summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/LordLister-0039-utf8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'LordLister-0039-utf8.txt')
-rw-r--r--LordLister-0039-utf8.txt2786
1 files changed, 2786 insertions, 0 deletions
diff --git a/LordLister-0039-utf8.txt b/LordLister-0039-utf8.txt
new file mode 100644
index 0000000..af9c324
--- /dev/null
+++ b/LordLister-0039-utf8.txt
@@ -0,0 +1,2786 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77573 ***
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 39 DE KRANKZINNIGE VAN HANWELL.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE KRANKZINNIGE VAN HANWELL
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+AFGELUISTERDE GEHEIMEN.
+
+
+In Goldhawke Road stond een onaanzienlijk klein huis midden in een
+tamelijk grooten tuin, waarin de heerlijkste bloemen geurden.
+
+Het huisje scheen zich daar in het westen van Londen, te midden van
+fraaie villa’s en huizen, die wel kasteelen geleken, niets op zijn
+gemak te gevoelen. Somber staken de grauwe muren uit het sappige groen
+op.
+
+Hoe onooglijk dat huisje er uitwendig ook uitzag, zulke kostbare
+schatten verborg het in zijn binnenste.
+
+De eigenaar was een Hollander, Van Brixen, die meer dan tien jaar
+geleden het stuk grond kocht en het had den man heel wat moeite gekost
+om te worden toegelaten tot de goede gezelschapskringen, daar men
+allerlei vreemde dingen fluisterde omtrent het verkrijgen van zijn
+geweldigen rijkdom.
+
+Maar ten slotte had toch het goud gezegevierd over alle mogelijke
+vooroordeelen.
+
+Nu straalden, tot aan het dak, alle vensters in helderen glans en de
+nieuwsgierigen, die gelokt door de walsmelodieën voor het hek bleven
+staan, konden in de ruime vertrekken van het parterre-gedeelte een
+feestelijk uitgedoste menigte zich zien bewegen.
+
+De rijke Hollander had een tamelijk groot gezelschap uitgenoodigd en
+allen waren gaarne gekomen, want men wist, dat Van Brixen steeds
+uitnemend zorgde voor de gezelligheid zijner gasten.
+
+Heden had de heer des huizes, meer nog dan gewoonlijk, alles in het
+werk gesteld om het feest te doen slagen, want hij wilde de verloving
+van zijn dochter Antje met een handelsvriend, den heer José Fournier,
+een Franschman van geboorte, vieren.
+
+De bruidegom was jaren geleden in Londen komen wonen en leidde in deze
+stad een vroolijk jonggezellenleven.
+
+Vandaag gloeide de kleine, beweeglijke Franschman van trots. Een
+onbeduidend voorval had hem eenige dagen geleden in kennis gebracht met
+een heer uit de hoogste aristocratische kringen van Zuid-Frankrijk.
+
+Hij zat in een der voornaamste café’s van Londen en aan een tafeltje
+vlak bij het zijne zat een elegant heer van omstreeks
+vijf-en-dertigjarigen leeftijd, die zich in het Fransch onderhield met
+een veel jongeren heer.
+
+Fournier, wiens scherp oog de voorname manieren der heeren niet
+ontgingen, werd door nieuwsgierigheid geprikkeld, toen hij Fransch
+hoorde spreken.
+
+Hij trachtte herhaaldelijk kennismaking aan te knoopen, door een krant
+te vragen, die de vreemdeling had terzijde gelegd, om wat vuur te
+verzoeken voor zijn sigaar en op alle mogelijke manieren de aandacht op
+zich te vestigen.
+
+Het toeval kwam hem te hulp.
+
+Toen de beide heeren het café wilden verlaten, nam de oudste heer uit
+vergissing de kostbare pels van Fournier om deze aan te trekken.
+
+Deze maakte nu van de gelegenheid gebruik en maakte den vreemdeling
+allerbeleefdst opmerkzaam op zijn vergissing.
+
+Natuurlijk haastte de vreemdeling zich, zijn verontschuldigingen aan te
+bieden en in het gesprek, dat zich thans ontspon, stelde hij zich voor
+als markies d’Armand en zijn vriend als monsieur Bellon uit Bordeaux.
+
+In zijn groote zucht naar voorname kennissen klampte Fournier zich aan
+den markies vast.
+
+Deze van zijn kant, scheen het niet meer dan beleefd te vinden, dat hij
+de vergissing weer eenigszins goed maakte, het gesprek werd
+vriendschappelijker en nog dienzelfden avond vertelde Fournier van zijn
+„intiemen” vriend, den markies d’Armand.
+
+Hoewel hij doorgaans het café eerst om vijf uur des middags bezocht,
+ging hij er den volgenden dag reeds om één uur heen, in de stille hoop,
+er den markies te zullen aantreffen.
+
+Hij moest in ieder geval tot vijf uur geduld blijven oefenen, maar toen
+ook werd zijn wachten beloond, want inderdaad betrad het tweetal weder
+de café-zaal.
+
+Terstond begroette de Franschman den markies op zeer luiden toon.
+
+Tot zijn groote vreugde ging het tweetal bij hem aan het tafeltje
+zitten en het drietal was al heel gauw in een levendig gesprek
+gewikkeld.
+
+De vreugde over de nieuwe voorname kennismaking had Fournier zoozeer in
+verrukking gebracht, dat hij den vorigen nacht den slaap niet had
+kunnen vatten.
+
+Rusteloos had hij op zijn legerstede gelegen en overwogen hoe hij wel
+het meest van dit buitenkansje kon profiteeren.
+
+Hij had het volgende bedacht:
+
+Over eenige dagen zou hij de verloving vieren met Antje, de dochter van
+zijn vriend Van Brixen.
+
+Dit feit had voor hem veel aanlokkends, want in de eerste plaats was
+zijn bruid een mooi meisje en voorts kreeg zij een aanzienlijken
+bruidsschat mede.
+
+En hoe heerlijk zou het wezen, als de voorname landsman door zijn
+tegenwoordigheid het feest zou opluisteren?
+
+Ja, zoo moest het zijn!
+
+Hij moest den markies zien over te halen om het feest, dat Van Brixen
+gaf, te bezoeken.
+
+Terwijl hij zich thans in het café met de vrienden onderhield en zijn
+best deed om zich van den aardigsten kant te toonen, kwam hij met zijn
+plan voor den dag.
+
+En tot zijn groote vreugde was er niet al te veel overredingskracht
+voor noodig om den markies en zijn vriend te bewegen te zullen komen.—
+— —
+
+Van Brixen, die hoopte door de nieuwe kennissen van zijn schoonzoon in
+de hoogere kringen te worden toegelaten, was eveneens zeer verheugd en
+had de vreemdelingen vol trots aan het overige gezelschap voorgesteld.
+
+Onder een groep dichte palmen stond een bank van Japansch riet, die een
+aangenaam plaatsje bood aan allen, die tijdelijk het dansgewoel wilden
+ontvluchten.
+
+Deze wintertuin was inderdaad een kijkje waard.
+
+Zeldzame Oostersche planten, die voor groote sommen waren aangekocht,
+gaven het geheel een sprookjesachtigen aanblik.
+
+Op de bank van Japansch riet zaten twee heeren.
+
+De oudste van hen droeg in het knoopsgat van den eleganten rok den
+rooden strik van het kruis van het Legioen van Eer.
+
+De fijne, witte rechterhand aan wier pink een kostbare brillant
+glinsterde, streek over den welverzorgden puntbaard, de mond vertrok
+zich tot een verveeld gapen en hij sprak tot zijn jongeren begeleider:
+
+„Weet je, Charly, ik heb grooten lust om heen te gaan.—Dit sterk
+gemengde gezelschap is toch echt vervelend. Ik had zoo gehoopt, hier
+allerlei interessante dingen te vinden, daar het verleden van onzen
+gastheer en ook dat van vriend Fournier allerlei geheimen moet
+verbergen, maar ik zie mij teleurgesteld.”
+
+De heer, die met Charly werd toegesproken, wilde juist antwoorden, toen
+zijn vriend hem met een snelle beweging het zwijgen oplegde en met de
+rechterhand naar de deur wees, die uit de balzaal in den wintertuin
+leidde.
+
+Door die deur waren juist twee heeren binnen getreden, die de palmgroep
+naderden, in welker schaduw de beide vrienden zaten.
+
+Naast een klaterende fontein bleven zij staan en de kleine, bewegelijke
+Franschman sprak tot zijn vriend en toekomstigen schoonvader op
+halfluiden, opgewonden toon:
+
+„Neen, Geert, dat doe ik niet!”
+
+Van Brixen legde zijn hand op den arm van den Franschman en antwoordde
+met een vette stem:
+
+„Maar Jean, wees toch verstandig! Twee oude vrienden als wij....... Je
+kent mij toch— —”
+
+„Ja, juist omdat ik je ken”, antwoordde Fournier, „juist daarom blijf
+ik op mijn stuk staan. Juist omdat ik je ken, verlang ik de
+vijftigduizend pond op zijn laatst op den dag vóór de bruiloft.”
+
+„Maar dat is toch onzin, Jean!—Ik vind het best, dat je op den dag voor
+de bruiloft geld krijgt, maar dan de twintigduizend pond, die als
+bruidsschat zijn bestemd. Het andere— —”
+
+„Och wat, om het „andere”, zooals gij het belieft te noemen, is het
+juist te doen. Denk je misschien, dat ik er op gesteld ben, voor die
+ellendige twintigduizend je dochter te nemen? Neen, ik zou willen, dat
+we nu eindelijk eens tot een vergelijk komen. Als ik mijn leven van
+jonggezel opgeef, wil ik ook weten, waarom ik het doe!”
+
+Van Brixen lachte een beetje gedwongen.
+
+Toen sprak hij op jovialen toon:
+
+„Kom, wordt nou asjeblieft niet sentimenteel! Het huwelijk zal jou niet
+erg uit je gewone doen halen.”
+
+De kleine Franschman keek zijn vriend doordringend aan en sprak op
+korten, scherpen toon:
+
+„Wil je doen, wat ik voorstel, ja of neen?”
+
+Van Brixen zuchtte diep.
+
+Toen zeide hij:
+
+„Als jij, ouwe bloedzuiger, niet anders wilt, dan vooruit maar!”
+
+„Afgesproken! Ik wist het wel, Geert, dat je verstandig zoudt zijn,
+maar je hebt niet de minste reden om mij een bloedzuiger te noemen.”
+
+De kleine Franschman had den Hollander de rechterhand toegestoken en
+deze sloeg er in met weemoedig gebaar.
+
+Toen gingen de beide „mannen van eer” arm in arm naar de balzaal terug.
+
+Markies d’Armand had met stijgende belangstelling geluisterd naar het
+tweegesprek.
+
+Zijn verstandige oogen volgden de zich verwijderende heeren en toen
+deze in de balzaal waren verdwenen, sprak hij tot zijn vriend:
+
+„Nu heeft het toeval ons voor eenige interessante raadsels geplaatst.
+Onze zegslieden hadden dus volkomen gelijk toen zij beweerden, dat die
+Hollander en zijn vriend samen gewichtige geheimen hebben. Voor niets
+betaalt men geen dertigduizend pond.”
+
+„Dan blijven we hier zeker nog wat?” vroeg de jongste van het tweetal.
+
+„Ik denk het wel.”
+
+„Zullen we naar de zaal teruggaan?”
+
+„Ik blijf liever hier, want ik vermoed, dat deze klaterende fontein mij
+nog meer geheimen zal verraden. Als jij naar de feestzaal terug wilt
+gaan, Charly....”
+
+De markies scheen juist te hebben gezien, want plotseling ging een
+kleine deur open, die van het park naar den wintertuin leidde en twee
+jonge meisjes traden het plantenhuis binnen.
+
+De fontein scheen een geweldige aantrekkingskracht uit te oefenen op
+alle binnentredenden, want ook zij schreden langzaam er heen en gingen
+in een nis zitten.
+
+Een lachje vloog over het gelaat van den markies en hij sprak tot zijn
+vriend:
+
+„Als die bekoorlijke dametjes ook geheimen hebben, zullen deze wel van
+heel wat onschuldiger aard zijn!”
+
+„Ach, Maud, ik ben zoo diep ongelukkig!”
+
+De oudste der beide jonge meisjes slaakte deze verzuchting en ze boog
+haar hoofdje, dat een schat van blonde vlechten torste, naar den
+schouder van haar vriendin.
+
+Deze was ongeveer negentien jaren.
+
+Zij was van gewone grootte. Haar figuur kon men bijna te slank noemen
+en haar fijn besneden gelaat vertoonde een voor haar leeftijd ongewoon
+ernstige uitdrukking.
+
+Zij had den arm om haar vriendin geslagen en sprak met een diepe,
+welluidende stem:
+
+„Maar Antje, doe het dan niet! Niemand kan je toch dwingen!”
+
+„Je kent mijn vader niet. Wat hij wil, moet gebeuren. Maar voordat ik
+dien ellendeling trouw, spring ik liever met Fred in het water.”
+
+In haar opwinding was de dochter des huizes opgestaan en nu stond zij
+daar, den rechterarm tegen den stam van een palm geleund, in half
+trotsche, half wanhopige houding, de linkerhand, waarin zij een zakdoek
+hield, tegen de oogen gedrukt.
+
+Maud, die meer beslist optrad dan haar vriendin, sprak op verwijtenden
+toon:
+
+„Maar Antje, blijf toch bedaard! Als iemand je zoo eens kon zien!—Wij
+zullen er wel een weg op vinden! Je moet je nu beheerschen en mee gaan
+naar de gasten!”
+
+Haar vriendin troostend als een klein kind, troonde zij het jongemeisje
+mee naar den ingang der zaal.
+
+„Bravo!—Dat meisje staat mij aan,” zeide de markies. „Die treedt flink
+op en handelt kranig. Wat zou je er van denken, Charly, als gij die
+kleine miss eens het hof gingt maken en tevens trachttet te vernemen,
+wie „Fred” is, met wien die arme Antje zich wil verdrinken?”
+
+„Als je er een bedoeling mee hebt, wil ik het graag doen!”
+
+„Ja, zeker heb ik dat. Onze gastheer en zijn waarde vriend schijnen wel
+de moeite van nauwkeurige waarneming waard. Ik geloof, dat hier iets
+voor ons te doen is.—Jij belast je dus zoo’n beetje met de kleine Maud
+en tracht een en ander te hooren van Fred. Maud is een mooi en lief
+meisje, die taak zal je dus niet al te zwaar vallen”, voegde markies
+d’Armand er glimlachend aan toe.— —
+
+Charly ging naar de balzaal om zich van zijn opdracht te kwijten.
