summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/LordLister-0035-utf8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'LordLister-0035-utf8.txt')
-rw-r--r--LordLister-0035-utf8.txt3364
1 files changed, 3364 insertions, 0 deletions
diff --git a/LordLister-0035-utf8.txt b/LordLister-0035-utf8.txt
new file mode 100644
index 0000000..bfc8647
--- /dev/null
+++ b/LordLister-0035-utf8.txt
@@ -0,0 +1,3364 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77255 ***
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 35 DE MAN, DIE VEERTIG DRAKEN DOODDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE MAN DIE VEERTIG DRAKEN DOODDE.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN AFGODENFEEST.
+
+
+Tsai-Soi, de lentegod van China, hield zijn intocht in Peking.
+
+Zijn plomp afgodsbeeld, uit hout vervaardigd en zoo hoog als een huis,
+werd op een grooten wagen rondgereden en lachte met breeden grijns naar
+de joelende scharen aan zijn voeten.
+
+In de rechterhand droeg het beeld een zak, gevuld met het kostelijkste,
+grofkorrelige graan, de linkerhand werd zegenend uitgestrekt naar de
+volksmenigte, die den God omvangrijke hoeveelheden groenten, schapen en
+varkens offerde.
+
+Tsai-Soi nam alles in ontvangst met den breeden grijnslach en zijn
+priesters dreven de schapen en varkens weg— — —
+
+Tsai-Soi is een machtig God!
+
+De keizer en de prinsen, gevolgd door de voornaamste
+hoogwaardigheidsbekleeders, komen hem offers brengen.
+
+Peking is als een krioelende mierenhoop, als Tsai-Soi zijn intocht
+houdt.
+
+Alles spreekt slechts van Tsai-Soi en tracht in zijn gunst te komen.
+
+Een smeekschrift aan dezen God wordt door den voornaamsten mandarijn
+van het keizerlijk ministerie geschreven. Daarin wordt op bevel van den
+keizer het weer voorgeschreven: zoo en zooveel regen, zoo en zooveel
+zonneschijn, en dit verzoekschrift wordt het beeld om den hals
+gehangen.
+
+Tweemaal leest men het, in tegenwoordigheid van den keizer voor, opdat
+de datums van den regenval goed mogen doordringen in zijn goddelijke
+hersens.
+
+Gerustgesteld keert de keizer dan terug en het volk offerde verder en
+verbrandde papieren ossen, terwijl Tsai-Soi grijnsde en stom en dom
+bleef kijken met zijn gelaat van hout.
+
+Te midden van de vroolijke feestvreugde, het krijschen der
+muziekinstrumenten en het knallen van het vuurwerk, wandelden een jonge
+man en een jong meisje.
+
+Hij heet Win-Seng en zijn kleeding is zoo armoedig dat iedere voorname
+Chinees hem ontwijkt als een verworpeling. Maar hij is krachtig en goed
+gebouwd en hij is niet ouder dan hoogstens twintig jaren.
+
+Een slanke vrouwengestalte gaat aan zijn zijde. Zij is diep gesluierd
+en haar tunica is van een sneeuwwitte kleur, doch zonder eenig
+versiersel van zijde en goud. Win-Seng dringt door de menigte heen.
+
+„Kunnen wij geen zijstraat inslaan?” vraagt het meisje, „ik ben
+vermoeid en mijn voeten kunnen mij niet meer door de groote stad
+dragen. Win-Seng, moest je je zwarte roos van Han-strom naar hier
+voeren—Win-Seng, ik heb honger.”
+
+„Wij moeten naar de gezantschapstraat”, antwoordde Win-Seng, „daar
+woont de broeder van onze moeder, I-lai-ko genaamd. Hoe zouden wij
+zonder geld een onderdak kunnen vinden, wij moeten naar I-lai-ko, mijn
+duifje. Wat zegt Confucius—zonder geld, moet je voor den tempel bidden.
+Met geld kun je in den tempel bidden. Wil je dezen nacht hongerig en
+verkleumd op straat blijven?”
+
+Zijn woorden werden onderbroken door de begeleiders van een machtig
+Mandarijn, die met luid geschreeuw de lieden uit elkander joegen.
+
+„Maakt plaats, ellendige honden die in het stof kruipt, maakt plaats
+voor Kwo-Saing, den man die veertig draken doodde, de ster der
+gerechtigheid! Maakt plaats, gij bedelaars, die het leven niet waard
+zijn.”
+
+Op deze wijze schreeuwden zij voort en hunne zwaarden baanden een weg
+door de volksmenigte.
+
+Vermoeid, met onverschillig gebaar lag de geweldige op zijn zijden
+kussen, dat met muskusgeur was doortrokken. Zijn witharig hoofd knikte
+slaperig de maat waarin de dragers liepen, die zijn baldakijn torsten.
+
+Hij was gekleed in een met goud bestikte kaftan en groote, kostbare
+paarlsnoeren waren door zijn grijze haarvlecht geslingerd. Gouden
+banden, met edelsteenen bezet, hielden de vilten sandalen aan zijn voet
+en zijn hand, waaraan kostbare ringen prijkten, bewoog een
+schitterenden waaier van pauwenveeren waarin smaragden en robijnen
+fonkelden.
+
+De lange nagels flikkerden van diamantpoeder en toonden aan de macht en
+het aanzien van dezen man.
+
+Af en toe greep hij in een kleinen buidel die ter rechter- en ter
+linkerzijde was geplaatst en dan wierp hij een regen van glinsterende
+koperen munten in de volksmenigte.
+
+Dat deed hij ook op het oogenblik, toen hij bij Win-Seng was
+aangekomen.
+
+Onder luid geschreeuw wierp het volk zich op de rollende goudstukken.
+
+Alleen Win-Seng deed het niet. Door het gedrang werd het meisje de
+sluier afgerukt en juist in dit oogenblik keek de machtige Kwo-Saing
+naar haar om.
+
+Zijn verveeld lachje verdween van zijn gelaat en in zijn oogen schoten
+lichtsprankels.
+
+Het meisje was schoon, zoo schoon, als hij nog nooit een in Peking had
+gezien.
+
+Hij zag, hoe de jongeling den sluier weer bevestigde en haar uit het
+gedrang voerde.
+
+Zachtjes riep hij den naam van een van zijn lijfwachten. Als een
+afgerichte tijger kroop de slaaf naar zijn heer toe en luisterde
+sprakeloos naar diens bevel.
+
+Terstond wenkte hij twee wachters aan zijn zijde en verdween met hen
+onder de volksmenigte, terwijl Kwo-Saing den weg naar zijn paleis
+vervolgde, thans niet meer vermoeid en onverschillig, maar met volle
+handen en opgewonden gebaren zijn muntstukken onder het volk strooiend.
+
+Kwo-Saing lachte als een plomp en dik afgodsbeeld.
+
+„Maakt plaats, maakt plaats daar, honden”, schreeuwden zijn slaven. „De
+machtige Kwo-Saing, de man die veertig draken doodde.”
+
+Zijn paleis lag dicht bij het hotel van den Franschen gezant.
+
+Men zei in Peking: „Kwo-Saing is de voornaamste onderdaan van den
+keizer. Kwo-Saing is het duurste en slechtste geld van de Russen en
+Engelschen. Want Kwo-Saing is valsch!”
+
+„Boeddha is groot en machtig!” sprak Kwo-Saing luide en op
+fluisterenden toon vervolgde hij: „Als hij verstand en macht geeft.”
+
+
+
+Win-Seng en Anitai waren kinderen van een deugniet, die alles
+verspeelde.
+
+Toen hij geen land en huis meer bezat, verkocht hij zijn veertienjarige
+dochter Anitai aan Ma-leng-sadok, een ouden theehandelaar in
+Tsien-tsin, die van den keizer, voor bewezen diensten, gedecoreerd was.
+
+Veertig dollar was de koopsom voor Anitai.
+
+Haar broeder Win-Seng hoorde van een getrouwen slaaf, dat zijn zuster
+verkocht was en bij nacht en ontij vluchtte hij met Anitai naar Peking,
+terwijl hun vader in een opiumroes lag.
+
+Ma-leng-sadok liet den oude daarom een kop kleiner maken.
+
+Win-Seng wist het, maar Anitai’s vrijheid was het hoofd van den vader
+waard, want Confucius leert:
+
+„Een speler is slechter dan een moordenaar!”
+
+Met groote moeite gelukte het den jongen man, zijn zuster en zichzelf
+buiten het volksgewoel te brengen en de stille Gezantschapstraat in te
+slaan.
+
+Deze straat stak gunstig af bij de vuile, morsige buurten der
+hoofdstad.
+
+Diepe rust heerschte hier. Het gejoel van het volk was slechts op
+verren afstand hoorbaar, als de branding der zee.
+
+De geelzijden draagstoel van Kwo-Saing was juist in het paleis
+verdwenen. Behalve Win-Seng en zijn begeleidster was er niemand te
+zien.
+
+Met onderzoekende blikken liep de jonge Chinees voorwaarts.
+
+Tien jaren waren voorbijgegaan, sinds hij als knaap met zijn moeder
+zijn oom bezocht.
+
+Slechts vaag kon hij zich het groote steenen gebouw met de
+blauw-wit-roode vlag herinneren. Zijn oom was portier van het Fransche
+gezantschap.
+
+Het was al acht uur in den avond en hij moest zich haasten om een
+onderdak te vinden.
+
+Anitai kon zich, vermoeid door de lange wandeling, nauwelijks meer op
+de been houden.
+
+Op dit oogenblik kwamen eenige krijgslieden in snellen draf aangereden.
+
+Win-Seng naderde hen en vroeg naar het huis met de blauw-wit-roode
+vlag.
+
+De grootste en zwaarst-gewapende van hen antwoordde:
+
+„Volg ons, wij gaan naar dat gebouw.”
+
+„Ik ben een bloedverwant van I-lai-ko, gij zult hem wel kennen”, sprak
+Win-Seng.
+
+„Ik ken hem en ben er trotsch op een stofje te zijn, dat hij met zijn
+voeten mag betreden. [1]
+
+„Volg mij, ik zal u geleiden, als gij een bloedverwant van I-lai-ko
+zijt”, antwoordde de soldaat en ging met zijn makkers vooraan.
+
+Win-Seng en Anitai volgden en stonden eenige oogenblikken later voor
+het paleis. De ijzeren deur werd geopend, Win-Seng zag een hal, die van
+goud schitterde.
+
+Plotseling kreeg hij een geweldigen klap op het hoofd, zoodat hij
+bewusteloos neerviel. Het laatste wat hij hoorde, was een kreet van
+Anitai.
+
+De ijzeren deur werd achter haar gesloten, twee slaven kwamen te
+voorschijn, namen den levenloozen Win-Seng op en droegen hem weg.
+
+Voor den tempel van den grijnzenden Tsai-Soi legden zij hem neer. De
+laatste stralen der ondergaande zon beschenen hem, toen de priesters
+kwamen om den slaven hun last af te nemen.
+
+„Kwo-Saing zendt u dit offer. Hij heeft een Eunuch (vrouwenbewaker)
+noodig voor den keizerlijken harem. Tsai-Soi moge zijn genade
+schenken.”
+
+Zoo spraken de slaven tot de priesters. De priesters grijnsden en
+sleepten het levenlooze lichaam van Win-Seng in den donkeren tempel.
+
+Tsai-Soi echter hurkte als een grijnzend ondier voor den ingang en
+bewaakte zijn diepste geheimen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VERIJDELDE MEISJESROOF.
+
+
+Nacht en duisternis heerschten in Peking. De maan was weer verdwenen.
+Koud woei de wind door de straten en bijna geen leven was in Peking te
+bespeuren.
+
+Alleen daar, waar het gebouw van het Engelsche gezantschap lag, was de
+straat door magnesia-fakkels verlicht en een hoop bedelaars en gepeupel
+van allerlei soort hurkte rondom de wachtende draagstoelen.
+
+Bij den Engelschen gezant was een groote avondpartij. Alle voorname
+Europeanen en andere vreemdelingen waren uitgenoodigd.
+
+Juist traden twee heeren, gevolgd door bedienden van het gezantschap,
+buiten de deur.
+
+Een van hen was een rijzige, breedgeschouderde man in zijn beste
+levensjaren, terwijl de ander klein en dierlijk gebouwd en van weinig
+opvallend uiterlijk was.
+
+Deze laatste was de Italiaansche groothandelaar Saltorelli en de ander:
+John C. Raffles, die onder den naam van een zekeren Lord Cheekman een
+pleizierreis naar China had gemaakt.
+
+Eigenlijk was het een studiereis, zooals hij, voor zijn vertrek uit
+Londen, tot zijn vriend en helper Charly Brand had gezegd.
+
+Hij wilde het terrein bestudeeren voor het uitvoeren van eenige
+meesterstukjes en nu eens de Chineesche politie in al haar
+eigenaardigheden leeren kennen.—
+
+„Wilt gij werkelijk te voet gaan, mijn beste Lord?” vroeg de koopman.
+
+„Maar waarom niet, Signor Saltorelli. Ik denk, dat de wijn en de
+gerechten zoo voortreffelijk zijn geweest, dat men een dergelijke
+kleine wandeling noodig heeft voor de spijsvertering. Ik loop dus. Het
+is niet de eerste keer en Peking is voor ons, Europeanen, veiliger dan
+Londen en Parijs.”
+
+„En toch—en toch—ik waarschuw u, mijn waarde Lord. Menigeen is hier
+verdwenen, zonder dat ooit een knoop van hem weer te voorschijn kwam.”
+
+„Kom, Signor, zoo gauw raakt men niet verloren.—Wel thuis. Morgenavond
+zal ik zoo vrij zijn, gevolg te geven aan uw uitnoodiging. Goeden
+nacht—mijn groeten aan de dames—tot weerziens!”
+
+„Wel thuis, Lord Cheekman”, riep Saltorelli hem toe van uit zijn riksha
+(tweewielig rijtuig) en bij vervolgde: „Neem in elk geval een
+fakkeldrager mee!”
+
+„Mijn sigaar geeft licht genoeg”, antwoordde Raffles.
+
+„Voorwaarts!” riep Saltorelli tot zijn dragers, „die Engelschen zijn
+eigenaardige stijf koppen.”
+
+John Raffles liep door de bedelende Chineezen door zonder notitie van
+hen te nemen. Langzaam slenterde hij de straat langs en eerst toen
+eenige bijzonder brutale kerels onder heftige bewegingen hem kash-kash
+(geld-geld) naschreeuwden en hem met een troepje volgden, zoodat de
+vieze lucht van het gepeupel hem hinderlijk werd, maakte hij een kort
+proces en deelde met zijn wandelstok eenige gevoelige slagen uit naar
+links en rechts.
+
+Dat hielp.
+
+Schreeuwend en krijschend gingen zij naar de anderen terug en John
+Raffles liep alleen de stille Gezantschapstraat verder door, om in de
+Chineesche wijk te komen.
+
+De groote onbekende had zijn intrek genomen midden in Peking. Hij wilde
+de stad en de bevolking nauwkeurig bestudeeren en dacht, dat dit in het
+Europeesche gedeelte moeilijk zou gaan.
+
+Hij woonde bij een zekeren Huen-Schang, een goudsmid. Het huis, dat hij
+bewoonde, was uiterst zindelijk.
+
+Lord Lister had op al zijn reizen nog nergens een dergelijke
+zindelijkheid aangetroffen. Het gebouw lag achter een grooten muur te
+midden van een bloeienden tuin onder oranje- en pereboomen.
+
+De ingang was langzamerhand een soort marktplaats geworden en achter
+den muur lagen werkplaatsen.
+
+Des avonds werd de bronzen poort dichtgegrendeld en het huis in den
+tuin was dan van de geheele wereld afgesloten. Een beter verblijf kon
+John Raffles zich niet wenschen. Weinig Europeanen woonden in Peking
+zoo goed als hij.
+
+Peinzend liep de groote onbekende de Gezantschapstraat door.
+
+Bij het Fransche paleis stak hij een nieuwe sigaar aan en terwijl hij
+stil stond, hoorde hij plotseling de verstikte kreten van een meisje
+uit het aangrenzende paleis van een Chinees.
+
+Een oogenblik luisterde hij—de kreten klonken als in grootsten
+doodsangst, toen werd alles weer stil.
+
+Daar klonk het weer—duidelijk hoorde hij het roepen van een naam:
+Win-Seng!—Win-Seng!—daartusschen vernam hij een scheldende, twistende
+stem.
+
+John Raffles dacht een oogenblik na, wat hij zou doen, toen ging hij,
+zonder aan het gevaar, dat misschien dreigde, te denken, naar de deur
+van het paleis en klopte daarop luid met zijn stok.
+
+Oplettend luisterend, hoorde hij, hoe daarbinnen sloffende schreden
+naderden.
+
+Hij greep naar zijn revolver en hield die gereed om te schieten.
+
+Een luikje werd geopend in de groote deur, waardoor een lichtstraal in
+de duisternis viel.
+
+In de Chineesche taal, die Raffles niet verstond, vroeg iemand, wat hij
+wenschte. Onbevreesd stelde Lord Lister onmiddellijk een wedervraag in
+het Engelsch, wat het geschreeuw te beteekenen had?
+
+„Frankenhond!” schold de portier.
+
+Geprikkeld door dezen Chineeschen vloek naderde de groote onbekende met
+een sprong het venstertje en voordat de portier het kon vermoeden,
+sloeg Raffles hem met zijn stok in het gelaat.
+
+Het gevolg hiervan was een vreeselijk geschreeuw van den portier en het
+afvuren van een pistool op Raffles.
+
+Tengevolge van de duisternis miste het schot, maar het werd nu levendig
+in het gebouw van het Fransche gezantschap en gewapende dienaren met
+lantarens snelden naar buiten.
+
+Ook in het paleis van den Chinees was alles in oproer. Kleine vensters
+werden geopend, papieren lantarens ontstoken en gewapenden snelden heen
+en weer.
+
+Meermalen werd op Raffles geschoten, maar geen enkele kogel trof hem,
+alleen een der Fransche soldaten kreeg een schampschot.
+
+De paleisbewaarder van het Fransche gezantschap trad nu naar Raffles
+toe en vroeg hem naar de oorzaak van het tumult.
+
+De groote onbekende noemde zijn naam en vertelde de reden van het
+rumoer.
+
+Of het was omdat de paleisbewaarder Kwo-Saing haatte, in elk geval hij
+begaf zich naar de poort en verlangde, dat men hem en zijn bedienden
+onmiddellijk huiszoeking zouden toestaan, bij weigering waarvan
+Kwo-Saing de gevolgen voor zijn rekening had te nemen.
