summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78354-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '78354-0.txt')
-rw-r--r--78354-0.txt11896
1 files changed, 11896 insertions, 0 deletions
diff --git a/78354-0.txt b/78354-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..32e37f4
--- /dev/null
+++ b/78354-0.txt
@@ -0,0 +1,11896 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78354 ***
+
+
+
+
+ DE GOUDZOEKERS.
+
+
+ Naar de zesde Fransche Uitgave
+ VAN
+ GUSTAVE AIMARD.
+
+
+ MET ACHT OORSPRONKELIJKE HOUTGRAVURES.
+ DERDE DRUK.
+
+ ’s Gravenhage,
+ DE ERVEN J. L. NIERSTRASZ.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE GOUDZOEKERS.
+
+
+I.
+
+DE PRAUW.
+
+
+De 25 September 16 .. juist op het tijdstip dat de zon tot het zenith
+gekomen, hare gloeiende heete stralen loodrecht nederzond op den reeds
+half verschroeiden grond, voer een prauw door drie personen bemand, na
+veel moeite Kaap Coquibacoa om, zette haar koers langs de westkust van
+de baai van Venezuela voort, en bleef ten laatste vast zitten in het
+zand van den oever, bij de monding eener rivier zonder naam, na zich
+eerst doorgeworsteld te hebben tusschen doode boomen en zware
+waterplanten van allerlei soort, die op deze plek bijna totaal de
+bedding van dit armzalige stroompje verstopten.
+
+De bemanning van de prauw beraadslaagde eenige minuten in fluisterend
+gesprek en hield vrij bezorgd den blik onafgebroken gericht naar de
+beide te dezer plaatse niet ver van elkaar verwijderde oevers. Een
+hunner wantrouwender of misschien voorzichtiger dan zijne metgezellen,
+trok uit zijn wambuis een verrekijker te voorschijn (een werktuig dat
+in die dagen nog tot de zeldzaamheden behoorde) en na die gesteld te
+hebben, doorsnuffelde hij met zijn oog, om het zoo eens uit te drukken,
+al de dicht begroeide plekjes en boschjes in de nabijheid; daarna
+schoof hij den kijker met de palm van zijn rechterhand ineen en zei:
+
+—Wij kunnen gerust aan wal stappen. In den ganschen omtrek is geen
+menschelijk wezen door mij ontdekt kunnen worden.
+
+Toen sprongen alle drie op den oever, zorgden daarna er voor om de
+prauw stevig vast te meeren, schoon de boeg reeds diep in het zand was
+gewoeld en gingen toen zitten in de schaduw van eenige kort daarbij
+staande boomen, wier zwaar bladerengewelf hun eene hoogst welkome
+beschutting aanbood tegen de zonnestralen die van lieverlede verzengend
+dreigden te worden.
+
+Zooals wij reeds gezegd hebben bestond de bemanning van de prauw uit
+drie personen.
+
+De Spaansche schildwacht, die op post stond op den toren van Guette,
+waardoor de ingang van de golf van Venezuela wordt beschermd, had met
+onverschilligen blik de vlugge vaart van het lichte vaartuig, dat bijna
+binnen het bereik van een geweerschot van zijn wachtpost passeerde,
+gadegeslagen; meer dan half drommelend, en misleid door het armzalige
+voorkomen van de prauw, had hij die gehouden voor een kano uit
+boomschors vervaardigd, waarvan de Indianen zich bedienen als zij in
+volle zee gaan visschen, en verder had hij zich daarover niet
+bekommerd. Maar als hij beter toe had gekeken, dan zou hij zeker
+gehuiverd hebben van angst en alarm gemaakt, want dan zou hem gebleken
+zijn, dat de drie gewaande Indianen, niet slechts waren Broeders der
+Kust, maar zelfs twee hunner voornaamste aanvoerders, Montbars de
+Verdelger en Luiwammes [1], want werkelijk waren zij het die met zoo
+groote stoutmoedigheid de golf van Venezuela binnendrongen. Wat hun
+metgezel betreft, dit was iemand van vier- of vijfendertig jaar, die
+men zoo door zijn voorkomen als door zijne lengte, die meer bedroeg dan
+zes voet, een echte Hercules had kunnen noemen; even als dit dikwerf
+voorkomt had ook deze reus, een open gelaat, een frissche kleur, rood
+als van een jong meisje, dikke, hoogroode lippen en prachtig aschblond
+haar, wel slecht verzorgd, doch dat toch met lokken zacht als zijde tot
+op zijne schouders neerviel; om kort te gaan, zijn gunstig uiterlijk
+werd gekenmerkt door eene zóó groote mate van goedhartigheid, schoon
+volstrekt niet verwant met onnoozelheid, dat dit dadelijk iedereen
+reeds bij de eerste ontmoeting voor hem moest innemen.
+
+Zijn gewaad bestond uit den bol van een hoed met oogklep, twee hemden,
+over elkaar aangetrokken, een broek, een wambuis, alles van dezelfde
+stof, namelijk grof linnen; zijne krachtig gespierde beenen, zoo harig
+als die van een beer, waren naakt; sandalen van varkensleer,
+beschermden zoo goed als kwaad dit ging, zijne voeten tegen de beten
+der slangen en de scherpte der steenen op den weg. Hij droeg een gordel
+van stierenleer, waaraan aan den eenen kant hingen een kruithoorn en
+kogeltasch en aan den anderen kant een koker van krokodillenvel, waarin
+vier lange, breede messen en een dolk staken; een tent van zeer fijn
+linnen, zoodanig in elkaar gerold, dat die niet veel plaats besloeg,
+was bij wijze van bandelier over zijn schouder geslagen, en het was of
+die diende om zijne uitrusting compleet te maken, doch toch was hij nog
+bovendien gewapend met een geweer uit de fabriek van Brachie te Dieppe.
+Die man was de pandeling van Montbars, en heette Tributor. In de
+hoogste mate gehecht aan zijn meester, wien hij reeds sinds een paar
+jaar toebehoorde, werd hij door Montbars bij voorkeur gekozen als er
+sprake was van een dier gevaarlijke verkenningstochten die gewoonlijk
+de expeditie van den Verdelger voorafgingen.
+
+Wij hebben nog verzuimd gewag te maken van een prachtige patrijshond
+met gele vlekken, lange hangende ooren, en oogen die tintelden van
+slimheid; dat dier was ook uit de prauw gesprongen en had zich op een
+wenk van Tributor, aan diens voeten neergelegd. Dit laatste personage
+was begiftigd met den naam van Monaco.
+
+En wat was nu de oorzaak dat die drie mannen en die hond zóóver
+verwijderd waren van de streek waar zij gewoonlijk vertoefden, en zich
+nu bevonden in de golf van Venezuela dat wil zeggen geheel en al op
+Spaansch territoir en dus te midden hunner onverzoenlijke vijanden? Dit
+zal ons duidelijk worden door het volgende gesprek.
+
+Toen zij daar een poosje gezeten hadden, begon Luiwammes zich druk
+onledig te houden, al zijne zakken te doorsnuffelen, die hij den een na
+den ander omkeerde, hoogst waarschijnlijk om naar iets te zoeken, wat
+hij maar niet kon vinden; eindelijk na tal van vergeefsche pogingen,
+gaf hij het op, sloeg met de vuist op de dij en riep spijtig:
+
+—Mooi zoo! Nu ziet het er voor mij prettig uit! Waarachtig! Dat
+mankeerde er nog maar aan.
+
+Montbars draaide het hoofd naar hem toe en vroeg:—Wat scheelt er aan?
+
+—Ik heb mijn pijp en mijn tabak verloren,—gaf de flibustier ten
+antwoord.—Wat zegt ge van zoo iets? Nu weet ik niet wat ik moet
+aanvangen.
+
+—Wel natuurlijk!—hernam Montbars.—Niet rooken tot ge weer in de
+gelegenheid zijt.
+
+—Niet rooken!—herhaalde de ander met diepe verslagenheid.
+
+—Ik weet ten minste niets anders te bedenken; ge weet dat ik nooit
+rook.
+
+—Dat is zoo!—stemde hij toe, zeer teleurgesteld.—Wel verduiveld! Het is
+of in de laatste dagen alles ons moet tegenloopen.
+
+—Vindt ge dat?—vroeg Montbars, en glimlachte daarbij op eene
+zonderlinge manier.—Dan ben ik het niet met je eens, kameraad.
+
+—Zoo!—bromde de ander met gebogen hoofd.—Verschil van opinie! Nu, houd
+het er dan maar voor, dat ik niets heb gezegd.
+
+—Kapitein Luiwammes,—begon de pandeling op zeer onderdanigen toon.—Ik
+heb nog tabak, ’t is wel niet veel, maar toch genoeg om zoo gij dit
+verlangt je een pruim aan te bieden.
+
+—Wat, of ik dit verlang?—herhaalde Luiwammes zeer verheugd.—Geef maar
+gauw, beste Tributor! Drommels, ge zijt nog eerst een ferme kerel, en
+op dit oogenblik doet ge niet veel minder al gelooft ge dat zoo niet,
+dan mijn leven redden.
+
+—Ba!—hernam de pandeling goedhartig.—Dit meent ge niet!
+
+—Niet meenen? Ik ben er zeker van! Geef maar gauw wat!
+
+—Ik ga het halen uit de prauw, waar ik de tabak onder een bank had
+gestopt om die frisch te doen blijven.
+
+—Hij is toch een onbetaalbare kerel!—verklaarde Luiwammes lachend.—Hij
+denkt altijd aan alles!
+
+Tributor stond op en liep naar de prauw, maar halverwege bleef hij
+staan, bukte, en uitte een kreet van verrassing.
+
+—Hei! Waarom schreeuwt ge zoo?—vroeg Luiwammes.—Hebt ge misschien
+zonder het te merken op een slang getrapt?
+
+—Dat niet,—luidde het antwoord,—maar ik heb je pijp en je tabak
+teruggevonden. Kijk maar eens!
+
+Te gelijk toonde hij een soort van zak gemaakt uit de blaas van een
+wild zwijn, en een rood steenen pijp met korten steel van
+kersenboomenhout, welke beide zaken hij uit het gras had opgeraapt.
+
+—Het is waarachtig waar!—riep Luiwammes recht in zijn schik.—Het is
+zeker onderweg uit mijn zak gevallen. Heerlijk! Nu is, Goddank! de ramp
+zóó groot niet, als ik duchtte.
+
+Zonder verder verwijl, begon hij de pijp te stoppen, die Tributor hem
+had aangereikt, stak die aan, en dampte toen met die uitdrukking van
+innig welgevallen, zoo dikwerf merkbaar op het gelaat van een
+hartstochtelijk rooker. Tributor had zich weer op het gras uitgestrekt.
+
+—Dus, Luiwammes, oude jongen—zei Montbars spottend—schijnt ge nu tot
+andere gedachten gekomen, en voelt ge u niet meer zoo diep ongelukkig
+als straks?
+
+—Dat is zoo kameraad, maar toch ge moet er niet boos om worden als ik
+dat zeg, hebben wij overigens geen reden te beweren dat wij tot nu toe
+gelukkig gekoerst hebben.
+
+—Dan ben je te hoog in je eischen. Komt er een kink in de kabel, dan
+raak je dadelijk overstuur, en gelooft niet anders dan dat de heele
+boel verloren is.
+
+—Neen, ik geloof niet zoo gauw dat de heele boel verloren is, Montbars,
+en vooral niet als gij er bij zijt maar toch...
+
+—Maar toch—viel de ander haastig in—, meent ge dat er veel te veel
+gewaagd wordt, is het niet zoo?
+
+—Waarom zou ik dit ontkennen? Het is immers de waarheid.
+
+—Hoor eens, wij hebben op dit oogenblik overvloed van tijd, want de
+felste hitte moet geweken zijn, eer wij onzen tocht voortzetten, zeg
+dus hoe ge er over denkt. Ik luister naar je.
+
+—Blijft ge dan nog altijd van plan om er naar toe te gaan?—werd met
+groote verbazing door den ander gevraagd.
+
+—Ge weet toch dunkt mij van ouds,—antwoordde Montbars eenigszins
+heftig,—dat ik nooit op een eens genomen besluit terugkom.
+
+—Dat is volkomen waar! Het schijnt dat ik alles ga vergeten en een
+halve zot word.
+
+—Daarover wil ik niet met je harrewarren, je moet zelf maar uitmaken
+wat daarvan aan is, maar dat is nu de zaak niet.
+
+—En wat dan wel?
+
+—Wij moeten nu spreken over de weinige kans, die naar jou meening, voor
+ons bestaat.
+
+—Nu, dat kan gauw afgehandeld zijn, want waarachtig is het niet noodig
+zóó verbazend knap te wezen, om dit dadelijk in te zien.
+
+—Leg mij dit dan uit.
+
+—Als ge dit wilt, goed! Maar ge eischt het bepaald van mij, niet waar?
+
+—Zeker, zeker! Ik verlang er zelfs naar om precies te weten hoe ge
+daarover denkt. Spreek vrijuit, en zonder omwegen.
+
+—Och! Wat ik te zeggen heb, is gauw genoeg verteld. Wij zijn uit
+Port-Margot vertrokken, op een goed schip, bemand met veertig flinke
+kerels, klaar en gereed voor ieder karweitje, dat gij ons aan de hand
+mocht doen, goed! Wij kruisen een paar weken in de richting die de
+galjoenen gewoonlijk nemen, en zien niets, zelfs geen enkele meeuw,
+over het gansche natte vlak opdagen, best! Wij krijgen onze bekomst van
+zoo’n vervelende vaart, wendden het over den anderen boeg, om dichter
+bij de kust te komen, in de hoop dáár een goeden slag te slaan, en
+krijgen het toen te kwaad met een bui, die ons dwarschscheeps aanpakt
+uit het noord-noordwesten, met zoo’n geweld dat wij genoodzaakt zijn de
+zeilen in te halen en ons op goed geluk te laten drijven, hoe langer
+hoe mooier! En of dit alles nog niet goed genoeg was, stoot ons goed,
+lief schip plotseling op een vervloekt stuk rots tusschen wind en
+water, dat wij niet gewaar hadden kunnen worden, waardoor het
+opensplijt, als een gehalveerde meloen en binnen een uur gaat het naar
+den grond met al onze kameraden. Het mag nog een geluk genoemd worden,
+dat...
+
+—O, zoo!—viel Montbars in.—Ge spreekt daar toch nog over een geluk! Ik
+zal dat woord onthouden.
+
+—Mij wel, onthoud zooveel als je maar wilt, maar dit verandert niets
+aan de ramp. Onze kameraden zijn verdronken en ons goede schip is te
+gronde gegaan!
+
+—Wat konden wij er tegen doen? Is het onze schuld geweest?
+
+—Dat wil ik volstrekt niet beweren. Neen, in het geheel niet!
+
+—En wat is er nog meer gebeurd? Dit, dat wij toen heel toevallig een
+prauw op sleeptouw hadden, een paar dagen te voren door ons in volle
+zee opgepakt; hoe en waarom weet ik niet, misschien onder den drang van
+een voorgevoel, had ik Tributor last gegeven, om die prauw te voorzien
+van leeftocht, kruit en wapens. Juist op het tijdstip van dat
+noodlottige onheil, was de flinke kerel daarmee klaar gekomen; hij
+sneed de tros door waarmee de prauw aan ons schip was verbonden, deed
+zich ongeveer een kabellengte afdrijven om buiten het zog van ons
+vaartuig te blijven, en trok ons in de boot juist in tijds, want
+uitgeput door inspanning waren wij op het punt als baksteenen te
+zinken. Zes uur later liepen wij de golf van Venezuela binnen, dáár
+hebben wij verder geen last van storm gehad, en nu het laatste, wat
+eigenlijk de hoofdzaak is, die ge goed in gedachte moogt houden,—hier
+zijn wij nu als de eenige overgeblevenen van de gansche equipage.
+
+—Ja, dat alles is waar, dat alles moet ik toegeven, maar voeg er dan
+ook bij, hoe wij hier zijn, namelijk ver van onze broeders, overgelaten
+aan ons zelven, in een land waar allen, beesten zoowel als menschen,
+ons vijandig zijn, en dan zult ge mij ook moeten toegeven, dat die
+toestand alles behalve aangenaam genoemd kan worden. Denkt ge des
+ondanks er anders over, dan maar basta! En spreken wij liever over iets
+anders.
+
+—Luister eens, Luiwammes,—hernam Montbars—het wordt nu meer dan tijd
+dat ge met mijne gansche meening daarover bekend wordt.
+
+—Ook al goed!—zei de Luiwammes tamelijk onverschillig.—Het kan mij
+eigenlijk ook bitter weinig schelen of ik hier moet sterven of ergens
+anders, als ik er maar voor zorgen kan dat ik op eene glansrijke manier
+naar de andere wereld vertrek.
+
+—Wees daarover gerust, vriendlief. Zoo wij hier ten onder moeten gaan
+dan zullen wij slechts in de hitte van een gevecht omkomen.
+
+—Dan is alles zooals ’t hoort! En nu weg met al die droefgeestigheid!
+Zelfs een kat verkwijnt door smart of bezorgdheid, zeggen ze bij mij te
+lande. Nog eens, basta! ik wil niets meer weten.
+
+—Dat is wel mogelijk, maar ik sta daarentegen er op, dat ge nu al mijne
+plannen te weten komt, dan kunt ge mij helpen om die ten uitvoer te
+brengen.
+
+—Goed, als ge het zoo bedoelt, ga dan je gang maar. Ik luister.
+
+—Doe dit met de meeste oplettendheid, want ik verzeker je, die zaak is
+het wel waard. Het zal nu zoo wat zes weken geleden zijn, dat ik op
+Tortue was en toen dáár een bericht ontving van het hoogste gewicht.
+
+Luiwammes schudde eenige keeren het hoofd, en mompelde:
+
+—Zoo! Alweer?
+
+—Ja! Alweer, zooals altijd.
+
+—Nu, zet maar door!—deed de flibustier hooren, op den toon van iemand
+die er aan wanhoopt een ander tot rede te brengen, en zich nu maar
+getroost om naar hem te luisteren daar het voor het oogenblik niet
+anders kan.
+
+—Ik rustte dus de brigantijn uit met het uitsluitende doel om naar deze
+kust te komen. Mijn plan was om het schip hier of daar in eene kreek te
+verbergen en daarna met vijf of zes van onze fermste kameraden in een
+boot de golf binnen te roeien, hier te landen, en....
+
+—Wel dan mankeert er zoo goed als niets meer aan. Het eenige verschil
+bestaat hierin dat wij in plaats van met ons achten, met ons drieën
+zijn,—viel Luiwammes in,—en dit is een bagatel, niet de moeite waard om
+er over te spreken. Gij hadt dit dadelijk moeten zeggen, maar ’t doet
+er niet toe, nu ik weet dat wij juist hier moesten komen, maak ik mij
+over niets meer ongerust.
+
+—Ja, doch het is nu juist niet bepaald hier, waar wij moesten
+komen,—gaf Montbars te kennen, met een flauw lachje.
+
+—Nu! Gaan wij nog verder?
+
+—Ja, nog een eindje,—hernam de flibustier, half spottend.—Wij zijn op
+weg naar Maracaïbo.
+
+—Wat!—riep Luiwammes uit, en sprong op van verrassing.—Naar Maracaïbo?
+
+—Ja zeker.
+
+—En ge weet dat dit een stad is met tien of twaalf duizend inwoners.
+
+—Zeker, zeker! Maar wat kan mij dat schelen?
+
+—En een garnizoen van zes duizend man sterk!
+
+—Zeker! Maar daar geef ik niets om.
+
+—Daarenboven kanonnen....
+
+—Nog iets meer?
+
+—Maar ge zult toch voor den drommel, er niet over denken om Maracaïbo
+te nemen?—viel de ander op eens uit ten hoogste verstomd en zelfs bijna
+verschrikt door de koelbloedigheid van den flibustier die thans
+waarlijk zoover gedreven werd, dat het, zooals Luiwammes in zich zelven
+zei, de spuigaten uitliep.
+
+—Wie weet?—sprak Montbars, met dezelfde kalmte en denzelfden spot, die
+zijne woorden hadden gekenmerkt, sinds het begin van het gesprek.
+
+—Wel, heb ik van mijn leven!—riep Luiwammes en sloeg uit verbazing de
+handen tegen elkaar.—Hoor eens, Montbars, ik heb je veel zien
+uitvoeren, menige expeditie, die alleen door jou stoutmoedigheid
+gelukte, heb ik met je meegemaakt, maar als dit je mocht gelukken, dan
+grenst dat aan het wonderbaarlijke! Dus,—voegde hij er bij, met een
+hartelijken lach,—gij, ik, Tributor en Monaco, wij trekken er op los om
+Maracaïbo te gaan belegeren. Ik kan er niet anders van zeggen, dan dat
+het een hoogst origineel idee is. Het is meer dan waarschijnlijk dat
+wij er niet in zullen slagen, maar dat doet er niet toe, het is al mooi
+genoeg als men zoo iets heeft durven beproeven. Waarlijk het is een
+idee waardig om door je te zijn bedacht, en wat er ook van moge komen,
+ik help er graag een handje aan meê!
+
+—Als ge goed kunt vinden op te houden met spotten,—werd hem koeltjes
+door Montbars toegevoegd,—dan zal ik vervolgen.
+
+—Spotten? Ik denk er niet aan, beste vriend! Maar dit weet je, neem mij
+die uitdrukking niet kwalijk, komt mij zoo potsierlijk voor dat...
+
+—Ge gelooft dat ik gek ben of op het punt van het te worden, is het
+niet zoo?—viel Montbars haastig in.—Wees daarover niet bezorgd, ik heb
+al mijne zinnen goed bij elkaar, en was nooit kalmer dan op dit
+oogenblik. Ik heb volstrekt geen plan om zelfs met hulp van Monaco mij
+meester te maken van Maracaïbo, later zullen wij nader zien, maar voor
+het tegenwoordige is de hoofdzaak eenvoudig om in de stad te komen.
+
+—Hm! Een zeer eenvoudige hoofdzaak, die mijns inziens, zeer moeielijk
+tot stand zal komen. Ik verklaar je ronduit, dat ik er geen kans op zou
+zien en als gij geen middel weet te bedenken.....
+
+—Ik zal te zijner tijd wel een middel vinden.
+
+—Maar eer wij er over behoeven te denken hoe in de stad te komen, is
+het toch vrij wat noodzakelijker dunkt mij, dat wij beginnen met er
+voor te zorgen dat wij in de buurt van de stad zijn en dit zal al even
+bezwarend wezen.
+
+—Het is niet meer dan hoogstens een dozijn mijlen van hier.
+
+—Het is mij in mijn leven meer dan eens voorgekomen, dat het de hoogste
+inspanning kostte om zelfs maar een kwartmijl af te leggen! Doch dat
+daargelaten, hoe denkt ge het aan te vangen?
+
+—Vriendlief, om voor eene expeditie, zoo hachelijk als de onze waarbij
+alle kansen tegen ons zijn plannen te beramen, dat zou eene groote
+dwaasheid wezen. Het is vrij wat raadzamer om ons te laten leiden door
+het toeval, te meer daar zooals ge weet het toeval de groote beschermer
+is van de Broeders der Kust. En ook thans zal het wel niet in gebreke
+blijven.
+
+—Nu, ik merk al uit welken hoek de wind gaat waaien, en als dit zoo
+volhoudt, dan zullen wij heel wat voor het mes krijgen.
+
+—Heel wat, toegestemd! Hebt ge er spijt van, dat ge met mij zijt
+medegaan?
+
+—Wis en waarachtig niet! Maar toch zou ik er een lief ding voor willen
+missen als Michel de Baskiër en de Olonner bij ons waren, die ontbreken
+nog aan het spel.
+
+—Dat is zoo, beste vriend, maar wie kan daar iets aan doen? Wij zullen
+ons zonder hen moeten redden.
+
+—Och, dat zal misschien wel lukken, maar ik wil er maar mee zeggen dat
+zij zwaar het land zullen hebben als zij hooren, wat wij zonder hen
+hebben uitgevoerd.
+
+—Het is nu minder warm, de stralen van de zon vallen reeds in de
+schuinte, als ge dus genoeg zijt uitgerust, en ge vindt het goed, dan
+moesten wij onzen tocht hervatten.
+
+—Moeten wij nog lang pagaaien als waren wij Caraïben?
+
+—Neen, maar tot morgen.
+
+—Dan maar weer verder op goed geluk! Maar dat doet er niet toe, ik
+blijf er bij dat wat wij gaan uitvoeren iets hoogst origineel is. Was
+dat door je ontvangen bericht nu werkelijk van zooveel gewicht?
+
+—Ja!—werd dof ten antwoord gegeven.—Eindelijk heb ik eenige hoop iets
+op het spoor te zijn gekomen, en wee! over wie getracht mocht hebben
+mij te verschalken, en als slachtoffer in een hinderlaag te lokken.
+Maar bij den hemel! de Spanjaarden kennen mij nog niet, als zij mij
+voor zoo oliedom houden, dat ik mij op zulk eene wijze zou laten
+snappen! Hoe groot en sterk Maracaïbo mag zijn dan zou ik het te vuur
+en te zwaard verwoesten!
+
+—Wel drommels, hij meent het!—zei Luiwammes in zich zelven.—En wat zal
+ik er verder van denken? Och wat doet het er toe? Het zou toch waarlijk
+meer dan zonderling wezen als hij haar hier nog terug vond na twintig
+jaar zoekens.
+
+Juist toen zij de prauw te water brachten hoorden zij in de verte een
+geschreeuw, en dadelijk daarna een dubbele ontploffing.
+
+—Ei, ei!—zei Luiwammes die zich oprichtte om eens rond te kijken.—Het
+schijnt dat men daar in den omtrek elkaar klop geeft.
+
+—Wat gaat het ons aan,—gaf Montbars ten antwoord, en haalde de
+schouders op.—Laten we voortmaken.
+
+Zij grepen de pagaaien en begonnen tegen den stroom op te werken, zich
+tegelijk een doortocht banend tusschen de zware planten en boomstammen,
+waardoor het lichte vaartuig telkens gevaar liep om bij den minsten
+schok te kantelen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+DRIE MANNEN EN VIJFHONDERD KAAIMANNEN.
+
+
+De oevers van het riviertje waarin de flibustiers met zooveel moeite
+slechts langzaam vooruit kwamen, waren hoogst schilderachtig en vol
+oneffenheden; ’s avonds tegen vijf uur kwamen zij op eens in de
+nabijheid van een meer van middelbare grootte, dat eigenlijk niet
+anders was dan een uitbreiding van de rivier. Aan den oostkant van dat
+meer bestonden uitgestrekte moerassen en aan den westkant groote wouden
+en boschjes van oranjeboomen. Daarna passeerden zij een baai die
+omringd werd door moerassen met cipresseboomen. Verder op naderden de
+beide oevers elkaar zoo dicht dat zij als het ware een soort van kanaal
+vormden ter breedte van ongeveer honderd vijftig vademen, waardoor zij
+naar eene andere rivier kwamen, de Rio Trinidad.
+
+De avond naderde; het werd dus hoog tijd om uit te kijken naar een
+heuvel of steilte waar men het kampement voor den nacht zou kunnen
+opslaan, want in die tropische streken volgt de duisternis bijna
+onmiddellijk op het licht, zoodat dus de zon nauwelijks is ondergegaan
+of de nacht is reeds ingetreden.
+
+De flibustiers, die, om het zoo eens uit te drukken, als verdwaald
+waren op een terrein dat hun totaal onbekend was, geraakten in geen
+geringe verlegenheid en wisten niet waar zij aan land zouden stappen,
+doch op eens bespeurden zij na een bocht in de rivier een kleine
+landtong die den stroom tot een breedte van bijna vijfenzeventig
+vademen vermeerderde; die landtong was zoo iets als een schiereiland,
+eene oppervlakte van ongeveer twee hectaren hoogland, geheel bedekt
+door boschjes oranjeboomen en enkele groene eiken, magnolia- en
+palmboomen.
+
+—Dáár moeten wij heen!—gelastte Montbars.—Wij konden het niet beter
+treffen.
+
+—Ja, daarheen!—beaamde Luiwammes.
+
+Zij pagaaiden langs de uiterste punt en kwamen toen op de plek die zij
+hadden uitgekozen om er te landen, en die werkelijk zoo gunstig gelegen
+was als zij slechts konden verlangen.
+
+Het was een kleine kringvormige haven, aan den voet van de kust, die te
+dezer plaatse eene hoogte van twaalf voet had. Achter dit heuveltje was
+een groot cipressebosch, dat zich naar beide kanten uitstrekte, en nog
+verder naar achter bespeurde men groene vlakten, bezaaid met
+heuveltjes, bedekt door verschillende boomen, waaronder magnolia’s en
+palmen; die heuveltjes, uitsluitend gevormd door massa’s schelpdieren,
+stonden langs de oevers der kleinere stroomen, gevoed door het water
+van de rivier, die in deze onmetelijke prairiën rondslingeren en in den
+winter alles overstroomen.
+
+Het kamp werd door de avonturiers opgeslagen op een open plek, dicht
+bij de uiterste punt van de landtong en niet verder dan enkele vademen
+van de prauw verwijderd, die zij stevig hadden vastgemeerd bevestigd
+aan een grooten eik, zeker de oudste in deze woeste streken, die
+eenzaam en afgezonderd stond op het hoogste punt, alsof hij zich daar
+wilde vergasten aan het grootsche landschap dat zich aan zijn voet
+uitbreidde.
+
+Van deze plaats, beheerschten de flibustiers de rivier en konden alles
+gewaar worden wat daarop voorviel.
+
+Nadat door Tributor eene hoeveelheid hout was bijeengebracht, voldoende
+om het vuur den ganschen nacht aan te houden, ving hij aan om alles
+voor den avonddisch gereed te maken; het was reeds laat, de dag was
+vermoeiend geweest, en de drie mannen hadden allen trek, doch toen hij
+den leeftocht onder oogen kreeg, zag hij dadelijk dat de provisie zeer
+was ingekort en er genoegzaam niets was overgebleven. Dit was een
+hoogst ernstig geval. De drie avonturiers beraadslaagden met elkaar.
+Zij allen waren lieden verhard door het leven in de Amerikaansche
+woestijnen; zonder zich dus erg ongerust te maken, doorzochten zij den
+omtrek van hun tijdelijk verblijf, om zich zekerheid te verschaffen of
+die hun eenige levensmiddelen zou kunnen opleveren. Op ongeveer vijftig
+schreden beneden hun kamp vormde de rivier een kreek of baai, waarvan
+de ingang zeer nauw was, maar die zich verder op uitbreidde en een
+meertje vormde, dat in moerassen uitliep. Bij den ingang en langs de
+oevers van dit meer waren groote plekken pistia, nymphea en andere
+waterplanten; de forel houdt bij voorkeur zijn verblijf bij dergelijke
+planten, en dus was het meer dan waarschijnlijk dat men die visch dáár
+zou kunnen bemachtigen. Voor een gedeelte van het souper bestond dus
+bijna geen bezwaar meer. Bovendien waren de oevers en de eilandjes van
+het meer overal bedekt met planten en heesters die in bloei stonden;
+tal van kleine vogels liepen met half uitgeslagen vleugels langs de
+kreeken, en vervolgden elkaar al tjilpend onder het hoog opgeschoten
+gras; hoog in het water zwommen talinkjes rustig de moeder volgende,
+terwijl er nu en dan een gesnapt werd door eene groote forel die op
+haar beurt de prooi werd van een vraatzuchtige krokodil.
+
+Voor het souper was dus alles te verkrijgen, visch, wild, tot zelfs
+sappige vruchten; het kwam er nu slechts op aan, die visschen te
+vangen, die vogels te dooden en die vruchten te plukken. Die bezigheden
+werden verdeeld; Montbars nam de jacht op zich; Luiwammes zou visschen;
+Tributor belastte zich met het plukken van de vruchten en Monaco, die
+zeer bedaard op zijn achterklavieren bleef zitten, moest het kampement
+bewaken en keek daarbij zeer ernstig naar de verschillende bewegingen
+zijner meesters.
+
+Het was zacht en helder weer: de krokodillen deden zich hooren en
+vertoonde zich in talrijke groepen langs de oevers en in den stroom van
+de rivier.
+
+Opeens kwam een kaaiman uit de struiken en bladeren waartusschen hij
+verscholen had gelegen. Het afgrijselijke dier zwelgde een massa water
+naar binnen en sloeg nu en dan met den schubachtigen staart. Het water
+golfde uit den wijd geopenden muil en uit zijne neusgaten steeg een
+wolk van damp op. Het gebrul dat hij deed hooren weerklonk heinde en
+ver. De drie avonturiers staakten allen hunne verschillende bezigheden,
+en ondanks al hunne manhaftigheid, gevoelden zij zich angstig en
+verschrikt. Het uitdagende gebrul van den kaaiman werd dadelijk aan den
+tegenovergestelden oever op gelijke manier beantwoord, en een tweede
+kaaiman kwam voor den dag. De twee monsters stoven op elkaar los en
+deden in hun vaart het water schuimend opstuiven. Daarop begon een
+afschuwelijke worsteling, of beter gezegd een ontzettend tweegevecht.
+Kort in elkaar gestrengeld doken zij dadelijk en verdwenen in de
+diepte, en terstond daarna borrelde van den bodem een dikke laag modder
+op, die het water tot op verren afstand troebel deed worden. Spoedig
+echter kwamen zij weer boven, steeds vechtende, en deden de lucht
+weergalmen van het herhaalde geklapper van hunne zware kakebeenen, die
+zij met kracht en geweld open en dicht sloegen; toen doken zij weer, en
+de strijd eindigde op den bodem van het meer.
+
+De overwonnene maakte zich het troebele water ten nutte, om te gaan
+schuilen in de moerassen, doch de trotsche overwinnaar kwam weer te
+voorschijn op de plek waar de worsteling was ontstaan. Het monster
+scheen zeer in zijn schik, en het was alsof een groot aantal kaaimannen
+die van den kampstrijd getuigen waren geweest, hem toejuichten, want de
+echo’s herhaalden tot vervelens toe hunne afschuwelijke geluiden, die
+tot ver in de bosschen weerklonken. Het afschuwelijke schouwspel dat
+zoo onverwacht vóór hunne oogen was afgespeeld, deed bij de avonturiers
+ernstige bezorgdheid ontstaan, want zij begrepen ten volle hoe ieder
+oogenblik hun toestand nog bezwarender en gevaarlijker kon worden. De
+zon was op het punt van onder te gaan en de krokodillen kwamen van alle
+kanten opzetten, om zich te vereenigen in de haven kort waarbij de
+flibustiers hun nachtverblijf hadden opgeslagen. Die overwegingen
+brachten hen er toe om den voorgenomen tocht naar de kreek om visch en
+talingen te vangen ten spoedigste te staken, en daar zij meenden dat
+het zeer noodzakelijk was om al hunne krachten te vereenigen, werd
+Tributor door Montbars en Luiwammes aangeroepen, en stapten met hem in
+de prauw, Monaco voorloopig ter bescherming van het kamp achterlatende.
+Zij namen hun geweren niet mede, daar die nu geen dienst konden doen en
+wapenden zich met stevige staken beter geschikt om zich tegen de
+kaaimannen te verdedigen, zoo die monsters mochten beproeven hen aan te
+vallen.
+
+Toen vertrokken zij; gekomen bij den eersten troep kaaimannen, waardoor
+zij als omringd waren, weken die dieren; doch daar enkele der grootste
+de avonturiers volgden, bleven deze op hunne hoede en pagaaiden zoo
+snel zij konden, naar den toegang tot het moeras, in de hoop dat zij
+daar bevrijd zouden wezen van het verder opdringen dier monsters. Doch
+nog eer zij halverwege waren gekomen, werden zij op eens van alle
+zijden aangevallen. Verscheidene kaaimannen deden hun best om de prauw
+te doen kantelen, vier van de sterksten waren tegelijk daarmeê bezig,
+brulden afschuwelijk en braakten massa’s schuim over de avonturiers
+uit, wier toestand zeer kritiek werd, daar zij onophoudelijk in het
+gevaar verkeerden van in het water te vallen en dan door de monsters
+verslonden te worden.
+
+Toch slaagden zij er eindelijk in, doch niet dan na de grootste moeite,
+de prauw dicht naar den oever te sturen, en daarna langs de kust
+waardoor zij minder gevaar liepen. Terwijl Montbars en Luiwammes
+pagaaiden, hield Tributor door middel van een enorm zwaren staak de
+kaaimannen op behoorlijken afstand. Zij maakten zich die tijdelijke
+verademing ten nutte om eenige forellen en een paar talingen te vangen
+en haastten zich te wenden, om zoo spoedig doenlijk weer in hun kamp te
+komen. De kaaimannen waren in grooten getale bijeengekomen vlak vóór
+den ingang van de haven, toch gelukte het aan de vrijbuiters, dank zij
+hun beleid en hunne stoutmoedigheid, het kamp te bereiken, zonder te
+erg in de klem te zijn geraakt. Toen was hun eerste zorg de prauw zoo
+ver mogelijk op vasten wal te trekken, om daardoor den monsters te
+beletten haar te doen kantelen of te doen zinken. Na alles wat er zich
+in bevond meegenomen te hebben, maakten de flibustiers het gansche
+terrein rond hen effen, om bij een mogelijken nachtelijken aanval,
+hetzij van den waterkant hetzij van de landzijde, door niets te worden
+gehinderd. Want zij hadden ook nog bemerkt dat het schiereilandje wat
+zij hadden uitgekozen, tamelijk druk bezocht werd door wolven en beren,
+wier sporen overal merkbaar waren. Na eene verkenning in de omstreken
+van het kamp begonnen de avonturiers aan de toebereidselen voor hun
+maal, en legden tevens het wachtvuur aan.
+
+Het was reeds donker geworden; het gebrul van de kaaimannen had
+opgehouden, en de avonturiers zaten druk en met goeden trek te eten,
+toen op eens hunne aandacht opnieuw werd gaande gemaakt door een
+ontzettend rumoer dat in de rivier ontstond, dicht bij hun kamp. Toen
+waren zij getuigen van een vreemd schouwspel, dat niet alleen met de
+grootste verrassing maar zelfs met bewondering door hen werd
+aanschouwd. Dat ontzettende rumoer toch, werd veroorzaakt door eene
+ontelbare menigte kaaimannen die zich bij den ingang van de haven
+vereenigd hadden. De rivier scheen over hare gansche oppervlakte van
+den eenen oever tot den anderen en verder dan een mijl, zoowel boven
+als beneden het kamp der vrijbuiters, niets anders dan één enkele
+stevig ineengedrongen school visschen van allerlei soort die zich in
+den zoo nauwen ingang der haven verdrongen, om uit de rivier naar het
+kleine meer te komen. De krokodillen wachtten hen dáár, en waren zóó
+talrijk en lagen zóó tegen elkaar aangedrukt, dat het niet moeielijk
+zou geweest zijn, de rivier over hunne koppen over te steken.
+
+Ondoenlijk is het te beschrijven welk eene afschuwelijke slachting er
+plaats had, gedurende den tijd dat dit onnoemelijk aantal visschen
+trachtte den doortocht te forceeren; millioenen bij millioenen werden
+door die vraatzuchtige monsters verzwolgen. Het gebeurde soms dat een
+aantal visschen tegelijk door een kaaiman hoog uit het water werden
+opgegooid en in het vallen weer gegrepen en tusschen de sterke tanden
+verbrijzeld; de staarten der forellen sloegen nog langs de huid of in
+de oogen der monsters, terwijl de koppen reeds waren verslonden; het
+geklapper van de kakebeenen der kaaimannen was ijzingwekkend; meer dan
+eens zag men hoe zij doken midden onder dien hoop rampzalige visschen,
+om bijna terstond met hun prooi weer boven te komen, en zich alsdan ter
+hoogte van eenige voeten uit het water op te heffen. Stroomen bloed en
+water golfden uit hunne muilen, en het was of uit hunne neusgaten een
+wolk van rook steeg. Die ontzettende slachting duurde zoolang er nog
+visschen waren die naar een uitgang zochten, dat wil dus eigenlijk
+zeggen den ganschen nacht door.
+
+Hoe afgrijselijk dit schouwspel ook mocht wezen, toch stelde het de
+avonturiers eenigszins gerust, want nu werd het hun duidelijk dat die
+verzameling van zulk een groot aantal kaaimannen moest worden
+toegeschreven aan den regelmatigen terugkeer der visschen, en bijgevolg
+konden zij er staat op maken, dat die monsters het nu in hun eigen
+element te druk zouden hebben om alles te verorberen, dan dat zij er
+nog over zouden denken het kamp aan te vallen. De flibustiers hervatten
+dus hun maal, en toen dit was afgeloopen, gooiden zij zooveel hout op
+het vuur dat dit lang genoeg kon aanblijven, strekten zich toen op den
+grond uit, en sliepen spoedig zoo rustig en onbezorgd, als alleen
+mogelijk is wanneer men vertrouwd is geworden met ieder gevaar.
+
+Tegen twee ure in den morgen werd Tributor plotseling in zijn slaap
+gestoord door Monaco, die hem over het gelaat likte en tegelijk zacht
+knorde.
+
+—Wat is er aan de hand, trouw dier?—vroeg de reus, die zich half
+slaapdronken de oogen uitwreef, en toen met uitvorschenden blik om zich
+heen keek.
+
+Alles was kalm en stil, iets wat hij gemakkelijk gewaar kon worden,
+daar het zeer licht was door den helderen maneschijn, en de flikkering
+van de millioenen sterren, die als diamanten aan den hemel schitterden.
+Maar daar de pandeling wist hoe goed hij op zijn hond kon vertrouwen en
+dat het dier hem niet zonder reden zou wekken, greep hij zijn geweer en
+luisterde scherp toe. Een oogenblik later kwam het hem voor alsof hij
+een nog bijna onmerkbaar geluid hoorde dat van de landzijde kwam;
+Monaco bleef steeds knorren. Tributor stond zeer stil op en luisterde
+opnieuw; toen vernam hij duidelijk het geluid van een dier dat door het
+water liep. De pandeling achtte het onnoodig zijne metgezellen te
+wekken, doch toch wilde hij zonder verder verwijl weten waardoor het
+geluid werd veroorzaakt, dat zich hoe langer hoe sterker deed hooren;
+daarom begaf hij zich buiten het kamp en liep zeer behoedzaam naar den
+ingang van de haven. Een honderdtal passen verder stond hij stil en
+verschool zich tusschen een groepje oranjeboomen. Monaco was steeds bij
+hem gebleven, maar de hond liep niet zooals anders snuffelend vooruit,
+doch volgde thans zijn baas met hangende ooren en den staart tusschen
+de pooten. Dit was zóó vreemd bij dit dier, dat Tributor vermoedde dat
+de vijand die kon opdagen, wie af wat die wezen mocht, zeker niet
+gering mocht geschat worden, en bijgevolg hield hij zich gereed om dien
+bij de eerste verschijning behoorlijk te ontvangen. Lang behoefde hij
+niet te wachten; want slechts enkele minuten daarna, werd Tributor op
+geen verderen afstand dan vijftig vademen, twee groote zwarte beren
+gewaar, die dwars door het water het bosch waren ingeloopen en nu
+bedaard naderden naar den kant waar hij zich bevond. Waarschijnlijk
+waren die dieren nog niets bewust geworden van de aanwezigheid van
+Tributor, daar zij langzaam bleven doorloopen zonder de minste onrust
+te toonen, maar op een afstand van vijftien vademen gekomen, begonnen
+zij te snuffelen, hun neus in den wind te steken en overal rond te
+staren. Tributor begreep dat zij hem gewaar waren geworden; hij mikte
+en schoot met goed gevolg, want een der beren, de zwaarste, rolde over
+den grond; de andere keerde dadelijk om, vluchtte overhaast, plompte in
+het water en verdween in het moeras. Tributor verliet toen zijn
+schuilplaats, en liep naar den getroffen beer, om hem verder af te
+maken, zoo het dier nog niet dood mocht wezen, maar bij hem gekomen
+bespeurde hij dat het morsdood was; de kogel was door het oog heen
+ingedrongen. Montbars en Luiwammes wakker geworden door het gevallen
+schot, dachten niet anders dan dat er een aanval gaande was en snelde
+toe om Tributor te hulp te komen. Tegelijkertijd sprong Monaco, die tot
+nu toe steeds dicht achter zijn meester was gebleven, vooruit onder
+hevig geblaf.
+
+—Hoe nu!—sprak Tributor in zich zelf, terwijl hij zijn geweer haastig
+weer laade.—Al wêer iets op til! Het is een raar soort van landje hier,
+dat men er bijna geen oogenblik rust kan hebben!
+
+—Mooi zoo, mijn jongen!—riep Montbars hem toe.—Het is een uitmuntend
+schot! Dat noem ik nu nog eens een mooie jacht.
+
+—En die waarschijnlijk nog niet is afgeloopen,—merkte de reus
+aan.—Luister maar eens naar Monaco!
+
+—Ja,—bevestigde Luiwammes,—de hond heeft zeker de lucht van iets
+gekregen, maar ik zou zeggen, ofschoon het mij vreemd voorkomt, dat het
+er meer van heeft of hij blaft uit blijdschap dan wel uit kwaadheid.
+
+—Daar hebt ge gelijk in—hernam Tributor.—Nu dit is al zeer vreemd.
+
+—Laten wij gaan zien wat er van waar is,—sprak Montbars, die de haan
+van zijn geweer spande om op alles bereid te wezen, en toen met vasten
+tred het spoor van den hond volgde.
+
+Zijne metgezellen volgden hem. Alle drie liepen het bosch dwars door,
+behoorlijk er voor zorgende van iederen boom als borstwering gebruik te
+maken, en kwamen toen na enkele minuten aan de grens van de
+belommering. Toen zagen zij op ongeveer een geweerschot afstand van de
+plek waar zij stonden twee mannen, die met het geweer over den schouder
+in groote haast naar hun kant kwamen. Vroolijk blaffend sprong Monaco
+op en langs die beide mannen.
+
+—Wel drommels!—begon Montbars—Nu wordt het hoe langer hoe
+interessanter! Monaco schijnt bij kennissen te wezen. Zou hij bij geval
+een vriend hebben onder de Spanjaarden? Daar moet ik dadelijk het mijne
+van hebben!
+
+De flibustier deed een paar passen buiten het bosch, zette het geweer
+met de kolf op den grond en riep met luider stem:
+
+—Werda!
+
+—Vrienden!—werd hem terstond daarop in het Fransch toegeroepen.
+
+—Vrienden? Des te beter!—hernam Montbars.—Het kan waar wezen, want het
+is of je stem mij niet geheel onbekend is, maar toch, mijn goede man,
+zoudt ge mij genoegen doen te zeggen wie ge zijt, eer ge een stap
+verder doet.
+
+—Kom, kom, Montbars, dat doet er immers niet toe!—luidde het
+antwoord.—Ik ben Philippe.
+
+—Philippe!—herhaalde de avonturier met de grootste verbazing.—Wel
+drommels! Dat is eerst eene zeldzame ontmoeting.
+
+Dadelijk verlieten zij hunne schuilplaats, en ijlden met vaart de
+anderen te gemoet, die van hun kant ook hun tred bespoedigden.
+Werkelijk waren het Philippe en Pitrians. Hoe hartelijk en oprecht
+gemeend was de wederzijdsche begroeting! De vijf avonturiers keerden in
+opgetogen stemming terug naar het kamp, doch vergaten niet ook den beer
+daarheen te brengen, zoo behendig geveld door Tributor, die niet had
+kunnen vermoeden dat dit goed gemikte schot nog buitendien zulke
+belangrijke gevolgen zou hebben, waardoor de avonturiers elkander
+ontmoet hadden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+DE VRIJBUITERS.
+
+
+Tributor wierp een goede portie droog hout op het wachtvuur, dat toen
+opnieuw vroolijk opflikkerde, de vrijbuiters legden zich er om heen, en
+toen vroeg Montbars aan Philippe door welk toeval hij hier was gekomen,
+op eene plek zóó ver verwijderd van de streken die gewoonlijk door de
+flibustiers bezocht worden.
+
+—Diezelfde vraag zou ik tot jou kunnen richten, waarde Montbars,—gaf
+Philippe ten antwoord.—Want dat toeval, aangenomen dat er een toeval
+is, bestaat evenzeer voor jou als voor mij.
+
+—Dat is zoo, vriendlief,—stemde Montbars toe,—maar wat mij betreft is
+het juist niet geheel alleen het toeval dat mij hier heeft gebracht.
+
+—Wat dan nog meer?
+
+—De storm! Door een stormvlaag heb ik mijn schoener verloren, en ben
+hier aangeland eigenlijk zonder precies te weten waar ik mij bevond; ik
+moet er echter in één adem bijvoegen, dat ik zeer in mijn schik was,
+zoodra ik bemerkte dat ik in de golf van Venezuela was terecht gekomen,
+want reeds sinds lang was het mijn wensch die te bezoeken.
+
+—En uwe bemanning?
+
+—Behalve mijne beide metgezellen hier, is die totaal verloren gegaan.
+
+—Dat is zeer treurig!—zuchtte Philippe en schudde het hoofd.—Wat mij
+zelven aangaat, wil ik je rondweg verklaren, waarde Montbars, dat ik
+Tortue verlaten heb met het formeele plan mij hierheen te begeven.
+
+—En ben jij, evenals ik, door een onheil overvallen?
+
+—Neen, Goddank niet! Mijn schip ligt verscholen in een kreek van de
+kust, en geankerd te midden van dicht geboomte, dat er als het ware
+zulk een dicht gordijn om vormt, dat ik de gavachos tart om het dáár te
+ontdekken.
+
+—Heerlijk, opperbest, kameraad! Dat is een nieuwtje dat mij des te meer
+welkom is daar ik je eerlijk moet bekennen dat ik waarlijk geen raad
+wist hoe ik mij uit dit wespennest hier redden moest.
+
+—Je kunt geheel over mij beschikken, daaraan zult gij trouwens niet
+hebben getwijfeld.
+
+—Dank je wel! Wanneer zijt ge aangekomen?
+
+—Gisterenavond tusschen zeven en acht uur. Eer ik dezen morgen aan wal
+zou gaan, kreeg ik, bezig om den horizont op te nemen, een prauw in het
+oog, die de punt bij de vuurbaak omkwam. Ik kon wel niet duidelijk
+gewaar worden door wie die bemand was, maar reeds bij het eerste
+gezicht zag ik dat er Broeders der Kust in zaten. Toen deed ik mij
+dadelijk naar wal roeien en ben er terstond op los gegaan om je op te
+zoeken, en, zoo gij daaraan behoefte mocht hebben, je mijne goede
+diensten aan te bieden, en mij geheel tot je beschikking te stellen.
+
+—Waarde vriend, bij herhaling nogmaals dank, zoowel voor mijn persoon
+als voor mijne metgezellen, want op mijn woord wij bevonden ons in een
+zeer neteligen toestand. Nu wil ik ook gaarne erkennen, dat het toeval,
+waarover ik sprak, werkelijk in dit opzicht niet bestaat. Doch houd mij
+één enkele vraag ten goede.
+
+—Zeg vrij wat gij verlangt te weten.
+
+—Hoe komt het dat gij ons reeds sedert den ganschen dag zoekt en ons
+eerst nu diep in den nacht vindt?
+
+—Dat is, als ik mij veroorloven mag dit te zeggen, eenigszins je eigen
+schuld.
+
+—Hoe dat?
+
+—Hebt ge dan onze signalen niet gehoord?
+
+—Wel, nu ik er over denk,—viel Luiwammes in,—schiet het mij te binnen
+dat ik even vóór zonsondergang gemeend heb een schot te hooren.
+
+- Zoo was het, wij, Pitrians en ik schoten toen, zooals wij ook den
+ganschen dag niet hebben nagelaten, op gevaar af van door de Indianen
+ontdekt te worden, want wij zijn hier, zooals ge weet, in het hartje
+van het Indiaansch territoir.
+
+—Wij hebben toch niet meer dan één schot gehoord.
+
+—Ja,—voegde Montbars er bij,—en wij durfden het niet te beantwoorden,
+uit vrees van ons daardoor de Spaansche boekaniers op den hals te
+halen.
+
+—De gavachos hebben den moed niet om zich hier te wagen in de streken
+langs de zee, want de bewoners zijn hunne verwoede vijanden en
+daarenboven menscheneters.
+
+—Het is goed dat wij dit weten!
+
+—Kort en goed, wij begonnen er aan te wanhopen je te vinden, en stonden
+op het punt naar boord terug te keeren (ons schip ligt hier dicht bij),
+toen het door Tributor zóó juist gemikte schot op den beer ons precies
+de richting aangaf, waar wij je konden ontmoeten. Ge ziet dus, waarde
+Montbars, dat alles zeer eenvoudig is toegegaan.
+
+—Ge hebt gelijk vriendlief, maar ge hebt mij nog niet gezegd, welke
+reden je hier naar de kust gevoerd heeft; mocht dit echter een geheim
+wezen, houd het dan als niet gevraagd, en spreken wij over iets anders.
+
+—Waarde vriend, er bestaat geen enkele aanleiding om die redenen geheim
+te houden, maar vooral niet tegenover jou. Ik ben op een
+verkenningstocht om zoowel het terrein als het gansche land te
+onderzoeken daar ik plan heb eene expeditie tegen Maracaïbo te
+beproeven, dat, als de geruchten niet overdreven zijn, onmetelijke
+schatten moet bevatten.
+
+—Is het waar wat ge daar zegt?—riep Montbars met groote
+opgewondenheid.—Zijt ge werkelijk met dat doel hier?
+
+—Waarom anders zou ik gekomen zijn?
+
+—Dat is zoo! Welnu, waarde Philippe, ik wil niet minder openhartig zijn
+dan jij. Weet dan dat mijn doel hetzelfde is als het uwe, ook ik wil
+een aanslag op Maracaïbo wagen.
+
+—Wel drommels!—uitte de jonge man zeer verheugd.—Beter kan het niet
+treffen! Dan sta ik gaarne en gewillig aan jou het opperbevel over die
+expeditie af. Uw meerdere ondervinding en uw roemrijke naam geven je
+daarop het volste recht, alleen zou ik gaarne tot voorwaarde maken dat
+je mij aanstelt tot je luitenant.
+
+—Blijft dit afgesproken?—vroeg Montbars, die hem de hand toestak.
+
+—Wis en waarachtig!—bevestigde de jonge man met een stevigen handdruk
+aan den vermaarden vrijbuiter.—Zoo vast en zeker afgesproken, dat ik
+zoo gij het goedvindt van stonden af aan mij ondergeschikt verklaar, en
+jou het gezag van mijn schip overdraag.
+
+—Ik neem je aanbod even rondborstig aan als je het mij doet doch alleen
+in zoo verre betreft deze expeditie, of beter gezegd de verkenning die
+wij willen beproeven; wat het bevel over uw bodem aangaat, zult ge mij
+genoegen doen dit te behouden. Naar ik hoop zal het niet lang meer
+duren eer ik je een nog veel gewichtiger opdraag, als wij hier weer
+terug zijn gekomen.
+
+—Het zij zooals gij verlangt, waarde Montbars.
+
+Tributor die aan het gansche gesprek geen deel had genomen, was al dien
+tijd druk in de weer geweest om den beer in stukken te snijden; eerst
+had hij de vier pooten afgehakt en die onder de gloeiende asch gestopt,
+daarna met verbazende behendigheid de huid afgestroopt, en schijfjes
+van de nier afgesneden, die hij terstond roosterde met een paar
+prachtige forellen en een taling aan het spit gestoken door middel van
+zijn laadstok. Daarna had hij oranjes, limoenen, guyaven (Indische
+peren) en andere vruchten geplukt, palmbladeren neergelegd om als
+borden te dienen, en na al die toebereidselen was hij naar het vuur
+gegaan. Juist op dat oogenblik brak de dag aan, en prachtig verscheen
+de zon aan den horizont, te midden van wegtrekkende nevels die
+schitterden met al de kleuren van den regenboog.
+
+—Het ontbijt staat gereed,—kondigde Tributor aan.
+
+—Kom, laten wij dan gaan eten,—liet Luiwammes er op volgen.
+
+—En al etende kunnen wij verder praten,—voegde Montbars er bij.
+
+In opgeruimde stemming nam men aan tafel plaats, of beter gezegd ging
+ieder op het gras zitten vóór het palmblad dat hem tot bord diende, en
+toen nam het ontbijt een aanvang. Een jagersmaal duurt zelden lang, ook
+dit was in een half uur afgeloopen, en zoo daar zooveel tijd aan
+besteed werd, kwam dit hoofdzakelijk door de groote hoeveelheid der
+spijzen, die door Tributor met veel deftigheid en groot vertoon werden
+opgediend. De goedhartige reus toonde een hoogst vergenoegd gelaat en
+was erg in zijn schik, toen Montbars hem bijzonderen lof toezwaaide
+over die staaltjes zijner kookkunst. Na den afloop van het ontbijt, en
+toen de pijpen waren aangestoken, nam Montbars opnieuw het woord en
+zei:—Nu moeten wij onze zaken gaan behandelen.
+
+—Niets liever dan dat,—verklaarde Philippe.
+
+—Maak jij dan daarmee een begin, waarde vriend, en vertel mij hoe ge
+het denkt aan te leggen om het land, de stad Maracaïbo en het fort te
+Gibraltar te verkennen, want om den goeden uitslag van onze onderneming
+te verzekeren, is het eene eerste vereischte dat wij geheel en al
+bekend raken met de punten waarop de aanval gericht zal worden, om
+gevrijwaard te blijven van reeds bij onze landing eene groote fout te
+begaan.
+
+—Naar mijne meening,—merkte Luiwammes aan,—zou het beste wezen, dat die
+verkenning door ieder afzonderlijk beproefd werd.
+
+—Verklaar je nader,—zei Montbars.
+
+—Ik bedoel daarmee dat een onzer de kust voor zijn rekening moest
+nemen, een ander het binnenland, de derde de stad en de laatste het
+fort.
+
+—Voeg er dan nog bij een vijfde, die belast moet worden met opnemen en
+peilen van de baai, en dit is, volgens mijn meening, eene zeer
+gewichtige zoo niet de gewichtigste taak, want de baai is als verstopt
+door een aantal zandbanken,—werd door Pitrians aangevoerd—en onze
+schepen loopen groot gevaar om bij het binnenkomen daarop vast te
+geraken.
+
+—Die opmerking van Pitrians is zeer juist,—gaf Montbars te kennen.—Hoe
+denkt gij over die voorstellen, Philippe?
+
+—Ook ik, Montbars moet erkennen dat die zeer goed zijn. Al die
+inlichtingen zijn werkelijk voor ons onontbeerlijk, en wij moeten, wat
+het ook kosten moge, trachten die te verkrijgen.
+
+—Ik ben het daarmee eens, en nu is de vraag maar, hoe wij die rollen
+zullen verdeelen.
+
+—De beslissing daarvan komt je rechtens toe, Montbars.
+
+—Het zij zoo. Hoor dan hoe ik daarover denk. Luiwammes moet, als hoogst
+ervaren zeeman, zich belasten met het opnemen van de kust.
+
+—Goed! zoo’n karreweitje is juist iets voor mij.
+
+—Tributor moet de peiling van de baai op zich nemen; dat is de
+gevaarlijkste post, die daarenboven de grootste behendigheid vereischt,
+maar ik vertrouw ten volle dat hij er in zal slagen.
+
+—Dat zal ik!—verzekerde de reus, zeer gestreeld door het vertrouwen dat
+Montbars in hem stelde, en vurig verlangend om dit te rechtvaardigen.
+
+—Nu blijven nog over het inwendige van het land, de stad en het fort.
+Pitrians is langen tijd werkzaam geweest als beambte bij de belasting,
+dat is juist iets voor hem. Hij moet uit hoofde van de Indianen een
+paar maats met zich nemen en Tributor moet Monaco aan hem afstaan, daar
+hij den hond toch niet kan gebruiken.
+
+—Best!—zei Pitrians.—Als mij een paar dagen worden toegestaan dan neem
+ik op mij om deze streek voldoende te verkennen.
+
+—Ten laatste iets over de stad en het fort,—zei Montbars.—Nu, dunkt
+mij, dat wij daaromtrent ons eerste plan eenigszins moesten wijzigen,
+naar aanleiding van de moeielijkheden die zich daarbij kunnen opdoen.
+Gij, waarde Philippe, ge spreekt het Spaansch zoo goed alsof ge een
+zoon waart van het oude Castilië en ik geloof daarmee zoo heel ver niet
+bij je achtertestaan, wij beiden zullen ons dus naar Maracaïbo begeven,
+lukt het om in die stad te komen, welnu dan zullen wij ons door de
+omstandigheden laten leiden en ons daarnaar regelen. Hoe vindt ge dit
+plan?
+
+—Zeer goed! Ik deel volkomen uw meening, en ben bereid op staanden voet
+je blindelings te volgen, waar heen ge ook moogt goedvinden mij te
+brengen.
+
+—Dit houden wij dus voor afgesproken; maar er ontbreken ons nog eenige
+onvermijdelijke zaken, die wij ten zeerste behoeven om ons in de stad
+te vertoonen zonder argwaan te wekken, en ik vrees er hard voor dat het
+tot het onmogelijke zal behooren om ons die te verschaffen.
+
+Philippe lachte luide, en vroeg,—En wat verstaat gij onder die
+onvermijdelijke zaken, Montbars?
+
+—Vooreerst en vóór alles kleederen, mijn vriend.
+
+—Aan boord heb ik drie koffers vol, dus kust en keur.
+
+—Mooi. Dan goud, en zelfs veel goud. Ik moet je ronduit bekennen dat ik
+bij de schipbreuk geen enkelen piaster heb kunnen redden.
+
+—Vijftig duizend piasters kan ik tot je beschikking stellen. Is dit
+genoeg?
+
+—Zeker, vriend. Zooveel zullen wij bepaald niet noodig hebben.
+
+—Goed, dit is dan afgehandeld. Tot dusver heb ik uwe bezwaren vrij
+gemakkelijk kunnen oplossen. Vindt ge niet?
+
+—Niet alleen gemakkelijk, maar op verwonderlijk afdoende manier,
+kameraad. Toch blijft er, jammer genoeg, nog één bezwaar over en ik
+vrees zeer, dat ge er niet in zult slagen om dit even gemakkelijk uit
+den weg te ruimen als al de vorige.
+
+—Ba, wie weet? zooals de gavachos gewoonlijk zeggen. Maar laat hooren
+waarin dit onoplosbare bezwaar bestaat.
+
+—Ge weet toch, niet waar, hoe argwanend de Spanjaarden zijn, en hoe
+verbazend veel voorzorgen zij genomen hebben, om voor goed te beletten,
+dat vreemdelingen in hunne koloniën op het vasteland komen, daar zij
+niet dulden dat die zich dáár vestigen.
+
+—Zooals ge zegt dat weet ik. En verder?
+
+—Verder? Wel mij dunkt dit is genoeg gezegd, want nu vraag ik je, hoe
+zal het voor ons mogelijk zijn, om in de stad te komen?
+
+—O! Is het niet anders! Wel, zeer gemakkelijk!
+
+—Dat betwijfel ik nu toch zeer!
+
+—Ongeloovige Thomas!—voegde de jonge man hem spottend toe.—Niet alleen
+zal ik u goud, en kostbaarheden en kleêren verschaffen meer dan ge
+noodig hebt om uw rol als Spaansch hidalgo of zoo ge dit beter oordeelt
+als grande van Spanje behoorlijk te kunnen vervullen, maar wat meer
+zegt, ik verbind mij je de noodige papieren te bezorgen, zoo volkomen
+volgens regel en wet, dat de autoriteiten der stad, zoodra zij er één
+enkelen blik op geworpen hebben, je volkomen vrij zullen laten in al je
+handelingen, en zelfs zich geheel onder je orders zullen stellen.
+
+—Maar waarachtig maat, als je tot zoo iets in staat zijt, dan kan ik
+niet anders zeggen dan dat je een toovenaar zijt.
+
+—Drommels!—zei Philippe lachend.—Pas toch wat ik je bidden mag op, dat
+je dit niet te Maracaïbo zegt, want voor de inquisitie ben ik zoo bang
+als een wezel en er ganschelijk niet op gesteld om levend verbrand te
+worden tot meerdere eere Gods.
+
+—Ge brengt mij in de grootste verbazing! Hoe is het mogelijk dat ge al
+uwe maatregelen reeds zóó goed genomen hebt?
+
+—Ik heb je immers gezegd, dat ik opzettelijk hier naar de kust koers
+heb gezet. Niet waar?
+
+—Dat is zoo, werkelijk hebt ge mij dit gezegd.
+
+—Welnu, Montbars, ge ziet dus dat ik drie maanden den tijd had om alles
+in orde te brengen.
+
+Montbars schudde herhaaldelijk het hoofd.
+
+—Waarom schudt ge uw hoofd zoo?—vroeg Philippe.
+
+—Kameraad,—antwoordde Montbars peinzend en ernstig,—ik ben een der
+oudste en intiemste vrienden van den heer d’Ogeron, uw oom. Ik ken je
+reeds van toen ge nog een kind waart, en evenzeer je karakter alsof ge
+mijn eigen zoon waart. Dat karakter haakt naar het grootsche en
+edelmoedige. Wat bij al onze expedities steeds en overal bij jou op den
+voorgrond stond, was de zucht naar roem. Meer dan eens was ik er
+getuige van dat je geweigerd hebt deel te nemen aan eene expeditie, als
+daardoor, naar je meening, meer bedoeld werd goud dan glorie te winnen.
+Is alles wat ik je daar zeg waarheid, Philippe?
+
+—Ja, waarde Montbars! Ik kan dit niet ontkennen. Maar wat maakt gij
+daaruit op?
+
+—Niets, vriendlief, doch nu weet ik alles wat ik weten wilde.
+
+—Ik begrijp je niet, Montbars, en nu verzoek ik dringend nadere
+verklaring.
+
+—Waartoe zou die dienen?
+
+—Ik herhaal je mijn dringend verzoek.
+
+—Welnu, als ge er zóó op staat, zal ik aan je verlangen voldoen. Ge
+zult mij nooit kunnen wijs maken, Philippe, dat ge zulk eene
+gevaarvolle expeditie wilt ondernemen alleen met het doel om een stad
+te plunderen, hoe rijk die stad ook wezen moge!
+
+—Maar, waarlijk, Montbars, ik verzeker je...
+
+Montbars zweeg glimlachend.
+
+—Hoe nu! Waarom glimlacht ge, waarom schudt ge het hoofd, wat
+vooronderstelt ge dan toch van mij, Montbars?
+
+—Ik vooronderstel niets, Philippe, daarvoor beware mij God! Ge zijt
+jong, daarmee is genoeg gezegd, en de hartstochten der jeugd zijn niet
+die van den mannelijken leeftijd. Gierigheid is een ondeugd der
+grijsheid.
+
+Philippe kleurde even, boog het hoofd en raakte geheel in verlegenheid
+dat Montbars hem zoo goed doorgrond had, doch hij herstelde zich
+terstond en voegde den ander toe:—Maar wat drommel, waarde Montbars, ik
+heb alle recht om je eigen woorden op je zelf toe te passen!
+
+—Hoe dat, waarde vriend?
+
+—Omdat gij zelfs nog veel minder dan ik, door geldzucht wordt gedreven,
+want zoo ge dit had gewild, waart ge reeds sinds lang de rijkste man
+van al de flibustiers geweest.
+
+—In zooverre hebt ge gelijk, Philippe. Ik geef niet om geld.
+
+—Goed, maar dan zult ge ook mij nooit wijs kunnen maken dat zucht tot
+plundering je er toe brengt om zulk eene gevaarlijke expeditie te
+wagen.
+
+—En ik zal ook wel degelijk oppassen zoo iets tegen je vol te houden,
+want het zou geheel bezijden de waarheid zijn.
+
+—Ha! Ha!—lachte de ander.—Er is dus ook bij jou een ander doel in het
+spel?
+
+—Dat ontken ik niet.
+
+—En wat is dat doel?
+
+—Wraak!—werd op doffen toon geantwoord.
+
+Philippe zweeg een poosje en zei toen:
+
+—Misschien wordt het zelfde doel door mij beoogd.
+
+—Neen, Philippe want jij draagt den Spanjaard geen haat toe.
+
+—Ja! Wel drommels....
+
+Glimlachend viel Montbars hem in de rede, en vervolgde:—Ik zal je
+zeggen wat je eigenlijke doel is, daar je mij niet genoeg schijnt te
+vertrouwen om het mij mede te deelen. Wat je zoekt is... eene vrouw. Ge
+zijt verliefd.
+
+—Ik!—riep de ander uit en maakte een heftig afwijzend gebaar.
+
+—Philippe, vriend, ik wil mij niet dringen in je geheim; bewaar dit
+veeleer als een kostbaren schat in het diepst van je gemoed. Maar
+vergeet nooit dat ik je vriend ben en ten dage dat ge mij noodig mocht
+hebben steeds bereid zal zijn je te helpen wat er ook moge gebeuren.
+
+—O! mijn vriend!—juichtte de ander in vervoering.
+
+—Geen woord meer daarover, thans over iets anders. Wij moeten ons nu
+bezig houden met ernstiger zaken dan waarover je zeker zoudt uitwijden
+nu ge weet dat ik je doorgrond en als in je hart gelezen heb; alles op
+zijn tijd niet waar? Denken wij nu liever aan het dringendste en voor
+ons is thans het dringendste om langs den kortsten weg naar ons schip
+te gaan.
+
+—Het is zoo, Montbars, ge hebt volkomen gelijk. Dus opgestapt zonder
+langer te talmen.
+
+—Gij hebt zooeven gezegd dat het niet ver van hier ligt?
+
+—Hoogstens een paar mijlen; als wij het water te baat nemen, dan duurt
+de tocht zeker niet langer dan een uur.
+
+—Liever zou ik als het je hetzelfde is toch den langeren weg kiezen en
+over land gaan, want onze prauw is zeer klein en bovendien heeft die
+gisteren avond zoo erg geleden door de krasse aanvallen der kaaimannen,
+dat ik niet graag nog eens het brooze vaartuigje daaraan zou
+blootstellen; niet dat ik zoozeer opzie tegen den dood, maar, naar
+mijne meening, heeft de mensch die zich ten plicht heeft gesteld nog
+eene grootsche taak te vervullen, geen recht zich onnoodig in gevaar te
+begeven, eer hij aan dien plicht voldaan heeft.
+
+De vrijbuiters braken hun kamp op en verborgen zeer zorgvuldig de prauw
+tusschen de struiken om die terug te kunnen vinden zoo dit voor hen nog
+noodig mocht worden; daarop sloegen zij door Philippe en Pitrians
+voorafgegaan een pad in, dat eenigszins door de wilde dieren gebaand
+was en waarlangs zij komen konden op de plaats waar de brigantijn ten
+anker lag.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+BERAADSLAGING.
+
+
+Het pad dat de vrijbuiters volgden liep langs de rivier. Van die
+ontzaglijke menigte kaaimannen in den afgeloopen nacht vóór den ingang
+van het meer verzameld, waren nu slechts weinigen overgebleven;
+verscheidene sliepen aan den oever, of warmden zich in de zon en
+wentelden zich in het slijk; anderen zwommen heen en weer, zonder
+bepaalde richting. Maar één van die alligators, een kaaiman van
+bijzondere grootte, die met den stroom meezwom en op afgrijselijke
+manier schreeuwde en brulde, trok zeer de aandacht der vrijbuiters; een
+vast aaneengesloten groep van minstens een honderdtal jonge kaaimannen
+volgde in het zog van dit monster, dat hun moeder of beter gezegd hun
+beschermster was. Zwemmend vormden zij eene lange colonne die noch te
+rechter noch te linkerzijde afweek. Al die kleine dieren schenen van
+denzelfden leeftijd, hadden eene lengte van ongeveer vijftien
+centimeter, waren zwart met schuinsche strepen of donker gele vlekken,
+en hadden wat de kleur betreft veel van ratelslangen. De moeder of
+aanvoerdster stootte voortdurend dreigende geluiden uit, en de
+kaaimannen die in de rivier rondspartelden, haastten zich om haar niet
+in haar vaart te belemmeren daar zij er blijkbaar weinig trek in hadden
+met haar in gevecht te komen.
+
+Steeds langs den oever voortloopende, bespeurden de vrijbuiters bij
+eene kromming van de rivier een groot aantal heuveltjes, of pyramiden,
+het best te vergelijken met hoopen hooi, en als eene rij tenten langs
+de oevers der rivier opgesteld. Die heuveltjes stonden acht tot tien
+vademen van het water af, en staken ongeveer vier voeten rechtstandig
+daar boven uit. Verscheidene groote alligators zwommen kort in den
+omtrek. Het waren niet anders dan krokodillen-nesten, de meesten reeds
+verlaten, terwijl men er om heen op den grond groote witachtige schalen
+zag liggen afkomstig van de gebroken eieren.
+
+Hoeveel haast de vrijbuiters ook mochten hebben om de brigantijn te
+bereiken, toch konden zij hunne in hooge mate opgewekte
+nieuwsgierigheid niet bedwingen, en daarom besloten zij naar die nesten
+te gaan, om die nader te onderzoeken, daar zij meermalen er over hadden
+hooren vertellen, doch geen van hen er ooit een had gezien.
+
+Het resultaat van dit onderzoek was het volgende:
+
+Die nesten of heuveltjes hebben den vorm van een afgeknotten kegel,
+vier voeten hoog en aan de basis vier tot vijf voeten in doorsnede, en
+zijn samengesteld uit slik en gras. Het dier gaat bij de vervaardiging
+op de volgende wijze te werk: Eerst maakt het op den grond een laag
+gras en slijk, legt daarop een rij eieren, bedekt die vervolgens weer
+met een laag van zes tot acht centimeters dikte, legt daarop wederom
+een rij eieren en zoo vervolgens tot bijna aan den top van den kegel.
+Ieder nest bevat dan van honderd tot tweehonderd eieren. Waarschijnlijk
+worden die door de hitte der zon uitgebroed, doch het zou ook kunnen
+wezen dat de plantaardige bestanddeelen vermengd met slijk, waaruit die
+nesten bestaan, onder den invloed der zonnewarmte overgaan tot eene
+soort van gisting, en dat daardoor de voor de broeding noodige warmte
+ontstaat. Ik laat het aan de geleerden over om hierover uitspraak te
+doen.
+
+In den omtrek van verscheidene bunders, rondom deze nesten, droeg de
+grond onmiskenbare sporen dat daar kaaimannen aanwezig geweest waren.
+Het gras was overal platgedrukt, en de aarde vast gestampt, en er was
+bijna geen plant of struik meer te bekennen, terwijl verder op het gras
+zeer dik en vijf, op sommige plaatsen zelfs zes voet hoog stond. Het
+kan als zeker worden aangenomen dat het wijfje met de meeste zorg haar
+nest bewaakt tot de eieren zijn uitgekomen, en het zou ook wel mogelijk
+zijn, dat zij daarna al de jongen die tegelijkertijd uitkomen, zoowel
+van haar eigen nest als van die van anderen onder haar bescherming
+neemt; dit ten minste is stellig dat die kleine kaaimannetjes nooit
+zonder toezicht blijven. Wij moeten hier nog opmerken dat de liefde van
+die moeders voor de kleinen even groot is als die van de kloekhen voor
+hare kuikens; zij zijn even oplettend als deze en even bereid te allen
+tijde de kleinen die aan hare zorgen worden toevertrouwd te beschermen
+of te voorzien van het noodige voedsel; en als die beestjes uit het
+water komen om zich in de zon te warmen, dan hoort men hen schreeuwen
+en roepen, juist zooals de kuikens doen.
+
+Hoogstens een zesde van een broedsel en gewoonlijk nog minder wordt
+volwassen, want de groote krokodillen zijn er zeer opgesteld om de
+kleine op te peuzelen, zoolang die nog niet in staat zijn zich te
+verdedigen.
+
+De Amerikaansche krokodil, kaaiman of alligator is tegenwoordig te
+algemeen bekend, dan dat wij die in het breede behoeven te beschrijven.
+Wij willen ons dus bepalen tot de mededeeling, dat het dier tot vollen
+wasdom gekomen kolossaal groot is, eene verbazende kracht heeft en
+onbegrijpelijk vlug en vaardig is bij al zijne bewegingen in het water;
+de gemiddelde lengte bedraagt ongeveer twintig voet, doch er zijn er
+die twee-en-twintig soms zelfs drie-en-twintig voet lang worden. Hun
+gebrul is angstwekkend om aan te hooren, vooral in de lente dat de
+paartijd is; het gelijkt op het gerommel van den donder in de verte.
+
+Een der oudste kaaimannen is gewoonlijk de alleenheerscher van ieder
+klein meer of moeras; al zijn er ook vijftig andere, net zoo sterk als
+hij, bijeen, zoo wagen zij het niet te brullen dan alleen in de
+naburige kleine kreken. Als de kaaiman te voorschijn komt van onder de
+struiken of het riet waar hij zijn schuilhoek heeft, vertoont hij zich
+in zijn volle lengte aan de oppervlakte van het water, en neemt in
+rechte lijn de richting naar het midden. Aanvankelijk is daarbij zijne
+snelheid bijzonder groot, maar van lieverlede vermindert die tot hij in
+het midden van het meer komt, daar houdt hij stil; dan zuigt hij door
+zijn bek lucht en water op, zoodat hij opzwelt, waardoor uit zijn borst
+een snijdend scherp gefluit dringt dat bijna een minuut aanhoudt; maar
+dat water, met geweld teruggedrongen, spuit kort daarna met groot
+geraas uit zijn bek en neusgaten en vormt een damp zoo dik als rook.
+Tezelfder tijd steekt het monster zijn staart in de hoogte en geeselt
+daarmeê het water. Soms ook wanneer hij tot berstens toe opgezwollen
+is, heft hij zoowel den kop als den staart op en draait in vliegende
+vaart rond bijna met het water gelijk.
+
+In dergelijke omstandigheden vervult de kaaiman, de koning van het
+water, als het ware de rol van een Indiaansch opperhoofd, die eene
+voorstelling geeft van een zijner gevechten; daarna zwemt hij langzaam
+terug en laat de plek vrij aan anderen die het durven wagen zich te
+vertoonen, en hun best doen elkaar te overtreffen om zoodoende de
+aandacht te trekken van het wijfje dat bijna altijd bij dit spel
+tegenwoordig is, schijnbaar zonder daarin het geringste belang te
+stellen. Dit zijn nagenoeg de meest kenmerkende eigenaardigheden van
+die geduchte halfslachtige dieren (amphibiën).
+
+Ten laatste was de weetgierigheid der vrijbuiters ten opzichte van die
+nesten voldaan en vervolgden zij hun tocht langs den oever van de
+rivier stroomopwaarts; eindelijk kwamen zij aan den zoom van een
+prachtig bosch, laurier- en oranjeboomen en hielden daar bijna een uur
+lang halt, zoowel om wat uit te rusten, als om de ergste hitte van den
+dag te laten voorbijgaan. Op dien tijd van den dag heerscht over de
+woestijn een indrukwekkend stilzwijgen; men hoort dan letterlijk niets
+dan het onophoudelijk suizen van millioenen muskieten, die
+spiraalsgewijze boven het moeras rondzweven. Na eenigszins uitgerust en
+verfrischt te zijn onder dit verrukkelijke lommer, stonden de
+vrijbuiters na een wenk van Philippe op, en begaven zich weer op weg,
+nu echter verwijderden zij zich van de rivier en drongen in het bosch,
+dat zij in rechte lijn doortrokken.
+
+—Zouden wij er haast zijn?—vroeg Montbars, nadat zij reeds bijna een
+uur geloopen hadden.—De dag loopt zoetjes aan ten eind, en ik vrees dat
+ge wellicht verdwaalt zijt, vriend.
+
+—Daarvoor behoeft ge niet te duchten; wij houden nu recht aan op de
+kust en zullen binnen een uur aan boord zijn.
+
+—Nu, ik voor mijn part zal daar niet tegen hebben, want ik ben nooit
+meer geweest dan een zeer middelmatig voetganger, en zoo’n tocht over
+paden die op zijn best gebaand zijn, daar heb ik verbazend het land
+aan.
+
+—He! Kijk eens naar Monaco,—zei Philippe,—die heeft de lucht gekregen
+van onze schildwachten; dan zijn wij reeds dichter bij dan ik dacht.
+
+Het was zoo, de patrijshond was onrustig geworden, het dier liep
+kwispelstaartend heen en weer en blafte kort en afgebroken doch
+kennelijk van genoegen.
+
+—Werda!—werd plotseling geuit door de krachtige stem van een man, nog
+onzichtbaar daar hij zich achter de boomen verborgen hield.
+Tegelijkertijd hoorde men dat de haan van een geweer werd overgehaald.
+Philippe haastte zich om dien aanroep te beantwoorden.
+
+—Vrienden! Broeders der Kust!
+
+Terstond daarop werden de takken uiteengeschoven en kwamen verscheidene
+vrijbuiters te voorschijn. Men was dus aangekomen. Zoodra zij Montbars
+gewaar werden, Montbars door al de Broeders der Kust zoo geliefd en
+gewaardeerd, snelden zij naar hem toe en verwelkomden hem met
+vreugdegejuich. Op een wenk van Philippe kwamen allen weer tot kalmte
+en stilte, en sloeg men de richting in naar de brigantijn, die zij
+spoedig in het oog kregen, geankerd midden in eene nauwe, ondiepe
+kreek, verscholen achter een zwaar gordijn van boomen, zoodat het
+onmogelijk was van den zeekant het schip gewaar te worden.
+
+Het was een flink vaartuig, hoogstens driehonderd ton metend, licht,
+fijn en slank van vorm, hoog op het water, en dat als de wind goed in
+zijne zeilen viel, door het water heen moest snijden met verwonderlijke
+vaart.
+
+Montbars en Philippe stapten in een boot en lieten zich naar boord
+roeien. Zoodra de vermaarde vrijbuiter den voet op het dek van het
+vaartuig zette, bemerkte hij met een glimlach van voldoening dat het
+evenzeer geschikt was om den strijd te aanvaarden als dien ijlings te
+ontwijken, al naar mate de omstandigheden eischten. Bij Philippe aan
+boord heerschte strenge tucht, alles was er geregeld, alles goed en
+netjes in orde, en dit waren zaken, die op de schepen der flibustiers
+tot de zeldzaamheden behoorden. De beide zeelieden daalden naar de
+kajuit af, en namen daar tegenover elkaar plaats op rolstoelen. Op last
+van Philippe verscheen een aardige kleine scheepsjongen van twaalf
+jaren met een guitig en slim gezicht, om voor hen eenige
+verfrisschingen gereed te zetten waarna de knaap vertrok.
+
+—Zoo, zoo,—begon Montbars terwijl hij voor zich een glas oranjewater
+gereed maakte,—naar ik zie hebt ge den zoon van Meursel in dienst
+genomen.
+
+—Ja, de arme kleine duivel was na den dood van zijn vader zoo geheel en
+al verlaten; hij stierf half van honger, en toen heb ik hem opgenomen.
+
+—Dat was een goede daad, maar buitendien heeft die kleine snaak een
+zeer goed uiterlijk, hij schijnt opgeruimd, en zoo fijn als een zijden
+draad.
