diff options
Diffstat (limited to 'LordLister-0039-utf8.txt')
| -rw-r--r-- | LordLister-0039-utf8.txt | 2786 |
1 files changed, 2786 insertions, 0 deletions
diff --git a/LordLister-0039-utf8.txt b/LordLister-0039-utf8.txt new file mode 100644 index 0000000..af9c324 --- /dev/null +++ b/LordLister-0039-utf8.txt @@ -0,0 +1,2786 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77573 *** + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 39 DE KRANKZINNIGE VAN HANWELL. + + + + + + + + +DE KRANKZINNIGE VAN HANWELL + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +AFGELUISTERDE GEHEIMEN. + + +In Goldhawke Road stond een onaanzienlijk klein huis midden in een +tamelijk grooten tuin, waarin de heerlijkste bloemen geurden. + +Het huisje scheen zich daar in het westen van Londen, te midden van +fraaie villa’s en huizen, die wel kasteelen geleken, niets op zijn +gemak te gevoelen. Somber staken de grauwe muren uit het sappige groen +op. + +Hoe onooglijk dat huisje er uitwendig ook uitzag, zulke kostbare +schatten verborg het in zijn binnenste. + +De eigenaar was een Hollander, Van Brixen, die meer dan tien jaar +geleden het stuk grond kocht en het had den man heel wat moeite gekost +om te worden toegelaten tot de goede gezelschapskringen, daar men +allerlei vreemde dingen fluisterde omtrent het verkrijgen van zijn +geweldigen rijkdom. + +Maar ten slotte had toch het goud gezegevierd over alle mogelijke +vooroordeelen. + +Nu straalden, tot aan het dak, alle vensters in helderen glans en de +nieuwsgierigen, die gelokt door de walsmelodieën voor het hek bleven +staan, konden in de ruime vertrekken van het parterre-gedeelte een +feestelijk uitgedoste menigte zich zien bewegen. + +De rijke Hollander had een tamelijk groot gezelschap uitgenoodigd en +allen waren gaarne gekomen, want men wist, dat Van Brixen steeds +uitnemend zorgde voor de gezelligheid zijner gasten. + +Heden had de heer des huizes, meer nog dan gewoonlijk, alles in het +werk gesteld om het feest te doen slagen, want hij wilde de verloving +van zijn dochter Antje met een handelsvriend, den heer José Fournier, +een Franschman van geboorte, vieren. + +De bruidegom was jaren geleden in Londen komen wonen en leidde in deze +stad een vroolijk jonggezellenleven. + +Vandaag gloeide de kleine, beweeglijke Franschman van trots. Een +onbeduidend voorval had hem eenige dagen geleden in kennis gebracht met +een heer uit de hoogste aristocratische kringen van Zuid-Frankrijk. + +Hij zat in een der voornaamste café’s van Londen en aan een tafeltje +vlak bij het zijne zat een elegant heer van omstreeks +vijf-en-dertigjarigen leeftijd, die zich in het Fransch onderhield met +een veel jongeren heer. + +Fournier, wiens scherp oog de voorname manieren der heeren niet +ontgingen, werd door nieuwsgierigheid geprikkeld, toen hij Fransch +hoorde spreken. + +Hij trachtte herhaaldelijk kennismaking aan te knoopen, door een krant +te vragen, die de vreemdeling had terzijde gelegd, om wat vuur te +verzoeken voor zijn sigaar en op alle mogelijke manieren de aandacht op +zich te vestigen. + +Het toeval kwam hem te hulp. + +Toen de beide heeren het café wilden verlaten, nam de oudste heer uit +vergissing de kostbare pels van Fournier om deze aan te trekken. + +Deze maakte nu van de gelegenheid gebruik en maakte den vreemdeling +allerbeleefdst opmerkzaam op zijn vergissing. + +Natuurlijk haastte de vreemdeling zich, zijn verontschuldigingen aan te +bieden en in het gesprek, dat zich thans ontspon, stelde hij zich voor +als markies d’Armand en zijn vriend als monsieur Bellon uit Bordeaux. + +In zijn groote zucht naar voorname kennissen klampte Fournier zich aan +den markies vast. + +Deze van zijn kant, scheen het niet meer dan beleefd te vinden, dat hij +de vergissing weer eenigszins goed maakte, het gesprek werd +vriendschappelijker en nog dienzelfden avond vertelde Fournier van zijn +„intiemen” vriend, den markies d’Armand. + +Hoewel hij doorgaans het café eerst om vijf uur des middags bezocht, +ging hij er den volgenden dag reeds om één uur heen, in de stille hoop, +er den markies te zullen aantreffen. + +Hij moest in ieder geval tot vijf uur geduld blijven oefenen, maar toen +ook werd zijn wachten beloond, want inderdaad betrad het tweetal weder +de café-zaal. + +Terstond begroette de Franschman den markies op zeer luiden toon. + +Tot zijn groote vreugde ging het tweetal bij hem aan het tafeltje +zitten en het drietal was al heel gauw in een levendig gesprek +gewikkeld. + +De vreugde over de nieuwe voorname kennismaking had Fournier zoozeer in +verrukking gebracht, dat hij den vorigen nacht den slaap niet had +kunnen vatten. + +Rusteloos had hij op zijn legerstede gelegen en overwogen hoe hij wel +het meest van dit buitenkansje kon profiteeren. + +Hij had het volgende bedacht: + +Over eenige dagen zou hij de verloving vieren met Antje, de dochter van +zijn vriend Van Brixen. + +Dit feit had voor hem veel aanlokkends, want in de eerste plaats was +zijn bruid een mooi meisje en voorts kreeg zij een aanzienlijken +bruidsschat mede. + +En hoe heerlijk zou het wezen, als de voorname landsman door zijn +tegenwoordigheid het feest zou opluisteren? + +Ja, zoo moest het zijn! + +Hij moest den markies zien over te halen om het feest, dat Van Brixen +gaf, te bezoeken. + +Terwijl hij zich thans in het café met de vrienden onderhield en zijn +best deed om zich van den aardigsten kant te toonen, kwam hij met zijn +plan voor den dag. + +En tot zijn groote vreugde was er niet al te veel overredingskracht +voor noodig om den markies en zijn vriend te bewegen te zullen komen.— +— — + +Van Brixen, die hoopte door de nieuwe kennissen van zijn schoonzoon in +de hoogere kringen te worden toegelaten, was eveneens zeer verheugd en +had de vreemdelingen vol trots aan het overige gezelschap voorgesteld. + +Onder een groep dichte palmen stond een bank van Japansch riet, die een +aangenaam plaatsje bood aan allen, die tijdelijk het dansgewoel wilden +ontvluchten. + +Deze wintertuin was inderdaad een kijkje waard. + +Zeldzame Oostersche planten, die voor groote sommen waren aangekocht, +gaven het geheel een sprookjesachtigen aanblik. + +Op de bank van Japansch riet zaten twee heeren. + +De oudste van hen droeg in het knoopsgat van den eleganten rok den +rooden strik van het kruis van het Legioen van Eer. + +De fijne, witte rechterhand aan wier pink een kostbare brillant +glinsterde, streek over den welverzorgden puntbaard, de mond vertrok +zich tot een verveeld gapen en hij sprak tot zijn jongeren begeleider: + +„Weet je, Charly, ik heb grooten lust om heen te gaan.—Dit sterk +gemengde gezelschap is toch echt vervelend. Ik had zoo gehoopt, hier +allerlei interessante dingen te vinden, daar het verleden van onzen +gastheer en ook dat van vriend Fournier allerlei geheimen moet +verbergen, maar ik zie mij teleurgesteld.” + +De heer, die met Charly werd toegesproken, wilde juist antwoorden, toen +zijn vriend hem met een snelle beweging het zwijgen oplegde en met de +rechterhand naar de deur wees, die uit de balzaal in den wintertuin +leidde. + +Door die deur waren juist twee heeren binnen getreden, die de palmgroep +naderden, in welker schaduw de beide vrienden zaten. + +Naast een klaterende fontein bleven zij staan en de kleine, bewegelijke +Franschman sprak tot zijn vriend en toekomstigen schoonvader op +halfluiden, opgewonden toon: + +„Neen, Geert, dat doe ik niet!” + +Van Brixen legde zijn hand op den arm van den Franschman en antwoordde +met een vette stem: + +„Maar Jean, wees toch verstandig! Twee oude vrienden als wij....... Je +kent mij toch— —” + +„Ja, juist omdat ik je ken”, antwoordde Fournier, „juist daarom blijf +ik op mijn stuk staan. Juist omdat ik je ken, verlang ik de +vijftigduizend pond op zijn laatst op den dag vóór de bruiloft.” + +„Maar dat is toch onzin, Jean!—Ik vind het best, dat je op den dag voor +de bruiloft geld krijgt, maar dan de twintigduizend pond, die als +bruidsschat zijn bestemd. Het andere— —” + +„Och wat, om het „andere”, zooals gij het belieft te noemen, is het +juist te doen. Denk je misschien, dat ik er op gesteld ben, voor die +ellendige twintigduizend je dochter te nemen? Neen, ik zou willen, dat +we nu eindelijk eens tot een vergelijk komen. Als ik mijn leven van +jonggezel opgeef, wil ik ook weten, waarom ik het doe!” + +Van Brixen lachte een beetje gedwongen. + +Toen sprak hij op jovialen toon: + +„Kom, wordt nou asjeblieft niet sentimenteel! Het huwelijk zal jou niet +erg uit je gewone doen halen.” + +De kleine Franschman keek zijn vriend doordringend aan en sprak op +korten, scherpen toon: + +„Wil je doen, wat ik voorstel, ja of neen?” + +Van Brixen zuchtte diep. + +Toen zeide hij: + +„Als jij, ouwe bloedzuiger, niet anders wilt, dan vooruit maar!” + +„Afgesproken! Ik wist het wel, Geert, dat je verstandig zoudt zijn, +maar je hebt niet de minste reden om mij een bloedzuiger te noemen.” + +De kleine Franschman had den Hollander de rechterhand toegestoken en +deze sloeg er in met weemoedig gebaar. + +Toen gingen de beide „mannen van eer” arm in arm naar de balzaal terug. + +Markies d’Armand had met stijgende belangstelling geluisterd naar het +tweegesprek. + +Zijn verstandige oogen volgden de zich verwijderende heeren en toen +deze in de balzaal waren verdwenen, sprak hij tot zijn vriend: + +„Nu heeft het toeval ons voor eenige interessante raadsels geplaatst. +Onze zegslieden hadden dus volkomen gelijk toen zij beweerden, dat die +Hollander en zijn vriend samen gewichtige geheimen hebben. Voor niets +betaalt men geen dertigduizend pond.” + +„Dan blijven we hier zeker nog wat?” vroeg de jongste van het tweetal. + +„Ik denk het wel.” + +„Zullen we naar de zaal teruggaan?” + +„Ik blijf liever hier, want ik vermoed, dat deze klaterende fontein mij +nog meer geheimen zal verraden. Als jij naar de feestzaal terug wilt +gaan, Charly....” + +De markies scheen juist te hebben gezien, want plotseling ging een +kleine deur open, die van het park naar den wintertuin leidde en twee +jonge meisjes traden het plantenhuis binnen. + +De fontein scheen een geweldige aantrekkingskracht uit te oefenen op +alle binnentredenden, want ook zij schreden langzaam er heen en gingen +in een nis zitten. + +Een lachje vloog over het gelaat van den markies en hij sprak tot zijn +vriend: + +„Als die bekoorlijke dametjes ook geheimen hebben, zullen deze wel van +heel wat onschuldiger aard zijn!” + +„Ach, Maud, ik ben zoo diep ongelukkig!” + +De oudste der beide jonge meisjes slaakte deze verzuchting en ze boog +haar hoofdje, dat een schat van blonde vlechten torste, naar den +schouder van haar vriendin. + +Deze was ongeveer negentien jaren. + +Zij was van gewone grootte. Haar figuur kon men bijna te slank noemen +en haar fijn besneden gelaat vertoonde een voor haar leeftijd ongewoon +ernstige uitdrukking. + +Zij had den arm om haar vriendin geslagen en sprak met een diepe, +welluidende stem: + +„Maar Antje, doe het dan niet! Niemand kan je toch dwingen!” + +„Je kent mijn vader niet. Wat hij wil, moet gebeuren. Maar voordat ik +dien ellendeling trouw, spring ik liever met Fred in het water.” + +In haar opwinding was de dochter des huizes opgestaan en nu stond zij +daar, den rechterarm tegen den stam van een palm geleund, in half +trotsche, half wanhopige houding, de linkerhand, waarin zij een zakdoek +hield, tegen de oogen gedrukt. + +Maud, die meer beslist optrad dan haar vriendin, sprak op verwijtenden +toon: + +„Maar Antje, blijf toch bedaard! Als iemand je zoo eens kon zien!—Wij +zullen er wel een weg op vinden! Je moet je nu beheerschen en mee gaan +naar de gasten!” + +Haar vriendin troostend als een klein kind, troonde zij het jongemeisje +mee naar den ingang der zaal. + +„Bravo!—Dat meisje staat mij aan,” zeide de markies. „Die treedt flink +op en handelt kranig. Wat zou je er van denken, Charly, als gij die +kleine miss eens het hof gingt maken en tevens trachttet te vernemen, +wie „Fred” is, met wien die arme Antje zich wil verdrinken?” + +„Als je er een bedoeling mee hebt, wil ik het graag doen!” + +„Ja, zeker heb ik dat. Onze gastheer en zijn waarde vriend schijnen wel +de moeite van nauwkeurige waarneming waard. Ik geloof, dat hier iets +voor ons te doen is.—Jij belast je dus zoo’n beetje met de kleine Maud +en tracht een en ander te hooren van Fred. Maud is een mooi en lief +meisje, die taak zal je dus niet al te zwaar vallen”, voegde markies +d’Armand er glimlachend aan toe.