+
+Raffles wist, dat dit verlangen niet gewettigd was, maar hier in dit
+land gold het steeds, zichzelf te helpen, vooral voor de Europeanen.
+
+Eenige seconden verliepen, zonder dat zich iets in het paleis bewoog,
+daarop vernam men een bevel en de poort werd geopend.
+
+Een hoop tot de tanden gewapende Chineezen stond in de vestibule.
+
+Lord Lister hield het daarom niet voor raadzaam, zich onder hen te
+begeven en sprak tot den paleisbewaarder, die tevens tolk was:
+
+„Zou het niet beter zijn, als wij die gele schurken buiten lieten
+komen?”
+
+„Volkomen mijn idee, uwe Lordschap!” antwoordde de tolk.
+
+„Naar buiten, duivelsche honden, of mijn Russische knoet zal je een
+handje helpen. Waar is Kwo-Saing, het hoofd der Pekingsche politie, de
+man, die veertig draken doodde, de grootste schurk?—Haalt hem hier! Wat
+voor een schanddaad bedrijft hij weer? Komt naar buiten!”
+
+Hij liet zijn zweep eenige keeren met forschen slag door de lucht
+zwiepen en bracht zoodoende de slaven in beweging. Mismoedig kwamen zij
+naar buiten. Hun oogen fonkelden wraaklustig tegen de gehate
+vreemdelingen. Zij gehoorzaamden slechts aan de macht en het geweld van
+de Europeanen.
+
+Op dit oogenblik verscheen ook Kwo-Saing.
+
+Met een glimlach ging hij naar den tolk en sprak in slecht Engelsch:
+
+„O, Excellentie—o, Excellentie! Welk een eer, welk een groote eer
+bewijst gij mijn nederig dak, deel te willen nemen aan mijn eenvoudig
+avondmaal! O, Excellentie, de eer zal te groot zijn; Boeddha zal er
+jaloersch op worden!”
+
+Bij die woorden hief hij beide armen op, alsof hij Boeddha wilde
+aanroepen.
+
+„Ik ben gaarne bereid, u niet verder lastig te vallen, als gij mij
+vertelt, wat de kreten, die uit uw huis weerklonken, te beteekenen
+hadden”, antwoordde Raffles.
+
+De tolk echter sneed den Chinees elk antwoord af en sprak:
+
+„Uwe Excellentie kan haar leugens wel voor zich houden en ons brengen
+waar wij moeten zijn en waar wij het verlangde kunnen vaststellen.
+Anders zal Uwe Excellentie morgen een zijden koord krijgen van den
+keizer!”
+
+Hij wenkte bij die woorden eenige Fransche soldaten en trad met hen het
+paleis binnen, terwijl hij zijn knoet dreigend voor het gelaat van den
+verschrikten Kwo-Saing hield.
+
+„Uwe Lordschap, dit is het eenige middel om iets bij dit boevenpak te
+bereiken”, riep hij tot Raffles, die buiten wachtte.—„En avant,
+vadertje mandarijn, wijs ons den weg!”
+
+Kwo-Saing strompelde onder veel buigingen en een stroom van woorden
+over de hooge eer vooruit, en Raffles zag hem in het donker van het
+paleis verdwijnen.
+
+Er verliep wel een half uur, voordat de indringers terugkwamen.
+
+Raffles hoorde het luide lachen en de schertsende woorden van den tolk.
+
+Nu was deze weer bij de poort gekomen en de bedienden sleepten een
+gesluierde vrouwengestalte met zich mede.
+
+„Hahaha, Uwe Lordschap, dat was een grap, zooals als ik er zelden een
+in Peking heb beleefd. Dien ouden vrek heb ik flink gestraft.
+
+„Eerst noodigde hij mij in zijn eetzaal, drong mij een glas saki op en
+legde daar een rol blanke dollars naast. Ik nam en sprak:
+
+„„Kwo-Saing, de plaats is leeg.”
+
+„Hij begreep—haalde een tweede—een derde—vierde—de plaats is telkens
+weer leeg.
+
+„Halt, denk ik, nu ben je er zeker van, dat de kerel een misdaad heeft
+begaan. Bij duizend dollar houdt hij op, rolt zich als een egel in zijn
+tunica en is niet meer te spreken.
+
+„Nu ga ik dus zoeken.
+
+„Bij het vrouwenvertrek wil mij een walgelijk schepsel naar de keel
+vliegen, ik sla den kerel neer, dring het vertrek binnen en vind twee
+oude vrouwen. Reeds wil ik gaan, toen ik onder de zijden kussens een
+onderdrukt snikken hoor. Ik slinger ze uit elkaar en vind dit meisje
+geboeid en met een prop in den mond.
+
+„Dat is dus de reden van het rumoer, Uw Lordschap, en daar gij bij dit
+tafereel mijn helper zijt geweest, verzoek ik u, mij het geld af te
+staan en zelf het meisje mee te nemen.
+
+„En avant! Gaat naar uw holen terug, roovers en dieven!” riep hij tot
+de Chineesche dienaren, die het bevel dadelijk opvolgden en de deur
+achter zich sloten.
+
+John Raffles dacht een paar minuten na, daarop besloot hij, het meisje
+mee te nemen naar zijn kosthuis.
+
+Hij wenschte den tolk en diens bedienden goeden nacht en legde den arm
+van het gesluierde meisje in den zijne.
+
+Hij voelde, hoe zij sidderde en beefde. Langzaam liep zij naast hem
+voort.
+
+De Franschen keken hen eenigen tijd na, opdat het tweetal niet door de
+bedienden van Kwo-Saing achtervolgd kon worden, daarop begaven ook zij
+zich weer in hun paleis terug.
+
+De straat was nu weer stil en leeg.
+
+In de reuzenstad Peking had niemand iets van het nachtelijke avontuur
+gemerkt.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE ZWARTE ROOS VAN PAI-HO.
+
+
+Raffles was met zijn beschermeling dien nacht ongehinderd thuis
+gekomen.
+
+Hij had de menschen, waar hij in huis was, gewekt en hun het meisje
+toevertrouwd, zonder dat hij haar sluier had opgelicht en haar gelaat
+had gezien.
+
+Toen hij zich omdraaide om naar zijn kamer te gaan, voelde hij, hoe
+zijn handen werden gegrepen en met heete kussen en tranen bedekt.
+
+Haastig trok hij zich terug en eerst nu kwam hij tot het besef, dat hij
+meer had gedaan dan een menschenleven gered, dat hij een ziel voor den
+zedelijken ondergang had behoed.
+
+Gekweld door onrustige droomen, sliep hij dien nacht slecht en tegen
+den morgen ontwaakte hij met het vage bewustzijn van alles wat er dien
+nacht was gebeurd.
+
+Hij had geruimen tijd noodig om zich het nachtelijk tooneel, dat voor
+hem als Europeaan zoo vreemd was, weer te binnen te roepen.
+
+Snel stond hij op, kleedde zich in een lichte tunica en klapte in de
+handen.
+
+Dadelijk werd de deur geopend en zijn huisbaas, Huen-Schang, een dikke
+Chinees in een lange, lichtblauwe kaftan, violette zijden broek en
+vreemd gevormde gele puntschoenen verscheen op den drempel, een buiging
+voor hem makende.
+
+„Wil de genadige heer, die de armoedige hut van zijn slaaf tot zijn
+woning heeft verkozen, een arm koopman de eer bewijzen het ontbijt te
+nuttigen, dat zijn karig huishouden hem kan verschaffen?” vroeg
+Huen-Schang op onderdanigen toon.
+
+John Raffles moest telkens om de bloemrijke taal van zijn gastheer
+lachen, hoewel hij de uitdrukkingen bijna uit het hoofd kende.
+
+„Graag!” antwoordde hij, een sigaar aanstekende.
+
+„O, Excellentie., ik dank u, ik zal onmiddellijk bevel geven om u te
+bedienen. De eer, die Mylord mijn ellendig dak bewijst, zal u
+duizendvoudig vergolden worden! Ik hoop, dat gij ook heden over den
+slechtsten uwer knechts tevreden zult zijn.”
+
+Hierop ging de beleefde man heen.
+
+Eenige minuten verstreken, daarop werd de deur opnieuw geopend. De
+Groote Onbekende had reeds aan zijn schrijftafel plaats genomen om te
+gaan werken.
+
+Hij hoorde, hoe het porselein op de bamboetafel klaar werd gezet, de
+aangename geur der thee prikkelde zijn reukorganen en een weeke stem
+sprak:
+
+„Heer, ik wacht op uw hooge bevelen!”
+
+Haastig keek Raffles om.
+
+Dat was niet de stem van Huen-Schang. Hij zag bij de deur in deemoedige
+houding het meisje staan, dat hij dien nacht Kwo-Saing, den chef der
+politie, had ontstolen.
+
+Ongesluierd stond zij voor hem. In den vollen glans der zon, het hoofd
+gekroond met het prachtige zwarte haar, gebogen en met de armen over de
+borst gekruist—een sierlijke kleine gestalte.
+
+Lord Lister bekeek haar opmerkzaam.
+
+Het meisje was een schoonheid, zelfs voor de meest verwende Europeesche
+oogen.
+
+„Spreek je Engelsch, mijn kind?” vroeg hij verbaasd.
+
+„Mijn moeder leerde mij die taal. Ik ben in Tai-ku geboren, een kind
+der zee. Mijn moeder bezat de mooiste bloemenboot van de Paiho-rivier.
+Ik hoorde sinds mijn kinderjaren veel vreemde talen en zing de liederen
+der vreemdelingen.”
+
+„En hoe kom jij, roos der bloemenboot, in Peking?” vroeg Raffles
+verder.
+
+„Vader heeft alles verspeeld,—de boot en moeder aan den slavenhandelaar
+Huong-bin, daarna ons huis en land en eindelijk mij, zijn eenige
+dochter. Ik heet Anitai en ik ben met mijn broeder Win-Seng gevlucht.
+Heer, mijn broeder hebben zij hier doodgeslagen. Dezelfde lieden, die
+mij gisteren roofden en uit wier handen gij mij hebt gered.
+
+„Boeddha is groot en almachtig, dat hij mij, nietig stofje, heeft
+gespaard.”
+
+„Ga zitten, mijn kind, terwijl ik eet, of, als je nog niet hebt
+ontbeten, neem dan aan mijn tafel plaats.”
+
+Met uitnoodigende handbeweging kwam de Groote Onbekende haar tegemoet.
+
+„O, heer, hoe zou ik, als slavin, aan de tafel van mijn heer mijn
+honger durven stillen, hoe zou ik durven plaats nemen en zijn genade
+verbeuren!”
+
+„Je bent niet mijn slavin, zelfs niet mijn ondergeschikte; denk, dat je
+mijn gast bent, neem dus plaats en deel mijn maaltijd met mij.”
+
+„Heer, gij beveelt en u behoort mijn leven. Maar aan uw tafel mag ik
+niet gaan zitten, want gij zoudt mij daardoor die plaats voor eeuwig
+geven.
+
+„Boeddha zou vertoornd op mij zijn en Punkuwong, de schepper der
+wereld, zou mij haten, wanneer ik mij aan uwe zijde zou neerzetten
+zonder uw hart te bezitten.”
+
+„Maar Anitai”, sprak Raffles zacht en met een glimlach, „dat is niet
+juist gesproken en gedacht. Onze gebruiken zijn anders en als ik je
+verzoek, iets te doen, dan zal ik dat verantwoorden tegenover Boeddha
+en Punkuwong. Mijn godsdienst staat je toe om te doen wat ik zeg.”
+
+„Ja, ja, dat geloof ik, heer. Maar Confucius is ouder en heiliger in
+zijn leer dan de verlosser van het avondland. Ik heb onderricht gehad
+bij de monniken van het Sinkloster en ik weet, dat Confucius zeshonderd
+jaar eerder kwam en de geboden van Boeddha verkondigde. Daarom, heer,
+vergeef mij, als ik mij aan mijn zeden houd.”
+
+Raffles begreep, dat het vergeefsche moeite zou zijn, haar te bewegen,
+den maaltijd met hem te gebruiken en hij nam dus alleen plaats.
+
+Zoo sierlijk was de tafel nog geen enkelen keer voor hem gedekt
+geweest.
+
+Welriekende bloemen waren hier en daar neergezet en alles getuigde van
+goeden smaak.
+
+Zwijgend en snel at hij. Daarna stond hij op, liet Huen-Schang bij zich
+komen en gaf hem de opdracht, een draagstoel te bestellen.
+
+Anitai bracht het theeservies weg, daarop kwam zij weer terug en bleef
+in dezelfde deemoedige houding bij de deur staan.
+
+John Raffles, die zich in het aangrenzende vertrek kleedde, keek een
+tijdlang naar het meisje. Deze onderdanigheid was hem pijnlijk en hij
+besloot, haar vertrouwelijker te maken door haar een gouden haarkam te
+geven.
+
+„Anitai!” riep hij.
+
+„Ja heer, ik kom. Wat beveelt de heer?”
+
+„Je zingt, zooals je mij hebt verteld.”
+
+„Ja, heer.”
+
+Voor het eerst keek hij haar in de oogen. Fluweel-zwart, met een
+geheimzinnigen glans keken zij hem aan.
+
+Hij kon zijn blik niet afwenden en keek, als in een roes, in de groote,
+zwarte, geheimzinnige Oostersche sterren.
+
+„Zing een lied voor mij”, verzocht hij, „dan zal ik je als belooning
+deze gouden kam geven en in je haar steken.”
+
+Met een vreemd, deemoedig glimlachje keek Anitai hem aan en liet toe,
+dat Raffles een zware gouden kam in haar volle, prachtige, gitzwarte
+haren stak.
+
+„Je bent schoon, schoon als de zon—de koningin van het oosten”,
+fluisterde Raffles en keerde zich daarop als verschrikt over zijn eigen
+woorden van het meisje af.
+
+„Heer, wat zegt gij? Ik begrijp uw woorden niet, maar zij klinken als
+uit een sprookje van Tufu of Pe-ku-li.”
+
+Raffles had intusschen een koffer geopend, die veel voortbrengselen van
+het hemelsche rijk, welke hij had gekocht, bevatte.
+
+Hij nam er een paar sierlijke muiltjes en een zijden, met goud bestikte
+kassawaika uit en spreidde die voor Anitai uit.
+
+„Tooi je hiermee, Anitai, ik wil je beschouwen als een meesteres en
+mijn dwaasheid moge een verontschuldiging vinden in je
+onvergelijkelijke lieftalligheid en bekoring.”
+
+De oogen van het meisje glansden als het morgenlicht op donkere
+wateren, een gelukkig lachje omspeelde haar wangen en zij sloeg de
+blikken neer naar den grond, waar de glinsterende kassawaika lag, het
+rijke gewaad eener vorstin.
+
+Raffles echter, de koele Europeaan, keek voor het eerst sinds vele
+jaren met stralende blikken naar het beschroomde, lieftallige gelaat
+van een jong meisje en genoot van haar schoonheid.
+
+„Ik zal Huen-Schang vertellen, hoe hij zich tegenover je te gedragen
+heeft. Wacht mij tegen den middag terug; opdat je niet geheel en al
+onbeschermd achterblijft, geef ik je deze kleine revolver. Bewaar haar
+goed.”
+
+Hij gaf haar het wapen en liet haar alleen.
+
+Met een vreemde gewaarwording keek Anitai hem na.
+
+Een rilling liep langs haar lichaam. Had zij gedroomd?
+
+Neen! In heur haar stak een gouden naald en aan haar voeten ritselde de
+kassawaika.
+
+Neen, zij had niet gedroomd!
+
+De trotsche, sterke vreemdeling had haar tot meesteres verheven. Tot
+meesteres, omdat zij, zooals hij vertelde, zoo schoon was als de zon!
+
+Met schitterende oogen nam zij het gewaad van den vloer op.
+
+De kleine kamers geleken haar een heiligdom. Zij voelde nog de
+nabijheid van den fieren man, dien zij onderdanig wilde zijn, als een
+slavin, maar tevens als een koningin.
+
+Zij wist, dat, wanneer de avondschaduwen neerdaalden en de maan
+groetend achter de hooge boomen zou opkomen, als de nachtegalen hun
+lied zouden kweelen en de bloemen haar bedwelmende geuren in de zoele
+lucht zonden,—dat dan hij terug zou keeren en zij hem zou mogen dienen,
+als een koningin—als een slavin.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN HANENGEVECHT.
+
+
+In de Thu-lin-straat, tegen den muur van het keizerlijk paleis,
+bevonden zich eenige door vreemdelingen dikwijls bezochte theehuizen en
+een koffiehuis, door een Maleier opgericht en dat „De vliegende zwaan”
+heette. Het reusachtige dier, dat boven den gevel prijkte, kon echter
+evengoed een groote kangoeroe als een kameel voorstellen, maar geen
+zwaan.
+
+Het huis was grooter en hooger dan het aangrenzende. Naast de
+zuilengalerijen, waarin de koffietafeltjes en zitplaatsen waren,
+bevonden zich winkels, waar alle denkbare Europeesche voorwerpen te
+krijgen waren.
+
+Hier concentreerde zich voor een groot gedeelte het leven der
+keizerlijke beambten.
+
+De menschen, die vroeger in groote afgetrokkenheid in het paleis
+leefden, waren door de Europeanen er langzaam toe gebracht, dit leven
+te veranderen en daar de blanken bij voorkeur dit koffiehuis bezochten,
+waren ook zij er heen gegaan en konden zich ten slotte hun leven niet
+meer er zonder denken.
+
+Hier werden nieuwtjes verteld, die de Pekingsche courant niet kon
+opnemen, hier werd er steeds door hanen- en sprinkhanengevechten voor
+gezorgd, dat de verveling niet de overhand kreeg.
+
+Een groot plein grensde aan het gebouw en hier hadden zich eenige
+groepjes verzameld om naar een hanengevecht te kijken.
+
+Onder de aanwezigen bevond zich ook de Italiaansche groothandelaar
+Saltorelli en zijn zakenvriend Raffles, vergezeld door een voornamen
+Chinees.
+
+Behalve hen was er nog een groot aantal toeschouwers aanwezig. Wel een
+half dozijn soldaten van verschillende gezantschappen, eenige
+Europeanen met slappe, vermoeide trekken, lieden, die tot de dienaren
+van een der paleizen behoorden, koelies, palankijndragers en bedelaars.
+
+Een oorverdoovend geschreeuw, gelach en handgeklap vervulde de lucht.
+
+„Dertig op den witkop!” schreeuwde een Fransch soldaat tot een
+Engelschen.