+
+—Dien naam hebben wij hem ook juist gegeven en hij beantwoordt daaraan
+in alle opzichten.
+
+—Dat dunkt mij ook,—beaamde Montbars.
+
+Hij dronk, liet de tong tegen het verhemelte klappen, zette niet al te
+zacht zijn glas op tafel neer, keek zijn overbuur vlak in het gezicht
+en hernam:
+
+—Dat alles is zeker heel belangrijk, maar zullen wij nu over iets
+anders praten?
+
+—Zeer gaarne, maar waarover?
+
+—Over de wijze waarop wij in de stad Maracaïbo zullen komen, en over
+onze gedragslijn gedurende den tijd dat wij onder de gavachos moeten
+vertoeven. Vindt ge dit onderwerp interessant genoeg?
+
+—Zeer zeker, maar ik durfde daarmee zonder je toestemming niet
+beginnen.
+
+—Die schenk ik je gaarne, spreek op, vriendlief, ik luister.
+
+—Rondweg moet ik je bekennen, waarde Montbars dat ik niet veel
+vindingrijkheid bezit. Veel aangenamer zou het mij dus wezen zoo gij je
+de moeite wildet geven een plan te ontwerpen en mij dit uit te leggen;
+dan heb ik niet anders te doen dan dit te volgen, en op die manier zou
+deze zaak voor mij zeer worden vereenvoudigd.
+
+—Ge denkt te gering over je zelven, vriendlief,—merkte Montbars aan met
+een ietwat spotachtig lachje,—doch zoo ge er op staat, en ook om verder
+geen tijd te verspillen aan ijdele plichtplegingen, wil ik aan je
+verlangen voldoen en aan je oordeel een plan onderwerpen dat reeds door
+mij gemaakt is; een plan trouwens waarover wij te zamen moeten
+beraadslagen.
+
+—Best! Op uwe gezondheid!
+
+De twee zeelieden klonken met elkaar, dronken de glazen tot den
+laatsten druppel leeg, en toen nam Montbars het woord.
+
+—Mag ik vrij uit en zonder de minste achterhoudendheid spreken?—vroeg
+hij met uitvorschenden blik.
+
+—Ik verzoek je dit zelfs zeer dringend.
+
+—Op uw woord?
+
+—Wis en waarachtig, Montbars!—verklaarde de jonge man hartelijk,
+terwijl hij hem de hand toestak die door den vrijbuiter welgemeend werd
+gedrukt.
+
+—Goed, dan meen ik te mogen vertrouwen dat wij het wel met elkaar eens
+zullen worden.
+
+—O! Daarvan ben ik overtuigd!
+
+—Stellen wij dan eerst de feiten vast.
+
+—Niets liever dan dat.
+
+—Gij en ik, wij beiden beoogen éénzelfde doel, welke drijfveeren ons
+daartoe ook mogen voeren, en dat doel is, de inneming van Maracaïbo,
+niet waar?
+
+—Zoo is het!
+
+—En dat doel willen wij bereiken, tot iederen prijs.
+
+—Tot iederen prijs!—herhaalde Philippe.
+
+—Goed zoo! Op die manier wordt de zaak heel wat eenvoudiger. Ik heb je
+beloofd openhartig te zullen zijn, nu zal ik daaraan voldoen, luister
+dus goed toe. Ge hebt mij niet den geringsten voorslag gedaan, ik ben
+dus noch je vertrouwde, noch je medeplichtige en ik ben daarom
+tegenover jou geheel vrij in al mijn handelingen. Stem ge dat toe?
+
+—Volkomen, Montbars.
+
+—De eenige drijfveer die je, naar mijne meening, in deze omstandigheden
+tot handelen aanvuurt is de begeerte om eene vrouw terugtevinden en
+haar te schaken. Val mij nu niet in de rede,—liet hij er op volgen en
+strekte den arm naar hem uit.—Dus is die drijfveer de liefde, met
+andere woorden, een hartstocht. Ge zult het met mij eens zijn dat de
+hartstocht geen berekening kent; hij beheerscht en sleept mee, en het
+gevolg daarvan is meestal het verderf van hem of haar wie hij
+overmeesterd heeft. Ge bemerkt dat ik koel en logisch redeneer, doch
+dit moet, want de zaak is van hoogst ernstigen aard, en vereischt dat
+wij zorgvuldig alle hulpmiddelen overwegen die ons door inzicht en
+verstand aan de hand worden gedaan.
+
+—Vervolg, vervolg, waarde vriend, ik luister met aandacht, er ontgaat
+mij geen woord van hetgeen je mij zegt.
+
+—Nu kom ik tot deze gevolgtrekking. De leiding van de gansche expeditie
+moet aan mij en uitsluitend aan mij verblijven; ik behoud altijd en in
+alles het recht om naar eigen goedvinden te handelen. Gij van uw kant
+daarenboven doet er een eed op dat ge mij onbepaald zult gehoorzamen.
+Hebt ge bezwaar tegen zulk een eed? Denk er goed over na, en antwoord
+dan.
+
+—Montbars,—werd door Philippe op ernstigen toon ten antwoord
+gegeven,—ik erken de waarheid van alles wat door je is aangevoerd, en
+aarzel geen oogenblik om den door jou gevergden eed af te leggen. Ik
+zweer dus je in alles te zullen gehoorzamen, zonder er zelfs ooit aan
+te denken om je rekenschap te vragen van je handelingen.
+
+—Dat is mij een bewijs, Philippe, dat ik mij te uwen opzichte niet
+bedrogen heb en ge in werkelijkheid zijt de man van wien ik steeds en
+zoo gaarne heb gehouden. Maar wees gerust, beste vriend, ge kunt er op
+aan dat ik geen misbruik zal maken van de mij verleende macht,
+integendeel, ik zal die steeds aanwenden in ons wederzijdsch belang,
+want even zeer, ja, misschien nog meer dan jij, haak ik er naar onze
+pogingen met een goeden uitslag bekroond te zien. Luister nu naar
+hetgeen dat, mijns bedunkens, door ons moet worden gedaan. Gij hebt
+gezegd dat ge in het bezit zijt van de noodige papieren, niet waar?
+
+—Ja, dat heb ik.
+
+—Best. Zoek nu of er onder die papieren wellicht een is, dat kan dienen
+als bewijs dat men de een of andere aanzienlijke betrekking bekleedt,
+bijvoorbeeld van het hooge gerechtshof of iets dergelijks.
+
+Philippe stond op, en deed met een sleutel, die aan een stalen
+kettinkje om zijn hals hing een koffertje open, dat in een hoek van de
+kajuit stond; hij haalde daaruit een gansche hoop bescheiden die hij
+ijverig begon te doorsnuffelen. Kort daarop zei hij:—Zie eens, ik
+geloof dat ik daar iets vind, dat ons juist van pas zal komen. Hier
+hebt gij,—en bij die woorden stelde hij hem verscheidene geelachtige
+perkamenten ter hand—familie documenten van zekeren graaf de l’Atalaya;
+die graaf de l’Atalaya is een paar weken geleden gesnapt aan boord van
+een Spaansch schip op de hoogte van Jamaïca.
+
+—Waar kwam hij van daan?
+
+—Uit Spanje.
+
+—Dat treft goed. En wat is er van hem geworden?
+
+—Hij is gestorven aan de wonden, die hem tijdens de entering waren
+toegebracht; het schijnt dat hij zich met leeuwenmoed verdedigd heeft,
+zoo ten minste werd mij verteld door Pierre Legrand, die het kommando
+had over het vrijbuiters-schip dat het Spaansche vaartuig
+overmeesterde.
+
+—Dat treft waarlijk hoe langer hoe beter! Wij moeten die stukken eens
+wat nader onderzoeken.—Vluchtig doorliep hij die documenten en
+vervolgde toen:—Die graaf don Pacheco de l’Atalaya begaf zich naar
+Mexico, als afgevaardigde van het Spaansche gouvernement, tot onderzoek
+van verduisteringen gepleegd door intendanten en ter opneming hunner
+rekeningen, met de meest uitgebreide volmacht, zoodat hij hen zelfs
+desgevorderd kon doen arresteeren en naar Spanje opzenden. Hier heb je
+zijne benoeming tot buitengewoon Opper-intendant,—daarna las hij dat
+stuk geheel voor, en hernam toen,—dit pakket brieven met een lint
+samengebonden bevat de koninklijke bevelschriften met het gewone
+onderschrift Ik, de Koning, gericht aan al de Onder-Koningen,
+Intendanten, Adelantados en Gouverneurs der Spaansche bezittingen.
+Heerlijk! Heerlijk! Ge zoudt geen betere vondst hebben kunnen doen! Dit
+zijn, zooals ge reeds gezegd hebt, beste vriend, juist de papieren, die
+wij noodig hebben, en het is onnoodig er nog verder in te zoeken.
+Luister nu goed. Ik treed op als die graaf, en noem mij dus graaf don
+Pacheco de l’Atalaya, buitengewoon gezant van Zijne Majesteit Koning
+Filips IV; gij, gij wordt don Cardenio Figueroa, mijn geheim
+secretaris; beide die namen en hoedanigheden worden vermeld in de
+documenten die ik hier voor mij heb. Weet ge wellicht ook wat er van
+dien Cardenio geworden is?
+
+—Pierre Legrand heeft hem aan Zwartkop verkocht.
+
+—Zoo, dan kunnen wij ook wat hem betreft gerust zijn, want al is hij
+niet dood dan scheelt dit toch niet veel, wij beiden, gij en ik, weten
+hoe onze vriend Zwartkop zijne pandelingen behandelt. Spreekt
+Zijden-Draad Spaansch?
+
+—Als een Castiliaan!
+
+—Ook al goed! Dan wordt hij mijn page en krijgt tot naam, Lopez
+Cardenas. Nu moeten wij nog drie bedienden kiezen, iemand van mijn rang
+en stand kan het niet minder stellen. Als zoodanig moeten optreden
+Tributor, Pitrians en Luiwammes, en gij moet er voor zorgen dat de taak
+die ik hun eerst had opgedragen aan drie andere daarvoor bekwame en
+goed berekende personen wordt opgedragen. Zij met hun drieën zijn
+genoegzaam bekend met het Spaansch en bovendien, flinke ferme kerels op
+wien wij, zoo dit noodig mocht wezen, gerust staat kunnen maken.
+
+—En daarbij komt nog,—werd door Philippe aangemerkt,—dat het dan voor
+ons onnoodig wordt naar vreemde bedienden om te zien, en wij verzekerd
+zijn dat ons geheim trouw verzwegen zal worden.
+
+—Dat alles blijft dus afgesproken. Nu hebben wij verder niets te doen
+dan van kleeren te verwisselen, goud genoeg bij ons te steken en...
+
+—Een oogenblikje,—viel Philippe op eens in.—Gij vergeet onze bagage;
+hoe moet die vervoerd worden?
+
+Montbars lachte hartelijk en hernam:—Hoe komt ge er toe om mij voor
+zoo’n bagatel in de rede te vallen! Geef maar order om onder zeil te
+gaan. Tien of twaalf mijlen oostwaarts ligt een armzalig dorp, eertijds
+gesticht door Fernando Cortez doch thans verlaten, daar zullen wij
+alles vinden wat wij noodig hebben. Begrijpt ge mij nu?
+
+—Drommels goed!
+
+—Zoodra wij ontscheept zijn, moet uw schip onder zeil gaan om hier weer
+te ankeren, dan hebben wij het altijd te onzer beschikking.
+
+Een half uur later was de schooner onder zeil.
+
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+LA MADRE DE DIOS.
+
+
+Den dag na dien waarop het gesprek tusschen Montbars en Philippe, dat
+in het voorgaande hoofdstuk vermeld is, aan boord van het
+vrijbuitersschip had plaats gehad, zeilde tegen ongeveer vijf uur ’s
+morgens een vlugge, ranke Spaansche schooner kaap Coquibacoa om, zette
+koers naar den ingang van het meer Maracaïbo en hield aan op het kanaal
+tusschen het eiland Kijk-Uit en het Houtduifeilandje, doch niet dan na
+met het eerste signalen gewisseld en het saluut uit het fort van het
+laatste beantwoord te hebben door de zes bronzen kanonnen waarmee het
+bewapend was.
+
+Voor het geoefend oog van een zeeman was het niet mogelijk zich te
+bedriegen over de hoedanigheid van den schooner; de stoute kromming van
+zijn romp, de achteroverhellende bovenmasten, zijn nieuwe zeilen, en
+het zoo uiterst zorgvuldig bekleedde en goed geteerde want deden dit
+vaartuig dadelijk herkennen als een Spaansch oorlogschip.
+
+Vlak over het Houtduifeiland werd een licht bootje te water gebracht,
+waarin twee mannen plaats namen, die met kracht van riemen koers zetten
+naar de brigantijn, waarvan de zeilen gestreken waren in afwachting van
+hunne komst. Een van die twee was een loods. Onder het bereik van de
+stem gekomen, riep die loods de brigantijn aan en vroeg of men hem
+noodig had. Na het bevestigend antwoord van den kommandant lag de loods
+aan stuurboordzij aan, waarna men hem een eind tros toewierp om het
+bootje vast te sjorren; toen klom hij aan boord, zijn metgezel die in
+het bootje was gebleven om het aan te houden, vierde den tros en liet
+het vaartuigje achter den brigantijn drijven, waarvan de zeilen opnieuw
+waren uitgebracht, en die nu weer op de Kaap aanhield.
+
+Eer wij verder gaan willen wij hier een paar woorden inlasschen over de
+streek waar de gewichtigste voorvallen uit dit verhaal zullen plaats
+hebben.
+
+Tusschen kaap Gracias a Dios en Rio Orinoco strekt zich eene lange rij
+van kusten uit over eene zeer uitgebreide oppervlakte; de eerste
+ontdekkers daarvan waren don Alonzo de Ojeda, Vasco Nunez de Balboa (de
+ontdekker van de Stille Zuidzee), Juan de la Cosa en Amerigo Vespucci.
+Die lange rij van kusten werd, naar aanleiding van de onmetelijke
+schatten die daar aanwezig waren, door de Spanjaarden bestempeld met
+den naam van Het Gouden Castilië. Dat gedeelte van die gronden liggende
+tusschen de Magdalena en Orinoco-rivieren, is het eenige waarmeê wij
+ons behoeven bezig te houden.
+
+De Spanjaarden gaven aan die golf den naam van Venezuela, omdat de zeer
+lage kust tegen overstroomingen slechts door duinen beschermd wordt, en
+ook nog omdat zij, tijdens de ontdekking, de bewoners gehuisd vonden in
+hutten, die op de toppen der boomen waren gevestigd, terwijl die lieden
+niet anders dan door middel van prauwen in verkeer met elkaar konden
+komen.
+
+Die golf begint bij kaap Saint-Romain, tusschen den 9n en 10n graad
+noorderbreedte en eindigt bij kaap Coquibacoa, beneden den 9n graad van
+diezelfde breedte. De vrijbuiters gaven er den naam aan van de golf van
+Maracaïbo, of bij verkorting van Marecaye. Tien of twaalf mijlen in
+volle zee, vlak bij den ingang der golf, liggen de eilanden Aruba en
+los Monjes. De golf van Maracaïbo zal omstreeks tien tot twaalf mijlen
+breed zijn; geheel aan het achtereind liggen een paar eilandjes van een
+mijl in omtrek, en daar tusschen door stroomt het water uit het groote
+meer van Venezuela om zich in zee uit te storten. Die stroom vormt
+tusschen die eilandjes een kanaal van middelmatige breedte en breekt op
+een zandbank, die men de Baar noemt. Die hinderpaal kon niet anders
+ontweken worden, dan door lichte vaartuigen. Op het eerste van die twee
+eilandjes, waarover wij reeds gesproken hebben, Kijk-Uit, stond een
+wachttoren, op het andere, het Houtduifeiland, een fort. Als men dien
+nauwen ingang, tevens den toegang tot het meer, ten einde is, komt men
+in een kom of kolk, honderd en twintig kilometers breed en bijna
+tweehonderd en veertig lang, die de wateren van zesenzestig rivieren in
+zich opneemt. De geheele oostelijke oever van het meer is laag en bijna
+altijd overstroomd; juist aan dien kant, ongeveer tachtig mijlen van de
+monding van het meer, huisden de Indianen, waarvan wij melding maakten,
+die, als vogels hun nest, hunne hutten uit een soort van riet op
+wortelboomen hadden opgetrokken. De stad Maracaïbo, het doelwit van de
+vrijbuiters, verhief zich amphitheatersgewijze aan den oever van het
+meer. De elegante huizen, versierd met balkons en beeldhouwwerk, hadden
+het uitzicht op een kleine haven waar het bijna altijd meer dan vol was
+door allerlei koopvaardijschepen. De stad met haar rechte, breede
+straten, bevatte bijna vijfduizend inwoners, vier kloosters,
+verscheidene kerken en een zeer rijk begiftigd hospitaal. Het garnizoen
+bestond uit achthonderd uitgelezen soldaten, en was dus voor die
+streken vrij aanzienlijk te noemen.
+
+Iets verder aan den anderen kant van het meer verhief zich het
+bekoorlijke dorp Gibraltar waar de rijke handelaars uit Maracaïbo en
+Merida, eene stad aan de andere helling der bergen, hunne
+buitenverblijven hadden. Die stad Merida, een der fraaiste en rijkste
+van de Nieuwe Wereld, was in die streek de zetel van het gouvernement
+en de verblijfplaats van den Adelantado of gouverneur-generaal.
+
+De loods werd zeer hupsch door den kommandant van de brigantijn
+ontvangen, die hem dadelijk het gezag over het vaartuig afstond. De
+wind die tot nu toe naar de kust was geweest, begon bij het verlaten
+van het kanaal te draaien en daardoor werd de schooner genoodzaakt bij
+den wind te houden en te laveeren ten einde het voorgebergte Cabrites
+om te zeilen. Dit voorgebergte vormt eene vrij ver vooruitstekende
+kaap, die als het ware de grond is van de zandbank waardoor de ingang
+van het meer wordt belemmerd. Dank zij de uitstekende vaart van den
+schooner en de gemakkelijkheid waarmee hij tegen den wind opwerkte,
+koste het niet veel moeite om met het schip de kaap om te zeilen.
+
+—Vive Dios!—riep de loods die naar aanleiding daarvan dien uitroep niet
+kon weerhouden,—Kommandant, wat hebt gij een uitstekend schip! Ik kende
+het nog niet. Het is zeker de eerste keer dat het zich in deze streek
+vertoont, niet waar?
+
+—Ja, het is werkelijk voor den eersten keer,—bevestigde de
+kommandant.—Maar bovendien, het is gebouwd op een der werven van
+Corunna, en die hebben, zooals ge weet, overal een goeden naam.
+
+—Ja, ja, men mag zeggen wat men wil, maar de Spaansche marine is de
+beste van de geheele wereld, en er is geen land waar zulke knappe
+scheepsbouwmeesters gevonden worden,—luidde de blufferige uitspraak van
+den loods.—Hebt gij geen enkele haven aangedaan eer gij hier kwaamt?
+
+—Zeker, zeker! Ik ben te Santo Domingo binnen geloopen en heb mij dáár
+een paar weken opgehouden.
+
+—Zoo! En is de overtocht voorspoedig geweest?
+
+—Bij uitnemendheid! Uitgezonderd dat wij bij het passeeren der eilanden
+onder den wind een paar verdachte schepen in het zicht kregen, die wij
+echter zonder veel moeite achter ons konden laten, hebben wij niet den
+minsten tegenspoed gehad.
+
+—Ja, ik twijfel er ook niet aan of uw schooner is best in staat om een
+ander de loef af te steken. Die schepen behoorden zeker aan de ladrones
+van Sint Christoffel. Hebt gij al vernomen dat die kerels het eiland
+Tortue weer heroverd hebben? [2]
+
+—Neen, dat wist ik niet! Hoe is dat gekomen?
+
+—Daar weet niemand het ware van. Die gevleeschde duivels zijn op het
+eiland doorgedrongen, hoe dit weet geen sterveling, en hebben het
+garnizoen overrompeld en krijgsgevangen gemaakt, eer dit eigenlijk goed
+wist wat er gaande was en met welke vijanden het te doen had.
+
+—Hum! Dat is een treurig geval.
+
+—Zeer treurig, zeker! De Onder-Koning van Nieuw-Spanje is dan ook
+woedend, en heeft er een eed op gedaan, dat hij die herhaalde
+schandalige zeeschuimerij duur aan de ladrones zal betaald zetten. Naar
+het schijnt heeft hij reeds maatregelen genomen om aan die bedreiging
+gevolg te geven en is eene zeer sterke vloot uit Vera-Cruz vertrokken.
+
+—God geve dat het hem gelukke moge aan die halve duivels een verdiende
+kastijding toe te dienen!
+
+—Amen! En nu kommandant zullen wij met uw goedvinden, vol voor den wind
+afhouden om tusschen het eiland Borica en het vaste land te passeeren,
+dan langs de stad zeilen en voor den wind de haven binnen loopen waar
+gij een veilige ligplaats zult vinden.
+
+—Er liggen zeker veel schepen te Maracaïbo?
+
+—Neen, daarvoor is het nu de tijd niet; er zijn er maar heel weinig,
+zeker niet meer dan zeven of acht kustvaarders. Maar over een maand dan
+komen ze weer uit Europa opzetten en zal de haven er heel anders
+uitzien dan nu.
+
+De manoeuvre werd met de meeste stiptheid uitgevoerd; de brigantijn
+hield vóór den wind af, passeerde tusschen Borica en het vaste land,
+zeilde ongeveer een half uur langs de stad bijna rakelings aan het
+strand, en liep toen, even als door den loods gezegd was, met volle
+zeilen de haven binnen, waar men ten anker ging genoegzaam vlak aan den
+rand van den nauwen ingang, kort vóór de koopvaardijschepen, en het
+schip vastmeerde aan een dood lichaam dat bestemd was voor de
+oorlogsschepen. De loods ontving zijn loon, en op de brigantijn werden
+de zeilen gestreken en geborgen met de eigenaardige vlugheid en
+regelmatigheid welke aan oorlogsschepen eigen zijn; daarna werden door
+de bemanning, onder leiding van den bootsman, de booten te water
+gebracht. De kommandant liep op den achtersteven aan stuurboordzijde op
+en neer, druk pratende met een reeds eenigszins op jaren gekomen
+persoon, een passagier naar het scheen, toen een der scheepsjongens
+hoogst onderdanig bij den officier van de wacht kwam om hem kennis te
+geven, dat een boot, waarin zich verscheidene personen bevonden, de
+haven had verlaten en met kracht van riemen op den schooner scheen aan
+te houden. De officier ging daarvan dadelijk rapport maken bij den
+kommandant, die oogenblikkelijk stil bleef staan, een paar minuten de
+boot zeer nauwkeurig opnam, en zich toen over den schouder van den
+officier van de wacht heenboog om dezen iets in het oor te fluisteren;
+daarna gaf hij een wenk aan den passagier met wien hij in gesprek was
+geweest, hem te volgen, en beiden daalden daarop af naar de kajuit. Een
+paar andere personen waren in de kajuit aanwezig en hielden zich
+onledig met dunne cigaretten te rooken, nu en dan een teugje
+oranjewater nemend uit kelken van Boheemsch glas.
+
+—Wel?—vroeg in het Fransch een van hen aan den kommandant, zoodra deze
+in de deur van de kajuit verscheen.
+
+—Wel!—herhaalde de kommandant, en wreef zich daarbij zeer vergenoegd de
+handen.—Tot nu toe gaat alles zeer naar wensch; de loods houdt ons voor
+niet anders dan echte gavachos: la Madre de Dios doet wonderen; zij
+heeft op en top het voorkomen van een eerzamen Spaanschen schooner, de
+loods is zeer in zijn schik over ons vertrokken, en verheft ons
+waarschijnlijk op dit oogenblik tot in de wolken in alle mogelijke
+kroegen van de stad.
+
+—Wel drommels, Pierre Legrand,—werd daarop geantwoord door den eersten
+spreker, die niemand anders was dan Philippe,—eere wien eere toekomt!
+Jij hebt ruimschoots bijgedragen aan dit goede succes. Ge speelt je rol
+uitmuntend, en op mijn woord men zou je kunnen houden voor een echten
+señor.
+
+—Ba!—hernam Pierre Legrand lachende.—Dat beduidt waarachtig toch
+zooveel niet, ik ben immers een Bayonner? Maar nu opgepast, broeders,
+er is een boot in het zicht, daarmee komen zeker de eerste autoriteiten
+van de stad. Nu komt het er op aan een oog in het zeil te houden en op
+te passen dat wij ons niet verspreken.
+
+—Kom, kom!—antwoordde Philippe lachende.—Heb daarover geen zorg! Wij
+zullen je voorbeeld volgen en hopen te toonen dat wij niet voor je
+onderdoen. Wie is de officier die je met de ontvangst van onze
+bezoekers hebt belast?
+
+—Michel de Baskiër.
+
+—Uitmuntend, dit kan niet beter, want hij is voor het minst even goed
+Castiliaan als jij.
+
+Het zoogenaamd Spaansche oorlogschip was werkelijk de brigantijn van
+Philippe.
+
+Met de vermetele stoutmoedigheid hun eigen, hadden de flibustiers niet
+geaarzeld dit roekelooze waagstuk te ondernemen, vast verzekerd dat
+zij, zoo het mocht gelukken, veel gemakkelijker en veel spoediger al de
+inlichtingen zouden verkrijgen, die volstrekt noodig waren voor den zoo
+gevaarvollen aanslag, dien zij wilden ondernemen, en even vast
+besloten, om ingeval van mislukking en ontdekking, zich eer met hun
+schip in de lucht te laten vliegen dan zich aan de Spanjaarden over te
+geven. Overigens moeten wij erkennen dat al de voorzorgen, door de
+voorzichtigheid geëischt, met de meeste zorgvuldigheid waren in acht
+genomen.
+
+De schooner, een Spaansch schip door Pierre Legrand en Philippe eenigen
+tijd vroeger prijs gemaakt, had men ontdaan van alle eigenaardigheden
+van een vrijbuitersschip, om het daarentegen weer geheel en al het
+voorkomen te geven van een Spaansch oorlogsschip, tot zelfs den
+vroegeren naam van la Madre de Dios, die in plaats gekomen was van la
+Coquette, zooals Philippe het schip had herdoopt; het want was met zorg
+nagezien en opnieuw geteerd, nieuwe zeilen waren aangeslagen, het dek
+geschuurd en geschrobt, het koper opgepoetst, en de bemanning gestoken
+in de kleedij van matrozen der Spaansche marine, in één woord nooit was
+zulk een dwaze expeditie met meer beleid op het getouw gezet en
+aangevangen.
+
+Onbezorgd over zoovele gevaren die hun boven het hoofd hingen, lachten
+die duivelsche vrijbuiters als halve dwazen bij de gedachte aan den
+mooien streek dien zij hunne onverzoenlijke vijanden van zins waren te
+spelen; zulk een kwajongensstreek, die echter geduchte gevolgen kon
+hebben, lag geheel in hun aard en kwam overeen met hun karakter en
+hunne gewoonten, zoodat zij zich daarover om het zoo eens uit te
+drukken verkneuterden. Ieder beijverde zich dus ten zeerste om goed de
+rol te vervullen die hem in deze comedie was toebedeeld, eene comedie
+echter die ieder oogenblik door een of ander toeval, met geen
+mogelijkheid te voorzien, kon veranderen in een vreeselijk treurspel,
+een tooneel van moord en slachting, in een bloedbad. Maar dit was geen
+bezwaar waardoor de flibustiers zich lieten terughouden, zij dachten er
+slechts aan hoe zij zich het meest ten koste der Spanjaarden zouden
+amuseeren, en over de beste manier waarop zij daarin zouden slagen.
+
+Inmiddels was de boot, snel voortgestuwd door krachtige riemslagen,
+dicht bij de brigantijn gekomen, en kort daarna lag zij bij de valreep
+aan stuurboord.
+
+Michel de Baskiër had reeds spoedig bemerkt dat in de achtersteven van
+de boot iemand zat in de uniform van hoofdofficier; hij plaatste dus
+verscheidene matrozen bij de staatsietrap en toen de Spaansche officier
+die beklom werd hem, op het fluitje van den bootsman, de eer bewezen
+verschuldigd aan zijn rang. Zoodra die officier, die niemand anders was
+dan don Fernando d’Avila, de vroegere gouverneur van Tortue, den voet
+op het dek zette bevond hij zich tegenover Michel de Baskiër. De beide
+personages groetten elkaar zeer ceremonieel.
+
+—Met wien heb ik de eer te spreken, caballero?—vroeg Michel beleefd.
+
+—Señor oficial—(officier) werd door Fernando niet minder beleefd ten
+antwoord gegeven,—ik ben don Fernando d’Avila, namens Zijne Majesteit,
+Gouverneur van de stad Maracaïbo.
+
+—Wees welkom aan boord van dit schip señor Gouverneur,—zóó luidde de
+begroeting van Michel, vergezeld van een eerbiedig gebaar.
+
+—Señor,—hernam don Fernando,—bij de nadering van dit schip meende ik
+het te herkennen als Zijner Majesteits schooner la Madre de Dios, die
+te Santo-Domingo binnenliep op denzelfden dag dat ik die stad verliet
+om mij voor Zijne Majesteit naar hier te begeven.
+
+—Gij hebt u daarin niet vergist, caballero, dit schip is werkelijk la
+Madre de Dios.
+
+—Dat werd ook bevestigd door den loods die het in de haven heeft
+gebracht, en bij wien ik informatie liet inwinnen. Ik heb mij toen
+gehaast naar hier te komen, daar, zoo ik mij niet bedrieg, zich bij u
+aan boord moet bevinden señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya, en ik
+gaarne de eerste wilde zijn hem bij zijne komst in deze streken te
+begroeten.
+
+—Wij hebben de eer, caballero, om onder onze passagiers ook te tellen
+den graaf de l’Atalaya, die zich heeft verwaardigd te Santo-Domingo
+zich bij ons in te schepen.
+
+—Ja, ik had ook reeds vernomen dat de graaf gebruik zou maken van uw
+schip bij zijn overtocht naar hier. Ik verzoek u thans, señor, zoo goed
+te willen zijn mij voor te stellen aan Zijne Excellentie.
+
+—Señor, dáár is onze kommandant,—zei Michel, buigende voor Pierre
+Legrand die juist op dit oogenblik op het dek kwam,—die zelf de eer zal
+hebben u aan den señor Conde voor te stellen.
+
+Don Fernando d’Avila trad naar Pierre Legrand toe, met wien hij eenige
+plichtplegingen wisselde, en tegelijkertijd dezelfde vraag deed die hij
+reeds aan Michel de Baskiër had gedaan.
+
+—Gouverneur,—gaf Pierre Legrand ten antwoord,—Zijne Excellentie stond
+juist gereed om aan wal te gaan, doch zal zich, daaraan twijfel ik
+niet, gelukkig achten u hier te ontmoeten, en het zeer op prijs stellen
+dat door u zooveel haast is gemaakt, om aan boord te komen. Heb de
+goedheid mij te volgen.
+
+Daarop ging hij vooruit om den gouverneur den weg te wijzen, en steeg
+met hem de trap af naar de kajuit, waar zich thans niemand bevond.
+Pierre Legrand bood den gouverneur een zetel aan, en sloeg toen op een
+timber (klok zonder klepel) waarop een kajuitsjongen verscheen.
+
+—Ga Zijne Excellentie graaf de l’Atalaya verwittigen dat de señor
+gouverneur van Maracaïbo hier de bevelen van Zijne Excellentie
+afwacht,—gelastte Pierre Legrand.
+
+De kajuitsjongen boog en vertrok; een oogenblik later kwam hij terug en
+kondigde aan:—Señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya.
+
+Montbars trad binnen, en don Fernando stond haastig op om hem te
+begroeten. Montbars beantwoordde dien groet met waardigheid en zei
+daarop:—Naar ik meen zijt gij kapitein don Fernando d’Avila. Ik heb
+reeds meermalen en zeer gunstig over u hooren spreken. Het is mij
+aangenaam, señor, met u in kennis te komen.
+
+—Uwe Excellentie maakt mij verlegen,—antwoordde de gouverneur opnieuw
+buigende.—Ik verdien waarlijk niet...
+
+—Houd het mij ten goede, señor,—viel Montbars haastig in.—Gij zijt een
+goed en loyaal dienaar van Zijne Majesteit, en als zoodanig hebt gij
+recht op al mijne achting. Laat mij u bovendien bedanken voor de moeite
+die gij u hebt willen geven u zoo spoedig aan mij voor te stellen. Ook
+ik had mij reeds voorgesteld een bezoek aan u te brengen.
+
+—Dat behoorde toch het eerst door mij te worden gedaan, Excellentie, en
+tevens acht ik het mijn plicht mij te uwer beschikking te stellen;
+daarbij heb ik de eer u mede te deelen dat ik last heb gegeven om voor
+Uwe Excellentie en gevolg in het paleis, dat ik bewoon, vertrekken in
+gereedheid te brengen.
+
+—Dat is iets waaraan geen gevolg moet worden gegeven, waarde heer, want
+hoewel ik u zeer dankbaar blijf voor dit zoo hoffelijke aanbod, kan ik
+toch niet anders dan het bepaald afslaan, daar ik op geenerlei wijze u
+den minsten overlast wil veroorzaken. Buitendien moet ik u, onder ons,
+in vertrouwen doen opmerken, dat het voor mij, om behoorlijk de zending
+te vervullen die mij is opgedragen, hoog noodig is, dat ik den ganschen
+dag vrij over mijn tijd kan beschikken. Gij zult mij wel begrijpen,
+niet waar?
+
+—Excellentie...
+
+—Laat ons dit beschouwen als bepaald afgesproken. Gij keert nu naar wal
+terug, en zult mij zeer verplichten door voor mij een zeer gewone
+bescheiden woning te huren, het doet er niet toe waar.
+
+—Maar toch...
+
+—Genoeg daarover,—voegde Montbars hem toe en tikte hem even op den
+arm.—Er bestaan voor mij overwegende redenen om op die manier te
+handelen. Later zal ik u die wel eens mededeelen.
+
+—Als het zoo door uw Excellentie geëischt wordt, blijft mij niet anders
+over dan te gehoorzamen.
+
+—Ik zeg u dank voor uwe bereidwilligheid. Wees er verzekerd van
+mijnheer de Gouverneur, dat ik hoogst gevoelig ben voor uwe
+beleefdheid.
+
+—Dan zal ik nu afscheid nemen van uwe Excellentie, om ten spoedigste
+aan uw verlangen te voldoen.
+
+—Doe zoo, en ik verzoek u het mij dadelijk te doen weten zoodra door u
+eene geschikte woning is gevonden.
+
+—Excellentie, ik wil aan niemand de eer afstaan u in uwe nieuwe woning
+te installeeren, en zoo dit mij door u wordt toegestaan, zal ik zelf u
+daarheen geleiden.
+
+—Zeer gaarne.
+
+De twee heeren wisselden toen nog de gewone beleefdheden en daarop
+verliet don Fernando het schip, opgetogen door de zoo welwillende
+ontvangst die hem ten deel was gevallen van iemand zoo hoog in rang als
+graaf de l’Atalaya.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+DE INSTALLATIE.
+
+
+Toen don Fernando d’Avila niet meer op de brigantijn aanwezig was en de
+aanvoerders der flibustiers dus weer buiten hun rol konden treden,
+gaven zij zonder eenige terughouding lucht aan de overmaat van vreugde
+over het groote en ongedachte succes van zulk een brutaal bedrog. Hun
+vermetele krijgslist scheen alles te overtreffen wat in de jaarboeken
+van de Broeders der Kust over zaken van dien aard geboekstaafd stond,
+en toch bevatten die jaarboeken menig staaltje dat de bewondering
+gaande maakte. Doch het moest erkend worden, dat door de vrijbuiters,
+ondanks hun dapperheid, die boven allen twijfel verheven stond, nog
+nooit zulk een gevaarvollen aanslag was beproefd om achter de geheimen
+hunner vijanden te komen. Morgan, de mooie Laurent, in één woord geen
+enkel der helden onder de boekaniers hadden ooit durven wagen zooveel
+op het spel te zetten.
+
+Maar toen de eerste oogenblikken van opgewondenheid voorbij waren,
+begon men te wikken en te wegen, en daarna zich te beangstigen over den
+zoo geheel onverwachten goeden uitslag. Toen scheen het hun onmogelijk
+lang de rollen vol te houden die zij onder elkander hadden verdeeld, en
+die zoo hachelijke comedie af te spelen, zonder daarbij ontmaskerd te
+worden. Zij bleven peinzend staren naar de stad, wier witte huizen
+trapsgewijze voor hunne blikken oprezen, en de vraag kwam bij hen op,
+of het niet beter zou zijn, nu het nog tijd was, zich den aanstaanden
+nacht ten nutte te maken, weer onder zeil te gaan en te trachten, te
+ontkomen aan dit wespennest waarin zij zich zoo roekeloos hadden
+gestoken.
+
+De Spanjaarden waren immers te veelvuldig met de vrijbuiters in
+aanraking geweest, om het als genoegzaam zeker te kunnen achten dat in
+een stad met meer dan vijfduizend inwoners en een garnizoen van
+achthonderd man, niet de een of ander zou wezen, die hetzij een der
+aanvoerders hetzij een der matrozen van den schooner zou herkennen.
+
+Die overwegingen kwamen zeker wel een beetje te laat, maar toch waren
+zij oorzaak dat die gebruinde gezichten somberheid toonden; de
+voorzichtigheid kreeg de overhand, en die mannen, hoe dapper ook,
+werden nu ondanks zich zelven ten prooi aan een onwederstaanbaren angst
+bij de gedachte aan de verschrikkelijke wederwraak die de Spanjaarden
+zouden nemen zoodra deze het brutale bedrog zouden ontdekken, waarvan
+zij de dupe waren geweest. Die vrees werd zóó ernstig zóó algemeen
+gedeeld, dat het weinig scheelde of de brigantijn was dadelijk onder
+zeil gebracht ten koste van alles wat daarvan mocht komen.
+
+Slechts twee mannen bleven vast en onwrikbaar bij hun besluit om aan
+wal te gaan en tot het eind te volharden in het plan waarom zij naar
+Maracaïbo waren gekomen. Die twee mannen waren Montbars en Philippe. De
+beweegredenen waardoor zij gedreven werden, waren zoo ernstig en
+gewichtig dat in hun geest alle bezwaren en overwegingen moesten
+wijken, voor hun vurig verlangen om tot iederen prijs te slagen in
+hetgeen zij zich ten doel hadden gesteld. Nu zij met de grootste
+koelbloedigheid hun eigen leven en dat hunner kameraden hadden gewaagd
+om in de stad te komen, waarop zij thans een blik konden vestigen, nu
+zij op het punt stonden hunne pogingen bekroond te zien, nu zouden zij
+nooit toestemmen tot een schandelijken terugtocht onder den invloed van
+overdreven angst, een gevoel onwaardig voor mannen zooals zij waren.
+Montbars verhief met kracht zijne stem tegen dit besluit dat zijne
+kameraden wilden nemen; hij toonde hen aan hoezeer het prestige dat de
+vrijbuiters hadden weten te verwerven, hun, zelfs buiten hun weten, tot
+waarborg strekte tegen de ondernemingen der Spanjaarden, bij het niet
+zeer denkbare geval dat deze hen zouden herkennen. Het ergste wat hun
+kon overkomen, was dat men gedwongen werd tot vechten; thans was er
+geen enkel Spaansch oorlogschip noch in de golf noch op het meer,
+derhalve waren de vrijbuiters meesters van de zee, en dus nog altijd in
+staat om zonder groot bezwaar een terugtocht aan te vangen die
+glorierijk zou mogen genoemd worden, waar men te kampen had tegen
+honderdvoudige overmacht, maar op dit oogenblik des te smadelijker daar
+er niets was, waardoor men ertoe genoodzaakt werd.
+
+Die overtuigende redeneering, krachtdadig ondersteund door Philippe,
+had het gevolg wat Montbars er van verwachtte; de vrijbuiters schudden
+even gauw den angst af als die hen overvallen had en zwoeren Montbars,
+dat zij hem trouw zouden blijven, en zich eer tot den laatsten man
+zouden laten dooden dan hem aan zijn lot overlaten.
+
+Nauwelijks had Philippe don Fernando d’Avila gezien of hij had hem
+herkend als den vroegeren gouverneur van het Schildpaddeneiland, den
+voogd van donna Juana. Onmiddellijk daarop stond zijn besluit vast; al
+moest hij alleen te Maracaïbo blijven, dan zou hij dit zonder aarzelen
+doen, veel liever dan af te zien van de hoop haar die hij liefhad terug
+te zien, te meer daar dit het eenige doel was waarom hij een expeditie
+uitgerust en zijn brigantijn bewapend had.
+
+Toen de opgewondenheid, veroorzaakt door al die beraadslagingen door
+ons in hoofdzaak medegedeeld, bedaard en de rust hersteld was, werden
+de volgende besluiten genomen. De schooner zou dien nacht de
+ankerplaats verlaten en dichter bij wal worden gebracht om zoodoende
+makkelijker het verkeer met de stad te kunnen onderhouden. Pierre
+Legrand en Michel de Baskiër, de beide gezagvoerders van het schip,
+zouden verkenningen doen, en peilingen bewerkstelligen, maar alles
+steeds in gereedheid houden om op het eerste signaal onder zeil te
+gaan. Nog werd overeengekomen dat het aan de gansche bemanning,
+uitgenomen de beide gezagvoerders, strikt verboden zou zijn aan wal te
+gaan, en dat zelfs de gezagvoerders dit nooit te zamen maar altijd
+ieder afzonderlijk mochten doen, uit vrees voor een mogelijke
+overrompeling. De scheepjongen, Zijden-Draad, werd belast met de
+overbrenging van de orders van Montbars naar de brigantijn. Aan boord
+zou de stiptste discipline gehandhaafd worden, en, daar de geringste
+ongehoorzaamheid den ondergang van allen zou kunnen berokkenen, werd
+bevolen dat de schuldige onmiddellijk zou worden doodgeschoten; ten
+overvloede en om zoo min mogelijk iets aan het toeval over te laten,
+werd nog verordend dat de toegang tot het schip volstrekt ontzegd bleef
+aan de inwoners van de stad. Al die maatregelen werden vastgesteld en
+goedgekeurd in eene gezamenlijke vergadering door de vrijbuiters; zij
+deden er een eed op dat die stipt zouden worden in acht genomen, op
+even plechtige wijze als bij hunne aanwerving voor de inneming van het
+Schildpaddeneiland bij de beëediging der monsterrol had plaats gehad.
+Toen dit alles was geregeld, ging men over om de ontscheping te
+bespreken.
+
+Er waren zes personen, die zich aan wal moesten begeven, en wel in de
+eerste plaats, Montbars, onder den naam van don Pacheco graaf de
+l’Atalaya, buitengewoon Opper-intendant, en Philippe, als don Cardenio
+Figueroa, zijn geheim-secretaris. Tevens Tributor, Pitrians en
+Luiwammes, thans José, Purdo en Pico genoemd, als bedienden van den
+graaf en eindelijk Zijden-Draad of Lopez Cardenas, zijn page. Montbars
+deed allen in de kajuit bij zich komen om hun zijn laatste instructies
+te geven. De rollen die zij van nu af hadden te vervullen, waren des te
+moeielijker daar zij die in acht moesten nemen ten aanzien van een
+ieder, en goed zorgen dit geen oogenblik te vergeten. Er ging meer dan
+een uur voorbij om hun dit met allerlei voorbeelden goed in te prenten
+en te doen gevoelen dat het van het grootste gewicht was dit steeds in
+het oog te houden. Toen de vermaarde vrijbuiter ten laatste er zeker,
+of ten minste bijna zeker van was, dat zij hunne rollen stipt zouden
+volhouden, gaf hij order om twee booten te bemannen.
+
+Hij zelf begaf zich in de eerste vergezeld door Philippe en
+Zijden-Draad; drie andere vrijbuiters namen plaats in de tweede, met de
+kisten, koffers en de verdere bagage, die aan hunne zorgen werden
+toevertrouwd. Montbars keek om zich heen met eene vreemde uitdrukking
+op zijn gelaat, ging toen recht in de boot staan, nam zijn hoed af,
+groette glimlachend de matrozen, die zich over de berghouten van de
+brigantijn gebogen hielden en sprak daarna met luide stem tot de
+roeiers.
+
+—Stoot nu af, mannen, maar denkt er vooral aan dat van dit oogenblik af
+geen enkel Fransch woord door ons mag gesproken worden.
+
+De boot werd afgehouden en met krachtige riemslagen voortgestuwd naar
+het havenhoofd, waar reeds een groot aantal der inwoners verzameld was
+en met ongeduld scheen te wachten naar het oogenblik waarop het de zoo
+hoog geplaatste persoon, die men wist dat zich aan boord van de
+brigantijn la Madre de Dios bevond, behagen zou aan wal te komen.
+
+Nu wij tot dit gedeelte van ons verhaal zijn gekomen willen wij gaarne
+zeer nederig bekennen dat wij zouden aarzelen het te vervolgen, zoo wij
+niet in het bezit waren van de authentieke bewijzen der bijna
+hersenschimmige feiten die wij verder hebben mede te deelen. Want
+waarlijk grenst het aan het ongeloofelijke dat die mannen zoo vermetel
+zijn om eene gansche bevolking tot dupe te maken van een zoo dwaas
+komediespel, en evenzeer kan dit gezegd worden van de verbazende
+onnoozelheid waarmede de bevolking, met de autoriteiten aan het hoofd,
+zich zoo gemakkelijk door hen laat bedotten, zonder eenig wantrouwen te
+koesteren, ondanks de menigvuldige listen waaraan zij van de kant der
+flibustiers reeds blootgestaan had en die haar nu weer tot speelbal
+gekozen hadden. Doch men moet in het oog houden dat in die dagen de
+middelen van verkeer veel moeielijker en beperkter waren dan
+tegenwoordig; slechts op enkele vaste tijden kwamen er schepen uit
+Europa aan, daardoor bleven de Spaansche Koloniën bijna altijd in
+genoegzaam volslagen onbekendheid niet alleen met de gebeurtenissen in
+het moederland, maar zelfs met hetgeen in de onmiddellijke nabijheid
+voorviel, dat wil zeggen in de naburige Koloniën.
+
+Die onwetendheid kwam aan de vrijbuiters bij hunne plannen bijzonder
+goed te stade; buitendien waren zij zelf, die onophoudelijk en in alle
+richtingen de zee doorkliefden en kruisende bleven vóór de voornaamste
+havens der kust en van de eilanden, steeds volkomen op de hoogte der
+gebeurtenissen die voor hen van eenig belang waren, door de schepen die
+zij van de Spanjaarden kaapten, hetzij die van Europa kwamen of
+daarheen terugkeerden, de gevangenen die zij daarbij maakten en de
+depêches of documenten die hun daardoor in handen kwamen. Ook moeten
+wij ten overvloede hier nog bijvoegen dat door de vrijbuiters, sedert
+de verbeterde organisatie hunner vereeniging, in de gewichtigste
+plaatsen spionnen werden onderhouden die hun door middel van
+afgesproken signalen langs de kust, bericht gaven van alle zaken die
+voor de vrijbuiterij van belang waren.
+
+Hoe dit ook wezen moge de beide booten naderden met spoed het
+havenhoofd en lagen kort daarop stil aan de trap.
+
+Don Fernando d’Avila, in groot tenue van Luitenant-Kolonel van het
+Spaansche leger, weer een hoogeren rang die hem sinds kort was
+verleend, wachtte de reizigers af te midden van den staf van het
+garnizoen en van de voornaamste autoriteiten der stad. Na de
+gebruikelijke plichtplegingen en voorstellingen liet don Fernando voor
+Montbars en Philippe paarden voorbrengen. Het gansche geleide steeg te
+paard en onder de toejuichingen der menigte, het gebulder van het
+geschut, en de opwekkende militaire muziek werd de tocht naar de Plaza
+Mayor langzaam aangevangen.
+
+Het huis dat don Fernando had laten inrichten tot een geschikt verblijf
+voor Montbars, stond op dit zelfde plein, niet ver van de kathedraal en
+vlak tegenover het paleis van den gouverneur. Een eerewacht was vóór de
+deur opgesteld. Don Fernando steeg af en noodigde de vrijbuiters uit
+hem in het huis te volgen waarna hij hen de kamers rondleidde, en
+verscheidene inrichtingen meer in het bijzonder aanwees. Na afloop van
+dit kort bezoek nam de Gouverneur afscheid om graaf de l’Atalaya tijd
+te geven zich geheel naar zijn goedvinden in dit huis te installeeren,
+doch don Fernando verwijderde zich niet dan na van den graaf de belofte
+te hebben verkregen, dat deze met zijn secretaris dien avond deel zou
+nemen aan een banket dat hem werd aangeboden door de autoriteiten van
+de stad.
+
+Nauwelijks waren de poorten van het huis achter de Spanjaarden gesloten
+of de vrijbuiters herademden; het was voor de eerste maal dat zij zich
+zóó lang moesten bedwingen en dit begon hun moeite te kosten en te
+vermoeien; zij hadden er dus veel behoefte aan om zich weer vrij te
+gevoelen. Hun eerste zorg was nu om het huis tot in de kleinste
+bijzonderheden nader op te nemen. Niettegenstaande hem daarvoor slechts
+weinig tijd was gelaten had de gouverneur de woning voor den
+Opper-Intendant uitstekend in orde gebracht. Het was een groot huis met
+ruime vertrekken; achter het huis strekte een prachtigen tuin zich vrij
+ver uit, en, wat den vrijbuiters het meeste beviel, het gebouw, in
+werkelijkheid eigenlijk een paleis, had drie verschillende uitgangen,
+die niet met elkaar in verband stonden; de eerste, de hoofdpoort, kwam
+uit op de Plaza Mayor, de tweede, in den tuinmuur, verleende toegang
+tot de calle Bodegones, en de derde, meer bepaald ten gebruike van het
+dienstpersoneel in de calle Plateros. Dank zij deze, voor hen zoo
+dienstige inrichting, waarover de vrijbuiters zeer in hun schik waren,
+konden zij uit- en ingaan zonder te worden bemerkt en liepen zij geen
+gevaar in hun huis als in een gevangenis opgesloten te blijven.
+Daarenboven was de tuin, waarvan wij reeds melding maakten, vol
+uitheemsche, zeer lommerrijke boomen, en verscheidene zeer dicht
+begroeide prieeltjes, waar bijna geen zonnestraal kon doordringen,
+zoodat hier zeer goede gelegenheid bestond om bezoeken te ontvangen, en
+geheime gesprekken te voeren zonder in gevaar te verkeeren van
+bespionneerd of beluisterd te worden.
+
+Daar de optocht, zooals wij gezegd hebben niet dan langzaam
+voortschreed, was de bagage reeds in de woning gebracht, eer de
+vrijbuiters daar afstapten; alles was daar reeds geschikt, geregeld, en
+op orde nog vóór zij den voet binnen de deur hadden gezet. Montbars
+begaf zich naar zijne vertrekken om eenige oogenblikken rust te nemen,
+en liet aan Philippe de zorg over om de bedienden, die zich kwamen
+aandienen te woord te staan, en hun hunne plichten aan te wijzen.
+Philippe kweet zich van die netelige taak als een zeer schrander
+persoon, dat hij trouwens werkelijk was. Zijn eerste zorg was daarna
+naar den officier te gaan die de eerewacht kommandeerde en hem hoogst
+beleefd te bedanken, maar meer nog om er voor te zorgen dat hij zich
+met zijne soldaten zoo spoedig mogelijk verwijderde, waarom hij zich
+haastte hem, namens Zijne Excellentie, een met goud goed gevulde beurs
+ter hand te stellen om onder deze waardige manschappen te verdeelen,
+die daarop aftrokken onder uitbundig vreugdegejuich.
+
+Daarna stelde Philippe aan: een kok, twee keukenjongens, twee
+mayorales, twee lakeien, en vier palfreniers. Al die lieden verkregen
+geen toegang tot de bijzondere vertrekken waarvan de dienst uitsluitend
+moest worden waargenomen door de vertrouwde bedienden van den graaf,
+met andere woorden door Tributor, Luiwammes en Pitrians. De anderen
+bleven overigens onder het onmiddellijk toezicht van Pardo, of
+Pitrians, den zoogenaamden Intendant van Zijne Excellentie. Toen het
+bedienend personeel dus was georganiseerd, liet Philippe paarden
+voorbrengen, hij koos er twaalf, dieren van groote waarde, die dadelijk
+naar de corral werden gebracht. De jonge man, die niets over het hoofd
+zag, was op zeker oogenblik op de gedachte gekomen, dat het misschien
+goed zou wezen, om te allen tijde over uitstekende paarden te kunnen
+beschikken.
+
+Pitrians, Luiwammes, Tributor, en Zijden-Draad werden gehuisvest in de
+vertrekken grenzende aan die van Montbars en Philippe, om op ieder uur
+zoowel ’s nachts als op den dag in de nabijheid te wezen van hunne
+voorgewende meesters en zoo noodig hun hulp te kunnen bieden. Aan
+Pitrians werd nog in het bijzonder opgedragen geen enkelen avond ter
+rust te gaan, dan na het huis van boven tot beneden in alle hoeken en
+gaten te hebben doorzocht, en tot overmaat van zekerheid de vertrekken
+der Spaansche bedienden te hebben afgesloten. Al die beschikkingen
+vereischten vrij wat tijd en het was niet vóór vijf uur ’s namiddags
+dat Philippe daarmeê eindelijk gereed was, en toen naar Montbars kon
+gaan om dezen verslag te doen van alles wat hij verricht had. De
+vrijbuiter keurde zijne schikkingen goed, en beiden begonnen zich nu te
+kleeden voor het banket waarop zij genoodigd waren, daarbij geholpen
+door Tributor, die bij deze gelegenheid fungeerde als kamerdienaar.
+
+—Wij dienen ons wel op dit feest te vertoonen,—meende Montbars.—Alleen
+de vrees om den gouverneur te ontstemmen, wiens goede gezindheid wij
+tot iederen prijs moeten trachten te behouden, heeft mij weerhouden om
+dadelijk voor die uitnoodiging te bedanken, doch nu wij ons niet geheel
+van dit feest kunnen onttrekken, is het ook zaak zooveel mogelijk van
+die gelegenheid te profiteeren en terstond in onze rollen op te treden.
+
+—Wat wilt gij daarmee zeggen?—vroeg Philippe, die de bedoeling niet
+begreep.
+
+—Wat ik daarmee zeggen wil, wel, dat wij reeds morgen aan den dag in
+functie moeten komen. Laat ons het steeds bedenken dat wij hierheen
+zijn gezonden, om de rekeningen van de heeren Intendanten op te nemen,
+na te zien, uit te pluizen enzoovoorts. Dat werk is een werk van langen
+duur, want wij worden er door verplicht de voornaamste steden van
+iedere kolonie te bezoeken. Vat ge nu waar ik heen wil, vriend?
+
+—Volkomen. Dus moeten wij naar Gibraltar gaan en naar Merida?
+
+—In één woord overal waar een streng onderzoek moet plaats
+grijpen,—merkte Montbars glimlachend aan.
+
+—Arme Spanjaarden,—mompelde Philippe.
+
+—Hoe nu! Begint ge medelijden met hen te krijgen?
+
+—Ronduit gezegd, ja! Zij ontvangen ons zoo hartelijk!
+
+—Maar vergeet des ondanks niet om een dolk bij je te steken.
+
+—Wees daarover gerust. Men weet nooit wat er kan gebeuren.
+
+—Tributor laat de paarden zadelen. Gij moet ons vergezellen tot aan het
+paleis van den gouverneur. Het zal wel overbodig wezen om je nog eens
+op het hart te drukken, een oog in zeil te houden, niet waar?
+
+De pandeling liet een flauw glimlachje bemerken, boog en ging heen.
+Enkele minuten later reed graaf de l’Atalaya vergezeld van zijn
+secretaris, en gevolgd door een bediende en een page, de Plaza Mayor
+over, en richtte zich naar het paleis van den gouverneur, waar de wacht
+onder de wapens kwam om hem militaire eer te bewijzen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+DE DUENNA.
+
+
+Zóó verliepen enkele dagen waarin de vrijbuiters de dubbele rol, die
+zij op zich hadden genomen, vervulden met zeldzame behendigheid en
+zelfs zonder die één enkel oogenblik uit het oog te verliezen. Ondanks
+het voorgewende strenge onderzoek over de tamelijk verwarde rekeningen
+en verantwoordingen der intendanten, wist Montbars zich in hooge mate
+de genegenheid van die waardige ambtenaren te verwerven, daar zij zich
+gelukkig achtten, er dank zij de verschoonende toegevendheid van den
+gevreesden buitengewonen Opper-intendant, beter af te komen dan zij
+verwacht hadden; zij wisten niet hoe zij hem genoeg zouden roemen, en
+waren niet uitgesproken over zijne kunde en zijn degelijk inzicht, maar
+in de eerste plaats over zijne uitstekende bekwaamheden in betrekking
+tot de belastingen.
+
+Onder voorwendsel van alleen door eigen oogen te willen zien (en
+werkelijk was dit zijn doel, doch niet in den zin dien men aan zijne
+woorden gaf) gunde de flibustier zich geen oogenblik rust, maar trok
+onophoudelijk van Maracaïbo naar Gibraltar, en van Gibraltar naar
+Maracaïbo, nergens verzuimende het terrein op te nemen en schijnbaar
+zonder daaraan veel gewicht te hechten, steeds druk met den gouverneur
+in gesprek over zaken waarover hij nader wenschte te worden ingelicht.
+
+Michel de Baskiër hield zich van zijn kant ijverig bezig met opnemingen
+en peilingen en de oplossing van ingewikkelde zeevaartkundige
+berekeningen, waarover de Spanjaarden, onnoozel genoeg, ten hoogste
+verbaasd maar ook zeer verrukt waren, zich vleiend met de hoop dat die
+strekken moesten voor het maken van uitgestrekte zeeweringen, iets wat
+van het hoogste belang was voor de toekomst der kolonie.
+
+Zonder bepaald reden te geven van zijn verlangen om te Maracaïbo te
+blijven, had Philippe aan Montbars verzocht hem in de stad achter te
+laten, om, zoo hij voorgaf, het oog te houden op de autoriteiten, en
+bij den minsten schijn van gevaar zijne kameraden te kunnen
+waarschuwen. Bij dit verzoek had de flibustier even geglimlacht, doch
+zonder verdere toelichtingen te verlangen dadelijk aan den jongen man
+toegestaan hierin geheel naar eigen goedvinden te handelen; toch had
+hij hem ernstig op het hart gedrukt de grootste voorzichtigheid in acht
+te nemen, er vooral op wijzende dat één enkele verkeerde zet door hem
+gedaan voldoende zou wezen om den goeden uitslag van de gansche
+expeditie onvoorwaardelijk te verspelen, vooral met het oog op het zoo
+begrijpelijke wantrouwen der Spanjaarden, een wantrouwen dat zoozeer
+versterkt was geworden door de zoo herhaalde verrassingen waarvan zij
+door de vrijbuiters de slachtoffers waren geworden.
+
+Toch was nog buitendien de positie van den jongen man uiterst
+moeielijk. Iederen keer dat hij goed vond aan don Fernando d’Avila een
+bezoek te brengen, werd hij door dezen zeer voorkomend ontvangen en
+bejegend, dit was waar; de waardige gouverneur had er geen flauw
+vermoeden van wie of wat de secretaris aan Zijne Excellentie graaf de
+l’Atalaya eigenlijk was, ook dit was waar. Maar toch bleek uit alles
+duidelijk dat de gouverneur met dien fijnen reuk, welke aan jaloersche
+menschen en aan voogden eigen is, zich zoo al niet bepaald verzekerd
+hield, dan toch vermoedde dat er onder het elegante uiterlijk en de
+beschaafde manieren van señor don Cardenio een minnaar school. Wel
+ontving de gouverneur den jongen man met de meeste ongedwongenheid, wel
+deed hij het voorkomen alsof hij hem ten volle vertrouwde, maar toch
+bleven zijne manieren zoo ceremonieel, waren de beleefdheden zoo deftig
+en werd bij alles zulk een echt Castiliaanschen trots in acht genomen,
+dat het niet mogelijk was tot eenige intimiteit te komen, daar dit
+steeds door den slagboom eener onoverkomelijke etiquette belet werd.
+
+Philippe raakte buiten zich zelven van woede; iederen keer wanneer hij
+terugkwam van eene dier vruchtelooze bezoeken bij den gouverneur gaf
+hij zich in zijn kamer aan buien van dolle vertoorndheid over, die
+belachelijk zouden zijn geweest, indien de jonge man niet zoo innig en
+oprecht bemind en dus vreeselijk geleden had.
+
+Don Fernando had zijne pupil niet aan de flibustiers voorgesteld,
+sedert hunne komst te Maracaïbo, had hij haar als het ware naar hare
+vertrekken verbannen, zoodat zij slechts één keer naar de kerk was
+geweest in een zeer dicht gesloten palankijn, omstuwd door een aantal
+bedienden die de gansche breedte van de straat besloegen en dus den
+toegang tot den palankijn onmogelijk maakten; buitendien was zij de
+kerk binnen getreden door eene bijzondere deur en had toen plaats
+moeten nemen in eene getraliede galerij waar zij door niemand kon
+worden opgemerkt. Het was dus te vergeefs geweest dat de jonge man,
+geheel op de hoogte van de Spaansche gewoonten, er voor zorgde om een
+der eersten in de kerk te zijn, en dadelijk post vatte bij een
+wijwaterbakje. Hij bood dan het gewijde vocht aan tal van bekoorlijke
+dames, die hem beloonden met een innemend lachje, tegelijk hoogst
+aanvallig even hare mantilles openslaande; en waarschijnlijk zou het
+slechts van hem hebben afgehangen verscheidene veroveringen te behalen;
+maar die glimlachjes, en die uitdagende blikken waren tegenover hem
+verlorene moeiten; zij voor wie hij slechts oogen had, verscheen niet,
+en hij ging heen met den dood in het hart, ten prooi van hevige
+ontroering, en, zooals alle teleurgestelde verliefden, in zijn geest
+allerlei plannen beramend, die even onzinnig als onuitvoerbaar waren.
+
+Ten einde raad kwam de jonge man er toe het als zeker te beschouwen,
+dat donna Juana don Fernando niet naar Maracaïbo vergezeld had, maar
+door dezen naar Sint-Domingo teruggebracht was; die meening vestigde
+zich zoo sterk bij hem, dat hij besloot dien eigen avond nog aan den
+gouverneur daarover opheldering te vragen, het kostte wat het wilde.
+Hij had tot vaste gewoonte aangenomen ’s avonds in de Alameda eene
+wandeling te doen, en kon er bijna zeker op rekenen dáár ook den
+gouverneur te ontmoeten.
+
+Het was zoowat vier uren in den namiddag; gewoonlijk werd die
+wandelplaats niet vóór zeven ure ’s avonds bezocht, en dus had Philippe
+nog drie volle uren den tijd om te bedenken hoe hij het zou aanleggen
+bij don Fernando met zulk een soort van verhoor te slagen, maar hoe
+dichter de klok naar zeven uur wees, hoe moeielijker hij het begon te
+vinden zijn plan ten uitvoer te brengen. En waarlijk hoe kon er eene
+gereede aanleiding gevonden worden om bij een caballero, dien men eerst
+sinds de laatste drie of vier dagen had leeren kennen, inlichtingen in
+te winnen omtrent iemand, met wiens bestaan hij geacht moest worden
+geheel onbekend te zijn? Hoe zou don Fernando die onbescheiden vragen,
+die hij voornemens was tot hem te richten, opnemen? Welk recht had hij
+den gouverneur die vragen te doen? Het geval was ernstig, zoo ernstig
+zelfs dat Philippe zich moedeloos op eene buttaca liet neervallen, de
+armen over de borst sloeg, en tot de overtuiging kwam dat er eigenlijk
+niets door hem kon worden verricht.
+
+Het sloeg zeven ure, en op dit kort afgebroken geluid, sprong Philippe
+plotseling op, als getroffen door een electrieken schok, greep zijn
+hoed, drukte dien vast op zijn hoofd en mompelde:—Kom! Toch ga ik! Wie
+weet wat er gebeurt!
+
+Op dat oogenblik werd een paar keeren geklopt aan de deur van het salon
+waar hij vertoefde.
+
+—Wel?—riep Philippe eenigszins sidderend.—Wie is daar?
+
+—Ik ben het,—werd ten antwoord gegeven door de schorre stem van
+Tributor.
+
+—Loop naar de maan!—hernam Philippe spijtig.—Ik verwachtte heel iemand
+anders dan jou.
+
+Philippe zou zeker zeer in verlegenheid zijn gebracht indien de
+goedhartige reus hem gevraagd had, wien hij dan wel had verwacht; maar
+die gedachte kwam niet bij Tributor op en lachend gaf hij ten antwoord:
+
+—Word ik op die manier door je ontvangen! Ik moet zeggen dat is zeer
+hupsch, je bent wel in een prettige stemming.
+
+—Goed! Wat wil je eigenlijk?
+
+—Ik? Niets.
+
+—Waarom kom je mij dan hier hinderen?
+
+—Omdat in de Saguan iemand is die vraagt of gij te spreken zijt?
+
+—En wie is die iemand?
+
+—Dat zou ik waarlijk niet zoo precies kunnen zeggen. Maar zoover ik heb
+kunnen nagaan, ondanks de kap en de doeken waarin zij zich heeft
+gewikkeld, moet het eene oude vrouw zijn.
+
+—Laat zij naar de maan loopen!—hernam Philippe.
+
+—Goed,—vervolgde Tributor.—Gij schijnt van avond niet bijster in je
+schik, en daarbij veel lust te hebben een ieder naar de maan te zenden.
+
+—Ge verveelt mij, en van die oude vrouw wil ik niets weten, zend haar
+weg.
+
+—Zoo als gij wilt! Maar,—gaf de reus te kennen en schudde tevens het
+hoofd,—misschien doet gij daar verkeerd aan. In Spanje wordt eene oude
+vrouw doorgaans gevolgd door eene jonge dame en op dit oogenblik
+bevinden wij ons hier midden onder de Spanjaarden. Denk daar eens over
+na.
+
+Dit gezegde trof Philippe en daarom zei hij:
+
+—Nu, ’t is mogelijk dat ge gelijk hebt. Is dat oudje heel leelijk?
+
+—Afzichtelijk! Zij heeft veel van eene tooverkol die van de heksendans
+terugkomt.
+
+De jonge man bleef een oogenblik in gepeins en al dien tijd keek
+Tributor hem ter sluik en spotachtig aan.
+
+—Nu goed,—zei Philippe eindelijk.—Breng haar maar hier, dan zal ik te
+weten komen wat zij van mij wil, en spoedig genoeg een middel vinden om
+mij van haar te ontslaan.
+
+Dit zeggende, sprak Philippe anders dan hij dacht want zijne
+nieuwsgierigheid was ten sterkste opgewekt, en met slecht verholen
+ongeduld vestigde hij zijne blikken op de deur, toen hij de komst
+afwachtte van de vrouw waarover Tributor had gesproken. Eindelijk
+verscheen zij. Philippe uitte een kreet van vreugde en van verrassing,
+snelde naar haar toe.—Na Cigala!—riep hij uit.
+
+Zonder antwoord te geven, wees de duenna naar den reus die onbeweeglijk
+bij de deur voor het salon stond.
+
+—Ga heen,—zei Philippe tegen Tributor.
+
+Dadelijk verwijderde de reus zich en trok de deur achter zich toe. Toen
+kwam de duenna dichter bij Philippe, keek hem eenige oogenblikken strak
+aan en vroeg toen:
+
+—Zijt gij het dus wezenlijk en waarlijk zelf?
+
+—Zeker, ik ben het,—luidde het antwoord.—Twijfelt ge daar nog aan?
+
+—Hoe kan men er toe komen te gelooven dat u waarlijk hier waart, en dat
+nog wel in zulk eene betrekking als u bij den Señor Conde de l’Atalaya
+bekleedt, die luid en overal verkondigt welk een gloeienden haat hij
+den gringos (ketters) toedraagt.
+
+—Dit is zoo,—beaamde hij onwillekeurig glimlachend,—en toch ziet ge dat
+de graaf, ondanks dien haat, goed heeft gevonden mij aan te stellen als
+zijn geheim-secretaris, doch dit alles doet er eigenlijk niets toe. De
+hoofdzaak was voor mij te zorgen dat ik hier in de stad kwam; nu dit is
+mij gelukt, op welke manier ik daarin ben geslaagd is iets dat mij
+alleen aangaat, en laten wij dus liever spreken over donna Juana.
+
+—Donna Juana,— herhaalde zij met een diepen zucht.
+
+—Is haar eenig onheil overkomen?—vroeg Philippe gejaagd.
+
+—Onheil, neen, neen!—antwoordde zij dadelijk, en maakte naar Spaansch
+gebruik het teeken des kruises.—Die arme Juana!
+
+—Maar waarom spreekt ge dan over haar op een wijze die mij met vrees
+vervult en toch vooronderstellen doet dat zij een nog heviger lijden te
+verduren heeft dan dat, waaraan ik ten prooi ben.
+
+De duenna bleef een poos zwijgen en keek wantrouwend om zich heen.
+
+—Niemand kan ons hier hooren, na Cigala,—sprak de jonge man, die dit
+opmerkte geruststellend.—Spreek gerust, maar ga eerst zitten, want dan
+zult ge je meer op uw gemak bevinden, en deel mij nu de boodschap mede,
+waarmede ge zeker voor mij zijt belast.
+
+—Och!—zuchtte zij, terwijl zij ging zitten in de butaca die Philippe
+naar haar toe had geschoven.—Mag ik tegen u señor don Philippe, rond en
+openhartig zijn? Ik wil wel spreken, maar durf bijna niet, uit vrees
+dat gij boos zult worden.
+
+—Goede ziel,—gaf Philippe ten antwoord, die de grootste moeite had zijn
+ongeduld te bedwingen,—spreek gerust en vrij uit, dit verzoek ik u
+zelfs dringend, en beloof daarenboven, dat ik mij niet kwaad zal maken,
+wat ge mij ook moogt mededeelen. Ik verlang er zoozeer naar om te weten
+wat ge mij te zeggen hebt, en geloof mij ik kan daardoor in geen ergere
+spanning komen, dan waarin ik nu verkeer, want uwe achterhoudendheid
+kwelt mij onuitstaanbaar.
+
+—Och, och, santa Virgen!—bromde de oude vrouw.—Wat zijn zulke jonge
+menschen toch haastig en ongeduldig!
+
+—Maar vóór alle dingen verzoek ik je ernstig mij antwoord te geven op
+een paar vragen, en dan zal ik je vrijheid laten, om geheel naar eigen
+goedvinden mij verder alles te vertellen.
+
+—En wat zijn die vragen?—vroeg zij weer met eenig wantrouwen.
+
+—Is donna Juana gezond?
+
+—God zij dank, ja! Zij is geheel en al bekomen van die vermoeiende
+reis, en zoo gezond als zij wenschen kan.
+
+—Dank, dank! En heeft zij mij nog altijd lief?
+
+—Zou ik anders wel hier zijn gekomen?—merkte de oude vrouw eenigszins
+bits aan.
+
+—Dan is alles goed!—riep Philippe opgewonden.—Als hare gezondheid niets
+te wenschen overlaat, en als zij mij nog altijd bemint, dan is aan
+mijne grootste begeerte voldaan! Begin nu maar te zeggen, goede, beste
+ziel, alles wat ge te zeggen hebt. Thans ben ik zoozeer door je
+gerustgesteld, dat ik met het grootste geduld naar je zal luisteren,
+zonder boos of driftig te worden, dat beloof ik je, begin dus, want ik
+ben zeer benieuwd wat ik door je zal vernemen.
+
+Met een glimlach om de lippen wierp de jonge man zich achter in zijn
+leunstoel, en ging recht gemakkelijk zitten. Droevig en meer dan eens
+schudde de duenna het hoofd en keek daarbij den jongen man aan met eene
+moeielijk te beschrijven uitdrukking; daarna haalde zij diep adem, even
+als iemand die een zeer gewichtig besluit heeft genomen en zette het
+gesprek voort.
+
+—Señor caballero,—zoo begon zij,—gij zult het zeker van mij, die in uw
+oog niet anders is, en niet anders zijn kan dan eene dienstbode, zeker
+zeer vreemd vinden, dat ik mij bemoei met de zaken en belangen van
+personen, die door hunne geboorte zoover boven mij geplaatst zijn.
+
+—Daarin bedriegt ge je, na Cigala,—werd door Philippe op zeer
+goedhartigen toon ten antwoord gegeven.—Ik weet hoe vriendschappelijk
+donna Juana je gezind is, en vind het dus integendeel zeer natuurlijk,
+dat je veel belang stelt in alles wat haar aangaat.
+
+—Voor donna Juana ben ik geen gewone dienstbode, señor; ik heb haar
+bijna zien geboren worden, la querida ninna; ik was haar min; bijna
+nooit ben ik van haar af geweest; om haar naar Amerika te volgen heb ik
+alles achter gelaten, mijn man, mijne kinderen en mijne bloedverwanten.
+Ik heb haar even lief, alsof zij mijn eigen kind was, en misschien nog
+liever.
+
+—Met alles wat ge mij daar vertelt, was ik reeds bekend, behalve over
+die bijzonderheden van uwe reis naar Amerika. Dus is donna Juana in
+Spanje geboren.
+
+—Wie kan dat zeggen?—mompelde de oude vrouw en sloeg de oogen ten
+hemel.
+
+—Hoe! Wie kan dat zeggen!—herhaalde Philippe.—Wat beteekent dit, na
+Cigala?
+
+—Luister, caballero,—werd ten antwoord gegeven.—Het weinigje dat ik
+daarover weet, zal ik u nu mededeelen.
+
+—Ga voort, na Cigala, ga voort,—uitte de jonge man haastig.
+
+—Vergeet niet, caballero, dat ik vertrouw op uw woord als edelman, en
+dit geheim nooit over uwe lippen mag komen.
+
+—Ik geef u daarop mijn woord van eer!
+
+—Ik was al zoowat een jaar of drie getrouwd, had reeds mijn eerste kind
+gekregen en sinds een maand was het tweede er bij gekomen. Mijn man en
+ik woonden in een hutje, dicht bij een stroom, enkele uren van Pau.
+
+—Wat!—viel Philippe hoogst verwonderd uit.—Zijt ge dan geen Spaansche?
+
+—Neen, ik ben uit Bearn.
+
+—Verder, verder,—zei Philippe haastig en draaide ongeduldig in zijn
+stoel heen en weer.
+
+—Mijn man maakte jacht op beren en wilde geiten, deed zoo nu en dan een
+beetje aan het smokkelen, en diende in zijn verloren oogenblikken als
+gids aan de reizigers die somwijlen uit Spanje naar Frankrijk trokken,
+of uit Frankrijk naar Spanje terugkeerden. Ondanks al die bedrijven of
+juist omdat hij er zoo vele aan de hand had, was mijn man arm, zoo arm
+zelfs, dat er meer dan eens gebrek aan brood was in ons armzalig hutje.
+Juan werd wanhopig, het ongeluk scheen ons te vervolgen, maar ondanks
+alles bleven wij eerlijk. Eens kwam mijn man terug, na langer dan
+gewoonlijk afwezig te zijn geweest, en werd toen vergezeld door een
+edelman. Gij kunt er op aan dat ik blijde was toen ik hem weer bij mij
+had, want in de laatste twee dagen was er geen kruimel over mijne
+lippen gekomen en Juan bracht leeftocht meê.—Moed gehouden,
+vrouwlief—zei hij tegen mij,—doe je te goed en wees in je schik, want
+hier is een edel heer, die medelijden met ons heeft.—Toen nam ik dien
+vreemden heer eens goed op, want ik had nog bijna geen acht op hem
+geslagen, daar hij diep in zijn mantel gedoken dicht bij de deur was
+blijven staan. Die vreemde heer was reeds op jaren, had een mooi maar
+stuursch gelaat, zoo trotsch van uitdrukking, dat ik er van huiverde,
+hij was gekleed juist als een edelman. Ik groette hem onderdanig en
+bedankte hem bijzonder voor al de goedheid die hij ons betoonde. Toen
+sloeg hij zijn mantel open, toonde mij een kindje dat hij tegen zijn
+borst hield gedrukt en zoowat van den eigen leeftijd van mijn jongste
+was, en zei: „Goede vrouw, ge behoeft mij daarvoor niet te bedanken,
+want de eene dienst is de andere waard, en hier ziet ge een zeer teer
+schepseltje waarvoor ik je verzoek voorloopig te zorgen alsof jij zelf
+de moeder waart.” Ik greep het kindje dadelijk, dacht er niet langer
+aan meer te eten, hoewel ik rammelde van den honger en legde het
+schepseltje aan de borst.
+
+—En dat kindje was Juana, niet waar?—viel Philippe ongeduldig in.
+
+—Ja, caballero, zij was het. Die edelman scheen er een oogenblik met
+voldoening naar te kijken, dat ik dadelijk zoo goed zorgde voor dat
+lieve engeltje; hij kwam dicht bij mij staan en drukte een kus op het
+snoeperige gezichtje van de kleine die reeds rustig was ingeslapen.
+„Nu, ik zie wel,” zei hij,—„dat alles hier goed zal gaan, en ge als een
+moeder zult zorgen voor Juana, zóó heet het kind, het is een weesje.
+Hier hebt ge een beurs met zestig onzen goud [3]; binnen een jaar zult
+ge hetzelfde bedrag ontvangen, door bemiddeling van de heeren Izaguirre
+en Zamala te Pau, en dat zal herhaald worden zoolang het kind aan uwe
+zorgen blijft toevertrouwd; ge hebt niet anders te doen dan aan die
+heeren dezen ring te vertoonen.”—Toen trok hij van den pink van zijn
+linkerhand den ring, versierd met één enkelen steen, een bleeke robijn,
+en reikte mij dien toe. „Ge hebt goed begrepen wat ik van u verlang,
+niet waar? Weet te zwijgen, en dan zult ge u niet over mij te beklagen
+hebben. Vaarwel.”—Hij wikkelde zich weer in zijn mantel, trok den rand
+van zijn hoed over de oogen, gaf door een gebiedenden wenk aan mijn man
+te kennen, hem te volgen en ging de hut uit. Hij is nooit meer bij ons
+terug geweest, maar hoe kort ik hem ook gezien heb, toch ben ik er
+zeker van, dat ik hem zou herkennen, zoo wij elkaar ooit weer mochten
+ontmoeten; zulk een indruk heeft zijn gelaat op mij gemaakt, en zoo
+duidelijk en klaar kan ik mij zijne trekken weer voor oogen stellen.
+
+—Wie kan die man zijn geweest?—mompelde Philippe.—Haar vader
+waarschijnlijk?
+
+—Dat geloof ik niet. Drie jaren gingen voorbij. Ieder jaar ging ik naar
+Pau, toonde daar den ring, en zonder dat men verder iets vroeg werden
+mij de zestig onzen goud uitbetaald. Op een goeden morgen werd er tegen
+de deur van onze hut geklopt; ik begon te beven, want wij woonden dáár
+zoo afgelegen, dat wij nooit door iemand werden opgezocht, dan alleen
+door enkele kennissen van mijn man, óók smokkelaars die zonder veel
+omslag de deur openduwden en deden alsof zij te huis waren. Ik deed de
+deur open, en zag een vreemden heer vóór mij staan. Die heer was een
+der eerste klerken op het kantoor van de heeren Izaguirre; ik weet dit
+heel goed, want had hem er altijd gezien, als ik daar het geld ging
+halen. Hij groette mij en vroeg of hij mijn man kon spreken, ik zei van
+neen, daar hij er op uit was, maar dat ik hem ieder minuut terug
+wachtte.
+
+„Nu goed,”—gaf hij ten antwoord,—„ik heb al den tijd.” Hij kwam binnen
+en ging op een bank bij het vuur zitten, wij waren nog vroeg in de
+lente en het was vinnig koud tusschen de bergen; pas een uur later kwam
+mijn man terug, de vreemde heer ging met hem naar buiten, en daar
+bleven zij lang met elkaar praten. Op eens kwam Juan weer bij mij en
+zei, „vrouw, je moet je gauw kleeden, die señor hier komt Juana halen
+en je moet met hem mede.” Ik begon er iets tegen in te brengen, maar
+die heer viel mij in de rede en waarschuwde: „Doe zooals uw man zegt
+daar zult ge u wel bij bevinden.” Ik gehoorzaamde, met tranen in de
+oogen. Een uur later zat ik naast dien heer in een rijtuig met Juana op
+mijn schoot, en reed dwars door de Pyreneën op weg naar Spanje. Wij
+hielden nooit anders stil dan om te eten of van muildieren te
+verwisselen. Na een tocht van vier dagen hield het rijtuig op voor een
+heel mooi huis buten een dorp; later vernam ik dat dit dorp Ocano
+heette. De vreemde heer gaf door een wenk te kennen dat ik moest
+uitstappen en hem volgen. De deur van dat huis was reeds opengedaan
+toen men het rijtuig hoorde stilhouden; die heer trad binnen, ook ik,
+en zag daarna eene dienstbode die onbeweeglijk vóór ons stond. De heer
+liep met mij het gansche huis door, en toonde mij al de kamers, die
+zeer goed, doch zonder weelde, waren gemeubileerd. „Hier zijt ge nu
+tehuis,” voegde hij mij toe, „en moet er tot nader order blijven;
+iedere maand zult ge het voor uw onderhoud noodige geld ontvangen.
+Mijne zending is nu afgeloopen. Goeden dag.”—„Maar mijn man dan?—vroeg
+ik.”—„Dat is waar ook,—gaf hij ten antwoord.—Lees dezen brief, dien hij
+mij voor je heeft meegegeven. Maar onthoud vooral goed dat ge niemand
+hier bij je moogt toelaten dan alleen den persoon, die je een ring zal
+toonen, geheel gelijk aan dien welken je reeds hebt. Vaarwel!” Hij ging
+heen, ik hoorde het rijtuig in galop wegrijden, en bleef alleen achter
+met Juana, die zich om niets bekommerde en zeer in haar schik was dat
+zij nu vrijheid had om door al de kamers te huppelen.
+
+—Dat is een zeer zonderlinge geschiedenis,—zei Philippe.—En hoe liep
+dat af?
+
+—Op de eenvoudigste manier, señor. In den brief van mijn man, gelastte
+deze mij dat ik stipt moest gehoorzamen en gaf hij mij de verzekering
+dat alles heel goed voor ons zou afloopen. Ik onderwierp mij dus aan
+zijn verlangen, en gevoelde mij weldra geheel tehuis en tamelijk
+tevreden in ons nieuw verblijf. Zoo verliepen enkele maanden. Doch op
+zekeren dag hield een rijtuig vóór het huis stil, een heer stapte er
+uit, kwam naar binnen en toonde mij een ring. Die heer was don Fernando
+d’Avila; hij vertelde mij dat hij de voogd was van Juana en kwam om
+haar te halen en naar Madrid te brengen; hij vroeg mij of ik lust had
+met hem mede te gaan; daar ik zóó innig hield van het arme kind,
+waarvoor ik als eene moeder had gezorgd, brak mijn hart bij de
+gedachte, dat ik van haar zou moeten scheiden, en dus nam ik zijn
+voorstel aan. Te Madrid werden wij gehuisvest in een prachtig paleis.
