diff options
Diffstat (limited to 'LordLister-0035-utf8.txt')
| -rw-r--r-- | LordLister-0035-utf8.txt | 3364 |
1 files changed, 3364 insertions, 0 deletions
diff --git a/LordLister-0035-utf8.txt b/LordLister-0035-utf8.txt new file mode 100644 index 0000000..bfc8647 --- /dev/null +++ b/LordLister-0035-utf8.txt @@ -0,0 +1,3364 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77255 *** + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 35 DE MAN, DIE VEERTIG DRAKEN DOODDE. + + + + + + + + +DE MAN DIE VEERTIG DRAKEN DOODDE. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EEN AFGODENFEEST. + + +Tsai-Soi, de lentegod van China, hield zijn intocht in Peking. + +Zijn plomp afgodsbeeld, uit hout vervaardigd en zoo hoog als een huis, +werd op een grooten wagen rondgereden en lachte met breeden grijns naar +de joelende scharen aan zijn voeten. + +In de rechterhand droeg het beeld een zak, gevuld met het kostelijkste, +grofkorrelige graan, de linkerhand werd zegenend uitgestrekt naar de +volksmenigte, die den God omvangrijke hoeveelheden groenten, schapen en +varkens offerde. + +Tsai-Soi nam alles in ontvangst met den breeden grijnslach en zijn +priesters dreven de schapen en varkens weg— — — + +Tsai-Soi is een machtig God! + +De keizer en de prinsen, gevolgd door de voornaamste +hoogwaardigheidsbekleeders, komen hem offers brengen. + +Peking is als een krioelende mierenhoop, als Tsai-Soi zijn intocht +houdt. + +Alles spreekt slechts van Tsai-Soi en tracht in zijn gunst te komen. + +Een smeekschrift aan dezen God wordt door den voornaamsten mandarijn +van het keizerlijk ministerie geschreven. Daarin wordt op bevel van den +keizer het weer voorgeschreven: zoo en zooveel regen, zoo en zooveel +zonneschijn, en dit verzoekschrift wordt het beeld om den hals +gehangen. + +Tweemaal leest men het, in tegenwoordigheid van den keizer voor, opdat +de datums van den regenval goed mogen doordringen in zijn goddelijke +hersens. + +Gerustgesteld keert de keizer dan terug en het volk offerde verder en +verbrandde papieren ossen, terwijl Tsai-Soi grijnsde en stom en dom +bleef kijken met zijn gelaat van hout. + +Te midden van de vroolijke feestvreugde, het krijschen der +muziekinstrumenten en het knallen van het vuurwerk, wandelden een jonge +man en een jong meisje. + +Hij heet Win-Seng en zijn kleeding is zoo armoedig dat iedere voorname +Chinees hem ontwijkt als een verworpeling. Maar hij is krachtig en goed +gebouwd en hij is niet ouder dan hoogstens twintig jaren. + +Een slanke vrouwengestalte gaat aan zijn zijde. Zij is diep gesluierd +en haar tunica is van een sneeuwwitte kleur, doch zonder eenig +versiersel van zijde en goud. Win-Seng dringt door de menigte heen. + +„Kunnen wij geen zijstraat inslaan?” vraagt het meisje, „ik ben +vermoeid en mijn voeten kunnen mij niet meer door de groote stad +dragen. Win-Seng, moest je je zwarte roos van Han-strom naar hier +voeren—Win-Seng, ik heb honger.” + +„Wij moeten naar de gezantschapstraat”, antwoordde Win-Seng, „daar +woont de broeder van onze moeder, I-lai-ko genaamd. Hoe zouden wij +zonder geld een onderdak kunnen vinden, wij moeten naar I-lai-ko, mijn +duifje. Wat zegt Confucius—zonder geld, moet je voor den tempel bidden. +Met geld kun je in den tempel bidden. Wil je dezen nacht hongerig en +verkleumd op straat blijven?” + +Zijn woorden werden onderbroken door de begeleiders van een machtig +Mandarijn, die met luid geschreeuw de lieden uit elkander joegen. + +„Maakt plaats, ellendige honden die in het stof kruipt, maakt plaats +voor Kwo-Saing, den man die veertig draken doodde, de ster der +gerechtigheid! Maakt plaats, gij bedelaars, die het leven niet waard +zijn.” + +Op deze wijze schreeuwden zij voort en hunne zwaarden baanden een weg +door de volksmenigte. + +Vermoeid, met onverschillig gebaar lag de geweldige op zijn zijden +kussen, dat met muskusgeur was doortrokken. Zijn witharig hoofd knikte +slaperig de maat waarin de dragers liepen, die zijn baldakijn torsten. + +Hij was gekleed in een met goud bestikte kaftan en groote, kostbare +paarlsnoeren waren door zijn grijze haarvlecht geslingerd. Gouden +banden, met edelsteenen bezet, hielden de vilten sandalen aan zijn voet +en zijn hand, waaraan kostbare ringen prijkten, bewoog een +schitterenden waaier van pauwenveeren waarin smaragden en robijnen +fonkelden. + +De lange nagels flikkerden van diamantpoeder en toonden aan de macht en +het aanzien van dezen man. + +Af en toe greep hij in een kleinen buidel die ter rechter- en ter +linkerzijde was geplaatst en dan wierp hij een regen van glinsterende +koperen munten in de volksmenigte. + +Dat deed hij ook op het oogenblik, toen hij bij Win-Seng was +aangekomen. + +Onder luid geschreeuw wierp het volk zich op de rollende goudstukken. + +Alleen Win-Seng deed het niet. Door het gedrang werd het meisje de +sluier afgerukt en juist in dit oogenblik keek de machtige Kwo-Saing +naar haar om. + +Zijn verveeld lachje verdween van zijn gelaat en in zijn oogen schoten +lichtsprankels. + +Het meisje was schoon, zoo schoon, als hij nog nooit een in Peking had +gezien. + +Hij zag, hoe de jongeling den sluier weer bevestigde en haar uit het +gedrang voerde. + +Zachtjes riep hij den naam van een van zijn lijfwachten. Als een +afgerichte tijger kroop de slaaf naar zijn heer toe en luisterde +sprakeloos naar diens bevel. + +Terstond wenkte hij twee wachters aan zijn zijde en verdween met hen +onder de volksmenigte, terwijl Kwo-Saing den weg naar zijn paleis +vervolgde, thans niet meer vermoeid en onverschillig, maar met volle +handen en opgewonden gebaren zijn muntstukken onder het volk strooiend. + +Kwo-Saing lachte als een plomp en dik afgodsbeeld. + +„Maakt plaats, maakt plaats daar, honden”, schreeuwden zijn slaven. „De +machtige Kwo-Saing, de man die veertig draken doodde.” + +Zijn paleis lag dicht bij het hotel van den Franschen gezant. + +Men zei in Peking: „Kwo-Saing is de voornaamste onderdaan van den +keizer. Kwo-Saing is het duurste en slechtste geld van de Russen en +Engelschen. Want Kwo-Saing is valsch!” + +„Boeddha is groot en machtig!” sprak Kwo-Saing luide en op +fluisterenden toon vervolgde hij: „Als hij verstand en macht geeft.” + + + +Win-Seng en Anitai waren kinderen van een deugniet, die alles +verspeelde. + +Toen hij geen land en huis meer bezat, verkocht hij zijn veertienjarige +dochter Anitai aan Ma-leng-sadok, een ouden theehandelaar in +Tsien-tsin, die van den keizer, voor bewezen diensten, gedecoreerd was. + +Veertig dollar was de koopsom voor Anitai. + +Haar broeder Win-Seng hoorde van een getrouwen slaaf, dat zijn zuster +verkocht was en bij nacht en ontij vluchtte hij met Anitai naar Peking, +terwijl hun vader in een opiumroes lag. + +Ma-leng-sadok liet den oude daarom een kop kleiner maken. + +Win-Seng wist het, maar Anitai’s vrijheid was het hoofd van den vader +waard, want Confucius leert: + +„Een speler is slechter dan een moordenaar!” + +Met groote moeite gelukte het den jongen man, zijn zuster en zichzelf +buiten het volksgewoel te brengen en de stille Gezantschapstraat in te +slaan. + +Deze straat stak gunstig af bij de vuile, morsige buurten der +hoofdstad. + +Diepe rust heerschte hier. Het gejoel van het volk was slechts op +verren afstand hoorbaar, als de branding der zee. + +De geelzijden draagstoel van Kwo-Saing was juist in het paleis +verdwenen. Behalve Win-Seng en zijn begeleidster was er niemand te +zien. + +Met onderzoekende blikken liep de jonge Chinees voorwaarts. + +Tien jaren waren voorbijgegaan, sinds hij als knaap met zijn moeder +zijn oom bezocht. + +Slechts vaag kon hij zich het groote steenen gebouw met de +blauw-wit-roode vlag herinneren. Zijn oom was portier van het Fransche +gezantschap. + +Het was al acht uur in den avond en hij moest zich haasten om een +onderdak te vinden. + +Anitai kon zich, vermoeid door de lange wandeling, nauwelijks meer op +de been houden. + +Op dit oogenblik kwamen eenige krijgslieden in snellen draf aangereden. + +Win-Seng naderde hen en vroeg naar het huis met de blauw-wit-roode +vlag. + +De grootste en zwaarst-gewapende van hen antwoordde: + +„Volg ons, wij gaan naar dat gebouw.” + +„Ik ben een bloedverwant van I-lai-ko, gij zult hem wel kennen”, sprak +Win-Seng. + +„Ik ken hem en ben er trotsch op een stofje te zijn, dat hij met zijn +voeten mag betreden. [1] + +„Volg mij, ik zal u geleiden, als gij een bloedverwant van I-lai-ko +zijt”, antwoordde de soldaat en ging met zijn makkers vooraan. + +Win-Seng en Anitai volgden en stonden eenige oogenblikken later voor +het paleis. De ijzeren deur werd geopend, Win-Seng zag een hal, die van +goud schitterde. + +Plotseling kreeg hij een geweldigen klap op het hoofd, zoodat hij +bewusteloos neerviel. Het laatste wat hij hoorde, was een kreet van +Anitai. + +De ijzeren deur werd achter haar gesloten, twee slaven kwamen te +voorschijn, namen den levenloozen Win-Seng op en droegen hem weg. + +Voor den tempel van den grijnzenden Tsai-Soi legden zij hem neer. De +laatste stralen der ondergaande zon beschenen hem, toen de priesters +kwamen om den slaven hun last af te nemen. + +„Kwo-Saing zendt u dit offer. Hij heeft een Eunuch (vrouwenbewaker) +noodig voor den keizerlijken harem. Tsai-Soi moge zijn genade +schenken.” + +Zoo spraken de slaven tot de priesters. De priesters grijnsden en +sleepten het levenlooze lichaam van Win-Seng in den donkeren tempel. + +Tsai-Soi echter hurkte als een grijnzend ondier voor den ingang en +bewaakte zijn diepste geheimen. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN VERIJDELDE MEISJESROOF. + + +Nacht en duisternis heerschten in Peking. De maan was weer verdwenen. +Koud woei de wind door de straten en bijna geen leven was in Peking te +bespeuren. + +Alleen daar, waar het gebouw van het Engelsche gezantschap lag, was de +straat door magnesia-fakkels verlicht en een hoop bedelaars en gepeupel +van allerlei soort hurkte rondom de wachtende draagstoelen. + +Bij den Engelschen gezant was een groote avondpartij. Alle voorname +Europeanen en andere vreemdelingen waren uitgenoodigd. + +Juist traden twee heeren, gevolgd door bedienden van het gezantschap, +buiten de deur. + +Een van hen was een rijzige, breedgeschouderde man in zijn beste +levensjaren, terwijl de ander klein en dierlijk gebouwd en van weinig +opvallend uiterlijk was. + +Deze laatste was de Italiaansche groothandelaar Saltorelli en de ander: +John C. Raffles, die onder den naam van een zekeren Lord Cheekman een +pleizierreis naar China had gemaakt. + +Eigenlijk was het een studiereis, zooals hij, voor zijn vertrek uit +Londen, tot zijn vriend en helper Charly Brand had gezegd. + +Hij wilde het terrein bestudeeren voor het uitvoeren van eenige +meesterstukjes en nu eens de Chineesche politie in al haar +eigenaardigheden leeren kennen.— + +„Wilt gij werkelijk te voet gaan, mijn beste Lord?” vroeg de koopman. + +„Maar waarom niet, Signor Saltorelli. Ik denk, dat de wijn en de +gerechten zoo voortreffelijk zijn geweest, dat men een dergelijke +kleine wandeling noodig heeft voor de spijsvertering. Ik loop dus. Het +is niet de eerste keer en Peking is voor ons, Europeanen, veiliger dan +Londen en Parijs.” + +„En toch—en toch—ik waarschuw u, mijn waarde Lord. Menigeen is hier +verdwenen, zonder dat ooit een knoop van hem weer te voorschijn kwam.” + +„Kom, Signor, zoo gauw raakt men niet verloren.—Wel thuis. Morgenavond +zal ik zoo vrij zijn, gevolg te geven aan uw uitnoodiging. Goeden +nacht—mijn groeten aan de dames—tot weerziens!” + +„Wel thuis, Lord Cheekman”, riep Saltorelli hem toe van uit zijn riksha +(tweewielig rijtuig) en bij vervolgde: „Neem in elk geval een +fakkeldrager mee!” + +„Mijn sigaar geeft licht genoeg”, antwoordde Raffles. + +„Voorwaarts!” riep Saltorelli tot zijn dragers, „die Engelschen zijn +eigenaardige stijf koppen.” + +John Raffles liep door de bedelende Chineezen door zonder notitie van +hen te nemen. Langzaam slenterde hij de straat langs en eerst toen +eenige bijzonder brutale kerels onder heftige bewegingen hem kash-kash +(geld-geld) naschreeuwden en hem met een troepje volgden, zoodat de +vieze lucht van het gepeupel hem hinderlijk werd, maakte hij een kort +proces en deelde met zijn wandelstok eenige gevoelige slagen uit naar +links en rechts. + +Dat hielp. + +Schreeuwend en krijschend gingen zij naar de anderen terug en John +Raffles liep alleen de stille Gezantschapstraat verder door, om in de +Chineesche wijk te komen. + +De groote onbekende had zijn intrek genomen midden in Peking. Hij wilde +de stad en de bevolking nauwkeurig bestudeeren en dacht, dat dit in het +Europeesche gedeelte moeilijk zou gaan. + +Hij woonde bij een zekeren Huen-Schang, een goudsmid. Het huis, dat hij +bewoonde, was uiterst zindelijk. + +Lord Lister had op al zijn reizen nog nergens een dergelijke +zindelijkheid aangetroffen. Het gebouw lag achter een grooten muur te +midden van een bloeienden tuin onder oranje- en pereboomen. + +De ingang was langzamerhand een soort marktplaats geworden en achter +den muur lagen werkplaatsen. + +Des avonds werd de bronzen poort dichtgegrendeld en het huis in den +tuin was dan van de geheele wereld afgesloten. Een beter verblijf kon +John Raffles zich niet wenschen. Weinig Europeanen woonden in Peking +zoo goed als hij. + +Peinzend liep de groote onbekende de Gezantschapstraat door. + +Bij het Fransche paleis stak hij een nieuwe sigaar aan en terwijl hij +stil stond, hoorde hij plotseling de verstikte kreten van een meisje +uit het aangrenzende paleis van een Chinees. + +Een oogenblik luisterde hij—de kreten klonken als in grootsten +doodsangst, toen werd alles weer stil. + +Daar klonk het weer—duidelijk hoorde hij het roepen van een naam: +Win-Seng!—Win-Seng!—daartusschen vernam hij een scheldende, twistende +stem. + +John Raffles dacht een oogenblik na, wat hij zou doen, toen ging hij, +zonder aan het gevaar, dat misschien dreigde, te denken, naar de deur +van het paleis en klopte daarop luid met zijn stok. + +Oplettend luisterend, hoorde hij, hoe daarbinnen sloffende schreden +naderden. + +Hij greep naar zijn revolver en hield die gereed om te schieten. + +Een luikje werd geopend in de groote deur, waardoor een lichtstraal in +de duisternis viel. + +In de Chineesche taal, die Raffles niet verstond, vroeg iemand, wat hij +wenschte. Onbevreesd stelde Lord Lister onmiddellijk een wedervraag in +het Engelsch, wat het geschreeuw te beteekenen had? + +„Frankenhond!” schold de portier. + +Geprikkeld door dezen Chineeschen vloek naderde de groote onbekende met +een sprong het venstertje en voordat de portier het kon vermoeden, +sloeg Raffles hem met zijn stok in het gelaat. + +Het gevolg hiervan was een vreeselijk geschreeuw van den portier en het +afvuren van een pistool op Raffles. + +Tengevolge van de duisternis miste het schot, maar het werd nu levendig +in het gebouw van het Fransche gezantschap en gewapende dienaren met +lantarens snelden naar buiten. + +Ook in het paleis van den Chinees was alles in oproer. Kleine vensters +werden geopend, papieren lantarens ontstoken en gewapenden snelden heen +en weer. + +Meermalen werd op Raffles geschoten, maar geen enkele kogel trof hem, +alleen een der Fransche soldaten kreeg een schampschot. + +De paleisbewaarder van het Fransche gezantschap trad nu naar Raffles +toe en vroeg hem naar de oorzaak van het tumult. + +De groote onbekende noemde zijn naam en vertelde de reden van het +rumoer. + +Of het was omdat de paleisbewaarder Kwo-Saing haatte, in elk geval hij +begaf zich naar de poort en verlangde, dat men hem en zijn bedienden +onmiddellijk huiszoeking zouden toestaan, bij weigering waarvan +Kwo-Saing de gevolgen voor zijn rekening had te nemen. + +Raffles wist, dat dit verlangen niet gewettigd was, maar hier in dit +land gold het steeds, zichzelf te helpen, vooral voor de Europeanen. + +Eenige seconden verliepen, zonder dat zich iets in het paleis bewoog, +daarop vernam men een bevel en de poort werd geopend. + +Een hoop tot de tanden gewapende Chineezen stond in de vestibule. + +Lord Lister hield het daarom niet voor raadzaam, zich onder hen te +begeven en sprak tot den paleisbewaarder, die tevens tolk was: + +„Zou het niet beter zijn, als wij die gele schurken buiten lieten +komen?” + +„Volkomen mijn idee, uwe Lordschap!” antwoordde de tolk. + +„Naar buiten, duivelsche honden, of mijn Russische knoet zal je een +handje helpen. Waar is Kwo-Saing, het hoofd der Pekingsche politie, de +man, die veertig draken doodde, de grootste schurk?