+
+„Vijftig er tegen; halt Lorming, halt! Ik verwed nog een flesch saki
+erbij, dat de roodkop het zal winnen!” riep de Engelschman. „Goddam, ik
+draai dat satansbeest den nek om, als het niet wint.”
+
+„My, My, kittel hem toch met een mes onder de veeren, om hem een beetje
+levendiger te maken. Je hanen zijn sufferds, evenals je zelf, Tsin-kar,
+vervloekte slaapkoppen!” riep een Hollander.
+
+„Laat ze dan braden!” sprak de Chinees en had door die woorden de
+lachers op zijn zijde.
+
+De beide kemphanen, die met steile veeren tegenover elkaar stonden,
+waren een paar zeldzaam mooie dieren.
+
+Het eene goudrood, het andere geelwit met een blauwachtig glanzenden
+staart. Beide hanen waren krachtig gebouwd en ieder droeg aan zijn
+rechterpoot een klein, vlijmscherp geslepen spoor.
+
+Aan beide zijden van de kampplaats hurkten met geopende zakken en
+scherpe, dolkachtige messen in de hand, de eigenaren der dieren, twee
+halfnaakte Chineezen, die de gevederde vechtersbazen met hun geschreeuw
+en messteken tot woede prikkelden.
+
+Maar de vogels schenen minder bloeddorstig te zijn dan de toeschouwers.
+Zij liepen heen en weer, fladderden af en toe tegen elkaar op, maar
+bleven over en weer tamelijk vredelievend.
+
+Dit ergerde de toeschouwers. De soldaten hadden talrijke weddenschappen
+gesloten, de meesten van hen schenen reeds dronken te zijn, want zij
+raasden en tierden zoo dat men het op straat kon hooren. Zij
+gesticuleerden als waanzinnig en deden alsof zij de baas waren.
+
+Door de vreedzame stemming der hanen geraakten zij hoe langer hoe meer
+in woede.
+
+„Diable, als het nu niet gauw begint, draai ik de vogels den nek om!”
+riep de Franschman.
+
+Een tweede, die naast hem zat, stond op en sprak:
+
+„Vriend, wij zullen zelf eens een handje helpen.”
+
+Hij trok zijn bajonet en boorde de punt tusschen de veeren van den
+witten haan.
+
+De pijniging was zoo groot, dat het gekwelde dier opsprong en den eenen
+Chinees naar het hoofd vloog.
+
+Een brullend gelach der soldaten weerklonk, terwijl de Chinees den
+fladderenden haan trachtte af te weren.
+
+De Chineezen schreeuwden en scholden en om nog meer pret te hebben,
+stiet de Fransche soldaat opnieuw naar den haan, zoodat hij nu met
+bloedig gekleurde veeren op den grond lag.
+
+„Hola, witkop, hola,—vooruit!” riep een andere soldaat.
+
+John Raffles, geërgerd door de brutaliteit van den Franschman, die het
+dier opnieuw wilde pijnigen, trad naar hem toe en sprak op bevelenden
+toon:
+
+„Berg onmiddellijk uw wapen op!”
+
+„Oho!” riep de soldaat opspringend, terwijl zijn door den drank
+roodgekleurde oogen Raffles vol woede aankeken, „wat beteekent dat? Wie
+zijt gij? Wat wilt gij—mij bevelen geven?”
+
+„Ja, ik zal u beletten, de dieren verder te mishandelen”, sprak Lord
+Lister met ernstige stem.
+
+„Gij—gij—keer u om, als het u niet bevalt, vervloekte Engelschman!”
+
+„Goddam, jij Fransch canaille!” riep nu een der Engelsche soldaten
+woedend uit, geprikkeld door die woorden. „Ik zal je met je eigen
+bajonet tot plumpudding slaan, als je nu je mond niet houdt!”
+
+„Mille tonnerres, wat wil die brutale Chamberlain?”
+
+„Weg met de Engelsche bloedhonden!” riepen de Franschen woedend uit.
+
+Wel een dozijn soldaten schreeuwden nu door elkaar, trokken de sabels
+en wilden gaan vechten.
+
+Reeds wilden de Chineezen angstig vluchten, toen de woede der
+twistenden door de hanen werd afgeleid, die plotseling op elkaar
+aanvielen en elkaar kam en borst met de snavels openreten.
+
+Alle twist was onmiddellijk gestaakt.
+
+Nu gold aller belangstelling welke der beide hanen wel zou overwinnen.
+
+„Hiep, hiep, hoera!—de witkop wint!”
+
+„Doe je best, doe je best, roode!—Zoo is het goed!”
+
+„Gebruik je spoor, gele—hoera, prachtig!”
+
+„Nog dertig op den gele!”
+
+„Veertig op den roode!”
+
+„Zestig op den gele!”
+
+„Wil je wel eens, beest, gauw wat! Je vecht voor mijn geheele
+maandgeld!”
+
+De omstanders vochten bijna mee, hun oogen glinsterden koortsachtig.—De
+roode won.
+
+De gele trachtte met matte vleugelslagen te vluchten.
+
+De Chineezen snelden schreeuwend nader en vingen de bloedende dieren in
+hun zakken.
+
+De soldaten betaalden hun weddenschappen, lachend streken de winners
+het geld op, met vloekwoorden gaven de verliezers het af.
+
+Saltorelli ging met Raffles in het koffiehuis.
+
+De door Raffles terechtgewezen soldaat schreeuwde hen na:
+
+„Wij zien elkaar weer!”
+
+„Gij hebt u een vijand bezorgd ter wille van een kleinigheid, beste
+Lord”, sprak Saltorelli en voegde er bij: „Gij schijnt niet bang te
+zijn voor China?”
+
+„Ik ben alleen bang voor mijn vrienden”, glimlachte Raffles met den
+blik van een philosoof.
+
+Op dit oogenblik naderde een voorname Chinees, vergezeld door
+verschillende waardigheidsbekleeders, Signor Saltorelli en begroette
+hem en de Italiaan nam de gelegenheid waar om Raffles voor te stellen.
+
+Het was prins Thun, de meest gehate man in China!
+
+Dat wil zeggen, niet gehaat door het volk of de Mandarijnen, maar door
+keizerin Tsu-si en haar vertrouwden, aan wier spits prins Tuan staat.
+
+Zij vreest prins Thun, omdat hij na den dood van de keizerin en van den
+jongen keizer, voor wien de keizerin-moeder het bewind voert, de
+eventueele troonopvolger wordt.
+
+De prins had in Europa gestudeerd en stond bekend als bijzonder
+vriendelijk jegens vreemdelingen.
+
+Sinds drie jaar was hij voor den tweeden keer getrouwd met de dochter
+van een Mandarijn. Het huwelijk was geheel uit liefde gesloten. Zijn
+eerste vrouw, een prinses, was na de geboorte van een zoon gestorven.
+Pu-Hi was diens naam.
+
+De tokolieden en arbeiders spreken nog altijd van de geweldige pracht
+der huwelijksfeesten, van den hoogen, breedgetakten olijfboom, wiens
+takken tot aan de uiteinden met goudstukken waren behangen. Alles
+knielde voor dit zinnebeeld van sterke vruchtbaarheid en beroemde
+nakomelingschap.
+
+Zijn tegenwoordige vrouw, Wandé, was de dochter van een mandarijn van
+de eerste klasse, beschaafd en zeer geleerd.
+
+Behalve de kunst van borduren, kon zij drieduizend letters teekenen,
+kende de geboden van Boeddha, de wijze spreuken van Confucius en zong
+met welluidende, zoete stem schoone liederen bij de gitaar.
+
+Wandé is schoon als de leliën op het veld.
+
+Haar lichaam vertoonde sierlijke, slanke vormen. Op den fijngevormden
+zwanenhals droeg zij het schoone kopje gracieus en sierlijk.
+
+Altijd is zij gekleed in witte zijde, geborduurd met groote roode
+koelewangbloemen.
+
+Haar kapsel is geheel Europeesch en versierd met schitterende spelden.
+Haar tanden zijn volkomen gaaf, wit en klein, als glinsterende
+rijstkorrels; want zij kauwt niet, zooals de andere vrouwen, roode
+sirih. Zij houdt van de vrouwen der blanke vreemdelingen en tooit zich
+zooals zij dat doen.
+
+Prins Thun zou de gelukkigste aller stervelingen zijn, als ook Wandé
+moeder werd van een zoon. Maar de arme, rijke Wandé heeft de met goud
+behangen olijfboom weinig geholpen.
+
+Tsai-Soi, de lentegod, en Choang-Wong-Ja, de god der vruchtbaarheid,
+hooren haar smeekbeden zwijgend aan.
+
+Met droevige gedachten en glimlachend gelaat wandelt de prinses
+daarheen en als zij bij zonsondergang in haar purperen palankijn het
+paleis verlaat en door haar bedienden door de drukke straten wordt
+gedragen, dan weent zij achter de zijden gordijnen van haar draagstoel
+bittere tranen, bij het zien van de kleine, aardige jongens van
+gelukkige moeders.
+
+De armste vrouw in het Hemelsche Rijk is rijker dan de rijkste vrouw
+van den machtigsten man.—
+
+Haar hart is vervuld van bitterheid, als zij in het paleis het
+vroolijke lachen hoort van Pu-Yis, den zoon der overleden gade van den
+prins, als zij ziet, hoe de vader vol trots naar hem kijkt en haar met
+een smartelijken blik gadeslaat.
+
+Hij weet, dat het geluk hem ontzegd is, nog een zoon te bezitten.
+
+Zij echter gelooft aan haar schuld.
+
+Hoeveel zonneschijn en geluk zou Boeddha in haar schitterend paleis
+tooveren door zulk een klein, geel kindergezichtje!
+
+Tevergeefs!
+
+Nu heeft eindelijk de opperpriester van Tsai-Soi, den machtigen
+lentegod, haar beloofd, den vloek van haar hoofd weg te nemen.
+
+Rijke offers en waardevolle geschenken moet zij geven. Zij wil liever
+arm zijn, dan de liefde van haar echtgenoot te verliezen.— — —
+
+Het verlangen van den prins naar een zoon van de geliefde vrouw had
+prins Tuan aan de keizerin medegedeeld en in hun haat smeedden zij een
+duivelsch plan, om prins Thun doodelijk te wonden.
+
+De keizerin beval den opperpriester van den tempel van Tsai-Soi bij
+zich en gaf hem een opdracht, zooals die niet gemeener bedacht had
+kunnen worden.
+
+De opperpriester was een aanhanger van de Ming-partij en als zoodanig
+haatte hij Thun, die de door hem verafschuwde Tsingdynastie en
+vreemdelingenheerschappij beschermde.
+
+Met zijn vrouw wilde hij hem straffen, zij zou hem een zoon schenken en
+prins Thun zou onteerd zijn, een bastaard bezitten. De geheimen van den
+tempel Tsai-Soi zouden haar doen vallen en den dood in zijn hart
+brengen.— —
+
+Wandé was in den tempel om te offeren.
+
+Zij verbrandde goudpapier en welriekende kaarsen voor het plompe,
+grijnzende afgodsbeeld, en haar gebed, dat zij telkens herhaalde,
+luidde:
+
+„Machtige Tsai-Soi, zend het geluk tot mij en maak mijn deemoedig hart
+gelukkig door het bezit van een zoon.”
+
+Daar naderde haar de opperpriester Kusam en sprak:
+
+„Hebt gij de offers gebracht, die Tsai-Soi wenschte?”
+
+Wandé antwoordde met zachte stem:
+
+„Ja!”
+
+„Zoo volg mij dan en neem mijn hand.”
+
+Sidderend volgde de prinses en liep om het afgodsbeeld naar een met
+zuilen versierde ruimte.
+
+Het was hier schemerdonker, de muren waren vol gouden inschriften en
+grillige beelden stonden overal. Hier en daar prijkten afgodsbeelden
+met duivelachtig verwrongen trekken. Geheel op den achtergrond, geheel
+in het donker, bevond zich een blok.
+
+Daarheen begaven zich de twee en Kusam beval de prinses te knielen.
+
+Angstig gehoorzaamde Wande en nu zag zij, dat voor haar een holte in
+het blok was uitgehouwen, in den vorm van een menschelijk lichaam.
+
+Daarnaast stond het metalen afgodsbeeld van Tsai-Soi.
+
+Kusam verbrandde den inhoud van een wierooksvat, bedwelmende,
+blauwachtige rookwolken stegen op en Wandé zag, hoe de priester een
+afschuwelijk zwart masker voor het gelaat deed.
+
+Naar haar toe gebogen mompelde hij vreemde woorden en verdoofd door den
+damp van den wierook, zonk zij bewusteloos op het blok neer.
+
+Onmiddellijk doofde Kusam met een demonisch lachje de wierookvlam,
+sloeg op een koperen gong en eenige priesters snelden naderbij.
+
+De opperpriester sprak tot hen:
+
+„Daar ligt de vrouw van onzen grootsten vijand, prins Thun, die door
+Boeddha voor zijn ongehoorzaamheid wordt gestraft, door hem geen
+verdere erfgenamen te geven.
+
+„Zij echter wil de genade van Tsai-Soi deelachtig worden. Legt haar op
+het offerblok en voert Win-Seng, het slachtoffer van Kwo-Saing, tot
+haar. Hij moet de schande van Thun met zijn leven bezegelen.”
+
+De opperpriesters sleurden de ongelukkige, bewustelooze vrouw naar den
+offersteen van Tsai-Soi en Win-Seng werd binnengebracht.
+
+Door de belofte van Kusam om hem zijn vrijheid terug te geven en het
+drinken van een geheimen, verhittenden drank, werd hij een gewillig
+werktuig van den machtigen Tsai-Soi en tot beul van de eer van prins
+Thun.
+
+
+
+Een maand daarna verlangde prins Thun van den tempel van Tsai-Soi een
+vrouwenbewaker, omdat hij reden had om zijn eer te bewaken.
+
+A-si-bar, de groote Boeddhapriester, troostte hem met de woorden:
+
+„De wijze schikt zich in zijn noodlot, zooals het water in den vorm van
+een vat.”
+
+„Ik zou het verdragen, wijze priester, wanneer niet mijn vijanden nu
+over mijn eer en mijn hart te gebieden hadden”, antwoordde prins Thun
+met toornige stem.
+
+„Hoon Tsai-Soi en zijn priesters niet! Heeft hij u met schande
+gezegend, wend u dan tot Boeddha, maar niet tot de menschen.”
+
+In dit oogenblik traden twee opperpriesters binnen en voerden een
+gesluierden slaaf met zich mee.
+
+Diep bogen zij voor den machtigen prins en brachten hem den
+vrouwenbewaker.
+
+De prins beval den slaaf te ontsluieren en hij zag een jongeling van
+twintig jaar. Het was de ongelukkige Win-Seng.
+
+De priesters openden hem den mond en lieten zien, dat zijn tong was
+uitgerukt.—Win-Seng was stom.
+
+Dadelijk daarop ging de Boeddha-priester heen en Win-Seng stond alleen
+voor zijn machtigen heer, die hem met een blik vol argwaan opnam.
+
+Eindelijk maakte prins Thun een eind aan het zwijgen en vroeg:
+
+„Hoe komt het, dat gij een slachtoffer van Tsai-Soi geworden zijt?”
+
+Win-Seng duidde door gebaren aan, dat hij door geweld zoover was
+gebracht.
+
+„Dus je haat de priesters?” vroeg prins Thun.
+
+Het antwoord hierop gaven hem Win-Seng’s oogen, die fonkelden van haat,
+toen hij de vraag door met het hoofd te knikken bevestigend
+beantwoordde.
+
+„Ik zal je de gelegenheid geven, als je mij trouw bent, je te wreken.
+Volg mij!”
+
+Prins Thun bracht hem naar de vertrekken van Wandé.
+
+Op zijden kussens lag zij daar, droomend in het maanlicht starend.
+
+„Ga vooruit!” beval prins Thun en Win-Seng trad aan de legerstede der
+jonge vrouw.
+
+De zilveren stralen van de maan beschenen de tengere gestalte der
+schoone vrouw en weerspiegelden zich in de kostbare steenen, die zij om
+den hals droeg.
+
+Zoodra zij Win-Seng zag, sprong zij vol ontzetting van haar legerstede
+op en zonk op haar knieën.
+
+„Tsai-Soi! Almachtige! Heb erbarmen met mij!” riep zij met opgeheven
+armen.
+
+Win-Seng keek haar aan en deinsde verschrikt terug.—
+
+Hij herkende haar.
+
+Prins Thun echter doorzag in dit oogenblik het schandelijke werk der
+Tsai-Soi-priesters en vroeg Win-Seng met dreigende stem:
+
+„Kent gij haar?”
+
+Een bevestigend knikje volgde.
+
+Eenige seconden heerschte een dof, drukkend stilzwijgen in het vertrek.
+
+„Was zij je slachtoffer, schurk, in den tempel van die honden?”
+
+Met van woede verwrongen gelaat schreeuwde prins Thun en greep naar
+zijn scherpgeslepen zwaard.
+
+Win-Seng, die den dood een uitkomst vond, ontblootte gelaten zijn hals
+voor het doodend wapen en gaf een toestemmend teeken.
+
+Met een kreet, als van een ten doode gefolterd wezen, ontving prins
+Thun het antwoord van den slaaf en vol ontzetting schreeuwde hij:
+
+„Honden!—honden! Gij hebt mijn hart gebroken. Daarvoor zal ik u ten
+verderve brengen. Ik heb je bemind, Wandé, als een godin van goedheid,
+schoonheid en deugd!
+
+„Nu verscheur ik mijn kleeren, nu zal ik mijn hoofd in zak en assche
+verbergen.—
+
+„Punkuwong heeft mij het hart uit de borst gescheurd en jou onteerd.
+Voortaan zal ik als een eenzame ronddolen. Mijn smart zal tot in de
+wolken dringen en tot in het midden der aarde reiken.
+
+„Wandé—Wandé—waarom voerde het noodlot je naar de priesters! Bijgeloof
+en waanzin!—
+
+„De vreemde blanke duivels hebben gelijk, als zij zeggen, dat wij een
+doode massa zijn. Onze priesters—onze doodgravers!—Honden!—Ik zweer het
+bij Boeddha, ik zal uw tempels slechten en deze steden en menschen tot
+stof vertrappen, want gij hebt mij in uw waanwijsheid alles, alles
+geroofd!—
+
+„Sta op, slaaf. Gij draagt de eer van prins Thun, van den machtigsten
+generaal in dit Rijk en ik wil je niet dooden, want je bent door Wandé
+en mijn eer geheiligd. Je leven behoort voortaan deze vrouw.—
+
+„Wandé—wreek jezelf en mij, als je voortaan nog de vrouw van prins Thun
+wilt heeten!”