+Iederen dag kwam don Fernando op een bepaald uur Juana afhalen voor
+eene wandeling die soms zeer lang duurde. Wat mij betreft ik ging nooit
+uit, daar het mij verboden was mijne vertrekken te verlaten, doch
+schikte mij hierin, te meer daar mijn man mij in al zijne brieven
+voorhield, dat ik steeds zonder tegenstribbelen moest gehoorzamen aan
+alles wat men van mij verlangde. Op een goeden dag deelde don Fernando
+mij mede dat hij naar Amerika moest vertrekken, en deed mij, even als
+den vorigen keer, den voorslag om hem daarheen te vergezellen. Wat
+moest ik doen? Ik was ver van mijne vrienden, in een vreemd land. Wie
+kon zeggen wat de gevolgen zouden zijn, indien ik weigerde? Ik nam het
+dus aan. Wij maakten met don Fernando den overtocht naar Hispaniola,
+dáár wees hij ons tot verblijf aan het stadje, waar het toeval of
+wellicht de hand der Voorzienigheid u zoo onverwachts op onzen weg
+heeft gebracht. Verder heeft niets de eentonigheid van ons leven
+afgebroken. Don Fernando heeft steeds volgehouden zijne pupil met
+goedheid en eerbied te behandelen; naar het schijnt is hij bijzonder op
+haar gesteld, terwijl hij ook voortdurend haar met de meeste zorgen
+omringt.
+
+—Maar,—zoo viel Philippe haar in de rede, haastig en gejaagd,—hebt ge
+nooit iets meer ontdekt omtrent de geboorte van donna Juana, dan wat ge
+mij daarover hebt medegedeeld?
+
+—Niets. Wie zou mij daaromtrent hebben kunnen inlichten?
+
+—Gij hebt gelijk! Het is eene hoogst zonderlinge geschiedenis!
+
+—En tevens eene zeer treurige.
+
+—Arm kind!—zuchtte Philippe.—Doch zeg mij eens,—vervolgde hij op geheel
+anderen toon,—hebt ge dien ring bewaard?
+
+—Zeker! Die ligt secuur geborgen in een koffertje.
+
+—Wilt ge mij dien eens laten zien?
+
+—Wanneer ge maar goedvindt.
+
+—Wie weet? Zou het zoo onmogelijk zijn dat wij daardoor iets op het
+spoor kwamen?
+
+De duenna schudde twijfelend haar hoofd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+EEN ZEETOCHTJE.
+
+
+Er heerschte eenige oogenblikken stilzwijgen, doch ten laatste hervatte
+Philippe het gesprek en zei, met den arm op zijn butaca leunende.
+
+—Na Cigala, ik betuig je mijn bijzonderen dank, zooals ik ten volle
+verplicht ben, voor het vertrouwen dat ge toont in mij te stellen, daar
+ge mij dit geheim hebt willen mededeelen; toch wil ik je ronduit
+bekennen dat het mij reeds bekend was, tenminste gedeeltelijk. Donna
+Juana had mij reeds geruimen tijd geleden alles verteld wat zij er van
+wist. Doch houd het mij ten goede zoo ik nu, op mijn beurt, eene vraag
+tot je heb te richten.
+
+—Laat hooren, señor,—gaf de duenna ten antwoord,—zoo ik er toe in staat
+ben, zal ik die beantwoorden.
+
+—Dat zal je niet veel moeite kosten. Ge hadt zonder twijfel een
+bedoeling met het verhaal van die treurige geschiedenis. Welnu waarin
+bestaat dat doel? Dit is iets wat ik gaarne wil weten.
+
+—Ik stond op het punt, caballero, om het u mede te deelen.
+
+—Goed, doe dit dan, ik verlang er zeer naar.
+
+—Donna Juana is u gewaar geworden, hoe en waar, dat zou ik niet kunnen
+zeggen, doch het is een feit dat zij u dadelijk heeft herkend. Haar kon
+ik niets weigeren, ik heb haar veel te lief, dan dat ik niet alles zou
+doen wat zij van mij verlangt. Nu heeft zij mij dringend verzocht naar
+u toe te gaan, en te zeggen, dat zij u van avond nog wacht op eene
+plaats waar ik u zal brengen, daarom ben ik hier gekomen. Maar op die
+wandeling van het huis van don Fernando naar het uwe, heb ik er ernstig
+over nagedacht, en thans wil ik u doen hooren wat het resultaat is
+geweest van mijne overwegingen.
+
+—Goed, na Cigala, deel mij het mede, en ik ben er zoo goed als zeker
+van dat ik je daarop voldoende zal kunnen antwoorden.
+
+—God geve het, Señor! De eer van donna Juana gaat mij boven alles ter
+harte. Bij ons vertrek uit Hispaniola vleide ik mij met de hoop dat ik
+u nimmer zou terugzien, en donna Juana er eindelijk toe zou komen om u
+te vergeten. Gij bemerkt dat ik openhartig ben.
+
+—Ja, misschien een beetje te veel.
+
+—Toch niet! Eene liefde zonder hoop sterft ten laatste uit, dit is zoo
+zeker als een wet der natuur. Dus rekende ik er op, dat de afwezigheid
+eindelijk mijn lief kind zou bevrijden van haar innig gevoel voor u;
+doch door uwe onverwachte komst hier, worden al mijne plannen in de war
+gestuurd en falen al mijne berekeningen. Don Felippe, gij zijt jong,
+knap, rijk, van goede afkomst, dit laatste vooronderstel ik ten minste,
+welnu, ik smeek u in naam uwer moeder, wees tegen mij even openhartig,
+als ik dit tegen u was. Antwoord mij dus zooals dit een edelman
+betaamt. Is de liefde die gij voor donna Juana gevoeld waarachtig en
+oprecht? Met andere woorden bemint gij haar genoeg om haar tot vrouw te
+nemen ondanks al het duistere en al het geheimzinnige dat ten opzichte
+van hare geboorte bestaat? Of is het bij u wellicht, zooals zoo dikwerf
+bij jonge menschen, niets anders dan eene voorbijgaande hartstocht,
+waarin de ijdelheid het hoogste woord voert, en die verdwijnt zoodra
+aan haar verlangen is voldaan. Gij bemerkt nu ten volle don Felippe dat
+ik met die vragen rondborstig voor den dag kom, geef daarop zonder
+aarzeling en op dezelfde manier antwoord, dit eisch ik van u die
+edelman zijt.
+
+—En zoo zal ik ook doen, na Cigala—verklaarde Philippe in de grootste
+opgewondenheid.—Ik bemin donna Juana met waarachtige en oprechte
+liefde, eene liefde zoo zuiver dat de engelen zich er over zouden
+verheugen. Wij hebben bezworen dat wij elkaar tot echtgenoot zullen
+nemen, en dat noch de een noch de andere ooit aan een ander zou
+behooren. Wat mij betreft dien eed zal ik gestand blijven tot iederen
+prijs. Wat doet het er toe, of donna Juana al dan niet van adel mocht
+wezen! Zij is goed, mooi en verstandig, en dit is voor mij voldoende;
+ik ben rijk en adellijk genoeg zoowel voor haar als voor mij. Sinds
+lang reeds beschouw ik haar als mijne vrouw en zij, van haar kant, ziet
+in mij haar echtgenoot. Welke ook de hinderpalen mogen zijn die zich
+tegen onze vereeniging opdoen, ik zal die weten te boven te komen.
+Alleen om haar te zien, heb ik de grootste gevaren getrotseerd, en zoo
+min nu als in de toekomst zal ik mij door iets laten terughouden. In
+mijne liefde vind ik de kracht om de vijanden te weerstreven, die het
+mochten wagen haar aan mij te ontrooven, in één woord die liefde is
+mijn leven, en zal duren zoolang ik leef! Dat is mijn antwoord, na
+Cigala, ik acht het loyaal en zoowel mij als de vrouw die ik bemin,
+waardig. Zeg nu wat ge wilt dat er gedaan wordt, ik stel mij tot uw
+beschikking.
+
+—Goed en braaf gesproken, don Felippe,—gaf de duenna ten
+antwoord.—Thans weet ik wat ik weten wilde, en ik blijf u van ganscher
+harte toegenegen. Ik zelve, ik ben niet meer dan een eenvoudige
+dienstbode, die weinig invloed kan uitoefenen, maar hoe gering die ook
+zij, gaarne wil ik die geheel voor u aanwenden, en wees er van
+verzekerd dat ik niets zal verzuimen om u te doen slagen in uw
+voornemen om met mijn dierbaar kind in het huwelijk te treden en dus
+aan uw beider geluk mede te werken.
+
+—God vervulle uwe en mijne wenschen, na Cigala! Waarlijk, ik kan geen
+woorden vinden om je naar eisch mijne dankbaarheid te betuigen.
+
+—Don Felippe, het uur waarop de samenkomst moet plaats grijpen, nadert.
+Wikkel u goed in een mantel van donkere kleur, trek den rand van uw
+hoed diep over de oogen, gesp uw degen aan en volg mij; donna Juana
+wacht u.
+
+De jonge man gehoorzaamde, als een volgzaam kind, en was in een
+oogenblik gereed.
+
+—En wat moet ik nu doen?—vroeg hij daarop.
+
+—Mij volgen alsof het iets zeer gewoon ware; verder u over niets
+verwonderen, en binnengaan waar ik binnenga.
+
+—Ga maar voor. Ik volg je.
+
+Zij verlieten het huis. De avond was reeds gevallen; het was een van
+die echt Amerikaansche avonden, met heldere lucht vol sterren, frisch
+en aangenaam geurend, een avond zooals in het noordelijke klimaat niet
+wordt gekend. In de straten, op den dag genoegzaam verlaten om de
+brandende stralen der zon, waren nu tal van wandelaars aanwezig, die
+gingen en kwamen onder vroolijk gesprek; vóór iedere deur stonden
+groepjes menschen te lachen, te dansen en te tokkelen op de jarabe, de
+Amerikaansche guitaar.
+
+Zeer ongedwongen en geheel met het voorkomen van een gewoon wandelaar,
+drong Philippe behendig door de menigte en volgde zonder opzien te
+wekken de duenna, wier rebozo door hem niet uit het oog werd verloren.
+Zóó liepen beiden bijna een half uur voort, en drongen hoe langer hoe
+verder door in de zeer verwarde straten der benedenstad; eindelijk
+kwamen zij uit bij de haven. Daar ter plaatse was het lang zoo levendig
+niet; slechts enkele wandelaars verkwikten zich er aan de frissche
+zeekoelte. Toen vertraagde de jonge man zijn stap eenigszins, uit vrees
+dat hij anders de aandacht op zich zou vestigen, maar de duenna bleef
+daarentegen op dezelfde manier haar weg vervolgen en keek rechts noch
+links om, evenals iemand die haast heeft om tehuis te komen, doch het
+houten havenhoofd, waar de goederen werden gelost, liep zij met vasten
+tred langs. Ongeveer op het midden van dat havenhoofd stond zij stil,
+keek even om zich heen, kuchte toen een paar keeren en steeg eenige
+treden af van de trap, die naar het water liep. Een boot, waarin zich
+slechts één man bevond, lag beneden aan die trap; zij stapte er
+dadelijk in. Philippe deed dit insgelijks, de schipper stootte af en
+het vaartuig werd in beweging gebracht. De duenna had het roer gegrepen
+en stuurde, terwijl de schipper de riemen uitsloeg en het lichte bootje
+het water deed klieven, met de snelheid van een ijsvogel die over de
+kruin der golven scheert. Philippe gevoelde zich geheel aan zich zelven
+overgelaten; hij durfde het niet wagen het woord tot de duenna te
+richten en keek nieuwsgierig om zich heen. Het duurde niet lang of hij
+kreeg een donker punt in het oog dat al heel spoedig zeer in omvang
+toenam, en waarheen het bootje gestuurd werd. Dit donkere punt werd
+meer en meer zichtbaar, en kort daarna bleek het eveneens een boot te
+zijn, bestuurd door één enkel man, terwijl zich daarin ook eene vrouw
+bevond. Onwillekeurig overviel Philippe eene siddering, en hij gevoelde
+dat zijn hart met versnelde slagen klopte; hij had in die vrouw donna
+Juana herkend. Na enkele minuten lagen de twee booten zij aan zij. Op
+een wenk van de duenna stapte Philippe over in de tweede boot, en de
+man die had geroeid kwam in de eerste. Daarop werden de beide booten
+van elkaar verwijderd, en nu bevond Philippe zich alleen, met haar die
+hij zoo innig beminde. Dit alles was met zulk een spoed afgeloopen, en
+had zoo geheel onverwachts plaats gehad, dat de jonge man, overweldigd
+door zijne ontroering een oogenblik sprakeloos bleef, en de kracht
+miste één enkel woord te uiten.
+
+—Is dat je groet, don Felipe, en dat nog wel na zulk eene lange
+afwezigheid?—werd hem half fluisterend en op eenigszins spotachtigen
+toon door een allerliefste stem gevraagd.
+
+—O! Juana querida, vergeef het mij!—riep hij in vervoering.—Het komt
+doordien ik mij overstelpt voel door het geluk dat mij te beurt valt.
+Ach! Ik gaf bijna alle hoop op om je te ontmoeten!
+
+—Eerst dezen morgen, beste Felipe, heb ik bemerkt dat gij te Maracaïbo
+waart. Zeer toevallig herkende ik je, op het oogenblik waarop je de
+patio van ons huis overstaakt.
+
+—Hoe komt het toch dat het mij in die tien dagen, die ik nu reeds hier
+ben, ondoenlijk geweest is je te zien en te spreken?
+
+—Helaas, beste vriend, ik geniet hier niet zooveel vrijheid als in het
+huisje te San Juan de Goava,—gaf zij zuchtende ten antwoord.
+
+—Is don Fernando dan niet meer zoo welwillend voor je dan vroeger?
+
+—Juist het tegendeel, hij schijnt veeleer nog vriendschappelijker, doch
+in de laatste dagen kwam het mij voor, alsof hij over het een of ander
+bezorgd is, en nu en dan ziet hij mij zeer treurig aan, zonder dat ik
+met eenige waarschijnlijkheid kan nagaan wat daarvan de oorzaak is.
+
+—Goede God! Zoudt ge door eenig onheil bedreigd worden?
+
+—Dat geloof ik niet, beste Felipe, en toch heb ik, mijns ondanks, een
+onverklaarbaar voorgevoel dat er spoedig iets zal gebeuren waardoor in
+mijn toestand eene groote verandering zal komen.
+
+—Juana, ge maakt mij angstig,—en zijn verbleekt gelaat bevestigde die
+woorden.—Helder mij dit in ’s hemels naam op! Hoe komt ge op die
+verontrustende gedachte?
+
+—Dit kan ik je niet zeggen, Felipe, want het is ook voor mij een
+raadsel. Het eenige dat ik heb kunnen opmerken is, dat die veranderde
+gemoedsstemming van don Fernando eerst sinds een paar weken is
+ontstaan. Toen ontving hij, met een schip dat van het vaste land kwam,
+een brief, en de inhoud van dien brief scheen op hem zeer veel indruk
+te maken. Hij gaf toen dadelijk last dat een prachtig verblijf, enkele
+uren van de stad, hoogst bekoorlijk gelegen, met den meesten spoed
+bewoonbaar gemaakt moest worden.
+
+—Dat ligt naar den kant van Merida, niet waar?
+
+—Juist, juist!
+
+—Nu ik heb dat niet alleen gezien, maar ben er zelfs in geweest, het is
+werkelijk een zeer prachtig verblijf. Don Fernando heeft mij vertelt
+dat hij het in orde liet brengen voor een hoog geplaatst persoon, dien
+hij ieder oogenblik kon verwachten.
+
+—Die zelfde mededeeling heeft hij ook aan mij gedaan, doch hij heeft er
+nog een paar woorden bij gevoegd, die ik meer raadde dan verstond en
+wel: „Arm kind!” Hoe veel moeite ik ook deed om er iets meer van te
+vernemen, toch was dat alles te vergeefs; don Fernando bleef zeer
+geheimhoudend, en het gelukte mij verder niet iets te vernemen; daartoe
+bepaalt zich dus alles, doch, beste vriend, wij zijn nu lang genoeg
+over mij bezig geweest, laten wij liever over jou praten. Hoe is ’t
+mogelijk dat ge het gewaagd hebt hier in de stad te komen, ik sidder
+als ik denk aan de mogelijke gevolgen. Ge weet toch dat ieder
+vreemdeling die in de Spaansche koloniën wordt aangehouden onmiddellijk
+ter dood wordt gebracht, niet waar? De wet is te dien opzichte
+onverbiddelijk.
+
+—Dat weet ik, lieveling, maar wat geef ik er om! Ik wilde tot iederen
+prijs je weerzien, om je nogmaals te zeggen dat ik je liefheb.
+
+—En ik dan, beste Philippe, ik heb je immers ook lief?
+
+—Ja, maar zeker toch niet zoozeer als ik.
+
+—Misschien, maar hoe dit zij, ik beef en sidder voor je! Als ge eens
+ontdekt werd.
+
+—Wees daarover niet ongerust, liefste. Ik ga door voor een Spanjaard,
+en niemand hier vermoedt dat ik tot eene andere natie behoor. Ik ben
+secretaris bij den graaf de l’Atalaya, die een zeer voornaam heer is.
+
+—Dit stelt mij eenigszins gerust, maar toch zou de geringste
+onvoorzichtigheid je ondergang kunnen bewerken.
+
+Philippe glimlachte guitig.
+
+—Maar hoe zijt ge er in geslaagd, om de bescherming te verkrijgen van
+den graaf de l’Atalaya?—hernam de jonge dame.
+
+—Lieve, beste, het zou veel te lang duren om je dit in geuren en
+kleuren te vertellen, maar zeg mij veel liever hoe ge er toe gekomen
+zijt om hier in volle zee een samenkomst met mij te willen hebben?
+
+—Wel, beste vriend, dat komt omdat ik sinds eenige dagen, waarom weet
+ik niet, strenger dan anders in het oog wordt gehouden. Als ik hier of
+daar heen wil gaan, dan volgt men mij op korten afstand, en dus was ik
+er te benauwd voor dat men ons in de stad of op onze wandeling mocht
+gewaar worden.
+
+—Maar die schippers dan, die geroeid hebben?
+
+—Die zijn op mijn hand.
+
+—Hum!—deed de jonge man hooren, en schudde daarbij het hoofd.—Nu, ge
+kent die menschen zeker beter dan ik, dus zal ik daarover maar zwijgen.
+Zou ik je nog eens kunnen ontmoeten?
+
+—Helaas, beste vriend! Dat zal te bezwaarlijk gaan!
+
+De jonge man zuchtte, greep haar hand, drukte die innig, en vroeg op
+teederen toon:
+
+—Juana, stelt ge het volste vertrouwen in mij?
+
+—Zeker doe ik dat, beste vriend, want ik heb je lief en ben overtuigd
+dat wederkeerig ook jij mij liefhebt!
+
+—En zijt ge evenzeer er van overtuigd, dat al mijne handelingen, wat ik
+ook doen moge, geen ander doel hebben dan om met je te worden
+vereenigd, en je gelukkig te maken?
+
+—Dat geloof ik vast en zeker, Philippe.
+
+—Voor die woorden zeg ik je dank, beste Juana! Nu is alles goed, want
+ge hebt mij juist beoordeeld. Let nu goed op het geen ik je verder ga
+zeggen, querida Juana, want het is om ons geluk, om mijn leven te doen.
+
+—Spreek, beste vriend! Alles wat ge van mij verlangt, zal ik stipt ten
+uitvoer brengen.
+
+—Zonder aarzelen?
+
+—Ja, zonder de minste aarzeling.
+
+—Misschien zal ik binnen twee of drie dagen genoodzaakt zijn dit land
+te verlaten.
+
+—Ach, Philippe!—kreet zij smartelijk.
+
+—Maar om er spoedig terug te keeren,—vervolgde hij,—dat zweer ik je
+lieve beste.
+
+—Helaas! Weer eene scheiding!
+
+—Die echter de laatste zal zijn,—werd door hem verzekerd.—Één,
+misschien twee maanden kan mijne afwezigheid duren, maar stellig niet
+langer, en als ik terugkom dan zal dit zijn om je nooit meer te
+verlaten.
+
+—Waarlijk? Kan ik daarop rekenen?
+
+—Ik verzeker het je op mijn woord als edelman!—bevestigde hij zeer
+opgewonden.—Maar, Juana, dan moet ge ook, als ik er niet ben je kloek
+en krachtig toonen; de gedachte aan mij moet voor je zijn als een
+talisman, die je beschermt tegen alles wat men jegens je mocht
+beproeven. In één woord, blijf volharden in liefde voor mij.
+
+—Vertrek dan gerust en onbekommerd, beste vriend.—Wat er ook gebeure
+moge, ge zult mij terug vinden, zooals gij mij verlaten hebt. Ik ben
+immers reeds voor God uw vrouw? Maar hoe zal ik bericht krijgen van uw
+terugkomst?
+
+—Laat je lieve oogen maar telkens over de zee dwalen, vooral als er
+schepen in aantocht zijn. Het schip aan boord waarvan ik zal wezen, zal
+aan den fokkemast een vlag met zwarte en witte ruiten in top hebben.
+
+—Zwarte en witte ruiten. Goed Philippe ik zal dat niet vergeten.
+
+—Luister nu goed toe, liefste Juana; wat er bij mijn terugkeer in de
+stad mocht voorvallen, wat men je ook te mijnen opzichte mocht
+vertellen, let er niet op, blijf er doof voor, en beoordeel mij niet,
+eer ik zelf bij je gekomen ben om mij te rechtvaardigen.
+
+—Nu maakt gij mij waarlijk beangst. Beste vriend wat zijt ge dan
+voornemens te doen?
+
+—Dit is iets wat ik zelf nog niet weet, Juana, maar ik ben er zeker van
+dat het mij gelukken zal. Zorg er vooral voor dat ge in uwe vertrekken
+blijft, hoe erg men ook bij u mocht aandringen om uit te gaan; ge moet
+je daar ten sterkste tegen verzetten. Mocht het noodlot mij te lang van
+je verwijderd houden, dan zal ik een of meerdere boodschappers tot je
+zenden, die ge gemakkelijk kunt herkennen, want zij dragen allen om den
+rechter arm een band met de zelfde kleuren als de vlag aan den
+fokkemast. Die lieden kunt ge ten volle vertrouwen en gerust doen alles
+wat zij zeggen. Hebt ge mij goed begrepen, beste Juana?
+
+—Ja, ja, Philippe, maar toch maakt ge mij door dit alles zeer ongerust.
+Zeg mij toch in ’s hemels naam, beste vriend, welke onheilspellende
+plannen ge toch hebt.
+
+—Querida Juana, ik bedenk geen ander plan dan om voor altijd met je
+vereenigd te worden, en het hangt slechts van jou af of dit plan
+gelukken zal.
+
+—O! Als dit het geval is, dan hoeft ge niet te twijfelen aan den goeden
+uitslag.
+
+—Doch hierbij blijft het niet, ge moet mij vast en stellig beloven zeer
+stipt al de instructies te volgen, die ik je gegeven heb.
+
+—Twijfelt ge er nog aan dat ik hierin te kort zal schieten? Stipt zal
+alles verricht worden, zoo waar ik je liefheb.
+
+—Ge zijt een engel, querida! Ge toont hoe blindelings ge mij vertrouwt.
+Van mijn kant doe ik er een eed op dat ge gelukkig zult worden, of ik
+moest sterven!
+
+—O! Lieveling, spreekt nu niet over sterven, niet over den dood. Ach!
+Mocht dit het geval wezen, gelooft ge dat ik dan de kracht zou hebben
+om je te overleven?
+
+—Juana, liefste, straks hebt ge gezegd dat ge een voorgevoel hadt, dat
+heb ik nu ook en wel dit, dat al onze wederwaardigheden spoedig ten
+einde zullen zijn.
+
+—God geve het, Philippe!
+
+—Bid Hem, dat Hij u bescherme, mijne Juana, want, zoo waar ik leef, om
+u te bezitten ga ik doen wat nog nooit eenig man heeft gewaagd.
+
+—O! Goede God! Ik sidder bij die gedachte!
+
+—Liefste, koester veeleer goede hoop!
+
+Op dit oogenblik vernam men dicht bij het geklots van riemen en de boot
+waarin de duenna zat, kwam uit de duisternis te voorschijn.
+
+—Nu moeten wij scheiden, Philippe,—zei het jonge meisje.
+
+—Nu reeds!—mompelde Philippe.
+
+—Ja, zoo ik langer uitbleef zou dit argwaan kunnen wekken, en
+buitendien hebben wij nu toch hoop elkaar spoedig terug te zien.
+
+—Dat is waar liefste, en dan zal dit voor altijd wezen. Vergeet toch
+vooral niets van alles wat ik je zoozeer heb aanbevolen.
+
+—Ik zal niets vergeten.
+
+De beide booten stieten tegen elkaar.
+
+—Tot weerziens, Philippe,—fluisterde Juana hem toe.
+
+—Ja, ja, tot een spoedig wederzien, liefste beste Juana!—antwoordde hij
+op dezelfde manier. En na een langen kus op de hand, die hem werd
+toegereikt, beheerschte hij zich zelven, en stapte in de andere boot.
+De beide jongelieden wisselden nog een laatsten blik, eer de vaartuigen
+zich verwijderden in verschillende richting. Toen hij weer voet aan wal
+zette, boog Philippe zich naar het oor van de duenna, en
+zei:—Hartelijken dank, na-Cigala. Nooit zal ik vergeten, wat ge heden
+voor mij hebt gedaan! maar dien ring....
+
+—Zult u morgen ochtend ontvangen. Goeden avond, señor,—voegde zij er
+met een vriendelijk lachje bij.
+
+Te huis gekomen vond Philippe dáár Montbars, die hem wachtte, en met
+groote stappen zijn slaapkamer op en neer liep.
+
+—Wel drommels, waar komt ge zóó laat van daan?—vroeg Montbars.
+
+—Van een zeetochtje,—antwoordde Philippe met het openhartigste
+voorkomen.
+
+Montbars bleef zóó versteld staan door dit antwoord, dat de jonge man
+in schaterend gelach uitbarstte.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+HET VERTREK.
+
+
+Philippe wierp mantel en hoed af, ontgespte zijn degen en bood den
+vrijbuiter een zetel aan.—Hebt gij op mij gewacht?—vroeg hij daarna.
+
+—Ja, beste vriend,—gaf Montbars ten antwoord, terwijl hij plaats
+nam.—Reeds meer dan een uur heb ik hier in je slaapkamer op en neer
+geloopen.
+
+—Heeft Tributor je dan niet gezegd...
+
+—Toch wel, beste Philippe,—viel Montbars in.—Tributor heeft mij van
+alles op de hoogte gebracht, en verteld dat ge bezoek hebt gehad van
+eene soort van duenna, en met dat zeer eerwaardige oudje waart
+uitgegaan. Daaruit heb ik opgemaakt dat hier hoogst waarschijnlijk
+spraak was van een rendez-vous tusschen een paar verliefden, en dat dit
+bij gevolg wel niet zoo kort zou duren, maar daar ik je hoog noodig
+moet spreken, ben ik op je blijven wachten. Ge duidt mij dit toch niet
+ten kwade?
+
+—Volstrekt niet, waarde Montbars. Zaken gaan vóór alles, maar vooral in
+een toestand als den onze, daar wij ieder oogenblik in gevaar verkeeren
+om gesnapt en als dolle honden gemold te worden; zelfs geloof ik
+bemerkt te hebben dat wij bij dezen en genen reeds in kwaden reuk
+komen.
+
+—Dat is juist ook mijne meening.
+
+—Is er dan iets voorgevallen?
+
+—Dat zoozeer niet, doch het is best mogelijk dat dit zeer spoedig
+gebeurt, en daarom acht ik het noodig onze maatregelen te nemen.
+
+—Zoodat?
+
+—Zoodat... doch ik vrees dat ik je nu al te erg verdriet ga aandoen,
+vooral na je zeetochtje,—werd er spottend bijgevoegd,—en daardoor
+verwarring zal teweeg brengen in eenige zaken die ongetwijfeld hoogst
+aangenaam voor je zijn.
+
+—Dat doet er niets toe, waarde vriend,—verzekerde Philippe
+lachend.—Doch ter zake.
+
+—Verlangt ge dit?
+
+—Wis en zeker.
+
+—Nu dan, naar ik geloof hebben wij nu reeds lang genoeg in deze streken
+vertoefd en dreigt een verder verblijf hier voor ons gevaarlijk te
+worden.
+
+—Dat ben ik volkomen met je eens,—gaf Philippe te kennen.
+
+—Wat!—uitte Montbars in verbazing.—Meent ge nu wat ge daar zegt?
+
+—Zeer zeker.
+
+—Dus als ik order gaf om morgen aan den dag op te breken...
+
+—Dan zou ik van ganscher harte dit besluit toejuichen,—vulde de ander
+aan.
+
+—Wel zoo!—sprak Montbars, wiens verwondering steeds stijgende
+bleef.—Heb nu toch even de goedheid mij daarvan nadere verklaring te
+geven, want ronduit beken ik je, dat ik er geen touw meer aan vast kan
+knoopen.
+
+—Hoe dat zoo?
+
+—Wel, ik dacht bepaald dat ge erg verliefd waart.
+
+—En daarin bedriegt gij je volstrekt niet. Ik ben tot over de ooren
+verliefd op een allerbekoorlijkst schepseltje.
+
+—Welnu dan?
+
+—Welnu, daarom juist moeten wij zoo spoedig mogelijk vertrekken.
+
+—O, zoo!—lachte Montbars.—Nu begin ik het te snappen.
+
+—Neen, waarde vriend, gij snapt niets,—gaf Philippe met zekere
+gevatheid te kennen.—Ik bemin, met eene liefde die even oprecht als
+onbegrensd is, eene liefde die alleen met mijn leven zal ophouden, een
+engelachtig wezen, wier hand ik nog slechts heb gekust, en nu zal het
+je duidelijk worden hoe deze zaak zich geheel anders toedraagt dan
+waarschijnlijk door je word verondersteld.
+
+—Dan is dit toch, neem het mij niet kwalijk, een raar soort van
+liefde,—merkte de vrijbuiter lachend aan,—daar ge de zoo zeer door u
+aangebeden schoone gaat ontvluchten!
+
+—Ontvluchten, neen, dat is de bedoeling niet, maar ik wil haar
+verlaten.
+
+—Nu, dat komt zoowat op hetzelfde neer, zou ik meenen.
+
+—Niet zoo precies! Men verlaat iemand, als men plan heeft terugtekomen,
+doch neemt men de vlucht, dan is dat voor altijd.
+
+—En dus?
+
+—Ben ik bereid om te vertrekken, zoodra gij maar wilt.
+
+—Ik zal het maar opgeven om verder daarover met je te harrewarren;
+achter die onverklaarbaar haastige bereidwilligheid schuilen zeker
+geheime bedoelingen, die ik niet behoef te kennen en dus wil ik daar
+niet op aandringen.
+
+—Hartelijk dank voor zulk eene bescheidenheid, waarde vriend.
+
+—Keeren wij nu terug tot onze gezamenlijke belangen. Onze kameraden
+zijn met hun peilingen en opmetingen gereed gekomen; Luiwammes is nu
+met de golf van Venezuela even goed bekend als de beste loods; verder
+zijn kaarten in plattegronden gemaakt van Maracaïbo, Merida en
+Gibraltar; wij zijn geheel op de hoogte van de sterkte onzer vijanden,
+en in staat om tot handelen over te gaan, zoodra wij het geschikte
+oogenblik gekomen achten. Dit is meer dan wij noodig hebben, niet waar?
+
+—Dat stem ik toe.
+
+—Nu komt er nog bij, dat don Fernando d’Avila ieder oogenblik de komst
+verwacht van iemand van zeer hoogen rang, en het is voor ons alles
+behalve raadzaam zulk een personage te ontmoeten. Tot nu toe is de
+fortuin ons in alles zoo gunstig geweest dat het overmoedig zou wezen
+daarvan nog meer te verwachten. Onze rollen zijn hier afgespeeld, en
+dus kunnen wij van het tooneel verdwijnen.
+
+—Onder voorbehoud van daarop spoedig weer te verschijnen.
+
+—Natuurlijk. Zoo denk ik er juist ook over.
+
+—Doch wij kunnen toch niet zoo opeens en zonder aanleiding of reden
+vertrekken.
+
+—Zeker niet! Maar een voorwendsel is gemakkelijk te vinden. Ik moest
+hier immers eene zending vervullen, niet waar? Welnu, dat heb ik
+gedaan, en na al de rekeningen van die heeren intendanten te hebben
+opgenomen, nagezien en zeer nauwkeurig nagesnuffeld, is hier mijn taak
+geëindigd en dus niets natuurlijker en eenvoudiger dat ik mijne reis
+verder voortzet.
+
+—Dat is goed bedacht,—verklaarde de jonge man lachend.—De Gouverneur
+zal noch kan daar iets vreemds of onregelmatigs in vinden.
+
+—Ik heb dezen avond reeds tegen hem mij daarover een paar woorden laten
+ontvallen, en ik moet bekennen dat hij die mededeeling zeer leuk heeft
+opgenomen. Het blijft onder ons, beste vriend, maar ronduit gezegd, ik
+ben tot het vermoeden gekomen, hoe en waardoor dat weet ik zelf niet,
+dat don Fernando d’Avila recht in zijn schik zal wezen, als hij ons
+ziet vertrekken.
+
+—Dat ben ik geheel en al met je eens!—verklaarde Philippe spottend.
+
+—Ei! En hoe dat zoo?
+
+—Och, dat weet ik niet, maar toch ben ik er zeker van.
+
+—Mooi zoo! Nu beginnen wij weer met de raadseltjes, maar daar heb ik
+genoeg van, dus basta! Buitendien wil ik je niet langer ophouden, en
+daarom ga ik naar bed. Slaap rustig, waarde Philippe. Maar luister nog
+even, ik moet je toch nog een paar woorden zeggen.
+
+—En wat zullen die behelzen?
+
+—Alleen dit, dat ik er zeker van ben dat wij allen in deze heele zaak
+voor jou de kastanjes uit het vuur hebben gehaald en dat bij het
+afsluiten van de rekening blijken zal, dat gij het zijt die er het
+meeste voordeel van trekt. Heb ik goed geraden?
+
+Philippe begon te lachen, drukte zijn kameraad de hand en daarop
+scheidden zij.
+
+—Wat kan het mij schelen, of hij al dan niet iets heeft geraden?—sprak
+Philippe in zichzelf, zoodra hij alleen was.—Want wat daarvan zij, ik
+weet toch zeker dat ik staat kan maken op zijne vriendschap en
+toegenegenheid.
+
+Na die overdenking stapte hij in bed, weldra rustig slapende en
+heerlijk droomende tot aan den morgen. Tegen tien uur liet graaf de
+l’Atalaya zijn geheim-secretaris bij zich ontbieden. Toen Tributor in
+de kamer van Philippe kwam vond hij dezen nog slapende, met die
+gelukkige onbezorgdheid der jeugd, voor wie slechts het tegenwoordige
+bestaat en die zich niet bezwaart met het verledene, noch bezorgd maakt
+voor de toekomst. Tributor had veel moeite om den jongen man wakker te
+krijgen.
+
+—Loop naar den drommel, lastige kerel!—bromde Philippe die in zijn bed
+oprees, en zich nog erg slaperig de oogen uitwreef.—Ik lag juist zoo
+heerlijk te droomen!
+
+—Kom, kom!—merkte de reus zeer wijsgeerig aan.—Mijnheer Philippe weet
+zeer goed dat de mooiste droom toch niets haalt bij de werkelijkheid.
+Droomen zijn bedrog!
+
+—O! Ben jij daar, Tributor! Ik moet zeggen je draagt je naam terecht.
+[4] Wat moet je van mij hebben?
+
+—Vooreerst moet ik je dit doosje ter hand stellen, dat men dezen morgen
+voor je heeft gebracht.
+
+—Geef op!—gelastte Philippe barsch, rukte het doosje uit zijn hand en
+stopte het dadelijk weg onder zijn beddekussen.—En verder?
+
+—Wat ben je haastig gebakerd van ochtend! Nu dan, Montbars wacht je in
+het groote salon; dáár zijn zeker meer dan twintig lieden die om het
+hardst babbelen. Naar het schijnt heeft men je dáár noodig.
+
+—Wie zijn die menschen?
+
+—Vooreerst onze kameraden, en dan de Gouverneur, die, ik weet niet
+hoeveel, geborduurde rokken bij zich heeft.
+
+—Wel alle duivels! Dan moet ik mij niet laten wachten, want het schijnt
+eene ernstige zaak te wezen.
+
+—Dat geloof ik ook. Gij moogt dus wel haast maken.
+
+—Binnen vijf minuten ben ik klaar. Ga zeggen dat ik kom.
+
+—Goed.
+
+De reus ging heen. Philippe sprong haastig uit zijn bed, en begon zich
+te kleeden, doch midden in die bezigheid hield hij even daarmee op, en
+greep naar het doosje dat hij onder zijn hoofdkussen verborgen had. Hij
+deed dit open en zag toen een hoogst eenvoudigen ring, waarin echter
+een bleeke robijn van zeer hooge waarde was gezet.
+
+—Dat is vreemd!—mompelde hij, terwijl hij den ring nauwkeurig bekeek,
+en dien in zijne vingers ronddraaide. Toen meende hij eenig gerucht te
+hooren, stak dus spoedig den ring weer in het doosje, verborg dit op
+zijn borst en eindigde zijn toilet. Tien minuten later trad hij het
+salon binnen, waar hij een talrijk gezelschap bijeen vond, zooals hij
+reeds van Tributor had vernomen. Montbars had, even als dit tusschen
+hen den vorigen avond was afgesproken, zich reeds bij tijds dien
+morgen, zoowat tegen acht uur, naar den Gouverneur begeven, om dezen
+zijn vertrek aan te kondigen en afscheid van hem te nemen. Don Fernando
+d’Avila had den graaf de l’Atalaya zeer beleefd ontvangen, en hem zijn
+leedwezen betuigd dat hij reeds zoo spoedig de kolonie ging verlaten,
+zelfs eenigszins, doch eigenlijk slechts flauwtjes er op aandringend,
+dat de graaf zijn verblijf te Maracaïbo zou verlengen; daarna had hij,
+nadat bleek dat de graaf vast bij zijn besluit bleef, hem eene
+voorspoedige reis toegewenscht, en waren de beide heeren gescheiden
+schijnbaar in de beste verstandhouding. Toen Montbars daarna in zijne
+woning was teruggekomen, had hij dadelijk Tributor naar Michel, de
+Baskiër, gezonden om dezen te berichten dat alles in gereedheid moest
+worden gebracht om ieder oogenblik onder zeil te kunnen gaan, en tevens
+met last om met al de officieren van het schip aan wal te komen, ten
+einde afscheid te nemen van de autoriteiten der stad.
+
+Door Michel, den Baskiër, even als door al de vrijbuiters, die
+voortdurend aan boord gebleven en dáár al dien tijd aan de strengste
+discipline onderworpen waren geweest, was die order ontvangen met de
+grootste ingenomenheid, daar zij zich zeer verheugden over het
+aangekondigde vertrek. Het reeds zóólang gerekte verblijf op de kust
+begon voor allen drukkend te worden, vooreerst omdat zij in zulk een
+ingetogen gedrag moesten volharden, maar meer nog door de bestendige
+vrees, dat zij ieder oogenblik gevaar liepen te worden herkend, voor
+wat zij werkelijk waren. Geen wonder dus dat Michel de Baskiër, zich
+haastte de waterprovisie aan te vullen, eenige versche levensmiddelen
+op te doen, en naar boord terug te doen komen vijf of zes matrozen,
+die, onder voorwendsel van te gaan jagen, bezig waren de omstreken van
+de stad te verkennen. Een uur later was het tuianker gelicht, lag de
+brigantijn voor het tweede anker, waren de booten aan boord geheschen
+en was alles gereed om het schip binnen vijf minuten onder zeil te
+brengen.
+
+Daarna kleedde Michel de Baskiër zich in groot tenue, begaf zich
+vergezeld door al zijne officieren naar wal, en begon met de
+afscheidsbezoeken bij de autoriteiten der stad. De Gouverneur werd
+echter niet in zijn paleis aangetroffen, daar hij met zijn staf naar
+den graaf was gegaan om dien nog een laatste woord tot afscheid toe te
+spreken en als eerbewijs hem uitgeleide te doen naar de boot, die hem
+aan boord van het schip moest overbrengen. Dit bezoek kenmerkte zich
+overigens door de uiterste voorkomendheid. Nu don Fernando er zeker van
+was dat de graaf niet langer te Maracaïbo zou vertoeven, aarzelde hij
+niet om nogmaals bij hem aan te dringen het vertrek nog wat uit te
+stellen, en daarin werd hij gesteund door zijne officieren, doch zooals
+licht te begrijpen is, al die verzoeken bleven te vergeefs. Met hoogst
+beleefde bewoordingen, bedankte Montbars al de heeren voor dit bewijs
+van hoffelijkheid, doch bleef standvastig weigeren, zich beroepende op
+de overwegende verplichtingen van de zending, die hij had te vervullen.
+Juist op dat oogenblik trad Philippe het salon binnen, en ieder haastte
+zich hem te begroeten.
+
+—Señor conde,—sprak de Gouverneur,—daar het u ondanks onze vurige
+begeerte om u nog eenige dagen in ons midden te doen vertoeven,
+onmogelijk is aan dit verlangen te voldoen, verzoek ik u de verzekering
+aan te nemen, dat wij allen dit zeer betreuren. Wees er van verzekerd
+dat bij ieder onzer lang in herinnering zal blijven het slechts al te
+korte bezoek, waarmede gij ons hebt vereerd.
+
+—Gaarne verklaar ik u, mijnheer de Gouverneur, dat het leedwezen, dat
+mij door u uit aller naam wordt kenbaar gemaakt, mij niet alleen
+verheugd, maar dat ik zelfs trotsch daarop ben. Houd u er van
+overtuigd, mijne heeren, dat dit leedwezen ook door mij wordt gedeeld.
+
+—Helaas señor! Waarschijnlijk keert gij zeer spoedig naar Europa terug
+en is dit dus ongetwijfeld de laatste keer, dat wij de eer genieten u
+hier te ontmoeten.
+
+—Wie weet! mijnheer de Gouverneur!—gaf Montbars ten antwoord met een
+bijna onmerkbare zweem van spotternij.—Het toeval speelt zulk een
+groote rol in het lot van den mensch, dat wij misschien elkaar eer
+zullen terugzien dan gij veronderstelt.
+
+—Dat geve God, señor conde! Laat ik u mogen verzekeren, dat, zoo dit
+plaats mocht grijpen, wij allen het zouden beschouwen als een groot
+geluk.
+
+—Dat zij aan de beslissing van God overgelaten, señor!
+
+—Vergun mij nu, señor conde, u nog een enkele vraag te doen.
+
+—Gaarne señor. Het zou mij zeer veel genoegen doen, zoo ik u in een of
+ander opzicht van dienst kon wezen, om op die manier, hoe weinig het
+mocht zijn, u mijne dankbaarheid te betoonen voor de van u genotene
+gastvrijheid. Zou dit wellicht het geval wezen?
+
+—Misschien, señor conde. Zijt gij van plan Chagres aan te doen alvorens
+gij u naar Vera-Cruz begeeft?
+
+—Mag ik weten señor, met welk doel die vraag door u wordt gedaan?
+
+—O, zeker caballero! Op dit oogenblik heb ik onder mijne berusting een
+bedrag van honderd vijftig duizend piasters [5], dat ik reeds sinds
+lang naar Panama had moeten zenden, doch wij zijn hier zooals u bekend
+is, señor, op een als het ware afgelegen post, en tot nu toe heb ik
+geen gelegenheid kunnen vinden om dit te bewerkstelligen.
+
+—En dus?—vroeg Montbars op zonderlingen toon.
+
+—Waarlijk, caballero, ronduit wil ik u bekennen dat de
+verantwoordelijkheid van zulk een aanzienlijke som mij zwaar begint te
+drukken en als gij u mocht willen belasten met de overbrenging, zoudt
+gij mij ontzaglijk verplichten.
+
+—Het doet mij ontzettend veel leed, señor,—gaf Montbars tamelijk
+droogjes ten antwoord,—dat ik niet in staat ben aan uw verlangen te
+voldoen, doch dit is letterlijk onmogelijk.
+
+—En waardoor, señor conde?
+
+—Om de eenvoudige reden, caballero, dat het volstrekt niet zeker is of
+ik Chagres zal aandoen, want eigenlijk heb ik daar niets te verrichten,
+en hoogst waarschijnlijk zal de op de kust zoo veranderlijke wind ons
+veeleer in de ruimte houden, zoodat er veel kans zou bestaan, dat dit
+geld lang onder weg bleef eer het de plaats van bestemming bereikte.
+
+—Dus moet gij het afslaan?
+
+—Zoo is het, señor, doch geloof mij, ik doe dit zeer tegen mijn wil,
+toch dunkt mij is het beter dat dit geld nog eenigen tijd onder uwe
+bewaring blijft te meer daar er toch slechts weinige dagen zullen
+verloopen vóór de aankomst der konvooien uit Europa, en dan hebt gij
+gelegenheid te kust en te keur, om u te ontslaan van die bezwarende
+verantwoordelijkheid.
+
+—Genoeg, caballero, laten wij er verder niet meer over spreken en houd
+mij dit onbescheidene verzoek ten goede.
+
+—Daarvan kan geen sprake zijn, caballero, want ik ben het veeleer die u
+verschooning zou moeten vragen. Waarlijk zou het mij heel veel genoegen
+hebben gedaan, zoo ik u in dit opzicht van dienst had kunnen wezen!
+Doch thans is het uur van scheiden aangebroken, señor!
+
+Op het plein vóór het huis stonden de paarden gezadeld en gereed; men
+verliet de vertrekken en ieder steeg op. Eene eerewacht stond onder de
+saguan onder de wapenen. Montbars voerde den stoet aan, onder geleide
+van don Fernando; al pratende reed men naar de haven. De straten, die
+men moest door trekken, waren ondanks het vroege uur opgepropt door
+eene zeer talrijke menigte lieden die onder herhaalde toejuichingen,
+niet ophielden, met hoeden, doeken en sjerpen te zwaaien. Met zeer veel
+ingenomenheid werd don Montbars naar rechts en links gegroet. Philippe
+deed alle moeite onder de menigte die zich op den weg voor den stoet
+verdrong, het bekoorlijke gelaat van Juana gewaar te worden, doch dit
+was vergeefsche moeite; de jonge man versmoorde een zucht, en werd
+droevig gestemd. Eindelijk bereikte men het havenhoofd, waar de
+matrozen reeds druk in de weer waren de bagage naar de daarvoor klaar
+liggende vaartuigen te brengen; toen steeg men af, en begonnen de
+laatste afscheidsgroeten. Eene eigenaardigheid van de Spanjaarden is de
+langwijligheid hunner plichtplegingen, doch Montbars achtte het
+raadzaam daaraan kort en bondig een eind te maken, en nauwelijks had
+hij bemerkt dat de bagage was ingescheept, of hij gaf een wenk aan
+zijne officieren, dat zij hem moesten volgen, en stapte onmiddellijk in
+zijn boot.
+
+—Wel drommels,—begon Michel, de Baskiër zoodra de boot ver genoeg van
+den wal was.—Kommandant, dat is daar straks toch een zonderlinge inval
+van je geweest.
+
+—Over welken inval spreekt ge eigenlijk, oude jongen?—vroeg Montbars
+glimlachend.
+
+—Wel, om dat geld te weigeren, dat die Gouverneur je zoo goedsmoeds
+aanbood!
+
+—Ge zegt iets zonder daarbij door te denken, kameraad. Wij zijn toch
+geen dieven, naar ik meen? Wij zijn dappere, maar eerlijke vrijbuiters,
+niet waar?
+
+—Daar zegt ge een goed woord, kommandant! Maar toch zevenhonderd
+vijftig duizend francs! ’t Is geen kleinigheid!
+
+—Kom, kom, Michel, wees gerust daarover, met geduld komt alles terecht!
+Het geld, dat ik niet heb willen aannemen, zullen wij later toch wel
+vinden, dat beloof ik je! Maar buitendien, misschien was dat aanbod
+juist een valstrik geweest van den Gouverneur.
+
+—Dat zou ook waar kunnen zijn, maar waar of niet, toch hebt ge gelijk,
+kommandant.
+
+Een kwartier later sneed de schooner met volle zeilen door het water,
+met de snelheid van eene meeuw die over de golven scheert, en werd tot
+afscheid begroet door het gejuich der opgewonden menigte, die zich op
+het havenhoofd verdrong om getuige te zijn van het vertrek.
+
+De kajuitsjongen Zijden-Draad, was verdwenen. Als men Montbars daarover
+sprak, lachte hij even geheimzinnig, als hij gewoonlijk deed als hij
+ergens geen ander antwoord op wilde geven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+DE BEIDE NEVEN.
+
+
+Op een mooien ochtendstond, juist toen de zon even boven den horizont
+te voorschijn was gekomen, gereed om hare koesterende stralen overal om
+zich heen te verspreiden, traden twee mannen uit een bosch, dicht
+begroeid met guajava-, mastik- en bloeiende oranjeboomen, waarvan de
+uiterste takken hun zwaar gebladerte in het heldere en koele water van
+den Artibonite deden weerspiegelen. Zij bevonden zich hoogstens drie
+uren van de stad Port-de-Paix; een stad die geacht kon worden eene der
+voornaamste schuilnesten te zijn van die geduchte roofvogels, de
+flibustiers, die spottend met de Spaansche macht en als om die te
+trotseeren, stoutmoedig en onvervaard hun nest hadden opgeslagen op de
+kust van de rijkste kolonie, het verwijfde en weelderige Hispaniola.
+
+Die beide mannen keken vorschend en angstvallig om zich heen, en toen
+zij zich verzekerd hielden dat niemand hen bespionneerde, daalden zij
+langs het vrij ruime steile pad van den oever van den stroom af,
+maakten daarna eene lichte prauw van boomschors, die onder de struiken
+verborgen was, los, en trokken die naar zich toe, waarna zij er
+uitwierpen alles wat er in aanwezig was, zooals pagaaien, een mast, en
+dergelijke dingen. Daarna droegen zij de prauw op hunne schouders naar
+den voet der glooiing en keerden haar toen om, met het doel om er
+zoowel een schuilplaats van te maken voor de zonnestralen, als voor
+onbescheidene blikken. Zij bevestigden haar stevig, door middel van
+staken, die van afstand tot afstand in den grond werden gestoken,
+gingen daarna in de schaduw liggen, en begonnen een en ander klaar te
+maken voor hun ontbijt.
+
+Wij zullen het oogenblik, waarop zij zich daarmee bezig houden, te baat
+nemen om den lezer eenigszins nader met hen in kennis te brengen.
+Beiden waren gekleed als Fransche boekaniers; de grof linnen
+onderbroek, die even over de knieën viel en op de heupen werd
+teruggehouden door een gordel van krokodillenvel, de twee hemden over
+elkaar aangetrokken, en die met bloed- en vetvlekken bemorst waren, de
+tent van fijn linnen, die krap opgerold en samengeperst, als een
+bandelier om hunne schouders was geslagen, en op het hoofd de bol van
+een hoed met oogklep. Hunne wapens bestonden uit drie dolken en een
+mes, gestoken in een koker van buffelvel, die aan hun gordel naast een
+kruithoorn en kogelzak was gehecht, benevens uit een van die lange
+geweren, uit de fabriek van Brachie te Dieppe, die men in die dagen
+bestempelde met den naam van flibustiers-geweren.
+
+Zoo gewapend waren die mannen in staat zich krachtdadig te verweren,
+zoo het ongeluk wilde dat zij in aanraking kwamen met dezen of genen
+die twist met hen wilde zoeken. Trouwens getuigden hunne
+gelaatstrekken, en hun door wind, regen en zon gebruinde tint, van zulk
+een vasten wil, en toonden hun forsche lichaamsbouw, en de buitengewoon
+stevige armen, voorzien van peezen en spieren, zoo dik en hard als
+touwen, zulk een mate van kracht, dat men zich wel tweemaal zou bedacht
+hebben, eer men besloot het hun lastig te maken.
+
+Die beide personen waren betrekkelijk nog jong, en voor zoover men kon
+nagaan, want hartstochten en buitensporigheden hadden hun gelaat reeds
+geteekend, waren zij nog niet boven de veertig. Doch ondanks dat
+gansche voorkomen zullen wij, als wij luisteren naar wat zij elkaar te
+zeggen hebben, spoedig bemerken dat zij niet zijn waarvoor zij willen
+doorgaan, maar veeleer een paar vossen in leeuwenhuiden; en even
+spoedig tot het inzicht komen dat die kleeding als boekaniers eigenlijk
+niet anders is dan eene vermomming. Toch moeten wij er dadelijk
+bijvoegen dat die vermomming zóó juist was aangebracht, dat zelfs de
+slimste mensch, na een zeer nauwkeurig en ernstig onderzoek, toch nog
+veel kans zou gehad hebben, zich er door om den tuin te laten leiden.
+
+De toebereidselen tot het ontbijt hadden niet veel tijd in beslag
+genomen, en onze beide personages, wier magen zeker geprikkeld waren
+tengevolge van een vermoeienden marsch door zulk een eenzame streek
+langs ongebaande wegen, verorberden met smaak wat zij hadden
+medegebracht en voerden middelerwijl in het Spaansch een gesprek, doch
+niet dan met ingehoudene, half fluisterende stem, alsof zij, ondanks de
+hen omringende eenzaamheid, beangst waren dat het geluid hunner stemmen
+door den ochtendwind zou worden overgebracht naar de ooren van lieden,
+die konden zijn uitgezonden om hen te bespieden of te overvallen.
+
+—Hoe ver zijn wij hier van Port-de-Paix?—vroeg een van hen.
+
+—In vogelvlucht genomen,—gaf de ander met vollen mond ten
+antwoord,—omstreeks vijf kwartier, doch als men de paden moet volgen
+minstens drie uren.
+
+—Hum! Dan zijn wij toch nog al ver doorgedrongen, naar mij dunkt!
+
+—Misschien zelfs te ver, doch als wij niet zoo ver gekomen waren,
+hadden wij veel kans gehad hem te missen dien wij willen ontmoeten.
+
+—Zijt ge benauwd, dat wij zóó dicht bij de stad wellicht eene minder
+aangename ontmoeting zouden kunnen hebben?
+
+—Dat is niet zeer waarschijnlijk edele heer, want in de vlakte waar wij
+ons nu bevinden, is op dit oogenblik geen enkel stuk wild te vinden; ik
+durf er alles onder te verwedden, dat tien uren hier in den omtrek geen
+spoor van een stier zou te ontdekken zijn. Dit weten de boekaniers zeer
+goed, en daarom hebben zij deze streken verlaten, daar zij hier zeker
+in geen maand iets onder schot zouden krijgen.
+
+—Ik moet toestemmen Birbomono,—hernam de eerste spreker,—dat er veel
+waar is in wat daar door je wordt aangevoerd, maar naar mijne meening,
+zijn de vrijbuiters niet de eenige vijanden die wij te duchten hebben.
+
+—En welke andere vijanden worden dan door u bedoeld, edele heer?—vroeg
+Birbomono, want het was werkelijk de mayordomo.—Ik moet in alle
+nederigheid bekennen dat ik u niet begrijp.
+
+—Op wie zou ik anders doelen dan op de Caraïben, die verschrikkelijke
+stroopers, die zoo mogelijk nog wreeder zijn dan de boekaniers.
+
+Birbomono begon hartelijk te lachen.—Vive Dios, edele heer! Gij vergeet
+welke kleeding op dit oogenblik door u wordt gedragen. De Caraïben zijn
+de onverzoenlijke vijanden der Spanjaarden, dit is waar, maar
+daarentegen zijn zij de trouwe vrienden van de Broeders der Kust, en
+als bij toeval enkele dier wilden ons op het spoor kwamen dan zouden
+zij, verre van het ons lastig te maken, veeleer alles doen wat ons
+aangenaam kon zijn, daarvan ben ik overtuigd.
+
+—Het is mogelijk,—gaf de ander ten antwoord, naar het scheen slechts
+ten halve overtuigd,—toch moet ik je bekennen dat het mij bijna
+berouwt, dat wij ons zóó ver gewaagd hebben, hoewel wij niet geheel en
+al aan ons zelven zijn overgelaten en de drie detachementen, die ik in
+het bosch in hinderlaag gelegd heb, op het eerste signaal ons te hulp
+zullen komen.
+
+—Gij weet, edele heer, hoe ik over die detachementen denk,—gaf de ander
+op een onbeschrijfelijk minachtenden toon te kennen.—Gij en ik, wij
+beiden, hebben hen aan het werk gezien [6] en weten bij ondervinding
+wat van hen te verwachten is! Neen! Liever dan op hen, reken ik in
+zoo’n geval op mij zelven!
+
+—Caraï Birbomono! De tijd vliegt om, en onze man komt niet!
+
+—Hij zal komen, edele heer. Geduld maar, geduld!
+
+—Rekent ge er zoo vast op?
+
+—Oordeel zelf! Het is u bekend dat mijne meesteres, na zóó vele jaren
+in het verborgen te hebben geleefd, zich gevestigd heeft te
+Port-de-Paix. Dáár heeft zij op mijn aanraden, en om aan alle
+vermoedens te ontkomen, eene soort van hotel ingericht, waar de
+voornaamste aanvoerders der flibustiers huisvesting kunnen verkrijgen.
+
+—Dat alles weet ik lang en breed, maar het blijft voor mij een raadsel,
+hoe de Broeders der Kust, die zoozeer en terecht als fijne speurhonden
+bekend staan, onnoozel genoeg zouden zijn, zich door haar zóó te laten
+beet nemen, en haar niet, reeds den eersten dag den besten als eene
+Spaansche herkend zouden hebben.
+
+—De vrijbuiters, edele heer, zijn niet zóó wantrouwend als gij wel
+gelooft; hun meerder vertrouwen ligt in hunne kracht. Maar buitendien
+wij zijn te Port-de-Paix aangebracht door een Hollandsch schip, en
+ontscheept onder opgave dat wij uit Europa kwamen. Wij gaven ons uit
+voor Vlamingen, onze papieren waren in de beste orde. Wat kon men dus
+meer verlangen?
+
+—Niets en te minder daar de Castiliaansche taal nog algemeen in
+Vlaanderen, dat aan den koning van Spanje toebehoort, gesproken wordt.
+
+—Juist zoo is het, en dan nog ten overvloede, hoe zou er bij zulke
+lieden, die zich door niets ter wereld schrik laten aanjagen, de minste
+vrees kunnen bestaan voor eene reeds bejaarde dame, die niemand anders
+bij zich heeft dan één enkele bediende? Men heeft ons dan ook
+integendeel ontvangen met de meeste welwillendheid, en zooveel mogelijk
+geholpen bij het in orde brengen van onze nieuwe inrichting.
+
+—Ja, de flibustiers zien het zelfs gaarne dat vreemdelingen zich bij
+hen vestigen, niet waar?
+
+—Zeker, zeker! Dat geeft hun een gezetene, oppassende, nijvere
+bevolking, die later, naar zij hopen, er toe zal bijdragen om hun
+inwendigen toestand tot gezonder voet te brengen.
+
+—Ga door, ik stel in uwe mededeelingen groot belang.
+
+—Edele heer, ik heb er niet veel meer bij te voegen, alleen dit nog,
+dat Francoeur, dus noemen de vrijbuiters den man over wien wij het nu
+hebben, zich ten onzent heeft gevestigd, en dat de brief dien gij mij
+hebt doen toekomen, door mij aan hem is overhandigd.
+
+—En wat heeft hij toen gezegd?
+
+—Hij scheen zeer ontroerd, edele heer, toen hij dien brief onder de
+oogen kreeg, en een oogenblik later zei hij kortaf, „goed, ik zal
+komen.”
+
+—Dan is het wel, want hij zal woord houden. En is uwe meesteres nog al
+tevreden?
+
+—Ja, voor zooverre, dit voor haar mogelijk is, maar gij weet, edele
+heer, dat ik vrij gauw iets opmerk.
+
+—En wat hebt ge opgemerkt?
+
+—Iets wat mij zeer bevreemdt, edele heer. Donna Clara, die gewoonlijk
+zoo stil en afgetrokken is, en meermalen weken lang geen woord uit,
+toont voor dat jonge mensch eene bijzondere genegenheid te koesteren.
+
+—Wel zoo! Wat zegt ge mij daar, Birbomono!
+
+—De waarheid, edele heer! Zoodra zij hem gewaar wordt, heldert haar
+anders zoo somber gelaat geheel op, en als hij zoo nu en dan haar
+toespreekt, dan is het of het geluid zijner stem haar ontroert. Komt
+hij een enkelen keer in de algemeene kamer, dan volgt zij hem met hare
+blikken, let op al zijne bewegingen en zucht dan diep bij zijn vertrek,
+en laat het hoofd hangen. Zij zelve houdt het toezicht over zijn kamer
+en al zijne kleeren in orde, het is alsof zij die zorg aan geen ander
+wil overlaten en zich gelukkig gevoelt door al die bemoeiingen om het
+den jongen man alles naar genoegen te maken. Mij dunkt, edele heer, dat
+ook gij dit alles zeer bevreemdend zult vinden.
+
+—Dat is ook zoo! Hebt ge er donna Clara nooit over gesproken?
+
+—Slechts ééns. Toen heb ik het gewaagd haar een opmerking te maken,
+maar dadelijk viel zij mij in de rede, heeft met een engelachtig
+glimlachje den vinger op haar mond gelegd en tot mij gezegd op zulk een
+gevoelvollen toon, dat de tranen mij in de oogen kwamen, „Birbomono,
+trouwe vriend, laat mij trachten hiermede al mijn leed te verdooven. Ik
+heb dien jongen man lief, alsof ik zijne moeder en hij mijn eigen kind
+ware. Zeker is hij door eene genadige beschikking van God bij mij
+geplaatst, tot troost over het verlies dat ik geleden heb, en tracht te
+vergeten.” En, edele heer, wat kon ik daartegen inbrengen? Niets, en
+daarom zweeg ik.
+
+—Ja, ja,—mompelde de eerste spreker, en streek met de hand langs zijn
+voorhoofd, waarop klam zweet parelde.—Het is als eene beschikking van
+God! Dat Zijn heilige wil geschiedde! Maar hoe denkt die jonge man zelf
+over haar?
+
+—Och, edele heer, ik geloof dat hij er eigenlijk in het geheel niet
+over denkt, om de eenvoudige reden dat hij er niet op let. Hij is
+iemand van gansch andere geaardheid dan zijne metgezellen, somber en
+terughoudend. Hij dobbelt niet, drinkt niet, houdt zich met geen
+vrouwvolk op en dikwerf is de vraag bij mij opgerezen, hoe komt zulk
+een man onder de vrijbuiters?
+
+—Toch schijnt hij onder hen eenige vrienden te hebben.
+
+—Hoogstens een paar, Pierre Legrand en Philippe d’Ogeron, maar die twee
+zijn reeds lang op eene expeditie uit, en dus leeft hij geheel op zich
+zelf.
+
+—Kent Montbars hem?
+
+—Dat geloof ik niet, of liever gezegd, daar weet ik niets van. Toen wij
+te Port-de-Paix kwamen, was Montbars reeds ongeveer een maand van daar
+vertrokken, en is nog niet teruggekomen.
+
+—Nu dat doet er ook niet toe, Birbomono. Blijf, zooals ik je dit
+dringend heb verzocht, dien zonderlingen jongen man goed in het oog
+houden; ik heb daarvoor zeer gewichtige redenen, die ik je later zal
+kunnen mededeelen.
+
+—Het is voor mij genoeg dat mij dit door u wordt gelast, edele heer,
+verder behoor ik mij daarmee niet te bemoeien. Doch ik geloof dat ik
+eenig gerucht hoor,—voegde hij er bij,—en vermoed dus dat hij in
+aantocht is.
+
+—Tracht te zien of dit zoo is, vriendlief, en mocht het zoo zijn breng
+hem dan bij mij.
+
+De mayordomo verwijderde zich na een wenk van verstandhouding, en
+verdween spoedig tusschen de dichte struiken van de savanne.
+Tenauwernood had hij een honderd passen gedaan, of hij stond bijna vlak
+tegenover iemand die met snellen tred naderde. Die persoon was
+Francoeur, de flibustier [7].
+
+—Ik kom laat, niet waar, Birbomono?—vroeg hij en wischte het zweet van
+zijn gelaat.
+
+—Och, neen!—gaf de mayordomo ten antwoord.—Het is nog niet veel later
+dan acht uur, en als ik mij niet vergis, was de samenkomst bepaald
+tegen half negen.
+
+—Dat is waar ook! Nu, des te beter, want ik zou mij niet gaarne hebben
+laten wachten. Waar is de persoon die mij heeft doen verzoeken naar
+hier te komen?
+
+—Wil mij volgen, mijnheer, hij wacht u hier kort bij.
+
+—Wijs mij dan den weg. Ik verlang er naar hem te ontmoeten. Doch
+nauwelijks kreeg de jonge man den boekanier in het oog, of hij keerde
+zich zeer teleurgesteld naar Birbomono, en zei vrij barsch:—Wat heeft
+dat te beduiden? Wat verlangt die man van mij? En waar is de...
+
+—Een oogenblik geduld, mijnheer, als ik je verzoeken mag,—viel de
+boekanier haastig in. Daarna wendde hij zich naar den mayordomo en
+zei:—Birbomono, vriendlief, laat ons alleen, en wil er voor zorgen dat
+wij door niemand lastig worden gevallen. Mocht je iets verdachts
+bespeuren in de savanne, kom ons dan terstond waarschuwen.
+
+De mayordomo groette, greep zijn geweer, en ging heen zonder een woord
+te spreken. De boekanier bleef hem nakijken, doch zoodra hij hem niet
+meer kon bespeuren, keerde hij zich naar den jongen man en stak dezen
+zijn hand toe.
+
+—Welkom, neef,—begon hij,—het doet mij genoegen je hier te zien.
+
+—Hoe! Wat!—uitte Francoeur één en al verbazing.—Zoudt gij werkelijk...
+
+—Don Sancho de Penaflor [8] zijn,—vulde de ander aan.—Ja, neef die ben
+ik in hoogst eigen persoon.
+
+—Maar de kleeding...
+
+—Is eene zeer goed bedachte en niet minder goed uitgevoerde vermomming,
+niet waar? Het kwam mij voor dat die te dezer gelegenheid den
+Gouverneur van Sint-Domingo beter zou passen, dan zijn schitterend
+ambtsgewaad.
+
+—Gaarne wil ik je bekennen, waarde neef, dat die vermomming zoo
+volkomen is dat ik zelfs nu, ondanks dat ik er alles van weet, moeite
+heb je te herkennen.
+
+Eene omhelzing der beide edellieden volgde en daarna gingen zij naast
+elkaar zitten.
+
+—En laat ons nu spreken over onze zaken,—hernam don Sancho,—zoo ge dit
+goedvindt, want daarvoor zijn wij hoofdzakelijk hier gekomen.
+
+—Ik ben tot je orders, neef. Doch zeg eerst, hoe zijt ge toch te weten
+gekomen, waar ik was?
+
+—Het is immers een mijner eerste plichten er voor te zorgen dat ik
+alles weet, niet waar? Welnu, ik heb informaties ingewonnen en dit was
+voldoende. Beste vriend, zijt ge waarlijk nog zoo onnoozel om te meenen
+dat wij onder ulieden geen spionnen zouden hebben? Kom dan van die
+dwaling terug, want wij hebben er verscheidene en onder hen zeer slimme
+vossen die wij, onder ons gezegd, zeer duur moeten betalen. Doch nu ter
+zake, herinnert ge je nog neef, ons laatste gesprek te Vera-Cruz?
+
+—Ieder woord daarvan heb ik goed in mijn geheugen gehouden.
+
+—En dus zeker ook trouw in acht genomen alles wat ik je toen zoo
+ernstig op het hart heb gedrukt niet waar?
+
+—Ge moet mij dit ten goede houden, maar eerlijk gesproken, weet ik
+eigenlijk niet waarop ge zinspeelt.
+
+—Dan zal ik mij nader verklaren. Ik vertrouw namelijk dat ge, daar ik
+je dit zoo dringend verzocht heb, je stipt hebt onthouden van alle
+briefwisseling met Zijne Excellentie den hertog de Penaflor, mijn
+vader, daar ge hiermeê zoudt wachten tot wij elkaar weer ontmoet
+hadden, en nadat ge van mij de verdere ophelderingen zoudt ontvangen
+hebben, die ik je beloofde.
+
+—Waarde don Sancho, ik wil openhartig jegens je zijn,—verklaarde de
+jonge man, doch met eenige aarzeling in zijn stem,—en als gij alles van
+mij vernomen hebt, spreek dan een oordeel over mij uit.
+
+—Goed!—uitte de markies kortaf terwijl hij de wenkbrauwen fronste,—ik
+ben geheel gehoor.
+
+—Er zijn reeds verscheiden maanden verloopen, sedert wij te Vera-Cruz
+zóó onverwacht afscheid van elkaar moesten nemen, nadat de hertog de
+Penaflor de goedheid had mij die zeer gevaarvolle zending toe te
+vertrouwen; in dat tijdsverloop is er heel wat voorgevallen zonder dat
+ik ooit iets van je vernam. Herhaaldelijk, doch altijd te vergeefs heb
+ik moeite gedaan om je te ontmoeten; ik moest het er dus voor houden
+dat gij òf uwe belofte vergeten hadt, òf dat gij, bij nadere
+overtuiging op uw besluit teruggekomen, en niet meer van plan waart mij
+die verdere ophelderingen te geven. Daarentegen ontving ik van den
+hertog de Penaflor, wiens onvermoeibare werkzaamheid gij kent,
+boodschap op boodschap, om mij aan te moedigen, zonder aarzeling of
+ontmoediging de gedragslijn, die hij mij had afgebakend, te volgen, en
+zoodoende de eervolle zending te vervullen, waardoor Spanje verlost zou
+worden van hare geduchtste tegenstanders in deze wateren. Wat kon ik nu
+anders doen dan gehoorzamen? Te meer daar stipte gehoorzaamheid aan de
+ontvangen bevelen, niet alleen bevorderlijk zou zijn aan de belangen
+van mijn land, maar evenzeer aan de voldoening mijner wraak. En
+buitendien had ik mijn woord als edelman verpand, en ge weet, neef, dat
+geen enkel lid van ons geslacht ooit in gebreke is gebleven zijn woord
+gestand te blijven.
+
+—O!—barstte don Sancho los, met opeen geperste lippen, en door toorn
+verwrongene trekken.—Hoe herken ik in dit alles de helsche overmacht
+van mijn vader, en zijn onverzoenlijken haat! Het is weer zooals
+altijd, alles is door hem vooraf berekend, alles heeft hij voorzien!
+
+—Wat wilt ge daarmee zeggen, neef? Ge maakt mij werkelijk ongerust! Wat
+bedoelt ge met die woorden?
+
+—Ga maar door don Gusman, ga maar door! Nu is het toch meer dan
+waarschijnlijk te laat om je verdere ophelderingen te geven! Wie weet
+welk onherstelbaar onheil er reeds is gesticht!
+
+—Om Gods wil, don Sancho! Ge zult toch niet weigeren om uitleg van uwe
+woorden te geven?—smeekte de jonge man bevende van ontroering.
+
+—Zeg eerst alles wat ge nog te zeggen hebt, neef, en daarna... zal ik
+zien of ik aan uw verzoek kan voldoen.
+
+—Er is verder niet veel meer door mij te vertellen.—Trouw en stipt heb
+ik tot nu toe de zending vervuld, die mij is opgedragen. De hertog de
+Penaflor is steeds door mij op de hoogte gehouden van al de plannen en
+bewegingen der flibustiers. Gisteren bij voorbeeld heb ik nog iemand
+naar hem gezonden om hem bericht te geven over een zeer groote
+expeditie die tegen een der havens van het vaste land op til is, en
+hoogst waarschijnlijk, zal worden aangevoerd door Montbars, die ieder
+oogenblik op Tortue wordt verwacht, en door de voornaamste
+gezagvoerders van de Broeders der Kust. Nu is de beurt aan u neef, nu
+zal ik naar u luisteren.
+
+Don Sancho stond op, keek den ander een oogenblik zeer droefgeestig
+aan, drukte de hand op zijn schouder, en voegde hem op meewarigen toon
+toe:—Thans heb ik je niets meer te zeggen, arme jongen! Ge zijt
+overgeleverd aan de macht van een man, die je het hart zal breken,
+zonder dat ge in staat zult zijn je er tegen te verzetten. Je wreekt je
+zelven niet, maar het is tot bevrediging van zijn eigen haat, waaraan
+hij je dienstbaar gemaakt heeft. Arme kerel! Ge zijt niets dan een
+werktuig in zijne handen!
+
+—Maar wat moet ik dan doen? Zeg mij, in ’s hemels naam, wat ik doen
+moet?
+
+Don Sancho aarzelde een poos, en sprak eindelijk somber:—Don Gusman, ik
+mag geen nadere verklaring geven. Tracht de bedoeling mijner woorden te
+raden.
+
+—Hoe kan ik dat? Het hoofd loopt mij om!—viel de ander radeloos uit.
+
+—Ik wil je herinneren aan de woorden van den heiligen Remigius tot
+Clovis: „Verbrand wat ge aangebeden hebt, aanbid wat gij verbrand
+hebt.”
+
+—En wat wil dit zeggen?—vroeg don Gusman gejaagd.
+
+—Dat wil zeggen,—werd door den markies ten antwoord gegeven met nog
+somberder stem,—dat wil zeggen dat de hertog de Penaflor mijn vader is
+wien ik gehoorzaamheid en ontzag verschuldigd ben, met andere woorden
+en kort af, dat wil zeggen, dat ik zwijgen moet. Maar als vriend en
+bloedverwant geef ik je nog eene laatste en hoogst ernstige
+waarschuwing, thans is het mij niet geoorloofd duidelijker tot je te
+spreken, maar wees voorzichtig, don Gusman, wees voorzichtig.
+
+Hij maakte zich gereed heen te gaan.
+
+—Een woord nog, één enkel woord slechts, dat mij ten minste tot
+leidraad kan dienen, in al die geheimzinnigheid!
+
+—Ik mag niet meer zeggen.
+
+—O! Het is of ik vervloekt ben!—barstte don Gusman los, als verpletterd
+door overmaat van smart.
+
+—Misschien wel!—beaamde don Sancho met onbeschrijfelijk
+medelijden.—Doch verlies alle hoop niet, en doe uw best te raden wie
+werkelijk uwe vijanden zijn. Vaarwel!
+
+—Zal ik je nog terug zien?
+
+—Ja.
+
+—Wanneer?
+
+—Dat weet ik niet, maar waarschijnlijk te laat om een vreeselijke
+ontknooping te verhoeden, zoo je de bedoeling mijner woorden niet
+begrepen hebt. Nog eenmaal, vaarwel, beste neef en denk aan den
+heiligen Remigius.
+
+Daarna drukte hij hem de hand en ging heen.
+
+—Helaas! Helaas!—riep de jonge man uit, radeloos wanhopend.—Genadige
+God! Wie zal mij tot gids zijn in zulk een ondoordringbare geheimenis?
+
+Hij hoorde eenig gerucht en keek dadelijk op, wellicht zich vleiende
+met de hoop, dat zijn neef, met zijn smart bewogen, zou terug zijn
+gekomen, doch spoedig bemerkte hij zijne dwaling, het was Birbomono,
+die naar hem toekwam.
+
+—Zullen wij naar Port-de-Paix terugkeeren, señor?—vroeg de mayordomo.
+
+—Laat ons opstappen,—werd kortaf geantwoord, en zonder er verder een
+enkel woord bij te voegen begaf don Gusman zich op weg, voorafgegaan
+door Birbomono, die voor hem het pad baande.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+DE TERUGKOMST.
+
+
+Tijdens Francoeur, Martial, of wel don Gusman de Tudela, al naar de
+lezer verkiest hem te noemen, vertoefde op de plaats der bijeenkomst in
+de Groote Vlakte aan de oevers van den Artibonite, waar zijn neef don
+Sancho de Penaflor hem bescheiden had, heerschte er te Port-de-Paix een
+buitengewone opgewondenheid. Eene voor de gansche bevolking hoogst
+belangrijke tijding, had zich met de snelheid van een loopend vuurtje
+verspreid en de inwoners hadden terstond daarop hunne huizen verlaten,
+kroegen en herbergen waren leeggeloopen, en de menigte begaf zich in
+groote haast naar den kant van de haven, onder luid vreugdegejuich
+elkaar stootend en verdringend, daar ieder er het eerst bij wilde wezen
+om een goed plaatsje te veroveren.
+
+Nu moet erkend worden dat die tijding voor de Broeders der Kust van het
+hoogste gewicht en al die opschudding wel degelijk waard was; de
+wachter die aan de punt Marigot op den uitkijk was geplaatst, had de
+aankomst geseind van een schooner, bemand door de vermaardste
+flibustiers van Tortue, een brigantijn die reeds zoo lang geleden
+vertrokken was, dat men die verloren of door de Spanjaarden genomen
+achtte en er aan wanhoopte haar ooit terug te zien. Geen wonder dus dat
+men uitermate verheugd was, en geestdrift ieder had aangegrepen.
+
+Werkelijk was het die schooner; begunstigd door een flinke bries liep
+het schip onder volle zeilen snel en lustig de haven binnen, en reeds
+kon men de Broeders der Kust, die in groepjes op het dek stonden en
+vroolijk met hunne mutsen wuifden ten bewijs van eene gelukkige
+terugkomst, gemakkelijk onderscheiden.
+
+Knarsend viel het anker neer, de zeilen werden gegeid, en de heer
+d’Ogeron, die met zijne officieren op de uiterste punt van het
+havenhoofd stond, en dit oogenblik met ongeduld verbeidde, kon zich
+niet langer bedwingen, en stapte haastig in de prauw, die voor hem
+gereed lag en nu met krachtige riemslagen naar de brigantijn werd
+geroeid.
+
+Montbars zelf stond bij den valreep gereed om hem te ontvangen en stak
+de hand uit om hem aan boord te helpen, maar de Gouverneur greep den
+valreep en sprong ondanks zijne gezetheid vlug en behendig op het dek.
+
+—Wees welkom, mijnheer d’Ogeron!—sprak Montbars, en deed dit vergezeld
+gaan door een hartelijken groet.
+
+—Dubbel welkom gij zelf!—uitte de Gouverneur opgeruimd.—Wel verduiveld!
+Ik dacht niet anders of gij allen waart naar de grondvergadering
+gegaan, want het kwam geen oogenblik bij mij op, dat gij je door de
+gavachos zoudt hebben laten snappen. Ik verzeker je dus, waarde
+Montbars, dat er mij nu een heel pak van het hart genomen is.
+
+—Ik zeg je oprechtelijk dank voor die woorden, mijnheer, en acht het
+een bijzonder voorrecht voor mij je hier te mogen zien, want ik heb
+zeer veel met je te bepraten, zoodat, wanneer gij niet zoo dadelijk aan
+boord gekomen waart, mijn eerste bezoek bepaald aan u zou zijn geweest.
+
+—Hum! Hum!—liet de heer d’Ogeron schertsend hooren.—Dan schijnt er wat
+nieuws op til te zijn?
+
+—Zoo is het.
+
+—Dan hebt ge zeker eene goede reis gemaakt?
+
+—Een uitmuntende.
+
+—En hoeveel brengt ge mee?
+
+—Niets.
+
+—He! Noemt ge dit dan eene uitmuntende reis?
+
+—Zeker.
+
+—Daar kan ik niet goed bij! Verklaar je nader.
+
+—Zeer gaarne, en liefst op staanden voet, zoo gij daar niets tegen
+hebt.
+
+—Twijfelt ge daar aan? Ik ben immers zonder verwijl uitsluitend aan
+boord gekomen om het verslag over de expeditie uit uw eigen mond te
+vernemen.
+
+—Nu, dan kan het niet beter. Wees zoo goed met mij naar mijn kajuit te
+gaan.
+
+—Waarvoor is dat noodig? Mij dunkt dat wij dat hier ook wel kunnen
+afhandelen.
+
+—Ja, als wij over koetjes en kalfjes hadden te praten, maar niet nu ik
+met u iets te bepraten heb, dat tusschen ons moet blijven.
+
+—Wel drommels!—liet de andere hooren, en wreef zich in de handen.—Wat
+spreekt ge geheimzinnig! Ik hoop toch dat de kool de sop waard is,
+he?—werd er spottend bijgevoegd.
+
+—Gij zult dat zelf kunnen beoordeelen zoo gij met mij naar beneden
+gaat.
+
+—Gaarne, gaarne, maar vertel mij eerst even hoe het komt dat ge op een
+brik zijt uitgevaren en op een schooner terugkomt?
+
+—Ei, ei!—luidde het antwoord.—Heb je dat reeds opgemerkt?
+
+—Dat was toch waarachtig gauw genoeg te zien, dunkt mij.
+
+—Het komt omdat mijn brik die tamelijk oud en zoo lek als een zeef was,
+bij een stormvlaag onder mijn voeten is weggezonken en ik met enkele
+metgezellen verplicht ben geworden, op het vaste land een schuilplaats
+te zoeken.
+
+—He! op het vaste land midden onder de gavachos. Maar beste vriend, dan
+hebt ge u letterlijk gewaagd in het hol van den wolf.
+
+—Dat is zoo, maar zooals ge ziet, ben ik er ongedeerd uitgekomen.
+
+—Het zou er ook waarachtig hier mooi uitgezien hebben als dit niet het
+geval ware geweest.
+
+—Wel mogelijk,—luidde het eenigszins droefgeestige antwoord.—Maar
+misschien zal dit mij een volgenden keer niet weer gelukken.
+
+—Kom, kom! Dat weet ge niet!
+
+—Wie weet! zooals de gavachos zeggen, doch wat daarvan zij, gij ziet
+mij nu springlevend weer, zeer bereid, dit zweer ik je, om op nieuw er
+de proef van te nemen wat ook later de gevolgen mogen zijn. En als gij
+het mij nu veroorlooft zal ik je nu naar mijne kajuit voorgaan.
+
+—Doe zoo, daar ge dit noodig schijnt te vinden.
+
+De Gouverneur volgde Montbars, die hem naar zijn kajuit bracht en
+plaats deed nemen aan een tafel waar rum, water, suiker, citroen en
+notenmuskaat gereed stond. Gewoon aan de gastvrijheid der flibustiers
+maakte de heer d’Ogeron dadelijk een grogje voor zich klaar en
+middelerwijl werd Philippe even door Montbars ter zijde genomen om hem
+met een paar woorden te gelasten, dat niemand tot de kajuit mocht
+worden toegelaten. De jonge man groette zijn oom, wisselde met dezen
+een paar woorden ter verwelkoming, en haastte zich toen weer naar het
+dek, waar zijn eerste zorg was een wacht bij de luikklep te plaatsen,
+met uitdrukkelijken last te zorgen dat niemand naar beneden ging. De
+beide heeren waren er nu zeker van niet lastig gevallen noch beluisterd
+te zullen worden en konden er dus nu in alle gerustheid toe overgaan
+hunne zaken te behandelen. Montbars zette even de lippen aan zijn glas,
+en opende daarna het gesprek.