— — + +Charly ging naar de balzaal om zich van zijn opdracht te kwijten. + +De markies bleef nog eenige oogenblikken op de bank zitten. + +Hij scheen over iets na te denken. + +Eindelijk stond hij op en begaf zich eveneens naar de balzaal. + +Op zijn gelaat lag een sarcastisch glimlachje en op half luiden toon +mompelde hij: + +„Raffles als de beschermengel van een paartje, dat aan ongelukkige +liefde lijdt—wel, dat is weer eens iets anders!— —” + +Toen mengde hij zich onder de dansenden. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE HANDTEEKENING. + + +„Het is net zooals ik gedacht heb, Charly”, zei markies d’Armand, die +er heden merkwaardig veranderd uitzag. + +Van het elegante puntbaardje was niets meer te zien en zijn rechterhand +draaide aan het kleine snorretje. + +Lord Lister bewoonde, onder den naam van markies d’Armand, tijdelijk +met zijn vriend drie ineenloopende kamers in een groot hotel in de City +van Londen. + +Hij had zich gemakkelijk in een stoel gevleid en de rookwolkjes van +zijn sigaret stegen naar boven, terwijl hij luisterde naar wat zijn +vriend hem vertelde. + +„Natuurlijk zal ik alles aanwenden om de beide kerels te straffen, +zoodat ze eeuwig aan mij zullen blijven denken.” + +De lord scheen zeer opgewonden te zijn, toen hij deze woorden uitte. +Zijn voorhoofd lag in diepe plooien en hij wierp de rest van zijn +sigaret met een onwillig gebaar in het aschbakje. + +Toen stond hij op en liep de kamer met groote passen op en neer. + +Charly had juist de laatste onbetwistbare bewijzen bijgebracht, dat de +Hollander, Geert van Brixen, al sinds een menschenleven zijn reusachtig +fortuin had verworven met den handel in blanke slavinnen. + +Zijn vriend Jean Fournier stond hem trouw ter zijde in dit vuile werk, +maar ook deze was door Van Brixen bestolen en bedrogen, die nu den +lastigen man door het huwelijk met zijn dochter den mond wilde snoeren. + +Hij scheen zich hierin te hebben bedrogen, want Fournier was met de +bruidsgift van 20,000 pond niet tevreden, doch verlangde op den +bruiloftsdag nog 30,000 pond extra. + +Van Brixen zou zich geen oogenblik hebben bedacht, den vrijer af te +wijzen, als hij bovendien geen ernstige reden had gehad om zijn dochter +zoo gauw mogelijk uit huis te krijgen. + +Van Brixen, een man van 63-jarigen leeftijd, was tot over de ooren +verliefd op een Russin, Tatjana Miroff. + +Zij was operette-zangeres en Van Brixen had haar in Londen leeren +kennen. + +Tatjana was niet jong meer, hoewel zij nog zeer voordeelig uitkwam +naast den grijzen Van Brixen, die er nog ouder uitzag dan hij werkelijk +was. + +Zij was achter in de dertig, had een opvallend groote gestalte en had, +met de wilskracht van vrouwen op dien leeftijd, al haar hoop gevestigd +op Van Brixen, die haar een schitterend bestaan kon verschaffen. + +Met allerlei vrouwelijke kunstgrepen wist zij den dwaas zoover te +brengen, dat hij haar beloofde, met haar een reis om de wereld te maken +en eindelijk vervulde hij haar wensch en werd de dochter het huis +uitgezonden. + +Antje, die de verhouding van haar vader tot de Russin begreep, had +zich, door haar minachtende houding, den toorn der vrouw op den hals +gehaald. + +Al deze bijzonderheden was Charly te weten gekomen, eveneens dat het +jonge meisje zich in stilte had verloofd met een jong koopman—Fred +Herbes. + +„Hebt ge reeds een middel gevonden, hoe de schurken gestraft kunnen +worden?” vroeg Charly. + +Lord Lister staakte zijn wandeling en keek zijn vriend ernstig aan; een +lachje verscheen op zijn gelaat en met een zegevierenden blik sprak +hij: + +„Ja, Charly, zij zullen allebei hun straf krijgen en vooral Van Brixen +op een manier, zooals nog nooit een schurk gestraft werd.” + +„Wat ben je van plan?” vroeg Charly. + +John Raffles maakte echter een afwerende beweging en antwoordde: + +„Laat dat voorloopig mijn geheim blijven! Nu mogen wij echter geen tijd +verliezen, want Mr. Fournier zal nog heden zijn straf krijgen.” + +Hij zette zijn vriend zijn plan uiteen. + +Charly vond het uitstekend en spoedig had hij zich zoo verkleed, als +dat noodig was voor de truc, die Lord Lister voorhad. + +Niemand zou in den chauffeur, wiens gelaat gedeeltelijk was verborgen +achter een grooten stofbril en wiens kin was omgeven door een blonden +baard, Charly Brand hebben herkend. + +John Raffles keek peinzend voor zich uit. + +Toen keek hij op zijn horloge en fluisterde: + +„Het wordt tijd!” + +Een poosje hield hij zich bezig met zijn toilet voor een kleinen +driedubbelen spiegel en toen hij dien eindelijk in een handkoffer +wegborg, samen met een kistje, dat naast hem had gestaan, was het +kleine snorretje van Lord Lister verdwenen en hijzelf veranderd in +Markies d’Armand met een ringbaard. + +Hij schoof den grendel terug van de deur, welke hij had afgesloten, +toen Charly de kamer had verlaten. Maar hij verliet de kamer nog niet. + +Markies d’Armand scheen iemand te verwachten, want hij keek +herhaaldelijk op zijn horloge. + +Het duurde niet lang of een kellner bracht het visitekaartje van een +heer, die den markies wenschte te spreken. + +Dat moest wel de verwachte zijn, want de markies wierp een vluchtigen +blik op het kaartje en zei terstond: + +„Laat dien heer binnen komen!” + +De kellner ging heen en enkele oogenblikken later trad monsieur +Fournier de kamer binnen. + +Hij was hoogst elegant gekleed in visite-toilet. In zijn knoopsgat +droeg hij een camelia. Hij scheen in uitstekend humeur te zijn. + +De markies liet zijn blik langs de figuur van den bezoeker glijden. + +Glimlachend sprak hij: + +„Wel, m’n beste vriend, als ik niet wist, dat ge op het punt staat om +te trouwen, zou ik denken, dat ge aanzoek gingt doen.” + +„Het is bijna hetzelfde, waarde markies,” antwoordde de Franschman met +een slim knipoogje. + +Daarna deelde hij den luisterende mede, dat hij besloten had om aan den +vooravond van zijn bruiloft afscheid te nemen van zijn jongelingsleven. + +„Het zal een prachtig feest worden”, besloot hij zijn geestdriftig +verhaal, „ik zeg u, er zijn prachtige vrouwen bij en ik zou het mij tot +een eer rekenen als ik u, markies, als mijn gast zou mogen beschouwen.” + +„Ik ben helaas....” begon de genoodigde zijn antwoord, toen de +Franschman, die dacht een domheid te hebben begaan, snel inviel: + +„Natuurlijk zal het een eer voor mij zijn, ook uw vriend, Mr. Bellon, +te kunnen begroeten.” + +„Mijn vriend kan van deze allervriendelijkste uitnoodiging geen gebruik +maken, daar hij voor eenigen tijd op reis is. En ik heb helaas reeds +mijn woord gegeven.” + +Fournier zag er heel ongelukkig uit na deze woorden en vroeg toen op +bescheiden toon: + +„Zoudt ge zelfs niet voor een oogenblikje kunnen komen? Wij blijven +heel lang bijeen.” + +De markies sprak glimlachend: + +„Zeker wil ik niets beloven, maar als ge het niet erg vindt, dat ik +laat kom, zal ik misschien nog verschijnen!” + +„Heel graag!” + +„En laat ons nu naar uw schoonvader gaan om de financieele kwestie in +orde te maken, waarbij gij mijn tegenwoordigheid hebt gevraagd.” + +„Met groot genoegen. Ik dank u.” + +„Tot uw dienst.” + +De beide heeren liepen naar de deur, toen de markies plotseling bleef +staan en op luchtigen toon vroeg: + +„Juist, dat is ook zoo! Ge wilt in onze club worden opgenomen!” + +De oogen van den Franschman schitterden. + +Zijn gestalte scheen grooter te worden en in gespannen aandacht +luisterde hij. + +„Ik heb reeds met het bestuur gesproken. Ge moet uw verzoek +schriftelijk indienen. Ik heb reeds een copie voor u opgemaakt, die ge +nog slechts behoeft te onderteekenen, dan kan ik ze hedenavond nog in +de club afgeven.” + +De markies was bij deze woorden weer naar de schrijftafel gegaan en had +een portefeuille te voorschijn gehaald, waaruit hij een papier kreeg. + +Dit legde hij voor Fournier neer. + +Deze nam de pen en wilde het papier onderteekenen, toen de markies zijn +hand vasthield en met een glimlachje sprak: + +„Neem me niet kwalijk, beste vriend, dat ik je opmerkzaam maak op een +kleinigheid, die gij inderdaad hebt over het hoofd gezien. In onze club +worden de zeden en gebruiken uit de groote wereld met pijnlijke +nauwkeurigheid gadegeslagen. Zooals ge toch zeker wel weet en slechts +per vergissing over het hoofd hebt gezien, zet men zijn onderteekening +steeds op de derde zijde van een velletje papier.” + +Fournier haastte zich te verzekeren, dat hij dit gebruik, dat hij +natuurlijk kende—hoewel hij zich met den besten wil van de wereld niet +kon herinneren, ooit zooiets gehoord te hebben—slechts inderhaast had +vergeten en hij schreef zijn naam op het derde kantje. + +Uit de oogen van den markies, die achter den schrijver stond, schoot +een zegevierende blik, toen vouwde hij het papier dicht, stak het in +den zak en zei: + +„Zoo, nu kunnen we meteen naar den notaris gaan.” + +„Naar den notaris?” + +De Franschman vroeg het op verlegen toon. + +„Zeker, naar den notaris; ge weet toch zeker wel, dat iedere +onderteekening bij zoo’n verzoek om te worden opgenomen, door den +notaris moet worden bekrachtigd?” + +Fournier was heelemaal in de war. + +Hij beijverde zich echter om zijn voornamen vriend terstond te +verzekeren, dat ook dit hem natuurlijk wel bekend was. + +Toen de beide heeren in de auto plaats namen, sloeg de chauffeur +groetende aan. + +De markies noemde het adres van een notaris en nu ging het in suizende +vaart verder. + +Nadat hier de noodige formaliteiten waren vervuld, beval de markies +zijn chauffeur om naar de woning te rijden van Mr. Van Brixen in +Goldhawke Road. + +De Franschman straalde. + +Hij groeide in het bewustzijn, naast een echten markies de straten van +Londen te kunnen doorkruisen. + +Als hij had vermoed, dat het verzoek tot opname met een vluchtigen inkt +was geschreven, die reeds na twee uren weer vervloog, zonder een spoor +achter te laten, dan zou zijn humeur wel zijn veranderd. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +EEN ONGELUK. + + +Van Brixen vond het niets prettig zijn schoonzoon in gezelschap van den +markies bij zich te zien. + +Hij wist, dat heden, op den dag vóór het huwelijk, Fournier zou +verschijnen, om de 50,000 pond in ontvangst te nemen en had gehoopt, +zijn medeplichtige desnoods door dreigementen, met minder te kunnen +afschepen. + +Nu zag hij zijn plan verijdeld en wilde daarom de betaling uitstellen. + +Fournier echter verklaarde, dat hij den markies had verzocht mede +tegenwoordig te zijn, wat deze met lachend gezicht bevestigde. + +Daarom bleef hem niet anders over dan in den zuren appel te bijten en +Fournier de volle som in klinkende munt en papiergeld uit te betalen. + +Deze gaf, zooals het behoorde, een kwitantie van het ontvangen bedrag +en verzocht den markies nog, het document als getuige te onderteekenen, +waartoe deze zich dan ook bereid verklaarde. + +Daar Fournier de geheele zaak nu had afgehandeld, was het bezoek weldra +afgeloopen, zonder dat de „gelukkige bruidegom” van 54 jaar ook met een +enkel woord naar zijn bruid had geïnformeerd. + +Toen zij weer plaats hadden genomen in de auto, fluisterde de laatste +zijn chauffeur toe: + +„Alles in orde, nu komt het er op aan!”