijn was gekomen om een moord +te verhoeden, die zonder hare onverwachte tusschenkomst, ongetwijfeld +onder haar dak zou bedreven zijn geworden, zag eenige oogenblikken met +de meeste aandacht naar de beide tegenstanders; daarna deed zij een +paar schreden vooruit en plaatste zich tusschen hen, als om eene +vernieuwing van den strijd te voorkomen. Toen wendde zij zich tot +Montbars en voegde hem toe: + +—Mijnheer, verblind door uwe onzinnige drift stond gij op het punt eene +afschuwelijke misdaad te begaan. + +—Dat is zoo, mevrouw,—gaf de vrijbuiter ten antwoord met zooveel +zachtaardigheid dat zijn vijand daarover versteld stond,—en dit zou ik +eeuwig berouwd hebben. Daarom betuig ik u mijne dank voor uwe +tusschenkomst. + +—Later zult gij mij nog inniger dank zeggen,—sprak zij met nauw +hoorbare stem. + +—Wat wilt gij daarmee zeggen, mevrouw? + +—Voor dit oogenblik niets,—hernam zij, waarna zij zich naar den jongen +man keerde en zei: + +—Mijnheer, de beleedigingen vernederen nog meer hem die ze uitspreekt, +dan hem tot wie die gericht worden. Vervolg nu, in plaats van u te +laten vervoeren door uw toorn, waartoe gij u gerechtigd waant, het +verhaal dat door u was begonnen op eenvoudige wijze, waardig u zelven +en hem die u aanhoort. Misschien zal er dan eenig licht dagen over deze +geheimzinnige geschiedenis, en zult gij tot het besef komen, dat gij +geen slachtoffer zijt, maar een werktuig dat dient tot de bevrediging +van den haat van een ander. + +Die woorden, met bijzonder overleg gekozen, gaven het jonge mensch veel +te denken, des te meer daar men tegen hem dien eigen dag bij de +bijeenkomst in de Groote Vlakte bijna diezelfde woorden had gebezigd; +hij gevoelde zich vernederd door dit soort van zedelijken dwang dien +men op hem scheen te willen toepassen; en dit had bij hem eene +verkeerde uitwerking, daar hij nu trachtte in verzet te komen tegen +zulk een eisch van onderdanigheid, waartoe hij ongezind was iemand het +recht te geven. + +—Mevrouw,—antwoordde hij op hoogst beleefden toon, die echter niet vrij +was van een lichten zweem van spot,—dank zij uwe edelmoedige +tusschenkomst heeft die man dáár, die mij onder zijn knie gekneld +hield, mij niet gedood; daarvoor betuig ik u zeer onderdanig mijn dank, +niet omdat ik zoozeer aan mijn leven gehecht ben, dan wel omdat de aan +mij opgedragen taak nog niet is vervuld; noch mijn vader, noch mijne +moeder is gewroken. Echter komt het mij voor dat de mij door u bewezene +dienst, waarvoor ik u eeuwig dankbaarheid ben verplicht, u echter geen +recht geeft u met mijn zaken in te laten, die, veroorloof mij u dit +onder het oog te brengen, mij alleen aangaan en waarin gij u dus niet +behoort te mengen. + +Een koele, snijdende, en minachtende glimlach vertrok even de lippen +van de dame. + +—Wat weet ge daarvan?—zeide zij.—Zie naar dien man dáár, zooals ge hem +zoo even hebt genoemd. Hij heeft mij herkend, daar ben ik zeker van, en +het recht dat gij mij betwist, wordt mij door hem in al zijne +uitgestrektheid toegekend. + +—Zoo is het, mevrouw,—erkende Montbars.—Hoewel sedert de laatste maal +dat wij elkaar ontmoet hebben jaren na jaren langzaam en droevig zijn +voorbijgegaan, heb ik u herkend, en gaarne erken ik dat uwe +tusschenkomst alleszins geoorloofd en rechtmatig is. + +—Welnu, als dit zoo is, dan zal ik die zaak als afgehandeld +beschouwen,—antwoordde het jonge mensch koel.—Overigens is het mij +tamelijk onverschillig of dit geheim al dan niet bewaard blijft. +Gedreven door nog een restje van hoffelijkheid tegen dien man dáár, heb +ik zijn eerloos gedrag niet voor ieders oog willen bloot leggen. Doch +gij eischt dat ik zal spreken, welnu dan zal ik dit doen. + +—Doe dit, mijnheer, en misschien zal dan, even als mevrouw u reeds +heeft gezegd, spoedig aan ons blijken op wien de schuld moet vallen van +die verregaande eerloosheid, waarover je op zulk een hoogen toon +spreekt. + +—Wat heeft uw zoogenaamde oom,—vroeg daarop de dame, toen hij met zijn +ontzettende mededeelingen ten einde was,—u gelast. + +—Mijn zoogenaamde oom mevrouw!—viel de jonge man heftig uit. + +—Ja, mijnheer, uw zoogenaamden oom! Dat houd ik vol, ten minste tot het +tegendeel daarvan bewezen is. + +—Doch hoe kunt gij iets van die gansche geschiedenis weten, daar ik er +nooit één enkel woord over gerept heb? + +—Doordat ik straks, hier achter de deur verborgen, alles gehoord heb. + +—O! Hebt gij zóó gespionneerd! + +—Ja! En daardoor uw leven behouden! + +Hij boog het hoofd; nogmaals gevoelde hij zich overwonnen, en erkende +de nutteloosheid van verder verzet. + +—Ik ben,—vervolgde hij, terwijl hij thans tot het besluit kwam alles +openhartig te vertellen,—zooals ik u reeds gezegd heb, officier bij de +Spaansche marine; op last van mijn oom heb ik mijn ontslag ingediend en +verkregen, en heb mij toen als matroos doen aanmonsteren op een schip +van flibustiers. + +Montbars huiverde.—Met welk doel?—vroeg hij. + +—Met het doel om geheel op de hoogte te komen van uwe strijdkrachten, +van al uwe hulpmiddelen en van uwe gansche organisatie, in één woord om +je daardoor te kunnen overwinnen en voor goed en voor altijd al die +zeeschuimers-schuilhoeken te vernietigen, die schandvlekken voor de +menschheid zijn. + +—Of met andere woorden,—sprak Montbars met snijdenden spot,—uw oom +heeft onder het schoonschijnende voorwendsel van eene ingebeelde +wraakneming een spion van je gemaakt! Ik moet zeggen dat is een zeer +waardige rol voor een Castiliaansch edelman! + +—Mijnheer!—viel de ander heftig uit. Doch dadelijk daarna beheerschte +hij zich en vervolgde:—Een spion! Nu goed, laat dit zoo zijn, doch in +mijne oogen was de rol, die ik moest spelen, niet zoo laag, het doel +dat ik beoogde veredelde in mijn oogen althans wat die in de oogen van +het algemeen verachtelijks moet hebben. + +—Een drogreden is geen verontschuldiging, mijnheer!—gaf Montbars koel +ten antwoord.—Doch het doel waarvan gij gewag maakt, is toch niet het +eenige dat door je werd beoogd? + +—Dat is zoo, ik had een nog veel heiliger plicht te vervullen, ik moest +den verleider mijner moeder, den moordenaar van mijn vader, ontdekken, +en mij op hem wreken. + +—Zeker door hem te vermoorden?—vroeg Montbars ironisch. + +—Neen, door mij van hem meester te maken, en hem als een dief en +moordenaar te laten ophangen. + +—Ellendeling!—bulderde Montbars.—Dus bekent ge je verraad? + +—Ik beken wat door mij verricht is, en op dat alles ben ik trotsch. + +—Gij zijt het dus die in de laatste maanden al onze plannen aan de +Spanjaarden hebt verklapt? + +—Ja, dat ben ik! + +—Ongelukkige! Weet ge dan niet dat de straf die je wacht, ontzettend +is? + +—Dat weet en wist ik zeer goed,—luidde eenvoudig het antwoord. + +—En beeft ge niet bij die gedachte? + +—Waarom zou ik dat? Toen ik de taak op mij nam, die ik moest vervullen, +wist ik welk lot mij stond te wachten indien ik ontdekt werd, en ik heb +bij voorbaat al de kansen die voor en tegen mij waren goed berekend. +Toch heb ik tegen u dit gewaagde spel aangevangen waarbij mijn hoofd +tot inzet diende. Ik vertrouwde dat God met mij zou zijn, daar de zaak, +die ik wilde bevorderen, billijk en rechtvaardig is. God heeft mij +verlaten, het zij zoo! Ik onderwerp mij aan Zijn ondoorgrondelijken +wil, zonder murmureering, maar ook zonder zwakheid. Ik ben in uwe +macht, doe met mij wat je goed dunkt. Ik heb het spel verloren, en zal +den inzet weten te betalen. + +—Ja,—hernam Montbars vergramd, doch op ijskouden toon,—heden nog zult +gij uw verdiende straf ondergaan. + +—Houd op!—sprak de dame, en strekte haar arm uit, als om Montbars terug +te houden.—Zwijg nu, en wacht nog enkele minuten. Dat jonge mensch +heeft alles nog niet gezegd. + +—Hoe! Heeft hij alles nog niet gezegd? + +—Hij heeft nog verzuimd ons zijn naam op te geven, dan eerst kunnen wij +er zeker van zijn dat hij waarlijk een edelman is, zooals hij +voorgeeft. Misschien is hij niet anders dan een laaghartige spion, een +ellendeling van lagen stand die alleen ter wille van het geld met onze +vijanden gemeene zaak heeft gemaakt. + +Terwijl zij dit zei had de dame een zonderlingen blik met Montbars +gewisseld, die door hem toestemmend was beantwoord. + +—Zoo!—liet de jonge man hooren, met eenigszins triomfeerenden lach.—Dat +had ik verwacht! Maar ge zult bedrogen uitkomen als ge daarop rekent. +Sterven moet ik en zal ik, doch gij zult niet weten wien door je ter +dood wordt gebracht. + +Teleurgesteld maakte Montbars driftig een gebaar, doch werd weer +tegengehouden door de dame, die hernam: + +—Weer bedriegt ge u, want al zijn wij nu nog niet bekend met uw naam, +toch behoeft het ons niet veel moeite te kosten om dien te weten te +komen. + +—Daar twijfel ik hard aan!—luidde het tartende antwoord. + +—Dwaas kind!—voegde zij hem toe, op medelijdenden toon.—Dwaas kind! Ge +waant u sterk, omdat ge u vast besloten en eerlijk gevoelt, en toch +zijt ge niets meer dan de speelbal van hen die u omringen!... + +—Mevrouw!—viel hij uit. + +—Luister maar,—vervolgde zij en deed of zij dien uitroep niet had +gehoord.—Mijn pandeling Birbomono, heeft u een brief ter hand gesteld, +waarin ge werd uitgenoodigd tot eene samenkomst; dezen morgen zijt ge +daarheen geweest, naar de Groote Vlakte, aan den oever van den +Artibonite, niet verder dan drie uren van hier. Dáár hebt ge langer dan +een uur gesproken met iemand, gekleed als boekanier, die u omarmt en +als neef begroet en behandelt, en zijt ge nu onnoozel genoeg om te +gelooven, dat wij, voor wie het van zooveel belang is van alles wat +hier voorvalt op de hoogte te zijn, dat wij zeg ik dien man niet zouden +kennen? + +—Zeker geloof ik dat, zeker zóó onnoozel ben ik, want als gij wist wie +die man is, dan zou hij nu uw gevangene zijn, of ten minste gij zoudt +getracht hebben u van hem meester te maken. + +—Weer dwaalt gij, mijnheer! Wij kennen dien man zeer goed, en toch +laten wij hem vrij, want schoon hij Spanjaard is draagt die man ons +geen kwaad hart toe, en zelfs heeft hij ons meer dan eens groote +diensten bewezen. + +—En zijn naam? + +—Zijn naam? Daar ge wilt dat ik dien zal noemen, zult ge hem hooren. +Hij heet don Sancho de Penaflor, en is namens den Koning van Spanje, +Gouverneur over het eiland Hispaniola. + +—Don Sancho de Penaflor!—riep Montbars, en sprong op van verrassing.—O! +Nu is alles mij opgehelderd! + +—Misschien!—werd veelbeteekenend door de dame aangemerkt.—Er begint ten +minste eenig licht in de duisternis te komen, doch laten wij ons niet +verheugen eer het volle dag is. + +De jonge man gevoelde zich als verpletterd, en liet zich droefgeestig +ontvallen:—O! Groote God! + +—Don Sancho hier!—zei Montbars.—Wist ge dit donna Clara? + +—Dit moest ik immers weten?—zeide zij eenvoudig. + +—Dat is zoo!—erkende hij opgewonden.—Bij den hemel! Wat daarvan ook de +gevolgen voor mij moge wezen, zien wil ik en zal ik hem! + +Donna Clara was den jongen man meer genaderd en zei tegen hem: + +—Gij houdt veel van don Sancho en ook hij houdt van u. Zoo ge zijn raad +had gevolgd, zoudt ge wellicht niet in den toestand zijn waarin ge +thans verkeert; doch wat geschied is, is geschied, en het is nutteloos +daarop nu weer terug te komen. Luister nu naar mij. De hertog de +Penaflor heeft u gezegd, dat Montbars uwe moeder verleid en uw vader +vermoord heeft. Zoo is het immers? + +—Ja,—stamelde de jonge man, overweldigd door al zijn leed. + +—O!—barstte Montbars los.—Dat is weer juist iets voor dien +onverbiddelijken man! Daarin herken ik hem geheel! Uw naam, +jongman,—liet hij er gebiedend op volgen. + +—Don Gusman de Tudela,—luidde het antwoord, gegeven zonder verdere +aarzeling. + +—Welnu! Gij don Gusman de Tudela, geef mij uw woord van eer, dat gij +geenerlei poging zult doen om te ontvluchten. + +—Dat geef ik je, Montbars,—gaf hij openhartig ten antwoord. + +—Goed ik neem het aan. Birbomono zal met je naar Sint-Domingo +vertrekken. Ge hebt zeker de noodige middelen om ieder oogenblik en +zonder eenig gevaar in de hoofdstad van het eiland door te dringen, +niet waar? + +—Ja, die middelen bezit ik. + +—Best! Dan gaat gij daar aan don Sancho mededeeling doen van het +vreeselijke tooneel dat tusschen ons heeft plaats gegrepen en van alles +wat tusschen ons is gesproken zonder tittel of jota te vergeten. + +—Dat zal ik doen. + +—Tevens moet gij don Sancho bezweren bij wat hem het heiligste ter +wereld is, je te zeggen, of ik schuldig ben aan de misdaden, waarvan de +hertog de Penaflor, zijn vader, mij tegenover jou beticht heeft. Zoo +daarop een bevestigend antwoord volgt, kom dan terug en gij zult mij +bereid vinden je alle eerherstellingen en iedere voldoening te geven, +die gij van mij eischen zult. + +—Zijt gij daartoe bereid?—viel de ander in op verrukten toon. + +—Daarop verpand ik mijn woord van eer,—gaf Montbars plechtig ten +antwoord,—maar mocht don Sancho je daarentegen zeggen, dat ik niet +alleen onschuldig ben aan die misdaden, maar zelfs meer dan twintig +jaren vervolgd wordt door eene even onverzoenlijken als +onrechtvaardigen haat, wat zal je dan doen? Antwoord mij daarop? + +—Wat ik dan zal doen? + +—Ja, dit verlang ik te weten. + +—Dan verpand ik op mijn beurt mijn woord van eer, dat ik, als hij mij +dit zegt, mij in je handen zal overleveren, om met mij geheel naar uw +goeddunken te handelen. + +—Ik houd je aan uw woord. Ga, mijn vriend, want ondanks alles wil ik je +nog zóó blijven noemen. Ga, het is nu nog niet veel later dan drie +uren; als ge zonder talmen vertrekt kunt ge vóór zonsopgang in +Sint-Domingo wezen.—Daarop wendde hij zich tot donna Clara en vroeg op +onbeschrijfelijk goedhartigen toon:—Is het zóó naar uw verlangen +geschikt, mevrouw? + +—O!—kreet zij terwijl zij, uitbarstende in gesnik, aan zijne voeten +knielde.—Ge handelt grootsch en edel zooals altijd! + +Montbars hief haar met vriendelijken glimlach op, en fluisterde haar +bemoedigend toe:—Houd moed arme vrouw, blijf hoop koesteren, arme +moeder! + +Een uur later verliet don Gusman, vergezeld door Birbomono, +Port-de-Paix, en zette het in galop op den weg naar Sint-Domingo. + + + + + + + + +XIV. + +EEN DINER BIJ DEN HEER D’OGERON. + + +Na een lang onderhoud met donna Clara, (een onderhoud dat zelfs geheim +bleef voor Birbomono, die toch reeds sinds jaren het volle vertrouwen +zijner meesteres genoot) verliet Montbars het logement en begaf hij +zich naar de woning van den heer d’Ogeron, om dáár, volgens zijne +belofte, te gaan dineeren. + +Reeds meermalen hebben wij gezegd dat de Broeders der Kust den +gouverneur hooge achting toedroegen, dat zij tevens zeer op hem waren +gesteld, doch tegelijk groot ontzag voor hem koesterden. Zijn huis +stond bekend als het aangenaamste van de gansche kolonie en ieder wist +dat men daar uitstekend werd onthaald, en er steeds een uitgekozen +gezelschap vond. De heer d’Ogeron, een edelman nog van het oude ras, +wist in alle opzichten de eer van zijn huis op te houden, doch had +daarenboven een bijzonderen tact om aan zijne tafel menschen te +vereenigen in staat om elkaar goed te verstaan en wederkeerig naar +waarde te schatten, iets wat waarlijk geen geringe taak mocht heeten in +een land waar de bevolking grootendeels bestond uit ruwe, eerlooze +lieden, ware schipbreukelingen van de Europeesche beschaving, wier +gemoedsaard zoo wederspannig was, dat zij niet dan hoogst onwillig +bogen onder het lichtste juk, dat men hun wilde opleggen. + +Overigens was de verhouding van den heer d’Ogeron daar ter plaatse zeer +zonderling, want hij bevond zich te midden van lieden, die zijn titel +van Gouverneur des Konings, tenauwernood schoorvoetend verdroegen, dan +wel inderdaad erkenden, en ieder oogenblik gereed waren tegen de +onbeduidendste zijner beschikkingen in verzet te komen. De oude edelman +had dus groote behoefte aan al zijne energie en zijne groote bekendheid +met de gewoonten en manieren der vrijbuiters, onder wie hij jaren lang +geleefd en met wie hij vroeger menige kruistocht meegemaakt had, om +zich in zijne betrekking te Port-de-Paix goed te handhaven en de +gewichtige belangen, die de Koning aan hem had toevertrouwd, niet in +gevaar te brengen. + +Montbars werd met de uiterste hoffelijkheid door den heer d’Ogeron +ontvangen, en vond dáár reeds vereenigd de meest in naam zijnde +aanvoerders der flibustiers, die allen zeer verlangden hem te +begroeten, zich hadden beijverd om haastig na de noodiging bij den +Gouverneur ter maaltijd te komen. Hoe goed ook het geheim in acht mocht +genomen zijn, toch kenden de oude vrijbuiters, die reeds zoolang de +metgezellen van Montbars waren, den vermaardsten hunner te goed, (hem +met zijne uitstekende begaafdheden en zijn ingekankerden haat tegen de +Spanjaarden), om niet te vermoeden dat zijne zoo langdurige +afwezendheid van het Schildpaddeneiland in verband moest staan met +buitengewone plannen, om er bijna zeker van te zijn dat de +ongeëvenaarde aanvoerder voor den dag zou komen met het voorstel tot +eene expeditie, zóó als alleen door hem kon worden bedacht, en waarvan +de uitvoering spoed zou vereischen. + +Nu waren reeds sinds lang al de tochten der flibustiers tamelijk slecht +afgeloopen; al hunne plannen, zelfs de best beraamde, hadden schipbreuk +geleden zonder dat men precies kon uitmaken wat daarvan de oorzaak was; +steeds vonden zij de vijanden, die zij op het onverwachts meenden te +overvallen, bijzonder op hunne hoede, en kwamen zij van hunne +kruistochten terug, met schepen, door de kogels der Spanjaarden lek +geschoten, en equipages die door het Spaansche schroot sterk gedund +waren. + +Voor de flibustiers, gewoon om met volle handen het geld te verkwisten +dat zij bij hunne rooftochten buit maakten, was zuinigheid een woord +dat niet bestond, zoodat er nu onder hen groote geldschaarschte +heerschte; zij kregen, zooals zij dit uitdrukten, grooten honger, en +het was dus hoog tijd dat hun een extra buitenkansje ten deel viel. +Geen wonder dus dat Montbars door hen werd ontvangen met daverende +toejuiching, en ieder zich haastte om hem de hand tot verwelkoming toe +te steken. + +Het diner verliep zeer behoorlijk onder vriendschappelijk gekout +tusschen den heer d’Ogeron en zijne gasten, doch, tegen zijne gewoonte, +moedigde de gouverneur hen niet aan om de glazen te ledigen. Montbars +was stil en teruggetrokken en antwoordde meestal niet dan zeer +onvoldoende op de vragen die men hem deed. Naar het scheen peinsde hij +aanhoudend over iets; hij at genoegzaam niets en vergat telkens zijn +glas dat bijna onaangeroerd voor hem stond. + +Dat alles werd herhaaldelijk en door al de Broeders der Kust opgemerkt, +en was voor hen eene nieuwe aanleiding om te vermoeden dat in het brein +van hun vermaarden aanvoerder het plan broeide tot het doen van een +grootsche onderneming; stilzwijgend verheugden zij zich daarover, maar +tegelijk vermeerderde hun ongeduldig verlangen, dat hij hun daarvan +mededeeling zou doen. Toen het dessert was opgezet, gaf de heer +d’Ogeron een wenk, waarna de bedienden zich dadelijk verwijderden en de +deuren achter zich toetrokken. De gasten bleven nu onder elkaar. Zij +waren tien in getal, met inbegrip van den gouverneur. In de eerste +plaats Montbars; dan Philippe d’Ogeron, de neef van den gouverneur; +Pierre Legrand; de ridder de Grammont; de Olonner, de vroegere +pandeling van Montbars, die zooals hij zelf hem vroeger had voorspeld, +een der geduchtste flibustiers van Tortue was geworden; kapitein Drack; +de Poleter en Morgan de Engelschman, die pas terug was gekomen uit +Jamaïca, waar hij langen tijd had vertoefd, en de Mooie Laurent [10]. + +—Heeren,—zei daarop de heer d’Ogeron,—daar staan likeuren, pijpen, +tabak en sigaren, weest zoo goed daarvan gebruik te maken. + +Ieder stak de hand uit en greep naar welgevallen pijp of sigaar. De +Gouverneur stond op, liep een paar keeren door de zaal en deed toen de +deuren open, waarop men in de gang op eenige passen afstand Luiwammes, +Tributor, Michel de Baskiër en Pitrians in het oog kreeg, die daar op +stoelen gezeten en zwaar dampten. + +—Gij ziet,—vervolgde de gouverneur, terwijl hij zijn plaats aan tafel +weer bezette,—dat wij onder goede hoede zijn, en ten minste dezen keer +in alle gerustheid over onze zaken kunnen spreken, zonder vrees dat +onze woorden in verkeerde ooren zullen vallen. + +De vrijbuiters juichten de genomene voorzorg zeer toe, te meer daar die +hun voorspelde dat er eene ernstige beraadslaging zou plaats grijpen, +waarbij zij veel belangrijks hoopten te vernemen. + +—Maar toch,—hernam de gouverneur,—raad ik je aan niet al te luid te +spreken, want de muren zijn niet bijzonder dik, en wie weet hoeveel +spionnen daar buiten als luistervinken rondfladderen! + +Montbars greep een flesch die vóór hem stond, schonk zijn glas +boordevol, zonder er op te letten welke likeur het was, en dat zeer +sterke rum bleek te zijn, en hief het in de hoogte: + +—Broeders,—dus begon hij,—ik drink op eene expeditie roemrijker dan er +ooit eene door de flibustiers ondernomen is, eene expeditie die wij +gezamenlijk zullen maken, zoo gij mij waardig keurt over jelui het +bevel te voeren. Ik drink op onze wraak op de gavachos! Doet mij +bescheid! + +Na die woorden bracht hij het glas aan zijne lippen, en ledigde het in +één teug tot op den laatsten droppel. + +—Op onze wraak op de gavachos!—riepen al de vrijbuiters en volgden zijn +voorbeeld, door de glazen in één teug te ledigen. + +—Ei, ei!—liet Pierre Legrand hooren.—Het schijnt dat er iets aan de +hand is. + +—Dat is immers altijd het geval als Montbars er bij is?—merkte de +Olonner aan, die zich vergenoegd in de handen wreef. + +—Goddam!—vloekte Morgan,—ik geloof goed te hebben gedaan met hier terug +te komen. + +—Heeren,—sprak de Gouverneur,—Montbars vraagt het woord, ik verzoek je +naar hem te luisteren. + +—Te meer omdat dit zeer waarschijnlijk wel der moeite waard zal +zijn,—voegde de Poleter op lustigen toon er bij. + +—Stilte! Luisteren! Stilte!—riepen de meesten. + +In één oogwenk heerschte de diepste stilte. + +—Broeders,—hernam Montbars,—ik moet beginnen met je mijne dank te +betuigen voor de blijken van sympathie mij door je betoond ter +gelegenheid van mijne terugkomst in uw midden, ofschoon het voor den +eersten keer is dat die terugkomst geschiedt zonder dat een enkel prijs +gemaakt schip door mij op sleeptouw werd aangebracht en zonder dat gij +een enkelen gavacho aan de raas van mijn schip hebt kunnen zien hangen. +Die schijnbare verandering heeft je zeker te denken gegeven, en +misschien is daarvan de slotsom geweest dat door je vermoed wordt, dat +ik van groote plannen zwanger ga. Welnu kameraden, als dat het geval +is, dan hebt gij je daarin niet bedrogen. Mijne plannen zijn groot, +zelfs zoo groot dat ik die bijna aan mij zelf niet durf bekennen, +ofschoon ik reeds meer dan twee maanden dag en nacht aan niets anders +heb gedacht, en herhaaldelijk al de kansen, die er voor of tegen +pleiten nauwgezet heb overwogen. + +Bij eene dergelijke inleiding werd de aandacht der vrijbuiters nog +vermeerderd, zoodat men bij de ademlooze stilte gemakkelijk zelfs het +gonzen van een muskiet zou gehoord hebben, ondanks dat er tien personen +in de zaal bijeen waren. + +—Ik wil,—vervolgde Montbars met zijn duidelijke en zoo klankvolle stem, +terwijl hij op die woorden drukte,—versta mij wel, ik wil op de +Spanjaarden zulk eene schitterende wraak nemen, dat honderd jaren later +de herinnering daaraan nog zoo levendig zal bestaan, dat hunne +kleinkinderen beven zullen zoo zij slechts den naam hooren van de +Broeders der Kust! Gedurende mijn afwezigheid is er onder u veel +voorgevallen; verscheidene onzer broeders, en daaronder menigeen die +hoog stond aangeschreven, zijn verraden en verkocht door spionnen die +zich onder ons genesteld hebben, en achter onze geheimste +beraadslagingen gekomen zijn; die broeders zijn gevallen en strikken en +hinderlagen waar zij een eerloozen dood hebben ondergaan, want in het +oog der gavachos zijn wij niets dan ladrones, en als zoodanig worden +wij door hen behandeld. Die broeders zullen op roemvolle wijze door ons +worden gewroken, dit zweer ik u! Iedere druppel van hun bloed zal +betaald worden, door stroomen bloed van onze vijanden! + +Ondanks de aanbeveling van den heer d’Ogeron werd die toespraak +afgebroken door daverende kreten van bijval; door hun haat tegen de +Spanjaarden op te roepen, had de spreker de gevoeligste snaar zijner +toehoorders aangevoerd, en was er in geslaagd hun een onbeperkt +vertrouwen in te boezemen. + +Zoodra de stilte hersteld was, vervolgde Montbars: + +—En voor ditmaal is er bij mij geen spraak van eene gewone expeditie. +Nu denk ik er niet over om op avontuur te gaan kruisen, neen! Wat ik nu +bedoel, wat ik nu verlang dat is de oorlog, en een oorlog zonder +genade. Wilt gij mij volgen? + +—Ja, ja!—luidde de kreet, als met één stem. + +—Tot naar de hel, als het moet!—voegde de Olonner er bij. + +Philippe, de eenige die wist welk doel Montbars beoogde, drukte zijn +hand tegen zijn hart als om het minder snel te doen kloppen doch kon er +slechts met moeite in slagen om zijne vreugde te verbergen; want het +gevolg van het goede succes der expeditie was voor hem, de vereeniging +met donna Juana, en het overige liet hem koel. + +—Wij vertrekken dus gezamenlijk broeders, doch ieder behoudt het gezag +over zijn eigen schip. + +—Maar wij zijn slechts met ons negen,—werd door Pierre Legrand in het +midden gebracht. + +—Daarin vergist ge u, broeder, ons getal zal veertien bedragen. + +—Dan maken wij een vloot uit,—merkte Morgan onverschillig aan. + +—Zoo is het, broeder,—stemde Montbars eenvoudig toe,—eene vloot waarvan +gij, zoo ge dit begeert, de vice-admiraal zult zijn. + +—Zoo ik dit begeer? Goddam, twijfelt ge daar nog aan?—viel de ander +uit, en sprong op alsof hij een schot kreeg. + +—Dan blijft dit bepaald en afgesproken, broeder!—sprak Montbars, en +drukte hem de hand. Daarna vervolgde hij: + +—Doch, broeders, daar het verraad ons van alle kanten omringt, en de +Spaansche spionnen steeds op de loer liggen, eisch ik van uwe zijde het +onbepaaldste vertrouwen, met andere woorden, ik verg van u dat gij mij +in het bezit laat van mijn geheim tot het oogenblik zal gekomen zijn, +waarop ik het noodig acht je mijn plan geheel en al te ontvouwen. En +dan, wees daar zeker van, dan zult gij allen versteld staan over het +grootsche van het doel waartoe ik je uitnoodig. Neemt gij dit aan? + +—Wij nemen het aan!—werd weder als in koor geantwoord. + +Montbars gevoelde zich gestreeld door zulk eene onvoorwaardelijke +toestemming, die hem opnieuw tot bewijs verstrekte van den grooten +invloed dien hij op zijne kameraden bezat. + +—Ik moet er nog bijvoegen,—sprak daarop de heer d’Ogeron,—dat Montbars +al zijne plannen aan mij ontwikkeld en daarover met mij beraadslaagd +heeft, en tevens dat ik daarmeê zoo volkomen instem, dat ik het eene +groote eer zou achten mij persoonlijk bij de expeditie aan te sluiten, +indien mijne betrekking mij niet verplichtte hier te blijven. + +De verzekering hun door den gouverneur gegeven, behoefden de +flibustiers niet, want zij waren reeds genoegzaam overtuigd dat de zaak +die Montbars op het oog had evenzeer zou voldoen aan hunnen dorst naar +wraak als aan hun verlangen naar voordeel; echter werd toch hunne +opgewondenheid nog grooter na die verklaring van een man die door hen +allen zoozeer werd geacht, en hun door zijne vroegere heldendaden +zooveel vertrouwen inboezemde; zij werden dus des te meer bevestigd in +het genomen besluit om blindelings het fortuin van den vermaardsten +vrijbuiter te deelen. + +—Luistert nu goed toe, broeders,—vervolgde Montbars,—want ik wensch nog +iets te zeggen over het materieel onzer expeditie. + +Weer luisterde men ernstig en aandachtig. + +—De heer d’Ogeron heeft te mijner beschikking gesteld zeven schepen, +die hier moeten worden uitgerust en onder het gezag gesteld van +Luiwammes, Michel de Baskiër, den Olonner, den ridder de Grammont, den +Poleter, Drack en Pitrians. Zeven anderen zullen worden aangekocht te +Leogana en Port-Margot, en komen onder bevel van Pierre Legrand, +Philippe d’Ogeron, David, de Mooie Laurent, Morgan, Barthélemy en Roc +de Braziliaan. Morgan wordt vice-admiraal van de vloot en voert zijn +vlag op het grootste en zwaarst bewapende schip. Om bij de spionnen +geen achterdocht op te wekken moeten de schepen zeer in het geheim +worden uitgerust, hetzij aan de kleine of de groote Goava, hetzij te +Leogana. Ieder schip dat geheel gereed is, behoort onmiddellijk onder +zeil te gaan en zee te kiezen, om het overige van de vloot af te +wachten op eene plaats die te gelegener tijd door mij zal worden +aangeduid, want, daar het plan van dezen tocht van mij is uitgegaan, +acht ik het billijk, dat ik mij het opperbevel daarover voorbehoud. + +Hier viel de heer d’Ogeron den spreker in de rede, daar hij als +Gouverneur geen enkele gelegenheid ooit liet voorbijgaan, om zijn gezag +te bevestigen. + +—Dat is zóó billijk,—sprak hij,—dat ik uit naam des Konings, uw meester +en den mijnen, de benoemingen door u, Montbars gedaan, bekrachtig. Ik +zal de eer hebben zoowel al de officieren als aan u zelven, in het +bezit te stellen van de aanstellingen die Zijne Majesteit mij +gemachtigd heeft uittereiken. + +De vrijbuiters betuigden aan den Gouverneur hun warmen dank voor die +gunstige beschikking, buiten welke zij het toch zeer goed hadden kunnen +stellen, daar de geldigheid hunner benoeming ook zonder die +bekrachtiging onbetwistbaar bleef, doch opnieuw strekt dit ten bewijze +dat de menschen, hoe en waar ook geplaatst overal en te allen tijde +dezelfde zijn, en een stuk perkament uitgevaardigd in naam van een +Souverein, in hunne oogen steeds iets van groote beteekenis is, zelfs +al wordt door hen diens gezag niet ten volle erkend. + +De heer d’Ogeron, zeer voldaan over de manier waarop zijn aanbod was +ontvangen, gaf een wenk aan Montbars om zijn toespraak te vervolgen. + +—Zorgt er vooral goed voor,—hernam deze daarop,—dat gij iedere +onbescheidene vraag van de zijde uwer equipage voorkomt, en daarom zal +het, mijns inziens, goed zijn dat de aanwerving uitsluitend geschiedt +aan boord. Dáár moet dan ook, zoodra een matroos zich verbindt, de +monsterrol worden geteekend, en hem gelast worden aan boord te blijven. + +—Hoe groot moet de bemanning van ieder schip zijn?—vroeg Morgan. + +—Minstens honderdvijftig, en hoogstens twee honderd. + +—Drommels!—viel Pierre Legrand uit.—Dat is zoo goed als een heel leger! + +—Dat moet het ook zijn, want hoogstwaarschijnlijk zullen wij eene +landing doen. Zijn wij dan ook eenmaal onder zeil, ver buiten het +gezicht en gehoor der spionnen, dan zal ieder gezagvoerder een +landingsafdeeling formeeren van tachtig uitgelezen manschappen. + +—Ei, ei!—deed Roc de Braziliaan hooren.—Elf honderd man +landingstroepen! Moeten wij er misschien op uit zooals vroeger Cortez, +en gaan wij Mexico veroveren? + +—Wie weet!—zei Montbars glimlachend. + +—Caramba! zoo als die schelmachtige gavachos zeggen, dat zou een kolfje +naar mijn hand zijn, en hoe denkt gij daarover, broeders? + +—Zeker zou dit eene zeer voordeelige zaak wezen, als er kans was dat +zij gelukte,—meende de Poleter op ernstigen toon te moeten opmerken. + +—Op mijn eer!—verklaarde de ridder de Grammont,—Montbars blijft toch +altijd dezelfde! Het is een lust om met hem er op uit te gaan en men +kan er altijd op rekenen, dat hij ons de eene of andere verrassing +bereidt. + +—Maar broeders,—voegde Montbars er nog bij,—denkt er vooral aan bij de +aanmonstering, hoezeer het eene hoofdvereischte is, dat de wapens en +het kruit van ieder man in behoorlijken staat zijn. + +—Laat die zorg daarover gerust aan mij over,—verzekerde Morgan—daarop +zal ik nauwlettend toezicht houden. + +—En nu, broeders, heb ik niets meer te zeggen. Ik reken er op dat gij +niet alleen flink en ferm, maar vooral met den meesten spoed in alles +te werk zult gaan, want hoe eer wij kunnen vertrekken hoe beter de kans +tot slagen voor ons zal wezen. + +—Hoe veel tijd staat gij ons toe voor de gansche uitrusting? + +—Een week; dat is lang genoeg. + +—Binnen een week zullen wij gereed zijn. + +—Thans heb ik er slechts dit nog bij te voegen, broeders. Om de +spionnen zooveel mogelijk van het spoor te brengen, moet het den schijn +hebben alsof ik niets met de expeditie heb uit te staan, en mij +daarmede volstrekt niet bemoei; dus moeten alleen Morgan, Philippe en +Luiwammes van tijd tot tijd bij mij komen, om mij van alles op de +hoogte te houden. En nu broeders, het is tijd om onze bijeenkomst te +sluiten, ik ga heen, en laten wij dit ieder afzonderlijk doen, en ieder +zijn eigen weg volgen. Vaartwel! + +—En, heeren, houd uwe aanstellingen in gedachte, overmorgen zullen die +te uwer beschikking zijn!—werd hun ter herinnering door den Gouverneur +toegevoegd. + +Montbars vertrok, de overigen lieten niet na zijn voorbeeld te volgen, +en de heer d’Ogeron bleef alleen achter. + +—Wat zou men met zulke lieden niet kunnen uitvoeren, indien er slechts +mogelijkheid was hen te temmen!—sprak hij in zichzelf.—Maar, bij den +hemel! hoe zwaar die taak moge wezen, toch zal ik die beproeven, en, +met Gods hulp, twijfel ik er niet aan of die zal mij gelukken. + + + + + + + + +XV. + +DE MARKIES DON SANCHO DE PENAFLOR + + +Verscheidene dagen waren verloopen; noch don Gusman, noch Birbomono +waren te Port-de-Paix teruggekomen. Montbars wist niet waaraan zulk +eene lange afwezendheid kon worden toegeschreven; hij werd door een +ongerustheid, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven, gekweld, +en telkens als hij zijne gastvrouw ontmoette, wendde hij zich af om +haar bleek gelaat niet te zien, en hare koortsachtig brandende +betraande oogen te ontwijken, die met zulk een uitdrukking van +smartvolle onderwerping op hem gevestigd werden, dat dit hem te erg +aandeed. + +Langzamerhand, dit gevoelde hij, verstierf de haat dien hij haar had +toegezworen, om vervangen te worden door een innig gevoel van +medelijden. Hij zag het oogenblik naderen waarop hij zich niet langer +in staat zou gevoelen den vreeselijken eed gestand te blijven, die eens +door hem was uitgesproken. Ondanks al de pogingen die hij aanwendde om +zijn gerechtvaardigden toorn weder op te wekken, kwam hij tot de +zekerheid dat ondanks het driedubbele staal dat zijn hart als met een +pantser omsloot, dit toch ongenoegzaam bleek om hem te beschermen bij +eene langere worsteling tegen de vrouw, die hij zoo innig had bemind, +de vrouw die door die liefde zoozeer had geleden en wier leven er als +het ware door vernietigd was. Alles pleitte voor haar in zijn hart; +hare langdurige boetvaardigheid, haar edele zelfverloochening, hare +stille onderwerping, en zelfs hare schroomvallige teederheid, die zich +telkens uitte door al de zorgen die zij zonder zijne voorkennis aan hem +wijdde, terwijl zij toch bijna altijd onzichtbaar bleef. Thans, na zulk +eene reeks van jaren sedert de misstap door de arme vrouw bedreven, +vroeg hij zich af, of er nu voor hem werkelijk nog reden bestond om +onverzoenlijk voor haar te blijven, en of het niet beter ware het uur +der vergiffenis niet langer te verschuiven. Maar dan verhief zich weer +de herinnering aan alles wat hij geleden had, dan kwam bij hem weer de +gedachte op aan het onwaardige verraad waarvan hij het slachtoffer was +geworden, en aan de onverdiende rampen als gevolg daarvan; die +herinnering en die gedachte troffen als dolksteken zijn hart, opnieuw +werd hij door woede aangegrepen, en als hij zich dan van donna Clara +afwendde, mompelde hij in zich zelf: + +—Neen, nog is de boete niet volkomen, nog is de schuldige niet +gekastijd. Ik wil geen zwakheid betoonen eer ik mijn werk der wrake +voltooid heb. + +En dan, dan namen zijne trekken, waarop een zachtere uitdrukking +verspreid lag, weer de vroegere onwrikbare gestrengheid aan; somber +trokken zich zijne wenkbrauwen samen, onheilspellend schitterden zijne +oogen, diepe rimpels verschenen op zijn vaalbleek voorhoofd, en weer +was hij dan de onverbiddelijke man, zooals hij bezworen had te zullen +blijven. + +En toch, wij herhalen het, hij begon te wankelen; zijne stroefheid voor +die arme vrouw was slechts een masker en zijn nog immer even felle haat +tegenover zijne andere vijanden week tegenover haar langzamerhand om +van lieverlede plaats te maken voor eene aanstaande vergiffenis en +verzoening. De weinige dagen die hij met donna Clara onder hetzelfde +dak te Port-de-Paix had doorgebracht, hadden veel bijgedragen om dit +werk des vredes zeer te bevorderen, zoodat zelfs het geringste toeval +in staat zou zijn het te voltooien. + +Het was avond; Montbars bevond zich in zijn kamer met Morgan, den +ridder de Grammont en Philippe, en besprak met hen de toebereidselen +tot de expeditie, die zeer snel vorderden; verscheidene schepen waren +reeds geheel uitgerust en dadelijk daarna in zee gestoken en zouden den +volgenden dag bij zonsopgang door andere worden gevolgd, zoodat de +gansche sloot binnen een paar dagen onder zeil zou zijn; de zaken waren +zóó geheim en met zooveel beleid behandeld, dat niettegenstaande zulk +een aanzienlijk getal vrijbuiters was ingescheept, door de Spanjaarden, +naar men uit alles meende te mogen opmaken, nog niets was bemerkt, +ondanks de onafgebroken waakzaamheid en bijzondere slimheid hunner +spionnen. De drie vrijbuiters waren juist in druk gesprek over de +laatste schikkingen die nog bepaald moesten worden, toen er een paar +keeren zeer bescheiden geklopt werd op de deur van de kamer waar zij +zaten. Montbars gaf door een wenk aan de anderen te kennen dat zij +moesten zwijgen, stond op, en deed de deur open. Birbomono stond vóór +den drempel en een paar andere personen, diep in hunne mantels gedoken, +hielden zich eenigszins ter zijde buiten het licht. + +—Hier ben ik,—begon Birbomono half fluisterend, na een beleefde +buiging. + +—En in gezelschap, naar het schijnt,—merkte Montbars aan. + +—Kan ik vrij uitspreken? + +—Is het iets gewichtigs? + +—Ja, en dat vooral geheim moet blijven. + +—Zoo! wacht even ik kom dadelijk terug. + +Hij sloot de deur en ging weer naar zijne kameraden. + +—Broeders,—sprak hij.—Ik krijg daar bezoek van iemand die, naar hij +zegt, mij iets van het hoogste gewicht heeft mede te deelen. Weest dus +zoo goed en gaat nu eenige oogenblikken in mijne slaapkamer. + +—Wel, mij dunkt Montbars, dat het dan beter zou wezen dat wij heen +gingen, dan zijt gij geheel vrij,—opperde Morgan. + +—Neen, doe dat niet want als ik met hem gesproken heb en dat zal niet +lang duren, dan zal ik je weer noodig hebben. + +—Ga dan uw gang, wij zullen blijven, en middelerwijl doen alsof wij +doof en stom waren. + +—Goed,—zei de ander glimlachend. + +Montbars liet hen in zijn slaapkamer gaan, stiet de deur achter hen +toe, schoof daar een grendel voor, nam een kaars op, waarmee hij door +het salon stapte en deed toen het tweede vertrek open waar hij de kaars +op een tafel plaatste, en de deur ook sloot. + +—Mijne heeren,—begon hij,—ik ben tot uwe orders, weest zoo goed plaats +te nemen, en mij te zeggen wat de reden is van uw bezoek. + +—Naar ik meen, caballero, heb ik hier niets meer te verrichten?—zei +Birbomono.