—Haalt hem hier! Wat +voor een schanddaad bedrijft hij weer? Komt naar buiten!” + +Hij liet zijn zweep eenige keeren met forschen slag door de lucht +zwiepen en bracht zoodoende de slaven in beweging. Mismoedig kwamen zij +naar buiten. Hun oogen fonkelden wraaklustig tegen de gehate +vreemdelingen. Zij gehoorzaamden slechts aan de macht en het geweld van +de Europeanen. + +Op dit oogenblik verscheen ook Kwo-Saing. + +Met een glimlach ging hij naar den tolk en sprak in slecht Engelsch: + +„O, Excellentie—o, Excellentie! Welk een eer, welk een groote eer +bewijst gij mijn nederig dak, deel te willen nemen aan mijn eenvoudig +avondmaal! O, Excellentie, de eer zal te groot zijn; Boeddha zal er +jaloersch op worden!” + +Bij die woorden hief hij beide armen op, alsof hij Boeddha wilde +aanroepen. + +„Ik ben gaarne bereid, u niet verder lastig te vallen, als gij mij +vertelt, wat de kreten, die uit uw huis weerklonken, te beteekenen +hadden”, antwoordde Raffles. + +De tolk echter sneed den Chinees elk antwoord af en sprak: + +„Uwe Excellentie kan haar leugens wel voor zich houden en ons brengen +waar wij moeten zijn en waar wij het verlangde kunnen vaststellen. +Anders zal Uwe Excellentie morgen een zijden koord krijgen van den +keizer!” + +Hij wenkte bij die woorden eenige Fransche soldaten en trad met hen het +paleis binnen, terwijl hij zijn knoet dreigend voor het gelaat van den +verschrikten Kwo-Saing hield. + +„Uwe Lordschap, dit is het eenige middel om iets bij dit boevenpak te +bereiken”, riep hij tot Raffles, die buiten wachtte.—„En avant, +vadertje mandarijn, wijs ons den weg!” + +Kwo-Saing strompelde onder veel buigingen en een stroom van woorden +over de hooge eer vooruit, en Raffles zag hem in het donker van het +paleis verdwijnen. + +Er verliep wel een half uur, voordat de indringers terugkwamen. + +Raffles hoorde het luide lachen en de schertsende woorden van den tolk. + +Nu was deze weer bij de poort gekomen en de bedienden sleepten een +gesluierde vrouwengestalte met zich mede. + +„Hahaha, Uwe Lordschap, dat was een grap, zooals als ik er zelden een +in Peking heb beleefd. Dien ouden vrek heb ik flink gestraft. + +„Eerst noodigde hij mij in zijn eetzaal, drong mij een glas saki op en +legde daar een rol blanke dollars naast. Ik nam en sprak: + +„„Kwo-Saing, de plaats is leeg.” + +„Hij begreep—haalde een tweede—een derde—vierde—de plaats is telkens +weer leeg. + +„Halt, denk ik, nu ben je er zeker van, dat de kerel een misdaad heeft +begaan. Bij duizend dollar houdt hij op, rolt zich als een egel in zijn +tunica en is niet meer te spreken. + +„Nu ga ik dus zoeken. + +„Bij het vrouwenvertrek wil mij een walgelijk schepsel naar de keel +vliegen, ik sla den kerel neer, dring het vertrek binnen en vind twee +oude vrouwen. Reeds wil ik gaan, toen ik onder de zijden kussens een +onderdrukt snikken hoor. Ik slinger ze uit elkaar en vind dit meisje +geboeid en met een prop in den mond. + +„Dat is dus de reden van het rumoer, Uw Lordschap, en daar gij bij dit +tafereel mijn helper zijt geweest, verzoek ik u, mij het geld af te +staan en zelf het meisje mee te nemen. + +„En avant! Gaat naar uw holen terug, roovers en dieven!” riep hij tot +de Chineesche dienaren, die het bevel dadelijk opvolgden en de deur +achter zich sloten. + +John Raffles dacht een paar minuten na, daarop besloot hij, het meisje +mee te nemen naar zijn kosthuis. + +Hij wenschte den tolk en diens bedienden goeden nacht en legde den arm +van het gesluierde meisje in den zijne. + +Hij voelde, hoe zij sidderde en beefde. Langzaam liep zij naast hem +voort. + +De Franschen keken hen eenigen tijd na, opdat het tweetal niet door de +bedienden van Kwo-Saing achtervolgd kon worden, daarop begaven ook zij +zich weer in hun paleis terug. + +De straat was nu weer stil en leeg. + +In de reuzenstad Peking had niemand iets van het nachtelijke avontuur +gemerkt. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE ZWARTE ROOS VAN PAI-HO. + + +Raffles was met zijn beschermeling dien nacht ongehinderd thuis +gekomen. + +Hij had de menschen, waar hij in huis was, gewekt en hun het meisje +toevertrouwd, zonder dat hij haar sluier had opgelicht en haar gelaat +had gezien. + +Toen hij zich omdraaide om naar zijn kamer te gaan, voelde hij, hoe +zijn handen werden gegrepen en met heete kussen en tranen bedekt. + +Haastig trok hij zich terug en eerst nu kwam hij tot het besef, dat hij +meer had gedaan dan een menschenleven gered, dat hij een ziel voor den +zedelijken ondergang had behoed. + +Gekweld door onrustige droomen, sliep hij dien nacht slecht en tegen +den morgen ontwaakte hij met het vage bewustzijn van alles wat er dien +nacht was gebeurd. + +Hij had geruimen tijd noodig om zich het nachtelijk tooneel, dat voor +hem als Europeaan zoo vreemd was, weer te binnen te roepen. + +Snel stond hij op, kleedde zich in een lichte tunica en klapte in de +handen. + +Dadelijk werd de deur geopend en zijn huisbaas, Huen-Schang, een dikke +Chinees in een lange, lichtblauwe kaftan, violette zijden broek en +vreemd gevormde gele puntschoenen verscheen op den drempel, een buiging +voor hem makende. + +„Wil de genadige heer, die de armoedige hut van zijn slaaf tot zijn +woning heeft verkozen, een arm koopman de eer bewijzen het ontbijt te +nuttigen, dat zijn karig huishouden hem kan verschaffen?” vroeg +Huen-Schang op onderdanigen toon. + +John Raffles moest telkens om de bloemrijke taal van zijn gastheer +lachen, hoewel hij de uitdrukkingen bijna uit het hoofd kende. + +„Graag!” antwoordde hij, een sigaar aanstekende. + +„O, Excellentie., ik dank u, ik zal onmiddellijk bevel geven om u te +bedienen. De eer, die Mylord mijn ellendig dak bewijst, zal u +duizendvoudig vergolden worden! Ik hoop, dat gij ook heden over den +slechtsten uwer knechts tevreden zult zijn.” + +Hierop ging de beleefde man heen. + +Eenige minuten verstreken, daarop werd de deur opnieuw geopend. De +Groote Onbekende had reeds aan zijn schrijftafel plaats genomen om te +gaan werken. + +Hij hoorde, hoe het porselein op de bamboetafel klaar werd gezet, de +aangename geur der thee prikkelde zijn reukorganen en een weeke stem +sprak: + +„Heer, ik wacht op uw hooge bevelen!” + +Haastig keek Raffles om. + +Dat was niet de stem van Huen-Schang. Hij zag bij de deur in deemoedige +houding het meisje staan, dat hij dien nacht Kwo-Saing, den chef der +politie, had ontstolen. + +Ongesluierd stond zij voor hem. In den vollen glans der zon, het hoofd +gekroond met het prachtige zwarte haar, gebogen en met de armen over de +borst gekruist—een sierlijke kleine gestalte. + +Lord Lister bekeek haar opmerkzaam. + +Het meisje was een schoonheid, zelfs voor de meest verwende Europeesche +oogen. + +„Spreek je Engelsch, mijn kind?” vroeg hij verbaasd. + +„Mijn moeder leerde mij die taal. Ik ben in Tai-ku geboren, een kind +der zee. Mijn moeder bezat de mooiste bloemenboot van de Paiho-rivier. +Ik hoorde sinds mijn kinderjaren veel vreemde talen en zing de liederen +der vreemdelingen.” + +„En hoe kom jij, roos der bloemenboot, in Peking?” vroeg Raffles +verder. + +„Vader heeft alles verspeeld,—de boot en moeder aan den slavenhandelaar +Huong-bin, daarna ons huis en land en eindelijk mij, zijn eenige +dochter. Ik heet Anitai en ik ben met mijn broeder Win-Seng gevlucht. +Heer, mijn broeder hebben zij hier doodgeslagen. Dezelfde lieden, die +mij gisteren roofden en uit wier handen gij mij hebt gered. + +„Boeddha is groot en almachtig, dat hij mij, nietig stofje, heeft +gespaard.” + +„Ga zitten, mijn kind, terwijl ik eet, of, als je nog niet hebt +ontbeten, neem dan aan mijn tafel plaats.” + +Met uitnoodigende handbeweging kwam de Groote Onbekende haar tegemoet. + +„O, heer, hoe zou ik, als slavin, aan de tafel van mijn heer mijn +honger durven stillen, hoe zou ik durven plaats nemen en zijn genade +verbeuren!” + +„Je bent niet mijn slavin, zelfs niet mijn ondergeschikte; denk, dat je +mijn gast bent, neem dus plaats en deel mijn maaltijd met mij.” + +„Heer, gij beveelt en u behoort mijn leven. Maar aan uw tafel mag ik +niet gaan zitten, want gij zoudt mij daardoor die plaats voor eeuwig +geven. + +„Boeddha zou vertoornd op mij zijn en Punkuwong, de schepper der +wereld, zou mij haten, wanneer ik mij aan uwe zijde zou neerzetten +zonder uw hart te bezitten.” + +„Maar Anitai”, sprak Raffles zacht en met een glimlach, „dat is niet +juist gesproken en gedacht. Onze gebruiken zijn anders en als ik je +verzoek, iets te doen, dan zal ik dat verantwoorden tegenover Boeddha +en Punkuwong. Mijn godsdienst staat je toe om te doen wat ik zeg.” + +„Ja, ja, dat geloof ik, heer. Maar Confucius is ouder en heiliger in +zijn leer dan de verlosser van het avondland. Ik heb onderricht gehad +bij de monniken van het Sinkloster en ik weet, dat Confucius zeshonderd +jaar eerder kwam en de geboden van Boeddha verkondigde. Daarom, heer, +vergeef mij, als ik mij aan mijn zeden houd.” + +Raffles begreep, dat het vergeefsche moeite zou zijn, haar te bewegen, +den maaltijd met hem te gebruiken en hij nam dus alleen plaats. + +Zoo sierlijk was de tafel nog geen enkelen keer voor hem gedekt +geweest. + +Welriekende bloemen waren hier en daar neergezet en alles getuigde van +goeden smaak. + +Zwijgend en snel at hij. Daarna stond hij op, liet Huen-Schang bij zich +komen en gaf hem de opdracht, een draagstoel te bestellen. + +Anitai bracht het theeservies weg, daarop kwam zij weer terug en bleef +in dezelfde deemoedige houding bij de deur staan. + +John Raffles, die zich in het aangrenzende vertrek kleedde, keek een +tijdlang naar het meisje. Deze onderdanigheid was hem pijnlijk en hij +besloot, haar vertrouwelijker te maken door haar een gouden haarkam te +geven. + +„Anitai!” riep hij. + +„Ja heer, ik kom. Wat beveelt de heer?” + +„Je zingt, zooals je mij hebt verteld.” + +„Ja, heer.” + +Voor het eerst keek hij haar in de oogen. Fluweel-zwart, met een +geheimzinnigen glans keken zij hem aan. + +Hij kon zijn blik niet afwenden en keek, als in een roes, in de groote, +zwarte, geheimzinnige Oostersche sterren. + +„Zing een lied voor mij”, verzocht hij, „dan zal ik je als belooning +deze gouden kam geven en in je haar steken.” + +Met een vreemd, deemoedig glimlachje keek Anitai hem aan en liet toe, +dat Raffles een zware gouden kam in haar volle, prachtige, gitzwarte +haren stak. + +„Je bent schoon, schoon als de zon—de koningin van het oosten”, +fluisterde Raffles en keerde zich daarop als verschrikt over zijn eigen +woorden van het meisje af. + +„Heer, wat zegt gij? Ik begrijp uw woorden niet, maar zij klinken als +uit een sprookje van Tufu of Pe-ku-li.” + +Raffles had intusschen een koffer geopend, die veel voortbrengselen van +het hemelsche rijk, welke hij had gekocht, bevatte. + +Hij nam er een paar sierlijke muiltjes en een zijden, met goud bestikte +kassawaika uit en spreidde die voor Anitai uit. + +„Tooi je hiermee, Anitai, ik wil je beschouwen als een meesteres en +mijn dwaasheid moge een verontschuldiging vinden in je +onvergelijkelijke lieftalligheid en bekoring.” + +De oogen van het meisje glansden als het morgenlicht op donkere +wateren, een gelukkig lachje omspeelde haar wangen en zij sloeg de +blikken neer naar den grond, waar de glinsterende kassawaika lag, het +rijke gewaad eener vorstin. + +Raffles echter, de koele Europeaan, keek voor het eerst sinds vele +jaren met stralende blikken naar het beschroomde, lieftallige gelaat +van een jong meisje en genoot van haar schoonheid. + +„Ik zal Huen-Schang vertellen, hoe hij zich tegenover je te gedragen +heeft. Wacht mij tegen den middag terug; opdat je niet geheel en al +onbeschermd achterblijft, geef ik je deze kleine revolver. Bewaar haar +goed.” + +Hij gaf haar het wapen en liet haar alleen. + +Met een vreemde gewaarwording keek Anitai hem na. + +Een rilling liep langs haar lichaam. Had zij gedroomd? + +Neen! In heur haar stak een gouden naald en aan haar voeten ritselde de +kassawaika. + +Neen, zij had niet gedroomd! + +De trotsche, sterke vreemdeling had haar tot meesteres verheven. Tot +meesteres, omdat zij, zooals hij vertelde, zoo schoon was als de zon! + +Met schitterende oogen nam zij het gewaad van den vloer op. + +De kleine kamers geleken haar een heiligdom. Zij voelde nog de +nabijheid van den fieren man, dien zij onderdanig wilde zijn, als een +slavin, maar tevens als een koningin. + +Zij wist, dat, wanneer de avondschaduwen neerdaalden en de maan +groetend achter de hooge boomen zou opkomen, als de nachtegalen hun +lied zouden kweelen en de bloemen haar bedwelmende geuren in de zoele +lucht zonden,—dat dan hij terug zou keeren en zij hem zou mogen dienen, +als een koningin—als een slavin. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN HANENGEVECHT. + + +In de Thu-lin-straat, tegen den muur van het keizerlijk paleis, +bevonden zich eenige door vreemdelingen dikwijls bezochte theehuizen en +een koffiehuis, door een Maleier opgericht en dat „De vliegende zwaan” +heette. Het reusachtige dier, dat boven den gevel prijkte, kon echter +evengoed een groote kangoeroe als een kameel voorstellen, maar geen +zwaan. + +Het huis was grooter en hooger dan het aangrenzende. Naast de +zuilengalerijen, waarin de koffietafeltjes en zitplaatsen waren, +bevonden zich winkels, waar alle denkbare Europeesche voorwerpen te +krijgen waren. + +Hier concentreerde zich voor een groot gedeelte het leven der +keizerlijke beambten. + +De menschen, die vroeger in groote afgetrokkenheid in het paleis +leefden, waren door de Europeanen er langzaam toe gebracht, dit leven +te veranderen en daar de blanken bij voorkeur dit koffiehuis bezochten, +waren ook zij er heen gegaan en konden zich ten slotte hun leven niet +meer er zonder denken. + +Hier werden nieuwtjes verteld, die de Pekingsche courant niet kon +opnemen, hier werd er steeds door hanen- en sprinkhanengevechten voor +gezorgd, dat de verveling niet de overhand kreeg. + +Een groot plein grensde aan het gebouw en hier hadden zich eenige +groepjes verzameld om naar een hanengevecht te kijken. + +Onder de aanwezigen bevond zich ook de Italiaansche groothandelaar +Saltorelli en zijn zakenvriend Raffles, vergezeld door een voornamen +Chinees. + +Behalve hen was er nog een groot aantal toeschouwers aanwezig. Wel een +half dozijn soldaten van verschillende gezantschappen, eenige +Europeanen met slappe, vermoeide trekken, lieden, die tot de dienaren +van een der paleizen behoorden, koelies, palankijndragers en bedelaars. + +Een oorverdoovend geschreeuw, gelach en handgeklap vervulde de lucht. + +„Dertig op den witkop!” schreeuwde een Fransch soldaat tot een +Engelschen. + +„Vijftig er tegen; halt Lorming, halt! Ik verwed nog een flesch saki +erbij, dat de roodkop het zal winnen!” riep de Engelschman. „Goddam, ik +draai dat satansbeest den nek om, als het niet wint.” + +„My, My, kittel hem toch met een mes onder de veeren, om hem een beetje +levendiger te maken. Je hanen zijn sufferds, evenals je zelf, Tsin-kar, +vervloekte slaapkoppen!” riep een Hollander. + +„Laat ze dan braden!” sprak de Chinees en had door die woorden de +lachers op zijn zijde. + +De beide kemphanen, die met steile veeren tegenover elkaar stonden, +waren een paar zeldzaam mooie dieren. + +Het eene goudrood, het andere geelwit met een blauwachtig glanzenden +staart. Beide hanen waren krachtig gebouwd en ieder droeg aan zijn +rechterpoot een klein, vlijmscherp geslepen spoor. + +Aan beide zijden van de kampplaats hurkten met geopende zakken en +scherpe, dolkachtige messen in de hand, de eigenaren der dieren, twee +halfnaakte Chineezen, die de gevederde vechtersbazen met hun geschreeuw +en messteken tot woede prikkelden. + +Maar de vogels schenen minder bloeddorstig te zijn dan de toeschouwers. +Zij liepen heen en weer, fladderden af en toe tegen elkaar op, maar +bleven over en weer tamelijk vredelievend. + +Dit ergerde de toeschouwers. De soldaten hadden talrijke weddenschappen +gesloten, de meesten van hen schenen reeds dronken te zijn, want zij +raasden en tierden zoo dat men het op straat kon hooren. Zij +gesticuleerden als waanzinnig en deden alsof zij de baas waren. + +Door de vreedzame stemming der hanen geraakten zij hoe langer hoe meer +in woede. + +„Diable, als het nu niet gauw begint, draai ik de vogels den nek om!” +riep de Franschman. + +Een tweede, die naast hem zat, stond op en sprak: + +„Vriend, wij zullen zelf eens een handje helpen.” + +Hij trok zijn bajonet en boorde de punt tusschen de veeren van den +witten haan. + +De pijniging was zoo groot, dat het gekwelde dier opsprong en den eenen +Chinees naar het hoofd vloog. + +Een brullend gelach der soldaten weerklonk, terwijl de Chinees den +fladderenden haan trachtte af te weren. + +De Chineezen schreeuwden en scholden en om nog meer pret te hebben, +stiet de Fransche soldaat opnieuw naar den haan, zoodat hij nu met +bloedig gekleurde veeren op den grond lag. + +„Hola, witkop, hola,—vooruit!” riep een andere soldaat. + +John Raffles, geërgerd door de brutaliteit van den Franschman, die het +dier opnieuw wilde pijnigen, trad naar hem toe en sprak op bevelenden +toon: + +„Berg onmiddellijk uw wapen op!” + +„Oho!” riep de soldaat opspringend, terwijl zijn door den drank +roodgekleurde oogen Raffles vol woede aankeken, „wat beteekent dat? Wie +zijt gij? Wat wilt gij—mij bevelen geven?” + +„Ja, ik zal u beletten, de dieren verder te mishandelen”, sprak Lord +Lister met ernstige stem. + +„Gij—gij—keer u om, als het u niet bevalt, vervloekte Engelschman!” + +„Goddam, jij Fransch canaille!” riep nu een der Engelsche soldaten +woedend uit, geprikkeld door die woorden. „Ik zal je met je eigen +bajonet tot plumpudding slaan, als je nu je mond niet houdt!” + +„Mille tonnerres, wat wil die brutale Chamberlain?” + +„Weg met de Engelsche bloedhonden!” riepen de Franschen woedend uit. + +Wel een dozijn soldaten schreeuwden nu door elkaar, trokken de sabels +en wilden gaan vechten. + +Reeds wilden de Chineezen angstig vluchten, toen de woede der +twistenden door de hanen werd afgeleid, die plotseling op elkaar +aanvielen en elkaar kam en borst met de snavels openreten. + +Alle twist was onmiddellijk gestaakt. + +Nu gold aller belangstelling welke der beide hanen wel zou overwinnen. + +„Hiep, hiep, hoera!—de witkop wint!” + +„Doe je best, doe je best, roode!—Zoo is het goed!” + +„Gebruik je spoor, gele—hoera, prachtig!” + +„Nog dertig op den gele!” + +„Veertig op den roode!” + +„Zestig op den gele!” + +„Wil je wel eens, beest, gauw wat! Je vecht voor mijn geheele +maandgeld!” + +De omstanders vochten bijna mee, hun oogen glinsterden koortsachtig.—De +roode won. + +De gele trachtte met matte vleugelslagen te vluchten. + +De Chineezen snelden schreeuwend nader en vingen de bloedende dieren in +hun zakken. + +De soldaten betaalden hun weddenschappen, lachend streken de winners +het geld op, met vloekwoorden gaven de verliezers het af. + +Saltorelli ging met Raffles in het koffiehuis. + +De door Raffles terechtgewezen soldaat schreeuwde hen na: + +„Wij zien elkaar weer!” + +„Gij hebt u een vijand bezorgd ter wille van een kleinigheid, beste +Lord”, sprak Saltorelli en voegde er bij: „Gij schijnt niet bang te +zijn voor China?” + +„Ik ben alleen bang voor mijn vrienden”, glimlachte Raffles met den +blik van een philosoof. + +Op dit oogenblik naderde een voorname Chinees, vergezeld door +verschillende waardigheidsbekleeders, Signor Saltorelli en begroette +hem en de Italiaan nam de gelegenheid waar om Raffles voor te stellen. + +Het was prins Thun, de meest gehate man in China! + +Dat wil zeggen, niet gehaat door het volk of de Mandarijnen, maar door +keizerin Tsu-si en haar vertrouwden, aan wier spits prins Tuan staat. + +Zij vreest prins Thun, omdat hij na den dood van de keizerin en van den +jongen keizer, voor wien de keizerin-moeder het bewind voert, de +eventueele troonopvolger wordt. + +De prins had in Europa gestudeerd en stond bekend als bijzonder +vriendelijk jegens vreemdelingen. + +Sinds drie jaar was hij voor den tweeden keer getrouwd met de dochter +van een Mandarijn. Het huwelijk was geheel uit liefde gesloten. Zijn +eerste vrouw, een prinses, was na de geboorte van een zoon gestorven. +Pu-Hi was diens naam. + +De tokolieden en arbeiders spreken nog altijd van de geweldige pracht +der huwelijksfeesten, van den hoogen, breedgetakten olijfboom, wiens +takken tot aan de uiteinden met goudstukken waren behangen. Alles +knielde voor dit zinnebeeld van sterke vruchtbaarheid en beroemde +nakomelingschap. + +Zijn tegenwoordige vrouw, Wandé, was de dochter van een mandarijn van +de eerste klasse, beschaafd en zeer geleerd. + +Behalve de kunst van borduren, kon zij drieduizend letters teekenen, +kende de geboden van Boeddha, de wijze spreuken van Confucius en zong +met welluidende, zoete stem schoone liederen bij de gitaar. + +Wandé is schoon als de leliën op het veld. + +Haar lichaam vertoonde sierlijke, slanke vormen. Op den fijngevormden +zwanenhals droeg zij het schoone kopje gracieus en sierlijk. + +Altijd is zij gekleed in witte zijde, geborduurd met groote roode +koelewangbloemen. + +Haar kapsel is geheel Europeesch en versierd met schitterende spelden. +Haar tanden zijn volkomen gaaf, wit en klein, als glinsterende +rijstkorrels; want zij kauwt niet, zooals de andere vrouwen, roode +sirih. Zij houdt van de vrouwen der blanke vreemdelingen en tooit zich +zooals zij dat doen. + +Prins Thun zou de gelukkigste aller stervelingen zijn, als ook Wandé +moeder werd van een zoon. Maar de arme, rijke Wandé heeft de met goud +behangen olijfboom weinig geholpen. + +Tsai-Soi, de lentegod, en Choang-Wong-Ja, de god der vruchtbaarheid, +hooren haar smeekbeden zwijgend aan. + +Met droevige gedachten en glimlachend gelaat wandelt de prinses +daarheen en als zij bij zonsondergang in haar purperen palankijn het +paleis verlaat en door haar bedienden door de drukke straten wordt +gedragen, dan weent zij achter de zijden gordijnen van haar draagstoel +bittere tranen, bij het zien van de kleine, aardige jongens van +gelukkige moeders. + +De armste vrouw in het Hemelsche Rijk is rijker dan de rijkste vrouw +van den machtigsten man.— + +Haar hart is vervuld van bitterheid, als zij in het paleis het +vroolijke lachen hoort van Pu-Yis, den zoon der overleden gade van den +prins, als zij ziet, hoe de vader vol trots naar hem kijkt en haar met +een smartelijken blik gadeslaat. + +Hij weet, dat het geluk hem ontzegd is, nog een zoon te bezitten. + +Zij echter gelooft aan haar schuld. + +Hoeveel zonneschijn en geluk zou Boeddha in haar schitterend paleis +tooveren door zulk een klein, geel kindergezichtje! + +Tevergeefs! + +Nu heeft eindelijk de opperpriester van Tsai-Soi, den machtigen +lentegod, haar beloofd, den vloek van haar hoofd weg te nemen. + +Rijke offers en waardevolle geschenken moet zij geven. Zij wil liever +arm zijn, dan de liefde van haar echtgenoot te verliezen.— — — + +Het verlangen van den prins naar een zoon van de geliefde vrouw had +prins Tuan aan de keizerin medegedeeld en in hun haat smeedden zij een +duivelsch plan, om prins Thun doodelijk te wonden. + +De keizerin beval den opperpriester van den tempel van Tsai-Soi bij +zich en gaf hem een opdracht, zooals die niet gemeener bedacht had +kunnen worden. + +De opperpriester was een aanhanger van de Ming-partij en als zoodanig +haatte hij Thun, die de door hem verafschuwde Tsingdynastie en +vreemdelingenheerschappij beschermde. + +Met zijn vrouw wilde hij hem straffen, zij zou hem een zoon schenken en +prins Thun zou onteerd zijn, een bastaard bezitten. De geheimen van den +tempel Tsai-Soi zouden haar doen vallen en den dood in zijn hart +brengen.— — + +Wandé was in den tempel om te offeren. + +Zij verbrandde goudpapier en welriekende kaarsen voor het plompe, +grijnzende afgodsbeeld, en haar gebed, dat zij telkens herhaalde, +luidde: + +„Machtige Tsai-Soi, zend het geluk tot mij en maak mijn deemoedig hart +gelukkig door het bezit van een zoon.” + +Daar naderde haar de opperpriester Kusam en sprak: + +„Hebt gij de offers gebracht, die Tsai-Soi wenschte?” + +Wandé antwoordde met zachte stem: + +„Ja!” + +„Zoo volg mij dan en neem mijn hand.” + +Sidderend volgde de prinses en liep om het afgodsbeeld naar een met +zuilen versierde ruimte. + +Het was hier schemerdonker, de muren waren vol gouden inschriften en +grillige beelden stonden overal. Hier en daar prijkten afgodsbeelden +met duivelachtig verwrongen trekken. Geheel op den achtergrond, geheel +in het donker, bevond zich een blok. + +Daarheen begaven zich de twee en Kusam beval de prinses te knielen. + +Angstig gehoorzaamde Wande en nu zag zij, dat voor haar een holte in +het blok was uitgehouwen, in den vorm van een menschelijk lichaam. + +Daarnaast stond het metalen afgodsbeeld van Tsai-Soi. + +Kusam verbrandde den inhoud van een wierooksvat, bedwelmende, +blauwachtige rookwolken stegen op en Wandé zag, hoe de priester een +afschuwelijk zwart masker voor het gelaat deed. + +Naar haar toe gebogen mompelde hij vreemde woorden en verdoofd door den +damp van den wierook, zonk zij bewusteloos op het blok neer. + +Onmiddellijk doofde Kusam met een demonisch lachje de wierookvlam, +sloeg op een koperen gong en eenige priesters snelden naderbij. + +De opperpriester sprak tot hen: + +„Daar ligt de vrouw van onzen grootsten vijand, prins Thun, die door +Boeddha voor zijn ongehoorzaamheid wordt gestraft, door hem geen +verdere erfgenamen te geven. + +„Zij echter wil de genade van Tsai-Soi deelachtig worden. Legt haar op +het offerblok en voert Win-Seng, het slachtoffer van Kwo-Saing, tot +haar. Hij moet de schande van Thun met zijn leven bezegelen.” + +De opperpriesters sleurden de ongelukkige, bewustelooze vrouw naar den +offersteen van Tsai-Soi en Win-Seng werd binnengebracht. + +Door de belofte van Kusam om hem zijn vrijheid terug te geven en het +drinken van een geheimen, verhittenden drank, werd hij een gewillig +werktuig van den machtigen Tsai-Soi en tot beul van de eer van prins +Thun. + + + +Een maand daarna verlangde prins Thun van den tempel van Tsai-Soi een +vrouwenbewaker, omdat hij reden had om zijn eer te bewaken. + +A-si-bar, de groote Boeddhapriester, troostte hem met de woorden: + +„De wijze schikt zich in zijn noodlot, zooals het water in den vorm van +een vat.” + +„Ik zou het verdragen, wijze priester, wanneer niet mijn vijanden nu +over mijn eer en mijn hart te gebieden hadden”, antwoordde prins Thun +met toornige stem. + +„Hoon Tsai-Soi en zijn priesters niet! Heeft hij u met schande +gezegend, wend u dan tot Boeddha, maar niet tot de menschen.” + +In dit oogenblik traden twee opperpriesters binnen en voerden een +gesluierden slaaf met zich mee. + +Diep bogen zij voor den machtigen prins en brachten hem den +vrouwenbewaker. + +De prins beval den slaaf te ontsluieren en hij zag een jongeling van +twintig jaar. Het was de ongelukkige Win-Seng. + +De priesters openden hem den mond en lieten zien, dat zijn tong was +uitgerukt.—Win-Seng was stom. + +Dadelijk daarop ging de Boeddha-priester heen en Win-Seng stond alleen +voor zijn machtigen heer, die hem met een blik vol argwaan opnam. + +Eindelijk maakte prins Thun een eind aan het zwijgen en vroeg: + +„Hoe komt het, dat gij een slachtoffer van Tsai-Soi geworden zijt?” + +Win-Seng duidde door gebaren aan, dat hij door geweld zoover was +gebracht. + +„Dus je haat de priesters?” vroeg prins Thun. + +Het antwoord hierop gaven hem Win-Seng’s oogen, die fonkelden van haat, +toen hij de vraag door met het hoofd te knikken bevestigend +beantwoordde. + +„Ik zal je de gelegenheid geven, als je mij trouw bent, je te wreken. +Volg mij!” + +Prins Thun bracht hem naar de vertrekken van Wandé. + +Op zijden kussens lag zij daar, droomend in het maanlicht starend. + +„Ga vooruit!” beval prins Thun en Win-Seng trad aan de legerstede der +jonge vrouw. + +De zilveren stralen van de maan beschenen de tengere gestalte der +schoone vrouw en weerspiegelden zich in de kostbare steenen, die zij om +den hals droeg. + +Zoodra zij Win-Seng zag, sprong zij vol ontzetting van haar legerstede +op en zonk op haar knieën. + +„Tsai-Soi! Almachtige! Heb erbarmen met mij!” riep zij met opgeheven +armen. + +Win-Seng keek haar aan en deinsde verschrikt terug.— + +Hij herkende haar. + +Prins Thun echter doorzag in dit oogenblik het schandelijke werk der +Tsai-Soi-priesters en vroeg Win-Seng met dreigende stem: + +„Kent gij haar?” + +Een bevestigend knikje volgde. + +Eenige seconden heerschte een dof, drukkend stilzwijgen in het vertrek. + +„Was zij je slachtoffer, schurk, in den tempel van die honden?” + +Met van woede verwrongen gelaat schreeuwde prins Thun en greep naar +zijn scherpgeslepen zwaard. + +Win-Seng, die den dood een uitkomst vond, ontblootte gelaten zijn hals +voor het doodend wapen en gaf een toestemmend teeken. + +Met een kreet, als van een ten doode gefolterd wezen, ontving prins +Thun het antwoord van den slaaf en vol ontzetting schreeuwde hij: + +„Honden!—honden! Gij hebt mijn hart gebroken. Daarvoor zal ik u ten +verderve brengen. Ik heb je bemind, Wandé, als een godin van goedheid, +schoonheid en deugd! + +„Nu verscheur ik mijn kleeren, nu zal ik mijn hoofd in zak en assche +verbergen.— + +„Punkuwong heeft mij het hart uit de borst gescheurd en jou onteerd. +Voortaan zal ik als een eenzame ronddolen. Mijn smart zal tot in de +wolken dringen en tot in het midden der aarde reiken. + +„Wandé—Wandé—waarom voerde het noodlot je naar de priesters! Bijgeloof +en waanzin!— + +„De vreemde blanke duivels hebben gelijk, als zij zeggen, dat wij een +doode massa zijn. Onze priesters—onze doodgravers!—Honden!—Ik zweer het +bij Boeddha, ik zal uw tempels slechten en deze steden en menschen tot +stof vertrappen, want gij hebt mij in uw waanwijsheid alles, alles +geroofd!— + +„Sta op, slaaf. Gij draagt de eer van prins Thun, van den machtigsten +generaal in dit Rijk en ik wil je niet dooden, want je bent door Wandé +en mijn eer geheiligd. Je leven behoort voortaan deze vrouw.