— — + +Intusschen was de lucht, die eerst zoo helder was geweest, bewolkt +geworden, de beruchte Londensche mist kwam op en een fijne regen viel +neer. + +Elke minuut werd de lucht dikker en men kon bijna geen hand voor de +oogen zien. + +Reeds bijna een half uur vloog de auto voort. + +Fournier werd onrustig en sprak tot den markies, die een sigaret +rookend in de kussens achterover leunde: + +„Maar, mijn waarde, zijn wij nu nog niet bij de Engelsche Bank?” + +Schertsend antwoordde deze: + +„Mijn gezelschap schijnt u te vervelen!” + +Natuurlijk deed Fournier zijn best, het tegendeel te verzekeren, maar +toch wierp hij van tijd tot tijd een blik door de raampjes naar buiten. + +Dit hielp echter niet veel, want men zag alleen onduidelijke schaduwen +voorbijvliegen, waarvan de omtrekken niet te onderscheiden waren. + +Toen weer een kwartier was voorbijgegaan, zonder dat men het einddoel +had bereikt, kon de Franschman zijn onrust niet meer verbergen. + +„Ik weet niet, markies, maar ik ben bang, dat uw chauffeur zich +vergist.” + +„Maar dat is onmogelijk,” antwoordde deze, terwijl hij echter +tegelijkertijd een teeken gaf om halt te houden. + +De auto stond stil en markies d’Armand vroeg zijn chauffeur, waar zij +nu eigenlijk waren. + +Deze moest bekennen, dat hij dit niet wist. + +In de verte was een gebouw zichtbaar en men besloot, daarheen te rijden +om opheldering te krijgen. + +Toen zij daar waren aangekomen, klom de chauffeur van den bok en kwam +weldra terug met het bericht, dat dit gebouw—het krankzinnigengesticht +van Hanwell was. + +„Daar moest jij noodig in”, beet de markies zijn chauffeur toe, „nu zoo +gauw als je kunt terug!” + +De bestuurder moest zich in den mist vergist hebben en was in +westelijke richting gereden, in plaats van in oostelijke, langs het +Hydepark. + +De markies verontschuldigde zich over de onoplettendheid van zijn +chauffeur. + +Zijn gast antwoordde beleefd, dat de kleine vertraging niets te +beteekenen had, maar zijn zuur gezicht logenstrafte zijn woorden. + +Weldra vertelde hij dan ook in vertrouwen, dat de kleine Loulou, zijn +tegenwoordige vlam, hem zeker een geweldige scène zou maken als hij +heden op het afscheidssouper te laat zou komen. + +„Geloof mij, waarde markies, ik ben mijn leven niet zeker. Gij kunt u +die kleine duivelin niet voorstellen en dan vooral nu, nu ik toch al +zooveel moeite moet doen om haar in een goed humeur te houden.” + +Markies d’Armand verzekerde opnieuw, hoezeer hij het voorgevallene +betreurde en juist wilde hij den chauffeur tot nieuwen spoed aanzetten, +toen men een eigenaardig geluid hoorde, de auto draaide om zijn as rond +en—stond stil. + +Nu was goede raad duur. + +Nergens was een voertuig te ontdekken en men kon zelfs geen enkel huis +onderscheiden. + +De kleine Franschman, wiens ongerustheid tot het uiterste was gestegen, +sprong het eerst uit de auto om te zien wat er was voorgevallen. + +Een ongeluk.— — — — + +Nauwelijks kon hij zijn woede bedwingen en in ruwe woorden schold hij +op den chauffeur. + +Daar deze verklaarde, dat de schade spoedig hersteld zou zijn, besloot +men weer in de auto plaats te nemen, daar de neerstroomende regen het +verblijf in de open lucht bijna onmogelijk maakte. + +Ondanks den ijver van den chauffeur scheen de reparatie veel tijd in +beslag te nemen, want er was reeds meer dan een kwartier verloopen en +nog steeds stond de auto op dezelfde plaats. + +Eindelijk, na nog een vijftal minuten, die den Franschman zeer lang +vielen, zette de auto zich puffend in beweging. + +De markies was verontwaardigd over de vertraging en verzocht Fournier, +geheel en al over hem te willen beschikken. + +„Dan zou ik u vriendelijk willen verzoeken, mij onmiddellijk naar de +woning van de kleine Loulou te laten rijden. Ik mag om geen enkele +reden langer wegblijven en kan het geld vandaag niet meer op de Bank +deponeeren.” + +De markies had door de kleine spreekbuis den chauffeur het adres +opgegeven en de auto snorde verder. + +„Maar mijn beste Fournier, wilt gij die groote som den geheelen avond +bij u houden?” + +„Het is mij zelf zeer onaangenaam, maar ik kan niet meer naar de Bank +gaan. Gij weet, hoe lang men daar soms moet wachten en ik heb geen +minuut meer over.” + +„Bedenk, mijn waarde, dat gij daar in vroolijk gezelschap zijt en dat +gij niet weet hoe laat het kan worden en of er niet ten slotte nog +verschillende café’s bezocht zullen worden. Het is zeer gevaarlijk! Een +van mijn vrienden heeft op die manier zeer onaangename ervaringen +opgedaan....” + +De markies vertelde zulk een griezelige geschiedenis, dat zijn gast de +haren te berge rezen. + +Fournier was bleek geworden en sprak aarzelend: + +„Als ik maar wist, wat ik moet doen!” + +„Kan ik u soms helpen, dan zal ik het doen, want door mijn schuld—of +tenminste door die van mijn chauffeur, hebt gij den tijd verzuimd. Als +gij mij het geld wilt toevertrouwen, zou ik dadelijk naar de Bank +rijden....” + +„Maar, markies, dat kan ik niet aannemen.” + +„Gij wilt mij natuurlijk die groote som niet toevertrouwen. Ik vind dat +begrijpelijk en neem u die voorzichtigheid in het geheel niet kwalijk.” + +„Maar ik bid u, markies! U zou ik elk oogenblik mijn geheele vermogen +toevertrouwen.” + +„Goed, ik houd u aan uw woord. Geef mij uw geld en ik beloof u, zoodra +ik u bij de woning van de bekoorlijke Loulou zal hebben afgezet, +onmiddellijk naar de Engelsche Bank te rijden.” + +Fournier wist eerst niet, hoe hij zich moest houden. + +Aan den eenen kant was hij blij, als het geld nog heden op de Bank +kwam, daartegenover stond echter zijn wantrouwen om den markies zulk +een aanzienlijk bedrag zonder bewijs in handen te geven. + +Deze liet hem echter niet veel tijd om na te denken; hij had een +notitieboekje uit den zak gehaald en nam de gouden vulpen van zijn +horlogeketting. + +„Dus, mijnheer Fournier, ik zal u hier dadelijk een kwitantie ter hand +stellen voor 50,000 pond.” + +„Maar, mijn waarde markies, dat is immers overbodig.” + +„Neen, neen,” sprak deze afwerend, „orde moet er zijn!” + +Nog voordat de Franschman wist wat er gebeurde, had zijn voorname +vriend de 50,000 pond in den zak en hij keek eenigszins beteuterd naar +de kwitantie, die hij in zijn handen hield en die was geteekend: +„Markies Fereel d’Armand.” + +Met een schok hield de auto stil; men was voor het bedoelde huis +aangekomen. + +De markies verzocht zijn gast om uit te stappen en verzekerde nogmaals +met groote beminnelijkheid, dat hij dadelijk naar de Bank zou rijden. + +Toen de Franschman in de deur van het huis was verdwenen, sprak markies +d’Armand lachend en op halfluiden toon tot zijn chauffeur: + +„Zijn woord moet men als gentleman houden. Dus, Charly, spoedig naar de +Bank van Engeland!”...... + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE ONTVOERING. + + +Voor den hoofdingang van de Engelsche Bank hield een deftige auto stil. + +De portier snelde toe en hielp den eleganten vreemdeling uitstappen, +die door de groote zekerheid, waarmee hij het groote gebouw binnentrad +zonder een enkele vraag te doen, bewees, dat hij tot de veelvuldige +bezoekers behoorde. + +Snel liep hij de vestibule door, legde zijn pelsjas af in de schrijf- +en leeszaal en bleef eenigen tijd in een der kleine kamertjes, die door +geslepen glazen wanden voor nieuwsgierige blikken zijn gevrijwaard, +waar hij ijverig schreef. + +Zijn pels over de schouders werpend, liep hij met langzame schreden en +met voorname onverschilligheid de ruime vertrekken door. Hij begaf zich +naar de hoofdkas en scheen daar een oogenblik te weifelen. + +Eindelijk naderde hij een der beambten. + +De vreemdeling scheen het Engelsch niet volkomen machtig te zijn, hij +sprak het eenigszins gebroken en met een eigenaardig accent. De kassier +wierp een vluchtigen blik op de elegante verschijning. + +Terwijl het uiterlijk van den vreemdeling reeds een man uit de hoogste +kringen verried, werd deze indruk nog versterkt door het roode lintje +van het Legioen van Eer, dat hij in het knoopsgat droeg en waarop de +blik van den beambte gevestigd bleef. + +De vreemdeling had met eenigen omhaal een document te voorschijn +gehaald en dat den beambte voorgelegd. + +Nadat deze kennis genomen had van den inhoud, verzocht hij den +vreemdeling, hem te volgen naar een ander loket en daar eenigen tijd te +wachten. + +De onbekende had plaats genomen in een der stoelen en haalde uit den +borstzak van zijn jas het laatst uitgekomen avondblad, om zich daarin +met onverschillig gelaat te verdiepen. + +Aan de kas ging het niet zoo kalm toe. Beambten snelden heen en weer, +spraken zacht fluisterend met elkaar en keken telkens in gespannen +aandacht naar den vreemdeling. + +Deze scheen echter van al die opgewondenheid niets te merken en was +oogenschijnlijk zeer in zijn lectuur verdiept. + +Het document, dat de vreemdeling den beambte had gegeven, was een +wissel van den heer Fournier op naam van markies d’Armand voor een +bedrag van 40,000 pond sterling. + +De wissel was door den heer Fournier zelf onderteekend en de echtheid +der handteekening door den bekenden notaris Mr. Longwood onder +bijvoeging van diens ambtszegel gelegaliseerd. + +Handteekening en ambtszegel van den notaris waren echt. + +Het kwam den ambtenaar alleen maar vreemd voor, dat Fournier over zoo’n +belangrijke som beschikte, daar zijn gansche vermogen slechts 60,000 +pond sterling bedroeg. + +De vreemde bestudeerde nog steeds de krant en alles, wat er om hem heen +gebeurde, scheen hem absoluut niet te interesseeren, want de kassier +moest zijn naam eerst twee keer noemen, voordat hij opkeek en zich toen +met een beleefd glimlachje verontschuldigde. + +Den vreemde werd nu verzocht zich te legitimeeren. + +Hij kreeg een reispas uit zijn elegante portefeuille en een +aanbevelingsbrief van den president der Fransche Republiek, die hem +legitimeerde als de boodschapper van een politieke zending. + +De heeren aan het raampje wierpen slechts een vluchtigen blik op het +document. + +Zonder verdere omwegen werden hem nu de 40,000 pond uitbetaald en met +een hoffelijke, doch koele buiging verliet de markies de Bank van +Engeland. + +De portier had het deurtje van de automobiel vlug opengedaan en nam +zijn goudbetreste muts af tot bijna aan den grond. + +De vreemdeling had hem twee shilling in de hand gedrukt. + +Op den volgenden hoek hield de auto plotseling stil. De vreemde stapte +uit, boog zich over naar zijn chauffeur en vroeg op halfluiden toon: + +„Charly, hebt ge Fred Herbes al een boodschap gestuurd?” + +„Dat kon ik nog niet, Edward. We wisten immers niet of ons plan zou +gelukken.” + +„Juist, dan zal ik het dadelijk telephonisch doen. Wacht een oogenblik, +ik ben dadelijk terug.” + +De vreemdeling ging naar een elegant café. Na korten tijd kwam hij +terug, stapte weer in de auto en reed snel naar Goldhawke Road. + +De stroomende regen was intusschen wat bedaard. + +De wolken braken en de maan trachtte door de vaal-grauwe nevels te +dringen. Maar dit gelukte haar niet en na een poosje verdween zij maar +weer achter het dichte wolkgordijn. + +Maar die enkele maanstralen waren toch voldoende geweest om de +automobiel te beschijnen, die pas geleden voor den hoofdingang van de +Bank van Engeland had gestaan en die nu juist verdween achter een +boschje nabij het huis van Mr. Van Brixen. + +Hoewel de straat in dichte duisternis was gehuld en geheel ledig was, +vluchtten toch twee donkere gestalten in de schaduw van de dikke +boomstammen. + +Het scheen, alsof zij op iets wachtten, dat van de richting van +Hydepark moest komen, want in gespannen aandacht keken zij dien kant +uit. + +Nu drong een flauwe schijn door de dichte nevels, die met elk oogenblik +grooter werd en toenam in helderheid. + +„Daar zal hij zijn,” fluisterde een der beide schaduwgestalten. + +Steeds nader kwam het licht en al spoedig kon men de lantaarns van een +automobiel onderscheiden, die in razende snelheid naderde. + +„Geef nu het teeken, Edward.” + +Een schril fluiten weerklonk door den nacht. + +Dit scheen een afgesproken teeken te zijn, want de snelheid, waarmede +de lichten waren genaderd, nam allengs af en aan het einde der Woodlaan +hield het voertuig stil. Men zag in de duisternis, dat de lampen een +bocht beschreven en dat de auto verdween naar den kant van de stad. + +Een korten tijd bleef alles stil, toen klonk weer dat eigenaardige +fluitgeluid door den zwijgenden nacht. + +De beide luisterenden beantwoordden het signaal. + +„Eindelijk, Mr. Herbes! Wij wachten al sinds geruimen tijd!” + +De nieuw aangekomene reikte het tweetal de hand. + +„Vergeef mij, markies, en gij ook, beste vriend, als ik liet wachten, +maar ik kon niet eerder komen. Toen ik uw telephonische boodschap +kreeg, wist ik van vreugde nauwelijks wat ik deed, want ik had nog +steeds gevreesd, dat uwe voorbereidingen, waarvan Mr. Bellon mij +verteld heeft, in het laatste oogenblik nog zouden afspringen.” + +„Neen, Mr. Herbes,” klonk de welluidende stem van markies d’Armand in +de duisternis, „alles is goed gegaan en ik hoop, dat ge reeds over een +half uur uw wenschen ziet vervuld.” + +De jonge man wilde zich uitputten in dankbetuigingen, doch de markies +weerde hem af en zeide: + +„Als alles goed geslaagd is, is het tijd om te danken, nu is iedere +minuut nog kostbaar. Vlug dus aan den arbeid!” + +Bijna geluidloos liep het drietal over den weg naar het huis van Van +Brixen toe. + +Onderweg vroeg de markies den jongen man nog: + +„Zijt ge er dus zeker van, dat Van Brixen niet thuis is?” + +Deze