+
+Met deze woorden snelde de edele Chinees heen.—
+
+Win-Seng stond op. Het was hem vreemd te moede.
+
+De woorden van den prins hadden hem verward.
+
+Daar hoorde hij plotseling, hoe Wandé op klagenden toon sprak:
+
+„De beschermer van mijn jeugd en schoonheid heeft mij verlaten. Mijn
+geloof is op een schandelijke wijze bedrogen, het is mij, alsof ik in
+duizend scherven was gevallen. Mijn ziel is vervuld van schrijnend wee,
+mijn oogen zijn vol tranen.
+
+„Ea-saa-bar, mijn overleden vader, neem mij tot u; het leven is niets
+dan ongeluk en teleurstelling.”
+
+Zij hield de slanke handen voor het gelaat en weende bitter.
+
+Win-Seng wist geen troost voor zulk een groot verdriet. Zachtjes sloop
+hij uit het vertrek in een aangrenzende kamer en legde zich rillend van
+ontroering op het tapijt neer.—
+
+Nu was de prinses alleen.
+
+Urenlang hoorde Win-Seng haar weenen, eindelijk hoorde hij het niet
+meer en viel in een diepen slaap.
+
+Zoo gingen de uren voorbij; ten slotte stond de prinses op, schudde als
+gedachtenloos haar lange zijden haren uit het rood-geweende gelaat en
+vouwde wanhopig de handen, als een ten doode gekweld wild om zich heen
+kijkend.
+
+Eindelijk scheen zij weer tot het bewustzijn van haar toestand te
+komen. Zij ging naar een hoek van het vertrek, waar een groot,
+porseleinen afgodenbeeld van Tsai-Soi stond. Met haar zwakke krachten
+sleurde zij het naar den grond, zoodat het in duizend stukken brak.
+
+Door het geluid gewekt, sprong Win-Seng verschrikt van de mat op en
+luisterde eenige minuten, daarop maakte de slaap zich weer van hem
+meester.
+
+Kort daarna sloeg Wandé het gordijn van paarlen, dat voor zijn kamer
+hing, opzij en zacht sloop zij naar de rustplaats van den ongelukkige,
+die als een marmeren beeld in het licht der maan neerlag.
+
+De zwarte oogen der prinses fonkelden, toen zij op hem neerzag. Daarop
+gleed een waanzinnig lachje om haar mond, zij boog zich over hem heen
+en kuste hem.
+
+Win-Seng glimlachte in den droom; het was hem, als speelde hij met
+Anitai op een weide vol bloemen. Vermoeid van hun kinderlijk spel
+rustten zij. Uit de verte klonk trompetgeschal tot hen door—en Anitai
+kuste hem.
+
+Wandé knielde naast hem en zong zachtjes een lied.
+
+Daarop trok zij de met goud gestikte kassawaika open en haalde van haar
+borst een dolk te voorschijn.
+
+Voorzichtig opende zij de tunica van Win-Seng.
+
+Zacht, als streelend, zocht haar hand zijn hart.
+
+Zij kuste het scherpe staal en hief de hand op om het wapen in de borst
+van den slaper te stooten.
+
+Plotseling opende hij de oogen en keek met een glimlach naar Wandé.
+
+Hij geloofde, dat zij Anitai was.
+
+Maar als gloeiende doodslampen fonkelden de oogen der prinses en
+slaapdronken sloot hij de zijne opnieuw.
+
+En weer hief Wandé den dolk op.
+
+Een geritsel aan het paarlengordijn schrikte haar op.
+
+Met een kreet stond zij op en staarde naar een vreemdeling—een blanke
+duivel, die op geheimzinnige wijze het vertrek was binnengekomen.
+
+De vreemdeling trad nader.
+
+„Waarom wildet gij dien ongelukkige dooden? Heeft hij u kwaad gedaan?”
+fluisterden zijn lippen.
+
+Wandé balde de vuisten.
+
+„Ja, hij overlaadde mij in den tempel van Tsai-Soi met smaad en
+schande. Ik werd zijn slachtoffer.”
+
+„Hoe moet ik dat begrijpen?”
+
+„Ik bracht den lentegod offers opdat hij mij een zoon zou schenken. De
+priesters verdoofden mij en...” zij zweeg blozend en vervolgde daarna
+zuchtend:
+
+„De lentegod verhoorde mijn bede, maar hij druppelde wanhoop en dood in
+mijn hart.
+
+„De priesters zijn vrienden van de keizerin, daaraan heb ik niet
+gedacht en de keizerin haat mijn echtgenoot, prins Thun.”
+
+„Ik ken de duivelsche streken der priesters, maar beloof mij, prinses,
+dat gij dien ongelukkige en uzelf geen leed zult doen, voordat ik met
+uw echtgenoot heb gesproken. Wijs mij den weg naar hem!”
+
+Wandé sprak:
+
+„Ga de gang links door. Daar zult gij een gewapenden slaaf op een
+rieten mat voor het slaapvertrek van mijn heer vinden. Zeg hem, dat gij
+den prins wenscht te spreken.”
+
+De vreemdeling dankte en verliet het vertrek.
+
+Als een groote hond sprong de slaaf op, toen hij den vreemdeling zag
+aankomen en met opgeheven zwaard wilde hij zich op hem werpen.
+
+De vreemdeling echter maakte een gebiedende handbeweging en sprak:
+
+„Wek prins Thun, ik moet hem dringend spreken.”
+
+Hierop verdween de slaaf om eenige oogenblikken later den bezoeker in
+het slaapvertrek van den prins te brengen.
+
+Prins Thun had zich van zijn legerstede opgericht en keek den
+binnenkomende verbaasd aan.
+
+Hij herkende hem dadelijk.
+
+„Wat wenscht gij, Lord Cheekman, dat gij mij op dit ongewone uur
+bezoekt?”
+
+„Ja”, antwoordde Raffles, „iets zeer buitengewoons. Ik zal u een
+vreemde geschiedenis vertellen.”
+
+Met een handbeweging noodigde de prins den grooten onbekende om plaats
+te nemen en Raffles begon de geschiedenis van Anitai en Win-Seng te
+vertellen.
+
+„Mijn kostheer, Huen-Schang, een goudsmid, heeft een broeder, die
+tempelwachter in den tempel van Tsai-Soi is. Hij vertelde mijn gastheer
+de geschiedenis van de intrigue der keizerin tegen uw echtgenoote. Een
+zeldzaam toeval bracht den broeder van de door mij geredde Anitai in
+nauw verband tot de gebeurtenissen.
+
+„Kwo-Saing, de man, die veertig draken doodde, de machtige politiechef
+van Peking, heeft Win-Seng overgeleverd aan de priesters van Tsai-Soi,
+deze hebben hem in een toestand van opgewondenheid gebruikt om de
+misdaad tegen uw echtgenoote te plegen en hem daarna voor eeuwig stom
+gemaakt.
+
+„Eenige uren geleden vernam ik, dat deze ongelukkige in uw huis is
+gebracht als vrouwenbewaker. Verdere onheilen voor u, prins Thun,
+vreezend, snelde ik hierheen om u alles mede te deelen en het toeval
+was mij gunstig.—
+
+„Toen ik eenige minuten geleden zonder uw huis te kennen hier kwam en
+de kamer van uw echtgenoote binnentrad, kon ik nog juist verhinderen,
+dat zij zichzelf en den ongelukkige doodde.
+
+„Troost uw echtgenoote, prins Thun, laat haar niet aan haar wanhoop
+over, dat offer zou te groot zijn!”
+
+De edele Chinees sprong op.
+
+Hij vatte de hand van John Raffles, drukte deze en riep uit:
+
+„Ik dank u, Lord Cheekman, gij zijt de eerste ware vriend, dien ik in
+mijn leven heb leeren kennen. Gij hebt gelijk, mijn echtgenoote mag
+niet het slachtoffer van die schurken worden, maar die ellendelingen
+zullen mijn wraak voelen.”
+
+„Haat de keizerin u?” vroeg de Groote Onbekende.
+
+Een bitter lachje speelde om den mond van den prins.
+
+„Ja, omdat ik vriendelijk ben tegen de vreemdelingen en mijn best doe
+om zooveel mogelijk om mij heen te verbeteren. Zij vreezen, dat ik hun
+gunsteling, prins Tuan, denzelfden prins, door wiens toedoen de
+Duitsche gezant werd vermoord, dat ik dezen wreeden, tyrannieken mensch
+met mijn aanhangers zal doen vallen om den troon te veroveren voor mijn
+zoon, Pu-Yi.
+
+„Daarom haat de keizerin mij als haar ergsten vijand en meer dan eens
+ben ik ternauwernood aan haar sluipmoordenaars ontkomen.”
+
+Met sombere blikken, de armen gekruist over de borst, stond de prins
+eenige oogenblikken voor Raffles, daarop rekte hij zijn hooge, breede
+gestalte uit, stak Raffles zijn hand toe en sprak:
+
+„Laat ons vrienden zijn. En mocht het geluk willen, dat ik den troon
+van dit Rijk voor mijn zoon verover, dan staat al mijn macht tot uw
+dienst.”
+
+Beide mannen reikten elkaar de handen en bezegelden hun
+vriendschapsverbond door een stevigen handdruk. Daarop kuste de prins
+Raffles op het voorhoofd en liet hem door zijn slaven naar de
+logeervertrekken van het paleis brengen.
+
+Prins Thun echter begaf zich naar Wandé en troostte haar.
+
+In dezen nacht werd over het lot van China beslist.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE HEKS VAN PEKING.
+
+
+Prins Tuan, de eerste onderkoning en plaatsvervanger van den keizer,
+had vele vrouwen, maar geen harer vond hij werkelijk schoon en
+begeerlijk.
+
+De machthebber was het geheime oog, het oor en de mond van de
+keizerin-regentes Tsi-si, voor den jongen, minderjarigen keizer.
+
+Het leven in het paleis ging zijn eentonigen gang, de verveling drukte
+den prins, hij verlangde naar nieuwe, vreemde emoties.
+
+Daarom verzamelde hij zijn eunuchen en mandarijnen om zich heen, die,
+op den grond liggend, naar zijn bevelen luisterden.
+
+Ademlooze stilte heerschte in den kring, toen hij sprak:
+
+„Ik beveel u, mij de meest volmaakte schoonheid van het geheele Rijk te
+brengen. Toont gehoorzaamheid en handelt. Wie van u mijn bevel
+uitvoert, zal een rijke belooning krijgen, wie ongehoorzaam is, dien
+geef ik het zijden koord.”
+
+De onderdanige mannen wreven met hun hoofd over den grond als teeken
+van gehoorzaamheid en de prins ging naar zijn vertrekken.
+
+Toen de mandarijnen alleen waren, schudden zij zwijgend de
+gladgeschoren hoofden en bekeken zenuwachtig hun lange, spitse nagels.
+
+Zij meenden reeds het zijden koord om den hals te voelen.
+
+Alleen de oude Kwo-Saing, de verrader, liep opgewonden heen en weer en
+fluisterde bij zichzelf:
+
+„Ik weet, waar de schoonste vrouw van Peking is, welke mijn heer, de
+broeder van de zon en de maan, zich wenscht. Ik zal zijn hart jonger
+maken en nieuwe roem zal mijn deel zijn. Mijn wraak echter zal dan
+dubbel groot zijn. Ik zal hen trappen, die mij met voeten hebben
+getreden.”
+
+„Waarover peinst gij, Kwo-Saing, kom!” riepen de anderen.
+
+„Gaat naar huis, kinderen van het geluk, ik volg u weldra. Veel geluk
+voor de toekomst,” lachte hij hoonend en bleef alleen.
+
+Hij legde zijn vleezige vingers tegen de ingezonken slapen en keek
+peinzend naar de rozen en slingerplanten van het dikke tapijt waarop
+hij zat.
+
+Eindelijk werden zijn trekken levendig. Met jeugdig vuur sprong hij op
+en riep:
+
+„Ik heb het—ik heb het!—Bali, Bali, de heks moet mij helpen om het
+meisje van den vreemdeling te rooven.
+
+„Vervloekt die vreemdelingen! Mogen de tempelpriesters hen eindelijk
+vernietigen, zooals de vlam dit stroo!”
+
+Daarop stond hij op en verliet het paleis van prins Tuan.
+
+De wachten knielden neer toen hij in zijn draagstoel plaats nam.
+
+Juist reden eenige elegante rikshas voorbij, de straat in tot aan het
+gebouw van het Londensche gezantschap.
+
+Kwo-Saing herkende den Europeaan, die in een der voertuigen zat.
+
+Het was Raffles.
+
+Woedend balde de Chinees de vuisten en zond hem een vloek na, daarop
+leunde hij met een duivelschen grijnslach achterover in de naar muskus
+riekende kussens van zijn draagstoel en riep zijn slaven toe:
+
+„Naar Hwang-sse!”
+
+Dit was een voorstad in het Noorden van Peking.
+
+Daar woonde in een oude pagode Bali, de heks van Peking. Zij had jaren
+geleden veel van Kwo-Saing gehouden.
+
+Heimelijk, bijna kruipend, als een afschuwelijke duizendpoot, sloop de
+Mandarijn naar haar woning.
+
+De oude vrouw zat juist bij een haardvuur en roosterde rijst.
+
+Een lichtstraal gleed over haar sluw gelaat, toen zij haar ouden
+minnaar zag.
+
+Glimlachend beantwoordde zij den groet van Kwo-Saing, die zijn
+rechterhand op de plaats legde, waar andere menschen een hart hebben.
+
+„Wat wenscht gij, Kwo-Saing?”
+
+„Hulp en raad van jou, Bali, de verstandige!”
+
+Met fluisterende stem vertelde hij van den wensch van prins Tuan, van
+Anitai’s schoonheid, van haar roof, van de bevrijding door den
+vreemdeling, van zijn haat jegens den blanken duivel, van den broeder
+van het meisje, de priesters van Tsai-Soi en prins Thun.
+
+Kwo-Saing wist alles.
+
+Zijn spionnen hadden hem uitstekend ingelicht.
+
+Hij eindigde met de woorden:
+
+„De vreemde duivel reed zooeven naar het gezantschapshotel. Haast je nu
+in mijn draagstoel naar Huen-Schang, den goudsmid, bij wien hij in de
+Yanlingstraat woont. Vraag Anitai te spreken en zeg haar, dat haar
+broeder Win-Seng op haar wacht. Breng haar dan hierheen.”
+
+Bali knikte en sloeg een doek om de schouders.
+
+Kwo-Saing gaf zijn slaven de noodige bevelen en zij snelden naar de
+Chineesche wijk.
+
+Verscheiden uren verliepen, voordat de draagstoel terugkeerde.
+
+Achter een scherm verborgen zat Kwo-Saing geduldig te wachten tot
+Anitai uitstapte.
+
+Een woeste vreugde maakte zich van hem meester. De schurkenstreek was
+gelukt.
+
+Hij hoorde, hoe het jonge meisje zei:
+
+„Het is heel ver, goede moeder, waarheen gij mij hebt gebracht. Mijn
+heer zal schrikken, als hij mij niet vindt. Ik bid u, mij spoedig weer
+naar huis terug te brengen.—Waar is mijn broeder Win-Seng?”
+
+„Ik ben vroom en Boeddha onderdanig,” antwoordde de heks.
+
+„Voordat gij uw broeder ziet, moet ik een offer brengen aan de maan,
+opdat hij ons beschermt.”
+
+Behendig had zij haar kassawaika losgemaakt en op een versleten altaar,
+dat voor het morsige beeld van een afgod stond, een offerschaal
+neergezet, met reukwerk gevuld en dit door middel van een gloeiende
+kool aangestoken.
+
+Een blauwachtige damp steeg op en vulde het vertrek met een zoetigen
+geur.
+
+Daarop wierp de heks zich op de knieën en mompelde onverstaanbare
+woorden.
+
+Een onbehaaglijk gevoel maakte zich van Anitai meester. Rillend schudde
+zij het schoone hoofd, zoodat de gouden oorringen rinkelden als de
+zilveren bruiloftsklokjes van den Boeddhatempel.
+
+Kwo-Saing echter, die achter het scherm verborgen stond, knarsetandde
+van verrukking over de schoonheid van Anitai.
+
+Nu hief de heks het hoofd op en sprak:
+
+„Anitai. De geest van Punkuwong heeft mij geantwoord. Uw broeder
+Win-Seng wacht u in het paleis van prins Tuan; daar is hij, sinds gij
+hem ontstolen zijt.
+
+„Klim in den draagstoel en snel naar hem toe.”
+
+Beangst hulde Anitai zich in haar sluier en volgde de heks naar buiten.
+
+Daar greep Bali haar arm en naar den hemel wijzend, sprak zij:
+
+„Zie daar boven de duizend lampen van Boeddha vonkelen. Zulk een licht
+zult ook gij worden, als gij niet meer naar den vreemdeling terugkeert.
+Je zult machtig worden en als het noodlot je gunstig is geweest, zal ik
+tot je komen om mijn loon te halen, goud en glinsterende edelsteenen!”
+
+„Waarvan spreekt gij, goede moeder?” vroeg het jonge meisje sidderend.
+„Zal ik niet meer tot mijn heer en meester terugkeeren? Laat mij, ik
+wil mijn broeder niet terugzien, als ik weer zonder bescherming moet
+zijn.—Laat mij naar huis gaan—naar huis. Wat heb ik gedaan?”
+
+Bange vrees maakte zich meester van de bloem van Pai-ho; eerst nu
+vermoedde haar kinderlijke onschuld het gevaar, waarin zij zich had
+begeven.
+
+De oude vrouw met haar verlangende oogen maakte haar zoo angstig. Zij
+trok zich met kracht los en wilde vluchten.
+
+Maar de bevelende stem van een man deed haar nog meer schrikken.
+
+Verschillende slaven snelden naderbij, grepen de vluchtelinge,
+knevelden haar en sleepten haar in den draagstoel.
+
+Anitai’s wijdgeopende oogen zagen in het maanlicht de vreeselijke
+gestalte van Kwo-Saing.
+
+Hij nam naast haar plaats en zoo snel zij konden liepen de dragers op
+zijn bevel voorwaarts.
+
+Bali echter keek den palankijn met een boos gelaat na en sprak, terwijl
+zij de magere schouders ophaalde:
+
+„Hij is reeds oud, slecht en gierig geworden. Zijn zilvergeld is mager,
+evenals de armoede. Ik zal mij door den vreemdeling met goud laten
+betalen.”— —
+
+Half onder den grond aan een zijweg der verboden stad bevond zich een
+kleine metalen deur. Deze leidde naar het keizerlijk paleis.