+
+De markies bleef nog eenige oogenblikken op de bank zitten.
+
+Hij scheen over iets na te denken.
+
+Eindelijk stond hij op en begaf zich eveneens naar de balzaal.
+
+Op zijn gelaat lag een sarcastisch glimlachje en op half luiden toon
+mompelde hij:
+
+„Raffles als de beschermengel van een paartje, dat aan ongelukkige
+liefde lijdt—wel, dat is weer eens iets anders!— —”
+
+Toen mengde hij zich onder de dansenden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE HANDTEEKENING.
+
+
+„Het is net zooals ik gedacht heb, Charly”, zei markies d’Armand, die
+er heden merkwaardig veranderd uitzag.
+
+Van het elegante puntbaardje was niets meer te zien en zijn rechterhand
+draaide aan het kleine snorretje.
+
+Lord Lister bewoonde, onder den naam van markies d’Armand, tijdelijk
+met zijn vriend drie ineenloopende kamers in een groot hotel in de City
+van Londen.
+
+Hij had zich gemakkelijk in een stoel gevleid en de rookwolkjes van
+zijn sigaret stegen naar boven, terwijl hij luisterde naar wat zijn
+vriend hem vertelde.
+
+„Natuurlijk zal ik alles aanwenden om de beide kerels te straffen,
+zoodat ze eeuwig aan mij zullen blijven denken.”
+
+De lord scheen zeer opgewonden te zijn, toen hij deze woorden uitte.
+Zijn voorhoofd lag in diepe plooien en hij wierp de rest van zijn
+sigaret met een onwillig gebaar in het aschbakje.
+
+Toen stond hij op en liep de kamer met groote passen op en neer.
+
+Charly had juist de laatste onbetwistbare bewijzen bijgebracht, dat de
+Hollander, Geert van Brixen, al sinds een menschenleven zijn reusachtig
+fortuin had verworven met den handel in blanke slavinnen.
+
+Zijn vriend Jean Fournier stond hem trouw ter zijde in dit vuile werk,
+maar ook deze was door Van Brixen bestolen en bedrogen, die nu den
+lastigen man door het huwelijk met zijn dochter den mond wilde snoeren.
+
+Hij scheen zich hierin te hebben bedrogen, want Fournier was met de
+bruidsgift van 20,000 pond niet tevreden, doch verlangde op den
+bruiloftsdag nog 30,000 pond extra.
+
+Van Brixen zou zich geen oogenblik hebben bedacht, den vrijer af te
+wijzen, als hij bovendien geen ernstige reden had gehad om zijn dochter
+zoo gauw mogelijk uit huis te krijgen.
+
+Van Brixen, een man van 63-jarigen leeftijd, was tot over de ooren
+verliefd op een Russin, Tatjana Miroff.
+
+Zij was operette-zangeres en Van Brixen had haar in Londen leeren
+kennen.
+
+Tatjana was niet jong meer, hoewel zij nog zeer voordeelig uitkwam
+naast den grijzen Van Brixen, die er nog ouder uitzag dan hij werkelijk
+was.
+
+Zij was achter in de dertig, had een opvallend groote gestalte en had,
+met de wilskracht van vrouwen op dien leeftijd, al haar hoop gevestigd
+op Van Brixen, die haar een schitterend bestaan kon verschaffen.
+
+Met allerlei vrouwelijke kunstgrepen wist zij den dwaas zoover te
+brengen, dat hij haar beloofde, met haar een reis om de wereld te maken
+en eindelijk vervulde hij haar wensch en werd de dochter het huis
+uitgezonden.
+
+Antje, die de verhouding van haar vader tot de Russin begreep, had
+zich, door haar minachtende houding, den toorn der vrouw op den hals
+gehaald.
+
+Al deze bijzonderheden was Charly te weten gekomen, eveneens dat het
+jonge meisje zich in stilte had verloofd met een jong koopman—Fred
+Herbes.
+
+„Hebt ge reeds een middel gevonden, hoe de schurken gestraft kunnen
+worden?” vroeg Charly.
+
+Lord Lister staakte zijn wandeling en keek zijn vriend ernstig aan; een
+lachje verscheen op zijn gelaat en met een zegevierenden blik sprak
+hij:
+
+„Ja, Charly, zij zullen allebei hun straf krijgen en vooral Van Brixen
+op een manier, zooals nog nooit een schurk gestraft werd.”
+
+„Wat ben je van plan?” vroeg Charly.
+
+John Raffles maakte echter een afwerende beweging en antwoordde:
+
+„Laat dat voorloopig mijn geheim blijven! Nu mogen wij echter geen tijd
+verliezen, want Mr. Fournier zal nog heden zijn straf krijgen.”
+
+Hij zette zijn vriend zijn plan uiteen.
+
+Charly vond het uitstekend en spoedig had hij zich zoo verkleed, als
+dat noodig was voor de truc, die Lord Lister voorhad.
+
+Niemand zou in den chauffeur, wiens gelaat gedeeltelijk was verborgen
+achter een grooten stofbril en wiens kin was omgeven door een blonden
+baard, Charly Brand hebben herkend.
+
+John Raffles keek peinzend voor zich uit.
+
+Toen keek hij op zijn horloge en fluisterde:
+
+„Het wordt tijd!”
+
+Een poosje hield hij zich bezig met zijn toilet voor een kleinen
+driedubbelen spiegel en toen hij dien eindelijk in een handkoffer
+wegborg, samen met een kistje, dat naast hem had gestaan, was het
+kleine snorretje van Lord Lister verdwenen en hijzelf veranderd in
+Markies d’Armand met een ringbaard.
+
+Hij schoof den grendel terug van de deur, welke hij had afgesloten,
+toen Charly de kamer had verlaten. Maar hij verliet de kamer nog niet.
+
+Markies d’Armand scheen iemand te verwachten, want hij keek
+herhaaldelijk op zijn horloge.
+
+Het duurde niet lang of een kellner bracht het visitekaartje van een
+heer, die den markies wenschte te spreken.
+
+Dat moest wel de verwachte zijn, want de markies wierp een vluchtigen
+blik op het kaartje en zei terstond:
+
+„Laat dien heer binnen komen!”
+
+De kellner ging heen en enkele oogenblikken later trad monsieur
+Fournier de kamer binnen.
+
+Hij was hoogst elegant gekleed in visite-toilet. In zijn knoopsgat
+droeg hij een camelia. Hij scheen in uitstekend humeur te zijn.
+
+De markies liet zijn blik langs de figuur van den bezoeker glijden.
+
+Glimlachend sprak hij:
+
+„Wel, m’n beste vriend, als ik niet wist, dat ge op het punt staat om
+te trouwen, zou ik denken, dat ge aanzoek gingt doen.”
+
+„Het is bijna hetzelfde, waarde markies,” antwoordde de Franschman met
+een slim knipoogje.
+
+Daarna deelde hij den luisterende mede, dat hij besloten had om aan den
+vooravond van zijn bruiloft afscheid te nemen van zijn jongelingsleven.
+
+„Het zal een prachtig feest worden”, besloot hij zijn geestdriftig
+verhaal, „ik zeg u, er zijn prachtige vrouwen bij en ik zou het mij tot
+een eer rekenen als ik u, markies, als mijn gast zou mogen beschouwen.”
+
+„Ik ben helaas....” begon de genoodigde zijn antwoord, toen de
+Franschman, die dacht een domheid te hebben begaan, snel inviel:
+
+„Natuurlijk zal het een eer voor mij zijn, ook uw vriend, Mr. Bellon,
+te kunnen begroeten.”
+
+„Mijn vriend kan van deze allervriendelijkste uitnoodiging geen gebruik
+maken, daar hij voor eenigen tijd op reis is. En ik heb helaas reeds
+mijn woord gegeven.”
+
+Fournier zag er heel ongelukkig uit na deze woorden en vroeg toen op
+bescheiden toon:
+
+„Zoudt ge zelfs niet voor een oogenblikje kunnen komen? Wij blijven
+heel lang bijeen.”
+
+De markies sprak glimlachend:
+
+„Zeker wil ik niets beloven, maar als ge het niet erg vindt, dat ik
+laat kom, zal ik misschien nog verschijnen!”
+
+„Heel graag!”
+
+„En laat ons nu naar uw schoonvader gaan om de financieele kwestie in
+orde te maken, waarbij gij mijn tegenwoordigheid hebt gevraagd.”
+
+„Met groot genoegen. Ik dank u.”
+
+„Tot uw dienst.”
+
+De beide heeren liepen naar de deur, toen de markies plotseling bleef
+staan en op luchtigen toon vroeg:
+
+„Juist, dat is ook zoo! Ge wilt in onze club worden opgenomen!”
+
+De oogen van den Franschman schitterden.
+
+Zijn gestalte scheen grooter te worden en in gespannen aandacht
+luisterde hij.
+
+„Ik heb reeds met het bestuur gesproken. Ge moet uw verzoek
+schriftelijk indienen. Ik heb reeds een copie voor u opgemaakt, die ge
+nog slechts behoeft te onderteekenen, dan kan ik ze hedenavond nog in
+de club afgeven.”
+
+De markies was bij deze woorden weer naar de schrijftafel gegaan en had
+een portefeuille te voorschijn gehaald, waaruit hij een papier kreeg.
+
+Dit legde hij voor Fournier neer.
+
+Deze nam de pen en wilde het papier onderteekenen, toen de markies zijn
+hand vasthield en met een glimlachje sprak:
+
+„Neem me niet kwalijk, beste vriend, dat ik je opmerkzaam maak op een
+kleinigheid, die gij inderdaad hebt over het hoofd gezien. In onze club
+worden de zeden en gebruiken uit de groote wereld met pijnlijke
+nauwkeurigheid gadegeslagen. Zooals ge toch zeker wel weet en slechts
+per vergissing over het hoofd hebt gezien, zet men zijn onderteekening
+steeds op de derde zijde van een velletje papier.”
+
+Fournier haastte zich te verzekeren, dat hij dit gebruik, dat hij
+natuurlijk kende—hoewel hij zich met den besten wil van de wereld niet
+kon herinneren, ooit zooiets gehoord te hebben—slechts inderhaast had
+vergeten en hij schreef zijn naam op het derde kantje.
+
+Uit de oogen van den markies, die achter den schrijver stond, schoot
+een zegevierende blik, toen vouwde hij het papier dicht, stak het in
+den zak en zei:
+
+„Zoo, nu kunnen we meteen naar den notaris gaan.”
+
+„Naar den notaris?”
+
+De Franschman vroeg het op verlegen toon.
+
+„Zeker, naar den notaris; ge weet toch zeker wel, dat iedere
+onderteekening bij zoo’n verzoek om te worden opgenomen, door den
+notaris moet worden bekrachtigd?”
+
+Fournier was heelemaal in de war.
+
+Hij beijverde zich echter om zijn voornamen vriend terstond te
+verzekeren, dat ook dit hem natuurlijk wel bekend was.
+
+Toen de beide heeren in de auto plaats namen, sloeg de chauffeur
+groetende aan.
+
+De markies noemde het adres van een notaris en nu ging het in suizende
+vaart verder.
+
+Nadat hier de noodige formaliteiten waren vervuld, beval de markies
+zijn chauffeur om naar de woning te rijden van Mr. Van Brixen in
+Goldhawke Road.
+
+De Franschman straalde.
+
+Hij groeide in het bewustzijn, naast een echten markies de straten van
+Londen te kunnen doorkruisen.
+
+Als hij had vermoed, dat het verzoek tot opname met een vluchtigen inkt
+was geschreven, die reeds na twee uren weer vervloog, zonder een spoor
+achter te laten, dan zou zijn humeur wel zijn veranderd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ONGELUK.
+
+
+Van Brixen vond het niets prettig zijn schoonzoon in gezelschap van den
+markies bij zich te zien.
+
+Hij wist, dat heden, op den dag vóór het huwelijk, Fournier zou
+verschijnen, om de 50,000 pond in ontvangst te nemen en had gehoopt,
+zijn medeplichtige desnoods door dreigementen, met minder te kunnen
+afschepen.
+
+Nu zag hij zijn plan verijdeld en wilde daarom de betaling uitstellen.
+
+Fournier echter verklaarde, dat hij den markies had verzocht mede
+tegenwoordig te zijn, wat deze met lachend gezicht bevestigde.
+
+Daarom bleef hem niet anders over dan in den zuren appel te bijten en
+Fournier de volle som in klinkende munt en papiergeld uit te betalen.
+
+Deze gaf, zooals het behoorde, een kwitantie van het ontvangen bedrag
+en verzocht den markies nog, het document als getuige te onderteekenen,
+waartoe deze zich dan ook bereid verklaarde.
+
+Daar Fournier de geheele zaak nu had afgehandeld, was het bezoek weldra
+afgeloopen, zonder dat de „gelukkige bruidegom” van 54 jaar ook met een
+enkel woord naar zijn bruid had geïnformeerd.
+
+Toen zij weer plaats hadden genomen in de auto, fluisterde de laatste
+zijn chauffeur toe:
+
+„Alles in orde, nu komt het er op aan!”— —
+
+Intusschen was de lucht, die eerst zoo helder was geweest, bewolkt
+geworden, de beruchte Londensche mist kwam op en een fijne regen viel
+neer.
+
+Elke minuut werd de lucht dikker en men kon bijna geen hand voor de
+oogen zien.
+
+Reeds bijna een half uur vloog de auto voort.
+
+Fournier werd onrustig en sprak tot den markies, die een sigaret
+rookend in de kussens achterover leunde:
+
+„Maar, mijn waarde, zijn wij nu nog niet bij de Engelsche Bank?”
+
+Schertsend antwoordde deze:
+
+„Mijn gezelschap schijnt u te vervelen!”
+
+Natuurlijk deed Fournier zijn best, het tegendeel te verzekeren, maar
+toch wierp hij van tijd tot tijd een blik door de raampjes naar buiten.
+
+Dit hielp echter niet veel, want men zag alleen onduidelijke schaduwen
+voorbijvliegen, waarvan de omtrekken niet te onderscheiden waren.
+
+Toen weer een kwartier was voorbijgegaan, zonder dat men het einddoel
+had bereikt, kon de Franschman zijn onrust niet meer verbergen.
+
+„Ik weet niet, markies, maar ik ben bang, dat uw chauffeur zich
+vergist.”
+
+„Maar dat is onmogelijk,” antwoordde deze, terwijl hij echter
+tegelijkertijd een teeken gaf om halt te houden.
+
+De auto stond stil en markies d’Armand vroeg zijn chauffeur, waar zij
+nu eigenlijk waren.
+
+Deze moest bekennen, dat hij dit niet wist.
+
+In de verte was een gebouw zichtbaar en men besloot, daarheen te rijden
+om opheldering te krijgen.