—Als gij het goedvindt zal ik heengaan en op het portaal +blijven wachten. + +—Goed,—zei Montbars kortaf. + +De mayordomo boog en ging heen; nauwelijks was de deur achter hem +gesloten of een der beide onbekenden deed een paar passen voorwaarts, +wierp den mantel weg, nam hoogst beleefd zijn hoed af, en zei met +hoffelijke buiging: + +—Graaf, veroorloof mij vóór alle dingen u te begroeten. + +—Markies de Penaflor!—ontsnapte aan Montbars die ten hoogste verbaasd +en verrast was. + +—Stil toch, stil toch!—viel don Sancho schertsend in.—Wel verduiveld, +vergeet toch niet, dat mijn naam hier juist niet zoo algemeen in goeden +reuk staat, zoodat het alles behalve noodig is dien zóó luid uit te +bazuinen! + +—Gij hier! Gij! + +—En waarom niet, graaf, ik ben immers in uw huis? Wat zou ik hier te +duchten hebben, dat vraag ik u? + +—Van mij niets, mijnheer, dat is zoo; toch betuig ik u er mijn dank +voor, dat gij u daarvan overtuigd houdt. Maar als anderen wisten, dat +gij hier in de stad zijt? + +—Dat zullen zij niet te weten komen, ten minste niet eer, naar ik hoop, +dan na mijn vertrek van hier, en dit zal onmiddellijk plaats grijpen, +na afloop van ons gesprek. + +—Sta mij dan toe mijnheer, mijn eerste vraag aan u te herhalen. Wat is +de reden van uw bezoek? En mag ik tevens vernemen wie de persoon is die +u vergezelt? + +—Dat ben ik,—antwoordde don Gusman, die zich nu ook van zijn mantel +ontdeed. + +—Gij hebt goed gedaan terug te komen, wat daarvan ook bij u de +aanleiding moge zijn. + +—Ik had je immers mijn woord verpand? + +—Dat is zoo, en geloof mij, daar vertrouwde ik op. + +—Daarvoor betuig ik je mijn dank,—gaf de jonge man met eene buiging ten +antwoord, waarna hij zich tot don Sancho wendde en tegen hem +zei:—Thans, waarde neef, verzoek ik u te spreken. + +—Mijnheer,—sprak daarop de markies op waardigen toon,—hoe fel de haat +zij, die tusschen onze beide families bestaat, vlei ik mij dat het u +niet zal zijn ontgaan, hoezeer ik steeds getracht heb de onzijdigheid +in het verschil te bewaren. + +—Dat is zoo, mijnheer, en zeer gaarne wil ik dit erkennen,—gaf Montbars +met zekere hartelijkheid te kennen. + +—Maar ik ga verder, mijnheer,—vervolgde don Sancho,—en, schoon ik mij +niet wil veroorloven een rechtstreekschen blaam te werpen op de +gedragingen van mijn vader tegenover u, verklaar ik u toch dat ik den +moed mis om zijn gansche gedrag te uwen opzichte goed te keuren. Naar +mijne meening kunnen en moeten edellieden hunne geschillen ridderlijk +bevechten van aangezicht tot aangezicht en met den degen in de hand. +Iedere andere wijze van handelen acht ik hunner onwaardig. + +—Ik acht mij gelukkig mijnheer, zulk een oordeel uit uw mond te mogen +vernemen. + +—Wanneer ik aan u die verklaring geef, mijnheer, en tevens u mijn +oordeel doe kennen, dan is dit omdat ik mij daartoe verplicht acht, +doch tegelijk geef ik u de verzekering dat ik dien plicht met te +grooter genoegen vervul, daar er nog altijd tusschen ons een oude +rekening moet vereffend worden. Dit is zeker bij u uit het geheugen +gegaan, dit kon ik verwachten, doch ik ben uw schuldenaar en dus de +eerste die aan die schuld moet denken. Daarvoor is het nu juist het +geschiktste oogenblik, want nu bestaat er voor mij gelegenheid mijn +schuld aan u af te doen, en ik grijp die gaarne en zonder de minste +aarzeling aan, wat daarvan ook voor mij de gevolgen mogen wezen. + +—Mijnheer, ik weet volstrekt niet waarop door u gedoeld wordt! + +—Ik daarentegen zeer goed, graaf, en dat is de hoofdzaak. Gij moet +weten dat een dag of drie geleden mijn neef te Sint-Domingo gekomen is +om mij uit uw naam een verklaring af te vragen. Dat is immers zoo? + +—Zoo is het, mijnheer. + +—Die opheldering heb ik hem niet geweigerd, doch daar het er op aan +komt, dat die even duidelijk als onwederlegbaar zij, wilde ik die niet +geven dan in uw bijzijn, overtuigd dat ik geen gevaar zou loopen door +te uwent te komen. Mijn neef heeft, dit moet ik bekennen, getracht, +zeker in mijn belang, mij van dit plan terug te houden, maar mijn +besluit stond vast, en nu weet gij de reden van dit bezoek. + +—Op mijn woord, mijnheer, gij zijt mij van harte welkom,—betuigde +Montbars met ingenomenheid,—want gij handelt als een waar edelman. + +—En nu,—hernam don Sancho na eene buiging voor Montbars,—verzoek ik u +beiden, mijnheeren, een oogenblik naar mij te luisteren. Ziethier wat +ik zou geantwoord hebben op de door mijn neef aan mij gestelde vragen, +zoo ik er niet de voorkeur aan had gegeven om dit hier in uw beider +tegenwoordigheid te doen. Ik roep God tot getuige en verklaar op mijn +woord als edelman, dat wat ik nu ga zeggen de zuivere waarheid is. Don +Gusman de Tudela is geen zoon van een zuster van mijn vader, den hertog +de Penaflor; mijn vader had slechts ééne zuster, en die is op +negentienjarigen leeftijd gestorven aan eene slepende ziekte in het +Carmelietenklooster te Sevilla, waar zij zich had teruggetrokken. Mijn +vader had ééne dochter, mijne zuster; die dochter is verdwenen +tengevolge van een vreemd en geheimzinnig voorval, waarbij een Fransch +edelman, de graaf de Barmont [11], betrokken was. Het is mogelijk dat +don Gusman de zoon mijner zuster is, doch dit kan ik niet met zekerheid +verklaren. + +—Neef,—riep de jonge man uit, ten prooi aan eene geweldige +ontroering.—Wat zegt gij daar! In ’s hemels naam! + +—De waarheid, don Gusman. + +—Hoe! De dochter van den hertog... + +—Was wettig gehuwd met dien Franschen edelman, dat herhaal ik u. Mijn +vader heeft haar van haar kind beroofd, nog eer zij dit den eersten kus +kon geven. Vervolgd door een onrechtvaardigen haat van mijn vader, is +het geluk van den graaf de Barmont vernietigd, zijn loopbaan verwoest, +en hij eveneens verdwenen. + +—Ach! Dat alles is te verschrikkelijk!—kreet de jonge man, die +wanhopend zijne handen wrong.—En ik, ik, wie ben ik dan? + +—Gij neef,—antwoordde don Sancho op waardigen toon,—gij zijt edel van +karakter, dapper van aard, en in staat om wat er ook moge gebeuren, je +een goede plaats in de wereld te veroveren. + +—En daarin zal ik hem helpen!—betuigde de flibustier met +opgewondenheid. + +—Mijn God! Mijn God!—snikte de jonge man.—Wat dacht men dan van mij te +maken? + +—Dat heb ik je reeds gezegd, neef; men wilde je bezigen als een +werktuig ter verkrijging van wraak en ter voldoening van haat jegens +een man die onschuldig is en die recht heeft op al uw achting. Montbars +is geen moordenaar, Montbars is geen verleider, doch al ware hij +schuldig, dan hebt gij toch, dit herhaal ik je, het recht niet hem tot +verantwoording te roepen, neef. + +—Noem mij zóó niet meer, don Sancho! Wie weet of ik wel tot uwe familie +behoor? + +—Daarop kan ik geen ander antwoord geven, dan dat ik zeer aan je ben +gehecht, dat ik je ken reeds sedert uwe kindsheid, en dat ik je altijd +zal beschouwen als een mijner verwanten. + +—Helaas!—uitte Montbars.—Kan de haat zoo ver gedreven worden? + +—Dat blijkt u thans, graaf. Thans is door mij een heilige plicht +vervuld; hoe mijn vader ook over mijn gedrag in deze omstandigheden +moge denken, mijn geweten voelt zich gerustgesteld en ontheven van een +drukkenden last. God moge mij oordeelen! + +—Uw gedrag was niet anders dan door mij verwacht werd van een man zóó +als gij, en ik betuig u mijn oprechten dank,—werd door Montbars +gezegd.—Maar,—voegde hij er niet veel meer dan fluisterend bij,—kunt +gij nu aan mij niet eenige meerdere inlichting geven? + +—Daarmede zal eene andere persoon zich belasten,—werd even fluisterend +geantwoord. + +—Van dit oogenblik af, mijnheer, is die persoon mij heilig. God, Wiens +macht onbegrensd is, zal genadiglijk vergunnen dat het haar gelukke te +vergeten, eveneens als ik zelf alles vergeten zal. + +—Thans is het aan mij, mijnheer, om in alle oprechtheid mijn dank toe +te brengen, want door uwe laatste woorden maakt gij mij opnieuw tot uw +schuldenaar. + +Die beide mannen zoo groot van gemoed als van geest, drukten elkaar met +ontroering de hand. + +—En hij?—vroeg de markies en wees op den jongen man, die als +verpletterd zijn gelaat in de handen verborg. + +—Met hem belast ik mij. + +—Arme jongen!—zuchtte don Sancho, die daarop naar don Gusman toetrad, +en tegen hem zei met zachte, deelnemende stem: + +—Moed gehouden, neef, zware rampen maken den mensch sterk! Waarom laat +ge dus uw hoofd hangen, ge hebt het recht vrij om je heen te blikken, +want gij, ge zijt evenmin een schuldige? + +—Ach, neef, als gij alles wist... + +—Gusman, ik weet alles; het noodlot heeft je vervolgd; ge hebt +gehoorzaamd aan een wil, die de uwe niet was, en waaraan ge je niet +hebt durven onttrekken. Laat je dus niet te erg terneerslaan. + +—Wat te doen? O! God! Wat moet er van mij worden?! + +—Twee wegen staan je open. Òf ge moet mij volgen, en dan, dit zweer ik +je, zal ik als een goed bloedverwant voor je tegen en jegens allen +partij trekken, òf ge moet hier blijven onder uwe nieuwe vrienden, en +als ik het goed bedenk, dan geloof ik dat die nieuwe weg de beste voor +je zou wezen. + +—Neef, hoe zou ik dit durven wagen, na alles wat er is voorgevallen? +Ben ik iets anders dan een ellendeling, een verrader, een... spion!! + +Langzaam was Montbars naar hem toegekomen en drukte de hand op zijn +schouder, terwijl hij hem daarbij met zachten drang toevoegde: + +—Hef het hoofd op. Don Gusman de Tudela hoort tot het verledene en van +nu af ken ik je alleen als Francoeur, de dappere Broeder der Kust. + +—Hoe!—riep het jonge mensch uit.—Schenkt gij mij dan waarlijk +vergiffenis daar gij die woorden spreekt? + +—Men schenkt alleen vergiffenis aan schuldigen, en Francoeur kan dat +niet zijn,—verklaarde Montbars ernstig. + +—Neen, nooit!—riep Francoeur in vervoering.—Van dit oogenblik af, +behoor ik je toe. Doe met mij wat gij wilt! + +—Goed, mijn jongen! Droog uwe tranen, van nu af zult ge in mij een +vader vinden. + +Toen sloeg hij zijne armen open, met eene ontroering die bij iemand als +hij iets zeer buitengewoons was. Francoeur wierp zich snikkend aan zijn +borst, en lang duurde die innige omhelzing. Daarop deed zich een licht +geraas aan de deur hooren, die zachtjes werd opengestooten; het bleeke +en onderworpene gelaat van donna Clara vertoonde zich. Montbars ging +regelrecht naar haar toe, nam haar bij de hand, en bracht haar verder +de kamer in, die zij betrad, vreesachtig en beschroomd, maar toch met +stille hoop. + +—Francoeur,—sprak Montbars tot den jongen man,—zoo gij in mij een vader +gevonden hebt, zie dan hier in haar eene voortreffelijke vrouw, die bij +jou de plaats van eene moeder zal bekleeden. Heb haar lief alsof zij +dit werkelijk was, want zij koestert voor jou eene onbegrensde liefde. + +—Ja!—verklaarde zij met onuitsprekelijke ontroering,—gij zult mijn zoon +zijn, ge zijt het reeds! + +—Stil, Clara, stil,—waarschuwde Montbars goedhartig.—Ge moest je eens +bedriegen. + +—O!—uitte zij en zag hem aan met een dier blikken, die alles +ophelderen.—Bedriegt eene moeder zich ooit?—en in de overmaat van haar +geluk knelde zij den jongen man tegen haar hijgenden boezem. + +—Zulk een zaligheid, na zulk eene vreeselijke smart,—juichte de jonge +man.—God zij gedankt en geprezen! + +—O, ja! Eere zij Zijn naam,—hernam donna Clara,—want Zijne +rechtvaardigheid is onfeilbaar! + +Montbars wist zich meer te beheerschen dan de overigen, en achtte het +meer dan tijd dat aan dit tooneel een eind kwam. + +—Duid het mij niet ten kwade, don Sancho,—sprak hij,—dat ik u al dien +tijd schijn vergeten te hebben. Wij hebben alleen aan u dit zóó +gelukkig oogenblik te danken, en trachten dit te verlengen als echte +egoïsten, zonder te denken aan uw vrij gevaarlijken toestand hier in de +stad, waar ge, buiten ons, ieder tot vijand hebt. + +—Op mijn woord, waarde graaf,—gaf de markies ten antwoord met +aantrekkelijke vroolijkheid,—door uw geluk ben ik eveneens in eene +stemming gekomen om alles om mij heen te kunnen vergeten, maar toch +moet ik u bekennen dat ook ik geloof dat het hoog tijd voor mij wordt +om te maken dat ik weg kom. Ik voel mij hier lang niet op mijn gemak en +had er een lief ding voor over om er uit te komen zooals ik er in +gekomen ben, zelfs op gevaar van voor een lafaard door te gaan. Als dus +mijne oude kennis Birbomono nog eens mijn gids zou willen zijn, dan +neem ik hartelijk graag zijne hulp aan, om daardoor uit de verlegenheid +te geraken. + +—Ik stel mij tot uwe orders, señor markies,—antwoordde de mayordomo die +inmiddels was binnen gekomen.—Wij kunnen vertrekken, zoodra dit door u +verlangd wordt. + +—Dan liefst dadelijk, vive Dios! want het is of hier de grond onder +mijne voeten brandt! + +—Vaarwel dan, don Sancho,—sprak Montbars.—Het spijt mij dat wij moeten +scheiden, want ik voel mij zeer aan u gehecht, maar wij staan tegenover +elkaar in zulk eene moeielijke verhouding, dat de beste wensch dien ik +u kan toevoegen, mijns inziens hierin moet bestaan, dat wij elkaar +nooit meer ontmoeten. + +—Wij zijn in vroegere dagen nog eens gescheiden met een dergelijk door +u gebezigd woord, en toch hebben wij elkaar nu wedergezien. + +—Dat is zoo, doch wie weet wat hierna zal gebeuren! + +—Een enkel woord nog, mijnheer. + +—En dat is? + +—Mijn vader? + +—Opzoeken zal ik hem niet; dit is alles wat ik u kan beloven. Doch God +verhoede dat ik hem op mijn weg ontmoete! + +—Het zij zoo! Vaarwel! Na die belofte vertrek ik geruster. Houd goeden +moed, neef, en vergeet mij niet.—Bij die woorden omhelsde hij den +jongen man hartelijk. + +—Birbomono, aan uwe goede zorgen vertrouw ik den markies toe. + +—Ik sta in voor de veiligheid van den markies, señor. + +—Nog eens, vaarwel! kom mee, Francoeur. + +De jonge man volgde Montbars; zij verlieten de zaal, en lieten den +broeder en de zuster achter, met den trouwen mayordomo. Zoodra zij in +het salon waren, sprak Montbars. + +—Droog uwe oogen af, Francoeur, herstel je, en toon mij dat ge een man +zijt, want zij aan wie ik je nu ga voorstellen, en die van nu af uwe +broeders moeten blijven, zijn mannen in den waren zin van dit woord. + +Montbars schoof den grendel weg, deed de deur open en beiden traden in +de slaapkamer, waar de drie vrijbuiters met elkaar zaten te praten. + +—Neem het mij niet kwalijk, broeders, dat ik je zóó lang heb laten +wachten; hier ben ik eindelijk,—zei Montbars. + +—Ei, kijk!—riep Grammont.—Daar is mijn maat, wie ik al sinds eene week +gezocht heb! Wat drommel, kerel, waar hebt ge gezeten? + +Montbars haastte zich daarop te antwoorden, en te zeggen:—Ik had hem +eene geheime zending toevertrouwd. + +—O! dat is iets anders, dan heb ik er niets op aan te merken. + +—Broeders,—hernam Montbars,—Francoeur zal mijn vlagofficier zijn. Wil +dus, wat ik je verzoek, hem als zoodanig erkennen. + +De vrijbuiters, die veel met den jongman ophadden, wenschten hem geluk, +dat hij door Montbars gekozen was ter vervulling van eene zeer +gewaardeerde betrekking, waarop reeds menigeen doch steeds vergeefs +gevlast had; en na eenige oogenblikken hervatte men het ernstige +onderhoud dat zoo onverhoeds door de onvoorziene terugkomst van +Birbomono was afgebroken. + + + + + + + + +XVI. + +HET ADMIRAALSSCHIP „DE TIJGER”. + + +De vloot der flibustiers was sinds een paar dagen onder zeil; slechts +één enkel schip lag nog op de nu verlatene reede van Port-de-Paix voor +anker; op dit schip, iets meer naar zee vast gemeerd aan een dood +lichaam, waren de marszeilen geheschen, de onderzeilen hingen los, en +het was dus in staat om op het eerste signaal ook onder zeil te gaan. + +Dat schip was van geringe tonnenmaat, en bewapend met niet meer dan +vier kleine ijzeren kanonnen; het had volstrekt geen geducht voorkomen, +terwijl de logge en zware vorm deed vermoeden dat het in Holland +gebouwd was. Toch was deze bodem door Montbars gekozen om de +Admiraalsvlag te voeren. Hoe men hem ook had aangeraden zich op een +ander in te schepen flinker en solider van bouw, sterker bewapend, en +vooral beter zeiler, toch was hij van dit besluit niet af te brengen; +op al de gemaakte bedenkingen, had hij geantwoord, dat de goede schepen +door zijne vrienden zouden worden bezet, dat hij zorgen zou niet te +laat op de plaats der bijeenkomst te verschijnen, en dat men zich over +hem niet ongerust behoefde te maken, daar hij voor die keuze bijzondere +redenen had. + +De overige vrijbuiters en zelfs de heer d’Ogeron begrepen dat verdere +aanmerkingen niets zouden uitwerken, en het dus het beste was hem zijn +eigen zin te laten volgen, daarbij tevens als zeker aannemend, dat de +vermaarde flibustier achter die schijnbare zelfverloochening meer dan +waarschijnlijk een of ander stout waagstuk verborgen hield, te meer +daar zij hadden opgemerkt, dat Montbars, mocht hij zich ook al tamelijk +onverschillig toonen over de meer of minder goede hoedanigheid van zijn +schip, des te moeielijker te voldoen was wat de bemanning betrof, die +eerst na lang wikken en wegen werd te zamen gebracht en bestond uit +tweehonderd manschappen, die door hem zelf, om het zoo eens uit te +drukken, uitgepikt waren uit de meest beroemde flibustiers. + +Doch wat er van dit alles zijn mocht, op den dag waarover wij het nu +hebben, gaf Montbars aan zijn vlagofficier Francoeur, ’s ochtends +tusschen zeven en acht uur de laatste orders; Francoeur stapte toen in +een sloep, vergezeld door donna Clara en Birbomono, die verzocht hadden +aan de expeditie deel te mogen nemen, om de gewonden te verbinden en te +verplegen, iets wat hun was toegestaan, ondanks de uitdrukkelijke +bepaling van de wet, waarbij de toelating van vrouwen op de schepen der +vrijbuiters verboden was; daarna verliet Montbars het logement, en +stapte naar het havenhoofd. + +Iemand gekleed als boekanier, met zijn pijp tusschen de tanden en de +handen op zijn rug, liep op de havendam op en neer en keek nu en dan +met een blik van ware voldoening naar een ranken schooner, die op een +paar kabellengten van het havenhoofd lag te wiegelen. Nu moet dan ook +erkend worden, dat die slanke schooner, vlak op het water liggend, goed +en netjes afgewerkt, een juweel van een schip was, waard om door een +kenner in alle deelen te worden opgenomen. Ook de man, met wien wij ons +nu bezig hebben te houden, was zóó verdiept in die beschouwing, dat hij +Montbars niet eens hoorde naderen, en eerst toen deze vrij onzacht de +hand op zijn schouder deed neerkomen, gewaar werd dat de vrijbuiter +achter hem stond. + +—Hei, hei! Schipper! Slaapt ge bijgeval?—vroeg Montbars. + +—Neen, neen, señor!—werd haastig geantwoord en even gauw den hoed tot +groet afgenomen.—Ik keek maar naar mijn brigantijn. + +—Zoo! Nu, kom eens een eindje hierheen,—hernam Montbars,—want wij +hebben samen nog eene rekening te vereffenen. + +—Och, caballero, dat heeft al den tijd,—luidde het flikflooiend +antwoord. + +—Toch niet, daar is integendeel veel haast bij, want ge moet binnen een +half uur vertrokken zijn. + +—Ik zal vertrekken zoodra gij dit verlangt, señor. + +—En hoe eerder hoe liever, niet waar?—vroeg de vrijbuiter op sarrenden +toon.—Ge zijt hier toch zeker niet erg op uw gemak, is het wel? + +—Señor, ik ducht hier niets, sinds gij mij uwe bescherming hebt +toegezegd. + +—Dat heb ik, doch zooals ge weet op zekere voorwaarden, die ge je zeker +nog wel herinneren zult. + +—Zeker, señor, zeker, en ik blijf bereid aan die voorwaarden op loyale +wijze te voldoen. + +—Hum!—deed Montbars hooren.—Genoeg daarover, wij zullen het er maar +voor houden, dat ge op dit oogenblik twee pannetjes te vuur houdt, +schipper Aguirre. + +—Señor!—stamelde de ander verbleekende. + +—Natuurlijk, want de Spanjaarden betalen je om ons te bespionneeren, en +ik van mijn kant geef je geld om bij de Spanjaarden den spion te +spelen, maar dat doet er nu niet toe. Wees dus maar niet ongerust, +schipper Aguirre, de zaken zullen beter voor je afloopen dan gij wel +denkt. Maar nu ter zake. Waarin bestaan de inlichtingen die je aan +Francoeur moest overbrengen? + +—Heeft hij je dan gezegd...?—viel de schipper uit, verbaasd en +doodelijk ongerust. + +—Alles,—vulde Montbars aan.—Volg nu mijn raad, en spartel niet langer +tegen, ik herhaal en verzeker je, dat de zaken dan goed voor je zullen +afloopen. + +—Nu, señor, het betreft eene zeer ernstige zaak. + +—Zoo, en waarin bestaat die? + +—Señor, een Spaansch fregat, bemand met driehonderd flinke kerels, en +bewapend met zes-en-veertig stukken, heeft last ontvangen het +Schildpaddeneiland te overrompelen. + +—Zoo, en waar ligt op dit oogenblik dat fregat geankerd? + +—Aan de Rio Efferra, señor, op de Westkust van Cuba. + +—Goed, ik ken die plek. + +—De door den Gouverneur van Cuba genomen maatregelen zijn zeer kras. +Vier goed uitgeruste brigantijnen moeten zich bij dat fregat voegen om +aan die ladrones.... O! neem mij niet kwalijk! ik meen om aan de +flibustiers alle hoop om zulk een macht te kunnen wederstaan, te +benemen. + +—Dat is zeer goed bedacht! En waar zijn nu die brigantijnen? + +—Voor anker te Puerto del Principe op de zuidkust van Cuba, maar zij +kunnen ieder oogenblik onder zeil gaan, om zich bij het fregat, dat op +hen wacht te voegen en dan gezamenlijk tot den aanval over te gaan. + +—Is dit alles, schipper Aguirre? Hebt ge niets vergeten? + +—Nog slechts één ding, señor. Maar waarlijk, ik durf u dit bijna niet +te zeggen. + +—Kom, kom, ga je gang maar man, ’t komt er nu op een beetje meer niet +op aan. + +—Querido, señor,—luidde het antwoord, met ietwat bevende stem.—Vergeet +niet dat gij mij dwingt tot spreken. + +—Ja, ja! spreek op! + +—Welnu, señor, de Spanjaarden zijn er zoo zeker van dat de vrijbuiters +den dans niet kunnen ontspringen en zoo vast besloten hun geen genade +te verleenen, dat op uitdrukkelijken last van den Gouverneur aan boord +van het fregat een negerslaaf is ingescheept om, na de overwinning, de +functie van beul waar te nemen. + +—Wel verduiveld, die heeren Spanjaarden denken aan alles,—spotte +Montbars,—en nemen vroeg voorzorgen. Is er nu nog iets? + +—Niets, señor! zoo waar als ik eens in den hemel hoop te komen! + +—Goed, maar zoo ge mij bedriegt, al waart ge dan ook in plaats van in +den hemel, in de hel, dan zal ik u ook dáár weten te vinden. + +—Ik zal er wel voor zorgen, señor. + +—Luister nu goed. Ge wordt door den Onder-Koning van Mexico betaalt om +ons te spionneeren. Daar is niets tegen te zeggen. Ge moet dadelijk het +anker lichten en onder zeil gaan naar Vera-Cruz, verstaat ge mij? + +—Ja, señor, de Onder-Koning bevindt zich juist nu dáár. + +—Des te beter. Ge moet hem zeggen, en ik voorspel dat hij je daarvoor +ruim zal beloonen want de zaak is dat wel waard, dat een sterke vloot, +bemand met twee duizend flibustiers, onder bevel van Montbars den +Verdelger kruisende is voor het gouden Castilië, tusschen de golf van +Dariën en die van Venezuela, met het doel eene landing te beproeven en +een der havens aan de kust te overweldigen. + +—Nu gij dat begeert, señor, zal ik dit zeggen. + +—Ik eisch het zelfs, doch zorg er goed voor, schipper Aguirre, dat ge +open spel met mij speelt, want het minste verraad zou je duur te staan +komen. En buitendien daar de berichten die gij hebt over te brengen +waarheid behelzen, zult ge dus daarmee aan uw land en aan den +Onder-Koning een grooten dienst bewijzen en als ge die taak uit dit +oogpunt beschouwt, zal die voor je verre van onaangenaam zijn, maar +bovendien zeer voordeelig voor hen, want ieder werk moet betaald +worden, en daarom pak aan, hier hebt ge al vast iets op rekening, en +zoo ik tevreden ben over de manier waarop ge je zending vervult, dan +zal het daarbij niet blijven. + +En hij liet eene zware beurs met goud in de hand vallen, die schipper +Aguirre hem angstvallig toestak. + +—En nu genoeg, tot weerziens,—hernam Montbars,—en dat de duivel je +bescherme! + +Bij die godslasterlijke woorden maakte de Spanjaard het teeken des +kruises; Montbars keerde hem lachend den rug toe, liet hem staan, en +begaf zich naar den heer d’Ogeron, die hem te gemoet kwam. Een +oogenblik bleef schipper Aguirre verbluft over zulk een zonderling +afscheid van den vrijbuiter, doch spoedig herstelde hij zich, stak de +goed gevulde beurs in zijn zak, stapte in eene prauw, die voor hem +klaar lag, en roeide snel naar zijn schip, bij zich zelf zeggende:—Ja, +verwenschte ladron, ge kunt er op aan dat ik niet te kort zal schieten +in die zending, moogt ge daardoor eindelijk de gerechte straf ondergaan +voor al uwe misdaden. + +Kort daarna werden van de brigantijn de ankers geligt en het schip naar +volle zee gekoerst. + +De heer d’Ogeron wilde Montbars niet laten vertrekken zonder hartelijk +afscheid te nemen en de laatste wenschen uit te spreken voor het goede +succes van de zóó gevaarlijke onderneming. Na een druk gesprek van +eenige oogenblikken drukten de beide heeren elkaar welmeenend de hand +en scheidden daarna. Montbars stapte in een boot die hem naar boord +bracht, en de heer d’Ogeron bleef onbeweeglijk op het uiterste van den +havendam staan, daar hij zich niet wilde verwijderen eer het schip +onder zeil was. Daarop behoefde hij niet lang te wachten, nauwelijks +toch had Montbars den voet op het dek gezet of de marszeilen werden +allen tegelijk bijgehaald, de meertouwen gekapt, de raas gericht, en +toen helde het schip naar bakboord over, viel af, en schoot vooruit, +waardoor de onderzeilen vol liepen; daarop verwijderde het zich met +snelle vaart, geholpen door een flinke bries uit het Zuid-Zuid-Westen. +Ondanks het logge en zware voorkomen had de Tijger, dit was de naam van +het schip, toch goede eigenschappen, en daartoe hoorde, dat het een +flinke zeiler was, goed zee kon houden en vrij wat doek kon verdragen. + +De kusten van Hispaniola waren weldra door de nevels van den horizont +uit het gezicht geraakt, en de Tijger bevond zich nu in volle zee. Toen +gaf Montbars aan zijn vlagofficier den koers op, en daalde af naar zijn +kajuit, na gelast te hebben dat men hem dadelijk moest waarschuwen, zoo +men iets bijzonders gewaar werd. De eerste zorg van den Admiraal, na +een vluchtigen blik door het vertrek voor hem persoonlijk bestemd, was +eene nauwkeurige inspectie over de gansche inrichting van het schip. +Francoeur, die uitsluitend daarmee belast was geweest, had zich van die +taak als een hoogst ervaren officier gekweten. Montbars had niets aan +te merken, en vond alles overal in uitstekende orde. + +Twee hutten in den achtersteven aan bakboordszij, niet ver van het +verblijf van den admiraal en dicht bij de hut van Francoeur, waren +bestemd en ingericht voor donna Clara en haar getrouwen Birbomono. Zij +beidden hadden reeds bezit genomen van hun niet zeer ruim verblijf en +vonden zich daar als te huis. + +’s Avonds tegen zonsondergang gaf Montbars bevel dat de gansche +equipage op het dek bijeen moest komen. De manschappen voldeden daaraan +terstond, want zij waren overtuigd dat hun bevelhebber hun de eene of +andere zeer gewichtige mededeeling zou doen. En daarin werden zij niet +teleurgesteld, want toen zij op het dek, even vóór den grooten mast in +het gelid stonden, besteeg de admiraal het halfdek, en wierp eerst een +blik van voldoening op hunne krachtige gestalten, met gezichten gehard +en gebruind door wind en weer, regen en zon. Daarop begon hij te +spreken met kort afgebroken doch zoo klankvolle stem, dat die, +schijnbaar zonder eenige moeite, uitkwam boven het geraas der golven +die tegen het schip sloegen, en den wind die door het want gierde. + +—Broeders,—dus begon hij,—ik heb je bij een gebracht voor eene +expeditie, die ons roem en voordeel zal bezorgen, want mijn doel is om +een der rijkste stapelplaatsen der Spanjaarden op de kust van het vaste +land te overvallen. Om die expeditie, waar toe de grootste +krachtsinspanning wordt vereischt, volkomen te doen gelukken, heb ik +mij genoodzaakt gezien verscheidene schepen uit te rusten en al de +Broeders der Kust op te roepen, zoowel uit Leogana als van Groot- en +Klein-Goava. Te Port-de-Paix en Port-Margot blijven niet anders achter +dan de bewoners en enkele boekaniers. Hoe dapper die bewoners en die +boekaniers mogen zijn, toch zouden zij, klein in getal als zij zijn, +het onderspit moeten delven zoo zij flink werden aangevallen. Nu heb +ik, juist toen ik op het punt stond hier aan boord te komen, vernomen +dat de Spanjaarden gebruik willen maken van onze afwezigheid om onze +stellingen ginds aan te tasten. Zullen wij onze broeders dáár laten +vermoorden? + +—Neen! Neen!—schreeuwden de vrijbuiters en zwaaiden met hunne +wapens.—Er op los! Er op los! + +Met één enkelen wenk gebood Montbars stilte, en dadelijk zwegen allen. + +—Ik weet waar de gavachos zich op dit oogenblik verborgen houden; niet +ver van hier ligt een fregat gereed, zij vermoeden niet dat wij zoo +dicht bij hen zijn, en dus, broeders, zoo gij het wilt, zullen wij de +armzalige klomp waarop wij nu zwalken, verruilen voor een waardig +Admiraalsschip. + +Een oogenblik werd de toespraak afgebroken door een licht rumoer +ontstaan door algemeene opgewondenheid. + +—Zij wanen zich zoo zeker van hunne zaak dat aan boord van dit fregat +een beul is aangenomen, opzettelijk met het doel om onze broeders te +onthalzen [12]. + +—Dood aan de gavachos!—brulde de equipage. + +—Laat ons hen dan overvallen, ons op hen wreken en onze broeders +redden!—riep Montbars hen toe.—Wilt gij mij volgen? + +—Ja, ja! Leve Montbars! + +—Goed, broeders, ik had dit van je verwacht en reken op je. Dit beloof +ik je, dat het niet lang zal duren, of wij gaan met hen aan den dans. + +Het gejuich en de hoera’s werden vernieuwd. Montbars verliet het +halfdek; hij had zijn doel bereikt, en wist nu dat hij naar willekeur +kon beschikken over al die mannen, die zich op de eersten wenk van hem +zouden laten dooden. + +Nog twee dagen hield men den zelfden koers, echter goed zorgende om ver +genoeg uit de kust te blijven en niet bemerkt te worden uit een der +Spaansche wachttorens, waar steeds scherp uitkijk werd in acht genomen. +Den derden dag tegen twee uur ’s morgens gaf Montbars order om bij te +leggen. Er was niet veel wind, met kalme zee en zonder erge afdrijving. +Men bevond zich toen kort onder den wind bij de rivier Efferra. Twee +booten werden op last van Montbars zoo stil mogelijk te water gelaten. +Honderd-vijftig manschappen namen daarin plaats, daarop hielden de +vaartuigen af, en wendden den boeg naar de kust. + +De riemen waren vooraf met werk omwoeld, de booten werden in snelle +vaart gebracht, zonder daardoor veel geraas te maken en lieten de +brigantijn in de volle ruimte achter, om, in afwachting hunner +terugkomst, onder bevel van Francoeur te blijven laveeren. + +Na ongeveer een paar uren roeiens kwam men aan de monding der rivier. +Toen scheidden de beide booten, de eene hield op den rechter, de andere +op den linker oever aan. Zij gleden in stilte voort onder de zwaar +getakte wortelboomen, die aan weerskanten van den oever stonden, en +voeren bijna ter lengte van een mijl den stroom op. Op een sein van +Montbars had de ontscheping plaats onder de grootst mogelijke stilte, +de manschappen gingen plat op den grond liggen achter de twee booten, +die dus dienst deden als verschansing, met den vinger aan den trekker +van hun geweer, om gereed te zijn bij iedere gebeurtenis, en zóó +wachten zij het aanbreken van den dag af. + +Even na zonsopgang werden zij zeer dicht bij hen, iets verder de rivier +op, het Spaansche fregat gewaar dat zich gereedmaakte onder zeil te +gaan. Dit fregat was een prachtig schip zooals in die dagen trouwens de +meeste schepen der Spaansche marine waren. Niet meer dan een half jaar +was er verloopen sinds het op een der werven van Cadix was afgebouwd, +en het deed nu zijn eerste reis naar de kust. Montbars trilde van +vreugd toen hij het schip in het oog kreeg, immers bleek nu dat +schipper Aguirre hem niet bedroog, en de admiraal zulk een spoed had +gemaakt, dat de vier brigantijnen, die deel moesten nemen aan den +tocht, geen tijd hadden gehad zich bij het fregat te voegen; dit schip +was dus nog alléén. + +De flibustiers hielden met het grootste ongeduld hun oog er op +gevestigd; eindelijk werd het als overdekt met zeilen en stond op het +punt om uit te loopen. De Spanjaarden stonden, zonder eenig kwaad +vermoeden, in groepjes op het dek, in bewondering over de mooie groene +en belommerde oevers waartusschen zij zeilden. Op eens, juist op het +oogenblik toen het fregat zich bevond tusschen de beide lijnen der +hinderlagen, deed Montbars een kreet hooren. Terstond daarop knalde +knetterend een salvo op zoo korten afstand afgevuurd, dat bijna door +ieder schot een slachtoffer viel, dank ook de onvergelijkelijke +behendigheid der vrijbuiters. Geen wonder dat na zulk eene onverwachte +begroeting de grootste wanorde heerschte op het dek van het rampzalige +schip; toch snelden kort daarop de kanonniers naar hunne stukken, en +begonnen zij op de struiken het schroot als een hagelbui te doen +neerkomen, doch daar de vrijbuiters buiten het gezicht en zich schuil +hielden, was het geheel en al vergeefs dat van het fregat op hen +geschoten werd, en slechts nuttelooze verspilling van de munitie. Met +verbazende behendigheid voerde Montbars zijn manschappen langs de +oevers, steeds het juiste oogenblik aangevend waarop zij plat op den +grond moesten gaan liggen om het vuur der Spanjaarden te ontwijken, en +toch er voor zorgend dat hunne schoten onafgebroken knalden. Op die +manier werd het gevecht vijf uren lang volgehouden zonder dat door de +vrijbuiters één man werd verloren, wat alleen te danken was aan de +afdoende voorzorgen van hun bevelhebber. Tegen den vollen middag begon +Montbars te bemerken, dat het vuur der Spanjaarden verzwakte; slechts +enkele soldaten vertoonden zich nog op het dek; het bloed vloot met +stroomen uit de spuigaten, en de vrijbuiter begreep dat nu het +oogenblik om een eind aan de zaak te maken gekomen was. + +—Enteren, broeders!—gelastte hij, en was de eerste die in zijn boot +sprong. + +—Enteren! Enteren!—brulden de vrijbuiters en sprongen hem achterna. + +In een oogwenk was men bij het fregat, dat door hen aan alle zijden te +gelijk werd aangevallen, daar zij het overal besprongen, beklommen, of +er krampachtig tegen opklauterden. Ondanks de zware verliezen die de +Spanjaarden hadden ondergaan, boden zij heldhaftig wederstand en +verdedigden zich voet voor voet op hun terrein, maar, wijkend voor de +overmacht en den schrik, overweldigd bij het zien van die zoo gevreesde +flibustiers die als onoverwinbaar werden beschouwd, duurde het slechts +kort eer zij genoodzaakt werden het dek te ontruimen, en een toevlucht +te zoeken in het ruim, waar nog eenige oogenblikken een strijd werd +doorgezet, die als geheel nutteloos kon worden beschouwd. + +—Geen kwartier geven!—donderde Montbars hun toe. + +—Geen kwartier!—herhaalden de vrijbuiters, en toen ving eene +vreeselijke slachting aan. Op dat oogenblik snelde een neger toe, en +viel, half dood van angst, voor den Admiraal op de knieën. + +—Wie zijt ge?—werd hem door Montbars gevraagd. + +—De beul,—luidde het snikkende antwoord. + +—O! Zoo!—riep Montbars met daverende stem.—Broeders, hier is de beul +aan wien door den Gouverneur van Havannah was opgedragen je te +onthoofden. Dit is immers waar, ellendeling? + +—Helaas, ja! Señor kapitein. + +—Welnu! Dan zult ge bij den hemel! je taak vervullen! Broeders, brengt +de gevangenen hier. + +Toen viel er op het bloedige dek van het schip een afgrijselijk tooneel +voor. Al de Spaansche gevangenen werden vlak bij den grooten mast +gebracht, waar men hen dwong te knielen, terwijl de vrijbuiters hen +omringden. + +—Hier, pak aan,—gelastte Montbars aan den neger, wien hij een bijl +toestak—die lieden zijn veroordeeld, begin je werk. + +De slachting nam een aanvang; de beul onthoofde al de gevangenen, tot +op één na. + +—Houd op,—beval Montbars, die met hardvochtig oog dit moordtooneel had +gadegeslagen.—Ik schenk je genade,—voegde hij den laatsten gevangene +toe,—mits dat je dien man doodt, die al je vrienden heeft onthoofd. + +De gevangene sprong als een tijger toe, wierp zich op den overbluften +beul, vatte de bijl uit diens hand en deed met één enkelen slag het +hoofd van den romp vliegen. De neger viel als een blok op die massa +lijken der mannen die door hem waren vermoord. + +—Zoo is het goed!—hernam Montbars.—Ge zijt vrij en kunt gaan, maar +neen,—wacht nog even. + +Daarop haalde hij een zakboekje voor den dag, scheurde er een blaadje +uit, en schreef daarop met bloed, de gebeurtenissen die hadden plaats +gehad; toen gaf hij die zonderlinge depêche aan den gevangene, die zich +meer dood dan levend waande, en zei:—Breng dit papier aan den +Gouverneur van Cuba en vertel hem de straf, die Montbars den Verdelger +heeft voltrokken aan den beul dien hij voor hem bestemd had. Ga heen! + +De gevangene werd toen in een boot gezet, die de vrijbuiters hem +afstonden, en spoedde zich naar land, half krankzinnig van angst en +wanhoop. Maar de taak waarmede Montbars zich had belast was hiermede +nog niet voltooid. De lijken der Spanjaarden werden over boord gegooid, +het dek afgespoeld en afgedwijld zoo goed als kwaad dit ging, daarna de +zeilen gesteld, en eindelijk liep toen het schip in zee; doch in plaats +van de ruimte te kiezen, wat door de vrijbuiters werd verwacht, gaf de +admiraal last dat men langs de kust moest houden. + +Tegen vier ure ’s namiddags kwam het fregat met volle zeilen op de +reede van Puerto-del-Principe aan. De vier brigantijnen lagen daar nog +ten anker. Montbars liet hen aanvallen. De Spanjaarden zoo onverwachts +en onverhoeds overvallen, boden slechts geringen wederstand en binnen +een half uur waren die vier brigantijnen door de vrijbuiters +overmeesterd. Die vaartuigen waren knappe schepen, goed bewapend en +genoegzaam nieuw; doch ongelukkig had Montbars geen volk genoeg om die +te bemannen, en daarenboven moest hij zich haasten, want in de stad +werd de alarmklok geluid, het volk liep te wapen, en begon zich reeds +op den oever te verzamelen. + +Montbars gaf last om de kostbaarste zaken uit de buit gemaakte schepen +weg te voeren, en toen die alle aan boord van het fregat waren +gebracht, werden de brigantijnen lek gestooten en in den grond geboord +met hunne gansche bemanning die op het dek gekluisterd lag. + +—Ziezoo!—uitte toen de flibustier met onheilspellenden glimlach.