antwoordde: + +„Antje stuurde mij vanmorgen nog een briefje, waarin stond, dat haar +vader op reis was gegaan. Hij had echter ongaarne deze reis ondernomen +aan den vooravond van de bruiloft. Het scheen hier echter een +belangrijke zaak te betreffen, zoodat hij wel moest gaan. + +„Bij het afscheid had hij Antje nog verzekerd, dat hij beslist met den +trein van middernacht zou terugkomen.” + +„Dan hebben wij des te meer reden om ons te haasten,” zei de markies en +legde zijn hand op de deurklink van de tuindeur. + +Deze gaf mee en enkele oogenblikken later waren de drie mannen +verdwenen in het dichte gebladerte. + +Het huis lag als uitgestorven; niets bewoog zich. Slechts voor een der +vensters aan den achterkant scheen een zwak schijnsel. + +In dit oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn en +verlichtte de wegen van het park, waarlangs drie mannen zich +voortspoedden. + +Een oogenblik was alles stil. + +Toen weerklonk plotseling het geroep van een nachtuil. + +Hoe stil die kreet ook werd geslaakt, scheen men toch in de kamer, waar +het licht brandde, het geluid te hebben vernomen, want het gordijn werd +ter zijde geschoven, de vleugeldeuren voorzichtig geopend en in het +verlichte raam verscheen een vrouwelijke gedaante. + +Wederom klonk diezelfde roep. + +De vrouw daarbinnen maakte echter een afwerende beweging met de hand en +wrong als in wanhoop de handen. + +Toen hield zij een klein voorwerp in de hoogte, boog zich voorover en +liet het op den grond vallen. + +Uit de schaduw der boomen kwam een zwarte gestalte te voorschijn, die +het voorwerp snel opraapte en ijlings weer in de schaduw der boomen +verdween. + +Herbes had met de linkerhand zijn wijde jas genomen en hield een tip +voor het voorhoofd, terwijl de markies met een kleine electrische +zaklantaarn bijlichtte. + +In dit schuilhoekje ontcijferde Herbes een klein briefje, dat Antje aan +een steen had gebonden en weggegooid. + +Zij deelde daarin mede, dat er geen mogelijkheid op een vlucht bestond, +want Van Brixens oude huishoudster had de deur gesloten en het jonge +meisje kon niet bij den sleutel komen. + +Herbes was buiten zich zelf, maar de markies zei op fluisterenden toon: + +„Dat hindert niets!” + +Hij had snel een voorwerp uit den zak gehaald en trachtte nu het einde +van een touw met een ijzeren haak naar het in de tweede verdieping +gelegen venster omhoog te gooien. + +De worp mislukte echter en met groot lawaai viel de haak op den steenen +bodem neer. + +Allen verschrikten en luisterden in gespannen aandacht of niemand was +opgeschrikt. + +Gelukkig echter bleef alles stil. + +„Zoo gaat het niet,” fluisterde de markies en hij wierp snel zijn +kostbare pels neer en liep geruischloos naar den draad van een +bliksemafleider, die van het dak naar beneden in het park liep. + +De anderen konden een kreet van schrik niet weerhouden. Wat de markies +wilde doen was louter waanzin. Doch reeds had hij het staal gegrepen en +begon zich langzaam omhoog te trekken. + +Het lichaam vast tegen den muur gedrukt, klauterde hij als een kat naar +boven. + +Zoo bereikte de markies in korten tijd het venster. Hij sloeg zijn arm +om het kruis. Een oogenblik zag men in het vensterkozijn zijn figuur +afsteken, toen verdween hij geruischloos in de kamer. + +Hier wikkelde hij een snoer los, dat hij om het lichaam had gewikkeld, +wierp het eind naar beneden en trok de touwladder naar boven. + +Hij bevestigde deze nu aan het venster en aldus was in korten tijd een +tamelijk handige weg in orde gebracht. + +Toen de nachtelijke bezoeker de kamer binnen kwam, kon Antje nauwelijks +een huivering onderdrukken. + +Die man bracht haar de vrijheid en het verwachte geluk en toch rilde +zij voor de uitdrukking van dol-dappere beslistheid, die sprak uit zijn +gelaatstrekken. Hoe vreeselijk wel moest het zijn om dien man tot +tegenstander te hebben! + +Den markies ontging het schuwe wezen en de angst van het meisje niet. + +Als een man van de wereld wist hij in eenige vriendelijke woorden de +opgewondenheid van de jonge dame te kalmeeren. Hij verzocht haar, zich +vlug voor het vertrek gereed te maken en alle kleinigheden, waaraan zij +gehecht was, in een handtaschje mee te nemen. + +„Terwijl gij daarmede bezig zijt, heb ik nog een kleine taak te +vervullen. Wilt ge mij even zeggen, hoe ik het vlugst naar de kamer van +uw vader kom?” + +Het jonge meisje schrikte. + +Haar gelaat werd lijkbleek. + +De markies trachtte haar gerust te stellen: + +„Ik geef u mijn eerewoord, dat uw vader in geenerlei gevaar komt. Ik +moet echter een oogenblik in zijn kamer vertoeven.” + +Slechts aarzelend gaf Antje hem de noodige aanwijzingen en terstond was +de markies verdwenen, om reeds na enkele minuten terug te komen. + +Intusschen waren alle voorbereidingen tot de vlucht gemaakt. + +De markies bevestigde de kleine handtasch aan het touw en liet ze in de +diepte glijden. + +Hij boog toen voor de jonge dame en sprak: + +„Ge veroorlooft mij?” + +En voordat Antje wist wat er gebeurde, had hij haar als een kind in +zijn armen genomen en begon nu met zijn last den gevaarvollen +terugtocht langs de wankelende ladder. + +Om het slingeren te voorkomen hielden de beiden, die beneden stonden, +het vrije einde vast en spoedig had de markies met zijn beschermelinge +den grond bereikt. + +Deze man moet wel reuzenkrachten en een schier ongekende handigheid +bezitten, want men bespeurde bij hem niet de geringste vermoeienis. + +Toen hij Antje neerzette, omhelsde Herbes zijn meisje en fluisterde +zachtjes: + +„Eindelijk, liefste!” + +De markies liet het minnende paar echter geen tijd om teere woordjes te +wisselen, maar dreef hen aan tot spoed. + +Voorzichtig door de duisternis sluipend, hadden zij spoedig de tuindeur +bereikt; eenige minuten later zaten allen in de in de boschjes +verscholen staande auto en voort ging het naar het station. + +Daar nam de markies voor het paar kaarten naar Southampton. Van daar +uit zouden zij per boot naar Australië oversteken. + +Het was nog slechts luttele minuten vóór het vertrek van den trein. + +Antje en Herbes waren in een ledige coupé gestapt en stonden voor de +open deur om afscheid te nemen van hunne vrienden. + +„En nu,” zeide de markies en hij haalde een pakje uit zijn zak te +voorschijn, „heb ik nog wat te zeggen. Zooals ge weet, had uwe vader de +som van 20,000 pond voor u als bruidsschat bestemd. Wijl Fournier u nu +echter niet tot vrouw krijgt, zag ik volstrekt niet in, waarom hij het +geld moest behouden en ik haalde deze vaderlijke huwelijksgift om ze u +hier te overhandigen.” + +Antje en Herbes waren ten hoogste verbaasd en hunne verwondering steeg +nog, toen de markies een étui uit zijn zak haalde en deze Antje +overhandigde. + +„Ik vond ook nog dezen kostbaren collier in de kamer van uw vader. Dit +kleinood was natuurlijk bestemd als bruidsgeschenk. Ge ontvangt het dus +bij dezen.” + +Juist kwam de conducteur om de coupédeuren te sluiten. + +Antje en Herbes namen nogmaals afscheid. + +Een schril gefluit—locomotief en trein zetten zich in beweging. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +VERRASSINGEN OP DEN HUWELIJKSMORGEN. + + +Triest brak de dag aan. + +Mr. Fournier woelde rusteloos heen en weer op zijn legerstede. Hij was +na een rumoerigen nacht eerst weinig uren geleden thuis gekomen, doch +de gewenschte rust kon hij niet vinden. + +Dit was dus de morgen van zijn bruiloftsdag. + +Waarom zou hij feitelijk trouwen? + +Het hoofddoel was nu immers bereikt. + +Hij was in het bezit van 20,000 pond bruidsschat en had nu ook de +30,000 pond gekregen, die hem nog toekwamen van vroegere „zaken”, die +hij met Van Brixen had gedreven. + +Antje was inderdaad een alleraardigst meisje. + +Maar wat moest hij met een vrouw beginnen? + +De donkerlokkige Loulou was toch even lief als zijn blonde bruid. +Enfin, hij zou het dan wel zien te schipperen!— + +De gedachtengang van den kleinen Franschman werd plotseling afgeleid, +want naast hem ging de telephoon over met schril geluid. + +„Wat is dat nu?” dacht Fournier, „nu al een telefoontje. Dat is een +flauwe grap van een vriend!” + +Hij draaide zich om, ten einde te gaan slapen, den vriend verwenschend, +die hem zoo beet wilde nemen. + +Rrrrrrrrrrrrrrrt! + +Weer ging de telefoon. + +Rrrrrrrrrrrrrrrt! + +Nu was Fournier wel gedwongen op te staan. + +Slaapdronken greep hij het toestel. + +„Hallo!” + +„Hallo!” + +„Wie daar?” + +„Markies d’Armand!” + +De kleine Franschman maakte onwillekeurig een buiging. + +„Wel, markies, wat verschaft mij de eer?” + +„Ik wil u feliciteeren, als ge ten minste nog altijd van plan zijt +vandaag te trouwen.” + +Fournier grinnikte. + +„Hahaha! hihihi!” + +Hij dacht, dat de markies ook al een beetje zwaar geboemeld had. + +„Ik wilde alleen maar weten,” vervolgde de markies op ernstigen toon, +„of ge Antje van Brixen zoo lief hebt, dat ge haar ook zonder +bruidsschat wilt nemen. Ik ben namelijk in het bezit van de +huwelijksgift en heb bovendien op uw naam nog 40,000 pond gehaald. Ik +had u gisteravond beloofd direct naar de Bank te rijden en kreeg daar +op uw handteekening terstond het verlangde.” + +Nog altijd dacht Fournier aan een grapje. + +„Ge hebt volstrekt geen reden tot vroolijkheid”, zei de markies. +„Misschien zult gij mij eerder gelooven, als ik u verzeker, dat de +vermeende markies d’Armand niemand anders is dan John Raffles!” + +Fournier was lijkbleek geworden. + +De microfoon gleed uit zijn hand en bevend greep hij naar de leuning +van den stoel. + +Maar dat was toch waanzin! + +Neen, neen! + +De markies wilde slechts een grapje maken. + +Op deze manier trachtte Fournier zich zelf gerust te stellen, maar dit +wilde hem niet al te best lukken, want de angst snoerde hem de keel +dicht. + +Hij moest zich echter zoo spoedig mogelijk zekerheid verschaffen. + +Maar wat te doen? + +Naar de Bank telefoneeren? Dat ging niet, want die was nog gesloten. + +Naar de politie? Dat wilde hij niet, daar hij nog steeds de hoop +koesterde, dat alles maar een flauwe grap was. + +Maar wat dan! Wat dan! + +Hij moest er toch met iemand over spreken en hij dacht aan Van Brixen. + +In allerijl had hij zich gekleed, het huis verlaten en was per auto +naar zijn aanstaanden schoonvader getuft. + +Daar lag alles nog in diepe rust. + +Toen eindelijk een dienstmeisje de deur had geopend, stormde Fournier +haar voorbij en rende terstond naar de slaapkamer van den heer des +huizes. + +Deze was eerst laat in den nacht van zijn reis teruggekeerd en sliep +nog vast, toen hij plotseling onzacht op zijn schouder werd getikt. + +Toen hij de oogen opsloeg zag hij Fournier voor zich staan, die in +hoogelijk opgewonden toestand verkeerde. + +Hij begon het verhaal te doen van wat hem was overkomen, toen +plotseling het dienstmeisje aan de slaapkamerdeur klopte en vol schrik +vertelde, dat een touwladder uit het venster van de kamer der juffrouw +in het park hing. + +Dit bericht bracht groote ontsteltenis teweeg. + +Van Brixen kleedde zich in allerijl en haastte zich met zijn vriend +naar de kamer van zijn dochter. + +Deze was leeg....... + +Midden op de tafel lag een brief van den volgenden inhoud: + + + „Geachte Heer! + + Nauwkeurig onderzoek heeft aan het licht gebracht, dat ge uw geld + op schandelijke wijze hebt verdiend. + + Uw vriend Fournier is geen haar beter dan gij; ik heb derhalve + besloten om het geld, door u op zoo minderwaardige wijze verworven, + aan de lijdende menschheid te besteden. + + Ge zijt gewetenloos genoeg om uwe dochter te willen koppelen aan + Fournier. Dit moest ik verhinderen en daarom heb ik juffrouw Antje + geholpen om te vluchten met den jongen koopman Herbes, die haar + lief heeft. De huwelijksgift van 20,000 pond heb ik het jonge paar + naar hun nieuwe woonplaats meegegeven. + + De andere 30,000 pond, die ik Fournier heb afgenomen en ook de + 40,000 pond, die ik mij van zijn vermogen liet uitbetalen, zal ik + aan de Londensche armen geven. + + Fournier is dus gestraft. + + En ook gij zult uw straf niet ontgaan. + + JOHN RAFFLES. + bijgenaamd Markies d’Armand. + + P.S. Daar juist vind ik een kostbaar halssnoer in uw schrijftafel. + Uit den bijgaanden brief lees ik, dat ge die hadt bestemd als + geschenk voor uwe minnares Tatjana Miroff. Dat lijkt mij een groot + onrecht. Ik zal het snoer aan uwe dochter geven als geschenk van + haar kieschen vader. Ik heb nu geen tijd om uw