+
+Toen zij daar waren aangekomen, klom de chauffeur van den bok en kwam
+weldra terug met het bericht, dat dit gebouw—het krankzinnigengesticht
+van Hanwell was.
+
+„Daar moest jij noodig in”, beet de markies zijn chauffeur toe, „nu zoo
+gauw als je kunt terug!”
+
+De bestuurder moest zich in den mist vergist hebben en was in
+westelijke richting gereden, in plaats van in oostelijke, langs het
+Hydepark.
+
+De markies verontschuldigde zich over de onoplettendheid van zijn
+chauffeur.
+
+Zijn gast antwoordde beleefd, dat de kleine vertraging niets te
+beteekenen had, maar zijn zuur gezicht logenstrafte zijn woorden.
+
+Weldra vertelde hij dan ook in vertrouwen, dat de kleine Loulou, zijn
+tegenwoordige vlam, hem zeker een geweldige scène zou maken als hij
+heden op het afscheidssouper te laat zou komen.
+
+„Geloof mij, waarde markies, ik ben mijn leven niet zeker. Gij kunt u
+die kleine duivelin niet voorstellen en dan vooral nu, nu ik toch al
+zooveel moeite moet doen om haar in een goed humeur te houden.”
+
+Markies d’Armand verzekerde opnieuw, hoezeer hij het voorgevallene
+betreurde en juist wilde hij den chauffeur tot nieuwen spoed aanzetten,
+toen men een eigenaardig geluid hoorde, de auto draaide om zijn as rond
+en—stond stil.
+
+Nu was goede raad duur.
+
+Nergens was een voertuig te ontdekken en men kon zelfs geen enkel huis
+onderscheiden.
+
+De kleine Franschman, wiens ongerustheid tot het uiterste was gestegen,
+sprong het eerst uit de auto om te zien wat er was voorgevallen.
+
+Een ongeluk.— — — —
+
+Nauwelijks kon hij zijn woede bedwingen en in ruwe woorden schold hij
+op den chauffeur.
+
+Daar deze verklaarde, dat de schade spoedig hersteld zou zijn, besloot
+men weer in de auto plaats te nemen, daar de neerstroomende regen het
+verblijf in de open lucht bijna onmogelijk maakte.
+
+Ondanks den ijver van den chauffeur scheen de reparatie veel tijd in
+beslag te nemen, want er was reeds meer dan een kwartier verloopen en
+nog steeds stond de auto op dezelfde plaats.
+
+Eindelijk, na nog een vijftal minuten, die den Franschman zeer lang
+vielen, zette de auto zich puffend in beweging.
+
+De markies was verontwaardigd over de vertraging en verzocht Fournier,
+geheel en al over hem te willen beschikken.
+
+„Dan zou ik u vriendelijk willen verzoeken, mij onmiddellijk naar de
+woning van de kleine Loulou te laten rijden. Ik mag om geen enkele
+reden langer wegblijven en kan het geld vandaag niet meer op de Bank
+deponeeren.”
+
+De markies had door de kleine spreekbuis den chauffeur het adres
+opgegeven en de auto snorde verder.
+
+„Maar mijn beste Fournier, wilt gij die groote som den geheelen avond
+bij u houden?”
+
+„Het is mij zelf zeer onaangenaam, maar ik kan niet meer naar de Bank
+gaan. Gij weet, hoe lang men daar soms moet wachten en ik heb geen
+minuut meer over.”
+
+„Bedenk, mijn waarde, dat gij daar in vroolijk gezelschap zijt en dat
+gij niet weet hoe laat het kan worden en of er niet ten slotte nog
+verschillende café’s bezocht zullen worden. Het is zeer gevaarlijk! Een
+van mijn vrienden heeft op die manier zeer onaangename ervaringen
+opgedaan....”
+
+De markies vertelde zulk een griezelige geschiedenis, dat zijn gast de
+haren te berge rezen.
+
+Fournier was bleek geworden en sprak aarzelend:
+
+„Als ik maar wist, wat ik moet doen!”
+
+„Kan ik u soms helpen, dan zal ik het doen, want door mijn schuld—of
+tenminste door die van mijn chauffeur, hebt gij den tijd verzuimd. Als
+gij mij het geld wilt toevertrouwen, zou ik dadelijk naar de Bank
+rijden....”
+
+„Maar, markies, dat kan ik niet aannemen.”
+
+„Gij wilt mij natuurlijk die groote som niet toevertrouwen. Ik vind dat
+begrijpelijk en neem u die voorzichtigheid in het geheel niet kwalijk.”
+
+„Maar ik bid u, markies! U zou ik elk oogenblik mijn geheele vermogen
+toevertrouwen.”
+
+„Goed, ik houd u aan uw woord. Geef mij uw geld en ik beloof u, zoodra
+ik u bij de woning van de bekoorlijke Loulou zal hebben afgezet,
+onmiddellijk naar de Engelsche Bank te rijden.”
+
+Fournier wist eerst niet, hoe hij zich moest houden.
+
+Aan den eenen kant was hij blij, als het geld nog heden op de Bank
+kwam, daartegenover stond echter zijn wantrouwen om den markies zulk
+een aanzienlijk bedrag zonder bewijs in handen te geven.
+
+Deze liet hem echter niet veel tijd om na te denken; hij had een
+notitieboekje uit den zak gehaald en nam de gouden vulpen van zijn
+horlogeketting.
+
+„Dus, mijnheer Fournier, ik zal u hier dadelijk een kwitantie ter hand
+stellen voor 50,000 pond.”
+
+„Maar, mijn waarde markies, dat is immers overbodig.”
+
+„Neen, neen,” sprak deze afwerend, „orde moet er zijn!”
+
+Nog voordat de Franschman wist wat er gebeurde, had zijn voorname
+vriend de 50,000 pond in den zak en hij keek eenigszins beteuterd naar
+de kwitantie, die hij in zijn handen hield en die was geteekend:
+„Markies Fereel d’Armand.”
+
+Met een schok hield de auto stil; men was voor het bedoelde huis
+aangekomen.
+
+De markies verzocht zijn gast om uit te stappen en verzekerde nogmaals
+met groote beminnelijkheid, dat hij dadelijk naar de Bank zou rijden.
+
+Toen de Franschman in de deur van het huis was verdwenen, sprak markies
+d’Armand lachend en op halfluiden toon tot zijn chauffeur:
+
+„Zijn woord moet men als gentleman houden. Dus, Charly, spoedig naar de
+Bank van Engeland!”......
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE ONTVOERING.
+
+
+Voor den hoofdingang van de Engelsche Bank hield een deftige auto stil.
+
+De portier snelde toe en hielp den eleganten vreemdeling uitstappen,
+die door de groote zekerheid, waarmee hij het groote gebouw binnentrad
+zonder een enkele vraag te doen, bewees, dat hij tot de veelvuldige
+bezoekers behoorde.
+
+Snel liep hij de vestibule door, legde zijn pelsjas af in de schrijf-
+en leeszaal en bleef eenigen tijd in een der kleine kamertjes, die door
+geslepen glazen wanden voor nieuwsgierige blikken zijn gevrijwaard,
+waar hij ijverig schreef.
+
+Zijn pels over de schouders werpend, liep hij met langzame schreden en
+met voorname onverschilligheid de ruime vertrekken door. Hij begaf zich
+naar de hoofdkas en scheen daar een oogenblik te weifelen.
+
+Eindelijk naderde hij een der beambten.
+
+De vreemdeling scheen het Engelsch niet volkomen machtig te zijn, hij
+sprak het eenigszins gebroken en met een eigenaardig accent. De kassier
+wierp een vluchtigen blik op de elegante verschijning.
+
+Terwijl het uiterlijk van den vreemdeling reeds een man uit de hoogste
+kringen verried, werd deze indruk nog versterkt door het roode lintje
+van het Legioen van Eer, dat hij in het knoopsgat droeg en waarop de
+blik van den beambte gevestigd bleef.
+
+De vreemdeling had met eenigen omhaal een document te voorschijn
+gehaald en dat den beambte voorgelegd.
+
+Nadat deze kennis genomen had van den inhoud, verzocht hij den
+vreemdeling, hem te volgen naar een ander loket en daar eenigen tijd te
+wachten.
+
+De onbekende had plaats genomen in een der stoelen en haalde uit den
+borstzak van zijn jas het laatst uitgekomen avondblad, om zich daarin
+met onverschillig gelaat te verdiepen.
+
+Aan de kas ging het niet zoo kalm toe. Beambten snelden heen en weer,
+spraken zacht fluisterend met elkaar en keken telkens in gespannen
+aandacht naar den vreemdeling.
+
+Deze scheen echter van al die opgewondenheid niets te merken en was
+oogenschijnlijk zeer in zijn lectuur verdiept.
+
+Het document, dat de vreemdeling den beambte had gegeven, was een
+wissel van den heer Fournier op naam van markies d’Armand voor een
+bedrag van 40,000 pond sterling.
+
+De wissel was door den heer Fournier zelf onderteekend en de echtheid
+der handteekening door den bekenden notaris Mr. Longwood onder
+bijvoeging van diens ambtszegel gelegaliseerd.
+
+Handteekening en ambtszegel van den notaris waren echt.
+
+Het kwam den ambtenaar alleen maar vreemd voor, dat Fournier over zoo’n
+belangrijke som beschikte, daar zijn gansche vermogen slechts 60,000
+pond sterling bedroeg.
+
+De vreemde bestudeerde nog steeds de krant en alles, wat er om hem heen
+gebeurde, scheen hem absoluut niet te interesseeren, want de kassier
+moest zijn naam eerst twee keer noemen, voordat hij opkeek en zich toen
+met een beleefd glimlachje verontschuldigde.
+
+Den vreemde werd nu verzocht zich te legitimeeren.
+
+Hij kreeg een reispas uit zijn elegante portefeuille en een
+aanbevelingsbrief van den president der Fransche Republiek, die hem
+legitimeerde als de boodschapper van een politieke zending.
+
+De heeren aan het raampje wierpen slechts een vluchtigen blik op het
+document.
+
+Zonder verdere omwegen werden hem nu de 40,000 pond uitbetaald en met
+een hoffelijke, doch koele buiging verliet de markies de Bank van
+Engeland.
+
+De portier had het deurtje van de automobiel vlug opengedaan en nam
+zijn goudbetreste muts af tot bijna aan den grond.
+
+De vreemdeling had hem twee shilling in de hand gedrukt.
+
+Op den volgenden hoek hield de auto plotseling stil. De vreemde stapte
+uit, boog zich over naar zijn chauffeur en vroeg op halfluiden toon:
+
+„Charly, hebt ge Fred Herbes al een boodschap gestuurd?”
+
+„Dat kon ik nog niet, Edward. We wisten immers niet of ons plan zou
+gelukken.”
+
+„Juist, dan zal ik het dadelijk telephonisch doen. Wacht een oogenblik,
+ik ben dadelijk terug.”
+
+De vreemdeling ging naar een elegant café. Na korten tijd kwam hij
+terug, stapte weer in de auto en reed snel naar Goldhawke Road.
+
+De stroomende regen was intusschen wat bedaard.
+
+De wolken braken en de maan trachtte door de vaal-grauwe nevels te
+dringen. Maar dit gelukte haar niet en na een poosje verdween zij maar
+weer achter het dichte wolkgordijn.
+
+Maar die enkele maanstralen waren toch voldoende geweest om de
+automobiel te beschijnen, die pas geleden voor den hoofdingang van de
+Bank van Engeland had gestaan en die nu juist verdween achter een
+boschje nabij het huis van Mr. Van Brixen.
+
+Hoewel de straat in dichte duisternis was gehuld en geheel ledig was,
+vluchtten toch twee donkere gestalten in de schaduw van de dikke
+boomstammen.
+
+Het scheen, alsof zij op iets wachtten, dat van de richting van
+Hydepark moest komen, want in gespannen aandacht keken zij dien kant
+uit.
+
+Nu drong een flauwe schijn door de dichte nevels, die met elk oogenblik
+grooter werd en toenam in helderheid.
+
+„Daar zal hij zijn,” fluisterde een der beide schaduwgestalten.
+
+Steeds nader kwam het licht en al spoedig kon men de lantaarns van een
+automobiel onderscheiden, die in razende snelheid naderde.
+
+„Geef nu het teeken, Edward.”
+
+Een schril fluiten weerklonk door den nacht.
+
+Dit scheen een afgesproken teeken te zijn, want de snelheid, waarmede
+de lichten waren genaderd, nam allengs af en aan het einde der Woodlaan
+hield het voertuig stil. Men zag in de duisternis, dat de lampen een
+bocht beschreven en dat de auto verdween naar den kant van de stad.
+
+Een korten tijd bleef alles stil, toen klonk weer dat eigenaardige
+fluitgeluid door den zwijgenden nacht.
+
+De beide luisterenden beantwoordden het signaal.
+
+„Eindelijk, Mr. Herbes! Wij wachten al sinds geruimen tijd!”
+
+De nieuw aangekomene reikte het tweetal de hand.
+
+„Vergeef mij, markies, en gij ook, beste vriend, als ik liet wachten,
+maar ik kon niet eerder komen. Toen ik uw telephonische boodschap
+kreeg, wist ik van vreugde nauwelijks wat ik deed, want ik had nog
+steeds gevreesd, dat uwe voorbereidingen, waarvan Mr. Bellon mij
+verteld heeft, in het laatste oogenblik nog zouden afspringen.”
+
+„Neen, Mr. Herbes,” klonk de welluidende stem van markies d’Armand in
+de duisternis, „alles is goed gegaan en ik hoop, dat ge reeds over een
+half uur uw wenschen ziet vervuld.”
+
+De jonge man wilde zich uitputten in dankbetuigingen, doch de markies
+weerde hem af en zeide:
+
+„Als alles goed geslaagd is, is het tijd om te danken, nu is iedere
+minuut nog kostbaar. Vlug dus aan den arbeid!”
+
+Bijna geluidloos liep het drietal over den weg naar het huis van Van
+Brixen toe.
+
+Onderweg vroeg de markies den jongen man nog:
+
+„Zijt ge er dus zeker van, dat Van Brixen niet thuis is?”
+
+Deze antwoordde:
+
+„Antje stuurde mij vanmorgen nog een briefje, waarin stond, dat haar
+vader op reis was gegaan. Hij had echter ongaarne deze reis ondernomen
+aan den vooravond van de bruiloft. Het scheen hier echter een
+belangrijke zaak te betreffen, zoodat hij wel moest gaan.
+
+„Bij het afscheid had hij Antje nog verzekerd, dat hij beslist met den
+trein van middernacht zou terugkomen.”