— + +„Wandé—wreek jezelf en mij, als je voortaan nog de vrouw van prins Thun +wilt heeten!” + +Met deze woorden snelde de edele Chinees heen.— + +Win-Seng stond op. Het was hem vreemd te moede. + +De woorden van den prins hadden hem verward. + +Daar hoorde hij plotseling, hoe Wandé op klagenden toon sprak: + +„De beschermer van mijn jeugd en schoonheid heeft mij verlaten. Mijn +geloof is op een schandelijke wijze bedrogen, het is mij, alsof ik in +duizend scherven was gevallen. Mijn ziel is vervuld van schrijnend wee, +mijn oogen zijn vol tranen. + +„Ea-saa-bar, mijn overleden vader, neem mij tot u; het leven is niets +dan ongeluk en teleurstelling.” + +Zij hield de slanke handen voor het gelaat en weende bitter. + +Win-Seng wist geen troost voor zulk een groot verdriet. Zachtjes sloop +hij uit het vertrek in een aangrenzende kamer en legde zich rillend van +ontroering op het tapijt neer.— + +Nu was de prinses alleen. + +Urenlang hoorde Win-Seng haar weenen, eindelijk hoorde hij het niet +meer en viel in een diepen slaap. + +Zoo gingen de uren voorbij; ten slotte stond de prinses op, schudde als +gedachtenloos haar lange zijden haren uit het rood-geweende gelaat en +vouwde wanhopig de handen, als een ten doode gekweld wild om zich heen +kijkend. + +Eindelijk scheen zij weer tot het bewustzijn van haar toestand te +komen. Zij ging naar een hoek van het vertrek, waar een groot, +porseleinen afgodenbeeld van Tsai-Soi stond. Met haar zwakke krachten +sleurde zij het naar den grond, zoodat het in duizend stukken brak. + +Door het geluid gewekt, sprong Win-Seng verschrikt van de mat op en +luisterde eenige minuten, daarop maakte de slaap zich weer van hem +meester. + +Kort daarna sloeg Wandé het gordijn van paarlen, dat voor zijn kamer +hing, opzij en zacht sloop zij naar de rustplaats van den ongelukkige, +die als een marmeren beeld in het licht der maan neerlag. + +De zwarte oogen der prinses fonkelden, toen zij op hem neerzag. Daarop +gleed een waanzinnig lachje om haar mond, zij boog zich over hem heen +en kuste hem. + +Win-Seng glimlachte in den droom; het was hem, als speelde hij met +Anitai op een weide vol bloemen. Vermoeid van hun kinderlijk spel +rustten zij. Uit de verte klonk trompetgeschal tot hen door—en Anitai +kuste hem. + +Wandé knielde naast hem en zong zachtjes een lied. + +Daarop trok zij de met goud gestikte kassawaika open en haalde van haar +borst een dolk te voorschijn. + +Voorzichtig opende zij de tunica van Win-Seng. + +Zacht, als streelend, zocht haar hand zijn hart. + +Zij kuste het scherpe staal en hief de hand op om het wapen in de borst +van den slaper te stooten. + +Plotseling opende hij de oogen en keek met een glimlach naar Wandé. + +Hij geloofde, dat zij Anitai was. + +Maar als gloeiende doodslampen fonkelden de oogen der prinses en +slaapdronken sloot hij de zijne opnieuw. + +En weer hief Wandé den dolk op. + +Een geritsel aan het paarlengordijn schrikte haar op. + +Met een kreet stond zij op en staarde naar een vreemdeling—een blanke +duivel, die op geheimzinnige wijze het vertrek was binnengekomen. + +De vreemdeling trad nader. + +„Waarom wildet gij dien ongelukkige dooden? Heeft hij u kwaad gedaan?” +fluisterden zijn lippen. + +Wandé balde de vuisten. + +„Ja, hij overlaadde mij in den tempel van Tsai-Soi met smaad en +schande. Ik werd zijn slachtoffer.” + +„Hoe moet ik dat begrijpen?” + +„Ik bracht den lentegod offers opdat hij mij een zoon zou schenken. De +priesters verdoofden mij en...” zij zweeg blozend en vervolgde daarna +zuchtend: + +„De lentegod verhoorde mijn bede, maar hij druppelde wanhoop en dood in +mijn hart. + +„De priesters zijn vrienden van de keizerin, daaraan heb ik niet +gedacht en de keizerin haat mijn echtgenoot, prins Thun.” + +„Ik ken de duivelsche streken der priesters, maar beloof mij, prinses, +dat gij dien ongelukkige en uzelf geen leed zult doen, voordat ik met +uw echtgenoot heb gesproken. Wijs mij den weg naar hem!” + +Wandé sprak: + +„Ga de gang links door. Daar zult gij een gewapenden slaaf op een +rieten mat voor het slaapvertrek van mijn heer vinden. Zeg hem, dat gij +den prins wenscht te spreken.” + +De vreemdeling dankte en verliet het vertrek. + +Als een groote hond sprong de slaaf op, toen hij den vreemdeling zag +aankomen en met opgeheven zwaard wilde hij zich op hem werpen. + +De vreemdeling echter maakte een gebiedende handbeweging en sprak: + +„Wek prins Thun, ik moet hem dringend spreken.” + +Hierop verdween de slaaf om eenige oogenblikken later den bezoeker in +het slaapvertrek van den prins te brengen. + +Prins Thun had zich van zijn legerstede opgericht en keek den +binnenkomende verbaasd aan. + +Hij herkende hem dadelijk. + +„Wat wenscht gij, Lord Cheekman, dat gij mij op dit ongewone uur +bezoekt?” + +„Ja”, antwoordde Raffles, „iets zeer buitengewoons. Ik zal u een +vreemde geschiedenis vertellen.” + +Met een handbeweging noodigde de prins den grooten onbekende om plaats +te nemen en Raffles begon de geschiedenis van Anitai en Win-Seng te +vertellen. + +„Mijn kostheer, Huen-Schang, een goudsmid, heeft een broeder, die +tempelwachter in den tempel van Tsai-Soi is. Hij vertelde mijn gastheer +de geschiedenis van de intrigue der keizerin tegen uw echtgenoote. Een +zeldzaam toeval bracht den broeder van de door mij geredde Anitai in +nauw verband tot de gebeurtenissen. + +„Kwo-Saing, de man, die veertig draken doodde, de machtige politiechef +van Peking, heeft Win-Seng overgeleverd aan de priesters van Tsai-Soi, +deze hebben hem in een toestand van opgewondenheid gebruikt om de +misdaad tegen uw echtgenoote te plegen en hem daarna voor eeuwig stom +gemaakt. + +„Eenige uren geleden vernam ik, dat deze ongelukkige in uw huis is +gebracht als vrouwenbewaker. Verdere onheilen voor u, prins Thun, +vreezend, snelde ik hierheen om u alles mede te deelen en het toeval +was mij gunstig.— + +„Toen ik eenige minuten geleden zonder uw huis te kennen hier kwam en +de kamer van uw echtgenoote binnentrad, kon ik nog juist verhinderen, +dat zij zichzelf en den ongelukkige doodde. + +„Troost uw echtgenoote, prins Thun, laat haar niet aan haar wanhoop +over, dat offer zou te groot zijn!” + +De edele Chinees sprong op. + +Hij vatte de hand van John Raffles, drukte deze en riep uit: + +„Ik dank u, Lord Cheekman, gij zijt de eerste ware vriend, dien ik in +mijn leven heb leeren kennen. Gij hebt gelijk, mijn echtgenoote mag +niet het slachtoffer van die schurken worden, maar die ellendelingen +zullen mijn wraak voelen.” + +„Haat de keizerin u?” vroeg de Groote Onbekende. + +Een bitter lachje speelde om den mond van den prins. + +„Ja, omdat ik vriendelijk ben tegen de vreemdelingen en mijn best doe +om zooveel mogelijk om mij heen te verbeteren. Zij vreezen, dat ik hun +gunsteling, prins Tuan, denzelfden prins, door wiens toedoen de +Duitsche gezant werd vermoord, dat ik dezen wreeden, tyrannieken mensch +met mijn aanhangers zal doen vallen om den troon te veroveren voor mijn +zoon, Pu-Yi. + +„Daarom haat de keizerin mij als haar ergsten vijand en meer dan eens +ben ik ternauwernood aan haar sluipmoordenaars ontkomen.” + +Met sombere blikken, de armen gekruist over de borst, stond de prins +eenige oogenblikken voor Raffles, daarop rekte hij zijn hooge, breede +gestalte uit, stak Raffles zijn hand toe en sprak: + +„Laat ons vrienden zijn. En mocht het geluk willen, dat ik den troon +van dit Rijk voor mijn zoon verover, dan staat al mijn macht tot uw +dienst.” + +Beide mannen reikten elkaar de handen en bezegelden hun +vriendschapsverbond door een stevigen handdruk. Daarop kuste de prins +Raffles op het voorhoofd en liet hem door zijn slaven naar de +logeervertrekken van het paleis brengen. + +Prins Thun echter begaf zich naar Wandé en troostte haar. + +In dezen nacht werd over het lot van China beslist. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE HEKS VAN PEKING. + + +Prins Tuan, de eerste onderkoning en plaatsvervanger van den keizer, +had vele vrouwen, maar geen harer vond hij werkelijk schoon en +begeerlijk. + +De machthebber was het geheime oog, het oor en de mond van de +keizerin-regentes Tsi-si, voor den jongen, minderjarigen keizer. + +Het leven in het paleis ging zijn eentonigen gang, de verveling drukte +den prins, hij verlangde naar nieuwe, vreemde emoties. + +Daarom verzamelde hij zijn eunuchen en mandarijnen om zich heen, die, +op den grond liggend, naar zijn bevelen luisterden. + +Ademlooze stilte heerschte in den kring, toen hij sprak: + +„Ik beveel u, mij de meest volmaakte schoonheid van het geheele Rijk te +brengen. Toont gehoorzaamheid en handelt. Wie van u mijn bevel +uitvoert, zal een rijke belooning krijgen, wie ongehoorzaam is, dien +geef ik het zijden koord.” + +De onderdanige mannen wreven met hun hoofd over den grond als teeken +van gehoorzaamheid en de prins ging naar zijn vertrekken. + +Toen de mandarijnen alleen waren, schudden zij zwijgend de +gladgeschoren hoofden en bekeken zenuwachtig hun lange, spitse nagels. + +Zij meenden reeds het zijden koord om den hals te voelen. + +Alleen de oude Kwo-Saing, de verrader, liep opgewonden heen en weer en +fluisterde bij zichzelf: + +„Ik weet, waar de schoonste vrouw van Peking is, welke mijn heer, de +broeder van de zon en de maan, zich wenscht. Ik zal zijn hart jonger +maken en nieuwe roem zal mijn deel zijn. Mijn wraak echter zal dan +dubbel groot zijn. Ik zal hen trappen, die mij met voeten hebben +getreden.” + +„Waarover peinst gij, Kwo-Saing, kom!” riepen de anderen. + +„Gaat naar huis, kinderen van het geluk, ik volg u weldra. Veel geluk +voor de toekomst,” lachte hij hoonend en bleef alleen. + +Hij legde zijn vleezige vingers tegen de ingezonken slapen en keek +peinzend naar de rozen en slingerplanten van het dikke tapijt waarop +hij zat. + +Eindelijk werden zijn trekken levendig. Met jeugdig vuur sprong hij op +en riep: + +„Ik heb het—ik heb het!—Bali, Bali, de heks moet mij helpen om het +meisje van den vreemdeling te rooven. + +„Vervloekt die vreemdelingen! Mogen de tempelpriesters hen eindelijk +vernietigen, zooals de vlam dit stroo!” + +Daarop stond hij op en verliet het paleis van prins Tuan. + +De wachten knielden neer toen hij in zijn draagstoel plaats nam. + +Juist reden eenige elegante rikshas voorbij, de straat in tot aan het +gebouw van het Londensche gezantschap. + +Kwo-Saing herkende den Europeaan, die in een der voertuigen zat. + +Het was Raffles. + +Woedend balde de Chinees de vuisten en zond hem een vloek na, daarop +leunde hij met een duivelschen grijnslach achterover in de naar muskus +riekende kussens van zijn draagstoel en riep zijn slaven toe: + +„Naar Hwang-sse!” + +Dit was een voorstad in het Noorden van Peking. + +Daar woonde in een oude pagode Bali, de heks van Peking. Zij had jaren +geleden veel van Kwo-Saing gehouden. + +Heimelijk, bijna kruipend, als een afschuwelijke duizendpoot, sloop de +Mandarijn naar haar woning. + +De oude vrouw zat juist bij een haardvuur en roosterde rijst. + +Een lichtstraal gleed over haar sluw gelaat, toen zij haar ouden +minnaar zag. + +Glimlachend beantwoordde zij den groet van Kwo-Saing, die zijn +rechterhand op de plaats legde, waar andere menschen een hart hebben. + +„Wat wenscht gij, Kwo-Saing?” + +„Hulp en raad van jou, Bali, de verstandige!” + +Met fluisterende stem vertelde hij van den wensch van prins Tuan, van +Anitai’s schoonheid, van haar roof, van de bevrijding door den +vreemdeling, van zijn haat jegens den blanken duivel, van den broeder +van het meisje, de priesters van Tsai-Soi en prins Thun. + +Kwo-Saing wist alles. + +Zijn spionnen hadden hem uitstekend ingelicht. + +Hij eindigde met de woorden: + +„De vreemde duivel reed zooeven naar het gezantschapshotel. Haast je nu +in mijn draagstoel naar Huen-Schang, den goudsmid, bij wien hij in de +Yanlingstraat woont. Vraag Anitai te spreken en zeg haar, dat haar +broeder Win-Seng op haar wacht. Breng haar dan hierheen.” + +Bali knikte en sloeg een doek om de schouders. + +Kwo-Saing gaf zijn slaven de noodige bevelen en zij snelden naar de +Chineesche wijk. + +Verscheiden uren verliepen, voordat de draagstoel terugkeerde. + +Achter een scherm verborgen zat Kwo-Saing geduldig te wachten tot +Anitai uitstapte. + +Een woeste vreugde maakte zich van hem meester. De schurkenstreek was +gelukt. + +Hij hoorde, hoe het jonge meisje zei: + +„Het is heel ver, goede moeder, waarheen gij mij hebt gebracht. Mijn +heer zal schrikken, als hij mij niet vindt. Ik bid u, mij spoedig weer +naar huis terug te brengen.—Waar is mijn broeder Win-Seng?” + +„Ik ben vroom en Boeddha onderdanig,” antwoordde de heks. + +„Voordat gij uw broeder ziet, moet ik een offer brengen aan de maan, +opdat hij ons beschermt.” + +Behendig had zij haar kassawaika losgemaakt en op een versleten altaar, +dat voor het morsige beeld van een afgod stond, een offerschaal +neergezet, met reukwerk gevuld en dit door middel van een gloeiende +kool aangestoken. + +Een blauwachtige damp steeg op en vulde het vertrek met een zoetigen +geur. + +Daarop wierp de heks zich op de knieën en mompelde onverstaanbare +woorden. + +Een onbehaaglijk gevoel maakte zich van Anitai meester. Rillend schudde +zij het schoone hoofd, zoodat de gouden oorringen rinkelden als de +zilveren bruiloftsklokjes van den Boeddhatempel. + +Kwo-Saing echter, die achter het scherm verborgen stond, knarsetandde +van verrukking over de schoonheid van Anitai. + +Nu hief de heks het hoofd op en sprak: + +„Anitai. De geest van Punkuwong heeft mij geantwoord. Uw broeder +Win-Seng wacht u in het paleis van prins Tuan; daar is hij, sinds gij +hem ontstolen zijt. + +„Klim in den draagstoel en snel naar hem toe.” + +Beangst hulde Anitai zich in haar sluier en volgde de heks naar buiten. + +Daar greep Bali haar arm en naar den hemel wijzend, sprak zij: + +„Zie daar boven de duizend lampen van Boeddha vonkelen. Zulk een licht +zult ook gij worden, als gij niet meer naar den vreemdeling terugkeert. +Je zult machtig worden en als het noodlot je gunstig is geweest, zal ik +tot je komen om mijn loon te halen, goud en glinsterende edelsteenen!” + +„Waarvan spreekt gij, goede moeder?” vroeg het jonge meisje sidderend. +„Zal ik niet meer tot mijn heer en meester terugkeeren? Laat mij, ik +wil mijn broeder niet terugzien, als ik weer zonder bescherming moet +zijn.—Laat mij naar huis gaan—naar huis. Wat heb ik gedaan?” + +Bange vrees maakte zich meester van de bloem van Pai-ho; eerst nu +vermoedde haar kinderlijke onschuld het gevaar, waarin zij zich had +begeven. + +De oude vrouw met haar verlangende oogen maakte haar zoo angstig. Zij +trok zich met kracht los en wilde vluchten. + +Maar de bevelende stem van een man deed haar nog meer schrikken. + +Verschillende slaven snelden naderbij, grepen de vluchtelinge, +knevelden haar en sleepten haar in den draagstoel. + +Anitai’s wijdgeopende oogen zagen in het maanlicht de vreeselijke +gestalte van Kwo-Saing. + +Hij nam naast haar plaats en zoo snel zij konden liepen de dragers op +zijn bevel voorwaarts. + +Bali echter keek den palankijn met een boos gelaat na en sprak, terwijl +zij de magere schouders ophaalde: + +„Hij is reeds oud, slecht en gierig geworden. Zijn zilvergeld is mager, +evenals de armoede. Ik zal mij door den vreemdeling met goud laten +betalen.”