boel verder door te + snuffelen, maar dat komt later wel in orde. + + Ge hoort nog wel van mij. + + J. R.” + + +Van Brixen had den brief op half luiden toon gelezen en Fournier volgde +ieder woord in gespannen aandacht. + +Zijn gelaat werd vaalbleek. + +Als gebroken zonk hij in zijn stoel. Iedere hoop was vervlogen en wat +hij had gedroomd, was tot waarheid geworden. + +Van Brixen was tamelijk rustig. + +Het verlies, dat hem had getroffen, beteekende niet veel. + +Het snoer had wel groote waarde, maar zoo’n som kwam bij hem, den +multi-millionair, niet in aanmerking. + +En de wensch van Tatjana, dat zijn dochter het huis zou verlaten, was +nu toch ook vervuld. + +De wraak van John Raffles vreesde hij niet. Geld en kostbaarheden +konden gemakkelijk bij de een of andere Bank worden ondergebracht. + +Maar Fournier was veel te razend om naar al die redeneeringen te +luisteren en het einde was, dat de vrienden hoog loopende ruzie kregen +en dat de Franschman naar de Bank ging om te hooren, of inderdaad op +zijn naam het kapitaal was weggehaald. + +Het was maar àl te waar! + +Toen reed hij terstond naar Scotland Yard om inspecteur Baxter alles +mee te deelen. + +Baxter was razend, toen hij hoorde, dat Raffles weer aan den gang was +en hij zwoer, dezen keer den gentleman-dief te zullen pakken. + +En hij begon den geheelen boel in rep en roer te brengen om een +drijfjacht aan te vangen op Lord Lister. + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +REDT MIJN KIND! + + +Het was vijf uur in den middag. + +Over Londen was de grauwe schemering neergestreken, die nog werd +verdicht door dichte nevels. + +In kantoren en winkels waren sinds lang de lichten ontstoken. + +Voertuigen van allerlei aard reden puffend, stampend, hobbelend en +knetterend door de groote verkeersstraten van de city en spookachtig +gleden de schaduwen langs de huizen. + +Het was een eentonig, grauwe aanblik, want elke schelle toon werd +vergrijsd door den nevelsluier. + +Plotseling veranderde de aanblik en uit het straten-gewirwar maakte +zich een rood schijnsel los, dat opsteeg naar den hemel en met elk +oogenblik in kracht toenam. + +De voorbijgangers drongen verschrikt opeen en een oogenblik later +weerklonk aan alle kanten het geroep van: „Brand! Brand!” door de +straten. + +Nu begon de menigte het op een loopen te zetten en van alle kanten +snelde men naar de plaats, vanwaar de roode lichtgloed opsteeg. + +Hoe langer hoe drukker werd het in de straten, hoe langer hoe scheller +weerklonk het roepen en schellen en krijschen. + +De aanblik van het brandende perceel was dan ook inderdaad +schrikwekkend. + +Een van die groote huurkazernes, die men vindt in elke wereldstad, +stond in brand. + +Als machtige armen kronkelden de vlammen omhoog naar den donkeren +nachthemel. Kletterend en sissend vielen de zware waterstralen neer in +de vuurzee en dan was het, of de roode tongen nog hooger lekten. + +De brandweerlieden spanden hun uiterste krachten in, doch het gelukte +hun niet, het vuur meester te worden. + +Twee heeren, die er zeer opgewonden uitzagen, en die voor dat, wat de +algemeene opmerkzaamheid trok, geen oog schenen te hebben, waren juist +de plek van het onheil genaderd in hun auto. + +De chauffeur zag nu, dat de weg was afgezet en hij maakte de heeren +daarop opmerkzaam. + +Deze besloten nu de auto te verlaten om te trachten hun hotel te voet +te bereiken. + +„Dat ook nog,” sprak de kleinste en hij trachtte zich door den +menschenmuur een weg te banen. + +Dit lukte hem slechts moeilijk en het tweetal kwam maar uiterst +langzaam voorwaarts. + +„Laat mij voorgaan, Mr. Fournier,” sprak Baxter, de inspecteur van +politie, „ik zal mij legitimeeren, opdat wij gauwer vooruit komen.” + +Hij schoof den kleinen Franschman op zij en drong zich met geweld door +de menigte, die slechts onwillig ter zijde week. + +De beide heeren waren dien dag al twee keer in het hotel geweest, waar +Raffles had vertoefd onder den naam van markies d’Armand, en voor den +derden keer richtten zij daarheen thans hunne schreden. + +Plotseling onder het langzaam voortloopen over het door de politie +afgezette terrein, voelde Baxter een ruk aan zijn jas en hoorde hij den +naam „Raffles” uitroepen. Daarna hoorde hij het geluid van een harden +slag en toen hij omkeek, zag hij den kleinen Franschman languit op den +grond liggen. + +Deze had tusschen de menigte aan den overkant der straat „markies +d’Armand” ontdekt. Hij had naar den man willen toesnellen, maar +inderhaast vergeten, dat overal slangen op den grond lagen en nu was +hij daarover gestruikeld en languit op den grond gevallen. + +Voordat hij was opgestaan en Baxter had verteld, wien hij gezien had, +waren reeds zooveel seconden verloopen, dat de gezochte makkelijk was +ontvlucht. + +Baxter dacht, dat Fournier zich wel vergist zou hebben. + +Deze echter beweerde met groote beslistheid, dat er van vergissing geen +sprake was en zoo kwam Baxter ook tot de conclusie, dat nu toch +eindelijk de gentleman-dief gepakt zou worden. + +Maar hier, als ’t ware gevangen tusschen de geweldige menschenmassa, +zagen de heeren wel in, dat oogenblikkelijk van een vervolging weinig +resultaat was te wachten en zoo werd besloten om vooreerst dit plan te +laten varen en naar het hotel te gaan. + +Intusschen was de brand zoodanig toegenomen, dat van doorkomen geen +sprake was. + +Het geheele huis stond nu in lichterlaaie en loeiend sloegen de vlammen +uit naar allen kant. + +Met bovenmenschelijke kracht werkte de brandweer, maar nog steeds wilde +het haar niet gelukken het vuur meester te worden. + +De ongelukkige bewoners der bovenste verdieping hadden hun leven bijna +allen langs de brandladders in veiligheid gebracht. + +Uit de vlammen kwam nu een brandweerman te voorschijn met een rookhelm +over het hoofd. Hij verscheen nu op een der brandladders en droeg een +bewustelooze jonge vrouw op den arm. + +Luide kreten van bijval loonden den dappere voor zijn moedige daad. + +Men had de vrouw op den grond neergelegd en reeds schoten lieden toe om +haar levensgeesten weer op te wekken. + +De brandweerman verklaarde, dat er zich thans in het huis geen levend +wezen meer bevond. + +Nauwelijks echter was de bewustelooze weer tot haar positieven +teruggekeerd, of zij kreet vol ontzetting: + +„Mijn kind. Waar is mijn kind?—Redt, o, redt mijn kind!” + +Bijna waanzinnig van smart trok zij zich de haren uit en omklemde de +knieën van den brandweerman onder den uitroep: + +„Redt mijn kind!” + +Ieder was tot tranen toe geroerd. + +Vrouwen jammerden met de moeder mede en wanhoopskreten weerklonken door +de lucht. + +Maar hulp was hier onmogelijk! + +Doch daar—wat was dat?— + +Met geweldige kracht had een man zich door de massa een weg gebaand en +drong nu naar het brandende huis toe. + +De brandweerlieden, die hem den weg wilden versperren, duwde hij met +sterke hand ter zijde en voordat iemand nog goed wist wat er gebeurde, +had hij reeds de onderste sporten der brandladder beklommen. + +Een rauwe kreet steeg op uit gansch de menigte, toen de man met groote +snelheid naar boven klauterde. + +Daarop volgde ademlooze stilte. + +Alle harten schenen stil te staan en aller oogen waren gericht op de +vlammenzee. + +De spanning was hevig en eenige vrouwen vielen flauw van angst. + +Nu had de man het venster bereikt, waaruit de brandweerman zoo juist de +bewustelooze vrouw had gedragen. + +Eén oogenblik slechts zag men zijn donkere gestalte in de gloeiend +roode vensterholte staan. + +Even wendde zich de vreemdeling om en riep: + +„Verder spuiten!” + +Toen was hij verdwenen. + +Angstige minuten volgden. + +Onafgebroken slingerden de spuiten watermassa’s in het vuur. + +Toen weerklonk plotseling een duizendstemmige jubelkreet door het +luchtruim. + +Boven, heel boven, op de hoogste sport van de brandladder stond de +redder en hield een kind op zijn armen. + +De vlammen verzengden zijn kleeren en sloegen aan alle kanten om hem +heen, terwijl de brandweermannen breede waterstralen spoten naar den +moedigen redder, die nu de ladder begon af te dalen. + +Toen het grootste gevaar voor den koenen man was geweken, en luide +jubelkreten alom opstegen, stortte het dak ineen en de oplaaiende gloed +zette den redder met zijn last in daghelderen schijn. + +Baxter en Fournier waren langzamerhand tot op de eerste rij gekomen en +stonden de geheele redding met open mond mee aan te staren. + +Daar! Eensklaps werd het gelaat van den man op de ladder verlicht en +uit beider mond klonk het tegelijkertijd: + +„Raffles!” + +Baxter gaf in allerijl aan de omstaande politie-mannen bevel, den man, +zoodra hij een voet op den bodem had gezet, in hechtenis te nemen. + +De redder had nu den voet op den bodem gezet en de overgelukkige moeder +drukte haar kind in de armen. + +Alles verdrong zich om den held. Deze voelde plotseling, dat hem een +hand op den schouder werd gelegd en toen hij zich omkeerde, zag hij +Baxter, die met twee agenten op hem was toegetreden. + +In hetzelfde oogenblik gebeurde iets vreeselijks. Een brandende balk +stortte plotseling naar omlaag en sleepte in zijn val een der +brandweermannen mede. + +Een kreet van ontzetting werd geslaakt. + +De ongelukkige man had bij den val den nek gebroken. + +Baxter, Fournier en de agenten waren onwillekeurig terzijde gesprongen +om niet door den vallenden balk te worden getroffen. + +Toen de eerste schrik voorbij was, keken ze om naar den gearresteerde. + +Deze was echter verdwenen. + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +ONVERWACHTE TERUGKOMST. + + +„Wie heeft vandaag de wacht in Goldhawke road?” + +„Dickson, inspecteur!” + +Baxter had een dienstlijst opgenomen, knikte bevestigend en legde het +blad papier weder in het vakje van zijn schrijflessenaar. + +Na hetgeen met Fournier was voorgevallen, had ook Van Brixen zich niet +meer zeker gevoeld. + +Hij had geld en kostbaarheden naar verschillende banken gebracht; het +personeel, dat hij nu ook niet meer vertrouwde, was ontslagen en op +zijn verzoek werd zijn huis dag en nacht door de politie bewaakt, +terwijl hij met Tatjana Miroff een reis om de wereld was gaan maken. + +Men had terstond een stevige politiewacht op post gesteld in de hoop, +dat Raffles zijn bezoek aan Van Brixen’s huis spoedig zou herhalen. + +Op die manier kon Van Brixen met een gerust hart zijn voorgenomen reis +ondernemen. + +Baxter, die zich tot dusverre steeds had bemoeid met de zaak Raffles en +in wiens handen ook de leiding berustte, had nu het opperbevel gekregen +over het te bewaken huis. + + + +Sinds Van Brixen’s afreis waren ongeveer twee maanden verstreken, +zonder dat zich tot nog toe iets verdachts had voorgedaan. + +Vandaag had agent Dickson de wacht. + +Langzaam patrouilleerde hij voor het huis op en neer, toen plotseling +een automobiel zijn aandacht trok, die tamelijk vlug naar Van Brixen’s +woning reed en daar voor de deur stilhield. + +Op de plaats van den chauffeur zat een neger, wiens gelaat, zwart als +ebbenhout, scherp afstak bij den gelen kaftan en den rooden fez. + +Toen de auto stilhield voor Van Brixen’s woning, kwam Dickson wat nader +en zag nu, dat de neger vlug zijn plaats verliet, het portier opende en +den inzittende hielp bij het uitstappen. + +Het duurde lang, voordat er iemand uit het voertuig te voorschijn kwam. + +Dickson keek nu extra scherp toe. + +Eindelijk verscheen, in dekens en mantels gehuld, een gedaante wier +hoofd geheel in doeken was gewikkeld. + +Door den neger ondersteund, die de zwakke gestalte bijkans geheel +scheen te dragen, liep deze langzaam naar de tuindeur. + +Dickson had zich voor deze deur opgesteld. + +Hij was van plan, ieder den toegang te weigeren. + +Daar knikte hem de heer vriendelijk toe en zeide, hem de hand +toestekend: + +„Wel, mijn beste Dickson, er is dus niets bijzonders voorgevallen! Ik +hoorde het reeds van den inspecteur. Zooals ge ziet, ben ik heel ziek +en daarom heel wat vroeger terug gekomen, dan ik mij had voorgesteld. +Doe mijnheer Baxter mijn hartelijke groeten en vraag hem of hij mij +eens spoedig op komt zoeken, want ik heb hem belangrijke dingen mee te +deelen. Ik zou natuurlijk wel naar hem toekomen, als ik niet zoo +lijdend was. Ik dank hem en jullie allemaal in ieder geval voor de +moeite.” + +Van Brixen schudde de hand van Dickson en liet er meteen een geldstuk +in verdwijnen. + +De beambte groette glimlachend en keek