+
+Kwo-Saing opende haar en dwong de weerstrevende Anitai met behulp van
+zijn slaven om er door te gaan. Daarop droegen zij het meisje, dat
+bewusteloos was geworden, door de nauwe donkere gangen, totdat zij
+opnieuw voor een deur halt moesten houden.
+
+Op deze deur klopte de mandarijn met regelmatige slagen. De poort werd
+geopend en een reusachtige, geharnaste wachter stond in de deuropening.
+
+Nauwelijks herkende hij den machtigen Kwo-Saing, of hij wierp zich op
+de knieën en liet hem met zijn begeleiders en Anitai binnentreden.
+
+In een geheim vertrek aangekomen, wierp Kwo-Saing de ongelukkige op de
+zijden kussens, haalde een fleschje uit zijn kaftan te voorschijn,
+opende het en goot een paar droppels in den mond der bewustelooze.
+
+De scherpe reuk der vloeistof deed Anitai weer tot zichzelf komen.
+
+Dadelijk verdween Kwo-Saing met zijn lijfslaven, om den prins mee te
+deelen, dat diens bevel ten uitvoer was gebracht.
+
+Langzaam opende Anitai de oogen, maar voor de fabelachtige pracht, die
+in het vertrek heerschte, moest zij ze weer sluiten. Het was haar,
+alsof zij droomde.
+
+Daar vernam zij de zachte stem eener vrouw, die tot haar sprak:
+
+„Richt u op, ik zal u bedienen.”
+
+Anitai keek met een schuwen blik naar de spreekster.
+
+Het was een vrouw van ruim veertig jaar. Zij droeg doorzichtige gewaden
+over den arm: in de handen hield zij een gouden blad met een theebeker
+van hetzelfde metaal en een halve schaal vol confituren, die gevuld
+waren met den zoeten, bedwelmenden haschis.
+
+Doordringend rustte haar blik op het jonge meisje.
+
+„Anitai, sta op en laat u tooien, zooals het een vorstin betaamt,”
+sprak zij, naderbij komend.
+
+„Waarom?” vroeg de gevangene met trillende lippen.
+
+„Om een machtig heerscher te ontvangen! Als gij de liefde van zijn hart
+en de genegenheid zijner ziel hebt veroverd, zal alle geluk, alle
+denkbare pracht uw deel zijn.”
+
+„Maar mijn heer, mijn blanke meester?” vroeg Anitai met droomerigen
+blik, met beide handen haar hoofd grijpend.
+
+De welriekende, bedwelmende geuren, die uit de stoffen stroomden,
+maakten haar het denken moeilijk. Maar de vrouw antwoordde glimlachend:
+
+„Laat u tooien! De tijd vliegt. Denk niet meer aan den blanken heer!”
+
+Zij nam den sluier van het gelaat der jonkvrouw. Onmiddellijk week zij
+achteruit, viel op de knieën en kuste de Turksche muiltjes van Anitai.
+
+Maar deze wrong de handen en smeekte:
+
+„Laat mij sterven, als onheil mij bedreigt. Ik behoor aan een
+Engelschen Mandarijn. Wat doet gij? Waarom kust gij mijn schoenen?”
+
+„Omdat gij schoon zijt, zoo schoon, dat gij een dochter van Boeddha
+zoudt kunnen zijn en elk schepsel u moet aanbidden.
+
+„Maar kleed u nu! Nog schooner is de bloem, getooid door bladeren en de
+edelsteen in den zachten glans van het goud. Drink en eet van dat, wat
+ik u geef.”
+
+De zinnen der kleine Chineesche werden door de zware, zoetige geuren
+hoe langer hoe meer verward. Zij proefde de thee en at een stukje van
+de haschis-confituren.
+
+Vermoeider en zwaarder werden haar oogleden, zij had geen kracht meer
+om zich te verzetten en liet het geduldig toe, dat de vrouw haar
+ontkleedde en haar met de kostbare, doorzichtige stoffen omhulde, die
+haar schoonheid bijna bovenaardsch maakten.
+
+„De roos van Peking!” riep de dienares met onverholen verrukking uit,
+toen zij haar werk beschouwde.
+
+Anitai hoorde het niet meer, zij was op de zijden kussens van den divan
+neergezonken en ingesluimerd.
+
+Het zijachtige, blauwzwarte haar hing van den divan af tot op den
+vloer; het was met paarlen en diamanten doorvlochten. Het
+wonderschoone, blanke gelaat scheen als uit marmer gebeeldhouwd— ——
+
+Diepe stilte heerschte rondom, als uitgestorven was het groote paleis.
+
+Alleen de zachte ademhaling der sluimerende verbrak de doodelijke
+stilte.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+IN DEN TEMPEL DER ZON.
+
+
+Toen John Raffles des avonds thuis kwam, kwam de goudsmid hem met
+ontsteld gelaat tegemoet en deelde hem mede, dat Anitai in gezelschap
+van een vreemde vrouw het huis des middags had verlaten en nog niet was
+teruggekeerd.
+
+Onmiddellijk herinnerde Raffles zich het hoonende lachje op het gelaat
+van Kwo-Saing, toen hij dezen dien dag had ontmoet.
+
+De groote onbekende besloot, eenige uren te wachten om te zien of
+Anitai niet terug zou komen.
+
+Toen het tien uur was geworden, gaf hij de hoop op.
+
+Hij riep zijn gastheer om met hem te overleggen, wat er te doen stond.
+
+Wanhopig schudde de goede man het hoofd.
+
+„Heer,” sprak hij, „ik heb liever met roovers en moordenaars te doen
+dan met onze politie.
+
+„De politiechef Kwo-Saing en zijn lieden zijn de grootste schurken, die
+Peking bezit. Als ik de keizer was, ik zou hen met elkaar laten
+onthoofden. Zij persen ons, armen menschen, elk oogenblik groote sommen
+geld af en dreigen ons, als wij niet betalen, met de gevangenis.”
+
+„Een mooie handelwijze!” sprak Raffles.
+
+Hij nam zijn hoed, om het huis te verlaten.
+
+Hij wilde naar den Engelschen gezant gaan, om met diens hulp het
+verdwenen meisje terug te vinden. Toen hij op straat kwam, die door de
+maan beschenen werd, kwam uit de schaduw van een huis een jongen naar
+hem toe en vroeg:
+
+„Zijt gij de blanke man, die het jonge meisje uit de handen van den
+politiechef redde?”
+
+„Ja,” antwoordde Raffles verbaasd, „wat wil je?”
+
+„Heer,” fluisterde de jongen, „men heeft haar u ontstolen. Maar als gij
+mij een handvol gouden Kash wilt geven, dan zal ik u ergens brengen,
+waar gij kunt vernemen, waarheen men haar heeft gebracht.”
+
+Lord Lister dacht eenige seconden na.
+
+Het kon een val zijn, waarin men hem wilde lokken!
+
+Maar daar hij steeds op avonturen belust was, sprak hij tot den knaap:
+
+„Ik zal je volgen. Geleid mij.”
+
+Met snelle schreden ging de jongen hem voor en bracht Raffles door een
+doolhof van ontzettend vuile straten.
+
+Eenige Chineezen, vijandig gezind tegenover vreemdelingen en juist uit
+een der opiumholen komend, traden Raffles in den weg en dreigden hem.
+
+Lord Lister was genoodzaakt, zijn Browningpistool te voorschijn te
+halen en in de lucht te schieten.
+
+Gillend sloegen de Chineezen op de vlucht.
+
+Steeds verder bracht de knaap hem en reeds waren zij buiten Peking
+gekomen.
+
+Velden en tuinen lagen aan weerszijden van den weg, dien zij langs
+gingen.
+
+Raffles wist niet meer, waar zij zich bevonden.
+
+Eindelijk bleef de knaap voor den ruwen muur van een bouwvalligen
+tempel staan.
+
+Een geheimzinnig licht scheen uit het vervallen gebouw.
+
+Voorzichtig om zich heen kijkend ging de groote onbekende stap voor
+stap voorwaarts.
+
+Eindelijk zag hij een vertrek, dat gevuld was met vreemd opgezette
+dieren en skeletten.
+
+Voor een kolenvuur hurkte Bali, de heks van Peking, geheimzinnige
+woorden mompelend.
+
+Verbaasd keek Lord Lister naar het vreemde tooneel, dat hem als een
+theaterdecoratief voorkwam.
+
+Plotseling richtte de oude heks haar afschuwelijk hoofd op en keek den
+vreemdeling aan met haar spookachtige oogen.
+
+„Het is goed, dat gij gekomen zijt,” sprak zij, „er is u een ongeluk
+overkomen.”
+
+„Wat weet gij daarvan?” vroeg Raffles.
+
+„Ik weet alles,” pochte de oude, „niets is mij verborgen. De geesten
+der lucht verkondigen mij alle geheimen. Ik zal het u bewijzen: gij
+zoekt een jong meisje.”
+
+„Gij hebt gelijk,” antwoordde Raffles, „kunt gij mij vertellen waar zij
+is?”
+
+De heks glimlachte veelbeteekenend.
+
+„Ik zal het u vertellen, als gij mijn hand vult met het roode goud der
+blanke duivels.”
+
+John Raffles haalde een handvol goudstukken uit zijn zak.
+
+Hij wierp die in den schoot der oude vrouw en deze verborg ze met een
+voldaan grijnslachje in haar schoen.
+
+Daarop begon zij met een stok in het kolenvuur te roeren, wierp er een
+wit poeder in, zoodat dikke rookwolken opstegen en de gestalte der heks
+in een nevel hulden.
+
+Nu mompelde zij onverstaanbare spreuken en toen die geëindigd waren,
+sprak zij:
+
+„De gestolene bevindt zich in het paleis van prins Tuan.
+
+„Zeg tot Huen-Schang, bij wien gij woont, dat hij u den weg wijst naar
+den tempel van de priesters der zon, zij alleen kunnen u helpen.
+
+„Snel nu heen, want gij hebt nog een verren weg af te leggen, anders is
+de ontvoerde voor eeuwig voor u verloren.”
+
+Weer kwam de knaap, die Raffles had geleid, naar voren en bracht hem na
+een wandeling van een uur naar zijn huis terug.
+
+Hij gaf den jongen een belooning en wekte Huen-Schang.
+
+Slaapdronken luisterde deze naar het verhaal van zijn gast en naar
+diens verzoek om hem naar den Zonnetempel te brengen.
+
+Eerst begreep hij niet, wat Raffles wilde, eindelijk echter was hij er
+achter.
+
+„Gij kunt niet verdwalen, Excellentie,” sprak hij, „de Pai-ho-straat
+leidt in een rechte lijn naar den tempel. Ik zal u een paard geven.”
+
+Het was reeds na middernacht, toen Raffles den weg insloeg naar den
+tempel der zon.
+
+Spoedig had hij de stad achter zich liggen en bevond zich in het open
+veld.
+
+Donkere wolken bedekten den hemel. Een klein, donker beekje stroomde
+langzaam door de velden naar de groote moederrivier, de Paiho. Raffles
+sloeg den weg in langs den oever.
+
+Riet en maisschoven begrensden den smallen weg, zacht, bijna weemoedig
+suisde de nachtwind door de slanke, buigzame halmen en in de bladeren
+der boomen zong hij zijn droefgeestig lied.
+
+De hoeven van het paard kleefden bijna aan den modderbodem vast, de
+ruiter gaf het de sporen, totdat zich in het donker de onzekere
+omtrekken van een tempel vertoonden, hooge, slanke zuilen, waarop
+afschuwelijke, spookachtige wezens troonden. Als spoken kwamen zij den
+nachtelijken reiziger voor.
+
+Kleine, onoogelijke houten huizen doken eveneens voor den blik van
+Raffles op. Als om steun vragend leunden zij tegen den kolossalen
+tempel aan.
+
+John Raffles hield zijn paard een oogenblik in en keek om zich heen.
+
+Daarop sprong hij van het paard, nam het bij den teugel en liep naar
+het huisje, waaruit het matte licht van eenige papieren lantarens viel
+en menschenstemmen zich deden hooren.
+
+Het was een theehuis.
+
+Vol verbazing keken de gasten naar den laten bezoeker en sloegen daarna
+schuw hun blik neer, want het was een blanke, die hen naderde.
+
+De waard maakte een onderdanige buiging en vroeg naar zijn wenschen.
+
+John Raffles verzocht zijn paard te mogen stallen, totdat hij uit den
+tempel zou zijn teruggekeerd.
+
+Daarop ging hij heen en begaf zich door het mulle, witte zand naar den
+tempel.
+
+Toen hij dezen had bereikt en de marmeren trappen beklommen, trad een
+priester der zon in een golvend, wit gewaad naar hem toe en vroeg hem,
+wat hij in den nacht in den tempel van het licht kwam doen.
+
+Het spookachtig licht van een onzichtbare vlam bescheen hen.
+
+„Ik ben een vreemdeling,” antwoordde Raffles, „en kom tot u, priester
+van het licht, om een werk der duisternis te verijdelen. Mijn macht is
+te gering, mijn kracht ontoereikend in uw land. Maar ik wil u met het
+goud der zon beloonen, als gij mij helpt.
+
+„Hoor mijn naam, ik heet Lord Lister en in mijn geboorteland rekent men
+mij tot een mandarijn van de eerste klasse.”
+
+De priester boog diep en antwoordde:
+
+„Wie het licht ziet, zal niet in duisternis blijven! De zon is de
+machtigste heerscheres en zij zal u hulp verleenen. Verlangt gij
+gastvrijheid en bescherming, zoo volg mij!”
+
+„Neen, priester der zon, ik moet heden nog verder, want ik zoek, wat ik
+door roof heb verloren.”
+
+„Heeft het zoo hooge waarde voor u, dat gij de wereld er voor zoudt
+willen doorreizen, vreemdeling?”
+
+„Ja, priester, het is meer waard dan alle schatten, want het is een
+onschuldig meisje.”
+
+„Boeddha is groot en almachtig, vreemdeling. Antwoord mij nog op één
+ding: hoe hebt gij den weg gevonden naar den tempel der zon, om hulp te
+vragen?”
+
+„Mijn gastheer is Huen-Schang, de goudsmid, die voor uw tempel het goud
+der zon verwerkt tot heilige versierselen. Hij gaf mij den raad en
+sprak: „Niemand ter wereld is machtiger dan de keizer en hij regelt
+zijn wil naar den priester der zon!”
+
+„Priester, niemand kan mij helpen dan gij, want ik wil niet met behulp
+van mijn landgenooten de gestolene zoeken, het zou vergeefsche moeite
+zijn. Help mij, priester!”
+
+„Boeddha is hulpvaardig jegens hem, die verzoekt, onwillig echter
+jegens hem, die eischt. Weet, vreemdeling, dat gij de eerste en eenige
+vreemdeling zijt, dien ik wil helpen, want gij zijt edel en goed. Uw
+gedachten zijn verlicht door de zon van Boeddha, terwijl de gedachten
+uwer broeders donker zijn van wreedheid, haat en dwingelandij.
+
+„O, dat zij toch de waarde der menschen en van de liefde kenden! Uw
+broeders zijn duivels; zij lachen met de overoude wijsheid van Boeddha
+en bespotten de leer van Confucius.
+
+„Gij echter zijt anders. Gij helpt de zwakken. Wie anderen helpt, heeft
+een goddelijke kracht in zich, die hem onoverwinnelijk maakt.
+
+„Boeddha is met u en zijn dienaren zullen u helpen.
+
+„Hoort gij den doodenvogel in het Westen schreeuwen? Ik zal hem
+plechtig bezweren!
+
+„Wanneer de zon boven de bergen van Wung-schu haar rood avondkleed
+aflegt, snel dan tot mij. Hier zal ik op u wachten en u uw
+beschermeling door Boeddha’s goedheid teruggeven.
+
+„Ga heen met den zegen van het licht. Gij zijt een uitverkorene. Haast
+u nu en keer terug, zooals ik u zeide!”
+
+John Raffles boog diep voor den machtigen priester en legde eenige
+rollen goudstukken op den steenen vloer.
+
+Daarop ging hij langs denzelfden weg terug.
+
+De gasten van het theehuis keken hem weer met blikken vol haat aan. Hij
+besteeg zijn paard en keerde naar de stad terug.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN SCHOT.
+
+
+Zware, sleepende voetstappen naderden de kamer, waarin Anitai zich
+bevond.
+
+De met goud gestikte gordijnen werden op zij geschoven door een magere
+hand en een kleine man met roofvogelachtige, maar slaperige
+gelaatsuitdrukking trad het vertrek binnen.
+
+Het was prins Tuan, de keizerlijke tyran.
+
+Langzaam en traag sloop hij naar de slaapster, langzaam hief hij de
+oogleden op. Maar wat hij zag, maakte een eind aan zijn slaperigheid.
+
+Het oude bloed stroomde sneller door zijn aderen en verwarmde zijn
+hart.
+
+Anitai voelde zijn blikken, onrustig bewoog zij het hoofd heen en weer,
+zuchtte en werd wakker.
+
+Verbaasd en verlegen keek zij naar den ouden man met zijn grijze
+haarvlecht en schrikte van zijn leelijk uiterlijk.
+
+Prins Tuan vatte haar hand.
+
+Maar zij stiet hem terug en richtte zich op.
+
+„Wie zijt gij? Wat wilt gij? Ga weg, ik wil naar huis!” riep zij op
+angstigen toen.
+
+De prins glimlachte en sprak op vriendelijken toon:
+
+„Gij zijt thuis en ik kan niet heengaan, want ik ben bij jou thuis. Ik
+ben de keizerlijke prins Tuan en jouw slaaf.”
+
+„In het keizerlijk paleis ben ik? Je bent een schurk, want je liegt.
+Een keizerlijk prins rooft niet!” antwoordde Anitai, hem met vonkelende
+oogen aanziende.
+
+Kwo-Saing, die naderbij geslopen was om te luisteren, verdraaide zijn
+oogen en veegde zich het angstzweet van het voorhoofd.
+
+De prins echter amuseerde zich over de openhartigheid. Het meisje bezat
+werkelijk de gave om zijn verveling te verdrijven.
+
+„Zeg mij, waar ik ben, of de straf van Boeddha zal je treffen, als je
+liegt!” dreigde de kleine, van den divan opspringend.
+
+„Bij mij ben je, bij den broeder van de zon en de maan,” antwoordde
+prins Tuan, „en bij mij zal je blijven, roos van Peking en heerscheres
+worden. Een koningin van de zon. Want je bent schoon als de zon. Kijk,
+mijn kostbare bloem van Paiho, hoe bevalt je dat?”