— — + +Half onder den grond aan een zijweg der verboden stad bevond zich een +kleine metalen deur. Deze leidde naar het keizerlijk paleis. + +Kwo-Saing opende haar en dwong de weerstrevende Anitai met behulp van +zijn slaven om er door te gaan. Daarop droegen zij het meisje, dat +bewusteloos was geworden, door de nauwe donkere gangen, totdat zij +opnieuw voor een deur halt moesten houden. + +Op deze deur klopte de mandarijn met regelmatige slagen. De poort werd +geopend en een reusachtige, geharnaste wachter stond in de deuropening. + +Nauwelijks herkende hij den machtigen Kwo-Saing, of hij wierp zich op +de knieën en liet hem met zijn begeleiders en Anitai binnentreden. + +In een geheim vertrek aangekomen, wierp Kwo-Saing de ongelukkige op de +zijden kussens, haalde een fleschje uit zijn kaftan te voorschijn, +opende het en goot een paar droppels in den mond der bewustelooze. + +De scherpe reuk der vloeistof deed Anitai weer tot zichzelf komen. + +Dadelijk verdween Kwo-Saing met zijn lijfslaven, om den prins mee te +deelen, dat diens bevel ten uitvoer was gebracht. + +Langzaam opende Anitai de oogen, maar voor de fabelachtige pracht, die +in het vertrek heerschte, moest zij ze weer sluiten. Het was haar, +alsof zij droomde. + +Daar vernam zij de zachte stem eener vrouw, die tot haar sprak: + +„Richt u op, ik zal u bedienen.” + +Anitai keek met een schuwen blik naar de spreekster. + +Het was een vrouw van ruim veertig jaar. Zij droeg doorzichtige gewaden +over den arm: in de handen hield zij een gouden blad met een theebeker +van hetzelfde metaal en een halve schaal vol confituren, die gevuld +waren met den zoeten, bedwelmenden haschis. + +Doordringend rustte haar blik op het jonge meisje. + +„Anitai, sta op en laat u tooien, zooals het een vorstin betaamt,” +sprak zij, naderbij komend. + +„Waarom?” vroeg de gevangene met trillende lippen. + +„Om een machtig heerscher te ontvangen! Als gij de liefde van zijn hart +en de genegenheid zijner ziel hebt veroverd, zal alle geluk, alle +denkbare pracht uw deel zijn.” + +„Maar mijn heer, mijn blanke meester?” vroeg Anitai met droomerigen +blik, met beide handen haar hoofd grijpend. + +De welriekende, bedwelmende geuren, die uit de stoffen stroomden, +maakten haar het denken moeilijk. Maar de vrouw antwoordde glimlachend: + +„Laat u tooien! De tijd vliegt. Denk niet meer aan den blanken heer!” + +Zij nam den sluier van het gelaat der jonkvrouw. Onmiddellijk week zij +achteruit, viel op de knieën en kuste de Turksche muiltjes van Anitai. + +Maar deze wrong de handen en smeekte: + +„Laat mij sterven, als onheil mij bedreigt. Ik behoor aan een +Engelschen Mandarijn. Wat doet gij? Waarom kust gij mijn schoenen?” + +„Omdat gij schoon zijt, zoo schoon, dat gij een dochter van Boeddha +zoudt kunnen zijn en elk schepsel u moet aanbidden. + +„Maar kleed u nu! Nog schooner is de bloem, getooid door bladeren en de +edelsteen in den zachten glans van het goud. Drink en eet van dat, wat +ik u geef.” + +De zinnen der kleine Chineesche werden door de zware, zoetige geuren +hoe langer hoe meer verward. Zij proefde de thee en at een stukje van +de haschis-confituren. + +Vermoeider en zwaarder werden haar oogleden, zij had geen kracht meer +om zich te verzetten en liet het geduldig toe, dat de vrouw haar +ontkleedde en haar met de kostbare, doorzichtige stoffen omhulde, die +haar schoonheid bijna bovenaardsch maakten. + +„De roos van Peking!” riep de dienares met onverholen verrukking uit, +toen zij haar werk beschouwde. + +Anitai hoorde het niet meer, zij was op de zijden kussens van den divan +neergezonken en ingesluimerd. + +Het zijachtige, blauwzwarte haar hing van den divan af tot op den +vloer; het was met paarlen en diamanten doorvlochten. Het +wonderschoone, blanke gelaat scheen als uit marmer gebeeldhouwd— —— + +Diepe stilte heerschte rondom, als uitgestorven was het groote paleis. + +Alleen de zachte ademhaling der sluimerende verbrak de doodelijke +stilte. + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +IN DEN TEMPEL DER ZON. + + +Toen John Raffles des avonds thuis kwam, kwam de goudsmid hem met +ontsteld gelaat tegemoet en deelde hem mede, dat Anitai in gezelschap +van een vreemde vrouw het huis des middags had verlaten en nog niet was +teruggekeerd. + +Onmiddellijk herinnerde Raffles zich het hoonende lachje op het gelaat +van Kwo-Saing, toen hij dezen dien dag had ontmoet. + +De groote onbekende besloot, eenige uren te wachten om te zien of +Anitai niet terug zou komen. + +Toen het tien uur was geworden, gaf hij de hoop op. + +Hij riep zijn gastheer om met hem te overleggen, wat er te doen stond. + +Wanhopig schudde de goede man het hoofd. + +„Heer,” sprak hij, „ik heb liever met roovers en moordenaars te doen +dan met onze politie. + +„De politiechef Kwo-Saing en zijn lieden zijn de grootste schurken, die +Peking bezit. Als ik de keizer was, ik zou hen met elkaar laten +onthoofden. Zij persen ons, armen menschen, elk oogenblik groote sommen +geld af en dreigen ons, als wij niet betalen, met de gevangenis.” + +„Een mooie handelwijze!” sprak Raffles. + +Hij nam zijn hoed, om het huis te verlaten. + +Hij wilde naar den Engelschen gezant gaan, om met diens hulp het +verdwenen meisje terug te vinden. Toen hij op straat kwam, die door de +maan beschenen werd, kwam uit de schaduw van een huis een jongen naar +hem toe en vroeg: + +„Zijt gij de blanke man, die het jonge meisje uit de handen van den +politiechef redde?” + +„Ja,” antwoordde Raffles verbaasd, „wat wil je?” + +„Heer,” fluisterde de jongen, „men heeft haar u ontstolen. Maar als gij +mij een handvol gouden Kash wilt geven, dan zal ik u ergens brengen, +waar gij kunt vernemen, waarheen men haar heeft gebracht.” + +Lord Lister dacht eenige seconden na. + +Het kon een val zijn, waarin men hem wilde lokken! + +Maar daar hij steeds op avonturen belust was, sprak hij tot den knaap: + +„Ik zal je volgen. Geleid mij.” + +Met snelle schreden ging de jongen hem voor en bracht Raffles door een +doolhof van ontzettend vuile straten. + +Eenige Chineezen, vijandig gezind tegenover vreemdelingen en juist uit +een der opiumholen komend, traden Raffles in den weg en dreigden hem. + +Lord Lister was genoodzaakt, zijn Browningpistool te voorschijn te +halen en in de lucht te schieten. + +Gillend sloegen de Chineezen op de vlucht. + +Steeds verder bracht de knaap hem en reeds waren zij buiten Peking +gekomen. + +Velden en tuinen lagen aan weerszijden van den weg, dien zij langs +gingen. + +Raffles wist niet meer, waar zij zich bevonden. + +Eindelijk bleef de knaap voor den ruwen muur van een bouwvalligen +tempel staan. + +Een geheimzinnig licht scheen uit het vervallen gebouw. + +Voorzichtig om zich heen kijkend ging de groote onbekende stap voor +stap voorwaarts. + +Eindelijk zag hij een vertrek, dat gevuld was met vreemd opgezette +dieren en skeletten. + +Voor een kolenvuur hurkte Bali, de heks van Peking, geheimzinnige +woorden mompelend. + +Verbaasd keek Lord Lister naar het vreemde tooneel, dat hem als een +theaterdecoratief voorkwam. + +Plotseling richtte de oude heks haar afschuwelijk hoofd op en keek den +vreemdeling aan met haar spookachtige oogen. + +„Het is goed, dat gij gekomen zijt,” sprak zij, „er is u een ongeluk +overkomen.” + +„Wat weet gij daarvan?” vroeg Raffles. + +„Ik weet alles,” pochte de oude, „niets is mij verborgen. De geesten +der lucht verkondigen mij alle geheimen. Ik zal het u bewijzen: gij +zoekt een jong meisje.” + +„Gij hebt gelijk,” antwoordde Raffles, „kunt gij mij vertellen waar zij +is?” + +De heks glimlachte veelbeteekenend. + +„Ik zal het u vertellen, als gij mijn hand vult met het roode goud der +blanke duivels.” + +John Raffles haalde een handvol goudstukken uit zijn zak. + +Hij wierp die in den schoot der oude vrouw en deze verborg ze met een +voldaan grijnslachje in haar schoen. + +Daarop begon zij met een stok in het kolenvuur te roeren, wierp er een +wit poeder in, zoodat dikke rookwolken opstegen en de gestalte der heks +in een nevel hulden. + +Nu mompelde zij onverstaanbare spreuken en toen die geëindigd waren, +sprak zij: + +„De gestolene bevindt zich in het paleis van prins Tuan. + +„Zeg tot Huen-Schang, bij wien gij woont, dat hij u den weg wijst naar +den tempel van de priesters der zon, zij alleen kunnen u helpen. + +„Snel nu heen, want gij hebt nog een verren weg af te leggen, anders is +de ontvoerde voor eeuwig voor u verloren.” + +Weer kwam de knaap, die Raffles had geleid, naar voren en bracht hem na +een wandeling van een uur naar zijn huis terug. + +Hij gaf den jongen een belooning en wekte Huen-Schang. + +Slaapdronken luisterde deze naar het verhaal van zijn gast en naar +diens verzoek om hem naar den Zonnetempel te brengen. + +Eerst begreep hij niet, wat Raffles wilde, eindelijk echter was hij er +achter. + +„Gij kunt niet verdwalen, Excellentie,” sprak hij, „de Pai-ho-straat +leidt in een rechte lijn naar den tempel. Ik zal u een paard geven.” + +Het was reeds na middernacht, toen Raffles den weg insloeg naar den +tempel der zon. + +Spoedig had hij de stad achter zich liggen en bevond zich in het open +veld. + +Donkere wolken bedekten den hemel. Een klein, donker beekje stroomde +langzaam door de velden naar de groote moederrivier, de Paiho. Raffles +sloeg den weg in langs den oever. + +Riet en maisschoven begrensden den smallen weg, zacht, bijna weemoedig +suisde de nachtwind door de slanke, buigzame halmen en in de bladeren +der boomen zong hij zijn droefgeestig lied. + +De hoeven van het paard kleefden bijna aan den modderbodem vast, de +ruiter gaf het de sporen, totdat zich in het donker de onzekere +omtrekken van een tempel vertoonden, hooge, slanke zuilen, waarop +afschuwelijke, spookachtige wezens troonden. Als spoken kwamen zij den +nachtelijken reiziger voor. + +Kleine, onoogelijke houten huizen doken eveneens voor den blik van +Raffles op. Als om steun vragend leunden zij tegen den kolossalen +tempel aan. + +John Raffles hield zijn paard een oogenblik in en keek om zich heen. + +Daarop sprong hij van het paard, nam het bij den teugel en liep naar +het huisje, waaruit het matte licht van eenige papieren lantarens viel +en menschenstemmen zich deden hooren. + +Het was een theehuis. + +Vol verbazing keken de gasten naar den laten bezoeker en sloegen daarna +schuw hun blik neer, want het was een blanke, die hen naderde. + +De waard maakte een onderdanige buiging en vroeg naar zijn wenschen. + +John Raffles verzocht zijn paard te mogen stallen, totdat hij uit den +tempel zou zijn teruggekeerd. + +Daarop ging hij heen en begaf zich door het mulle, witte zand naar den +tempel. + +Toen hij dezen had bereikt en de marmeren trappen beklommen, trad een +priester der zon in een golvend, wit gewaad naar hem toe en vroeg hem, +wat hij in den nacht in den tempel van het licht kwam doen. + +Het spookachtig licht van een onzichtbare vlam bescheen hen. + +„Ik ben een vreemdeling,” antwoordde Raffles, „en kom tot u, priester +van het licht, om een werk der duisternis te verijdelen. Mijn macht is +te gering, mijn kracht ontoereikend in uw land. Maar ik wil u met het +goud der zon beloonen, als gij mij helpt. + +„Hoor mijn naam, ik heet Lord Lister en in mijn geboorteland rekent men +mij tot een mandarijn van de eerste klasse.” + +De priester boog diep en antwoordde: + +„Wie het licht ziet, zal niet in duisternis blijven! De zon is de +machtigste heerscheres en zij zal u hulp verleenen. Verlangt gij +gastvrijheid en bescherming, zoo volg mij!” + +„Neen, priester der zon, ik moet heden nog verder, want ik zoek, wat ik +door roof heb verloren.” + +„Heeft het zoo hooge waarde voor u, dat gij de wereld er voor zoudt +willen doorreizen, vreemdeling?” + +„Ja, priester, het is meer waard dan alle schatten, want het is een +onschuldig meisje.” + +„Boeddha is groot en almachtig, vreemdeling. Antwoord mij nog op één +ding: hoe hebt gij den weg gevonden naar den tempel der zon, om hulp te +vragen?” + +„Mijn gastheer is Huen-Schang, de goudsmid, die voor uw tempel het goud +der zon verwerkt tot heilige versierselen. Hij gaf mij den raad en +sprak: „Niemand ter wereld is machtiger dan de keizer en hij regelt +zijn wil naar den priester der zon!” + +„Priester, niemand kan mij helpen dan gij, want ik wil niet met behulp +van mijn landgenooten de gestolene zoeken, het zou vergeefsche moeite +zijn. Help mij, priester!” + +„Boeddha is hulpvaardig jegens hem, die verzoekt, onwillig echter +jegens hem, die eischt. Weet, vreemdeling, dat gij de eerste en eenige +vreemdeling zijt, dien ik wil helpen, want gij zijt edel en goed. Uw +gedachten zijn verlicht door de zon van Boeddha, terwijl de gedachten +uwer broeders donker zijn van wreedheid, haat en dwingelandij. + +„O, dat zij toch de waarde der menschen en van de liefde kenden! Uw +broeders zijn duivels; zij lachen met de overoude wijsheid van Boeddha +en bespotten de leer van Confucius. + +„Gij echter zijt anders. Gij helpt de zwakken. Wie anderen helpt, heeft +een goddelijke kracht in zich, die hem onoverwinnelijk maakt. + +„Boeddha is met u en zijn dienaren zullen u helpen. + +„Hoort gij den doodenvogel in het Westen schreeuwen? Ik zal hem +plechtig bezweren! + +„Wanneer de zon boven de bergen van Wung-schu haar rood avondkleed +aflegt, snel dan tot mij. Hier zal ik op u wachten en u uw +beschermeling door Boeddha’s goedheid teruggeven. + +„Ga heen met den zegen van het licht. Gij zijt een uitverkorene. Haast +u nu en keer terug, zooals ik u zeide!” + +John Raffles boog diep voor den machtigen priester en legde eenige +rollen goudstukken op den steenen vloer. + +Daarop ging hij langs denzelfden weg terug. + +De gasten van het theehuis keken hem weer met blikken vol haat aan. Hij +besteeg zijn paard en keerde naar de stad terug. + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +EEN SCHOT. + + +Zware, sleepende voetstappen naderden de kamer, waarin Anitai zich +bevond. + +De met goud gestikte gordijnen werden op zij geschoven door een magere +hand en een kleine man met roofvogelachtige, maar slaperige +gelaatsuitdrukking trad het vertrek binnen. + +Het was prins Tuan, de keizerlijke tyran. + +Langzaam en traag sloop hij naar de slaapster, langzaam hief hij de +oogleden op. Maar wat hij zag, maakte een eind aan zijn slaperigheid. + +Het oude bloed stroomde sneller door zijn aderen en verwarmde zijn +hart. + +Anitai voelde zijn blikken, onrustig bewoog zij het hoofd heen en weer, +zuchtte en werd wakker. + +Verbaasd en verlegen keek zij naar den ouden man met zijn grijze +haarvlecht en schrikte van zijn leelijk uiterlijk. + +Prins Tuan vatte haar hand. + +Maar zij stiet hem terug en richtte zich op. + +„Wie zijt gij? Wat wilt gij? Ga weg, ik wil naar huis!” riep zij op +angstigen toen. + +De prins glimlachte en sprak op vriendelijken toon: + +„Gij zijt thuis en ik kan niet heengaan, want ik ben bij jou thuis. Ik +ben de keizerlijke prins Tuan en jouw slaaf.” + +„In het keizerlijk paleis ben ik? Je bent een schurk, want je liegt. +Een keizerlijk prins rooft niet!” antwoordde Anitai, hem met vonkelende +oogen aanziende. + +Kwo-Saing, die naderbij geslopen was om te luisteren, verdraaide zijn +oogen en veegde zich het angstzweet van het voorhoofd. + +De prins echter amuseerde zich over de openhartigheid. Het meisje bezat +werkelijk de gave om zijn verveling te verdrijven. + +„Zeg mij, waar ik ben, of de straf van Boeddha zal je treffen, als je +liegt!” dreigde de kleine, van den divan opspringend. + +„Bij mij ben je, bij den broeder van de zon en de maan,” antwoordde +prins Tuan, „en bij