eens tersluiks naar het +geldstuk, het was een shilling. + +Daar Van Brixen met het openen der poortdeur niet al te goed kon +opschieten kwam Dickson hem dadelijk te hulp. + +De zieke dankte vriendelijk en liep nu naar het huis toe, zorgvuldig +door den neger ondersteund. + +Dickson was blij van dien vervelenden wachtpost te zijn ontslagen en +begaf zich nu op weg naar Scotland Yard om inspecteur Baxter rapport te +geven van het voorgevallene en hem de groeten van Van Brixen over te +brengen. + +Hij vond zijn chef in diens bureau. + +Deze was niet weinig verbaasd, dat Van Brixen was teruggekomen, zonder +daarvan vooraf kennis te hebben gegeven. + +Doch de ernstige ziekte van den reiziger verklaarde alles en Baxter +besloot dadelijk den ander te gaan bezoeken. + +Toen de inspecteur aan de woning had aangescheld en de deur werd +geopend, deinsde hij ontzet achteruit, want in plaats van het +vriendelijke gelaat van de huishoudster kreeg hij het ebbenzwarte +gelaat van een neger te zien. + +Nu herinnerde hij zich, dat Dickson had verteld, dat de Hollander met +een neger was teruggekeerd. + +Baxter vroeg naar den heer des huizes. + +De neger grijnsde, zoodat zijn witte tanden allemaal te zien kwamen en +vroeg toen: + +„Hoe jij heeten?” + +„Wat???” + +De neger grijnsde weer. + +„Hoe jij heeten?” + +Baxter noemde zijn naam. + +„Timmy zal meester vragen of meester thuis is voor jou.” + +Floep!! + +De deur vloog Baxter voor den neus dicht. + +Zijn geduld werd wel heel erg op de proef gesteld, maar eindelijk toch +ging de deur weer open en de neger noodigde den gast met vriendelijken +grijns uit, binnen te komen. + +Boven in de studeerkamer wachtte Van Brixen zijn gast. + +De kamer was in schemerdonker en Van Brixen zat in een grooten +leunstoel, de voeten rustende op een bankje. Zijn geheele lichaam was +in dekens gewikkeld. Het hoofd van den zieke was in doeken gebonden en +rustte op een kussen. Alleen het puntje van den neus kon men zien. + +Toen Baxter met Timmy binnentrad, vloog de neger naar zijn meester toe +en begon hem met een groot palmblad verkoeling toe te waaien. + +Baxter nam plaats. + +„Hoe gaat het u?” vroeg hij deelnemend. + +„Slecht!” + +Het kwam er fluisterend uit. + +„Wat scheelt u, Mr. Van Brixen?” + +„Koortsen. Harde koortsen.” + +Onwillekeurig deinsde Baxter achteruit. + +„Neen, ge behoeft niet bevreesd te zijn,” stelde Van Brixen hem gerust. +„De dokter in Aden heeft mij palmbladen als waaier aangeraden.” + +„Zoo!” + +„Ge ziet zelf, hoe ziek ik ben, waarde heer Baxter. Daarom ben ik maar +zoo vrij geweest om u hier te vragen. Ge waart steeds zeer voorkomend +voor mij.” + +Baxter boog dankend. + +Van Brixen vervolgde: + +„...... en daarom zou ik graag uw raad willen inwinnen.” + +Baxter luisterde vol spanning. + +„Mijn ziekte is van hoogst ernstigen aard en kan slechts in een zachter +klimaat heil vinden. Ik kan mij nauwelijks bewegen en de doktoren +hebben mij geraden mijn woonplaats te veranderen. Als ik in het +vochtige klimaat van Londen blijf, ben ik in drie maanden dood.” + +De zieke ademde zwaar en moeilijk. + +Timmy begon weer te waaieren. + +Na een poosje vervolgde de zieke: + +„Ge begrijpt wel, dat ik mij liever wat moeite en lasten geef, dan dat +ik den zekeren dood wil te gemoet gaan. Ik wil alles, wat zich in dit +huis bevindt, laten verkoopen. Ik kan toch al die dingen niet +meenemen.” + +„Wat?” viel Baxter in, „wilt ge al die schatten verkoopen? Moeten die +allemaal in vreemde handen vallen?” + +„Ja, ik kan er niets anders op vinden. Ik kan die dingen toch niet +behouden, daarom maak ik ze maar te gelde.” + +„Dan heb ik een vriendelijk verzoek!” + +„En dat is?” + +„Ge weet, dat ik zelf antiquiteiten verzamelaar ben.” + +„Ja. En?” + +„Wees zoo goed, mij den dag van de verkooping mee te deelen, dan vind +ik misschien ook nog iets van mijn gading.” + +„Met genoegen! Ik zal trouwens toch mijn vrienden niet vergeten.” + +„Dank u!” + +Baxter was in de wolken. Hij begreep uit deze woorden, dat Van Brixen +hem wel een mooi geschenk zou geven. + +„Nu verder!” sprak de zieke. + +„Ge wildet mijn raad nog inwinnen?” + +„Juist.” + +„En waarvoor?” + +„Ik weet niet, wat ik met het huis moet doen. Ik zou het zoo graag héél +gauw willen verkoopen, omdat ik hier zoo spoedig mogelijk vandaan wil.” + +„Ja, mijn waarde heer Van Brixen, vergeef mij, maar ik moet openhartig +met u spreken, als ik u werkelijk een goeden raad moet geven. Uw huis +is, ondanks alles, tamelijk oud en bouwvallig. Wie zal het in dezen +toestand willen koopen?” + +„Dat heb ik mij ook reeds afgevraagd, maar ge zult wel begrijpen, dat +ik er graag zooveel mogelijk geld wil uitslaan.” + +„Ik zou u raden om het huis op afbraak te laten verkoopen.” + +De zieke richtte het hoofd op. + +Hij scheen zichtbaar verheugd en zeide met een zucht van verlichting: + +„Ge hebt gelijk. Ik dank u voor uw vriendelijken raad. Mag ik u nu nog +iets verzoeken?” + +Baxter verklaarde, dat Van Brixen geheel over hem kon beschikken en +deze verzocht nu om zoodra mogelijk de noodige advertenties voor de +dagbladen op te geven. + +Van Brixen wilde den inspecteur het geld voor de advertenties reeds +vooruit geven. + +Deze echter weerde dit af en zeide: + +„Ik kan het u toch wel voorschieten. Wij zullen dan later wel +afrekenen.” + +Toen nam hij afscheid van Van Brixen, die hem vriendelijk de hand +reikte. + +De inspecteur, bang voor koortsbesmetting, roerde echter nauwelijks de +vingertoppen van den zieke aan en verdween. + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN KRANKZINNIGE. + + +Fournier slenterde naar Old Kent Road om naar een koffiehuis te gaan. + +De Franschman scheen vele jaren ouder te zijn geworden. Het haar was +hem aan de slapen vergrijsd en als doelloos dwaalde zijn blik heen en +weer. Sinds het verlies, dat hij door den genialen boevenstreek van +Lord Lister had geleden, was het bij hem tot een idee fixe geworden, in +iederen voorbijganger den meesterdief te herkennen. + +Hij was zoo langzamerhand reeds een stamgast in Scotland Yard geworden +en steeds kwam hij daar vragen, of men Raffles nog niet had ontdekt. + +Hoezeer ook allen op het politie-bureau er tuk op waren den meesterdief +te arresteeren, zoo onaangenaam was hen ook het eeuwige vragen van den +kleinen Franschman en inspecteur Baxter had reeds een hevigen afkeer +tegen Fournier opgevat, wijl hij dat voortdurend vragen zonder eenig +resultaat als een persoonlijke beleediging opvatte. + +Even voordat hij het café bereikte, ontmoetten Baxter en Fournier +elkander en uit het korte gesprek, dat zich thans ontspon, roerde de +inspecteur terloops den terugkeer van Van Brixen aan. + +Enkele minuten later reeds scheidden de beide heeren en Fournier trad +het café binnen. + +Nadat hij alle bezoekers met achterdochtigen blik had gemonsterd om te +zien of de Groote Onbekende er niet bij was, ging hij met bedroefd +gelaat in een hoek zitten en nam een krant op. Zijn gedachten dwaalden +echter steeds weer af en hij begreep geen woord van wat hij las. + +Van Brixen was dus terug! + +Dat hij hem, Fournier, daarvan geen kennis had gegeven, lag voor de +hand, want na de woordenwisseling op den ongelukkigen bruiloftsdag +hadden de vrienden elkaar niet terug gezien. + +Wat echter zou Van Brixen er toe gebracht hebben, zoo plotseling terug +te keeren?— + +Een gedachte schoot plotseling door Fournier’s brein. + +Zou Van Brixen misschien een spoor van Raffles hebben ontdekt en daarom +zoo spoedig zijn teruggekomen? + +Ja—dat was het!— + +De kleine gestalte van den Franschman scheen krachtiger te worden. Zijn +oogen fonkelden. + +Misschien zou hij nu zijn doel bereiken. En het besluit stond bij hem +vast, den vijand op te zoeken, om zich zekerheid te verschaffen. + +Hij riep den kellner, betaalde en verliet met veerkrachtigen tred het +café. Toen riep hij een auto aan en liet zich naar Goldhawke Road +brengen. + +Met haastigen tred liep hij den hem welbekenden voortuin door en haalde +de bel over. + +Voor zijn ongeduld duurde het veel te lang, voordat de deur geopend +werd en hij wilde, als naar gewoonte, vlug het huis betreden, toen +Timmy hem tegemoet trad. + +Zooals Baxter was teruggeschrikt, trad ook Fournier ontsteld achteruit +bij den aanblik van het grijnzende negergelaat. + +Wederom klonk de stereotiepe vraag van den neger: + +„Hoe jij heeten?” + +De Franschman was geprikkeld. Hij haalde de schouders op en wilde den +neger op zij duwen, doch deze gaf den bezoeker op boksersmanier een +stoot in de maagstreek. + +Fournier week achteruit. + +De neger grijnsde met breeden mond en herhaalde: + +„Hoe jij heeten?” + +Daar de handelaar in blanke slavinnen wel inzag, dat er tegen den neger +niets was te beginnen, noemde hij zijn naam. + +Als hij gedacht had, thans te worden binnengelaten, had hij zich +vergist, want de deur werd voor zijn neus dichtgeklapt. + +Zijn geduld werd op een harde proef gesteld, want vele minuten +verliepen en de neger kwam niet terug. + +Fournier was in den laatsten tijd erg nerveus geworden. + +Hij stond nu van ongeduld te trappelen en ten slotte ging hij zoo +geweldig aan de schel trekken, dat het dreunde door het huis. + +Toen ook dat niet hielp, begon hij de deur met handen en voeten te +bewerken. + +Dat lawaai scheen dan toch te helpen, want de deur werd opnieuw +geopend. + +De neger verscheen weer, grijnsde verschrikkelijk en zeide: + +„Meester èrg ziek; maak niet zoo lawaai, anders Timmy jou slaat.” + +De zwarte dreigde met de vuisten. + +Maar Fournier lette daar niet op. Hij vloog de trap op en de +studeerkamer binnen, waar hij zijn vroegeren vriend dacht te vinden. + +Toen hij binnentrad, zat deze weer, in dekens en kussens gehuld, in den +leuningstoel. + +Fournier stormde naar Van Brixen toe. + +„Heb je een spoor van Raffles gevonden?” + +De zieke antwoordde niet dadelijk. + +Hij hield een hand voor den mond en steunde zachtjes. + +Of was het een onderdrukt lachje, dat hij te voorschijn bracht? + +Fournier kookte van ongeduld. + +„Wat is dat voor een manier,” stoof hij op, „om mij zóó te behandelen! +Aan wien lag de schuld, dat wij destijds boos van elkaar zijn gegaan? +Aan jou—niet aan mij!—Zeg nou op! Heb je een spoor van Raffles +gevonden?” + +Weer klonk dat eigenaardig geluid. + +Maar wat was dat? + +Daar richtte de zieke zich plotseling zonder eenige hulp uit den stoel +op en vroeg met welluidende stem: + +„Vraagt ge mij, of ik iets van Raffles heb gehoord?” + +Ontzet deinsde de Franschman achteruit. + +Met groote oogen keek hij den spreker aan. De haren rezen hem te berge +en met de handen sloeg hij in de lucht, als wilde hij ergens steun +zoeken. + +Zijn adem stokte en eindelijk stiet hij uit: + +„Raffles! Dat is Raffles zelf!—Te hulp!”— + +Voordat hij verder kon schreeuwen, had de zwarte hem gepakt en hem de +hand op den mond gelegd. + +De vermeende Van Brixen stond voor hem en lachte hartelijk. Toen haalde +deze een touw uit den zak en bond den ander aan handen en voeten. + +De neger had den Franschman een prop in den mond gestopt en nu droegen +zij den spartelende naar een zijkamer en legden hem daar op een divan +neer. + +Daarna keerde John Raffles—want hij was het inderdaad—met den neger in +de studeerkamer terug. + +„Ziezoo, Charly,” sprak hij, „nu hebben we den knaap. We zullen nu eens +zien of we hem met behulp van den braven Baxter niet onschadelijk +kunnen maken.” + +„Ik ben bang, Edward, dat die dolle streek ons nog in moeilijkheden +brengt.” + +„Hazenhart”, spotte Raffles en hij liet zich met Scotland Yard +verbinden. + +„Hier Baxter!” klonk het. + +„Hier Van Brixen! Het spijt me, inspecteur, dat ik u alweer moet lastig +vallen. Er is zoo juist een groot ongeluk in mijn huis gebeurd. Nadere +bijzonderheden kan ik u onmogelijk per telephoon meedeelen. Kom dus zoo +gauw mogelijk naar hier!” + +De inspecteur beloofde het. + +Raffles legde de microfoon op het toestel en stak een sigaret op. + +„Over een kwartier kan hij hier zijn en dan kan het spelletje +beginnen.” + + + +Nauwelijks was een kwartier verstreken, toen de huisschel overging. + +Raffles kroop weer in de vermomming en ging in den leunstoel zitten. + +Charly ging als Timmy naar de deur.