+
+—Waarde mijnheer d’Ogeron,—zoo begon hij.—Hebt gij nog altijd evenveel
+vertrouwen in mij?
+
+—Het onbepaaldste vertrouwen, beste vriend—werd onmiddellijk en zonder
+de minste aarzeling door den Gouverneur verzekerd.—Maar zeg mij eens
+waarom doet gij mij zulk eene zonderlinge vraag?
+
+—Omdat ik, hoewel bijna zeker van het antwoord dat ik zou ontvangen, er
+toch behoefte aan had dit nog eens uit uw mond te vernemen.
+
+—Welnu, dan zult ge er mee voldaan zijn, niet waar?
+
+—Volkomen!
+
+—Op je gezondheid!
+
+—Op de uwe!—Zij klonken.
+
+—Ik had echter nog eene andere beweegreden,—hernam Montbars.
+
+—Wel drommels! Dacht ge nu waarlijk dat ik dit niet begrepen had? En
+wat is die beweegreden?
+
+—Deze, dat ik je iets onmogelijks heb voor te stellen.
+
+—Voor jou Montbars bestaat er niets onmogelijks!
+
+—Meent gij dit?
+
+—Ja, het is mijne vaste overtuiging, dit verzeker ik je op mijn woord.
+
+—Dank je. Nu, dan zal alles wel losloopen.
+
+—Goed! Maar waarin bestaat dan die onmogelijke zaak?
+
+—Laat ik eerst een gesprek in uw geheugen terugroepen dat wij enkele
+dagen vóór de herovering van het Schildpaddeneiland met elkander
+hadden.
+
+—Doe zoo, wij hebben al den tijd.
+
+—Toen heb ik je gezegd, indien gij het je nog herinnert, dat onze
+Vereeniging, zoo die op meer solide grondslagen gevestigd was, in staat
+zou zijn de Spaansche macht te doen beven en sidderen, en dat wij dan,
+zoo wij wilden, krachtig en sterk genoeg zouden zijn om aan den handel
+der Spanjaarden in de Amerikaansche koloniën een knak toe te brengen,
+zoo al niet dien geheel te vernietigen.
+
+— Juist, diezelfde woorden zijn door je gebezigd, en ik heb de
+bedoeling daarvan zoo ten volle begrepen, dat ik er toen ten sterkste
+op aangedrongen heb, zoo spoedig mogelijk te trachten Tortue te
+heroveren, als een uitnemend strategisch punt om den vijand in bedwang
+te houden.
+
+—En als gevolg daarvan hebben wij het Schildpaddeneiland hernomen.
+
+—Ja, en de gavachos zullen dit nimmer meer in hun bezit krijgen,
+tenminste zoolang ik de eer zal hebben uw Gouverneur te zijn, dit
+verzeker ik je!
+
+—Daaraan twijfel ik ook geenszins, doch ik geloof dat thans de tijd
+daar is, om een goeden slag te slaan.
+
+—Nu zal ik dan eindelijk iets vernemen,—meende de oude heer die met
+kleine slokjes zijn grogje uitdronk—en naar de manier waarop die zaak
+door u word ingeleid, vermoed ik dat die allesbehalve eene kleinigheid
+is.
+
+Montbars lachte even, en zei schertsend:
+
+—Men kan voor u toch niets verborgen houden!
+
+—Kom, kom! Vertel er nu meer van.
+
+—Moet ik open spel met u spelen?
+
+—Zeker.
+
+—Zult gij mij niet beschuldigen, een halve dwaas of een dweeper te
+zijn?
+
+—Noch het een, noch het andere. Ik houd je voor een zeer ernstig man,
+die geen expeditie, welke ook, zult wagen, dan na daarvan eerst goed
+alle kansen te hebben overwogen.
+
+—Nu als dit het geval is, wil je dan verder luisteren.
+
+—Ik ben geheel gehoor.
+
+—Ik heb je reeds verteld, dat ik, na het verlies van mijn schip, de
+toevlucht naar het vaste land had genomen. Waarheen denkt gij dat het
+toeval mij heeft gebracht?
+
+—Ja, hoe kan ik dit gissen?
+
+—Ongeveer een paar mijlen onder den wind in de golf van Maracaïbo.
+
+—Ei, ei, ik ken die. Behalve de gavachos houden zich daar wilden op,
+met wie men ook liever niet in aanraking moet komen. Ge zult het er dus
+wel kwaad te verantwoorden gehad hebben, waarde Montbars!
+
+—Toch niet, want nauwelijks was ik aangeland, of ik ontmoette daar uw
+neef Philippe, die zijn brigantijn in eene verlatene kreek aan de kust
+verborgen had.
+
+—Wat drommel had de snaak dáár uit te voeren?
+
+—Dat weet ik niet, en ronduit gezegd heb ik hem daarnaar niet eens
+gevraagd.
+
+—Dan zal ik dat doen, daar kunt ge op aan!
+
+—Dat is iets wat u aangaat. Doch toen is bij mij de gedachte ontstaan
+op een nieuw plan.
+
+—Dat is juist iets voor een man als gij,—verklaarde de Gouverneur, met
+eene hoffelijke buiging.—En wat is dat plan? Ik twijfel er niet aan of
+het zal er een wezen, dat meer dan gewone stoutmoedigheid vereischt.
+
+Montbars beantwoordde zijn buiging.
+
+—Och!—zei Montbars op onverschilligen toon.—Het is eigenlijk zoo
+ingewikkeld niet. Het is zeer eenvoudig en bestaat alleen maar in de
+verovering van Maracaïbo.
+
+—Maracaïbo te nemen!—viel de heer d’Ogeron uit, van zijn stoel
+opspringend.—Maracaïbo te nemen!—herhaalde hij.
+
+—Anders niet. Hoe denkt gij daarover?
+
+—Wel verduiveld! Ik ben er geheel en al door verbluft! En ge doet, naar
+uwe gewoonte, mij die vraag als met het pistool op de borst.
+
+—Zijt gij er dan zoozeer over verwonderd?
+
+—Ik moet zeggen dat ik je met al uwe koelbloedigheid hoogst naïef vind,
+op mijn woord! Maar vertel mij nu eens, is het je alles waarlijk ernst?
+
+—Twijfelt gij daaraan? Langer dan een maand loop ik al met dit plan
+rond, in al dien tijd heb ik over niets anders gedacht.
+
+—Maar je bent gek, stapelgek. Het is te gek om er langer over te
+praten!
+
+—Zoo, zoo! Nu heeft het er toch veel van alsof ge in mij niet veel meer
+dan een kwâjongen ziet!
+
+—Dat komt omdat ik mij geen begrip kan maken hoe zulk een dwaas plan in
+iemands brein kan opkomen, Maracaïbo te willen veroveren!
+
+—En waarom niet?
+
+—Och, kerel! Ge schijnt wel te denken dat je tot alles in staat zijt!
+
+—Dat is juist de beste manier om in alles te slagen. Maar luister nu
+liever verder en bedaard, want voor dit plan is reeds meer verricht,
+dan door je kan vermoed worden.
+
+Daarop deelde Montbars tot in de geringste bijzonderheden alles mede,
+wat er tijdens zijn verblijf op de kust was voorgevallen; de manier
+waarop hij in de stad was gekomen, de wijze waarop hij dáár ontvangen
+was, de voorbereidende maatregelen door hem genomen, en dergelijke
+zaken meer. De heer d’Ogeron luisterde met open mond; hij durfde zijne
+ooren niet te vertrouwen. Toch was dezelfde heer d’Ogeron voor geen
+klein geruchtje vervaard; hij was zelf jaren achtereen vrijbuiter
+geweest, had menig heldenfeit bedreven en dan nog welke feiten! Maar
+aan zulke ongehoorde expedities had men in zijn tijd niet gedacht; en
+dit plan ging alles te boven wat men uitzinnigs bedenken kon, en
+grensde aan het onbestaanbare! Hij was dan ook, zooals hij reeds aan
+Montbars had gezegd, geheel en al overbluft, en waande half dat hij
+eigenlijk aan een nachtmerrie ten prooi was. Montbars glimlachte,
+lepperde aan zijn grogje en besloot bedaard en onverstoord zijne
+mededeelingen, met eene verdere ontwikkeling van zijn plan, en van de
+middelen die moesten gebezigd worden om het goede gevolg daarvan te
+verzekeren. Het gevolg daarvan was het gewone, wanneer twee flinke
+mannen tegenover elkaar staan en die twee elkaar reeds lang kennen, en
+naar waarde weten te schatten; wie van hen dan de meeste
+stoutmoedigheid betoont, eindigt met den ander te overtuigen, en zijn
+plannen te doen aannemen, al moeten die dan ook op sommige punten
+eenigermate worden gewijzigd. Zoo ging het ook nu; de heer d’Ogeron
+helde langzamerhand over tot de meeningen van Montbars, trad met hem in
+discussies over het geopperde plan, en eindigde met daaraan zijne
+goedkeuring te verleenen.
+
+—Het is een grootsch plan,—verklaarde hij ten slotte,—en geheel den man
+waardig, die het heeft durven ontwerpen, maar de uitvoering zal vele
+bezwaren opleveren.
+
+—Minder dan gij denkt, mijnheer. Want als wij het nu eens bedaard
+nagaan, waar komt dan eigenlijk alles op neer? Op eene verrassing, op
+niets anders,—verzekerde Montbars op stelligen toon.—Gij moet vooral
+niet uit het oog verliezen, dat het betreft een zeer afgelegen streek,
+bijna van elke hulp van buiten verstoken en daardoor genoegzaam aan
+zich zelf overgelaten; de bewoners zijn niet talrijk en verspreid over
+eene groote oppervlakte, de garnizoenen zwak, en de versterkingen
+onbeduidend. Wij moeten met de snelheid des bliksems de kolonie
+overvallen, zoodat de kolonisten niet kunnen gissen met wie zij
+eigenlijk te doen hebben, en geen tijd meer hebben om, na van den
+eersten schrik te zijn bekomen, zich te verzamelen. Zóó zal onze slag
+geslagen en zullen wij weer ingescheept zijn, terwijl zij nog in het
+onzekere zijn wie hunne vijanden waren.
+
+—Maar stel eens dat je een Spaansch eskader ontmoet?
+
+—Geen nood! Dan zullen wij het bevechten, en zoo noodig in den grond
+boren. Daarenboven, wie niet waagt, wie niet wint, volgens het
+spreekwoord. Wij hebben kans op een ontzaglijken buit, want gij kunt je
+niet voorstellen welke onmetelijke rijkdommen in dat land te vinden
+zijn.
+
+—Dat wil ik graag gelooven,—zei de heer d’Ogeron lachend—want wij zijn
+daar nog nooit geweest, voor zoover ik mij herinner?
+
+—Nooit; ook dient Maracaïbo, als het ware, tot stapelplaats voor de
+andere koloniën, zoo veilig gelooven de inwoners zich dáár voor iederen
+overval.
+
+—Arme Spanjaarden! Dan hebben zij niet het minste vermoeden van wat hen
+boven het hoofd hangt.
+
+—Hoe heb ik het nu, wordt gij waarlijk weemoedig bij het aanstaande lot
+van de gavachos?
+
+—Ja, ja! Want ik denk daarbij aan het vreeselijke bloedbad dat gij
+onder hen zult aanrichten.
+
+—Nooit zal ik naar mijn zin genoeg van die verwenschte natie kunnen
+laten ombrengen!—viel Montbars uit op barschen toon en met woeste
+blikken.
+
+—Hebt ge dan aan hen zulk een gloeienden haat?
+
+—Ik?! Ik zou graag, even als Nero, nieuwe straffen willen uitdenken, om
+hen des te erger te doen lijden! Maar bepalen wij ons nu tot onze
+zaken. Hoeveel schepen zijn er hier?
+
+—Te Port-de-Paix?
+
+—Te Port-de-Paix, te Margot, te Leogana, op Tortue, in één woord
+overal.
+
+—Niet bijzonder veel; hoogstens een dertig, maar daarvan zijn zeker
+twaalf of veertien bijna niet in staat om zee te houden.
+
+—Dan zijn er toch meer dan wij noodig hebben, mits dat het snelzeilers
+zijn; en in dat geval koop ik ze.
+
+—Sapperloot! Dan moet het je niet aan geld ontbreken!
+
+—Ik ben heer en meester over de schatkist der Twaalven,—gaf Montbars
+lachend ten antwoord.
+
+—Zoo dikwerf heb ik reeds hooren spreken over die Vereeniging der
+Twaalven [9],—merkte de heer d’Ogeron aan, met ietwat ontevreden
+gelaat.
+
+—Laat die je geen bezorgdheid inboezemen, mijnheer. De opperste leiding
+berust in mijne handen, en die vereeniging heeft geen ander doel, dan
+de glorie en het fortuin van de flibustiers.
+
+—Goed, dan zal ik daarover niet verder spreken, doch onder voorbehoud
+later daarop terug te komen.
+
+—Ieder oogenblik ben ik daartoe bereid, mijnheer. Dus hebt gij er niets
+tegen mij die schepen te verkoopen?
+
+—Van dit oogenblik af, kunt gij er over beschikken.
+
+—Ik dank je! Nu komt het er op aan manschappen aan te werven.
+
+—Aan manschappen ontbreekt het niet.
+
+—Wel mogelijk, doch ik moet mij beter uitdrukken. De mannen waaraan ik
+behoefte heb, moeten geharde kerels zijn, bereid en in staat om mij tot
+naar de hel te volgen, zoo ik dit eischte.
+
+—Ik houd het er voor, dat ge zonder veel moeite die mannen wel vinden
+zult.
+
+—Heerlijk! Nu heb ik niets meer te doen dan je slechts ééne zaak zeer
+dringend aan te bevelen.
+
+—En die is?
+
+—Alles stipt geheim te houden. Gij weet dat hier meer dan te veel
+spionnen loeren en één enkel onbedacht woord zou genoegzaam zijn om
+alles te doen mislukken.
+
+—Ge zegt daar iets, waarde Montbars, dat ongelukkig genoeg maar al te
+waar is, en ik moet je zelfs mededeelen, daar ge dan in tijds de
+noodige voorzorgen kunt nemen, dat er, hoe het komt weet ik niet, in
+den laatsten tijd een booze geest onder ons schijnt te waren. Er kan
+tegenwoordig door ons geen enkel besluit meer genomen worden dat geheim
+blijft; dadelijk wordt alles aan de Spanjaarden verklapt, die dus
+gemakkelijk overal op hunne hoede blijven, waardoor al onze
+ondernemingen mislukken.
+
+—Dat is een zeer ernstig geval, mijnheer d’Ogeron! Dan moet er een
+verrader onder ons schuilen.
+
+—Dat heb ik ook reeds gedacht.
+
+—En wat hebt gij toen gedaan?
+
+—Iets dat gij zelf zeker ook zoudt gedaan hebben. Ik heb enkele der
+voornaamste onder de Broeders der Kust bijeengeroepen, zooals Grammont,
+Drack, Francoeur, en een paar andere; ik heb hun toen mijn vermoeden
+meegedeeld en zeer ernstig op het hart gedrukt een wakend oog te
+houden, niet alleen op hunne kameraden en de inwoners, maar zelfs op de
+pandelingen.
+
+—En het gevolg?
+
+—Het gevolg is, dat wij niets ontdekt hebben.
+
+—Bij den hemel! Dan zal ik dien verrader ontdekken, dat zal ik, dat
+zweer ik u, mijnheer d’Ogeron,—verklaarde de flibustier op somberen
+toon,—en dan, wee hem! Wee, wie het ook wezen moge!
+
+—Daar hebt ge nu om een voorbeeld te noemen,—hernam de heer
+d’Ogeron.—Ge zijt zoo pas te Port-de-Paix binnengeloopen, niet waar?
+
+—Nauwelijks een uur geleden, dat weet gij.
+
+—Juist. Welnu, sedert twee of drie dagen was reeds in de stad het
+gerucht in omloop van uw aanstaande terugkomst, en men wist bovendien
+nog te vertellen dat ge bepaald van plan waart, weer eene zeer
+belangrijke expeditie uit te rusten. Nu vraag ik je wie en hoe kan dat
+te weten zijn gekomen?
+
+—Dat is hoogst bevreemdend en gaat alle begrip te boven, te meer daar
+slechts drie personen bepaald met mijne voornemens bekend zijn; het
+overige van de bemanning van den schooner vermoed wellicht iets, doch
+zonder eenige zekerheid.
+
+—En wie zijn die drie personen?
+
+—Uw neef Philippe, voor wiens stilzwijgendheid ik borg blijf, gij zelf
+en ik; doch genoeg daarover en wees gerust, ik sta er voor in dat alles
+door mij zal behandeld worden op zulk eene manier, dat de verrader, wie
+of wat hij zijn moge, er niet in zal slagen om van iets op het spoor te
+komen.
+
+—God geve het!—uitte de heer d’Ogeron, terwijl hij opstond.—Blijft ge
+nog aan boord?
+
+—Stellig niet. Ik ga dadelijk met je naar wal, zoo gij er niets op
+tegen hebt.
+
+—Niets liever dan dat. Hebt ge een verblijf, waar ge je intrek denkt te
+nemen?
+
+—Waarom?
+
+—Omdat, zoo dit niet het geval mocht zijn, ik je een kamer bij mij aan
+huis zou aanbieden.
+
+—Ik blijf je daarvoor zeer dankbaar, doch kan dit zeer beleefde aanbod
+niet aannemen, daar ik mij onverwijld met de besprokene zaak wil bezig
+houden en dus vóór alles vereischt wordt, dat ik volkomen vrij blijf om
+over al mijn tijd te beschikken, terwijl ik bovendien met mijn
+kameraden nog tot overeenstemming moet komen.
+
+—Zoo! ge komt toch van avond bij mij eten, niet waar?
+
+—Dat zeer gaarne, ten minste zoo ge niet te laat eet, daar ik gaarne
+vroeg vrij wilde zijn.
+
+—Vijf uur, schikt je dit?
+
+—Zeer goed, dus blijft dit afgesproken.
+
+Daarna begaven zij zich weer naar het dek, waar de heer d’Ogeron door
+de equipage der brigantijn werd ontvangen met groot gejuich, dat
+gegrond was op zuivere toegenegenheid en ware hoogachting. Wij hebben
+reeds vroeger medegedeeld dat de heer d’Ogeron half aangebeden werd
+door de vrijbuiters, waarvan hij de meesten persoonlijk kende, en zeker
+werd dit ook veroorzaakt, doordien hij bij uitnemendheid den slag bezat
+om hen in hun zwak te tasten, doch tevens hen eerbied en zelfs waar dit
+noodig was vrees voor zich in te boezemen. Eer de Gouverneur van boord
+ging drong hij er op aan om het schip van het dek tot het ruim te
+inspecteeren, (eene beleefdheid waardoor de bemanning zich zeer gevleid
+betoonde), en na zijn neef en de voornaamste officieren van den
+schooner bij zich op het diner te hebben genoodigd, stapte hij,
+vergezeld door Montbars, in de boot die door de goede zorg van Philippe
+reeds voor hem in gereedheid was gebracht.
+
+Bij het aan wal stappen hernieuwde de heer d’Ogeron zijne uitnoodiging
+aan Montbars en drong er op aan dat deze vooral niet te laat zou komen;
+daarna namen de beide heeren op zeer hartelijke wijze afscheid van
+elkaar, en ging ieder van hen een anderen kant uit.
+
+Montbars had de grootste moeite zich te onttrekken aan de ovatie die de
+Broeders der Kust hem bereid hadden daar zij voornemens waren hem in
+triomf door de straten te dragen; eindelijk gelukte het hem te
+ontkomen, door onverhoeds een logement binnen te gaan dat hij toevallig
+in het oog kreeg en nadat de menigte lang genoeg vóór de deur had post
+genomen om te bemerken dat hij niet meer voor den dag kwam ging zij
+eindelijk uiteen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+HET LOGEMENT.
+
+
+Het logement waarin Montbars, als het ware, gevlucht was om bevrijd te
+worden van de ovatie die zijne kameraden in de overmaat hunner
+opgewondenheid hem hadden willen brengen, was een zeer bescheiden
+woning, dicht bij den ingang van de haven, aan den hoek van twee
+straten. Zooals al de huizen in die stad was het van hout, en had het
+een plat dak; langs de eerste verdieping liep een balkon, en een
+zuilengang van ruw afgeschaafde boomstammen, diende tot steun voor een
+breede veranda; boven de deur aan een tak van een citroenboom was eene
+ijzeren roede bevestigd aan wier eind bij het minste windje een breede
+blikken plaat knarste, waarop met groote geelachtige letters geschreven
+stond: „Logement voor Zeevarenden.”
+
+Bij het binnenkomen werd de deur door Montbars stevig achter zich dicht
+getrokken, zoodat het in de eerste oogenblikken voor hem was alsof hij
+zich in totale duisternis bevond, doch van lieverlede wendden zijne
+oogen zich aan het weinige licht, en kon hij gemakkelijk de voorwerpen
+onderscheiden die hem omringden. De zaal, waarin het toeval hem had
+gebracht, was middelmatig groot; tafels, stoelen en banken maakten de
+meubileering uit; in een hoek stonden of lagen tegen den muur, riemen,
+masten, raas en netten, en aan het benedeneind van de zaal was een
+buffet waarin verschillende flesschen met geestrijk of ander soort van
+vocht.
+
+De vrijbuiter keek om zich heen, bemerkte dat hij alleen in de zaal
+was, en klopte toen met de greep van zijn dolk op een tafel die vlak
+bij hem stond om den pandeling die belast was met de bediening der
+klanten, te roepen. Daarop leunde hij met zijn elleboog op de tafel, en
+met zijn hoofd op zijn hand en gaf zich over aan zijn gepeins.
+
+Een oogenblik later deed een licht geluid hem het hoofd opheffen en zag
+hij dat eene vrouw onbeweeglijk vóór hem stond, tegen het licht in,
+zoodat ook door de in het vertrek heerschende duisternis de omtrekken
+van haar gelaat zeer moeielijk te onderscheiden waren. Zij zag den
+vrijbuiter zoo vreemd en zonderling aan dat hij daardoor ondanks
+zichzelven ontroerd werd.
+
+—Gij hebt geroepen, mijnheer,—begon zij met zachte en bevende stem.—Ik
+ben tot uwe orders, wat verlangt gij?
+
+Bij den welluidenden klank van die stem, gevoelde de flibustier eene
+gewaarwording, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven; hij begon te
+beven, en druppels klam zweet liepen langs zijne slapen.
+
+—Ja,—gaf hij ten antwoord genoegzaam zonder te weten wat hij eigenlijk
+zei,—ik geloof dat ik geroepen heb. Ge zijt zeker de eigenares van dit
+logement?—vroeg hij zich eenigszins herstellende.
+
+—Ja, mijnheer,—antwoordde zij, en liet langzaam het hoofd zakken.
+
+Montbars, nog altijd onder den indruk zijner ontroering, trachtte
+telkens doch te vergeefs haar gelaat beter in het gezicht te krijgen
+doch ook die poging werd door haar verijdeld, daar zij zeker de
+schemering nog niet genoegzaam achtte om onbekend te blijven en dus het
+dikke weefsel van hare rebozo over haar gelaat trok.
+
+—Ik ben een zeeman,—hernam de vrijbuiter,—en...
+
+—Ik ken u,—viel zij bijna fluisterend hem in de rede.
+
+—Hoe!—spotte hij verwonderd,—kent ge mij?
+
+—Ja, gij zijt de onverbiddelijke aanvoerder aan wien de Spanjaarden den
+bijnaam van den Verdelger gegeven hebben.
+
+—Dat is zoo!—bevestigde hij met eene niet weer te geven uitdrukking van
+haat.—Aan de gavachos schenk ik nooit genade.
+
+Zij boog even zonder antwoord te geven.
+
+—Kunt ge mij hier huisvesting geven?—vervolgde Montbars.
+
+—Waarom niet zoo u dit verlangt? Doch gij hebt immers uw eigen huis,
+dat gij kunt betrekken.
+
+—Gaat dit u aan?
+
+—O, neen!—antwoordde zij zachtmoedig.—Daarin hebt gij gelijk, ik heb
+mij daarmee niet te bemoeien.
+
+—Zijn er bij u nog meer aanvoerders van de vrijbuiters?
+
+—Drie, mijnheer.
+
+—Wie zijn dat?
+
+—Francoeur, de ridder de Grammont, en kapitein Drack.
+
+—Zoo. Kunt ge mij een afgescheiden kamer geven?
+
+—Wat verstaat gij door afgescheiden, mijnheer? Houd mij die vraag ten
+goede, maar ik begrijp u niet best, mijnheer, want ik ben eene
+Spaansche en dus minder vertrouwd met de Fransche taal.
+
+—O! zijt gij eene Spaansche?—vroeg hij kortaf.
+
+—Dat wil zeggen,—werd haastig ten antwoord gegeven—ik ben in Spaansch
+Vlaanderen geboren.
+
+—Zoo!...—liet hij hooren, en keek haar lang en scherp aan, doch
+vervolgde alsof hij aan die mededeeling weinig gewicht hechtte.—Met een
+afgescheiden kamer, bedoel ik een vertrek dat niet met de overige in
+verband staat, en waar ik dus ongestoord uit- en in- kan gaan zonder
+kans van lastig gevallen en zoo noodig zelfs zonder gezien te worden.
+
+—Zulk eene kamer heb ik tot uwe beschikking.
+
+—Goed, dan betrek ik die. Hier hebt ge iets in voorschot.—En bij die
+woorden wierp hij eenige goudstukken op de tafel.
+
+—Het is mijne gewoonten niet, voorschot aan te nemen,—gaf zij haastig
+te kennen en schoof het geld met zenuwachtig gebaar van zich.
+
+—Dan is dat zoo goed als verloren geld,—merkte hij eenigszins bits
+aan,—want het is mijne gewoonte om nimmer terug te nemen wat ik eens
+gegeven heb.
+
+Een oogenblik aarzelde zij, toen streek zij de goudstukken naar zich
+toe.
+
+—Maar gij dient dan toch te weten hoeveel ik voor uwe huisvesting in
+rekening zal brengen.
+
+—Dat acht ik geheel onnoodig. Ge weet dat ik rijk ben en met zulke
+kleinigheden bemoei ik mij niet.
+
+—Wilt gij dan tenminste de kamer eerst gaan opnemen?
+
+—Ook dat is overbodig. Als het vertrek is zooals ge mij hebt gezegd,
+zal het juist voor mij geschikt zijn, daar ben ik zeker van.
+
+—Wanneer wilt ge de kamer betrekken?
+
+—Liefst dadelijk.
+
+Hij stond op, dit gesprek begon hij drukkend te vinden, hij gevoelde
+zich tegenover die vrouw in gedwongen verhouding, hoewel hij zich
+volstrekt geen rekenschap kon geven waaraan hij dit moest toeschrijven.
+
+—Vergun mij nog een paar woorden,—hernam zij.
+
+—Spreek,—gaf hij kortweg ten antwoord en ging weer zitten.
+
+—Ik wilde u verzoeken mij een gunst te bewijzen.
+
+—Eene gunst? En dat aan mij!
+
+—Ja, mijnheer,—luidde het zeer ootmoedige antwoord.
+
+—Ge kent mij, ge zijt eene Spaansche en toch vraagt ge mij je eene
+gunst te bewijzen!—viel hij uit, en trok de schouders op.
+
+—Ik gevoel dat ik ongelijk heb, maar ik moet toch deze gunst juist van
+u vragen daar gij de eenige zijt die daaraan kunt voldoen.
+
+—Nu, als het er dus mee staat, spreek dan maar op; ik luister mits het
+niet te lang duurt.
+
+—Niet langer dan enkele minuten, mijnheer.
+
+—Goed, toegestaan.
+
+Juist op dit oogenblik werd de deur opengedaan, en traden een paar
+personen binnen. Zij keek op, deinsde verschrikt terug, en verzocht
+door een wenk den vrijbuiter haar te volgen.
+
+—Kom mee,—hernam zij,—ik zal u naar uwe kamer brengen.
+
+—En ge moest mij iets vragen.
+
+—Later, op een ander oogenblik misschien,—luidde hortend en stootend
+het antwoord, daar zij hare ontroering niet kon bedwingen.
+
+—Doe naar uw goeddunken, maar dáár zie ik juist een mijner kennissen
+met wien ik gaarne eenige woorden zou wisselen.
+
+—Kent gij Francoeur dan?—vroeg zij gejaagd.
+
+—Is dat zoo’n wonder? En gaat het u aan?
+
+—Mij! O, neen, niets!
+
+—Dan zult ge ons nu wel willen alleen laten, naar ik verwacht.
+
+—Ik zal heengaan. De man die dáár bij den heer Francoeur staat, is mijn
+pandeling, die kan hier blijven om u te bedienen.
+
+—Goed, goed!—luidde het op ongeduldigen toon.—Welk eene zonderlinge
+vrouw!—mompelde Montbars binnensmonds, terwijl hij haar nastaarde toen
+zij de zaal verliet.—Zij is voor mij een raadsel. Doch hoe kom ik er
+toch toe om mij zooveel aan haar gelegen te laten liggen? Misschien
+doordien het is alsof ik haar vroeger ontmoet heb, maar waar en hoe,
+dat kan ik mij niet herinneren.
+
+Hij ging naar Francoeur, die zich op een stoel had laten neervallen,
+als overweldigd door hevige gemoedsbeweging, doch toen hij Montbars
+hoorde naderen, keek hij op, stak hem de hand toe en zei:—Welkom te
+Port-de-Paix.
+
+—Dank!—gaf Montbars ten antwoord en drukte hem daarbij de hand.—Maar
+wat scheelt je? Ge ziet zoo bleek en ontdaan... Er is je toch geen
+ongeluk overkomen?
+
+—Neen, och neen, het is niets! Let er maar niet op. Ik schaam er mij
+eigenlijk over dat ik mij dus aanstel. Ik heb de anderendaagsche
+koorts, en die hindert mij, maar dat is ook alles. Het schijnt dat de
+lucht hier niet goed voor mij is.
+
+—Maar, vriendlief, hoe kunt ge zoo iets denken! Het klimaat hier is
+immers zoo goed als men wenschen kan!
+
+—Ja... mogelijk heb ik dan kou gevat te Leogana.
+
+—Nu wat er de oorzaak van zij, doet er niet toe,—gaf Montbars te
+kennen, daar hij zeer goed bemerkte dat de jonge man om de eene of
+andere reden, niet voor de waarheid wilde uitkomen,—doch in ieder geval
+hoop ik dat de ziekte of ongesteldheid wat dan ook, je niet zal
+beletten deel te nemen aan eene nieuwe expeditie, die ik van plan ben
+te ondernemen.
+
+—Gij weet dat het mijn grootste verlangen is je daarbij te vergezellen.
+
+—Goed, sla toe, dan blijft dit afgesproken.
+
+—Is er nu spraak van een belangrijken tocht?
+
+—Daarover zult ge zelf later kunnen oordeelen,—antwoordde Montbars
+glimlachend.
+
+Gedurende dit gesprek tusschen de beide vrijbuiters, had de pandeling,
+die niemand anders dan Birbomono was, de zaal op en neer gedrenteld, en
+hier en daar een tafel of een stoel recht gezet.
+
+—Luister eens, vriend,—riep Montbars hem toe,—ik heb zoo even hier in
+huis een kamer gehuurd, ga eens met mij mee om mij den weg te wijzen.
+
+—Tot uwe orders, mijnheer.
+
+—Gaat gij heen?—vroeg Francoeur hem terwijl hij zeer gejaagd opstond.
+
+—Ja, doch maar even; ik heb behoefte om een poosje rust te nemen.
+
+—Dat spijt mij,—hernam de jonge man steeds even haastig en gejaagd,
+want nu het toeval ons zoo bij elkaar heeft gebracht, had ik die
+gelegenheid gaarne waargenomen om je eene opheldering te vragen.
+
+—Eene opheldering van mij?—vroeg Montbars met verbazing.
+
+—Ja, wel te verstaan, zoo gij mij dit veroorlooft.
+
+—Is daarbij dan zooveel haast?
+
+—Dringende haast, dit verzeker ik je.
+
+—Dit bevreemdt mij. Geldt het dan zulk eene ernstige zaak?
+
+—Eene zaak waarbij het voor mij eene levensvraag geldt,—verklaarde hij
+met half verstikte stem.
+
+Montbars keek hem een poos met de grootste verwondering aan.
+
+—Die woorden verbazen mij zeer,—hernam hij eindelijk.—Onze kennismaking
+is nog sinds kort, en in ons vroeger leven zijn wij nooit met elkaar in
+aanraking geweest, hoe is het dus mogelijk dat ge van mij zulk een
+gewichtige mededeeling kunt verwachten?
+
+—Stemt gij er in toe, naar mij te luisteren?
+
+—Zeker, wanneer ge maar wilt.
+
+—Dan liefst dadelijk.
+
+—Goed, ik zal luisteren.
+
+—Ja, maar niet hier; wat ik je te zeggen heb, is alleen voor jou
+bestemd.
+
+—Mij wel! Volg mij dan in mijne kamer, tenzij ge liever wilt dat wij
+ons naar de uwe begeven.
+
+—De plaats waar is mij tamelijk onverschillig, onder voorbehoud dat wij
+maar alleen zijn.
+
+Montbars gelastte door een wenk aan Birbomono, om hun de besprokene
+kamer te wijzen; daarna gingen die drie de zaal uit, en onder weg
+fluisterde de mayordomo den jongen man toe:
+
+—Maar caballero! Wat gaat gij beginnen?
+
+—Op de eene of de andere manier moet er een eind aan komen,—gaf de
+ander ten antwoord, met verwilderden blik.—Mijn toestand word
+onverdraaglijk!
+
+Birbomono liet het hoofd op de borst zakken, zonder eenig antwoord te
+geven. Na eenige treden een trap te zijn opgeloopen, deed de mayordomo
+eene deur open, en bracht de beide heeren in een vrij goed gemeubileerd
+vertrek.
+
+—Dit is uwe kamer,—zei hij tegen Montbars.
+
+—Goed. Ge kunt nu wel heengaan.
+
+De mayordomo vertrok en sloot de deur achter zich dicht. Het eerste
+vertrek diende tot spreekkamer; de vrijbuiters vertoefden daar niet,
+maar begaven zich naar het tweede dat een salon scheen te zijn.
+Montbars nam plaats in een leunstoel en noodigde door een wenk den
+jongen man uit dit eveneens te doen, doch Francoeur schudde ontkennend
+het hoofd, en bleef staan. De stilte die daarna volgde duurde tamelijk
+lang, en werd het eerst door Montbars verbroken.
+
+—Ik wacht op hetgeen gij mij te zeggen hebt!—zei hij.
+
+Francoeur sidderde, en hief haastig het hoofd op, dat tot op zijn borst
+was gezonken.
+
+—Montbars,—begon hij langzaam en met sombere stem,—gij hebt den naam
+iemand te zijn van wiens onversaagdheid geen wedergade wordt gevonden.
+
+—Wat!—liet Montbars hooren, één en al verbazing over de zonderlinge
+inleiding waarmee dit gesprek werd aangevangen.
+
+—Ja,—hernam Francoeur,—gij gaat door voor iemand vol onversaagden moed,
+in één woord voor een dier mannen die voor niets terugdeinzen,
+hoogstens zich over iets verwonderen kunnen.
+
+—Dat alles is mogelijk,—gaf Montbars koeltjes ten antwoord,—maar wat
+ter wereld heeft mijn meerdere of mindere moed uitstaande met die zoo
+gewichtige opheldering, die je van mij verwacht?
+
+—Dat zal ik je zeggen, Montbars. Men heeft mij gezegd, dat gij sinds
+gij op de Kust zijt, meer dan eens een tweegevecht hebt gehad, en het
+duel tusschen boekaniers gaat meestal gepaard met doodelijken afloop.
+
+—Ter zake, mijnheer, ter zake, dat verzoek ik je dringend!—viel
+Montbars uit, wiens toorn gaande werd gemaakt, en die gevoelde dat hij
+zich niet lang meer zou kunnen beheerschen.
+
+—Altijd heeft het geluk u begunstigd, en gij zijt steeds ongedeerd
+gebleven bij dergelijke ontmoetingen, niet waar?
+
+—Ligt het in uwe bedoeling mij te beleedigen?—klonk de driftige vraag.
+
+—Neen, mijnheer,—werd zacht, zelfs bijna weemoedig ten antwoord
+gegeven.—Alleen verzoek ik u dringend mij te willen antwoorden.
+
+—Nu, dan! Ja, mijnheer! God heeft mij steeds beschermd, want altijd was
+de zaak die ik voorstond, rechtvaardig!
+
+—God!—herhaalde Francoeur ten toppunt van verbazing.—Noemt gij den naam
+van God, Montbars?!
+
+—Zeker, jong mensch! En waarom zou ik dat niet? Doch thans niet meer
+daarover, en nog eens voeg ik u toe, ter zake!
+
+—Zoo zij het dan, Montbars! Ik verlang met je te vechten, en daar ook
+ik het er voor houd, dat de zaak waarvoor ik strijd, heilig en
+rechtvaardig is, hoop ik op mijn beurt, dat God mij beschermen en ik je
+dooden zal.
+
+Montbars deinsde ontroerd terug.
+
+—Wat beduidt die comedie, mijnheer,—vroeg hij op hoogen toon,—of zijt
+ge gek?
+
+—Ik ben niet gek, mijnheer, en speel evenmin comedie,—luidde het nu
+meer rustig gegeven antwoord.
+
+—Dus beteekent dit werkelijk eene uitdaging?
+
+—Zeer stellig eene uitdaging!
+
+—Ge wilt mij dus dooden?
+
+—Dat hoop ik te doen.
+
+—Maar dat gaat zoo maar niet, voor zoo iets is geen naam te
+vinden!—barstte Montbars los, en begon met groote stappen in de kamer
+op en neer te loopen.—Gij kent mij te nauwernood en ik heb je nooit
+eenig verdriet aangedaan, en nog veel minder u eenig onheil berokkend.
+
+—Zoudt gij dat denken?
+
+—Hoe! Of ik dat denk? Neen, ik ben er zeker van.
+
+—Dan vergist gij u zeer, mijnheer. Gij hebt mij zeer veel kwaad gedaan,
+ja, zelfs mij een onherstelbare ramp toegebracht!
+
+—Ik!
+
+—Ja, gij, señor, gij zelf!
+
+—Kunt ge dat naar waarheid getuigen?
+
+—Dat verzeker ik u op mijn woord van eer.
+
+Montbars zweeg eenige oogenblikken, en bleef in gepeins; ten laatste
+hernam hij:
+
+—Luister eens, hoe vreemd en zonderling het voorstel schijnt dat je mij
+doet, ik neem het aan.
+
+—Daarvoor betuig ik je mijn dank.
+
+—Ja maar, hoor nog even. Ik neem het aan, dit herhaal ik, doch op ééne
+voorwaarde.
+
+—Welke?
+
+—Dat ge mij vooraf zegt wie ge zijt, en welke de beweegredenen zijn,
+die je nopen dus te handelen, en wie de lieden zijn die je daartoe
+hebben aangezet.
+
+—Maar!!
+
+—Doe geen verdere pogingen! Dit besluit is onherroepelijk!
+
+—Maar toch...
+
+—Hoe nu! Ik moet bekennen, dat ik je meer dan dwaas begin te vinden! Ge
+komt hier zonder de minste aanleiding twist met mij zoeken, en mij
+rondweg zeggen dat ge verlangt mij te dooden, en dacht ge nu misschien
+dat ik dit mij maar zoo dadelijk zou laten welgevallen. Maar waarde
+heer, dat is nog erger dan louter onzin! Bedenk wel dat ik geen lust
+heb te vechten met den eersten den besten, die het goed mocht vinden om
+mij zonder grond of reden te beleedigen. Neen, neen, mijnheer, dat gaat
+niet aan, reken er niet op dat ge mij noodzaken zult je voldoening te
+geven, zelfs al waart ge laag genoeg mij eene van die beleedigingen aan
+te doen, die alleen door bloed kunnen worden uitgewischt. Wees dus
+gewaarschuwd, want ik verzeker je dat ik je bij het eerste gebaar of
+bij het eerste woord, neerschiet als een dollen hond. Nu kent ge mijne
+voorwaarden, en kunt spreken of zwijgen naar goedvinden, mij is dit
+tamelijk onverschillig.
+
+—Welnu, mijnheer, dan zij het zoo! Daar gij er dus op aandringt zal ik
+spreken! En toch, geloof mij, zou het wenschelijker voor u wezen indien
+ik zweeg, want dan zou ten minste uwe eer onbezoedeld blijven.
+
+—Ik vermeen mijnheer, zelf de beste rechter te zijn, in alle zaken
+waarbij mijne eer mocht gemoeid zijn. Spreek dus, zonder vrees en
+zonder eenige terughouding.
+
+—Dat zal ik, doch beschuldig dan niemand anders dan je zelven over de
+gevolgen die mijne woorden zullen veroorzaken.
+
+—Nog eens, en thans voor de laatste maal, herhaal ik je, dat ik van je
+verlang eene ronde, openhartige en volkomen voldoende verklaring, en ik
+voeg er bij, dat ik geen enkel oogenblik beducht ben voor de gevolgen
+daarvan.
+
+—Ik zal dan aan je verlangen voldoen, en naar ik hoop zal er daarna
+niet de minste aanleiding voor je overblijven tot een weigering om mij
+voldoening te geven.
+
+—Te dien opzichte behoeft ge geen zorg te hebben, dit verzeker ik u op
+mijn woord van eer. Maar nu verzoek ik u dringend er zonder verder
+verwijl een begin meê te maken, want ronduit gezegd, begint het mij
+verbazend te vervelen.
+
+De jonge man boog, nam plaats in een leunstoel, vlak over Montbars, en
+maakte zich tot spreken gereed.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+DE OPHELDERING.
+
+
+Ondanks al de heftigheid van het voorgevallene, gevoelde Montbars toch
+niet de minste verbittering jegens dat jonge mensch, hoewel hij er zich
+zeer over verwonderde, dat hij zoo kalm was gebleven en zonder toorn.
+Met de kin in de hand leunend op de armen van zijn stoel, keek hij met
+eene mengeling van droefgeestigheid en medelijden, naar dien jongen man
+vlak tegenover hem, naar Francoeur, door wiens edel en fraai gelaat met
+den fieren blik hij reeds bij de eerste ontmoeting met onwederstaanbare
+sympathie was aangetrokken; naar dienzelfden Francoeur, dien hij,
+gedreven door het rampzalige noodlot, wellicht na eenige uren
+genoodzaakt zou zijn te dooden, zoo hij niet onverbiddelijk door dezen
+gedood wilde worden. Tal van gedachten kruisten door zijn brein en
+dringend rees de vraag bij hem op, of hij den droevigen moed zou hebben
+zulk een jeugdig bestaan te vernietigen, dan wel of het niet veel beter
+zou wezen dat hijzelf het was, die bij dien mogelijken kampstrijd ten
+onder werd gebracht?
+
+De jonge man bleef zijnerzijds nog een poosje nadenken, als om al zijne
+herinneringen te ordenen, en begon toen te spreken, eerst zwak, zelfs
+eenigszins bevende, doch van lieverlede met meer kracht, en kort
+daarna, onder den invloed van het gevoel dat hem beheerschte, met vol
+geluid en hartstochtelijke vervoering.
+
+—Montbars, het noodlot maakt ons als met ijzeren hand tot vijanden, en
+toch zou ik er zoozeer de voorkeur aan gegeven hebben, om door u met
+toegenegenheid te worden behandeld, want ronduit verklaar ik je, dat ik
+ondanks al mijn streven om je innig te haten, mij met onweerstaanbare
+kracht tot je voel aangetrokken. Misschien zou een ander dit gevoel
+kunnen verklaren en ontleden, ik tracht er niet naar, maar ik weet dat
+het bij mij bestaat, dat het mij beheerscht, schoon het mij tot nu
+heeft doen terugdeinzen voor die opheldering, die slechts met den dood
+van een van ons beiden kan eindigen.
+
+—Ook ik,—betuigde Montbars op weemoedigen toon,—gevoel dat ik je zou
+hebben kunnen liefhebben, ja, werkelijk had ik je reeds lief, en zelfs
+op dit oogenblik kan ik er niet toe komen je haat toe te dragen.
+
+—Doch ongelukkig genoeg, Montbars,—hernam de jonge man,—moeten wij die
+zachtere gevoelens terugdrijven naar het diepste van ons gemoed om
+slechts te luisteren naar de stem van den plicht, die onverbiddelijke
+stem die mij thans gelast van je eene vreeselijke verantwoording te
+eischen. Ik ben geen Franschman, zooals ten onrechte door je is
+geloofd, zeker naar aanleiding van de gemakkelijkheid waarmede ik uwe
+taal spreek, doch ik ben althans, ik geloof te zijn, een Spanjaard.
+
+—Gij een Spanjaard!—uitte Montbars op smartvollen toon.
+
+—Ja, Montbars. Vergun mij nu dat ik je de geschiedenis van mijn leven
+mededeel, dit is noodzakelijk om verder goed door je begrepen te
+worden, doch ik zal daarbij zoo kort mogelijk zijn, en mij er toe
+bepalen je niet meer te zeggen, dan wat gij noodzakelijk moet weten.
+Mijne ouders heb ik niet gekend, noch mijn vader, noch mijne moeder.
+
+—Arme jongen!—mompelde Montbars.
+
+—Ik ben opgevoed door een oom, de broeder van mijne moeder,—vervolgde
+de jonge man.—Die oom had voor mij de grootste zorg; nauwlettend hield
+hij het oog over mijne opvoeding, en door zijn toedoen kwam ik bij de
+marine.
+
+—En ge zijt nu reeds, ondanks uw jeugdigen leeftijd, een uitstekend
+zeeman geworden, daarvan kan ik getuigenis afleggen.
+
+—Ik heb de eer officier te zijn op de vloot van Zijne Katholieke
+Majesteit.
+
+—Hoe! Wat! Maar van waar komt het dan dat...
+
+—Een beetje geduld, als ik je verzoeken mag,—viel de jonge man in.—Ik
+heb je immers verzekerd dat gij alles zoudt vernemen?
+
+—Het is waar! Vervolg dus, en houd mij dien onverhoedschen uitval ten
+goede.
+
+—Nu ongeveer zes maanden geleden was ik te Vera-Cruz, waar ik
+verpoozing zocht van een lange en vermoeiende reis in Europa. Op een
+goeden dag werd ik bij mijn oom ontboden, die, naar hij zei, mij zeer
+gewichtige mededeelingen had te doen. Ik was dadelijk naar hem
+toegegaan, zijn zoon was de eenige die het onderhoud bijwoonde, en toen
+vernam ik de afgrijselijke geschiedenis van mijne familie.
+
+De jonge man hield op; een zucht, een snik ontwelde aan zijn borst, hij
+verborg het hoofd in zijn handen en weende. Montbars gevoelde eerbied
+voor dit betoon van smart, eene smart waarvoor hij misschien meer
+medegevoel koesterde dan hem lief was. Eindelijk na enkele minuten
+waarin de doodsche stilte slechts werd verbroken door de gesmoorde
+snikken van Francoeur, hief hij op eens het hoofd op, keek den
+vrijbuiter aan met koortsachtig brandende oogen, vol uitdrukking van
+verbittering en doodelijken haat en barstte los:
+
+—Waartoe dient het nog langer je die vreeselijke geschiedenis te
+vertellen. Gij kent die immers even goed als ik? Gij! Gij, de verleider
+mijner moeder, die van wanhoop gestorven is met een vervloeking over je
+op de lippen! Gij, de lafhartige moordenaar van mijn vader!!
+
+Bij deze ongehoorde beschuldiging, en verregaande beleediging was
+Montbars plotseling opgesprongen, alsof een slang hem vervaarlijk had
+gebeten. Zijn bleek gelaat was als door een lijkkleur overtogen, zijne
+oogen waren als verduisterd door een bloedig waas en met door woede
+vast op elkaar geknepen lippen, ontsnapte uit zijn keel een gebrul als
+dat van een wild dier. Als een tijger sprong hij op den jongen man af,
+wierp hem met al zijn kracht, nog vermeerderd door zijne woede op het
+tapijt en zette hem de knie op de borst; terwijl hij hem met de
+linkerhand de keel toekneep, trok hij met de rechter zijn dolk uit,
+zwaaide die met woest gegrijns boven het hoofd van zijn slachtoffer en
+beet hem met heesche stem toe:—Ellendeling, ge zult sterven!
+
+De jonge man zoo plotseling overweldigd door een aanval, volstrekt niet
+door hem verwacht, deed geen enkele poging om te ontkomen aan de
+krachtige hand, die hem gekluisterd hield; hij begreep dat iedere
+wederstand nutteloos zou zijn, doch vestigde alleen een vasten blik op
+zijn vijand, met eene zoo hoonende uitdrukking dat die niet te
+beschrijven is; een glimlach vol verachting vertrok zijne door de
+ontroering verbleekte lippen, en met luider stem beet hij driemaal
+achtereen Montbars dit enkele woord toe:
+
+—Lafaard! Lafaard! Lafaard!
+
+Het was met den ongelukkigen jongen man gedaan, de onheilspellende
+flikkering van het staal verduisterde zijn blik; geen menschelijke
+macht scheen hem meer te kunnen redden, toen op eens een fijne, nette
+hand, de hand eener vrouw, den arm van Montbars vatte, en tegelijk een
+zachte doch smeekende stem, met een uitdrukking van smart zeide:—Zal
+zóó door Montbars een kind dat weerloos aan zijn voeten ligt, worden
+vermoord.
+
+De vrijbuiter keek op, zonder echter zijn vijand te bevrijden van de
+drukkende knie op diens borst. De eigenares van het logement stond vlak
+naast hem, bleek, bevende, geheel ontroerd, als een standbeeld van de
+smart, schoon, ondanks hare tranen, als de Niobe der oudheid, en zag
+hem aan met eene uitdrukking, zóó smeekend, zóó teeder, en toch zóó
+onderworpen, dat geen schilder in staat zou zijn dit weer te geven. De
+flibustier sloeg de oogen neder onder den machtigen blik van die zwakke
+vrouw, die een magnetischen invloed op hem scheen uit te oefenen.
+
+—O!—die kreet uitte hij zacht en half snikkend. Toen was het alsof hij
+de overmacht gevoelde van eene onbekende kracht, grooter dan de zijne;
+hij stond langzaam op, stak den dolk weer in zijn gordel, deed een paar
+passen achterwaarts om zijn vijand gelegenheid te geven eveneens op te
+staan, sloeg de armen kruiselings over de borst, en bleef, met gefronst
+voorhoofd, waarop het zweet zichtbaar was, en met somberen blik, en
+kalme en waardige houding met opgeheven hoofd staan, als een leeuw, die
+alles rustig afwacht.
+
+Zoodra de jonge man zich vrij gevoelde, sprong hij op, en stond in één
+oogwenk weer ter been; maar eveneens beheerscht door het zoo
+indrukwekkende als statige voorkomen van die vrouw bleef ook hij
+onbeweeglijk staan, schoon bevende door woede, doch toch zonder naar
+zijn degen of dolk te tasten. De vrouw, die zoo te juister tijd en als
+door de Voorzienigheid geroepen, te voorschijn was gekomen om een moord
+te verhoeden, die zonder hare onverwachte tusschenkomst, ongetwijfeld
+onder haar dak zou bedreven zijn geworden, zag eenige oogenblikken met
+de meeste aandacht naar de beide tegenstanders; daarna deed zij een
+paar schreden vooruit en plaatste zich tusschen hen, als om eene
+vernieuwing van den strijd te voorkomen. Toen wendde zij zich tot
+Montbars en voegde hem toe:
+
+—Mijnheer, verblind door uwe onzinnige drift stond gij op het punt eene
+afschuwelijke misdaad te begaan.
+
+—Dat is zoo, mevrouw,—gaf de vrijbuiter ten antwoord met zooveel
+zachtaardigheid dat zijn vijand daarover versteld stond,—en dit zou ik
+eeuwig berouwd hebben. Daarom betuig ik u mijne dank voor uwe
+tusschenkomst.
+
+—Later zult gij mij nog inniger dank zeggen,—sprak zij met nauw
+hoorbare stem.
+
+—Wat wilt gij daarmee zeggen, mevrouw?
+
+—Voor dit oogenblik niets,—hernam zij, waarna zij zich naar den jongen
+man keerde en zei:
+
+—Mijnheer, de beleedigingen vernederen nog meer hem die ze uitspreekt,
+dan hem tot wie die gericht worden. Vervolg nu, in plaats van u te
+laten vervoeren door uw toorn, waartoe gij u gerechtigd waant, het
+verhaal dat door u was begonnen op eenvoudige wijze, waardig u zelven
+en hem die u aanhoort. Misschien zal er dan eenig licht dagen over deze
+geheimzinnige geschiedenis, en zult gij tot het besef komen, dat gij
+geen slachtoffer zijt, maar een werktuig dat dient tot de bevrediging
+van den haat van een ander.
+
+Die woorden, met bijzonder overleg gekozen, gaven het jonge mensch veel
+te denken, des te meer daar men tegen hem dien eigen dag bij de
+bijeenkomst in de Groote Vlakte bijna diezelfde woorden had gebezigd;
+hij gevoelde zich vernederd door dit soort van zedelijken dwang dien
+men op hem scheen te willen toepassen; en dit had bij hem eene
+verkeerde uitwerking, daar hij nu trachtte in verzet te komen tegen
+zulk een eisch van onderdanigheid, waartoe hij ongezind was iemand het
+recht te geven.
+
+—Mevrouw,—antwoordde hij op hoogst beleefden toon, die echter niet vrij
+was van een lichten zweem van spot,—dank zij uwe edelmoedige
+tusschenkomst heeft die man dáár, die mij onder zijn knie gekneld
+hield, mij niet gedood; daarvoor betuig ik u zeer onderdanig mijn dank,
+niet omdat ik zoozeer aan mijn leven gehecht ben, dan wel omdat de aan
+mij opgedragen taak nog niet is vervuld; noch mijn vader, noch mijne
+moeder is gewroken. Echter komt het mij voor dat de mij door u bewezene
+dienst, waarvoor ik u eeuwig dankbaarheid ben verplicht, u echter geen
+recht geeft u met mijn zaken in te laten, die, veroorloof mij u dit
+onder het oog te brengen, mij alleen aangaan en waarin gij u dus niet
+behoort te mengen.
+
+Een koele, snijdende, en minachtende glimlach vertrok even de lippen
+van de dame.
+
+—Wat weet ge daarvan?—zeide zij.—Zie naar dien man dáár, zooals ge hem
+zoo even hebt genoemd. Hij heeft mij herkend, daar ben ik zeker van, en
+het recht dat gij mij betwist, wordt mij door hem in al zijne
+uitgestrektheid toegekend.
+
+—Zoo is het, mevrouw,—erkende Montbars.—Hoewel sedert de laatste maal
+dat wij elkaar ontmoet hebben jaren na jaren langzaam en droevig zijn
+voorbijgegaan, heb ik u herkend, en gaarne erken ik dat uwe
+tusschenkomst alleszins geoorloofd en rechtmatig is.
+
+—Welnu, als dit zoo is, dan zal ik die zaak als afgehandeld
+beschouwen,—antwoordde het jonge mensch koel.—Overigens is het mij
+tamelijk onverschillig of dit geheim al dan niet bewaard blijft.
+Gedreven door nog een restje van hoffelijkheid tegen dien man dáár, heb
+ik zijn eerloos gedrag niet voor ieders oog willen bloot leggen. Doch
+gij eischt dat ik zal spreken, welnu dan zal ik dit doen.
+
+—Doe dit, mijnheer, en misschien zal dan, even als mevrouw u reeds
+heeft gezegd, spoedig aan ons blijken op wien de schuld moet vallen van
+die verregaande eerloosheid, waarover je op zulk een hoogen toon
+spreekt.
+
+—Wat heeft uw zoogenaamde oom,—vroeg daarop de dame, toen hij met zijn
+ontzettende mededeelingen ten einde was,—u gelast.
+
+—Mijn zoogenaamde oom mevrouw!—viel de jonge man heftig uit.
+
+—Ja, mijnheer, uw zoogenaamden oom! Dat houd ik vol, ten minste tot het
+tegendeel daarvan bewezen is.
+
+—Doch hoe kunt gij iets van die gansche geschiedenis weten, daar ik er
+nooit één enkel woord over gerept heb?
+
+—Doordat ik straks, hier achter de deur verborgen, alles gehoord heb.
+
+—O! Hebt gij zóó gespionneerd!
+
+—Ja! En daardoor uw leven behouden!
+
+Hij boog het hoofd; nogmaals gevoelde hij zich overwonnen, en erkende
+de nutteloosheid van verder verzet.
+
+—Ik ben,—vervolgde hij, terwijl hij thans tot het besluit kwam alles
+openhartig te vertellen,—zooals ik u reeds gezegd heb, officier bij de
+Spaansche marine; op last van mijn oom heb ik mijn ontslag ingediend en
+verkregen, en heb mij toen als matroos doen aanmonsteren op een schip
+van flibustiers.
+
+Montbars huiverde.—Met welk doel?—vroeg hij.
+
+—Met het doel om geheel op de hoogte te komen van uwe strijdkrachten,
+van al uwe hulpmiddelen en van uwe gansche organisatie, in één woord om
+je daardoor te kunnen overwinnen en voor goed en voor altijd al die
+zeeschuimers-schuilhoeken te vernietigen, die schandvlekken voor de
+menschheid zijn.
+
+—Of met andere woorden,—sprak Montbars met snijdenden spot,—uw oom
+heeft onder het schoonschijnende voorwendsel van eene ingebeelde
+wraakneming een spion van je gemaakt! Ik moet zeggen dat is een zeer
+waardige rol voor een Castiliaansch edelman!
+
+—Mijnheer!—viel de ander heftig uit. Doch dadelijk daarna beheerschte
+hij zich en vervolgde:—Een spion! Nu goed, laat dit zoo zijn, doch in
+mijne oogen was de rol, die ik moest spelen, niet zoo laag, het doel
+dat ik beoogde veredelde in mijn oogen althans wat die in de oogen van
+het algemeen verachtelijks moet hebben.
+
+—Een drogreden is geen verontschuldiging, mijnheer!—gaf Montbars koel
+ten antwoord.—Doch het doel waarvan gij gewag maakt, is toch niet het
+eenige dat door je werd beoogd?
+
+—Dat is zoo, ik had een nog veel heiliger plicht te vervullen, ik moest
+den verleider mijner moeder, den moordenaar van mijn vader, ontdekken,
+en mij op hem wreken.
+
+—Zeker door hem te vermoorden?—vroeg Montbars ironisch.
+
+—Neen, door mij van hem meester te maken, en hem als een dief en
+moordenaar te laten ophangen.
+
+—Ellendeling!—bulderde Montbars.—Dus bekent ge je verraad?
+
+—Ik beken wat door mij verricht is, en op dat alles ben ik trotsch.
+
+—Gij zijt het dus die in de laatste maanden al onze plannen aan de
+Spanjaarden hebt verklapt?
+
+—Ja, dat ben ik!
+
+—Ongelukkige! Weet ge dan niet dat de straf die je wacht, ontzettend
+is?
+
+—Dat weet en wist ik zeer goed,—luidde eenvoudig het antwoord.
+
+—En beeft ge niet bij die gedachte?
+
+—Waarom zou ik dat? Toen ik de taak op mij nam, die ik moest vervullen,
+wist ik welk lot mij stond te wachten indien ik ontdekt werd, en ik heb
+bij voorbaat al de kansen die voor en tegen mij waren goed berekend.
+Toch heb ik tegen u dit gewaagde spel aangevangen waarbij mijn hoofd
+tot inzet diende. Ik vertrouwde dat God met mij zou zijn, daar de zaak,
+die ik wilde bevorderen, billijk en rechtvaardig is. God heeft mij
+verlaten, het zij zoo! Ik onderwerp mij aan Zijn ondoorgrondelijken
+wil, zonder murmureering, maar ook zonder zwakheid. Ik ben in uwe
+macht, doe met mij wat je goed dunkt. Ik heb het spel verloren, en zal
+den inzet weten te betalen.
+
+—Ja,—hernam Montbars vergramd, doch op ijskouden toon,—heden nog zult
+gij uw verdiende straf ondergaan.
+
+—Houd op!—sprak de dame, en strekte haar arm uit, als om Montbars terug
+te houden.—Zwijg nu, en wacht nog enkele minuten. Dat jonge mensch
+heeft alles nog niet gezegd.
+
+—Hoe! Heeft hij alles nog niet gezegd?
+
+—Hij heeft nog verzuimd ons zijn naam op te geven, dan eerst kunnen wij
+er zeker van zijn dat hij waarlijk een edelman is, zooals hij
+voorgeeft. Misschien is hij niet anders dan een laaghartige spion, een
+ellendeling van lagen stand die alleen ter wille van het geld met onze
+vijanden gemeene zaak heeft gemaakt.
+
+Terwijl zij dit zei had de dame een zonderlingen blik met Montbars
+gewisseld, die door hem toestemmend was beantwoord.
+
+—Zoo!—liet de jonge man hooren, met eenigszins triomfeerenden lach.—Dat
+had ik verwacht! Maar ge zult bedrogen uitkomen als ge daarop rekent.
+Sterven moet ik en zal ik, doch gij zult niet weten wien door je ter
+dood wordt gebracht.
+
+Teleurgesteld maakte Montbars driftig een gebaar, doch werd weer
+tegengehouden door de dame, die hernam:
+
+—Weer bedriegt ge u, want al zijn wij nu nog niet bekend met uw naam,
+toch behoeft het ons niet veel moeite te kosten om dien te weten te
+komen.
+
+—Daar twijfel ik hard aan!—luidde het tartende antwoord.
+
+—Dwaas kind!—voegde zij hem toe, op medelijdenden toon.—Dwaas kind! Ge
+waant u sterk, omdat ge u vast besloten en eerlijk gevoelt, en toch
+zijt ge niets meer dan de speelbal van hen die u omringen!...
+
+—Mevrouw!—viel hij uit.
+
+—Luister maar,—vervolgde zij en deed of zij dien uitroep niet had
+gehoord.—Mijn pandeling Birbomono, heeft u een brief ter hand gesteld,
+waarin ge werd uitgenoodigd tot eene samenkomst; dezen morgen zijt ge
+daarheen geweest, naar de Groote Vlakte, aan den oever van den
+Artibonite, niet verder dan drie uren van hier. Dáár hebt ge langer dan
+een uur gesproken met iemand, gekleed als boekanier, die u omarmt en
+als neef begroet en behandelt, en zijt ge nu onnoozel genoeg om te
+gelooven, dat wij, voor wie het van zooveel belang is van alles wat
+hier voorvalt op de hoogte te zijn, dat wij zeg ik dien man niet zouden
+kennen?
+
+—Zeker geloof ik dat, zeker zóó onnoozel ben ik, want als gij wist wie
+die man is, dan zou hij nu uw gevangene zijn, of ten minste gij zoudt
+getracht hebben u van hem meester te maken.
+
+—Weer dwaalt gij, mijnheer! Wij kennen dien man zeer goed, en toch
+laten wij hem vrij, want schoon hij Spanjaard is draagt die man ons
+geen kwaad hart toe, en zelfs heeft hij ons meer dan eens groote
+diensten bewezen.
+
+—En zijn naam?
+
+—Zijn naam? Daar ge wilt dat ik dien zal noemen, zult ge hem hooren.
+Hij heet don Sancho de Penaflor, en is namens den Koning van Spanje,
+Gouverneur over het eiland Hispaniola.
+
+—Don Sancho de Penaflor!—riep Montbars, en sprong op van verrassing.—O!
+Nu is alles mij opgehelderd!
+
+—Misschien!—werd veelbeteekenend door de dame aangemerkt.—Er begint ten
+minste eenig licht in de duisternis te komen, doch laten wij ons niet
+verheugen eer het volle dag is.
+
+De jonge man gevoelde zich als verpletterd, en liet zich droefgeestig
+ontvallen:—O! Groote God!
+
+—Don Sancho hier!—zei Montbars.—Wist ge dit donna Clara?
+
+—Dit moest ik immers weten?—zeide zij eenvoudig.
+
+—Dat is zoo!—erkende hij opgewonden.—Bij den hemel! Wat daarvan ook de
+gevolgen voor mij moge wezen, zien wil ik en zal ik hem!
+
+Donna Clara was den jongen man meer genaderd en zei tegen hem:
+
+—Gij houdt veel van don Sancho en ook hij houdt van u. Zoo ge zijn raad
+had gevolgd, zoudt ge wellicht niet in den toestand zijn waarin ge
+thans verkeert; doch wat geschied is, is geschied, en het is nutteloos
+daarop nu weer terug te komen. Luister nu naar mij. De hertog de
+Penaflor heeft u gezegd, dat Montbars uwe moeder verleid en uw vader
+vermoord heeft. Zoo is het immers?
+
+—Ja,—stamelde de jonge man, overweldigd door al zijn leed.
+
+—O!—barstte Montbars los.—Dat is weer juist iets voor dien
+onverbiddelijken man! Daarin herken ik hem geheel! Uw naam,
+jongman,—liet hij er gebiedend op volgen.
+
+—Don Gusman de Tudela,—luidde het antwoord, gegeven zonder verdere
+aarzeling.
+
+—Welnu! Gij don Gusman de Tudela, geef mij uw woord van eer, dat gij
+geenerlei poging zult doen om te ontvluchten.
+
+—Dat geef ik je, Montbars,—gaf hij openhartig ten antwoord.
+
+—Goed ik neem het aan. Birbomono zal met je naar Sint-Domingo
+vertrekken. Ge hebt zeker de noodige middelen om ieder oogenblik en
+zonder eenig gevaar in de hoofdstad van het eiland door te dringen,
+niet waar?
+
+—Ja, die middelen bezit ik.
+
+—Best! Dan gaat gij daar aan don Sancho mededeeling doen van het
+vreeselijke tooneel dat tusschen ons heeft plaats gegrepen en van alles
+wat tusschen ons is gesproken zonder tittel of jota te vergeten.
+
+—Dat zal ik doen.
+
+—Tevens moet gij don Sancho bezweren bij wat hem het heiligste ter
+wereld is, je te zeggen, of ik schuldig ben aan de misdaden, waarvan de
+hertog de Penaflor, zijn vader, mij tegenover jou beticht heeft. Zoo
+daarop een bevestigend antwoord volgt, kom dan terug en gij zult mij
+bereid vinden je alle eerherstellingen en iedere voldoening te geven,
+die gij van mij eischen zult.
+
+—Zijt gij daartoe bereid?—viel de ander in op verrukten toon.
+
+—Daarop verpand ik mijn woord van eer,—gaf Montbars plechtig ten
+antwoord,—maar mocht don Sancho je daarentegen zeggen, dat ik niet
+alleen onschuldig ben aan die misdaden, maar zelfs meer dan twintig
+jaren vervolgd wordt door eene even onverzoenlijken als
+onrechtvaardigen haat, wat zal je dan doen? Antwoord mij daarop?
+
+—Wat ik dan zal doen?
+
+—Ja, dit verlang ik te weten.
+
+—Dan verpand ik op mijn beurt mijn woord van eer, dat ik, als hij mij
+dit zegt, mij in je handen zal overleveren, om met mij geheel naar uw
+goeddunken te handelen.
+
+—Ik houd je aan uw woord. Ga, mijn vriend, want ondanks alles wil ik je
+nog zóó blijven noemen. Ga, het is nu nog niet veel later dan drie
+uren; als ge zonder talmen vertrekt kunt ge vóór zonsopgang in
+Sint-Domingo wezen.—Daarop wendde hij zich tot donna Clara en vroeg op
+onbeschrijfelijk goedhartigen toon:—Is het zóó naar uw verlangen
+geschikt, mevrouw?
+
+—O!—kreet zij terwijl zij, uitbarstende in gesnik, aan zijne voeten
+knielde.—Ge handelt grootsch en edel zooals altijd!
+
+Montbars hief haar met vriendelijken glimlach op, en fluisterde haar
+bemoedigend toe:—Houd moed arme vrouw, blijf hoop koesteren, arme
+moeder!
+
+Een uur later verliet don Gusman, vergezeld door Birbomono,
+Port-de-Paix, en zette het in galop op den weg naar Sint-Domingo.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIV.
+
+EEN DINER BIJ DEN HEER D’OGERON.
+
+
+Na een lang onderhoud met donna Clara, (een onderhoud dat zelfs geheim
+bleef voor Birbomono, die toch reeds sinds jaren het volle vertrouwen
+zijner meesteres genoot) verliet Montbars het logement en begaf hij
+zich naar de woning van den heer d’Ogeron, om dáár, volgens zijne
+belofte, te gaan dineeren.
+
+Reeds meermalen hebben wij gezegd dat de Broeders der Kust den
+gouverneur hooge achting toedroegen, dat zij tevens zeer op hem waren
+gesteld, doch tegelijk groot ontzag voor hem koesterden. Zijn huis
+stond bekend als het aangenaamste van de gansche kolonie en ieder wist
+dat men daar uitstekend werd onthaald, en er steeds een uitgekozen
+gezelschap vond. De heer d’Ogeron, een edelman nog van het oude ras,
+wist in alle opzichten de eer van zijn huis op te houden, doch had
+daarenboven een bijzonderen tact om aan zijne tafel menschen te
+vereenigen in staat om elkaar goed te verstaan en wederkeerig naar
+waarde te schatten, iets wat waarlijk geen geringe taak mocht heeten in
+een land waar de bevolking grootendeels bestond uit ruwe, eerlooze
+lieden, ware schipbreukelingen van de Europeesche beschaving, wier
+gemoedsaard zoo wederspannig was, dat zij niet dan hoogst onwillig
+bogen onder het lichtste juk, dat men hun wilde opleggen.
+
+Overigens was de verhouding van den heer d’Ogeron daar ter plaatse zeer
+zonderling, want hij bevond zich te midden van lieden, die zijn titel
+van Gouverneur des Konings, tenauwernood schoorvoetend verdroegen, dan
+wel inderdaad erkenden, en ieder oogenblik gereed waren tegen de
+onbeduidendste zijner beschikkingen in verzet te komen. De oude edelman
+had dus groote behoefte aan al zijne energie en zijne groote bekendheid
+met de gewoonten en manieren der vrijbuiters, onder wie hij jaren lang
+geleefd en met wie hij vroeger menige kruistocht meegemaakt had, om
+zich in zijne betrekking te Port-de-Paix goed te handhaven en de
+gewichtige belangen, die de Koning aan hem had toevertrouwd, niet in
+gevaar te brengen.
+
+Montbars werd met de uiterste hoffelijkheid door den heer d’Ogeron
+ontvangen, en vond dáár reeds vereenigd de meest in naam zijnde
+aanvoerders der flibustiers, die allen zeer verlangden hem te
+begroeten, zich hadden beijverd om haastig na de noodiging bij den
+Gouverneur ter maaltijd te komen. Hoe goed ook het geheim in acht mocht
+genomen zijn, toch kenden de oude vrijbuiters, die reeds zoolang de
+metgezellen van Montbars waren, den vermaardsten hunner te goed, (hem
+met zijne uitstekende begaafdheden en zijn ingekankerden haat tegen de
+Spanjaarden), om niet te vermoeden dat zijne zoo langdurige
+afwezendheid van het Schildpaddeneiland in verband moest staan met
+buitengewone plannen, om er bijna zeker van te zijn dat de
+ongeëvenaarde aanvoerder voor den dag zou komen met het voorstel tot
+eene expeditie, zóó als alleen door hem kon worden bedacht, en waarvan
+de uitvoering spoed zou vereischen.
+
+Nu waren reeds sinds lang al de tochten der flibustiers tamelijk slecht
+afgeloopen; al hunne plannen, zelfs de best beraamde, hadden schipbreuk
+geleden zonder dat men precies kon uitmaken wat daarvan de oorzaak was;
+steeds vonden zij de vijanden, die zij op het onverwachts meenden te
+overvallen, bijzonder op hunne hoede, en kwamen zij van hunne
+kruistochten terug, met schepen, door de kogels der Spanjaarden lek
+geschoten, en equipages die door het Spaansche schroot sterk gedund
+waren.
+
+Voor de flibustiers, gewoon om met volle handen het geld te verkwisten
+dat zij bij hunne rooftochten buit maakten, was zuinigheid een woord
+dat niet bestond, zoodat er nu onder hen groote geldschaarschte
+heerschte; zij kregen, zooals zij dit uitdrukten, grooten honger, en
+het was dus hoog tijd dat hun een extra buitenkansje ten deel viel.
+Geen wonder dus dat Montbars door hen werd ontvangen met daverende
+toejuiching, en ieder zich haastte om hem de hand tot verwelkoming toe
+te steken.
+
+Het diner verliep zeer behoorlijk onder vriendschappelijk gekout
+tusschen den heer d’Ogeron en zijne gasten, doch, tegen zijne gewoonte,
+moedigde de gouverneur hen niet aan om de glazen te ledigen. Montbars
+was stil en teruggetrokken en antwoordde meestal niet dan zeer
+onvoldoende op de vragen die men hem deed. Naar het scheen peinsde hij
+aanhoudend over iets; hij at genoegzaam niets en vergat telkens zijn
+glas dat bijna onaangeroerd voor hem stond.
+
+Dat alles werd herhaaldelijk en door al de Broeders der Kust opgemerkt,
+en was voor hen eene nieuwe aanleiding om te vermoeden dat in het brein
+van hun vermaarden aanvoerder het plan broeide tot het doen van een
+grootsche onderneming; stilzwijgend verheugden zij zich daarover, maar
+tegelijk vermeerderde hun ongeduldig verlangen, dat hij hun daarvan
+mededeeling zou doen. Toen het dessert was opgezet, gaf de heer
+d’Ogeron een wenk, waarna de bedienden zich dadelijk verwijderden en de
+deuren achter zich toetrokken. De gasten bleven nu onder elkaar. Zij
+waren tien in getal, met inbegrip van den gouverneur. In de eerste
+plaats Montbars; dan Philippe d’Ogeron, de neef van den gouverneur;
+Pierre Legrand; de ridder de Grammont; de Olonner, de vroegere
+pandeling van Montbars, die zooals hij zelf hem vroeger had voorspeld,
+een der geduchtste flibustiers van Tortue was geworden; kapitein Drack;
+de Poleter en Morgan de Engelschman, die pas terug was gekomen uit
+Jamaïca, waar hij langen tijd had vertoefd, en de Mooie Laurent [10].
+
+—Heeren,—zei daarop de heer d’Ogeron,—daar staan likeuren, pijpen,
+tabak en sigaren, weest zoo goed daarvan gebruik te maken.
+
+Ieder stak de hand uit en greep naar welgevallen pijp of sigaar. De
+Gouverneur stond op, liep een paar keeren door de zaal en deed toen de
+deuren open, waarop men in de gang op eenige passen afstand Luiwammes,
+Tributor, Michel de Baskiër en Pitrians in het oog kreeg, die daar op
+stoelen gezeten en zwaar dampten.
+
+—Gij ziet,—vervolgde de gouverneur, terwijl hij zijn plaats aan tafel
+weer bezette,—dat wij onder goede hoede zijn, en ten minste dezen keer
+in alle gerustheid over onze zaken kunnen spreken, zonder vrees dat
+onze woorden in verkeerde ooren zullen vallen.
+
+De vrijbuiters juichten de genomene voorzorg zeer toe, te meer daar die
+hun voorspelde dat er eene ernstige beraadslaging zou plaats grijpen,
+waarbij zij veel belangrijks hoopten te vernemen.
+
+—Maar toch,—hernam de gouverneur,—raad ik je aan niet al te luid te
+spreken, want de muren zijn niet bijzonder dik, en wie weet hoeveel
+spionnen daar buiten als luistervinken rondfladderen!
+
+Montbars greep een flesch die vóór hem stond, schonk zijn glas
+boordevol, zonder er op te letten welke likeur het was, en dat zeer
+sterke rum bleek te zijn, en hief het in de hoogte:
+
+—Broeders,—dus begon hij,—ik drink op eene expeditie roemrijker dan er
+ooit eene door de flibustiers ondernomen is, eene expeditie die wij
+gezamenlijk zullen maken, zoo gij mij waardig keurt over jelui het
+bevel te voeren. Ik drink op onze wraak op de gavachos! Doet mij
+bescheid!
+
+Na die woorden bracht hij het glas aan zijne lippen, en ledigde het in
+één teug tot op den laatsten droppel.
+
+—Op onze wraak op de gavachos!—riepen al de vrijbuiters en volgden zijn
+voorbeeld, door de glazen in één teug te ledigen.
+
+—Ei, ei!—liet Pierre Legrand hooren.—Het schijnt dat er iets aan de
+hand is.
+
+—Dat is immers altijd het geval als Montbars er bij is?—merkte de
+Olonner aan, die zich vergenoegd in de handen wreef.
+
+—Goddam!—vloekte Morgan,—ik geloof goed te hebben gedaan met hier terug
+te komen.
+
+—Heeren,—sprak de Gouverneur,—Montbars vraagt het woord, ik verzoek je
+naar hem te luisteren.
+
+—Te meer omdat dit zeer waarschijnlijk wel der moeite waard zal
+zijn,—voegde de Poleter op lustigen toon er bij.
+
+—Stilte! Luisteren! Stilte!—riepen de meesten.
+
+In één oogwenk heerschte de diepste stilte.
+
+—Broeders,—hernam Montbars,—ik moet beginnen met je mijne dank te
+betuigen voor de blijken van sympathie mij door je betoond ter
+gelegenheid van mijne terugkomst in uw midden, ofschoon het voor den
+eersten keer is dat die terugkomst geschiedt zonder dat een enkel prijs
+gemaakt schip door mij op sleeptouw werd aangebracht en zonder dat gij
+een enkelen gavacho aan de raas van mijn schip hebt kunnen zien hangen.
+Die schijnbare verandering heeft je zeker te denken gegeven, en
+misschien is daarvan de slotsom geweest dat door je vermoed wordt, dat
+ik van groote plannen zwanger ga. Welnu kameraden, als dat het geval
+is, dan hebt gij je daarin niet bedrogen. Mijne plannen zijn groot,
+zelfs zoo groot dat ik die bijna aan mij zelf niet durf bekennen,
+ofschoon ik reeds meer dan twee maanden dag en nacht aan niets anders
+heb gedacht, en herhaaldelijk al de kansen, die er voor of tegen
+pleiten nauwgezet heb overwogen.
+
+Bij eene dergelijke inleiding werd de aandacht der vrijbuiters nog
+vermeerderd, zoodat men bij de ademlooze stilte gemakkelijk zelfs het
+gonzen van een muskiet zou gehoord hebben, ondanks dat er tien personen
+in de zaal bijeen waren.
+
+—Ik wil,—vervolgde Montbars met zijn duidelijke en zoo klankvolle stem,
+terwijl hij op die woorden drukte,—versta mij wel, ik wil op de
+Spanjaarden zulk eene schitterende wraak nemen, dat honderd jaren later
+de herinnering daaraan nog zoo levendig zal bestaan, dat hunne
+kleinkinderen beven zullen zoo zij slechts den naam hooren van de
+Broeders der Kust! Gedurende mijn afwezigheid is er onder u veel
+voorgevallen; verscheidene onzer broeders, en daaronder menigeen die
+hoog stond aangeschreven, zijn verraden en verkocht door spionnen die
+zich onder ons genesteld hebben, en achter onze geheimste
+beraadslagingen gekomen zijn; die broeders zijn gevallen en strikken en
+hinderlagen waar zij een eerloozen dood hebben ondergaan, want in het
+oog der gavachos zijn wij niets dan ladrones, en als zoodanig worden
+wij door hen behandeld. Die broeders zullen op roemvolle wijze door ons
+worden gewroken, dit zweer ik u! Iedere druppel van hun bloed zal
+betaald worden, door stroomen bloed van onze vijanden!
+
+Ondanks de aanbeveling van den heer d’Ogeron werd die toespraak
+afgebroken door daverende kreten van bijval; door hun haat tegen de
+Spanjaarden op te roepen, had de spreker de gevoeligste snaar zijner
+toehoorders aangevoerd, en was er in geslaagd hun een onbeperkt
+vertrouwen in te boezemen.
+
+Zoodra de stilte hersteld was, vervolgde Montbars:
+
+—En voor ditmaal is er bij mij geen spraak van eene gewone expeditie.
+Nu denk ik er niet over om op avontuur te gaan kruisen, neen! Wat ik nu
+bedoel, wat ik nu verlang dat is de oorlog, en een oorlog zonder
+genade. Wilt gij mij volgen?
+
+—Ja, ja!—luidde de kreet, als met één stem.
+
+—Tot naar de hel, als het moet!—voegde de Olonner er bij.
+
+Philippe, de eenige die wist welk doel Montbars beoogde, drukte zijn
+hand tegen zijn hart als om het minder snel te doen kloppen doch kon er
+slechts met moeite in slagen om zijne vreugde te verbergen; want het
+gevolg van het goede succes der expeditie was voor hem, de vereeniging
+met donna Juana, en het overige liet hem koel.
+
+—Wij vertrekken dus gezamenlijk broeders, doch ieder behoudt het gezag
+over zijn eigen schip.
+
+—Maar wij zijn slechts met ons negen,—werd door Pierre Legrand in het
+midden gebracht.
+
+—Daarin vergist ge u, broeder, ons getal zal veertien bedragen.
+
+—Dan maken wij een vloot uit,—merkte Morgan onverschillig aan.
+
+—Zoo is het, broeder,—stemde Montbars eenvoudig toe,—eene vloot waarvan
+gij, zoo ge dit begeert, de vice-admiraal zult zijn.
+
+—Zoo ik dit begeer? Goddam, twijfelt ge daar nog aan?—viel de ander
+uit, en sprong op alsof hij een schot kreeg.
+
+—Dan blijft dit bepaald en afgesproken, broeder!—sprak Montbars, en
+drukte hem de hand. Daarna vervolgde hij:
+
+—Doch, broeders, daar het verraad ons van alle kanten omringt, en de
+Spaansche spionnen steeds op de loer liggen, eisch ik van uwe zijde het
+onbepaaldste vertrouwen, met andere woorden, ik verg van u dat gij mij
+in het bezit laat van mijn geheim tot het oogenblik zal gekomen zijn,
+waarop ik het noodig acht je mijn plan geheel en al te ontvouwen. En
+dan, wees daar zeker van, dan zult gij allen versteld staan over het
+grootsche van het doel waartoe ik je uitnoodig. Neemt gij dit aan?
+
+—Wij nemen het aan!—werd weder als in koor geantwoord.
+
+Montbars gevoelde zich gestreeld door zulk eene onvoorwaardelijke
+toestemming, die hem opnieuw tot bewijs verstrekte van den grooten
+invloed dien hij op zijne kameraden bezat.