mij zal je blijven, roos van Peking en heerscheres +worden. Een koningin van de zon. Want je bent schoon als de zon. Kijk, +mijn kostbare bloem van Paiho, hoe bevalt je dat?” + +Hij haalde een met goud beslagen étui uit zijn kleed te voorschijn en +gaf het Anitai. + +Als verblind staarde het meisje op kostbare, schitterende en vonkelende +edelsteenen, die in heerlijke kleuren, als een vuurwerk, straalden. + +„Gij zijt dus toch de keizerlijke prins? Ik geloof het. Maar gij zijt +oud en leelijk en mijn heer, de Engelsche mandarijn, is jong en schoon, +al is hij ook niet zoo rijk en machtig als gij zijt. Ik tooi mij veel +liever met geurige bloemen.” + +De luisterende Kwo-Saing wentelde zich van schrik op den grond. Hij +dacht, dat nu prins Tuan in de handen zou klappen, dat de eunuchen +zouden komen om Anitai naar het roode blok in den zwarten toren te +sleepen. + +Hij zelf zou het zijden koord om den hals krijgen. + +Hij geloofde zijn ooren niet, toen hij den prins op goedigen toon +hoorde zeggen: + +„Roos van Peking, ik wil je de kostbaarste bloemen bezorgen, als ik je +handen mag kussen. Ik zal de keizerin, de vertegenwoordigster van +moeder aarde, roepen, opdat zij je ziet en je zegent!” + +„De keizerin?” riep Anitai rillend. „In Peking zegt men, dat zij wreed +en tyranniek is. De dood en martelingen zijn haar vrienden en zij +mishandelt de vrouwen van den keizer—en uw vrouwen.” + +Opnieuw kromde Kwo-Saing zich van angst en weer lachte prins Tuan. Zoo +vroolijk was hij in jaren niet geweest. Openhartigheid was hem nieuw. + +„Jou zal zij geen kwaad doen, roos van Peking, ik zweer het op mijn +keizerlijk woord. Morgen hoop ik weer van je schoonheid te genieten. De +zon zij met je!” + +De prins ging heen. Het juweelenkastje echter liet hij achter. + +Anitai wierp zich weenend op den divan. Zij smeekte alle goden om hulp +en bijstand. + +Plotseling voelde haar hand de kleine revolver, die Raffles haar had +gegeven. + +Daar trad de keizerin binnen, vergezeld door den opper-eunuch Li. + +Waggelend—want de kleine omwonden voeten waren nauwelijks in staat om +het vette lichaam te dragen—naderde zij Anitai en wierp een blik vol +haat op de schoone mededingster. Zij had eenmaal prins Tuan bemind, +doch haatte hem nu. Slechts door haar sluwheid kon zij haar ware +gevoelens voor den prins verborgen houden. + +„Wie ben je?” vroeg zij met harde stem. + +„Ik heet Anitai, ben een wees en de slavin van een Engelschman,” luidde +het antwoord. + +Een ironisch glimlachje vloog over het gelaat der keizerin. + +„De witte duivels houden er geen slaven op na, je ben een domme gans! +Je behoort nu tot het huishouden van prins Tuan en moet aan al zijn +wenschen gehoorzamen.” + +„Nooit” riep Anitai. „Liever dood ik mij zelf!” + +„Je waagt het, ons te trotseeren? Weet je, wie ik ben?” + +„Jawel!” riep het jonge meisje, „een vrouw zonder erbarmen of +medelijden. Men noemt u in Peking wreed en harteloos.” + +De keizerin werd bleek van woede. + +Zij was zeer fijngevoelig als iemand het durfde wagen om haar de +waarheid te zeggen. + +„Ik zal je laten dooden! Geef haar zweepslagen!” + +Met wijdgeopende oogen van angst staarde Anitai naar de dikke, +wanstaltige gedaante van den dienaar, die een leeren zweep uit zijn +rijkversierden gordel te voorschijn haalde en zich gereed maakte om +Anitai te slaan. + +„Heb medelijden!” smeekte het jonge meisje. „Spaar mij!” + +Met kracht viel een klap op haar schouders neer en ontlokte haar een +luiden gil van pijn. + +„Sla haar opnieuw!” beval de keizerin. „De tong van deze slang zal aan +banden worden gelegd. + +„Vooruit!” + +Opnieuw hief de eunuch de zweep op. + +Zonder te weten wat zij deed, haalde Anitai het wapen, dat Raffles haar +had gegeven, te voorschijn en drukte af met gesloten oogen, zonder te +weten waarop zij schoot. + +Een knal weerklonk—een woeste gil volgde, daarop viel een lichaam met +dof geluid neer.— + +Nu opende Anitai haar oogen en zag de keizerin op den grond liggen. + +De opper-eunuch had van ontsteltenis de zweep laten vallen, hij riep +slaven en beval hen, de keizerin naar haar slaapvertrek te dragen. + +Binnen een paar minuten was het vertrek, waarin Anitai zich bevond, +leeg. Niemand bekommerde zich om haar. Zij zat als wezenloos op den +divan en had nauwelijks de kracht om te denken. + +Werktuigelijk speelde haar hand met het kleine wapen, dat, zonder dat +zij het wist, een groot woord had gesproken in de geschiedenis van +China. + +Zij kon zich geen voorstelling maken over de gevolgen van hare +handeling. + +Zij wist niet, dat de misdaad die zij had begaan, met den dood werd +gestraft. + +Waarom sloeg men haar! Zij had niemand kwaad gedaan. Zij had recht zich +te verdedigen. + +Hoe kwamen deze menschen er toe om haar in het paleis op te sluiten en +haar te willen dwingen prins Tuan lief te hebben? + +Zij verafschuwde dien leelijken man. + +Hij kwam haar voor als een griezelige vogelspin. + +Daarop dacht zij aan Raffles, aan zijn fiere mannelijke schoonheid. + +Zonder dat zij het wist beminde Anitai hem. Zij zou zich voor den +gehaten vreemden blanken duivel laten dooden. Haar gansche leven lang +wilde zij hem als een slavin dienen. + +Zij zou er mee tevreden zijn als een hond op den drempel van zijn kamer +te mogen liggen. + +Ook nu weer had zij hare redding aan hem te danken. + +Glimlachend keek zij naar het wapen, dat hij haar had gegeven en zij +herhaalde de woorden die hij tot haar had gesproken: + +„Wanneer men u aanvalt hebt ge het recht u te verdedigen. Niemand mag +zijn medemensen ongestraft kwaad doen.” + +Liefkoozend gleden haar slanke vingers over den zilveren loop van de +revolver. + +Daarop kuste zij het wapen en stak het in haar zak. + +Droomerig staarde zij naar de deur. Daar ontwaarde zij het kistje met +de edelsteenen; zij nam eenige van de schitterende juweelen in haar +hand en speelde ermee. + +Zoo verliep wel een kwartier, toen een geluid haar deed opkijken. + +Zij hoorde, hoe een sleutel in het slot van een verborgen deur werd +gestoken en met een zacht geknars werd omgedraaid. + +Angstig keek Anitai in de richting van het geluid. + +Plotseling werd een deur in het behang geopend. Een koude luchtstroom +kwam het vertrek binnen en een man, gehuld in een wit golvend gewaad, +stond vóór haar. + +„Schrik niet, dochter des Hemels. Ik zoek u om u te bevrijden. De +priesters van de zon zijn machtiger dan de keizer en zijn dienaren. +Volg mij, opdat ik u geleide.” + +Als verdoofd door deze woorden, die haar de vrijheid beloofden, snelde +Anitai op den priester toe, keek hem in het goedige gelaat en stamelde +woorden van innige dankbaarheid. + +Deze echter fluisterde haar toe: + +„Spreek zacht. De vreemde mandarijn wacht u in onzen tempel. Den +priesters der zon blijft niets verborgen, vraag niet verder, volg mij!” + +Gebiedend strekte de priester de hand uit en wees op de deur. + +Anitai snelde er heen. + +De priester echter legde midden in het vertrek een eigenaardigen +zwarten steen neer, waarop met gouden letters geschreven stond: „De +Zon!” + +Daarop ontstak hij poeder, dat met een scherpe, doordringende lucht het +vertrek vulde, ging naar de deur, sloot deze zorgvuldig achter zich +dicht, ontstak een kleine kaars en ging de innig-verheugde Anitai voor +als gids door vele donkere lange gangen. + +De weg kwam de vluchtelinge eindeloos voor, de tocht duurde wel twee +uur. + +Eindelijk werd het al lichter en lichter om hen heen, en nadat de +priester een deur had ontsloten, stond Anitai in de zonnige ruimte van +een kleinen tempel. + +Als verblind sloot ze haar oogen. + +Zij hoorde hoe de priester sprak: + +„Gij zijt gered. Sluier uw gelaat, want gij staat in de stralen van de +grootste aller koninginnen, de zon.” + +Daarop werd zij voor den tempel gebracht en met een luiden vreugdekreet +snelde zij naar Raffles, die met een draagstoel op haar wachtte. + +Eenige uren later bevond Anitai zich weer in het rustige huis van den +goudsmid Huen-Schang en vertelde Raffles, nadat zij haar groote +ontroering in een stroom van tranen had lucht gegeven, het vreeselijke +avontuur, dat zij met de keizerin had beleefd. + +Met de grootste belangstelling luisterde Lord Lister naar haar verhaal. + +Hij kon nauwelijks afwachten, dat zij had uitgesproken, en opnieuw +moest zij zich gereed maken om uit te gaan. In een riksa, die Raffles +veel te langzaam ging, spoedde hij zich naar het paleis van prins Thun. + +Vol verbazing keek deze naar den grooten onbekende, die met het jonge +meisje bij hem kwam, en volgens Chineesch gebruik wilde hij een ontbijt +aanbieden. + +Maar Lord Lister bedankte hiervoor. + +„Het is nu geen geschikte tijd, prins Thun, om ons met beleefdheden op +te houden. Hoor, wat er gebeurd is. Het toeval heeft Anitai, de zuster +van den ongelukkigen Win-Seng, als werktuig der wraak uitverkoren. + +„De keizerin is door haar hand gevallen.” + +Prins Thun dacht, dat Raffles krankzinnig was geworden. Hij hield van +verbazing den adem in. + +John Raffles zag de uitwerking, die zijn woorden hadden teweeggebracht, +en herhaalde: + +„Ik spreek de zuivere waarheid, Prins Thun, de keizerin is +doodgeschoten!” + +Nog steeds kon de Prins deze woorden niet gelooven. + +Daar trad een keizerlijke bode binnen en berichtte, dat de audiëntie, +die de keizerin den prins dien middag zou toestaan, ten gevolge van +plotselinge ziekte der keizerin, niet kon plaats vinden. + +Raffles en de prins wisselden een snellen blik. + +„Als het waar is, wat gij mij hebt medegedeeld, dan hebt gij er het +grootste aandeel aan, als ik den keizerstroon bestijg”, sprak prins +Thun, „want gij hebt dit meisje uit de handen van den schurk Kwo-Saing +gered en zij is daardoor de kleine oorzaak geworden, die zulke groote +gevolgen had. + +„Ik zal haar nu naar mijn gemalin brengen, daar is zij veilig. Daarna +verzoek ik u, met mij in het paleis der keizerin te gaan.” + +Hij ging met Anitai en Raffles naar de vrouwenvertrekken en gaf het +jonge meisje aan de hoede zijner echtgenoote over. + +Met tact zorgde hij ervoor, dat Anitai niets van Win-Seng te zien +kreeg. Hij had den ongelukkige eene woning aangewezen in het afgelegen +gedeelte van het paleis. + +Nu begaf hij zich met Raffles naar de verboden stad. + +Slechts bij groote plechtigheden is het den Europeanen veroorloofd een +deel der verboden stad, zooals het reusachtige paleis wordt genoemd, te +betreden. + +Geen enkele Europeaan heeft nog ooit zijn voet in het inwendige van dit +gebouw gezet. Zoo was Raffles de eerste, die onder geleide van den +prins het paleis mocht binnengaan. + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +BIJ DEN OPPER-EUNUCH. + + +De verboden stad is eigenlijk geen aaneengesloten complex van gebouwen, +maar wordt gevormd door dozijnen grillige bouwwerken en sierlijke +paleizen. + +Een torenhooge muur omsloot haar aan alle kanten en honderden gewapende +soldaten beletten iederen vreemdeling er binnen te dringen. + +Achter den muur strekten zich groote, prachtvolle tuinen uit en bijna +in het midden van het schoone park verhief zich het kleine paleis, dat +de keizerin bewoonde. + +De wachters van het paleis beletten hun het verdere binnendringen, toen +zij de inwendige gebouwen naderden. + +„Ik wensch den opper-eunuch Li te spreken,” sprak prins Thun. + +Hij moest bijna een half uur wachten alvorens de almachtige +vertegenwoordiger der keizerin verscheen. + +Met een onderdanigen glimlach begroette hij den prins en vroeg naar +diens verlangen. + +„Men heeft mij een zeer gewichtige audiëntie afgezegd,” begon prins +Thun, „ik moet de keizerin beslist spreken.” + +„Het spijt mij zeer,” luidde het antwoord van den opper-eunuch, „doch +de keizerin heeft bevolen, dat niemand haar mocht storen. U moet uw +verzoek schriftelijk indienen.” + +Vergeefs zocht prins Thun en ook Raffles op het gelaat van den eunuch +een aanwijzing te vinden, dat er iets buitengewoons moest zijn gebeurd. + +Reeds wilde prins Thun afscheid nemen, toen Raffles hem te hulp kwam. +Hij wendde zich tot den opper-eunuch en vroeg: + +„Spreekt gij Engelsch?” + +Li knikte bevestigend. + +„All-right!” zei Raffles. „Dan zullen wij beide spoedig tot eenig +resultaat komen. + +„Uit mijn woning is gisteren door een chef van politie in Peking, den +man, die veertig draken doodde, Kwo-Saing, een jong meisje geroofd, dat +aan mijn bijzondere hoede is toevertrouwd. Het is naar prins Tuan +gebracht en nu zou ik gaarne willen weten, wat gij mij omtrent het +gebeurde weet mee te deelen.” + +De eunuch vertrok zijn gelaat tot een breeden lach en gaf ten antwoord: + +„Ik bekommer mij niet om de privaat-aangelegenheden van prins Tuan.” + +„Dat is een leugen!” kwam prins Thun tusschenbeide. „De harem van prins +Tuan staat onder uw hoede. Gij weet dus precies, wat daarin voorvalt.” + +Nu verdween voor het eerst van het gelaat van den opper-eunuch de +gewone uitdrukking en een woedende blik, zooals een tijger op zijn +temmer werpt, trof den prins. + +„Mij is niets bekend van een jong meisje, dat in den harem van prins +Tuan is gekomen,” zei de eunuch. + +„Dat is wederom een leugen!” riep prins Thun op scherpen toon. „Maar +het zou immers ook een wonder zijn, wanneer zulk tuig eens de waarheid +sprak.” + +Toen greep Raffles in zijn zak en haalde de revolver te voorschijn, +waarmee Anitai het noodlottige schot had toegebracht. + +„Kent gij dit wapen?” vroeg hij en duwde het den opper-eunuch onder den +neus. + +Onmiddellijk trad de man achteruit en werd doodsbleek. Zijn waterige +oogen wendden zich vol schrik naar het kleine wapen van den blanken +duivel. + +Hij begon in te zien, dat hem het liegen niet meer hielp en zich aan de +voeten van den prins werpend, stamelde hij: + +„Vergiffenis, keizerlijke heer! Ik zal u de waarheid vertellen. In den +harem van prins Tuan is gisternacht een vreeselijk ongeluk gebeurd. Een +vreemde, een geschenk van den politiechef Kwo-Saing, schoot met zulk +een wapen op de keizerin.” + +Eenige minuten heerschte er een angstig stilzwijgen, daarop vroeg prins +Thun: + +„Leeft de keizerin nog?” + +„Ja!” antwoordde de opper-eunuch. „Maar ieder oogenblik is haar sterven +te verwachten.” + +„Waar is de keizer?” vroeg prins Thun verder. „Heeft hij reeds bericht +gehad?” + +„Neen,” gaf de opper-eunuch ten antwoord, „overeenkomstig het bevel van +de keizerin mochten wij hem niets mededeelen.” + +„Het is goed”, met een koelen groet nam prins Thun afscheid en verliet +met Raffles het paleis. + +Toen zij in den voor het paleis wachtenden draagstoel zaten en naar de +woning van den prins terugkeerden, sprak deze tot Raffles: + +„Gij zijt een merkwaardig mensch. Ik zou u bijna voor een werktuig van +den Hemel houden. Gij hebt hier een verdorven dynastie omvergeworpen, +en misschien China een beter lot doen toekomen, dat wil zeggen, als het +mij gelukt prins Tuan voor te zijn en den keizer te redden.” + +„Den keizer? Dreigt er gevaar voor hem?” + +„Ja zeker, Lord Cheekman. Prins Tuan zal hem uit den weg willen ruimen +om den troon te bestijgen. Ik hoop maar, dat ik zijne plannen kan +verijdelen. Het Rijk zou anders een onmetelijk ongeluk te gemoet gaan.” + +„Wat wilt ge doen, prins Thun, misschien kan ik u helpen?” vroeg de +Groote Onbekende. + +Prins Thun dacht een oogenblik na en antwoordde toen: + +„Wanneer het mij mocht gelukken, het testament van den overleden keizer +in handen te krijgen, dan was voor prins Tuan de kans verkeken. In dat +document werd hij uitdrukkelijk van elke troonsopvolging