— + +Toen Baxter het huis betrad, zag hij, dat de neger buiten zich zelf +was. + +Hij sloeg met de vuisten zich tegen den kroeskop en riep uit: + +„O, master, hij zoo dom is, zoo dom! Hij roept zoo dwaze dingen!” + +Verschrikt vroeg Baxter: + +„Wie? Van Brixen?” + +„O, no master, die andere kleine man!” + +Baxter ging naar boven. + +Ook Van Brixen scheen buiten zich zelf te zijn. + +Hij wrong de handen en steunde: + +„O, beste inspecteur! Wat een ongeluk! Wat moet ik met dien armen kerel +beginnen!” + +„Maar wat is er dan om ’s hemels wil gebeurd?” + +„Och ja, dat is waar ook. Je weet nog niets! Luister. + +„Een paar uur geleden kwam mijn oude vriend Fournier mij bezoeken. Die +brave kerel had zeker gehoord, dat ik ziek ben. Ik vertelde hem van +mijn ziekte en dat ik had besloten, alles te verkoopen. Ik wilde hem +nog een paar kostbaarheden geven en toen hij bezig was een en ander uit +te zoeken, nam hij plotseling een kostbare vaas, wierp die op den grond +en schreeuwde: + +„„Daar is Raffles!” + +„Ik wist niet, wat er gebeurde en vroeg: + +„„Wat scheelt er aan, Fournier?” + +„Toen draaide hij zich plotseling om, sprong mij naar de keel, trachtte +mij te worgen en riep maar steeds: „Jij bent Raffles! Jij bent +Raffles!” Als Timmy mij niet te hulp was gekomen, zou hij mij zeker +vermoord hebben.” + +De zieke hield, uitgeput, op. + +De inspecteur had vol aandacht geluisterd. Toen zei hij: + +„Ik heb het wel gedacht. Fournier had allang dat idee fixe. Nu is het +tot een uitbarsting van krankzinnigheid gekomen.” + +„Ja, ja, zoo is het!” hijgde de zieke. + +„Waar hebt ge den ongelukkige gelaten?” + +„Timmy heeft hem overmeesterd en daar wij ons leven niet zeker waren, +hebben we hem gebonden en in de kleine kamer hiernaast gelegd. De +aanval schijnt nu voorbij te zijn, want hij is geheel kalm.” + +„Zoo’n aanval kan gauw terugkomen.” + +Het scheen dat de inspecteur gelijk had, want nu klonk het weer uit de +aangrenzende kamer: + +„Die schurk, die dief is daar! Help! Help! Daar is Raffles! + +„Heb ik het niet gezegd?” vroeg Baxter. + +„Ja, inderdaad, ge hebt gelijk!” + +„Laat ons maar eens naar hem gaan kijken.” + +Het drietal ging naar de andere kamer. Van Brixen leunde op Timmy’s +schouder en strompelde voort. + +De gebonden man begon opnieuw los te barsten. + +„Daar is de schurk! Neem hem gevangen, mijnheer Baxter! Het is +Raffles!” + +Baxter schudde het hoofd en zei tegen Van Brixen: + +„Gaat u liever heen. Onze tegenwoordigheid schijnt hem verbazend op te +winden.” + +Met meewarigen blik keek Van Brixen naar zijn vriend en fluisterde: + +„Die arme Fournier!” + +Toen verliet hij het vertrek. + +De Franschman begon met iedere minuut harder te schreeuwen: + +„Laat hem toch niet ontsnappen, mijnheer Baxter, en maak mij toch vrij! +Ge lijkt wel gek!” + +Op goedigen toon zei Baxter: + +„Ja, ja, beste vriend dat is Raffles! Zeker! Ik zal hem dadelijk +arresteeren! We nemen een automobiel en rijden spoorslags naar de +gevangenis!” + +„Dat is goed! Dat is goed!” + +Baxter ging nu naar Van Brixen toe. + +„Het geval is inderdaad veel erger, dan ik dacht. De ongelukkige is +razend en wij moeten hem knevelen om elk opzien te vermijden. Hij moet +natuurlijk dadelijk naar een krankzinnigengesticht worden +overgebracht!” + +Van Brixen sloeg de handen voor het gelaat: + +„Die arme, arme kerel!” + +Baxter ging de straat op, floot twee agenten en beval deze, terstond +een automobiel te halen. + +Na enkele minuten was alles gebeurd. + +Men had Fournier een prop in den mond gestoken, zoodat hij niet kon +schreeuwen. + +Maar de woedende blikken, die hij naar Van Brixen wierp, toen deze weer +in den leuningstoel ging zitten, spraken boekdeelen. + +Baxter nam afscheid van Van Brixen en volgde de anderen. + +De auto was nauwelijks in beweging of de zoogenaamde Van Brixen sprong +op, snelde naar het venster en loerde door een reet. + +Toen lachte hij: + +„Dat zaakje is dus geschikt.” + +Daarna stak hij een nieuwe sigaret op. + + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +BIJ AFBRAAK. + + +De dag der verkooping was aangebroken. + +Reeds in den vroegen morgen kwamen koopers van alle kanten opdagen en +een der eersten was inspecteur Baxter. + +Van Brixen ontving hem met groote vriendelijkheid. + +„Mijn waarde inspecteur,” sprak hij, „ge hebt mij zooveel diensten +bewezen, dat ik niet mag toestaan, dat je iets koopt. Ik hoop, dat ge +mij zult toestaan, u een en ander als blijk van waardeering aan te +bieden.” + +Baxter was ten zeerste verheugd, maar tegelijkertijd ten hoogste +verbaasd over de vrijgevigheid van den man, die als gierigaard bekend +stond. + +Hij zocht eenige prachtige dingen uit, waaronder een staande klok en +een inktstel van Venetiaansch brons. Hij liet deze kostbaarheden +terstond naar zijn bureau brengen. + +Toen de eerste koopers kwamen, nam Van Brixen afscheid. Hij beweerde, +te ziek te zijn om de verkooping bij te kunnen wonen en liet de +regeling over aan zijn bediende, die voor een neger al buitengewoon +scherpzinnig was. + +Voor bijna alles in huis waren aldra koopers gevonden en toen de +kunstvoorwerpen geveild waren, kwamen de meubels, de bedden, de +gordijnen, de schilderijen, de tapijten en andere dingen onder den +hamer. + +Eindelijk was het geheel kaal en nu ging men bieden op de stokrozen, de +prachtige palmen en bladplanten uit den tuin. + +Zes uren nadat de verkoop was begonnen, waren alle kostbaarheden en +andere voorwerpen reeds verdwenen en slechts de kale muren bleven +staan. + +Toen de laatste kooper het huis had verlaten, ging Van Brixen naar +Timmy toe: + +„Wij mogen het niet wagen,” sprak hij, „om in een hotel te gaan en daar +we toch niet onder den blooten hemel kunnen slapen, moeten we vandaag +maar per auto er van door gaan.” + +Lachend stemde Charly toe en hij ging het voertuig in orde brengen. + +Kleeren werden gepakt en alles gereed gemaakt. + +Toen strompelde Van Brixen naar buiten en voort ging het. + +Eerst werd nog even aangereden bij den heer, die het huis op afbraak +had gekocht en Timmy bracht hem den sleutel, daar den volgenden morgen +met de slooping kon worden begonnen. + +Toen ook dit was geschied, liet de zwarte chauffeur, lustig het +„tuf-tuf” hooren en voort ging het door den donkeren nacht. + + + +Zes maanden waren verloopen, sinds Van Brixen met zijn minnares Tatjana +Miroff de reis om de wereld had ondernomen, toen op zekeren morgen de +trein van Southampton de reizigers naar Londen terugbracht. + +Daar Van Brixen bij zijn afreis zijn geheele dienstpersoneel had +ontslagen, moest hij wel besluiten om in een hotel te gaan. + +Tatjana had Van Brixen op deze reis er toe weten te bewegen om haar te +huwen en hoewel Van Brixen daarvan eerst niet had willen hooren, +besloot hij toch, na de terugkomst in Londen den wensch van zijn +liefste te vervullen. + +De reizigers hadden hun lunch gebruikt en Tatjana ging naar haar kamer. + +Van Brixen had een auto voor laten komen en reed naar zijn huis in +Goldhawke Road. + +Makkelijk leunend in de kussens rookte de meisjeshandelaar een sigaar +en dacht er over na, welke kamers hij in zijn woning voor zijn +aanstaande vrouw zou laten inrichten. + +Zoodoende had hij niet bemerkt, dat de auto in de straat was gekomen +waar zijn huis stond en hij verbaasde zich erover, dat de auto langzaam +reed, omkeerde en toen stilhield. + +„Ik kan het nummer, dat u genoemd hebt, niet vinden,” zei de chauffeur +toen. + +Van Brixen schrikte op. + +Een schok vloog door zijn lichaam en met één sprong was hij den wagen +uit. + +Waar was hij??? + +Die huizen rechts en links waren toch de huizen van zijn buren. + +Maar zijn huis!! + +Waar was zijn huis?? + +Was dat hekserij? + +De chauffeur kon hem geen opheldering geven. + +Van Brixen was altijd een man geweest, die vlug een besluit nam en ook +terstond handelde. + +Hij had bij zijn vertrek uit Londen de politie opgedragen zijn huis te +bewaken en vond nu niets dan een puinhoop. + +Daar moest hij meer van weten. + +Vlug sprong hij in de auto en liet zich naar Scotland Yard rijden. + +Baxter kwam hem reeds tegemoet en zeide: + +„Ah Mr. Van Brixen, zijt ge zoo gauw weer opgeknapt? Ge ziet er +uitstekend uit.” + +Van Brixen begreep niets van deze woorden en Baxter vervolgde: + +„Komt ge al weer in Londen wonen? De grond van uw vroeger perceel is +nog niet verkocht!” + +Nu werd het Van Brixen toch te bont. + +Razend riep hij uit: „Zijt ge gek geworden? Wat bedoelt ge toch?” + +Baxter snapte absoluut niets van de zonderlinge houding van zijn +bezoeker en vreesde bijna, dat dezen hetzelfde noodlot had getroffen +als Fournier, die nog als ongeneeslijk krankzinnig in het gesticht zat. + +Eindelijk sprak hij op schuchteren toon: + +„Maar Mr. Van Brixen, gij waart toch zoo vriendelijk om mij deze +voorwerpen te schenken.” + +„Wat? Ik? Gedroomd!!!” + +„Ik droom volstrekt niet. Ge hebt ze mij gegeven, toen uw huis verkocht +werd voor afbraak.” + +Nu was het de beurt van Van Brixen om ten zeerste verbaasd te zijn. + +„Wat? Ben ik drie maanden geleden hier geweest? Vanmorgen heb ik voor +het eerst weer voet op Londen’s bodem gezet, waar ik sinds een half +jaar niet geweest ben.” + +In Baxter steeg een vreeselijk vermoeden op, doch hij durfde het niet +te uiten. + +Twee dagen geleden had hij een brief aan het adres van Mr. Van Brixen +ontvangen en dezen overhandigde hij nu aan den geadresseerde. + +Van Brixen las het schrijven. + +Hij uitte een kreet van woede, toen hij den inhoud gelezen had en viel +half bewusteloos in een stoel neer. + +De inspecteur had het papier, dat op den grond gevallen was, opgeraapt +en las het volgende met steeds stijgende opwinding: + + + „Mr. Van Brixen. + + Toen ik eenige maanden geleden uit uw schrijftafel een collier + wegnam, om dit als bruidsgeschenk aan uw dochter van haar + liefhebbenden vader mee te geven, liet ik een bericht achter, dat + ik binnenkort ook u zou bestraffen, zooals ik Fournier bestraft + had. + + Deze domme gek heeft mij door zijn nieuwsgierigheid gedwongen, hem + een ferme les te geven en inspecteur Baxter heeft mij hierbij op + vriendelijke wijze geholpen, toen hij persoonlijk Mr. Fournier naar + het gekkenhuis bracht, waarin hij op het oogenblik nog verpleegd + wordt wegens een idee fixe. Dit bestond daarin, dat hij de eenige + was, die in den valschen Van Brixen dadelijk den beruchten Raffles + herkende. + + De straf, die gij door mij ontvingt, is weliswaar hard, doch + volkomen verdiend. Uwe bezitting is vernield, uw antiquiteiten zijn + naar alle winden verstrooid, slechts eenige onbeduidende + kleinigheden zult ge daarvan terug vinden. Deze toch zijn in het + bezit van inspecteur Baxter. + + Ten aanzien van dezen heer verzoek ik u als de echte Van Brixen de + belofte te houden, die ik als valsche Van Brixen deed en hem de + voorwerpen, die hem zooveel pleizier deden, als geschenk te laten, + want hij heeft een belooning verdiend; niet wegens groote + voorzichtigheid en scherpzinnigheid, doch wegens de vele diensten, + welke hij mij zoo zelf-opofferend bewezen heeft. + + Daar ge u nog verheugen kunt in het volle bezit van uw vermogen, + zal het u gemakkelijk vallen deze verliezen te dragen. Ge hebt + evenwel voor het eerst in uw leven wellicht straf ontvangen voor + wat ge eens aan de armsten der armen hebt misdreven. + + Moge deze les u een vermaning zijn voor de rest van uw leven. + + JOHN C. RAFFLES.” + + + + + + + + + + + + + + + +EEN SPOORWEG-ONGELUK. + + +Het was slechts een zeer onbeduidend iets, dat in het brein van Mr. +James Parkinson een grootsch plan deed rijpen. + +In zijn vak was Mr. James Parkinson een genie en dat vak omvatte het +geheele omvangrijke gebied der oplichterij. + +Eens had hij de eervolle positie van advokaat bekleed, maar tengevolge +van zekere gebeurtenissen, was hij door zijn collega’s uitgestooten en +onmogelijk gemaakt. + +Zijn uitnemende juridische kennis, zijn beschaving en goede opvoeding +kwamen hem in zijn nieuw beroep uitstekend van pas, want iemand, die de +wet kent en behalve dat lang niet dom is, zal bij zijn oplichterijen +niet licht worden betrapt. + +Een kleine, schijnbaar onbeduidende aanteekening onderaan het +Beursbericht in zijn ochtendblad had hem op het denkbeeld gebracht. + +„Weinig vraag naar geld, disconto onveranderd, staatspapieren kalm. Een +groote zending goud zal binnenkort van de Bank van Schotland worden +gezonden”. + +Dat was inderdaad een aanteekening, die voor het meerendeel der lezers +van geen belang was. + +Voor Parkinson echter was zij voldoende om de een of andere +oplichterij, die hij op het oog