+
+—Ik moet er nog bijvoegen,—sprak daarop de heer d’Ogeron,—dat Montbars
+al zijne plannen aan mij ontwikkeld en daarover met mij beraadslaagd
+heeft, en tevens dat ik daarmeê zoo volkomen instem, dat ik het eene
+groote eer zou achten mij persoonlijk bij de expeditie aan te sluiten,
+indien mijne betrekking mij niet verplichtte hier te blijven.
+
+De verzekering hun door den gouverneur gegeven, behoefden de
+flibustiers niet, want zij waren reeds genoegzaam overtuigd dat de zaak
+die Montbars op het oog had evenzeer zou voldoen aan hunnen dorst naar
+wraak als aan hun verlangen naar voordeel; echter werd toch hunne
+opgewondenheid nog grooter na die verklaring van een man die door hen
+allen zoozeer werd geacht, en hun door zijne vroegere heldendaden
+zooveel vertrouwen inboezemde; zij werden dus des te meer bevestigd in
+het genomen besluit om blindelings het fortuin van den vermaardsten
+vrijbuiter te deelen.
+
+—Luistert nu goed toe, broeders,—vervolgde Montbars,—want ik wensch nog
+iets te zeggen over het materieel onzer expeditie.
+
+Weer luisterde men ernstig en aandachtig.
+
+—De heer d’Ogeron heeft te mijner beschikking gesteld zeven schepen,
+die hier moeten worden uitgerust en onder het gezag gesteld van
+Luiwammes, Michel de Baskiër, den Olonner, den ridder de Grammont, den
+Poleter, Drack en Pitrians. Zeven anderen zullen worden aangekocht te
+Leogana en Port-Margot, en komen onder bevel van Pierre Legrand,
+Philippe d’Ogeron, David, de Mooie Laurent, Morgan, Barthélemy en Roc
+de Braziliaan. Morgan wordt vice-admiraal van de vloot en voert zijn
+vlag op het grootste en zwaarst bewapende schip. Om bij de spionnen
+geen achterdocht op te wekken moeten de schepen zeer in het geheim
+worden uitgerust, hetzij aan de kleine of de groote Goava, hetzij te
+Leogana. Ieder schip dat geheel gereed is, behoort onmiddellijk onder
+zeil te gaan en zee te kiezen, om het overige van de vloot af te
+wachten op eene plaats die te gelegener tijd door mij zal worden
+aangeduid, want, daar het plan van dezen tocht van mij is uitgegaan,
+acht ik het billijk, dat ik mij het opperbevel daarover voorbehoud.
+
+Hier viel de heer d’Ogeron den spreker in de rede, daar hij als
+Gouverneur geen enkele gelegenheid ooit liet voorbijgaan, om zijn gezag
+te bevestigen.
+
+—Dat is zóó billijk,—sprak hij,—dat ik uit naam des Konings, uw meester
+en den mijnen, de benoemingen door u, Montbars gedaan, bekrachtig. Ik
+zal de eer hebben zoowel al de officieren als aan u zelven, in het
+bezit te stellen van de aanstellingen die Zijne Majesteit mij
+gemachtigd heeft uittereiken.
+
+De vrijbuiters betuigden aan den Gouverneur hun warmen dank voor die
+gunstige beschikking, buiten welke zij het toch zeer goed hadden kunnen
+stellen, daar de geldigheid hunner benoeming ook zonder die
+bekrachtiging onbetwistbaar bleef, doch opnieuw strekt dit ten bewijze
+dat de menschen, hoe en waar ook geplaatst overal en te allen tijde
+dezelfde zijn, en een stuk perkament uitgevaardigd in naam van een
+Souverein, in hunne oogen steeds iets van groote beteekenis is, zelfs
+al wordt door hen diens gezag niet ten volle erkend.
+
+De heer d’Ogeron, zeer voldaan over de manier waarop zijn aanbod was
+ontvangen, gaf een wenk aan Montbars om zijn toespraak te vervolgen.
+
+—Zorgt er vooral goed voor,—hernam deze daarop,—dat gij iedere
+onbescheidene vraag van de zijde uwer equipage voorkomt, en daarom zal
+het, mijns inziens, goed zijn dat de aanwerving uitsluitend geschiedt
+aan boord. Dáár moet dan ook, zoodra een matroos zich verbindt, de
+monsterrol worden geteekend, en hem gelast worden aan boord te blijven.
+
+—Hoe groot moet de bemanning van ieder schip zijn?—vroeg Morgan.
+
+—Minstens honderdvijftig, en hoogstens twee honderd.
+
+—Drommels!—viel Pierre Legrand uit.—Dat is zoo goed als een heel leger!
+
+—Dat moet het ook zijn, want hoogstwaarschijnlijk zullen wij eene
+landing doen. Zijn wij dan ook eenmaal onder zeil, ver buiten het
+gezicht en gehoor der spionnen, dan zal ieder gezagvoerder een
+landingsafdeeling formeeren van tachtig uitgelezen manschappen.
+
+—Ei, ei!—deed Roc de Braziliaan hooren.—Elf honderd man
+landingstroepen! Moeten wij er misschien op uit zooals vroeger Cortez,
+en gaan wij Mexico veroveren?
+
+—Wie weet!—zei Montbars glimlachend.
+
+—Caramba! zoo als die schelmachtige gavachos zeggen, dat zou een kolfje
+naar mijn hand zijn, en hoe denkt gij daarover, broeders?
+
+—Zeker zou dit eene zeer voordeelige zaak wezen, als er kans was dat
+zij gelukte,—meende de Poleter op ernstigen toon te moeten opmerken.
+
+—Op mijn eer!—verklaarde de ridder de Grammont,—Montbars blijft toch
+altijd dezelfde! Het is een lust om met hem er op uit te gaan en men
+kan er altijd op rekenen, dat hij ons de eene of andere verrassing
+bereidt.
+
+—Maar broeders,—voegde Montbars er nog bij,—denkt er vooral aan bij de
+aanmonstering, hoezeer het eene hoofdvereischte is, dat de wapens en
+het kruit van ieder man in behoorlijken staat zijn.
+
+—Laat die zorg daarover gerust aan mij over,—verzekerde Morgan—daarop
+zal ik nauwlettend toezicht houden.
+
+—En nu, broeders, heb ik niets meer te zeggen. Ik reken er op dat gij
+niet alleen flink en ferm, maar vooral met den meesten spoed in alles
+te werk zult gaan, want hoe eer wij kunnen vertrekken hoe beter de kans
+tot slagen voor ons zal wezen.
+
+—Hoe veel tijd staat gij ons toe voor de gansche uitrusting?
+
+—Een week; dat is lang genoeg.
+
+—Binnen een week zullen wij gereed zijn.
+
+—Thans heb ik er slechts dit nog bij te voegen, broeders. Om de
+spionnen zooveel mogelijk van het spoor te brengen, moet het den schijn
+hebben alsof ik niets met de expeditie heb uit te staan, en mij
+daarmede volstrekt niet bemoei; dus moeten alleen Morgan, Philippe en
+Luiwammes van tijd tot tijd bij mij komen, om mij van alles op de
+hoogte te houden. En nu broeders, het is tijd om onze bijeenkomst te
+sluiten, ik ga heen, en laten wij dit ieder afzonderlijk doen, en ieder
+zijn eigen weg volgen. Vaartwel!
+
+—En, heeren, houd uwe aanstellingen in gedachte, overmorgen zullen die
+te uwer beschikking zijn!—werd hun ter herinnering door den Gouverneur
+toegevoegd.
+
+Montbars vertrok, de overigen lieten niet na zijn voorbeeld te volgen,
+en de heer d’Ogeron bleef alleen achter.
+
+—Wat zou men met zulke lieden niet kunnen uitvoeren, indien er slechts
+mogelijkheid was hen te temmen!—sprak hij in zichzelf.—Maar, bij den
+hemel! hoe zwaar die taak moge wezen, toch zal ik die beproeven, en,
+met Gods hulp, twijfel ik er niet aan of die zal mij gelukken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XV.
+
+DE MARKIES DON SANCHO DE PENAFLOR
+
+
+Verscheidene dagen waren verloopen; noch don Gusman, noch Birbomono
+waren te Port-de-Paix teruggekomen. Montbars wist niet waaraan zulk
+eene lange afwezendheid kon worden toegeschreven; hij werd door een
+ongerustheid, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven, gekweld,
+en telkens als hij zijne gastvrouw ontmoette, wendde hij zich af om
+haar bleek gelaat niet te zien, en hare koortsachtig brandende
+betraande oogen te ontwijken, die met zulk een uitdrukking van
+smartvolle onderwerping op hem gevestigd werden, dat dit hem te erg
+aandeed.
+
+Langzamerhand, dit gevoelde hij, verstierf de haat dien hij haar had
+toegezworen, om vervangen te worden door een innig gevoel van
+medelijden. Hij zag het oogenblik naderen waarop hij zich niet langer
+in staat zou gevoelen den vreeselijken eed gestand te blijven, die eens
+door hem was uitgesproken. Ondanks al de pogingen die hij aanwendde om
+zijn gerechtvaardigden toorn weder op te wekken, kwam hij tot de
+zekerheid dat ondanks het driedubbele staal dat zijn hart als met een
+pantser omsloot, dit toch ongenoegzaam bleek om hem te beschermen bij
+eene langere worsteling tegen de vrouw, die hij zoo innig had bemind,
+de vrouw die door die liefde zoozeer had geleden en wier leven er als
+het ware door vernietigd was. Alles pleitte voor haar in zijn hart;
+hare langdurige boetvaardigheid, haar edele zelfverloochening, hare
+stille onderwerping, en zelfs hare schroomvallige teederheid, die zich
+telkens uitte door al de zorgen die zij zonder zijne voorkennis aan hem
+wijdde, terwijl zij toch bijna altijd onzichtbaar bleef. Thans, na zulk
+eene reeks van jaren sedert de misstap door de arme vrouw bedreven,
+vroeg hij zich af, of er nu voor hem werkelijk nog reden bestond om
+onverzoenlijk voor haar te blijven, en of het niet beter ware het uur
+der vergiffenis niet langer te verschuiven. Maar dan verhief zich weer
+de herinnering aan alles wat hij geleden had, dan kwam bij hem weer de
+gedachte op aan het onwaardige verraad waarvan hij het slachtoffer was
+geworden, en aan de onverdiende rampen als gevolg daarvan; die
+herinnering en die gedachte troffen als dolksteken zijn hart, opnieuw
+werd hij door woede aangegrepen, en als hij zich dan van donna Clara
+afwendde, mompelde hij in zich zelf:
+
+—Neen, nog is de boete niet volkomen, nog is de schuldige niet
+gekastijd. Ik wil geen zwakheid betoonen eer ik mijn werk der wrake
+voltooid heb.
+
+En dan, dan namen zijne trekken, waarop een zachtere uitdrukking
+verspreid lag, weer de vroegere onwrikbare gestrengheid aan; somber
+trokken zich zijne wenkbrauwen samen, onheilspellend schitterden zijne
+oogen, diepe rimpels verschenen op zijn vaalbleek voorhoofd, en weer
+was hij dan de onverbiddelijke man, zooals hij bezworen had te zullen
+blijven.
+
+En toch, wij herhalen het, hij begon te wankelen; zijne stroefheid voor
+die arme vrouw was slechts een masker en zijn nog immer even felle haat
+tegenover zijne andere vijanden week tegenover haar langzamerhand om
+van lieverlede plaats te maken voor eene aanstaande vergiffenis en
+verzoening. De weinige dagen die hij met donna Clara onder hetzelfde
+dak te Port-de-Paix had doorgebracht, hadden veel bijgedragen om dit
+werk des vredes zeer te bevorderen, zoodat zelfs het geringste toeval
+in staat zou zijn het te voltooien.
+
+Het was avond; Montbars bevond zich in zijn kamer met Morgan, den
+ridder de Grammont en Philippe, en besprak met hen de toebereidselen
+tot de expeditie, die zeer snel vorderden; verscheidene schepen waren
+reeds geheel uitgerust en dadelijk daarna in zee gestoken en zouden den
+volgenden dag bij zonsopgang door andere worden gevolgd, zoodat de
+gansche sloot binnen een paar dagen onder zeil zou zijn; de zaken waren
+zóó geheim en met zooveel beleid behandeld, dat niettegenstaande zulk
+een aanzienlijk getal vrijbuiters was ingescheept, door de Spanjaarden,
+naar men uit alles meende te mogen opmaken, nog niets was bemerkt,
+ondanks de onafgebroken waakzaamheid en bijzondere slimheid hunner
+spionnen. De drie vrijbuiters waren juist in druk gesprek over de
+laatste schikkingen die nog bepaald moesten worden, toen er een paar
+keeren zeer bescheiden geklopt werd op de deur van de kamer waar zij
+zaten. Montbars gaf door een wenk aan de anderen te kennen dat zij
+moesten zwijgen, stond op, en deed de deur open. Birbomono stond vóór
+den drempel en een paar andere personen, diep in hunne mantels gedoken,
+hielden zich eenigszins ter zijde buiten het licht.
+
+—Hier ben ik,—begon Birbomono half fluisterend, na een beleefde
+buiging.
+
+—En in gezelschap, naar het schijnt,—merkte Montbars aan.
+
+—Kan ik vrij uitspreken?
+
+—Is het iets gewichtigs?
+
+—Ja, en dat vooral geheim moet blijven.
+
+—Zoo! wacht even ik kom dadelijk terug.
+
+Hij sloot de deur en ging weer naar zijne kameraden.
+
+—Broeders,—sprak hij.—Ik krijg daar bezoek van iemand die, naar hij
+zegt, mij iets van het hoogste gewicht heeft mede te deelen. Weest dus
+zoo goed en gaat nu eenige oogenblikken in mijne slaapkamer.
+
+—Wel, mij dunkt Montbars, dat het dan beter zou wezen dat wij heen
+gingen, dan zijt gij geheel vrij,—opperde Morgan.
+
+—Neen, doe dat niet want als ik met hem gesproken heb en dat zal niet
+lang duren, dan zal ik je weer noodig hebben.
+
+—Ga dan uw gang, wij zullen blijven, en middelerwijl doen alsof wij
+doof en stom waren.
+
+—Goed,—zei de ander glimlachend.
+
+Montbars liet hen in zijn slaapkamer gaan, stiet de deur achter hen
+toe, schoof daar een grendel voor, nam een kaars op, waarmee hij door
+het salon stapte en deed toen het tweede vertrek open waar hij de kaars
+op een tafel plaatste, en de deur ook sloot.
+
+—Mijne heeren,—begon hij,—ik ben tot uwe orders, weest zoo goed plaats
+te nemen, en mij te zeggen wat de reden is van uw bezoek.
+
+—Naar ik meen, caballero, heb ik hier niets meer te verrichten?—zei
+Birbomono.—Als gij het goedvindt zal ik heengaan en op het portaal
+blijven wachten.
+
+—Goed,—zei Montbars kortaf.
+
+De mayordomo boog en ging heen; nauwelijks was de deur achter hem
+gesloten of een der beide onbekenden deed een paar passen voorwaarts,
+wierp den mantel weg, nam hoogst beleefd zijn hoed af, en zei met
+hoffelijke buiging:
+
+—Graaf, veroorloof mij vóór alle dingen u te begroeten.
+
+—Markies de Penaflor!—ontsnapte aan Montbars die ten hoogste verbaasd
+en verrast was.
+
+—Stil toch, stil toch!—viel don Sancho schertsend in.—Wel verduiveld,
+vergeet toch niet, dat mijn naam hier juist niet zoo algemeen in goeden
+reuk staat, zoodat het alles behalve noodig is dien zóó luid uit te
+bazuinen!
+
+—Gij hier! Gij!
+
+—En waarom niet, graaf, ik ben immers in uw huis? Wat zou ik hier te
+duchten hebben, dat vraag ik u?
+
+—Van mij niets, mijnheer, dat is zoo; toch betuig ik u er mijn dank
+voor, dat gij u daarvan overtuigd houdt. Maar als anderen wisten, dat
+gij hier in de stad zijt?
+
+—Dat zullen zij niet te weten komen, ten minste niet eer, naar ik hoop,
+dan na mijn vertrek van hier, en dit zal onmiddellijk plaats grijpen,
+na afloop van ons gesprek.
+
+—Sta mij dan toe mijnheer, mijn eerste vraag aan u te herhalen. Wat is
+de reden van uw bezoek? En mag ik tevens vernemen wie de persoon is die
+u vergezelt?
+
+—Dat ben ik,—antwoordde don Gusman, die zich nu ook van zijn mantel
+ontdeed.
+
+—Gij hebt goed gedaan terug te komen, wat daarvan ook bij u de
+aanleiding moge zijn.
+
+—Ik had je immers mijn woord verpand?
+
+—Dat is zoo, en geloof mij, daar vertrouwde ik op.
+
+—Daarvoor betuig ik je mijn dank,—gaf de jonge man met eene buiging ten
+antwoord, waarna hij zich tot don Sancho wendde en tegen hem
+zei:—Thans, waarde neef, verzoek ik u te spreken.
+
+—Mijnheer,—sprak daarop de markies op waardigen toon,—hoe fel de haat
+zij, die tusschen onze beide families bestaat, vlei ik mij dat het u
+niet zal zijn ontgaan, hoezeer ik steeds getracht heb de onzijdigheid
+in het verschil te bewaren.
+
+—Dat is zoo, mijnheer, en zeer gaarne wil ik dit erkennen,—gaf Montbars
+met zekere hartelijkheid te kennen.
+
+—Maar ik ga verder, mijnheer,—vervolgde don Sancho,—en, schoon ik mij
+niet wil veroorloven een rechtstreekschen blaam te werpen op de
+gedragingen van mijn vader tegenover u, verklaar ik u toch dat ik den
+moed mis om zijn gansche gedrag te uwen opzichte goed te keuren. Naar
+mijne meening kunnen en moeten edellieden hunne geschillen ridderlijk
+bevechten van aangezicht tot aangezicht en met den degen in de hand.
+Iedere andere wijze van handelen acht ik hunner onwaardig.
+
+—Ik acht mij gelukkig mijnheer, zulk een oordeel uit uw mond te mogen
+vernemen.
+
+—Wanneer ik aan u die verklaring geef, mijnheer, en tevens u mijn
+oordeel doe kennen, dan is dit omdat ik mij daartoe verplicht acht,
+doch tegelijk geef ik u de verzekering dat ik dien plicht met te
+grooter genoegen vervul, daar er nog altijd tusschen ons een oude
+rekening moet vereffend worden. Dit is zeker bij u uit het geheugen
+gegaan, dit kon ik verwachten, doch ik ben uw schuldenaar en dus de
+eerste die aan die schuld moet denken. Daarvoor is het nu juist het
+geschiktste oogenblik, want nu bestaat er voor mij gelegenheid mijn
+schuld aan u af te doen, en ik grijp die gaarne en zonder de minste
+aarzeling aan, wat daarvan ook voor mij de gevolgen mogen wezen.
+
+—Mijnheer, ik weet volstrekt niet waarop door u gedoeld wordt!
+
+—Ik daarentegen zeer goed, graaf, en dat is de hoofdzaak. Gij moet
+weten dat een dag of drie geleden mijn neef te Sint-Domingo gekomen is
+om mij uit uw naam een verklaring af te vragen. Dat is immers zoo?
+
+—Zoo is het, mijnheer.
+
+—Die opheldering heb ik hem niet geweigerd, doch daar het er op aan
+komt, dat die even duidelijk als onwederlegbaar zij, wilde ik die niet
+geven dan in uw bijzijn, overtuigd dat ik geen gevaar zou loopen door
+te uwent te komen. Mijn neef heeft, dit moet ik bekennen, getracht,
+zeker in mijn belang, mij van dit plan terug te houden, maar mijn
+besluit stond vast, en nu weet gij de reden van dit bezoek.
+
+—Op mijn woord, mijnheer, gij zijt mij van harte welkom,—betuigde
+Montbars met ingenomenheid,—want gij handelt als een waar edelman.
+
+—En nu,—hernam don Sancho na eene buiging voor Montbars,—verzoek ik u
+beiden, mijnheeren, een oogenblik naar mij te luisteren. Ziethier wat
+ik zou geantwoord hebben op de door mijn neef aan mij gestelde vragen,
+zoo ik er niet de voorkeur aan had gegeven om dit hier in uw beider
+tegenwoordigheid te doen. Ik roep God tot getuige en verklaar op mijn
+woord als edelman, dat wat ik nu ga zeggen de zuivere waarheid is. Don
+Gusman de Tudela is geen zoon van een zuster van mijn vader, den hertog
+de Penaflor; mijn vader had slechts ééne zuster, en die is op
+negentienjarigen leeftijd gestorven aan eene slepende ziekte in het
+Carmelietenklooster te Sevilla, waar zij zich had teruggetrokken. Mijn
+vader had ééne dochter, mijne zuster; die dochter is verdwenen
+tengevolge van een vreemd en geheimzinnig voorval, waarbij een Fransch
+edelman, de graaf de Barmont [11], betrokken was. Het is mogelijk dat
+don Gusman de zoon mijner zuster is, doch dit kan ik niet met zekerheid
+verklaren.
+
+—Neef,—riep de jonge man uit, ten prooi aan eene geweldige
+ontroering.—Wat zegt gij daar! In ’s hemels naam!
+
+—De waarheid, don Gusman.
+
+—Hoe! De dochter van den hertog...
+
+—Was wettig gehuwd met dien Franschen edelman, dat herhaal ik u. Mijn
+vader heeft haar van haar kind beroofd, nog eer zij dit den eersten kus
+kon geven. Vervolgd door een onrechtvaardigen haat van mijn vader, is
+het geluk van den graaf de Barmont vernietigd, zijn loopbaan verwoest,
+en hij eveneens verdwenen.
+
+—Ach! Dat alles is te verschrikkelijk!—kreet de jonge man, die
+wanhopend zijne handen wrong.—En ik, ik, wie ben ik dan?
+
+—Gij neef,—antwoordde don Sancho op waardigen toon,—gij zijt edel van
+karakter, dapper van aard, en in staat om wat er ook moge gebeuren, je
+een goede plaats in de wereld te veroveren.
+
+—En daarin zal ik hem helpen!—betuigde de flibustier met
+opgewondenheid.
+
+—Mijn God! Mijn God!—snikte de jonge man.—Wat dacht men dan van mij te
+maken?
+
+—Dat heb ik je reeds gezegd, neef; men wilde je bezigen als een
+werktuig ter verkrijging van wraak en ter voldoening van haat jegens
+een man die onschuldig is en die recht heeft op al uw achting. Montbars
+is geen moordenaar, Montbars is geen verleider, doch al ware hij
+schuldig, dan hebt gij toch, dit herhaal ik je, het recht niet hem tot
+verantwoording te roepen, neef.
+
+—Noem mij zóó niet meer, don Sancho! Wie weet of ik wel tot uwe familie
+behoor?
+
+—Daarop kan ik geen ander antwoord geven, dan dat ik zeer aan je ben
+gehecht, dat ik je ken reeds sedert uwe kindsheid, en dat ik je altijd
+zal beschouwen als een mijner verwanten.
+
+—Helaas!—uitte Montbars.—Kan de haat zoo ver gedreven worden?
+
+—Dat blijkt u thans, graaf. Thans is door mij een heilige plicht
+vervuld; hoe mijn vader ook over mijn gedrag in deze omstandigheden
+moge denken, mijn geweten voelt zich gerustgesteld en ontheven van een
+drukkenden last. God moge mij oordeelen!
+
+—Uw gedrag was niet anders dan door mij verwacht werd van een man zóó
+als gij, en ik betuig u mijn oprechten dank,—werd door Montbars
+gezegd.—Maar,—voegde hij er niet veel meer dan fluisterend bij,—kunt
+gij nu aan mij niet eenige meerdere inlichting geven?
+
+—Daarmede zal eene andere persoon zich belasten,—werd even fluisterend
+geantwoord.
+
+—Van dit oogenblik af, mijnheer, is die persoon mij heilig. God, Wiens
+macht onbegrensd is, zal genadiglijk vergunnen dat het haar gelukke te
+vergeten, eveneens als ik zelf alles vergeten zal.
+
+—Thans is het aan mij, mijnheer, om in alle oprechtheid mijn dank toe
+te brengen, want door uwe laatste woorden maakt gij mij opnieuw tot uw
+schuldenaar.
+
+Die beide mannen zoo groot van gemoed als van geest, drukten elkaar met
+ontroering de hand.
+
+—En hij?—vroeg de markies en wees op den jongen man, die als
+verpletterd zijn gelaat in de handen verborg.
+
+—Met hem belast ik mij.
+
+—Arme jongen!—zuchtte don Sancho, die daarop naar don Gusman toetrad,
+en tegen hem zei met zachte, deelnemende stem:
+
+—Moed gehouden, neef, zware rampen maken den mensch sterk! Waarom laat
+ge dus uw hoofd hangen, ge hebt het recht vrij om je heen te blikken,
+want gij, ge zijt evenmin een schuldige?
+
+—Ach, neef, als gij alles wist...
+
+—Gusman, ik weet alles; het noodlot heeft je vervolgd; ge hebt
+gehoorzaamd aan een wil, die de uwe niet was, en waaraan ge je niet
+hebt durven onttrekken. Laat je dus niet te erg terneerslaan.
+
+—Wat te doen? O! God! Wat moet er van mij worden?!
+
+—Twee wegen staan je open. Òf ge moet mij volgen, en dan, dit zweer ik
+je, zal ik als een goed bloedverwant voor je tegen en jegens allen
+partij trekken, òf ge moet hier blijven onder uwe nieuwe vrienden, en
+als ik het goed bedenk, dan geloof ik dat die nieuwe weg de beste voor
+je zou wezen.
+
+—Neef, hoe zou ik dit durven wagen, na alles wat er is voorgevallen?
+Ben ik iets anders dan een ellendeling, een verrader, een... spion!!
+
+Langzaam was Montbars naar hem toegekomen en drukte de hand op zijn
+schouder, terwijl hij hem daarbij met zachten drang toevoegde:
+
+—Hef het hoofd op. Don Gusman de Tudela hoort tot het verledene en van
+nu af ken ik je alleen als Francoeur, de dappere Broeder der Kust.
+
+—Hoe!—riep het jonge mensch uit.—Schenkt gij mij dan waarlijk
+vergiffenis daar gij die woorden spreekt?
+
+—Men schenkt alleen vergiffenis aan schuldigen, en Francoeur kan dat
+niet zijn,—verklaarde Montbars ernstig.
+
+—Neen, nooit!—riep Francoeur in vervoering.—Van dit oogenblik af,
+behoor ik je toe. Doe met mij wat gij wilt!
+
+—Goed, mijn jongen! Droog uwe tranen, van nu af zult ge in mij een
+vader vinden.
+
+Toen sloeg hij zijne armen open, met eene ontroering die bij iemand als
+hij iets zeer buitengewoons was. Francoeur wierp zich snikkend aan zijn
+borst, en lang duurde die innige omhelzing. Daarop deed zich een licht
+geraas aan de deur hooren, die zachtjes werd opengestooten; het bleeke
+en onderworpene gelaat van donna Clara vertoonde zich. Montbars ging
+regelrecht naar haar toe, nam haar bij de hand, en bracht haar verder
+de kamer in, die zij betrad, vreesachtig en beschroomd, maar toch met
+stille hoop.
+
+—Francoeur,—sprak Montbars tot den jongen man,—zoo gij in mij een vader
+gevonden hebt, zie dan hier in haar eene voortreffelijke vrouw, die bij
+jou de plaats van eene moeder zal bekleeden. Heb haar lief alsof zij
+dit werkelijk was, want zij koestert voor jou eene onbegrensde liefde.
+
+—Ja!—verklaarde zij met onuitsprekelijke ontroering,—gij zult mijn zoon
+zijn, ge zijt het reeds!
+
+—Stil, Clara, stil,—waarschuwde Montbars goedhartig.—Ge moest je eens
+bedriegen.
+
+—O!—uitte zij en zag hem aan met een dier blikken, die alles
+ophelderen.—Bedriegt eene moeder zich ooit?—en in de overmaat van haar
+geluk knelde zij den jongen man tegen haar hijgenden boezem.
+
+—Zulk een zaligheid, na zulk eene vreeselijke smart,—juichte de jonge
+man.—God zij gedankt en geprezen!
+
+—O, ja! Eere zij Zijn naam,—hernam donna Clara,—want Zijne
+rechtvaardigheid is onfeilbaar!
+
+Montbars wist zich meer te beheerschen dan de overigen, en achtte het
+meer dan tijd dat aan dit tooneel een eind kwam.
+
+—Duid het mij niet ten kwade, don Sancho,—sprak hij,—dat ik u al dien
+tijd schijn vergeten te hebben. Wij hebben alleen aan u dit zóó
+gelukkig oogenblik te danken, en trachten dit te verlengen als echte
+egoïsten, zonder te denken aan uw vrij gevaarlijken toestand hier in de
+stad, waar ge, buiten ons, ieder tot vijand hebt.
+
+—Op mijn woord, waarde graaf,—gaf de markies ten antwoord met
+aantrekkelijke vroolijkheid,—door uw geluk ben ik eveneens in eene
+stemming gekomen om alles om mij heen te kunnen vergeten, maar toch
+moet ik u bekennen dat ook ik geloof dat het hoog tijd voor mij wordt
+om te maken dat ik weg kom. Ik voel mij hier lang niet op mijn gemak en
+had er een lief ding voor over om er uit te komen zooals ik er in
+gekomen ben, zelfs op gevaar van voor een lafaard door te gaan. Als dus
+mijne oude kennis Birbomono nog eens mijn gids zou willen zijn, dan
+neem ik hartelijk graag zijne hulp aan, om daardoor uit de verlegenheid
+te geraken.
+
+—Ik stel mij tot uwe orders, señor markies,—antwoordde de mayordomo die
+inmiddels was binnen gekomen.—Wij kunnen vertrekken, zoodra dit door u
+verlangd wordt.
+
+—Dan liefst dadelijk, vive Dios! want het is of hier de grond onder
+mijne voeten brandt!
+
+—Vaarwel dan, don Sancho,—sprak Montbars.—Het spijt mij dat wij moeten
+scheiden, want ik voel mij zeer aan u gehecht, maar wij staan tegenover
+elkaar in zulk eene moeielijke verhouding, dat de beste wensch dien ik
+u kan toevoegen, mijns inziens hierin moet bestaan, dat wij elkaar
+nooit meer ontmoeten.
+
+—Wij zijn in vroegere dagen nog eens gescheiden met een dergelijk door
+u gebezigd woord, en toch hebben wij elkaar nu wedergezien.
+
+—Dat is zoo, doch wie weet wat hierna zal gebeuren!
+
+—Een enkel woord nog, mijnheer.
+
+—En dat is?
+
+—Mijn vader?
+
+—Opzoeken zal ik hem niet; dit is alles wat ik u kan beloven. Doch God
+verhoede dat ik hem op mijn weg ontmoete!
+
+—Het zij zoo! Vaarwel! Na die belofte vertrek ik geruster. Houd goeden
+moed, neef, en vergeet mij niet.—Bij die woorden omhelsde hij den
+jongen man hartelijk.
+
+—Birbomono, aan uwe goede zorgen vertrouw ik den markies toe.
+
+—Ik sta in voor de veiligheid van den markies, señor.
+
+—Nog eens, vaarwel! kom mee, Francoeur.
+
+De jonge man volgde Montbars; zij verlieten de zaal, en lieten den
+broeder en de zuster achter, met den trouwen mayordomo. Zoodra zij in
+het salon waren, sprak Montbars.
+
+—Droog uwe oogen af, Francoeur, herstel je, en toon mij dat ge een man
+zijt, want zij aan wie ik je nu ga voorstellen, en die van nu af uwe
+broeders moeten blijven, zijn mannen in den waren zin van dit woord.
+
+Montbars schoof den grendel weg, deed de deur open en beiden traden in
+de slaapkamer, waar de drie vrijbuiters met elkaar zaten te praten.
+
+—Neem het mij niet kwalijk, broeders, dat ik je zóó lang heb laten
+wachten; hier ben ik eindelijk,—zei Montbars.
+
+—Ei, kijk!—riep Grammont.—Daar is mijn maat, wie ik al sinds eene week
+gezocht heb! Wat drommel, kerel, waar hebt ge gezeten?
+
+Montbars haastte zich daarop te antwoorden, en te zeggen:—Ik had hem
+eene geheime zending toevertrouwd.
+
+—O! dat is iets anders, dan heb ik er niets op aan te merken.
+
+—Broeders,—hernam Montbars,—Francoeur zal mijn vlagofficier zijn. Wil
+dus, wat ik je verzoek, hem als zoodanig erkennen.
+
+De vrijbuiters, die veel met den jongman ophadden, wenschten hem geluk,
+dat hij door Montbars gekozen was ter vervulling van eene zeer
+gewaardeerde betrekking, waarop reeds menigeen doch steeds vergeefs
+gevlast had; en na eenige oogenblikken hervatte men het ernstige
+onderhoud dat zoo onverhoeds door de onvoorziene terugkomst van
+Birbomono was afgebroken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVI.
+
+HET ADMIRAALSSCHIP „DE TIJGER”.
+
+
+De vloot der flibustiers was sinds een paar dagen onder zeil; slechts
+één enkel schip lag nog op de nu verlatene reede van Port-de-Paix voor
+anker; op dit schip, iets meer naar zee vast gemeerd aan een dood
+lichaam, waren de marszeilen geheschen, de onderzeilen hingen los, en
+het was dus in staat om op het eerste signaal ook onder zeil te gaan.
+
+Dat schip was van geringe tonnenmaat, en bewapend met niet meer dan
+vier kleine ijzeren kanonnen; het had volstrekt geen geducht voorkomen,
+terwijl de logge en zware vorm deed vermoeden dat het in Holland
+gebouwd was. Toch was deze bodem door Montbars gekozen om de
+Admiraalsvlag te voeren. Hoe men hem ook had aangeraden zich op een
+ander in te schepen flinker en solider van bouw, sterker bewapend, en
+vooral beter zeiler, toch was hij van dit besluit niet af te brengen;
+op al de gemaakte bedenkingen, had hij geantwoord, dat de goede schepen
+door zijne vrienden zouden worden bezet, dat hij zorgen zou niet te
+laat op de plaats der bijeenkomst te verschijnen, en dat men zich over
+hem niet ongerust behoefde te maken, daar hij voor die keuze bijzondere
+redenen had.
+
+De overige vrijbuiters en zelfs de heer d’Ogeron begrepen dat verdere
+aanmerkingen niets zouden uitwerken, en het dus het beste was hem zijn
+eigen zin te laten volgen, daarbij tevens als zeker aannemend, dat de
+vermaarde flibustier achter die schijnbare zelfverloochening meer dan
+waarschijnlijk een of ander stout waagstuk verborgen hield, te meer
+daar zij hadden opgemerkt, dat Montbars, mocht hij zich ook al tamelijk
+onverschillig toonen over de meer of minder goede hoedanigheid van zijn
+schip, des te moeielijker te voldoen was wat de bemanning betrof, die
+eerst na lang wikken en wegen werd te zamen gebracht en bestond uit
+tweehonderd manschappen, die door hem zelf, om het zoo eens uit te
+drukken, uitgepikt waren uit de meest beroemde flibustiers.
+
+Doch wat er van dit alles zijn mocht, op den dag waarover wij het nu
+hebben, gaf Montbars aan zijn vlagofficier Francoeur, ’s ochtends
+tusschen zeven en acht uur de laatste orders; Francoeur stapte toen in
+een sloep, vergezeld door donna Clara en Birbomono, die verzocht hadden
+aan de expeditie deel te mogen nemen, om de gewonden te verbinden en te
+verplegen, iets wat hun was toegestaan, ondanks de uitdrukkelijke
+bepaling van de wet, waarbij de toelating van vrouwen op de schepen der
+vrijbuiters verboden was; daarna verliet Montbars het logement, en
+stapte naar het havenhoofd.
+
+Iemand gekleed als boekanier, met zijn pijp tusschen de tanden en de
+handen op zijn rug, liep op de havendam op en neer en keek nu en dan
+met een blik van ware voldoening naar een ranken schooner, die op een
+paar kabellengten van het havenhoofd lag te wiegelen. Nu moet dan ook
+erkend worden, dat die slanke schooner, vlak op het water liggend, goed
+en netjes afgewerkt, een juweel van een schip was, waard om door een
+kenner in alle deelen te worden opgenomen. Ook de man, met wien wij ons
+nu bezig hebben te houden, was zóó verdiept in die beschouwing, dat hij
+Montbars niet eens hoorde naderen, en eerst toen deze vrij onzacht de
+hand op zijn schouder deed neerkomen, gewaar werd dat de vrijbuiter
+achter hem stond.
+
+—Hei, hei! Schipper! Slaapt ge bijgeval?—vroeg Montbars.
+
+—Neen, neen, señor!—werd haastig geantwoord en even gauw den hoed tot
+groet afgenomen.—Ik keek maar naar mijn brigantijn.
+
+—Zoo! Nu, kom eens een eindje hierheen,—hernam Montbars,—want wij
+hebben samen nog eene rekening te vereffenen.
+
+—Och, caballero, dat heeft al den tijd,—luidde het flikflooiend
+antwoord.
+
+—Toch niet, daar is integendeel veel haast bij, want ge moet binnen een
+half uur vertrokken zijn.
+
+—Ik zal vertrekken zoodra gij dit verlangt, señor.
+
+—En hoe eerder hoe liever, niet waar?—vroeg de vrijbuiter op sarrenden
+toon.—Ge zijt hier toch zeker niet erg op uw gemak, is het wel?
+
+—Señor, ik ducht hier niets, sinds gij mij uwe bescherming hebt
+toegezegd.
+
+—Dat heb ik, doch zooals ge weet op zekere voorwaarden, die ge je zeker
+nog wel herinneren zult.
+
+—Zeker, señor, zeker, en ik blijf bereid aan die voorwaarden op loyale
+wijze te voldoen.
+
+—Hum!—deed Montbars hooren.—Genoeg daarover, wij zullen het er maar
+voor houden, dat ge op dit oogenblik twee pannetjes te vuur houdt,
+schipper Aguirre.
+
+—Señor!—stamelde de ander verbleekende.
+
+—Natuurlijk, want de Spanjaarden betalen je om ons te bespionneeren, en
+ik van mijn kant geef je geld om bij de Spanjaarden den spion te
+spelen, maar dat doet er nu niet toe. Wees dus maar niet ongerust,
+schipper Aguirre, de zaken zullen beter voor je afloopen dan gij wel
+denkt. Maar nu ter zake. Waarin bestaan de inlichtingen die je aan
+Francoeur moest overbrengen?
+
+—Heeft hij je dan gezegd...?—viel de schipper uit, verbaasd en
+doodelijk ongerust.
+
+—Alles,—vulde Montbars aan.—Volg nu mijn raad, en spartel niet langer
+tegen, ik herhaal en verzeker je, dat de zaken dan goed voor je zullen
+afloopen.
+
+—Nu, señor, het betreft eene zeer ernstige zaak.
+
+—Zoo, en waarin bestaat die?
+
+—Señor, een Spaansch fregat, bemand met driehonderd flinke kerels, en
+bewapend met zes-en-veertig stukken, heeft last ontvangen het
+Schildpaddeneiland te overrompelen.
+
+—Zoo, en waar ligt op dit oogenblik dat fregat geankerd?
+
+—Aan de Rio Efferra, señor, op de Westkust van Cuba.
+
+—Goed, ik ken die plek.
+
+—De door den Gouverneur van Cuba genomen maatregelen zijn zeer kras.
+Vier goed uitgeruste brigantijnen moeten zich bij dat fregat voegen om
+aan die ladrones.... O! neem mij niet kwalijk! ik meen om aan de
+flibustiers alle hoop om zulk een macht te kunnen wederstaan, te
+benemen.
+
+—Dat is zeer goed bedacht! En waar zijn nu die brigantijnen?
+
+—Voor anker te Puerto del Principe op de zuidkust van Cuba, maar zij
+kunnen ieder oogenblik onder zeil gaan, om zich bij het fregat, dat op
+hen wacht te voegen en dan gezamenlijk tot den aanval over te gaan.
+
+—Is dit alles, schipper Aguirre? Hebt ge niets vergeten?
+
+—Nog slechts één ding, señor. Maar waarlijk, ik durf u dit bijna niet
+te zeggen.
+
+—Kom, kom, ga je gang maar man, ’t komt er nu op een beetje meer niet
+op aan.
+
+—Querido, señor,—luidde het antwoord, met ietwat bevende stem.—Vergeet
+niet dat gij mij dwingt tot spreken.
+
+—Ja, ja! spreek op!
+
+—Welnu, señor, de Spanjaarden zijn er zoo zeker van dat de vrijbuiters
+den dans niet kunnen ontspringen en zoo vast besloten hun geen genade
+te verleenen, dat op uitdrukkelijken last van den Gouverneur aan boord
+van het fregat een negerslaaf is ingescheept om, na de overwinning, de
+functie van beul waar te nemen.
+
+—Wel verduiveld, die heeren Spanjaarden denken aan alles,—spotte
+Montbars,—en nemen vroeg voorzorgen. Is er nu nog iets?
+
+—Niets, señor! zoo waar als ik eens in den hemel hoop te komen!
+
+—Goed, maar zoo ge mij bedriegt, al waart ge dan ook in plaats van in
+den hemel, in de hel, dan zal ik u ook dáár weten te vinden.
+
+—Ik zal er wel voor zorgen, señor.
+
+—Luister nu goed. Ge wordt door den Onder-Koning van Mexico betaalt om
+ons te spionneeren. Daar is niets tegen te zeggen. Ge moet dadelijk het
+anker lichten en onder zeil gaan naar Vera-Cruz, verstaat ge mij?
+
+—Ja, señor, de Onder-Koning bevindt zich juist nu dáár.
+
+—Des te beter. Ge moet hem zeggen, en ik voorspel dat hij je daarvoor
+ruim zal beloonen want de zaak is dat wel waard, dat een sterke vloot,
+bemand met twee duizend flibustiers, onder bevel van Montbars den
+Verdelger kruisende is voor het gouden Castilië, tusschen de golf van
+Dariën en die van Venezuela, met het doel eene landing te beproeven en
+een der havens aan de kust te overweldigen.
+
+—Nu gij dat begeert, señor, zal ik dit zeggen.
+
+—Ik eisch het zelfs, doch zorg er goed voor, schipper Aguirre, dat ge
+open spel met mij speelt, want het minste verraad zou je duur te staan
+komen. En buitendien daar de berichten die gij hebt over te brengen
+waarheid behelzen, zult ge dus daarmee aan uw land en aan den
+Onder-Koning een grooten dienst bewijzen en als ge die taak uit dit
+oogpunt beschouwt, zal die voor je verre van onaangenaam zijn, maar
+bovendien zeer voordeelig voor hen, want ieder werk moet betaald
+worden, en daarom pak aan, hier hebt ge al vast iets op rekening, en
+zoo ik tevreden ben over de manier waarop ge je zending vervult, dan
+zal het daarbij niet blijven.
+
+En hij liet eene zware beurs met goud in de hand vallen, die schipper
+Aguirre hem angstvallig toestak.
+
+—En nu genoeg, tot weerziens,—hernam Montbars,—en dat de duivel je
+bescherme!
+
+Bij die godslasterlijke woorden maakte de Spanjaard het teeken des
+kruises; Montbars keerde hem lachend den rug toe, liet hem staan, en
+begaf zich naar den heer d’Ogeron, die hem te gemoet kwam. Een
+oogenblik bleef schipper Aguirre verbluft over zulk een zonderling
+afscheid van den vrijbuiter, doch spoedig herstelde hij zich, stak de
+goed gevulde beurs in zijn zak, stapte in eene prauw, die voor hem
+klaar lag, en roeide snel naar zijn schip, bij zich zelf zeggende:—Ja,
+verwenschte ladron, ge kunt er op aan dat ik niet te kort zal schieten
+in die zending, moogt ge daardoor eindelijk de gerechte straf ondergaan
+voor al uwe misdaden.
+
+Kort daarna werden van de brigantijn de ankers geligt en het schip naar
+volle zee gekoerst.
+
+De heer d’Ogeron wilde Montbars niet laten vertrekken zonder hartelijk
+afscheid te nemen en de laatste wenschen uit te spreken voor het goede
+succes van de zóó gevaarlijke onderneming. Na een druk gesprek van
+eenige oogenblikken drukten de beide heeren elkaar welmeenend de hand
+en scheidden daarna. Montbars stapte in een boot die hem naar boord
+bracht, en de heer d’Ogeron bleef onbeweeglijk op het uiterste van den
+havendam staan, daar hij zich niet wilde verwijderen eer het schip
+onder zeil was. Daarop behoefde hij niet lang te wachten, nauwelijks
+toch had Montbars den voet op het dek gezet of de marszeilen werden
+allen tegelijk bijgehaald, de meertouwen gekapt, de raas gericht, en
+toen helde het schip naar bakboord over, viel af, en schoot vooruit,
+waardoor de onderzeilen vol liepen; daarop verwijderde het zich met
+snelle vaart, geholpen door een flinke bries uit het Zuid-Zuid-Westen.
+Ondanks het logge en zware voorkomen had de Tijger, dit was de naam van
+het schip, toch goede eigenschappen, en daartoe hoorde, dat het een
+flinke zeiler was, goed zee kon houden en vrij wat doek kon verdragen.
+
+De kusten van Hispaniola waren weldra door de nevels van den horizont
+uit het gezicht geraakt, en de Tijger bevond zich nu in volle zee. Toen
+gaf Montbars aan zijn vlagofficier den koers op, en daalde af naar zijn
+kajuit, na gelast te hebben dat men hem dadelijk moest waarschuwen, zoo
+men iets bijzonders gewaar werd. De eerste zorg van den Admiraal, na
+een vluchtigen blik door het vertrek voor hem persoonlijk bestemd, was
+eene nauwkeurige inspectie over de gansche inrichting van het schip.
+Francoeur, die uitsluitend daarmee belast was geweest, had zich van die
+taak als een hoogst ervaren officier gekweten. Montbars had niets aan
+te merken, en vond alles overal in uitstekende orde.
+
+Twee hutten in den achtersteven aan bakboordszij, niet ver van het
+verblijf van den admiraal en dicht bij de hut van Francoeur, waren
+bestemd en ingericht voor donna Clara en haar getrouwen Birbomono. Zij
+beidden hadden reeds bezit genomen van hun niet zeer ruim verblijf en
+vonden zich daar als te huis.
+
+’s Avonds tegen zonsondergang gaf Montbars bevel dat de gansche
+equipage op het dek bijeen moest komen. De manschappen voldeden daaraan
+terstond, want zij waren overtuigd dat hun bevelhebber hun de eene of
+andere zeer gewichtige mededeeling zou doen. En daarin werden zij niet
+teleurgesteld, want toen zij op het dek, even vóór den grooten mast in
+het gelid stonden, besteeg de admiraal het halfdek, en wierp eerst een
+blik van voldoening op hunne krachtige gestalten, met gezichten gehard
+en gebruind door wind en weer, regen en zon. Daarop begon hij te
+spreken met kort afgebroken doch zoo klankvolle stem, dat die,
+schijnbaar zonder eenige moeite, uitkwam boven het geraas der golven
+die tegen het schip sloegen, en den wind die door het want gierde.
+
+—Broeders,—dus begon hij,—ik heb je bij een gebracht voor eene
+expeditie, die ons roem en voordeel zal bezorgen, want mijn doel is om
+een der rijkste stapelplaatsen der Spanjaarden op de kust van het vaste
+land te overvallen. Om die expeditie, waar toe de grootste
+krachtsinspanning wordt vereischt, volkomen te doen gelukken, heb ik
+mij genoodzaakt gezien verscheidene schepen uit te rusten en al de
+Broeders der Kust op te roepen, zoowel uit Leogana als van Groot- en
+Klein-Goava. Te Port-de-Paix en Port-Margot blijven niet anders achter
+dan de bewoners en enkele boekaniers. Hoe dapper die bewoners en die
+boekaniers mogen zijn, toch zouden zij, klein in getal als zij zijn,
+het onderspit moeten delven zoo zij flink werden aangevallen. Nu heb
+ik, juist toen ik op het punt stond hier aan boord te komen, vernomen
+dat de Spanjaarden gebruik willen maken van onze afwezigheid om onze
+stellingen ginds aan te tasten. Zullen wij onze broeders dáár laten
+vermoorden?
+
+—Neen! Neen!—schreeuwden de vrijbuiters en zwaaiden met hunne
+wapens.—Er op los! Er op los!
+
+Met één enkelen wenk gebood Montbars stilte, en dadelijk zwegen allen.
+
+—Ik weet waar de gavachos zich op dit oogenblik verborgen houden; niet
+ver van hier ligt een fregat gereed, zij vermoeden niet dat wij zoo
+dicht bij hen zijn, en dus, broeders, zoo gij het wilt, zullen wij de
+armzalige klomp waarop wij nu zwalken, verruilen voor een waardig
+Admiraalsschip.
+
+Een oogenblik werd de toespraak afgebroken door een licht rumoer
+ontstaan door algemeene opgewondenheid.
+
+—Zij wanen zich zoo zeker van hunne zaak dat aan boord van dit fregat
+een beul is aangenomen, opzettelijk met het doel om onze broeders te
+onthalzen [12].
+
+—Dood aan de gavachos!—brulde de equipage.
+
+—Laat ons hen dan overvallen, ons op hen wreken en onze broeders
+redden!—riep Montbars hen toe.—Wilt gij mij volgen?
+
+—Ja, ja! Leve Montbars!
+
+—Goed, broeders, ik had dit van je verwacht en reken op je. Dit beloof
+ik je, dat het niet lang zal duren, of wij gaan met hen aan den dans.
+
+Het gejuich en de hoera’s werden vernieuwd. Montbars verliet het
+halfdek; hij had zijn doel bereikt, en wist nu dat hij naar willekeur
+kon beschikken over al die mannen, die zich op de eersten wenk van hem
+zouden laten dooden.
+
+Nog twee dagen hield men den zelfden koers, echter goed zorgende om ver
+genoeg uit de kust te blijven en niet bemerkt te worden uit een der
+Spaansche wachttorens, waar steeds scherp uitkijk werd in acht genomen.
+Den derden dag tegen twee uur ’s morgens gaf Montbars order om bij te
+leggen. Er was niet veel wind, met kalme zee en zonder erge afdrijving.
+Men bevond zich toen kort onder den wind bij de rivier Efferra. Twee
+booten werden op last van Montbars zoo stil mogelijk te water gelaten.
+Honderd-vijftig manschappen namen daarin plaats, daarop hielden de
+vaartuigen af, en wendden den boeg naar de kust.
+
+De riemen waren vooraf met werk omwoeld, de booten werden in snelle
+vaart gebracht, zonder daardoor veel geraas te maken en lieten de
+brigantijn in de volle ruimte achter, om, in afwachting hunner
+terugkomst, onder bevel van Francoeur te blijven laveeren.
+
+Na ongeveer een paar uren roeiens kwam men aan de monding der rivier.
+Toen scheidden de beide booten, de eene hield op den rechter, de andere
+op den linker oever aan. Zij gleden in stilte voort onder de zwaar
+getakte wortelboomen, die aan weerskanten van den oever stonden, en
+voeren bijna ter lengte van een mijl den stroom op. Op een sein van
+Montbars had de ontscheping plaats onder de grootst mogelijke stilte,
+de manschappen gingen plat op den grond liggen achter de twee booten,
+die dus dienst deden als verschansing, met den vinger aan den trekker
+van hun geweer, om gereed te zijn bij iedere gebeurtenis, en zóó
+wachten zij het aanbreken van den dag af.
+
+Even na zonsopgang werden zij zeer dicht bij hen, iets verder de rivier
+op, het Spaansche fregat gewaar dat zich gereedmaakte onder zeil te
+gaan. Dit fregat was een prachtig schip zooals in die dagen trouwens de
+meeste schepen der Spaansche marine waren. Niet meer dan een half jaar
+was er verloopen sinds het op een der werven van Cadix was afgebouwd,
+en het deed nu zijn eerste reis naar de kust. Montbars trilde van
+vreugd toen hij het schip in het oog kreeg, immers bleek nu dat
+schipper Aguirre hem niet bedroog, en de admiraal zulk een spoed had
+gemaakt, dat de vier brigantijnen, die deel moesten nemen aan den
+tocht, geen tijd hadden gehad zich bij het fregat te voegen; dit schip
+was dus nog alléén.
+
+De flibustiers hielden met het grootste ongeduld hun oog er op
+gevestigd; eindelijk werd het als overdekt met zeilen en stond op het
+punt om uit te loopen. De Spanjaarden stonden, zonder eenig kwaad
+vermoeden, in groepjes op het dek, in bewondering over de mooie groene
+en belommerde oevers waartusschen zij zeilden. Op eens, juist op het
+oogenblik toen het fregat zich bevond tusschen de beide lijnen der
+hinderlagen, deed Montbars een kreet hooren. Terstond daarop knalde
+knetterend een salvo op zoo korten afstand afgevuurd, dat bijna door
+ieder schot een slachtoffer viel, dank ook de onvergelijkelijke
+behendigheid der vrijbuiters. Geen wonder dat na zulk eene onverwachte
+begroeting de grootste wanorde heerschte op het dek van het rampzalige
+schip; toch snelden kort daarop de kanonniers naar hunne stukken, en
+begonnen zij op de struiken het schroot als een hagelbui te doen
+neerkomen, doch daar de vrijbuiters buiten het gezicht en zich schuil
+hielden, was het geheel en al vergeefs dat van het fregat op hen
+geschoten werd, en slechts nuttelooze verspilling van de munitie. Met
+verbazende behendigheid voerde Montbars zijn manschappen langs de
+oevers, steeds het juiste oogenblik aangevend waarop zij plat op den
+grond moesten gaan liggen om het vuur der Spanjaarden te ontwijken, en
+toch er voor zorgend dat hunne schoten onafgebroken knalden. Op die
+manier werd het gevecht vijf uren lang volgehouden zonder dat door de
+vrijbuiters één man werd verloren, wat alleen te danken was aan de
+afdoende voorzorgen van hun bevelhebber. Tegen den vollen middag begon
+Montbars te bemerken, dat het vuur der Spanjaarden verzwakte; slechts
+enkele soldaten vertoonden zich nog op het dek; het bloed vloot met
+stroomen uit de spuigaten, en de vrijbuiter begreep dat nu het
+oogenblik om een eind aan de zaak te maken gekomen was.
+
+—Enteren, broeders!—gelastte hij, en was de eerste die in zijn boot
+sprong.
+
+—Enteren! Enteren!—brulden de vrijbuiters en sprongen hem achterna.
+
+In een oogwenk was men bij het fregat, dat door hen aan alle zijden te
+gelijk werd aangevallen, daar zij het overal besprongen, beklommen, of
+er krampachtig tegen opklauterden. Ondanks de zware verliezen die de
+Spanjaarden hadden ondergaan, boden zij heldhaftig wederstand en
+verdedigden zich voet voor voet op hun terrein, maar, wijkend voor de
+overmacht en den schrik, overweldigd bij het zien van die zoo gevreesde
+flibustiers die als onoverwinbaar werden beschouwd, duurde het slechts
+kort eer zij genoodzaakt werden het dek te ontruimen, en een toevlucht
+te zoeken in het ruim, waar nog eenige oogenblikken een strijd werd
+doorgezet, die als geheel nutteloos kon worden beschouwd.
+
+—Geen kwartier geven!—donderde Montbars hun toe.
+
+—Geen kwartier!—herhaalden de vrijbuiters, en toen ving eene
+vreeselijke slachting aan. Op dat oogenblik snelde een neger toe, en
+viel, half dood van angst, voor den Admiraal op de knieën.
+
+—Wie zijt ge?—werd hem door Montbars gevraagd.
+
+—De beul,—luidde het snikkende antwoord.
+
+—O! Zoo!—riep Montbars met daverende stem.—Broeders, hier is de beul
+aan wien door den Gouverneur van Havannah was opgedragen je te
+onthoofden. Dit is immers waar, ellendeling?
+
+—Helaas, ja! Señor kapitein.
+
+—Welnu! Dan zult ge bij den hemel! je taak vervullen! Broeders, brengt
+de gevangenen hier.
+
+Toen viel er op het bloedige dek van het schip een afgrijselijk tooneel
+voor. Al de Spaansche gevangenen werden vlak bij den grooten mast
+gebracht, waar men hen dwong te knielen, terwijl de vrijbuiters hen
+omringden.
+
+—Hier, pak aan,—gelastte Montbars aan den neger, wien hij een bijl
+toestak—die lieden zijn veroordeeld, begin je werk.
+
+De slachting nam een aanvang; de beul onthoofde al de gevangenen, tot
+op één na.
+
+—Houd op,—beval Montbars, die met hardvochtig oog dit moordtooneel had
+gadegeslagen.—Ik schenk je genade,—voegde hij den laatsten gevangene
+toe,—mits dat je dien man doodt, die al je vrienden heeft onthoofd.
+
+De gevangene sprong als een tijger toe, wierp zich op den overbluften
+beul, vatte de bijl uit diens hand en deed met één enkelen slag het
+hoofd van den romp vliegen. De neger viel als een blok op die massa
+lijken der mannen die door hem waren vermoord.
+
+—Zoo is het goed!—hernam Montbars.—Ge zijt vrij en kunt gaan, maar
+neen,—wacht nog even.
+
+Daarop haalde hij een zakboekje voor den dag, scheurde er een blaadje
+uit, en schreef daarop met bloed, de gebeurtenissen die hadden plaats
+gehad; toen gaf hij die zonderlinge depêche aan den gevangene, die zich
+meer dood dan levend waande, en zei:—Breng dit papier aan den
+Gouverneur van Cuba en vertel hem de straf, die Montbars den Verdelger
+heeft voltrokken aan den beul dien hij voor hem bestemd had. Ga heen!
+
+De gevangene werd toen in een boot gezet, die de vrijbuiters hem
+afstonden, en spoedde zich naar land, half krankzinnig van angst en
+wanhoop. Maar de taak waarmede Montbars zich had belast was hiermede
+nog niet voltooid. De lijken der Spanjaarden werden over boord gegooid,
+het dek afgespoeld en afgedwijld zoo goed als kwaad dit ging, daarna de
+zeilen gesteld, en eindelijk liep toen het schip in zee; doch in plaats
+van de ruimte te kiezen, wat door de vrijbuiters werd verwacht, gaf de
+admiraal last dat men langs de kust moest houden.
+
+Tegen vier ure ’s namiddags kwam het fregat met volle zeilen op de
+reede van Puerto-del-Principe aan. De vier brigantijnen lagen daar nog
+ten anker. Montbars liet hen aanvallen. De Spanjaarden zoo onverwachts
+en onverhoeds overvallen, boden slechts geringen wederstand en binnen
+een half uur waren die vier brigantijnen door de vrijbuiters
+overmeesterd. Die vaartuigen waren knappe schepen, goed bewapend en
+genoegzaam nieuw; doch ongelukkig had Montbars geen volk genoeg om die
+te bemannen, en daarenboven moest hij zich haasten, want in de stad
+werd de alarmklok geluid, het volk liep te wapen, en begon zich reeds
+op den oever te verzamelen.
+
+Montbars gaf last om de kostbaarste zaken uit de buit gemaakte schepen
+weg te voeren, en toen die alle aan boord van het fregat waren
+gebracht, werden de brigantijnen lek gestooten en in den grond geboord
+met hunne gansche bemanning die op het dek gekluisterd lag.
+
+—Ziezoo!—uitte toen de flibustier met onheilspellenden glimlach.—Nu
+hebben wij onze broeders gered, en kunnen er gerust toe overgaan aan
+ons zelven te denken, en ons met nuttiger zaken bezig te houden.
+
+De vrijbuiters wendden het fregat een paar keeren en losten telkens de
+volle laag op de talrijke menigte langs den oever; daarna kozen zij de
+ruimte vervolgd door de machtelooze wanhoopskreten van hunne doodelijk
+verschrikte vijanden. Tegen ongeveer zeven ure ’s avonds, voegde het
+fregat zich bij den Tijger die nog altijd laveerde op korten afstand
+van de kust. Montbars wilde zich zeker niet aan donna Clara vertoonen
+met handen als het ware nog rookend en rood door het bloed harer
+rampzalige landgenooten, die zoo onbarmhartig door hem om het leven
+waren gebracht, en droeg dus het bevel over den Tijger aan Francoeur
+over, hem bijzonder op het hart drukkende donna Clara met de grootste
+voorkomendheid en den meesten eerbied te behandelen. Vijftien
+manschappen deed hij op den Tijger overgaan tot versterking der
+bemanning, en hijzelf bleef op het fregat, aan welks grooten mast nu de
+admiraalsvlag werd geheschen.
+
+Na het nemen van al die verschillende schikkingen hielden de beide
+schepen denzelfden koers, in de richting van het eiland Aruba, dat door
+Montbars als verzamelplaats voor de gansche vloot was aangewezen, en
+waar dan ook naar alle waarschijnlijkheid de overige schepen reeds
+zouden zijn aangekomen.
+
+De overrompeling met zooveel stoutmoedigheid door den geduchten
+flibustier ten uitvoer gebracht, deed den Spanjaard als het ware van
+schrik verstijven en had in de toekomst ontzettende gevolgen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVII.
+
+DE RAAD DER FLIBUSTIERS.
+
+
+Wij hebben reeds in een der voorgaande hoofdstukken medegedeeld, bij
+eene beschrijving van de golf van Maracaïbo of Maracaye zoo als de
+flibustiers haar noemden, dat tien of twaalf mijlen zeewaarts bij den
+ingang van de golf verscheidene eilandjes liggen, onder anderen Aruba,
+en las Monjes. Die beide eilandjes, vroeger aan de Spanjaarden
+onderworpen, waren bevolkt door Indianen, die de Castiliaansche taal
+spraken, doch thans onderhoorig waren aan de Staten-Generaal der
+Vereenigde Nederlanden, die na de verovering van Curaçao over die
+eilanden gouverneurs aangesteld en er garnizoen gelegd hadden, niet
+zoozeer om de vruchtbaarheid dier streken, want nauwelijks werd daar
+genoegzaam voedsel gewonnen voor de geiten en paarden die er in groot
+aantal aanwezig waren, maar meer omdat zij dienden als marktplaatsen
+voor den uitgebreiden slavenhandel die tusschen de Spanjaarden en de
+Hollanders gedreven werd.
+
+Vijf-en-dertig dagen na hun vertrek uit Port-de-Paix waren al de
+schepen der vrijbuiters zonder eenige uitzondering vereenigd bij het
+eiland Aruba, waar de bijeenkomst op last van Montbars moest plaats
+hebben. Zoodra Morgan bij het eiland was aangekomen, bestond zijne
+eerste werkzaamheid in de overmeestering daarvan; daarna deed hij al de
+booten en prauwen der bewoners lek stooten, om hen te beletten zee te
+kiezen, en zette op al de toegankelijke plekken der kust posten op den
+uitkijk. Daar het door die verstandige voorzorgen voor ieder der
+bewoners zoo goed als onmogelijk was geworden om het eiland te verlaten
+en elders hulp te gaan zoeken, was de veiligheid der vrijbuiters voor
+het oogenblik ten minste genoegzaam verzekerd, en konden zij er bijna
+vast op rekenen, dat hunne tegenwoordigheid in deze streken niet bekend
+zou worden dan op het tijdstip waarop zij goed zouden vinden zelf
+daarvan het bewijs te leveren.
+
+Montbars wachtte op de komst der gezagvoerders, die hij allen bij zich
+aan boord ontboden had; over de verschansing leunend dwaalde zijn oog
+over het water en peinzend keek hij naar een boot die van den Tijger
+was afgevaren en recht op het fregat aanhield. Drie personen zaten
+achterin, eene daarvan was eene vrouw, en zoodra Montbars haar gewaar
+werd, betrok zijn gelaat waarop, schoon niet zeer merkbaar, toch een
+meer of minder ontevredene trek te voorschijn kwam; echter slaagde hij
+er in dien te doen verdwijnen en ging met een glimlach om de lippen
+naar den valreep aan stuurboord om het gezelschap te ontvangen dat met
+de boot langs zij van het fregat was gekomen. Na de gebruikelijke
+begroetingen begon Francoeur op hoogst eerbiedigen toon.
+
+—Admiraal, door mevrouw is aan mij hare begeerte te kennen gegeven zich
+aan boord van uw schip te begeven, en ik heb gemeend mij niet tegen dit
+bezoek te mogen verzetten, vooral ook, omdat mevrouw verlangt een
+onderhoud met u te hebben.
+
+—Gij hebt er zeer goed aangedaan door mevrouw mede te brengen,
+kapitein. Het doet mij zeer veel genoegen haar hier te zien, en ik stel
+mij geheel te harer beschikking; alleen spijt het mij dat mevrouw geen
+gelegener uur heeft gekozen dan dit, daar mijne plichten mij op dit
+oogenblik verhinderen, zoo lang en ongestoord met haar in gesprek te
+blijven, als ik wel zou wenschen.
+
+—Ik heb al den tijd te wachten, mijnheer,—werd door haar ten antwoord
+gegeven,—tot uwe bezigheden u zullen veroorloven mij een onderhoud toe
+te staan. Zoo gij mij dat vergunt, zal ik hier blijven tot de
+vergadering, die door u gepresideerd moet worden, afgeloopen is, daarna
+keer ik met de boot waarmee ik hierheen ben gekomen, weer terug naar
+den Tijger, en dus zal toch het vertrek van den kapitein niet al te
+lang worden vertraagd, want ik heb u slechts een paar zaken mede te
+deelen.
+
+—Uwe begeerten, mevrouw, beschouw ik als bevelen,—hernam Montbars, en
+liet daarop volgen terwijl hij den arm naar de zee uitstrekte, die over
+eene zekere ruimte als bedekt was met booten die alle op het fregat
+aanhielden,—doch gij ziet, mevrouw, dat het mij, hoezeer dit mij spijt,
+op dit oogenblik onmogelijk is om met u te spreken, want daar ziet gij
+mijne officieren die op mijn last hier aan boord komen. Wees dus zoo
+goed en doe mij de eer tijdelijk gebruik te willen maken van mijne
+bijzondere kajuit; zoodra ik vrij ben zal ik mij haasten, dáár bij u te
+komen.
+
+Donna Clara boog, tot bewijs van instemming met dit voorstel, groette
+Francoeur, en volgde een scheepsjongen aan wien door Montbars was
+gelast haar den weg naar zijn kajuit te wijzen.
+
+De sloepen kwamen langs zij van het fregat, en de kapiteins bestegen
+achtereenvolgens het dek, waar zij ontvangen werden met de militaire
+eerbewijzingen, die bij de marine van alle landen in zwang zijn, waar
+het geldt officieren van hoogen rang. Montbars stond bij den valreep,
+drukte de hand van zijne kameraden en wisselde met hen eenige
+vriendschappelijke woorden, zoodra zij hun voet op het dek hadden
+gezet. De officieren begaven zich naar het vertrek dat ingericht was
+tot vergaderplaats van den raad; twee vrijbuiters, met het geweer bij
+den voet, stonden op wacht bij de deur, om te zorgen dat de bijeenkomst
+ongestoord blijven, en niets van de beraadslaging bekend zou worden.
+Eene ronde tafel met een groen kleed stond in het midden en daar om
+heen waren zetels geplaatst. Er waren vijftien kapiteins tegenwoordig,
+allen gezagvoerders van de schepen waaruit de vloot bestond, en allen
+behoorende tot de meest in aanzien zijnde aanvoerders der flibustiers.
+Reeds vroeger zijn hunne namen door ons vermeld. Montbars presideerde,
+daarin bijgestaan door Morgan. Francoeur, als de jongste fungeerde als
+secretaris; vóór den zetel, dien hij moest innemen, waren papier,
+pennen en inkt geplaatst. Op een wenk van den Admiraal namen de
+officieren plaats.
+
+De wetten der vrijbuiters waren kort en duidelijk; onder meer werd
+daarbij bepaald, dat als eene expeditie werd uitgerust waarbij de
+gezagvoerder slechts één schip onder zijn bevel had, geen besluit door
+hem mocht genomen worden dan na toestemming zijner equipage, daar al de
+leden daarvan beschouwd werden als zijne mededeelhebbers, die even veel
+belang bij het goede succes der expeditie hadden als hij zelf en bij
+gevolg ook recht, stem in den raad te hebben. Ieder voorstel dat ter
+tafel werd gebracht, moest met algemeene stemmen worden aangenomen,
+anders werd het geacht verworpen te zijn, terwijl het aan den
+voorsteller verboden bleef zich daardoor beleedigd te toonen.
+
+Ingeval echter dat er spraak was van eene meer gewichtige expeditie,
+als die welke thans door de vrijbuiters zou ondernomen worden, luidden
+die bepalingen eenigszins anders, in zoo verre namelijk dat de
+equipages der verschillende schepen geacht werden hunne rechten te
+hebben overgedragen aan de gezagvoerders onder wier bevel zij stonden,
+zoodat deze voor hen moesten optreden; doch de uitslag der stemming
+bleef onveranderd, elk besluit moest steeds eenparig genomen worden, en
+zelfs slechts één stem tegen werd voldoende gerekend om een voorstel
+onherroepelijk als verworpen te beschouwen. Zulk eene wijze van
+handelen mocht in beginsel eenige verdienste bezitten omdat daardoor
+het belang van ieder en allen gewaarborgd werd, doch het groote gebrek
+daarvan bestond hierin dat de discussies dikwerf in het oneindige
+werden gerekt, zonder dat men tot een afdoend besluit kwam. Doch
+daartegen kan worden aangevoerd dat de voornaamste officieren mannen
+waren van goeden naam en erkende verdiensten, en dat zij die jonger
+waren of hunne minderheid gevoelden, hoogst zelden in oppositie kwamen
+en daarentegen met vol vertrouwen met hunne stemmen bekrachtigden,
+alles wat werd voorgesteld; en dientengevolge liep gewoonlijk zulk eene
+raadsvergadering zeer kalm af.
+
+Eer de vergadering geopend werd, achtte Montbars het gepast aan zijne
+kameraden verslag te doen van de manier waarop hij zich meester had
+gemaakt van het Spaansche fregat en de vier brigantijnen, die bestemd
+waren geweest om de schuilplaatsen der flibustiers te verwoesten. Van
+al de aanwezigen ontving hij hartelijke gelukwenschingen en toejuiching
+over dit stoute wapenfeit waardoor hij meester geworden was van een
+prachtig schip, het mooiste en zwaarst bewapende van de vloot, terwijl
+het daardoor bovendien voor de Spanjaarden, ten minste voor den eersten
+tijd, onmogelijk was geworden iets tegen de vestingen van de Broeders
+der Kust te ondernemen. Na de niet geringe opgewondenheid, veroorzaakt
+door de gloeiende woorden waarmee Montbars zijn verslag had
+voorgedragen, werd hem verzocht de zitting te openen, waaraan hij
+terstond gehoor gaf, te midden der grootste aandacht en algemeene
+nieuwsgierigheid.
+
+—Broeders en vrienden,—sprak hij,—met zeker genoegen stel ik mij voor,
+dat thans nu gij allen vereenigd zijt op de plek die door mij is
+opgegeven als de plaats der bijeenkomst, thans nu uwe schepen geankerd
+zijn in het gezicht dier rijke kust, waaraan door de Spanjaarden den
+naam gegeven is van het Gouden Castilië, dat thans het doel van onze
+expeditie geen geheim meer voor je zal zijn, of dat gij er minstens
+iets van zult vermoeden, doch om je niet langer in het onzekere te
+laten en daar het uur tot handelen is aangebroken zal ik het je doen
+kennen. Mijn doel is dat wij Maracaïbo en de omliggende steden zullen
+bemachtigen. Kameraden, hoe denkt gij over dit plan?
+
+—Admiraal,—werd uit aller naam door Morgan ten antwoord gegeven,—wij
+zijn van meening dat het plan uwer waardig is, en rekenen het ons tot
+eer je aan de verwezenlijking te mogen helpen.
+
+—Toch, broeders, moet ik ronduit bekennen,—vervolgde Montbars,—dat het
+eerste denkbeeld van dit plan niet bij mij is opgekomen. Eere wien eere
+toekomt. Het eerste denkbeeld daartoe is ontstaan in het brein van
+Philippe d’Ogeron, die reeds sinds eenige dagen de kust opnam, toen het
+toeval mij dáár deed landen in eene prauw met een paar kameraden, daar
+ik bij een stormvlaag met slechte zee, mijn schip, te oud geworden om
+zee te houden, onder zeil verspeeld had en te gronde zag gaan. Wij
+behooren ons compliment dus te maken aan onzen jeugdigen en dapperen
+kameraad, want hem komt de eer toe het eerste het plan te hebben
+geopperd tot deze expeditie, ik heb niet anders gedaan dan het te
+overwegen en uit te werken, en zooveel mogelijk overal de noodige
+inlichtingen in te winnen, om het met uwe zeer gewaardeerde hulp te
+volvoeren.
+
+Ingenomen door die bescheidenheid van Montbars, gaven de officieren
+door toejuiching te kennen hoezeer zij daarover voldaan waren; want
+allen waren bevoegde beoordeelaars van flinke handelingen op ieder
+terrein, doch slechts weinigen hunner achtten zich in staat de
+zelfverloochening in die mate te betrachten. Montbars hernam, zich
+thans tot Morgan wendende:
+
+—Nu gij het doel van ons streven kent, verzoek ik aan onze
+vice-admiraal mij verslag te doen over uwe verrichtingen na uw vertrek
+uit Port-de-Paix.
+
+—Mijn rapport kan kort zijn, Admiraal,—gaf Morgan ten antwoord.—Ik heb
+altijd goeden wind gehad en kalme zee. Vier mijlen onder den wind van
+het eiland heb ik de verschillende schepen van de vloot verzameld, en
+zijn wij allen te gelijk, als een vlucht gieren op Aruba neergestreken.
+Hoewel ik daartoe van je geen order had ontvangen, heb ik toch, in de
+meening dat die plek hier niet ver zou zijn van de plaats die moest
+worden aangevallen, willen vermijden alle onnoodige berichtgevingen,
+die voor ons noodlottig zouden hebben kunnen wezen. Daarom heb ik mij
+meester gemaakt van het eiland, de bewoners, arm en niet zeer talrijk,
+hadden zulk eene overrompeling niet van ons verwacht, en lieten zich
+dus genoegzaam zonder tegenstand ontwapenen. Toen heb ik hunne booten
+lek doen boren, om te voorkomen zoo enkelen hunner plan mochten hebben
+daarmee te ontsnappen, en op al de toegankelijke punten van de kust
+wachten op den uitkijk geplaatst, en tot nog grootere waarborg is door
+mij last gegeven dat eenige booten bemand met flinke kerels wacht
+zouden houden op enkele kabellengten afstand in volle zee, doch
+schijnbaar alsof zij daar aan het visschen waren. Sedert onze aankomst
+alhier zijn er ongeveer een dozijn kustvaarders zonder eenig kwaad
+vermoeden op het eiland aangeland. Het is onnoodig je te zeggen dat
+geen hunner weer vertrokken is, wij hebben hen allen gevangen gehouden,
+iets waardoor zij ten hoogste werden verrast,—verklaarde hij
+lachend,—en dit is alles wat ik heb te rapporteeren, Admiraal.
+
+—Waarde Morgan,—antwoordde Montbars,—ik betuig je mijn oprechten dank
+voor alles wat door je is verricht. Er konden geen betere en gepastere
+maatregelen worden bedacht dan die door je genomen zijn, doch toen ik
+je die gewichtige betrekking bij de vloot toevertrouwde wist ik waartoe
+gij in staat waart, en kon dus volkomen gerust zijn. Thans is de
+hoofdzaak middelen te beramen voor onze landing, zoo mogelijk zonder
+dat die door den vijand worden bemerkt. Dit is een hoogst moeielijk
+geval; de stad die wij voornemens zijn te overrompelen, ligt aan het
+eind van een meer; de toegangen zijn in goeden staat van verdediging,
+de stad zelf is behoorlijk versterkt, en in het bezit van een talrijk
+garnizoen, onder bevel van een ervaren officier, die zich niet licht
+zal overgeven, dit weet ik zeker want ik ben met hem bekend. Thans geef
+ik het woord aan Philippe d’Ogeron, die met de grootste nauwgezetheid
+de posities van den vijand heeft opgenomen, en bij wien, zooals ik
+reeds de eer had je te zeggen het plan tot deze expeditie is ontstaan.
+Wees dus zoo goed, broeder, te spreken, wij zullen met aandacht naar je
+luisteren—bij die laatste woorden wendde hij zich meer tot den jongen
+man.
+
+Philippe stond op met eenigszins verhoogde kleur, eenigszins verlegen
+door de herhaalde vleiende toespraak van zijn bevelhebber, doch meer
+nog geërgerd door den spottenden blik dien de ridder de Grammont op hem
+wierp; Philippe begreep dat door dezen, geholpen door het scherpe
+inzicht der jaloezie, zijne geheimste gedachten geraden waren en
+eveneens de beweegreden die hem dreef tot de begeerte om Maracaïbo te
+overmeesteren, liever dan eenige andere even rijke plaats aan de kust.
+Doch hij wist zich zelven te beheerschen, onderdrukte zijne ontroering,
+en nam flink weg het woord.
+
+—Broeders,—zoo begon hij,—daar je verlangt dat ik je mijne meening zal
+doen kennen, en ofschoon ik een der jongsten onder u ben, en mijne
+ervaring bij de uwe geheel in de schaduw moet staan, zou ik het
+ongepast achten uit valsche schaamte te weigeren aan uw verlangen te
+voldoen, en zal gehoorzamend aan uw wil, in weinige woorden je mijn
+gevoelen mededeelen. Zooals de admiraal je reeds gezegd heeft, de stad
+is sterk en zal krachtig en goed verdedigd worden. Naar mijn inzien zou
+het raadzaam zijn, eer wij iets tegen de stad beproeven, ons te
+verzekeren of onze aanwezigheid dáár reeds bekend is geworden, dan wel
+of men daarvan nog niets vermoedt. Deze streken worden bezocht door
+zeer veel kustvaarders, en verscheidene van die vaartuigen zijn niet
+veel meer dan roeibooten, zoodat het zeer gemakkelijk kan gebeurd zijn,
+ondanks al onze waakzaamheid en al de genomene maatregelen, dat enkele
+daarvan ons ’s nachts ongemerkt zijn voorbijgegaan. Mocht dit,
+ongelukkig voor ons, plaats hebben gehad, dan valt er niet aan te
+twijfelen of wij zijn herkend, want onze schepen zijn te zeer
+verschillend van de Spaansche of Hollandsche; en dan zal nu reeds over
+de gansche kust alarm zijn geslagen. Als gevolg daarvan bestaat er zeer
+veel kans dat de lieden die wij willen overrompelen goed op hunne hoede
+zullen zijn, en loopen wij dus gevaar zelf te vallen in den strik dien
+wij hun spannen.
+
+—Uwe opmerkingen zijn zeer juist,—gaf Montbars te kennen, na met een
+blik de overige kapiteins te hebben geraadpleegd,—en welke middelen
+zouden, naar je meening, moeten worden genomen om ons die zekerheid te
+verschaffen?
+
+—Wij hebben hier verscheidene Spaansche brigantijnen, het zal weinig
+moeite kosten een daarvan te bemannen; wij zullen onze gevangenen
+dwingen ons de seinen op te geven waaromtrent zij met de kustwachters
+overeengekomen zijn. De brigantijn moet doordringen tot het meer, zelfs
+zoo dicht mogelijk bij Maracaïbo en dan terug zeilen om hier rapport te
+komen doen. Mocht dit voorstel worden goedgekeurd, dan verzoek ik,
+belast te worden met het gezag over dien brigantijn.
+
+—En dan verzoek ik, broeder, je daarbij te mogen vergezellen!—voegde
+Grammont spotachtig er bij. Philippe beantwoordde dit met een lichte
+buiging en een even spotachtig glimlachje, en nam weer plaats.
+
+—Heeft iemand uwer tegen dit voorstel iets in te brengen,
+broeders?—vroeg Montbars. Niemand gaf antwoord.
+
+—Niet? Dan zal ik dit doen,—hernam Montbars.—De opmerkingen van
+Philippe d’Ogeron zijn zeer juist, dit heb ik straks reeds gezegd, en
+nu wil ik er nog bijvoegen dat die, naar mijne meening, ook zeer
+gegrond zijn. Ook ik acht het werkelijk ondenkbaar dat een vloot van
+vijftien groote schepen, geheel ten oorlog uitgerust, hier op deze zóó
+druk bezochte kust zou kunnen verschijnen, zonder te zijn opgemerkt.
+Ook ik geloof dus dat onze aanwezigheid bekend en alarm geslagen is,
+ja, ik ben er zelfs genoegzaam zeker van, dat men op dit eigen
+oogenblik nu ik tot u spreek, in alle dorpen te wapen snelt en overal
+zich bereid maakt om krachtdadig wederstand te bieden. En derhalve
+moet, mijns inziens, juist om al die redenen, het voorstel van Philippe
+niet in aanmerking komen. In de eerste plaats omdat als wij daartoe
+besloten, voor ons veel kostbare tijd zou verloren gaan, die aan onze
+vijanden te nutte zou komen, daar zij des te meer gelegenheid zouden
+hebben zich te versterken en de schatten in veiligheid te brengen, die
+wij voornemens zijn hun te ontrooven. Maar bovendien meen ik, al werden
+de Spanjaarden die list met den brigantijn niet gewaar, al lieten zij
+dat vaartuig rustig zijn zending volbrengen, de berichten die ons bij
+zijn terugkomst worden meegedeeld ons toch niet dienstig zullen kunnen
+wezen ten opzichte eener landing, want wij zullen toch wel niet zoo
+naïef zijn een oogenblik te veronderstellen dat een vloot als de onze
+onbemerkt het meer zou kunnen binnen vallen. Philippe d’Ogeron die even
+als ik bekend is met de plaatselijke gesteldheid dáár, weet zeer goed
+dat iedere andere weg voor ons is afgesloten, en dat het doen van een
+landing op het een of ander punt der kust, ter einde over land op
+Maracaïbo aan te rukken, gelijk zou staan met tot op den laatsten man
+al ons volk in de waagschaal te stellen; want, en ook dit weet hij zeer
+goed, die marsch zou moeten geschieden door een land, met holen, en
+moerassen en modderpoelen, waar ontelbare rivieren zich kruisen, een
+land bedekt door dichte wouden waar zware boomen met bladen zoo scherp
+als een mes den doorgang beletten, een land bevolkt door ontembare
+wilden, echte kannibalen, tegen wie wij onophoudelijk te kampen zouden
+hebben.
+
+—Dan zou het eene onverantwoordelijke dwaasheid zijn, zoo wij ons
+blootstelden aan al die gevaren met zoo weinig kans op goeden
+uitslag,—werd door Morgan opgemerkt.
+
+—Wat is dan uwe meening?—vroeg Pierre Legrand.
+
+—Wel!—riep de Olonner en sloeg daarbij met de vuist op de tafel.—Mij
+wordt het al duidelijk en klaar welk plan de Admiraal heeft, dit zal
+toch wel niet anders zijn dan onvervaard op te trekken, den toegang tot
+het meer te forceeren en met al onze macht een aanval op de stad te
+beproeven. Wat drommel! Al stonden die duivelsche gavachos tegen ons
+als tien tegen één, dan zijn wij toch immers kerels ferm genoeg om hen
+het vuur na aan de schenen te leggen, zou ik zoo denken! Het zou
+waarachtig de eerste keer niet zijn dat wij dat deden!