uitgesloten.” + +„Waar ligt dat schriftuur?” + +„In eene geheime kast van den opper-eunuch Li. Niemand, behalve hij +zelf, weet waar het verborgen is.” + +„Ik zal het u bezorgen, prins Thun, ik mag gaarne dergelijke opdrachten +uitvoeren. Ik zal den troon van China voor u stelen.” + +Prins Thun moest even lachen. + +Deze woorden klonken te lachwekkend. + +„Twijfelt gij aan mijn voornemen en de uitvoering er van, prins Thun?” + +„Openhartig gesproken, ja,” gaf de prins ten antwoord, „dat kunststuk +zou zelfs de bij u in Londen zoo beroemde Raffles niet klaar spelen.” + +„Wie weet,” antwoordde de Groote Onbekende, met een zeldzamen, +geheimzinnigen klemtoon op deze woorden. + + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +RAFFLES AAN HET WERK. + + +De keizerin-moeder, de heerscheres van China, was gestorven. + +Aan haar doodsbed bevonden zich de opper-eunuch en prins Tuan. + +Beiden spraken fluisterend met elkaar. + +„De dood moet zoolang geheim worden gehouden, totdat de keizer zijn +moeder gevolgd is,” zei prins Tuan. „Begeef u nog heden naar den +onnoozele en maak hem duidelijk, dat het de wensch, neen het bevel van +zijn moeder is, dat hij zich doodt en haar volgt. Laat hem de keuze +tusschen den strop en het bladgoud. Morgenavond mag hij niet meer +leven. Mocht hij te laf zijn, help hem dan.” + +„Hij zal het niet doen, Keizerlijke Hoogheid.” + +„Leg hem zelf den strik om den hals en worg hem. Voordat prins Thun den +dood der keizerin verneemt, moet het gebeurd zijn, of wij hebben +verloren, want dan zal hij het regentschap overnemen en den +zwakhoofdige tegen ons beschermen. Wij hebben geen tijd te verliezen.” + +„Neen, geen seconde, Keizerlijke Hoogheid. Prins Thun is omtrent alles +ingelicht.” + +„Wat? Wie deelde hem dat mee?” + +„Een Engelschman, een der vreemde blanke duivels! Boeddha moge hem +vernietigen!” + +„Hoe weet de Engelschman het?” + +„Hij bevrijdde het meisje, de slavin, die Kwo-Saing u zond, met behulp +van de priesters der zon.” + +„Hoe heet die hond?” + +„Lord Cheekman.” + +„Woont?” + +„Bij den goudsmid Huen-Schang, midden in de stad.” + +„En leeft hij nog?” + +Prins Tuan keek den opper-eunuch met minachting aan. + +„Je wordt oud, Li, je laat onze vijanden in leven”. + +Hij stampte op den grond van nijd. + +„Vooruit, breng den hond in het paleis. Hij moet verdwijnen.” + +„Hij is de vriend van prins Thun”, waagde de opper-eunuch tegen te +werpen. + +„De hel moge Thun en zijne vrienden verslinden. Het geldt den troon. Li +wat talm je? Zend gewapende macht naar den Engelschman. Met prins Thun +zal ik wel afrekenen. Hij moet den Engelschman tot morgen volgen. Haast +je!” + +Het was tegen middernacht, toen Raffles van de Engelsche Club naar huis +ging. + +Toen hij zijne woning naderde, zag hij de straat vol gewapende macht. + +Dadelijk bleef hij staan en trad, om zich rekenschap te geven van de +aanwezigheid der soldaten, in het volslagen donker voorportaal van een +huis. + +Nu herkende hij, bij het onzeker licht van eenige lampions, zijnen +gastheer Huen-Schang geketend midden tusschen de gewapende macht. +Haastig overlegde hij, of hij te voorschijn zou komen om te vragen, wat +dat beduidde. + +Opeens kwam Kwo-Saing, de chef van politie, dicht langs zijne +schuilplaats. + +Raffles had al zooveel Chineesch geleerd, dat hij verstond, wat +Kwo-Saing zei. + +Van uit zijn draagstoel onderhield hij zich met een naastbijzijnden +politie-beambte. + +„De blanke duivel is nog niet thuis?” + +„Neen, Excellentie, de soldaten verwachten hem elke minuut.” + +Nu wist Raffles genoeg. De aanwezigheid der soldaten gold hem dus. + +Geluidloos als een schaduw sloop hij uit zijne schuilplaats langs de +huizen en kwam in veiligheid. + +Een half uur later vroeg hij binnengelaten te worden in het paleis van +prins Thun. + +Op het groote binnenplein van het paleis stonden honderden soldaten +gereed. Niemand wist hier wat van. + +Raffles schreed tusschen de lange rijen slapende krijgslieden door en +kwam bij prins Thun, die, nog wakker, met zijne vertrouwelingen op +berichten wachtte. + +Toen de Groote Onbekende binnentrad, kwam er een vroolijke glimlach op +het ernstige gelaat van den troonopvolger. + +Hij stak hem beide handen toe en sprak tot zijne vertrouwelingen: + +„Deze man is het werktuig der Voorzienigheid voor het welzijn van China +geworden. Boeddha beschermt hem!” + +De mandarijnen en generaals maakten na deze woorden een buiging voor +Raffles, dien zij met belangstelling opnamen. + +„Wat brengt u voor berichten?” vroeg prins Thun. + +Lord Lister wees naar een voornaam generaal en zei: + +„Ik verzoek Uwe Keizerlijke Hoogheid, den generaal te bevelen mij zijn +uniform te leenen.” + +Verbaasd keken de prins en de andere aanwezigen den spreker aan. + +„Ik begrijp wel niet, welk doel gij beoogt, doch, daar ik aanneem dat +het voor mijn goede zaak is, verzoek ik generaal Fung-wo, u zijn +uniform af te staan.” + +De generaal volgde Raffles naar een zijvertrek. + +De Groote Onbekende had weinig tijd te verliezen. Hij had een dolzinnig +plan opgevat. + +Slechts tien minuten verliepen, toen Raffles alweer op den prins +toetrad. + +Maar deze herkende hem niet. + +Was dat Raffles of generaal Fung-wo? + +Met behulp van schmink en was had Lord Lister zijn gelaat zoo goed +veranderd, dat hij een dubbelganger leek van den generaal. + +Toen prins Thun hem eindelijk herkende, slaakte hij een kreet van +verbazing. + +Raffles lette er niet op. + +Haastig nam hij afscheid en verliet het paleis. + +Weer ging hij naar zijn woning. + +Hij haalde verlicht adem, toen hij de soldaten nog wachtend zag staan. + +Kwo-Saing, de dooder van de veertig draken, onderhield zich met de +officieren van den troep, toen Raffles naar hen toe stapte. + +Diep bogen de aan slaafsche onderwerping gewende menschen voor de met +goud bestikte uniform. + +„De keizer beveelt, mij te volgen.” + +Dadelijk sprongen de soldaten overeind en stelden zich op. Niemand +waagde het naar het gebruikelijk schriftelijk bevel te vragen. + +Gehoorzaam zette de colonne zich in beweging en volgde den Grooten +Onbekende naar het paleis van den keizer. + +Zwijgend ging het voorwaarts. Geen woord werd er gesproken. Slechts de +officieren vroegen onderling, wie de generaal was, die voorop liep. + +„Generaal Fung-wo”, fluisterde een van hen, „de vriend van den +vice-koning Li-hung-schang en van prins Thun.” + + + +Kwang-Hsu, de ongelukkige keizer van China, zat in zijn klein vertrek +en speelde met looden soldaten. + +Nu en dan kwam er een vermoeid glimlachje op het gelaat van den geheel +ontzenuwden, zwakhoofdigen man. + +Slechts in naam was hij jarenlang de keizer van het machtige rijk +geweest, dat zijne moeder voor hem geregeerd had. + +Hij wist misschien niet eens, welke gewichtige rol hij in de +wereldgeschiedenis speelde. Hij was volkomen tevreden, wanneer de +opper-eunuch Li hem nieuw Europeesch speelgoed bracht of hem een +penseel gaf, waarmee hij onder allerlei staatsdocumenten zijn naam +schilderde. + +De ongelukkige wist niet eens, wat dat alles beteekende. Het kon een +doodvonnis, eene benoeming of ontslag van een ambtenaar zijn. Het kon +den oorlog beteekenen en duizenden het leven kosten. Kwang-Hsu +schilderde zijn naam onder alles, wat de opper-eunuch hem voorlegde. + +Juist trad deze binnen. + +„Er is China een groot ongeluk overkomen. De keizerin-moeder is +overleden”, begon hij, voor den troonzetel staan blijvend, waarop de +keizer had plaats genomen. + +„Is mijne moeder dood?” vroeg Kwang-Hsu. + +Hij was niet zoo onnoozel, om geen begrip van den dood te hebben. + +Ja, hij was er zelfs bang voor, en zijne sprookjesvertellers had hij +verboden, daarvan te verhalen. + +Eenige seconden bewaarde de keizer het stilzwijgen en staarde den +opper-eunuch aan. + +Daarop verborg hij zijn gelaat in zijn tunica en begon te schreien. + +De opper-eunuch verbaasde zich, dat de keizer tot deze gevoelsuiting in +staat was. + +Nu hief de heerscher het hoofd omhoog, keek den opper-eunuch met +beweende oogen aan en vroeg: + +„Kan ik mijne moeder zien?” + +„Neen”, antwoordde Li. „Gij zult haar niet zien, doch het is de wensch +van de overledene, dat gij uwe moeder volgt.” + +„Volgen?—Moet ik mijne moeder volgen?—Hoe kan ik dat?” + +„De keizerin-moeder”, sprak de opper-eunuch met zalvende stem, „bevindt +zich nu in het eeuwige rijk van Boeddha. Zij gaf mij opdracht, u den +weg te wijzen om bij haar te komen. Ziet hier.” + +De opper-eunuch haalde een dun zijde-papiertje te voorschijn, opende +het voorzichtig en legde twee zeer dun geplette stukjes bladgoud, ter +grootte van een gulden, op zijn hand. + +„Wat beduidt dat?” vroeg Kwang-Hsu. + +„Dat beduidt de weg naar de keizerin-moeder.” + +„Deze blaadjes goud?” + +„Jawel! Gij neemt ze in de holte van uwe hand, houdt uwen mond er boven +en haalt diep adem. Dan zal het blaadje goud in uwen mond vliegen, op +uwe luchtpijp gaan liggen, en binnen een paar minuten zult gij bij uwe +moeder zijn.” + +De keizer sidderde. + +Hij zette groote, verschrikte oogen op en keek met eene uitdrukking van +ontzetting naar de blaadjes goud. + +Hij zag niet den spottenden glimlach, die op het gelaat van den +opper-eunuch kwam. + +„Indien gij dezen weg niet wenscht”, zei Li, „dan heb ik hier nog een +zijden koord. Ook dit zal u den weg wijzen. Gij legt het om uwen hals +en worgt u. (Zie titelplaat). + +„Gij hebt dus de keuze van den dood tusschen den strop en het blaadje +goud, neem eene beslissing.” + +De keizer liet een luiden kreet hooren: „Moet ik sterven?” + +„De keizerin-moeder wenscht het.” + +„Neen!” riep Kwang-Hsu, „dat kan zij niet willen, ik wil niet sterven, +ik wil leven!” + +Opnieuw kwam er een spottend lachje op het gelaat van den opper-eunuch. + +„Wat de keizerin-moeder zegt moet gebeuren. Verberg uwe wenschen, +Kwang-Hsu, en onderwerp u aan den wil der keizerin-moeder.” + +Het koude angstzweet stond den keizer op het voorhoofd, zijne handen +hielden krampachtig, als zochten zij hulp, de leuning van den stoel +vast. + +„Ik ben de keizer. Ik zal u niet gehoorzamen. Ik zal prins Thun en +mijne soldaten roepen, opdat zij mij helpen.” + +Een blik vol haat trof den keizer. + +„Spaar uwe woorden, Kwang-Hsu, noch de prins, noch soldaten zullen te +hulp snellen. Mijn wacht houdt de deuren naar uw vertrek bezet. Over +een uur kom ik terug en hebt gij alsdan niet aan den wensch der +keizerin voldaan, dan leg ik u zelf het zijden koord om den hals. Ik +raad u aan, wees gehoorzaam.” + +Daarop wierp de ongelukkige keizer zich aan de voeten van den +opper-eunuch, greep zijn zijden gewaad vast en smeekte om erbarmen. + +Doch hij zou beter een steen om medelijden hebben kunnen smeeken. Het +hart van den opper-eunuch bleef koud als erts. Hij weerde den keizer af +en zei op harden toon: + +„Uwe woorden zijn vergeefsch, Kwang-Hsu, doe wat ik u zei. Neem deze +opiumsigaretten, mogen deze u bedwelmen en u den weg gemakkelijker +maken.” + +Daarop verliet hij met de wacht het vertrek. + +Weenend wierp de heerscher van het Hemelsche Rijk zich in de kussens en +krabde in zijn angst voor den dood de zijden met goud geborduurde +overtrekken stuk. + +Even later richtte hij zich op en dacht na over een middel tot redding. + +Hij opende het raam en keek in den tuin. + +Twee met schilden en speren gewapende eunuchen liepen voor het raam op +en neer. + +Daarop liep hij naar de deur en opende haar. + +In het voorportaal zat Kwo-Saing, de dooder van de veertig draken en +chef van politie te Peking, met eenige beambten en keek den +ongelukkigen keizer met een grijnslach aan. + +Kwo-Saing was de vertrouweling van den opper-eunuch Li, en aan hem was +de bewaking van den keizer opgedragen. + +„Wie zijt gij?” vroeg de keizer. + +Kwo-Saing wierp zich op den grond, raakte den vloer met zijn voorhoofd +aan en antwoordde: + +„Zoon des hemels, ik ben Kwo-Saing, uw politiechef van Peking.” + +„Roep prins Thun bij mij”, beval de keizer, „en laat soldaten komen.” + +„Zoon des hemels”, zei Kwo-Saing, „ik zal uw bevel meedeelen aan Zijne +Excellentie opper-eunuch Li.” + +De keizer stampte op den grond en riep: + +„Ik wensch niet, dat Li iets van mijn bevel verneemt. Zend een slaaf +naar de wacht en laat soldaten komen.” + +Kwo-Saing zag in, dat hij den keizer moest geruststellen en antwoordde: + +„Zoon des hemels, ik zal uw bevel ten uitvoer brengen.” + +Zooals de hofétikette voorschrijft, verliet hij op zijn knieën +voortschuivend het vertrek. + +De keizer keek hem na, totdat hij verdwenen was, waarna hij haar zijne +kamer terugging en rusteloos op en neer wandelde. + +De hoop, die de ten doode gewijde nog koesterde, was vergeefsch. + +Kwo-Saing was naar den opper-eunuch gesneld om dezen den wensch des +keizers mee te deelen. + +„Ik zie wel in”, zei Li, „dat die man niet de hand aan zichzelf zal +slaan. + +„Volg mij, Kwo-Saing, ik zal hem het zijden koord om den hals knoopen.” + +Toen spoedig daarop de deur van het keizerlijk vertrek werd geopend, +keek de keizer blij verschrikt op, want hij dacht, dat de redding +naderde. + +Hij week sidderend terug, toen hij de vormlooze, logge gestalte +ontdekte van den opper-eunuch, vergezeld van Kwo-Saing. + +„Wat wilt gij?” vroeg hij met van angst sidderende stem. + +„Gij weet, waarvoor ik kom”, antwoordde de opper-eunuch, „ik zie, dat +gij het bevel der keizerin-moeder niet opvolgt. Maak u gereed, opdat ik +u helpe.” + +Om zich te redden sprong de keizer achter een tafel en schoof deze +tusschen hem en zijn beul. + +„Ik wil niet sterven”, snikte hij, „verlaat het vertrek, anders zullen +mijne soldaten u gevangen nemen.” + +„Houd hem vast, Kwo-Saing”, beval de opper-eunuch en nam het koord in +de hand. + +Nu schreeuwde de keizer in zijn wanhoop luid om hulp. + +Eene woeste worsteling tusschen hem en de beide mannen begon. + +Doch hij was tegen de lichaamskracht van den opper-eunuch Li niet +opgewassen. + +Die man was gewend de meest weerspannige slaven te ketenen en te +ranselen. + +Na eene korte worsteling hielden zij den keizer vast en de opper-eunuch +Li wierp hem met een wreeden lach den gevreesden zijden strop om den +hals. + +De keizer viel op den grond, de opper-eunuch zette zijn knie op hem en +trok den strik dicht. + +Een laatste, half-gesmoorde kreet om hulp weerklonk, de oogen puilden +den ongelukkige uit het hoofd, het gelaat werd blauwrood, nog eene +laatste wanhopige poging met gebroken kracht werd gedaan, om zijnen +beul af te weren, daarop verloor hij het bewustzijn en stierf. + +Doch niet eerder liet Li zijn slachtoffer los dan toen alle +levensteekenen waren geweken. + +Toen stond hij op en zei tot Kwo-Saing: + +„Eigenlijk hebben wij den troon van China verdiend. Het was een zwaar +werk.” + +„Wij zullen ons als loon aan de zon warmen”, gaf Kwo-Saing ten +antwoord, „en eene eerste plaats innemen bij prins Tuan.” + +Op dit oogenblik klonken buiten wapengekletter en commando’s. + +Verschrikt keken de beide beulen elkaar aan. + +Wat zou dat beduiden? + +„Ga naar het park”, sprak de opper-eunuch tot den chef van politie, „en +overtuig u wat de soldaten op dezen tijd hier te zoeken hebben.” + +Hij zou het antwoord spoedig vernemen. + +De deur werd opengeduwd en een Chineesch generaal trad met den sabel in +de hand en door een dozijn officieren gevolgd, het vertrek binnen en +overzag met één blik het treurspel, dat zich hier had afgespeeld. + +„Te laat!” mompelde hij in zichzelf. + +„Wat wilt ge?” vroeg de opper-eunuch, „waaraan ontleent gij het recht +om hier binnen te