+
+„Dan hebben wij des te meer reden om ons te haasten,” zei de markies en
+legde zijn hand op de deurklink van de tuindeur.
+
+Deze gaf mee en enkele oogenblikken later waren de drie mannen
+verdwenen in het dichte gebladerte.
+
+Het huis lag als uitgestorven; niets bewoog zich. Slechts voor een der
+vensters aan den achterkant scheen een zwak schijnsel.
+
+In dit oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn en
+verlichtte de wegen van het park, waarlangs drie mannen zich
+voortspoedden.
+
+Een oogenblik was alles stil.
+
+Toen weerklonk plotseling het geroep van een nachtuil.
+
+Hoe stil die kreet ook werd geslaakt, scheen men toch in de kamer, waar
+het licht brandde, het geluid te hebben vernomen, want het gordijn werd
+ter zijde geschoven, de vleugeldeuren voorzichtig geopend en in het
+verlichte raam verscheen een vrouwelijke gedaante.
+
+Wederom klonk diezelfde roep.
+
+De vrouw daarbinnen maakte echter een afwerende beweging met de hand en
+wrong als in wanhoop de handen.
+
+Toen hield zij een klein voorwerp in de hoogte, boog zich voorover en
+liet het op den grond vallen.
+
+Uit de schaduw der boomen kwam een zwarte gestalte te voorschijn, die
+het voorwerp snel opraapte en ijlings weer in de schaduw der boomen
+verdween.
+
+Herbes had met de linkerhand zijn wijde jas genomen en hield een tip
+voor het voorhoofd, terwijl de markies met een kleine electrische
+zaklantaarn bijlichtte.
+
+In dit schuilhoekje ontcijferde Herbes een klein briefje, dat Antje aan
+een steen had gebonden en weggegooid.
+
+Zij deelde daarin mede, dat er geen mogelijkheid op een vlucht bestond,
+want Van Brixens oude huishoudster had de deur gesloten en het jonge
+meisje kon niet bij den sleutel komen.
+
+Herbes was buiten zich zelf, maar de markies zei op fluisterenden toon:
+
+„Dat hindert niets!”
+
+Hij had snel een voorwerp uit den zak gehaald en trachtte nu het einde
+van een touw met een ijzeren haak naar het in de tweede verdieping
+gelegen venster omhoog te gooien.
+
+De worp mislukte echter en met groot lawaai viel de haak op den steenen
+bodem neer.
+
+Allen verschrikten en luisterden in gespannen aandacht of niemand was
+opgeschrikt.
+
+Gelukkig echter bleef alles stil.
+
+„Zoo gaat het niet,” fluisterde de markies en hij wierp snel zijn
+kostbare pels neer en liep geruischloos naar den draad van een
+bliksemafleider, die van het dak naar beneden in het park liep.
+
+De anderen konden een kreet van schrik niet weerhouden. Wat de markies
+wilde doen was louter waanzin. Doch reeds had hij het staal gegrepen en
+begon zich langzaam omhoog te trekken.
+
+Het lichaam vast tegen den muur gedrukt, klauterde hij als een kat naar
+boven.
+
+Zoo bereikte de markies in korten tijd het venster. Hij sloeg zijn arm
+om het kruis. Een oogenblik zag men in het vensterkozijn zijn figuur
+afsteken, toen verdween hij geruischloos in de kamer.
+
+Hier wikkelde hij een snoer los, dat hij om het lichaam had gewikkeld,
+wierp het eind naar beneden en trok de touwladder naar boven.
+
+Hij bevestigde deze nu aan het venster en aldus was in korten tijd een
+tamelijk handige weg in orde gebracht.
+
+Toen de nachtelijke bezoeker de kamer binnen kwam, kon Antje nauwelijks
+een huivering onderdrukken.
+
+Die man bracht haar de vrijheid en het verwachte geluk en toch rilde
+zij voor de uitdrukking van dol-dappere beslistheid, die sprak uit zijn
+gelaatstrekken. Hoe vreeselijk wel moest het zijn om dien man tot
+tegenstander te hebben!
+
+Den markies ontging het schuwe wezen en de angst van het meisje niet.
+
+Als een man van de wereld wist hij in eenige vriendelijke woorden de
+opgewondenheid van de jonge dame te kalmeeren. Hij verzocht haar, zich
+vlug voor het vertrek gereed te maken en alle kleinigheden, waaraan zij
+gehecht was, in een handtaschje mee te nemen.
+
+„Terwijl gij daarmede bezig zijt, heb ik nog een kleine taak te
+vervullen. Wilt ge mij even zeggen, hoe ik het vlugst naar de kamer van
+uw vader kom?”
+
+Het jonge meisje schrikte.
+
+Haar gelaat werd lijkbleek.
+
+De markies trachtte haar gerust te stellen:
+
+„Ik geef u mijn eerewoord, dat uw vader in geenerlei gevaar komt. Ik
+moet echter een oogenblik in zijn kamer vertoeven.”
+
+Slechts aarzelend gaf Antje hem de noodige aanwijzingen en terstond was
+de markies verdwenen, om reeds na enkele minuten terug te komen.
+
+Intusschen waren alle voorbereidingen tot de vlucht gemaakt.
+
+De markies bevestigde de kleine handtasch aan het touw en liet ze in de
+diepte glijden.
+
+Hij boog toen voor de jonge dame en sprak:
+
+„Ge veroorlooft mij?”
+
+En voordat Antje wist wat er gebeurde, had hij haar als een kind in
+zijn armen genomen en begon nu met zijn last den gevaarvollen
+terugtocht langs de wankelende ladder.
+
+Om het slingeren te voorkomen hielden de beiden, die beneden stonden,
+het vrije einde vast en spoedig had de markies met zijn beschermelinge
+den grond bereikt.
+
+Deze man moet wel reuzenkrachten en een schier ongekende handigheid
+bezitten, want men bespeurde bij hem niet de geringste vermoeienis.
+
+Toen hij Antje neerzette, omhelsde Herbes zijn meisje en fluisterde
+zachtjes:
+
+„Eindelijk, liefste!”
+
+De markies liet het minnende paar echter geen tijd om teere woordjes te
+wisselen, maar dreef hen aan tot spoed.
+
+Voorzichtig door de duisternis sluipend, hadden zij spoedig de tuindeur
+bereikt; eenige minuten later zaten allen in de in de boschjes
+verscholen staande auto en voort ging het naar het station.
+
+Daar nam de markies voor het paar kaarten naar Southampton. Van daar
+uit zouden zij per boot naar Australië oversteken.
+
+Het was nog slechts luttele minuten vóór het vertrek van den trein.
+
+Antje en Herbes waren in een ledige coupé gestapt en stonden voor de
+open deur om afscheid te nemen van hunne vrienden.
+
+„En nu,” zeide de markies en hij haalde een pakje uit zijn zak te
+voorschijn, „heb ik nog wat te zeggen. Zooals ge weet, had uwe vader de
+som van 20,000 pond voor u als bruidsschat bestemd. Wijl Fournier u nu
+echter niet tot vrouw krijgt, zag ik volstrekt niet in, waarom hij het
+geld moest behouden en ik haalde deze vaderlijke huwelijksgift om ze u
+hier te overhandigen.”
+
+Antje en Herbes waren ten hoogste verbaasd en hunne verwondering steeg
+nog, toen de markies een étui uit zijn zak haalde en deze Antje
+overhandigde.
+
+„Ik vond ook nog dezen kostbaren collier in de kamer van uw vader. Dit
+kleinood was natuurlijk bestemd als bruidsgeschenk. Ge ontvangt het dus
+bij dezen.”
+
+Juist kwam de conducteur om de coupédeuren te sluiten.
+
+Antje en Herbes namen nogmaals afscheid.
+
+Een schril gefluit—locomotief en trein zetten zich in beweging.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+VERRASSINGEN OP DEN HUWELIJKSMORGEN.
+
+
+Triest brak de dag aan.
+
+Mr. Fournier woelde rusteloos heen en weer op zijn legerstede. Hij was
+na een rumoerigen nacht eerst weinig uren geleden thuis gekomen, doch
+de gewenschte rust kon hij niet vinden.
+
+Dit was dus de morgen van zijn bruiloftsdag.
+
+Waarom zou hij feitelijk trouwen?
+
+Het hoofddoel was nu immers bereikt.
+
+Hij was in het bezit van 20,000 pond bruidsschat en had nu ook de
+30,000 pond gekregen, die hem nog toekwamen van vroegere „zaken”, die
+hij met Van Brixen had gedreven.
+
+Antje was inderdaad een alleraardigst meisje.
+
+Maar wat moest hij met een vrouw beginnen?
+
+De donkerlokkige Loulou was toch even lief als zijn blonde bruid.
+Enfin, hij zou het dan wel zien te schipperen!—
+
+De gedachtengang van den kleinen Franschman werd plotseling afgeleid,
+want naast hem ging de telephoon over met schril geluid.
+
+„Wat is dat nu?” dacht Fournier, „nu al een telefoontje. Dat is een
+flauwe grap van een vriend!”
+
+Hij draaide zich om, ten einde te gaan slapen, den vriend verwenschend,
+die hem zoo beet wilde nemen.
+
+Rrrrrrrrrrrrrrrt!
+
+Weer ging de telefoon.
+
+Rrrrrrrrrrrrrrrt!
+
+Nu was Fournier wel gedwongen op te staan.
+
+Slaapdronken greep hij het toestel.
+
+„Hallo!”
+
+„Hallo!”
+
+„Wie daar?”
+
+„Markies d’Armand!”
+
+De kleine Franschman maakte onwillekeurig een buiging.
+
+„Wel, markies, wat verschaft mij de eer?”
+
+„Ik wil u feliciteeren, als ge ten minste nog altijd van plan zijt
+vandaag te trouwen.”
+
+Fournier grinnikte.
+
+„Hahaha! hihihi!”
+
+Hij dacht, dat de markies ook al een beetje zwaar geboemeld had.
+
+„Ik wilde alleen maar weten,” vervolgde de markies op ernstigen toon,
+„of ge Antje van Brixen zoo lief hebt, dat ge haar ook zonder
+bruidsschat wilt nemen. Ik ben namelijk in het bezit van de
+huwelijksgift en heb bovendien op uw naam nog 40,000 pond gehaald. Ik
+had u gisteravond beloofd direct naar de Bank te rijden en kreeg daar
+op uw handteekening terstond het verlangde.”
+
+Nog altijd dacht Fournier aan een grapje.
+
+„Ge hebt volstrekt geen reden tot vroolijkheid”, zei de markies.
+„Misschien zult gij mij eerder gelooven, als ik u verzeker, dat de
+vermeende markies d’Armand niemand anders is dan John Raffles!”
+
+Fournier was lijkbleek geworden.
+
+De microfoon gleed uit zijn hand en bevend greep hij naar de leuning
+van den stoel.
+
+Maar dat was toch waanzin!
+
+Neen, neen!
+
+De markies wilde slechts een grapje maken.
+
+Op deze manier trachtte Fournier zich zelf gerust te stellen, maar dit
+wilde hem niet al te best lukken, want de angst snoerde hem de keel
+dicht.
+
+Hij moest zich echter zoo spoedig mogelijk zekerheid verschaffen.
+
+Maar wat te doen?
+
+Naar de Bank telefoneeren? Dat ging niet, want die was nog gesloten.
+
+Naar de politie? Dat wilde hij niet, daar hij nog steeds de hoop
+koesterde, dat alles maar een flauwe grap was.
+
+Maar wat dan! Wat dan!
+
+Hij moest er toch met iemand over spreken en hij dacht aan Van Brixen.
+
+In allerijl had hij zich gekleed, het huis verlaten en was per auto
+naar zijn aanstaanden schoonvader getuft.
+
+Daar lag alles nog in diepe rust.
+
+Toen eindelijk een dienstmeisje de deur had geopend, stormde Fournier
+haar voorbij en rende terstond naar de slaapkamer van den heer des
+huizes.
+
+Deze was eerst laat in den nacht van zijn reis teruggekeerd en sliep
+nog vast, toen hij plotseling onzacht op zijn schouder werd getikt.
+
+Toen hij de oogen opsloeg zag hij Fournier voor zich staan, die in
+hoogelijk opgewonden toestand verkeerde.
+
+Hij begon het verhaal te doen van wat hem was overkomen, toen
+plotseling het dienstmeisje aan de slaapkamerdeur klopte en vol schrik
+vertelde, dat een touwladder uit het venster van de kamer der juffrouw
+in het park hing.
+
+Dit bericht bracht groote ontsteltenis teweeg.
+
+Van Brixen kleedde zich in allerijl en haastte zich met zijn vriend
+naar de kamer van zijn dochter.
+
+Deze was leeg.......
+
+Midden op de tafel lag een brief van den volgenden inhoud:
+
+
+ „Geachte Heer!
+
+ Nauwkeurig onderzoek heeft aan het licht gebracht, dat ge uw geld
+ op schandelijke wijze hebt verdiend.
+
+ Uw vriend Fournier is geen haar beter dan gij; ik heb derhalve
+ besloten om het geld, door u op zoo minderwaardige wijze verworven,
+ aan de lijdende menschheid te besteden.
+
+ Ge zijt gewetenloos genoeg om uwe dochter te willen koppelen aan
+ Fournier. Dit moest ik verhinderen en daarom heb ik juffrouw Antje
+ geholpen om te vluchten met den jongen koopman Herbes, die haar
+ lief heeft. De huwelijksgift van 20,000 pond heb ik het jonge paar
+ naar hun nieuwe woonplaats meegegeven.
+
+ De andere 30,000 pond, die ik Fournier heb afgenomen en ook de
+ 40,000 pond, die ik mij van zijn vermogen liet uitbetalen, zal ik
+ aan de Londensche armen geven.
+
+ Fournier is dus gestraft.
+
+ En ook gij zult uw straf niet ontgaan.
+
+ JOHN RAFFLES.
+ bijgenaamd Markies d’Armand.
+
+ P.S. Daar juist vind ik een kostbaar halssnoer in uw schrijftafel.
+ Uit den bijgaanden brief lees ik, dat ge die hadt bestemd als
+ geschenk voor uwe minnares Tatjana Miroff. Dat lijkt mij een groot
+ onrecht. Ik zal het snoer aan uwe dochter geven als geschenk van
+ haar kieschen vader. Ik heb nu geen tijd om uw boel verder door te
+ snuffelen, maar dat komt later wel in orde.
+
+ Ge hoort nog wel van mij.
+
+ J. R.”
+
+
+Van Brixen had den brief op half luiden toon gelezen en Fournier volgde
+ieder woord in gespannen aandacht.
+
+Zijn gelaat werd vaalbleek.
+
+Als gebroken zonk hij in zijn stoel. Iedere hoop was vervlogen en wat
+hij had gedroomd, was tot waarheid geworden.