—Nu +hebben wij onze broeders gered, en kunnen er gerust toe overgaan aan +ons zelven te denken, en ons met nuttiger zaken bezig te houden. + +De vrijbuiters wendden het fregat een paar keeren en losten telkens de +volle laag op de talrijke menigte langs den oever; daarna kozen zij de +ruimte vervolgd door de machtelooze wanhoopskreten van hunne doodelijk +verschrikte vijanden. Tegen ongeveer zeven ure ’s avonds, voegde het +fregat zich bij den Tijger die nog altijd laveerde op korten afstand +van de kust. Montbars wilde zich zeker niet aan donna Clara vertoonen +met handen als het ware nog rookend en rood door het bloed harer +rampzalige landgenooten, die zoo onbarmhartig door hem om het leven +waren gebracht, en droeg dus het bevel over den Tijger aan Francoeur +over, hem bijzonder op het hart drukkende donna Clara met de grootste +voorkomendheid en den meesten eerbied te behandelen. Vijftien +manschappen deed hij op den Tijger overgaan tot versterking der +bemanning, en hijzelf bleef op het fregat, aan welks grooten mast nu de +admiraalsvlag werd geheschen. + +Na het nemen van al die verschillende schikkingen hielden de beide +schepen denzelfden koers, in de richting van het eiland Aruba, dat door +Montbars als verzamelplaats voor de gansche vloot was aangewezen, en +waar dan ook naar alle waarschijnlijkheid de overige schepen reeds +zouden zijn aangekomen. + +De overrompeling met zooveel stoutmoedigheid door den geduchten +flibustier ten uitvoer gebracht, deed den Spanjaard als het ware van +schrik verstijven en had in de toekomst ontzettende gevolgen. + + + + + + + + +XVII. + +DE RAAD DER FLIBUSTIERS. + + +Wij hebben reeds in een der voorgaande hoofdstukken medegedeeld, bij +eene beschrijving van de golf van Maracaïbo of Maracaye zoo als de +flibustiers haar noemden, dat tien of twaalf mijlen zeewaarts bij den +ingang van de golf verscheidene eilandjes liggen, onder anderen Aruba, +en las Monjes. Die beide eilandjes, vroeger aan de Spanjaarden +onderworpen, waren bevolkt door Indianen, die de Castiliaansche taal +spraken, doch thans onderhoorig waren aan de Staten-Generaal der +Vereenigde Nederlanden, die na de verovering van Curaçao over die +eilanden gouverneurs aangesteld en er garnizoen gelegd hadden, niet +zoozeer om de vruchtbaarheid dier streken, want nauwelijks werd daar +genoegzaam voedsel gewonnen voor de geiten en paarden die er in groot +aantal aanwezig waren, maar meer omdat zij dienden als marktplaatsen +voor den uitgebreiden slavenhandel die tusschen de Spanjaarden en de +Hollanders gedreven werd. + +Vijf-en-dertig dagen na hun vertrek uit Port-de-Paix waren al de +schepen der vrijbuiters zonder eenige uitzondering vereenigd bij het +eiland Aruba, waar de bijeenkomst op last van Montbars moest plaats +hebben. Zoodra Morgan bij het eiland was aangekomen, bestond zijne +eerste werkzaamheid in de overmeestering daarvan; daarna deed hij al de +booten en prauwen der bewoners lek stooten, om hen te beletten zee te +kiezen, en zette op al de toegankelijke plekken der kust posten op den +uitkijk. Daar het door die verstandige voorzorgen voor ieder der +bewoners zoo goed als onmogelijk was geworden om het eiland te verlaten +en elders hulp te gaan zoeken, was de veiligheid der vrijbuiters voor +het oogenblik ten minste genoegzaam verzekerd, en konden zij er bijna +vast op rekenen, dat hunne tegenwoordigheid in deze streken niet bekend +zou worden dan op het tijdstip waarop zij goed zouden vinden zelf +daarvan het bewijs te leveren. + +Montbars wachtte op de komst der gezagvoerders, die hij allen bij zich +aan boord ontboden had; over de verschansing leunend dwaalde zijn oog +over het water en peinzend keek hij naar een boot die van den Tijger +was afgevaren en recht op het fregat aanhield. Drie personen zaten +achterin, eene daarvan was eene vrouw, en zoodra Montbars haar gewaar +werd, betrok zijn gelaat waarop, schoon niet zeer merkbaar, toch een +meer of minder ontevredene trek te voorschijn kwam; echter slaagde hij +er in dien te doen verdwijnen en ging met een glimlach om de lippen +naar den valreep aan stuurboord om het gezelschap te ontvangen dat met +de boot langs zij van het fregat was gekomen. Na de gebruikelijke +begroetingen begon Francoeur op hoogst eerbiedigen toon. + +—Admiraal, door mevrouw is aan mij hare begeerte te kennen gegeven zich +aan boord van uw schip te begeven, en ik heb gemeend mij niet tegen dit +bezoek te mogen verzetten, vooral ook, omdat mevrouw verlangt een +onderhoud met u te hebben. + +—Gij hebt er zeer goed aangedaan door mevrouw mede te brengen, +kapitein. Het doet mij zeer veel genoegen haar hier te zien, en ik stel +mij geheel te harer beschikking; alleen spijt het mij dat mevrouw geen +gelegener uur heeft gekozen dan dit, daar mijne plichten mij op dit +oogenblik verhinderen, zoo lang en ongestoord met haar in gesprek te +blijven, als ik wel zou wenschen. + +—Ik heb al den tijd te wachten, mijnheer,—werd door haar ten antwoord +gegeven,—tot uwe bezigheden u zullen veroorloven mij een onderhoud toe +te staan. Zoo gij mij dat vergunt, zal ik hier blijven tot de +vergadering, die door u gepresideerd moet worden, afgeloopen is, daarna +keer ik met de boot waarmee ik hierheen ben gekomen, weer terug naar +den Tijger, en dus zal toch het vertrek van den kapitein niet al te +lang worden vertraagd, want ik heb u slechts een paar zaken mede te +deelen. + +—Uwe begeerten, mevrouw, beschouw ik als bevelen,—hernam Montbars, en +liet daarop volgen terwijl hij den arm naar de zee uitstrekte, die over +eene zekere ruimte als bedekt was met booten die alle op het fregat +aanhielden,—doch gij ziet, mevrouw, dat het mij, hoezeer dit mij spijt, +op dit oogenblik onmogelijk is om met u te spreken, want daar ziet gij +mijne officieren die op mijn last hier aan boord komen. Wees dus zoo +goed en doe mij de eer tijdelijk gebruik te willen maken van mijne +bijzondere kajuit; zoodra ik vrij ben zal ik mij haasten, dáár bij u te +komen. + +Donna Clara boog, tot bewijs van instemming met dit voorstel, groette +Francoeur, en volgde een scheepsjongen aan wien door Montbars was +gelast haar den weg naar zijn kajuit te wijzen. + +De sloepen kwamen langs zij van het fregat, en de kapiteins bestegen +achtereenvolgens het dek, waar zij ontvangen werden met de militaire +eerbewijzingen, die bij de marine van alle landen in zwang zijn, waar +het geldt officieren van hoogen rang. Montbars stond bij den valreep, +drukte de hand van zijne kameraden en wisselde met hen eenige +vriendschappelijke woorden, zoodra zij hun voet op het dek hadden +gezet. De officieren begaven zich naar het vertrek dat ingericht was +tot vergaderplaats van den raad; twee vrijbuiters, met het geweer bij +den voet, stonden op wacht bij de deur, om te zorgen dat de bijeenkomst +ongestoord blijven, en niets van de beraadslaging bekend zou worden. +Eene ronde tafel met een groen kleed stond in het midden en daar om +heen waren zetels geplaatst. Er waren vijftien kapiteins tegenwoordig, +allen gezagvoerders van de schepen waaruit de vloot bestond, en allen +behoorende tot de meest in aanzien zijnde aanvoerders der flibustiers. +Reeds vroeger zijn hunne namen door ons vermeld. Montbars presideerde, +daarin bijgestaan door Morgan. Francoeur, als de jongste fungeerde als +secretaris; vóór den zetel, dien hij moest innemen, waren papier, +pennen en inkt geplaatst. Op een wenk van den Admiraal namen de +officieren plaats. + +De wetten der vrijbuiters waren kort en duidelijk; onder meer werd +daarbij bepaald, dat als eene expeditie werd uitgerust waarbij de +gezagvoerder slechts één schip onder zijn bevel had, geen besluit door +hem mocht genomen worden dan na toestemming zijner equipage, daar al de +leden daarvan beschouwd werden als zijne mededeelhebbers, die even veel +belang bij het goede succes der expeditie hadden als hij zelf en bij +gevolg ook recht, stem in den raad te hebben. Ieder voorstel dat ter +tafel werd gebracht, moest met algemeene stemmen worden aangenomen, +anders werd het geacht verworpen te zijn, terwijl het aan den +voorsteller verboden bleef zich daardoor beleedigd te toonen. + +Ingeval echter dat er spraak was van eene meer gewichtige expeditie, +als die welke thans door de vrijbuiters zou ondernomen worden, luidden +die bepalingen eenigszins anders, in zoo verre namelijk dat de +equipages der verschillende schepen geacht werden hunne rechten te +hebben overgedragen aan de gezagvoerders onder wier bevel zij stonden, +zoodat deze voor hen moesten optreden; doch de uitslag der stemming +bleef onveranderd, elk besluit moest steeds eenparig genomen worden, en +zelfs slechts één stem tegen werd voldoende gerekend om een voorstel +onherroepelijk als verworpen te beschouwen. Zulk eene wijze van +handelen mocht in beginsel eenige verdienste bezitten omdat daardoor +het belang van ieder en allen gewaarborgd werd, doch het groote gebrek +daarvan bestond hierin dat de discussies dikwerf in het oneindige +werden gerekt, zonder dat men tot een afdoend besluit kwam. Doch +daartegen kan worden aangevoerd dat de voornaamste officieren mannen +waren van goeden naam en erkende verdiensten, en dat zij die jonger +waren of hunne minderheid gevoelden, hoogst zelden in oppositie kwamen +en daarentegen met vol vertrouwen met hunne stemmen bekrachtigden, +alles wat werd voorgesteld; en dientengevolge liep gewoonlijk zulk eene +raadsvergadering zeer kalm af. + +Eer de vergadering geopend werd, achtte Montbars het gepast aan zijne +kameraden verslag te doen van de manier waarop hij zich meester had +gemaakt van het Spaansche fregat en de vier brigantijnen, die bestemd +waren geweest om de schuilplaatsen der flibustiers te verwoesten. Van +al de aanwezigen ontving hij hartelijke gelukwenschingen en toejuiching +over dit stoute wapenfeit waardoor hij meester geworden was van een +prachtig schip, het mooiste en zwaarst bewapende van de vloot, terwijl +het daardoor bovendien voor de Spanjaarden, ten minste voor den eersten +tijd, onmogelijk was geworden iets tegen de vestingen van de Broeders +der Kust te ondernemen. Na de niet geringe opgewondenheid, veroorzaakt +door de gloeiende woorden waarmee Montbars zijn verslag had +voorgedragen, werd hem verzocht de zitting te openen, waaraan hij +terstond gehoor gaf, te midden der grootste aandacht en algemeene +nieuwsgierigheid. + +—Broeders en vrienden,—sprak hij,—met zeker genoegen stel ik mij voor, +dat thans nu gij allen vereenigd zijt op de plek die door mij is +opgegeven als de plaats der bijeenkomst, thans nu uwe schepen geankerd +zijn in het gezicht dier rijke kust, waaraan door de Spanjaarden den +naam gegeven is van het Gouden Castilië, dat thans het doel van onze +expeditie geen geheim meer voor je zal zijn, of dat gij er minstens +iets van zult vermoeden, doch om je niet langer in het onzekere te +laten en daar het uur tot handelen is aangebroken zal ik het je doen +kennen. Mijn doel is dat wij Maracaïbo en de omliggende steden zullen +bemachtigen. Kameraden, hoe denkt gij over dit plan? + +—Admiraal,—werd uit aller naam door Morgan ten antwoord gegeven,—wij +zijn van meening dat het plan uwer waardig is, en rekenen het ons tot +eer je aan de verwezenlijking te mogen helpen. + +—Toch, broeders, moet ik ronduit bekennen,—vervolgde Montbars,—dat het +eerste denkbeeld van dit plan niet bij mij is opgekomen. Eere wien eere +toekomt. Het eerste denkbeeld daartoe is ontstaan in het brein van +Philippe d’Ogeron, die reeds sinds eenige dagen de kust opnam, toen het +toeval mij dáár deed landen in eene prauw met een paar kameraden, daar +ik bij een stormvlaag met slechte zee, mijn schip, te oud geworden om +zee te houden, onder zeil verspeeld had en te gronde zag gaan. Wij +behooren ons compliment dus te maken aan onzen jeugdigen en dapperen +kameraad, want hem komt de eer toe het eerste het plan te hebben +geopperd tot deze expeditie, ik heb niet anders gedaan dan het te +overwegen en uit te werken, en zooveel mogelijk overal de noodige +inlichtingen in te winnen, om het met uwe zeer gewaardeerde hulp te +volvoeren. + +Ingenomen door die bescheidenheid van Montbars, gaven de officieren +door toejuiching te kennen hoezeer zij daarover voldaan waren; want +allen waren bevoegde beoordeelaars van flinke handelingen op ieder +terrein, doch slechts weinigen hunner achtten zich in staat de +zelfverloochening in die mate te betrachten. Montbars hernam, zich +thans tot Morgan wendende: + +—Nu gij het doel van ons streven kent, verzoek ik aan onze +vice-admiraal mij verslag te doen over uwe verrichtingen na uw vertrek +uit Port-de-Paix. + +—Mijn rapport kan kort zijn, Admiraal,—gaf Morgan ten antwoord.—Ik heb +altijd goeden wind gehad en kalme zee. Vier mijlen onder den wind van +het eiland heb ik de verschillende schepen van de vloot verzameld, en +zijn wij allen te gelijk, als een vlucht gieren op Aruba neergestreken. +Hoewel ik daartoe van je geen order had ontvangen, heb ik toch, in de +meening dat die plek hier niet ver zou zijn van de plaats die moest +worden aangevallen, willen vermijden alle onnoodige berichtgevingen, +die voor ons noodlottig zouden hebben kunnen wezen. Daarom heb ik mij +meester gemaakt van het eiland, de bewoners, arm en niet zeer talrijk, +hadden zulk eene overrompeling niet van ons verwacht, en lieten zich +dus genoegzaam zonder tegenstand ontwapenen. Toen heb ik hunne booten +lek doen boren, om te voorkomen zoo enkelen hunner plan mochten hebben +daarmee te ontsnappen, en op al de toegankelijke punten van de kust +wachten op den uitkijk geplaatst, en tot nog grootere waarborg is door +mij last gegeven dat eenige booten bemand met flinke kerels wacht +zouden houden op enkele kabellengten afstand in volle zee, doch +schijnbaar alsof zij daar aan het visschen waren. Sedert onze aankomst +alhier zijn er ongeveer een dozijn kustvaarders zonder eenig kwaad +vermoeden op het eiland aangeland. Het is onnoodig je te zeggen dat +geen hunner weer vertrokken is, wij hebben hen allen gevangen gehouden, +iets waardoor zij ten hoogste werden verrast,—verklaarde hij +lachend,—en dit is alles wat ik heb te rapporteeren, Admiraal. + +—Waarde Morgan,—antwoordde Montbars,—ik betuig je mijn oprechten dank +voor alles wat door je is verricht. Er konden geen betere en gepastere +maatregelen worden bedacht dan die door je genomen zijn, doch toen ik +je die gewichtige betrekking bij de vloot toevertrouwde wist ik waartoe +gij in staat waart, en kon dus volkomen gerust zijn. Thans is de +hoofdzaak middelen te beramen voor onze landing, zoo mogelijk zonder +dat die door den vijand worden bemerkt. Dit is een hoogst moeielijk +geval; de stad die wij voornemens zijn te overrompelen, ligt aan het +eind van een meer; de toegangen zijn in goeden staat van verdediging, +de stad zelf is behoorlijk versterkt, en in het bezit van een talrijk +garnizoen, onder bevel van een ervaren officier, die zich niet licht +zal overgeven, dit weet ik zeker want ik ben met hem bekend. Thans geef +ik het woord aan Philippe d’Ogeron, die met de grootste nauwgezetheid +de posities van den vijand heeft opgenomen, en bij wien, zooals ik +reeds de eer had je te zeggen het plan tot deze expeditie is ontstaan. +Wees dus zoo goed, broeder, te spreken, wij zullen met aandacht naar je +luisteren—bij die laatste woorden wendde hij zich meer tot den jongen +man. + +Philippe stond op met eenigszins verhoogde kleur, eenigszins verlegen +door de herhaalde vleiende toespraak van zijn bevelhebber, doch meer +nog geërgerd door den spottenden blik dien de ridder de Grammont op hem +wierp; Philippe begreep dat door dezen, geholpen door het scherpe +inzicht der jaloezie, zijne geheimste gedachten geraden waren en +eveneens de beweegreden die hem dreef tot de begeerte om Maracaïbo te +overmeesteren, liever dan eenige andere even rijke plaats aan de kust. +Doch hij wist zich zelven te beheerschen, onderdrukte zijne ontroering, +en nam flink weg het woord. + +—Broeders,—zoo begon hij,—daar je verlangt dat ik je mijne meening zal +doen kennen, en ofschoon ik een der jongsten onder u ben, en mijne +ervaring bij de uwe geheel in de schaduw moet staan, zou ik het +ongepast achten uit valsche schaamte te weigeren aan uw verlangen te +voldoen, en zal gehoorzamend aan uw wil, in weinige woorden je mijn +gevoelen mededeelen. Zooals de admiraal je reeds gezegd heeft, de stad +is sterk en zal krachtig en goed verdedigd worden. Naar mijn inzien zou +het raadzaam zijn, eer wij iets tegen de stad beproeven, ons te +verzekeren of onze aanwezigheid dáár reeds bekend is geworden, dan wel +of men daarvan nog niets vermoedt. Deze streken worden bezocht door +zeer veel kustvaarders, en verscheidene van die vaartuigen zijn niet +veel meer dan roeibooten, zoodat het zeer gemakkelijk kan gebeurd zijn, +ondanks al onze waakzaamheid en al de genomene maatregelen, dat enkele +daarvan ons ’s nachts ongemerkt zijn voorbijgegaan. Mocht dit, +ongelukkig voor ons, plaats hebben gehad, dan valt er niet aan te +twijfelen of wij zijn herkend, want onze schepen zijn te zeer +verschillend van de Spaansche of Hollandsche; en dan zal nu reeds over +de gansche kust alarm zijn geslagen. Als gevolg daarvan bestaat er zeer +veel kans dat de lieden die wij willen overrompelen goed op hunne hoede +zullen zijn, en loopen wij dus gevaar zelf te vallen in den strik dien +wij hun spannen. + +—Uwe opmerkingen zijn zeer juist,—gaf Montbars te kennen, na met een +blik de overige kapiteins te hebben geraadpleegd,—en welke middelen +zouden, naar je meening, moeten worden genomen om ons die zekerheid te +verschaffen? + +—Wij hebben hier verscheidene Spaansche brigantijnen, het zal weinig +moeite kosten een daarvan te bemannen; wij zullen onze gevangenen +dwingen ons de seinen op te geven waaromtrent zij met de kustwachters +overeengekomen zijn. De brigantijn moet doordringen tot het meer, zelfs +zoo dicht mogelijk bij Maracaïbo en dan terug zeilen om hier rapport te +komen doen. Mocht dit voorstel worden goedgekeurd, dan verzoek ik, +belast te worden met het gezag over dien brigantijn. + +—En dan verzoek ik, broeder, je daarbij te mogen vergezellen!—voegde +Grammont spotachtig er bij. Philippe beantwoordde dit met een lichte +buiging en een even spotachtig glimlachje, en nam weer plaats. + +—Heeft iemand uwer tegen dit voorstel iets in te brengen, +broeders?—vroeg Montbars. Niemand gaf antwoord. + +—Niet? Dan zal ik dit doen,—hernam Montbars.—De opmerkingen van +Philippe d’Ogeron zijn zeer juist, dit heb ik straks reeds gezegd, en +nu wil ik er nog bijvoegen dat die, naar mijne meening, ook zeer +gegrond zijn. Ook ik acht het werkelijk ondenkbaar dat een vloot van +vijftien groote schepen, geheel ten oorlog uitgerust, hier op deze zóó +druk bezochte kust zou kunnen verschijnen, zonder te zijn opgemerkt. +Ook ik geloof dus dat onze aanwezigheid bekend en alarm geslagen is, +ja, ik ben er zelfs genoegzaam zeker van, dat men op dit eigen +oogenblik nu ik tot u spreek, in alle dorpen te wapen snelt en overal +zich bereid maakt om krachtdadig wederstand te bieden. En derhalve +moet, mijns inziens, juist om al die redenen, het voorstel van Philippe +niet in aanmerking komen. In de eerste plaats omdat als wij daartoe +besloten, voor ons veel kostbare tijd zou verloren gaan, die aan onze +vijanden te nutte zou komen, daar zij des te meer gelegenheid zouden +hebben zich te versterken en de schatten in veiligheid te brengen, die +wij voornemens zijn hun te ontrooven. Maar bovendien meen ik, al werden +de Spanjaarden die list met den brigantijn niet gewaar, al lieten zij +dat vaartuig rustig zijn zending volbrengen, de berichten die ons bij +zijn terugkomst worden meegedeeld ons toch niet dienstig zullen kunnen +wezen ten opzichte eener landing, want wij zullen toch wel niet zoo +naïef zijn een oogenblik te veronderstellen dat een vloot als de onze +onbemerkt het meer zou kunnen binnen vallen. Philippe d’Ogeron die even +als ik bekend is met de plaatselijke gesteldheid dáár, weet zeer goed +dat iedere andere weg voor ons is afgesloten, en dat het doen van een +landing op het een of ander punt der kust, ter einde over land op +Maracaïbo aan te rukken, gelijk zou staan met tot op den laatsten man +al ons volk in de waagschaal te stellen; want, en ook dit weet hij zeer +goed, die marsch zou moeten geschieden door een land, met holen, en +moerassen en modderpoelen, waar ontelbare rivieren zich kruisen, een +land bedekt door dichte wouden waar zware boomen met bladen zoo scherp +als een mes den doorgang beletten, een land bevolkt door ontembare +wilden, echte kannibalen, tegen wie wij onophoudelijk te kampen zouden +hebben. + +—Dan zou het eene onverantwoordelijke dwaasheid zijn, zoo wij ons +blootstelden aan al die gevaren met zoo weinig kans op goeden +uitslag,—werd door Morgan opgemerkt. + +—Wat is dan uwe meening?—vroeg Pierre Legrand. + +—Wel!—riep de Olonner en sloeg daarbij met de vuist op de tafel.—Mij +wordt het al duidelijk en klaar welk plan de Admiraal heeft, dit zal +toch wel niet anders zijn dan onvervaard op te trekken, den toegang tot +het meer te forceeren en met al onze macht een aanval op de stad te +beproeven. Wat drommel! Al stonden die duivelsche gavachos tegen ons +als tien tegen één, dan zijn wij toch immers kerels ferm genoeg om hen +het vuur na aan de schenen te leggen, zou ik zoo denken! Het zou +waarachtig de eerste keer niet zijn dat wij dat deden! + +—Wat zegt gij er van, Admiraal? Wat zegt gij er van?—riepen de meeste +hem toe. + +—Ja, Montbars,—hernam de Olonner,—zeg hoe gij er over denkt. Gij zijt +het beste in staat om ons in dit opzicht voor te lichten. + +—Broeders,—gaf Montbars ten antwoord en stond daarbij op,—het is juist +zooals de Olonner heeft gezegd, hij heeft mijn plan reeds geraden. Het +voorstel dat ik je wilde doen is dus het zijne. Geen tijd gunnen aan +den vijand om tot zich zelven te komen, den doortocht forceeren en met +alle kracht een aanval op de stad doen. Ik wacht uwe beslissing af. + +—Wel verduiveld!—vloekte de Olonner, die dit tot eene slechte gewoonte +maakte.—Die beslissing kan niet anders zijn dan eene toestemming in wat +gij verlangt dat wij zullen ondernemen, daar sta ik borg voor, want ge +hebt zoo helder als klaar het ware van onze positie blootgelegd, door +te bewijzen dat ieder ander plan van ontscheping ondoenlijk is. + +Morgan raadpleegde nog even met de overige kapiteins en verklaarde +daarna uit aller naam: + +—De leden van den raad keuren het door den Admiraal voorgestelde plan +goed, en zij verzoeken hem dit ten spoedigste uit te voeren. + +—Broeders,—sprak Montbars,—de vloot zal binnen een paar uren onder zeil +zijn, zorgt er dus voor dat alles klaar is om de ankers te laten +glippen, en dat de landingstroepen gereed zijn voet aan wal te zetten. +Keert terug naar uwe schepen, om de noodige maatregelen te nemen. Ik +sluit de zitting van den raad. Waarde Morgan,—voegde hij er nog bij,—u +moet ik verzoeken nog enkele oogenblikken hier aan boord te blijven, +daar wij samen nog een en ander te bespreken hebben, om elkaar goed te +verstaan. + +—Ik ben tot je orders, broeder,—gaf Morgan ten antwoord. + +De kapiteins groetten en vertrokken naar hunne bodems, uitgezonderd +Morgan, die met Montbars in het vertrek bleef waar de beraadslaging had +plaats gehad, en Francoeur die, volgens afspraak, wachtte tot donna +Clara gereed zou wezen met hem mede te gaan, en in dien tijd op het dek +op en neer liep. + + + + + + + + +XVIII. + +SCHIPPER AGUIRRE. + + +Tijdens de komst der flibustiers op het eiland Aruba dat zij bezetten +om van daar, volgens hunne uitdrukking, als een vlucht gieren neer te +strijken op Maracaïbo, heerschte in die rampzalige stad, zoo geheel +onbekend met het gevaar dat haar boven het hoofd hing, groote drukte; +ieder was dáár recht in zijn schik, allen lachten en dansten, in één +woord overal hield men feest; want het waren juist de dagen waarop +gewoonlijk de schepen uit Europa arriveerden. De uit Spanje verwachte +vloot was dan ook de golf binnen gestevend, doorgedrongen tot het meer, +en vóór de stad ten anker gekomen. Gedurende acht maanden van het jaar +bleven de kolonisten genoegzaam aan hun eigen lot overgelaten; te ver +verwijderd van groote en voorname steden zooals Vera-Cruz, konden zij +zich niet dan met groote moeite al het noodige verschaffen voor de +noodzakelijkste behoeften en kregen dus ten laatste daaraan groot +gebrek; met verlangen zagen zij daarom uit naar de aankomst der +koopvaardijschepen die nieuwen voorraad aanbrachten en hen in de +gelegenheid stelden al de voortbrengselen van den bodem, zooals tabak, +cacao, timmerhout, benevens goud, zilver en paarlen, waarmede hunne +magazijnen overpropt waren, te verruilen tegen levensbehoeften, +kleedingstukken, gereedschappen en allerlei Europeesche artikelen. +Dezen keer waren, als door eene bijzondere beschikking, de schepen +direct uit Cadix aangekomen, zonder onderweg eenige andere haven aan te +doen, zoodat de ladingen nog onaangebroken waren; de kolonisten hadden +dus overvloed van keus om te voorzien in hunne behoeften of te voldoen +aan hunne begeerten. + +Voortdurend zag men in de stad verschijnen recuas van muildieren, +waarvan ieder zwaar belast was met eene dubbele baal, en die, +voortgedreven uit de dorpen en de haciendas van het binnenland, het +vroolijke geluid hunner schelletjes in de straten deden weerklinken. Op +last van den Gouverneur waren op de Plaza Mayor tenten opgeslagen, en +jacales van takken gebouwd om tot tijdelijke magazijnen en kramen te +dienen aan de kooplieden, die er hunne waren voor ieders oog konden +uitstallen. Om kort te gaan het was een voortdurende kermis, die een +maand lang zou duren, en gedurende welke de bevolking, door den grooten +toevloed van vreemdelingen bijna verdubbeld was. ’s Avonds waren de +straten, als door een tooverslag, geïllumineerd, en op alle pleinen +werd gedanst met de opgetogenheid en de opgeruimdheid, die zoo +aantrekkelijk en eigenaardig zijn bij alle meer zuidelijke volken wier +karakter zich meest altijd kenmerkt door vroolijkheid, onbezorgdheid en +natuurlijke ongedwongenheid. + +Don Fernando d’Avila had heel wat te doen om de orde te handhaven in +zulk een warboel, en te zorgen dat het bij alle handelsverrichtingen en +verdere inkoopen en verkoopen op loyale wijze toeging, want de +Europeesche handelaars maakten er geen gewetenszaak van om honderd +piasters te vragen voor iets dat geen hoogere waarde dan tien piasters +bezat, en het was dus niet te verwonderen dat er dikwerf geschillen en +vechtpartijen ontstonden die door den Gouverneur tenauwernood konden +worden bijgelegd, daar de kolonisten zoo min als de Europeanen er toe +gebracht konden worden naar verstandige en bezadigde taal te luisteren. +Zoo werd don Fernando door al die bemoeiingen, hoezeer ook geheel tegen +zijn wil, als het ware genoodzaakt zich minder aan zijne pupil gelegen +te laten liggen, die bijna altijd als in hare vertrekken opgesloten +bleef; doch de jonge dame beklaagde zich niet over zulk eene +afzondering; zij scheen daarentegen zich er gelukkig door te gevoelen +en kon nu ongestoord al hare gedachten wijden aan hem dien zij lief +had. Een groot gedeelte van den dag bracht zij op het balkon door, half +verborgen achter de zonneschermen, steeds naar het meer turende en +verdiept in eene reeks van droomerijen. Somtijds keek zij even op om +naar na Cigala te kijken, die gewoonlijk dicht bij haar zat en te +vragen, met haar lief vleiend stemmetje: + +—Zeg eens, na Cigala, zoudt ge denken dat mijn lieveling nu gauw terug +zal komen? + +De oude vrouw schudde dan met een onvergenoegd gezicht het hoofd, gaf +meestal geen antwoord, of zoo zij dit een enkelen keer deed, dan was +dit op knorrigen toon, en binnensmonds eenige woorden brommende die +door de jonge dame niet verstaan werden; echter moet hier bijgevoegd +worden, dat deze er zich ook niet veel moeite voor gaf, want veel +liever hield zij zich bezig met hare eigene gedachten en verviel ook +spoedig weer in zoet gepeins. + +Reeds meer dan eens had na Cigala beproefd donna Clara tot het inzicht +te brengen hoe verkeerd het was zulk een eenzaam en eentonig leven te +leiden, waarin zij nu zoo zeer behagen scheen te hebben, en dat het +voor haar veel beter zou zijn, om te zamen uit te gaan, de stad eens +door te wandelen en de winkels te bezoeken, waar de Europeesche waren +uitgestald, en zij zulk eene ruime keuze zou hebben voor hare inkoopen. +Eene verleidelijke uitnoodiging, want de beschouwing van dergelijke +benoodigdheden en ook van dergelijke kostbare prullen is voor iedere +vrouw, hetzij dame, hetzij dienstbode een genot, ja, meer dan dit, want +hoe dikwerf worden daardoor de oogen zoo verblindend aangetrokken, dat +vele van haar tot doemwaardige handelingen overgaan, en den duivel in +handen vallen. + +Iederen keer dat de duenna hierop aandrong had donna Juana dit niet +anders beantwoord dan door kortweg neen te zeggen, of hoogstens +bepaalde zij zich tot de verklaring, dat zij niets gaf om kanten of +juweelen, zich heel goed vond dáár waar zij was, en veel liever stil +tehuis bleef; waarna zij weer verviel in de zoo geliefde en nu zoo +onaangenaam afgebroken overdenkingen. + +Weer werd op zekeren morgen die aansporing door de duenna herhaald, +maar nu nog veel dringender dan vroeger; de jonge dame gevoelde zich +juist dien dag zeer droefgeestig gestemd, zonder dat zij zich daarvan +reden wist te geven, want zij kon niets bedenken waardoor dit ontstaan +zou kunnen zijn; zij ging naar de deur zeker om zich te verwijderen en +daardoor ontslagen te worden van de vervelende op- en aanmerkingen +harer voedster, toen die op eens werd opengedaan en don Fernando de +kamer binnentrad. + +—Beste Juana, ik kom je vragen om met mij naar de haven te gaan,—gaf +hij haar te kennen zonder eenige voorafspraak,—de kapitein van la +Trinidad is, naar hij zegt, in het bezit van kostbare Mechelsche +kanten, en prachtig met gouddraad gestikte stoffen. Hij zou je die +zaken zeer gaarne laten zien, want hij houdt er zich van verzekerd dat +uwe keus als wet zal gelden, en de stoffen waaraan gij de voorkeur +geeft, bij iedereen in trek zullen komen. Hij heeft ons uitgenoodigd +bij hem aan boord, zonder omslag en onder ons, te komen ontbijten, en +ik heb dit voor ons beiden aangenomen. Die kapitein is iemand van +groote verdienste en het is mij veel waard hem eenigen dienst te kunnen +bewijzen. Wees dus zoo goed je klaar te maken en je daarmee te haasten, +want die kapitein wacht ons op den havendam daar hij zelf ons aan boord +van zijn schip wil brengen. + +Het jonge meisje beet zich op de lippen, toonde een pruilend gezichtje, +zei eerst goeden morgen tegen haar voogd, dien zij dien dag nog niet +had ontmoet en voegde hem daarop toe met ietwat kwijnende stem:—Ik voel +mij waarlijk te ongesteld om uit te gaan, señor, en dus zoudt gij mij +zeer veel genoegen doen er niet bij mij op aan te dringen u bij dit +bezoek te vergezellen. + +—Kom, kom,—gaf hij lachende ten antwoord,—ge ziet er beter uit dan ooit +en vandaag juist zoo frisch en blozend als de mooiste roos. Wees nu +eens goed en lief, Juana, en weiger mij dit niet, want daardoor zoudt +ge de oorzaak zijn, dat ik mijn woord tegen dien braven kapitein niet +hield, en dit zou mij voor den goeden man zeer spijten. Buitendien +geloof ik stellig dat de frissche lucht je goed zal doen. + +—Dit heb ik al zoo dikwijls tegen haar gezegd, maar zij wil naar mij +niet luisteren,—werd in het midden gebracht door de oude vrouw, die +zeer in haar schik was, nu zij hulp kreeg van een kant van waar zij die +niet verwacht had. + +—Houd den mond, na Cigala,—viel donna Juana toornig uit.—Het is of ge +het er altijd op toelegt mij te kwellen. + +—Hoor dat nu eens aan...—mompelde de oude vrouw, sloeg de handen ineen +en de oogen naar den hemel.—Heere God, wat zijn die kinderen toch +ondankbaar! + +—Kan ik er op rekenen dat ge met mij zult meegaan, Juana?—hernam don +Fernando. + +—Als gij dit eischt, ja, señor, + +—Laten wij elkaar goed verstaan, kindlief. Eischen doe ik niets, alleen +verzoek ik het, en verzoek ik het zeer dringend. Maar als ge er zoozeer +tegen zijt, dan geef ik mijne begeerte op en zullen wij er niet verder +over spreken. Ik hoop dat de kapitein zich mijne verontschuldigingen, +ook uit uw naam gegeven, zal laten welgevallen, daar ge begrijpt, dat +als gij niet mee wilt gaan, het voor mij geheel onnoodig is om dit +bezoek af te leggen. + +Hij groette zijne pupil en stond gereed heen te gaan, doch zij snelde +naar hem toe, greep zijn hand en zei haastig:—Och, señor! Waarlijk gij +moet het mij niet kwalijk nemen, en heusch het spijt mij zóó als ik +iets doe of zeg dat u onaangenaam is, maar, geloof mij, ik weet niet +wat mij vandaag scheelt, en toch kan ik er mij niet tegen verzetten. Ik +heb mij nog nooit zóó gevoeld. + +—Zoudt ge dan werkelijk ziek zijn, kindlief?—vroeg hij met vaderlijke +bezorgdheid. + +—Ik weet het niet, ik kan het u niet zeggen, maar dit is zeker dat ik +ieder oogenblik zou kunnen uitbarsten in een huilbui, en zoo gedrukt +ben ik, alsof ik door een groot gevaar werd bedreigd. + +—Kom, kom,—sprak hij lachend en geruststellend,—ge zijt een +zottinnetje! Ge hebt het den laatsten tijd doorgezet om zóó afgezonderd +te leven als een kluizenares, en dat is de schuld van dit alles. + +—Och, neen, señor! Lach niet, dit verzoek ik u, want waarlijk ik lijd +erg,—en de tranen kwamen reeds in hare oogen. + +—Maar, lief kind, als dit nu wezenlijk het geval is, dan moet ge naar +bed gaan, en zullen wij den dokter laten komen. + +—Neen, neen, dan ga ik liever uit, dan zal ik met u meegaan. Ik geloof +eigenlijk dat gij gelijk hebt, en dat de frissche lucht dit akelige +gevoel verdrijven zal. + +—Wilt ge dan nu waarlijk toch met mij meegaan, Juana? Maar laat ik je +dan herinneren dat ik je op geenerlei manier mijn wil verlang op te +dringen. + +—Daarvoor zeg ik u dank, señor, doch bij nader inzien twijfel ik er ook +niet meer aan of de buitenlucht zal mij goed doen. Gun mij even den +tijd om mijne rebozo te halen en een mantille om te slaan. + +—Ik zal wachten tot ge daarmee klaar zijt. + +—Binnen een paar minuten. Kom mee, na Cigala. + +En vlug en levendig als een vogeltje verliet zij het vertrek. + +—Ach! Hoezeer wenschte ik dat zij mijne dochter ware!—sprak de bejaarde +officier in zich zelf, en versmoorde daarbij een zucht. + +Kort daarna keerde het jonge meisje terug, en vroeg schertsend: + +—Lang ben ik niet weggebleven, is het wel? + +—Ge zijt een lief, best kind, steeds even voorkomend en bekoorlijk. + +—Ei, ei!—antwoordde zij guitig.—Nu ik doe wat gij wilt, vindt gij mij +weer aardig en krijg ik een prijsje! + +Zij gingen naar buiten. Half weg van de haven, kwamen zij den kapitein +van la Trinidad tegen, wien het, ongeduldig door het lange wachten op +den havendam, goed had gedacht hun een eind te gemoet te gaan. Die +kapitein was een nog jeugdig man, met verstandige en sprekende +gelaatstrekken; hij had vroeger bij de Spaansche marine gediend, en +ging door voor een kundig en ervaren officier. Een boot die gereed lag +tot ontvangst der bezoekers, kwam op een wenk van den kapitein vlak +onder de trap van het havenhoofd aanleggen, en enkele minuten waren +voldoende om langs zij van het schip te komen; een prachtigen +driemaster, bewapend met tien bronzen stukken, die meer had van een +oorlogschip dan van een vreedzamen koopvaarder. De grootste orde +heerschte aan boord, en de Gouverneur en zijne pupil werden aan +stuurboordzij ontvangen, met de eerbewijzingen aan zijn rang +verschuldigd. + +Onder een tent, die achter den grooten mast was opgeslagen, stond een +tafel gereed, gedekt voor vier personen. De officieren werden aan den +Gouverneur voorgesteld door den kapitein, die daarna zijn luitenant, +een ouden zeerob, die reeds lang met hem had gevaren, uitnoodigde om de +vierde plaats aan tafel te bezetten, echter niet dan na daartoe aan don +Fernando d’Avila vergunning te hebben gevraagd, eene vergunning die hem +trouwens dadelijk werd toegestaan; daarop liet de kapitein onmiddellijk +opdisschen. Op den maaltijd was niets aan te merken, de gerechten waren +keurig, en de wijn uitstekend. + +Het was of donna Juana zich inspande om de wispelturige wreveligheid, +door haar dien morgen betoond, weer goed te maken; of wellicht was zij +onder den invloed geraakt van het vreemde der omgeving, de drukte op de +ree, en het heerlijke uitzicht op het landschap. Wat daarvan zij, het +zoo drukkende gevoel scheen geheel geweken, zij was vroolijk en +innemend, spraakzaam en opgewekt, en had er schik in om den ouden +luitenant te plagen en met hem te schertsen, schoon de goede man weinig +begreep van haar guitigheden, en nog veel minder van hare geestigheden +en daarbij zulk een ongelukkig figuur maakte dat de uitgelatenheid van +het jonge jolige schepseltje steeds aanhield. + +—Wel, Juana,—vroeg haar voogd,—hebt ge er nu nog spijt van dat ge met +mij zijt meegegaan? + +—Och! Praat daar niet meer over, don Fernando, ik was een zottinnetje, +en ben nu heel en al beter. Señor kapitein, hebt ge veel moois aan mij +te laten zien? + +—Gij zelve zult daarover moeten oordeelen, señorita; niemand heeft +mijne waren nog onder de oogen gekregen; ik wachtte met de uitstalling +tot gij de goedheid zult gehad hebben daarover met uw onfeilbaren smaak +uitspraak te doen. + +—Zoo! Nu reken er maar op dat ik lang niet makkelijk te voldoen ben. + +—Dat zal mij juist zeer aangenaam zijn, señorita, want wat in uw oog +van waarde is, zal ongetwijfeld bij de andere dames in de kolonie ook +wel bijval vinden. + +—Dat zal nog bewezen moeten worden, señor kapitein, want iedere dame +beweert dat het haar niet aan smaak ontbreekt. + +—Toegegeven, señorita, alleen staat het bij mij vast, dat uw smaak vrij +wat beter is. + +—Señor, señor,—lachte zij.—Wat kunt ge vleien! En wanneer denkt ge al +dat moois uit te stallen? + +—Dadelijk na het ontbijt. + +—En gij, señor luitenant,—bij die woorden wendde zij zich tot den ouden +zeerob, die, daar hij niets beters te doen wist, at alsof hij +uitgehongerd was, en daarbij dronk als een tempelier,—is er door u ook +iets voor mij achtergehouden? + +—Door mij, señorita!—uitte hij zoo haastig met vollen mond dat hij +gevaar liep van te stikken, en keek daarbij verschrikt en verbaasd om +zich heen.—Wat zou door mij achtergehouden zijn, señorita? + +—Dat weet ik niet, misschien kanten of juweelen, of mogelijk ook die +mooie gouden gekrulde kammen, die de dames te Sevilla dragen. + +—Neen, neen, dat geloof ik niet. + +—Wat zegt ge daar, gelooft ge dat niet? Weet ge dit dan niet zeker? + +—Ja, señorita, neem mij niet kwalijk, ja, ik weet het vast en zeker. Ik +heb niets anders dan heel fijn neteldoek met gouddraad voor +muskietengaas. + +—O! Dit treft heerlijk, dat moet zeker mooi zijn!—en lachend klapte zij +in de handen.—Maar hebt ge niets anders? + +—Alleen nog zilveren sporen en gouden mecheros. + +—Voor dames? + +—Wel neen, wel neen! Voor heeren, maar señorita, als u er lust in mocht +hebben om iets daarvan aan te nemen, dan stel ik dit gaarne te uwer +beschikking. + +—De sporen, dat gaas of de mecheros? + +—Alles, señorita, alles wat gij maar wilt,—verzekerde hij met een +tamelijk plompe buiging. + +Toen barstte het jonge meisje in zulk een schaterend gelach uit, dat de +oude zeerob daardoor letterlijk overbluft werd. Juist nu kwam een der +scheepsjongens naar den kapitein, groette dezen, en fluisterde hem iets +in het oor. + +—Señor Gouverneur,—zei daarop de kapitein,—er is iemand die verzoekt u +te mogen spreken. + +—Och! Wat nu weer!—antwoordde don Fernando ontevreden.—Dan moet hij +maar wachten. Ik veroorloof mij waarlijk zoo zelden een uurtje voor mij +te nemen, dat ik geen lust heb mij nu al weer dadelijk met zaken te +gaan bemoeien. + +—Pardon, señor Gouverneur, maar die man zegt dat eene zeer gewichtige +zaak hem naar hier drijft, en dat gij hem op staanden voet zult +toelaten, zoodra gij zijn naam hebt gehoord. + +—Ei, ei! Die sinjeur schijnt zich heel wat in te beelden! Wat voor een +soort van man is hij? + +—Naar zijn uiterlijk schijnt hij een zeeman,—gaf de scheepsjongen zeer +onderdanig te kennen. + +—En hoe is die zoo veelbeteekenende naam, heeft hij je dien genoemd? + +—Ja, dat heeft hij, señor Gouverneur. + +—Nu, hoe noemt hij zich? + +—Aguirre. + +—Wat!