+
+Hij haalde een met goud beslagen étui uit zijn kleed te voorschijn en
+gaf het Anitai.
+
+Als verblind staarde het meisje op kostbare, schitterende en vonkelende
+edelsteenen, die in heerlijke kleuren, als een vuurwerk, straalden.
+
+„Gij zijt dus toch de keizerlijke prins? Ik geloof het. Maar gij zijt
+oud en leelijk en mijn heer, de Engelsche mandarijn, is jong en schoon,
+al is hij ook niet zoo rijk en machtig als gij zijt. Ik tooi mij veel
+liever met geurige bloemen.”
+
+De luisterende Kwo-Saing wentelde zich van schrik op den grond. Hij
+dacht, dat nu prins Tuan in de handen zou klappen, dat de eunuchen
+zouden komen om Anitai naar het roode blok in den zwarten toren te
+sleepen.
+
+Hij zelf zou het zijden koord om den hals krijgen.
+
+Hij geloofde zijn ooren niet, toen hij den prins op goedigen toon
+hoorde zeggen:
+
+„Roos van Peking, ik wil je de kostbaarste bloemen bezorgen, als ik je
+handen mag kussen. Ik zal de keizerin, de vertegenwoordigster van
+moeder aarde, roepen, opdat zij je ziet en je zegent!”
+
+„De keizerin?” riep Anitai rillend. „In Peking zegt men, dat zij wreed
+en tyranniek is. De dood en martelingen zijn haar vrienden en zij
+mishandelt de vrouwen van den keizer—en uw vrouwen.”
+
+Opnieuw kromde Kwo-Saing zich van angst en weer lachte prins Tuan. Zoo
+vroolijk was hij in jaren niet geweest. Openhartigheid was hem nieuw.
+
+„Jou zal zij geen kwaad doen, roos van Peking, ik zweer het op mijn
+keizerlijk woord. Morgen hoop ik weer van je schoonheid te genieten. De
+zon zij met je!”
+
+De prins ging heen. Het juweelenkastje echter liet hij achter.
+
+Anitai wierp zich weenend op den divan. Zij smeekte alle goden om hulp
+en bijstand.
+
+Plotseling voelde haar hand de kleine revolver, die Raffles haar had
+gegeven.
+
+Daar trad de keizerin binnen, vergezeld door den opper-eunuch Li.
+
+Waggelend—want de kleine omwonden voeten waren nauwelijks in staat om
+het vette lichaam te dragen—naderde zij Anitai en wierp een blik vol
+haat op de schoone mededingster. Zij had eenmaal prins Tuan bemind,
+doch haatte hem nu. Slechts door haar sluwheid kon zij haar ware
+gevoelens voor den prins verborgen houden.
+
+„Wie ben je?” vroeg zij met harde stem.
+
+„Ik heet Anitai, ben een wees en de slavin van een Engelschman,” luidde
+het antwoord.
+
+Een ironisch glimlachje vloog over het gelaat der keizerin.
+
+„De witte duivels houden er geen slaven op na, je ben een domme gans!
+Je behoort nu tot het huishouden van prins Tuan en moet aan al zijn
+wenschen gehoorzamen.”
+
+„Nooit” riep Anitai. „Liever dood ik mij zelf!”
+
+„Je waagt het, ons te trotseeren? Weet je, wie ik ben?”
+
+„Jawel!” riep het jonge meisje, „een vrouw zonder erbarmen of
+medelijden. Men noemt u in Peking wreed en harteloos.”
+
+De keizerin werd bleek van woede.
+
+Zij was zeer fijngevoelig als iemand het durfde wagen om haar de
+waarheid te zeggen.
+
+„Ik zal je laten dooden! Geef haar zweepslagen!”
+
+Met wijdgeopende oogen van angst staarde Anitai naar de dikke,
+wanstaltige gedaante van den dienaar, die een leeren zweep uit zijn
+rijkversierden gordel te voorschijn haalde en zich gereed maakte om
+Anitai te slaan.
+
+„Heb medelijden!” smeekte het jonge meisje. „Spaar mij!”
+
+Met kracht viel een klap op haar schouders neer en ontlokte haar een
+luiden gil van pijn.
+
+„Sla haar opnieuw!” beval de keizerin. „De tong van deze slang zal aan
+banden worden gelegd.
+
+„Vooruit!”
+
+Opnieuw hief de eunuch de zweep op.
+
+Zonder te weten wat zij deed, haalde Anitai het wapen, dat Raffles haar
+had gegeven, te voorschijn en drukte af met gesloten oogen, zonder te
+weten waarop zij schoot.
+
+Een knal weerklonk—een woeste gil volgde, daarop viel een lichaam met
+dof geluid neer.—
+
+Nu opende Anitai haar oogen en zag de keizerin op den grond liggen.
+
+De opper-eunuch had van ontsteltenis de zweep laten vallen, hij riep
+slaven en beval hen, de keizerin naar haar slaapvertrek te dragen.
+
+Binnen een paar minuten was het vertrek, waarin Anitai zich bevond,
+leeg. Niemand bekommerde zich om haar. Zij zat als wezenloos op den
+divan en had nauwelijks de kracht om te denken.
+
+Werktuigelijk speelde haar hand met het kleine wapen, dat, zonder dat
+zij het wist, een groot woord had gesproken in de geschiedenis van
+China.
+
+Zij kon zich geen voorstelling maken over de gevolgen van hare
+handeling.
+
+Zij wist niet, dat de misdaad die zij had begaan, met den dood werd
+gestraft.
+
+Waarom sloeg men haar! Zij had niemand kwaad gedaan. Zij had recht zich
+te verdedigen.
+
+Hoe kwamen deze menschen er toe om haar in het paleis op te sluiten en
+haar te willen dwingen prins Tuan lief te hebben?
+
+Zij verafschuwde dien leelijken man.
+
+Hij kwam haar voor als een griezelige vogelspin.
+
+Daarop dacht zij aan Raffles, aan zijn fiere mannelijke schoonheid.
+
+Zonder dat zij het wist beminde Anitai hem. Zij zou zich voor den
+gehaten vreemden blanken duivel laten dooden. Haar gansche leven lang
+wilde zij hem als een slavin dienen.
+
+Zij zou er mee tevreden zijn als een hond op den drempel van zijn kamer
+te mogen liggen.
+
+Ook nu weer had zij hare redding aan hem te danken.
+
+Glimlachend keek zij naar het wapen, dat hij haar had gegeven en zij
+herhaalde de woorden die hij tot haar had gesproken:
+
+„Wanneer men u aanvalt hebt ge het recht u te verdedigen. Niemand mag
+zijn medemensen ongestraft kwaad doen.”
+
+Liefkoozend gleden haar slanke vingers over den zilveren loop van de
+revolver.
+
+Daarop kuste zij het wapen en stak het in haar zak.
+
+Droomerig staarde zij naar de deur. Daar ontwaarde zij het kistje met
+de edelsteenen; zij nam eenige van de schitterende juweelen in haar
+hand en speelde ermee.
+
+Zoo verliep wel een kwartier, toen een geluid haar deed opkijken.
+
+Zij hoorde, hoe een sleutel in het slot van een verborgen deur werd
+gestoken en met een zacht geknars werd omgedraaid.
+
+Angstig keek Anitai in de richting van het geluid.
+
+Plotseling werd een deur in het behang geopend. Een koude luchtstroom
+kwam het vertrek binnen en een man, gehuld in een wit golvend gewaad,
+stond vóór haar.
+
+„Schrik niet, dochter des Hemels. Ik zoek u om u te bevrijden. De
+priesters van de zon zijn machtiger dan de keizer en zijn dienaren.
+Volg mij, opdat ik u geleide.”
+
+Als verdoofd door deze woorden, die haar de vrijheid beloofden, snelde
+Anitai op den priester toe, keek hem in het goedige gelaat en stamelde
+woorden van innige dankbaarheid.
+
+Deze echter fluisterde haar toe:
+
+„Spreek zacht. De vreemde mandarijn wacht u in onzen tempel. Den
+priesters der zon blijft niets verborgen, vraag niet verder, volg mij!”
+
+Gebiedend strekte de priester de hand uit en wees op de deur.
+
+Anitai snelde er heen.
+
+De priester echter legde midden in het vertrek een eigenaardigen
+zwarten steen neer, waarop met gouden letters geschreven stond: „De
+Zon!”
+
+Daarop ontstak hij poeder, dat met een scherpe, doordringende lucht het
+vertrek vulde, ging naar de deur, sloot deze zorgvuldig achter zich
+dicht, ontstak een kleine kaars en ging de innig-verheugde Anitai voor
+als gids door vele donkere lange gangen.
+
+De weg kwam de vluchtelinge eindeloos voor, de tocht duurde wel twee
+uur.
+
+Eindelijk werd het al lichter en lichter om hen heen, en nadat de
+priester een deur had ontsloten, stond Anitai in de zonnige ruimte van
+een kleinen tempel.
+
+Als verblind sloot ze haar oogen.
+
+Zij hoorde hoe de priester sprak:
+
+„Gij zijt gered. Sluier uw gelaat, want gij staat in de stralen van de
+grootste aller koninginnen, de zon.”
+
+Daarop werd zij voor den tempel gebracht en met een luiden vreugdekreet
+snelde zij naar Raffles, die met een draagstoel op haar wachtte.
+
+Eenige uren later bevond Anitai zich weer in het rustige huis van den
+goudsmid Huen-Schang en vertelde Raffles, nadat zij haar groote
+ontroering in een stroom van tranen had lucht gegeven, het vreeselijke
+avontuur, dat zij met de keizerin had beleefd.
+
+Met de grootste belangstelling luisterde Lord Lister naar haar verhaal.
+
+Hij kon nauwelijks afwachten, dat zij had uitgesproken, en opnieuw
+moest zij zich gereed maken om uit te gaan. In een riksa, die Raffles
+veel te langzaam ging, spoedde hij zich naar het paleis van prins Thun.
+
+Vol verbazing keek deze naar den grooten onbekende, die met het jonge
+meisje bij hem kwam, en volgens Chineesch gebruik wilde hij een ontbijt
+aanbieden.
+
+Maar Lord Lister bedankte hiervoor.
+
+„Het is nu geen geschikte tijd, prins Thun, om ons met beleefdheden op
+te houden. Hoor, wat er gebeurd is. Het toeval heeft Anitai, de zuster
+van den ongelukkigen Win-Seng, als werktuig der wraak uitverkoren.
+
+„De keizerin is door haar hand gevallen.”
+
+Prins Thun dacht, dat Raffles krankzinnig was geworden. Hij hield van
+verbazing den adem in.
+
+John Raffles zag de uitwerking, die zijn woorden hadden teweeggebracht,
+en herhaalde:
+
+„Ik spreek de zuivere waarheid, Prins Thun, de keizerin is
+doodgeschoten!”
+
+Nog steeds kon de Prins deze woorden niet gelooven.
+
+Daar trad een keizerlijke bode binnen en berichtte, dat de audiëntie,
+die de keizerin den prins dien middag zou toestaan, ten gevolge van
+plotselinge ziekte der keizerin, niet kon plaats vinden.
+
+Raffles en de prins wisselden een snellen blik.
+
+„Als het waar is, wat gij mij hebt medegedeeld, dan hebt gij er het
+grootste aandeel aan, als ik den keizerstroon bestijg”, sprak prins
+Thun, „want gij hebt dit meisje uit de handen van den schurk Kwo-Saing
+gered en zij is daardoor de kleine oorzaak geworden, die zulke groote
+gevolgen had.
+
+„Ik zal haar nu naar mijn gemalin brengen, daar is zij veilig. Daarna
+verzoek ik u, met mij in het paleis der keizerin te gaan.”
+
+Hij ging met Anitai en Raffles naar de vrouwenvertrekken en gaf het
+jonge meisje aan de hoede zijner echtgenoote over.
+
+Met tact zorgde hij ervoor, dat Anitai niets van Win-Seng te zien
+kreeg. Hij had den ongelukkige eene woning aangewezen in het afgelegen
+gedeelte van het paleis.
+
+Nu begaf hij zich met Raffles naar de verboden stad.
+
+Slechts bij groote plechtigheden is het den Europeanen veroorloofd een
+deel der verboden stad, zooals het reusachtige paleis wordt genoemd, te
+betreden.
+
+Geen enkele Europeaan heeft nog ooit zijn voet in het inwendige van dit
+gebouw gezet. Zoo was Raffles de eerste, die onder geleide van den
+prins het paleis mocht binnengaan.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+BIJ DEN OPPER-EUNUCH.
+
+
+De verboden stad is eigenlijk geen aaneengesloten complex van gebouwen,
+maar wordt gevormd door dozijnen grillige bouwwerken en sierlijke
+paleizen.
+
+Een torenhooge muur omsloot haar aan alle kanten en honderden gewapende
+soldaten beletten iederen vreemdeling er binnen te dringen.
+
+Achter den muur strekten zich groote, prachtvolle tuinen uit en bijna
+in het midden van het schoone park verhief zich het kleine paleis, dat
+de keizerin bewoonde.
+
+De wachters van het paleis beletten hun het verdere binnendringen, toen
+zij de inwendige gebouwen naderden.
+
+„Ik wensch den opper-eunuch Li te spreken,” sprak prins Thun.
+
+Hij moest bijna een half uur wachten alvorens de almachtige
+vertegenwoordiger der keizerin verscheen.
+
+Met een onderdanigen glimlach begroette hij den prins en vroeg naar
+diens verlangen.
+
+„Men heeft mij een zeer gewichtige audiëntie afgezegd,” begon prins
+Thun, „ik moet de keizerin beslist spreken.”
+
+„Het spijt mij zeer,” luidde het antwoord van den opper-eunuch, „doch
+de keizerin heeft bevolen, dat niemand haar mocht storen. U moet uw
+verzoek schriftelijk indienen.”
+
+Vergeefs zocht prins Thun en ook Raffles op het gelaat van den eunuch
+een aanwijzing te vinden, dat er iets buitengewoons moest zijn gebeurd.
+
+Reeds wilde prins Thun afscheid nemen, toen Raffles hem te hulp kwam.
+Hij wendde zich tot den opper-eunuch en vroeg:
+
+„Spreekt gij Engelsch?”
+
+Li knikte bevestigend.
+
+„All-right!” zei Raffles. „Dan zullen wij beide spoedig tot eenig
+resultaat komen.
+
+„Uit mijn woning is gisteren door een chef van politie in Peking, den
+man, die veertig draken doodde, Kwo-Saing, een jong meisje geroofd, dat
+aan mijn bijzondere hoede is toevertrouwd. Het is naar prins Tuan
+gebracht en nu zou ik gaarne willen weten, wat gij mij omtrent het
+gebeurde weet mee te deelen.”
+
+De eunuch vertrok zijn gelaat tot een breeden lach en gaf ten antwoord:
+
+„Ik bekommer mij niet om de privaat-aangelegenheden van prins Tuan.”
+
+„Dat is een leugen!” kwam prins Thun tusschenbeide. „De harem van prins
+Tuan staat onder uw hoede. Gij weet dus precies, wat daarin voorvalt.”
+
+Nu verdween voor het eerst van het gelaat van den opper-eunuch de
+gewone uitdrukking en een woedende blik, zooals een tijger op zijn
+temmer werpt, trof den prins.
+
+„Mij is niets bekend van een jong meisje, dat in den harem van prins
+Tuan is gekomen,” zei de eunuch.
+
+„Dat is wederom een leugen!” riep prins Thun op scherpen toon. „Maar
+het zou immers ook een wonder zijn, wanneer zulk tuig eens de waarheid
+sprak.”
+
+Toen greep Raffles in zijn zak en haalde de revolver te voorschijn,
+waarmee Anitai het noodlottige schot had toegebracht.
+
+„Kent gij dit wapen?” vroeg hij en duwde het den opper-eunuch onder den
+neus.
+
+Onmiddellijk trad de man achteruit en werd doodsbleek. Zijn waterige
+oogen wendden zich vol schrik naar het kleine wapen van den blanken
+duivel.
+
+Hij begon in te zien, dat hem het liegen niet meer hielp en zich aan de
+voeten van den prins werpend, stamelde hij:
+
+„Vergiffenis, keizerlijke heer! Ik zal u de waarheid vertellen. In den
+harem van prins Tuan is gisternacht een vreeselijk ongeluk gebeurd. Een
+vreemde, een geschenk van den politiechef Kwo-Saing, schoot met zulk
+een wapen op de keizerin.”
+
+Eenige minuten heerschte er een angstig stilzwijgen, daarop vroeg prins
+Thun:
+
+„Leeft de keizerin nog?”
+
+„Ja!” antwoordde de opper-eunuch. „Maar ieder oogenblik is haar sterven
+te verwachten.”
+
+„Waar is de keizer?” vroeg prins Thun verder. „Heeft hij reeds bericht
+gehad?”
+
+„Neen,” gaf de opper-eunuch ten antwoord, „overeenkomstig het bevel van
+de keizerin mochten wij hem niets mededeelen.”
+
+„Het is goed”, met een koelen groet nam prins Thun afscheid en verliet
+met Raffles het paleis.
+
+Toen zij in den voor het paleis wachtenden draagstoel zaten en naar de
+woning van den prins terugkeerden, sprak deze tot Raffles:
+
+„Gij zijt een merkwaardig mensch. Ik zou u bijna voor een werktuig van
+den Hemel houden. Gij hebt hier een verdorven dynastie omvergeworpen,
+en misschien China een beter lot doen toekomen, dat wil zeggen, als het
+mij gelukt prins Tuan voor te zijn en den keizer te redden.”
+
+„Den keizer? Dreigt er gevaar voor hem?”
+
+„Ja zeker, Lord Cheekman. Prins Tuan zal hem uit den weg willen ruimen
+om den troon te bestijgen. Ik hoop maar, dat ik zijne plannen kan
+verijdelen. Het Rijk zou anders een onmetelijk ongeluk te gemoet gaan.”
+
+„Wat wilt ge doen, prins Thun, misschien kan ik u helpen?” vroeg de
+Groote Onbekende.
+
+Prins Thun dacht een oogenblik na en antwoordde toen:
+
+„Wanneer het mij mocht gelukken, het testament van den overleden keizer
+in handen te krijgen, dan was voor prins Tuan de kans verkeken. In dat
+document werd hij uitdrukkelijk van elke troonsopvolging uitgesloten.”
+
+„Waar ligt dat schriftuur?”