+
+Van Brixen was tamelijk rustig.
+
+Het verlies, dat hem had getroffen, beteekende niet veel.
+
+Het snoer had wel groote waarde, maar zoo’n som kwam bij hem, den
+multi-millionair, niet in aanmerking.
+
+En de wensch van Tatjana, dat zijn dochter het huis zou verlaten, was
+nu toch ook vervuld.
+
+De wraak van John Raffles vreesde hij niet. Geld en kostbaarheden
+konden gemakkelijk bij de een of andere Bank worden ondergebracht.
+
+Maar Fournier was veel te razend om naar al die redeneeringen te
+luisteren en het einde was, dat de vrienden hoog loopende ruzie kregen
+en dat de Franschman naar de Bank ging om te hooren, of inderdaad op
+zijn naam het kapitaal was weggehaald.
+
+Het was maar àl te waar!
+
+Toen reed hij terstond naar Scotland Yard om inspecteur Baxter alles
+mee te deelen.
+
+Baxter was razend, toen hij hoorde, dat Raffles weer aan den gang was
+en hij zwoer, dezen keer den gentleman-dief te zullen pakken.
+
+En hij begon den geheelen boel in rep en roer te brengen om een
+drijfjacht aan te vangen op Lord Lister.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+REDT MIJN KIND!
+
+
+Het was vijf uur in den middag.
+
+Over Londen was de grauwe schemering neergestreken, die nog werd
+verdicht door dichte nevels.
+
+In kantoren en winkels waren sinds lang de lichten ontstoken.
+
+Voertuigen van allerlei aard reden puffend, stampend, hobbelend en
+knetterend door de groote verkeersstraten van de city en spookachtig
+gleden de schaduwen langs de huizen.
+
+Het was een eentonig, grauwe aanblik, want elke schelle toon werd
+vergrijsd door den nevelsluier.
+
+Plotseling veranderde de aanblik en uit het straten-gewirwar maakte
+zich een rood schijnsel los, dat opsteeg naar den hemel en met elk
+oogenblik in kracht toenam.
+
+De voorbijgangers drongen verschrikt opeen en een oogenblik later
+weerklonk aan alle kanten het geroep van: „Brand! Brand!” door de
+straten.
+
+Nu begon de menigte het op een loopen te zetten en van alle kanten
+snelde men naar de plaats, vanwaar de roode lichtgloed opsteeg.
+
+Hoe langer hoe drukker werd het in de straten, hoe langer hoe scheller
+weerklonk het roepen en schellen en krijschen.
+
+De aanblik van het brandende perceel was dan ook inderdaad
+schrikwekkend.
+
+Een van die groote huurkazernes, die men vindt in elke wereldstad,
+stond in brand.
+
+Als machtige armen kronkelden de vlammen omhoog naar den donkeren
+nachthemel. Kletterend en sissend vielen de zware waterstralen neer in
+de vuurzee en dan was het, of de roode tongen nog hooger lekten.
+
+De brandweerlieden spanden hun uiterste krachten in, doch het gelukte
+hun niet, het vuur meester te worden.
+
+Twee heeren, die er zeer opgewonden uitzagen, en die voor dat, wat de
+algemeene opmerkzaamheid trok, geen oog schenen te hebben, waren juist
+de plek van het onheil genaderd in hun auto.
+
+De chauffeur zag nu, dat de weg was afgezet en hij maakte de heeren
+daarop opmerkzaam.
+
+Deze besloten nu de auto te verlaten om te trachten hun hotel te voet
+te bereiken.
+
+„Dat ook nog,” sprak de kleinste en hij trachtte zich door den
+menschenmuur een weg te banen.
+
+Dit lukte hem slechts moeilijk en het tweetal kwam maar uiterst
+langzaam voorwaarts.
+
+„Laat mij voorgaan, Mr. Fournier,” sprak Baxter, de inspecteur van
+politie, „ik zal mij legitimeeren, opdat wij gauwer vooruit komen.”
+
+Hij schoof den kleinen Franschman op zij en drong zich met geweld door
+de menigte, die slechts onwillig ter zijde week.
+
+De beide heeren waren dien dag al twee keer in het hotel geweest, waar
+Raffles had vertoefd onder den naam van markies d’Armand, en voor den
+derden keer richtten zij daarheen thans hunne schreden.
+
+Plotseling onder het langzaam voortloopen over het door de politie
+afgezette terrein, voelde Baxter een ruk aan zijn jas en hoorde hij den
+naam „Raffles” uitroepen. Daarna hoorde hij het geluid van een harden
+slag en toen hij omkeek, zag hij den kleinen Franschman languit op den
+grond liggen.
+
+Deze had tusschen de menigte aan den overkant der straat „markies
+d’Armand” ontdekt. Hij had naar den man willen toesnellen, maar
+inderhaast vergeten, dat overal slangen op den grond lagen en nu was
+hij daarover gestruikeld en languit op den grond gevallen.
+
+Voordat hij was opgestaan en Baxter had verteld, wien hij gezien had,
+waren reeds zooveel seconden verloopen, dat de gezochte makkelijk was
+ontvlucht.
+
+Baxter dacht, dat Fournier zich wel vergist zou hebben.
+
+Deze echter beweerde met groote beslistheid, dat er van vergissing geen
+sprake was en zoo kwam Baxter ook tot de conclusie, dat nu toch
+eindelijk de gentleman-dief gepakt zou worden.
+
+Maar hier, als ’t ware gevangen tusschen de geweldige menschenmassa,
+zagen de heeren wel in, dat oogenblikkelijk van een vervolging weinig
+resultaat was te wachten en zoo werd besloten om vooreerst dit plan te
+laten varen en naar het hotel te gaan.
+
+Intusschen was de brand zoodanig toegenomen, dat van doorkomen geen
+sprake was.
+
+Het geheele huis stond nu in lichterlaaie en loeiend sloegen de vlammen
+uit naar allen kant.
+
+Met bovenmenschelijke kracht werkte de brandweer, maar nog steeds wilde
+het haar niet gelukken het vuur meester te worden.
+
+De ongelukkige bewoners der bovenste verdieping hadden hun leven bijna
+allen langs de brandladders in veiligheid gebracht.
+
+Uit de vlammen kwam nu een brandweerman te voorschijn met een rookhelm
+over het hoofd. Hij verscheen nu op een der brandladders en droeg een
+bewustelooze jonge vrouw op den arm.
+
+Luide kreten van bijval loonden den dappere voor zijn moedige daad.
+
+Men had de vrouw op den grond neergelegd en reeds schoten lieden toe om
+haar levensgeesten weer op te wekken.
+
+De brandweerman verklaarde, dat er zich thans in het huis geen levend
+wezen meer bevond.
+
+Nauwelijks echter was de bewustelooze weer tot haar positieven
+teruggekeerd, of zij kreet vol ontzetting:
+
+„Mijn kind. Waar is mijn kind?—Redt, o, redt mijn kind!”
+
+Bijna waanzinnig van smart trok zij zich de haren uit en omklemde de
+knieën van den brandweerman onder den uitroep:
+
+„Redt mijn kind!”
+
+Ieder was tot tranen toe geroerd.
+
+Vrouwen jammerden met de moeder mede en wanhoopskreten weerklonken door
+de lucht.
+
+Maar hulp was hier onmogelijk!
+
+Doch daar—wat was dat?—
+
+Met geweldige kracht had een man zich door de massa een weg gebaand en
+drong nu naar het brandende huis toe.
+
+De brandweerlieden, die hem den weg wilden versperren, duwde hij met
+sterke hand ter zijde en voordat iemand nog goed wist wat er gebeurde,
+had hij reeds de onderste sporten der brandladder beklommen.
+
+Een rauwe kreet steeg op uit gansch de menigte, toen de man met groote
+snelheid naar boven klauterde.
+
+Daarop volgde ademlooze stilte.
+
+Alle harten schenen stil te staan en aller oogen waren gericht op de
+vlammenzee.
+
+De spanning was hevig en eenige vrouwen vielen flauw van angst.
+
+Nu had de man het venster bereikt, waaruit de brandweerman zoo juist de
+bewustelooze vrouw had gedragen.
+
+Eén oogenblik slechts zag men zijn donkere gestalte in de gloeiend
+roode vensterholte staan.
+
+Even wendde zich de vreemdeling om en riep:
+
+„Verder spuiten!”
+
+Toen was hij verdwenen.
+
+Angstige minuten volgden.
+
+Onafgebroken slingerden de spuiten watermassa’s in het vuur.
+
+Toen weerklonk plotseling een duizendstemmige jubelkreet door het
+luchtruim.
+
+Boven, heel boven, op de hoogste sport van de brandladder stond de
+redder en hield een kind op zijn armen.
+
+De vlammen verzengden zijn kleeren en sloegen aan alle kanten om hem
+heen, terwijl de brandweermannen breede waterstralen spoten naar den
+moedigen redder, die nu de ladder begon af te dalen.
+
+Toen het grootste gevaar voor den koenen man was geweken, en luide
+jubelkreten alom opstegen, stortte het dak ineen en de oplaaiende gloed
+zette den redder met zijn last in daghelderen schijn.
+
+Baxter en Fournier waren langzamerhand tot op de eerste rij gekomen en
+stonden de geheele redding met open mond mee aan te staren.
+
+Daar! Eensklaps werd het gelaat van den man op de ladder verlicht en
+uit beider mond klonk het tegelijkertijd:
+
+„Raffles!”
+
+Baxter gaf in allerijl aan de omstaande politie-mannen bevel, den man,
+zoodra hij een voet op den bodem had gezet, in hechtenis te nemen.
+
+De redder had nu den voet op den bodem gezet en de overgelukkige moeder
+drukte haar kind in de armen.
+
+Alles verdrong zich om den held. Deze voelde plotseling, dat hem een
+hand op den schouder werd gelegd en toen hij zich omkeerde, zag hij
+Baxter, die met twee agenten op hem was toegetreden.
+
+In hetzelfde oogenblik gebeurde iets vreeselijks. Een brandende balk
+stortte plotseling naar omlaag en sleepte in zijn val een der
+brandweermannen mede.
+
+Een kreet van ontzetting werd geslaakt.
+
+De ongelukkige man had bij den val den nek gebroken.
+
+Baxter, Fournier en de agenten waren onwillekeurig terzijde gesprongen
+om niet door den vallenden balk te worden getroffen.
+
+Toen de eerste schrik voorbij was, keken ze om naar den gearresteerde.
+
+Deze was echter verdwenen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+ONVERWACHTE TERUGKOMST.
+
+
+„Wie heeft vandaag de wacht in Goldhawke road?”
+
+„Dickson, inspecteur!”
+
+Baxter had een dienstlijst opgenomen, knikte bevestigend en legde het
+blad papier weder in het vakje van zijn schrijflessenaar.
+
+Na hetgeen met Fournier was voorgevallen, had ook Van Brixen zich niet
+meer zeker gevoeld.
+
+Hij had geld en kostbaarheden naar verschillende banken gebracht; het
+personeel, dat hij nu ook niet meer vertrouwde, was ontslagen en op
+zijn verzoek werd zijn huis dag en nacht door de politie bewaakt,
+terwijl hij met Tatjana Miroff een reis om de wereld was gaan maken.
+
+Men had terstond een stevige politiewacht op post gesteld in de hoop,
+dat Raffles zijn bezoek aan Van Brixen’s huis spoedig zou herhalen.
+
+Op die manier kon Van Brixen met een gerust hart zijn voorgenomen reis
+ondernemen.
+
+Baxter, die zich tot dusverre steeds had bemoeid met de zaak Raffles en
+in wiens handen ook de leiding berustte, had nu het opperbevel gekregen
+over het te bewaken huis.
+
+
+
+Sinds Van Brixen’s afreis waren ongeveer twee maanden verstreken,
+zonder dat zich tot nog toe iets verdachts had voorgedaan.
+
+Vandaag had agent Dickson de wacht.
+
+Langzaam patrouilleerde hij voor het huis op en neer, toen plotseling
+een automobiel zijn aandacht trok, die tamelijk vlug naar Van Brixen’s
+woning reed en daar voor de deur stilhield.
+
+Op de plaats van den chauffeur zat een neger, wiens gelaat, zwart als
+ebbenhout, scherp afstak bij den gelen kaftan en den rooden fez.
+
+Toen de auto stilhield voor Van Brixen’s woning, kwam Dickson wat nader
+en zag nu, dat de neger vlug zijn plaats verliet, het portier opende en
+den inzittende hielp bij het uitstappen.
+
+Het duurde lang, voordat er iemand uit het voertuig te voorschijn kwam.
+
+Dickson keek nu extra scherp toe.
+
+Eindelijk verscheen, in dekens en mantels gehuld, een gedaante wier
+hoofd geheel in doeken was gewikkeld.
+
+Door den neger ondersteund, die de zwakke gestalte bijkans geheel
+scheen te dragen, liep deze langzaam naar de tuindeur.
+
+Dickson had zich voor deze deur opgesteld.
+
+Hij was van plan, ieder den toegang te weigeren.
+
+Daar knikte hem de heer vriendelijk toe en zeide, hem de hand
+toestekend:
+
+„Wel, mijn beste Dickson, er is dus niets bijzonders voorgevallen! Ik
+hoorde het reeds van den inspecteur. Zooals ge ziet, ben ik heel ziek
+en daarom heel wat vroeger terug gekomen, dan ik mij had voorgesteld.
+Doe mijnheer Baxter mijn hartelijke groeten en vraag hem of hij mij
+eens spoedig op komt zoeken, want ik heb hem belangrijke dingen mee te
+deelen. Ik zou natuurlijk wel naar hem toekomen, als ik niet zoo
+lijdend was. Ik dank hem en jullie allemaal in ieder geval voor de
+moeite.”
+
+Van Brixen schudde de hand van Dickson en liet er meteen een geldstuk
+in verdwijnen.
+
+De beambte groette glimlachend en keek eens tersluiks naar het
+geldstuk, het was een shilling.
+
+Daar Van Brixen met het openen der poortdeur niet al te goed kon
+opschieten kwam Dickson hem dadelijk te hulp.
+
+De zieke dankte vriendelijk en liep nu naar het huis toe, zorgvuldig
+door den neger ondersteund.
+
+Dickson was blij van dien vervelenden wachtpost te zijn ontslagen en
+begaf zich nu op weg naar Scotland Yard om inspecteur Baxter rapport te
+geven van het voorgevallene en hem de groeten van Van Brixen over te
+brengen.
+
+Hij vond zijn chef in diens bureau.
+
+Deze was niet weinig verbaasd, dat Van Brixen was teruggekomen, zonder
+daarvan vooraf kennis te hebben gegeven.