—viel de Gouverneur uit, van zijn stoel opspringende, alsof hij +een schok had ontvangen, terwijl hij doodsbleek werd.—Aguirre, zegt ge +immers? + +—Aguirre, juist, señor Gouverneur. + +—Dat is vreemd! Waarde kapitein, hebt ge voor mij, hier of daar het +doet er niet toe waar, een plekje beschikbaar, waar ik met dien man +eenige oogenblikken, zonder gestoord te worden, kan spreken? + +—Mijne kajuit is te uwer beschikking, señor Gouverneur. + +—Opperbest! Wees zoo goed mij daarheen den weg te wijzen, en dien man +dáár ook te doen komen. Lieve Juana, in mijne afwezigheid, en die zal +slechts van korten duur zijn, zullen de beide heeren je al dat moois +wel laten zien. + +—Ga gerust, mijnheer,—antwoordde donna Juana,—ik hoop niet dat dit +gesprek tengevolge zal hebben, dat gij lang van ons wegblijft. + +De Gouverneur volgde den kapitein van la Trinidad naar diens kajuit, +waar deze hem achterliet, doch niet dan na met de breedsprakige +hoffelijkheid van de Spaansche beleefdheid, hem verzocht te hebben zich +hier als tehuis te gevoelen en diensvolgens te handelen. Een oogenblik +daarna klonk er op de kajuitstrap een zware stap, en voorafgegaan door +den scheepsjongen trad schipper Aguirre binnen. Don Fernando gelastte +door een wenk den jongen weg te gaan, wendde zich toen naar den spion, +die zeer onderdanig bij de deur was blijven staan en vroeg:—Zoo, zoo, +schipper Aguirre, gij hier! Het is een wonder je in deze streken te +zien. Welke goede wind brengt je hierheen? + +—Het is geen goede wind, gestrenge heer,—klonk het dubbelzinnige +antwoord.—Ik houd het zelfs voor een zeer slechten. + +—En wij hebben hier reeds langer dan een maand het prachtigste weder. + +—De ergste stormen komen niet altijd uit de lucht, edele heer. + +—Neen! Ge bedoelt zeker dat de menschen daarvan dikwerf de oorzaak +zijn, niet waar? + +De spion boog zwijgend. + +—Waar komt ge vandaan? + +—Regelrecht uit Vera-Cruz, op een brigantijn die daarvoor uitsluitend +door Zijne Excellentie den Onder-Koning in hoogst eigen persoon werd +uitgerust. + +—Door den hertog de Penaflor! + +—Ja, gestrenge heer. + +—Hum! Dan schijnt die zaak zeer ernstig! + +—Meer dan dat, edele heer. Het is eene zaak van het hoogste gewicht! + +—Zoo! Nu ik verwacht nadere verklaring. + +—Hier is een brief voor u, gestrenge heer, van den Onder-Koning die u +van alles op de hoogte zal brengen, beter dan ik dit zou kunnen +doen.—Bij die woorden trok hij uit de voering van den bol van zijn hoed +een brief die daar verborgen was geweest. + +Don Fernando greep er haastig naar, en brak dien met bevende hand open; +lang was die brief niet, doch de inhoud van de weinige regels was zóó +gewichtig dat de Gouverneur verbleekte ondanks zijn erkende en +beproefde dapperheid. + +—En,—vroeg hij een oogenblik later, toen hij weer opkeek,—zijn die +berichten waar en echt? + +—Geheel en al naar waarheid, en stipt overgebracht, edele heer. Ik zelf +bracht ze aan Zijne Excellentie den Onder-Koning. + +—En hoe zijt ge daarmee bekend geworden? + +—Door niemand anders dan mijzelven. Ik heb oogen en ooren gebruikt. + +—Dus wordt door de vrijbuiters eene expeditie uitgerust? + +—Eene ontzaglijke expeditie. + +—Maar misschien is die niet tegen ons gericht? + +De spion lachte minachtend. + +—Om hier te arriveeren heb ik dwars door eene vloot moeten stevenen, +door eene vloot van meer dan twaalf schepen, die met korte slagen +laveerde om te Aruba voor anker te komen. + +—En wie voert het bevel over die vloot? + +—Montbars de Verdelger zelf. + +Don Fernando huiverde bij dien zoozeer geduchten naam. + +—Weet ge ook of Montbars zich nu reeds onder al de schepen van die +duivelsche kerels bevindt? + +—Nog niet, gestrenge heer, hij is van zijn koers afgeweken om zich +eerst meester te maken van het fregat la Perla en van vier +brigantijnen, schepen die door den Onder-Koning waren uitgerust om de +stichtingen der vrijbuiters op Tortue te vernielen. + +—En?—viel de Gouverneur in met angstige gejaagdheid. + +—Montbars heeft door entering het fregat genomen op de rivier Efferra, +is daarna binnengevallen ter ree van Puerto del Principe, heeft de +brigantijnen overvallen en doen zinken en de equipage der rampzalige +schepen onverbiddelijk omgebracht, en zal nu binnen een paar etmalen te +Aruba arriveeren, waar zijn vloot hem verwacht, om dan tot handelingen +over te gaan. + +—Dan zij God ons genadig!—kreet don Fernando en liet op een zetel zich +neerzinken,—want, tenzij er een wonder geschiede, zijn wij verloren! + + + + + + + + +XIX. + +DE CABILDO. + + +Er heerschte een oogenblik stilzwijgen. + +Don Fernando, overstelpt door het ontzettende bericht dat hij zoo +onverwacht had ontvangen, verpletterd door ontroering en genoodzaakt +tot de erkentenis van de onbeduidendheid der verdedigingsmiddelen +waarover hij beschikken kon, scheen niet in staat tot geregeld denken. +Somber en onbeweeglijk stond de spion tegenover hem, steeds wachtende +of het zoo plotseling afgebroken gesprek zou worden hervat. Maar don +Fernando d’Avila was een oud soldaat met onverminderde energie, dapper +tot het vermetele, en nu de eerste slag ontvangen was, een slag die +hard was aangekomen, werd hij zich zelven weer meester, ieder spoor van +ontroering of aandoening verdween van zijn gelaat, en hij toonde zich +even kalm en koel als naar gewoonte. + +En waarom ook niet? Wat gaf hij om den dood? Hij die in zoo menig +gevecht den dood dapper te gemoet getreden, en als getart had, den dood +van den krijgsman, die geveld wordt in edelen strijd door de hand van +den vijand! Had hij gesidderd, had hij zich als vernietigd gevoeld bij +dit zoo plotselinge bericht van een hoogst waarschijnlijken aanval der +flibustiers op de kolonie waarvan het gezag aan hem was toevertrouwd, +dan was dit niet veroorzaakt door vrees voor het vreeselijke gevaar dat +hem bedreigde, neen, dit was alleen ontstaan door zijne bekendheid met +de vrijbuiters, tegen wie hij meer dan eens hardnekkig gestreden had. +Hij wist maar al te goed dat na de behaalde overwinning, hunne +wreedheid nog grooter was dan hunne vermetelheid gedurende den strijd, +en dat dan leeftijd zoo min als kunne genade vonden in de oogen dier +vervaarlijke tegenstanders, meer nog, dat de vrouwen vooral het meest +van hen te duchten hadden. + +Hoe luttel de middelen mochten zijn waarover hij kon beschikken, toch +besloot hij daarvan gebruik te maken, niet zoozeer om den slag af te +wenden waarmee hij werd bedreigd, als om die minder hard te doen +neerkomen, en zoo hij de stad niet kon redden, dan wilde hij ten minste +trachten de inwoners te behoeden voor de rampen die het gevolg zijn van +eene overrompeling en bestorming. + +—Schipper, kan ik je vertrouwen?—vroeg hij aan den spion en keek dien +doordringend aan. + +—Zijne Excellentie, de Onder-Koning stelt het volste vertrouwen in mij. + +—Is uw brigantijn nog al ruim? + +—Ruim genoeg om voor een korten tocht een honderdtal manschappen te +bergen. + +—Goed, ge hebt mij reeds begrepen. Keer naar uw schip terug, maak alles +gereed om dadelijk onder zeil te gaan, en wacht mijne verdere orders +af. + +De spion stond klaar om heen te gaan. + +—Wacht nog even,—riep de Gouverneur hem toe,—weet dat ge mij met uw +leven borg blijft, dat geen enkel woord over dit alles over uwe lippen +komt. + +—Dat zweer ik, gestrenge heer! + +—Goed! Ga. + +Schipper Aguirre vertrok en een oogenblik daarna verscheen de +Gouverneur weer op het dek. + +—Wel,—vroeg Juana aan hem.—Waren die berichten nu werkelijk zoo +gewichtig? + +—Gewichtig genoeg, kindlief, om mij te noopen je te verzoeken dadelijk +met mij aan wal te gaan, terwijl ik mij bij den kapitein moet +verontschuldigen dat ik zoo onverhoeds het schip verlaat, waar wij zoo +heusch door hem zijn ontvangen. + +De kapitein boog en zei: + +—Señor, in afwachting van wat misschien noodig zou kunnen zijn heb ik +reeds een boot voor u gereed doen houden. + +—Daarvoor ben ik u zeer verplicht, caballero, maar de bezichtiging van +uwe koopwaren is, naar ik hoop, slechts tijdelijk uitgesteld en zal dus +later geschieden. Gaat ge met ons meê? + +—Zoo gij mij dit veroorlooft, ja, señor Gouverneur. + +—Ge zult mij daarmeê zelfs genoegen doen. Kom, Juana, kindlief, wij +hebben ons hier reeds te lang opgehouden. + +—Maar zijn die tijdingen dan werkelijk zoo gewichtig?—herhaalde zij, +daar zij angstig begon te worden. + +—Zoo al niet ernstig dan toch dringend genoeg, en daarom moet ge u wat +haasten. + +Men ging van boord, en enkele minuten later stapten zij aan de kade uit +de boot, en bevonden zich weldra te midden van eene talrijke +luidruchtige, vroolijke en drukke menigte. Don Fernando’s gelaat +betrok; die onbezorgde opgewondenheid deed hem pijnlijk aan, hij gaf +een wenk aan een officier die op de havendam een sigaar stond te +rooken, en dadelijk naar hem toekwam; hij fluisterde hem iets in het +oor, zeker een order die door anderen niet verstaan behoefde te worden. +De officier verwijderde zich haastig, en met versnelden tred; don +Fernando bood daarna zijn arm aan zijne pupil en vergezeld door den +kapitein van la Trinidad ging hij met haar, ook zeer overhaast, naar +zijn woning, waardoor de bij het jonge meisje ontstane angst sterk werd +vermeerderd. Op het plein van zijne woning nam de Gouverneur afscheid +van donna Juana, kuste haar op het voorhoofd, en toen hij gezien had +dat zij verdwenen was in dat gedeelte van het huis waar hare kamers +waren, wendde hij zich tot den kapitein en zei:—Kom meê. + +—Waar gaan wij heen? + +—Naar de cabildo. + +De kapitein keek verbaasd op en vroeg:—Wat is er toch gaande, +Excellentie? + +—Ik heb een zeer noodlottig bericht ontvangen,—luidde het meer +gefluisterd dan gesproken antwoord.—Ga mee, ge zult alles maar al te +vroeg vernemen. + +In Spanje en in de Spaansche koloniën geeft men den naam van cabildo +aan het stadhuis, dat wil zeggen aan den zetel van de regeering. + +Toen don Fernando vergezeld door den Gouverneur dáár aankwam, waren de +officieren van het garnizoen en de notabelen der stad er reeds +vereenigd in de zaal waar de beraadslagingen werden gehouden. Zij +stonden, in groepjes bijeen, met elkaar te praten over en te gissen +naar de redenen tot zulk eene buitengewone oproeping. Met ernstig +gelaat en zwaren stap trad de Gouverneur binnen en nam plaats op den +zetel voor hem bestemd op eene estrade achter in de zaal. + +—Señores en caballeros,—dus begon hij,—weest zoo goed mij uw volle +aandacht te schenken, want nog geen uur geleden heb ik berichten +ontvangen, die ik mij verplicht acht u onmiddellijk mede te deelen. + +De officieren en notabelen haasten zich de plaatsen in te nemen, die +hen volgens het ceremonieel toekwamen. Nadat ieder gezeten en de stilte +hersteld was, stond de Gouverneur op, vouwde den brief open die hem +door schipper Aguirre aan boord van la Trinidad was ter hand gesteld en +zei: + +—Señores, gelieft mij aandachtig aan te hooren, want vive Dios! het is +eene zaak die u allen betreft. + +Zoo mogelijk werd het nog stiller, en de nieuwsgierigheid nog meer +gaande gemaakt. De Gouverneur wierp een blik over de aanwezigen en +begon de depêche voor te lezen: + + + „Aan den Señor kolonel don Fernando d’Avila, Gouverneur namens + Zijne Katholieke Majesteit, over de provincie Venezuela, Maracaïbo + en andere plaatsen. + + „Señor Kolonel! + + „Wij vernemen uit zekere en betrouwbare bron dat de Fransche en + Engelsche ladrones, die den naam van flibustiers hebben aangenomen, + in strijd met het volkenrecht, de bezworen trouw, en den thans + tusschen de drie koninkrijken bestaanden vrede, op dit oogenblik + eene machtige vloot uitrusten bestaande uit twaalf of veertien + schepen, en bemand met drieduizend bandieten, met het doel, zooals + dit op hoogen toon door hen verzekerd wordt, de steden der + provincie, die onder uw gezag staat, te overvallen en te + plunderen.” + + +Na de mededeeling van dit bericht, uitten de aanwezigen kreten van +verontwaardiging en schrik, waardoor de Gouverneur genoodzaakt werd de +lezing een oogenblik te staken. + +—Luisteren, heeren, luisteren,—voegde hij hun toe met kalme en ferme +stem,—ik ben nog niet aan het eind. + +En daarna hernam hij te midden van doodsche stilte en doffe ontroering: + + + „Ik acht het onnoodig, señor kolonel, u aan te bevelen de noodige + maatregelen te nemen die het belang van den dienst des Konings + vereischen. Ik ben te zeer overtuigd van uw erkende dapperheid, en + uwe groote ervaring om u de handelingen voor te schrijven die onder + deze omstandigheden door u moeten worden verricht. Slechts heb ik u + te verwittigen dat zoo gij u enkele dagen staande en die ladrones + in bedwang kunt houden, gij er op rekenen kunt dat u uit Vera-Cruz + zulke aanzienlijke hulp en versterking zal worden toegezonden, dat + het u, hieraan twijfel ik niet, gelukken zal die bandieten-horde te + vernietigen, die nu van plan is u aan te vallen. Wanhoop dus niet, + señor kolonel, en verdedig ook thans even dapper de Castiliaansche + eer, als dit reeds zoo herhaaldelijk door u is gedaan! Leve de + Koning! + + „Hiermede, señor kolonel, bid ik God, dat Hij u in Zijne heilige + hoede neme! + + „De Onder-Koning van Nieuw-Spanje: + Hertog de Penaflor, + + „Caballero cubierto, Grande van Spanje der eerste klasse, enz. + enz.” + + +Die brief bevatte nog enkele regels tot naschrift, maar don Fernando +achtte het raadzaam daarvan de voorlezing achterwege te laten. De +inhoud van dit naschrift was als volgt: + + + „Nog moet ik u verwittigen, señor kolonel, dat de ladrones worden + aangevoerd door de beruchtste schelmen van hunne verfoeielijke + vereeniging, en dat de twee voornaamste bevelhebbers zijn Montbars + de Verdelger en de Engelschman Morgan, een paar ellendelingen, die, + zooals ieder weet, nooit genade aan de overwonnenen schenken, + zoodat dit eene aansporing te meer is om u liever te laten dooden, + dan u over te geven.” + + +Don Fernando hield de inhoud van dit naschrift voor zich alléén, want +zoo hij ook daarvan aan de vergadering mededeeling had gedaan, dan zou +de reeds wankelende moed zeker totaal vernietigd zijn geworden, daar +vooral de naam van Montbars een onoverkomelijke vrees bij velen teweeg +bracht. Na de lezing van den brief van den Onder-Koning heerschte er +gedurende eenige minuten zulk een verward en hevig rumoer door +geschreeuw, vervloekingen en verwenschingen, dat het den Gouverneur +ondoenlijk bleef zich te doen verstaan; eindelijk verminderde het +tumult van lieverlede, don Fernando haastte zich daarvan gebruik te +maken en nam toen het woord. + +—Thans,—sprak hij op barschen toon,—is het geen oogenblik om te +jammeren of te weeklagen, thans moet gehandeld worden, de tijd dringt +ons. Volgt mijn raad zonder een oogenblik te talmen, en dan sta ik er +voor in, zoo al niet dat de stad behouden zal blijven, dan toch dat gij +in staat zult zijn om uwe gezinnen te redden, en uw vermogen te +behoeden voor de roofzucht dier bandieten. + +—Laat hooren, laat hooren! Wat moet er gedaan worden?—schreeuwden allen +te gelijk. + +—Luistert liever bedaard in plaats van zoo dolzinnig te +schreeuwen—donderde hij hun toe, en stampte zelf in de uiterste drift +op den vloer. + +Ieder zweeg. + +—Het is gelukkig voor ons—vervolgde hij,—dat de Spaansche vloot hier op +de reede ligt, en onze haven vol is met schepen van allerlei grootte. +Haast u dus uwe vrouwen en kinderen met uw kostbaarste zaken op deze +schepen te brengen, die zullen naar Gibraltar overvaren. Maracaïbo kan +geen beleg doorstaan en het is dus beter deze stad te verlaten. Wij +moeten die door de bandieten laten bezetten zonder wederstand te bieden +en terwijl die schelmen dan hier hun tijd zullen verspillen door te +plunderen en te verbrassen het weinige wat wij hier achter hebben +gelaten, moeten wij werken, werken met man en macht om de versterkingen +van Gibraltar, die toch reeds zeer beduidend zijn, nog te vermeerderen +en krachtiger te bevestigen. Als de bandieten het durven wagen ons ook +dáár aan te vallen, dan hebben wij groote kans, dit acht ik genoegzaam +zeker, om hen zóó toe te takelen, dat zij voor langen tijd er genoeg +van zullen hebben weer eene nieuwe expeditie naar deze streken uit te +zenden. En vergeet daarbij niet, dat de Onder-Koning aan ons spoedige +hulp heeft toegezegd, het is dus zeer waarschijnlijk dat die bandieten +weinig lust zullen gevoelen ons in dien schuilhoek aan te vallen. Geeft +dus met den meesten spoed van dit alles kennis aan uwe medeburgers en +zorgt nu goed dat zij dadelijk alles in gereedheid brengen voor hun +vertrek. Allen die morgen bij zonsopgang nog te Maracaïbo zijn achter +gebleven, zullen dáár blijven. Ik vertrouw dat gij mij begrepen hebt, +gaat dus heen. U, Señores officieren, verzoek ik hier te blijven. + +Haastig en in verwarring snelden de burgers naar de deuren en in een +oogwenk was de zaal door hen ontruimd. Bijna dadelijk daarna hoorde men +buiten klagen en gejammer en daarin mengden zich spoedig de sombere +toonen van den alarmklok die in alle kerken geluid werd. + +Zoodra de Gouverneur zich overtuigd had, dat al de burgers vertrokken +en alleen de officieren gebleven waren, sprak hij de laatsten +toe:—Caballeros wij hier, wij zijn krijgslieden en zullen ons niet zoo +licht laten ontmoedigen, want wij kennen onzen plicht. Ik hoef u dus +niet uit te noodigen dapper in den dienst des Konings te strijden, +Kolonel don Santiago Tellez! + +—Excellentie!—antwoordde de kolonel, die vooruit trad. + +—Neem onder uw bevel vijftig flinke manschappen en ga met hen naar de +haven; dáár zult gij een schipper aantreffen, een zekeren Aguirre. +Scheep u met uwe onderhoorigen in op zijn brigantijn, en laat u +overbrengen naar het Houtduifeiland, waar het garnizoen niet meer +bedraagt dan vijfenveertig man. Gij moet het daar zoo noodig, minstens +één dag tegen de ladrones uithouden. + +—Excellentie, ik geef er u mijn woord op, dat ik het twee dagen lang +zal verdedigen. + +—Goed, des te beter! Vaarwel, kolonel! + +—Vaarwel, Exellentie. Gij zult spoedig het bericht van mijn dood +vernemen, doch kunt er staat op maken, dat ik mijn leven duur aan die +bandieten zal verkoopen. + +Hij boog en vertrok, voor het uiterlijk zoo kalm alsof hij eene +wandeling ging maken. De Gouverneur versmoorde een zucht en +vervolgde:—Kapitein Ortega, doe vijftig soldaten opzitten en zendt hen +in alle richtingen uit, om de buitenlui te waarschuwen dat de ladrones +in aantocht zijn; u kunt gaan. + +Kapitein Ortega ging dadelijk heen. + +—En aan u, kolonel don José Ortez,—hernam de Gouverneur,—draag ik het +bevel over het garnizoen over. Trek daarmee af naar Gibraltar; gij laat +hier niet meer achter dan vijftig manschappen, mits geschikte en +gewillige kerels. Naar ik vermoed zult gij mij begrepen hebben. + +—Volkomen, Exellentie. + +—Nog moet ik u ten sterkste aanbevelen stipt er voor te zorgen dat geen +enkel wapen, en niets van de krijgsbehoeften hier achter blijft, want +het zou te groote dwaasheid zijn als wij de ladrones in staat stelden +daarvan voor hunne kanonnen gebruik te maken. + +—Dat zou werkelijk meer dan dwaas zijn, Exellentie. Waar moeten die +soldaten post vatten? + +—Hier op de cabildo. + +—Goed, en wanneer moet ik vertrekken? + +—Met het laatste konvooi inwoners. Vaarwel, kolonel! + +—Toch niet, Exellentie, tot weerziens! + +—Wie weet?—mompelde de Gouverneur. Ook die kolonel verwijderde zich en +toen bleef de gouverneur slechts over met één persoon, den kapitein van +la Trinidad. + +—Hoe nu!—uitte don Fernando, zoodra hij hem gewaar werd.—Zijt ge nog +hier, kapitein? + +—Ja, Exellentie, ik was er op gesteld bij u te blijven. + +—Doch, houd het mij ten goede dat ik u dit onder het oog breng, +kapitein, dit is waarlijk geheel in strijd met uw eigen belang. + +—Exellentie, ik heb iets opgemerkt,—gaf de kapitein te kennen, zonder +bepaald de opmerking van den Gouverneur te beantwoorden. + +—En waarin bestaat dit, kapitein? + +—Dat gij, sedert wij hier in de zaal zijn, u druk hebt bezig gehouden +met anderen, doch aan u zelven niet schijnt te denken. + +—Dat is immers mijn plicht? + +—Zeer zeker! Verre zij het dus van mij door die opmerking eene +afkeuring te bedoelen. + +—Welnu dan? + +—Welnu, dan dunkt mij dat thans uwe beurt gekomen is en daarom juist +ben ik hier gebleven. Door u is last gegeven om naar Gibraltar af te +trekken en zeker hebt gij daarvoor afdoende redenen. + +—Zeer gewichtige, en zeer afdoende, kapitein. + +—Maar als zoodanig kunt gij niet laten gelden uw voornemen om te +sneuvelen, zonder glorie en zonder eenig voordeel, hier aan het hoofd +van een onnoozel troepje manschappen. Buitendien hebt gij eene pupil, +en uw plicht is het ook voor haar te zorgen. + +—Mijne pupil zal de overtocht naar Gibraltar doen aan boord van uw +schip. + +—Alleen? + +—Met u. + +De kapitein schudde het hoofd en zei botweg:—Neen! + +—Hoe!—uitte don Fernando hoogst verbaasd;—weigert gij mij dit? + +—Niet ik weiger, Excellentie, maar zij zal dit doen. + +—Kom, kom, hoe krijgt ge het in het hoofd dit te beweren, kapitein! + +—Vraag het haar, en dan zullen wij nader spreken; doch luister even, +Excellentie, en houd dit goed in gedachte. Van daag nog of stellig +dezen nacht zullen al de schepen naar Gibraltar uitzeilen, doch één zal +hier blijven en wel het mijne. Ik heb er een eed op gedaan dat ik u +hier niet achter zal laten. + +De Gouverneur bleef een oogenblik in gepeins, toen stak hij hem de hand +toe, en sprak met bewogen stem:—Het zij zoo, kapitein, ik neem uw +aanbod aan, doch ik moet u vooraf waarschuwen dat ik mijn post niet +verlaat dan als de laatste en op het uiterste oogenblik, eerst dan als +voor mij niets anders meer te doen overblijft. + +—Vive Dios! Dacht gij dat ik iets anders van u verwachtte? + +—Kom nu mee, dan gaan wij naar mijne pupil. + +Thans verlieten zij ook op hun beurt de cabildo, en liepen met +haastigen tred naar het verblijf van den Gouverneur. + +Het voorkomen van de stad was binnen de laatste twee uren totaal +veranderd; nog steeds waren de straten opgepropt door eene talrijke +menigte, dat is waar, doch nu hoorde men geen gelach meer en geen +gezang, nu zag men geen opgeruimde gezichten; thans werden kreten van +smart gehoord, gesnik en geween, thans was ieders gelaat bleek en +ieders blik beangst, in één woord thans heerschte overal en bij allen +schrik en bezorgdheid, die aan wanhoop grensde. Ingevolge het door den +Gouverneur uitgevaardigde bevel had de verhuizing der bevolking reeds +een aanvang genomen; gevolgd door hunne weenende vrouwen en kinderen, +en beladen met hunne rijkdommen hadden de bewoners hunne huizen +verlaten. Het was een hartverscheurend tooneel. Kwade tijdingen worden +gewoonlijk bliksemsnel verspreid; zoo had dan ook donna Juana reeds +alles vernomen. Toen don Fernando haar kamer binnentrad, zag hij haar, +half liggende op kussens, bleek van gelaat, maar met koel vastbesloten +voorkomen. Na Cigala zat in een hoek der kamer ineengedoken, weenende +en met het gelaat in de handen verborgen. Bij den eersten oogopslag +begreep don Fernando hoe hier de toestand was.—Juana, liefste kind, ge +hebt, naar ik merk, reeds kennis gekregen van het gevaar dat ons boven +het hoofd hangt. + +—Helaas, ja, mijnheer,—luidde het droefgeestige antwoord. + +—Ge weet dus zeker ook dat wij genoodzaakt zijn voor de overmacht te +wijken, en de stad te ontruimen. + +—Ook dat is mij bekend, mijnheer. + +—En daarom moet ik je verzoeken, uwe kostbaarheden voor zooverre dit +mogelijk is in te pakken, en dan met mij meê te gaan. + +—Gaan wij dan heen?—vroeg zij, en sprong haastig overeind. + +—Dat wil zeggen, kindlief, gij gaat heen; ik moet hier nog een poos +blijven, om zoo veel doenlijk te waken en te zorgen voor het belang van +de ongelukkige bevolking. + +Zij viel weer op hare kussens neer en zei:—Goed, dan zal ik blijven +wachten. + +—Hoe! Wilt ge blijven wachten? + +—Wilt ge mij de beleediging aandoen, mijnheer, van één oogenblik te +gelooven, dat ik zonder u zou heen gaan? + +—Wees verstandig, Juana, lief goed meisje, het gevaar is zeer dreigend; +ge weet hoeveel ik van u houd, en dan eerst zal ik gerust zijn, wanneer +ik de zekerheid heb dat gij in veiligheid zijt. Kom dus mee, want de +kapitein wacht op u. + +—Ik ben den kapitein daarvoor zeer verplicht, doch ik ga niet van hier +dan met u. Neen, mijnheer, schud nu uw hoofd zoo niet, ik heb vast +daartoe besloten. Gij hebt gezegd dat gij zooveel van mij houdt, maar +evenzeer, misschien nog meer, is dat bij mij het geval, want voor mij, +arm verlaten kind zonder ouders of familie, zijt gij alles, en dit +altijd geweest. Ernstig en dringend verzoek ik u dus, er verder niet +meer over te praten, want het zou vergeefsche moeite zijn. Met u zal ik +sterven of met u gered worden. + +—Juana, ik smeek het je, zie af van dit besluit, ge brengt mij door uw +voornemen tot wanhoop. Stem in mijn verzoek toe en vertrek. + +—Met u, ja, zonder u, neen! Ik ben uw eigen kind niet, dit is waar, +maar ik beschouw mij als uwe dochter, en de plicht eener dochter is, +wat er ook moge gebeuren, te blijven bij haar vader. En dus, ik blijf! + +Wat don Fernando ook beproefde, alles was vergeefs, zij volhardde +onwrikbaar bij haar besluit, en er bleef dus niets anders over dan toe +te geven aan haar verlangen. Toen vloog het jonge meisje op, wierp zich +in de armen van don Fernando, en barstte uit in tranen, hem snikkend en +hartstochtelijk haar dank betuigende. + +—Denk nu nog eens aan mijn voorgevoel van dezen morgen,—voegde zij er +bij met een weemoedig lachje.—Zegt gij nu nog dat ik een zottinnetje +was? + +—Neen, neen,—gaf hij ten antwoord.—Ik was blind, God heeft het u +ingegeven. + +Den anderen dag, reeds zeer in de vroegte, was de stad doodsch en +verlaten. In de straten en op de pleinen zag men slechts nu en dan +enkele personen ronddwalen, arme drommels te behoeftig om iets van de +vrijbuiters te duchten te hebben, en die het dus onnoodig hadden geacht +voor hen te vluchten. Don Fernando bleef voortdurend op het stadhuis, +waar de vijftig soldaten geposteerd waren, de eenige die hij bij zich +had willen houden van de achthonderd man waaruit het garnizoen bestond. +Donna Juana had zich met na Cigala begeven aan boord van la Trinidad, +en de kapitein van dit schip had aan het jonge meisje zijn woord +verpand dat hij zonder don Fernando niet zou vertrekken. Al de in het +belang der bevolking beraamde maatregelen waren dus ten uitvoer +gebracht, en de daardoor gerustgestelde Gouverneur wachtte nu +onvervaard de vrijbuiters af, die niet lang op zich zouden laten +wachten. + + + + + + + + +XX. + +HET HOUTDUIFEILAND. + + +Nadat door Montbars met Morgan de noodige schikkingen waren getroffen +voor den door hem beoogden aanval, nam hij afscheid van hem, doch deed +hem nog uitgeleide naar zijn boot en toen hij zich daarna omkeerde +stond hij vlak tegenover Francoeur. + +—Och!—uitte hij.—Ik had waarlijk niet meer gedacht aan donna Clara. + +—Gun mij een oogenblik, Admiraal,—sprak de jonge man op zeer +eerbiedigen toon.—Ik heb u iets te verzoeken. + +—Spreek,—kreeg hij zeer goedhartig ten antwoord,—is het iets dat van +mij afhangt dan.... + +—Het hangt geheel en al van u af, Admiraal. + +—Dan is het zoo goed als toegestaan, en hebt ge mij slechts te zeggen +waarin dat verzoek bestaat. + +—Admiraal, gij hebt mij benoemd tot uw vlagofficier, niet waar? + +—Dat is zoo, maar die benoeming is slechts tijdelijk geschied, in +afwachting van de eerste de beste gelegenheid om je een kommando op te +dragen. + +—Houd het mij ten goede, Admiraal, doch ik zou er de voorkeur aan geven +dat gij mij het kommando dat ge mij wel hebt willen toevertrouwen +ontnaamt en mij de post van vlagofficier weder bij u liet bekleeden. + +Montbars keek hem scherp aan en vroeg:—Welke reden drijft je tot dit +verzoek? + +—Mijn verlangen, Admiraal, om bij u te zijn in de ure des gevaars, in +de hoop dat ik u in de hitte van den strijd eenigszins van dienst zal +kunnen zijn. + +Die woorden klonken zoo oprecht, en het gelaat van den jongen man was +daarmee zoo geheel in overeenstemming dat Montbars er door werd +getroffen. + +—Goed,—sprak de Admiraal en bood hem de hand,—keer terug naar den +Tijger en zeg aan uw eersten officier dat gij aan hem het gezag +overdraagt. Kom dan hier terug, de betrekking van vlagofficier is +steeds onbezet gebleven en kan dan weer door u worden vervuld. + +—O! Admiraal, daarvoor betuig ik u mijn oprechten dank,—verzekerde +Francoeur in vervoering. + +—Luister nog even,—vervolgde Montbars,—breng dan tegelijk de koffers en +kisten van donna Clara mee, ook zij behoort hier aan boord te komen, +want niet al onze makkers munten altijd uit in hoffelijkheid, en op dit +punt stel ik niet genoeg vertrouwen in uw opvolger, Alexandre IJzerarm, +om haar met gerustheid dáár aan boord te laten. + +Hij wenkte den jongen man vriendschappelijk toe en stapte daarop naar +de kajuit waar donna Clara hem wachtte. + +—Mevrouw, duid het mij, dit verzoek ik u dringend, niet ten kwade, dat +ik u zoolang heb moeten laten wachten; had het van mij afgehangen, dan +zou dit waarlijk niet zijn geschied.—Inmiddels had hij een zetel +genomen en zich vlak tegenover haar geplaatst. + +—Daarvan houd ik mij overtuigd, doch ik heb tijd te over. + +—Te eer,—hernam Montbars,—daar ik u kom verwittigen dat gij niet meer +naar den Tijger behoeft terug te keeren. Francoeur heeft afstand gedaan +van het kommando over dien bodem, om, volgens zijne begeerte, weer de +betrekking in te nemen die hij vroeger bij mij bekleedde. En nu heb ik +gemeend, mevrouw, dat het voor u passender was om hier bij mij aan +boord te blijven, dan te verkeeren op een schip waar gij niemand kent, +en u dus zeer eenzaam en afgezonderd zoudt bevinden. + +—Ik ben u zeer dankbaar voor die oplettendheid, mijnheer,—gaf zij met +ontroering te kennen. + +—Het is toch waarlijk iets van zoo weinig beduidenis, mevrouw, dat het +zulk eene dankbetuiging niet verdient, en als u de kajuit waar wij nu +zijn, bevalt, dan verzoek ik u die van nu af als uw bijzonder vertrek +te beschouwen; uw trouwe en vertrouwde Birbomono kan een hut betrekken, +vlak hier naast, zoodat hij ieder oogenblik te uwer beschikking blijft. + +—Dat is waarlijk te veel goedheid, mijnheer. + +—Toch niet, het is niet meer dan een staaltje van mijn plicht, doch dit +daargelaten. Mag ik u thans verzoeken mij mede te deelen waarmeê ik u +van dienst kan zijn? + +—Mijnheer,—sprak zij met bevende stem,—zooals gij weet ben ik eene +Spaansche, en gij, gij beoorloogt mijne landgenooten, nu verzoek ik u, +wees niet altijd zonder eenige genade jegens hen. + +Het gelaat van Montbars betrok eenigszins. + +—Helaas, mevrouw! Ik durf verklaren dat het mij tot in de ziel grieft, +maar wat gij mij vraagt is juist de eenige zaak waarin ik niet aan uw +verlangen kan voldoen. + +—Ach! Hebt gij dan waarlijk nog niet genoeg van dien vreeselijken naam +van Montbars den Verdelger, waarmede uwe vijanden u bestempeld hebben! + +—Mevrouw, het is ongelukkig genoeg in dit opzicht maar al te waar dat +ik zelf in deze zaak eigenlijk niets te zeggen heb. De wetten van onze +Vereeniging luiden stellig en bepaald, en ik moet mij daaraan +onderwerpen even goed als al mijne broeders. Bij die wetten is het ons +verboden aan de Spanjaarden genade te verleenen, of hen vrij te laten. + +—Maar mijnheer, al uwe vrienden maken toch gevangenen. + +—Dan moeten zij het voor zich weten te verantwoorden dat zij de wet +verkrachten, ik voor mij zou dit niet kunnen, om de eenvoudige reden, +dat die wetten door mij zijn gemaakt, en bijgevolg ik dus, meer nog dan +een hunner, gehouden ben daaraan te gehoorzamen. + +—Het zij zoo, mijnheer,—zuchtte zij,—dan zal ik niet langer er op +aandringen. Gods wille geschiedde! Vergeet wat ik tot u gezegd heb, en +vergeef mij dat ik het waagde op die manier tot u te spreken. + +Montbars stond op, groette zeer beleefd en verliet de kajuit om zich +weer naar het dek te begeven. + +—O God!—snikte donna Clara, die haar hoofd in de handen verborg en half +wanhopend op een zetel neerzonk.—O God! Ben ik nog niet zwaar genoeg +gestraft voor eene misdaad waaraan ik onschuldig ben. Groote God! Welke +smarten hebt Gij mij nog toebedacht, te midden van deze onverzoenlijke +menschen! + +Zij knielde voor een kruisbeeld door haar gehecht aan den wand van het +schip en bleef verzonken in gebed; zoo ging voor haar de dag voorbij; +toen Birbomono met een licht de kajuit binnentrad vond hij haar +bewusteloos aan den voet van het kruis; hij nam haar op, lag haar in +een hangmat en wendde de hulpmiddelen aan die door haar toestand werden +vereischt. Donna Clara sloeg de oogen weer open, doch bleef zwak en +moedeloos, de wanhoop had haar aangegrepen. + +—Arme vrouw!—klaagde de mayordomo, die kort bij haar in de schaduw +bleef zitten om zoo noodig haar verder hulp te bieden. + +Den ganschen nacht bleef donna Clara zacht snikken en weenen; eerst +tegen den morgen sliep zij in, overmeesterd door vermoeidheid. Toen +stond Birbomono zeer behoedzaam op, en verliet de kajuit op de teenen +loopend uit vrees dat hij zijne meesteres in haar slaap zou storen. + +Kort daarna begon het te dagen, en het oogenblik naderde waarop groote +gebeurtenissen zouden plaats grijpen, want, zooals de lezer zich zal +herinneren was door Montbars gezegd, dat hij besloten had het +Houtduifeiland aan te tasten. Den vorigen avond, tegen zonsondergang, +was door Montbars eene lichte boot bestegen, bemand door twaalf +matrozen, en zoo dicht mogelijk onder de kust gekomen, om, zelf +onzichtbaar door de zware deining, met behulp van een verrekijker op te +nemen wat aan wal voorviel. Hij had verscheidene zware booten bemerkt +tot overladens toe bemand, die met kracht van riemen op het +Houtduifeiland aanhielden; die booten waren langs het strand gaan +liggen en hadden daar hunne passagiers ontscheept. Het gevaar niet +achtende waar aan hij zich blootstelde door nog meer te naderen, het +gevaar van ontdekt en gevangen te worden genomen, had Montbars, die +zich zeer ongerust maakte over die heimelijke ontschepingen, aan zijne +matrozen gelast om zoo dicht mogelijk naar het eiland te roeien. + +Het mocht voor hem gelukkig worden geacht dat de zon onder gegaan en +het vrij donker was, nu toch kon hij de verkenning zoo ver uitstrekken +als hij dit noodig oordeelde. Toen bemerkte hij, door middel van een +uitnemenden nachtkijker, dat al de aangebrachte personen, hoogst +waarschijnlijk soldaten, zeer druk bezig waren den grond om te graven, +en daaruit maakte hij op, wat ook werkelijk het geval was, dat hunne +werkzaamheid bestond in het oprichten van verschansingen, die dienen +moesten tot meerdere verdediging van het eiland. Die mannen waren dan +ook de vijftig soldaten, door don Fernando d’Avila, onder bevel van +kolonel don Santiago Tellez afgezonden, ter versterking van het +garnizoen. De vrijbuiter was voldaan over wat hij te weten was gekomen, +achtte het onnoodig nu nog langer daar te vertoeven, en haastte zich te +laten wenden om zijn schip te bereiken, waar hij tegen middernacht +aankwam. Dadelijk daarop werd Francoeur door Montbars naar de andere +schepen gezonden, met last aan de gezagvoerders dat zij bij het +aanbreken van den dag onder zeil moesten zijn, en in een halven cirkel +op het eiland aanhouden, doch het aan het fregat overlaten in de +voorhoede te blijven. + +De Admiraal was tot het inzicht gekomen dat de Spanjaarden bekend waren +met zijne aanwezigheid, en wilde hun den tijd niet laten den toegang +tot de golf zoodanig te versterken dat het ondoenlijk zou worden die te +forceeren; daarom besloot hij den aanval in linie te beproeven, en zich +tot iederen prijs meester te maken van het Houtduifeiland, daar van het +bezetten dier stelling, waardoor de ingang van de baai werd beheerscht, +voor hem den goeden uitslag van de expeditie afhing. + +Voor de Spanjaarden was het in waarheid een grootsch maar tevens +geducht schouwspel, een vloot van vijftien schepen die bij het +aanbreken van den dag als uit de golven scheen op te rijzen, naar de +golf van Maracaïbo te zien koers houden; doch de in het fort +geposteerde soldaten, waren allen kernachtige kerels aangevoerd door +ervaren officieren; en ieder hunner was evenzeer bereid om het leven op +te offeren. Met woede en toorn, maar ook met een gevoel van trots zelfs +eenigermate van voldoening, zagen zij hun geduchte vijanden hunne +versterkingen naderen, die vijanden voor wie zij zoo dikwerf het +onderspit hadden moeten delven, en zij brandden van verlangen om eene +schitterende weerwraak te nemen. + +Toen de schepen op slechts enkele kabellengten van het eiland +verwijderd waren, wendden zij, op een sein van het Admiraalsschip hunne +zijden daarnaar toe en bleven stil liggen. Een vuurpijl die uit den +wachttoren was afgestoken, diende tot waarschuwing aan het Spaansche +garnizoen dat de vloot der vrijbuiters zich gereed maakte het kanaal +van de golf te passeeren; de kanonniers werden dus met brandende lont +bij hunne stukken geplaatst om op het eerste sein den doortocht die +volkomen door het fort werd beheerscht, onder vuur te nemen. Er verliep +een vrij langen tijd waarin, naar het scheen, niets door de vrijbuiters +werd uitgericht. De Spanjaarden begrepen niets van eene dergelijke +werkeloosheid en wisten niet waaraan die moest worden toegeschreven, +doch op eens bemerkten zij dat van het fregat een boot werd afgezonden +die, voorzien van een parlementaire vlag, met kracht van riemen op het +eiland aanhield. + +—Wat moet dat beteekenen?—werd door den vroegeren kommandant aan den +kolonel gevraagd. + +—Niet anders,—luidde het antwoord—dan dat die lieden dáár +waarschijnlijk iets hebben voor te stellen. + +—Zouden wij er over denken om met zulke ellendelingen te +onderhandelen!—viel de officier woedend uit.—Dat zou eene schande van +ons zijn! Ik ga dadelijk order geven die vervloekte boot in den grond +te boren. + +En reeds stond hij gereed om naar de dichtst bijzijnde batterij te +gaan, doch haastig hield de kolonel hem tegen en zei: + +—Doe dit vooral niet! Ik heb order ontvangen om het hier zoo lang +mogelijk uit te houden, en dus is het zaak om hun tijd te doen +verliezen, daardoor zal aan dit bevel veel beter voldaan worden. + +—Neem u dan het gezag over, kolonel—gaf de ander verstoord ten +antwoord,—want vive Dios! ik bedank er voor om met die bandieten +praatjes te gaan houden. + +—Goed,—uitte de kolonel,—ik neem de verantwoordelijkheid op mij. +Waarlijk, het is nu het geschikte oogenblik niet om zich al te trotsch, +en evenmin om zich licht geraakt te toonen. De hoofdzaak is nu, de stad +te redden; laat mij dus mijn gang gaan. + +—Doe zooals u goeddunkt, kolonel! Gij zijt buitendien ouder in rang dan +ik, derhalve moet ik gehoorzamen. + +De kolonel liet dadelijk op het fort een parlementaire vlag hijschen en +tegelijkertijd gaf hij last een boot te bemannen. Toen de boot van de +vrijbuiters op den afstand van een geweerschot bij het fort was +gekomen, bleef die stil liggen en haalden de roeiers de riemen in. De +kolonel was reeds in de boot gestapt, die hij had laten gereed maken, +en zoodra hij bemerkte dat de vrijbuiters niet verder kwamen, liet hij +op hen aanroeien. De beide booten waren weldra niet verder dan een +pistoolschot van elkaar. Montbars, die zich persoonlijk in de boot der +vrijbuiters bevond, stond op, nam zijn hoed af en sprak: + +—Heb de goedheid, señor, langs zij aan te leggen. Ik geef mijn woord +tot pand, dat gij van onze zijde noch bedrog noch verraad te wachten +hebt. + +—Wie of wat is mij daarvoor een waarborg?