+
+—Wat zegt gij er van, Admiraal? Wat zegt gij er van?—riepen de meeste
+hem toe.
+
+—Ja, Montbars,—hernam de Olonner,—zeg hoe gij er over denkt. Gij zijt
+het beste in staat om ons in dit opzicht voor te lichten.
+
+—Broeders,—gaf Montbars ten antwoord en stond daarbij op,—het is juist
+zooals de Olonner heeft gezegd, hij heeft mijn plan reeds geraden. Het
+voorstel dat ik je wilde doen is dus het zijne. Geen tijd gunnen aan
+den vijand om tot zich zelven te komen, den doortocht forceeren en met
+alle kracht een aanval op de stad doen. Ik wacht uwe beslissing af.
+
+—Wel verduiveld!—vloekte de Olonner, die dit tot eene slechte gewoonte
+maakte.—Die beslissing kan niet anders zijn dan eene toestemming in wat
+gij verlangt dat wij zullen ondernemen, daar sta ik borg voor, want ge
+hebt zoo helder als klaar het ware van onze positie blootgelegd, door
+te bewijzen dat ieder ander plan van ontscheping ondoenlijk is.
+
+Morgan raadpleegde nog even met de overige kapiteins en verklaarde
+daarna uit aller naam:
+
+—De leden van den raad keuren het door den Admiraal voorgestelde plan
+goed, en zij verzoeken hem dit ten spoedigste uit te voeren.
+
+—Broeders,—sprak Montbars,—de vloot zal binnen een paar uren onder zeil
+zijn, zorgt er dus voor dat alles klaar is om de ankers te laten
+glippen, en dat de landingstroepen gereed zijn voet aan wal te zetten.
+Keert terug naar uwe schepen, om de noodige maatregelen te nemen. Ik
+sluit de zitting van den raad. Waarde Morgan,—voegde hij er nog bij,—u
+moet ik verzoeken nog enkele oogenblikken hier aan boord te blijven,
+daar wij samen nog een en ander te bespreken hebben, om elkaar goed te
+verstaan.
+
+—Ik ben tot je orders, broeder,—gaf Morgan ten antwoord.
+
+De kapiteins groetten en vertrokken naar hunne bodems, uitgezonderd
+Morgan, die met Montbars in het vertrek bleef waar de beraadslaging had
+plaats gehad, en Francoeur die, volgens afspraak, wachtte tot donna
+Clara gereed zou wezen met hem mede te gaan, en in dien tijd op het dek
+op en neer liep.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XVIII.
+
+SCHIPPER AGUIRRE.
+
+
+Tijdens de komst der flibustiers op het eiland Aruba dat zij bezetten
+om van daar, volgens hunne uitdrukking, als een vlucht gieren neer te
+strijken op Maracaïbo, heerschte in die rampzalige stad, zoo geheel
+onbekend met het gevaar dat haar boven het hoofd hing, groote drukte;
+ieder was dáár recht in zijn schik, allen lachten en dansten, in één
+woord overal hield men feest; want het waren juist de dagen waarop
+gewoonlijk de schepen uit Europa arriveerden. De uit Spanje verwachte
+vloot was dan ook de golf binnen gestevend, doorgedrongen tot het meer,
+en vóór de stad ten anker gekomen. Gedurende acht maanden van het jaar
+bleven de kolonisten genoegzaam aan hun eigen lot overgelaten; te ver
+verwijderd van groote en voorname steden zooals Vera-Cruz, konden zij
+zich niet dan met groote moeite al het noodige verschaffen voor de
+noodzakelijkste behoeften en kregen dus ten laatste daaraan groot
+gebrek; met verlangen zagen zij daarom uit naar de aankomst der
+koopvaardijschepen die nieuwen voorraad aanbrachten en hen in de
+gelegenheid stelden al de voortbrengselen van den bodem, zooals tabak,
+cacao, timmerhout, benevens goud, zilver en paarlen, waarmede hunne
+magazijnen overpropt waren, te verruilen tegen levensbehoeften,
+kleedingstukken, gereedschappen en allerlei Europeesche artikelen.
+Dezen keer waren, als door eene bijzondere beschikking, de schepen
+direct uit Cadix aangekomen, zonder onderweg eenige andere haven aan te
+doen, zoodat de ladingen nog onaangebroken waren; de kolonisten hadden
+dus overvloed van keus om te voorzien in hunne behoeften of te voldoen
+aan hunne begeerten.
+
+Voortdurend zag men in de stad verschijnen recuas van muildieren,
+waarvan ieder zwaar belast was met eene dubbele baal, en die,
+voortgedreven uit de dorpen en de haciendas van het binnenland, het
+vroolijke geluid hunner schelletjes in de straten deden weerklinken. Op
+last van den Gouverneur waren op de Plaza Mayor tenten opgeslagen, en
+jacales van takken gebouwd om tot tijdelijke magazijnen en kramen te
+dienen aan de kooplieden, die er hunne waren voor ieders oog konden
+uitstallen. Om kort te gaan het was een voortdurende kermis, die een
+maand lang zou duren, en gedurende welke de bevolking, door den grooten
+toevloed van vreemdelingen bijna verdubbeld was. ’s Avonds waren de
+straten, als door een tooverslag, geïllumineerd, en op alle pleinen
+werd gedanst met de opgetogenheid en de opgeruimdheid, die zoo
+aantrekkelijk en eigenaardig zijn bij alle meer zuidelijke volken wier
+karakter zich meest altijd kenmerkt door vroolijkheid, onbezorgdheid en
+natuurlijke ongedwongenheid.
+
+Don Fernando d’Avila had heel wat te doen om de orde te handhaven in
+zulk een warboel, en te zorgen dat het bij alle handelsverrichtingen en
+verdere inkoopen en verkoopen op loyale wijze toeging, want de
+Europeesche handelaars maakten er geen gewetenszaak van om honderd
+piasters te vragen voor iets dat geen hoogere waarde dan tien piasters
+bezat, en het was dus niet te verwonderen dat er dikwerf geschillen en
+vechtpartijen ontstonden die door den Gouverneur tenauwernood konden
+worden bijgelegd, daar de kolonisten zoo min als de Europeanen er toe
+gebracht konden worden naar verstandige en bezadigde taal te luisteren.
+Zoo werd don Fernando door al die bemoeiingen, hoezeer ook geheel tegen
+zijn wil, als het ware genoodzaakt zich minder aan zijne pupil gelegen
+te laten liggen, die bijna altijd als in hare vertrekken opgesloten
+bleef; doch de jonge dame beklaagde zich niet over zulk eene
+afzondering; zij scheen daarentegen zich er gelukkig door te gevoelen
+en kon nu ongestoord al hare gedachten wijden aan hem dien zij lief
+had. Een groot gedeelte van den dag bracht zij op het balkon door, half
+verborgen achter de zonneschermen, steeds naar het meer turende en
+verdiept in eene reeks van droomerijen. Somtijds keek zij even op om
+naar na Cigala te kijken, die gewoonlijk dicht bij haar zat en te
+vragen, met haar lief vleiend stemmetje:
+
+—Zeg eens, na Cigala, zoudt ge denken dat mijn lieveling nu gauw terug
+zal komen?
+
+De oude vrouw schudde dan met een onvergenoegd gezicht het hoofd, gaf
+meestal geen antwoord, of zoo zij dit een enkelen keer deed, dan was
+dit op knorrigen toon, en binnensmonds eenige woorden brommende die
+door de jonge dame niet verstaan werden; echter moet hier bijgevoegd
+worden, dat deze er zich ook niet veel moeite voor gaf, want veel
+liever hield zij zich bezig met hare eigene gedachten en verviel ook
+spoedig weer in zoet gepeins.
+
+Reeds meer dan eens had na Cigala beproefd donna Clara tot het inzicht
+te brengen hoe verkeerd het was zulk een eenzaam en eentonig leven te
+leiden, waarin zij nu zoo zeer behagen scheen te hebben, en dat het
+voor haar veel beter zou zijn, om te zamen uit te gaan, de stad eens
+door te wandelen en de winkels te bezoeken, waar de Europeesche waren
+uitgestald, en zij zulk eene ruime keuze zou hebben voor hare inkoopen.
+Eene verleidelijke uitnoodiging, want de beschouwing van dergelijke
+benoodigdheden en ook van dergelijke kostbare prullen is voor iedere
+vrouw, hetzij dame, hetzij dienstbode een genot, ja, meer dan dit, want
+hoe dikwerf worden daardoor de oogen zoo verblindend aangetrokken, dat
+vele van haar tot doemwaardige handelingen overgaan, en den duivel in
+handen vallen.
+
+Iederen keer dat de duenna hierop aandrong had donna Juana dit niet
+anders beantwoord dan door kortweg neen te zeggen, of hoogstens
+bepaalde zij zich tot de verklaring, dat zij niets gaf om kanten of
+juweelen, zich heel goed vond dáár waar zij was, en veel liever stil
+tehuis bleef; waarna zij weer verviel in de zoo geliefde en nu zoo
+onaangenaam afgebroken overdenkingen.
+
+Weer werd op zekeren morgen die aansporing door de duenna herhaald,
+maar nu nog veel dringender dan vroeger; de jonge dame gevoelde zich
+juist dien dag zeer droefgeestig gestemd, zonder dat zij zich daarvan
+reden wist te geven, want zij kon niets bedenken waardoor dit ontstaan
+zou kunnen zijn; zij ging naar de deur zeker om zich te verwijderen en
+daardoor ontslagen te worden van de vervelende op- en aanmerkingen
+harer voedster, toen die op eens werd opengedaan en don Fernando de
+kamer binnentrad.
+
+—Beste Juana, ik kom je vragen om met mij naar de haven te gaan,—gaf
+hij haar te kennen zonder eenige voorafspraak,—de kapitein van la
+Trinidad is, naar hij zegt, in het bezit van kostbare Mechelsche
+kanten, en prachtig met gouddraad gestikte stoffen. Hij zou je die
+zaken zeer gaarne laten zien, want hij houdt er zich van verzekerd dat
+uwe keus als wet zal gelden, en de stoffen waaraan gij de voorkeur
+geeft, bij iedereen in trek zullen komen. Hij heeft ons uitgenoodigd
+bij hem aan boord, zonder omslag en onder ons, te komen ontbijten, en
+ik heb dit voor ons beiden aangenomen. Die kapitein is iemand van
+groote verdienste en het is mij veel waard hem eenigen dienst te kunnen
+bewijzen. Wees dus zoo goed je klaar te maken en je daarmee te haasten,
+want die kapitein wacht ons op den havendam daar hij zelf ons aan boord
+van zijn schip wil brengen.
+
+Het jonge meisje beet zich op de lippen, toonde een pruilend gezichtje,
+zei eerst goeden morgen tegen haar voogd, dien zij dien dag nog niet
+had ontmoet en voegde hem daarop toe met ietwat kwijnende stem:—Ik voel
+mij waarlijk te ongesteld om uit te gaan, señor, en dus zoudt gij mij
+zeer veel genoegen doen er niet bij mij op aan te dringen u bij dit
+bezoek te vergezellen.
+
+—Kom, kom,—gaf hij lachende ten antwoord,—ge ziet er beter uit dan ooit
+en vandaag juist zoo frisch en blozend als de mooiste roos. Wees nu
+eens goed en lief, Juana, en weiger mij dit niet, want daardoor zoudt
+ge de oorzaak zijn, dat ik mijn woord tegen dien braven kapitein niet
+hield, en dit zou mij voor den goeden man zeer spijten. Buitendien
+geloof ik stellig dat de frissche lucht je goed zal doen.
+
+—Dit heb ik al zoo dikwijls tegen haar gezegd, maar zij wil naar mij
+niet luisteren,—werd in het midden gebracht door de oude vrouw, die
+zeer in haar schik was, nu zij hulp kreeg van een kant van waar zij die
+niet verwacht had.
+
+—Houd den mond, na Cigala,—viel donna Juana toornig uit.—Het is of ge
+het er altijd op toelegt mij te kwellen.
+
+—Hoor dat nu eens aan...—mompelde de oude vrouw, sloeg de handen ineen
+en de oogen naar den hemel.—Heere God, wat zijn die kinderen toch
+ondankbaar!
+
+—Kan ik er op rekenen dat ge met mij zult meegaan, Juana?—hernam don
+Fernando.
+
+—Als gij dit eischt, ja, señor,
+
+—Laten wij elkaar goed verstaan, kindlief. Eischen doe ik niets, alleen
+verzoek ik het, en verzoek ik het zeer dringend. Maar als ge er zoozeer
+tegen zijt, dan geef ik mijne begeerte op en zullen wij er niet verder
+over spreken. Ik hoop dat de kapitein zich mijne verontschuldigingen,
+ook uit uw naam gegeven, zal laten welgevallen, daar ge begrijpt, dat
+als gij niet mee wilt gaan, het voor mij geheel onnoodig is om dit
+bezoek af te leggen.
+
+Hij groette zijne pupil en stond gereed heen te gaan, doch zij snelde
+naar hem toe, greep zijn hand en zei haastig:—Och, señor! Waarlijk gij
+moet het mij niet kwalijk nemen, en heusch het spijt mij zóó als ik
+iets doe of zeg dat u onaangenaam is, maar, geloof mij, ik weet niet
+wat mij vandaag scheelt, en toch kan ik er mij niet tegen verzetten. Ik
+heb mij nog nooit zóó gevoeld.
+
+—Zoudt ge dan werkelijk ziek zijn, kindlief?—vroeg hij met vaderlijke
+bezorgdheid.
+
+—Ik weet het niet, ik kan het u niet zeggen, maar dit is zeker dat ik
+ieder oogenblik zou kunnen uitbarsten in een huilbui, en zoo gedrukt
+ben ik, alsof ik door een groot gevaar werd bedreigd.
+
+—Kom, kom,—sprak hij lachend en geruststellend,—ge zijt een
+zottinnetje! Ge hebt het den laatsten tijd doorgezet om zóó afgezonderd
+te leven als een kluizenares, en dat is de schuld van dit alles.
+
+—Och, neen, señor! Lach niet, dit verzoek ik u, want waarlijk ik lijd
+erg,—en de tranen kwamen reeds in hare oogen.
+
+—Maar, lief kind, als dit nu wezenlijk het geval is, dan moet ge naar
+bed gaan, en zullen wij den dokter laten komen.
+
+—Neen, neen, dan ga ik liever uit, dan zal ik met u meegaan. Ik geloof
+eigenlijk dat gij gelijk hebt, en dat de frissche lucht dit akelige
+gevoel verdrijven zal.
+
+—Wilt ge dan nu waarlijk toch met mij meegaan, Juana? Maar laat ik je
+dan herinneren dat ik je op geenerlei manier mijn wil verlang op te
+dringen.
+
+—Daarvoor zeg ik u dank, señor, doch bij nader inzien twijfel ik er ook
+niet meer aan of de buitenlucht zal mij goed doen. Gun mij even den
+tijd om mijne rebozo te halen en een mantille om te slaan.
+
+—Ik zal wachten tot ge daarmee klaar zijt.
+
+—Binnen een paar minuten. Kom mee, na Cigala.
+
+En vlug en levendig als een vogeltje verliet zij het vertrek.
+
+—Ach! Hoezeer wenschte ik dat zij mijne dochter ware!—sprak de bejaarde
+officier in zich zelf, en versmoorde daarbij een zucht.
+
+Kort daarna keerde het jonge meisje terug, en vroeg schertsend:
+
+—Lang ben ik niet weggebleven, is het wel?
+
+—Ge zijt een lief, best kind, steeds even voorkomend en bekoorlijk.
+
+—Ei, ei!—antwoordde zij guitig.—Nu ik doe wat gij wilt, vindt gij mij
+weer aardig en krijg ik een prijsje!
+
+Zij gingen naar buiten. Half weg van de haven, kwamen zij den kapitein
+van la Trinidad tegen, wien het, ongeduldig door het lange wachten op
+den havendam, goed had gedacht hun een eind te gemoet te gaan. Die
+kapitein was een nog jeugdig man, met verstandige en sprekende
+gelaatstrekken; hij had vroeger bij de Spaansche marine gediend, en
+ging door voor een kundig en ervaren officier. Een boot die gereed lag
+tot ontvangst der bezoekers, kwam op een wenk van den kapitein vlak
+onder de trap van het havenhoofd aanleggen, en enkele minuten waren
+voldoende om langs zij van het schip te komen; een prachtigen
+driemaster, bewapend met tien bronzen stukken, die meer had van een
+oorlogschip dan van een vreedzamen koopvaarder. De grootste orde
+heerschte aan boord, en de Gouverneur en zijne pupil werden aan
+stuurboordzij ontvangen, met de eerbewijzingen aan zijn rang
+verschuldigd.
+
+Onder een tent, die achter den grooten mast was opgeslagen, stond een
+tafel gereed, gedekt voor vier personen. De officieren werden aan den
+Gouverneur voorgesteld door den kapitein, die daarna zijn luitenant,
+een ouden zeerob, die reeds lang met hem had gevaren, uitnoodigde om de
+vierde plaats aan tafel te bezetten, echter niet dan na daartoe aan don
+Fernando d’Avila vergunning te hebben gevraagd, eene vergunning die hem
+trouwens dadelijk werd toegestaan; daarop liet de kapitein onmiddellijk
+opdisschen. Op den maaltijd was niets aan te merken, de gerechten waren
+keurig, en de wijn uitstekend.
+
+Het was of donna Juana zich inspande om de wispelturige wreveligheid,
+door haar dien morgen betoond, weer goed te maken; of wellicht was zij
+onder den invloed geraakt van het vreemde der omgeving, de drukte op de
+ree, en het heerlijke uitzicht op het landschap. Wat daarvan zij, het
+zoo drukkende gevoel scheen geheel geweken, zij was vroolijk en
+innemend, spraakzaam en opgewekt, en had er schik in om den ouden
+luitenant te plagen en met hem te schertsen, schoon de goede man weinig
+begreep van haar guitigheden, en nog veel minder van hare geestigheden
+en daarbij zulk een ongelukkig figuur maakte dat de uitgelatenheid van
+het jonge jolige schepseltje steeds aanhield.
+
+—Wel, Juana,—vroeg haar voogd,—hebt ge er nu nog spijt van dat ge met
+mij zijt meegegaan?
+
+—Och! Praat daar niet meer over, don Fernando, ik was een zottinnetje,
+en ben nu heel en al beter. Señor kapitein, hebt ge veel moois aan mij
+te laten zien?
+
+—Gij zelve zult daarover moeten oordeelen, señorita; niemand heeft
+mijne waren nog onder de oogen gekregen; ik wachtte met de uitstalling
+tot gij de goedheid zult gehad hebben daarover met uw onfeilbaren smaak
+uitspraak te doen.
+
+—Zoo! Nu reken er maar op dat ik lang niet makkelijk te voldoen ben.
+
+—Dat zal mij juist zeer aangenaam zijn, señorita, want wat in uw oog
+van waarde is, zal ongetwijfeld bij de andere dames in de kolonie ook
+wel bijval vinden.
+
+—Dat zal nog bewezen moeten worden, señor kapitein, want iedere dame
+beweert dat het haar niet aan smaak ontbreekt.
+
+—Toegegeven, señorita, alleen staat het bij mij vast, dat uw smaak vrij
+wat beter is.
+
+—Señor, señor,—lachte zij.—Wat kunt ge vleien! En wanneer denkt ge al
+dat moois uit te stallen?
+
+—Dadelijk na het ontbijt.
+
+—En gij, señor luitenant,—bij die woorden wendde zij zich tot den ouden
+zeerob, die, daar hij niets beters te doen wist, at alsof hij
+uitgehongerd was, en daarbij dronk als een tempelier,—is er door u ook
+iets voor mij achtergehouden?
+
+—Door mij, señorita!—uitte hij zoo haastig met vollen mond dat hij
+gevaar liep van te stikken, en keek daarbij verschrikt en verbaasd om
+zich heen.—Wat zou door mij achtergehouden zijn, señorita?
+
+—Dat weet ik niet, misschien kanten of juweelen, of mogelijk ook die
+mooie gouden gekrulde kammen, die de dames te Sevilla dragen.
+
+—Neen, neen, dat geloof ik niet.
+
+—Wat zegt ge daar, gelooft ge dat niet? Weet ge dit dan niet zeker?
+
+—Ja, señorita, neem mij niet kwalijk, ja, ik weet het vast en zeker. Ik
+heb niets anders dan heel fijn neteldoek met gouddraad voor
+muskietengaas.
+
+—O! Dit treft heerlijk, dat moet zeker mooi zijn!—en lachend klapte zij
+in de handen.—Maar hebt ge niets anders?
+
+—Alleen nog zilveren sporen en gouden mecheros.
+
+—Voor dames?
+
+—Wel neen, wel neen! Voor heeren, maar señorita, als u er lust in mocht
+hebben om iets daarvan aan te nemen, dan stel ik dit gaarne te uwer
+beschikking.
+
+—De sporen, dat gaas of de mecheros?
+
+—Alles, señorita, alles wat gij maar wilt,—verzekerde hij met een
+tamelijk plompe buiging.
+
+Toen barstte het jonge meisje in zulk een schaterend gelach uit, dat de
+oude zeerob daardoor letterlijk overbluft werd. Juist nu kwam een der
+scheepsjongens naar den kapitein, groette dezen, en fluisterde hem iets
+in het oor.
+
+—Señor Gouverneur,—zei daarop de kapitein,—er is iemand die verzoekt u
+te mogen spreken.
+
+—Och! Wat nu weer!—antwoordde don Fernando ontevreden.—Dan moet hij
+maar wachten. Ik veroorloof mij waarlijk zoo zelden een uurtje voor mij
+te nemen, dat ik geen lust heb mij nu al weer dadelijk met zaken te
+gaan bemoeien.
+
+—Pardon, señor Gouverneur, maar die man zegt dat eene zeer gewichtige
+zaak hem naar hier drijft, en dat gij hem op staanden voet zult
+toelaten, zoodra gij zijn naam hebt gehoord.
+
+—Ei, ei! Die sinjeur schijnt zich heel wat in te beelden! Wat voor een
+soort van man is hij?
+
+—Naar zijn uiterlijk schijnt hij een zeeman,—gaf de scheepsjongen zeer
+onderdanig te kennen.
+
+—En hoe is die zoo veelbeteekenende naam, heeft hij je dien genoemd?
+
+—Ja, dat heeft hij, señor Gouverneur.
+
+—Nu, hoe noemt hij zich?
+
+—Aguirre.
+
+—Wat!—viel de Gouverneur uit, van zijn stoel opspringende, alsof hij
+een schok had ontvangen, terwijl hij doodsbleek werd.—Aguirre, zegt ge
+immers?
+
+—Aguirre, juist, señor Gouverneur.
+
+—Dat is vreemd! Waarde kapitein, hebt ge voor mij, hier of daar het
+doet er niet toe waar, een plekje beschikbaar, waar ik met dien man
+eenige oogenblikken, zonder gestoord te worden, kan spreken?
+
+—Mijne kajuit is te uwer beschikking, señor Gouverneur.
+
+—Opperbest! Wees zoo goed mij daarheen den weg te wijzen, en dien man
+dáár ook te doen komen. Lieve Juana, in mijne afwezigheid, en die zal
+slechts van korten duur zijn, zullen de beide heeren je al dat moois
+wel laten zien.
+
+—Ga gerust, mijnheer,—antwoordde donna Juana,—ik hoop niet dat dit
+gesprek tengevolge zal hebben, dat gij lang van ons wegblijft.
+
+De Gouverneur volgde den kapitein van la Trinidad naar diens kajuit,
+waar deze hem achterliet, doch niet dan na met de breedsprakige
+hoffelijkheid van de Spaansche beleefdheid, hem verzocht te hebben zich
+hier als tehuis te gevoelen en diensvolgens te handelen. Een oogenblik
+daarna klonk er op de kajuitstrap een zware stap, en voorafgegaan door
+den scheepsjongen trad schipper Aguirre binnen. Don Fernando gelastte
+door een wenk den jongen weg te gaan, wendde zich toen naar den spion,
+die zeer onderdanig bij de deur was blijven staan en vroeg:—Zoo, zoo,
+schipper Aguirre, gij hier! Het is een wonder je in deze streken te
+zien. Welke goede wind brengt je hierheen?
+
+—Het is geen goede wind, gestrenge heer,—klonk het dubbelzinnige
+antwoord.—Ik houd het zelfs voor een zeer slechten.
+
+—En wij hebben hier reeds langer dan een maand het prachtigste weder.
+
+—De ergste stormen komen niet altijd uit de lucht, edele heer.
+
+—Neen! Ge bedoelt zeker dat de menschen daarvan dikwerf de oorzaak
+zijn, niet waar?
+
+De spion boog zwijgend.
+
+—Waar komt ge vandaan?
+
+—Regelrecht uit Vera-Cruz, op een brigantijn die daarvoor uitsluitend
+door Zijne Excellentie den Onder-Koning in hoogst eigen persoon werd
+uitgerust.
+
+—Door den hertog de Penaflor!
+
+—Ja, gestrenge heer.
+
+—Hum! Dan schijnt die zaak zeer ernstig!
+
+—Meer dan dat, edele heer. Het is eene zaak van het hoogste gewicht!
+
+—Zoo! Nu ik verwacht nadere verklaring.
+
+—Hier is een brief voor u, gestrenge heer, van den Onder-Koning die u
+van alles op de hoogte zal brengen, beter dan ik dit zou kunnen
+doen.—Bij die woorden trok hij uit de voering van den bol van zijn hoed
+een brief die daar verborgen was geweest.
+
+Don Fernando greep er haastig naar, en brak dien met bevende hand open;
+lang was die brief niet, doch de inhoud van de weinige regels was zóó
+gewichtig dat de Gouverneur verbleekte ondanks zijn erkende en
+beproefde dapperheid.
+
+—En,—vroeg hij een oogenblik later, toen hij weer opkeek,—zijn die
+berichten waar en echt?
+
+—Geheel en al naar waarheid, en stipt overgebracht, edele heer. Ik zelf
+bracht ze aan Zijne Excellentie den Onder-Koning.
+
+—En hoe zijt ge daarmee bekend geworden?
+
+—Door niemand anders dan mijzelven. Ik heb oogen en ooren gebruikt.
+
+—Dus wordt door de vrijbuiters eene expeditie uitgerust?
+
+—Eene ontzaglijke expeditie.
+
+—Maar misschien is die niet tegen ons gericht?
+
+De spion lachte minachtend.
+
+—Om hier te arriveeren heb ik dwars door eene vloot moeten stevenen,
+door eene vloot van meer dan twaalf schepen, die met korte slagen
+laveerde om te Aruba voor anker te komen.
+
+—En wie voert het bevel over die vloot?
+
+—Montbars de Verdelger zelf.
+
+Don Fernando huiverde bij dien zoozeer geduchten naam.
+
+—Weet ge ook of Montbars zich nu reeds onder al de schepen van die
+duivelsche kerels bevindt?
+
+—Nog niet, gestrenge heer, hij is van zijn koers afgeweken om zich
+eerst meester te maken van het fregat la Perla en van vier
+brigantijnen, schepen die door den Onder-Koning waren uitgerust om de
+stichtingen der vrijbuiters op Tortue te vernielen.
+
+—En?—viel de Gouverneur in met angstige gejaagdheid.
+
+—Montbars heeft door entering het fregat genomen op de rivier Efferra,
+is daarna binnengevallen ter ree van Puerto del Principe, heeft de
+brigantijnen overvallen en doen zinken en de equipage der rampzalige
+schepen onverbiddelijk omgebracht, en zal nu binnen een paar etmalen te
+Aruba arriveeren, waar zijn vloot hem verwacht, om dan tot handelingen
+over te gaan.
+
+—Dan zij God ons genadig!—kreet don Fernando en liet op een zetel zich
+neerzinken,—want, tenzij er een wonder geschiede, zijn wij verloren!
+
+
+
+
+
+
+
+
+XIX.
+
+DE CABILDO.
+
+
+Er heerschte een oogenblik stilzwijgen.
+
+Don Fernando, overstelpt door het ontzettende bericht dat hij zoo
+onverwacht had ontvangen, verpletterd door ontroering en genoodzaakt
+tot de erkentenis van de onbeduidendheid der verdedigingsmiddelen
+waarover hij beschikken kon, scheen niet in staat tot geregeld denken.
+Somber en onbeweeglijk stond de spion tegenover hem, steeds wachtende
+of het zoo plotseling afgebroken gesprek zou worden hervat. Maar don
+Fernando d’Avila was een oud soldaat met onverminderde energie, dapper
+tot het vermetele, en nu de eerste slag ontvangen was, een slag die
+hard was aangekomen, werd hij zich zelven weer meester, ieder spoor van
+ontroering of aandoening verdween van zijn gelaat, en hij toonde zich
+even kalm en koel als naar gewoonte.
+
+En waarom ook niet? Wat gaf hij om den dood? Hij die in zoo menig
+gevecht den dood dapper te gemoet getreden, en als getart had, den dood
+van den krijgsman, die geveld wordt in edelen strijd door de hand van
+den vijand! Had hij gesidderd, had hij zich als vernietigd gevoeld bij
+dit zoo plotselinge bericht van een hoogst waarschijnlijken aanval der
+flibustiers op de kolonie waarvan het gezag aan hem was toevertrouwd,
+dan was dit niet veroorzaakt door vrees voor het vreeselijke gevaar dat
+hem bedreigde, neen, dit was alleen ontstaan door zijne bekendheid met
+de vrijbuiters, tegen wie hij meer dan eens hardnekkig gestreden had.
+Hij wist maar al te goed dat na de behaalde overwinning, hunne
+wreedheid nog grooter was dan hunne vermetelheid gedurende den strijd,
+en dat dan leeftijd zoo min als kunne genade vonden in de oogen dier
+vervaarlijke tegenstanders, meer nog, dat de vrouwen vooral het meest
+van hen te duchten hadden.
+
+Hoe luttel de middelen mochten zijn waarover hij kon beschikken, toch
+besloot hij daarvan gebruik te maken, niet zoozeer om den slag af te
+wenden waarmee hij werd bedreigd, als om die minder hard te doen
+neerkomen, en zoo hij de stad niet kon redden, dan wilde hij ten minste
+trachten de inwoners te behoeden voor de rampen die het gevolg zijn van
+eene overrompeling en bestorming.
+
+—Schipper, kan ik je vertrouwen?—vroeg hij aan den spion en keek dien
+doordringend aan.
+
+—Zijne Excellentie, de Onder-Koning stelt het volste vertrouwen in mij.
+
+—Is uw brigantijn nog al ruim?
+
+—Ruim genoeg om voor een korten tocht een honderdtal manschappen te
+bergen.
+
+—Goed, ge hebt mij reeds begrepen. Keer naar uw schip terug, maak alles
+gereed om dadelijk onder zeil te gaan, en wacht mijne verdere orders
+af.
+
+De spion stond klaar om heen te gaan.
+
+—Wacht nog even,—riep de Gouverneur hem toe,—weet dat ge mij met uw
+leven borg blijft, dat geen enkel woord over dit alles over uwe lippen
+komt.
+
+—Dat zweer ik, gestrenge heer!
+
+—Goed! Ga.
+
+Schipper Aguirre vertrok en een oogenblik daarna verscheen de
+Gouverneur weer op het dek.
+
+—Wel,—vroeg Juana aan hem.—Waren die berichten nu werkelijk zoo
+gewichtig?
+
+—Gewichtig genoeg, kindlief, om mij te noopen je te verzoeken dadelijk
+met mij aan wal te gaan, terwijl ik mij bij den kapitein moet
+verontschuldigen dat ik zoo onverhoeds het schip verlaat, waar wij zoo
+heusch door hem zijn ontvangen.
+
+De kapitein boog en zei:
+
+—Señor, in afwachting van wat misschien noodig zou kunnen zijn heb ik
+reeds een boot voor u gereed doen houden.
+
+—Daarvoor ben ik u zeer verplicht, caballero, maar de bezichtiging van
+uwe koopwaren is, naar ik hoop, slechts tijdelijk uitgesteld en zal dus
+later geschieden. Gaat ge met ons meê?
+
+—Zoo gij mij dit veroorlooft, ja, señor Gouverneur.
+
+—Ge zult mij daarmeê zelfs genoegen doen. Kom, Juana, kindlief, wij
+hebben ons hier reeds te lang opgehouden.
+
+—Maar zijn die tijdingen dan werkelijk zoo gewichtig?—herhaalde zij,
+daar zij angstig begon te worden.
+
+—Zoo al niet ernstig dan toch dringend genoeg, en daarom moet ge u wat
+haasten.
+
+Men ging van boord, en enkele minuten later stapten zij aan de kade uit
+de boot, en bevonden zich weldra te midden van eene talrijke
+luidruchtige, vroolijke en drukke menigte. Don Fernando’s gelaat
+betrok; die onbezorgde opgewondenheid deed hem pijnlijk aan, hij gaf
+een wenk aan een officier die op de havendam een sigaar stond te
+rooken, en dadelijk naar hem toekwam; hij fluisterde hem iets in het
+oor, zeker een order die door anderen niet verstaan behoefde te worden.
+De officier verwijderde zich haastig, en met versnelden tred; don
+Fernando bood daarna zijn arm aan zijne pupil en vergezeld door den
+kapitein van la Trinidad ging hij met haar, ook zeer overhaast, naar
+zijn woning, waardoor de bij het jonge meisje ontstane angst sterk werd
+vermeerderd. Op het plein van zijne woning nam de Gouverneur afscheid
+van donna Juana, kuste haar op het voorhoofd, en toen hij gezien had
+dat zij verdwenen was in dat gedeelte van het huis waar hare kamers
+waren, wendde hij zich tot den kapitein en zei:—Kom meê.
+
+—Waar gaan wij heen?
+
+—Naar de cabildo.
+
+De kapitein keek verbaasd op en vroeg:—Wat is er toch gaande,
+Excellentie?
+
+—Ik heb een zeer noodlottig bericht ontvangen,—luidde het meer
+gefluisterd dan gesproken antwoord.—Ga mee, ge zult alles maar al te
+vroeg vernemen.
+
+In Spanje en in de Spaansche koloniën geeft men den naam van cabildo
+aan het stadhuis, dat wil zeggen aan den zetel van de regeering.
+
+Toen don Fernando vergezeld door den Gouverneur dáár aankwam, waren de
+officieren van het garnizoen en de notabelen der stad er reeds
+vereenigd in de zaal waar de beraadslagingen werden gehouden. Zij
+stonden, in groepjes bijeen, met elkaar te praten over en te gissen
+naar de redenen tot zulk eene buitengewone oproeping. Met ernstig
+gelaat en zwaren stap trad de Gouverneur binnen en nam plaats op den
+zetel voor hem bestemd op eene estrade achter in de zaal.
+
+—Señores en caballeros,—dus begon hij,—weest zoo goed mij uw volle
+aandacht te schenken, want nog geen uur geleden heb ik berichten
+ontvangen, die ik mij verplicht acht u onmiddellijk mede te deelen.
+
+De officieren en notabelen haasten zich de plaatsen in te nemen, die
+hen volgens het ceremonieel toekwamen. Nadat ieder gezeten en de stilte
+hersteld was, stond de Gouverneur op, vouwde den brief open die hem
+door schipper Aguirre aan boord van la Trinidad was ter hand gesteld en
+zei:
+
+—Señores, gelieft mij aandachtig aan te hooren, want vive Dios! het is
+eene zaak die u allen betreft.
+
+Zoo mogelijk werd het nog stiller, en de nieuwsgierigheid nog meer
+gaande gemaakt. De Gouverneur wierp een blik over de aanwezigen en
+begon de depêche voor te lezen:
+
+
+ „Aan den Señor kolonel don Fernando d’Avila, Gouverneur namens
+ Zijne Katholieke Majesteit, over de provincie Venezuela, Maracaïbo
+ en andere plaatsen.
+
+ „Señor Kolonel!
+
+ „Wij vernemen uit zekere en betrouwbare bron dat de Fransche en
+ Engelsche ladrones, die den naam van flibustiers hebben aangenomen,
+ in strijd met het volkenrecht, de bezworen trouw, en den thans
+ tusschen de drie koninkrijken bestaanden vrede, op dit oogenblik
+ eene machtige vloot uitrusten bestaande uit twaalf of veertien
+ schepen, en bemand met drieduizend bandieten, met het doel, zooals
+ dit op hoogen toon door hen verzekerd wordt, de steden der
+ provincie, die onder uw gezag staat, te overvallen en te
+ plunderen.”
+
+
+Na de mededeeling van dit bericht, uitten de aanwezigen kreten van
+verontwaardiging en schrik, waardoor de Gouverneur genoodzaakt werd de
+lezing een oogenblik te staken.
+
+—Luisteren, heeren, luisteren,—voegde hij hun toe met kalme en ferme
+stem,—ik ben nog niet aan het eind.
+
+En daarna hernam hij te midden van doodsche stilte en doffe ontroering:
+
+
+ „Ik acht het onnoodig, señor kolonel, u aan te bevelen de noodige
+ maatregelen te nemen die het belang van den dienst des Konings
+ vereischen. Ik ben te zeer overtuigd van uw erkende dapperheid, en
+ uwe groote ervaring om u de handelingen voor te schrijven die onder
+ deze omstandigheden door u moeten worden verricht. Slechts heb ik u
+ te verwittigen dat zoo gij u enkele dagen staande en die ladrones
+ in bedwang kunt houden, gij er op rekenen kunt dat u uit Vera-Cruz
+ zulke aanzienlijke hulp en versterking zal worden toegezonden, dat
+ het u, hieraan twijfel ik niet, gelukken zal die bandieten-horde te
+ vernietigen, die nu van plan is u aan te vallen. Wanhoop dus niet,
+ señor kolonel, en verdedig ook thans even dapper de Castiliaansche
+ eer, als dit reeds zoo herhaaldelijk door u is gedaan! Leve de
+ Koning!
+
+ „Hiermede, señor kolonel, bid ik God, dat Hij u in Zijne heilige
+ hoede neme!
+
+ „De Onder-Koning van Nieuw-Spanje:
+ Hertog de Penaflor,
+
+ „Caballero cubierto, Grande van Spanje der eerste klasse, enz.
+ enz.”
+
+
+Die brief bevatte nog enkele regels tot naschrift, maar don Fernando
+achtte het raadzaam daarvan de voorlezing achterwege te laten. De
+inhoud van dit naschrift was als volgt:
+
+
+ „Nog moet ik u verwittigen, señor kolonel, dat de ladrones worden
+ aangevoerd door de beruchtste schelmen van hunne verfoeielijke
+ vereeniging, en dat de twee voornaamste bevelhebbers zijn Montbars
+ de Verdelger en de Engelschman Morgan, een paar ellendelingen, die,
+ zooals ieder weet, nooit genade aan de overwonnenen schenken,
+ zoodat dit eene aansporing te meer is om u liever te laten dooden,
+ dan u over te geven.”
+
+
+Don Fernando hield de inhoud van dit naschrift voor zich alléén, want
+zoo hij ook daarvan aan de vergadering mededeeling had gedaan, dan zou
+de reeds wankelende moed zeker totaal vernietigd zijn geworden, daar
+vooral de naam van Montbars een onoverkomelijke vrees bij velen teweeg
+bracht. Na de lezing van den brief van den Onder-Koning heerschte er
+gedurende eenige minuten zulk een verward en hevig rumoer door
+geschreeuw, vervloekingen en verwenschingen, dat het den Gouverneur
+ondoenlijk bleef zich te doen verstaan; eindelijk verminderde het
+tumult van lieverlede, don Fernando haastte zich daarvan gebruik te
+maken en nam toen het woord.
+
+—Thans,—sprak hij op barschen toon,—is het geen oogenblik om te
+jammeren of te weeklagen, thans moet gehandeld worden, de tijd dringt
+ons. Volgt mijn raad zonder een oogenblik te talmen, en dan sta ik er
+voor in, zoo al niet dat de stad behouden zal blijven, dan toch dat gij
+in staat zult zijn om uwe gezinnen te redden, en uw vermogen te
+behoeden voor de roofzucht dier bandieten.
+
+—Laat hooren, laat hooren! Wat moet er gedaan worden?—schreeuwden allen
+te gelijk.
+
+—Luistert liever bedaard in plaats van zoo dolzinnig te
+schreeuwen—donderde hij hun toe, en stampte zelf in de uiterste drift
+op den vloer.
+
+Ieder zweeg.
+
+—Het is gelukkig voor ons—vervolgde hij,—dat de Spaansche vloot hier op
+de reede ligt, en onze haven vol is met schepen van allerlei grootte.
+Haast u dus uwe vrouwen en kinderen met uw kostbaarste zaken op deze
+schepen te brengen, die zullen naar Gibraltar overvaren. Maracaïbo kan
+geen beleg doorstaan en het is dus beter deze stad te verlaten. Wij
+moeten die door de bandieten laten bezetten zonder wederstand te bieden
+en terwijl die schelmen dan hier hun tijd zullen verspillen door te
+plunderen en te verbrassen het weinige wat wij hier achter hebben
+gelaten, moeten wij werken, werken met man en macht om de versterkingen
+van Gibraltar, die toch reeds zeer beduidend zijn, nog te vermeerderen
+en krachtiger te bevestigen. Als de bandieten het durven wagen ons ook
+dáár aan te vallen, dan hebben wij groote kans, dit acht ik genoegzaam
+zeker, om hen zóó toe te takelen, dat zij voor langen tijd er genoeg
+van zullen hebben weer eene nieuwe expeditie naar deze streken uit te
+zenden. En vergeet daarbij niet, dat de Onder-Koning aan ons spoedige
+hulp heeft toegezegd, het is dus zeer waarschijnlijk dat die bandieten
+weinig lust zullen gevoelen ons in dien schuilhoek aan te vallen. Geeft
+dus met den meesten spoed van dit alles kennis aan uwe medeburgers en
+zorgt nu goed dat zij dadelijk alles in gereedheid brengen voor hun
+vertrek. Allen die morgen bij zonsopgang nog te Maracaïbo zijn achter
+gebleven, zullen dáár blijven. Ik vertrouw dat gij mij begrepen hebt,
+gaat dus heen. U, Señores officieren, verzoek ik hier te blijven.
+
+Haastig en in verwarring snelden de burgers naar de deuren en in een
+oogwenk was de zaal door hen ontruimd. Bijna dadelijk daarna hoorde men
+buiten klagen en gejammer en daarin mengden zich spoedig de sombere
+toonen van den alarmklok die in alle kerken geluid werd.
+
+Zoodra de Gouverneur zich overtuigd had, dat al de burgers vertrokken
+en alleen de officieren gebleven waren, sprak hij de laatsten
+toe:—Caballeros wij hier, wij zijn krijgslieden en zullen ons niet zoo
+licht laten ontmoedigen, want wij kennen onzen plicht. Ik hoef u dus
+niet uit te noodigen dapper in den dienst des Konings te strijden,
+Kolonel don Santiago Tellez!
+
+—Excellentie!—antwoordde de kolonel, die vooruit trad.
+
+—Neem onder uw bevel vijftig flinke manschappen en ga met hen naar de
+haven; dáár zult gij een schipper aantreffen, een zekeren Aguirre.
+Scheep u met uwe onderhoorigen in op zijn brigantijn, en laat u
+overbrengen naar het Houtduifeiland, waar het garnizoen niet meer
+bedraagt dan vijfenveertig man. Gij moet het daar zoo noodig, minstens
+één dag tegen de ladrones uithouden.
+
+—Excellentie, ik geef er u mijn woord op, dat ik het twee dagen lang
+zal verdedigen.
+
+—Goed, des te beter! Vaarwel, kolonel!
+
+—Vaarwel, Exellentie. Gij zult spoedig het bericht van mijn dood
+vernemen, doch kunt er staat op maken, dat ik mijn leven duur aan die
+bandieten zal verkoopen.
+
+Hij boog en vertrok, voor het uiterlijk zoo kalm alsof hij eene
+wandeling ging maken. De Gouverneur versmoorde een zucht en
+vervolgde:—Kapitein Ortega, doe vijftig soldaten opzitten en zendt hen
+in alle richtingen uit, om de buitenlui te waarschuwen dat de ladrones
+in aantocht zijn; u kunt gaan.
+
+Kapitein Ortega ging dadelijk heen.
+
+—En aan u, kolonel don José Ortez,—hernam de Gouverneur,—draag ik het
+bevel over het garnizoen over. Trek daarmee af naar Gibraltar; gij laat
+hier niet meer achter dan vijftig manschappen, mits geschikte en
+gewillige kerels. Naar ik vermoed zult gij mij begrepen hebben.
+
+—Volkomen, Exellentie.
+
+—Nog moet ik u ten sterkste aanbevelen stipt er voor te zorgen dat geen
+enkel wapen, en niets van de krijgsbehoeften hier achter blijft, want
+het zou te groote dwaasheid zijn als wij de ladrones in staat stelden
+daarvan voor hunne kanonnen gebruik te maken.
+
+—Dat zou werkelijk meer dan dwaas zijn, Exellentie. Waar moeten die
+soldaten post vatten?
+
+—Hier op de cabildo.
+
+—Goed, en wanneer moet ik vertrekken?
+
+—Met het laatste konvooi inwoners. Vaarwel, kolonel!
+
+—Toch niet, Exellentie, tot weerziens!
+
+—Wie weet?—mompelde de Gouverneur. Ook die kolonel verwijderde zich en
+toen bleef de gouverneur slechts over met één persoon, den kapitein van
+la Trinidad.
+
+—Hoe nu!—uitte don Fernando, zoodra hij hem gewaar werd.—Zijt ge nog
+hier, kapitein?
+
+—Ja, Exellentie, ik was er op gesteld bij u te blijven.
+
+—Doch, houd het mij ten goede dat ik u dit onder het oog breng,
+kapitein, dit is waarlijk geheel in strijd met uw eigen belang.
+
+—Exellentie, ik heb iets opgemerkt,—gaf de kapitein te kennen, zonder
+bepaald de opmerking van den Gouverneur te beantwoorden.
+
+—En waarin bestaat dit, kapitein?
+
+—Dat gij, sedert wij hier in de zaal zijn, u druk hebt bezig gehouden
+met anderen, doch aan u zelven niet schijnt te denken.
+
+—Dat is immers mijn plicht?
+
+—Zeer zeker! Verre zij het dus van mij door die opmerking eene
+afkeuring te bedoelen.
+
+—Welnu dan?
+
+—Welnu, dan dunkt mij dat thans uwe beurt gekomen is en daarom juist
+ben ik hier gebleven. Door u is last gegeven om naar Gibraltar af te
+trekken en zeker hebt gij daarvoor afdoende redenen.
+
+—Zeer gewichtige, en zeer afdoende, kapitein.
+
+—Maar als zoodanig kunt gij niet laten gelden uw voornemen om te
+sneuvelen, zonder glorie en zonder eenig voordeel, hier aan het hoofd
+van een onnoozel troepje manschappen. Buitendien hebt gij eene pupil,
+en uw plicht is het ook voor haar te zorgen.
+
+—Mijne pupil zal de overtocht naar Gibraltar doen aan boord van uw
+schip.
+
+—Alleen?
+
+—Met u.
+
+De kapitein schudde het hoofd en zei botweg:—Neen!
+
+—Hoe!—uitte don Fernando hoogst verbaasd;—weigert gij mij dit?
+
+—Niet ik weiger, Excellentie, maar zij zal dit doen.
+
+—Kom, kom, hoe krijgt ge het in het hoofd dit te beweren, kapitein!
+
+—Vraag het haar, en dan zullen wij nader spreken; doch luister even,
+Excellentie, en houd dit goed in gedachte. Van daag nog of stellig
+dezen nacht zullen al de schepen naar Gibraltar uitzeilen, doch één zal
+hier blijven en wel het mijne. Ik heb er een eed op gedaan dat ik u
+hier niet achter zal laten.
+
+De Gouverneur bleef een oogenblik in gepeins, toen stak hij hem de hand
+toe, en sprak met bewogen stem:—Het zij zoo, kapitein, ik neem uw
+aanbod aan, doch ik moet u vooraf waarschuwen dat ik mijn post niet
+verlaat dan als de laatste en op het uiterste oogenblik, eerst dan als
+voor mij niets anders meer te doen overblijft.
+
+—Vive Dios! Dacht gij dat ik iets anders van u verwachtte?
+
+—Kom nu mee, dan gaan wij naar mijne pupil.
+
+Thans verlieten zij ook op hun beurt de cabildo, en liepen met
+haastigen tred naar het verblijf van den Gouverneur.
+
+Het voorkomen van de stad was binnen de laatste twee uren totaal
+veranderd; nog steeds waren de straten opgepropt door eene talrijke
+menigte, dat is waar, doch nu hoorde men geen gelach meer en geen
+gezang, nu zag men geen opgeruimde gezichten; thans werden kreten van
+smart gehoord, gesnik en geween, thans was ieders gelaat bleek en
+ieders blik beangst, in één woord thans heerschte overal en bij allen
+schrik en bezorgdheid, die aan wanhoop grensde. Ingevolge het door den
+Gouverneur uitgevaardigde bevel had de verhuizing der bevolking reeds
+een aanvang genomen; gevolgd door hunne weenende vrouwen en kinderen,
+en beladen met hunne rijkdommen hadden de bewoners hunne huizen
+verlaten. Het was een hartverscheurend tooneel. Kwade tijdingen worden
+gewoonlijk bliksemsnel verspreid; zoo had dan ook donna Juana reeds
+alles vernomen. Toen don Fernando haar kamer binnentrad, zag hij haar,
+half liggende op kussens, bleek van gelaat, maar met koel vastbesloten
+voorkomen. Na Cigala zat in een hoek der kamer ineengedoken, weenende
+en met het gelaat in de handen verborgen. Bij den eersten oogopslag
+begreep don Fernando hoe hier de toestand was.—Juana, liefste kind, ge
+hebt, naar ik merk, reeds kennis gekregen van het gevaar dat ons boven
+het hoofd hangt.
+
+—Helaas, ja, mijnheer,—luidde het droefgeestige antwoord.
+
+—Ge weet dus zeker ook dat wij genoodzaakt zijn voor de overmacht te
+wijken, en de stad te ontruimen.
+
+—Ook dat is mij bekend, mijnheer.
+
+—En daarom moet ik je verzoeken, uwe kostbaarheden voor zooverre dit
+mogelijk is in te pakken, en dan met mij meê te gaan.
+
+—Gaan wij dan heen?—vroeg zij, en sprong haastig overeind.
+
+—Dat wil zeggen, kindlief, gij gaat heen; ik moet hier nog een poos
+blijven, om zoo veel doenlijk te waken en te zorgen voor het belang van
+de ongelukkige bevolking.
+
+Zij viel weer op hare kussens neer en zei:—Goed, dan zal ik blijven
+wachten.
+
+—Hoe! Wilt ge blijven wachten?
+
+—Wilt ge mij de beleediging aandoen, mijnheer, van één oogenblik te
+gelooven, dat ik zonder u zou heen gaan?
+
+—Wees verstandig, Juana, lief goed meisje, het gevaar is zeer dreigend;
+ge weet hoeveel ik van u houd, en dan eerst zal ik gerust zijn, wanneer
+ik de zekerheid heb dat gij in veiligheid zijt. Kom dus mee, want de
+kapitein wacht op u.
+
+—Ik ben den kapitein daarvoor zeer verplicht, doch ik ga niet van hier
+dan met u. Neen, mijnheer, schud nu uw hoofd zoo niet, ik heb vast
+daartoe besloten. Gij hebt gezegd dat gij zooveel van mij houdt, maar
+evenzeer, misschien nog meer, is dat bij mij het geval, want voor mij,
+arm verlaten kind zonder ouders of familie, zijt gij alles, en dit
+altijd geweest. Ernstig en dringend verzoek ik u dus, er verder niet
+meer over te praten, want het zou vergeefsche moeite zijn. Met u zal ik
+sterven of met u gered worden.
+
+—Juana, ik smeek het je, zie af van dit besluit, ge brengt mij door uw
+voornemen tot wanhoop. Stem in mijn verzoek toe en vertrek.
+
+—Met u, ja, zonder u, neen! Ik ben uw eigen kind niet, dit is waar,
+maar ik beschouw mij als uwe dochter, en de plicht eener dochter is,
+wat er ook moge gebeuren, te blijven bij haar vader. En dus, ik blijf!
+
+Wat don Fernando ook beproefde, alles was vergeefs, zij volhardde
+onwrikbaar bij haar besluit, en er bleef dus niets anders over dan toe
+te geven aan haar verlangen. Toen vloog het jonge meisje op, wierp zich
+in de armen van don Fernando, en barstte uit in tranen, hem snikkend en
+hartstochtelijk haar dank betuigende.
+
+—Denk nu nog eens aan mijn voorgevoel van dezen morgen,—voegde zij er
+bij met een weemoedig lachje.—Zegt gij nu nog dat ik een zottinnetje
+was?
+
+—Neen, neen,—gaf hij ten antwoord.—Ik was blind, God heeft het u
+ingegeven.
+
+Den anderen dag, reeds zeer in de vroegte, was de stad doodsch en
+verlaten. In de straten en op de pleinen zag men slechts nu en dan
+enkele personen ronddwalen, arme drommels te behoeftig om iets van de
+vrijbuiters te duchten te hebben, en die het dus onnoodig hadden geacht
+voor hen te vluchten. Don Fernando bleef voortdurend op het stadhuis,
+waar de vijftig soldaten geposteerd waren, de eenige die hij bij zich
+had willen houden van de achthonderd man waaruit het garnizoen bestond.
+Donna Juana had zich met na Cigala begeven aan boord van la Trinidad,
+en de kapitein van dit schip had aan het jonge meisje zijn woord
+verpand dat hij zonder don Fernando niet zou vertrekken. Al de in het
+belang der bevolking beraamde maatregelen waren dus ten uitvoer
+gebracht, en de daardoor gerustgestelde Gouverneur wachtte nu
+onvervaard de vrijbuiters af, die niet lang op zich zouden laten
+wachten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XX.
+
+HET HOUTDUIFEILAND.
+
+
+Nadat door Montbars met Morgan de noodige schikkingen waren getroffen
+voor den door hem beoogden aanval, nam hij afscheid van hem, doch deed
+hem nog uitgeleide naar zijn boot en toen hij zich daarna omkeerde
+stond hij vlak tegenover Francoeur.
+
+—Och!—uitte hij.—Ik had waarlijk niet meer gedacht aan donna Clara.
+
+—Gun mij een oogenblik, Admiraal,—sprak de jonge man op zeer
+eerbiedigen toon.—Ik heb u iets te verzoeken.
+
+—Spreek,—kreeg hij zeer goedhartig ten antwoord,—is het iets dat van
+mij afhangt dan....
+
+—Het hangt geheel en al van u af, Admiraal.
+
+—Dan is het zoo goed als toegestaan, en hebt ge mij slechts te zeggen
+waarin dat verzoek bestaat.
+
+—Admiraal, gij hebt mij benoemd tot uw vlagofficier, niet waar?
+
+—Dat is zoo, maar die benoeming is slechts tijdelijk geschied, in
+afwachting van de eerste de beste gelegenheid om je een kommando op te
+dragen.
+
+—Houd het mij ten goede, Admiraal, doch ik zou er de voorkeur aan geven
+dat gij mij het kommando dat ge mij wel hebt willen toevertrouwen
+ontnaamt en mij de post van vlagofficier weder bij u liet bekleeden.
+
+Montbars keek hem scherp aan en vroeg:—Welke reden drijft je tot dit
+verzoek?
+
+—Mijn verlangen, Admiraal, om bij u te zijn in de ure des gevaars, in
+de hoop dat ik u in de hitte van den strijd eenigszins van dienst zal
+kunnen zijn.
+
+Die woorden klonken zoo oprecht, en het gelaat van den jongen man was
+daarmee zoo geheel in overeenstemming dat Montbars er door werd
+getroffen.
+
+—Goed,—sprak de Admiraal en bood hem de hand,—keer terug naar den
+Tijger en zeg aan uw eersten officier dat gij aan hem het gezag
+overdraagt. Kom dan hier terug, de betrekking van vlagofficier is
+steeds onbezet gebleven en kan dan weer door u worden vervuld.
+
+—O! Admiraal, daarvoor betuig ik u mijn oprechten dank,—verzekerde
+Francoeur in vervoering.
+
+—Luister nog even,—vervolgde Montbars,—breng dan tegelijk de koffers en
+kisten van donna Clara mee, ook zij behoort hier aan boord te komen,
+want niet al onze makkers munten altijd uit in hoffelijkheid, en op dit
+punt stel ik niet genoeg vertrouwen in uw opvolger, Alexandre IJzerarm,
+om haar met gerustheid dáár aan boord te laten.
+
+Hij wenkte den jongen man vriendschappelijk toe en stapte daarop naar
+de kajuit waar donna Clara hem wachtte.
+
+—Mevrouw, duid het mij, dit verzoek ik u dringend, niet ten kwade, dat
+ik u zoolang heb moeten laten wachten; had het van mij afgehangen, dan
+zou dit waarlijk niet zijn geschied.—Inmiddels had hij een zetel
+genomen en zich vlak tegenover haar geplaatst.
+
+—Daarvan houd ik mij overtuigd, doch ik heb tijd te over.
+
+—Te eer,—hernam Montbars,—daar ik u kom verwittigen dat gij niet meer
+naar den Tijger behoeft terug te keeren. Francoeur heeft afstand gedaan
+van het kommando over dien bodem, om, volgens zijne begeerte, weer de
+betrekking in te nemen die hij vroeger bij mij bekleedde. En nu heb ik
+gemeend, mevrouw, dat het voor u passender was om hier bij mij aan
+boord te blijven, dan te verkeeren op een schip waar gij niemand kent,
+en u dus zeer eenzaam en afgezonderd zoudt bevinden.
+
+—Ik ben u zeer dankbaar voor die oplettendheid, mijnheer,—gaf zij met
+ontroering te kennen.
+
+—Het is toch waarlijk iets van zoo weinig beduidenis, mevrouw, dat het
+zulk eene dankbetuiging niet verdient, en als u de kajuit waar wij nu
+zijn, bevalt, dan verzoek ik u die van nu af als uw bijzonder vertrek
+te beschouwen; uw trouwe en vertrouwde Birbomono kan een hut betrekken,
+vlak hier naast, zoodat hij ieder oogenblik te uwer beschikking blijft.
+
+—Dat is waarlijk te veel goedheid, mijnheer.
+
+—Toch niet, het is niet meer dan een staaltje van mijn plicht, doch dit
+daargelaten. Mag ik u thans verzoeken mij mede te deelen waarmeê ik u
+van dienst kan zijn?
+
+—Mijnheer,—sprak zij met bevende stem,—zooals gij weet ben ik eene
+Spaansche, en gij, gij beoorloogt mijne landgenooten, nu verzoek ik u,
+wees niet altijd zonder eenige genade jegens hen.
+
+Het gelaat van Montbars betrok eenigszins.
+
+—Helaas, mevrouw! Ik durf verklaren dat het mij tot in de ziel grieft,
+maar wat gij mij vraagt is juist de eenige zaak waarin ik niet aan uw
+verlangen kan voldoen.
+
+—Ach! Hebt gij dan waarlijk nog niet genoeg van dien vreeselijken naam
+van Montbars den Verdelger, waarmede uwe vijanden u bestempeld hebben!
+
+—Mevrouw, het is ongelukkig genoeg in dit opzicht maar al te waar dat
+ik zelf in deze zaak eigenlijk niets te zeggen heb. De wetten van onze
+Vereeniging luiden stellig en bepaald, en ik moet mij daaraan
+onderwerpen even goed als al mijne broeders. Bij die wetten is het ons
+verboden aan de Spanjaarden genade te verleenen, of hen vrij te laten.
+
+—Maar mijnheer, al uwe vrienden maken toch gevangenen.
+
+—Dan moeten zij het voor zich weten te verantwoorden dat zij de wet
+verkrachten, ik voor mij zou dit niet kunnen, om de eenvoudige reden,
+dat die wetten door mij zijn gemaakt, en bijgevolg ik dus, meer nog dan
+een hunner, gehouden ben daaraan te gehoorzamen.
+
+—Het zij zoo, mijnheer,—zuchtte zij,—dan zal ik niet langer er op
+aandringen. Gods wille geschiedde! Vergeet wat ik tot u gezegd heb, en
+vergeef mij dat ik het waagde op die manier tot u te spreken.
+
+Montbars stond op, groette zeer beleefd en verliet de kajuit om zich
+weer naar het dek te begeven.
+
+—O God!—snikte donna Clara, die haar hoofd in de handen verborg en half
+wanhopend op een zetel neerzonk.—O God! Ben ik nog niet zwaar genoeg
+gestraft voor eene misdaad waaraan ik onschuldig ben. Groote God! Welke
+smarten hebt Gij mij nog toebedacht, te midden van deze onverzoenlijke
+menschen!
+
+Zij knielde voor een kruisbeeld door haar gehecht aan den wand van het
+schip en bleef verzonken in gebed; zoo ging voor haar de dag voorbij;
+toen Birbomono met een licht de kajuit binnentrad vond hij haar
+bewusteloos aan den voet van het kruis; hij nam haar op, lag haar in
+een hangmat en wendde de hulpmiddelen aan die door haar toestand werden
+vereischt. Donna Clara sloeg de oogen weer open, doch bleef zwak en
+moedeloos, de wanhoop had haar aangegrepen.
+
+—Arme vrouw!—klaagde de mayordomo, die kort bij haar in de schaduw
+bleef zitten om zoo noodig haar verder hulp te bieden.
+
+Den ganschen nacht bleef donna Clara zacht snikken en weenen; eerst
+tegen den morgen sliep zij in, overmeesterd door vermoeidheid. Toen
+stond Birbomono zeer behoedzaam op, en verliet de kajuit op de teenen
+loopend uit vrees dat hij zijne meesteres in haar slaap zou storen.
+
+Kort daarna begon het te dagen, en het oogenblik naderde waarop groote
+gebeurtenissen zouden plaats grijpen, want, zooals de lezer zich zal
+herinneren was door Montbars gezegd, dat hij besloten had het
+Houtduifeiland aan te tasten. Den vorigen avond, tegen zonsondergang,
+was door Montbars eene lichte boot bestegen, bemand door twaalf
+matrozen, en zoo dicht mogelijk onder de kust gekomen, om, zelf
+onzichtbaar door de zware deining, met behulp van een verrekijker op te
+nemen wat aan wal voorviel. Hij had verscheidene zware booten bemerkt
+tot overladens toe bemand, die met kracht van riemen op het
+Houtduifeiland aanhielden; die booten waren langs het strand gaan
+liggen en hadden daar hunne passagiers ontscheept. Het gevaar niet
+achtende waar aan hij zich blootstelde door nog meer te naderen, het
+gevaar van ontdekt en gevangen te worden genomen, had Montbars, die
+zich zeer ongerust maakte over die heimelijke ontschepingen, aan zijne
+matrozen gelast om zoo dicht mogelijk naar het eiland te roeien.
+
+Het mocht voor hem gelukkig worden geacht dat de zon onder gegaan en
+het vrij donker was, nu toch kon hij de verkenning zoo ver uitstrekken
+als hij dit noodig oordeelde. Toen bemerkte hij, door middel van een
+uitnemenden nachtkijker, dat al de aangebrachte personen, hoogst
+waarschijnlijk soldaten, zeer druk bezig waren den grond om te graven,
+en daaruit maakte hij op, wat ook werkelijk het geval was, dat hunne
+werkzaamheid bestond in het oprichten van verschansingen, die dienen
+moesten tot meerdere verdediging van het eiland. Die mannen waren dan
+ook de vijftig soldaten, door don Fernando d’Avila, onder bevel van
+kolonel don Santiago Tellez afgezonden, ter versterking van het
+garnizoen. De vrijbuiter was voldaan over wat hij te weten was gekomen,
+achtte het onnoodig nu nog langer daar te vertoeven, en haastte zich te
+laten wenden om zijn schip te bereiken, waar hij tegen middernacht
+aankwam. Dadelijk daarop werd Francoeur door Montbars naar de andere
+schepen gezonden, met last aan de gezagvoerders dat zij bij het
+aanbreken van den dag onder zeil moesten zijn, en in een halven cirkel
+op het eiland aanhouden, doch het aan het fregat overlaten in de
+voorhoede te blijven.
+
+De Admiraal was tot het inzicht gekomen dat de Spanjaarden bekend waren
+met zijne aanwezigheid, en wilde hun den tijd niet laten den toegang
+tot de golf zoodanig te versterken dat het ondoenlijk zou worden die te
+forceeren; daarom besloot hij den aanval in linie te beproeven, en zich
+tot iederen prijs meester te maken van het Houtduifeiland, daar van het
+bezetten dier stelling, waardoor de ingang van de baai werd beheerscht,
+voor hem den goeden uitslag van de expeditie afhing.
+
+Voor de Spanjaarden was het in waarheid een grootsch maar tevens
+geducht schouwspel, een vloot van vijftien schepen die bij het
+aanbreken van den dag als uit de golven scheen op te rijzen, naar de
+golf van Maracaïbo te zien koers houden; doch de in het fort
+geposteerde soldaten, waren allen kernachtige kerels aangevoerd door
+ervaren officieren; en ieder hunner was evenzeer bereid om het leven op
+te offeren. Met woede en toorn, maar ook met een gevoel van trots zelfs
+eenigermate van voldoening, zagen zij hun geduchte vijanden hunne
+versterkingen naderen, die vijanden voor wie zij zoo dikwerf het
+onderspit hadden moeten delven, en zij brandden van verlangen om eene
+schitterende weerwraak te nemen.
+
+Toen de schepen op slechts enkele kabellengten van het eiland
+verwijderd waren, wendden zij, op een sein van het Admiraalsschip hunne
+zijden daarnaar toe en bleven stil liggen. Een vuurpijl die uit den
+wachttoren was afgestoken, diende tot waarschuwing aan het Spaansche
+garnizoen dat de vloot der vrijbuiters zich gereed maakte het kanaal
+van de golf te passeeren; de kanonniers werden dus met brandende lont
+bij hunne stukken geplaatst om op het eerste sein den doortocht die
+volkomen door het fort werd beheerscht, onder vuur te nemen. Er verliep
+een vrij langen tijd waarin, naar het scheen, niets door de vrijbuiters
+werd uitgericht. De Spanjaarden begrepen niets van eene dergelijke
+werkeloosheid en wisten niet waaraan die moest worden toegeschreven,
+doch op eens bemerkten zij dat van het fregat een boot werd afgezonden
+die, voorzien van een parlementaire vlag, met kracht van riemen op het
+eiland aanhield.
+
+—Wat moet dat beteekenen?—werd door den vroegeren kommandant aan den
+kolonel gevraagd.
+
+—Niet anders,—luidde het antwoord—dan dat die lieden dáár
+waarschijnlijk iets hebben voor te stellen.
+
+—Zouden wij er over denken om met zulke ellendelingen te
+onderhandelen!—viel de officier woedend uit.—Dat zou eene schande van
+ons zijn! Ik ga dadelijk order geven die vervloekte boot in den grond
+te boren.
+
+En reeds stond hij gereed om naar de dichtst bijzijnde batterij te
+gaan, doch haastig hield de kolonel hem tegen en zei:
+
+—Doe dit vooral niet! Ik heb order ontvangen om het hier zoo lang
+mogelijk uit te houden, en dus is het zaak om hun tijd te doen
+verliezen, daardoor zal aan dit bevel veel beter voldaan worden.
+
+—Neem u dan het gezag over, kolonel—gaf de ander verstoord ten
+antwoord,—want vive Dios! ik bedank er voor om met die bandieten
+praatjes te gaan houden.
+
+—Goed,—uitte de kolonel,—ik neem de verantwoordelijkheid op mij.
+Waarlijk, het is nu het geschikte oogenblik niet om zich al te trotsch,
+en evenmin om zich licht geraakt te toonen. De hoofdzaak is nu, de stad
+te redden; laat mij dus mijn gang gaan.
+
+—Doe zooals u goeddunkt, kolonel! Gij zijt buitendien ouder in rang dan
+ik, derhalve moet ik gehoorzamen.
+
+De kolonel liet dadelijk op het fort een parlementaire vlag hijschen en
+tegelijkertijd gaf hij last een boot te bemannen. Toen de boot van de
+vrijbuiters op den afstand van een geweerschot bij het fort was
+gekomen, bleef die stil liggen en haalden de roeiers de riemen in. De
+kolonel was reeds in de boot gestapt, die hij had laten gereed maken,
+en zoodra hij bemerkte dat de vrijbuiters niet verder kwamen, liet hij
+op hen aanroeien. De beide booten waren weldra niet verder dan een
+pistoolschot van elkaar. Montbars, die zich persoonlijk in de boot der
+vrijbuiters bevond, stond op, nam zijn hoed af en sprak:
+
+—Heb de goedheid, señor, langs zij aan te leggen. Ik geef mijn woord
+tot pand, dat gij van onze zijde noch bedrog noch verraad te wachten
+hebt.
+
+—Wie of wat is mij daarvoor een waarborg?—vroeg de kolonel.—Ik ben de
+Gouverneur van het fort.
+
+—En ik de Admiraal van de vloot,—antwoordde Montbars.—Ten overvloede
+ziet gij dat hier in mijn boot niet meer zijn dan vier ongewapende
+matrozen, terwijl gij vergezeld zijt door twintig goed gewapende
+manschappen. Wij zouden dus veeleer reden hebben voor u bevreesd te
+zijn.
+
+—Gij hebt gelijk,—erkende de kolonel en gelastte den bootsman:—Ga langs
+zij liggen.
+
+De twee booten kwamen boord aan boord. Montbars greep den rand van het
+grootere vaartuig om het tegen te houden, en wipte met vluggen sprong
+er over heen, om dadelijk naast den kolonel plaats te nemen. Werkelijk
+was de flibustier ongewapend.
+
+—Gij ziet, caballero, dat ik u voorga met een blijk van vertrouwen.
+
+—Señor,—antwoordde de kolonel op waardigen toon.—Gij zijt thans onder
+de hoede van de Castiliaansche eer.—Montbars beantwoordde dit met eene
+hoffelijke buiging.
+
+—Door u wordt eene bijeenkomst verlangd, señor,—vervolgde de
+kolonel.—Mag ik u verzoeken mij daarvan verklaring te geven.
+
+—Voor die verklaring, caballero, zijn een paar woorden voldoende. Ik
+verlang eenvoudig van u de overgave van het fort.
+
+De kolonel begon te lachen en zei:—Op mijn woord dat klinkt kort en
+bondig, en gij valt met de deur in het huis, zooals men wel eens zegt.
+
+—Dat is mijne gewoonte, caballero. Mag ik u nu op mijn beurt verzoeken,
+daarop te antwoorden.
+
+—Señor, ik zal uw voorbeeld volgen en heb voor dat antwoord slechts één
+woord noodig: Nooit!
+
+—Dan moet ik u onder het oog brengen, mijnheer, dat het nestige fortje
+waarover gij het bevel voert, geen weerstand kan bieden aan de geduchte
+overmacht waarmee het zal worden aangevallen.
+
+—Dat is iets, mijnheer, wat alléén mij aangaat. Dat nestige fortje,
+zooals gij het gelieft te noemen, is aan mij toevertrouwd. Zoo ik er
+niet in slaag om het te behouden, dan zal ik bij de verdediging
+sneuvelen, zóó als het een krijgsman past.
+
+—En waarlijk, señor, dat zal een roemrijke dood zijn, doch... geheel
+nutteloos.
+
+—Dat blijft de vraag, señor. Daarbij gij zijt niet bekend met den staat
+onzer middelen tot verdediging.
+
+—Toch wel, minstens even goed als gij zelf. Denk nog eens aan graaf de
+l’Atalaya en zie mij nu goed aan,—en na die woorden nam hij zijn hoed
+af en streek te gelijk zijn haar naar achter.
+
+—Hoe is het mogelijk!—liet de verbaasde kolonel zich ontvallen.
+
+—Dat was ik, mijnheer, ik! Brengt die ontdekking geen wijziging in uwe
+plannen?
+
+—Volstrekt niet, señor! Mijn besluit blijft even vast.
+
+—Luister nu kalm en bedaard,—voegde Montbars hem toe op verzoenenden
+toon.—Gij zijt een dapper man, maar waarom laat gij u drijven door
+overdreven trots en valsch eergevoel om het onder uw bevelen geplaatste
+garnizoen nutteloos op te offeren? Ik geef er u mijn woord op, dat ik u
+in staat zal stellen eervol te capituleeren.
+
+—Ik heb u reeds gezegd, dat mijn besluit vast en onveranderlijk blijft.
+
+—Is dat uw laatste woord?
+
+—Het laatste,—werd kortaf door den kolonel geantwoord.
+
+—Dat dan uw noodlot vervuld worde, doch gij zijt verantwoordelijk voor
+al het bloed dat vergoten zal worden!
+
+—Daarover laat ik met gerustheid het oordeel aan God! Ik vertrouw op
+Zijn almacht en goedheid!
+
+—Dat Hij u dan ter hulp kome, want dat is de eenige uitkomst die u
+overblijft. Vaarwel, señor! Binnen een kwartier laat ik met de
+vijandelijkheden een aanvang maken.
+
+—Wij zullen trachten, señor, u warm te ontvangen.
+
+De beide heeren groetten elkaar beleefd. Montbars stapte weer in zijn
+boot, die terstond afstak en naar het fregat werd geroeid, terwijl de
+kolonel haast deed maken om zoo spoedig mogelijk aan wal te komen.
+
+—Welnu?—vroeg de Gouverneur toen de kolonel op het fort was gekomen. De
+kolonel trok zijn degen en zei:
+
+—Heeren, maakt u gereed voor het gevecht en vergeet niet dat wij te
+doen krijgen met mannen die nooit kwartier geven.
+
+Iedereen spoedde zich naar zijn post, vast besloten niet te kort te
+schieten in de vervulling van zijn plicht. Wij moeten hier nog even
+opmerken, dat de laatste handeling van Montbars, een handeling die
+geheel en al in strijd was met de gewoonten van den vermaarden
+vrijbuiter, alleen het gevolg was van de dringende bede van donna
+Clara; toch moeten wij er als in één adem bijvoegen, dat hij, toen hij
+zijn toestemming daartoe gaf, wellicht een geheim voorgevoel had dat
+daarvan toch niet het minste resultaat te verwachten was.
+
+Nauwelijks was de Admiraal aan boord terug, of er werden met de vloot
+verscheidene signalen gewisseld en zeer kort daarna kon men gewaar
+worden dat tal van zwaar bemande booten de schepen verlieten, en zich
+langzaam naar wal richtten. Dat eskadertje bestond uit vijfentwintig
+barkassen, bemand met ongeveer vijfhonderd man en was bestemd om eene
+landing te beproeven. Montbars, Morgan en de voornaamste gezagvoerders,
+voerden het aan. De Spanjaarden lieten de booten tot onder geweerschot
+naderen. Plotseling schoten de kanonniers hunne stukken af, en het
+eskader werd begroet met een hagelbui van kruit. De vrijbuiters
+beantwoordden dit vuur niet; rustig roeiden zij voort, onder het zingen
+van een statig lied wat altijd hunne gewoonte was, en zonder zich in
+het minst te bemoeien met hunne makkers, die door een schot mochten
+getroffen zijn. Ten tweede male werden de stukken gelost en
+onmiddellijk volgde daarop het derde vuur.
+
+—Voorwaarts!—bulderde toen Montbars, trok den degen en sprong in zee.
+
+—Voorwaarts! Voorwaarts!—herhaalden de vrijbuiters die ook uit de
+barkassen sprongen, en hem volgden, zonder er over te denken of zij
+dicht genoeg bij den wal waren om grond te voelen. De Spanjaarden
+verdubbelden hun vuur; de avonturiers bereikten het strand, en ijlden
+naar de palissaden die, met aarde bedekt, den vijand als voorposten
+dienden. De vervoering van de aanvallers was onwederstaanbaar; de
+palissaden werden in één oogwenk uit den grond gerukt of verbroken; de
+Spanjaarden overhoop geworpen en vertrapt of gewurgd; de vluchtenden,
+met het zwaard in de hand, achterna gezeten en op zulk een korten
+afstand vervolgd dat Franschen en Spanjaarden te gelijker tijd het fort
+binnen stormden. De vrijbuiters wierpen zich onmiddellijk op de
+kanonniers, doodden hen bij hunne stukken, zonder hen tijd te laten die
+nog eens af te vuren, en keerden de mond der kanonnen terstond naar de
+vluchtende soldaten, die nu door het schroot als weggemaaid werden.
+
+De vrijbuiters hadden het Houtduifeiland bemachtigd, en de toegang tot
+het meer was dus nu vrij. Naar de vloot werd dadelijk het verkregen
+resultaat overgeseind, terstond werden de zeilen gesteld en zette men
+koers naar het meer om zoo dicht mogelijk onder de stad te komen. Aan
+slechts enkele soldaten gelukte het te ontkomen, al de overigen werden
+zonder genade gedood. De vrijbuiters vonden in het fort veertien
+kanonnen van zwaar kaliber, wapens, kruit en eene aanzienlijke
+hoeveelheid levensmiddelen van allerlei aard.
+
+Door de bemachtiging van het fort was het goede succes van de expeditie
+verzekerd, de val van de overige steden aan het meer moest
+onvermijdelijk volgen, en het was alleen de vraag of dit na korten of
+langeren tijd zou geschieden.
+
+Zooals de kolonel aan don Fernando d’Avila had beloofd, had hij zich
+zoolang mogelijk staande gehouden, doch was na dapperen strijd aan de
+spits van het garnizoen gesneuveld. Die dood mocht roemrijk genoemd
+worden, doch bleef bijna volslagen nutteloos, want het fort was binnen
+een uur tijds overmeesterd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XXI.
+
+MARACAÏBO.
+
+
+Door de bemachtiging van het Houtduifeiland lag de weg naar Maracaïbo
+voor de vrijbuiters open; door één en denzelfden slag waren zij meester
+geworden van het meer en in staat om met alle kans op goeden uitslag de
+overige steden langs de kust aan te vallen. Het succes van de expeditie
+kon dus genoegzaam zeker worden geacht; echter bleef de zee nog open.
+Het zou dus mogelijk zijn dat de Spanjaarden van daar met aanzienlijke
+macht opdaagden, den ingang van het meer versperden, zich krachtdadig
+nestelden op het Houtduifeiland, den terugtocht van de vrijbuiters
+afsloten, en hen zoo doende als in een muizenval opgesloten hielden.
+Zooveel doenlijk moest tegen eene dergelijke gebeurlijkheid gewaakt
+worden.
+
+Montbars riep een krijgsraad bijeen waaraan hij kort en zakelijk den
+toestand uiteenzette. Nog half bedwelmd door de behaalde overwinning
+lieten de Broeders der Kust hem vrij om naar eigen inzicht de
+maatregelen te nemen die hij in het belang van aller veiligheid
+noodzakelijk achtte. De beroemde flibustier sterk door het in hem
+gestelde vertrouwen en geleid door den omzichtigheid en misschien ook
+wel gedreven door zekere geheime plannen die reeds lang bij hem
+bestonden en welker verwezenlijking hem ongetwijfeld meer ter harte
+gingen dan de schatten waarop zijn kameraden uitsluitend het oog hadden
+gericht, toonde zich onder deze omstandigheden wederom geheel berekend
+voor de taak die hem werd toevertrouwd. Vreezende dat door te groote
+overhaasting de gunstige kansen van de expeditie gevaar liepen in de
+waagschaal te worden gesteld, hield Montbars zich dus in de eerste
+plaats bezig te zorgen voor een veiligen aftocht ingeval men daartoe
+werd genoodzaakt. Eer dus tot eenige verdere operatie over te gaan,
+liet hij met man en macht de versterkingen op het Houtduifeiland
+vernielen, en het fort met den grond gelijk maken, terwijl de kanonnen
+daarvan werden vernageld, daar men tijd noch middelen had ze mede te
+voeren. Hoe grooten spoed ook met die werkzaamheden werd gemaakt, toch
+vereischten die heel wat tijd; zoodat eerst drie dagen na de inname van
+het fort de vloot gereed was om op Maracaïbo aan te houden. Groot was
+de verbazing der vrijbuiters toen zij, na in de haven voor anker te
+zijn gekomen, gewaar werden dat de stad totaal verlaten was.
+
+Montbars en zijne kameraden begaven zich dadelijk aan wal, en bezochten
+de aanzienlijkste huizen; doch de Admiraal vermoedde een krijgslist, en
+zette dus posten uit op de Plaza Mayor, in de Kathedraal, en zelfs op
+de straten die naar het vrije veld voerden. Zoodra die onvermijdelijke
+voorzorgsmaatregelen genomen waren, werd overgegaan tot eene geregelde
+plundering en aan de vrijbuiters volle vrijheid verleend bot te vieren
+aan hunne opgewondene vroolijkheid, wat natuurlijk gepaard ging met
+allerlei losbandigheid.
+
+De admiraal vestigde zich in het huis dat hij bij zijn vroeger verblijf
+had bewoond; een van de vertrekken werd ingericht tot uitsluitend
+gebruik voor donna Clara. Sedert de vrijbuiters zich van Maracaïbo
+hadden meester gemaakt, had donna Clara zich gewijd aan de verpleging
+der gewonden; door hare goede zorgen was de cabildo herschapen in een
+hospitaal; de bij de bemachtiging van het Houtduifeiland gewonden waren
+dáár ingebracht, en dank zij hare uitnemende verzorging waren
+verscheidene hunner reeds op weg van herstel. Donna Clara liet zich bij
+die heilige roeping helpen door eenige arme vrouwen, die na het vertrek
+van de inwoners in de stad waren gebleven, en zich nu op deze manier
+tamelijk veilig konden achten, ook door toedoen van donna Clara. Het
+grootste gedeelte van den dag en meermalen ook van den nacht bleef die
+edele vrouw in het hospitaal te midden der zieken en gewonden, die zij
+troostte en bemoedigde met zachte toespraak en innemende woorden, die
+alleen de vrouw ten dienste staan, omdat die bij haar als uit het hart
+wellen.
+
+In den eersten tijd werd donna Clara bijna door iederen flibustier met
+leede oogen aangezien; zij konden het niet verkroppen dat zij, en zij
+alléén op de vloot aanwezig mocht zijn, haar aanwezigheid werd slechts
+geduld, maar van lieverlede was hunne opinie over haar gewijzigd
+geworden, en, zooals dit gewoonlijk het geval is bij menschen met een
+hevig karakter, nu waren zij plotseling van het eene uiterste tot het
+andere vervallen; de haat en de nijd jegens hunne weldoenster hadden
+plaats gemaakt voor oprechte toegenegenheid, grooten eerbied en eene
+onbegrensde toewijding; de wilde dieren waren veranderd in zachtmoedige
+lammeren; één wenk, één enkele blik van donna Clara deed wonderen.
+Diezelfde mannen vereerden haar nu als een heilige, en wee hem die het
+durfde wagen (niet om haar te beleedigen, want zulk een voornemen kon
+niemand hunner in de gedachte komen) tegen haar de minste lompheid te
+begaan.