+
+Doch de ernstige ziekte van den reiziger verklaarde alles en Baxter
+besloot dadelijk den ander te gaan bezoeken.
+
+Toen de inspecteur aan de woning had aangescheld en de deur werd
+geopend, deinsde hij ontzet achteruit, want in plaats van het
+vriendelijke gelaat van de huishoudster kreeg hij het ebbenzwarte
+gelaat van een neger te zien.
+
+Nu herinnerde hij zich, dat Dickson had verteld, dat de Hollander met
+een neger was teruggekeerd.
+
+Baxter vroeg naar den heer des huizes.
+
+De neger grijnsde, zoodat zijn witte tanden allemaal te zien kwamen en
+vroeg toen:
+
+„Hoe jij heeten?”
+
+„Wat???”
+
+De neger grijnsde weer.
+
+„Hoe jij heeten?”
+
+Baxter noemde zijn naam.
+
+„Timmy zal meester vragen of meester thuis is voor jou.”
+
+Floep!!
+
+De deur vloog Baxter voor den neus dicht.
+
+Zijn geduld werd wel heel erg op de proef gesteld, maar eindelijk toch
+ging de deur weer open en de neger noodigde den gast met vriendelijken
+grijns uit, binnen te komen.
+
+Boven in de studeerkamer wachtte Van Brixen zijn gast.
+
+De kamer was in schemerdonker en Van Brixen zat in een grooten
+leunstoel, de voeten rustende op een bankje. Zijn geheele lichaam was
+in dekens gewikkeld. Het hoofd van den zieke was in doeken gebonden en
+rustte op een kussen. Alleen het puntje van den neus kon men zien.
+
+Toen Baxter met Timmy binnentrad, vloog de neger naar zijn meester toe
+en begon hem met een groot palmblad verkoeling toe te waaien.
+
+Baxter nam plaats.
+
+„Hoe gaat het u?” vroeg hij deelnemend.
+
+„Slecht!”
+
+Het kwam er fluisterend uit.
+
+„Wat scheelt u, Mr. Van Brixen?”
+
+„Koortsen. Harde koortsen.”
+
+Onwillekeurig deinsde Baxter achteruit.
+
+„Neen, ge behoeft niet bevreesd te zijn,” stelde Van Brixen hem gerust.
+„De dokter in Aden heeft mij palmbladen als waaier aangeraden.”
+
+„Zoo!”
+
+„Ge ziet zelf, hoe ziek ik ben, waarde heer Baxter. Daarom ben ik maar
+zoo vrij geweest om u hier te vragen. Ge waart steeds zeer voorkomend
+voor mij.”
+
+Baxter boog dankend.
+
+Van Brixen vervolgde:
+
+„...... en daarom zou ik graag uw raad willen inwinnen.”
+
+Baxter luisterde vol spanning.
+
+„Mijn ziekte is van hoogst ernstigen aard en kan slechts in een zachter
+klimaat heil vinden. Ik kan mij nauwelijks bewegen en de doktoren
+hebben mij geraden mijn woonplaats te veranderen. Als ik in het
+vochtige klimaat van Londen blijf, ben ik in drie maanden dood.”
+
+De zieke ademde zwaar en moeilijk.
+
+Timmy begon weer te waaieren.
+
+Na een poosje vervolgde de zieke:
+
+„Ge begrijpt wel, dat ik mij liever wat moeite en lasten geef, dan dat
+ik den zekeren dood wil te gemoet gaan. Ik wil alles, wat zich in dit
+huis bevindt, laten verkoopen. Ik kan toch al die dingen niet
+meenemen.”
+
+„Wat?” viel Baxter in, „wilt ge al die schatten verkoopen? Moeten die
+allemaal in vreemde handen vallen?”
+
+„Ja, ik kan er niets anders op vinden. Ik kan die dingen toch niet
+behouden, daarom maak ik ze maar te gelde.”
+
+„Dan heb ik een vriendelijk verzoek!”
+
+„En dat is?”
+
+„Ge weet, dat ik zelf antiquiteiten verzamelaar ben.”
+
+„Ja. En?”
+
+„Wees zoo goed, mij den dag van de verkooping mee te deelen, dan vind
+ik misschien ook nog iets van mijn gading.”
+
+„Met genoegen! Ik zal trouwens toch mijn vrienden niet vergeten.”
+
+„Dank u!”
+
+Baxter was in de wolken. Hij begreep uit deze woorden, dat Van Brixen
+hem wel een mooi geschenk zou geven.
+
+„Nu verder!” sprak de zieke.
+
+„Ge wildet mijn raad nog inwinnen?”
+
+„Juist.”
+
+„En waarvoor?”
+
+„Ik weet niet, wat ik met het huis moet doen. Ik zou het zoo graag héél
+gauw willen verkoopen, omdat ik hier zoo spoedig mogelijk vandaan wil.”
+
+„Ja, mijn waarde heer Van Brixen, vergeef mij, maar ik moet openhartig
+met u spreken, als ik u werkelijk een goeden raad moet geven. Uw huis
+is, ondanks alles, tamelijk oud en bouwvallig. Wie zal het in dezen
+toestand willen koopen?”
+
+„Dat heb ik mij ook reeds afgevraagd, maar ge zult wel begrijpen, dat
+ik er graag zooveel mogelijk geld wil uitslaan.”
+
+„Ik zou u raden om het huis op afbraak te laten verkoopen.”
+
+De zieke richtte het hoofd op.
+
+Hij scheen zichtbaar verheugd en zeide met een zucht van verlichting:
+
+„Ge hebt gelijk. Ik dank u voor uw vriendelijken raad. Mag ik u nu nog
+iets verzoeken?”
+
+Baxter verklaarde, dat Van Brixen geheel over hem kon beschikken en
+deze verzocht nu om zoodra mogelijk de noodige advertenties voor de
+dagbladen op te geven.
+
+Van Brixen wilde den inspecteur het geld voor de advertenties reeds
+vooruit geven.
+
+Deze echter weerde dit af en zeide:
+
+„Ik kan het u toch wel voorschieten. Wij zullen dan later wel
+afrekenen.”
+
+Toen nam hij afscheid van Van Brixen, die hem vriendelijk de hand
+reikte.
+
+De inspecteur, bang voor koortsbesmetting, roerde echter nauwelijks de
+vingertoppen van den zieke aan en verdween.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN KRANKZINNIGE.
+
+
+Fournier slenterde naar Old Kent Road om naar een koffiehuis te gaan.
+
+De Franschman scheen vele jaren ouder te zijn geworden. Het haar was
+hem aan de slapen vergrijsd en als doelloos dwaalde zijn blik heen en
+weer. Sinds het verlies, dat hij door den genialen boevenstreek van
+Lord Lister had geleden, was het bij hem tot een idee fixe geworden, in
+iederen voorbijganger den meesterdief te herkennen.
+
+Hij was zoo langzamerhand reeds een stamgast in Scotland Yard geworden
+en steeds kwam hij daar vragen, of men Raffles nog niet had ontdekt.
+
+Hoezeer ook allen op het politie-bureau er tuk op waren den meesterdief
+te arresteeren, zoo onaangenaam was hen ook het eeuwige vragen van den
+kleinen Franschman en inspecteur Baxter had reeds een hevigen afkeer
+tegen Fournier opgevat, wijl hij dat voortdurend vragen zonder eenig
+resultaat als een persoonlijke beleediging opvatte.
+
+Even voordat hij het café bereikte, ontmoetten Baxter en Fournier
+elkander en uit het korte gesprek, dat zich thans ontspon, roerde de
+inspecteur terloops den terugkeer van Van Brixen aan.
+
+Enkele minuten later reeds scheidden de beide heeren en Fournier trad
+het café binnen.
+
+Nadat hij alle bezoekers met achterdochtigen blik had gemonsterd om te
+zien of de Groote Onbekende er niet bij was, ging hij met bedroefd
+gelaat in een hoek zitten en nam een krant op. Zijn gedachten dwaalden
+echter steeds weer af en hij begreep geen woord van wat hij las.
+
+Van Brixen was dus terug!
+
+Dat hij hem, Fournier, daarvan geen kennis had gegeven, lag voor de
+hand, want na de woordenwisseling op den ongelukkigen bruiloftsdag
+hadden de vrienden elkaar niet terug gezien.
+
+Wat echter zou Van Brixen er toe gebracht hebben, zoo plotseling terug
+te keeren?—
+
+Een gedachte schoot plotseling door Fournier’s brein.
+
+Zou Van Brixen misschien een spoor van Raffles hebben ontdekt en daarom
+zoo spoedig zijn teruggekomen?
+
+Ja—dat was het!—
+
+De kleine gestalte van den Franschman scheen krachtiger te worden. Zijn
+oogen fonkelden.
+
+Misschien zou hij nu zijn doel bereiken. En het besluit stond bij hem
+vast, den vijand op te zoeken, om zich zekerheid te verschaffen.
+
+Hij riep den kellner, betaalde en verliet met veerkrachtigen tred het
+café. Toen riep hij een auto aan en liet zich naar Goldhawke Road
+brengen.
+
+Met haastigen tred liep hij den hem welbekenden voortuin door en haalde
+de bel over.
+
+Voor zijn ongeduld duurde het veel te lang, voordat de deur geopend
+werd en hij wilde, als naar gewoonte, vlug het huis betreden, toen
+Timmy hem tegemoet trad.
+
+Zooals Baxter was teruggeschrikt, trad ook Fournier ontsteld achteruit
+bij den aanblik van het grijnzende negergelaat.
+
+Wederom klonk de stereotiepe vraag van den neger:
+
+„Hoe jij heeten?”
+
+De Franschman was geprikkeld. Hij haalde de schouders op en wilde den
+neger op zij duwen, doch deze gaf den bezoeker op boksersmanier een
+stoot in de maagstreek.
+
+Fournier week achteruit.
+
+De neger grijnsde met breeden mond en herhaalde:
+
+„Hoe jij heeten?”
+
+Daar de handelaar in blanke slavinnen wel inzag, dat er tegen den neger
+niets was te beginnen, noemde hij zijn naam.
+
+Als hij gedacht had, thans te worden binnengelaten, had hij zich
+vergist, want de deur werd voor zijn neus dichtgeklapt.
+
+Zijn geduld werd op een harde proef gesteld, want vele minuten
+verliepen en de neger kwam niet terug.
+
+Fournier was in den laatsten tijd erg nerveus geworden.
+
+Hij stond nu van ongeduld te trappelen en ten slotte ging hij zoo
+geweldig aan de schel trekken, dat het dreunde door het huis.
+
+Toen ook dat niet hielp, begon hij de deur met handen en voeten te
+bewerken.
+
+Dat lawaai scheen dan toch te helpen, want de deur werd opnieuw
+geopend.
+
+De neger verscheen weer, grijnsde verschrikkelijk en zeide:
+
+„Meester èrg ziek; maak niet zoo lawaai, anders Timmy jou slaat.”
+
+De zwarte dreigde met de vuisten.
+
+Maar Fournier lette daar niet op. Hij vloog de trap op en de
+studeerkamer binnen, waar hij zijn vroegeren vriend dacht te vinden.
+
+Toen hij binnentrad, zat deze weer, in dekens en kussens gehuld, in den
+leuningstoel.
+
+Fournier stormde naar Van Brixen toe.
+
+„Heb je een spoor van Raffles gevonden?”
+
+De zieke antwoordde niet dadelijk.
+
+Hij hield een hand voor den mond en steunde zachtjes.
+
+Of was het een onderdrukt lachje, dat hij te voorschijn bracht?
+
+Fournier kookte van ongeduld.
+
+„Wat is dat voor een manier,” stoof hij op, „om mij zóó te behandelen!
+Aan wien lag de schuld, dat wij destijds boos van elkaar zijn gegaan?
+Aan jou—niet aan mij!—Zeg nou op! Heb je een spoor van Raffles
+gevonden?”
+
+Weer klonk dat eigenaardig geluid.
+
+Maar wat was dat?
+
+Daar richtte de zieke zich plotseling zonder eenige hulp uit den stoel
+op en vroeg met welluidende stem:
+
+„Vraagt ge mij, of ik iets van Raffles heb gehoord?”
+
+Ontzet deinsde de Franschman achteruit.
+
+Met groote oogen keek hij den spreker aan. De haren rezen hem te berge
+en met de handen sloeg hij in de lucht, als wilde hij ergens steun
+zoeken.
+
+Zijn adem stokte en eindelijk stiet hij uit:
+
+„Raffles! Dat is Raffles zelf!—Te hulp!”—
+
+Voordat hij verder kon schreeuwen, had de zwarte hem gepakt en hem de
+hand op den mond gelegd.
+
+De vermeende Van Brixen stond voor hem en lachte hartelijk. Toen haalde
+deze een touw uit den zak en bond den ander aan handen en voeten.
+
+De neger had den Franschman een prop in den mond gestopt en nu droegen
+zij den spartelende naar een zijkamer en legden hem daar op een divan
+neer.
+
+Daarna keerde John Raffles—want hij was het inderdaad—met den neger in
+de studeerkamer terug.
+
+„Ziezoo, Charly,” sprak hij, „nu hebben we den knaap. We zullen nu eens
+zien of we hem met behulp van den braven Baxter niet onschadelijk
+kunnen maken.”
+
+„Ik ben bang, Edward, dat die dolle streek ons nog in moeilijkheden
+brengt.”
+
+„Hazenhart”, spotte Raffles en hij liet zich met Scotland Yard
+verbinden.
+
+„Hier Baxter!” klonk het.
+
+„Hier Van Brixen! Het spijt me, inspecteur, dat ik u alweer moet lastig
+vallen. Er is zoo juist een groot ongeluk in mijn huis gebeurd. Nadere
+bijzonderheden kan ik u onmogelijk per telephoon meedeelen. Kom dus zoo
+gauw mogelijk naar hier!”
+
+De inspecteur beloofde het.
+
+Raffles legde de microfoon op het toestel en stak een sigaret op.
+
+„Over een kwartier kan hij hier zijn en dan kan het spelletje
+beginnen.”
+
+
+
+Nauwelijks was een kwartier verstreken, toen de huisschel overging.
+
+Raffles kroop weer in de vermomming en ging in den leunstoel zitten.
+
+Charly ging als Timmy naar de deur.—
+
+Toen Baxter het huis betrad, zag hij, dat de neger buiten zich zelf
+was.
+
+Hij sloeg met de vuisten zich tegen den kroeskop en riep uit:
+
+„O, master, hij zoo dom is, zoo dom! Hij roept zoo dwaze dingen!”
+
+Verschrikt vroeg Baxter:
+
+„Wie? Van Brixen?”
+
+„O, no master, die andere kleine man!”