—vroeg de kolonel.—Ik ben de +Gouverneur van het fort. + +—En ik de Admiraal van de vloot,—antwoordde Montbars.—Ten overvloede +ziet gij dat hier in mijn boot niet meer zijn dan vier ongewapende +matrozen, terwijl gij vergezeld zijt door twintig goed gewapende +manschappen. Wij zouden dus veeleer reden hebben voor u bevreesd te +zijn. + +—Gij hebt gelijk,—erkende de kolonel en gelastte den bootsman:—Ga langs +zij liggen. + +De twee booten kwamen boord aan boord. Montbars greep den rand van het +grootere vaartuig om het tegen te houden, en wipte met vluggen sprong +er over heen, om dadelijk naast den kolonel plaats te nemen. Werkelijk +was de flibustier ongewapend. + +—Gij ziet, caballero, dat ik u voorga met een blijk van vertrouwen. + +—Señor,—antwoordde de kolonel op waardigen toon.—Gij zijt thans onder +de hoede van de Castiliaansche eer.—Montbars beantwoordde dit met eene +hoffelijke buiging. + +—Door u wordt eene bijeenkomst verlangd, señor,—vervolgde de +kolonel.—Mag ik u verzoeken mij daarvan verklaring te geven. + +—Voor die verklaring, caballero, zijn een paar woorden voldoende. Ik +verlang eenvoudig van u de overgave van het fort. + +De kolonel begon te lachen en zei:—Op mijn woord dat klinkt kort en +bondig, en gij valt met de deur in het huis, zooals men wel eens zegt. + +—Dat is mijne gewoonte, caballero. Mag ik u nu op mijn beurt verzoeken, +daarop te antwoorden. + +—Señor, ik zal uw voorbeeld volgen en heb voor dat antwoord slechts één +woord noodig: Nooit! + +—Dan moet ik u onder het oog brengen, mijnheer, dat het nestige fortje +waarover gij het bevel voert, geen weerstand kan bieden aan de geduchte +overmacht waarmee het zal worden aangevallen. + +—Dat is iets, mijnheer, wat alléén mij aangaat. Dat nestige fortje, +zooals gij het gelieft te noemen, is aan mij toevertrouwd. Zoo ik er +niet in slaag om het te behouden, dan zal ik bij de verdediging +sneuvelen, zóó als het een krijgsman past. + +—En waarlijk, señor, dat zal een roemrijke dood zijn, doch... geheel +nutteloos. + +—Dat blijft de vraag, señor. Daarbij gij zijt niet bekend met den staat +onzer middelen tot verdediging. + +—Toch wel, minstens even goed als gij zelf. Denk nog eens aan graaf de +l’Atalaya en zie mij nu goed aan,—en na die woorden nam hij zijn hoed +af en streek te gelijk zijn haar naar achter. + +—Hoe is het mogelijk!—liet de verbaasde kolonel zich ontvallen. + +—Dat was ik, mijnheer, ik! Brengt die ontdekking geen wijziging in uwe +plannen? + +—Volstrekt niet, señor! Mijn besluit blijft even vast. + +—Luister nu kalm en bedaard,—voegde Montbars hem toe op verzoenenden +toon.—Gij zijt een dapper man, maar waarom laat gij u drijven door +overdreven trots en valsch eergevoel om het onder uw bevelen geplaatste +garnizoen nutteloos op te offeren? Ik geef er u mijn woord op, dat ik u +in staat zal stellen eervol te capituleeren. + +—Ik heb u reeds gezegd, dat mijn besluit vast en onveranderlijk blijft. + +—Is dat uw laatste woord? + +—Het laatste,—werd kortaf door den kolonel geantwoord. + +—Dat dan uw noodlot vervuld worde, doch gij zijt verantwoordelijk voor +al het bloed dat vergoten zal worden! + +—Daarover laat ik met gerustheid het oordeel aan God! Ik vertrouw op +Zijn almacht en goedheid! + +—Dat Hij u dan ter hulp kome, want dat is de eenige uitkomst die u +overblijft. Vaarwel, señor! Binnen een kwartier laat ik met de +vijandelijkheden een aanvang maken. + +—Wij zullen trachten, señor, u warm te ontvangen. + +De beide heeren groetten elkaar beleefd. Montbars stapte weer in zijn +boot, die terstond afstak en naar het fregat werd geroeid, terwijl de +kolonel haast deed maken om zoo spoedig mogelijk aan wal te komen. + +—Welnu?—vroeg de Gouverneur toen de kolonel op het fort was gekomen. De +kolonel trok zijn degen en zei: + +—Heeren, maakt u gereed voor het gevecht en vergeet niet dat wij te +doen krijgen met mannen die nooit kwartier geven. + +Iedereen spoedde zich naar zijn post, vast besloten niet te kort te +schieten in de vervulling van zijn plicht. Wij moeten hier nog even +opmerken, dat de laatste handeling van Montbars, een handeling die +geheel en al in strijd was met de gewoonten van den vermaarden +vrijbuiter, alleen het gevolg was van de dringende bede van donna +Clara; toch moeten wij er als in één adem bijvoegen, dat hij, toen hij +zijn toestemming daartoe gaf, wellicht een geheim voorgevoel had dat +daarvan toch niet het minste resultaat te verwachten was. + +Nauwelijks was de Admiraal aan boord terug, of er werden met de vloot +verscheidene signalen gewisseld en zeer kort daarna kon men gewaar +worden dat tal van zwaar bemande booten de schepen verlieten, en zich +langzaam naar wal richtten. Dat eskadertje bestond uit vijfentwintig +barkassen, bemand met ongeveer vijfhonderd man en was bestemd om eene +landing te beproeven. Montbars, Morgan en de voornaamste gezagvoerders, +voerden het aan. De Spanjaarden lieten de booten tot onder geweerschot +naderen. Plotseling schoten de kanonniers hunne stukken af, en het +eskader werd begroet met een hagelbui van kruit. De vrijbuiters +beantwoordden dit vuur niet; rustig roeiden zij voort, onder het zingen +van een statig lied wat altijd hunne gewoonte was, en zonder zich in +het minst te bemoeien met hunne makkers, die door een schot mochten +getroffen zijn. Ten tweede male werden de stukken gelost en +onmiddellijk volgde daarop het derde vuur. + +—Voorwaarts!—bulderde toen Montbars, trok den degen en sprong in zee. + +—Voorwaarts! Voorwaarts!—herhaalden de vrijbuiters die ook uit de +barkassen sprongen, en hem volgden, zonder er over te denken of zij +dicht genoeg bij den wal waren om grond te voelen. De Spanjaarden +verdubbelden hun vuur; de avonturiers bereikten het strand, en ijlden +naar de palissaden die, met aarde bedekt, den vijand als voorposten +dienden. De vervoering van de aanvallers was onwederstaanbaar; de +palissaden werden in één oogwenk uit den grond gerukt of verbroken; de +Spanjaarden overhoop geworpen en vertrapt of gewurgd; de vluchtenden, +met het zwaard in de hand, achterna gezeten en op zulk een korten +afstand vervolgd dat Franschen en Spanjaarden te gelijker tijd het fort +binnen stormden. De vrijbuiters wierpen zich onmiddellijk op de +kanonniers, doodden hen bij hunne stukken, zonder hen tijd te laten die +nog eens af te vuren, en keerden de mond der kanonnen terstond naar de +vluchtende soldaten, die nu door het schroot als weggemaaid werden. + +De vrijbuiters hadden het Houtduifeiland bemachtigd, en de toegang tot +het meer was dus nu vrij. Naar de vloot werd dadelijk het verkregen +resultaat overgeseind, terstond werden de zeilen gesteld en zette men +koers naar het meer om zoo dicht mogelijk onder de stad te komen. Aan +slechts enkele soldaten gelukte het te ontkomen, al de overigen werden +zonder genade gedood. De vrijbuiters vonden in het fort veertien +kanonnen van zwaar kaliber, wapens, kruit en eene aanzienlijke +hoeveelheid levensmiddelen van allerlei aard. + +Door de bemachtiging van het fort was het goede succes van de expeditie +verzekerd, de val van de overige steden aan het meer moest +onvermijdelijk volgen, en het was alleen de vraag of dit na korten of +langeren tijd zou geschieden. + +Zooals de kolonel aan don Fernando d’Avila had beloofd, had hij zich +zoolang mogelijk staande gehouden, doch was na dapperen strijd aan de +spits van het garnizoen gesneuveld. Die dood mocht roemrijk genoemd +worden, doch bleef bijna volslagen nutteloos, want het fort was binnen +een uur tijds overmeesterd. + + + + + + + + +XXI. + +MARACAÏBO. + + +Door de bemachtiging van het Houtduifeiland lag de weg naar Maracaïbo +voor de vrijbuiters open; door één en denzelfden slag waren zij meester +geworden van het meer en in staat om met alle kans op goeden uitslag de +overige steden langs de kust aan te vallen. Het succes van de expeditie +kon dus genoegzaam zeker worden geacht; echter bleef de zee nog open. +Het zou dus mogelijk zijn dat de Spanjaarden van daar met aanzienlijke +macht opdaagden, den ingang van het meer versperden, zich krachtdadig +nestelden op het Houtduifeiland, den terugtocht van de vrijbuiters +afsloten, en hen zoo doende als in een muizenval opgesloten hielden. +Zooveel doenlijk moest tegen eene dergelijke gebeurlijkheid gewaakt +worden. + +Montbars riep een krijgsraad bijeen waaraan hij kort en zakelijk den +toestand uiteenzette. Nog half bedwelmd door de behaalde overwinning +lieten de Broeders der Kust hem vrij om naar eigen inzicht de +maatregelen te nemen die hij in het belang van aller veiligheid +noodzakelijk achtte. De beroemde flibustier sterk door het in hem +gestelde vertrouwen en geleid door den omzichtigheid en misschien ook +wel gedreven door zekere geheime plannen die reeds lang bij hem +bestonden en welker verwezenlijking hem ongetwijfeld meer ter harte +gingen dan de schatten waarop zijn kameraden uitsluitend het oog hadden +gericht, toonde zich onder deze omstandigheden wederom geheel berekend +voor de taak die hem werd toevertrouwd. Vreezende dat door te groote +overhaasting de gunstige kansen van de expeditie gevaar liepen in de +waagschaal te worden gesteld, hield Montbars zich dus in de eerste +plaats bezig te zorgen voor een veiligen aftocht ingeval men daartoe +werd genoodzaakt. Eer dus tot eenige verdere operatie over te gaan, +liet hij met man en macht de versterkingen op het Houtduifeiland +vernielen, en het fort met den grond gelijk maken, terwijl de kanonnen +daarvan werden vernageld, daar men tijd noch middelen had ze mede te +voeren. Hoe grooten spoed ook met die werkzaamheden werd gemaakt, toch +vereischten die heel wat tijd; zoodat eerst drie dagen na de inname van +het fort de vloot gereed was om op Maracaïbo aan te houden. Groot was +de verbazing der vrijbuiters toen zij, na in de haven voor anker te +zijn gekomen, gewaar werden dat de stad totaal verlaten was. + +Montbars en zijne kameraden begaven zich dadelijk aan wal, en bezochten +de aanzienlijkste huizen; doch de Admiraal vermoedde een krijgslist, en +zette dus posten uit op de Plaza Mayor, in de Kathedraal, en zelfs op +de straten die naar het vrije veld voerden. Zoodra die onvermijdelijke +voorzorgsmaatregelen genomen waren, werd overgegaan tot eene geregelde +plundering en aan de vrijbuiters volle vrijheid verleend bot te vieren +aan hunne opgewondene vroolijkheid, wat natuurlijk gepaard ging met +allerlei losbandigheid. + +De admiraal vestigde zich in het huis dat hij bij zijn vroeger verblijf +had bewoond; een van de vertrekken werd ingericht tot uitsluitend +gebruik voor donna Clara. Sedert de vrijbuiters zich van Maracaïbo +hadden meester gemaakt, had donna Clara zich gewijd aan de verpleging +der gewonden; door hare goede zorgen was de cabildo herschapen in een +hospitaal; de bij de bemachtiging van het Houtduifeiland gewonden waren +dáár ingebracht, en dank zij hare uitnemende verzorging waren +verscheidene hunner reeds op weg van herstel. Donna Clara liet zich bij +die heilige roeping helpen door eenige arme vrouwen, die na het vertrek +van de inwoners in de stad waren gebleven, en zich nu op deze manier +tamelijk veilig konden achten, ook door toedoen van donna Clara. Het +grootste gedeelte van den dag en meermalen ook van den nacht bleef die +edele vrouw in het hospitaal te midden der zieken en gewonden, die zij +troostte en bemoedigde met zachte toespraak en innemende woorden, die +alleen de vrouw ten dienste staan, omdat die bij haar als uit het hart +wellen. + +In den eersten tijd werd donna Clara bijna door iederen flibustier met +leede oogen aangezien; zij konden het niet verkroppen dat zij, en zij +alléén op de vloot aanwezig mocht zijn, haar aanwezigheid werd slechts +geduld, maar van lieverlede was hunne opinie over haar gewijzigd +geworden, en, zooals dit gewoonlijk het geval is bij menschen met een +hevig karakter, nu waren zij plotseling van het eene uiterste tot het +andere vervallen; de haat en de nijd jegens hunne weldoenster hadden +plaats gemaakt voor oprechte toegenegenheid, grooten eerbied en eene +onbegrensde toewijding; de wilde dieren waren veranderd in zachtmoedige +lammeren; één wenk, één enkele blik van donna Clara deed wonderen. +Diezelfde mannen vereerden haar nu als een heilige, en wee hem die het +durfde wagen (niet om haar te beleedigen, want zulk een voornemen kon +niemand hunner in de gedachte komen) tegen haar de minste lompheid te +begaan. + +Zelfs Montbars kwam meer en meer onder den invloed die haar meegaand, +zacht, edel gemoed op zijn weerbarstig karakter oefende, en verre van +zich te verzetten tegen de algemeene vereering volgde hij en plooide +zich met geheim genoegen naar de bekoring die zij om zich verspreidde. + +Doch in één opzicht bleef hij onverzettelijk en ontoegankelijk; noch +tranen noch smeekingen vermochten iets daartegen; het was als donna +Clara eene poging deed uit de diepste diepte van zijn gemoed iets op te +delven omtrent zijne wraakzuchtige plannen; alleen dan bleef hij +onverbiddelijk, want ieder ander verzoek werd dadelijk toegestaan, een +glimlach was daartoe reeds voldoende, en dikwerf voorkwam hij de +begeerten van donna Clara, door uit eigen beweging de strengheid te +verzachten die jegens de rampzalige Spaansche gevangenen werd +uitgeoefend. + +Wat de verhouding van Francoeur tot de vrijbuiters betrof, die mocht in +waarheid vreemd genoemd worden; zijne gansche opleiding had gestrekt om +hem met haat tegen hen te bezielen en ondanks al zijne pogingen kon hij +er niet in slagen hen te beschouwen als zijne kameraden, terwijl toch +meermalen bij hem de vraag oprees of hij tot de wraak, die hij thans op +de Spanjaarden wilde uitoefenen, wel gerechtigd was, en of het billijk +mocht genoemd worden al zijne landgenooten aansprakelijk te stellen +voor al het onrecht dat één hunner jegens hem had bedreven. + +Montbars sloeg al die verschillende gemoedsbewegingen van den jongen +man, die op diens gelaat zich duidelijk afspiegelden, oplettend gade; +maar hij bleef zwijgen, hij moedigde hem evenmin in het eene opzicht +aan, als hij in het andere iets afkeurde, ook omdat hij voor zich zelf +niet eens wist welk gevoel hem voor Francoeur bezielde, en onzeker +bleef, ondanks al de vermoedens van don Sancho en donna Clara, of hij +in hem den lang verloren zoon had weergevonden; vandaar dan ook dat hij +hoewel schijnbaar onverschillig met zenuwachtigen angst de +gebeurtenissen tegemoet zag die wellicht eenmaal de waarheid aan het +licht zouden brengen van eene zaak die voor hem van zooveel gewicht +was. Één man was slechts bekend met het geheim waarvan voor de toekomst +het geluk of het ongeluk van Montbars afhing, en die man was de hertog +de Penaflor. Doch bestond er een middel om dien onverbiddelijken man te +noodzaken dat geheim op te helderen? Toch wanhoopte hij niet; hij +verbeidde den uitslag van zekere berekeningen, die, naar hij meende, +niet anders dan gunstig konden uitvallen. + +Maar van al de vrijbuiters gevoelde Philippe d’Ogeron zich +ontegenzeglijk het ongelukkigste. Terwijl al zijne kameraden vol vreugd +over den behaalden triomf, al de doorgestane moeiten en gevaren +vergaten, en bot vierden aan hun lust tot brasserij en balddadigheden, +scheen hij als aan wanhoop ten prooi. + +De expeditie, zoo uitstekend uitgerust, zoo beleidvol bestuurd, was een +plan alléén van hem afkomstig; dat gewaagde stoutmoedige plan, waarvoor +in het begin zelfs de dapperste zijner kameraden terug hadden gedeinsd, +was in zijn brein opgekomen, met één enkel doel; aan dat doel, de +vereeniging met haar die hij beminde, had hij alles opgeofferd, en dat +zoo vurig en reeds zoo lang begeerde doel, die met zooveel hartstocht +gekoesterde hoop, ontsnapte hem, juist op het oogenblik dat hij meende +het bereikt te hebben. Zoodra zijn schip binnen het gezicht van de stad +was gekomen, had hij, volgens afspraak, de bepaalde vlag geheschen en +met kloppend hart getuurd naar al de vensters der huizen die op de +haven uitkwamen, doch te vergeefs; geen enkel sein had het zijne +beantwoord, alles bleef dáár stil, doodsch en somber. Nauwelijks aan +wal, was hij, half ziek door smart en vrees, geijld naar het huis van +donna Juana, maar dat huis was verlaten, donna Juana was verdwenen en +geen spoor te ontdekken van de plaats waarheen zij zich mocht begeven +hebben. + +Toen had hij met het geduld en het onwrikbaar vertrouwen van een echt +verliefd jong mensch de gansche stad doorkruist en afgeloopen, was alle +huizen binnengedrongen, had alle deuren geopend, en kon ondanks die +vergeefsche pogingen zijn ongeluk niet als waarheid aannemen, ieder +oogenblik niet anders verwachtende dan dat zij die hij liefhad +plotseling vóór hem zou staan, hoewel hij zeer goed wist, dat de stad +door al de inwoners was verlaten, en hij had moeten begrijpen dat donna +Juana bij zoo een algemeene vlucht niet achter zou gebleven zijn. Toen +hij eindelijk tot de overtuiging gekomen was van de werkelijkheid, toen +er voor hem geen twijfel meer overbleef dat ook de innig geliefde de +stad had verlaten, sloot hij zich uren achtereen in een kamer op en +toonde zich zoo, als volslagen, vernietigd, dat zelfs de ridder de +Grammont, hoewel zijn medeminnaar, medelijden gevoelde bij de uiting +van zulk een diepe smart, en beproefde, hoewel te vergeefs, hem +eenigermate te vertroosten of af te leiden. + +Eindelijk verdween die inzinking om plaats te maken voor een aanval van +even overdreven verbittering. Half woedend liep hij naar Montbars om +hem te betuigen dat het verlaten van de stad door de Spanjaarden niet +anders kon zijn dan een krijgslist waarom hij zich aanbood met eenige +manschappen de omliggende bosschen te gaan doorzoeken. + +—Best mijn vriend, doe zoo,—zei Montbars met een veelbeteekenenden +glimlach;—die raad is goed, te meer daar die door jou gegeven wordt. +Doe het dus zoodra ge dit goedvindt, al ware het van daag, en als onder +de lieden, die gij zeker vinden zult, misschien ook vrouwen mochten +zijn in wie ge belang stelt, dan zal ik het zóó weten te schikken dat +die vrouwen aan jou worden toebedeeld, en aan geen ander. + +—Daarvoor zeg ik je dank, en reken op uwe belofte die ik je te +gelegener tijd en plaats zal herinneren. + +—Vriendlief, dat zal geheel onnoodig wezen. Ga nu. + +Philippe liet zich dit niet ten tweeden male zeggen, want hij verlangde +te zeer er naar om met die menschenjacht te beginnen. Hij bracht een +zestigtal vrijbuiters bij elkaar en vertrok met hen naar de bosschen. +Den eigen avond kwam hij te Maracaïbo terug en bracht tachtig +gevangenen mee, meer dan vijftig muildieren beladen met buit en +buitendien nog een som gelds ter waarde van meer dan vijftig duizend +gulden. + +—Bravo!—uitte Montbars, nadat hem rapport was gedaan over dezen +tocht.—Dat is een mooi begin. Die proef moet herhaald worden! + +— Morgen,—luidde het antwoord. + +Werkelijk vertrok hij den anderen morgen weer. De andere vrijbuiters +kregen ook wel zin met hem mee te gaan, te eer daar de plundering van +de huizen en kerken vrij wat minder had opgeleverd dan men had +verwacht, iets wat zeer gemakkelijk is te begrijpen, daar de inwoners +tijd te over hadden gehad om hun geld en hunne kostbaarheden in +veiligheid te brengen, en daarvan behoorlijk gebruik hadden gemaakt. +Die jacht hield eenige dagen achtereen aan, nu eens met wat meer dan +weder met minder goed gevolg, doch toch altijd voldoende in zooverre +het betreft het behalen van buit; de vrijbuiters waren dus zeer in hun +schik; doch Philippe werd hoe langer hoe mistroostiger; al zijne +metgezellen begrepen niets van zulk eene vreemde houding, en er waren +er onder hen die niet anders meenden dan dat hij op het punt stond van +gek te worden. Op zekeren avond nadat hij aan Montbars had medegedeeld, +met een gelaat somberder dan ooit, dat hij honderd muildieren had +meegebracht beladen met buit en goud ter waarde van meer dan honderd +duizend gulden, zei de bevelhebber tegen hem: + +—Beste vriend, ge hebt er niet goed slag van dat zaakje aan te pakken, +zooals het behoort; ik zal er mij eens mee bemoeien. Hebt gij +gevangenen gemaakt? + +—Ruim honderd,—werd zuchtend ten antwoord gegeven. + +—Goed, en wat voor soort van lieden? + +—Ik heb er niet op gelet. + +—Dat is verkeerd, kom mee, dan zullen wij ze gaan opnemen. + +—Waartoe zou dat dienen? + +—Dat zult ge zien. Wat drommel, kom dan toch mee! Waar zijn zij +opgesloten? + +—Ik geloof in de kerk van San Francisco. + +—Goed, ga mee. + +Zij gingen er heen, onderweg hield Montbars eenige vrijbuiters aan, die +niets te doen hadden, en nog nuchter genoeg waren om hem te +vergezellen. Het was zoo, de gevangenen waren opgesloten, allen door +elkaar, in de kerk van San Francisco, op één na de grootste van de +stad, en de deuren werden bewaakt door op post gezette vrijbuiters, die +bezig waren met drinken en dobbelen. Montbars liet de deur voor zich +openen en trad de kerk binnen gevolgd door Philippe en zijn geleide. +Het inwendige van de kerk bood een hartroerend schouwspel aan. Er +stonden zeer verward opeengehoopt twee- tot driehonderd ongelukkigen, +mannen, vrouwen en kinderen; sommigen zwaar gewond lagen kermend op de +zerken en iedereen klaagde jammerlijk, want zij kenden de +barbaarschheid der vrijbuiters en wisten dat de eenige weldaad die zij +van hen te wachten hadden bestond in een spoedigen dood, bevrijd van +ondenkbare martelingen. + +Montbars overzag met koelen blik de gansche menigte die bevangen werd +door siddering bij het zien van dien man met zulk een somber en +onverbiddelijk gelaat, die zich scheen te verheugen over al hun leed. + +—Pitrians,—zei Montbars,—ge hebt nog al een fijnen neus, en dus, kerel, +moest ge eens van die caballeros er een stuk of wat uitzoeken die ge +meent dat het beste in staat zouden zijn om een flink losgeld te +betalen. Breng die dan vóór mij. + +Pitrians trad vooruit, drong ruw tot in het midden van den troep door +en begon met cynische onverschilligheid hen op te nemen, nu en dan een +der gevangenen naar voren stootende, om daarna zijn onderzoek onder het +fluiten van een vroolijk deuntje te vervolgen, en daarbij de gevangenen +als het ware voor den gek houdende. Eenige minuten later had hij een +vijftiental uitgekozen, en hen genoodzaakt vlak vóór Montbars op een +rij te gaan staan, dat door allen bevende werd gedaan. + +—Goed zoo, mijn jongen,—zei Montbars daarna,—voor het oogenblik zijn er +genoeg. Luister nu eens hier.—Pitrians naderde.—Houd je +gereed,—vervolgde Montbars en gaf hem een onheilspellenden wenk. + +—O, zoo!—uitte Pitrians.—Naar het schijnt moet er een pretje volgen. + +—Meer of minder, dat hangt van jou af. + +—Goed, goed, laat dat maar aan mij over. + +De gevangenen bevroedden niet waarom zij van hunne metgezellen waren +afgezonderd en evenmin wat men van plan was met hen uit te voeren, doch +een geheim voorgevoel overviel hen dat zij bedreigd werden door een +vreeselijk gevaar en allen trilden, als bladeren die door een stormwind +worden heen en weer geschud. Montbars trad een paar passen vooruit, en +voegde hen met forsche stem toe: + +—Hei caballeros, laat ons eens een paar woorden met elkaar praten. Gij +lieden dáár, zijt allen notabelen van de stad, hoe zijt gij er toe +gekomen om even als vossen en konijnen in een hol te kruipen, in plaats +van stilletjes in uwe huizen te blijven, dat zeker voor iedereen veel +beter zou geweest zijn? Het heeft er veel van af of gij allen stapel +gek zijt geworden! Gelooft gij dan waarachtig dat het ons aan middelen +ontbreekt om te weten te komen waar uwe stadgenooten zich verborgen +houden en waar zij hunne schatten hebben verstopt? Wat hebt gij met uw +geld gedaan? Geeft daarop antwoord. + +Vol angst keken de gevangenen elkaar aan, eindelijk besloot een hunner +uit aller naam te spreken, en zei: + +—Machtige heer, onze bezittingen zijn in uwe handen, gij hebt u meester +gemaakt van al onze have en goed. + +—Ge liegt, señor, doch ik weet wel hoe ik je tot bekentenis zal +brengen. Pitrians, nu is het jou beurt. + +Pitrians kwam nader, en had in zijn hand een eindje touw zoo dik als +een pink; hij wikkelde dit tweemaal om het hoofd van den gevangene die +het woord had gevoerd even boven diens slapen, lei er een lossen knoop +in en zag toen naar Montbars. + +—Zijt ge van plan,—hernam Montbars,—om antwoord te geven op deze twee +vragen. Waar zijn uwe stadgenooten? Waar is uw geld? + +—Ik weet het niet,—stotterde de gevangene. + +—Ga je gang, Pitrians. + +Pitrians trok een pistool uit zijn gordel, stak de loop in den knoop, +en begon toen het wapen om te draaien tot het touw zóó vast om den +schedel werd gekneld dat het letterlijk in het vleesch drong. De +gevangene leed onuitstaanbare pijn; het was of zijne oogen uit de +holten zouden springen, zijn gelaat werd paarsch, bloedig schuim +vertoonde zich in de hoeken van zijn mond, en hij schreeuwde +erbarmelijk. + +—Geef antwoord,—gelastte Montbars barsch. + +De gevangene spande al zijne krachten in, zijne oogen stonden +verwilderd en waren met bloed beloopen, en hij stamelde met heesche +stem.—Ik weet het niet. Heere God, wees mij genadig. + +—Haal nog wat vaster aan, Pitrians,—gelastte Montbars, en trok de +schouders op. + +—Hoe dwaas toch van zoo’n mensch om zich zóó te laten pijnigen!—merkte +Pitrians zeer leuk op terwijl hij het touw nog vaster aanhaalde. + +—Ik weet het niet. Doodt mij, ellendelingen,—brulde de gevangene, langs +wiens gelaat het bloed vloeide, want het touw was door de huid heen +gekneld. + +—Blijf zoo verstokt niet, arme duivel, dat is eene malle gewoonte; het +is maar een kuur,—vermaande Pitrians die steeds bleef draaien. Hoezeer +de ongelukkige zich vast had voorgenomen alle smart standvastig te +verdragen, toch werd die gruwelijke foltering hem te zwaar en hij gaf +te kennen dat hij zou antwoorden. Montbars wenkte en Pitrians knoopte +het touw los. + +—Stomme kerel,—mopperde hij,—wat hebt ge er nu aan zóó gehavend te +zijn? + +Het koord was zoo vast in het vleesch gegroefd dat Pitrians het met +zijn hand los moest rukken. Het gelaat van den gemartelde was zoo +verwrongen dat het niet menschelijk meer kon genoemd worden. + +—Vertel me wat ge weet,—grijnsde Montbars,—nu je eindelijk lust tot +praten schijnt te hebben gekregen. + +—Wat moet gij weten?—stamelde de arme man, die half bewusteloos op de +zerken viel, maar de waardige Pitrians was vlug bij de hand, gooide hem +een puts water over het gezicht en zei: + +—Die arme tobberd, het is te kras voor hem geweest! Wat een verwijfd +kereltje! + +Bijgekomen en iets minder pijn gevoelende door dit ruwe maar toch niet +ongepaste middel kon de gevangene zich ten minste eenigszins opheffen. + +—Wat is er geworden van den gouverneur en zijne pupil?—werd door +Montbars steeds even norsch gevraagd. + +—Zij zijn uitgeweken naar Gibraltar. + +—Zoo! Weet je dat zeker? + +—Ja. + +—En de inwoners? + +—De meesten zijn diep de bosschen ingetrokken met de soldaten van het +garnizoen. Ga hen dáár maar volgen dan zullen zij het je duur betaald +zetten. + +—Zijn zij zoo vast besloten te vechten? + +—Zij zullen volhouden tot aan den laatsten man. + +—Dat is een blijde tijding,—verklaarde Montbars en wreef zich +genoeglijk in de handen,—want als die lieden zooveel lust hebben tot +vechten, dan moeten zij ook heel wat te verdedigen hebben. Waar zijn +hunne schatten verborgen? + +—Te Gibraltar, te Merida en in de bosschen. + +—Zie zoo! Nu heb je ten minste iets bepaalds verteld. Vaarwel! + +—Wees vervloekt!—gilde de ander en zonk weer ineen. + +—Wat moet er met dat arme schepsel worden uitgevoerd?—vroeg Pitrians +meewarig. + +—Ba!—uitte Montbars.—Doe wat ge wilt. De kerel deugt nergens meer toe. + +Toen keerde hij zich om, glimlachte tegen Philippe en vroeg: Nu weet ge +wat ge weten wildet, niet waar? + +—Ten naastenbij,—luidde het antwoord. + +—En wat dan nog meer? + +—Van u vernemen wie je gezegd heeft dat ik Juana liefheb? + +—Dwaze jongen! Kan ik dit dan niet geraden hebben? + +Op het plein gekomen hoorden zij in de kerk een pistoolschot en haastig +keken zij om. Pitrians had den Spaanschen gevangene een kogel door den +kop gejaagd, om den rampzalige van zijn onuitstaanbare pijnen te +verlossen, en dit strekt ten bewijze dat Pitrians teer van gemoed was +en zijn medemensch een medelijdend hart toedroeg. + + + + + + + + +XXII. + +GIBRALTAR. + + +De kerk uitgaande, had Montbars de vrijbuiters die door hem mede waren +genomen, weggezonden, daarna zijn arm onder dien van den jongen man +gestoken en was toen met hem naar diens woning gegaan. De beide +Broeders der Kust liepen aldus naast elkaar voort, zonder een enkel +woord te wisselen; de een zoowel als de ander bleef verdiept in +gepeins. Op eens stond Montbars stil, keek Philippe strak aan en vroeg +hem:—Waar denkt ge over? + +—Ik?—gaf de jonge man ten antwoord, en keek plotseling op.—Ik denk er +over hoe verbazend veel rijkdom dáár in Gibraltar moet opgehoopt zijn. + +Montbars begon hartelijk te lachen en zei:—Vriendje, jij meent geen +enkel woord van alles wat ge daar zegt. + +—Niet?—viel Philippe uit. + +—Neen, zeker niet! Zal ik je eens vertellen waarover of liever aan wie +gij dacht? + +—Ga uw gang, dat wil ik wel eens hooren, maar ik zeg het je. + +—Nu dat zullen we eens zien!—hernam Montbars.—Letterlijk zal ik den +loop van je gedachten herhalen. + +—Letterlijk! Nu wordt het toch al te kras. + +—Toch niet, dat is juist het gepaste woord. Terwijl wij daar zoo naast +elkaar arm in arm voortloopen hebt ge tot je zelven gezegd: die +Montbars is toch op mijn eer een zonderlinge kerel! Daar blijft hij nu +hier te Maracaïbo, waar de inwoners niets hebben achtergelaten, hier te +Maracaïbo, dat nu niet veel meer is dan een geruïneerde stad, zijn tijd +verknoeien en verbeuzelen, terwijl aan den anderen kant van het meer +vlak tegenover hier, Gibraltar ligt, eene stad te rijker omdat al de +bewoners van deze streek daarheen al het kostbaarste hunner bezittingen +hebben gevoerd. Hij heeft, om zoo te zeggen, zijn arm maar uit te +strekken om in het bezit te komen van al die schatten, en toch verroert +hij geen vin! En dan wil ik er nog niet eens over spreken, dat als hij +dat deed, ik in staat zou worden gesteld om de vrouw te ontvoeren, die +ik zoo innig bemin, en die voor mij veel grootere waarde heeft dan al +het goud dat dáár in Gibraltar is opgehoopt. Hoe komt hij er toe om +hier tijd te verliezen en te talmen, in plaats van met man en macht den +vijand aan te tasten, die reeds als half overwonnen kan worden +beschouwd, en als verlamd door onze behaalde overwinning. Biecht me +eens op, broeder, heb ik je gedachte goed wedergegeven? + +—En als dit nu eens het geval ware, wat zoudt ge dan daarop te +antwoorden hebben?—werd met inwendige verbittering gevraagd. + +—Heel wat, waarde vriend. In de eerste plaats dit, dat onze vijanden +zeer op hunne hoede zijn. Als zij op Gibraltar terug zijn getrokken, +dan is dit met het bepaalde doel zich daar hardnekkig te verdedigen! + +—En wat doet er dat toe? + +—Voor jou niets, voor mij zeer veel! Voor mij is dat eene hoogst +ernstige zaak, en ik heb er alles behalve lust in om hals over kop een +sprong in den blinde te doen, waar het, zooals hier, geldt eene zeer +hachelijke expeditie, waar wij te doen zullen krijgen met lieden die, +in hun laatsten schuilhoek gedreven, zullen vechten pro aris et focis +(voor haardstee en altaar) zooals het in het Latijn luidt, en eer tot +den laatsten man zullen sterven dan een voet te wijken. + +—Welnu, dan zullen wij hen doen sterven! + +—Dat weet ik drommels goed, evengoed als jij, wij zullen hen dooden, +maar ten koste van welken prijs? Dit is en blijft de hoofdvraag! Doch +buitendien, ik wacht ieder oogenblik nadere en bepaalde inlichtingen; +zoolang die niet in mijn bezit zijn, zoolang ik in het duister verkeer +omtrent de voornemens der Spanjaarden denk ik er niet over iets te +ondernemen, want eerst daarna zal ik plannen tot een aanval kunnen +beramen. + +—En door wien denk je die inlichtingen te verkrijgen? + +—Wel door iemand dien jij zeer goed kent, je vroegeren kajuitsjongen +Zijden-Draad. Toen wij den vorigen keer hier zijn geweest heb ik hem +met opzet achtergelaten om ons op een gegeven oogenblik als wij dit +noodig mochten hebben, op de hoogte te brengen van alles wat wij +noodzakelijk moeten weten. + +—Goed overlegd, jammer maar, dat Zijden-Draad verdwenen is, en wij, nu +reeds bijna twee weken hier vertoeven en in al dien tijd niets van hem +hebben vernomen. + +—Hij zal wel voor den dag komen, daar kunt ge staat op maken. +Zijden-Draad is veel te slim om zoo maar in den val te loopen. + +—Arm kereltje! Zij hebben hem zeker herkend, en gedood! + +—Hum! Daar is hij te leep voor! En het bewijs staat vlak vóór je, kijk +maar naar ginder. + +—Zijden-Draad!—viel Philippe uit. + +—Wel drommels, wie zou het anders zijn? Zie je hem niet, dáár vlak vóór +de deur van je huis? + +—Zoo waar, ge hebt gelijk!—riep de jonge man op verheugden toon en toen +tot den jongen die werkelijk als een standbeeld vóór de deur +stond:—Heidaar jongen, kom hier langs zij liggen en maak haast er meê! + +De knaap keek om zich heen, doch nauwelijks had hij gezien wie hem +naderden of hij uitte een kreet van vreugde en snelde naar hen toe. + +—Ben je daar eindelijk terug, verloren schaap!—sprak Montbars en klopte +hem goedhartig tegen de wang.—Waar kom je van daan? Ik dacht dat je +dood waart gegaan. + +—Dood gegaan?—herhaalde hij,—om wat te doen, Admiraal? + +—Drommels, dat weet ik zoo precies niet,—lachte Montbars.—Maar daar +wij, sinds wij hier zijn, niets van je gehoord hadden, konden wij niet +anders vermoeden dan dat de Spanjaarden je hadden vermoord of gevangen +gemaakt. Doch nog eens van waar kom je? + +—Uit Gibraltar, met een slechte boot, die ik het geluk had te kapen. + +—Mooi zoo! Dat is juist iets zooals ik van je verwachtte; ge zijt nog +altijd even behendig en bij de hand als vroeger. En welke gewichtige +tijdingen hebt ge ons te berichten? + +—Verscheidene, maar liever niet hier, als u er niets tegen hebt. + +—Ge hebt gelijk, volg mij,—zei Philippe.—Op mijn eer, dat kereltje is +nog verstandiger dan men reeds naar zijn uiterlijk zou vermoeden. + +—Dank u zeer, kapitein! Welk compliment moet ik u nu maken?—vroeg hij +lachend. + +—Dat is onnoodig. Kom maar mee, dan kunnen wij praten. + +Zij traden het huis van Philippe binnen gevolgd door den kajuitsjongen, +die zijne vingers liet knippen en de gekste grimassen maakte, evenals +een aap die een noot zit te peuzelen. Nadat de vrijbuiters in eene +afgezonderde kamer plaats hadden genomen, gelastte Montbars:—Vertel nu +wat ge weet, maar kort en bondig. + +—Dat zal gauw genoeg gedaan zijn,—antwoordde de knaap.—Wat verlangt u +te weten? + +—Wat er van de inwoners geworden is, en wat de Gouverneur don Fernando +d’Avila voornemens is te doen. Zoover ik er over heb kunnen oordeelen +is hij een dapper soldaat en daarom verwondert het mij dat hij nog geen +teeken van leven gegeven heeft sinds wij het meer zijn binnengeloopen. + +—Dat is toch heel licht te begrijpen. Hij wacht u af. + +—Hoe! Wacht hij mij af? + +—Zeker, Admiraal, luister maar even. + +Toen begon de kajuitsjongen te vertellen wat er voorgevallen was, en +hoe alles zich had toegedragen; op welke wijze de Gouverneur bericht +had gekregen van de aanwezigheid der vrijbuiters bij het eiland Aruba, +en hoe hij, oordeelende dat Maracaïbo niet in staat was een aanval te +wederstaan, last had gegeven de stad te ontruimen, en eindelijk hoe die +ontruiming had plaats gegrepen onder de oogen van den Gouverneur, die +zich het allerlaatst had ingescheept, na zich verzekerd te hebben, dat +verreweg de meesten der inwoners in veiligheid waren aan boord der +schepen, om zich naar Gibraltar of Merida te begeven. + +—Goed, heel goed!—gaf Montbars te kennen.—Het komt mij juist te pas te +vernemen dat ik die aangename verrassing aan schipper Aguirre te danken +heb; dat zaakje hoop ik later hem betaald te zetten. + +—O! Admiraal,—merkte de jongen lachend aan,—gelooft u dat hij er zin in +heeft op u te blijven wachten? Neen waarachtig niet! Zoodra hij den +troep had ontscheept dien hij naar het Houtduifeiland moest +overbrengen, heeft hij er haast achter gezet; hij heeft zich wel +gewacht weer het meer binnen te loopen, maar daarentegen het ruime sop +gekozen. + +—Hoe langer hoe beter!—verzekerde Montbars.—Op die manier heb ik des te +meer kans hem spoedig weer te ontmoeten. Maar nu nog iets over den +Gouverneur. Wat heeft die uitgevoerd? + +—Hij! Nu Admiraal, gij kunt er op aan dat die van zijn tijd goed heeft +gebruik gemaakt en gij kunt er eveneens op aan dat het verkeerd van u +geweest is om hier zoo lang te blijven. + +—Wel, wel, hoor eens aan!—lachte Philippe,—mijnheer Zijden-Draad +vermeet zich den Admiraal de les te lezen! + +—Toch niet kapitein, ik herhaal slechts wat ik heb hooren zeggen. + +—Vertel meer jongen, vertel meer!—viel Montbars ongeduldig uit. + +—Dadelijk, Admiraal,—zei de knaap die daarop vervolgde, zoo ernstig als +een officier die verslag doet,—zooals ik u reeds heb gerapporteerd zijn +de inwoners van Maracaïbo uitgeweken naar Gibraltar en naar Merida; ik +moet daar nu nog bijvoegen, dat zij in die beide plaatsen op de +hartelijkste wijze ontvangen zijn, onder betuigingen van deelneming met +hun ongelukkig lot. Zoodra don Fernando d’Avila zich verzekerd had dat +al die lieden zoo veel mogelijk en zoo goed doenlijk waren gehuisvest, +heeft hij, als een oud soldaat die zich niet licht laat beetnemen en +veel naam heeft gemaakt tijdens de oorlogen in Vlaanderen.... + +—Genoeg van die lofspraak en al die uitweidingen!—viel Montbars +ongeduldig in en stampte driftig op den vloer.—Ik begin waarachtig te +gelooven dat die kwajongen een loopje met mij denkt te houden. + +Zijden-Draad keek hem schuins aan en bemerkte zeker dat het nu geen +tijd was om zijne gewone aardigheidjes aan den man te brengen, waarom +hij zijn rapport op minder hoogdravenden toon vervolgde: + +—Don Fernando d’Avila,—hernam hij,—is uitgetrokken aan het hoofd van +vierhonderd soldaten, waarbij zich aansloten vierhonderd inwoners van +Gibraltar, allen goed gewapend en behoorlijk uitgerust. Die uitgelezen +troep heeft met den meesten spoed aan den zeekant verschansingen +opgeworpen en er een hollen weg, die van de landzijde naar de stad +loopt, onbruikbaar gemaakt, en daarentegen door het bosch een anderen +aangelegd om dienst te kunnen doen bij een mogelijken terugtocht. + +—Bravo! Dat is eene betere manier van rapporteeren, kereltje,—sprak +Montbars nu weer op welwillenden toon.—En kunt ge mij ook zeggen hoe +die verschansingen in elkander zitten? + +—Ja, Admiraal, dat kost niet veel moeite. + +—Vertel dan wat ge er van weet. + +—Vooreerst heeft men een gracht gegraven, tien voet diep en vijftien +breed, en goed gezorgd dat de uitgegraven grond glooiend naar de +stadszijde werd opgeworpen; daarna heeft men achter die helling, om die +te stutten, palen in den grond bevestigd, overal met de noodige +openingen om er de kanonnen te plaatsen. + +—En staan die stukken daar reeds? + +—Nu, of ze! Zeker vijfentwintig voor het minst. + +—Hum!