+
+Zelfs Montbars kwam meer en meer onder den invloed die haar meegaand,
+zacht, edel gemoed op zijn weerbarstig karakter oefende, en verre van
+zich te verzetten tegen de algemeene vereering volgde hij en plooide
+zich met geheim genoegen naar de bekoring die zij om zich verspreidde.
+
+Doch in één opzicht bleef hij onverzettelijk en ontoegankelijk; noch
+tranen noch smeekingen vermochten iets daartegen; het was als donna
+Clara eene poging deed uit de diepste diepte van zijn gemoed iets op te
+delven omtrent zijne wraakzuchtige plannen; alleen dan bleef hij
+onverbiddelijk, want ieder ander verzoek werd dadelijk toegestaan, een
+glimlach was daartoe reeds voldoende, en dikwerf voorkwam hij de
+begeerten van donna Clara, door uit eigen beweging de strengheid te
+verzachten die jegens de rampzalige Spaansche gevangenen werd
+uitgeoefend.
+
+Wat de verhouding van Francoeur tot de vrijbuiters betrof, die mocht in
+waarheid vreemd genoemd worden; zijne gansche opleiding had gestrekt om
+hem met haat tegen hen te bezielen en ondanks al zijne pogingen kon hij
+er niet in slagen hen te beschouwen als zijne kameraden, terwijl toch
+meermalen bij hem de vraag oprees of hij tot de wraak, die hij thans op
+de Spanjaarden wilde uitoefenen, wel gerechtigd was, en of het billijk
+mocht genoemd worden al zijne landgenooten aansprakelijk te stellen
+voor al het onrecht dat één hunner jegens hem had bedreven.
+
+Montbars sloeg al die verschillende gemoedsbewegingen van den jongen
+man, die op diens gelaat zich duidelijk afspiegelden, oplettend gade;
+maar hij bleef zwijgen, hij moedigde hem evenmin in het eene opzicht
+aan, als hij in het andere iets afkeurde, ook omdat hij voor zich zelf
+niet eens wist welk gevoel hem voor Francoeur bezielde, en onzeker
+bleef, ondanks al de vermoedens van don Sancho en donna Clara, of hij
+in hem den lang verloren zoon had weergevonden; vandaar dan ook dat hij
+hoewel schijnbaar onverschillig met zenuwachtigen angst de
+gebeurtenissen tegemoet zag die wellicht eenmaal de waarheid aan het
+licht zouden brengen van eene zaak die voor hem van zooveel gewicht
+was. Één man was slechts bekend met het geheim waarvan voor de toekomst
+het geluk of het ongeluk van Montbars afhing, en die man was de hertog
+de Penaflor. Doch bestond er een middel om dien onverbiddelijken man te
+noodzaken dat geheim op te helderen? Toch wanhoopte hij niet; hij
+verbeidde den uitslag van zekere berekeningen, die, naar hij meende,
+niet anders dan gunstig konden uitvallen.
+
+Maar van al de vrijbuiters gevoelde Philippe d’Ogeron zich
+ontegenzeglijk het ongelukkigste. Terwijl al zijne kameraden vol vreugd
+over den behaalden triomf, al de doorgestane moeiten en gevaren
+vergaten, en bot vierden aan hun lust tot brasserij en balddadigheden,
+scheen hij als aan wanhoop ten prooi.
+
+De expeditie, zoo uitstekend uitgerust, zoo beleidvol bestuurd, was een
+plan alléén van hem afkomstig; dat gewaagde stoutmoedige plan, waarvoor
+in het begin zelfs de dapperste zijner kameraden terug hadden gedeinsd,
+was in zijn brein opgekomen, met één enkel doel; aan dat doel, de
+vereeniging met haar die hij beminde, had hij alles opgeofferd, en dat
+zoo vurig en reeds zoo lang begeerde doel, die met zooveel hartstocht
+gekoesterde hoop, ontsnapte hem, juist op het oogenblik dat hij meende
+het bereikt te hebben. Zoodra zijn schip binnen het gezicht van de stad
+was gekomen, had hij, volgens afspraak, de bepaalde vlag geheschen en
+met kloppend hart getuurd naar al de vensters der huizen die op de
+haven uitkwamen, doch te vergeefs; geen enkel sein had het zijne
+beantwoord, alles bleef dáár stil, doodsch en somber. Nauwelijks aan
+wal, was hij, half ziek door smart en vrees, geijld naar het huis van
+donna Juana, maar dat huis was verlaten, donna Juana was verdwenen en
+geen spoor te ontdekken van de plaats waarheen zij zich mocht begeven
+hebben.
+
+Toen had hij met het geduld en het onwrikbaar vertrouwen van een echt
+verliefd jong mensch de gansche stad doorkruist en afgeloopen, was alle
+huizen binnengedrongen, had alle deuren geopend, en kon ondanks die
+vergeefsche pogingen zijn ongeluk niet als waarheid aannemen, ieder
+oogenblik niet anders verwachtende dan dat zij die hij liefhad
+plotseling vóór hem zou staan, hoewel hij zeer goed wist, dat de stad
+door al de inwoners was verlaten, en hij had moeten begrijpen dat donna
+Juana bij zoo een algemeene vlucht niet achter zou gebleven zijn. Toen
+hij eindelijk tot de overtuiging gekomen was van de werkelijkheid, toen
+er voor hem geen twijfel meer overbleef dat ook de innig geliefde de
+stad had verlaten, sloot hij zich uren achtereen in een kamer op en
+toonde zich zoo, als volslagen, vernietigd, dat zelfs de ridder de
+Grammont, hoewel zijn medeminnaar, medelijden gevoelde bij de uiting
+van zulk een diepe smart, en beproefde, hoewel te vergeefs, hem
+eenigermate te vertroosten of af te leiden.
+
+Eindelijk verdween die inzinking om plaats te maken voor een aanval van
+even overdreven verbittering. Half woedend liep hij naar Montbars om
+hem te betuigen dat het verlaten van de stad door de Spanjaarden niet
+anders kon zijn dan een krijgslist waarom hij zich aanbood met eenige
+manschappen de omliggende bosschen te gaan doorzoeken.
+
+—Best mijn vriend, doe zoo,—zei Montbars met een veelbeteekenenden
+glimlach;—die raad is goed, te meer daar die door jou gegeven wordt.
+Doe het dus zoodra ge dit goedvindt, al ware het van daag, en als onder
+de lieden, die gij zeker vinden zult, misschien ook vrouwen mochten
+zijn in wie ge belang stelt, dan zal ik het zóó weten te schikken dat
+die vrouwen aan jou worden toebedeeld, en aan geen ander.
+
+—Daarvoor zeg ik je dank, en reken op uwe belofte die ik je te
+gelegener tijd en plaats zal herinneren.
+
+—Vriendlief, dat zal geheel onnoodig wezen. Ga nu.
+
+Philippe liet zich dit niet ten tweeden male zeggen, want hij verlangde
+te zeer er naar om met die menschenjacht te beginnen. Hij bracht een
+zestigtal vrijbuiters bij elkaar en vertrok met hen naar de bosschen.
+Den eigen avond kwam hij te Maracaïbo terug en bracht tachtig
+gevangenen mee, meer dan vijftig muildieren beladen met buit en
+buitendien nog een som gelds ter waarde van meer dan vijftig duizend
+gulden.
+
+—Bravo!—uitte Montbars, nadat hem rapport was gedaan over dezen
+tocht.—Dat is een mooi begin. Die proef moet herhaald worden!
+
+— Morgen,—luidde het antwoord.
+
+Werkelijk vertrok hij den anderen morgen weer. De andere vrijbuiters
+kregen ook wel zin met hem mee te gaan, te eer daar de plundering van
+de huizen en kerken vrij wat minder had opgeleverd dan men had
+verwacht, iets wat zeer gemakkelijk is te begrijpen, daar de inwoners
+tijd te over hadden gehad om hun geld en hunne kostbaarheden in
+veiligheid te brengen, en daarvan behoorlijk gebruik hadden gemaakt.
+Die jacht hield eenige dagen achtereen aan, nu eens met wat meer dan
+weder met minder goed gevolg, doch toch altijd voldoende in zooverre
+het betreft het behalen van buit; de vrijbuiters waren dus zeer in hun
+schik; doch Philippe werd hoe langer hoe mistroostiger; al zijne
+metgezellen begrepen niets van zulk eene vreemde houding, en er waren
+er onder hen die niet anders meenden dan dat hij op het punt stond van
+gek te worden. Op zekeren avond nadat hij aan Montbars had medegedeeld,
+met een gelaat somberder dan ooit, dat hij honderd muildieren had
+meegebracht beladen met buit en goud ter waarde van meer dan honderd
+duizend gulden, zei de bevelhebber tegen hem:
+
+—Beste vriend, ge hebt er niet goed slag van dat zaakje aan te pakken,
+zooals het behoort; ik zal er mij eens mee bemoeien. Hebt gij
+gevangenen gemaakt?
+
+—Ruim honderd,—werd zuchtend ten antwoord gegeven.
+
+—Goed, en wat voor soort van lieden?
+
+—Ik heb er niet op gelet.
+
+—Dat is verkeerd, kom mee, dan zullen wij ze gaan opnemen.
+
+—Waartoe zou dat dienen?
+
+—Dat zult ge zien. Wat drommel, kom dan toch mee! Waar zijn zij
+opgesloten?
+
+—Ik geloof in de kerk van San Francisco.
+
+—Goed, ga mee.
+
+Zij gingen er heen, onderweg hield Montbars eenige vrijbuiters aan, die
+niets te doen hadden, en nog nuchter genoeg waren om hem te
+vergezellen. Het was zoo, de gevangenen waren opgesloten, allen door
+elkaar, in de kerk van San Francisco, op één na de grootste van de
+stad, en de deuren werden bewaakt door op post gezette vrijbuiters, die
+bezig waren met drinken en dobbelen. Montbars liet de deur voor zich
+openen en trad de kerk binnen gevolgd door Philippe en zijn geleide.
+Het inwendige van de kerk bood een hartroerend schouwspel aan. Er
+stonden zeer verward opeengehoopt twee- tot driehonderd ongelukkigen,
+mannen, vrouwen en kinderen; sommigen zwaar gewond lagen kermend op de
+zerken en iedereen klaagde jammerlijk, want zij kenden de
+barbaarschheid der vrijbuiters en wisten dat de eenige weldaad die zij
+van hen te wachten hadden bestond in een spoedigen dood, bevrijd van
+ondenkbare martelingen.
+
+Montbars overzag met koelen blik de gansche menigte die bevangen werd
+door siddering bij het zien van dien man met zulk een somber en
+onverbiddelijk gelaat, die zich scheen te verheugen over al hun leed.
+
+—Pitrians,—zei Montbars,—ge hebt nog al een fijnen neus, en dus, kerel,
+moest ge eens van die caballeros er een stuk of wat uitzoeken die ge
+meent dat het beste in staat zouden zijn om een flink losgeld te
+betalen. Breng die dan vóór mij.
+
+Pitrians trad vooruit, drong ruw tot in het midden van den troep door
+en begon met cynische onverschilligheid hen op te nemen, nu en dan een
+der gevangenen naar voren stootende, om daarna zijn onderzoek onder het
+fluiten van een vroolijk deuntje te vervolgen, en daarbij de gevangenen
+als het ware voor den gek houdende. Eenige minuten later had hij een
+vijftiental uitgekozen, en hen genoodzaakt vlak vóór Montbars op een
+rij te gaan staan, dat door allen bevende werd gedaan.
+
+—Goed zoo, mijn jongen,—zei Montbars daarna,—voor het oogenblik zijn er
+genoeg. Luister nu eens hier.—Pitrians naderde.—Houd je
+gereed,—vervolgde Montbars en gaf hem een onheilspellenden wenk.
+
+—O, zoo!—uitte Pitrians.—Naar het schijnt moet er een pretje volgen.
+
+—Meer of minder, dat hangt van jou af.
+
+—Goed, goed, laat dat maar aan mij over.
+
+De gevangenen bevroedden niet waarom zij van hunne metgezellen waren
+afgezonderd en evenmin wat men van plan was met hen uit te voeren, doch
+een geheim voorgevoel overviel hen dat zij bedreigd werden door een
+vreeselijk gevaar en allen trilden, als bladeren die door een stormwind
+worden heen en weer geschud. Montbars trad een paar passen vooruit, en
+voegde hen met forsche stem toe:
+
+—Hei caballeros, laat ons eens een paar woorden met elkaar praten. Gij
+lieden dáár, zijt allen notabelen van de stad, hoe zijt gij er toe
+gekomen om even als vossen en konijnen in een hol te kruipen, in plaats
+van stilletjes in uwe huizen te blijven, dat zeker voor iedereen veel
+beter zou geweest zijn? Het heeft er veel van af of gij allen stapel
+gek zijt geworden! Gelooft gij dan waarachtig dat het ons aan middelen
+ontbreekt om te weten te komen waar uwe stadgenooten zich verborgen
+houden en waar zij hunne schatten hebben verstopt? Wat hebt gij met uw
+geld gedaan? Geeft daarop antwoord.
+
+Vol angst keken de gevangenen elkaar aan, eindelijk besloot een hunner
+uit aller naam te spreken, en zei:
+
+—Machtige heer, onze bezittingen zijn in uwe handen, gij hebt u meester
+gemaakt van al onze have en goed.
+
+—Ge liegt, señor, doch ik weet wel hoe ik je tot bekentenis zal
+brengen. Pitrians, nu is het jou beurt.
+
+Pitrians kwam nader, en had in zijn hand een eindje touw zoo dik als
+een pink; hij wikkelde dit tweemaal om het hoofd van den gevangene die
+het woord had gevoerd even boven diens slapen, lei er een lossen knoop
+in en zag toen naar Montbars.
+
+—Zijt ge van plan,—hernam Montbars,—om antwoord te geven op deze twee
+vragen. Waar zijn uwe stadgenooten? Waar is uw geld?
+
+—Ik weet het niet,—stotterde de gevangene.
+
+—Ga je gang, Pitrians.
+
+Pitrians trok een pistool uit zijn gordel, stak de loop in den knoop,
+en begon toen het wapen om te draaien tot het touw zóó vast om den
+schedel werd gekneld dat het letterlijk in het vleesch drong. De
+gevangene leed onuitstaanbare pijn; het was of zijne oogen uit de
+holten zouden springen, zijn gelaat werd paarsch, bloedig schuim
+vertoonde zich in de hoeken van zijn mond, en hij schreeuwde
+erbarmelijk.
+
+—Geef antwoord,—gelastte Montbars barsch.
+
+De gevangene spande al zijne krachten in, zijne oogen stonden
+verwilderd en waren met bloed beloopen, en hij stamelde met heesche
+stem.—Ik weet het niet. Heere God, wees mij genadig.
+
+—Haal nog wat vaster aan, Pitrians,—gelastte Montbars, en trok de
+schouders op.
+
+—Hoe dwaas toch van zoo’n mensch om zich zóó te laten pijnigen!—merkte
+Pitrians zeer leuk op terwijl hij het touw nog vaster aanhaalde.
+
+—Ik weet het niet. Doodt mij, ellendelingen,—brulde de gevangene, langs
+wiens gelaat het bloed vloeide, want het touw was door de huid heen
+gekneld.
+
+—Blijf zoo verstokt niet, arme duivel, dat is eene malle gewoonte; het
+is maar een kuur,—vermaande Pitrians die steeds bleef draaien. Hoezeer
+de ongelukkige zich vast had voorgenomen alle smart standvastig te
+verdragen, toch werd die gruwelijke foltering hem te zwaar en hij gaf
+te kennen dat hij zou antwoorden. Montbars wenkte en Pitrians knoopte
+het touw los.
+
+—Stomme kerel,—mopperde hij,—wat hebt ge er nu aan zóó gehavend te
+zijn?
+
+Het koord was zoo vast in het vleesch gegroefd dat Pitrians het met
+zijn hand los moest rukken. Het gelaat van den gemartelde was zoo
+verwrongen dat het niet menschelijk meer kon genoemd worden.
+
+—Vertel me wat ge weet,—grijnsde Montbars,—nu je eindelijk lust tot
+praten schijnt te hebben gekregen.
+
+—Wat moet gij weten?—stamelde de arme man, die half bewusteloos op de
+zerken viel, maar de waardige Pitrians was vlug bij de hand, gooide hem
+een puts water over het gezicht en zei:
+
+—Die arme tobberd, het is te kras voor hem geweest! Wat een verwijfd
+kereltje!
+
+Bijgekomen en iets minder pijn gevoelende door dit ruwe maar toch niet
+ongepaste middel kon de gevangene zich ten minste eenigszins opheffen.
+
+—Wat is er geworden van den gouverneur en zijne pupil?—werd door
+Montbars steeds even norsch gevraagd.
+
+—Zij zijn uitgeweken naar Gibraltar.
+
+—Zoo! Weet je dat zeker?
+
+—Ja.
+
+—En de inwoners?
+
+—De meesten zijn diep de bosschen ingetrokken met de soldaten van het
+garnizoen. Ga hen dáár maar volgen dan zullen zij het je duur betaald
+zetten.
+
+—Zijn zij zoo vast besloten te vechten?
+
+—Zij zullen volhouden tot aan den laatsten man.
+
+—Dat is een blijde tijding,—verklaarde Montbars en wreef zich
+genoeglijk in de handen,—want als die lieden zooveel lust hebben tot
+vechten, dan moeten zij ook heel wat te verdedigen hebben. Waar zijn
+hunne schatten verborgen?
+
+—Te Gibraltar, te Merida en in de bosschen.
+
+—Zie zoo! Nu heb je ten minste iets bepaalds verteld. Vaarwel!
+
+—Wees vervloekt!—gilde de ander en zonk weer ineen.
+
+—Wat moet er met dat arme schepsel worden uitgevoerd?—vroeg Pitrians
+meewarig.
+
+—Ba!—uitte Montbars.—Doe wat ge wilt. De kerel deugt nergens meer toe.
+
+Toen keerde hij zich om, glimlachte tegen Philippe en vroeg: Nu weet ge
+wat ge weten wildet, niet waar?
+
+—Ten naastenbij,—luidde het antwoord.
+
+—En wat dan nog meer?
+
+—Van u vernemen wie je gezegd heeft dat ik Juana liefheb?
+
+—Dwaze jongen! Kan ik dit dan niet geraden hebben?
+
+Op het plein gekomen hoorden zij in de kerk een pistoolschot en haastig
+keken zij om. Pitrians had den Spaanschen gevangene een kogel door den
+kop gejaagd, om den rampzalige van zijn onuitstaanbare pijnen te
+verlossen, en dit strekt ten bewijze dat Pitrians teer van gemoed was
+en zijn medemensch een medelijdend hart toedroeg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XXII.
+
+GIBRALTAR.
+
+
+De kerk uitgaande, had Montbars de vrijbuiters die door hem mede waren
+genomen, weggezonden, daarna zijn arm onder dien van den jongen man
+gestoken en was toen met hem naar diens woning gegaan. De beide
+Broeders der Kust liepen aldus naast elkaar voort, zonder een enkel
+woord te wisselen; de een zoowel als de ander bleef verdiept in
+gepeins. Op eens stond Montbars stil, keek Philippe strak aan en vroeg
+hem:—Waar denkt ge over?
+
+—Ik?—gaf de jonge man ten antwoord, en keek plotseling op.—Ik denk er
+over hoe verbazend veel rijkdom dáár in Gibraltar moet opgehoopt zijn.
+
+Montbars begon hartelijk te lachen en zei:—Vriendje, jij meent geen
+enkel woord van alles wat ge daar zegt.
+
+—Niet?—viel Philippe uit.
+
+—Neen, zeker niet! Zal ik je eens vertellen waarover of liever aan wie
+gij dacht?
+
+—Ga uw gang, dat wil ik wel eens hooren, maar ik zeg het je.
+
+—Nu dat zullen we eens zien!—hernam Montbars.—Letterlijk zal ik den
+loop van je gedachten herhalen.
+
+—Letterlijk! Nu wordt het toch al te kras.
+
+—Toch niet, dat is juist het gepaste woord. Terwijl wij daar zoo naast
+elkaar arm in arm voortloopen hebt ge tot je zelven gezegd: die
+Montbars is toch op mijn eer een zonderlinge kerel! Daar blijft hij nu
+hier te Maracaïbo, waar de inwoners niets hebben achtergelaten, hier te
+Maracaïbo, dat nu niet veel meer is dan een geruïneerde stad, zijn tijd
+verknoeien en verbeuzelen, terwijl aan den anderen kant van het meer
+vlak tegenover hier, Gibraltar ligt, eene stad te rijker omdat al de
+bewoners van deze streek daarheen al het kostbaarste hunner bezittingen
+hebben gevoerd. Hij heeft, om zoo te zeggen, zijn arm maar uit te
+strekken om in het bezit te komen van al die schatten, en toch verroert
+hij geen vin! En dan wil ik er nog niet eens over spreken, dat als hij
+dat deed, ik in staat zou worden gesteld om de vrouw te ontvoeren, die
+ik zoo innig bemin, en die voor mij veel grootere waarde heeft dan al
+het goud dat dáár in Gibraltar is opgehoopt. Hoe komt hij er toe om
+hier tijd te verliezen en te talmen, in plaats van met man en macht den
+vijand aan te tasten, die reeds als half overwonnen kan worden
+beschouwd, en als verlamd door onze behaalde overwinning. Biecht me
+eens op, broeder, heb ik je gedachte goed wedergegeven?
+
+—En als dit nu eens het geval ware, wat zoudt ge dan daarop te
+antwoorden hebben?—werd met inwendige verbittering gevraagd.
+
+—Heel wat, waarde vriend. In de eerste plaats dit, dat onze vijanden
+zeer op hunne hoede zijn. Als zij op Gibraltar terug zijn getrokken,
+dan is dit met het bepaalde doel zich daar hardnekkig te verdedigen!
+
+—En wat doet er dat toe?
+
+—Voor jou niets, voor mij zeer veel! Voor mij is dat eene hoogst
+ernstige zaak, en ik heb er alles behalve lust in om hals over kop een
+sprong in den blinde te doen, waar het, zooals hier, geldt eene zeer
+hachelijke expeditie, waar wij te doen zullen krijgen met lieden die,
+in hun laatsten schuilhoek gedreven, zullen vechten pro aris et focis
+(voor haardstee en altaar) zooals het in het Latijn luidt, en eer tot
+den laatsten man zullen sterven dan een voet te wijken.
+
+—Welnu, dan zullen wij hen doen sterven!
+
+—Dat weet ik drommels goed, evengoed als jij, wij zullen hen dooden,
+maar ten koste van welken prijs? Dit is en blijft de hoofdvraag! Doch
+buitendien, ik wacht ieder oogenblik nadere en bepaalde inlichtingen;
+zoolang die niet in mijn bezit zijn, zoolang ik in het duister verkeer
+omtrent de voornemens der Spanjaarden denk ik er niet over iets te
+ondernemen, want eerst daarna zal ik plannen tot een aanval kunnen
+beramen.
+
+—En door wien denk je die inlichtingen te verkrijgen?
+
+—Wel door iemand dien jij zeer goed kent, je vroegeren kajuitsjongen
+Zijden-Draad. Toen wij den vorigen keer hier zijn geweest heb ik hem
+met opzet achtergelaten om ons op een gegeven oogenblik als wij dit
+noodig mochten hebben, op de hoogte te brengen van alles wat wij
+noodzakelijk moeten weten.
+
+—Goed overlegd, jammer maar, dat Zijden-Draad verdwenen is, en wij, nu
+reeds bijna twee weken hier vertoeven en in al dien tijd niets van hem
+hebben vernomen.
+
+—Hij zal wel voor den dag komen, daar kunt ge staat op maken.
+Zijden-Draad is veel te slim om zoo maar in den val te loopen.
+
+—Arm kereltje! Zij hebben hem zeker herkend, en gedood!
+
+—Hum! Daar is hij te leep voor! En het bewijs staat vlak vóór je, kijk
+maar naar ginder.
+
+—Zijden-Draad!—viel Philippe uit.
+
+—Wel drommels, wie zou het anders zijn? Zie je hem niet, dáár vlak vóór
+de deur van je huis?
+
+—Zoo waar, ge hebt gelijk!—riep de jonge man op verheugden toon en toen
+tot den jongen die werkelijk als een standbeeld vóór de deur
+stond:—Heidaar jongen, kom hier langs zij liggen en maak haast er meê!
+
+De knaap keek om zich heen, doch nauwelijks had hij gezien wie hem
+naderden of hij uitte een kreet van vreugde en snelde naar hen toe.
+
+—Ben je daar eindelijk terug, verloren schaap!—sprak Montbars en klopte
+hem goedhartig tegen de wang.—Waar kom je van daan? Ik dacht dat je
+dood waart gegaan.
+
+—Dood gegaan?—herhaalde hij,—om wat te doen, Admiraal?
+
+—Drommels, dat weet ik zoo precies niet,—lachte Montbars.—Maar daar
+wij, sinds wij hier zijn, niets van je gehoord hadden, konden wij niet
+anders vermoeden dan dat de Spanjaarden je hadden vermoord of gevangen
+gemaakt. Doch nog eens van waar kom je?
+
+—Uit Gibraltar, met een slechte boot, die ik het geluk had te kapen.
+
+—Mooi zoo! Dat is juist iets zooals ik van je verwachtte; ge zijt nog
+altijd even behendig en bij de hand als vroeger. En welke gewichtige
+tijdingen hebt ge ons te berichten?
+
+—Verscheidene, maar liever niet hier, als u er niets tegen hebt.
+
+—Ge hebt gelijk, volg mij,—zei Philippe.—Op mijn eer, dat kereltje is
+nog verstandiger dan men reeds naar zijn uiterlijk zou vermoeden.
+
+—Dank u zeer, kapitein! Welk compliment moet ik u nu maken?—vroeg hij
+lachend.
+
+—Dat is onnoodig. Kom maar mee, dan kunnen wij praten.
+
+Zij traden het huis van Philippe binnen gevolgd door den kajuitsjongen,
+die zijne vingers liet knippen en de gekste grimassen maakte, evenals
+een aap die een noot zit te peuzelen. Nadat de vrijbuiters in eene
+afgezonderde kamer plaats hadden genomen, gelastte Montbars:—Vertel nu
+wat ge weet, maar kort en bondig.
+
+—Dat zal gauw genoeg gedaan zijn,—antwoordde de knaap.—Wat verlangt u
+te weten?
+
+—Wat er van de inwoners geworden is, en wat de Gouverneur don Fernando
+d’Avila voornemens is te doen. Zoover ik er over heb kunnen oordeelen
+is hij een dapper soldaat en daarom verwondert het mij dat hij nog geen
+teeken van leven gegeven heeft sinds wij het meer zijn binnengeloopen.
+
+—Dat is toch heel licht te begrijpen. Hij wacht u af.
+
+—Hoe! Wacht hij mij af?
+
+—Zeker, Admiraal, luister maar even.
+
+Toen begon de kajuitsjongen te vertellen wat er voorgevallen was, en
+hoe alles zich had toegedragen; op welke wijze de Gouverneur bericht
+had gekregen van de aanwezigheid der vrijbuiters bij het eiland Aruba,
+en hoe hij, oordeelende dat Maracaïbo niet in staat was een aanval te
+wederstaan, last had gegeven de stad te ontruimen, en eindelijk hoe die
+ontruiming had plaats gegrepen onder de oogen van den Gouverneur, die
+zich het allerlaatst had ingescheept, na zich verzekerd te hebben, dat
+verreweg de meesten der inwoners in veiligheid waren aan boord der
+schepen, om zich naar Gibraltar of Merida te begeven.
+
+—Goed, heel goed!—gaf Montbars te kennen.—Het komt mij juist te pas te
+vernemen dat ik die aangename verrassing aan schipper Aguirre te danken
+heb; dat zaakje hoop ik later hem betaald te zetten.
+
+—O! Admiraal,—merkte de jongen lachend aan,—gelooft u dat hij er zin in
+heeft op u te blijven wachten? Neen waarachtig niet! Zoodra hij den
+troep had ontscheept dien hij naar het Houtduifeiland moest
+overbrengen, heeft hij er haast achter gezet; hij heeft zich wel
+gewacht weer het meer binnen te loopen, maar daarentegen het ruime sop
+gekozen.
+
+—Hoe langer hoe beter!—verzekerde Montbars.—Op die manier heb ik des te
+meer kans hem spoedig weer te ontmoeten. Maar nu nog iets over den
+Gouverneur. Wat heeft die uitgevoerd?
+
+—Hij! Nu Admiraal, gij kunt er op aan dat die van zijn tijd goed heeft
+gebruik gemaakt en gij kunt er eveneens op aan dat het verkeerd van u
+geweest is om hier zoo lang te blijven.
+
+—Wel, wel, hoor eens aan!—lachte Philippe,—mijnheer Zijden-Draad
+vermeet zich den Admiraal de les te lezen!
+
+—Toch niet kapitein, ik herhaal slechts wat ik heb hooren zeggen.
+
+—Vertel meer jongen, vertel meer!—viel Montbars ongeduldig uit.
+
+—Dadelijk, Admiraal,—zei de knaap die daarop vervolgde, zoo ernstig als
+een officier die verslag doet,—zooals ik u reeds heb gerapporteerd zijn
+de inwoners van Maracaïbo uitgeweken naar Gibraltar en naar Merida; ik
+moet daar nu nog bijvoegen, dat zij in die beide plaatsen op de
+hartelijkste wijze ontvangen zijn, onder betuigingen van deelneming met
+hun ongelukkig lot. Zoodra don Fernando d’Avila zich verzekerd had dat
+al die lieden zoo veel mogelijk en zoo goed doenlijk waren gehuisvest,
+heeft hij, als een oud soldaat die zich niet licht laat beetnemen en
+veel naam heeft gemaakt tijdens de oorlogen in Vlaanderen....
+
+—Genoeg van die lofspraak en al die uitweidingen!—viel Montbars
+ongeduldig in en stampte driftig op den vloer.—Ik begin waarachtig te
+gelooven dat die kwajongen een loopje met mij denkt te houden.
+
+Zijden-Draad keek hem schuins aan en bemerkte zeker dat het nu geen
+tijd was om zijne gewone aardigheidjes aan den man te brengen, waarom
+hij zijn rapport op minder hoogdravenden toon vervolgde:
+
+—Don Fernando d’Avila,—hernam hij,—is uitgetrokken aan het hoofd van
+vierhonderd soldaten, waarbij zich aansloten vierhonderd inwoners van
+Gibraltar, allen goed gewapend en behoorlijk uitgerust. Die uitgelezen
+troep heeft met den meesten spoed aan den zeekant verschansingen
+opgeworpen en er een hollen weg, die van de landzijde naar de stad
+loopt, onbruikbaar gemaakt, en daarentegen door het bosch een anderen
+aangelegd om dienst te kunnen doen bij een mogelijken terugtocht.
+
+—Bravo! Dat is eene betere manier van rapporteeren, kereltje,—sprak
+Montbars nu weer op welwillenden toon.—En kunt ge mij ook zeggen hoe
+die verschansingen in elkander zitten?
+
+—Ja, Admiraal, dat kost niet veel moeite.
+
+—Vertel dan wat ge er van weet.
+
+—Vooreerst heeft men een gracht gegraven, tien voet diep en vijftien
+breed, en goed gezorgd dat de uitgegraven grond glooiend naar de
+stadszijde werd opgeworpen; daarna heeft men achter die helling, om die
+te stutten, palen in den grond bevestigd, overal met de noodige
+openingen om er de kanonnen te plaatsen.
+
+—En staan die stukken daar reeds?
+
+—Nu, of ze! Zeker vijfentwintig voor het minst.
+
+—Hum!—uitte Montbars, het hoofd schuddende.—Dan zal het voor ons een
+zwaar werk wezen, die verschansing te bemachtigen.
+
+—Kom, kom!—bracht Philippe er tegen in, onbezorgd als altijd.—Het fort
+van het Houtduifeiland is toch ook wel door ons genomen, niet waar?
+
+—Dat is zoo, maar dit was niet zóó goed versterkt. En wat doen de
+Spanjaarden nu, jongen?
+
+—Zij wachten u af, Admiraal, en gelooven vast en zeker dat zij u allen
+zullen doen verdrinken.
+
+—Nu, dat zal te bezien staan.
+
+—Ja,—voegde Philippe lachende er bij,—dat valt nog te eer te
+betwijfelen omdat wij allen vrij goede zwemmers zijn. Hoe denkt gij nu
+te handelen, Admiraal?
+
+—Keer naar boord terug, waarde Philippe, ge zult te dien opzichte
+spoedig mijne orders vernemen.
+
+—Dus vertrekken wij dáár heen?
+
+—Nog heden, vriendlief. Zijt ge nu tevreden?
+
+—Volkomen.
+
+—Dan tot straks, en neem dien kleinen schelm met je mee.
+
+Philippe vertrok, gevolgd door Zijden-Draad.
+
+—En nu,—begon de knaap, terwijl hij den kapitein aankeek,—iets onder
+ons.
+
+—Wat, onder ons?
+
+—Ja,—antwoordde de knaap met een vroolijk gelaat,—ik heb een brief voor
+u.
+
+—Een brief voor mij?—herhaalde de jonge man in vervoering.—Is het
+werkelijk waar?
+
+—Zeker! En tot bewijs, zie maar, hier is die.
+
+Tegelijk stelde hij hem een verzegeld briefje ter hand, dat door
+Philippe gretig aangenomen, en met verrukking gelezen werd.
+
+—Die lieve, beste Juana!—uitte hij half luid, en kuste het briefje
+herhaaldelijk.—Dus hebt ge haar gezien?
+
+—Wie meent u?—vroeg de knaap met een guitig gezicht.
+
+—De dame die dit briefje aan mij geschreven heeft.
+
+—Of ik! Nu, kapitein, dat is er een die veel van u houdt zou ik zeggen.
+Maar dat doet er niet toe, want zij is heel, heel mooi en goed ook. Zij
+heeft mij naar u toe gezonden.
+
+—En heeft zij niets tegen je gezegd?
+
+—Niets gezegd?! Luister eens, kapitein, zij heeft over niets anders
+gesproken dan over u, en als ik u dat alles moest oververtellen, dan
+zou er geen eind aan komen.
+
+—Maar je weet toch waar zij woont, niet waar?
+
+—Dat zal waar zijn. Zij heeft mij zelfs in haar huis opgenomen, ik weet
+dus best, reken daar maar op, den weg daarheen.
+
+—Ge moet nu verder bij mij blijven. Ga mee naar boord, en dan kunt ge
+mij alles over haar vertellen, zult ge?
+
+—Niets liever dan dat, kapitein, vooral ook als ik u daarmee eenig
+genoegen doe.
+
+—Goed, goed! Ge zijt een ferme jongen.
+
+Dien eigen dag werd aan boord van het fregat een kanonschot gelost,
+waardoor al de equipages naar hunne schepen werden teruggeroepen.
+Leeftocht werd ingescheept, de gevangenen aan boord gebracht, en daarna
+ging de vloot onder zeil, slechts één schip vóór Maracaïbo
+achterlatende, om zich te verzetten tegen een terugkeer der Spanjaarden
+en in het bezit te blijven van de stad. Donna Clara en haar getrouwe
+Birbomono scheepten zich in op een brigantijn die onder het gezag stond
+van Tributor. Zij had er op aangedrongen de expeditie mede te maken, en
+haar besluit was door de vrijbuiters met ingenomenheid en oprecht
+gemeende dankbaarheid begroet. De overtocht duurde drie dagen; reeds
+naderde die aan het eind, reeds vertoonden zich aan de blikken der
+vrijbuiters de stad, met de talrijke landhuizen die haar als een gordel
+omsluiten, en nog altijd had Montbars geen enkel woord tegen hen
+gesproken, noch iets medegedeeld van al de inlichtingen die hij van
+Zijden-Draad ontvangen had, terwijl hij ook aan Philippe zeer ernstig
+gelast had, daarvan niets te doen uitlekken, waaraan door dezen stipt
+werd voldaan, daar hij zeer goed begreep van hoe groot gewicht het was
+daarover het stilzwijgen te bewaren, daar eene expeditie die zoo
+gevaarlijk was en met zoo vele bijna onoverkomelijke moeielijkheden zou
+gepaard gaan, zijne kameraden ondanks al hun beproefde dapperheid had
+kunnen afschrikken. En nochtans geschiedde dit, wat trouwens niet
+anders verwacht had kunnen worden.
+
+Bij het zien van al de schikkingen die getroffen waren in het belang
+der verdediging, bij het zien van dat omwoelde en gekapte terrein, van
+al dat onder water gezette land, van die holle wegen, die elkaar in
+alle richtingen kruisten, van die stevige palissaden, van die geduchte
+batterijen, na het aanschouwen van dat alles, maakte zich gedurende
+eenige oogenblikken van de flibustiers een gevoel meester dat hun tot
+nu toe onbekend was gebleven, en werden zij overvallen door zulk een
+panischen angst, dat Montbars voorzag dat alles totaal verloren zou
+zijn, zoo hij dit niet onmiddellijk te keer ging. Een wimpel die op het
+Admiraalsschip geheschen werd, riep zonder verwijl een krijgsraad
+bijeen, samengesteld uit de gezagvoerders van de vloot en de dapperste
+vrijbuiters van de expeditie. Toen allen vereenigd waren in de daarvoor
+bestemde ruimte, stond Montbars op en eer iemand tijd had om de een of
+andere meening te uiten nam hij het woord en sprak met luider
+stem:—Broeders! ik heb je weer bij mij aan boord doen komen, omdat men
+met mannen, zooals gij zijt, recht door zee moet gaan en de dingen bij
+hun waren naam moet noemen. Verre dus van mij om het te willen
+bewimpelen dat het tot dusverre behaalde succes onzer expeditie door
+ontelbare moeielijkheden wordt bedreigd. De Spanjaarden, in tijds
+bekend geworden met den val van Maracaïbo, hebben ruim gelegenheid
+gehad om hier alles zóó in te richten, dat zij ons warm kunnen
+ontvangen: zij zijn naar hier afgetrokken om schitterende weerwraak te
+nemen over de door hen geledene nederlagen. Hunne soldaten zijn talrijk
+in den krijg verhard, hunne aanvoerders ervaren officieren, en allen,
+soldaten zoowel als officieren, hebben gezworen liever te sterven dan
+zich over te geven. Zij zijn in het bezit van kanonnen van zwaar
+kaliber, en in hunne magazijnen ligt een massa krijgsbehoeften. Gij
+bemerkt nu, broeders, dat ik de waarheid niet verbloem, maar je die
+veeleer doe kennen; maar de Broeders der Kust behooren niet tot die
+mannen die zich laten beangstigen of afschrikken door moeielijkheden en
+hindernissen. Als de Spanjaarden bedacht zijn geweest op en nu besloten
+tot zulk een hardnekkigen wederstand, dan is dit hoofdzakelijk omdat al
+hunne schatten te Gibraltar zijn opeengehoopt! Die schatten dus, die
+ongehoorde buit, moeten wij aan hen ontrooven, of die verliezen
+tegelijk met een leven dat verder dan voor ons waardeloos zou zijn. Als
+wij overwinnaars zijn, en ik zeg je wij zullen het wezen, dan is het
+een onberekenbaar fortuin dat door uw moed en uwe dapperheid je ten
+deel zal vallen! En waarom zou het fortuin ons nu op eens den rug
+toedraaien nadat het ons zoo herhaaldelijk heeft begunstigd? Nog altijd
+ben ik immers uw bevelhebber, ik, de man dien men den bijnaam heeft
+gegeven van den Verdelger! Volgt dus mijn voorbeeld! Denkt aan onze
+vroegere dagen, toen waren wij lang zoo machtig niet als nu, maar wij
+dachten er niet aan onze vijanden te tellen dan nadat zij vóór onze
+voeten lagen. Handhaaft dus op nieuw den door u verkregen naam! Het
+gevaar is groot, maar nog grooter na den zege de roem en de buit die
+het loon zullen zijn voor onze pogingen!
+
+Die toespraak, gesproken met vaste stem en levendige gebaren, door den
+man in wien zij het grootste vertrouwen stelden, had op de vrijbuiters
+eene buitengewone uitwerking; zij werden door die woorden als op nieuw
+bezield door de oude hartstochten waardoor zoo vele ongehoorde feiten
+wisten tot stand te brengen; eene huivering van woede voer over allen
+heen, het verlangen naar den strijd, het uitzicht op dien ontzaglijken
+buit, deed hunne oogen bliksemen, en Montbars hield zich overtuigd dat
+hij zijne zaak gewonnen, en nog niets verloren had van zijn overmacht
+op den geest zijner metgezellen. Hij wilde nu het ijzer smeden terwijl
+het heet was, begrijpende dat het er op aan kwam het geschikte
+oogenblik niet ongebruikt voorbij te laten gaan en besloot dus
+onmiddellijk naar de wapens te doen grijpen.
+
+—Voorwaarts, broeders!—donderde hij hun toe.—Zoo ik, u aanvoerende,
+val, wreekt dan mijn bloed, door dat der Spanjaarden! Maar weet, dat
+zoo iemand uwer aarzelt of wijkt, ik dan dien lafaard niet waardig
+onder ons te leven, met mijn bijl zal neerhouwen! Te wapen dus,
+broeders, te wapen!
+
+—Te wapen! Te wapen!—werd door alle vrijbuiters herhaald, hunne wapens
+boven het hoofd zwaaiende. Die kreten weerklonken over de gansche
+vloot, en voerden de aandrift en de opgewondenheid der vrijbuiters ten
+toppunt.
+
+Bij het aanbreken van den dag werden vijfhonderd manschappen zonder
+meerdere wapens dan een korten sabel, twee pistolen en dertig patronen
+aan wal gezet. Zij allen waren kernachtige kerels met zorg gekozen uit
+de gansche bemanning der vloot. Voet aan wal zettend, omhelsden zij
+elkaar als lieden die er niet op rekenden elkander weer te zien, en na
+dien plicht vervuld te hebben begonnen zij met vasten tred hun marsch.
+Tot gids diende hun een Spanjaard, een arme stakkerd, door hen te
+Maracaïbo gevangen gemaakt, die op hoop van een rijke belooning, zich
+bij de vrijbuiters had aangesloten; doch ongelukkig genoeg wist die man
+genoegzaam niets van de maatregelen door den Gouverneur genomen,
+terwijl ook de inlichtingen door Zijden-Draad gegeven, verre van
+afdoende konden genoemd worden; spoedig zou Montbars daarvan de bittere
+ondervinding opdoen.
+
+De gids geleidde de vrijbuiters naar den ingang van den hollen weg,
+doch dáár gekomen bleek het hun dadelijk dat het ondoenlijk was dien in
+te slaan, want die weg was van afstand tot afstand doorsneden door
+breede sloten voorzien van scherp gepunte staken. Men werd dus
+genoodzaakt terug te trekken en een omweg te maken in de richting van
+het woud, maar toen deden zich andere hindernissen op, door de natuur
+geschapen. Toch gelukte het hun om tot op een pistoolschot afstand een
+Spaansche verschansing te naderen, doch plotseling week de grond onder
+hunne voeten en zonken zij tot aan de knieën in een stinkenden
+modderachtigen poel, en op hetzelfde oogenblik werden zij overstelpt
+door een hagelbui van schroot uit zes kanonnen op hen afgeschoten. Doch
+ook dit was niet in staat hen tegen te houden en zij bleven voortrukken
+met zulk eene volharding, dat die zelfs de onverschrokkenste soldaten
+vrees moest inboezemen.
+
+—Trekt over ons heen, wij zijn overwinnaars!—schreeuwden de vrijbuiters
+die verminkt of bloedende in dien modderpoel waren
+gevallen.—Voorwaarts, broeders, voorwaarts!
+
+Ten laatste slaagden de vrijbuiters er in, om het moeras te boven te
+komen, waarin het een oogenblik scheen dat allen zouden verzinken.
+Thans hadden zij een vaster terrein bereikt, en daardoor vermeerderde
+hun moed; reeds geloofden zij de grootste moeielijkheden achter den rug
+te hebben, toen op eens uit het dichtste van het struikgewas dat hen
+omringde opnieuw eene geduchte losbranding op hen werd afgevuurd,
+terwijl tegelijkertijd eene batterij van vijfentwintig stukken haar
+schoten op hun flank uitbraakte.
+
+Zelfs de dappersten werden in wanorde gebracht, de anderen begonnen te
+aarzelen, en durfden niet verder te gaan, en van de voor- tot aan de
+achterhoede heerschte algemeene ontzetting. Het vuur van de batterij
+hield met verdubbelde kracht aan, de dood waarde tusschen de gelederen
+der vrijbuiters, die met tientallen tegelijk vielen; alles en allen
+kwamen in verwarring, en de aanvallers weken in wanorde terug naar het
+moeras. Zoo er geen hulp opdaagde, hulp zonder eenig verwijl, dan was
+alles verloren, en bleef de zege aan de Spanjaarden. Maar Montbars is
+er bij, Montbars heeft alles gezien. Gevolgd door Philippe, Michel de
+Baskiër, Luiwammes, de Mooie Laurent, Pierre Legrand, Pitrians, de
+Olonner en een veertigtal anderen, die allen besloten hadden te
+overwinnen of te sterven, was het hem, als door een wonder, gelukt,
+ongedeerd dwars door het terrein dat door het vuur der batterij
+bestreken werd, heen te komen. Eer men tijd had om den op den hoek
+geplaatste stukken op hen te richten, wierp hij zich op den grond langs
+den kant en bereikte toen de helling van de verschansing. Doch hoe deze
+te bestormen zonder ladder? Zal hij zijne stoutmoedigheid met zijn
+leven moeten betalen? Philippe fluistert hem iets toe, Montbars
+glimlacht. Plotseling wijkt het gros der vrijbuiters, en nemen zij de
+vlucht onder het uiten van angstige kreten.
+
+De Spanjaarden meenende dat zij nog slechts te doen hadden met het
+rampzalige overschot van een afgezonderd en ontmoedigd troepje, en
+alleen gehoor gevende aan hunne verblinde woede, stormden uit hun
+verschansing en vielen met het zwaard in de vuist op de gehaatte
+vijanden aan. Nu echter veranderde het tooneel. Juist op dien uitval
+had Montbars gehoopt, en de vrijbuiters keerden nu even plotseling om
+als zij op de vlucht schenen gegaan te zijn, waarna een afgrijselijk
+gevecht ontstond. Ook de Spanjaarden vochten en waren dapper maar niet
+zoo krachtig als hunne tegenstanders, dus ook niet bestand tegen een
+strijd van man tegen man waar geen andere wapens dienstig zijn dan de
+sabel en de dolk; zij wilden dus ten spoedigste zich terugtrekken
+achter hunne verschansingen, te meer daar hun artillerie niet kon vuren
+op de verwarde menigte, daar dan zoowel vriend als vijand zou gedood
+worden. Kwartier werd niet gegeven, aan genade werd niet gedacht, het
+bloed stroomde, en het werd meer een bloedbad dan een gevecht.
+
+Francoeur werd gewaar dat het vuur uit de verschansing had opgehouden;
+hij verzamelde een groot gedeelte van de Broeders der Kust en voerde
+hen aan tot hulp voor Montbars. Van dat oogenblik verklaarde de zege
+zich bepaald ten gunste der vrijbuiters, die over een hoop lijken
+binnen de verschansing drongen. Zeshonderd soldaten of inwoners van
+Gibraltar verloren in dit gevecht het leven, het overschot gaf zich op
+genade of ongenade over en werd zonder mededoogen door de overwinnaars
+gedood. [13]
+
+Beschermd door een ongelooflijk geluk, had Montbars zelf niet de
+geringste schram ontvangen, doch meer dan zestig vrijbuiters waren
+gevallen als offers van deze overwinning, en meer dan het dubbele van
+dit aantal zoo vreeselijk gewond, dat er geen hoop bestond hen in het
+leven te behouden.
+
+Gibraltar werd dus genoodzaakt zich over te geven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XXIII.
+
+MONACO.
+
+
+Na zijne aankomst te Gibraltar, had don Fernando d’Avila een
+allerliefst landhuis gehuurd, op eenige geweerschoten afstand van die
+stad, maar zoo geheel in het dichtste der bosschen verborgen, dat men
+zeer precies met de ligging bekend moest zijn om den weg daar heen te
+vinden. Levensbehoefte en provisie van allerlei aard waren er naar toe
+gevoerd, en voor weelderige meubileering gezorgd, want zijne bedoeling
+was, zoo er een aanval der flibustiers mocht plaats grijpen, dat huis
+te doen dienen als een wijkplaats voor zijne pupil. Zoodra dan ook de
+vloot der vrijbuiters in het gezicht kwam, haastte de Gouverneur zich
+om, vergezeld van eenige vertrouwde bedienden, donna Juana en hare
+voedster naar die woning te brengen, waar zij voorloopig in veiligheid
+zouden zijn. Daarna keerde hij terug om zijn post bij het te verwachten
+gevecht te betrekken, een post door hem zelf gekozen, en natuurlijk
+dáár waar het grootste gevaar bestond, echter niet dan na aan zijne
+vertrouwste bedienden nadrukkelijk last te hebben gegeven, steeds
+paarden gezadeld gereed te houden, om, in geval van nederlaag, met de
+beide vrouwen naar Merida te kunnen vluchten, waarheen hij zelf hen
+wilde geleiden, zoo hij zoo gelukkig mocht zijn ongedeerd aan den
+strijd te ontkomen.
+
+De beide dames bleven dus alleen achter ten prooi aan hevige
+ongerustheid, eene ongerustheid die nog vermeerderde bij het hooren van
+het onheilspellend gedonder van het geschut en het kort afgebroken
+geknetter van de geweerschoten, wat zij duidelijk konden onderscheiden.
+Donna Juana luisterde naar het rumoer van dien strijd, met vrees en
+toch ook met hoop doch durfde geen wenschen te uiten noch voor de eene,
+noch voor de andere partij; want bij de eene stond haar voogd, bij de
+andere de man dien zij liefhad. Het werd haar ondoenlijk stil te
+blijven zitten, gestadig liep zij uit het eene vertrek naar het andere,
+ging naar den tuin, dwaalde over het voorplein, in één woord deed alle
+pogingen om hare ongerustheid te bedwingen. Eindelijk ten einde raad,
+kon zij niet langer wederstand bieden aan de ontroering die dreigde
+haar geheel te overmeesteren, en besloot zij, zonder de gevolgen te
+bedenken, of beter gezegd juist die gevolgen berekenende met die
+slimheid der liefde waardoor alles gerechtvaardigd en alles vergoelijkt
+wordt, om op den top van het huis de vlag te hijschen, die Philippe
+haar als een sein had achtergelaten.
+
+—Als de Spanjaarden overwinnen,—overwoog zij bij zich zelve,—kan dit
+volstrekt geen kwaad, want ik zal licht iets kunnen verzinnen,
+voldoende voor mijn voogd, om die handeling als onbeduidend te
+rechtvaardigen, en als de flibustiers in triomf hier heen komen en die
+vlag zien, dan zal die mij juist beschermen, daar het de vlag is van
+een hunner voornaamste aanvoerders.
+
+Gerustgesteld door die redeneering, nam donna Juana de vlag, die zij
+verborgen in een harer groote koffers, altijd met zich meê voerde, en
+tevens een lans, die zij met verscheidene anderen tegen den muur zag
+staan, en klom naar het bovenste gedeelte van het huis.
+
+In de Spaansche koloniën zijn de daken der huizen meest altijd gebouwd
+als te Venetië, en dit uit hoofde van het heerlijke klimaat; ’s avonds
+dienen zij dan ook gewoonlijk tot plaats van ontspanning. In
+verscheidene Amerikaansche steden maakt men die daken tot een soort van
+hangende tuinen, door ze met bloemen en heesters te versieren.
+
+Dat van het huis waar donna Juana vertoefde was op die wijze ingericht;
+men vond daar zelfs een prieeltje van oranje- en citroenboomen, een
+plekje dat door het jonge meisje dikwerf bezet werd, om dáár ongestoord
+aan hare zoete droomerijen te kunnen bot vieren, waarbij zij echter
+steeds het oog gevestigd hield op de zee, die men van deze verhevenheid
+duidelijk gewaar kon worden.
+
+Toen donna Juana op het terras gekomen was, kon zij zonder eenige
+inspanning het verwarde rumoer hooren van het hevige gevecht dat in het
+dichtste van het bosch kort in hare nabijheid plaats greep. Bovendien
+was die plek zeer gemakkelijk te onderkennen door een dikke wolk van
+rook, die boven de boomen uitsteeg.
+
+—O, God!—smeekte zij, vouwde vroom de handen en viel op de
+knieën.—Goede God! Red don Fernando! Genadige God! Behoud mijn
+dierbaren Philippe!
+
+Op dit oogenblik drong een nog veel heviger rumoer tot haar door; het
+jonge meisje stond op, maakte het teeken des kruises, en ging vast
+besloten naar het prieeltje, waar zij op het hoogste plekje met haar
+sjerp de lans vastbond die dienen moest tot vlaggestok. Vreesachtig
+keek zij om zich heen om te zien of zij door iemand was bemerkt, en
+snelde toen vlug de trap af naar beneden waar zij zich in haar kamer
+terugtrok. Het gevecht werd van lieverlede niet zoo merkbaar meer
+vernomen en eindelijk werd het geheel en al stil. Zóó verliep uur op
+uur in doodelijke stilte, en in dien tijd verkeerden donna Juana en
+hare voedster, volslagen onbekend met alles wat kon hebben plaats
+gehad, in onuitstaanbaren angst. De zon daalde naar den horizont, het
+licht maakte plaats voor de duisternis, en eindelijk werd het nacht
+zonder dat donna Juana er aan dacht te gaan slapen. De ongerustheid van
+het jonge meisje werd hoe langer hoe grooter, te meer daar zij
+letterlijk niets wist van de gebeurtenissen van den afgeloopen dag.
+Toch had don Fernando bij het afscheid haar vast beloofd dat hij,
+ingeval hij zelf niet kon komen, iemand zou zenden om haar te berichten
+hoe de aanval der vrijbuiters was afgeloopen. Vierentwintig uren waren
+nu reeds sinds dat tijdstip verstreken, en nog was geen sterveling
+opgedaagd.
+
+Het werd ochtend en tegen acht uur steeg de angst van donna Juana
+dermate, dat zij zich niet langer kon bedwingen, zoodat zij besloot,
+het kostte wat het wilde, berichten te gaan inwinnen. Zij luisterde
+niet langer naar de smeekingen harer duenna, zij sloeg geen acht op al
+de door de bedienden geopperde bezwaren, die haar met tranen in de
+oogen bezwoeren nog wat te wachten. Vastberaden kleedde zij zich in
+mansgewaad, stak een dolk en een paar pistolen in haar gordel en
+gelastte dat men een paard zou zadelen. Er stonden verscheidene paarden
+gezadeld en getuigd, gereed; maar donna Juana wist dit niet, want de
+order daarvoor was door don Fernando in hare afwezendheid gegeven; om
+tijd te winnen zorgden de bedienden er wel voor die bijzonderheid aan
+donna Juana mede te deelen, en tot nog langer verwijl gingen zij naar
+den corral om dáár een paard te halen. Daardoor verliepen nog ettelijke
+minuten, en in dien tusschentijd liep donna Juana haastig over het
+plein, luisterende naar het minste gerucht, en steeds met stijgenden
+angst.
+
+Plotseling vernam zij een vrij hevig geraas in de struiken en een
+twaalftal mannen drongen er door heen, onder welke zij don Fernando
+d’Avila gewaar werd. Het jonge meisje ijlde naar de poort, en haastte
+zich die open te maken. De vluchtelingen, want dat zij niet anders
+waren toonden hunne gehavende en met bloed bevlekte kleederen en hunne
+bleeke gezichten, drongen overhaast naar het plein waarvan de poort
+onmiddellijk achter hen werd gesloten. Don Fernando d’Avila was gewond;
+hij liep moeielijk, leunende op zijn degen en ondersteund door een
+zijner onderhoorigen; zoodra hij donna Juana in het oog kreeg, uitte
+hij een kreet van vreugd.
+
+—Heer, mijn God, zij gedankt! Ik kom nog in tijds. Paarden, in ’s
+hemels naam, paarden! Dadelijk, dadelijk paarden!!
+
+Maar na die woorden zonk hij ineen, en viel zonder bewustzijn ter
+aarde; zijne krachten waren eerder bezweken dan zijn moed. Donna Juana
+snelde hem te hulp. Don Fernando bloedde hevig uit twee vervaarlijke
+wonden; er viel dus op dit oogenblik niet aan vluchten te denken.
+
+Het jonge meisje gelastte dat men haar voogd in huis moest dragen, en
+hield zich terstond onledig met al de verzorging die zijn toestand
+vereischte, terwijl zij de verpleging der overige gekwetsten aan na
+Cigala overliet. Die arme lieden waren er niet veel beter aan toe dan
+hun bevelhebber; allen waren in meerderen of minderen graad gewond, en
+overal waar zij gestaan hadden, was op den grond een bloedig spoor
+zichtbaar. Het mocht een wonder genoemd worden dat zij het huis nog
+hadden kunnen bereiken, zoozeer waren allen uitgeput en verzwakt.
+
+Thans behoefde men zich niet meer in pijnigende onzekerheid te achten,
+thans was iedere twijfel opgeheven; men behoefde slechts één blik te
+werpen op het rampzalige voorkomen van die lieden, die blik was even
+voldoende als het uitgebreidste rapport. De zege der flibustiers stond
+met duidelijke letters op hunne door angst en vrees verwrongene
+gelaatstrekken en in hunne schuw dwalende en verbijsterde oogen te
+lezen. Door de goede zorgen van donna Cigala, vonden zij een rustplaats
+op bossen stroo in een schuur, en werden zij dáár verzorgd en hunne
+wonden verbonden. De flauwte van don Fernando was alleen veroorzaakt
+door bloedverlies en overmaat van vermoeidheid bij eene overhaaste
+vlucht door genoegzaam ondoordringbare bosschen, doch spoedig kwam hij
+weder bij. Hij bedankte donna Juana en wilde toen opstaan doch het
+jonge meisje hield hem terug en zei op meewarigen toon:—Daarvoor zijt
+gij nog veel te zwak. Gij moet eerst eenige uren uitrusten.
+
+—Uren! Geen enkele seconde!—viel hij heftig uit.—Men vervolgt ons, dit
+weet ik zeker, wij moeten vluchten, ijlings vluchten. Als ik te zwak
+ben om te paard te stijgen, moet men er mij maar op binden, maar ik
+herhaal het u, kindlief, wij moeten dadelijk vluchten, ieder minuut die
+ge verliest is een minuut minder van uwe vrijheid.
+
+—Goed, daar gij het eischt zal ik gehoorzamen.
+
+—Ja, ja, doe zoo! Waar zijn de anderen?
+
+—Zij liggen op stroo in een schuur.
+
+—Goed, uwe bedienden moeten zich wapenen. Haast je! Haast je!
+
+Op eens stond hij op van de rustbank waar hij lag, scheen een oogenblik
+scherp te luisteren en riep toen met eene onbeschrijfelijke uitdrukking
+van wanhoop:—O! Mijn God! Het is te laat, te laat! Daar zijn zij! Sluit
+de poorten! Barrikadeer alles of gij zijt verloren!
+
+En ondanks al de pogingen van donna Juana om hem tegen te houden, wilde
+hij naar buiten om de bedienden te wapen te roepen. Van onder de
+struiken werd een kort afgebroken geblaf gehoord, dat snel het huis
+naderde. Kort daarna werd men een grooten hond gewaar, die met
+opstaande haren, de tong uit den bek, en den neus langs den grond, kwam
+aanhollen alsof hij een spoor volgde, daarop werd herhaaldelijk de stem
+van een man vernomen die, nog onzichtbaar, in het Fransch het dier
+toeriep:—Zoek, Monaco, zoek, brave hond.
+
+Bij de poort gekomen, bleef het dier staan, om bijna nog verwoeder te
+blaffen.
+
+—Vervloekt beest!—brulde don Fernando woedend.—Door dat dier is ons
+spoor ontdekt, en vallen wij onzen vijanden in handen.
+
+Hij trok een pistool uit zijn gordel, en loste het op den hond, maar
+het schot was niet goed gemikt en de hond bleef ongedeerd.
+
+—O! Wat hebt ge nu gedaan!—kermde donna Juana.—Dát is onze ondergang.
+
+Don Fernando liet in wanhoop het hoofd op de borst zinken.
+
+—Blijf daar, Monaco,—zoo liet die stem zich weer hooren.—Koest, beste
+hond, koest, wij komen!
+
+Een aanval op het huis scheen nu onvermijdelijk. De Spanjaarden waren
+vast besloten zich tot het uiterste te verdedigen, en de gedachte zich
+over te geven kwam zelfs niet bij hen op, want zij wisten te goed wat
+zij van hunne woeste tegenstanders te wachten hadden.
+
+Even als te Maracaïbo was het Philippe’s eerste zorg geweest na zijne
+komst te Gibraltar om, geleid door Zijden-Draad die hem tot gids moest
+dienen, te hollen naar de woning van donna Juana. Maar weer wachtte hem
+dezelfde teleurstelling. Het huis was verlaten. Tevergeefs vloog de
+jonge man van de eene kamer naar de andere; overal en telkens bleek hem
+duidelijk dat er een overhaast vertrek had plaats gegrepen, en de jonge
+dame was ook hier nergens te vinden. Philippe raapte een zakdoek op die
+op een der meubels lag en zeker vergeten was, een zakdoek nog vochtig
+van de tranen die donna Juana zeker bij haar vertrek gestort had.
+Philippe drukte er herhaaldelijk een kus op, en ging wanhopig heen,
+niet wetende waarheen hij nu zijne schreden zou richten.
+
+—Wel weet ik,—zei Zijden-Draad tegen hem,—dat don Fernando hier in den
+omtrek een landhuis heeft, maar wáár, dat zou ik niet kunnen zeggen,
+want ik ben er nooit geweest.
+
+—Wat te doen?—mompelde Philippe en drukte den zakdoek tegen zijne
+lippen, alsof het fijne weefsel in staat ware voor hem het raadsel op
+te lossen van het tegenwoordige verblijf zijner beminde.
+
+—Wacht eens,—riep op eens Zijden-Draad.—Daar valt mij iets in! Nog is
+alles niet verloren!
+
+—Wat wil je daarmee zeggen?—vroeg Philippe haastig.
+
+—Laat mij maar begaan. Misschien krijgt gij straks weer eenige hoop.
+
+De jongen had Tributor in het oog gekregen, die, gevolgd door zijn hond
+Monaco, jacht maakte op de Spanjaarden.
+
+—Hei! Tributor!—schreeuwde de jongen.
+
+De pandeling keek om en vroeg:—Wat wil je van mij?
+
+—Ik? Niets,—gaf de jongen ten antwoord,—maar kapitein d’Ogeron heeft je
+iets te zeggen.
+
+—Hier ben ik,—hernam de pandeling.—Hier, Monaco!
+
+De reus liep dadelijk naar Philippe aan wien hij zeer was gehecht,
+sinds de kapitein hem een grooten dienst had bewezen.—Wat verlangt gij,
+kapitein?
+
+—Ik?—werd met verwondering gevraagd.
+
+—De kapitein,—haastte Zijden-Draad zich in plaats van Philippe te
+antwoorden,—zou wel eens willen weten of Monaco zulk een goede
+speurhond is als door jou wordt beweerd.
+
+—Wel drommels! ’t Kost weinig moeite om dat te bewijzen,—verzekerde de
+reus, die met welgevallen zijn hond streelde.—Neem er de proef maar van
+op menschen of op dieren. Breng hem op het spoor en hij zal het volgen.
+
+—Dat zullen we dan eens zien, ouwe jongen. Kom met ons mee, als de hond
+het spoor volgt, waarop wij hem zullen brengen, en dit tot het eind
+volhoudt, dan kan je er duizend francs mee verdienen. Staat je dit aan?
+
+—Of het! Want ’t is net zoo goed alsof ik die duizend francs reeds in
+mijn zak heb.
+
+—Ba! Wat een gebluf op zoo’n hond!
+
+—Monaco is een zeer goed dier,—antwoordde de reus eenigszins
+geraakt,—en bluffen is mijn gewoonte niet.
+
+—Nu, ook al goed, kom maar mee.—Daarop wendde de jongen zich tot
+Philippe, en vervolgde:—Die hond zal ons terug doen vinden wat wij
+verloren hebben.
+
+—O!—uitte de kapitein.—Als zoo iets mogelijk was!
+
+—Wat belet ons het te beproeven?
+
+—Jij hebt gelijk,—luidde het gejaagde antwoord.—Dit moeten wij doen.
+
+—Volg mij!—hernam de jongen.
+
+Zij sloegen de richting in naar het vrije veld; maar na eene opmerking
+van Zijden-Draad, dat men waarschijnlijk genoodzaakt zou wezen zich een
+heel eind van de stad te verwijderen, dacht Philippe dat het niet kwaad
+zou zijn zich door eenige vrijbuiters te doen vergezellen en klampte
+onder weg achtereenvolgens een dertigtal aan, die dadelijk bereid waren
+hem te volgen. Buiten de stad werd stil gehouden en door den reus
+gevraagd:
+
+—Welken kant moeten wij op?
+
+—Dat moet jouw hond weten,—antwoordde de jongen,—hij is nu onze gids.
+
+—Hier,—zei Philippe tegen den reus.—Hier heb je een doek, laat je hond
+dien beruiken.
+
+—Doe nu je best, oude jongen,—voegde Zijden-Draad er bij,—want denk er
+aan, duizend francs zijn er mee gemoeid.
+
+—Hou jij je er maar buiten,—hernam de reus bits,—ik heb immers al
+gezegd dat het net zoo goed is alsof ik die in mijn zak heb.
+
+Toen nam hij den hond bij den nek, hield hem den doek voor en streelde
+hem.
+
+—Zoeken, Monaco, zoeken! Pak aan, beste hond, pak aan!
+
+Monaco snoof herhaaldelijk langs den zakdoek, begroef er zijne snoet in
+en wentelde de doek eenigen tijd in alle richtingen om; toen stak hij
+zijn kop in de hoogte, en keek zijn meester aan met oogen die naar men
+zou gewaand hebben, getuigden van menschelijk begrip. Tributor liet het
+dier los. De hond liep dadelijk met den neus op den grond in een cirkel
+rond en deed dit eenige keeren, doch telkens werd de cirkel kleiner. Op
+eens bleef hij stilstaan, stak den kop in de hoogte, scheen de lucht op
+te snuiven, blafte een paar malen kort afgebroken, keek toen zijn
+meester aan, en liep recht voor zich uit met de snelheid van een pijl.
+
+—Het spoor is gevonden,—verzekerde Tributor.
+
+—Dan op weg! Op weg!—riep Philippe.
+
+De vrijbuiters snelden den hond achterna. Het was kort bij zeven uur ’s
+avonds toen de jongen Tributor in het oog had gekregen en op de
+gedachte gekomen was of Monaco ook van dienst zou kunnen wezen; nu
+stond de zon dus reeds gereed onder te gaan. Ondanks dit late uur
+aarzelden de flibustiers geen oogenblik verder te gaan. ’s Ochtends
+tegen twee uur begon de hond, die men aan een lange lijn vasthield,
+daar men vreesde hem in de duisternis uit het oog te verliezen,
+teekenen van onrust te geven, en telkens kwam hij weer terugloopen.
+
+—Hier schijnt het spoor zich te kruisen,—merkte Tributor op.—Het beste
+zou zijn dat wij hier bleven tot het dag wordt.
+
+Niemand had daar iets tegen; zulk een dwaaltocht, uren achtereen, over
+bijna onbegaanbare wegen, had, zooal niet den moed, dan toch de
+krachten zelfs van den sterkste te zeer aangetast, en ook Philippe
+ondervond dit daar hij halfdood van moeheid was. Men bleef dus waar men
+was, en ieder zocht een geschikt plekje om zoo goed als kwaad het ging,
+er den nacht door te brengen. Niet lang daarna waren allen in een
+gerusten slaap gedompeld. Bij het krieken van den dag werden zij
+wakker. Die enkele uren van gezonden slaap waren genoegzaam voor hen om
+zich verfrischt en weer flink te gevoelen. De hond werd nu opnieuw
+losgelaten, nadat men het dier nogmaals den zakdoek had laten
+besnuffelen. Een paar minuten later had Monaco het spoor teruggevonden
+en rende even hard voort als den vorigen avond, gevolgd door al de
+vrijbuiters, met Tributor aan hun spits, die telkens schreeuwde:
+
+—Pak ze, Monaco, pakken als een brave hond!
+
+Die tweede tocht duurde lang; eerst tegen acht uur hoorden zij den
+hond, dien zij reeds eenige minuten uit het oog hadden verloren,
+verwoed blaffen.
+
+—Ginds is iets aan de hand,—verzekerde Tributor.—Monaco staat.
+
+—Dan dadelijk er op los!—gelastte Philippe hijgend.
+
+Tributor hitste den hond opnieuw aan, en toen viel plotseling een
+schot.
+
+—Carambo!—vloekte de reus, die een sprong deed als een tijger.—Daar
+vermoordt men mijn hond. Koest, Monaco, koest, wij komen, wij komen!
+
+Steeds bleef de hond even verwoest blaffen, en op eens bevonden de
+vrijbuiters zich buiten het bosch vóór een huis, en vlak bij de poort
+waar Monaco nog altijd stond.
+
+—Nu geloof ik toch dat wij aan het eind van het spoor gekomen zijn,
+he?—vroeg Tributor met voldoening.
+
+—Wel drommels,—viel Zijden-Draad uit.—Zoo’n tweede hond is er niet! En
+wat heb ik dat netjes verzonnen!
+
+—Blijft allen staan!—gelastte Philippe.
+
+Hij trad vooruit, nam het huis nader op, en spoedig teekende zijn
+gelaat hoe gelukkig hij zich gevoelde, daar hem de vlag in het oog was
+gevallen die boven uit het prieeltje wapperde.
+
+—Eindelijk! Eindelijk!—riep hij uit.—Goddank, ik heb haar
+teruggevonden!
+
+Zonder een oogenblik te bedenken welk eene onvoorzichtigheid hij
+beging, liep hij regelrecht naar het huis, waaruit hem barsch werd
+toegeroepen:—Wie daar?
+
+—Goed vriend,—luidde onmiddellijk het antwoord.
+
+—Ik heb geen vriend onder de ladrones. Terug of ik schiet!
+
+De vrijbuiters voorzagen dat het tot een gevecht zou komen, en hielden
+hunne wapens gereed. Maar wat niemand verwacht had, gebeurde; na die
+ruwe toespraak bleef het een vrij lange poos zeer stil en daarna werden
+plotseling de luiken van het tralievenster weg geschoven, en verschenen
+twee personen; een daarvan was don Fernando d’Avila, de tweede donna
+Juana, nog altijd in manskleederen. Philippe was op het punt naar de
+jonge dame toe te ijlen, doch een wenk van haar hield hem terug.
+
+—Wat verlangt gij?—vroeg don Fernando op somberen toon.
+
+—Dat dit huis door u wordt overgegeven, waar gij u toch niet kunt
+staande houden!—gaf Philippe ten antwoord.
+
+—Ons aan u overgeven!—hernam de Gouverneur schamper en bits.—Dan is het
+beter te sneven met de wapens in de hand.
+
+—Uw leven en dat van allen die er zich in bevinden zal gespaard
+blijven, en uw goederen onaangeroerd.
+
+—Ja, gespaard zooals dat van de inwoners van Maracaïbo en Gibraltar, en
+zoo zou het ook met onze goederen gaan. Welken waarborg geeft gij mij
+voor de nakoming van die belofte?
+
+—Mijn woord van eer, caballero, het woord van ridder Philippe d’Ogeron.
+
+Een oogenblik heerschte er stilzwijgen. Don Fernando deed, hoezeer met
+groote moeite en leunend op zijn degen een schrede voorwaarts en
+zei:—Luister naar mij.
+
+De jonge man naderde.
+
+—Ik ben,—hernam de Gouverneur steeds even somber,—de voogd van deze
+jonge dame; zij heeft mij zoo even bekend dat zij u liefheeft; hoe en
+waar die liefde ontstaan is, kan ik nu op dit oogenblik niet nader
+onderzoeken; zij zegt dat gij een man van eer, en een echt edelman
+zijt. Wilt gij er een eed op doen dat zij door u gerespecteerd en
+beschermd zal worden?
+
+—Dat zweer ik!
+
+—Ik aanvaard dien eed, ik vertrouw op uw woord! Tegenover stervenden
+liegt men niet, en ik ga sterven.
+
+—Mijnheer!—kreet de jonge dame.
+
+—Stil, stil, donna Juana, wij hebben geen tijd te verliezen, laat mij
+uitspreken. Die jonge dame hier is mij, toen zij nog een zeer klein
+kind was, toevertrouwd door den hertog de Penaflor; in deze
+portefeuille zult gij de stukken vinden die de waarheid bewijzen van
+wat ik u daar gezegd heb. Neem die portefeuille aan.
+
+Bij die woorden haalde hij een portefeuille uit zijn zak en stelde die
+aan Philippe ter hand.—Gij zweert dus dat gij uw woord trouw zult
+blijven?—hernam de oude man op plechtigen toon.
+
+—Dat zweer ik niet alleen wat betreft donna Juana, maar ook ten
+opzichte van uwe metgezellen en in de eerste plaats van u zelven.
+
+—O! Wat mij betreft dat is onnoodig, ik zal wel voor mij zelven weten
+te zorgen,—verzekerde hij met droeven glimlach.—Ik roep God tot getuige
+dat ik gedurende mijn gansche leven getrouw mijne plichten als Christen
+en als soldaat ben nagekomen. Ik ga dus den dood tegemoet zonder mij
+iets te verwijten te hebben. Donna Juana, maak de poort open.—Haastig
+werd door haar daaraan voldaan.—Komt allen hier,—riep don Fernando met
+luider stem tot zijne manschappen.—Werpt uwe wapenen weg, gij allen
+zijt gevangenen.
+
+—Neen,—sprak Philippe dadelijk daarop tot de soldaten die zich achter
+hun bevelhebber geschaard hadden.—Behoudt uwe wapenen, dappere kerels,
+gij zijt allen vrij.
+
+—Gaat, gaat, kinderen!—uitte de Gouverneur, en groette hen met de
+hand.—Maakt u het zoo goedgunstig verleende verlof ten nutte om je zoo
+spoedig doenlijk in veiligheid te stellen,—en toen hij bemerkte dat zij
+aarzelden, zeker uit gehechtheid aan hun meester, werd er door hem
+bijgevoegd op een toon die geen weerspraak gedoogde:—Gaat, ik wil en
+gelast het.
+
+Toen snelden de arme duivels naar het heestergewas, waar zij spoedig
+tusschen de struiken verdwenen, zonder dat een der vrijbuiters zich
+verwaardigd had het hoofd om te draaien en hen na te kijken.
+
+—Mijnheer,—hernam de Gouverneur,—ik betuig u mijn dank voor uwe
+loyaliteit. Donna Juana, leef gelukkig, blijf altijd aan mij denken, ik
+heb je als een vader liefgehad.
+
+—O! Neen!—snikte het meisje dat zich in zijne armen wierp.—Zóó zullen
+wij niet scheiden.
+
+Hij lachte droevig, en mompelde terwijl hij haar omhelsde:
+
+—Eer dan ge denkt, arm kind! Mijn zegen schenk ik je!
+
+Hij schoof haar van zich af en wendde zich tot Philippe die
+onbeweeglijk voor hem stond en hem oplettend gadesloeg.
+
+—Een oud krijgsman zooals ik, vraagt geen kwartier, en geeft zijn degen
+aan niemand over, zelfs niet aan zulk een dapper edelman als gij.
+Vaarwel, alles wat ik heb liefgehad! Leve Spanje!...
+
+En eer men kon vermoeden wat zijn voornemen was, trok hij een pistool
+uit zijn gordel en schoot zich door het hoofd. Donna Juana slaakte een
+kreet van wanhoop en snelde naar hem toe, doch viel bewusteloos in de
+armen van Philippe.
+
+—Kameraden, bewaart het stilzwijgen over alles wat hier is
+voorgevallen,—verzocht hij aan de vrijbuiters.
+
+—Dat zweren wij!—verklaarden zij, daar allen zich getroffen gevoelden
+door deze zoo tragische als onvoorziene gebeurtenis.
+
+—Waarachtig!—uitte Tributor.—Het is jammer dat hij zich gedood heeft,
+want zoo waar ik leef, hij was een dapper soldaat. Koest, Monaco,
+koest, brave hond.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XXIV.
+
+TEN EINDE RAAD.
+
+
+Sedert de verovering van Gibraltar was een maand verloopen; de
+vrijbuiters waren teruggekeerd naar Maracaïbo, en die terugtocht geleek
+meer op eene vlucht dan op een zegetocht. Zoo was het ook; de
+flibustiers hadden werkelijk de vlucht genomen, niet voor menschen maar
+voor een veel geduchteren en onverbiddelijken vijand, de zwarte pest!
+
+Met een paar woorden moeten wij ophelderen waardoor die ontstaan, en
+hoe het dus noodzakelijk was geworden voor de vrijbuiters om met den
+meesten spoed terug te trekken.
+
+De Spaansche gevangenen waren in een verwarden troep opeengehoopt in de
+kerken; vrouwen, kinderen, grijsaards, zelfs de slaven, allen bevonden
+zich daar door elkander. Waren zij eenmaal achter slot en grendel, dan
+bemoeide men zich verder niet met hen, en dus stierven zij van honger
+en gebrek, zonder dat hunne erbarmelijke klachten de vrijbuiters één
+oogenblik weerhielden bij de plundering die, naar hunne gewoonte,
+stelselmatig en geregeld geschiedde en uitgevoerd werd met eene
+onbaatzuchtigheid die men bij zulke lieden niet zou hebben verwacht,
+daar al de buit in massa werd bijeengebracht, in afwachting van de
+verdeeling, volgens het daarvoor bestaande reglement.
+
+In de eerste dagen had men de lijken der Spanjaarden neergegooid in
+booten die geen dienst meer konden doen, en die vaartuigen als zij vol
+waren in zee gesleept en doen zinken; maar spoedig vonden de
+vrijbuiters dit een vervelend en tevens een zeer walgelijk werk, daarom
+hielden zij daarmee op; vandaar dat, zoowel de gevangenen die in de
+kerken van honger waren omgekomen, als de vrijbuiters die iederen dag
+in de huizen der stad stierven tengevolge van de bekomene wonden, zelfs
+niet door de geringste laag aarde werden bedekt, en tot aas dienden
+voor de insecten en de roofvogels. Die even stuitende als roekelooze
+onbezorgdheid moest door allen weldra duur worden betaald, want het
+natuurlijke gevolg in een zoo warm klimaat was, het uitbreken van een
+pestziekte. Een zeer groot aantal der vrijbuiters stierf daaraan bijna
+oogenblikkelijk, en nog verscheidene anderen bezweken daar hunne oude
+wonden weer openbraken en daarin koudvuur ontstond. Eindelijk werd de
+sterfte zoo groot, dat de vrijbuiters begrepen hoe een langer verblijf
+geen ander gevolg kon hebben, dan hun totalen ondergang, zoodat geen
+hunner het Schildpaddeneiland ooit weer zou betreden.
+
+Montbars gaf dus order te vertrekken; doch eer men onder zeil ging,
+zond hij eenige vrijbuiters naar de in de bosschen verscholene
+vluchtelingen om hun aan te kondigen dat zij binnen twee dagen tien
+duizend piasters moesten opbrengen, daar hij anders de stad aan de
+vlammen zou prijs geven. Die twee dagen verliepen zonder dat het geld
+in zijn bezit kwam, en even onverbiddelijk als altijd, deed Montbars de
+stad in brand steken. De weinige inwoners die er nog achter waren
+gebleven, wierpen zich toen vóór de voeten van den onbarmhartigen
+vrijbuiter, en beloofden een losgeld te betalen tweemaal grooter dan de
+geëischte som, zoo hij er in toestemde dat de stad verder gespaard
+bleef. Montbars vergunde hun het gevraagde uitstel en de twintigduizend
+piasters werden na afloop daarvan hem ter hand gesteld, doch ongelukkig
+genoeg was toen de stad reeds voor meer dan de helft verwoest. Aldus
+werd door de vrijbuiters vaarwel gezegd aan de ongelukkige stad
+Gibraltar, waar zij niets achterlieten dan puin en lijken! [14]
+
+De bewoners van Maracaïbo hadden inmiddels hunne huizen weder
+betrokken, doch werden opnieuw tot wanhoop gebracht door den terugkeer
+van Montbars en de zijnen, en zij hadden daarvoor maar al te zeer
+reden, want hij legde hun eene schatting op van dertigduizend piasters,
+als afkoop eener hernieuwde plundering. Smeekingen hielpen niet, aan
+verzet viel niet te denken, en dus bleef er voor de inwoners niet
+anders over dan zich te onderwerpen.
+
+Maracaïbo werd toen door de vrijbuiters bezet, en terwijl de
+voornaamste handelaars van die stad zich beijverden het geëischte
+losgeld bijeen te krijgen, begonnen de vrijbuiters, onder voorgeven dat
+kloosters en kerken niet begrepen waren in de geslotene overeenkomst,
+met een ijver een betere zaak waardig die gewijde plaatsen van alles te
+berooven; de kostbaarheden van het altaar, de kruisbeelden, de gewijde
+vaten, tot zelfs de klokken werden door hen weggevoerd, terwijl zij
+sarrend op de schuchtere aanmerkingen der inwoners ten antwoord gaven,
+dat dit alles hun moest dienen bij de oprichting op het
+Schildpaddeneiland van eene kapel gewijd aan Onze Lieve Vrouwe van de
+Overwinning. Eindelijk was men er in geslaagd de dertigduizend piasters
+te kunnen betalen, en bovendien werden aan de vrijbuiters vijfhonderd
+ossen afgestaan als victualie voor de vloot, daar de inwoners hoopten
+op die wijze des te eerder van hen ontslagen te zullen worden.
+
+Voor den eersten keer hielden de flibustiers trouw hun woord; zij
+maakten aanstalten om spoedig en voor goed de streken te verlaten, die
+zoo erbarmelijk door hen waren verwoest, toen Montbars zeer plotseling
+van Francoeur, die door hem op een brigantijn ter verkenning was
+uitgezonden, vernam, dat een talrijk Spaansch eskader in het gezicht
+der kust kruisende was. Die tijding, hoogst waarschijnlijk door hem
+verwacht, deed Montbars bijzonder veel genoegen, en dadelijk wijzigde
+hij nu zijne plannen omtrent het vertrek. De vermaarde vrijbuiter kende
+veel te goed de mannen die onder zijn bevel stonden om niet te weten,
+dat roem voor hen weinig beteekende als die niet gepaard ging met
+voordeel, en eveneens dat hij behoedzaam en voorzichtig moest handelen
+om geen gevaar te loopen van door hen aan zijn lot te worden
+overgelaten, wanneer men bij het verlaten van het meer in de
+noodzakelijkheid zou worden gebracht, den strijd te aanvaarden waartoe
+de Spaansche admiraal hen trouwens hoogst waarschijnlijk wel zou
+dwingen.