+
+„In eene geheime kast van den opper-eunuch Li. Niemand, behalve hij
+zelf, weet waar het verborgen is.”
+
+„Ik zal het u bezorgen, prins Thun, ik mag gaarne dergelijke opdrachten
+uitvoeren. Ik zal den troon van China voor u stelen.”
+
+Prins Thun moest even lachen.
+
+Deze woorden klonken te lachwekkend.
+
+„Twijfelt gij aan mijn voornemen en de uitvoering er van, prins Thun?”
+
+„Openhartig gesproken, ja,” gaf de prins ten antwoord, „dat kunststuk
+zou zelfs de bij u in Londen zoo beroemde Raffles niet klaar spelen.”
+
+„Wie weet,” antwoordde de Groote Onbekende, met een zeldzamen,
+geheimzinnigen klemtoon op deze woorden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+RAFFLES AAN HET WERK.
+
+
+De keizerin-moeder, de heerscheres van China, was gestorven.
+
+Aan haar doodsbed bevonden zich de opper-eunuch en prins Tuan.
+
+Beiden spraken fluisterend met elkaar.
+
+„De dood moet zoolang geheim worden gehouden, totdat de keizer zijn
+moeder gevolgd is,” zei prins Tuan. „Begeef u nog heden naar den
+onnoozele en maak hem duidelijk, dat het de wensch, neen het bevel van
+zijn moeder is, dat hij zich doodt en haar volgt. Laat hem de keuze
+tusschen den strop en het bladgoud. Morgenavond mag hij niet meer
+leven. Mocht hij te laf zijn, help hem dan.”
+
+„Hij zal het niet doen, Keizerlijke Hoogheid.”
+
+„Leg hem zelf den strik om den hals en worg hem. Voordat prins Thun den
+dood der keizerin verneemt, moet het gebeurd zijn, of wij hebben
+verloren, want dan zal hij het regentschap overnemen en den
+zwakhoofdige tegen ons beschermen. Wij hebben geen tijd te verliezen.”
+
+„Neen, geen seconde, Keizerlijke Hoogheid. Prins Thun is omtrent alles
+ingelicht.”
+
+„Wat? Wie deelde hem dat mee?”
+
+„Een Engelschman, een der vreemde blanke duivels! Boeddha moge hem
+vernietigen!”
+
+„Hoe weet de Engelschman het?”
+
+„Hij bevrijdde het meisje, de slavin, die Kwo-Saing u zond, met behulp
+van de priesters der zon.”
+
+„Hoe heet die hond?”
+
+„Lord Cheekman.”
+
+„Woont?”
+
+„Bij den goudsmid Huen-Schang, midden in de stad.”
+
+„En leeft hij nog?”
+
+Prins Tuan keek den opper-eunuch met minachting aan.
+
+„Je wordt oud, Li, je laat onze vijanden in leven”.
+
+Hij stampte op den grond van nijd.
+
+„Vooruit, breng den hond in het paleis. Hij moet verdwijnen.”
+
+„Hij is de vriend van prins Thun”, waagde de opper-eunuch tegen te
+werpen.
+
+„De hel moge Thun en zijne vrienden verslinden. Het geldt den troon. Li
+wat talm je? Zend gewapende macht naar den Engelschman. Met prins Thun
+zal ik wel afrekenen. Hij moet den Engelschman tot morgen volgen. Haast
+je!”
+
+Het was tegen middernacht, toen Raffles van de Engelsche Club naar huis
+ging.
+
+Toen hij zijne woning naderde, zag hij de straat vol gewapende macht.
+
+Dadelijk bleef hij staan en trad, om zich rekenschap te geven van de
+aanwezigheid der soldaten, in het volslagen donker voorportaal van een
+huis.
+
+Nu herkende hij, bij het onzeker licht van eenige lampions, zijnen
+gastheer Huen-Schang geketend midden tusschen de gewapende macht.
+Haastig overlegde hij, of hij te voorschijn zou komen om te vragen, wat
+dat beduidde.
+
+Opeens kwam Kwo-Saing, de chef van politie, dicht langs zijne
+schuilplaats.
+
+Raffles had al zooveel Chineesch geleerd, dat hij verstond, wat
+Kwo-Saing zei.
+
+Van uit zijn draagstoel onderhield hij zich met een naastbijzijnden
+politie-beambte.
+
+„De blanke duivel is nog niet thuis?”
+
+„Neen, Excellentie, de soldaten verwachten hem elke minuut.”
+
+Nu wist Raffles genoeg. De aanwezigheid der soldaten gold hem dus.
+
+Geluidloos als een schaduw sloop hij uit zijne schuilplaats langs de
+huizen en kwam in veiligheid.
+
+Een half uur later vroeg hij binnengelaten te worden in het paleis van
+prins Thun.
+
+Op het groote binnenplein van het paleis stonden honderden soldaten
+gereed. Niemand wist hier wat van.
+
+Raffles schreed tusschen de lange rijen slapende krijgslieden door en
+kwam bij prins Thun, die, nog wakker, met zijne vertrouwelingen op
+berichten wachtte.
+
+Toen de Groote Onbekende binnentrad, kwam er een vroolijke glimlach op
+het ernstige gelaat van den troonopvolger.
+
+Hij stak hem beide handen toe en sprak tot zijne vertrouwelingen:
+
+„Deze man is het werktuig der Voorzienigheid voor het welzijn van China
+geworden. Boeddha beschermt hem!”
+
+De mandarijnen en generaals maakten na deze woorden een buiging voor
+Raffles, dien zij met belangstelling opnamen.
+
+„Wat brengt u voor berichten?” vroeg prins Thun.
+
+Lord Lister wees naar een voornaam generaal en zei:
+
+„Ik verzoek Uwe Keizerlijke Hoogheid, den generaal te bevelen mij zijn
+uniform te leenen.”
+
+Verbaasd keken de prins en de andere aanwezigen den spreker aan.
+
+„Ik begrijp wel niet, welk doel gij beoogt, doch, daar ik aanneem dat
+het voor mijn goede zaak is, verzoek ik generaal Fung-wo, u zijn
+uniform af te staan.”
+
+De generaal volgde Raffles naar een zijvertrek.
+
+De Groote Onbekende had weinig tijd te verliezen. Hij had een dolzinnig
+plan opgevat.
+
+Slechts tien minuten verliepen, toen Raffles alweer op den prins
+toetrad.
+
+Maar deze herkende hem niet.
+
+Was dat Raffles of generaal Fung-wo?
+
+Met behulp van schmink en was had Lord Lister zijn gelaat zoo goed
+veranderd, dat hij een dubbelganger leek van den generaal.
+
+Toen prins Thun hem eindelijk herkende, slaakte hij een kreet van
+verbazing.
+
+Raffles lette er niet op.
+
+Haastig nam hij afscheid en verliet het paleis.
+
+Weer ging hij naar zijn woning.
+
+Hij haalde verlicht adem, toen hij de soldaten nog wachtend zag staan.
+
+Kwo-Saing, de dooder van de veertig draken, onderhield zich met de
+officieren van den troep, toen Raffles naar hen toe stapte.
+
+Diep bogen de aan slaafsche onderwerping gewende menschen voor de met
+goud bestikte uniform.
+
+„De keizer beveelt, mij te volgen.”
+
+Dadelijk sprongen de soldaten overeind en stelden zich op. Niemand
+waagde het naar het gebruikelijk schriftelijk bevel te vragen.
+
+Gehoorzaam zette de colonne zich in beweging en volgde den Grooten
+Onbekende naar het paleis van den keizer.
+
+Zwijgend ging het voorwaarts. Geen woord werd er gesproken. Slechts de
+officieren vroegen onderling, wie de generaal was, die voorop liep.
+
+„Generaal Fung-wo”, fluisterde een van hen, „de vriend van den
+vice-koning Li-hung-schang en van prins Thun.”
+
+
+
+Kwang-Hsu, de ongelukkige keizer van China, zat in zijn klein vertrek
+en speelde met looden soldaten.
+
+Nu en dan kwam er een vermoeid glimlachje op het gelaat van den geheel
+ontzenuwden, zwakhoofdigen man.
+
+Slechts in naam was hij jarenlang de keizer van het machtige rijk
+geweest, dat zijne moeder voor hem geregeerd had.
+
+Hij wist misschien niet eens, welke gewichtige rol hij in de
+wereldgeschiedenis speelde. Hij was volkomen tevreden, wanneer de
+opper-eunuch Li hem nieuw Europeesch speelgoed bracht of hem een
+penseel gaf, waarmee hij onder allerlei staatsdocumenten zijn naam
+schilderde.
+
+De ongelukkige wist niet eens, wat dat alles beteekende. Het kon een
+doodvonnis, eene benoeming of ontslag van een ambtenaar zijn. Het kon
+den oorlog beteekenen en duizenden het leven kosten. Kwang-Hsu
+schilderde zijn naam onder alles, wat de opper-eunuch hem voorlegde.
+
+Juist trad deze binnen.
+
+„Er is China een groot ongeluk overkomen. De keizerin-moeder is
+overleden”, begon hij, voor den troonzetel staan blijvend, waarop de
+keizer had plaats genomen.
+
+„Is mijne moeder dood?” vroeg Kwang-Hsu.
+
+Hij was niet zoo onnoozel, om geen begrip van den dood te hebben.
+
+Ja, hij was er zelfs bang voor, en zijne sprookjesvertellers had hij
+verboden, daarvan te verhalen.
+
+Eenige seconden bewaarde de keizer het stilzwijgen en staarde den
+opper-eunuch aan.
+
+Daarop verborg hij zijn gelaat in zijn tunica en begon te schreien.
+
+De opper-eunuch verbaasde zich, dat de keizer tot deze gevoelsuiting in
+staat was.
+
+Nu hief de heerscher het hoofd omhoog, keek den opper-eunuch met
+beweende oogen aan en vroeg:
+
+„Kan ik mijne moeder zien?”
+
+„Neen”, antwoordde Li. „Gij zult haar niet zien, doch het is de wensch
+van de overledene, dat gij uwe moeder volgt.”
+
+„Volgen?—Moet ik mijne moeder volgen?—Hoe kan ik dat?”
+
+„De keizerin-moeder”, sprak de opper-eunuch met zalvende stem, „bevindt
+zich nu in het eeuwige rijk van Boeddha. Zij gaf mij opdracht, u den
+weg te wijzen om bij haar te komen. Ziet hier.”
+
+De opper-eunuch haalde een dun zijde-papiertje te voorschijn, opende
+het voorzichtig en legde twee zeer dun geplette stukjes bladgoud, ter
+grootte van een gulden, op zijn hand.
+
+„Wat beduidt dat?” vroeg Kwang-Hsu.
+
+„Dat beduidt de weg naar de keizerin-moeder.”
+
+„Deze blaadjes goud?”
+
+„Jawel! Gij neemt ze in de holte van uwe hand, houdt uwen mond er boven
+en haalt diep adem. Dan zal het blaadje goud in uwen mond vliegen, op
+uwe luchtpijp gaan liggen, en binnen een paar minuten zult gij bij uwe
+moeder zijn.”
+
+De keizer sidderde.
+
+Hij zette groote, verschrikte oogen op en keek met eene uitdrukking van
+ontzetting naar de blaadjes goud.
+
+Hij zag niet den spottenden glimlach, die op het gelaat van den
+opper-eunuch kwam.
+
+„Indien gij dezen weg niet wenscht”, zei Li, „dan heb ik hier nog een
+zijden koord. Ook dit zal u den weg wijzen. Gij legt het om uwen hals
+en worgt u. (Zie titelplaat).
+
+„Gij hebt dus de keuze van den dood tusschen den strop en het blaadje
+goud, neem eene beslissing.”
+
+De keizer liet een luiden kreet hooren: „Moet ik sterven?”
+
+„De keizerin-moeder wenscht het.”
+
+„Neen!” riep Kwang-Hsu, „dat kan zij niet willen, ik wil niet sterven,
+ik wil leven!”
+
+Opnieuw kwam er een spottend lachje op het gelaat van den opper-eunuch.
+
+„Wat de keizerin-moeder zegt moet gebeuren. Verberg uwe wenschen,
+Kwang-Hsu, en onderwerp u aan den wil der keizerin-moeder.”
+
+Het koude angstzweet stond den keizer op het voorhoofd, zijne handen
+hielden krampachtig, als zochten zij hulp, de leuning van den stoel
+vast.
+
+„Ik ben de keizer. Ik zal u niet gehoorzamen. Ik zal prins Thun en
+mijne soldaten roepen, opdat zij mij helpen.”
+
+Een blik vol haat trof den keizer.
+
+„Spaar uwe woorden, Kwang-Hsu, noch de prins, noch soldaten zullen te
+hulp snellen. Mijn wacht houdt de deuren naar uw vertrek bezet. Over
+een uur kom ik terug en hebt gij alsdan niet aan den wensch der
+keizerin voldaan, dan leg ik u zelf het zijden koord om den hals. Ik
+raad u aan, wees gehoorzaam.”
+
+Daarop wierp de ongelukkige keizer zich aan de voeten van den
+opper-eunuch, greep zijn zijden gewaad vast en smeekte om erbarmen.
+
+Doch hij zou beter een steen om medelijden hebben kunnen smeeken. Het
+hart van den opper-eunuch bleef koud als erts. Hij weerde den keizer af
+en zei op harden toon:
+
+„Uwe woorden zijn vergeefsch, Kwang-Hsu, doe wat ik u zei. Neem deze
+opiumsigaretten, mogen deze u bedwelmen en u den weg gemakkelijker
+maken.”
+
+Daarop verliet hij met de wacht het vertrek.
+
+Weenend wierp de heerscher van het Hemelsche Rijk zich in de kussens en
+krabde in zijn angst voor den dood de zijden met goud geborduurde
+overtrekken stuk.
+
+Even later richtte hij zich op en dacht na over een middel tot redding.
+
+Hij opende het raam en keek in den tuin.
+
+Twee met schilden en speren gewapende eunuchen liepen voor het raam op
+en neer.
+
+Daarop liep hij naar de deur en opende haar.
+
+In het voorportaal zat Kwo-Saing, de dooder van de veertig draken en
+chef van politie te Peking, met eenige beambten en keek den
+ongelukkigen keizer met een grijnslach aan.
+
+Kwo-Saing was de vertrouweling van den opper-eunuch Li, en aan hem was
+de bewaking van den keizer opgedragen.
+
+„Wie zijt gij?” vroeg de keizer.
+
+Kwo-Saing wierp zich op den grond, raakte den vloer met zijn voorhoofd
+aan en antwoordde:
+
+„Zoon des hemels, ik ben Kwo-Saing, uw politiechef van Peking.”
+
+„Roep prins Thun bij mij”, beval de keizer, „en laat soldaten komen.”
+
+„Zoon des hemels”, zei Kwo-Saing, „ik zal uw bevel meedeelen aan Zijne
+Excellentie opper-eunuch Li.”
+
+De keizer stampte op den grond en riep:
+
+„Ik wensch niet, dat Li iets van mijn bevel verneemt. Zend een slaaf
+naar de wacht en laat soldaten komen.”
+
+Kwo-Saing zag in, dat hij den keizer moest geruststellen en antwoordde:
+
+„Zoon des hemels, ik zal uw bevel ten uitvoer brengen.”
+
+Zooals de hofétikette voorschrijft, verliet hij op zijn knieën
+voortschuivend het vertrek.
+
+De keizer keek hem na, totdat hij verdwenen was, waarna hij haar zijne
+kamer terugging en rusteloos op en neer wandelde.
+
+De hoop, die de ten doode gewijde nog koesterde, was vergeefsch.
+
+Kwo-Saing was naar den opper-eunuch gesneld om dezen den wensch des
+keizers mee te deelen.
+
+„Ik zie wel in”, zei Li, „dat die man niet de hand aan zichzelf zal
+slaan.
+
+„Volg mij, Kwo-Saing, ik zal hem het zijden koord om den hals knoopen.”
+
+Toen spoedig daarop de deur van het keizerlijk vertrek werd geopend,
+keek de keizer blij verschrikt op, want hij dacht, dat de redding
+naderde.
+
+Hij week sidderend terug, toen hij de vormlooze, logge gestalte
+ontdekte van den opper-eunuch, vergezeld van Kwo-Saing.
+
+„Wat wilt gij?” vroeg hij met van angst sidderende stem.
+
+„Gij weet, waarvoor ik kom”, antwoordde de opper-eunuch, „ik zie, dat
+gij het bevel der keizerin-moeder niet opvolgt. Maak u gereed, opdat ik
+u helpe.”
+
+Om zich te redden sprong de keizer achter een tafel en schoof deze
+tusschen hem en zijn beul.
+
+„Ik wil niet sterven”, snikte hij, „verlaat het vertrek, anders zullen
+mijne soldaten u gevangen nemen.”
+
+„Houd hem vast, Kwo-Saing”, beval de opper-eunuch en nam het koord in
+de hand.
+
+Nu schreeuwde de keizer in zijn wanhoop luid om hulp.
+
+Eene woeste worsteling tusschen hem en de beide mannen begon.
+
+Doch hij was tegen de lichaamskracht van den opper-eunuch Li niet
+opgewassen.
+
+Die man was gewend de meest weerspannige slaven te ketenen en te
+ranselen.
+
+Na eene korte worsteling hielden zij den keizer vast en de opper-eunuch
+Li wierp hem met een wreeden lach den gevreesden zijden strop om den
+hals.
+
+De keizer viel op den grond, de opper-eunuch zette zijn knie op hem en
+trok den strik dicht.
+
+Een laatste, half-gesmoorde kreet om hulp weerklonk, de oogen puilden
+den ongelukkige uit het hoofd, het gelaat werd blauwrood, nog eene
+laatste wanhopige poging met gebroken kracht werd gedaan, om zijnen
+beul af te weren, daarop verloor hij het bewustzijn en stierf.
+
+Doch niet eerder liet Li zijn slachtoffer los dan toen alle
+levensteekenen waren geweken.
+
+Toen stond hij op en zei tot Kwo-Saing:
+
+„Eigenlijk hebben wij den troon van China verdiend. Het was een zwaar
+werk.”
+
+„Wij zullen ons als loon aan de zon warmen”, gaf Kwo-Saing ten
+antwoord, „en eene eerste plaats innemen bij prins Tuan.”
+
+Op dit oogenblik klonken buiten wapengekletter en commando’s.
+
+Verschrikt keken de beide beulen elkaar aan.
+
+Wat zou dat beduiden?
+
+„Ga naar het park”, sprak de opper-eunuch tot den chef van politie, „en
+overtuig u wat de soldaten op dezen tijd hier te zoeken hebben.”