—uitte Montbars, het hoofd schuddende.—Dan zal het voor ons een +zwaar werk wezen, die verschansing te bemachtigen. + +—Kom, kom!—bracht Philippe er tegen in, onbezorgd als altijd.—Het fort +van het Houtduifeiland is toch ook wel door ons genomen, niet waar? + +—Dat is zoo, maar dit was niet zóó goed versterkt. En wat doen de +Spanjaarden nu, jongen? + +—Zij wachten u af, Admiraal, en gelooven vast en zeker dat zij u allen +zullen doen verdrinken. + +—Nu, dat zal te bezien staan. + +—Ja,—voegde Philippe lachende er bij,—dat valt nog te eer te +betwijfelen omdat wij allen vrij goede zwemmers zijn. Hoe denkt gij nu +te handelen, Admiraal? + +—Keer naar boord terug, waarde Philippe, ge zult te dien opzichte +spoedig mijne orders vernemen. + +—Dus vertrekken wij dáár heen? + +—Nog heden, vriendlief. Zijt ge nu tevreden? + +—Volkomen. + +—Dan tot straks, en neem dien kleinen schelm met je mee. + +Philippe vertrok, gevolgd door Zijden-Draad. + +—En nu,—begon de knaap, terwijl hij den kapitein aankeek,—iets onder +ons. + +—Wat, onder ons? + +—Ja,—antwoordde de knaap met een vroolijk gelaat,—ik heb een brief voor +u. + +—Een brief voor mij?—herhaalde de jonge man in vervoering.—Is het +werkelijk waar? + +—Zeker! En tot bewijs, zie maar, hier is die. + +Tegelijk stelde hij hem een verzegeld briefje ter hand, dat door +Philippe gretig aangenomen, en met verrukking gelezen werd. + +—Die lieve, beste Juana!—uitte hij half luid, en kuste het briefje +herhaaldelijk.—Dus hebt ge haar gezien? + +—Wie meent u?—vroeg de knaap met een guitig gezicht. + +—De dame die dit briefje aan mij geschreven heeft. + +—Of ik! Nu, kapitein, dat is er een die veel van u houdt zou ik zeggen. +Maar dat doet er niet toe, want zij is heel, heel mooi en goed ook. Zij +heeft mij naar u toe gezonden. + +—En heeft zij niets tegen je gezegd? + +—Niets gezegd?! Luister eens, kapitein, zij heeft over niets anders +gesproken dan over u, en als ik u dat alles moest oververtellen, dan +zou er geen eind aan komen. + +—Maar je weet toch waar zij woont, niet waar? + +—Dat zal waar zijn. Zij heeft mij zelfs in haar huis opgenomen, ik weet +dus best, reken daar maar op, den weg daarheen. + +—Ge moet nu verder bij mij blijven. Ga mee naar boord, en dan kunt ge +mij alles over haar vertellen, zult ge? + +—Niets liever dan dat, kapitein, vooral ook als ik u daarmee eenig +genoegen doe. + +—Goed, goed! Ge zijt een ferme jongen. + +Dien eigen dag werd aan boord van het fregat een kanonschot gelost, +waardoor al de equipages naar hunne schepen werden teruggeroepen. +Leeftocht werd ingescheept, de gevangenen aan boord gebracht, en daarna +ging de vloot onder zeil, slechts één schip vóór Maracaïbo +achterlatende, om zich te verzetten tegen een terugkeer der Spanjaarden +en in het bezit te blijven van de stad. Donna Clara en haar getrouwe +Birbomono scheepten zich in op een brigantijn die onder het gezag stond +van Tributor. Zij had er op aangedrongen de expeditie mede te maken, en +haar besluit was door de vrijbuiters met ingenomenheid en oprecht +gemeende dankbaarheid begroet. De overtocht duurde drie dagen; reeds +naderde die aan het eind, reeds vertoonden zich aan de blikken der +vrijbuiters de stad, met de talrijke landhuizen die haar als een gordel +omsluiten, en nog altijd had Montbars geen enkel woord tegen hen +gesproken, noch iets medegedeeld van al de inlichtingen die hij van +Zijden-Draad ontvangen had, terwijl hij ook aan Philippe zeer ernstig +gelast had, daarvan niets te doen uitlekken, waaraan door dezen stipt +werd voldaan, daar hij zeer goed begreep van hoe groot gewicht het was +daarover het stilzwijgen te bewaren, daar eene expeditie die zoo +gevaarlijk was en met zoo vele bijna onoverkomelijke moeielijkheden zou +gepaard gaan, zijne kameraden ondanks al hun beproefde dapperheid had +kunnen afschrikken. En nochtans geschiedde dit, wat trouwens niet +anders verwacht had kunnen worden. + +Bij het zien van al de schikkingen die getroffen waren in het belang +der verdediging, bij het zien van dat omwoelde en gekapte terrein, van +al dat onder water gezette land, van die holle wegen, die elkaar in +alle richtingen kruisten, van die stevige palissaden, van die geduchte +batterijen, na het aanschouwen van dat alles, maakte zich gedurende +eenige oogenblikken van de flibustiers een gevoel meester dat hun tot +nu toe onbekend was gebleven, en werden zij overvallen door zulk een +panischen angst, dat Montbars voorzag dat alles totaal verloren zou +zijn, zoo hij dit niet onmiddellijk te keer ging. Een wimpel die op het +Admiraalsschip geheschen werd, riep zonder verwijl een krijgsraad +bijeen, samengesteld uit de gezagvoerders van de vloot en de dapperste +vrijbuiters van de expeditie. Toen allen vereenigd waren in de daarvoor +bestemde ruimte, stond Montbars op en eer iemand tijd had om de een of +andere meening te uiten nam hij het woord en sprak met luider +stem:—Broeders! ik heb je weer bij mij aan boord doen komen, omdat men +met mannen, zooals gij zijt, recht door zee moet gaan en de dingen bij +hun waren naam moet noemen. Verre dus van mij om het te willen +bewimpelen dat het tot dusverre behaalde succes onzer expeditie door +ontelbare moeielijkheden wordt bedreigd. De Spanjaarden, in tijds +bekend geworden met den val van Maracaïbo, hebben ruim gelegenheid +gehad om hier alles zóó in te richten, dat zij ons warm kunnen +ontvangen: zij zijn naar hier afgetrokken om schitterende weerwraak te +nemen over de door hen geledene nederlagen. Hunne soldaten zijn talrijk +in den krijg verhard, hunne aanvoerders ervaren officieren, en allen, +soldaten zoowel als officieren, hebben gezworen liever te sterven dan +zich over te geven. Zij zijn in het bezit van kanonnen van zwaar +kaliber, en in hunne magazijnen ligt een massa krijgsbehoeften. Gij +bemerkt nu, broeders, dat ik de waarheid niet verbloem, maar je die +veeleer doe kennen; maar de Broeders der Kust behooren niet tot die +mannen die zich laten beangstigen of afschrikken door moeielijkheden en +hindernissen. Als de Spanjaarden bedacht zijn geweest op en nu besloten +tot zulk een hardnekkigen wederstand, dan is dit hoofdzakelijk omdat al +hunne schatten te Gibraltar zijn opeengehoopt! Die schatten dus, die +ongehoorde buit, moeten wij aan hen ontrooven, of die verliezen +tegelijk met een leven dat verder dan voor ons waardeloos zou zijn. Als +wij overwinnaars zijn, en ik zeg je wij zullen het wezen, dan is het +een onberekenbaar fortuin dat door uw moed en uwe dapperheid je ten +deel zal vallen! En waarom zou het fortuin ons nu op eens den rug +toedraaien nadat het ons zoo herhaaldelijk heeft begunstigd? Nog altijd +ben ik immers uw bevelhebber, ik, de man dien men den bijnaam heeft +gegeven van den Verdelger! Volgt dus mijn voorbeeld! Denkt aan onze +vroegere dagen, toen waren wij lang zoo machtig niet als nu, maar wij +dachten er niet aan onze vijanden te tellen dan nadat zij vóór onze +voeten lagen. Handhaaft dus op nieuw den door u verkregen naam! Het +gevaar is groot, maar nog grooter na den zege de roem en de buit die +het loon zullen zijn voor onze pogingen! + +Die toespraak, gesproken met vaste stem en levendige gebaren, door den +man in wien zij het grootste vertrouwen stelden, had op de vrijbuiters +eene buitengewone uitwerking; zij werden door die woorden als op nieuw +bezield door de oude hartstochten waardoor zoo vele ongehoorde feiten +wisten tot stand te brengen; eene huivering van woede voer over allen +heen, het verlangen naar den strijd, het uitzicht op dien ontzaglijken +buit, deed hunne oogen bliksemen, en Montbars hield zich overtuigd dat +hij zijne zaak gewonnen, en nog niets verloren had van zijn overmacht +op den geest zijner metgezellen. Hij wilde nu het ijzer smeden terwijl +het heet was, begrijpende dat het er op aan kwam het geschikte +oogenblik niet ongebruikt voorbij te laten gaan en besloot dus +onmiddellijk naar de wapens te doen grijpen. + +—Voorwaarts, broeders!—donderde hij hun toe.—Zoo ik, u aanvoerende, +val, wreekt dan mijn bloed, door dat der Spanjaarden! Maar weet, dat +zoo iemand uwer aarzelt of wijkt, ik dan dien lafaard niet waardig +onder ons te leven, met mijn bijl zal neerhouwen! Te wapen dus, +broeders, te wapen! + +—Te wapen! Te wapen!—werd door alle vrijbuiters herhaald, hunne wapens +boven het hoofd zwaaiende. Die kreten weerklonken over de gansche +vloot, en voerden de aandrift en de opgewondenheid der vrijbuiters ten +toppunt. + +Bij het aanbreken van den dag werden vijfhonderd manschappen zonder +meerdere wapens dan een korten sabel, twee pistolen en dertig patronen +aan wal gezet. Zij allen waren kernachtige kerels met zorg gekozen uit +de gansche bemanning der vloot. Voet aan wal zettend, omhelsden zij +elkaar als lieden die er niet op rekenden elkander weer te zien, en na +dien plicht vervuld te hebben begonnen zij met vasten tred hun marsch. +Tot gids diende hun een Spanjaard, een arme stakkerd, door hen te +Maracaïbo gevangen gemaakt, die op hoop van een rijke belooning, zich +bij de vrijbuiters had aangesloten; doch ongelukkig genoeg wist die man +genoegzaam niets van de maatregelen door den Gouverneur genomen, +terwijl ook de inlichtingen door Zijden-Draad gegeven, verre van +afdoende konden genoemd worden; spoedig zou Montbars daarvan de bittere +ondervinding opdoen. + +De gids geleidde de vrijbuiters naar den ingang van den hollen weg, +doch dáár gekomen bleek het hun dadelijk dat het ondoenlijk was dien in +te slaan, want die weg was van afstand tot afstand doorsneden door +breede sloten voorzien van scherp gepunte staken. Men werd dus +genoodzaakt terug te trekken en een omweg te maken in de richting van +het woud, maar toen deden zich andere hindernissen op, door de natuur +geschapen. Toch gelukte het hun om tot op een pistoolschot afstand een +Spaansche verschansing te naderen, doch plotseling week de grond onder +hunne voeten en zonken zij tot aan de knieën in een stinkenden +modderachtigen poel, en op hetzelfde oogenblik werden zij overstelpt +door een hagelbui van schroot uit zes kanonnen op hen afgeschoten. Doch +ook dit was niet in staat hen tegen te houden en zij bleven voortrukken +met zulk eene volharding, dat die zelfs de onverschrokkenste soldaten +vrees moest inboezemen. + +—Trekt over ons heen, wij zijn overwinnaars!—schreeuwden de vrijbuiters +die verminkt of bloedende in dien modderpoel waren +gevallen.—Voorwaarts, broeders, voorwaarts! + +Ten laatste slaagden de vrijbuiters er in, om het moeras te boven te +komen, waarin het een oogenblik scheen dat allen zouden verzinken. +Thans hadden zij een vaster terrein bereikt, en daardoor vermeerderde +hun moed; reeds geloofden zij de grootste moeielijkheden achter den rug +te hebben, toen op eens uit het dichtste van het struikgewas dat hen +omringde opnieuw eene geduchte losbranding op hen werd afgevuurd, +terwijl tegelijkertijd eene batterij van vijfentwintig stukken haar +schoten op hun flank uitbraakte. + +Zelfs de dappersten werden in wanorde gebracht, de anderen begonnen te +aarzelen, en durfden niet verder te gaan, en van de voor- tot aan de +achterhoede heerschte algemeene ontzetting. Het vuur van de batterij +hield met verdubbelde kracht aan, de dood waarde tusschen de gelederen +der vrijbuiters, die met tientallen tegelijk vielen; alles en allen +kwamen in verwarring, en de aanvallers weken in wanorde terug naar het +moeras. Zoo er geen hulp opdaagde, hulp zonder eenig verwijl, dan was +alles verloren, en bleef de zege aan de Spanjaarden. Maar Montbars is +er bij, Montbars heeft alles gezien. Gevolgd door Philippe, Michel de +Baskiër, Luiwammes, de Mooie Laurent, Pierre Legrand, Pitrians, de +Olonner en een veertigtal anderen, die allen besloten hadden te +overwinnen of te sterven, was het hem, als door een wonder, gelukt, +ongedeerd dwars door het terrein dat door het vuur der batterij +bestreken werd, heen te komen. Eer men tijd had om den op den hoek +geplaatste stukken op hen te richten, wierp hij zich op den grond langs +den kant en bereikte toen de helling van de verschansing. Doch hoe deze +te bestormen zonder ladder? Zal hij zijne stoutmoedigheid met zijn +leven moeten betalen? Philippe fluistert hem iets toe, Montbars +glimlacht. Plotseling wijkt het gros der vrijbuiters, en nemen zij de +vlucht onder het uiten van angstige kreten. + +De Spanjaarden meenende dat zij nog slechts te doen hadden met het +rampzalige overschot van een afgezonderd en ontmoedigd troepje, en +alleen gehoor gevende aan hunne verblinde woede, stormden uit hun +verschansing en vielen met het zwaard in de vuist op de gehaatte +vijanden aan. Nu echter veranderde het tooneel. Juist op dien uitval +had Montbars gehoopt, en de vrijbuiters keerden nu even plotseling om +als zij op de vlucht schenen gegaan te zijn, waarna een afgrijselijk +gevecht ontstond. Ook de Spanjaarden vochten en waren dapper maar niet +zoo krachtig als hunne tegenstanders, dus ook niet bestand tegen een +strijd van man tegen man waar geen andere wapens dienstig zijn dan de +sabel en de dolk; zij wilden dus ten spoedigste zich terugtrekken +achter hunne verschansingen, te meer daar hun artillerie niet kon vuren +op de verwarde menigte, daar dan zoowel vriend als vijand zou gedood +worden. Kwartier werd niet gegeven, aan genade werd niet gedacht, het +bloed stroomde, en het werd meer een bloedbad dan een gevecht. + +Francoeur werd gewaar dat het vuur uit de verschansing had opgehouden; +hij verzamelde een groot gedeelte van de Broeders der Kust en voerde +hen aan tot hulp voor Montbars. Van dat oogenblik verklaarde de zege +zich bepaald ten gunste der vrijbuiters, die over een hoop lijken +binnen de verschansing drongen. Zeshonderd soldaten of inwoners van +Gibraltar verloren in dit gevecht het leven, het overschot gaf zich op +genade of ongenade over en werd zonder mededoogen door de overwinnaars +gedood. [13] + +Beschermd door een ongelooflijk geluk, had Montbars zelf niet de +geringste schram ontvangen, doch meer dan zestig vrijbuiters waren +gevallen als offers van deze overwinning, en meer dan het dubbele van +dit aantal zoo vreeselijk gewond, dat er geen hoop bestond hen in het +leven te behouden. + +Gibraltar werd dus genoodzaakt zich over te geven. + + + + + + + + +XXIII. + +MONACO. + + +Na zijne aankomst te Gibraltar, had don Fernando d’Avila een +allerliefst landhuis gehuurd, op eenige geweerschoten afstand van die +stad, maar zoo geheel in het dichtste der bosschen verborgen, dat men +zeer precies met de ligging bekend moest zijn om den weg daar heen te +vinden. Levensbehoefte en provisie van allerlei aard waren er naar toe +gevoerd, en voor weelderige meubileering gezorgd, want zijne bedoeling +was, zoo er een aanval der flibustiers mocht plaats grijpen, dat huis +te doen dienen als een wijkplaats voor zijne pupil. Zoodra dan ook de +vloot der vrijbuiters in het gezicht kwam, haastte de Gouverneur zich +om, vergezeld van eenige vertrouwde bedienden, donna Juana en hare +voedster naar die woning te brengen, waar zij voorloopig in veiligheid +zouden zijn. Daarna keerde hij terug om zijn post bij het te verwachten +gevecht te betrekken, een post door hem zelf gekozen, en natuurlijk +dáár waar het grootste gevaar bestond, echter niet dan na aan zijne +vertrouwste bedienden nadrukkelijk last te hebben gegeven, steeds +paarden gezadeld gereed te houden, om, in geval van nederlaag, met de +beide vrouwen naar Merida te kunnen vluchten, waarheen hij zelf hen +wilde geleiden, zoo hij zoo gelukkig mocht zijn ongedeerd aan den +strijd te ontkomen. + +De beide dames bleven dus alleen achter ten prooi aan hevige +ongerustheid, eene ongerustheid die nog vermeerderde bij het hooren van +het onheilspellend gedonder van het geschut en het kort afgebroken +geknetter van de geweerschoten, wat zij duidelijk konden onderscheiden. +Donna Juana luisterde naar het rumoer van dien strijd, met vrees en +toch ook met hoop doch durfde geen wenschen te uiten noch voor de eene, +noch voor de andere partij; want bij de eene stond haar voogd, bij de +andere de man dien zij liefhad. Het werd haar ondoenlijk stil te +blijven zitten, gestadig liep zij uit het eene vertrek naar het andere, +ging naar den tuin, dwaalde over het voorplein, in één woord deed alle +pogingen om hare ongerustheid te bedwingen. Eindelijk ten einde raad, +kon zij niet langer wederstand bieden aan de ontroering die dreigde +haar geheel te overmeesteren, en besloot zij, zonder de gevolgen te +bedenken, of beter gezegd juist die gevolgen berekenende met die +slimheid der liefde waardoor alles gerechtvaardigd en alles vergoelijkt +wordt, om op den top van het huis de vlag te hijschen, die Philippe +haar als een sein had achtergelaten. + +—Als de Spanjaarden overwinnen,—overwoog zij bij zich zelve,—kan dit +volstrekt geen kwaad, want ik zal licht iets kunnen verzinnen, +voldoende voor mijn voogd, om die handeling als onbeduidend te +rechtvaardigen, en als de flibustiers in triomf hier heen komen en die +vlag zien, dan zal die mij juist beschermen, daar het de vlag is van +een hunner voornaamste aanvoerders. + +Gerustgesteld door die redeneering, nam donna Juana de vlag, die zij +verborgen in een harer groote koffers, altijd met zich meê voerde, en +tevens een lans, die zij met verscheidene anderen tegen den muur zag +staan, en klom naar het bovenste gedeelte van het huis. + +In de Spaansche koloniën zijn de daken der huizen meest altijd gebouwd +als te Venetië, en dit uit hoofde van het heerlijke klimaat; ’s avonds +dienen zij dan ook gewoonlijk tot plaats van ontspanning. In +verscheidene Amerikaansche steden maakt men die daken tot een soort van +hangende tuinen, door ze met bloemen en heesters te versieren. + +Dat van het huis waar donna Juana vertoefde was op die wijze ingericht; +men vond daar zelfs een prieeltje van oranje- en citroenboomen, een +plekje dat door het jonge meisje dikwerf bezet werd, om dáár ongestoord +aan hare zoete droomerijen te kunnen bot vieren, waarbij zij echter +steeds het oog gevestigd hield op de zee, die men van deze verhevenheid +duidelijk gewaar kon worden. + +Toen donna Juana op het terras gekomen was, kon zij zonder eenige +inspanning het verwarde rumoer hooren van het hevige gevecht dat in het +dichtste van het bosch kort in hare nabijheid plaats greep. Bovendien +was die plek zeer gemakkelijk te onderkennen door een dikke wolk van +rook, die boven de boomen uitsteeg. + +—O, God!—smeekte zij, vouwde vroom de handen en viel op de +knieën.—Goede God! Red don Fernando! Genadige God! Behoud mijn +dierbaren Philippe! + +Op dit oogenblik drong een nog veel heviger rumoer tot haar door; het +jonge meisje stond op, maakte het teeken des kruises, en ging vast +besloten naar het prieeltje, waar zij op het hoogste plekje met haar +sjerp de lans vastbond die dienen moest tot vlaggestok. Vreesachtig +keek zij om zich heen om te zien of zij door iemand was bemerkt, en +snelde toen vlug de trap af naar beneden waar zij zich in haar kamer +terugtrok. Het gevecht werd van lieverlede niet zoo merkbaar meer +vernomen en eindelijk werd het geheel en al stil. Zóó verliep uur op +uur in doodelijke stilte, en in dien tijd verkeerden donna Juana en +hare voedster, volslagen onbekend met alles wat kon hebben plaats +gehad, in onuitstaanbaren angst. De zon daalde naar den horizont, het +licht maakte plaats voor de duisternis, en eindelijk werd het nacht +zonder dat donna Juana er aan dacht te gaan slapen. De ongerustheid van +het jonge meisje werd hoe langer hoe grooter, te meer daar zij +letterlijk niets wist van de gebeurtenissen van den afgeloopen dag. +Toch had don Fernando bij het afscheid haar vast beloofd dat hij, +ingeval hij zelf niet kon komen, iemand zou zenden om haar te berichten +hoe de aanval der vrijbuiters was afgeloopen. Vierentwintig uren waren +nu reeds sinds dat tijdstip verstreken, en nog was geen sterveling +opgedaagd. + +Het werd ochtend en tegen acht uur steeg de angst van donna Juana +dermate, dat zij zich niet langer kon bedwingen, zoodat zij besloot, +het kostte wat het wilde, berichten te gaan inwinnen. Zij luisterde +niet langer naar de smeekingen harer duenna, zij sloeg geen acht op al +de door de bedienden geopperde bezwaren, die haar met tranen in de +oogen bezwoeren nog wat te wachten. Vastberaden kleedde zij zich in +mansgewaad, stak een dolk en een paar pistolen in haar gordel en +gelastte dat men een paard zou zadelen. Er stonden verscheidene paarden +gezadeld en getuigd, gereed; maar donna Juana wist dit niet, want de +order daarvoor was door don Fernando in hare afwezendheid gegeven; om +tijd te winnen zorgden de bedienden er wel voor die bijzonderheid aan +donna Juana mede te deelen, en tot nog langer verwijl gingen zij naar +den corral om dáár een paard te halen. Daardoor verliepen nog ettelijke +minuten, en in dien tusschentijd liep donna Juana haastig over het +plein, luisterende naar het minste gerucht, en steeds met stijgenden +angst. + +Plotseling vernam zij een vrij hevig geraas in de struiken en een +twaalftal mannen drongen er door heen, onder welke zij don Fernando +d’Avila gewaar werd. Het jonge meisje ijlde naar de poort, en haastte +zich die open te maken. De vluchtelingen, want dat zij niet anders +waren toonden hunne gehavende en met bloed bevlekte kleederen en hunne +bleeke gezichten, drongen overhaast naar het plein waarvan de poort +onmiddellijk achter hen werd gesloten. Don Fernando d’Avila was gewond; +hij liep moeielijk, leunende op zijn degen en ondersteund door een +zijner onderhoorigen; zoodra hij donna Juana in het oog kreeg, uitte +hij een kreet van vreugd. + +—Heer, mijn God, zij gedankt! Ik kom nog in tijds. Paarden, in ’s +hemels naam, paarden! Dadelijk, dadelijk paarden!! + +Maar na die woorden zonk hij ineen, en viel zonder bewustzijn ter +aarde; zijne krachten waren eerder bezweken dan zijn moed. Donna Juana +snelde hem te hulp. Don Fernando bloedde hevig uit twee vervaarlijke +wonden; er viel dus op dit oogenblik niet aan vluchten te denken. + +Het jonge meisje gelastte dat men haar voogd in huis moest dragen, en +hield zich terstond onledig met al de verzorging die zijn toestand +vereischte, terwijl zij de verpleging der overige gekwetsten aan na +Cigala overliet. Die arme lieden waren er niet veel beter aan toe dan +hun bevelhebber; allen waren in meerderen of minderen graad gewond, en +overal waar zij gestaan hadden, was op den grond een bloedig spoor +zichtbaar. Het mocht een wonder genoemd worden dat zij het huis nog +hadden kunnen bereiken, zoozeer waren allen uitgeput en verzwakt. + +Thans behoefde men zich niet meer in pijnigende onzekerheid te achten, +thans was iedere twijfel opgeheven; men behoefde slechts één blik te +werpen op het rampzalige voorkomen van die lieden, die blik was even +voldoende als het uitgebreidste rapport. De zege der flibustiers stond +met duidelijke letters op hunne door angst en vrees verwrongene +gelaatstrekken en in hunne schuw dwalende en verbijsterde oogen te +lezen. Door de goede zorgen van donna Cigala, vonden zij een rustplaats +op bossen stroo in een schuur, en werden zij dáár verzorgd en hunne +wonden verbonden. De flauwte van don Fernando was alleen veroorzaakt +door bloedverlies en overmaat van vermoeidheid bij eene overhaaste +vlucht door genoegzaam ondoordringbare bosschen, doch spoedig kwam hij +weder bij. Hij bedankte donna Juana en wilde toen opstaan doch het +jonge meisje hield hem terug en zei op meewarigen toon:—Daarvoor zijt +gij nog veel te zwak. Gij moet eerst eenige uren uitrusten. + +—Uren! Geen enkele seconde!—viel hij heftig uit.—Men vervolgt ons, dit +weet ik zeker, wij moeten vluchten, ijlings vluchten. Als ik te zwak +ben om te paard te stijgen, moet men er mij maar op binden, maar ik +herhaal het u, kindlief, wij moeten dadelijk vluchten, ieder minuut die +ge verliest is een minuut minder van uwe vrijheid. + +—Goed, daar gij het eischt zal ik gehoorzamen. + +—Ja, ja, doe zoo! Waar zijn de anderen? + +—Zij liggen op stroo in een schuur. + +—Goed, uwe bedienden moeten zich wapenen. Haast je! Haast je! + +Op eens stond hij op van de rustbank waar hij lag, scheen een oogenblik +scherp te luisteren en riep toen met eene onbeschrijfelijke uitdrukking +van wanhoop:—O! Mijn God! Het is te laat, te laat! Daar zijn zij! Sluit +de poorten! Barrikadeer alles of gij zijt verloren! + +En ondanks al de pogingen van donna Juana om hem tegen te houden, wilde +hij naar buiten om de bedienden te wapen te roepen. Van onder de +struiken werd een kort afgebroken geblaf gehoord, dat snel het huis +naderde. Kort daarna werd men een grooten hond gewaar, die met +opstaande haren, de tong uit den bek, en den neus langs den grond, kwam +aanhollen alsof hij een spoor volgde, daarop werd herhaaldelijk de stem +van een man vernomen die, nog onzichtbaar, in het Fransch het dier +toeriep:—Zoek, Monaco, zoek, brave hond. + +Bij de poort gekomen, bleef het dier staan, om bijna nog verwoeder te +blaffen. + +—Vervloekt beest!—brulde don Fernando woedend.—Door dat dier is ons +spoor ontdekt, en vallen wij onzen vijanden in handen. + +Hij trok een pistool uit zijn gordel, en loste het op den hond, maar +het schot was niet goed gemikt en de hond bleef ongedeerd. + +—O! Wat hebt ge nu gedaan!—kermde donna Juana.—Dát is onze ondergang. + +Don Fernando liet in wanhoop het hoofd op de borst zinken. + +—Blijf daar, Monaco,—zoo liet die stem zich weer hooren.—Koest, beste +hond, koest, wij komen! + +Een aanval op het huis scheen nu onvermijdelijk. De Spanjaarden waren +vast besloten zich tot het uiterste te verdedigen, en de gedachte zich +over te geven kwam zelfs niet bij hen op, want zij wisten te goed wat +zij van hunne woeste tegenstanders te wachten hadden. + +Even als te Maracaïbo was het Philippe’s eerste zorg geweest na zijne +komst te Gibraltar om, geleid door Zijden-Draad die hem tot gids moest +dienen, te hollen naar de woning van donna Juana. Maar weer wachtte hem +dezelfde teleurstelling. Het huis was verlaten. Tevergeefs vloog de +jonge man van de eene kamer naar de andere; overal en telkens bleek hem +duidelijk dat er een overhaast vertrek had plaats gegrepen, en de jonge +dame was ook hier nergens te vinden. Philippe raapte een zakdoek op die +op een der meubels lag en zeker vergeten was, een zakdoek nog vochtig +van de tranen die donna Juana zeker bij haar vertrek gestort had. +Philippe drukte er herhaaldelijk een kus op, en ging wanhopig heen, +niet wetende waarheen hij nu zijne schreden zou richten. + +—Wel weet ik,—zei Zijden-Draad tegen hem,—dat don Fernando hier in den +omtrek een landhuis heeft, maar wáár, dat zou ik niet kunnen zeggen, +want ik ben er nooit geweest. + +—Wat te doen?—mompelde Philippe en drukte den zakdoek tegen zijne +lippen, alsof het fijne weefsel in staat ware voor hem het raadsel op +te lossen van het tegenwoordige verblijf zijner beminde. + +—Wacht eens,—riep op eens Zijden-Draad.—Daar valt mij iets in! Nog is +alles niet verloren! + +—Wat wil je daarmee zeggen?—vroeg Philippe haastig. + +—Laat mij maar begaan. Misschien krijgt gij straks weer eenige hoop. + +De jongen had Tributor in het oog gekregen, die, gevolgd door zijn hond +Monaco, jacht maakte op de Spanjaarden. + +—Hei! Tributor!—schreeuwde de jongen. + +De pandeling keek om en vroeg:—Wat wil je van mij? + +—Ik? Niets,—gaf de jongen ten antwoord,—maar kapitein d’Ogeron heeft je +iets te zeggen. + +—Hier ben ik,—hernam de pandeling.—Hier, Monaco! + +De reus liep dadelijk naar Philippe aan wien hij zeer was gehecht, +sinds de kapitein hem een grooten dienst had bewezen.—Wat verlangt gij, +kapitein? + +—Ik?—werd met verwondering gevraagd. + +—De kapitein,—haastte Zijden-Draad zich in plaats van Philippe te +antwoorden,—zou wel eens willen weten of Monaco zulk een goede +speurhond is als door jou wordt beweerd. + +—Wel drommels! ’t Kost weinig moeite om dat te bewijzen,—verzekerde de +reus, die met welgevallen zijn hond streelde.—Neem er de proef maar van +op menschen of op dieren. Breng hem op het spoor en hij zal het volgen. + +—Dat zullen we dan eens zien, ouwe jongen. Kom met ons mee, als de hond +het spoor volgt, waarop wij hem zullen brengen, en dit tot het eind +volhoudt, dan kan je er duizend francs mee verdienen. Staat je dit aan? + +—Of het! Want ’t is net zoo goed alsof ik die duizend francs reeds in +mijn zak heb. + +—Ba! Wat een gebluf op zoo’n hond! + +—Monaco is een zeer goed dier,—antwoordde de reus eenigszins +geraakt,—en bluffen is mijn gewoonte niet. + +—Nu, ook al goed, kom maar mee.—Daarop wendde de jongen zich tot +Philippe, en vervolgde:—Die hond zal ons terug doen vinden wat wij +verloren hebben. + +—O!—uitte de kapitein.—Als zoo iets mogelijk was! + +—Wat belet ons het te beproeven? + +—Jij hebt gelijk,—luidde het gejaagde antwoord.—Dit moeten wij doen. + +—Volg mij!—hernam de jongen. + +Zij sloegen de richting in naar het vrije veld; maar na eene opmerking +van Zijden-Draad, dat men waarschijnlijk genoodzaakt zou wezen zich een +heel eind van de stad te verwijderen, dacht Philippe dat het niet kwaad +zou zijn zich door eenige vrijbuiters te doen vergezellen en klampte +onder weg achtereenvolgens een dertigtal aan, die dadelijk bereid waren +hem te volgen. Buiten de stad werd stil gehouden en door den reus +gevraagd: + +—Welken kant moeten wij op? + +—Dat moet jouw hond weten,—antwoordde de jongen,—hij is nu onze gids. + +—Hier,—zei Philippe tegen den reus.—Hier heb je een doek, laat je hond +dien beruiken. + +—Doe nu je best, oude jongen,—voegde Zijden-Draad er bij,—want denk er +aan, duizend francs zijn er mee gemoeid. + +—Hou jij je er maar buiten,—hernam de reus bits,—ik heb immers al +gezegd dat het net zoo goed is alsof ik die in mijn zak heb. + +Toen nam hij den hond bij den nek, hield hem den doek voor en streelde +hem. + +—Zoeken, Monaco, zoeken! Pak aan, beste hond, pak aan! + +Monaco snoof herhaaldelijk langs den zakdoek, begroef er zijne snoet in +en wentelde de doek eenigen tijd in alle richtingen om; toen stak hij +zijn kop in de hoogte, en keek zijn meester aan met oogen die naar men +zou gewaand hebben, getuigden van menschelijk begrip. Tributor liet het +dier los. De hond liep dadelijk met den neus op den grond in een cirkel +rond en deed dit eenige keeren, doch telkens werd de cirkel kleiner. Op +eens bleef hij stilstaan, stak den kop in de hoogte, scheen de lucht op +te snuiven, blafte een paar malen kort afgebroken, keek toen zijn +meester aan, en liep recht voor zich uit met de snelheid van een pijl. + +—Het spoor is gevonden,—verzekerde Tributor. + +—Dan op weg! Op weg!—riep Philippe. + +De vrijbuiters snelden den hond achterna. Het was kort bij zeven uur ’s +avonds toen de jongen Tributor in het oog had gekregen en op de +gedachte gekomen was of Monaco ook van dienst zou kunnen wezen; nu +stond de zon dus reeds gereed onder te gaan. Ondanks dit late uur +aarzelden de flibustiers geen oogenblik verder te gaan. ’s Ochtends +tegen twee uur begon de hond, die men aan een lange lijn vasthield, +daar men vreesde hem in de duisternis uit het oog te verliezen, +teekenen van onrust te geven, en telkens kwam hij weer terugloopen. + +—Hier schijnt het spoor zich te kruisen,—merkte Tributor op.—Het beste +zou zijn dat wij hier bleven tot het dag wordt. + +Niemand had daar iets tegen; zulk een dwaaltocht, uren achtereen, over +bijna onbegaanbare wegen, had, zooal niet den moed, dan toch de +krachten zelfs van den sterkste te zeer aangetast, en ook Philippe +ondervond dit daar hij halfdood van moeheid was. Men bleef dus waar men +was, en ieder zocht een geschikt plekje om zoo goed als kwaad het ging, +er den nacht door te brengen. Niet lang daarna waren allen in een +gerusten slaap gedompeld. Bij het krieken van den dag werden zij +wakker. Die enkele uren van gezonden slaap waren genoegzaam voor hen om +zich verfrischt en weer flink te gevoelen. De hond werd nu opnieuw +losgelaten, nadat men het dier nogmaals den zakdoek had laten +besnuffelen. Een paar minuten later had Monaco het spoor teruggevonden +en rende even hard voort als den vorigen avond, gevolgd door al de +vrijbuiters, met Tributor aan hun spits, die telkens schreeuwde: + +—Pak ze, Monaco, pakken als een brave hond! + +Die tweede tocht duurde lang; eerst tegen acht uur hoorden zij den +hond, dien zij reeds eenige minuten uit het oog hadden verloren, +verwoed blaffen. + +—Ginds is iets aan de hand,—verzekerde Tributor.—Monaco staat. + +—Dan dadelijk er op los!—gelastte Philippe hijgend. + +Tributor hitste den hond opnieuw aan, en toen viel plotseling een +schot. + +—Carambo!—vloekte de reus, die een sprong deed als een tijger.—Daar +vermoordt men mijn hond. Koest, Monaco, koest, wij komen, wij komen! + +Steeds bleef de hond even verwoest blaffen, en op eens bevonden de +vrijbuiters zich buiten het bosch vóór een huis, en vlak bij de poort +waar Monaco nog altijd stond. + +—Nu geloof ik toch dat wij aan het eind van het spoor gekomen zijn, +he?—vroeg Tributor met voldoening. + +—Wel drommels,—viel Zijden-Draad uit.—Zoo’n tweede hond is er niet! En +wat heb ik dat netjes verzonnen! + +—Blijft allen staan!—gelastte Philippe. + +Hij trad vooruit, nam het huis nader op, en spoedig teekende zijn +gelaat hoe gelukkig hij zich gevoelde, daar hem de vlag in het oog was +gevallen die boven uit het prieeltje wapperde. + +—Eindelijk! Eindelijk!—riep hij uit.—Goddank, ik heb haar +teruggevonden! + +Zonder een oogenblik te bedenken welk eene onvoorzichtigheid hij +beging, liep hij regelrecht naar het huis, waaruit hem barsch werd +toegeroepen:—Wie daar? + +—Goed vriend,—luidde onmiddellijk het antwoord. + +—Ik heb geen vriend onder de ladrones. Terug of ik schiet! + +De vrijbuiters voorzagen dat het tot een gevecht zou komen, en hielden +hunne wapens gereed. Maar wat niemand verwacht had, gebeurde; na die +ruwe toespraak bleef het een vrij lange poos zeer stil en daarna werden +plotseling de luiken van het tralievenster weg geschoven, en verschenen +twee personen; een daarvan was don Fernando d’Avila, de tweede donna +Juana, nog altijd in manskleederen. Philippe was op het punt naar de +jonge dame toe te ijlen, doch een wenk van haar hield hem terug. + +—Wat verlangt gij?—vroeg don Fernando op somberen toon. + +—Dat dit huis door u wordt overgegeven, waar gij u toch niet kunt +staande houden!—gaf Philippe ten antwoord. + +—Ons aan u overgeven!—hernam de Gouverneur schamper en bits.—Dan is het +beter te sneven met de wapens in de hand. + +—Uw leven en dat van allen die er zich in bevinden zal gespaard +blijven, en uw goederen onaangeroerd. + +—Ja, gespaard zooals dat van de inwoners van Maracaïbo en Gibraltar, en +zoo zou het ook met onze goederen gaan. Welken waarborg geeft gij mij +voor de nakoming van die belofte? + +—Mijn woord van eer, caballero, het woord van ridder Philippe d’Ogeron. + +Een oogenblik heerschte er stilzwijgen. Don Fernando deed, hoezeer met +groote moeite en leunend op zijn degen een schrede voorwaarts en +zei:—Luister naar mij. + +De jonge man naderde. + +—Ik ben,—hernam de Gouverneur steeds even somber,—de voogd van deze +jonge dame; zij heeft mij zoo even bekend dat zij u liefheeft; hoe en +waar die liefde ontstaan is, kan ik nu op dit oogenblik niet nader +onderzoeken; zij zegt dat gij een man van eer, en een echt edelman +zijt. Wilt gij er een eed op doen dat zij door u gerespecteerd en +beschermd zal worden? + +—Dat zweer ik! + +—Ik aanvaard dien eed, ik vertrouw op uw woord! Tegenover stervenden +liegt men niet, en ik ga sterven. + +—Mijnheer!—kreet de jonge dame. + +—Stil, stil, donna Juana, wij hebben geen tijd te verliezen, laat mij +uitspreken. Die jonge dame hier is mij, toen zij nog een zeer klein +kind was, toevertrouwd door den hertog de Penaflor; in deze +portefeuille zult gij de stukken vinden die de waarheid bewijzen van +wat ik u daar gezegd heb. Neem die portefeuille aan. + +Bij die woorden haalde hij een portefeuille uit zijn zak en stelde die +aan Philippe ter hand.—Gij zweert dus dat gij uw woord trouw zult +blijven?—hernam de oude man op plechtigen toon. + +—Dat zweer ik niet alleen wat betreft donna Juana, maar ook ten +opzichte van uwe metgezellen en in de eerste plaats van u zelven. + +—O! Wat mij betreft dat is onnoodig, ik zal wel voor mij zelven weten +te zorgen,—verzekerde hij met droeven glimlach.—Ik roep God tot getuige +dat ik gedurende mijn gansche leven getrouw mijne plichten als Christen +en als soldaat ben nagekomen. Ik ga dus den dood tegemoet zonder mij +iets te verwijten te hebben. Donna Juana, maak de poort open.—Haastig +werd door haar daaraan voldaan.—Komt allen hier,—riep don Fernando met +luider stem tot zijne manschappen.—Werpt uwe wapenen weg, gij allen +zijt gevangenen. + +—Neen,—sprak Philippe dadelijk daarop tot de soldaten die zich achter +hun bevelhebber geschaard hadden.—Behoudt uwe wapenen, dappere kerels, +gij zijt allen vrij. + +—Gaat, gaat, kinderen!—uitte de Gouverneur, en groette hen met de +hand.—Maakt u het zoo goedgunstig verleende verlof ten nutte om je zoo +spoedig doenlijk in veiligheid te stellen,—en toen hij bemerkte dat zij +aarzelden, zeker uit gehechtheid aan hun meester, werd er door hem +bijgevoegd op een toon die geen weerspraak gedoogde:—Gaat, ik wil en +gelast het. + +Toen snelden de arme duivels naar het heestergewas, waar zij spoedig +tusschen de struiken verdwenen, zonder dat een der vrijbuiters zich +verwaardigd had het hoofd om te draaien en hen na te kijken. + +—Mijnheer,—hernam de Gouverneur,—ik betuig u mijn dank voor uwe +loyaliteit. Donna Juana, leef gelukkig, blijf altijd aan mij denken, ik +heb je als een vader liefgehad. + +—O! Neen!—snikte het meisje dat zich in zijne armen wierp.—Zóó zullen +wij niet scheiden. + +Hij lachte droevig, en mompelde terwijl hij haar omhelsde: + +—Eer dan ge denkt, arm kind! Mijn zegen schenk ik je! + +Hij schoof haar van zich af en wendde zich tot Philippe die +onbeweeglijk voor hem stond en hem oplettend gadesloeg. + +—Een oud krijgsman zooals ik, vraagt geen kwartier, en geeft zijn degen +aan niemand over, zelfs niet aan zulk een dapper edelman als gij. +Vaarwel, alles wat ik heb liefgehad! Leve Spanje!... + +En eer men kon vermoeden wat zijn voornemen was, trok hij een pistool +uit zijn gordel en schoot zich door het hoofd. Donna Juana slaakte een +kreet van wanhoop en snelde naar hem toe, doch viel bewusteloos in de +armen van Philippe. + +—Kameraden, bewaart het stilzwijgen over alles wat hier is +voorgevallen,—verzocht hij aan de vrijbuiters. + +—Dat zweren wij!—verklaarden zij, daar allen zich getroffen gevoelden +door deze zoo tragische als onvoorziene gebeurtenis. + +—Waarachtig!—uitte Tributor.