had, voorloopig uit te stellen en alle +krachten te wijden aan deze zaak. + +Zou hij misschien in het bezit van het goud kunnen komen? + +Liever dan alles anders ter wereld was voor hem gemunt goud. + +Hoe echter goud, dat voor de Bank bestemd was, daarheen werd +getransporteerd, was hem zeer goed bekend. + +Hij wist, dat een dergelijk transport door de straten van Londen +meestal geschiedde onder strenge bewaking, doch dat tijdens het +transport per spoor de zending slechts zeer gering werd bewaakt. + +En daar hij al sinds langen tijd tot de overtuiging was gekomen, dat +het in Engeland niets moeilijker is een trein te overvallen dan in +Amerika, waar zooiets iedere week schier voorkomt, was hij spoedig +besloten te beproeven, zich langs dezen weg in het bezit van het goud +te stellen. + +Deze gedachte prikkelde hem zoo, dat hij terstond erop uitging om +inlichtingen in te winnen. + +Zoo vernam hij, dat het zoo goed als zeker was dat het goud in een +gewonen sneltrein zou worden overgebracht. In denzelfden trein zou zich +ook een postrijtuig bevinden, waarin vele brieven en stukken van waarde +werden meegevoerd. + +Dat was dus een extra buitenkansje. + +Twee dagen had Parkinson noodig om een paar „vrienden”, Amerikanen, die +hem over den treinroof in Amerika eenige bijzonderheden konden +mededeelen, op te snorren. + +Ook sprak hij langen tijd met een ontslagen machinist en met een zes +voet langen Ier, een boef, die door de politie ijverig werd gezocht. + +In de achterkamer van een kroeg in het beruchte Oost-eind werd de +eerste bijeenkomst van het vijftal gehouden. + +Met wantrouwende blikken keken de „heeren” elkander aan en eerst moest +heel wat alcohol naar binnen worden geslagen, voordat de een na den +ander wat toeschietelijker werd. + +„Laat ons dadelijk van wal steken,” begon Parkinson. + +„Volgenden Dinsdag vroeg komt de nachttrein uit Schotland hier, die een +kolossale som aan gemunt goud als lading in heeft. Het metaal is in +sterke met ijzeren banden beslagen kistjes verpakt en we kunnen ons het +goud uitstekend toeëigenen als we den trein op anderhalf kilometer +afstands van het station Carhampton tot staan brengen. Als ons dat +lukt, krijgt ieder van jullie 300 pond sterling en bovendien kunt ge +nog deelen, wat ge de passagiers aan gouden horloges, sieraden en baar +geld kunt afhandig maken”. + +Dit voorstel werd door twee der aanwezigen met een luid klinkenden lach +begroet, terwijl de twee anderen een veelzeggend stilzwijgen bewaarden. + +„Dat klinkt allemaal heel mooi. Ik geloof echter niet, dat een +Engelsche sneltrein zoo gemakkelijk door het eenvoudig zwaaien met een +roode lantaarn tot staan gebracht kan worden, zooals daarginds in het +Verre Westen,” meende op sarcastischen toon een der Amerikanen, die +heel groot van stuk was en maar één oog had. + +„Neen,” antwoordde Parkinson ernstig, „tot zulke afgezaagde middelen +zullen wij ook hier te lande onze toevlucht niet nemen.” + +„Wat kunnen wij dan met z’n vijven tegen al die lieden beginnen?” vroeg +de voormalige machinist. + +„Mijn waarde heer,” antwoordde Parkinson met een geheimzinnig lachje, +„als twee dappere kerels reeds vroeger in Amerika, dus in het land, +waar bijna niemand zonder wapens uitgaat, een stampvollen trein hebben +overweldigd, dan kunnen toch zeer zeker hier vijf met revolvers +gewapende lieden, zelfs zonder al te roekeloos op te treden, ook wel +zoo iets tot stand brengen. Als iemand zich verweert schieten we hem +eenvoudig neer en dat zal de anderen wel bang maken. + +„Maar aan den anderen kant,” vervolgde hij, „moet ik jullie er wel +degelijk opmerkzaam op maken, dat de heele zaak geweldige opschudding +zal veroorzaken, want ieder Engelschman beschouwt alleen reeds de +gedachte aan zooiets als hoogverraad. + +„Volgens mijn weten is nog nooit in Engeland zoolang als de spoorwegen +hier bestaan, de trein overvallen en geplunderd. Als het moeilijke werk +dus voltooid is, moeten wij dadelijk den buit deelen en zorgen, dat we +uit de voeten komen.” + +„Voordat we verder gaan,” zei de machinist, „moeten we toch weten hoe +de locomotief tot staan wordt gebracht.” + +„Daar u dit zooveel hoofdbrekens kost, heeren, zal ik u dit mededeelen. +Ge kent toch Carhampton?” vroeg hij den machinist. + +Deze knikte toestemmend. + +„En herinnert ge u ook den grooten berg, dien de trein, vlak achter het +station, over moet rijden?” + +„Zeker. Dat is de grootste stijging, die ik ooit over ben gereden. Het +is daar een heel lastig eind.” + +„Juist. En op die plek moet de trein tot staan worden gebracht.” + +En Mr. Parkinson zette nu zijn plan nader uiteen. + +Kauwende op een pruim tabak, luisterde de machinist. + +Hij scheen nog niet heelemaal overtuigd te zijn. En Mr. Parkinson had +twee volle uren noodig om de aanwezigen voor zijn plan te winnen. + + + +De „Vliegende Schotlander”, aldus werd de sneltrein wegens zijn groote +vlugheid genoemd, vervolgde zijn reis door de binnenlanden van +Schotland. + +Voorbij gesneld waren de morsige dorpen met hooge schoorsteenen en +mijnwerken, waar af en toe de hoogoplaaiende vlammen der hoogovens +schilderachtige effecten vormden. + +De trein had nu de duistere vlakte bereikt. + +Aan beide kanten van de kloof bij Carhampton, boven aan den berg, +wachtten de vijf mannen. + +Een goederentrein ratelde voorbij en Mr. Parkinson keek op zijn +horloge. Toen begon hij de rails op ongeveer vijftig meter afstands +boven op den berg, geducht met olie in te smeeren, toen liep hij naar +den seinpaal, klauterde langs de ijzeren ladder naar boven, verwijderde +daar de beide kleurige signaalschijven en verving ze door andere +glazen, die hij had meegenomen. + +Als nu het signaal „Veilig” zou worden gegeven, verscheen, inplaats van +het groene licht, het roode, dat „halt” beteekent. En omgekeerd. + +Nauwelijks was hij weer op zijn plaats teruggekeerd, toen in de verte +het geratel van een naderenden trein werd gehoord. + +Nader en nader kwam hij, totdat aan den anderen voet van den heuvel, in +de vlakte de witte wolken uit de machine duidelijk zichtbaar werden. + +De stoomketel was flink opgestookt en werkte onder groote spanning om +de moeilijke steiging te volbrengen. + +Toen de machinist bij de bocht zag, dat de weg niet veilig was, liet +hij de stoomfluit zoo schril werken, dat Mr. Parkinson op zijn post +boven op den berg van schrik ineenkromp en de stationschef in +Carhampton zich afvroeg, wat er wel gebeurd kon zijn. + +Als de nacht helder was geweest, zou de machinist wel gezien hebben, +dat de signaallantaarn naar beneden wees, maar daartoe was het thans te +donker. + +De trein pufte den berg op en in de hoop, dat de weg in het laatste +oogenblik nog vrij zou komen, bleef de machinist dezelfde snelheid +behouden. + +Toen echter nog steeds geen groen licht verscheen, was hij wel +gedwongen, te remmen, want aan den anderen kant was de helling zeer +steil. + +De trein was bijna op den top gekomen en reed langzaam, toen plotseling +de machine op de rails stokte. De wielen draaiden wel, maar de trein +kwam niet van zijn plaats en dreigde den berg ruggelings weer af te +glijden. Zoodoende moest met alle macht geremd worden en de trein werd +tot stilstand gebracht. + +In hetzelfde oogenblik werden ook de machinist en de stoker door twee +personen met revolvers bedreigd. De een door Mr. Parkinson, de ander +door den éénoogigen Amerikaan. + +De stoker gaf zich echter niet zoo gemakkelijk over en sloeg met den +kolenschop er op los, zoodat hij bijna Mr. Parkinson den schedel had +verbrijzeld. Zijn cylinderhoed, dien hij altijd droeg, zelfs bij deze +onderneming, redde hem het leven. + +Een kogel, die hem door den elleboog vloog, maakte den stoker voor het +gevecht onschadelijk en een tweede die de pet van den machinist +doorboorde, joeg dezen zoo’n angst aan, dat hij zich zonder verderen +tegenstand liet binden en op de kolen in den tender liet gooien. + +De conducteur werd onverhoeds overvallen en zonder veel moeite +gebonden. + +Een particulier detective en een beambte van de Bank, wien de bewaking +over de waardevolle zending was opgedragen, werden verschrikt door het +plotselinge stilstaan van den trein. + +De detective trok zijn revolver en keek uit het venster. + +Geruischloos werd de andere deur echter geopend en een stem riep: + +„De revolver weg!” + +Toen hij zich omkeerde zag hij een elegant gekleed heer met een +ingeslagen hoed, die zijn revolver op hem richtte. + +De beide mannen keker elkander een oogenblik aan en voor den +doorborenden blik van Parkinson liet de ander het wapen zakken. + +De Bankbeambte was een goedmoedig heer op middelbaren leeftijd. + +Hij verdedigde zich absoluut niet en vlug werd het goud uit den waggon +gesleept. + +Door het brutale optreden der roovers en het dreigen met de revolvers +lieten de passagiers zich zoo overbluffen, dat zij zonder +tegenspartelen horloges, kostbaarheden en baar geld overhandigden. + +Daar zich een groot aantal rijke lieden in den trein bevond, die van +Schotland naar Londen reisden, was de buit aanzienlijk. Het kleine +kistje, dat lady Ilfracombes juweelen bevatte had alleen reeds de +moeite geloond. + +Uit een coupé tweede klasse trachtte een slank gebouwd heer in de +duisternis te ontsnappen en hoewel hem meerdere kogels werden +nagezonden, vond zijn voorbeeld toch bij meerdere navolging. Maar het +grootste deel der passagiers bleef kalm in den trein zitten. + +Men kan het waarlijk den passagiers niet kwalijk nemen, dat zij niet +meer tegenstand boden, want slechts twee der passagiers waren van +revolvers voorzien, waarvan de een de patronen in zijn koffer had +gepakt, terwijl de ander niet met het wapen kon omgaan. + +Parkinson had, hoewel de roof zeer snel in zijn werk was gegaan, nog +nauwelijks tijd om vier bundels brieven snel bijeen te rapen. + +Reeds werden de lantaarns der beambten van het naastbij gelegen station +zichtbaar, die kwamen zien, waarom de trein halverwege was blijven +stilstaan. + +Zwaar beladen met goud en kostbaarheden liepen de mannen het veld in en +daar werd alles gepakt in een onschuldig uitziend handkoffertje. + +Even later liep de trein onder de leiding van den van zijn boeien +bevrijden machinist, het station binnen. + +En nu begon de telegraaf te werken. + +Er werden lange berichten naar Londen gestuurd, naar de verschillende +bladen, die den volgenden dag het nieuws meldden tot in de kleinste +bijzonderheden. + + + +Slechts vier van de mannen, die den treinaanslag hadden gepleegd, +kwamen den volgenden dag samen in een achterbuurt van een fabrieksstad +in Noord-Engeland. + +De Ier ontbrak. + +Hij was sinds de misdaad nog niet nuchter geweest en in zijn roes +bazelde hij zooveel en zoolang, dat Parkinson doodsbenauwd was, dat de +kerel zijn mond voorbij zou praten en hem daarom een verdoovingsmiddel +had gegeven, dat hem voor een paar dagen onschadelijk maakte. + +De roovers waren niet weinig verbaasd over den storm, dien zij hadden +veroorzaakt. + +Overal werd er van gesproken. Iedere krant wijdde er ellenlange +artikelen aan. + +De Amerikanen besloten naar hun geboorteland terug te keeren. Parkinson +was van plan, weer naar Londen te trekken, daar hij zich daar het +veiligst gevoelde. + +De machinist wist nog niet, waarheen hij zou gaan. + +In de „Vliegende Schotlander” zat in een salonwagen een heer in +jachtcostuum. + +Hij scheen na lang verblijf uit de Schotsche Hooglanden door Engeland +terug te keeren. + +Toen men het station Carhampton naderde, wees de heer, die in deze +streek goed bekend scheen te zijn, zijn medereizigers de plaats, waar +de treinroof was gepleegd. + +Ook nu reed de trein uiterst langzaam het station binnen en de heer in +jachtcostuum scheen een beetje zenuwachtig te worden, toen hij op het +perron zooveel politiemannen zag staan. + +„Ja,” beweerde de dikke inspecteur, toen hij den vermeenden jager de +handboeien aanlegde, „dat is inderdaad tragisch. Gesnapt, juist op de +plaats van de misdaad. Eerlijk gezegd, waarde heer Parkinson, achtten +wij het te gevaarlijk, u nog dichter bij Londen te laten komen. Ge hadt +ons zoo makkelijk kunnen ontsnappen. Uw zakken zijn zoo zwaar. Wat hebt +ge daar? Laat eens zien!! Goud! Echt goud! Neen maar!!” + +De politie had te juister tijd ingegrepen! + +En dat gebeurt niet altijd! + +Zèlfs niet in Engeland! + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77573 *** |