+
+Baxter ging naar boven.
+
+Ook Van Brixen scheen buiten zich zelf te zijn.
+
+Hij wrong de handen en steunde:
+
+„O, beste inspecteur! Wat een ongeluk! Wat moet ik met dien armen kerel
+beginnen!”
+
+„Maar wat is er dan om ’s hemels wil gebeurd?”
+
+„Och ja, dat is waar ook. Je weet nog niets! Luister.
+
+„Een paar uur geleden kwam mijn oude vriend Fournier mij bezoeken. Die
+brave kerel had zeker gehoord, dat ik ziek ben. Ik vertelde hem van
+mijn ziekte en dat ik had besloten, alles te verkoopen. Ik wilde hem
+nog een paar kostbaarheden geven en toen hij bezig was een en ander uit
+te zoeken, nam hij plotseling een kostbare vaas, wierp die op den grond
+en schreeuwde:
+
+„„Daar is Raffles!”
+
+„Ik wist niet, wat er gebeurde en vroeg:
+
+„„Wat scheelt er aan, Fournier?”
+
+„Toen draaide hij zich plotseling om, sprong mij naar de keel, trachtte
+mij te worgen en riep maar steeds: „Jij bent Raffles! Jij bent
+Raffles!” Als Timmy mij niet te hulp was gekomen, zou hij mij zeker
+vermoord hebben.”
+
+De zieke hield, uitgeput, op.
+
+De inspecteur had vol aandacht geluisterd. Toen zei hij:
+
+„Ik heb het wel gedacht. Fournier had allang dat idee fixe. Nu is het
+tot een uitbarsting van krankzinnigheid gekomen.”
+
+„Ja, ja, zoo is het!” hijgde de zieke.
+
+„Waar hebt ge den ongelukkige gelaten?”
+
+„Timmy heeft hem overmeesterd en daar wij ons leven niet zeker waren,
+hebben we hem gebonden en in de kleine kamer hiernaast gelegd. De
+aanval schijnt nu voorbij te zijn, want hij is geheel kalm.”
+
+„Zoo’n aanval kan gauw terugkomen.”
+
+Het scheen dat de inspecteur gelijk had, want nu klonk het weer uit de
+aangrenzende kamer:
+
+„Die schurk, die dief is daar! Help! Help! Daar is Raffles!
+
+„Heb ik het niet gezegd?” vroeg Baxter.
+
+„Ja, inderdaad, ge hebt gelijk!”
+
+„Laat ons maar eens naar hem gaan kijken.”
+
+Het drietal ging naar de andere kamer. Van Brixen leunde op Timmy’s
+schouder en strompelde voort.
+
+De gebonden man begon opnieuw los te barsten.
+
+„Daar is de schurk! Neem hem gevangen, mijnheer Baxter! Het is
+Raffles!”
+
+Baxter schudde het hoofd en zei tegen Van Brixen:
+
+„Gaat u liever heen. Onze tegenwoordigheid schijnt hem verbazend op te
+winden.”
+
+Met meewarigen blik keek Van Brixen naar zijn vriend en fluisterde:
+
+„Die arme Fournier!”
+
+Toen verliet hij het vertrek.
+
+De Franschman begon met iedere minuut harder te schreeuwen:
+
+„Laat hem toch niet ontsnappen, mijnheer Baxter, en maak mij toch vrij!
+Ge lijkt wel gek!”
+
+Op goedigen toon zei Baxter:
+
+„Ja, ja, beste vriend dat is Raffles! Zeker! Ik zal hem dadelijk
+arresteeren! We nemen een automobiel en rijden spoorslags naar de
+gevangenis!”
+
+„Dat is goed! Dat is goed!”
+
+Baxter ging nu naar Van Brixen toe.
+
+„Het geval is inderdaad veel erger, dan ik dacht. De ongelukkige is
+razend en wij moeten hem knevelen om elk opzien te vermijden. Hij moet
+natuurlijk dadelijk naar een krankzinnigengesticht worden
+overgebracht!”
+
+Van Brixen sloeg de handen voor het gelaat:
+
+„Die arme, arme kerel!”
+
+Baxter ging de straat op, floot twee agenten en beval deze, terstond
+een automobiel te halen.
+
+Na enkele minuten was alles gebeurd.
+
+Men had Fournier een prop in den mond gestoken, zoodat hij niet kon
+schreeuwen.
+
+Maar de woedende blikken, die hij naar Van Brixen wierp, toen deze weer
+in den leuningstoel ging zitten, spraken boekdeelen.
+
+Baxter nam afscheid van Van Brixen en volgde de anderen.
+
+De auto was nauwelijks in beweging of de zoogenaamde Van Brixen sprong
+op, snelde naar het venster en loerde door een reet.
+
+Toen lachte hij:
+
+„Dat zaakje is dus geschikt.”
+
+Daarna stak hij een nieuwe sigaret op.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+BIJ AFBRAAK.
+
+
+De dag der verkooping was aangebroken.
+
+Reeds in den vroegen morgen kwamen koopers van alle kanten opdagen en
+een der eersten was inspecteur Baxter.
+
+Van Brixen ontving hem met groote vriendelijkheid.
+
+„Mijn waarde inspecteur,” sprak hij, „ge hebt mij zooveel diensten
+bewezen, dat ik niet mag toestaan, dat je iets koopt. Ik hoop, dat ge
+mij zult toestaan, u een en ander als blijk van waardeering aan te
+bieden.”
+
+Baxter was ten zeerste verheugd, maar tegelijkertijd ten hoogste
+verbaasd over de vrijgevigheid van den man, die als gierigaard bekend
+stond.
+
+Hij zocht eenige prachtige dingen uit, waaronder een staande klok en
+een inktstel van Venetiaansch brons. Hij liet deze kostbaarheden
+terstond naar zijn bureau brengen.
+
+Toen de eerste koopers kwamen, nam Van Brixen afscheid. Hij beweerde,
+te ziek te zijn om de verkooping bij te kunnen wonen en liet de
+regeling over aan zijn bediende, die voor een neger al buitengewoon
+scherpzinnig was.
+
+Voor bijna alles in huis waren aldra koopers gevonden en toen de
+kunstvoorwerpen geveild waren, kwamen de meubels, de bedden, de
+gordijnen, de schilderijen, de tapijten en andere dingen onder den
+hamer.
+
+Eindelijk was het geheel kaal en nu ging men bieden op de stokrozen, de
+prachtige palmen en bladplanten uit den tuin.
+
+Zes uren nadat de verkoop was begonnen, waren alle kostbaarheden en
+andere voorwerpen reeds verdwenen en slechts de kale muren bleven
+staan.
+
+Toen de laatste kooper het huis had verlaten, ging Van Brixen naar
+Timmy toe:
+
+„Wij mogen het niet wagen,” sprak hij, „om in een hotel te gaan en daar
+we toch niet onder den blooten hemel kunnen slapen, moeten we vandaag
+maar per auto er van door gaan.”
+
+Lachend stemde Charly toe en hij ging het voertuig in orde brengen.
+
+Kleeren werden gepakt en alles gereed gemaakt.
+
+Toen strompelde Van Brixen naar buiten en voort ging het.
+
+Eerst werd nog even aangereden bij den heer, die het huis op afbraak
+had gekocht en Timmy bracht hem den sleutel, daar den volgenden morgen
+met de slooping kon worden begonnen.
+
+Toen ook dit was geschied, liet de zwarte chauffeur, lustig het
+„tuf-tuf” hooren en voort ging het door den donkeren nacht.
+
+
+
+Zes maanden waren verloopen, sinds Van Brixen met zijn minnares Tatjana
+Miroff de reis om de wereld had ondernomen, toen op zekeren morgen de
+trein van Southampton de reizigers naar Londen terugbracht.
+
+Daar Van Brixen bij zijn afreis zijn geheele dienstpersoneel had
+ontslagen, moest hij wel besluiten om in een hotel te gaan.
+
+Tatjana had Van Brixen op deze reis er toe weten te bewegen om haar te
+huwen en hoewel Van Brixen daarvan eerst niet had willen hooren,
+besloot hij toch, na de terugkomst in Londen den wensch van zijn
+liefste te vervullen.
+
+De reizigers hadden hun lunch gebruikt en Tatjana ging naar haar kamer.
+
+Van Brixen had een auto voor laten komen en reed naar zijn huis in
+Goldhawke Road.
+
+Makkelijk leunend in de kussens rookte de meisjeshandelaar een sigaar
+en dacht er over na, welke kamers hij in zijn woning voor zijn
+aanstaande vrouw zou laten inrichten.
+
+Zoodoende had hij niet bemerkt, dat de auto in de straat was gekomen
+waar zijn huis stond en hij verbaasde zich erover, dat de auto langzaam
+reed, omkeerde en toen stilhield.
+
+„Ik kan het nummer, dat u genoemd hebt, niet vinden,” zei de chauffeur
+toen.
+
+Van Brixen schrikte op.
+
+Een schok vloog door zijn lichaam en met één sprong was hij den wagen
+uit.
+
+Waar was hij???
+
+Die huizen rechts en links waren toch de huizen van zijn buren.
+
+Maar zijn huis!!
+
+Waar was zijn huis??
+
+Was dat hekserij?
+
+De chauffeur kon hem geen opheldering geven.
+
+Van Brixen was altijd een man geweest, die vlug een besluit nam en ook
+terstond handelde.
+
+Hij had bij zijn vertrek uit Londen de politie opgedragen zijn huis te
+bewaken en vond nu niets dan een puinhoop.
+
+Daar moest hij meer van weten.
+
+Vlug sprong hij in de auto en liet zich naar Scotland Yard rijden.
+
+Baxter kwam hem reeds tegemoet en zeide:
+
+„Ah Mr. Van Brixen, zijt ge zoo gauw weer opgeknapt? Ge ziet er
+uitstekend uit.”
+
+Van Brixen begreep niets van deze woorden en Baxter vervolgde:
+
+„Komt ge al weer in Londen wonen? De grond van uw vroeger perceel is
+nog niet verkocht!”
+
+Nu werd het Van Brixen toch te bont.
+
+Razend riep hij uit: „Zijt ge gek geworden? Wat bedoelt ge toch?”
+
+Baxter snapte absoluut niets van de zonderlinge houding van zijn
+bezoeker en vreesde bijna, dat dezen hetzelfde noodlot had getroffen
+als Fournier, die nog als ongeneeslijk krankzinnig in het gesticht zat.
+
+Eindelijk sprak hij op schuchteren toon:
+
+„Maar Mr. Van Brixen, gij waart toch zoo vriendelijk om mij deze
+voorwerpen te schenken.”
+
+„Wat? Ik? Gedroomd!!!”
+
+„Ik droom volstrekt niet. Ge hebt ze mij gegeven, toen uw huis verkocht
+werd voor afbraak.”
+
+Nu was het de beurt van Van Brixen om ten zeerste verbaasd te zijn.
+
+„Wat? Ben ik drie maanden geleden hier geweest? Vanmorgen heb ik voor
+het eerst weer voet op Londen’s bodem gezet, waar ik sinds een half
+jaar niet geweest ben.”
+
+In Baxter steeg een vreeselijk vermoeden op, doch hij durfde het niet
+te uiten.
+
+Twee dagen geleden had hij een brief aan het adres van Mr. Van Brixen
+ontvangen en dezen overhandigde hij nu aan den geadresseerde.
+
+Van Brixen las het schrijven.
+
+Hij uitte een kreet van woede, toen hij den inhoud gelezen had en viel
+half bewusteloos in een stoel neer.
+
+De inspecteur had het papier, dat op den grond gevallen was, opgeraapt
+en las het volgende met steeds stijgende opwinding:
+
+
+ „Mr. Van Brixen.
+
+ Toen ik eenige maanden geleden uit uw schrijftafel een collier
+ wegnam, om dit als bruidsgeschenk aan uw dochter van haar
+ liefhebbenden vader mee te geven, liet ik een bericht achter, dat
+ ik binnenkort ook u zou bestraffen, zooals ik Fournier bestraft
+ had.
+
+ Deze domme gek heeft mij door zijn nieuwsgierigheid gedwongen, hem
+ een ferme les te geven en inspecteur Baxter heeft mij hierbij op
+ vriendelijke wijze geholpen, toen hij persoonlijk Mr. Fournier naar
+ het gekkenhuis bracht, waarin hij op het oogenblik nog verpleegd
+ wordt wegens een idee fixe. Dit bestond daarin, dat hij de eenige
+ was, die in den valschen Van Brixen dadelijk den beruchten Raffles
+ herkende.
+
+ De straf, die gij door mij ontvingt, is weliswaar hard, doch
+ volkomen verdiend. Uwe bezitting is vernield, uw antiquiteiten zijn
+ naar alle winden verstrooid, slechts eenige onbeduidende
+ kleinigheden zult ge daarvan terug vinden. Deze toch zijn in het
+ bezit van inspecteur Baxter.
+
+ Ten aanzien van dezen heer verzoek ik u als de echte Van Brixen de
+ belofte te houden, die ik als valsche Van Brixen deed en hem de
+ voorwerpen, die hem zooveel pleizier deden, als geschenk te laten,
+ want hij heeft een belooning verdiend; niet wegens groote
+ voorzichtigheid en scherpzinnigheid, doch wegens de vele diensten,
+ welke hij mij zoo zelf-opofferend bewezen heeft.
+
+ Daar ge u nog verheugen kunt in het volle bezit van uw vermogen,
+ zal het u gemakkelijk vallen deze verliezen te dragen. Ge hebt
+ evenwel voor het eerst in uw leven wellicht straf ontvangen voor
+ wat ge eens aan de armsten der armen hebt misdreven.
+
+ Moge deze les u een vermaning zijn voor de rest van uw leven.
+
+ JOHN C. RAFFLES.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EEN SPOORWEG-ONGELUK.
+
+
+Het was slechts een zeer onbeduidend iets, dat in het brein van Mr.
+James Parkinson een grootsch plan deed rijpen.
+
+In zijn vak was Mr. James Parkinson een genie en dat vak omvatte het
+geheele omvangrijke gebied der oplichterij.
+
+Eens had hij de eervolle positie van advokaat bekleed, maar tengevolge
+van zekere gebeurtenissen, was hij door zijn collega’s uitgestooten en
+onmogelijk gemaakt.
+
+Zijn uitnemende juridische kennis, zijn beschaving en goede opvoeding
+kwamen hem in zijn nieuw beroep uitstekend van pas, want iemand, die de
+wet kent en behalve dat lang niet dom is, zal bij zijn oplichterijen
+niet licht worden betrapt.
+
+Een kleine, schijnbaar onbeduidende aanteekening onderaan het
+Beursbericht in zijn ochtendblad had hem op het denkbeeld gebracht.