—Het is jammer dat hij zich gedood heeft, +want zoo waar ik leef, hij was een dapper soldaat. Koest, Monaco, +koest, brave hond. + + + + + + + + +XXIV. + +TEN EINDE RAAD. + + +Sedert de verovering van Gibraltar was een maand verloopen; de +vrijbuiters waren teruggekeerd naar Maracaïbo, en die terugtocht geleek +meer op eene vlucht dan op een zegetocht. Zoo was het ook; de +flibustiers hadden werkelijk de vlucht genomen, niet voor menschen maar +voor een veel geduchteren en onverbiddelijken vijand, de zwarte pest! + +Met een paar woorden moeten wij ophelderen waardoor die ontstaan, en +hoe het dus noodzakelijk was geworden voor de vrijbuiters om met den +meesten spoed terug te trekken. + +De Spaansche gevangenen waren in een verwarden troep opeengehoopt in de +kerken; vrouwen, kinderen, grijsaards, zelfs de slaven, allen bevonden +zich daar door elkander. Waren zij eenmaal achter slot en grendel, dan +bemoeide men zich verder niet met hen, en dus stierven zij van honger +en gebrek, zonder dat hunne erbarmelijke klachten de vrijbuiters één +oogenblik weerhielden bij de plundering die, naar hunne gewoonte, +stelselmatig en geregeld geschiedde en uitgevoerd werd met eene +onbaatzuchtigheid die men bij zulke lieden niet zou hebben verwacht, +daar al de buit in massa werd bijeengebracht, in afwachting van de +verdeeling, volgens het daarvoor bestaande reglement. + +In de eerste dagen had men de lijken der Spanjaarden neergegooid in +booten die geen dienst meer konden doen, en die vaartuigen als zij vol +waren in zee gesleept en doen zinken; maar spoedig vonden de +vrijbuiters dit een vervelend en tevens een zeer walgelijk werk, daarom +hielden zij daarmee op; vandaar dat, zoowel de gevangenen die in de +kerken van honger waren omgekomen, als de vrijbuiters die iederen dag +in de huizen der stad stierven tengevolge van de bekomene wonden, zelfs +niet door de geringste laag aarde werden bedekt, en tot aas dienden +voor de insecten en de roofvogels. Die even stuitende als roekelooze +onbezorgdheid moest door allen weldra duur worden betaald, want het +natuurlijke gevolg in een zoo warm klimaat was, het uitbreken van een +pestziekte. Een zeer groot aantal der vrijbuiters stierf daaraan bijna +oogenblikkelijk, en nog verscheidene anderen bezweken daar hunne oude +wonden weer openbraken en daarin koudvuur ontstond. Eindelijk werd de +sterfte zoo groot, dat de vrijbuiters begrepen hoe een langer verblijf +geen ander gevolg kon hebben, dan hun totalen ondergang, zoodat geen +hunner het Schildpaddeneiland ooit weer zou betreden. + +Montbars gaf dus order te vertrekken; doch eer men onder zeil ging, +zond hij eenige vrijbuiters naar de in de bosschen verscholene +vluchtelingen om hun aan te kondigen dat zij binnen twee dagen tien +duizend piasters moesten opbrengen, daar hij anders de stad aan de +vlammen zou prijs geven. Die twee dagen verliepen zonder dat het geld +in zijn bezit kwam, en even onverbiddelijk als altijd, deed Montbars de +stad in brand steken. De weinige inwoners die er nog achter waren +gebleven, wierpen zich toen vóór de voeten van den onbarmhartigen +vrijbuiter, en beloofden een losgeld te betalen tweemaal grooter dan de +geëischte som, zoo hij er in toestemde dat de stad verder gespaard +bleef. Montbars vergunde hun het gevraagde uitstel en de twintigduizend +piasters werden na afloop daarvan hem ter hand gesteld, doch ongelukkig +genoeg was toen de stad reeds voor meer dan de helft verwoest. Aldus +werd door de vrijbuiters vaarwel gezegd aan de ongelukkige stad +Gibraltar, waar zij niets achterlieten dan puin en lijken! [14] + +De bewoners van Maracaïbo hadden inmiddels hunne huizen weder +betrokken, doch werden opnieuw tot wanhoop gebracht door den terugkeer +van Montbars en de zijnen, en zij hadden daarvoor maar al te zeer +reden, want hij legde hun eene schatting op van dertigduizend piasters, +als afkoop eener hernieuwde plundering. Smeekingen hielpen niet, aan +verzet viel niet te denken, en dus bleef er voor de inwoners niet +anders over dan zich te onderwerpen. + +Maracaïbo werd toen door de vrijbuiters bezet, en terwijl de +voornaamste handelaars van die stad zich beijverden het geëischte +losgeld bijeen te krijgen, begonnen de vrijbuiters, onder voorgeven dat +kloosters en kerken niet begrepen waren in de geslotene overeenkomst, +met een ijver een betere zaak waardig die gewijde plaatsen van alles te +berooven; de kostbaarheden van het altaar, de kruisbeelden, de gewijde +vaten, tot zelfs de klokken werden door hen weggevoerd, terwijl zij +sarrend op de schuchtere aanmerkingen der inwoners ten antwoord gaven, +dat dit alles hun moest dienen bij de oprichting op het +Schildpaddeneiland van eene kapel gewijd aan Onze Lieve Vrouwe van de +Overwinning. Eindelijk was men er in geslaagd de dertigduizend piasters +te kunnen betalen, en bovendien werden aan de vrijbuiters vijfhonderd +ossen afgestaan als victualie voor de vloot, daar de inwoners hoopten +op die wijze des te eerder van hen ontslagen te zullen worden. + +Voor den eersten keer hielden de flibustiers trouw hun woord; zij +maakten aanstalten om spoedig en voor goed de streken te verlaten, die +zoo erbarmelijk door hen waren verwoest, toen Montbars zeer plotseling +van Francoeur, die door hem op een brigantijn ter verkenning was +uitgezonden, vernam, dat een talrijk Spaansch eskader in het gezicht +der kust kruisende was. Die tijding, hoogst waarschijnlijk door hem +verwacht, deed Montbars bijzonder veel genoegen, en dadelijk wijzigde +hij nu zijne plannen omtrent het vertrek. De vermaarde vrijbuiter kende +veel te goed de mannen die onder zijn bevel stonden om niet te weten, +dat roem voor hen weinig beteekende als die niet gepaard ging met +voordeel, en eveneens dat hij behoedzaam en voorzichtig moest handelen +om geen gevaar te loopen van door hen aan zijn lot te worden +overgelaten, wanneer men bij het verlaten van het meer in de +noodzakelijkheid zou worden gebracht, den strijd te aanvaarden waartoe +de Spaansche admiraal hen trouwens hoogst waarschijnlijk wel zou +dwingen. + +Nu was het juist de hoop dat het tot zulk een strijd zou komen, dat +Montbars het gansche plan tot deze expeditie had ontworpen, eene +expeditie, tot nu toe met zooveel stoutmoedigheid als beleid door hem +volgehouden, eene expeditie ook, die zulke enorme voordeelen voor de +deelhebbers had opgeleverd. Onmiddellijk liet hij de toebereidselen tot +het vertrek staken, kondigde aan dat de vijand met aanzienlijke macht +bij den ingang van het meer was komen opdagen, en voegde er bij dat met +het oog op de gebeurtenissen die verwacht moesten worden, de verdeeling +van den buit niet zou geschieden op het Koe-eiland, zooals eerst +overeen was gekomen, maar dadelijk hier te Maracaïbo, zoodat dus ieder +terstond in het bezit gesteld van zijn deel der veroverde schatten, des +te feller zijne bezitting zou verdedigen, zoo het tot een gevecht met +de Spanjaarden mocht komen. + +Dit besluit werd zeer goed opgenomen door de vrijbuiters, daar zij, +ondanks hun vertrouwen in hunne aanvoerders, toch er zeer op gesteld +waren hoe eer hoe beter te kunnen beschikken over hun deel in den +behaalden buit. Er werd dus eene algemeene samenkomst gelast van al de +vrijbuiters, op den volgenden dag ’s ochtends acht uur in de +voornaamste kerk van Maracaïbo, die voor dit doel behoorlijk werd +ingericht. Op het bepaalde uur waren reeds al de vrijbuiters gewapend +in de kerk gekomen, en hadden zij zich zwijgend rechts en links in het +gelid geplaatst; dicht bij het koor waren banken gezet voor de +aanvoerders van de expeditie, die daar plaats namen, al naarmate hunne +bemanning aankwam. Midden in de kerk was een ontzaglijke hoop goederen +en zaken van allerlei aard bijeengebracht; dit was de buit en de +opbrengst van de dubbele plundering te Maracaïbo en te Gibraltar. + +Eerst hoorden de flibustiers de mis aan in stille aandacht en als +geloovige lieden; geknield op de zerken, deden zij hunne gebeden en +bleven in die houding al den tijd dat de dienst aanhield, eerst +opstaande toen de geestelijken zich in de sacristie hadden +teruggetrokken. Toen stond ook de admiraal van zijn zetel op, besteeg +de trappen van het hoofdaltaar, en zwoer met de hand op het evangelie, +dat hij niet het minste of geringste had achtergehouden van den +algemeenen buit, en dat hij geen aanspraak maakte op een grooter +aandeel dan hem toekwam volgens de bepalingen van het reglement der +vereeniging zooals die waren opgenomen in de monsterrol. + +Na de vervulling van die plechtigheid, ging men over tot de berekening +van den buit, en het gezamenlijke bedrag, met inbegrip van alles, ook +van de kleinodiën en het gebroken zilverwerk, dat geschat werd op tien +kronen per pond, werd gesteld op de hoogst aanzienlijke som van +zeshonderd en zestigduizend piasters, een bedrag gelijkstaande met een +millioen, achtmaal honderd duizend gulden, nog ongerekend vijftig +duizend piasters, dus nog honderd vijftig duizend gulden, als opbrengst +van de plundering door de matrozen afzonderlijk gedaan, en die volgens +aangenomen gebruik, aan hen werden afgestaan. + +Nadat het deel des Konings was afgezonderd, ontving ieder voor zich +zijn aandeel, doch vooraf was ingehouden de vergoeding toekomende aan +de gewonden, en de belooningen van de chirurgijns der vloot, welke +beide uitkeeringen in geld of in slaven werden voldaan, en ook nog het +deel voor de gesneuvelden of overledenen, dat aan hunne verwanten of +vrienden moest worden afgestaan, na behoorlijk ingeleverde +bewijsstukken. Het doet ons goed te kunnen verzekeren dat al die +verrichtingen aangevangen in goed vertrouwen op hunne aanvoerders, +eindigden zonder den minsten twist en tot volkomen bevrediging van een +ieder. + +Nadat al de onderhoorigen vertrokken en slechts de gezagvoerders in de +kerk gebleven waren, die ook aanstalten maakten heen te gaan, werden +zij daarin tegengehouden door een wenk van den ridder de Grammont die +hun toeriep:—Een oogenblik, Broeders! Ik heb nog aan het oordeel van +den raad eene zeer gewichtige zaak te onderwerpen. + +—Spreek!—antwoordde de admiraal uit aller naam.—Wij luisteren naar je. + +—Er is immers bij de monsterrol bepaald dat al wat op de Spanjaarden +mocht worden buit gemaakt, met inbegrip der slaven, gelijkelijk door +ons moet worden verdeeld? + +—Zeer zeker is dit bepaald, en staat het beschreven in de +monsterrol,—bevestigde Montbars. + +De flibustiers begonnen aan die zaak hunne aandacht te wijden; Grammont +wisselde met Philippe een tartenden blik, en vervolgde met sarrenden +glimlach:—Hoe komt het dan dat een van ons, een zeer voornaam officier +der vloot, een man, in één woord, die èn om zijn rang èn om zijn naam +ten voorbeeld moest strekken niet slechts van onbaatzuchtigheid maar in +de eerste plaats van eerlijkheid, zich veroorloofd heeft zich op eigen +gezag eene slavin toe te eigenen, en haar aan den algemeenen buit te +onttrekken? + +—Als een van ons zulk eene laakbare handeling gepleegd heeft,—gaf +Montbars op strengen toon te kennen,—dan heeft hij zich aan twee +misdrijven schuldig gemaakt. Vooreerst van bedrog jegens zijne +broeders, en vervolgens van ontduiking van de bepalingen der +monsterrol, en verbreking van den eed vrijwillig door hem uitgesproken +ten aanhoore van ons allen en met de hand op het evangelie. Zeg mij wie +die man is, en hij zal gestraft worden. + +—Die man...—hernam Grammont met spottende stem, doch Philippe drukte +hem de hand op den schouder en viel hem eensklaps in de rede, en +zei:—Het is aan mij daarop antwoord te geven, kapitein Grammont, want +ik ben de man die door u wordt beschuldigd. Laat mij u er dus voor +behoeden eene laagheid te begaan. + +—Eene laagheid!—barstte de kapitein los en sprong driftig op. + +—Ik heb dat woord gebruikt en trek het niet terug. Waar en wanneer gij +wilt zal ik u daarvan rekenschap geven. + +—Dan dadelijk! + +—Laat ons vooraf de zaak afhandelen die je op zulk eene ongepaste +manier te berde hebt gebracht, daarna zal de andere aan de beurt komen, +wees daar gerust op. + +—Kom tot kalmte, Grammont, en gij, Philippe, vervolg. Wat hebt gij te +uwer verdediging in te brengen?—vroeg Montbars, steeds even bedaard en +koel. + +—De vrouw, of liever het jonge meisje, waarvan nu sprake is, werd +werkelijk door mij gevangen gemaakt, en het is waar dat ik haar niet +gevoegd heb bij de slaven bestemd om bij den buit te worden verdeeld. +Doch ik geloof mij te mogen beroepen op Montbars zelf, die mij tot +belooning voor het door mij ontworpen plan van deze expeditie, heeft +toegestaan voor mij zelven een slaaf of slavin, naar eigen keuze, te +behouden; en dat Montbars zijn woord gestand zal blijven, dat staat bij +mij vast. + +—En dit zal ook bepaald en zeker het geval zijn,—bevestigde +Montbars.—Bovendien is alles wat daar door Philippe gezegd is de +letterlijke waarheid. Ik heb gemeend dat de macht die aan mij door het +vertrouwen mijner broeders is verleend, ver genoeg zou strekken, om +zulk eene onbeduidende belooning toe te staan aan den man, door wiens +toedoen wij zulk een ontzaglijken buit hebben behaald. + +—Dat recht hadt gij, broeder, en hebt gij nog,—verklaarde de Mooie +Laurent. [15]—Als ik dit zeg vertrouw ik te spreken namens al de +broeders. + +—Ja, ja!—beaamden al de aanvoerders. + +—Grammont heeft ongelijk,—sprak ten overvloede Luiwammes. + +De kapitein beet zich tot bloedens op de lippen en het kostte hem +blijkbaar inspanning niet te spreken. + +—Dus, broeders, ben ik in uwe oogen volkomen gerechtvaardigd?—vroeg +Philippe. + +—Ja, ja!—klonk het hem toe. + +—Daarvoor zeg ik je dank, doch in eigen oogen zou ik dit niet zijn, zoo +ik je iets verzweeg. + +—Spreek op, broeder, spreek! + +Philippe wendde zich naar den rechterkant van de kerk, waar in een +zijkapel een biechtstoel stond en zei:—Wees zoo goed hier te komen, +mevrouw. + +De biechtstoel werd opengedaan en donna Clara naderde de gezagvoerders. +Allen bogen eerbiedig voor haar, zelfs Grammont groette haar, schoon +een blos van schaamte zijn gelaat kleurde, daar hij al het laaghartige +van zijne handelwijze begon te bevroeden. + +—Heeren,—ving donna Clara aan,—op den dag na de bemachtiging van +Gibraltar bracht kapitein Philippe ’s avonds tegen zes uur, bij mij aan +huis eene jonge dame en eene oude dienstbode. Die jonge dame had hevige +zenuwtoevallen. Ik stelde den kapitein voor haar bij mij te houden en +te verzorgen en op te passen; dat was juist wat de kapitein verlangde, +met dat doel had hij haar bij mij gebracht. Voor het lot van die jonge +dame gevoelde ik groote belangstelling; het gelukte mij haar tot +herstel te brengen. Toen verzocht ik den kapitein haar aan mij af te +staan, en hij gaf mij ten antwoord dat de diensten die ik aan de +expeditie had bewezen die vraag mijnerzijds ten volle billijkten, +zoodat ik van dit oogenblik de volkomene beschikking verkreeg over het +lot van het jonge meisje. Heeren, ziedaar het ware en eenvoudige +verslag van de feiten. Sinds dien tijd is de arme gevangene te mijnent +gebleven, en heeft mij met al hare kracht bijgestaan aan de taak +waaraan ik mij heb gewijd. + +—Mevrouw,—antwoordde Montbars, wien het moeielijk viel zijne ontroering +te bedwingen,—wij allen zijn aan kapitein Philippe dank verschuldigd +voor zijn edel gedrag in deze omstandigheden. Die jonge dame behoort u +toe. + +Grammont boog een knie ter aarde voor donna Clara.—Mevrouw,—sprak hij +met gesmoorde stem,—mijn gedrag was dat van een ellendeling, maar gij, +gij zijt een engelachtig wezen en daarom durf ik hopen op uwe +vergiffenis. + +—Sta op, mijnheer,—voegde zij hem toe op zachten doch droevigen +toon.—Ik schenk u vergiffenis, en ik beklaag u. + +Donna Clara groette de vrijbuiters, die opnieuw eerbiedig voor haar +bogen, en verliet met langzamen tred de kerk. + +—En nu tusschen ons, kapitein,—zei Grammont tegen Philippe.—Tegenover +die dame heb ik de begane dwaling hersteld, maar tegenover u... + +—Genoeg!—gelastte Montbars streng, terwijl hij zich tusschen hen beide +plaatste.—Weet gij, die met de voorschriften der monsterrol zoo goed +bekend zijt, dan niet dat tusschen Broeders der Kust ieder tweegevecht +ongeoorloofd is gedurende den duur eener expeditie en dat gij je den +doodstraf op den hals haalt indien gij het waagt een uwer broeders uit +te dagen? Begeef je aan boord van je schip kapitein, en geen woord +verder met uw tegenpartij. Zijt gij beiden weer op Tortue dan staat het +aan ulieden om die zaak al dan niet door het zwaard te beslechten, maar +tot dien tijd gelast ik, geen bedreigingen en geen uittartingen meer. + +—Dan zal ik wachten tot wij weer ginds op het eiland zijn!—riep hij +ziedende van woede.—Maar dan.... + +—Dan kunt gij handelen naar goedvinden,—viel Montbars in en voegde er +terstond bij,—Broeders, binnen een uur moeten wij onder zeil zijn. +Houdt alles gereed om de Spanjaarden warm te ontvangen, zoo zij lust +mochten gevoelen ons den doortocht te beletten. + +—Bij den hemel!—riep Luiwammes.—Laten ze dat maar uit hun hart laten! + +Daarop werd de kerk door allen verlaten en gingen zij naar de haven, +waar hunne booten op hen lagen te wachten. Ondanks alle door Montbars +genomene voorzorgen, om voor zijne kameraden verborgen te houden, niet +zoozeer de aanwezigheid van het Spaansche eskader want hiermeê waren +zij bekend, maar uit hoeveel schepen het bestond en hoe die bemand +waren, bracht het vreugdegejuich door de inwoners van Maracaïbo +aangeheven op het oogenblik waarop de vloot het anker lichtte en gereed +was onder zeil te gaan, de vrijbuiters tot het besef van de volle +waarheid. + +Twaalf groote oorlogsschepen, met zes-en-veertig honderd koppen bemand +en met vierhonderd stukken van zwaar kaliber gewapend lagen dwars bij +den toegang tot de golf en verstopten in letterlijken zin den +doortocht. Buitendien was het door de vrijbuiters ontmantelde fort op +het Houtduifeiland weer in bruikbaren staat gebracht, voorzien van de +noodige stukken en van een garnizoen, vijfhonderd man sterk. De +Onder-Koning van Nieuw-Spanje was in eigen persoon op het eskader +aanwezig. + +Bij zulke vernietigende tijdingen ontzonk de moed zelfs aan de +stoutmoedigste vrijbuiters; zij vervielen tot doffe wanhoop en +weigerden botweg eenige poging te wagen om den doortocht te forceeren. +Hun toestand, dit moet erkend worden, was dan ook hachelijk, hoogst +kritiek; hunne schepen waren slechts van middelbare grootte en daarbij +zwak bewapend, zoodat ze verreweg onder moesten doen voor de goed +bewapende oorlogsschepen der Spaansche marine; ook kwam daar nog bij +dat de pest de bemanning met een derde verminderd had, terwijl het +getal der strijdbare manschappen eveneens belangrijk was gedund, daar +al de gewonden of verminkten die niet in staat waren om deel te nemen +aan het gevecht toch opgenomen waren op de vloot, en hun aantal meer +dan tweehonderd beliep. Om kort te gaan de vrijbuiters konden hoogstens +vijftienhonderd weerbare manschappen tegenover de macht der Spanjaarden +stellen. + +Intusschen was een brigantijn onder parlementaire vlag te Maracaïbo +aangekomen. Die brigantijn bracht voor de aanvoerders der expeditie een +brief van den Onder-Koning waarbij hij hen opeischte zich op genade of +ongenade over te geven. Dit schrijven eindigde met deze vernietigende +woorden, die den dapperste het bloed in de aderen deed verstijven. + + + „Indien ik morgen bij zonsopgang geen twintig gijzelaars heb + ontvangen, onder wie in de eerste plaats zich behooren te bevinden, + Montbars de Verdelger, Francoeur, Philippe d’Ogeron, Pierre + Legrand, de Olonner, Grammont, Morgan, de Roodkop en de Mooie + Laurent [16], die ten voorbeeld voor allen zullen dienen, zal ik + het meer instevenen, u te Maracaïbo komen opzoeken, en al werd die + stad door u ook in een hoogoven veranderd, dan zult gij toch dáár + in mijne handen vallen en door mij behandeld worden met al de + gestrengheid die gij verdient.” + + +Zulk een trotsche en zoo dreigende taal ging alle palen te buiten en +had niet de uitwerking die de Onder-Koning zich daarvan ongetwijfeld +had voorgesteld. Daardoor toch werd aan de vrijbuiters tot zelfs de +minste hoop op eenige vrijgevigheid benomen, daardoor ook herkregen zij +hun dolzinnigen overmoed, en hun onwrikbare stoutmoedigheid, daardoor +ontstond bij hen de grootste verontwaardiging, daar men het waagde hen +op zulk een minachtende wijze toe te spreken. Montbars verlangde dat +die brief met luider stem zou worden voorgelezen aan al de Broeders der +Kust. Na die lezing nam hij het woord. + +—Bij den hemel, kameraden,—riep hij hun toe.—Ik herken je niet meer! +Zijt gij er de mannen naar om je zóó te laten beleedigen, door iemand +die het nog nooit gewaagd heeft zich met ons te meten? Zijt gij bereid +om de smadelijke kastijding te ondergaan, waarmede die onbeschaamde +tegenstander uw erkenden moed wil bezwalken? Goed, het zij zoo! +Onderwerp je aan hem! Maar ik voor mij, ik wil geen deel nemen aan zulk +eene lafhartige handeling. Ik heb mij in je bedrogen, gij zijt niet de +mannen waarvoor ik je hield, gij zijt thans niet veel meer dan bevende +vrouwen, die schrikken voor de stem van een Spanjaard, en daarom laat +ik je vrij in uw besluit. Strekt uwe armen uit om geketend te worden, +en gaat de hand kussen van uw beul. + +Die vinnige toespraak ontlokte hun een dof gemompel; een blos van +schaamte steeg op het gelaat der flibustiers, en de daardoor ontstane +woede gaf hun den ouden moed terug. + +—Voer ons aan naar den vijand,—riepen zij Montbars toe,—en wij zullen +vechten zoolang er nog bloed in onze aderen vloeit! Zelfs de gewonden +zullen je kruipende volgen. Voorwaarts, Montbars! Blijf ons aanvoeren! + +—Zijt gij dan vast besloten mij te gehoorzamen?—vroeg Montbars ernstig. + +—Ja, ja! Beveel! Wij behooren je toe! + +—Goed!—hernam Montbars, die zijn hoed afnam en de hand op zijn hart +drukte.—Dan zweer ik je plechtig, broeders en kameraden, dat die +onbeschaamde Spanjaard met zijn leven boeten zal voor zijne bluffende +woorden, en tevens, dat wij ongedeerd zullen ontkomen aan de nederlaag, +die hij zich reeds zeker waant ons te zullen toedienen! + +—Leve Montbars!—brulden de vrijbuiters in vervoering. + +Nu was alle vrees verdwenen, en de vrijbuiters twijfelden niet langer +of zij zouden overwinnen. + +—En nu, kameraden,—hernam Montbars,—eisch ik van u een eed, dat gij +vechten zult tot uw laatsten snik, zonder genade te vragen. + +—Dat zweren wij!—werd hem als uit één mond toegeroepen, terwijl zij hun +wapenen zwaaiden. + +Daarop wendde Montbars zich tot den Spaanschen officier, die belast met +de overhandiging van den brief van den Onder-Koning, de verschillende +wisselingen van dit tooneel had bijgewoond. + +—Keer naar uw meester terug, señor,—voegde Montbars hem met de diepste +minachting toe,—en deel hem alles mede wat door u hier is gehoord en +gezien. Zeg hem ook dat de Broeders der Kust gewoon zijn voorwaarden te +stellen, maar er nooit over denken om zich die te laten opleggen! Ga +señor, uwe zending hier is afgeloopen, hier in ons midden hebt gij +niets meer uit te richten. Vertrek! + +De officier groette en vertrok begeleid door Morgan, die hem naar de +brigantijn bracht, om hem te vrijwaren voor beleedigingen der +vrijbuiters, die in groote menigte door de straten dwaalden, en +waarschijnlijk, zoo de parlementair alleen ware geweest, er geen +bezwaar in gezien zouden hebben hem overhoop te steken, zoo hevig was +hun haat tegen iederen Spanjaard, doch vooral op dit oogenblik. + +Morgan nam op beleefde manier afscheid van den officier, en begaf zich +toen weer naar zijne kameraden, die nog raadsvergadering hielden in +dezelfde kerk waar dien eigen morgen de buit was verdeeld. + +Toen de Spaansche officier aan boord van zijn schip zich in veiligheid +rekende, ontsnapte hem een zucht van verlichting, daar hij niet had +durven hopen, ongedeerd te blijven bij zulk eene zending naar +dergelijke lieden. Zonder tijd te verliezen liet hij het anker lichten +en enkele minuten later, koerste de brigantijn met volle zeilen naar +den ingang van het meer om zich weêr te voegen bij de vloot van den +Onder-Koning. Toch achtte de officier zich niet buiten alle gevaar eer +het eskader van de vrijbuiters geheel uit zijn gezicht was, en voor hij +de hoog getopte masten der Spaansche schepen weer in het oog kreeg. + + + + + + + + +XXV. + +EEN HUISELIJK TAFEREEL. + + +De haat is een slechte raadgever. De hertog de Penaflor had, door zich +te laten leiden door den haat dien hij Montbars toedroeg, een grooten +misslag begaan. Als hij het meer onverhoeds was binnengeloopen en +dadelijk met alle kracht een aanval op de vrijbuiters had gedaan, dan +was er geen twijfel aan geweest of deze zouden door zijne plotselinge +verschijning aan het hoofd van zulk een geduchte overmacht, geheel +ontmoedigd zijn geworden. Dan zou hij hen zeker overwonnen en +genoodzaakt hebben, zoo al niet om de wapenen neer te leggen, dan toch +stellig om afstand te doen van den buit en de slaven, die zij bij deze +expeditie hadden overmeesterd, en tevens hen zoo gekortwiekt hebben, +dat zij voor langen tijd er niet aan zouden durven denken hunne +stoutmoedige overvallen op de Spaansche koloniën te wagen. Maar bij den +hertog de Penaflor had zijn persoonlijke haat de overhand op zijn +plichtsgevoel, en toen hij de vrijbuiters geen andere keuze liet dan +tusschen de smadelijkste oneer of den dood, wekte hij bij hen de +vroegere energie weder op, en bezielde hen met het vaste besluit tot +den laatsten man te strijden, en tevens met de hoop van door moed en +standvastigheid een nederlaag te voorkomen, en aan hem te ontkomen. + +Olivier Oexmelin, zelf een vrijbuiter en chirurgijn aan boord van een +hunner schepen, heeft een zeer omstandig relaas geschreven van deze +expeditie, die natuurlijk ook door hem is bijgewoond; aan dit verslag +ontleenen wij al de bijzonderheden over de maatregelen door Montbars +genomen, om met eer en glorie te geraken uit den hachelijken toestand +waarin hij zich thans bevond. + +Meer dan ooit toonde de vermaarde vrijbuiter bij deze gelegenheid +hoezeer hij op de hoogte was van zijn taak, en hoe onuitputtelijk in +het bedenken van krijgslisten. Ook hij liet zich leiden door haat, dit +moeten wij toegeven, maar hij liet zich door dien haat niet zoozeer +verblinden dat hij daardoor zijn plicht als bevelhebber uit het oog +verloor; wel was zijn grootste begeerte om een schitterende weerwraak +te nemen op den man die hem nu reeds sinds tal van jaren onverbiddelijk +vervolgde, maar niet minder sterk was zijn streven om al de lieden te +redden die zich aan hem en zijn goed fortuin hadden toevertrouwd. + +Naar beide deze drijfveeren regelde hij zijne handelingen en toen hij +al de kracht zijner overreding had aangewend om den terneer geslagen +moed van zijne kameraden weer op te wekken, toonde hij zichzelf een +voorbeeld van energie en wilskracht, in het overwinnen van de grootste +hinderpalen. List moest het scherpste wapen zijn dat hem de zege op de +Spanjaarden deed behalen en dat wapen zou ook nu weer door hem +aangewend worden. + +Een zijner eerste maatregelen bestond hierin dat hij voorzorgen nam +tegen een mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk oproer der gevangenen, +een oproer waardoor zijne positie genoegzaam hopeloos zou worden. De +Spaansche gevangenen en ook de uit Gibraltar medegevoerde gijzelaars +werden op zijn last zwaar geboeid, en bij hen eene sterke wacht +geplaatst met de strengste orders tot hunne bewaking. Vervolgens koos +hij uit de grootste schepen dat wat hem toescheen het oudste en minst +zeewaardige te zijn, en besloot dit in een brander te veranderen. Er +werden dus aan boord van dit vaartuig alle mogelijke brandbare stoffen +gebracht, zooals pek, teer, zwavel, benevens zooveel kruit als men +missen kon; tevens liet hij bommen maken van pek en zwavel, gedrenkt in +teer, die geschikt moesten zijn om als granaten geworpen te worden, en +verder nam hij allerlei beschikkingen om de goede uitwerking van die +vreeselijke vernielingsmiddelen te verzekeren. De buitenhuid van dien +brander werd aan den binnenkant zooveel mogelijk uitgehakt, om op het +gegeven oogenblik des te gemakkelijker uit elkaar te springen. Nog +werden op zijn bevel op het dek ruw gehouwen houten blokken vastgezet +omkleed door matrozenplunje, breedgerande hoeden met wapens en +vaandels, zoodat men uit de verte gezien, meende dat het werkelijk +soldaten waren, die fier en onbeweeglijk het oogenblik afwachtten om +den vijand met alle macht te lijf te gaan. + +Aan weerszijden werden talrijke schietgaten geboord, waardoor geronde +en geverfde balken werden gestoken, die het aanzien van kanonnen +hadden, en de Fransche vlag in top geheschen; in één woord er werd door +Montbars, die dit zoozeer verstond, geen mogelijke list verzuimd om de +ware bestemming van het schip, als brander, te bemantelen, en het +geheel en al het voorkomen te geven van een goed uitgerust en sterk +bemand en bewapend Fransch oorlogschip. Dit soort van helsche machine +werd in de voorhoede geplaatst. De overige schepen van het eskader +hielden zich op korten afstand meer achterwaarts. + +In het midden van het konvooi waren in eenzelfde vaartuig al de +mannelijke gevangenen opeengehoopt; de vrouwen, de kinderen, het goud, +de juweelen en verdere kostbaarheden, in één woord het kostbaarste van +den buit bevond zich op een schip, dat onder bevel stond van Luiwammes, +die order had zich eerder in de lucht te laten springen dan zich over +te geven. + +Toen al die schikkingen waren getroffen, begaven de vrijbuiters zich +aan wal, en gingen in behoorlijke orde naar de kerk waar zij met vrome +aandacht de mis bijwoonden, daarna scheepten zij zich wederom in zonder +de minste baldadigheid in de stad te plegen. Ondanks zichzelven +gevoelden de bewoners zich getroffen door de sombere maar vastberadene +trekken der vrijbuiters; zij begrepen dat die lieden gereed waren tot +het uiterste toe vol te houden, en met huivering en angst dachten zij +aan de gevolgen van den ontzettenden strijd, die zou aanvangen tusschen +het eskader der vrijbuiters en de vloot der Spanjaarden. + +Tegen ongeveer vier uur in den namiddag waren al de equipages weer aan +boord. Montbars was niet van plan onder zeil te gaan eer de nacht +volkomen gevallen was; hij berekende dat bij duisteren nacht, zonder +maneschijn, de meeste kans zou bestaan om onbemerkt het kanaal te +naderen. + +Montbars had zes dagen voor zijne toebereidselen noodig gehad, doch +ondanks hunne onbeschaamde opeisching en bedreiging, waren de +Spanjaarden het meer niet binnengeloopen, en duidde niets aan dat zij +gevolg zouden geven aan die bedreiging en aan hun voornemen om de +vrijbuiters te Maracaïbo te komen opzoeken. Montbars ging naar zijne +kajuit, na zich door middel van zijn verrekijker te hebben verzekerd +dat alles op het eskader gereed was, en de gezagvoerders slechts +wachtten op het sein van den admiraal, om dadelijk onder zeil te gaan. + +Na eenigen tijd werd de deur van de kajuit geopend, en twee personen, +donna Clara en Francoeur, traden binnen. Montbars groette hen met de +hand, wenkte hen om plaats te nemen en zei:—Gij moet het mij ten goede +houden dat ik u verzocht heb beiden hier te komen, doch ik verlang er +zeer naar om u zonder verwijl te spreken. + +—Tot uwe orders, Admiraal,—antwoordde de jonge man en boog. + +—Ik wacht uwe nadere verklaring, mijnheer,—sprak donna Clara met zachte +stem. + +Montbars zweeg eenige oogenblikken met gebogen hoofd en gefronste +wenkbrauwen; langzamerhand echter helderde zijn gelaat op; hij hief het +gelaat omhoog en sprak met diepe en ingehouden stem waarin de laatste +weergalm klonk van eene met moeite bedwongene ontroering. + +—Ik heb u beiden eene opheldering te geven, die inzonderheid jou +betreft, don Gusman. + +—Admiraal, die naam is de mijne niet meer,—merkte de jonge man haastig +aan, doch dadelijk daarop legde donna Clara hare hand op zijn schouder +en voegde hem toe:—Laat nu den Admiraal spreken zonder dat gij hem in +de rede valt. + +Verwonderd zag de jonge man haar aan, maar hij werd op haar gelaat zulk +eene goedhartige en smeekende uitdrukking gewaar dat hij boog ten +teeken van instemming. + +—Het beslissende oogenblik, sinds zoo vele jaren door mij verbeid, is +eindelijk aangebroken,—verklaarde Montbars.—Naar ik hoop zal ik morgen +bij zonsopgang voor de laatste maal van aangezicht tot aangezicht +tegenover den onverbiddelijken vijand staan, wiens haat mij gedurende +mijn gansche leven heeft vervolgd. God, wiens oordeel onfeilbaar is, +zal tusschen den hertog de Penaflor en mij vonnissen. + +—De hertog de Penaflor!—kreet donna Clara, en wrong verschrikt de +handen. + +—De hertog de Penaflor!—mompelde de jonge man verbaasd. + +—Ja, wist gij dit niet?—hernam Montbars op bitteren toon.—De hertog de +Penaflor, de Onder-Koning van Nieuw-Spanje, is in eigen persoon +aanwezig op de vijandelijke vloot, daar hij, gedreven door zijn +verregaanden haat, getuige wil zijn van den doodstrijd van zijn vijand! +Doch laat dit zijn zooals het is, en spreken wij liever over jou, don +Gusman. Ik verlang niet van je dat gij tegen uw zin deel zult nemen aan +den strijd zonder genade tegen den man, die in uw jeugd voor je heeft +gezorgd, en wien het uw plicht is, tot het tegendeel mocht bewezen +worden, te beschouwen als uw weldoener; ik wil evenmin uw geweten +geweld aan doen,—liet hij er op volgen met eene uitdrukking van wreeden +spot, die zijne toehoorders deed huiveren.—Gij behoudt dus uwe vrijheid +onzijdig te blijven in het aanstaande gevecht, zoo,—voegde hij er +bij,—uwe gevoelens je nopen daaraan geen deel te nemen. + +—Maar Admiraal!—viel hij uit. + +—Stil!—hernam Montbars haastig,—ik ben nog niet aan het eind. + +—Mijn God!—mompelde donna Clara,—wat wilt gij dan nog meer zeggen. + +—Alles mevrouw!—verklaarde hij met snijdende stem,—want eindelijk heeft +het uur geslagen waarin alles moet worden opgehelderd; het uur waarop +de waarheid aan het licht moet komen; het uur waarop deze jongman +rechter moet zijn in zijne eigene zaak, en uitspraak doen tusschen zijn +vader en zijn weldoener! + +—Mijn vader?—herhaalde de jonge man een en al verbazing.—Hebt gij daar +niet gezegd, mijn vader? + +—Ja, don Gusman, want alles bewijst mij dat gij mijn zoon zijt. De +papieren door den stervenden don Fernando d’Avila aan Philippe d’Ogeron +ter hand gesteld, laten in deze zaak niet den minsten twijfel meer +over. + +—Admiraal! Ik begrijp er niets meer van, ik geloof dat ik nog gek word! +Gij, mijn vader?! + +—Luister verder. De hertog had een eenige dochter; het toeval wilde dat +ik het leven van die dochter redde. Toen ter tijd was ik een +aanzienlijk edelman, vol geloof, vol eerzucht, vol hoop en verwachting, +officier bij de marine van den koning van Frankrijk. De hertog moedigde +mijne liefde voor zijne dochter aan, voerde haar, als het ware, in +mijne armen, en daar Frankrijk en Spanje destijds met elkaar in oorlog +waren liet hij te Cadix ons huwelijk in het geheim voltrekken [17]. +Maar slechts enkele dagen daarna ontvoerde hij zijne dochter en nam met +haar de vlucht; en toen ik mij vervoegde aan zijn paleis om van hem +mijne vrouw op te eischen, was hij reeds vertrokken en werd mij door +een bediende dit geschrift overhandigd. + +Bij die woorden haalde Montbars een portefeuille uit zijn zak, deed die +open en nam er een door den tijd geel geworden papier uit, dat hij +ontvouwde. + +—Ziehier wat dit geschrift inhield. Luistert. + +En hij las met eene stem, bevende door toorn en misschien ook wel door +smart: + + + „Señor Conde! + + „Gij zijt niet met mijne dochter gehuwd; ik heb u misleid door een + onwettig huwelijk. Nimmer zult gij haar terugzien. Zij is voor u + dood. Sedert een aantal jaren bestaat er een onverzoenlijke haat + tusschen uwe familie en de mijne. Ik zou u niet opgezocht hebben, + maar God heeft u op mijn weg gevoerd. Toen heb ik begrepen dat het + Zijn wil is, dat ik wraak op u zou nemen. Ik heb gehoorzaamd. Ik + geloof er in geslaagd te zijn uw hart voor altijd te breken. De + liefde, die gij voor mijne dochter gevoelt, is innig en oprecht. + Des te beter, want des te heviger zult gij lijden. En hiermede + genoeg, mijnheer. Eén raad nog: tracht er niet naar mij weer te + ontmoeten; want dan, daar kunt gij zeker van zijn, zal mijne wraak + nog feller op u neerkomen. Binnen eene maand trouwt mijne dochter + met hem door wien zij bemind wordt, en die zij altijd en + uitsluitend heeft liefgehad. + + „Don Estevan de Sylva, hertog de Penaflor.” + + +—O! Dat is afschuwelijk!—jammerde de jonge man, die zijn gelaat in de +handen verborg. + +—Toch is het nog niet alles,—vervolgde Montbars terwijl hij koel het +papier weer toevouwde en in zijne portefeuille wegborg.—Ik vervolgde +den hertog maanden achtereen dwars door Spanje en Italië, en kwam bijna +gelijktijdig met hem weer in Frankrijk, waar ik hem eindelijk +achterhaalde in een armzalig dorp dicht bij Parijs. Toen eischte ik van +hem mijne vrouw op, want zijne dochter was mijne vrouw; onze +wederzijdsche liefde had al de ingewikkelde berekeningen van zijn haat +en zijne wraakzucht doen falen. Een maand vroeger had zijne dochter het +leven geschonken aan een kind, dat de hertog dadelijk aan haar had +ontrukt nog eer zij gelegenheid had aan dat onschuldige wicht den +eersten kus te geven. + +—Heb medelijden! In ’s hemels naam, heb medelijden met mij. Ben ik dan +nog niet genoeg gestraft?—smeekte donna Clara, en viel snikkend op de +knieën voor Montbars. + +Een oogenblik zag hij haar aan met zonderlingen blik; toen boog hij +zich tot haar neer, kuste haar teeder op het voorhoofd, en hief haar +behoedzaam op.—De smart heiligt, en gij, arme vrouw, hebt zwaar en veel +geleden. Ik schenk u vergiffenis!—betuigde hij hoogst ontroerd. + +—Moeder! O! Zij is mijne moeder! Reeds lang heeft mijn hart mij dit +voorspeld!—juichte de jonge man in vervoering, en wierp zich in de +armen van donna Clara.—Goddank! Ik heb mijne moeder gevonden! + +—Mijn zoon! O! Eindelijk, eindelijk!—riep donna Clara, en knelde hem +tegen haar boezem. + +Hunne kussen en hunne tranen smolten als ineen. + +—Helaas!—mompelde Montbars.—Dit is sinds jaren het eerste oogenblik van +vreugde dat de hemel mij toebedeelt.—Hij liet het hoofd op de borst +zinken.—Zal ik er in slagen het geluk van die beide zoo innig door mij +geliefde wezens te verzekeren? + +Op eens rukte donna Clara zich van haar zoon, wees hem op Montbars, die +hem glimlachende aanzag, en vroeg: + +—En hij? + +—Mijn vader! Ja, ja! Ik heb hem lief. Mijn vader!! + +Allen hielden elkaar omvat in één en dezelfde omarming. Zóó gingen +eenige minuten voorbij; alles om hen heen scheen in het niet verzonken; +het geluk van zulk eene onverwachte hereeniging had ieders gemoed +overweldigd. Montbars was de eerste die met hevige wilskracht er in +slaagde zich zelf meester te worden en zijn gewone kalmte te +herkrijgen. + +—Thans...—zei hij. + +—O! Vader, nu geen woord meer daarover,—viel de jonge man met +opgewondenheid in.—Ik heb nu eene moeder, die ik aanbid, een vader, +dien ik liefheb en hoogacht! Blijft mij thans iets meer te wenschen +over? Wat behoef ik nog meer te vernemen? Immers niets! En wat den +hertog de Penaflor aangaat, hem, den beul van mijn vader, den tiran van +mijne moeder, den kwelgeest van mijn jeugd, hem beschouw ik als een +monster, dat ik niet meer wil erkennen; hij behoort niet meer tot mijne +familie! + +—Goed zoo, mijn zoon!