+
+Hij zou het antwoord spoedig vernemen.
+
+De deur werd opengeduwd en een Chineesch generaal trad met den sabel in
+de hand en door een dozijn officieren gevolgd, het vertrek binnen en
+overzag met één blik het treurspel, dat zich hier had afgespeeld.
+
+„Te laat!” mompelde hij in zichzelf.
+
+„Wat wilt ge?” vroeg de opper-eunuch, „waaraan ontleent gij het recht
+om hier binnen te dringen?”
+
+De generaal nam den opper-eunuch met een verachtelijken blik op, wees
+op den chef van politie en sprak tot zijn officieren:
+
+„Neem dien man gevangen en breng hem naar buiten!”
+
+Dadelijk wierpen zich verscheiden officieren op den sidderenden
+Kwo-Saing, pakten hem bij de armen en sleepten hem weg.
+
+Met een snellen blik zag de opper-eunuch wat er met hem zou gebeuren.
+
+„Gij zijt generaal Fung-wo”, riep hij met gebiedende stem, „en gij zult
+wel weten, dat gij u met het binnendringen in het keizerlijk paleis aan
+het hoofd van keizerlijke soldaten hebt schuldig gemaakt aan een
+vergrijp, dat u den dood moest kosten!”
+
+Generaal Fung-wo glimlachte weer met minachting en mat den opper-eunuch
+met een ironischen blik van het hoofd tot de voeten.
+
+Toen antwoordde hij kortaf:
+
+„Geweld gaat boven recht!”
+
+Met een kleine handbeweging wendde hij zich tot de officieren en er
+volgde een nieuw bevel:
+
+„Neem ook hem gevangen!”
+
+Nu zag de opper-eunuch wel in, dat hij een verloren man was.
+
+Bliksemsnel greep hij in zijn tunica, haalde een kleine vergiftigde pil
+te voorschijn en wilde deze inslikken.
+
+Maar generaal Fung-wo was sneller dan hij.
+
+Voordat de opper-eunuch het vergif naar den mond kon brengen, had de
+generaal het hem ontrukt.
+
+Nu ontstond een wanhopige worsteling tusschen Li en de officieren.
+
+De geheele kracht van vijf manschappen was noodig om den reuzensterken
+eunuch te ketenen.
+
+Hierop werd hij door generaal Fung-wo gefouilleerd.
+
+Tandenknarsend en vreeselijke vloeken uitbrakend, moest de opper-eunuch
+zich dit laten welgevallen.
+
+Een zegevierende uitdrukking verscheen in de oogen van generaal
+Fung-wo, toen hij uit den borstzak van den opper-eunuch verscheidene
+geheime waardevolle staatsdocumenten te voorschijn haalde.
+
+De opper-eunuch begon, toen hij dit bemerkte, luid om hulp te roepen.
+
+Generaal Fung-wo liet hem een prop in den mond duwen. Daarop werd de
+onmensch weggebracht.
+
+In de kamer moesten eenige officieren den vermoorden keizer op een
+divan leggen en twee van hen als eerewacht bij den doode blijven.
+
+Hierop verliet de generaal het paleis, stelde posten van zijn soldaten
+voor de deuren op, loste de wachten bij de poorten der verboden stad af
+en bezette ze eveneens met zijn militairen. Toen marcheerde hij naar
+het paleis van prins Thun.
+
+Zwijgend trokken de colonnes door de verlaten straten, toen zij
+plotseling werden opgeschrikt door verwijderd schieten en geschreeuw.
+
+De generaal, die aan het hoofd liep, luisterde eenige seconden om zich
+op de hoogte te stellen.
+
+Hij hoorde, dat de schoten uit de richting van het paleis van prins
+Thun kwamen.
+
+Dadelijk beval hij looppas, om den nog tamelijk langen weg sneller af
+te leggen.
+
+Met kolfslagen dreven de soldaten den meegenomen opper-eunuch Li en den
+man, die veertig draken doodde, Kwo-Saing, voorwaarts.
+
+Prins Tuan had denzelfden avond al zijn vertrouwde raadgevers om zich
+verzameld en hun de mededeeling gedaan, dat de keizerin was gestorven.
+
+„Nu komt het er op aan!” sprak hij, „mandarijnen, generaals, vrienden
+van de goede zaak, gij hebt mij tot uw aanvoerder gekozen en mij trouw
+gezworen tot in den dood.
+
+„Gij weet, dat het mijn voornaamste plicht is, China tegen de hebzucht
+der vreemde blanke duivels te beschermen en dat het mijn lijfspreuk is:
+China voor de Chineezen!
+
+„Wij willen niets te maken hebben met de duivelsche kunsten der
+Europeanen. Ons volk heeft geen opheffing, geen beschaving noodig.
+Zoodra het volk denkt, heeft de giftplant der revolutie wortel
+geschoten aan de treden van den troon.
+
+„Deze vreemdelingen beijveren zich om ons volk met helsche kunsten te
+vergiftigen: en het met minachting voor den drager van het drakengewaad
+te vervullen.
+
+„Prins Thun en keizer Kwang-Hsu ondersteunen de vreemdelingen en zien
+niet in, dat zij daarmee een zeer verachtelijk misdrijf begaan.
+
+„De vreemde honden moeten uit China weg en ons land moet weer rein
+worden.
+
+„Wilt gij mij daarbij helpen?”
+
+Een geestdriftig „Ay-ay!” klonk uit de menigte.
+
+Trotsch keek prins Tuan op hen neer.
+
+Zijn roofzuchtig gelaat verwrong zich tot een voldaan glimlachje.
+
+Hij vervolgde:
+
+„Thans, nu de keizerin dood is, is eindelijk de dag gekomen, die ons
+vrijheid en wraak brengt. Verzamel u om de vanen van den rooden draak,
+die ik in mijn hand houd. Het bloed van alle vreemdelingen moge
+eindelijk de straten van Peking kleuren—niemand worde ontzien! Het gele
+gevaar moge de wereld zoo doen sidderen, dat geen vreemde duivel het
+ooit weer waagt, ons land te betreden!”
+
+Prins Tuan ging op het tapijt zitten en een luid gemompel van bijval
+werd vernomen.
+
+Daarop stond generaal Poh-Loh op.
+
+Hij was gekleed in de oude dracht der Tartaarsche veldheeren.
+
+Het blanke kromzwaard en het schild op de borst, in den gordel een
+dozijn kostbare dolken en in zijn hand de zweep met looden kogels,
+waarmee de Tartaar zelfs den Siberischen tijger kan dooden.
+
+De oogen van den generaal schitterden, toen hij sprak:
+
+„Verheven zoon der zon! Wanneer gij de meening van uw onderdanige
+dienaren wilt vernemen, zoo luister: Voordat prins Thun met zijn
+generaals en vertrouwelingen gedood zijn, kunnen wij ons plan niet
+uitvoeren. Prins Thun is een vriend der vreemden en van hunne zeden.
+Met het eenvoudige volk in Peking gaat hij om als met zijns gelijken.
+
+„Hij is Europeesch gekleed, bezoekt de koffiehuizen en richt scholen
+op, waarin hij ons volk de kunst van het lezen bijbrengt, zoodat ze de
+duivelswoorden van de vreemdelingen in hunne couranten leeren verstaan.
+Prins Thun moet gedood worden!”
+
+Opnieuw betuigde de verzamelde menigte luide haar bijval.
+
+Daarop stond prins Tuan op en vroeg nogmaals gehoor:
+
+„Generaal Poh-Loh heeft gelijk. Nog dezen nacht moeten wij dat werk
+beginnen. Neem onze soldaten mee om prins Thun te overvallen. Zijn dood
+moge het fundament worden van onze heerschappij.
+
+„Tot alle vice-koningen, generaals, mandarijnen en gouverneurs wordt
+hiermede mijn keizerlijk bevel gericht, het volk ter bescherming van
+China te wapenen en alle vijanden van het Hemelsche Rijk te
+vernietigen.
+
+„Dood aan prins Thun en zijne vrienden.”
+
+Prins Tuan had zijne rede geëindigd.
+
+Juichende, brullende bijvalsbetuigingen klonken opwaarts uit de kelen
+van zijn aanhangers.
+
+De zwaarden werden getrokken en vol geestdrift tegen elkaar geslagen.
+
+Daarop zond de prins zijn adjudant naar de kazerne der Tartaarsche
+garde, met bevel haar te alarmeeren.
+
+Na verloop van een half uur waren de compagnieën voor het paleis van
+prins Tuan aangekomen.
+
+Het waren wilde, drieste gezellen, eene teugellooze bende zonder
+Europeeschen dril.
+
+Alleen de soldaten, die onder bevel stonden van prins Thun en generaal
+Fung-wo, waren op Europeesche wijze gedrild en konden doorgaan voor een
+geregelden troep.
+
+Prins Tuan geleidde de troepen persoonlijk naar het paleis van zijnen
+vijand.
+
+Dit lag tamelijk afgelegen van Peking in eene kleine voorstad en
+omgeven door een groot park.
+
+De wachten van den prins bemerkten direct het gevaar en openden niet,
+toen prins Tuan verlangde binnengelaten te worden.
+
+In plaats hiervan alarmeerden zij de soldaten, en na een paar minuten
+waren de ramen van het prinselijk paleis met manschappen bezet.
+
+Doch in verhouding tot de troepen der Tartaren was het slechts een
+klein hoopje te noemen.
+
+Prins Thun stapte naar het raam en vroeg, wat die overval beteekende.
+
+„Geef u over”, luidde het antwoord, „gij zijt wegens hoogverraad
+aangeklaagd, en den dood schuldig.”
+
+Toen rukte prins Thun de revolver uit den gordel en schoot haar in de
+duisternis af.
+
+Dat was het signaal tot den strijd.
+
+Het viel de Tartaarsche benden niet gemakkelijk het paleis binnen te
+dringen.
+
+Met bewonderenswaardige dapperheid sloegen de tegenstanders den aanval
+af.
+
+Doch de Tartaren namen hun toevlucht tot eene andere strijdwijze, zij
+staken het paleis in brand.
+
+Daar dit op Chineesche wijze van hout was gebouwd, breidde het vuur
+zich snel uit en noodzaakte de verdedigers hunne posten te verlaten.
+
+Krakend stortte de voormuur van het gebouw in en weldra ontstond een
+woedend gevecht tusschen de roofgierige horden.
+
+Ieder der soldaten van prins Thun had zich tegen vijf of zes man te
+verdedigen. De aanvoerder zelf vocht als een leeuw.
+
+Hij bloedde reeds uit verscheiden wonden. Naast hem streed generaal
+Fung-wo. Zij stonden voor de deur van het vrouwenverblijf en aan hun
+voeten lagen een zestal gesneuvelde vijanden. Plotseling kreeg de
+generaal een schot in de borst en zonk ter aarde.
+
+Met een zegevierend geschreeuw stortten de Tartaren zich als eene bende
+bloedhonden op prins Thun, die zich nog slechts met het zwaard in de
+vuist kon verdedigen.
+
+Prins Tuan stond achter de aanvallers en beval den Tartaren den prins
+levend gevangen te nemen.
+
+Maar het gelukte niemand den dapperen strijder in handen te krijgen,
+daar diens zwaard als een bliksemstraal neerkwam op ieder, die hem
+durfde naderen.
+
+Toen alle moeite vruchteloos scheen, greep generaal Poh-Loh zijn zweep
+met looden kogels en slingerde die den prins als eene lasso om het
+lichaam.
+
+Tevergeefs trachtte de dappere prins zich te bevrijden.
+
+Met een duivelschen lach trok Poh-Loh met een ruk den prins op den
+grond. De Tartaren sprongen naderbij en ontrukten hem het zwaard.
+
+„Terug”, schreeuwde prins Tuan, „het leven van den prins behoort mij
+toe!”
+
+Hij had een dolk in de hand en sprong op den prins toe om hem het staal
+in het hart te stooten.
+
+„Vervloekte hond”, schreeuwde hij tot den prins, „aan jou hebben wij
+het ongeluk van China te danken, maar ik zal het Hemelsche Rijk van je
+bevrijden. Sterf!”
+
+Prins Thun keek hem koud en rustig in de oogen, die van haat fonkelden.
+Hij kende geen doodsangst.
+
+Prins Tuan hief zijn hand reeds op. Generaal Poh-Loh en de Tartaren
+keken in gespannen aandacht. Plotseling gingen de gordijnen voor den
+ingang van het vrouwenvertrek uiteen, Win-Seng snelde naar buiten en
+sprong als een hond op prins Tuan toe, smeet hem op den grond en beet
+hem de keel door.
+
+Het volgende oogenblik verpletterde de strijdbijl van generaal Poh-Loh
+den schedel van Win-Seng, maar nog in den doodstrijd liet de dappere
+man het schokkende lichaam van prins Tuan niet los en bleef zoo op zijn
+slachtoffer liggen.
+
+Prins Thun had zich met een krachtigen ruk weten te bevrijden, greep
+een zwaard van een der Tartaren en schoot op den generaal toe. Deze
+rukte zijn revolver te voorschijn en vuurde.
+
+Prins Thun, in den bovenarm getroffen, wankelde een oogenblik, doch
+greep met zijn linkerhand het zwaard en met een meesterlijken houw
+sloeg hij den generaal neer.
+
+Woedend beantwoordden de Tartaren den val van den aanvoerder en een
+laatste wanhopige strijd begon.
+
+Plotseling klonken voor het paleis commando’s, de Tartaren keken
+verbaasd op, een goedgemikt salvo weerklonk, een hoerageroep werd
+vernomen en voordat de Tartaren konden vluchten, wierpen soldaten met
+gevelde bajonet zich op hen, aangevoerd door een Chineesch generaal.
+
+Kolfslagen vielen op de kale hoofden der Tartaren, schreeuwend namen
+zij de vlucht en op het volgende oogenblik salueerde voor den
+uitgeputten prins Thun generaal Fung-wo, alias John C. Raffles. Hij
+meldde zich aldus:
+
+„Majesteit, ik heb den troon van China voor u veroverd.”
+
+Prins Thun kon nog juist met een moeilijk lachje den redder in den nood
+danken, daarop zonk hij uitgeput op den grond.
+
+Raffles droeg hem met eenige officieren op een divan en zond boden naar
+den geneesheer van het Engelsche gezantschap, opdat deze zou komen om
+den prins te verbinden.
+
+Weldra verscheen de geroepene en na een rusttijd van twee uur was prins
+Thun in zooverre hersteld, dat hij het bericht kon aanhooren van Lord
+Lister, die nog steeds in de kleedij van generaal Fung-wo bij zijn
+legerstede vertoefde.
+
+Het meest waardevolle waren de aan den opper-eunuch Li ontnomen
+staatspapieren, die het laatste edict der keizerin bevatten.
+
+Hierin wees de keizerin Pu-Yi, den zoon van prins Thun, na den dood van
+den keizer Kwang-Hsu, als diens opvolger aan.
+
+Prins Thun echter zou tot aan zijn meerderjarigheid het regentschap op
+zich nemen.
+
+Nog denzelfden dag vertrok prins Thun naar de verboden stad en
+verzamelde de Mandarijnen en andere grooten van het rijk om zich heen
+tot het beleggen van een kabinetsraad.
+
+
+
+Toen Raffles den volgenden dag in Europeesche kleedij bij den keizer
+zijn opwachting maakte, nam hij op een binnenplein het schouwspel waar
+van de afranseling van Kwo-Saing, den veertig drakendooder.
+
+Hij kon een glimlach niet onderdrukken, toen de uitvoerder der straf
+voordat hij deze toediende aan den politiechef dit schrijven voorlas:
+
+„Op bevel van Pu-Yi, onzen almachtigen heerscher en zoon der zon,
+ontvangt Kwo-Saing, de man, die veertig draken doodde, veertig
+zweepslagen en wordt van al zijn waardigheden vervallen verklaard.”
+
+De opper-eunuch Li evenwel werd tot levenslange gevangenisstraf
+veroordeeld.
+
+Lord Lister schreef denzelfden avond aan Charly Brand een brief, die
+aldus luidde:
+
+
+ „Mijn beste Charly!
+
+ Ik ben in China tot opper-mandarijn benoemd met den titel van
+ honderd-draken-dooder. Wanneer ik onder draak moet verstaan al het
+ gepeupel, dat hier de menschen geknecht en onderdrukt heeft, dan
+ kreeg ik dezen titel met het volste recht. Ik geloof dat ik er toe
+ heb bijgedragen, China te bevrijden van de machten, die het volk
+ dom houden.
+
+ Met de eerstvolgende stoomboot keer ik terug, want ik verlang erg
+ naar den politie-inspecteur Baxter.
+
+ Je EDWARD.”
+
+
+Voordat Raffles China verliet, bood de prins-regent hem een schitterend
+afscheidsdiner aan.
+
+De voornaamste grooten van China zagen met verbazing voor de eerste
+maal aan de zijde van den heerscher een vreemdeling.
+
+Toen het diner ten einde liep, stond de prins-regent op en sprak aldus:
+
+„Gij zult u misschien verbazen, dat ik aan mijn zijde aan een
+vreemdeling de eer der voornaamste plaats heb gegeven. Doch aan hem heb
+ik mijn positie te danken en van hem heb ik de wijze les geleerd, die
+ik u allen als richtsnoer wil voorhouden. Ze luidt:
+
+„Aan den dappere behoort de wereld! Het is tot nu toe een fout van
+China geweest, dat wij niet den moed bezaten, koen en doortastend te
+handelen.”
+
+Hij omhelsde Raffles en kuste hem als een broeder.
+
+Daarna hief hij de tafel op.
+
+Voordat de groote onbekende het paleis verliet, nam hij afscheid van
+Anitai, die bitter weende.
+
+Zij wilde haar meester beslist volgen. Lord Lister had al zijn
+overredingskracht noodig om haar duidelijk te maken, dat hij aan haar
+wensch niet kon voldoen.
+
+Een zusterlijke vriendin had zij gevonden aan Wandé, de vrouw van den
+prins-regent.
+
+Toen Raffles Peking verliet, zond hij nog een brief aan den
+prins-regent; bij opening las deze het volgende:
+
+
+ „Mijn waarde prins Thun!
+
+ Gij verteldet mij voor eenigen tijd, dat het zelfs Raffles niet
+ gelukken zou, u te helpen. Thans, na mijn vertrek, wil ik u een
+ geheim openbaren: John Raffles hielp u den troon van China
+ bestijgen!
+
+ Wees gegroet door uw
+
+ Lord LISTER,
+ die zich noemt John C. Raffles,
+ de groote onbekende.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] De Chineezen houden van beeldspraak.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 77255 ***