+
+Nu was het juist de hoop dat het tot zulk een strijd zou komen, dat
+Montbars het gansche plan tot deze expeditie had ontworpen, eene
+expeditie, tot nu toe met zooveel stoutmoedigheid als beleid door hem
+volgehouden, eene expeditie ook, die zulke enorme voordeelen voor de
+deelhebbers had opgeleverd. Onmiddellijk liet hij de toebereidselen tot
+het vertrek staken, kondigde aan dat de vijand met aanzienlijke macht
+bij den ingang van het meer was komen opdagen, en voegde er bij dat met
+het oog op de gebeurtenissen die verwacht moesten worden, de verdeeling
+van den buit niet zou geschieden op het Koe-eiland, zooals eerst
+overeen was gekomen, maar dadelijk hier te Maracaïbo, zoodat dus ieder
+terstond in het bezit gesteld van zijn deel der veroverde schatten, des
+te feller zijne bezitting zou verdedigen, zoo het tot een gevecht met
+de Spanjaarden mocht komen.
+
+Dit besluit werd zeer goed opgenomen door de vrijbuiters, daar zij,
+ondanks hun vertrouwen in hunne aanvoerders, toch er zeer op gesteld
+waren hoe eer hoe beter te kunnen beschikken over hun deel in den
+behaalden buit. Er werd dus eene algemeene samenkomst gelast van al de
+vrijbuiters, op den volgenden dag ’s ochtends acht uur in de
+voornaamste kerk van Maracaïbo, die voor dit doel behoorlijk werd
+ingericht. Op het bepaalde uur waren reeds al de vrijbuiters gewapend
+in de kerk gekomen, en hadden zij zich zwijgend rechts en links in het
+gelid geplaatst; dicht bij het koor waren banken gezet voor de
+aanvoerders van de expeditie, die daar plaats namen, al naarmate hunne
+bemanning aankwam. Midden in de kerk was een ontzaglijke hoop goederen
+en zaken van allerlei aard bijeengebracht; dit was de buit en de
+opbrengst van de dubbele plundering te Maracaïbo en te Gibraltar.
+
+Eerst hoorden de flibustiers de mis aan in stille aandacht en als
+geloovige lieden; geknield op de zerken, deden zij hunne gebeden en
+bleven in die houding al den tijd dat de dienst aanhield, eerst
+opstaande toen de geestelijken zich in de sacristie hadden
+teruggetrokken. Toen stond ook de admiraal van zijn zetel op, besteeg
+de trappen van het hoofdaltaar, en zwoer met de hand op het evangelie,
+dat hij niet het minste of geringste had achtergehouden van den
+algemeenen buit, en dat hij geen aanspraak maakte op een grooter
+aandeel dan hem toekwam volgens de bepalingen van het reglement der
+vereeniging zooals die waren opgenomen in de monsterrol.
+
+Na de vervulling van die plechtigheid, ging men over tot de berekening
+van den buit, en het gezamenlijke bedrag, met inbegrip van alles, ook
+van de kleinodiën en het gebroken zilverwerk, dat geschat werd op tien
+kronen per pond, werd gesteld op de hoogst aanzienlijke som van
+zeshonderd en zestigduizend piasters, een bedrag gelijkstaande met een
+millioen, achtmaal honderd duizend gulden, nog ongerekend vijftig
+duizend piasters, dus nog honderd vijftig duizend gulden, als opbrengst
+van de plundering door de matrozen afzonderlijk gedaan, en die volgens
+aangenomen gebruik, aan hen werden afgestaan.
+
+Nadat het deel des Konings was afgezonderd, ontving ieder voor zich
+zijn aandeel, doch vooraf was ingehouden de vergoeding toekomende aan
+de gewonden, en de belooningen van de chirurgijns der vloot, welke
+beide uitkeeringen in geld of in slaven werden voldaan, en ook nog het
+deel voor de gesneuvelden of overledenen, dat aan hunne verwanten of
+vrienden moest worden afgestaan, na behoorlijk ingeleverde
+bewijsstukken. Het doet ons goed te kunnen verzekeren dat al die
+verrichtingen aangevangen in goed vertrouwen op hunne aanvoerders,
+eindigden zonder den minsten twist en tot volkomen bevrediging van een
+ieder.
+
+Nadat al de onderhoorigen vertrokken en slechts de gezagvoerders in de
+kerk gebleven waren, die ook aanstalten maakten heen te gaan, werden
+zij daarin tegengehouden door een wenk van den ridder de Grammont die
+hun toeriep:—Een oogenblik, Broeders! Ik heb nog aan het oordeel van
+den raad eene zeer gewichtige zaak te onderwerpen.
+
+—Spreek!—antwoordde de admiraal uit aller naam.—Wij luisteren naar je.
+
+—Er is immers bij de monsterrol bepaald dat al wat op de Spanjaarden
+mocht worden buit gemaakt, met inbegrip der slaven, gelijkelijk door
+ons moet worden verdeeld?
+
+—Zeer zeker is dit bepaald, en staat het beschreven in de
+monsterrol,—bevestigde Montbars.
+
+De flibustiers begonnen aan die zaak hunne aandacht te wijden; Grammont
+wisselde met Philippe een tartenden blik, en vervolgde met sarrenden
+glimlach:—Hoe komt het dan dat een van ons, een zeer voornaam officier
+der vloot, een man, in één woord, die èn om zijn rang èn om zijn naam
+ten voorbeeld moest strekken niet slechts van onbaatzuchtigheid maar in
+de eerste plaats van eerlijkheid, zich veroorloofd heeft zich op eigen
+gezag eene slavin toe te eigenen, en haar aan den algemeenen buit te
+onttrekken?
+
+—Als een van ons zulk eene laakbare handeling gepleegd heeft,—gaf
+Montbars op strengen toon te kennen,—dan heeft hij zich aan twee
+misdrijven schuldig gemaakt. Vooreerst van bedrog jegens zijne
+broeders, en vervolgens van ontduiking van de bepalingen der
+monsterrol, en verbreking van den eed vrijwillig door hem uitgesproken
+ten aanhoore van ons allen en met de hand op het evangelie. Zeg mij wie
+die man is, en hij zal gestraft worden.
+
+—Die man...—hernam Grammont met spottende stem, doch Philippe drukte
+hem de hand op den schouder en viel hem eensklaps in de rede, en
+zei:—Het is aan mij daarop antwoord te geven, kapitein Grammont, want
+ik ben de man die door u wordt beschuldigd. Laat mij u er dus voor
+behoeden eene laagheid te begaan.
+
+—Eene laagheid!—barstte de kapitein los en sprong driftig op.
+
+—Ik heb dat woord gebruikt en trek het niet terug. Waar en wanneer gij
+wilt zal ik u daarvan rekenschap geven.
+
+—Dan dadelijk!
+
+—Laat ons vooraf de zaak afhandelen die je op zulk eene ongepaste
+manier te berde hebt gebracht, daarna zal de andere aan de beurt komen,
+wees daar gerust op.
+
+—Kom tot kalmte, Grammont, en gij, Philippe, vervolg. Wat hebt gij te
+uwer verdediging in te brengen?—vroeg Montbars, steeds even bedaard en
+koel.
+
+—De vrouw, of liever het jonge meisje, waarvan nu sprake is, werd
+werkelijk door mij gevangen gemaakt, en het is waar dat ik haar niet
+gevoegd heb bij de slaven bestemd om bij den buit te worden verdeeld.
+Doch ik geloof mij te mogen beroepen op Montbars zelf, die mij tot
+belooning voor het door mij ontworpen plan van deze expeditie, heeft
+toegestaan voor mij zelven een slaaf of slavin, naar eigen keuze, te
+behouden; en dat Montbars zijn woord gestand zal blijven, dat staat bij
+mij vast.
+
+—En dit zal ook bepaald en zeker het geval zijn,—bevestigde
+Montbars.—Bovendien is alles wat daar door Philippe gezegd is de
+letterlijke waarheid. Ik heb gemeend dat de macht die aan mij door het
+vertrouwen mijner broeders is verleend, ver genoeg zou strekken, om
+zulk eene onbeduidende belooning toe te staan aan den man, door wiens
+toedoen wij zulk een ontzaglijken buit hebben behaald.
+
+—Dat recht hadt gij, broeder, en hebt gij nog,—verklaarde de Mooie
+Laurent. [15]—Als ik dit zeg vertrouw ik te spreken namens al de
+broeders.
+
+—Ja, ja!—beaamden al de aanvoerders.
+
+—Grammont heeft ongelijk,—sprak ten overvloede Luiwammes.
+
+De kapitein beet zich tot bloedens op de lippen en het kostte hem
+blijkbaar inspanning niet te spreken.
+
+—Dus, broeders, ben ik in uwe oogen volkomen gerechtvaardigd?—vroeg
+Philippe.
+
+—Ja, ja!—klonk het hem toe.
+
+—Daarvoor zeg ik je dank, doch in eigen oogen zou ik dit niet zijn, zoo
+ik je iets verzweeg.
+
+—Spreek op, broeder, spreek!
+
+Philippe wendde zich naar den rechterkant van de kerk, waar in een
+zijkapel een biechtstoel stond en zei:—Wees zoo goed hier te komen,
+mevrouw.
+
+De biechtstoel werd opengedaan en donna Clara naderde de gezagvoerders.
+Allen bogen eerbiedig voor haar, zelfs Grammont groette haar, schoon
+een blos van schaamte zijn gelaat kleurde, daar hij al het laaghartige
+van zijne handelwijze begon te bevroeden.
+
+—Heeren,—ving donna Clara aan,—op den dag na de bemachtiging van
+Gibraltar bracht kapitein Philippe ’s avonds tegen zes uur, bij mij aan
+huis eene jonge dame en eene oude dienstbode. Die jonge dame had hevige
+zenuwtoevallen. Ik stelde den kapitein voor haar bij mij te houden en
+te verzorgen en op te passen; dat was juist wat de kapitein verlangde,
+met dat doel had hij haar bij mij gebracht. Voor het lot van die jonge
+dame gevoelde ik groote belangstelling; het gelukte mij haar tot
+herstel te brengen. Toen verzocht ik den kapitein haar aan mij af te
+staan, en hij gaf mij ten antwoord dat de diensten die ik aan de
+expeditie had bewezen die vraag mijnerzijds ten volle billijkten,
+zoodat ik van dit oogenblik de volkomene beschikking verkreeg over het
+lot van het jonge meisje. Heeren, ziedaar het ware en eenvoudige
+verslag van de feiten. Sinds dien tijd is de arme gevangene te mijnent
+gebleven, en heeft mij met al hare kracht bijgestaan aan de taak
+waaraan ik mij heb gewijd.
+
+—Mevrouw,—antwoordde Montbars, wien het moeielijk viel zijne ontroering
+te bedwingen,—wij allen zijn aan kapitein Philippe dank verschuldigd
+voor zijn edel gedrag in deze omstandigheden. Die jonge dame behoort u
+toe.
+
+Grammont boog een knie ter aarde voor donna Clara.—Mevrouw,—sprak hij
+met gesmoorde stem,—mijn gedrag was dat van een ellendeling, maar gij,
+gij zijt een engelachtig wezen en daarom durf ik hopen op uwe
+vergiffenis.
+
+—Sta op, mijnheer,—voegde zij hem toe op zachten doch droevigen
+toon.—Ik schenk u vergiffenis, en ik beklaag u.
+
+Donna Clara groette de vrijbuiters, die opnieuw eerbiedig voor haar
+bogen, en verliet met langzamen tred de kerk.
+
+—En nu tusschen ons, kapitein,—zei Grammont tegen Philippe.—Tegenover
+die dame heb ik de begane dwaling hersteld, maar tegenover u...
+
+—Genoeg!—gelastte Montbars streng, terwijl hij zich tusschen hen beide
+plaatste.—Weet gij, die met de voorschriften der monsterrol zoo goed
+bekend zijt, dan niet dat tusschen Broeders der Kust ieder tweegevecht
+ongeoorloofd is gedurende den duur eener expeditie en dat gij je den
+doodstraf op den hals haalt indien gij het waagt een uwer broeders uit
+te dagen? Begeef je aan boord van je schip kapitein, en geen woord
+verder met uw tegenpartij. Zijt gij beiden weer op Tortue dan staat het
+aan ulieden om die zaak al dan niet door het zwaard te beslechten, maar
+tot dien tijd gelast ik, geen bedreigingen en geen uittartingen meer.
+
+—Dan zal ik wachten tot wij weer ginds op het eiland zijn!—riep hij
+ziedende van woede.—Maar dan....
+
+—Dan kunt gij handelen naar goedvinden,—viel Montbars in en voegde er
+terstond bij,—Broeders, binnen een uur moeten wij onder zeil zijn.
+Houdt alles gereed om de Spanjaarden warm te ontvangen, zoo zij lust
+mochten gevoelen ons den doortocht te beletten.
+
+—Bij den hemel!—riep Luiwammes.—Laten ze dat maar uit hun hart laten!
+
+Daarop werd de kerk door allen verlaten en gingen zij naar de haven,
+waar hunne booten op hen lagen te wachten. Ondanks alle door Montbars
+genomene voorzorgen, om voor zijne kameraden verborgen te houden, niet
+zoozeer de aanwezigheid van het Spaansche eskader want hiermeê waren
+zij bekend, maar uit hoeveel schepen het bestond en hoe die bemand
+waren, bracht het vreugdegejuich door de inwoners van Maracaïbo
+aangeheven op het oogenblik waarop de vloot het anker lichtte en gereed
+was onder zeil te gaan, de vrijbuiters tot het besef van de volle
+waarheid.
+
+Twaalf groote oorlogsschepen, met zes-en-veertig honderd koppen bemand
+en met vierhonderd stukken van zwaar kaliber gewapend lagen dwars bij
+den toegang tot de golf en verstopten in letterlijken zin den
+doortocht. Buitendien was het door de vrijbuiters ontmantelde fort op
+het Houtduifeiland weer in bruikbaren staat gebracht, voorzien van de
+noodige stukken en van een garnizoen, vijfhonderd man sterk. De
+Onder-Koning van Nieuw-Spanje was in eigen persoon op het eskader
+aanwezig.
+
+Bij zulke vernietigende tijdingen ontzonk de moed zelfs aan de
+stoutmoedigste vrijbuiters; zij vervielen tot doffe wanhoop en
+weigerden botweg eenige poging te wagen om den doortocht te forceeren.
+Hun toestand, dit moet erkend worden, was dan ook hachelijk, hoogst
+kritiek; hunne schepen waren slechts van middelbare grootte en daarbij
+zwak bewapend, zoodat ze verreweg onder moesten doen voor de goed
+bewapende oorlogsschepen der Spaansche marine; ook kwam daar nog bij
+dat de pest de bemanning met een derde verminderd had, terwijl het
+getal der strijdbare manschappen eveneens belangrijk was gedund, daar
+al de gewonden of verminkten die niet in staat waren om deel te nemen
+aan het gevecht toch opgenomen waren op de vloot, en hun aantal meer
+dan tweehonderd beliep. Om kort te gaan de vrijbuiters konden hoogstens
+vijftienhonderd weerbare manschappen tegenover de macht der Spanjaarden
+stellen.
+
+Intusschen was een brigantijn onder parlementaire vlag te Maracaïbo
+aangekomen. Die brigantijn bracht voor de aanvoerders der expeditie een
+brief van den Onder-Koning waarbij hij hen opeischte zich op genade of
+ongenade over te geven. Dit schrijven eindigde met deze vernietigende
+woorden, die den dapperste het bloed in de aderen deed verstijven.
+
+
+ „Indien ik morgen bij zonsopgang geen twintig gijzelaars heb
+ ontvangen, onder wie in de eerste plaats zich behooren te bevinden,
+ Montbars de Verdelger, Francoeur, Philippe d’Ogeron, Pierre
+ Legrand, de Olonner, Grammont, Morgan, de Roodkop en de Mooie
+ Laurent [16], die ten voorbeeld voor allen zullen dienen, zal ik
+ het meer instevenen, u te Maracaïbo komen opzoeken, en al werd die
+ stad door u ook in een hoogoven veranderd, dan zult gij toch dáár
+ in mijne handen vallen en door mij behandeld worden met al de
+ gestrengheid die gij verdient.”
+
+
+Zulk een trotsche en zoo dreigende taal ging alle palen te buiten en
+had niet de uitwerking die de Onder-Koning zich daarvan ongetwijfeld
+had voorgesteld. Daardoor toch werd aan de vrijbuiters tot zelfs de
+minste hoop op eenige vrijgevigheid benomen, daardoor ook herkregen zij
+hun dolzinnigen overmoed, en hun onwrikbare stoutmoedigheid, daardoor
+ontstond bij hen de grootste verontwaardiging, daar men het waagde hen
+op zulk een minachtende wijze toe te spreken. Montbars verlangde dat
+die brief met luider stem zou worden voorgelezen aan al de Broeders der
+Kust. Na die lezing nam hij het woord.
+
+—Bij den hemel, kameraden,—riep hij hun toe.—Ik herken je niet meer!
+Zijt gij er de mannen naar om je zóó te laten beleedigen, door iemand
+die het nog nooit gewaagd heeft zich met ons te meten? Zijt gij bereid
+om de smadelijke kastijding te ondergaan, waarmede die onbeschaamde
+tegenstander uw erkenden moed wil bezwalken? Goed, het zij zoo!
+Onderwerp je aan hem! Maar ik voor mij, ik wil geen deel nemen aan zulk
+eene lafhartige handeling. Ik heb mij in je bedrogen, gij zijt niet de
+mannen waarvoor ik je hield, gij zijt thans niet veel meer dan bevende
+vrouwen, die schrikken voor de stem van een Spanjaard, en daarom laat
+ik je vrij in uw besluit. Strekt uwe armen uit om geketend te worden,
+en gaat de hand kussen van uw beul.
+
+Die vinnige toespraak ontlokte hun een dof gemompel; een blos van
+schaamte steeg op het gelaat der flibustiers, en de daardoor ontstane
+woede gaf hun den ouden moed terug.
+
+—Voer ons aan naar den vijand,—riepen zij Montbars toe,—en wij zullen
+vechten zoolang er nog bloed in onze aderen vloeit! Zelfs de gewonden
+zullen je kruipende volgen. Voorwaarts, Montbars! Blijf ons aanvoeren!
+
+—Zijt gij dan vast besloten mij te gehoorzamen?—vroeg Montbars ernstig.
+
+—Ja, ja! Beveel! Wij behooren je toe!
+
+—Goed!—hernam Montbars, die zijn hoed afnam en de hand op zijn hart
+drukte.—Dan zweer ik je plechtig, broeders en kameraden, dat die
+onbeschaamde Spanjaard met zijn leven boeten zal voor zijne bluffende
+woorden, en tevens, dat wij ongedeerd zullen ontkomen aan de nederlaag,
+die hij zich reeds zeker waant ons te zullen toedienen!
+
+—Leve Montbars!—brulden de vrijbuiters in vervoering.
+
+Nu was alle vrees verdwenen, en de vrijbuiters twijfelden niet langer
+of zij zouden overwinnen.
+
+—En nu, kameraden,—hernam Montbars,—eisch ik van u een eed, dat gij
+vechten zult tot uw laatsten snik, zonder genade te vragen.
+
+—Dat zweren wij!—werd hem als uit één mond toegeroepen, terwijl zij hun
+wapenen zwaaiden.
+
+Daarop wendde Montbars zich tot den Spaanschen officier, die belast met
+de overhandiging van den brief van den Onder-Koning, de verschillende
+wisselingen van dit tooneel had bijgewoond.
+
+—Keer naar uw meester terug, señor,—voegde Montbars hem met de diepste
+minachting toe,—en deel hem alles mede wat door u hier is gehoord en
+gezien. Zeg hem ook dat de Broeders der Kust gewoon zijn voorwaarden te
+stellen, maar er nooit over denken om zich die te laten opleggen! Ga
+señor, uwe zending hier is afgeloopen, hier in ons midden hebt gij
+niets meer uit te richten. Vertrek!
+
+De officier groette en vertrok begeleid door Morgan, die hem naar de
+brigantijn bracht, om hem te vrijwaren voor beleedigingen der
+vrijbuiters, die in groote menigte door de straten dwaalden, en
+waarschijnlijk, zoo de parlementair alleen ware geweest, er geen
+bezwaar in gezien zouden hebben hem overhoop te steken, zoo hevig was
+hun haat tegen iederen Spanjaard, doch vooral op dit oogenblik.
+
+Morgan nam op beleefde manier afscheid van den officier, en begaf zich
+toen weer naar zijne kameraden, die nog raadsvergadering hielden in
+dezelfde kerk waar dien eigen morgen de buit was verdeeld.
+
+Toen de Spaansche officier aan boord van zijn schip zich in veiligheid
+rekende, ontsnapte hem een zucht van verlichting, daar hij niet had
+durven hopen, ongedeerd te blijven bij zulk eene zending naar
+dergelijke lieden. Zonder tijd te verliezen liet hij het anker lichten
+en enkele minuten later, koerste de brigantijn met volle zeilen naar
+den ingang van het meer om zich weêr te voegen bij de vloot van den
+Onder-Koning. Toch achtte de officier zich niet buiten alle gevaar eer
+het eskader van de vrijbuiters geheel uit zijn gezicht was, en voor hij
+de hoog getopte masten der Spaansche schepen weer in het oog kreeg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XXV.
+
+EEN HUISELIJK TAFEREEL.
+
+
+De haat is een slechte raadgever. De hertog de Penaflor had, door zich
+te laten leiden door den haat dien hij Montbars toedroeg, een grooten
+misslag begaan. Als hij het meer onverhoeds was binnengeloopen en
+dadelijk met alle kracht een aanval op de vrijbuiters had gedaan, dan
+was er geen twijfel aan geweest of deze zouden door zijne plotselinge
+verschijning aan het hoofd van zulk een geduchte overmacht, geheel
+ontmoedigd zijn geworden. Dan zou hij hen zeker overwonnen en
+genoodzaakt hebben, zoo al niet om de wapenen neer te leggen, dan toch
+stellig om afstand te doen van den buit en de slaven, die zij bij deze
+expeditie hadden overmeesterd, en tevens hen zoo gekortwiekt hebben,
+dat zij voor langen tijd er niet aan zouden durven denken hunne
+stoutmoedige overvallen op de Spaansche koloniën te wagen. Maar bij den
+hertog de Penaflor had zijn persoonlijke haat de overhand op zijn
+plichtsgevoel, en toen hij de vrijbuiters geen andere keuze liet dan
+tusschen de smadelijkste oneer of den dood, wekte hij bij hen de
+vroegere energie weder op, en bezielde hen met het vaste besluit tot
+den laatsten man te strijden, en tevens met de hoop van door moed en
+standvastigheid een nederlaag te voorkomen, en aan hem te ontkomen.
+
+Olivier Oexmelin, zelf een vrijbuiter en chirurgijn aan boord van een
+hunner schepen, heeft een zeer omstandig relaas geschreven van deze
+expeditie, die natuurlijk ook door hem is bijgewoond; aan dit verslag
+ontleenen wij al de bijzonderheden over de maatregelen door Montbars
+genomen, om met eer en glorie te geraken uit den hachelijken toestand
+waarin hij zich thans bevond.
+
+Meer dan ooit toonde de vermaarde vrijbuiter bij deze gelegenheid
+hoezeer hij op de hoogte was van zijn taak, en hoe onuitputtelijk in
+het bedenken van krijgslisten. Ook hij liet zich leiden door haat, dit
+moeten wij toegeven, maar hij liet zich door dien haat niet zoozeer
+verblinden dat hij daardoor zijn plicht als bevelhebber uit het oog
+verloor; wel was zijn grootste begeerte om een schitterende weerwraak
+te nemen op den man die hem nu reeds sinds tal van jaren onverbiddelijk
+vervolgde, maar niet minder sterk was zijn streven om al de lieden te
+redden die zich aan hem en zijn goed fortuin hadden toevertrouwd.
+
+Naar beide deze drijfveeren regelde hij zijne handelingen en toen hij
+al de kracht zijner overreding had aangewend om den terneer geslagen
+moed van zijne kameraden weer op te wekken, toonde hij zichzelf een
+voorbeeld van energie en wilskracht, in het overwinnen van de grootste
+hinderpalen. List moest het scherpste wapen zijn dat hem de zege op de
+Spanjaarden deed behalen en dat wapen zou ook nu weer door hem
+aangewend worden.
+
+Een zijner eerste maatregelen bestond hierin dat hij voorzorgen nam
+tegen een mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk oproer der gevangenen,
+een oproer waardoor zijne positie genoegzaam hopeloos zou worden. De
+Spaansche gevangenen en ook de uit Gibraltar medegevoerde gijzelaars
+werden op zijn last zwaar geboeid, en bij hen eene sterke wacht
+geplaatst met de strengste orders tot hunne bewaking. Vervolgens koos
+hij uit de grootste schepen dat wat hem toescheen het oudste en minst
+zeewaardige te zijn, en besloot dit in een brander te veranderen. Er
+werden dus aan boord van dit vaartuig alle mogelijke brandbare stoffen
+gebracht, zooals pek, teer, zwavel, benevens zooveel kruit als men
+missen kon; tevens liet hij bommen maken van pek en zwavel, gedrenkt in
+teer, die geschikt moesten zijn om als granaten geworpen te worden, en
+verder nam hij allerlei beschikkingen om de goede uitwerking van die
+vreeselijke vernielingsmiddelen te verzekeren. De buitenhuid van dien
+brander werd aan den binnenkant zooveel mogelijk uitgehakt, om op het
+gegeven oogenblik des te gemakkelijker uit elkaar te springen. Nog
+werden op zijn bevel op het dek ruw gehouwen houten blokken vastgezet
+omkleed door matrozenplunje, breedgerande hoeden met wapens en
+vaandels, zoodat men uit de verte gezien, meende dat het werkelijk
+soldaten waren, die fier en onbeweeglijk het oogenblik afwachtten om
+den vijand met alle macht te lijf te gaan.
+
+Aan weerszijden werden talrijke schietgaten geboord, waardoor geronde
+en geverfde balken werden gestoken, die het aanzien van kanonnen
+hadden, en de Fransche vlag in top geheschen; in één woord er werd door
+Montbars, die dit zoozeer verstond, geen mogelijke list verzuimd om de
+ware bestemming van het schip, als brander, te bemantelen, en het
+geheel en al het voorkomen te geven van een goed uitgerust en sterk
+bemand en bewapend Fransch oorlogschip. Dit soort van helsche machine
+werd in de voorhoede geplaatst. De overige schepen van het eskader
+hielden zich op korten afstand meer achterwaarts.
+
+In het midden van het konvooi waren in eenzelfde vaartuig al de
+mannelijke gevangenen opeengehoopt; de vrouwen, de kinderen, het goud,
+de juweelen en verdere kostbaarheden, in één woord het kostbaarste van
+den buit bevond zich op een schip, dat onder bevel stond van Luiwammes,
+die order had zich eerder in de lucht te laten springen dan zich over
+te geven.
+
+Toen al die schikkingen waren getroffen, begaven de vrijbuiters zich
+aan wal, en gingen in behoorlijke orde naar de kerk waar zij met vrome
+aandacht de mis bijwoonden, daarna scheepten zij zich wederom in zonder
+de minste baldadigheid in de stad te plegen. Ondanks zichzelven
+gevoelden de bewoners zich getroffen door de sombere maar vastberadene
+trekken der vrijbuiters; zij begrepen dat die lieden gereed waren tot
+het uiterste toe vol te houden, en met huivering en angst dachten zij
+aan de gevolgen van den ontzettenden strijd, die zou aanvangen tusschen
+het eskader der vrijbuiters en de vloot der Spanjaarden.
+
+Tegen ongeveer vier uur in den namiddag waren al de equipages weer aan
+boord. Montbars was niet van plan onder zeil te gaan eer de nacht
+volkomen gevallen was; hij berekende dat bij duisteren nacht, zonder
+maneschijn, de meeste kans zou bestaan om onbemerkt het kanaal te
+naderen.
+
+Montbars had zes dagen voor zijne toebereidselen noodig gehad, doch
+ondanks hunne onbeschaamde opeisching en bedreiging, waren de
+Spanjaarden het meer niet binnengeloopen, en duidde niets aan dat zij
+gevolg zouden geven aan die bedreiging en aan hun voornemen om de
+vrijbuiters te Maracaïbo te komen opzoeken. Montbars ging naar zijne
+kajuit, na zich door middel van zijn verrekijker te hebben verzekerd
+dat alles op het eskader gereed was, en de gezagvoerders slechts
+wachtten op het sein van den admiraal, om dadelijk onder zeil te gaan.
+
+Na eenigen tijd werd de deur van de kajuit geopend, en twee personen,
+donna Clara en Francoeur, traden binnen. Montbars groette hen met de
+hand, wenkte hen om plaats te nemen en zei:—Gij moet het mij ten goede
+houden dat ik u verzocht heb beiden hier te komen, doch ik verlang er
+zeer naar om u zonder verwijl te spreken.
+
+—Tot uwe orders, Admiraal,—antwoordde de jonge man en boog.
+
+—Ik wacht uwe nadere verklaring, mijnheer,—sprak donna Clara met zachte
+stem.
+
+Montbars zweeg eenige oogenblikken met gebogen hoofd en gefronste
+wenkbrauwen; langzamerhand echter helderde zijn gelaat op; hij hief het
+gelaat omhoog en sprak met diepe en ingehouden stem waarin de laatste
+weergalm klonk van eene met moeite bedwongene ontroering.
+
+—Ik heb u beiden eene opheldering te geven, die inzonderheid jou
+betreft, don Gusman.
+
+—Admiraal, die naam is de mijne niet meer,—merkte de jonge man haastig
+aan, doch dadelijk daarop legde donna Clara hare hand op zijn schouder
+en voegde hem toe:—Laat nu den Admiraal spreken zonder dat gij hem in
+de rede valt.
+
+Verwonderd zag de jonge man haar aan, maar hij werd op haar gelaat zulk
+eene goedhartige en smeekende uitdrukking gewaar dat hij boog ten
+teeken van instemming.
+
+—Het beslissende oogenblik, sinds zoo vele jaren door mij verbeid, is
+eindelijk aangebroken,—verklaarde Montbars.—Naar ik hoop zal ik morgen
+bij zonsopgang voor de laatste maal van aangezicht tot aangezicht
+tegenover den onverbiddelijken vijand staan, wiens haat mij gedurende
+mijn gansche leven heeft vervolgd. God, wiens oordeel onfeilbaar is,
+zal tusschen den hertog de Penaflor en mij vonnissen.
+
+—De hertog de Penaflor!—kreet donna Clara, en wrong verschrikt de
+handen.
+
+—De hertog de Penaflor!—mompelde de jonge man verbaasd.
+
+—Ja, wist gij dit niet?—hernam Montbars op bitteren toon.—De hertog de
+Penaflor, de Onder-Koning van Nieuw-Spanje, is in eigen persoon
+aanwezig op de vijandelijke vloot, daar hij, gedreven door zijn
+verregaanden haat, getuige wil zijn van den doodstrijd van zijn vijand!
+Doch laat dit zijn zooals het is, en spreken wij liever over jou, don
+Gusman. Ik verlang niet van je dat gij tegen uw zin deel zult nemen aan
+den strijd zonder genade tegen den man, die in uw jeugd voor je heeft
+gezorgd, en wien het uw plicht is, tot het tegendeel mocht bewezen
+worden, te beschouwen als uw weldoener; ik wil evenmin uw geweten
+geweld aan doen,—liet hij er op volgen met eene uitdrukking van wreeden
+spot, die zijne toehoorders deed huiveren.—Gij behoudt dus uwe vrijheid
+onzijdig te blijven in het aanstaande gevecht, zoo,—voegde hij er
+bij,—uwe gevoelens je nopen daaraan geen deel te nemen.
+
+—Maar Admiraal!—viel hij uit.
+
+—Stil!—hernam Montbars haastig,—ik ben nog niet aan het eind.
+
+—Mijn God!—mompelde donna Clara,—wat wilt gij dan nog meer zeggen.
+
+—Alles mevrouw!—verklaarde hij met snijdende stem,—want eindelijk heeft
+het uur geslagen waarin alles moet worden opgehelderd; het uur waarop
+de waarheid aan het licht moet komen; het uur waarop deze jongman
+rechter moet zijn in zijne eigene zaak, en uitspraak doen tusschen zijn
+vader en zijn weldoener!
+
+—Mijn vader?—herhaalde de jonge man een en al verbazing.—Hebt gij daar
+niet gezegd, mijn vader?
+
+—Ja, don Gusman, want alles bewijst mij dat gij mijn zoon zijt. De
+papieren door den stervenden don Fernando d’Avila aan Philippe d’Ogeron
+ter hand gesteld, laten in deze zaak niet den minsten twijfel meer
+over.
+
+—Admiraal! Ik begrijp er niets meer van, ik geloof dat ik nog gek word!
+Gij, mijn vader?!
+
+—Luister verder. De hertog had een eenige dochter; het toeval wilde dat
+ik het leven van die dochter redde. Toen ter tijd was ik een
+aanzienlijk edelman, vol geloof, vol eerzucht, vol hoop en verwachting,
+officier bij de marine van den koning van Frankrijk. De hertog moedigde
+mijne liefde voor zijne dochter aan, voerde haar, als het ware, in
+mijne armen, en daar Frankrijk en Spanje destijds met elkaar in oorlog
+waren liet hij te Cadix ons huwelijk in het geheim voltrekken [17].
+Maar slechts enkele dagen daarna ontvoerde hij zijne dochter en nam met
+haar de vlucht; en toen ik mij vervoegde aan zijn paleis om van hem
+mijne vrouw op te eischen, was hij reeds vertrokken en werd mij door
+een bediende dit geschrift overhandigd.
+
+Bij die woorden haalde Montbars een portefeuille uit zijn zak, deed die
+open en nam er een door den tijd geel geworden papier uit, dat hij
+ontvouwde.
+
+—Ziehier wat dit geschrift inhield. Luistert.
+
+En hij las met eene stem, bevende door toorn en misschien ook wel door
+smart:
+
+
+ „Señor Conde!
+
+ „Gij zijt niet met mijne dochter gehuwd; ik heb u misleid door een
+ onwettig huwelijk. Nimmer zult gij haar terugzien. Zij is voor u
+ dood. Sedert een aantal jaren bestaat er een onverzoenlijke haat
+ tusschen uwe familie en de mijne. Ik zou u niet opgezocht hebben,
+ maar God heeft u op mijn weg gevoerd. Toen heb ik begrepen dat het
+ Zijn wil is, dat ik wraak op u zou nemen. Ik heb gehoorzaamd. Ik
+ geloof er in geslaagd te zijn uw hart voor altijd te breken. De
+ liefde, die gij voor mijne dochter gevoelt, is innig en oprecht.
+ Des te beter, want des te heviger zult gij lijden. En hiermede
+ genoeg, mijnheer. Eén raad nog: tracht er niet naar mij weer te
+ ontmoeten; want dan, daar kunt gij zeker van zijn, zal mijne wraak
+ nog feller op u neerkomen. Binnen eene maand trouwt mijne dochter
+ met hem door wien zij bemind wordt, en die zij altijd en
+ uitsluitend heeft liefgehad.
+
+ „Don Estevan de Sylva, hertog de Penaflor.”
+
+
+—O! Dat is afschuwelijk!—jammerde de jonge man, die zijn gelaat in de
+handen verborg.
+
+—Toch is het nog niet alles,—vervolgde Montbars terwijl hij koel het
+papier weer toevouwde en in zijne portefeuille wegborg.—Ik vervolgde
+den hertog maanden achtereen dwars door Spanje en Italië, en kwam bijna
+gelijktijdig met hem weer in Frankrijk, waar ik hem eindelijk
+achterhaalde in een armzalig dorp dicht bij Parijs. Toen eischte ik van
+hem mijne vrouw op, want zijne dochter was mijne vrouw; onze
+wederzijdsche liefde had al de ingewikkelde berekeningen van zijn haat
+en zijne wraakzucht doen falen. Een maand vroeger had zijne dochter het
+leven geschonken aan een kind, dat de hertog dadelijk aan haar had
+ontrukt nog eer zij gelegenheid had aan dat onschuldige wicht den
+eersten kus te geven.
+
+—Heb medelijden! In ’s hemels naam, heb medelijden met mij. Ben ik dan
+nog niet genoeg gestraft?—smeekte donna Clara, en viel snikkend op de
+knieën voor Montbars.
+
+Een oogenblik zag hij haar aan met zonderlingen blik; toen boog hij
+zich tot haar neer, kuste haar teeder op het voorhoofd, en hief haar
+behoedzaam op.—De smart heiligt, en gij, arme vrouw, hebt zwaar en veel
+geleden. Ik schenk u vergiffenis!—betuigde hij hoogst ontroerd.
+
+—Moeder! O! Zij is mijne moeder! Reeds lang heeft mijn hart mij dit
+voorspeld!—juichte de jonge man in vervoering, en wierp zich in de
+armen van donna Clara.—Goddank! Ik heb mijne moeder gevonden!
+
+—Mijn zoon! O! Eindelijk, eindelijk!—riep donna Clara, en knelde hem
+tegen haar boezem.
+
+Hunne kussen en hunne tranen smolten als ineen.
+
+—Helaas!—mompelde Montbars.—Dit is sinds jaren het eerste oogenblik van
+vreugde dat de hemel mij toebedeelt.—Hij liet het hoofd op de borst
+zinken.—Zal ik er in slagen het geluk van die beide zoo innig door mij
+geliefde wezens te verzekeren?
+
+Op eens rukte donna Clara zich van haar zoon, wees hem op Montbars, die
+hem glimlachende aanzag, en vroeg:
+
+—En hij?
+
+—Mijn vader! Ja, ja! Ik heb hem lief. Mijn vader!!
+
+Allen hielden elkaar omvat in één en dezelfde omarming. Zóó gingen
+eenige minuten voorbij; alles om hen heen scheen in het niet verzonken;
+het geluk van zulk eene onverwachte hereeniging had ieders gemoed
+overweldigd. Montbars was de eerste die met hevige wilskracht er in
+slaagde zich zelf meester te worden en zijn gewone kalmte te
+herkrijgen.
+
+—Thans...—zei hij.
+
+—O! Vader, nu geen woord meer daarover,—viel de jonge man met
+opgewondenheid in.—Ik heb nu eene moeder, die ik aanbid, een vader,
+dien ik liefheb en hoogacht! Blijft mij thans iets meer te wenschen
+over? Wat behoef ik nog meer te vernemen? Immers niets! En wat den
+hertog de Penaflor aangaat, hem, den beul van mijn vader, den tiran van
+mijne moeder, den kwelgeest van mijn jeugd, hem beschouw ik als een
+monster, dat ik niet meer wil erkennen; hij behoort niet meer tot mijne
+familie!
+
+—Goed zoo, mijn zoon!—verklaarde Montbars met vreugde.
+
+—Mijn zoon,—sprak donna Clara, en lei daarbij hare beide handen op
+zijne schouders, terwijl zij hem aanzag met eene onbeschrijfelijk
+smeekende uitdrukking,—dat monster is mijn vader! Zoo somwijlen God
+gedoogt dat ouders hunne kinderen vervloeken, toch blijft Zijn gebod
+dat kinderen hunne ouders zullen eeren!
+
+—Moeder,—gaf hij ten antwoord met gebroken stem, terwijl Montbars op
+hem een zonderlingen blik wierp,—God verwerpt toch ook die menschelijke
+monsters, maar gij, gij zijt een engelachtig wezen, gij beoogt slechts
+vergiffenis, doch wij, mijn vader en ik, wij....
+
+—Zwijg, zwijg!—viel zij uit, en drukte haar hand tegen zijn
+mond,—spreek geen godslastering uit, ongelukkig kind!
+
+—Ik zal u gehoorzamen, moeder, wees daarop gerust,—verzekerde hij en
+wendde zich toen met eene buiging tot Montbars, wien hij toevoegde op
+afgemeten toon die door dezen ten volle werd begrepen.—Admiraal, ik ben
+uw vlagofficier, mijn plaats in het gevecht is dus aan uwe zijde, en
+die plaats eisch ik als een mij toekomend recht.
+
+—Gij zult haar vervullen,—luidde het antwoord van Montbars.
+
+—Ach!—jammerde donna Clara.—Hoe onverzoenlijk zijt gij beiden!
+
+Op dit oogenblik werd de deur van de kajuit plotseling geopend en trad
+iemand binnen. Het was Philippe d’Ogeron.
+
+—Houd het mij ten goede, Admiraal,—begon hij groetende,—dat ik zoo
+onverwachts en onaangediend binnen kom.
+
+—Waarde Philippe,—antwoordde Montbars,—ge zijt mij altijd welkom. Wat
+verlangt ge?
+
+—Admiraal, de duenna van donna Juana heeft mij bij uw eerste verblijf
+te Maracaïbo, een ring van groote waarde ter hand gesteld. Van dien
+ring heb ik tot nu geen afstand kunnen doen, doch nu wij binnen enkele
+uren een hevigen strijd zullen leveren, een strijd waarin het ook
+wellicht mijn lot zal wezen te sneuvelen, acht ik het mijn plicht, daar
+die ring misschien later kan dienen tot opsporing der ouders van dit
+zoo beproefde jonge meisje, dat kostbare kleinood aan u af te staan,
+met verzoek het te bewaren bij de papieren van don Fernando d’Avila die
+betrekking hebben op donna Juana.
+
+—En dien ring?
+
+—Hier is die,—sprak hij zuchtend, trok dien van zijn vinger en reikte
+dien aan Montbars toe.
+
+—Aan uw verlangen zal voldaan worden, beste vriend,—gaf Montbars ten
+antwoord terwijl hij den ring aannam,—en als gij, wat God verhoede, in
+het gevecht mocht komen te vallen, wil ik thans den eed herhalen, dat
+ik als een vader zal zorgen, voor haar die zoo oprecht door je word
+bemind.
+
+—Ontvang nogmaals mijn dank, Admiraal, voor die plechtige verzekering,
+ik verwachtte niets anders van de mij steeds door je betoonde
+vriendschap.
+
+En daar hij vreesde dat zijne aandoening hem zou overweldigen groette
+de jonge man haastig, en verliet ijlings de kajuit.
+
+—Zie eens, mevrouw,—zei daarop Montbars tot donna Clara,—misschien
+herkent gij dezen ring. Het is helaas! het eenige geschenk van
+bijzondere waarde dat ik aan u heb kunnen geven, en het werd u door uw
+vader afgenomen op een oogenblik dat ge buiten kennis waart.
+
+—Maar hoe komt het?....—vroeg zij gejaagd.
+
+—De hertog heeft, toen hij donna Juana toevertrouwde aan de goede
+zorgen van don Fernando hem gezegd dat zij de dochter was van u en den
+Stenio de Bejar.
+
+—O! Dat is een leugen!—viel zij uit.
+
+—Dat weet ik, mevrouw, maar hij achtte dien leugen noodzakelijk tot
+meerdere verwarring en verwikkeling der omstandigheden, om alle
+vermoedens op een dwaalspoor te brengen, daar hij uw eenig kind zóó
+verlangde op te voeden en op te leiden, dat dit eenmaal zou worden de
+moordenaar of de beul van zijn vader.
+
+—Ach! mijnheer!—riep zij met afgrijzen uit.
+
+—Het is de waarheid!—verklaarde de jonge man op koelen toon.
+
+—Die ring werd later aan de min van donna Juana gegeven, en zou, naar
+de meening en de bedoeling van den hertog, al het geheimzinnige nog
+vermeerderen. Begrijpt ge nu ten volle den ganschen toeleg van die
+duivelsche berekeningen en van al die opeenstapeling van leugens en
+bedrog?
+
+—O! Het is afschuwelijk!—mompelde zij geheel ter neer geslagen.—En dat
+jonge meisje?
+
+—Wie zij is kan ik niet zeggen; waarschijnlijk een kind dat door hem
+eveneens aan de ouders is ontrukt, om dienst te doen bij zijne
+schandelijke plannen tegen u en tegen mij. Schenkt ge nu uw vader nog
+vergiffenis?
+
+—Ik herhaal het u, mijnheer, hij is en blijft mijn vader, en God heeft
+in Zijne onuitputtelijke goedheid, de vergevingsgezindheid gesteld tot
+de liefelijkste en tevens de verhevenste deugd.
+
+Montbars wierp op haar een blik vol innige teederheid, drukte haar een
+kus op het voorhoofd en verliet de kajuit om haar alleen te laten met
+haar zoon. Dat bijeenzijn van moeder en zoon duurde eenige uren, maar
+die uren gingen voor hen voorbij als een spanne tijds, en eerst toen de
+zon aan den horizont verdween en de duisternis begon te vallen, kwam
+Montbars in de kajuit terug.—Zijt ge nu gelukkig, mevrouw?—vroeg hij
+glimlachend aan donna Clara.
+
+—Zóó gelukkig dat ik helaas ducht voor de toekomst!
+
+—De toekomst behoort aan God, mevrouw!
+
+—Dat is waar,—antwoordde zij berustend; daarna hief zij plotseling het
+hoofd op, wees op haar zoon, en sprak met kracht:—Hem vertrouw ik aan u
+toe, mijnheer.
+
+—Houd goeden moed, mevrouw, en voor hem blijf ik u borg,—hernam hij
+kalm. Daarop wendde hij zich tot den jongen man en zei:—Kapitein, laat
+drie aangestoken lantaarns aan den top van den fokkemast hijschen, het
+is tijd om onder zeil te gaan.
+
+Francoeur ging dadelijk heen om de ontvangene order uit te voeren.
+
+—Nu moest ge eenige uren rust nemen,—hernam Montbars,—al die
+aandoeningen matten u te erg af.
+
+—Neen,—gaf zij ten antwoord en wees op het Christusbeeld dat tegen den
+wand hing.—Ik zal gaan bidden tot Hem in Wiens handen ons lot berust,
+en Hem smeeken dat Hij ons genadig zij!
+
+Montbars boog voor haar en vertrok zonder iets meer te zeggen. Aan de
+order door den Admiraal gegeven, was door zijn vlagofficier dadelijk
+voldaan, en nauwelijks waren de drie aangestoken lantaarns naar den top
+van den fokkemast geheschen of op alle bodems werd het geraas door de
+kaapstanders veroorzaakt gehoord, zoodat er geen vol kwartier verliep
+eer de schepen alle onder zeil waren in de aangegeven richting, en met
+uitgedoofde lichten Maracaïbo verlieten. Den ganschen nacht koerste men
+onder klein zeil, en tegen drie uur ’s morgens werd bijgelegd en dit
+een paar uren volgehouden. Toen het begon te dagen, kreeg men de
+Spaansche vloot in het oog, die in de volmaaktste orde vóór het kanaal
+ten anker lag, vlak boven het Houtduifeiland, waar het fort zeer goed
+hersteld en op krachtige wijze bewapend scheen.
+
+Het schip, waarop de Onder-Koning zich bevond, lag geankerd in het
+midden van het nauwe kanaal dat het Kijk-Uit-eiland scheidt van het
+Houtduifeiland; op dien bodem werd dadelijk alles in gereedheid
+gebracht tot een warme ontvangst van den vijand, wiens onbezonnen
+vermetelheid in het oog van den Onder-Koning alle palen te buiten ging.
+De brander die aan de spits bleef van het eskader der flibustiers, werd
+door den Onder-Koning gehouden voor het Admiraalsschip, en hij gaf
+order om dit te laten naderen, schoon hij zich er zeer over
+verwonderde, dat met zulk een sterke bemanning en op zulk een korten
+afstand het vuur nog niet geopend werd; doch daaruit besloot hij dat de
+vrijbuiters, volgens hunne gewoonte, de voorkeur gaven aan eene
+entering; die overtuiging bracht hem er toe om ook van zijn schip geen
+enkel schot te laten lossen, en hun eerst de volle laag te geven,
+zoodra het ’t zijne wilde aanklampen. Dit misbegrip of liever die
+vergissing der Spanjaarden kwam Montbars uitnemend te stade, daar
+enkele goed gemikte schoten voldoende zouden zijn geweest om het brooze
+vaartuig in den grond te boren, want het was werkelijk niet veel meer
+dan het geraamte van een schip. Ongelukkig genoeg voor hen, bespeurden
+de Spanjaarden hunne dwaling te laat, en eerst toen de brander op het
+punt stond hen te bereiken. Toen waren al hunne pogingen, zoowel die om
+het vaartuig af te houden als om het eene andere richting te geven,
+vruchteloos. Slechts enkele flibustiers onder bevel van Francoeur
+maakten de bemanning uit van den brander; zij maakten hem los van zijn
+sleper, wierpen eenige enterdreggen in de raas van het schip van den
+Onder-Koning en sprongen toen ijlings in hun boot om zich met kracht
+van riemen te verwijderen van de plek waar de ontploffing zou plaats
+hebben. Die gansche manoeuvre was met zooveel beleid uitgevoerd dat
+toen de Onder-Koning last gaf om den brander af te weren, het daarvoor
+reeds te laat was; toch verloor hij zijn tegenwoordigheid van geest
+niet en liet onmiddellijk eenige matrozen, voorzien van bijlen, aan
+boord daarvan overspringen om de masten te kappen en het schip te doen
+zinken; maar het vuur had de buitenhuid reeds aangetast en de eerste
+bijlslagen baanden aan de vlammen een doortocht, en ze sloegen
+onstuimig en verwoed naar buiten, voorafgegaan door dikke en
+verstikkende rookwolken. Aangewakkerd door een scherpe bries uit het
+oost-noord-oosten, die uit volle zee kwam opzetten, verkreeg de brand
+na verloop van enkele minuten zulk een omvang, dat het schip van den
+Onder-Koning er niet aan kon ontkomen, en ondanks al de inspanning van
+matrozen en soldaten om het vuur te bedwingen, was de totale ondergang
+reeds te voorzien.
+
+Zoo was het ook; in minder dan een half uur was het prachtige schip
+omgeslagen en een prooi der golven geworden, het grootste gedeelte der
+bemanning kwam bij die ramp om, en aan slechts enkele personen,
+waaronder de Onder-Koning, gelukte het, half dood van vermoeienis en
+uitputting, den zandigen oever van het Houtduifeiland te bereiken.
+
+De strijd was aldus op wanhopende maar schitterende wijze door de
+flibustiers aangevangen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+XXVI.
+
+VAN AANGEZICHT TOT AANGEZICHT.
+
+
+Al dien tijd had Montbars met scherpen blik het verloop dier
+gebeurtenissen waargenomen, en dadelijk maakte hij zich de algemeene
+verslagenheid, die bij de Spanjaarden was ontstaan door dit voor hen
+zoo noodlottige onheil, ten nutte, om de ondernemendste zijner
+kameraden tot den aanval op een tweede schip aan te voeren, dat
+geënterd en bijna zonder slag of stoot genomen werd op hetzelfde
+oogenblik dat het schip van den Onder-Koning in de golven verdween.
+
+Grammont had een derde schip aangeklampt, en eveneens geënterd en
+leverde een verwoed gevecht tegen de tot wanhoop gebrachte Spanjaarden.
+Die strijd werd gevoerd met de grootste hevigheid; herhaaldelijk
+teruggeworpen sprongen de flibustiers weer even spoedig aan boord van
+het aangetaste vaartuig, en stonden eindelijk op het punt de zege te
+behalen, toen Grammont te midden van hen nederstortte geveld door een
+bijlslag die zijn schedel kliefde. Verschrikt en ontsteld door den dood
+van hun gezagvoerder, aarzelden en wankelden de vrijbuiters; de
+Spanjaarden daarentegen verdubbelden hunne pogingen en nog eenige
+oogenblikken werd het gevecht voortgezet.
+
+Zóó ging het langs de geheele linie, het gansche eskader der
+vrijbuiters kwam nu op de Spaansche vloot af en ieder hunner schepen
+wierp enterdreggen en haken in het want der vijandelijke bodems, waarop
+over de geheele linie een gevecht ontstond van man tegen man.
+
+Overal was de strijd hevig en verwoed, en nergens werd er aan gedacht
+genade te vragen of te geven; vier Spaansche schepen sprongen in de
+lucht, liever dan zich over te geven; de overigen, onthutst door zulk
+eene opeenstapeling van onvoorziene rampen, dachten aan niets dan aan
+het dreigende gevaar te ontkomen. Zij kapten overhaast de kabels en
+lieten zich afdrijven naar het Houtduifeiland, om onder de beschutting
+te komen van de verschansingen die waren opgericht uit de bouwvallen
+van het fort. Zoodra zij aldaar aan wal gekomen waren, lieten zij hunne
+schepen zinken om te voorkomen dat de vrijbuiters ze zouden
+bemachtigen.
+
+Die zoo prachtige en geduchte Spaansche vloot was totaal vernietigd en
+toch had het gevecht nog geen uur geduurd. Het gebeurde had veel van
+een wonder; de vrijbuiters en Montbars zelf begrepen niet hoe het hen
+had kunnen gelukken, om in zulk een korten tijd, met een verlies van
+hoogstens vijf of zes manschappen, en met zulke zwakke hulpmiddelen
+zich te redden uit den bijna wanhopigen toestand niet alleen, maar
+zelfs bovendien nog eene volkomen overwinning te behalen. Geen wonder
+dat hunne vreugde onbegrensd was, en de algemeene opgewondenheid ten
+toppunt klom; zij omhelsden elkaar, zij wenschten elkaar telkens geluk,
+en daverend en herhaaldelijk klonk jubelend de naam van Montbars, als
+hun redder en bevrijder.
+
+Doch ook die triomf was nog niet voldoende voor den Admiraal, want zijn
+aartsvijand was hem ontsnapt, en juist om dien man was het hem te doen;
+hij besloot dus oogenblikkelijk een aanval te beproeven op de
+verschansingen van het Houtduifeiland. De vrijbuiters bestormden die
+met ongekende verwoedheid; zij dorstten naar Spaansch bloed, en wilden
+tot op den laatsten matroos van die vloot, die hun zooveel schrik en
+angst berokkend had, vernietigen.
+
+De Onder-Koning had den aanval voorzien en zich dus gehaast de noodige
+stellingen in te nemen tot het bieden van krachtdadigen wederstand. De
+botsing tusschen de vrijbuiters en de Spanjaarden was ontzettend, maar
+de Onder-Koning had met zooveel tact zijne soldaten op de gevaarlijkste
+punten post doen vatten, en de manschappen wisten zóó goed dat zij niet
+op genade hadden te hopen, dat zij met de grootste volharding stand
+hielden, zoodat de vrijbuiters ondanks al hunne verbittering, er niet
+in konden slagen de verschansingen te overmeesteren.
+
+Montbars zag dadelijk in dat het onmogelijk was door een bestorming de
+positie te forceeren, die door den vijand met al de kracht der wanhoop
+verdedigd werd, en achtte het noodig den terugtocht te gelasten en naar
+de booten te trekken na zware verliezen te hebben geleden, want bij
+dien aanval waren honderd twintig manschappen gedood of gewond.
+
+Ondanks de behaalde zegepraal en niettegenstaande de vernietiging der
+Spaansche vloot was de toestand der vrijbuiters niet veel gunstiger
+geworden, want nog altijd bevonden zij zich aan gene zijde der engte,
+die gepasseerd moest worden, om in volle zee te komen; en de
+Spanjaarden, behoorlijk verschanst op het Houtduifeiland, waren, dank
+zij het aanzienlijke getal hunner stukken, in staat ongestoord te vuren
+op de schepen al naar mate die mochten beproeven zich in de nauwe geul
+te wagen om het ruime sop te bereiken. Het lot van de vrijbuiters hing
+dus af van de bemachtiging van het fort, maar zij hadden reeds eene
+ernstige poging aangewend het te overmeesteren en waren daarin niet
+geslaagd hoeveel kracht ook door hen was ontwikkeld geworden.
+
+De geduchte nederlaag, ondervonden bij een plotselingen overval op de
+Spanjaarden, toen deze geacht konden worden nog geen vasten voet te
+hebben gezet in hunne posities, ontmoedigde hen dermate, dat de
+vroegere wankelmoedigheid weer de overhand verkreeg, waardoor schrik en
+ontsteltenis ontstond en zij begonnen te vreezen voor een goeden
+uitslag van de expeditie.
+
+Alleen Montbars wanhoopte niet; zijne kameraden mochten er bij hem op
+aandringen te trachten met den Onder-Koning in onderhandeling te komen,
+zij wilden hem zelfs machtigen den te Maracaïbo en te Gibraltar
+verkregen buit prijs te geven, hij sloeg geen acht op hunne vertoogen
+en smeekingen en bleef onverzettelijk bij zijn besluit om het fort te
+nemen en den doortocht stormenderhand te forceeren. Hij herinnerde aan
+de flibustiers hoe zij hem bezworen hadden hem in alles te zullen
+gehoorzamen en tot den laatsten man te strijden; spottend sprak hij
+over hunne wankelmoedigheid en op alles wat zij aanvoerden gaf hij
+steeds hetzelfde antwoord, dat zij aan hem hun lot hadden toevertrouwd,
+en dus niets anders hadden te doen dan stipt zijne bevelen op te
+volgen, zonder zich te bekommeren over de gevolgen, waarvoor hij, en
+hij alléén, verantwoordelijk bleef.
+
+Thans zullen wij opnieuw het woord afstaan aan Olivier Oexmelin, den
+waarheidlievenden en betrouwbaren ooggetuige aan wiens relaas wij reeds
+meer dan ééne bijzonderheid hebben ontleend.
+
+Toen Montbars de treurige ondervinding had opgedaan dat kracht noch
+geweld voor den doortocht kon baten, besloot hij weer tot list zijn
+toevlucht te nemen. Thans verzon hij er weer iets anders op. Daags na
+den mislukten aanval, deed hij toen het begon te dagen, met de booten
+van het eskader, een honderdtal vrijbuiters aan wal zetten buiten het
+bereik van het geschut van het fort, naar een plek bedekt met hoog gras
+en dicht struikgewas. Vervolgens moesten op zijn bevel, die
+flibustiers, na daar ter plaatse zich eenige uren verborgen te hebben
+gehouden, één voor één naar de booten terugkeeren, doch op Indiaansche
+manier over den grond kruipende, zoodat men hen niet van uit het fort
+gewaar kon worden. Waren zij aldus bij de booten gekomen dan moesten
+zij zich daarin plat uitstrekken, en die dan schijnbaar leege
+vaartuigen door een paar roeiers naar boord worden teruggebracht. Die
+zonderlinge manoeuvre, werd den ganschen dag voortdurend herhaald in
+het gezicht der Spanjaarden, om deze in den waan te brengen dat al de
+bemanningen waren ontscheept.
+
+En die list beantwoordde inderdaad aan de bedoeling. Misleid door dien
+valschen schijn, twijfelden de Spanjaarden er niet aan, dat de
+vrijbuiters voornemens waren den volgenden nacht van de landzijde op
+het fort een aanval te doen; zij verplaatsten dus hunne stukken en
+brachten die in batterij naar den bedreigden kant, waar zij al hun
+macht vereenigden, zoodat aan den zeekant alles bijna zonder
+verdediging bleef.
+
+Dit had Montbars juist verwacht, op die vergissing had hij gerekend, en
+met zijn gewone vaardigheid maakte hij zich dien misslag ten nutte. ’s
+Avonds tegen tien uur staken de booten vol gewapende manschappen van de
+schepen af en landden op den zandigen oever van het Houtduifeiland; de
+flibustiers sprongen ijlings aan wal, en deden op de verschansingen een
+onwederstaanbaren aanval, en tezelfder tijd heschen hunne schepen de
+zeilen en passeerden zonder eenige verhindering het kanaal, terwijl zij
+daarvan op een half kanonschot afstand dwars gehaald, op het fort
+telkens onafgebroken de volle laag deden neerkomen.
+
+Eerst nu werd eindelijk aan de Spanjaarden de krijgslist hunner
+vijanden duidelijk, en wilden zij met den meesten spoed de stukken weer
+in de vroegere positie brengen, om de bestorming der verschansingen te
+beletten, maar het was te laat en te vergeefs; de vrijbuiters toch
+waren reeds tot in hun midden gedrongen, hieven een woest
+krijgsgeschreeuw aan, of beter gezegd, brulden dit uit, en zwaaiden in
+dolle woede hunne wapens in de lucht. Er volgde tusschen belegeraars en
+belegerden een gevecht van man tegen man, een vreeselijke kampstrijd,
+doch waarvan de uitslag moest zijn ten voordeele van de vrijbuiters,
+dank zij de behendigheid en de oneindig grootere lichaamskracht waarin
+zij de Spanjaarden overtroffen. Toch bleven de Spanjaarden zich
+verdedigen met bewonderenswaardige dapperheid en volharding, gedreven
+door wanhoop en hun vast besluit hun leven op te offeren; zij weken
+niet terug dan pas voor pas, en vielen niet eer zij gedood werden;
+iedere duim gronds die door de flibustiers werd veroverd, kostte
+stroomen bloeds; de verbittering was thans van weerskanten even fel, en
+ieder begreep dat nu de leuze gold, sterven of overwinnen.
+
+Het volle maanlicht bescheen de plaats van het gevecht en maakte de
+worsteling nog afschuwelijker, daar zij de strijdenden in staat stelde
+hunne slagen des te zekerder te doen neerkomen. Ondanks zijn hoogen
+leeftijd verrichtte de Onder-Koning wonderen van dapperheid; het was of
+hij steeds overal en bij allen was, en hij moedigde de soldaten
+onophoudelijk aan zoowel door stem als door voorbeeld.
+
+Die ontzettende kampstrijd duurde bijna twee volle uren, steeds even
+verwoed, even hardnekkig, even volhardend, zonder dat noch bij de eene,
+noch bij de andere partij verzwakking merkbaar werd. Niemand zou hebben
+kunnen voorspellen hoe die afschuwelijke slachting zou eindigen, toen
+op eens boven alles uit de stem werd vernomen van Montbars, die een
+donderen „Voorwaarts!” deed hooren.
+
+Gevolgd door zijne dapperste kameraden, doet de vermaarde en zoozeer
+geduchte vrijbuiter een aanval op de dichtste drommen der Spanjaarden,
+en werpt omver, verslaat of verstrooit allen die hem in den weg staan.
+De flibustiers ontwikkelen al hunne kracht; de Spanjaarden beseffen dat
+zij verloren zijn, doch de wanhoop doet hen stand houden; zij vechten
+niet meer om te overwinnen, maar om met de wapens in de hand te vallen,
+daar zij den dood verkiezen boven de schande en de kwellingen der
+slavernij.
+
+Ziedend van woede doet Montbars zijn zwaard met felle slagen neerkomen
+tusschen de gelederen zijner vijanden, en roept met heesche stem
+telkens den hertog de Penaflor op, wien hij steeds trachtte op te
+sporen te midden van de verwarde strijders. De Onder-Koning beantwoordt
+die uitdaging van zijn tegenstander; wanhopend snelt hij met de
+grootste verbittering op hem toe en staat op het punt hem te naderen,
+toen hij zich op eens van achteren voelt aangegrepen, op den grond
+geworpen en ontwapend, terwijl Montbars die zich eindelijk vlak
+tegenover den hertog bevindt, stilstaat, brullende van woede en
+teleurstelling; zijn doodsvijand is de gevangene van Francoeur en
+Philippe d’Ogeron. Die twee jongelieden hadden zich, als bij afspraak,
+op den hertog geworpen en hem overweldigd.
+
+—Ach!—barstte Montbars, op niet weer te geven verwijtenden toon
+los.—Gij, gij, mijne getrouwsten, gij hebt mij van mijn wraak beroofd.
+
+—Toch niet,—gaf Philippe ten antwoord.—Wij hebben die in tegendeel voor
+je verzekerd.
+
+Francoeur sloeg de oogen naar den grond en voegde er bij:—Die man moet
+niet in het gevecht gedood worden.
+
+—Dat is waar,—bevestigde Montbars.—Bij den hemel, gij hebt gelijk! Zulk
+een dood zou voor hem te eervol zijn geweest! Ik dank je, jongens!
+
+De beide mannen wisselden een blik van verstandhouding, terwijl
+Montbars zich weder wierp daar waar de strijd het felste werd gevoerd.
+
+De val van den Onder-Koning werd dadelijk bekend, en was het sein tot
+de nederlaag der Spanjaarden; van dit oogenblik was hun tegenstand nog
+slechts onbeduidend en ongeregeld, en kort daarna werden de enkele
+dappere soldaten, die nog overgebleven waren, genoodzaakt de wapens
+neer te leggen.
+
+Twee uren later verlieten de schepen der flibustiers voor goed die
+verwoeste streken, en lieten daar slechts bouwvallen en lijken achter.
+
+
+
+’t Was feest te Port-de-Paix.
+
+Het eskader der flibustiers was in vollen triumf dáár teruggekeerd van
+die glorierijke expeditie naar Maracaïbo, en de bemanningen met
+schatten beladen waren ontscheept. Als naar ouder gewoonte onbezorgd
+voor den dag van morgen, hadden de Broeders der Kust zich dadelijk te
+buiten gegaan in de onzinnigste brasserijen, waarbij al die rijkdommen
+weer werden verspild, die hun zooveel inspanning, zooveel gevaren en
+ontberingen, zooveel bloed gekost hadden. Met uitzondering van den
+Onder-Koning, waren de Spaansche slaven opgesloten in tijdelijke
+gevangenissen, om later aan de inwoners en aan de boekaniers verkocht
+te worden. De hertog de Penaflor en enkele zijner officieren, die
+ongelukkig genoeg voor hen, niet in het laatste gevecht waren
+gesneuveld, werden gehuisvest in het verblijf van den Gouverneur, in
+afwachting van het losgeld, dat voor hen moest worden opgebracht.
+
+Er was een algemeene raadsvergadering der flibustiers belegd geworden,
+waarbij de heer d’Ogeron het voorzitterschap bekleed had. In die
+bijeenkomst bracht de plaatsvervanger des Konings in de eerste plaats
+hulde en dank aan Montbars, voor de uitnemende en schitterende wijze,
+waarop de expeditie door hem was bestuurd. Koel was die hulde door den
+Admiraal aangehoord, en door hem alleen het woord gevraagd om als een
+recht voor zich te eischen, dat de Onder-Koning aan hem zou worden
+overgeleverd. Tevergeefs had de heer d’Ogeron getracht tegen dien eisch
+in verzet te komen, want Montbars beriep zich op de wet der
+flibustiers, die naar hij aantoonde duidelijk en bepaald sprak, en daar
+ook de meerderheid der aanwezige vrijbuiters partij gekozen had voor
+den Admiraal, was de heer d’Ogeron wel genoodzaakt toe te geven. Hij
+had er zich dus aan onderworpen om den hertog ter beschikking te
+stellen van Montbars, doch onder voorwaarde dat aan hem als Gouverneur
+een uitstel van ééne week zou worden verleend, eer hij den gevangene
+uitleverde. Toen was Montbars op zijn beurt gedwongen geweest die
+voorwaarde aan te nemen, waarop hij zich verwijderd had met ingehouden
+toorn.
+
+Gedurende die week had de heer d’Ogeron herhaaldelijk geheime
+bijeenkomsten met zijn neef en diens vriend Francoeur gehad; en had
+zelfs aan den jongen man eene geheime zending opgedragen, zoodat sedert
+zes dagen niemand hem meer te Port-de-Paix had gezien. Ook Montbars
+scheen onzichtbaar geworden; hij had zich in zijn huis opgesloten,
+waarvan de toegang onverbiddelijk geweigerd werd zelfs aan zijne
+intieme vrienden, uitgezonderd twee hunner, met name Michel de Baskiër,
+en Luiwammes. Die uitzondering bevreemde niemand, want het was algemeen
+bekend dat zij beiden behoorden tot zijne oudste kameraden, en met hart
+en ziel aan hem gehecht waren. Eindelijk was de week, die door den heer
+d’Ogeron als uitstel bedongen was, ten einde, en op den morgen van den
+laatsten dag, liet de gouverneur Montbars, verwittigen dat hij gereed
+was den gevangene aan hem uit te leveren.
+
+Bij het ontvangen van dit bericht betrok het gelaat van den flibustier;
+hij vermoedde, dat er achter die schijnbare toegevendheid van den heer
+d’Ogeron een adder onder het gras schuilde. Zonder echter zijn
+achterdocht te laten blijken, verliet hij dadelijk zijn huis, en begaf
+zich naar de woning van den Gouverneur, door Michel den Baskiër, en
+door Luiwammes vergezeld. De heer d’Ogeron wachtte Montbars in zijn
+salon af, ontving hem daar met innemende beleefdheid en verzocht op
+hoogst gewonen toon dat hij hem zou volgen naar de kamer van den
+gevangene. Montbars sloeg een scherpen blik op het rondborstige en
+openhartige gelaat van den Gouverneur en zei:—Vergun mij één enkel
+woord.
+
+—Wel twee, als gij dat wenscht, waarde vriend,—ontving hij ten
+antwoord.
+
+—Gij noemt mij daar uw vriend, naar ik hoor, is het niet?—vroeg
+Montbars eenigszins wantrouwend.
+
+—Zeer zeker! Gij zijt dit immers, niet waar?—luidde de wedervraag.
+
+—Dat is zoo, mijnheer, ik ben dat. Het is u bekend niet waar dat de
+hertog de Penaflor mijn doodsvijand is?
+
+—Ja, dat is zóó.
+
+—Dan weet ge zonder twijfel ook dat ik voornemens ben mij op hem te
+wreken.
+
+—Dit verwachtte ik reeds, maar eveneens dat die wraak u waardig zal
+zijn.
+
+— Ge zult daarover straks kunnen oordeelen. Er wordt dus open spel
+tusschen ons gespeeld?
+
+—Bepaald, mijn vriend, reken daar op. Ge hebt thans vrijheid den
+gevangene met u te voeren, zoodra ge dit goedvindt. En ik stel mij voor
+dat dit alles is wat gij verlangt te weten. Is het niet zoo?
+
+—Juist! Laat ons dan gaan.
+
+—Kom mee!
+
+Montbars, steeds vergezeld door de beide flibustiers, volgde den
+Gouverneur. Zij liepen verscheidene vertrekken door, eindelijk deed de
+heer d’Ogeron de laatste deur open en trad Montbars een vertrek binnen
+waar de hertog de Penaflor zich bevond, doch de hertog was niet alleen;
+er was een talrijk gezelschap bij hem vereenigd. Dit gezelschap bestond
+uit de volgende personen: don Sancho de Penaflor, de zoon van den
+hertog, donna Clara, donna Juana, Francoeur, Philippe d’Ogeron, en iets
+meer achteraan, de mayordomo, Birbomono.
+
+Zoodra de hertog Montbars in het oog kreeg, stond hij op, naderde hem
+een paar stappen, groette ceremonieel, en sprak onmiddellijk zonder den
+ander tijd te laten het woord te nemen:—Met ongeduld werd gij door mij
+verwacht, mijnheer.
+
+—Zoo!—uitte Montbars met moeite, terwijl hij met fonkelenden blik al de
+aanwezigen monsterde. Daarop wendde hij zich tot den heer d’Ogeron om
+dien met bittere minachting toe te voegen:
+
+—Ik betuig u mijn dank, mijnheer, voor de zeer loyale manier waarop gij
+uw woord gestanddoet.
+
+—Een oogenblik geduld, mijnheer,—antwoordde de Gouverneur uiterst kalm.
+
+—Graaf,—sprak de hertog,—ik weet dat ik uw gevangene ben en ben gereed
+u te volgen, doch ik verzoek, eer gij overgaat tot de voltrekking der
+wraak die gij zeker voornemens zijt op mij te nemen, mij eenige
+oogenblikken toe te staan. Ik ben meer dan tachtig jaren oud, mijnheer,
+mijn leven kan dus niet meer van langen duur zijn,—gaf hij met droeve
+bitterheid te kennen,—en ik gevoel dat voor mij het uur tot
+boetedoening eindelijk aangebroken is.
+
+—Mijnheer,—antwoordde Montbars op somberen toon,—ik verlang verder
+niets meer van je te hooren. De man, die mij gedurende zijn gansche
+leven zonder gegronde redenen met een onverzoenlijken haat vervolgd
+heeft, de man, die mij zoo ontzettend heeft doen lijden, dat ik dit
+nooit kan vergeten, de man, die nu eindelijk door mij overwonnen en in
+mijn macht is, zal het niet gelukken om door een lafhartig en te lang
+verschoven berouw mijn gemoed te verteederen en voor medelijden
+toegankelijk te maken.
+
+Een koortsachtige gloed overtoog het gelaat van den hertog, die een
+droefgeestigen blik wierp naar zijn zoon; toen hernam hij met zachte
+stem.
+
+—Neen, mijnheer, het is geen lafhartig en te laat berouw waardoor thans
+mijn gedrag wordt geregeld. Thans, nu ik in uwe macht ben, bezielt mij
+tegen u dezelfde haat als vijfentwintig jaar geleden. Ik haat u even
+fel, en die haat zal mij bijblijven tot aan mijn jongsten snik.
+
+—O! Nu herken ik u weder!—viel Montbars uit.
+
+—Doch,—vervolgde de hertog, zonder op dien uitroep acht te geven,—eer
+ik mij in uwe handen stel, heb ik aan u in het bijzijn van allen die
+hier tegenwoordig zijn eene verklaring af te leggen.
+
+—Mijnheer,—werd door Montbars op waardigen toon aangemerkt,—ik begrijp
+niet welk recht de hier aanwezigen hebben om tegenwoordig te zijn bij
+de behandeling van zaken die uitsluitend ons persoonlijk aangaan.
+
+—Mijn vader heeft zich minder juist uitgedrukt, mijnheer,—meende de
+markies te moeten inbrengen,—vergun mij daarom eer wij verder gaan, ook
+om allen twijfel die mijn aanwezigheid alhier omtrent mijn bedoelingen
+zou kunnen geven, te verbannen, u vóór alles de verzekering te geven
+dat mijne aanwezigheid niet met de minste vijandige gezindheid jegens u
+in verband staat, integendeel verklaar ik gaarne en openlijk, niet
+alleen dat ik zekere verplichtingen aan u heb, maar tevens dat ik ware
+achting gevoel voor uw karakter.
+
+—Het zij zoo, mijnheer. Maar hoe meent gij dan uwe tegenwoordigheid
+hier te kunnen rechtvaardigen?
+
+—Bedenk, mijnheer, dat ik de zoon ben van den hertog de Penaflor. Is er
+nog eene andere rechtvaardiging noodig?
+
+—En ik,—voegde donna Clara er bij, die met gevouwen handen smeekend
+Montbars naderde,—laat ik u ook mogen toevoegen.... hij is mijn vader.
+
+—Hij heeft mij in mijne kindsheid verzorgd,—mompelde Francoeur, als
+antwoord op den vragenden blik van Montbars.
+
+De flibustier antwoordde niet, zijn voorhoofd betrok, zijn hoofd zonk
+op de borst. Al de aanwezigen wachtten in spanning, en eene doodsche
+stilte heerschte in de zaal.—Dus,—hernam Montbars met vaste stem:—Mijne
+vrouw, mijn zoon, mijne vrienden, gij allen vereenigt u om aan den
+leeuw zijn prooi te ontrukken! Gij allen dringt er bij mij op aan, dat
+ik afstand zal doen van mijn wraak, en toch is de hoop dat eenmaal dit
+verlangen zou worden vervuld, het eenige geweest dat mij al die jaren
+moed heeft gegeven om te blijven leven en te worstelen tegen de smart
+die mij verteerde. Ach! Wee, wee over mij, dat ik den moed miste mijn
+eigen bestaan te vernietigen, dien dag toen ik met een vreeselijken eed
+zwoer dat ik mij zou wreken! Ellendeling die ik ben, nu ik mij zwak
+gevoel tegenover al die tranen en smeekingen!...
+
+—Mijnheer,—viel de hertog in op trotschen toon.—Ik moet u opmerken dat
+ik u niet gesmeekt of gebeden heb.
+
+—Och, zwijg mijnheer,—riep Montbars uit.—Ziet gij dan niet, dat ik
+medelijden met je heb, en dat ik je vergiffenis schenk?
+
+—Mij vergiffenis schenken!—uitte de hertog.
+
+—Zwijg, zeg ik nog eens. Ja, ik schenk je vergiffenis omdat zij die je
+omringen goed en braaf zijn, en ik hen niet verantwoordelijk wil
+stellen voor je eerloos gedrag. Ik schenk je vergiffenis, omdat ik dit
+ook deed aan uwe dochter, die zich een oogenblik zwak heeft betoond. Ik
+schenk je vergiffenis ook omdat gij, ondanks al je pogingen, er niet in
+zijt geslaagd mijn zoon tot een nietswaardige te maken. Vertrek! Gij
+zijt vrij. Ik schenk je je losgeld zelfs kwijt. Markies, ik geef u uw
+vader terug.
+
+—O! Die beleedigingen zijn te verregaande!—viel de hertog uit.—Neem je
+in acht, mijnheer, want nog is tusschen ons niet alles uit, en duur zal
+ik je die smadelijke taal betaald zetten.
+
+Met innige verachting trok Montbars de schouders op en zei spottend en
+vernietigend:
+
+—Afgeleefde grijsaard, gij kunt thans niets kwaads meer uitrichten; al
+je duivelsche kuiperijen zijn ontmaskerd en verijdeld; zelfs weet ik
+alles omtrent dat ongelukkige jonge meisje, dat gij in mijn oogen
+ongetwijfeld voor het kind van je dochter wildet laten doorgaan,
+terwijl zij niet anders is dan dat van een uwer vertrouwdste bedienden,
+want al hare geboortebewijzen zijn in mijn bezit! Ga, gij zijt
+volslagen overwonnen, want gij blijft alléén staan, beladen met de
+verachting van allen, die je kennen. Ik zou geen heviger marteling noch
+harder kastijding voor je kunnen bedenken dan deze, om je je ellendig
+bestaan te laten voortslepen, waaraan gij je zoo krampachtig vastknelt!
+Gij zult dus leven, bedenk dit wel, omdat ik het je vergun en ook omdat
+ik het beneden mij acht mij verder op je te wreken daar gij te zwak
+zijt en geen macht genoeg meer bezit om den strijd tegen mij vol te
+houden.
+
+—Ellendeling! Ge zult sterven!—barstte de hertog los, en wierp zich met
+een dolk in de hand op Montbars, die hem dit wapen ontrukte, en het ver
+weg wierp, terwijl hij hem terugstootte en verachtelijk
+toebeet:—Vertrek, moordenaar!
+
+—Ach!—jammerde de hertog.—Weer overwonnen, nog eens overwonnen!
+
+—Ja!—hernam Montbars.—Weer en telkens overwonnen, omdat, ondanks al
+mijne gebreken en mijne fouten, God met mij is, en mij tegen je woede
+beveiligt.
+
+Doch de hertog hoorde die woorden niet; overvallen door stuipachtige
+trekkingen, wankelde hij en stortte in de armen van zijn zoon en zijne
+dochter. Plotseling was zijn gelaat geheel veranderd; koud zweet
+druppelde langs zijne slapen, zijne oogen met bloed beloopen, rolden
+verwilderd in de holten en zijn gansche lichaam schokte en trilde
+onrustbarend.
+
+—God!—mompelde hij met holle stem,—God! God! Altijd.... O! Ellendeling!
+Ellendeling!....
+
+Op eens vermande hij zich, ontsnapte aan de handen zijner kinderen, die
+hem tegen wilden houden, keek zijn vijand die onbeweeglijk en koel
+bleef staan, met de woede van een krankzinnige aan, naderde hem een
+paar stappen, hief den arm op, als om hem in het gezicht te slaan, en
+herhaalde met snijdende stem:
+
+—Vervloekt!... Wees vervloekt!....
+
+Maar machteloos viel zijn arm langs zijne zijde neer. Een nieuwe schok,
+nog heviger dan de vorige deed zijn gansche lichaam trillen, en hij
+viel, als een eik die door den bliksem wordt getroffen, vóór de voeten
+van Montbars die geen enkele beweging maakte om hem te ontwijken, en
+hem met opgeheven hoofd en een glimlach om de lippen had afgewacht.
+
+Men snelde naar den hertog toe om hem op te beuren, maar hij was reeds
+dood. Zijne trekken waren door den doodstrijd geheel vertrokken, maar
+de wijd geopende oogen behielden ook nog na zijn verscheiden dezelfde
+uitdrukking van onverzoenlijken haat, die aan het verbleekte gelaat van
+dezen doode een afschuwelijk en afgrijselijk voorkomen gaf.
+
+
+
+Twee maanden na al de gebeurtenissen die wij verhaald hebben, liep de
+logger de Meeuw met volle zeilen de haven van Dieppe binnen; op het dek
+van dien logger stonden acht personen, die de kusten van het dierbare
+vaderland met zoete ontroering begroetten. Die acht personen waren: de
+heer d’Ogeron, die naar Frankrijk terugkeerde daar koning Lodewijk XIV
+hem terug had geroepen, Montbars, of liever de graaf de Barmont, donna
+Clara, Philippe, donna Juana, don Gusman de Tudela, na Cigala en
+Birbomono.
+
+Philippe en donna Juana, sedert eenige weken door het huwelijk
+verbonden, gingen de wittebroodsweken op het oude kasteel van de graven
+de Barmont doorbrengen, bij Montbars en donna Clara wier hart, zoo
+langen tijd als verdoofd door al hun leed, weer begon te herleven en
+als te ontluiken, ook onder den invloed van het reine en onbewolkte
+geluk van de beide jongelieden.
+
+De heer d’Ogeron bracht den jongen graaf de Barmont, don Gusman, aan
+het hof, om hem voor te stellen aan hem, dien men toen reeds begon te
+noemen den Grooten Koning.
+
+Ondanks hunne voornemens om zich uit het woelige krijgsleven terug te
+trekken, ondanks al hunne plannen om in stilte hun geluk te genieten,
+zullen wij onze personen nog eens ontmoeten [18] onder die geduchte
+flibustiers van Tortue om hen opnieuw en onverbiddelijk te zien
+strijden tegen de Spanjaarden; want de toekomst behoort aan God, die in
+Zijne onbegrijpelijke en ondoorgrondelijke wijsheid, naar Zijn
+welbehagen over der menschen lotgevallen beschikt.
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Zie de Zeeschuimers, bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L.
+Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+[2] Zie het vorige deel „de Zeeschuimers” bij dezelfde Uitgevers de
+Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+[3] Ongeveer vier en twintig honderd gulden.
+
+[4] Tributor,—zoo iets als tolheffer.
+
+[5] Ongeveer vier maal honderd duizend gulden.
+
+[6] Zie „de Zeeschuimers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L.
+Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+[7] Zie „de Zeeschuimers” bij dezelfde uitgevers, de Erven J. L.
+Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+[8] Zie „de Boekaniers” en „de Zeeschuimers” bij dezelfde uitgevers de
+Erven J. L. Nierstrasz, te ’s Gravenhage.
+
+[9] Zie de „Boekaniers” bij dezelfde uitgevers de Erven J. L.
+Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+[10] Zie het volgende deel dezer Serie: „De Hacienda del Rayo”, bij
+dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+[11] Zie „de Boekaniers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L.
+Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+[12] Historisch.
+
+[13] Het verhaal van dit gevecht is streng historisch.
+
+Gustave Aimard.
+
+[14] Historisch.
+
+[15] Zie het volgende deel dezer Serie: „De Hacienda del Rayo”, bij
+dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+[16] Zie het volgende deel dezer Serie „de Hacienda del Rayo”, bij
+dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+[17] Zie „de Boekaniers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L.
+Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+[18] Zie het volgende deel dezer serie „de Hacienda del Rayo” bij
+dezelfde uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78354 ***