—verklaarde Montbars met vreugde. + +—Mijn zoon,—sprak donna Clara, en lei daarbij hare beide handen op +zijne schouders, terwijl zij hem aanzag met eene onbeschrijfelijk +smeekende uitdrukking,—dat monster is mijn vader! Zoo somwijlen God +gedoogt dat ouders hunne kinderen vervloeken, toch blijft Zijn gebod +dat kinderen hunne ouders zullen eeren! + +—Moeder,—gaf hij ten antwoord met gebroken stem, terwijl Montbars op +hem een zonderlingen blik wierp,—God verwerpt toch ook die menschelijke +monsters, maar gij, gij zijt een engelachtig wezen, gij beoogt slechts +vergiffenis, doch wij, mijn vader en ik, wij.... + +—Zwijg, zwijg!—viel zij uit, en drukte haar hand tegen zijn +mond,—spreek geen godslastering uit, ongelukkig kind! + +—Ik zal u gehoorzamen, moeder, wees daarop gerust,—verzekerde hij en +wendde zich toen met eene buiging tot Montbars, wien hij toevoegde op +afgemeten toon die door dezen ten volle werd begrepen.—Admiraal, ik ben +uw vlagofficier, mijn plaats in het gevecht is dus aan uwe zijde, en +die plaats eisch ik als een mij toekomend recht. + +—Gij zult haar vervullen,—luidde het antwoord van Montbars. + +—Ach!—jammerde donna Clara.—Hoe onverzoenlijk zijt gij beiden! + +Op dit oogenblik werd de deur van de kajuit plotseling geopend en trad +iemand binnen. Het was Philippe d’Ogeron. + +—Houd het mij ten goede, Admiraal,—begon hij groetende,—dat ik zoo +onverwachts en onaangediend binnen kom. + +—Waarde Philippe,—antwoordde Montbars,—ge zijt mij altijd welkom. Wat +verlangt ge? + +—Admiraal, de duenna van donna Juana heeft mij bij uw eerste verblijf +te Maracaïbo, een ring van groote waarde ter hand gesteld. Van dien +ring heb ik tot nu geen afstand kunnen doen, doch nu wij binnen enkele +uren een hevigen strijd zullen leveren, een strijd waarin het ook +wellicht mijn lot zal wezen te sneuvelen, acht ik het mijn plicht, daar +die ring misschien later kan dienen tot opsporing der ouders van dit +zoo beproefde jonge meisje, dat kostbare kleinood aan u af te staan, +met verzoek het te bewaren bij de papieren van don Fernando d’Avila die +betrekking hebben op donna Juana. + +—En dien ring? + +—Hier is die,—sprak hij zuchtend, trok dien van zijn vinger en reikte +dien aan Montbars toe. + +—Aan uw verlangen zal voldaan worden, beste vriend,—gaf Montbars ten +antwoord terwijl hij den ring aannam,—en als gij, wat God verhoede, in +het gevecht mocht komen te vallen, wil ik thans den eed herhalen, dat +ik als een vader zal zorgen, voor haar die zoo oprecht door je word +bemind. + +—Ontvang nogmaals mijn dank, Admiraal, voor die plechtige verzekering, +ik verwachtte niets anders van de mij steeds door je betoonde +vriendschap. + +En daar hij vreesde dat zijne aandoening hem zou overweldigen groette +de jonge man haastig, en verliet ijlings de kajuit. + +—Zie eens, mevrouw,—zei daarop Montbars tot donna Clara,—misschien +herkent gij dezen ring. Het is helaas! het eenige geschenk van +bijzondere waarde dat ik aan u heb kunnen geven, en het werd u door uw +vader afgenomen op een oogenblik dat ge buiten kennis waart. + +—Maar hoe komt het?....—vroeg zij gejaagd. + +—De hertog heeft, toen hij donna Juana toevertrouwde aan de goede +zorgen van don Fernando hem gezegd dat zij de dochter was van u en den +Stenio de Bejar. + +—O! Dat is een leugen!—viel zij uit. + +—Dat weet ik, mevrouw, maar hij achtte dien leugen noodzakelijk tot +meerdere verwarring en verwikkeling der omstandigheden, om alle +vermoedens op een dwaalspoor te brengen, daar hij uw eenig kind zóó +verlangde op te voeden en op te leiden, dat dit eenmaal zou worden de +moordenaar of de beul van zijn vader. + +—Ach! mijnheer!—riep zij met afgrijzen uit. + +—Het is de waarheid!—verklaarde de jonge man op koelen toon. + +—Die ring werd later aan de min van donna Juana gegeven, en zou, naar +de meening en de bedoeling van den hertog, al het geheimzinnige nog +vermeerderen. Begrijpt ge nu ten volle den ganschen toeleg van die +duivelsche berekeningen en van al die opeenstapeling van leugens en +bedrog? + +—O! Het is afschuwelijk!—mompelde zij geheel ter neer geslagen.—En dat +jonge meisje? + +—Wie zij is kan ik niet zeggen; waarschijnlijk een kind dat door hem +eveneens aan de ouders is ontrukt, om dienst te doen bij zijne +schandelijke plannen tegen u en tegen mij. Schenkt ge nu uw vader nog +vergiffenis? + +—Ik herhaal het u, mijnheer, hij is en blijft mijn vader, en God heeft +in Zijne onuitputtelijke goedheid, de vergevingsgezindheid gesteld tot +de liefelijkste en tevens de verhevenste deugd. + +Montbars wierp op haar een blik vol innige teederheid, drukte haar een +kus op het voorhoofd en verliet de kajuit om haar alleen te laten met +haar zoon. Dat bijeenzijn van moeder en zoon duurde eenige uren, maar +die uren gingen voor hen voorbij als een spanne tijds, en eerst toen de +zon aan den horizont verdween en de duisternis begon te vallen, kwam +Montbars in de kajuit terug.—Zijt ge nu gelukkig, mevrouw?—vroeg hij +glimlachend aan donna Clara. + +—Zóó gelukkig dat ik helaas ducht voor de toekomst! + +—De toekomst behoort aan God, mevrouw! + +—Dat is waar,—antwoordde zij berustend; daarna hief zij plotseling het +hoofd op, wees op haar zoon, en sprak met kracht:—Hem vertrouw ik aan u +toe, mijnheer. + +—Houd goeden moed, mevrouw, en voor hem blijf ik u borg,—hernam hij +kalm. Daarop wendde hij zich tot den jongen man en zei:—Kapitein, laat +drie aangestoken lantaarns aan den top van den fokkemast hijschen, het +is tijd om onder zeil te gaan. + +Francoeur ging dadelijk heen om de ontvangene order uit te voeren. + +—Nu moest ge eenige uren rust nemen,—hernam Montbars,—al die +aandoeningen matten u te erg af. + +—Neen,—gaf zij ten antwoord en wees op het Christusbeeld dat tegen den +wand hing.—Ik zal gaan bidden tot Hem in Wiens handen ons lot berust, +en Hem smeeken dat Hij ons genadig zij! + +Montbars boog voor haar en vertrok zonder iets meer te zeggen. Aan de +order door den Admiraal gegeven, was door zijn vlagofficier dadelijk +voldaan, en nauwelijks waren de drie aangestoken lantaarns naar den top +van den fokkemast geheschen of op alle bodems werd het geraas door de +kaapstanders veroorzaakt gehoord, zoodat er geen vol kwartier verliep +eer de schepen alle onder zeil waren in de aangegeven richting, en met +uitgedoofde lichten Maracaïbo verlieten. Den ganschen nacht koerste men +onder klein zeil, en tegen drie uur ’s morgens werd bijgelegd en dit +een paar uren volgehouden. Toen het begon te dagen, kreeg men de +Spaansche vloot in het oog, die in de volmaaktste orde vóór het kanaal +ten anker lag, vlak boven het Houtduifeiland, waar het fort zeer goed +hersteld en op krachtige wijze bewapend scheen. + +Het schip, waarop de Onder-Koning zich bevond, lag geankerd in het +midden van het nauwe kanaal dat het Kijk-Uit-eiland scheidt van het +Houtduifeiland; op dien bodem werd dadelijk alles in gereedheid +gebracht tot een warme ontvangst van den vijand, wiens onbezonnen +vermetelheid in het oog van den Onder-Koning alle palen te buiten ging. +De brander die aan de spits bleef van het eskader der flibustiers, werd +door den Onder-Koning gehouden voor het Admiraalsschip, en hij gaf +order om dit te laten naderen, schoon hij zich er zeer over +verwonderde, dat met zulk een sterke bemanning en op zulk een korten +afstand het vuur nog niet geopend werd; doch daaruit besloot hij dat de +vrijbuiters, volgens hunne gewoonte, de voorkeur gaven aan eene +entering; die overtuiging bracht hem er toe om ook van zijn schip geen +enkel schot te laten lossen, en hun eerst de volle laag te geven, +zoodra het ’t zijne wilde aanklampen. Dit misbegrip of liever die +vergissing der Spanjaarden kwam Montbars uitnemend te stade, daar +enkele goed gemikte schoten voldoende zouden zijn geweest om het brooze +vaartuig in den grond te boren, want het was werkelijk niet veel meer +dan het geraamte van een schip. Ongelukkig genoeg voor hen, bespeurden +de Spanjaarden hunne dwaling te laat, en eerst toen de brander op het +punt stond hen te bereiken. Toen waren al hunne pogingen, zoowel die om +het vaartuig af te houden als om het eene andere richting te geven, +vruchteloos. Slechts enkele flibustiers onder bevel van Francoeur +maakten de bemanning uit van den brander; zij maakten hem los van zijn +sleper, wierpen eenige enterdreggen in de raas van het schip van den +Onder-Koning en sprongen toen ijlings in hun boot om zich met kracht +van riemen te verwijderen van de plek waar de ontploffing zou plaats +hebben. Die gansche manoeuvre was met zooveel beleid uitgevoerd dat +toen de Onder-Koning last gaf om den brander af te weren, het daarvoor +reeds te laat was; toch verloor hij zijn tegenwoordigheid van geest +niet en liet onmiddellijk eenige matrozen, voorzien van bijlen, aan +boord daarvan overspringen om de masten te kappen en het schip te doen +zinken; maar het vuur had de buitenhuid reeds aangetast en de eerste +bijlslagen baanden aan de vlammen een doortocht, en ze sloegen +onstuimig en verwoed naar buiten, voorafgegaan door dikke en +verstikkende rookwolken. Aangewakkerd door een scherpe bries uit het +oost-noord-oosten, die uit volle zee kwam opzetten, verkreeg de brand +na verloop van enkele minuten zulk een omvang, dat het schip van den +Onder-Koning er niet aan kon ontkomen, en ondanks al de inspanning van +matrozen en soldaten om het vuur te bedwingen, was de totale ondergang +reeds te voorzien. + +Zoo was het ook; in minder dan een half uur was het prachtige schip +omgeslagen en een prooi der golven geworden, het grootste gedeelte der +bemanning kwam bij die ramp om, en aan slechts enkele personen, +waaronder de Onder-Koning, gelukte het, half dood van vermoeienis en +uitputting, den zandigen oever van het Houtduifeiland te bereiken. + +De strijd was aldus op wanhopende maar schitterende wijze door de +flibustiers aangevangen. + + + + + + + + +XXVI. + +VAN AANGEZICHT TOT AANGEZICHT. + + +Al dien tijd had Montbars met scherpen blik het verloop dier +gebeurtenissen waargenomen, en dadelijk maakte hij zich de algemeene +verslagenheid, die bij de Spanjaarden was ontstaan door dit voor hen +zoo noodlottige onheil, ten nutte, om de ondernemendste zijner +kameraden tot den aanval op een tweede schip aan te voeren, dat +geënterd en bijna zonder slag of stoot genomen werd op hetzelfde +oogenblik dat het schip van den Onder-Koning in de golven verdween. + +Grammont had een derde schip aangeklampt, en eveneens geënterd en +leverde een verwoed gevecht tegen de tot wanhoop gebrachte Spanjaarden. +Die strijd werd gevoerd met de grootste hevigheid; herhaaldelijk +teruggeworpen sprongen de flibustiers weer even spoedig aan boord van +het aangetaste vaartuig, en stonden eindelijk op het punt de zege te +behalen, toen Grammont te midden van hen nederstortte geveld door een +bijlslag die zijn schedel kliefde. Verschrikt en ontsteld door den dood +van hun gezagvoerder, aarzelden en wankelden de vrijbuiters; de +Spanjaarden daarentegen verdubbelden hunne pogingen en nog eenige +oogenblikken werd het gevecht voortgezet. + +Zóó ging het langs de geheele linie, het gansche eskader der +vrijbuiters kwam nu op de Spaansche vloot af en ieder hunner schepen +wierp enterdreggen en haken in het want der vijandelijke bodems, waarop +over de geheele linie een gevecht ontstond van man tegen man. + +Overal was de strijd hevig en verwoed, en nergens werd er aan gedacht +genade te vragen of te geven; vier Spaansche schepen sprongen in de +lucht, liever dan zich over te geven; de overigen, onthutst door zulk +eene opeenstapeling van onvoorziene rampen, dachten aan niets dan aan +het dreigende gevaar te ontkomen. Zij kapten overhaast de kabels en +lieten zich afdrijven naar het Houtduifeiland, om onder de beschutting +te komen van de verschansingen die waren opgericht uit de bouwvallen +van het fort. Zoodra zij aldaar aan wal gekomen waren, lieten zij hunne +schepen zinken om te voorkomen dat de vrijbuiters ze zouden +bemachtigen. + +Die zoo prachtige en geduchte Spaansche vloot was totaal vernietigd en +toch had het gevecht nog geen uur geduurd. Het gebeurde had veel van +een wonder; de vrijbuiters en Montbars zelf begrepen niet hoe het hen +had kunnen gelukken, om in zulk een korten tijd, met een verlies van +hoogstens vijf of zes manschappen, en met zulke zwakke hulpmiddelen +zich te redden uit den bijna wanhopigen toestand niet alleen, maar +zelfs bovendien nog eene volkomen overwinning te behalen. Geen wonder +dat hunne vreugde onbegrensd was, en de algemeene opgewondenheid ten +toppunt klom; zij omhelsden elkaar, zij wenschten elkaar telkens geluk, +en daverend en herhaaldelijk klonk jubelend de naam van Montbars, als +hun redder en bevrijder. + +Doch ook die triomf was nog niet voldoende voor den Admiraal, want zijn +aartsvijand was hem ontsnapt, en juist om dien man was het hem te doen; +hij besloot dus oogenblikkelijk een aanval te beproeven op de +verschansingen van het Houtduifeiland. De vrijbuiters bestormden die +met ongekende verwoedheid; zij dorstten naar Spaansch bloed, en wilden +tot op den laatsten matroos van die vloot, die hun zooveel schrik en +angst berokkend had, vernietigen. + +De Onder-Koning had den aanval voorzien en zich dus gehaast de noodige +stellingen in te nemen tot het bieden van krachtdadigen wederstand. De +botsing tusschen de vrijbuiters en de Spanjaarden was ontzettend, maar +de Onder-Koning had met zooveel tact zijne soldaten op de gevaarlijkste +punten post doen vatten, en de manschappen wisten zóó goed dat zij niet +op genade hadden te hopen, dat zij met de grootste volharding stand +hielden, zoodat de vrijbuiters ondanks al hunne verbittering, er niet +in konden slagen de verschansingen te overmeesteren. + +Montbars zag dadelijk in dat het onmogelijk was door een bestorming de +positie te forceeren, die door den vijand met al de kracht der wanhoop +verdedigd werd, en achtte het noodig den terugtocht te gelasten en naar +de booten te trekken na zware verliezen te hebben geleden, want bij +dien aanval waren honderd twintig manschappen gedood of gewond. + +Ondanks de behaalde zegepraal en niettegenstaande de vernietiging der +Spaansche vloot was de toestand der vrijbuiters niet veel gunstiger +geworden, want nog altijd bevonden zij zich aan gene zijde der engte, +die gepasseerd moest worden, om in volle zee te komen; en de +Spanjaarden, behoorlijk verschanst op het Houtduifeiland, waren, dank +zij het aanzienlijke getal hunner stukken, in staat ongestoord te vuren +op de schepen al naar mate die mochten beproeven zich in de nauwe geul +te wagen om het ruime sop te bereiken. Het lot van de vrijbuiters hing +dus af van de bemachtiging van het fort, maar zij hadden reeds eene +ernstige poging aangewend het te overmeesteren en waren daarin niet +geslaagd hoeveel kracht ook door hen was ontwikkeld geworden. + +De geduchte nederlaag, ondervonden bij een plotselingen overval op de +Spanjaarden, toen deze geacht konden worden nog geen vasten voet te +hebben gezet in hunne posities, ontmoedigde hen dermate, dat de +vroegere wankelmoedigheid weer de overhand verkreeg, waardoor schrik en +ontsteltenis ontstond en zij begonnen te vreezen voor een goeden +uitslag van de expeditie. + +Alleen Montbars wanhoopte niet; zijne kameraden mochten er bij hem op +aandringen te trachten met den Onder-Koning in onderhandeling te komen, +zij wilden hem zelfs machtigen den te Maracaïbo en te Gibraltar +verkregen buit prijs te geven, hij sloeg geen acht op hunne vertoogen +en smeekingen en bleef onverzettelijk bij zijn besluit om het fort te +nemen en den doortocht stormenderhand te forceeren. Hij herinnerde aan +de flibustiers hoe zij hem bezworen hadden hem in alles te zullen +gehoorzamen en tot den laatsten man te strijden; spottend sprak hij +over hunne wankelmoedigheid en op alles wat zij aanvoerden gaf hij +steeds hetzelfde antwoord, dat zij aan hem hun lot hadden toevertrouwd, +en dus niets anders hadden te doen dan stipt zijne bevelen op te +volgen, zonder zich te bekommeren over de gevolgen, waarvoor hij, en +hij alléén, verantwoordelijk bleef. + +Thans zullen wij opnieuw het woord afstaan aan Olivier Oexmelin, den +waarheidlievenden en betrouwbaren ooggetuige aan wiens relaas wij reeds +meer dan ééne bijzonderheid hebben ontleend. + +Toen Montbars de treurige ondervinding had opgedaan dat kracht noch +geweld voor den doortocht kon baten, besloot hij weer tot list zijn +toevlucht te nemen. Thans verzon hij er weer iets anders op. Daags na +den mislukten aanval, deed hij toen het begon te dagen, met de booten +van het eskader, een honderdtal vrijbuiters aan wal zetten buiten het +bereik van het geschut van het fort, naar een plek bedekt met hoog gras +en dicht struikgewas. Vervolgens moesten op zijn bevel, die +flibustiers, na daar ter plaatse zich eenige uren verborgen te hebben +gehouden, één voor één naar de booten terugkeeren, doch op Indiaansche +manier over den grond kruipende, zoodat men hen niet van uit het fort +gewaar kon worden. Waren zij aldus bij de booten gekomen dan moesten +zij zich daarin plat uitstrekken, en die dan schijnbaar leege +vaartuigen door een paar roeiers naar boord worden teruggebracht. Die +zonderlinge manoeuvre, werd den ganschen dag voortdurend herhaald in +het gezicht der Spanjaarden, om deze in den waan te brengen dat al de +bemanningen waren ontscheept. + +En die list beantwoordde inderdaad aan de bedoeling. Misleid door dien +valschen schijn, twijfelden de Spanjaarden er niet aan, dat de +vrijbuiters voornemens waren den volgenden nacht van de landzijde op +het fort een aanval te doen; zij verplaatsten dus hunne stukken en +brachten die in batterij naar den bedreigden kant, waar zij al hun +macht vereenigden, zoodat aan den zeekant alles bijna zonder +verdediging bleef. + +Dit had Montbars juist verwacht, op die vergissing had hij gerekend, en +met zijn gewone vaardigheid maakte hij zich dien misslag ten nutte. ’s +Avonds tegen tien uur staken de booten vol gewapende manschappen van de +schepen af en landden op den zandigen oever van het Houtduifeiland; de +flibustiers sprongen ijlings aan wal, en deden op de verschansingen een +onwederstaanbaren aanval, en tezelfder tijd heschen hunne schepen de +zeilen en passeerden zonder eenige verhindering het kanaal, terwijl zij +daarvan op een half kanonschot afstand dwars gehaald, op het fort +telkens onafgebroken de volle laag deden neerkomen. + +Eerst nu werd eindelijk aan de Spanjaarden de krijgslist hunner +vijanden duidelijk, en wilden zij met den meesten spoed de stukken weer +in de vroegere positie brengen, om de bestorming der verschansingen te +beletten, maar het was te laat en te vergeefs; de vrijbuiters toch +waren reeds tot in hun midden gedrongen, hieven een woest +krijgsgeschreeuw aan, of beter gezegd, brulden dit uit, en zwaaiden in +dolle woede hunne wapens in de lucht. Er volgde tusschen belegeraars en +belegerden een gevecht van man tegen man, een vreeselijke kampstrijd, +doch waarvan de uitslag moest zijn ten voordeele van de vrijbuiters, +dank zij de behendigheid en de oneindig grootere lichaamskracht waarin +zij de Spanjaarden overtroffen. Toch bleven de Spanjaarden zich +verdedigen met bewonderenswaardige dapperheid en volharding, gedreven +door wanhoop en hun vast besluit hun leven op te offeren; zij weken +niet terug dan pas voor pas, en vielen niet eer zij gedood werden; +iedere duim gronds die door de flibustiers werd veroverd, kostte +stroomen bloeds; de verbittering was thans van weerskanten even fel, en +ieder begreep dat nu de leuze gold, sterven of overwinnen. + +Het volle maanlicht bescheen de plaats van het gevecht en maakte de +worsteling nog afschuwelijker, daar zij de strijdenden in staat stelde +hunne slagen des te zekerder te doen neerkomen. Ondanks zijn hoogen +leeftijd verrichtte de Onder-Koning wonderen van dapperheid; het was of +hij steeds overal en bij allen was, en hij moedigde de soldaten +onophoudelijk aan zoowel door stem als door voorbeeld. + +Die ontzettende kampstrijd duurde bijna twee volle uren, steeds even +verwoed, even hardnekkig, even volhardend, zonder dat noch bij de eene, +noch bij de andere partij verzwakking merkbaar werd. Niemand zou hebben +kunnen voorspellen hoe die afschuwelijke slachting zou eindigen, toen +op eens boven alles uit de stem werd vernomen van Montbars, die een +donderen „Voorwaarts!” deed hooren. + +Gevolgd door zijne dapperste kameraden, doet de vermaarde en zoozeer +geduchte vrijbuiter een aanval op de dichtste drommen der Spanjaarden, +en werpt omver, verslaat of verstrooit allen die hem in den weg staan. +De flibustiers ontwikkelen al hunne kracht; de Spanjaarden beseffen dat +zij verloren zijn, doch de wanhoop doet hen stand houden; zij vechten +niet meer om te overwinnen, maar om met de wapens in de hand te vallen, +daar zij den dood verkiezen boven de schande en de kwellingen der +slavernij. + +Ziedend van woede doet Montbars zijn zwaard met felle slagen neerkomen +tusschen de gelederen zijner vijanden, en roept met heesche stem +telkens den hertog de Penaflor op, wien hij steeds trachtte op te +sporen te midden van de verwarde strijders. De Onder-Koning beantwoordt +die uitdaging van zijn tegenstander; wanhopend snelt hij met de +grootste verbittering op hem toe en staat op het punt hem te naderen, +toen hij zich op eens van achteren voelt aangegrepen, op den grond +geworpen en ontwapend, terwijl Montbars die zich eindelijk vlak +tegenover den hertog bevindt, stilstaat, brullende van woede en +teleurstelling; zijn doodsvijand is de gevangene van Francoeur en +Philippe d’Ogeron. Die twee jongelieden hadden zich, als bij afspraak, +op den hertog geworpen en hem overweldigd. + +—Ach!—barstte Montbars, op niet weer te geven verwijtenden toon +los.—Gij, gij, mijne getrouwsten, gij hebt mij van mijn wraak beroofd. + +—Toch niet,—gaf Philippe ten antwoord.—Wij hebben die in tegendeel voor +je verzekerd. + +Francoeur sloeg de oogen naar den grond en voegde er bij:—Die man moet +niet in het gevecht gedood worden. + +—Dat is waar,—bevestigde Montbars.—Bij den hemel, gij hebt gelijk! Zulk +een dood zou voor hem te eervol zijn geweest! Ik dank je, jongens! + +De beide mannen wisselden een blik van verstandhouding, terwijl +Montbars zich weder wierp daar waar de strijd het felste werd gevoerd. + +De val van den Onder-Koning werd dadelijk bekend, en was het sein tot +de nederlaag der Spanjaarden; van dit oogenblik was hun tegenstand nog +slechts onbeduidend en ongeregeld, en kort daarna werden de enkele +dappere soldaten, die nog overgebleven waren, genoodzaakt de wapens +neer te leggen. + +Twee uren later verlieten de schepen der flibustiers voor goed die +verwoeste streken, en lieten daar slechts bouwvallen en lijken achter. + + + +’t Was feest te Port-de-Paix. + +Het eskader der flibustiers was in vollen triumf dáár teruggekeerd van +die glorierijke expeditie naar Maracaïbo, en de bemanningen met +schatten beladen waren ontscheept. Als naar ouder gewoonte onbezorgd +voor den dag van morgen, hadden de Broeders der Kust zich dadelijk te +buiten gegaan in de onzinnigste brasserijen, waarbij al die rijkdommen +weer werden verspild, die hun zooveel inspanning, zooveel gevaren en +ontberingen, zooveel bloed gekost hadden. Met uitzondering van den +Onder-Koning, waren de Spaansche slaven opgesloten in tijdelijke +gevangenissen, om later aan de inwoners en aan de boekaniers verkocht +te worden. De hertog de Penaflor en enkele zijner officieren, die +ongelukkig genoeg voor hen, niet in het laatste gevecht waren +gesneuveld, werden gehuisvest in het verblijf van den Gouverneur, in +afwachting van het losgeld, dat voor hen moest worden opgebracht. + +Er was een algemeene raadsvergadering der flibustiers belegd geworden, +waarbij de heer d’Ogeron het voorzitterschap bekleed had. In die +bijeenkomst bracht de plaatsvervanger des Konings in de eerste plaats +hulde en dank aan Montbars, voor de uitnemende en schitterende wijze, +waarop de expeditie door hem was bestuurd. Koel was die hulde door den +Admiraal aangehoord, en door hem alleen het woord gevraagd om als een +recht voor zich te eischen, dat de Onder-Koning aan hem zou worden +overgeleverd. Tevergeefs had de heer d’Ogeron getracht tegen dien eisch +in verzet te komen, want Montbars beriep zich op de wet der +flibustiers, die naar hij aantoonde duidelijk en bepaald sprak, en daar +ook de meerderheid der aanwezige vrijbuiters partij gekozen had voor +den Admiraal, was de heer d’Ogeron wel genoodzaakt toe te geven. Hij +had er zich dus aan onderworpen om den hertog ter beschikking te +stellen van Montbars, doch onder voorwaarde dat aan hem als Gouverneur +een uitstel van ééne week zou worden verleend, eer hij den gevangene +uitleverde. Toen was Montbars op zijn beurt gedwongen geweest die +voorwaarde aan te nemen, waarop hij zich verwijderd had met ingehouden +toorn. + +Gedurende die week had de heer d’Ogeron herhaaldelijk geheime +bijeenkomsten met zijn neef en diens vriend Francoeur gehad; en had +zelfs aan den jongen man eene geheime zending opgedragen, zoodat sedert +zes dagen niemand hem meer te Port-de-Paix had gezien. Ook Montbars +scheen onzichtbaar geworden; hij had zich in zijn huis opgesloten, +waarvan de toegang onverbiddelijk geweigerd werd zelfs aan zijne +intieme vrienden, uitgezonderd twee hunner, met name Michel de Baskiër, +en Luiwammes. Die uitzondering bevreemde niemand, want het was algemeen +bekend dat zij beiden behoorden tot zijne oudste kameraden, en met hart +en ziel aan hem gehecht waren. Eindelijk was de week, die door den heer +d’Ogeron als uitstel bedongen was, ten einde, en op den morgen van den +laatsten dag, liet de gouverneur Montbars, verwittigen dat hij gereed +was den gevangene aan hem uit te leveren. + +Bij het ontvangen van dit bericht betrok het gelaat van den flibustier; +hij vermoedde, dat er achter die schijnbare toegevendheid van den heer +d’Ogeron een adder onder het gras schuilde. Zonder echter zijn +achterdocht te laten blijken, verliet hij dadelijk zijn huis, en begaf +zich naar de woning van den Gouverneur, door Michel den Baskiër, en +door Luiwammes vergezeld. De heer d’Ogeron wachtte Montbars in zijn +salon af, ontving hem daar met innemende beleefdheid en verzocht op +hoogst gewonen toon dat hij hem zou volgen naar de kamer van den +gevangene. Montbars sloeg een scherpen blik op het rondborstige en +openhartige gelaat van den Gouverneur en zei:—Vergun mij één enkel +woord. + +—Wel twee, als gij dat wenscht, waarde vriend,—ontving hij ten +antwoord. + +—Gij noemt mij daar uw vriend, naar ik hoor, is het niet?—vroeg +Montbars eenigszins wantrouwend. + +—Zeer zeker! Gij zijt dit immers, niet waar?—luidde de wedervraag. + +—Dat is zoo, mijnheer, ik ben dat. Het is u bekend niet waar dat de +hertog de Penaflor mijn doodsvijand is? + +—Ja, dat is zóó. + +—Dan weet ge zonder twijfel ook dat ik voornemens ben mij op hem te +wreken. + +—Dit verwachtte ik reeds, maar eveneens dat die wraak u waardig zal +zijn. + +— Ge zult daarover straks kunnen oordeelen. Er wordt dus open spel +tusschen ons gespeeld? + +—Bepaald, mijn vriend, reken daar op. Ge hebt thans vrijheid den +gevangene met u te voeren, zoodra ge dit goedvindt. En ik stel mij voor +dat dit alles is wat gij verlangt te weten. Is het niet zoo? + +—Juist! Laat ons dan gaan. + +—Kom mee! + +Montbars, steeds vergezeld door de beide flibustiers, volgde den +Gouverneur. Zij liepen verscheidene vertrekken door, eindelijk deed de +heer d’Ogeron de laatste deur open en trad Montbars een vertrek binnen +waar de hertog de Penaflor zich bevond, doch de hertog was niet alleen; +er was een talrijk gezelschap bij hem vereenigd. Dit gezelschap bestond +uit de volgende personen: don Sancho de Penaflor, de zoon van den +hertog, donna Clara, donna Juana, Francoeur, Philippe d’Ogeron, en iets +meer achteraan, de mayordomo, Birbomono. + +Zoodra de hertog Montbars in het oog kreeg, stond hij op, naderde hem +een paar stappen, groette ceremonieel, en sprak onmiddellijk zonder den +ander tijd te laten het woord te nemen:—Met ongeduld werd gij door mij +verwacht, mijnheer. + +—Zoo!—uitte Montbars met moeite, terwijl hij met fonkelenden blik al de +aanwezigen monsterde. Daarop wendde hij zich tot den heer d’Ogeron om +dien met bittere minachting toe te voegen: + +—Ik betuig u mijn dank, mijnheer, voor de zeer loyale manier waarop gij +uw woord gestanddoet. + +—Een oogenblik geduld, mijnheer,—antwoordde de Gouverneur uiterst kalm. + +—Graaf,—sprak de hertog,—ik weet dat ik uw gevangene ben en ben gereed +u te volgen, doch ik verzoek, eer gij overgaat tot de voltrekking der +wraak die gij zeker voornemens zijt op mij te nemen, mij eenige +oogenblikken toe te staan. Ik ben meer dan tachtig jaren oud, mijnheer, +mijn leven kan dus niet meer van langen duur zijn,—gaf hij met droeve +bitterheid te kennen,—en ik gevoel dat voor mij het uur tot +boetedoening eindelijk aangebroken is. + +—Mijnheer,—antwoordde Montbars op somberen toon,—ik verlang verder +niets meer van je te hooren. De man, die mij gedurende zijn gansche +leven zonder gegronde redenen met een onverzoenlijken haat vervolgd +heeft, de man, die mij zoo ontzettend heeft doen lijden, dat ik dit +nooit kan vergeten, de man, die nu eindelijk door mij overwonnen en in +mijn macht is, zal het niet gelukken om door een lafhartig en te lang +verschoven berouw mijn gemoed te verteederen en voor medelijden +toegankelijk te maken. + +Een koortsachtige gloed overtoog het gelaat van den hertog, die een +droefgeestigen blik wierp naar zijn zoon; toen hernam hij met zachte +stem. + +—Neen, mijnheer, het is geen lafhartig en te laat berouw waardoor thans +mijn gedrag wordt geregeld. Thans, nu ik in uwe macht ben, bezielt mij +tegen u dezelfde haat als vijfentwintig jaar geleden. Ik haat u even +fel, en die haat zal mij bijblijven tot aan mijn jongsten snik. + +—O! Nu herken ik u weder!—viel Montbars uit. + +—Doch,—vervolgde de hertog, zonder op dien uitroep acht te geven,—eer +ik mij in uwe handen stel, heb ik aan u in het bijzijn van allen die +hier tegenwoordig zijn eene verklaring af te leggen. + +—Mijnheer,—werd door Montbars op waardigen toon aangemerkt,—ik begrijp +niet welk recht de hier aanwezigen hebben om tegenwoordig te zijn bij +de behandeling van zaken die uitsluitend ons persoonlijk aangaan. + +—Mijn vader heeft zich minder juist uitgedrukt, mijnheer,—meende de +markies te moeten inbrengen,—vergun mij daarom eer wij verder gaan, ook +om allen twijfel die mijn aanwezigheid alhier omtrent mijn bedoelingen +zou kunnen geven, te verbannen, u vóór alles de verzekering te geven +dat mijne aanwezigheid niet met de minste vijandige gezindheid jegens u +in verband staat, integendeel verklaar ik gaarne en openlijk, niet +alleen dat ik zekere verplichtingen aan u heb, maar tevens dat ik ware +achting gevoel voor uw karakter. + +—Het zij zoo, mijnheer. Maar hoe meent gij dan uwe tegenwoordigheid +hier te kunnen rechtvaardigen? + +—Bedenk, mijnheer, dat ik de zoon ben van den hertog de Penaflor. Is er +nog eene andere rechtvaardiging noodig? + +—En ik,—voegde donna Clara er bij, die met gevouwen handen smeekend +Montbars naderde,—laat ik u ook mogen toevoegen.... hij is mijn vader. + +—Hij heeft mij in mijne kindsheid verzorgd,—mompelde Francoeur, als +antwoord op den vragenden blik van Montbars. + +De flibustier antwoordde niet, zijn voorhoofd betrok, zijn hoofd zonk +op de borst. Al de aanwezigen wachtten in spanning, en eene doodsche +stilte heerschte in de zaal.—Dus,—hernam Montbars met vaste stem:—Mijne +vrouw, mijn zoon, mijne vrienden, gij allen vereenigt u om aan den +leeuw zijn prooi te ontrukken! Gij allen dringt er bij mij op aan, dat +ik afstand zal doen van mijn wraak, en toch is de hoop dat eenmaal dit +verlangen zou worden vervuld, het eenige geweest dat mij al die jaren +moed heeft gegeven om te blijven leven en te worstelen tegen de smart +die mij verteerde. Ach! Wee, wee over mij, dat ik den moed miste mijn +eigen bestaan te vernietigen, dien dag toen ik met een vreeselijken eed +zwoer dat ik mij zou wreken! Ellendeling die ik ben, nu ik mij zwak +gevoel tegenover al die tranen en smeekingen!... + +—Mijnheer,—viel de hertog in op trotschen toon.—Ik moet u opmerken dat +ik u niet gesmeekt of gebeden heb. + +—Och, zwijg mijnheer,—riep Montbars uit.—Ziet gij dan niet, dat ik +medelijden met je heb, en dat ik je vergiffenis schenk? + +—Mij vergiffenis schenken!—uitte de hertog. + +—Zwijg, zeg ik nog eens. Ja, ik schenk je vergiffenis omdat zij die je +omringen goed en braaf zijn, en ik hen niet verantwoordelijk wil +stellen voor je eerloos gedrag. Ik schenk je vergiffenis, omdat ik dit +ook deed aan uwe dochter, die zich een oogenblik zwak heeft betoond. Ik +schenk je vergiffenis ook omdat gij, ondanks al je pogingen, er niet in +zijt geslaagd mijn zoon tot een nietswaardige te maken. Vertrek! Gij +zijt vrij. Ik schenk je je losgeld zelfs kwijt. Markies, ik geef u uw +vader terug. + +—O! Die beleedigingen zijn te verregaande!—viel de hertog uit.—Neem je +in acht, mijnheer, want nog is tusschen ons niet alles uit, en duur zal +ik je die smadelijke taal betaald zetten. + +Met innige verachting trok Montbars de schouders op en zei spottend en +vernietigend: + +—Afgeleefde grijsaard, gij kunt thans niets kwaads meer uitrichten; al +je duivelsche kuiperijen zijn ontmaskerd en verijdeld; zelfs weet ik +alles omtrent dat ongelukkige jonge meisje, dat gij in mijn oogen +ongetwijfeld voor het kind van je dochter wildet laten doorgaan, +terwijl zij niet anders is dan dat van een uwer vertrouwdste bedienden, +want al hare geboortebewijzen zijn in mijn bezit! Ga, gij zijt +volslagen overwonnen, want gij blijft alléén staan, beladen met de +verachting van allen, die je kennen. Ik zou geen heviger marteling noch +harder kastijding voor je kunnen bedenken dan deze, om je je ellendig +bestaan te laten voortslepen, waaraan gij je zoo krampachtig vastknelt! +Gij zult dus leven, bedenk dit wel, omdat ik het je vergun en ook omdat +ik het beneden mij acht mij verder op je te wreken daar gij te zwak +zijt en geen macht genoeg meer bezit om den strijd tegen mij vol te +houden. + +—Ellendeling! Ge zult sterven!—barstte de hertog los, en wierp zich met +een dolk in de hand op Montbars, die hem dit wapen ontrukte, en het ver +weg wierp, terwijl hij hem terugstootte en verachtelijk +toebeet:—Vertrek, moordenaar! + +—Ach!—jammerde de hertog.—Weer overwonnen, nog eens overwonnen! + +—Ja!—hernam Montbars.—Weer en telkens overwonnen, omdat, ondanks al +mijne gebreken en mijne fouten, God met mij is, en mij tegen je woede +beveiligt. + +Doch de hertog hoorde die woorden niet; overvallen door stuipachtige +trekkingen, wankelde hij en stortte in de armen van zijn zoon en zijne +dochter. Plotseling was zijn gelaat geheel veranderd; koud zweet +druppelde langs zijne slapen, zijne oogen met bloed beloopen, rolden +verwilderd in de holten en zijn gansche lichaam schokte en trilde +onrustbarend. + +—God!—mompelde hij met holle stem,—God! God! Altijd.... O! Ellendeling! +Ellendeling!.... + +Op eens vermande hij zich, ontsnapte aan de handen zijner kinderen, die +hem tegen wilden houden, keek zijn vijand die onbeweeglijk en koel +bleef staan, met de woede van een krankzinnige aan, naderde hem een +paar stappen, hief den arm op, als om hem in het gezicht te slaan, en +herhaalde met snijdende stem: + +—Vervloekt!... Wees vervloekt!.... + +Maar machteloos viel zijn arm langs zijne zijde neer. Een nieuwe schok, +nog heviger dan de vorige deed zijn gansche lichaam trillen, en hij +viel, als een eik die door den bliksem wordt getroffen, vóór de voeten +van Montbars die geen enkele beweging maakte om hem te ontwijken, en +hem met opgeheven hoofd en een glimlach om de lippen had afgewacht. + +Men snelde naar den hertog toe om hem op te beuren, maar hij was reeds +dood. Zijne trekken waren door den doodstrijd geheel vertrokken, maar +de wijd geopende oogen behielden ook nog na zijn verscheiden dezelfde +uitdrukking van onverzoenlijken haat, die aan het verbleekte gelaat van +dezen doode een afschuwelijk en afgrijselijk voorkomen gaf. + + + +Twee maanden na al de gebeurtenissen die wij verhaald hebben, liep de +logger de Meeuw met volle zeilen de haven van Dieppe binnen; op het dek +van dien logger stonden acht personen, die de kusten van het dierbare +vaderland met zoete ontroering begroetten. Die acht personen waren: de +heer d’Ogeron, die naar Frankrijk terugkeerde daar koning Lodewijk XIV +hem terug had geroepen, Montbars, of liever de graaf de Barmont, donna +Clara, Philippe, donna Juana, don Gusman de Tudela, na Cigala en +Birbomono. + +Philippe en donna Juana, sedert eenige weken door het huwelijk +verbonden, gingen de wittebroodsweken op het oude kasteel van de graven +de Barmont doorbrengen, bij Montbars en donna Clara wier hart, zoo +langen tijd als verdoofd door al hun leed, weer begon te herleven en +als te ontluiken, ook onder den invloed van het reine en onbewolkte +geluk van de beide jongelieden. + +De heer d’Ogeron bracht den jongen graaf de Barmont, don Gusman, aan +het hof, om hem voor te stellen aan hem, dien men toen reeds begon te +noemen den Grooten Koning. + +Ondanks hunne voornemens om zich uit het woelige krijgsleven terug te +trekken, ondanks al hunne plannen om in stilte hun geluk te genieten, +zullen wij onze personen nog eens ontmoeten [18] onder die geduchte +flibustiers van Tortue om hen opnieuw en onverbiddelijk te zien +strijden tegen de Spanjaarden; want de toekomst behoort aan God, die in +Zijne onbegrijpelijke en ondoorgrondelijke wijsheid, naar Zijn +welbehagen over der menschen lotgevallen beschikt. + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Zie de Zeeschuimers, bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. +Nierstrasz, ’s Gravenhage. + +[2] Zie het vorige deel „de Zeeschuimers” bij dezelfde Uitgevers de +Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage. + +[3] Ongeveer vier en twintig honderd gulden. + +[4] Tributor,—zoo iets als tolheffer. + +[5] Ongeveer vier maal honderd duizend gulden. + +[6] Zie „de Zeeschuimers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. +Nierstrasz, ’s Gravenhage. + +[7] Zie „de Zeeschuimers” bij dezelfde uitgevers, de Erven J. L. +Nierstrasz, ’s Gravenhage. + +[8] Zie „de Boekaniers” en „de Zeeschuimers” bij dezelfde uitgevers de +Erven J. L. Nierstrasz, te ’s Gravenhage. + +[9] Zie de „Boekaniers” bij dezelfde uitgevers de Erven J. L. +Nierstrasz, ’s Gravenhage. + +[10] Zie het volgende deel dezer Serie: „De Hacienda del Rayo”, bij +dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage. + +[11] Zie „de Boekaniers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. +Nierstrasz, ’s Gravenhage. + +[12] Historisch. + +[13] Het verhaal van dit gevecht is streng historisch. + +Gustave Aimard. + +[14] Historisch. + +[15] Zie het volgende deel dezer Serie: „De Hacienda del Rayo”, bij +dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage. + +[16] Zie het volgende deel dezer Serie „de Hacienda del Rayo”, bij +dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage. + +[17] Zie „de Boekaniers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. +Nierstrasz, ’s Gravenhage. + +[18] Zie het volgende deel dezer serie „de Hacienda del Rayo” bij +dezelfde uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage. + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78354 *** |