+
+„Weinig vraag naar geld, disconto onveranderd, staatspapieren kalm. Een
+groote zending goud zal binnenkort van de Bank van Schotland worden
+gezonden”.
+
+Dat was inderdaad een aanteekening, die voor het meerendeel der lezers
+van geen belang was.
+
+Voor Parkinson echter was zij voldoende om de een of andere
+oplichterij, die hij op het oog had, voorloopig uit te stellen en alle
+krachten te wijden aan deze zaak.
+
+Zou hij misschien in het bezit van het goud kunnen komen?
+
+Liever dan alles anders ter wereld was voor hem gemunt goud.
+
+Hoe echter goud, dat voor de Bank bestemd was, daarheen werd
+getransporteerd, was hem zeer goed bekend.
+
+Hij wist, dat een dergelijk transport door de straten van Londen
+meestal geschiedde onder strenge bewaking, doch dat tijdens het
+transport per spoor de zending slechts zeer gering werd bewaakt.
+
+En daar hij al sinds langen tijd tot de overtuiging was gekomen, dat
+het in Engeland niets moeilijker is een trein te overvallen dan in
+Amerika, waar zooiets iedere week schier voorkomt, was hij spoedig
+besloten te beproeven, zich langs dezen weg in het bezit van het goud
+te stellen.
+
+Deze gedachte prikkelde hem zoo, dat hij terstond erop uitging om
+inlichtingen in te winnen.
+
+Zoo vernam hij, dat het zoo goed als zeker was dat het goud in een
+gewonen sneltrein zou worden overgebracht. In denzelfden trein zou zich
+ook een postrijtuig bevinden, waarin vele brieven en stukken van waarde
+werden meegevoerd.
+
+Dat was dus een extra buitenkansje.
+
+Twee dagen had Parkinson noodig om een paar „vrienden”, Amerikanen, die
+hem over den treinroof in Amerika eenige bijzonderheden konden
+mededeelen, op te snorren.
+
+Ook sprak hij langen tijd met een ontslagen machinist en met een zes
+voet langen Ier, een boef, die door de politie ijverig werd gezocht.
+
+In de achterkamer van een kroeg in het beruchte Oost-eind werd de
+eerste bijeenkomst van het vijftal gehouden.
+
+Met wantrouwende blikken keken de „heeren” elkander aan en eerst moest
+heel wat alcohol naar binnen worden geslagen, voordat de een na den
+ander wat toeschietelijker werd.
+
+„Laat ons dadelijk van wal steken,” begon Parkinson.
+
+„Volgenden Dinsdag vroeg komt de nachttrein uit Schotland hier, die een
+kolossale som aan gemunt goud als lading in heeft. Het metaal is in
+sterke met ijzeren banden beslagen kistjes verpakt en we kunnen ons het
+goud uitstekend toeëigenen als we den trein op anderhalf kilometer
+afstands van het station Carhampton tot staan brengen. Als ons dat
+lukt, krijgt ieder van jullie 300 pond sterling en bovendien kunt ge
+nog deelen, wat ge de passagiers aan gouden horloges, sieraden en baar
+geld kunt afhandig maken”.
+
+Dit voorstel werd door twee der aanwezigen met een luid klinkenden lach
+begroet, terwijl de twee anderen een veelzeggend stilzwijgen bewaarden.
+
+„Dat klinkt allemaal heel mooi. Ik geloof echter niet, dat een
+Engelsche sneltrein zoo gemakkelijk door het eenvoudig zwaaien met een
+roode lantaarn tot staan gebracht kan worden, zooals daarginds in het
+Verre Westen,” meende op sarcastischen toon een der Amerikanen, die
+heel groot van stuk was en maar één oog had.
+
+„Neen,” antwoordde Parkinson ernstig, „tot zulke afgezaagde middelen
+zullen wij ook hier te lande onze toevlucht niet nemen.”
+
+„Wat kunnen wij dan met z’n vijven tegen al die lieden beginnen?” vroeg
+de voormalige machinist.
+
+„Mijn waarde heer,” antwoordde Parkinson met een geheimzinnig lachje,
+„als twee dappere kerels reeds vroeger in Amerika, dus in het land,
+waar bijna niemand zonder wapens uitgaat, een stampvollen trein hebben
+overweldigd, dan kunnen toch zeer zeker hier vijf met revolvers
+gewapende lieden, zelfs zonder al te roekeloos op te treden, ook wel
+zoo iets tot stand brengen. Als iemand zich verweert schieten we hem
+eenvoudig neer en dat zal de anderen wel bang maken.
+
+„Maar aan den anderen kant,” vervolgde hij, „moet ik jullie er wel
+degelijk opmerkzaam op maken, dat de heele zaak geweldige opschudding
+zal veroorzaken, want ieder Engelschman beschouwt alleen reeds de
+gedachte aan zooiets als hoogverraad.
+
+„Volgens mijn weten is nog nooit in Engeland zoolang als de spoorwegen
+hier bestaan, de trein overvallen en geplunderd. Als het moeilijke werk
+dus voltooid is, moeten wij dadelijk den buit deelen en zorgen, dat we
+uit de voeten komen.”
+
+„Voordat we verder gaan,” zei de machinist, „moeten we toch weten hoe
+de locomotief tot staan wordt gebracht.”
+
+„Daar u dit zooveel hoofdbrekens kost, heeren, zal ik u dit mededeelen.
+Ge kent toch Carhampton?” vroeg hij den machinist.
+
+Deze knikte toestemmend.
+
+„En herinnert ge u ook den grooten berg, dien de trein, vlak achter het
+station, over moet rijden?”
+
+„Zeker. Dat is de grootste stijging, die ik ooit over ben gereden. Het
+is daar een heel lastig eind.”
+
+„Juist. En op die plek moet de trein tot staan worden gebracht.”
+
+En Mr. Parkinson zette nu zijn plan nader uiteen.
+
+Kauwende op een pruim tabak, luisterde de machinist.
+
+Hij scheen nog niet heelemaal overtuigd te zijn. En Mr. Parkinson had
+twee volle uren noodig om de aanwezigen voor zijn plan te winnen.
+
+
+
+De „Vliegende Schotlander”, aldus werd de sneltrein wegens zijn groote
+vlugheid genoemd, vervolgde zijn reis door de binnenlanden van
+Schotland.
+
+Voorbij gesneld waren de morsige dorpen met hooge schoorsteenen en
+mijnwerken, waar af en toe de hoogoplaaiende vlammen der hoogovens
+schilderachtige effecten vormden.
+
+De trein had nu de duistere vlakte bereikt.
+
+Aan beide kanten van de kloof bij Carhampton, boven aan den berg,
+wachtten de vijf mannen.
+
+Een goederentrein ratelde voorbij en Mr. Parkinson keek op zijn
+horloge. Toen begon hij de rails op ongeveer vijftig meter afstands
+boven op den berg, geducht met olie in te smeeren, toen liep hij naar
+den seinpaal, klauterde langs de ijzeren ladder naar boven, verwijderde
+daar de beide kleurige signaalschijven en verving ze door andere
+glazen, die hij had meegenomen.
+
+Als nu het signaal „Veilig” zou worden gegeven, verscheen, inplaats van
+het groene licht, het roode, dat „halt” beteekent. En omgekeerd.
+
+Nauwelijks was hij weer op zijn plaats teruggekeerd, toen in de verte
+het geratel van een naderenden trein werd gehoord.
+
+Nader en nader kwam hij, totdat aan den anderen voet van den heuvel, in
+de vlakte de witte wolken uit de machine duidelijk zichtbaar werden.
+
+De stoomketel was flink opgestookt en werkte onder groote spanning om
+de moeilijke steiging te volbrengen.
+
+Toen de machinist bij de bocht zag, dat de weg niet veilig was, liet
+hij de stoomfluit zoo schril werken, dat Mr. Parkinson op zijn post
+boven op den berg van schrik ineenkromp en de stationschef in
+Carhampton zich afvroeg, wat er wel gebeurd kon zijn.
+
+Als de nacht helder was geweest, zou de machinist wel gezien hebben,
+dat de signaallantaarn naar beneden wees, maar daartoe was het thans te
+donker.
+
+De trein pufte den berg op en in de hoop, dat de weg in het laatste
+oogenblik nog vrij zou komen, bleef de machinist dezelfde snelheid
+behouden.
+
+Toen echter nog steeds geen groen licht verscheen, was hij wel
+gedwongen, te remmen, want aan den anderen kant was de helling zeer
+steil.
+
+De trein was bijna op den top gekomen en reed langzaam, toen plotseling
+de machine op de rails stokte. De wielen draaiden wel, maar de trein
+kwam niet van zijn plaats en dreigde den berg ruggelings weer af te
+glijden. Zoodoende moest met alle macht geremd worden en de trein werd
+tot stilstand gebracht.
+
+In hetzelfde oogenblik werden ook de machinist en de stoker door twee
+personen met revolvers bedreigd. De een door Mr. Parkinson, de ander
+door den éénoogigen Amerikaan.
+
+De stoker gaf zich echter niet zoo gemakkelijk over en sloeg met den
+kolenschop er op los, zoodat hij bijna Mr. Parkinson den schedel had
+verbrijzeld. Zijn cylinderhoed, dien hij altijd droeg, zelfs bij deze
+onderneming, redde hem het leven.
+
+Een kogel, die hem door den elleboog vloog, maakte den stoker voor het
+gevecht onschadelijk en een tweede die de pet van den machinist
+doorboorde, joeg dezen zoo’n angst aan, dat hij zich zonder verderen
+tegenstand liet binden en op de kolen in den tender liet gooien.
+
+De conducteur werd onverhoeds overvallen en zonder veel moeite
+gebonden.
+
+Een particulier detective en een beambte van de Bank, wien de bewaking
+over de waardevolle zending was opgedragen, werden verschrikt door het
+plotselinge stilstaan van den trein.
+
+De detective trok zijn revolver en keek uit het venster.
+
+Geruischloos werd de andere deur echter geopend en een stem riep:
+
+„De revolver weg!”
+
+Toen hij zich omkeerde zag hij een elegant gekleed heer met een
+ingeslagen hoed, die zijn revolver op hem richtte.
+
+De beide mannen keker elkander een oogenblik aan en voor den
+doorborenden blik van Parkinson liet de ander het wapen zakken.
+
+De Bankbeambte was een goedmoedig heer op middelbaren leeftijd.
+
+Hij verdedigde zich absoluut niet en vlug werd het goud uit den waggon
+gesleept.
+
+Door het brutale optreden der roovers en het dreigen met de revolvers
+lieten de passagiers zich zoo overbluffen, dat zij zonder
+tegenspartelen horloges, kostbaarheden en baar geld overhandigden.
+
+Daar zich een groot aantal rijke lieden in den trein bevond, die van
+Schotland naar Londen reisden, was de buit aanzienlijk. Het kleine
+kistje, dat lady Ilfracombes juweelen bevatte had alleen reeds de
+moeite geloond.
+
+Uit een coupé tweede klasse trachtte een slank gebouwd heer in de
+duisternis te ontsnappen en hoewel hem meerdere kogels werden
+nagezonden, vond zijn voorbeeld toch bij meerdere navolging. Maar het
+grootste deel der passagiers bleef kalm in den trein zitten.
+
+Men kan het waarlijk den passagiers niet kwalijk nemen, dat zij niet
+meer tegenstand boden, want slechts twee der passagiers waren van
+revolvers voorzien, waarvan de een de patronen in zijn koffer had
+gepakt, terwijl de ander niet met het wapen kon omgaan.
+
+Parkinson had, hoewel de roof zeer snel in zijn werk was gegaan, nog
+nauwelijks tijd om vier bundels brieven snel bijeen te rapen.
+
+Reeds werden de lantaarns der beambten van het naastbij gelegen station
+zichtbaar, die kwamen zien, waarom de trein halverwege was blijven
+stilstaan.
+
+Zwaar beladen met goud en kostbaarheden liepen de mannen het veld in en
+daar werd alles gepakt in een onschuldig uitziend handkoffertje.
+
+Even later liep de trein onder de leiding van den van zijn boeien
+bevrijden machinist, het station binnen.
+
+En nu begon de telegraaf te werken.
+
+Er werden lange berichten naar Londen gestuurd, naar de verschillende
+bladen, die den volgenden dag het nieuws meldden tot in de kleinste
+bijzonderheden.
+
+
+
+Slechts vier van de mannen, die den treinaanslag hadden gepleegd,
+kwamen den volgenden dag samen in een achterbuurt van een fabrieksstad
+in Noord-Engeland.
+
+De Ier ontbrak.
+
+Hij was sinds de misdaad nog niet nuchter geweest en in zijn roes
+bazelde hij zooveel en zoolang, dat Parkinson doodsbenauwd was, dat de
+kerel zijn mond voorbij zou praten en hem daarom een verdoovingsmiddel
+had gegeven, dat hem voor een paar dagen onschadelijk maakte.
+
+De roovers waren niet weinig verbaasd over den storm, dien zij hadden
+veroorzaakt.
+
+Overal werd er van gesproken. Iedere krant wijdde er ellenlange
+artikelen aan.
+
+De Amerikanen besloten naar hun geboorteland terug te keeren. Parkinson
+was van plan, weer naar Londen te trekken, daar hij zich daar het
+veiligst gevoelde.
+
+De machinist wist nog niet, waarheen hij zou gaan.
+
+In de „Vliegende Schotlander” zat in een salonwagen een heer in
+jachtcostuum.
+
+Hij scheen na lang verblijf uit de Schotsche Hooglanden door Engeland
+terug te keeren.
+
+Toen men het station Carhampton naderde, wees de heer, die in deze
+streek goed bekend scheen te zijn, zijn medereizigers de plaats, waar
+de treinroof was gepleegd.
+
+Ook nu reed de trein uiterst langzaam het station binnen en de heer in
+jachtcostuum scheen een beetje zenuwachtig te worden, toen hij op het
+perron zooveel politiemannen zag staan.
+
+„Ja,” beweerde de dikke inspecteur, toen hij den vermeenden jager de
+handboeien aanlegde, „dat is inderdaad tragisch. Gesnapt, juist op de
+plaats van de misdaad. Eerlijk gezegd, waarde heer Parkinson, achtten
+wij het te gevaarlijk, u nog dichter bij Londen te laten komen. Ge hadt
+ons zoo makkelijk kunnen ontsnappen. Uw zakken zijn zoo zwaar. Wat hebt
+ge daar? Laat eens zien!! Goud! Echt goud! Neen maar!!”
+
+De politie had te juister tijd ingegrepen!
+
+En dat gebeurt niet altijd!
+
+Zèlfs niet in Engeland!
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77573 ***