dringen?” + +De generaal nam den opper-eunuch met een verachtelijken blik op, wees +op den chef van politie en sprak tot zijn officieren: + +„Neem dien man gevangen en breng hem naar buiten!” + +Dadelijk wierpen zich verscheiden officieren op den sidderenden +Kwo-Saing, pakten hem bij de armen en sleepten hem weg. + +Met een snellen blik zag de opper-eunuch wat er met hem zou gebeuren. + +„Gij zijt generaal Fung-wo”, riep hij met gebiedende stem, „en gij zult +wel weten, dat gij u met het binnendringen in het keizerlijk paleis aan +het hoofd van keizerlijke soldaten hebt schuldig gemaakt aan een +vergrijp, dat u den dood moest kosten!” + +Generaal Fung-wo glimlachte weer met minachting en mat den opper-eunuch +met een ironischen blik van het hoofd tot de voeten. + +Toen antwoordde hij kortaf: + +„Geweld gaat boven recht!” + +Met een kleine handbeweging wendde hij zich tot de officieren en er +volgde een nieuw bevel: + +„Neem ook hem gevangen!” + +Nu zag de opper-eunuch wel in, dat hij een verloren man was. + +Bliksemsnel greep hij in zijn tunica, haalde een kleine vergiftigde pil +te voorschijn en wilde deze inslikken. + +Maar generaal Fung-wo was sneller dan hij. + +Voordat de opper-eunuch het vergif naar den mond kon brengen, had de +generaal het hem ontrukt. + +Nu ontstond een wanhopige worsteling tusschen Li en de officieren. + +De geheele kracht van vijf manschappen was noodig om den reuzensterken +eunuch te ketenen. + +Hierop werd hij door generaal Fung-wo gefouilleerd. + +Tandenknarsend en vreeselijke vloeken uitbrakend, moest de opper-eunuch +zich dit laten welgevallen. + +Een zegevierende uitdrukking verscheen in de oogen van generaal +Fung-wo, toen hij uit den borstzak van den opper-eunuch verscheidene +geheime waardevolle staatsdocumenten te voorschijn haalde. + +De opper-eunuch begon, toen hij dit bemerkte, luid om hulp te roepen. + +Generaal Fung-wo liet hem een prop in den mond duwen. Daarop werd de +onmensch weggebracht. + +In de kamer moesten eenige officieren den vermoorden keizer op een +divan leggen en twee van hen als eerewacht bij den doode blijven. + +Hierop verliet de generaal het paleis, stelde posten van zijn soldaten +voor de deuren op, loste de wachten bij de poorten der verboden stad af +en bezette ze eveneens met zijn militairen. Toen marcheerde hij naar +het paleis van prins Thun. + +Zwijgend trokken de colonnes door de verlaten straten, toen zij +plotseling werden opgeschrikt door verwijderd schieten en geschreeuw. + +De generaal, die aan het hoofd liep, luisterde eenige seconden om zich +op de hoogte te stellen. + +Hij hoorde, dat de schoten uit de richting van het paleis van prins +Thun kwamen. + +Dadelijk beval hij looppas, om den nog tamelijk langen weg sneller af +te leggen. + +Met kolfslagen dreven de soldaten den meegenomen opper-eunuch Li en den +man, die veertig draken doodde, Kwo-Saing, voorwaarts. + +Prins Tuan had denzelfden avond al zijn vertrouwde raadgevers om zich +verzameld en hun de mededeeling gedaan, dat de keizerin was gestorven. + +„Nu komt het er op aan!” sprak hij, „mandarijnen, generaals, vrienden +van de goede zaak, gij hebt mij tot uw aanvoerder gekozen en mij trouw +gezworen tot in den dood. + +„Gij weet, dat het mijn voornaamste plicht is, China tegen de hebzucht +der vreemde blanke duivels te beschermen en dat het mijn lijfspreuk is: +China voor de Chineezen! + +„Wij willen niets te maken hebben met de duivelsche kunsten der +Europeanen. Ons volk heeft geen opheffing, geen beschaving noodig. +Zoodra het volk denkt, heeft de giftplant der revolutie wortel +geschoten aan de treden van den troon. + +„Deze vreemdelingen beijveren zich om ons volk met helsche kunsten te +vergiftigen: en het met minachting voor den drager van het drakengewaad +te vervullen. + +„Prins Thun en keizer Kwang-Hsu ondersteunen de vreemdelingen en zien +niet in, dat zij daarmee een zeer verachtelijk misdrijf begaan. + +„De vreemde honden moeten uit China weg en ons land moet weer rein +worden. + +„Wilt gij mij daarbij helpen?” + +Een geestdriftig „Ay-ay!” klonk uit de menigte. + +Trotsch keek prins Tuan op hen neer. + +Zijn roofzuchtig gelaat verwrong zich tot een voldaan glimlachje. + +Hij vervolgde: + +„Thans, nu de keizerin dood is, is eindelijk de dag gekomen, die ons +vrijheid en wraak brengt. Verzamel u om de vanen van den rooden draak, +die ik in mijn hand houd. Het bloed van alle vreemdelingen moge +eindelijk de straten van Peking kleuren—niemand worde ontzien! Het gele +gevaar moge de wereld zoo doen sidderen, dat geen vreemde duivel het +ooit weer waagt, ons land te betreden!” + +Prins Tuan ging op het tapijt zitten en een luid gemompel van bijval +werd vernomen. + +Daarop stond generaal Poh-Loh op. + +Hij was gekleed in de oude dracht der Tartaarsche veldheeren. + +Het blanke kromzwaard en het schild op de borst, in den gordel een +dozijn kostbare dolken en in zijn hand de zweep met looden kogels, +waarmee de Tartaar zelfs den Siberischen tijger kan dooden. + +De oogen van den generaal schitterden, toen hij sprak: + +„Verheven zoon der zon! Wanneer gij de meening van uw onderdanige +dienaren wilt vernemen, zoo luister: Voordat prins Thun met zijn +generaals en vertrouwelingen gedood zijn, kunnen wij ons plan niet +uitvoeren. Prins Thun is een vriend der vreemden en van hunne zeden. +Met het eenvoudige volk in Peking gaat hij om als met zijns gelijken. + +„Hij is Europeesch gekleed, bezoekt de koffiehuizen en richt scholen +op, waarin hij ons volk de kunst van het lezen bijbrengt, zoodat ze de +duivelswoorden van de vreemdelingen in hunne couranten leeren verstaan. +Prins Thun moet gedood worden!” + +Opnieuw betuigde de verzamelde menigte luide haar bijval. + +Daarop stond prins Tuan op en vroeg nogmaals gehoor: + +„Generaal Poh-Loh heeft gelijk. Nog dezen nacht moeten wij dat werk +beginnen. Neem onze soldaten mee om prins Thun te overvallen. Zijn dood +moge het fundament worden van onze heerschappij. + +„Tot alle vice-koningen, generaals, mandarijnen en gouverneurs wordt +hiermede mijn keizerlijk bevel gericht, het volk ter bescherming van +China te wapenen en alle vijanden van het Hemelsche Rijk te +vernietigen. + +„Dood aan prins Thun en zijne vrienden.” + +Prins Tuan had zijne rede geëindigd. + +Juichende, brullende bijvalsbetuigingen klonken opwaarts uit de kelen +van zijn aanhangers. + +De zwaarden werden getrokken en vol geestdrift tegen elkaar geslagen. + +Daarop zond de prins zijn adjudant naar de kazerne der Tartaarsche +garde, met bevel haar te alarmeeren. + +Na verloop van een half uur waren de compagnieën voor het paleis van +prins Tuan aangekomen. + +Het waren wilde, drieste gezellen, eene teugellooze bende zonder +Europeeschen dril. + +Alleen de soldaten, die onder bevel stonden van prins Thun en generaal +Fung-wo, waren op Europeesche wijze gedrild en konden doorgaan voor een +geregelden troep. + +Prins Tuan geleidde de troepen persoonlijk naar het paleis van zijnen +vijand. + +Dit lag tamelijk afgelegen van Peking in eene kleine voorstad en +omgeven door een groot park. + +De wachten van den prins bemerkten direct het gevaar en openden niet, +toen prins Tuan verlangde binnengelaten te worden. + +In plaats hiervan alarmeerden zij de soldaten, en na een paar minuten +waren de ramen van het prinselijk paleis met manschappen bezet. + +Doch in verhouding tot de troepen der Tartaren was het slechts een +klein hoopje te noemen. + +Prins Thun stapte naar het raam en vroeg, wat die overval beteekende. + +„Geef u over”, luidde het antwoord, „gij zijt wegens hoogverraad +aangeklaagd, en den dood schuldig.” + +Toen rukte prins Thun de revolver uit den gordel en schoot haar in de +duisternis af. + +Dat was het signaal tot den strijd. + +Het viel de Tartaarsche benden niet gemakkelijk het paleis binnen te +dringen. + +Met bewonderenswaardige dapperheid sloegen de tegenstanders den aanval +af. + +Doch de Tartaren namen hun toevlucht tot eene andere strijdwijze, zij +staken het paleis in brand. + +Daar dit op Chineesche wijze van hout was gebouwd, breidde het vuur +zich snel uit en noodzaakte de verdedigers hunne posten te verlaten. + +Krakend stortte de voormuur van het gebouw in en weldra ontstond een +woedend gevecht tusschen de roofgierige horden. + +Ieder der soldaten van prins Thun had zich tegen vijf of zes man te +verdedigen. De aanvoerder zelf vocht als een leeuw. + +Hij bloedde reeds uit verscheiden wonden. Naast hem streed generaal +Fung-wo. Zij stonden voor de deur van het vrouwenverblijf en aan hun +voeten lagen een zestal gesneuvelde vijanden. Plotseling kreeg de +generaal een schot in de borst en zonk ter aarde. + +Met een zegevierend geschreeuw stortten de Tartaren zich als eene bende +bloedhonden op prins Thun, die zich nog slechts met het zwaard in de +vuist kon verdedigen. + +Prins Tuan stond achter de aanvallers en beval den Tartaren den prins +levend gevangen te nemen. + +Maar het gelukte niemand den dapperen strijder in handen te krijgen, +daar diens zwaard als een bliksemstraal neerkwam op ieder, die hem +durfde naderen. + +Toen alle moeite vruchteloos scheen, greep generaal Poh-Loh zijn zweep +met looden kogels en slingerde die den prins als eene lasso om het +lichaam. + +Tevergeefs trachtte de dappere prins zich te bevrijden. + +Met een duivelschen lach trok Poh-Loh met een ruk den prins op den +grond. De Tartaren sprongen naderbij en ontrukten hem het zwaard. + +„Terug”, schreeuwde prins Tuan, „het leven van den prins behoort mij +toe!” + +Hij had een dolk in de hand en sprong op den prins toe om hem het staal +in het hart te stooten. + +„Vervloekte hond”, schreeuwde hij tot den prins, „aan jou hebben wij +het ongeluk van China te danken, maar ik zal het Hemelsche Rijk van je +bevrijden. Sterf!” + +Prins Thun keek hem koud en rustig in de oogen, die van haat fonkelden. +Hij kende geen doodsangst. + +Prins Tuan hief zijn hand reeds op. Generaal Poh-Loh en de Tartaren +keken in gespannen aandacht. Plotseling gingen de gordijnen voor den +ingang van het vrouwenvertrek uiteen, Win-Seng snelde naar buiten en +sprong als een hond op prins Tuan toe, smeet hem op den grond en beet +hem de keel door. + +Het volgende oogenblik verpletterde de strijdbijl van generaal Poh-Loh +den schedel van Win-Seng, maar nog in den doodstrijd liet de dappere +man het schokkende lichaam van prins Tuan niet los en bleef zoo op zijn +slachtoffer liggen. + +Prins Thun had zich met een krachtigen ruk weten te bevrijden, greep +een zwaard van een der Tartaren en schoot op den generaal toe. Deze +rukte zijn revolver te voorschijn en vuurde. + +Prins Thun, in den bovenarm getroffen, wankelde een oogenblik, doch +greep met zijn linkerhand het zwaard en met een meesterlijken houw +sloeg hij den generaal neer. + +Woedend beantwoordden de Tartaren den val van den aanvoerder en een +laatste wanhopige strijd begon. + +Plotseling klonken voor het paleis commando’s, de Tartaren keken +verbaasd op, een goedgemikt salvo weerklonk, een hoerageroep werd +vernomen en voordat de Tartaren konden vluchten, wierpen soldaten met +gevelde bajonet zich op hen, aangevoerd door een Chineesch generaal. + +Kolfslagen vielen op de kale hoofden der Tartaren, schreeuwend namen +zij de vlucht en op het volgende oogenblik salueerde voor den +uitgeputten prins Thun generaal Fung-wo, alias John C. Raffles. Hij +meldde zich aldus: + +„Majesteit, ik heb den troon van China voor u veroverd.” + +Prins Thun kon nog juist met een moeilijk lachje den redder in den nood +danken, daarop zonk hij uitgeput op den grond. + +Raffles droeg hem met eenige officieren op een divan en zond boden naar +den geneesheer van het Engelsche gezantschap, opdat deze zou komen om +den prins te verbinden. + +Weldra verscheen de geroepene en na een rusttijd van twee uur was prins +Thun in zooverre hersteld, dat hij het bericht kon aanhooren van Lord +Lister, die nog steeds in de kleedij van generaal Fung-wo bij zijn +legerstede vertoefde. + +Het meest waardevolle waren de aan den opper-eunuch Li ontnomen +staatspapieren, die het laatste edict der keizerin bevatten. + +Hierin wees de keizerin Pu-Yi, den zoon van prins Thun, na den dood van +den keizer Kwang-Hsu, als diens opvolger aan. + +Prins Thun echter zou tot aan zijn meerderjarigheid het regentschap op +zich nemen. + +Nog denzelfden dag vertrok prins Thun naar de verboden stad en +verzamelde de Mandarijnen en andere grooten van het rijk om zich heen +tot het beleggen van een kabinetsraad. + + + +Toen Raffles den volgenden dag in Europeesche kleedij bij den keizer +zijn opwachting maakte, nam hij op een binnenplein het schouwspel waar +van de afranseling van Kwo-Saing, den veertig drakendooder. + +Hij kon een glimlach niet onderdrukken, toen de uitvoerder der straf +voordat hij deze toediende aan den politiechef dit schrijven voorlas: + +„Op bevel van Pu-Yi, onzen almachtigen heerscher en zoon der zon, +ontvangt Kwo-Saing, de man, die veertig draken doodde, veertig +zweepslagen en wordt van al zijn waardigheden vervallen verklaard.” + +De opper-eunuch Li evenwel werd tot levenslange gevangenisstraf +veroordeeld. + +Lord Lister schreef denzelfden avond aan Charly Brand een brief, die +aldus luidde: + + + „Mijn beste Charly! + + Ik ben in China tot opper-mandarijn benoemd met den titel van + honderd-draken-dooder. Wanneer ik onder draak moet verstaan al het + gepeupel, dat hier de menschen geknecht en onderdrukt heeft, dan + kreeg ik dezen titel met het volste recht. Ik geloof dat ik er toe + heb bijgedragen, China te bevrijden van de machten, die het volk + dom houden. + + Met de eerstvolgende stoomboot keer ik terug, want ik verlang erg + naar den politie-inspecteur Baxter. + + Je EDWARD.” + + +Voordat Raffles China verliet, bood de prins-regent hem een schitterend +afscheidsdiner aan. + +De voornaamste grooten van China zagen met verbazing voor de eerste +maal aan de zijde van den heerscher een vreemdeling. + +Toen het diner ten einde liep, stond de prins-regent op en sprak aldus: + +„Gij zult u misschien verbazen, dat ik aan mijn zijde aan een +vreemdeling de eer der voornaamste plaats heb gegeven. Doch aan hem heb +ik mijn positie te danken en van hem heb ik de wijze les geleerd, die +ik u allen als richtsnoer wil voorhouden. Ze luidt: + +„Aan den dappere behoort de wereld! Het is tot nu toe een fout van +China geweest, dat wij niet den moed bezaten, koen en doortastend te +handelen.” + +Hij omhelsde Raffles en kuste hem als een broeder. + +Daarna hief hij de tafel op. + +Voordat de groote onbekende het paleis verliet, nam hij afscheid van +Anitai, die bitter weende. + +Zij wilde haar meester beslist volgen. Lord Lister had al zijn +overredingskracht noodig om haar duidelijk te maken, dat hij aan haar +wensch niet kon voldoen. + +Een zusterlijke vriendin had zij gevonden aan Wandé, de vrouw van den +prins-regent. + +Toen Raffles Peking verliet, zond hij nog een brief aan den +prins-regent; bij opening las deze het volgende: + + + „Mijn waarde prins Thun! + + Gij verteldet mij voor eenigen tijd, dat het zelfs Raffles niet + gelukken zou, u te helpen. Thans, na mijn vertrek, wil ik u een + geheim openbaren: John Raffles hielp u den troon van China + bestijgen! + + Wees gegroet door uw + + Lord LISTER, + die zich noemt John C. Raffles, + de groote onbekende.” + + + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] De Chineezen houden van beeldspraak. + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77255 *** |
